diff options
Diffstat (limited to '39177-0.txt')
| -rw-r--r-- | 39177-0.txt | 12961 |
1 files changed, 12961 insertions, 0 deletions
diff --git a/39177-0.txt b/39177-0.txt new file mode 100644 index 0000000..ac2c756 --- /dev/null +++ b/39177-0.txt @@ -0,0 +1,12961 @@ +The Project Gutenberg eBook of De wijzen van het Oosten, by Cornelis Hille Ris Lambers + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: De wijzen van het Oosten + Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme + +Author: Cornelis Hille Ris Lambers + +Release Date: March 17, 2012 [eBook #39177] +[Most recently updated: December 26, 2022] + +Language: Dutch + +Produced by: the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WIJZEN VAN HET OOSTEN *** + + + + + DE WIJZEN VAN HET OOSTEN. + + Brahmanisme, Boeddhisme, + Chineesche Philosophie, Mazdeïsme + + + door Dr. C. Hille Ris Lambers. + + + Cohen Zonen, Amsterdam. + + + + +VOORREDE. + + +Twee dwalingen heerschen er nog altijd op het gebied van godsdienst +en wijsbegeerte. + +De eerste is, dat men de wijsbegeerte vijandig stelt tegenover alles +wat naar godsdienst gelijkt en aan de denkbeelden en voorstellingen, +uit den godsdienst ontsproten, slechts een mythologische waarde +toekent. + +De andere is, dat men een of anderen godsdienst, laten wij zeggen +den Christelijken godsdienst, als den eenig waren, door God zelf +geopenbaarden beschouwt en van uit dit standpunt met een meelijdende +glimlach op al de dwaze ideeën der heidenen neerziet. + +Beide deze opvattingen zijn vrij algemeen. Doch voor de rechtbank der +wetenschap laten zij zich geen van beide handhaven. Wie werkelijk de +moeite neemt verschillende godsdiensten te onderzoeken moet ze wel +laten varen. + +Als hij zich niet laat verbijsteren door alle wonderlijke godennamen +en zonderlinge gebruiken, maar tracht door te dringen tot het hart, +het wezen van eenigen godsdienst, zal hij van zijn tegenstelling +tusschen godsdienst en wijsbegeerte terugkomen. Hij zal inzien, dat +iedere godsdienst een antwoord tracht te geven op vragen als: Wie +ben ik, vanwaar kom ik, waar ga ik heen? Welken weg moet ik volgen +in 't leven? Wat is de wereld, die mij omringt? Dezelfde vragen +m. a. w. waarmede ook de wijsbegeerte zich bezig houdt. En hij zal, +althans in de godsdiensten der meer ontwikkelde volken, antwoorden +op deze vragen hooren, die wel degelijk verdienen ernstig te worden +overwogen. Het kan niet missen of zijn onderzoek zal hem leiden tot +de erkentenis dat er wijsgeerig nadenken is in den godsdienst, maar +ook dat er godsdienst moet zijn in den wijsgeer. + +Zoo wordt hij dus verlost van het vooroordeel, dat godsdienst en +wijsbegeerte tegenover elkaar staan. + +Maar--'t kan ook zijn dat een gansch ander vooroordeel in hem +woont. Dat hij, als Christen geloovige b.v. met zekere minachting +neerziet op al dien heidenschen afgodendienst, immers niets dan +duisternis. Ook dat vooroordeel zal voor zijn onderzoek bezwijken. Hij +zal--indien hij althans werkelijk iets in zich opneemt (er zijn ook +stompe hersenen, die lezen, doch niet verstaan), moèten erkennen dat +het goddelijk licht niet alleen geblonken heeft in Galilea, maar ook +in andere landen en onder andere volken. De ziel van denkers en wijzen +zal spreken tot zijne ziel en hem, misschien eerst verbijsteren doch +straks verkwikken. En, al moge hij, terecht, zijn eigen godsdienst het +hoogst blijven stellen, toch zal hij met dankbaarheid en waardeering +het licht begroeten, overal waar het schijnt. + +'t Zou mij niet verbazen, indien menig lezer van "de groote denkers", +aan het eind van dit deel genaderd, deze mijne opmerkingen volkomen +deelt. Me dunkt, dat kan bijna niet anders. Want èn het Brahmanisme, +èn 't Boeddhisme, en de oude wijsheid van China en van Perzië staan +hoog genoeg om vooroordeelen, als ik u daareven schetste, te doen +verdwijnen. Ieder van die godsdiensten toch brengt een eigenaardige +zijde van 't menschelijk denken en gevoelen op den voorgrond. Het +Brahmanisme spreekt ons "in teekenen en symbolen," van de ééne macht +die alles bezielt, van het ééne leven, dat in alle wezens woont en +opwaarts streeft tot volkomen loutering. Het Boeddhisme wijst ons op +de ellende, waaraan al wat bestaat onderworpen is, doch toont ons ook +het heilige pad, dat tot bevrijding van het lijden kan voeren. Beide +oude godsdiensten doen ons diep gevoelen, dat geen uiterlijke dingen +alleen in staat zijn den vrede des gemoeds te schenken. + +Weder andere waarheden zijn het, die ons tegenklinken uit het +aloude China. We zetten ons aan de voeten van Confucius en die oude +wijze onderhoudt ons over ons gebrek aan eerbied: eerbied voor de +wetten des hemels, eerbied voor ouders en grijsaards en roept ons +toe dat er van onze beschaving niets kan komen, als geen trouw en +eerbied ons bezielt. Daarnaast doet Lao tsze ons op treffende wijze +gevoelen dat ook de oude Chineezen liefde en eenvoud kenden als de +grondslagen voor des menschen geluk. En mochten wij dan door die +liefdesprediking wat al te weekelijk en te zoetelijk worden gestemd, +dan gaan we met onze gedachten naar het oude Perzië en wij hooren +ons daar aanbevelen den heiligen strijd, den strijd tegen al 't booze +in de natuur, tegen al 't verdorvene in de menschenwereld, tegen al +'t onreine in ons eigen leven. En straks, straks zitten wij peinzend +stil, en wij denken nog eens weer na, wat al die groote denkers van +zooveel eeuwen dachten. Wonderlijk, dat ieder der systemen zoo groote +aantrekkelijkheid heeft, dat ieder op zijn beurt ons wil voorkomen +als de ware wijsheid. + +Wel groote denkers moeten 't geweest zijn, die deze godsdiensten +hebben gesticht, deze onsterfelijke gedachten hebben uitgesproken. + +En--onwillekeurig plaatsen wij ons leven en streven eens in dat +licht der oudheid. Wij vragen ons af, wat wij nu eigenlijk weten van +'s werelds bestuur en 's levens doel en vergelijken nog eens die +antwoorden, die de oudheid gaf..... Waarlijk, 't was niet te vergeefs +dat wij neerzaten aan de voeten der ouden, dat wij trachtten, de +soms in zoo wondere vormen gehulde, oostersche wijsheid op ons te +laten inwerken. Wij gevoelen dat zij ook ons nog licht en troost +kan schenken. + +Zoo, mijne lezers, hoop ik dat gij gestemd zult zijn, als gij aan +'t einde van dit werk zijt gekomen. + +Gij vraagt misschien nog: hoe hebt gij, schrijver, deze uwe taak +opgevat? Mijn antwoord luidt, dat ik uit verschillende bronnen +heb geput, welke achter in dit werk dan ook worden vermeld. Wat +de Chineesche wijsbegeerte betreft is mijn arbeid grootendeels +eene vertaling van het, mijns inziens, voortreffelijke werk van den +Duitschen geleerde M. von Brandt [1], waarbij ik echter ten opzichte +van Lao tsze en diens leer mijn eigen weg ben gegaan. + +Mijn hoofddoel was een aanschouwelijk beeld te geven van het +eigenaardige, dat ieder der straks genoemde godsdiensten kenmerkt, +ze begrijpelijk te maken, hun schoonheid en wijsheid te doen gevoelen, +ook voor menschen van een gansch ander ras, een gansch verschillenden +godsdienst en ver uiteenloopende beschaving. Van harte hoop ik daarin +niet al te ongelukkig te zijn geslaagd. [2] + + + Juli 1902. + + Dr. C. HILLE RIS LAMBERS. + + + + + + + +HOOFDSTUK I. + +Het Brahmanisme, zijn oorsprong, karakter en eigenaardigheden. + + +Wanneer wij den loop eener rivier nagaan, zien we eerst een klein +beekje, dat van de bergen afdaalt. Langzamerhand verbreedt het zich +en wordt het tevens kalmer in zijn loop. Wateren van verschillende +kleur en oorsprong neemt het op, en--voor het de zee bereikt--splitst +zich de machtige stroom vaak in verschillende armen. + +Iets dergelijks zien we, wanneer we nagaan den loop van verschillende +godsdiensten door de wereld. We denken bv. aan den godsdienst van +Israël. Eerst een klein beekje, dat door niets toonde dat het een +grootere toekomst had dan andere dergelijke beekjes. Langzamerhand +echter komt het aan 't licht dat het kleine beekje een groote rivier +zal worden: 't blijkt dat er in Israëls godsdienst iets ligt, waardoor +hij zich van andere godsdiensten kenmerkend onderscheidt. Straks +komt het almeer in een vaste bedding: oude wetten en verhalen worden +saamgevoegd en als heilig beschouwd, een priesterstand krijgt de +leiding in handen: deze wordt straks uitsluitend bevoegd om offers +te brengen en verschillende godsdienstige verrichtingen te leiden. + +Godsdienstige denkbeelden, van elders ontleend, worden opgenomen +en zóó in 't kader ingevoegd dat zij een onbreekbaar geheel vormen: +evenals de zijrivieren met den grooten stroom. Zoo vormde zich uit den +oud-Israëlietischen de Joodsche godsdienst met zijn eigenaardigheden: +zijn op den voorgrond stellen van de éénheid Gods, zijn gehechtheid aan +de geheiligde wetten en gebruiken, zijn gewijde offers en ceremoniën. + +Doch daarnaast vloeide straks een machtige zijstroom. + +Onder het oude Israël had men de profeten, de verkondigers van vrijheid +en zelfstandigheid: de mannen die opkwamen voor de eischen van het +zedelijk en maatschappelijk leven als Gods grootste geboden. Ook hunne +geschriften waren door de Joodsche geleerden opgenomen onder de heilige +schriften, doch: hun denkbeelden vertegenwoordigden niet de heerschende +richting van het Jodendom. Straks echter zou Israëls grootste zoon ze +brengen op den voorgrond en ze verder ontwikkelen. Hij verdedigde ze, +in heeten strijd met de Joodsche schriftgeleerden, tegen wetsgezag +en priesterstand in--en uit zijn optreden werd een nieuwe godsdienst +geboren: een machtige zijarm van de groote rivier spoedde zich voort. + +Waarom deze dingen herinnerd, waar we gaan spreken over een gansch +anderen godsdienst, uit een gansch ander land? Omdat we hier ongeveer +'t zelfde zien gebeuren. Uit den oorspronkelijken godsdienst toch +der oude Indiërs heeft zich als een machtige stroom het Brahmanisme +ontwikkeld: een godsdienst waarin ook waren bijeengezameld gewijde +geschriften van vroeger en later tijd, de Veda's, waarin ook was +opgekomen een priesterstand vol gezag: de Brahmanen. + +Een godsdienst vol voorschriften, wetten, en ceremoniën. + +Doch in dien godsdienst was ook een nevenstroom: een zoeken van +het ware levensdoel, niet zoozeer in gewijde vormen en ceremonie's, +als wel in stille overpeinzing over het leven en in 't vrijmaken des +geestes van de banden der stof. Ook die nevenstroom behoorde tot den +erkenden, gewijden godsdienst. Maar straks zou die worden geleid in +een geheel nieuwe bedding. Het Boeddhisme trad met kracht in 't krijt +tegen de uitwendige godsvereering en vond zijn hoogste streven hierin, +dat het de menschen wilde losmaken uit de begoocheling der zinnen, +en dat niet door zelfkastijding en offers, maar door een gestreng +en eenvoudig liefdevol leven. Dat Boeddhisme staat min of meer in +dezelfde verhouding tot het Brahmanisme als het Christendom tot den +Israëlietischen godsdienst. Om het dus goed te verstaan dienen wij +eerst zijn vader: het Brahmanisme te kennen, een vader, tegen wien het +wel in verzet kwam, maar met wien het toch wezenlijke karaktertrekken +gemeen heeft. + +Wat nu is Brahmanisme? De godsdienst, die staat onder de leiding der +Brahmanen, een afgesloten priesterstand van Indië. Aanhangers van het +Brahmanisme--een godsdienst, door 170 millioen Indiërs beleden--zijn +dus zij die zich in 't algemeen aan de leer en de voorschriften +der priesterschap houden en bij godsdienstige plechtigheden van +hare tusschenkomst gebruik maken. Men denke daarom niet dat de +geloovigen van dezen godsdienst in alles eens zijn: verre van dien. De +een--en dit verschil geldt vooral van het Brahmanisme, zooals het nu +bestaat--brengt zijn offers en vereering aan deze godheid, de ander +aan gene. En ook de wijze, waarop de verschillende goden worden +vereerd loopt ver uiteen. Toch: er is eenheid in de verscheidenheid. + +Alle goden gelden, vooral voor den ontwikkelden Brahmaan, als +openbaringen van één alwezen, het Brahma, dat, zelf onnaspeurlijk +verheven en onbeschrijflijk, aan alle dingen ten grondslag ligt en +zich in alles openbaart; in de goden, maar ook in de menschen, ja, +zelfs in de dieren en planten. Schijnbaar dus een bont geschakeerd +tafereel van goden, een tooneel van bijgeloovigen afgodendienst, +toch voor de ingewijden gansch iets anders. + +Al de ontelbare goden, al de groote krachten en werkingen der natuur: +de wind, de rivieren, de aardbevingen en pestilentiën, voor dezen zijn +ze slechts de openbaringen van de aldoordringende goddelijke kracht, +die in onnoemelijk veel vormen zich doet kennen. + +De mensch zelf is slechts het aarden vat, dat de inwonende Godheid in +zich houdt (Brahma is het albezielend goddelijk leven "en die zijt +gij", klinkt een van de spreuken). Die inwonende godheid geeft aan +de menschheid hare gedachten en de uiting daarvan. + +God is dus eigenlijk de natuur: zoodat als gij de natuur dient: 't +zij de bezielde of de onbezielde, gij eigenlijk God vereert en als gij +een beeld aanbidt gij het zinnebeeld of de openbaring der godheid eert. + +Zoo is dus het Brahmanisme aan de eene zijde een verlichte +wijsbegeerte: zoo wordt het verstaan door zijn meest ontwikkelde +aanhangers, terwijl het toch onder zijn wijden mantel alle mogelijke +bekrompen godsvereering en bijgeloof kan dekken. + +Om deze en andere eigenaardigheden van het Brahmanisme goed te +begrijpen is het echter wenschelijk, dat wij eerst ons trachten in +te denken hoe deze godsdienst is ontstaan. + +We gaan met onzen geest terug tot lang vervlogen dagen, tot vele, +vele eeuwen voor Christus, toen de Ariërs--de gemeenschappelijke +voorvaderen van Indiërs en Perzen--als een herders- en landbouwvolk ten +noorden van het Himalaya gebergte woonden. Straks gingen zij, toen hun +aantal zich uitbreidde uiteen: sommigen trokken naar het westen (de +voorvaderen der Perzen), anderen naar het zuiden, door de passen van +Afghanistan naar Indië. Toch: een vergelijking van den oud-Indischen +en den oud-Perzischen godsdienst leert ons dat zij eenmaal één waren. + +Evenals andere volken gevoelden ook de oude Indiërs dat er machten +boven hen stonden. Met vrees en vereering zagen zij op naar de lucht: +den blauwen hemel, de zon, de duisternis en andere natuurmachten, +van wie hun welzijn afhankelijk was. Overal in de natuur bemerkten zij +beweging en waar beweging was, daar was ook leven en macht. Waren zij +niet gedrongen de gunst te zoeken dier bovenaardsche machten? En--moest +niet onder die machten ééne de hoogste zijn? Vandaar dat zij van den +stralenden hemel spraken als van den vader des lichts (Dyaus. Pitar) +of ook in de alles doordringende lucht (Varuna) de tegenwoordigheid +speurden van een onzichtbaren getuige van al hun daden, bij dag en +bij nacht. Ook Agni, de god van het vuur, die belangrijke hulp van +den mensch: weldadig, maar ook verteerend, werd geëerd. + +Een voorgeschreven vereering van deze en andere goden was er echter nog +niet. Men bracht hen hulde door lofliederen en gebeden, door geschenken +van voedsel en drank. En men gaf hun in zijn offers datgene wat men +zelf het meest op prijs stelde: rijst en boter en vooral het vroolijk +makende sap van de Somaplant (Sarcostema Viminalis) waaraan men voor +zijn eigen levenskracht zoo groote waarde toekende. Ieder bracht zelf +zijn offers en gebeden, naar zijn eigen gevoel hem dat ingaf. + +Toch: men kende ook reeds in die oude dagen mannen van verlichting +en leiding (Rishi's), die het woord der goden hoorden en hun +goddelijke kennis (Veda) aan anderen overbrachten. Aan hen +worden de gezangen der Vedische boeken, de gewijde schriften van +het Brahmanisme, toegeschreven. In de meeste Veda's zijn drie +bestanddeelen, mantra's-liederen, brahmana's-verhandelingen, +sutra's-overleveringen. De mantra's vormen de oudste +gedeelten. Inderdaad verplaatsen ons sommige dezer liederen in die +lang vervlogen eeuwen en doen zij ons zien dat een diep religieus +gevoel in de harten dier oude Indiërs woonde. + +Men hoore b.v. het volgende lied aan Varuna: [3] + + + De machtige Varuna, hoog daarboven, ziet omlaag, + Op deze werelden, zijn rijksgebied, als dicht nabij, + Als menschen steelsgewijs het kwade doen, hij weet het. + Waar iemand staat, of gaat, of zachtkens henensluipt, + In duistren schuilhoek toeft of in 't verborgen loert, + Varuna ziet het en speurt hun bewegen. + Als twee te zaam een heilloos plan beramen, + En wanen zich alleen en onbespied, een derde is daarbij: + De koning ziet het al. Ontelbaar in getale + Gaan zijn gezanten d'aarde rond, en duizend oogen, + Zij speuren na wat haar bewoners plegen. + Wat op de aard bestaat, wat in haar dampkring leeft, + Ja, al wat daar beneden is, des konings blik doorgrondt het, + Hij telt het knippen van des menschen oog. + En over 't gansch heelal werpt hij de teerling. + + +Niet minder treffend zijn vele andere hymnen, aan Agni den vuurgod, of +aan Indra, den god van den regen, in den Vedischen tijd veel vereerd, +gericht. Vooral worden Agni, de vuurgod, Indra, de god van den regen, +en Suriya, de zonnegod, te zamen genoemd als regeerende over de aarde, +den dampkring en het uitspansel daarboven. + +Deze drie werden langzamerhand de hoofdgoden der oude Indiërs. Een +merkwaardig verschijnsel echter is, reeds een aandachtige lezing +van de boven aangehaalde hymne aan Varuna overtuigt ons daarvan, dat +ieder dier goden telkens weer als de hoogste, bijna als de eenige werd +geprezen. M. a. w. er lag reeds in den Vedischen godsdienst een zeker +zoeken naar ééne hoogere macht, boven al de anderen verheven. Eveneens +vinden wij het onsterfelijkheidsgeloof hier uitgesproken, doch niet het +latere geloof aan vele geboorten, die de mensch moet ondergaan voor hij +het hoogste bereikt: dat wil zeggen: met de Godheid vereenigd wordt. + +Wij denken b.v. aan de volgende hymne, gericht tot Yama, den eersten +mensch, die stierf, en daardoor koning werd van het geestenrijk: + + + Den macht'gen koning, Yama, gave en eer gebracht, + Hij was de eerste toch die stierf en die den snellen stroom + Des doods braveerde, d'eerste, die den weg ten hemel ging + En and'ren welkom heette in 't oord der heerlijkheid. + Geen macht kan ons dit thuis, door u veroverd, nemen, + Wij komen koning, ieder die geboren is moet sterven + En treden op het pad, door u gebaand, waarop in lange rijen, + Geslachten reeds zijn voorgegaan, den weg + Ook onzer vaad'ren. O ziel des dooden, ga dan rustig heen, + Vrees niet dien weg, dien ouden weg te nemen, + Die tot den God u voert en tot uw zaal'ge vaad'ren, + Bij Hem in heerlijkheid! Vrees voor de honden niet, + Die met hun viertal oogen 't geestenrijk behoe'n, + Keer weer naar uw tehuis, o ziel! Uw zonden, uw verdriet + Laat g'achter op deez' aarde, en gij verkrijgt + Een heerlijke gestalt'--uw' oude vorm--verheerlijkt + En van alle vlek bevrijd. + + +Zien wij niet uit deze gedichten, dat verheven denkbeelden over dood +en leven het oude Indië reeds kenmerkten? Doch--wij willen bij dien +oud-Vedischen godsdienst niet langer stilstaan. 't Was ons enkel te +doen om den bodem te doen zien, waaruit het Brahmanisme opgroeide. + +Brahmanisme wil eigenlijk zeggen, zooals we reeds vroeger opmerkten: +godsvereering onder de leiding der Brahmanen. Dus niet een geheel +nieuwe godsdienst, maar de oude, door een priesterstand in vaste +bedding geleid. + +Priesters had men natuurlijk reeds in de oude Vedische periode. Ook +onderscheidde men toen reeds vier verschillende standen: de Brahmanen, +of priesters, de Kshatrya's (edelen of krijgslieden) de Vaisya's +(landbouwers) en de Sudra's (werklieden). Doch nu kwam er een +afgesloten priesterstand en werden de standen beschouwd als casten: +scherp afgescheiden groepen [4]. De priesters heetten voortgekomen te +zijn uit den mond, de krijgslieden uit borst en armen, de landbouwers +uit het lijf, de werklieden uit de voeten der godheid. + +Zoo stonden dus de Brahmanen voorop, zij wisten koningen en volk +te leiden en op den geheelen godsdienst hun eigenaardig stempel +te drukken. + +Het eerste wat zij deden was voorzeker de heilige boeken, de Veda's, +bijeen te verzamelen. Deze zijn vier in getal: de Rig Veda (liederen +Veda), de Sama Veda (offerzangen Veda), de Yayur-Veda (offerspreuken +Veda) en de Atharvan-Veda (tooverspreuken Veda). Deze boeken nu +behelzen bestanddeelen van verschillenden ouderdom en hebben ook nog +dit eigenaardige dat vele zangen en spreuken in meer dan een dier +verzamelingen voorkomen. + +Zij vormden voortaan de heilige wetenschap (= Veda), die de priesters +hadden te bestudeeren en aan de schare bekend te maken. Aan hen werden +straks de Brahmana's, godgeleerde en ritueele verhandelingen, die +gewoonlijk een veel minder verheven geest ademen dan de oude Vedische +liederen, toegevoegd. Doch ook de Upanishads, meer bespiegelende, +stichtelijke werken, kregen straks hier een plaats. + +Men ziet dat op dit gebied hetzelfde geschiedde wat ook elders onder +leiding eener macht verkrijgende priesterschap gebeurt: oude verhalen +en liederen worden te zamen gebracht, en door nieuw bijgevoegde +stukken, in bepaald priesterlijken geest wordt er een nieuwe stempel +op gedrukt: het geheel wordt vervolgens een wetboek, waarvan de +priesterschap de sleutel bezit. Men denke bv. aan de ontwikkeling van +Israëls godsdienst, waarbij precies hetzelfde gebeurde: Ezra en andere +priesters verzamelden oude wetten en overleveringen: brachten nieuwe +tot stand in hun geest--bij wier licht de oude moesten worden verklaard +en--gaven dat geheel als wetboek aan het volk. Echter niet zooals bij +Israël mochten in oud-Indië de leeken de wet bestudeeren, dat bleef de +taak der Brahmanen, zij alleen waren de mannen der heilige wetenschap. + +In welke bedding nu trachtten die mannen der heilige wetenschap den +volksgodsdienst te leiden? Ik zeg: trachtten te leiden, want de geheele +leiding van een volksgodsdienst nemen kan geen enkele priesterschap, +konden ook de Brahmanen niet. + +Allereerst werd de waarde van het offer door hen nog hooger +verheven. Reeds in den ouden tijd hadden de Indiërs het denkbeeld dat +het offer de krachten der bovenaardsche machten sterkte en daardoor +meewerkte om een goed wereldsch beloop te verzekeren. Langzamerhand +echter kwam het denkbeeld op dat het offer ook kan strekken om door de +gunst der versterkte goden een of ander aardsch doelwit te verkrijgen, +b.v. de geboorte van een zoon, ja, men ging zelfs zoover dat men +het offer ging beschouwen als een middel om bovenaardsche vermogens +deelachtig te worden. + +Verder maakte men van de, vroeger eenvoudige, offers zeer +samengestelde offerplechtigheden. Daarbij werden bepaalde hymnen +en aanhalingen uit de Veda's gezongen en uitgesproken, en met +angstvallige nauwkeurigheid werd gewaakt voor ieder onderdeel van +het ritueel. Sommige offerplechtigheden strekten zich uit over weken, +ja over jaren: het waren ketenen, van welke iedere schalm nauwkeurig +in het gelid moest passen, zou het offer gunstige gevolgen hebben. De +godheid, waaraan men zijn gaven en gebeden wijdde, trad daarbij op +den achtergrond: doch het volbrengen van offerplechtigheden werd +beschouwd als een krachtig middel om hen, die er aan deelnamen, +macht te verleenen in deze en in de toekomende wereld. + +Men ging zelfs zoover van het offer (Yajna) zelf voor te stellen als +een godheid. + +Ja, in sommige plaatsen van de Brahmana's werd zelfs geleerd dat +de goden zelf sterfelijk waren, totdat zij door offers den dood +overwonnen. Ook de mensch kan door offeren van den dood worden bevrijd: +doch zijn lichamelijk leven moet hij geven als zoenoffer. + +En die verzuimt te offeren moet telkens weer worden wedergeboren, moet +eindelooze levens doorloopen, om altijd weer zijn lichaam aan de goden +te offeren. Men hoore de volgende aanhaling uit Satapatha-Brahmana: + + + De goden leefden steeds in vreeze voor den dood, + Den machtigen Voleinder. Dus herhaalden + Zij nauwgezet hun offers telkens weer, tot zij onsterf'lijk waren. + Toen sprak de machtige Voleinder tot de goden: + Gij hebt uzelf onsterfelijk gemaakt, nu zal de mensch beproeven + Om ook zichzelf van mijne macht 't ontslaan. + Wat wordt mij daarvoor in den mensch vergoed? + De taal der goden luidde: Voortaan zal niet één + In 't eigen lichaam de onsterf'lijkheid bereiken. + Het sterf'lijk hulsel blijft uw eigendom, uw voedsel + Zal het zijn in eeuwigheid. Ja, ook die door godsdienst'ge daden, + D'onsterf'lijkheid verwerft, zijn lichaam zal hij eerst, + Aan u ten offer wijden, als uw prijs. + + +Wij zien in dit gedicht uitgedrukt de eigenaardige leer der zoogenaamde +zielsverhuizing, aan het Brahmanisme eigen. Wat is hare strekking? Wij +willen die met een enkel woord in het licht stellen. + +Bij onze bespreking van den ouden Vedischen godsdienst: d. w. z. den +godsdienst, waarvan ons in de oudste gedeelten der Veda's de geest +is bewaard gebleven, zagen wij reeds dat er zeker streven opkwam om +één der vele goden tot oppergod te verheffen: men denke b.v. aan de +straks aangehaalde hymne, tot Varuna gericht. In den oud-Brahmaanschen +godsdienst nu kwam men daar omtrent tot klaarder besef. Men gevoelde +dat er een "Geest (atman)" was, boven de kennis der zinnen verheven, +die alle stoffelijk dingen bezielde en doorademde. Die zelfde geest, +die de gansche stoffelijke wereld bezielde was het ook die trilde in +de gedichten der zangers, die bezieling gaf bij godsdienstige kennis +en gebed. Boven alle persoonlijkheid was hij verheven, oneindig en +onbeperkt lag hij aan alle dingen ten grondslag en woonde hij in 't +gansch heelal. Ook in den mensch. Was hij niet de levensadem, die het +lichaam bezielde, woonde hij met zijn geheimzinnige tegenwoordigheid +niet in ieders geweten? Breidde hij zich niet uit in de gansche +oneindige ruimte? Daarom gaf men hem den naam: Brahma. Brahma +(onzijdig) is dus het wezen, dat aan alle dingen ten grondslag ligt: +en waarvan ook de mensch een deel is. Al de goden waren evenals de +menschen slechts openbaringen van die hoogste kracht. + +Wat nu moet het levensdoel zijn van den mensch? + +Om, van al het stoffelijke bevrijd, van alle smet gereinigd geheel, +in dit Brahma, in die wereldziel, te verzinken. Hoe echter moet dit +doel worden bereikt? Wij zagen reeds dat de offers daartoe een werkzaam +middel werden geacht. Doch, nevens de offers, in sommige kringen zelfs +met terzijdestelling daarvan, hechtte men in dezen groote waarde aan +zelfkastijding en aan bespiegelend inkeeren tot zichzelf: want komen +tot zichzelf, tot zijn diepste wezen, is komen tot Brahma. + +Doch: een enkel menschelijk leven is daarvoor niet genoeg: vele levens +moet men doorloopen, telkens weer moet men na een overgangstijdperk +in hemel of hel, naar gelang van zijn vroeger leven, opnieuw worden +geboren, altijd op hoogeren trap van zelfverloochening en bespiegeling +gerakend, zal men eindelijk geheel in de wereldziel verzinken. En +wee die toegeeft aan booze lusten en geen zelfverloochening kent: +eindeloos zijn zijne wedergeboorten: hij kan zelfs genoodzaakt zijn +niet als mensch, maar als dier of plant weer te keeren. + +Wie echter als Brahmaan ter wereld komt, in die geheiligde caste +het levenslicht aanschouwt, hij heeft reeds een goed deel van den +moeilijken levensgang afgelegd. Hoe moet hij komen tot volkomen +verlossing? + +Die weg wordt in het wetboek van Manoe zorgvuldig aangewezen. Eerst, +zoo luidt het hier, is hij een leerling der Brahmanen, met het +gewijde koord en den gordel bekleed. Een hechte band vereenigt hem +met zijn leermeester, door wien hij in de heil'ge boeken onderwezen +wordt. Straks is zijn leertijd volbracht en viert hij, bij 't brengen +van zijn eerste offer, het feest zijner wedergeboorte. + +De leerling wordt nu huisvader. Zoo betaalt hij in deze twee eerste +levensstadiën de schuld, waarmede hij geboren werd: die aan de Rishis +("heilige" zangers) wier liederen hij leerde om ze aan volgende +geslachten over te leveren, aan de voorvaderen, door nakomelingschap +te verwekken om hen offers te brengen, aan de goden, aan wie hij zijn +eigen offers wijdt. Heeft hij deze schulden betaald, dan kan hij het +huishoudelijk bestier aan zijn zoon, die nu zelf huisvader geworden is, +overdragen en zich terugtrekken uit het wereldsch gewoel om geheel +voor godsdienstige overpeinzingen te leven. Boven het offeren is +hij dan verheven: door het beschouwend leven komt hij straks tot +volkomen verlossing. Doch slechts dan is hij zoover gevorderd, dat +geen nieuwe wedergeboorte hem meer wacht, indien hij ook in zijn +laatste oogenblikken niet meer over de wereldsche dingen, ook maar +voor een oogenblik, zijn gedachten laat gaan. + +En uit deze leer over de verlossing, waarin aan het ascetische leven +feitelijk een hoogere waarde wordt toegekend dan aan het offeren, en +uit die van het Brahma, het ware wezen, dat onpersoonlijk is en aan +alle dingen ten grondslag ligt, kunnen wij zien welken eigenaardigen +weg het Indische denken in het Brahmanisme opging. Het onbewuste wordt +hier boven het bewuste, het onpersoonlijke boven het persoonlijke +gesteld. Voorwaar een groote tegenstelling met de Westersche +godsdienstige ontwikkeling in het Christendom, waarin God geldt als +de zelfbewuste, liefhebbende macht, de Vader, en waarin niet opgaan +in het albeginsel, maar streven naar volmaking, naar steeds grootere +ontwikkeling der persoonlijkheid, als doelwit wordt gesteld. + +M. a. w.: het Brahmanisme is een pantheïstische: (God = de Alziel), +het Christendom een theïstische (God = de Albestuurder) godsdienst. [5] + +Het Brahmanisme een pantheïstische godsdienst. Dat schijnt voor +den oppervlakkigen beschouwer vreemd, want hij bemerkt dat er vele +goden zijn, aan wie men zijne vereering brengt: men zegt zelfs dat +er 33 millioen goden of goddelijke wezens door dezen godsdienst +worden erkend. M. a. w.: het Brahmanisme gelijkt veel meer op een +veelgodendom, dan op de erkenning van één beginsel, dat aan alle +dingen ten grondslag ligt. + +Gaan wij echter na de philosophische stroomingen of scholen, die +zich in het Brahmanisme hebben ontwikkeld, waaronder de Vedanta en de +Sankhya-philosophie de voornaamste zijn, dan valt dit ééne, dat zich +in alles openbaart, helder in het oog. De zaak is feitelijk deze: +de Brahmanen hadden te doen met een volksgodsdienst, die een groot +aantal goden erkende. De minder ontwikkelden eensklaps opvoeren +tot de hoogte der wijsgeerige bespiegeling ging niet aan: het volk +was daarvoor niet rijp. Een anderen weg moest dus bewandeld en kon +ook worden betreden. Al de goden waren in 't oog van den verlichten +Brahmaan openbaringen van het eene Alwezen, of liever zinnebeelden, +aanwijzingen van die goddelijke macht. Welnu, zoo konden zij hunne +vereering blijven behouden: wie hen diende bracht toch ten slotte +zijne vereering aan de groote Macht, die zich in alles openbaart. Wie +Vishnoe bij voorkeur dient, eert in hem de onderhoudende kracht: een +der zijden van het Alwezen. Wie voor Rama en Krishna, twee volksgoden +bij uitnemendheid, zich buigt, hij eert de goddelijke vleeschwordingen +van den grooten God Vishnoe. Wie voor Siva gestrenge boetedoeningen +verricht, hij erkent immers de macht die het leven afbreekt, doch +ook telkens weer vernieuwt? Is niet ook Siva ten slotte uit Brahma +voortgevloeid? + +Zoo heeft dus het wijsgeerig denken beslag gelegd op den ouden +volksgodsdienst, en de schare moge blijven staan bij de verschillende +goden zonder den symbolischen zin te verstaan, toch: door wie dieper +doordringt, m. a. w. door de meer ontwikkelden onder de Indiërs, +wordt in toenemende mate verstaan dat het opgaan in het alleven +de eigenlijke zin is van het gansche wonderbare tooverpaleis, door +dezen godsdienst opgebouwd, met wijsgeerig bestek, op de grondslagen +van den alouden volksgodsdienst. Wie dus het Brahmanisme goed wil +verstaan moet zich niet te veel ergeren aan den afgodischen schors, +maar doordringen tot den innerlijken kern. Als hij dat doet, zal hij +zien, dat er tusschen het schijnbare veelgodendom en de wijsbegeerte +der Brahmanen niet zulk een klove bestaat, maar dat tot de schare +wordt gesproken in gelijkenissen, doch tot de ingewijden vrijuit, +dat voor de eersten de hoogste waarheid verborgen blijft in het +mythologisch kleed, maar dat zij voor de anderen soms helder schijnt. + +Om een en ander in 't licht te stellen willen wij èn bij de +Brahmaansche godenleer èn bij de Brahmaansche wijsbegeerte nog +uitvoeriger stilstaan. + + + + + + + +HOOFDSTUK II. + +Brahmaansche godenleer en levensbeschouwing. + + +Brahma, zoo heet het in de eerste: het volstrekte en oneindige, bracht, +door Maya (den schijn) beheerscht, Brahma voort. Deze manlijke god +Brahma (wel te onderscheiden dus van het onpersoonlijke, Brahma) +staat aan het hoofd der schepping. Hij is de Schepper, uit wien +alle leven is. Doch naast hem staan als de twee andere goden der +Indische Trimurti (drieëenheid) Vishnoe de onderhouder, en Siva, de +verwoester. In deze drie personen openbaart zich alzoo de godheid. De +Oud-Indische dichter Kalidasa drukt het aldus uit: + + + In deze drie personen wordt d'ééne God gezien, + Een ieder van hen is de eerste en de laatste + In rang, niet één alleen, + 't Zij Brahma, Vishnoe, Siva, ieder van hen zij + De eerste, tweede, derde, in de goddelijke rij. + + +In de grotten van Elephanta bij Bombay wordt het heilige drietal +voorgesteld als drie majestueuse hoofden, die uit één lichaam zich +verheffen. Ook is de driehoek een zinnebeeld hunner eenheid en +gelijkwaardigheid. + +Van deze drie goden nu wordt Brahma het minst vereerd. Feitelijk +is hij meer een wijsgeerig beeld, ontstaan uit het streven om een +uitgangspunt te vinden voor het geheele stelsel, dan een godheid, +die zich werkelijk bekommert om de werking der wereldmachine, die +door zijn wil in beweging is gebracht. Zijn invloed is te verwijderd, +zijn werkzaamheid is te weinig omschreven, om indruk te maken op de +verbeelding der schare, daarom heeft hij ook slechts weinige tempels +en worden daarentegen in het nieuwere Brahmanisme de beide andere +hoofdgoden vooral gediend. + +De orthodoxe Hindoes toch zijn hoofdzakelijk verdeeld in vereerders van +Vishnoe en Siva, twee secten, die elkaar weinig waardeeren. Vishnoe +is een zeer belangrijke, veel omvattende godheid. Hij is de opperste +onderhouder aller dingen en zijn vrouw Laksmi is de godin van overvloed +en vruchtbaarheid. Vishnoe in zijn hoogste openbaring wordt afgebeeld +als neerzittend in zalige rust: trouwens rust: geen werkzaamheid is, +in overeenstemming met den geheelen geest der Indiërs, het eigenaardige +der hoogste goden. Doch in tegenstelling met den verheven Brahma, +kan Vishnoe worden gewekt door de ernstige gebeden en offergaven +der menschen of der lagere goden, ja, hij kan er toe gebracht worden +om in de wereld af te dalen en--op kritieke oogenblikken--de dingen +terecht te brengen. + +Die neerdalingen zijn de beroemde vleeschwordingen (avatara's) van den +god, waarin hij groote daden heeft gedaan en machtige wonderen heeft +verricht. Zijn beroemdste vleeschwordingen zijn Rama en Krishna. Rama +is een beroemd, met een stralenkrans omgeven oorlogsman: de held +van het Ramayana, dat beroemde Indische heldendicht. Krishna is een +halfgod, wiens dienst in sommige deelen van Indië in hooge eere is, +hij wordt uit verschillende oogpunten in de Indische godsdienstige +litteratuur beschouwd en is de held van het tweede beroemde Indische +heldendicht, het Mahabharata. + +Deze leer der goddelijke vleeschwording is een van de belangrijkste +leerstukken van het nieuwere Brahmanisme: zij brengt verband in +verschillende deelen van den godsdienst, de hoogere met de lagere +vereenigend, de goden uit den hemel naar omlaag voerend om zich met +de aardsche aangelegenheden in te laten. + +Wilde men zich rekenschap geven van de wonderbare daden van eenig +beroemd held: de verklaring was, dat de groote god Vishnoe zich in +zijne gestalte had geopenbaard: zoo verscheen de god, tot verhooging +van zijn eer, telkens als mensch onder de menschen. Doch: ook van +de lichamen van dieren nam Vishnoe soms bezit; nu eens ontmoeten +wij hem als leeuw, dan weer als beer, als visch of als schildpad; +wat bij die andere vleeschwordingen al heel slecht schijnt te +passen. Eerst hoort gij dat de goddelijke geest een schitterend +krijgsman of een wonderdoend heilige bezielde, en gij stemt toe, +dat deze opvatting redelijk is en geenszins onwaardig. Hoort gij nu +echter dat dezelfde god is overgegaan in een visch of een schildpad, +en onder dien vorm wordt vereerd: dan vindt gij dit een onredelijk, +ongerijmd geloof. Doch: vergeet dan niet dat de pantheïstische +denkwijze: de Eéne, die zich overal openbaart, de grondslag is van +al deze vleeschwordingen en dat de goddelijke geest immers evenzeer +woont in een insect als in den grootsten koning! + +Bovendien de Brahmanen hadden goede redenen om de tegenwoordigheid van +Vishnoe in sommige dierengestalten te erkennen. Men denke aan het feit, +dat het Brahmanisme in zich opnam--en nog steeds voortgaat in zich +op te nemen--bekeerlingen van de talrijke niet-Hindoesche stammen, +die daar wonen op de heuvelen en in de bosschen van Indië. + +Dat waren de oorspronkelijke inwoners met hun ruwe vereering van +allerlei voorwerpen en dieren, die hun belangrijk voorkwamen. Om nu +deze heidenen in de Hindoesche gemeenschap in te voegen, kende men geen +beter middel, dan om onder de vele goden ook de door hen vereerden: +doch gelouterd en verheven, op te nemen. Dit doel nu werd bereikt +door hun voorwerpen van vereering, eenvoudig als vleeschwordingen +van Vishnoe te behouden. + +Zoo ging het voorheen, en gaat het ook thans nog. Zekere stam van +wilde bergbewoners vereerde den beer. Nu is de beer een van Vishnoe's +vleeschwordingen. Toen nu de bergbewoners in den Hindoeschen godsdienst +werden ingewijd, lag het voor de hand dat Vishnoe in dit dier werd +ontdekt: de nieuwe geloovigen hadden enkel te verstaan, dat zij +vroeger reeds onbewust den grooten God hadden gediend. Zeer spoedig +ging hun overgang in zijn werk: toch, zonder dat wij daarbij kunnen +denken aan opzettelijke misleiding. Neen, de Brahmanen erkenden dat +het voorwerp hunner vereering zekere wonderbare, vrees-aanjagende +eigenschappen bezat: dat het te recht werd vereerd: zij zagen echter +verder en hooger dan die uitwendige vereering en legden uit dat +al deze eigenaardigheden een goddelijke macht aantoonden en dus de +tegenwoordigheid van de godheid in een nieuwe gedaante beteekenden. Zoo +zouden zij ook--verder gevraagd--zeggen dat de god zelf slechts een +zichtbare en overtuigende openbaring was van de verborgen goddelijke +kracht, die alle dingen bezielt. Zoo zouden ook alle groote mannen en +heiligen beschouwd worden als vermommingen of gestalten, door Vishnoe +aangenomen om een belangrijke rol te spelen op het wereldtooneel. + +Daareven gewaagden wij van Vishnoe's vleeschwordingen, Krishna en +Rama, waarnaast nog vele anderen te noemen zouden zijn. Toen eens +zeker Mohammedaan oproer maakte tegen het Engelsch gezag en daarbij +een aanvankelijk succes had, zeide een Indisch edelman, 's mans +dappere daden vermeldend, dat hij een vleeschwording van Krishna +moest zijn. Zoo gewagen immers ook Homerus' gedichten van goden, die +in de gedaante van aardsche krijgslieden, meevochten in den strijd, +en de overleveringen van alle volken zijn vol van wonderbare gedaanten, +die verschijnen, om hun trouwe dienaars te redden of te verdedigen. + +Wat Krishna betreft, er zijn minstens tien vleeschwordingen van hem +bekend, onder welke hij bepaald in sommige beroemde tempels wordt +gediend; Jaggernauth is eene daarvan. Zijn toegewijde vereerders +wijden hem hun ziel, hun lichaam en hun goed, doch ik vrees dat zijn +voorbeeld van vroolijke en verliefde godheid dikwijls tot losbandige +praktijken bij zijn vereerders leidt. + +Siva vertegenwoordigt een geheel ander beginsel dan Vishnoe. Is deze de +onderhouder, Siva is de verwoester en opbouwer tevens der verschillende +levensvormen. De gansche kringloop der bezielde schepping, de eeuwige +afwisseling van geboorte en dood in de gansche natuur, ziedaar zijn +regeering. Niet door vleeschwording openbaart hij zich, zooals Vishnoe, +maar de groote natuurlijke verschijnselen, die het leven opbouwen +en ontbinden, doen zijn wezen aan de menschheid kennen. Hij brengt +leven en dood; de plagen en ziekten, die duizenden wegsleepen, zijn +het teeken zijner werking. + +De natuur schept duizende levensvormen en vernietigt ze weer, +zonder zich te bekommeren om de verwoesting die zij aanricht. Op +geheimzinnige, onberekenbare wijze brengt zij voort en verwoest zij. 't +Is Siva, die deze werking uitoefent en altijd weer millioenen wezens +wegvaagt om ze door nieuwe te vervangen. Die gevreesde macht nu gunstig +te stemmen is het hoofddoel van Siva's vereerders; weinigen begeeren +iets van zijn macht te erlangen. In Siva's naam worden de strengste +onthouding en de wreedste versterving toegepast: zelfverminking door +ijzeren haken, trotseeren van pijn en honger, 't voortdurend aannemen +van moeilijke houdingen, vasten en eenzame overpeinzing behooren tot +zijn vereering. Door deze praktijken kan zelfs een Sudra, [6] indien +hij volhardt, wonderbare krachten verkrijgen en de goden dwingen +hem te gehoorzamen. De meeste broederschappen van Indische devoten +en fakirs (rondzwervende heiligen), die soms alle kleedij versmaden +en geheel Indië rondgaan, behooren tot Siva's volgelingen. In zijn +tempel worden tallooze offerdieren geslacht, ofschoon men onderstelt +dat zelfs menschenoffers hem nog onbewogen laten. Hoe dit eigenaardig +beeld is ontstaan? Niet onwaarschijnlijk zijn, bij de invoering van het +Brahmanisme, de welwillende, heldhaftige goden der onontwikkelde volken +in Vishnoe opgegaan en als zijn vleeschwordingen beschouwd, terwijl hun +ruwe en wreede ceremoniën, hun vreeselijke verschijningen en demonen +bij Siva zijn thuisgebracht of bij de goden aan hem onderworpen. + +Bezien wij deze drieëenheid, deze drie goden met hun vleeschwordingen, +openbaringen en zinnebeelden van populaire zijde, dan vormen zij een +bontgekleurd veelgodendom. Bezien wij ze, minder oppervlakkig, met +het oog van den meer ontwikkelden Indiër, dan zien wij ze als beelden +van wat de schepping te zien geeft, de weldadige en vernietigende +invloeden, de kracht, die alles doordringt, de eeuwige wisseling van +leven en dood, dag en nacht. + +Een Brahmaan, dien gij zoudt willen wijzen op het mythologische +karakter van al die goden zou u antwoorden, dat hij zich zeer +wel bewust is dat de godheden slechts de uitwendige figuren, +beelden of aanwijzingen zijn van de onbegrijpelijke macht, die den +achtergrond aller dingen vormt. Hij zou u zeggen dat deze mythologie de +eenvoudigste vorm is, waarin het pantheïstische beginsel der goddelijke +alomtegenwoordigheid aan het volk kan worden duidelijk gemaakt en dat +de gewone vereering werkelijk gebracht wordt aan openbaringen van de +godheid, die zich tot in alle krachten en vormen onthult. + +Niet anders is het met de gebeden en offers, den goden gebracht. Men +zal u verklaren de goden te dienen, omdat dit goed en nuttig is. En +inderdaad is dit ook dikwerf het doel. Doch: er is toch feitelijk +ook hier nog iets anders. Diep in het hart van den Hindoe leeft de +gedachte dat de ziel door verschillende stadiën van leven, als dier +en als mensch, moet worden gelouterd, totdat zij eindelijk--van +alle begeerte en eigenwilligheid bevrijd--zich vereenigen kan met +het hoogste alwezen. Bevrijding--dat is terugkeer in den oneindigen +geest--ziedaar het hoogste goed voor den Indischen vrome en wijze, +en daartoe werken ook offers en gebeden mede. + +Dit nu blijkt ook, als wij het oog vestigen op de Indische bespiegeling +over wereld en leven, zooals wij die vinden in de Vedanta en in de +Sankhya school. Er zijn trouwens nog vier andere erkende philosophische +scholen onder de Hindoe's, doch deze zijn de voornaamste, waarom +wij, in verband met het kader van dit werk, de andere stilzwijgend +voorbijgaan. Deze philosophische bespiegelingen vinden wij in de +Upanishads, gewijde boeken, die de verborgen leer der Veda's heeten +te verkondigen. Wanneer wij ons nu voorstellen dat het hier alleen +te doen is om de waarheid te doorvorschen, zooals bij de Westersche +wijsbegeerte, dan vergissen wij ons zeer. Neen, het eigenlijke doel +is om--door kennis van geest en stof, wereld en leven--te komen tot +bevrijding, tot verlossing van de eindelooze wedergeboorten. + +De Vedanta leert dat de uitwendige wereld ontstaan is doordat Maya +(= illusie) Brahma (den eeuwigen absoluten geest) overschaduwde. + +Het geestelijke in den mensch is feitelijk niet slechts een deel +van Brahma, maar Brahma zelf. De werkelijkheid der wereld is slechts +schijn, en het ware doel van den menschelijken geest moet zijn, om, +langs den weg van talrijke oefeningen en bespiegelingen, bevrijd van +het lichaam, de wereld en de gevolgen ook zijner daden, in Brahma +te verzinken. + +De Sankhya-philosophie is minder pantheïstisch dan wel dualistisch +getint. Immers zij leert: van den beginne zijn er twee wezens: +Prakriti, het vrouwelijk beginsel, de natuur of, om het in Westersche +taal uit te drukken de oerstof, de oorspronkelijke stof en Purusha: +de geest, manlijk voorgesteld. Daarmee wordt echter niet bedoeld één +eeuwige algeest of iets dergelijks, maar de geest, wonende in ieder +wezen. Ieder levend wezen berust op de vereeniging van Prakriti en +Purusha. Het doel is nu: den geest vrij te maken van de stof. Naar zijn +wezen is hij dit feitelijk reeds: doch hij moet verlost worden van +Prakriti's gemeenschap en wèl door waarachtig inzicht in zichzelf en +de aan hem tegenovergestelde natuur. Overpeinzing en ascese bewijzen +daarbij belangrijke diensten. Wie met het Boeddhisme en zijn leer +op de hoogte is en weet dat ook daar verlossing van alle begeerte +het einddoel is, zal erkennen dat wij hier met verwante gedachten te +doen hebben. + +Het kan ons voorts niet verwonderen, gelet op het eigenaardige +pantheïstisch beginsel, dat het geheele Indische denken beheerscht, +dat de Vedanta als de bij uitstek rechtzinnige school geldt, zij immers +is het meest naar den eigenaardig Brahmaanschen grondslag opgebouwd. + +Zoo wordt dan èn de Brahmaansche godenleer èn de Brahmaansche +wijsbegeerte door denzelfden geest bezield. In beiden klinkt het +u tegen dat het uitwendige leven van weinig waarde is: slechts +een schouwtooneel tot opvoeding en onderhouding van den geest. De +uiterlijke wereld is slechts Maya (illusie, droom). Die zelfde +geest nu komt ons ook weer tegen in de oud-Indische heldendichten, +die waarschijnlijk niet door Brahmanen zijn gedicht, maar uit den +kring der Kshatrya's (krijgslieden, edelen) zijn voortgekomen, en die +voor een goed deel tot de vroegste tijden van het Brahmanisme worden +teruggebracht. Deze gedichten--de Ramayana, waarin de lotgevallen van +Rama, en de Mahabharata, waarin die van Krishna worden bezongen--beiden +vleeschwordingen van den god Vishnoe--brengen ons in een wonderwereld +van sprookjes. Een atmosfeer, voor ons westerlingen, vreemd in den +eersten oogopslag, maar die ons straks toch gemeenzamer wordt, als +wij gaan gevoelen dat in die zonderlinge lotgevallen der oud-Indische +helden en heldinnen zich een geest uitspreekt, dien wij zonen van +het westen, in menig opzicht kunnen deelen. Is toch niet aan onze +levensopvatting vaak eigen een besef van 's levens droeve raadselen, +dat ons drijft tot medelijden? Bewonderen wij niet vaak de schoonheid +en de kunst, toch gevoelende dat zij zijn als een droombeeld, dat +wij niet kunnen bereiken? + +Welnu: die zelfde geest woont ook in de oude Indische poëzie. Haar +geheimzinnigheid is die van het alleven. Zij ziet in de natuur niet +de vijandin van de ziel--zooals de middeneeuwsche Katholieke poëzie, +die het leven en de natuur ten slotte den rug toekeert--maar zij ziet +de gansche zichtbare natuur als den droom van de algemeene wereldziel, +van die ziel, die alleen werkelijk bestaat. En de droomer heeft genot +in de beelden die hem voorbijgaan, doch een weemoedig genot, want +hij voelt dat zij voorbijgaan. De Indische poëzie ziet het gewone +leven met een mengeling van verheven gevoel en medelijden aan, zij +weet, dat op de jeugd de ouderdom, op het genot de moeheid, op de +liefde de smart van het verlies, op het leven de dood volgt. Wat nu +te doen? Hopen op verandering in deze noodwendigheden gaat niet aan: +maar de ziel moet gebracht worden tot zulk een staat van geestelijke +belangeloosheid, dat zij niet langer bedroefd is over de wisseling +en de onvolmaaktheid van alle onstoffelijke aardsche dingen. + +Die geest--dien wij straks in volle ontwikkeling zullen zien bij het +Boeddhisme--doordringt ook de oud-Indische poëzie. Een enkele proeve +moge volstaan. + +We willen u herinneren aan de geschiedenis van Valmiki, den man, van +wien de Indiërs onderstellen, dat hij het Ramayana dichtte. Valmiki, +zoo lezen wij in dit heldendicht, was een heilig kluizenaar, die +een leven van stille overpeinzing leidde in de eenzaamheid van het +woud. Het onderwerp zijner overpeinzing is het leed der wereld. De god +Brahma vertelt hem op zekeren dag de geschiedenis van Rama. Indien een +dichter, zoo peinst Valmiki, deze geschiedenis van een volmaakt leven +eens in diep gevoelde verzen kon bezingen, dat zou de menschen brengen +tot een beter, edeler leven. Doch hij, Valmiki, is geen dichter. Hoe +zal hij iemand vinden, voor deze taak berekend? Valmiki moet daarover +telkens weer nadenken. Op zekeren morgen staat hij aan den oever van +een helder water nabij zijn hut, waar hij gewoon is de wasschingen +te verrichten, die tot de godsdienstige plichten van den Brahmaan +behooren. En zie--tegenover hem zijn twee reigers. Zij slaan vroolijk +met hun vleugels, vol onschuldige vreugde over 't leven. Eensklaps valt +een der vogels, door een pijl getroffen, neer, en het zuivere water van +de plas wordt roodgekleurd. Valmiki is zoo vol medelijden en droefheid, +dat als een smartkreet uit zijn ziel wordt geperst: een dichtregel over +den dood van den onschuldigen vogel en de wreedheid van den jager. Er +is een wonderbare maat en een aandoenlijke muziek in zijn woorden, +hij moet ze nog eens en nog eens herhalen. Verwonderd wat toch over +hem gekomen is keert Valmiki terug naar zijn hut. Onderweg ontmoet hij +Brahma die hem vraagt of hij een dichter heeft gevonden, waardig om +de geschiedenis van den volmaakten mensch Rama te vertellen? Valmiki +wil antwoorden dat hij er geen gevonden heeft. Doch instede van dit +antwoord komt hem de klacht over den dood van den reiger over de +lippen, en hij schaamt zich tegenover Brahma: de God zal denken, +dat Valmiki hem bespot. Doch glimlachend spreekt Brahma. + +"Gelukkige Valmiki! Om uw medelijden met den reiger hebt gij ontvangen +de genade van Sarasvati, de godin der poëzie. Ga, en zing voor de +ooren der wereld het leven van den heiligen Rama." + +Valmiki is het type van den heiligen, vromen kluizenaar, zooals hij +in die heldendichten voorkomt. Doch er komen ook andere kluizenaars +in voor, menschen, die door wreede zelfkastijding en boetedoening +tooverkrachten zoeken te verwerven. Deze worden geschilderd als +gevaarlijke personen, die men moet ontzien. En waar zij in een verhaal +optreden, komt er altijd een of ander onheil. + +M. a. w. de dichters van deze verheven poëzie--in dit opzicht tolken +van de volksmeening--gevoelden reeds--wat Boeddha later beslist +zou uitspreken, dat door vasten en zelfkastijding magische krachten +verkrijgen, zooals de Brahmanen dat aanprijzen, de weg tot verlichting +en verheffing der ziel niet kon zijn. Merkwaardig komt dit uit in de +legende van Rajah Visvamitra. + +Deze is een rijk en machtig heerscher. Zijn vreedzame voorspoed +begint hem te vervelen en met een groot leger gaat hij op avonturen +uit. Hij ondervindt niet veel. Ieder is zoo bevreesd voor hem dat hij +geen enkele twist met iemand krijgt. En overal vraagt hij of men wel +iemand der levenden kent, zoo machtig als Visvamitra. Overal luidt het +antwoord ontkennend: noch op de aarde, noch in Swarga (het verblijf +boven de aarde) bestaat zulk een machtig wezen. Op zekeren dag echter +ontmoeten zij een vromen bedelaar, en Visvamitra, als godsdienstig +vorst, geeft hem rijke giften. Daarna volgt de gewone vraag: "Kent +gij iemand, zoo heerlijk en zoo machtig als Visvamitra?" Het antwoord +luidt: "Waarlijk, gij zijt een heerlijk en machtig vorst. Doch ik ken +één mensch bij wien uwe heerlijkheid is als rook tegenover de sterke +rots: die man is de priester Vasistha." + +"En, wie is die Vasistha, wiens macht grooter is dan de mijne?" + +"Een eenzaam kluizenaar, die leeft in de diepten van het woud. Zijn +kleeding is van boombast, hij leeft van wortels en bessen: toch, +zijn macht is grooter dan die van alle rajahs in de wereld." + +Visvamitra's nieuwsgierigheid is opgewekt: hij besluit den +merkwaardigen kluizenaar een bezoek te brengen. Met zijn leger gaat +hij het woud in en ten slotte ontdekt men het eenzame verblijf van +Vasistha. De rajah wordt zeer vriendelijk ontvangen, zij spreken over +geestelijke onderwerpen en Visvamitra, zeer gesticht en opgewekt, +wil heengaan. Doch ongelukkig voor beide partijen, krijgt Vasistha +den inval om den koning en zijn leger op een feest te vragen. + +Eerst weigert de rajah, beleefd dankend, de uitnoodiging. De vorst +kan niet begrijpen hoe een kluizenaar, die van wortels en bessen +leeft, midden in de wildernis een feest kan aanrichten voor een +leger. Vasistha verzekert echter dat dit voor hem niet moeilijk is. En +zie, in minder dan geen tijd is er op het gras een feestmaal--een +vegetarisch wel te verstaan--uitgespreid: geroosterd koren, suikergoed, +gebak, verfrischt door rivieren van gestremde melk. De soldaten +waren uiterst voldaan en vielen met vreugdekreten op het feestmaal +aan. Doch de eetlust van den rajah is bedorven: hij kan in zijn afgunst +niet begrijpen hoe Vasistha in een oogenblik zoo'n feest aanricht: +zou werkelijk, zooals die bedelaar zeide, die kluizenaar grooter +macht hebben dan hij? Ten slotte verklaart Vasistha zich bereid hem +de zaak uit te leggen. Mahadeva heeft hem, als belooning voor zijn +zelfkastijdingen, de wonderkoe Sabala gegeven. Hij behoeft deze koe +slechts te melken om te verkrijgen wat hij begeert. + +Nu neemt de bitterheid van Visvamitra nog meer toe. "Het is niet +passend"--zoo oordeelt hij "dat een heilig kluizenaar, die een leven +van boete leidt, een schepsel bezit, dat hem in zware verzoeking +brengt om zijn geloften van vasten en afsterving van het aardsche te +verbreken. Daarom Vasistha, voor uw zieleheil is het beter dat gij +mij die wonderbare Sabala schenkt." + +"Volstrekt niet," antwoordt Vasistha, "Sabala geeft mij de zuivere +boter, die ik voor het offervuur moet gebruiken, hoe zou ik die anders +verkrijgen in deze wildernis." + +"Ik wil in die offerboter trachten te voorzien," sprak +rajah Visvamitra. "Het is een duidelijke verkwisting van de +tooverkracht der onbevlekte Sabala om die voor zoo'n kleinigheid te +gebruiken. Bovendien: ik ben de meester van deze landstreek en dus ook +de rechtmatige eigenaar van het vee." Doch: Vasistha wijst alle listen +en onderhandelingen af. Op het laatst beveelt de rajah de soldaten om +Sabala mee te nemen: doch Vasistha melkt gauw de wonderkoe en verkrijgt +een leger, tweemaal zoo groot als dat van Visvamitra. Moedeloos en +neerslachtig keert deze naar zijn stad en paleis terug. + +Hier roept hij alle wijze mannen en Brahmanen tot zich en vraagt +hun hoe hij Vasistha's trots zal breken en de wonderkoe in zijn +bezit krijgen. + +De Brahmanen antwoorden: "Aardsche wapens, o rajah, helpen u tegen +Vasistha niet. Om hem te overwinnen moet ge hem bestrijden met zijn +eigen wapens. Zijn kracht ligt in de verdiensten, die hij zich door +zijn vroomheid en zelfverloochening verwierf. Kunt gij op diezelfde +wijze u verdiensten verwerven? Zoo niet: geef dan alle hoop op om +Sabala te verkrijgen." + +Rajah Visvamitra gevoelt dat het leven geen vreugde meer voor hem +heeft, zoolang hij Sabala niet bezit. Hij legt zijn koninklijk gewaad +af, verlaat zijn paleis en stad en begeeft zich naar de wildernis om +daar door een gestreng leven, der wereld afgestorven, zich krachten +als die van Vasistha te verwerven. Het zou mij te ver voeren u te +verhalen welke kwellingen de rajah al niet voor zichzelf uitdacht, +of hoeveel moed en volharding hij toonde wanneer, tot straf voor een +oogenblik van vergeten zijner geloften--al de verdiensten die hij +door zijn zelfverloochening zich verwierf, wederom verloren gingen. De +goden, zoo schildert ons het verhaal, bevreesd voor het slecht gebruik +dat de kluizenaars maken zouden van hun door boetedoening verkregen +macht, beproeven steeds hen in hun plannen te dwarsboomen of door +kleine geschenken hen om te koopen opdat de som der verdiensten +niet te groot en te gevaarlijk zou worden. Zoo werd ook Visvamitra +beproefd door de goden, doch, hoe ook misleid en ter neer geworpen, +altijd keert hij met nieuwen ijver tot zijn plan weder! En, in 't eind +triumfeert hij. Hij heeft zich zooveel verdiensten verworven dat geen +gunst hem kan worden geweigerd. Indra zelf komt vriend'lijk vragen +wat hij begeert. Wij verwachten dat hij de vernedering van Vasistha +en het bezit van de koe zal verlangen: doch neen, alle toorn tegen +Vasistha, alle begeerte naar Sabala is verdwenen: hij herinnert +zich niet eens dat beiden bestaan. Het eenige wat hij vraagt is: +geestelijke vrijheid en verlossing van alle aardsche begeerten. + +Klinkt het in dit zonderling en toch aantrekkelijk verhaal ons niet +duidelijk tegen: De ware wijze is, die geen begeerten meer kent, en +wiens ziel is gekomen tot rust en bestendigheid? Wordt ons hier niet +geleerd dat het ware doel niet is om door zelfkastijding tooverkrachten +te verkrijgen, maar om te komen tot bevrijding en verlichting? + +We naderen hier den geest van 't Boeddhisme, we staan hier op den +bodem, waarop dit zich ontwikkeld heeft. Nog duidelijker komt dit uit +in de geschiedenis van rajah Yayati, die wij in het Mahabharata vinden. + +Rajah Yayati heeft het ongeluk om tot vrouw te nemen de dochter van +een Brahmaan, die met wonderbare tooverkrachten is toegerust. De rajah +heeft ongenoegen met zijn vrouw, en de Brahmaan, zijn schoonvader, +weet hem door zijn tooverkracht met een ontijdigen ouderdom te +straffen. Zoo is hij in den bloei der jeugd in een bevend, waggelend +grijsaard veranderd, die den Brahmaan smeekt om toch enkele jaren +van levenskracht, opdat hij afscheid moge nemen van de vreugden van +dat leven, dat hij zoo gemakkelijk had opgevat, toen hij niet begreep +dat hij het zoo spoedig zou verliezen. + +De Brahmaan staat toe dat Yayati zijn ouderdom zal verwisselen +tegen de gelukkige jeugd van een ander, doch voor weinige jaren +slechts. Zijn die voorbij, dan moet hij wederom zijn straf des +ouderdoms ondergaan. Na vele jaren van vermoeiend rondzwerven weet +rajah Yayati den jongsten zijner zonen te overreden om den last van +den vroegtijdigen ouderdom op zich te nemen en aan zijn vader diens +eigen jeugd over te doen. De rajah wil nu, in den korten tijd hem +gelaten, ten volle genieten van alle aardsche vreugde. + +Hij beproeft allereerst de weelde, die den mensch streelt en de +genietingen der zinnen, dan het avontuurlijk leven van den jager, +vervolgens de vreugde, die wijsbegeerte en poëzie aan verstand en hart +schenken. Doch het resultaat is altijd hetzelfde. Hij ondervindt dat +deze vreugden des levens eigenlijk niet wezenlijk bestaan, maar alleen +als voorwerp onzer begeerte aantrekkelijk schijnen. Dan keert hij terug +tot zijn zoon, wien hij teruggeeft zijn jeugd en zijn vatbaarheid om +te genieten en zelf neemt hij zijn straf wederom op. En zijn slotsom +is de volgende: + +"Ik heb bevonden, dat het voorwerp, dat men begeert nooit de begeerte +bevredigt, het voedt slechts de vlam, evenals de gereinigde boter +het offervuur. + +"Al de rijst, al het koren, al het vee, alle schatten, alle +beminnelijkste vrouwen die de aarde bevat, zij kunnen nooit des +menschen begeerte voldoen; daarom is het eenige de begeerte zelf te +dooden en uit te werpen. + +"Ik voor mij wil die verterende dorst der begeerte van mij +afzetten. Neem dus, mijn zoon, uwe jeugd weder, ik zal mijn woning +nemen in het woud, waar de gazellen verblijf houden en wil mijn hart +richten op de beschouwing der eeuwige dingen." + +Zoo werd rajah Yayati een kluizenaar. Doch ook nu is zijn geestelijke +oefening nog onvolledig. Hij volbrengt zware boetedoeningen en +verkrijgt daardoor het voorrecht om in dit stoffelijk lichaam reeds +naar Swarga (het verblijf der goden) te mogen opstijgen. Op zekeren dag +echter geeft de rajah hoog op van zijn verwonderlijke boetedoeningen +tegenover Indra, den god van het uitspansel. Doch deze bluf berooft hem +van de verdiensten, die hij zich had verworven en waardoor hij alleen +in Swarga kon wonen. Aldus moet hij naar beneden dalen; hij blijft nu +tusschen de hemelsche en aardsche sfeer en wordt daar volmaakt. Want +nu leert hij dat het belangrijkste feit is, niet wààr iemand is, +doch wàt hij is. "Noch hier, noch in Swarga noch op de aarde, noch +in de hel Naraka woon ik, de zetel van mijn wezen is in mij zelven." + +"Pijn heb ik niet in mijn macht doch leed te gevoelen over mijn +pijn kan ik vermijden. Beter dan in Swarga te zijn is zijne ziel in +lijdzaamheid te bezitten." En als de rajah zoo spreekt klinken er +triumfkreten om hem heen. Hij heeft de volmaking bereikt en Swarga is +nu zijn tehuis. Doch rajah Yayati heeft geen ongeduldige begeerten naar +zijn hemelsch verblijf. Langzaam stijgt hij omhoog, bijna onwillig, +en nog eens herhaalt hij: "Beter dan Swarga is zijne ziel te bezitten +in lijdzaamheid." + +We komen hier, herhaal ik, als op den drempel van het Boeddhisme. Daar +verzekert ons de verlichte (Boeddha) dat de mensch niet om den hemel te +beërven, noch om de goden te behagen, maar om tot den grooten vrede, +tot de rust van Nirvana te komen alle begeerten en hartstochten moet +afsterven. Komt ook niet in de ziel van Yayati datzelfde denkbeeld +tot rijpheid? + +Van het Brahmanisme zouden wij hier afscheid kunnen nemen. Wij +hebben de moeder gevolgd tot op het oogenblik waarop de dochter +(het Boeddhisme) zal worden geboren, die straks het ouderlijk huis +zal verlaten. + +Toch, al is het ons vooral om dat Boeddhisme te doen, wij kunnen van +het oude Brahmanisme hier nog geen afscheid nemen. Niet, omdat wij +bij al zijn latere lotgevallen en wisselingen willen stilstaan; dat +zou ons veel te ver voeren. Maar wel, omdat wij nog willen beschouwen +het streven der Brahmo Samaj, die trachten hun godsdienst van alle +bijvoegselen te ontdoen en tot zijn oorspronkelijke zuiverheid terug +te brengen. Ons volgend hoofdstuk zal daaraan gewijd zijn. + + + + + + + +HOOFDSTUK III. + +Gezuiverd Brahmanisme in den nieuweren tijd (de Brahmo-samaj.) + + +Reeds in het vorige hoofdstuk wezen wij op het eigenaardig karakter van +het Brahmanisme, dat, bij allen schijn van veelgodendom, toch zoekt +naar de éénheid in de veelheid. Wij zagen dat dit reeds in overoude +dagen den Indischen godsdienst kenmerkte, brengen wij ons maar eens +te binnen de hymne aan Varuna, die wij daar straks [7] aanhaalden. Er +waren echter kringen en tijdperken, waarin dat vergeten werd, doch +dan kwam er bijna altijd weer reactie ten gunste van de vereering van +één eenig wezen. Zoo had men bijvoorbeeld in de 12e, 13e, 15e en 16e +eeuw verschillende Vaishnava hervormers, die Vishnoe predikten als +den éénigen, den hoogsten god. Toch konden deze hervormers, vooral +door hun leer der avatara's, der vleeschwordingen van Vishnoe, er +niet in slagen het bijgeloof te boven te komen. Als Vishnoe nu eens +vleesch werd in een held, dan weer in een groot leeraar of in een +dier, ten einde zijn schepselen te verlossen, dan mochten er in deze +leer inderdaad verheven gedachten opgesloten liggen, toch moest zij +leiden tot telkens hernieuwden afgodsdienst. + +In de 16e eeuw was er nog een andere, monotheïstisch gekleurde +hervorming, die der Kabir panti, welke onder den invloed stond van +het Mohammedanisme en trachtte Mohammedanen en Hindoe's door het +gemeenschappelijk geloof in éénen God te vereenigen. Doch ook deze +bereikte haar doel niet: groote strijd tusschen de Muzelmannen en de +aanhangers van het nieuwe geloof was het einde. + +De beweging, waarvan wij thans iets willen meedeelen, was van anderen +aard. Zij ging en gaat niet om buiten den invloed van het Christendom: +geboren is zij uit het verlangen naar een reiner geloof, bij de +meer beschaafden in Indië gewekt door de aanraking met de Engelsche +overheerschers. + +Rammohun Roy, die in het jaar 1774 in het stadje Radhanagar geboren +werd, kunnen wij noemen als den stichter der Brahmo-samaj. Zijn vader +was een Brahmaan van hooge caste, die hem een geleerde opvoeding +gaf. Zoo kwam het dat de zoon reeds op jeugdigen leeftijd de Perzische +en Arabische literatuur, den Koran incluis, bestudeerde. Toch verloor +hij daarbij ook zijn Indische studiën niet uit het oog. Weldra begreep +hij dat in de oud-Indische godsdienstige boeken, bepaaldelijk in de +Bhagavata Purana, waaruit zijn vader hem gewend had iederen morgen +een hoofdstuk te lezen, veel fabelachtigs voorkwam. Wat hem echter +sterk aantrok waren de Upanishads, de bespiegelingen der oude wijzen +over de Veda's. + +De jongeling gaf zijn vrije gevoelens openlijk te kennen in een +geschrift over de afgoderij, dat hij op 16-jarigen leeftijd uitgaf +en dat hem den haat van al zijn familiebetrekkingen op den hals +haalde. Ja, om de vijandschap, die tegen hem ontstaan was moest hij +zelfs zijns vaders huis voor een tijd verlaten. + +Hij zwierf nu in verschillende streken rond, in Benares bestudeerde +hij het Mohammedanisme, in Tibet had hij veel besprekingen met +Boeddhisten. Geen zorg en moeite was hem te groot om de waarheid te +leeren kennen. Hij las het O. T. in het Hebreeuwsch, den Koran in +'t Arabisch, de Veda's in het Sanskriet, de boeken der Boeddhisten +(Tripitaka) in het Pali. Hij ging ook zelfs Grieksch leeren ten einde +het N. T. goed te leeren. + +In 1796 keerde hij weer naar huis terug, de vrede met zijn familie werd +gesloten en meer dan ooit gaf hij zich nu aan zijn Sanskrietstudiën +over. Doch: tegelijk leerde hij met even grooten ijver het Engelsch +en zocht van de Europeesche maatschappij te leeren. Na den dood zijns +vaders in 1803 begon hij de dwalingen van het Brahmanisme met kracht +te bestrijden. Hij trad in Engelsch-Indischen staatsdienst en maakte +zich daarin bemind bij diegenen, over wie hij gesteld was. Ook bij deze +praktische werkzaamheden verwaarloosde hij echter zijn godsdienstige +studiën niet. Een meer nauwgezet onderzoek van de Veda's leidde +hem tot de denkwijze, dat de oude godsdienst der voorvaderen geen +afgodendienst was geweest, maar vereering van den éénigen God. Ten +einde dit in het licht te stellen gaf hij verschillende gedeelten +van de Veda's, vooral van de Upanishad's in het licht. + +Ook bewoog hij zich op praktisch gebied: hij toonde aan dat nergens +in de Veda's werd voorgeschreven of goedgekeurd dat, zooals in Indië +gebruikelijk was, de weduwe zich verbrandt op het lijk van haar +echtgenoot. De beweging, die hij tegen dit weduwenoffer (Sati) in +'t leven riep, heeft er toegeleid, dat de Sati in 1829 door de wet +in Britsch-Indië werd afgeschaft. + +'t Viel hem echter niet gemakkelijk als hervormer op te treden, +de lieden van zijn eigen caste en kring wendden zich van hem af, +tegenstanders vielen hem aan. Hij week dus naar Calcutta uit, en daar +had hij onder de Hindoe's en onder de Jaina's [8] grooten invloed. Zijn +doel was om zijn landgenooten tot de ware monotheïstische leer van +Veda's en Upanishad's terug te brengen. + +Hier in Calcutta werd daartoe een vereeniging gesticht, "de +geestelijke vereeniging" geheeten. De leden waren echter niet bestand +tegen de voortdurende vijandschap, waarmede zij te strijden hadden: +èn--langzamerhand vielen zij af. Alleen de stichter bleef over, doch +deze, geenszins ontmoedigd, verdubbelde zijn pogen. Ook kwam hij +tot meerdere waardeering van het Christendom. De lessen van Jezus +trokken hem zóó aan, dat hij in 1820 een werkje uitgaf, getiteld: +"De voorschriften van Jezus, den gids tot vrede en geluk." Hij vond +de leer van het Christendom meer in overeenstemming met de zedelijke +beginselen dan die van andere godsdiensten. Evenwel, het orthodoxe +Christendom met zijn dogma's van drie-eenheid en godheid van Jezus +stond hem tegen, en hij wist zelfs een zendeling, zekeren Adam, +van zijn orthodox geloof te bekeeren tot zijn eigen opvatting. + +Rammohun Roy was van oordeel dat de ééne God der waarheid zich overal +openbaart. Wat er heiligs en goeds is in de Veda's, de geschriften der +Christenen, den Koran, het Zend Avesta: het is alles aan goddelijke +openbaring te danken. Wat overeenkomt met het natuurlijk en gezond +oordeel van het verstand en met het gevoel van het menschelijk hart, +dat is waar. De eenige vader wil dat wij allen liefhebben, zoo sprak +hij, onverschillig hun land, caste, kleur of geloof. Men ziet, het was +een vrijzinnig geloof. Maar was het toch tevens niet echt-Brahmaansch, +in alle openbaringsvormen te herkennen den geest van den Al-Eene? + +Rammohun Roy deed wat hij kon om zijn denkbeelden te +verspreiden. Iederen Zaterdagavond hielden hij of zijn vrienden +godsdienstige samenkomsten. De dienst was daarbij in vier deelen +verdeeld: reciteeren uit de Veda's, voorlezen uit de Upanishad's, +een godsdienstige toespraak, het zingen van godsdienstige liederen. + +Ten slotte kon de eerste "Theïstische [9] Hindoekerk" worden gesticht +in 1830. Hare leden noemden zich Brahmo Samaj (vereeniging van "die +in God gelooven"). Een nieuwe secte wilde hij daarmede niet stichten: +wel voorbereiden dat Hindoe's, Christenen en Mohammedanen zich in +den dienst van den Eéne zouden ontmoeten. + +Jammer dat zijn levensdraad zoo spoedig werd afgesneden: hij stierf +namelijk reeds in 1833, en wel te Bristol in Engeland, waar hij +een belangrijke politieke opdracht had te vervullen. Hij stierf als +Brahmaan, zijn bediende omwikkelde zijn lijk met het gewijde koord; +bij al zijn strijd was toch gebleven de innige gehechtheid aan het +oude geloof. + +Gelijk men zich voorstellen kan was zijn dood een zware slag voor +de nieuwe beweging. Zij vond echter weldra een uitnemend leider +terug in Debendra-nath. Deze heeft eigenlijk de nieuwe gemeente +georganiseerd, van welke hij sedert 1841 deel uitmaakte. Hij stelde +een beginselverklaring der Brahmo Samaj op. Ieder lid is verplicht: + +"Zich van afgoderij te onthouden, geen geschapen voorbeeld te +aanbidden, maar door de liefde van God en door het doen van de +werken, die Gode aangenaam zijn, te vereeren: den grooten God, den +Schepper, Onderhouder en Vernietiger, de oorzaak aller ontwikkeling, +den Ongedeelde, den Eéne, zooals er geen tweede is, een heilig leven +te leiden en vergeving te zoeken door de zonde vaarwel te zeggen." + +Ook werd een liturgie, uit gebeden, aanroepingen, liederen en +overdenkingen bestaande, saamgesteld. + +Langzamerhand breidde nu de nieuwe stichting zich uit onder de +voortreffelijke leiding van Pandit Ram Chandra Vidija-bag-ish, den +leeraar der nieuwe gemeente, totdat zij in 1847 bijna achthonderd +leden telde. + +Er kwamen echter moeilijke dagen. Verschil rees omtrent de Veda's: +waren zij werkelijk boeken van goddelijk, onfeilbaar gezag--òf waren +ook zij vol van dwalingen? Ten slotte werd vastgesteld, dat noch +Veda's, noch Upanishad's als onfeilbare gidsen zouden gelden. Alleen +wat met het zuivere theïstische geloof overeenstemde moest worden +aanvaard, en dit geloof rustte op twee grondslagen: de natuur en het +inwendig licht. + +Intusschen verspreidden de "in God geloovigen" zich ook door +andere steden en streken van Indië en gaf Debendra-nath nieuwe +kracht en vastheid aan de beweging door de uitgave van zijn werk: +Brahma Dharma (de theïstische godsdienst), waarin voorkwamen: de +vier grondbeginselen van het Indisch Theïsme, de straks aangehaalde +verklaring en goedgekeurde aanhalingen uit de Veda's, de Upanishad's +en latere Hindoe werken. + +Die vier grondbeginselen zijn de volgende: + +I In den beginne, voor dit heelal bestond, was het ééne hoogste +wezen. Hij heeft het gansch heelal geschapen. + +II Hij is eeuwig, verstandig, oneindig, vol van zegeningen, +zelfgenoegzaam, zonder vorm, eenig, zoodat er geen tweede is als Hij, +al doordringend, al besturend, al beschermend, alwetend, almachtig +en onbewegelijk, volmaakt en zonder vergelijking. + +III Alleen door hem te dienen, kan het geluk worden verzekerd in deze +en in de volgende wereld. + +IV Liefde tot Hem en het volbrengen van de werken, die Hij lief heeft, +vormen zijne vereering. + + + +Wie met deze beginselen instemming betuigde kon lid worden van de +Calcutta Brahmo Samaj. Wie meer volledig wilde worden ingewijd moest +de zeven, straks genoemde, verklaringen afleggen. + +Het voornaamste der nieuwe leer was voorts het volgende: "Het inwendig +licht en het boek der natuur vormen den oorspronkelijken grondslag van +het Brahmaansch geloof, doch de godsdienstige waarheid wordt dankbaar +aanvaard, zoowel uit ieder gedeelte der oude Hindoesche geschriften als +uit andere gewijde boeken. God is de hemelsche Vader, een persoonlijk +wezen met zedelijke eigenschappen. Die God is nimmer vleesch geworden, +doch Hij draagt zorg voor het heil Zijner schepselen. Tot Hem te bidden +is niet vergeefs. Berouw is de eenige weg tot verzoening, vergeving +en verlossing. De mensch is bestemd om ook op godsdienstig gebied +zich steeds meer te volmaken. Goede werken, barmhartigheid, kennis +verwerven, bespiegeling en vereering zijn de eenige godsdienstige +plechtigheden: boetedoeningen en pelgrimstochten zijn zonder nut. Het +eenige offer is zichzelf Gode te wijden, de eenige pelgrimstocht is +het gezelschap der goeden te zoeken, de eenige ware tempel is het +reine hart. Onderscheiding van casten is er niet." + +Zoo was het programma, naar men ziet, doortastend genoeg. Toch bleef +men in de praktijk aan zeer veel van den ouden godsdienst hangen, en +sommigen, daaronder de invloedrijke leeraar Narain Bose stelden ook +op den voorgrond dat het doel niet moest zijn den ouden godsdienst +af te breken maar dezen te volmaken. + +Anderen, die sedert 1858 hun geestelijken leidsman vonden in Keshab +Chandar Sen, oordeelden anders. Zij wilden vooral breken met alles +in de oude, vastgewortelde maatschappelijke instellingen, wat met +hun geestelijken godsdienst niet overeenkwam. Men beseft hoe moeilijk +deze taak was, hoeveel stille en openlijke vijandschap er op dezen weg +viel te bestrijden, hoeveel misverstand uit den weg te ruimen. Toch, +Keshab Chandar Sen, toen 20 jaar oud, deinsde er niet voor terug. + +Zijn levensweg was anders geweest dan die van zijn voorganger Rammohun +Roy. Eerst opgevoed in een omgeving van Hindoesch bijgeloof, ontving +hij later in Calcutta een Engelsche opvoeding. Voor de Europeesche +wetenschap bezweek het oude geloof. Doch zonder godsdienstig geloof +kon eene natuur als hij niet leven. Hij zocht naar betere kennis +van God. Op zekeren dag kreeg hij eenige preeken van Narain Bose in +handen en tot zijn verwondering bemerkte hij dat er in Calcutta reeds +een Theïstische kerk bestond. Aanstonds sloot hij zich daarbij aan. + +Weldra nam hij in de broederschap een belangrijke plaats in. Eerst +werkte hij onder leiding van Debendra-nath ongeveer vijf jaar lang, +maar een persoonlijkheid als de zijne moest wel op den voorgrond +treden. + +Keshab Chandar Sen was met de tot nu toe ingevoerde hervormingen +niet tevreden. Hij wilde alles wat op casten-verschil wees +afgeschaft zien. Als een begin op dien weg bepleitte hij dat +allen, die de godsdienstoefeningen der nieuwe kring leidden, +het gewijde hemd, waardoor de hoogere casten zich onderscheidden, +zouden afleggen. Debendra-nath wilde het zelf wel afdoen, maar zoo'n +verplichting anderen niet opleggen. + +Dit gaf wrijving tusschen de behoudende en de vooruitstrevende +elementen. Trouwens, dit niet alleen, achtereenvolgens kwamen nog +tal van hervormingen aan de orde, waarop Keshab Chandar Sen en de +zijnen aandrongen. Zoo bijvoorbeeld een verandering in de Sraddha, +of den dienst der gestorven voorvaderen, welks ritus niet met de ware +Brahmaleer omtrent een toekomstig leven overeenkwam. Dan, wijziging van +het ceremonieel bij geboorte, naamgeving en lijkverbranding. Verder, +een meer gepaste inwijding voor hen, die tot de gemeente toetraden. + +Ook wilde men de vrouwen opvoeden en verheffen. Zij werden aangemoedigd +om toe te treden, velen deden dit en woonden dan den dienst bij achter +gordijnen of in een afzonderlijk vertrek. + +Dan stelde men aan de orde, hervorming van het huwelijk. Men wilde +afgeschaft zien de kinderhuwelijken, zoo nauw saamgeweven met +Indische zeden, maar tot zooveel misbruik en ellende voerend, ook +wilde men dat de veelwijverij zou worden opgeheven en dat de weduwen +vrijheid zouden hebben te hertrouwen. Ook wilde men tal van dwaze +en overtollige ceremoniën bij het huwelijk afschaffen. Dit ongeveer +waren de bedoelingen der meer vooruitstrevenden. + +Toch, ook de meer behoudenden, gingen in veel mede. Narain Bose +was de eerste om in zijn eigen familie het opnieuw huwen van een +weduwe toe te laten, waarvoor men hem in zijn geboortedorp haast +steenigde. Debendra-nath gaf het voorbeeld door voor grooten eenvoud +te zorgen bij het huwelijk van zijn tweede dochter, dat op 26 Juli +1861, in tegenwoordigheid van tweehonderd geloofsgenooten, plechtig, +zonder overdreven feestvertoon, werd voltrokken. Dit was de eerste +huwelijkswijding volgens den ritus der Brahmo Samaj. + +Keshab Chandar Sen ging echter nog verder. Hij voltrok in 1864 +een huwelijk tusschen twee personen van verschillende caste: wat +Debendra-nath zeer mishaagde. + +Chandar Sen voelde zich onder de Brahmo Samaj niet recht thuis: hij +zag nog te veel van den ouden castengeest en van het oude bijgeloof +en gevoelde de noodzakelijkheid om den bijl te leggen aan den wortel +van den ouden stam. 't Eind was dat er een scheuring ontstond tusschen +vooruitstrevenden en meer behoudenden. De eersten scheidden zich af +en stichtten in November 1866 een nieuwe vereeniging: de Brahmo Samaj +van Indië geheeten. + +Haar doel was, zooals Chandar Sen in zijn openingsrede op 11 November +verklaarde, alle Brahma-vereerders in één lichaam te vereenigen en +een organisatie over geheel Indië te verkrijgen. In 1869 opende deze +nieuwe gemeente haar bedehuis. + +Haar optreden kenmerkte zich door groote godsdienstige bezieling. + +Haar programma luidt aldus: + +God is de eerste oorzaak van het heelal. Door Zijn wil schiep Hij +alle voorwerpen uit niets en onderhoudt Hij deze bij voortduring. Hij +is Geest, geen stof. Hij is volmaakt, oneindig, almachtig, vol van +genade en heiligheid. Hij is onze Vader, Beschermer, Meester, Koning +en Verlosser. + +De ziel is onsterfelijk. De dood is slechts de oplossing van het +lichaam. Er is geen nieuwe geboorte na den dood: het toekomstig +leven is een voortzetting en ontwikkeling van het tegenwoordig +leven. De menschen die nu leven zijn de embryo's van de menschen, +die zijn zullen. + +De ware (heilige) schriften zijn tweeërlei: het boekdeel der natuur en +de natuurlijke denkbeelden, in den geest ingeplant. De wijsheid, macht +en genade van den Schepper staan in het gansche heelal beschreven. Alle +denkbeelden over onsterfelijkheid en zedelijkheid zijn oorspronkelijke +overtuigingen, in des menschen zijn gegrond. + +God wordt nimmer mensch door een menschelijk lichaam aan te nemen. Zijn +goddelijkheid woont in ieder mensch en openbaart zich in sommigen met +groote kracht. Mozes, Jezus Christus, Mohammed, Nanak, Cartanya en +andere groote leeraren verschenen op bepaalde tijden en brachten vele +heilsgoederen aan de wereld. Zij mogen aanspraak maken op algemeene +dankbaarheid en liefde. + +De Brahma godsdienst is verschillend van alle andere godsdienststelsels +der wereld, toch maakt hij het wezen van allen uit. Hij is niet +vijandig tegen andere gelooven. Wat daarin waars is, aanvaardt hij. Hij +is gegrond op het wezen des menschen en is daarom eeuwig en algemeen, +noch ook beperkt tot leeftijd of landstreek. + +Alle menschen behooren tot ééne broederschap. De Brahma godsdienst +kent geen onderscheid van hooge en lage caste. Het doel van dezen +godsdienst is allen tot één huisgezin te vereenigen. + +Er zijn vierderlei plichten: 1. plichten tegenover God, zooals: +geloof in Hem, liefde, vereering en aanbidding. 2. plichten tegenover +onszelf, zooals: bewaring van ons lichamelijk welzijn, verkrijging van +kennis, heiliging der ziel. 3. plichten tegenover anderen, zooals: +waarachtigheid, rechtvaardigheid, dankbaarheid, het bevorderen van +het welzijn van alle menschen. 4. plichten tegenover dieren en lagere +schepselen, zooals vriendelijke behandeling. + +Iedere zondaar moet de gevolgen van zijn eigen zonden dragen, vroeg +of laat, in dit of in een volgend leven. + +De mensch moet naar heiligheid streven door vereering van God, +onderdrukking der hartstochten, berouw, de natuur en goede boeken +te onderzoeken, goed gezelschap te zoeken en in de eenzaamheid te +overpeinzen. Deze dingen zullen, door de werking van Gods genade, tot +verlossing leiden. Verlossing is bevrijding der ziel van den wortel +van het bederf en haar voortdurend groeien in heiligheid. Dit groeien +duurt tot in eeuwigheid, en de ziel wordt meer en meer goddelijk +en gelukkig in Hem, die de bron is van oneindige heiligheid en +vreugde. Het nabijzijn van God is de hemel der Indische Theïsten. + +Naar men ziet zijn hier verscheiden denkbeelden aan het Christendom +ontleend. Ook de godsdienstoefeningen hebben gewoonlijk op Zondag +plaats. Zij zijn ongeveer aldus ingericht: eerst een lied, dan +een aanroeping van God door den leeraar, door een ander lied +gevolgd. Vervolgens vereering van God, gezongen door de geheele +gemeente, voortgezet door den voorzanger alleen. Dan eenige minuten +van stille overpeinzing en gemeenschap met God. Vervolgens wordt, +door de geheele gemeente, staande, het volgende gebed gesproken: + +"Leid ons, o God, van onwaarheid tot waarheid, van duisternis +tot licht, van dood tot onsterfelijkheid. O, Vader der waarheid, +openbaar u toch aan ons. Gij zijt genadig, bescherm ons steeds in +uwe grenzenlooze goedheid. Vrede! Vrede!" Dan volgt een gebed voor +de gansche wereld, door den voorganger alleen, gevolgd door een ander +lied en door het zeggen van teksten uit Hindoesche en andere gewijde +schriften. Eindelijk een preek, gevolgd door gebed, zegen en lied. + +Jammer genoeg ontstond er in deze vereeniging in 1878 weer een nieuwe +scheuring. De uitgetredenen stichtten zich een eigen bedehuis. Doch op +al de bijzondere lotgevallen der verschillende Indische Theïstische +groepen in te gaan zou ons te ver voeren. Wij merken alleen nog op, +dat er reeds in 1883 over Engelsch Indië 170 gemeenten bestonden, de +een wat meer behoudend, de ander wat meer kritisch staande tegenover +de Hindoesche overlevering, maar toch allen getuigenis afleggend +van nieuwen levensgloed. Onder de hoofdleiders moeten wij nog noemen +Mozoomdar, die eenige jaren geleden op het parlement der godsdiensten +in Chicago zoo meesleepend wist te getuigen. + +Van harte hopen wij dat deze verlichte Indiërs hun vaderland van +bijgeloof mogen zuiveren en dat zij de vele schatten, in de gewijde +boeken van hun volk verborgen, in ruime mate ook tot de westerlingen +mogen helpen brengen. Want, de tempel der toekomst zal worden +saamgevoegd uit vele kostelijke steenen, aangebracht uit vele landen. + + + + + + + +HOOFDSTUK IV. + +Het Boeddhisme. + + +I. Het leven van Boeddha tot aan zijn openlijk optreden. + + +In ons overzicht van het Brahmanisme hebben wij gezien hoe er in +het oude Indië, hoe langer hoe meer, gevoeld werd niet alleen door +verlichte priesters, maar ook door leeken, dat niet in offers en +uitwendige vereering der goden, doch in het streven naar verlossing +van alle begeerten, naar onderdrukking van alle hartstocht het ware +levensdoel kan bestaan. Niet door het streven naar bovennatuurlijke +krachten, niet door boetedoeningen om eenig aardsch voordeel te +verkrijgen, maar door, tot zichzelf inkeerende, de ongenoegzaamheid +van al het aardsche in te zien en dan ook van alle begeerte afstand +te doen, komt men tot het hoogste heil. Dat werd gevoeld door vele +eenzame vromen in het stille woud, maar lag ook op den bodem van +de ziel van het Indische volk; het Boeddhisme zou het straks doen +doordringen tot een wijden kring. + +Een wijden kring: de godsdienst van den Indische wijze wordt thans nog +beleden door ongeveer een derde der geheele menschheid. Uit zijn oude +bakermat, Voor-Indië, is het voor het grootste gedeelte later weer +door het Brahmanisme verdrongen. Doch in tal van andere landen heeft +het zich zeer uitgebreid. Wij noemen onder de voornaamste landen, +waar deze godsdienst heerscht: Ceylon, Birma, Siam, Annam, Tibet, +China en Japan. + +Doch, al wordt in al deze landen Boeddha in eere gehouden, er is een +groot verschil. Het Boeddhisme van Ceylon en Birma is in vele opzichten +gansch iets anders dan dat van Tibet. 