summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/39177-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '39177-0.txt')
-rw-r--r--39177-0.txt12961
1 files changed, 12961 insertions, 0 deletions
diff --git a/39177-0.txt b/39177-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..ac2c756
--- /dev/null
+++ b/39177-0.txt
@@ -0,0 +1,12961 @@
+The Project Gutenberg eBook of De wijzen van het Oosten, by Cornelis Hille Ris Lambers
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: De wijzen van het Oosten
+ Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme
+
+Author: Cornelis Hille Ris Lambers
+
+Release Date: March 17, 2012 [eBook #39177]
+[Most recently updated: December 26, 2022]
+
+Language: Dutch
+
+Produced by: the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net/
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WIJZEN VAN HET OOSTEN ***
+
+
+
+
+ DE WIJZEN VAN HET OOSTEN.
+
+ Brahmanisme, Boeddhisme,
+ Chineesche Philosophie, Mazdeïsme
+
+
+ door Dr. C. Hille Ris Lambers.
+
+
+ Cohen Zonen, Amsterdam.
+
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+Twee dwalingen heerschen er nog altijd op het gebied van godsdienst
+en wijsbegeerte.
+
+De eerste is, dat men de wijsbegeerte vijandig stelt tegenover alles
+wat naar godsdienst gelijkt en aan de denkbeelden en voorstellingen,
+uit den godsdienst ontsproten, slechts een mythologische waarde
+toekent.
+
+De andere is, dat men een of anderen godsdienst, laten wij zeggen
+den Christelijken godsdienst, als den eenig waren, door God zelf
+geopenbaarden beschouwt en van uit dit standpunt met een meelijdende
+glimlach op al de dwaze ideeën der heidenen neerziet.
+
+Beide deze opvattingen zijn vrij algemeen. Doch voor de rechtbank der
+wetenschap laten zij zich geen van beide handhaven. Wie werkelijk de
+moeite neemt verschillende godsdiensten te onderzoeken moet ze wel
+laten varen.
+
+Als hij zich niet laat verbijsteren door alle wonderlijke godennamen
+en zonderlinge gebruiken, maar tracht door te dringen tot het hart,
+het wezen van eenigen godsdienst, zal hij van zijn tegenstelling
+tusschen godsdienst en wijsbegeerte terugkomen. Hij zal inzien, dat
+iedere godsdienst een antwoord tracht te geven op vragen als: Wie
+ben ik, vanwaar kom ik, waar ga ik heen? Welken weg moet ik volgen
+in 't leven? Wat is de wereld, die mij omringt? Dezelfde vragen
+m. a. w. waarmede ook de wijsbegeerte zich bezig houdt. En hij zal,
+althans in de godsdiensten der meer ontwikkelde volken, antwoorden
+op deze vragen hooren, die wel degelijk verdienen ernstig te worden
+overwogen. Het kan niet missen of zijn onderzoek zal hem leiden tot
+de erkentenis dat er wijsgeerig nadenken is in den godsdienst, maar
+ook dat er godsdienst moet zijn in den wijsgeer.
+
+Zoo wordt hij dus verlost van het vooroordeel, dat godsdienst en
+wijsbegeerte tegenover elkaar staan.
+
+Maar--'t kan ook zijn dat een gansch ander vooroordeel in hem
+woont. Dat hij, als Christen geloovige b.v. met zekere minachting
+neerziet op al dien heidenschen afgodendienst, immers niets dan
+duisternis. Ook dat vooroordeel zal voor zijn onderzoek bezwijken. Hij
+zal--indien hij althans werkelijk iets in zich opneemt (er zijn ook
+stompe hersenen, die lezen, doch niet verstaan), moèten erkennen dat
+het goddelijk licht niet alleen geblonken heeft in Galilea, maar ook
+in andere landen en onder andere volken. De ziel van denkers en wijzen
+zal spreken tot zijne ziel en hem, misschien eerst verbijsteren doch
+straks verkwikken. En, al moge hij, terecht, zijn eigen godsdienst het
+hoogst blijven stellen, toch zal hij met dankbaarheid en waardeering
+het licht begroeten, overal waar het schijnt.
+
+'t Zou mij niet verbazen, indien menig lezer van "de groote denkers",
+aan het eind van dit deel genaderd, deze mijne opmerkingen volkomen
+deelt. Me dunkt, dat kan bijna niet anders. Want èn het Brahmanisme,
+èn 't Boeddhisme, en de oude wijsheid van China en van Perzië staan
+hoog genoeg om vooroordeelen, als ik u daareven schetste, te doen
+verdwijnen. Ieder van die godsdiensten toch brengt een eigenaardige
+zijde van 't menschelijk denken en gevoelen op den voorgrond. Het
+Brahmanisme spreekt ons "in teekenen en symbolen," van de ééne macht
+die alles bezielt, van het ééne leven, dat in alle wezens woont en
+opwaarts streeft tot volkomen loutering. Het Boeddhisme wijst ons op
+de ellende, waaraan al wat bestaat onderworpen is, doch toont ons ook
+het heilige pad, dat tot bevrijding van het lijden kan voeren. Beide
+oude godsdiensten doen ons diep gevoelen, dat geen uiterlijke dingen
+alleen in staat zijn den vrede des gemoeds te schenken.
+
+Weder andere waarheden zijn het, die ons tegenklinken uit het
+aloude China. We zetten ons aan de voeten van Confucius en die oude
+wijze onderhoudt ons over ons gebrek aan eerbied: eerbied voor de
+wetten des hemels, eerbied voor ouders en grijsaards en roept ons
+toe dat er van onze beschaving niets kan komen, als geen trouw en
+eerbied ons bezielt. Daarnaast doet Lao tsze ons op treffende wijze
+gevoelen dat ook de oude Chineezen liefde en eenvoud kenden als de
+grondslagen voor des menschen geluk. En mochten wij dan door die
+liefdesprediking wat al te weekelijk en te zoetelijk worden gestemd,
+dan gaan we met onze gedachten naar het oude Perzië en wij hooren
+ons daar aanbevelen den heiligen strijd, den strijd tegen al 't booze
+in de natuur, tegen al 't verdorvene in de menschenwereld, tegen al
+'t onreine in ons eigen leven. En straks, straks zitten wij peinzend
+stil, en wij denken nog eens weer na, wat al die groote denkers van
+zooveel eeuwen dachten. Wonderlijk, dat ieder der systemen zoo groote
+aantrekkelijkheid heeft, dat ieder op zijn beurt ons wil voorkomen
+als de ware wijsheid.
+
+Wel groote denkers moeten 't geweest zijn, die deze godsdiensten
+hebben gesticht, deze onsterfelijke gedachten hebben uitgesproken.
+
+En--onwillekeurig plaatsen wij ons leven en streven eens in dat
+licht der oudheid. Wij vragen ons af, wat wij nu eigenlijk weten van
+'s werelds bestuur en 's levens doel en vergelijken nog eens die
+antwoorden, die de oudheid gaf..... Waarlijk, 't was niet te vergeefs
+dat wij neerzaten aan de voeten der ouden, dat wij trachtten, de
+soms in zoo wondere vormen gehulde, oostersche wijsheid op ons te
+laten inwerken. Wij gevoelen dat zij ook ons nog licht en troost
+kan schenken.
+
+Zoo, mijne lezers, hoop ik dat gij gestemd zult zijn, als gij aan
+'t einde van dit werk zijt gekomen.
+
+Gij vraagt misschien nog: hoe hebt gij, schrijver, deze uwe taak
+opgevat? Mijn antwoord luidt, dat ik uit verschillende bronnen
+heb geput, welke achter in dit werk dan ook worden vermeld. Wat
+de Chineesche wijsbegeerte betreft is mijn arbeid grootendeels
+eene vertaling van het, mijns inziens, voortreffelijke werk van den
+Duitschen geleerde M. von Brandt [1], waarbij ik echter ten opzichte
+van Lao tsze en diens leer mijn eigen weg ben gegaan.
+
+Mijn hoofddoel was een aanschouwelijk beeld te geven van het
+eigenaardige, dat ieder der straks genoemde godsdiensten kenmerkt,
+ze begrijpelijk te maken, hun schoonheid en wijsheid te doen gevoelen,
+ook voor menschen van een gansch ander ras, een gansch verschillenden
+godsdienst en ver uiteenloopende beschaving. Van harte hoop ik daarin
+niet al te ongelukkig te zijn geslaagd. [2]
+
+
+ Juli 1902.
+
+ Dr. C. HILLE RIS LAMBERS.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+Het Brahmanisme, zijn oorsprong, karakter en eigenaardigheden.
+
+
+Wanneer wij den loop eener rivier nagaan, zien we eerst een klein
+beekje, dat van de bergen afdaalt. Langzamerhand verbreedt het zich
+en wordt het tevens kalmer in zijn loop. Wateren van verschillende
+kleur en oorsprong neemt het op, en--voor het de zee bereikt--splitst
+zich de machtige stroom vaak in verschillende armen.
+
+Iets dergelijks zien we, wanneer we nagaan den loop van verschillende
+godsdiensten door de wereld. We denken bv. aan den godsdienst van
+Israël. Eerst een klein beekje, dat door niets toonde dat het een
+grootere toekomst had dan andere dergelijke beekjes. Langzamerhand
+echter komt het aan 't licht dat het kleine beekje een groote rivier
+zal worden: 't blijkt dat er in Israëls godsdienst iets ligt, waardoor
+hij zich van andere godsdiensten kenmerkend onderscheidt. Straks
+komt het almeer in een vaste bedding: oude wetten en verhalen worden
+saamgevoegd en als heilig beschouwd, een priesterstand krijgt de
+leiding in handen: deze wordt straks uitsluitend bevoegd om offers
+te brengen en verschillende godsdienstige verrichtingen te leiden.
+
+Godsdienstige denkbeelden, van elders ontleend, worden opgenomen
+en zóó in 't kader ingevoegd dat zij een onbreekbaar geheel vormen:
+evenals de zijrivieren met den grooten stroom. Zoo vormde zich uit den
+oud-Israëlietischen de Joodsche godsdienst met zijn eigenaardigheden:
+zijn op den voorgrond stellen van de éénheid Gods, zijn gehechtheid aan
+de geheiligde wetten en gebruiken, zijn gewijde offers en ceremoniën.
+
+Doch daarnaast vloeide straks een machtige zijstroom.
+
+Onder het oude Israël had men de profeten, de verkondigers van vrijheid
+en zelfstandigheid: de mannen die opkwamen voor de eischen van het
+zedelijk en maatschappelijk leven als Gods grootste geboden. Ook hunne
+geschriften waren door de Joodsche geleerden opgenomen onder de heilige
+schriften, doch: hun denkbeelden vertegenwoordigden niet de heerschende
+richting van het Jodendom. Straks echter zou Israëls grootste zoon ze
+brengen op den voorgrond en ze verder ontwikkelen. Hij verdedigde ze,
+in heeten strijd met de Joodsche schriftgeleerden, tegen wetsgezag
+en priesterstand in--en uit zijn optreden werd een nieuwe godsdienst
+geboren: een machtige zijarm van de groote rivier spoedde zich voort.
+
+Waarom deze dingen herinnerd, waar we gaan spreken over een gansch
+anderen godsdienst, uit een gansch ander land? Omdat we hier ongeveer
+'t zelfde zien gebeuren. Uit den oorspronkelijken godsdienst toch
+der oude Indiërs heeft zich als een machtige stroom het Brahmanisme
+ontwikkeld: een godsdienst waarin ook waren bijeengezameld gewijde
+geschriften van vroeger en later tijd, de Veda's, waarin ook was
+opgekomen een priesterstand vol gezag: de Brahmanen.
+
+Een godsdienst vol voorschriften, wetten, en ceremoniën.
+
+Doch in dien godsdienst was ook een nevenstroom: een zoeken van
+het ware levensdoel, niet zoozeer in gewijde vormen en ceremonie's,
+als wel in stille overpeinzing over het leven en in 't vrijmaken des
+geestes van de banden der stof. Ook die nevenstroom behoorde tot den
+erkenden, gewijden godsdienst. Maar straks zou die worden geleid in
+een geheel nieuwe bedding. Het Boeddhisme trad met kracht in 't krijt
+tegen de uitwendige godsvereering en vond zijn hoogste streven hierin,
+dat het de menschen wilde losmaken uit de begoocheling der zinnen,
+en dat niet door zelfkastijding en offers, maar door een gestreng
+en eenvoudig liefdevol leven. Dat Boeddhisme staat min of meer in
+dezelfde verhouding tot het Brahmanisme als het Christendom tot den
+Israëlietischen godsdienst. Om het dus goed te verstaan dienen wij
+eerst zijn vader: het Brahmanisme te kennen, een vader, tegen wien het
+wel in verzet kwam, maar met wien het toch wezenlijke karaktertrekken
+gemeen heeft.
+
+Wat nu is Brahmanisme? De godsdienst, die staat onder de leiding der
+Brahmanen, een afgesloten priesterstand van Indië. Aanhangers van het
+Brahmanisme--een godsdienst, door 170 millioen Indiërs beleden--zijn
+dus zij die zich in 't algemeen aan de leer en de voorschriften
+der priesterschap houden en bij godsdienstige plechtigheden van
+hare tusschenkomst gebruik maken. Men denke daarom niet dat de
+geloovigen van dezen godsdienst in alles eens zijn: verre van dien. De
+een--en dit verschil geldt vooral van het Brahmanisme, zooals het nu
+bestaat--brengt zijn offers en vereering aan deze godheid, de ander
+aan gene. En ook de wijze, waarop de verschillende goden worden
+vereerd loopt ver uiteen. Toch: er is eenheid in de verscheidenheid.
+
+Alle goden gelden, vooral voor den ontwikkelden Brahmaan, als
+openbaringen van één alwezen, het Brahma, dat, zelf onnaspeurlijk
+verheven en onbeschrijflijk, aan alle dingen ten grondslag ligt en
+zich in alles openbaart; in de goden, maar ook in de menschen, ja,
+zelfs in de dieren en planten. Schijnbaar dus een bont geschakeerd
+tafereel van goden, een tooneel van bijgeloovigen afgodendienst,
+toch voor de ingewijden gansch iets anders.
+
+Al de ontelbare goden, al de groote krachten en werkingen der natuur:
+de wind, de rivieren, de aardbevingen en pestilentiën, voor dezen zijn
+ze slechts de openbaringen van de aldoordringende goddelijke kracht,
+die in onnoemelijk veel vormen zich doet kennen.
+
+De mensch zelf is slechts het aarden vat, dat de inwonende Godheid in
+zich houdt (Brahma is het albezielend goddelijk leven "en die zijt
+gij", klinkt een van de spreuken). Die inwonende godheid geeft aan
+de menschheid hare gedachten en de uiting daarvan.
+
+God is dus eigenlijk de natuur: zoodat als gij de natuur dient: 't
+zij de bezielde of de onbezielde, gij eigenlijk God vereert en als gij
+een beeld aanbidt gij het zinnebeeld of de openbaring der godheid eert.
+
+Zoo is dus het Brahmanisme aan de eene zijde een verlichte
+wijsbegeerte: zoo wordt het verstaan door zijn meest ontwikkelde
+aanhangers, terwijl het toch onder zijn wijden mantel alle mogelijke
+bekrompen godsvereering en bijgeloof kan dekken.
+
+Om deze en andere eigenaardigheden van het Brahmanisme goed te
+begrijpen is het echter wenschelijk, dat wij eerst ons trachten in
+te denken hoe deze godsdienst is ontstaan.
+
+We gaan met onzen geest terug tot lang vervlogen dagen, tot vele,
+vele eeuwen voor Christus, toen de Ariërs--de gemeenschappelijke
+voorvaderen van Indiërs en Perzen--als een herders- en landbouwvolk ten
+noorden van het Himalaya gebergte woonden. Straks gingen zij, toen hun
+aantal zich uitbreidde uiteen: sommigen trokken naar het westen (de
+voorvaderen der Perzen), anderen naar het zuiden, door de passen van
+Afghanistan naar Indië. Toch: een vergelijking van den oud-Indischen
+en den oud-Perzischen godsdienst leert ons dat zij eenmaal één waren.
+
+Evenals andere volken gevoelden ook de oude Indiërs dat er machten
+boven hen stonden. Met vrees en vereering zagen zij op naar de lucht:
+den blauwen hemel, de zon, de duisternis en andere natuurmachten,
+van wie hun welzijn afhankelijk was. Overal in de natuur bemerkten zij
+beweging en waar beweging was, daar was ook leven en macht. Waren zij
+niet gedrongen de gunst te zoeken dier bovenaardsche machten? En--moest
+niet onder die machten ééne de hoogste zijn? Vandaar dat zij van den
+stralenden hemel spraken als van den vader des lichts (Dyaus. Pitar)
+of ook in de alles doordringende lucht (Varuna) de tegenwoordigheid
+speurden van een onzichtbaren getuige van al hun daden, bij dag en
+bij nacht. Ook Agni, de god van het vuur, die belangrijke hulp van
+den mensch: weldadig, maar ook verteerend, werd geëerd.
+
+Een voorgeschreven vereering van deze en andere goden was er echter nog
+niet. Men bracht hen hulde door lofliederen en gebeden, door geschenken
+van voedsel en drank. En men gaf hun in zijn offers datgene wat men
+zelf het meest op prijs stelde: rijst en boter en vooral het vroolijk
+makende sap van de Somaplant (Sarcostema Viminalis) waaraan men voor
+zijn eigen levenskracht zoo groote waarde toekende. Ieder bracht zelf
+zijn offers en gebeden, naar zijn eigen gevoel hem dat ingaf.
+
+Toch: men kende ook reeds in die oude dagen mannen van verlichting
+en leiding (Rishi's), die het woord der goden hoorden en hun
+goddelijke kennis (Veda) aan anderen overbrachten. Aan hen
+worden de gezangen der Vedische boeken, de gewijde schriften van
+het Brahmanisme, toegeschreven. In de meeste Veda's zijn drie
+bestanddeelen, mantra's-liederen, brahmana's-verhandelingen,
+sutra's-overleveringen. De mantra's vormen de oudste
+gedeelten. Inderdaad verplaatsen ons sommige dezer liederen in die
+lang vervlogen eeuwen en doen zij ons zien dat een diep religieus
+gevoel in de harten dier oude Indiërs woonde.
+
+Men hoore b.v. het volgende lied aan Varuna: [3]
+
+
+ De machtige Varuna, hoog daarboven, ziet omlaag,
+ Op deze werelden, zijn rijksgebied, als dicht nabij,
+ Als menschen steelsgewijs het kwade doen, hij weet het.
+ Waar iemand staat, of gaat, of zachtkens henensluipt,
+ In duistren schuilhoek toeft of in 't verborgen loert,
+ Varuna ziet het en speurt hun bewegen.
+ Als twee te zaam een heilloos plan beramen,
+ En wanen zich alleen en onbespied, een derde is daarbij:
+ De koning ziet het al. Ontelbaar in getale
+ Gaan zijn gezanten d'aarde rond, en duizend oogen,
+ Zij speuren na wat haar bewoners plegen.
+ Wat op de aard bestaat, wat in haar dampkring leeft,
+ Ja, al wat daar beneden is, des konings blik doorgrondt het,
+ Hij telt het knippen van des menschen oog.
+ En over 't gansch heelal werpt hij de teerling.
+
+
+Niet minder treffend zijn vele andere hymnen, aan Agni den vuurgod, of
+aan Indra, den god van den regen, in den Vedischen tijd veel vereerd,
+gericht. Vooral worden Agni, de vuurgod, Indra, de god van den regen,
+en Suriya, de zonnegod, te zamen genoemd als regeerende over de aarde,
+den dampkring en het uitspansel daarboven.
+
+Deze drie werden langzamerhand de hoofdgoden der oude Indiërs. Een
+merkwaardig verschijnsel echter is, reeds een aandachtige lezing
+van de boven aangehaalde hymne aan Varuna overtuigt ons daarvan, dat
+ieder dier goden telkens weer als de hoogste, bijna als de eenige werd
+geprezen. M. a. w. er lag reeds in den Vedischen godsdienst een zeker
+zoeken naar ééne hoogere macht, boven al de anderen verheven. Eveneens
+vinden wij het onsterfelijkheidsgeloof hier uitgesproken, doch niet het
+latere geloof aan vele geboorten, die de mensch moet ondergaan voor hij
+het hoogste bereikt: dat wil zeggen: met de Godheid vereenigd wordt.
+
+Wij denken b.v. aan de volgende hymne, gericht tot Yama, den eersten
+mensch, die stierf, en daardoor koning werd van het geestenrijk:
+
+
+ Den macht'gen koning, Yama, gave en eer gebracht,
+ Hij was de eerste toch die stierf en die den snellen stroom
+ Des doods braveerde, d'eerste, die den weg ten hemel ging
+ En and'ren welkom heette in 't oord der heerlijkheid.
+ Geen macht kan ons dit thuis, door u veroverd, nemen,
+ Wij komen koning, ieder die geboren is moet sterven
+ En treden op het pad, door u gebaand, waarop in lange rijen,
+ Geslachten reeds zijn voorgegaan, den weg
+ Ook onzer vaad'ren. O ziel des dooden, ga dan rustig heen,
+ Vrees niet dien weg, dien ouden weg te nemen,
+ Die tot den God u voert en tot uw zaal'ge vaad'ren,
+ Bij Hem in heerlijkheid! Vrees voor de honden niet,
+ Die met hun viertal oogen 't geestenrijk behoe'n,
+ Keer weer naar uw tehuis, o ziel! Uw zonden, uw verdriet
+ Laat g'achter op deez' aarde, en gij verkrijgt
+ Een heerlijke gestalt'--uw' oude vorm--verheerlijkt
+ En van alle vlek bevrijd.
+
+
+Zien wij niet uit deze gedichten, dat verheven denkbeelden over dood
+en leven het oude Indië reeds kenmerkten? Doch--wij willen bij dien
+oud-Vedischen godsdienst niet langer stilstaan. 't Was ons enkel te
+doen om den bodem te doen zien, waaruit het Brahmanisme opgroeide.
+
+Brahmanisme wil eigenlijk zeggen, zooals we reeds vroeger opmerkten:
+godsvereering onder de leiding der Brahmanen. Dus niet een geheel
+nieuwe godsdienst, maar de oude, door een priesterstand in vaste
+bedding geleid.
+
+Priesters had men natuurlijk reeds in de oude Vedische periode. Ook
+onderscheidde men toen reeds vier verschillende standen: de Brahmanen,
+of priesters, de Kshatrya's (edelen of krijgslieden) de Vaisya's
+(landbouwers) en de Sudra's (werklieden). Doch nu kwam er een
+afgesloten priesterstand en werden de standen beschouwd als casten:
+scherp afgescheiden groepen [4]. De priesters heetten voortgekomen te
+zijn uit den mond, de krijgslieden uit borst en armen, de landbouwers
+uit het lijf, de werklieden uit de voeten der godheid.
+
+Zoo stonden dus de Brahmanen voorop, zij wisten koningen en volk
+te leiden en op den geheelen godsdienst hun eigenaardig stempel
+te drukken.
+
+Het eerste wat zij deden was voorzeker de heilige boeken, de Veda's,
+bijeen te verzamelen. Deze zijn vier in getal: de Rig Veda (liederen
+Veda), de Sama Veda (offerzangen Veda), de Yayur-Veda (offerspreuken
+Veda) en de Atharvan-Veda (tooverspreuken Veda). Deze boeken nu
+behelzen bestanddeelen van verschillenden ouderdom en hebben ook nog
+dit eigenaardige dat vele zangen en spreuken in meer dan een dier
+verzamelingen voorkomen.
+
+Zij vormden voortaan de heilige wetenschap (= Veda), die de priesters
+hadden te bestudeeren en aan de schare bekend te maken. Aan hen werden
+straks de Brahmana's, godgeleerde en ritueele verhandelingen, die
+gewoonlijk een veel minder verheven geest ademen dan de oude Vedische
+liederen, toegevoegd. Doch ook de Upanishads, meer bespiegelende,
+stichtelijke werken, kregen straks hier een plaats.
+
+Men ziet dat op dit gebied hetzelfde geschiedde wat ook elders onder
+leiding eener macht verkrijgende priesterschap gebeurt: oude verhalen
+en liederen worden te zamen gebracht, en door nieuw bijgevoegde
+stukken, in bepaald priesterlijken geest wordt er een nieuwe stempel
+op gedrukt: het geheel wordt vervolgens een wetboek, waarvan de
+priesterschap de sleutel bezit. Men denke bv. aan de ontwikkeling van
+Israëls godsdienst, waarbij precies hetzelfde gebeurde: Ezra en andere
+priesters verzamelden oude wetten en overleveringen: brachten nieuwe
+tot stand in hun geest--bij wier licht de oude moesten worden verklaard
+en--gaven dat geheel als wetboek aan het volk. Echter niet zooals bij
+Israël mochten in oud-Indië de leeken de wet bestudeeren, dat bleef de
+taak der Brahmanen, zij alleen waren de mannen der heilige wetenschap.
+
+In welke bedding nu trachtten die mannen der heilige wetenschap den
+volksgodsdienst te leiden? Ik zeg: trachtten te leiden, want de geheele
+leiding van een volksgodsdienst nemen kan geen enkele priesterschap,
+konden ook de Brahmanen niet.
+
+Allereerst werd de waarde van het offer door hen nog hooger
+verheven. Reeds in den ouden tijd hadden de Indiërs het denkbeeld dat
+het offer de krachten der bovenaardsche machten sterkte en daardoor
+meewerkte om een goed wereldsch beloop te verzekeren. Langzamerhand
+echter kwam het denkbeeld op dat het offer ook kan strekken om door de
+gunst der versterkte goden een of ander aardsch doelwit te verkrijgen,
+b.v. de geboorte van een zoon, ja, men ging zelfs zoover dat men
+het offer ging beschouwen als een middel om bovenaardsche vermogens
+deelachtig te worden.
+
+Verder maakte men van de, vroeger eenvoudige, offers zeer
+samengestelde offerplechtigheden. Daarbij werden bepaalde hymnen
+en aanhalingen uit de Veda's gezongen en uitgesproken, en met
+angstvallige nauwkeurigheid werd gewaakt voor ieder onderdeel van
+het ritueel. Sommige offerplechtigheden strekten zich uit over weken,
+ja over jaren: het waren ketenen, van welke iedere schalm nauwkeurig
+in het gelid moest passen, zou het offer gunstige gevolgen hebben. De
+godheid, waaraan men zijn gaven en gebeden wijdde, trad daarbij op
+den achtergrond: doch het volbrengen van offerplechtigheden werd
+beschouwd als een krachtig middel om hen, die er aan deelnamen,
+macht te verleenen in deze en in de toekomende wereld.
+
+Men ging zelfs zoover van het offer (Yajna) zelf voor te stellen als
+een godheid.
+
+Ja, in sommige plaatsen van de Brahmana's werd zelfs geleerd dat
+de goden zelf sterfelijk waren, totdat zij door offers den dood
+overwonnen. Ook de mensch kan door offeren van den dood worden bevrijd:
+doch zijn lichamelijk leven moet hij geven als zoenoffer.
+
+En die verzuimt te offeren moet telkens weer worden wedergeboren, moet
+eindelooze levens doorloopen, om altijd weer zijn lichaam aan de goden
+te offeren. Men hoore de volgende aanhaling uit Satapatha-Brahmana:
+
+
+ De goden leefden steeds in vreeze voor den dood,
+ Den machtigen Voleinder. Dus herhaalden
+ Zij nauwgezet hun offers telkens weer, tot zij onsterf'lijk waren.
+ Toen sprak de machtige Voleinder tot de goden:
+ Gij hebt uzelf onsterfelijk gemaakt, nu zal de mensch beproeven
+ Om ook zichzelf van mijne macht 't ontslaan.
+ Wat wordt mij daarvoor in den mensch vergoed?
+ De taal der goden luidde: Voortaan zal niet één
+ In 't eigen lichaam de onsterf'lijkheid bereiken.
+ Het sterf'lijk hulsel blijft uw eigendom, uw voedsel
+ Zal het zijn in eeuwigheid. Ja, ook die door godsdienst'ge daden,
+ D'onsterf'lijkheid verwerft, zijn lichaam zal hij eerst,
+ Aan u ten offer wijden, als uw prijs.
+
+
+Wij zien in dit gedicht uitgedrukt de eigenaardige leer der zoogenaamde
+zielsverhuizing, aan het Brahmanisme eigen. Wat is hare strekking? Wij
+willen die met een enkel woord in het licht stellen.
+
+Bij onze bespreking van den ouden Vedischen godsdienst: d. w. z. den
+godsdienst, waarvan ons in de oudste gedeelten der Veda's de geest
+is bewaard gebleven, zagen wij reeds dat er zeker streven opkwam om
+één der vele goden tot oppergod te verheffen: men denke b.v. aan de
+straks aangehaalde hymne, tot Varuna gericht. In den oud-Brahmaanschen
+godsdienst nu kwam men daar omtrent tot klaarder besef. Men gevoelde
+dat er een "Geest (atman)" was, boven de kennis der zinnen verheven,
+die alle stoffelijk dingen bezielde en doorademde. Die zelfde geest,
+die de gansche stoffelijke wereld bezielde was het ook die trilde in
+de gedichten der zangers, die bezieling gaf bij godsdienstige kennis
+en gebed. Boven alle persoonlijkheid was hij verheven, oneindig en
+onbeperkt lag hij aan alle dingen ten grondslag en woonde hij in 't
+gansch heelal. Ook in den mensch. Was hij niet de levensadem, die het
+lichaam bezielde, woonde hij met zijn geheimzinnige tegenwoordigheid
+niet in ieders geweten? Breidde hij zich niet uit in de gansche
+oneindige ruimte? Daarom gaf men hem den naam: Brahma. Brahma
+(onzijdig) is dus het wezen, dat aan alle dingen ten grondslag ligt:
+en waarvan ook de mensch een deel is. Al de goden waren evenals de
+menschen slechts openbaringen van die hoogste kracht.
+
+Wat nu moet het levensdoel zijn van den mensch?
+
+Om, van al het stoffelijke bevrijd, van alle smet gereinigd geheel,
+in dit Brahma, in die wereldziel, te verzinken. Hoe echter moet dit
+doel worden bereikt? Wij zagen reeds dat de offers daartoe een werkzaam
+middel werden geacht. Doch, nevens de offers, in sommige kringen zelfs
+met terzijdestelling daarvan, hechtte men in dezen groote waarde aan
+zelfkastijding en aan bespiegelend inkeeren tot zichzelf: want komen
+tot zichzelf, tot zijn diepste wezen, is komen tot Brahma.
+
+Doch: een enkel menschelijk leven is daarvoor niet genoeg: vele levens
+moet men doorloopen, telkens weer moet men na een overgangstijdperk
+in hemel of hel, naar gelang van zijn vroeger leven, opnieuw worden
+geboren, altijd op hoogeren trap van zelfverloochening en bespiegeling
+gerakend, zal men eindelijk geheel in de wereldziel verzinken. En
+wee die toegeeft aan booze lusten en geen zelfverloochening kent:
+eindeloos zijn zijne wedergeboorten: hij kan zelfs genoodzaakt zijn
+niet als mensch, maar als dier of plant weer te keeren.
+
+Wie echter als Brahmaan ter wereld komt, in die geheiligde caste
+het levenslicht aanschouwt, hij heeft reeds een goed deel van den
+moeilijken levensgang afgelegd. Hoe moet hij komen tot volkomen
+verlossing?
+
+Die weg wordt in het wetboek van Manoe zorgvuldig aangewezen. Eerst,
+zoo luidt het hier, is hij een leerling der Brahmanen, met het
+gewijde koord en den gordel bekleed. Een hechte band vereenigt hem
+met zijn leermeester, door wien hij in de heil'ge boeken onderwezen
+wordt. Straks is zijn leertijd volbracht en viert hij, bij 't brengen
+van zijn eerste offer, het feest zijner wedergeboorte.
+
+De leerling wordt nu huisvader. Zoo betaalt hij in deze twee eerste
+levensstadiën de schuld, waarmede hij geboren werd: die aan de Rishis
+("heilige" zangers) wier liederen hij leerde om ze aan volgende
+geslachten over te leveren, aan de voorvaderen, door nakomelingschap
+te verwekken om hen offers te brengen, aan de goden, aan wie hij zijn
+eigen offers wijdt. Heeft hij deze schulden betaald, dan kan hij het
+huishoudelijk bestier aan zijn zoon, die nu zelf huisvader geworden is,
+overdragen en zich terugtrekken uit het wereldsch gewoel om geheel
+voor godsdienstige overpeinzingen te leven. Boven het offeren is
+hij dan verheven: door het beschouwend leven komt hij straks tot
+volkomen verlossing. Doch slechts dan is hij zoover gevorderd, dat
+geen nieuwe wedergeboorte hem meer wacht, indien hij ook in zijn
+laatste oogenblikken niet meer over de wereldsche dingen, ook maar
+voor een oogenblik, zijn gedachten laat gaan.
+
+En uit deze leer over de verlossing, waarin aan het ascetische leven
+feitelijk een hoogere waarde wordt toegekend dan aan het offeren, en
+uit die van het Brahma, het ware wezen, dat onpersoonlijk is en aan
+alle dingen ten grondslag ligt, kunnen wij zien welken eigenaardigen
+weg het Indische denken in het Brahmanisme opging. Het onbewuste wordt
+hier boven het bewuste, het onpersoonlijke boven het persoonlijke
+gesteld. Voorwaar een groote tegenstelling met de Westersche
+godsdienstige ontwikkeling in het Christendom, waarin God geldt als
+de zelfbewuste, liefhebbende macht, de Vader, en waarin niet opgaan
+in het albeginsel, maar streven naar volmaking, naar steeds grootere
+ontwikkeling der persoonlijkheid, als doelwit wordt gesteld.
+
+M. a. w.: het Brahmanisme is een pantheïstische: (God = de Alziel),
+het Christendom een theïstische (God = de Albestuurder) godsdienst. [5]
+
+Het Brahmanisme een pantheïstische godsdienst. Dat schijnt voor
+den oppervlakkigen beschouwer vreemd, want hij bemerkt dat er vele
+goden zijn, aan wie men zijne vereering brengt: men zegt zelfs dat
+er 33 millioen goden of goddelijke wezens door dezen godsdienst
+worden erkend. M. a. w.: het Brahmanisme gelijkt veel meer op een
+veelgodendom, dan op de erkenning van één beginsel, dat aan alle
+dingen ten grondslag ligt.
+
+Gaan wij echter na de philosophische stroomingen of scholen, die
+zich in het Brahmanisme hebben ontwikkeld, waaronder de Vedanta en de
+Sankhya-philosophie de voornaamste zijn, dan valt dit ééne, dat zich
+in alles openbaart, helder in het oog. De zaak is feitelijk deze:
+de Brahmanen hadden te doen met een volksgodsdienst, die een groot
+aantal goden erkende. De minder ontwikkelden eensklaps opvoeren
+tot de hoogte der wijsgeerige bespiegeling ging niet aan: het volk
+was daarvoor niet rijp. Een anderen weg moest dus bewandeld en kon
+ook worden betreden. Al de goden waren in 't oog van den verlichten
+Brahmaan openbaringen van het eene Alwezen, of liever zinnebeelden,
+aanwijzingen van die goddelijke macht. Welnu, zoo konden zij hunne
+vereering blijven behouden: wie hen diende bracht toch ten slotte
+zijne vereering aan de groote Macht, die zich in alles openbaart. Wie
+Vishnoe bij voorkeur dient, eert in hem de onderhoudende kracht: een
+der zijden van het Alwezen. Wie voor Rama en Krishna, twee volksgoden
+bij uitnemendheid, zich buigt, hij eert de goddelijke vleeschwordingen
+van den grooten God Vishnoe. Wie voor Siva gestrenge boetedoeningen
+verricht, hij erkent immers de macht die het leven afbreekt, doch
+ook telkens weer vernieuwt? Is niet ook Siva ten slotte uit Brahma
+voortgevloeid?
+
+Zoo heeft dus het wijsgeerig denken beslag gelegd op den ouden
+volksgodsdienst, en de schare moge blijven staan bij de verschillende
+goden zonder den symbolischen zin te verstaan, toch: door wie dieper
+doordringt, m. a. w. door de meer ontwikkelden onder de Indiërs,
+wordt in toenemende mate verstaan dat het opgaan in het alleven
+de eigenlijke zin is van het gansche wonderbare tooverpaleis, door
+dezen godsdienst opgebouwd, met wijsgeerig bestek, op de grondslagen
+van den alouden volksgodsdienst. Wie dus het Brahmanisme goed wil
+verstaan moet zich niet te veel ergeren aan den afgodischen schors,
+maar doordringen tot den innerlijken kern. Als hij dat doet, zal hij
+zien, dat er tusschen het schijnbare veelgodendom en de wijsbegeerte
+der Brahmanen niet zulk een klove bestaat, maar dat tot de schare
+wordt gesproken in gelijkenissen, doch tot de ingewijden vrijuit,
+dat voor de eersten de hoogste waarheid verborgen blijft in het
+mythologisch kleed, maar dat zij voor de anderen soms helder schijnt.
+
+Om een en ander in 't licht te stellen willen wij èn bij de
+Brahmaansche godenleer èn bij de Brahmaansche wijsbegeerte nog
+uitvoeriger stilstaan.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+Brahmaansche godenleer en levensbeschouwing.
+
+
+Brahma, zoo heet het in de eerste: het volstrekte en oneindige, bracht,
+door Maya (den schijn) beheerscht, Brahma voort. Deze manlijke god
+Brahma (wel te onderscheiden dus van het onpersoonlijke, Brahma)
+staat aan het hoofd der schepping. Hij is de Schepper, uit wien
+alle leven is. Doch naast hem staan als de twee andere goden der
+Indische Trimurti (drieëenheid) Vishnoe de onderhouder, en Siva, de
+verwoester. In deze drie personen openbaart zich alzoo de godheid. De
+Oud-Indische dichter Kalidasa drukt het aldus uit:
+
+
+ In deze drie personen wordt d'ééne God gezien,
+ Een ieder van hen is de eerste en de laatste
+ In rang, niet één alleen,
+ 't Zij Brahma, Vishnoe, Siva, ieder van hen zij
+ De eerste, tweede, derde, in de goddelijke rij.
+
+
+In de grotten van Elephanta bij Bombay wordt het heilige drietal
+voorgesteld als drie majestueuse hoofden, die uit één lichaam zich
+verheffen. Ook is de driehoek een zinnebeeld hunner eenheid en
+gelijkwaardigheid.
+
+Van deze drie goden nu wordt Brahma het minst vereerd. Feitelijk
+is hij meer een wijsgeerig beeld, ontstaan uit het streven om een
+uitgangspunt te vinden voor het geheele stelsel, dan een godheid,
+die zich werkelijk bekommert om de werking der wereldmachine, die
+door zijn wil in beweging is gebracht. Zijn invloed is te verwijderd,
+zijn werkzaamheid is te weinig omschreven, om indruk te maken op de
+verbeelding der schare, daarom heeft hij ook slechts weinige tempels
+en worden daarentegen in het nieuwere Brahmanisme de beide andere
+hoofdgoden vooral gediend.
+
+De orthodoxe Hindoes toch zijn hoofdzakelijk verdeeld in vereerders van
+Vishnoe en Siva, twee secten, die elkaar weinig waardeeren. Vishnoe
+is een zeer belangrijke, veel omvattende godheid. Hij is de opperste
+onderhouder aller dingen en zijn vrouw Laksmi is de godin van overvloed
+en vruchtbaarheid. Vishnoe in zijn hoogste openbaring wordt afgebeeld
+als neerzittend in zalige rust: trouwens rust: geen werkzaamheid is,
+in overeenstemming met den geheelen geest der Indiërs, het eigenaardige
+der hoogste goden. Doch in tegenstelling met den verheven Brahma,
+kan Vishnoe worden gewekt door de ernstige gebeden en offergaven
+der menschen of der lagere goden, ja, hij kan er toe gebracht worden
+om in de wereld af te dalen en--op kritieke oogenblikken--de dingen
+terecht te brengen.
+
+Die neerdalingen zijn de beroemde vleeschwordingen (avatara's) van den
+god, waarin hij groote daden heeft gedaan en machtige wonderen heeft
+verricht. Zijn beroemdste vleeschwordingen zijn Rama en Krishna. Rama
+is een beroemd, met een stralenkrans omgeven oorlogsman: de held
+van het Ramayana, dat beroemde Indische heldendicht. Krishna is een
+halfgod, wiens dienst in sommige deelen van Indië in hooge eere is,
+hij wordt uit verschillende oogpunten in de Indische godsdienstige
+litteratuur beschouwd en is de held van het tweede beroemde Indische
+heldendicht, het Mahabharata.
+
+Deze leer der goddelijke vleeschwording is een van de belangrijkste
+leerstukken van het nieuwere Brahmanisme: zij brengt verband in
+verschillende deelen van den godsdienst, de hoogere met de lagere
+vereenigend, de goden uit den hemel naar omlaag voerend om zich met
+de aardsche aangelegenheden in te laten.
+
+Wilde men zich rekenschap geven van de wonderbare daden van eenig
+beroemd held: de verklaring was, dat de groote god Vishnoe zich in
+zijne gestalte had geopenbaard: zoo verscheen de god, tot verhooging
+van zijn eer, telkens als mensch onder de menschen. Doch: ook van
+de lichamen van dieren nam Vishnoe soms bezit; nu eens ontmoeten
+wij hem als leeuw, dan weer als beer, als visch of als schildpad;
+wat bij die andere vleeschwordingen al heel slecht schijnt te
+passen. Eerst hoort gij dat de goddelijke geest een schitterend
+krijgsman of een wonderdoend heilige bezielde, en gij stemt toe,
+dat deze opvatting redelijk is en geenszins onwaardig. Hoort gij nu
+echter dat dezelfde god is overgegaan in een visch of een schildpad,
+en onder dien vorm wordt vereerd: dan vindt gij dit een onredelijk,
+ongerijmd geloof. Doch: vergeet dan niet dat de pantheïstische
+denkwijze: de Eéne, die zich overal openbaart, de grondslag is van
+al deze vleeschwordingen en dat de goddelijke geest immers evenzeer
+woont in een insect als in den grootsten koning!
+
+Bovendien de Brahmanen hadden goede redenen om de tegenwoordigheid van
+Vishnoe in sommige dierengestalten te erkennen. Men denke aan het feit,
+dat het Brahmanisme in zich opnam--en nog steeds voortgaat in zich
+op te nemen--bekeerlingen van de talrijke niet-Hindoesche stammen,
+die daar wonen op de heuvelen en in de bosschen van Indië.
+
+Dat waren de oorspronkelijke inwoners met hun ruwe vereering van
+allerlei voorwerpen en dieren, die hun belangrijk voorkwamen. Om nu
+deze heidenen in de Hindoesche gemeenschap in te voegen, kende men geen
+beter middel, dan om onder de vele goden ook de door hen vereerden:
+doch gelouterd en verheven, op te nemen. Dit doel nu werd bereikt
+door hun voorwerpen van vereering, eenvoudig als vleeschwordingen
+van Vishnoe te behouden.
+
+Zoo ging het voorheen, en gaat het ook thans nog. Zekere stam van
+wilde bergbewoners vereerde den beer. Nu is de beer een van Vishnoe's
+vleeschwordingen. Toen nu de bergbewoners in den Hindoeschen godsdienst
+werden ingewijd, lag het voor de hand dat Vishnoe in dit dier werd
+ontdekt: de nieuwe geloovigen hadden enkel te verstaan, dat zij
+vroeger reeds onbewust den grooten God hadden gediend. Zeer spoedig
+ging hun overgang in zijn werk: toch, zonder dat wij daarbij kunnen
+denken aan opzettelijke misleiding. Neen, de Brahmanen erkenden dat
+het voorwerp hunner vereering zekere wonderbare, vrees-aanjagende
+eigenschappen bezat: dat het te recht werd vereerd: zij zagen echter
+verder en hooger dan die uitwendige vereering en legden uit dat
+al deze eigenaardigheden een goddelijke macht aantoonden en dus de
+tegenwoordigheid van de godheid in een nieuwe gedaante beteekenden. Zoo
+zouden zij ook--verder gevraagd--zeggen dat de god zelf slechts een
+zichtbare en overtuigende openbaring was van de verborgen goddelijke
+kracht, die alle dingen bezielt. Zoo zouden ook alle groote mannen en
+heiligen beschouwd worden als vermommingen of gestalten, door Vishnoe
+aangenomen om een belangrijke rol te spelen op het wereldtooneel.
+
+Daareven gewaagden wij van Vishnoe's vleeschwordingen, Krishna en
+Rama, waarnaast nog vele anderen te noemen zouden zijn. Toen eens
+zeker Mohammedaan oproer maakte tegen het Engelsch gezag en daarbij
+een aanvankelijk succes had, zeide een Indisch edelman, 's mans
+dappere daden vermeldend, dat hij een vleeschwording van Krishna
+moest zijn. Zoo gewagen immers ook Homerus' gedichten van goden, die
+in de gedaante van aardsche krijgslieden, meevochten in den strijd,
+en de overleveringen van alle volken zijn vol van wonderbare gedaanten,
+die verschijnen, om hun trouwe dienaars te redden of te verdedigen.
+
+Wat Krishna betreft, er zijn minstens tien vleeschwordingen van hem
+bekend, onder welke hij bepaald in sommige beroemde tempels wordt
+gediend; Jaggernauth is eene daarvan. Zijn toegewijde vereerders
+wijden hem hun ziel, hun lichaam en hun goed, doch ik vrees dat zijn
+voorbeeld van vroolijke en verliefde godheid dikwijls tot losbandige
+praktijken bij zijn vereerders leidt.
+
+Siva vertegenwoordigt een geheel ander beginsel dan Vishnoe. Is deze de
+onderhouder, Siva is de verwoester en opbouwer tevens der verschillende
+levensvormen. De gansche kringloop der bezielde schepping, de eeuwige
+afwisseling van geboorte en dood in de gansche natuur, ziedaar zijn
+regeering. Niet door vleeschwording openbaart hij zich, zooals Vishnoe,
+maar de groote natuurlijke verschijnselen, die het leven opbouwen
+en ontbinden, doen zijn wezen aan de menschheid kennen. Hij brengt
+leven en dood; de plagen en ziekten, die duizenden wegsleepen, zijn
+het teeken zijner werking.
+
+De natuur schept duizende levensvormen en vernietigt ze weer,
+zonder zich te bekommeren om de verwoesting die zij aanricht. Op
+geheimzinnige, onberekenbare wijze brengt zij voort en verwoest zij. 't
+Is Siva, die deze werking uitoefent en altijd weer millioenen wezens
+wegvaagt om ze door nieuwe te vervangen. Die gevreesde macht nu gunstig
+te stemmen is het hoofddoel van Siva's vereerders; weinigen begeeren
+iets van zijn macht te erlangen. In Siva's naam worden de strengste
+onthouding en de wreedste versterving toegepast: zelfverminking door
+ijzeren haken, trotseeren van pijn en honger, 't voortdurend aannemen
+van moeilijke houdingen, vasten en eenzame overpeinzing behooren tot
+zijn vereering. Door deze praktijken kan zelfs een Sudra, [6] indien
+hij volhardt, wonderbare krachten verkrijgen en de goden dwingen
+hem te gehoorzamen. De meeste broederschappen van Indische devoten
+en fakirs (rondzwervende heiligen), die soms alle kleedij versmaden
+en geheel Indië rondgaan, behooren tot Siva's volgelingen. In zijn
+tempel worden tallooze offerdieren geslacht, ofschoon men onderstelt
+dat zelfs menschenoffers hem nog onbewogen laten. Hoe dit eigenaardig
+beeld is ontstaan? Niet onwaarschijnlijk zijn, bij de invoering van het
+Brahmanisme, de welwillende, heldhaftige goden der onontwikkelde volken
+in Vishnoe opgegaan en als zijn vleeschwordingen beschouwd, terwijl hun
+ruwe en wreede ceremoniën, hun vreeselijke verschijningen en demonen
+bij Siva zijn thuisgebracht of bij de goden aan hem onderworpen.
+
+Bezien wij deze drieëenheid, deze drie goden met hun vleeschwordingen,
+openbaringen en zinnebeelden van populaire zijde, dan vormen zij een
+bontgekleurd veelgodendom. Bezien wij ze, minder oppervlakkig, met
+het oog van den meer ontwikkelden Indiër, dan zien wij ze als beelden
+van wat de schepping te zien geeft, de weldadige en vernietigende
+invloeden, de kracht, die alles doordringt, de eeuwige wisseling van
+leven en dood, dag en nacht.
+
+Een Brahmaan, dien gij zoudt willen wijzen op het mythologische
+karakter van al die goden zou u antwoorden, dat hij zich zeer
+wel bewust is dat de godheden slechts de uitwendige figuren,
+beelden of aanwijzingen zijn van de onbegrijpelijke macht, die den
+achtergrond aller dingen vormt. Hij zou u zeggen dat deze mythologie de
+eenvoudigste vorm is, waarin het pantheïstische beginsel der goddelijke
+alomtegenwoordigheid aan het volk kan worden duidelijk gemaakt en dat
+de gewone vereering werkelijk gebracht wordt aan openbaringen van de
+godheid, die zich tot in alle krachten en vormen onthult.
+
+Niet anders is het met de gebeden en offers, den goden gebracht. Men
+zal u verklaren de goden te dienen, omdat dit goed en nuttig is. En
+inderdaad is dit ook dikwerf het doel. Doch: er is toch feitelijk
+ook hier nog iets anders. Diep in het hart van den Hindoe leeft de
+gedachte dat de ziel door verschillende stadiën van leven, als dier
+en als mensch, moet worden gelouterd, totdat zij eindelijk--van
+alle begeerte en eigenwilligheid bevrijd--zich vereenigen kan met
+het hoogste alwezen. Bevrijding--dat is terugkeer in den oneindigen
+geest--ziedaar het hoogste goed voor den Indischen vrome en wijze,
+en daartoe werken ook offers en gebeden mede.
+
+Dit nu blijkt ook, als wij het oog vestigen op de Indische bespiegeling
+over wereld en leven, zooals wij die vinden in de Vedanta en in de
+Sankhya school. Er zijn trouwens nog vier andere erkende philosophische
+scholen onder de Hindoe's, doch deze zijn de voornaamste, waarom
+wij, in verband met het kader van dit werk, de andere stilzwijgend
+voorbijgaan. Deze philosophische bespiegelingen vinden wij in de
+Upanishads, gewijde boeken, die de verborgen leer der Veda's heeten
+te verkondigen. Wanneer wij ons nu voorstellen dat het hier alleen
+te doen is om de waarheid te doorvorschen, zooals bij de Westersche
+wijsbegeerte, dan vergissen wij ons zeer. Neen, het eigenlijke doel
+is om--door kennis van geest en stof, wereld en leven--te komen tot
+bevrijding, tot verlossing van de eindelooze wedergeboorten.
+
+De Vedanta leert dat de uitwendige wereld ontstaan is doordat Maya
+(= illusie) Brahma (den eeuwigen absoluten geest) overschaduwde.
+
+Het geestelijke in den mensch is feitelijk niet slechts een deel
+van Brahma, maar Brahma zelf. De werkelijkheid der wereld is slechts
+schijn, en het ware doel van den menschelijken geest moet zijn, om,
+langs den weg van talrijke oefeningen en bespiegelingen, bevrijd van
+het lichaam, de wereld en de gevolgen ook zijner daden, in Brahma
+te verzinken.
+
+De Sankhya-philosophie is minder pantheïstisch dan wel dualistisch
+getint. Immers zij leert: van den beginne zijn er twee wezens:
+Prakriti, het vrouwelijk beginsel, de natuur of, om het in Westersche
+taal uit te drukken de oerstof, de oorspronkelijke stof en Purusha:
+de geest, manlijk voorgesteld. Daarmee wordt echter niet bedoeld één
+eeuwige algeest of iets dergelijks, maar de geest, wonende in ieder
+wezen. Ieder levend wezen berust op de vereeniging van Prakriti en
+Purusha. Het doel is nu: den geest vrij te maken van de stof. Naar zijn
+wezen is hij dit feitelijk reeds: doch hij moet verlost worden van
+Prakriti's gemeenschap en wèl door waarachtig inzicht in zichzelf en
+de aan hem tegenovergestelde natuur. Overpeinzing en ascese bewijzen
+daarbij belangrijke diensten. Wie met het Boeddhisme en zijn leer
+op de hoogte is en weet dat ook daar verlossing van alle begeerte
+het einddoel is, zal erkennen dat wij hier met verwante gedachten te
+doen hebben.
+
+Het kan ons voorts niet verwonderen, gelet op het eigenaardige
+pantheïstisch beginsel, dat het geheele Indische denken beheerscht,
+dat de Vedanta als de bij uitstek rechtzinnige school geldt, zij immers
+is het meest naar den eigenaardig Brahmaanschen grondslag opgebouwd.
+
+Zoo wordt dan èn de Brahmaansche godenleer èn de Brahmaansche
+wijsbegeerte door denzelfden geest bezield. In beiden klinkt het
+u tegen dat het uitwendige leven van weinig waarde is: slechts
+een schouwtooneel tot opvoeding en onderhouding van den geest. De
+uiterlijke wereld is slechts Maya (illusie, droom). Die zelfde
+geest nu komt ons ook weer tegen in de oud-Indische heldendichten,
+die waarschijnlijk niet door Brahmanen zijn gedicht, maar uit den
+kring der Kshatrya's (krijgslieden, edelen) zijn voortgekomen, en die
+voor een goed deel tot de vroegste tijden van het Brahmanisme worden
+teruggebracht. Deze gedichten--de Ramayana, waarin de lotgevallen van
+Rama, en de Mahabharata, waarin die van Krishna worden bezongen--beiden
+vleeschwordingen van den god Vishnoe--brengen ons in een wonderwereld
+van sprookjes. Een atmosfeer, voor ons westerlingen, vreemd in den
+eersten oogopslag, maar die ons straks toch gemeenzamer wordt, als
+wij gaan gevoelen dat in die zonderlinge lotgevallen der oud-Indische
+helden en heldinnen zich een geest uitspreekt, dien wij zonen van
+het westen, in menig opzicht kunnen deelen. Is toch niet aan onze
+levensopvatting vaak eigen een besef van 's levens droeve raadselen,
+dat ons drijft tot medelijden? Bewonderen wij niet vaak de schoonheid
+en de kunst, toch gevoelende dat zij zijn als een droombeeld, dat
+wij niet kunnen bereiken?
+
+Welnu: die zelfde geest woont ook in de oude Indische poëzie. Haar
+geheimzinnigheid is die van het alleven. Zij ziet in de natuur niet
+de vijandin van de ziel--zooals de middeneeuwsche Katholieke poëzie,
+die het leven en de natuur ten slotte den rug toekeert--maar zij ziet
+de gansche zichtbare natuur als den droom van de algemeene wereldziel,
+van die ziel, die alleen werkelijk bestaat. En de droomer heeft genot
+in de beelden die hem voorbijgaan, doch een weemoedig genot, want
+hij voelt dat zij voorbijgaan. De Indische poëzie ziet het gewone
+leven met een mengeling van verheven gevoel en medelijden aan, zij
+weet, dat op de jeugd de ouderdom, op het genot de moeheid, op de
+liefde de smart van het verlies, op het leven de dood volgt. Wat nu
+te doen? Hopen op verandering in deze noodwendigheden gaat niet aan:
+maar de ziel moet gebracht worden tot zulk een staat van geestelijke
+belangeloosheid, dat zij niet langer bedroefd is over de wisseling
+en de onvolmaaktheid van alle onstoffelijke aardsche dingen.
+
+Die geest--dien wij straks in volle ontwikkeling zullen zien bij het
+Boeddhisme--doordringt ook de oud-Indische poëzie. Een enkele proeve
+moge volstaan.
+
+We willen u herinneren aan de geschiedenis van Valmiki, den man, van
+wien de Indiërs onderstellen, dat hij het Ramayana dichtte. Valmiki,
+zoo lezen wij in dit heldendicht, was een heilig kluizenaar, die
+een leven van stille overpeinzing leidde in de eenzaamheid van het
+woud. Het onderwerp zijner overpeinzing is het leed der wereld. De god
+Brahma vertelt hem op zekeren dag de geschiedenis van Rama. Indien een
+dichter, zoo peinst Valmiki, deze geschiedenis van een volmaakt leven
+eens in diep gevoelde verzen kon bezingen, dat zou de menschen brengen
+tot een beter, edeler leven. Doch hij, Valmiki, is geen dichter. Hoe
+zal hij iemand vinden, voor deze taak berekend? Valmiki moet daarover
+telkens weer nadenken. Op zekeren morgen staat hij aan den oever van
+een helder water nabij zijn hut, waar hij gewoon is de wasschingen
+te verrichten, die tot de godsdienstige plichten van den Brahmaan
+behooren. En zie--tegenover hem zijn twee reigers. Zij slaan vroolijk
+met hun vleugels, vol onschuldige vreugde over 't leven. Eensklaps valt
+een der vogels, door een pijl getroffen, neer, en het zuivere water van
+de plas wordt roodgekleurd. Valmiki is zoo vol medelijden en droefheid,
+dat als een smartkreet uit zijn ziel wordt geperst: een dichtregel over
+den dood van den onschuldigen vogel en de wreedheid van den jager. Er
+is een wonderbare maat en een aandoenlijke muziek in zijn woorden,
+hij moet ze nog eens en nog eens herhalen. Verwonderd wat toch over
+hem gekomen is keert Valmiki terug naar zijn hut. Onderweg ontmoet hij
+Brahma die hem vraagt of hij een dichter heeft gevonden, waardig om
+de geschiedenis van den volmaakten mensch Rama te vertellen? Valmiki
+wil antwoorden dat hij er geen gevonden heeft. Doch instede van dit
+antwoord komt hem de klacht over den dood van den reiger over de
+lippen, en hij schaamt zich tegenover Brahma: de God zal denken,
+dat Valmiki hem bespot. Doch glimlachend spreekt Brahma.
+
+"Gelukkige Valmiki! Om uw medelijden met den reiger hebt gij ontvangen
+de genade van Sarasvati, de godin der poëzie. Ga, en zing voor de
+ooren der wereld het leven van den heiligen Rama."
+
+Valmiki is het type van den heiligen, vromen kluizenaar, zooals hij
+in die heldendichten voorkomt. Doch er komen ook andere kluizenaars
+in voor, menschen, die door wreede zelfkastijding en boetedoening
+tooverkrachten zoeken te verwerven. Deze worden geschilderd als
+gevaarlijke personen, die men moet ontzien. En waar zij in een verhaal
+optreden, komt er altijd een of ander onheil.
+
+M. a. w. de dichters van deze verheven poëzie--in dit opzicht tolken
+van de volksmeening--gevoelden reeds--wat Boeddha later beslist
+zou uitspreken, dat door vasten en zelfkastijding magische krachten
+verkrijgen, zooals de Brahmanen dat aanprijzen, de weg tot verlichting
+en verheffing der ziel niet kon zijn. Merkwaardig komt dit uit in de
+legende van Rajah Visvamitra.
+
+Deze is een rijk en machtig heerscher. Zijn vreedzame voorspoed
+begint hem te vervelen en met een groot leger gaat hij op avonturen
+uit. Hij ondervindt niet veel. Ieder is zoo bevreesd voor hem dat hij
+geen enkele twist met iemand krijgt. En overal vraagt hij of men wel
+iemand der levenden kent, zoo machtig als Visvamitra. Overal luidt het
+antwoord ontkennend: noch op de aarde, noch in Swarga (het verblijf
+boven de aarde) bestaat zulk een machtig wezen. Op zekeren dag echter
+ontmoeten zij een vromen bedelaar, en Visvamitra, als godsdienstig
+vorst, geeft hem rijke giften. Daarna volgt de gewone vraag: "Kent
+gij iemand, zoo heerlijk en zoo machtig als Visvamitra?" Het antwoord
+luidt: "Waarlijk, gij zijt een heerlijk en machtig vorst. Doch ik ken
+één mensch bij wien uwe heerlijkheid is als rook tegenover de sterke
+rots: die man is de priester Vasistha."
+
+"En, wie is die Vasistha, wiens macht grooter is dan de mijne?"
+
+"Een eenzaam kluizenaar, die leeft in de diepten van het woud. Zijn
+kleeding is van boombast, hij leeft van wortels en bessen: toch,
+zijn macht is grooter dan die van alle rajahs in de wereld."
+
+Visvamitra's nieuwsgierigheid is opgewekt: hij besluit den
+merkwaardigen kluizenaar een bezoek te brengen. Met zijn leger gaat
+hij het woud in en ten slotte ontdekt men het eenzame verblijf van
+Vasistha. De rajah wordt zeer vriendelijk ontvangen, zij spreken over
+geestelijke onderwerpen en Visvamitra, zeer gesticht en opgewekt,
+wil heengaan. Doch ongelukkig voor beide partijen, krijgt Vasistha
+den inval om den koning en zijn leger op een feest te vragen.
+
+Eerst weigert de rajah, beleefd dankend, de uitnoodiging. De vorst
+kan niet begrijpen hoe een kluizenaar, die van wortels en bessen
+leeft, midden in de wildernis een feest kan aanrichten voor een
+leger. Vasistha verzekert echter dat dit voor hem niet moeilijk is. En
+zie, in minder dan geen tijd is er op het gras een feestmaal--een
+vegetarisch wel te verstaan--uitgespreid: geroosterd koren, suikergoed,
+gebak, verfrischt door rivieren van gestremde melk. De soldaten
+waren uiterst voldaan en vielen met vreugdekreten op het feestmaal
+aan. Doch de eetlust van den rajah is bedorven: hij kan in zijn afgunst
+niet begrijpen hoe Vasistha in een oogenblik zoo'n feest aanricht:
+zou werkelijk, zooals die bedelaar zeide, die kluizenaar grooter
+macht hebben dan hij? Ten slotte verklaart Vasistha zich bereid hem
+de zaak uit te leggen. Mahadeva heeft hem, als belooning voor zijn
+zelfkastijdingen, de wonderkoe Sabala gegeven. Hij behoeft deze koe
+slechts te melken om te verkrijgen wat hij begeert.
+
+Nu neemt de bitterheid van Visvamitra nog meer toe. "Het is niet
+passend"--zoo oordeelt hij "dat een heilig kluizenaar, die een leven
+van boete leidt, een schepsel bezit, dat hem in zware verzoeking
+brengt om zijn geloften van vasten en afsterving van het aardsche te
+verbreken. Daarom Vasistha, voor uw zieleheil is het beter dat gij
+mij die wonderbare Sabala schenkt."
+
+"Volstrekt niet," antwoordt Vasistha, "Sabala geeft mij de zuivere
+boter, die ik voor het offervuur moet gebruiken, hoe zou ik die anders
+verkrijgen in deze wildernis."
+
+"Ik wil in die offerboter trachten te voorzien," sprak
+rajah Visvamitra. "Het is een duidelijke verkwisting van de
+tooverkracht der onbevlekte Sabala om die voor zoo'n kleinigheid te
+gebruiken. Bovendien: ik ben de meester van deze landstreek en dus ook
+de rechtmatige eigenaar van het vee." Doch: Vasistha wijst alle listen
+en onderhandelingen af. Op het laatst beveelt de rajah de soldaten om
+Sabala mee te nemen: doch Vasistha melkt gauw de wonderkoe en verkrijgt
+een leger, tweemaal zoo groot als dat van Visvamitra. Moedeloos en
+neerslachtig keert deze naar zijn stad en paleis terug.
+
+Hier roept hij alle wijze mannen en Brahmanen tot zich en vraagt
+hun hoe hij Vasistha's trots zal breken en de wonderkoe in zijn
+bezit krijgen.
+
+De Brahmanen antwoorden: "Aardsche wapens, o rajah, helpen u tegen
+Vasistha niet. Om hem te overwinnen moet ge hem bestrijden met zijn
+eigen wapens. Zijn kracht ligt in de verdiensten, die hij zich door
+zijn vroomheid en zelfverloochening verwierf. Kunt gij op diezelfde
+wijze u verdiensten verwerven? Zoo niet: geef dan alle hoop op om
+Sabala te verkrijgen."
+
+Rajah Visvamitra gevoelt dat het leven geen vreugde meer voor hem
+heeft, zoolang hij Sabala niet bezit. Hij legt zijn koninklijk gewaad
+af, verlaat zijn paleis en stad en begeeft zich naar de wildernis om
+daar door een gestreng leven, der wereld afgestorven, zich krachten
+als die van Vasistha te verwerven. Het zou mij te ver voeren u te
+verhalen welke kwellingen de rajah al niet voor zichzelf uitdacht,
+of hoeveel moed en volharding hij toonde wanneer, tot straf voor een
+oogenblik van vergeten zijner geloften--al de verdiensten die hij
+door zijn zelfverloochening zich verwierf, wederom verloren gingen. De
+goden, zoo schildert ons het verhaal, bevreesd voor het slecht gebruik
+dat de kluizenaars maken zouden van hun door boetedoening verkregen
+macht, beproeven steeds hen in hun plannen te dwarsboomen of door
+kleine geschenken hen om te koopen opdat de som der verdiensten
+niet te groot en te gevaarlijk zou worden. Zoo werd ook Visvamitra
+beproefd door de goden, doch, hoe ook misleid en ter neer geworpen,
+altijd keert hij met nieuwen ijver tot zijn plan weder! En, in 't eind
+triumfeert hij. Hij heeft zich zooveel verdiensten verworven dat geen
+gunst hem kan worden geweigerd. Indra zelf komt vriend'lijk vragen
+wat hij begeert. Wij verwachten dat hij de vernedering van Vasistha
+en het bezit van de koe zal verlangen: doch neen, alle toorn tegen
+Vasistha, alle begeerte naar Sabala is verdwenen: hij herinnert
+zich niet eens dat beiden bestaan. Het eenige wat hij vraagt is:
+geestelijke vrijheid en verlossing van alle aardsche begeerten.
+
+Klinkt het in dit zonderling en toch aantrekkelijk verhaal ons niet
+duidelijk tegen: De ware wijze is, die geen begeerten meer kent, en
+wiens ziel is gekomen tot rust en bestendigheid? Wordt ons hier niet
+geleerd dat het ware doel niet is om door zelfkastijding tooverkrachten
+te verkrijgen, maar om te komen tot bevrijding en verlichting?
+
+We naderen hier den geest van 't Boeddhisme, we staan hier op den
+bodem, waarop dit zich ontwikkeld heeft. Nog duidelijker komt dit uit
+in de geschiedenis van rajah Yayati, die wij in het Mahabharata vinden.
+
+Rajah Yayati heeft het ongeluk om tot vrouw te nemen de dochter van
+een Brahmaan, die met wonderbare tooverkrachten is toegerust. De rajah
+heeft ongenoegen met zijn vrouw, en de Brahmaan, zijn schoonvader,
+weet hem door zijn tooverkracht met een ontijdigen ouderdom te
+straffen. Zoo is hij in den bloei der jeugd in een bevend, waggelend
+grijsaard veranderd, die den Brahmaan smeekt om toch enkele jaren
+van levenskracht, opdat hij afscheid moge nemen van de vreugden van
+dat leven, dat hij zoo gemakkelijk had opgevat, toen hij niet begreep
+dat hij het zoo spoedig zou verliezen.
+
+De Brahmaan staat toe dat Yayati zijn ouderdom zal verwisselen
+tegen de gelukkige jeugd van een ander, doch voor weinige jaren
+slechts. Zijn die voorbij, dan moet hij wederom zijn straf des
+ouderdoms ondergaan. Na vele jaren van vermoeiend rondzwerven weet
+rajah Yayati den jongsten zijner zonen te overreden om den last van
+den vroegtijdigen ouderdom op zich te nemen en aan zijn vader diens
+eigen jeugd over te doen. De rajah wil nu, in den korten tijd hem
+gelaten, ten volle genieten van alle aardsche vreugde.
+
+Hij beproeft allereerst de weelde, die den mensch streelt en de
+genietingen der zinnen, dan het avontuurlijk leven van den jager,
+vervolgens de vreugde, die wijsbegeerte en poëzie aan verstand en hart
+schenken. Doch het resultaat is altijd hetzelfde. Hij ondervindt dat
+deze vreugden des levens eigenlijk niet wezenlijk bestaan, maar alleen
+als voorwerp onzer begeerte aantrekkelijk schijnen. Dan keert hij terug
+tot zijn zoon, wien hij teruggeeft zijn jeugd en zijn vatbaarheid om
+te genieten en zelf neemt hij zijn straf wederom op. En zijn slotsom
+is de volgende:
+
+"Ik heb bevonden, dat het voorwerp, dat men begeert nooit de begeerte
+bevredigt, het voedt slechts de vlam, evenals de gereinigde boter
+het offervuur.
+
+"Al de rijst, al het koren, al het vee, alle schatten, alle
+beminnelijkste vrouwen die de aarde bevat, zij kunnen nooit des
+menschen begeerte voldoen; daarom is het eenige de begeerte zelf te
+dooden en uit te werpen.
+
+"Ik voor mij wil die verterende dorst der begeerte van mij
+afzetten. Neem dus, mijn zoon, uwe jeugd weder, ik zal mijn woning
+nemen in het woud, waar de gazellen verblijf houden en wil mijn hart
+richten op de beschouwing der eeuwige dingen."
+
+Zoo werd rajah Yayati een kluizenaar. Doch ook nu is zijn geestelijke
+oefening nog onvolledig. Hij volbrengt zware boetedoeningen en
+verkrijgt daardoor het voorrecht om in dit stoffelijk lichaam reeds
+naar Swarga (het verblijf der goden) te mogen opstijgen. Op zekeren dag
+echter geeft de rajah hoog op van zijn verwonderlijke boetedoeningen
+tegenover Indra, den god van het uitspansel. Doch deze bluf berooft hem
+van de verdiensten, die hij zich had verworven en waardoor hij alleen
+in Swarga kon wonen. Aldus moet hij naar beneden dalen; hij blijft nu
+tusschen de hemelsche en aardsche sfeer en wordt daar volmaakt. Want
+nu leert hij dat het belangrijkste feit is, niet wààr iemand is,
+doch wàt hij is. "Noch hier, noch in Swarga noch op de aarde, noch
+in de hel Naraka woon ik, de zetel van mijn wezen is in mij zelven."
+
+"Pijn heb ik niet in mijn macht doch leed te gevoelen over mijn
+pijn kan ik vermijden. Beter dan in Swarga te zijn is zijne ziel in
+lijdzaamheid te bezitten." En als de rajah zoo spreekt klinken er
+triumfkreten om hem heen. Hij heeft de volmaking bereikt en Swarga is
+nu zijn tehuis. Doch rajah Yayati heeft geen ongeduldige begeerten naar
+zijn hemelsch verblijf. Langzaam stijgt hij omhoog, bijna onwillig,
+en nog eens herhaalt hij: "Beter dan Swarga is zijne ziel te bezitten
+in lijdzaamheid."