't Is er mee als met het +vrijzinnig-Protestantsch en het Roomsch-Catholiek Christendom. Beiden +willen Jezus eeren, doch de eersten beschouwen den stichter van hun +godsdienst als mensch en vinden in 't naleven zijner levensbeginselen +de hoofdzaak. De anderen erkennen hem als een Godheid, die door +plechtig ceremonieel nog meer wordt gediend dan door overpeinzing en +betrachting zijner leer. Zoo is het ook met het Boeddhisme. Komt ge +in Birma, dan hoort ge weinig van Boeddha als godheid, maar wordt de +beteekenis van zijn strijd en overwinning als mensch diep gevoeld. En +in een leven van eenvoud en liefde voor al wat leeft, drukt men de +voetstappen des Meesters. Doch in Tibet heeft Boeddha goddelijke eer, +ja een plaatsvervanger op aarde, voor wien men zich als voor Rome's +Paus nederbuigt. Daar worden tal van formulier-gebeden voor hem +opgezegd, tal van geheimzinnige plechtigheden voor hem verricht. De +eeredienst is er oneindig luisterrijker en samengestelder dan in de +zuidelijke landen als Birma en Ceylon. En in China en Japan is het +Boeddhisme met andere godsdiensten als ineengevloeid en heeft daarbij +een deel van zijn oorspronkelijk karakter ingeboet. + +Doch, dezen godsdienst in al zijn ontwikkelingen en zijwegen te volgen +ligt niet op onzen weg. 't Is ons voornamelijk te doen om den geest +van den wijze, dien Edwin Arnold niet zonder reden het licht van Azië +noemde, te leeren kennen. + +Dat nu is, ofschoon er genoeg over het Boeddhisme geschreven is en +geschreven wordt, niet zoo gemakkelijk als het schijnt. Allereerst is +er quaestie over de persoon van den Boeddha. Was hij een historisch +persoon, of berust zijn gansche levensgeschiedenis, zooals die +uit vroegere en latere Boeddhistische geschriften wordt gekend, +op verdichting? Er zijn geleerden, die dit beweerd hebben. De +Fransche geleerde Sénart [10] tracht de gansche, in zoo menig opzicht +aantrekkelijke legende van den Boeddha tot een zonnemythe te herleiden, +en brengt op vernuftige wijze alle bijzonderheden daarvan met deze +opvatting in verband. + +Doch: waarschijnlijk is deze opvatting alles behalve. Ten eerste +omdat gewoonlijk een groote godsdienstige beweging haar oorsprong +vindt in een krachtige persoonlijkheid, ten tweede, omdat er toch +veel waarschijnlijks en natuurlijks achter het phantastische der +levensbeschrijving verborgen ligt. En in de derde plaats vooral +omdat inderdaad de oudste Boeddhistische boeken, die wij bezitten, +wellicht niet veel langer dan een eeuw na den dood van den stichter +van dezen godsdienst zijn opgesteld. + +Om nu echter in de Boeddha-legende overal waarheid en verdichting +te scheiden--ziedaar een taak, die boven onze krachten ligt. 't Is +er mede als met de levensgeschiedenis van Jezus in de Evangeliën, +die ons wel in hoofdzaak het leven van den Meester doen kennen, +maar ons toch ook vaak in aanraking brengen, niet met wat de Meester +dacht, maar met wat zijn volgelingen gevoelden. Doch: is ook dat niet +een sleutel der kennis voor wie een godsdienst wil leeren kennen? We +kunnen daarom niet beter doen, ten einde in den geest van den stichter +en zijn godsdienst u in te wijden, dan in de eerste plaats een blik +te werpen op de levensgeschiedenis van den Verlichte, zooals zijn +volgelingen in oude dagen ons die verhaalden. We zullen daarbij zien +dat er dikwijls een eigenaardige overeenkomst is, tusschen wat ons +van Jezus en van dezen Indischen wijze wordt verhaald. + +Boeddha werd geboren in Kapilavastu: de stad van Kapila, ongeveer +550 jaar voor Christus. Lang hebben de geleerden getwijfeld of +dit wel een werkelijke stad is geweest: doch in 1893 vond men, +in de jungle's van den Taraï, het machtige woud aan den voet van de +Himalaya, overblijfselen van een stad, onder slingerplanten en boomen +verborgen. En daarin een zuil, opgericht door koning Açoka--den grooten +beschermer van het Boeddhisme--ongeveer 257 voor onze jaartelling, +een zuil, die het opschrift behelsde: + +"Koning Piyadasi (Açoka) de beminde der goden, bracht hier, toen +hij twintig jaar (als koning) gezalfd was, zijne vereering en sprak: +Hier is Boeddha (de verlichte), Sakya-Muni, geboren." En hij zorgde +dat een steenen zuil werd opgericht met de verklaring er op: "Hier +is de eerbiedwaardige geboren." + +Boeddha, of liever Siddhartha (de eerste naam is feitelijk een +eeretitel) de verlichte: werd uit aanzienlijke ouders geboren. Het +geslacht der Sakya's was om zijn ouden adel en zijn rijkdom beide +beroemd. Latere legenden hebben Boeddha zelfs tot een koningszoon +gemaakt. + +De moeder van Siddhartha, Maya, bracht haar zoon ter wereld en stierf +weinige dagen daarna, zoodat de andere echtgenoote van Siddhartha's +vader hem verder opvoedde. In Kapilavastu bracht hij alzoo zijn jeugd +door, daar dwaalde hij rond in de schaduwrijke tuinen van zijns +vaders paleis. Reeds vroeg trad hij in het huwelijk met eene door +lichaamsschoon en liefderijk karakter uitmuntende bloedverwante, +gewoonlijk Yaçodhara geheeten, die hem een zoon schonk, met name +Rahula. Dat zijn de bijzonderheden die over zijn jeugd vrijwel +vaststaan. Ware hij niet werkelijk gehuwd geweest, dan zou een +latere legende--in aanmerking genomen dat de ongehuwde staat voor +de Boeddhistische monniken verplichtend is--dit nooit aangaande hem +hebben verdicht. + +De legende weet echter veel meer te verhalen. Zij spreekt van een +wonderbaren droom, dien Maya voor de geboorte van haar beroemden zoon +had: een witte olifant, meer lichtend dan zon en maan, naderde haren +schoot. De drie werelden (aarde, hemel en hel) zag zij verlicht door +een groot licht, schijnende in de duisternis, en duizende geesten +zongen haar lof. Ook werd aan haar echtgenoot bekend gemaakt dat de +toekomstige Boeddha op aarde zou komen in Maya's schoot. De verlichte +was zichtbaar in de moederschoot en toen hij ter wereld kwam zongen +hemelsche geesten zijn lof. Na vijf dagen werd hem een naam gegeven en +werd hij in den tempel gebracht. Asita--een heilige kluizenaar--die +de acht magische vermogens had verworven en daardoor in den geest +kon zien wat in de hemelen gebeurt, wordt daar onderricht dat een +machtige Boeddha is geboren. Als hij daarna het goddelijk geestesoog +laat wijden over de wereld ziet hij het kind in het paleis, glanzend +van zuivere daden, door al de werelden vereerd. + +Asita gaat naar het paleis. Hij neemt het kind in zijn armen en +weent. "Waarom deze tranen, heilige man?" "Ik ween," is het antwoord, +"omdat deze de groote Boeddha zal zijn en ik daarvan geen getuige +meer kan wezen." + +Merkwaardig is echter het volgende verhaal, dat ons als in +allegorischen vorm doet lezen in het zieleleven van den toekomstigen +wereldverlosser. + +Waarzeggers door den koning geraadpleegd, verklaarden: + +De jongeling zal zonder twijfel òf een koning der koningen of een +groote Boeddha worden. Als hij bestemd is een groote Boeddha te +worden, dan zullen vier voorteekenen zijn zending duidelijk maken. Hij +zal zien: + + + 1. Een oud man. + 2. Een kranke. + 3. Een lijk. + 4. Een heiligen kluizenaar. + + +Indien hij deze vier voorteekens van een avatara [11] niet ziet, +zal hij slechts een aardsche heerscher zijn. + +De koning Suddhodana, die droomen van wereldsche grootheid over zijn +zoon in 't hart koesterde, werd door die laatste verzekering van +de waarzeggers heel wat gerustgesteld. Hij dacht bij zichzelf: Het +zal gemakkelijk genoeg zijn om deze vier voorteekenen van den prins +verre te houden. Hij gaf dus bevel dat er drie prachtige paleizen, de +schoonste op aarde: het voorjaars-, het zomer- en het winterpaleis, +zouden worden gebouwd. Zij wedijverden in glans met Vaijayanta, +het onsterfelijk paleis van Indra zelf. + +Kostelijke paviljoenen werden overal opgetrokken, met prachtige +voorportalen en gepolijste deuren. Torentjes en kanteelen verhieven +zich in de lucht. Door sierlijke vensters viel het licht in de +prachtige vertrekken. Galerijen, balustraden en fijn traliewerk waren +in overvloed aanwezig. Duizend klokjes klonken op ieder dak. In +één woord: een beeld als van de paleizen in Chineeschen stijl, +die naar het schijnt in oud-Indië werden gebouwd. Even prachtig +waren de tuinen, waar in koele meren de heerlijkste kraanvogels +en zwanen zich verlustigden, en waar de schoonste boomen geur en +schaduw verspreidden. De lucht was vervuld met de geur van tube-rozen +en jasmijnen. + +Rondom de paleizen van Kapilavastu waren voorts sterke wallen om +alle ouden van dagen, kranken en kluizenaars te weren en om den prins +daarbinnen te houden. + +Nog een betere en machtiger bewaking werd te werk gesteld. Toen de +prins den leeftijd had bereikt om in het huwelijk te treden werd zijn +paleis met schoone vrouwen bevolkt. Doch, een schok trof den koning. + +Dit geschiedde als volgt. De koning had een park aangelegd, nog +schooner dan de tuin van het zomerhuis. Een ziener had hem verhaald, +dat, indien hij den prins er toe krijgen kon om dezen tuin te bezien, +deze daar voor altijd met zijn vrouwen zou willen blijven. Geen taak +scheen gemakkelijker, en op zekeren dag zou de prins er met zijn wagen +heenrijden. Groote voorzorgen waren genomen om alle oude menschen, alle +kranken, alle lijken ver uit zijn gezicht te houden. Een heel leger +soldaten was er voor opgeroepen, met vlaggen was de stad versierd. De +weg, waarlangs de prins kwam, was met bloemen bestrooid en met vazen +vol welriekende planten versierd. Prachtige guirlandes en sierlijke +klokjes waren overal opgehangen. Doch zie! toen de prins uitreed zag +hij eensklaps, bijna onder de wielen van zijn wagen, tusschen de in +zijde gekleede edelen en de krijgslieden met schilden en speren een +ongewoon schouwspel. Het was een oud man, afgeleefd en verlamd. Zijn +aderen en peezen waren zoo gezwollen, dat ze te zien waren, zijn +tanden klapperden, het gelaat vol rimpels, het hoofd bijna kaal en +de weinige haren spierwit. Zoo strompelde hij voort, bijna dubbel +gebogen, leunend op een stok. + +"Wat is dit, wagenmenner?" riep de prins. "Een man wiens bloed +is opgedroogd en wiens spieren aan zijn lichaam als vastgekleefd +zijn. Zijn hoofd is wit, zijn tanden slaan tegen elkaar, nauwelijks +kan hij zich bewegen, zelfs niet met behulp van een stok." + +"Prins" zeide de wagenmenner "dit is de ouderdom. Zijn zinnen zijn +afgestompt, het lijden heeft zijn geest verstoord, veracht is hij +door zijn naburen. Niet in staat om zichzelf te helpen heeft men hem +in dit woud aan zijn lot overgelaten." + +"Is dit," vroeg de prins "een eigenaardigheid van zijn familie of is +dit de wet der wereld. Zeg mij dat spoedig." + +"Prins" zeide de wagenbestuurder, "dit is noch een wet van die +familie, noch van dit koninkrijk alleen. In ieder wezen wordt de +jeugd overwonnen door den ouderdom. Uw eigen vader en moeder zullen +in ouderdom eindigen: ook al uw bloedverwanten. Daar is geen andere +weg voor de menschheid." + +"Dan is de jeugd blind en onwetend," zeide de prins, "en ziet de +toekomst niet. Als dit lichaam het verblijf zal worden van den +ouderdom, wat heb ik dan aan het vermaak en zijne bedwelming? Laat +den wagen keeren en breng mij terug naar mijn paleis." + +Ontsteltenis was in de harten van alle hovelingen over deze onaangename +gebeurtenis, en het ergste was, dat niemand de ongelukkige oorzaak +er van straffen kon. De oude man was nergens te vinden. De koning +was buiten zichzelf van droefheid. Soldaten werden uit verwijderde +districten gesommeerd en vier mijlen in het rond werd een cordon +getrokken om de andere voorteekenen van den prins verwijderd te +houden. Langzamerhand echter kwam de koning een weinig tot rust. "Als +mijn zoon den tuin des geluks ziet, zal hij nimmer een kluizenaar +worden," had de koning gezegd, doch een belachelijk voorval had +zijn plan verstoord. Nogmaals zou het echter worden beproefd en de +voorzorgen werden ditmaal verdubbeld. + +Was de prins de eerste maal door de oostpoort uit het zomerpaleis +gegaan, nu ging hij de zuidpoort uit. + +Doch een andere onverwachte gebeurtenis viel er thans voor. Toen +de prins in zijn wagen uitreed zag hij plotseling vlak bij zich +een kranke, uitgemergeld, door brandende koorts gekweld. Alleen, +zonder dat iemand voor hem zorgde, ging hij voort, strompelend, +met moeite ademhalend. + +"Wagenmenner," zeide de prins, "wat heeft deze man, zoo geel en +weerzinwekkend van uiterlijk, zoo stomp van zinnen, zoo verdord van +leden. Zijn maag hindert hem, met vuil is hij bedekt. Nauwelijks kan +hij adem halen." + +"Prins," hernam de ander, "dit is ziekte. Deze ongelukkige man is +door een ernstige krankheid aangetast. Kracht en lust hebben hem +verlaten. Hij is zonder vriend, zonder hoop, zonder land, zonder +toevlucht. De vreeze des doods is voor zijne oogen." + +"Indien de gezondheid van den mensch," zoo sprak Boeddha, "slechts +het spel is van een droom, en de vrees voor toekomstig leed zulk een +gestalte kan teweegbrengen, hoe kunnen dan wijze menschen, die gezien +hebben wat het leven werkelijk is, toegeven aan de ijdele genietingen +des levens? Keer terug dienaar, en breng mij naar mijn paleis." De +vertoornde koning, hoorende wat er geschied was, gaf bevel dat men +den zieken man zou gevangen nemen en straffen, doch, in weerwil van +een prijs op zijn hoofd en van zoeken overal kon men hem niet vinden. + +Een plaats uit de "Lalita Vistara" [12] geeft deze oplossing: de +kranke was inderdaad een der geesten uit "het zuivere verblijf" +(de hemel van Brahma) die deze gedaante had aangenomen. Die geesten +van het "zuiver verblijf" zijn eigenlijk de Boeddha's, die vóór den +verlichte hebben geleefd: de Boeddha's van het verleden alzoo. [13] + +Ook verhaalt een der zuidelijke geschriften dat de wagenmenner onder +inspiratie sprak, wat inderdaad voor het verhaal zeer goed past, +de gesprekken van een koetsier zijn niet altijd zoo verheven. + +Het scheen dat een of andere booze invloed koning Suddodhana +beheerschte, want, onbewogen door het mislukken van zijn plan deed +hij een derde poging om den prins naar dien tuin van het geluk te +brengen. Ditmaal ging de weg door de westpoort. Grooter voorzorgen +dan ooit te voren werden er thans genomen. De keten van wachten werd +tot op twaalf mijlen van het zomerpaleis uitgezet. Maar wederom +hielden de Boeddha's der tien horizons den prins tegen. Eensklaps +was daar een verschijning van een lijkstatie. Een (spook)lichaam, +naar de gewoonte met modder besmeerd, en met een doek bedekt, werd +op een baar weggevoerd. (Spook)vrouwen huilden en (spook)muzikanten +maakten treurmuziek op trommel en fluit. Zonder twijfel zongen ook +spook-Brahmanen hymnen om het onsterfelijk deel naar de woning der +vaderen te begeleiden. + +"Wat is dit," zeide de prins. "Waarom slaan zich deze vrouwen op de +borst en trekken zij zich de haren uit? Waarom bedekken deze goede +menschen hun gelaat met het stof der aarde? En die vreemde gestalte +op de draagbaar, waarom is zij zoo stijf? + +"Prins," zeide de ander, "dit is de dood. Die gestalte, bleek en +verstijfd, kan nooit meer gaan en zich bewegen. Zijn bewoner is gegaan +naar de onbekende verblijven van Yama. [14] Zijn vader, zijn moeder, +zijn kind, zijn vrouw, allen roepen om hem, doch hij kan niet hooren." + +Boeddha werd droef te moede. + +"Wee u jeugd, die het spel is voor den ouderdom! Wee u gezondheid, die +de prooi wordt van vele krankheden! Wee u leven, dat als een ademtocht +henengaat! Wee u ijd'le vermaken, die de menschheid bederven. Doch wat +de vijf skandha's [15] betreft, daar zal geen ouderdom, ziekte of dood +zijn. Ga terug naar de stad. Ik moet de bevrijding tot stand brengen." + +Een vierde maal werd de prins door zijn vader verzocht den tuin des +geluks te zien. Ditmaal was de keten der wachten zestien mijlen +ver in den omtrek opgesteld. Door de noorderpoort reed de prins +uit. Eensklaps zag men op den weg een man, kalm en vriendelijk van +uiterlijk, met een okergele monnikskap. + +"Wie is deze," vroeg de prins, "zoo vriendelijk en vredig van +uiterlijk? Hij staart alsof zijn geest ergens anders vertoeft, en een +schaal heeft hij in de hand." "Prins, dit is het nieuwe leven," sprak +de wagenmenner. "Deze man is een van diegenen, die op den eeuwigen +Brahma hun gedachten vestigen. (Brahmacharin). Hij zoekt de goddelijke +stem en het goddelijk inzicht. De aalmoezenschaal van den heiligen +bedelaar (bhikshu) draagt hij in de hand. Zijn geest is kalm omdat de +groote bekoringen van het lager leven hem niet langer kunnen kwellen." + +"Zulk een leven begeer ik," zeide de prins, "de lusten van den mensch +zijn het zeewater gelijk, zij maken den dorst erger in plaats van +haar te lesschen. Ik wil het goddelijk inzicht bereiken en den mensch +onsterfelijkheid [16] schenken." + +De koning was buiten zichzelf. Bij iedere poort van het zomerpaleis +werden vijfhonderd zwaargewapende Sakya's geplaatst. Ketens van +schildwachten omgaven de opgehoogde en versterkte wallen. Een phalanx +lieftallige vrouwen, met lansen gewapend, was om het bed van den prins +geposteerd om hem te bewaken. Alles wat de zinnen kon streelen, zoo +beval de koning, moest bij voortduring aan den prins worden geboden. + +"Laat de vrouwen van de zenana (harem) geen oogenblik hun zang en +spel en vroolijkheid staken. Dat zij schitteren van zijde en fonkelen +van edelgesteenten." + +Maha Prajapati, de tante, die na den dood van koningin Maya Boeddha +had opgevoed, had het opzicht over deze lieftallige jonge vrouwen en +spoorde ze aan om den prins in een "gouden kooi" in te sluiten. + +Zoo werd Boeddha in verzoeking gebracht. Doch, deden de bewoners +van Kamaloça (de oorden der lust) hun best, die van Brahmaloça (de +oorden van den zuiveren geest) lieten, schoon ongezien, toch ook hun +invloed gevoelen. + +Eens toch, toen de prins rustte op een zijden rustbed en vier of vijf +bruingekleurde grootoogige Indische meisjes voor hem lieflijk zongen, +namen zijn oogen eensklaps een vreemden glans aan. Wel zag hij nog +al de schoone guirlandes en het prachtig traliewerk van de zaal, doch +'t werd dof voor zijn oog. Muziek en stemmen zooals hij nooit te voren +had gehoord, kwamen nu tot hem als uit de verte. O. a. hoorde hij de +volgende verzen: + + +"Machtige steun der menschheid, wandel op het pad van de Rishi's [17] +van ouds. Ga heen uit deze stad! + +"Geef op deze troostelooze wereld, als gij de onschatbare kennis der +Jina's [18] hebt verworven, en een volmaakte Boeddha zijt geworden, +aan allen den doop van het koninkrijk der gerechtigheid. + +"Gij, die eens uw voeten, uw handen, uw kostbaar lichaam opofferdet, +die vaarwel zeidet alle rijkdommen der wereld, [19] gij, wiens leven +zuiver is, red het vleesch van zijne ellenden! + +"Wees geduldig als gij smadelijk wordt bejegend, o overwinnaar van +u zelf! Heer van allen, die op twee voeten gaan, ga voort volgens uw +zending. Verwin het kwaad en zijn leger. + +"Licht der wereld, in vroegere levens hebt gij gezegd: Voor +de werelden, aan dood en ziekte ter prooi, zal ik een toevlucht +zijn! Leeuw der menschen, heer van hen, die op twee voeten loopen, +de tijd voor uw zending is gekomen. Verkrijg onsterfelijke waardigheid +onder den gewijden Bo-boom [20] en geef Amrita [21] aan allen. + +"Toen gij een koning waart en een onbescheiden onderdaan sprak tot u: +"Geef mij deze landen en steden", toen waart gij verheugd en niet +bedroefd. + +"Toen gij een deugdzaam Rishi waart en een wreed koning in woede +uwe leden afhieuw, toen vlood in uw doodsangst melk uit uw voeten +en handen. + +"Toen gij als Rishi Syama op een berg woonde, en een koning u +doorboorde met vergiftige pijlen, hebt gij toen dien koning niet +vergeven? + +"Toen gij de koning der antilopen waart, hebt gij toen niet uw vijand, +den jager, voor een waterstroom beveiligd? + +"Toen gij een olifant waart en een jager doorboorde u, hebt gij hem +niet vergeven en beloond met uwe prachtige slagtanden? + +"Toen gij een berin waart, hebt gij een man gered uit een stroom, +door sneeuw hooggezwollen. Gij voeddet hem met wortels en vruchten +tot hij sterk werd en, toen hij heenging en menschen meebracht om u +te dooden, gij vergaaft hem. + +"Eens toen gij het witte paard [22] waart, gingt gij, uit medelijden +met het lijden der menschen, door den hemel naar de plaats der booze +geesten, opdat gij hun geluk zoudt verzekeren. + +"Vervolgingen zonder tal, smaad en herhaalde gevangenis, dood en +moord: gij hebt het alles gedragen met liefde en geduld, vergevende +die 't u aandeden. + +"Menschen zonder koning kiezen u tot den hunne. Leid hen in den weg van +Brahma en de tien deugden, opdat, indien zij hun metgezellen verlaten, +zij allen mogen gaan naar Brahma's verblijf." + +Door deze verzen, zegt het verhaal, werd de prins vermaand. En +terwijl de Jina's deze liederen zongen, trachtten schoone vrouwen, +met bloemen en reukwerk, juweelen en rijke kleeding hem te brengen +tot aardsche liefde. + +Doch de geesten van het zuiver verblijf ontwerpen nog een nieuw +plan om hun oogmerken uit te voeren. Zij zorgen dat de prins deze +verleidelijke vrouwen, deze aanlokselen van Mara den verzoeker en +Kama, den god der liefde ziet in een nieuw licht. Zij bewegen door +onmerkbaren invloed den prins om de vertrekken der vrouwen te gaan +bezien als de Jina's ze in een vasten slaap hebben gebracht. + +Alles is in wanorde, de kleederen der vrouwen, heur haar, haar +sieraden. Sommigen liggen in onbevallige houding op haar rustbedden, +of hebben een akelig uiterlijk, anderen hoesten of lachen onnoozel +in hare droomen of ijlen. + +Ook misvormingen en vlekken, die de vrouwelijke list zorgvuldig +verborg, vallen nu, bij de tooverkunst der geesten, in het oog. De +eene heeft een miskleurigen hals, de andere een slecht gevormd been, +de derde een lompen vetten arm. Glimlachen zijn grijnzen, betoovering +is terugstooting geworden. Plomp liggen zij neer, tusschen al haar +versiersels, luiten en tamboerijnen. + +Waarlijk, zeide de prins vol afkeer, ik ben op een kerkhof. 't Wordt +hem wee om 't harte: nu is de tijd gekomen, om den grooten weg te +gaan en van al 't aardsche zich los te maken. + +Doch hem wacht een zware strijd, een, die echter zijne beslissing +verhaast. Als hij in den tuin is, waarin hem het vierde gezicht (de +monnik) is ten deel gevallen, wordt hem geboodschapt dat zijn geliefde +gade hem een zoon heeft geschonken. Hij zegt "Rahula is mij geboren, +een nieuwe keten is gesmeed." Hij gevoelt, hoe moeilijk het nu zal zijn +de banden te breken, die hem binden aan de zijnen en aan de wereld, die +hem omringt en treurig keert hij naar huis terug. Doch vreugde is er +in het hart van de dorpsbewoners over de geboorte van den eersteling, +den kleinzoon van hun rajah. Onder hun triumfgezang keert Boeddha in +Kapilavastu terug. Als een zijner nichten van vorstelijken bloede +hem op zijn wagen, in pracht en heerlijkheid, de stad ziet naderen +geeft zij haar gemoed lucht in de woorden: "Zalig de vader, zalig de +moeder, zalig de vrouw van zulk een zoon en echtgenoot." De jonge man +hoort haar woord met aandoening: "wel mag zij zeggen," zoo spreekt +hij bij zichzelven, "dat er zaligheid in 't moederhart is, als zij +ziet op het inwendig leven van haar zoon, wel ook is er zaligheid in +'t hart van den vader en van de echtgenoote. Maar vanwaar komt de ware +vrede voor het hart?" En in zijn dankbaarheid, dat zij zulke gedachten +bij hem heeft opgewekt, geeft hij haar zijn paarlsnoer, als het loon +voor haar goede leer. Evenwel, zij droomt van aardsche liefde, die +meent zij, door haar is opgewekt in zijn hart. Doch de Boeddha geeft +zichzelf op de vraag naar den waren vrede een gansch ander antwoord: +"Als het vuur van de lust is gedoofd, als het vuur van den haat en +van de verblinding is gebluscht, als ook hoogmoed, dwaling en alle +zonde en hartstocht is gedoofd, dan vindt het harte ware rust." + +Zoo komt het besluit van den Boeddha tot zijn voltooiing. Vóór hij +zijn geliefde vrouw en al het zijne verlaat, wil hij zijn kind nog +zien. Daar sluimert de lieve moeder, het bed met bloemen bestrooid, +de hand over het hoofd van haar kindje uitgestrekt. Hoe gaarne had +hij zijn zoon een oogenblik in de armen genomen, doch dan zou ook +de teederminnende echtgenoote ontwaken, en hoe dan zijn besluit te +volvoeren? Aarzelend gaat hij heen, na een laatsten liefdevollen blik +op de slapenden te hebben geworpen: als hij een verlichte (Boeddha) +zal geworden zijn, dan wil hij terugkeeren en zijnen zoon wederzien. + +Daar buiten wacht zijn wagenmenner Channa met het eed'le ros Kanthaka +en voort gaat het in den duisteren nacht, totdat hij, aan de grenzen +van zijn rijksgebied, dienaar en paard terugzendt om zich bij de +monniken aan te sluiten en daar in zelfkastijding den waren vrede +te zoeken. + +Spreekt de waarheid in deze verdichtingen niet tot ons aller +hart? Voelen wij niet mede voor den eed'le wijze, die doorzag de +vergankelijkheid van al het aardsche en die dorstte naar hooger +leven? Spreekt tot ons niet die strijd der ziele om een teergeliefde +vrouw en eenig kind te verlaten voor een toekomst, uit een aardsch +oogpunt zoo weinig aantrekkelijk? + +Doch, de strijd is niet ten einde. Mara, de vorst der duisternis, +laat hem geenszins met rust en toovert hem voor den geest, dat +hem binnen een week een wereldrijk over alle landen der wereld +zal worden geschonken als hij zijn onderneming opgeeft. Doch neen, +de verzoeking vindt geen ingang, 't is niet te doen om een aardsch +rijk. Hij versmaadt de koningskroon. Zijn vrouwen, zijn paleis, +zijn schatten, alles verlaat hij om in de wildernis te peinzen over +de goddelijke dingen. + +Doch, Mara laat slechts af voor een tijd: vroeg of laat zal er wel +een booze gedachte opkomen in 't hart van den vromen strijder; dan zal +hij hem beheerschen. En, als een schaduw volgt hij den wijze. Boeddha +dan sluit zich aan bij een groep van kluizenaars, die in de holen +van een berghelling nabij Rajagriha leven. Niet al te ver van de stad +verwijderd, leven zij toch in de eenzaamheid van het woud. Alara en +later Udraka, Brahmaansche leeraars, worden thans zijne leermeesters, +met wie hij vele gesprekken voert. Door een voortgezette overpeinzing, +waarbij men zich van al 't aardsche tracht te scheiden, zoo zelfs dat +men ten slotte aan niets bepaalds denkt, poogt hij zichzelf te brengen +tot het eeuwige, tot de rust, boven alles verheven. Evenwel, zijn +peinzen geeft hem den vrede niet. Daarom verlaat hij de kluizenaars +om zich geheel alleen in de eenzaamheid van het woud aan strenge +zelfkastijding en boetedoening over te geven. + +Daar zit hij terneder in de diepten van het woud van Uruvela. De tong +drukt hij tegen het verhemelte, met geweld de gedachten vasthoudend, in +zelfkwelling wachtend op het oogenblik dat de bovenaardsche verlichting +over hem komen zal. Doch zij komt niet. Hij worstelt om steeds meer +van al 't aardsche los te komen, den adem houdt hij in, van voedsel +onthoudt hij zich. Met bewondering zien vijf andere asceten tot hem +op. Bij zoo strenge zelfkastijding moet hij het licht wel deelachtig +worden, straks zullen zij hem volgen op den weg der verlossing. Zijn +lichaam is door pijn en smart geknakt, tot een schaduw van een mensch +is hij geworden, doch het doel wordt niet bereikt. Eindelijk valt +hij flauw en uitgeput neder, de leerlingen meenen dat hij dood is, +doch hij komt weer bij. + +Thans echter geeft hij zijn zelfkastijding op en gaat naar het meest +nabijzijnde dorp om voedsel tot zich te nemen. Dat is te veel voor zijn +leerlingen, in hun oog is hij gevallen van het voetstuk der heiligheid +en zij, zij laten hem alleen, juist nu zijn wankelend geloof zooveel +behoefte had aan de trouwe steun en vereering der zijnen. + +Boeddha wandelt voort, tot aan de oevers van de rivier Nairanjara. Daar +brengt hem de dochter van een landman zijn morgenmaaltijd, een schotel +melk. Onder de schaduw van een Bo-boom (ficus religiosus) zet hij zich +ter neer. De lange uren van den dag gaan in overpeinzing voorbij. Noch +het wijsgeerig denken, noch de strenge boetedoeningen hebben hem vrede +gebracht. Wat heeft hem alles gebaat? Mara toovert hem voor oogen +de zoete vreugde van huiselijkheid en liefde, van rijkdom en macht: +van alles waarvan hij afscheid nam. Hoe gemakkelijk kon hij dat alles +weer bereiken, hoe hartelijk zou hij thuis worden ontvangen. Doch, +moest dan al zijn inspanning verloren moeite zijn? Was er geen vasten +grond om op te bouwen? Zoo streed hij een moeilijken strijd, door de +overlevering gehuld in het phantastisch kleed van een heirleger booze +geesten, dat op hem aanviel, terwijl hemel en aarde in beweging waren. + +Doch, de strijd bracht de overwinning. Onder den boom der verlichting +kwam hij in steeds reinere aanschouwing. Al het zinlijke verzonk; +een gevoel van alles doordringende wetenschap kwam over hem: in een +alles doorschouwend geestelijk zien bespeurde hij de kronkelwegen, +die de geesten in hun zielsverhuizing bewandelen; hij zag de bron +van het lijden en den weg, die tot vernietiging van het lijden voerde. + +Nog zeven dagen vertoeft hij onder den heiligen boom; peinzend +over 's levens raadselen, waarvan hij nu de oplossing heeft +gevonden. En, als hij dan eind'lijk opstaat is alles hem volkomen +klaar geworden. Eindelooze levens zijn het, die hij zelf reeds +doorloopen heeft, en die ieder mensch doorloopt; in ieder volgend +leven maaiend, wat hij in vroegere levens heeft gezaaid; totdat hij +eindelijk, van alle begeerte gereinigd, van allen dorst bevrijd, +ingaat tot den grooten vrede. Werelden zag hij, eind'loos in getal, +allen beheerscht door eene macht, die wel doet: wie haar gehoorzaamt, +wreekt: wie haar gebod miskent. Altijd weer in ieder leven het leed, +als de onontkoombare schaduw van 't leven zelf, waaraan men eerst +ontkomt, indien alle lust is verdoofd, alle begoocheling der zinnen is +weggenomen en men komt tot Nirvana, 't allerhoogste heil, dat tijd noch +wisseling kent. In te zien dat men niets moet wenschen of begeeren, dat +de dorst (Trishna) de bron is van alle lijden, dat is de verlossing. En +van zijn lippen vloeit het, door 't gansch heelal verstaan: + + + Menige existentie heb ik doorloopen. + Al zoekende, doch vruchteloos, + Naar den bewerker van den greep. [23] + Smartlijk toch is herhaalde wedergeboorte, + Veroorzaker van den greep, nu zijt gij ontdekt! + Geen huis zult gij meer bouwen, + Al uw ribben zijn gebroken, + De dekkende spits heeft losgelaten. + De geest is los geworden, + De gulzigheid heeft een einde genomen. [24] + + +Zoover nu was de Boeddha gevorderd; aanstonds kon hij bereiken den +grooten vrede; alle hartstocht, alle begeerte, alle dorst naar genot +was in hem overwonnen. Waarom thans niet het Nirvana in te gaan? + +Met die vraag kwam nu andermaal de vorst der duisternis tot hem. "Nu, +Tathagata (volkomene) is de tijd voor u gekomen." Doch de verhevene, +antwoordde: "Gij booze, ik zal niet ingaan tot den Grooten Vrede, +voor ik mij monniken tot leerlingen heb gewonnen, die de ware leer +verkondigen, en nonnen die haar verbreiden. Eerst moet de weg des +heils verbreid worden onder alle volken en hun worden bekend gemaakt." + +Ziedaar, wat voor den vromen Boeddhist een bron is van vreugde en +dankbaarheid. Boeddha had, toen hij de verlichte was geworden, +aanstonds in het Nirvana kunnen ingaan, toch, uit liefde tot de +menschen blijft hij leven te midden van het lijden van het aardsch +bestaan. + +Doch, zou zijn prediking worden verstaan? In den geest van den +verhevene steeg, toen hij in de eenzaamheid vertoefde, deze gedachte +op: de diepe waarheid die zoo moeilijk is te zien en te verstaan, +heb ik erkend; de vredebrengende, de verhevene, die alle denken +te boven gaat, de beteekenisvolle, die alleen de wijze in zich kan +opnemen. Door aardsche beweegredenen wordt de menschheid gedreven, +daarin vindt zij haar grondslag en haar lust. Voor die menschheid zal +zwaar zijn om te verstaan de wet van oorzaak en werkingen, het tot +rust komen van iederen levensvorm, het losworden van al het aardsche, +het uitdooven der begeerte, het ophouden van het verlangen, het einde, +het Nirvana. Als ik nu de leer verkondig en men mij niet verstaat, +dan brengt het mij slechts uitputting en moeite. [25] + +En, den verhevene kwam telkens voor den geest de volgende spreuk: + + + Waarom der wereld openbaren, wat 'k in zwaren strijd verwierf? + De waarheid blijft voor die begeeren en haten toch verborgenheid, + Want zij is diep, geheimnisvol, voor groven zin bedekt, + Wien aardsch bedenken 't zielelicht verduistert kan haar niet + aanschouwen. + + +En het hart van den verhevene was geneigd in rust te volharden en +de leer niet te prediken. Doch Brahma Sahampati (de hoogste God) +zag de gedachten des heiligen en sprak tot zichzelf: "Ondergaan, +ja ondergaan zal de wereld, als het hart des volkomenen geneigd is +in rust te volharden en de leer niet te prediken." + +Toen verliet Brahma den hoogen heuvel, zoo snel als een man zijn +arm kromt en stond voor den verhevene. Brahma ontblootte zijn +eenen schouder [26], boog de rechterknie ter aarde en sprak tot den +verhevene aldus: + +"Moge de Verhevene, Heer, de leer prediken, moge de Volkomene de leer +prediken. Er zijn wezens, die rein zijn van het stof der aarde, doch, +indien zij de prediking der leer niet hooren, gaan zij te gronde, +zij zullen belijders der leer worden." + +En, vervolgt hij: + + + Tot nu toe heerschten, in het land van Magadha, + Onreine zeden, zond'ger menschen leer. + Gij wijz', ontsluit de poort der eeuwigheid. + Doe hooren, wat gij, zondelooz', erkent, + Wie staat daar boven op der rotsen kruin, + Zijn blik gaat verder dan het oog der schaar, + Zoo stijg, o wijz', omhoog, daar waar + Der waarheid tempel rijst hoog boven 't aardsch gewemel, + En gij, die boven 't lijden zijt verheven, + Zie daar omlaag, de menschheid, door geboort' en ouderdom gekweld, + Sta op, o strijdb're held, ga overwinnend + De wereld door, gids zonder vlek of feil, + Verhef uw stem, o heer, want velen zullen hooren. + + +Die bede wordt tot driemaal herhaald, als Boeddha zijn twijfel +uitspreekt, of het verkondigen der waarheid niet vruchteloos zal +zijn. Eindelijk geeft Boeddha toe; hij ziet met zijn oog des lichts +de wereld, hij aanschouwt daar wezens, wier zielen rein zijn en wier +zielen niet rein zijn van het stof der wereld, wezens scherp en stomp +van zinnen, edelen en onedelen, goede en slechte hoorders van zijn +woorden, velen, die in vrees leven voor het toekomstig leven en voor +de zonden. En dan spreekt hij tot Brahma: + + + "Geopend zij voor allen, de poort der eeuwigheid, + Wie ooren heeft, hij hoore en geloove 't woord, + Ik dacht, aan eigen leed, daarom heb ik, o Brahma, + Het eed'le woord nog niet der wereld meegedeeld." + + +Zoo zag dan Brahma, dat de verhevene zijn bede zou vervullen en het +woord prediken. Toen boog hij zich voor den verhevene, ging eerbiedig +rondom hem en verdween. + +Zoo schetst ons de legende, hoe de verlichte tot het vast besluit +kwam om aan de wereld den weg des heils te verkondigen. + + + + + +II. Boeddha als prediker van den weg des heils. + + +Hoe Boeddha dit deed, willen wij thans zien. Volgens de legende ging +hij allereerst naar het woud van Benares, het wildpark Isipatana, +waar de vijf asceten zich ophielden, die eens zijne leerlingen waren, +doch zich van hem afkeerden, toen hij, na strenge vasten, weer +gewoon voedsel ging gebruiken. [27] Uit de verte zien de monniken +den verhevene naderen. "Vrienden", zoo zeggen zij tegen elkaar, +"daar komt de asceet Gautama, die in overvloed leeft, en zijn heilig +streven heeft opgegeven. Eerbied willen wij hem niet bewijzen, wij +zullen niet voor hem opstaan, hem niet zijn almoezenschaal en zijn +opperkleed afnemen, maar wij willen hem een plaats inruimen, als hij +wil kan hij gaan zitten." [28] + +Doch toen de verhevene naderbij kwam, konden de monniken toch niet +bij dit besluit blijven; zij gingen den verhevene tegemoet, de een +ontlastte hem van aalmoezenschaal en opperkleed, de ander maakte +een plaats voor hem gereed, een derde gaf hem water om de voeten te +wasschen en een bankje om de voeten op neer te zetten. De verhevene +zette zich neer op de voor hem bestemde plaats en wiesch zijne voeten. + +Als zij dan vervolgens hun twijfel te kennen gaven hoe Gautama, +nadat hij door strengheid en zelfkastijding de volle heerlijkheid +van het weten en zien van het heilige niet kon bereiken, nu de +bovenmenschelijke volkomenheid, de volle heerlijkheid van weten +en erkennen van het heilige zou bereikt hebben bij een leven van +overvloed, antwoordt de verhevene als volgt: + +"De Tathagata, [29] o monniken, leeft niet in overvloed, hij heeft +zijn streven niet opgegeven en zich tot den overvloed gekeerd. De +Tathagata, monniken, is de heilige, hoogste Boeddha. Doet uwe ooren +open, o monniken, de verlossing van den dood is gevonden, ik onderwijs +u, ik predik de leer. Als gij overeenkomstig mijn onderwijzing wandelt, +zal u binnen een kleinen tijd ten deel vallen de hoogste voleindiging +van een heilig streven: dat waarom edele jongelingen hun huis verlaten, +om zonder huis te leven; nog in dit leven zult gij de waarheid zelve +erkennen en haar zien van aangezicht tot aangezicht." + +En, als de verhevene deze redenen nog een paar malen heeft herhaald, +dan vraagt hij aan de monniken: "Erkent gij niet, o monniken, dat ik +vroeger nooit zoo tot u gesproken heb?" "Dat hebt gij niet, heer." Na +antwoord en wederantwoord leert dan de verlichte aldus: + +"Twee wegen zijn er, o monniken, waarvan verre moet blijven, die een +geestelijk leven wil leiden. Welke beide wegen zijn dat? De eene +weg is een leven van genietingen, overgegeven aan lust en genot, +dat is min, onedel, ongeestelijk, onwaardig, nietsbeteekenend. De +andere weg is een leven van zelfpijniging, dat is droevig, onwaardig, +nietsbeteekenend. Van beide deze wegen, o monniken, is de voleindigde +ver; hij heeft den weg van het midden leeren kennen, den weg, die +het oog opent en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot +verlichting, tot Nirvana [30] leidt. En welke, o monniken, is deze +weg van het midden, dien de Tathagata heeft erkend, die, welke het oog +opent en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot verlichting, +tot Nirvana voert? Het is het heilige achtvoudige pad, dat wil +zeggen: goed inzien, (vrij van wangeloof); goed bedoelen, (verheven, +den ernstigen man waardig); goed spreken, (vriendelijk, openhartig, +waar); goed handelen, (vreedzaam, eerlijk zijn); goed leven, (zonder +een levend wezen te deren); goed streven, (door zichzelf in tucht te +houden); goed gedenken, (waakzaamheid des geestes); goed bespiegelen, +(zich verdiepen in de mysteriën des levens). Dit, o monniken, is +de weg van het midden, dien de voleindigde heeft erkend, die het +oog en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot verlichting, +tot Nirvana voert." + +Wat nu is het dat tot het betreden van dit achtvoudig pad moet +dringen? De verlichte wijst zijn vroegere leerlingen op vier heilige +waarheden: het lijden, de oorzaak van het lijden, de opheffing van +het lijden, de weg tot de opheffing van het lijden. + +"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van het lijden: geboorte is +lijden, ouderdom is lijden, dood is lijden, met wat men niet liefheeft +vereenigd te zijn is lijden, van wat men liefheeft gescheiden te zijn +is lijden, niet verkrijgen wat men begeert is lijden: in één woord, +de vijfvoudige [31] gehechtheid is lijden. + +"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van het ontstaan des lijdens: +de dorst [32] is het, die van wedergeboorte tot wedergeboorte voert, +namelijk de dorst naar lust, naar worden, naar ontstaan [33], +naar macht. + +"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van de opheffing van het +lijden: dien dorst opheffen door geheele vernietiging der begeerte; +hem varen laten, zich van hem ontdoen, zich van hem losmaken, hem +geen plaats geven. + +"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van den weg tot opheffing +van het lijden: het is het heilige achtvoudige pad; d. i. goed inzien +(enz.) + +"Zoolang ik, o monniken, van deze vier heilige waarheden deze ware +erkentenis niet had, zoolang wist ik ook dat ik nog niet in deze wereld +en in die der goden, benevens in de wereld van Brahma en die van Mara, +onder alle wezens, onder asceten en Brahmanen, onder goden en menschen, +de hoogste verlichting bereikt had. Doch nu heb ik die verlichting +gevonden èn: onverliesbaar is de verlossing van mijn geest, dit is +mijn laatste geboorte, voor mij komen er geen nieuwe geboorten meer." + +Ziehier de bekende prediking van Benares. Al moge zij wellicht +niet letterlijk weergeven wat de Meester zelf heeft gesproken, toch +vinden wij hier de grondlijnen van het oorspronkelijk Boeddhisme. De +verlossing van het lijden te bereiken door alle begeerte af te sterven, +zoodat men geen wedergeboorte meer noodig heeft, ziedaar het hoofdpunt, +waar het op aankomt. Zoolang de mensch lusten en begeerten voedt, +zoolang werkt zijn leven voort, en moet telkens een nieuwe geboorte +plaats hebben. Alle lust, alle begeerte uitdooven is het hoogste +streven, dan wordt men boven alle lijden verheven en gaat tot +Nirvana in. + +Het praktische staat dus op den voorgrond. Het leven, zoo erkent de +verlichte, is noodzakelijk vol van lijden; geboorte, ziekte, dood, het +beteekent alles lijden. Hoe moet de mensch daarvan verlost worden? Door +boven alle begeerte verheven te worden, en alzoo aan het leven, dat +lijden is, te ontkomen. Want, juist de dorst, de begeerte doemt den +mensch om telkens weer geboren te worden tot nieuw lijden. Is hij van +alle begeerte bevrijd, dan behoeft hij niet meer te worden geboren: +hij komt tot Nirvana. Tot vernietiging? Neen, doch tot een zijn, +boven al 't aardsche verheven. Doch, wij komen hierop nog nader terug, +wij willen eerst den verlichte nog volgen op zijn verderen loopbaan. + +De vijf vroegere metgezellen waren dan de eersten, die zich +bekeerden. Zij vragen hem om als zijn leerlingen te worden +opgenomen. "Komt hier, o monniken," luidt dan zijn woord [34], "wèl +verkondigd is de leer, wandelt in heiligheid om aan alle lijden een +einde te maken." Zoo vormde dan Boeddha zijne gemeente. Een nieuwe +rede over de onbestendigheid en de onwezenlijkheid van al het aardsche +bewerkt dan dat de ziel dier vijf jongeren den toestand van zondelooze +heiligheid bereikt. "In dien tijd", zoo zegt een oud bericht, "waren +er zes heiligen in de wereld: Boeddha zelf en deze vijf jongeren." + +Straks echter breidt zich de gemeente uit, al spoedig sluiten zich tal +van asceten, kluizenaars in de wouden van Uruvela, bij hem aan. Ook +koning Bimbisara trekt, als Boeddha straks zijn hoofdstad Rajagriha +genaakt, met een groot gevolg den verlichte te gemoet. Hij treedt als +leek [35] tot de geestverwanten van den verhevene toe en blijft zijn +leven lang een zijner trouwste beschermers. + +Ook werden toen Sariputta en Mogallana, die beiden later geëerd +werden als de twee voornaamste leerlingen, voor de gemeente van den +Verlichte gewonnen. Beide jongelingen waren van Brahmaansche afkomst, +en erkenden zekeren Sanjaya, een bedelmonnik, als hun geestelijk +hoofd. Innig was hun vriendschapsverbond, zij hadden elkaar beloofd, +dat diegene van hen, die het eerst de verlossing van den dood bereikte, +het den ander aanstonds zou meedeelen. + +Op zekeren dag zag Sariputta een van Boeddha's leerlingen, Assaji +geheeten, bezig om in de straten van Rajagriha aalmoezen in te +zamelen, rustig en waardig, den blik naar den grond gericht. Toen +hij hem zag dacht hij: "Dat is een van de monniken, die heilig +zijn in de wereld. Ik zal tot hem gaan en hem vragen: "Vriend, in +wiens naam hebt gij de wereld vaarwel gezegd? Wie is uw meester en +wiens leer erkent gij?"" Doch Sariputta bedacht: "'t Is nu niet de +rechte tijd om het dezen monnik te vragen. Hij gaat langs de huizen +en verzamelt aalmoezen. Ik zal hem achterna gaan, gelijk men iemand +volgt van wien men iets begeert." Toen echter de eerwaardige Assaji +te Rajagriha aalmoezen had ingezameld, nam hij de ontvangen gaven en +keerde terug. Na de gebruikelijke begroetingen sprak Sariputta tot +den eerwaardigen Assaji: "Uw gelaat, o vriend, staat helder, uw kleur +is frisch en klaar. In wiens naam hebt gij de wereld vaarwel gezegd +en wie is uw meester? En wiens leer erkent gij?" "Mijn meester is," +luidde het antwoord, "de groote Samana [36] uit het huis van Sakya, +die de wereld is ontvloden. In naam van hem, den verhevene, heb +ik de wereld verlaten. De verhevene is mijn meester en zijne leer +erken ik. En wat zegt uw meester vriend, en wat leert hij?" "Ik ben +nog een nieuweling vriend, nog niet lang heb ik de wereld verlaten, +ik ben eerst sinds kort tot deze leer en deze orde gekomen. Niet in +haar volle uitgebreidheid kan ik u de leer verkondigen, maar haar +korten zin kan ik u zeggen." Toen sprak Sariputta, de bedelmonnik, +tot den eerwaardigen Assaji: "Zoo zij het vriend, zeg mij weinig +of veel, maar spreek mij van den zin (der leer), daarnaar alleen +verlang ik, wat wil ik mij veel om de letter bekommeren?" Toen sprak +de eerwaardige Assaji tot Sariputta dit woord der leer: "De wezens, +die uit ééne oorzaak vlieten, hun oorsprong leert de voleindigde en +het einde dat zij nemen: dat is de leer van den grooten Samana." [37] + +Toen Sariputta deze woorden hoorde ging hem het licht der waarheid +op, hij begreep dat "alles wat aan ontstaan zijn aanzijn dankt, +ook moet vergaan." Daarom zeide hij tot Assaji: "Al was de les ook +niets anders dan dit, zoo hebt gij toch de plaats bereikt, waar geen +lijden meer is. Wat in tallooze wereldtijdperken niet is gezien, +thans is het tot ons gekomen." + +Dan gaat Sariputta tot Mogallana, zijn vriend. "Uw gelaat, o vriend, +zegt Mogallana, is helder, uw kleur is frisch en klaar. Hebt gij de +verlossing van den dood gevonden?" Het antwoord luidt toestemmend, +hij verhaalt van zijne ontmoeting met Assaji, en ook aan Mogallana +gaat het licht der waarheid op, het reine, wolkelooze. Te vergeefs +tracht hun meester Sanjaya hen tegen te houden. Met groote scharen van +asceten gaan zij naar het bosch, waar Boeddha woont: Sanjaya komt een +stroom bloed uit den mond. Boeddha ziet de beide jongelingen naderen +en verkondigt aan zijne omgeving, dat zij de edelsten en besten +onder zijne jongeren zullen zijn. Beiden ontvangen van Boeddha zelf +de wijding. + +Zoo traden velen toe; doch er was ook tegenstand. Hetzelfde oude +verhaal, waaruit wij deze geschiedenis ontleenden, [38] deelt ons +mede hoe het volk murmureerde: de asceet Gautama, zeiden zij, is +gekomen om kinderloosheid, om weduwschap, om ondergang der familie +te brengen. Zij waren bevreesd voor de toekomst, als zoovelen der +edelste jongelingen tot den verlichte gingen. Geen wonder: waar moest +het heen, indien de gelofte van kuischheid zoo algemeen werd, met de +toekomst des volks? De Brahmanen vorderden die kuischheid alleen van +de jeugd en den ouderdom, maar deze ontrukte aan het maatschappelijk +leven de mannen, die een gelukkig gezin zouden kunnen stichten. + +Doch, de verlichte liet zich door deze bezwaren niet van zijn doel +afvoeren. Al schold men hem en de zijnen met de woorden: + + + De groote monnik komt getogen naar Magadha's bergstad heen. + De Sanjaya's [39] bekeert hij allen, wanneer bekeert hij wel + zichzelf? + + +Zij antwoorden: + + + De helden, de voleindigden, bekeeren door hun waarachtig woord, + Wie zal smaden, den Verlichte, die bekeert door der waarheid macht? + + +In ieder geval, het Boeddhisme wist zich glansrijk te handhaven en +nam hand over hand toe. + +Boeddha's bloedverwanten waren niet onbekend gebleven met zijne +lotwisselingen en zijn vader, Suddodhana, noodigde hem uit om zijn +geboortestad te bezoeken, opdat hij zijn ouden vader nog eens zou +zien, voor deze stierf. De verlichte ging dus op weg en nam zijn +verblijf in een boschje buiten de stad. Daar kwamen zijn vader, zijn +ooms en anderen hem opzoeken: doch deze laatsten waren niet bizonder +ingenomen met hun bedelenden stadgenoot: zij namen daarom ook geen +levensmiddelen voor hem mede, al was dit anders de gewoonte tegenover +heilige kluizenaars. + +Den volgenden dag ging Gautama, door zijn leerlingen vergezeld, met +zijn schaal rond om zijn voedsel te bedelen. Eerst wilde hij bij de +stadspoort gekomen, regelrecht naar het paleis van den rajah gaan; doch +hij besloot zich aan den gewonen regel te houden, volgens welke een +bedelaar van huis tot huis gaat. Men begrijpt dat de rajah al spoedig +vernam dat zijn zoon bedelend door de straten ging: iets wat hem lang +niet aanstond. Hij haastte zich dezen te gemoet te gaan en sprak: + +"Waarom, meester, doet gij ons schande aan door te bedelen om uw +voedsel? Meent gij dat wij zoovele bedelaars niet kunnen voeden?" "O, +groote rajah," was het antwoord, "dit is de gewoonte van ons +allen." "Doch," luidde het wederantwoord, "wij stammen af van een +beroemd geslacht van krijgslieden en niet één van hen heeft ooit zijn +brood gebedeld." + +"Gij en uw familie," hernam Gautama, "moogt u beroemen van koningen +af te stammen, mijn geslacht is dat der profeten [40] van ouds en zij +hebben altijd van aalmoezen geleefd, die zij bijeen bedelden. Doch, +mijn vader, indien een mensch een verborgen schat heeft gevonden, is +het zijn eerste plicht om aan zijn vader de kostbaarste juweelen aan +te bieden." Overeenkomstig dit woord richtte hij zich in de volgende +verzen tot zijn vader: [41] + + + Sta op, vertoef toch niet, + Betracht het rechte, ware leven, + Die deugd beoefent, hij vindt rust. + In dit en in een volgend zijn. + Volg niet het kwaad! + Die deugd beoefent, hij vindt rust + In dit en in een volgend zijn. + + +Suddhodana antwoordde niet, doch nam de schaal van zijn zoon over +en leidde dezen het huis binnen, waar de familieleden hem hulde +brachten. Doch Yaçodhara kwam niet. "Indien ik," zoo sprak zij, +"eenige waarde heb in zijn oog, dan zal hij zelf komen en kan ik hem +beter hier begroeten." + +Gautama bemerkte haar afwezigheid, en, gevolgd door twee zijner +leerlingen ging hij naar de plaats, waar zij zich bevond, nadat hij +hun eerst had gezegd, dat zij haar niet zouden tegenhouden, indien +zij trachtte hem te omhelzen, hoewel anders geen lid der orde een +vrouw mocht aanraken of door haar aangeraakt mocht worden. + +Daar zag zij hem binnentreden, den eens zoo geliefden echtgenoot, +nu een monnik, in 't geel gekleed met gladgeschoren hoofd en +aangezicht. Zij wist wel dat hij er zoo zou uitzien, doch zij kon zich +toch niet inhouden. Zij viel op den grond neer, greep zijne voeten +en barstte in tranen uit. Toen herinnerde zij zich de onoverkomelijke +kloof tusschen hen beiden, stond op en plaatste zich naast hem. + +De rajah sprak haar aan; hij deelde Gautama mede dat zij hem altijd +was blijven liefhebben. Alle weelde, die hij zich had ontzegd, had +zij zichzelve ook onthouden, slechts één maaltijd nam zij iederen +dag, en zij sliep niet in een bed, maar op een mat, uitgespreid +op de vloer. Boeddha schijnt toen niet veel te hebben geantwoord, +alleen vermelden ons de bronnen dat hij een Jataka-geschiedenis +[42] verhaalde over haar deugd in een vroeger bestaan. Zij werd +een ernstig onderzoekster der nieuwe leer, en toen Boeddha later, +eigenlijk tegen zijn zin, doch door de omstandigheden gedwongen, +een orde van nonnen instelde, was zijn verlaten vrouw een der eerste +leden dezer orde. Ook zijn zoon, Rahula, en zijn broeder, Nanda, +werden als monniken in de orde opgenomen. + +Overigens vinden wij over dezen tijd van Boeddha's leven, +het veertigtal jaren tusschen den aanvang zijner prediking en +het einde zijner loopbaan, wel eenige gesprekken of uitspraken, +maar geen geregeld verhaal. Toch, een beeld van de wijze waarop de +verlichte leefde en werkte, kunnen wij ons daaruit wel vormen. Hoe +dan hebben wij ons het leven van den Meester en zijn leerlingen +voor te stellen? Allereerst staat vast dat voor hen, zoo goed als +voor andere asceten, het jaar in twee afwisselende tijdperken was +verdeeld; de regentijd, waarin men zich rustig in zijn verblijf hield, +de zoogenaamde "was"tijd, waarin meer bepaald de leerlingen zelf werden +onderricht in de moeilijkste deelen der leer, en het overige deel des +jaars, waarin de verlichte en zijne leerlingen leerend en predikend het +land doortrokken. Die verdeeling des jaars was door de natuur zelve +aangewezen en onvermijdelijk; trouwens indien men in den regentijd +had willen rondtrekken had men dat niet kunnen doen zonder tallooze +planten en kleine dieren onwillekeurig te dooden: geheel in strijd +met de leer van den verlichte, die ook het kleinste leven heilig houdt. + +In dien regentijd was de verlichte door tal van jongeren omgeven, en +de aanzienlijken des lands beijverden zich om voor hem en de zijnen +te zorgen. Later ging men wederom uiteen en Boeddha en zijn jongeren +reisden langs de groote wegen, soms door vrienden geherbergd, maar +gewoonlijk rustend en overnachtend onder de boomen des wouds. Vorsten +en aanzienlijken waren echter vaak de dakloozen ter wille: zoo +vernemen wij dat koning Bimbisara, van wiens bekeering wij reeds gewag +maakten, een zijner bosschen of parken, het Veluvana (bamboeswoud) +ter beschikking stelde van den verlichte, en dat de groote koopman +Anathapindika, hem het nog beroemder Jetavana-park schonk: een park, +dat naar luid der legende, door dezen koopman voor zooveel goud was +gekocht, dat het den bodem van het gansche terrein kon bedekken. + +Sommige schrijvers stellen zich voor dat ook toen reeds de monniken +in Vihara's, kloosters, woonden. Doch, om verschillende redenen +is dit niet waarschijnlijk te achten; de propaganda vereischte +juist personen zonder vast tehuis en oude berichten teekenen ons de +"monniken van Sakya" als levende onder de boomen des velds; de boomen, +waar immers ook voorheen de "Rishi's," de oude zieners, geacht werden +hun openbaringen te ontvangen. Ook uitspraken van Megasthenes, een +gezant van koning Seleucus Nicator van Syrië (302-298 v. Christus) +spreken van Boeddha's volgelingen als van personen, die, noch in de +steden wonen, noch een dak hebben boven hun hoofd, maar die gekleed +zijn in boombast, met noten zich voeden en water drinken uit de +hand. Ook wordt in datzelfde bericht van hen gezegd "dat zij geen +huwelijk kennen, noch kinderen verwekken." + +Dus, gansch iets anders dan leven in Vihara's. En ofschoon nu dat +getuigenis betrekking heeft op een tijd, lang na Boeddha's dood, +mogen wij het er toch voor houden, dat het in de dagen van den +verlichte niet anders was. Hij toch zeide tot zijn volgelingen, +"Een groote plicht rust op u, te werken voor het heil van menschen +en geesten. Laten wij uiteengaan, ieder in verschillende richting, +geen twee op hetzelfde pad. Ga en predik Dharma [43]." + +In "de twaalf voorschriften", een noordelijke bron, m. a. w. ontleend +aan een heilige schrift der noordelijke Boeddhisten, wordt aan de +"bedelaarstroep" zooals Boeddha zijn volgelingen noemde, uitdrukkelijk +verboden om een ander dak te hebben dan een boom. Hun eenige zitplaats +mag de moeder aarde zijn. Hun kleeren lompen van de mesthoop of het +kerkhof. De boom, die den bedelaar beschut, moet liefst op een kerkhof +staan. Niet tweemaal mag hij slapen onder denzelfden boom. + +Nu is het wel zeker, dat deze "twaalf voorschriften" een strengere +ascese vertegenwoordigen dan het oorspronkelijk Boeddhisme, doch, +de voorstelling dat Boeddha en zijn volgelingen overal in sierlijke +"vihara's" waren gehuisvest is toch zeker niet juist. Mij komt het +voor dat zij een zwervend leven leidden, in grooten eenvoud, doch +niet zoo, dat zij zich aan alle maatschappelijk verkeer onttrokken, +dat immers noodig was om hun leer tot allen te brengen. + +Zoo lezen wij b.v. van aanzienlijken, die den verhevene ter maaltijd +noodden, van Brahmanen-leerlingen, die in een twistgesprek met den +beroemden leeraar hun sporen trachtten te verdienen, van tegenstanders, +die hem strikvragen deden. Daarbij worden zij dan natuurlijk dikwerf +overwonnen, en menigmaal lezen wij dan hoe zij den verlichte en zijn +leerlingen het verzoek doen: moge de heer, de verhevene, morgen bij +mij met zijn leerlingen het middagmaal komen gebruiken. Boeddha geeft +door zwijgen zijn toestemming te kennen. Is dan den volgenden dag de +maaltijd gereed, zoo zendt de gastheer een bode met het verzoek: "het +is tijd, heer, de maaltijd is bereid." Daarop neemt dan Boeddha zijn +aalmoezenschaal en opperkleed en gaat met de zijnen ter maaltijd. De +gastheer en zijn familie bedienen zelf hun gasten. Is de maaltijd +geëindigd, dan worden de handen gewasschen, de gastheer neemt met +de zijnen aan Boeddha's zijde plaats en deze richt tot hen een woord +van vermaning en leering. + +Had men op een dag geen uitnoodiging, dan onderneemt Boeddha zijn +bedelgang door stad of dorp, nadat eerst de vroege morgenuren in +geestelijke oefeningen of in het verkeer met de leerlingen zijn +doorgebracht. Zwijgend ging dan de man, wiens naam door gansch Indië +werd genoemd, voor wien koningen bogen, met zijn schaal rond, met +neergeslagen blik, zonder te spreken afwachtend of men hem eenige +spijze zou geven. Was die rondgang afgeloopen, dan noodde de middag +tot rust in de koelte van het woud, totdat de avond aanbrak en hij weer +onder de menschen optrad, vriend en vijand leerend en onderrichtend. + +Zoo gingen de dagen van den verlichte, wiens zwervend leven en +aanraking met allerlei personen ons telkens aan Jezus doet denken, +vredig voorbij. Hoe was nu echter het leven van den meester met +zijn vertrouwden, de leerlingen, die hem vergezelden? Waarschijnlijk +heerschte er in dien intiemen kring een rustige toon: een stemming van +kalme goedheid en stille vreugde, die aan der wereld ontvlodenen paste. + +In dien kring waren voorts de gewone grenzen der maatschappij +vrijwel weggewischt. Wie geluisterd had naar het woord (een +vaststaande formule), "Kom, o monnik, wèl verkondigd is de leer, +wandel in heiligheid, om aan alle lijden een einde te maken," dat de +Boeddha tot diegenen richtte, aan wie hij zijne leer had verkondigd, +wie dus het gele kleed en de tonsuur [44] had aangenomen, alle +familiebetrekkingen had opgegeven, op geen bezit meer aanspraak +maakte en strenge kuischheid in acht nam: hij maakte deel uit van +een gewijden kring, waarin het casten-onderscheid was opgeheven. + +Evenals, zeide de verlichte, rivieren hun naam verliezen, als zij +opgenomen worden in den grooten oceaan, zoo verliezen ook adelijken +en Brahmanen, Vaisya's en Sudra's hun oude namen, wanneer zij voor de +leer van den Voleindigde hun huis verlaten. Den ouden naam en het oude +geslacht hebben zij dan achtergelaten, voortaan heeten zij slechts +"asceten, die den zoon van Sakya aanhangen [45]." + +Merkwaardig is in dit opzicht ook het gesprek, dat Boeddha voerde +met koning Ajatasattu. Deze vroeg welk loon ten deel viel aan hem, +die zijn huis verliet om een geestelijk leven te leiden. In den loop +van dat gesprek zeide de Verlichte: "Indien een slaaf of dienaar +des konings het gele gewaad aantrekt en als monnik in gedachten, +woorden en werken onberispelijk leeft, zoudt gij dan zeggen: laat +deze man weder mijn slaaf en dienaar zijn, die vóór mij opstaat en +nà mij ter ruste gaat, die op zich neemt wat ik hem gebied, die voor +mijn genoegen leeft, wat mij aangenaam is spreekt en naar mijn gelaat +ziet?" Toen antwoordde de koning: + +"Neen, Heer, ik zou mij voor hem buigen, voor hem opstaan, hem +uitnoodigen plaats te nemen en hem aanbieden wat hij aan kleeding, +spijze, beschutting en medicijnen noodig kon hebben; ik zou hem +beschermen en bewaken, gelijk het behoort." + +Zoo maakte dus het geestelijk gewaad allen gelijk. Toch waren het +meest de aanzienlijken, die zich onder Boeddha's jongeren lieten +opnemen; telkens wordt in de oude teksten gesproken van "de zonen +van edele geslachten," die hun huis verlaten om zonder tehuis +rond te zwerven. Onder Boeddha's leerlingen waren jonge Brahmanen +als Sariputta, Mogallana, Kaccana, adellijken als Ananda, Rahula, +Amuruddha, zonen van groote kooplieden en aanzienlijke beambten, +in een woord meest personen, die een zorgvuldige opvoeding hadden +ontvangen. Dit kan ons niet verwonderen als wij in aanmerking +nemen dat ook in onze dagen in 't algemeen een beschouwing van het +leven als lijden en kwelling veel meer aantrekkelijks heeft voor de +aanzienlijken dan voor de eenvoudigen, die ondanks al hun ontbering +in den grond der zaak toch geneigd zijn en blijven het leven als een +heilgoed te beschouwen. + +Voor de geringen des volks, de gestaalden in 's levens strijd was de +verkondiging van het smartelijke van alle bestaan niet te vatten en +was de leer van oorzaak en gevolg niet te begrijpen. + +Toch, indien zij wilden toetreden, zij waren welkom. En, enkelen lieten +zich opnemen in den kring. In de "Theragatha", (spreuken der oudsten), +worden aan den "oudste" Sunita deze woorden in den mond gelegd: +"Uit een onaanzienlijk geslacht ben ik voortgekomen, ik was arm en +behoeftig. Nederig was het werk, mij opgelegd, de verwelkte bloemen +opruimen (uit tempels en paleizen). Ik was door de menschen veracht, +werd voor gering aangezien en gescholden. Deemoedig betuigde ik aan +velen mijn eerbied. + +"Daar aanschouwde ik Boeddha met zijn monniken, zooals hij daar +heenging, de held, in de voorname stad van Magadha, mijn last wierp +ik af om eerbiedig voor hem te buigen. Uit erbarmen voor mij bleef +hij staan, hij, de hoogste onder de mannen. Toen boog ik mij tot +aan de voeten des meesters, trad aan zijn zijde en verzocht hem, +den hoogste onder alle wezens, mij als monnik aan te nemen. Toen +sprak de genaderijke meester, de erbarmer over de gansche wereld: +"Kom tot mij, monnik," dat was de wijding, die ik ontving. (Sunita +vertelt dan verder, hoe hij zich in het woud terugtrok en daar, in +peinzen verzonken, de hoogste verlichting bereikte, zoodat de goden +kwamen en hem vereerden.) + +"Toen zag mij de meester, terwijl de goden mij omgaven en hij sprak +deze woorden: "Door heiligen gloed en door kuischen wandel, door +intooming en zelfbedwang, daardoor wordt men tot Brahmaan, dat is +het hoogste Brahmanendom."" + +M. a. w., geen caste stond als zoodanig nader bij het hoogste heil +dan een andere: de verlichting kon aan allen ten deel vallen, kon ook +verkregen worden door den geringste des volks. Evenals Paulus zeide: +"in Christus is geen Jood noch Griek, geen slaaf noch vrije," zoo +ook kon Boeddha zeggen: "in den kring der monniken is geen Sudra of +Vaisya, geen Kshatrya of Brahmaan." Was daarom het Boeddhisme een soort +democratische beweging? Wie dat meent, vergeet dat de ware volgelingen +monniken waren, die de maatschappij de maatschappij lieten en wie +het alleen te doen was om het hoogste heil te verwerven. Niet om de +verdrukten los te maken uit de ketenen van het castewezen, maar om rijk +en arm den weg te banen tot het hoogste heil, daarom was het bovenal +te doen [46]. Doch, die dat hoogste heil gevonden hadden: zij vormden +inderdaad een kring, waarin de oude grenzen waren weggewischt, al +stonden ook hier, gelijk onvermijdelijk is, sommigen op den voorgrond. + +Daareven noemden wij reeds Sariputta en Mogallana, die beiden reeds +in den aanvang van Boeddha's werkzaamheid werden gewonnen door zijn +prediking en die hem trouw volgden tot aan hun dood, welke kort voor +dien des Meesters intrad. Maar vooral ook moeten wij noemen Boeddha's +neef Ananda, tot wien de verhevene zijn laatste woorden sprak, den +discipel, dien hij boven allen liefhad. Deze Ananda was het ook, die +voor Boeddha's persoon en voor zijn levensonderhoud dagelijks waakte. + +Een gansch andere rol heeft vervuld Devadatta, Ananda's broeder. Dit is +de Judas van het Boeddhisme, die den Meester naar het leven stond. 't +Schijnt dat deze leerling, door eerzucht gedreven, in plaats van den +reeds vergrijsden meester zelf de leiding der gemeente in handen +wilde hebben. Hij beproefde op allerlei wijze den verhevene uit +den weg te ruimen. Doch vruchteloos; wonderen bewaren het leven des +heiligen. Uitgezonden moordenaars worden, als zij Boeddha naderen, +met vrees en beving geslagen; vriendelijk spreekt hij hen toe en +zij bekeeren zich tot het geloof. Als een rotsblok Boeddha dreigt +te verpletteren vangen twee bergspitsen het op: zoodat slechts zijn +voet wordt gewond. Als een wilde olifant door een nauwe straat op den +verlichte wordt losgelaten blijft hij, getroffen door de tooverkracht +van dien "vriendelijken denker" eensklaps staan en wijkt terug. + +Heeft Devadatta werkelijk den verhevene naar 't leven +gestaan? Onwaarschijnlijk is 't niet, al bestaat de mogelijkheid +dat men Devadatta, die hierin van den meester afweek, dat hij veel +strengere ascetische eischen wilde stellen, ten onrechte dergelijke +moordplannen heeft toegeschreven. + +Wat die strengere ascese betreft, hij verlangde dat een monnik altijd +in het woud zijn verblijf zou houden, terwijl Boeddha gaarne in +de nabijheid van steden en dorpen vertoefde. Ook wilde hij dat een +monnik slechts leven zou van wat hij op zijn rondgang verzamelde en +geen uitnoodiging ter maaltijd van vrome leeken zou aannemen. Zijn +gewaad, meende hij verder, mocht slechts uit opgeraapte lompen zijn +samengenaaid, enz. Een tijdlang had dit streven eenig succes, doch +straks leed het geheel en al schipbreuk. Eene legende verhaalt zelfs, +dat Devadatta levend door de hel werd verslonden. Wij zagen boven +reeds [47] dat volgens de "twaalf voorschriften" inderdaad eischen, +als die welke Devadatta verlangde, aan Boeddha's volgelingen werden +gesteld en de vraag komt bij ons op: Ligt er toch misschien in +Devadatta iets van het oorspronkelijke Boeddhisme dat men later +heeft trachten weg te werken en als ondermijning van het gezag des +Meesters te doen beschouwen? Eén ding schijnt mij wel waarschijnlijk, +namelijk, dat wij ons de eerste volgelingen van den Verlichte niet +moeten voorstellen als rustig levend in hun viharas', [48] maar wel +als zwervers, schamel gekleed, al kunnen wij niet aannemen, dat hun +gewaad uit opgeraapte lompen moest gemaakt zijn, en evenmin dat zij +niet ter maaltijd mochten gaan. + +Voor deze opvatting pleit vooral het feit, dat zij, ook nog in de +dagen van koning Açoka, die ongeveer tweehonderd jaar na Boeddha's dood +leefde, niet als zwijgende monniken in kloosters leefden, maar onder +boomen, en er hun eer in stelden om zooveel mogelijk de onbekeerden +door hun woord tot bekeering te brengen. + +De onbekeerden tot bekeering te brengen, dat geschiedde ook in de +dagen van den verlichte zelf. Doch niet allen traden toe tot den kring +der jongeren met zijn gestrenge eischen van kuischheid, armoede en +gehoorzaamheid. Wij zagen dat er ook waren die, als koning Bimbisara +[49] hun toevlucht namen bij Boeddha, Dharma, Sangha (de Verlichte, de +Leer, de Gemeente), zonder hun maatschappelijk leven en hun huiselijk +bestaan te veranderen. Zij werden de weldoeners en verzorgers der +monniken; ook zij, als zij wandelden in eenvoud en in onderdrukking +van aardsche hartstochten en begeerten, konden een stap nader komen tot +het Nirvana, het hoogste heil. Zij waren voor de Boeddhisten wat Maria +en Martha, wat een Nicodemus en Jozef van Arimathea waren voor Jezus +en de zijnen. Ook waren zij van den aanvang af onmisbaar; hoe konden +der wereld ontvloden monniken leven zonder arbeid, indien geen vrome +vrienden en vriendinnen hen verzorgden van de nooddruft des levens? + +Onder die leeken-vrienden waren ook vele vrouwen. Als een type +dezer vrome vriendinnen kunnen wij beschouwen de voortreffelijke +Visakha, wier beeld ons met zooveel liefde in de Boeddhistische +overleveringen wordt geteekend. Zij was een rijke burgervrouw in +Savatthi, de hoofdstad van het land Kosala: de moeder van bloeiende +kinderen, de grootmoeder van vele zonen. Algemeen geëerd werd zij +bij elken maaltijd, bij ieder feest genoodigd: haar werden steeds +het eerst de spijzen aangeboden, zij werd beschouwd als een gast, +die geluk aanbrengt. + +In de Mahavagga vinden wij over haar het volgende verhaal, dat ons +een aanschouwelijk beeld geeft en ons tevens doet zien, dat ook +de Boeddhisten het woord verstonden: "het is zaliger te geven dan +te ontvangen." + +Op zekeren dag dan neemt Boeddha zijn maaltijd in het huis van +Visakha. Na den maaltijd zet deze zich naast hem neer en zegt: "Acht +wenschen verzoek ik van den verhevene." "De voleindigden, Visakha", +luidt het antwoord, "zijn te verheven om iederen wensch te kunnen +vervullen." "Doch wel wat geoorloofd is, Heer, en wat niet misprezen +kan worden." "Zoo spreek, Visakha." + +"Ik wensch, o heer, mijn leven lang de gemeente regengewaden te geven, +vreemde monniken voedsel te reiken, doorreizende monniken te spijzigen, +kranke broeders te eten te geven, ziekenverplegers te voeden, zieken +medicijnen te geven, dagelijks rijstebrij te verdeelen en aan de +nonnen badgewaden te schenken." + +"Waarom vraagt gij, Visakha deze dingen aan den voleindigde?" Zij geeft +daarop rekenschap, waarom zij aan deze wenschen zooveel waarde hecht. + +O. a. zegt zij. "Een monnik die uit den vreemde komt, kent de wegen +niet en loopt vermoeid rond om zijn aalmoezen in te zamelen. Heeft +hij nu echter genoten, wat ik voor deze vreemdelingen bestemmen wil, +dan kan hij eerst uitrusten en vervolgens, als hij uitgerust is, +aalmoezen inzamelen. Dit doel, o heer, heb ik in het oog en daarom +wil ik mijn leven lang de doortrekkende monniken voedsel geven. + +"En wederom, heer, een doortrekkende monnik zal, als hij zelf zijn +voedsel moet zoeken, achterblijven van zijn gezelschap of, waar hij +rust wilde houden, zal hij moede door de straat gaan. Heeft hij echter +de spijzen genoten, die ik aan de doortrekkende monniken wil schenken, +dan zal hij niet achterblijven; waar hij rust wil houden zal hij op +tijd aankomen en uitgerust zal hij door de straten gaan." + +Zoo legt zij vervolgens het doel van al hare acht wenschen uit en +de verlichte spreekt: "Edel, Visakha, edel handelt gij, dat gij, +naar dezen prijs trachtend, den voleindigde bidt om vervulling uwer +wenschen. Ik sta u, Visakha, uwe acht wenschen toe." + +En dan prijst hij haar met de volgende woorden: + + + Die spijs en drank verleent, van eed'le blijdschap vol. + Des heil'gen leerling, rijk aan deugden, + Die zonder afgunst gaven schenkt om 't hemelsch loon, + Die smarten stilt, die vreugde steeds verspreidt, + Verkrijgt des hemels heerlijk lot. + Zij wandelt voort op 't pad des lichts, 't gepreez'ne. + Van smarten vrij geniet zij langen tijd, + Het heerlijk loon der goede daad in 't zalig hemelrijk. + + +In deze Visakha vonden wij een type van vrouwen die, zooals het in +het N. Testament zou heeten "den Heer dienden van hare goederen." [50] + +Overigens moeten wij niet meenen dat Boeddha de vrouwen hoog stelde, +al is b.v. in het Boeddhistische Birma de praktijk beter dan de +theorie. Neen, eene van de leerstukken van het Boeddhisme is dat de +vrouw, voor zij tot het hoogste heil kan geraken, altijd weer eerst +als man in de wereld moet komen. + +Toch werd de vrouw in oud-Indië geëerd. De afsluiting der vrouw van +het maatschappelijk leven, door latere zeden gewettigd, was ook in het +oude Indië niet zoo sterk. Integendeel, de vrouwen namen deel aan het +geestelijk leven van hun volk: de edelste dichters toonen ons dat het +oude Indië de waarde der vrouw gevoelde en haar bewonderde en eerde. + +Boeddha echter vond de vrouwen een gevaar: in haar waren +verpersoonlijkt alle machten der verleiding, die den geest binden +aan deze wereld. "Ondoorgrondelijk" zoo leert de moraal van een +oude vertelling, "verborgen, als de weg van den visch in het water, +zoo is het wezen der vrouwen, der uitgeslapen rooverinnen, bij wie de +waarheid moeilijk is te vinden, voor wie de leugen is als de waarheid +en de waarheid als de leugen." + +En wat dunkt u van het volgende gesprek van Boeddha en Ananda? De +laatste vraagt: "Hoe zullen wij ons tegenover eene vrouw +gedragen?" "Haar aanblik vermijden, Ananda". "Maar als wij haar toch +zien, wat moeten wij dan doen?" "Niet tot haar spreken, Ananda." "En +als wij toch tot haar spreken, wat dan?" "Dan moet gij over uzelven +waakzaam zijn, Ananda." Boeddha ging er dan ook slechts noode--na +herhaald aandringen zijner pleegmoeder [51]--toe over om vrouwen als +zijne leerlingen in de orde op te nemen, en gaf tegen Ananda te kennen, +dat het heilige leven en de heilige leer zonder vrouwen 1000 jaar, +met haar slechts 500 jaar zou kunnen bestaan. + +Zoo was Boeddha's geest: en de nonnen stonden ook altijd +bij de monniken ten achter, zij werden geduld, veel meer ook +niet. Merkwaardig is het dat ook in den tegenwoordigen tijd tegenover +tallooze Boeddhistische monniken in Birma--ieder heeft daar zijn +klooster--slechts weinige nonnen worden gevonden. En wel, omdat +blijkbaar dat strenge en koude haar niet aantrekt. Een vrouw, zegt +de Boeddhist in Birma ook nog heden, begrijpt het zoo niet. 