+
+We komen hier, herhaal ik, als op den drempel van het Boeddhisme. Daar
+verzekert ons de verlichte (Boeddha) dat de mensch niet om den hemel te
+beërven, noch om de goden te behagen, maar om tot den grooten vrede,
+tot de rust van Nirvana te komen alle begeerten en hartstochten moet
+afsterven. Komt ook niet in de ziel van Yayati datzelfde denkbeeld
+tot rijpheid?
+
+Van het Brahmanisme zouden wij hier afscheid kunnen nemen. Wij
+hebben de moeder gevolgd tot op het oogenblik waarop de dochter
+(het Boeddhisme) zal worden geboren, die straks het ouderlijk huis
+zal verlaten.
+
+Toch, al is het ons vooral om dat Boeddhisme te doen, wij kunnen van
+het oude Brahmanisme hier nog geen afscheid nemen. Niet, omdat wij
+bij al zijn latere lotgevallen en wisselingen willen stilstaan; dat
+zou ons veel te ver voeren. Maar wel, omdat wij nog willen beschouwen
+het streven der Brahmo Samaj, die trachten hun godsdienst van alle
+bijvoegselen te ontdoen en tot zijn oorspronkelijke zuiverheid terug
+te brengen. Ons volgend hoofdstuk zal daaraan gewijd zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+Gezuiverd Brahmanisme in den nieuweren tijd (de Brahmo-samaj.)
+
+
+Reeds in het vorige hoofdstuk wezen wij op het eigenaardig karakter van
+het Brahmanisme, dat, bij allen schijn van veelgodendom, toch zoekt
+naar de éénheid in de veelheid. Wij zagen dat dit reeds in overoude
+dagen den Indischen godsdienst kenmerkte, brengen wij ons maar eens
+te binnen de hymne aan Varuna, die wij daar straks [7] aanhaalden. Er
+waren echter kringen en tijdperken, waarin dat vergeten werd, doch
+dan kwam er bijna altijd weer reactie ten gunste van de vereering van
+één eenig wezen. Zoo had men bijvoorbeeld in de 12e, 13e, 15e en 16e
+eeuw verschillende Vaishnava hervormers, die Vishnoe predikten als
+den éénigen, den hoogsten god. Toch konden deze hervormers, vooral
+door hun leer der avatara's, der vleeschwordingen van Vishnoe, er
+niet in slagen het bijgeloof te boven te komen. Als Vishnoe nu eens
+vleesch werd in een held, dan weer in een groot leeraar of in een
+dier, ten einde zijn schepselen te verlossen, dan mochten er in deze
+leer inderdaad verheven gedachten opgesloten liggen, toch moest zij
+leiden tot telkens hernieuwden afgodsdienst.
+
+In de 16e eeuw was er nog een andere, monotheïstisch gekleurde
+hervorming, die der Kabir panti, welke onder den invloed stond van
+het Mohammedanisme en trachtte Mohammedanen en Hindoe's door het
+gemeenschappelijk geloof in éénen God te vereenigen. Doch ook deze
+bereikte haar doel niet: groote strijd tusschen de Muzelmannen en de
+aanhangers van het nieuwe geloof was het einde.
+
+De beweging, waarvan wij thans iets willen meedeelen, was van anderen
+aard. Zij ging en gaat niet om buiten den invloed van het Christendom:
+geboren is zij uit het verlangen naar een reiner geloof, bij de
+meer beschaafden in Indië gewekt door de aanraking met de Engelsche
+overheerschers.
+
+Rammohun Roy, die in het jaar 1774 in het stadje Radhanagar geboren
+werd, kunnen wij noemen als den stichter der Brahmo-samaj. Zijn vader
+was een Brahmaan van hooge caste, die hem een geleerde opvoeding
+gaf. Zoo kwam het dat de zoon reeds op jeugdigen leeftijd de Perzische
+en Arabische literatuur, den Koran incluis, bestudeerde. Toch verloor
+hij daarbij ook zijn Indische studiën niet uit het oog. Weldra begreep
+hij dat in de oud-Indische godsdienstige boeken, bepaaldelijk in de
+Bhagavata Purana, waaruit zijn vader hem gewend had iederen morgen
+een hoofdstuk te lezen, veel fabelachtigs voorkwam. Wat hem echter
+sterk aantrok waren de Upanishads, de bespiegelingen der oude wijzen
+over de Veda's.
+
+De jongeling gaf zijn vrije gevoelens openlijk te kennen in een
+geschrift over de afgoderij, dat hij op 16-jarigen leeftijd uitgaf
+en dat hem den haat van al zijn familiebetrekkingen op den hals
+haalde. Ja, om de vijandschap, die tegen hem ontstaan was moest hij
+zelfs zijns vaders huis voor een tijd verlaten.
+
+Hij zwierf nu in verschillende streken rond, in Benares bestudeerde
+hij het Mohammedanisme, in Tibet had hij veel besprekingen met
+Boeddhisten. Geen zorg en moeite was hem te groot om de waarheid te
+leeren kennen. Hij las het O. T. in het Hebreeuwsch, den Koran in
+'t Arabisch, de Veda's in het Sanskriet, de boeken der Boeddhisten
+(Tripitaka) in het Pali. Hij ging ook zelfs Grieksch leeren ten einde
+het N. T. goed te leeren.
+
+In 1796 keerde hij weer naar huis terug, de vrede met zijn familie werd
+gesloten en meer dan ooit gaf hij zich nu aan zijn Sanskrietstudiën
+over. Doch: tegelijk leerde hij met even grooten ijver het Engelsch
+en zocht van de Europeesche maatschappij te leeren. Na den dood zijns
+vaders in 1803 begon hij de dwalingen van het Brahmanisme met kracht
+te bestrijden. Hij trad in Engelsch-Indischen staatsdienst en maakte
+zich daarin bemind bij diegenen, over wie hij gesteld was. Ook bij deze
+praktische werkzaamheden verwaarloosde hij echter zijn godsdienstige
+studiën niet. Een meer nauwgezet onderzoek van de Veda's leidde
+hem tot de denkwijze, dat de oude godsdienst der voorvaderen geen
+afgodendienst was geweest, maar vereering van den éénigen God. Ten
+einde dit in het licht te stellen gaf hij verschillende gedeelten
+van de Veda's, vooral van de Upanishad's in het licht.
+
+Ook bewoog hij zich op praktisch gebied: hij toonde aan dat nergens
+in de Veda's werd voorgeschreven of goedgekeurd dat, zooals in Indië
+gebruikelijk was, de weduwe zich verbrandt op het lijk van haar
+echtgenoot. De beweging, die hij tegen dit weduwenoffer (Sati) in
+'t leven riep, heeft er toegeleid, dat de Sati in 1829 door de wet
+in Britsch-Indië werd afgeschaft.
+
+'t Viel hem echter niet gemakkelijk als hervormer op te treden,
+de lieden van zijn eigen caste en kring wendden zich van hem af,
+tegenstanders vielen hem aan. Hij week dus naar Calcutta uit, en daar
+had hij onder de Hindoe's en onder de Jaina's [8] grooten invloed. Zijn
+doel was om zijn landgenooten tot de ware monotheïstische leer van
+Veda's en Upanishad's terug te brengen.
+
+Hier in Calcutta werd daartoe een vereeniging gesticht, "de
+geestelijke vereeniging" geheeten. De leden waren echter niet bestand
+tegen de voortdurende vijandschap, waarmede zij te strijden hadden:
+èn--langzamerhand vielen zij af. Alleen de stichter bleef over, doch
+deze, geenszins ontmoedigd, verdubbelde zijn pogen. Ook kwam hij
+tot meerdere waardeering van het Christendom. De lessen van Jezus
+trokken hem zóó aan, dat hij in 1820 een werkje uitgaf, getiteld:
+"De voorschriften van Jezus, den gids tot vrede en geluk." Hij vond
+de leer van het Christendom meer in overeenstemming met de zedelijke
+beginselen dan die van andere godsdiensten. Evenwel, het orthodoxe
+Christendom met zijn dogma's van drie-eenheid en godheid van Jezus
+stond hem tegen, en hij wist zelfs een zendeling, zekeren Adam,
+van zijn orthodox geloof te bekeeren tot zijn eigen opvatting.
+
+Rammohun Roy was van oordeel dat de ééne God der waarheid zich overal
+openbaart. Wat er heiligs en goeds is in de Veda's, de geschriften der
+Christenen, den Koran, het Zend Avesta: het is alles aan goddelijke
+openbaring te danken. Wat overeenkomt met het natuurlijk en gezond
+oordeel van het verstand en met het gevoel van het menschelijk hart,
+dat is waar. De eenige vader wil dat wij allen liefhebben, zoo sprak
+hij, onverschillig hun land, caste, kleur of geloof. Men ziet, het was
+een vrijzinnig geloof. Maar was het toch tevens niet echt-Brahmaansch,
+in alle openbaringsvormen te herkennen den geest van den Al-Eene?
+
+Rammohun Roy deed wat hij kon om zijn denkbeelden te
+verspreiden. Iederen Zaterdagavond hielden hij of zijn vrienden
+godsdienstige samenkomsten. De dienst was daarbij in vier deelen
+verdeeld: reciteeren uit de Veda's, voorlezen uit de Upanishad's,
+een godsdienstige toespraak, het zingen van godsdienstige liederen.
+
+Ten slotte kon de eerste "Theïstische [9] Hindoekerk" worden gesticht
+in 1830. Hare leden noemden zich Brahmo Samaj (vereeniging van "die
+in God gelooven"). Een nieuwe secte wilde hij daarmede niet stichten:
+wel voorbereiden dat Hindoe's, Christenen en Mohammedanen zich in
+den dienst van den Eéne zouden ontmoeten.
+
+Jammer dat zijn levensdraad zoo spoedig werd afgesneden: hij stierf
+namelijk reeds in 1833, en wel te Bristol in Engeland, waar hij
+een belangrijke politieke opdracht had te vervullen. Hij stierf als
+Brahmaan, zijn bediende omwikkelde zijn lijk met het gewijde koord;
+bij al zijn strijd was toch gebleven de innige gehechtheid aan het
+oude geloof.
+
+Gelijk men zich voorstellen kan was zijn dood een zware slag voor
+de nieuwe beweging. Zij vond echter weldra een uitnemend leider
+terug in Debendra-nath. Deze heeft eigenlijk de nieuwe gemeente
+georganiseerd, van welke hij sedert 1841 deel uitmaakte. Hij stelde
+een beginselverklaring der Brahmo Samaj op. Ieder lid is verplicht:
+
+"Zich van afgoderij te onthouden, geen geschapen voorbeeld te
+aanbidden, maar door de liefde van God en door het doen van de
+werken, die Gode aangenaam zijn, te vereeren: den grooten God, den
+Schepper, Onderhouder en Vernietiger, de oorzaak aller ontwikkeling,
+den Ongedeelde, den Eéne, zooals er geen tweede is, een heilig leven
+te leiden en vergeving te zoeken door de zonde vaarwel te zeggen."
+
+Ook werd een liturgie, uit gebeden, aanroepingen, liederen en
+overdenkingen bestaande, saamgesteld.
+
+Langzamerhand breidde nu de nieuwe stichting zich uit onder de
+voortreffelijke leiding van Pandit Ram Chandra Vidija-bag-ish, den
+leeraar der nieuwe gemeente, totdat zij in 1847 bijna achthonderd
+leden telde.
+
+Er kwamen echter moeilijke dagen. Verschil rees omtrent de Veda's:
+waren zij werkelijk boeken van goddelijk, onfeilbaar gezag--òf waren
+ook zij vol van dwalingen? Ten slotte werd vastgesteld, dat noch
+Veda's, noch Upanishad's als onfeilbare gidsen zouden gelden. Alleen
+wat met het zuivere theïstische geloof overeenstemde moest worden
+aanvaard, en dit geloof rustte op twee grondslagen: de natuur en het
+inwendig licht.
+
+Intusschen verspreidden de "in God geloovigen" zich ook door
+andere steden en streken van Indië en gaf Debendra-nath nieuwe
+kracht en vastheid aan de beweging door de uitgave van zijn werk:
+Brahma Dharma (de theïstische godsdienst), waarin voorkwamen: de
+vier grondbeginselen van het Indisch Theïsme, de straks aangehaalde
+verklaring en goedgekeurde aanhalingen uit de Veda's, de Upanishad's
+en latere Hindoe werken.
+
+Die vier grondbeginselen zijn de volgende:
+
+I In den beginne, voor dit heelal bestond, was het ééne hoogste
+wezen. Hij heeft het gansch heelal geschapen.
+
+II Hij is eeuwig, verstandig, oneindig, vol van zegeningen,
+zelfgenoegzaam, zonder vorm, eenig, zoodat er geen tweede is als Hij,
+al doordringend, al besturend, al beschermend, alwetend, almachtig
+en onbewegelijk, volmaakt en zonder vergelijking.
+
+III Alleen door hem te dienen, kan het geluk worden verzekerd in deze
+en in de volgende wereld.
+
+IV Liefde tot Hem en het volbrengen van de werken, die Hij lief heeft,
+vormen zijne vereering.
+
+
+
+Wie met deze beginselen instemming betuigde kon lid worden van de
+Calcutta Brahmo Samaj. Wie meer volledig wilde worden ingewijd moest
+de zeven, straks genoemde, verklaringen afleggen.
+
+Het voornaamste der nieuwe leer was voorts het volgende: "Het inwendig
+licht en het boek der natuur vormen den oorspronkelijken grondslag van
+het Brahmaansch geloof, doch de godsdienstige waarheid wordt dankbaar
+aanvaard, zoowel uit ieder gedeelte der oude Hindoesche geschriften als
+uit andere gewijde boeken. God is de hemelsche Vader, een persoonlijk
+wezen met zedelijke eigenschappen. Die God is nimmer vleesch geworden,
+doch Hij draagt zorg voor het heil Zijner schepselen. Tot Hem te bidden
+is niet vergeefs. Berouw is de eenige weg tot verzoening, vergeving
+en verlossing. De mensch is bestemd om ook op godsdienstig gebied
+zich steeds meer te volmaken. Goede werken, barmhartigheid, kennis
+verwerven, bespiegeling en vereering zijn de eenige godsdienstige
+plechtigheden: boetedoeningen en pelgrimstochten zijn zonder nut. Het
+eenige offer is zichzelf Gode te wijden, de eenige pelgrimstocht is
+het gezelschap der goeden te zoeken, de eenige ware tempel is het
+reine hart. Onderscheiding van casten is er niet."
+
+Zoo was het programma, naar men ziet, doortastend genoeg. Toch bleef
+men in de praktijk aan zeer veel van den ouden godsdienst hangen, en
+sommigen, daaronder de invloedrijke leeraar Narain Bose stelden ook
+op den voorgrond dat het doel niet moest zijn den ouden godsdienst
+af te breken maar dezen te volmaken.
+
+Anderen, die sedert 1858 hun geestelijken leidsman vonden in Keshab
+Chandar Sen, oordeelden anders. Zij wilden vooral breken met alles
+in de oude, vastgewortelde maatschappelijke instellingen, wat met
+hun geestelijken godsdienst niet overeenkwam. Men beseft hoe moeilijk
+deze taak was, hoeveel stille en openlijke vijandschap er op dezen weg
+viel te bestrijden, hoeveel misverstand uit den weg te ruimen. Toch,
+Keshab Chandar Sen, toen 20 jaar oud, deinsde er niet voor terug.
+
+Zijn levensweg was anders geweest dan die van zijn voorganger Rammohun
+Roy. Eerst opgevoed in een omgeving van Hindoesch bijgeloof, ontving
+hij later in Calcutta een Engelsche opvoeding. Voor de Europeesche
+wetenschap bezweek het oude geloof. Doch zonder godsdienstig geloof
+kon eene natuur als hij niet leven. Hij zocht naar betere kennis
+van God. Op zekeren dag kreeg hij eenige preeken van Narain Bose in
+handen en tot zijn verwondering bemerkte hij dat er in Calcutta reeds
+een Theïstische kerk bestond. Aanstonds sloot hij zich daarbij aan.
+
+Weldra nam hij in de broederschap een belangrijke plaats in. Eerst
+werkte hij onder leiding van Debendra-nath ongeveer vijf jaar lang,
+maar een persoonlijkheid als de zijne moest wel op den voorgrond
+treden.
+
+Keshab Chandar Sen was met de tot nu toe ingevoerde hervormingen
+niet tevreden. Hij wilde alles wat op casten-verschil wees
+afgeschaft zien. Als een begin op dien weg bepleitte hij dat
+allen, die de godsdienstoefeningen der nieuwe kring leidden,
+het gewijde hemd, waardoor de hoogere casten zich onderscheidden,
+zouden afleggen. Debendra-nath wilde het zelf wel afdoen, maar zoo'n
+verplichting anderen niet opleggen.
+
+Dit gaf wrijving tusschen de behoudende en de vooruitstrevende
+elementen. Trouwens, dit niet alleen, achtereenvolgens kwamen nog
+tal van hervormingen aan de orde, waarop Keshab Chandar Sen en de
+zijnen aandrongen. Zoo bijvoorbeeld een verandering in de Sraddha,
+of den dienst der gestorven voorvaderen, welks ritus niet met de ware
+Brahmaleer omtrent een toekomstig leven overeenkwam. Dan, wijziging van
+het ceremonieel bij geboorte, naamgeving en lijkverbranding. Verder,
+een meer gepaste inwijding voor hen, die tot de gemeente toetraden.
+
+Ook wilde men de vrouwen opvoeden en verheffen. Zij werden aangemoedigd
+om toe te treden, velen deden dit en woonden dan den dienst bij achter
+gordijnen of in een afzonderlijk vertrek.
+
+Dan stelde men aan de orde, hervorming van het huwelijk. Men wilde
+afgeschaft zien de kinderhuwelijken, zoo nauw saamgeweven met
+Indische zeden, maar tot zooveel misbruik en ellende voerend, ook
+wilde men dat de veelwijverij zou worden opgeheven en dat de weduwen
+vrijheid zouden hebben te hertrouwen. Ook wilde men tal van dwaze
+en overtollige ceremoniën bij het huwelijk afschaffen. Dit ongeveer
+waren de bedoelingen der meer vooruitstrevenden.
+
+Toch, ook de meer behoudenden, gingen in veel mede. Narain Bose
+was de eerste om in zijn eigen familie het opnieuw huwen van een
+weduwe toe te laten, waarvoor men hem in zijn geboortedorp haast
+steenigde. Debendra-nath gaf het voorbeeld door voor grooten eenvoud
+te zorgen bij het huwelijk van zijn tweede dochter, dat op 26 Juli
+1861, in tegenwoordigheid van tweehonderd geloofsgenooten, plechtig,
+zonder overdreven feestvertoon, werd voltrokken. Dit was de eerste
+huwelijkswijding volgens den ritus der Brahmo Samaj.
+
+Keshab Chandar Sen ging echter nog verder. Hij voltrok in 1864
+een huwelijk tusschen twee personen van verschillende caste: wat
+Debendra-nath zeer mishaagde.
+
+Chandar Sen voelde zich onder de Brahmo Samaj niet recht thuis: hij
+zag nog te veel van den ouden castengeest en van het oude bijgeloof
+en gevoelde de noodzakelijkheid om den bijl te leggen aan den wortel
+van den ouden stam. 't Eind was dat er een scheuring ontstond tusschen
+vooruitstrevenden en meer behoudenden. De eersten scheidden zich af
+en stichtten in November 1866 een nieuwe vereeniging: de Brahmo Samaj
+van Indië geheeten.
+
+Haar doel was, zooals Chandar Sen in zijn openingsrede op 11 November
+verklaarde, alle Brahma-vereerders in één lichaam te vereenigen en
+een organisatie over geheel Indië te verkrijgen. In 1869 opende deze
+nieuwe gemeente haar bedehuis.
+
+Haar optreden kenmerkte zich door groote godsdienstige bezieling.
+
+Haar programma luidt aldus:
+
+God is de eerste oorzaak van het heelal. Door Zijn wil schiep Hij
+alle voorwerpen uit niets en onderhoudt Hij deze bij voortduring. Hij
+is Geest, geen stof. Hij is volmaakt, oneindig, almachtig, vol van
+genade en heiligheid. Hij is onze Vader, Beschermer, Meester, Koning
+en Verlosser.
+
+De ziel is onsterfelijk. De dood is slechts de oplossing van het
+lichaam. Er is geen nieuwe geboorte na den dood: het toekomstig
+leven is een voortzetting en ontwikkeling van het tegenwoordig
+leven. De menschen die nu leven zijn de embryo's van de menschen,
+die zijn zullen.
+
+De ware (heilige) schriften zijn tweeërlei: het boekdeel der natuur en
+de natuurlijke denkbeelden, in den geest ingeplant. De wijsheid, macht
+en genade van den Schepper staan in het gansche heelal beschreven. Alle
+denkbeelden over onsterfelijkheid en zedelijkheid zijn oorspronkelijke
+overtuigingen, in des menschen zijn gegrond.
+
+God wordt nimmer mensch door een menschelijk lichaam aan te nemen. Zijn
+goddelijkheid woont in ieder mensch en openbaart zich in sommigen met
+groote kracht. Mozes, Jezus Christus, Mohammed, Nanak, Cartanya en
+andere groote leeraren verschenen op bepaalde tijden en brachten vele
+heilsgoederen aan de wereld. Zij mogen aanspraak maken op algemeene
+dankbaarheid en liefde.
+
+De Brahma godsdienst is verschillend van alle andere godsdienststelsels
+der wereld, toch maakt hij het wezen van allen uit. Hij is niet
+vijandig tegen andere gelooven. Wat daarin waars is, aanvaardt hij. Hij
+is gegrond op het wezen des menschen en is daarom eeuwig en algemeen,
+noch ook beperkt tot leeftijd of landstreek.
+
+Alle menschen behooren tot ééne broederschap. De Brahma godsdienst
+kent geen onderscheid van hooge en lage caste. Het doel van dezen
+godsdienst is allen tot één huisgezin te vereenigen.
+
+Er zijn vierderlei plichten: 1. plichten tegenover God, zooals:
+geloof in Hem, liefde, vereering en aanbidding. 2. plichten tegenover
+onszelf, zooals: bewaring van ons lichamelijk welzijn, verkrijging van
+kennis, heiliging der ziel. 3. plichten tegenover anderen, zooals:
+waarachtigheid, rechtvaardigheid, dankbaarheid, het bevorderen van
+het welzijn van alle menschen. 4. plichten tegenover dieren en lagere
+schepselen, zooals vriendelijke behandeling.
+
+Iedere zondaar moet de gevolgen van zijn eigen zonden dragen, vroeg
+of laat, in dit of in een volgend leven.
+
+De mensch moet naar heiligheid streven door vereering van God,
+onderdrukking der hartstochten, berouw, de natuur en goede boeken
+te onderzoeken, goed gezelschap te zoeken en in de eenzaamheid te
+overpeinzen. Deze dingen zullen, door de werking van Gods genade, tot
+verlossing leiden. Verlossing is bevrijding der ziel van den wortel
+van het bederf en haar voortdurend groeien in heiligheid. Dit groeien
+duurt tot in eeuwigheid, en de ziel wordt meer en meer goddelijk
+en gelukkig in Hem, die de bron is van oneindige heiligheid en
+vreugde. Het nabijzijn van God is de hemel der Indische Theïsten.
+
+Naar men ziet zijn hier verscheiden denkbeelden aan het Christendom
+ontleend. Ook de godsdienstoefeningen hebben gewoonlijk op Zondag
+plaats. Zij zijn ongeveer aldus ingericht: eerst een lied, dan
+een aanroeping van God door den leeraar, door een ander lied
+gevolgd. Vervolgens vereering van God, gezongen door de geheele
+gemeente, voortgezet door den voorzanger alleen. Dan eenige minuten
+van stille overpeinzing en gemeenschap met God. Vervolgens wordt,
+door de geheele gemeente, staande, het volgende gebed gesproken:
+
+"Leid ons, o God, van onwaarheid tot waarheid, van duisternis
+tot licht, van dood tot onsterfelijkheid. O, Vader der waarheid,
+openbaar u toch aan ons. Gij zijt genadig, bescherm ons steeds in
+uwe grenzenlooze goedheid. Vrede! Vrede!" Dan volgt een gebed voor
+de gansche wereld, door den voorganger alleen, gevolgd door een ander
+lied en door het zeggen van teksten uit Hindoesche en andere gewijde
+schriften. Eindelijk een preek, gevolgd door gebed, zegen en lied.
+
+Jammer genoeg ontstond er in deze vereeniging in 1878 weer een nieuwe
+scheuring. De uitgetredenen stichtten zich een eigen bedehuis. Doch op
+al de bijzondere lotgevallen der verschillende Indische Theïstische
+groepen in te gaan zou ons te ver voeren. Wij merken alleen nog op,
+dat er reeds in 1883 over Engelsch Indië 170 gemeenten bestonden, de
+een wat meer behoudend, de ander wat meer kritisch staande tegenover
+de Hindoesche overlevering, maar toch allen getuigenis afleggend
+van nieuwen levensgloed. Onder de hoofdleiders moeten wij nog noemen
+Mozoomdar, die eenige jaren geleden op het parlement der godsdiensten
+in Chicago zoo meesleepend wist te getuigen.
+
+Van harte hopen wij dat deze verlichte Indiërs hun vaderland van
+bijgeloof mogen zuiveren en dat zij de vele schatten, in de gewijde
+boeken van hun volk verborgen, in ruime mate ook tot de westerlingen
+mogen helpen brengen. Want, de tempel der toekomst zal worden
+saamgevoegd uit vele kostelijke steenen, aangebracht uit vele landen.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+Het Boeddhisme.
+
+
+I. Het leven van Boeddha tot aan zijn openlijk optreden.
+
+
+In ons overzicht van het Brahmanisme hebben wij gezien hoe er in
+het oude Indië, hoe langer hoe meer, gevoeld werd niet alleen door
+verlichte priesters, maar ook door leeken, dat niet in offers en
+uitwendige vereering der goden, doch in het streven naar verlossing
+van alle begeerten, naar onderdrukking van alle hartstocht het ware
+levensdoel kan bestaan. Niet door het streven naar bovennatuurlijke
+krachten, niet door boetedoeningen om eenig aardsch voordeel te
+verkrijgen, maar door, tot zichzelf inkeerende, de ongenoegzaamheid
+van al het aardsche in te zien en dan ook van alle begeerte afstand
+te doen, komt men tot het hoogste heil. Dat werd gevoeld door vele
+eenzame vromen in het stille woud, maar lag ook op den bodem van
+de ziel van het Indische volk; het Boeddhisme zou het straks doen
+doordringen tot een wijden kring.
+
+Een wijden kring: de godsdienst van den Indische wijze wordt thans nog
+beleden door ongeveer een derde der geheele menschheid. Uit zijn oude
+bakermat, Voor-Indië, is het voor het grootste gedeelte later weer
+door het Brahmanisme verdrongen. Doch in tal van andere landen heeft
+het zich zeer uitgebreid. Wij noemen onder de voornaamste landen,
+waar deze godsdienst heerscht: Ceylon, Birma, Siam, Annam, Tibet,
+China en Japan.
+
+Doch, al wordt in al deze landen Boeddha in eere gehouden, er is een
+groot verschil. Het Boeddhisme van Ceylon en Birma is in vele opzichten
+gansch iets anders dan dat van Tibet. 't Is er mee als met het
+vrijzinnig-Protestantsch en het Roomsch-Catholiek Christendom. Beiden
+willen Jezus eeren, doch de eersten beschouwen den stichter van hun
+godsdienst als mensch en vinden in 't naleven zijner levensbeginselen
+de hoofdzaak. De anderen erkennen hem als een Godheid, die door
+plechtig ceremonieel nog meer wordt gediend dan door overpeinzing en
+betrachting zijner leer. Zoo is het ook met het Boeddhisme. Komt ge
+in Birma, dan hoort ge weinig van Boeddha als godheid, maar wordt de
+beteekenis van zijn strijd en overwinning als mensch diep gevoeld. En
+in een leven van eenvoud en liefde voor al wat leeft, drukt men de
+voetstappen des Meesters. Doch in Tibet heeft Boeddha goddelijke eer,
+ja een plaatsvervanger op aarde, voor wien men zich als voor Rome's
+Paus nederbuigt. Daar worden tal van formulier-gebeden voor hem
+opgezegd, tal van geheimzinnige plechtigheden voor hem verricht. De
+eeredienst is er oneindig luisterrijker en samengestelder dan in de
+zuidelijke landen als Birma en Ceylon. En in China en Japan is het
+Boeddhisme met andere godsdiensten als ineengevloeid en heeft daarbij
+een deel van zijn oorspronkelijk karakter ingeboet.
+
+Doch, dezen godsdienst in al zijn ontwikkelingen en zijwegen te volgen
+ligt niet op onzen weg. 't Is ons voornamelijk te doen om den geest
+van den wijze, dien Edwin Arnold niet zonder reden het licht van Azië
+noemde, te leeren kennen.
+
+Dat nu is, ofschoon er genoeg over het Boeddhisme geschreven is en
+geschreven wordt, niet zoo gemakkelijk als het schijnt. Allereerst is
+er quaestie over de persoon van den Boeddha. Was hij een historisch
+persoon, of berust zijn gansche levensgeschiedenis, zooals die
+uit vroegere en latere Boeddhistische geschriften wordt gekend,
+op verdichting? Er zijn geleerden, die dit beweerd hebben. De
+Fransche geleerde Sénart [10] tracht de gansche, in zoo menig opzicht
+aantrekkelijke legende van den Boeddha tot een zonnemythe te herleiden,
+en brengt op vernuftige wijze alle bijzonderheden daarvan met deze
+opvatting in verband.
+
+Doch: waarschijnlijk is deze opvatting alles behalve. Ten eerste
+omdat gewoonlijk een groote godsdienstige beweging haar oorsprong
+vindt in een krachtige persoonlijkheid, ten tweede, omdat er toch
+veel waarschijnlijks en natuurlijks achter het phantastische der
+levensbeschrijving verborgen ligt. En in de derde plaats vooral
+omdat inderdaad de oudste Boeddhistische boeken, die wij bezitten,
+wellicht niet veel langer dan een eeuw na den dood van den stichter
+van dezen godsdienst zijn opgesteld.
+
+Om nu echter in de Boeddha-legende overal waarheid en verdichting
+te scheiden--ziedaar een taak, die boven onze krachten ligt. 't Is
+er mede als met de levensgeschiedenis van Jezus in de Evangeliën,
+die ons wel in hoofdzaak het leven van den Meester doen kennen,
+maar ons toch ook vaak in aanraking brengen, niet met wat de Meester
+dacht, maar met wat zijn volgelingen gevoelden. Doch: is ook dat niet
+een sleutel der kennis voor wie een godsdienst wil leeren kennen? We
+kunnen daarom niet beter doen, ten einde in den geest van den stichter
+en zijn godsdienst u in te wijden, dan in de eerste plaats een blik
+te werpen op de levensgeschiedenis van den Verlichte, zooals zijn
+volgelingen in oude dagen ons die verhaalden. We zullen daarbij zien
+dat er dikwijls een eigenaardige overeenkomst is, tusschen wat ons
+van Jezus en van dezen Indischen wijze wordt verhaald.
+
+Boeddha werd geboren in Kapilavastu: de stad van Kapila, ongeveer
+550 jaar voor Christus. Lang hebben de geleerden getwijfeld of
+dit wel een werkelijke stad is geweest: doch in 1893 vond men,
+in de jungle's van den Taraï, het machtige woud aan den voet van de
+Himalaya, overblijfselen van een stad, onder slingerplanten en boomen
+verborgen. En daarin een zuil, opgericht door koning Açoka--den grooten
+beschermer van het Boeddhisme--ongeveer 257 voor onze jaartelling,
+een zuil, die het opschrift behelsde:
+
+"Koning Piyadasi (Açoka) de beminde der goden, bracht hier, toen
+hij twintig jaar (als koning) gezalfd was, zijne vereering en sprak:
+Hier is Boeddha (de verlichte), Sakya-Muni, geboren." En hij zorgde
+dat een steenen zuil werd opgericht met de verklaring er op: "Hier
+is de eerbiedwaardige geboren."
+
+Boeddha, of liever Siddhartha (de eerste naam is feitelijk een
+eeretitel) de verlichte: werd uit aanzienlijke ouders geboren. Het
+geslacht der Sakya's was om zijn ouden adel en zijn rijkdom beide
+beroemd. Latere legenden hebben Boeddha zelfs tot een koningszoon
+gemaakt.
+
+De moeder van Siddhartha, Maya, bracht haar zoon ter wereld en stierf
+weinige dagen daarna, zoodat de andere echtgenoote van Siddhartha's
+vader hem verder opvoedde. In Kapilavastu bracht hij alzoo zijn jeugd
+door, daar dwaalde hij rond in de schaduwrijke tuinen van zijns
+vaders paleis. Reeds vroeg trad hij in het huwelijk met eene door
+lichaamsschoon en liefderijk karakter uitmuntende bloedverwante,
+gewoonlijk Yaçodhara geheeten, die hem een zoon schonk, met name
+Rahula. Dat zijn de bijzonderheden die over zijn jeugd vrijwel
+vaststaan. Ware hij niet werkelijk gehuwd geweest, dan zou een
+latere legende--in aanmerking genomen dat de ongehuwde staat voor
+de Boeddhistische monniken verplichtend is--dit nooit aangaande hem
+hebben verdicht.
+
+De legende weet echter veel meer te verhalen. Zij spreekt van een
+wonderbaren droom, dien Maya voor de geboorte van haar beroemden zoon
+had: een witte olifant, meer lichtend dan zon en maan, naderde haren
+schoot. De drie werelden (aarde, hemel en hel) zag zij verlicht door
+een groot licht, schijnende in de duisternis, en duizende geesten
+zongen haar lof. Ook werd aan haar echtgenoot bekend gemaakt dat de
+toekomstige Boeddha op aarde zou komen in Maya's schoot. De verlichte
+was zichtbaar in de moederschoot en toen hij ter wereld kwam zongen
+hemelsche geesten zijn lof. Na vijf dagen werd hem een naam gegeven en
+werd hij in den tempel gebracht. Asita--een heilige kluizenaar--die
+de acht magische vermogens had verworven en daardoor in den geest
+kon zien wat in de hemelen gebeurt, wordt daar onderricht dat een
+machtige Boeddha is geboren. Als hij daarna het goddelijk geestesoog
+laat wijden over de wereld ziet hij het kind in het paleis, glanzend
+van zuivere daden, door al de werelden vereerd.
+
+Asita gaat naar het paleis. Hij neemt het kind in zijn armen en
+weent. "Waarom deze tranen, heilige man?" "Ik ween," is het antwoord,
+"omdat deze de groote Boeddha zal zijn en ik daarvan geen getuige
+meer kan wezen."
+
+Merkwaardig is echter het volgende verhaal, dat ons als in
+allegorischen vorm doet lezen in het zieleleven van den toekomstigen
+wereldverlosser.
+
+Waarzeggers door den koning geraadpleegd, verklaarden:
+
+De jongeling zal zonder twijfel òf een koning der koningen of een
+groote Boeddha worden. Als hij bestemd is een groote Boeddha te
+worden, dan zullen vier voorteekenen zijn zending duidelijk maken. Hij
+zal zien:
+
+
+ 1. Een oud man.
+ 2. Een kranke.
+ 3. Een lijk.
+ 4. Een heiligen kluizenaar.
+
+
+Indien hij deze vier voorteekens van een avatara [11] niet ziet,
+zal hij slechts een aardsche heerscher zijn.
+
+De koning Suddhodana, die droomen van wereldsche grootheid over zijn
+zoon in 't hart koesterde, werd door die laatste verzekering van
+de waarzeggers heel wat gerustgesteld. Hij dacht bij zichzelf: Het
+zal gemakkelijk genoeg zijn om deze vier voorteekenen van den prins
+verre te houden. Hij gaf dus bevel dat er drie prachtige paleizen, de
+schoonste op aarde: het voorjaars-, het zomer- en het winterpaleis,
+zouden worden gebouwd. Zij wedijverden in glans met Vaijayanta,
+het onsterfelijk paleis van Indra zelf.
+
+Kostelijke paviljoenen werden overal opgetrokken, met prachtige
+voorportalen en gepolijste deuren. Torentjes en kanteelen verhieven
+zich in de lucht. Door sierlijke vensters viel het licht in de
+prachtige vertrekken. Galerijen, balustraden en fijn traliewerk waren
+in overvloed aanwezig. Duizend klokjes klonken op ieder dak. In
+één woord: een beeld als van de paleizen in Chineeschen stijl,
+die naar het schijnt in oud-Indië werden gebouwd. Even prachtig
+waren de tuinen, waar in koele meren de heerlijkste kraanvogels
+en zwanen zich verlustigden, en waar de schoonste boomen geur en
+schaduw verspreidden. De lucht was vervuld met de geur van tube-rozen
+en jasmijnen.
+
+Rondom de paleizen van Kapilavastu waren voorts sterke wallen om
+alle ouden van dagen, kranken en kluizenaars te weren en om den prins
+daarbinnen te houden.
+
+Nog een betere en machtiger bewaking werd te werk gesteld. Toen de
+prins den leeftijd had bereikt om in het huwelijk te treden werd zijn
+paleis met schoone vrouwen bevolkt. Doch, een schok trof den koning.
+
+Dit geschiedde als volgt. De koning had een park aangelegd, nog
+schooner dan de tuin van het zomerhuis. Een ziener had hem verhaald,
+dat, indien hij den prins er toe krijgen kon om dezen tuin te bezien,
+deze daar voor altijd met zijn vrouwen zou willen blijven. Geen taak
+scheen gemakkelijker, en op zekeren dag zou de prins er met zijn wagen
+heenrijden. Groote voorzorgen waren genomen om alle oude menschen, alle
+kranken, alle lijken ver uit zijn gezicht te houden. Een heel leger
+soldaten was er voor opgeroepen, met vlaggen was de stad versierd. De
+weg, waarlangs de prins kwam, was met bloemen bestrooid en met vazen
+vol welriekende planten versierd. Prachtige guirlandes en sierlijke
+klokjes waren overal opgehangen. Doch zie! toen de prins uitreed zag
+hij eensklaps, bijna onder de wielen van zijn wagen, tusschen de in
+zijde gekleede edelen en de krijgslieden met schilden en speren een
+ongewoon schouwspel. Het was een oud man, afgeleefd en verlamd. Zijn
+aderen en peezen waren zoo gezwollen, dat ze te zien waren, zijn
+tanden klapperden, het gelaat vol rimpels, het hoofd bijna kaal en
+de weinige haren spierwit. Zoo strompelde hij voort, bijna dubbel
+gebogen, leunend op een stok.
+
+"Wat is dit, wagenmenner?" riep de prins. "Een man wiens bloed
+is opgedroogd en wiens spieren aan zijn lichaam als vastgekleefd
+zijn. Zijn hoofd is wit, zijn tanden slaan tegen elkaar, nauwelijks
+kan hij zich bewegen, zelfs niet met behulp van een stok."
+
+"Prins" zeide de wagenmenner "dit is de ouderdom. Zijn zinnen zijn
+afgestompt, het lijden heeft zijn geest verstoord, veracht is hij
+door zijn naburen. Niet in staat om zichzelf te helpen heeft men hem
+in dit woud aan zijn lot overgelaten."
+
+"Is dit," vroeg de prins "een eigenaardigheid van zijn familie of is
+dit de wet der wereld. Zeg mij dat spoedig."
+
+"Prins" zeide de wagenbestuurder, "dit is noch een wet van die
+familie, noch van dit koninkrijk alleen. In ieder wezen wordt de
+jeugd overwonnen door den ouderdom. Uw eigen vader en moeder zullen
+in ouderdom eindigen: ook al uw bloedverwanten. Daar is geen andere
+weg voor de menschheid."
+
+"Dan is de jeugd blind en onwetend," zeide de prins, "en ziet de
+toekomst niet. Als dit lichaam het verblijf zal worden van den
+ouderdom, wat heb ik dan aan het vermaak en zijne bedwelming? Laat
+den wagen keeren en breng mij terug naar mijn paleis."
+
+Ontsteltenis was in de harten van alle hovelingen over deze onaangename
+gebeurtenis, en het ergste was, dat niemand de ongelukkige oorzaak
+er van straffen kon. De oude man was nergens te vinden. De koning
+was buiten zichzelf van droefheid. Soldaten werden uit verwijderde
+districten gesommeerd en vier mijlen in het rond werd een cordon
+getrokken om de andere voorteekenen van den prins verwijderd te
+houden. Langzamerhand echter kwam de koning een weinig tot rust. "Als
+mijn zoon den tuin des geluks ziet, zal hij nimmer een kluizenaar
+worden," had de koning gezegd, doch een belachelijk voorval had
+zijn plan verstoord. Nogmaals zou het echter worden beproefd en de
+voorzorgen werden ditmaal verdubbeld.
+
+Was de prins de eerste maal door de oostpoort uit het zomerpaleis
+gegaan, nu ging hij de zuidpoort uit.
+
+Doch een andere onverwachte gebeurtenis viel er thans voor. Toen
+de prins in zijn wagen uitreed zag hij plotseling vlak bij zich
+een kranke, uitgemergeld, door brandende koorts gekweld. Alleen,
+zonder dat iemand voor hem zorgde, ging hij voort, strompelend,
+met moeite ademhalend.
+
+"Wagenmenner," zeide de prins, "wat heeft deze man, zoo geel en
+weerzinwekkend van uiterlijk, zoo stomp van zinnen, zoo verdord van
+leden. Zijn maag hindert hem, met vuil is hij bedekt. Nauwelijks kan
+hij adem halen."
+
+"Prins," hernam de ander, "dit is ziekte. Deze ongelukkige man is
+door een ernstige krankheid aangetast. Kracht en lust hebben hem
+verlaten. Hij is zonder vriend, zonder hoop, zonder land, zonder
+toevlucht. De vreeze des doods is voor zijne oogen."
+
+"Indien de gezondheid van den mensch," zoo sprak Boeddha, "slechts
+het spel is van een droom, en de vrees voor toekomstig leed zulk een
+gestalte kan teweegbrengen, hoe kunnen dan wijze menschen, die gezien
+hebben wat het leven werkelijk is, toegeven aan de ijdele genietingen
+des levens? Keer terug dienaar, en breng mij naar mijn paleis." De
+vertoornde koning, hoorende wat er geschied was, gaf bevel dat men
+den zieken man zou gevangen nemen en straffen, doch, in weerwil van
+een prijs op zijn hoofd en van zoeken overal kon men hem niet vinden.
+
+Een plaats uit de "Lalita Vistara" [12] geeft deze oplossing: de
+kranke was inderdaad een der geesten uit "het zuivere verblijf"
+(de hemel van Brahma) die deze gedaante had aangenomen. Die geesten
+van het "zuiver verblijf" zijn eigenlijk de Boeddha's, die vóór den
+verlichte hebben geleefd: de Boeddha's van het verleden alzoo. [13]
+
+Ook verhaalt een der zuidelijke geschriften dat de wagenmenner onder
+inspiratie sprak, wat inderdaad voor het verhaal zeer goed past,
+de gesprekken van een koetsier zijn niet altijd zoo verheven.
+
+Het scheen dat een of andere booze invloed koning Suddodhana
+beheerschte, want, onbewogen door het mislukken van zijn plan deed
+hij een derde poging om den prins naar dien tuin van het geluk te
+brengen. Ditmaal ging de weg door de westpoort. Grooter voorzorgen
+dan ooit te voren werden er thans genomen. De keten van wachten werd
+tot op twaalf mijlen van het zomerpaleis uitgezet. Maar wederom
+hielden de Boeddha's der tien horizons den prins tegen. Eensklaps
+was daar een verschijning van een lijkstatie. Een (spook)lichaam,
+naar de gewoonte met modder besmeerd, en met een doek bedekt, werd
+op een baar weggevoerd. (Spook)vrouwen huilden en (spook)muzikanten
+maakten treurmuziek op trommel en fluit. Zonder twijfel zongen ook
+spook-Brahmanen hymnen om het onsterfelijk deel naar de woning der
+vaderen te begeleiden.
+
+"Wat is dit," zeide de prins. "Waarom slaan zich deze vrouwen op de
+borst en trekken zij zich de haren uit? Waarom bedekken deze goede
+menschen hun gelaat met het stof der aarde? En die vreemde gestalte
+op de draagbaar, waarom is zij zoo stijf?
+
+"Prins," zeide de ander, "dit is de dood. Die gestalte, bleek en
+verstijfd, kan nooit meer gaan en zich bewegen. Zijn bewoner is gegaan
+naar de onbekende verblijven van Yama. [14] Zijn vader, zijn moeder,
+zijn kind, zijn vrouw, allen roepen om hem, doch hij kan niet hooren."
+
+Boeddha werd droef te moede.
+
+"Wee u jeugd, die het spel is voor den ouderdom! Wee u gezondheid, die
+de prooi wordt van vele krankheden! Wee u leven, dat als een ademtocht
+henengaat! Wee u ijd'le vermaken, die de menschheid bederven. Doch wat
+de vijf skandha's [15] betreft, daar zal geen ouderdom, ziekte of dood
+zijn. Ga terug naar de stad. Ik moet de bevrijding tot stand brengen."
+
+Een vierde maal werd de prins door zijn vader verzocht den tuin des
+geluks te zien. Ditmaal was de keten der wachten zestien mijlen
+ver in den omtrek opgesteld. Door de noorderpoort reed de prins
+uit. Eensklaps zag men op den weg een man, kalm en vriendelijk van
+uiterlijk, met een okergele monnikskap.
+
+"Wie is deze," vroeg de prins, "zoo vriendelijk en vredig van
+uiterlijk? Hij staart alsof zijn geest ergens anders vertoeft, en een
+schaal heeft hij in de hand." "Prins, dit is het nieuwe leven," sprak
+de wagenmenner. "Deze man is een van diegenen, die op den eeuwigen
+Brahma hun gedachten vestigen. (Brahmacharin). Hij zoekt de goddelijke
+stem en het goddelijk inzicht. De aalmoezenschaal van den heiligen
+bedelaar (bhikshu) draagt hij in de hand. Zijn geest is kalm omdat de
+groote bekoringen van het lager leven hem niet langer kunnen kwellen."
+
+"Zulk een leven begeer ik," zeide de prins, "de lusten van den mensch
+zijn het zeewater gelijk, zij maken den dorst erger in plaats van
+haar te lesschen. Ik wil het goddelijk inzicht bereiken en den mensch
+onsterfelijkheid [16] schenken."
+
+De koning was buiten zichzelf. Bij iedere poort van het zomerpaleis
+werden vijfhonderd zwaargewapende Sakya's geplaatst. Ketens van
+schildwachten omgaven de opgehoogde en versterkte wallen. Een phalanx
+lieftallige vrouwen, met lansen gewapend, was om het bed van den prins
+geposteerd om hem te bewaken. Alles wat de zinnen kon streelen, zoo
+beval de koning, moest bij voortduring aan den prins worden geboden.
+
+"Laat de vrouwen van de zenana (harem) geen oogenblik hun zang en
+spel en vroolijkheid staken. Dat zij schitteren van zijde en fonkelen
+van edelgesteenten."
+
+Maha Prajapati, de tante, die na den dood van koningin Maya Boeddha
+had opgevoed, had het opzicht over deze lieftallige jonge vrouwen en
+spoorde ze aan om den prins in een "gouden kooi" in te sluiten.
+
+Zoo werd Boeddha in verzoeking gebracht. Doch, deden de bewoners
+van Kamaloça (de oorden der lust) hun best, die van Brahmaloça (de
+oorden van den zuiveren geest) lieten, schoon ongezien, toch ook hun
+invloed gevoelen.
+
+Eens toch, toen de prins rustte op een zijden rustbed en vier of vijf
+bruingekleurde grootoogige Indische meisjes voor hem lieflijk zongen,
+namen zijn oogen eensklaps een vreemden glans aan. Wel zag hij nog
+al de schoone guirlandes en het prachtig traliewerk van de zaal, doch
+'t werd dof voor zijn oog. Muziek en stemmen zooals hij nooit te voren
+had gehoord, kwamen nu tot hem als uit de verte. O. a. hoorde hij de
+volgende verzen:
+
+
+"Machtige steun der menschheid, wandel op het pad van de Rishi's [17]
+van ouds. Ga heen uit deze stad!
+
+"Geef op deze troostelooze wereld, als gij de onschatbare kennis der
+Jina's [18] hebt verworven, en een volmaakte Boeddha zijt geworden,
+aan allen den doop van het koninkrijk der gerechtigheid.
+
+"Gij, die eens uw voeten, uw handen, uw kostbaar lichaam opofferdet,
+die vaarwel zeidet alle rijkdommen der wereld, [19] gij, wiens leven
+zuiver is, red het vleesch van zijne ellenden!
+
+"Wees geduldig als gij smadelijk wordt bejegend, o overwinnaar van
+u zelf! Heer van allen, die op twee voeten gaan, ga voort volgens uw
+zending. Verwin het kwaad en zijn leger.
+
+"Licht der wereld, in vroegere levens hebt gij gezegd: Voor
+de werelden, aan dood en ziekte ter prooi, zal ik een toevlucht
+zijn! Leeuw der menschen, heer van hen, die op twee voeten loopen,
+de tijd voor uw zending is gekomen. Verkrijg onsterfelijke waardigheid
+onder den gewijden Bo-boom [20] en geef Amrita [21] aan allen.
+
+"Toen gij een koning waart en een onbescheiden onderdaan sprak tot u:
+"Geef mij deze landen en steden", toen waart gij verheugd en niet
+bedroefd.
+
+"Toen gij een deugdzaam Rishi waart en een wreed koning in woede
+uwe leden afhieuw, toen vlood in uw doodsangst melk uit uw voeten
+en handen.
+
+"Toen gij als Rishi Syama op een berg woonde, en een koning u
+doorboorde met vergiftige pijlen, hebt gij toen dien koning niet
+vergeven?
+
+"Toen gij de koning der antilopen waart, hebt gij toen niet uw vijand,
+den jager, voor een waterstroom beveiligd?
+
+"Toen gij een olifant waart en een jager doorboorde u, hebt gij hem
+niet vergeven en beloond met uwe prachtige slagtanden?
+
+"Toen gij een berin waart, hebt gij een man gered uit een stroom,
+door sneeuw hooggezwollen. Gij voeddet hem met wortels en vruchten
+tot hij sterk werd en, toen hij heenging en menschen meebracht om u
+te dooden, gij vergaaft hem.
+
+"Eens toen gij het witte paard [22] waart, gingt gij, uit medelijden
+met het lijden der menschen, door den hemel naar de plaats der booze
+geesten, opdat gij hun geluk zoudt verzekeren.
+
+"Vervolgingen zonder tal, smaad en herhaalde gevangenis, dood en
+moord: gij hebt het alles gedragen met liefde en geduld, vergevende
+die 't u aandeden.
+
+"Menschen zonder koning kiezen u tot den hunne. Leid hen in den weg van
+Brahma en de tien deugden, opdat, indien zij hun metgezellen verlaten,
+zij allen mogen gaan naar Brahma's verblijf."
+
+Door deze verzen, zegt het verhaal, werd de prins vermaand. En
+terwijl de Jina's deze liederen zongen, trachtten schoone vrouwen,
+met bloemen en reukwerk, juweelen en rijke kleeding hem te brengen
+tot aardsche liefde.
+
+Doch de geesten van het zuiver verblijf ontwerpen nog een nieuw
+plan om hun oogmerken uit te voeren. Zij zorgen dat de prins deze
+verleidelijke vrouwen, deze aanlokselen van Mara den verzoeker en
+Kama, den god der liefde ziet in een nieuw licht. Zij bewegen door
+onmerkbaren invloed den prins om de vertrekken der vrouwen te gaan
+bezien als de Jina's ze in een vasten slaap hebben gebracht.
+
+Alles is in wanorde, de kleederen der vrouwen, heur haar, haar
+sieraden. Sommigen liggen in onbevallige houding op haar rustbedden,
+of hebben een akelig uiterlijk, anderen hoesten of lachen onnoozel
+in hare droomen of ijlen.
+
+Ook misvormingen en vlekken, die de vrouwelijke list zorgvuldig
+verborg, vallen nu, bij de tooverkunst der geesten, in het oog. De
+eene heeft een miskleurigen hals, de andere een slecht gevormd been,
+de derde een lompen vetten arm. Glimlachen zijn grijnzen, betoovering
+is terugstooting geworden. Plomp liggen zij neer, tusschen al haar
+versiersels, luiten en tamboerijnen.
+
+Waarlijk, zeide de prins vol afkeer, ik ben op een kerkhof. 't Wordt
+hem wee om 't harte: nu is de tijd gekomen, om den grooten weg te
+gaan en van al 't aardsche zich los te maken.
+
+Doch hem wacht een zware strijd, een, die echter zijne beslissing
+verhaast. Als hij in den tuin is, waarin hem het vierde gezicht (de
+monnik) is ten deel gevallen, wordt hem geboodschapt dat zijn geliefde
+gade hem een zoon heeft geschonken. Hij zegt "Rahula is mij geboren,
+een nieuwe keten is gesmeed." Hij gevoelt, hoe moeilijk het nu zal zijn
+de banden te breken, die hem binden aan de zijnen en aan de wereld, die
+hem omringt en treurig keert hij naar huis terug. Doch vreugde is er
+in het hart van de dorpsbewoners over de geboorte van den eersteling,
+den kleinzoon van hun rajah. Onder hun triumfgezang keert Boeddha in
+Kapilavastu terug. Als een zijner nichten van vorstelijken bloede
+hem op zijn wagen, in pracht en heerlijkheid, de stad ziet naderen
+geeft zij haar gemoed lucht in de woorden: "Zalig de vader, zalig de
+moeder, zalig de vrouw van zulk een zoon en echtgenoot." De jonge man
+hoort haar woord met aandoening: "wel mag zij zeggen," zoo spreekt
+hij bij zichzelven, "dat er zaligheid in 't moederhart is, als zij
+ziet op het inwendig leven van haar zoon, wel ook is er zaligheid in
+'t hart van den vader en van de echtgenoote. Maar vanwaar komt de ware
+vrede voor het hart?" En in zijn dankbaarheid, dat zij zulke gedachten
+bij hem heeft opgewekt, geeft hij haar zijn paarlsnoer, als het loon
+voor haar goede leer. Evenwel, zij droomt van aardsche liefde, die
+meent zij, door haar is opgewekt in zijn hart. Doch de Boeddha geeft
+zichzelf op de vraag naar den waren vrede een gansch ander antwoord:
+"Als het vuur van de lust is gedoofd, als het vuur van den haat en
+van de verblinding is gebluscht, als ook hoogmoed, dwaling en alle
+zonde en hartstocht is gedoofd, dan vindt het harte ware rust."
+
+Zoo komt het besluit van den Boeddha tot zijn voltooiing. Vóór hij
+zijn geliefde vrouw en al het zijne verlaat, wil hij zijn kind nog
+zien. Daar sluimert de lieve moeder, het bed met bloemen bestrooid,
+de hand over het hoofd van haar kindje uitgestrekt. Hoe gaarne had
+hij zijn zoon een oogenblik in de armen genomen, doch dan zou ook
+de teederminnende echtgenoote ontwaken, en hoe dan zijn besluit te
+volvoeren? Aarzelend gaat hij heen, na een laatsten liefdevollen blik
+op de slapenden te hebben geworpen: als hij een verlichte (Boeddha)
+zal geworden zijn, dan wil hij terugkeeren en zijnen zoon wederzien.
+
+Daar buiten wacht zijn wagenmenner Channa met het eed'le ros Kanthaka
+en voort gaat het in den duisteren nacht, totdat hij, aan de grenzen
+van zijn rijksgebied, dienaar en paard terugzendt om zich bij de
+monniken aan te sluiten en daar in zelfkastijding den waren vrede
+te zoeken.
+
+Spreekt de waarheid in deze verdichtingen niet tot ons aller
+hart? Voelen wij niet mede voor den eed'le wijze, die doorzag de
+vergankelijkheid van al het aardsche en die dorstte naar hooger
+leven? Spreekt tot ons niet die strijd der ziele om een teergeliefde
+vrouw en eenig kind te verlaten voor een toekomst, uit een aardsch
+oogpunt zoo weinig aantrekkelijk?
+
+Doch, de strijd is niet ten einde. Mara, de vorst der duisternis,
+laat hem geenszins met rust en toovert hem voor den geest, dat
+hem binnen een week een wereldrijk over alle landen der wereld
+zal worden geschonken als hij zijn onderneming opgeeft. Doch neen,
+de verzoeking vindt geen ingang, 't is niet te doen om een aardsch
+rijk. Hij versmaadt de koningskroon. Zijn vrouwen, zijn paleis,
+zijn schatten, alles verlaat hij om in de wildernis te peinzen over
+de goddelijke dingen.
+
+Doch, Mara laat slechts af voor een tijd: vroeg of laat zal er wel
+een booze gedachte opkomen in 't hart van den vromen strijder; dan zal
+hij hem beheerschen. En, als een schaduw volgt hij den wijze. Boeddha
+dan sluit zich aan bij een groep van kluizenaars, die in de holen
+van een berghelling nabij Rajagriha leven. Niet al te ver van de stad
+verwijderd, leven zij toch in de eenzaamheid van het woud. Alara en
+later Udraka, Brahmaansche leeraars, worden thans zijne leermeesters,
+met wie hij vele gesprekken voert. Door een voortgezette overpeinzing,
+waarbij men zich van al 't aardsche tracht te scheiden, zoo zelfs dat
+men ten slotte aan niets bepaalds denkt, poogt hij zichzelf te brengen
+tot het eeuwige, tot de rust, boven alles verheven. Evenwel, zijn
+peinzen geeft hem den vrede niet. Daarom verlaat hij de kluizenaars
+om zich geheel alleen in de eenzaamheid van het woud aan strenge
+zelfkastijding en boetedoening over te geven.
+
+Daar zit hij terneder in de diepten van het woud van Uruvela. De tong
+drukt hij tegen het verhemelte, met geweld de gedachten vasthoudend, in
+zelfkwelling wachtend op het oogenblik dat de bovenaardsche verlichting
+over hem komen zal. Doch zij komt niet. Hij worstelt om steeds meer
+van al 't aardsche los te komen, den adem houdt hij in, van voedsel
+onthoudt hij zich. Met bewondering zien vijf andere asceten tot hem
+op. Bij zoo strenge zelfkastijding moet hij het licht wel deelachtig
+worden, straks zullen zij hem volgen op den weg der verlossing. Zijn
+lichaam is door pijn en smart geknakt, tot een schaduw van een mensch
+is hij geworden, doch het doel wordt niet bereikt. Eindelijk valt
+hij flauw en uitgeput neder, de leerlingen meenen dat hij dood is,
+doch hij komt weer bij.
+
+Thans echter geeft hij zijn zelfkastijding op en gaat naar het meest
+nabijzijnde dorp om voedsel tot zich te nemen. Dat is te veel voor zijn
+leerlingen, in hun oog is hij gevallen van het voetstuk der heiligheid
+en zij, zij laten hem alleen, juist nu zijn wankelend geloof zooveel
+behoefte had aan de trouwe steun en vereering der zijnen.
+
+Boeddha wandelt voort, tot aan de oevers van de rivier Nairanjara. Daar
+brengt hem de dochter van een landman zijn morgenmaaltijd, een schotel
+melk. Onder de schaduw van een Bo-boom (ficus religiosus) zet hij zich
+ter neer. De lange uren van den dag gaan in overpeinzing voorbij. Noch
+het wijsgeerig denken, noch de strenge boetedoeningen hebben hem vrede
+gebracht. Wat heeft hem alles gebaat? Mara toovert hem voor oogen
+de zoete vreugde van huiselijkheid en liefde, van rijkdom en macht:
+van alles waarvan hij afscheid nam. Hoe gemakkelijk kon hij dat alles
+weer bereiken, hoe hartelijk zou hij thuis worden ontvangen. Doch,
+moest dan al zijn inspanning verloren moeite zijn? Was er geen vasten
+grond om op te bouwen? Zoo streed hij een moeilijken strijd, door de
+overlevering gehuld in het phantastisch kleed van een heirleger booze
+geesten, dat op hem aanviel, terwijl hemel en aarde in beweging waren.
+
+Doch, de strijd bracht de overwinning. Onder den boom der verlichting
+kwam hij in steeds reinere aanschouwing. Al het zinlijke verzonk;
+een gevoel van alles doordringende wetenschap kwam over hem: in een
+alles doorschouwend geestelijk zien bespeurde hij de kronkelwegen,
+die de geesten in hun zielsverhuizing bewandelen; hij zag de bron
+van het lijden en den weg, die tot vernietiging van het lijden voerde.
+
+Nog zeven dagen vertoeft hij onder den heiligen boom; peinzend
+over 's levens raadselen, waarvan hij nu de oplossing heeft
+gevonden. En, als hij dan eind'lijk opstaat is alles hem volkomen
+klaar geworden. Eindelooze levens zijn het, die hij zelf reeds
+doorloopen heeft, en die ieder mensch doorloopt; in ieder volgend
+leven maaiend, wat hij in vroegere levens heeft gezaaid; totdat hij
+eindelijk, van alle begeerte gereinigd, van allen dorst bevrijd,
+ingaat tot den grooten vrede. Werelden zag hij, eind'loos in getal,
+allen beheerscht door eene macht, die wel doet: wie haar gehoorzaamt,
+wreekt: wie haar gebod miskent. Altijd weer in ieder leven het leed,
+als de onontkoombare schaduw van 't leven zelf, waaraan men eerst
+ontkomt, indien alle lust is verdoofd, alle begoocheling der zinnen is
+weggenomen en men komt tot Nirvana, 't allerhoogste heil, dat tijd noch
+wisseling kent. In te zien dat men niets moet wenschen of begeeren, dat
+de dorst (Trishna) de bron is van alle lijden, dat is de verlossing. En
+van zijn lippen vloeit het, door 't gansch heelal verstaan:
+
+
+ Menige existentie heb ik doorloopen.
+ Al zoekende, doch vruchteloos,
+ Naar den bewerker van den greep. [23]
+ Smartlijk toch is herhaalde wedergeboorte,
+ Veroorzaker van den greep, nu zijt gij ontdekt!
+ Geen huis zult gij meer bouwen,
+ Al uw ribben zijn gebroken,
+ De dekkende spits heeft losgelaten.
+ De geest is los geworden,
+ De gulzigheid heeft een einde genomen. [24]
+
+
+Zoover nu was de Boeddha gevorderd; aanstonds kon hij bereiken den
+grooten vrede; alle hartstocht, alle begeerte, alle dorst naar genot
+was in hem overwonnen. Waarom thans niet het Nirvana in te gaan?
+
+Met die vraag kwam nu andermaal de vorst der duisternis tot hem. "Nu,
+Tathagata (volkomene) is de tijd voor u gekomen." Doch de verhevene,
+antwoordde: "Gij booze, ik zal niet ingaan tot den Grooten Vrede,
+voor ik mij monniken tot leerlingen heb gewonnen, die de ware leer
+verkondigen, en nonnen die haar verbreiden. Eerst moet de weg des
+heils verbreid worden onder alle volken en hun worden bekend gemaakt."
+
+Ziedaar, wat voor den vromen Boeddhist een bron is van vreugde en
+dankbaarheid. Boeddha had, toen hij de verlichte was geworden,
+aanstonds in het Nirvana kunnen ingaan, toch, uit liefde tot de
+menschen blijft hij leven te midden van het lijden van het aardsch
+bestaan.
+
+Doch, zou zijn prediking worden verstaan? In den geest van den
+verhevene steeg, toen hij in de eenzaamheid vertoefde, deze gedachte
+op: de diepe waarheid die zoo moeilijk is te zien en te verstaan,
+heb ik erkend; de vredebrengende, de verhevene, die alle denken
+te boven gaat, de beteekenisvolle, die alleen de wijze in zich kan
+opnemen. Door aardsche beweegredenen wordt de menschheid gedreven,
+daarin vindt zij haar grondslag en haar lust. Voor die menschheid zal
+zwaar zijn om te verstaan de wet van oorzaak en werkingen, het tot
+rust komen van iederen levensvorm, het losworden van al het aardsche,
+het uitdooven der begeerte, het ophouden van het verlangen, het einde,
+het Nirvana. Als ik nu de leer verkondig en men mij niet verstaat,
+dan brengt het mij slechts uitputting en moeite. [25]
+
+En, den verhevene kwam telkens voor den geest de volgende spreuk:
+
+
+ Waarom der wereld openbaren, wat 'k in zwaren strijd verwierf?
+ De waarheid blijft voor die begeeren en haten toch verborgenheid,
+ Want zij is diep, geheimnisvol, voor groven zin bedekt,
+ Wien aardsch bedenken 't zielelicht verduistert kan haar niet
+ aanschouwen.
+
+
+En het hart van den verhevene was geneigd in rust te volharden en
+de leer niet te prediken. Doch Brahma Sahampati (de hoogste God)
+zag de gedachten des heiligen en sprak tot zichzelf: "Ondergaan,
+ja ondergaan zal de wereld, als het hart des volkomenen geneigd is
+in rust te volharden en de leer niet te prediken."
+
+Toen verliet Brahma den hoogen heuvel, zoo snel als een man zijn
+arm kromt en stond voor den verhevene. Brahma ontblootte zijn
+eenen schouder [26], boog de rechterknie ter aarde en sprak tot den
+verhevene aldus:
+
+"Moge de Verhevene, Heer, de leer prediken, moge de Volkomene de leer
+prediken. Er zijn wezens, die rein zijn van het stof der aarde, doch,
+indien zij de prediking der leer niet hooren, gaan zij te gronde,
+zij zullen belijders der leer worden."
+
+En, vervolgt hij:
+
+
+ Tot nu toe heerschten, in het land van Magadha,
+ Onreine zeden, zond'ger menschen leer.
+ Gij wijz', ontsluit de poort der eeuwigheid.
+ Doe hooren, wat gij, zondelooz', erkent,
+ Wie staat daar boven op der rotsen kruin,
+ Zijn blik gaat verder dan het oog der schaar,
+ Zoo stijg, o wijz', omhoog, daar waar
+ Der waarheid tempel rijst hoog boven 't aardsch gewemel,
+ En gij, die boven 't lijden zijt verheven,
+ Zie daar omlaag, de menschheid, door geboort' en ouderdom gekweld,
+ Sta op, o strijdb're held, ga overwinnend
+ De wereld door, gids zonder vlek of feil,
+ Verhef uw stem, o heer, want velen zullen hooren.
+
+
+Die bede wordt tot driemaal herhaald, als Boeddha zijn twijfel
+uitspreekt, of het verkondigen der waarheid niet vruchteloos zal
+zijn. Eindelijk geeft Boeddha toe; hij ziet met zijn oog des lichts
+de wereld, hij aanschouwt daar wezens, wier zielen rein zijn en wier
+zielen niet rein zijn van het stof der wereld, wezens scherp en stomp
+van zinnen, edelen en onedelen, goede en slechte hoorders van zijn
+woorden, velen, die in vrees leven voor het toekomstig leven en voor
+de zonden. En dan spreekt hij tot Brahma:
+
+
+ "Geopend zij voor allen, de poort der eeuwigheid,
+ Wie ooren heeft, hij hoore en geloove 't woord,
+ Ik dacht, aan eigen leed, daarom heb ik, o Brahma,
+ Het eed'le woord nog niet der wereld meegedeeld."
+
+
+Zoo zag dan Brahma, dat de verhevene zijn bede zou vervullen en het
+woord prediken. Toen boog hij zich voor den verhevene, ging eerbiedig
+rondom hem en verdween.
+
+Zoo schetst ons de legende, hoe de verlichte tot het vast besluit
+kwam om aan de wereld den weg des heils te verkondigen.
+
+
+
+
+
+II. Boeddha als prediker van den weg des heils.
+
+
+Hoe Boeddha dit deed, willen wij thans zien. Volgens de legende ging
+hij allereerst naar het woud van Benares, het wildpark Isipatana,
+waar de vijf asceten zich ophielden, die eens zijne leerlingen waren,
+doch zich van hem afkeerden, toen hij, na strenge vasten, weer
+gewoon voedsel ging gebruiken. [27] Uit de verte zien de monniken
+den verhevene naderen. "Vrienden", zoo zeggen zij tegen elkaar,
+"daar komt de asceet Gautama, die in overvloed leeft, en zijn heilig
+streven heeft opgegeven. Eerbied willen wij hem niet bewijzen, wij
+zullen niet voor hem opstaan, hem niet zijn almoezenschaal en zijn
+opperkleed afnemen, maar wij willen hem een plaats inruimen, als hij
+wil kan hij gaan zitten." [28]
+
+Doch toen de verhevene naderbij kwam, konden de monniken toch niet
+bij dit besluit blijven; zij gingen den verhevene tegemoet, de een
+ontlastte hem van aalmoezenschaal en opperkleed, de ander maakte
+een plaats voor hem gereed, een derde gaf hem water om de voeten te
+wasschen en een bankje om de voeten op neer te zetten. De verhevene
+zette zich neer op de voor hem bestemde plaats en wiesch zijne voeten.
+
+Als zij dan vervolgens hun twijfel te kennen gaven hoe Gautama,
+nadat hij door strengheid en zelfkastijding de volle heerlijkheid
+van het weten en zien van het heilige niet kon bereiken, nu de
+bovenmenschelijke volkomenheid, de volle heerlijkheid van weten
+en erkennen van het heilige zou bereikt hebben bij een leven van
+overvloed, antwoordt de verhevene als volgt:
+
+"De Tathagata, [29] o monniken, leeft niet in overvloed, hij heeft
+zijn streven niet opgegeven en zich tot den overvloed gekeerd. De
+Tathagata, monniken, is de heilige, hoogste Boeddha. Doet uwe ooren
+open, o monniken, de verlossing van den dood is gevonden, ik onderwijs
+u, ik predik de leer. Als gij overeenkomstig mijn onderwijzing wandelt,
+zal u binnen een kleinen tijd ten deel vallen de hoogste voleindiging
+van een heilig streven: dat waarom edele jongelingen hun huis verlaten,
+om zonder huis te leven; nog in dit leven zult gij de waarheid zelve
+erkennen en haar zien van aangezicht tot aangezicht."
+
+En, als de verhevene deze redenen nog een paar malen heeft herhaald,
+dan vraagt hij aan de monniken: "Erkent gij niet, o monniken, dat ik
+vroeger nooit zoo tot u gesproken heb?" "Dat hebt gij niet, heer." Na
+antwoord en wederantwoord leert dan de verlichte aldus:
+
+"Twee wegen zijn er, o monniken, waarvan verre moet blijven, die een
+geestelijk leven wil leiden. Welke beide wegen zijn dat? De eene
+weg is een leven van genietingen, overgegeven aan lust en genot,
+dat is min, onedel, ongeestelijk, onwaardig, nietsbeteekenend. De
+andere weg is een leven van zelfpijniging, dat is droevig, onwaardig,
+nietsbeteekenend. Van beide deze wegen, o monniken, is de voleindigde
+ver; hij heeft den weg van het midden leeren kennen, den weg, die
+het oog opent en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot
+verlichting, tot Nirvana [30] leidt. En welke, o monniken, is deze
+weg van het midden, dien de Tathagata heeft erkend, die, welke het oog
+opent en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot verlichting,
+tot Nirvana voert? Het is het heilige achtvoudige pad, dat wil
+zeggen: goed inzien, (vrij van wangeloof); goed bedoelen, (verheven,
+den ernstigen man waardig); goed spreken, (vriendelijk, openhartig,
+waar); goed handelen, (vreedzaam, eerlijk zijn); goed leven, (zonder
+een levend wezen te deren); goed streven, (door zichzelf in tucht te
+houden); goed gedenken, (waakzaamheid des geestes); goed bespiegelen,
+(zich verdiepen in de mysteriën des levens). Dit, o monniken, is
+de weg van het midden, dien de voleindigde heeft erkend, die het
+oog en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot verlichting,
+tot Nirvana voert."
+
+Wat nu is het dat tot het betreden van dit achtvoudig pad moet
+dringen? De verlichte wijst zijn vroegere leerlingen op vier heilige
+waarheden: het lijden, de oorzaak van het lijden, de opheffing van
+het lijden, de weg tot de opheffing van het lijden.
+
+"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van het lijden: geboorte is
+lijden, ouderdom is lijden, dood is lijden, met wat men niet liefheeft
+vereenigd te zijn is lijden, van wat men liefheeft gescheiden te zijn
+is lijden, niet verkrijgen wat men begeert is lijden: in één woord,
+de vijfvoudige [31] gehechtheid is lijden.
+
+"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van het ontstaan des lijdens:
+de dorst [32] is het, die van wedergeboorte tot wedergeboorte voert,
+namelijk de dorst naar lust, naar worden, naar ontstaan [33],
+naar macht.
+
+"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van de opheffing van het
+lijden: dien dorst opheffen door geheele vernietiging der begeerte;
+hem varen laten, zich van hem ontdoen, zich van hem losmaken, hem
+geen plaats geven.
+
+"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van den weg tot opheffing
+van het lijden: het is het heilige achtvoudige pad; d. i. goed inzien
+(enz.)
+
+"Zoolang ik, o monniken, van deze vier heilige waarheden deze ware
+erkentenis niet had, zoolang wist ik ook dat ik nog niet in deze wereld
+en in die der goden, benevens in de wereld van Brahma en die van Mara,
+onder alle wezens, onder asceten en Brahmanen, onder goden en menschen,
+de hoogste verlichting bereikt had. Doch nu heb ik die verlichting
+gevonden èn: onverliesbaar is de verlossing van mijn geest, dit is
+mijn laatste geboorte, voor mij komen er geen nieuwe geboorten meer."
+
+Ziehier de bekende prediking van Benares. Al moge zij wellicht
+niet letterlijk weergeven wat de Meester zelf heeft gesproken, toch
+vinden wij hier de grondlijnen van het oorspronkelijk Boeddhisme. De
+verlossing van het lijden te bereiken door alle begeerte af te sterven,
+zoodat men geen wedergeboorte meer noodig heeft, ziedaar het hoofdpunt,
+waar het op aankomt. Zoolang de mensch lusten en begeerten voedt,
+zoolang werkt zijn leven voort, en moet telkens een nieuwe geboorte
+plaats hebben. Alle lust, alle begeerte uitdooven is het hoogste
+streven, dan wordt men boven alle lijden verheven en gaat tot
+Nirvana in.
+
+Het praktische staat dus op den voorgrond. Het leven, zoo erkent de
+verlichte, is noodzakelijk vol van lijden; geboorte, ziekte, dood, het
+beteekent alles lijden. Hoe moet de mensch daarvan verlost worden? Door
+boven alle begeerte verheven te worden, en alzoo aan het leven, dat
+lijden is, te ontkomen. Want, juist de dorst, de begeerte doemt den
+mensch om telkens weer geboren te worden tot nieuw lijden. Is hij van
+alle begeerte bevrijd, dan behoeft hij niet meer te worden geboren:
+hij komt tot Nirvana. Tot vernietiging? Neen, doch tot een zijn,
+boven al 't aardsche verheven. Doch, wij komen hierop nog nader terug,
+wij willen eerst den verlichte nog volgen op zijn verderen loopbaan.
+
+De vijf vroegere metgezellen waren dan de eersten, die zich
+bekeerden. Zij vragen hem om als zijn leerlingen te worden
+opgenomen. "Komt hier, o monniken," luidt dan zijn woord [34], "wèl
+verkondigd is de leer, wandelt in heiligheid om aan alle lijden een
+einde te maken." Zoo vormde dan Boeddha zijne gemeente. Een nieuwe
+rede over de onbestendigheid en de onwezenlijkheid van al het aardsche
+bewerkt dan dat de ziel dier vijf jongeren den toestand van zondelooze
+heiligheid bereikt. "In dien tijd", zoo zegt een oud bericht, "waren
+er zes heiligen in de wereld: Boeddha zelf en deze vijf jongeren."
+
+Straks echter breidt zich de gemeente uit, al spoedig sluiten zich tal
+van asceten, kluizenaars in de wouden van Uruvela, bij hem aan. Ook
+koning Bimbisara trekt, als Boeddha straks zijn hoofdstad Rajagriha
+genaakt, met een groot gevolg den verlichte te gemoet. Hij treedt als
+leek [35] tot de geestverwanten van den verhevene toe en blijft zijn
+leven lang een zijner trouwste beschermers.
+
+Ook werden toen Sariputta en Mogallana, die beiden later geëerd
+werden als de twee voornaamste leerlingen, voor de gemeente van den
+Verlichte gewonnen. Beide jongelingen waren van Brahmaansche afkomst,
+en erkenden zekeren Sanjaya, een bedelmonnik, als hun geestelijk
+hoofd. Innig was hun vriendschapsverbond, zij hadden elkaar beloofd,
+dat diegene van hen, die het eerst de verlossing van den dood bereikte,
+het den ander aanstonds zou meedeelen.
+
+Op zekeren dag zag Sariputta een van Boeddha's leerlingen, Assaji
+geheeten, bezig om in de straten van Rajagriha aalmoezen in te
+zamelen, rustig en waardig, den blik naar den grond gericht. Toen
+hij hem zag dacht hij: "Dat is een van de monniken, die heilig
+zijn in de wereld. Ik zal tot hem gaan en hem vragen: "Vriend, in
+wiens naam hebt gij de wereld vaarwel gezegd? Wie is uw meester en
+wiens leer erkent gij?"" Doch Sariputta bedacht: "'t Is nu niet de
+rechte tijd om het dezen monnik te vragen. Hij gaat langs de huizen
+en verzamelt aalmoezen. Ik zal hem achterna gaan, gelijk men iemand
+volgt van wien men iets begeert." Toen echter de eerwaardige Assaji
+te Rajagriha aalmoezen had ingezameld, nam hij de ontvangen gaven en
+keerde terug. Na de gebruikelijke begroetingen sprak Sariputta tot
+den eerwaardigen Assaji: "Uw gelaat, o vriend, staat helder, uw kleur
+is frisch en klaar. In wiens naam hebt gij de wereld vaarwel gezegd
+en wie is uw meester? En wiens leer erkent gij?" "Mijn meester is,"
+luidde het antwoord, "de groote Samana [36] uit het huis van Sakya,
+die de wereld is ontvloden. In naam van hem, den verhevene, heb
+ik de wereld verlaten. De verhevene is mijn meester en zijne leer
+erken ik. En wat zegt uw meester vriend, en wat leert hij?" "Ik ben
+nog een nieuweling vriend, nog niet lang heb ik de wereld verlaten,
+ik ben eerst sinds kort tot deze leer en deze orde gekomen. Niet in
+haar volle uitgebreidheid kan ik u de leer verkondigen, maar haar
+korten zin kan ik u zeggen." Toen sprak Sariputta, de bedelmonnik,
+tot den eerwaardigen Assaji: "Zoo zij het vriend, zeg mij weinig
+of veel, maar spreek mij van den zin (der leer), daarnaar alleen
+verlang ik, wat wil ik mij veel om de letter bekommeren?" Toen sprak
+de eerwaardige Assaji tot Sariputta dit woord der leer: "De wezens,
+die uit ééne oorzaak vlieten, hun oorsprong leert de voleindigde en
+het einde dat zij nemen: dat is de leer van den grooten Samana." [37]
+
+Toen Sariputta deze woorden hoorde ging hem het licht der waarheid
+op, hij begreep dat "alles wat aan ontstaan zijn aanzijn dankt,
+ook moet vergaan." Daarom zeide hij tot Assaji: "Al was de les ook
+niets anders dan dit, zoo hebt gij toch de plaats bereikt, waar geen
+lijden meer is. Wat in tallooze wereldtijdperken niet is gezien,
+thans is het tot ons gekomen."
+
+Dan gaat Sariputta tot Mogallana, zijn vriend. "Uw gelaat, o vriend,
+zegt Mogallana, is helder, uw kleur is frisch en klaar. Hebt gij de
+verlossing van den dood gevonden?" Het antwoord luidt toestemmend,
+hij verhaalt van zijne ontmoeting met Assaji, en ook aan Mogallana
+gaat het licht der waarheid op, het reine, wolkelooze. Te vergeefs
+tracht hun meester Sanjaya hen tegen te houden. Met groote scharen van
+asceten gaan zij naar het bosch, waar Boeddha woont: Sanjaya komt een
+stroom bloed uit den mond. Boeddha ziet de beide jongelingen naderen
+en verkondigt aan zijne omgeving, dat zij de edelsten en besten
+onder zijne jongeren zullen zijn. Beiden ontvangen van Boeddha zelf
+de wijding.
+
+Zoo traden velen toe; doch er was ook tegenstand. Hetzelfde oude
+verhaal, waaruit wij deze geschiedenis ontleenden, [38] deelt ons
+mede hoe het volk murmureerde: de asceet Gautama, zeiden zij, is
+gekomen om kinderloosheid, om weduwschap, om ondergang der familie
+te brengen. Zij waren bevreesd voor de toekomst, als zoovelen der
+edelste jongelingen tot den verlichte gingen. Geen wonder: waar moest
+het heen, indien de gelofte van kuischheid zoo algemeen werd, met de
+toekomst des volks? De Brahmanen vorderden die kuischheid alleen van
+de jeugd en den ouderdom, maar deze ontrukte aan het maatschappelijk
+leven de mannen, die een gelukkig gezin zouden kunnen stichten.
+
+Doch, de verlichte liet zich door deze bezwaren niet van zijn doel
+afvoeren. Al schold men hem en de zijnen met de woorden:
+
+
+ De groote monnik komt getogen naar Magadha's bergstad heen.
+ De Sanjaya's [39] bekeert hij allen, wanneer bekeert hij wel
+ zichzelf?
+
+
+Zij antwoorden:
+
+
+ De helden, de voleindigden, bekeeren door hun waarachtig woord,
+ Wie zal smaden, den Verlichte, die bekeert door der waarheid macht?
+
+
+In ieder geval, het Boeddhisme wist zich glansrijk te handhaven en
+nam hand over hand toe.
+
+Boeddha's bloedverwanten waren niet onbekend gebleven met zijne
+lotwisselingen en zijn vader, Suddodhana, noodigde hem uit om zijn
+geboortestad te bezoeken, opdat hij zijn ouden vader nog eens zou
+zien, voor deze stierf. De verlichte ging dus op weg en nam zijn
+verblijf in een boschje buiten de stad. Daar kwamen zijn vader, zijn
+ooms en anderen hem opzoeken: doch deze laatsten waren niet bizonder
+ingenomen met hun bedelenden stadgenoot: zij namen daarom ook geen
+levensmiddelen voor hem mede, al was dit anders de gewoonte tegenover
+heilige kluizenaars.
+
+Den volgenden dag ging Gautama, door zijn leerlingen vergezeld, met
+zijn schaal rond om zijn voedsel te bedelen. Eerst wilde hij bij de
+stadspoort gekomen, regelrecht naar het paleis van den rajah gaan; doch
+hij besloot zich aan den gewonen regel te houden, volgens welke een
+bedelaar van huis tot huis gaat. Men begrijpt dat de rajah al spoedig
+vernam dat zijn zoon bedelend door de straten ging: iets wat hem lang
+niet aanstond. Hij haastte zich dezen te gemoet te gaan en sprak:
+
+"Waarom, meester, doet gij ons schande aan door te bedelen om uw
+voedsel? Meent gij dat wij zoovele bedelaars niet kunnen voeden?" "O,
+groote rajah," was het antwoord, "dit is de gewoonte van ons
+allen." "Doch," luidde het wederantwoord, "wij stammen af van een
+beroemd geslacht van krijgslieden en niet één van hen heeft ooit zijn
+brood gebedeld."
+
+"Gij en uw familie," hernam Gautama, "moogt u beroemen van koningen
+af te stammen, mijn geslacht is dat der profeten [40] van ouds en zij
+hebben altijd van aalmoezen geleefd, die zij bijeen bedelden. Doch,
+mijn vader, indien een mensch een verborgen schat heeft gevonden, is
+het zijn eerste plicht om aan zijn vader de kostbaarste juweelen aan
+te bieden." Overeenkomstig dit woord richtte hij zich in de volgende
+verzen tot zijn vader: [41]
+
+
+ Sta op, vertoef toch niet,
+ Betracht het rechte, ware leven,
+ Die deugd beoefent, hij vindt rust.
+ In dit en in een volgend zijn.
+ Volg niet het kwaad!
+ Die deugd beoefent, hij vindt rust
+ In dit en in een volgend zijn.
+
+
+Suddhodana antwoordde niet, doch nam de schaal van zijn zoon over
+en leidde dezen het huis binnen, waar de familieleden hem hulde
+brachten. Doch Yaçodhara kwam niet. "Indien ik," zoo sprak zij,
+"eenige waarde heb in zijn oog, dan zal hij zelf komen en kan ik hem
+beter hier begroeten."
+
+Gautama bemerkte haar afwezigheid, en, gevolgd door twee zijner
+leerlingen ging hij naar de plaats, waar zij zich bevond, nadat hij
+hun eerst had gezegd, dat zij haar niet zouden tegenhouden, indien
+zij trachtte hem te omhelzen, hoewel anders geen lid der orde een
+vrouw mocht aanraken of door haar aangeraakt mocht worden.
+
+Daar zag zij hem binnentreden, den eens zoo geliefden echtgenoot,
+nu een monnik, in 't geel gekleed met gladgeschoren hoofd en
+aangezicht. Zij wist wel dat hij er zoo zou uitzien, doch zij kon zich
+toch niet inhouden. Zij viel op den grond neer, greep zijne voeten
+en barstte in tranen uit. Toen herinnerde zij zich de onoverkomelijke
+kloof tusschen hen beiden, stond op en plaatste zich naast hem.
+
+De rajah sprak haar aan; hij deelde Gautama mede dat zij hem altijd
+was blijven liefhebben. Alle weelde, die hij zich had ontzegd, had
+zij zichzelve ook onthouden, slechts één maaltijd nam zij iederen
+dag, en zij sliep niet in een bed, maar op een mat, uitgespreid
+op de vloer. Boeddha schijnt toen niet veel te hebben geantwoord,
+alleen vermelden ons de bronnen dat hij een Jataka-geschiedenis
+[42] verhaalde over haar deugd in een vroeger bestaan. Zij werd
+een ernstig onderzoekster der nieuwe leer, en toen Boeddha later,
+eigenlijk tegen zijn zin, doch door de omstandigheden gedwongen,
+een orde van nonnen instelde, was zijn verlaten vrouw een der eerste
+leden dezer orde. Ook zijn zoon, Rahula, en zijn broeder, Nanda,
+werden als monniken in de orde opgenomen.
+
+Overigens vinden wij over dezen tijd van Boeddha's leven,
+het veertigtal jaren tusschen den aanvang zijner prediking en
+het einde zijner loopbaan, wel eenige gesprekken of uitspraken,
+maar geen geregeld verhaal. Toch, een beeld van de wijze waarop de
+verlichte leefde en werkte, kunnen wij ons daaruit wel vormen. Hoe
+dan hebben wij ons het leven van den Meester en zijn leerlingen
+voor te stellen? Allereerst staat vast dat voor hen, zoo goed als
+voor andere asceten, het jaar in twee afwisselende tijdperken was
+verdeeld; de regentijd, waarin men zich rustig in zijn verblijf hield,
+de zoogenaamde "was"tijd, waarin meer bepaald de leerlingen zelf werden
+onderricht in de moeilijkste deelen der leer, en het overige deel des
+jaars, waarin de verlichte en zijne leerlingen leerend en predikend het
+land doortrokken. Die verdeeling des jaars was door de natuur zelve
+aangewezen en onvermijdelijk; trouwens indien men in den regentijd
+had willen rondtrekken had men dat niet kunnen doen zonder tallooze
+planten en kleine dieren onwillekeurig te dooden: geheel in strijd
+met de leer van den verlichte, die ook het kleinste leven heilig houdt.
+
+In dien regentijd was de verlichte door tal van jongeren omgeven, en
+de aanzienlijken des lands beijverden zich om voor hem en de zijnen
+te zorgen. Later ging men wederom uiteen en Boeddha en zijn jongeren
+reisden langs de groote wegen, soms door vrienden geherbergd, maar
+gewoonlijk rustend en overnachtend onder de boomen des wouds. Vorsten
+en aanzienlijken waren echter vaak de dakloozen ter wille: zoo
+vernemen wij dat koning Bimbisara, van wiens bekeering wij reeds gewag
+maakten, een zijner bosschen of parken, het Veluvana (bamboeswoud)
+ter beschikking stelde van den verlichte, en dat de groote koopman
+Anathapindika, hem het nog beroemder Jetavana-park schonk: een park,
+dat naar luid der legende, door dezen koopman voor zooveel goud was
+gekocht, dat het den bodem van het gansche terrein kon bedekken.
+
+Sommige schrijvers stellen zich voor dat ook toen reeds de monniken
+in Vihara's, kloosters, woonden. Doch, om verschillende redenen
+is dit niet waarschijnlijk te achten; de propaganda vereischte
+juist personen zonder vast tehuis en oude berichten teekenen ons de
+"monniken van Sakya" als levende onder de boomen des velds; de boomen,
+waar immers ook voorheen de "Rishi's," de oude zieners, geacht werden
+hun openbaringen te ontvangen. Ook uitspraken van Megasthenes, een
+gezant van koning Seleucus Nicator van Syrië (302-298 v. Christus)
+spreken van Boeddha's volgelingen als van personen, die, noch in de
+steden wonen, noch een dak hebben boven hun hoofd, maar die gekleed
+zijn in boombast, met noten zich voeden en water drinken uit de
+hand. Ook wordt in datzelfde bericht van hen gezegd "dat zij geen
+huwelijk kennen, noch kinderen verwekken."
+
+Dus, gansch iets anders dan leven in Vihara's. En ofschoon nu dat
+getuigenis betrekking heeft op een tijd, lang na Boeddha's dood,
+mogen wij het er toch voor houden, dat het in de dagen van den
+verlichte niet anders was. Hij toch zeide tot zijn volgelingen,
+"Een groote plicht rust op u, te werken voor het heil van menschen
+en geesten. Laten wij uiteengaan, ieder in verschillende richting,
+geen twee op hetzelfde pad. Ga en predik Dharma [43]."
+
+In "de twaalf voorschriften", een noordelijke bron, m. a. w. ontleend
+aan een heilige schrift der noordelijke Boeddhisten, wordt aan de
+"bedelaarstroep" zooals Boeddha zijn volgelingen noemde, uitdrukkelijk
+verboden om een ander dak te hebben dan een boom. Hun eenige zitplaats
+mag de moeder aarde zijn. Hun kleeren lompen van de mesthoop of het
+kerkhof. De boom, die den bedelaar beschut, moet liefst op een kerkhof
+staan. Niet tweemaal mag hij slapen onder denzelfden boom.
+
+Nu is het wel zeker, dat deze "twaalf voorschriften" een strengere
+ascese vertegenwoordigen dan het oorspronkelijk Boeddhisme, doch,
+de voorstelling dat Boeddha en zijn volgelingen overal in sierlijke
+"vihara's" waren gehuisvest is toch zeker niet juist. Mij komt het
+voor dat zij een zwervend leven leidden, in grooten eenvoud, doch
+niet zoo, dat zij zich aan alle maatschappelijk verkeer onttrokken,
+dat immers noodig was om hun leer tot allen te brengen.
+
+Zoo lezen wij b.v. van aanzienlijken, die den verhevene ter maaltijd
+noodden, van Brahmanen-leerlingen, die in een twistgesprek met den
+beroemden leeraar hun sporen trachtten te verdienen, van tegenstanders,
+die hem strikvragen deden. Daarbij worden zij dan natuurlijk dikwerf
+overwonnen, en menigmaal lezen wij dan hoe zij den verlichte en zijn
+leerlingen het verzoek doen: moge de heer, de verhevene, morgen bij
+mij met zijn leerlingen het middagmaal komen gebruiken. Boeddha geeft
+door zwijgen zijn toestemming te kennen. Is dan den volgenden dag de
+maaltijd gereed, zoo zendt de gastheer een bode met het verzoek: "het
+is tijd, heer, de maaltijd is bereid." Daarop neemt dan Boeddha zijn
+aalmoezenschaal en opperkleed en gaat met de zijnen ter maaltijd. De
+gastheer en zijn familie bedienen zelf hun gasten. Is de maaltijd
+geëindigd, dan worden de handen gewasschen, de gastheer neemt met
+de zijnen aan Boeddha's zijde plaats en deze richt tot hen een woord
+van vermaning en leering.
+
+Had men op een dag geen uitnoodiging, dan onderneemt Boeddha zijn
+bedelgang door stad of dorp, nadat eerst de vroege morgenuren in
+geestelijke oefeningen of in het verkeer met de leerlingen zijn
+doorgebracht. Zwijgend ging dan de man, wiens naam door gansch Indië
+werd genoemd, voor wien koningen bogen, met zijn schaal rond, met
+neergeslagen blik, zonder te spreken afwachtend of men hem eenige
+spijze zou geven. Was die rondgang afgeloopen, dan noodde de middag
+tot rust in de koelte van het woud, totdat de avond aanbrak en hij weer
+onder de menschen optrad, vriend en vijand leerend en onderrichtend.
+
+Zoo gingen de dagen van den verlichte, wiens zwervend leven en
+aanraking met allerlei personen ons telkens aan Jezus doet denken,
+vredig voorbij. Hoe was nu echter het leven van den meester met
+zijn vertrouwden, de leerlingen, die hem vergezelden? Waarschijnlijk
+heerschte er in dien intiemen kring een rustige toon: een stemming van
+kalme goedheid en stille vreugde, die aan der wereld ontvlodenen paste.
+
+In dien kring waren voorts de gewone grenzen der maatschappij
+vrijwel weggewischt. Wie geluisterd had naar het woord (een
+vaststaande formule), "Kom, o monnik, wèl verkondigd is de leer,
+wandel in heiligheid, om aan alle lijden een einde te maken," dat de
+Boeddha tot diegenen richtte, aan wie hij zijne leer had verkondigd,
+wie dus het gele kleed en de tonsuur [44] had aangenomen, alle
+familiebetrekkingen had opgegeven, op geen bezit meer aanspraak
+maakte en strenge kuischheid in acht nam: hij maakte deel uit van
+een gewijden kring, waarin het casten-onderscheid was opgeheven.
+
+Evenals, zeide de verlichte, rivieren hun naam verliezen, als zij
+opgenomen worden in den grooten oceaan, zoo verliezen ook adelijken
+en Brahmanen, Vaisya's en Sudra's hun oude namen, wanneer zij voor de
+leer van den Voleindigde hun huis verlaten. Den ouden naam en het oude
+geslacht hebben zij dan achtergelaten, voortaan heeten zij slechts
+"asceten, die den zoon van Sakya aanhangen [45]."
+
+Merkwaardig is in dit opzicht ook het gesprek, dat Boeddha voerde
+met koning Ajatasattu. Deze vroeg welk loon ten deel viel aan hem,
+die zijn huis verliet om een geestelijk leven te leiden. In den loop
+van dat gesprek zeide de Verlichte: "Indien een slaaf of dienaar
+des konings het gele gewaad aantrekt en als monnik in gedachten,
+woorden en werken onberispelijk leeft, zoudt gij dan zeggen: laat
+deze man weder mijn slaaf en dienaar zijn, die vóór mij opstaat en
+nà mij ter ruste gaat, die op zich neemt wat ik hem gebied, die voor
+mijn genoegen leeft, wat mij aangenaam is spreekt en naar mijn gelaat
+ziet?" Toen antwoordde de koning:
+
+"Neen, Heer, ik zou mij voor hem buigen, voor hem opstaan, hem
+uitnoodigen plaats te nemen en hem aanbieden wat hij aan kleeding,
+spijze, beschutting en medicijnen noodig kon hebben; ik zou hem
+beschermen en bewaken, gelijk het behoort."
+
+Zoo maakte dus het geestelijk gewaad allen gelijk. Toch waren het
+meest de aanzienlijken, die zich onder Boeddha's jongeren lieten
+opnemen; telkens wordt in de oude teksten gesproken van "de zonen
+van edele geslachten," die hun huis verlaten om zonder tehuis
+rond te zwerven. Onder Boeddha's leerlingen waren jonge Brahmanen
+als Sariputta, Mogallana, Kaccana, adellijken als Ananda, Rahula,
+Amuruddha, zonen van groote kooplieden en aanzienlijke beambten,
+in een woord meest personen, die een zorgvuldige opvoeding hadden
+ontvangen. Dit kan ons niet verwonderen als wij in aanmerking
+nemen dat ook in onze dagen in 't algemeen een beschouwing van het
+leven als lijden en kwelling veel meer aantrekkelijks heeft voor de
+aanzienlijken dan voor de eenvoudigen, die ondanks al hun ontbering
+in den grond der zaak toch geneigd zijn en blijven het leven als een
+heilgoed te beschouwen.
+
+Voor de geringen des volks, de gestaalden in 's levens strijd was de
+verkondiging van het smartelijke van alle bestaan niet te vatten en
+was de leer van oorzaak en gevolg niet te begrijpen.
+
+Toch, indien zij wilden toetreden, zij waren welkom. En, enkelen lieten
+zich opnemen in den kring. In de "Theragatha", (spreuken der oudsten),
+worden aan den "oudste" Sunita deze woorden in den mond gelegd:
+"Uit een onaanzienlijk geslacht ben ik voortgekomen, ik was arm en
+behoeftig. Nederig was het werk, mij opgelegd, de verwelkte bloemen
+opruimen (uit tempels en paleizen). Ik was door de menschen veracht,
+werd voor gering aangezien en gescholden. Deemoedig betuigde ik aan
+velen mijn eerbied.
+
+"Daar aanschouwde ik Boeddha met zijn monniken, zooals hij daar
+heenging, de held, in de voorname stad van Magadha, mijn last wierp
+ik af om eerbiedig voor hem te buigen. Uit erbarmen voor mij bleef
+hij staan, hij, de hoogste onder de mannen. Toen boog ik mij tot
+aan de voeten des meesters, trad aan zijn zijde en verzocht hem,
+den hoogste onder alle wezens, mij als monnik aan te nemen. Toen
+sprak de genaderijke meester, de erbarmer over de gansche wereld:
+"Kom tot mij, monnik," dat was de wijding, die ik ontving. (Sunita
+vertelt dan verder, hoe hij zich in het woud terugtrok en daar, in
+peinzen verzonken, de hoogste verlichting bereikte, zoodat de goden
+kwamen en hem vereerden.)
+
+"Toen zag mij de meester, terwijl de goden mij omgaven en hij sprak
+deze woorden: "Door heiligen gloed en door kuischen wandel, door
+intooming en zelfbedwang, daardoor wordt men tot Brahmaan, dat is
+het hoogste Brahmanendom.""
+
+M. a. w., geen caste stond als zoodanig nader bij het hoogste heil
+dan een andere: de verlichting kon aan allen ten deel vallen, kon ook
+verkregen worden door den geringste des volks. Evenals Paulus zeide:
+"in Christus is geen Jood noch Griek, geen slaaf noch vrije," zoo
+ook kon Boeddha zeggen: "in den kring der monniken is geen Sudra of
+Vaisya, geen Kshatrya of Brahmaan." Was daarom het Boeddhisme een soort
+democratische beweging? Wie dat meent, vergeet dat de ware volgelingen
+monniken waren, die de maatschappij de maatschappij lieten en wie
+het alleen te doen was om het hoogste heil te verwerven. Niet om de
+verdrukten los te maken uit de ketenen van het castewezen, maar om rijk
+en arm den weg te banen tot het hoogste heil, daarom was het bovenal
+te doen [46]. Doch, die dat hoogste heil gevonden hadden: zij vormden
+inderdaad een kring, waarin de oude grenzen waren weggewischt, al
+stonden ook hier, gelijk onvermijdelijk is, sommigen op den voorgrond.
+
+Daareven noemden wij reeds Sariputta en Mogallana, die beiden reeds
+in den aanvang van Boeddha's werkzaamheid werden gewonnen door zijn
+prediking en die hem trouw volgden tot aan hun dood, welke kort voor
+dien des Meesters intrad. Maar vooral ook moeten wij noemen Boeddha's
+neef Ananda, tot wien de verhevene zijn laatste woorden sprak, den
+discipel, dien hij boven allen liefhad. Deze Ananda was het ook, die
+voor Boeddha's persoon en voor zijn levensonderhoud dagelijks waakte.
+
+Een gansch andere rol heeft vervuld Devadatta, Ananda's broeder. Dit is
+de Judas van het Boeddhisme, die den Meester naar het leven stond. 't
+Schijnt dat deze leerling, door eerzucht gedreven, in plaats van den
+reeds vergrijsden meester zelf de leiding der gemeente in handen
+wilde hebben. Hij beproefde op allerlei wijze den verhevene uit
+den weg te ruimen. Doch vruchteloos; wonderen bewaren het leven des
+heiligen. Uitgezonden moordenaars worden, als zij Boeddha naderen,
+met vrees en beving geslagen; vriendelijk spreekt hij hen toe en
+zij bekeeren zich tot het geloof. Als een rotsblok Boeddha dreigt
+te verpletteren vangen twee bergspitsen het op: zoodat slechts zijn
+voet wordt gewond. Als een wilde olifant door een nauwe straat op den
+verlichte wordt losgelaten blijft hij, getroffen door de tooverkracht
+van dien "vriendelijken denker" eensklaps staan en wijkt terug.
+
+Heeft Devadatta werkelijk den verhevene naar 't leven
+gestaan? Onwaarschijnlijk is 't niet, al bestaat de mogelijkheid
+dat men Devadatta, die hierin van den meester afweek, dat hij veel
+strengere ascetische eischen wilde stellen, ten onrechte dergelijke
+moordplannen heeft toegeschreven.
+
+Wat die strengere ascese betreft, hij verlangde dat een monnik altijd
+in het woud zijn verblijf zou houden, terwijl Boeddha gaarne in
+de nabijheid van steden en dorpen vertoefde. Ook wilde hij dat een
+monnik slechts leven zou van wat hij op zijn rondgang verzamelde en
+geen uitnoodiging ter maaltijd van vrome leeken zou aannemen. Zijn
+gewaad, meende hij verder, mocht slechts uit opgeraapte lompen zijn
+samengenaaid, enz. Een tijdlang had dit streven eenig succes, doch
+straks leed het geheel en al schipbreuk. Eene legende verhaalt zelfs,
+dat Devadatta levend door de hel werd verslonden. Wij zagen boven
+reeds [47] dat volgens de "twaalf voorschriften" inderdaad eischen,
+als die welke Devadatta verlangde, aan Boeddha's volgelingen werden
+gesteld en de vraag komt bij ons op: Ligt er toch misschien in
+Devadatta iets van het oorspronkelijke Boeddhisme dat men later
+heeft trachten weg te werken en als ondermijning van het gezag des
+Meesters te doen beschouwen? Eén ding schijnt mij wel waarschijnlijk,
+namelijk, dat wij ons de eerste volgelingen van den Verlichte niet
+moeten voorstellen als rustig levend in hun viharas', [48] maar wel
+als zwervers, schamel gekleed, al kunnen wij niet aannemen, dat hun
+gewaad uit opgeraapte lompen moest gemaakt zijn, en evenmin dat zij
+niet ter maaltijd mochten gaan.
+
+Voor deze opvatting pleit vooral het feit, dat zij, ook nog in de
+dagen van koning Açoka, die ongeveer tweehonderd jaar na Boeddha's dood
+leefde, niet als zwijgende monniken in kloosters leefden, maar onder
+boomen, en er hun eer in stelden om zooveel mogelijk de onbekeerden
+door hun woord tot bekeering te brengen.
+
+De onbekeerden tot bekeering te brengen, dat geschiedde ook in de
+dagen van den verlichte zelf. Doch niet allen traden toe tot den kring
+der jongeren met zijn gestrenge eischen van kuischheid, armoede en
+gehoorzaamheid. Wij zagen dat er ook waren die, als koning Bimbisara
+[49] hun toevlucht namen bij Boeddha, Dharma, Sangha (de Verlichte, de
+Leer, de Gemeente), zonder hun maatschappelijk leven en hun huiselijk
+bestaan te veranderen. Zij werden de weldoeners en verzorgers der
+monniken; ook zij, als zij wandelden in eenvoud en in onderdrukking
+van aardsche hartstochten en begeerten, konden een stap nader komen tot
+het Nirvana, het hoogste heil. Zij waren voor de Boeddhisten wat Maria
+en Martha, wat een Nicodemus en Jozef van Arimathea waren voor Jezus
+en de zijnen. Ook waren zij van den aanvang af onmisbaar; hoe konden
+der wereld ontvloden monniken leven zonder arbeid, indien geen vrome
+vrienden en vriendinnen hen verzorgden van de nooddruft des levens?
+
+Onder die leeken-vrienden waren ook vele vrouwen. Als een type
+dezer vrome vriendinnen kunnen wij beschouwen de voortreffelijke
+Visakha, wier beeld ons met zooveel liefde in de Boeddhistische
+overleveringen wordt geteekend. Zij was een rijke burgervrouw in
+Savatthi, de hoofdstad van het land Kosala: de moeder van bloeiende
+kinderen, de grootmoeder van vele zonen. Algemeen geëerd werd zij
+bij elken maaltijd, bij ieder feest genoodigd: haar werden steeds
+het eerst de spijzen aangeboden, zij werd beschouwd als een gast,
+die geluk aanbrengt.
+
+In de Mahavagga vinden wij over haar het volgende verhaal, dat ons
+een aanschouwelijk beeld geeft en ons tevens doet zien, dat ook
+de Boeddhisten het woord verstonden: "het is zaliger te geven dan
+te ontvangen."
+
+Op zekeren dag dan neemt Boeddha zijn maaltijd in het huis van
+Visakha. Na den maaltijd zet deze zich naast hem neer en zegt: "Acht
+wenschen verzoek ik van den verhevene." "De voleindigden, Visakha",
+luidt het antwoord, "zijn te verheven om iederen wensch te kunnen
+vervullen." "Doch wel wat geoorloofd is, Heer, en wat niet misprezen
+kan worden." "Zoo spreek, Visakha."
+
+"Ik wensch, o heer, mijn leven lang de gemeente regengewaden te geven,
+vreemde monniken voedsel te reiken, doorreizende monniken te spijzigen,
+kranke broeders te eten te geven, ziekenverplegers te voeden, zieken
+medicijnen te geven, dagelijks rijstebrij te verdeelen en aan de
+nonnen badgewaden te schenken."
+
+"Waarom vraagt gij, Visakha deze dingen aan den voleindigde?" Zij geeft
+daarop rekenschap, waarom zij aan deze wenschen zooveel waarde hecht.
+
+O. a. zegt zij. "Een monnik die uit den vreemde komt, kent de wegen
+niet en loopt vermoeid rond om zijn aalmoezen in te zamelen. Heeft
+hij nu echter genoten, wat ik voor deze vreemdelingen bestemmen wil,
+dan kan hij eerst uitrusten en vervolgens, als hij uitgerust is,
+aalmoezen inzamelen. Dit doel, o heer, heb ik in het oog en daarom
+wil ik mijn leven lang de doortrekkende monniken voedsel geven.
+
+"En wederom, heer, een doortrekkende monnik zal, als hij zelf zijn
+voedsel moet zoeken, achterblijven van zijn gezelschap of, waar hij
+rust wilde houden, zal hij moede door de straat gaan. Heeft hij echter
+de spijzen genoten, die ik aan de doortrekkende monniken wil schenken,
+dan zal hij niet achterblijven; waar hij rust wil houden zal hij op
+tijd aankomen en uitgerust zal hij door de straten gaan."
+
+Zoo legt zij vervolgens het doel van al hare acht wenschen uit en
+de verlichte spreekt: "Edel, Visakha, edel handelt gij, dat gij,
+naar dezen prijs trachtend, den voleindigde bidt om vervulling uwer
+wenschen. Ik sta u, Visakha, uwe acht wenschen toe."
+
+En dan prijst hij haar met de volgende woorden:
+
+
+ Die spijs en drank verleent, van eed'le blijdschap vol.
+ Des heil'gen leerling, rijk aan deugden,
+ Die zonder afgunst gaven schenkt om 't hemelsch loon,
+ Die smarten stilt, die vreugde steeds verspreidt,
+ Verkrijgt des hemels heerlijk lot.
+ Zij wandelt voort op 't pad des lichts, 't gepreez'ne.
+ Van smarten vrij geniet zij langen tijd,
+ Het heerlijk loon der goede daad in 't zalig hemelrijk.
+
+
+In deze Visakha vonden wij een type van vrouwen die, zooals het in
+het N. Testament zou heeten "den Heer dienden van hare goederen." [50]
+
+Overigens moeten wij niet meenen dat Boeddha de vrouwen hoog stelde,
+al is b.v. in het Boeddhistische Birma de praktijk beter dan de
+theorie. Neen, eene van de leerstukken van het Boeddhisme is dat de
+vrouw, voor zij tot het hoogste heil kan geraken, altijd weer eerst
+als man in de wereld moet komen.
+
+Toch werd de vrouw in oud-Indië geëerd. De afsluiting der vrouw van
+het maatschappelijk leven, door latere zeden gewettigd, was ook in het
+oude Indië niet zoo sterk. Integendeel, de vrouwen namen deel aan het
+geestelijk leven van hun volk: de edelste dichters toonen ons dat het
+oude Indië de waarde der vrouw gevoelde en haar bewonderde en eerde.
+
+Boeddha echter vond de vrouwen een gevaar: in haar waren
+verpersoonlijkt alle machten der verleiding, die den geest binden
+aan deze wereld. "Ondoorgrondelijk" zoo leert de moraal van een
+oude vertelling, "verborgen, als de weg van den visch in het water,
+zoo is het wezen der vrouwen, der uitgeslapen rooverinnen, bij wie de
+waarheid moeilijk is te vinden, voor wie de leugen is als de waarheid
+en de waarheid als de leugen."
+
+En wat dunkt u van het volgende gesprek van Boeddha en Ananda? De
+laatste vraagt: "Hoe zullen wij ons tegenover eene vrouw
+gedragen?" "Haar aanblik vermijden, Ananda". "Maar als wij haar toch
+zien, wat moeten wij dan doen?" "Niet tot haar spreken, Ananda." "En
+als wij toch tot haar spreken, wat dan?" "Dan moet gij over uzelven
+waakzaam zijn, Ananda." Boeddha ging er dan ook slechts noode--na
+herhaald aandringen zijner pleegmoeder [51]--toe over om vrouwen als
+zijne leerlingen in de orde op te nemen, en gaf tegen Ananda te kennen,
+dat het heilige leven en de heilige leer zonder vrouwen 1000 jaar,
+met haar slechts 500 jaar zou kunnen bestaan.
+
+Zoo was Boeddha's geest: en de nonnen stonden ook altijd
+bij de monniken ten achter, zij werden geduld, veel meer ook
+niet. Merkwaardig is het dat ook in den tegenwoordigen tijd tegenover
+tallooze Boeddhistische monniken in Birma--ieder heeft daar zijn
+klooster--slechts weinige nonnen worden gevonden. En wel, omdat
+blijkbaar dat strenge en koude haar niet aantrekt. Een vrouw, zegt
+de Boeddhist in Birma ook nog heden, begrijpt het zoo niet. 't Kan
+ons niet verwonderen als wij bedenken dat er zoo weinig gemoedelijks
+in dezen godsdienst is, hoe hoog hij overigens moge staan.
+
+Hebben wij stilgestaan bij Boeddha's vrienden, wij vragen thans, met
+welke vijanden had hij te strijden? Allereerst met de priesterlijke
+Brahmanen, wier instellingen en positie in strijd waren met zijn
+beginselen en die hij geenszins ontzag.
+
+Openlijk sprak toch de Verlichte het uit, dat hij aan offers geen
+waarde hechtte, ja, dat de deugd der Ahinsa (eerbied voor het leven)
+het dooden van dieren verbood. Onomwonden kwam hij op tegen den waan
+dat de Brahmaan als zoodanig nader zou staan bij het hoogste heil:
+het achtvoudige pad, dat naar Nirvana leidde, stond voor iedereen open.
+
+Niet minder verhief hij zich tegen het zweren bij schriftgeleerdheid,
+tegen de meening als ware het genoeg de woorden van de Veda's in
+het hoofd te hebben. "Wie," zeide Boeddha, "de liederen en spreuken
+der oude wijzen nabidt en zich dan zelf een wijze dunkt, die is even
+als een slaaf of gering mensch, die zich op de plaats stelt, waar de
+koning tot zijn gevolg sprak, dezelfde woorden bezigt en zich nu ook
+een koning dunkt." [52] De scholier gelooft wat de meester gelooft,
+de meester wat hij van vroegere meesters ontvangen heeft.
+
+We zien hierin hoe hij het autoriteitsgeloof verwierp. Hoe hij over
+het offer dacht, daarvan hebben wij een merkwaardig verhaal, dat
+aldus luidt:
+
+Boeddha had eens een gesprek met een aanzienlijk Brahmaan, die hem
+vroeg wat de eigenschappen waren van een goed offer. Als antwoord
+verhaalt Boeddha dan de geschiedenis van een wijs en gelukkig koning
+uit oude dagen, die, na vele overwinningen te hebben behaald en de
+heele wereld te hebben veroverd, het besluit nam een groot offer aan
+de goden te brengen. Hij liet zijn huispriester komen en vroeg dezen
+hoe hij zijn voornemen het geschiktst zou volvoeren.
+
+De priester vermaande hem, om vóór zijn offer te brengen eerst in
+zijn rijk rust, welstand en veiligheid te doen wonen. Hij gaat dus
+niet tot het offeren over, voor hij alle schade heeft hersteld. En
+bij zijn offer verwoest men geen levens van bezielde wezens, geen
+rund of schaap wordt geslacht. De dienaren des konings doen hun
+werk bij het offer niet onder tranen en door dwang: vreezend voor
+den stok der opzieners: ieder doet vrijwillig, wat zijn eigen hart
+hem ingeeft. Melk, olie en honig worden aangebracht en zoo wordt het
+offer des konings der godheid geboden.
+
+Er is echter, zegt Boeddha, nog een hooger en gezegender offer, ook
+gemakkelijk te brengen: als men gaven schenkt aan vrome monniken,
+woonplaatsen verschaft aan Boeddha en zijn gemeente.
+
+En nog hooger offer is het: als men met een geloovig hart bij Boeddha,
+bij de leer en bij de gemeente (Boeddha, Dharma, Sangha) zijn toevlucht
+neemt, als men geen wezen van het leven berooft, leugens en bedrog
+verre van zich houdt.
+
+Nog hooger offer is het, als men als monnik van vreugde en leed beide
+afscheid neemt en in heilige rust peinzend zich verdiept.
+
+Het hoogste offer dat een mensch kan brengen en tevens de grootste
+zegen, die hij kan verwerven is echter: als hij de verlossing
+bereikt en de zekerheid krijgt: ik zal niet weer tot deze wereld
+terugkeeren. Dat is de hoogste voleindiging van alles wat offer heet.
+
+De Brahmaan, die zelf een groot offer had willen brengen en honderde
+dieren daarvoor in gereedheid hield, nam geloovig deze prediking aan
+en sprak: "Ik neem mijn toevlucht bij Boeddha, bij de leer en bij
+de gemeente." "De dieren", zoo sprak hij, "laat ik vrij, mogen zij
+het groene gras genieten, koel water drinken, moge de frissche wind
+hen omzweven."
+
+Nam Boeddha het op tegen het brengen van offers, misprees hij den
+castengeest en het gezagsgeloof, niet minder stond hij tegenover vele
+asceten, die in eindelooze zelfkwelling en zelfkastijding den weg
+des heils meenden te bereiken. Hij immers wist uit eigen smartelijke
+ervaring dat zichzelf te kwellen vruchteloos was. Hem was het geworden
+tot een heilige zekerheid, dat geen vasten de aardschgezinde gedachten
+of hartstochten doet verdwijnen.
+
+Neen, het werken aan opbouwing van zijn geestelijk leven, het trachten
+naar kennis, dat is het, wat de overwinning geeft en de kracht tot
+dezen goeden strijd vindt men in een leven, dat even ver verwijderd is
+van weelde als van ontbering en zichzelf opgelegde smart. Zoo waren
+de gedachten van Boeddha, die tegenover de ziekelijke afdwalingen
+van het Indische ascetisme op den naam van gezonde opvattingen mogen
+aanspraak maken.
+
+Boeddha staat hier tegenover zijn tijdgenooten als de man van
+praktijk en gezond verstand. Moeten wij dat echter zoo verstaan, dat
+hij feitelijk alle geloof aan God en een hooger leven als bijgeloof
+verwierp? Sommigen oordeelen zoo en geven ons van Boeddha een beeld
+als van een godloochenaar of minstens een positivist uit langvervlogen
+dagen. Feitelijk, zoo roepen zij ons toe, geloofde Boeddha aan geen
+God en geen volgend leven. Zijn Nirvana, het einddoel, was eigenlijk
+het ophouden van alle bestaan, zijn God was slechts de eeuwige wet
+van oorzaak en gevolg, waarvan alleen 't Nirvana verlost.
+
+Wij zullen wellicht later nog uitvoeriger op deze belangrijke punten
+terug komen. Nu merken wij alvast op: 1e dat het Boeddhistische
+geschrift, Brahmajala sutta geheeten, waarin vooral Boeddha als
+een soort scepticus optreedt, door vele bevoegde beoordeelaars niet
+gerekend wordt tot de geschriften van het oorspronkelijk Boeddhisme,
+maar van de zoogenaamde Mahayana, (de groote overtocht) een latere
+ontwikkeling (of verbastering?) van Boeddha's leer, en dat er een
+sterk en welgegrond vermoeden bestaat, dat de invloed der Mahayana
+bij meer geschriften, die een gelijken indruk van Boeddha ons geven,
+is in het spel geweest.
+
+2e. dat wij zeer eigenaardige episoden uit Boeddha's leven bezitten,
+waarin een gansch andere geest doorstraalt, en waaruit wij de
+conclusie trekken, dat Boeddha met dat komen tot de verlossing, dat
+hij, zooals wij daareven zagen aanprijst als het hoogste offer, niet
+bedoelt een verlost worden van het bestaan, maar het verheven zijn
+boven het koortsachtige, rustelooze, dat het zoeken van het eigen ik
+aan 't leven geeft, een zijn, dat zoo verheven is, dat ook Boeddha
+zich aan geen beschrijving waagt, en dat hij het niet vergeleken
+wil hebben met leven in den meer gewonen zin des woords. Willen wij
+trouwens voor het woord Nirvana een Nederlandsch gewaad zoeken, dan
+moeten wij bedenken dat het staat, geenszins tegenover leven, maar
+tegenover dorst (trishna) tegenover het begeeren, dat altijd weer de
+ziel verteert en onrustig maakt. En dan drukt het woord dat F. Ortt
+[53] er voor geeft "de groote vrede", het best Boeddha's gedachten uit.
+
+Doch laten wij tot bevestiging van onze opvatting Boeddha's getuigenis
+zelve hooren. Boeddha dan verklaart zekeren asceet en philosoof
+Makkhali Gosala voor den ergsten aller dwaalleeraars. [54]
+
+Wat nu leerde deze? O. a. dat de mensch geen vrijen wil had. Hij zeide
+namelijk: "Er is geen macht (om te handelen), er is geen kracht, de
+mensch heeft geen invloed, alle wezens, alles wat ademt, al wat is,
+al wat leeft is onmachtig, machteloos, krachteloos, door toeval,
+door leiding, door natuur wordt het naar zijn doel gevoerd."
+
+"Ieder wezen," leerde deze leeraar verder, "maakt een bepaald aantal
+wedergeboorten door, aan wier slot zoowel de dwaas als de wijze het
+einde des lijdens bereikt."
+
+Had Boeddha zóó over diens leer kunnen spreken als hij zelf een verkapt
+loochenaar van God en een hoogere wereld was geweest? Immers neen. En
+wat dunkt u, lezer, van de volgende gelijkenis van den verhevene?
+
+Eens, zoo sprak Boeddha, was daar een blind geboren man, die zeide:
+"Ik kan niet gelooven in een wereld van verschijnselen. Kleuren
+die helder of dof zijn bestaan niet. Daar is geen zon, geen maan,
+geen sterren. Niemand heeft daarvan goede getuigenis." Zijn vrienden
+beknorden hem, doch hij herhaalde dezelfde woorden.
+
+In die dagen was daar een Rishi, die het "innerlijk gezicht" had,
+hij ontdekte op de helling van de Himalaya vier kruiden, die de macht
+hadden om den man, die blind geboren was te genezen. Hij zocht die
+op, bereidde ze met zijn tanden en diende ze toe. Eensklaps riep
+de blindgeborene: "Ik zie kleuren en verschijnselen. Ik zie schoone
+boomen en bloemen. Ik zie de heldere zon. Niemand heeft ooit te voren
+zoo iets aanschouwd."
+
+Daarop kwam er een heilig man tot den blind geboorne en sprak tot hem:
+"Gij zijt ijdel en trotsch en bijna even blind als voorheen. Gij
+ziet de buitenzijde der dingen, niet de binnenzijde. Hij, wiens
+bovennatuurlijke zintuigen zijn ontwaakt ziet de lazuren velden van
+de Boeddha's van het verleden, hij hoort hemelsche geluiden op vijf
+yogana's afstand. Ga naar een woestijn, of een woud, of een hol in
+de bergen en overwin uw dorst naar aardsche dingen."
+
+De blindgeboorne gehoorzaamde en de parabel eindigt met deze
+uitlegging: "Boeddha is de oude Rishi, de vier kruiden zijn de vier
+groote waarheden." [55] Hij brengt de menschen van het lager leven
+af en opent de oogen der blinden.
+
+Wij zien duidelijk hieruit, dat ook het mystieke--trouwens wij mogen
+hier, gelet op wat de wetenschap in onze dagen leert over telepathie,
+clairvoyance enz. en op wat getuigenissen uit alle eeuwen bevestigen,
+van gezonde mystiek spreken--bij Boeddha geenszins ontbrak en dat het
+doel dat hij zich met zijn leerlingen voorstelde geen ander was dan hen
+van het aardsche los te maken en tot het hooger leven te brengen. In
+dat denkbeeld worden wij bevestigd door de Samana Phala Sutta. [56]
+Daar leert Boeddha ongeveer het volgende:
+
+"De mensch heeft een lichaam, saamgesteld uit de vier elementen.
+
+"Dit lichaam is de vrucht van de vereeniging van zijn vader en van zijn
+moeder. Het wordt gevoed met rijst en meelpap en kan worden verminkt,
+gekruisigd, vernietigd. In dit vergankelijk lichaam is des menschen
+verstand geketend. De asceet, zichzelf dus opgesloten gevoelend,
+richt zijn geest op het scheppen van een vrijer hulsel.
+
+"In gedachten stelt hij zich voor een ander lichaam, geschapen naar het
+beeld van dit stoffelijke, met een vorm, organen en leden. Dit lichaam
+staat tot het stoffelijke als het zwaard tot de scheede, of als de
+slang tot de mand waarin zij is opgesloten. De asceet dan, gereinigd
+en volmaakt, begint bovennatuurlijke krachten te ontwikkelen. Hij vindt
+zich in staat om door materieele hindernissen als muren en wallen heen
+te dringen, hij kan zijn beeld zichtbaar maken op meerdere plaatsen
+te gelijk, hij kan op het water wandelen zonder er in te zinken,
+hij kan door de lucht vliegen als een grootvleugelige valk, ja, hij
+kan deze wereld verlaten en die van Brahma zelf bereiken. Door deze
+kracht van zijn wil verwerft hij zich nog een ander vermogen: evenals
+de ivoordraaier een olifantstand bewerkt volgens zijn phantasie, zoo
+kan ook hij door zijn gedachten beelden oproepen [57]. Hij verkrijgt
+het vermogen om te hooren de geluiden der onzienlijke wereld even
+duidelijk als die van de zienlijke wereld--ja nog duidelijker. Ook
+is hij--door de macht van Manas [58]--in staat de meest geheime
+gedachten van anderen te lezen en hun karakter te zien. Hij kan
+zeggen: "Hier is een geest, door hartstocht bestuurd, daar is een
+geest, die bevrijd is (van de hartstocht). Deze man heeft eed'le
+doeleinden, die man heeft geen doel in het oog." Evenals een kind
+zijn oorringen in het water ziet en zegt: "Dit zijn mijn oorringen",
+zoo erkent de gereinigde asceet de waarheid. Voorts komt dan over
+hem de gave van het "goddelijk gezicht" en hij omvat met zijn blik
+al wat menschen doen op aarde en na hun dood en wanneer zij wederom
+geboren zijn. Dan ontsluiert hij de geheimen van het heelal en waarom
+de menschen ongelukkig zijn en hoe hun ongeluk kan ophouden."
+
+Zien wij hierin niet, dat het geenszins aangaat Boeddha voor een
+atheïstisch gekleurd vrijdenker te houden? [59] Men hoore ook het
+volgende uit de Tevigga Sutta, een ander Cingaleesch werk.
+
+Toen Boeddha te Manasakata vertoefde, in het mangowoud, kwamen tot
+hem drie Brahmanen, in de Veda's wel onderwezen, om hem te raadplegen
+over de vereeniging met den eeuwigen Brahma. Zij vragen hem of zij op
+den rechten weg zijn om die vereeniging te bereiken. Boeddha antwoordt
+niet rechtstreeks. Hij onderstelt een vreemd geval. Een man is verliefd
+geworden op de allerschoonste vrouw van het land. Dag en nacht droomt
+hij van haar, doch, nimmer heeft hij haar aanschouwd. Hij weet niet
+of zij lang is of kort, of zij tot de Brahmanen of tot de Sudra's
+behoort, of zij blank is of bruin, zelfs haar naam kent hij niet.
+
+Dan vraagt hij de Brahmanen of dit verhaal over die vrouw een wijze of
+een dwaze vertelling is. Zij erkennen dat het "zottepraat" is. Boeddha
+past nu dezelfde redeneering op de Brahmanen zelf toe. En de Brahmanen,
+onderwezen in de drie Veda's, moeten bekennen, dat zij Brahma nimmer
+hebben gezien, niet weten of hij lang is of kort, noch iets wezenlijks
+omtrent hem en dat alles wat zij zeggen over vereeniging met hem,
+dwaze praat is. Zij gaan een trap op, waarin eene kromming is en weten
+niet of zij een woning of een afgrond zullen bereiken. Zij staan op den
+oever eener rivier en roepen den anderen oever op om tot hen te komen.
+
+Was Boeddha de atheïstische leermeester, dien velen in hem zien,
+dan had hij hier een schoone gelegenheid gehad om zijn inzichten te
+doen kennen. De Brahmanen, had hij dan kunnen zeggen, weten niets van
+Brahma, om de eenvoudige reden, dat zulk een wezen niet bestaat. Doch
+juist dit doet Boeddha geenszins. Hij tracht te bewijzen dat de
+Brahmanen daarom niets weten van Brahma, omdat deze zuiver geestelijk
+is en zij zuiver stoffelijk zijn.
+
+Vijf sluiers, zegt Boeddha, bedekken Brahma voor het sterfelijk
+oog. Zij zijn:
+
+
+ 1. De sluier van lust en begeerte.
+ 2. De sluier van boosheid.
+ 3. De sluier van luiheid en traagheid.
+ 4. De sluier van trots en eigengerechtigheid.
+ 5. De sluier van twijfelzucht.
+
+
+Dan gaat Boeddha voort en vraagt:
+
+"Bezit Brahma vrouwen en rijkdom?"
+
+"Neen, Gautama" antwoordt Vasettha de Brahmaan.
+
+"Is zijn geest vol van toorn, of vrij van toorn?"
+
+"Vrij van toorn, Gautama."
+
+"Vol van boosheid, of vrij van boosheid?"
+
+"Vrij van boosheid, Gautama."
+
+"Is zijn geest bedorven, of zuiver?"
+
+"Zuiver, Gautama."
+
+"Heeft hij zelfbeheersching, of niet?"
+
+"Hij heeft die, Gautama."
+
+Dan doet hij de Brahmanen vragen over henzelven:
+
+"Zijn de Brahmanen, geleerd in de drie Veda's, zijn zij in het bezit
+van rijkdom, of zijn zij dat niet?"
+
+"Zij zijn het, Gautama."
+
+"Dragen zij iemand een kwaad hart toe, of niet, Gautama?"
+
+"Zij doen dat, Gautama."
+
+"Zijn zij zuiver van hart of niet?"
+
+"Zij zijn het niet, Gautama."
+
+"Hebben zij heerschappij over zichzelf, of niet?"
+
+"Zij hebben die niet, Gautama."
+
+Deze antwoorden stellen, gelijk men begrijpt, in het licht, dat er geen
+vereeniging kan bestaan tusschen zoo verschillende wezens als Brahma
+en de Brahmanen. Brahma is vrij van alle verkeerdheid, zondeloos,
+zichzelf meester, dus kan alleen hij, die zonder zonde is, hopen met
+hem in overeenstemming te komen. Vasettha stelt vervolgens deze vraag:
+"Mij is gezegd Gautama, dat de asceet Gautama den weg weet tot den
+staat van vereeniging met Brahma?"
+
+"Ik ken Brahma Vasettha", is Boeddha's antwoord, "ik ken de wereld
+van Brahma, en den weg die er heenvoert."
+
+Daarop vraagt de verootmoedigde, in de drie Veda's onderwezen Brahmaan,
+aan Boeddha: hem den weg te wijzen tot den staat van vereeniging
+met Brahma.
+
+Boeddha geeft een uitvoerig antwoord: een scherpe tegenstelling makend
+tusschen het hooge en het lage Brahmanendom, tusschen de "aan huizen
+gehechte" en de "huislooze" Brahmanen. Die eersten, de huis-Brahmanen,
+zijn ruw, zinlijk, gierig, onoprecht. Om winst beoefenen zij de zwarte
+kunst, de waarzeggerij en bedrog. Zij weten bij koningen gehoor te
+krijgen, broeden oorlogen uit, voorspellen overwinningen, offeren
+levens op, berooven de armen. Als een tegenbeeld daarvan schildert hij
+den kluizenaar, die alle wereldsche dingen heeft verzaakt en zuiver,
+zichzelf meester, gelukkig is.
+
+Om dit hooger leven aan de menschen te leeren wordt "van tijd tot tijd
+een Tathagatha (voleindigde) in de wereld geboren, gezegend en waardig,
+overvloeiende van kennis, een gids voor dwalende stervelingen. Hij ziet
+aangezicht tot aangezicht het gansch heelal, de geesten-wereld van
+Brahma en die van Mara, den verzoeker. Hij deelt aan anderen zijne
+kennis mede. De eerste "huislooze" door hem onderricht doet zijn
+geest een vierde der wereld doordringen met erbarming, sympathie en
+gelijkmoedigheid, verreikend, groot, bovenmatig." [60]
+
+"Waarlijk, dit is, o Vasettha, de weg tot den staat van vereeniging
+met Brahma" en hij verkondigt dat "de Bhikshu of Boeddhistische
+bedelmonnik, die vrij is van toorn, vrij van kwaadwilligheid,
+zuiver van geest, meester over zichzelf, na zijn dood, als het
+lichaam ontbonden is, met Brahma zal vereenigd worden." De Brahmanen
+gevoelen dan de volle kracht van dit woord. Boeddha is in hun oog
+geen afbreker, maar een behouder van het geloof. Hij houdt het
+met den ouden geestelijken godsdienst tegenover alles mêesleepende
+nieuwigheidsleeraars.
+
+"Gij hebt overeind gezet, wat was ter neder geworpen" zeggen zij
+tot hem.
+
+Zoo zien wij hier Boeddha als diengene, die den geestelijken
+godsdienst weer opricht, door de Brahmanen onder vormen verstikt,
+evenals Jezus weer opvatte wat door Israëls profeten, die de eischen
+des levens op den voorgrond stelden was geleerd, doch door de Joodsche
+schriftgeleerdheid was nedergeworpen.
+
+Doch hij deed nog meer, dat ons aan Jezus doet denken. Evenals deze
+ons geteekend wordt vol liefde voor gevallenen en verworpenen zoo
+hebben wij ook van het licht van Azië treffende verhalen, die in het
+licht stellen zijn liefde ook voor ver verdoolden.
+
+In de Chineesche Dhammapada lezen wij van een schoone zondares,
+die van Boeddha had vernomen en die op weg ging om zijne prediking
+te hooren. Op weg zag zij echter in een bron haar schoon gelaat en
+zij was niet in staat om haar goede voornemen uit te voeren. Toen zij
+terugkeerde, werd zij ingehaald door een andere courtisane, schooner
+nog dan zij zelve, en zij reisden te zamen. Toen zij een oogenblik
+rustten bij een andre bron, werd de vreemdelinge door slaap bevangen en
+legde zij haar hoofd op den schoot van haar medereizigster. Eensklaps
+werd het schoon gelaat wasbleek als een lijk, een walgelijk lokaas
+voor afschuwelijke insecten. De vreemdelinge toch was de groote Boeddha
+zelf, die deze gestalte had aangenomen om de arme Pundari te bekeeren.
+
+"Daar is een schoonheid, die gelijkt op een fraaie kruik met
+vuil gevuld: een schoonheid die aan oogen, neus, mond, lichaam
+toebehoort. Het is die vrouwelijke schoonheid, welke leed brengt,
+huisgezinnen verdeelt, kinderen doodt".
+
+Deze woorden voorzeker, door den Meester bij een andere gelegenheid
+geuit, geven den zin weder van dit verhaal en drukken den geest des
+Meesters uit.
+
+Wij zagen reeds dat deze noch aan offers, noch aan zelfkastijding
+waarde hechtte, daar dit de weg niet kon zijn om verlost te worden
+van het lijden.
+
+Daartegenover legde hij allen nadruk op het streven van den mensch
+zelf. "Werk uws zelfs zaligheid" dat kan een spreuk wezen van Boeddha
+evengoed als "In eigen hand ligt eigen lot." Een en ander leert hij
+dan ook uitdrukkelijk, geen uitwendige ceremoniën kunnen baten, geen
+geloof of gebed kan het doen, zelf moet de mensch den weg bewandelen
+tot het heil. "Ook de Tathagatha's zijn enkel predikers, zelf moet
+gij een poging doen." [61]
+
+Nauw in verband met deze meer verhevene opvatting van het heil staat
+zijne erkenning van de onafwendbare gevolgen die het kwaad heeft op
+des menschen persoonlijkheid zelve: slechts onze tijd heeft hem hierin
+geëvenaard. Wel leert Boeddha geen eeuwige straf: ook aan Devadatta,
+den Judas van het Boeddhisme wordt vergiffenis geschonken, doch,
+Boeddha kan de gevolgen van zijn booze daden niet wegnemen, deze
+moeten langzamerhand worden opgeheven in de zuiveringsprocessen van
+het hiernamaals. Boeddha kent niet de theorie dat een dwaze dweeper
+op zijn sterfbed eensklaps de rijke liefde en de verheven kennis van
+een engel zou deelachtig worden. In een volgend leven komt iemand
+juist in zulk een toestand van geest en gemoed, als die waarin hij
+voordezen verkeerde, anders is zijn persoonlijkheid verwoest. Dat
+noemt men de wet der gerechtigheid (Karma).
+
+Deze leer van Boeddha is grillig verdraaid door sommigen van zijn
+volgelingen, doch zijn eigen woorden zijn snijdend klaar:
+
+"Een fout, welke men bedreven heeft is als melk, die niet op ééns
+zuur wordt. Langzaam en zachtkens, als vuur onder de asch zal zij
+den dwaas verderven. Beide een goede en een slechte daad moeten rijp
+worden en hunne onvermijdelijke vruchten voortbrengen. [62]"
+
+Hoe Boeddha dit meent, heeft hij aangewezen in een schoone
+gelijkenis. Daarin worden de gevolgen van het kwaad afgebeeld als
+een ijzeren vesting der kwelling en de zonden als schoone vrouwen,
+die den mensch naar dezen zijnen ondergang lokken.
+
+Alles in dit verhaal doet bij den eersten aanblik denken aan een
+tooversprookje uit de Duizend en Een Nacht (trouwens we zien dikwijls
+diepe waarheden in zulk een poëtischen vorm gehuld door de Indiërs),
+koel wuiven de palmen van een schoon eiland en in een heerlijk
+paleis wordt de slechte zoon, die naar goud zoekt, door vrouwen
+van bovenaardsche bekoorlijkheid bewaaierd. Hij heeft gesmaakt de
+onwaardige genietingen van Kamaloça (de lagere wereld) en geniet
+ze voor een tijd. Van eiland tot eiland gaat de reiziger voort,
+ieder volgend eiland is schooner dan het vorige, maar ieder is weer
+dichter bij de stad der boete, de stad met ijzeren muren. Doch: die
+hem daarheen drijft is geen Ahriman, geen duivel: neen, de wet van
+oorzaak en gevolg drijft hem voort. Evenwel: daar is geen duivel,
+dien Boeddha niet kan verzachten, zelfs tot in de hel Avichi is er
+geen schuilhoek, waar zijn groote liefde niet kan doordringen.
+
+Elk, zoo laat Edwin Arnold [63], den Boeddha zeggen, en wij nemen
+die woorden over omdat zij zoo goed zijn geest uitdrukken:
+
+
+ Elk heerscht in eigen kring, zoo mensch als God,
+ Want al wat leeft, daarboven, hier omlaag,
+ 't Zij groot of klein, schept door zijn eigen dâan
+ Zijn lot, zijn lust, zijn plaag.
+
+ Wat was, bepaalt wat is of worden zal,
+ Het beet're, 't mind're, ontwikkeling, nieuw begin...
+ In blijde heem'len oogsten d'englen 't loon,
+ Van eed'le daden in;
+
+ In d'onderwereld dragen duiv'len 't pak
+ Van vroeger boos bedrijf. Het goede, 't kwaad,
+ 't Wordt alles door den tijdstroom meegevoerd,
+ Niets blijft in d'eigen staat.
+
+
+en zegt hij later van die wet der gerechtigheid, (Karma): [64]
+
+
+ Zoo dwingt haar wet ons tot gerechtigheid.
+ Niet één kan haar weerstaan. Volgt haar gedwee,
+ Liefde is haar innigst wezen en het doel,
+ Dat zij beoogt: Volmaking, Rust en Vrêe.
+
+
+Liefde is haar innigst wezen. Zij was ook het innigst wezen van den
+Boeddha. Al zien wij in zijn persoon niet dat gemoedsleven dat een
+Jezus kenmerkt, toch vervult ons de gestalte van dien koningszoon, die
+alle aardsche banden breekt om der menschheid het heil te prediken,
+die vol is van medelijden, met diepen eerbied en wij kunnen ons
+begrijpen dat zijn volgelingen zeiden dat hij was "God, geopenbaard
+in de gestalte van barmhartigheid."
+
+Wij kunnen ons niet voorstellen dat zijn beeld, ons zoo treffend
+geteekend, slechts een mythe zou zijn: er moet een verheven karakter
+zijn geweest om denkbeelden te verkondigen, die zoo ver waren verheven
+boven zijn tijd.
+
+Nooit verandert zijn verheven welwillendheid. Hij bekeert de
+verdorvenste zondaars. Hij spreekt tot de dochters der zonde. Als
+hij de aarde bezoekt is het licht tot in de diepste der hellen, hij
+maakt duivelen en goede menschen beide gelukkig. Een dwaas beleedigt
+hem. "Mijn zoon" antwoordt hij "beleediging tegen den hemel is als
+speeksel, dat men tegen het uitspansel richt: het keert terug op wie
+het uitwerpt."
+
+"Een Tathagatha," zegt hij tot zijne leerlingen, "kan door slechte
+daden en beleedigingen niet worden vertoornd: deze kunnen alleen zijn
+barmhartigheid en liefde verdubbelen."
+
+Bedenken wij nu daarbij dat het beginsel der vergelding (oog om oog,
+tand om tand) de politiestok was voor de maatschappij van die dagen,
+dat oorlog, plundering en wraak aan geheele kringen eigen waren als
+dagelijksch bedrijf en broodwinning, hoe verheven klinken ons dan
+tegen woorden als deze:
+
+"Slechts door liefde bedwingen wij wrok. Door goed alleen overwinnen
+wij kwaad. De heele wereld vreest geweld. Alle menschen beven in
+tegenwoordigheid van den dood. Doe aan anderen wat gij wilt dat zij
+u zouden doen. Dood niet. Veroorzaak geen dood.
+
+"Zeg geen harde woorden tot uw buurman. Hij toch zal u antwoorden in
+denzelfden toon.
+
+"Zij die zeggen: "Ik ben verongelijkt en uitgetart, ik ben geslagen
+en geplunderd" zullen nooit ophouden te haten.
+
+"Wat de haat in de wereld kan doen ophouden is niet de haat, maar de
+afwezigheid van haat.
+
+"Als gij--evenals een trompet, die in den krijg is vertreden--geen
+klagelijk geluid meer voortbrengt, dan hebt gij Nirvana bereikt.
+
+"Stil zal ik misbruik verduren evenals de strijd-olifant de pijl van
+den schutter ontvangt.
+
+"De mensch, die ontwaakt is, gaat niet op wraak uit, maar vergeldt
+met vriendelijkheid zelfs wie hem onrecht doet: evenals de sandelboom
+zijn geur nog meedeelt aan de bijl van den houthakker, die hem velt."
+
+Hebben deze schoone uitspraken vooral betrekking op het kwaad met
+goed vergelden, de volgende die zich op verschillend gebied bewegen
+zijn niet minder merkwaardig.
+
+"De zwanen gaan op het pad der zon. Zij gaan door de lucht, dank zij
+hun wonderbare macht. Zoo gaan de wijzen deze wereld uit, als zij
+Mara en diens gezelschap hebben overwonnen.
+
+"Niet door uitwendige daden is men een (waar) asceet (Samana).
+
+"Niet de tonsuur maakt van den onopgevoeden mensch een Samana.
+
+"Geen regenbui van goudstukken kan de lust ooit voldoen.