't Kan +ons niet verwonderen als wij bedenken dat er zoo weinig gemoedelijks +in dezen godsdienst is, hoe hoog hij overigens moge staan. + +Hebben wij stilgestaan bij Boeddha's vrienden, wij vragen thans, met +welke vijanden had hij te strijden? Allereerst met de priesterlijke +Brahmanen, wier instellingen en positie in strijd waren met zijn +beginselen en die hij geenszins ontzag. + +Openlijk sprak toch de Verlichte het uit, dat hij aan offers geen +waarde hechtte, ja, dat de deugd der Ahinsa (eerbied voor het leven) +het dooden van dieren verbood. Onomwonden kwam hij op tegen den waan +dat de Brahmaan als zoodanig nader zou staan bij het hoogste heil: +het achtvoudige pad, dat naar Nirvana leidde, stond voor iedereen open. + +Niet minder verhief hij zich tegen het zweren bij schriftgeleerdheid, +tegen de meening als ware het genoeg de woorden van de Veda's in +het hoofd te hebben. "Wie," zeide Boeddha, "de liederen en spreuken +der oude wijzen nabidt en zich dan zelf een wijze dunkt, die is even +als een slaaf of gering mensch, die zich op de plaats stelt, waar de +koning tot zijn gevolg sprak, dezelfde woorden bezigt en zich nu ook +een koning dunkt." [52] De scholier gelooft wat de meester gelooft, +de meester wat hij van vroegere meesters ontvangen heeft. + +We zien hierin hoe hij het autoriteitsgeloof verwierp. Hoe hij over +het offer dacht, daarvan hebben wij een merkwaardig verhaal, dat +aldus luidt: + +Boeddha had eens een gesprek met een aanzienlijk Brahmaan, die hem +vroeg wat de eigenschappen waren van een goed offer. Als antwoord +verhaalt Boeddha dan de geschiedenis van een wijs en gelukkig koning +uit oude dagen, die, na vele overwinningen te hebben behaald en de +heele wereld te hebben veroverd, het besluit nam een groot offer aan +de goden te brengen. Hij liet zijn huispriester komen en vroeg dezen +hoe hij zijn voornemen het geschiktst zou volvoeren. + +De priester vermaande hem, om vóór zijn offer te brengen eerst in +zijn rijk rust, welstand en veiligheid te doen wonen. Hij gaat dus +niet tot het offeren over, voor hij alle schade heeft hersteld. En +bij zijn offer verwoest men geen levens van bezielde wezens, geen +rund of schaap wordt geslacht. De dienaren des konings doen hun +werk bij het offer niet onder tranen en door dwang: vreezend voor +den stok der opzieners: ieder doet vrijwillig, wat zijn eigen hart +hem ingeeft. Melk, olie en honig worden aangebracht en zoo wordt het +offer des konings der godheid geboden. + +Er is echter, zegt Boeddha, nog een hooger en gezegender offer, ook +gemakkelijk te brengen: als men gaven schenkt aan vrome monniken, +woonplaatsen verschaft aan Boeddha en zijn gemeente. + +En nog hooger offer is het: als men met een geloovig hart bij Boeddha, +bij de leer en bij de gemeente (Boeddha, Dharma, Sangha) zijn toevlucht +neemt, als men geen wezen van het leven berooft, leugens en bedrog +verre van zich houdt. + +Nog hooger offer is het, als men als monnik van vreugde en leed beide +afscheid neemt en in heilige rust peinzend zich verdiept. + +Het hoogste offer dat een mensch kan brengen en tevens de grootste +zegen, die hij kan verwerven is echter: als hij de verlossing +bereikt en de zekerheid krijgt: ik zal niet weer tot deze wereld +terugkeeren. Dat is de hoogste voleindiging van alles wat offer heet. + +De Brahmaan, die zelf een groot offer had willen brengen en honderde +dieren daarvoor in gereedheid hield, nam geloovig deze prediking aan +en sprak: "Ik neem mijn toevlucht bij Boeddha, bij de leer en bij +de gemeente." "De dieren", zoo sprak hij, "laat ik vrij, mogen zij +het groene gras genieten, koel water drinken, moge de frissche wind +hen omzweven." + +Nam Boeddha het op tegen het brengen van offers, misprees hij den +castengeest en het gezagsgeloof, niet minder stond hij tegenover vele +asceten, die in eindelooze zelfkwelling en zelfkastijding den weg +des heils meenden te bereiken. Hij immers wist uit eigen smartelijke +ervaring dat zichzelf te kwellen vruchteloos was. Hem was het geworden +tot een heilige zekerheid, dat geen vasten de aardschgezinde gedachten +of hartstochten doet verdwijnen. + +Neen, het werken aan opbouwing van zijn geestelijk leven, het trachten +naar kennis, dat is het, wat de overwinning geeft en de kracht tot +dezen goeden strijd vindt men in een leven, dat even ver verwijderd is +van weelde als van ontbering en zichzelf opgelegde smart. Zoo waren +de gedachten van Boeddha, die tegenover de ziekelijke afdwalingen +van het Indische ascetisme op den naam van gezonde opvattingen mogen +aanspraak maken. + +Boeddha staat hier tegenover zijn tijdgenooten als de man van +praktijk en gezond verstand. Moeten wij dat echter zoo verstaan, dat +hij feitelijk alle geloof aan God en een hooger leven als bijgeloof +verwierp? Sommigen oordeelen zoo en geven ons van Boeddha een beeld +als van een godloochenaar of minstens een positivist uit langvervlogen +dagen. Feitelijk, zoo roepen zij ons toe, geloofde Boeddha aan geen +God en geen volgend leven. Zijn Nirvana, het einddoel, was eigenlijk +het ophouden van alle bestaan, zijn God was slechts de eeuwige wet +van oorzaak en gevolg, waarvan alleen 't Nirvana verlost. + +Wij zullen wellicht later nog uitvoeriger op deze belangrijke punten +terug komen. Nu merken wij alvast op: 1e dat het Boeddhistische +geschrift, Brahmajala sutta geheeten, waarin vooral Boeddha als +een soort scepticus optreedt, door vele bevoegde beoordeelaars niet +gerekend wordt tot de geschriften van het oorspronkelijk Boeddhisme, +maar van de zoogenaamde Mahayana, (de groote overtocht) een latere +ontwikkeling (of verbastering?) van Boeddha's leer, en dat er een +sterk en welgegrond vermoeden bestaat, dat de invloed der Mahayana +bij meer geschriften, die een gelijken indruk van Boeddha ons geven, +is in het spel geweest. + +2e. dat wij zeer eigenaardige episoden uit Boeddha's leven bezitten, +waarin een gansch andere geest doorstraalt, en waaruit wij de +conclusie trekken, dat Boeddha met dat komen tot de verlossing, dat +hij, zooals wij daareven zagen aanprijst als het hoogste offer, niet +bedoelt een verlost worden van het bestaan, maar het verheven zijn +boven het koortsachtige, rustelooze, dat het zoeken van het eigen ik +aan 't leven geeft, een zijn, dat zoo verheven is, dat ook Boeddha +zich aan geen beschrijving waagt, en dat hij het niet vergeleken +wil hebben met leven in den meer gewonen zin des woords. Willen wij +trouwens voor het woord Nirvana een Nederlandsch gewaad zoeken, dan +moeten wij bedenken dat het staat, geenszins tegenover leven, maar +tegenover dorst (trishna) tegenover het begeeren, dat altijd weer de +ziel verteert en onrustig maakt. En dan drukt het woord dat F. Ortt +[53] er voor geeft "de groote vrede", het best Boeddha's gedachten uit. + +Doch laten wij tot bevestiging van onze opvatting Boeddha's getuigenis +zelve hooren. Boeddha dan verklaart zekeren asceet en philosoof +Makkhali Gosala voor den ergsten aller dwaalleeraars. [54] + +Wat nu leerde deze? O. a. dat de mensch geen vrijen wil had. Hij zeide +namelijk: "Er is geen macht (om te handelen), er is geen kracht, de +mensch heeft geen invloed, alle wezens, alles wat ademt, al wat is, +al wat leeft is onmachtig, machteloos, krachteloos, door toeval, +door leiding, door natuur wordt het naar zijn doel gevoerd." + +"Ieder wezen," leerde deze leeraar verder, "maakt een bepaald aantal +wedergeboorten door, aan wier slot zoowel de dwaas als de wijze het +einde des lijdens bereikt." + +Had Boeddha zóó over diens leer kunnen spreken als hij zelf een verkapt +loochenaar van God en een hoogere wereld was geweest? Immers neen. En +wat dunkt u, lezer, van de volgende gelijkenis van den verhevene? + +Eens, zoo sprak Boeddha, was daar een blind geboren man, die zeide: +"Ik kan niet gelooven in een wereld van verschijnselen. Kleuren +die helder of dof zijn bestaan niet. Daar is geen zon, geen maan, +geen sterren. Niemand heeft daarvan goede getuigenis." Zijn vrienden +beknorden hem, doch hij herhaalde dezelfde woorden. + +In die dagen was daar een Rishi, die het "innerlijk gezicht" had, +hij ontdekte op de helling van de Himalaya vier kruiden, die de macht +hadden om den man, die blind geboren was te genezen. Hij zocht die +op, bereidde ze met zijn tanden en diende ze toe. Eensklaps riep +de blindgeborene: "Ik zie kleuren en verschijnselen. Ik zie schoone +boomen en bloemen. Ik zie de heldere zon. Niemand heeft ooit te voren +zoo iets aanschouwd." + +Daarop kwam er een heilig man tot den blind geboorne en sprak tot hem: +"Gij zijt ijdel en trotsch en bijna even blind als voorheen. Gij +ziet de buitenzijde der dingen, niet de binnenzijde. Hij, wiens +bovennatuurlijke zintuigen zijn ontwaakt ziet de lazuren velden van +de Boeddha's van het verleden, hij hoort hemelsche geluiden op vijf +yogana's afstand. Ga naar een woestijn, of een woud, of een hol in +de bergen en overwin uw dorst naar aardsche dingen." + +De blindgeboorne gehoorzaamde en de parabel eindigt met deze +uitlegging: "Boeddha is de oude Rishi, de vier kruiden zijn de vier +groote waarheden." [55] Hij brengt de menschen van het lager leven +af en opent de oogen der blinden. + +Wij zien duidelijk hieruit, dat ook het mystieke--trouwens wij mogen +hier, gelet op wat de wetenschap in onze dagen leert over telepathie, +clairvoyance enz. en op wat getuigenissen uit alle eeuwen bevestigen, +van gezonde mystiek spreken--bij Boeddha geenszins ontbrak en dat het +doel dat hij zich met zijn leerlingen voorstelde geen ander was dan hen +van het aardsche los te maken en tot het hooger leven te brengen. In +dat denkbeeld worden wij bevestigd door de Samana Phala Sutta. [56] +Daar leert Boeddha ongeveer het volgende: + +"De mensch heeft een lichaam, saamgesteld uit de vier elementen. + +"Dit lichaam is de vrucht van de vereeniging van zijn vader en van zijn +moeder. Het wordt gevoed met rijst en meelpap en kan worden verminkt, +gekruisigd, vernietigd. In dit vergankelijk lichaam is des menschen +verstand geketend. De asceet, zichzelf dus opgesloten gevoelend, +richt zijn geest op het scheppen van een vrijer hulsel. + +"In gedachten stelt hij zich voor een ander lichaam, geschapen naar het +beeld van dit stoffelijke, met een vorm, organen en leden. Dit lichaam +staat tot het stoffelijke als het zwaard tot de scheede, of als de +slang tot de mand waarin zij is opgesloten. De asceet dan, gereinigd +en volmaakt, begint bovennatuurlijke krachten te ontwikkelen. Hij vindt +zich in staat om door materieele hindernissen als muren en wallen heen +te dringen, hij kan zijn beeld zichtbaar maken op meerdere plaatsen +te gelijk, hij kan op het water wandelen zonder er in te zinken, +hij kan door de lucht vliegen als een grootvleugelige valk, ja, hij +kan deze wereld verlaten en die van Brahma zelf bereiken. Door deze +kracht van zijn wil verwerft hij zich nog een ander vermogen: evenals +de ivoordraaier een olifantstand bewerkt volgens zijn phantasie, zoo +kan ook hij door zijn gedachten beelden oproepen [57]. Hij verkrijgt +het vermogen om te hooren de geluiden der onzienlijke wereld even +duidelijk als die van de zienlijke wereld--ja nog duidelijker. Ook +is hij--door de macht van Manas [58]--in staat de meest geheime +gedachten van anderen te lezen en hun karakter te zien. Hij kan +zeggen: "Hier is een geest, door hartstocht bestuurd, daar is een +geest, die bevrijd is (van de hartstocht). Deze man heeft eed'le +doeleinden, die man heeft geen doel in het oog." Evenals een kind +zijn oorringen in het water ziet en zegt: "Dit zijn mijn oorringen", +zoo erkent de gereinigde asceet de waarheid. Voorts komt dan over +hem de gave van het "goddelijk gezicht" en hij omvat met zijn blik +al wat menschen doen op aarde en na hun dood en wanneer zij wederom +geboren zijn. Dan ontsluiert hij de geheimen van het heelal en waarom +de menschen ongelukkig zijn en hoe hun ongeluk kan ophouden." + +Zien wij hierin niet, dat het geenszins aangaat Boeddha voor een +atheïstisch gekleurd vrijdenker te houden? [59] Men hoore ook het +volgende uit de Tevigga Sutta, een ander Cingaleesch werk. + +Toen Boeddha te Manasakata vertoefde, in het mangowoud, kwamen tot +hem drie Brahmanen, in de Veda's wel onderwezen, om hem te raadplegen +over de vereeniging met den eeuwigen Brahma. Zij vragen hem of zij op +den rechten weg zijn om die vereeniging te bereiken. Boeddha antwoordt +niet rechtstreeks. Hij onderstelt een vreemd geval. Een man is verliefd +geworden op de allerschoonste vrouw van het land. Dag en nacht droomt +hij van haar, doch, nimmer heeft hij haar aanschouwd. Hij weet niet +of zij lang is of kort, of zij tot de Brahmanen of tot de Sudra's +behoort, of zij blank is of bruin, zelfs haar naam kent hij niet. + +Dan vraagt hij de Brahmanen of dit verhaal over die vrouw een wijze of +een dwaze vertelling is. Zij erkennen dat het "zottepraat" is. Boeddha +past nu dezelfde redeneering op de Brahmanen zelf toe. En de Brahmanen, +onderwezen in de drie Veda's, moeten bekennen, dat zij Brahma nimmer +hebben gezien, niet weten of hij lang is of kort, noch iets wezenlijks +omtrent hem en dat alles wat zij zeggen over vereeniging met hem, +dwaze praat is. Zij gaan een trap op, waarin eene kromming is en weten +niet of zij een woning of een afgrond zullen bereiken. Zij staan op den +oever eener rivier en roepen den anderen oever op om tot hen te komen. + +Was Boeddha de atheïstische leermeester, dien velen in hem zien, +dan had hij hier een schoone gelegenheid gehad om zijn inzichten te +doen kennen. De Brahmanen, had hij dan kunnen zeggen, weten niets van +Brahma, om de eenvoudige reden, dat zulk een wezen niet bestaat. Doch +juist dit doet Boeddha geenszins. Hij tracht te bewijzen dat de +Brahmanen daarom niets weten van Brahma, omdat deze zuiver geestelijk +is en zij zuiver stoffelijk zijn. + +Vijf sluiers, zegt Boeddha, bedekken Brahma voor het sterfelijk +oog. Zij zijn: + + + 1. De sluier van lust en begeerte. + 2. De sluier van boosheid. + 3. De sluier van luiheid en traagheid. + 4. De sluier van trots en eigengerechtigheid. + 5. De sluier van twijfelzucht. + + +Dan gaat Boeddha voort en vraagt: + +"Bezit Brahma vrouwen en rijkdom?" + +"Neen, Gautama" antwoordt Vasettha de Brahmaan. + +"Is zijn geest vol van toorn, of vrij van toorn?" + +"Vrij van toorn, Gautama." + +"Vol van boosheid, of vrij van boosheid?" + +"Vrij van boosheid, Gautama." + +"Is zijn geest bedorven, of zuiver?" + +"Zuiver, Gautama." + +"Heeft hij zelfbeheersching, of niet?" + +"Hij heeft die, Gautama." + +Dan doet hij de Brahmanen vragen over henzelven: + +"Zijn de Brahmanen, geleerd in de drie Veda's, zijn zij in het bezit +van rijkdom, of zijn zij dat niet?" + +"Zij zijn het, Gautama." + +"Dragen zij iemand een kwaad hart toe, of niet, Gautama?" + +"Zij doen dat, Gautama." + +"Zijn zij zuiver van hart of niet?" + +"Zij zijn het niet, Gautama." + +"Hebben zij heerschappij over zichzelf, of niet?" + +"Zij hebben die niet, Gautama." + +Deze antwoorden stellen, gelijk men begrijpt, in het licht, dat er geen +vereeniging kan bestaan tusschen zoo verschillende wezens als Brahma +en de Brahmanen. Brahma is vrij van alle verkeerdheid, zondeloos, +zichzelf meester, dus kan alleen hij, die zonder zonde is, hopen met +hem in overeenstemming te komen. Vasettha stelt vervolgens deze vraag: +"Mij is gezegd Gautama, dat de asceet Gautama den weg weet tot den +staat van vereeniging met Brahma?" + +"Ik ken Brahma Vasettha", is Boeddha's antwoord, "ik ken de wereld +van Brahma, en den weg die er heenvoert." + +Daarop vraagt de verootmoedigde, in de drie Veda's onderwezen Brahmaan, +aan Boeddha: hem den weg te wijzen tot den staat van vereeniging +met Brahma. + +Boeddha geeft een uitvoerig antwoord: een scherpe tegenstelling makend +tusschen het hooge en het lage Brahmanendom, tusschen de "aan huizen +gehechte" en de "huislooze" Brahmanen. Die eersten, de huis-Brahmanen, +zijn ruw, zinlijk, gierig, onoprecht. Om winst beoefenen zij de zwarte +kunst, de waarzeggerij en bedrog. Zij weten bij koningen gehoor te +krijgen, broeden oorlogen uit, voorspellen overwinningen, offeren +levens op, berooven de armen. Als een tegenbeeld daarvan schildert hij +den kluizenaar, die alle wereldsche dingen heeft verzaakt en zuiver, +zichzelf meester, gelukkig is. + +Om dit hooger leven aan de menschen te leeren wordt "van tijd tot tijd +een Tathagatha (voleindigde) in de wereld geboren, gezegend en waardig, +overvloeiende van kennis, een gids voor dwalende stervelingen. Hij ziet +aangezicht tot aangezicht het gansch heelal, de geesten-wereld van +Brahma en die van Mara, den verzoeker. Hij deelt aan anderen zijne +kennis mede. De eerste "huislooze" door hem onderricht doet zijn +geest een vierde der wereld doordringen met erbarming, sympathie en +gelijkmoedigheid, verreikend, groot, bovenmatig." [60] + +"Waarlijk, dit is, o Vasettha, de weg tot den staat van vereeniging +met Brahma" en hij verkondigt dat "de Bhikshu of Boeddhistische +bedelmonnik, die vrij is van toorn, vrij van kwaadwilligheid, +zuiver van geest, meester over zichzelf, na zijn dood, als het +lichaam ontbonden is, met Brahma zal vereenigd worden." De Brahmanen +gevoelen dan de volle kracht van dit woord. Boeddha is in hun oog +geen afbreker, maar een behouder van het geloof. Hij houdt het +met den ouden geestelijken godsdienst tegenover alles mêesleepende +nieuwigheidsleeraars. + +"Gij hebt overeind gezet, wat was ter neder geworpen" zeggen zij +tot hem. + +Zoo zien wij hier Boeddha als diengene, die den geestelijken +godsdienst weer opricht, door de Brahmanen onder vormen verstikt, +evenals Jezus weer opvatte wat door Israëls profeten, die de eischen +des levens op den voorgrond stelden was geleerd, doch door de Joodsche +schriftgeleerdheid was nedergeworpen. + +Doch hij deed nog meer, dat ons aan Jezus doet denken. Evenals deze +ons geteekend wordt vol liefde voor gevallenen en verworpenen zoo +hebben wij ook van het licht van Azië treffende verhalen, die in het +licht stellen zijn liefde ook voor ver verdoolden. + +In de Chineesche Dhammapada lezen wij van een schoone zondares, +die van Boeddha had vernomen en die op weg ging om zijne prediking +te hooren. Op weg zag zij echter in een bron haar schoon gelaat en +zij was niet in staat om haar goede voornemen uit te voeren. Toen zij +terugkeerde, werd zij ingehaald door een andere courtisane, schooner +nog dan zij zelve, en zij reisden te zamen. Toen zij een oogenblik +rustten bij een andre bron, werd de vreemdelinge door slaap bevangen en +legde zij haar hoofd op den schoot van haar medereizigster. Eensklaps +werd het schoon gelaat wasbleek als een lijk, een walgelijk lokaas +voor afschuwelijke insecten. De vreemdelinge toch was de groote Boeddha +zelf, die deze gestalte had aangenomen om de arme Pundari te bekeeren. + +"Daar is een schoonheid, die gelijkt op een fraaie kruik met +vuil gevuld: een schoonheid die aan oogen, neus, mond, lichaam +toebehoort. Het is die vrouwelijke schoonheid, welke leed brengt, +huisgezinnen verdeelt, kinderen doodt". + +Deze woorden voorzeker, door den Meester bij een andere gelegenheid +geuit, geven den zin weder van dit verhaal en drukken den geest des +Meesters uit. + +Wij zagen reeds dat deze noch aan offers, noch aan zelfkastijding +waarde hechtte, daar dit de weg niet kon zijn om verlost te worden +van het lijden. + +Daartegenover legde hij allen nadruk op het streven van den mensch +zelf. "Werk uws zelfs zaligheid" dat kan een spreuk wezen van Boeddha +evengoed als "In eigen hand ligt eigen lot." Een en ander leert hij +dan ook uitdrukkelijk, geen uitwendige ceremoniën kunnen baten, geen +geloof of gebed kan het doen, zelf moet de mensch den weg bewandelen +tot het heil. "Ook de Tathagatha's zijn enkel predikers, zelf moet +gij een poging doen." [61] + +Nauw in verband met deze meer verhevene opvatting van het heil staat +zijne erkenning van de onafwendbare gevolgen die het kwaad heeft op +des menschen persoonlijkheid zelve: slechts onze tijd heeft hem hierin +geëvenaard. Wel leert Boeddha geen eeuwige straf: ook aan Devadatta, +den Judas van het Boeddhisme wordt vergiffenis geschonken, doch, +Boeddha kan de gevolgen van zijn booze daden niet wegnemen, deze +moeten langzamerhand worden opgeheven in de zuiveringsprocessen van +het hiernamaals. Boeddha kent niet de theorie dat een dwaze dweeper +op zijn sterfbed eensklaps de rijke liefde en de verheven kennis van +een engel zou deelachtig worden. In een volgend leven komt iemand +juist in zulk een toestand van geest en gemoed, als die waarin hij +voordezen verkeerde, anders is zijn persoonlijkheid verwoest. Dat +noemt men de wet der gerechtigheid (Karma). + +Deze leer van Boeddha is grillig verdraaid door sommigen van zijn +volgelingen, doch zijn eigen woorden zijn snijdend klaar: + +"Een fout, welke men bedreven heeft is als melk, die niet op ééns +zuur wordt. Langzaam en zachtkens, als vuur onder de asch zal zij +den dwaas verderven. Beide een goede en een slechte daad moeten rijp +worden en hunne onvermijdelijke vruchten voortbrengen. [62]" + +Hoe Boeddha dit meent, heeft hij aangewezen in een schoone +gelijkenis. Daarin worden de gevolgen van het kwaad afgebeeld als +een ijzeren vesting der kwelling en de zonden als schoone vrouwen, +die den mensch naar dezen zijnen ondergang lokken. + +Alles in dit verhaal doet bij den eersten aanblik denken aan een +tooversprookje uit de Duizend en Een Nacht (trouwens we zien dikwijls +diepe waarheden in zulk een poëtischen vorm gehuld door de Indiërs), +koel wuiven de palmen van een schoon eiland en in een heerlijk +paleis wordt de slechte zoon, die naar goud zoekt, door vrouwen +van bovenaardsche bekoorlijkheid bewaaierd. Hij heeft gesmaakt de +onwaardige genietingen van Kamaloça (de lagere wereld) en geniet +ze voor een tijd. Van eiland tot eiland gaat de reiziger voort, +ieder volgend eiland is schooner dan het vorige, maar ieder is weer +dichter bij de stad der boete, de stad met ijzeren muren. Doch: die +hem daarheen drijft is geen Ahriman, geen duivel: neen, de wet van +oorzaak en gevolg drijft hem voort. Evenwel: daar is geen duivel, +dien Boeddha niet kan verzachten, zelfs tot in de hel Avichi is er +geen schuilhoek, waar zijn groote liefde niet kan doordringen. + +Elk, zoo laat Edwin Arnold [63], den Boeddha zeggen, en wij nemen +die woorden over omdat zij zoo goed zijn geest uitdrukken: + + + Elk heerscht in eigen kring, zoo mensch als God, + Want al wat leeft, daarboven, hier omlaag, + 't Zij groot of klein, schept door zijn eigen dâan + Zijn lot, zijn lust, zijn plaag. + + Wat was, bepaalt wat is of worden zal, + Het beet're, 't mind're, ontwikkeling, nieuw begin... + In blijde heem'len oogsten d'englen 't loon, + Van eed'le daden in; + + In d'onderwereld dragen duiv'len 't pak + Van vroeger boos bedrijf. Het goede, 't kwaad, + 't Wordt alles door den tijdstroom meegevoerd, + Niets blijft in d'eigen staat. + + +en zegt hij later van die wet der gerechtigheid, (Karma): [64] + + + Zoo dwingt haar wet ons tot gerechtigheid. + Niet één kan haar weerstaan. Volgt haar gedwee, + Liefde is haar innigst wezen en het doel, + Dat zij beoogt: Volmaking, Rust en Vrêe. + + +Liefde is haar innigst wezen. Zij was ook het innigst wezen van den +Boeddha. Al zien wij in zijn persoon niet dat gemoedsleven dat een +Jezus kenmerkt, toch vervult ons de gestalte van dien koningszoon, die +alle aardsche banden breekt om der menschheid het heil te prediken, +die vol is van medelijden, met diepen eerbied en wij kunnen ons +begrijpen dat zijn volgelingen zeiden dat hij was "God, geopenbaard +in de gestalte van barmhartigheid." + +Wij kunnen ons niet voorstellen dat zijn beeld, ons zoo treffend +geteekend, slechts een mythe zou zijn: er moet een verheven karakter +zijn geweest om denkbeelden te verkondigen, die zoo ver waren verheven +boven zijn tijd. + +Nooit verandert zijn verheven welwillendheid. Hij bekeert de +verdorvenste zondaars. Hij spreekt tot de dochters der zonde. Als +hij de aarde bezoekt is het licht tot in de diepste der hellen, hij +maakt duivelen en goede menschen beide gelukkig. Een dwaas beleedigt +hem. "Mijn zoon" antwoordt hij "beleediging tegen den hemel is als +speeksel, dat men tegen het uitspansel richt: het keert terug op wie +het uitwerpt." + +"Een Tathagatha," zegt hij tot zijne leerlingen, "kan door slechte +daden en beleedigingen niet worden vertoornd: deze kunnen alleen zijn +barmhartigheid en liefde verdubbelen." + +Bedenken wij nu daarbij dat het beginsel der vergelding (oog om oog, +tand om tand) de politiestok was voor de maatschappij van die dagen, +dat oorlog, plundering en wraak aan geheele kringen eigen waren als +dagelijksch bedrijf en broodwinning, hoe verheven klinken ons dan +tegen woorden als deze: + +"Slechts door liefde bedwingen wij wrok. Door goed alleen overwinnen +wij kwaad. De heele wereld vreest geweld. Alle menschen beven in +tegenwoordigheid van den dood. Doe aan anderen wat gij wilt dat zij +u zouden doen. Dood niet. Veroorzaak geen dood. + +"Zeg geen harde woorden tot uw buurman. Hij toch zal u antwoorden in +denzelfden toon. + +"Zij die zeggen: "Ik ben verongelijkt en uitgetart, ik ben geslagen +en geplunderd" zullen nooit ophouden te haten. + +"Wat de haat in de wereld kan doen ophouden is niet de haat, maar de +afwezigheid van haat. + +"Als gij--evenals een trompet, die in den krijg is vertreden--geen +klagelijk geluid meer voortbrengt, dan hebt gij Nirvana bereikt. + +"Stil zal ik misbruik verduren evenals de strijd-olifant de pijl van +den schutter ontvangt. + +"De mensch, die ontwaakt is, gaat niet op wraak uit, maar vergeldt +met vriendelijkheid zelfs wie hem onrecht doet: evenals de sandelboom +zijn geur nog meedeelt aan de bijl van den houthakker, die hem velt." + +Hebben deze schoone uitspraken vooral betrekking op het kwaad met +goed vergelden, de volgende die zich op verschillend gebied bewegen +zijn niet minder merkwaardig. + +"De zwanen gaan op het pad der zon. Zij gaan door de lucht, dank zij +hun wonderbare macht. Zoo gaan de wijzen deze wereld uit, als zij +Mara en diens gezelschap hebben overwonnen. + +"Niet door uitwendige daden is men een (waar) asceet (Samana). + +"Niet de tonsuur maakt van den onopgevoeden mensch een Samana. + +"Geen regenbui van goudstukken kan de lust ooit voldoen. + +"Een mensch is geen Bhikshu alleen omdat hij aalmoezen vroeg, geen +Muni [65] omdat hij stilzwijgt. Niet door discipline en geloften, +niet door groote geestelijke kennis, niet door alleen te slapen, +niet door heilige inspiratie, kan ik die vrijheid verkrijgen, welke +geen wereldling kent. De ware Samana is hij, die alle kwaad ter rust +heeft gebracht. Indien een mensch in den strijd duizend maal duizend +man overwint en een ander overwint zichzelf, dan is de laatste de +grootste overwinnaar. + +"Weinigen zijn er die aankomen aan de overzijde, de meesten loopen +langs den oever heen en weer. + +"Laat de dwaas verlangen naar een waardelooze reputatie, naar voorrang +onder de Bhikshu's, naar heerschappij in de kloosters, naar vereering +door andere menschen. + +"Een bovennatuurlijk persoon wordt niet gemakkelijk gevonden. Hij +wordt niet overal geboren. Het ras, waaronder zulk een wijze geboren +wordt, bloeit. + +"Roep mij niet uit op den weg alsof ik de god Brahma was. [66] +Godsdienst is niets anders dan het vermogen om lief te hebben. + +"Het huis van Brahma is waar kinderen gehoorzamen aan hun ouders. + +"Schoonheid en rijkdom zijn als een mes, met honig besmeerd. Het kind +zuigt er aan en wondt zich. [67]" + +Zoo vormen de woorden en daden van Boeddha een schoon geheel, zooals +hij leerde, zoo leefde hij. En zooals hij leefde, zoo stierf hij ook. + +Achttien mijlen oostwaarts van Kapilavastu is thans een nederig dorp, +geheeten: Matha Kuär (de doode prins). Waarom die naam? Hwen Thsang, +de Chineesche pelgrim, die in de 4de eeuw Indië bezocht, kan het +ons vertellen. Daar was in zijne dagen een "doode prins" van marmer, +rustende onder een prachtig tempeldak (canopy), waarvan nog ruïnen +zijn overgebleven. Op de plaats van dien tempel stonden 477 jaar voor +Christus eenige boomen waaronder toen, in doodslaap verstijfd, de +"beste vriend der wereld" rustte, zooals de Indiërs hem noemden. Hooren +wij, wat een in hoofdzaak betrouwbaar verhaal ons van zijn dood meldt. + +Boeddha gaat van Rajagriha, de hoofdstad van Magadha-land het noorden +in. Hij gaat den Ganges over, waar toen juist de toekomstige hoofdstad +van Indië, de koningstad Pataliputta werd gebouwd. Hij ziet in den +geest de toekomstige grootheid dier stad en voorspelt deze aan zijn +jongeren. + +In het dorp Beluva nabij Vaisali wil hij zijn leerlingen laten heengaan +om daar in stille eenzaamheid den regentijd door te brengen. Doch daar +grijpt een smartelijke krankheid hem aan: den dood erkent hij als +nabij. Nu denkt hij aan zijne jongeren: hij wil Nirvana niet ingaan +voor hij tot hen gesproken heeft. Alzoo bedwingt hij zijne krankheid +en houdt het leven vast. Hij staat op, gaat uit het huis en zet zich +voor de deur op de plaats, die men hem bereid heeft. Ananda spreekt dan +tot hem: "Ik zie, Heer, dat de verhevene beter is en het hem minder +moeielijk valt. Mij, Heer, hadden de krachten verlaten, ik duizelde, +de gedachten vloden heen door de ziekte van den verhevene. Doch een +troost had ik, Heer, de verhevene zou niet in het Nirvana ingaan, +voor hij zijn wil omtrent de gemeente den jongeren verkondigd heeft." + +"Wat begeert de gemeente der jongeren van mij, Ananda? Ik heb de leer +verkondigd en geen verschil gemaakt tusschen binnen en buiten. Hij +die zegt: "Ik wil heerschen over de gemeente" of "laat de gemeente +mij onderworpen zijn," hij moge Ananda, zijn wil verklaren in +de gemeente... De voleindigde evenwel zegt niet: "Ik wil over de +gemeente heerschen." Ik ben nu afgeleefd, bejaard, een oud man, die +zijn reis heeft volbracht. Tachtig jaar ben ik oud--Wees gij, Ananda, +uw eigen licht, uw eigen toevlucht. Zoek geen andere toevlucht. Wie +nu, Ananda, of na mijn verscheiden, zijn eigen licht zal zijn, zijn +eigen toevlucht en geen andere toevlucht zal zoeken, hij zal voortaan +mijn ware discipel zijn, die het rechte pad bewandelt." + +Boeddha laat des avonds alle monniken, die nabij Vaisali wonen +samenroepen en wijst hen nog eenmaal op de kennis des heils, die +hij hun predikte, opdat zij daarnaar zouden wandelen en die zouden +vermeerderen en dan laat hij volgen: "Welaan monniken, ik zeg u, +al het aardsche is der vergankelijkheid onderworpen, worstelt zonder +ophouden. Over een kleinen tijd breekt het Nirvana van den voleindigde +aan, nu over drie maanden zal hij in het Nirvana ingaan." + +En, ging hij voort: + +"Mijn aanzijn rijpt voor 't eind, na is mijns levens doel. 'k Ga heen: +Gij blijft nog hier: het oord der toevlucht wacht, weest waakzaam +steeds, en heilig zij uw wandel. Bewaart met kloeken moed, o jong'ren, +uwen geest. + +"Die zonder wank'len steeds het woord der waarheid volgen. + +"Zij komen tot het doel, geboort, en dood voorbij." + +Den volgenden dag doet Boeddha nog eenmaal zijn bedelgang door Vaisali: +ziet voor de laatste maal op de stad terug en begeeft zich met vele +jongeren op weg naar Kusinara, om daar het Nirvana in te gaan. + +Te Pava--onderweg--overvalt hem de krankheid, die aan zijn leven +een einde zal maken.--Cunda--zoo verhaalt het oude bericht naïef +tusschen de afscheidsgesprekken van den verlichte door--Cunda, de zoon +van een goudsmid te Pava zette den verhevene zwijnenvleesch voor, +ten gevolge waarvan hij ziek werd. Moede ging de meester verder, +hij baadde zich in de rivier en dronk een weinig. Na eenige rust +kwam hij te Kusinara. Daar moest Ananda hem tusschen twee boomen een +rustplaats bereiden, waarop hij het moede hoofd nederlegde. + +Het was niet de tijd dat de Salaboomen bloeiden, doch deze beide +waren van onder tot boven met bloesems bedekt. + +Toen sprak de verhevene tot Ananda: "Geheel met bloemen bedekt, +hoewel het de bloeitijd niet is, zijn de beide tweelingsboomen: +hun bloesems vallen in menigte op het lichaam van den voleindigde: +hemelsche melodieën weerklinken in de lucht om hem te eeren. + +"Doch den Voleindigde, Ananda, komt een andere eer toe, een andere +verheerlijking, prijs, vereering, eerbied. Ieder monnik Ananda, en +iedere non en iedere leek en leekenzuster, die in het groote en in het +kleine in de waarheid leeft en naar de wet leeft en ook in het kleine +naar de waarheid wandelt: zij zijn het die den voleindigde brengen +de hoogste eer, verheerlijking, prijs en vereering. Daarom, Ananda, +moet gij u oefenen en steeds bedenken: wij willen in het groote en +het kleine naar de waarheid leven, wij willen naar de wet leven en +ook in het kleine in de waarheid wandelen." + +Weenend ging Ananda het nabijzijnde huis binnen en sprak: "Ik ben +van zonden nog niet vrij, ik heb het doel nog niet bereikt, en mijn +meester, die zich mijner erbarmde, zal in het Nirvana ingaan." + +Toen zond Boeddha een der leerlingen tot hem: "Ga heen, leerling, +en spreek uit mijn naam tot Ananda: de Meester wil met u spreken, +Ananda." Toen ging Ananda tot den Meester, boog zich en nam aan +zijne zijde plaats. Boeddha echter sprak: "Niet alzoo, Ananda, +klaag niet, jammer niet. Heb ik u niet van te voren gezegd, Ananda, +dat men scheiden moet van alles wat men liefheeft en waarin men zich +verheugt? Hoe ware het mogelijk, Ananda, dat niet zou vergaan datgene +wat geboren, geworden, gemaakt, der vergankelijkheid onderworpen +is? Dat gaat toch niet. Gij echter Ananda, hebt langen tijd den +Voleindigde geëerd, in liefde en goedheid, met vreugde zonder +valschheid, zonder einde: in gedachten, woorden en werken. Gij hebt +goed gedaan Ananda, ga voort, weldra zult gij van zonden vrij zijn." + +Toen de nacht aanbrak stroomden de edelen van Kusinara met vrouwen +en kinderen naar het bosch om voor het laatst den stervenden meester +hunne vereering te brengen. + +Subhadra, een andersgezind asceet, die gekomen was om met hem te +spreken bekeerde zich tot hem als de laatste der geloovigen, die den +Meester zelven aanschouwden. + +Kort voor zijn heengaan sprak Boeddha nog tot Ananda: "Wellicht, +Ananda, zult gij denken; het woord heeft zijn meester verloren, wij +hebben geen meester meer. Zoo moet gij niet denken, Ananda. De leer, +Ananda, en de orde, die ik u geleerd en verkondigd heb, dat is uw +meester, als ik ben heengegaan." + +En tot de jongeren zeide hij: "Welaan, jongeren, ik zeg u: vergankelijk +is alles wat geworden is, worstelt zonder ophouden (om het heil te +verkrijgen). Toen ging zijn geest van extase tot extase, door alle +trappen der vervoering, daarop ging hij tot Nirvana in. De aarde +beefde, de donder rolde. En Brahma sprak: + +"Eens leggen alle wezens af lichaamlijkheid, in alle werelden, +zooals nu Boeddha, de overwinnaar, de meester der wereld, de machtige +voleindigde, tot Nirvana is ingegaan." + +De edelen van Kusinara kwamen en verbrandden voor de poorten der stad +het lichaam van Boeddha met alle eer, die aan de lijken van koningen +placht te geschieden. + + + +Zoo wordt ons geschetst het levenseinde van den verhevene. We hebben +hem aan de hand der oude geschriften gevolgd op zijn levens weg. Wij +hebben leeren kennen den Boeddha der oude legende. Doch niet al +te moeilijk schijnt het om uit den Boeddha der legende den wijzen +Sakyazoon der historie te kennen. Als wij dat beproeven, dan komt +ons voor den geest een hooggeboren edele, die, met aardschen glans +en luister omringd, alles daarliet om een oplossing te zoeken van de +hoogste levensvragen. Een wijze, die alles wat het leven lieflijks +heeft, verzaakte om te zoeken naar wat voeren kon tot waren vrede. Niet +in zelfkastijding, noch in overdreven wereldschuwheid vond hij dien, +maar in het streven om bij een leven, evenver van zinnelijkheid als +van zelfpijniging, tot uitdooving van alle hartstocht, tot opgeven +van alle persoonlijke begeerte te komen. + +Eén, die voorts het licht hem geschonken, niet voor zichzelf hield, +maar het zooveel in hem was aan anderen bracht, ja daaraan zijn +gansche leven wijdde en die voor hoog en laag, voor mensch en dier +de welwillendheid zelve was. + +Eén, die diep besefte dat geen offers, geen boetedoeningen, geen +ceremoniën vrede brengen in de ziel, maar dat er slechts vrede en +licht te vinden is voor hen, die uit liefde zichzelf ten offer geven +en alle begeerte en hartstocht weten te overwinnen. + +Geen wonder dat zijn persoon een onuitwischbaren indruk achterliet +en dat vrome vereering een stralenkrans wond om het hoofd van den +Sakyazoon. + + + + + +III. Boeddha's onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen. + + +Wij hebben in de vorige hoofdstukken het leven van den verlichte u +geschetst en daarbij op menige bladzijde, naar ik hoop, doen gevoelen, +welken geest hem bezielde. Toch willen wij op zijn onderwijs nog +meer in 't bizonder uwe aandacht vestigen: de leer was immers naar +zijn eigen woord tot Ananda, de Meester voor zijn volgelingen, als +hij was heengegaan? + +Welnu, dat woord van den Meester is ons voor een goed deel overgeleverd +al kunnen wij niet overal beslissen, wat aan den Meester, wat aan +leerlingen te danken is. + +Wat die leer betreft, krijgen wij den indruk, dat zij zich--in +onderscheiding van Jezus' leer b. v.--vaak meer tot het verstand +richtte dan tot het hart. 't Is meestal meer een klemmend betoog dan +een op het gevoel werkend beeld. Ja, er is in die betoogen zelfs iets +mathematisch, punt voor punt wordt uitvoerig en eentonig afgewerkt +en langzaam gaat het voort. Als een voorbeeld noem ik de volgende +rede over den gloed der zinnen: [68] + +"Toen sprak de verhevene tot de jongeren: alles, jongeren, staat +in vlam. En wat is dit alles, jongeren, dat in vlam staat? Het oog, +leerlingen, staat in vlam, het erkennen van het zichtbare staat in +vlam, de aanraking met het zichtbare staat in vlam, het gevoel, +dat uit de aanraking met het zichtbare voortkomt, staat in vlam: +of het vreugde of leed is of geen vreugde of leed: ook dit staat in +vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der begeerte, +door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding is het +ontvlamd, door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, lijden, +kommer, vertwijfeling is het ontvlamd: Alzoo zeg ik. + +"Het oor staat in vlam, het hoorbare staat in vlam, het kennen van +het hoorbare staat in vlam, de aanraking met het hoorbare staat in +vlam, het gevoel dat uit de beroering met het hoorbare voortkomt, +zij het vreugde, zij het leed, zij het geen vreugde en geen leed, ook +dit staat in vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der +begeerte, door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding, +door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, leed, kommer, +vertwijfeling is het ontvlamd: alzoo zeg ik. + +"De reuk staat in vlammen (dan volgt weer dezelfde opsomming), de tong +staat in vlammen (wederom), het lichaam staat in vlammen (wederom), +de geest staat in vlammen (wederom)." + +Dan gaat de rede voort: "Dit alzoo inziende (nl. de waarheid van het +verteerd worden van alles door den vuurgloed der vergankelijkheid) +wordt een wijze, edele hoorder des woords het oog moede, hij wordt +het zichtbare moede, hij wordt het kennen van het zichtbare moede, +hij wordt het gevoel moede, dat uit de aanraking met het zichtbare +ontstaat, zij het vreugde of leed, of geen vreugde of leed. Hij +wordt het oor moede (enz.), de reuk moede" (enz. enz.) (altijd weer +dezelfde zinnen). + +En dan eindigt de rede: "Terwijl hij deze dingen moede wordt, +wordt hij vrij van begeerte, van begeerte vrij wordt hij verlost, +in den verloste is het inzicht: ik ben verlost, vernietigd is de +wedergeboorte, voleindigd de heiligheid, gedaan de plicht, geen +terugkeer is er meer tot deze wereld: alzoo is zijn inzicht." + +Voor ons zou een dergelijke toespraak geen groote aantrekkelijkheid +hebben, doch voor de leerlingen van Boeddha, die aan een dergelijken +redeneertrant, ook van andere leeraars gewoon waren, was dat een +ander geval. + +Voor de niet ingewijden sloeg de meester gewoonlijk een eenigszins +anderen toon aan, dan waren de redeneeringen niet zoo abstract. Zoo +wordt ons b.v. in de Mahavagga, hetzelfde werk, waaraan de juist +vermelde toespraak is ontleend, ook verhaald hoe de verhevene aan +"tachtigduizend dorpsoudsten" het woord predikte. "Hij erkende", heet +het daar, in zijn geest de gedachten der dorpsoudsten en predikte +hun het woord naar de orde, namelijk de prediking van het geven, de +prediking van de rechtschapenheid, de prediking van de hemelen, de +verderfelijkheid, ijdelheid, onreinheid der lusten, den zegen van het +vrijzijn van lust. Toen nu de verhevene erkende, dat hunne gedachten +goed, ontvankelijk, vrij van hindernissen waren, verheven en naar hem +toegewend, toen predikte hij hen, wat in 't bizonder de prediking der +Boeddha's is: het lijden, het ontstaan van het lijden, de opheffing +van het lijden, den weg tot opheffing des lijdens. Vervolgens wordt +dan geschetst hoe in die dorpsoudsten het oog der waarheid opengaat en +zij inzien dat "alles wat aan de wet van het ontstaan onderworpen is, +ook aan de wet van het vergaan onderworpen is." + +M. a. w. hier wordt ons te zien gegeven, hoe Boeddha van het eenvoudige +opklimt tot de verborgenheden, tot het wezenlijke, het eigenaardige +zijner leer. Nu, al mogen wij ook allerminst vaststellen dat deze +leer alzoo is uitgesproken (die verzameling van 80.000 dorpsoudsten is +althans zeker een fictie) toch kunnen wij aannemen dat iets dergelijks +aan de leerwijze van den Verlichte is eigen geweest [69]. + +Soms ook vinden wij gesprekken, waarin Boeddha uit het dagelijksch +leven opklimt tot het geestelijke, en wel in dier voege, dat hij +zijn toehoorder door verschillende vragen langzaam brengt, waar hij +hem hebben wil: alzoo de methode van Socrates, die ook vooral door +vragen leerde. + +Zoo b.v. een gesprek van den Meester met Sona, een zijner +leerlingen. Deze Sona had zichzelf tot de uiterste ascese gedwongen, +doch was ten slotte tot het inzicht gekomen dat zulk een streven geen +goede vruchten droeg. Hij liep nu gevaar tot het andere uiterste over +te slaan en terug te keeren tot een leven voor het genot. + +Boeddha zegt dan tot hem: "Hoe is het Sona, waart gij vroeger, voor +gij uw huis verliet, met het snarenspel bekend?" "Ja, heer." "Wat +dunkt u dan Sona, als de snaren al te strak zijn gespannen, zal dan +de luit den rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn". "Dat +zal zij niet, Heer." "En wat dunkt u, als bij uwe luit de snaren al +te slap zijn gespannen, zal dan de luit den rechten toon geven en +voor bespelen geschikt zijn?" "Dat zal zij niet, Heer." "Hoe echter, +Sona, indien bij uwe luit de snaren niet te strak en ook niet te slap +gespannen zijn, als zij de juiste maat houden, zal dan de luit den +rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn?" "Ja, heer." + +"Zoo ontaardt ook, Sona, de al te sterk gespannen kracht in overmaat, +en de al te veel overgelaten kracht in slapheid. Daarom Sona, voleindig +in uzelf het evenwicht uwer kracht en tracht te komen tot evenwicht +van uw geestelijk vermogen, houd dit doel in 't oog." [70] + +Somtijds vinden wij ook in het onderricht van Boeddha meer uitgewerkte +gelijkenissen. Enkele daarvan willen wij U medededeelen, omdat zij +ons zoo goed den geest des meesters doen kennen. We merken hierbij +echter op, dat zeker niet al deze gelijkenissen van den Meester zelf +afkomstig zijn. + +Van den verzoeker, die tracht de menschen den weg des heils te +doen bijster worden en van den verlosser, die hen op den rechten +weg terugvoert, wordt ons de volgende gelijkenis verhaald, die wij +kunnen noemen: + + + +De ware en de verkeerde weg. [71] + +"Wanneer, o jongeren, in het woud, op een berghelling, een groote +vallei met water is, waarbij een groote kudde wild leeft en er komt +een man die het wild plagen en ongelukkig maken wil, dan sluit +deze man den weg, [72] die goed, veilig en wel begaanbaar is af +en opent een verkeerden weg, een moeraspad. Dan zal, o jongeren, +die groote kudde wild schade lijden en verminderen. Wanneer er nu +echter, jongeren, een man komt, die tracht naar gedijen, welzijn en +heil voor deze groote kudde wild: dan maakt deze den goeden weg weer +open en vernielt het moeraspad. Dan zal, o jongeren, de groote kudde +wild voortaan gedijen, wassen en toenemen. Een gelijkenis, jongeren, +heb ik verteld, om u den zin bekend te maken. De zin nu is deze: + +"De groote vallei en het water zijn de lusten, o jongeren. De groote +kudde wild, jongeren, zijn de levende wezens. De man, die schade en +onheil voor hen tracht te bewerken is Mara, de booze. De verkeerde +weg, jongeren, is de achtvoudige verkeerde weg, namelijk: verkeerd +geloof, verkeerd bedoelen, verkeerd woord, verkeerde daad, verkeerd +leven, verkeerd streven, verkeerd gedenken, verkeerd bespiegelen. De +moerasweg, o jongeren, is vreugde en begeerte. Het moeraspad, jongeren, +is het nietweten. De man, jongeren, die naar gedijen, welzijn, heil +tracht is de voleindigde, de heilige hoogste Boeddha. De zekere, +goede weg, die wel te begaan is, is de heilige, achtvoudige weg, +dat is: goed gelooven, goed bedoelen, goed woord, goede daad, goed +leven, goed streven, goed gedenken, goed bespiegelen. Alzoo, heb ik, +o jongeren, den veiligen, goeden weg geopend, die wel te begaan is, de +valsche weg is toegesloten, het moeraspad vernietigd. Alles, jongeren, +wat een meester doen moet, die naar het heil zijner jongeren tracht, +die zich hunner erbarmt: uit erbarmen voor u heb ik dat gedaan." + +Dit bovenstaande verhaal kan terecht den naam van gelijkenis dragen, +wij vinden echter in de oude Boeddhistische boeken ook nog meer +uitgewerkte verhalen, die wel eenigszins aan gelijkenissen doen denken, +maar toch nog beter "leerzame verhalen" kunnen worden genoemd. Enkele +daarvan, deels van Boeddha, deels van zijn volgelingen afkomstig, +willen wij hier laten volgen, omdat zij ons den geest van zijnen +godsdienst zoo goed leeren kennen. Allereerst noemen wij u: + + + +De gelijkenis van de vergeving. + +In een vroeger bestaan was Boeddha de asceet Jin Juh en woonde hij in +een bosch. "Wouden zijn heerlijk" verklaarde hij. "Waar de wereldling +geen genoegen vindt, vindt de "ontwaakte" mensch genot." + +In dien tijd was er een koning, Ko Li geheeten, een man van wreed, +slecht karakter. Op zekeren dag nam deze koning zijn vrouwen met zich +en ging jagen in het bosch. Vermoeid geworden viel hij in slaap. Toen +gingen al de vrouwen het bosch in om bloemen te plukken; zij kwamen bij +de kluis van den asceet Jin Juh en luisterden naar zijn onderricht. Na +eenigen tijd ontwaakte de koning, en zijn vrouwen missende, werd hij +jaloersch, trok zijn zwaard en ging haar zoeken. Toen hij haar allen +zag staan tegenover de kluis van den asceet, werd hij zeer toornig. + +"Wie zijt gij?" sprak de koning. + +"Ik ben de asceet Jin Juh." + +"Hebt gij alle aardsche hartstochten overwonnen?" vervolgde de +koning. De ander antwoordde dat hij hier was om met zijn hartstochten +te strijden. "Indien gij "Sheung te teng" [73] niet hebt bereikt, +zie ik niet in dat gij beter zijt dan de philosophen," (Fan Fuh) +èn met de wreedheid van een Oostersch tyran hakte hij den armen +kluizenaar handen en voeten af. + +De monarch zag tot zijn verbazing een verheven kalmte op het gelaat +van den gekwelden asceet en vroeg hem of hij geen toorn gevoelde. + +"Neen, koning, en ik zal u eenmaal leeren ook uw dierlijke hartstochten +te bedwingen. Als ik, in een ander bestaan, Sheung te teng bereik, +zult gij, o koning, mijn eerste bekeerling zijn." + +In een volgend bestaan werd koning Ko Li de leerling Kaundiliya. + +De hierop volgende geschiedenis is waarschijnlijk een protest +van de Hinayana (de kleine overtocht, dat wil zeggen het meer +oorspronkelijke Boeddhisme) tegen de "valsche leeraars" van de Mahayana +(de groote overtocht) die het Boeddhisme als een soort atheïsme gingen +opvatten. Zij kan genoemd worden: + + + +De gelijkenis van den godloochenaar. + +Angati, de koning van Tirhut, had eene dochter, Ruchi. Eerst leefde +hij godsdienstig, doch later hoorde hij verkeerde leeraars, die +verklaarden dat er geen toekomende wereld is en dat de mensch na den +dood, in water en andere elementen wordt opgelost. Van toen af meende +hij dat het beter was het tegenwoordige te genieten en werd hij wreed. + +Op zekeren dag ging Ruchi tot den koning en vroeg hem haar duizend +goudstukken te geven, daar het den volgenden dag een feestdag was en +zij een offer wenschte te brengen. De koning antwoordde dat er geen +toekomstig leven was, geen vergelding voor verdienste. Godsdienstige +vormen waren zonder waarde en het was beter om van het tegenwoordige +leven te genieten. + +Nu had Ruchi het innerlijk gezicht: zij kon dus in haar leven teruggaan +tot op veertien vroegere bestaansvormen. Dus sprak zij tot den koning +dat zij vroeger een edelman was geweest, doch een overspeler en dat +zij nu voor straf slechts een vrouw was. Als verdere straf was zij +geweest monnik, jonge koe en geit en eens was zij geboren in de hel +Avichi. De koning wilde zich niet door eene vrouw laten onderrichten +en bleef ongeloovig. Toen riep Ruchi, door betoovering, een geest +te hulp, en Boeddha zelf, in de gedaante van een monnik, kwam in de +stad. De koning vroeg hem vanwaar hij kwam. De monnik antwoordde dat +hij uit de andere wereld kwam. De koning zeide daarop lachend: + +"Als gij van de andere wereld komt, leen mij dan honderd goudstukken +en als ik naar die wereld ga zal ik er u duizend teruggeven." + +Boeddha antwoordde ernstig: "Als iemand geld leent moet dat zijn aan +de rijken, als hij geld geeft aan de armen, is het een gift, want de +arme kan niet terugbetalen. Daarom kan ik u geen honderd goudstukken +leenen, want gij zijt arm en berooid." + +"Gij spreekt logen" was het toornig antwoord des konings. "Is niet +deze gansche rijke stad mijn eigendom?" + +Boeddha antwoordde: "Over korten tijd; o koning, zult gij sterven. Kunt +gij uw rijkdom meenemen naar de hel? Daar zult gij in onuitsprekelijke +ellende leven, zonder kleeding, zonder voedsel. Hoe kunt gij mij dan +mijn schuld betalen?" Zoo sprak Boeddha en op zijn aangezicht lag +een zonderlinge glans, die den koning verblindde. + +Ook het volgende verhaal is zeer populair, het heet: + + + +Boeddha's gelijkenis van Kisagotami. + +Eens leefde er een nederig paar in Sravasti. Zij verkochten erwten, +rijst en houtskool in kleine ondiepe mandjes, door een matje tegen de +middagzon bedekt. Zij hadden een eenige dochter, Kisagotami. Op zekeren +dag zond haar vader haar het bosch in om hout te zoeken. Zij bleef +in de jungle bloemen zoeken, totdat zij eensklaps van uit het dichte +riet de oogen van een cheetah [74] op haar gevestigd zag. Zij stierf +bijna van schrik. Plotseling suisde er iets langs haar en de cheetah +lag dood aan haar voeten. De pijl was geschoten door een jongeling, +als jager in dienst bij den Rajah. Spoedig daarna wilde hij trouwen +met Kisagotami, die zeer op hem gesteld was. Doch de ouders, die reeds +op jaren kwamen zeiden dat zij hun eenige dochter niet konden missen. + +Eens ging een blinde man het winkeltje voorbij, hij speelde en zong. De +oude moeder luisterde en hij zong: + +"Zonder een metgezel wordt de Kokila [75] stil op haar tak, +stil-stil-stil voor altijd." + +Zij bracht dit in verband met hare dochter, die inderdaad kwijnend en +ziekelijk was geworden na hare teleurstelling en begon zich over deze +bezorgd te maken. Zoo trad het meisje, na verloop van tijd, door den +invloed van haar moeder, in het huwelijk. In die dagen richtte een +wreede tijger verwoestingen aan en doodde vele dorpelingen. De vorst +beloofde een groote som aan wie den tijger doodde. Kisagotami's man +werd er door verlokt, hij viel den tijger aan, maar werd door diens +klauw doodelijk gewond. + +De weduwe en een klein kind keerden naar Sravasti terug en helaas: +ze ontmoetten een stoet van weenende vrouwen, die haar ouders naar +het graf brachten. Een maand later zag men de arme weduwe met een +dood kind in de armen, telkens klagende. "Geef mij een geneesmiddel +voor mijn arm kind." + +Een antwoordde: "Ga naar den Sakyamonnik, den Boeddha (verlichte). + +Kisagotami ging naar Boeddha's kluis en sprak: "Heer en meester, +kent gij eenig geneesmiddel dat mijn jongen zal genezen?" + +Boeddha antwoordde: "Ik moet een handvol mosterdzaad hebben." + +Het meisje beloofde het te bezorgen, maar Boeddha voegde er bij: +"Ik moet mosterdzaad hebben uit een huis, waar geen zoon, echtgenoot, +ouder of slaaf is gestorven." + +De arme Kisagotami ging met haar dood kindje van huis tot +huis. Medelijdende menschen zeiden: "Hier is mosterdzaad, neem +het." Maar als zij vroeg of er geen zoon, of echtgenoot of ouder +of slaaf in dat huis was gestorven, dan ontving zij ten antwoord: +"Vrouw, de levenden zijn weinigen, dooden zijn er velen: tot ieder +huis komt de dood." + +Ten slotte zat Kisagotami, vermoeid en zonder hoop aan den weg +neer en keek naar de lichten in de steden, die één voor één werden +uitgedoofd. Op dat oogenblik deed Boeddha, door de macht van Siddhi +[76], haar zijne verschijning zien en deze sprak: "Alle levende +wezens gelijken op deze lampen. Zij worden opgestoken en flikkeren +dan voor een wijle, daarop heerscht de zwarte nacht over allen. De +verschijning predikte toen de wet aan haar, en volgens de woorden +der Chineesche vertaling, bracht hij aan: "heil en redding, het pad +wijzende dat leidt tot de eeuwige stad." + + + +De geschiedenis van prins Kunala. + +Koning Açoka had een jongetje, wiens oogen zoo schoon waren dat zijn +vader hem Kunala noemde: daar is een vogel van dien naam, welke onder +de rhododendrons en pijnboomen van de Himalaya woont en die beroemd is +om zijn lieftallige oogen. De jonge prins groeide op en ieder sprak +over zijn schoonheid in het gansche land des konings. Geen vrouw kon +hem in de oogen zien, zonder verliefd op hem te worden. Een Sthavira +[77] sprak eens ernstige woorden tot hem en zeide: "De trots van het +oog mijn zoon, is ijdelheid. Pas op." + +Op jeugdigen leeftijd huwde Kunala een meisje, Kanchana geheeten. Op +zekeren dag zag een van de vrouwen des konings den jeugdigen echtgenoot +en werd wanhopig verliefd op zijn schoone oogen. Kunala was door +schrik getroffen. + +"Zijt gij niet," sprak hij, "in de zenana [78] van den koning, mijn +vader?" Dit woord veranderde haar liefde in bitteren haat. + +In dien tijd stond de stad Taxila tegen koning Açoka op. De monarch +wilde er aanstonds zelf heengaan, doch de ministers raadden hem om +prins Kunala te zenden in zijn plaats. De prins ging naar de oproerige +stad en wist spoedig de rust te herstellen. Het volk verzekerde hem +dat zij de afpersingen en onderdrukkingen van des konings beambten +hadden weerstaan, doch niet den koning zelf. + +Niet lang daarna werd de koning door een walgelijke ziekte aangetast +en moest ten behoeve van zijn zoon afstand doen van den troon. De +koningin Tishya Rakshita, dezelfde die den prins zoo haatte, dacht +in haar hart: "Als Kunala den troon bestijgt ben ik verloren." + +Zij beval een slaaf haar een man te brengen, door dezelfde ziekte +als de koning aangetast. Zij vergiftigde den man en onderzocht hem +van binnen. Een groote worm voedde zich met zijn ingewand. Zij gaf +dien worm peper en gember: hij bleef er even gezond bij. Zij gaf hem +uien en hij stierf. + +Aanstonds ging zij naar den koning en beloofde hem te genezen als +hij haar een verzoek wilde toestaan. De koning beloofde haar alles +te geven, wat zij zeggen zou. Zij sprak tot hem: "Neem deze ui en +gij zult beter worden." + +"Koningin," sprak de koning, "ik ben een Kshatrya en de wet van Manoe +[79] verbiedt mij uien te eten." De koningin vertelde dat het een +geneesmiddel was, gèèn voedsel. Hij at de ui en werd genezen. + +De koningin verzocht nu, als belooning voor deze genezing, een week +lang de zaken des konings te mogen besturen. De koning aarzelde, +maar liet zich overhalen. + +Aanstonds zond de koningin een verzegelde order met 's konings zegel +voorzien, dat prins Kunala bedelaarskleeren moest dragen en zijn +oogen moesten worden uitgestoken: een blinde prins immers mag den +troon niet bestijgen. + +De goede menschen van Taxila waren diep geschokt door dit bevel, maar +zij zeiden tot elkaar: "Als de koning zoo onbarmhartig is voor zijn +zoon, wat zal hij dan wel doen, als wij hem niet gehoorzamen?" Eenige +Chándalas [80] werden er voor uitgekozen: doch zij hielden veel van +den prins en wilden het wreed bevel niet uitvoeren. Op het laatst kwam +er een afschuwelijke kerel, een mensch met wel achttien misvormingen +en afwijkingen en rukte den prins de oogen uit. + +Weldra was deze als bedelaar op den grooten weg: zijn vrouw, Kanchana, +was ook bij hem, in lompen gekleed. De arme prins herinnerde zich de +plechtige woorden van den Sthavira. + +"Is niet de buitenwereld", zoo sprak hij tegen zijn vrouw "slechts +een klomp vleesch?" + +De prins was altijd ziekelijk geweest en om nu in zijn onderhoud te +voorzien speelde hij op de vina [81]. Na vele zwerftochten bereikten +zij Palibothra (Patna) en kwamen bij het paleis des konings. Doch de +wachters wierpen de twee vuile bedelaars er uit. Ten slotte dringen +echter de tonen der vina tot den koning door. "Het is mijn zoon," +zeide hij. Hij zond beambten uit om hem te halen. De koning was +verbaasd over den toestand, waarin hij hem aantrof. Toen hij te weten +kwam wat er gebeurd was riep hij de schuldige koningin bij zich en +gaf bevel haar levend te verbranden. + +Doch prins Kunala was een ander mensch geworden. Toen hij, zooals +hij meende door zijn aardschen vader verlaten was, was hij een zoon +van Boeddha geworden. Zijn "lichamelijk oog" was weg, doch hij voelde +dat zijn "geestelijk oog" thans voor het eerst was geopend. In plaats +van de zachte kleederen der hovelingen droeg hij nu de lompen van +Boeddha's verheven bedelaars. + +Hij wierp zich voor de voeten van zijn vader en smeekte hem der +koningin het leven te sparen: "Ik voel geen haat, geen smart, slechts +dankbaarheid, dood haar niet." + +Açoka, de machtige zonnekoning, was bestemd om heel Indië te regeeren: +zijn scepter reikte verder dan dien van den groot-Mogol. Hij ook zou +eenmaal zijn prachtige paleizen verlaten en langs den weg zijn brood +bedelen, ook hij werd Bhikshu. + + + +Een Boeddha op een huwelijksfeest. + +Koning Sudarsana was een modelkoning. In zijn rijk was geen +doodstraf noch geeseling bekend, geen krijgswapen om te martelen of te +verderven. Zijne stad, Jambunada, was gebouwd van kristal en kornalijn, +zilver en goud. Eens bezocht een Boeddha deze plaats. + +Nu was er in die stad een man, die den volgenden dag zou trouwen, en +hij wenschte gaarne dat de Boeddha bij de plechtigheid tegenwoordig +zou zijn. Boeddha, die voorbij kwam, las de stille wensch in zijn hart +en beloofde te komen. De bruidegom was zeer verheugd, hij bestrooide +zijn huis met bloemen en besprenkelde het met reukwater. + +Den volgenden dag kwam Boeddha, de aalmoezenschaal in de hand, door +vele leerlingen vergezeld. Toen zij allen op hunne bestemde plaatsen +zaten, deelde de gastheer allerlei heerlijke spijzen rond, en sprak: + +"Eet, mijn heer, met al uwe leerlingen, volgens uw begeerte." + +Doch nu openbaarde zich een wonder aan de verbaasde blikken van +den gastheer. Hoewel deze heilige mannen allen zeer smakelijk aten, +verminderden de gerechten en de dranken niet. Daarop dacht deze bij +zichzelf: "Kon ik maar al mijn bloedverwanten uitnoodigen, ook voor +hen zou er genoeg zijn." + +Nu geschiedde een tweede wonder: Boeddha las de gedachten van den +goeden man, en, zonder dat zij uitgenoodigd waren, stroomden alle +bloedverwanten het huis binnen. Ook zij aten smakelijk van het +wonderbare voedsel. + +Het behoeft nauwelijks betoog, dat het Chineesche boek +Fu. pen. hing. tsi. king (door Beal in het Engelsch vertaald) ons +vermeldt dat al de gasten, nadat zij eenige woorden over Dharma +(de leer, de wet) van den Tathagata hadden gehoord, tot voldoening +van iedereen (behalve misschien van de arme bruid) de gele kleederen +gingen dragen. + + + +De nu volgende geschiedenis is een zeer aantrekkelijke en doet ons +zien, dat een liefde, die de grenzen dezer wereld overschrijdt en tot +in het hiernamaals reikt ook in de dagen van Sakya-muni niet onbekend +was. Zij is getiteld: + + + +De geschiedenis van het meisje Bhadra. + +Toen Sakya-muni een vroeger bestaan doormaakte, noodigde een zekere +koning Suryapati den grooten Boeddha Dipankara uit om zijn rijksgebied +te bezien. Om dezen te eeren gaf de koning bevel dat zijn onderdanen, +binnen een grens van twaalf yogana's van de hoofdstad, alle bloemen en +reukwerken zouden bewaren voor den koning, opdat deze ze aan Boeddha +zou schenken. Niemand mocht deze gaven houden om ze voor zichzelf +aan te bieden. + +Sakya was toen een jonge Brahmaan, Megha geheeten. Hij was, +ofschoon eerst zestien jaar oud, wel onderwezen in de wet. Hij +was onvergelijkelijk schoon: zijn lichaam als geel goud, zijn haar +insgelijks. Zijn stem was zoet en zacht als die van Brahma. Hij kwam +in de stad, juist toen deze was versierd met het oog op de komst van +Boeddha Dipankara en ook hij--die reeds een zeker vaag voorgevoel van +het Boeddhaschap in zich gevoelde--besloot aan den vleeschgeworden +verlichte een offer te brengen. + +Hij sprak bij zichzelven: "Welke offers zal ik hem brengen? Boeddha's +houden niet van offers in geld, ik zal hem de schoonste bloem geven, +die ik kan vinden." + +Hij ging naar een kapper en zocht een fraaie bloem uit, doch de +kapper wilde haar niet verkoopen. "De koning heeft orders gegeven, +eerbiedwaardig jongeling, dat geen bloemkransen hier in de stad mogen +worden verkocht, hoe dan ook." Megha kreeg in een tweede en derde +winkel hetzelfde antwoord. + +Nu zag hij, terwijl hij verder zocht, dat een in 't zwart gekleed +meisje, een waterdraagster, Bhadra geheeten, stilletjes een +Utpala-bloem met zeven stelen nam, die in haar wateremmer deed, +en daarop haar weg vervolgde. + +Megha ging haar tegemoet en sprak "wat wilt ge doen met die Utpala, +die gij in uw wateremmer verstopte? Ik zal u vijfhonderd goudstukken +geven als gij haar aan mij wilt verkoopen." + +Het meisje was getroffen door de verschijning van den jongen man, +die er zoo vriendelijk uitzag. + +Zij antwoordde direct: "Schoone jongeling, hebt gij niet gehoord +dat de groote Boeddha Dipankara op uitnoodiging van den koning zoo +aanstonds in de stad zal komen en dat de koning een verbod heeft +gegeven dat niemand, binnen twaalf yogana's van de stad, reukzalf +of bloemen aan eenig particulier mag verkoopen, aangezien de koning +alles zelf wil koopen om het aan den Boeddha aan te bieden? + +"Nu is er in onze nabijheid een kappersvrouw die van mij vijfhonderd +geldstukken kreeg en mij daarvoor deze bloem met zeven stelen gaf. De +reden waarom ik alzoo des konings gebod heb overtreden, is dat ik +zelf een offer wil brengen aan den heiligen man." + +Toen antwoordde Megha: "Goed meisje, wat gij hebt gezegd zal u dunkt +mij het recht geven om van mij vijfhonderd goudstukken aan te nemen, +waarvoor gij mij dan vijf stelen van de Utpalabloem geeft en er twee +voor uzelven behoudt." + +Zij antwoordde: "Wat wilt gij doen met de bloemen als ik ze aan +u geef?" + +De jonge Brahmaan zeide daarop dat hij ze aan den Boeddha wenschte +te schenken. + +Nu had dit meisje het innerlijk gezicht en zij zag aan het gelaat +van den jongeling, dat hij eenmaal de leidsman der menschen zou worden. + +Zij sprak: "Schoone vreemdeling, eenmaal zult gij een groote Boeddha +zijn, en wanneer gij mij beloven wilt dat gij tot op den dag van uwe +verlichting (waarop gij een Boeddha wordt) mij bij iedere geboorte +tot uw vrouw zult nemen en dat wanneer gij Nirvana bereikt, gij mij +als leerling onder uwe volgelingen wilt opnemen, dan zal ik u vijf +stelen van mijn bloem geven." + +De Brahmaan antwoordde dat een asceet al zijn rijkdom moest schenken +aan zijn metgezellen en dat, indien zij deze regeling goed vond, hij +haar voor altijd tot vrouw wilde hebben. Zij verkocht hem daarop vijf +stelen van de Utpala, opdat deze zijn bizondere gift aan den Boeddha +zouden zijn en begeerde dat zij de andere twee als haar eigen gift +zou schenken. + +Toen Dipankara naderde, vol majesteit, glinsterend als een helder meer, +werd het geschenk hem toegeworpen en door een wonder bleven de bloemen +zwevend in de lucht: een canopy (koepeldak) vormend boven zijn hoofd. + +Onder de "Fan hemelen" der Chineezen heet er een Fuh. ngai (gelukkige +liefde). Laten wij hopen dat daar de lieve Bhikshu Bhadra bij haar +geliefden meester is. + + + +Koning Wessantara. + +Eens leefde Boeddha op aarde als koning Wessantara. Zoo vriend'lijk was +hij voor iedereen dat het gerucht ging dat hij een besluit had genomen +om aan iedereen te geven wat hij verzocht. Hij had een liefhebbende +vrouw en twee kinderen. Ook had hij een betooverden witten olifant. + +Een vreeselijke hongersnood brak in een naburig koninkrijk uit en +de armen stierven bij duizenden. Acht Brahmanen werden tot koning +Wessantara gezonden ten einde van hem den witten olifant te verzoeken: +want een vruchtbare regen valt overal waar een betooverde witte +olifant zich ophoudt. + +De weldadige koning stond zijn witten olifant af. Dit wekte zoozeer +den toorn van zijn volk op, dat zij hem afzetten. + +Wessantara gaf nu al zijn rijkdom aan de armen en vertrok in een +wagen, door twee paarden getrokken. Hij zou naar een groote rots in +de wildernis gaan, teneinde daar kluizenaar te worden. Op zijn reis +ontmoet hij twee Brahmanen, die hem om zijn rijtuig verzoeken. Hij +geeft aan die bede gehoor en de onttroonde koning en koningin leggen +de rest van den weg te voet af, ieder een kind op den arm. Hun weg +leidt door het koninkrijk van den vader der koningin. Deze tracht +hen van hun besluit terug te brengen, doch tevergeefs. + +In dienzelfden tijd leefde een Brahmaan, Jutaka, zeer gelukkig met +zijn schoone vrouw; totdat op zekeren dag, toen de vrouw water putte, +jaloersche buren haar gemoed vergiftigden. Zij bliezen haar namelijk in +dat zij een slavin was en wonden haar zoo op, dat zij haar echtgenoot +aanviel, hem sloeg en zijn baard uitrukte. Ja, zij dreigde zijn huis +te verlaten als hij haar geen twee slaven verschafte. Zij zeide dat +een dwaze koning, Wessantara, in de wildernis leefde als asceet. Daar +moest hij heengaan en om twee slaven verzoeken. + +Zij toch hadden twee kinderen en hadden een gelofte gedaan om geen +enkel verzoek te weigeren. Jutaka vertrok, doch hij kon niet bij den +koning komen, daar de vader der koningin er een jager op wacht had +gezet. Hij toch wist van Wessantara's gelofte en wilde hem voor verdere +onbeschaamdheden van hebzuchtigen vrijwaren. Jutaka vertelde den jager +een leugenachtig verhaal en slaagde er in den kluizenaar te vinden. Hij +vroeg de twee kinderen voor zich als slaaf en Wessantara was door zijn +eed gebonden ze hem te schenken. Zoo spoedig Jutaka uit het gezicht +van den koning was, bond hij de koningskinderen stevig met koorden +vast, doch: hij verdwaalde in de wildernis en kwam in het land van +'s konings schoonvader, die al spoedig het geheele geval had vernomen. + +Hij liet den Brahmaan voor zich komen en bood hem voor de kleinkinderen +hun gewicht in goud. Het eind van den hebzuchtigen Brahmaan was +ongeveer als dat van Judas: hij richtte van zijn oneerlijk verkregen +rijkdom een groot feest aan: zijn ingewanden barstten door overvulling. + + + +Koning Bambadat. + +Boeddha was in een zijner vroegere geboorten koopman in Benares. Op +zekeren dag ging hij met zijn vrouw in een rijtuig door de straten +van Rajagriha, de hoofdstad van koning Bambadat. De vorst zag deze +vrouw en werd betooverd door hare onvergelijkelijke schoonheid. Hij +maakte terstond een afschuwelijk listig plan om haar te krijgen. + +Een van zijn ambtenaren werd uitgezonden om stil een juweel van +groote waarde in het rijtuig van den koopman te laten vallen. De arme +koopman werd nu gevangen genomen onder beschuldiging van des konings +kleinood te hebben gestolen. Hij en zijne schoone vrouw werden voor +den koning gebracht, die met voorgewende belangstelling naar het geval +hoorde en daarop beval dat de koopman onthoofd en diens vrouw in den +harem zou worden opgenomen. Koning Bambadat was een wreed koning, +wiens onderdrukkingen hem den haat zijner onderdanen op den hals +hadden gehaald. + +De arme koopman werd weggevoerd om onthoofd te worden, maar Indra +op zijn hemeltroon had het vreeselijk voorval gezien en--een wonder +geschiedde. Toen de beul zijn zwaard ophief deden onzichtbare handen +den koning, die bij de bloedige gebeurtenis tegenwoordig wilde zijn, +van plaats verwisselen met den koopman, zoodat deze den noodlottigen +slag ontving. Doch de koopman vond zichzelf eensklaps op den olifant +gezeten, die den koning naar de gerichtsplaats had gebracht. Deze +treffende tusschenkomst des hemels verbaasde het verzamelde volk: +zij riepen den koopman tot hun nieuwen koning uit. Onnoodig er bij +te voegen dat zijn wijze van regeeren gansch anders was dan die van +koning Bambadat. + +Vermeld wordt het niet, maar waarschijnlijk was de schoone vrouw het +meisje Bhadra van de vorige geschiedenis. + + + +De hongerige hond. + +Eens was daar een slecht koning, Usuratanam geheeten. Deze onderdrukte +zijn volk zoo vreeselijk, dat Boeddha in den hemel er medelijden +mee kreeg. Boeddha was toen de god Indra. Hij nam den vorm van een +jager aan en daalde met den deva Matali neder: deze als een enorm +groote hond. Zij traden eensklaps des konings paleis binnen en de +hond blafte zoo ontzettend, dat het geluid de koninklijke gebouwen op +zijne grondvesten deed schudden. De verschrikte koning riep den jager +bij zich en vroeg wat die vreeselijke geluiden hadden te beteekenen. + +"De hond blaft zoo van den honger" zeide de jager--en opnieuw rolde +een geluid als van een verren donder door het paleis. + +"Geef hem eten, geef hem toch eten" zeide de verschrikte vorst; al +het voedsel, dat er was, moest dienen voor het koninklijk feestmaal: +het werd voor den hond neergezet. Hij at het in een oogenblik op en +blafte nogmaals met vreeselijke stem. Men haalde meer voedsel: alles +ten slotte wat in de stad en in de aangrenzende provinciën was. Doch, +na korte rust at de onverzadelijke hond alles op en begon opnieuw te +blaffen. De koning stortte haast ter aarde van schrik. + +"Zal niets ooit uw hond verzadigen, jager?" + +"Niets, o koning, dan het vleesch van al zijn vijanden." + +"En wie zijn zijn vijanden, jager?" + +"Zijn vijanden," hernam de jager "zijn zij die slechte daden +verrichten, die de armen onderdrukken, die oorlog maken, die wreed +zijn tegenover de dieren der schepping." + +De koning herinnerde zich zijn vele slechte daden en werd door schrik +en berouw aangegrepen. Daarop maakte Boeddha zich bekend en predikte +hem en zijn volk de wet der gerechtigheid. + +Daar Matali altijd voorkomt als de wagenmenner van Indra ligt het +voor de hand dit verhaal te beschouwen als een oud-Indisch, in +Boeddhistischen geest omgewerkt, gelijk trouwens met vele Jataka +verhalen het geval is. Boeddha is hier eenvoudig voor Indra, den +oorspronkelijken held van het verhaal, in de plaats gesteld. + + + +Boeddha als vredestichter. + +Twee prinsen waren eens in hevigen twist geraakt over zeker kunstmatig, +door dijken afgesloten meer. Een vreeselijke oorlog dreigde te +ontbranden. Eensklaps verscheen Boeddha tusschen de prinsen en hun +legers en vroeg naar de oorzaak van den strijd. Toen men hem volkomen +had ingelicht stelde hij de volgende vragen: + +"Zeg mij, koningen, heeft aarde eigenlijke waarde?" + +"Geen waarde hoegenaamd." + +"Heeft water eigenlijke waarde?" + +"Geen waarde hoegenaamd." + +"En het bloed van koningen, heeft dat eigenlijke waarde?" + +"De waarde is daarvan niet te schatten." + +"Is het redelijk" sprak de Tathagata "dat wat van onberekenbare waarde +is in rekening wordt gebracht tegen datgene wat in het geheel geen +waarde heeft?" + +De vertoornde vorsten erkenden de wijsheid dezer redenen en gaven +hun twist op. + + + +De verloren zoon. + +Zeker man had een zoon, die wegreisde naar een ver land. Daar werd hij +vreeselijk arm. De vader echter werd rijk, hij verzamelde veel goud +en schatten, hij had veel welgevulde magazijnen en olifanten. Doch +hij had zijn verloren zoon zeer lief en klaagde heimelijk dat hij +niemand had aan wien hij zijn paleizen en suverna's [82] bij zijn +dood kon achterlaten. + +Na vele jaren kwam de arme man, voedsel en kleeding zoekend, naar +de streek waar zijn vader groote bezittingen had. Zijn vader zag hem +reeds van verre en dacht bij zichzelf: "Indien ik aanstonds mijn zoon +weer aanneem, en hem mijn goed en schatten geef, zal ik hem groot +leed veroorzaken. + +"Hij is onwetend en onopgevoed: hij is arm en verdrukt. Met iemand +van zulke ongelukkige neigingen is het beter zijn geest langzamerhand +op te voeden. Ik zal hem maken tot een mijner huurlingen." + +Daar kwam de zoon, uitgehongerd en in lompen, aan de deur van zijns +vaders huis. Hij zag een grooten troon en vele hovelingen, die eer +bewezen aan hem, die op den troon zat. Verschrikt door al die pracht +vlood hij weer naar den weg terug. "Hier" zoo sprak hij "is het huis +van den armen man. Als ik in het paleis van den koning kom, word ik +wellicht in de gevangenis geworpen." + +Toen zond de vader boden naar zijn zoon: deze brachten hem mede, +ondanks zijn verzet en klagen. Toen hij het huis van zijn vader +bereikte viel hij flauw van schrik: hij herkende zijn vader niet en +dacht dat hij een of ander wreede straf zou moeten verduren. De vader +beval zijn dienaren zachtkens met den ongelukkige te handelen en zond +twee werklieden van diens eigen levenswijze uit om hem als arbeider +op het landgoed in dienst te nemen. Zij gaven hem een bezem en een +mand en lieten hem, tegen dubbel loon de mesthoop opruimen. + +Uit het venster van zijn paleis keek de rijke man naar zijn zoon, die +daar aan het werk was. Doch op zekeren dag kleedde de vader zich als +een arm man, overdekte zich met stof en vuil en sprak zijn zoon toe: +"Blijf hier, goede man, en ik zal u van kleeding en voedsel voorzien: +gij zijt eerlijk en arbeidzaam. Beschouw mij als uw vader." + +Na vele jaren voelde de vader zijn einde naderen. Hij riep zijn zoon +en zijn ambtenaren bij zich en deelde hun het geheim mede, dat hij +zoo lang had bewaard. De arme man was werkelijk zijn zoon, die hem in +vroeger dagen had verlaten. Nu deze zich bewust was van zijn vroegeren +droeven staat, nu hij bekwaam was rijkdom op prijs te stellen en te +bewaren, wilde hij hem al zijn schatten toevertrouwen. De arme man +was verbaasd over deze plotselinge ommekeer in zijn lot, en verblijd +nog eenmaal zijn vader te zien. + + + +Volgens de "Lotus van de Volmaakte wet" zijn de gelijkenissen van +Boeddha omsluierd voor de onwetenden door een raadselachtige taal. + +De rijke man van de gelijkenis, met zijn troon vol bloemen en juweelen, +heet daar de Tathagata, die al zijn kinderen teeder bemint en groote +geestelijke schatten voor hen heeft bereid. Doch iedere zoon van +Tathagata heeft treurige neigingen. Hij stelt de mesthoop boven de +paarl mani. Om zulk een mensch te leeren moet de Tathagata lagere +dienaren gebruiken, monniken en asceten, om hem langzamerhand van de +lagere voorwerpen der begeerte af te wennen. Als hij zelf spreekt +is hij gedwongen veel van zijn gedachten te omsluieren, omdat zij +niet begrepen zouden worden. Zijn zonen hebben geen genoegen in het +hooren van geestelijke dingen. Stap voor stap moet hun geest worden +opgevoed voor hoogere waarheden. + + + +Gelijkenis van de vrouw aan de bron. + +Ananda, de geliefde leerling van Boeddha, was eens dorstig, daar hij +een verre reis had gemaakt. Bij een bron ontmoette hij een meisje, +Matanga geheeten en vroeg haar hem wat water te geven. Doch daar zij +een vrouw van lagere kaste was, vreesde zij een heilig Brahmaan te +besmetten en weigerde vriendelijk. + +"Ik vraag niet naar caste, maar naar water," zeide Ananda. Zijn +nederigheid won het hart van het meisje. + +Haar moeder was ervaren in liefdesdranken en tooverkunsten en toen deze +hoorde hoe verliefd haar dochter was, dreef zij haar tooverspel met +Ananda en bracht hem naar haar hol. Hulpeloos bad deze tot Boeddha, +die aanstonds verscheen en de booze demonen uitwierp. + +Doch met Matanga was het nog droevig gesteld. Ten slotte besloot zij +Boeddha zelf op te zoeken en bij hem hulp te vragen. + +De groote geneesmeester, de gedachten van het meisje bemerkende, +vroeg haar vriendelijk: + +"Ondersteld dat gij mijn leerling huwdet, kunt gij hem overal +volgen?" "Overal," sprak het meisje. "Kunt gij zijn kleederen dragen en +slapen onder hetzelfde dak?" zeide Boeddha, zinspelend op de armoede +en dakloosheid der onbehuisden. Langzamerhand begreep het meisje zijne +bedoeling en op het laatst nam zij haar toevlucht tot de drie groote +paarlen. [83] + + + +De geschiedenis van Vasavadatta. + +Te Mathura was een courtisane, Vasavadatta geheeten. Zij werd zeer +verliefd op een der toenmalige discipelen van Boeddha, Upagupta +geheeten, en zond haar dienstbode om hem haar hartstocht bekend te +maken. Upagupta was jong en zeer schoon. Weldra kwam de dienstbode +met het volgende raadselachtig antwoord terug: + +"De tijd is nog niet gekomen, dat de leerling Upagupta een bezoek +zal brengen aan de courtisane Vasavadatta." + +Vasavadatta was over dit antwoord verbaasd. Haar klasse toch was toen +ter tijd een caste, een georganiseerd lichaam, door den staat beschermd +en zij leefde in grooten overvloed. Zij was de schoonste vrouw in +des konings rijk en niet gewoon dat hare liefde werd versmaad. Toen +haar eerste oogenblikken van heftigheid voorbij waren, bedacht zij +dat de jonge man arm was. Wederom zond zij haar dienstbode naar +Upagupta. "Zeg hem dat Vasavadatta liefde begeert, geen goud en +paarlen." De dienstbode kwam terug met hetzelfde raadselachtige +antwoord: "De tijd is nog niet gekomen dat de leerling Upagupta de +courtisane Vasavadatta zal bezoeken." + +Weinige maanden daarna stond Vasavadatta in liefdesbetrekking tot +het hoofd der kunstenaars van Mathura. Terwijl deze betrekking +nog voortduurde kwam een zeer rijk koopman in de stad met +vijfhonderd paarden, die hij wilde verkoopen. Toen hij hoorde van +Vasavadatta's schoonheid, besloot hij haar op te zoeken en werd op +haar verliefd. Zijn paarlen en suverna's waren te verlokkend voor de +hebzuchtige vrouw. Zij vermoordde het hoofd der kunstenaars en liet +zijn lijk op een mesthoop werpen. Zijn familieleden deden, toen zij +hem misten, allerlei nasporingen en het lijk werd gevonden. + +Vasavadatta werd gevangen genomen en voor den koning gebracht. Deze gaf +bevel dat haar ooren, haar neus, haar handen en haar voeten zouden +worden afgehouwen en haar lichaam op een kerkhof geworpen. Haar +dienstbode bleef haar nog ter zijde, want zij was een vriendelijke +meesteres voor deze geweest. Zij trachtte haar pijn te lenigen en +joeg de vliegen van het bloedend lichaam weg. + +Nu kreeg Vasavadatta een derde boodschap van Upagupta: "De tijd +is gekomen dat de leerling Upagupta een bezoek zal brengen aan de +courtisane Vasavadatta." De arme vrouw, in wier ziel nog een echo was +van de vroegere hartstocht, liet door haar dienstbode zorgvuldig haar +geschonden leden onder een kleed bedekken: de verminkte overblijfsels +van vroegere schoonheden. Toen de jonge man kwam zeide zij met eenige +hartstocht: + +"Eens was mijn lichaam geurig als de lotus en bood ik u mijn liefde +aan. In die dagen was ik bedekt met paarlen en fijn linnen. Nu ben +ik verminkt en met vuil en bloed bedekt. Mijn handen, mijn voeten, +mijn ooren, de beul heeft ze afgehouwen." + +De jonge man troostte met groote vriendelijkheid de arme Vasavadatta +in haar doodsstrijd. "Zuster, het is niet voor mijn genoegen en mijn +geluk dat ik tot u kom." Hij wees haar op de werkelijke natuur van +de bekoorlijkheden, die zij nu betreurde. Hij wees er haar op dat +zij geen vreugden, doch kwellingen waren gebleken, en dat indien +onkuischheid, ijdelheid, begeerigheid en moordzucht waren afgesneden, +zij winst had en geen verlies. + +Hij verhaalde haar van Tathagata, dien hij op deze aarde had zien +wandelen, een Tathagata, die vooral hen die lijden liefheeft. Zijn +woord bracht vrede in de ziel van Vasavadatta. Zij stierf, na haar +geloof in Boeddha te hebben uitgesproken. + +Geesten voerden haar naar de boeteplaatsen van Devaloça. + + + +Gelijkenis van het brandend huis. + +Daar was eens een oud man, gebrekkig, vervallen, doch zeer rijk. Hij +bezat veel land en vele goudstukken. Nog meer: hij had een wondergroot +huis, dat vele sporen vertoonde van den tand des tijds. De gebinten +waren door de wormen doorknaagd, de pilaren waren vergaan, de galerijen +vielen naar beneden, het dak was droog en brandbaar. In het huis +waren vele honderden bedienden en knechten van den ouden man, zoo +uitgestrekt was de verzameling van oude gebouwen. + +Het huis bezat ongelukkig slechts eene deur. De man was ook de vader +van vele kinderen, vijf, tien, laten wij zeggen twintig. Op zekeren dag +rook hij een brandlucht en liep hij zoo spoedig hij kon, de eenige deur +uit. Tot zijn schrik zag hij dat het dak in vlammen stond, terwijl de +vergane oude pilaren één voor één vuur vatten en de gebinten brandden +als tonder. Daarbinnen waren zijn kinderen, waar hij zoo veel van +hield, aan het stoeien en aan het spelen met hun speelgoed. + +De beangste vader zeide bij zichzelven: "Ik zal het huis inloopen en +mijn kinderen redden. Ik zal ze in mijn sterke armen nemen. Ik zal ze +veilig dragen door de vallende gebinten en de brandende balken." Doch +daar kwam de droeve gedachte bij hem op dat zijn kinderen dartel +en onwetend waren. "Als ik hun zeg dat het huis in vlammen staat, +zullen zij mij niet begrijpen. Als ik beproef hen te grijpen zullen +zij rondhollen en beproeven mij te ontsnappen. Helaas! en er is toch +geen oogenblik te verliezen." + +Eensklaps schoot een heldere gedachte door het brein van den +oude. "Mijn kinderen zijn onwetend," zeide hij bij zichzelf, "maar zij +houden van speelgoed en van blinkende dingen. Ik zal hun wat speelgoed +beloven, dat zoo mooi is als zij 't nooit zagen. Dan zullen zij naar +mij luisteren." + +De oude man riep nu met luider stem: "Kinderen, kinderen, kom uit het +huis en zie deze mooie stukken speelgoed. Wagens met witte ossen er +voor, alles goud en klatergoud. Zie die keurige fijne antilopen, o, +en wat een mooie geiten. Kinderen, kinderen, kom toch gauw, of zij +zijn allen weer weg." + +Daar kwamen de kinderen met vliegende haast uit den brandenden +bouwval. Speelgoed was haast het eenige woord dat zij goed begrepen. De +vader nu was uitermate blij, dat zijn kroost van het gevaar was +gered en hij bezorgde hun eenige wagentjes, zoo mooi als men ze nooit +ziet. Ieder wagentje had een koepeldak als een pagode en was met fijn +traliewerk en klinkende belletjes versierd. + +Het was gemaakt van de zeven kostbare zelfstandigheden. Snoeren +van glinsterende paarlen hingen er over: Vlaggen en kransen van de +lieflijkste bloemen. Melkwitte ossen trokken deze wagens. De kinderen +waren verbaasd toen zij er in zaten. + +Volgens de "Witte Lotus van Dharma" beteekent deze gelijkenis het +volgende: De oude man is Tathagata en zijn kinderen zijn de blinde, +lijdende kinderen van zonde en hartstocht. Tathagata heeft hen +zeer lief en wil hen redden van hun ongeluk. Het oude, wondergroote +huis, onooglijk, rot, gevaarlijk is het rijk van Kama: het gebied +der begeerte, de drie groote werelden van den zichtbaren kosmos. Het +oude huis staat in brand door het vuur van menschelijke hartstochten, +haat en lust. Tathagata wil, in zijn oneindig medelijden al zijn +geliefde kinderen uit het groot gevaar verlossen, maar zij verstaan +zijne taal niet. Zij denken alleen over mooi speelgoed en kinderlijke +vermaken. Als hij tot hen spreekt over den grooten innerlijken +vrede, die den mensch zijn smart doet overwinnen, begrijpen zij hem +niet. Spreekt hij tot hen over wonderbare, bovennatuurlijke giften, +die aan de stervelingen worden geschonken, dan zijn zij doof. De +wagentjes van klatergoud voor de kinderen van Tathagata bereid, +zijn de "Groote" en de "Kleine" overtocht der Boeddhistische leer. [84] + + + +Het gesprek met Rahula over de valschheid. + +Koning Açoka [85] de groote beschermer van het Boeddhisme, die in de +3e eeuw vóór Christus leefde, heeft verschillende steen-inscripties +gemaakt. In een daarvan noemt hij zeven hoofdwerken (of belangrijke +gedeelten) uit Boeddha's leer, daaronder dit gesprek. Volgens de +vertaling van Prof. Beal luidt het aldus: + +"In vroeger dagen, vóór Rahula tot de hoogste kennis was gekomen, +waren zijn woorden (daar zijn natuurlijke aard niet zoo verheven was) +niet altijd gekenmerkt door liefde tot de waarheid. + +Bij zekere gelegenheid beval Boeddha hem te gaan naar de Kientai +(Ghanda of Ghanta) Vihara en daar zijn mond te bewaren en zijn +gedachten te beheerschen, tevens moest hij nauwgezet de regels van +gedrag, in de schriften neergelegd, bestudeeren. Rahula, het gebod +hoorende, betuigde zijn gehoorzaamheid en ging. + +Negentien dagen bracht hij in berouw en boete door. Ten slotte kwam +Boeddha tot hem. Rahula werd, hem ziende, met blijdschap vervuld en +boog voor hem met diepen eerbied. Vervolgens ging Boeddha op de voor +hem bestemde plaats zitten en verzocht aan Rahula hem een bekken met +water te brengen en zijne voeten te wasschen. Toen dit was afgeloopen +vroeg Boeddha aan Rahula of dit water nu nog geschikt was voor eenig +huiselijk gebruik (drinken enz.) Rahula zeide van niet: immers het +water was vol met stof en onreinheid. Boeddha sprak: "Dit is ook uw +geval: want ofschoon gij mijn zoon zijt en de kleinzoon des konings, +ofschoon gij alles hebt opgegeven om een asceet te worden, toch +zijt gij onbekwaam uw tong van onwaarheid en de bevlekking van losse +praat terug te houden, en zoo zijt gij evenals dit besmette water: +ongeschikt voor verder gebruik." + +Nadat nu het water was weggeworpen, vroeg Boeddha opnieuw of de schaal +nu geschikt was om drinkwater te bevatten. Rahula antwoordde: "Neen, +want de schaal is nog besmet en onzindelijk en kan daarom voor zulk +een doel niet worden gebruikt." Daarop antwoordde Boeddha: "Zoo is +het met u ook. Daar gij uw tong niet in toom houdt zijt gij bekend als +ongeschikt voor eenig hoog doel, al belijdt gij een asceet te zijn." + +Daarop stak Boeddha de ledige schaal aan zijn voet en die ronddraaiende +vroeg hij aan Rahula of hij niet bang was dat zij breken zou. + +Rahula zeide dat hij daarover niet bezorgd was, want de schaal was +een doodgewone en daarom beteekende zijn verlies weinig. + +"Zoo is het met u ook," sprak Boeddha, "want al zijt gij een asceet, +toch zijt gij, daar gij uw tong niet meester zijt, bestemd om, als een +klein en onbeteekenend ding, een eind'looze reeks zielsverhuizingen +door te maken, een voorwerp van verachting voor alle wijzen." + +Rahula schaamde zich diep en nog eens richtte Boeddha zich tot hem: +"Luister, ik zal u eene gelijkenis vertellen. In oude dagen was daar +een koning over zeker rijk, die een zeer grooten en sterken olifant +bezat, wel in staat om vijfhonderd kleinere olifanten den baas te +blijven. Er kwam opstand in een deel van 's konings rijk. De koning +wilde er heen, en haalde de ijzeren wapenrusting van den olifant voor +den dag. Hij beval den oppasser van den olifant hem de wapens aan te +doen, te weten: twee scherpgepunte zwaarden aan zijn slagtanden, twee +zeisen aan zijn ooren, een kromme speer aan iederen poot, een ijzeren +bal aan zijn staart; verder moesten negen soldaten hem begeleiden. De +meester van den olifant had er schik in hem zoo geharnast te zien +en prentte hem in toch vooral zijn slurf goed gekruld te houden, +wetende dat een pijlschot in het midden daarvan noodlottig moest +zijn. Doch zie in 't midden van het gevecht wond de olifant zijn +slurf los en wilde er een zwaard mee grijpen. De meester verschrikte +en na overleg met den koning en zijn ministers, werd besloten dat hij +niet meer op het oorlogsveld zou worden geleid." Boeddha vervolgde: +"Rahula, wanneer menschen, die de negen fouten begaan, alleen hun +tong maar bewaarden, zooals deze olifant werd geleerd zijn slurf te +bewaren: alles zou wel zijn. Laten zij zich wachten voor de pijl, +die in het midden treft, laten zij hun mond gesloten houden, opdat +zij niet bij hun dood de ellende van toekomstige geboorten in de drie +slechte wegen moeten doormaken." + +Hij voegde er nog deze versregelen bij: + +"Ik ben als de vechtende olifant zonder vrees voor de pijl, die in 't +midden treft. Door oprechtheid en waarheid ontkom ik aan de menschen, +die de wet niet eerbiedigen. Als de olifant, die, wel onderworpen +en rustig den koning zijn snuit reikt om hem te bestijgen, zoo onder +tucht is ook de eerwaardige: ook hij duldt vertrouwend en geloovig." + +Rahula, deze woorden hoorende, werd bedroefd over zijn achteloosheid +in woorden, wijdde zich aan vernieuwde oefening en werd aldus een +Rahat. [86] + + + +Wij besluiten hiermede de redenen en gelijkenissen, die wij van den +Boeddha vermeldden: mogen zij niet allen van hem zelf afkomstig zijn, +zij drukken toch zeker uit den geest zijner leer, zij stellen ons +in levendig tafereel voor oogen de liefde, de zelfverloochening, het +heil, door den Meester aangeprezen. Toch oordeelen wij het gewenscht, +om, ten einde den lezer tot een helder besef te brengen van het +eigenaardige van Boeddha's streven, de hoofdpunten daarvan nog met een +enkel woord in het licht te stellen. Wij willen dan daarbij tevens +enkele quaesties, die zich in het Boeddhisme voordoen, met name die +over het Nirvana, opzettelijk onder de oogen zien. + + + + + +IV. Hoofdpunten van Boeddha's leer. + + +Reeds vroeger [87] hebben wij gezien, dat de hoofdvraag van het +Boeddhisme deze is: Hoe word ik van het lijden verlost? Boeddha +handelt daarover vooral, waar hij de vier heilige waarheden uiteenzet: +en over het lijden, zijn ontstaan, zijn opheffing, en den weg, +die tot opheffing leidt zich uitspreekt. Niet allereerst is dus de +vraag: hoe moet ik de godheid dienen?--of--hoe word ik van zonde +gereinigd?