+
+"Een mensch is geen Bhikshu alleen omdat hij aalmoezen vroeg, geen
+Muni [65] omdat hij stilzwijgt. Niet door discipline en geloften,
+niet door groote geestelijke kennis, niet door alleen te slapen,
+niet door heilige inspiratie, kan ik die vrijheid verkrijgen, welke
+geen wereldling kent. De ware Samana is hij, die alle kwaad ter rust
+heeft gebracht. Indien een mensch in den strijd duizend maal duizend
+man overwint en een ander overwint zichzelf, dan is de laatste de
+grootste overwinnaar.
+
+"Weinigen zijn er die aankomen aan de overzijde, de meesten loopen
+langs den oever heen en weer.
+
+"Laat de dwaas verlangen naar een waardelooze reputatie, naar voorrang
+onder de Bhikshu's, naar heerschappij in de kloosters, naar vereering
+door andere menschen.
+
+"Een bovennatuurlijk persoon wordt niet gemakkelijk gevonden. Hij
+wordt niet overal geboren. Het ras, waaronder zulk een wijze geboren
+wordt, bloeit.
+
+"Roep mij niet uit op den weg alsof ik de god Brahma was. [66]
+Godsdienst is niets anders dan het vermogen om lief te hebben.
+
+"Het huis van Brahma is waar kinderen gehoorzamen aan hun ouders.
+
+"Schoonheid en rijkdom zijn als een mes, met honig besmeerd. Het kind
+zuigt er aan en wondt zich. [67]"
+
+Zoo vormen de woorden en daden van Boeddha een schoon geheel, zooals
+hij leerde, zoo leefde hij. En zooals hij leefde, zoo stierf hij ook.
+
+Achttien mijlen oostwaarts van Kapilavastu is thans een nederig dorp,
+geheeten: Matha Kuär (de doode prins). Waarom die naam? Hwen Thsang,
+de Chineesche pelgrim, die in de 4de eeuw Indië bezocht, kan het
+ons vertellen. Daar was in zijne dagen een "doode prins" van marmer,
+rustende onder een prachtig tempeldak (canopy), waarvan nog ruïnen
+zijn overgebleven. Op de plaats van dien tempel stonden 477 jaar voor
+Christus eenige boomen waaronder toen, in doodslaap verstijfd, de
+"beste vriend der wereld" rustte, zooals de Indiërs hem noemden. Hooren
+wij, wat een in hoofdzaak betrouwbaar verhaal ons van zijn dood meldt.
+
+Boeddha gaat van Rajagriha, de hoofdstad van Magadha-land het noorden
+in. Hij gaat den Ganges over, waar toen juist de toekomstige hoofdstad
+van Indië, de koningstad Pataliputta werd gebouwd. Hij ziet in den
+geest de toekomstige grootheid dier stad en voorspelt deze aan zijn
+jongeren.
+
+In het dorp Beluva nabij Vaisali wil hij zijn leerlingen laten heengaan
+om daar in stille eenzaamheid den regentijd door te brengen. Doch daar
+grijpt een smartelijke krankheid hem aan: den dood erkent hij als
+nabij. Nu denkt hij aan zijne jongeren: hij wil Nirvana niet ingaan
+voor hij tot hen gesproken heeft. Alzoo bedwingt hij zijne krankheid
+en houdt het leven vast. Hij staat op, gaat uit het huis en zet zich
+voor de deur op de plaats, die men hem bereid heeft. Ananda spreekt dan
+tot hem: "Ik zie, Heer, dat de verhevene beter is en het hem minder
+moeielijk valt. Mij, Heer, hadden de krachten verlaten, ik duizelde,
+de gedachten vloden heen door de ziekte van den verhevene. Doch een
+troost had ik, Heer, de verhevene zou niet in het Nirvana ingaan,
+voor hij zijn wil omtrent de gemeente den jongeren verkondigd heeft."
+
+"Wat begeert de gemeente der jongeren van mij, Ananda? Ik heb de leer
+verkondigd en geen verschil gemaakt tusschen binnen en buiten. Hij
+die zegt: "Ik wil heerschen over de gemeente" of "laat de gemeente
+mij onderworpen zijn," hij moge Ananda, zijn wil verklaren in
+de gemeente... De voleindigde evenwel zegt niet: "Ik wil over de
+gemeente heerschen." Ik ben nu afgeleefd, bejaard, een oud man, die
+zijn reis heeft volbracht. Tachtig jaar ben ik oud--Wees gij, Ananda,
+uw eigen licht, uw eigen toevlucht. Zoek geen andere toevlucht. Wie
+nu, Ananda, of na mijn verscheiden, zijn eigen licht zal zijn, zijn
+eigen toevlucht en geen andere toevlucht zal zoeken, hij zal voortaan
+mijn ware discipel zijn, die het rechte pad bewandelt."
+
+Boeddha laat des avonds alle monniken, die nabij Vaisali wonen
+samenroepen en wijst hen nog eenmaal op de kennis des heils, die
+hij hun predikte, opdat zij daarnaar zouden wandelen en die zouden
+vermeerderen en dan laat hij volgen: "Welaan monniken, ik zeg u,
+al het aardsche is der vergankelijkheid onderworpen, worstelt zonder
+ophouden. Over een kleinen tijd breekt het Nirvana van den voleindigde
+aan, nu over drie maanden zal hij in het Nirvana ingaan."
+
+En, ging hij voort:
+
+"Mijn aanzijn rijpt voor 't eind, na is mijns levens doel. 'k Ga heen:
+Gij blijft nog hier: het oord der toevlucht wacht, weest waakzaam
+steeds, en heilig zij uw wandel. Bewaart met kloeken moed, o jong'ren,
+uwen geest.
+
+"Die zonder wank'len steeds het woord der waarheid volgen.
+
+"Zij komen tot het doel, geboort, en dood voorbij."
+
+Den volgenden dag doet Boeddha nog eenmaal zijn bedelgang door Vaisali:
+ziet voor de laatste maal op de stad terug en begeeft zich met vele
+jongeren op weg naar Kusinara, om daar het Nirvana in te gaan.
+
+Te Pava--onderweg--overvalt hem de krankheid, die aan zijn leven
+een einde zal maken.--Cunda--zoo verhaalt het oude bericht naïef
+tusschen de afscheidsgesprekken van den verlichte door--Cunda, de zoon
+van een goudsmid te Pava zette den verhevene zwijnenvleesch voor,
+ten gevolge waarvan hij ziek werd. Moede ging de meester verder,
+hij baadde zich in de rivier en dronk een weinig. Na eenige rust
+kwam hij te Kusinara. Daar moest Ananda hem tusschen twee boomen een
+rustplaats bereiden, waarop hij het moede hoofd nederlegde.
+
+Het was niet de tijd dat de Salaboomen bloeiden, doch deze beide
+waren van onder tot boven met bloesems bedekt.
+
+Toen sprak de verhevene tot Ananda: "Geheel met bloemen bedekt,
+hoewel het de bloeitijd niet is, zijn de beide tweelingsboomen:
+hun bloesems vallen in menigte op het lichaam van den voleindigde:
+hemelsche melodieën weerklinken in de lucht om hem te eeren.
+
+"Doch den Voleindigde, Ananda, komt een andere eer toe, een andere
+verheerlijking, prijs, vereering, eerbied. Ieder monnik Ananda, en
+iedere non en iedere leek en leekenzuster, die in het groote en in het
+kleine in de waarheid leeft en naar de wet leeft en ook in het kleine
+naar de waarheid wandelt: zij zijn het die den voleindigde brengen
+de hoogste eer, verheerlijking, prijs en vereering. Daarom, Ananda,
+moet gij u oefenen en steeds bedenken: wij willen in het groote en
+het kleine naar de waarheid leven, wij willen naar de wet leven en
+ook in het kleine in de waarheid wandelen."
+
+Weenend ging Ananda het nabijzijnde huis binnen en sprak: "Ik ben
+van zonden nog niet vrij, ik heb het doel nog niet bereikt, en mijn
+meester, die zich mijner erbarmde, zal in het Nirvana ingaan."
+
+Toen zond Boeddha een der leerlingen tot hem: "Ga heen, leerling,
+en spreek uit mijn naam tot Ananda: de Meester wil met u spreken,
+Ananda." Toen ging Ananda tot den Meester, boog zich en nam aan
+zijne zijde plaats. Boeddha echter sprak: "Niet alzoo, Ananda,
+klaag niet, jammer niet. Heb ik u niet van te voren gezegd, Ananda,
+dat men scheiden moet van alles wat men liefheeft en waarin men zich
+verheugt? Hoe ware het mogelijk, Ananda, dat niet zou vergaan datgene
+wat geboren, geworden, gemaakt, der vergankelijkheid onderworpen
+is? Dat gaat toch niet. Gij echter Ananda, hebt langen tijd den
+Voleindigde geëerd, in liefde en goedheid, met vreugde zonder
+valschheid, zonder einde: in gedachten, woorden en werken. Gij hebt
+goed gedaan Ananda, ga voort, weldra zult gij van zonden vrij zijn."
+
+Toen de nacht aanbrak stroomden de edelen van Kusinara met vrouwen
+en kinderen naar het bosch om voor het laatst den stervenden meester
+hunne vereering te brengen.
+
+Subhadra, een andersgezind asceet, die gekomen was om met hem te
+spreken bekeerde zich tot hem als de laatste der geloovigen, die den
+Meester zelven aanschouwden.
+
+Kort voor zijn heengaan sprak Boeddha nog tot Ananda: "Wellicht,
+Ananda, zult gij denken; het woord heeft zijn meester verloren, wij
+hebben geen meester meer. Zoo moet gij niet denken, Ananda. De leer,
+Ananda, en de orde, die ik u geleerd en verkondigd heb, dat is uw
+meester, als ik ben heengegaan."
+
+En tot de jongeren zeide hij: "Welaan, jongeren, ik zeg u: vergankelijk
+is alles wat geworden is, worstelt zonder ophouden (om het heil te
+verkrijgen). Toen ging zijn geest van extase tot extase, door alle
+trappen der vervoering, daarop ging hij tot Nirvana in. De aarde
+beefde, de donder rolde. En Brahma sprak:
+
+"Eens leggen alle wezens af lichaamlijkheid, in alle werelden,
+zooals nu Boeddha, de overwinnaar, de meester der wereld, de machtige
+voleindigde, tot Nirvana is ingegaan."
+
+De edelen van Kusinara kwamen en verbrandden voor de poorten der stad
+het lichaam van Boeddha met alle eer, die aan de lijken van koningen
+placht te geschieden.
+
+
+
+Zoo wordt ons geschetst het levenseinde van den verhevene. We hebben
+hem aan de hand der oude geschriften gevolgd op zijn levens weg. Wij
+hebben leeren kennen den Boeddha der oude legende. Doch niet al
+te moeilijk schijnt het om uit den Boeddha der legende den wijzen
+Sakyazoon der historie te kennen. Als wij dat beproeven, dan komt
+ons voor den geest een hooggeboren edele, die, met aardschen glans
+en luister omringd, alles daarliet om een oplossing te zoeken van de
+hoogste levensvragen. Een wijze, die alles wat het leven lieflijks
+heeft, verzaakte om te zoeken naar wat voeren kon tot waren vrede. Niet
+in zelfkastijding, noch in overdreven wereldschuwheid vond hij dien,
+maar in het streven om bij een leven, evenver van zinnelijkheid als
+van zelfpijniging, tot uitdooving van alle hartstocht, tot opgeven
+van alle persoonlijke begeerte te komen.
+
+Eén, die voorts het licht hem geschonken, niet voor zichzelf hield,
+maar het zooveel in hem was aan anderen bracht, ja daaraan zijn
+gansche leven wijdde en die voor hoog en laag, voor mensch en dier
+de welwillendheid zelve was.
+
+Eén, die diep besefte dat geen offers, geen boetedoeningen, geen
+ceremoniën vrede brengen in de ziel, maar dat er slechts vrede en
+licht te vinden is voor hen, die uit liefde zichzelf ten offer geven
+en alle begeerte en hartstocht weten te overwinnen.
+
+Geen wonder dat zijn persoon een onuitwischbaren indruk achterliet
+en dat vrome vereering een stralenkrans wond om het hoofd van den
+Sakyazoon.
+
+
+
+
+
+III. Boeddha's onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen.
+
+
+Wij hebben in de vorige hoofdstukken het leven van den verlichte u
+geschetst en daarbij op menige bladzijde, naar ik hoop, doen gevoelen,
+welken geest hem bezielde. Toch willen wij op zijn onderwijs nog
+meer in 't bizonder uwe aandacht vestigen: de leer was immers naar
+zijn eigen woord tot Ananda, de Meester voor zijn volgelingen, als
+hij was heengegaan?
+
+Welnu, dat woord van den Meester is ons voor een goed deel overgeleverd
+al kunnen wij niet overal beslissen, wat aan den Meester, wat aan
+leerlingen te danken is.
+
+Wat die leer betreft, krijgen wij den indruk, dat zij zich--in
+onderscheiding van Jezus' leer b. v.--vaak meer tot het verstand
+richtte dan tot het hart. 't Is meestal meer een klemmend betoog dan
+een op het gevoel werkend beeld. Ja, er is in die betoogen zelfs iets
+mathematisch, punt voor punt wordt uitvoerig en eentonig afgewerkt
+en langzaam gaat het voort. Als een voorbeeld noem ik de volgende
+rede over den gloed der zinnen: [68]
+
+"Toen sprak de verhevene tot de jongeren: alles, jongeren, staat
+in vlam. En wat is dit alles, jongeren, dat in vlam staat? Het oog,
+leerlingen, staat in vlam, het erkennen van het zichtbare staat in
+vlam, de aanraking met het zichtbare staat in vlam, het gevoel,
+dat uit de aanraking met het zichtbare voortkomt, staat in vlam:
+of het vreugde of leed is of geen vreugde of leed: ook dit staat in
+vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der begeerte,
+door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding is het
+ontvlamd, door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, lijden,
+kommer, vertwijfeling is het ontvlamd: Alzoo zeg ik.
+
+"Het oor staat in vlam, het hoorbare staat in vlam, het kennen van
+het hoorbare staat in vlam, de aanraking met het hoorbare staat in
+vlam, het gevoel dat uit de beroering met het hoorbare voortkomt,
+zij het vreugde, zij het leed, zij het geen vreugde en geen leed, ook
+dit staat in vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der
+begeerte, door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding,
+door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, leed, kommer,
+vertwijfeling is het ontvlamd: alzoo zeg ik.
+
+"De reuk staat in vlammen (dan volgt weer dezelfde opsomming), de tong
+staat in vlammen (wederom), het lichaam staat in vlammen (wederom),
+de geest staat in vlammen (wederom)."
+
+Dan gaat de rede voort: "Dit alzoo inziende (nl. de waarheid van het
+verteerd worden van alles door den vuurgloed der vergankelijkheid)
+wordt een wijze, edele hoorder des woords het oog moede, hij wordt
+het zichtbare moede, hij wordt het kennen van het zichtbare moede,
+hij wordt het gevoel moede, dat uit de aanraking met het zichtbare
+ontstaat, zij het vreugde of leed, of geen vreugde of leed. Hij
+wordt het oor moede (enz.), de reuk moede" (enz. enz.) (altijd weer
+dezelfde zinnen).
+
+En dan eindigt de rede: "Terwijl hij deze dingen moede wordt,
+wordt hij vrij van begeerte, van begeerte vrij wordt hij verlost,
+in den verloste is het inzicht: ik ben verlost, vernietigd is de
+wedergeboorte, voleindigd de heiligheid, gedaan de plicht, geen
+terugkeer is er meer tot deze wereld: alzoo is zijn inzicht."
+
+Voor ons zou een dergelijke toespraak geen groote aantrekkelijkheid
+hebben, doch voor de leerlingen van Boeddha, die aan een dergelijken
+redeneertrant, ook van andere leeraars gewoon waren, was dat een
+ander geval.
+
+Voor de niet ingewijden sloeg de meester gewoonlijk een eenigszins
+anderen toon aan, dan waren de redeneeringen niet zoo abstract. Zoo
+wordt ons b.v. in de Mahavagga, hetzelfde werk, waaraan de juist
+vermelde toespraak is ontleend, ook verhaald hoe de verhevene aan
+"tachtigduizend dorpsoudsten" het woord predikte. "Hij erkende", heet
+het daar, in zijn geest de gedachten der dorpsoudsten en predikte
+hun het woord naar de orde, namelijk de prediking van het geven, de
+prediking van de rechtschapenheid, de prediking van de hemelen, de
+verderfelijkheid, ijdelheid, onreinheid der lusten, den zegen van het
+vrijzijn van lust. Toen nu de verhevene erkende, dat hunne gedachten
+goed, ontvankelijk, vrij van hindernissen waren, verheven en naar hem
+toegewend, toen predikte hij hen, wat in 't bizonder de prediking der
+Boeddha's is: het lijden, het ontstaan van het lijden, de opheffing
+van het lijden, den weg tot opheffing des lijdens. Vervolgens wordt
+dan geschetst hoe in die dorpsoudsten het oog der waarheid opengaat en
+zij inzien dat "alles wat aan de wet van het ontstaan onderworpen is,
+ook aan de wet van het vergaan onderworpen is."
+
+M. a. w. hier wordt ons te zien gegeven, hoe Boeddha van het eenvoudige
+opklimt tot de verborgenheden, tot het wezenlijke, het eigenaardige
+zijner leer. Nu, al mogen wij ook allerminst vaststellen dat deze
+leer alzoo is uitgesproken (die verzameling van 80.000 dorpsoudsten is
+althans zeker een fictie) toch kunnen wij aannemen dat iets dergelijks
+aan de leerwijze van den Verlichte is eigen geweest [69].
+
+Soms ook vinden wij gesprekken, waarin Boeddha uit het dagelijksch
+leven opklimt tot het geestelijke, en wel in dier voege, dat hij
+zijn toehoorder door verschillende vragen langzaam brengt, waar hij
+hem hebben wil: alzoo de methode van Socrates, die ook vooral door
+vragen leerde.
+
+Zoo b.v. een gesprek van den Meester met Sona, een zijner
+leerlingen. Deze Sona had zichzelf tot de uiterste ascese gedwongen,
+doch was ten slotte tot het inzicht gekomen dat zulk een streven geen
+goede vruchten droeg. Hij liep nu gevaar tot het andere uiterste over
+te slaan en terug te keeren tot een leven voor het genot.
+
+Boeddha zegt dan tot hem: "Hoe is het Sona, waart gij vroeger, voor
+gij uw huis verliet, met het snarenspel bekend?" "Ja, heer." "Wat
+dunkt u dan Sona, als de snaren al te strak zijn gespannen, zal dan
+de luit den rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn". "Dat
+zal zij niet, Heer." "En wat dunkt u, als bij uwe luit de snaren al
+te slap zijn gespannen, zal dan de luit den rechten toon geven en
+voor bespelen geschikt zijn?" "Dat zal zij niet, Heer." "Hoe echter,
+Sona, indien bij uwe luit de snaren niet te strak en ook niet te slap
+gespannen zijn, als zij de juiste maat houden, zal dan de luit den
+rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn?" "Ja, heer."
+
+"Zoo ontaardt ook, Sona, de al te sterk gespannen kracht in overmaat,
+en de al te veel overgelaten kracht in slapheid. Daarom Sona, voleindig
+in uzelf het evenwicht uwer kracht en tracht te komen tot evenwicht
+van uw geestelijk vermogen, houd dit doel in 't oog." [70]
+
+Somtijds vinden wij ook in het onderricht van Boeddha meer uitgewerkte
+gelijkenissen. Enkele daarvan willen wij U medededeelen, omdat zij
+ons zoo goed den geest des meesters doen kennen. We merken hierbij
+echter op, dat zeker niet al deze gelijkenissen van den Meester zelf
+afkomstig zijn.
+
+Van den verzoeker, die tracht de menschen den weg des heils te
+doen bijster worden en van den verlosser, die hen op den rechten
+weg terugvoert, wordt ons de volgende gelijkenis verhaald, die wij
+kunnen noemen:
+
+
+
+De ware en de verkeerde weg. [71]
+
+"Wanneer, o jongeren, in het woud, op een berghelling, een groote
+vallei met water is, waarbij een groote kudde wild leeft en er komt
+een man die het wild plagen en ongelukkig maken wil, dan sluit
+deze man den weg, [72] die goed, veilig en wel begaanbaar is af
+en opent een verkeerden weg, een moeraspad. Dan zal, o jongeren,
+die groote kudde wild schade lijden en verminderen. Wanneer er nu
+echter, jongeren, een man komt, die tracht naar gedijen, welzijn en
+heil voor deze groote kudde wild: dan maakt deze den goeden weg weer
+open en vernielt het moeraspad. Dan zal, o jongeren, de groote kudde
+wild voortaan gedijen, wassen en toenemen. Een gelijkenis, jongeren,
+heb ik verteld, om u den zin bekend te maken. De zin nu is deze:
+
+"De groote vallei en het water zijn de lusten, o jongeren. De groote
+kudde wild, jongeren, zijn de levende wezens. De man, die schade en
+onheil voor hen tracht te bewerken is Mara, de booze. De verkeerde
+weg, jongeren, is de achtvoudige verkeerde weg, namelijk: verkeerd
+geloof, verkeerd bedoelen, verkeerd woord, verkeerde daad, verkeerd
+leven, verkeerd streven, verkeerd gedenken, verkeerd bespiegelen. De
+moerasweg, o jongeren, is vreugde en begeerte. Het moeraspad, jongeren,
+is het nietweten. De man, jongeren, die naar gedijen, welzijn, heil
+tracht is de voleindigde, de heilige hoogste Boeddha. De zekere,
+goede weg, die wel te begaan is, is de heilige, achtvoudige weg,
+dat is: goed gelooven, goed bedoelen, goed woord, goede daad, goed
+leven, goed streven, goed gedenken, goed bespiegelen. Alzoo, heb ik,
+o jongeren, den veiligen, goeden weg geopend, die wel te begaan is, de
+valsche weg is toegesloten, het moeraspad vernietigd. Alles, jongeren,
+wat een meester doen moet, die naar het heil zijner jongeren tracht,
+die zich hunner erbarmt: uit erbarmen voor u heb ik dat gedaan."
+
+Dit bovenstaande verhaal kan terecht den naam van gelijkenis dragen,
+wij vinden echter in de oude Boeddhistische boeken ook nog meer
+uitgewerkte verhalen, die wel eenigszins aan gelijkenissen doen denken,
+maar toch nog beter "leerzame verhalen" kunnen worden genoemd. Enkele
+daarvan, deels van Boeddha, deels van zijn volgelingen afkomstig,
+willen wij hier laten volgen, omdat zij ons den geest van zijnen
+godsdienst zoo goed leeren kennen. Allereerst noemen wij u:
+
+
+
+De gelijkenis van de vergeving.
+
+In een vroeger bestaan was Boeddha de asceet Jin Juh en woonde hij in
+een bosch. "Wouden zijn heerlijk" verklaarde hij. "Waar de wereldling
+geen genoegen vindt, vindt de "ontwaakte" mensch genot."
+
+In dien tijd was er een koning, Ko Li geheeten, een man van wreed,
+slecht karakter. Op zekeren dag nam deze koning zijn vrouwen met zich
+en ging jagen in het bosch. Vermoeid geworden viel hij in slaap. Toen
+gingen al de vrouwen het bosch in om bloemen te plukken; zij kwamen bij
+de kluis van den asceet Jin Juh en luisterden naar zijn onderricht. Na
+eenigen tijd ontwaakte de koning, en zijn vrouwen missende, werd hij
+jaloersch, trok zijn zwaard en ging haar zoeken. Toen hij haar allen
+zag staan tegenover de kluis van den asceet, werd hij zeer toornig.
+
+"Wie zijt gij?" sprak de koning.
+
+"Ik ben de asceet Jin Juh."
+
+"Hebt gij alle aardsche hartstochten overwonnen?" vervolgde de
+koning. De ander antwoordde dat hij hier was om met zijn hartstochten
+te strijden. "Indien gij "Sheung te teng" [73] niet hebt bereikt,
+zie ik niet in dat gij beter zijt dan de philosophen," (Fan Fuh)
+èn met de wreedheid van een Oostersch tyran hakte hij den armen
+kluizenaar handen en voeten af.
+
+De monarch zag tot zijn verbazing een verheven kalmte op het gelaat
+van den gekwelden asceet en vroeg hem of hij geen toorn gevoelde.
+
+"Neen, koning, en ik zal u eenmaal leeren ook uw dierlijke hartstochten
+te bedwingen. Als ik, in een ander bestaan, Sheung te teng bereik,
+zult gij, o koning, mijn eerste bekeerling zijn."
+
+In een volgend bestaan werd koning Ko Li de leerling Kaundiliya.
+
+De hierop volgende geschiedenis is waarschijnlijk een protest
+van de Hinayana (de kleine overtocht, dat wil zeggen het meer
+oorspronkelijke Boeddhisme) tegen de "valsche leeraars" van de Mahayana
+(de groote overtocht) die het Boeddhisme als een soort atheïsme gingen
+opvatten. Zij kan genoemd worden:
+
+
+
+De gelijkenis van den godloochenaar.
+
+Angati, de koning van Tirhut, had eene dochter, Ruchi. Eerst leefde
+hij godsdienstig, doch later hoorde hij verkeerde leeraars, die
+verklaarden dat er geen toekomende wereld is en dat de mensch na den
+dood, in water en andere elementen wordt opgelost. Van toen af meende
+hij dat het beter was het tegenwoordige te genieten en werd hij wreed.
+
+Op zekeren dag ging Ruchi tot den koning en vroeg hem haar duizend
+goudstukken te geven, daar het den volgenden dag een feestdag was en
+zij een offer wenschte te brengen. De koning antwoordde dat er geen
+toekomstig leven was, geen vergelding voor verdienste. Godsdienstige
+vormen waren zonder waarde en het was beter om van het tegenwoordige
+leven te genieten.
+
+Nu had Ruchi het innerlijk gezicht: zij kon dus in haar leven teruggaan
+tot op veertien vroegere bestaansvormen. Dus sprak zij tot den koning
+dat zij vroeger een edelman was geweest, doch een overspeler en dat
+zij nu voor straf slechts een vrouw was. Als verdere straf was zij
+geweest monnik, jonge koe en geit en eens was zij geboren in de hel
+Avichi. De koning wilde zich niet door eene vrouw laten onderrichten
+en bleef ongeloovig. Toen riep Ruchi, door betoovering, een geest
+te hulp, en Boeddha zelf, in de gedaante van een monnik, kwam in de
+stad. De koning vroeg hem vanwaar hij kwam. De monnik antwoordde dat
+hij uit de andere wereld kwam. De koning zeide daarop lachend:
+
+"Als gij van de andere wereld komt, leen mij dan honderd goudstukken
+en als ik naar die wereld ga zal ik er u duizend teruggeven."
+
+Boeddha antwoordde ernstig: "Als iemand geld leent moet dat zijn aan
+de rijken, als hij geld geeft aan de armen, is het een gift, want de
+arme kan niet terugbetalen. Daarom kan ik u geen honderd goudstukken
+leenen, want gij zijt arm en berooid."
+
+"Gij spreekt logen" was het toornig antwoord des konings. "Is niet
+deze gansche rijke stad mijn eigendom?"
+
+Boeddha antwoordde: "Over korten tijd; o koning, zult gij sterven. Kunt
+gij uw rijkdom meenemen naar de hel? Daar zult gij in onuitsprekelijke
+ellende leven, zonder kleeding, zonder voedsel. Hoe kunt gij mij dan
+mijn schuld betalen?" Zoo sprak Boeddha en op zijn aangezicht lag
+een zonderlinge glans, die den koning verblindde.
+
+Ook het volgende verhaal is zeer populair, het heet:
+
+
+
+Boeddha's gelijkenis van Kisagotami.
+
+Eens leefde er een nederig paar in Sravasti. Zij verkochten erwten,
+rijst en houtskool in kleine ondiepe mandjes, door een matje tegen de
+middagzon bedekt. Zij hadden een eenige dochter, Kisagotami. Op zekeren
+dag zond haar vader haar het bosch in om hout te zoeken. Zij bleef
+in de jungle bloemen zoeken, totdat zij eensklaps van uit het dichte
+riet de oogen van een cheetah [74] op haar gevestigd zag. Zij stierf
+bijna van schrik. Plotseling suisde er iets langs haar en de cheetah
+lag dood aan haar voeten. De pijl was geschoten door een jongeling,
+als jager in dienst bij den Rajah. Spoedig daarna wilde hij trouwen
+met Kisagotami, die zeer op hem gesteld was. Doch de ouders, die reeds
+op jaren kwamen zeiden dat zij hun eenige dochter niet konden missen.
+
+Eens ging een blinde man het winkeltje voorbij, hij speelde en zong. De
+oude moeder luisterde en hij zong:
+
+"Zonder een metgezel wordt de Kokila [75] stil op haar tak,
+stil-stil-stil voor altijd."
+
+Zij bracht dit in verband met hare dochter, die inderdaad kwijnend en
+ziekelijk was geworden na hare teleurstelling en begon zich over deze
+bezorgd te maken. Zoo trad het meisje, na verloop van tijd, door den
+invloed van haar moeder, in het huwelijk. In die dagen richtte een
+wreede tijger verwoestingen aan en doodde vele dorpelingen. De vorst
+beloofde een groote som aan wie den tijger doodde. Kisagotami's man
+werd er door verlokt, hij viel den tijger aan, maar werd door diens
+klauw doodelijk gewond.
+
+De weduwe en een klein kind keerden naar Sravasti terug en helaas:
+ze ontmoetten een stoet van weenende vrouwen, die haar ouders naar
+het graf brachten. Een maand later zag men de arme weduwe met een
+dood kind in de armen, telkens klagende. "Geef mij een geneesmiddel
+voor mijn arm kind."
+
+Een antwoordde: "Ga naar den Sakyamonnik, den Boeddha (verlichte).
+
+Kisagotami ging naar Boeddha's kluis en sprak: "Heer en meester,
+kent gij eenig geneesmiddel dat mijn jongen zal genezen?"
+
+Boeddha antwoordde: "Ik moet een handvol mosterdzaad hebben."
+
+Het meisje beloofde het te bezorgen, maar Boeddha voegde er bij:
+"Ik moet mosterdzaad hebben uit een huis, waar geen zoon, echtgenoot,
+ouder of slaaf is gestorven."
+
+De arme Kisagotami ging met haar dood kindje van huis tot
+huis. Medelijdende menschen zeiden: "Hier is mosterdzaad, neem
+het." Maar als zij vroeg of er geen zoon, of echtgenoot of ouder
+of slaaf in dat huis was gestorven, dan ontving zij ten antwoord:
+"Vrouw, de levenden zijn weinigen, dooden zijn er velen: tot ieder
+huis komt de dood."
+
+Ten slotte zat Kisagotami, vermoeid en zonder hoop aan den weg
+neer en keek naar de lichten in de steden, die één voor één werden
+uitgedoofd. Op dat oogenblik deed Boeddha, door de macht van Siddhi
+[76], haar zijne verschijning zien en deze sprak: "Alle levende
+wezens gelijken op deze lampen. Zij worden opgestoken en flikkeren
+dan voor een wijle, daarop heerscht de zwarte nacht over allen. De
+verschijning predikte toen de wet aan haar, en volgens de woorden
+der Chineesche vertaling, bracht hij aan: "heil en redding, het pad
+wijzende dat leidt tot de eeuwige stad."
+
+
+
+De geschiedenis van prins Kunala.
+
+Koning Açoka had een jongetje, wiens oogen zoo schoon waren dat zijn
+vader hem Kunala noemde: daar is een vogel van dien naam, welke onder
+de rhododendrons en pijnboomen van de Himalaya woont en die beroemd is
+om zijn lieftallige oogen. De jonge prins groeide op en ieder sprak
+over zijn schoonheid in het gansche land des konings. Geen vrouw kon
+hem in de oogen zien, zonder verliefd op hem te worden. Een Sthavira
+[77] sprak eens ernstige woorden tot hem en zeide: "De trots van het
+oog mijn zoon, is ijdelheid. Pas op."
+
+Op jeugdigen leeftijd huwde Kunala een meisje, Kanchana geheeten. Op
+zekeren dag zag een van de vrouwen des konings den jeugdigen echtgenoot
+en werd wanhopig verliefd op zijn schoone oogen. Kunala was door
+schrik getroffen.
+
+"Zijt gij niet," sprak hij, "in de zenana [78] van den koning, mijn
+vader?" Dit woord veranderde haar liefde in bitteren haat.
+
+In dien tijd stond de stad Taxila tegen koning Açoka op. De monarch
+wilde er aanstonds zelf heengaan, doch de ministers raadden hem om
+prins Kunala te zenden in zijn plaats. De prins ging naar de oproerige
+stad en wist spoedig de rust te herstellen. Het volk verzekerde hem
+dat zij de afpersingen en onderdrukkingen van des konings beambten
+hadden weerstaan, doch niet den koning zelf.
+
+Niet lang daarna werd de koning door een walgelijke ziekte aangetast
+en moest ten behoeve van zijn zoon afstand doen van den troon. De
+koningin Tishya Rakshita, dezelfde die den prins zoo haatte, dacht
+in haar hart: "Als Kunala den troon bestijgt ben ik verloren."
+
+Zij beval een slaaf haar een man te brengen, door dezelfde ziekte
+als de koning aangetast. Zij vergiftigde den man en onderzocht hem
+van binnen. Een groote worm voedde zich met zijn ingewand. Zij gaf
+dien worm peper en gember: hij bleef er even gezond bij. Zij gaf hem
+uien en hij stierf.
+
+Aanstonds ging zij naar den koning en beloofde hem te genezen als
+hij haar een verzoek wilde toestaan. De koning beloofde haar alles
+te geven, wat zij zeggen zou. Zij sprak tot hem: "Neem deze ui en
+gij zult beter worden."
+
+"Koningin," sprak de koning, "ik ben een Kshatrya en de wet van Manoe
+[79] verbiedt mij uien te eten." De koningin vertelde dat het een
+geneesmiddel was, gèèn voedsel. Hij at de ui en werd genezen.
+
+De koningin verzocht nu, als belooning voor deze genezing, een week
+lang de zaken des konings te mogen besturen. De koning aarzelde,
+maar liet zich overhalen.
+
+Aanstonds zond de koningin een verzegelde order met 's konings zegel
+voorzien, dat prins Kunala bedelaarskleeren moest dragen en zijn
+oogen moesten worden uitgestoken: een blinde prins immers mag den
+troon niet bestijgen.
+
+De goede menschen van Taxila waren diep geschokt door dit bevel, maar
+zij zeiden tot elkaar: "Als de koning zoo onbarmhartig is voor zijn
+zoon, wat zal hij dan wel doen, als wij hem niet gehoorzamen?" Eenige
+Chándalas [80] werden er voor uitgekozen: doch zij hielden veel van
+den prins en wilden het wreed bevel niet uitvoeren. Op het laatst kwam
+er een afschuwelijke kerel, een mensch met wel achttien misvormingen
+en afwijkingen en rukte den prins de oogen uit.
+
+Weldra was deze als bedelaar op den grooten weg: zijn vrouw, Kanchana,
+was ook bij hem, in lompen gekleed. De arme prins herinnerde zich de
+plechtige woorden van den Sthavira.
+
+"Is niet de buitenwereld", zoo sprak hij tegen zijn vrouw "slechts
+een klomp vleesch?"
+
+De prins was altijd ziekelijk geweest en om nu in zijn onderhoud te
+voorzien speelde hij op de vina [81]. Na vele zwerftochten bereikten
+zij Palibothra (Patna) en kwamen bij het paleis des konings. Doch de
+wachters wierpen de twee vuile bedelaars er uit. Ten slotte dringen
+echter de tonen der vina tot den koning door. "Het is mijn zoon,"
+zeide hij. Hij zond beambten uit om hem te halen. De koning was
+verbaasd over den toestand, waarin hij hem aantrof. Toen hij te weten
+kwam wat er gebeurd was riep hij de schuldige koningin bij zich en
+gaf bevel haar levend te verbranden.
+
+Doch prins Kunala was een ander mensch geworden. Toen hij, zooals
+hij meende door zijn aardschen vader verlaten was, was hij een zoon
+van Boeddha geworden. Zijn "lichamelijk oog" was weg, doch hij voelde
+dat zijn "geestelijk oog" thans voor het eerst was geopend. In plaats
+van de zachte kleederen der hovelingen droeg hij nu de lompen van
+Boeddha's verheven bedelaars.
+
+Hij wierp zich voor de voeten van zijn vader en smeekte hem der
+koningin het leven te sparen: "Ik voel geen haat, geen smart, slechts
+dankbaarheid, dood haar niet."
+
+Açoka, de machtige zonnekoning, was bestemd om heel Indië te regeeren:
+zijn scepter reikte verder dan dien van den groot-Mogol. Hij ook zou
+eenmaal zijn prachtige paleizen verlaten en langs den weg zijn brood
+bedelen, ook hij werd Bhikshu.
+
+
+
+Een Boeddha op een huwelijksfeest.
+
+Koning Sudarsana was een modelkoning. In zijn rijk was geen
+doodstraf noch geeseling bekend, geen krijgswapen om te martelen of te
+verderven. Zijne stad, Jambunada, was gebouwd van kristal en kornalijn,
+zilver en goud. Eens bezocht een Boeddha deze plaats.
+
+Nu was er in die stad een man, die den volgenden dag zou trouwen, en
+hij wenschte gaarne dat de Boeddha bij de plechtigheid tegenwoordig
+zou zijn. Boeddha, die voorbij kwam, las de stille wensch in zijn hart
+en beloofde te komen. De bruidegom was zeer verheugd, hij bestrooide
+zijn huis met bloemen en besprenkelde het met reukwater.
+
+Den volgenden dag kwam Boeddha, de aalmoezenschaal in de hand, door
+vele leerlingen vergezeld. Toen zij allen op hunne bestemde plaatsen
+zaten, deelde de gastheer allerlei heerlijke spijzen rond, en sprak:
+
+"Eet, mijn heer, met al uwe leerlingen, volgens uw begeerte."
+
+Doch nu openbaarde zich een wonder aan de verbaasde blikken van
+den gastheer. Hoewel deze heilige mannen allen zeer smakelijk aten,
+verminderden de gerechten en de dranken niet. Daarop dacht deze bij
+zichzelf: "Kon ik maar al mijn bloedverwanten uitnoodigen, ook voor
+hen zou er genoeg zijn."
+
+Nu geschiedde een tweede wonder: Boeddha las de gedachten van den
+goeden man, en, zonder dat zij uitgenoodigd waren, stroomden alle
+bloedverwanten het huis binnen. Ook zij aten smakelijk van het
+wonderbare voedsel.
+
+Het behoeft nauwelijks betoog, dat het Chineesche boek
+Fu. pen. hing. tsi. king (door Beal in het Engelsch vertaald) ons
+vermeldt dat al de gasten, nadat zij eenige woorden over Dharma
+(de leer, de wet) van den Tathagata hadden gehoord, tot voldoening
+van iedereen (behalve misschien van de arme bruid) de gele kleederen
+gingen dragen.
+
+
+
+De nu volgende geschiedenis is een zeer aantrekkelijke en doet ons
+zien, dat een liefde, die de grenzen dezer wereld overschrijdt en tot
+in het hiernamaals reikt ook in de dagen van Sakya-muni niet onbekend
+was. Zij is getiteld:
+
+
+
+De geschiedenis van het meisje Bhadra.
+
+Toen Sakya-muni een vroeger bestaan doormaakte, noodigde een zekere
+koning Suryapati den grooten Boeddha Dipankara uit om zijn rijksgebied
+te bezien. Om dezen te eeren gaf de koning bevel dat zijn onderdanen,
+binnen een grens van twaalf yogana's van de hoofdstad, alle bloemen en
+reukwerken zouden bewaren voor den koning, opdat deze ze aan Boeddha
+zou schenken. Niemand mocht deze gaven houden om ze voor zichzelf
+aan te bieden.
+
+Sakya was toen een jonge Brahmaan, Megha geheeten. Hij was,
+ofschoon eerst zestien jaar oud, wel onderwezen in de wet. Hij
+was onvergelijkelijk schoon: zijn lichaam als geel goud, zijn haar
+insgelijks. Zijn stem was zoet en zacht als die van Brahma. Hij kwam
+in de stad, juist toen deze was versierd met het oog op de komst van
+Boeddha Dipankara en ook hij--die reeds een zeker vaag voorgevoel van
+het Boeddhaschap in zich gevoelde--besloot aan den vleeschgeworden
+verlichte een offer te brengen.
+
+Hij sprak bij zichzelven: "Welke offers zal ik hem brengen? Boeddha's
+houden niet van offers in geld, ik zal hem de schoonste bloem geven,
+die ik kan vinden."
+
+Hij ging naar een kapper en zocht een fraaie bloem uit, doch de
+kapper wilde haar niet verkoopen. "De koning heeft orders gegeven,
+eerbiedwaardig jongeling, dat geen bloemkransen hier in de stad mogen
+worden verkocht, hoe dan ook." Megha kreeg in een tweede en derde
+winkel hetzelfde antwoord.
+
+Nu zag hij, terwijl hij verder zocht, dat een in 't zwart gekleed
+meisje, een waterdraagster, Bhadra geheeten, stilletjes een
+Utpala-bloem met zeven stelen nam, die in haar wateremmer deed,
+en daarop haar weg vervolgde.
+
+Megha ging haar tegemoet en sprak "wat wilt ge doen met die Utpala,
+die gij in uw wateremmer verstopte? Ik zal u vijfhonderd goudstukken
+geven als gij haar aan mij wilt verkoopen."
+
+Het meisje was getroffen door de verschijning van den jongen man,
+die er zoo vriendelijk uitzag.
+
+Zij antwoordde direct: "Schoone jongeling, hebt gij niet gehoord
+dat de groote Boeddha Dipankara op uitnoodiging van den koning zoo
+aanstonds in de stad zal komen en dat de koning een verbod heeft
+gegeven dat niemand, binnen twaalf yogana's van de stad, reukzalf
+of bloemen aan eenig particulier mag verkoopen, aangezien de koning
+alles zelf wil koopen om het aan den Boeddha aan te bieden?
+
+"Nu is er in onze nabijheid een kappersvrouw die van mij vijfhonderd
+geldstukken kreeg en mij daarvoor deze bloem met zeven stelen gaf. De
+reden waarom ik alzoo des konings gebod heb overtreden, is dat ik
+zelf een offer wil brengen aan den heiligen man."
+
+Toen antwoordde Megha: "Goed meisje, wat gij hebt gezegd zal u dunkt
+mij het recht geven om van mij vijfhonderd goudstukken aan te nemen,
+waarvoor gij mij dan vijf stelen van de Utpalabloem geeft en er twee
+voor uzelven behoudt."
+
+Zij antwoordde: "Wat wilt gij doen met de bloemen als ik ze aan
+u geef?"
+
+De jonge Brahmaan zeide daarop dat hij ze aan den Boeddha wenschte
+te schenken.
+
+Nu had dit meisje het innerlijk gezicht en zij zag aan het gelaat
+van den jongeling, dat hij eenmaal de leidsman der menschen zou worden.
+
+Zij sprak: "Schoone vreemdeling, eenmaal zult gij een groote Boeddha
+zijn, en wanneer gij mij beloven wilt dat gij tot op den dag van uwe
+verlichting (waarop gij een Boeddha wordt) mij bij iedere geboorte
+tot uw vrouw zult nemen en dat wanneer gij Nirvana bereikt, gij mij
+als leerling onder uwe volgelingen wilt opnemen, dan zal ik u vijf
+stelen van mijn bloem geven."
+
+De Brahmaan antwoordde dat een asceet al zijn rijkdom moest schenken
+aan zijn metgezellen en dat, indien zij deze regeling goed vond, hij
+haar voor altijd tot vrouw wilde hebben. Zij verkocht hem daarop vijf
+stelen van de Utpala, opdat deze zijn bizondere gift aan den Boeddha
+zouden zijn en begeerde dat zij de andere twee als haar eigen gift
+zou schenken.
+
+Toen Dipankara naderde, vol majesteit, glinsterend als een helder meer,
+werd het geschenk hem toegeworpen en door een wonder bleven de bloemen
+zwevend in de lucht: een canopy (koepeldak) vormend boven zijn hoofd.
+
+Onder de "Fan hemelen" der Chineezen heet er een Fuh. ngai (gelukkige
+liefde). Laten wij hopen dat daar de lieve Bhikshu Bhadra bij haar
+geliefden meester is.
+
+
+
+Koning Wessantara.
+
+Eens leefde Boeddha op aarde als koning Wessantara. Zoo vriend'lijk was
+hij voor iedereen dat het gerucht ging dat hij een besluit had genomen
+om aan iedereen te geven wat hij verzocht. Hij had een liefhebbende
+vrouw en twee kinderen. Ook had hij een betooverden witten olifant.
+
+Een vreeselijke hongersnood brak in een naburig koninkrijk uit en
+de armen stierven bij duizenden. Acht Brahmanen werden tot koning
+Wessantara gezonden ten einde van hem den witten olifant te verzoeken:
+want een vruchtbare regen valt overal waar een betooverde witte
+olifant zich ophoudt.
+
+De weldadige koning stond zijn witten olifant af. Dit wekte zoozeer
+den toorn van zijn volk op, dat zij hem afzetten.
+
+Wessantara gaf nu al zijn rijkdom aan de armen en vertrok in een
+wagen, door twee paarden getrokken. Hij zou naar een groote rots in
+de wildernis gaan, teneinde daar kluizenaar te worden. Op zijn reis
+ontmoet hij twee Brahmanen, die hem om zijn rijtuig verzoeken. Hij
+geeft aan die bede gehoor en de onttroonde koning en koningin leggen
+de rest van den weg te voet af, ieder een kind op den arm. Hun weg
+leidt door het koninkrijk van den vader der koningin. Deze tracht
+hen van hun besluit terug te brengen, doch tevergeefs.
+
+In dienzelfden tijd leefde een Brahmaan, Jutaka, zeer gelukkig met
+zijn schoone vrouw; totdat op zekeren dag, toen de vrouw water putte,
+jaloersche buren haar gemoed vergiftigden. Zij bliezen haar namelijk in
+dat zij een slavin was en wonden haar zoo op, dat zij haar echtgenoot
+aanviel, hem sloeg en zijn baard uitrukte. Ja, zij dreigde zijn huis
+te verlaten als hij haar geen twee slaven verschafte. Zij zeide dat
+een dwaze koning, Wessantara, in de wildernis leefde als asceet. Daar
+moest hij heengaan en om twee slaven verzoeken.
+
+Zij toch hadden twee kinderen en hadden een gelofte gedaan om geen
+enkel verzoek te weigeren. Jutaka vertrok, doch hij kon niet bij den
+koning komen, daar de vader der koningin er een jager op wacht had
+gezet. Hij toch wist van Wessantara's gelofte en wilde hem voor verdere
+onbeschaamdheden van hebzuchtigen vrijwaren. Jutaka vertelde den jager
+een leugenachtig verhaal en slaagde er in den kluizenaar te vinden. Hij
+vroeg de twee kinderen voor zich als slaaf en Wessantara was door zijn
+eed gebonden ze hem te schenken. Zoo spoedig Jutaka uit het gezicht
+van den koning was, bond hij de koningskinderen stevig met koorden
+vast, doch: hij verdwaalde in de wildernis en kwam in het land van
+'s konings schoonvader, die al spoedig het geheele geval had vernomen.
+
+Hij liet den Brahmaan voor zich komen en bood hem voor de kleinkinderen
+hun gewicht in goud. Het eind van den hebzuchtigen Brahmaan was
+ongeveer als dat van Judas: hij richtte van zijn oneerlijk verkregen
+rijkdom een groot feest aan: zijn ingewanden barstten door overvulling.
+
+
+
+Koning Bambadat.
+
+Boeddha was in een zijner vroegere geboorten koopman in Benares. Op
+zekeren dag ging hij met zijn vrouw in een rijtuig door de straten
+van Rajagriha, de hoofdstad van koning Bambadat. De vorst zag deze
+vrouw en werd betooverd door hare onvergelijkelijke schoonheid. Hij
+maakte terstond een afschuwelijk listig plan om haar te krijgen.
+
+Een van zijn ambtenaren werd uitgezonden om stil een juweel van
+groote waarde in het rijtuig van den koopman te laten vallen. De arme
+koopman werd nu gevangen genomen onder beschuldiging van des konings
+kleinood te hebben gestolen. Hij en zijne schoone vrouw werden voor
+den koning gebracht, die met voorgewende belangstelling naar het geval
+hoorde en daarop beval dat de koopman onthoofd en diens vrouw in den
+harem zou worden opgenomen. Koning Bambadat was een wreed koning,
+wiens onderdrukkingen hem den haat zijner onderdanen op den hals
+hadden gehaald.
+
+De arme koopman werd weggevoerd om onthoofd te worden, maar Indra
+op zijn hemeltroon had het vreeselijk voorval gezien en--een wonder
+geschiedde. Toen de beul zijn zwaard ophief deden onzichtbare handen
+den koning, die bij de bloedige gebeurtenis tegenwoordig wilde zijn,
+van plaats verwisselen met den koopman, zoodat deze den noodlottigen
+slag ontving. Doch de koopman vond zichzelf eensklaps op den olifant
+gezeten, die den koning naar de gerichtsplaats had gebracht. Deze
+treffende tusschenkomst des hemels verbaasde het verzamelde volk:
+zij riepen den koopman tot hun nieuwen koning uit. Onnoodig er bij
+te voegen dat zijn wijze van regeeren gansch anders was dan die van
+koning Bambadat.
+
+Vermeld wordt het niet, maar waarschijnlijk was de schoone vrouw het
+meisje Bhadra van de vorige geschiedenis.
+
+
+
+De hongerige hond.
+
+Eens was daar een slecht koning, Usuratanam geheeten. Deze onderdrukte
+zijn volk zoo vreeselijk, dat Boeddha in den hemel er medelijden
+mee kreeg. Boeddha was toen de god Indra. Hij nam den vorm van een
+jager aan en daalde met den deva Matali neder: deze als een enorm
+groote hond. Zij traden eensklaps des konings paleis binnen en de
+hond blafte zoo ontzettend, dat het geluid de koninklijke gebouwen op
+zijne grondvesten deed schudden. De verschrikte koning riep den jager
+bij zich en vroeg wat die vreeselijke geluiden hadden te beteekenen.
+
+"De hond blaft zoo van den honger" zeide de jager--en opnieuw rolde
+een geluid als van een verren donder door het paleis.
+
+"Geef hem eten, geef hem toch eten" zeide de verschrikte vorst; al
+het voedsel, dat er was, moest dienen voor het koninklijk feestmaal:
+het werd voor den hond neergezet. Hij at het in een oogenblik op en
+blafte nogmaals met vreeselijke stem. Men haalde meer voedsel: alles
+ten slotte wat in de stad en in de aangrenzende provinciën was. Doch,
+na korte rust at de onverzadelijke hond alles op en begon opnieuw te
+blaffen. De koning stortte haast ter aarde van schrik.
+
+"Zal niets ooit uw hond verzadigen, jager?"
+
+"Niets, o koning, dan het vleesch van al zijn vijanden."
+
+"En wie zijn zijn vijanden, jager?"
+
+"Zijn vijanden," hernam de jager "zijn zij die slechte daden
+verrichten, die de armen onderdrukken, die oorlog maken, die wreed
+zijn tegenover de dieren der schepping."
+
+De koning herinnerde zich zijn vele slechte daden en werd door schrik
+en berouw aangegrepen. Daarop maakte Boeddha zich bekend en predikte
+hem en zijn volk de wet der gerechtigheid.
+
+Daar Matali altijd voorkomt als de wagenmenner van Indra ligt het
+voor de hand dit verhaal te beschouwen als een oud-Indisch, in
+Boeddhistischen geest omgewerkt, gelijk trouwens met vele Jataka
+verhalen het geval is. Boeddha is hier eenvoudig voor Indra, den
+oorspronkelijken held van het verhaal, in de plaats gesteld.
+
+
+
+Boeddha als vredestichter.
+
+Twee prinsen waren eens in hevigen twist geraakt over zeker kunstmatig,
+door dijken afgesloten meer. Een vreeselijke oorlog dreigde te
+ontbranden. Eensklaps verscheen Boeddha tusschen de prinsen en hun
+legers en vroeg naar de oorzaak van den strijd. Toen men hem volkomen
+had ingelicht stelde hij de volgende vragen:
+
+"Zeg mij, koningen, heeft aarde eigenlijke waarde?"
+
+"Geen waarde hoegenaamd."
+
+"Heeft water eigenlijke waarde?"
+
+"Geen waarde hoegenaamd."
+
+"En het bloed van koningen, heeft dat eigenlijke waarde?"
+
+"De waarde is daarvan niet te schatten."
+
+"Is het redelijk" sprak de Tathagata "dat wat van onberekenbare waarde
+is in rekening wordt gebracht tegen datgene wat in het geheel geen
+waarde heeft?"
+
+De vertoornde vorsten erkenden de wijsheid dezer redenen en gaven
+hun twist op.
+
+
+
+De verloren zoon.
+
+Zeker man had een zoon, die wegreisde naar een ver land. Daar werd hij
+vreeselijk arm. De vader echter werd rijk, hij verzamelde veel goud
+en schatten, hij had veel welgevulde magazijnen en olifanten. Doch
+hij had zijn verloren zoon zeer lief en klaagde heimelijk dat hij
+niemand had aan wien hij zijn paleizen en suverna's [82] bij zijn
+dood kon achterlaten.
+
+Na vele jaren kwam de arme man, voedsel en kleeding zoekend, naar
+de streek waar zijn vader groote bezittingen had. Zijn vader zag hem
+reeds van verre en dacht bij zichzelf: "Indien ik aanstonds mijn zoon
+weer aanneem, en hem mijn goed en schatten geef, zal ik hem groot
+leed veroorzaken.
+
+"Hij is onwetend en onopgevoed: hij is arm en verdrukt. Met iemand
+van zulke ongelukkige neigingen is het beter zijn geest langzamerhand
+op te voeden. Ik zal hem maken tot een mijner huurlingen."
+
+Daar kwam de zoon, uitgehongerd en in lompen, aan de deur van zijns
+vaders huis. Hij zag een grooten troon en vele hovelingen, die eer
+bewezen aan hem, die op den troon zat. Verschrikt door al die pracht
+vlood hij weer naar den weg terug. "Hier" zoo sprak hij "is het huis
+van den armen man. Als ik in het paleis van den koning kom, word ik
+wellicht in de gevangenis geworpen."
+
+Toen zond de vader boden naar zijn zoon: deze brachten hem mede,
+ondanks zijn verzet en klagen. Toen hij het huis van zijn vader
+bereikte viel hij flauw van schrik: hij herkende zijn vader niet en
+dacht dat hij een of ander wreede straf zou moeten verduren. De vader
+beval zijn dienaren zachtkens met den ongelukkige te handelen en zond
+twee werklieden van diens eigen levenswijze uit om hem als arbeider
+op het landgoed in dienst te nemen. Zij gaven hem een bezem en een
+mand en lieten hem, tegen dubbel loon de mesthoop opruimen.
+
+Uit het venster van zijn paleis keek de rijke man naar zijn zoon, die
+daar aan het werk was. Doch op zekeren dag kleedde de vader zich als
+een arm man, overdekte zich met stof en vuil en sprak zijn zoon toe:
+"Blijf hier, goede man, en ik zal u van kleeding en voedsel voorzien:
+gij zijt eerlijk en arbeidzaam. Beschouw mij als uw vader."
+
+Na vele jaren voelde de vader zijn einde naderen. Hij riep zijn zoon
+en zijn ambtenaren bij zich en deelde hun het geheim mede, dat hij
+zoo lang had bewaard. De arme man was werkelijk zijn zoon, die hem in
+vroeger dagen had verlaten. Nu deze zich bewust was van zijn vroegeren
+droeven staat, nu hij bekwaam was rijkdom op prijs te stellen en te
+bewaren, wilde hij hem al zijn schatten toevertrouwen. De arme man
+was verbaasd over deze plotselinge ommekeer in zijn lot, en verblijd
+nog eenmaal zijn vader te zien.
+
+
+
+Volgens de "Lotus van de Volmaakte wet" zijn de gelijkenissen van
+Boeddha omsluierd voor de onwetenden door een raadselachtige taal.
+
+De rijke man van de gelijkenis, met zijn troon vol bloemen en juweelen,
+heet daar de Tathagata, die al zijn kinderen teeder bemint en groote
+geestelijke schatten voor hen heeft bereid. Doch iedere zoon van
+Tathagata heeft treurige neigingen. Hij stelt de mesthoop boven de
+paarl mani. Om zulk een mensch te leeren moet de Tathagata lagere
+dienaren gebruiken, monniken en asceten, om hem langzamerhand van de
+lagere voorwerpen der begeerte af te wennen. Als hij zelf spreekt
+is hij gedwongen veel van zijn gedachten te omsluieren, omdat zij
+niet begrepen zouden worden. Zijn zonen hebben geen genoegen in het
+hooren van geestelijke dingen. Stap voor stap moet hun geest worden
+opgevoed voor hoogere waarheden.
+
+
+
+Gelijkenis van de vrouw aan de bron.
+
+Ananda, de geliefde leerling van Boeddha, was eens dorstig, daar hij
+een verre reis had gemaakt. Bij een bron ontmoette hij een meisje,
+Matanga geheeten en vroeg haar hem wat water te geven. Doch daar zij
+een vrouw van lagere kaste was, vreesde zij een heilig Brahmaan te
+besmetten en weigerde vriendelijk.
+
+"Ik vraag niet naar caste, maar naar water," zeide Ananda. Zijn
+nederigheid won het hart van het meisje.
+
+Haar moeder was ervaren in liefdesdranken en tooverkunsten en toen deze
+hoorde hoe verliefd haar dochter was, dreef zij haar tooverspel met
+Ananda en bracht hem naar haar hol. Hulpeloos bad deze tot Boeddha,
+die aanstonds verscheen en de booze demonen uitwierp.
+
+Doch met Matanga was het nog droevig gesteld. Ten slotte besloot zij
+Boeddha zelf op te zoeken en bij hem hulp te vragen.
+
+De groote geneesmeester, de gedachten van het meisje bemerkende,
+vroeg haar vriendelijk:
+
+"Ondersteld dat gij mijn leerling huwdet, kunt gij hem overal
+volgen?" "Overal," sprak het meisje. "Kunt gij zijn kleederen dragen en
+slapen onder hetzelfde dak?" zeide Boeddha, zinspelend op de armoede
+en dakloosheid der onbehuisden. Langzamerhand begreep het meisje zijne
+bedoeling en op het laatst nam zij haar toevlucht tot de drie groote
+paarlen. [83]
+
+
+
+De geschiedenis van Vasavadatta.
+
+Te Mathura was een courtisane, Vasavadatta geheeten. Zij werd zeer
+verliefd op een der toenmalige discipelen van Boeddha, Upagupta
+geheeten, en zond haar dienstbode om hem haar hartstocht bekend te
+maken. Upagupta was jong en zeer schoon. Weldra kwam de dienstbode
+met het volgende raadselachtig antwoord terug:
+
+"De tijd is nog niet gekomen, dat de leerling Upagupta een bezoek
+zal brengen aan de courtisane Vasavadatta."
+
+Vasavadatta was over dit antwoord verbaasd. Haar klasse toch was toen
+ter tijd een caste, een georganiseerd lichaam, door den staat beschermd
+en zij leefde in grooten overvloed. Zij was de schoonste vrouw in
+des konings rijk en niet gewoon dat hare liefde werd versmaad. Toen
+haar eerste oogenblikken van heftigheid voorbij waren, bedacht zij
+dat de jonge man arm was. Wederom zond zij haar dienstbode naar
+Upagupta. "Zeg hem dat Vasavadatta liefde begeert, geen goud en
+paarlen." De dienstbode kwam terug met hetzelfde raadselachtige
+antwoord: "De tijd is nog niet gekomen dat de leerling Upagupta de
+courtisane Vasavadatta zal bezoeken."
+
+Weinige maanden daarna stond Vasavadatta in liefdesbetrekking tot
+het hoofd der kunstenaars van Mathura. Terwijl deze betrekking
+nog voortduurde kwam een zeer rijk koopman in de stad met
+vijfhonderd paarden, die hij wilde verkoopen. Toen hij hoorde van
+Vasavadatta's schoonheid, besloot hij haar op te zoeken en werd op
+haar verliefd. Zijn paarlen en suverna's waren te verlokkend voor de
+hebzuchtige vrouw. Zij vermoordde het hoofd der kunstenaars en liet
+zijn lijk op een mesthoop werpen. Zijn familieleden deden, toen zij
+hem misten, allerlei nasporingen en het lijk werd gevonden.
+
+Vasavadatta werd gevangen genomen en voor den koning gebracht. Deze gaf
+bevel dat haar ooren, haar neus, haar handen en haar voeten zouden
+worden afgehouwen en haar lichaam op een kerkhof geworpen. Haar
+dienstbode bleef haar nog ter zijde, want zij was een vriendelijke
+meesteres voor deze geweest. Zij trachtte haar pijn te lenigen en
+joeg de vliegen van het bloedend lichaam weg.
+
+Nu kreeg Vasavadatta een derde boodschap van Upagupta: "De tijd
+is gekomen dat de leerling Upagupta een bezoek zal brengen aan de
+courtisane Vasavadatta." De arme vrouw, in wier ziel nog een echo was
+van de vroegere hartstocht, liet door haar dienstbode zorgvuldig haar
+geschonden leden onder een kleed bedekken: de verminkte overblijfsels
+van vroegere schoonheden. Toen de jonge man kwam zeide zij met eenige
+hartstocht:
+
+"Eens was mijn lichaam geurig als de lotus en bood ik u mijn liefde
+aan. In die dagen was ik bedekt met paarlen en fijn linnen. Nu ben
+ik verminkt en met vuil en bloed bedekt. Mijn handen, mijn voeten,
+mijn ooren, de beul heeft ze afgehouwen."
+
+De jonge man troostte met groote vriendelijkheid de arme Vasavadatta
+in haar doodsstrijd. "Zuster, het is niet voor mijn genoegen en mijn
+geluk dat ik tot u kom." Hij wees haar op de werkelijke natuur van
+de bekoorlijkheden, die zij nu betreurde. Hij wees er haar op dat
+zij geen vreugden, doch kwellingen waren gebleken, en dat indien
+onkuischheid, ijdelheid, begeerigheid en moordzucht waren afgesneden,
+zij winst had en geen verlies.
+
+Hij verhaalde haar van Tathagata, dien hij op deze aarde had zien
+wandelen, een Tathagata, die vooral hen die lijden liefheeft. Zijn
+woord bracht vrede in de ziel van Vasavadatta. Zij stierf, na haar
+geloof in Boeddha te hebben uitgesproken.
+
+Geesten voerden haar naar de boeteplaatsen van Devaloça.
+
+
+
+Gelijkenis van het brandend huis.
+
+Daar was eens een oud man, gebrekkig, vervallen, doch zeer rijk. Hij
+bezat veel land en vele goudstukken. Nog meer: hij had een wondergroot
+huis, dat vele sporen vertoonde van den tand des tijds. De gebinten
+waren door de wormen doorknaagd, de pilaren waren vergaan, de galerijen
+vielen naar beneden, het dak was droog en brandbaar. In het huis
+waren vele honderden bedienden en knechten van den ouden man, zoo
+uitgestrekt was de verzameling van oude gebouwen.
+
+Het huis bezat ongelukkig slechts eene deur. De man was ook de vader
+van vele kinderen, vijf, tien, laten wij zeggen twintig. Op zekeren dag
+rook hij een brandlucht en liep hij zoo spoedig hij kon, de eenige deur
+uit. Tot zijn schrik zag hij dat het dak in vlammen stond, terwijl de
+vergane oude pilaren één voor één vuur vatten en de gebinten brandden
+als tonder. Daarbinnen waren zijn kinderen, waar hij zoo veel van
+hield, aan het stoeien en aan het spelen met hun speelgoed.
+
+De beangste vader zeide bij zichzelven: "Ik zal het huis inloopen en
+mijn kinderen redden. Ik zal ze in mijn sterke armen nemen. Ik zal ze
+veilig dragen door de vallende gebinten en de brandende balken." Doch
+daar kwam de droeve gedachte bij hem op dat zijn kinderen dartel
+en onwetend waren. "Als ik hun zeg dat het huis in vlammen staat,
+zullen zij mij niet begrijpen. Als ik beproef hen te grijpen zullen
+zij rondhollen en beproeven mij te ontsnappen. Helaas! en er is toch
+geen oogenblik te verliezen."
+
+Eensklaps schoot een heldere gedachte door het brein van den
+oude. "Mijn kinderen zijn onwetend," zeide hij bij zichzelf, "maar zij
+houden van speelgoed en van blinkende dingen. Ik zal hun wat speelgoed
+beloven, dat zoo mooi is als zij 't nooit zagen. Dan zullen zij naar
+mij luisteren."
+
+De oude man riep nu met luider stem: "Kinderen, kinderen, kom uit het
+huis en zie deze mooie stukken speelgoed. Wagens met witte ossen er
+voor, alles goud en klatergoud. Zie die keurige fijne antilopen, o,
+en wat een mooie geiten. Kinderen, kinderen, kom toch gauw, of zij
+zijn allen weer weg."
+
+Daar kwamen de kinderen met vliegende haast uit den brandenden
+bouwval. Speelgoed was haast het eenige woord dat zij goed begrepen. De
+vader nu was uitermate blij, dat zijn kroost van het gevaar was
+gered en hij bezorgde hun eenige wagentjes, zoo mooi als men ze nooit
+ziet. Ieder wagentje had een koepeldak als een pagode en was met fijn
+traliewerk en klinkende belletjes versierd.
+
+Het was gemaakt van de zeven kostbare zelfstandigheden. Snoeren
+van glinsterende paarlen hingen er over: Vlaggen en kransen van de
+lieflijkste bloemen. Melkwitte ossen trokken deze wagens. De kinderen
+waren verbaasd toen zij er in zaten.
+
+Volgens de "Witte Lotus van Dharma" beteekent deze gelijkenis het
+volgende: De oude man is Tathagata en zijn kinderen zijn de blinde,
+lijdende kinderen van zonde en hartstocht. Tathagata heeft hen
+zeer lief en wil hen redden van hun ongeluk. Het oude, wondergroote
+huis, onooglijk, rot, gevaarlijk is het rijk van Kama: het gebied
+der begeerte, de drie groote werelden van den zichtbaren kosmos. Het
+oude huis staat in brand door het vuur van menschelijke hartstochten,
+haat en lust. Tathagata wil, in zijn oneindig medelijden al zijn
+geliefde kinderen uit het groot gevaar verlossen, maar zij verstaan
+zijne taal niet. Zij denken alleen over mooi speelgoed en kinderlijke
+vermaken. Als hij tot hen spreekt over den grooten innerlijken
+vrede, die den mensch zijn smart doet overwinnen, begrijpen zij hem
+niet. Spreekt hij tot hen over wonderbare, bovennatuurlijke giften,
+die aan de stervelingen worden geschonken, dan zijn zij doof. De
+wagentjes van klatergoud voor de kinderen van Tathagata bereid,
+zijn de "Groote" en de "Kleine" overtocht der Boeddhistische leer. [84]
+
+
+
+Het gesprek met Rahula over de valschheid.
+
+Koning Açoka [85] de groote beschermer van het Boeddhisme, die in de
+3e eeuw vóór Christus leefde, heeft verschillende steen-inscripties
+gemaakt. In een daarvan noemt hij zeven hoofdwerken (of belangrijke
+gedeelten) uit Boeddha's leer, daaronder dit gesprek. Volgens de
+vertaling van Prof. Beal luidt het aldus:
+
+"In vroeger dagen, vóór Rahula tot de hoogste kennis was gekomen,
+waren zijn woorden (daar zijn natuurlijke aard niet zoo verheven was)
+niet altijd gekenmerkt door liefde tot de waarheid.
+
+Bij zekere gelegenheid beval Boeddha hem te gaan naar de Kientai
+(Ghanda of Ghanta) Vihara en daar zijn mond te bewaren en zijn
+gedachten te beheerschen, tevens moest hij nauwgezet de regels van
+gedrag, in de schriften neergelegd, bestudeeren. Rahula, het gebod
+hoorende, betuigde zijn gehoorzaamheid en ging.
+
+Negentien dagen bracht hij in berouw en boete door. Ten slotte kwam
+Boeddha tot hem. Rahula werd, hem ziende, met blijdschap vervuld en
+boog voor hem met diepen eerbied. Vervolgens ging Boeddha op de voor
+hem bestemde plaats zitten en verzocht aan Rahula hem een bekken met
+water te brengen en zijne voeten te wasschen. Toen dit was afgeloopen
+vroeg Boeddha aan Rahula of dit water nu nog geschikt was voor eenig
+huiselijk gebruik (drinken enz.) Rahula zeide van niet: immers het
+water was vol met stof en onreinheid. Boeddha sprak: "Dit is ook uw
+geval: want ofschoon gij mijn zoon zijt en de kleinzoon des konings,
+ofschoon gij alles hebt opgegeven om een asceet te worden, toch
+zijt gij onbekwaam uw tong van onwaarheid en de bevlekking van losse
+praat terug te houden, en zoo zijt gij evenals dit besmette water:
+ongeschikt voor verder gebruik."
+
+Nadat nu het water was weggeworpen, vroeg Boeddha opnieuw of de schaal
+nu geschikt was om drinkwater te bevatten. Rahula antwoordde: "Neen,
+want de schaal is nog besmet en onzindelijk en kan daarom voor zulk
+een doel niet worden gebruikt." Daarop antwoordde Boeddha: "Zoo is
+het met u ook. Daar gij uw tong niet in toom houdt zijt gij bekend als
+ongeschikt voor eenig hoog doel, al belijdt gij een asceet te zijn."
+
+Daarop stak Boeddha de ledige schaal aan zijn voet en die ronddraaiende
+vroeg hij aan Rahula of hij niet bang was dat zij breken zou.
+
+Rahula zeide dat hij daarover niet bezorgd was, want de schaal was
+een doodgewone en daarom beteekende zijn verlies weinig.
+
+"Zoo is het met u ook," sprak Boeddha, "want al zijt gij een asceet,
+toch zijt gij, daar gij uw tong niet meester zijt, bestemd om, als een
+klein en onbeteekenend ding, een eind'looze reeks zielsverhuizingen
+door te maken, een voorwerp van verachting voor alle wijzen."
+
+Rahula schaamde zich diep en nog eens richtte Boeddha zich tot hem:
+"Luister, ik zal u eene gelijkenis vertellen. In oude dagen was daar
+een koning over zeker rijk, die een zeer grooten en sterken olifant
+bezat, wel in staat om vijfhonderd kleinere olifanten den baas te
+blijven. Er kwam opstand in een deel van 's konings rijk. De koning
+wilde er heen, en haalde de ijzeren wapenrusting van den olifant voor
+den dag. Hij beval den oppasser van den olifant hem de wapens aan te
+doen, te weten: twee scherpgepunte zwaarden aan zijn slagtanden, twee
+zeisen aan zijn ooren, een kromme speer aan iederen poot, een ijzeren
+bal aan zijn staart; verder moesten negen soldaten hem begeleiden. De
+meester van den olifant had er schik in hem zoo geharnast te zien
+en prentte hem in toch vooral zijn slurf goed gekruld te houden,
+wetende dat een pijlschot in het midden daarvan noodlottig moest
+zijn. Doch zie in 't midden van het gevecht wond de olifant zijn
+slurf los en wilde er een zwaard mee grijpen. De meester verschrikte
+en na overleg met den koning en zijn ministers, werd besloten dat hij
+niet meer op het oorlogsveld zou worden geleid." Boeddha vervolgde:
+"Rahula, wanneer menschen, die de negen fouten begaan, alleen hun
+tong maar bewaarden, zooals deze olifant werd geleerd zijn slurf te
+bewaren: alles zou wel zijn. Laten zij zich wachten voor de pijl,
+die in het midden treft, laten zij hun mond gesloten houden, opdat
+zij niet bij hun dood de ellende van toekomstige geboorten in de drie
+slechte wegen moeten doormaken."
+
+Hij voegde er nog deze versregelen bij:
+
+"Ik ben als de vechtende olifant zonder vrees voor de pijl, die in 't
+midden treft. Door oprechtheid en waarheid ontkom ik aan de menschen,
+die de wet niet eerbiedigen. Als de olifant, die, wel onderworpen
+en rustig den koning zijn snuit reikt om hem te bestijgen, zoo onder
+tucht is ook de eerwaardige: ook hij duldt vertrouwend en geloovig."
+
+Rahula, deze woorden hoorende, werd bedroefd over zijn achteloosheid
+in woorden, wijdde zich aan vernieuwde oefening en werd aldus een
+Rahat. [86]
+
+
+
+Wij besluiten hiermede de redenen en gelijkenissen, die wij van den
+Boeddha vermeldden: mogen zij niet allen van hem zelf afkomstig zijn,
+zij drukken toch zeker uit den geest zijner leer, zij stellen ons
+in levendig tafereel voor oogen de liefde, de zelfverloochening, het
+heil, door den Meester aangeprezen. Toch oordeelen wij het gewenscht,
+om, ten einde den lezer tot een helder besef te brengen van het
+eigenaardige van Boeddha's streven, de hoofdpunten daarvan nog met een
+enkel woord in het licht te stellen. Wij willen dan daarbij tevens
+enkele quaesties, die zich in het Boeddhisme voordoen, met name die
+over het Nirvana, opzettelijk onder de oogen zien.
+
+
+
+
+
+IV. Hoofdpunten van Boeddha's leer.
+
+
+Reeds vroeger [87] hebben wij gezien, dat de hoofdvraag van het
+Boeddhisme deze is: Hoe word ik van het lijden verlost? Boeddha
+handelt daarover vooral, waar hij de vier heilige waarheden uiteenzet:
+en over het lijden, zijn ontstaan, zijn opheffing, en den weg,
+die tot opheffing leidt zich uitspreekt. Niet allereerst is dus de
+vraag: hoe moet ik de godheid dienen?--of--hoe word ik van zonde
+gereinigd?--zooals bij andere godsdiensten--maar, hoe word ik bevrijd
+van het lijden? Die vraag staat zoozeer op den voorgrond dat wij in
+een der Sutta's [88] als een woord des Meesters vermeld vinden, dat er
+veel meer is dat hij erkend heeft en hen niet verkondigd heeft dan wat
+hij hun wèl verkondigd heeft. En dat waarom? "Omdat het o jongeren,
+u geen gewin brengt, omdat het niet tot afkeer van het aardsche,
+tot ondergang van alle lust, tot ophouden van het vergankelijke, tot
+vrede, tot inzicht, tot verlichting, tot Nirvana voert: daarom heb
+ik het u niet verkondigd. En wat heb ik u verkondigd? Het lijden,
+het ontstaan van het lijden, de opheffing van het lijden, den weg
+tot opheffing van het lijden."
+
+Hier hebben wij dus de hoofdzaak der leer. De vraag is nu echter: hoe
+hebben wij deze in bizonderheden te verstaan? Dit schijnt gemakkelijk
+op te lossen, want tal van redenen zijn er in de Boeddhistische boeken
+aan gewijd, maar ...... ze hebben vaak het eigenaardige, dat in onze
+dagen b.v. aan uiteenzettingen over economie eigen is: eerst schijnt
+alles helder, maar langzamerhand komt er een nevel voor uw oogen en
+alles wordt u duister. Zoo nu is het hier. Wij willen echter trachten
+de hoofdzaken te verstaan.
+
+Allereerst: de waarheid van het lijden. Alles wat leeft is aan 't
+lijden onderworpen: geboorte, ouderdom, dood: 't is alles lijden. Van
+eeuwigheid af, door vele bestaansvormen heen, gaat de wandeling
+(samsara) der levende wezens: door den drang, den dorst naar zijn,
+telkens gedreven tot nieuwe wedergeboorten. Een zee van tranen grooter
+dan de vier groote wereldzeeën is er geweend. En al dat lijden is aan
+het leven noodzakelijk verbonden--"vijf dingen zijn er die geen asceet,
+die geen Brahmaan, die geen god, geen Mara noch Brahma, noch eenig
+wezen in de wereld kan bereiken. Welke vijf dingen zijn dat? Dat, wat
+den ouderdom toebehoort niet veroudert, wat aan ziekte onderworpen is
+niet ziek wordt, wat den dood toebehoort niet sterve, wat aan verval
+onderhevig is niet vervalle, dat wat vergankelijk is niet verga.
+
+Al het doen der menschen, die aardsch geluk nastreven loopt op lijden
+uit, niet slechts als hun arbeid tevergeefsch is, maar ook als zij
+het doel bereiken. Hier op aarde ondervonden zij dat lijden het gevolg
+is, en als hun lichaam wordt verbroken, dan worden zij in de hel tot
+nieuwe kwellingen wedergeboren. Of de mensch zijn lust volgt, of hij
+vreugde nastreeft, of hij liefde aankweekt, alles brengt lijden met
+zich als onvermijdelijk gevolg. Tot eindelooze wandeling (samsara)
+door een woestijn van leed is de mensch veroordeeld.
+
+Droevige levensbeschouwing? Doch wie meent dat een weemoedige stemming
+het wezen van het Boeddhistische geloof uitmaakt, zou zich zeer
+vergissen. Neen, daar is uitkomst: men kan, alle begeerten afstervend,
+komen tot den grooten vrede, tot de eeuwige rust. De ware Boeddhist,
+die dien vrede in beginsel heeft gevonden, die zich los heeft gemaakt
+van de aarde met haar leed en haar strijd, hij gaat met dezelfde
+vreugde het Nirvana tegen als de Christen het eeuwige leven. Zonder
+vrees of bekommering leeft hij en sterft hij; de angst voor den dood,
+de gehechtheid aan andere dingen, die den Europeaan kenmerkt en hem
+zooveel leed veroorzaakt is b.v. van de Birmanen zeer ver. [89]
+
+Men hoore ook de volgende opmerkingen uit Dhammapada, die dit
+uitdrukken in alle schoonheid en verhevenheid. "Wiens zinnen in
+rust zijn, als paarden, getemd door hun bestuurder, wie de trots van
+zich heeft gedaan, wie van onreinheid vrij is, den alzoo voleindigde
+benijden de goden zelven.
+
+"In verheven vreugde leven wij, zonder vijand in de wereld der
+vijandschap, onder vijandige menschen zijn wij zonder vijandschap.
+
+"In verheven vreugde leven wij, gezond onder de kranken, onder de
+kranken verkeerend zonder ziekte.
+
+"In verheven vreugde leven wij, zonder naar iets te trachten onder hen,
+die trachten. Onder de menschen die trachten leven wij zonder begeerten
+(trachten).
+
+"In verheven vreugde leven wij, hoewel ons niets
+toebehoort. Vroolijkheid is onze spijze, evenals die der van licht
+stralende goden.
+
+"De monnik, die op een ledige plaats vertoeft, wiens ziel vol vrede
+is, hij geniet bovenmenschelijke zaligheid, de waarheid gansch en
+al doorschouwend."
+
+Er is dus een uitweg uit het lijden, dat ligt reeds hierin
+opgesloten. Nu zijn echter ontstaan en opheffing van het lijden nauw
+met elkaar verbonden. Lust en begeerte doen het lijden ontstaan,
+vernietiging van lust en begeerte heft het op, zoo zagen wij reeds
+bij onze vermelding der vier heilige waarheden. [90] Lust en begeerte
+doen het lijden ontstaan, zij voeren tot steeds nieuwe begeerten en
+teleurstellingen, zij doen ons volharden in de eindelooze wandeling
+(samsara) van leven tot leven. Wie boven alle lust en begeerte
+verheven wordt, hij behoeft niet wederom geboren te worden, maar
+komt tot het hoogste heil, tot den grooten Vrede. Dat was het licht,
+hetwelk Boeddha onder den vijgeboom verkreeg: de dorst, de gulzigheid,
+was de veroorzaker van de greep (de wedergeboorte) en dus vernietiging
+van dorst (begeerte) het ophouden van het lijden, de verlossing,
+het hoogste heil.
+
+Wat is nu echter dat hoogste heil en hoe stelde Boeddha zich die
+samsara, die eindelooze wandeling van leven tot leven voor? Ziedaar
+twee vragen, die onze aandacht verdienen, omdat zij raken de
+hoofdpunten van den godsdienst en omdat hier geleerden, die van het
+Boeddhisme een studie hebben gemaakt, in hun inzicht ver uiteen loopen.
+
+Zooals men weet werd de leer der zielsverhuizing reeds door de
+Brahmanen gehuldigd. Zij leerden dat in alle schepselen een deel van
+den eeuwigen geest woonde, dat verschillende bestaansvormen doorliep
+om eindelijk, van alle hartstocht en zonde gelouterd, wederom met den
+Algeest (Brahma) vereenigd te worden. Het stoffelijke was vergankelijk,
+maar het innerlijke onvergankelijk, dit kwam telkens in een andere
+gestalte weer op de wereld terug, en iedere volgende bestaansvorm
+beantwoordde, door de wet van Karma (oorzaak en gevolg) aan den
+voorafgaande. Zoo oogstte de mensch in ieder volgend leven, wat hij
+in een vorig leven had gezaaid. Men zal toestemmen dat zulk een leer
+alleen begrijpelijk is, wanneer er iets blijvends, iets geestelijks is,
+dat telkens den ondergang van het stoffelijk organisme overleeft om
+straks in nieuwe gestalte te verschijnen. Zoo werd het ook inderdaad
+door de Brahmanen opgevat. Zij noemden het wezen, dat van den eenen
+in den anderen bestaansvorm overging, atman. [91]
+
+Nu vinden wij in de heilige boeken van het Boeddhisme hierover vaak
+een gansche andere leer. Men hoore b.v. het volgende gesprek uit de
+Samyuttaka Nikaya. Tot Boeddha, lezen wij daar, kwam zekere monnik
+Vachagotta, een aanhanger van een andere secte. Hij sprak tot den
+Verhevene aldus: "Wat dunkt u, geëerde Gautama, bestaat het ik?" Toen
+hij zoo sprak, zweeg de Verhevene. "Hoe dan, Gautama, bestaat het ik
+niet?" Wederom zweeg de Verhevene. Toen stond de monnik Vachagotta
+van zijn zitplaats op en ging heen.
+
+Toen echter de monnik Vachagotta zich verwijderd had, sprak de
+eerwaardige Ananda tot den Verhevene: "Waarom Heer, heeft de Verhevene
+op de vraag, dien de monnik Vachagotta deed, niet geantwoord?
+
+"Indien ik, Ananda, toen de monnik Vachagotta mij vroeg: Bestaat het
+ik, geantwoord had: Het ik is, zoo zou ik, Ananda, bekrachtigd hebben
+de leer van de Samana's en Brahmanen, die aan de onvergankelijkheid
+gelooven. Als ik, Ananda, toen de monnik Vachagotta mij vroeg:
+Bestaat het ik niet? geantwoord had, het ik bestaat niet, zoo zou ik
+bekrachtigd hebben de leer van de Samana's en Brahmanen, die aan de
+vernietiging gelooven [92]. Als ik, Ananda, toen de monnik Vachagotta
+mij vraagde: Bestaat het ik? geantwoord had: het ik bestaat, had mij
+dat, Ananda, gediend om in hem het inzicht te werken: "Alle "wezens"
+(Dhamna) zijn niet ik"? Dat had het niet, heer. Als ik echter Ananda,
+toen de monnik mij vraagde: Bestaat het ik niet? geantwoord had: Het
+ik bestaat niet, zoo zou dat nu, Ananda, slechts uitgewerkt hebben dat
+de monnik Vachagotta in nog grootere verwarring was gekomen en denken
+zou: Mijn ik, bestond het vroeger niet? Nu is het echter niet meer."
+
+Men ziet, veel verder wordt de quaestie hier eigenlijk niet
+gebracht. Het is: ja en neen tegelijk. Alleen schijnt toch een soort
+vernietiging het einde. Dit is trouwens ook in overeenstemming met
+de wijze, waarop in tal van andere Boeddhistische teksten het wezen
+van den mensch wordt beschreven. Daar toch is geen sprake van een
+ik, als het inwendig geestelijk wezen, dat door de zintuigen met de
+buitenwereld in gemeenschap staat: neen, de mensch wordt verdeeld in
+vijf skandha's: lichamelijkheid, gewaarwordingen, voorstellingen,
+neigingen en bewustzijn, geen van deze maakt de persoonlijkheid
+van den mensch uit: noch is er iets hoogers, iets centraals, dat
+van al deze dingen de drager of bestuurder is. Hoe kan daarbij
+van eenige zielsverhuizing of van een doorloopen van verschillende
+bestaansvormen sprake zijn? Die vraag schijnt niet gemakkelijk te
+beantwoorden. Een later Boeddhistisch geschrift "de vragen van Milinda"
+[93] geeft een gesprek van dezen koning met den Boeddhistischen heilige
+Nagasena. Deze zegt tot den koning: "Het is niet hetzelfde wezen en
+het zijn niet verschillende wezens, die in de rij der bestaansvormen
+elkaar aflossen. De koning (wij kunnen hier inkomen!) begrijpt dit
+niet en zegt: Geef mij een gelijkenis. Nagasena houdt daarop het
+volgend gesprek: "Als een man, groote koning, een licht aansteekt,
+zal het niet den nacht doorbranden?" "Ja heer, het zal den nacht
+doorbranden." "Nu, groote koning, is de vlam in de eerste nachtwake
+dezelfde als die in de middelste nachtwake?" "Neen, heer." "Hoe dan
+koning, was het licht in de eerste nachtwake een ander, in de tweede
+weer een ander, in de derde weer een ander?" "Neen Heer, aan dezelfde
+stof zich voedend, heeft het den ganschen nacht gebrand." "Zoo ook,
+groote koning, sluit de keten der wezens ineen, het eene ontstaat,
+het andere vergaat. Zonder aanvang, zonder einde sluit de keten,
+daarom is het noch hetzelfde noch een ander wezen, dat zichten slotte
+aan het bewustzijn voorstelt."
+
+
+
+Volgens het verhaal was koning Milinda met deze en andere dergelijke
+uiteenzettingen voldaan, ons echter voldoen zij weinig; 't blijft
+ons raadselachtig, ontastbaar, wat eigenlijk met zulk een Karma
+is bedoeld. Trouwens in andere uiteenzettingen worden wij, ook op
+dit punt, naar huis gezonden met een: "de Verhevene heeft dit niet
+geopenbaard, omdat het niet diende tot heil."
+
+Een Karma, een wet van oorzaak en gevolg, volgens welke goed en
+kwaad zijn vruchten dragen, en ieder menschelijk leven, zooals het
+nu eenmaal is, de noodzakelijke vrucht is van voorafgaande levens
+en de logische voorbereiding van daaropvolgende levens; zeker, dat
+wordt geleerd, maar de band, welke die levens aaneenschakelen kan
+als er geen eigenlijk gezegde ziel, dus ook ziels-verhuizing is,
+is onzichtbaar, onbegrijpelijk.
+
+Met uiteenzettingen over Nirvana is het al niet beter gesteld,
+ook daar komen wij niet tot helder besef. Op vele plaatsen zouden
+wij het woord Nirvana zeer geschikt kunnen vertalen door hemel en
+schijnt werkelijk Nirvana een soort voortbestaan, voortduring in te
+sluiten. Elders weer schijnt het alsof Nirvana = het niets, en alsof
+alleen die leer van het niets, wegens haar radicalisme, wat omsluierd
+wordt voorgedragen. Soms ook krijgen wij den indruk dat Nirvana is:
+iets onuitsprekelijks, boven alle zijn in den gewonen zin verheven.
+
+Men oordeele. Zekere monnik, Yamaka geheeten, had (we ontleenen ook
+dit gedeelte aan het straks aangehaalde Boeddhistische geschrift)
+de volgende kettersche meening:
+
+"Ik versta de door den Verhevene verkondigde leer zoo, dat een
+monnik, die van zonden vrij is, als zijn lichaam te gronde gaat,
+der vernietiging ten prooi valt, dat hij vergaat, dat hij niet is
+aan gene zijde van den dood."
+
+We merken op dat, indien vernietiging de eindleer van Boeddha was,
+hier van geen ketterij sprake kan zijn.
+
+De eerwaardige Sariputta nu gaat den dwalende onderrichten: "Wat meent
+gij, vriend Yamaka, is de Tathagatha één met zijn lichamelijkheid
+(m. a. w. is zijn lichaam zijn ware wezen). Ziet gij het zoo in?" "Dat
+doe ik niet, vriend."
+
+"Is de Tathagata één met zijn gewaarwordingen, zijn voorstellingen,
+zijn neigingen, zijn bewustzijn? Ziet gij het zoo in?" "Dat doe ik
+niet, vriend."
+
+"Wat dunkt u, vriend Yamaka, is de Voleindigde in de lichamelijkheid
+(de gewaarwordingen enz.) begrepen? Meent gij het zoo?"
+
+"Dat doe ik niet, vriend."
+
+"Wat meent gij, vriend Yamaka, zijn lichamelijkheid, gewaarwordingen,
+voorstellingen en bewustzijn (te zamen) de Voleindigde? Ziet gij het
+zoo in?" "Dat doe ik niet, Heer."
+
+"Wat meent gij, vriend Yamaka, is de Voleindigde gescheiden van
+lichamelijkheid, van aandoeningen, voorstellingen, neigingen en
+bewustzijn? Ziet gij het alzoo in?" "Dat doe ik niet, vriend."
+
+"Zoo is dus, vriend Yamaka, reeds in deze wereld de Voleindigde voor u
+niet te begrijpen. Hebt gij dan het recht om te spreken: Ik versta de
+door den Verhevene verkondigde leer zóó, dat een monnik, die van zonden
+vrij is, als zijn lichaam verbroken wordt, aan de vernietiging ten
+prooi is; dat het vergaat, dat het niet is aan gene zijde des doods?"
+
+Hier wordt m. a. w. dus verkondigd: het Nirvana is een mysterie, boven
+ons denken verheven. 't Is, alsof wij hooren het woord van Paulus:
+"Wat geen oog gezien en geen oor gehoord heeft, en in geen menschenhart
+is opgekomen, dat heeft God bereid voor hen, die Hem liefhebben."
+
+De wijzen, zegt een spreuk uit Dhammapada, die geen wezen leed doen,
+die hun lichaam altijd in toom houden, zij wandelen naar de eeuwige
+verblijfplaats. Wie daar is gekomen, weet van geen leed.
+
+Wat is nu echter in dezen het oorspronkelijke? De leer: alles keert
+tot niet, de vergelding van leven tot leven zonder een wezen, dat in
+'t eene leven misdreef en in 't andere gestraft wordt? Of zijn dit
+latere, wijsgeerig gekleurde ontaardingen van het oorspronkelijk
+Boeddhisme? We doen deze vragen met nadruk. En wel om de volgende
+redenen: 1e. Hoewel aan de eene zijde geleerd wordt dat niets
+blijvend is, geen wezen voortduurt van leven tot leven, vinden wij
+toch tal van Yataka-verhalen, waarin Boeddha spreekt over de levens,
+die hij vroeger heeft doorgemaakt. Hoe dat, als er volgens het
+Boeddhisme geen blijvend iets is, geen ik, dat van leven tot leven
+overgaat? 2e. die zoogenaamd echt Boeddhistische zielsverhuizing,
+een vergelding zonder een wezen, aan wien vergolden wordt, schijnt
+meer een uitvinding der Sophisten dan een leer van een volksprediker;
+3e. ook in die stroomingen van het Boeddhisme, waar men zich verre
+heeft gehouden van allerlei latere ontaardingen, heeft men toch
+die leer van Karma anders opgevat, b. v. in Birma zijn er tal van
+verhalen in omloop over vroegere geboorten. Vele kinderen weten
+daar soms nog een en ander te vertellen over hun lotgevallen in
+een vroeger bestaan. 4e. juist die Boeddhistische geschriften,
+zooals b. v. Brahmajala-sutta, waarin zoo wonderlijk met ja en neen,
+bevestiging en ontkenning gerekend wordt, zijn waarschijnlijk geen
+afspiegeling der oude Boeddhistische leer, maar hebben den invloed
+ondergaan van de Mahayana, de school van den grooten overtocht. Wat
+was die Mahayana? Een soort van atheïstisch-gekleurde wijsbegeerte,
+die het oorspronkelijk Boeddhisme voor een goed deel verdrong, doch
+ook een krachtige reactie teweegbracht, welke op haar beurt het
+Boeddhisme weer in bijgeloof deed ontaarden.
+
+Wanneer men ons dus vraagt naar de eigenaardigheden van het
+oorspronkelijk Boeddhisme, meenen wij hieromtrent de volgende punten
+te kunnen vaststellen:
+
+1. Boeddha stelde op den voorgrond de verlossing van het lijden. Deze
+moest hierin bestaan, dat men, door begeerte en hartstocht in een
+leven van kuischheid, armoede en gehoorzaamheid te overwinnen, tot
+den grooten Vrede geraakte, zoodat men niet wederom geboren behoefde
+te worden.
+
+2. Het oorspronkelijk Boeddhisme was bovenal op het praktische gericht,
+en was evenver van atheïsme als van vormendienst verwijderd.
+
+3. De leer van een wedergeboorte zonder zielsverhuizing en van Nirvana
+als vernietiging is niet oud-Boeddhistisch, maar aan de Mahayana
+te danken.
+
+4. Het Boeddhisme mag niet als volslagen pessimisme worden opgevat,
+omdat het: theoretisch een uitweg predikt uit het lijden en praktisch
+even ver van wereldvergoding als van wereldverachting is verwijderd.
+
+
+
+
+
+V. De weg des heils.
+
+
+We hebben in het vorige hoofdstuk de hoofdzaken der Boeddhistische
+leer in het oog gevat, de menschheid in leed verzonken, de uitweg,
+die naar het Nirvana voert. De vraag komt nu echter: waarlangs voert
+ons die weg? M. a. w. wij zijn nu aan de behandeling van de vierde
+der heilige waarheden genaderd, de weg, die tot opheffing van het
+lijden voert: Reeds hebben wij vermeld dat de weg tot opheffing van
+het lijden is het heilige achtvoudig pad, dat is: recht geloof, recht
+besluiten, recht woord, rechte daad, recht leven, recht streven,
+recht gedenken, recht bespiegelen. Welnu, drie stations zijn er,
+die wij op dien weg achtereenvolgens moeten passeeren, wij kunnen
+ze noemen: rechtschapenheid, bespiegeling (inkeeren tot zichzelf),
+wijsheid. Allereerst dus rechtschapenheid, d. w. z. zich van alles wat
+boos en onrein is verre houden. Deze rechtschapenheid openbaart zich
+in de opvolging der vijf volgende geboden, die niet alleen gelden voor
+de eigentlijke volgelingen, de monniken, maar voor alle vereerders van
+den Boeddha. Zij zijn: 1. geen levend wezen dooden, 2. aan niemands
+eigendom zich vergrijpen, 3. de vrouw van een ander niet aanraken,
+4. geen onwaarheid spreken, 5. geen bedwelmende dranken drinken.
+
+Wij moeten erkennen, dat inderdaad deze geboden door Boeddha's
+volgelingen zeer nauwgezet worden nageleefd. Niet alleen dat de
+Boeddhistische monnik van een soort zeef voorzien is, opdat hij bij
+het drinken van water niet het leven van een insect vernietige,
+neen, ook de leek, die eerbied heeft voor den Verhevene zal geen
+dier dooden, evenmin zijn vleesch eten. De Birmanen maken slechts
+voor één soort adder een uitzondering, een die den mensch moedwillig
+aanvalt en waarvan een hunner spreekwoorden zegt: als zij u eerst
+ziet, doodt zij u, als gij haar eerst ziet, doodt gij haar. En ook de
+andere geboden, met name het niet gebruiken van bedwelmende dranken,
+worden streng nagekomen.
+
+Ook worden zij niet slechts negatief opgevat. De Boeddhist doodt
+niet alleen geen dieren, maar is ook vervuld met liefde voor al wat
+leeft. Zeer op den voorgrond komt ook het vergelden van kwaad met goed,
+men denke b.v. aan de vroeger verhaalde geschiedenis van Kunala. [94]
+Vooral uit practisch oogpunt worden deze deugden aanbevolen. "Door
+niet te toornen overwint men den toorn, het booze overwint men door
+het goede, den gierige overwinne men met gaven, door waarheid overwinne
+men den leugenaar." [95]
+
+Welwillendheid wordt door Boeddha op eigenaardige wijze in het
+voorbeeld van zijn eigen leven aanbevolen. Hij zegt [96] "Na den
+maaltijd, als ik van het aalmoezen verzamelen ben teruggekeerd, begeef
+ik mij naar het woud. Dan stapel ik kruiden en grassen opeen en zet
+mij daarop neder, met gekruiste beenen, het lichaam recht opgericht,
+het gelaat met waakzaam denken omgeven. Zoo zit ik daar, terwijl ik
+de kracht der welwillendheid, die mijn geest vervult, zich over één
+wereldstreek laat uitstrekken, daarna over den tweeden, den derde
+en vierde, [97] naar boven, naar beneden, in schuine richting, naar
+alle kanten, op alle wegen van de gansche wereld laat ik de kracht
+der welwillendheid, die mijn geest vervult, die groote onmetelijke,
+die van geen haat weet, die naar geen schade tracht, zich uitstrekken."
+
+Aan zulk een geestelijke oefening in welwillendheid wordt een
+groote kracht toegekend, we zouden zeggen: een soort telepathische
+kracht. Zou dat trouwens ook niet zoo zijn, zou niet een mensch,
+die al zijn gedachten op wat rein en goed is concentreert als 't
+ware een atmosfeer van liefde rondom zich bewerken? Hebben dat ook
+geen voorbeelden uit den nieuwen tijd bewezen? Doch: laat ons hooren
+welke voorbeelden de Boeddhisten er van verhalen.
+
+Eens verzoekt Ananda aan den verhevene dat hij Roja, een niet voor
+de leer van Boeddha gewonnen edelman van het huis der Malla's,
+tot het geloof en de orde mocht bekeeren. "Dat is niet moeilijk
+voor den voleindigde, o Ananda, om te maken dat Roja de Malla voor
+dit geloof en deze orde gewonnen wordt." Toen richtte de Verhevene
+op Roja de kracht zijner welwillendheid, stond van zijn zitplaats
+op en ging in het huis. En Roja, door den verhevene met de kracht
+van zijne welwillendheid getroffen, ging, evenals een koe, die haar
+kalfje zoekt, van huis tot huis, van monnik tot monnik, vragende:
+"Waar, o eerwaardigen, is op het oogenblik de Verhevene, de heilige,
+hoogste Boeddha? Ik begeer hem te zien, den verhevenen, heiligen,
+hoogsten Boeddha." [98]
+
+Die kracht der welwillendheid wordt ook aangeprezen tegen slangen en
+wilde dieren. Boeddha verhaalt van een zijner vroegere levens: "In het
+woud, op eene berghelling leefde ik, mijn naam was Sama... Leeuwen en
+tijgers trok ik door de kracht mijner welwillendheid tot mij. Omgeven
+van leeuwen en tijgers, van panters, beren en buffels, van gazellen
+en evers, verbleef ik in het woud. Geen dier was voor mij bevreesd en
+ook ik vreesde voor geen dier. De kracht van de welwillendheid is mijn
+bescherming, zoo blijf ik op de berghelling." Doet Boeddha hier niet
+denken aan Franciscus van Assisi, den eenige onder de heiligen der
+Katholieke Kerk, bij wie zich ook zulk een diep gevoel van sympathie,
+zulk een heilig meegevoelen vertoont met al wat leeft?
+
+Naast de welwillendheid wordt ook zeer den nadruk gelegd op de
+weldadigheid. Zij wordt aangeprezen, niet zoozeer omdat zij anderen
+tot heil is, als wel omdat zij wie haar beoefent verder brengt op
+den weg des heils.
+
+Men denke b.v. aan de vroeger vermelde geschiedenis van Wessantara
+[99], waarin deze alles ten offer brengt, doch niet voor doeleinden,
+die ons Westerlingen kunnen bevredigen. Wie, dat is hier de kiem der
+leer, zichzelf het grootste offer oplegt, doet ook de grootste stap
+tot het heil.
+
+Toch: noch rechtschapenheid, noch welwillendheid, noch weldadigheid
+kunnen er ons brengen. Zij bereiden slechts voor: Eerst wanneer door
+deze deugden het hart is gereinigd, wordt men geschikt om den verderen
+weg des levens te verstaan.
+
+Weldadigheid, welwillendheid, rechtschapenheid: zij zijn dus niet
+bovenal van gewicht, omdat zij anderen tot heil zijn, maar omdat zij
+de ziel reinigen.
+
+Ze moeten echter op den weg tot den groote vrede door andere--nog
+meer innerlijke deugden--worden gevolgd. Vandaar, dat zich hierbij
+aansluiten: beheersching der zinnen, waakzaamheid, opmerkzaamheid
+en gemis van behoeften. Wat het eerste betreft: daarmede wordt niet
+zoozeer bedoeld een op zijn hoede zijn voor verzoekingen als wel het
+achtgeven op zijn oog, zijn oor, tot zijn ademhalen toe. Denkelijk
+wordt dit aangeprezen als een soort van geestelijke gymnastiek: een
+oefening om meester te worden over al zijn levensverrichtingen. [100]
+
+Wat de opmerkzaamheid aangaat wordt vooral gewaarschuwd tegen toegeven
+aan haat of lust. Als de monnik zoover komt, dat op den weg naar het
+dorp (waar hij rondgaat om aalmoezen te ontvangen) geen lust of haat
+hem bezielt tegen diegenen, die hij zwijgend aanschouwt of hoort,
+dan mag hij zeggen: "Zalig de man, die aan het goede zijne zinnen
+gewend heeft." Want aan niets te hechten: in den hemel of op aarde:
+daarom is het te doen.
+
+Gemakkelijk valt het echter niet om daartoe te geraken: het
+Boeddhisme kent ook een duivel: Mara. Soms wordt hij voorgesteld
+als een persoonlijk wezen, die Boeddha en zijn rijk bestrijdt:
+doch bij meer wijsgeerig ontwikkelde Boeddhisten geldt hij als de
+onpersoonlijke wereldmacht, die overal lust en begeerte opwekt en
+daardoor den dood werkt.
+
+Men herinnert zich dat hij ook in de geschiedenis van Boeddha zelf
+een rol speelt. Zijne verzoeking van Boeddha doet soms denken aan
+die van Jezus door den duivel. Evenals deze Jezus het bekoorlijke wil
+doen gevoelen van aardsche macht, zoo komt ook Mara tot den Verhevene.
+
+"Op zekeren tijd, zoo luidt dit verhaal, hield de verhevene in
+het land Kosala in de Himalaya, in een woudhut, verblijf. Toen de
+verhevene zich daar in de eenzaamheid had teruggetrokken, steeg in
+zijn geest deze gedachte op: Voorwaar het is mogelijk als koning
+met gerechtigheid te regeeren, zonder dat men doodt of dooden laat,
+zonder dat men smart lijdt of anderen smart doet lijden.
+
+Toen zag Mara, de booze, de gedachten die in den geest van den
+verhevene waren opgekomen. Hij ging naar den verhevene en sprak:
+"Moge, o Heer, de verhevene als koning regeeren, moge de voleindigde
+als koning regeeren met gerechtigheid, zonder dat hij doodt of
+dooden laat, zonder dat hij verdrukt of verdrukken laat, zonder
+dat hij smart lijdt of anderen smart toevoegt." Boeddha antwoordt:
+"Wat ziet gij aan mij, gij booze, dat gij aldus tot mij spreekt?"
+
+Mara zegt dan: "De verhevene, Heer, heeft de viervoudige wondermacht
+zich eigen gemaakt--als de verhevene, o Heer, wilde, zoo kan hij
+willen dat de Himalaya, de koning der bergen, tot goud werd en--hij
+zou tot goud worden." Boeddha wijst hem af: wat baat het den wijze
+of hij een berg van zilver en goud bezit? Wie het lijden heeft gezien
+in zijn oorsprong, hoe kan hij zich wenden tot de begeerte? Wie weet
+dat aardsche zin een boei is in deze wereld (nl. die de vrijmaking
+tegenhoudt) die moge trachten naar wat hem daarvan vrijmaakt. Toen
+zag Mara, de booze: de verhevene kent mij, de voleindigde kent
+mij--en mismoedig en bedroefd ging hij heen.-- [101] Een slot, dat
+bij dergelijke verhalen over Mara telkens wederkeert.
+
+"Zoo weerstond Boeddha den verzoeker door zijne waakzaamheid, zoo
+moeten ook zijn volgelingen hem weerstaan. Het voorbeeld van een
+schildpad stelt de Meester hun voor oogen. Wij laten die gelijkenis
+hier volgen:
+
+"Er was eens een schildpad, die in den avond naar den oever der
+rivier ging om voedsel te zoeken. Ook een jakhals ging des avonds
+naar de rivier op buit uit. Toen de schildpad den jakhals zag, kroop
+zij in hare schaal en dook zacht en stil in het water. De jakhals
+liep er heen en wachtte dat zij een harer leden uit de schaal zou
+steken. De schildpad verroerde zich niet, de jakhals moest het opgeven
+en ging heen.
+
+"Eveneens, jongeren, loert ook Mara, de booze, voortdurend op u en
+denkt: Ik wil door uw oog toegang tot u verkrijgen, of door uw oor,
+uw neus, uw tong, uw lichaam of door uw gedachten. Daarom, o jongeren,
+bewaar de poorten uwer zinnen, dan zal Mara van u wijken, hij moet
+het opgeven, hij vindt geen ingang bij u, evenmin als de jakhals bij
+den schildpad." [102]
+
+Zoo staat dan de getrouwe volgeling des verlichten pal; door deugden
+gelouterd, door waakzaamheid gesterkt en beveiligd streeft hij naar
+het einddoel, den grooten vrede. Geen pasklaar gemaakt geloof, geen
+steunen op een verlosser, boven alles eigen krachtsinspanning moet er
+hem brengen. Doch, een voorsmaak van den eeuwigen vrede kan hij reeds
+hier genieten. Als hij alleen terneder zit in het eenzame woud, als
+hij daar zich door inkeeren tot zichzelf losmaakt van lust en booze
+neigingen, losmaakt van vreugde en leed, als ten slotte zijn adem
+ophoudt, dan bereikt hij een toestand, waarin hij al het aardsche is
+ontvloden, vrij van onreinheid, vrij van zonden, vast en onwankelbaar.
+
+In dien toestand wordt alles hem klaarheid. In extase aanschouwt hij
+de wandelingen, die hij in 't verleden heeft doorgemaakt, leest hij
+de gedachten van anderen. Hij ziet hoe alles ontstaat en vergaat,
+straks zal hij ook de laatste schrede doen en wordt hij, door het
+ophouden van alle hechten aan het aardsche, van zonde vrij en komt
+tot verlossing en heiligheid.
+
+Is dat alles slechts--zooals ook Oldenberg [103] het
+voorstelt,--slechts ziekelijke verbeelding? Wie eenigszins bekend is
+met de verschijnselen van somnambulisme en extase ook in onzen tijd,
+zal dit geenszins beweren, maar zal moeten erkennen, dat er is:
+een geestelijk zien, een hoogere verlichting, die juist dan ons
+deel wordt, als al 't aardsche verre van ons is en de wereld der
+zinnen is gesloten, en dat er dus--ook in deze verzekeringen van het
+Boeddhisme--een diepe bron van waarheid is verborgen.
+
+Boeddha zelf treedt op dien weg des heils vrij wel op den
+achtergrond. Hij is niet meer dan het voorbeeld dat den leerling sterkt
+in zijn strijd. Hij is geen Verlosser, die van buiten af zaligheid
+aanbrengt. Neen: hij is de eerste, die worstelend en strijdend het
+ware pad des heils heeft gevonden: anderen volgen. Na hem zullen
+komen andere Boeddha's, die "het rad der leer in beweging brengen."
+
+Niet zijn persoon maakt zalig, maar zijn leer: die, zoo sprak hij
+stervend tot Ananda, is de Meester als ik ben heengegaan. Als zij
+die volgen, zullen ook ook zij eenmaal komen tot den Grooten Vrede,
+die voor allen bereid is, maar die slechts bereikt kan worden waar
+alle hartstocht is gedoofd, waar alle begeeren heeft opgehouden.
+
+
+
+
+
+VI. Het Boeddhisme in de praktijk.
+
+
+Reeds vroeger hebben wij er over gesproken dat de gemeente van Boeddha
+feitelijk een monnikengemeente is: zoodat wie ernstig naar het licht
+tracht, monnik moet worden.
+
+Dat monnikendom is echter gansch iets anders, dan wij Westerlingen
+zouden denken. Een monnik: onwillekeurig denken wij dan aan de
+Roomsch-Catholieke monniken, personen, die evenals de geheele
+priesterschap met een wijding zijn bekleed, waardoor zij als
+tusschenpersonen gelden tusschen God en den mensch. Zoo iets vinden
+wij, waar het Boeddhisme ook maar eenigszins zuiver is bewaard
+gebleven, niet. Hun monniken deelen geen Sacramenten uit, dragen
+geen sleutelen van hemel en hel: zelf moet de mensch de weg des
+heils zoeken en vinden. Aan niemand heeft in de oogen van Boeddha's
+volgelingen de Allerhoogste zijn gezag in handen gegeven: Hij werkt
+door eeuwige wetten: zijn wil is kenbaar in de wet van oorzaak en
+gevolg, die iedereen kan verstaan. De monniken vormen eenvoudig een
+vrije broederschap, welke ten doel heeft den weg te volgen, die tot
+de bevrijding leidt.
+
+Zoo was het van den aanvang af. Niet lang na den dood des Verhevenen
+vroeg een minister van koning Ajatasattu aan Ananda: "Is, vereerde
+Ananda, een bepaalde monnik door den vereerde aangewezen, van wien
+hij gezegd heeft: deze zal na mijn dood uw toevlucht zijn?"
+
+Ananda antwoordde ontkennend. "Heeft dan," vervolgde de minister,
+"de gemeente een bepaalden monnik benoemd, heeft een aantal oudsten
+van hem verordend: "Hij zal na den dood des Verhevenen onze toevlucht
+zijn?" Ook nu antwoordde Ananda ontkennend. En de ander vervolgt:
+"Wanneer het u aan een toevlucht ontbreekt, vereerde Ananda, hoe is
+er dan eenheid onder u?" "Het ontbreekt ons niet aan een toevlucht,
+o Brahmaan, wij hebben een toevlucht, de leer."
+
+M.a.w. geen hiërarchie of iets dergelijks. Zoo was het voorheen,
+zoo is het nog onder Boeddha's volgelingen. En in weerwil (of juist
+daardoor?) daarvan is der monniken leven van de dagen van den Verlichte
+af tot nu toe vrijwel hetzelfde gebleven. Als wij vergelijken, wat
+Fielding vertelt over de monniken van het tegenwoordig Boeddhisme in
+Birma en Oldenberg over die van de eerste tijden, dan schijnt bijna
+alles hier zuiver bewaard te zijn gebleven.
+
+We willen u dan over der monniken eigenaardig leven een en ander
+meedeelen. In de eerste plaats merken wij op, dat, in het algemeen,
+de toegang tot de gemeente (Sangha) voor ieder openstaat.
+
+"Geopend zij voor allen de poort der eeuwigheid, wie ooren heeft,
+hij hoore en geloove 't woord."
+
+Toch wordt voor sommigen een uitzondering gemaakt. B.v. voor die aan
+ernstige lichaamsgebreken of krankheden lijden, voor zware misdadigers,
+voor soldaten, schuldenaars en lijfeigenen, niet omdat deze laatste
+drie minder geacht werden, maar omdat hier de rechten van derden
+zouden worden verkort. Voorts mochten zonen niet in de orde gaan
+zonder toestemming der ouders en konden kinderen eerst met het 12e
+jaar voorloopig, met hun 20e jaar vol lid worden. Voorloopig en vol
+lid, bij jeugdigen van jaren kan dat eerst na eenige jaren op elkaar
+volgen. Bij ouderen volgt de voorloopige opname als lid en de erkenning
+als vol medelid spoedig op elkaar. De eerste wijding heet Pabbaja
+(het uitgaan, n.l. uit de wereld), de tweede Upasampada (het inkomen).
+
+Bij de eerste treedt enkel de candidaat zelf handelend op, bij de
+tweede is het de gemeente, die hem opneemt. Een en ander ging en gaat
+nog in hoofdzaak aldus in zijn werk. De candidaat verklaart bij het
+Pabbaja, dat hij deel wil uitmaken van de gemeente, eene verklaring,
+die ook een oudere monnik voor hem doen kan. Hij trekt daarop het gele
+gewaad aan, laat zich haar en baard scheren en spreekt tot de andere
+monnik(en): "Ik neem mijn toevlucht bij Boeddha. Ik neem mijn toevlucht
+bij Dharma (de leer). Ik neem mijn toevlucht bij Sangha (de gemeente)."
+
+Daarop volgt dan later, soms al spoedig, de eigenlijke opname,
+waardoor hij dus vol gemeentelid wordt.
+
+Dit gaat ongeveer in deze voege. Voor de verzamelde monniken spreekt
+de candidaat: "Ik bid de gemeente, eerwaardigen, om de wijding. Moge
+de gemeente, eerwaardigen, mij tot zich opheffen, moge zij zich
+mijner erbarmen. Ten tweede en ten derde male verzoek ik de gemeente,
+eerwaardigen, om de wijding. Moge de gemeente, eerwaardigen, mij tot
+zich opheffen, moge zij zich mijner erbarmen. Dan volgt een soort
+verhoor. Er wordt gevraagd: "Hoort gij mij N......? Nu is de tijd
+voor u gekomen om waar en recht te spreken. Ik vraag u, hoe het met
+u is. Wat zoo is moet gij van zeggen: het is zoo, wat niet zoo is,
+daarvan moet gij zeggen: het is niet zoo. Zijt gij met een der volgende
+ziekten behept: melaatschheid, kropgezwel, witte uitslag, tering,
+vallende ziekte? Zijt gij een mensch? [104] Zijt gij een man? Zijt
+gij uw eigen heer? Hebt gij schulden? Staat gij niet in koninklijken
+dienst? Hebt gij verlof van vader en moeder? Zijt gij volle twintig
+jaar oud? Hebt gij de aalmoezenschaal en de kleederen? Hoe heet
+gij? Hoe heet uw leermeester?"
+
+Is nu het antwoord op al deze vragen bevredigend, dan wordt tot
+driemaal toe aan de gemeente het verzoek overgebracht hem de wijding
+te geven. "De gemeente hoore mij, eerwaardigen. Hier N..... wenscht
+als leerling van N. N. [105] de wijding te ontvangen. Hij
+is vrij van verhindering. Hij heeft een aalmoezenschaal en de
+kleedingstukken. N. vraagt de gemeente om wijding met N. N. als zijn
+leermeester. De gemeente verleent aan N. de ordening met N. N. als
+leermeester. Wie van de eerwaardigen er voor stemt dat aan N. de
+wijding wordt gegeven met N. N. als leermeester, die zwijge, wie er
+tegen is, spreke."
+
+Komt na drievoudige herhaling geen tegenspraak, dan is de candidaat
+aangenomen en het heet: "N. heeft van de gemeente de wijding ontvangen
+met N. N. als zijn leermeester. De gemeente is er voor, zij zwijgt,
+alzoo neem ik dit aan."
+
+Nu stelt men, door de schaduw te meten, den tijd vast, waarop de
+candidaat is opgenomen en deelt hem vervolgens mede de vier regelen
+der gestrengheid in het uiterlijk leven, luidende aldus:
+
+"De spijs van hem, die uit het huis naar het leven zonder tehuis is
+gegaan, zullen zijn de beten, die hij door bedelen verkrijgt. Zijn
+gewaad zal gemaakt zijn uit de lompen, die hij verzamelt. Zijn
+legerstede zal zijn onder de boomen des wouds. [106] Zijn medicijn
+zal zijn de stinkende urine van vee." Bereiden vrome leeken hem een
+maal: verleenen zij hem kleeding, onderdak, geneesmiddelen: 't is niet
+verboden die aan te nemen, doch de rechte en wettige levenswijze van
+den monnik is deze gestrengheid van het bedelaarsleven. Dan worden
+hem meegedeeld de vier groote verboden, door welke te overtreden een
+monnik zichzelf uit de gemeente uitstoot:
+
+1. "Een geordende monnik mag geen geslachtsomgang hebben, ook niet met
+een dier. De monnik, die geslachtsomgang heeft, is geen monnik meer,
+hij is geen leerling van den zoon van Sakya. Evenals een mensch, wien
+het hoofd is afgeslagen, met den romp niet leven kan, zoo is ook een
+monnik, die geslachtsomgang heeft, geen monnik meer, geen leerling
+van den zoon van Sakya. Daarvan moet gij uw leven lang u verre houden."
+
+2. "Een geordende monnik mag niet nemen wat hem niet gegeven is
+(wat men diefstal noemt) ook geen grashalm. De monnik, die een pada
+[107] of de waarde van een pada of meer dan een pada ongegeven neemt
+(wat men diefstal noemt) is geen monnik meer: hij is geen leerling
+van den zoon van Sakya. Evenals een dor blad, dat van den stengel
+is losgegaan, niet meer groenen kan, zoo is ook een monnik, die
+een pada of de waarde van een pada of meer ongegeven neemt (wat men
+diefstal noemt) geen monnik meer: hij is geen leerling van den zoon
+van Sakya. Daarvan moet gij uw leven lang u ver houden."
+
+3. "Een geordende monnik mag niet wetens een dier van het leven
+berooven, ook geen worm zelfs of mier. De monnik, die wetens een
+menschelijk wezen van het leven berooft, zij het dat hij een ongeboren
+kind doodt, is geen monnik meer, hij is geen leerling van den zoon
+van den Sakya. Evenals een groote steen, dien men in twee deelen
+heeft gespleten, niet meer tot één kan worden gemaakt, zoo is ook enz."
+
+4. "Een geordend monnik mag zich niet beroemen op bovenmenschelijke
+volkomenheid, mag zelfs niet zeggen: "Gaarne vertoef ik in een ledig
+huis." [108]
+
+"De monnik, die met booze bedoeling en uit begeerlijkheid zich
+leugenachtig op bovenmenschelijke volkomenheid beroemt, zij het een
+toestand van verzonkenheid, van verrukking, van tot zichzelf inkeeren
+(concentratie), van verheffing of van het pad der verlossing, of
+van de vrucht der verlossing, hij is geen monnik meer, hij is geen
+leerling van den zoon van Sakya. Evenals een afgehouwen palmboom niet
+meer groeien kan enz."
+
+Met de voorlezing dezer vier groote verboden is de ordening
+geëindigd. Men ziet, dat alle voorzorgen worden genomen, om onwaardigen
+te weren en moeilijkheden te voorkomen, doch, van werken op het gevoel,
+van mystiek is men hier verre verwijderd.
+
+Het is dan ook geen wijding in een geestelijken stand, die een
+onverliesbaar karakter verleent, het is de vrije aansluiting bij eene
+broederschap, die men ook weer verlaten kan.
+
+Dit juist maakt dat in het Boeddhistische monnikendom niet die
+groote, donkere vlekken zijn te zien, welke de ascese overal met zich
+brengt. Wordt een monnik de drang naar de wereld te sterk, valt hem
+de strijd tegen de zinlijke neigingen zijner natuur te zwaar, welnu:
+niets belet hem heen te gaan.
+
+Het is beter, "de geestelijke oefening vaarwel te zeggen en zijn
+zwakheid te erkennen," dan als geestelijke te zondigen.
+
+Zondigt echter de monnik tegen de hoofdgeboden, dan kan hij door
+de gemeenschap worden uitgestooten. Iets wat echter niet veelmalen
+geschiedt, daar een monnik, die tegen zijn regels handelt, zoozeer
+door het publiek wordt veracht (een publiek dat zijn aalmoezenschaal
+dan niet met voedsel vult) dat hij vanzelf tot heengaan is gedrongen.
+
+Hebben wij gezien hoe de monniken worden opgenomen, aan welke
+verplichtingen zij moeten beantwoorden: wij werpen thans een blik op
+hun dagelijksch leven.
+
+We merkten reeds op dat het leven der monniken zich door eenvoud moet
+kenmerken: doch, niet zoo dat het in overdreven gestrengheid ontaardt.
+
+Dit komt in alles uit. Eenvoudig zijn ook tegenwoordig in
+Birma--een land, waar het Boeddhisme vrij zuiver de oude traditiën
+heeft bewaard--de kloostergebouwen doch vriendelijk door boomen
+omgeven. Naast het klooster vindt men pagoden: koepelvormige
+verhevenheden, die het graf van den meester voorstellen: waarbij
+men nederknielt om gedeelten uit de heilige boeken op te zeggen:
+soms reeds in den vroegen morgen, als het nauwelijks dag is.
+
+Binnen in het klooster, dat meestal niet heel groot is en van hout
+gebouwd, ziet men een beeld van den Verlichte, doch van hem alleen:
+andere heiligen kent men niet. Verder gewone dingen voor huiselijk
+gebruik, soms enkele boeken. Want eigendom mag een monnik niet
+bezitten: geen geld of goed, geen artikelen van weelde.
+
+Iederen morgen doen de monniken--bij ieder dorp in Birma is
+een klooster--hun rondgang door het dorp. Den blik op den grond
+geslagen, de aalmoezenschaal in de hand, gaan zij van huis tot huis,
+zwijgend staan zij een oogenblik voor de deur, en als zij voedsel
+ontvangen--geld mogen zij onder geen beding aannemen--gaan zij
+zwijgend weer verder. Voor den middag zijn ze weer in 't klooster
+terug. Dan volgt de maaltijd: waarbij dan het 's morgens verzamelde:
+meestal rijst, wordt gebruikt. Dat is de eenige maaltijd: op andere
+tijden voedsel te gebruiken is den monnik niet geoorloofd.
+
+Na den maaltijd mogen de monniken zich niet meer naar het dorp begeven,
+wel mogen zij in hun klooster personen ontvangen. Trouwens: dat moet
+wel, in Birma toch is ook het onderricht der jeugd geheel in handen
+van de monniken. Deze zijn het, die haar leeren lezen en schrijven en
+haar gedeelten uit de heilige boeken van buiten doen leeren. Voorts is
+ook een groot deel van den dag aan lezen en overwegen van de heilige
+boeken en aan stille overpeinzing gewijd. Arbeid in den gewonen zin
+des woords: arbeid der handen wordt echter door de monniken niet
+verricht, bedelen is hun onderhoud. Die bedelaars staan echter, al
+bemoeien zij zich noch met de politiek, noch met de regeering--tenzij
+om soms voor verdrukten te pleiten--in hooge eer. Met "heer" worden
+zij aangesproken, ook door de voornaamsten des lands. En als een
+aanzienlijk man een monnik ontmoet zal hij de knie buigen en den
+monnik laten voorbijgaan.
+
+Zoo gaat het dagelijksch leven der monniken in stilte en kalmte
+voorbij. Slechts enkele malen wordt de eentonigheid daarvan onderbroken
+door dat zij ter maaltijd worden uitgenoodigd en ook door 14 daagsche
+biechtsamenkomsten. Die biechtsamenkomsten dateeren van oude dagen, de
+biechtformule Patimokha is ook zeer oud, wij vermelden die straks. Deze
+samenkomsten dan hebben plaats met vollen maan en met nieuwen maan,
+op den vastendag, een dag, die dezen naam heeft van ouds, maar waarop
+inderdaad door de Boeddhisten niet gevast wordt.
+
+Op deze samenkomsten, waartoe de oudste monnik uit een distrikt
+de monniken oproept, komen alle monniken in een der kloosters
+bijeen. Niemand mag afwezig blijven: voor krankzinnigen en kranken
+moet een der andere broeders verklaren dat zij rein zijn. Kan niemand
+die verklaring afleggen, dan draagt men den zieke in zijn stoel ter
+vergadering, of: men komt bij zijn bed tezamen. Doch nooit mag deze
+heilige vergadering onvoltallig zijn.
+
+Bij 't licht der fakkels--de vergadering heeft in den avond
+plaats--nemen alle monniken op hunne bestemde plaatsen zitting. Geen
+leek, candidaat of non mag hierbij tegenwoordig zijn. Daarop draagt
+één der monniken, bij voorkeur de oudste, de Patimokha voor: de
+biechtformule.
+
+Hij spreekt dan aldus: "De gemeente, eerwaardigen, moge mij
+hooren. Heden is het vastendag, de 15e der halve maand. Als de
+gemeente bereid is moge zij vastendag houden en de biechtformule
+hooren voordragen. Wat moet de gemeente van te voren doen? Spreek de
+verklaring der reinheid uit, gij eerwaardigen. Ik wil de biechtformule
+voordragen."
+
+De gemeente antwoordt: "Wij allen die hier zijn, hooren en bedenken
+deze wel."
+
+"Wie een fout gepleegd heeft," gaat de voordragende voort, "moge haar
+bekennen. Wie geen fout heeft moge zwijgen. Uit uw zwijgen zou ik
+afleiden, dat de eerwaardigen rein zijn." Evenals een enkel mensch,
+wanneer hem een vraag is gesteld, antwoorden moet, zoo is het ook bij
+zulk een vergadering, als de vraag driemaal is gesteld. Een monnik,
+die op een driemaal herhaalde vraag een fout, die hij gepleegd
+heeft en die hij zich herinnert, niet bekent, is aan leugen, wetens
+begaan, schuldig. "Wetens uitgesproken leugens, eerwaardigen, brengen
+verwoesting, heeft de verhevene gezegd. Daarom moet een monnik, die
+iets misdreven heeft, zich dat herinnert en daarvan rein begeert te
+worden, zijn fout bekennen. Wat hij bekent zal hem licht vallen."
+
+Daarna wordt de biechtformule uitgesproken, eerst worden genoemd de
+vier hoofdzonden, die uitgaan uit de gemeente met zich brengen. Alzoo
+wordt gehandeld over geslachtsgemeenschap, diefstal, moord en de
+aanmatiging van geestelijke volkomenheid. Vervolgens komt de driemaal
+herhaalde vraag: "Ik vraag de eerwaardigen: "zijt gij van deze zonden
+rein?" Ten tweeden maal vraag ik: "Zijt gij rein?" Ten derden maal
+vraag ik: "Zijt gij rein?" Als alles zwijgt is het antwoord: "Rein zijn
+hieraan de eerwaardigen, daarom zwijgen zij, aldus neem ik dit aan.""
+
+Daarop worden andere zonden opgenoemd: zulke, die een terugzetting met
+zich brengen; vervolgens andere, die door de bekentenis zelve kunnen
+worden verzoend. Wel twee honderd verschillende artikelen, die zich
+over het geheele leven uitstrekken worden dan opgesomd. Daarin wordt
+tot in kleinigheden afgedaald, doch ook kleinigheden hebben soms groote
+beteekenis. Zoo ging het in oude dagen onder Boeddha's volgelingen,
+zoo gaat het nog.
+
+Een bizondere, eigenaardige beteekenis had, reeds van oude dagen af,
+de regentijd, die in Indië ongeveer van Juni tot October duurt. Die
+tijd was voor reizend prediken ongeschikt en werd dus doorgebracht in
+stille teruggetrokkenheid. Was hij ten einde, dan kwamen de leerlingen
+plechtig te zamen. Allen zaten zij neder, in eerbiedige houding op
+den grond, met gevouwen handen hun medebroeder smeekend, om, indien
+hij in dien tijd een schuld had begaan, deze te noemen. "Ik noodig,"
+zoo heet het, "de gemeente uit, om, indien gij iets van mij gezien
+of gehoord hebt, of verdenking tegen mij koestert, erbarmen met mij
+te hebben en te spreken, als ik het inzie, zal ik er boete voor doen."
+
+Zoo was in oude dagen die regentijd een tijd voor godsdienstige
+bespiegeling en inkeer tot zichzelf. En--zoo is het ook nu nog. In
+Birma is dat nog de tijd, zooals Fielding [109] het uitdrukt, om den
+grond te bereiden voor het gewas, de zielen voor de eeuwigheid. Dan
+leven ook vele leeken op de wijze der monniken. Zij eten voor den
+middag en onthouden zich van tabak. Geen spelen zijn er dan, geen
+huwelijken worden er gesloten. Ook worden dan de zondagsbijeenkomsten
+[110] veel talrijker bezocht dan anders.
+
+In Ceylon brengt ook de "wastijd" eigenaardige gebruiken met zich. De
+monniken verlaten hun gewone huizen en leven in kleine hutten, door
+de boeren daarvoor opzettelijk gebouwd. Zij houden dan een reeks
+diensten, bestaande in voorlezingen uit de Pitaka's, [111] de heilige
+boeken, waarnaar dan oud en jong, arm en rijk komt luisteren. Onder
+de boomen wordt een platform opgericht: overdekt, doch aan de kanten
+open, en met kleeden en bloemen versierd. Daaromheen zitten allen dan
+aandachtig neder, en vooral naar de lezing der Yataka's, de vroegere
+levens van Boeddha, wordt met groote belangstelling gehoord.
+
+Overigens wordt in de meeste Boeddhistische streken aan wat wij
+prediken zouden noemen weinig of niet gedaan. Wel komt in Birma des
+Zondags veelal een monnik in een rusthuis--overal heeft men daar
+rusthuizen langs de wegen, meest door milddadigheid ten behoeve van
+het publiek geschonken--een gedeelte uit de heilige boeken voorlezen.
+
+Een soort predik- of priesterambt bekleedt echter de Boeddhistische
+monnik niet: niemand denkt er b.v. in Birma aan een monnik bij een
+stervende te roepen, om b.v. gebeden te zeggen. Het zijn dan ook
+geen tusschenpersonen tusschen God en den mensch, maar personen,
+die, in vrije broederschap den weg bewandelen, die tot den grooten
+vrede voert. Ook hun godsvereering is zeer eenvoudig: althans
+wanneer we daar laten het Boeddhisme, zooals het in Tibet optreedt,
+waar het geheel en al--beter kunnen wij het niet met een enkel woord
+uitdrukken--tot een Roomsch-Catholiek gekleurd Boeddhisme is geworden,
+met een paus, offers, plechtige, geheimzinnige ceremonies enz. Maar dat
+vertegenwoordigt allerminst den eigenlijken geest van dezen godsdienst.
+
+De monnik in Birma bepaalt zich tot het uitspreken van gewijde
+teksten bij de pagode, waarin vooral de erkentenis dat alles ellende
+en verdriet is op den voorgrond treedt. Ook bij de godsdienstige
+feesten aldaar--het groote godsdienstige feest heeft plaats na den
+regentijd--is er weinig ander ceremonieel. Monniken en leeken komen
+in de pagodes bidden, bloemen en geschenken worden aan de monniken
+gegeven, de klokjes der groote pagoden luiden met vriendelijken klank:
+doch niets van een statigen eeredienst, die trouwens in het kader
+van het Boeddhisme niet zou passen.
+
+Wel werden reeds vroeg in eere gehouden vier heilige plaatsen, met
+den stichter van den godsdienst in verband staande: de plaats waar
+Boeddha is geboren, die waar hem de hoogste verlichting ten deel viel,
+die waar hij het "rad der gerechtigheid draaide" m. a. w. het eerst
+predikte, die waar hij het Nirvana inging.
+
+We spraken tot nu toe enkel over monniken, doch er zijn ook
+Boeddhistische nonnen--hoewel veel minder in getal: de vrouwen
+hebben daarin geen lust, al ontbreekt het hun overigens geenszins
+aan godsdienstige belangstelling. Is het soms ook omdat de nonnen
+zoover beneden de monniken zijn gesteld? Boeddha zelf had trouwens
+geen lust om een nonnenorde in 't leven te roepen, [112] maar werd
+door de omstandigheden daartoe gedwongen.
+
+Wat de nonnen betreft, van haar heet het o. a. "Een non, al is zij
+ook sinds honderd jaar geordend, moet iederen monnik, al is deze eerst
+dien dag geordend, de eerbiedige begroeting brengen, voor hem opstaan,
+de gevouwen handen verheffen, hem naar behooren eeren. Deze ordening
+moet zij achten, heilig houden, bewaren, eeren, en haar leven lang
+niet overtreden." [113]
+
+In hetzelfde geschrift wordt haar ook voorgeschreven dat zij den
+regentijd niet mogen doorbrengen in een distrikt, waar zich geen
+monniken bevinden, dat zij iedere halve maand de monniken over de
+biecht moeten raadplegen en hun om de prediking van het heilige
+woord verzoeken.
+
+Ook bij het zelfonderzoek na den regentijd moeten zij de monniken
+door een bode doen vragen of dezen niets hebben in te brengen, enz.
+
+M. a. w. de nonnen hebben zeer weinig in te brengen.
+
+Moeten de nonnen dus in alles de monniken raadplegen, toch moet een
+strenge scheiding bewaard blijven. Geen monnik, die voor de nonnen
+moet prediken mag hun huis betreden, behalve indien hij eene kranke
+moet toespreken. Geen monnik mag met een non op weg zijn, op een
+schip zijn, naast haar zitten zonder getuigen.
+
+Nog verdient de aandacht dat de nonnen niet--zooals monniken in
+Boeddhistische landen soms doen--mogen leven in de eenzaamheid van
+het woud.
+
+Komen die geboden alleen voor uit het denkbeeld van de
+"minderwaardigheid" der vrouw? Ja en neen. Neen voorzoover het een
+groote dwaling zou zijn om te meenen dat de vrouwen in landen waar
+het Boeddhisme zuiver wordt beleden een soort slavinnen zouden zijn,
+dat is althans in Birma volstrekt niet het geval: de vrouw heeft daar
+in het burgerlijke gelijke rechten schier als de man.
+
+De Birmaan zegt echter van de vrouw ten opzichte van zijn godsdienst:
+de vrouw begrijpt het zoo niet.--En--dat is het ook. De vrouwen in
+Birma zijn van een zachte, teeder- hartstochtelijke, liefhebbende
+natuur; hun vrouwelijk gemoedsleven komt feitelijk in verzet tegen
+sommige artikelen van hun geloof. Zij hebben een groote bewondering
+voor Yaçodhara, de vrouw van den Verlichte. Die was godsdienstig,
+maar 't brak haar hart, dat zij scheiden moest van haar geliefde:
+dat kòn zij niet begrijpen. Zoo nu zijn de vrouwen in Birma nog. Zij
+werken mede met alle macht om bedwelmende dranken en het dooden van
+dieren tegen te gaan. Zij volgen nauwgezet de voorschriften van den
+godsdienst op: maar, zegt Fielding, indien de godsdienst haar zegt:
+"Verlaat al wat gij liefhebt, alles waaraan uw hart gehecht is,
+want het is ijdel: zie het licht en bereid uwe ziel voor den Grooten
+Vrede," dan deinzen zij terug: "Heer, dat kunnen wij niet, het zou
+te vreeselijk voor ons zijn."
+
+Een man die in Birma afstand doet van de wereld wordt geprezen, een
+vrouw niet. Ook bij de vrouwen zijn nonnen niet in aanzien, wie tot
+den Groote Vrede zal komen moet eerst als man worden wedergeboren.
+
+Der vrouwen gemoed teekent echter een zeker protest aan tegen de
+hardheid der Boeddhistische leer.
+
+Dat blijkt ook bij 't gebed: Bidden--dat is voor den Boeddhist
+geenszins spreken tot God, opdat hij wenschen verhoore: neen, bidden
+is overpeinzen van den weg des heils: is zich vertrouwd maken met de
+eeuwige wetten der gerechtigheid. Er wordt niet gebeden, om den Boeddha
+goed te doen, maar om de liefde tot hem op te wekken in 't hart.
+
+Toch: Boeddhistische vrouwen bidden soms anders. Fielding verhaalt:
+[114] "Ik herinner mij dat ik eens op het terras van een beroemde
+pagode stond, de gouden torenspits voor mij en gebeeldhouwde altaren
+rondom en daar een vrouw zag liggen, haar aangezicht naar de pagode
+gekeerd. Zij bad vurig, zóó vurig dat haar woorden verstaanbaar waren,
+want zij stoorde zich aan niemand, zoo bedroefd was zij; en wat zij
+vroeg was dit: dat haar kind, haar kleintje niet sterven zou. Zij hield
+het kleine kindje in haar armen, en als zij er naar keek waren haar
+oogen vol tranen. Want het was heel ziek, de ledematen waren niets
+dan vel en been, met dikke knieën en ellebogen, en het gezichtje was
+geheel uitgeteerd. Het was zelfs te zwak om belang te stellen in al
+de nieuwe dingen rondom: het opende alleen nu en dan ternauwernood
+even de vermoeide oogjes.
+
+"Geef dat hij herstelle, geef dat hij gezond worde," riep de vrouw
+telkens weer.
+
+Tot wien smeekte zij? Ik weet het niet.
+
+"Mijn heer, er moet wel iemand zijn. Iemand. Een geest, die 't hooren
+kan. Wie weet het? Er zal toch wel iemand mij helpen? De menschen
+zouden mij helpen, als zij konden, maar zij kunnen niet; er moet toch
+wel iemand zijn?"
+
+Zoo bidden Boeddhistische vrouwen meermalen. "Vrouwen" zeggen de
+monniken "begrijpen het nooit--"
+
+Hebben wij hier niet op treffende wijze het liefderijk hart van de
+vrouw, dat niet tevreden is met eenige wetten, die alles besturen,
+dat niet, ook niet voor een hoog ideaal, scheiden wil van wien zij
+innig liefheeft? En--hoe hoog wij Boeddha stellen: brengt dit toch
+niet aan 't licht dat er in zijn godsdienst is, ik zeg niet gemis
+van welwillendheid, maar van warmte?
+
+Ongemerkt zijn wij zoo van de monniken gekomen tot de leeken. Eigenlijk
+zijn dezen geen lid der gemeente, de gemeente is er eene van
+monniken. Toch: zij zijn onderwezen in de leer van den Verlichte,
+zij nemen bij hem en zijne leer hunne toevlucht, de vijf geboden
+[115] zijn hun heilig.
+
+Doch een soort lidmaatschap van een kerk hebben zij niet. De eenige
+censuur die over hen wordt uitgeoefend is deze: dat de monniken geen
+gaven van hen aannemen als zij zich zeer hebben vergrepen.
+
+Hoe openbaart zich het Boeddhisme bij de leeken? O. a. hierin dat
+zij den regentijd in 't bizonder, gelijk wij reeds zagen, wijden
+aan godsdienstoefeningen, ook dat zij des Zondags--vooral ook in den
+regentijd--in rusthuizen samenkomen, daar komt somtijds dan ook een
+monnik een gedeelte uit de heilige boeken voorlezen, om dan telkens
+weer peinzend te herhalen en te overdenken, dat het leven slechts is
+"ellende, moeite, verdriet."
+
+Of zij daarom overigens zoo terneergedrukt zijn? Neen. Hun leven
+gaat gewoonlijk voort in kalme onbezorgdheid. Jacht naar rijkdom is
+met name den Birmaan geenszins eigen. Heeft hij zich eenig fortuin
+vergaderd, dan laat hij rusthuizen inrichten, pagoden versieren,
+kloosters bouwen en dergelijke. Van ons Westersch sparen en garen
+weet hij niet af. Waartoe zou hij het doen? Waarom zich 't leven
+moeilijk te maken? Zij hebben voorts weinig behoeften, hun leven
+is--in overeenstemming met den geest van hun godsdienst--evenver van
+weelde als van zelfkastijding.
+
+Als wij Birma en zijn bewoners beschouwen, dan moeten wij erkennen
+dat de Boeddhisten--hier heb ik ook op de leeken het oog--meer van hun
+geloof in het leven terecht brengen dan de Christenen van het hunne. Is
+dat omdat het geloof beter is? Neen, maar omdat het Christendom,
+zooals wij het vaak opvatten, veel verder afstaat van het eigenlijke
+Christendom, dan der Birmanen Boeddhisme van den geest des Verlichten.
+
+In de eerste plaats is hun geloof praktisch. Boeddha sprak weinig of
+niet over God, niet omdat hij niet in Hem geloofde, maar omdat hij
+bij voorkeur niet verder ging dan zijn waarneming, die slechts kon
+komen tot de wet der gerechtigheid. Zoo doen ook zijn volgelingen. 't
+Is den monniken zelfs ongeoorloofd zich met het bovennatuurlijke in
+te laten en het ligt ook niet zeer in den geest der leeken.
+
+Wat hun levensopvatting betreft: liefde en medelijden wordt onder hen
+aangetroffen, de oorlog is in hun oog een gruwel, 't kan niet in hen
+opkomen die met Boeddha of het Nirvana te verbinden, zooals soms de
+Christenen doen, die vaandels "wijden" en den God der heirscharen
+aanroepen, terwijl Jezus sprak: "die het zwaard nemen zullen door
+het zwaard vergaan." Goede soldaten vormt het Boeddhisme niet, ook
+daarom niet, omdat het denkbeeld van discipline in strijd is met hun:
+"ieder werkt zijn eigen heil".
+
+Dat individueele toont zich ook op andere wijze eigenaardig. Als
+gij een weg betreedt, die u straks over een wrakke brug voert, zal
+niemand u waarschuwen. Als gij in het water u werpt, zal niemand u
+redden tegen uw zin, als gij niet om hulp roept: ongevraagde raad
+geldt voor heerschzucht.
+
+Dat zelfde individueele treedt ook in hun leer over straf en boete
+op den voorgrond. Van Boeddha heeft men geen godheid gemaakt die de
+straf voor anderen onderging. Geen plaats is hier ook voor vergeving
+in den alledaagschen zin: de gevolgen van het kwaad moet ieder boeten,
+dat is een eeuwige wet, een onontkoombaar iets. Doch wie geboet heeft,
+heeft ook zijn straf ondergaan, en is er niet minder, doch beter om.