--zooals bij andere godsdiensten--maar, hoe word ik bevrijd +van het lijden? Die vraag staat zoozeer op den voorgrond dat wij in +een der Sutta's [88] als een woord des Meesters vermeld vinden, dat er +veel meer is dat hij erkend heeft en hen niet verkondigd heeft dan wat +hij hun wèl verkondigd heeft. En dat waarom? "Omdat het o jongeren, +u geen gewin brengt, omdat het niet tot afkeer van het aardsche, +tot ondergang van alle lust, tot ophouden van het vergankelijke, tot +vrede, tot inzicht, tot verlichting, tot Nirvana voert: daarom heb +ik het u niet verkondigd. En wat heb ik u verkondigd? Het lijden, +het ontstaan van het lijden, de opheffing van het lijden, den weg +tot opheffing van het lijden." + +Hier hebben wij dus de hoofdzaak der leer. De vraag is nu echter: hoe +hebben wij deze in bizonderheden te verstaan? Dit schijnt gemakkelijk +op te lossen, want tal van redenen zijn er in de Boeddhistische boeken +aan gewijd, maar ...... ze hebben vaak het eigenaardige, dat in onze +dagen b.v. aan uiteenzettingen over economie eigen is: eerst schijnt +alles helder, maar langzamerhand komt er een nevel voor uw oogen en +alles wordt u duister. Zoo nu is het hier. Wij willen echter trachten +de hoofdzaken te verstaan. + +Allereerst: de waarheid van het lijden. Alles wat leeft is aan 't +lijden onderworpen: geboorte, ouderdom, dood: 't is alles lijden. Van +eeuwigheid af, door vele bestaansvormen heen, gaat de wandeling +(samsara) der levende wezens: door den drang, den dorst naar zijn, +telkens gedreven tot nieuwe wedergeboorten. Een zee van tranen grooter +dan de vier groote wereldzeeën is er geweend. En al dat lijden is aan +het leven noodzakelijk verbonden--"vijf dingen zijn er die geen asceet, +die geen Brahmaan, die geen god, geen Mara noch Brahma, noch eenig +wezen in de wereld kan bereiken. Welke vijf dingen zijn dat? Dat, wat +den ouderdom toebehoort niet veroudert, wat aan ziekte onderworpen is +niet ziek wordt, wat den dood toebehoort niet sterve, wat aan verval +onderhevig is niet vervalle, dat wat vergankelijk is niet verga. + +Al het doen der menschen, die aardsch geluk nastreven loopt op lijden +uit, niet slechts als hun arbeid tevergeefsch is, maar ook als zij +het doel bereiken. Hier op aarde ondervonden zij dat lijden het gevolg +is, en als hun lichaam wordt verbroken, dan worden zij in de hel tot +nieuwe kwellingen wedergeboren. Of de mensch zijn lust volgt, of hij +vreugde nastreeft, of hij liefde aankweekt, alles brengt lijden met +zich als onvermijdelijk gevolg. Tot eindelooze wandeling (samsara) +door een woestijn van leed is de mensch veroordeeld. + +Droevige levensbeschouwing? Doch wie meent dat een weemoedige stemming +het wezen van het Boeddhistische geloof uitmaakt, zou zich zeer +vergissen. Neen, daar is uitkomst: men kan, alle begeerten afstervend, +komen tot den grooten vrede, tot de eeuwige rust. De ware Boeddhist, +die dien vrede in beginsel heeft gevonden, die zich los heeft gemaakt +van de aarde met haar leed en haar strijd, hij gaat met dezelfde +vreugde het Nirvana tegen als de Christen het eeuwige leven. Zonder +vrees of bekommering leeft hij en sterft hij; de angst voor den dood, +de gehechtheid aan andere dingen, die den Europeaan kenmerkt en hem +zooveel leed veroorzaakt is b.v. van de Birmanen zeer ver. [89] + +Men hoore ook de volgende opmerkingen uit Dhammapada, die dit +uitdrukken in alle schoonheid en verhevenheid. "Wiens zinnen in +rust zijn, als paarden, getemd door hun bestuurder, wie de trots van +zich heeft gedaan, wie van onreinheid vrij is, den alzoo voleindigde +benijden de goden zelven. + +"In verheven vreugde leven wij, zonder vijand in de wereld der +vijandschap, onder vijandige menschen zijn wij zonder vijandschap. + +"In verheven vreugde leven wij, gezond onder de kranken, onder de +kranken verkeerend zonder ziekte. + +"In verheven vreugde leven wij, zonder naar iets te trachten onder hen, +die trachten. Onder de menschen die trachten leven wij zonder begeerten +(trachten). + +"In verheven vreugde leven wij, hoewel ons niets +toebehoort. Vroolijkheid is onze spijze, evenals die der van licht +stralende goden. + +"De monnik, die op een ledige plaats vertoeft, wiens ziel vol vrede +is, hij geniet bovenmenschelijke zaligheid, de waarheid gansch en +al doorschouwend." + +Er is dus een uitweg uit het lijden, dat ligt reeds hierin +opgesloten. Nu zijn echter ontstaan en opheffing van het lijden nauw +met elkaar verbonden. Lust en begeerte doen het lijden ontstaan, +vernietiging van lust en begeerte heft het op, zoo zagen wij reeds +bij onze vermelding der vier heilige waarheden. [90] Lust en begeerte +doen het lijden ontstaan, zij voeren tot steeds nieuwe begeerten en +teleurstellingen, zij doen ons volharden in de eindelooze wandeling +(samsara) van leven tot leven. Wie boven alle lust en begeerte +verheven wordt, hij behoeft niet wederom geboren te worden, maar +komt tot het hoogste heil, tot den grooten Vrede. Dat was het licht, +hetwelk Boeddha onder den vijgeboom verkreeg: de dorst, de gulzigheid, +was de veroorzaker van de greep (de wedergeboorte) en dus vernietiging +van dorst (begeerte) het ophouden van het lijden, de verlossing, +het hoogste heil. + +Wat is nu echter dat hoogste heil en hoe stelde Boeddha zich die +samsara, die eindelooze wandeling van leven tot leven voor? Ziedaar +twee vragen, die onze aandacht verdienen, omdat zij raken de +hoofdpunten van den godsdienst en omdat hier geleerden, die van het +Boeddhisme een studie hebben gemaakt, in hun inzicht ver uiteen loopen. + +Zooals men weet werd de leer der zielsverhuizing reeds door de +Brahmanen gehuldigd. Zij leerden dat in alle schepselen een deel van +den eeuwigen geest woonde, dat verschillende bestaansvormen doorliep +om eindelijk, van alle hartstocht en zonde gelouterd, wederom met den +Algeest (Brahma) vereenigd te worden. Het stoffelijke was vergankelijk, +maar het innerlijke onvergankelijk, dit kwam telkens in een andere +gestalte weer op de wereld terug, en iedere volgende bestaansvorm +beantwoordde, door de wet van Karma (oorzaak en gevolg) aan den +voorafgaande. Zoo oogstte de mensch in ieder volgend leven, wat hij +in een vorig leven had gezaaid. Men zal toestemmen dat zulk een leer +alleen begrijpelijk is, wanneer er iets blijvends, iets geestelijks is, +dat telkens den ondergang van het stoffelijk organisme overleeft om +straks in nieuwe gestalte te verschijnen. Zoo werd het ook inderdaad +door de Brahmanen opgevat. Zij noemden het wezen, dat van den eenen +in den anderen bestaansvorm overging, atman. [91] + +Nu vinden wij in de heilige boeken van het Boeddhisme hierover vaak +een gansche andere leer. Men hoore b.v. het volgende gesprek uit de +Samyuttaka Nikaya. Tot Boeddha, lezen wij daar, kwam zekere monnik +Vachagotta, een aanhanger van een andere secte. Hij sprak tot den +Verhevene aldus: "Wat dunkt u, geëerde Gautama, bestaat het ik?" Toen +hij zoo sprak, zweeg de Verhevene. "Hoe dan, Gautama, bestaat het ik +niet?" Wederom zweeg de Verhevene. Toen stond de monnik Vachagotta +van zijn zitplaats op en ging heen. + +Toen echter de monnik Vachagotta zich verwijderd had, sprak de +eerwaardige Ananda tot den Verhevene: "Waarom Heer, heeft de Verhevene +op de vraag, dien de monnik Vachagotta deed, niet geantwoord? + +"Indien ik, Ananda, toen de monnik Vachagotta mij vroeg: Bestaat het +ik, geantwoord had: Het ik is, zoo zou ik, Ananda, bekrachtigd hebben +de leer van de Samana's en Brahmanen, die aan de onvergankelijkheid +gelooven. Als ik, Ananda, toen de monnik Vachagotta mij vroeg: +Bestaat het ik niet? geantwoord had, het ik bestaat niet, zoo zou ik +bekrachtigd hebben de leer van de Samana's en Brahmanen, die aan de +vernietiging gelooven [92]. Als ik, Ananda, toen de monnik Vachagotta +mij vraagde: Bestaat het ik? geantwoord had: het ik bestaat, had mij +dat, Ananda, gediend om in hem het inzicht te werken: "Alle "wezens" +(Dhamna) zijn niet ik"? Dat had het niet, heer. Als ik echter Ananda, +toen de monnik mij vraagde: Bestaat het ik niet? geantwoord had: Het +ik bestaat niet, zoo zou dat nu, Ananda, slechts uitgewerkt hebben dat +de monnik Vachagotta in nog grootere verwarring was gekomen en denken +zou: Mijn ik, bestond het vroeger niet? Nu is het echter niet meer." + +Men ziet, veel verder wordt de quaestie hier eigenlijk niet +gebracht. Het is: ja en neen tegelijk. Alleen schijnt toch een soort +vernietiging het einde. Dit is trouwens ook in overeenstemming met +de wijze, waarop in tal van andere Boeddhistische teksten het wezen +van den mensch wordt beschreven. Daar toch is geen sprake van een +ik, als het inwendig geestelijk wezen, dat door de zintuigen met de +buitenwereld in gemeenschap staat: neen, de mensch wordt verdeeld in +vijf skandha's: lichamelijkheid, gewaarwordingen, voorstellingen, +neigingen en bewustzijn, geen van deze maakt de persoonlijkheid +van den mensch uit: noch is er iets hoogers, iets centraals, dat +van al deze dingen de drager of bestuurder is. Hoe kan daarbij +van eenige zielsverhuizing of van een doorloopen van verschillende +bestaansvormen sprake zijn? Die vraag schijnt niet gemakkelijk te +beantwoorden. Een later Boeddhistisch geschrift "de vragen van Milinda" +[93] geeft een gesprek van dezen koning met den Boeddhistischen heilige +Nagasena. Deze zegt tot den koning: "Het is niet hetzelfde wezen en +het zijn niet verschillende wezens, die in de rij der bestaansvormen +elkaar aflossen. De koning (wij kunnen hier inkomen!) begrijpt dit +niet en zegt: Geef mij een gelijkenis. Nagasena houdt daarop het +volgend gesprek: "Als een man, groote koning, een licht aansteekt, +zal het niet den nacht doorbranden?" "Ja heer, het zal den nacht +doorbranden." "Nu, groote koning, is de vlam in de eerste nachtwake +dezelfde als die in de middelste nachtwake?" "Neen, heer." "Hoe dan +koning, was het licht in de eerste nachtwake een ander, in de tweede +weer een ander, in de derde weer een ander?" "Neen Heer, aan dezelfde +stof zich voedend, heeft het den ganschen nacht gebrand." "Zoo ook, +groote koning, sluit de keten der wezens ineen, het eene ontstaat, +het andere vergaat. Zonder aanvang, zonder einde sluit de keten, +daarom is het noch hetzelfde noch een ander wezen, dat zichten slotte +aan het bewustzijn voorstelt." + + + +Volgens het verhaal was koning Milinda met deze en andere dergelijke +uiteenzettingen voldaan, ons echter voldoen zij weinig; 't blijft +ons raadselachtig, ontastbaar, wat eigenlijk met zulk een Karma +is bedoeld. Trouwens in andere uiteenzettingen worden wij, ook op +dit punt, naar huis gezonden met een: "de Verhevene heeft dit niet +geopenbaard, omdat het niet diende tot heil." + +Een Karma, een wet van oorzaak en gevolg, volgens welke goed en +kwaad zijn vruchten dragen, en ieder menschelijk leven, zooals het +nu eenmaal is, de noodzakelijke vrucht is van voorafgaande levens +en de logische voorbereiding van daaropvolgende levens; zeker, dat +wordt geleerd, maar de band, welke die levens aaneenschakelen kan +als er geen eigenlijk gezegde ziel, dus ook ziels-verhuizing is, +is onzichtbaar, onbegrijpelijk. + +Met uiteenzettingen over Nirvana is het al niet beter gesteld, +ook daar komen wij niet tot helder besef. Op vele plaatsen zouden +wij het woord Nirvana zeer geschikt kunnen vertalen door hemel en +schijnt werkelijk Nirvana een soort voortbestaan, voortduring in te +sluiten. Elders weer schijnt het alsof Nirvana = het niets, en alsof +alleen die leer van het niets, wegens haar radicalisme, wat omsluierd +wordt voorgedragen. Soms ook krijgen wij den indruk dat Nirvana is: +iets onuitsprekelijks, boven alle zijn in den gewonen zin verheven. + +Men oordeele. Zekere monnik, Yamaka geheeten, had (we ontleenen ook +dit gedeelte aan het straks aangehaalde Boeddhistische geschrift) +de volgende kettersche meening: + +"Ik versta de door den Verhevene verkondigde leer zoo, dat een +monnik, die van zonden vrij is, als zijn lichaam te gronde gaat, +der vernietiging ten prooi valt, dat hij vergaat, dat hij niet is +aan gene zijde van den dood." + +We merken op dat, indien vernietiging de eindleer van Boeddha was, +hier van geen ketterij sprake kan zijn. + +De eerwaardige Sariputta nu gaat den dwalende onderrichten: "Wat meent +gij, vriend Yamaka, is de Tathagatha één met zijn lichamelijkheid +(m. a. w. is zijn lichaam zijn ware wezen). Ziet gij het zoo in?" "Dat +doe ik niet, vriend." + +"Is de Tathagata één met zijn gewaarwordingen, zijn voorstellingen, +zijn neigingen, zijn bewustzijn? Ziet gij het zoo in?" "Dat doe ik +niet, vriend." + +"Wat dunkt u, vriend Yamaka, is de Voleindigde in de lichamelijkheid +(de gewaarwordingen enz.) begrepen? Meent gij het zoo?" + +"Dat doe ik niet, vriend." + +"Wat meent gij, vriend Yamaka, zijn lichamelijkheid, gewaarwordingen, +voorstellingen en bewustzijn (te zamen) de Voleindigde? Ziet gij het +zoo in?" "Dat doe ik niet, Heer." + +"Wat meent gij, vriend Yamaka, is de Voleindigde gescheiden van +lichamelijkheid, van aandoeningen, voorstellingen, neigingen en +bewustzijn? Ziet gij het alzoo in?" "Dat doe ik niet, vriend." + +"Zoo is dus, vriend Yamaka, reeds in deze wereld de Voleindigde voor u +niet te begrijpen. Hebt gij dan het recht om te spreken: Ik versta de +door den Verhevene verkondigde leer zóó, dat een monnik, die van zonden +vrij is, als zijn lichaam verbroken wordt, aan de vernietiging ten +prooi is; dat het vergaat, dat het niet is aan gene zijde des doods?" + +Hier wordt m. a. w. dus verkondigd: het Nirvana is een mysterie, boven +ons denken verheven. 't Is, alsof wij hooren het woord van Paulus: +"Wat geen oog gezien en geen oor gehoord heeft, en in geen menschenhart +is opgekomen, dat heeft God bereid voor hen, die Hem liefhebben." + +De wijzen, zegt een spreuk uit Dhammapada, die geen wezen leed doen, +die hun lichaam altijd in toom houden, zij wandelen naar de eeuwige +verblijfplaats. Wie daar is gekomen, weet van geen leed. + +Wat is nu echter in dezen het oorspronkelijke? De leer: alles keert +tot niet, de vergelding van leven tot leven zonder een wezen, dat in +'t eene leven misdreef en in 't andere gestraft wordt? Of zijn dit +latere, wijsgeerig gekleurde ontaardingen van het oorspronkelijk +Boeddhisme? We doen deze vragen met nadruk. En wel om de volgende +redenen: 1e. Hoewel aan de eene zijde geleerd wordt dat niets +blijvend is, geen wezen voortduurt van leven tot leven, vinden wij +toch tal van Yataka-verhalen, waarin Boeddha spreekt over de levens, +die hij vroeger heeft doorgemaakt. Hoe dat, als er volgens het +Boeddhisme geen blijvend iets is, geen ik, dat van leven tot leven +overgaat? 2e. die zoogenaamd echt Boeddhistische zielsverhuizing, +een vergelding zonder een wezen, aan wien vergolden wordt, schijnt +meer een uitvinding der Sophisten dan een leer van een volksprediker; +3e. ook in die stroomingen van het Boeddhisme, waar men zich verre +heeft gehouden van allerlei latere ontaardingen, heeft men toch +die leer van Karma anders opgevat, b. v. in Birma zijn er tal van +verhalen in omloop over vroegere geboorten. Vele kinderen weten +daar soms nog een en ander te vertellen over hun lotgevallen in +een vroeger bestaan. 4e. juist die Boeddhistische geschriften, +zooals b. v. Brahmajala-sutta, waarin zoo wonderlijk met ja en neen, +bevestiging en ontkenning gerekend wordt, zijn waarschijnlijk geen +afspiegeling der oude Boeddhistische leer, maar hebben den invloed +ondergaan van de Mahayana, de school van den grooten overtocht. Wat +was die Mahayana? Een soort van atheïstisch-gekleurde wijsbegeerte, +die het oorspronkelijk Boeddhisme voor een goed deel verdrong, doch +ook een krachtige reactie teweegbracht, welke op haar beurt het +Boeddhisme weer in bijgeloof deed ontaarden. + +Wanneer men ons dus vraagt naar de eigenaardigheden van het +oorspronkelijk Boeddhisme, meenen wij hieromtrent de volgende punten +te kunnen vaststellen: + +1. Boeddha stelde op den voorgrond de verlossing van het lijden. Deze +moest hierin bestaan, dat men, door begeerte en hartstocht in een +leven van kuischheid, armoede en gehoorzaamheid te overwinnen, tot +den grooten Vrede geraakte, zoodat men niet wederom geboren behoefde +te worden. + +2. Het oorspronkelijk Boeddhisme was bovenal op het praktische gericht, +en was evenver van atheïsme als van vormendienst verwijderd. + +3. De leer van een wedergeboorte zonder zielsverhuizing en van Nirvana +als vernietiging is niet oud-Boeddhistisch, maar aan de Mahayana +te danken. + +4. Het Boeddhisme mag niet als volslagen pessimisme worden opgevat, +omdat het: theoretisch een uitweg predikt uit het lijden en praktisch +even ver van wereldvergoding als van wereldverachting is verwijderd. + + + + + +V. De weg des heils. + + +We hebben in het vorige hoofdstuk de hoofdzaken der Boeddhistische +leer in het oog gevat, de menschheid in leed verzonken, de uitweg, +die naar het Nirvana voert. De vraag komt nu echter: waarlangs voert +ons die weg? M. a. w. wij zijn nu aan de behandeling van de vierde +der heilige waarheden genaderd, de weg, die tot opheffing van het +lijden voert: Reeds hebben wij vermeld dat de weg tot opheffing van +het lijden is het heilige achtvoudig pad, dat is: recht geloof, recht +besluiten, recht woord, rechte daad, recht leven, recht streven, +recht gedenken, recht bespiegelen. Welnu, drie stations zijn er, +die wij op dien weg achtereenvolgens moeten passeeren, wij kunnen +ze noemen: rechtschapenheid, bespiegeling (inkeeren tot zichzelf), +wijsheid. Allereerst dus rechtschapenheid, d. w. z. zich van alles wat +boos en onrein is verre houden. Deze rechtschapenheid openbaart zich +in de opvolging der vijf volgende geboden, die niet alleen gelden voor +de eigentlijke volgelingen, de monniken, maar voor alle vereerders van +den Boeddha. Zij zijn: 1. geen levend wezen dooden, 2. aan niemands +eigendom zich vergrijpen, 3. de vrouw van een ander niet aanraken, +4. geen onwaarheid spreken, 5. geen bedwelmende dranken drinken. + +Wij moeten erkennen, dat inderdaad deze geboden door Boeddha's +volgelingen zeer nauwgezet worden nageleefd. Niet alleen dat de +Boeddhistische monnik van een soort zeef voorzien is, opdat hij bij +het drinken van water niet het leven van een insect vernietige, +neen, ook de leek, die eerbied heeft voor den Verhevene zal geen +dier dooden, evenmin zijn vleesch eten. De Birmanen maken slechts +voor één soort adder een uitzondering, een die den mensch moedwillig +aanvalt en waarvan een hunner spreekwoorden zegt: als zij u eerst +ziet, doodt zij u, als gij haar eerst ziet, doodt gij haar. En ook de +andere geboden, met name het niet gebruiken van bedwelmende dranken, +worden streng nagekomen. + +Ook worden zij niet slechts negatief opgevat. De Boeddhist doodt +niet alleen geen dieren, maar is ook vervuld met liefde voor al wat +leeft. Zeer op den voorgrond komt ook het vergelden van kwaad met goed, +men denke b.v. aan de vroeger verhaalde geschiedenis van Kunala. [94] +Vooral uit practisch oogpunt worden deze deugden aanbevolen. "Door +niet te toornen overwint men den toorn, het booze overwint men door +het goede, den gierige overwinne men met gaven, door waarheid overwinne +men den leugenaar." [95] + +Welwillendheid wordt door Boeddha op eigenaardige wijze in het +voorbeeld van zijn eigen leven aanbevolen. Hij zegt [96] "Na den +maaltijd, als ik van het aalmoezen verzamelen ben teruggekeerd, begeef +ik mij naar het woud. Dan stapel ik kruiden en grassen opeen en zet +mij daarop neder, met gekruiste beenen, het lichaam recht opgericht, +het gelaat met waakzaam denken omgeven. Zoo zit ik daar, terwijl ik +de kracht der welwillendheid, die mijn geest vervult, zich over één +wereldstreek laat uitstrekken, daarna over den tweeden, den derde +en vierde, [97] naar boven, naar beneden, in schuine richting, naar +alle kanten, op alle wegen van de gansche wereld laat ik de kracht +der welwillendheid, die mijn geest vervult, die groote onmetelijke, +die van geen haat weet, die naar geen schade tracht, zich uitstrekken." + +Aan zulk een geestelijke oefening in welwillendheid wordt een +groote kracht toegekend, we zouden zeggen: een soort telepathische +kracht. Zou dat trouwens ook niet zoo zijn, zou niet een mensch, +die al zijn gedachten op wat rein en goed is concentreert als 't +ware een atmosfeer van liefde rondom zich bewerken? Hebben dat ook +geen voorbeelden uit den nieuwen tijd bewezen? Doch: laat ons hooren +welke voorbeelden de Boeddhisten er van verhalen. + +Eens verzoekt Ananda aan den verhevene dat hij Roja, een niet voor +de leer van Boeddha gewonnen edelman van het huis der Malla's, +tot het geloof en de orde mocht bekeeren. "Dat is niet moeilijk +voor den voleindigde, o Ananda, om te maken dat Roja de Malla voor +dit geloof en deze orde gewonnen wordt." Toen richtte de Verhevene +op Roja de kracht zijner welwillendheid, stond van zijn zitplaats +op en ging in het huis. En Roja, door den verhevene met de kracht +van zijne welwillendheid getroffen, ging, evenals een koe, die haar +kalfje zoekt, van huis tot huis, van monnik tot monnik, vragende: +"Waar, o eerwaardigen, is op het oogenblik de Verhevene, de heilige, +hoogste Boeddha? Ik begeer hem te zien, den verhevenen, heiligen, +hoogsten Boeddha." [98] + +Die kracht der welwillendheid wordt ook aangeprezen tegen slangen en +wilde dieren. Boeddha verhaalt van een zijner vroegere levens: "In het +woud, op eene berghelling leefde ik, mijn naam was Sama... Leeuwen en +tijgers trok ik door de kracht mijner welwillendheid tot mij. Omgeven +van leeuwen en tijgers, van panters, beren en buffels, van gazellen +en evers, verbleef ik in het woud. Geen dier was voor mij bevreesd en +ook ik vreesde voor geen dier. De kracht van de welwillendheid is mijn +bescherming, zoo blijf ik op de berghelling." Doet Boeddha hier niet +denken aan Franciscus van Assisi, den eenige onder de heiligen der +Katholieke Kerk, bij wie zich ook zulk een diep gevoel van sympathie, +zulk een heilig meegevoelen vertoont met al wat leeft? + +Naast de welwillendheid wordt ook zeer den nadruk gelegd op de +weldadigheid. Zij wordt aangeprezen, niet zoozeer omdat zij anderen +tot heil is, als wel omdat zij wie haar beoefent verder brengt op +den weg des heils. + +Men denke b.v. aan de vroeger vermelde geschiedenis van Wessantara +[99], waarin deze alles ten offer brengt, doch niet voor doeleinden, +die ons Westerlingen kunnen bevredigen. Wie, dat is hier de kiem der +leer, zichzelf het grootste offer oplegt, doet ook de grootste stap +tot het heil. + +Toch: noch rechtschapenheid, noch welwillendheid, noch weldadigheid +kunnen er ons brengen. Zij bereiden slechts voor: Eerst wanneer door +deze deugden het hart is gereinigd, wordt men geschikt om den verderen +weg des levens te verstaan. + +Weldadigheid, welwillendheid, rechtschapenheid: zij zijn dus niet +bovenal van gewicht, omdat zij anderen tot heil zijn, maar omdat zij +de ziel reinigen. + +Ze moeten echter op den weg tot den groote vrede door andere--nog +meer innerlijke deugden--worden gevolgd. Vandaar, dat zich hierbij +aansluiten: beheersching der zinnen, waakzaamheid, opmerkzaamheid +en gemis van behoeften. Wat het eerste betreft: daarmede wordt niet +zoozeer bedoeld een op zijn hoede zijn voor verzoekingen als wel het +achtgeven op zijn oog, zijn oor, tot zijn ademhalen toe. Denkelijk +wordt dit aangeprezen als een soort van geestelijke gymnastiek: een +oefening om meester te worden over al zijn levensverrichtingen. [100] + +Wat de opmerkzaamheid aangaat wordt vooral gewaarschuwd tegen toegeven +aan haat of lust. Als de monnik zoover komt, dat op den weg naar het +dorp (waar hij rondgaat om aalmoezen te ontvangen) geen lust of haat +hem bezielt tegen diegenen, die hij zwijgend aanschouwt of hoort, +dan mag hij zeggen: "Zalig de man, die aan het goede zijne zinnen +gewend heeft." Want aan niets te hechten: in den hemel of op aarde: +daarom is het te doen. + +Gemakkelijk valt het echter niet om daartoe te geraken: het +Boeddhisme kent ook een duivel: Mara. Soms wordt hij voorgesteld +als een persoonlijk wezen, die Boeddha en zijn rijk bestrijdt: +doch bij meer wijsgeerig ontwikkelde Boeddhisten geldt hij als de +onpersoonlijke wereldmacht, die overal lust en begeerte opwekt en +daardoor den dood werkt. + +Men herinnert zich dat hij ook in de geschiedenis van Boeddha zelf +een rol speelt. Zijne verzoeking van Boeddha doet soms denken aan +die van Jezus door den duivel. Evenals deze Jezus het bekoorlijke wil +doen gevoelen van aardsche macht, zoo komt ook Mara tot den Verhevene. + +"Op zekeren tijd, zoo luidt dit verhaal, hield de verhevene in +het land Kosala in de Himalaya, in een woudhut, verblijf. Toen de +verhevene zich daar in de eenzaamheid had teruggetrokken, steeg in +zijn geest deze gedachte op: Voorwaar het is mogelijk als koning +met gerechtigheid te regeeren, zonder dat men doodt of dooden laat, +zonder dat men smart lijdt of anderen smart doet lijden. + +Toen zag Mara, de booze, de gedachten die in den geest van den +verhevene waren opgekomen. Hij ging naar den verhevene en sprak: +"Moge, o Heer, de verhevene als koning regeeren, moge de voleindigde +als koning regeeren met gerechtigheid, zonder dat hij doodt of +dooden laat, zonder dat hij verdrukt of verdrukken laat, zonder +dat hij smart lijdt of anderen smart toevoegt." Boeddha antwoordt: +"Wat ziet gij aan mij, gij booze, dat gij aldus tot mij spreekt?" + +Mara zegt dan: "De verhevene, Heer, heeft de viervoudige wondermacht +zich eigen gemaakt--als de verhevene, o Heer, wilde, zoo kan hij +willen dat de Himalaya, de koning der bergen, tot goud werd en--hij +zou tot goud worden." Boeddha wijst hem af: wat baat het den wijze +of hij een berg van zilver en goud bezit? Wie het lijden heeft gezien +in zijn oorsprong, hoe kan hij zich wenden tot de begeerte? Wie weet +dat aardsche zin een boei is in deze wereld (nl. die de vrijmaking +tegenhoudt) die moge trachten naar wat hem daarvan vrijmaakt. Toen +zag Mara, de booze: de verhevene kent mij, de voleindigde kent +mij--en mismoedig en bedroefd ging hij heen.-- [101] Een slot, dat +bij dergelijke verhalen over Mara telkens wederkeert. + +"Zoo weerstond Boeddha den verzoeker door zijne waakzaamheid, zoo +moeten ook zijn volgelingen hem weerstaan. Het voorbeeld van een +schildpad stelt de Meester hun voor oogen. Wij laten die gelijkenis +hier volgen: + +"Er was eens een schildpad, die in den avond naar den oever der +rivier ging om voedsel te zoeken. Ook een jakhals ging des avonds +naar de rivier op buit uit. Toen de schildpad den jakhals zag, kroop +zij in hare schaal en dook zacht en stil in het water. De jakhals +liep er heen en wachtte dat zij een harer leden uit de schaal zou +steken. De schildpad verroerde zich niet, de jakhals moest het opgeven +en ging heen. + +"Eveneens, jongeren, loert ook Mara, de booze, voortdurend op u en +denkt: Ik wil door uw oog toegang tot u verkrijgen, of door uw oor, +uw neus, uw tong, uw lichaam of door uw gedachten. Daarom, o jongeren, +bewaar de poorten uwer zinnen, dan zal Mara van u wijken, hij moet +het opgeven, hij vindt geen ingang bij u, evenmin als de jakhals bij +den schildpad." [102] + +Zoo staat dan de getrouwe volgeling des verlichten pal; door deugden +gelouterd, door waakzaamheid gesterkt en beveiligd streeft hij naar +het einddoel, den grooten vrede. Geen pasklaar gemaakt geloof, geen +steunen op een verlosser, boven alles eigen krachtsinspanning moet er +hem brengen. Doch, een voorsmaak van den eeuwigen vrede kan hij reeds +hier genieten. Als hij alleen terneder zit in het eenzame woud, als +hij daar zich door inkeeren tot zichzelf losmaakt van lust en booze +neigingen, losmaakt van vreugde en leed, als ten slotte zijn adem +ophoudt, dan bereikt hij een toestand, waarin hij al het aardsche is +ontvloden, vrij van onreinheid, vrij van zonden, vast en onwankelbaar. + +In dien toestand wordt alles hem klaarheid. In extase aanschouwt hij +de wandelingen, die hij in 't verleden heeft doorgemaakt, leest hij +de gedachten van anderen. Hij ziet hoe alles ontstaat en vergaat, +straks zal hij ook de laatste schrede doen en wordt hij, door het +ophouden van alle hechten aan het aardsche, van zonde vrij en komt +tot verlossing en heiligheid. + +Is dat alles slechts--zooals ook Oldenberg [103] het +voorstelt,--slechts ziekelijke verbeelding? Wie eenigszins bekend is +met de verschijnselen van somnambulisme en extase ook in onzen tijd, +zal dit geenszins beweren, maar zal moeten erkennen, dat er is: +een geestelijk zien, een hoogere verlichting, die juist dan ons +deel wordt, als al 't aardsche verre van ons is en de wereld der +zinnen is gesloten, en dat er dus--ook in deze verzekeringen van het +Boeddhisme--een diepe bron van waarheid is verborgen. + +Boeddha zelf treedt op dien weg des heils vrij wel op den +achtergrond. Hij is niet meer dan het voorbeeld dat den leerling sterkt +in zijn strijd. Hij is geen Verlosser, die van buiten af zaligheid +aanbrengt. Neen: hij is de eerste, die worstelend en strijdend het +ware pad des heils heeft gevonden: anderen volgen. Na hem zullen +komen andere Boeddha's, die "het rad der leer in beweging brengen." + +Niet zijn persoon maakt zalig, maar zijn leer: die, zoo sprak hij +stervend tot Ananda, is de Meester als ik ben heengegaan. Als zij +die volgen, zullen ook ook zij eenmaal komen tot den Grooten Vrede, +die voor allen bereid is, maar die slechts bereikt kan worden waar +alle hartstocht is gedoofd, waar alle begeeren heeft opgehouden. + + + + + +VI. Het Boeddhisme in de praktijk. + + +Reeds vroeger hebben wij er over gesproken dat de gemeente van Boeddha +feitelijk een monnikengemeente is: zoodat wie ernstig naar het licht +tracht, monnik moet worden. + +Dat monnikendom is echter gansch iets anders, dan wij Westerlingen +zouden denken. Een monnik: onwillekeurig denken wij dan aan de +Roomsch-Catholieke monniken, personen, die evenals de geheele +priesterschap met een wijding zijn bekleed, waardoor zij als +tusschenpersonen gelden tusschen God en den mensch. Zoo iets vinden +wij, waar het Boeddhisme ook maar eenigszins zuiver is bewaard +gebleven, niet. Hun monniken deelen geen Sacramenten uit, dragen +geen sleutelen van hemel en hel: zelf moet de mensch de weg des +heils zoeken en vinden. Aan niemand heeft in de oogen van Boeddha's +volgelingen de Allerhoogste zijn gezag in handen gegeven: Hij werkt +door eeuwige wetten: zijn wil is kenbaar in de wet van oorzaak en +gevolg, die iedereen kan verstaan. De monniken vormen eenvoudig een +vrije broederschap, welke ten doel heeft den weg te volgen, die tot +de bevrijding leidt. + +Zoo was het van den aanvang af. Niet lang na den dood des Verhevenen +vroeg een minister van koning Ajatasattu aan Ananda: "Is, vereerde +Ananda, een bepaalde monnik door den vereerde aangewezen, van wien +hij gezegd heeft: deze zal na mijn dood uw toevlucht zijn?" + +Ananda antwoordde ontkennend. "Heeft dan," vervolgde de minister, +"de gemeente een bepaalden monnik benoemd, heeft een aantal oudsten +van hem verordend: "Hij zal na den dood des Verhevenen onze toevlucht +zijn?" Ook nu antwoordde Ananda ontkennend. En de ander vervolgt: +"Wanneer het u aan een toevlucht ontbreekt, vereerde Ananda, hoe is +er dan eenheid onder u?" "Het ontbreekt ons niet aan een toevlucht, +o Brahmaan, wij hebben een toevlucht, de leer." + +M.a.w. geen hiërarchie of iets dergelijks. Zoo was het voorheen, +zoo is het nog onder Boeddha's volgelingen. En in weerwil (of juist +daardoor?) daarvan is der monniken leven van de dagen van den Verlichte +af tot nu toe vrijwel hetzelfde gebleven. Als wij vergelijken, wat +Fielding vertelt over de monniken van het tegenwoordig Boeddhisme in +Birma en Oldenberg over die van de eerste tijden, dan schijnt bijna +alles hier zuiver bewaard te zijn gebleven. + +We willen u dan over der monniken eigenaardig leven een en ander +meedeelen. In de eerste plaats merken wij op, dat, in het algemeen, +de toegang tot de gemeente (Sangha) voor ieder openstaat. + +"Geopend zij voor allen de poort der eeuwigheid, wie ooren heeft, +hij hoore en geloove 't woord." + +Toch wordt voor sommigen een uitzondering gemaakt. B.v. voor die aan +ernstige lichaamsgebreken of krankheden lijden, voor zware misdadigers, +voor soldaten, schuldenaars en lijfeigenen, niet omdat deze laatste +drie minder geacht werden, maar omdat hier de rechten van derden +zouden worden verkort. Voorts mochten zonen niet in de orde gaan +zonder toestemming der ouders en konden kinderen eerst met het 12e +jaar voorloopig, met hun 20e jaar vol lid worden. Voorloopig en vol +lid, bij jeugdigen van jaren kan dat eerst na eenige jaren op elkaar +volgen. Bij ouderen volgt de voorloopige opname als lid en de erkenning +als vol medelid spoedig op elkaar. De eerste wijding heet Pabbaja +(het uitgaan, n.l. uit de wereld), de tweede Upasampada (het inkomen). + +Bij de eerste treedt enkel de candidaat zelf handelend op, bij de +tweede is het de gemeente, die hem opneemt. Een en ander ging en gaat +nog in hoofdzaak aldus in zijn werk. De candidaat verklaart bij het +Pabbaja, dat hij deel wil uitmaken van de gemeente, eene verklaring, +die ook een oudere monnik voor hem doen kan. Hij trekt daarop het gele +gewaad aan, laat zich haar en baard scheren en spreekt tot de andere +monnik(en): "Ik neem mijn toevlucht bij Boeddha. Ik neem mijn toevlucht +bij Dharma (de leer). Ik neem mijn toevlucht bij Sangha (de gemeente)." + +Daarop volgt dan later, soms al spoedig, de eigenlijke opname, +waardoor hij dus vol gemeentelid wordt. + +Dit gaat ongeveer in deze voege. Voor de verzamelde monniken spreekt +de candidaat: "Ik bid de gemeente, eerwaardigen, om de wijding. Moge +de gemeente, eerwaardigen, mij tot zich opheffen, moge zij zich +mijner erbarmen. Ten tweede en ten derde male verzoek ik de gemeente, +eerwaardigen, om de wijding. Moge de gemeente, eerwaardigen, mij tot +zich opheffen, moge zij zich mijner erbarmen. Dan volgt een soort +verhoor. Er wordt gevraagd: "Hoort gij mij N......? Nu is de tijd +voor u gekomen om waar en recht te spreken. Ik vraag u, hoe het met +u is. Wat zoo is moet gij van zeggen: het is zoo, wat niet zoo is, +daarvan moet gij zeggen: het is niet zoo. Zijt gij met een der volgende +ziekten behept: melaatschheid, kropgezwel, witte uitslag, tering, +vallende ziekte? Zijt gij een mensch? [104] Zijt gij een man? Zijt +gij uw eigen heer? Hebt gij schulden? Staat gij niet in koninklijken +dienst? Hebt gij verlof van vader en moeder? Zijt gij volle twintig +jaar oud? Hebt gij de aalmoezenschaal en de kleederen? Hoe heet +gij? Hoe heet uw leermeester?" + +Is nu het antwoord op al deze vragen bevredigend, dan wordt tot +driemaal toe aan de gemeente het verzoek overgebracht hem de wijding +te geven. "De gemeente hoore mij, eerwaardigen. Hier N..... wenscht +als leerling van N. N. [105] de wijding te ontvangen. Hij +is vrij van verhindering. Hij heeft een aalmoezenschaal en de +kleedingstukken. N. vraagt de gemeente om wijding met N. N. als zijn +leermeester. De gemeente verleent aan N. de ordening met N. N. als +leermeester. Wie van de eerwaardigen er voor stemt dat aan N. de +wijding wordt gegeven met N. N. als leermeester, die zwijge, wie er +tegen is, spreke." + +Komt na drievoudige herhaling geen tegenspraak, dan is de candidaat +aangenomen en het heet: "N. heeft van de gemeente de wijding ontvangen +met N. N. als zijn leermeester. De gemeente is er voor, zij zwijgt, +alzoo neem ik dit aan." + +Nu stelt men, door de schaduw te meten, den tijd vast, waarop de +candidaat is opgenomen en deelt hem vervolgens mede de vier regelen +der gestrengheid in het uiterlijk leven, luidende aldus: + +"De spijs van hem, die uit het huis naar het leven zonder tehuis is +gegaan, zullen zijn de beten, die hij door bedelen verkrijgt. Zijn +gewaad zal gemaakt zijn uit de lompen, die hij verzamelt. Zijn +legerstede zal zijn onder de boomen des wouds. [106] Zijn medicijn +zal zijn de stinkende urine van vee." Bereiden vrome leeken hem een +maal: verleenen zij hem kleeding, onderdak, geneesmiddelen: 't is niet +verboden die aan te nemen, doch de rechte en wettige levenswijze van +den monnik is deze gestrengheid van het bedelaarsleven. Dan worden +hem meegedeeld de vier groote verboden, door welke te overtreden een +monnik zichzelf uit de gemeente uitstoot: + +1. "Een geordende monnik mag geen geslachtsomgang hebben, ook niet met +een dier. De monnik, die geslachtsomgang heeft, is geen monnik meer, +hij is geen leerling van den zoon van Sakya. Evenals een mensch, wien +het hoofd is afgeslagen, met den romp niet leven kan, zoo is ook een +monnik, die geslachtsomgang heeft, geen monnik meer, geen leerling +van den zoon van Sakya. Daarvan moet gij uw leven lang u verre houden." + +2. "Een geordende monnik mag niet nemen wat hem niet gegeven is +(wat men diefstal noemt) ook geen grashalm. De monnik, die een pada +[107] of de waarde van een pada of meer dan een pada ongegeven neemt +(wat men diefstal noemt) is geen monnik meer: hij is geen leerling +van den zoon van Sakya. Evenals een dor blad, dat van den stengel +is losgegaan, niet meer groenen kan, zoo is ook een monnik, die +een pada of de waarde van een pada of meer ongegeven neemt (wat men +diefstal noemt) geen monnik meer: hij is geen leerling van den zoon +van Sakya. Daarvan moet gij uw leven lang u ver houden." + +3. "Een geordende monnik mag niet wetens een dier van het leven +berooven, ook geen worm zelfs of mier. De monnik, die wetens een +menschelijk wezen van het leven berooft, zij het dat hij een ongeboren +kind doodt, is geen monnik meer, hij is geen leerling van den zoon +van den Sakya. Evenals een groote steen, dien men in twee deelen +heeft gespleten, niet meer tot één kan worden gemaakt, zoo is ook enz." + +4. "Een geordend monnik mag zich niet beroemen op bovenmenschelijke +volkomenheid, mag zelfs niet zeggen: "Gaarne vertoef ik in een ledig +huis." [108] + +"De monnik, die met booze bedoeling en uit begeerlijkheid zich +leugenachtig op bovenmenschelijke volkomenheid beroemt, zij het een +toestand van verzonkenheid, van verrukking, van tot zichzelf inkeeren +(concentratie), van verheffing of van het pad der verlossing, of +van de vrucht der verlossing, hij is geen monnik meer, hij is geen +leerling van den zoon van Sakya. Evenals een afgehouwen palmboom niet +meer groeien kan enz." + +Met de voorlezing dezer vier groote verboden is de ordening +geëindigd. Men ziet, dat alle voorzorgen worden genomen, om onwaardigen +te weren en moeilijkheden te voorkomen, doch, van werken op het gevoel, +van mystiek is men hier verre verwijderd. + +Het is dan ook geen wijding in een geestelijken stand, die een +onverliesbaar karakter verleent, het is de vrije aansluiting bij eene +broederschap, die men ook weer verlaten kan. + +Dit juist maakt dat in het Boeddhistische monnikendom niet die +groote, donkere vlekken zijn te zien, welke de ascese overal met zich +brengt. Wordt een monnik de drang naar de wereld te sterk, valt hem +de strijd tegen de zinlijke neigingen zijner natuur te zwaar, welnu: +niets belet hem heen te gaan. + +Het is beter, "de geestelijke oefening vaarwel te zeggen en zijn +zwakheid te erkennen," dan als geestelijke te zondigen. + +Zondigt echter de monnik tegen de hoofdgeboden, dan kan hij door +de gemeenschap worden uitgestooten. Iets wat echter niet veelmalen +geschiedt, daar een monnik, die tegen zijn regels handelt, zoozeer +door het publiek wordt veracht (een publiek dat zijn aalmoezenschaal +dan niet met voedsel vult) dat hij vanzelf tot heengaan is gedrongen. + +Hebben wij gezien hoe de monniken worden opgenomen, aan welke +verplichtingen zij moeten beantwoorden: wij werpen thans een blik op +hun dagelijksch leven. + +We merkten reeds op dat het leven der monniken zich door eenvoud moet +kenmerken: doch, niet zoo dat het in overdreven gestrengheid ontaardt. + +Dit komt in alles uit. Eenvoudig zijn ook tegenwoordig in +Birma--een land, waar het Boeddhisme vrij zuiver de oude traditiën +heeft bewaard--de kloostergebouwen doch vriendelijk door boomen +omgeven. Naast het klooster vindt men pagoden: koepelvormige +verhevenheden, die het graf van den meester voorstellen: waarbij +men nederknielt om gedeelten uit de heilige boeken op te zeggen: +soms reeds in den vroegen morgen, als het nauwelijks dag is. + +Binnen in het klooster, dat meestal niet heel groot is en van hout +gebouwd, ziet men een beeld van den Verlichte, doch van hem alleen: +andere heiligen kent men niet. Verder gewone dingen voor huiselijk +gebruik, soms enkele boeken. Want eigendom mag een monnik niet +bezitten: geen geld of goed, geen artikelen van weelde. + +Iederen morgen doen de monniken--bij ieder dorp in Birma is +een klooster--hun rondgang door het dorp. Den blik op den grond +geslagen, de aalmoezenschaal in de hand, gaan zij van huis tot huis, +zwijgend staan zij een oogenblik voor de deur, en als zij voedsel +ontvangen--geld mogen zij onder geen beding aannemen--gaan zij +zwijgend weer verder. Voor den middag zijn ze weer in 't klooster +terug. Dan volgt de maaltijd: waarbij dan het 's morgens verzamelde: +meestal rijst, wordt gebruikt. Dat is de eenige maaltijd: op andere +tijden voedsel te gebruiken is den monnik niet geoorloofd. + +Na den maaltijd mogen de monniken zich niet meer naar het dorp begeven, +wel mogen zij in hun klooster personen ontvangen. Trouwens: dat moet +wel, in Birma toch is ook het onderricht der jeugd geheel in handen +van de monniken. Deze zijn het, die haar leeren lezen en schrijven en +haar gedeelten uit de heilige boeken van buiten doen leeren. Voorts is +ook een groot deel van den dag aan lezen en overwegen van de heilige +boeken en aan stille overpeinzing gewijd. Arbeid in den gewonen zin +des woords: arbeid der handen wordt echter door de monniken niet +verricht, bedelen is hun onderhoud. Die bedelaars staan echter, al +bemoeien zij zich noch met de politiek, noch met de regeering--tenzij +om soms voor verdrukten te pleiten--in hooge eer. Met "heer" worden +zij aangesproken, ook door de voornaamsten des lands. En als een +aanzienlijk man een monnik ontmoet zal hij de knie buigen en den +monnik laten voorbijgaan. + +Zoo gaat het dagelijksch leven der monniken in stilte en kalmte +voorbij. Slechts enkele malen wordt de eentonigheid daarvan onderbroken +door dat zij ter maaltijd worden uitgenoodigd en ook door 14 daagsche +biechtsamenkomsten. Die biechtsamenkomsten dateeren van oude dagen, de +biechtformule Patimokha is ook zeer oud, wij vermelden die straks. Deze +samenkomsten dan hebben plaats met vollen maan en met nieuwen maan, +op den vastendag, een dag, die dezen naam heeft van ouds, maar waarop +inderdaad door de Boeddhisten niet gevast wordt. + +Op deze samenkomsten, waartoe de oudste monnik uit een distrikt +de monniken oproept, komen alle monniken in een der kloosters +bijeen. Niemand mag afwezig blijven: voor krankzinnigen en kranken +moet een der andere broeders verklaren dat zij rein zijn. Kan niemand +die verklaring afleggen, dan draagt men den zieke in zijn stoel ter +vergadering, of: men komt bij zijn bed tezamen. Doch nooit mag deze +heilige vergadering onvoltallig zijn. + +Bij 't licht der fakkels--de vergadering heeft in den avond +plaats--nemen alle monniken op hunne bestemde plaatsen zitting. Geen +leek, candidaat of non mag hierbij tegenwoordig zijn. Daarop draagt +één der monniken, bij voorkeur de oudste, de Patimokha voor: de +biechtformule. + +Hij spreekt dan aldus: "De gemeente, eerwaardigen, moge mij +hooren. Heden is het vastendag, de 15e der halve maand. Als de +gemeente bereid is moge zij vastendag houden en de biechtformule +hooren voordragen. Wat moet de gemeente van te voren doen? Spreek de +verklaring der reinheid uit, gij eerwaardigen. Ik wil de biechtformule +voordragen." + +De gemeente antwoordt: "Wij allen die hier zijn, hooren en bedenken +deze wel." + +"Wie een fout gepleegd heeft," gaat de voordragende voort, "moge haar +bekennen. Wie geen fout heeft moge zwijgen. Uit uw zwijgen zou ik +afleiden, dat de eerwaardigen rein zijn." Evenals een enkel mensch, +wanneer hem een vraag is gesteld, antwoorden moet, zoo is het ook bij +zulk een vergadering, als de vraag driemaal is gesteld. Een monnik, +die op een driemaal herhaalde vraag een fout, die hij gepleegd +heeft en die hij zich herinnert, niet bekent, is aan leugen, wetens +begaan, schuldig. "Wetens uitgesproken leugens, eerwaardigen, brengen +verwoesting, heeft de verhevene gezegd. Daarom moet een monnik, die +iets misdreven heeft, zich dat herinnert en daarvan rein begeert te +worden, zijn fout bekennen. Wat hij bekent zal hem licht vallen." + +Daarna wordt de biechtformule uitgesproken, eerst worden genoemd de +vier hoofdzonden, die uitgaan uit de gemeente met zich brengen. Alzoo +wordt gehandeld over geslachtsgemeenschap, diefstal, moord en de +aanmatiging van geestelijke volkomenheid. Vervolgens komt de driemaal +herhaalde vraag: "Ik vraag de eerwaardigen: "zijt gij van deze zonden +rein?" Ten tweeden maal vraag ik: "Zijt gij rein?" Ten derden maal +vraag ik: "Zijt gij rein?" Als alles zwijgt is het antwoord: "Rein zijn +hieraan de eerwaardigen, daarom zwijgen zij, aldus neem ik dit aan."" + +Daarop worden andere zonden opgenoemd: zulke, die een terugzetting met +zich brengen; vervolgens andere, die door de bekentenis zelve kunnen +worden verzoend. Wel twee honderd verschillende artikelen, die zich +over het geheele leven uitstrekken worden dan opgesomd. Daarin wordt +tot in kleinigheden afgedaald, doch ook kleinigheden hebben soms groote +beteekenis. Zoo ging het in oude dagen onder Boeddha's volgelingen, +zoo gaat het nog. + +Een bizondere, eigenaardige beteekenis had, reeds van oude dagen af, +de regentijd, die in Indië ongeveer van Juni tot October duurt. Die +tijd was voor reizend prediken ongeschikt en werd dus doorgebracht in +stille teruggetrokkenheid. Was hij ten einde, dan kwamen de leerlingen +plechtig te zamen. Allen zaten zij neder, in eerbiedige houding op +den grond, met gevouwen handen hun medebroeder smeekend, om, indien +hij in dien tijd een schuld had begaan, deze te noemen. "Ik noodig," +zoo heet het, "de gemeente uit, om, indien gij iets van mij gezien +of gehoord hebt, of verdenking tegen mij koestert, erbarmen met mij +te hebben en te spreken, als ik het inzie, zal ik er boete voor doen." + +Zoo was in oude dagen die regentijd een tijd voor godsdienstige +bespiegeling en inkeer tot zichzelf. En--zoo is het ook nu nog. In +Birma is dat nog de tijd, zooals Fielding [109] het uitdrukt, om den +grond te bereiden voor het gewas, de zielen voor de eeuwigheid. Dan +leven ook vele leeken op de wijze der monniken. Zij eten voor den +middag en onthouden zich van tabak. Geen spelen zijn er dan, geen +huwelijken worden er gesloten. Ook worden dan de zondagsbijeenkomsten +[110] veel talrijker bezocht dan anders. + +In Ceylon brengt ook de "wastijd" eigenaardige gebruiken met zich. De +monniken verlaten hun gewone huizen en leven in kleine hutten, door +de boeren daarvoor opzettelijk gebouwd. Zij houden dan een reeks +diensten, bestaande in voorlezingen uit de Pitaka's, [111] de heilige +boeken, waarnaar dan oud en jong, arm en rijk komt luisteren. Onder +de boomen wordt een platform opgericht: overdekt, doch aan de kanten +open, en met kleeden en bloemen versierd. Daaromheen zitten allen dan +aandachtig neder, en vooral naar de lezing der Yataka's, de vroegere +levens van Boeddha, wordt met groote belangstelling gehoord. + +Overigens wordt in de meeste Boeddhistische streken aan wat wij +prediken zouden noemen weinig of niet gedaan. Wel komt in Birma des +Zondags veelal een monnik in een rusthuis--overal heeft men daar +rusthuizen langs de wegen, meest door milddadigheid ten behoeve van +het publiek geschonken--een gedeelte uit de heilige boeken voorlezen. + +Een soort predik- of priesterambt bekleedt echter de Boeddhistische +monnik niet: niemand denkt er b.v. in Birma aan een monnik bij een +stervende te roepen, om b.v. gebeden te zeggen. Het zijn dan ook +geen tusschenpersonen tusschen God en den mensch, maar personen, +die, in vrije broederschap den weg bewandelen, die tot den grooten +vrede voert. Ook hun godsvereering is zeer eenvoudig: althans +wanneer we daar laten het Boeddhisme, zooals het in Tibet optreedt, +waar het geheel en al--beter kunnen wij het niet met een enkel woord +uitdrukken--tot een Roomsch-Catholiek gekleurd Boeddhisme is geworden, +met een paus, offers, plechtige, geheimzinnige ceremonies enz. Maar dat +vertegenwoordigt allerminst den eigenlijken geest van dezen godsdienst. + +De monnik in Birma bepaalt zich tot het uitspreken van gewijde +teksten bij de pagode, waarin vooral de erkentenis dat alles ellende +en verdriet is op den voorgrond treedt. Ook bij de godsdienstige +feesten aldaar--het groote godsdienstige feest heeft plaats na den +regentijd--is er weinig ander ceremonieel. Monniken en leeken komen +in de pagodes bidden, bloemen en geschenken worden aan de monniken +gegeven, de klokjes der groote pagoden luiden met vriendelijken klank: +doch niets van een statigen eeredienst, die trouwens in het kader +van het Boeddhisme niet zou passen. + +Wel werden reeds vroeg in eere gehouden vier heilige plaatsen, met +den stichter van den godsdienst in verband staande: de plaats waar +Boeddha is geboren, die waar hem de hoogste verlichting ten deel viel, +die waar hij het "rad der gerechtigheid draaide" m. a. w. het eerst +predikte, die waar hij het Nirvana inging. + +We spraken tot nu toe enkel over monniken, doch er zijn ook +Boeddhistische nonnen--hoewel veel minder in getal: de vrouwen +hebben daarin geen lust, al ontbreekt het hun overigens geenszins +aan godsdienstige belangstelling. Is het soms ook omdat de nonnen +zoover beneden de monniken zijn gesteld? Boeddha zelf had trouwens +geen lust om een nonnenorde in 't leven te roepen, [112] maar werd +door de omstandigheden daartoe gedwongen. + +Wat de nonnen betreft, van haar heet het o. a. "Een non, al is zij +ook sinds honderd jaar geordend, moet iederen monnik, al is deze eerst +dien dag geordend, de eerbiedige begroeting brengen, voor hem opstaan, +de gevouwen handen verheffen, hem naar behooren eeren. Deze ordening +moet zij achten, heilig houden, bewaren, eeren, en haar leven lang +niet overtreden." [113] + +In hetzelfde geschrift wordt haar ook voorgeschreven dat zij den +regentijd niet mogen doorbrengen in een distrikt, waar zich geen +monniken bevinden, dat zij iedere halve maand de monniken over de +biecht moeten raadplegen en hun om de prediking van het heilige +woord verzoeken. + +Ook bij het zelfonderzoek na den regentijd moeten zij de monniken +door een bode doen vragen of dezen niets hebben in te brengen, enz. + +M. a. w. de nonnen hebben zeer weinig in te brengen. + +Moeten de nonnen dus in alles de monniken raadplegen, toch moet een +strenge scheiding bewaard blijven. Geen monnik, die voor de nonnen +moet prediken mag hun huis betreden, behalve indien hij eene kranke +moet toespreken. Geen monnik mag met een non op weg zijn, op een +schip zijn, naast haar zitten zonder getuigen. + +Nog verdient de aandacht dat de nonnen niet--zooals monniken in +Boeddhistische landen soms doen--mogen leven in de eenzaamheid van +het woud. + +Komen die geboden alleen voor uit het denkbeeld van de +"minderwaardigheid" der vrouw? Ja en neen. Neen voorzoover het een +groote dwaling zou zijn om te meenen dat de vrouwen in landen waar +het Boeddhisme zuiver wordt beleden een soort slavinnen zouden zijn, +dat is althans in Birma volstrekt niet het geval: de vrouw heeft daar +in het burgerlijke gelijke rechten schier als de man. + +De Birmaan zegt echter van de vrouw ten opzichte van zijn godsdienst: +de vrouw begrijpt het zoo niet.--En--dat is het ook. De vrouwen in +Birma zijn van een zachte, teeder- hartstochtelijke, liefhebbende +natuur; hun vrouwelijk gemoedsleven komt feitelijk in verzet tegen +sommige artikelen van hun geloof. Zij hebben een groote bewondering +voor Yaçodhara, de vrouw van den Verlichte. Die was godsdienstig, +maar 't brak haar hart, dat zij scheiden moest van haar geliefde: +dat kòn zij niet begrijpen. Zoo nu zijn de vrouwen in Birma nog. Zij +werken mede met alle macht om bedwelmende dranken en het dooden van +dieren tegen te gaan. Zij volgen nauwgezet de voorschriften van den +godsdienst op: maar, zegt Fielding, indien de godsdienst haar zegt: +"Verlaat al wat gij liefhebt, alles waaraan uw hart gehecht is, +want het is ijdel: zie het licht en bereid uwe ziel voor den Grooten +Vrede," dan deinzen zij terug: "Heer, dat kunnen wij niet, het zou +te vreeselijk voor ons zijn." + +Een man die in Birma afstand doet van de wereld wordt geprezen, een +vrouw niet. Ook bij de vrouwen zijn nonnen niet in aanzien, wie tot +den Groote Vrede zal komen moet eerst als man worden wedergeboren. + +Der vrouwen gemoed teekent echter een zeker protest aan tegen de +hardheid der Boeddhistische leer. + +Dat blijkt ook bij 't gebed: Bidden--dat is voor den Boeddhist +geenszins spreken tot God, opdat hij wenschen verhoore: neen, bidden +is overpeinzen van den weg des heils: is zich vertrouwd maken met de +eeuwige wetten der gerechtigheid. Er wordt niet gebeden, om den Boeddha +goed te doen, maar om de liefde tot hem op te wekken in 't hart. + +Toch: Boeddhistische vrouwen bidden soms anders. Fielding verhaalt: +[114] "Ik herinner mij dat ik eens op het terras van een beroemde +pagode stond, de gouden torenspits voor mij en gebeeldhouwde altaren +rondom en daar een vrouw zag liggen, haar aangezicht naar de pagode +gekeerd. Zij bad vurig, zóó vurig dat haar woorden verstaanbaar waren, +want zij stoorde zich aan niemand, zoo bedroefd was zij; en wat zij +vroeg was dit: dat haar kind, haar kleintje niet sterven zou. Zij hield +het kleine kindje in haar armen, en als zij er naar keek waren haar +oogen vol tranen. Want het was heel ziek, de ledematen waren niets +dan vel en been, met dikke knieën en ellebogen, en het gezichtje was +geheel uitgeteerd. Het was zelfs te zwak om belang te stellen in al +de nieuwe dingen rondom: het opende alleen nu en dan ternauwernood +even de vermoeide oogjes. + +"Geef dat hij herstelle, geef dat hij gezond worde," riep de vrouw +telkens weer. + +Tot wien smeekte zij? Ik weet het niet. + +"Mijn heer, er moet wel iemand zijn. Iemand. Een geest, die 't hooren +kan. Wie weet het? Er zal toch wel iemand mij helpen? De menschen +zouden mij helpen, als zij konden, maar zij kunnen niet; er moet toch +wel iemand zijn?" + +Zoo bidden Boeddhistische vrouwen meermalen. "Vrouwen" zeggen de +monniken "begrijpen het nooit--" + +Hebben wij hier niet op treffende wijze het liefderijk hart van de +vrouw, dat niet tevreden is met eenige wetten, die alles besturen, +dat niet, ook niet voor een hoog ideaal, scheiden wil van wien zij +innig liefheeft? En--hoe hoog wij Boeddha stellen: brengt dit toch +niet aan 't licht dat er in zijn godsdienst is, ik zeg niet gemis +van welwillendheid, maar van warmte? + +Ongemerkt zijn wij zoo van de monniken gekomen tot de leeken. Eigenlijk +zijn dezen geen lid der gemeente, de gemeente is er eene van +monniken. Toch: zij zijn onderwezen in de leer van den Verlichte, +zij nemen bij hem en zijne leer hunne toevlucht, de vijf geboden +[115] zijn hun heilig. + +Doch een soort lidmaatschap van een kerk hebben zij niet. De eenige +censuur die over hen wordt uitgeoefend is deze: dat de monniken geen +gaven van hen aannemen als zij zich zeer hebben vergrepen. + +Hoe openbaart zich het Boeddhisme bij de leeken? O. a. hierin dat +zij den regentijd in 't bizonder, gelijk wij reeds zagen, wijden +aan godsdienstoefeningen, ook dat zij des Zondags--vooral ook in den +regentijd--in rusthuizen samenkomen, daar komt somtijds dan ook een +monnik een gedeelte uit de heilige boeken voorlezen, om dan telkens +weer peinzend te herhalen en te overdenken, dat het leven slechts is +"ellende, moeite, verdriet." + +Of zij daarom overigens zoo terneergedrukt zijn? Neen. Hun leven +gaat gewoonlijk voort in kalme onbezorgdheid. Jacht naar rijkdom is +met name den Birmaan geenszins eigen. Heeft hij zich eenig fortuin +vergaderd, dan laat hij rusthuizen inrichten, pagoden versieren, +kloosters bouwen en dergelijke. Van ons Westersch sparen en garen +weet hij niet af. Waartoe zou hij het doen? Waarom zich 't leven +moeilijk te maken? Zij hebben voorts weinig behoeften, hun leven +is--in overeenstemming met den geest van hun godsdienst--evenver van +weelde als van zelfkastijding. + +Als wij Birma en zijn bewoners beschouwen, dan moeten wij erkennen +dat de Boeddhisten--hier heb ik ook op de leeken het oog--meer van hun +geloof in het leven terecht brengen dan de Christenen van het hunne. Is +dat omdat het geloof beter is? Neen, maar omdat het Christendom, +zooals wij het vaak opvatten, veel verder afstaat van het eigenlijke +Christendom, dan der Birmanen Boeddhisme van den geest des Verlichten. + +In de eerste plaats is hun geloof praktisch. Boeddha sprak weinig of +niet over God, niet omdat hij niet in Hem geloofde, maar omdat hij +bij voorkeur niet verder ging dan zijn waarneming, die slechts kon +komen tot de wet der gerechtigheid. Zoo doen ook zijn volgelingen. 't +Is den monniken zelfs ongeoorloofd zich met het bovennatuurlijke in +te laten en het ligt ook niet zeer in den geest der leeken. + +Wat hun levensopvatting betreft: liefde en medelijden wordt onder hen +aangetroffen, de oorlog is in hun oog een gruwel, 't kan niet in hen +opkomen die met Boeddha of het Nirvana te verbinden, zooals soms de +Christenen doen, die vaandels "wijden" en den God der heirscharen +aanroepen, terwijl Jezus sprak: "die het zwaard nemen zullen door +het zwaard vergaan." Goede soldaten vormt het Boeddhisme niet, ook +daarom niet, omdat het denkbeeld van discipline in strijd is met hun: +"ieder werkt zijn eigen heil". + +Dat individueele toont zich ook op andere wijze eigenaardig. Als +gij een weg betreedt, die u straks over een wrakke brug voert, zal +niemand u waarschuwen. Als gij in het water u werpt, zal niemand u +redden tegen uw zin, als gij niet om hulp roept: ongevraagde raad +geldt voor heerschzucht. + +Dat zelfde individueele treedt ook in hun leer over straf en boete +op den voorgrond. Van Boeddha heeft men geen godheid gemaakt die de +straf voor anderen onderging. Geen plaats is hier ook voor vergeving +in den alledaagschen zin: de gevolgen van het kwaad moet ieder boeten, +dat is een eeuwige wet, een onontkoombaar iets. Doch wie geboet heeft, +heeft ook zijn straf ondergaan, en is er niet minder, doch beter om. + +Hoe men dat anders--en naar mij voorkomt beter begrijpt dan wij--kwam +uit in de volgende gebeurtenis, die eenige jaren geleden in Rangoon +geschiedde. [116] + +Een Engelsch officier verloor eenige banknoten. Het bleek dat een +der bedienden ze gestolen had: hij werd gearresteerd en bekende. De +officier had gaarne de aanklacht ingetrokken, doch dat kon niet. De +jongen werd gestraft, ofschoon zijn meester hem gaarne "de schande +der gevangenis" had bespaard. + +Zes maanden werd hij opgesloten. De meester vergat het geval, doch, +na 't eindigen van den straftijd kwam de jongen, blij en opgewekt, +bij zijn meester terug. + +Hij vond dat het vanzelf sprak dat hij weer in dienst zou worden +genomen. Hij had immers zijn straf nu ondergaan! + +De ander wilde hem echter niet weer hebben, hij had "in de gevangenis +gezeten". En--of de jongen sprak--dat hij "langen tijd" was gestraft +geweest, het mocht niet baten. + +Wie had hier zuiverder moraal? De Boeddhist of de Christen? 't Kan +dunkt me aan geen twijfel onderhevig zijn, maar 't bewijst wel dat +de Christenen hun eigen geloof, althans de zoo bekende gelijkenis +van den verloren zoon, nog maar slecht verstaan. + +Voor ons verbasterd inzicht is straf slechts een vernedering, die wij +liefst ons zelf en anderen moeten besparen, voor den ander was zij +boete: reiniging der ziel--in overeenstemming immers met zijn geloof, +dat ons de wet der gerechtigheid leert, die ons door lijden ten slotte +voert tot den Grooten Vrede. + +Als wij dit indenken, begrijpen wij ook beter het merkwaardige +verschijnsel, dat zelfs aanvoerders van rooverbenden, op wier hoofd +een prijs is gesteld, zich vaak vrijwillig bij den rechter komen +aanmelden. De straf moet immers strekken tot heil? + +Dat is het, wat hen ook vrede geeft in 't aangezicht des doods. Geen +eeuwige hel, geen hemel, die zich direct voor hen opent, gaan zij +tegemoet, doch hun volgend leven hangt af van het tegenwoordige: de +hemel is voor den zondaar gesloten, doch niet voor eeuwig. Eenmaal +zullen allen, nadat zij wijsheid geleerd hebben uit het lijden, +tot den Grooten Vrede komen. + +Wanneer een Birmaan stervende is komen geen monniken gebeden +zeggen: ook spreken geen bloedverwanten of vrienden met hem over +'t hiernamaals. Wat dan? Een vriend zal komen en hem zeggen: Denk +aan de goede daden, die gij gedaan hebt: en die zal hij herinneren, +opdat de oude van dagen bij die vriendlijke herinneringen straks zacht +insluimert. Is dat geen troost voor 't menschenhart? Ook gelooft men +in Birma dat, wanneer de mensch sterft, zijn geheele leven met al +zijn onderdeelen voor zijn oogen komt als een landschap, dat in den +donkren nacht door een bliksemstraal eensklaps geheel verlicht wordt. + +En--dit geloof rust--in 't voorbijgaan merk ik dat op--inderdaad +op goede gronden: met name personen die den dood door verdrinking +nabij waren hebben van zichzelf iets dergelijks getuigd, gelijk vele +westersche waarnemingen uitwijzen. + +Moeten wij ten slotte niet dankbaar erkennen dat ook het licht van +Azië een schoon en heerlijk schijnsel geeft voor der menschen voet, +ook al zijn we niet blind voor zijn eenzijdige kleur? En is niet dit +vooral de groote kracht van de Boeddhistische leer, dat wel het kwaad +in zijn boosheid, het goede in zijn heerlijkheid wordt erkend, maar +dat alle loonzucht hier over boord is geworpen en men in stede van +een uitwendige vergelding erkent een eeuwige, onwankelbare ordening, +die rust en vrede geeft aan 't hart, dat uitgaat naar liefde en plicht, +doch duisternis aan wie haten en onrecht doen? + +Geen godsdienst kunnen wij ons voorstellen, geschikt voor de kinderen +van ons geslacht, of in deze dingen moet hij bij Boeddha ter schole +gaan. + + + + + +VII. De voortgang en ontwikkeling van het Boeddhisme. + + +Wanneer wij het hier genoemde onderwerp wilden behandelen in alle +uitvoerigheid, zouden wij nog wel een gansch lijvig boekdeel daaraan +kunnen wijden. We zouden dan moeten spreken over verschillende secten, +die in de schoot van het Boeddhisme ontstonden, over al de landen, +waarheen het zich uitbreidde, en de wijziging, die het daarbij soms +onderging. Dat alles zou ons echter te ver voeren en niet passen bij +het kader van dit werk. Toch zijn een paar dingen uit de geschiedenis +van het Boeddhisme voor ons van zooveel belang, dat wij daarover +niet willen zwijgen. En wel: de verschillende oude kerkvergaderingen, +het vormen van de verzameling der Heilige Schriften, het optreden van +het Boeddhisme als door den staat beschermde godsdienst onder Açoka, +en ten slotte met een enkel woord: de uitbreiding van het Boeddhisme +in andere landen en zijn ondergang in Indië. + +Allereerst dan over de oude concilies. Drie worden ons genoemd: +dat van Rajagriha, van Vaisali en van Patna. Het eerste zou gehouden +zijn, aldus verhaalt Buddaghosa, een soort Boeddhistische kerkvader, +nabij Rajagriha. Daar toch waren achttien groote kloosters, met +monniken gevuld. Men verzocht dus van hunnentwege aan den koning van +Rajagriha, of hij een groot hol in de bergen ten hunnen behoeve voor +die vergadering wilde inrichten. + +De koning, zoo gaat het verhaal voort, was daartoe volkomen +bereid. Alles werd keurig in gereedheid gebracht: er waren vijfhonderd +bekleede zitplaatsen voor de monniken, een spreekgestoelte voor +den voorzitter. + +Twee maanden lang had men daarmede werk. De monniken werden +uitgenoodigd en kwamen bijeen--'t was in den wastijd. Eerst bestond de +vergadering niet uit het volle getal: er waren er 499, Ananda had niet +verkregen de Prajna Paramita, de kennis der onzienlijke wereld. Dus +was één zetel vacant. Doch, toen Ananda des nachts peinsde, kwamen +de wonderbare krachten over hem: en--door den vloer heen bereikte +hij den zetel, voor hem gereed gehouden. + +Kasyapa was voorzitter en noodigde Upali uit om voor te dragen de +regelen, door Boeddha over de orde gegeven (Vinaya). Upali zat in de +preekstoel, voor Boeddha bestemd, met den ivoren waaier in de hand. De +monniken zongen na wat men hun voordroeg. + +Daarna kwam Ananda in het spreekgestoelte en droeg de uitspraken +over de leer (Dharma) voor. Het eerste der Sutra's, door Ananda +voorgedragen, was Brahmajala Sutra. + +Nu zijn de volgende punten zeer merkwaardig: in het jaar 16 v. C. had +ook een concilie plaats, naar de faam zegt van 500 monniken. Er +waren er slechts 499, één was uitgesloten, doch verricht een wonder +en wordt chef. + +Dit concilie was bijeengeroepen door koning Kanishka, die over een +groot deel van Indië toen regeerde. En--naar het schijnt, heeft hier +de, later zich vormende, Mahayana school, eene overwinning behaald op +het meer oorspronkelijk Boeddhisme. Nu rekenen sommige geleerden het +Brahmajala sutra ook tot de boeken dezer school, naar mij voorkomt +terecht; omdat het niet den geest van het oorspronkelijke Boeddhisme +ademt. + +En ook op dit concilie hield men zich bezig met de heilige boeken, met +name om daarop commentaren te maken en wel op de Sutra's, de Vinaya +en de Abhidharma: welke drie ook volgens de zuidelijke Boeddhisten +den heiligen canon vormen. Het ligt dus mijns inziens voor de hand, +dat dit heele concilie van Rajagriha niets anders is dan een poging +om--wat later gesanctioneerd werd--de goedkeuring der oudheid te +geven door het reeds kort na Boeddha's dood geldig te maken. + +Even onzeker schijnt wat verhaald wordt over het tweede concilie, dat +ongeveer 100 jaar later gehouden werd. Meer op vasten grond komen wij +echter bij het 3e, dat van Patna, dat ongeveer het jaar 244 in Patna +werd gehouden, in de dagen van koning Açoka. Waarschijnlijk is daar +met de verzameling der heilige boeken een begin gemaakt. Over Açoka +en zijn werken willen wij echter uitvoeriger spreken, omdat het hier +een vorst geldt, die het Boeddhisme met groote kracht heeft bevorderd +en wiens naam nog immer door de gansche Boeddhistische wereld een +goeden klank heeft. Zooals bekend is drong Alexander de Groote in de +4e eeuw vóór onze jaartelling zegevierend tot in Indië door. In die +dagen was Magadha de hoofdstad geworden van een vrij groot koninkrijk, +dat echter voor de macht van Alexanders wapenen moest bukken. + +Een avonturier, uit de handen van den koning van Magadha ontsnapt, +zocht bij Alexander zijn toevlucht. Deze rebel vergaderde de stammen +van den Pendsjab rondom zich en--toen in 315 v. C. de koning +van Magadha werd vermoord, plaatste hij zich op diens troon. De +Grieken verjoeg hij uit Indië. Deze troonsbeklimming was zeer +merkwaardig, omdat zij bewees dat de oude Indische maatschappij +voorbij ging: Chandragupta toch was een man van lage caste, evenals +zijn partijgenooten. Juist in die dagen kwam het Boeddhisme op en nam +snel in invloed toe. Waarschijnlijk begunstigden reeds Chandragupta en +zijn zoon dit nieuwe geloof. Zeker is het dat zijn kleinzoon, Açoka, +er toe over ging en de groote koning der Boeddhisten werd. Hij was +inderdaad de Dharma Raj (koning der gerechtigheid), waarvan Boeddha, +toen hij in 520 v. C. onder een vijgeboom zat, had gedroomd. + +Açoka, die 24 jaren telde, toen hij den troon beklom, was eerst een +vroom Brahmaan, die 50.000 Brahmanen dagelijks voedde. Ook was hij +zeker een dapper en bekwaam krijgsman; althans hij veroverde een +groot deel van Indië. Zekere monnik Nigrauda bekeerde hem tot het +Boeddhisme. De koning werd daarvoor nu een groot ijveraar en--tal +van inschriften, door hem in rotsen en steenen gebeiteld in bijna +alle streken van Indië--leggen er getuigenis van af, hoe ernstig +hij zijn taak opvatte om de nieuwe leer ingang te doen vinden en +in het maatschappelijk leven de hervormingen in te voeren, die zij +eischte. Deze inschriften zijn ook in ander opzicht voor ons van +groote waarde. Immers de ouderdom der boeken staat niet altijd vast +en--volgens nagenoeg eenstemmig oordeel der geleerden--stond Açoka's +Boeddhisme vrij dicht bij het oorspronkelijk. Zij zijn grootendeels +uitgegeven en alzoo onder het bereik der geleerde wereld gebracht. + +We willen er enkele van aanhalen, die ons doen zien welke denkbeelden +over God en toekomstig leven door den beroemden koning werden +gekoesterd. + +"Veel te verlangen naar de dingen (dezes levens) is ongehoorzaamheid, +zoo herhaal ik: (ongehoorzaamheid) is ook de (altijd) werkzame zucht +naar grondgebied bij een vorst, die den hemel wil gewinnen. Belijd God +(Isana) en geloof in Hem, die het waardig voorwerp der gehoorzaamheid +is. Want gij zult geen middelen vinden om den hemel te winnen, aan +dit geloof gelijk. O, streef er naar om dit onschatbare kleinood +te verkrijgen." + +"Aldus spreekt koning Devanampiya Piyadasi (de door de goden geliefde +[117]): Het tegenwoordig oogenblik en het verleden zijn onder dezelfde +vurige hoop voorbijgegaan: Hoe zal door de bekeering van den koninklijk +geboorne de godsdienst worden uitgebreid? Als deze zoo toeneemt door +de bekeering van de laaggeborenen, hoe zal hij dan toenemen als de +hooggeborenen overtuigd worden? Overal waar de naam van God in eere +is, waarlijk daar is godsdienst. + +"Aldus sprak Devanampiya Piyadasi: Daarom heb ik van dit oogenblik +af gezorgd dat er godsdienstige redenen werden gehouden, ik heb +godsdienstige plichten aangewezen, opdat de menschen daarna luisterend, +er toe gebracht worden het rechte pad te volgen en eere te geven +aan God." + +Ook over een volgend leven laat Açoka zich uit: "Al de moed (heet het +elders) dien Piyadasi, de geliefde der goden, heeft getoond is ten +opzichte van een volgend leven. Aardsche roem brengt weinig voordeel, +doch veroorzaakt integendeel, verlies van deugd. + +"Voor den hemel te werken is moeilijk voor een boer en voor een prins: +tenzij zij met uiterste krachtsinspanning alles opgeven. + +"Mogen mijne liefhebbende onderdanen geluk verkrijgen in deze en in +een volgende wereld. + +"De beminde der goden spreekt aldus: Meer dan twee en dertig en een +half jaar lang ben ik een hoorder der wet geweest, doch ik beijverde +mij niet met alle inspanning. De goden, die voor dien tijd in +Jambudvipa als ware goden werden beschouwd zijn nu afgezworen... Een +klein (eenvoudig) man, die zichzelf wat oefent kan voor zichzelf +groote hemelsche zegen verwerven, en met dat doel is deze prediking +uitgesproken. Beide, grooten (hoogen) en kleinen moeten zich oefenen +en zullen ten slotte (ware) kennis verkrijgen. En deze wijze van +handelen zal wat zijn? Van groote gevolgen. Want het geestelijk goed +zal groeien, en zal steeds sneller groeien, ten slotte zal het telkens +met de helft worden vermeerderd." + +"Deze prediking is gehouden door hem die is heengegaan. Twee honderd +vijftig jaren zijn er verloopen na het vertrek van den leeraar." + +Alles in deze opschriften moge niet geheel duidelijk zijn, zooveel +is toch wel zeker, dat het Boeddhisme van Açoka allerminst een soort +atheïsme mocht heeten. Een en ander stemt overeen met wat wij reeds +vroeger opmerkten, b.v. dat de oude Boeddhisten zich Brahmacharin, +vereerders van Brahma noemden en dat in een gesprek met de Brahmanen +Boeddha niet zegt: Brahma vereeren is onzin, maar wel: uw uitwendige +vereering van Brahma deugt niet. + +Doch, wij komen tot Açoka terug. Deze vergenoegde zich niet met +in edicten het Boeddhisme aan te prijzen, neen, hij trachtte de +beginselen van het nieuwe geloof ook in staat en maatschappij door te +voeren. Terecht kan men van hem zeggen, dat hij Wilberforce vooruit +was in den strijd tegen de slavernij, Tolstoï in zijn begeerte om +het zwaard weg te werpen, Rousseau en Fichte in hun wensch om den +innerlijken godsdienst aller eigendom te maken. Ook is treffend zijn +zorg voor de dieren. We willen u, aan de hand der opschriften zelve +laten zien, hoeveel Açoka tot stand bracht. + +Wat betreft zijn belangstelling in den inwendigen godsdienst denken +wij b.v. aan het volgende inschrift: "Piyadasi, de vriend der goden, +hecht minder waarde aan aalmoezen en uitwendige plechtigheden, dan +aan het bevorderen van den bloei van den inwendigen godsdienst." + +"Voortgang in Dharma (de ware leer, de deugd) kan op tweeërlei wijze +worden verkregen, door vormelijke regels, en door de gevoelens, +welke deze opwekken in het hart. In dezen dubbelen invloed heeft de +eerste een zeer geringe waarde, de innerlijke opwekking is slechts +in waarheid belangrijk." + +Wat zijn afkeer van den oorlog betreft denken wij aan deze inscriptie: + +"Piyadasi, de vriend der Devas, (goden) stelt alleen op prijs den oogst +van het volgend leven. Daarom alleen is deze inscriptie gegrift, opdat +onze zonen en kleinzonen geen nieuwe veroveringen zouden maken. Laten +zij niet denken dat veroveringen met het zwaard den naam verovering +verdienen. Laten zij zien den ondergang, de verwarring, de hartstocht +die zij medebrengen. Ware veroveringen zijn alleen die van Dharma." + +Açoka zorgde voor mensch en dier, hij maakte aan slavenmishandeling +een einde, verbrak de slavenketenen der menschen, zorgde voor reizigers +en monniken op liefderijke wijze. + +Hierover vermelden de opschriften het volgende: + +"Vroeger werden, in de groote eetzaal en den tempel van koning +Piyadasi, den vriend der goden, dagelijks honderd duizende dieren +geslacht om tot voedsel te strekken met hun vleesch .... doch nu +weerklinkt telkens weer het koor dat voortaan geen dier meer zal +worden ter dood gebracht. + +Als een mensch onderworpen is aan slavernij en slechte behandeling, +zal hij van dit oogenblik af door den koning van deze en andere +gevangenschap worden bevrijd. Vele menschen in deze streken kwijnen in +de gevangenis, daarom was de Stupa [118], die de bevelen des konings +bevat, zeer noodig. + +Overal is gevestigd het dubbele systeem van geneeskundige hulp van +koning Piyadasi, medische hulp voor menschen en medische hulp voor +dieren... En waar er geen voorraad is (van kruiden), in al deze +plaatsen moeten deze worden geplant en gedroogd, zoowel wortels +als kruiden. Overal waar er geen voorraad van is, moeten zij worden +aangebracht en geplant. En aan de groote wegen moeten bronnen worden +gegraven en boomen geplant, tot het welzijn van mensch en dier. + +In sommige Boeddhistische landen zijn de kloosters ook tegenwoordig +de eenige plaatsen waar men logeeren kan, en de monniken de eenige +dokters. Waarschijnlijk is dus ook hier gedacht aan boomen, die geplant +moeten worden bij de Saugharama, zooals het toen heette. Saugharama = +tuin der monniken, terwijl deze zelf toen Pavajitani's (huisloozen) +heetten tegenover de Gahathani (die een huishouden hebben) waarmee +waarschijnlijk de Brahmanen bedoeld worden. + +Doen dus reeds deze aanhalingen vermoeden dat in die dagen de monniken +meer onder boomen, dan wel in huizen woonden, de volgende uitspraak +van Açoka komt daarmede overeen. + +"Wanneer godvruchtigen zullen verblijven bij den heiligen vijgeboom, of +daaromheen rondwandelen ten einde vrome verrichtingen te volbrengen, +zal het een voordeel en een genoegen voor de landstreek en hare +bewoners zijn om geschenken hun aan te bieden, en overeenkomstig +hun edelmoedigheid en anderszins, zullen zij voorspoed of tegenspoed +genieten. Zij zullen dankbaar zijn voor de komst van het geloof. Wat +dorpen of hun inwoners voor de zaak van den godsdienst mogen geven +of in stand houden, de gewijden (monniken enz.) zullen het zelfde +ontvangen, en, ten voorbeelde van mijn volk zullen zij gestreng in de +eenzaamheid leven. En eveneens zullen de gewijden, welke zegeningen +zij ook uitspreken, daarin overvloedig zijn. + +"Voorts zal het volk in den nacht [119] tot toevlucht hebben den +grooten myrobolanpruimenboom (Terminalia chebula) en den heiligen +vijgeboom. Mijn volk zal den grooten myrobolanboom vermeerderen. En +daar mijn godvruchtigen dit doen voor het genoegen en het welzijn +van het dorp, waar zij verblijven, mogen zij rondom den schoonen en +heiligen vijgeboom een liefelijk verblijf hebben bij het volbrengen +van vrome daden." + +Wij hebben hier nog niet de kloosters alzoo, doch: een +overgangsvorm. Terwijl in den eersten tijd Boeddha's monniken twee +aan twee uitgingen ter bekeering, zien wij hen nu meer bepaalde +woonplaatsen innemen in de nabijheid van eenig dorp. Straks komen +zij in kloosters, in gebouwen te wonen. + +We kunnen echter, met het oog op de toestanden in Açoka's tijd, +dezen overgang zeer goed begrijpen. + +Açoka toch had Indië veroverd, en had nu noodig een leger van verlichte +monniken ten einde zijn rijk voor het Boeddhisme te winnen. Dat groote +leger moest worden gevoed: vandaar dat aan dorpen en steden werd +opgedragen voor de monniken te zorgen: ook nu nog een geliefkoosde taak +der leeken in Boeddhistische landen. Vandaar ook de zoo uitgebreide +aanplantingen van mango's, bananen enz. Ook van de planting van deze +boomsoorten wordt in een der edicten van Açoka gesproken. + +Uit deze opschriften blijkt voorts dat er drie jaarlijksche groote +feesten waren in die oude dagen, wier datum in verband met de maan werd +vastgesteld, feesten, waarbij olifanten, toortsen, optochten enz. te +pas kwamen. Tempels schenen er toen nog niet te zijn, de godsdienstige +plechtigheden hadden plaats in tempels van ongekorven hout met de +sterren als lampen. Açoka deed wat hij kon om het Boeddhisme uit te +breiden, en, al gingen de monniken in die dagen ook reeds zwijgend +rond, toch waren zij waarschijnlijk overigens niet zoo gesloten, +hun taak toch was: propaganda maken voor het nieuwe geloof, waarbij +hun echter werd ingeprent vriendelijk en meegaand te zijn tegen de +"ketters." Door zulke verzoenende manieren zullen zelfs de ketters +gunstig worden gestemd en zulk een gedrag zal het aantal bekeerlingen +doen toenemen. + +Dat het echter toch propaganda moest zijn, blijkt uit het volgende +in een der edicten: + +"Sinds langen tijd zijn er geen dienaars van den godsdienst +geweest, die, zich bewegende onder de ongeloovigen, hen met een +overstrooming van godsdienst overstelpten, met een overvloed van +heilige leeringen. Door Cambodja, Gandhara, Surasthra, Petenica en +elders zijn er nu aangewezen (als zendelingen), die hun weg vinden +tot op de uiterste grenzen der barbaarsche landen, voor het heil +van allen. Omgaande zoowel met de gevreesden als met de geachten, in +Pataliputra zoowel als in vreemde plaatsen, betere dingen leerende, +zullen zij overal doordringen." + +Zoo zwerven dus Açoka's monniken als echte huisloozen (pavajitani) +overal rond om hun nieuw Evangelie te brengen. + +Ook voor het uitwendige van den godsdienst deed Açoka veel. Hij +bouwde vier stupa's (grafheuvels) ter eere van den Verlichte: één op +de plaats, waar de Verlichte was geboren, één waar hij de verlichting +deelachtig werd, één te Benares, waar hij het eerst predikte, één te +Kusinara, waar hij het Nirvana inging. + +Men weet welke gedachten men over de stupa's had. Een dood man was +volgens de oude Indiërs (en nog is er iets van dat geloof over) +machtiger dan een levend persoon. Meestal stelde men zich voor dat +zijne kracht zich openbaarde, waar zijn lijk rustte, en men groef +zelfs daarbij heilige vijvers, waar een buitengewone versterking +den vereerders der heiligen ten deel viel. Over het graf bouwde +men dan een koepeldak, daar vereerde men de dooden en bracht hun +offers. Zoo nu deed men met Boeddha ook. In eene oude Chineesche +Boeddhistische liturgie heet het: "Ik beschouw het gewijde altaar als +eene koninklijk edelgesteente, waarbij de schaduw (geest) van Sakya +Tathagata verschijnt." + +Zoo dacht men dus, bij de vereering der stupa's in gemeenschap +te komen met Boeddha. Eer kunnen wij dus zeggen dat er in Açoka's +Boeddhisme eenig bijgeloof was, dan dat wij hem beschuldigen van een +soort atheïsme, als hoedanig sommige geleerden het oorspronkelijk +Boeddhisme willen opvatten. + +Açoka deed nog iets anders van groote beteekenis. Hij riep een +kerkvergadering te Patna bijeen in het jaar 244 v. C. waarop vooral +over de gewijde boeken werd gehandeld. Naar het schijnt werd het +volgende (blijkens een der opschriften des konings) vastgesteld: + +"Het is wel bekend, heeren, hoe ver mijn eerbied en mijn geloof in +Boeddha, Dharma en Sangha gaan. Alles wat onze heer Boeddha heeft +gesproken is wèl gesproken. Daarom, heeren, moet het inderdaad worden +beschouwd als van onbetwistbaar gezag. Zoo zal het ware geloof +lang duren. Alzoo, mijne heeren, eer ik met de hoogste vereering +deze godsdienstige werken: Vinayasamaka (lessen in discipline), +Aryavasas (de bovennatuurlijke krachten der Arya's), Anagatabhayas +(de verschrikkingen der toekomst), Munigathas (het leven van Boeddha +in versmaat), Upatisapasina (de vragen van Upatishya), Moneyasuta +(de Sutra van het innerlijk leven) en de vermaning tot Rahula +over valschheid, uitgesproken door onzen heer Boeddha [120]. Deze +godsdienstige werken, heeren, wil ik dat de monniken en nonnen, ter +bevordering van hun invloed ten goede, voortdurend zullen bestudeeren +en zich herinneren." + +Sommige geleerden beschouwen dit als een uittreksel, waarin Açoka de +voornaamste stukken uit een, toen reeds bestaanden canon opnoemt, +zoo b. v. Rhys Davis. Anderen meenen, dat juist het concilie van +Patna, waarvan dit ontwerp de besluiten meedeelt, op aansporen van +den koning een aanvang maakte met den canon. Mij komt deze laatste +meening waarschijnlijk voor. De zeven hier genoemde geschriften zijn +allen bekend. Wat de vragen van Upatishya aangaat, dat dit geschrift +hier voorkomt is niet onbelangrijk. Immers wat is de vraag die +Upatishya bezighoudt? Hij ziet van een heuveltop een feest, waarop +zeer velen zich vermaken. Eensklaps overvalt hem de gedachte: over +twee honderd jaren zullen alle deze levende wezens een prooi zijn van +den dood. [121] Indien daar is een beginsel van verwoesting, kan daar +dan niet evengoed een beginsel van leven zijn? Niemand kan deze vraag +beantwoorden, doch Athadzi loste hem deze op door hem Boeddha's Dharma +te leeren. Doet niet ook het opnemen van dit geschrift ons vermoeden +dat het oorspronkelijk Boeddhisme niet de ultra pessimistische leer +was, die sommigen er van willen maken? + +Açoka was dus de man, die, door het bijeenroepen eener groote +vergadering, welke de bovengenoemde geschriften ijkte, den +grondslag legde tot de gansche, vrij omvangrijke Boeddhistische +gewijde literatuur. De hoofdzaak daarvan vormen de drie Pitaka's +(korven), welke onder dien naam door de zuidelijke Boeddhisten voor +heilig en oud worden gehouden, doch wier boeken ook bij de meeste +andere Boeddhisten in eere zijn. Deze drie korven bevatten tal van +geschriften: de eerste korf bevat Vinaya (de tucht), de tweede Dharma +(de leer), de derde Abhidharma (het bovennatuurlijke). Een groot deel +dezer gewijde geschriften is tegenwoordig uitgegeven in de serie: +Sacred Books of the East (gewijde boeken van het oosten.) + +In het eerste gedeelte komt o. a. voor de vroeger reeds besproken +Patimokha (biechtrede), in het tweede o. a. Dhammapada, een verzameling +van schoone spreuken en Jataka's, verhalen over vroegere levens van +Boeddha, een rijke bron van oud-Indisch denken en gevoelen. + +Onder de Boeddhistische werken buiten deze drie Pitaka's kunnen wij +vooral noemen het "Lalita Vistara," waarin wij de levensgeschiedenis +van Boeddha in romantischen vorm vinden meegedeeld. Langzamerhand +zijn deze boeken bij elkaar gekomen en door de Boeddhisten in hooge +waarde erkend. + +Doch wij keeren na deze uitweiding tot Açoka terug. Hij maakte +blijkbaar met de doorvoering der Boeddhistische beginselen vollen +ernst. In een zijner edicten heet het "dat er nooit in eenig vroeger +tijdperk een systeem van onderwijs, toepasselijk op iederen tijd en +iedere daad is geweest, als wat nu door mij is ingericht." + +In een ander stuk heet het: "De voornaamste middelen die ik u +verschaft heb om dit uit te werken zijn de instructies, die ik u +gegeven heb. Gij zijt gesteld over honderde en duizende menschelijke +wezens om te winnen de liefde der welgezinden. Ieder mensch is mijn +kind, en mijn wil is dat mijne kinderen allen mogelijken voorspoed +mogen genieten in deze wereld en geluk in de volgende. Ik heb dezelfde +begeerte voor alle menschen." + +Deze laatste order gaf hij aan zijne rajuka's, waarschijnlijk +leekenbeambten: zij moesten dus, evenals de monniken, werken voor de +uitbreiding van den nieuwen godsdienst. Waarschijnlijk echter heeft +hij door een en ander den grondslag gelegd voor de latere hiërarchie +in sommige Boeddhistische landen, die zooveel overeenkomst heeft met +de Roomsch-Catholieke priesterheerschappij. Doch: daar mogen wij hem +de schuld niet van geven. Als wij nagaan wat Açoka wilde, dan moeten +wij dezen Constantijn van het Boeddhisme bewonderen, die--geheel +anders dan de Christelijke Constantijn--niet uit politieke, maar uit +religieuze en zedelijke overwegingen handelde en zijn beste krachten +inspande om de zijns inziens ware beginselen van het nieuwe geloof +te doen doorwerken in zijn rijk. Geen wonder dat hij in hooge eere +staat bij de volgelingen van Boeddha. + + + + + +VIII. Uitbreiding en ontaarding van het Boeddhisme. + + +Açoka zond zendelingen uit naar verschillende oorden, ten einde overal +voor het Boeddhisme propaganda te maken. O. a. ging zijn zoon Mahinda +naar Ceylon, een eiland dat ook nu nog aan het Boeddhisme getrouw +is. Vandaar uit is het weer naar Birma, Siam en Java verbreid. In +Birma deed het 450 jaar na C. zijn intocht. Op Java had het in de +13e eeuw een grooten bloei bereikt, toen toch werd daar de beroemde +Boro-Boedoer, een groote Boeddhistische tempel, gebouwd, waarvan de +ruïnen nog thans ieders verbazing wekken. Later werd het daar door +den Islam geheel verdrongen. + +In al deze streken hield men zich vooral aan de straks reeds genoemde +drie Pitaka's. En zoo is dan ook in Birma en Siam het Boeddhisme vrij +zuiver bewaard gebleven. Het moge al ondergaan hebben den invloed +der Mahayana [122], die het nieuwe geloof pessimistischer en minder +religieus opvatte dan de stichter, aan Boeddha's leer geheel vreemde +leeringen zijn hier niet ingeslopen. + +In Indië heeft het zich nog eenige eeuwen na Christus gehandhaafd, +doch ongeveer de 12e eeuw was het bijna overal door het Brahmanisme +verdrongen. Vanwaar dit verschijnsel? Er een uitvoerig antwoord op +te geven, zou vele bladzijden vereischen en ook vallen buiten het +kader van dezen arbeid. Alleen komt het mij voor dat ontaarding van +de oorspronkelijke beginselen hierop invloed had. Wat die ontaarding +betreft, zij moet allereerst gezocht worden in de zooeven genoemde +Mahayana, de school van den grooten overtocht, die feitelijk den +Allerhoogste onttroonde en leerde dat Boeddha zelf was vernietigd en +uit niets en tot niets de weg was voor allen. + +Die Mahayana heeft in Indië ten gevolge gehad dat een reactie opkwam, +die ten slotte van de oorspronkelijk zedelijke religie een magische +maakte en veel uit het oude Brahmanisme weer opnam. Beide deze +invloeden hebben het hunne gedaan om het Boeddhisme te ondermijnen +en de overwinning van het Brahmanisme te verzekeren in het grootste +gedeelte van Indië. + +Daarbuiten echter heeft het zich krachtig gehandhaafd, niet alleen +in Birma en Siam, alsook op het eiland Ceylon, maar is het zelfs +doorgedrongen in Tibet, in China en in Japan. In Ceylon, Birma en +Siam bleef het, zoo wij reeds opmerkten, vrij zuiver bewaard, terwijl +het zich in China en Japan met andere godsdiensten vermengde. Wat de +tegenwoordige Chineezen betreft, uit drie bronnen is afgeleid hun +geestelijk leven: Kong tsze, Lao tsze en Boeddha. Bij de Japanners +is het Boeddhisme met den ouden volksgodsdienst, het Shintoïsme, +samengesmolten. + +Zeer merkwaardig is echter de ontaarding van het Boeddhisme in +Tibet. Daar kwam het in een onbeschaafd land, onder een ruw volk: +'t gevolg was dat de geestelijke godsdienst hier slechts ingang kon +vinden in verbasterden vorm. + +Hetzelfde geschiedde, zoo men weet, met het Christendom, dat is +ontwikkeld tot Roomsch-Catholicisme door dezelfde invloeden: omdat +het alleen als een godsdienst van gezag de heidenen kon winnen. 't +Is voorts merkwaardig zoo groot als de overeenkomst is tusschen het +Tibetaansch Boeddhisme en het Roomsch-Catholieke Christendom. + +Naar men weet gelooft de Roomsch-Catholieke kerk dat de geest van +Christus alléén in hare kerk woont, op bizondere wijze die kerk +bestuurt en dat deze geest hare priesters en vooral haren paus +bezielt. Zoo nu denken de Tibetaansche Boeddhisten er ook over. Zij +gelooven aan Avalokitesvara, den geest van Boeddha, die in de kerk +woont. De naam Avalokitesvara beteekent: de Heer, die van omhoog +nederziet. + +Behalve Avalokitesvara hebben zij nog een aantal andere Boeddha's die +in den hemel leven, anderen, die op de aarde leven of geleefd hebben +enz. Ten slotte kwamen zij zelfs tot Adi-Boeddha: den eersten Boeddha, +uit wien dan de andere Boeddha's en met hem de werelden emaneerden. Uit +Adi-Boeddha waren namelijk--na vijf meditatiën van dezen--de vijf +Dhyani-Boeddha's gevloeid, de beheerschers van bovenaardsche gewesten, +uit dezen wederom de bij hen behoorende Bodhisatwa's (toekomstige +Boeddha's), en--ieder van hen deed uit zich voortkomen een gansche +wereld. De tegenwoordige is dan een maaksel van Avalokitesvara. Daarmee +ging gepaard een ontaarden van den godsdienst in magische formules en +uiterlijke vormen. Woorden kwamen boven daden. Iedere Tibetaan heeft +een rozenkrans van 108 kralen om daarmee zijn goede woorden te tellen: +vooral vele woorden moeten het zijn. + +Ja, om zegeningen te verkrijgen van al de hemelsche wezens, waarmede +zijne verbeelding de wereld bevolkt, heeft de Tibetaan zelfs +gebedsmolens of wielen: met heilige spreuken beplakt. Tibet is er +vol van: zij staan bij iederen weg, in elke straat. + +Dan heeft men ook lange staken, waaraan vlaggen zijn bevestigd, waarop +het heilige woord: Om Mani Padme Hum (het juweel is in de lotus d. i.: +de zelfscheppende kracht is in de wereld [123]). Telkens als die +spreuk bij een windvlaag ten hemel wijst, wordt een gebed opgezonden. + +Wij zagen dat volgens de Boeddhisten Avalokitesvara in de gemeente +woont. Boven alles echter woont deze in den Dalai-Lama, den +Boeddhistischen paus in Tibet, en de chutuktu's, zooveel als zijn +kardinalen. Deze paus is Adi-Boeddha's plaatsvervanger op aarde, +onfeilbaar is hij niet alleen, maar ook is hij wereldlijk vorst over +Tibet, evenals voorheen de paus overeen deel der Christenheid. + +Dat de overeenkomst met Rome groot is, is door tal van Roomsche +zendelingen erkend, sommigen van hen gingen zoover, dat zij zeiden: +de duivel heeft hier het werk van God nagemaakt. + +De eerwaarde pater Desideri, die in het jaar 1714 Tibet bezocht, +zegt: "De lama's hebben eene tonsuur evenals onze priesters en zijn +tot levenslangen ongehuwden staat verplicht. Zij bestudeeren hunne +geschriften in een taal en in letters, die van de gewone teekens +verschillen. Zij zeggen gebeden in koor. Zij dienen den tempel, +bieden offeranden aan en houden de lampen altijd brandende. Aan +God offeren zij koren en gerst, deeg en water in kleine vazen, die +zeer schoon worden gehouden. Het voedsel dat alzoo geofferd wordt, +beschouwen zij als gewijd, en zij eten het." + +Ook zekere pater Grueber, die in 1661 Tibet doorreisde, was er door +getroffen. "Hij merkte op, dat de kleedij der lama's overeenkwam +met die, welke ons in oude schilderstukken van de Apostelen +is overgeleverd. Ten tweede, dat de tucht der kloosters en der +verschillende priesterklassen zeer gelijkt op die der Roomsche +kerk. In de derde plaats, dat het denkbeeld van een vleeschwording +evenals het geloof aan paradijs en vagevuur aan beiden gemeen is. In +de vierde plaats merkte hij op dat zij offers gaven en aalmoezen, +diensten hielden en gebeden opzeiden voor de dooden, evenals de +Roomsch-Catholieken. In de vijfde plaats, hadden zij nabij Lhassa +kloosters, door dertig duizend monniken en nonnen bewoond, welke +allen, behalve nog andere geloften, die van armoede, gehoorzaamheid +en kuischheid aflegden: evenals de Roomsche. In de zesde plaats +hadden zij biechtvaders, die van de hoogere lama's of bisschoppen +hun bevoegdheid ontvingen en die daardoor de macht hadden de biecht +te hooren, boetedoeningen op te leggen en absolutie te geven. Ook +hadden zij de gewoonte gewijd water te gebruiken, bij hun diensten +om beurten te zingen, voor de dooden te bidden." + +Gemelde pater meende daarom, dat dit alles niet mogelijk was, +tenzij de oude boeken der lama's den invloed van het Christendom +hadden ondergaan. Wij kunnen dit gevoelen niet deelen: veeleer komt +het ons voor dat aan het omgekeerde is te denken. Doch: dit punt +hier te behandelen, hoe belangrijk het zij, (want er is inderdaad +overeenstemming tusschen de persoon, de legende, de latere ontwikkeling +der leer bij Christus en Boeddha) ligt niet op onzen weg. Alleen willen +wij nog een beschrijving geven van een godsdienstoefening, zooals +men die houdt in den hoofdtempel van het Tibetaansche Boeddhisme, +de kathedraal te Lhassa. + +"Door een ruime hal, waarin men gewijd water en rozenkransen kan +koopen, en waar vier beelden der aartsengelen staan, komt men den +tempel binnen. De muren zijn bedekt met ruw bewerkte schilderijen +uit de legende van Boeddha. Het dak wordt gedragen door zes zware +pilaren, met snijwerk versierd. De kerk zelf is een lang schip: door +twee rijen pilaren van twee zijvleugels en door zilveren opengewerkte +schermen van twee groote koren gescheiden. In ieder dier zijvleugels +zijn veertien kapellen. Aan het einde der kerk is de heilige plaats, +bevattend vijftien tafels, met juweelen voorzien, met mystieke +zinnebeelden van Sang-Sara en andere scheppingen van Boeddhistische +metaphysica. In de verste nis bevindt zich in een overwelfde ruimte +het beeld van den vergoodden Gautama Boeddha. + +"Ter linkerzijde daarvoor is de troon van den Dalai-Lama, ter +rechterzijde van den Pantschen Lama. Daarbij, in rangorde, langzaam +in glans verminderend, de zetels der Chutuktu's (kardinalen), abten +en der achttien orden van de lagere geestelijkheid. + +"Tegenover het beeld is het hoog altaar of de offertafel: verscheiden +treden boven de vloer; met trappen toegankelijk. Op de bovenste +trappen staan gouden, zilveren en steenen beelden, op de lagere trappen +klokken, lampen, wierookhouders en andere gewijde gereedschappen. + +"Op het geluid van een hoorn of trompet verzamelt zich de +geestelijkheid in den ingang (de straks genoemde hal) in +ambtsgewaad. Bij het derde trompetgeschal zet de stoet zich in +beweging, met den levenden Boeddha aan het hoofd. Als deze levende +Boeddha op zijn troon is gezeten buigt ieder der priesters driemaal +voor hem en gaat dan met gekruiste beenen op den divan zitten, +overeenkomstig zijn rang. Een bel klinkt en allen zeggen op: de drie +toevluchten, [124] de tien voorschriften [125] en andere formules. Na +eenige stilte gaat wederom de bel en langere stukken uit de heilige +boeken worden door de priesters in koor gezongen. Als het een feestdag +is, wordt het hoogtepunt van den dienst bereikt in het Tuisol, of +gebed voor heiliging, als de offers zijn gezegend. + +"Een bel klinkt, en al de monniken heffen luide een gebedshymne +aan, waarin gevraagd wordt dat de geesten van al de Boeddha's mogen +tegenwoordig zijn. + +"Een van hen heft boven zijn hoofd een spiegel, naar het schijnt om +hierop het beeld van den geest op te vangen, als deze verschijnt; een +tweede heft een drinkkan op, een derde een mystiek zinnebeeld van de +wereld, een vierde een schaal; en nog andere geheiligde gereedschappen +en mystieke symbolen. + +"Onderwijl worden de stemmen der zangers en het geluid van bellen, +trommels en trompetten al sterker, en de kerk wordt met wierookwalmen +vervuld. + +"De monnik met de drinkkan werpt herhaaldelijk water, met suiker +en saffraan vermengd, over den spiegel. Het water vloeit over den +spiegel naar het zinnebeeld der wereld en wordt beneden in een schaal +opgevangen. Telkens na gebruik wordt de spiegel met een zijden doek +afgeveegd. + +"Het mengsel wordt nu in een andere kruik gedaan: enkele droppels +bevochtigen de handen der dienstdoende monniken die er de kroon van hun +geschoren kruin, hun voorhoofd en hun borst mee aanraken. Eerbiedig +slikt hij dan de overblijvende droppels in, en zoo doende, meent hij +op mystieke wijze deel te verkrijgen aan het goddelijk wezen, welks +beeld opgevangen is op den spiegel, waarover het water is geloopen." + +Tot zoover over het Lamaïsme. Wat een afstand scheidt ons hier van +den verheven stichter zelf, die, wars van ceremoniën en plechtigheid, +door zelfverzaking en overpeinzing den weg vond tot den grooten +Vrede. Helaas, dat ditzelfde verschijnsel ons overal treft, welken +godsdienst wij ook beschouwen: straks zullen wij het ook elders +zien. Doch: kàn dat anders? Kan een frissche bergstroom zuiver blijven +tusschen vuile moerassen? Kan het reine denken, het zuiver gevoelen +blijven wonen in een onreine, gebrekkige menschheid? + +Hoe hooger dan ook de volken stonden, des te meer wordt de zuivere +geest bewaard: meer is er van Boeddha's geest gebleven in Birma dan +in Tibet. Toch: de schat is er nog wel, ook in dat laatste land, al +wordt zij daar opgeborgen in aarden vaten die er niet bij passen. Niet +te vergeefs leefden de groote denkers en strijders der menschheid. + + + + + + + +HOOFDSTUK V. + +De Chineesche Philosophie. + + +I. Inleiding. + + +Het doel van dit geschrift is juist niet om eene volledige geschiedenis +der Chineesche philosophie te geven of al de vraagstukken, welke deze +heeft trachten op te lossen onder het oog te zien. Daartoe toch zouden +zeer uitvoerige, boekdeelen vullende uiteenzettingen, noodig zijn, +die van het geduld van den lezer te veel zouden vergen. De bedoeling +is op beknopte en verstaanbare wijze te schilderen het eigenaardige +der Chineesche philosophie en hoe zij op de ontwikkeling van het +Chineesche volk heeft gewerkt. + +In hoeverre in oude tijden Turanische of Arische invloeden zich in +China hebben doen gelden, en vanwaar de sporen van deïsme komen, die +men in den ouden staatsgodsdienst ontwijfelbaar vindt, is hierbij +van minder belang. Gewichtiger en belangrijker is het feit, dat de +beschaving van het Chineesche volk, zooals wij die voor het eerst +in historische tijden ontmoeten, aanstonds iets van ouds gevestigds, +iets afgewerkts, afgeronds heeft: waarvan wij den aanvang niet kunnen +ontdekken, en die zich wel duizend jaar lang, tot aan den intocht +van het Boeddhisme vrijwel onveranderd heeft gehandhaafd. + +Wel vindt men ook in China sagen over oude dagen, waarin het volk +'s winters in holen, 's zomers in een soort nesten in boomen leefde, +waarin het gebruik van het vuur onbekend was en de bewoners nog niet +geleerd hadden visschen en vogels te vangen: doch wat op dezen, +ook naar Chineesche opvatting voorhistorischen tijd betrekking +heeft, vinden wij in latere werken, niet als een herinnering aan +een vaststaande traditie, maar aan legenden, van onheugelijke tijden +bestaande. + +Wat de standvastigheid der Chineesche zeden betreft, noemen wij het +feit, dat de offergereedschappen uit den tijd der Hsia dynastie evenzoo +gevormd zijn als die uit den laatsten tijd der Chau-dynastie, hoewel +twintig eeuwen beide dynastiën scheiden. Ook bleven de ceremoniën, +gebruiken en zeden in godsdienst, wijsbegeerte en zedeleer gedurende +dien tijd onveranderd. Hieruit leide men echter niet af dat de geest +van het Chineesche volk al dien tijd rustte, integendeel: zelden +is er een tijd geweest, waarin het Chineesche volk meer geestelijk +leven ontwikkelde dan van de 6e tot de 4e eeuw voor Christus. Doch: +dit geestesleven openbaarde zich vooral in het bewaren, verklaren en +uitwerken van wat eenmaal overgeleverd was. Het was meer om uitleggen +te doen dan om iets nieuws in het leven te roepen. + +De Chineesche philosophie heeft, gelijk wij dat ook bijna overal elders +zien, van af de oudste tijden zich in twee richtingen ontwikkeld. De +eene, waarvan Lao tsze als vertegenwoordiger mag gelden, bewoog zich +in metaphysisch-theosophische richting, de andere, waarvan Confucius +als hoofd wordt erkend, in ethisch-materialistische, of--juister +uitgedrukt, ethisch-politische richting. In het stelsel van Lao +tsze of Li R (het Taoïsme) treedt op den voorgrond "het inwendig +licht," dat 's menschen leven moet leiden, in dat van Confucius +de verschillende verhoudingen: tot ouders, familie, staat enz. die +'s menschen plichten bepalen. + +Wij zouden echter verkeerd doen ons Lao tsze en Confucius voor te +stellen als stichters eener nieuwe leer: beiden deden niets anders +dan de leer van vroegere gezaghebbenden overleveren, wier uitspraken +lang voor hun tijd de bron der Chineesche wijsheid vormden. + +Uit den langen strijd tegen het Taoïsme, een strijd die sedert het +begin onzer jaartelling ook tegen het van elders ingevoerd Boeddhisme +was gekant, is ten slotte het Confucianisme als overwinnaar +te voorschijn getreden. Nog heden is dit: evenals reeds voor +tweeduizend jaren, de orthodoxe richting: haar aanhangers hebben +in den loop der eeuwen de regeering des volks verkregen. Toch: +ook deze richting van de Chineesche philosophie heeft zich niet +vrij kunnen houden van allerlei, aan het gebied van den godsdienst +ontleende, vreemde bijvoegselen. De oude rijksgodsdienst: een uit +het Shamanisme ontstane vermenging van natuur-, geesten-, helden- +en vooroudervereering: die bij de voornamen in een aantal ambtelijke +ceremoniën, bij het volk in grof bijgeloof verloopt, heeft vooral +omtrent de vooroudervereering op deze philosophie invloed uitgeoefend, +terwijl ten opzichte van kosmogonische [126] en dergelijke vragen, +Boeddhistische en Taoïstische invloeden zich hebben doen gelden: +de laatste vooral sedert de 12e eeuw na Christus. + +Men zal zich wellicht verwonderen dat Boeddhistische en Taoïstische +invloeden hier werkzaam konden zijn: waar zij van de zijde van de +gevestigde leer zooveel vervolging moesten ondergaan. Men bedenke +echter dat het bij deze vervolgingen minder te doen was om de +onderdrukking of uitroeiing van dogmatische ketterijen, dan wel +om den staatkundigen invloed, welken de priesters van beide secten +trachtten te verkrijgen, tegen te gaan en vooral om het grondbeginsel +van het Confucianisme: de voortplanting der familie, die door het +geweldig toenemen der kloosters bedreigd werd, staande te houden. Wat +de kloosters betreft: er waren er b. v. in 845 n. C. 4600 met nog +40,000 kleinere stichtingen: terwijl toen het aantal monniken en +nonnen 260,000 beliep. + +Wat heeft aan het Confucianisme nu het overwicht gegeven? Zeker in de +eerste plaats dat het--in plaats van den eisch om de wereld te verlaten +en in mystieke bespiegeling op te gaan, een eisch, dien Taoïsme en +Boeddhisme stelden--deelname aan de praktische eischen des levens +aanbeval en daarvoor aanzien en eer als belooning stelde. Tegenover +deze leeringen van Lao tsze en Boeddha stond dus de leer van Confucius +als "wereldwijsheid"--een levensrichting, die voor den praktischen +Chinees groote aantrekkelijkheid moest bezitten. [127] + +Lang voor Confucius en lang na hem waren er in China personen, die +men met de Brahmaansche en Boeddhistische wijzen, met de Joodsche +profeten en met de Grieksche wijsgeeren kan vergelijken. Half +rhetoren, half politici, trokken zij in de kleine vorstendommen +van hof tot hof, menigmaal met een tot duizenden aangroeiend gevolg +van leerlingen. Terwijl zij, leerend en afkeurend, zich zeer op hun +wijsheid lieten voorstaan, waren zij vaak voor de vorsten, dikwijls +ook voor het volk, lastige menschen. Voor de praktische staatslieden +waren zij een gruwel en een spot. Daar hun zelden belangrijke posten +waren toevertrouwd ging hun gezag en invloed meestal spoedig door +de kuiperijen der beambten en adellijke familiën, die in ieder +der leenstaatjes, waaruit het groote rijk bestond, om den voorrang +kampten, te gronde. De dynastie van Shang, die van ongeveer 1766 +v. C. in China had geheerscht, was in 1122 v. C. door die van Chau +omvergeworpen. Wuwang, de eerste koning uit dit nieuwe geslacht, +die ongeveer te gelijk met den Israëlietischen koning Saul (1110 +v. C.) den troon besteeg, was een geleerde, vrome en dappere vorst, +maar hij beging de fout (misschien echter door den staatkundigen +toestand gedwongen) het groote rijk, dat vroeger slechts één heer, +den keizer, gekend had, in een aantal leenstaten van verschillende +grootte en macht (er waren er tusschen de 40 en 125 in verschillende +tijden) te verdeelen. Voor den keizer bleef slechts een onbeduidend +gebied bewaard. De nadeelige gevolgen van dezen maatregel bleven +niet uit: de leenheeren hadden voortdurend strijd met elkaar, de +zwakke keizers konden er geen orde onder houden, het rijk gaf een +beeld van de grootste verwarring te aanschouwen. Ieder landsheer, +groot en klein, dacht er slechts aan zijn gebied en zijn macht te +vergrooten ten koste van zijn buurman. En in den kring der staatjes +zelve leefden de voorname beambten, de adellijke familiën en de +politieke partijen in voortdurende twisten. In 't kort: een beeld, +zooals het Duitsche rijk niet zoo heel lang geleden nog te zien gaf. + + + + + +II. Confucius, zijn leven en leer. + + +Wij merkten in het vorige hoofdstuk op welk een grooten, hoewel +ongunstigen invloed de maatregel van keizer Wuwang wel had, een +invloed, die eeuwen voortwerkte, en die zich ook nog krachtig deed +gelden in de dagen toen de bekende Chineesche wijze Confucius geboren +werd. Deze zag het levenslicht in 550 v. C. Zijn vaderland was het +hertogdom Lu, gelegen in het tegenwoordige Shantung, een der straks +vermelde kleine vorstendommen. De Chineezen noemen hem Kung-Kiu. + +Confucius is een Latijnsche bewerking van het Chineesche +Kung-fu-tsze. Deze laatste naam is samengesteld uit den familie-naam +"Kung", de aanduiding van rang van hooge beambte "(Ta) fu" en de +toevoeging "Tsze" = leermeester. "Kiu" beteekent heuvel en heeft +betrekking op een uitwas, dien Confucius op het hoofd had, of op den +vorm van zijn hoofd. + +Confucius' familie stamde uit het keizerlijk geslacht der Shang. Zijn +voorvaderen waren vorsten van Sung geweest onder de dynastie van +Chau, en wel in het oostelijk deel van het tegenwoordige Honan. De +jongere tak dezer familie, waartoe Confucius behoorde, had den +bijnaam Kung aangenomen en was tegen het einde van de 8e eeuw naar Lu +getrokken. Daar was zijn grootvader commandant van een stad geweest +en had zijn vader zich als soldaat door groote lichaamskracht en +dapperheid onderscheiden. Confucius was geboren uit het tweede +huwelijk zijns vaders, door dezen op hoogen leeftijd met de dochter +van een buurman gesloten: volgens sommigen was hij slechts de zoon +van eene bijzit. + +De legende van later dagen heeft zijn geboorte met allerlei wonderbare +voorspellingen en verschijningen, met het optreden van een draak, +geniën enz. opgesierd. + +Over de jeugd van Confucius weten wij weinig: drie jaren na zijn +geboorte stierf zijn vader, op zijn negentiende jaar trouwde hij. Zijn +huwelijk was niet gelukkig: hij liet zich later van zijne vrouw +scheiden: misschien had deze ook wel redenen van ontevredenheid. Hoe +dit zij, een jaar na zijn huwelijk werd zijn zoon Li (karper) geboren, +zoo genoemd, omdat de hertog van Lu bij deze gelegenheid aan den +vader eenige karpers zond. In dienzelfden tijd werd Confucius tot +opziener der korenmagazijnen benoemd, een jaar later met het beheer +van staatslanderijen belast: naar het schijnt waren dit onbeteekenende +betrekkingen. + +Kort daarop begon Confucius zijn werkzaamheid als leeraar. Hij +verzamelde een aantal leerlingen rondom zich, wier +schoolgeld--geschenken, naar Chineesche opvatting--tot zijn +levensonderhoud dienden. + +Behalve met dit onderwijs en zijn ambt hield hij zich vooral bezig +met de bestudeering der oude ceremoniën en der oude muziek. In beide +deze takken der philosophie (de Chinees brengt ze hieronder thuis) +kreeg hij weldra zulk een groote roep van geleerdheid, dat vanaf het +jaar 517 een aantal jongelieden uit de aanzienlijkste familiën des +lands onder zijne leiding deze wetenschappen kwamen bestudeeren. Dit +verhoogde zijn aanzien en maakte het hem mogelijk een reeds lang +gekoesterden wensch te vervullen door aan de keizerlijke hoofdstad +Lo Yang in Honan een bezoek te brengen. Hij maakte zich daar het +verblijf ten nutte door de groote rijkstempels des hemels en der +aarde te bezoeken, en zich met de ceremoniën van het keizerlijk hof +op de hoogte te stellen. In dien tijd schijnt hij ook zijn bekende +ontmoeting met zijn ouderen tijdgenoot Lao tsze gehad te hebben, +die toen opziener der schatkamers in Lo yang was. Nog in hetzelfde +jaar keerde Confucius naar Lu terug. Zijn beroemdheid nam, misschien +ook door deze reis, van dag tot dag toe: zoo, dat hij zelfs tot 3000 +leerlingen rondom zich verzamelde. + +Evenwel, de staatkundige toestand in Lu maakte het hem weldra +onmogelijk daar langer te vertoeven. In 516 v. C. kwam het tot +openlijke vijandelijkheden tusschen het vorstenhuis en drie daaraan +verwante families, die van Ki, Shuh en Mang. Van die eerste familie +(Ki) schijnt Confucius (als cliënt) afhankelijk te zijn geweest. Het +eind van den strijd was de nederlaag van den hertog. Deze vluchtte +naar het naburige vorstendom Tsé en werd door Confucius gevolgd. + +Hoewel de hertog van Tsé hem zeer genegen was, bleek toch de tegenstand +van de mannen, die in het hertogdom aan het roer stonden, krachtig +genoeg om hem daar uit den staatsdienst te houden. Na een jaar keerde +hij dan ook weer naar Lu terug, waar hij 15 jaar doorbracht zonder +een ambt te kunnen verkrijgen. Zijn vaderland werd in dien tijd door +den strijd der partijen verscheurd. Eerst door de verdrijving van een +der voornaamste onruststokers kwam er althans een weinig rust. In 500 +v. C. werd Confucius tot eerste beambte der stad Chungtu benoemd. De +daarop door hem ingevoerde hervormingen trokken algemeen de aandacht +en zoo werd hij vervolgens tot assistent van den hoofdopzichter +van publieke gebouwen, en kort daarna tot minister van justitie +benoemd. Ook in dit ambt bracht hij treffende dingen tot stand, zoodat +naburige vorsten, wien de bloei van Lu jaloersch en tegelijk bezorgd +maakte, er op uit waren hem zijn post te doen verliezen. Dit gelukte +ook: zij zonden den hertog zestig schoone meisjes, danseressen en +zangeressen ten geschenke, die den hertog geheel in hare lieflijke +striknetten verwarden en zijn aandacht van de regeeringszaken wisten +af te leiden. Bedroefd en geërgerd verliet hij zijn vaderland. Dertien +jaar lang trok hij, onder allerlei ontberingen, van de eene plaats +naar de andere zonder ergens een open oor voor zijn plannen te vinden. + +Zoo verhaalt de oude overlevering. Denkelijk is zij niet geheel +juist. Bij andere gelegenheden was Confucius niet zoo fijngevoelig als +hij ons hier wordt voorgesteld. Het waarschijnlijkste is dat de familie +Ki, die Confucius aan ambten en waardigheden geholpen had, op hem als +een willig werktuig hunner partij had gerekend en zeer ontgoocheld +was, toen Confucius het ondernam de macht der groote leenheeren in het +vorstendom te knotten en hun versterkte steden te slechten: de plaatsen +van waaruit zij den beheerscher des lands trotseerden. Waarschijnlijk +moest Confucius meer wijken voor fijngesponnen intriges dan voor +uitwendige macht. Zijn ballingschap zal wel geen geheel vrijwillige +zijn geweest. De invloed der familie Ki heeft hem voorzeker langen +tijd den terugkeer in het vaderland onmogelijk gemaakt en dien eerst +toegelaten, toen men van den afgeleefden grijsaard niets meer te +vreezen had. + +In 483 keerde Confucius naar Lu terug. Daar werd zijn tijd door +onderwijs geven en letterkundige bezigheden in beslag genomen, totdat +hij in 478 v. C. op 73-jarigen leeftijd stierf, verbitterd door het +vruchtelooze van al zijn bemoeiingen, het onvervuld blijven zijner +verwachtingen. Zijn laatste woorden tot zijn leerling Tsze kung waren: +"Geen wijze heerscher verschijnt, niemand in het gansche rijk wil +mij als raadsman hebben, mijn tijd om te sterven is gekomen." Zijn +leerlingen begroeven hem in K'hufuhsien, [128] in het tegenwoordige +Shantung. Drie jaar lang treurden zij bij zijn graf, waar zij zich, +naar Chineesche zeden, hutten oprichtten. + +"Na den dood van Confucius," zoo heet het in de geschiedenis der +Han-dynastie (210 v. C.-24 n. C.) "was het met zijn leer gedaan en +nadat zijn zeventig (voornaamste?) leerlingen waren heengegaan, +werd zijn leer bedorven (verbasterd). Er waren een groot getal +verschillende teksten van de jaarboeken, van het liederenboek en van +het boek der veranderingen en gedurende de verwarde toestanden en +twisten der verschillende staten (480-221 v. C.) raakten waarheid en +leugen nog meer met elkaar in strijd en in de leer der verschillende +geleerden heerschte groote verwarring. Toen kwam het ongeluk, +door de Tsin-dynastie (220-205 v. C.) veroorzaakt: deze bewerkte +namelijk dat de boeken der geleerden met vuur werden verbrand, opdat +het volk onwetend zou worden gehouden. Langzamerhand echter kreeg +de Han-dynastie de macht in het rijk. Deze spande zich in om de +schade te herstellen, die de Tsin-dynastie had veroorzaakt. Tafels +en plankjes (waarop men in oude dagen teekens insneed of inkerfde) +zocht men bijeen en de (klassieke) boeken werden verzameld." + +In denzelfden tijd werd Confucius door de rijksregeering: d. w. z. door +den vertegenwoordiger daarvan, den keizer, officieel erkend (n.l. als +vereerenswaardig). + +Reeds vroeger--na zijn dood--was hem ter eere door den hertog van Lu +een tempel gebouwd, waarin viermaal per jaar offers moesten worden +gebracht. Doch hoewel in 194 v. C. de grondvester der Han-dynastie, +toen hij door Lu reisde, dezen tempel bezocht en er een os liet +offeren, duurde het toch tot het jaar 1 n. C., eer keizer Ping +aan Confucius een onsterfelijken eeretitel verleende en tot 57 +n. C. voor offers aan hem in alle keizerlijke en rijksscholen +werden ingevoerd. Deze vereering deelde Confucius tot het jaar +609 n. C. met den hertog van Chau, Chau-Kung, den broeder van den +eersten keizer van dienzelfden naam. Eerst na dien tijd werden voor +Confucius afzonderlijke tempels opgericht en vanaf 628 werd hij +alleen vereerd. De officieele eeretitel, dien hij nu bezit: "Kung, +de oude leeraar, de volkomen wijze" dateert eerst uit het jaar 1657 +en is hem verleend door den eersten keizer der nu nog regeerende +Mandschoe-dynastie. Deze heeft meer dan ééne der voorgaande dynastiën +voor het aandenken en de vereering des meesters gedaan: zeker wel +in het juiste besef daardoor voor het Chineesche volk haar vreemde +heerschappij wat minder drukkend te maken. + +Zooals wij reeds opmerkten leerde Confucius niets nieuws: hij +verklaarde slechts de leer, die van oudsher geldig was en beriep +zich daarop bij alle gelegenheden. Ja, het is wellicht juist aan +dit onpersoonlijk karakter zijner leer toe te schrijven, dat deze +gedurende zooveel eeuwen zulk een invloed op het volk kon uitoefenen. + +Confucius en zijne leerlingen, navolgers en commentatoren waren +slechts de bewaarders eener traditie, die sedert langen tijd in het +bewustzijn van het Chineesche volk als met ankers was vastgemaakt. + +Wat Confucius leerde kan men het best samenvatten in deze stelling: wie +anderen wil opvoeden moet allereerst zichzelf opvoeden, m. a. w. een +opvoedkundige opvatting van het Grieksche: "Ken u zelf," maar--tegelijk +een onmiskenbare vooruitgang: want zelfkennis heeft dan alleen waarde, +als zij het begin van beterschap is. + +"Confucius sprak met voorliefde van het gewone, regelmatige en niet +van het ongewone of buitengewone; hij sprak van wat men door vlijt en +daarop berustende kracht verkrijgen kon; maar niet van wat men door +overmacht kon bereiken. Hij sprak van toestanden van orde en niet +van toestanden van regeeringloosheid met kuiperijen, die daarbij +voorkomen, hij sprak van menschelijke en niet van bovenaardsche +dingen. Hij leerde verstaan de grondstellingen, in de schriften der +ouden vervat en hoe daar naar te handelen, de zedeleer van het hart +en hoe aan de zedelijke beginselen getrouw te blijven." + +Aldus omschrijft een uitlegger zijner werken een plaats uit zijne +"Gesprekken", die treffend de leerwijze van Confucius in het licht +stelt. + +Bizonder eigenaardig is in Confucius de afkeer om zich in te laten +met wat betrekking heeft op de onbekende toekomst des menschen aan +gene zijde des grafs. + +"Gij kunt de levenden niet dienen, hoe zult gij de geesten dienen," +antwoordt hij aan een zijner leerlingen en als deze nog verder op het +onderwerp wil ingaan, zegt hij: "Gij kent het leven nog niet, hoe kunt +gij iets weten over den dood?" De oude uitleggers verklaren deze plaats +zoo, dat Confucius den leerling geen ander antwoord gegeven heeft, +"wijl geesten en dood onbegrijpelijke dingen zijn en het de moeite +niet loont daarover te spreken." + +Het 10e boek der "Gesprekken" behelst een vrij uitvoerige schilderij +van de gewoonten en de houding des wijzen, doch: zooals Dr. Legge, +de vertaler van de klassieke werken der Chineezen, zegt: "Confucius +is als wijsgeer voor mij gedaald, sedert ik hem in zijn huisjasje, +zijn bed en zijn reiswagen gezien heb." [129] + +Toch heeft die pijnlijke zorgvuldigheid, waarmede zijn leerlingen ook +de kleinste nietigheden uit de gewoonten huns meesters opteekenden, +een voordeel: zij bewijst ons, hoe behoudend de Chineezen zijn, zelfs +in de onbeduidendste uiterlijkheden, daar veel van de toen beschreven +gebruiken nog zoo bestaan. + +Zoo wordt op een plaats verteld hoe Confucius deed, wanneer hij +op bevel van den vorst een bezoeker moest ontvangen: "Hij ijlde +vooruit, de armen opgeheven als de vleugels van een vogel." Hetzelfde +ceremonieel heerscht thans nog aan het Chineesche hof: de vreemde +gezanten, die de keizer van China in 1874 en later ontving, zouden +het kunnen getuigen. + +"Bleef hij in de poort staan, zoo deed hij dit niet in het midden +van het pad, en bij het in- en uitgaan trad hij niet op den drempel." + +De weg onder iedere poort was in oude tijden door een paal in twee +deelen gescheiden: voor het in- en voor het uitgaan. Het midden van +ieder dezer twee wegen mocht slechts de vorst gebruiken. Tegenwoordig +zijn er in de keizerlijke paleizen en vertrekken bijna overal +verscheidene poorten en deuren: drie tot vijf, waarvan de middelste +alleen voor den keizer dient en door niemand anders betreden mag +worden. Waar slechts één poort of deur is, zooals bv. in de hal, +die tegenwoordig voor de audientiën der vreemde gezanten gebruikt +wordt, wil de etiquette, dat het in- en uitgaan niet precies door het +midden plaats heeft. In tuinen en op begraafplaatsen van keizers of +prinsen is het middelste gedeelte van de middelste trap, die tot de +hal of den tempel voert, dikwijls met groote platen marmer bedekt, +waarop zich in reliëf bewerkte draken bevinden. Zoo is het betreden +daarvan onmogelijk gemaakt: en terwijl de dragers rechts en links de +trappen opgaan, zweeft slechts de draagstoel of de doodkist over het +midden van de trap. + +Wat het betreden van den drempel aangaat, dit geldt, evenals in oude +tijden, ook nu nog voor onbeleefd en de bewoners van het huis onheil +aanbrengend. Bij audientiën des keizers wordt dan ook aan de gezanten +uitdrukkelijk verzocht, het betreden van den, bijna een voet hoogen, +zeer smallen drempel te vermijden. In Japan werd het ook tot voor +weinige jaren als een grof vergrijp beschouwd: als een beleediging, +die onder mannen met twee zwaarden, [130] slechts door bloed kon +worden uitgewischt. Den voet op iemands drempel zetten, beteekende +hetzelfde als hem den heer des huizes op het hoofd zetten. + +Het beeld van Confucius, dat ons uit de over hem bewaarde berichten +tegenkomt, is niet zeer aantrekkelijk. Wij zien voor ons een oudachtig +humeurig heer, wien 't echter aan geestigheid niet ontbreekt: een man, +pijnlijk afgemeten in kleeding, gedrag en gewoonten, die alles weet en +alles kan en nooit eene gelegenheid laat voorbijgaan om zijn medemensch +vol zalving te doen gevoelen, dat hij het beter weet dan deze. + +We aanschouwen een professor, die met de dooden op een vrij goeden +voet staat: hen immers kan hij kritiseeren en aanhalen, zonder dat +zij hem tegenspreken: doch die het den levenden niet vergeeft, dat de +geschiedenis zich niet afspeelt volgens het door hem gesponnen schema +en dat hij niet geroepen wordt om de wereld weer in zijn kader terug +te brengen. Daarom knaagt hij aan alles, wat anderen doen of nalaten: +zou hij zich in alles willen mengen, als die anderen het maar toelieten +en wordt hij door de gedwongen rust, door de tweespalt tusschen zijn +willen en niet vermogen, tegen anderen en ten slotte tegen zichzelf +verbitterd. + +Zulk een oordeel schijnt hard, maar het werd reeds geveld door zijn +tijdgenooten en door hen die kort na hem leefden. Echter bedenke men +dat zijn tegenstanders het velden en dus wellicht wat overdreven. + +In het boek Sze ma tsien wordt, van Taoïstische zijde, dus door de +aanhangers van Lao tsze, gehandeld over een samenkomst tusschen Lao +tsze en Confucius. Daarbij zegt de eerste--oudere tijdgenoot van +Confucius--tot den laatste, die hem vermoedelijk verveeld had met +citaten uit het leven der oude wijzen en met zijn betoog over het nut +van uitwendige ceremoniën voor de innerlijke ontwikkeling des menschen: +"De lieden, waarover gij zoo veel spreekt, zijn reeds lang dood en +hun gebeente is vergaan, slechts hun woorden klinken na. Als de tijd +van den wijze is gekomen, spreekt hij: is die er niet, dan weet hij +te zwijgen. Ik heb gehoord dat een goed koopman, ook als hij zijn +schuur met schatten gevuld heeft zich toch als arm voordoet en dat +de wijze zijne wijsheid te verbergen weet. Leg af uwen hoogmoed en +uwe begeerten, uw uitwendigen schijn en uw wilde plannen. Dat alles +is voor u zonder nut. Dat is het eenige, wat ik u te zeggen heb." + +Op een plaats in de "Gesprekken" wordt verteld hoe Confucius, toen +hij eens voor een rivier was gekomen, die hij moest overtrekken, een +zijner leerlingen naar twee lieden zond, die daar in het veld werkten, +om te vernemen waar men den stroom het best kon doorwaden. + +De arbeiders waren asceten (Taoïsten) die zich van de wereld +teruggetrokken hadden. Een van hen vroeg, wie de man in den wagen +was, die ingelicht wilde worden. De leerling noemde den naam van +Confucius. "Kung-kiu uit Lu? die kent de voorde" (m. a. w. die weet +immers alles, dus ook dit) sprak hij, keerde zich om en werkte +voort. De andere arbeider was minder kort aangebonden, doch niet +vriendelijker. "Gij zijt een leerling van Confucius? Wanorde bedekt +als een gezwollen rivier het gansche land en wie zal dat, u en hem ter +wille, veranderen? Waarom wilt gij iemand volgen, die slechts hier +en daar de wanorde uit den weg gaat (zinspeling op het rondtrekken +van Confucius van het ééne land naar het andere) en niet een, die +zich geheel en al van de wereld terugtrekt? Zoo sprak deze en ging +weer aan zijn werk. + +In de werken van Chwang-tsze komt Confucius er nog slechter af. Daar +komt een stuk in voor, getiteld "De roover Kih", waarin verteld wordt +hoe Confucius zich in het leger van dezen rooverhoofdman begaf om hem +van zijn booze wegen terug te brengen, doch door dezen zeer slecht +werd ontvangen. De roover toch zeide: + +"Gij geeft vele redeneeringen ten beste en praat maar door, u beroepend +op de oude wijzen, zonder dat daarvoor reden is. Hoe meer gij spreekt, +des te meer onzin komt er voor den dag. Gij voedt u, zonder te ploegen, +gij kleedt u, zonder te weven, uw lippen staan niet stil en uw tong +gaat als een trommelstok. Gij beslist maar wat recht en onrecht is +en brengt daardoor alle vorsten des rijks op verkeerde wegen. Gij +geeft aanleiding dat de geleerden zich niet bemoeien met wat hun +eigenlijke taak is. Gij praat over kinderlijke liefde en broederlijken +plicht en zijt toch steeds onafscheidelijk van de vorsten des rijks, +de aanzienlijken en adellijken... Gij wilt de oude leeringen van W +en Wang (die nergens goed voor waren) weer opflikken en gij beweert +van alle mogelijke dingen, dat zij kunnen dienen voor de onderwijzing +der komende geslachten. Met uw bizonder gewaad en uw nauwen gordel, +met uw bedriegelijke redenen en huichelachtig gedrag verleidt gij de +vorsten der staten en streeft gij naar rijkdom en eer. Een grooter +roover dan gij is er niet: waarom noemt men u niet den roover Kiu, +in plaats van mij den roover Kih?... Gij noemt u een man van talent: +een wijze! Tweemaal heeft men u uit Lu weggejaagd, uit Wei moest gij +vluchten, in T'si kreeg men u te pakken en in Ch'en en Ts'ai hielden de +soldaten u omsingeld. Voor u is er in het rijk geen plaats meer, waar +gij uw hoofd rustig kunt neerleggen. Uwe leeringen dragen er schuld +aan, dat uw leerling Tsze lu is terechtgesteld en zijn gevierendeeld +lichaam boven de poort van Wei is gehangen. Gij kunt noch uzelf noch +anderen voor onheil bewaren, wat kan uwe leer dan voor waarde hebben?" + +Ook andere leeraars, niet behoorende tot de Taoïstische richting, +hebben Confucius scherp aangevallen, zooals bv. in de eerste eeuw +n. C. de beroemde Wang-Chung, die voor de oorspronkelijkste en +scherpzinnigste van alle Chineesche wijsgeeren doorgaat en wiens +talent en beteekenis zelfs door de Chineesche orthodoxie wordt erkend, +al halen zij ook afkeurend de schouders op over den buitengewonen +ijver en de grenzenlooze vermetelheid waarmede deze denker blootlegt +en veroordeelt wat hij noemt de overdrijvingen en verzinsels van +Confucius en Mencius. + +Tegenover al die afkeurende oordeelvellingen laten wij hier volgen +een plaats uit het "Onveranderlijk midden" die ons doet zien hoe de +leerlingen over hem dachten. Deze lofzang, want een lofzang is het, +die hier wordt aangeheven, geeft ons tegelijk te zien wat de Chinees +onder een "volmaakte wijze" verstaat en wat Confucius ook thans nog +voor hem is. + +"Confucius leverde de leeringen van de keizers Yao en Shun aan +het nageslacht over, als waren deze (keizers) zijn voorvaderen +geweest. Hij verklaarde de instellingen van Wen en Wu (de stichters +der Chau-dynastie) die hij zichzelf tot voorbeeld had gesteld. Naar +boven was hij in harmonische overeenstemming met de eeuwige bewegingen +des hemels, beneden stond hij vast als de aarde. + +"Wel mag men hem vergelijken met den hemel en de aarde, die alles +dragen en behouden, alles beschaduwen en beveiligen. Hij is als de +vier jaargetijden in hun wisselenden loop, als de zon en de maan met +haar elkaar afwisselend licht. + +"Alles (in het wereldgeheel) bestaat naast elkander, zonder dat het een +het ander schade doet. De loop der jaargetijden, van de zon en de maan +gaat voort, zonder dat zij elkaar hinderen. De kleinere krachten (der +natuur) zijn als de stroomingen der rivieren, de grootere openbaren +zich in groote veranderingen (omkeeringen). Dat is het wat hemel en +aarde zoo groot maakt (de harmonie der sferen?) + +"Hij slechts, die alle goede en wijze eigenschappen bezit, die +onder den hemel kunnen bestaan, toont zich vlug in het begrijpen, +helder in het onderscheiden, voorzichtig in het als waarheid aannemen, +alomvattend in het weten, geschapen om te heerschen, edel van hart en +grootmoedig, welwillend en mild, voorzichtig, opwekkend, krachtig, +vast en volhardend, behoudend wat hij heeft verkregen, vast, de +juiste grenzen bewarend, ernstig, nooit afwijkend van 't (rechte) +pad, zonder gebrek (correct), eerbied afdwingend, volkomen, scherp +van inzicht, scherpzinnig en doordringend, bekwaam om (goed en kwaad) +te onderscheiden. + +"Alomvattend is hij en ruim, diep en nooit rustend, als een bron +(die altijd vloeit) ter rechter tijd zijn deugden openbarend. + +"Alomvattend is hij en ruim, hij is als de hemel. Diep en nooit +rustend als de bron, is hij (ondoorgrondelijk) als de afgrond. Hij +verschijnt, en allen vereeren hem, hij spreekt, en allen gelooven hem, +hij handelt en allen bewonderen hem! Daarom gaat zijn roem over het +gansche rijk en dringt door tot de verste barbaren. Zoover schepen +en menschen komen en des menschen kracht reikt, zoover de hemel zich +welft en de aarde draagt, zoover zon en maan schijnen, rijp en dauw +nedervallen: zoover heeft hem alles lief en eert hem, wat bloed en +adem heeft. Daarom zegt men: Hij is als de hemel." + +"Slechts hij, die de grootste reinheid bezit, welke onder den hemel +mogelijk is, kan de onveranderlijke betrekkingen regelen tusschen +de menschen onderling, de groote deugden, die den grondslag vormen, +vaststellen en de krachten des hemels en der aarde die alles nieuw +vormen en voeden erkennen; zou zulk een persoon steunen op een wezen +of een ding, dat buiten hem ligt?" + +"Noem hem den idealen man: want hoe streeft hij naar ernst. Noem hem +afgrond, want hij is diep. Noem hem hemel, want hij is ruim." + +"Wie anders kan hem begrijpen dan die vlug is in 't bevatten, klaar +in 't onderscheiden, ruim van blik in 't erkennen, alomvattend in 't +weten, die alle hemelsche deugden bezit (die n.l. aan hem gelijk is)." + +Het zou zeer verkeerd zijn Confucius te meten met een hedendaagschen +of een christelijken maatstaf. Hij was een zoon van zijn tijd: +saamgegroeid met de inzichten en opvattingen, daaraan eigen, staande +op den bodem der toenmalige moraal. Ook was hij persoonlijk niet +vrij van zwakheden en gebreken, die hem bij herhaling vermaningen +en waarschuwingen bezorgden, althans van één zijner leerlingen, +Tsze lu. Deze trad bij meer dan eene gelegenheid als de ware ridder +op. Confucius had steeds geijverd tegen oproerige onderdanen en +beambten: toch was tweemaal de waarschuwende stem van Tsze lu noodig +om den in al zijn droomen en verwachtingen van staatkundig en sociaal +hervormer teleurgestelden man, te verhinderen om ontrouw te worden +aan zijn eigen leer. + +"Ja," roept hij eens uit, als Tsze lu hem de tegenspraak doet +gevoelen, die er tusschen zijn woorden en zijn daden zou liggen, +"ja, ik heb gezegd dat een edel man zich niet inlaat met hen die +kwaad doen; maar zegt men niet: wat werkelijk hard is kan geslepen +worden zonder dunner te worden en wat werkelijk wit is kan in een +donkere vloeistof gedompeld worden zonder dat het zwart wordt? Ben +ik dan een bittere komkommer? Hoe kan ik er voor bewaard blijven +gegeten te worden?" Bij een andere gelegenheid, als een oproermaker +hem tot zich roept, zegt hij: "Het moet toch een reden hebben, dat +hij mij bij zich verzoekt! Als iemand mij maar gebruiken kon, hoe +zou ik een ander westelijk Chau tot stand brengen!" (Chau was het +vaderland der regeerende dynastie en in oude tijden het voorbeeld +van een goed bestuurden, gelukkigen staat). + +De zucht om een politieke rol te spelen, schijnt van alle zwakheden +van Confucius, die de overlevering ons meedeelt, de grondslag te zijn +geweest. Zoo b.v. toen hij er toe kwam om in het gevolg van den vorst +van Wei en diens slecht te boek staande vrouw door de straten der +hoofdstad te rijden en het volk hem nariep: "Ondeugd voorop en deugd +achteraan", of--toen diezelfde dame hem in audiëntie ontving en hij +zich tegenover Tsze lu met de woorden "Waarin ik tekort geschoten ben +moge de hemel mij straffen," rechtvaardigde. Toen hij den eed brak, +dien hij aan den commandant van Pu had gedaan, om niet naar Wei te +gaan, zeide hij tot zijn verontschuldiging: "Het was een gedwongen eed, +zulk een hooren de geesten niet." + +In den tijd van Confucius en nog lang daarna heerschte in China +de bloedwraak. + +"Met den moordenaar zijns vaders mag de zoon niet onder denzelfden +hemel leven, tegen den moordenaar zijns broeders moet een man +nooit naar huis terug behoeven te gaan om een wapen te halen, met +den moordenaar van een vriend mag een man niet in denzelfden staat +wonen," heet het in het boek der gebruiken, en deze voorschriften +heeft Confucius uitdrukkelijk bekrachtigd. + +Bij den regel, dat de zoon op een mat van gras moest slapen, met zijn +schild als hoofdkussen, totdat hij den moordenaar zijns vaders had +gedood; dat hij op de marktplaats en aan het hof het wapen steeds bij +de hand moest hebben om hem te treffen, heeft de zin, dat men anderen +niet doen moet, wat men niet wil dat zij u aandoen een buitengewoon +praktische beteekenis. Het kan ons dan ook niet verwonderen, dat, als +een zijner leerlingen vraagt, of er geen woord is, dat als regel voor +de verhoudingen van het gansche leven kan dienen, hij dezen antwoordt: +"Is niet wederkeerigheid zulk een woord? Dat het verder strekkend +beginsel: kwaad met goed vergelden, ontbreekt, is wel natuurlijk: +een ander leerling kreeg dan ook op een vraag, hierop betrekkelijk, +ten antwoord: "En waarmee zal men dan goed vergelden? Vergeldt het +booze met rechtvaardigheid en goed met goed." Het komt geheel en al +overeen met de strenge opvatting van den wijze, dat op een andere +plaats hem, die anders handelt (kwaad met goed dus vergeldt) vrees +als beweegreden wordt toegeschreven. + +In de positieve zedeleer van Confucius kon deze mildere opvatting geen +plaats vinden: wel in de theosophie van Lao tsze, gelijk dan ook het +beginsel "Vergeldt kwaad met goed," in den Tao-teh-king voorkomt. + +De leer welke Confucius verkondigde en verklaarde laat zich in 't +wezenlijke hierin samenvatten (zooals wij reeds opmerkten) dat ieder +zichzelf moet opvoeden om anderen, die hem door leeftijd en positie +ondergeschikt zijn, te kunnen opvoeden. Terwijl dus voor den een het +opvoeden en het bevelen tot plicht wordt gemaakt, wordt den ander +gehoorzaamheid ingescherpt: doch geen absolute, die in ieder geval +moet worden betracht: de zoon toch zoowel als de ambtenaar moeten +hun vader of vorst als hij afdwaalt, terugvoeren op het pad der deugd. + +"Hoe zal men een vorst dienen," vraagt Tsze lu en Confucius antwoordt: +"Bedrieg hem niet en wederspreek hem in 't aangezicht." Op de vraag, +of een zoon in elk geval het bevel zijns vaders moet gehoorzamen +antwoordt Confucius: "Wat zijn dat voor redenen! Als in oude tijden +een keizer al geen goede grondbeginselen had, doch zeven ministers, +die hem waarschuwden, dan verloor hij het rijk niet. Als een leenvorst +vijf zulke ministers had ging zijn huis niet onder. Als een geleerde +een vriend had, die hem waarschuwde, zoo behield hij zijn goeden naam +en als een vader een zoon had, die hem de dingen die verkeerd waren +bevolen, onder het oog bracht, zoo deed hij niets dat onrechtvaardig +was. Daarom, indien er gevaar is dat er onrecht zal worden gepleegd, +mag een zoon niet aarzelen dit zijn vader, noch een minister dit zijn +vorst onder het oog te brengen. Wanneer het aldus plicht is reeds +tegen onrecht, dat nog staat te geschieden, op te treden, zou het dan +kinderlijk zijn om een bevel zijns vaders, dat onrecht in zich sluit, +te gehoorzamen?" + +Het "Boek der kinderlijke liefde," [131] "De groote leer," [132] en +"Het onveranderlijke midden," [133] behelzen de grondstellingen der +leer van Confucius in meer geordenden en samenhangenden vorm, dan dit +in de "Gesprekken en uitingen" het geval is. Eenige aanhalingen uit +deze drie werken zullen zeker bijdragen tot recht verstand der leer +van Confucius. + +"De kinderlijke liefde is de wortel van iedere deugd, waaruit de +volkomendheid voortkomt. + +"Het lichaam (tot op de huid en de haren toe), dat men van zijn ouders +ontvangen heeft niet te beschadigen, is de aanvang der kinderlijke +liefde, [134] zich (geestelijk) te volmaken en overeenkomstig (die +volmaking) te handelen en zijn naam aan toekomstige geslachten over +te leveren, opdat de ouders geëerd worden: dat is de voleindiging +der kinderlijke liefde. + +"Want kinderlijke liefde begint met de ouders te dienen, de dienst +van den vorst is het midden, voor nakomelingschap zorg te dragen is +het einde. + +Wat "De groote leer" onderwijst is: de deugd te beoefenen, het volk +op te voeden, in de volkomenheid te volharden. + +"Ieder ding heeft zijn wortelen en zijn takken, ieder streven zijn +begin en zijn doel: te weten wat begin en doel zijn, dat is de +beteekenis der "Groote leer" te verstaan. + +"In oude dagen schiepen zij, die wenschten dat de deugd beoefend +werd in het gansche land, eerst orde, ieder in zijn eigen gebied +(leenvorstendom). Om dit te bereiken schiepen zij orde in hunne +familiën en om die te verkrijgen streefden zij er naar zichzelf +te volmaken. Om zich te volmaken reinigden zij hunne harten en om +die loutering te verkrijgen streefden zij naar kennis van hun eigen +geest. Om zelfkennis te verkrijgen, trachtten zij hun wetenschap te +vermeerderen en die vermeerdering werd door het onderzoeken van alle +dingen aangebracht. + +"Van den keizer af tot de groote volksmassa toe: ieder moet +de reiniging van het eigen ik als de wortel van al het andere +beschouwen. Wordt de wortel verwaarloosd, zoo kan niets, wat uit haar +voorkomt, goed zijn: het is nog nooit voorgekomen, dat iemand voor +geringe zaken groote opmerkzaamheid en tegelijk voor gewichtige zaken +geringe opmerkzaamheid had (m. a. w. die in het kleine getrouw is, +zal ook in het groote getrouw zijn). "Wat bedoeld wordt met: "Het +geluk en de vrede des rijks hangen van de regeering der staten af" +is dit: "Als de vorst zeer oude lieden behandelt, zooals dat behoort, +zal er in het volk kinderlijke liefde heerschen, als hij de ouden +zoo behandelt, zal men broederlijk zich voegen naar elkaar, als hij +de jongeren en zwakken liefdevol behandelt zal het volk datzelfde +doen. Zoo heeft de heerscher een maatstaf, waarmede hij als met een +winkelhaak zijn gedrag kan afmeten. + +"Wat een man bij die over hem gesteld zijn niet bevalt, moet hij +ook tegenover zijn ondergeschikten niet doen; wat hem bij zijn +ondergeschikten niet bevalt, zal hij niet doen tegenover zijne +meerderen; wat hij niet van den rechterkant ontvangen wil zal hij aan +den linker niet geven, wat hij van den linker niet ontvangen wil aan +den rechterkant niet. + +"Daar is ook een middel om den welstand des lands te bevorderen: veel +voortbrengers, weinig verteerders. Laat er heerschen werkzaamheid in +het voortbrengen, en spaarzaamheid in het gebruik, dan zal de voorraad +altijd voldoende zijn. + +"Wat de mensch van den hemel ontvangen heeft is de (goede ware) natuur; +wie in overeenstemming met deze natuur handelt, wandelt op het pad +van den plicht; dit pad te betreden leert de mensch door onderwijzing. + +"Het pad mag ook niet voor een oogenblik verlaten worden, kon het +(nl. zonder schade) verlaten worden, dan was het niet het (rechte) +pad. Daarom wacht de hoogere mensch niet om voorzichtig te zijn tot +hij (iets) ziet, en om bezorgd te zijn tot hij (iets) hoort. + +"Niets is meer zichtbaar dan wat verborgen is, niets in het oog +vallender, dan wat onbeduidend is, daarom waakt de hoogere mensch +over zichzelf, als hij alleen is. + +"Als noch vergenoegdheid, noch ergernis, noch kommer, noch vreugde +zich laten gelden, dan kan men wel zeggen, dat de geest zich in een +toestand van evenwicht bevindt. Zijn deze gevoelens echter opgewekt +en werken zij in juiste maat en verhouding, zoo ontstaat daaruit, +wat men harmonie kan noemen. Dit evenwicht is de wortel, waaruit +alle menschelijke handelingen in de wereld voortkomen, deze harmonie +is de weg, dien allen moeten inslaan. Waar evenwicht en harmonie in +volkomenheid heerschen is er orde in hemel en op aarde en alles zal +gevoed worden en gedijen. + +"Vier plichten heeft de wijze te betrachten, die ik nog niet geleerd +heb te vervullen (zoo voegt de schrijver er bij): mijn vader te +dienen, zooals ik wenschen zou dat mijn zoon mij diende, mijn vorst +te dienen, zooals ik wenschen zou, dat mijn beambten mij dienden, +mijn ouderen broeder te dienen, zooals ik wenschen zou, dat mijn +jongere broeder mij diende; jegens mijn vriend te handelen, zooals +ik wenschen zou dat hij jegens mij handelde, (de vijfde betrekking, +die tusschen echtgenooten, is hier weggelaten, wellicht omdat noch +Confucius, noch zijn kleinzoon, aan wien het "Onveranderlijke midden" +wordt toegeschreven, in hun huwelijken gelukkig waren: beiden toch +hebben zich van hunne vrouwen gescheiden). + +"De wijze doet, wat aan de plaats, die hij inneemt, past: hij wenscht +zich daarboven niet te verheffen. Rijk en geëerd doet hij, wat een +rijk en geëerd man betaamt, arm en eenvoudig doet hij, wat den arme +en eenvoudige betaamt. Is hij door barbaren omgeven: hij doet wat +aan den toestand past, is hij door kommer en zorgen geplaagd, hij +handelt overeenkomstig zijn toestand: altijd blijft hij zichzelf. + +"Is hij in een hoogen rang, hij behandelt zijn ondergeschikten niet +met verachting, is hij een ondergeschikte, zoo zoekt hij geenszins de +gunst zijner meerderen te bejagen: hij regelt zich zelf en verwacht +niets van anderen, zoo vermijdt hij teleurstellingen: hij maakt den +hemel geen verwijten, noch wordt op de menschen verbitterd. + +"Zoo verwacht de wijze, rustig en vroolijk, wat de hemel besluiten +wil, de gewone mensch echter wandelt op een gevaarlijken weg en ziet +naar gunstige gelegenheden uit. + +"De meester (Confucius) zegt: Bij het boogschieten hebben wij, wat +aan de houding des wijzen beantwoordt. Als de schutter het doel heeft +gemist, draait hij zich om en zoekt de oorzaak van het mislukken +bij zichzelf. + +"Met de rechte mannen (aan het hoofd) gedijt de regeering; evenals +de plantengroei uit de aarde voortkomt en de bijen de jonge larven +verplegen en tot bijen opvoeden: zoo voeden de regeerders het volk op. + +"Het geheim eener goede regeering is: de rechte mannen te vinden: +ze te vinden hangt van het karakter des heerschers af; het karakter +wordt door plichtsvervulling gevormd en deze plichtsvervulling wordt +verlicht en gesterkt door liefde tot welwillendheid. + +"De wederkeerige plichten, die alle menschen tegenover elkaar hebben, +zijn vijf in getal, de eigenschappen waardoor zij uitgeoefend worden +zijn er drie. + +"Deze plichten zijn: die tusschen vorst en minister, tusschen vader +en zoon, tusschen man en vrouw, tusschen ouderen en jongeren broeder +en tusschen vrienden. + +"Dit zijn de plichten der wederkeerige betrekking, die ieder heeft +te vervullen. De drie eigenschappen echter zijn; weten, willen en +kunnen, welke ieder moet bezitten. Dat, waardoor deze eigenschappen +de vervulling der plichten mogelijk maken is: ernstig streven. + +"Eenigen worden met de kennis dezer plichten geboren, anderen verwerven +deze kennis door navorschen, nog anderen nadat zij hun onwetendheid op +smartelijke wijze hebben ondervonden. Doch wanneer de kennis eenmaal +verworven is, is het onverschillig, op welken weg zij verkregen +werd. Eenigen oefenen de plichten uit, zonder moeite, als iets dat +vanzelf spreekt, anderen om daaruit voordeel te trekken; voor wederom +anderen is aan de uitoefening groote moeite verbonden. Doch wanneer +zij slechts uitgeoefend worden, komt dit op hetzelfde neer. + +"De meester sprak: Leeren willen komt het weten zeer nabij; zich +ernstig bemoeien het willen; zich (over iets dat verkeerd ging) +schamen het kunnen. + +"Hij, die deze drie dingen kan, is in staat zichzelf te volmaken: +wie zich zelf volmaken kan, kan anderen beheerschen, wie anderen +beheerschen kan, kan het rijk regeeren met al zijne staten en familiën. + +"De beheerschers des rijks hebben negen regels te volgen: zichzelf te +volmaken, deugdzame en talentvolle mannen te eeren, hun bloedverwanten +lief te hebben, hun ministers te achten, alle beambten vriend'lijk te +behandelen, het volk als hunne kinderen te beschouwen, handwerkslieden +aan te moedigen, vreemden met zorg en de vorsten der leenstaten met +welwillendheid te behandelen. Zichzelf te beproeven en te reinigen, +acht te geven op zijne kleeding en op zijne bewegingen, dat zij +beantwoorden aan de voorschriften der betamelijkheid: dat is de wijze +waarop de heerscher zich moet volmaken. Overtreders moet hij afwijzen +en zichzelf voor de verzoekingen der schoonheid bewaren. Rijkdom te +verachten en deugd te eeren, dat is de wijze, waarop men mannen van +waarde en van talenten aanmoedigt: hun eereplaatsen en inkomsten te +geven, met hen te deelen in wat hun behaagt en hun mishaagt, dat zijn +de middelen om aan zijne bloedverwanten te leeren u lief te hebben. Den +ministers talrijke ambtenaren ter beschikking te geven en hun veel +opdrachten toe te vertrouwen, dat is de weg om de ministers aan te +sporen. De weg om de groote menigte ambtenaren aan te moedigen is: +hun vertrouwen schenken en goed bezoldigen. Die om het volk moed in +te storten is: hunnen dienst slechts te vorderen ter rechter tijd +en de eischen licht te maken. De weg om de handwerkslieden aan te +sporen is: hen dagelijks op de proef te stellen, hen maandelijks +prijsvragen te laten oplossen en hen daarbij te laten uitvoeren, +wat aan hun neiging beantwoordt. + +"Menschen uit vreemde landen met tact te behandelen, dat is: hen +bij het afscheid te begeleiden en bij aankomst hen tegemoet te gaan, +de goeden onder hen te prijzen en de zwakken te verschoonen. + +"Familiën, wier nakomelingschap in de rechte lijn is te gronde +gegaan weer herstellen en leenstaten, die onder zijn gegaan, opnieuw +grondvesten, rust herstellen in staten, waarin onrust heerscht, die +te ondersteunen, waarin gevaar dreigt, bepaalde tijden hebben voor de +ontvangst van vorsten en hun afgezanten bij het hof, hen na rijkelijk +onthaal weer laten gaan, hen welkom heeten, ook als zij met geringe +gaven komen: dat is de vorsten der staten liefhebben. + +"Allen, wien de regeering des rijks ten deel valt, hebben deze negen +regelen te betrachten en het middel, waardoor zij ten uitvoer kunnen +worden gebracht, is ernstig streven." + +Zooals men ziet, het zijn regelen van wereldwijsheid, die Confucius +en zijne leerlingen na hem onderwezen; de kunst een goed huisvader, +beambte, minister, vorst en keizer te worden, den plicht van zijn +eigen betrekking te vervullen en toe te zien, dat anderen dit eveneens +doen. Het is een soort huisbakken wijsbegeerte, die begint met de +liefde van het kind tot den vader en eindigt met de liefde des keizers +tot zijn volk. Soms is zij niet al te klaar in haar grondslag en +ontwikkeling (de vertalers en uitleggers van den grondtekst kunnen +daar echter ook wel schuld aan hebben) maar verstaanbaar genoeg +toch om ons te toonen hoe de Chineezen dachten en nog denken. De +straks aangehaalde uitspraken toch komen telkens weer terug: niet +alleen in philosophische verhandelingen, maar ook in staatsstukken, +ambtelijke en particuliere brieven. Daarom juist is eenige, zij het +ook oppervlakkige kennis der Chineesche philosophie voor ieder noodig, +die inzicht wil verkrijgen in den tegenwoordigen toestand van China. + +Even zoo min als Confucius de schepper was van de door hem voorgedragen +leer is de beknopte, spreukmatige, soms eenigszins mystieke vorm, +waarin deze leer ons bewaard gebleven is, eene uitvinding van hem +en van zijne leerlingen. Deze bestond reeds van ouds en schijnt de +vorm geweest te zijn, waarin men in China steeds de leeringen der +wereldwijsheid placht te kleeden. + +Toen Confucius in 517 v. C. Lo yang bezocht, zag hij daar, in de +voorvaderengalerij van het keizerlijk paleis, de gouden beeldzuil +van een man, wiens lippen met drie naalden waren saamgehecht en op +wiens rug het volgende opschrift stond: + +"In oude tijden spraken de menschen weinig. Het zou goed zijn hen +na te volgen; want zij, die veel spreken, zijn er zeker van veel te +zeggen, dat beter onuitgesproken ware gebleven. + +"Ieder zal arbeiden in verband met wat hij noodig heeft. Als hij boven +zijn kracht werkt, zal hij slechts zijn zorgen en zijn teleurstellingen +vermeerderen. Zelfs in datgene wat de mensch (denkend) nastreeft, +moet hij maat houden. + +"Denk niet te veel om verstrooiing of rust: wie dat doet zal geen +van beide verkrijgen. + +"Doe niet wat u wellicht vroeger of later berouwen kan gedaan te +hebben. + +"Laat niet na een gebrek te verhelpen, omdat het klein is. Het moge +in den aanvang klein zijn, straks gaat het misschien aan het groeien, +totdat het u er onder brengt. + +"Als iemand nalaat tegen kleine ongerechtigheden op te treden, +zal hij weldra in het geval verkeeren van tegen groot onrecht te +moeten strijden. + +"Wees behoedzaam met uw woorden zoowel als met uw handelingen. Geloof +niet dat niemand u ziet en hoort, omdat gij alleen zijt maar denk er +aan dat de geesten overal zijn. + +"Een huis kan verwoest worden door een smeulend vuur, terwijl een +groote vlam licht wordt bemerkt en uitgebluscht. Een stroom wordt +gevormd door het water van vele beken, een strik, die zoo sterk is, +dat hij niet licht wordt gebroken, bestaat uit vele draden. + +"Een spruit, wier wortels nog niet diep zijn doorgedrongen, kan +licht worden uitgetrokken: is het haar toegestaan een boom te worden, +dan moet men naar de bijl grijpen. + +"Uit den mond van een mensch kunnen scherpe pijlen komen die verwonden +en gloeiende kolen, die verbranden: hoedt u dus, dat zulken uit uwen +mond niet uitgaan om anderen te schaden. + +"Geloof niet dat, wijl gij in het volle bezit uwer kracht zijt, +gij zonder gevaar waagstukken kunt ondernemen; er is niemand, hoe +sterk hij ook moge zijn, die niet iemand vinden kan, sterker dan hij, +die hem op den grond werpt. + +"Een oproermaker, die geen rechtvaardigen grond (voor zijn verzet) +heeft, zinkt tot op het laagste peil der maatschappij neer, doch +een onrechtvaardig heerscher wekt ontevredenheid op, terwijl de +voorzichtige willig gehoorzaamd wordt. + +"De massa der menschen, het volk, gelijk men het gewoonlijk aantreft, +heeft weinig doorzicht, noch weet met het onbekende te rekenen. Alzoo +kunnen zij slechts de leiding van anderen volgen. Daarom, wanneer zij +dikwijls met diegenen in aanraking komen, die voorzichtig, deugdzaam +en verstandig zijn, die goede zeden volgen, dan zullen zij onmerkbaar +er toe komen dezulken na te volgen en zoo ook wederkeerig anderen +tot een voorbeeld worden. + +"Mijn mond is gesloten, ik kan niet spreken. Het is vergeefs mij te +vragen, ik kan uwen twijfel niet wegnemen en zelf heb ik niets te +vragen. Wanneer ook datgene wat ik leer een raadsel schijnt, is het +daarom toch niet minder waar. Ik sta boven u en toch kan niemand iets +tegen mij hebben, welk sterveling kan dit van zichzelf zeggen? + +"Vergeet niet dat de hemel geen gunstelingen kent, doch tegenover +allen even rechtvaardig is. + +"Hoe vol ook de zee moge zijn, de stroomen gaan voort daarin zich +uit te storten, zonder dat zij haar grenzen uitbreidt. + +"Overlegt zorgvuldig alles, wat ik u gezegd heb, en ik zal niet +vergeefs hebben gesproken." + +Toen Confucius dit inschrift las, wendde hij zich tot zijn begeleiders +en zeide, dat dit in weinige woorden alles behelsde, wat voor de +menschen het nuttigste was te weten, en dat, wie dit ter harte nam +en navolgde, niet ver van de volkomenheid zou zijn, waarnaar iedereen +streven moest. Dat het van invloed geweest is op zijne opvatting der +philosophische vraagstukken is ontwijfelbaar. + +"Na den dood van Confucius was het met zijne leer gedaan en nadat zijne +leerlingen gestorven waren, werd deze verbasterd", zoo bericht men +ons. De onrustige tijden hebben daartoe zeker het hunne bijgedragen: +de Chau dynastie gaat onder zwakke en bedorven heerschers haar einde +tegemoet, vele der kleine vorstendommen verdwijnen in den voortdurenden +strijd tusschen de leenvorsten onderling, of worden, hoewel zij +hun naam behouden, toch feitelijk door machtige naburen opgeslokt; +de groote staten kampen onder elkaar om de opperheerschappij; het +besef, dat, wie het ten slotte wint, de keizerskroon zal verwerven, +komt hoe langer hoe sterker op; het geloof aan de oude waarheden +en beginselen is geschokt, dwaalleeringen (althans in het oog der +orthodoxie) duiken overal op: zoowel ten opzichte van de regeering +als van de wijsbegeerte: het gezag van Confucius wordt op zij gezet. + +Daar komt eensklaps een kampvechter in het krijt, een leerling, +die den meester bijna evenaart en met geweldige kracht de banier der +orthodoxe philosophie weer opheft. Over hem willen we thans spreken. + + + + + +III. Mencius. + + +Meng (Mang) kó of Meng tsze=de wijsgeer Meng, verlatijnscht tot +Mencius, werd in het jaar 371 v. C. als afstammeling van de drie +groote familiën van Lu geboren: een geslacht dat in de dagen van +Confucius om de heerschappij in den staat had gestreden, maar +sedert verarmd en gedaald was. Zijn vader schijnt vroeg gestorven +te zijn: in ieder geval heeft hij geen invloed op de opvoeding en de +ontwikkeling van zijn zoon uitgeoefend: des te meer echter de moeder, +wier aandenken nog heden onder het volk voortleeft, als die van een +voorbeeld voor alle moeders. Zij zorgde, dat haar zoon in een goede +omgeving verkeerde en goed werd onderricht, spoorde hem door raad +en voorbeeld tot vlijt aan en bleef ook in zijn latere levensjaren +(zij stierf, toen Mencius reeds de 50 overschreden had) zijn trouwe +raadgeefster en steun. Toen haar zoon, dien zij op zijne rondzwervingen +vergezeld had, zijn ambt in het vorstendom Tsi wilde opgeven, doch +om harentwille aarzelde, moedigde zij hem zelf aan zijn eigen beter +inzicht te volgen en bracht zoo het oude voorschrift in toepassing, +dat de moeder haar zoon gehoorzaam moet zijn. + +Over de leerjaren van Mencius is niet veel bekend: hij schijnt een +leerling van Confucius' kleinzoon te zijn geweest. In zijn vaderland +(de leenstaat, waar hij thuis behoorde) verzamelde hij een groot +aantal leerlingen rondom zich, in wier midden hij leefde en werkte +en die, zooals de gewoonte het toen medebracht, te zamen naar hun +krachten en middelen voor zijn levensonderhoud zorgden. Die rustige +leeraarsloopbaan schijnt hem echter niet bevredigd te hebben en in 331, +toen hij 40 jaar was geworden, trok hij met eenigen zijner leerlingen +er op uit om aan de hoven der kleine vorstendommen allereerst, zijn +loopbaan als politiek hervormer te beginnen. De tijd scheen voor +een dergelijke onderneming, door een zelfbewust man op touw gezet, +gunstig te wezen en het ontbrak Mencius noch aan zelfbewustzijn, +noch aan den moed om vrijuit te spreken. De voortdurende twisten, +waarin de kleine vorstendommen nu eens onderling, dan eens met het +machtige, opbloeiende Tsin verkeerden (want het centraal gezag, het +keizerschap, was feitelijk nog slechts een naam) had aan een menigte +politieke avonturiers de deur geopend tot de hoogste waardigheden en de +invloedrijkste ambten. Nog maar weinige jaren geleden, in 333, was het +een hunner, Suts'in gelukt, de meest beteekenende politieke daad van +dien tijd: den bond der zes staten Yen, Chao, Han, Wei, Tsi en Tsu, +tegenover Tsin tot stand te brengen. Welnu, wat Suts'in en anderen +mogelijk was geweest, kon den met volle verachting voor de politieke +avonturiers bezielden Mencius niet onbereikbaar voorkomen. Waarom +zou hij, die met een gansche schat van geleerdheid was toegerust en +die geen eigenbelang, maar edele doeleinden nastreefde, niet kunnen +verkrijgen, wat aan die lieden welke van hof tot hof trokken en zich +aan den meestbiedende aanboden, mogelijk toescheen? Zoo trok hij in +331 naar den naburigen staat Tsé, en nadat hij daar tot 323 zonder +veel succes een staatsambt had bekleed, naar Sung, Su, Tao, Tang, +Leang en van 318 tot 311 ten tweeden male naar Tsé. Eindelijk keerde +hij, ontmoedigd en ontgoocheld, na vele mislukte pogingen, in 309 naar +Lu terug. Daar leefde hij nog 20 jaren als ambteloos burger voort, +slechts in beslag genomen door zijn onderricht geven en de voltooiing +zijner werken. Hij stierf in 289 v. C., vergeten en zonder dat zijn +heengaan ontroering wekte, tenzij bij zijn naaste leerlingen. Wel +werd zijn waarde reeds door de schrijvers der 2e eeuw v. C. erkend, +welke alleen Confucius boven hem stelden, doch nog 1300 jaren gingen +voorbij, eer hij de keizerlijke canonisatie verkreeg en in Confucius' +tempels een plaats vond. + +Mencius was een veel strenger man dan Confucius: de humor van dezen +wijsgeer, die zich er over vermaken kon, dat een boer van hem, die +juist op de vlucht was, zeide, dat hij er uitzag als een verloopen +hond, was Mencius vreemd. Heerschzuchtig en strijdvaardig, laat Mencius +de grootste aanspraken gelden tegenover vorsten en staatslieden, die +hem hoffelijk tegemoet komen. Dikwijls zondigt hij, terwijl hij toch +plan heeft zichzelf niet te vergeten, niet slechts tegen de regelen +der etiquette, maar ook tegen die der hoffelijkheid. Toch verhindert +hem dit niet rijke geschenken van vorsten aan te nemen en met een +groot gevolg van menschen en rijtuigen op hunne kosten in het land +om te trekken. Hij is een strijder, die met grooten ijver tegen alle +leeringen in het krijt treedt, welke hem niet orthodox toeschijnen, +een sociaal politicus, die den regel "Alles voor het volk" met een +energie en een openhartigheid voorstaat, die aan den zachteren, +meer bedachtzamen Confucius vreemd was. + +Ook zuiver philosophische vragen, zooals die van de natuur der +menschen, lichtte hij met veel meer beslistheid en uitvoerigheid +toe dan Confucius, die zich meestal met een eenvoudige bevestiging +vergenoegde. Ook tegenover een soort Cynische richting, [135] die +zich naast of nevens het Taoïsme steeds meer deed gelden en tegen de +meer humane richting der Mihisten trad hij met groote beslistheid op. + +De veranderde tijdsomstandigheden brachten voorzeker mede, dat de +persoonlijke houding en de leerwijze van Mencius een andere was +dan die van zijn voorganger. Ook is het een feit, dat de dwalingen, +die Mencius meende te moeten bestrijden, zich eerst na den dood van +Confucius hadden ontwikkeld. De werken van Mencius leveren het bewijs, +dat vele der vragen en problemen, die ons thans zoo telkens weer +bezighouden, reeds toen aan de orde waren. Ook was het gevolg van den +strijd dikwijls als nu: dat ieder op zijn eigen standpunt bleef staan. + +"Het volk" zegt Mencius, "is het belangrijkste element in een land, +dan volgen de godheden van akker en koren: de vorst is het minst +gewichtig." Bij een andere gelegenheid zegt Mencius tegen den vorst +"Wanneer een heerscher zijn ministers als zijn handen en voeten +beschouwt, zoo zien zij hem voor hun hart en hun maag aan. Als hij +hen beschouwt als zijn paarden en honden, dan zien zij hem voor een +gewoon mensch aan (iemand, die geen eerbied verdient). Ziet hij hen +aan als aarde en gras (waarop men treedt en dat men afmaait) dan zien +zij hem voor een roover en vijand aan." + +Deze opvatting van de plaats en de plichten der hoogste staatsbeambten +staat niet in tegenspraak met het goddelijk recht der vorsten, zooals +de oude schriften dit erkennen. + +"De hemel" zoo zegt het boek der geschiedkundige aanteekeningen, +"schiep, nadat hij het gewone volk had geschapen, heerschers en +onderwijzers voor hen, opdat dezen God ter zijde zouden staan, en +gaf hun macht en eer in het land." + +Doch op een andere plaats in hetzelfde werk staat: "De hemel ziet, +zooals mijn volk ziet, de hemel hoort, zooals mijn volk hoort." Mencius +verklaart dit door te zeggen: "De hemel spreekt niet." Als hij, wien +de heerschappij ten deel viel, deze op goede wijze voert, is dat +een bewijs, dat de hemel hem deze heeft toevertrouwd. Voert hij die +slecht, zoo zal er iemand opstaan, (door den hemel daartoe geroepen), +die ze hem ontneemt. Zoo wierp de grondvester der Chau-dynastie den +laatsten, onwaardigen heerscher van het huis Shan van den troon en +toonde zich daardoor een werktuig des hemels en Mencius aarzelt niet, +koning Süen op te dragen diens voorbeeld te volgen en de Chau-dynastie +omver te werpen, die zich den troon onwaardig toonde. + +Dat een man, die zulke grondstellingen zonder terughouding uitsprak, +door de vorsten van zijn tijd en van later dagen niet bizonder geliefd +werd, kan men begrijpen. Toch: de door hem verkondigde beginselen +hebben niet weinig er toe bijgedragen om de vorsten, die over China +regeerden, een teugel aan te leggen en hen tot een rekenen met de +belangen des volks te nopen, waarvan anders zeker geen sprake ware +geweest. + +Een andere uiting van Mencius ligt hun, die tegenwoordig China +regeeren, nog altijd na aan 't hart en vormt een van de gewichtigste +argumenten, die het aannemen van vreemde opvattingen in den weg staan. + +Hij zeide namelijk: "Ik heb wel gehoord van lieden, die de gebruiken +van ons groote land aanwendden om barbaren te verbeteren, doch nog +nooit, dat iemand door barbaren verbeterd werd." En--in de oogen der +orthodoxe Chineezen zijn ook nog heden alle vreemdelingen barbaren. + +Van de theorie van het vorst zijn "door Gods genade" is die der +"voorbeschikking" in het algemeen onafscheidelijk. Ook Mencius erkent +die laatste, doch met deze reserve, dat niets, wat uit slechtheid +of uit onvoorzichtigheid voortkomt, als door den hemel voorbeschikt +moet worden erkend. Zoo staat hij een soort getemperd fatalisme +voor: getemperd namelijk door deze overtuiging, dat de hemel niets +verkeerds kan verordenen. Hij zegt: "Alles is een beschikking (des +hemels) en de mensch moet deemoedig ontvangen, wat daaraan kan worden +toegeschreven. Daarom zal hij, die weet wat de voorbeschikking des +hemels beduidt, zich niet begeven bij een muur, die op omvallen +staat.--De dood, dien men vindt bij de vervulling van zijn plicht, +kan men gevoegelijk toeschrijven aan de beschikking des hemels, de +dood in handboeien en ketenen (die van een misdadiger) kan niet als +een vooruitbeschikte worden beschouwd." + +De vraag, of de mensch van natuur goed of slecht is, heeft de Chineezen +veel bezig gehouden. Confucius en Mencius, de laatste echter veel +uitvoeriger en meer opzettelijk, oordeelen beiden dat de mensch +oorspronkelijk goed is. Sün kw'ang, die in de 3e eeuw v. C. leefde, +meent dat de oorspronkelijke natuur van den mensch slecht is en slechts +door opvoeding goed wordt. Han-Yü (768-824 n. C.) oordeelt dat de +natuur des menschen drieërlei kan zijn: een goede, tusschenbeide of +slechte. De middelste, die de kiemen voor het goede bevat, kan naar +beide zijden ontwikkeld worden. Deze opvatting bleef de toongevende, +totdat Chuhi (1130-1200) weer terugkwam op de oude grondstelling dat +de natuur des menschen goed was. Deze opvatting, ofschoon dikwijls +betwist, is sedert dien tijd de officieel geijkte gebleven. + +In de behandeling van de quaestie der kinderlijke liefde staat Mencius +geheel op het standpunt van Confucius. + +"Vijf dingen," zegt Mencius "worden naar de algemeene opvatting als +onkinderlijk beschouwd: traagheid in het gebruik zijner leden, hasard +en schaakspelen en drinken, streven naar geld en goed en zelfzuchtige +neiging tot vrouw en kinderen, zoodat men niet voor het onderhoud +zijner ouders zorgt, de lust zijner oogen en ooren volgen, zoodat +men zijn ouders in schande brengt en twistziek en strijdzuchtig zijn, +zoodat men hen aan gevaren blootstelt." + +Op een andere plaats zegt hij: "Drie dingen zijn onkinderlijk, geen +nakomelingschap te hebben is het ergste van alle." Meer belangrijk zijn +voor ons echter zijn sociaal-politieke inzichten en zijn polemisch +optreden: de omverwerping van valsche leeringen, zooals de Chinees +dat noemt. + +Reeds in de dagen van Mencius waren er lieden, die de maatschappij +voor verdorven hielden en in den terugkeer tot den alouden eenvoud +van zeden den eenigen weg ter ontkoming zagen. Zoo was er een secte, +die zich voor haar leer beriep op Shin nung, den "wonderbaren landman" +den tweeden der voorhistorische, mythische keizers, die in het "Boek +der veranderingen" als de vader van den landbouw wordt geëerd. Deze +eischte, dat de mensch in het algemeen en de vorst in het bizonder +zich zelf het voedsel moest verschaffen: d. w. z. zelf zaaien, +oogsten en koken moest. Aanhangers dezer secte waren naar Tang +gekomen, waar Mencius zich juist ophield en de vorst van Tang de +proef nam, om aan ieder der onderdanen, onverschillig van welken rang +of stand, een veld van gelijke grootte ter beschikking te stellen, +dat onveranderlijk en ondeelbaar op den oudsten zoon zou overgaan, +terwijl aan de jongere zonen, zoodra zij 16 jaar oud werden, eveneens +groote velden ten deel zouden vallen. De aanhangers van Shin nung, +die naar Tang gekomen waren, lieten zich hunne velden toedeelen, +doch maakten onder elkaar hun opmerkingen. + +"Wijze en bekwame vorsten," zoo zeiden zij, "moesten evengoed als +hun volk en tegelijk met dat volk den grond bebouwen en de vrucht +(van hun arbeid) eten. Hun morgen- en avondmaaltijd moesten zij +(zelf) bereiden en tegelijk de regeeringszaken behartigen. De vorst +van Tang echter, die overigens vele goede eigenschappen bezat, had +korenschuren, schatkamers en arsenalen. Dat was immers het volk een +last opleggen? Hoe kon men hem een waardig en deugdzaam vorst noemen?" + +Mencius nam een der ontevredenen onderhanden. + +"Heer Hiu (zoo heette het hoofd van het gezelschap) zaait zijn koren +immers zelf en eet wat hij oogst?" "Ja," was het antwoord. "En hij +weeft linnen en draagt wat hij gemaakt heeft?" + +"Neen, zijn kleeren waren van vilt." "Draagt hij een muts?" "Ja." "Een +zelf geweven?" "Neen, die ruilt hij voor koren." "Waarom weeft hij +die niet zelf?" "Dat zou hem te veel tijd kosten bij zijn werk om +den grond te bebouwen." "Kookt hij zijn eten in (metalen) potten en +steenen pannen en ploegt hij met een ijzeren ploegschaar?" "Ja." "Maakt +hij dat alles zelf?" + +"Neen, hij ruilt het tegen koren in." + +Toen sprak Mencius: "Zulke dingen tegen koren inruilen, is niet den +pottenbakker en metaalbewerker verdrukken, noch ook verdrukken de +pottenbakkers en metaalbewerkers den landman, als zij de door hen +vervaardigde artikelen tegen metalen omruilen. Voorts, waarom speelt +Hiu niet voor pottenbakker en metaalbewerker en maakt hij zelf alles +wat hij noodig heeft? Waarom gaat hij rond en handelt en ruilt met +de handwerkslieden, waarom rekent hij niet de moeite, die hem dat +kost?" De ander sprak: "Handwerk en landbouw kan men niet tegelijk +uitoefenen." + +Mencius ging voort: "Dan is het zeker alleen de regeering des rijks, +die tegelijk met den akkerbouw kan worden waargenomen? Aanzienlijke +mannen hebben hunne bezigheden en kleine luiden evenzeer. Ieder +kan, wat hij noodig heeft, bij de handwerkslieden gereedgemaakt +vinden. Moest hij daarentegen alles, wat hij noodig heeft, zelf +maken, zoo moesten allen in het geheele rijk dagelijks op de straat +rondloopen. Daarom wordt er gezegd: Sommigen arbeiden met het hoofd +en anderen met de handen. + +"Die, welke met hun hoofd arbeiden, regeeren de anderen, en die, welke +met hun handen arbeiden, worden door de anderen geregeerd. Die, welke +geregeerd worden, onderhouden hen die regeeren en zij die regeeren, +worden door de anderen onderhouden. Dat is de rechte verhouding, +zooals zij overal wordt erkend." + +Bij een andere gelegenheid, toen een zijner leerlingen hem vroeg, +of het recht was dat een geleerde, die geen ambt bekleedde, toch van +den beheerscher des lands zijn onderhoud ontving, ontwikkelde Mencius +de volgende inzichten: + +"Als er geen ruil plaats vindt tusschen de producten van den arbeid +en geen ruil tusschen datgene wat de menschen tot stand brengen, +zoodat de een, met wat hij te veel heeft aanvullen kan, wat den ander +ontbreekt, dan zal de boer teveel koren en de huisvrouw te veel linnen +hebben. Als zulk een ruil plaats vindt, dan zullen schrijnwerker, +timmerman, wagenmaker en radmaker allen hun bestaan vinden. Nu is +hier een man, die thuis een goed zoon is en buiten het huis diegenen, +die ouder zijn dan hij met achting behandelt, die er voor waakt dat de +grondstellingen der oude wijzen voor het gebruik van latere geslachten +bewaard blijven--zou hij niets voor zijn onderhoud mogen hebben? Hoe +komt het, dat gij den schrijnwerker en de anderen in eere wilt houden +en niet hem, die welwillendheid en rechtvaardigheid bewaart?" + +De leerling antwoordde: "Het doel des schrijnwerkers en der +anderen, die de meester vermeld heeft, is: om met hun handwerk hun +levensonderhoud te verdienen. Is het ook het doel van den edelen man, +daardoor zijn levensonderhoud te verdienen, dat hij de grondstellingen, +die de meester vermeldt, beoefent?" "Wat gaat u zijn doel aan," was +het antwoord. "Hij bewijst de diensten. Hij verdient onderhouden te +worden en gij onderhoudt hem: En--laat mij u vragen--betaalt gij een +man voor zijn bedoeling of voor zijn diensten? Voor zijn bedoeling +misschien? Een man slaat uw dakpannen stuk en maakt de muren van uw +huis vuil om zijn levensonderhoud te verdienen: zult gij hem inderdaad +daarvoor betalen?" "Neen," was het antwoord. "Ziet gij," sprak Mencius, +"niet voor zijn bedoeling betaalt gij een man, maar voor het werk, +dat hij gedaan heeft." + +De algemeene grondstellingen voor het bestuur des lands, zooals +Mencius die opstelt, zijn niet minder interessant. + +"Als een vorst personen van talent en deugd eert, bekwame lieden +aanstelt, zóó, dat alle ambten door de waardigsten worden vervuld, +dan zullen alle geleerden aan zijn hof komen. + +"Als hij op de marktplaatsen slechts laat betalen voor de plaats, die +de kramen innemen, maar geen belasting op de waren legt, of wanneer +hij slechts de marktbepalingen handhaaft zonder kramengeld te vragen, +dan zullen zich op zijne marktplaatsen de handelaars verdringen. + +"Wanneer aan de grenspoorten van een land slechts een persoonlijke +inspectie van de reizenden plaatsvindt, doch geen douanerechten worden +geheven, zoo zullen alle reizigers vol verlangen zijn om in dat land +te reizen. + +"Als de boer slechts voor den arbeid op de staatsvelden wordt +opgeroepen en van zijn eigen velden geen belasting heeft op te +brengen, dan zullen alle boeren in het land met lust (op hun eigen +velden) arbeiden. (Het heele land was, althans in theorie, afgedeeld +in stukken van dezelfde grootte, welke stukken ieder weer in negen +deelen waren verdeeld. Het middelste dezer velden was staatseigendom: +het moest door de bezitters der andere acht velden bebouwd worden, +terwijl de opbrengst daarvan voor het onderhoud van den vorst en de +kosten van bestuur bestemd was). + +"Als hij van de huisvaders (die de bestaande voorschriften vervullen) +de bijdragen niet int (welke slechts van hen worden geheven, die de +voorschriften niet vervullen) zoo zullen alle lieden in zijn staat +willen wonen. + +"Als een vorst deze vijf voorschriften opvolgt, zullen de bewoners +aller naburige staten tot hem als tot een vader opzien. Zulk een vorst +zal geen vijand hebben en in waarheid een minister des hemels zijn: +hem moet (als den waardigste) de regeering des rijks ten deel vallen." + +Op een andere plaats treedt Mencius op tegen het systeem van +belasting heffen op het bouwland, dat in zijne dagen, toen de +vorsten en de regeeringen steeds meer noodig hadden, reeds in alle +staten was ingevoerd.