+
+Hoe men dat anders--en naar mij voorkomt beter begrijpt dan wij--kwam
+uit in de volgende gebeurtenis, die eenige jaren geleden in Rangoon
+geschiedde. [116]
+
+Een Engelsch officier verloor eenige banknoten. Het bleek dat een
+der bedienden ze gestolen had: hij werd gearresteerd en bekende. De
+officier had gaarne de aanklacht ingetrokken, doch dat kon niet. De
+jongen werd gestraft, ofschoon zijn meester hem gaarne "de schande
+der gevangenis" had bespaard.
+
+Zes maanden werd hij opgesloten. De meester vergat het geval, doch,
+na 't eindigen van den straftijd kwam de jongen, blij en opgewekt,
+bij zijn meester terug.
+
+Hij vond dat het vanzelf sprak dat hij weer in dienst zou worden
+genomen. Hij had immers zijn straf nu ondergaan!
+
+De ander wilde hem echter niet weer hebben, hij had "in de gevangenis
+gezeten". En--of de jongen sprak--dat hij "langen tijd" was gestraft
+geweest, het mocht niet baten.
+
+Wie had hier zuiverder moraal? De Boeddhist of de Christen? 't Kan
+dunkt me aan geen twijfel onderhevig zijn, maar 't bewijst wel dat
+de Christenen hun eigen geloof, althans de zoo bekende gelijkenis
+van den verloren zoon, nog maar slecht verstaan.
+
+Voor ons verbasterd inzicht is straf slechts een vernedering, die wij
+liefst ons zelf en anderen moeten besparen, voor den ander was zij
+boete: reiniging der ziel--in overeenstemming immers met zijn geloof,
+dat ons de wet der gerechtigheid leert, die ons door lijden ten slotte
+voert tot den Grooten Vrede.
+
+Als wij dit indenken, begrijpen wij ook beter het merkwaardige
+verschijnsel, dat zelfs aanvoerders van rooverbenden, op wier hoofd
+een prijs is gesteld, zich vaak vrijwillig bij den rechter komen
+aanmelden. De straf moet immers strekken tot heil?
+
+Dat is het, wat hen ook vrede geeft in 't aangezicht des doods. Geen
+eeuwige hel, geen hemel, die zich direct voor hen opent, gaan zij
+tegemoet, doch hun volgend leven hangt af van het tegenwoordige: de
+hemel is voor den zondaar gesloten, doch niet voor eeuwig. Eenmaal
+zullen allen, nadat zij wijsheid geleerd hebben uit het lijden,
+tot den Grooten Vrede komen.
+
+Wanneer een Birmaan stervende is komen geen monniken gebeden
+zeggen: ook spreken geen bloedverwanten of vrienden met hem over
+'t hiernamaals. Wat dan? Een vriend zal komen en hem zeggen: Denk
+aan de goede daden, die gij gedaan hebt: en die zal hij herinneren,
+opdat de oude van dagen bij die vriendlijke herinneringen straks zacht
+insluimert. Is dat geen troost voor 't menschenhart? Ook gelooft men
+in Birma dat, wanneer de mensch sterft, zijn geheele leven met al
+zijn onderdeelen voor zijn oogen komt als een landschap, dat in den
+donkren nacht door een bliksemstraal eensklaps geheel verlicht wordt.
+
+En--dit geloof rust--in 't voorbijgaan merk ik dat op--inderdaad
+op goede gronden: met name personen die den dood door verdrinking
+nabij waren hebben van zichzelf iets dergelijks getuigd, gelijk vele
+westersche waarnemingen uitwijzen.
+
+Moeten wij ten slotte niet dankbaar erkennen dat ook het licht van
+Azië een schoon en heerlijk schijnsel geeft voor der menschen voet,
+ook al zijn we niet blind voor zijn eenzijdige kleur? En is niet dit
+vooral de groote kracht van de Boeddhistische leer, dat wel het kwaad
+in zijn boosheid, het goede in zijn heerlijkheid wordt erkend, maar
+dat alle loonzucht hier over boord is geworpen en men in stede van
+een uitwendige vergelding erkent een eeuwige, onwankelbare ordening,
+die rust en vrede geeft aan 't hart, dat uitgaat naar liefde en plicht,
+doch duisternis aan wie haten en onrecht doen?
+
+Geen godsdienst kunnen wij ons voorstellen, geschikt voor de kinderen
+van ons geslacht, of in deze dingen moet hij bij Boeddha ter schole
+gaan.
+
+
+
+
+
+VII. De voortgang en ontwikkeling van het Boeddhisme.
+
+
+Wanneer wij het hier genoemde onderwerp wilden behandelen in alle
+uitvoerigheid, zouden wij nog wel een gansch lijvig boekdeel daaraan
+kunnen wijden. We zouden dan moeten spreken over verschillende secten,
+die in de schoot van het Boeddhisme ontstonden, over al de landen,
+waarheen het zich uitbreidde, en de wijziging, die het daarbij soms
+onderging. Dat alles zou ons echter te ver voeren en niet passen bij
+het kader van dit werk. Toch zijn een paar dingen uit de geschiedenis
+van het Boeddhisme voor ons van zooveel belang, dat wij daarover
+niet willen zwijgen. En wel: de verschillende oude kerkvergaderingen,
+het vormen van de verzameling der Heilige Schriften, het optreden van
+het Boeddhisme als door den staat beschermde godsdienst onder Açoka,
+en ten slotte met een enkel woord: de uitbreiding van het Boeddhisme
+in andere landen en zijn ondergang in Indië.
+
+Allereerst dan over de oude concilies. Drie worden ons genoemd:
+dat van Rajagriha, van Vaisali en van Patna. Het eerste zou gehouden
+zijn, aldus verhaalt Buddaghosa, een soort Boeddhistische kerkvader,
+nabij Rajagriha. Daar toch waren achttien groote kloosters, met
+monniken gevuld. Men verzocht dus van hunnentwege aan den koning van
+Rajagriha, of hij een groot hol in de bergen ten hunnen behoeve voor
+die vergadering wilde inrichten.
+
+De koning, zoo gaat het verhaal voort, was daartoe volkomen
+bereid. Alles werd keurig in gereedheid gebracht: er waren vijfhonderd
+bekleede zitplaatsen voor de monniken, een spreekgestoelte voor
+den voorzitter.
+
+Twee maanden lang had men daarmede werk. De monniken werden
+uitgenoodigd en kwamen bijeen--'t was in den wastijd. Eerst bestond de
+vergadering niet uit het volle getal: er waren er 499, Ananda had niet
+verkregen de Prajna Paramita, de kennis der onzienlijke wereld. Dus
+was één zetel vacant. Doch, toen Ananda des nachts peinsde, kwamen
+de wonderbare krachten over hem: en--door den vloer heen bereikte
+hij den zetel, voor hem gereed gehouden.
+
+Kasyapa was voorzitter en noodigde Upali uit om voor te dragen de
+regelen, door Boeddha over de orde gegeven (Vinaya). Upali zat in de
+preekstoel, voor Boeddha bestemd, met den ivoren waaier in de hand. De
+monniken zongen na wat men hun voordroeg.
+
+Daarna kwam Ananda in het spreekgestoelte en droeg de uitspraken
+over de leer (Dharma) voor. Het eerste der Sutra's, door Ananda
+voorgedragen, was Brahmajala Sutra.
+
+Nu zijn de volgende punten zeer merkwaardig: in het jaar 16 v. C. had
+ook een concilie plaats, naar de faam zegt van 500 monniken. Er
+waren er slechts 499, één was uitgesloten, doch verricht een wonder
+en wordt chef.
+
+Dit concilie was bijeengeroepen door koning Kanishka, die over een
+groot deel van Indië toen regeerde. En--naar het schijnt, heeft hier
+de, later zich vormende, Mahayana school, eene overwinning behaald op
+het meer oorspronkelijk Boeddhisme. Nu rekenen sommige geleerden het
+Brahmajala sutra ook tot de boeken dezer school, naar mij voorkomt
+terecht; omdat het niet den geest van het oorspronkelijke Boeddhisme
+ademt.
+
+En ook op dit concilie hield men zich bezig met de heilige boeken, met
+name om daarop commentaren te maken en wel op de Sutra's, de Vinaya
+en de Abhidharma: welke drie ook volgens de zuidelijke Boeddhisten
+den heiligen canon vormen. Het ligt dus mijns inziens voor de hand,
+dat dit heele concilie van Rajagriha niets anders is dan een poging
+om--wat later gesanctioneerd werd--de goedkeuring der oudheid te
+geven door het reeds kort na Boeddha's dood geldig te maken.
+
+Even onzeker schijnt wat verhaald wordt over het tweede concilie, dat
+ongeveer 100 jaar later gehouden werd. Meer op vasten grond komen wij
+echter bij het 3e, dat van Patna, dat ongeveer het jaar 244 in Patna
+werd gehouden, in de dagen van koning Açoka. Waarschijnlijk is daar
+met de verzameling der heilige boeken een begin gemaakt. Over Açoka
+en zijn werken willen wij echter uitvoeriger spreken, omdat het hier
+een vorst geldt, die het Boeddhisme met groote kracht heeft bevorderd
+en wiens naam nog immer door de gansche Boeddhistische wereld een
+goeden klank heeft. Zooals bekend is drong Alexander de Groote in de
+4e eeuw vóór onze jaartelling zegevierend tot in Indië door. In die
+dagen was Magadha de hoofdstad geworden van een vrij groot koninkrijk,
+dat echter voor de macht van Alexanders wapenen moest bukken.
+
+Een avonturier, uit de handen van den koning van Magadha ontsnapt,
+zocht bij Alexander zijn toevlucht. Deze rebel vergaderde de stammen
+van den Pendsjab rondom zich en--toen in 315 v. C. de koning
+van Magadha werd vermoord, plaatste hij zich op diens troon. De
+Grieken verjoeg hij uit Indië. Deze troonsbeklimming was zeer
+merkwaardig, omdat zij bewees dat de oude Indische maatschappij
+voorbij ging: Chandragupta toch was een man van lage caste, evenals
+zijn partijgenooten. Juist in die dagen kwam het Boeddhisme op en nam
+snel in invloed toe. Waarschijnlijk begunstigden reeds Chandragupta en
+zijn zoon dit nieuwe geloof. Zeker is het dat zijn kleinzoon, Açoka,
+er toe over ging en de groote koning der Boeddhisten werd. Hij was
+inderdaad de Dharma Raj (koning der gerechtigheid), waarvan Boeddha,
+toen hij in 520 v. C. onder een vijgeboom zat, had gedroomd.
+
+Açoka, die 24 jaren telde, toen hij den troon beklom, was eerst een
+vroom Brahmaan, die 50.000 Brahmanen dagelijks voedde. Ook was hij
+zeker een dapper en bekwaam krijgsman; althans hij veroverde een
+groot deel van Indië. Zekere monnik Nigrauda bekeerde hem tot het
+Boeddhisme. De koning werd daarvoor nu een groot ijveraar en--tal
+van inschriften, door hem in rotsen en steenen gebeiteld in bijna
+alle streken van Indië--leggen er getuigenis van af, hoe ernstig
+hij zijn taak opvatte om de nieuwe leer ingang te doen vinden en
+in het maatschappelijk leven de hervormingen in te voeren, die zij
+eischte. Deze inschriften zijn ook in ander opzicht voor ons van
+groote waarde. Immers de ouderdom der boeken staat niet altijd vast
+en--volgens nagenoeg eenstemmig oordeel der geleerden--stond Açoka's
+Boeddhisme vrij dicht bij het oorspronkelijk. Zij zijn grootendeels
+uitgegeven en alzoo onder het bereik der geleerde wereld gebracht.
+
+We willen er enkele van aanhalen, die ons doen zien welke denkbeelden
+over God en toekomstig leven door den beroemden koning werden
+gekoesterd.
+
+"Veel te verlangen naar de dingen (dezes levens) is ongehoorzaamheid,
+zoo herhaal ik: (ongehoorzaamheid) is ook de (altijd) werkzame zucht
+naar grondgebied bij een vorst, die den hemel wil gewinnen. Belijd God
+(Isana) en geloof in Hem, die het waardig voorwerp der gehoorzaamheid
+is. Want gij zult geen middelen vinden om den hemel te winnen, aan
+dit geloof gelijk. O, streef er naar om dit onschatbare kleinood
+te verkrijgen."
+
+"Aldus spreekt koning Devanampiya Piyadasi (de door de goden geliefde
+[117]): Het tegenwoordig oogenblik en het verleden zijn onder dezelfde
+vurige hoop voorbijgegaan: Hoe zal door de bekeering van den koninklijk
+geboorne de godsdienst worden uitgebreid? Als deze zoo toeneemt door
+de bekeering van de laaggeborenen, hoe zal hij dan toenemen als de
+hooggeborenen overtuigd worden? Overal waar de naam van God in eere
+is, waarlijk daar is godsdienst.
+
+"Aldus sprak Devanampiya Piyadasi: Daarom heb ik van dit oogenblik
+af gezorgd dat er godsdienstige redenen werden gehouden, ik heb
+godsdienstige plichten aangewezen, opdat de menschen daarna luisterend,
+er toe gebracht worden het rechte pad te volgen en eere te geven
+aan God."
+
+Ook over een volgend leven laat Açoka zich uit: "Al de moed (heet het
+elders) dien Piyadasi, de geliefde der goden, heeft getoond is ten
+opzichte van een volgend leven. Aardsche roem brengt weinig voordeel,
+doch veroorzaakt integendeel, verlies van deugd.
+
+"Voor den hemel te werken is moeilijk voor een boer en voor een prins:
+tenzij zij met uiterste krachtsinspanning alles opgeven.
+
+"Mogen mijne liefhebbende onderdanen geluk verkrijgen in deze en in
+een volgende wereld.
+
+"De beminde der goden spreekt aldus: Meer dan twee en dertig en een
+half jaar lang ben ik een hoorder der wet geweest, doch ik beijverde
+mij niet met alle inspanning. De goden, die voor dien tijd in
+Jambudvipa als ware goden werden beschouwd zijn nu afgezworen... Een
+klein (eenvoudig) man, die zichzelf wat oefent kan voor zichzelf
+groote hemelsche zegen verwerven, en met dat doel is deze prediking
+uitgesproken. Beide, grooten (hoogen) en kleinen moeten zich oefenen
+en zullen ten slotte (ware) kennis verkrijgen. En deze wijze van
+handelen zal wat zijn? Van groote gevolgen. Want het geestelijk goed
+zal groeien, en zal steeds sneller groeien, ten slotte zal het telkens
+met de helft worden vermeerderd."
+
+"Deze prediking is gehouden door hem die is heengegaan. Twee honderd
+vijftig jaren zijn er verloopen na het vertrek van den leeraar."
+
+Alles in deze opschriften moge niet geheel duidelijk zijn, zooveel
+is toch wel zeker, dat het Boeddhisme van Açoka allerminst een soort
+atheïsme mocht heeten. Een en ander stemt overeen met wat wij reeds
+vroeger opmerkten, b.v. dat de oude Boeddhisten zich Brahmacharin,
+vereerders van Brahma noemden en dat in een gesprek met de Brahmanen
+Boeddha niet zegt: Brahma vereeren is onzin, maar wel: uw uitwendige
+vereering van Brahma deugt niet.
+
+Doch, wij komen tot Açoka terug. Deze vergenoegde zich niet met
+in edicten het Boeddhisme aan te prijzen, neen, hij trachtte de
+beginselen van het nieuwe geloof ook in staat en maatschappij door te
+voeren. Terecht kan men van hem zeggen, dat hij Wilberforce vooruit
+was in den strijd tegen de slavernij, Tolstoï in zijn begeerte om
+het zwaard weg te werpen, Rousseau en Fichte in hun wensch om den
+innerlijken godsdienst aller eigendom te maken. Ook is treffend zijn
+zorg voor de dieren. We willen u, aan de hand der opschriften zelve
+laten zien, hoeveel Açoka tot stand bracht.
+
+Wat betreft zijn belangstelling in den inwendigen godsdienst denken
+wij b.v. aan het volgende inschrift: "Piyadasi, de vriend der goden,
+hecht minder waarde aan aalmoezen en uitwendige plechtigheden, dan
+aan het bevorderen van den bloei van den inwendigen godsdienst."
+
+"Voortgang in Dharma (de ware leer, de deugd) kan op tweeërlei wijze
+worden verkregen, door vormelijke regels, en door de gevoelens,
+welke deze opwekken in het hart. In dezen dubbelen invloed heeft de
+eerste een zeer geringe waarde, de innerlijke opwekking is slechts
+in waarheid belangrijk."
+
+Wat zijn afkeer van den oorlog betreft denken wij aan deze inscriptie:
+
+"Piyadasi, de vriend der Devas, (goden) stelt alleen op prijs den oogst
+van het volgend leven. Daarom alleen is deze inscriptie gegrift, opdat
+onze zonen en kleinzonen geen nieuwe veroveringen zouden maken. Laten
+zij niet denken dat veroveringen met het zwaard den naam verovering
+verdienen. Laten zij zien den ondergang, de verwarring, de hartstocht
+die zij medebrengen. Ware veroveringen zijn alleen die van Dharma."
+
+Açoka zorgde voor mensch en dier, hij maakte aan slavenmishandeling
+een einde, verbrak de slavenketenen der menschen, zorgde voor reizigers
+en monniken op liefderijke wijze.
+
+Hierover vermelden de opschriften het volgende:
+
+"Vroeger werden, in de groote eetzaal en den tempel van koning
+Piyadasi, den vriend der goden, dagelijks honderd duizende dieren
+geslacht om tot voedsel te strekken met hun vleesch .... doch nu
+weerklinkt telkens weer het koor dat voortaan geen dier meer zal
+worden ter dood gebracht.
+
+Als een mensch onderworpen is aan slavernij en slechte behandeling,
+zal hij van dit oogenblik af door den koning van deze en andere
+gevangenschap worden bevrijd. Vele menschen in deze streken kwijnen in
+de gevangenis, daarom was de Stupa [118], die de bevelen des konings
+bevat, zeer noodig.
+
+Overal is gevestigd het dubbele systeem van geneeskundige hulp van
+koning Piyadasi, medische hulp voor menschen en medische hulp voor
+dieren... En waar er geen voorraad is (van kruiden), in al deze
+plaatsen moeten deze worden geplant en gedroogd, zoowel wortels
+als kruiden. Overal waar er geen voorraad van is, moeten zij worden
+aangebracht en geplant. En aan de groote wegen moeten bronnen worden
+gegraven en boomen geplant, tot het welzijn van mensch en dier.
+
+In sommige Boeddhistische landen zijn de kloosters ook tegenwoordig
+de eenige plaatsen waar men logeeren kan, en de monniken de eenige
+dokters. Waarschijnlijk is dus ook hier gedacht aan boomen, die geplant
+moeten worden bij de Saugharama, zooals het toen heette. Saugharama =
+tuin der monniken, terwijl deze zelf toen Pavajitani's (huisloozen)
+heetten tegenover de Gahathani (die een huishouden hebben) waarmee
+waarschijnlijk de Brahmanen bedoeld worden.
+
+Doen dus reeds deze aanhalingen vermoeden dat in die dagen de monniken
+meer onder boomen, dan wel in huizen woonden, de volgende uitspraak
+van Açoka komt daarmede overeen.
+
+"Wanneer godvruchtigen zullen verblijven bij den heiligen vijgeboom, of
+daaromheen rondwandelen ten einde vrome verrichtingen te volbrengen,
+zal het een voordeel en een genoegen voor de landstreek en hare
+bewoners zijn om geschenken hun aan te bieden, en overeenkomstig
+hun edelmoedigheid en anderszins, zullen zij voorspoed of tegenspoed
+genieten. Zij zullen dankbaar zijn voor de komst van het geloof. Wat
+dorpen of hun inwoners voor de zaak van den godsdienst mogen geven
+of in stand houden, de gewijden (monniken enz.) zullen het zelfde
+ontvangen, en, ten voorbeelde van mijn volk zullen zij gestreng in de
+eenzaamheid leven. En eveneens zullen de gewijden, welke zegeningen
+zij ook uitspreken, daarin overvloedig zijn.
+
+"Voorts zal het volk in den nacht [119] tot toevlucht hebben den
+grooten myrobolanpruimenboom (Terminalia chebula) en den heiligen
+vijgeboom. Mijn volk zal den grooten myrobolanboom vermeerderen. En
+daar mijn godvruchtigen dit doen voor het genoegen en het welzijn
+van het dorp, waar zij verblijven, mogen zij rondom den schoonen en
+heiligen vijgeboom een liefelijk verblijf hebben bij het volbrengen
+van vrome daden."
+
+Wij hebben hier nog niet de kloosters alzoo, doch: een
+overgangsvorm. Terwijl in den eersten tijd Boeddha's monniken twee
+aan twee uitgingen ter bekeering, zien wij hen nu meer bepaalde
+woonplaatsen innemen in de nabijheid van eenig dorp. Straks komen
+zij in kloosters, in gebouwen te wonen.
+
+We kunnen echter, met het oog op de toestanden in Açoka's tijd,
+dezen overgang zeer goed begrijpen.
+
+Açoka toch had Indië veroverd, en had nu noodig een leger van verlichte
+monniken ten einde zijn rijk voor het Boeddhisme te winnen. Dat groote
+leger moest worden gevoed: vandaar dat aan dorpen en steden werd
+opgedragen voor de monniken te zorgen: ook nu nog een geliefkoosde taak
+der leeken in Boeddhistische landen. Vandaar ook de zoo uitgebreide
+aanplantingen van mango's, bananen enz. Ook van de planting van deze
+boomsoorten wordt in een der edicten van Açoka gesproken.
+
+Uit deze opschriften blijkt voorts dat er drie jaarlijksche groote
+feesten waren in die oude dagen, wier datum in verband met de maan werd
+vastgesteld, feesten, waarbij olifanten, toortsen, optochten enz. te
+pas kwamen. Tempels schenen er toen nog niet te zijn, de godsdienstige
+plechtigheden hadden plaats in tempels van ongekorven hout met de
+sterren als lampen. Açoka deed wat hij kon om het Boeddhisme uit te
+breiden, en, al gingen de monniken in die dagen ook reeds zwijgend
+rond, toch waren zij waarschijnlijk overigens niet zoo gesloten,
+hun taak toch was: propaganda maken voor het nieuwe geloof, waarbij
+hun echter werd ingeprent vriendelijk en meegaand te zijn tegen de
+"ketters." Door zulke verzoenende manieren zullen zelfs de ketters
+gunstig worden gestemd en zulk een gedrag zal het aantal bekeerlingen
+doen toenemen.
+
+Dat het echter toch propaganda moest zijn, blijkt uit het volgende
+in een der edicten:
+
+"Sinds langen tijd zijn er geen dienaars van den godsdienst
+geweest, die, zich bewegende onder de ongeloovigen, hen met een
+overstrooming van godsdienst overstelpten, met een overvloed van
+heilige leeringen. Door Cambodja, Gandhara, Surasthra, Petenica en
+elders zijn er nu aangewezen (als zendelingen), die hun weg vinden
+tot op de uiterste grenzen der barbaarsche landen, voor het heil
+van allen. Omgaande zoowel met de gevreesden als met de geachten, in
+Pataliputra zoowel als in vreemde plaatsen, betere dingen leerende,
+zullen zij overal doordringen."
+
+Zoo zwerven dus Açoka's monniken als echte huisloozen (pavajitani)
+overal rond om hun nieuw Evangelie te brengen.
+
+Ook voor het uitwendige van den godsdienst deed Açoka veel. Hij
+bouwde vier stupa's (grafheuvels) ter eere van den Verlichte: één op
+de plaats, waar de Verlichte was geboren, één waar hij de verlichting
+deelachtig werd, één te Benares, waar hij het eerst predikte, één te
+Kusinara, waar hij het Nirvana inging.
+
+Men weet welke gedachten men over de stupa's had. Een dood man was
+volgens de oude Indiërs (en nog is er iets van dat geloof over)
+machtiger dan een levend persoon. Meestal stelde men zich voor dat
+zijne kracht zich openbaarde, waar zijn lijk rustte, en men groef
+zelfs daarbij heilige vijvers, waar een buitengewone versterking
+den vereerders der heiligen ten deel viel. Over het graf bouwde
+men dan een koepeldak, daar vereerde men de dooden en bracht hun
+offers. Zoo nu deed men met Boeddha ook. In eene oude Chineesche
+Boeddhistische liturgie heet het: "Ik beschouw het gewijde altaar als
+eene koninklijk edelgesteente, waarbij de schaduw (geest) van Sakya
+Tathagata verschijnt."
+
+Zoo dacht men dus, bij de vereering der stupa's in gemeenschap
+te komen met Boeddha. Eer kunnen wij dus zeggen dat er in Açoka's
+Boeddhisme eenig bijgeloof was, dan dat wij hem beschuldigen van een
+soort atheïsme, als hoedanig sommige geleerden het oorspronkelijk
+Boeddhisme willen opvatten.
+
+Açoka deed nog iets anders van groote beteekenis. Hij riep een
+kerkvergadering te Patna bijeen in het jaar 244 v. C. waarop vooral
+over de gewijde boeken werd gehandeld. Naar het schijnt werd het
+volgende (blijkens een der opschriften des konings) vastgesteld:
+
+"Het is wel bekend, heeren, hoe ver mijn eerbied en mijn geloof in
+Boeddha, Dharma en Sangha gaan. Alles wat onze heer Boeddha heeft
+gesproken is wèl gesproken. Daarom, heeren, moet het inderdaad worden
+beschouwd als van onbetwistbaar gezag. Zoo zal het ware geloof
+lang duren. Alzoo, mijne heeren, eer ik met de hoogste vereering
+deze godsdienstige werken: Vinayasamaka (lessen in discipline),
+Aryavasas (de bovennatuurlijke krachten der Arya's), Anagatabhayas
+(de verschrikkingen der toekomst), Munigathas (het leven van Boeddha
+in versmaat), Upatisapasina (de vragen van Upatishya), Moneyasuta
+(de Sutra van het innerlijk leven) en de vermaning tot Rahula
+over valschheid, uitgesproken door onzen heer Boeddha [120]. Deze
+godsdienstige werken, heeren, wil ik dat de monniken en nonnen, ter
+bevordering van hun invloed ten goede, voortdurend zullen bestudeeren
+en zich herinneren."
+
+Sommige geleerden beschouwen dit als een uittreksel, waarin Açoka de
+voornaamste stukken uit een, toen reeds bestaanden canon opnoemt,
+zoo b. v. Rhys Davis. Anderen meenen, dat juist het concilie van
+Patna, waarvan dit ontwerp de besluiten meedeelt, op aansporen van
+den koning een aanvang maakte met den canon. Mij komt deze laatste
+meening waarschijnlijk voor. De zeven hier genoemde geschriften zijn
+allen bekend. Wat de vragen van Upatishya aangaat, dat dit geschrift
+hier voorkomt is niet onbelangrijk. Immers wat is de vraag die
+Upatishya bezighoudt? Hij ziet van een heuveltop een feest, waarop
+zeer velen zich vermaken. Eensklaps overvalt hem de gedachte: over
+twee honderd jaren zullen alle deze levende wezens een prooi zijn van
+den dood. [121] Indien daar is een beginsel van verwoesting, kan daar
+dan niet evengoed een beginsel van leven zijn? Niemand kan deze vraag
+beantwoorden, doch Athadzi loste hem deze op door hem Boeddha's Dharma
+te leeren. Doet niet ook het opnemen van dit geschrift ons vermoeden
+dat het oorspronkelijk Boeddhisme niet de ultra pessimistische leer
+was, die sommigen er van willen maken?
+
+Açoka was dus de man, die, door het bijeenroepen eener groote
+vergadering, welke de bovengenoemde geschriften ijkte, den
+grondslag legde tot de gansche, vrij omvangrijke Boeddhistische
+gewijde literatuur. De hoofdzaak daarvan vormen de drie Pitaka's
+(korven), welke onder dien naam door de zuidelijke Boeddhisten voor
+heilig en oud worden gehouden, doch wier boeken ook bij de meeste
+andere Boeddhisten in eere zijn. Deze drie korven bevatten tal van
+geschriften: de eerste korf bevat Vinaya (de tucht), de tweede Dharma
+(de leer), de derde Abhidharma (het bovennatuurlijke). Een groot deel
+dezer gewijde geschriften is tegenwoordig uitgegeven in de serie:
+Sacred Books of the East (gewijde boeken van het oosten.)
+
+In het eerste gedeelte komt o. a. voor de vroeger reeds besproken
+Patimokha (biechtrede), in het tweede o. a. Dhammapada, een verzameling
+van schoone spreuken en Jataka's, verhalen over vroegere levens van
+Boeddha, een rijke bron van oud-Indisch denken en gevoelen.
+
+Onder de Boeddhistische werken buiten deze drie Pitaka's kunnen wij
+vooral noemen het "Lalita Vistara," waarin wij de levensgeschiedenis
+van Boeddha in romantischen vorm vinden meegedeeld. Langzamerhand
+zijn deze boeken bij elkaar gekomen en door de Boeddhisten in hooge
+waarde erkend.
+
+Doch wij keeren na deze uitweiding tot Açoka terug. Hij maakte
+blijkbaar met de doorvoering der Boeddhistische beginselen vollen
+ernst. In een zijner edicten heet het "dat er nooit in eenig vroeger
+tijdperk een systeem van onderwijs, toepasselijk op iederen tijd en
+iedere daad is geweest, als wat nu door mij is ingericht."
+
+In een ander stuk heet het: "De voornaamste middelen die ik u
+verschaft heb om dit uit te werken zijn de instructies, die ik u
+gegeven heb. Gij zijt gesteld over honderde en duizende menschelijke
+wezens om te winnen de liefde der welgezinden. Ieder mensch is mijn
+kind, en mijn wil is dat mijne kinderen allen mogelijken voorspoed
+mogen genieten in deze wereld en geluk in de volgende. Ik heb dezelfde
+begeerte voor alle menschen."
+
+Deze laatste order gaf hij aan zijne rajuka's, waarschijnlijk
+leekenbeambten: zij moesten dus, evenals de monniken, werken voor de
+uitbreiding van den nieuwen godsdienst. Waarschijnlijk echter heeft
+hij door een en ander den grondslag gelegd voor de latere hiërarchie
+in sommige Boeddhistische landen, die zooveel overeenkomst heeft met
+de Roomsch-Catholieke priesterheerschappij. Doch: daar mogen wij hem
+de schuld niet van geven. Als wij nagaan wat Açoka wilde, dan moeten
+wij dezen Constantijn van het Boeddhisme bewonderen, die--geheel
+anders dan de Christelijke Constantijn--niet uit politieke, maar uit
+religieuze en zedelijke overwegingen handelde en zijn beste krachten
+inspande om de zijns inziens ware beginselen van het nieuwe geloof
+te doen doorwerken in zijn rijk. Geen wonder dat hij in hooge eere
+staat bij de volgelingen van Boeddha.
+
+
+
+
+
+VIII. Uitbreiding en ontaarding van het Boeddhisme.
+
+
+Açoka zond zendelingen uit naar verschillende oorden, ten einde overal
+voor het Boeddhisme propaganda te maken. O. a. ging zijn zoon Mahinda
+naar Ceylon, een eiland dat ook nu nog aan het Boeddhisme getrouw
+is. Vandaar uit is het weer naar Birma, Siam en Java verbreid. In
+Birma deed het 450 jaar na C. zijn intocht. Op Java had het in de
+13e eeuw een grooten bloei bereikt, toen toch werd daar de beroemde
+Boro-Boedoer, een groote Boeddhistische tempel, gebouwd, waarvan de
+ruïnen nog thans ieders verbazing wekken. Later werd het daar door
+den Islam geheel verdrongen.
+
+In al deze streken hield men zich vooral aan de straks reeds genoemde
+drie Pitaka's. En zoo is dan ook in Birma en Siam het Boeddhisme vrij
+zuiver bewaard gebleven. Het moge al ondergaan hebben den invloed
+der Mahayana [122], die het nieuwe geloof pessimistischer en minder
+religieus opvatte dan de stichter, aan Boeddha's leer geheel vreemde
+leeringen zijn hier niet ingeslopen.
+
+In Indië heeft het zich nog eenige eeuwen na Christus gehandhaafd,
+doch ongeveer de 12e eeuw was het bijna overal door het Brahmanisme
+verdrongen. Vanwaar dit verschijnsel? Er een uitvoerig antwoord op
+te geven, zou vele bladzijden vereischen en ook vallen buiten het
+kader van dezen arbeid. Alleen komt het mij voor dat ontaarding van
+de oorspronkelijke beginselen hierop invloed had. Wat die ontaarding
+betreft, zij moet allereerst gezocht worden in de zooeven genoemde
+Mahayana, de school van den grooten overtocht, die feitelijk den
+Allerhoogste onttroonde en leerde dat Boeddha zelf was vernietigd en
+uit niets en tot niets de weg was voor allen.
+
+Die Mahayana heeft in Indië ten gevolge gehad dat een reactie opkwam,
+die ten slotte van de oorspronkelijk zedelijke religie een magische
+maakte en veel uit het oude Brahmanisme weer opnam. Beide deze
+invloeden hebben het hunne gedaan om het Boeddhisme te ondermijnen
+en de overwinning van het Brahmanisme te verzekeren in het grootste
+gedeelte van Indië.
+
+Daarbuiten echter heeft het zich krachtig gehandhaafd, niet alleen
+in Birma en Siam, alsook op het eiland Ceylon, maar is het zelfs
+doorgedrongen in Tibet, in China en in Japan. In Ceylon, Birma en
+Siam bleef het, zoo wij reeds opmerkten, vrij zuiver bewaard, terwijl
+het zich in China en Japan met andere godsdiensten vermengde. Wat de
+tegenwoordige Chineezen betreft, uit drie bronnen is afgeleid hun
+geestelijk leven: Kong tsze, Lao tsze en Boeddha. Bij de Japanners
+is het Boeddhisme met den ouden volksgodsdienst, het Shintoïsme,
+samengesmolten.
+
+Zeer merkwaardig is echter de ontaarding van het Boeddhisme in
+Tibet. Daar kwam het in een onbeschaafd land, onder een ruw volk:
+'t gevolg was dat de geestelijke godsdienst hier slechts ingang kon
+vinden in verbasterden vorm.
+
+Hetzelfde geschiedde, zoo men weet, met het Christendom, dat is
+ontwikkeld tot Roomsch-Catholicisme door dezelfde invloeden: omdat
+het alleen als een godsdienst van gezag de heidenen kon winnen. 't
+Is voorts merkwaardig zoo groot als de overeenkomst is tusschen het
+Tibetaansch Boeddhisme en het Roomsch-Catholieke Christendom.
+
+Naar men weet gelooft de Roomsch-Catholieke kerk dat de geest van
+Christus alléén in hare kerk woont, op bizondere wijze die kerk
+bestuurt en dat deze geest hare priesters en vooral haren paus
+bezielt. Zoo nu denken de Tibetaansche Boeddhisten er ook over. Zij
+gelooven aan Avalokitesvara, den geest van Boeddha, die in de kerk
+woont. De naam Avalokitesvara beteekent: de Heer, die van omhoog
+nederziet.
+
+Behalve Avalokitesvara hebben zij nog een aantal andere Boeddha's die
+in den hemel leven, anderen, die op de aarde leven of geleefd hebben
+enz. Ten slotte kwamen zij zelfs tot Adi-Boeddha: den eersten Boeddha,
+uit wien dan de andere Boeddha's en met hem de werelden emaneerden. Uit
+Adi-Boeddha waren namelijk--na vijf meditatiën van dezen--de vijf
+Dhyani-Boeddha's gevloeid, de beheerschers van bovenaardsche gewesten,
+uit dezen wederom de bij hen behoorende Bodhisatwa's (toekomstige
+Boeddha's), en--ieder van hen deed uit zich voortkomen een gansche
+wereld. De tegenwoordige is dan een maaksel van Avalokitesvara. Daarmee
+ging gepaard een ontaarden van den godsdienst in magische formules en
+uiterlijke vormen. Woorden kwamen boven daden. Iedere Tibetaan heeft
+een rozenkrans van 108 kralen om daarmee zijn goede woorden te tellen:
+vooral vele woorden moeten het zijn.
+
+Ja, om zegeningen te verkrijgen van al de hemelsche wezens, waarmede
+zijne verbeelding de wereld bevolkt, heeft de Tibetaan zelfs
+gebedsmolens of wielen: met heilige spreuken beplakt. Tibet is er
+vol van: zij staan bij iederen weg, in elke straat.
+
+Dan heeft men ook lange staken, waaraan vlaggen zijn bevestigd, waarop
+het heilige woord: Om Mani Padme Hum (het juweel is in de lotus d. i.:
+de zelfscheppende kracht is in de wereld [123]). Telkens als die
+spreuk bij een windvlaag ten hemel wijst, wordt een gebed opgezonden.
+
+Wij zagen dat volgens de Boeddhisten Avalokitesvara in de gemeente
+woont. Boven alles echter woont deze in den Dalai-Lama, den
+Boeddhistischen paus in Tibet, en de chutuktu's, zooveel als zijn
+kardinalen. Deze paus is Adi-Boeddha's plaatsvervanger op aarde,
+onfeilbaar is hij niet alleen, maar ook is hij wereldlijk vorst over
+Tibet, evenals voorheen de paus overeen deel der Christenheid.
+
+Dat de overeenkomst met Rome groot is, is door tal van Roomsche
+zendelingen erkend, sommigen van hen gingen zoover, dat zij zeiden:
+de duivel heeft hier het werk van God nagemaakt.
+
+De eerwaarde pater Desideri, die in het jaar 1714 Tibet bezocht,
+zegt: "De lama's hebben eene tonsuur evenals onze priesters en zijn
+tot levenslangen ongehuwden staat verplicht. Zij bestudeeren hunne
+geschriften in een taal en in letters, die van de gewone teekens
+verschillen. Zij zeggen gebeden in koor. Zij dienen den tempel,
+bieden offeranden aan en houden de lampen altijd brandende. Aan
+God offeren zij koren en gerst, deeg en water in kleine vazen, die
+zeer schoon worden gehouden. Het voedsel dat alzoo geofferd wordt,
+beschouwen zij als gewijd, en zij eten het."
+
+Ook zekere pater Grueber, die in 1661 Tibet doorreisde, was er door
+getroffen. "Hij merkte op, dat de kleedij der lama's overeenkwam
+met die, welke ons in oude schilderstukken van de Apostelen
+is overgeleverd. Ten tweede, dat de tucht der kloosters en der
+verschillende priesterklassen zeer gelijkt op die der Roomsche
+kerk. In de derde plaats, dat het denkbeeld van een vleeschwording
+evenals het geloof aan paradijs en vagevuur aan beiden gemeen is. In
+de vierde plaats merkte hij op dat zij offers gaven en aalmoezen,
+diensten hielden en gebeden opzeiden voor de dooden, evenals de
+Roomsch-Catholieken. In de vijfde plaats, hadden zij nabij Lhassa
+kloosters, door dertig duizend monniken en nonnen bewoond, welke
+allen, behalve nog andere geloften, die van armoede, gehoorzaamheid
+en kuischheid aflegden: evenals de Roomsche. In de zesde plaats
+hadden zij biechtvaders, die van de hoogere lama's of bisschoppen
+hun bevoegdheid ontvingen en die daardoor de macht hadden de biecht
+te hooren, boetedoeningen op te leggen en absolutie te geven. Ook
+hadden zij de gewoonte gewijd water te gebruiken, bij hun diensten
+om beurten te zingen, voor de dooden te bidden."
+
+Gemelde pater meende daarom, dat dit alles niet mogelijk was,
+tenzij de oude boeken der lama's den invloed van het Christendom
+hadden ondergaan. Wij kunnen dit gevoelen niet deelen: veeleer komt
+het ons voor dat aan het omgekeerde is te denken. Doch: dit punt
+hier te behandelen, hoe belangrijk het zij, (want er is inderdaad
+overeenstemming tusschen de persoon, de legende, de latere ontwikkeling
+der leer bij Christus en Boeddha) ligt niet op onzen weg. Alleen willen
+wij nog een beschrijving geven van een godsdienstoefening, zooals
+men die houdt in den hoofdtempel van het Tibetaansche Boeddhisme,
+de kathedraal te Lhassa.
+
+"Door een ruime hal, waarin men gewijd water en rozenkransen kan
+koopen, en waar vier beelden der aartsengelen staan, komt men den
+tempel binnen. De muren zijn bedekt met ruw bewerkte schilderijen
+uit de legende van Boeddha. Het dak wordt gedragen door zes zware
+pilaren, met snijwerk versierd. De kerk zelf is een lang schip: door
+twee rijen pilaren van twee zijvleugels en door zilveren opengewerkte
+schermen van twee groote koren gescheiden. In ieder dier zijvleugels
+zijn veertien kapellen. Aan het einde der kerk is de heilige plaats,
+bevattend vijftien tafels, met juweelen voorzien, met mystieke
+zinnebeelden van Sang-Sara en andere scheppingen van Boeddhistische
+metaphysica. In de verste nis bevindt zich in een overwelfde ruimte
+het beeld van den vergoodden Gautama Boeddha.
+
+"Ter linkerzijde daarvoor is de troon van den Dalai-Lama, ter
+rechterzijde van den Pantschen Lama. Daarbij, in rangorde, langzaam
+in glans verminderend, de zetels der Chutuktu's (kardinalen), abten
+en der achttien orden van de lagere geestelijkheid.
+
+"Tegenover het beeld is het hoog altaar of de offertafel: verscheiden
+treden boven de vloer; met trappen toegankelijk. Op de bovenste
+trappen staan gouden, zilveren en steenen beelden, op de lagere trappen
+klokken, lampen, wierookhouders en andere gewijde gereedschappen.
+
+"Op het geluid van een hoorn of trompet verzamelt zich de
+geestelijkheid in den ingang (de straks genoemde hal) in
+ambtsgewaad. Bij het derde trompetgeschal zet de stoet zich in
+beweging, met den levenden Boeddha aan het hoofd. Als deze levende
+Boeddha op zijn troon is gezeten buigt ieder der priesters driemaal
+voor hem en gaat dan met gekruiste beenen op den divan zitten,
+overeenkomstig zijn rang. Een bel klinkt en allen zeggen op: de drie
+toevluchten, [124] de tien voorschriften [125] en andere formules. Na
+eenige stilte gaat wederom de bel en langere stukken uit de heilige
+boeken worden door de priesters in koor gezongen. Als het een feestdag
+is, wordt het hoogtepunt van den dienst bereikt in het Tuisol, of
+gebed voor heiliging, als de offers zijn gezegend.
+
+"Een bel klinkt, en al de monniken heffen luide een gebedshymne
+aan, waarin gevraagd wordt dat de geesten van al de Boeddha's mogen
+tegenwoordig zijn.
+
+"Een van hen heft boven zijn hoofd een spiegel, naar het schijnt om
+hierop het beeld van den geest op te vangen, als deze verschijnt; een
+tweede heft een drinkkan op, een derde een mystiek zinnebeeld van de
+wereld, een vierde een schaal; en nog andere geheiligde gereedschappen
+en mystieke symbolen.
+
+"Onderwijl worden de stemmen der zangers en het geluid van bellen,
+trommels en trompetten al sterker, en de kerk wordt met wierookwalmen
+vervuld.
+
+"De monnik met de drinkkan werpt herhaaldelijk water, met suiker
+en saffraan vermengd, over den spiegel. Het water vloeit over den
+spiegel naar het zinnebeeld der wereld en wordt beneden in een schaal
+opgevangen. Telkens na gebruik wordt de spiegel met een zijden doek
+afgeveegd.
+
+"Het mengsel wordt nu in een andere kruik gedaan: enkele droppels
+bevochtigen de handen der dienstdoende monniken die er de kroon van hun
+geschoren kruin, hun voorhoofd en hun borst mee aanraken. Eerbiedig
+slikt hij dan de overblijvende droppels in, en zoo doende, meent hij
+op mystieke wijze deel te verkrijgen aan het goddelijk wezen, welks
+beeld opgevangen is op den spiegel, waarover het water is geloopen."
+
+Tot zoover over het Lamaïsme. Wat een afstand scheidt ons hier van
+den verheven stichter zelf, die, wars van ceremoniën en plechtigheid,
+door zelfverzaking en overpeinzing den weg vond tot den grooten
+Vrede. Helaas, dat ditzelfde verschijnsel ons overal treft, welken
+godsdienst wij ook beschouwen: straks zullen wij het ook elders
+zien. Doch: kàn dat anders? Kan een frissche bergstroom zuiver blijven
+tusschen vuile moerassen? Kan het reine denken, het zuiver gevoelen
+blijven wonen in een onreine, gebrekkige menschheid?
+
+Hoe hooger dan ook de volken stonden, des te meer wordt de zuivere
+geest bewaard: meer is er van Boeddha's geest gebleven in Birma dan
+in Tibet. Toch: de schat is er nog wel, ook in dat laatste land, al
+wordt zij daar opgeborgen in aarden vaten die er niet bij passen. Niet
+te vergeefs leefden de groote denkers en strijders der menschheid.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+De Chineesche Philosophie.
+
+
+I. Inleiding.
+
+
+Het doel van dit geschrift is juist niet om eene volledige geschiedenis
+der Chineesche philosophie te geven of al de vraagstukken, welke deze
+heeft trachten op te lossen onder het oog te zien. Daartoe toch zouden
+zeer uitvoerige, boekdeelen vullende uiteenzettingen, noodig zijn,
+die van het geduld van den lezer te veel zouden vergen. De bedoeling
+is op beknopte en verstaanbare wijze te schilderen het eigenaardige
+der Chineesche philosophie en hoe zij op de ontwikkeling van het
+Chineesche volk heeft gewerkt.
+
+In hoeverre in oude tijden Turanische of Arische invloeden zich in
+China hebben doen gelden, en vanwaar de sporen van deïsme komen, die
+men in den ouden staatsgodsdienst ontwijfelbaar vindt, is hierbij
+van minder belang. Gewichtiger en belangrijker is het feit, dat de
+beschaving van het Chineesche volk, zooals wij die voor het eerst
+in historische tijden ontmoeten, aanstonds iets van ouds gevestigds,
+iets afgewerkts, afgeronds heeft: waarvan wij den aanvang niet kunnen
+ontdekken, en die zich wel duizend jaar lang, tot aan den intocht
+van het Boeddhisme vrijwel onveranderd heeft gehandhaafd.
+
+Wel vindt men ook in China sagen over oude dagen, waarin het volk
+'s winters in holen, 's zomers in een soort nesten in boomen leefde,
+waarin het gebruik van het vuur onbekend was en de bewoners nog niet
+geleerd hadden visschen en vogels te vangen: doch wat op dezen,
+ook naar Chineesche opvatting voorhistorischen tijd betrekking
+heeft, vinden wij in latere werken, niet als een herinnering aan
+een vaststaande traditie, maar aan legenden, van onheugelijke tijden
+bestaande.
+
+Wat de standvastigheid der Chineesche zeden betreft, noemen wij het
+feit, dat de offergereedschappen uit den tijd der Hsia dynastie evenzoo
+gevormd zijn als die uit den laatsten tijd der Chau-dynastie, hoewel
+twintig eeuwen beide dynastiën scheiden. Ook bleven de ceremoniën,
+gebruiken en zeden in godsdienst, wijsbegeerte en zedeleer gedurende
+dien tijd onveranderd. Hieruit leide men echter niet af dat de geest
+van het Chineesche volk al dien tijd rustte, integendeel: zelden
+is er een tijd geweest, waarin het Chineesche volk meer geestelijk
+leven ontwikkelde dan van de 6e tot de 4e eeuw voor Christus. Doch:
+dit geestesleven openbaarde zich vooral in het bewaren, verklaren en
+uitwerken van wat eenmaal overgeleverd was. Het was meer om uitleggen
+te doen dan om iets nieuws in het leven te roepen.
+
+De Chineesche philosophie heeft, gelijk wij dat ook bijna overal elders
+zien, van af de oudste tijden zich in twee richtingen ontwikkeld. De
+eene, waarvan Lao tsze als vertegenwoordiger mag gelden, bewoog zich
+in metaphysisch-theosophische richting, de andere, waarvan Confucius
+als hoofd wordt erkend, in ethisch-materialistische, of--juister
+uitgedrukt, ethisch-politische richting. In het stelsel van Lao
+tsze of Li R (het Taoïsme) treedt op den voorgrond "het inwendig
+licht," dat 's menschen leven moet leiden, in dat van Confucius
+de verschillende verhoudingen: tot ouders, familie, staat enz. die
+'s menschen plichten bepalen.
+
+Wij zouden echter verkeerd doen ons Lao tsze en Confucius voor te
+stellen als stichters eener nieuwe leer: beiden deden niets anders
+dan de leer van vroegere gezaghebbenden overleveren, wier uitspraken
+lang voor hun tijd de bron der Chineesche wijsheid vormden.
+
+Uit den langen strijd tegen het Taoïsme, een strijd die sedert het
+begin onzer jaartelling ook tegen het van elders ingevoerd Boeddhisme
+was gekant, is ten slotte het Confucianisme als overwinnaar
+te voorschijn getreden. Nog heden is dit: evenals reeds voor
+tweeduizend jaren, de orthodoxe richting: haar aanhangers hebben
+in den loop der eeuwen de regeering des volks verkregen. Toch:
+ook deze richting van de Chineesche philosophie heeft zich niet
+vrij kunnen houden van allerlei, aan het gebied van den godsdienst
+ontleende, vreemde bijvoegselen. De oude rijksgodsdienst: een uit
+het Shamanisme ontstane vermenging van natuur-, geesten-, helden-
+en vooroudervereering: die bij de voornamen in een aantal ambtelijke
+ceremoniën, bij het volk in grof bijgeloof verloopt, heeft vooral
+omtrent de vooroudervereering op deze philosophie invloed uitgeoefend,
+terwijl ten opzichte van kosmogonische [126] en dergelijke vragen,
+Boeddhistische en Taoïstische invloeden zich hebben doen gelden:
+de laatste vooral sedert de 12e eeuw na Christus.
+
+Men zal zich wellicht verwonderen dat Boeddhistische en Taoïstische
+invloeden hier werkzaam konden zijn: waar zij van de zijde van de
+gevestigde leer zooveel vervolging moesten ondergaan. Men bedenke
+echter dat het bij deze vervolgingen minder te doen was om de
+onderdrukking of uitroeiing van dogmatische ketterijen, dan wel
+om den staatkundigen invloed, welken de priesters van beide secten
+trachtten te verkrijgen, tegen te gaan en vooral om het grondbeginsel
+van het Confucianisme: de voortplanting der familie, die door het
+geweldig toenemen der kloosters bedreigd werd, staande te houden. Wat
+de kloosters betreft: er waren er b. v. in 845 n. C. 4600 met nog
+40,000 kleinere stichtingen: terwijl toen het aantal monniken en
+nonnen 260,000 beliep.
+
+Wat heeft aan het Confucianisme nu het overwicht gegeven? Zeker in de
+eerste plaats dat het--in plaats van den eisch om de wereld te verlaten
+en in mystieke bespiegeling op te gaan, een eisch, dien Taoïsme en
+Boeddhisme stelden--deelname aan de praktische eischen des levens
+aanbeval en daarvoor aanzien en eer als belooning stelde. Tegenover
+deze leeringen van Lao tsze en Boeddha stond dus de leer van Confucius
+als "wereldwijsheid"--een levensrichting, die voor den praktischen
+Chinees groote aantrekkelijkheid moest bezitten. [127]
+
+Lang voor Confucius en lang na hem waren er in China personen, die
+men met de Brahmaansche en Boeddhistische wijzen, met de Joodsche
+profeten en met de Grieksche wijsgeeren kan vergelijken. Half
+rhetoren, half politici, trokken zij in de kleine vorstendommen
+van hof tot hof, menigmaal met een tot duizenden aangroeiend gevolg
+van leerlingen. Terwijl zij, leerend en afkeurend, zich zeer op hun
+wijsheid lieten voorstaan, waren zij vaak voor de vorsten, dikwijls
+ook voor het volk, lastige menschen. Voor de praktische staatslieden
+waren zij een gruwel en een spot. Daar hun zelden belangrijke posten
+waren toevertrouwd ging hun gezag en invloed meestal spoedig door
+de kuiperijen der beambten en adellijke familiën, die in ieder
+der leenstaatjes, waaruit het groote rijk bestond, om den voorrang
+kampten, te gronde. De dynastie van Shang, die van ongeveer 1766
+v. C. in China had geheerscht, was in 1122 v. C. door die van Chau
+omvergeworpen. Wuwang, de eerste koning uit dit nieuwe geslacht,
+die ongeveer te gelijk met den Israëlietischen koning Saul (1110
+v. C.) den troon besteeg, was een geleerde, vrome en dappere vorst,
+maar hij beging de fout (misschien echter door den staatkundigen
+toestand gedwongen) het groote rijk, dat vroeger slechts één heer,
+den keizer, gekend had, in een aantal leenstaten van verschillende
+grootte en macht (er waren er tusschen de 40 en 125 in verschillende
+tijden) te verdeelen. Voor den keizer bleef slechts een onbeduidend
+gebied bewaard. De nadeelige gevolgen van dezen maatregel bleven
+niet uit: de leenheeren hadden voortdurend strijd met elkaar, de
+zwakke keizers konden er geen orde onder houden, het rijk gaf een
+beeld van de grootste verwarring te aanschouwen. Ieder landsheer,
+groot en klein, dacht er slechts aan zijn gebied en zijn macht te
+vergrooten ten koste van zijn buurman. En in den kring der staatjes
+zelve leefden de voorname beambten, de adellijke familiën en de
+politieke partijen in voortdurende twisten. In 't kort: een beeld,
+zooals het Duitsche rijk niet zoo heel lang geleden nog te zien gaf.
+
+
+
+
+
+II. Confucius, zijn leven en leer.
+
+
+Wij merkten in het vorige hoofdstuk op welk een grooten, hoewel
+ongunstigen invloed de maatregel van keizer Wuwang wel had, een
+invloed, die eeuwen voortwerkte, en die zich ook nog krachtig deed
+gelden in de dagen toen de bekende Chineesche wijze Confucius geboren
+werd. Deze zag het levenslicht in 550 v. C. Zijn vaderland was het
+hertogdom Lu, gelegen in het tegenwoordige Shantung, een der straks
+vermelde kleine vorstendommen. De Chineezen noemen hem Kung-Kiu.
+
+Confucius is een Latijnsche bewerking van het Chineesche
+Kung-fu-tsze. Deze laatste naam is samengesteld uit den familie-naam
+"Kung", de aanduiding van rang van hooge beambte "(Ta) fu" en de
+toevoeging "Tsze" = leermeester. "Kiu" beteekent heuvel en heeft
+betrekking op een uitwas, dien Confucius op het hoofd had, of op den
+vorm van zijn hoofd.
+
+Confucius' familie stamde uit het keizerlijk geslacht der Shang. Zijn
+voorvaderen waren vorsten van Sung geweest onder de dynastie van
+Chau, en wel in het oostelijk deel van het tegenwoordige Honan. De
+jongere tak dezer familie, waartoe Confucius behoorde, had den
+bijnaam Kung aangenomen en was tegen het einde van de 8e eeuw naar Lu
+getrokken. Daar was zijn grootvader commandant van een stad geweest
+en had zijn vader zich als soldaat door groote lichaamskracht en
+dapperheid onderscheiden. Confucius was geboren uit het tweede
+huwelijk zijns vaders, door dezen op hoogen leeftijd met de dochter
+van een buurman gesloten: volgens sommigen was hij slechts de zoon
+van eene bijzit.
+
+De legende van later dagen heeft zijn geboorte met allerlei wonderbare
+voorspellingen en verschijningen, met het optreden van een draak,
+geniën enz. opgesierd.
+
+Over de jeugd van Confucius weten wij weinig: drie jaren na zijn
+geboorte stierf zijn vader, op zijn negentiende jaar trouwde hij. Zijn
+huwelijk was niet gelukkig: hij liet zich later van zijne vrouw
+scheiden: misschien had deze ook wel redenen van ontevredenheid. Hoe
+dit zij, een jaar na zijn huwelijk werd zijn zoon Li (karper) geboren,
+zoo genoemd, omdat de hertog van Lu bij deze gelegenheid aan den
+vader eenige karpers zond. In dienzelfden tijd werd Confucius tot
+opziener der korenmagazijnen benoemd, een jaar later met het beheer
+van staatslanderijen belast: naar het schijnt waren dit onbeteekenende
+betrekkingen.
+
+Kort daarop begon Confucius zijn werkzaamheid als leeraar. Hij
+verzamelde een aantal leerlingen rondom zich, wier
+schoolgeld--geschenken, naar Chineesche opvatting--tot zijn
+levensonderhoud dienden.
+
+Behalve met dit onderwijs en zijn ambt hield hij zich vooral bezig
+met de bestudeering der oude ceremoniën en der oude muziek. In beide
+deze takken der philosophie (de Chinees brengt ze hieronder thuis)
+kreeg hij weldra zulk een groote roep van geleerdheid, dat vanaf het
+jaar 517 een aantal jongelieden uit de aanzienlijkste familiën des
+lands onder zijne leiding deze wetenschappen kwamen bestudeeren. Dit
+verhoogde zijn aanzien en maakte het hem mogelijk een reeds lang
+gekoesterden wensch te vervullen door aan de keizerlijke hoofdstad
+Lo Yang in Honan een bezoek te brengen. Hij maakte zich daar het
+verblijf ten nutte door de groote rijkstempels des hemels en der
+aarde te bezoeken, en zich met de ceremoniën van het keizerlijk hof
+op de hoogte te stellen. In dien tijd schijnt hij ook zijn bekende
+ontmoeting met zijn ouderen tijdgenoot Lao tsze gehad te hebben,
+die toen opziener der schatkamers in Lo yang was. Nog in hetzelfde
+jaar keerde Confucius naar Lu terug. Zijn beroemdheid nam, misschien
+ook door deze reis, van dag tot dag toe: zoo, dat hij zelfs tot 3000
+leerlingen rondom zich verzamelde.
+
+Evenwel, de staatkundige toestand in Lu maakte het hem weldra
+onmogelijk daar langer te vertoeven. In 516 v. C. kwam het tot
+openlijke vijandelijkheden tusschen het vorstenhuis en drie daaraan
+verwante families, die van Ki, Shuh en Mang. Van die eerste familie
+(Ki) schijnt Confucius (als cliënt) afhankelijk te zijn geweest. Het
+eind van den strijd was de nederlaag van den hertog. Deze vluchtte
+naar het naburige vorstendom Tsé en werd door Confucius gevolgd.
+
+Hoewel de hertog van Tsé hem zeer genegen was, bleek toch de tegenstand
+van de mannen, die in het hertogdom aan het roer stonden, krachtig
+genoeg om hem daar uit den staatsdienst te houden. Na een jaar keerde
+hij dan ook weer naar Lu terug, waar hij 15 jaar doorbracht zonder
+een ambt te kunnen verkrijgen. Zijn vaderland werd in dien tijd door
+den strijd der partijen verscheurd. Eerst door de verdrijving van een
+der voornaamste onruststokers kwam er althans een weinig rust. In 500
+v. C. werd Confucius tot eerste beambte der stad Chungtu benoemd. De
+daarop door hem ingevoerde hervormingen trokken algemeen de aandacht
+en zoo werd hij vervolgens tot assistent van den hoofdopzichter
+van publieke gebouwen, en kort daarna tot minister van justitie
+benoemd. Ook in dit ambt bracht hij treffende dingen tot stand, zoodat
+naburige vorsten, wien de bloei van Lu jaloersch en tegelijk bezorgd
+maakte, er op uit waren hem zijn post te doen verliezen. Dit gelukte
+ook: zij zonden den hertog zestig schoone meisjes, danseressen en
+zangeressen ten geschenke, die den hertog geheel in hare lieflijke
+striknetten verwarden en zijn aandacht van de regeeringszaken wisten
+af te leiden. Bedroefd en geërgerd verliet hij zijn vaderland. Dertien
+jaar lang trok hij, onder allerlei ontberingen, van de eene plaats
+naar de andere zonder ergens een open oor voor zijn plannen te vinden.
+
+Zoo verhaalt de oude overlevering. Denkelijk is zij niet geheel
+juist. Bij andere gelegenheden was Confucius niet zoo fijngevoelig als
+hij ons hier wordt voorgesteld. Het waarschijnlijkste is dat de familie
+Ki, die Confucius aan ambten en waardigheden geholpen had, op hem als
+een willig werktuig hunner partij had gerekend en zeer ontgoocheld
+was, toen Confucius het ondernam de macht der groote leenheeren in het
+vorstendom te knotten en hun versterkte steden te slechten: de plaatsen
+van waaruit zij den beheerscher des lands trotseerden. Waarschijnlijk
+moest Confucius meer wijken voor fijngesponnen intriges dan voor
+uitwendige macht. Zijn ballingschap zal wel geen geheel vrijwillige
+zijn geweest. De invloed der familie Ki heeft hem voorzeker langen
+tijd den terugkeer in het vaderland onmogelijk gemaakt en dien eerst
+toegelaten, toen men van den afgeleefden grijsaard niets meer te
+vreezen had.
+
+In 483 keerde Confucius naar Lu terug. Daar werd zijn tijd door
+onderwijs geven en letterkundige bezigheden in beslag genomen, totdat
+hij in 478 v. C. op 73-jarigen leeftijd stierf, verbitterd door het
+vruchtelooze van al zijn bemoeiingen, het onvervuld blijven zijner
+verwachtingen. Zijn laatste woorden tot zijn leerling Tsze kung waren:
+"Geen wijze heerscher verschijnt, niemand in het gansche rijk wil
+mij als raadsman hebben, mijn tijd om te sterven is gekomen." Zijn
+leerlingen begroeven hem in K'hufuhsien, [128] in het tegenwoordige
+Shantung. Drie jaar lang treurden zij bij zijn graf, waar zij zich,
+naar Chineesche zeden, hutten oprichtten.
+
+"Na den dood van Confucius," zoo heet het in de geschiedenis der
+Han-dynastie (210 v. C.-24 n. C.) "was het met zijn leer gedaan en
+nadat zijn zeventig (voornaamste?) leerlingen waren heengegaan,
+werd zijn leer bedorven (verbasterd). Er waren een groot getal
+verschillende teksten van de jaarboeken, van het liederenboek en van
+het boek der veranderingen en gedurende de verwarde toestanden en
+twisten der verschillende staten (480-221 v. C.) raakten waarheid en
+leugen nog meer met elkaar in strijd en in de leer der verschillende
+geleerden heerschte groote verwarring. Toen kwam het ongeluk,
+door de Tsin-dynastie (220-205 v. C.) veroorzaakt: deze bewerkte
+namelijk dat de boeken der geleerden met vuur werden verbrand, opdat
+het volk onwetend zou worden gehouden. Langzamerhand echter kreeg
+de Han-dynastie de macht in het rijk. Deze spande zich in om de
+schade te herstellen, die de Tsin-dynastie had veroorzaakt. Tafels
+en plankjes (waarop men in oude dagen teekens insneed of inkerfde)
+zocht men bijeen en de (klassieke) boeken werden verzameld."
+
+In denzelfden tijd werd Confucius door de rijksregeering: d. w. z. door
+den vertegenwoordiger daarvan, den keizer, officieel erkend (n.l. als
+vereerenswaardig).
+
+Reeds vroeger--na zijn dood--was hem ter eere door den hertog van Lu
+een tempel gebouwd, waarin viermaal per jaar offers moesten worden
+gebracht. Doch hoewel in 194 v. C. de grondvester der Han-dynastie,
+toen hij door Lu reisde, dezen tempel bezocht en er een os liet
+offeren, duurde het toch tot het jaar 1 n. C., eer keizer Ping
+aan Confucius een onsterfelijken eeretitel verleende en tot 57
+n. C. voor offers aan hem in alle keizerlijke en rijksscholen
+werden ingevoerd. Deze vereering deelde Confucius tot het jaar
+609 n. C. met den hertog van Chau, Chau-Kung, den broeder van den
+eersten keizer van dienzelfden naam. Eerst na dien tijd werden voor
+Confucius afzonderlijke tempels opgericht en vanaf 628 werd hij
+alleen vereerd. De officieele eeretitel, dien hij nu bezit: "Kung,
+de oude leeraar, de volkomen wijze" dateert eerst uit het jaar 1657
+en is hem verleend door den eersten keizer der nu nog regeerende
+Mandschoe-dynastie. Deze heeft meer dan ééne der voorgaande dynastiën
+voor het aandenken en de vereering des meesters gedaan: zeker wel
+in het juiste besef daardoor voor het Chineesche volk haar vreemde
+heerschappij wat minder drukkend te maken.
+
+Zooals wij reeds opmerkten leerde Confucius niets nieuws: hij
+verklaarde slechts de leer, die van oudsher geldig was en beriep
+zich daarop bij alle gelegenheden. Ja, het is wellicht juist aan
+dit onpersoonlijk karakter zijner leer toe te schrijven, dat deze
+gedurende zooveel eeuwen zulk een invloed op het volk kon uitoefenen.
+
+Confucius en zijne leerlingen, navolgers en commentatoren waren
+slechts de bewaarders eener traditie, die sedert langen tijd in het
+bewustzijn van het Chineesche volk als met ankers was vastgemaakt.
+
+Wat Confucius leerde kan men het best samenvatten in deze stelling: wie
+anderen wil opvoeden moet allereerst zichzelf opvoeden, m. a. w. een
+opvoedkundige opvatting van het Grieksche: "Ken u zelf," maar--tegelijk
+een onmiskenbare vooruitgang: want zelfkennis heeft dan alleen waarde,
+als zij het begin van beterschap is.
+
+"Confucius sprak met voorliefde van het gewone, regelmatige en niet
+van het ongewone of buitengewone; hij sprak van wat men door vlijt en
+daarop berustende kracht verkrijgen kon; maar niet van wat men door
+overmacht kon bereiken. Hij sprak van toestanden van orde en niet
+van toestanden van regeeringloosheid met kuiperijen, die daarbij
+voorkomen, hij sprak van menschelijke en niet van bovenaardsche
+dingen. Hij leerde verstaan de grondstellingen, in de schriften der
+ouden vervat en hoe daar naar te handelen, de zedeleer van het hart
+en hoe aan de zedelijke beginselen getrouw te blijven."
+
+Aldus omschrijft een uitlegger zijner werken een plaats uit zijne
+"Gesprekken", die treffend de leerwijze van Confucius in het licht
+stelt.
+
+Bizonder eigenaardig is in Confucius de afkeer om zich in te laten
+met wat betrekking heeft op de onbekende toekomst des menschen aan
+gene zijde des grafs.
+
+"Gij kunt de levenden niet dienen, hoe zult gij de geesten dienen,"
+antwoordt hij aan een zijner leerlingen en als deze nog verder op het
+onderwerp wil ingaan, zegt hij: "Gij kent het leven nog niet, hoe kunt
+gij iets weten over den dood?" De oude uitleggers verklaren deze plaats
+zoo, dat Confucius den leerling geen ander antwoord gegeven heeft,
+"wijl geesten en dood onbegrijpelijke dingen zijn en het de moeite
+niet loont daarover te spreken."
+
+Het 10e boek der "Gesprekken" behelst een vrij uitvoerige schilderij
+van de gewoonten en de houding des wijzen, doch: zooals Dr. Legge,
+de vertaler van de klassieke werken der Chineezen, zegt: "Confucius
+is als wijsgeer voor mij gedaald, sedert ik hem in zijn huisjasje,
+zijn bed en zijn reiswagen gezien heb." [129]
+
+Toch heeft die pijnlijke zorgvuldigheid, waarmede zijn leerlingen ook
+de kleinste nietigheden uit de gewoonten huns meesters opteekenden,
+een voordeel: zij bewijst ons, hoe behoudend de Chineezen zijn, zelfs
+in de onbeduidendste uiterlijkheden, daar veel van de toen beschreven
+gebruiken nog zoo bestaan.
+
+Zoo wordt op een plaats verteld hoe Confucius deed, wanneer hij
+op bevel van den vorst een bezoeker moest ontvangen: "Hij ijlde
+vooruit, de armen opgeheven als de vleugels van een vogel." Hetzelfde
+ceremonieel heerscht thans nog aan het Chineesche hof: de vreemde
+gezanten, die de keizer van China in 1874 en later ontving, zouden
+het kunnen getuigen.
+
+"Bleef hij in de poort staan, zoo deed hij dit niet in het midden
+van het pad, en bij het in- en uitgaan trad hij niet op den drempel."
+
+De weg onder iedere poort was in oude tijden door een paal in twee
+deelen gescheiden: voor het in- en voor het uitgaan. Het midden van
+ieder dezer twee wegen mocht slechts de vorst gebruiken. Tegenwoordig
+zijn er in de keizerlijke paleizen en vertrekken bijna overal
+verscheidene poorten en deuren: drie tot vijf, waarvan de middelste
+alleen voor den keizer dient en door niemand anders betreden mag
+worden. Waar slechts één poort of deur is, zooals bv. in de hal,
+die tegenwoordig voor de audientiën der vreemde gezanten gebruikt
+wordt, wil de etiquette, dat het in- en uitgaan niet precies door het
+midden plaats heeft. In tuinen en op begraafplaatsen van keizers of
+prinsen is het middelste gedeelte van de middelste trap, die tot de
+hal of den tempel voert, dikwijls met groote platen marmer bedekt,
+waarop zich in reliëf bewerkte draken bevinden. Zoo is het betreden
+daarvan onmogelijk gemaakt: en terwijl de dragers rechts en links de
+trappen opgaan, zweeft slechts de draagstoel of de doodkist over het
+midden van de trap.
+
+Wat het betreden van den drempel aangaat, dit geldt, evenals in oude
+tijden, ook nu nog voor onbeleefd en de bewoners van het huis onheil
+aanbrengend. Bij audientiën des keizers wordt dan ook aan de gezanten
+uitdrukkelijk verzocht, het betreden van den, bijna een voet hoogen,
+zeer smallen drempel te vermijden. In Japan werd het ook tot voor
+weinige jaren als een grof vergrijp beschouwd: als een beleediging,
+die onder mannen met twee zwaarden, [130] slechts door bloed kon
+worden uitgewischt. Den voet op iemands drempel zetten, beteekende
+hetzelfde als hem den heer des huizes op het hoofd zetten.
+
+Het beeld van Confucius, dat ons uit de over hem bewaarde berichten
+tegenkomt, is niet zeer aantrekkelijk. Wij zien voor ons een oudachtig
+humeurig heer, wien 't echter aan geestigheid niet ontbreekt: een man,
+pijnlijk afgemeten in kleeding, gedrag en gewoonten, die alles weet en
+alles kan en nooit eene gelegenheid laat voorbijgaan om zijn medemensch
+vol zalving te doen gevoelen, dat hij het beter weet dan deze.