--"Zulke belastingen" zegt hij, "worden naar +het gemiddelde van vele jaren berekend en opgesteld. In goede jaren, +wanneer de oogst rijk is geweest, kan veel genomen worden zonder dat +het drukkend schijnt, doch in slechte jaren, wanneer de opbrengst den +arbeid niet vergoedt, moet de belasting toch betaald worden. Als hij, +die de vader des volks wil zijn (de vorst) de schuld er van draagt, +dat zorgen geschreven staan op het aangezicht des volks en dat dit, +als het een jaar heeft gearbeid, niet weet waarmee het zijn ouders +zal onderhouden en moet zien, hoe aan de middelen te komen om de +belasting te betalen, totdat ouden en kinderen omkomen in de slooten +langs den weg, waar blijven dan de vaderlijke betrekkingen tot het +volk?" "Zij, die van hun levensonderhoud verzekerd zijn, staan vast in +de deugd: die dit niet zijn, geven zich aan de ondeugd over, en--er +is geen verkeerdheid, verderf en teugelloosheid, waaraan zij zich +niet schuldig maken. Als zij dan wegens hun overtredingen vervolgd +en gestraft worden: is dat niet hun valstrikken zetten: hoe kan zoo +iets geschieden onder de heerschappij van een welwillend vorst?" + +Wat den regel: goed met goed en kwaad met kwaad vergelden, aangaat: +Confucius en Mencius trekken in dezen één lijn: alleen was sedert de +dagen van den eerste het getal van hen, die aan de mogelijkheid van +kwaad met goed te vergelden geloofden, niet onbelangrijk toegenomen. + +In den philosoof Mih tih namelijk, over wiens leven weinig bekend is +(vermoedelijk leefde hij ongeveer 50 jaar na Confucius) had de leer +der "algemeene liefde" een begaafden en krachtigen verdediger gevonden. + +"Het is de taak der wijzen," zoo heet het in een door zijn +leerlingen uitgegeven werk, "daarvoor te zorgen dat het rijk +goed wordt geregeerd. Daarom moeten zij weten, waaruit wanorde en +verwarring ontstaan, want, zonder deze kennis kunnen zij hun taak +niet vervullen. Wij kunnen hen dus vergelijken met een arts, die +beproeft de ziekte van eenig persoon te genezen. Daartoe moet deze +eerst de oorzaak der krankheid doorgronden; dan kan hij met de genezing +beginnen, terwijl zonder deze kennis zijn pogen tevergeefs zal zijn." + +"Het is de taak der wijzen zorg te dragen voor de goede regeering des +rijks. Zij moeten dus nagaan de oorzaak der verwarring, en wanneer +zij dat doen zullen zij bemerken, dat deze ligt in het gebrek aan +wederkeerige liefde.--" + +Wanneer een minister en een zoon onkinderlijk (zonder piëteit) +zich gedragen tegenover zijn heerscher en zijn vader: zoo is dat +wanorde. Een zoon heeft dan zichzelf lief en heeft zijn vader +niet lief, aldus doet hij zijn vader onrecht en trekt hij zichzelf +voor. Een jongere broeder, die den oudere niet liefheeft, een minister +die zichzelf liefheeft en niet zijnen vorst; zij allen doen den ander +onrecht en stellen zichzelf op den voorgrond: dit zijn allen gevallen +van wanorde. Evenzoo als de vader den zoon, de oudere broeder den +jongere, de vorst den minister minder bevoordeelt dan zichzelven. Hoe +kunnen zulke dingen voorkomen? Uit gebrek aan wederkeerige liefde. Neem +het geval van een dief of een roover, het is daarmede juist eveneens +gesteld. De dief heeft zijn eigen huis lief en niet dat van zijn +buurman: daarom besteelt hij het huis van zijn buurman ten bate van het +zijne. Zoo is het ook met den roover. Zoo ook met de hooge ambtenaren, +die met elkaars familiën in strijd leven, zoo met de vorsten, die +de staten hunner buren aanvallen. Alle verkeerde verhoudingen in het +rijk hebben denzelfden oorsprong: gebrek aan wederkeerige liefde. + +"Wanneer nu algemeen wederkeerige liefde in het rijk heerschte, wanneer +de menschen anderen liefhadden zooals zichzelf, zouden dan zulke dingen +kunnen voorkomen? Zouden er dan dieven en roovers zijn? Wanneer ieder +het huis van zijn naaste op dezelfde wijze beschouwde als zijn eigen +huis, zouden dan diefstallen mogelijk zijn? Zouden dan ministers en +vorsten elkaar wederkeerig bestrijden en beoorlogen?" + +Hoe echter dit doel te bereiken? De leerlingen twijfelen aan +de mogelijkheid, doch Mih tih zegt: "Door algemeene wederkeerige +liefde en door de ruiling van wederkeerige voordeelen. Ieder moet een +anderen staat, een andere familie, een ander persoon beschouwen als +zijn eigen (staat, familie, persoon). Zijn er in de geschiedenis geen +voorbeelden, dat waar vorsten eenvoudige kleeding, sobere voeding of +dappere daden beminden, hun ambtenaren hen daarin navolgden? Als dus +thans de grondregel der algemeene liefde niet heerscht, zoo komt dat +slechts hierdoor, dat de vraag in de hoogste kringen niet met die +belangstelling wordt behandeld, welke zij verdient: de vorsten toch +staan er onverschillig tegenover, inplaats van door lof en belooningen +de menschen tot uitoefening der algemeene wederkeerige liefde te +brengen en den tegenstand daartegen door geld- en andere straffen +te breken. Indien dit geschiedde zou de uitoefening dezer algemeene +liefde en de ruil van wederkeerige voordeelen alle hindernissen +overwinnen, evenals het vuur noodzakelijk omhoog gaat en het water +naar beneden vliet." + +Het getuigt voor de vastheid, welke de orthodoxe opvatting van +kinderlijke liefde in het Chineesche volk zich verworven had, dat +de verklaring van Mencius, dat allen gelijkelijk lief te hebben de +bizondere genegenheid tusschen vader en kind niet genoegzaam tot +haar recht deed komen, voldoende was om het systeem van Mih tih, +dat in den tijd van Mencius veel ingang reeds had gevonden, geheel +omver te werpen. + +De andere tegenstander, met wien Mencius in het krijt trad, staat van +ons denken en gevoelen verder af dan Mih tih. Dit was de Taoïstische +Cynicus Yang Chu, een man, over wiens leven weinig bekend is, zoo +weinig dat wij zelfs niet weten of hij een tijdgenoot van Confucius of +van Mencius was. Plaatsen uit Taoïstische geschriften doen ons denken +aan den tijd van Confucius, doch de heftigheid, waarmede Mencius hem +bestrijdt pleit voor de meening, dat hij diens tijdgenoot was. + +Mencius schrijft aan Yang Chu de grondstelling toe: "Ieder voor zich," +en zegt dat een opvolging dezer grondstelling den mensch tot een +dier maken zou. Doch, in de uitspraken, aan Yang Chu toegeschreven, +vinden wij dit nergens uitdrukkelijk geleerd. Veeleer schijnt Yang +Chu een soort van Chineesche Diogenes [136] te zijn geweest, die het +leven als een onvermijdelijk kwaad beschouwde en diegenen, die zich +daarvoor veel zorg en moeite gaven, bespotte. + +Zuiver philosophisch zijn Mencius' uiteenzettingen over de +"hartstochtelijke natuur." "Meester," zegt een zijner leerlingen, +"wanneer gij een hoogen adellijken titel verkreegt en eerste minister +werd van het vorstendom en het dan zoover bracht, dat uw vorst de +eerste onder alle vorsten des rijks werd, ja zelfs de keizerlijke +waardigheid verkreeg, het zou niet te verwonderen zijn: doch, wanneer +gij in zulk een positie kwaamt, zou uw geest niet onrustig worden?" + +Mencius antwoordde: "Neen. Toen ik 40 jaar was (aldus vóór hij zijn +hervormersloopbaan begon) had ik het evenwicht des geestes gevonden." + +"En is er een middel om dat te bereiken?" "Ja." "De een vreest niets: +noch wonden noch gevaar: al was degene, die hem bedreigde ook in het +bezit van 10.000 strijdwagens. De ander beproeft zichzelf: vindt hij +dat hij ongelijk heeft, zoo vreest hij ook den kleinsten man: vindt +hij het recht aan zijne zijde, zoo zal hij strijden tegen duizenden +en tienduizenden. De laatste is zeker boven den eerste verheven. De +philosoof Kau zegt: "wat gij niet in woorden kunt uitdrukken, zoek dat +niet in uw verstand, wat gij niet vindt in uw verstand, zoek daarnaar +niet met hartstochtelijke inspanning." Met dit laatste stem ik in, +doch geenszins, dat men niet in zijn verstand moet zoeken, naar wat +men met woorden niet uitdrukken kan. Want--de wil is de leidsman der +hartstochtelijke natuur en deze doordringt en bezielt het lichaam. De +wil is de heer en de hartstochtelijke natuur is hem onderworpen. Daarom +zeg ik: "Wees vast van wil, en dwing de hartstochtelijke natuur niet +tot iets, wat buiten haar aard ligt. Als alleen de wil werkzaam is, +beheerscht deze de hartstochtelijke natuur, is die laatste daarentegen +alleen werkzaam, zoo beheerscht zij den wil. De hartstochtelijke +natuur is grof en sterk. Als zij ongedwongen kan opgroeien en niet +beleedigd wordt, vervult zij alles tusschen hemel en aarde. Zij is de +gezellin van rechtschapenheid en verstand: zonder haar is de natuur +des menschen de verkwijning nabij. Zij komt voort uit de bijeenvoeging +van vele rechtmatige handelingen en niet uit enkele daarvan. Als +het verstand niet met haar in overeenstemming is, zoo verdwijnt de +natuur. Blijkbaar verstaat Mencius onder "hartstochtelijke natuur" +(letterlijk beteekent het Chineesche woord "wolkachtige damp") den +nooit rustenden drang tot werkzaamheid, die men juist bij de meest op +den voorgrond tredende personen vindt. Een drang, die met verstand +moet samengaan (energie) en die aan den wil onderworpen moet zijn, +doch waaraan men geen dwang tot iets buiten haar aard mag opleggen. + +Het is niet zonder belang om bij wat Mencius hier zegt te vergelijken +wat de beroemde Fransche psycholoog T. A. Ribot 2300 jaar na hem +schreef over de "hartstocht" in den boven anderen uitblinkenden +mensch. Deze dan zegt in zijn werk "Les maladies de la Volonté" +(de ziekten van den wil) het volgende: + +"De meest volkomen samenwerking (van willen en kunnen) is eigen aan de +krachtigen, de zeer werkzamen: wat ook het terrein hunner werkzaamheid +zij: men denke aan Cesar, Michel Angelo of Vincentius da Paula. Zij +wordt in één enkel woord saamgevat als: eenheid, standvastigheid, +macht. De uitwendige eenheid van hun leven ligt in de eenheid van hun +doel: altijd nagestreefd, naar gelang van de omstandigheden nieuwe +medewerking en aanpassing zoekend. Doch deze uitwendige eenheid is +slechts de uitdrukking der inwendige: die van het karakter. Juist +omdat zij dezelfde blijven, blijft ook hun doel hetzelfde. Hun +inwendige drijfkracht is een machtige, onuitroeibare hartstocht, die +de ideeën in haar dienst neemt. Deze hartstocht: dat is hun wezen, +dat is de psychische uitdrukking van hun gestel, zooals de natuur dat +heeft gewrocht. Wat blijft ook alles, dat uit dezen samenhang zich +verwijdert, als in de schaduw, zonder kracht, onvruchtbaar, vergeten +als een plant, die slechts op een andere leeft! Zij geven te zien het +voorbeeld van een leven, dat steeds met zichzelf in overeenstemming +is, omdat bij hen alles samenwerkt, tot elkaar komt en overeenstemt. + +"Zelfs in het gewone leven ontmoet men deze karakters. Doch deze +doen niet van zich spreken: omdat de verhevenheid van het doel, +de omstandigheden en vooral de macht van de hartstocht hun ontbrak, +hebben zij slechts de standvastigheid overgehouden. Onder een anderen +vorm hebben de groote, in de geschiedenis bekende Stoïci (Epictetus, +Thraseas; hun grooten wijze laat ik weg, als zijnde slechts een +"abstract ideaal") dit hooge type van wilskracht bereikt, en wel in +zijn negatieven vorm--het zelfbedwang--overeenkomstig het beginsel +der school: Verdraag en onthoud u." Tot zoover Ribot. + +Veertig jaren na den dood van Mencius, die in 289 v. C. overleed, +stortte de Chau-dynastie ineen en in 221 verklaarde de vorst van Tsin, +die al zijn mededingers had overwonnen, zich tot eersten goddelijken +keizer van China. Zoo stichtte hij een nieuw rijk op de puinhoopen +van het oude. + +Wat de oude Confuciaansche richting der wijsbegeerte onder hem te +lijden had en hoe zij onder de Han-dynastie daarentegen weer tot eer, +aanzien en invloed geraakten, hebben wij reeds vermeld. + + + + + +IV. Lao tsze. + + +Wij komen nu tot de andere richting der Chineesche philosophie, +de metaphysisch-theosophische. Allereerst handelen wij over haar +hoofdpersoon Lao tsze. Over hem is niet veel met zekerheid bekend. Hij +schijnt ongeveer 604 v. C. geboren te zijn. Spoedig na zijn vroeger +vermelde samenkomst met Confucius [137] heeft hij zijn ambt als +bewaarder van de archieven der Chau-dynastie in Lo yang neergelegd +en is naar het westen getrokken, waar hij verdween. De latere sagen, +welke op hem betrekking hebben en ongetwijfeld eerst na de invoering +van het Boeddhisme in China ontstonden, zijn nauwelijks de vermelding +waard. Een vallende ster had zijn moeder bevrucht, die na een tijdperk +van 81 jaren, in 1321 v. C. het vleeschgeworden hoogste hemelwezen +uit hare linkerzijde ter wereld bracht. Het kind had bij zijn geboorte +witte haren en het gezicht van een oud man (vandaar de naam Lao tsze += de oude knaap), lange ooren met drie openingen, onregelmatige +tanden, een vierhoekigen mond, en tien teenen aan elken voet. Ook +kon het direct spreken en had zijn volle verstand. De opgaven over de +plaats zijner geboorte zijn waarschijnlijk opzettelijke verzinsels: +hij zou geboren zijn in het dorp: "Onderdrukte deugd" in de gemeente +"Wreedheid", in het district "Bitterheid," in den staat "Lijden". + +Wat de Taoïstische schrijvers uit den tijd vóór Christus geboorte +meedeelen over zijn ontmoetingen met Confucius en anderen is zeker +eveneens verdicht, hoewel de geschiedschrijver Sze ma tsien minstens +ééne ontmoeting tusschen de beide leiders vermeldt. + +Op den weg naar het westen zou Lao tsze eenigen tijd vertoefd hebben +bij den bevelhebber der Hanku pas en daar, op diens wensch zijn eenig, +beroemd werk: "Tao-teh-king", het boek van den weg en van de deugd, +hebben geschreven. Uit de vele citaten in dit werk van "een wijze, +een oude, een schrijver over den oorlog" volgt dat Lao tsze evenals +Confucius slechts een bewaarder en verklaarder van de oude leer, +geen schepper eener nieuwe is geweest. + +Een latere schrijver, uit de 1e eeuw, Pan hu (wiens geschiedenis +der vroegere Han dynastie door zijne zuster Pan Chao is voltooid) +zegt in zijne levensbeschrijving van Sze ma tsien dat deze meer een +aanhanger van de leeringen van Hwang en Lao dan van de zes klassieke +boeken geweest is. Met dien Hwang bedoelt hij voorzeker Hwang ti, +den zoogenaamden "gelen keizer", de eerste van de vijf voorhistorische +heerschers, wiens regeering door Chineesche schrijvers wordt gesteld +ongeveer 2700 v. C. Ook hierin ligt een bewijs, dat men reeds vroeger +het Taoïsme voor ouder dan Lao tsze hield. + +Wat is nu in dit Taoïsme de hoofdzaak? De leer van het Tao. Doch: de +vraag rijst: Wat is Tao? Is het gelijk aan den logos, het goddelijk +woord, zooals wij dat kennen b.v. uit het Nieuwe Testament? [138] +Sommigen, ook von Brandt, meenen dat. Hooren wij eerst eens wat Lao +tsze en zijn volgelingen er van zeggen. + +Lao tsze zegt van Tao: "Het was onbestemd en volkomen, het bestond +vóór hemel en aarde. Rustig was het en niet te grijpen, alleen en +onveranderlijk, alles vervullend en onuitputtelijk: de moeder aller +dingen. Ik weet zijn naam niet en duid het aan als Tao. Ik zoek +naar zijnen naam en noem het: het groote. Groot zijnde, vloeit het +steeds voort: het verwijdert zich en keert terug (bij alle wisseling +hetzelfde?) Daarom is het Tao groot. + +"Het Tao bracht één voort: één twee, en twee drie. Drie bracht Alles +voort. Alles laat achter zich de donkerheid (chaos?) waaruit het +voortkwam, terwijl de adem van het ledige het in harmonie brengt." + +Dat de Jezuïten-zendelingen en ook andere Europeesche schrijvers in +deze proeve van verklaring van het ontstaan der wereld een zinspeling +op de drieëenheid meenden te vinden, kan ons geenszins verwonderen. Ook +voor de Chineesche uitleggers is dit echter een moeilijke plaats: +vooral omdat op andere plaatsen Tao zelf als "Eén" wordt aangeduid. De +een tracht zich daarbij te redden, door Tao te laten stremmen en +zoo den hemel te vormen: de ander maakt uit Eén den aether, waaruit +alles zijn oorsprong nam, uit wien zich dan Twee, het mannelijk en het +vrouwelijk beginsel, ontwikkelden, welke dan wederom Drie: d. i. den +hemel, de aarde en den mensch voortbrachten, terwijl de adem van het +ledige, de levensadem het Khi of Chi is, dat alles bezielt. + +"Wij zien naar Tao en toch zien wij het niet: het is kleurloos. Wij +hooren er naar en wij hooren het niet, het is zonder geluid, +wij trachten het te grijpen en kunnen het niet vatten, het is +onlichamelijk, het kan niet (door woorden) beschreven worden, daarom +noemen wij het: Eén." + +Het feit, dat "kleurloos, zonder geluid, onlichamelijk" in het +Chineesch luiden: Ji hi wei, heeft Abel de Rémusat en later Victor +von Strausz en Edkins op het denkbeeld gebracht dat Lao tsze het +eigenlijk over den Hebreeuwschen J. h. v. h. [139] had, waarover hem +dan op zijn reis naar het westen Israëlieten zouden hebben gesproken, +of waarvan hij door naar China gekomen Israëlieten zou hebben +gehoord. Stanislaus Julien, Legge en bijna alle andere geleerden, +die van China studie maken bestrijden echter deze meening. Terecht: +"Jehovah" toch is een verkeerde uitspraak van de vier letters +"J. h. v. h." Jahve is de juiste, en kan daaruit het Chineesche +"Ji hi wei" wel ontstaan zijn? Anderen mogen dat beslissen, doch het +zou zeer merkwaardig zijn, indien Lao tsze den meest persoonlijken +en lichamelijken aller Semietische goden zou hebben verkozen, om +daardoor aan te duiden het onlichamelijke, onpersoonlijke Tao. Met +dat al weten wij echter nog niet recht, wat Tao eigenlijk is. Toch +meen ik dat wij het door uitspraken, zoowel van Lao tsze als van zijne +leerlingen genoegzaam kunnen nagaan, iets wat ook voor ons noodig is, +zullen wij de grondbeginselen van het Taoïsme verstaan. Laten wij +die dan eens met aandacht beschouwen. + +Lao tsze dan zegt o. a.: "Het beeld van Tao bestond vóór God +zelf. Het Tao is al doordringend; daar is geen plaats, waar het niet +wordt gevonden. Toch is het zóó fijn, dat het in al zijn volheid in +een pluisje plantenwol woont. Het doet zon en maan bewegen in haar +aangewezen banen en geeft leven aan het kleinste insect. Hoewel zonder +vorm, is het de oorzaak van elken vorm, dien wij zien. Onhoorbaar +veroorzaakt het ieder geluid, onzichtbaar is het datgene, wat achter +ieder uitwendig voorwerp in de wereld ligt, onwerkzaam brengt het toch +ieder verschijnsel voort, dat in de sfeer der schepping voorkomt. Het +is onpartijdig, onpersoonlijk, zonder hartstocht, het werkt aan zijne +doeleinden zonder berouw, als het noodlot, toch vloeit het voor allen +in goedheid over." + +Huai nan tsze, een der uitnemendste schrijvers over de Taoïstische +wijsbegeerte, vraagt: Wat is Tao? + +Hij antwoordt: "Tao is wat den hemel draagt en de aarde bedekt, het +heeft geen palen of grenzen, zijn hoogte kan niet worden gemeten, noch +zijn diepte gepeild. Het omvat het gansche heelal in zijne omarming +en verleent zichtbaarheid aan datgene, wat van zichzelf geen gedaante +heeft.... Het is zoo lenig en fijn dat het alles doordringt, evenals +het water het slijk. Door Tao zijn de bergen hoog en de afgronden diep, +gaan de dieren en vliegen de vogels, door Tao schitteren zon en maan en +gaan de sterren op haar loopbaan voort... Als de voorjaarswind suist, +valt de regen en alle dingen leven en groeien. De gevederden leggen en +broeden, de gepelsden (pelsdieren) telen en dragen, planten en boomen +brengen voort al hun heerlijken rijkdom van blaad'ren, de vogels +leggen eieren, de dieren brengen jongen voort, geen werkzaamheid is +naar buiten zichtbaar, toch wordt het werk volbracht. Schaduwachtig +en onbestemd heeft Tao geen vorm. Onbestemd en schaduwachtig hebben +zijn hulpbronnen geen einde. Verborgen en duister dwingt het alle +dingen uit het vormlooze te voorschijn te komen. Overal doordringend +en alles beheerschend, werkt het nooit te vergeefs." + +Een naam voor dit aldoordringende, dit geheimzinnige wezen kenden +Lao tsze en de zijnen niet. En wij, wij westerlingen? Wat is het +dat de bloemen doet groeien en het water doet neervlieten, wat den +stortregen doet vallen en de zon schijnen, wat de sterren leidt in +haar vlammende banen, de jaargetijden regelt, wat den vlinder met +prachtige vleugelen versiert; wat doet het warme samentrekken en het +koude uitzetten, wat geeft den eenen mensch zwart haar en den ander +rood? In één woord, wat is de oorzaak van ieder verschijnsel rondom +ons, wat is de drijfveer van het verheven raderwerk, waarvan wij +een deel uitmaken? Ook wij weten den rechten naam niet en zeggen: +de natuur. Wij bedoelen dan niet wat voortgebracht is: maar de +drijfkracht der schepping die voortbrengt (natura naturans). + +Tao is dus de natuur. Taoïsme is wijsbegeerte der natuur. Taoïsten +zijn natuurphilosofen. Laten wij nu zien hoe de Taoïsten hunne +theorieën ontwikkelen, vooral met het oog op de wording der wereld, +en hoe zij die voorts toepassen op het gebied van het maatschappelijk +en staatkundig leven. + +Over de ontwikkeling van het zichtbaar heelal weten de Taoïsten ons +heel wat te vertellen. + +"Daar was een tijd", zegt Chwang tsze, "dat alle dingen een begin +hadden. De tijd, toen er nog geen begin was, had zelf een begin. Er +was een begin van den tijd, toen de tijd, die geen begin had, niet +begonnen was. Daar is bestaan en daar is niet-bestaan. In den tijd, +die geen begin had, bestond Niets--of het Ledige. Toen de tijd, die +geen begin had, nog niet begonnen was, bestond er ook Niets. Eensklaps: +daar was Niets, maar men kan niet weten, wat bestaan en niet-bestaan +aangaat, wat zeker bestond en wat niet." + +Onzin zal men zeggen. Doch: ook tegenwoordige wijsgeeren komen +soms tot een dergelijke uitspraak. Zoo b.v. de Engelsche geleerde +Proctor. Deze zegt: + +"Zij, die dat kunnen, mogen troost vinden in het geloof aan +een volstrekt ledige ruimte en een volstrekt "onbezetten tijd" +voorafgaande aan zeker zeer ver verwijderd, doch niet oneindig +verwijderd tijdperk. Laten zij dit volgens hun geloof dan noemen +het begin aller dingen. Doch de ledige tijd vóór dat begin kan geen +begin hebben gehad, tenzij deze ware voorafgegaan door een tijd met +gebeurtenissen; wat juist met de onderstelling in strijd is. Wij +vinden geen volstrekt begin als wij terug zien." + +Een der uitnemendste, meest geavanceerde leerlingen van Lao tsze, +Lieh tsze, drukt het dichterlijk aldus uit: + + +Daar is een leven ongeschapen, +Daar is Eén, die alles verandert, doch bij Wien geen verandering is. +Alleen het onveranderlijke kan verandering doen komen, +Dat leven kan slechts voortbrengen. +Die allesveranderende kan slechts vervormen, +Daarom duren scheppingen en veranderingen voort +En gaan deze voortdurende scheppingen en veranderingen altijd door. +Zij worden gezien in de man'lijke en vrouw'lijke beginselen der natuur, +Zij zijn openbaar in de vier jaargetijden, +Het ongeschapene staat als het ware alleen, + Het onveranderlijke gaat en komt, +Zijn duur heeft geen einde, +Weergaloos en eenig--zijn zijne wegen onnaspeurlijk. + + +Elders zegt dezelfde wijze, dat wij van het oneindige niets weten, +doch dat hemel en aarde in het groot geheel van het oneindig heelal +zijn begrepen. "Hoe kunnen wij zeggen", zoo vraagt hij, "of er een +ongezien heelal is, boven en beneden de kleine wereld, die binnen +ons bereik is." + +Tao, zagen wij, veroorzaakt en doet alles. Daarom komt de vraag in ons +op, of de Taoïsten een persoonlijk Schepper en zedelijk bestuurder van +het heelal erkennen, een vraag, die echter gemakkelijker gesteld dan +beantwoord wordt. Zeker is het, dat er in de Taoïstische classieken +menigmaal van een wezen, invloed of macht als de Schepper wordt +gesproken. Ook komt hier en daar het woord "Ti" of God voor. Doch +deze omschrijvingen zijn zeer vaag, zeer duister en onbestemd, +terwijl het woord, voor "Schepper" gebezigd, eigenlijk meer +vervorming of gedaanteverwisseling beduidt. Ook komt niet goed uit, +welke de verhouding is tusschen dien Schepper en Tao. God en Tao te +vereenzelvigen gaat ook moeilijk. Tao wordt steeds als onpersoonlijk, +zonder aandoeningen, voorgesteld. Nergens schijnt er plaats of +noodzakelijkheid voor een persoonlijk Schepper: Tao doet alles. + +Merkwaardig is ook het denkbeeld van evolutie, dat feitelijk +in het Taoïstische stelsel evengoed als in de tegenwoordige +natuurphilosophie ligt. Prof. Tyndall beschouwt een nevel als de +oorsprong aller stoffelijke dingen, de Taoïsten spreken van de +oorspronkelijke aura (damp), die werd gecondenseerd en verdicht en +eindelijk een vasten vorm verkreeg, met bepaalde en onderscheiden +gestalte. Sommige passages uit de wijsbegeerte der Taoïsten waren +in Haeckel's Scheppingsgeschiedenis niet misplaatst. Beiden schijnen +het eens met de woorden van Lucretius: "De natuur schijnt alle dingen +uit zichzelf te doen, zonder tusschenkomst der goden." + +Daarom--en de plaatsen, waar van Ti en van een Schepper gesproken +wordt, getuigen er van--kan de Chineesche wijze toch, evengoed als de +hedendaagsche moderne theologie, het wereldgebeuren, het werken der +natuur ten slotte als het zich uiten van God hebben beschouwd. 't Komt +mij voor, dat dit inderdaad de eenige oplossing is. God kan boven de +natuur staan en toch alleen in en door haar werken. + +Wat nu den mensch betreft, deze wordt door het Taoïsme beschouwd als +eenvoudig te zijn een deel van het heelal, een stuk van de schepping, +een openbaring, gelijk alle andere dingen, van het algemeene, +overal inwonende Tao. Dit is hier niet slechts een wetenschappelijke +overtuiging of een uiting van bespiegeling alleen. Neen, het is +een machtige, zedelijke factor, waarin een onderwerping aan onze +bestemming, een zich moeten voegen naar de wetten der natuur ligt, dat +onze eerbiedige aandacht verdient. Dat bedenkende beschouwt b.v. ook +Lieh tsze den dood niet als een koning der verschrikking, maar als +een onvermijdelijke en welkome verandering, die even natuurlijk is +als het vallen van een blad of de wisseling der jaargetijden. + +"De dood," zegt hij, "is voor het leven, wat weggaan is voor komen. Hoe +kunnen wij weten, dat hier sterven niet is, elders geboren worden? Hoe +kunnen wij weten of de menschen, met hun sterken drang naar leven, +niet zichzelf begoochelen? Hoe kan ik weten, of, indien ik morgen +sterf, mijn lot niet beter zal zijn, dan toen ik geboren werd in den +aanvang? O, de menschen kennen de vrees des doods, maar niet zijn +rust. Hoe goed is het, dat van de oudheid af de dood het algemeen +lot der menschen was! Het is een rust voor den goeden mensch, een +ter zijde stellen van den slechte. Dood is als huiswaarts keeren. De +dooden zijn zij, die huiswaarts zijn gekeerd; wij, die leven, zijn nog +wandelaars." Heeft dit eenvoudig vertrouwen in de goedheid der natuur +niet iets treffends? Sluit het zich niet goed aan bij de wijsgeerige +bespiegeling over Tao zelf? Wat echter brengt het Taoïsme mede in +het praktische, gewone leven? Spontaneïteit (de eigen, de ware natuur +volgen), eenvoud, reinheid, vriendelijkheid, in één woord: goedheid. + +Spontaneïteit.--De oorspronkelijke aard van ieder mensch is de directe +gave der natuur--liever nog, een deel van de natuur zelf. Daarom moet +dit oorspronkelijke zorgvuldig ongeschonden worden gehouden, bewaard +in zijn zuiverheid. De bewaring der door den hemel ingeplante natuur +is het groote, voorname doel van den waren Taoïst. Hoe kan hij dit +bereiken? Door de groote moeder na te volgen. De natuur is spontaan in +al haar werken: daarom moet de wijze ook zoo handelen: hij moet niet +handelen met een of ander oogmerk, maar in overeenstemming met zijn +omgeving, volgens de natuurlijke uitspraak van zijn hart. De natuur +strijdt nooit, de wijze moet zich dus ook voor strijd wachten. De +natuur is steeds lijdelijk, de wijze moet dus ook de dingen op hun +beloop laten en tevreden zijn met hun aanwijzing te volgen. Eerzucht, +plannen maken, hartstocht, begeerte--belangstelling in uitwendige +voorwerpen--het is alles een in wanorde brengen, een berooven van +des menschen oorspronkelijke natuur en moet dus worden veroordeeld. + +Zelfs de werkzame beoefening van deugden als: welwillendheid en +stiptheid wordt ontraden; de natuur heeft geen inspanning noodig om te +groeien en alles, wat de wijze te doen heeft, is zichzelf met haar in +overeenstemming te brengen. Alle hartstochten, (plichts)vervullingen, +die op verstoring of inspanning wijzen heeten bij de Taoïsten: de +menschelijke natuur, in tegenstelling met de hemelsche of inwonende +natuur, waarmede de mensch is begaafd. + +"Waarom," vraagt Chwang tsze, "deze kunstmatige, menschelijke, geënte +natuur te ontwikkelen; ontwikkel veeleer die inwonende, natuurlijke +natuur, die u allen is ingeplant." Huai nan tsze stelt dit vooral +duidelijk in het licht: "Wat bedoelen wij", zegt hij, "als wij over +het natuurlijke of ingeplante spreken? Dat wat harmonisch, zuiver, +eenvoudig, onbezoedeld, onversierd, oprecht, lichtend en onbevlekt is, +wat nooit van den beginne af aan, eenige vermenging of verbastering +heeft ondergaan. En wat is het menschelijke of kunstmatige? Dat wat +vervalscht is met slimheid, verdraaidheid, behendigheid, huichelarij +en bedrog, wat zich buigt uit inschikkelijkheid voor de wereld en in +'t oog houdt de gewoonten van den tijd. B.v.: een os heeft horens en +een gespleten hoef, terwijl het paard wilde manen en een ongespleten +hoef heeft. Dat is het hemelsche of de (ware) natuur. Als gij echter +een gebit in den mond van het paard legt en den neus van den os +doorboort, dat is het menschelijke, het kunstmatige." + +Wij begrijpen wat de Taoïsten in dezen bedoelen. Om nu echter dit +beginsel: overeenstemming met de natuur te verwezenlijken, liever +gezegd te volgen, is noodig, zich lijdelijk aan de leiding van het +innerlijk wezen over te geven. Men heeft hiervoor een eigenaardige +formule, weergegeven door "niet doen, niet uitoefenen", "werkeloosheid, +absoluut lijdelijk zijn", wellicht het best door: "niet actief zijn." + +Men gevoelt dat de consequentie dezer beginselen tot een geheel ander +optreden op maatschappelijk en staatkundig gebied moest leiden, +dan dat van Confucius en zijn leerlingen. Daar allerlei schoon +uitgesponnen regelingen aangeprezen, velerlei bemoeiingen met het heil +des volks, hier echter veel meer door onthouding allen verlossen van +het kunstmatige, dat hun ware natuur belet. + +Doe nooit iets, zegt de Taoïstische politicus, om het te doen. Doe +nooit iets dat niet bepaald noodzakelijk is: vergeet niet dat +het einde der wetgeving is: de wetgeving overbodig te maken. Laat +de natuur onverhinderd werken, zoowel in het maatschappelijk en +politiek leven als in de sfeer van physica en moraal: uw onderdanen +zullen dan tevreden zijn met hun lot, uw koninkrijk vrij van +samenzweringen, oneenigheden en onheil. Boven alles: doe niets om den +oorspronkelijken eenvoud te verstoren. Tracht niet om ruwe werktuigen +door samengestelde machines te vervangen. Zulke verfijning leidt tot +weelde, luchtkasteelen bouwen, eerzucht en ontevredenheid. De ware +uitoefening van vernuft in het voortbrengen van werk uitwinnende, +fijne werktuigen vereischt een hoofd vol plannen. Ontmoedig dus +kunstmatige nieuwigheden. Het geheim van het geluk ligt in rust, +eenvoud en tevredenheid, de eenige weg om dit te bereiken is: lichaam, +hartstochten, verstand en wil in volkomen overeenstemming te brengen +met de natuur. + +Wat Lao tsze dus aanbeveelt is rust, onthouding, bespiegeling. Hij +zegt o. a.: + +De hoogste voortreffelijkheid is aan het water gelijk, want de +voortreffelijkheid van het water komt hierin uit, dat het allen nuttig +is en dat het, zonder verzet, de laagste plaats inneemt, die, welke +aan alle menschen mishaagt. De reden, waarom stroomen en zeeën in +staat zijn de schatting van alle wateren uit alle dalen te ontvangen, +ligt hierin, dat zij dieper liggen--daarom zijn zij koningen over hen +allen. Zoo stelt zich ook de wijze heerscher, die boven de menschen +staan wil, in zijn woorden beneden hen en wanneer hij wenscht hen +voor te gaan, stelt hij zijn persoon op den achtergrond. + +"Zonder zijn deur uit te gaan, kan men alles begrijpen wat er onder +den hemel voorvalt: zonder uit zijn venster te zien, aanschouwt men +het Tao des hemels. Hoe verder men zich van zichzelf verwijdert, +des te minder weet men. + +"Daarom verkregen de wijzen hunne kennis zonder rond te reizen; +ze gaven aan alle dingen de rechte namen, zonder ze te zien, en +bereikten hun doel, zonder dat zij zich voornamen dit te bereiken. + +"Alles in de natuur keert, na een tijd van werkzaamheid tot zijn +oorspronkelijken toestand terug, zooals de plant tot haar wortel. Deze +terugkeer noemen wij den toestand der rust. Deze rust wil zooveel +zeggen, dat de dingen, die haar bereiken, daardoor te kennen geven, +dat zij de hun opgelegde taak hebben volbracht. De terugkeer tot +rust is de algemeene, onveranderlijke wet. Die te kennen is wijsheid, +die niet te kennen, veroorzaakt wild streven en een droevig einde." + +Wat de uitoefening der regeering betreft: slechts in twee punten +ontmoeten Lao tsze en Confucius en Mencius elkaar: namelijk, in den +lof der oude tijden en den afkeer van drukkende belastingen. + +"Het volk lijdt honger wegens de hooge belastingen, welke door de +ambtenaren worden verbruikt." + +"Het volk is moeilijk te regeeren door den overmatigen regeeringsijver +der beambten." + +"Het volk is onverschillig voor den dood, omdat het zoo hard moet +werken om zijn levensonderhoud te verdienen." + +Komen Lao tsze en zijn beide tegenvoeters in den lof der oudheid en in +de ontevredenheid over de bestaande toestanden overeen, niet evenwel +in de middelen tot verbetering. Terwijl Confucius deze vindt in het +begunstigen van flinke mannen en in gestadig streven en werken, +beveelt Lao tsze aan: laten begaan en verzorging der stoffelijke +behoeften. Hij is een besliste vijand van het "regeeren" of misschien +juister uitgedrukt, van het "te veel regeeren." + +"In de oudste tijden, (zegt hij), wist het volk niet dat het geregeerd +werd. In het daarop volgende tijdperk prees en bewonderde het zijn +heerschers, daarna vreesde het dezen, eindelijk verachtte het hen. Toen +de heerschers het vertrouwen in Tao begonnen te verliezen, vloeide +daaruit voort: gebrek aan vertrouwen van de zijde des volks. Wat +schenen die eerste heerschers onbeslist: doch door hun terughouding +toonden zij de beteekenis, die zij aan hunne woorden toekenden. Hun +werk werd gedaan, hun beramen droeg vruchten, terwijl het volk zeide: +Wij zijn, die wij zijn door ons zelf. + +"Toen het groote Tao niet meer werd betracht, kwamen welwillendheid en +rechtschapenheid in de mode, daarna wijsheid, sluwheid en huichelarij. + +"Toen er niet langer een goede geest (verdraagzaamheid) heerschte +tusschen de zes graden van bloedverwanten, kwamen er ouderlievende +zonen, toen de staten en familiën in verwarring geraakten, kwamen er +loyale ministers op het tooneel. + +"Mannen van groote geschiktheid niet op prijs te stellen en niet te +gebruiken, is het middel om het volk van eerzucht terug te houden; +voorwerpen, die moeilijk zijn te verkrijgen, niet hoog te schatten, +is het middel om geen dieven te krijgen; het volk niet te toonen, wat +zijne begeerten kan opwekken, is het middel om het van uitspattingen +terug te houden. + +"Daarom, indien de wijze de regeering leidt, zorgt hij, dat de +hoofden leeg zijn en de magen vol, hij verzwakt den wil en versterkt +de beenderen. + +"Hij streeft er steeds naar hen zonder weten en zonder wenschen te +houden en hen, die wetenschap bezitten, te verhinderen, haar te gaan +gebruiken. Als men zoo zich van werkzaam optreden onthoudt, heerscht +er overal goede orde." + +Sommige der leeringen in Tao teh king herinneren zoo zeer aan het +inschrift, dat Confucius in de voorvaderenhal te Lo yang op het beeld +met den gesloten mond vond, [140] dat men in dit opschrift samenhang +zou zoeken met het oude Taoïsme van vóór Lao tsze. Men oordeele. + +"Laat hem zijn mond en zijn neusgaten gesloten houden, zoo zal hij +gedurende zijn gansche leven voor moeitevolle inspanning bewaard +blijven: laat hem zijn mond openhouden en zijn adem verbruiken in de +zorg voor zijn aangelegenheden: en gedurende zijn gansche leven zal +hij nooit rustig zijn (zonder zorg). + +"Wat rustig blijft, is gemakkelijk te bewaren; eer een zaak hare +tegenwoordigheid laat merken, kan men zich het best daartegen +beveiligen: wat breekbaar is, wordt gemakkelijk verbroken, wat gering +in aantal is, wordt spoedig verstrooid. Men moet handelen, vóór een +zaak zich opdoet en orde instellen vóór de wanorde is begonnen. Een +boom, dien men met beide armen kan omvatten, is uit een kleine twijg +ontstaan, een toren met negen verdiepingen begon met een hoopje aarde, +een reis van duizend mijlen begint met ééne schrede." + +Dat Lao tsze het beginsel: "Vergeldt vijandschap met weldoen" +voorstaat is reeds vermeld. Over zichzelf spreekt Lao tsze slechts +op ééne plaats: + +"De groote menigte der menschen ziet er tevreden en opgewekt uit, alsof +zij een feestmaal genoten of in het voorjaar op een toren stonden. Ik +alleen schijn verdrietig en stil, daar mijn begeerten zich nog niet +hebben getoond. Ik ben als een kind, dat nog niet heeft gelachen. Ik +zie er terneergeslagen en droevig uit, als een, die geen tehuis zijn +eigen noemen kan. De menigte der menschen heeft genoeg en te veel, +ik alleen schijn alles verloren te hebben. Mijn verstand is dat van +een dom mensch, ik ben als verward. + +"De gewone menschen zien er helder en verstandig uit, ik alleen schijn +omneveld. Zij zien er uit alsof zij alles kunnen onderscheiden, ik +alleen ben simpel en verward. Het schijnt mij, als drijf ik rond op +de zee zonder een plaats, waar ik rusten kan. Ieder heeft iets, waar +hij zijn werkzaamheid aan wijdt, ik alleen schijn dwaas en onbekwaam +als een boer van de grenzen. Zoo ben ik alleen van andere menschen +verschillend, doch ik eer de moeder, die mij voedt (Tao)." + +Het is een droefgeestig beeld, dat de oude knaap van zichzelf ontwerpt, +toch wordt ons hier niet de minst aantrekkelijke zijde van het Taoïsme +geschilderd; dat opgaan in bespiegeling en dat zich terugtrekken +uit de wereld, zonder de bijvoeging van wereldsmart en pessimisme, +die wij in de moderne wijsbegeerte zoo rijkelijk vinden, zonder de +overdrijving, aan Schopenhauer en zijn school eigen. + +Belangrijker en misschien ook verstaanbaarder zullen ons intusschen +die Taoïsten voorkomen, die meer op de Stoïci, Cynici of Epicuristen +gelijken, of die van metaphysici aanhangers der tooverij zijn geworden +en aan het Chineesche keizerlijke hof de rol gespeeld hebben, welk +tot op het midden der 18e eeuw door menig meester der zwarte kunst +aan de Europeesche hoven werd uitgeoefend. + + + + + +V. Chwang tsze, Lieh tsze, Yang Chu en de ontaarding van het Taoïsme. + + +Een der belangrijke figuren onder de oudere Taoïsten is Chwang chau, +gewoonlijk Chwang tsze = de wijsgeer Chwang geheeten, een tijdgenoot +van Mencius, die hem echter niet noemt, waaruit misschien valt af te +leiden, dat de mystieke bespiegelingen van Chwang eerst later groote +aantrekkelijkheid kregen. Hij leefde van de wereld teruggetrokken +en vele voorbeelden van zijn bijtende geestigheid zijn ons bewaard +gebleven. Toen de vorst van Tsu boden met rijke gaven tot hem zond om +hem aan het hof uit te noodigen, waar hij eerste minister kon worden, +wees Chwang tsze deze aanbiedingen lachend af en zeide: "Duizend ons +zilver is veel voor mij en een hoogen rang te verkrijgen en minister te +worden is zeer eervol. Doch hebt gij den os niet gezien, die voor het +offer aan de grenzen bestemd is? Vele jaren lang wordt hij zorgvuldig +gevoederd en met kostbare dekken versierd, opdat hij geschikt zij naar +den grooten tempel te worden gebracht. Maar als de tijd komt dat dit +geschieden moet, mocht hij liever een klein varkentje wezen, doch dan +is het te laat. Maak dus dat gij wegkomt en verontreinig mij niet door +uwe tegenwoordigheid. Ik wil mij liever vermaken en mij over mijn leven +verheugen in een vuil graf (nl. als bedelaar leven) dan aan de regels +en beperkingen van eens vorsten hof onderworpen zijn. Ik heb besloten +nooit een ambt aan te nemen, maar geef er de voorkeur aan mij in mijn +eigen vrijen wil te verheugen." Zooals deze Chwang tsze leefde, zoo +stierf hij ook. Aan zijne leerlingen, die hem met alle pracht wilden +begraven, beval hij zijn lichaam niet te begraven, maar het slechts +op de aarde te werpen (naar de zeden der oudste Chineezen). "Ik zal +zoo," sprak hij, "hemel en aarde als doodkist hebben, de zon en de +maan in plaats van de zinnebeelden van meisteen, de sterren in plaats +van paarlen en edelsteenen; daarmee zijn immers alle voorbereidingen +voor mijn teraardebestelling volvoerd, wat wilt gij er aan toevoegen?" + +Toen de leerlingen hun bezorgdheid te kennen gaven, dat de kraaien +en roofvogels zijn lijk zouden opeten, voegde hij er bij: "Boven den +grond zullen mij de kraaien en de roofvogels verorberen, daar onder +wormen en insecten; het voor den een weg te nemen en het den ander +te geven zou maar partijdig schijnen." + +Chwang tsze's werk is voor het grootste deel polemiek, gericht tegen +Confucius en tegen de letterkundigen in het algemeen. Van Chineesche +zijde hebben sommigen de heftige aanvallen op Confucius, die er +in voorkomen voor onecht verklaard. Doch deze zijn zoo geheel in +denzelfden stijl als de andere stukken, dat wij ze gerust aan Chwang +tsze kunnen toeschrijven. + +"Gelijk zoekt gelijk," zeide de oude visscher tot Confucius, en vogels +met gelijk gezang antwoorden elkaar--dat is de wet des hemels. Waarmee +gij u bezighoudt, dat zijn de aangelegenheden der menschen. Als de +keizer, de leenvorsten, de hooge beambten en het volk alles doen wat +hun betaamt, dan hebben wij een schoon beeld van orde. Als zij zich +bekommeren om datgene wat buiten hun werkkring ligt, dan ontstaat de +grootste wanorde. Als de beambten hun zaken behartigen en het volk +de zijne, dan is er geen ingrijpen in de rechten van anderen. + +"Velden die onbebouwd blijven, huizen die water doorlaten, gebrek +aan kleeding en voeding, belastingen, waar geen geld voor is, geen +verdraagzaamheid tusschen vrouwen en bijslaapsters, geen orde tusschen +jong en oud--dat zijn de zorgen van het gemeene volk. + +"Ongeschiktheid voor hun ambt, onopmerkzaamheid voor hun zaken, +oneerlijkheid, zorgeloosheid en luiheid der ondergeschikte beambten, +gebrek aan verdienste en gevoeligheid en onzekerheid ten opzichte +van rang en salaris--dat zijn de zorgen der hooge beambten. + +"Geen getrouwe ministers aan hun hoven, de stammen in hunne staten in +opstand, gebrek aan geschiktheid bij hun ambtenaren, slechte inrichting +der belasting, vertraging in voor- en najaarsbezoeken bij den keizer: +en diens ongenade, dat zijn de zorgen der leenvorsten. + +"Onharmonisch werken der beide elementen van koude en hitte, buiten +den gewonen tijd des jaars, tot schade van alle dingen, onderdrukking +en wanorde onder de leenvorsten, twisten en rooftochten dezer vorsten +tegen elkaar tot schade des volks; slecht geordende ceremoniën en +muziek, ongenoegzame of uitgeputte bronnen voor de uitgaven; de +banden van verwantschap verwaarloosd en het volk aan teugellooze +wanorde overgeleverd--dat zijn de zorgen van den zoon des hemels +(den keizer) en zijne ministers. + +"Gij zijt de keizer niet, ook geen leenman, ook geen minister +van het keizerlijk hof of van een der staten: en toch neemt +gij op u, de ceremoniën en de muziek te regelen en u bizonder +met de betrekkingen van verwantschap bezig te houden, teneinde de +verschillende volksklassen te verbeteren--is dat niet een bovenmatige +vermeerdering uwer bezigheden? + +"Menschen hebben bovendien gewoonlijk acht gebreken, en bij de leiding +van zaken dreigen vier fouten, die men niet over het hoofd mag zien. + +"De leiding van zaken, die ons niet aangaan, in de hand nemen, is van +zaken een monopolie maken. Zaken bespreken die ons niet aangaan, noemt +men babbelzucht. Lieden te leiden, door hen naar den mond te praten, +is met een vossenstaart kwispelen. Lieden prijzen zonder te zien of dit +recht of onrecht is, is vleien. Gaarne slecht over de menschen spreken, +is lasteren. Vrienden en verwanten scheiden, dat is zich verblijden +in het leed van anderen. Iemand prijzen of in slechten naam brengen, +zonder dat hij het verdient, is een bewijs van verdorvenheid. + +"Dubbelzinnig met de menschen meepraten, zonder zich te bekommeren +of ze goed of slecht zijn, om zoo hun bedoelingen te weten te komen: +dat is gevaarlijk zijn. Deze acht gebreken veroorzaken wanorde onder +alle menschen en brengen hem, die ze bezit, in gevaar. Geen edel +man zal hem, die ze bezit tot zijn vriend, noch een vorst zulk een +persoon tot zijn minister maken. + +"Om nu te spreken van wat ik de vier gebreken noemde: zij zijn: gaarne +groote daden doen, veranderen en verwisselen, wat reeds lang bestaat, +opdat men in den roep komt van iets verdienstelijks te hebben gedaan: +dat alles is eerzucht. Op alle wijsheid voor zichzelf aanspraak maken, +zich in alles mengen, terwijl men wat op den weg van anderen ligt, tot +zich trekt en als zijn werk doet voorkomen; dat is begeerigheid. [141] +Zijn gebreken zien en die niet veranderen, en als iemand iets wordt +voorgeslagen, juist zijn eigen weg gaan, is halsstarrigheid. Prijzen, +die met u overeenkomt, afbreken, die niet met u overeenstemt: dat is +pralende (zelf)overschatting. Dit zijn de vier fouten. Wie de acht +gebreken kan afleggen en de vier fouten geen vrijen teugel laat, die +is zoover, dat hij met het onderricht ontvangen een begin kan maken. + +"Confucius zag treurig voor zich en zuchtte. Tweemaal boog hij +zich, toen richtte hij zich op en sprak: "Tweemalen werd ik uit Lu +verdreven. Uit Wei moest ik vluchten. De boom, waaronder ik rustte, +werd in Sung omgehouwen. Ik weet niet, welke fouten ik begaan heb, dat +ik bij die gelegenheden zoo in een valsch daglicht werd geplaatst en +zooveel moest lijden." De oude visscher zag hem treurig aan en sprak: +"Het is zeker moeilijk om u iets te doen begrijpen. Er was eens een +man, die voor zijn schaduw vreesde en zijn voetstappen niet zien mocht, +zoodat hij wegliep om beide te ontgaan. Doch, hoe meer hij zijn voeten +ophief, des te talrijker werden de voetstappen en hoe snel hij ook +loopen mocht, zijn schaduw volgde hem overal. Hij dacht dat hij te +langzaam liep, en ging nu uit alle macht loopen zonder op te houden, +totdat zijn kracht was uitgeput en hij stierf. Hij wist niet, dat, +indien hij op een schaduwrijke plaats had opgehouden, zijn schaduw +verdwenen zou zijn en dat, als hij zich niet bewogen had, hij zijn +voetstappen zou hebben verloren--zijn domheid was werkelijk groot. En +gij, gij spreekt uw oordeel uit over vragen van welwillendheid en +rechtschapenheid: gij onderzoekt de punten, waarin overeenstemming +en verschil is; gij ziet naar de wisseling van beweging en rust en +omgekeerd; gij zijt de regelen van ontvangen en geven meester geworden; +gij hebt genegenheid en afkeer verklaard, de grenzen van vreugde +en droefheid bepaald--en toch hebt gij nauwelijks kunnen ontkomen +aan de gevaren, die gij straks vermelddet. Als gij u om uzelven +bekommerdet en uw eigen reinheid behoeddet, terwijl gij eenvoudig +anderen gaaft wat hun toekwam, dan zoudt gij al deze verwikkelingen +ontgaan zijn. Doch wanneer gij, zooals gij dat doet, de opvoeding van +uw eigen persoon verwaarloost en de opvoeding van anderen tot uw doel +maakt, houdt gij u dan niet bezig met uiterlijkheden (in plaats van +met uwen inwendigen mensch)?" + +Ook Chwang tsze is een lofredenaar der oude tijden. + +"De heerschers gingen in oude dagen van het standpunt uit, dat de +vrucht hunner regeering moest beoordeeld worden naar den toestand, +waarin het volk zich bevond en dat de schuld van verkeerde resultaten +bij hen moest worden gezocht; opdat het recht aan de zijde des volks, +het onrecht aan de hunne zou zijn. Daarom, wanneer ook slechts één +persoon het leven verloor, trokken zij zich dat aan en berispten +zichzelf. Nu is het echter niet meer zoo. De heerschers verbergen hun +eigenlijke bedoelingen en houden voor dom, hen die deze niet raden. Zij +verlangen wat zeer moeilijk is en veroordeelen hen, die niet wagen +dit te ondernemen. Zij leggen zware lasten op en bestraffen hen, +die deze niet kunnen dragen. Zij verlangen dat de menschen ver gaan +en laten diegenen terechtstellen, die den afstand niet kunnen afleggen. + +"Als het volk eenmaal weet dat het beste, wat zij tot stand kunnen +brengen, toch ongenoegzaam is, dan neemt het tot bedrog zijn +toevlucht. Als de heerschers dagelijks slechts huichelarij toonen, +hoe kunnen dan de beambten en het volk het anders maken. Gebrek aan +kracht brengt huichelarij voort: gebrek aan kennis arglist, gebrek +aan bezit rooverij. Maar wie zal men in zulk een geval schuldig achten +aan roof en diefstal?" + +Voor Chwang tsze zoowel als voor Lao tsze is de dood het noodzakelijk +einde des levens en daarom iets, wat niet te betreuren valt. Chwang +tsze gaat echter verder dan zijn voorgangers, wij vinden althans bij +hem uitingen, die op het geloof aan een voortbestaan na den dood of +althans aan een theorie van atomen (die blijven) doet denken. + +"Twee kreupelen bezochten samen het graf van den gelen +keizer. Plotseling braken er zweren onder hun armen uit. Vreest +gij deze zweren? sprak de een tot den ander. Waarom zou ik vreezen, +antwoordde deze, het leven is een geleend goed. Het geleende levende +lichaam is niet meer dan stof. Leven en dood zijn als dag en nacht. Wij +beiden beschouwden toch juist de graven van hen, die hunne verwisseling +hadden doorgemaakt, waarom zou het voor mij onaangenaam zijn, als +mijn wisseling komt?" + +Tsze lai lag op het sterfbed, zijn vrouw en zijn kinderen stonden +rondom hem en klaagden luide. Zijn vriend Tsze li kwam om naar den +kranke te zien en sprak tot hen: + +"Toe, maakt dat gij wegkomt en stoort hem niet, terwijl hij de groote +wisseling door maakt." + +Toen sprak hij tot den stervende: "Groot is waarlijk de Schepper! Wat +zal hij nu van u maken? Waarheen zal Hij u brengen? Zou Hij van u +maken de lever van een rat of de vleugel van een insect?" + +Tsze lai antwoordde: "Waarheen ook een vader zijn zoon zegt te gaan, +naar het oosten, westen, zuiden of noorden, hij volgt eenvoudig +het bevel. De beide elementen (het mannelijke en het vrouwelijke) +zijn voor den mensch meer dan zijn ouders voor hem zijn. Als dezen +mijn dood verhaasten en ik onderwierp mij niet gewillig, dan zou ik +hardnekkig en oproerig zijn. Daar is de groote massa (de natuur). In +haar vind ik den steun mijns lichaams, mijn leven is onder hare hoede +in arbeid doorgebracht, mijn ouderdom zoekt gemak in haar, in den +dood vind ik rust in haar: zij die mijn leven goed heeft gemaakt zal +ook mijn dood goed maken. + +"Daar is een metaalbewerker, die fijn metaal giet. Wanneer nu het +metaal plotseling uit den smeltkroes omhoog wilde springen en zeggen: +uit mij moet een zwaard worden--de metaalbewerker zou het zeker voor +onbehoorlijk houden. Zoo ook, als een vorm in den moederschoot wordt +gevormd en deze zou zeggen: Ik moet een man worden, de Schepper zou +hem zeker als onbehoorlijk beschouwen. Als wij eenmaal begrijpen, +dat aarde en hemel een groote smeltkroes zijn en de Schepper de +groote werkmeester, waar kunnen wij dan heen moeten gaan, dat niet +goed voor ons ware? Wij zijn als uit een rustigen sluimer geboren en +wij sterven tot een rustig ontwaken." + +Eens op de reis zag Chwang tsze een ledigen schedel, uitgebleekt, +maar toch goed behouden. Hij klopte er met zijn rijzweep op en vroeg: +"Hebt gij, in uwe begeerte naar leven, in de leeringen des verstands +gefaald en zijt gij zoo hiertoe gekomen? Of heeft u--terwijl gij in +dienst waart van een ondergaanden staat, de bijl van den scherprechter +zoover gebracht? Of zijt gij door uw slecht gedrag hier gekomen en hebt +gij schande over uw ouders, uwe vrouw en uwe kinderen gebracht? Of +zijt gij van honger en koude omgekomen? Of hebt gij eenvoudig den +loop uws levens voleindigd?" Na deze vragen, nam hij den schedel +op en toen hij slapen ging, gebruikte hij hem als hoofdkussen. Te +middernacht verscheen hem de schedel in den droom en sprak: "Gij +hebt als een redenaar tot mij gesproken. Alles wat gij gezegd hebt, +had slechts betrekking op de menschen bij hun leven, zulke dingen +gelden na den dood niet." "Zoudt gij van de dingen na den dood +willen hooren?" "Zeker," zeide Chwang tsze, en de schedel vervolgde: +"In den dood is er geen onderscheid tusschen vorsten en ministers, de +afwisseling der vier jaargetijden is er niet meer, rustig en ongestoord +zijn onze jaren, als die des hemels en der aarde. Geen koning aan zijn +hof heeft grooter vreugde, dan wij hebben." Chwang tsze geloofde hem +niet en zeide: "Als ik den heer van ons lot kon bewegen, uw lichaam +met uw beenderen, vleesch en huid weer in het leven te roepen en u +aan uwe vrouw en uwe kinderen en aan al uwe dorpsgenooten terug te +geven, zoudt gij dan willen, dat ik dit deed?" De schedel zag hem +met gefronsd voorhoofd aan en sprak: + +"Hoe zou ik prijs geven het genot van mijn koninklijk hof en weer op +mij nemen den last van het leven onder menschen?" + +Menigmaal schijnt Chwang tsze te twijfelen aan zijn eigen bestaan en +aan de mogelijkheid te gelooven, dat het leven slechts een droom is. + +"De schemering vroeg aan de schaduw: Vroeger hebt gij gewandeld en +nu zijt gij stil, vroeger hebt gij gezeten en nu zijt gij opgestaan: +waardoor komt het, dat gij zoo ongestadig zijt?" De schaduw antwoordde: +"Ik wacht op de beweging van iets anders om te doen wat ik doe, en dat +andere, waarop ik wacht, wacht wederom op iets anders, om te doen, +wat het doet. Mijn wachten--wacht ik op de schubben eener slang of +op de vleugelen van een krekel? Ik weet niet, waarom ik eene zaak +doe en de andere niet doe." + +"Eenmaal heb ik, Chwang Chau, gedroomd dat ik een vlinder was, een +vlinder, die rondvloog en gevoelde, dat hij genoegen had. Ik wist +niet, dat ik het was. Eensklaps ontwaakte ik en ik was weer mijzelf: +De ware Chwang Chau. Ik wist niet of het Chwang Chau was, die droomde, +dat hij een vlinder was of een vlinder, die droomt dat hij nu Chwang +Chau is. Dat is het geval van de verandering der dingen." + +Dit klinkt wel Boeddhistisch [142] maar kan toch niet op Boeddhistische +invloeden worden teruggebracht: die waren toen nog niet werkzaam. Wel +volgt er uit, dat ook aan het oude Taoïsme de leer, dat er niets +werkelijks bestaat, doch dat alles slechts inbeelding is, niet vreemd +schijnt te zijn. + +Nog scherper dan in de werken van Chwang tsze treedt een +pantheïstisch-fatalistische opvatting in allegorischen vorm op in +de aan Lieh yu K'ou (gewoonlijk Lieh tsze genoemd) toegeschreven +boeken. Deze wijsgeer schijnt kort na Confucius geleefd te hebben, +doch iets naders weten wij van hem niet. + +Licius (zoo heet hij in 't Latijn) herhaalt nog uitvoeriger, dat de +gansche natuur een kringloop is, dat al het geschapene moet vergaan en +dat slechts het scheppende, het Tao, onvergankelijk voortbestaat. Hij +oordeelt het dus dwaas over leven en dood bezorgd te zijn, daar +beiden vooruit bepaald en noodwendig zijn. Verstand en waanzin zijn +willekeurige, recht en onrecht slechts aangeleerde begrippen, alle +gevoelens van verwantschap berusten alleen op de opvoeding. + +"Een man had een zoon, wiens geest verbijsterd was. Hij begaf zich +op weg ten einde Confucius om raad te vragen, of deze wellicht geen +middel tegen deze krankheid kende. Onderweg ontmoet hij Lao tsze, +wien hij zijn nood klaagt. "Weet gij dan", sprak deze, "dat uw zoon +werkelijk buiten zijn zinnen is?" Tegenwoordig zijn de begrippen van +recht en onrecht zoo verward, dat niemand meer weet, wat eigenlijk het +rechte is. Als alle lieden dachten als uw zoon, dan was niet hij buiten +zijn zinnen, doch gij. Wie toch kan gevoelens en begrippen zuiver +voorstellen? Heb ik daartoe nu 't recht, zoo is Confucius buiten zijn +zinnen, en hoe kan iemand, die het verstand mist het bij een ander +heelen? Spaar dus uw geld en maak, dat gij weer naar huis komt. + +"Een man uit Yin was in Shu opgevoed en keerde als oud man weer naar +Yin terug. Toen hij op de reis daarheen door het land Tsin kwam, +zeide een der reisgenooten schertsend: "Dit is nu de hoofdstad van +het land Yin." De oude kreeg een kleur van ontroering, "Dat zijn +de veldaltaren uit uwe buurt!" De oude zuchtte diep. "Dat is het +huis uwer voorvaderen." De oude weende. "Dit zijn de graven uwer +voorvaderen." De oude weende luid. Toen lachte zijn reisgenoot en +sprak: "Ik heb slechts in scherts gesproken, dit is het land Tsin." De +oude schaamde zich zeer. Toen zij nu in het werkelijke land Yin kwamen +en de oude de stad, de veldaltaren, de woningen en de graven zijner +voorvaderen werkelijk zag, was zijn ontroering veel minder. + +"In het land Ki was een man, wien de bezorgdheid, dat hemel en aarde +eenmaal ineen zouden storten, geen rust liet. Een zijner vrienden had +medelijden met zijne ontroering en poogde hem tot kalmte te brengen +door te zeggen, dat de hemel slechts de bewaarder der lucht was en +inademen en uitademen den ganschen dag in de ruimte afwisselden. + +Doch kunnen, vroeg de ander, zon, maan en sterren niet naar beneden +vallen? Hoe zou dat mogelijk zijn, antwoordde de vriend, het zijn +slechts lichten in de bewaarplaats der lucht. Doch wanneer de aarde +te gronde gaat? "Dat is immers een groote, vastsamengevoegde massa," +troostte de vriend, "die door het voortdurend daarop heen en weer +loopen en trappen nog steeds vaster wordt." + +Toen waren beiden tevreden, de een omdat hij zijn zorg had verloren, +de ander omdat hij zijn vriend tot rust had gebracht. + +Tchung lu tsi hoorde wat er voorviel en sprak lachend: Wolken en +nevel, wind en regen zijn de verzamelingen der lucht en vormen den +hemel; bergen, heuvels, rivieren, zeeën, metaal, steenen, vuur en hout +zijn de verzamelingen van het geschapene en vormen de aarde. Weet men +echter, dat het slechts verzamelingen zijn, zoo weet men ook, dat zij +te gronde moeten gaan. Hemel en aarde zijn slechts kleine punten in +de ruimte. Doch van alles wat bestaat zijn zij het grootste. Dat zij +nu moeilijk tot hun einde en tot uitputting zullen komen is zeker, +doch evenzoo zeker, dat zij eenmaal gemeenschappelijk te gronde zullen +gaan. Zou hij, die dezen tijd zal beleven, niet treurig zijn? + +Licius echter lachte en sprak: "Het is verkeerd te denken, dat hemel en +aarde zullen ondergaan, en verkeerd te denken, dat zij niet ondergaan +zullen. Niemand kan weten, wat geschieden zal, want het leven verstaat +den dood niet en de dood verstaat het leven niet; het komen ook niet +het gaan, noch het gaan het komen. Waarom zich daarover te bekommeren?" + +"Op de reis naar Wei vond Licius in de struiken een doodsbeen, honderd +jaar oud; hij riep een leerling, die bij hem was, toonde hem dat en +zeide: Slechts ik en hij weten, dat wij noch leven, noch dood zijn." + +Lieh tsze is ook de eenige bron over Yang Chu, tegen wien Mencius +zoo beslist optrad en die dus een tijdgenoot van dezen scheen te +zijn, hoewel Chwang tsze een gesprek tusschen Yang Chu en Lao tsze +vermeldt. De denkbeelden van Yang Chu, die Lieh tsze weergeeft, +loopen uit in deze stelling: het leven genieten en den dood niet +vreezen. De leer van Epicurus en die der Cynici wordt alzoo hier +verbonden. "Honderd jaar," zegt Yang Chu, "is de uiterste grens des +levens, die niet een van de duizend bereikt. Veronderstellen wij, dat +iemand die bereikt; de kinderlijke leeftijd, waarin men op den arm +wordt gedragen en de ouderdom nemen er wel de helft van in. Wat in +den slaap wordt verdroomd en van het wakende leven vergeten wordt, +smart en ziekte, kommer en verdriet, verliezen, zorgen en vrees +nemen nagenoeg de andere helft in. Wat overblijft vult misschien +tien jaren. En ook daarin zal nauwelijks één dag te vinden zijn van +gelukkig zelfvergeten, zonder een schaduw van zorg. Wat is dan des +menschen leven waard? Wat voor vreugde is er in? + +"Zullen wij het prijzen om de vreugde, die eten en drinken, of om het +genot, dat muziek en schoonheid geven? Maar men kan zich niet altijd +met deze vreugden vergenoegen, men kan niet steeds met de schoonheid +zich vermaken en naar de muziek luisteren. Daarbij komt de vrees +voor straf en de prikkel, die belooningen geven, de drijfkracht door +eerzucht, de terughouding door wetten uitgeoefend--deze maken dat +iemand zonder rust zich plaagt om de ijdele lofprijzing van één uur +en rekent op den roem na den dood. Deze invloeden houden hem, om zoo +te zeggen, op de wacht tegen alles wat zijn ooren hooren en zijn oogen +zien, en maken, dat hij altijd zich bekommert of wat hij denkt of doet, +recht of onrecht is. Zoo verliest hij het ware genot zijner jaren en +kan zichzelf geen oogenblik laten gaan. Waarin onderscheidt hij zich +van een misdadiger, in ketenen geklonken in de binnenste kamer der +gevangenis? De lieden in de hooge oudheid wisten wel, hoe kort het +leven is en hoe plotseling en volkomen het door den dood kan worden +afgebroken. Daarom luisterden zij naar de bewegingen huns harten, wezen +niet terug, wat hun natuurlijk toescheen om lief te hebben, zochten +geenszins de vreugden te vermijden, die zich aan hen aanboden. Zij +lieten zich niet van de wijs brengen door de opwindingen van den +roem: zij genoten het leven, zooals het hun natuurlijk voorkwam, zij +verzetten zich niet tegen den drang om zich te verheugen, (den drang, +die in alle dingen woont) en zij bekommerden zich er niet over om +na den dood beroemd te worden. Zij trachtten straffen te vermijden; +maar roem en eer, de eerste of de laatste te zijn, lang of kort leven: +dat alles trokken zij niet in hun berekeningen. + +"Waarin de menschen zich onderscheiden, dat is in het leven: waarin +zij met elkaar overeenkomen, dat is in den dood. + +"Zoo lang zij leven is er onderscheid van verstand en domheid, +beschaving en lompheid. Als zij dood zijn, hebben wij een stinkende, +bedorven massa, die vergaat--dat is het algemeene lot. Verstand en +domheid, beschaving en lompheid staan in geen menschen macht: evenmin +als de toestand van bederf, verrotting en ganschelijk verdwijnen. Noch +het leven van een mensch noch zijn dood zijn in diens eigen hand: +zijn verstand en zijn domheid, zijn beschaving en lompheid zijn zijn +eigen werk niet. Allen zijn geboren en allen sterven: de verstandige +en de domme, de goede en de slechte. Velen sterven als zij tien jaar +oud zijn, velen als zij honderd jaar oud zijn. De deugdzame en de +wijze sterven, de verdorvene en de dwaas sterven. Tijdens hun leven +waren zij wijze keizers, nu zij dood zijn, zijn het zoovele verrotte +beenderen; in hun leven waren zij roovers en tyrannen, nu zijn ook +zij zoovele verrotte beenderen. + +"Wie kan onderscheid zien in deze beenderen? + +"Daarom, zoolang wij leven, laten wij uit het leven maken het beste, +dat wij er van kunnen krijgen: wij hebben geen tijd om aan iets na +den dood te denken." + +Wat echter niet het minst in Lieh tsze's werk belang inboezemt is het +feit, dat hier voor de eerste maal de alchymistisch necromantische +[143] richting optreedt, die later voor de ontwikkeling van het Taoïsme +en de rol, die zijne aanhangers aan het keizerlijk hof zouden spelen, +beslissend zou zijn. + +"Aan het hof van keizer Muh van de Chau dynastie (1001-947 +v. C.) verschijnt een uit het westen komende Magiër, die door water en +vuur, metaal en steen drong, bergen, rivieren en steden verplaatste +en in de lucht opsteeg. Keizer Muh eerde hem op alle manieren, +doch de Magiër zag het paleis aan voor een erbarmelijke hut, vond +het eten der keizerlijke keuken slecht, en de dienstdoende hofdames +stinkende geiten. Toen liet de keizer hem een nieuw paleis bouwen en +de schoonste jonkvrouwen opzoeken om hem te bedienen. De Magiër liet +zich dat welgevallen, doch na korten tijd verzocht hij den keizer +met hem te reizen: liet dezen zijn rokspand vasthouden en voer met +hem tot in des Magiërs paleis: in den middenhemel. Dat paleis was van +goud en zilver gebouwd en met paarlen en kostbare edelsteenen ingelegd. + +"De keizer zag van omhoog op zijn paleis, dat er als een leemen +hut uitzag. Na lange jaren, toen de keizer zijn rijk geheel had +vergeten, nam de Magiër hem weer mede op een reis en voerde hem naar +een land, waar men de zon, de maan en de aarde niet meer zag. De +keizer werd bevreesd en verzocht den Magiër hem weer in zijn land +terug te brengen. Deze gaf hem een stoot: de keizer meende dat hij +ontzettend diep viel en--hij ontwaakte en bevond zich bij zijn tafel, +waar de spijzen nog niet koud geworden waren en de wijn nog in het +glas stond. [144] + +"De keizer vroeg geheel verbaasd wat er geschied was en zijn +omgeving antwoordde: "Uwe hoogheid was een oogenblik in gedachten +verzonken." Toen de keizer er den Magiër naar vraagde zeide deze: +"Ik wandelde met uwen geest, hoe zou dan de vorm zich bewegen?"" + +Spoedig werd de richting van het Taoïsme, waarvan deze geschiedenis +een voorbeeld geeft, de heerschende: met ijver zocht men naar het +middel om goud te maken en naar het elixer des eeuwigen levens: de +keizers en grooten overlaadden de leermeesters der zwarte kunst met +goud en eer. Onder Tsin Shi Wang Ti, die de geleerden [145] zoo wreed +vervolgde, bloeide het Taoïsme zeer. De keizer zocht met de Taoïsten +naar "den steen der wijzen" en naar de "eilanden der zaligen", die +natuurlijk ten westen van China moesten liggen. Toen Sü Shi, dien +de keizer met een groot gevolg van jongelingen en jonkvrouwen had +uitgezonden om deze eilanden te zoeken, terugkeerde met het bericht, +dat hij ze wel had gezien, maar ze door tegenwind niet kon bereiken, +trok de keizer zelf naar Tschifu in Shantung, in de hoop ze van daaruit +te aanschouwen. Daar doodde hij eigenhandig een grooten haai, die, +volgens de beweringen der Taoïsten de ontdekking der eilanden zou +verhinderen. De dood des keizers sloeg aan verdere plannen, die naar +Japan hem hadden kunnen leiden, den bodem in. Doch, ook dit gebrek +aan succes schrikte de opvolgers van den "eersten hemelschen keizer" +niet af: en nog onder menig opvolger verheugden zich de Taoïsten in +den krachtigsten steun en de grootste waardeering. + +Met de toenemende verwatering van het Taoïsme zochten zijn priesters, +de "doktoren der rede," zooals de zendelingen uit de 17e eeuw hen +noemden, het steeds minder in de behandeling der wijsgeerige vragen, +steeds meer in de exploitatie van het bijgeloof. Waar, zooals in +China overeenkomstig het volksgeloof--zoo veel bovennatuurlijke, +grootendeels vijandige krachten des menschen rust bedreigen, kan +het ons niet verwonderen, dat de schare naar middelen omzag om zich +daarvoor te behoeden of zich daarvan te bevrijden. + +Welnu, als overal werden zulke middelen in het geloof gezocht +èn--in het bijgeloof gevonden. Daarom is het verklaarbaar, dat de +rol van duivelbanner in China meer aan de Taoïstische dan aan de +Boeddhistische priesters toevalt en dat de eersten niet slechts volgens +sagen en legenden, maar ook in het dagelijksch leven gelden als de met +bovennatuurlijke krachten toegeruste beschermers der geloovigen, welke +zich tot hen wenden. Hun wapenen zijn: het zwaard en de vliegenwaaier, +welke beide ook de zinnebeelden zijn van twee der acht onsterfelijken +(genieën, verheven geesten) door deze secte erkend. Waar nu deze +priesters niet persoonlijk kunnen optreden, doen zij dit met amuletten +en tooverspreuken, die, op papier geschreven, en met allerlei zegelen +voorzien, aan de deuren, vensters en muren worden gehecht, of ook wel +verbrand, of--in water opgelost--ingenomen worden. Aan het hoofd der +heksenmeesters en duivelbanners staat de Taoïstische paus, zooals hij +dikwijls genoemd wordt, Chang Tien Shi d.i. de leermeester des hemels, +die zijn zwaard van den hemel heeft ontvangen en zijn afstamming, +althans geestelijk, terug voert tot op den beroemden Taoïstischen +patriarch Chang Tao ling, die in het jaar 34 n. C. in de provincie +Chekiang werd geboren en in den ouderdom van 123 jaren ten hemel +opsteeg om daar in de onsterfelijkheid zich te verheugen. Chang Tao +ling's nakomelingen, later ook die van zijn leerling Kau Kien Che +zijn nog steeds in het bezit van het ambt van opperduivelbanner en +vertegenwoordiger op aarde van de hoogste Taoïstische godheid. + +Vele heerschers van vele dynastiën hebben den Taoïstischen paus, den +Tien Shi, met eer en rijkdom overladen. Hij houdt verblijf, waar zijn +voorvaderen sedert honderde jaren geleefd hebben: op den Lung hu Shan +(draken- of tijgerberg) in Kiangsi, en, hoewel de tempel, waar zijn +paleis was, door de Taipings [146] werd verwoest, is deze toch reeds +weer in zijn oude heerlijkheid opgebouwd. Een bizonder sieraad zijner +residentie vormen een groot aantal aarden potten, stevig gesloten, +met amuletten volgeplakt, waarin hij en zijn voorgangers door hen +uitgedreven booze geesten hebben gebannen. De gewone Taoïstische +priester vangt deze vrienden, welke zich in damp veranderen, in +flesschen op, die hij toekurkt, precies zooals zijn Arabische collega's +duivelbanners, volgens de "Duizend en Een nacht". De waardigheid van +"leeraar des hemels" heet zich door "wedergeboorte" voort te zetten, +evenals bij de geestelijke hoofden der Lamaïstische hiërarchie [147]. + +In dagen van geestelijke opwinding zooals in 1876 b.v., wanneer +denkbeeldige wezens hun werk verrichten, aan volwassenen en kinderen +de pruiken afsnijden, kippen de veeren uitplukken en als incubi [148] +de menschen plagen en dooden, plegen de Taoïstische duivelbanners +een gouden oogst binnen te halen en millioenen papieren amuletten te +verkoopen, waarop berijmde spreuken en onleesbare teekens staan. Van +1876-77 was er bijna geen huis, waarop geen dergelijke papieren waren +vastgehecht, ook droegen kinderen en volwassenen die dikwijls om het +hoofd gewikkeld. + +Terwijl de Taoïsten zich alzoo, reeds van den aanvang onzer +tijdrekening af, altijd meer van de oorspronkelijke leer verwijderden +en door exploitatie van het verlangen, dat de mensch heeft naar +zinnelijk en bovenzinnelijk genot, invloed en macht trachtten te +verkrijgen, bracht de invoering van het Boeddhisme in de eerste eeuw +onzer tijdrekening een nieuwe, van buiten afkomstige leer in China, +waartegen de beide inheemsche stroomingen, in 't bizonder echter het +Confucianisme, zich aanstonds te weer stelden. Daarover een en ander +in ons volgend hoofdstuk. + + + + + +VI. De "geleerden" tegenover Taoïsme en Boeddhisme. + + +Het zou ons te ver voeren dien strijd in bizonderheden te volgen: +bovendien werden, gedurende de eeuwen, waarin die strijd werd gevoerd, +altijd weer dezelfde argumenten door de "geleerden", de aanhangers van +Confucius en Mencius, herhaald, evenals door hun tegenstanders. Terwijl +het Boeddhisme aan het Confucianisme verweet, dat het zich slechts +om dit leven, niet om het hiernamaals bekommerde, bracht dit laatste +de voorschriften der kinderlijke liefde op den voorgrond. Deze toch +veroordeelden dat zich van de wereld terugtrekken en de daarmee +samenhangende verwaarloozing der door de bloedverwantschap opgelegde +plichten. + +Overigens moeten wij ter eere der Chineezen opmerken, dat weliswaar de +strijd tegen Boeddhisme en Taoïsme soms het karakter eener vervolging +aannam, doch dat deze vervolgingen nooit dat bloedig karakter droegen, +waarvan de geschiedenis, zoowel van het Christendom als van het +Mohammedanisme, zooveel voorbeelden weet aan te wijzen. + +Wel werden tempels verwoest, kloosters ontbonden en de bewoners naar +de familie teruggezonden, doch bloedige offers werden aan de orthodoxe +leer niet gebracht en ook niet door haar verlangd. Bovendien duurde +het niet lang of het Confucianisme begon tegenover de eigenaardige +leerstukken van net Boeddhisme een andere houding aan te nemen dan +tegenover zijn wijsgeerige zedeleer. + +Terwijl het voortging de leerstukken te bestrijden, nam het van de +wijsgeerige zedeleer heel wat over, zoodat ten slotte zelfs de werken +van de voornaamste voorstanders van Confucius, zoo vol waren van +Boeddhistische opvattingen en ideeën, dat men wel toe moet stemmen, +dat in dit opzicht het Boeddhisme een groote uitwerking had. + +Tusschen Han Yü, die voor 1100 jaren de leer van Confucius +voorstond en Chu hi, die sedert het einde der 13e eeuw officieel als +vertegenwoordiger der orthodoxe uitlegging wordt beschouwd, bestaat +een dergelijk onderscheid, als er tusschen de strenge Rabbijnen +van Jeruzalem en de Alexandrijnsche Joden der nieuwe school bestaan +heeft. [149] Han Yü komt heftig op tegen het brengen van een reliquie +van Boeddha in het keizerlijk paleis en vraagt, wat de keizer met het +oude, halfvergane gebeente moet aanvangen. Hij sluit zijn pleitrede +hiermede, dat hij het bestaan van de godheid van het Boeddhisme +loochent en deze oproept om, als bewijs dat zij werkelijk bestaat, +hem, haren tegenstander te vernietigen. Dezelfde uitdaging als van +Bradlaugh, den bekenden Engelschen vrijdenker en afgevaardigde in het +lagerhuis, die den God der Christenen opriep om hem, den godloochenaar, +te verpletteren. Alleen Bradlaugh vatte, als zoon der democratische +19e eeuw, de zaak meer dramatisch, openhartig gezegd, dwazer op dan de +Chinees der 8e eeuw; hij toch stelde zijn eisch in een volksvergadering +en gaf God slechts vijf minuten om hem te vernietigen. + +Wij laten nu volgen een uittreksel uit eene omschrijving van het +"heilige edict," die weliswaar niet oud is, (uit het begin der +18e eeuw), maar ons een duidelijk beeld geeft van het oordeel der +orthodoxie over Taoïsme en Boeddhisme. + +"Van ouds, heet het hier, hebben er drie secten bestaan; naast die +der geleerden, nog die van de Boeddhisten en de Taoïsten. Al het +spreken der Boeddhistische priesters heeft ten doel: zalig te worden, +en gelijk aan Boeddha, den stichter van hun godsdienst. Als een zoon +zijn familie verlaat en priester wordt, zoo zeggen zij, dat negen +geslachten zijner bloedverwanten zeker zijn in den hemel te komen. Denk +nu eens een oogenblik na. Waar is Boeddha? Wat is Boeddha? Boeddha +is het hart. Wat is nadenken over de boeken van Boeddha? Ieder uur +en ieder oogenblik denken aan de leiding van zijn hart. Is het goed, +zoo is het Boeddha. Daarom heet ook het eerste boek hunner secte: +"De weg des harten". De hoofdsom van wat deze weg des harten leert is, +dat het hart recht moet zijn, niet krom, waar, niet huichelachtig, +sterk, niet droomerig. Nijd, toorn en begeerten, deze drie fouten +moeten worden uitgeroeid; alles moet u slechts voorkomen als de bloem +door een spiegel, als de maan in het water, dan zult gij vrij zijn van +vrees en zorgen. Dat is: het hart volmaken. Daarom zegt ook Chu tsze +(Chu hi): de secte van Boeddha bekommert zich, noch om den hemel, +noch om de aarde, noch om iets anders binnen het heelal, zij denkt +slechts aan het hart. In die stelling ligt de geheele oorspronkelijke +leer van Boeddha. + +Wat de Taoïsten betreft, zij hechten bizondere waarde aan "den +steen der wijzen", waarmee zij kwikzilver vast willen maken en lood +in goud veranderen, draken en tijgers temmen en wie weet wat voor +verborgenheden nog meer mede bereiden willen. Alles komt echter +neer op de versterking van de (dierlijke) levenskracht: een paar +jaar het leven verlengen dat is alles. Daarom zegt Chu tsze ook: +Waar het de Taoïsten vooral om te doen is, dat is de bewaring van den +levensgeest. In die stelling ligt de gansche leer van Tao opgesloten. + +"Nu is het wel waar, dat de uitnemendsten onder de Boeddhistische +priesters, die in de kloosters op de beroemde heuvelen wonen en +het goed verstaan leeringen voor te dragen, alles op één woord: het +hart terugbrengen en dat de brave doctoren van Tao, die diep in de +kloven en holen der bergen naar de verkrijging der onsterfelijkheid +trachten, alles samenvatten in dit ééne: de wedergeboorte des geestes, +doch, als wij de zaak nu eens goed bekijken, dan zien wij nog wat +anders. Dat zich terugtrekken in de eenzaamheid, waar noch menschen +zijn noch de rook van menschelijke woningen is, dat met gekruiste +beenen in diep stilzwijgen neerzitten, wat is het anders, dan de +wederkeerige verplichtingen des levens met den wortel uittrekken +en verwoesten? Verre zij het van ons te denken, dat zij Boeddha +niet gelijk zouden kunnen worden of den rang der onsterfelijken +bereiken, doch: als zij dat kunnen, wie heeft sommigen ten hemel +zien varen en anderen midden op den dag hun vlucht opwaarts zien +nemen? Dat zijn alles slechts fopperijen. Toch gelooft het domme +volk alles en laat zich gemakkelijk wat op den mouw spelden. Zie +maar naar de strenge priesters van Boeddha en de doctoren van Tao, +die de menschen wedergeboren doen worden: zij allen verstoren--tot +geen enkel redelijk doel--de betrekkingen des menschelijken levens: +zij zijn voor de maatschappij nog niet de pluim van een veer waard! + +"Hoewel zij echter steeds zelfzuchtig waren en slechts dachten, aan +wat hun eigen persoon aanging, zoo hadden zij toch in oude tijden +geenszins de bedoeling om iemand anders te schaden. Nu is echter eene +klasse van personen onder hen opgestaan, die zonder middel van bestaan +of tehuis zich op de kloosters verlaten en in den tempel hun woning +nemen. Deze menschen schermen met den naam Boeddha en bedenken een +menigte dwaze sprookjes over hemelsche paleizen, onderaardsche holen, +zielsverhuizing en vergelding. Volgens hen is het allereervolste: een +priester te voeden en vrijgevig jegens de goden te zijn; zij noemen +dat: zaaien op den akker der zegeningen! Zij zeggen: "Geef altijd +en gij zult altijd hebben." En, opdat het volk hen gelooven moge, +voegen zij er bij: "Veracht de priesters, bespot Boeddha, bespot de +geboden, weiger vereering aan de goden, geef geen aalmoezen èn--gij +kunt zeker zijn van in de hel te worden geslingerd. De dondersteen +zal u treffen, de bliksem u verteren!" Alle soorten van sprookjes en +geschiedenissen vertellen zij om het volk bang te maken, opdat het +geloove, zich onderwerpe en betale. Eerst weten zij nog alleen maar den +lieden hun geld afhandig te maken, ten einde het in hun eigen zak te +steken. Langzamerhand echter gaan zij tot de grootste onbehoorlijkheden +over. Zij roepen--hoe zal ik het zeggen--vergaderingen op ter eere +van den versierden draak, de vrome wees, de reine bloem, waarin zij +de klokken luiden, de pauken slaan, waarin zij allerlei uitleggen en +bevelen en mannen en vrouwen te zamen brengen, die dag en nacht niet +uit elkaar gaan. Nu heet het wel, dat de lieden voor goede doeleinden +deze vergaderingen bevelen, doch ieder weet, dat het juist omgekeerd +geschiedt om booze dingen te doen. + +"Gij eenvoudig volk kunt het valsche van het ware niet +onderscheiden! Was niet Boeddha, naar wat de boeken over hem zeggen, +de eerstgeboren zoon van koning Fan? en toch trok hij zich uit de +wereld terug en vluchtte geheel alleen op den top der besneeuwde bergen +om zich aan de deugd te wijden. Wanneer hij voor zijn eigen vader, +zijn moeder, zijn vrouw en kinderen geen zorg droeg, zijt gij dan +zoo dwaas nog te meenen, dat hij zorgen zou voor de groote menigte +en haar zijn wetten en leeringen zou verkondigen? + +Het keizerlijk slot, de vertrekken der koningin, de troonzaal en de +feestzalen, dat alles verachtte hij. Zou het nu niet vreemd zijn, +als hij in verrukking kwam over de nonnen- en monnikenkloosters, de +tempels en kerkelijke gebouwen, die gij voor hem opricht? En indien +er werkelijk (zooals de Taoïsten leeren) een hoogste God in den hemel +leeft, zou Hij zich dan daar niet kunnen vermaken overeenkomstig Zijn +eigen smaak, zoudt gij dan voor Hem een lichaam van gesmolten goud +moeten maken en een huis, waarin Hij wonen kan? + +"Al die onzinnige geschiedenissen over vasten en collecten, +tempelgebouwen en oprichten van beelden, zijn uitvindingen van +rondzwervende, nietswaardige priesters en monniken om u zand in de +oogen te strooien. En toch gelooft gij ze en gaat niet slechts zelf +in de tempels om te bidden en te wierooken, maar laat ook uw vrouwen +en dochters toe ditzelfde te doen. Met heur haar vol pommade en +met geblankette aangezichten, in roode kleeren met groene oplegsels +trekken zij uit om wierook in de tempels te branden en dringen zich +met Boeddhistische en Taoïstische priesters schouder aan schouder, arm +aan arm, gestompt door de opdringende menigte. Ik zie er het goede niet +van in dat zij meenen te doen, in tegendeel, zij doen veel schandelijke +dingen, die ergernis opwekken en aanleiding geven tot hoon en spot. + +"Dan zijn er lieden, die bevreesd, dat hun lieve jongens en meisjes +niet lang genoeg zullen leven, ze aan den tempel overgeven om priesters +en priesteressen van Boeddha of Tao te worden, zich inbeeldend dat, +wanneer zij eenmaal hun huis hebben verlaten en zich aan de voeten +van grootvader Boeddha hebben neergezet, daardoor zeker hun leven +zal worden verlengd. Kan men dan, zoo zou ik willen vragen, volhouden +dat zij, die in onzen tijd priesters van Boeddha of Tao zijn, allen +den leeftijd van 70 jaar zullen bereiken, en er geen onder hen is, +die slechts kort leeft? + +"Wederom is er nog een andere klasse van bizonder domme lieden, die +wijl hun ouders krank zijn, zichzelf den goden als offer aanbieden. Zij +beloven, dat, als hun ouders gezond worden, zij zullen trekken naar +een heiligen berg om daar te bidden en wierook te verbranden; bij +iedere schrede zullen zij zich neerwerpen, totdat zij op den top van +den berg komen, vanwaar zij zich dan naar beneden storten. Indien zij +daarbij het leven al niet inschieten, armen en beenen breken zij er +toch bij. Zij zelf zeggen: "Ons eigen leven prijs te geven om dat onzer +ouders te redden is het grootste bewijs van kinderlijke liefde." De +omstanders prijzen hen ook als goede kinderen, doch, zij bedenken niet, +dat op die wijze het lichaam weg werpen, dat zij toch van hunne ouders +ontvingen, integendeel een zeer onkinderlijk gemoed verraadt. + +"Verder zegt gij, dat de Boeddha-vereering zeer voordeelig is, dat, +als men papieren afbeeldingen van geld verbrandt, geschenken offert en +vast, uw God Boeddha alle ongeluk van u zal afwenden, uwe zonden zal +wegnemen, uw geluk vermeerderen en uw leven verlengen zal. Denkt nu +eens na. Van ouds heet het: De goden zijn goed. Was dit nu met Boeddha +het geval, hoe kan hij dan begeerig verlangen, dat gij hem met uw +goudpapier en uwe geschenken zoudt bewegen om u te beschermen? En als +gij hem geen goudpapier verbrandt en geen gaven op zijn altaar legt zal +Boeddha op u toornig zijn en zijne straffen u toezenden! Dan is immers +uw god Boeddha een onwaardige! Neemt nu eens uw districtsrechter. Al +zoudt gij hem ook nooit hoffelijkheden bewijzen en vleien, toch zal +hij u, als gij maar goede en vlijtige menschen zijt, die uw plicht +doet, met groote welwillendheid behandelen. Overtreedt gij echter de +wetten, pleegt gij daden van geweld en matigt gij u de rechten van +anderen aan, zoo zal hij, al hebt gij ook allerlei middelen en wegen +om hem te vleien, toch ontevreden over u zijn en zulk gespuis