+
+We aanschouwen een professor, die met de dooden op een vrij goeden
+voet staat: hen immers kan hij kritiseeren en aanhalen, zonder dat
+zij hem tegenspreken: doch die het den levenden niet vergeeft, dat de
+geschiedenis zich niet afspeelt volgens het door hem gesponnen schema
+en dat hij niet geroepen wordt om de wereld weer in zijn kader terug
+te brengen. Daarom knaagt hij aan alles, wat anderen doen of nalaten:
+zou hij zich in alles willen mengen, als die anderen het maar toelieten
+en wordt hij door de gedwongen rust, door de tweespalt tusschen zijn
+willen en niet vermogen, tegen anderen en ten slotte tegen zichzelf
+verbitterd.
+
+Zulk een oordeel schijnt hard, maar het werd reeds geveld door zijn
+tijdgenooten en door hen die kort na hem leefden. Echter bedenke men
+dat zijn tegenstanders het velden en dus wellicht wat overdreven.
+
+In het boek Sze ma tsien wordt, van Taoïstische zijde, dus door de
+aanhangers van Lao tsze, gehandeld over een samenkomst tusschen Lao
+tsze en Confucius. Daarbij zegt de eerste--oudere tijdgenoot van
+Confucius--tot den laatste, die hem vermoedelijk verveeld had met
+citaten uit het leven der oude wijzen en met zijn betoog over het nut
+van uitwendige ceremoniën voor de innerlijke ontwikkeling des menschen:
+"De lieden, waarover gij zoo veel spreekt, zijn reeds lang dood en
+hun gebeente is vergaan, slechts hun woorden klinken na. Als de tijd
+van den wijze is gekomen, spreekt hij: is die er niet, dan weet hij
+te zwijgen. Ik heb gehoord dat een goed koopman, ook als hij zijn
+schuur met schatten gevuld heeft zich toch als arm voordoet en dat
+de wijze zijne wijsheid te verbergen weet. Leg af uwen hoogmoed en
+uwe begeerten, uw uitwendigen schijn en uw wilde plannen. Dat alles
+is voor u zonder nut. Dat is het eenige, wat ik u te zeggen heb."
+
+Op een plaats in de "Gesprekken" wordt verteld hoe Confucius, toen
+hij eens voor een rivier was gekomen, die hij moest overtrekken, een
+zijner leerlingen naar twee lieden zond, die daar in het veld werkten,
+om te vernemen waar men den stroom het best kon doorwaden.
+
+De arbeiders waren asceten (Taoïsten) die zich van de wereld
+teruggetrokken hadden. Een van hen vroeg, wie de man in den wagen
+was, die ingelicht wilde worden. De leerling noemde den naam van
+Confucius. "Kung-kiu uit Lu? die kent de voorde" (m. a. w. die weet
+immers alles, dus ook dit) sprak hij, keerde zich om en werkte
+voort. De andere arbeider was minder kort aangebonden, doch niet
+vriendelijker. "Gij zijt een leerling van Confucius? Wanorde bedekt
+als een gezwollen rivier het gansche land en wie zal dat, u en hem ter
+wille, veranderen? Waarom wilt gij iemand volgen, die slechts hier
+en daar de wanorde uit den weg gaat (zinspeling op het rondtrekken
+van Confucius van het ééne land naar het andere) en niet een, die
+zich geheel en al van de wereld terugtrekt? Zoo sprak deze en ging
+weer aan zijn werk.
+
+In de werken van Chwang-tsze komt Confucius er nog slechter af. Daar
+komt een stuk in voor, getiteld "De roover Kih", waarin verteld wordt
+hoe Confucius zich in het leger van dezen rooverhoofdman begaf om hem
+van zijn booze wegen terug te brengen, doch door dezen zeer slecht
+werd ontvangen. De roover toch zeide:
+
+"Gij geeft vele redeneeringen ten beste en praat maar door, u beroepend
+op de oude wijzen, zonder dat daarvoor reden is. Hoe meer gij spreekt,
+des te meer onzin komt er voor den dag. Gij voedt u, zonder te ploegen,
+gij kleedt u, zonder te weven, uw lippen staan niet stil en uw tong
+gaat als een trommelstok. Gij beslist maar wat recht en onrecht is
+en brengt daardoor alle vorsten des rijks op verkeerde wegen. Gij
+geeft aanleiding dat de geleerden zich niet bemoeien met wat hun
+eigenlijke taak is. Gij praat over kinderlijke liefde en broederlijken
+plicht en zijt toch steeds onafscheidelijk van de vorsten des rijks,
+de aanzienlijken en adellijken... Gij wilt de oude leeringen van W
+en Wang (die nergens goed voor waren) weer opflikken en gij beweert
+van alle mogelijke dingen, dat zij kunnen dienen voor de onderwijzing
+der komende geslachten. Met uw bizonder gewaad en uw nauwen gordel,
+met uw bedriegelijke redenen en huichelachtig gedrag verleidt gij de
+vorsten der staten en streeft gij naar rijkdom en eer. Een grooter
+roover dan gij is er niet: waarom noemt men u niet den roover Kiu,
+in plaats van mij den roover Kih?... Gij noemt u een man van talent:
+een wijze! Tweemaal heeft men u uit Lu weggejaagd, uit Wei moest gij
+vluchten, in T'si kreeg men u te pakken en in Ch'en en Ts'ai hielden de
+soldaten u omsingeld. Voor u is er in het rijk geen plaats meer, waar
+gij uw hoofd rustig kunt neerleggen. Uwe leeringen dragen er schuld
+aan, dat uw leerling Tsze lu is terechtgesteld en zijn gevierendeeld
+lichaam boven de poort van Wei is gehangen. Gij kunt noch uzelf noch
+anderen voor onheil bewaren, wat kan uwe leer dan voor waarde hebben?"
+
+Ook andere leeraars, niet behoorende tot de Taoïstische richting,
+hebben Confucius scherp aangevallen, zooals bv. in de eerste eeuw
+n. C. de beroemde Wang-Chung, die voor de oorspronkelijkste en
+scherpzinnigste van alle Chineesche wijsgeeren doorgaat en wiens
+talent en beteekenis zelfs door de Chineesche orthodoxie wordt erkend,
+al halen zij ook afkeurend de schouders op over den buitengewonen
+ijver en de grenzenlooze vermetelheid waarmede deze denker blootlegt
+en veroordeelt wat hij noemt de overdrijvingen en verzinsels van
+Confucius en Mencius.
+
+Tegenover al die afkeurende oordeelvellingen laten wij hier volgen
+een plaats uit het "Onveranderlijk midden" die ons doet zien hoe de
+leerlingen over hem dachten. Deze lofzang, want een lofzang is het,
+die hier wordt aangeheven, geeft ons tegelijk te zien wat de Chinees
+onder een "volmaakte wijze" verstaat en wat Confucius ook thans nog
+voor hem is.
+
+"Confucius leverde de leeringen van de keizers Yao en Shun aan
+het nageslacht over, als waren deze (keizers) zijn voorvaderen
+geweest. Hij verklaarde de instellingen van Wen en Wu (de stichters
+der Chau-dynastie) die hij zichzelf tot voorbeeld had gesteld. Naar
+boven was hij in harmonische overeenstemming met de eeuwige bewegingen
+des hemels, beneden stond hij vast als de aarde.
+
+"Wel mag men hem vergelijken met den hemel en de aarde, die alles
+dragen en behouden, alles beschaduwen en beveiligen. Hij is als de
+vier jaargetijden in hun wisselenden loop, als de zon en de maan met
+haar elkaar afwisselend licht.
+
+"Alles (in het wereldgeheel) bestaat naast elkander, zonder dat het een
+het ander schade doet. De loop der jaargetijden, van de zon en de maan
+gaat voort, zonder dat zij elkaar hinderen. De kleinere krachten (der
+natuur) zijn als de stroomingen der rivieren, de grootere openbaren
+zich in groote veranderingen (omkeeringen). Dat is het wat hemel en
+aarde zoo groot maakt (de harmonie der sferen?)
+
+"Hij slechts, die alle goede en wijze eigenschappen bezit, die
+onder den hemel kunnen bestaan, toont zich vlug in het begrijpen,
+helder in het onderscheiden, voorzichtig in het als waarheid aannemen,
+alomvattend in het weten, geschapen om te heerschen, edel van hart en
+grootmoedig, welwillend en mild, voorzichtig, opwekkend, krachtig,
+vast en volhardend, behoudend wat hij heeft verkregen, vast, de
+juiste grenzen bewarend, ernstig, nooit afwijkend van 't (rechte)
+pad, zonder gebrek (correct), eerbied afdwingend, volkomen, scherp
+van inzicht, scherpzinnig en doordringend, bekwaam om (goed en kwaad)
+te onderscheiden.
+
+"Alomvattend is hij en ruim, diep en nooit rustend, als een bron
+(die altijd vloeit) ter rechter tijd zijn deugden openbarend.
+
+"Alomvattend is hij en ruim, hij is als de hemel. Diep en nooit
+rustend als de bron, is hij (ondoorgrondelijk) als de afgrond. Hij
+verschijnt, en allen vereeren hem, hij spreekt, en allen gelooven hem,
+hij handelt en allen bewonderen hem! Daarom gaat zijn roem over het
+gansche rijk en dringt door tot de verste barbaren. Zoover schepen
+en menschen komen en des menschen kracht reikt, zoover de hemel zich
+welft en de aarde draagt, zoover zon en maan schijnen, rijp en dauw
+nedervallen: zoover heeft hem alles lief en eert hem, wat bloed en
+adem heeft. Daarom zegt men: Hij is als de hemel."
+
+"Slechts hij, die de grootste reinheid bezit, welke onder den hemel
+mogelijk is, kan de onveranderlijke betrekkingen regelen tusschen
+de menschen onderling, de groote deugden, die den grondslag vormen,
+vaststellen en de krachten des hemels en der aarde die alles nieuw
+vormen en voeden erkennen; zou zulk een persoon steunen op een wezen
+of een ding, dat buiten hem ligt?"
+
+"Noem hem den idealen man: want hoe streeft hij naar ernst. Noem hem
+afgrond, want hij is diep. Noem hem hemel, want hij is ruim."
+
+"Wie anders kan hem begrijpen dan die vlug is in 't bevatten, klaar
+in 't onderscheiden, ruim van blik in 't erkennen, alomvattend in 't
+weten, die alle hemelsche deugden bezit (die n.l. aan hem gelijk is)."
+
+Het zou zeer verkeerd zijn Confucius te meten met een hedendaagschen
+of een christelijken maatstaf. Hij was een zoon van zijn tijd:
+saamgegroeid met de inzichten en opvattingen, daaraan eigen, staande
+op den bodem der toenmalige moraal. Ook was hij persoonlijk niet
+vrij van zwakheden en gebreken, die hem bij herhaling vermaningen
+en waarschuwingen bezorgden, althans van één zijner leerlingen,
+Tsze lu. Deze trad bij meer dan eene gelegenheid als de ware ridder
+op. Confucius had steeds geijverd tegen oproerige onderdanen en
+beambten: toch was tweemaal de waarschuwende stem van Tsze lu noodig
+om den in al zijn droomen en verwachtingen van staatkundig en sociaal
+hervormer teleurgestelden man, te verhinderen om ontrouw te worden
+aan zijn eigen leer.
+
+"Ja," roept hij eens uit, als Tsze lu hem de tegenspraak doet
+gevoelen, die er tusschen zijn woorden en zijn daden zou liggen,
+"ja, ik heb gezegd dat een edel man zich niet inlaat met hen die
+kwaad doen; maar zegt men niet: wat werkelijk hard is kan geslepen
+worden zonder dunner te worden en wat werkelijk wit is kan in een
+donkere vloeistof gedompeld worden zonder dat het zwart wordt? Ben
+ik dan een bittere komkommer? Hoe kan ik er voor bewaard blijven
+gegeten te worden?" Bij een andere gelegenheid, als een oproermaker
+hem tot zich roept, zegt hij: "Het moet toch een reden hebben, dat
+hij mij bij zich verzoekt! Als iemand mij maar gebruiken kon, hoe
+zou ik een ander westelijk Chau tot stand brengen!" (Chau was het
+vaderland der regeerende dynastie en in oude tijden het voorbeeld
+van een goed bestuurden, gelukkigen staat).
+
+De zucht om een politieke rol te spelen, schijnt van alle zwakheden
+van Confucius, die de overlevering ons meedeelt, de grondslag te zijn
+geweest. Zoo b.v. toen hij er toe kwam om in het gevolg van den vorst
+van Wei en diens slecht te boek staande vrouw door de straten der
+hoofdstad te rijden en het volk hem nariep: "Ondeugd voorop en deugd
+achteraan", of--toen diezelfde dame hem in audiëntie ontving en hij
+zich tegenover Tsze lu met de woorden "Waarin ik tekort geschoten ben
+moge de hemel mij straffen," rechtvaardigde. Toen hij den eed brak,
+dien hij aan den commandant van Pu had gedaan, om niet naar Wei te
+gaan, zeide hij tot zijn verontschuldiging: "Het was een gedwongen eed,
+zulk een hooren de geesten niet."
+
+In den tijd van Confucius en nog lang daarna heerschte in China
+de bloedwraak.
+
+"Met den moordenaar zijns vaders mag de zoon niet onder denzelfden
+hemel leven, tegen den moordenaar zijns broeders moet een man
+nooit naar huis terug behoeven te gaan om een wapen te halen, met
+den moordenaar van een vriend mag een man niet in denzelfden staat
+wonen," heet het in het boek der gebruiken, en deze voorschriften
+heeft Confucius uitdrukkelijk bekrachtigd.
+
+Bij den regel, dat de zoon op een mat van gras moest slapen, met zijn
+schild als hoofdkussen, totdat hij den moordenaar zijns vaders had
+gedood; dat hij op de marktplaats en aan het hof het wapen steeds bij
+de hand moest hebben om hem te treffen, heeft de zin, dat men anderen
+niet doen moet, wat men niet wil dat zij u aandoen een buitengewoon
+praktische beteekenis. Het kan ons dan ook niet verwonderen, dat, als
+een zijner leerlingen vraagt, of er geen woord is, dat als regel voor
+de verhoudingen van het gansche leven kan dienen, hij dezen antwoordt:
+"Is niet wederkeerigheid zulk een woord? Dat het verder strekkend
+beginsel: kwaad met goed vergelden, ontbreekt, is wel natuurlijk:
+een ander leerling kreeg dan ook op een vraag, hierop betrekkelijk,
+ten antwoord: "En waarmee zal men dan goed vergelden? Vergeldt het
+booze met rechtvaardigheid en goed met goed." Het komt geheel en al
+overeen met de strenge opvatting van den wijze, dat op een andere
+plaats hem, die anders handelt (kwaad met goed dus vergeldt) vrees
+als beweegreden wordt toegeschreven.
+
+In de positieve zedeleer van Confucius kon deze mildere opvatting geen
+plaats vinden: wel in de theosophie van Lao tsze, gelijk dan ook het
+beginsel "Vergeldt kwaad met goed," in den Tao-teh-king voorkomt.
+
+De leer welke Confucius verkondigde en verklaarde laat zich in 't
+wezenlijke hierin samenvatten (zooals wij reeds opmerkten) dat ieder
+zichzelf moet opvoeden om anderen, die hem door leeftijd en positie
+ondergeschikt zijn, te kunnen opvoeden. Terwijl dus voor den een het
+opvoeden en het bevelen tot plicht wordt gemaakt, wordt den ander
+gehoorzaamheid ingescherpt: doch geen absolute, die in ieder geval
+moet worden betracht: de zoon toch zoowel als de ambtenaar moeten
+hun vader of vorst als hij afdwaalt, terugvoeren op het pad der deugd.
+
+"Hoe zal men een vorst dienen," vraagt Tsze lu en Confucius antwoordt:
+"Bedrieg hem niet en wederspreek hem in 't aangezicht." Op de vraag,
+of een zoon in elk geval het bevel zijns vaders moet gehoorzamen
+antwoordt Confucius: "Wat zijn dat voor redenen! Als in oude tijden
+een keizer al geen goede grondbeginselen had, doch zeven ministers,
+die hem waarschuwden, dan verloor hij het rijk niet. Als een leenvorst
+vijf zulke ministers had ging zijn huis niet onder. Als een geleerde
+een vriend had, die hem waarschuwde, zoo behield hij zijn goeden naam
+en als een vader een zoon had, die hem de dingen die verkeerd waren
+bevolen, onder het oog bracht, zoo deed hij niets dat onrechtvaardig
+was. Daarom, indien er gevaar is dat er onrecht zal worden gepleegd,
+mag een zoon niet aarzelen dit zijn vader, noch een minister dit zijn
+vorst onder het oog te brengen. Wanneer het aldus plicht is reeds
+tegen onrecht, dat nog staat te geschieden, op te treden, zou het dan
+kinderlijk zijn om een bevel zijns vaders, dat onrecht in zich sluit,
+te gehoorzamen?"
+
+Het "Boek der kinderlijke liefde," [131] "De groote leer," [132] en
+"Het onveranderlijke midden," [133] behelzen de grondstellingen der
+leer van Confucius in meer geordenden en samenhangenden vorm, dan dit
+in de "Gesprekken en uitingen" het geval is. Eenige aanhalingen uit
+deze drie werken zullen zeker bijdragen tot recht verstand der leer
+van Confucius.
+
+"De kinderlijke liefde is de wortel van iedere deugd, waaruit de
+volkomendheid voortkomt.
+
+"Het lichaam (tot op de huid en de haren toe), dat men van zijn ouders
+ontvangen heeft niet te beschadigen, is de aanvang der kinderlijke
+liefde, [134] zich (geestelijk) te volmaken en overeenkomstig (die
+volmaking) te handelen en zijn naam aan toekomstige geslachten over
+te leveren, opdat de ouders geëerd worden: dat is de voleindiging
+der kinderlijke liefde.
+
+"Want kinderlijke liefde begint met de ouders te dienen, de dienst
+van den vorst is het midden, voor nakomelingschap zorg te dragen is
+het einde.
+
+Wat "De groote leer" onderwijst is: de deugd te beoefenen, het volk
+op te voeden, in de volkomenheid te volharden.
+
+"Ieder ding heeft zijn wortelen en zijn takken, ieder streven zijn
+begin en zijn doel: te weten wat begin en doel zijn, dat is de
+beteekenis der "Groote leer" te verstaan.
+
+"In oude dagen schiepen zij, die wenschten dat de deugd beoefend
+werd in het gansche land, eerst orde, ieder in zijn eigen gebied
+(leenvorstendom). Om dit te bereiken schiepen zij orde in hunne
+familiën en om die te verkrijgen streefden zij er naar zichzelf
+te volmaken. Om zich te volmaken reinigden zij hunne harten en om
+die loutering te verkrijgen streefden zij naar kennis van hun eigen
+geest. Om zelfkennis te verkrijgen, trachtten zij hun wetenschap te
+vermeerderen en die vermeerdering werd door het onderzoeken van alle
+dingen aangebracht.
+
+"Van den keizer af tot de groote volksmassa toe: ieder moet
+de reiniging van het eigen ik als de wortel van al het andere
+beschouwen. Wordt de wortel verwaarloosd, zoo kan niets, wat uit haar
+voorkomt, goed zijn: het is nog nooit voorgekomen, dat iemand voor
+geringe zaken groote opmerkzaamheid en tegelijk voor gewichtige zaken
+geringe opmerkzaamheid had (m. a. w. die in het kleine getrouw is,
+zal ook in het groote getrouw zijn). "Wat bedoeld wordt met: "Het
+geluk en de vrede des rijks hangen van de regeering der staten af"
+is dit: "Als de vorst zeer oude lieden behandelt, zooals dat behoort,
+zal er in het volk kinderlijke liefde heerschen, als hij de ouden
+zoo behandelt, zal men broederlijk zich voegen naar elkaar, als hij
+de jongeren en zwakken liefdevol behandelt zal het volk datzelfde
+doen. Zoo heeft de heerscher een maatstaf, waarmede hij als met een
+winkelhaak zijn gedrag kan afmeten.
+
+"Wat een man bij die over hem gesteld zijn niet bevalt, moet hij
+ook tegenover zijn ondergeschikten niet doen; wat hem bij zijn
+ondergeschikten niet bevalt, zal hij niet doen tegenover zijne
+meerderen; wat hij niet van den rechterkant ontvangen wil zal hij aan
+den linker niet geven, wat hij van den linker niet ontvangen wil aan
+den rechterkant niet.
+
+"Daar is ook een middel om den welstand des lands te bevorderen: veel
+voortbrengers, weinig verteerders. Laat er heerschen werkzaamheid in
+het voortbrengen, en spaarzaamheid in het gebruik, dan zal de voorraad
+altijd voldoende zijn.
+
+"Wat de mensch van den hemel ontvangen heeft is de (goede ware) natuur;
+wie in overeenstemming met deze natuur handelt, wandelt op het pad
+van den plicht; dit pad te betreden leert de mensch door onderwijzing.
+
+"Het pad mag ook niet voor een oogenblik verlaten worden, kon het
+(nl. zonder schade) verlaten worden, dan was het niet het (rechte)
+pad. Daarom wacht de hoogere mensch niet om voorzichtig te zijn tot
+hij (iets) ziet, en om bezorgd te zijn tot hij (iets) hoort.
+
+"Niets is meer zichtbaar dan wat verborgen is, niets in het oog
+vallender, dan wat onbeduidend is, daarom waakt de hoogere mensch
+over zichzelf, als hij alleen is.
+
+"Als noch vergenoegdheid, noch ergernis, noch kommer, noch vreugde
+zich laten gelden, dan kan men wel zeggen, dat de geest zich in een
+toestand van evenwicht bevindt. Zijn deze gevoelens echter opgewekt
+en werken zij in juiste maat en verhouding, zoo ontstaat daaruit,
+wat men harmonie kan noemen. Dit evenwicht is de wortel, waaruit
+alle menschelijke handelingen in de wereld voortkomen, deze harmonie
+is de weg, dien allen moeten inslaan. Waar evenwicht en harmonie in
+volkomenheid heerschen is er orde in hemel en op aarde en alles zal
+gevoed worden en gedijen.
+
+"Vier plichten heeft de wijze te betrachten, die ik nog niet geleerd
+heb te vervullen (zoo voegt de schrijver er bij): mijn vader te
+dienen, zooals ik wenschen zou dat mijn zoon mij diende, mijn vorst
+te dienen, zooals ik wenschen zou, dat mijn beambten mij dienden,
+mijn ouderen broeder te dienen, zooals ik wenschen zou, dat mijn
+jongere broeder mij diende; jegens mijn vriend te handelen, zooals
+ik wenschen zou dat hij jegens mij handelde, (de vijfde betrekking,
+die tusschen echtgenooten, is hier weggelaten, wellicht omdat noch
+Confucius, noch zijn kleinzoon, aan wien het "Onveranderlijke midden"
+wordt toegeschreven, in hun huwelijken gelukkig waren: beiden toch
+hebben zich van hunne vrouwen gescheiden).
+
+"De wijze doet, wat aan de plaats, die hij inneemt, past: hij wenscht
+zich daarboven niet te verheffen. Rijk en geëerd doet hij, wat een
+rijk en geëerd man betaamt, arm en eenvoudig doet hij, wat den arme
+en eenvoudige betaamt. Is hij door barbaren omgeven: hij doet wat
+aan den toestand past, is hij door kommer en zorgen geplaagd, hij
+handelt overeenkomstig zijn toestand: altijd blijft hij zichzelf.
+
+"Is hij in een hoogen rang, hij behandelt zijn ondergeschikten niet
+met verachting, is hij een ondergeschikte, zoo zoekt hij geenszins de
+gunst zijner meerderen te bejagen: hij regelt zich zelf en verwacht
+niets van anderen, zoo vermijdt hij teleurstellingen: hij maakt den
+hemel geen verwijten, noch wordt op de menschen verbitterd.
+
+"Zoo verwacht de wijze, rustig en vroolijk, wat de hemel besluiten
+wil, de gewone mensch echter wandelt op een gevaarlijken weg en ziet
+naar gunstige gelegenheden uit.
+
+"De meester (Confucius) zegt: Bij het boogschieten hebben wij, wat
+aan de houding des wijzen beantwoordt. Als de schutter het doel heeft
+gemist, draait hij zich om en zoekt de oorzaak van het mislukken
+bij zichzelf.
+
+"Met de rechte mannen (aan het hoofd) gedijt de regeering; evenals
+de plantengroei uit de aarde voortkomt en de bijen de jonge larven
+verplegen en tot bijen opvoeden: zoo voeden de regeerders het volk op.
+
+"Het geheim eener goede regeering is: de rechte mannen te vinden:
+ze te vinden hangt van het karakter des heerschers af; het karakter
+wordt door plichtsvervulling gevormd en deze plichtsvervulling wordt
+verlicht en gesterkt door liefde tot welwillendheid.
+
+"De wederkeerige plichten, die alle menschen tegenover elkaar hebben,
+zijn vijf in getal, de eigenschappen waardoor zij uitgeoefend worden
+zijn er drie.
+
+"Deze plichten zijn: die tusschen vorst en minister, tusschen vader
+en zoon, tusschen man en vrouw, tusschen ouderen en jongeren broeder
+en tusschen vrienden.
+
+"Dit zijn de plichten der wederkeerige betrekking, die ieder heeft
+te vervullen. De drie eigenschappen echter zijn; weten, willen en
+kunnen, welke ieder moet bezitten. Dat, waardoor deze eigenschappen
+de vervulling der plichten mogelijk maken is: ernstig streven.
+
+"Eenigen worden met de kennis dezer plichten geboren, anderen verwerven
+deze kennis door navorschen, nog anderen nadat zij hun onwetendheid op
+smartelijke wijze hebben ondervonden. Doch wanneer de kennis eenmaal
+verworven is, is het onverschillig, op welken weg zij verkregen
+werd. Eenigen oefenen de plichten uit, zonder moeite, als iets dat
+vanzelf spreekt, anderen om daaruit voordeel te trekken; voor wederom
+anderen is aan de uitoefening groote moeite verbonden. Doch wanneer
+zij slechts uitgeoefend worden, komt dit op hetzelfde neer.
+
+"De meester sprak: Leeren willen komt het weten zeer nabij; zich
+ernstig bemoeien het willen; zich (over iets dat verkeerd ging)
+schamen het kunnen.
+
+"Hij, die deze drie dingen kan, is in staat zichzelf te volmaken:
+wie zich zelf volmaken kan, kan anderen beheerschen, wie anderen
+beheerschen kan, kan het rijk regeeren met al zijne staten en familiën.
+
+"De beheerschers des rijks hebben negen regels te volgen: zichzelf te
+volmaken, deugdzame en talentvolle mannen te eeren, hun bloedverwanten
+lief te hebben, hun ministers te achten, alle beambten vriend'lijk te
+behandelen, het volk als hunne kinderen te beschouwen, handwerkslieden
+aan te moedigen, vreemden met zorg en de vorsten der leenstaten met
+welwillendheid te behandelen. Zichzelf te beproeven en te reinigen,
+acht te geven op zijne kleeding en op zijne bewegingen, dat zij
+beantwoorden aan de voorschriften der betamelijkheid: dat is de wijze
+waarop de heerscher zich moet volmaken. Overtreders moet hij afwijzen
+en zichzelf voor de verzoekingen der schoonheid bewaren. Rijkdom te
+verachten en deugd te eeren, dat is de wijze, waarop men mannen van
+waarde en van talenten aanmoedigt: hun eereplaatsen en inkomsten te
+geven, met hen te deelen in wat hun behaagt en hun mishaagt, dat zijn
+de middelen om aan zijne bloedverwanten te leeren u lief te hebben. Den
+ministers talrijke ambtenaren ter beschikking te geven en hun veel
+opdrachten toe te vertrouwen, dat is de weg om de ministers aan te
+sporen. De weg om de groote menigte ambtenaren aan te moedigen is:
+hun vertrouwen schenken en goed bezoldigen. Die om het volk moed in
+te storten is: hunnen dienst slechts te vorderen ter rechter tijd
+en de eischen licht te maken. De weg om de handwerkslieden aan te
+sporen is: hen dagelijks op de proef te stellen, hen maandelijks
+prijsvragen te laten oplossen en hen daarbij te laten uitvoeren,
+wat aan hun neiging beantwoordt.
+
+"Menschen uit vreemde landen met tact te behandelen, dat is: hen
+bij het afscheid te begeleiden en bij aankomst hen tegemoet te gaan,
+de goeden onder hen te prijzen en de zwakken te verschoonen.
+
+"Familiën, wier nakomelingschap in de rechte lijn is te gronde
+gegaan weer herstellen en leenstaten, die onder zijn gegaan, opnieuw
+grondvesten, rust herstellen in staten, waarin onrust heerscht, die
+te ondersteunen, waarin gevaar dreigt, bepaalde tijden hebben voor de
+ontvangst van vorsten en hun afgezanten bij het hof, hen na rijkelijk
+onthaal weer laten gaan, hen welkom heeten, ook als zij met geringe
+gaven komen: dat is de vorsten der staten liefhebben.
+
+"Allen, wien de regeering des rijks ten deel valt, hebben deze negen
+regelen te betrachten en het middel, waardoor zij ten uitvoer kunnen
+worden gebracht, is ernstig streven."
+
+Zooals men ziet, het zijn regelen van wereldwijsheid, die Confucius
+en zijne leerlingen na hem onderwezen; de kunst een goed huisvader,
+beambte, minister, vorst en keizer te worden, den plicht van zijn
+eigen betrekking te vervullen en toe te zien, dat anderen dit eveneens
+doen. Het is een soort huisbakken wijsbegeerte, die begint met de
+liefde van het kind tot den vader en eindigt met de liefde des keizers
+tot zijn volk. Soms is zij niet al te klaar in haar grondslag en
+ontwikkeling (de vertalers en uitleggers van den grondtekst kunnen
+daar echter ook wel schuld aan hebben) maar verstaanbaar genoeg
+toch om ons te toonen hoe de Chineezen dachten en nog denken. De
+straks aangehaalde uitspraken toch komen telkens weer terug: niet
+alleen in philosophische verhandelingen, maar ook in staatsstukken,
+ambtelijke en particuliere brieven. Daarom juist is eenige, zij het
+ook oppervlakkige kennis der Chineesche philosophie voor ieder noodig,
+die inzicht wil verkrijgen in den tegenwoordigen toestand van China.
+
+Even zoo min als Confucius de schepper was van de door hem voorgedragen
+leer is de beknopte, spreukmatige, soms eenigszins mystieke vorm,
+waarin deze leer ons bewaard gebleven is, eene uitvinding van hem
+en van zijne leerlingen. Deze bestond reeds van ouds en schijnt de
+vorm geweest te zijn, waarin men in China steeds de leeringen der
+wereldwijsheid placht te kleeden.
+
+Toen Confucius in 517 v. C. Lo yang bezocht, zag hij daar, in de
+voorvaderengalerij van het keizerlijk paleis, de gouden beeldzuil
+van een man, wiens lippen met drie naalden waren saamgehecht en op
+wiens rug het volgende opschrift stond:
+
+"In oude tijden spraken de menschen weinig. Het zou goed zijn hen
+na te volgen; want zij, die veel spreken, zijn er zeker van veel te
+zeggen, dat beter onuitgesproken ware gebleven.
+
+"Ieder zal arbeiden in verband met wat hij noodig heeft. Als hij boven
+zijn kracht werkt, zal hij slechts zijn zorgen en zijn teleurstellingen
+vermeerderen. Zelfs in datgene wat de mensch (denkend) nastreeft,
+moet hij maat houden.
+
+"Denk niet te veel om verstrooiing of rust: wie dat doet zal geen
+van beide verkrijgen.
+
+"Doe niet wat u wellicht vroeger of later berouwen kan gedaan te
+hebben.
+
+"Laat niet na een gebrek te verhelpen, omdat het klein is. Het moge
+in den aanvang klein zijn, straks gaat het misschien aan het groeien,
+totdat het u er onder brengt.
+
+"Als iemand nalaat tegen kleine ongerechtigheden op te treden,
+zal hij weldra in het geval verkeeren van tegen groot onrecht te
+moeten strijden.
+
+"Wees behoedzaam met uw woorden zoowel als met uw handelingen. Geloof
+niet dat niemand u ziet en hoort, omdat gij alleen zijt maar denk er
+aan dat de geesten overal zijn.
+
+"Een huis kan verwoest worden door een smeulend vuur, terwijl een
+groote vlam licht wordt bemerkt en uitgebluscht. Een stroom wordt
+gevormd door het water van vele beken, een strik, die zoo sterk is,
+dat hij niet licht wordt gebroken, bestaat uit vele draden.
+
+"Een spruit, wier wortels nog niet diep zijn doorgedrongen, kan
+licht worden uitgetrokken: is het haar toegestaan een boom te worden,
+dan moet men naar de bijl grijpen.
+
+"Uit den mond van een mensch kunnen scherpe pijlen komen die verwonden
+en gloeiende kolen, die verbranden: hoedt u dus, dat zulken uit uwen
+mond niet uitgaan om anderen te schaden.
+
+"Geloof niet dat, wijl gij in het volle bezit uwer kracht zijt,
+gij zonder gevaar waagstukken kunt ondernemen; er is niemand, hoe
+sterk hij ook moge zijn, die niet iemand vinden kan, sterker dan hij,
+die hem op den grond werpt.
+
+"Een oproermaker, die geen rechtvaardigen grond (voor zijn verzet)
+heeft, zinkt tot op het laagste peil der maatschappij neer, doch
+een onrechtvaardig heerscher wekt ontevredenheid op, terwijl de
+voorzichtige willig gehoorzaamd wordt.
+
+"De massa der menschen, het volk, gelijk men het gewoonlijk aantreft,
+heeft weinig doorzicht, noch weet met het onbekende te rekenen. Alzoo
+kunnen zij slechts de leiding van anderen volgen. Daarom, wanneer zij
+dikwijls met diegenen in aanraking komen, die voorzichtig, deugdzaam
+en verstandig zijn, die goede zeden volgen, dan zullen zij onmerkbaar
+er toe komen dezulken na te volgen en zoo ook wederkeerig anderen
+tot een voorbeeld worden.
+
+"Mijn mond is gesloten, ik kan niet spreken. Het is vergeefs mij te
+vragen, ik kan uwen twijfel niet wegnemen en zelf heb ik niets te
+vragen. Wanneer ook datgene wat ik leer een raadsel schijnt, is het
+daarom toch niet minder waar. Ik sta boven u en toch kan niemand iets
+tegen mij hebben, welk sterveling kan dit van zichzelf zeggen?
+
+"Vergeet niet dat de hemel geen gunstelingen kent, doch tegenover
+allen even rechtvaardig is.
+
+"Hoe vol ook de zee moge zijn, de stroomen gaan voort daarin zich
+uit te storten, zonder dat zij haar grenzen uitbreidt.
+
+"Overlegt zorgvuldig alles, wat ik u gezegd heb, en ik zal niet
+vergeefs hebben gesproken."
+
+Toen Confucius dit inschrift las, wendde hij zich tot zijn begeleiders
+en zeide, dat dit in weinige woorden alles behelsde, wat voor de
+menschen het nuttigste was te weten, en dat, wie dit ter harte nam
+en navolgde, niet ver van de volkomenheid zou zijn, waarnaar iedereen
+streven moest. Dat het van invloed geweest is op zijne opvatting der
+philosophische vraagstukken is ontwijfelbaar.
+
+"Na den dood van Confucius was het met zijne leer gedaan en nadat zijne
+leerlingen gestorven waren, werd deze verbasterd", zoo bericht men
+ons. De onrustige tijden hebben daartoe zeker het hunne bijgedragen:
+de Chau dynastie gaat onder zwakke en bedorven heerschers haar einde
+tegemoet, vele der kleine vorstendommen verdwijnen in den voortdurenden
+strijd tusschen de leenvorsten onderling, of worden, hoewel zij
+hun naam behouden, toch feitelijk door machtige naburen opgeslokt;
+de groote staten kampen onder elkaar om de opperheerschappij; het
+besef, dat, wie het ten slotte wint, de keizerskroon zal verwerven,
+komt hoe langer hoe sterker op; het geloof aan de oude waarheden
+en beginselen is geschokt, dwaalleeringen (althans in het oog der
+orthodoxie) duiken overal op: zoowel ten opzichte van de regeering
+als van de wijsbegeerte: het gezag van Confucius wordt op zij gezet.
+
+Daar komt eensklaps een kampvechter in het krijt, een leerling,
+die den meester bijna evenaart en met geweldige kracht de banier der
+orthodoxe philosophie weer opheft. Over hem willen we thans spreken.
+
+
+
+
+
+III. Mencius.
+
+
+Meng (Mang) kó of Meng tsze=de wijsgeer Meng, verlatijnscht tot
+Mencius, werd in het jaar 371 v. C. als afstammeling van de drie
+groote familiën van Lu geboren: een geslacht dat in de dagen van
+Confucius om de heerschappij in den staat had gestreden, maar
+sedert verarmd en gedaald was. Zijn vader schijnt vroeg gestorven
+te zijn: in ieder geval heeft hij geen invloed op de opvoeding en de
+ontwikkeling van zijn zoon uitgeoefend: des te meer echter de moeder,
+wier aandenken nog heden onder het volk voortleeft, als die van een
+voorbeeld voor alle moeders. Zij zorgde, dat haar zoon in een goede
+omgeving verkeerde en goed werd onderricht, spoorde hem door raad
+en voorbeeld tot vlijt aan en bleef ook in zijn latere levensjaren
+(zij stierf, toen Mencius reeds de 50 overschreden had) zijn trouwe
+raadgeefster en steun. Toen haar zoon, dien zij op zijne rondzwervingen
+vergezeld had, zijn ambt in het vorstendom Tsi wilde opgeven, doch
+om harentwille aarzelde, moedigde zij hem zelf aan zijn eigen beter
+inzicht te volgen en bracht zoo het oude voorschrift in toepassing,
+dat de moeder haar zoon gehoorzaam moet zijn.
+
+Over de leerjaren van Mencius is niet veel bekend: hij schijnt een
+leerling van Confucius' kleinzoon te zijn geweest. In zijn vaderland
+(de leenstaat, waar hij thuis behoorde) verzamelde hij een groot
+aantal leerlingen rondom zich, in wier midden hij leefde en werkte
+en die, zooals de gewoonte het toen medebracht, te zamen naar hun
+krachten en middelen voor zijn levensonderhoud zorgden. Die rustige
+leeraarsloopbaan schijnt hem echter niet bevredigd te hebben en in 331,
+toen hij 40 jaar was geworden, trok hij met eenigen zijner leerlingen
+er op uit om aan de hoven der kleine vorstendommen allereerst, zijn
+loopbaan als politiek hervormer te beginnen. De tijd scheen voor
+een dergelijke onderneming, door een zelfbewust man op touw gezet,
+gunstig te wezen en het ontbrak Mencius noch aan zelfbewustzijn,
+noch aan den moed om vrijuit te spreken. De voortdurende twisten,
+waarin de kleine vorstendommen nu eens onderling, dan eens met het
+machtige, opbloeiende Tsin verkeerden (want het centraal gezag, het
+keizerschap, was feitelijk nog slechts een naam) had aan een menigte
+politieke avonturiers de deur geopend tot de hoogste waardigheden en de
+invloedrijkste ambten. Nog maar weinige jaren geleden, in 333, was het
+een hunner, Suts'in gelukt, de meest beteekenende politieke daad van
+dien tijd: den bond der zes staten Yen, Chao, Han, Wei, Tsi en Tsu,
+tegenover Tsin tot stand te brengen. Welnu, wat Suts'in en anderen
+mogelijk was geweest, kon den met volle verachting voor de politieke
+avonturiers bezielden Mencius niet onbereikbaar voorkomen. Waarom
+zou hij, die met een gansche schat van geleerdheid was toegerust en
+die geen eigenbelang, maar edele doeleinden nastreefde, niet kunnen
+verkrijgen, wat aan die lieden welke van hof tot hof trokken en zich
+aan den meestbiedende aanboden, mogelijk toescheen? Zoo trok hij in
+331 naar den naburigen staat Tsé, en nadat hij daar tot 323 zonder
+veel succes een staatsambt had bekleed, naar Sung, Su, Tao, Tang,
+Leang en van 318 tot 311 ten tweeden male naar Tsé. Eindelijk keerde
+hij, ontmoedigd en ontgoocheld, na vele mislukte pogingen, in 309 naar
+Lu terug. Daar leefde hij nog 20 jaren als ambteloos burger voort,
+slechts in beslag genomen door zijn onderricht geven en de voltooiing
+zijner werken. Hij stierf in 289 v. C., vergeten en zonder dat zijn
+heengaan ontroering wekte, tenzij bij zijn naaste leerlingen. Wel
+werd zijn waarde reeds door de schrijvers der 2e eeuw v. C. erkend,
+welke alleen Confucius boven hem stelden, doch nog 1300 jaren gingen
+voorbij, eer hij de keizerlijke canonisatie verkreeg en in Confucius'
+tempels een plaats vond.
+
+Mencius was een veel strenger man dan Confucius: de humor van dezen
+wijsgeer, die zich er over vermaken kon, dat een boer van hem, die
+juist op de vlucht was, zeide, dat hij er uitzag als een verloopen
+hond, was Mencius vreemd. Heerschzuchtig en strijdvaardig, laat Mencius
+de grootste aanspraken gelden tegenover vorsten en staatslieden, die
+hem hoffelijk tegemoet komen. Dikwijls zondigt hij, terwijl hij toch
+plan heeft zichzelf niet te vergeten, niet slechts tegen de regelen
+der etiquette, maar ook tegen die der hoffelijkheid. Toch verhindert
+hem dit niet rijke geschenken van vorsten aan te nemen en met een
+groot gevolg van menschen en rijtuigen op hunne kosten in het land
+om te trekken. Hij is een strijder, die met grooten ijver tegen alle
+leeringen in het krijt treedt, welke hem niet orthodox toeschijnen,
+een sociaal politicus, die den regel "Alles voor het volk" met een
+energie en een openhartigheid voorstaat, die aan den zachteren,
+meer bedachtzamen Confucius vreemd was.
+
+Ook zuiver philosophische vragen, zooals die van de natuur der
+menschen, lichtte hij met veel meer beslistheid en uitvoerigheid
+toe dan Confucius, die zich meestal met een eenvoudige bevestiging
+vergenoegde. Ook tegenover een soort Cynische richting, [135] die
+zich naast of nevens het Taoïsme steeds meer deed gelden en tegen de
+meer humane richting der Mihisten trad hij met groote beslistheid op.
+
+De veranderde tijdsomstandigheden brachten voorzeker mede, dat de
+persoonlijke houding en de leerwijze van Mencius een andere was
+dan die van zijn voorganger. Ook is het een feit, dat de dwalingen,
+die Mencius meende te moeten bestrijden, zich eerst na den dood van
+Confucius hadden ontwikkeld. De werken van Mencius leveren het bewijs,
+dat vele der vragen en problemen, die ons thans zoo telkens weer
+bezighouden, reeds toen aan de orde waren. Ook was het gevolg van den
+strijd dikwijls als nu: dat ieder op zijn eigen standpunt bleef staan.
+
+"Het volk" zegt Mencius, "is het belangrijkste element in een land,
+dan volgen de godheden van akker en koren: de vorst is het minst
+gewichtig." Bij een andere gelegenheid zegt Mencius tegen den vorst
+"Wanneer een heerscher zijn ministers als zijn handen en voeten
+beschouwt, zoo zien zij hem voor hun hart en hun maag aan. Als hij
+hen beschouwt als zijn paarden en honden, dan zien zij hem voor een
+gewoon mensch aan (iemand, die geen eerbied verdient). Ziet hij hen
+aan als aarde en gras (waarop men treedt en dat men afmaait) dan zien
+zij hem voor een roover en vijand aan."
+
+Deze opvatting van de plaats en de plichten der hoogste staatsbeambten
+staat niet in tegenspraak met het goddelijk recht der vorsten, zooals
+de oude schriften dit erkennen.
+
+"De hemel" zoo zegt het boek der geschiedkundige aanteekeningen,
+"schiep, nadat hij het gewone volk had geschapen, heerschers en
+onderwijzers voor hen, opdat dezen God ter zijde zouden staan, en
+gaf hun macht en eer in het land."
+
+Doch op een andere plaats in hetzelfde werk staat: "De hemel ziet,
+zooals mijn volk ziet, de hemel hoort, zooals mijn volk hoort." Mencius
+verklaart dit door te zeggen: "De hemel spreekt niet." Als hij, wien
+de heerschappij ten deel viel, deze op goede wijze voert, is dat
+een bewijs, dat de hemel hem deze heeft toevertrouwd. Voert hij die
+slecht, zoo zal er iemand opstaan, (door den hemel daartoe geroepen),
+die ze hem ontneemt. Zoo wierp de grondvester der Chau-dynastie den
+laatsten, onwaardigen heerscher van het huis Shan van den troon en
+toonde zich daardoor een werktuig des hemels en Mencius aarzelt niet,
+koning Süen op te dragen diens voorbeeld te volgen en de Chau-dynastie
+omver te werpen, die zich den troon onwaardig toonde.
+
+Dat een man, die zulke grondstellingen zonder terughouding uitsprak,
+door de vorsten van zijn tijd en van later dagen niet bizonder geliefd
+werd, kan men begrijpen. Toch: de door hem verkondigde beginselen
+hebben niet weinig er toe bijgedragen om de vorsten, die over China
+regeerden, een teugel aan te leggen en hen tot een rekenen met de
+belangen des volks te nopen, waarvan anders zeker geen sprake ware
+geweest.
+
+Een andere uiting van Mencius ligt hun, die tegenwoordig China
+regeeren, nog altijd na aan 't hart en vormt een van de gewichtigste
+argumenten, die het aannemen van vreemde opvattingen in den weg staan.
+
+Hij zeide namelijk: "Ik heb wel gehoord van lieden, die de gebruiken
+van ons groote land aanwendden om barbaren te verbeteren, doch nog
+nooit, dat iemand door barbaren verbeterd werd." En--in de oogen der
+orthodoxe Chineezen zijn ook nog heden alle vreemdelingen barbaren.
+
+Van de theorie van het vorst zijn "door Gods genade" is die der
+"voorbeschikking" in het algemeen onafscheidelijk. Ook Mencius erkent
+die laatste, doch met deze reserve, dat niets, wat uit slechtheid
+of uit onvoorzichtigheid voortkomt, als door den hemel voorbeschikt
+moet worden erkend. Zoo staat hij een soort getemperd fatalisme
+voor: getemperd namelijk door deze overtuiging, dat de hemel niets
+verkeerds kan verordenen. Hij zegt: "Alles is een beschikking (des
+hemels) en de mensch moet deemoedig ontvangen, wat daaraan kan worden
+toegeschreven. Daarom zal hij, die weet wat de voorbeschikking des
+hemels beduidt, zich niet begeven bij een muur, die op omvallen
+staat.--De dood, dien men vindt bij de vervulling van zijn plicht,
+kan men gevoegelijk toeschrijven aan de beschikking des hemels, de
+dood in handboeien en ketenen (die van een misdadiger) kan niet als
+een vooruitbeschikte worden beschouwd."
+
+De vraag, of de mensch van natuur goed of slecht is, heeft de Chineezen
+veel bezig gehouden. Confucius en Mencius, de laatste echter veel
+uitvoeriger en meer opzettelijk, oordeelen beiden dat de mensch
+oorspronkelijk goed is. Sün kw'ang, die in de 3e eeuw v. C. leefde,
+meent dat de oorspronkelijke natuur van den mensch slecht is en slechts
+door opvoeding goed wordt. Han-Yü (768-824 n. C.) oordeelt dat de
+natuur des menschen drieërlei kan zijn: een goede, tusschenbeide of
+slechte. De middelste, die de kiemen voor het goede bevat, kan naar
+beide zijden ontwikkeld worden. Deze opvatting bleef de toongevende,
+totdat Chuhi (1130-1200) weer terugkwam op de oude grondstelling dat
+de natuur des menschen goed was. Deze opvatting, ofschoon dikwijls
+betwist, is sedert dien tijd de officieel geijkte gebleven.
+
+In de behandeling van de quaestie der kinderlijke liefde staat Mencius
+geheel op het standpunt van Confucius.
+
+"Vijf dingen," zegt Mencius "worden naar de algemeene opvatting als
+onkinderlijk beschouwd: traagheid in het gebruik zijner leden, hasard
+en schaakspelen en drinken, streven naar geld en goed en zelfzuchtige
+neiging tot vrouw en kinderen, zoodat men niet voor het onderhoud
+zijner ouders zorgt, de lust zijner oogen en ooren volgen, zoodat
+men zijn ouders in schande brengt en twistziek en strijdzuchtig zijn,
+zoodat men hen aan gevaren blootstelt."
+
+Op een andere plaats zegt hij: "Drie dingen zijn onkinderlijk, geen
+nakomelingschap te hebben is het ergste van alle." Meer belangrijk zijn
+voor ons echter zijn sociaal-politieke inzichten en zijn polemisch
+optreden: de omverwerping van valsche leeringen, zooals de Chinees
+dat noemt.
+
+Reeds in de dagen van Mencius waren er lieden, die de maatschappij
+voor verdorven hielden en in den terugkeer tot den alouden eenvoud
+van zeden den eenigen weg ter ontkoming zagen. Zoo was er een secte,
+die zich voor haar leer beriep op Shin nung, den "wonderbaren landman"
+den tweeden der voorhistorische, mythische keizers, die in het "Boek
+der veranderingen" als de vader van den landbouw wordt geëerd. Deze
+eischte, dat de mensch in het algemeen en de vorst in het bizonder
+zich zelf het voedsel moest verschaffen: d. w. z. zelf zaaien,
+oogsten en koken moest. Aanhangers dezer secte waren naar Tang
+gekomen, waar Mencius zich juist ophield en de vorst van Tang de
+proef nam, om aan ieder der onderdanen, onverschillig van welken rang
+of stand, een veld van gelijke grootte ter beschikking te stellen,
+dat onveranderlijk en ondeelbaar op den oudsten zoon zou overgaan,
+terwijl aan de jongere zonen, zoodra zij 16 jaar oud werden, eveneens
+groote velden ten deel zouden vallen. De aanhangers van Shin nung,
+die naar Tang gekomen waren, lieten zich hunne velden toedeelen,
+doch maakten onder elkaar hun opmerkingen.
+
+"Wijze en bekwame vorsten," zoo zeiden zij, "moesten evengoed als
+hun volk en tegelijk met dat volk den grond bebouwen en de vrucht
+(van hun arbeid) eten. Hun morgen- en avondmaaltijd moesten zij
+(zelf) bereiden en tegelijk de regeeringszaken behartigen. De vorst
+van Tang echter, die overigens vele goede eigenschappen bezat, had
+korenschuren, schatkamers en arsenalen. Dat was immers het volk een
+last opleggen? Hoe kon men hem een waardig en deugdzaam vorst noemen?"
+
+Mencius nam een der ontevredenen onderhanden.
+
+"Heer Hiu (zoo heette het hoofd van het gezelschap) zaait zijn koren
+immers zelf en eet wat hij oogst?" "Ja," was het antwoord. "En hij
+weeft linnen en draagt wat hij gemaakt heeft?"
+
+"Neen, zijn kleeren waren van vilt." "Draagt hij een muts?" "Ja." "Een
+zelf geweven?" "Neen, die ruilt hij voor koren." "Waarom weeft hij
+die niet zelf?" "Dat zou hem te veel tijd kosten bij zijn werk om
+den grond te bebouwen." "Kookt hij zijn eten in (metalen) potten en
+steenen pannen en ploegt hij met een ijzeren ploegschaar?" "Ja." "Maakt
+hij dat alles zelf?"
+
+"Neen, hij ruilt het tegen koren in."
+
+Toen sprak Mencius: "Zulke dingen tegen koren inruilen, is niet den
+pottenbakker en metaalbewerker verdrukken, noch ook verdrukken de
+pottenbakkers en metaalbewerkers den landman, als zij de door hen
+vervaardigde artikelen tegen metalen omruilen. Voorts, waarom speelt
+Hiu niet voor pottenbakker en metaalbewerker en maakt hij zelf alles
+wat hij noodig heeft? Waarom gaat hij rond en handelt en ruilt met
+de handwerkslieden, waarom rekent hij niet de moeite, die hem dat
+kost?" De ander sprak: "Handwerk en landbouw kan men niet tegelijk
+uitoefenen."
+
+Mencius ging voort: "Dan is het zeker alleen de regeering des rijks,
+die tegelijk met den akkerbouw kan worden waargenomen? Aanzienlijke
+mannen hebben hunne bezigheden en kleine luiden evenzeer. Ieder
+kan, wat hij noodig heeft, bij de handwerkslieden gereedgemaakt
+vinden. Moest hij daarentegen alles, wat hij noodig heeft, zelf
+maken, zoo moesten allen in het geheele rijk dagelijks op de straat
+rondloopen. Daarom wordt er gezegd: Sommigen arbeiden met het hoofd
+en anderen met de handen.
+
+"Die, welke met hun hoofd arbeiden, regeeren de anderen, en die, welke
+met hun handen arbeiden, worden door de anderen geregeerd. Die, welke
+geregeerd worden, onderhouden hen die regeeren en zij die regeeren,
+worden door de anderen onderhouden. Dat is de rechte verhouding,
+zooals zij overal wordt erkend."
+
+Bij een andere gelegenheid, toen een zijner leerlingen hem vroeg,
+of het recht was dat een geleerde, die geen ambt bekleedde, toch van
+den beheerscher des lands zijn onderhoud ontving, ontwikkelde Mencius
+de volgende inzichten:
+
+"Als er geen ruil plaats vindt tusschen de producten van den arbeid
+en geen ruil tusschen datgene wat de menschen tot stand brengen,
+zoodat de een, met wat hij te veel heeft aanvullen kan, wat den ander
+ontbreekt, dan zal de boer teveel koren en de huisvrouw te veel linnen
+hebben. Als zulk een ruil plaats vindt, dan zullen schrijnwerker,
+timmerman, wagenmaker en radmaker allen hun bestaan vinden. Nu is
+hier een man, die thuis een goed zoon is en buiten het huis diegenen,
+die ouder zijn dan hij met achting behandelt, die er voor waakt dat de
+grondstellingen der oude wijzen voor het gebruik van latere geslachten
+bewaard blijven--zou hij niets voor zijn onderhoud mogen hebben? Hoe
+komt het, dat gij den schrijnwerker en de anderen in eere wilt houden
+en niet hem, die welwillendheid en rechtvaardigheid bewaart?"
+
+De leerling antwoordde: "Het doel des schrijnwerkers en der
+anderen, die de meester vermeld heeft, is: om met hun handwerk hun
+levensonderhoud te verdienen. Is het ook het doel van den edelen man,
+daardoor zijn levensonderhoud te verdienen, dat hij de grondstellingen,
+die de meester vermeldt, beoefent?" "Wat gaat u zijn doel aan," was
+het antwoord. "Hij bewijst de diensten. Hij verdient onderhouden te
+worden en gij onderhoudt hem: En--laat mij u vragen--betaalt gij een
+man voor zijn bedoeling of voor zijn diensten? Voor zijn bedoeling
+misschien? Een man slaat uw dakpannen stuk en maakt de muren van uw
+huis vuil om zijn levensonderhoud te verdienen: zult gij hem inderdaad
+daarvoor betalen?" "Neen," was het antwoord. "Ziet gij," sprak Mencius,
+"niet voor zijn bedoeling betaalt gij een man, maar voor het werk,
+dat hij gedaan heeft."
+
+De algemeene grondstellingen voor het bestuur des lands, zooals
+Mencius die opstelt, zijn niet minder interessant.
+
+"Als een vorst personen van talent en deugd eert, bekwame lieden
+aanstelt, zóó, dat alle ambten door de waardigsten worden vervuld,
+dan zullen alle geleerden aan zijn hof komen.
+
+"Als hij op de marktplaatsen slechts laat betalen voor de plaats, die
+de kramen innemen, maar geen belasting op de waren legt, of wanneer
+hij slechts de marktbepalingen handhaaft zonder kramengeld te vragen,
+dan zullen zich op zijne marktplaatsen de handelaars verdringen.
+
+"Wanneer aan de grenspoorten van een land slechts een persoonlijke
+inspectie van de reizenden plaatsvindt, doch geen douanerechten worden
+geheven, zoo zullen alle reizigers vol verlangen zijn om in dat land
+te reizen.
+
+"Als de boer slechts voor den arbeid op de staatsvelden wordt
+opgeroepen en van zijn eigen velden geen belasting heeft op te
+brengen, dan zullen alle boeren in het land met lust (op hun eigen
+velden) arbeiden. (Het heele land was, althans in theorie, afgedeeld
+in stukken van dezelfde grootte, welke stukken ieder weer in negen
+deelen waren verdeeld. Het middelste dezer velden was staatseigendom:
+het moest door de bezitters der andere acht velden bebouwd worden,
+terwijl de opbrengst daarvan voor het onderhoud van den vorst en de
+kosten van bestuur bestemd was).
+
+"Als hij van de huisvaders (die de bestaande voorschriften vervullen)
+de bijdragen niet int (welke slechts van hen worden geheven, die de
+voorschriften niet vervullen) zoo zullen alle lieden in zijn staat
+willen wonen.
+
+"Als een vorst deze vijf voorschriften opvolgt, zullen de bewoners
+aller naburige staten tot hem als tot een vader opzien. Zulk een vorst
+zal geen vijand hebben en in waarheid een minister des hemels zijn:
+hem moet (als den waardigste) de regeering des rijks ten deel vallen."
+
+Op een andere plaats treedt Mencius op tegen het systeem van
+belasting heffen op het bouwland, dat in zijne dagen, toen de
+vorsten en de regeeringen steeds meer noodig hadden, reeds in alle
+staten was ingevoerd.--"Zulke belastingen" zegt hij, "worden naar
+het gemiddelde van vele jaren berekend en opgesteld. In goede jaren,
+wanneer de oogst rijk is geweest, kan veel genomen worden zonder dat
+het drukkend schijnt, doch in slechte jaren, wanneer de opbrengst den
+arbeid niet vergoedt, moet de belasting toch betaald worden. Als hij,
+die de vader des volks wil zijn (de vorst) de schuld er van draagt,
+dat zorgen geschreven staan op het aangezicht des volks en dat dit,
+als het een jaar heeft gearbeid, niet weet waarmee het zijn ouders
+zal onderhouden en moet zien, hoe aan de middelen te komen om de
+belasting te betalen, totdat ouden en kinderen omkomen in de slooten
+langs den weg, waar blijven dan de vaderlijke betrekkingen tot het
+volk?" "Zij, die van hun levensonderhoud verzekerd zijn, staan vast in
+de deugd: die dit niet zijn, geven zich aan de ondeugd over, en--er
+is geen verkeerdheid, verderf en teugelloosheid, waaraan zij zich
+niet schuldig maken. Als zij dan wegens hun overtredingen vervolgd
+en gestraft worden: is dat niet hun valstrikken zetten: hoe kan zoo
+iets geschieden onder de heerschappij van een welwillend vorst?"
+
+Wat den regel: goed met goed en kwaad met kwaad vergelden, aangaat:
+Confucius en Mencius trekken in dezen één lijn: alleen was sedert de
+dagen van den eerste het getal van hen, die aan de mogelijkheid van
+kwaad met goed te vergelden geloofden, niet onbelangrijk toegenomen.
+
+In den philosoof Mih tih namelijk, over wiens leven weinig bekend is
+(vermoedelijk leefde hij ongeveer 50 jaar na Confucius) had de leer
+der "algemeene liefde" een begaafden en krachtigen verdediger gevonden.
+
+"Het is de taak der wijzen," zoo heet het in een door zijn
+leerlingen uitgegeven werk, "daarvoor te zorgen dat het rijk
+goed wordt geregeerd. Daarom moeten zij weten, waaruit wanorde en
+verwarring ontstaan, want, zonder deze kennis kunnen zij hun taak
+niet vervullen. Wij kunnen hen dus vergelijken met een arts, die
+beproeft de ziekte van eenig persoon te genezen. Daartoe moet deze
+eerst de oorzaak der krankheid doorgronden; dan kan hij met de genezing
+beginnen, terwijl zonder deze kennis zijn pogen tevergeefs zal zijn."
+
+"Het is de taak der wijzen zorg te dragen voor de goede regeering des
+rijks. Zij moeten dus nagaan de oorzaak der verwarring, en wanneer
+zij dat doen zullen zij bemerken, dat deze ligt in het gebrek aan
+wederkeerige liefde.--"
+
+Wanneer een minister en een zoon onkinderlijk (zonder piëteit)
+zich gedragen tegenover zijn heerscher en zijn vader: zoo is dat
+wanorde. Een zoon heeft dan zichzelf lief en heeft zijn vader
+niet lief, aldus doet hij zijn vader onrecht en trekt hij zichzelf
+voor. Een jongere broeder, die den oudere niet liefheeft, een minister
+die zichzelf liefheeft en niet zijnen vorst; zij allen doen den ander
+onrecht en stellen zichzelf op den voorgrond: dit zijn allen gevallen
+van wanorde. Evenzoo als de vader den zoon, de oudere broeder den
+jongere, de vorst den minister minder bevoordeelt dan zichzelven. Hoe
+kunnen zulke dingen voorkomen? Uit gebrek aan wederkeerige liefde. Neem
+het geval van een dief of een roover, het is daarmede juist eveneens
+gesteld. De dief heeft zijn eigen huis lief en niet dat van zijn
+buurman: daarom besteelt hij het huis van zijn buurman ten bate van het
+zijne. Zoo is het ook met den roover. Zoo ook met de hooge ambtenaren,
+die met elkaars familiën in strijd leven, zoo met de vorsten, die
+de staten hunner buren aanvallen. Alle verkeerde verhoudingen in het
+rijk hebben denzelfden oorsprong: gebrek aan wederkeerige liefde.
+
+"Wanneer nu algemeen wederkeerige liefde in het rijk heerschte, wanneer
+de menschen anderen liefhadden zooals zichzelf, zouden dan zulke dingen
+kunnen voorkomen? Zouden er dan dieven en roovers zijn? Wanneer ieder
+het huis van zijn naaste op dezelfde wijze beschouwde als zijn eigen
+huis, zouden dan diefstallen mogelijk zijn? Zouden dan ministers en
+vorsten elkaar wederkeerig bestrijden en beoorlogen?"
+
+Hoe echter dit doel te bereiken? De leerlingen twijfelen aan
+de mogelijkheid, doch Mih tih zegt: "Door algemeene wederkeerige
+liefde en door de ruiling van wederkeerige voordeelen. Ieder moet een
+anderen staat, een andere familie, een ander persoon beschouwen als
+zijn eigen (staat, familie, persoon). Zijn er in de geschiedenis geen
+voorbeelden, dat waar vorsten eenvoudige kleeding, sobere voeding of
+dappere daden beminden, hun ambtenaren hen daarin navolgden? Als dus
+thans de grondregel der algemeene liefde niet heerscht, zoo komt dat
+slechts hierdoor, dat de vraag in de hoogste kringen niet met die
+belangstelling wordt behandeld, welke zij verdient: de vorsten toch
+staan er onverschillig tegenover, inplaats van door lof en belooningen
+de menschen tot uitoefening der algemeene wederkeerige liefde te
+brengen en den tegenstand daartegen door geld- en andere straffen
+te breken. Indien dit geschiedde zou de uitoefening dezer algemeene
+liefde en de ruil van wederkeerige voordeelen alle hindernissen
+overwinnen, evenals het vuur noodzakelijk omhoog gaat en het water
+naar beneden vliet."
+
+Het getuigt voor de vastheid, welke de orthodoxe opvatting van
+kinderlijke liefde in het Chineesche volk zich verworven had, dat
+de verklaring van Mencius, dat allen gelijkelijk lief te hebben de
+bizondere genegenheid tusschen vader en kind niet genoegzaam tot
+haar recht deed komen, voldoende was om het systeem van Mih tih,
+dat in den tijd van Mencius veel ingang reeds had gevonden, geheel
+omver te werpen.
+
+De andere tegenstander, met wien Mencius in het krijt trad, staat van
+ons denken en gevoelen verder af dan Mih tih. Dit was de Taoïstische
+Cynicus Yang Chu, een man, over wiens leven weinig bekend is, zoo
+weinig dat wij zelfs niet weten of hij een tijdgenoot van Confucius of
+van Mencius was. Plaatsen uit Taoïstische geschriften doen ons denken
+aan den tijd van Confucius, doch de heftigheid, waarmede Mencius hem
+bestrijdt pleit voor de meening, dat hij diens tijdgenoot was.
+
+Mencius schrijft aan Yang Chu de grondstelling toe: "Ieder voor zich,"
+en zegt dat een opvolging dezer grondstelling den mensch tot een
+dier maken zou. Doch, in de uitspraken, aan Yang Chu toegeschreven,
+vinden wij dit nergens uitdrukkelijk geleerd. Veeleer schijnt Yang
+Chu een soort van Chineesche Diogenes [136] te zijn geweest, die het
+leven als een onvermijdelijk kwaad beschouwde en diegenen, die zich
+daarvoor veel zorg en moeite gaven, bespotte.
+
+Zuiver philosophisch zijn Mencius' uiteenzettingen over de
+"hartstochtelijke natuur." "Meester," zegt een zijner leerlingen,
+"wanneer gij een hoogen adellijken titel verkreegt en eerste minister
+werd van het vorstendom en het dan zoover bracht, dat uw vorst de
+eerste onder alle vorsten des rijks werd, ja zelfs de keizerlijke
+waardigheid verkreeg, het zou niet te verwonderen zijn: doch, wanneer
+gij in zulk een positie kwaamt, zou uw geest niet onrustig worden?"
+
+Mencius antwoordde: "Neen. Toen ik 40 jaar was (aldus vóór hij zijn
+hervormersloopbaan begon) had ik het evenwicht des geestes gevonden."
+
+"En is er een middel om dat te bereiken?" "Ja." "De een vreest niets:
+noch wonden noch gevaar: al was degene, die hem bedreigde ook in het
+bezit van 10.000 strijdwagens. De ander beproeft zichzelf: vindt hij
+dat hij ongelijk heeft, zoo vreest hij ook den kleinsten man: vindt
+hij het recht aan zijne zijde, zoo zal hij strijden tegen duizenden
+en tienduizenden. De laatste is zeker boven den eerste verheven. De
+philosoof Kau zegt: "wat gij niet in woorden kunt uitdrukken, zoek dat
+niet in uw verstand, wat gij niet vindt in uw verstand, zoek daarnaar
+niet met hartstochtelijke inspanning." Met dit laatste stem ik in,
+doch geenszins, dat men niet in zijn verstand moet zoeken, naar wat
+men met woorden niet uitdrukken kan. Want--de wil is de leidsman der
+hartstochtelijke natuur en deze doordringt en bezielt het lichaam. De
+wil is de heer en de hartstochtelijke natuur is hem onderworpen. Daarom
+zeg ik: "Wees vast van wil, en dwing de hartstochtelijke natuur niet
+tot iets, wat buiten haar aard ligt. Als alleen de wil werkzaam is,
+beheerscht deze de hartstochtelijke natuur, is die laatste daarentegen
+alleen werkzaam, zoo beheerscht zij den wil. De hartstochtelijke
+natuur is grof en sterk. Als zij ongedwongen kan opgroeien en niet
+beleedigd wordt, vervult zij alles tusschen hemel en aarde. Zij is de
+gezellin van rechtschapenheid en verstand: zonder haar is de natuur
+des menschen de verkwijning nabij. Zij komt voort uit de bijeenvoeging
+van vele rechtmatige handelingen en niet uit enkele daarvan. Als
+het verstand niet met haar in overeenstemming is, zoo verdwijnt de
+natuur. Blijkbaar verstaat Mencius onder "hartstochtelijke natuur"
+(letterlijk beteekent het Chineesche woord "wolkachtige damp") den
+nooit rustenden drang tot werkzaamheid, die men juist bij de meest op
+den voorgrond tredende personen vindt. Een drang, die met verstand
+moet samengaan (energie) en die aan den wil onderworpen moet zijn,
+doch waaraan men geen dwang tot iets buiten haar aard mag opleggen.
+
+Het is niet zonder belang om bij wat Mencius hier zegt te vergelijken
+wat de beroemde Fransche psycholoog T. A. Ribot 2300 jaar na hem
+schreef over de "hartstocht" in den boven anderen uitblinkenden
+mensch. Deze dan zegt in zijn werk "Les maladies de la Volonté"
+(de ziekten van den wil) het volgende:
+
+"De meest volkomen samenwerking (van willen en kunnen) is eigen aan de
+krachtigen, de zeer werkzamen: wat ook het terrein hunner werkzaamheid
+zij: men denke aan Cesar, Michel Angelo of Vincentius da Paula. Zij
+wordt in één enkel woord saamgevat als: eenheid, standvastigheid,
+macht. De uitwendige eenheid van hun leven ligt in de eenheid van hun
+doel: altijd nagestreefd, naar gelang van de omstandigheden nieuwe
+medewerking en aanpassing zoekend. Doch deze uitwendige eenheid is
+slechts de uitdrukking der inwendige: die van het karakter. Juist
+omdat zij dezelfde blijven, blijft ook hun doel hetzelfde. Hun
+inwendige drijfkracht is een machtige, onuitroeibare hartstocht, die
+de ideeën in haar dienst neemt. Deze hartstocht: dat is hun wezen,
+dat is de psychische uitdrukking van hun gestel, zooals de natuur dat
+heeft gewrocht. Wat blijft ook alles, dat uit dezen samenhang zich
+verwijdert, als in de schaduw, zonder kracht, onvruchtbaar, vergeten
+als een plant, die slechts op een andere leeft! Zij geven te zien het
+voorbeeld van een leven, dat steeds met zichzelf in overeenstemming
+is, omdat bij hen alles samenwerkt, tot elkaar komt en overeenstemt.
+
+"Zelfs in het gewone leven ontmoet men deze karakters. Doch deze
+doen niet van zich spreken: omdat de verhevenheid van het doel,
+de omstandigheden en vooral de macht van de hartstocht hun ontbrak,
+hebben zij slechts de standvastigheid overgehouden. Onder een anderen
+vorm hebben de groote, in de geschiedenis bekende Stoïci (Epictetus,
+Thraseas; hun grooten wijze laat ik weg, als zijnde slechts een
+"abstract ideaal") dit hooge type van wilskracht bereikt, en wel in
+zijn negatieven vorm--het zelfbedwang--overeenkomstig het beginsel
+der school: Verdraag en onthoud u." Tot zoover Ribot.
+
+Veertig jaren na den dood van Mencius, die in 289 v. C. overleed,
+stortte de Chau-dynastie ineen en in 221 verklaarde de vorst van Tsin,
+die al zijn mededingers had overwonnen, zich tot eersten goddelijken
+keizer van China. Zoo stichtte hij een nieuw rijk op de puinhoopen
+van het oude.
+
+Wat de oude Confuciaansche richting der wijsbegeerte onder hem te
+lijden had en hoe zij onder de Han-dynastie daarentegen weer tot eer,
+aanzien en invloed geraakten, hebben wij reeds vermeld.
+
+
+
+
+
+IV. Lao tsze.