uit de +maatschappij weten te verwijderen. + +"Gij zegt, dat uwe vereering van Boeddha u vergeving der zonden +verschaft, doch, stelt nu eens, dat gij in een of ander opzicht de wet +hebt overtreden en in de rechtszaal verschijnen moet, om uw straf te +vernemen, meent gij dan, dat de rechter u zal sparen, al roept gij ook +nog zoo dikwijls, al ware het duizend malen: Genadigste heer rechter? + +"Gij wilt echter, om voor ieder geval gedekt te wezen een paar +Boeddhistische en Taoïstische priesters bij u hebben, opdat zij u de +heilige boeken voorlezen en u de biecht afnemen: want gij gelooft, +dat het voorlezen der boeken de ellende verdrijft, geluk aanbrengt en +het leven verlengt. Maar stel nu eens, dat gij u tevreden stelt met +de verschillende gedeelten van dit "heilig edict" eenige duizende +of honderdduizende malen te lezen, zonder daarnaar te handelen, +meent gij dat de keizer daarover bizonder verrukt zal zijn, u met +geld beloonen en in het ambt bevorderen zal?" + +Tot dusverre dit "heilig edict." We kunnen er uit zien, dat zeven +eeuwen niet veel hebben veranderd in de opvatting der Chineesche +geleerden. Doch--terwijl de dogmatische zijde van het Boeddhisme weinig +genade vond in de oogen der orthodoxe volgelingen van Confucius, heeft +zich, sedert de Sang-dynastie, in de school van Chu hi, een sterke +neiging tot Boeddhistische en Taoïstische bespiegelingen vertoond. In +het bizonder wat betreft vragen over de kosmogonie, het ontstaan +der wereld. Terwijl de geleerden zich met bespiegelingen over deze +onderwerpen bezig hielden, wijdden zij zich ook, sinds de 12e eeuw, +aan de oplossing van vraagstukken, die ons als spel moeten voorkomen, +doch die daarom niet minder de knapste koppen uit dien tijd in beslag +namen en daarom althans een korte vermelding verdienen. + +Ho tu Loh shu, "het plan van Ho en de rol van Loh", is de Chineesche +naam voor de mythische overleveringen, waarop blijkbaar "het groote +plan" van den graaf van Ki berust. Het "groote plan" is de titel +van een der geschriften van Shu-king, het boek der historische +opteekeningen, dat in acht afdeelingen voorschriften behelst over +de wijze, waarop het volk door de volkomenheid van den vorst en de +daaruit voortvloeiende voortreffelijkheid der regeering gelukkig en +tevreden kan worden. Dit geschrift werd blijkbaar tegen het einde der +12e eeuw door den keizer Wu aan den graaf van Ki meegedeeld, welke, +hoewel door den laatsten heerscher der Shang dynastie ingekerkerd, +toch de aan dezen gezworen trouw wilde houden en den nieuwen keizer +niet wilde huldigen. Ja toen hij door dezen in vrijheid werd gesteld, +vluchtte hij naar Korea, met welk land hem Wu ten slotte zou hebben +beleend. + +In het gedeelte van den commentaar op I-king, dat aan Confucius +wordt toegeschreven, heet het: De gele rivier (Ho) bracht het plan +voort en de rivier Loh de rol. In de "gesprekken" zegt Confucius: +de rivier brengt geen plan meer voort, en op een andere plaats vindt +men: de rivier bracht het plan van het paard voort. + +Naar deze grondslagen fantaseerde Kung Ngan Kwoh, een afstammeling van +Confucius in het 12e lid, een man die in de 2e eeuw voor Christus bij +het terugvinden en verklaren der kanonieke geschriften een groote rol +speelde, de volgende geschiedenis: Een draak (een gevleugeld paard) +steeg op uit de wateren der gele rivier. Hij vertoonde op zijn rug +een rangschikking van zinnebeelden, waaruit de (fabel) keizer Fu hi +het systeem van Pa kwa (acht maal drie letters) afleidde. Ook toonde +een goddelijke schildpad aan den witten Yü een rol, die beschreven +was met getallen van uit één tot negen teekens bestaande waaruit dan +Yü den grondslag zijner negenvoudige wijsbegeerte zou hebben gevormd. + +Sedert de dynastie van Han hebben de Chineesche geleerden zich met +deze beide mystieke openbaringen (het plan en de rol) het hoofd +gebroken, doch onder de dynastie van Sung werd, voor het eerst +tijdens de regeering van keizer Hwei Tsung (1106-1125) beproefd om +die zinnebeelden in beeld te brengen en uit hen de grondslag eener +diepzinnige of kinderachtige (het oordeel hierover is verschillend) +philosophie der getallen af te leiden. Eerst onder Sung's regeering +nam men echter deze quaestie met ernst ter hand en slechts een enkele +geleerde dier dagen, An yang sin, die van 1017-1072 leefde, heeft het +gewaagd het bestaan van het paardeplan en de schildpadrol te loochenen. + +De volgende eeuwen hielden aan de commentaren van Chu hi [150] en +zijn school vast; eerst tegen het einde van de 16e eeuw begon zich +de kritiek daartegen te verheffen, en korten tijd voor den val van +den laatsten keizer uit de dynastie Ming richtte een aantal van +beroemde geleerden aan dezen het verzoek om de oudere teksten en +commentaren aan de staatsexamens ten grondslag te leggen: dat wil +zeggen den invloed der Boeddhistische en Taoïstische leeringen op +het staats-Confucianisme te breken. + +De met den ondergang der Ming-dynastie en der verovering van China door +de Mandschoeren gepaard gaande strijd en onrust lieten het denkbeeld +echter niet tot uitvoering komen, maar het telt nog talrijke aanhangers +onder de Chineesche letterkundigen, al vindt het ook in den nieuweren +tijd geen bepaald officieuse uitdrukking in een protest tegen het +aanhouden der nog steeds als orthodox geldende verklaringen van Chu hi. + +De thans in China regeerende Mandschoe-dynastie heeft meer dan +een harer voorgangsters voor de bewaring en onderhouding van het +Confucianisme gedaan. Zeker wel omdat zij, door eerbied voor wat +den Chineezen het dierbaarste is, de vreemde overheersching minder +drukkend wilde doen schijnen. Zij heeft echter ook meer dan eene der +vroegere regeeringen het Confucianisme voor haar doeleinden gebruikt +en zijne leeringen voor staatsdoeleinden pasklaar gemaakt. De sterkste +uitdrukking vindt deze politiek in het door keizer Kang hi in 1670 +bekend gemaakte "heilige edict", dat in zestien afdeelingen alles +samenvat, wat de onderdaan heeft in acht te nemen. + +De keizer gaf deze verordeningen, toen hij 16 jaar oud was: +waarschijnlijk daartoe genoopt door het politiek drijven van met het +Taoïsme samenhangende vereenigingen. Als grond van zijn edict gaf hij +deze overweging, "dat de zedelijkheid sedert eenigen tijd dagelijks +was afgenomen en de harten der menschen niet meer dezelfde waren als +vroeger." Als vader zijns volks wilde hij in weinige stellingen de +grondregelen aangeven, die zijn leerlingen tot richtsnoer in alle +betrekkingen des levens moesten dienen en wier opvolging hen zelve +goed en gelukkig, hem echter tot heerscher van een talrijk, goed +gevoed en beschaafd volk zou maken. + +Het edict moest op den 1en en den 15en van iedere maand overal openlijk +worden voorgelezen, wat ook thans nog in zooverre geschiedt, dat een +der afdeelingen wordt voorgelezen, verklaard en uitgelegd. Behalve +de beambten, die daarbij krachtens hun betrekking tegenwoordig moeten +zijn, komen er echter gewoonlijk slechts enkele toehoorders. + +Bij herhaling heeft men beproefd om bij deze voorlezingen een grooteren +kring van toehoorders bijeen te brengen; zoo voor eenige jaren in +Canton, met het doel om de zendelingen tegen te werken. + +Iedere afdeeling bestaat uit zeven teekens, van welke de eerste drie +het voorschrift behelzen, de laatste drie het doel, dat men door de +opvolging van het geschrift bereikt: een in China zeer gebruikelijke +verbinding van nuttigheid en leering. Het vierde teeken is in iedere +afdeeling hetzelfde en beteekent "om" of "opdat". + +Van ieder der 16 sententiën schreef keizer Yung Cheng, de zoon +en opvolger van Kang hi, in 1724 een verklaring, welke bij de +voorlezingen de plaats van vroegere verklaringen inneemt. Een nog +uitvoeriger omschrijving werd later in 't licht gegeven door zekeren +zout-commissaris in Shensi, Wang Yü po geheeten. Deze wordt als een +waar meesterstuk beschouwd, omdat zij zoo begrijpelijk is en door het +invlechten van historische voorbeelden, aanhalingen en spreekwoorden +zoowel leerzaam als onderhoudend mag heeten. De straks aangehaalde +pleitrede tegen Boeddha en Tao [151] is hier weggelaten. Overigens zijn +er vele pogingen gedaan om "het heilige edict" populair te maken. In +1681 gaf zekere districts-magistraat in Anhui, Liang Yen nien, +een werk uit met 200 platen, welke, evenals de daarbij behoorende +geschiedenissen bestemd waren om de voorschriften des keizers op te +helderen en te illustreeren. + +In 1879 werd een ander dergelijk werk in Shanghai door een Chineesch +photographisch instituut gepubliceerd en in Canton bestaat een +omschrijving van het edict in verzen. + +We laten nu, hier en daar een enkele opmerking makend, de verschillende +sententiën van dit edict volgen: + +1. Neemt de kinderlijke en broederlijke plichten in acht, opdat de +wederkeerige betrekkingen des levens behoorlijk in stand blijven. + +2. Acht uw bloedverwanten, opdat gij de voordeelen van een goede +verstandhouding moogt toonen. + +3. Leeft op goeden voet met uw naburen, opdat gij rechtsquaesties +moogt vermijden. [152] + +4. Legt u toe op den landbouw en het kweeken van moerbeiboomen [153] +om voldoende voeding en kleeding te hebben. + +5. Weest spaarzaam om onnuttige uitgaven te vermijden. + +6. Houdt de studie der wetenschap in eere, opdat gij de leerlingen +leidt op den rechten weg. + +7. Vernedert valsche leringen, [154] om de ware leer te verhoogen. + +8. Verklaart de wetten, om de onwetenden en hardnekkigen te +waarschuwen. + +9. Weest hoffelijk en toegevend om de zeden te verbeteren. + +10. Blijft getrouw aan uw eigenlijke bezigheden, opdat de wil des +volks onveranderlijk zij. [155] + +11. Onderwijst de jeugd, opdat zij verhinderd worde kwaad te doen. + +12. Laat alle valsche beschuldigingen achterwege, opdat de onschuldigen +beschermd worden. + +13. Waarschuwt allen, geen deserteurs (die het vaandel verlaten) +bij zich op te nemen, opdat zij niet in hun straf deelen. + +14. Betaalt uwe belastingen, opdat gij niet dikwijls gemaand behoeft +te worden. + +15. Vereenigt u tot tien en honderdtallen, om roof en diefstal uit +te roeien. [156] + +16. Weest verdraagzaam jegens elkaar, opdat het leven in achting blijve +(opdat er bij den strijd geen verwondingen en doodslagen voorvallen.) + +Het gezond menschenverstand, dat in de aangehaalde plaatsen, welke uit +de geschriften van orthodoxe philosofen getrokken zijn, een zoo groote +plaats beslaat, is, indien men allerlei bluf en versiering, alsmede de +later eerst opgekomen speculaties van Boeddhisme en Taoïsme er buiten +rekent, nog altijd de grondslag van de tegenwoordige philosophie, die +onder den naam van Confucianisme de gansche Chineesche maatschappij, +van de familie tot den staat toe, doortrekt. + +Trots alle bijgeloovige uitwassen, die uit Boeddhisme en Taoïsme +zijn voortgekomen, of die zich in aansluiting daaraan uit den ouden +staatsgodsdienst ontwikkelden en die in de hoogste, zoowel als in +de laagste kringen hunnen invloed doen gelden: ja, officieel worden +gehuldigd--trots dat alles ligt er toch in het Staats-confucianisme +een voor familie en staat zeer beschavende macht. + +Aan den invloed dezer, zich tegen alle ruwheid en onzedelijkheid +verzettende leer op de omliggende volken heeft China het te danken +gehad, dat zijn philosophie tegenover deze volken een zelfde rol +heeft vervuld, als in Europa de Grieksche en Romeinsche beschaving +en later het Christendom. + +Natuurlijk hebben echter die omliggende volken niet alleen de +deugden, maar ook de gebreken dezer beschaving overgenomen. Bij +die gebreken denken wij vooral aan de steeds grootere afsluiting +van andere geestelijke stroomingen en de daaruit voortvloeiende +zelfoverschatting, waaruit zich dan de levenlooze onbewegelijkheid +ontwikkelde, die wij in China, Annam en Korea ontmoeten, en waaraan +slechts Japan zich--zeker ook omdat het Mongoolsche bloed hier niet +onvermengd is--heeft ontworsteld. + +Welke verwijten men in dezen echter aan de Chineesche philosophie +moge doen, men mag niet vergeten, dat zij China voor vele droevige +verschijnselen, die wij in de snel voortgaande westersche beschaving +opmerken, bewaard heeft. + +Men denke aan de inquisitie en het anarchisme, beiden door zoo talrijke +klassen in het westen verheerlijkt. Voor zulke dingen is China gespaard +gebleven. Nu moge men zeggen, dat ook in China de praktijk soms niet +beantwoordde aan de theorie, wij vragen, waar dat geheel het geval +is en merken op, dat de philosophie van Confucius heeft bereikt, +wat voor andere stelsels onbereikbaar is gebleven, namelijk dat zij +niet slechts het eigendom werd van enkele bevoorrechten, maar van de +geheele volksmassa. + +Ook merken wij op, dat het zijn waarde kan hebben om, waar de +tegenwoordige Europeesche philosophie in een alles afbrekend en +vergiftigend pessimisme en cynisme ontaardt, zich in zijn zwartgallige, +onpraktische bespiegeling eens te laten temperen door de wereldwijsheid +der oude Chineezen, al moge zij wat "huisbakken" zijn. + +Waar nu de philosophische leeringen van oude tijden af tot nu toe +zulk een grooten invloed uitoefenden op de denk- en handelwijze van +het geheele Chineesche volk en deze zeker ook in de toekomst zullen +uitoefenen, moeten wij, behalve deze leeringen, ook de werken kennen, +waarin zij ons zijn bewaard gebleven. + +Wij willen daarom, vooral voor hen, die lust mochten hebben op dit +gebied wat dieper dan de oppervlakte te gaan, een kort overzicht van +namen, schrijvers, inhoud en ouderdom dier werken geven. + + + + + +VII. De klassieke boeken der Chineezen. + + +De Chineezen spreken gewoonlijk van de "vijf Kings" en de "vier +Shu's". De eersten zouden wij de vijf groote, de anderen de vier +kleine klassieken kunnen noemen. + +De groote klassieken zijn volgens deze indeeling de volgende: + + + 1. I-king, het boek der veranderingen. + 2. Shu-king, het boek der geschiedkundige aanteekeningen. + 3. Shi-king, het boek der liederen. + 4. Li-ki, het boek der ceremoniën. + 5. Chun-chiu, de kroniek van Confucius met het geschiedkundig + verhaal van Tso chiu ming. + + +De kleine klassieken zijn: + + + 1. Lun-yü, de gesprekken van Confucius. + 2. Ta-hio, de groote leer. + 3. Chung-yung, het onveranderlijke midden. + 4. De werken van Mencius. + + +Noch het getal der werken, noch de boeken, die tot ieder der +hoofdwerken behooren, noch de bestanddeelen dier kleinere werken of +hun namen zijn altijd dezelfde geweest; er zijn vijf, zes, negen, +tien en dertien "kings" geweest. Deze naam "Kings" is eerst sedert +de dynastie van Han, in de laatste twee eeuwen vóór onze jaartelling +voor alle boeken gebruikelijk geworden, die men als kanoniek en +van onwankelbaar gezag beschouwde. Tegenwoordig, onder de Mandschoe +dynastie, welke sedert 1643 in China heerscht, wordt, behalve van de +"vijf kings" en de "vier shu's" ook dikwijls van de dertien "klassieke +werken" gesproken. Deze zijn dan: + + + 1. Het boek der veranderingen. + 2. Het boek der geschiedkundige aanteekeningen. + 3. Het boek der liederen. + 4. Chau-li, het boek over de staatsinstellingen onder de Chau + dynastie. + 5. I-li, het boek der gebruiken. + 6. Het boek der ceremoniën. + 7. De kroniek van Confucius met het geschiedkundig verhaal van + Tso chiu ming. + 8. Dezelfde kroniek met het geschiedkundig verhaal van Kung yang. + 9. Dezelfde kroniek met het geschiedkundig verhaal van Ku liang. + 10. De gesprekken van Confucius. + 11. De geschriften van Mencius. + 12. Hsiao-king, het boek van de kinderlijke liefde. + 13. Het oude woordenboek Urhya. + + +Onder die dertien worden niet genoemd de volgende drie werken, die +echter ook als klassiek gelden: + + + 14. Ta-hio, de groote leer. + 15. Het onveranderlijke midden (Chung yung). + 16. De Bamboeboeken. + + +Wat het ontstaan, de schrijvers en voor een deel ook den inhoud +dezer werken aangaat; daarover zijn bijna evenveel meeningen, +als er Chineesche critici zijn, die zich met deze vragen hebben +beziggehouden. Dit is niet te verwonderen, daar bijna geen dezer +boeken ons ongeschonden is overgeleverd en de tekst dikwijls +onverstaanbaar is. Wat de een beslist voor waarheid aanneemt, +wordt door den ander met evenveel beslistheid verworpen. Zelfs de +gedurende langen tijd als gezaghebbend erkende verklaringen van Chu +hi en zijne leerlingen in de 12e eeuw, zijn onder de tegenwoordige +dynastie dikwijls bestreden. Evenwel vertegenwoordigen zij nog altijd +de geijkte opvatting, waarvan men bij bekendmakingen van staatswege +uitgaat. De nu volgende opgaven geven de thans vrij algemeen geldende +opvattingen over de klassieke werken weer. + + + +1. I-king, het boek der veranderingen. + +De I-King is een boek, bestemd om de voor doeleinden van waarzeggerij +gebruikte, uit heele en gebroken lijnen bestaande 8 trigrammen, +evenals de daaruit afgeleide 64 hexagrammen te verklaren. [157] Die +teekenen zelf zijn zeker ouder dan de 12e eeuw voor Christus. De +korte verklaringen bij de hexagrammen en de uitweidingen over de +onderdeelen, waaruit deze samengesteld zijn, worden gezegd afkomstig te +zijn van Wen Wan (1251-1135 v. C.), den vader van den eersten keizer +der Chau-dynastie en van Chau kung, den broeder van dien eersten +keizer. De andere tien afdeelingen van het werk worden--waarschijnlijk +ten onrechte--aan Confucius toegeschreven. + +Op een onbevooroordeeld lezer maken de oudste gedeelten van den +I-king den indruk van een waarzeggersboek van weinig meer waarde +en beteekenis, dan dergelijke werken gewoonlijk hebben. Eerst in +het laatste, meer exegetische deel van het werk, wordt beproefd om +in de oorspronkelijk geomantische verklaringen een philosophische +beteekenis te leggen. Dit kan ons niet verwonderen, want ook bij +andere volken zijn alchemie, astrologie en andere zwarte kunsten +sterk met philosophische symboliek en mystiek dooreengewerkt. + +Het belangrijkste gedeelte van het werk, waaraan echter de bekende +Duitsche wijsgeer Leibnitz een zeker te groote waarde toekende, +is wel de derde der laatste verhandelingen (afdeeling 5 en 6). Deze +bevat naast uitvoerige mededeelingen over de wijze van het verklaren +van teekenen een rijk magazijn van oudheidkundige aanteekeningen en +bespiegelende wijsbegeerte. + +Confucius stelde den I-king zeer hoog. Driemaal moesten de riempjes, +welke de plankjes bijeenhielden, waarop in zijn exemplaar de tekst was +ingesneden, worden vernieuwd. Ja, hij placht te zeggen, dat, als hij +50 jaar aan de studie van I-king kon wijden, hij hopen mocht, daardoor +zoover gevorderd te zijn, dat hij geen groote gebreken meer bezat. + +Terwijl nu Confucius en zijne aanhangers dit werk zoo vereerden, is +het dubbel merkwaardig, dat ten slotte de Taoïsten zich geheel en al +van de uitlegging hebben meester gemaakt en dat de thans officieel +geijkte verklaring van dit werk afkomstig is van den Taoïst Ch'èn +tw'an. Deze man leefde eenigen tijd aan het hof van Tai tsung, +den tweeden keizer der Sung dynastie (976-997) en werd door dezen +geroepen om hem in de geheime wetenschappen te onderrichten. Later +trok hij zich in de eenzaamheid terug, waar hij ook stierf. + +Bij de vernietiging der boeken (van de wijsgeeren) onder keizer +Tsing Shi Hwangti [158] werd de I-king als op de waarzeggingskunst +betrekkelijk, verschoond. Toch was een deel van den, zooals wij reeds +vermeldden, aan Confucius toegeschreven commentaar, verloren gegaan +en werd dit eerst ongeveer 78-42 v. C. onder tamelijk romantische +omstandigheden door een meisje teruggevonden in de ruïnen van een +oud huis. + + + +2. Shu-king, het boek der geschiedkundige aanteekeningen. + +De Shu-king, zooals wij dien thans kennen, bevat de overblijfselen +van een voorheen veel omvangrijker verzameling van geschiedkundige +beschrijvingen en documenten uit de jaren 2357-627 v. C. Aan de +echtheid van de gedeelten welke ongeveer 2197 v. C. en daarna +zijn geschreven, wordt niet getwijfeld, terwijl met betrekking tot +de andere, daaraan voorafgaande stukken wordt aangenomen, dat de +schrijvers uit oudere stukken hebben geput. + +De zeer geestvolle en zeker doeltreffende verklaring, door den +geleerden vrijheer von Richthofen over een van deze oudste stukken, de +schatting van Yü gegeven, doet zien, dat er in dit werk nog gewichtige +resultaten zijn te vinden voor diegenen, welke den moed hebben zich +te bevrijden van de boeien der Chineesche verklaarders, wier opvatting +gewoonlijk ook door de meeste vreemde vertalers wordt gevolgd. + +Wat de geloofwaardigheid van dit werk betreft: Mencius zegt er van, +dat het veel beter zou zijn, den geheelen Shu-king niet te bezitten, +dan daaraan onbepaald geloof te slaan. Confucius, wien men ook (ten +onrechte) dit werk toeschrijft, haalt het telkens aan. + +Een deel van den thans als geldig beschouwden tekst wordt door de +beste critici voor apocrief gehouden. Wat er van over is, bestaat uit +enkele stukken, die bij de vernietiging der boeken gered en toen op +eenigszins wonderbare wijze weer aan den dag zijn gebracht. + + + +3. Shi-king, het boek der liederen. + +De bekende geschiedschrijver Sze ma tien schrijft dit werk aan +Confucius toe, doch zijne verzekering is ongeloofwaardig. Immers +reeds lang vóór Confucius werden verschillende der hier voorkomende +liederen met dezelfde namen genoemd, die zij later ook droegen. + +Ook de Shi-king ontging in de dagen der Tsin-dynastie de vernietiging +niet. Doch, daar velen de liederen en gezangen daaruit van buiten +kenden, werd het boek spoedig weer hersteld. + +In zijn tegenwoordige gedaante bestaat het werk uit 305 stukken, +in vier groote afdeelingen samengevat, van welke de eerste afdeeling +160 liederen: spotliederen, straatliederen, liefdes- en volksgedichten +behelst. In de tweede afdeeling zijn 74 feestgezangen, oorspronkelijk +bestemd voor het keizerlijk hof, doch later ook aan de hoven der +vorsten gezongen. In de derde afdeeling zijn 31 gezangen, die eveneens +aan het keizerlijk hof werden voorgedragen en wel, wanneer er feesten +gegeven werden ter gelegenheid van het bezoek der onderhoorige vorsten, +terwijl de vierde afdeeling 40 gezangen telt, welke gebruikt werden +bij de ceremoniën in de hal der voorouders en bij de offers. + +Van de liederen oordeelt men, dat er 108 afkomstig zijn van den tijd +tusschen 1765-1065 v. C., verder 156 van tusschen 1076-696, en de +rest van af 696-585 v. C. Waarschijnlijk zijn deze opgaven niet ver +van de waarheid. + +De Shi-king bevat vele stukken, die van groote dichterlijke waarde +zijn. De Chineesche commentatoren hebben echter (evenals ook sommige +vreemde vertalers), al hun best gedaan om den zin van de mooiste +stukken te bederven, door deze namelijk ten onrechte als satyren +op onzedelijke toestanden, of als afschrikwekkende schilderingen te +gaan beschouwen. + + + +4. Chau-li, de staatsinrichtingen der Chau-dynastie. + +Dit, zooals men aanneemt, door Chau-kung in de 12e eeuw +v. C. geschreven werk, bestaat in zijn tegenwoordige gedaante +waarschijnlijk uit eenige oude gedeelten, met latere onechte +toevoegselen uit den tijd der Han-dynastie vermeerderd. Chau-li +werd door de Tsin-dynastie met bizonderen haat vervolgd en eerst in +het jaar 40 v. C. door een der keizerlijke bibliothecarissen weer +uitgegeven. Deze voegde een der verloren gegane stukken: het boek +der handwerkers, er nieuw bij. + +Het werk behelst een soort hof- of staatskalender der dynastie +Chau, waarin de verschillende ambten, het getal en de werkkring der +waardigheidsbekleeders worden vermeld. + + + +5. I-li, het boek der gebruiken. + +Het allereerst vinden wij dit boek aangehaald bij Mencius, in de 4e +eeuw voor Christus. Toch is het aan geen twijfel onderhevig, of een +deel van de voorschriften, die men in dit werk vindt over handelwijzen +bij bizondere gelegenheden, is reeds uit de dagen van Confucius of +uit nog vroeger tijd afkomstig. Na de vernietiging der boeken kwam +in de 2e eeuw v. C. een tekst van I-li, spoedig door een tweeden +gevolgd voor den dag. Uit deze beide teksten is de tegenwoordige +samengesteld. De titel "I-li" dagteekent uit den tijd der Han-dynastie. + + + +6. Li-ki, het boek der ceremoniën. + +De Li-ki is het derde en jongste der werken, in wier naam het teeken +"Li" (gebruiken) voorkomt. Terwijl echter de beide andere werken op +dit gebied, I-li en Chau-li, althans voor een deel zeer oud zijn: +meer dan 1000 voor C. geschreven--is de Li-ki zeker niet voor de 2e +eeuw onzer jaartelling voltooid. + +Li-ki behelst de oude commentaren over de onderwerpen, in het boek +I-li behandeld en is, in zijn tegenwoordigen vorm een werk van Tae, +den jongere. Diens oom, Tae, de oudere, gaf reeds vroeger een werk uit, +"Ta Tae Li" d. i. de gebruiken van Tae den oudere, geheeten. + +Dit laatste boek (van den oom) was onder de dynastie Han niet bizonder +in tel, doch nieuwere critici hebben het in zijn eer hersteld: het +bevat namelijk den kalender der Hsia-dynastie, die, indien hij echt +mocht zijn, ons sterrekundige opgaven geeft van 2000 jaar vóór onze +jaartelling. + + + +7. 8. 9. Chun-Chiu, de kroniek van Confucius. + +Chun-Chiu beteekent letterlijk: herfst en voorjaar. De bedoeling +echter is om met die twee jaargetijden het geheele jaar aan te duiden, +alzoo: jaarboek. Het is een kroniek van het geheele Chineesche rijk +over 722-484 v. C., geordend volgens de chronologie van den vorst +van Lu. Deze kroniek wordt, door Mencius het eerst, aan Confucius +toegeschreven. + +Ondanks den buitengewonen lof, dien de Chineesche verklaarders +voor dit werk hebben, is het een droog, onnauwkeurig en onvolledig +werk. Indien Confucius de maker van dit werk is, heeft hij daarbij al +zonderlinge beginselen gevolgd: nl. om personen en feiten, waarmede +hij niet ingenomen was, eenvoudig weg te laten. + +Het dor geraamte dezer kroniek krijgt eerst leven door de drie +geschiedkundige vertellingen van Tso chiu ming, Kung yang en Ku liang, +waarvan vooral het eerste verhaal allerlei belangrijke bizonderheden +bevat. + +De verhalen en verklaringen in dit boek zouden mondeling zijn +overgeleverd en eerst onder de dynastie van Han zijn opgeschreven. Wie +de commentatoren waren (sommige critici houden deze zelfs voor +mythische personen) is niet bekend. + + + +10. Lun-yü, de gesprekken van Confucius. + +Blijkbaar is dit boek door de leerlingen van de leerlingen van +Confucius vervaardigd. Wij bezitten het vrijwel in den vorm, dien het +in de tweede eeuw v. C. verkreeg of toen bezat. Het bevat allerlei +antwoorden en uitlatingen van den wijze naar aanleiding van vragen, +'t zij van zijn leerlingen, 't zij van andere personen. Dit een +en ander is noch chronologisch, noch op andere wijze geordend. In +sommige afdeelingen, voornamelijk in de 10e, vinden wij een uitvoerige +beschrijving van de houding en de gewoonten van Confucius. + + + +11. De werken van Mencius. + +Men is het er niet over eens, wie eigenlijk de schrijver van deze +boeken is. Sommigen schrijven de zeven afdeelingen, waaruit het +bestaat, aan Mencius zelven toe, [159] anderen aan zijn leerlingen, +nog anderen aan beiden gezamenlijk. Bij de vernietiging van de boeken +schijnen de geschriften van Mencius te zijn gespaard, wellicht omdat +hierin geleerd werd, dat de keizerlijke waardigheid aan den waardigsten +toekwam en Mencius daardoor eenigszins partij had gekozen tegen de +Chau dynastie, die later den troon aan de vorsten van Tsin verloor. + +In weerwil van de opmerkzaamheid, die de commentatoren aan Mencius +wijdden, werden zijn geschriften toch eerst in 1088 n. C. onder de +klassieken opgenomen en aan hun vervaardiger een plaats in de tempels +van Confucius aangewezen. + +De eerste keizer der Ming dynastie, Hungwu, liet hem echter in 1372 +daaruit weer verwijderen, daar hij ééne plaats in diens werken als een +onvergeeflijke misdaad tegen de vorstelijke waardigheid aanzag. In die +plaats wordt namelijk geleerd, dat wanneer een vorst zijn ministers als +aarde en gras beschouwt, zij hem als een vijand en roover beschouwen +[160]. + +Terzelfdertijd, dat de naam van Mencius uit de tempels verwijderd +werd, maakte men eene verordening, waarin bepaald werd, dat ieder, +die tegen deze handelwijze bedenking maakte (nl. tegen het verwijderen +v. Mencius' naam) wegens hoogverraad ter verantwoording zou worden +geroepen. + +De vereerders van den wijze lieten zich echter, met de +onverschrokkenheid en vrijmoedigheid, die in zulke gevallen dikwijls +aan Chineezen eigen is, daardoor niet afbrengen van protesten tegen +den door den keizer bevolen maatregel. Reeds in het volgend jaar werd +deze ingetrokken, omdat, zooals een nieuwe keizerlijke verordening +het uitdrukte, Mencius zich door het in 't licht stellen en te niet +doen van kettersche leeringen een waardig geestverwant van Confucius +had getoond. Mencius neemt thans onder die beroemde geestverwanten +van Confucius de vierde, d. i. de laatste plaats in, een plaats, +die hem in 1530 is aangewezen. + +Evenals de gesprekken van Confucius bevatten ook de werken van Mencius +gesprekken en naast elkaar opgenoemde uitingen en antwoorden van den +meester. Alleen is hier alles beter geordend. + + + +12. Hsiao-king, het boek der kinderlijke liefde. + +Dit werk behelst gesprekken over het bovengenoemd onderwerp, welke +tusschen Confucius en een zijner leerlingen zijn gehouden en door +dien leerling aan een kleinzoon van den wijze, Tsze sze, zouden +zijn medegedeeld. De aanduiding van dit werk, als het boek der +kinderlijke liefde is voor den inhoud niet geheel passend, want ook +andere betrekkingen: als tusschen heer en dienaar (vorst en beambte) +worden er in besproken. De juiste titel van dit werk zou zijn: +algemeene plichtsbetrachting op den grondslag van kinderlijke liefde. + +Na den ondergang der Tsin dynastie werd een exemplaar van Hsiao-king +weergevonden, later een tweede. Over de echtheid van dit werk oordeelen +de critici zeer verschillend. + + + +13. Het woordenboek Urhya. + +Dit werk dagteekent van 500 jaar v. C.; het behelst echter ook +oudere gedeelten, speciaal uit de 13e eeuw v. C. Gewoonlijk wordt +als schrijver genoemd Tsze hia, een leerling van Confucius. Het boek +bestaat uit 19 afdeelingen: de woorden zijn hierin geordend naar de +verschillende soorten, bv. onder vogels, planten, huisdieren enz. De +beteekenis van dit boek ligt vooral hierin, dat wij het beschouwen +kunnen als de eerste vroege poging om orde in het voorhanden materiaal +te brengen en dat het de uitdrukkingen verklaart, die in de klassieke +en in andere werken voorkomen. + + + +14. Ta-hio, de groote leer. + +Over den maker van dit boek is niets bekend. De overlevering schrijft +het toe aan Confucius' kleinzoon. Na den val der Tsin dynastie werd +dit werk met andere werken teruggevonden. De toen gevonden tekst bleef +lang de geijkte. Bij een in de 11e eeuw na C. ondernomen onderzoek van +den tekst bracht men hierin een aantal veranderingen. De voornaamste +daarvan was, dat als de tweede plicht der vorsten werd gesteld, +hun volk "op te voeden", in plaats van "lief te hebben", zooals het +vroeger heette. + + + +15. Chung-yung, het onveranderlijke midden. + +Dit werk wordt algemeen--en waarschijnlijk te recht--toegeschreven aan +Confucius' kleinzoon. Hoewel enkele critici van een ander gevoelen +zijn, kunnen wij toch aannemen, dat dit werk vrij volledig tot ons +is gekomen. + +Naar de oude opvatting behooren "de groote leer" en "het +onveranderlijke midden" bijeen. Een beroemd geleerde uit de 2e eeuw +zegt daarover het volgende: "Toen Kung kih (d.i. Tsze sze) in nood +en ellende in Sung leefde, vreesde hij, dat datgene, wat de oude +wijzen geleerd hadden, later niet meer verstaan zou worden en dat +alzoo de grondstellingen der oude keizers en vorsten in duigen zouden +vallen. Daarom vervaardigde hij "de groote leer" als den inslag en het +"onveranderlijke midden" als de schering. + +Inderdaad valt een innerlijke samenhang tusschen deze beide werken, +die volgens Chu hi in oude tijden den grondslag voor de opvoeding +der jeugd vormden, geenszins te miskennen. + +"De groote leer" onderwijst: "de deugd in daden te toonen, het volk op +te voeden (of lief te hebben) en in de volkomenheid te blijven." Het +"onveranderlijke midden" zegt: "Wat de mensch van den hemel ontvangen +heeft is zijne natuur, wie in overeenstemming met deze handelt, +wandelt op den weg van den plicht, dit pad te gaan leert de mensch +door onderwijzing." + +Als een roode draad loopt door beide werken de grondstelling, dat +ieder, in 't bizonder echter de vorst, door zijn voorbeeld kan en +moet werken, en dat alzoo ieder, die dezen invloed wil uitoefenen, +eerst zelf naar volkomenheid moet streven, terwijl de rechte weg +om deze te bereiken, tusschen de beide uitersten ligt, welke moeten +worden vermeden. + + + +16. Tshu-shu, de bamboeboeken. + +De bamboeboeken, d. w. z. een aantal bamboetafeltjes met daarop 100.000 +teekenen, schijnen in het jaar 279 n. C. gevonden te zijn in het graf +van koning Sêang van Wei (deze stierf 295 v. C.). Deze tafeltjes, +die reeds vroeger door ouderdom en vochtigheid veel hadden geleden, +werden toen neergelegd in de keizerlijke bibliotheek. Een commissie +van onderzoek, benoemd om er rapport over uit te brengen, ontdekte +daarin 15 werken, waaronder een afschrift van I-king [161], benevens +een aantal jaarboeken. Deze laatsten worden dan als de bamboeboeken +aangeduid. + +Deze jaarboeken beginnen met de geschiedenis van China vanaf 3000 +v. C. Over 960-369 v. C. handelen zij over de geschiedenis van het +vorstendom Tsin. Over 369 v. C.-295 n. C. over die van het vorstendom +Wei. Met den dood van koning Sêang breekt de geschiedenis dan af. + +De beroemde geleerde en staatsman Fu Yü (222-284 n. C.) maakt er +van gewag, als zoo juist geschied. Toch wordt aan de echtheid der +bamboeboeken dikwijls getwijfeld. Waarschijnlijk omdat men hier, naast +historische feiten, ook tal van fabelen en mystieke bespiegelingen +vindt, die doen denken òf aan oorspronkelijke, sterk-Taoïstische +invloeden, òf aan eene latere omwerking in dien geest. Eén van de +in het graf gevonden werken is het reisverhaal van keizer Mu uit de +dynastie Chau (1001-983 v. C.) Deze zou de westelijke goddelijke +moeder, Si wang mu, in het Kuenlüngebergte bezocht hebben: de +fabelachtigste voorvallen worden aangaande het vinden dezer boeken, +met dag en datum, opgenoemd. + +Een werk, dat zich bezig houdt met het leven en met de uitspraken +van Confucius en dat hoewel zeker apocrief, toch wegens de vele +overleveringen, welke uit den tijd van zijne vervaardiging, de 3e eeuw +n. C. afkomstig zijn, in een grooten roep staat, is Kung tsze kia yu +d.i.: uitspraken van Confucius in den kring zijner leerlingen. Zulk +een boek bestond reeds vóór het begin onzer jaartelling. Dat oude werk +is echter verloren gegaan. Wat wij nu hebben is een werk van zekeren +Wang Suh, die zich de vervaardiger van den bijbehoorenden commentaar +noemt, doch den tekst, naar hij beweert, van een der nakomelingen +van Confucius heeft ontvangen. + + + +Behalve de klassieke boeken of andere, die daartoe min of meer worden +gerekend, zijn er een groot aantal andere boeken, wier schrijvers, +hoewel eveneens kanoniek verklaard en met de hoogste titels na hun dood +vereerd, toch geen plaats hebben gevonden in het orthodoxe Pantheon: +de tempels van Confucius. + +Dit zijn namelijk de geschriften der Taoïsten, een literatuur, +die zóo grooten invloed op den ontwikkelingsgang der Chineezen +heeft uitgeoefend, dat wij haar niet onvermeld mogen laten. Wat dien +invloed betreft: deze werd niet zoozeer uitgeoefend door het zuivere +Taoïsme, als wel door de latere ziekelijke ontaardingen der leer, +die feitelijk met de oorspronkelijke slechts in verwijderd verband +staan. Het hoofdwerk der Taoïstische richting is het: Tao teh king, +het boek van den weg en van de deugd. Als de vervaardiger daarvan, +wordt algemeen Li R. beschouwd gewoonlijk Lao tsze genoemd. Deze +leefde waarschijnlijk tegen het einde der 6e eeuw v. C. en bekleedt +in het Taoïsme dezelfde plaats als Confucius in de naar hem genoemde +leer. Beiden waren verklaarders en verbreiders: geen eerste apostelen +hunner leer. De oude geschriften en overleveringen, waaruit Lao +tsze putte, zijn echter niet meer aanwezig. Het Tao teh king is vaak +moeilijk te verstaan, soms geheel onbegrijpelijk en heeft daardoor +aan uitleggers en vertalers een welkome gelegenheid gegeven om hun +scherpzinnigheid te toonen. + +De oudste commentaar dateert uit de 3e eeuw onzer jaartelling en is +door Wang Pi gemaakt. Ook aan den bevelhebber der Hanku pas, Yin Hi, +voor wien naar de legende, Lao tsze het Tao teh king schreef [162], +wordt een werk, Kwan Yin tze genaamd toegeschreven. In het gedeelte der +Han kroniek, dat zich met de verschillende boeken bezig houdt, wordt +dit werk genoemd, zonder dat het echter verder bekend schijnt. Eerst +in de 12e eeuw komt het plotseling voor den dag als een bezit der +familie Sun Ting, met een voorrede van Liu Hiang (80-9 v. C.) Dit +werk is zeer zeker een vervalsching, doch, eene uit oude dagen. Een +geleerde van beteekenis moet het hebben geschreven. + +Twee leerlingen van Lao tsze, Lieh tsze en Chwang tsze, de eerste +tot de 5e, de ander tot de 4e eeuw voor Christus behoorende, [163] +hebben eveneens werken nagelaten, die door hunne leerlingen naar +mondelinge overleveringen zouden zijn opgeschreven. Bij beiden treedt +de mystiek op den voorgrond, bij Chwang tsze ook een zekere Cynische +richting. Beide werken hebben hun grooten invloed uitgeoefend om +het Taoïsme ver van zijn oorspronkelijke koers af te voeren. De +belangrijkste commentaren op deze twee werken zijn eerst uit de 4e +eeuw n. C. terwijl hun hoofdinvloed in de 8e eeuw, onder de dynastie +Tang zich deed gelden. + +Een ander belangrijk voorstander van het Taoïsme is Huai Nan Tsze +[164]. Deze naam is een aangenomene, waaronder prins Liu Negan, +kleinzoon van den stichter der Han dynastie, schreef. Als ijverig +aanhanger der Taoïstische leer, in het bizonder van de alchemistische +richting daarin, verzamelde hij vele honderden van aanhangers en +zocht met hen naar het elixer der onsterfelijkheid en den steen der +wijzen. Hij stierf in 112 v. C. door zijn eigen hand, nadat een poging +om zich van den troon meester te maken was mislukt. Zijn geschriften +zijn eveneens door Liu Hiang uitgegeven. + +De verschillende opgaven, hierboven gedaan, hebben voldoende in het +licht gesteld, hoe groote gapingen er zijn in de overlevering der +gewijde teksten, en hoe er vaak eeuwen liggen tusschen de vervaardiging +der oude teksten zelf en het verschijnen der ons bewaard gebleven, +onontbeerlijkste commentaren. + +De oorzaak van deze, voor de kennis van het oude China en zijn +philosophische lectuur betreurenswaardige gapingen is tweeërlei: 1e. de +gebrekkige ontwikkeling van het schrift en het schrijfmateriaal: +tafeltjes uit bamboe, waar men de teekens met een scherpe stift +inkraste of instak. 2e. in de door keizer Tsin Shi Hwang ti in 213 +v. C. bevolen vernietiging der meeste klassieke werken, waarbij +slechts min of meer verminkte exemplaren aan het vuur ontsnapten. + +De Chineesche schrijver Sze ma tsien (163-85 v. C.) heeft in zijn +"historische opteekeningen" het uitvaardigen van het keizerlijk edict, +dat de vernietiging der boeken en de bewaking der geleerden voorschreef +zeer dramatisch voorgesteld. In werkelijkheid is zeker deze maatregel +wel de vrucht van rijp overwegen geweest. + +Sze ma tsien dan bericht het volgende: + +"In 212 v. C. kwam de keizer van eene reis naar het zuiden terug. Hij +gaf toen een feest in het paleis, waar ook de 70 groote geleerden (de +professoren der keizerlijke academie) verschenen en hem begroetten. Een +der ministers, Chau tsing shin, trad naar voren en sprak: "Vroeger +was het rijk van Tsin slechts 1000 Li groot, doch uwe hoogheid heeft +met een kracht en een verstand als van de godheid het gansche rijk tot +rust gebracht en alle barbaarsche stammen verdreven, zoodat, zoover zon +en maan schijnen, allen u als gasten hun onderdanigheid betuigen. Gij +hebt de staten der verschillende vorsten in provinciën en districten +veranderd, waarin het volk een gezegende rust geniet, vrij van de +gevaren van den oorlog en van den strijd om de heerschappij. Deze +toestand zal 10.000 geslachten duren. Nooit, sedert de oudste tijden, +is iemand in verheven deugd aan uwe hoogheid gelijk geweest." + +Deze vleitaal beviel aan den keizer. Toen trad Shun Yu yüe, een +der grootste geleerden, naar voren en zeide: "de heerschers uit het +geslacht van Yin (Shang) hebben sedert meer dan duizend jaar hunne +zonen, jongere broeders en verdienstelijke ministers met bezit en +macht beleend en vonden zoo bij hen hulp en steun, gelijk ik wel +vernomen heb. Nu echter heeft uwe hoogheid bezit genomen van alles, +wat er tusschen de vier zeeën is, en uwe zonen en jongere broeders +zijn personen zonder gezag. Het gevolg daarvan zal zijn, dat er één +zal optreden om te doen als de oproermakers in vroegere tijden. Waar +wilt gij dan, zonder de ondersteuning uwer familie, de hulp vinden, +die gij dan wellicht noodig hebt? Dat een toestand, die niet op de +leeringen der oudheid berust, lang kan bestaan, heb ik nog nooit +gehoord. Tsing staat voor u als een vleier, die de dwalingen van uwe +majesteit vermeerdert, doch niet als een trouw minister." + +De keizer verlangde daarop het oordeel der anderen over deze zaak +te weten, waarop de eerste minister Li sze sprak: "De vijf keizers +waren niet allen de een het voorbeeld van den ander, evenmin +volgden de drie dynastiën elkaars maatregelen na. Ieder had zijn +eigen regeeringssysteem, niet om wat anders te bedenken, maar omdat +de veranderde tijden dat eischten. Uwe hoogheid heeft thans den +grondslag der keizerlijke macht voor 10.000 geslachten gelegd. Dat +is meer dan een eenvoudig professor kan verstaan. Buitendien spreekt +Yüe slechts over zaken, die op de drie dynastiën betrekking hebben +en die als voorbeelden voor u niet geschikt zijn. Vroeger, toen de +vorsten tegen elkaar streden, zocht ieder hunner geleerden om zich +heen te verzamelen, nu echter staat het rijk vast en welgegrond en +de wetten en verordeningen gaan van één hoogste macht uit. Zij, die +in hun woonplaatsen blijven, behooren hunne krachten aan den landbouw +te wijden; zij, die geleerden willen zijn, behooren de verschillende +voorschriften en wetten te bestudeeren. In plaats echter van alzoo +te handelen, leeren de geleerden niets, dat op den tegenwoordigen +tijd betrekking heeft: doch bestudeeren de oudheid. Zij gaan voort +den tegenwoordigen tijd te veroordeelen, het volk op een dwaalspoor +te brengen en het tot wanorde te verleiden. + +"Zelfs al zou mijn leven er gevaar door loopen, moet ik, de eerste +minister, u dit zeggen. Vroeger, toen het rijk oneenig en vol onrust +was, was er niemand, die het eenheid kon geven. Daarom stonden de +vorsten op, ieder beriep zich op het verleden: tot schade van het +tegenwoordige: allerlei bewegingen zonder grond werden opgesteld: +de werkelijkheid sloeg men in het aangezicht. Velen pronkten met hun +eigen wetenschap om te veroordeelen, wat hun vorst beval. En zelfs nu, +nadat uwe hoogheid het rijk in vaste eenheid heeft gegrondvest, zelfs +nu prijzen zij hun eigen wetenschap en steken de hoofden bijeen. Zij +leeren aan het volk wat met de wet in strijd is. Hooren zij dat eene +verordening zal worden uitgevaardigd, dan begint ieder daarover zijn +wijsheid uit te kramen. Aan het hof houden zij hun misnoegen vóór +zich: buiten op de straat schreeuwen zij het uit. Terwijl zij doen, +alsof zij hun meester prijzen, is toch ieder er trotsch op, zijn +eigen vreemdsoortige inzichten te hebben. Zoo brengen zij het volk +tot oproerige woorden. Indien zulke dingen niet verboden worden, +zal het gezag van uwe majesteit schade lijden en er zullen zich in +den staat partijschappen vormen. Daarom: verbied ze. Ik verzoek u, +dat alle kronieken, die in de handen der geschiedschrijvers zijn, +met uitzondering alleen van die van het huis van Tsin, worden +verbrand. Eveneens, dat in het gansche rijk allen, die exemplaren +van den Shi-king of den Shu-king, of van de boeken der 100 scholen +bezitten, met uitzondering van de professoren der academie, deze aan +de beambten der districten moeten inleveren, om ze te verbranden. Dat +voorts allen, die samen over Shu-king of Shi-king spreken, worden +gevonnist en hun lichaam op de marktplaats worde terechtgesteld, +dat zij, die het verledene prijzen ten koste van het heden, met al +hun bloedverwanten worden gedood. Dat beambten, die kennis dragen +van de overtreding dezer geboden en de overtreders niet aanwijzen, +worden gestraft evenals de overtreders zelve, en dat, wie zijn boeken +niet binnen 30 dagen na uitvaardiging dezer verordening heeft verbrand, +gebrandmerkt wordt en naar den grooten muur wordt gezonden, om daaraan +vier jaren te arbeiden. De eenige boeken, die men sparen kan, zijn +die over de geneeskunde, de waarzeggingskunst en den landbouw. Wie +de wetten wenscht te leeren kennen, kan naar de ambtenaren gaan en +ze daar vernemen. Het keizerlijk besluit worde alzoo vastgesteld." + +Een jaar na de uitvaardiging van het edict werd de toorn des keizers +opnieuw opgewekt door de vlucht van twee geleerden, die zijn bizondere +gunstelingen waren geweest. Hij liet dus nauwkeurige nasporingen +doen, of ook iemand van de geleerden booze woorden over hem gesproken +had, of het volk tegen hem had opgestookt. Het bleek nu, dat meer +dan 460 geleerden het verbod hadden overtreden. Zij werden allen, +tot waarschuwend voorbeeld voor het volk, levend begraven, terwijl +de wetten, tegenover alle verdachten, met verdubbelde strengheid +gehandhaafd werden. Deze vervolging der geleerden en verbranding der +boeken is niet de eenige slag geweest, welke de Chineesche literatuur +heeft getroffen. Bij den val der Tsin dynastie werd, in den strijd om +de heerschappij, de hoofdstad des rijks een prooi der vlammen. Deze +woedden er weken lang en hebben vermoedelijk minstens evenveel, uit +de verwoesting der klassieken geredde exemplaren vernield, als het den +Tsin keizer gelukt was te vernietigen. Dergelijke "bibliotheekrampen", +zooals de Chineezen zeggen, volgden elkaar met korte tusschenpoozen +op. In de eerste jaren onzer tijdrekening werd bij een opstand de, met +veel moeite en tijdopoffering bijeengebrachte, 12000 deelen (bundels +van tafeltjes) tellende, rijksbibliotheek verwoest. Eveneens ging het +met eene verzameling, door de latere Han dynastie bijeengebracht. Deze +ging tegen het einde der 2e eeuw n. C. verloren, gedeeltelijk bij een +brand van het keizerlijk paleis, gedeeltelijk bij de overbrenging van +het hof naar Schensi en de daarop gevolgde beroeringen. Hetzelfde lot +deelde in 311 eene door de keizers der dynastie Wei en Tsin aangelegde +bibliotheek van bijna 30.100 boeken (rollen, want leer en zijde +hadden toen de plaats van het bamboe ingenomen). Een vijfde groote +ramp volgde in 554, toen keizer Yuanti in Nanking zijne verzameling +van 70.000 boeken aan de vlammen prijsgaf. + +Dat er nu, trots al deze ongelukken, nog zoo veel van de oude +literatuur bewaard is, hebben wij te danken aan den wakkeren ijver, +de lust tot verzamelen en den kritischen geest der Chineesche +geleerden. Ook werd hun ijver door de belangstelling en de mildheid +van verschillende heerschers aangespoord. Dat bij de verschillende +pogingen tot herstel van deels verloren gegane en verminkte teksten +(want slechts in dezen vorm zijn de brokstukken van vóór-Confuciaansche +werken tot ons gekomen, wat trouwens ook met menig geschrift uit +later tijd het geval is), vele vervalschingen zijn voorgekomen kan +niemand verwonderen, die de voorliefde en den tact van de Chineezen +voor dergelijke bedriegerijen in iederen tak hunner vaderlandsche +bedrijven kent. In vele gevallen is het aan de latere kritiek, soms +echter eerst na eeuwen, gelukt om de vervalschingen te ontdekken en +de oude, wèl onvolledige, doch minder verdachte teksten weer voor +den dag te brengen. + +Ook in den nieuweren tijd, zelfs na het uitvinden en de algemeene +toepassing van de boekdrukkunst, is het aantal der verloren gegane +werken, waarvan men het bestaan nog slechts kent door een titel in een +catalogus, of door citaten in andere geschriften, zeer belangrijk. De +reden daarvan ligt voor een goed deel in de vele inwendige onlusten, +waarbij weinige steden de verwoesting ontgingen. Zoo heeft de bekende +Taiping-opstand vreeselijke, onherstelbare schade aangericht, terwijl +bij de verwoesting van het zomerpaleis door de Engelschen in 1860 de +daarin aanwezige schoone keizerlijke bibliotheek werd vernield. Een +ander ongeluk is, dat het aantal exemplaren van een werk, door +overschrijven of drukken verveelvoudigd, vaak zeer beperkt was. Dit +geldt natuurlijk vooral van grootere werken: handboeken, encyclopaediën +enz., welke vaak slechts bestemd waren voor een kleinen kring. + +In vele gevallen zijn dan de daarvoor afzonderlijk bestemde metalen +typen gestolen of de gewoonlijk voor het afdrukken bestemde houten +platen verloren gegaan, vernield, of onbruikbaar geworden en is het +nooit tot een tweede uitgave gekomen. Ook aan den in China zeer te +vreezen boekenworm, is de vernieling van vele werken, soms zelfs van +de houten platen te wijten. + +Men behoeft maar eenmaal een blik geslagen te hebben in de bibliotheek +van een der vele kloosters in den omtrek van Peking, of Dr. Martin's +beschrijving der bibliotheek van het Hanlin collegium te lezen, om +zich te kunnen voorstellen, hoe vochtigheid en wormen opruiming hebben +gehouden onder de letterkundige werken van China en hun vernielingswerk +nog dagelijks voortzetten. In de kloosterbibliotheken is er onder +duizend ongeordende, omzwervende deelen niet één, welks bladen niet +half vergaan of met wormgaten doorboord zijn. En, te oordeelen naar +den toestand, waarin vele werken, die uit keizerlijke of particuliere +bibliotheken het licht zagen, zich bevinden, schijnt het in deze +plaatsen der geleerdheid er ook niet veel beter uit te zien. Veel +schuld heeft ook het slechte papier en het slordig openmaken, der +uit los te zamen genaaide bladen bestaande deeltjes. De hoofdoorzaak +van het verval is echter, dat de verzamelingen niet toegankelijk +zijn voor het publiek en dat het administratief toezicht ook hier, +als in zoovele andere gevallen in China, slechts een opzicht in naam +is. Gevolg daarvan is, dat de boeken zoek raken of op andere wijze te +gronde gaan, zonder dat iemand roeping gevoelt om ordenend en reddend +den Augiasstal onderhanden te nemen. + +Het ontbreekt niet aan berichten en keizerlijke edicten, doch men laat +het dikwijls bij fraai klinkende, schoon gevormde zinnen. Hier kan +men de ware mierenvlijt der letterkundigen, die anders in zoo menig +opzicht storend op de ontwikkeling van het land hebben ingewerkt, +niet genoeg prijzen. Aan dien ijver toch is het te danken, dat van +de letterkundige schatten des lands nog zooveel gered is en behouden +zal blijven. Zonder dien ijver ware het ons niet mogelijk geweest, +u de Chineesche philosophie eenigszins te doen kennen. Moge, wat wij +daarover mededeelden, u tot de overtuiging hebben gebracht, dat ook +deze Chineesche "denkers" onze aandacht verdienen. + + + + + + + +HOOFDSTUK VI. + +Het Mazdeïsme. + + +I. Inleiding. + + +Wanneer wij gelezen hebben van de aloude wijsheid der Brahmanen en ons +daarop hebben verplaatst, in den eigenaardigen, rustig-bepeinzenden +geest van het Boeddhisme, moet het ons vreemd aandoen, als wij uit +die Indische wereld van peinzen en bespiegeling ons begeven naar +het oude Iran, ten einde ons te verdiepen in den godsdienst van +Zoroaster. Uit een wereld van subtiele droomerijen komen wij dan +in eens met beide voeten op den bodem der werkelijkheid, uit een +godsdienst die boven alles den vrede zoekt en allen strijd schuwt, +komen wij tot een anderen, die strijd, meedoogenloozen strijd als +een zijner grondbeginselen predikt. En, terwijl Indië den der wereld +afgestorven kluizenaar of monnik bewondert, is in oud Perzië de kloeke +huisvader, die met liefde zich aan den landbouw wijdt, de ware dienaar +des Allerhoogsten. Vruchtbaarheid en leven is hier met den godsdienst +één, terwijl Indië van den godgewijde onthouding van geslachtelijken +omgang eischt. + +En toch, toch zijn die beide planten, oud-Indië en oud-Perzië, op +denzelfden bodem gewassen. Beiden zijn ontstaan uit den oud-Arischen +godsdienst, dien de gemeenschappelijke voorouders beleden, vóór zij +uiteengingen, de een naar het warme Indië met zijn weelderige natuur, +uitlokkend tot droomen en peinzen, de ander naar het onvruchtbare Iran, +[165] waar de mensch wel wat anders had te doen en door noesten vlijt, +in den strijd tegen de vijandige natuurmachten, zijn levensonderhoud +aan den bodem moest ontwringen. Daar nu is het Mazdeïsme of de +oud-Perzische godsdienst ontstaan. In welke landstreek--velen meenen +in Bactrië--is onzeker. Wij spreken echter maar van oud-Perzischen +godsdienst, omdat het Mazdeïsme, althans later de godsdienst van de +Perzen, het meest op den voorgrond tredende der Iranische volken is +geworden. De naam Mazdeïsme is ontleend aan Mazda, de "Verhevene", +zooals de hoogste godheid werd genoemd. Over dit Mazdeïsme willen +wij dus handelen: een niet gemakkelijk onderwerp, omdat wij hier +weinig bronnen hebben en dan nog veel in die oude bronnen zwaar te +verstaan is. + +Twee namen klinken ons hier tegen: wij lezen van het Zend-Avesta als +het heilige boek en van Zoroaster den profeet, aan wiens naam dit +boek is vastgeknoopt. 't Spreekt vanzelf, dat het daarom nog niet van +zijn eigen hand behoeft te zijn: evenmin als de geheele Koran door +Mohammed, of alles in de vijf eerste boeken des Ouden Testaments +door Mozes geschreven is. Toch bestaan er goede redenen om aan te +nemen, dat althans de Gatha's, oude liederen, die van het Avesta +een deel uitmaken, van hem zelf afkomstig zijn. Overigens schuilt +zijne geschiedenis in het duister. Zeker leefde hij vele eeuwen vóór +Christus en lang vóór Cyrus (6e eeuw vóór C.) Waarschijnlijk was hij +van aanzienlijke afkomst en gevoelde hij zich innerlijk geroepen als +hervormer van den godsdienst op te treden. Na zeven jaar in eenzame +overpeinzingen te hebben doorgebracht, trad hij met kracht tegen +den afgodendienst op. Eerst bekeert hij enkele familieleden. Straks +ook koning Vistaçpa. Veel had hij te strijden met den invloed der +Turaniërs, wier bijgeloovige tooverpraktijken onder zijn volk sterk +waren doorgedrongen. Doch hij gaf den strijd niet op en predikte zijn +godsdienst der reinheid, tot hij in Balkh, de hoofdstad des rijks, +bij een aanval der Turaniërs, om het leven kwam. + +Wat het Zend-Avesta betreft,--de naam beteekent wet (avesta) met +verklaring (zend)--dit boek is eerst sedert 1771, toen het door den +Franschen geleerde Anquetil du Perron uit Azië werd meegenomen en +uitgegeven [166], in Europa bekend geworden. + +Het werk vormt de overblijfselen van een veel uitgebreider +godsdienstige lectuur en dagteekent in zijn geheel zeker van minstens +6 à 7 eeuwen vóór Christus. De meeste stukken zijn zelfs veel ouder. + +Evenals het O. T. ons verschillende phasen van ontwikkeling van +eenzelfden godsdienst, b.v.: het oude Jahvisme, den godsdienst der +profeten en den wettelijken godsdienst vanaf de dagen van Ezra en +Nehemia doet zien: ontwikkelingsvormen die wel zeer uiteenloopen, +doch door één draad zijn verbonden, zoo is het ook hier. Ook in +het Zend-Avesta vinden wij drie ontwikkelingsvormen van denzelfden +godsdienst, waarvan de eerste ons toont den nieuwen godsdienst, +zooals hij gepredikt werd door Zoroaster of zijne school; de tweede +teekent hem, zooals hij meer in 't practische leven inwerkt, doch +dan ook door het oud volksgeloof enz. reeds eenigszins verontreinigd +is en de derde doet hem ons zien als een volksgodsdienst geworden +geheel en al: èn dus, noodzakelijkerwijze heel wat verschillend van +de oude grondslagen, maar toch de grondgedachten van het verleden, +zij het in aarden vaten, in zich dragend. + +Van deze phasen behandelen wij alleen de eerste en de derde, omdat wij +over de tweede slechts zeer weinig bronnen hebben (de jongere Gatha's) +en het verschil tusschen de eerste en tweede zeer gering is. + +Het is te bejammeren, dat, zooals wij boven zeiden, slechts brokstukken +der oude gewijde literatuur tot ons zijn gekomen, doch wij moeten ons +tevreden stellen met wat wij bezitten. Een enkele opmerking daarover +zal hier niet misplaatst zijn. + +In de dagen toen Alexander de Groote zijn wereldheerschappij vestigde, +alzoo in de 4e eeuw vóór Christus schijnt er, volgens geloofwaardige +berichten, een rijke godsdienstige lectuur te hebben bestaan. Evenwel, +Alexander de Groote, die aan het Perzische rijk een einde maakte, +trad ook tegen den oud-Perzischen godsdienst en diens gewijde boeken +vijandig op. Hij verbrandde deze of zond ze naar zijn rijk. Slechts +een gedeelte bleef gespaard. + +Toen later de Perzen weer eigen koningen bezaten, nl. de dynastie der +Sassaniden (226-636 n. C.) werd bijeen verzameld, wat overig was. Toen +bestond het Zend-Avesta uit 21 boeken. Deze waren ook in hoofdzaak nog +in de 9e eeuw na Christus aanwezig, althans een schrijver uit die dagen +heeft er 20 in de oorspronkelijke taal voor zich gehad, 19 bovendien +in een ander dialect, het Pehlewi, dat hij beter verstond. Ook deze +verzameling is echter verloren: slechts brokstukken zijn er van +over. De eeuwen hebben dus een geduchte zifting gehouden. Evenwel, +verschillende gegevens samenvoegende, komen wij tot het besluit, +dat ons het meest belangrijke bewaard is gebleven. + +Wat wij nu nog bezitten, en wat in hoofdzaak reeds door Anquetil du +Perron is uitgegeven, is het volgende: + +1. Yasna, een boek van ritueelen aard, bevattende teksten bij de +offerhandeling. + +2. Vispered (alle heeren) gebezigd bij die offeranden, waarbij "alle +heeren" worden aangeroepen. + +3. Vendidad (wet tegen de daeva's = duivelen) in 22 fargards +(hoofdstukken). + +4. Yasts, offerzangen ter eere van de Yazata's (verheven wezens) +aan wie 27 van de 30 dagen der maand waren gewijd. + +5. Eenige kleinere geschriften; kalenders, gebeden, spreuken, +gewoonlijk genaamd het Kleine Avesta. + + + +Deze gedeelten zijn van verschillenden ouderdom, en vertegenwoordigen +de drie straks genoemde ontwikkelingsphasen van het Mazdeïsme. [167] +In de Yasna vooral komen de oudste stukken voor, de zoogenaamde Gatha's +(oude liederen), die ook wat hun taal betreft, van de overige deelen +verschillen en in wier leer ook sommige denkbeelden en leerstellingen +van het latere Mazdeïsme niet worden gevonden. Zij klimmen wel tot +het jaar 1000 vóór onze jaartelling op en leeren ons het Mazdeïsme +kennen in zijn aanvang en oorspronkelijke zuiverheid. + +Wat hebben wij ons nu, aan de hand dezer oude oorkonden en van enkele +andere berichten van het ontstaan van dezen godsdienst voor te stellen? + +We merkten reeds op, dat eenmaal de voorvaderen van Indiërs en Perzen, +de Ariërs, gelijk zij zich noemden, samenwoonden in de landstreek ten +noorden van Voor-Indië. Vandaar uit gingen de (latere) Indiërs naar +het zuiden, de (latere) Perzen of liever Iraniërs, naar het noorden. + +De goden, die beiden vóór hunne scheiding vereerden waren dus +dezelfde. Deze waren o. a. Varuna en Mithra, Yama, of zooals de +Perzen hem later noemden Yima, den eersten mensch: mythisch koning +van het oudste menschdom en van het doodenrijk. [168] Ook wisten zij +toen reeds in hun mythen te gewagen van de worsteling, die er in de +natuur is tusschen licht en duisternis, al vatten zij dien strijd +ook nog niet zoozeer als een zedelijken strijd op. + +Voorts was het vuur bij hen in hooge eere en kenden zij een soort +onsterfelijkheidsdrank, waaraan men zich een gewijden roes dronk: een +middel toch zag men daarin om tot hooger leven, tot bovenmenschelijke +bezieling te geraken. + +De twee--later zoo uiteenloopende stroomen--waren dus eenmaal één. Hoe +zijn zij later zoo ver van elkaar gekomen? Het antwoord moet luiden: +bij de Indiërs is, onder de leiding van priesterlijke familiën, de +godsdienst langzamerhand in een eigenaardige bedding geleid, waarbij +zij andere godsdiensten, b.v. die van overwonnen volken, in zich +opnam, door hunne goden een plaats te geven onder de verhevenen. Bij +de Perzen echter heeft--zeker geruimen tijd na hunne scheiding van +de vroegere landgenooten--een bepaalde hervorming van den godsdienst +plaats gehad, een hervorming, die verband hield met een belangrijken +maatschappelijken overgang: dien van zwervend herder tot gezeten +landbouwer. Aan deze hervorming is de naam Zoroaster verbonden. Reeds +deelden wij enkele dingen over zijn leven mee, en merkten wij op, +dat de Gatha's van hem afkomstig waren. Wij willen nu zien, wat deze +bezielde profeet aan de menschheid bracht, welke eischen weerklank +vonden in zijn rein gemoed. + + + + + +II. Het Mazdeïsme der Gatha's. + + +Wat nu leerde deze nieuwe godsdienst? Hij prees aan den dienst van +Mazda, ook wel Ahura Mazda geheeten, d. i. de wijze heer. Deze wordt +voorgesteld als de schepper aller dingen, hemelsche en aardsche, +geestelijke en stoffelijke. "Wie," zoo heet het van hem in een der oude +liederen, [169] "heeft aan zon en sterren den weg gewezen? Wie maakt, +dat de maan wast en afneemt? Wie houdt de aarde en de wolken daarboven +terug van den val? Wie (schiep) de wateren en de boomen? Wie heeft +aan den wind en den donder snelheid verbonden? Welke kunstenaar heeft +het licht en de duisternis geschapen, welke kunstenaar den slaap en de +waakzaamheid? Wie morgen, middag en nacht, die den geest besturen van +hem, die de orde (den geregelden offerdienst) in acht neemt?... Wie +schiep in 's vaders gemoed het verlangen naar een zoon?" + +Ook de mensch wordt genoemd een schepping Gods. "Van den aanvang af, +Mazda! hebt gij ons geschapen door uwen geest als levende, zelfbewuste +en verstandige wezens, hebt gij een lichaam gegeven aan de ziel, +en daden en leeringen, waarop (de mensch) vrijwillig zijn keuze +vestigt." [170] + +Alles roept Mazda in 't leven: hij schept Vohumano (de goede +gezindheid), de lieflijke Armaiti (de vroomheid) met Khsathra +(het ware rijk). [171] Geeft hij dezen als goede geniussen aan den +mensch (deze drie worden met nog vier anderen in de Gatha's als zijn +trawanten voorgesteld), hij zorgt ook voor de dieren. En wel in +de eerste plaats voor de koe. Dit kan ons niet verwonderen, omdat +dit hèt dier van den landbouw is en de godsdienstige hervorming, +waarover wij spreken tevens bedoelde de oude Iraniërs tot vrome, +gezeten, landbouwende huisvaders te maken. + +Het oude volksgeloof trouwens eerde reeds de koe. Het wist te +verhalen, dat de eerstgeschapenen op aarde waren een eenig rund en een +menschvormig wezen. Beiden werden echter gedood en uit het menschvormig +wezen kwamen voort de twee eerste menschen, terwijl uit het lichaam +van den gedooden stier een aantal voedings- en geneeskundige planten +zich ontwikkelden. Het zaad van den stier echter werd gezuiverd in +de maan en daaruit kwam voort het eerste runderpaar: vader en moeder +der geheele dierenwereld. De ziel van het gedoode rund, Géus Urva, +ging echter ten hemel. + +Deze mythe nu wordt door Zoroaster verder uitgewerkt, in een gesprek +tusschen Géus Urva en hemelsche machten. Daarin klaagt "de ziel van +het rund" over het geweld, waaraan zij ter prooi is. Géus tasan, +de schepper van het runderpaar, vraagt dan aan Asa, een van Mazda's +trawanten, welke ordeningen deze voor het rund heeft ingesteld. Het +blijkt, dat het nog geen beschermer heeft, geen meester, die het +voedt en verzorgt. En nu wordt Zarathustra (Zoroaster), als zijn +beschermer aangesteld: hij zal, door Mazda's geboden te verkondigen, +het rund beschermen. Zoo treedt de groote profeet als beschermer van +landbouw en veeteelt op. + +Merkwaardig is, dat ook de aarde zelve wordt voorgesteld als een +koe, de gelukbrengende of gaveschenkende, die besproeid moet worden, +wil men haar voor het akkerwerk geschikt maken. + +Men ziet, hoe nauw landbouw en godsdienst hier verbonden zijn: de +nauwgezette landbouwer, die goed voor zijn vee is en de aarde naar +eisch bebouwt vervult daardoor tevens een plicht tegenover Mazda. + +Wat Mazda zelf voorts betreft, hij wordt evenals Varuna bij de oude +Indiërs [172] voorgesteld als de Alziende, die niet bedrogen kan +worden; de Wachter, wiens oogen bespeuren niet alleen wat in het +openbaar, maar ook wat in het verborgen beraamd wordt; de Rechter, +die weet wat menschen zullen doen of gedaan hebben. Hem moet de +geloovige, de wijze zoowel als de landbouwer, vragen wat het rechte +is, hem "die rechtvaardig regeerende aan de schepselen de ordeningen +des rechts voorschrijft." + +Mazda is dus is allen deele de groote, eigenlijk de eenige +god. Dit sluit echter niet uit, dat er naast hem--voornamelijk een +zestal--hemelsche trawanten voorkomen. Echter moeten wij hierbij +bedenken: 1e dat Mazda altijd als ver verheven boven deze trawanten +wordt voorgesteld, 2e dat deze trawanten nauwelijks als personen, +veeleer als verpersoonlijkte deugden worden voorgesteld. + +Wat deze trawanten betreft, in de eerste plaats moet daaronder +genoemd worden Vohumano = de goede gezindheid. Daarmee wordt bedoeld, +wat wij noemen: den heiligen geest: door zijn daden groeit Mazda's +heerschappij, de gemeente der vromen draagt zijn kenteekenen, hij is +de hemelsche vertegenwoordiger aller wezens. + +Dan volgt Asa = hetgeen voegzaam, passend, vroom is. Deze is feitelijk, +wat wij noemen de goddelijke wereldorde; hij omvat alle plichten +van den mensch in 't algemeen en in het bizonder die tegenover de +hemelsche machten. Elken dag schept hij de ordeningen van Vohumano +(bij den eeredienst). Als vertegenwoordiger van den offerdienst +(waaraan de Ariërs zoo groote macht en zegen toekenden) is hij de +grootste vijand der Drukh's (booze geesten), die zijn stichtingen +vernielen. Een derde hemelgeest, of liever verpersoonlijking, is +Khsathra, het hemelsche, het ideale rijk, waarin is eerbied voor het +volmaakte, vergeving van zonden, de woonplaats der hoogste geesten, +het rijk, waaraan eenmaal de vrome volkomen deel hoopt te hebben, +hoewel Khsatra's zegeningen ook reeds hier op aarde worden gesmaakt. + +Mazda, heet het, schiep Asa door zichzelf, doch Khsatra door Vohumano: +m. a. w. het ware rijk komt tot stand door den heiligen geest. + +Een vierde trawant is Armaiti = de richtig zorgende, ook wel de +goede aardmoeder genoemd. Zij is de beschermster van den landbouw, de +dochter van Mazda, die met Géus tasan in zijn hemelsche gemeenschap +leefde. Mazda gaf haar de keuze, wie zij wilde beschermen; zij koos +toen: den vromen huisheer, den ijverigen landman. + +Met haar komt de ware heerschappij, die een goede woning verzekert, +den landbouw doet beoefenen en de bloeddorstige vijanden verlamt. + +Steeds wordt deze godin nauw met Asa, de ware vroomheid, vereenigd +gedacht; wier schepping en zetel zij heet. M. a. w. vroomheid en +landbouw moeten hand aan hand gaan. + +Dan volgen twee machten, eigenlijk komen ze in de Gatha's niet +als personen, slechts als begrippen voor, die onafscheidelijk zijn +verbonden. Zij zijn Haurvatat en Ameretat. De eerste naam beteekent: +volkomen heil, de tweede: onsterfelijkheid. Somtijds heeten zij de +spijzen van Mazda, die hij in zijn rijk aan de vromen schenkt, nadat +hij hun op aarde kracht en duurzaamheid (de aardsche zegeningen, +die aan deze hemelsche beantwoorden), heeft geschonken. + +Eindelijk hebben wij Sraosa, die nog weinig als genius in de Gatha's +voorkomt, maar gewoonlijk eenvoudig "gehoorzaamheid" beteekent. Hij +wordt voorgesteld als de middelaar tusschen hemel en aarde, ook heet +hij: de weg tot de godheid. + +Men ziet, dat de zooeven genoemde geniussen: Vohumano, de goede +gezindheid; Asa, de vroomheid, Khsatra, het rijk van den goeden +geest, Armaiti, de richtig zorgende, Haurvatat, het volkomen welzijn, +Ameretat, de onsterfelijkheid en Sraosa, de gehoorzaamheid, geen +eigenlijke goden zijn. Hoogstens zijn zij werkingen, openbaringen van +den éénen hoogsten God, Mazda. Feitelijk en praktisch, zoo zegt Tiele, +was het oude Mazdeïsme vereering en erkenning van éénen God. + +De leer van éénen God.--En--zegt de lezer misschien, de oud-Perzische +leer is bekend om zijn dualisme, zijn aannemen van twee wereldmachten, +een goede en een booze: Ahura Mazda en Anro-mainyu. Zeer zeker. Doch +vooral van het latere Mazdeïsme, zooals het zich in een volgende +periode ontwikkelde, geldt dit. Hier in de Gatha's vinden wij +het dualisme nog slechts onvolkomen. Wel wordt er gesproken van +twee geesten, vahyo = het goede en akem = het slechte, beiden zich +uitende in denken, spreken en handelen. Beiden zijn echter ten slotte +aan Mazda, dien men later met den goeden dezer beide geesten zou +vereenzelvigen, ondergeschikt. Die goede en die booze geest treden met +elkander in overleg en besluiten elk naar zijn welbehagen te scheppen, +de een het leven, de ander het niet-leven. + +Het slechtste bestaan zou voor de boozen, de leugenaars, het beste voor +den gerechte, den vrome zijn. De een verkiest nu het kwade te doen, +de ander het goede te scheppen en met den laatste houden het allen, +die wenschen Ahura Mazda te behagen. + +Van een duivel tegenover den goeden god: Anro-mainyu tegenover Ahura +Mazda, wordt hier dus nog niet gesproken. Wel worden booze machten +erkend, die den Algoede bekampen. Doch het slechte heet akem (niets). + +Hier is dus wel dualisme, doch: boven alles en allen staat Mazda, +van wien wordt verzekerd, dat hij de hemelsche kunstenaar is, die +licht en duisternis, slaap en waakzaamheid, morgen, middag en nacht +schept. Later zou dit anders worden: alle zedelijk, maar ook alle +natuurlijk kwaad: d. i. duisternis, slaap, enz. zouden gebracht worden +tot het gebied van Anro-mainyu, den booze. + +Toch: het zou altijd blijven een betrekkelijk dualisme: Anro-mainyu +zou in macht nooit halen bij Mazda. Evenwel: voor de praktijk lag er +in dit dualisme een groote kracht, het liet geen transactie toe met +het kwaad en stelde den mensch in staat om moedig, hoopvol en fier +den strijd, hem opgelegd, te volstrijden. + +Mazda was dus de eenige god.--Doch--onder het Perzische volk was +vrijwel inheemsch de dienst der daeva's, der oude goden, die men +reeds vroeger, toen men nog met de Indiërs samenwoonde, vereerde. Die +vereering wilde men fnuiken: zij toch stond de erkenning van Mazda +als den volstrekt-Eenigen in den weg. Doch hoe? + +In een der oudste teksten vinden wij deze voorstelling: de daeva's +werden gesteld voor de keuze tusschen de twee oorspronkelijke +geesten, de goede en de booze, en verklaarden zich voor den +laatste. M. a. w. hier straalt door, dat ook de daeva's eenmaal vereerd +werden, doch dat zij, als met de meer geestelijke godsvereering van +het Mazdeïsme in strijd, werden ter zijde gesteld. + +Tweeërlei keus was voorgesteld aan de daeva's, ook aan den mensch. Hij +kon Mazda en diens profeet Zarathustra volgende, partij kiezen voor +den goeden geest, of zich scharen aan de zijde van Daeva's en Drukhs, +de booze machten, waarvan Aesma een der voornaamste is. + +Doet hij het eerste, dan gaat zijne ziel bij den dood over de smalle +brug Çinvat naar de Garo demana, de liederenwoning, waar Mazda met +zijn trawanten is, waar dezen zich voeden met de spijs en drank der +onsterfelijken (haurvatat en ameretat), waar Mazda der vromen gebeden +hoort en verhoort en waar hen het loon wacht, door Zarathustra van +ouds beloofd. + +Geheel anders is het lot van hen, die zich met het rijk des boozen +verbinden. Ook zij moeten over die brug Çinvat ("de brug van het +verzamelen"), waar dus allen samenkomen, goeden en boozen. Doch, zij +bereiken den hemel niet. Zij storten van de brug af in den afgrond +terneder; sidderend en bevend voor het lot, dat hen als leugendienaars +wacht. Eeuwige ellende en duisternis is hun bereid, een eindeloos +gejammer gaat er op van de verdoemden, die door de booze geesten met +afgrijselijke spijzen worden gevoed. + +Zoo heeft er een oordeel plaats, onmiddellijk na den dood. Later +echter komt een eindoordeel, "de voleinding der wereld" zooals het +in de oude teksten heet. Dan vervangt Mazda's begeerlijke wereld +deze gebrekkige, het hoogste goed wordt het deel zijner dienaren, +het slechte deel krijgen zijn haters dan in alle volheid. + +Hoe nu echter moet men Mazda dienen en het rijk des boozen +weerstaan? Wat zijn de plichten van zijn vereerder? Men moet +Mazda eeren in gedachten, woorden en daden. Daarbij worden dan +de gedachten in verband gebracht met Mazda zelven, de woorden +met Sraosa en Khsatra, de daden met Asa. Vooral op deze laatsten, +die de gezindheid nog beter doen kennen dan de woorden, wordt de +nadruk gevestigd. Trouwens het Mazdeïsme is een godsdienst, die +zoover mogelijk er van afstaat om het heil te zoeken in mystieke +bespiegeling en stille wereldontvluchting. Werkzaamheid is hier het +wachtwoord. Door eigen inspanning moet men zijn levensonderhoud zoeken, +ijverig de aarde bebouwen en door bevordering van het gezeten leven +Mazda's gebied uitbreiden. + +Mazda's gebied: de dorre, onbebouwde wildernis toch behoort tot het +terrein van de booze geesten. Maar waar de landbouw komt, daar komt +ook Mazda's rijk. IJverig zorgen voor den vrome en voor de aarde: +onder het beeld van een heilige koe voorgesteld, worden in éénen +adem als de plichten van den godsdienstigen mensch genoemd. Men moet +dus Mazda's dienaar zijn, niet slechts door offers en gebeden, niet +slechts door betrachting van reinheid naar lichaam en ziel en door +heilig houden van het gewijde vuur: zijn openbaring, maar ook door +de aarde te bebouwen, leven en vruchtbaarheid rondom zich te scheppen. + +Licht begrijpt men, dat hier aan geen voorkeur voor het ongehuwde leven +valt te denken: integendeel, het huwelijk is een godsdienstige plicht, +het zonder echtgenoot zijn een ramp voor de vrouw. Vele kinderen +zijn een van de grootste zegeningen des hemels. In vele opzichten +worden wij hier herinnerd aan de wettelijke voorschriften des Ouden +Testaments. Evenmin als daar is ook hier plaats voor zachtheid jegens +den vijand. Integendeel: het is plichtmatig het rijk des boozen en +dus ook zijn dienaars ter neder te werpen. Den leugendienaar, zoo +heet het, "onderwijze men met het zwaard." Hem te sparen is zondig; +doet men dat, zoo gaat men zelf op weg naar de woningen des boozen. + +Wat den eeredienst betreft: daarin nam het "roode, heete vuur" +van Mazda, dat heilig gehouden moest worden, de eerste plaats +in. Ook bracht men offeranden: deze bestonden vooral uit vleesch, +voorts uit een offerkoek, die Haurvatat en een drank, die Ameretat +vertegenwoordigde. Gewijde spreuken werden daarbij gesproken, +offerzangen aangeheven. Daarmee was de priester belast, de priester, +die van Mazda diens welbehagen leerde. + +Zoo ongeveer was het oude Mazdeïsme, een eenvoudige, practische +godsdienst. Straks zal het zich in sommige opzichten vervormen. Het +zal, in het practische leven optredend, genoodzaakt zijn, veel van +den ouden volksgodsdienst weer op te nemen, doch ook: het besef +Mazda's medestrijder te zijn, zal straks meer ethisch, meer verheven +worden opgevat. En scherper dan te voren, zal het dualisme aan het +licht treden, Ahura Mazda en Anro-mainyu komen tegenover elkaar te +staan, beiden als hoofden van een machtig rijk: toch blijft Mazda +de machtigste. + + + + + +III. Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta. + + +We leerden den ouden godsdienst van Zarathustra kennen in zijn +eenvoudigheid; wij hebben ons echter niet voor te stellen, dat hij in +dien vorm een volksgodsdienst werd. Wanneer verheven denkbeelden zich +in ruimer kring verbreiden en daar in aanraking komen met allerlei +bekrompene, oud-ingewortelde opvattingen, dan kan het niet anders, +of zij boeten in den strijd om 't bestaan iets van hun zuiverheid +in. Zoo nu is het ook hier gegaan. + +De minder ontwikkelden waren gehecht aan den dienst van verschillende +goden, oud-Arische goden, die eigenlijk bij het Parzisme niet +behoorden: welnu--er was geen andere weg, dan dezen onder de +hemelgeesten en medestrijders van Ahura Mazda op te nemen. Zij +waren gehecht aan godsdienstige gebruiken, oorspronkelijk aan 't +Parzisme vreemd: men kon niet anders, dan ze met een Zarathustrischen +ijk voorzien, in het nieuwe geloof opnemen. Anders kon de nieuwe +godsdienst niet komen tot het hart des volks. Het Christendom heeft +immers niet anders gedaan? Aldus was de ontwikkeling, of wilt ge, +verbastering, der oorspronkelijke leer. We willen haar op enkele +punten beschouwen. We merken daarbij op, dat ook wat wij thans gaan +geven nog een zeer ouden godsdienst ons voorstelt, zoo zelfs dat het +Parzisme, zooals dat onder de Achaemeniden (Cyrus en diens opvolgers, +alzoo circa 535-325) was, als een latere ontwikkeling ook van deze +opvatting moet worden beschouwd. + +Ahura Mazda leerden wij volgens de Gatha's kennen als den hoogsten der +goden, den schepper van 't heelal. Dat bleef hij ook nu. Alleen worden +Vohumano en de andere geniussen, die wij reeds leerden kennen, als hem +ter zijde staande, [173] meer als personen opgevat, dan vroeger het +geval was. De meesten hunner gelden thans als een soort aartsengelen, +die met Ahura Mazda te zamen de zeven Amesa-Spenta's worden genoemd +en de schoonste eerenamen dragen, [174] terwijl dan een gansch +heirleger minder hooge geesten, de Yazata's (vereeringswaardigen) +onder hen staan. + +Toch is het besef, dat zij ten slotte slechts eigenschappen van den +eenigen Mazda zijn, niet geheel te loor gegaan. Immers het heet +dat deze zeven één zijn in zin en in woord en daad, één ook met +Ahura Mazda, hun aller leermeester. Zij lezen in elkaars binnenste +en peinzen allen over weldenken, welspreken en weldoen en over Garo +demana: den hemel. M.a.w. men erkent de éénheid in de veelheid, zij +zijn openbaringen van de hooge wijsheid Gods, in welke deze gestalte +verkrijgt. Langzamerhand echter treedt het persoonlijke meer op den +voorgrond: 't zijn hemelgeesten, en zoo worden ook de vrouwelijke +Haurvatat en Ameretat als mannelijke wezens voorgesteld. + +Sommigen van hen veranderen ook eenigszins van karakter, zoo worden +b.v. de zooeven genoemde Haurvatat en Ameretat ook de stillers van +honger en dorst, Armaiti wordt de beschermgeest der aarde. Ook de +vereering van Sraosa, den middelaar tusschen de hemelwezens en den +mensch, [175] komt thans in hooge eere. Hij wordt voorgesteld, niet +slechts als een hemelsch priester, maar ook als een heilsprofeet, +die de wet van Mazda over de aarde verbreidt en die zorgt, dat de +onsterfelijke weldoeners, de Amesa-spenta's, hun invloed door de +wereld doen gelden. Sraosa toch doorloopt met zijn vierspan hemelsche +paarden, enkel licht zonder schaduw, driemaal daags en driemaal 's +nachts de menschenwereld. Zijn wapen is het wonderbare, heilzame, +kracht gevende gebed Ahuna vairya. [176] + +Waar men hem gastvrij ontvangt, daar kan geen onheil, leed of verderf +het huis treffen. Geen booze geest kan hem weerstaan, niemand hunner +vreest hij, doch allen sidderen voor zijn macht. Veilig kunnen rusten +de vervolgde vromen, want zijn oog luikt geen slaap, hij staat met +opgeheven zwaard, ook te middernacht. + +Geen wonder dat hem het volksgeloof den waakzamen haan als heilige +vogel toekende. + +Niet alleen echter de Amesa-spenta's en Sraosa worden thans meer +persoonlijk voorgesteld, neen, er komen ook nieuwe yazata's bij, +die men voorheen slechts als begrippen kende. Zoo is er b.v. een +bepaald gebed tot Rasnu, de rechtvaardigste rechtvaardigheid, waarin +deze wordt voorgesteld als wonende in alle deelen van het heelal, +van de zeven werelddeelen af tot in het ongeschapen licht en de +hemelsche paradijzen toe. Zijn wet is de waarheid. De eed is bij hem +boven alles heilig. Hij houdt met Mithra, den lichtgeest, en Sraosa, +de wacht bij Çinvat, de brug naar den hemel. + +Ook het hemellicht--reeds voor Zarathustra's hervorming in Perzië +vereerd--wordt thans hoog in aanzien gesteld onder den naam hvarena. + +Het is nu echter niet meer zooals voorheen, alleen het natuurlijke +hemellicht, de glorie, die te middernacht begint neer te dalen naar +der sterrensfeer en zoo door een heiligen geest aan het licht voor +zonsopgang, den dageraad, wordt gebracht, om aldus den menschen het +gezicht te geven en straks naar den Allerhoogste weder te keeren, +neen, 't is nu vooral ook het goddelijk licht, dat den menschelijken +geest verheldert, zoodat de mensch anderen kan leiden, wonderbare +werken volbrengen en zich heerschappij kan verwerven. Eenmaal zelfs +zal het--bij de voleinding der wereld--de vernieuwing van alle dingen +en de opstanding der heiligen bewerken. + +Dit licht was reeds het deel der oude heilsprofeten van vóór +Zarathustra, onder anderen van Yima (de Indische Yama), doch het +valt ook ten deel aan de profeten, die later zullen komen. Ten +slotte wordt het ten eigendom aan den Heiland (Saosyant), die in de +toekomst de vernieuwing der wereld tot stand zal brengen. Hvarena +is dus, wat wij zouden noemen: de hoogere verlichting. Wij merken +hier tevens op, dat door deze leer van het hvarena op eigenaardige +wijze uitgesproken wordt, wat wij verstaan onder de continuïteit der +goddelijke openbaringen: het wordt hier duidelijk gemaakt, dat het +Mazdeïsme niet van gisteren is. Ook erkent men op treffende wijze, +dat de volle goddelijke verlichting alleen aan den Verhevene zelf +toekomt. Men hoore de volgende mythe: + +Twee wedijverende geesten, Spenta en Anro mainyu: de goede en de +booze geest, [177] pogen zich meester te maken van het hvarena. De +eerste bezigt daartoe Atar, den vuurgod, de ander den draak Azhi +dahaka. Nu eens is de een voor, dan de ander. Echter ontsnapt aan +beiden de onbereikbare heerlijkheid: de watergod Apam napat [178] +verbergt haar in de diepte der mythische zee. Ook deze Atar--de +god van het huiselijk vuur, het haardvuur--werd veel gediend. Hij, +die het morgen- en middagmaal voor de vromen kookt, maakt op hun +offeranden aanspraak. Hij vraagt voedsel bij elk der drie nachtwaken: +hout, baresmatwijgen en granaattwijgen: zij maken het reine vuur +welriekend en wijden het. Doch ook bepaalde offergaven worden hem +gebracht. Naast hem worden nog andere, oud-Arische vuurgoden vereerd: +Apam napat, het vuur in de hemelsche wateren, m. a. w. de bliksem, +die ze bevrucht. (Als zoodanig waarschijnlijk heet hij ook, "de +vrouwenheer".) en Nairyo-Sanha, eveneens tevens een vruchtbaarheidsgod. + +Ook Anahita, de groote godin der wateren, wordt in hooge eere +gehouden. Zij wordt voorgesteld als beheerscheres van een hemelstroom: +alléén zoo groot als alle wateren, die op aarde vloeien, met duizend +meren en duizend kanalen, waarvan een reeds genoeg zou zijn om de +gansche aarde te overstroomen. In elk dier kanalen heeft zij een +schoon paleis met een welriekende legerstede. Haar vierspan bestiert +zij zelve: wind, regen, wolken en rijp zijn hare rossen: zij zendt +op Mazda's bevel regen, sneeuw, hagel en rijp op aarde neer. + +Rijk zijn de zegeningen, die zij schenkt van uit haar hoogen hemel. Van +den hemelberg daalt zij neer, als de vrome haar aanroept. Als +hemelsch rein water zuivert zij het zaad der mannen en de baarmoeder +der vrouwen, bevordert de goede geboorten, reinigt de melk en bewerkt +alzoo de vermeerdering der kudden en van alle rijkdommen. Afgeschilderd +wordt zij als eene schoone maagd, hoog en krachtig van gestalte, met +blanke gevulde armen en zwellenden boezem, in prachtig uit bevervellen +saamgesteld gewaad, een gouden kroon op het hoofd. + +Waarschijnlijk was deze Anahita een Oud-Semietische godin, wier +dienst in West-Azië met ontuchtige praktijken gepaard ging, welke +echter het Parzisme verre van hare vereering wist te houden. Zoo zien +wij hoe het Parzisme, waar het op het volk beslag ging leggen, oude, +meestal Arische, soms ook Semietische goden en godinnen in zich opnam, +doch hen in overeenstemming wist te brengen met zijn eigen stelsel. + +Dit was ook het geval met de zon, de maan en de sterren. Ook deze +werden door den ouden volksgodsdienst geëerd: door het oorspronkelijk +Parzisme ter zijde gesteld, doch later opgenomen en in het nieuwe +stelsel ingevoegd. Daarbij worden dan echter zon en maan eenigszins +gedegradeerd: zelfstandige machten kunnen zij natuurlijk ook niet meer +zijn: Ahura Mazda doet de maan wassen en afnemen. Zoodra de maan zich +vertoont, grijpen de Amesa-spenta's den glans en verdeelen dien over +de aarde. + +Die aan de zon, de schitterende met de snelle paarden offert, hij +brengt eigenlijk zijne vereering aan Mazda, aan de Amesa-spenta's en +zijn eigen ziel en hij verheugt alle yazata's: [179] want indien de +zon, die macht des lichts, niet opging: zouden zij dan in staat zijn +de booze machten der duisternis, de daeva's te weerstaan? + +Wat de sterren betreft--de planeten vereerde men niet, dat waren in +de oogen der Perzen vijandige machten. Doch wel de vaste sterren: +die deze bestrijden. En onder hen vooral Tistrya, een ouden volksgod, +die men met de ster Sirius vereenzelvigde. + +Deze Sirius is het, die na de verschroeiende hitte van den zomer den +weldadigen regen doet neerdalen. In een mythe van het Avesta treedt +hij geheel als natuurgod op. Eerst als een vijftienjarig jongeling +[180], gelijk aan den eersten mensch, groot, sterk en helder van +oogen, daarna als een stier met gouden horens, eindelijk als een wit +paard met gele ooren en een gouden voorhoofd. In die laatste gestalte +strijdt hij tegen den daeva Apaosa (veranderd in een zwart bont paard), +dien hij ten laatste overwint. Dan brengt hij Vourukasa, de hemelzee +met de wijde oevers, in beweging, zoodat het water naar alle zijden +stroomt en op de aarde neerdaalt. + +M. a. w. Tistrya was oorspronkelijk de hooge hemelgod, die de door +booze machten vastgehouden wateren bevrijdt. In drie jaargetijden +voert hij heerschappij: in de lente is hij een krachtig jongeling, +in den zomer de bevruchtende stier, in den herfst het witte paard, +dat het donkere zwerk bekampt en overwint. + +Dezen god kon men in het dorre Perzië allerminst missen. Hij moest wel +worden opgenomen in den nieuwen godsdienst: zouden niet de vromen het +uitblijven van den regen toeschrijven aan het verzuim om den machtigen +Tistrya vereering te brengen? Zoo wordt dan ook in het Avesta op zijne +vereering aangedrongen, doch tevens uitdrukkelijk bepaald dat roovers, +boeleersters en ongeloovigen verre van zijn dienst moeten blijven. + +Ook wordt hij, hoe hoog verheven ook als heer van de sterren, toch +aan Mazda ondergeschikt gemaakt en eene eigenaardige kleur aan zijne +vereering gegeven, in overeenstemming met het Perzische geloof. + +Ook de dienst der oude godin Asi, meestal nu met Asa verbonden, +herleefde wederom. Geen wonder: zij gold als de godin die de +vruchtbaarheid verleent. Daarom zijn allen, die den bijslaap niet of +niet meer kunnen uitoefenen van hare vereering uitgesloten. Eveneens +ontuchtigen, of die de vrucht afdrijven. En--de grootste zonde in +hare oogen, is dat men de jonge meisjes lang ongehuwd laat of tot den +ongehuwden staat veroordeelt. Het moest immers geen moeite kosten den +dienst van zulk eene godin te doen herleven in een godsdienst, die +wars van ascese en ongehuwden staat, het eerbaar huiselijk, gezeten +leven op prijs stelt? Onder de goden, in het Zarathustrisch systeem +opgenomen, mogen wij vooral Haoma, Hom, zooals hij soms ook genoemd +wordt, niet vergeten. Wij ontmoetten dien god der onsterfelijkheid +reeds vroeger in Indië [181] en met verwondering zien we hem ook +hier wederom verschijnen. Zeer waarschijnlijk is zijn vereering eerst +opgekomen in zuid-oost Iran, het gedeelte aan Indië grenzende. + +Dat hij oorspronkelijk niet in het Mazdeïsme thuisbehoort, blijkt +uit de volgende mythe. Zarathustra, zoo heet het, reinigt, onder +het zingen der Gatha's, het vuuraltaar. Daar verschijnt een verheven +gestalte, waarin de profeet een goddelijk lichtwezen herkent. Wie hij +is, weet hij echter niet. Haoma maakt zich bekend en deelt hem mede +dat hij altoos vereerd is door de vromen van den voortijd, wien tot +loon voor die vereering zulke groote zonen werden geschonken. Ook +de vader van den profeet noemt hij onder zijn vereerders: hem werd +de groote Zarathustra geboren. Dan verklaart deze zich bereid de +voorvaderen te volgen en zingt een loflied, Haoma ter eere. In de +voorstelling van deze godheid is veel onzekers; nu eens is hij de +onsterfelijkheidsplant zelve, die het Haomasap levert, dan weer een +hemelsche personificatie daarvan. De zaak is denkelijk deze: als men +in den zaligen roes verkeerde, welke door het Haomasap werd gewekt, +gevoelde men zijn kracht als verdubbeld en erkende daarin de werking +van een machtigen geest. Die geest was de god Haoma. Later werd hem +nog meer macht toegekend: hij werd de Levensgever in ruimeren zin. Ook +drenkt hij de goden en bevochtigt de aarde. + +De haomaplant is door de goden geschapen en over de aarde verbreid, +haar wonderkracht geeft een zalige bedwelming, die geen twist, noch +nijd veroorzaakt. + +Werd alzoo Haoma een god van beteekenis, niet minder was dit met den +Oost-Arischen lichtgod Mithra het geval. Deze god vertegenwoordigt +oorspronkelijk den lichthemel bij dag en nacht. Nooit slaapt hij, +alles aanschouwt hij van uit zijn wachttoren. Met zijn knots +gewapend--want hij is een krijgsgod--gaat hij rond om alles op te +merken, wat er op aarde voorvalt. Met gestrengheid bestrijdt hij +de leugen; een ever met ijzeren klauwen en tanden gaat hem vooraf, +de vijanden vernietigend. Zijn toorn is vreeselijk, wee, die den +eed, aan dezen gestrenge gedaan, verbreekt. Mazda zelf, zoo heet +het, heeft hem geschapen, hem al zijn wonderbare krachten en zijn +tienduizend oogen gegeven en hem alzoo tot den waakzamen beschermer +der wereld aangesteld. + +Behalve deze oude volksgoden, opgenomen onder de yazata's, de +vereerenswaardige geesten, spelen in het Parzisme ook een soort +beschermgeesten, de Fravasi's een vrij belangrijke rol. Zij zijn +het, die--ongeveer als de beschermengelen van het Roomsch Catholiek +geloof--de menschen terzijde staan. Elk persoon, elke veldheer of +koning, ieder huis en dorp heeft zijn beschermgeest. Doch ook zijn +er myriaden van Fravasi's, die de wacht houden over het gesternte, +vooral over den grooten beer, die als hoofd der noordelijke sterren +het dichtst bij de woningen der daeva's staat. Wederom anderen waken +over het zaad van Zarathustra, dat volgens de Parzische legende +in een meer wordt bewaard en waaruit eenmaal badende jonkvrouwen +van een wereldheiland en zijn beide voorloopers zullen zwanger +worden. Somtijds ook worden de fravasi's voorgesteld als eigenlijk +de zielen der geloovigen, die voortleven na den dood: oorspronkelijk +werden deze echter daarvan onderscheiden. + +Zoo zien wij dus aan de zijde van Ahura Mazda een heirleger van +hoogere en lagere hemelwezens, die met hem het rijk des boozen +bestrijden, machten bij wie de mensch hulp en bescherming kan zoeken +en die hij overal op zijn levensweg ontmoet. Daartegenover echter +staat een gansche wereld van booze geesten, met Anro mainyu aan +het hoofd. Deze staat geenszins met Mazda op ééne lijn, al is hij +een machtig wederpartijder. Alwetend is hij noch almachtig. Mazda +zelf kende hij niet, voor hij, bij een poging om in den hemel door te +dringen, door diens licht werd verblind. Ook de toekomst kent hij niet, +voordat Mazda hem deze heeft onthuld: eenmaal zal hij al zijn macht +verliezen, zijn schepselen vernietigd zien en zelf in het niet zinken. + +Anro mainyu siddert en beeft, hij en zijn dienaren, als de groote +profeet, met het Godswoord gewapend, geboren is. Als hij dat verneemt, +roept hij zijn getrouwen samen bij den ingang der hel en deelt hun mede +dat de heilige Zarathustra, de geesel der daeva's, de aartsvijand der +druja's, is geboren, en dat het rijk van verderf, leugen en valschheid +met den ondergang wordt bedreigd. Hij weet niet, hoe dezen profeet te +dooden. Later beproeft hij het, als de profeet tot rijperen leeftijd +gekomen, zijn goddelijke roeping wil gaan vervullen. Hij zendt een +boozen geest op hem af, doch deze vindt hem bezig het heilig gebed, het +Ahuna vairya, aan te heffen en de Mazdayasnische geloofsbelijdenis op +te zeggen. Daartegenover vermag de booze geest niets en teleurgesteld +keert hij tot zijnen meester terug en verklaart dat de heerlijkheid +van Mazda te groot is, dan dat de dood macht over hem zou hebben. Nog +andere pogingen worden in 't werk gesteld, doch Zarathustra, sterk +met zijn heilig offergereedschap, met Haoma en de woorden van Mazda, +geeft den strijd niet op, doch geeft te kennen, dat hij liever zou +te niet gaan dan het geloof afzweren. + +Zoo wordt hier het rijk des boozen in zijn machteloosheid +geschetst. Eveneens ook elders: de booze kan wel de scheppingen van +Mazda vernielen; de landen, door hem voor zijn aanbidders bestemd +onbewoonbaar te maken, vermag hij niet; al wat hij kan, is ze door +zijn tegenscheppingen eenigszins te bederven. Soms schijnt de heer +des hemels in verlegenheid, doch hij heeft goede machten onder zich, +waartegen de vijand niets vermag. + +Op aarde en voor den mensch is echter de macht van den booze +zeer geducht. Met alle natuurlijk en zedelijk kwaad staat deze hem +tegen. Onder zijn helpers is de drukhs Nasus, de demon des bederfs, die +uit het noorden komt aanvliegen en zich op het lijk van den gestorvene +zet. Deze werkt samen met den doodsdemon, den beenderenbreker, dien +men zich in vogelgestalte voorstelde. Ook staan aan Anro mainyu +ter zijde: Aesma, de nijd, Ahomano, de slechte gezindheid, Tauru, +de pijniger, Indra, Sauru (= Çarva-Çiva) enz., de beide laatste, +zoo men ziet Indische goden. Eveneens helpen hem de Pairika's, de +schoone jonkvrouwen van het verboden genot. Een van haar poogt met haar +bedwelmend sluimerlied de geheele wereld weer te doen inslapen, zoodra +de heilige vogel van Sraosa, Parodars, de haan, de wereld heeft wakker +gemaakt. Ook heeft men een pairika, die de genius der afgoderij zou +kunnen heeten. Verder de druja's, die de menschen tot vleeschelijke +gemeenschap verleiden, en met wie men gemeenschap pleegt, indien +men, zij het onwillekeurig, zichzelf bevlekt. Dan al de daeva's, die +verblijf houden in het onderaardsche rijk van den booze, "de duistere +duisternis, uit duisternis gesproten." Tegen al deze machten, door +Anro mainyu, den moordenaar, den duizenddooder, zooals hij menigmaal +genoemd wordt, aangevoerd, heeft de mensch nu te strijden. Offers, +reinigingsplechtigheden, heilige gebeden zijn zijne wapenen. + +De mensch heeft er tegen te strijden, zeide ik. Daarop wijst ook +de plaats, welke hij inneemt in de wereld. Hij staat tusschen beide +machten, de goede en de booze in. Boven hem toch welft zich de hemel, +de woning des lichts, onder hem is de diepte der duisternis, hijzelf +is in het rijk van Vayu [182], in den dampkring. De aarde waarop de +mensch woont, is in zeven karsvare's (kringen) verdeeld. De middelste +daarvan is de door de menschheid bewoonde aarde, zij is tevens de +schitterendste. Men weet, dat ook de Indiërs en de oude Babyloniërs +zulk een in zeven deelen verdeelde aarde kennen, de Indiërs spreken +van de zeven dvipa's. Wat de voorstelling omtrent het heelal betreft, +de oude Perzen kenden twee wereldoceanen: den een in de diepte, +Puita, den stinkenden d. i. den aardschen oceaan, waarin het water +uit de hemelzee gereinigd wordt en die met hare zoute, onreine +wateren onder de gansche aarde doorloopt, den anderen, Vourakasa, +den hemelschen oceaan daarboven, waaruit Anahita, Tistrya en de +Fravasi's de hemelwateren uitstorten over de aarde. Voorts nemen zij +aan, dat een wereldstroom de gansche aarde omgeeft. + +Boven de hemelzee is de onzichtbare lichthemel, waar de verheven +geesten en Mazda wonen. In 't midden daarvan staat de hemelboom, +waar de planten van alle soorten groeien, welker zaden Mazda laat +neerdalen in den regen om koren voor den mensch en gras voor het +nuttig vee te doen groeien. Somtijds zet zich op dien boom de arend +Saena neer, die, als hij zich neerzet, duizend takken doet afvallen, +welke weer aangroeien, zoodra hij wegvliegt. Ook kennen de oude +Perzen een hemelschen berg, een godenberg met twee spitsen. Daar +zijn der goden paleizen. In den morgen worden deze bergen door de +zon overschreden en ook de zielen, die ten hemel varen komen hier +langs. De hoogste spits van dit gebergte is de Taera, het middelpunt +der wereld, waaromheen zon, maan en sterren draaien. + +Men ziet: zuiver mythologische opvattingen. Toch daarnaast staat weer +veel verhevens. Zoo worden de oneindige tijd, het eeuwige licht en +de oorspronkelijke duisternis, alsmede de wereld van Asa, als eeuwig +gedacht. Waarom? Omdat zij boven Mazda zouden staan? Neen, maar +omdat Mazda van eeuwigheid is en dus ook zijn rijk, zijn geestelijke +wereldorde, zijn lichtsfeer van eeuwigheid bestaat, evenals de +oorspronkelijke duisternis, het tegenbeeld dier lichtsfeer. Al het +andere, zegt het Avesta, mensch en dier en plant, ook de Yazata's, +heeft Ahura Mazda geschapen. + +Wat die schepping betreft, de voorstellingen der oude Perzen hebben +eenige overeenkomst met het scheppingsverhaal van Genesis I. + +Ook de Perzen toch spreken van zes scheppingsdagen, waaraan zij +zes jaarlijksche feesten, oorspronkelijk landbouwfeesten, hebben +gewijd. Wat de volgorde betreft, zij is deze: eerst brengt Mazda +een hemelsche schepping tot stand door [183] het uitspreken van het +heilige woord, Ahuna Vairya, daarna de aardsche: het uitspansel, +de wateren, de planten, het vee, de menschen. + +We zien dus ook hier weer, dat het oude Parzisme geen zuiver +dualisme is. Mazda staat boven alles: onder hem staan zijn dienaren: +amesa-spenta's, yazata's enz., doch ten slotte ook de vijandige geest +met diens rijk, dat op den duur tegen het zijne niets vermag en welks +bestrijding de taak van den vrome is. Zoowel door landbouw als door een +godgewijd leven: beiden toch vloeien ineen, moet deze daartegenover pal +staan. De strijd tegen natuurlijk en zedelijk kwaad is zijn levenstaak. + +Voert hij dien strijd met volharding, dan vindt hij heil in dit, +zoowel als in een volgend leven. Bij den dood toch wordt des menschen +lot beslist. Voor de slechten volgt de diepste ellende, de vromen +ontvangen, voor wat zij hier hebben opgeofferd [184], hiernamaals +eeuwig loon. + +In een der plaatsen uit de Zend-Avesta wordt dit aldus voorgesteld: +als de mensch gestorven is, strijden de ellendige daeva's om zijn +bezit: drie nachten lang. Aan het eind van den derden nacht, als +Mithra den top van den godenberg heeft bereikt en de zon opgaat, +is de strijd beslist. + +De booze daevadienaars worden meegenomen door den daeva Vizaresa +(den wegsleeper). Doch de andere zielen gaan op het goede pad. Bij +de brug Çinvat komen de vromen en smeeken om hun deel, voor wat zij +hier moesten prijsgeven. + +Een sterke, sierlijke jonge vrouw verschijnt, een kroon op het hoofd, +met de honden, die de dooden geleiden. Zij voert de zielen over de +brug Çinvat en steunt hen. Zoo komen zij in den hemel, waar Mazda +met zijn heiligen is. + +Vohumano rijst van zijn gouden troon en vraagt: "Hoe zijt gij hier +tot ons gekomen van de vergankelijke tot de onvergankelijke wereld?" + +Dit gedeelte behoort tot de oudste teksten; later wist men van de brug +Çinvat te vertellen, dat deze zoo smal was als een scheermes voor de +slechten, zoodat deze er afvallen. Hier wordt zij nog uitsluitend: +als een brug der goden, door de vromen betreden. Ook weten latere +schrijvers van verschillende hemelen, ten slotte zelfs van een soort +vagevuur, te gewagen. + +De boozen gaan alzoo naar de plaats des verderfs, de dienaars van Mazda +naar den hemel. Hoe echter dacht men over de toekomst der aarde en +die der op haar wonende menschheid? Een oude voorstelling is deze: Aan +het einde van de twaalf duizendjarige perioden der wereldgeschiedenis +zal Mazda, door de Amesa-Spenta's geholpen, de wereld herscheppen. + +Dan zullen de menschen niet meer verouderen of sterven, maar eeuwig +leven en bloeien. De dooden zullen opstaan, zielen en lichamen worden +vereenigd en de levenden gaan tot de onsterfelijkheid in, de wereld +wordt herschapen naar den wil van Mazda in de ordeningen van Asa. Alle +booze machten worden ten onder gebracht en vernietigd en de oorsprong +van alle kwaad, Anro mainyu, trekt zich in wanhoop terug. + +Deze groote gebeurtenis der tweede schepping wordt reeds door de drie +voorafgaande wereldeeuwen (van 1000 jaren elk) voorbereid. Elk van +deze drie tijdperken heeft zijn Saosyant (heiland, Messias). Deze +drie Messiassen, waarvan de laatste de grootste, de eigenlijke +wereldvernieuwer is, worden geboren uit het zaad van den grooten +profeet Zarathustra, sinds eeuwen bewaard in het meer Kasaya, welk +zaad drie jonge maagden, in het meer badend, in zich opnemen. De +eerste verlosser heet: de groeiende gerechtigheid, de tweede: de +groeiende aanbidding, de derde: de belichaamde gerechtigheid. + +De laatste heiland aanschouwt met zijn verstandigen zegenenden blik +de wereld en dit reeds is genoeg om haar onsterfelijk te maken. De +vromen zijn zijne helpers: zij die, steeds goed in denken, spreken, +handelen en gelooven, nooit hun woord hebben gebroken. Voor hen te +zamen neemt de demon Aesma de vlucht. Dan nemen ook de hemellingen +deel aan den strijd. Asa beslist den slag door de Drukhs: de moeder +van alle kwaad, de duistere bij uitnemendheid, te dooden. Wel valt +Akem mano, de booze gezindheid, nog aan, doch Vohumano verslaat +hem, de waarheid overwint de leugen en Haurvatat en Ameretat maken +aan honger en dorst voor immer een einde. Anro mainyu moet, zoo wij +reeds vermeldden, zich machteloos terugtrekken. Over zijn verder lot +zwijgen de oude teksten. Wel schijnt er ook op den bodem dezer oude +voorstellingen reeds de gedachte te liggen, in later dagen nog meer +opzettelijk uitgewerkt, dat ten slotte allen gered worden, omdat +allen worden geheiligd. + +We hebben gezien, wie de oude Perzen boven zich zagen, als bondgenooten +in den goeden strijd; welke hun tegenstanders waren en wat voor lot +zij verwachtten van de toekomst. + +Ons rest nu nog op hun godsdienstig-zedelijk leven zelf onzen blik te +vestigen. Achtereenvolgens bespreken wij daartoe: de geestelijkheid, +den eeredienst en de zedewet. + +Wat de eerste betreft, evenals in andere godsdiensten golden ook hier +de priesters als de voornaamsten, de eersten in stand. Zij werden meest +atharvans, vuurpriesters genoemd en hunne voornaamste werkzaamheden +waren: het brengen van offers, vooral van het haoma offer en het +voeden en vereeren van het heilige vuur. Ook waren er onder hen, +naar het schijnt, verschillende klassen. + +Het komt mij onnoodig voor, om op al die eigenaardigheden van +priesterschap en eeredienst uitvoerig in te gaan. Een enkele opmerking +moge volstaan over het haoma-offer en den vuurdienst. + +Wat dat eerste betreft, het had ten doel het leven op te wekken en +te versterken, allereerst bij den offeraar zelf, voorts ook bij de +geheele natuur, waarbij deze laatste zinnebeeldig werd voorgesteld +door de baresman (gewijde twijgen) en de wateren. Daarom had de +heilige handeling hierbij, ook met het oog op dit tweeledig doel, +tweemaal plaats en mocht de offeraar bij die tweede handeling eerst +van het haoma drinken, als de daarbij behoorende afdeeling uit de +heilige boeken geheel was opgezegd. Alles wat bij dit offer te pas +kwam, had betrekking op het levensonderhoud, zooals: het wijwater, +de melk, het vleesch, de granaatvrucht, de offerkoekjes. Den offeraar +geeft het genot van den onsterfelijkheidsdrank deel aan het hemelsche +leven, doch ook heeft het een geheimzinnige uitwerking op de natuur +en de hemelmachten. De maaltijd bij het offer was oorspronkelijk een +gemeenschappelijk maal, waarbij men uitdrukkelijk werd gewaarschuwd +toch niet onwaardig de gewijde spijzen, de myazda of offerkoekjes, te +eten. De goden werden, volgens hun rangorde, Mazda en de Amesa-Spenta's +vooraan, uitgenoodigd bij het offer tegenwoordig te zijn. + +Hoe hoog echter het Haoma-offer werd gesteld, toch waren de oude +atharvans in de eerste plaats vuurpriesters. Het vuur achtten zij +hoog, het is immers het levensbeginsel van het gansche heelal, het +leeft in mensch en dier en plant, [185] het daalt in den bliksem +op aarde neer, het brandt in Mazda's hemel voor zijn aangezicht, +het is zijn zoon, tevens zijn geest. Heilig was dus het vuur, ook +dat van den huiselijken haard, doch heilig bovenal het zoogenaamde +Bahram vuur: het hemelsche vuur onder de menschen, dat door hout +en reukwerk zorgvuldig werd onderhouden en dat men slechts naderen +mocht, als men met den heiligen gordel was bekleed. Geen adem mocht +het verontreinigen, het te blusschen was doodzonde. Onderhouden moest +het worden door allen, in de eerste nachtwaak door den huisheer, in +de tweede door den veldarbeider, in de derde roept het vuur Sraosa, +opdat zijn haan Parodars de menschen wekke, want wie dan de eerste +is om het heilige vuur te verzorgen, hij gaat het eerst ten hemel +in. Aan dit heilige vuur moet men andere vuren reinigen. De zorg voor +dit altaar des heiligen vuurs was niet te vergeefs. Atar, de vuurgod, +gaf rijken zegen: waar zijn vlammen waaien, zijn geuren stroomen, +worden duizenden daeva's gedood. + +De zorg voor het heilige vuur heeft ten allen tijde de aandacht +getrokken der buiten het Parzisme staanden: vandaar dat men dikwijls +ten onrechte van vuuraanbidders spreekt. + +In later dagen ging het met het Parzisme als met andere godsdiensten; +de magie, het geloof aan tooverinvloeden, kwam hoe langer hoe meer +het terrein van den godsdienst binnen, en zoo had ook het offeren--'t +zelfde had trouwens in Indië plaats [186]--minder ten doel in de +nabijheid der hemelwezens te komen en hun zegen te verwerven, dan +wel macht te verkrijgen over de geesten der duisternis en die af te +weren. Zoo ontaardde de eerst zoo verheven godsdienst. + +De wederom toegelaten oude volksgoden hadden daartoe aanleiding +gegeven, met hen kwam het oude, bekrompen bijgeloof weer terug. + +Doch, wij overschrijden reeds het bestek, waarbinnen wij ons thans +bewegen: wij willen ten slotte en dit is voor ons niet het minder +belangrijke, nog een blik werpen op de wet, de religieuze zedewet +van het Parzisme. + +Gewoonlijk heet deze: Daena, dat nu eens door "wet", dan weer door +"godsdienst" kan vertaald worden. Aan haar wordt groote kracht +toegekend: zij neemt de zonden weg, doch niet door vergeving maar door +bestrijding, zij wischt bij den vrome slechte gedachten, woorden en +daden weg, gelijk de sterke zuidenwind in den dampkring. + +Wij merkten reeds op, dat de Zarathustrische godsdienst tevens een +sociale hervorming was. + +Dit nu komt ook hier uit. Tegenover het aan Mazda gewijd, gezeten +leven van den landbouwer, staat het nomadenleven van den daevadienaar. + +Gelijk de bebouwde aarde het terrein is van Mazda, zoo is de woeste +wildernis dat van zijn tegenstander. + +De aarde te bebouwen is volgens deze wetten een der voornaamste +plichten. De aarde, zoo heet het, is als eene jonge maagd, die een man +verlangt en, met den geliefde vereenigd, een zoon baart. Zoo ook geeft +de aarde overvloed, aan wien haar vlijtig bebouwt (bevrucht). Graan +zaaien is de wet betrachten. Waar de volle halmen zich verheffen, +daar verdwijnen de daeva's. + +De landbouw is de vereering der heilige moeder-aarde. Drie plaatsen +zijn alzoo het heiligst: waar de vrome zijn huis en erf heeft met +het heilige vuur, waar hij het meeste koren, voeder en vruchtboomen +doet groeien en dorre plaatsen besproeit, en: waar het meeste vee +geboren wordt. + +De meest onreine plaatsen zijn: de ingang der hel, waar de daeva's +vergaderen, de plaatsen waar lijken zijn of holen van aan Anro mainyu +toebehoorende dieren, zooals slangen, enz. Lijken op te graven en +holen van Anro mainyu te vernielen zijn dus voor den Mazda dienaar +heilige plichten. + +Van ascese wil men niets weten: om te doen wat Asa voorschrijft zijn +noodig welgevoede, krachtige mannen. Een spreuk (mathra), die men +van buiten moest leeren zegt: "Hij die niet eet, heeft geen kracht +voor het Asa, geen kracht tot den akkerbouw, geen kracht om zonen te +telen." Daarmee komt overeen wat het Zend-Avesta voorschrijft, dat men +vóór den bijslaap een gebed doe. Zoo stond men lijnrecht tegenover de +ascese. Ook vrijwillige armoede, bedelend rondzwerven en zelfkastijding +worden veroordeeld. "Bij ons", zoo heet het in een later geschrift, +"is het houden van vasten dit, dat wij vasten van zondigen met onze +oogen en tongen, onze ooren en handen en voeten--datgene wat in andere +godsdiensten vasten is door niet te eten, is in onzen godsdienst +vasten door geen zonden te bedrijven." + +Op ijverigen arbeid en vroeg opstaan wordt de nadruk gelegd: +Parodars, de haan, is de heilige vogel van Sraosa. Doch niet minder +op eerlijkheid, trouw en waarheid, terwijl ook de kuischheid in hooge +eere stond. Ook mededeelzaamheid wordt als plicht gesteld: de stem +van den arme, dien men ongetroost wegzendt, klinkt als een luide +aanklacht door 't gansch heelal en bereikt den troon des Alwijzen. + +Wat de eerlijkheid betreft: eigenaardig heet het in een der teksten +dat wie zijn schuld niet afdoet een dief is, die roof pleegt aan zijn +schuldeischer. Ook wordt aangedrongen op het nakomen zijner contracten: +zelfs de nabestaanden zijn daarvoor solidair aansprakelijk. + +Ontucht wordt met strenge straffen bedreigd. Afdrijving der vrucht +en kindermoord zijn hier ten strengste verboden. Een vader is, +men ziet dat op dit punt de Perzen ons vooruit waren, verplicht de +ongehuwde moeder te onderhouden en voor het kind tot diens zevende +jaar te zorgen. De ontuchtige vrouw is vogelvrij: de ontucht is Anro +mainyu's geliefde dochter. + +Wat betreft de zoogenaamde verwanten-huwelijken (tusschen broeder +en zuster, ouders en kinderen), later zijn deze bloedschendige +verbintenissen wèl door de Magiërs aangeprezen, doch in het Avesta +vinden wij dit niet. Waarschijnlijk zijn zij ontstaan uit de begeerte, +om het ras zuiver en onvermengd te houden. + +Reinheid eischte de Mazdayasnische wet echter niet slechts op zedelijk, +ook op natuurlijk gebied. Daartoe rekende men allereerst den plicht +om aarde, water en vuur rein te houden: de drie heilige elementen +van Mazda. Vandaar dat de oude Perzen hun dooden niet verbrandden, +dat zou het vuur verontreinigen, noch hen begroeven, dat zou de +aarde ontheiligen, maar ze neerlegden op een soort torens [187], +waar ze door roofvogels konden worden verteerd. De alleroudste wijze +van lijkbezorging was echter deze, dat men het lijk ergens neerlegde +op zijn eigen kussen of doodslaken, fel beschenen door de zon. + +Een lijk begraven is een groote zonde, verbranden echter nog grooter +kwaad; wie dàt iemand ziet doen, is volgens de wet verplicht den +overtreder te dooden. + +Een veld waar een lijk van een mensch of een hond heeft gelegen, mag +in geen geval bezaaid worden, voordat het is gereinigd. Een begraven +lijk moet althans binnen 't jaar opgegraven worden, wie er twee jaar +mee wacht, begaat een onvergeeflijke zonde. + +Tegenover de dierenwereld nemen de Parzisten een geheel andere houding +aan, dan b.v. de volgelingen van Boeddha. Terwijl toch dezen het leven +in alle schepselen heilig achten, is het hier plicht om de aan Mazda +gewijde dieren te beschermen, maar de scheppingen van Anro mainyu +uit te roeien. + +Was het dooden der eerste verboden, toch maakte men uitzondering voor +dieren, die den mensch tot spijze dienden en bij de offers aan sommige +yazata's werden ook paarden, kameelen, runderen en kleinvee geslacht. + +Waarom nu sommige dieren heilig, andere onrein werden geacht, is vaak +moeilijk na te gaan. Het nut besliste zeker menigmaal, doch niet +altijd. Heilig zijn boven alles de koe en de hond. Zoo ook de egel +en de otter; den laatste hield men voor een soort hond. Ook de kat +en de uil, de vogel van Vohumano, zijn heilig als bestrijders van +het ongedierte, dat het graan opeet: de muizen. Eveneens de gier, +de bekende straatreiniger van het Oosten. + +Onrein zijn: slangen, ratten, muizen, mieren, padden, kikvorschen, +deze moeten worden gedood. + +De Perzen schenen, wat de onreinheid betreft, den stelregel +toegedaan: "het bederf van het beste is het slechtste." Immers +juist de overblijfselen van een mensch en een hond, en onder +menschelijke overblijfsels vooral dat van een priester waren +ten zeerste onrein. Zooveel mogelijk moest men zich daarvoor +wachten. Verontreiniging was echter, bij de lijkbezorging, niet +steeds te vermijden. Water, aarde, doch vooral de urine der koe, +waren de gewone zuiveringsmiddelen. Wie b.v. een lijk had aangeraakt, +moest een vrij omslachtige reiniging ondergaan, waarbij de priesters +met besprengingen en gebeden dienst moesten doen. + +Zoo was reinheid een strenge eisch, doch om al het ritueele werd het +innerlijke niet vergeten. + +"Reinig u zelf, o gerechte, klinkt het ons tegen; dit toch is in +de stoffelijke wereld voor ieder de reiniging van deze zijn eigen +persoonlijkheid, o gerechte, dat hij haar reinige door goede gedachten, +woorden en daden." + +Wat nu de straffen aangaat, door de wet voor de overtreders bepaald, +meestal waren zij niet gestreng. Slechts op groote onreinheden, +grove ontucht en ketterij stond de doodstraf, overigens waren het +lijfstraffen, die den overtreder hier bedreigde; later werden deze +door geldboeten vervangen. + +Men had echter ook geestelijke straffen, waarbij men in meerdere of +mindere mate van de gemeenschap der vromen was uitgesloten. Een der +grootste straffen was: de verbanning uit der menschen gedachtenis, +waarbij men dus werd dood verklaard. De allerzwaarste die: waarbij +men van de godsdienstige gemeenschap werd uitgesloten en onder smaad +en gejouw werd weggejaagd. Toch, ook dan nog kon men zich genade +verwerven: als men namelijk een der felst gehate overtreders doodde. + +We hebben hiermede ons overzicht van het oude Mazdeïsme ten einde +gebracht en het leeren kennen, als een bij uitstek praktischen, +verstaanbaren godsdienst: althans in zijn hoofdtrekken. We weten +ook--straks komen wij daarop terug--dat deze godsdienst ook nu nog +hier en daar in Perzië zelf, maar vooral onder de naar voor-Indië +uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi's, voortleeft. Doch, minder +gemakkelijk is nog de vraag: waar en wanneer is deze godsdienst +eigenlijk geldig geweest? Daarover is onder de geleerden veel verschil, +waarop wij hier niet kunnen ingaan. We volstaan met als ons gevoelen +mee te deelen dat de Zarathustrische godsdienst, nagenoeg zooals +wij dien uit het jongere Avesta leerden kennen, de heerschende +godsdienst is geweest onder Cyrus (558-529 v. C.) en zijne opvolgers, +de zoogenaamde Achaemeniden. Aan hun rijk maakte Alexander de Groote +(336-323) een einde en tevens schijnt hij tegen het Mazdeïsme en +zijn gewijde boeken te hebben gewoed. Het gevolg is geweest dat deze +godsdienst in diep verval geraakte, al bleef hij in enkele landstreken +vrij zuiver bewaard. Later echter kwam er een tijd van herleving en +wel onder de Sassaniden, welk vorstenhuis vanaf 226 n. C. regeerde, +totdat de Islam zich ook in Perzië vertoonde en Mohammed Zarathustra +verdrong, toen in 651 het rijk der Sassaniden bezweek. + +Toch bleven er eenige weinige getrouwen tot op dezen dag; vooral +werden de Parzische instellingen en leeringen trouw bewaard door naar +Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi's, welke laatsten zelfs +trachten hun ouden godsdienst in diens oorspronkelijke zuiverheid +te herstellen. Naar het mij voorkomt is dit verschijnsel belangrijk +genoeg, om er nog een oogenblik bij stil te staan en ook aan dit +nieuwe, herstelde Parzisme nog een enkele bladzijde te wijden. + + + + + +IV. Het "hervormde" Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi's. + + +Wij vermeldden reeds, dat er in oude dagen, aan hun godsdienst getrouwe +Perzen naar Indië uitweken. Gastvrij werden zij daar ontvangen, alleen +hun wapens moesten zij afleggen, hun kleeding veranderen en geen koeien +meer dooden. Daar, in Indië, vergaten zij hun taal, ook al konden zij +nog een enkel gebed in de oude taal uitspreken en werden hun ook in +het maatschappelijk leven allerlei gewoonten eigen, aan de Hindoes, +later ook aan de Mohammedanen ontleend. Toch: twee punten van hun oud +geloof hielden zij vast: er was maar één God, en: een man mocht slechts +huwen met ééne vrouw. Ook bleven zij hun heilige boeken bewaren. + +Het Engelsch bewind gaf hun meer vrijheid en deed de kracht van het +energieke volk, (de flinkste kooplieden van Bombay zijn allen bijna +Parsi's) ontwaken. Verder werden zij nog meer wakker geschud uit +hun verdooving door de werkzaamheid van Christenzendelingen. Toen +er enkelen van hen voor het Christendom waren gewonnen, begrepen de +anderen, dat zij--wilde hun godsdienst en gemeente bestaan blijven--wat +meer voor de godsdienstige opleiding hunner kinderen moesten doen, +dan hen enkele spreuken en gebeden uit het Zend-Avesta te laten +leeren in de oorspronkelijke taal, welke zij niet begrepen. De vrucht +dezer beweging was de uitgave van een Parzischen catechismus, onder +den titel: + +"Eenige vragen en antwoorden om de kinderen van de heilige +Zarathustrische gemeente bekend te maken met den Mazdeïstischen +godsdienst. Gesprek tusschen een Zarathustrischen meester en zijn +leerling." + +We halen uit dit werkje een gedeelte aan, vooral om er uit te doen +zien, hoe de Parsi's hierin trachten terug te keeren tot het oude, +zuivere geloof, toen het nog niet door den invloed der schare was +verbasterd. + +"Waarin gelooven wij, leden der Zarathustrische gemeente?" + +"Wij gelooven slechts in één God, en in niemand behalve in Hem." + +"Wie is die ééne God?" + +"De God, die de hemelen, de aarde, de engelen, de sterren, de zon, +de maan, het vuur, het water (of de vier elementen) en alles, wat in +de twee werelden is "schiep". In dien God gelooven wij, Hem dienen +wij en vereeren wij, Hem roepen wij aan." + +"Gelooven wij niet in eenig ander God?" + +"Wie in eenig ander God gelooft, is een ongeloovige; hij zal de +straffen der hel ondergaan." + +"Welke gedaante heeft onze God?" + +"Onze God heeft geen gelaat of vorm, kleur noch gestalte, noch een +bepaalde woonplaats." + +"Niemand is aan Hem gelijk. Hij is zoo heerlijk, dat wij Hem niet +kunnen beschrijven of beoordeelen, noch Hem begrijpen." + +"Is daar eenig ding, dat God niet kan scheppen?" + +"Ja, daar is één ding, dat God zelf niet kan scheppen." + +"Wat dat is, moet gij mij uitleggen." + +"God is de Schepper aller dingen, maar indien Hij iets zou willen +scheppen, dat Hem gelijk ware, Hij zou het niet vermogen. God kan +geen ander scheppen, Hem zelf gelijk." + +"Hoeveel namen zijn er voor God?" + +"Men zegt, dat er duizend en één zijn, doch daarvan zijn er nog +honderd en één overgebleven." + +"Waarom zijn daar zoovele namen van God?" + +"De namen van God, die zijn natuur weergeven, zijn twee: Yazdan +(almachtig) en Pauk (heilig). Ook wordt Hij genoemd Hormuzd (de +hoogste der geesten), Dádár (die gerechtigheid geeft), Purvurdegar +(voorziener), Purvurtur (beschermer). Door deze namen prijzen wij +Hem. Er zijn ook vele andere namen, die Zijn goede daden beschrijven." + +"Wat is onze godsdienst?" + +"Onze godsdienst is: Dienst van God." + +"Sedert wanneer ontvingen wij onzen godsdienst?" + +"Gods ware profeet--de waarachtige Zurthost (Zoroaster) Asphantaman +Anoshirwan--bracht ons van Godswege het ware geloof." + +"Waarheen moet ik het aangezicht wenden, als ik den heiligen Hormuzd +vereer?" + +"Wij behooren den heiligen rechtvaardigen Hormuzd te vereeren, +met ons aangezicht gewend naar een zijner scheppingen van licht, +heerlijkheid en verhevenheid." + +"Welke zijn deze voorwerpen?" + +"Deze zijn de zon, de maan, de sterren, het vuur, het water en andere +heerlijke dingen. Naar deze zijne scheppingen wenden wij ons gelaat, +en beschouwen die als ons "kibleh" [188] omdat God in haar een klein +deel zijner heerlijkheid heeft neergelegd en zij daarom in de schepping +meer verheven zijn en geschikt om ons "kibleh" te wezen." + +"Welke godsdienst heerschte er in Perzië vóór den tijd van Zurthost?" + +"De koningen en het volk waren dienaars van God, doch zij hadden, +evenals de Hindoe's, beelden van de planeten en afgodsbeelden in +hun tempels." + +"Welke geboden heeft God ons gegeven door zijnen profeet, den verheven +Zurthost?" + +"Vele geboden, doch ik geef u het voornaamste, dat gij u altijd moet +herinneren en waardoor gij u moet laten leiden: + +"God als Eén te erkennen. Den profeet, den verheven Zurthost als +zijn waren profeet te eeren. Zijn godsdienst en het Avesta, door +hem gebracht, als ontwijfelbaar waar aan te nemen. Te gelooven in de +goedheid van God. Geen der geboden van den Mazdeïstischen godsdienst +ongehoorzaam te zijn. Booze daden vermijden, goede daden verrichten, +vijfmaal 's daags bidden. Te gelooven in vergelding en gerechtigheid +op den vierden dag na den dood. [189] Op den hemel te hopen en de +hel te vreezen. Zonder twijfel te gelooven in den dag der algemeene +vernietiging en reiniging (van alle zielen, die lijden). Altijd te +bedenken, dat God doet, wat Hij wil en zal doen, wat Hij wil. Eenig +lichtend voorwerp aan te zien als wij God aanbidden." + +"Als wij eenige zonde begaan, zal onze profeet ons dan behouden?" + +"Nooit moeten wij, volgens ons geloof, eenige zonde begaan: onze +profeet, onze gids in het rechte spoor, heeft ons uitdrukkelijk gezegd: +"gij zult ontvangen, naar wat gij doet." Onze daden beslissen over +onzen terugkeer in de andere wereld. Als gij deugdzame en vrome daden +verricht, zal de hemel uwe vergelding zijn. Als gij zondigt en slechte +dingen doet, zult gij in de hel worden gestraft. Daar is niemand dan +God, die u kan redden van de gevolgen uwer zonden. Als iemand een zonde +begaat, in het geloof dat hij door iemand zal worden gered, zoo zullen, +zoowel hij, die hem (hierin) bedriegelijk voorgaat, als de bedrogene +veroordeeld zijn tot op den dag van de voleinding der wereld." + +"Welke zijn de dingen, waardoor een mensch gezegend en beweldadigd +wordt?" + +"Door deugdzame daden te doen, mild te geven, voorkomend en need'rig te +zijn, zachte woorden te spreken, anderen het goede toe te wenschen, +een rein hart te hebben, kennis te verkrijgen, de waarheid te +spreken, den toorn te onderdrukken, geduldig te zijn en zichzelf te +beheerschen, vriendelijk te zijn, schaamte te gevoelen, behoorlijken +eerbied te toonen voor oud en jong, godsdienstig te zijn, uw ouders en +leermeesters te eeren. Alle deze deugden zijn de vrienden van goede, +de vijanden van slechte menschen." + +"Door welke dingen gaat een mensch verloren en wordt hij verlaagd?" + +"Door onwaarheid spreken, stelen, dobbelen, met booze begeerten eene +vrouw aanzien, verraad plegen, misleiden, boos zijn, anderen kwaad toe +wenschen, trotsch zijn, spotten, lui zijn, kwaadspreken, gierig zijn, +oneerbiedig zijn, onbeschaamd, oploopend zijn, nemen wat eens anders +eigendom is, wraakzuchtig, onzindelijk, hardnekkig, afgunstig zijn, +iemand leed berokkenen, bijgeloovig zijn en tegenover anderen booze +en vijandige daden plegen. + +"Dit zijn de vrienden van den slechte, de vijanden van den deugdzame." + +Deze catechismus was de eerste poging om godsdienstig onderricht aan +de jeugd te geven. Ook werden de oude, gewijde boeken in de Gujarati +taal overgezet, doch: deze vertaling was te letterlijk en daardoor +onverstaanbaar. + +Daarop stichtte in 1849 Dabadhaï Naoroja, (een van de voormannen +van het nieuw Parzisme, waaraan ik deze mededeelingen ontleen), ten +einde meer invloed uit te oefenen, met andere jonge mannen scholen +voor meisjes. Zij noemden zich: "Letterkundige en Wetenschappelijke +Studentenvereniging." Deze Dabadhaï Naoroja kwam toen juist van de +academie. Hij en zijne vrienden gaven 's morgens en 's avonds les en +hadden eerst niet weinig tegen de vooroordeelen van de meerderheid van +hun volk te strijden. Doch, zij hielden vol; aanzienlijke jongelieden +kwamen hen helpen en de scholen kwamen tot gevestigden stand. + +Ook hield men lezingen en stichtte men een Parzistisch weekblad. In +1851 werd eene vereeniging gesticht, met den straks genoemden Dabadhaï +Naoroja als secretaris, die ten doel had het Mazdeïstische geloof +van Hindoesche en Mohammedaansche toevoegselen te zuiveren en, door +nauwgezette studie der gewijde boeken, tot zijn oorspronkelijke +zuiverheid terug te brengen. Deze vereeniging heette "Rahanumai +Mazdiashná" (gids voor de vereerders van éénen God). + +Er was tegen deze vereeniging een groote vijandschap: zelfs werd +een tegenvereeniging opgericht, die echter spoedig bezweek. Waar het +echter gold met Hindoesche en Mohammedaansche ceremoniën te breken, +daar was er groote tegenstand bij de vrouwen, zusters en moeders: +die toch immers in het huisgezin den toon aangeven. De meisjesschool +evenwel had ook in dezen groot succes. Daar leerden deze meisjes +immers dit alles als vooroordeel of bijgeloof kennen. Zij kwamen +daardoor van zelf in verzet. "Neen, moeder," zeiden zij, de kleine +schouders ophalend, "dat is ons geloof niet, dat is niet goed, dat +is bijgeloovig." En--de moeder luisterde naar het kind, als zij naar +man of broeder niet wilde hooren. + +Sedert dien tijd zijn twee geslachten voorbij gegaan. Die kinderen +zijn nu zelf moeders en zij zetten de aangevangen hervorming voort. + +Ook nog een andere belangrijke schrede tot hervorming werd ongeveer +1853 gedaan. Men weet, dat het oude Parzisme de vrouwen volstrekt +niet achterstelde. Evenwel, onder vreemden invloed was er ongelijkheid +gekomen: de vrouwen werden weinig geteld. De straks genoemde leider en +anderen gingen nu familiesamenkomsten houden en maaltijden, waarbij +ook de vrouwelijke leden der familie tegenwoordig waren. Inderdaad +hielp dit. Trouwens men kon zich ook beroepen op de volgende woorden +van Zarathustra, in de Zend Avesta aangehaald: + +"O gij bruiden en bruidegoms, mannen en vrouwen, ik zeg u deze woorden: +Leeft in éénen geest; doet te zamen uw godsdienstige plichten in +zuiverheid van gedachte, leeft met elkaar in waarheid en door deze +dingen zult gij zeker gelukkig worden." + +Ook het hebben van meer dan eene vrouw, welk misbruik hier en daar +was ingeslopen en wel in dezen vorm, dat men zijne vrouw wegzond +om eene andere te nemen, liet men niet onbestreden. Men wist, met +eenige moeite, een wet te verkrijgen, waarbij de Parsi's in dezen +met dezelfde straffen werden bedreigd als de Engelsche onderdanen. + +Ook tegen de, volgens Indische zede gebruikelijke, ook onder de Parsi's +ingeslopen kinderhuwelijken trad men op. En wel met zooveel succes, dat +ze thans onder hen voornamelijk in Bombay, bijna niet meer voorkomen. + +Zoo kwam er dus onder de Parsi's meer belangstelling in hun oude +geloof. Evenwel, men bleef geenszins bij de letter daarvan hangen. + +Onder den invloed van "Rahanumai", de straks genoemde vereeniging, kwam +men er toe, die oude geschriften meer opzettelijk te onderzoeken. Dit +leidde tot de volgende resultaten: [190] + +Vele boeken, tot nu toe voor kanoniek gehouden, waren dit niet. Met +uitzondering van de Gatha's gaven de oude boeken niet weer de woorden +van Zarathustra, noch van zijne leerlingen. Verder: de godsdienst +van Zarathustra werd uit een radicale hervorming geboren: tegenover +het polytheïsme predikte deze den dienst van den grooten, verhevenen +God als het begin en einde van den waren godsdienst. Hij alleen was +de gever van alles. De oude goden en geesten verwierp de profeet, om +zich alleen tot God te richten. "U en u alleen", sprak hij, "ziet het +oog mijner ziel." Het monotheïsme van Zarathustra was ondubbelzinnig, +eveneens zijne leer van maar eene vrouw te huwen. + +De tegenwoordig Parsi studenten houden vol dat, de boeken van het +Avesta (behalve de Gatha's) door priesters zijn saamgevoegd, die na den +dood van Zarathustra de oude geesten weer in eere herstelden, zij het +ook in ondergeschikte positie: die geesten, welke men onderstelde over +het water, het vuur, de aarde en alle groote scheppingen der natuur te +regeeren. Ook maakten die priesters, zoo leeren zij, een ritueel en +ceremoniën, die voor hen het meest voordeelig waren. Voorts maakten +al de aanroepingen van verschillende geesten geen deel uit van den +godsdienst van Zarathustra. + +Zij--de tegenwoordige beoefenaars der gewijde Perzische +letterkunde--oordeelen dat de Parsi's moeten terugkeeren tot den +oorspronkelijken geestelijken, eenvoudigen, zuiveren godsdienst der +eerste tijden--en dat uit Zarathustra's woorden volgt, dat slechts +de eeuwige beginselen van de regeering van éénen God, zuiverheid in +gedachten, woorden en werken voor altijd bindend zijn. Alle gewoonten, +ritueel en ceremoniën, aangenomen volgens tijdsomstandigheden, plaats +en beschaving, kunnen veranderd worden, naardat de stoffelijke en +geestelijke behoeften der gemeenschap dit eischen. + +Daarop leggen de tegenwoordige leiders dan ook den vollen +nadruk. Blijven zij dat doen, dan kan zeker de betrekkelijk kleine +kring van Parsi's in Indië, 84,000 op 254 millioen, als zij waarlijk +strijdt voor waarheid, gerechtigheid en deugd toch een in menig +opzicht heilzamen invloed uitoefenen. + +En ook voor ons westerlingen--vaak zoo ver van natuur en waarheid +verwijderd--kan het niet anders dan gunstig werken om met den +verhevenen, en toch practischen godsdienst van Zarathustra kennis +te maken. + +Trouwens, de oude Perzen behooren ook tot onze geestelijke voorouders: +hun leer van den duivel en de opstanding, van het wereldgericht en +de reiniging der boozen, heeft door het Jodendom heen tot in het +Christelijk denken zich een plaats verworven. Steeds klaarder komt +dit door de nieuwere onderzoekingen aan het licht. + +Doch hierop leggen wij nu niet den nadruk. Het leven des menschen een +strijd tegen het booze, waarin God hem ter zijde staat, een strijd, +die goede vruchten moet en zal dragen, het ware leven geen sombere +ascese, maar ijverig arbeiden in de maatschappij: geen dwaze verachting +van de wereld der zinnen, maar heiliging van al het aardsche in den +geest der gerechtigheid--zie, dat zijn de onsterfelijke waarheden, +ons door Zarathustra toegeroepen. Houden wij die in eere! + + + + + + + +BIBLIOGRAPHIE. + + +G. H. Lamers. De wetenschap van den godsdienst. (Historisch deel), +in Nieuwe Bijdragen voor Godgeleerdheid en Wijsbegeerte deel VII en +deel IX. + +P. D. Chantepie de la Saussaye. Lehrbuch der +Religionsgeschichte. Freiburg 1887. J. C. B. Mohr. + +P. D. Chantepie de la Saussaye. Vier schetsen uit de +Godsdienstgeschiedenis. Utrecht. C. H. E. Breijer 1883. + +Religious Systems of the World (a collection of +addresses). London. Swan Sonnenschein & Co. 1901. + +Monier Williams. Religious Thought and Life in India. Part I. Vedism, +Brahmanism and Hinduism. London. John Murray. 1883. + +H. Oldenberg. Buddha, sein Leben, seine Lehre, seine +Gemeinde. Berlin. W. Hertz. 1881. + +T. W. Rhys Davids. Buddhism. London 1899. (Society for promoting +Christian Knowledge). + +A. Lillie. Buddha and Buddhism. Edinburgh. T. Clark. 1900. + +E. Arnold. Het licht van Azië, vertaald door Dr. H. Meyboom. Amsterdam +1881. + +H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof +in Burma) vert. door F. Ortt. 's Gravenhage. "Drukkerij Vrede" 1900. + +M. von Brandt. Die Chinesische Philosophie und der +Staatsconfucianismus. Stuttgart. Strecker & Moser 1898. + +C. P. Tiele. Geschiedenis van den Godsdienst in de oudheid. Deel II +(de Iranische volken). Amsterdam. P. N. van Kampen & Zoon 1895. + +A. Brodbeck. Zoroaster. Leipzig. W. Friedrich. 1893. + +G. de Lafont. Les grandes religions (le Mazdeïsme). Paris Chamuel 1897. + +F. Justi. Geschichte des alten Persiens. Berlin. G. Grote. 1879. + + + + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + +VOORREDE 1-4 + + +Het Brahmanisme 5-37 + +I. Het Brahmanisme; zijn oorsprong, karakter en eigenaardigheden 5-15 + + Verhouding van Israëlietischen en Christelijken godsdienst + en van Brahmanisme en Boeddhisme.--Pantheïstisch karakter + van het Brahmanisme, bij polytheïstisch voorkomen.--Oorsprong + van het Brahmanisme. Stamland der oude Indiërs, hun goden en + godsvereering, Rishi's, Varuna, Agni, Indra, Surya, verwantschap + der goden.--Onsterfelijkheidsgeloof. Yama.--Kastenwezen.--De + Veda's.--Ontwikkeling, van den Vedischen godsdienst onder de leiding + der Brahmanen, waarde van het offer, zielsverhuizing. Atman, + Brahma, het leven van den Brahmaan als leerling, huisvader en + kluizenaar.--Opkomst eener philosophisch-ascetische richting, hoe + deze zich met het volksgeloof verstond. + +II. Brahmaansche godenleer en levensbeschouwing 16-28 + + Brahmaansche godenleer, Brahma, Vishnoe en Siva, hun + incarnaties, karakter en vereering.--Esoterische opvatting van + het Brahmanisme.--Einddoel, waarnaar men streeft.--Vedanta en + Sankhya.--Ramayana en Mahabharata, Valmiki, Visvamitra, Yayati. + --Op den drempel van het Boeddhisme. + +III. Gezuiverd Brahmanisme in den nieuweren tijd + (de Brahmo-Samaj) 28-37 + + Vroegere pogingen tot hervorming.--Karakter der + nieuwere beweging.--Rammohun Roy.--Zijn optreden tegen + de afgoderij.--Strijd tegen weduwenverbranding.--Zijn + streven. Verhouding tot het Christendom.--Eeredienst.--Stichting + der Brahmo Samaj.--Zijn dood.--Debendra-nath.--Zijn + beginselverklaring.--Liturgie.--Verdeeldheid.--Vier + grondbeginselen.--Voornaamste punten der leer.--Narain Bose.-- + Keshab Chander Sen.--Zijn doel.--Zijn jeugd.--Toetreding tot de + broederschap.--Zijn radicalisme.--Sociale hervormingen, die hij + voorstond.--Scheuring en vereeniging der meer vooruitstrevenden + in een nieuwe vereeniging.--Program.--Godsdienstoefening. + --Mozoomdar. + + +Het Boeddhisme 38-154 + +I. Het leven van Boeddha tot aan zijn openlijk optreden 38-54 + + Het Boeddhisme in het Brahmanisme voorbereid.--Zijn verspreiding. + --Zijn uiteenloopende opvatting.--Quaestie over het historische + der Boeddha-figuur.--Waarheid en verdichting gemengd.--Boeddha's + geboorteplaats.--Wat over zijn jeugd vaststaat.--Zijn wonderbare + geboorte.--Asita.--De vier voorteekens.--Voorzorgen van zijn + vader.--De vier voorteekenen verschijnen.--Pogingen om de hoogere + roeping van Boeddha te vernietigen.--Hemelgeesten sterken hem.-- + Hij ziet de verleidelijke vrouwen in haar ware gestalte.--Geboorte + van Rahula.--Boeddha's strijd.--Zijn besluit.--Zijn vertrek.--Wat + Mara hem voortoovert.--Boeddha bij de kluizenaars.--In 't woud.-- + Einde zijner zelfkastijding.--Zijn vijf leerlingen verlaten hem.-- + Zijn strijd en overwinning onder den Bo-boom.--Zijn verlichting. + --Aarzeling om de leer te prediken. + +II. Boeddha als prediker van den weg des heils 54-87 + + Boeddha in het wildpark bij Benares.--De vijf vroegere leerlingen. + --Prediking van de vier heilige waarheden en van het achtvoudig + pad.--Bekeering der vijf asceten.--Van Bimbisara.--Van Sariputta + en Mogallana.--Verzet des volks tegen de Boeddhistische ascese. + --Boeddha ontmoet zijn vader.--Ziet Yaçodhara terug.--Boeddha in + zijn dagelijksch leven.--Gelijkheid in den kring der leerlingen. + --Velen van hen zijn aanzienlijken.--Sunita, leerling uit geringen + stand.--Boeddhisme een democratische beweging?--Ananda, de meest + geliefde leerling.--Devadatta, de verrader.--Leekenvrienden en + vriendinnen.--Visakha.--Haar zorg voor monniken en nonnen.-- + Boeddha's denkbeelden over de vrouw.--Gesprek daarover met Ananda + --Nonnen minder dan monniken geacht.--Boeddha's strijd tegen de + Brahmanen.--Boeddha over het offeren.--Boeddha tegen + zelfkastijding.--Boeddha geen "vrijdenker" of "atheïst".-- + Getuigenissen daarover.--Boeddha's gesprek met Vasettha over de + vereeniging met Brahma.--Boeddha en de schoone zondares.--De + vergeldingsleer (Karma).--Aantrekkelijkheid van Boeddha's persoon: + zijn figuur geen schepping der verbeelding.--Boeddhistische + spreuken.--Boeddha's laatste levensdagen en dood. + +III. Boeddha's onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen 87-111 + + Waarde in het Boeddhisme aan "de leer" gehecht.--Boeddha's + onderwijs vooral tot het verstand gericht.--Rede over den gloed + der zinnen. Voor niet-ingewijden opklimming van af het eenvoudige + tot het hoogere.--Onderricht door vragen: gesprek met Sona,-- + Gelijkenis van den waren en verkeerden weg.--Gelijkenis van de + vergeving.--Gelijkenis van den godloochenaar.--Gelijkenis van + Kisagotami.--Geschiedenis van prins Kunala.--Boeddha op een + huwelijksfeest.--Geschiedenis van het meisje Bhadra.--Koning + Wessantara.--Koning Bambadat.--De hongerige hond.--Boeddha als + vredestichter.--De verloren zoon.--De vrouw aan de bron.-- + Geschiedenis van Vasavadatta.--Gelijkenis van het brandend huis. + --Gesprek met Rahula over valschheid. + +IV. Hoofdpunten van Boeddha's leer 111-119 + + Hoofdzaak: bevrijding van het lijden.--Schildering der Samsara. + --Er is echter verlossing.--Stemming der Boeddhisten in leven en + sterven.--"Dorst" de oorzaak van het lijden.--Hoe Boeddha de + zielsverhuizing opvatte?--Hoe Nirvana?--De ketterij van Yamaka: + conclusie. + +V. De weg des heils 119-124 + + Stations op den weg des heils.--Rechtschapenheid.--De vijf + geboden.--Geestelijke oefening in welwillendheid.--Bekeering + van Roja.--Geschiedenis van Sama.--Beheersching der zinnen.-- + Opmerkzaamheid.--Mara, zijne verzoeking van Boeddha.--Gelijkenis + van den schildpad.--Voorsmaak van het hoogste heil hier op aarde: + extase.--Boeddha's persoon op den achtergrond. + +VI. Het Boeddhisme in de praktijk 124-139 + + Boeddhistische monniken geen tusschenpersonen tusschen hemel en + aarde.--Geen hiërarchie.--Wie van de (monniken) gemeente zijn + uitgesloten.--Opname als monnik (Pabbaja en Upasampada).--De + vier gestrenge regelen.--De vier groote verboden.--Gelofte niet + voor altijd.--Goede daarin.--Tucht van het publiek.--Dagelijksch + leven der monniken.--Onderricht der jeugd.--Aanzien, waarin + zij staan.--Biechtsamenkomsten.--Biechtformule (Patimokha).--De + regentijd.--Hoe die werd doorgebracht in de oudheid.--Hoe thans + in Birma.--In Ceylon.--Voorlezing op Zondag uit de H. S.--Vier + heilige plaatsen.--Boeddhistische nonnen.--Haar onderworpenheid + aan de monniken.--De vrouwen tegenover Boeddha's leer.--Haar + gebed.--Boeddhistische leeken.--Hun levensopvatting. --Afkeer + van den oorlog.--Individueele op den voorgrond.--Opvattingen over + vergelding en boete.--Hoe zij staan tegenover den dood.-- + Waardeering der Boeddhistische leer. + +VII. De voortgang en ontwikkeling van het Boeddhisme 139-149 + + Hoofdpunten, hierbij te bespreken.--Oude concilie's.--Van + Rajagriha, Vaisali, Patna.--Açoka.--Zijn opschriften.--Açoka's + hervormingen op godsdienstig en maatschappelijk gebied.--Zijn + liefde voor den innerlijken godsdienst.--Zijn afkeer van den + oorlog.--Bescherming van dieren.--Zorg voor kranke menschen en + dieren.--Bepalingen ten gunste der monniken.--Het leven der + monniken in zijn dagen.--Godsdienstige feesten.--Zendelingen. + --Stupa's.--Concilie van Patna (244).--Heilige teksten.--Drie + Pitaka's. + +VIII. Uitbreiding en ontaarding van het Boeddhisme 149-154 + + Uitbreiding over Ceylon, Birma enz.--Ondergang in Indië.--Oorzaken + daarvan.--Het Boeddhisme in Tibet.--Overeenkomst met het + Roomsch-Catholicisme.--Beschrijving eener godsdienstoefening in de + kathedraal van Lhassa.--Slot. + + +De Chineesche philosophie 155-245 + +I. Inleiding 155-158 + + Hoofddoel van deze uiteenzetting.--Het oude en standvastige der + Chineesche beschaving.--De twee hoofdrichtingen der Chineesche + philosophie.--Strijd van Confucianisme en Taoïsme.--Overwinning + van Confucius.--Vreemde invloeden in het Confucianisme zelf.--Wat + aan het Confucianisme het overwicht gaf.--Oud-Chineesche + wijsgeer-profeten.--Keizer Wuwang (1110 v. C.)--Zijn fout. + +II. Confucius, zijn leven en leer 157-178 + + Zijn geboorte, naam, familie.--Zijn jeugd en huwelijk.--Bekleedt + verschillende betrekkingen.--Zijn roem.--Confucius' vlucht uit + Lu.--Keert terug.--Wordt beambte der stad Chungtu.--Klimt ten + slotte tot minister van justitie op.--Valt in ongenade.--In + ballingschap.--In 483 in Lu terug.--Zijn dood en laatste + woorden.--Eerst lang na zijn dood in eere.--Ten slotte + afzonderlijke tempels voor hem.--Ook thans bij de Mandschoe + regeering zeer geëerd.--Confucius' leer niet nieuw.--Stelde + het ordelijke, regelmatige op den voorgrond.--Afkeer + van bespiegeling over 's menschen toekomst.--Confucius' + nauwgezetheid en vormelijkheid.--Welken indruk wij van zijn + persoon krijgen.--Zijn ontmoeting met Lao-tsze.--Oordeel van + Taoïstische werklieden.--Confucius en de roover Kih.--Oordeel + van Wang-Chung.--Oordeel zijner leerlingen.--Confucius kind van + zijn tijd en volk.--Kritiek van zijn leerling Tsze lu.--Zijn + grief, dat hij miskend werd.--Zijn zwakheid.--Zijn leer der + wederkeerigheid.--Zichzelf en anderen opvoeden.--Opvatting + van gehoorzaamheid.--Kinderlijke liefde begin van alle + deugd.--Aanprijzing van zelfopvoeding.--Goed voorbeeld geven.--Zijn + ware natuur volgen.--Harmonie bewaren.--Anderen behandelen, zooals + men zelf behandeld wil zijn.--Ideaal van den wijze.--Fouten + zoeken in zichzelf.--De vijf wederkeerige plichten.--De drie + eigenschappen.--Waardoor zij uitgeoefend worden.--Negen regels + voor de beheerschers des rijks.--Vorm, waarin Confucius zijne leer + kleedt ook niet oorspronkelijk.--Wat Confucius eens op een beeld + las in 517 v. Chr.--Verval van Confucius' leer na zijn dood. + +III. Mencius 178-190 + + Zijn jeugd.--Zorg zijner moeder.--Zijn + leerjaren.--Leeraar.--Politiek hervormer.--Mencius' + ontgoocheling.--Ambteloos burger.--Zijn + dood.--Canonisatie.--Verschillend karakter van Confucius en + Mencius.--Mencius' strijd tegen Cynici en Mihisten.--Mencius' + democratie.--Zijn erkenning van de waarde der Chineesche + beschaving.--Zijn leer der "voorbeschikking".--Acht den + mensch van nature goed.--Leer van Han yü en Chu hi over 's + menschen natuur.--De vijf en de drie dingen, in strijd met + de kinderlijke liefde.--Mencius tegenover de secte van Shin + nung.--Erkent de waarde van elken heilzamen arbeid, vooral + van dien des wijzen.--Zijn vijf eischen ten opzichte van het + staatsbestuur.--Komt op tegen uitbuiting des volks.--Zijn strijd + tegen Mih ti's leer der algemeene liefde.--Leer van Mih ti.--Hoe + Mencius dit systeem omverwierp.--Mencius' strijd tegen den Taoïst + Yang Chu (pessimist).--Mencius' leer over de "hartstocht".--Verwante + denkbeelden bij den psycholoog Ribot. + +IV. Lao tsze 190-202 + + Zijn geboorte.--Latere verdichtselen daarover.--Zijn werk Tao + teh king. Ook Lao tsze slechts bewaarder der oude leer.--Het + Tao.--Wat daaronder te verstaan?--Iets onpersoonlijks.--Getuigenis + van Lao tsze, van Huai nan tsze.--Tao de natuur (natura + naturans).--Taoïsten over de wording van het heelal (Chwang + tsze).--Vergeleken met hedendaagsche beweringen.--Uitspraak van + Lieh tsze over Tao als het ongeschapene.--Verhouding van Tao en + God.--Evolutie door de Taoïsten erkend.--Plaats van den mensch in + het heelal volgens het Taoïsme.--Beschouwing van den dood.--Van 's + menschen roeping.--De "hemelsche" natuur te volgen.--Niet "actief" + zijn.--Hoe dit leidde tot ander politiek en sociaal optreden dan + van Confucius en de zijnen.--Lao tsze prijst rust en nederigheid + aan.--Overeenkomst met Confucius in lof der oudheid en afkeer van + druk.--Lao tsze wil weinig regeeren.-- Hoe hij de ontaarding der + regeering schetst.--Zijn regeeringsideaal.-- Zijn aanprijzing van + rust.--Droefgeestig beeld van zijn eigen persoon. + +V. Chwang tsze, Lieh tsze, Yang Chu en de ontaarding van het + Taoïsme 202-215 + + Chwang tsze en de vorst van Tsu.--Hoe hij begraven wilde + worden.--Valt Confucius en diens leer scherp aan.--Waarschuwing + tegen acht gebreken en vier fouten.--Keurt af Confucius' + rusteloosheid en bemoeizucht met anderen.--Gispt de + veeleischendheid der tegenwoordige heerschers.--Chwang tsze + over den dood.--Chwang tsze en de schedel.--Zijn besef van het + onbevredigende des levens.--Lieh tsze.--Het betrekkelijke der kennis + (de krankzinnige).--De man uit Yin (het vergankelijke).--Tchung + lu tsi, de man uit Ki en Lieh tsze spreken over het vergaan der + wereld.--Lieh tsze over leven en dood (het doodshoofd).--Yang + Chu.--Het korte leven dat zooveel droefs heeft.--Onbezorgd + genieten.--Keizer Muh en de Magiër.--Keizer Tsin Shi Wang Ti geeft + zich aan Taoïstische kunsten over.--De Taoïstische "doktoren der + rede" en het bijgeloof.--De Taoïstische paus.--Invloed van het + Taoïsme op het volk. + +VI. De "geleerden" tegenover Taoïsme en Boeddhisme 215-227 + + Argumenten van weerszijden gebezigd.--Het onbloedige der + vervolgingen.--Boeddhistische wijsbegeerte ten slotte zelfs + in de zedeleer der "geleerden" ingedrongen.--Oud en nieuw + Confucianisme.--Het heilige edict (tegenover Tao en Boeddha).--Het + groote plan van Ho en de rol van Loh.--Reactie tegen het + inkruipen van Taoïstische en Boeddhistische leeringen in het + Confucianisme.--De Mandschoe regeering en het Confucianisme.--Het + heilige edict, overwegingen, afkondiging, indeeling, verklaringen, + pogingen om het populair te maken.--Zijn 16 sententiën.--Waarde + van het Staats-Confucianisme.--Schaduwzijde. + +VII. De klassieke boeken der Chineezen 227-243 + + De vijf groote en de vier kleine klassieken.--De dertien + klassieke werken.--Nog drie andere klassieken.--Geijkte + verklaringen.--I-king.--Shu-king.--Shi-king.--Chau-li.--I-li.-- + Li-ki.--Chun Chiu.--Lun-yü.--De werken van Mencius.--Hsiao-king. + --Het wonderboek Urhya.--Tahio.--Chung-yung.--Tshu-shu.--Kung + tsze kia yu. + + Werken der Taoïsten: Tao teh king.--Commentaren.--Kwan yin + tsze.--Werken van Lieh tsze en Chwang tsze.--Liu Ngan (Huai + nan tsze). + + Oorzaken der gapingen in de klassieke literatuur.--Vernietiging + der boeken door de dynastie Tsin.--Voorstelling van Sze ma + tsien.--Latere "bibliotheek-rampen".--Verdienste der Chineesche + geleerden.--Vervalschingen.--Schade in den nieuwen tijd.--Slecht + onderhoud der bibliotheken.--De ijver der Chineesche letterkundigen + te prijzen.--Besluit. + + +Het Mazdeïsme 244-278 + +I. Inleiding 244-248 + + Tegenstelling van den Indischen en den oud-Perzischen + godsdienst.--Toch beiden uit één stam.--Moeilijkheid om + het Mazdeïsme te beschrijven.--Zend-Avesta.--Zoroaster, + historisch?--Anquetil du Perron en het Zend-Avesta.--De drie + phasen van het Mazdeïsme.--Alexander de Groote.--De Sassaniden + (226-636 n. C.).--Wat van de oude literatuur is gebleven.--De + Gatha's, vertegenwoordigen oudste phase.--Gemeenschappelijke goden + en vereering bij de voorvaderen van Indiërs en Perzen.--Waardoor + later zooveel verschil?--Karakter der Zarathustrische hervorming. + +II. Het Mazdëisme der Gatha's 248-254 + + Verhevenheid van Ahura Mazda.--De goede geniussen, die hij + den mensch schenkt.--Bescherming van de koe, opgedragen + aan Zoroaster.--Oude kosmogonische mythe.--De aarde als de + gavenschenkende koe.--Mazda als de Alwetende, éénige God.--Mazda's + trawanten (geniussen).--Gematigd dualisme.--De daeva's.--Lot + van goeden en boozen.--Eindoordeel.--Hoe Mazda moet worden + gediend.--Landbouw en huwelijk in hooge eere.--Geen zachtheid + tegenover den vijand.--Offeren.--Gewijde spreuken. + +III. Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta 254-271 + + Waarom en hoe zooveel van het oude volksgeloof weer in + den nieuwen godsdienst kwam.--De Amesa-Spenta's, meer + zelfstandig.--Sraosa.--Ahuna vairya.--De "rechtvaardigste + rechtvaardigheid" en "het hemellicht".--Strijd om het + hemellicht.--Atar, god van het vuur.--Apam Napat.--Het + hemelvuur.--Anahita.--Zon, maan en sterren.--Planeten als vijandig + beschouwd.--Tistrya (Sirius).--Asi.--Haoma.--De roes van den + onsterfelijkheidsdrank.--Mithra.--De fravasi's.--Anro mainyu en + de booze geesten.--Anro mainyu en Zarathustra.--De helpers van den + booze.--De mensch tusschen Mazda en Anro mainyu in.--Voorstelling + omtrent heelal en aarde.--De eeuwigheid van Mazda's + schepping.--Voorstelling der schepping.--Des menschen levenstaak + en dood.--Het toekomstig leven van goeden en boozen. De voleinding + der wereld.--De drie Heilanden.--Anro mainyu's nederlaag.--De + priesters.--De eeredienst.--Het haoma offer.--De vuurdienst.--De + godsdienst in het leven.--Landbouw.--Heilige en onreine + plaatsen.--Tegen ascese.--IJverige arbeid.--Eerlijkheid.--Tegen + ontucht.--Reinheidseischen.--Heiligheid van vuur, aarde en + water.--De dierenwereld.--Plicht tegenover reine en onreine + dieren.--Innerlijke reinheid.--Straffen.--Geestelijke straffen. + +IV. Het "hervormde" Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi's 272-278 + + Uitgeweken Perzen in Indië.--Welke twee punten van hun geloof + zij vasthielden.--Wat hen wakker maakte.--Strijd met het + Christendom.--Nieuwe Zarathustrische catechismus.--Dabadhaï + Naoroja.--Scholen.--Lezingen.--Weekblad.--Vereeniging.--Verheffing + der vrouw.--Tegen kinder-huwelijk.--Resultaat omtrent de gewijde + boeken.--Beteekenis van het Parsisme. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] M. von Brandt, Die Chinesische philosophie und der +Staatsconfucianismus. Stuttgart 1898. + +[2] Bij Indische of "Zend" woorden heb ik de lettergrepen, die, waar +onze Hollandsche opvatting anders zou doen vermoeden, lang moeten +worden uitgesproken, door een liggend streepje gekenmerkt bv. Surya, +Ramayana enz. Korte lettergrepen zijn, waar noodig door [breve] +aangewezen, bv. Brahma. + +[3] Uit de Atharva. Veta. IV. 16. + +[4] Die afscheiding was en is voor een goed deel nog van dien aard dat +personen van hoogere caste geen huwelijk met die van een lagere mogen +aangaan. De ongelukkige paria, die uit een onwettige vereeniging van +personen van verschillende caste wordt geboren, is het uitvaagsel +der Indische maatschappij. De Brahmanen en Kshatrya's staan als +"tweemaal geborenen" bovenaan. + +[5] Wij zullen echter straks zien, dat er ook in het Brahmanisme een +theïstische strooming was en nog is. + +[6] Man der laagste caste. + +[7] Zie blz. 9. + +[8] Een secte, eenigszins aan het Boeddhisme verwant. + +[9] Het theïsme stelt, tegenover het pantheïsme, het zelfstandig +bestaan van God, diens persoonlijkheid, op den voorgrond. + +[10] Essai sur la legende du Buddha. Paris 1875. + +[11] Vleeschwording der godheid, m. a. w. die teekenen zouden toonen +dat hij een vleeschwording der godheid was. + +[12] Een bekend Boeddhistisch geschrift. + +[13] M. a. w. een der vroegere openbaringen van de godheid. + +[14] God des doods, zie Brahmanisme op blz. 9. + +[15] De vijf gehechtheden, hiermede worden bedoeld: lichamelijkheid, +gewaarwordingen, voorstellingen, neigingen en bewustzijn. De +bedoeling van dezen eenigszins duisteren zin, uit Boeddhistische +teksten ontleend, is waarschijnlijk: waar men de vijf gehechtheden +heeft achtergelaten zal geen ouderdom, ziekte of dood zijn. Waar men +dus verheven is boven strijd en moeite. + +[16] Amrita, letterlijk: levensdrank. + +[17] Rishi's, zie Brahmanisme blz. 8. + +[18] Jina = iemand, die zijn lagere natuur bedwingt. + +[19] Dit ziet op vroegere levens van den Boeddha. + +[20] De boom, waaronder Boeddha tot het ware inzicht kwam. + +[21] = Levensdrank onsterfelijk. + +[22] Jaarlijks stierf de zonnegod als zonnepaard (ons sterrenbeeld +aries = de ram) om volgens de Indiërs alle vleesch te redden. Vandaar +ook het paardenoffer. + +[23] M. a. w.: Wat is de oorzaak der wedergeboorte? + +[24] M. a. w.: Waar de begeerte is gedood, daar wordt men van +wedergeboorte verlost. + +[25] Mahavagga I. 5. 2 enz. + +[26] Teeken van eerbied. + +[27] Zie blz. 50. + +[28] Mahavagga I. 6. 10. + +[29] "Voleindigde", titel waarmee Boeddha zichzelf noemde, evenals +Jezus sprak van "de Zoon des Menschen". + +[30] "Nirvana" een woord over welks beteekenis veel verschil is. De +Boeddhisten duiden er het hoogste heil mee aan, dat boven alle lust +is verheven. + +[31] Hiermee worden bedoeld de vijf elementen, waaruit volgens het +Boeddhisme de menschelijke persoonlijkheid bestaat. Zij worden ook wel +genoemd de vijf Skandha's, en zijn: lichamelijkheid, gewaarwordingen, +voorstellingen, neigingen en bewustzijn. + +[32] In den zin van "begeerte". + +[33] Hernieuwd bestaan. + +[34] Een geijkte formule zijn deze woorden ook thans nog in het +Boeddhisme. + +[35] Feitelijk vormen de Boeddhisten, zooals wij nader zien zullen +een monnikengemeente, doch ook als leek kon men den verlichte eeren +en hem volgen op een afstand. + +[36] Asceet. + +[37] Men zie op blz. 51 en 52 Boeddha's bespiegeling onder den Bo-boom. + +[38] getiteld: "De vraag van Upatisa" (een andere naam voor Sariputta.) + +[39] Sanjaya's leerlingen. + +[40] Rishi's, zie over hen blz. 8. + +[41] Volgens het Boeddhistische geschrift "Dhamma pada", een +verzameling, grootendeels van spreuken. + +[42] Jataka: d. w. z. verhalen over vroegere levens. + +[43] De leer, de wet. + +[44] De Boeddhistische monniken hadden en hebben haar en baard +afgeschoren. + +[45] De oudste naam der Boeddhisten. + +[46] Dat later het Boeddhisme de verdrukten hielp verlossen, zullen +wij zien als wij over koning Açoka handelen. + +[47] Zie blz. 63. + +[48] d. i. kloosters. + +[49] Zie bladz. 58. + +[50] Het verhaal over Visakha in Mahavagga. VIII. 15. + +[51] Maha Prajapati. + +[52] Deze aanhaling zoowel als het thans volgend verhaal naar Digka +Nikaya. + +[53] H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof +in Burma). vertaald door F. Ortt. 's-Gravenh. 1900. + +[54] Volgens Anguttara Nikaya. + +[55] Zie blz. 56. + +[56] Een Cingaleesch Boeddhistisch geschrift. + +[57] Dit is de waarschijnlijke afwerking van dezen niet afloopenden +zin. + +[58] De hooge verlichting in de rede. + +[59] Ook Prof. Rhys Davis, die overigens daartoe wel geneigd is, +erkent het geloof der oude Boeddhisten in een bovennatuurlijke +kennis, Abhinna, en bovenzinnelijke vermogens, Iddhi. Men zie zijn +Buddhism. 1899. pag. 174. + +[60] Hier wordt geteekend "de kracht van vriendelijke gedachten", ook +tegenwoordig wel bekend, waarop wij wellicht later nog terugkomen. Men +zie ook blz. 76. + +[61] Dhammapada. + +[62] Dhammapada. + +[63] Het licht van Azië. vert. door +Dr. H. U. Meyboom. Amsterdam. 1881. blz. 166, 167. + +[64] Zie bladz. 172. a. w. + +[65] Bhikshu = bedelaar, Muni = zwijgende, omdat de monniken zwijgend +rondgingen met hun aalmoezenschaal. + +[66] Chineesch spreekwoord. + +[67] De boven aangehaalde spreuken zijn aan verschillende +Boeddhistische geschriften ontleend. + +[68] Uit Mahavagga, deze rede zou gericht zijn tot de duizend +kluizenaars van Uruvela. + +[69] Men vergelijke ook op blz. 71 het gesprek met een Brahmaan over +het ware offer. + +[70] Uit Mahavagga. + +[71] Uit Doedha-vitakha Sutta. + +[72] Naar het water. + +[73] Chineesche uitdrukking voor Nirvana. + +[74] Soort van vergiftige slang. + +[75] Een soort vogel. + +[76] Of Iddhi = door haar in "verrukking van zinnen" te brengen. + +[77] Letterlijk: oud man, een soort Boeddhistische heilige. + +[78] Vrouwenverblijf. + +[79] Indische wetboek van voor-Boeddhistischen oorsprong. Thans +o.a. nog in Birma geëerd. + +[80] Lieden die tot geen caste behooren, dus verachtten in de +maatschappij. + +[81] Soort muziekinstrument. + +[82] Goudstukken. + +[83] nl. Boeddha, Dharma, Sangha: de verlichte, de leer, de gemeente. + +[84] Mahayana, groote overtocht, Hinayana, kleine overtocht. Alzoo +heeten de twee scholen, waarin het oorspronkelijke Boeddhisme zich +splitste en die beiden hun eigenaardige opvattingen en litteratuur +bezaten. + +[85] Açoka was koning over een deel van Indië in de 3e eeuw voor +Christus. + +[86] Rahat of Arahat: een, die niet meer wederom geboren behoeft +te worden. + +[87] Zie pag. 56. + +[88] Samyuttaka Nikaya. + +[89] Zie H. Fielding. De ziel van een volk, vertaald door +F. Ortt. Drukkerij "Vrede" 's-Gravenh. 1900. + +[90] Vgl. blz. 112. + +[91] Dit Atman beschouwen zij als Brahma in den mensch, het goddelijke +in ons, vgl. blz. 12, 13. + +[92] n.l. diegenen, die als Makhali Gosala, zie blz. 74, gelooven +dat het ik, na een aantal zielsverhuizingen doorgemaakt te hebben, +'t zij goed of boos, in den dood ondergaat. + +[93] Milinda is de Grieksche koning Menander, die ongeveer 100 jaar +voor Christus leefde en Indië aan zich onderwierp. + +[94] Zie blz. 95 enz. + +[95] Uit Dhammapada. + +[96] Cariya Pitaka. III. 15. + +[97] M. a. w. naar alle vier de windstreken, zie blz. 78, waar +hetzelfde onderwerp wordt aangeroerd. + +[98] Cullavagga. VII. 3.12. + +[99] Zie blz. 100, 101. + +[100] Kant verhaalt dat hij door deze voortgezette oefening deelen +van zijn lichaam, die anders niet onder de heerschappij van zijn +geest stonden, kon beheerschen. + +[101] Samyuttaka Nikaya. vol. I fol. gha. + +[102] Ook dit verhaal naar Samyuttaka Nikaya. vol. II. fol. ja. + +[103] Blz. 324. a. w. + +[104] Geen slangendemon in menschengedaante. + +[105] Een der oudere monniken, die hem voordraagt. + +[106] Waarschijnlijk vertoefden de oudste volgelingen vooral onder +boomen; doch ook tegenwoordig zijn de kloosters altijd met boomen +omgeven. + +[107] Zeer kleine munt. + +[108] M. a. w. zich beroemen op zijn liefde tot een eenzaam, +bespiegelend leven. + +[109] De ziel van een volk blz. 175. + +[110] Waarbij een monnik uit de heilige boeken voorleest. + +[111] Pitaka's = korven, de drie heilige boekverzamelingen der +zuidelijke Boeddhisten, waarvan het eerste handelt over Vinaya (de +orde). Het tweede over Dharma (de leer), het derde over Abhidharma (het +geloof). Ieder dier afdeelingen bestaat uit tal van geschriften. Vele +zijn uitgegeven en vertaald in de verzameling "Sacred books of +the East." + +[112] Vlg. op bl. 70 het gesprek met Ananda. + +[113] Cullavagga XI. 4. + +[114] a. w. blz. 17. + +[115] Zie blz. 119. + +[116] Fielding a. w. blz. 108 en volg. + +[117] Naam, dien Açoka droeg. + +[118] Grafteeken, gedenkteeken. + +[119] De bedoeling schijnt te zijn dat deze boomen 's nachts de +monniken tot toevlucht zullen strekken. + +[120] Over het laatstgenoemde zie bl. 109-111 van dit werk. Upatishya +of Upatissa is een andere naam voor Sariputta, zie blz. 58 en 59. + +[121] Waarschijnlijk waren er ook olifanten bij, die worden heel wat +ouder dan menschen. + +[122] Zie blz. 118 en 119. + +[123] Woorden, die Boeddha zou geuit hebben, toen hem onder den +Boddhiboom de verlichting ten deel viel. + +[124] Zie blz. 126. + +[125] deze zijn: 1 geen leven vernietigen. 2 niet stelen. 3 zich +voor onreinheid wachten. 4 niet liegen. 5 geen bedwelmende dranken +gebruiken. 6 niet op verboden tijden eten. 7 van dansen, zingen, +muziek en tooneelvoorstellingen zich onthouden. 8 geen kransen, +parfumerieën, zalven of sieraden gebruiken. 9 geen hoog of breed bed +gebruiken. 10 geen goud en zilver aannemen. + +[126] Vragen, het ontstaan der wereld betreffende. + +[127] Toch had ook deze wijsheid, gelijk wij zien zullen, een +"metaphysischen grondslag." Goed staatsburger zijn behoort ook tot +het opvolgen van 's hemels ordeningen. + +[128] Daar is thans nog de groote tempel ter eere van Confucius, +waar den heiligen ouden wijze geschenken worden gebracht. + +[129] Wij vergeten daarbij echter het woord niet, dat niemand groot +is voor zijn kamerdienaar. + +[130] Mannen van rang dragen twee zwaarden. + +[131] Hsiao-king. + +[132] Tahio. + +[133] Chung yung. + +[134] Daarom offeren ook gesnedenen, die in hun jeugd door de ouders +verkocht zijn om hen te laten ontmannen, aan de gestorven ouders niet, +daar dezen hun de vervulling van den plicht der kinderlijke liefde +onmogelijk gemaakt hebben. Volwassenen, die zichzelf voor dit doel +verkocht hebben, brengen die offers wel: evenals de Boeddhistische +(uiteraard ongehuwde) priesters. + +[135] De Cynici vormden een wijsgeerige school in het oude +Griekenland. Zij versmaadden alle beschaving en trachtten naar den +grootsten eenvoud: men denke aan Diogenes en zijn ton! + +[136] Diogenes leefde in de 4e eeuw v. C. Van hem is bekend dat hij den +strengsten eenvoud betrachtte: een ton was zijn woning. Van Alexander +den Groote vroeg hij als gunst slechts dat de vorst wat op zijde zou +gaan om hem niet te berooven van 't genot van den zonneschijn. + +[137] Zie blz. 165. + +[138] vgl. Ev. n. Johannes, hfdst. I. + +[139] "Jehovah". Een juistere uitspraak is Jahve. + +[140] Zie blz. 176 enz. + +[141] Wij zouden hier eerder "bemoeizucht" verwachten. + +[142] of liever Boeddhistisch in den geest van "den grooten overtocht", +het latere, sceptische Boeddhisme, zie blz. 118 en 119. + +[143] Alchimie = het zoeken van den steen der wijzen, necromantie = +het bezweren der dooden. + +[144] Dat de mensch in een droom of onder suggestie in een +ongelooflijk korten tijd veel kan doorleven is een feit, door nieuwere +onderzoekingen bevestigd. + +[145] De aanhangers van Confucius en Mencius. + +[146] de Taipings, die in 1864 van zich deden spreken, wilden de +Mandschoe dynastie verdrijven en het zuiver Chineesche element op den +voorgrond stellen. De gansche beweging werd echter in bloed gesmoord. + +[147] men zie over het Lamaïsme blz. 150 enz. van dit werk. + +[148] incubi zijn geesten, die als mannen met vrouwen den bijslaap +uitoefenen, succubi zijn geesten, die dit als vrouwen met mannen doen. + +[149] deze laatsten wilden wel de Joodsche traditie handhaven, doch +hadden zeer veel aan de denkbeelden der Grieken ontleend en in hun +philosophie opgenomen. + +[150] de vertegenwoordiger van het "gewijzigde" Confucianisme, zie +blz. 182, 216 en 221. + +[151] Zie blz. 216 enz. + +[152] In China zijn geen wettig aangestelde advocaten, daardoor werden +rechtszaken behandeld door "winkeladvocaten", die niet zeer in eere +staan, doch bij domme menschen toch maar al te veel invloed hebben. In +de omschrijving van deze sententie worden zij geducht doorgehaald, +o. a. dit: heeft men ooit gehoord dat een dezer lieden een natuurlijken +dood stierf? (m. a. w. zulke ellendelingen treft des hemels straf). + +[153] Zooals men weet leeft de zijderups op den moerbeiboom. + +[154] Met die valsche leeringen wordt niet alleen op het Taoïsme +en het Boeddhisme, maar ook op het Christendom, bepaald in zijn +Roomsch-Katholieken vorm gedoeld. Over het Christendom handelt deze +omschrijving: "Zelfs de leer van de "secte van den heer des hemels" +(zoo noemen de Chineezen het R. K. geloof) die over den hemel spreekt +en over de aarde zwetst en over dingen zonder schaduw en wezen, is +valsch en bedorven. Dewijl echter de leeraren van dezen godsdienst +met de sterrekunde bekend zijn en in de wiskunde ervaren, gebruikt de +regeering hen om den kalender te verbeteren. Dat bewijst echter bij +lange niet, dat hun godsdienst goed is. Gij moet hen tot geen prijs +geloof schenken. De wet is streng tegen al deze valsche secten. De +straf die hen treft is dezelfde als die voor mannelijke en vrouwelijke +toovenaars is vastgesteld. De regeering heeft deze wet uitgevaardigd om +het volk te verhinderen kwaad te doen en het aan te moedigen goed te +doen, van verdorvenheid te wijken en tot de waarheid terug te keeren, +gevaar te vermijden en rust te verkrijgen." + +Deze uitspraak is een van de krachtigste hindernissen, die de +toelating van het Christendom in den weg staan en misschien nog lang +zal nawerken. + +[155] de bedoeling is deze: iedere klasse heeft hare eigene bezigheid, +waaraan zij vast moet houden: de geleerde, de landman, de handwerksman, +de koopman. Doen zij dat niet, dan ontbreekt hun bestendigheid, +en al arbeiden zij ook den ganschen dag, zoo brengen zij toch niets +tot stand. Daarom moet ieder vasthouden aan datgene, wat hij eenmaal +begonnen heeft. Behalve de vier zooeven genoemde klassen zijn er nog +soldaten--verder nog een klasse van arme lieden, die geen land hebben +om te bebouwen, geen geld om handel te drijven, en die geen handwerk +hebben geleerd. Tot dezen wordt hier gezegd: "Gij kunt niet anders +dan u als daglooners verhuren om in uw levensonderhoud te voorzien, +uw rug en uw schouders moeten dragen, weest echter eerlijk en vlijtig, +en noch aan eten noch aan drinken zal het u ontbreken." + +[156] Tien of honderd familiën vormen eene vereeniging, die solidair +voor elkaars medeleden verantwoordelijk is. Zoo worden b.v., als +iemand een deserteur heeft geherbergd, de vijf huizen rechts en de +vijf huizen links medegestraft. Toen er in 1891 opstand in Mongolië +was, werd deze organisatie weer in herinnering gebracht en scherp +doorgevoerd. In ieder huis moest een tafel zijn, waarop de namen van +alle bewoners van het huis stonden vermeld. + +[157] Trigrammen, uit drie, hexagrammen, uit zes letters bestaande +teekens, waaraan men een geheimzinnige waarde toekende. Zie ook +blz. 221 en 222. + +[158] 220-205 v. C. + +[159] deze leefde van 371-288 v. C. + +[160] Zie blz. 180. + +[161] zie bladz. 228 enz. + +[162] Zie blz. 191. + +[163] Zie blz. 202 enz. + +[164] Zie blz. 193 enz. + +[165] Iran omvat de landstreek tusschen den Indus ten oosten en de +Tigris en Euphraat ten westen, den Oxus ten noorden en de Perzische +golf ten zuiden. Perzië en Medië vormen hiervan gedeelten. + +[166] Anquetil du Perron. Zend-Avesta, ouvrage de Zoroastre en 3 +vol. 4o, Paris 1771. + +[167] zij zijn: de oude Gatha's, de jongere Gatha's en het jonger +Avesta. + +[168] zie bladz. 8 en 9 van dit werk. + +[169] Yasna 44, 3-7. + +[170] Yasna 31, 11. + +[171] Yasna 44. 3, 4, 7. + +[172] zie blz. 8. + +[173] zie bladz. 250 enz. + +[174] Zij zijn dus: Vohumano, Asa, Armaiti, Khsatra, Haurvatat en +Ameretat. + +[175] zie blz. 251. + +[176] Dit gebed luidt: Waar het gewenschte (ware) leven is, daar is de +ordening uit gerechtigheid (Asa), die de daden des levens van vromen +zin schept en behoort aan Mazda Ahura het rijk, dat hij geschapen +heeft tot bescherming der vervolgde geloovigen. + +[177] Zie blz. 251. + +[178] Tevens vuurgod en wel god van het bliksemvuur, dat de +bovenaardsche wateren doet stroomen. + +[179] Hemelsche geesten. + +[180] De onderdanen van koning Yima, de menschen der oudheid, werden +niet ouder dan dien leeftijd: zij hadden een eeuwige jeugd. + +[181] Zie Brahmanisme, blz. 8. + +[182] Vayua, de god van den dampkring, is slechts aanbiddelijk +voorzoover hij tot Asa's rijk behoort. + +[183] of: na. + +[184] In den hier aangehaalden tekst wordt gedacht aan dienaren van +Mazda, die zelfs hun bebouwde velden en de heilige stroomende wateren +verlaten om niet met de daevadienaren besmet te worden. + +[185] Het zaad en de adem hadden ook hun kracht aan het vuur te +danken. Bij het gebed hield de Mazda-dienaar een linnen doek voor +den mond om het "vuur van den adem" zuiver te houden. + +[186] Zie Brahmanisme blz. 11. + +[187] Dakhma's geheeten. + +[188] "Kibleh", letterlijk: het tegenovergestelde, dus: het +tegenbeeld. We denken hierbij aan een bekend Hervormd Kerkgezang, +namelijk Gezang 15:1, daar heet het o.a. van de zon: "Zij is de +spiegel, die ons 't beeld, Van uwe volheid mededeelt En uitlokt +tot vertrouwen." + +[189] Drie dagen lang liet men een lijk geheel onaangeroerd. Volgens +het Zend-Avesta was eerst daarna de scheiding tusschen lichaam en +ziel volkomen. + +[190] Prof. C. P. Tiele kwam tot dezelfde resultaten in zijn werk +"Geschiedenis van den Godsdienst in de Oudheid", Deel II. 1ste +helft. De godsdienst onder de Iranische volken. + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WIJZEN VAN HET OOSTEN *** + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that: + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