+
+
+Wij komen nu tot de andere richting der Chineesche philosophie,
+de metaphysisch-theosophische. Allereerst handelen wij over haar
+hoofdpersoon Lao tsze. Over hem is niet veel met zekerheid bekend. Hij
+schijnt ongeveer 604 v. C. geboren te zijn. Spoedig na zijn vroeger
+vermelde samenkomst met Confucius [137] heeft hij zijn ambt als
+bewaarder van de archieven der Chau-dynastie in Lo yang neergelegd
+en is naar het westen getrokken, waar hij verdween. De latere sagen,
+welke op hem betrekking hebben en ongetwijfeld eerst na de invoering
+van het Boeddhisme in China ontstonden, zijn nauwelijks de vermelding
+waard. Een vallende ster had zijn moeder bevrucht, die na een tijdperk
+van 81 jaren, in 1321 v. C. het vleeschgeworden hoogste hemelwezen
+uit hare linkerzijde ter wereld bracht. Het kind had bij zijn geboorte
+witte haren en het gezicht van een oud man (vandaar de naam Lao tsze
+= de oude knaap), lange ooren met drie openingen, onregelmatige
+tanden, een vierhoekigen mond, en tien teenen aan elken voet. Ook
+kon het direct spreken en had zijn volle verstand. De opgaven over de
+plaats zijner geboorte zijn waarschijnlijk opzettelijke verzinsels:
+hij zou geboren zijn in het dorp: "Onderdrukte deugd" in de gemeente
+"Wreedheid", in het district "Bitterheid," in den staat "Lijden".
+
+Wat de Taoïstische schrijvers uit den tijd vóór Christus geboorte
+meedeelen over zijn ontmoetingen met Confucius en anderen is zeker
+eveneens verdicht, hoewel de geschiedschrijver Sze ma tsien minstens
+ééne ontmoeting tusschen de beide leiders vermeldt.
+
+Op den weg naar het westen zou Lao tsze eenigen tijd vertoefd hebben
+bij den bevelhebber der Hanku pas en daar, op diens wensch zijn eenig,
+beroemd werk: "Tao-teh-king", het boek van den weg en van de deugd,
+hebben geschreven. Uit de vele citaten in dit werk van "een wijze,
+een oude, een schrijver over den oorlog" volgt dat Lao tsze evenals
+Confucius slechts een bewaarder en verklaarder van de oude leer,
+geen schepper eener nieuwe is geweest.
+
+Een latere schrijver, uit de 1e eeuw, Pan hu (wiens geschiedenis
+der vroegere Han dynastie door zijne zuster Pan Chao is voltooid)
+zegt in zijne levensbeschrijving van Sze ma tsien dat deze meer een
+aanhanger van de leeringen van Hwang en Lao dan van de zes klassieke
+boeken geweest is. Met dien Hwang bedoelt hij voorzeker Hwang ti,
+den zoogenaamden "gelen keizer", de eerste van de vijf voorhistorische
+heerschers, wiens regeering door Chineesche schrijvers wordt gesteld
+ongeveer 2700 v. C. Ook hierin ligt een bewijs, dat men reeds vroeger
+het Taoïsme voor ouder dan Lao tsze hield.
+
+Wat is nu in dit Taoïsme de hoofdzaak? De leer van het Tao. Doch: de
+vraag rijst: Wat is Tao? Is het gelijk aan den logos, het goddelijk
+woord, zooals wij dat kennen b.v. uit het Nieuwe Testament? [138]
+Sommigen, ook von Brandt, meenen dat. Hooren wij eerst eens wat Lao
+tsze en zijn volgelingen er van zeggen.
+
+Lao tsze zegt van Tao: "Het was onbestemd en volkomen, het bestond
+vóór hemel en aarde. Rustig was het en niet te grijpen, alleen en
+onveranderlijk, alles vervullend en onuitputtelijk: de moeder aller
+dingen. Ik weet zijn naam niet en duid het aan als Tao. Ik zoek
+naar zijnen naam en noem het: het groote. Groot zijnde, vloeit het
+steeds voort: het verwijdert zich en keert terug (bij alle wisseling
+hetzelfde?) Daarom is het Tao groot.
+
+"Het Tao bracht één voort: één twee, en twee drie. Drie bracht Alles
+voort. Alles laat achter zich de donkerheid (chaos?) waaruit het
+voortkwam, terwijl de adem van het ledige het in harmonie brengt."
+
+Dat de Jezuïten-zendelingen en ook andere Europeesche schrijvers in
+deze proeve van verklaring van het ontstaan der wereld een zinspeling
+op de drieëenheid meenden te vinden, kan ons geenszins verwonderen. Ook
+voor de Chineesche uitleggers is dit echter een moeilijke plaats:
+vooral omdat op andere plaatsen Tao zelf als "Eén" wordt aangeduid. De
+een tracht zich daarbij te redden, door Tao te laten stremmen en
+zoo den hemel te vormen: de ander maakt uit Eén den aether, waaruit
+alles zijn oorsprong nam, uit wien zich dan Twee, het mannelijk en het
+vrouwelijk beginsel, ontwikkelden, welke dan wederom Drie: d. i. den
+hemel, de aarde en den mensch voortbrachten, terwijl de adem van het
+ledige, de levensadem het Khi of Chi is, dat alles bezielt.
+
+"Wij zien naar Tao en toch zien wij het niet: het is kleurloos. Wij
+hooren er naar en wij hooren het niet, het is zonder geluid,
+wij trachten het te grijpen en kunnen het niet vatten, het is
+onlichamelijk, het kan niet (door woorden) beschreven worden, daarom
+noemen wij het: Eén."
+
+Het feit, dat "kleurloos, zonder geluid, onlichamelijk" in het
+Chineesch luiden: Ji hi wei, heeft Abel de Rémusat en later Victor
+von Strausz en Edkins op het denkbeeld gebracht dat Lao tsze het
+eigenlijk over den Hebreeuwschen J. h. v. h. [139] had, waarover hem
+dan op zijn reis naar het westen Israëlieten zouden hebben gesproken,
+of waarvan hij door naar China gekomen Israëlieten zou hebben
+gehoord. Stanislaus Julien, Legge en bijna alle andere geleerden,
+die van China studie maken bestrijden echter deze meening. Terecht:
+"Jehovah" toch is een verkeerde uitspraak van de vier letters
+"J. h. v. h." Jahve is de juiste, en kan daaruit het Chineesche
+"Ji hi wei" wel ontstaan zijn? Anderen mogen dat beslissen, doch het
+zou zeer merkwaardig zijn, indien Lao tsze den meest persoonlijken
+en lichamelijken aller Semietische goden zou hebben verkozen, om
+daardoor aan te duiden het onlichamelijke, onpersoonlijke Tao. Met
+dat al weten wij echter nog niet recht, wat Tao eigenlijk is. Toch
+meen ik dat wij het door uitspraken, zoowel van Lao tsze als van zijne
+leerlingen genoegzaam kunnen nagaan, iets wat ook voor ons noodig is,
+zullen wij de grondbeginselen van het Taoïsme verstaan. Laten wij
+die dan eens met aandacht beschouwen.
+
+Lao tsze dan zegt o. a.: "Het beeld van Tao bestond vóór God
+zelf. Het Tao is al doordringend; daar is geen plaats, waar het niet
+wordt gevonden. Toch is het zóó fijn, dat het in al zijn volheid in
+een pluisje plantenwol woont. Het doet zon en maan bewegen in haar
+aangewezen banen en geeft leven aan het kleinste insect. Hoewel zonder
+vorm, is het de oorzaak van elken vorm, dien wij zien. Onhoorbaar
+veroorzaakt het ieder geluid, onzichtbaar is het datgene, wat achter
+ieder uitwendig voorwerp in de wereld ligt, onwerkzaam brengt het toch
+ieder verschijnsel voort, dat in de sfeer der schepping voorkomt. Het
+is onpartijdig, onpersoonlijk, zonder hartstocht, het werkt aan zijne
+doeleinden zonder berouw, als het noodlot, toch vloeit het voor allen
+in goedheid over."
+
+Huai nan tsze, een der uitnemendste schrijvers over de Taoïstische
+wijsbegeerte, vraagt: Wat is Tao?
+
+Hij antwoordt: "Tao is wat den hemel draagt en de aarde bedekt, het
+heeft geen palen of grenzen, zijn hoogte kan niet worden gemeten, noch
+zijn diepte gepeild. Het omvat het gansche heelal in zijne omarming
+en verleent zichtbaarheid aan datgene, wat van zichzelf geen gedaante
+heeft.... Het is zoo lenig en fijn dat het alles doordringt, evenals
+het water het slijk. Door Tao zijn de bergen hoog en de afgronden diep,
+gaan de dieren en vliegen de vogels, door Tao schitteren zon en maan en
+gaan de sterren op haar loopbaan voort... Als de voorjaarswind suist,
+valt de regen en alle dingen leven en groeien. De gevederden leggen en
+broeden, de gepelsden (pelsdieren) telen en dragen, planten en boomen
+brengen voort al hun heerlijken rijkdom van blaad'ren, de vogels
+leggen eieren, de dieren brengen jongen voort, geen werkzaamheid is
+naar buiten zichtbaar, toch wordt het werk volbracht. Schaduwachtig
+en onbestemd heeft Tao geen vorm. Onbestemd en schaduwachtig hebben
+zijn hulpbronnen geen einde. Verborgen en duister dwingt het alle
+dingen uit het vormlooze te voorschijn te komen. Overal doordringend
+en alles beheerschend, werkt het nooit te vergeefs."
+
+Een naam voor dit aldoordringende, dit geheimzinnige wezen kenden
+Lao tsze en de zijnen niet. En wij, wij westerlingen? Wat is het
+dat de bloemen doet groeien en het water doet neervlieten, wat den
+stortregen doet vallen en de zon schijnen, wat de sterren leidt in
+haar vlammende banen, de jaargetijden regelt, wat den vlinder met
+prachtige vleugelen versiert; wat doet het warme samentrekken en het
+koude uitzetten, wat geeft den eenen mensch zwart haar en den ander
+rood? In één woord, wat is de oorzaak van ieder verschijnsel rondom
+ons, wat is de drijfveer van het verheven raderwerk, waarvan wij
+een deel uitmaken? Ook wij weten den rechten naam niet en zeggen:
+de natuur. Wij bedoelen dan niet wat voortgebracht is: maar de
+drijfkracht der schepping die voortbrengt (natura naturans).
+
+Tao is dus de natuur. Taoïsme is wijsbegeerte der natuur. Taoïsten
+zijn natuurphilosofen. Laten wij nu zien hoe de Taoïsten hunne
+theorieën ontwikkelen, vooral met het oog op de wording der wereld,
+en hoe zij die voorts toepassen op het gebied van het maatschappelijk
+en staatkundig leven.
+
+Over de ontwikkeling van het zichtbaar heelal weten de Taoïsten ons
+heel wat te vertellen.
+
+"Daar was een tijd", zegt Chwang tsze, "dat alle dingen een begin
+hadden. De tijd, toen er nog geen begin was, had zelf een begin. Er
+was een begin van den tijd, toen de tijd, die geen begin had, niet
+begonnen was. Daar is bestaan en daar is niet-bestaan. In den tijd,
+die geen begin had, bestond Niets--of het Ledige. Toen de tijd, die
+geen begin had, nog niet begonnen was, bestond er ook Niets. Eensklaps:
+daar was Niets, maar men kan niet weten, wat bestaan en niet-bestaan
+aangaat, wat zeker bestond en wat niet."
+
+Onzin zal men zeggen. Doch: ook tegenwoordige wijsgeeren komen
+soms tot een dergelijke uitspraak. Zoo b.v. de Engelsche geleerde
+Proctor. Deze zegt:
+
+"Zij, die dat kunnen, mogen troost vinden in het geloof aan
+een volstrekt ledige ruimte en een volstrekt "onbezetten tijd"
+voorafgaande aan zeker zeer ver verwijderd, doch niet oneindig
+verwijderd tijdperk. Laten zij dit volgens hun geloof dan noemen
+het begin aller dingen. Doch de ledige tijd vóór dat begin kan geen
+begin hebben gehad, tenzij deze ware voorafgegaan door een tijd met
+gebeurtenissen; wat juist met de onderstelling in strijd is. Wij
+vinden geen volstrekt begin als wij terug zien."
+
+Een der uitnemendste, meest geavanceerde leerlingen van Lao tsze,
+Lieh tsze, drukt het dichterlijk aldus uit:
+
+
+Daar is een leven ongeschapen,
+Daar is Eén, die alles verandert, doch bij Wien geen verandering is.
+Alleen het onveranderlijke kan verandering doen komen,
+Dat leven kan slechts voortbrengen.
+Die allesveranderende kan slechts vervormen,
+Daarom duren scheppingen en veranderingen voort
+En gaan deze voortdurende scheppingen en veranderingen altijd door.
+Zij worden gezien in de man'lijke en vrouw'lijke beginselen der natuur,
+Zij zijn openbaar in de vier jaargetijden,
+Het ongeschapene staat als het ware alleen,
+ Het onveranderlijke gaat en komt,
+Zijn duur heeft geen einde,
+Weergaloos en eenig--zijn zijne wegen onnaspeurlijk.
+
+
+Elders zegt dezelfde wijze, dat wij van het oneindige niets weten,
+doch dat hemel en aarde in het groot geheel van het oneindig heelal
+zijn begrepen. "Hoe kunnen wij zeggen", zoo vraagt hij, "of er een
+ongezien heelal is, boven en beneden de kleine wereld, die binnen
+ons bereik is."
+
+Tao, zagen wij, veroorzaakt en doet alles. Daarom komt de vraag in ons
+op, of de Taoïsten een persoonlijk Schepper en zedelijk bestuurder van
+het heelal erkennen, een vraag, die echter gemakkelijker gesteld dan
+beantwoord wordt. Zeker is het, dat er in de Taoïstische classieken
+menigmaal van een wezen, invloed of macht als de Schepper wordt
+gesproken. Ook komt hier en daar het woord "Ti" of God voor. Doch
+deze omschrijvingen zijn zeer vaag, zeer duister en onbestemd,
+terwijl het woord, voor "Schepper" gebezigd, eigenlijk meer
+vervorming of gedaanteverwisseling beduidt. Ook komt niet goed uit,
+welke de verhouding is tusschen dien Schepper en Tao. God en Tao te
+vereenzelvigen gaat ook moeilijk. Tao wordt steeds als onpersoonlijk,
+zonder aandoeningen, voorgesteld. Nergens schijnt er plaats of
+noodzakelijkheid voor een persoonlijk Schepper: Tao doet alles.
+
+Merkwaardig is ook het denkbeeld van evolutie, dat feitelijk
+in het Taoïstische stelsel evengoed als in de tegenwoordige
+natuurphilosophie ligt. Prof. Tyndall beschouwt een nevel als de
+oorsprong aller stoffelijke dingen, de Taoïsten spreken van de
+oorspronkelijke aura (damp), die werd gecondenseerd en verdicht en
+eindelijk een vasten vorm verkreeg, met bepaalde en onderscheiden
+gestalte. Sommige passages uit de wijsbegeerte der Taoïsten waren
+in Haeckel's Scheppingsgeschiedenis niet misplaatst. Beiden schijnen
+het eens met de woorden van Lucretius: "De natuur schijnt alle dingen
+uit zichzelf te doen, zonder tusschenkomst der goden."
+
+Daarom--en de plaatsen, waar van Ti en van een Schepper gesproken
+wordt, getuigen er van--kan de Chineesche wijze toch, evengoed als de
+hedendaagsche moderne theologie, het wereldgebeuren, het werken der
+natuur ten slotte als het zich uiten van God hebben beschouwd. 't Komt
+mij voor, dat dit inderdaad de eenige oplossing is. God kan boven de
+natuur staan en toch alleen in en door haar werken.
+
+Wat nu den mensch betreft, deze wordt door het Taoïsme beschouwd als
+eenvoudig te zijn een deel van het heelal, een stuk van de schepping,
+een openbaring, gelijk alle andere dingen, van het algemeene,
+overal inwonende Tao. Dit is hier niet slechts een wetenschappelijke
+overtuiging of een uiting van bespiegeling alleen. Neen, het is
+een machtige, zedelijke factor, waarin een onderwerping aan onze
+bestemming, een zich moeten voegen naar de wetten der natuur ligt, dat
+onze eerbiedige aandacht verdient. Dat bedenkende beschouwt b.v. ook
+Lieh tsze den dood niet als een koning der verschrikking, maar als
+een onvermijdelijke en welkome verandering, die even natuurlijk is
+als het vallen van een blad of de wisseling der jaargetijden.
+
+"De dood," zegt hij, "is voor het leven, wat weggaan is voor komen. Hoe
+kunnen wij weten, dat hier sterven niet is, elders geboren worden? Hoe
+kunnen wij weten of de menschen, met hun sterken drang naar leven,
+niet zichzelf begoochelen? Hoe kan ik weten, of, indien ik morgen
+sterf, mijn lot niet beter zal zijn, dan toen ik geboren werd in den
+aanvang? O, de menschen kennen de vrees des doods, maar niet zijn
+rust. Hoe goed is het, dat van de oudheid af de dood het algemeen
+lot der menschen was! Het is een rust voor den goeden mensch, een
+ter zijde stellen van den slechte. Dood is als huiswaarts keeren. De
+dooden zijn zij, die huiswaarts zijn gekeerd; wij, die leven, zijn nog
+wandelaars." Heeft dit eenvoudig vertrouwen in de goedheid der natuur
+niet iets treffends? Sluit het zich niet goed aan bij de wijsgeerige
+bespiegeling over Tao zelf? Wat echter brengt het Taoïsme mede in
+het praktische, gewone leven? Spontaneïteit (de eigen, de ware natuur
+volgen), eenvoud, reinheid, vriendelijkheid, in één woord: goedheid.
+
+Spontaneïteit.--De oorspronkelijke aard van ieder mensch is de directe
+gave der natuur--liever nog, een deel van de natuur zelf. Daarom moet
+dit oorspronkelijke zorgvuldig ongeschonden worden gehouden, bewaard
+in zijn zuiverheid. De bewaring der door den hemel ingeplante natuur
+is het groote, voorname doel van den waren Taoïst. Hoe kan hij dit
+bereiken? Door de groote moeder na te volgen. De natuur is spontaan in
+al haar werken: daarom moet de wijze ook zoo handelen: hij moet niet
+handelen met een of ander oogmerk, maar in overeenstemming met zijn
+omgeving, volgens de natuurlijke uitspraak van zijn hart. De natuur
+strijdt nooit, de wijze moet zich dus ook voor strijd wachten. De
+natuur is steeds lijdelijk, de wijze moet dus ook de dingen op hun
+beloop laten en tevreden zijn met hun aanwijzing te volgen. Eerzucht,
+plannen maken, hartstocht, begeerte--belangstelling in uitwendige
+voorwerpen--het is alles een in wanorde brengen, een berooven van
+des menschen oorspronkelijke natuur en moet dus worden veroordeeld.
+
+Zelfs de werkzame beoefening van deugden als: welwillendheid en
+stiptheid wordt ontraden; de natuur heeft geen inspanning noodig om te
+groeien en alles, wat de wijze te doen heeft, is zichzelf met haar in
+overeenstemming te brengen. Alle hartstochten, (plichts)vervullingen,
+die op verstoring of inspanning wijzen heeten bij de Taoïsten: de
+menschelijke natuur, in tegenstelling met de hemelsche of inwonende
+natuur, waarmede de mensch is begaafd.
+
+"Waarom," vraagt Chwang tsze, "deze kunstmatige, menschelijke, geënte
+natuur te ontwikkelen; ontwikkel veeleer die inwonende, natuurlijke
+natuur, die u allen is ingeplant." Huai nan tsze stelt dit vooral
+duidelijk in het licht: "Wat bedoelen wij", zegt hij, "als wij over
+het natuurlijke of ingeplante spreken? Dat wat harmonisch, zuiver,
+eenvoudig, onbezoedeld, onversierd, oprecht, lichtend en onbevlekt is,
+wat nooit van den beginne af aan, eenige vermenging of verbastering
+heeft ondergaan. En wat is het menschelijke of kunstmatige? Dat wat
+vervalscht is met slimheid, verdraaidheid, behendigheid, huichelarij
+en bedrog, wat zich buigt uit inschikkelijkheid voor de wereld en in
+'t oog houdt de gewoonten van den tijd. B.v.: een os heeft horens en
+een gespleten hoef, terwijl het paard wilde manen en een ongespleten
+hoef heeft. Dat is het hemelsche of de (ware) natuur. Als gij echter
+een gebit in den mond van het paard legt en den neus van den os
+doorboort, dat is het menschelijke, het kunstmatige."
+
+Wij begrijpen wat de Taoïsten in dezen bedoelen. Om nu echter dit
+beginsel: overeenstemming met de natuur te verwezenlijken, liever
+gezegd te volgen, is noodig, zich lijdelijk aan de leiding van het
+innerlijk wezen over te geven. Men heeft hiervoor een eigenaardige
+formule, weergegeven door "niet doen, niet uitoefenen", "werkeloosheid,
+absoluut lijdelijk zijn", wellicht het best door: "niet actief zijn."
+
+Men gevoelt dat de consequentie dezer beginselen tot een geheel ander
+optreden op maatschappelijk en staatkundig gebied moest leiden,
+dan dat van Confucius en zijn leerlingen. Daar allerlei schoon
+uitgesponnen regelingen aangeprezen, velerlei bemoeiingen met het heil
+des volks, hier echter veel meer door onthouding allen verlossen van
+het kunstmatige, dat hun ware natuur belet.
+
+Doe nooit iets, zegt de Taoïstische politicus, om het te doen. Doe
+nooit iets dat niet bepaald noodzakelijk is: vergeet niet dat
+het einde der wetgeving is: de wetgeving overbodig te maken. Laat
+de natuur onverhinderd werken, zoowel in het maatschappelijk en
+politiek leven als in de sfeer van physica en moraal: uw onderdanen
+zullen dan tevreden zijn met hun lot, uw koninkrijk vrij van
+samenzweringen, oneenigheden en onheil. Boven alles: doe niets om den
+oorspronkelijken eenvoud te verstoren. Tracht niet om ruwe werktuigen
+door samengestelde machines te vervangen. Zulke verfijning leidt tot
+weelde, luchtkasteelen bouwen, eerzucht en ontevredenheid. De ware
+uitoefening van vernuft in het voortbrengen van werk uitwinnende,
+fijne werktuigen vereischt een hoofd vol plannen. Ontmoedig dus
+kunstmatige nieuwigheden. Het geheim van het geluk ligt in rust,
+eenvoud en tevredenheid, de eenige weg om dit te bereiken is: lichaam,
+hartstochten, verstand en wil in volkomen overeenstemming te brengen
+met de natuur.
+
+Wat Lao tsze dus aanbeveelt is rust, onthouding, bespiegeling. Hij
+zegt o. a.:
+
+De hoogste voortreffelijkheid is aan het water gelijk, want de
+voortreffelijkheid van het water komt hierin uit, dat het allen nuttig
+is en dat het, zonder verzet, de laagste plaats inneemt, die, welke
+aan alle menschen mishaagt. De reden, waarom stroomen en zeeën in
+staat zijn de schatting van alle wateren uit alle dalen te ontvangen,
+ligt hierin, dat zij dieper liggen--daarom zijn zij koningen over hen
+allen. Zoo stelt zich ook de wijze heerscher, die boven de menschen
+staan wil, in zijn woorden beneden hen en wanneer hij wenscht hen
+voor te gaan, stelt hij zijn persoon op den achtergrond.
+
+"Zonder zijn deur uit te gaan, kan men alles begrijpen wat er onder
+den hemel voorvalt: zonder uit zijn venster te zien, aanschouwt men
+het Tao des hemels. Hoe verder men zich van zichzelf verwijdert,
+des te minder weet men.
+
+"Daarom verkregen de wijzen hunne kennis zonder rond te reizen;
+ze gaven aan alle dingen de rechte namen, zonder ze te zien, en
+bereikten hun doel, zonder dat zij zich voornamen dit te bereiken.
+
+"Alles in de natuur keert, na een tijd van werkzaamheid tot zijn
+oorspronkelijken toestand terug, zooals de plant tot haar wortel. Deze
+terugkeer noemen wij den toestand der rust. Deze rust wil zooveel
+zeggen, dat de dingen, die haar bereiken, daardoor te kennen geven,
+dat zij de hun opgelegde taak hebben volbracht. De terugkeer tot
+rust is de algemeene, onveranderlijke wet. Die te kennen is wijsheid,
+die niet te kennen, veroorzaakt wild streven en een droevig einde."
+
+Wat de uitoefening der regeering betreft: slechts in twee punten
+ontmoeten Lao tsze en Confucius en Mencius elkaar: namelijk, in den
+lof der oude tijden en den afkeer van drukkende belastingen.
+
+"Het volk lijdt honger wegens de hooge belastingen, welke door de
+ambtenaren worden verbruikt."
+
+"Het volk is moeilijk te regeeren door den overmatigen regeeringsijver
+der beambten."
+
+"Het volk is onverschillig voor den dood, omdat het zoo hard moet
+werken om zijn levensonderhoud te verdienen."
+
+Komen Lao tsze en zijn beide tegenvoeters in den lof der oudheid en in
+de ontevredenheid over de bestaande toestanden overeen, niet evenwel
+in de middelen tot verbetering. Terwijl Confucius deze vindt in het
+begunstigen van flinke mannen en in gestadig streven en werken,
+beveelt Lao tsze aan: laten begaan en verzorging der stoffelijke
+behoeften. Hij is een besliste vijand van het "regeeren" of misschien
+juister uitgedrukt, van het "te veel regeeren."
+
+"In de oudste tijden, (zegt hij), wist het volk niet dat het geregeerd
+werd. In het daarop volgende tijdperk prees en bewonderde het zijn
+heerschers, daarna vreesde het dezen, eindelijk verachtte het hen. Toen
+de heerschers het vertrouwen in Tao begonnen te verliezen, vloeide
+daaruit voort: gebrek aan vertrouwen van de zijde des volks. Wat
+schenen die eerste heerschers onbeslist: doch door hun terughouding
+toonden zij de beteekenis, die zij aan hunne woorden toekenden. Hun
+werk werd gedaan, hun beramen droeg vruchten, terwijl het volk zeide:
+Wij zijn, die wij zijn door ons zelf.
+
+"Toen het groote Tao niet meer werd betracht, kwamen welwillendheid en
+rechtschapenheid in de mode, daarna wijsheid, sluwheid en huichelarij.
+
+"Toen er niet langer een goede geest (verdraagzaamheid) heerschte
+tusschen de zes graden van bloedverwanten, kwamen er ouderlievende
+zonen, toen de staten en familiën in verwarring geraakten, kwamen er
+loyale ministers op het tooneel.
+
+"Mannen van groote geschiktheid niet op prijs te stellen en niet te
+gebruiken, is het middel om het volk van eerzucht terug te houden;
+voorwerpen, die moeilijk zijn te verkrijgen, niet hoog te schatten,
+is het middel om geen dieven te krijgen; het volk niet te toonen, wat
+zijne begeerten kan opwekken, is het middel om het van uitspattingen
+terug te houden.
+
+"Daarom, indien de wijze de regeering leidt, zorgt hij, dat de
+hoofden leeg zijn en de magen vol, hij verzwakt den wil en versterkt
+de beenderen.
+
+"Hij streeft er steeds naar hen zonder weten en zonder wenschen te
+houden en hen, die wetenschap bezitten, te verhinderen, haar te gaan
+gebruiken. Als men zoo zich van werkzaam optreden onthoudt, heerscht
+er overal goede orde."
+
+Sommige der leeringen in Tao teh king herinneren zoo zeer aan het
+inschrift, dat Confucius in de voorvaderenhal te Lo yang op het beeld
+met den gesloten mond vond, [140] dat men in dit opschrift samenhang
+zou zoeken met het oude Taoïsme van vóór Lao tsze. Men oordeele.
+
+"Laat hem zijn mond en zijn neusgaten gesloten houden, zoo zal hij
+gedurende zijn gansche leven voor moeitevolle inspanning bewaard
+blijven: laat hem zijn mond openhouden en zijn adem verbruiken in de
+zorg voor zijn aangelegenheden: en gedurende zijn gansche leven zal
+hij nooit rustig zijn (zonder zorg).
+
+"Wat rustig blijft, is gemakkelijk te bewaren; eer een zaak hare
+tegenwoordigheid laat merken, kan men zich het best daartegen
+beveiligen: wat breekbaar is, wordt gemakkelijk verbroken, wat gering
+in aantal is, wordt spoedig verstrooid. Men moet handelen, vóór een
+zaak zich opdoet en orde instellen vóór de wanorde is begonnen. Een
+boom, dien men met beide armen kan omvatten, is uit een kleine twijg
+ontstaan, een toren met negen verdiepingen begon met een hoopje aarde,
+een reis van duizend mijlen begint met ééne schrede."
+
+Dat Lao tsze het beginsel: "Vergeldt vijandschap met weldoen"
+voorstaat is reeds vermeld. Over zichzelf spreekt Lao tsze slechts
+op ééne plaats:
+
+"De groote menigte der menschen ziet er tevreden en opgewekt uit, alsof
+zij een feestmaal genoten of in het voorjaar op een toren stonden. Ik
+alleen schijn verdrietig en stil, daar mijn begeerten zich nog niet
+hebben getoond. Ik ben als een kind, dat nog niet heeft gelachen. Ik
+zie er terneergeslagen en droevig uit, als een, die geen tehuis zijn
+eigen noemen kan. De menigte der menschen heeft genoeg en te veel,
+ik alleen schijn alles verloren te hebben. Mijn verstand is dat van
+een dom mensch, ik ben als verward.
+
+"De gewone menschen zien er helder en verstandig uit, ik alleen schijn
+omneveld. Zij zien er uit alsof zij alles kunnen onderscheiden, ik
+alleen ben simpel en verward. Het schijnt mij, als drijf ik rond op
+de zee zonder een plaats, waar ik rusten kan. Ieder heeft iets, waar
+hij zijn werkzaamheid aan wijdt, ik alleen schijn dwaas en onbekwaam
+als een boer van de grenzen. Zoo ben ik alleen van andere menschen
+verschillend, doch ik eer de moeder, die mij voedt (Tao)."
+
+Het is een droefgeestig beeld, dat de oude knaap van zichzelf ontwerpt,
+toch wordt ons hier niet de minst aantrekkelijke zijde van het Taoïsme
+geschilderd; dat opgaan in bespiegeling en dat zich terugtrekken
+uit de wereld, zonder de bijvoeging van wereldsmart en pessimisme,
+die wij in de moderne wijsbegeerte zoo rijkelijk vinden, zonder de
+overdrijving, aan Schopenhauer en zijn school eigen.
+
+Belangrijker en misschien ook verstaanbaarder zullen ons intusschen
+die Taoïsten voorkomen, die meer op de Stoïci, Cynici of Epicuristen
+gelijken, of die van metaphysici aanhangers der tooverij zijn geworden
+en aan het Chineesche keizerlijke hof de rol gespeeld hebben, welk
+tot op het midden der 18e eeuw door menig meester der zwarte kunst
+aan de Europeesche hoven werd uitgeoefend.
+
+
+
+
+
+V. Chwang tsze, Lieh tsze, Yang Chu en de ontaarding van het Taoïsme.
+
+
+Een der belangrijke figuren onder de oudere Taoïsten is Chwang chau,
+gewoonlijk Chwang tsze = de wijsgeer Chwang geheeten, een tijdgenoot
+van Mencius, die hem echter niet noemt, waaruit misschien valt af te
+leiden, dat de mystieke bespiegelingen van Chwang eerst later groote
+aantrekkelijkheid kregen. Hij leefde van de wereld teruggetrokken
+en vele voorbeelden van zijn bijtende geestigheid zijn ons bewaard
+gebleven. Toen de vorst van Tsu boden met rijke gaven tot hem zond om
+hem aan het hof uit te noodigen, waar hij eerste minister kon worden,
+wees Chwang tsze deze aanbiedingen lachend af en zeide: "Duizend ons
+zilver is veel voor mij en een hoogen rang te verkrijgen en minister te
+worden is zeer eervol. Doch hebt gij den os niet gezien, die voor het
+offer aan de grenzen bestemd is? Vele jaren lang wordt hij zorgvuldig
+gevoederd en met kostbare dekken versierd, opdat hij geschikt zij naar
+den grooten tempel te worden gebracht. Maar als de tijd komt dat dit
+geschieden moet, mocht hij liever een klein varkentje wezen, doch dan
+is het te laat. Maak dus dat gij wegkomt en verontreinig mij niet door
+uwe tegenwoordigheid. Ik wil mij liever vermaken en mij over mijn leven
+verheugen in een vuil graf (nl. als bedelaar leven) dan aan de regels
+en beperkingen van eens vorsten hof onderworpen zijn. Ik heb besloten
+nooit een ambt aan te nemen, maar geef er de voorkeur aan mij in mijn
+eigen vrijen wil te verheugen." Zooals deze Chwang tsze leefde, zoo
+stierf hij ook. Aan zijne leerlingen, die hem met alle pracht wilden
+begraven, beval hij zijn lichaam niet te begraven, maar het slechts
+op de aarde te werpen (naar de zeden der oudste Chineezen). "Ik zal
+zoo," sprak hij, "hemel en aarde als doodkist hebben, de zon en de
+maan in plaats van de zinnebeelden van meisteen, de sterren in plaats
+van paarlen en edelsteenen; daarmee zijn immers alle voorbereidingen
+voor mijn teraardebestelling volvoerd, wat wilt gij er aan toevoegen?"
+
+Toen de leerlingen hun bezorgdheid te kennen gaven, dat de kraaien
+en roofvogels zijn lijk zouden opeten, voegde hij er bij: "Boven den
+grond zullen mij de kraaien en de roofvogels verorberen, daar onder
+wormen en insecten; het voor den een weg te nemen en het den ander
+te geven zou maar partijdig schijnen."
+
+Chwang tsze's werk is voor het grootste deel polemiek, gericht tegen
+Confucius en tegen de letterkundigen in het algemeen. Van Chineesche
+zijde hebben sommigen de heftige aanvallen op Confucius, die er
+in voorkomen voor onecht verklaard. Doch deze zijn zoo geheel in
+denzelfden stijl als de andere stukken, dat wij ze gerust aan Chwang
+tsze kunnen toeschrijven.
+
+"Gelijk zoekt gelijk," zeide de oude visscher tot Confucius, en vogels
+met gelijk gezang antwoorden elkaar--dat is de wet des hemels. Waarmee
+gij u bezighoudt, dat zijn de aangelegenheden der menschen. Als de
+keizer, de leenvorsten, de hooge beambten en het volk alles doen wat
+hun betaamt, dan hebben wij een schoon beeld van orde. Als zij zich
+bekommeren om datgene wat buiten hun werkkring ligt, dan ontstaat de
+grootste wanorde. Als de beambten hun zaken behartigen en het volk
+de zijne, dan is er geen ingrijpen in de rechten van anderen.
+
+"Velden die onbebouwd blijven, huizen die water doorlaten, gebrek
+aan kleeding en voeding, belastingen, waar geen geld voor is, geen
+verdraagzaamheid tusschen vrouwen en bijslaapsters, geen orde tusschen
+jong en oud--dat zijn de zorgen van het gemeene volk.
+
+"Ongeschiktheid voor hun ambt, onopmerkzaamheid voor hun zaken,
+oneerlijkheid, zorgeloosheid en luiheid der ondergeschikte beambten,
+gebrek aan verdienste en gevoeligheid en onzekerheid ten opzichte
+van rang en salaris--dat zijn de zorgen der hooge beambten.
+
+"Geen getrouwe ministers aan hun hoven, de stammen in hunne staten in
+opstand, gebrek aan geschiktheid bij hun ambtenaren, slechte inrichting
+der belasting, vertraging in voor- en najaarsbezoeken bij den keizer:
+en diens ongenade, dat zijn de zorgen der leenvorsten.
+
+"Onharmonisch werken der beide elementen van koude en hitte, buiten
+den gewonen tijd des jaars, tot schade van alle dingen, onderdrukking
+en wanorde onder de leenvorsten, twisten en rooftochten dezer vorsten
+tegen elkaar tot schade des volks; slecht geordende ceremoniën en
+muziek, ongenoegzame of uitgeputte bronnen voor de uitgaven; de
+banden van verwantschap verwaarloosd en het volk aan teugellooze
+wanorde overgeleverd--dat zijn de zorgen van den zoon des hemels
+(den keizer) en zijne ministers.
+
+"Gij zijt de keizer niet, ook geen leenman, ook geen minister
+van het keizerlijk hof of van een der staten: en toch neemt
+gij op u, de ceremoniën en de muziek te regelen en u bizonder
+met de betrekkingen van verwantschap bezig te houden, teneinde de
+verschillende volksklassen te verbeteren--is dat niet een bovenmatige
+vermeerdering uwer bezigheden?
+
+"Menschen hebben bovendien gewoonlijk acht gebreken, en bij de leiding
+van zaken dreigen vier fouten, die men niet over het hoofd mag zien.
+
+"De leiding van zaken, die ons niet aangaan, in de hand nemen, is van
+zaken een monopolie maken. Zaken bespreken die ons niet aangaan, noemt
+men babbelzucht. Lieden te leiden, door hen naar den mond te praten,
+is met een vossenstaart kwispelen. Lieden prijzen zonder te zien of dit
+recht of onrecht is, is vleien. Gaarne slecht over de menschen spreken,
+is lasteren. Vrienden en verwanten scheiden, dat is zich verblijden
+in het leed van anderen. Iemand prijzen of in slechten naam brengen,
+zonder dat hij het verdient, is een bewijs van verdorvenheid.
+
+"Dubbelzinnig met de menschen meepraten, zonder zich te bekommeren
+of ze goed of slecht zijn, om zoo hun bedoelingen te weten te komen:
+dat is gevaarlijk zijn. Deze acht gebreken veroorzaken wanorde onder
+alle menschen en brengen hem, die ze bezit, in gevaar. Geen edel
+man zal hem, die ze bezit tot zijn vriend, noch een vorst zulk een
+persoon tot zijn minister maken.
+
+"Om nu te spreken van wat ik de vier gebreken noemde: zij zijn: gaarne
+groote daden doen, veranderen en verwisselen, wat reeds lang bestaat,
+opdat men in den roep komt van iets verdienstelijks te hebben gedaan:
+dat alles is eerzucht. Op alle wijsheid voor zichzelf aanspraak maken,
+zich in alles mengen, terwijl men wat op den weg van anderen ligt, tot
+zich trekt en als zijn werk doet voorkomen; dat is begeerigheid. [141]
+Zijn gebreken zien en die niet veranderen, en als iemand iets wordt
+voorgeslagen, juist zijn eigen weg gaan, is halsstarrigheid. Prijzen,
+die met u overeenkomt, afbreken, die niet met u overeenstemt: dat is
+pralende (zelf)overschatting. Dit zijn de vier fouten. Wie de acht
+gebreken kan afleggen en de vier fouten geen vrijen teugel laat, die
+is zoover, dat hij met het onderricht ontvangen een begin kan maken.
+
+"Confucius zag treurig voor zich en zuchtte. Tweemaal boog hij
+zich, toen richtte hij zich op en sprak: "Tweemalen werd ik uit Lu
+verdreven. Uit Wei moest ik vluchten. De boom, waaronder ik rustte,
+werd in Sung omgehouwen. Ik weet niet, welke fouten ik begaan heb, dat
+ik bij die gelegenheden zoo in een valsch daglicht werd geplaatst en
+zooveel moest lijden." De oude visscher zag hem treurig aan en sprak:
+"Het is zeker moeilijk om u iets te doen begrijpen. Er was eens een
+man, die voor zijn schaduw vreesde en zijn voetstappen niet zien mocht,
+zoodat hij wegliep om beide te ontgaan. Doch, hoe meer hij zijn voeten
+ophief, des te talrijker werden de voetstappen en hoe snel hij ook
+loopen mocht, zijn schaduw volgde hem overal. Hij dacht dat hij te
+langzaam liep, en ging nu uit alle macht loopen zonder op te houden,
+totdat zijn kracht was uitgeput en hij stierf. Hij wist niet, dat,
+indien hij op een schaduwrijke plaats had opgehouden, zijn schaduw
+verdwenen zou zijn en dat, als hij zich niet bewogen had, hij zijn
+voetstappen zou hebben verloren--zijn domheid was werkelijk groot. En
+gij, gij spreekt uw oordeel uit over vragen van welwillendheid en
+rechtschapenheid: gij onderzoekt de punten, waarin overeenstemming
+en verschil is; gij ziet naar de wisseling van beweging en rust en
+omgekeerd; gij zijt de regelen van ontvangen en geven meester geworden;
+gij hebt genegenheid en afkeer verklaard, de grenzen van vreugde
+en droefheid bepaald--en toch hebt gij nauwelijks kunnen ontkomen
+aan de gevaren, die gij straks vermelddet. Als gij u om uzelven
+bekommerdet en uw eigen reinheid behoeddet, terwijl gij eenvoudig
+anderen gaaft wat hun toekwam, dan zoudt gij al deze verwikkelingen
+ontgaan zijn. Doch wanneer gij, zooals gij dat doet, de opvoeding van
+uw eigen persoon verwaarloost en de opvoeding van anderen tot uw doel
+maakt, houdt gij u dan niet bezig met uiterlijkheden (in plaats van
+met uwen inwendigen mensch)?"
+
+Ook Chwang tsze is een lofredenaar der oude tijden.
+
+"De heerschers gingen in oude dagen van het standpunt uit, dat de
+vrucht hunner regeering moest beoordeeld worden naar den toestand,
+waarin het volk zich bevond en dat de schuld van verkeerde resultaten
+bij hen moest worden gezocht; opdat het recht aan de zijde des volks,
+het onrecht aan de hunne zou zijn. Daarom, wanneer ook slechts één
+persoon het leven verloor, trokken zij zich dat aan en berispten
+zichzelf. Nu is het echter niet meer zoo. De heerschers verbergen hun
+eigenlijke bedoelingen en houden voor dom, hen die deze niet raden. Zij
+verlangen wat zeer moeilijk is en veroordeelen hen, die niet wagen
+dit te ondernemen. Zij leggen zware lasten op en bestraffen hen,
+die deze niet kunnen dragen. Zij verlangen dat de menschen ver gaan
+en laten diegenen terechtstellen, die den afstand niet kunnen afleggen.
+
+"Als het volk eenmaal weet dat het beste, wat zij tot stand kunnen
+brengen, toch ongenoegzaam is, dan neemt het tot bedrog zijn
+toevlucht. Als de heerschers dagelijks slechts huichelarij toonen,
+hoe kunnen dan de beambten en het volk het anders maken. Gebrek aan
+kracht brengt huichelarij voort: gebrek aan kennis arglist, gebrek
+aan bezit rooverij. Maar wie zal men in zulk een geval schuldig achten
+aan roof en diefstal?"
+
+Voor Chwang tsze zoowel als voor Lao tsze is de dood het noodzakelijk
+einde des levens en daarom iets, wat niet te betreuren valt. Chwang
+tsze gaat echter verder dan zijn voorgangers, wij vinden althans bij
+hem uitingen, die op het geloof aan een voortbestaan na den dood of
+althans aan een theorie van atomen (die blijven) doet denken.
+
+"Twee kreupelen bezochten samen het graf van den gelen
+keizer. Plotseling braken er zweren onder hun armen uit. Vreest
+gij deze zweren? sprak de een tot den ander. Waarom zou ik vreezen,
+antwoordde deze, het leven is een geleend goed. Het geleende levende
+lichaam is niet meer dan stof. Leven en dood zijn als dag en nacht. Wij
+beiden beschouwden toch juist de graven van hen, die hunne verwisseling
+hadden doorgemaakt, waarom zou het voor mij onaangenaam zijn, als
+mijn wisseling komt?"
+
+Tsze lai lag op het sterfbed, zijn vrouw en zijn kinderen stonden
+rondom hem en klaagden luide. Zijn vriend Tsze li kwam om naar den
+kranke te zien en sprak tot hen:
+
+"Toe, maakt dat gij wegkomt en stoort hem niet, terwijl hij de groote
+wisseling door maakt."
+
+Toen sprak hij tot den stervende: "Groot is waarlijk de Schepper! Wat
+zal hij nu van u maken? Waarheen zal Hij u brengen? Zou Hij van u
+maken de lever van een rat of de vleugel van een insect?"
+
+Tsze lai antwoordde: "Waarheen ook een vader zijn zoon zegt te gaan,
+naar het oosten, westen, zuiden of noorden, hij volgt eenvoudig
+het bevel. De beide elementen (het mannelijke en het vrouwelijke)
+zijn voor den mensch meer dan zijn ouders voor hem zijn. Als dezen
+mijn dood verhaasten en ik onderwierp mij niet gewillig, dan zou ik
+hardnekkig en oproerig zijn. Daar is de groote massa (de natuur). In
+haar vind ik den steun mijns lichaams, mijn leven is onder hare hoede
+in arbeid doorgebracht, mijn ouderdom zoekt gemak in haar, in den
+dood vind ik rust in haar: zij die mijn leven goed heeft gemaakt zal
+ook mijn dood goed maken.
+
+"Daar is een metaalbewerker, die fijn metaal giet. Wanneer nu het
+metaal plotseling uit den smeltkroes omhoog wilde springen en zeggen:
+uit mij moet een zwaard worden--de metaalbewerker zou het zeker voor
+onbehoorlijk houden. Zoo ook, als een vorm in den moederschoot wordt
+gevormd en deze zou zeggen: Ik moet een man worden, de Schepper zou
+hem zeker als onbehoorlijk beschouwen. Als wij eenmaal begrijpen,
+dat aarde en hemel een groote smeltkroes zijn en de Schepper de
+groote werkmeester, waar kunnen wij dan heen moeten gaan, dat niet
+goed voor ons ware? Wij zijn als uit een rustigen sluimer geboren en
+wij sterven tot een rustig ontwaken."
+
+Eens op de reis zag Chwang tsze een ledigen schedel, uitgebleekt,
+maar toch goed behouden. Hij klopte er met zijn rijzweep op en vroeg:
+"Hebt gij, in uwe begeerte naar leven, in de leeringen des verstands
+gefaald en zijt gij zoo hiertoe gekomen? Of heeft u--terwijl gij in
+dienst waart van een ondergaanden staat, de bijl van den scherprechter
+zoover gebracht? Of zijt gij door uw slecht gedrag hier gekomen en hebt
+gij schande over uw ouders, uwe vrouw en uwe kinderen gebracht? Of
+zijt gij van honger en koude omgekomen? Of hebt gij eenvoudig den
+loop uws levens voleindigd?" Na deze vragen, nam hij den schedel
+op en toen hij slapen ging, gebruikte hij hem als hoofdkussen. Te
+middernacht verscheen hem de schedel in den droom en sprak: "Gij
+hebt als een redenaar tot mij gesproken. Alles wat gij gezegd hebt,
+had slechts betrekking op de menschen bij hun leven, zulke dingen
+gelden na den dood niet." "Zoudt gij van de dingen na den dood
+willen hooren?" "Zeker," zeide Chwang tsze, en de schedel vervolgde:
+"In den dood is er geen onderscheid tusschen vorsten en ministers, de
+afwisseling der vier jaargetijden is er niet meer, rustig en ongestoord
+zijn onze jaren, als die des hemels en der aarde. Geen koning aan zijn
+hof heeft grooter vreugde, dan wij hebben." Chwang tsze geloofde hem
+niet en zeide: "Als ik den heer van ons lot kon bewegen, uw lichaam
+met uw beenderen, vleesch en huid weer in het leven te roepen en u
+aan uwe vrouw en uwe kinderen en aan al uwe dorpsgenooten terug te
+geven, zoudt gij dan willen, dat ik dit deed?" De schedel zag hem
+met gefronsd voorhoofd aan en sprak:
+
+"Hoe zou ik prijs geven het genot van mijn koninklijk hof en weer op
+mij nemen den last van het leven onder menschen?"
+
+Menigmaal schijnt Chwang tsze te twijfelen aan zijn eigen bestaan en
+aan de mogelijkheid te gelooven, dat het leven slechts een droom is.
+
+"De schemering vroeg aan de schaduw: Vroeger hebt gij gewandeld en
+nu zijt gij stil, vroeger hebt gij gezeten en nu zijt gij opgestaan:
+waardoor komt het, dat gij zoo ongestadig zijt?" De schaduw antwoordde:
+"Ik wacht op de beweging van iets anders om te doen wat ik doe, en dat
+andere, waarop ik wacht, wacht wederom op iets anders, om te doen,
+wat het doet. Mijn wachten--wacht ik op de schubben eener slang of
+op de vleugelen van een krekel? Ik weet niet, waarom ik eene zaak
+doe en de andere niet doe."
+
+"Eenmaal heb ik, Chwang Chau, gedroomd dat ik een vlinder was, een
+vlinder, die rondvloog en gevoelde, dat hij genoegen had. Ik wist
+niet, dat ik het was. Eensklaps ontwaakte ik en ik was weer mijzelf:
+De ware Chwang Chau. Ik wist niet of het Chwang Chau was, die droomde,
+dat hij een vlinder was of een vlinder, die droomt dat hij nu Chwang
+Chau is. Dat is het geval van de verandering der dingen."
+
+Dit klinkt wel Boeddhistisch [142] maar kan toch niet op Boeddhistische
+invloeden worden teruggebracht: die waren toen nog niet werkzaam. Wel
+volgt er uit, dat ook aan het oude Taoïsme de leer, dat er niets
+werkelijks bestaat, doch dat alles slechts inbeelding is, niet vreemd
+schijnt te zijn.
+
+Nog scherper dan in de werken van Chwang tsze treedt een
+pantheïstisch-fatalistische opvatting in allegorischen vorm op in
+de aan Lieh yu K'ou (gewoonlijk Lieh tsze genoemd) toegeschreven
+boeken. Deze wijsgeer schijnt kort na Confucius geleefd te hebben,
+doch iets naders weten wij van hem niet.
+
+Licius (zoo heet hij in 't Latijn) herhaalt nog uitvoeriger, dat de
+gansche natuur een kringloop is, dat al het geschapene moet vergaan en
+dat slechts het scheppende, het Tao, onvergankelijk voortbestaat. Hij
+oordeelt het dus dwaas over leven en dood bezorgd te zijn, daar
+beiden vooruit bepaald en noodwendig zijn. Verstand en waanzin zijn
+willekeurige, recht en onrecht slechts aangeleerde begrippen, alle
+gevoelens van verwantschap berusten alleen op de opvoeding.
+
+"Een man had een zoon, wiens geest verbijsterd was. Hij begaf zich
+op weg ten einde Confucius om raad te vragen, of deze wellicht geen
+middel tegen deze krankheid kende. Onderweg ontmoet hij Lao tsze,
+wien hij zijn nood klaagt. "Weet gij dan", sprak deze, "dat uw zoon
+werkelijk buiten zijn zinnen is?" Tegenwoordig zijn de begrippen van
+recht en onrecht zoo verward, dat niemand meer weet, wat eigenlijk het
+rechte is. Als alle lieden dachten als uw zoon, dan was niet hij buiten
+zijn zinnen, doch gij. Wie toch kan gevoelens en begrippen zuiver
+voorstellen? Heb ik daartoe nu 't recht, zoo is Confucius buiten zijn
+zinnen, en hoe kan iemand, die het verstand mist het bij een ander
+heelen? Spaar dus uw geld en maak, dat gij weer naar huis komt.
+
+"Een man uit Yin was in Shu opgevoed en keerde als oud man weer naar
+Yin terug. Toen hij op de reis daarheen door het land Tsin kwam,
+zeide een der reisgenooten schertsend: "Dit is nu de hoofdstad van
+het land Yin." De oude kreeg een kleur van ontroering, "Dat zijn
+de veldaltaren uit uwe buurt!" De oude zuchtte diep. "Dat is het
+huis uwer voorvaderen." De oude weende. "Dit zijn de graven uwer
+voorvaderen." De oude weende luid. Toen lachte zijn reisgenoot en
+sprak: "Ik heb slechts in scherts gesproken, dit is het land Tsin." De
+oude schaamde zich zeer. Toen zij nu in het werkelijke land Yin kwamen
+en de oude de stad, de veldaltaren, de woningen en de graven zijner
+voorvaderen werkelijk zag, was zijn ontroering veel minder.
+
+"In het land Ki was een man, wien de bezorgdheid, dat hemel en aarde
+eenmaal ineen zouden storten, geen rust liet. Een zijner vrienden had
+medelijden met zijne ontroering en poogde hem tot kalmte te brengen
+door te zeggen, dat de hemel slechts de bewaarder der lucht was en
+inademen en uitademen den ganschen dag in de ruimte afwisselden.
+
+Doch kunnen, vroeg de ander, zon, maan en sterren niet naar beneden
+vallen? Hoe zou dat mogelijk zijn, antwoordde de vriend, het zijn
+slechts lichten in de bewaarplaats der lucht. Doch wanneer de aarde
+te gronde gaat? "Dat is immers een groote, vastsamengevoegde massa,"
+troostte de vriend, "die door het voortdurend daarop heen en weer
+loopen en trappen nog steeds vaster wordt."
+
+Toen waren beiden tevreden, de een omdat hij zijn zorg had verloren,
+de ander omdat hij zijn vriend tot rust had gebracht.
+
+Tchung lu tsi hoorde wat er voorviel en sprak lachend: Wolken en
+nevel, wind en regen zijn de verzamelingen der lucht en vormen den
+hemel; bergen, heuvels, rivieren, zeeën, metaal, steenen, vuur en hout
+zijn de verzamelingen van het geschapene en vormen de aarde. Weet men
+echter, dat het slechts verzamelingen zijn, zoo weet men ook, dat zij
+te gronde moeten gaan. Hemel en aarde zijn slechts kleine punten in
+de ruimte. Doch van alles wat bestaat zijn zij het grootste. Dat zij
+nu moeilijk tot hun einde en tot uitputting zullen komen is zeker,
+doch evenzoo zeker, dat zij eenmaal gemeenschappelijk te gronde zullen
+gaan. Zou hij, die dezen tijd zal beleven, niet treurig zijn?
+
+Licius echter lachte en sprak: "Het is verkeerd te denken, dat hemel en
+aarde zullen ondergaan, en verkeerd te denken, dat zij niet ondergaan
+zullen. Niemand kan weten, wat geschieden zal, want het leven verstaat
+den dood niet en de dood verstaat het leven niet; het komen ook niet
+het gaan, noch het gaan het komen. Waarom zich daarover te bekommeren?"
+
+"Op de reis naar Wei vond Licius in de struiken een doodsbeen, honderd
+jaar oud; hij riep een leerling, die bij hem was, toonde hem dat en
+zeide: Slechts ik en hij weten, dat wij noch leven, noch dood zijn."
+
+Lieh tsze is ook de eenige bron over Yang Chu, tegen wien Mencius
+zoo beslist optrad en die dus een tijdgenoot van dezen scheen te
+zijn, hoewel Chwang tsze een gesprek tusschen Yang Chu en Lao tsze
+vermeldt. De denkbeelden van Yang Chu, die Lieh tsze weergeeft,
+loopen uit in deze stelling: het leven genieten en den dood niet
+vreezen. De leer van Epicurus en die der Cynici wordt alzoo hier
+verbonden. "Honderd jaar," zegt Yang Chu, "is de uiterste grens des
+levens, die niet een van de duizend bereikt. Veronderstellen wij, dat
+iemand die bereikt; de kinderlijke leeftijd, waarin men op den arm
+wordt gedragen en de ouderdom nemen er wel de helft van in. Wat in
+den slaap wordt verdroomd en van het wakende leven vergeten wordt,
+smart en ziekte, kommer en verdriet, verliezen, zorgen en vrees
+nemen nagenoeg de andere helft in. Wat overblijft vult misschien
+tien jaren. En ook daarin zal nauwelijks één dag te vinden zijn van
+gelukkig zelfvergeten, zonder een schaduw van zorg. Wat is dan des
+menschen leven waard? Wat voor vreugde is er in?
+
+"Zullen wij het prijzen om de vreugde, die eten en drinken, of om het
+genot, dat muziek en schoonheid geven? Maar men kan zich niet altijd
+met deze vreugden vergenoegen, men kan niet steeds met de schoonheid
+zich vermaken en naar de muziek luisteren. Daarbij komt de vrees
+voor straf en de prikkel, die belooningen geven, de drijfkracht door
+eerzucht, de terughouding door wetten uitgeoefend--deze maken dat
+iemand zonder rust zich plaagt om de ijdele lofprijzing van één uur
+en rekent op den roem na den dood. Deze invloeden houden hem, om zoo
+te zeggen, op de wacht tegen alles wat zijn ooren hooren en zijn oogen
+zien, en maken, dat hij altijd zich bekommert of wat hij denkt of doet,
+recht of onrecht is. Zoo verliest hij het ware genot zijner jaren en
+kan zichzelf geen oogenblik laten gaan. Waarin onderscheidt hij zich
+van een misdadiger, in ketenen geklonken in de binnenste kamer der
+gevangenis? De lieden in de hooge oudheid wisten wel, hoe kort het
+leven is en hoe plotseling en volkomen het door den dood kan worden
+afgebroken. Daarom luisterden zij naar de bewegingen huns harten, wezen
+niet terug, wat hun natuurlijk toescheen om lief te hebben, zochten
+geenszins de vreugden te vermijden, die zich aan hen aanboden. Zij
+lieten zich niet van de wijs brengen door de opwindingen van den
+roem: zij genoten het leven, zooals het hun natuurlijk voorkwam, zij
+verzetten zich niet tegen den drang om zich te verheugen, (den drang,
+die in alle dingen woont) en zij bekommerden zich er niet over om
+na den dood beroemd te worden. Zij trachtten straffen te vermijden;
+maar roem en eer, de eerste of de laatste te zijn, lang of kort leven:
+dat alles trokken zij niet in hun berekeningen.
+
+"Waarin de menschen zich onderscheiden, dat is in het leven: waarin
+zij met elkaar overeenkomen, dat is in den dood.
+
+"Zoo lang zij leven is er onderscheid van verstand en domheid,
+beschaving en lompheid. Als zij dood zijn, hebben wij een stinkende,
+bedorven massa, die vergaat--dat is het algemeene lot. Verstand en
+domheid, beschaving en lompheid staan in geen menschen macht: evenmin
+als de toestand van bederf, verrotting en ganschelijk verdwijnen. Noch
+het leven van een mensch noch zijn dood zijn in diens eigen hand:
+zijn verstand en zijn domheid, zijn beschaving en lompheid zijn zijn
+eigen werk niet. Allen zijn geboren en allen sterven: de verstandige
+en de domme, de goede en de slechte. Velen sterven als zij tien jaar
+oud zijn, velen als zij honderd jaar oud zijn. De deugdzame en de
+wijze sterven, de verdorvene en de dwaas sterven. Tijdens hun leven
+waren zij wijze keizers, nu zij dood zijn, zijn het zoovele verrotte
+beenderen; in hun leven waren zij roovers en tyrannen, nu zijn ook
+zij zoovele verrotte beenderen.
+
+"Wie kan onderscheid zien in deze beenderen?
+
+"Daarom, zoolang wij leven, laten wij uit het leven maken het beste,
+dat wij er van kunnen krijgen: wij hebben geen tijd om aan iets na
+den dood te denken."
+
+Wat echter niet het minst in Lieh tsze's werk belang inboezemt is het
+feit, dat hier voor de eerste maal de alchymistisch necromantische
+[143] richting optreedt, die later voor de ontwikkeling van het Taoïsme
+en de rol, die zijne aanhangers aan het keizerlijk hof zouden spelen,
+beslissend zou zijn.
+
+"Aan het hof van keizer Muh van de Chau dynastie (1001-947
+v. C.) verschijnt een uit het westen komende Magiër, die door water en
+vuur, metaal en steen drong, bergen, rivieren en steden verplaatste
+en in de lucht opsteeg. Keizer Muh eerde hem op alle manieren,
+doch de Magiër zag het paleis aan voor een erbarmelijke hut, vond
+het eten der keizerlijke keuken slecht, en de dienstdoende hofdames
+stinkende geiten. Toen liet de keizer hem een nieuw paleis bouwen en
+de schoonste jonkvrouwen opzoeken om hem te bedienen. De Magiër liet
+zich dat welgevallen, doch na korten tijd verzocht hij den keizer
+met hem te reizen: liet dezen zijn rokspand vasthouden en voer met
+hem tot in des Magiërs paleis: in den middenhemel. Dat paleis was van
+goud en zilver gebouwd en met paarlen en kostbare edelsteenen ingelegd.
+
+"De keizer zag van omhoog op zijn paleis, dat er als een leemen
+hut uitzag. Na lange jaren, toen de keizer zijn rijk geheel had
+vergeten, nam de Magiër hem weer mede op een reis en voerde hem naar
+een land, waar men de zon, de maan en de aarde niet meer zag. De
+keizer werd bevreesd en verzocht den Magiër hem weer in zijn land
+terug te brengen. Deze gaf hem een stoot: de keizer meende dat hij
+ontzettend diep viel en--hij ontwaakte en bevond zich bij zijn tafel,
+waar de spijzen nog niet koud geworden waren en de wijn nog in het
+glas stond. [144]
+
+"De keizer vroeg geheel verbaasd wat er geschied was en zijn
+omgeving antwoordde: "Uwe hoogheid was een oogenblik in gedachten
+verzonken." Toen de keizer er den Magiër naar vraagde zeide deze:
+"Ik wandelde met uwen geest, hoe zou dan de vorm zich bewegen?""
+
+Spoedig werd de richting van het Taoïsme, waarvan deze geschiedenis
+een voorbeeld geeft, de heerschende: met ijver zocht men naar het
+middel om goud te maken en naar het elixer des eeuwigen levens: de
+keizers en grooten overlaadden de leermeesters der zwarte kunst met
+goud en eer. Onder Tsin Shi Wang Ti, die de geleerden [145] zoo wreed
+vervolgde, bloeide het Taoïsme zeer. De keizer zocht met de Taoïsten
+naar "den steen der wijzen" en naar de "eilanden der zaligen", die
+natuurlijk ten westen van China moesten liggen. Toen Sü Shi, dien
+de keizer met een groot gevolg van jongelingen en jonkvrouwen had
+uitgezonden om deze eilanden te zoeken, terugkeerde met het bericht,
+dat hij ze wel had gezien, maar ze door tegenwind niet kon bereiken,
+trok de keizer zelf naar Tschifu in Shantung, in de hoop ze van daaruit
+te aanschouwen. Daar doodde hij eigenhandig een grooten haai, die,
+volgens de beweringen der Taoïsten de ontdekking der eilanden zou
+verhinderen. De dood des keizers sloeg aan verdere plannen, die naar
+Japan hem hadden kunnen leiden, den bodem in. Doch, ook dit gebrek
+aan succes schrikte de opvolgers van den "eersten hemelschen keizer"
+niet af: en nog onder menig opvolger verheugden zich de Taoïsten in
+den krachtigsten steun en de grootste waardeering.
+
+Met de toenemende verwatering van het Taoïsme zochten zijn priesters,
+de "doktoren der rede," zooals de zendelingen uit de 17e eeuw hen
+noemden, het steeds minder in de behandeling der wijsgeerige vragen,
+steeds meer in de exploitatie van het bijgeloof. Waar, zooals in
+China overeenkomstig het volksgeloof--zoo veel bovennatuurlijke,
+grootendeels vijandige krachten des menschen rust bedreigen, kan
+het ons niet verwonderen, dat de schare naar middelen omzag om zich
+daarvoor te behoeden of zich daarvan te bevrijden.
+
+Welnu, als overal werden zulke middelen in het geloof gezocht
+èn--in het bijgeloof gevonden. Daarom is het verklaarbaar, dat de
+rol van duivelbanner in China meer aan de Taoïstische dan aan de
+Boeddhistische priesters toevalt en dat de eersten niet slechts volgens
+sagen en legenden, maar ook in het dagelijksch leven gelden als de met
+bovennatuurlijke krachten toegeruste beschermers der geloovigen, welke
+zich tot hen wenden. Hun wapenen zijn: het zwaard en de vliegenwaaier,
+welke beide ook de zinnebeelden zijn van twee der acht onsterfelijken
+(genieën, verheven geesten) door deze secte erkend. Waar nu deze
+priesters niet persoonlijk kunnen optreden, doen zij dit met amuletten
+en tooverspreuken, die, op papier geschreven, en met allerlei zegelen
+voorzien, aan de deuren, vensters en muren worden gehecht, of ook wel
+verbrand, of--in water opgelost--ingenomen worden. Aan het hoofd der
+heksenmeesters en duivelbanners staat de Taoïstische paus, zooals hij
+dikwijls genoemd wordt, Chang Tien Shi d.i. de leermeester des hemels,
+die zijn zwaard van den hemel heeft ontvangen en zijn afstamming,
+althans geestelijk, terug voert tot op den beroemden Taoïstischen
+patriarch Chang Tao ling, die in het jaar 34 n. C. in de provincie
+Chekiang werd geboren en in den ouderdom van 123 jaren ten hemel
+opsteeg om daar in de onsterfelijkheid zich te verheugen. Chang Tao
+ling's nakomelingen, later ook die van zijn leerling Kau Kien Che
+zijn nog steeds in het bezit van het ambt van opperduivelbanner en
+vertegenwoordiger op aarde van de hoogste Taoïstische godheid.
+
+Vele heerschers van vele dynastiën hebben den Taoïstischen paus, den
+Tien Shi, met eer en rijkdom overladen. Hij houdt verblijf, waar zijn
+voorvaderen sedert honderde jaren geleefd hebben: op den Lung hu Shan
+(draken- of tijgerberg) in Kiangsi, en, hoewel de tempel, waar zijn
+paleis was, door de Taipings [146] werd verwoest, is deze toch reeds
+weer in zijn oude heerlijkheid opgebouwd. Een bizonder sieraad zijner
+residentie vormen een groot aantal aarden potten, stevig gesloten,
+met amuletten volgeplakt, waarin hij en zijn voorgangers door hen
+uitgedreven booze geesten hebben gebannen. De gewone Taoïstische
+priester vangt deze vrienden, welke zich in damp veranderen, in
+flesschen op, die hij toekurkt, precies zooals zijn Arabische collega's
+duivelbanners, volgens de "Duizend en Een nacht". De waardigheid van
+"leeraar des hemels" heet zich door "wedergeboorte" voort te zetten,
+evenals bij de geestelijke hoofden der Lamaïstische hiërarchie [147].
+
+In dagen van geestelijke opwinding zooals in 1876 b.v., wanneer
+denkbeeldige wezens hun werk verrichten, aan volwassenen en kinderen
+de pruiken afsnijden, kippen de veeren uitplukken en als incubi [148]
+de menschen plagen en dooden, plegen de Taoïstische duivelbanners
+een gouden oogst binnen te halen en millioenen papieren amuletten te
+verkoopen, waarop berijmde spreuken en onleesbare teekens staan. Van
+1876-77 was er bijna geen huis, waarop geen dergelijke papieren waren
+vastgehecht, ook droegen kinderen en volwassenen die dikwijls om het
+hoofd gewikkeld.
+
+Terwijl de Taoïsten zich alzoo, reeds van den aanvang onzer
+tijdrekening af, altijd meer van de oorspronkelijke leer verwijderden
+en door exploitatie van het verlangen, dat de mensch heeft naar
+zinnelijk en bovenzinnelijk genot, invloed en macht trachtten te
+verkrijgen, bracht de invoering van het Boeddhisme in de eerste eeuw
+onzer tijdrekening een nieuwe, van buiten afkomstige leer in China,
+waartegen de beide inheemsche stroomingen, in 't bizonder echter het
+Confucianisme, zich aanstonds te weer stelden. Daarover een en ander
+in ons volgend hoofdstuk.
+
+
+
+
+
+VI. De "geleerden" tegenover Taoïsme en Boeddhisme.
+
+
+Het zou ons te ver voeren dien strijd in bizonderheden te volgen:
+bovendien werden, gedurende de eeuwen, waarin die strijd werd gevoerd,
+altijd weer dezelfde argumenten door de "geleerden", de aanhangers van
+Confucius en Mencius, herhaald, evenals door hun tegenstanders. Terwijl
+het Boeddhisme aan het Confucianisme verweet, dat het zich slechts
+om dit leven, niet om het hiernamaals bekommerde, bracht dit laatste
+de voorschriften der kinderlijke liefde op den voorgrond. Deze toch
+veroordeelden dat zich van de wereld terugtrekken en de daarmee
+samenhangende verwaarloozing der door de bloedverwantschap opgelegde
+plichten.
+
+Overigens moeten wij ter eere der Chineezen opmerken, dat weliswaar de
+strijd tegen Boeddhisme en Taoïsme soms het karakter eener vervolging
+aannam, doch dat deze vervolgingen nooit dat bloedig karakter droegen,
+waarvan de geschiedenis, zoowel van het Christendom als van het
+Mohammedanisme, zooveel voorbeelden weet aan te wijzen.
+
+Wel werden tempels verwoest, kloosters ontbonden en de bewoners naar
+de familie teruggezonden, doch bloedige offers werden aan de orthodoxe
+leer niet gebracht en ook niet door haar verlangd. Bovendien duurde
+het niet lang of het Confucianisme begon tegenover de eigenaardige
+leerstukken van net Boeddhisme een andere houding aan te nemen dan
+tegenover zijn wijsgeerige zedeleer.
+
+Terwijl het voortging de leerstukken te bestrijden, nam het van de
+wijsgeerige zedeleer heel wat over, zoodat ten slotte zelfs de werken
+van de voornaamste voorstanders van Confucius, zoo vol waren van
+Boeddhistische opvattingen en ideeën, dat men wel toe moet stemmen,
+dat in dit opzicht het Boeddhisme een groote uitwerking had.
+
+Tusschen Han Yü, die voor 1100 jaren de leer van Confucius
+voorstond en Chu hi, die sedert het einde der 13e eeuw officieel als
+vertegenwoordiger der orthodoxe uitlegging wordt beschouwd, bestaat
+een dergelijk onderscheid, als er tusschen de strenge Rabbijnen
+van Jeruzalem en de Alexandrijnsche Joden der nieuwe school bestaan
+heeft. [149] Han Yü komt heftig op tegen het brengen van een reliquie
+van Boeddha in het keizerlijk paleis en vraagt, wat de keizer met het
+oude, halfvergane gebeente moet aanvangen. Hij sluit zijn pleitrede
+hiermede, dat hij het bestaan van de godheid van het Boeddhisme
+loochent en deze oproept om, als bewijs dat zij werkelijk bestaat,
+hem, haren tegenstander te vernietigen. Dezelfde uitdaging als van
+Bradlaugh, den bekenden Engelschen vrijdenker en afgevaardigde in het
+lagerhuis, die den God der Christenen opriep om hem, den godloochenaar,
+te verpletteren. Alleen Bradlaugh vatte, als zoon der democratische
+19e eeuw, de zaak meer dramatisch, openhartig gezegd, dwazer op dan de
+Chinees der 8e eeuw; hij toch stelde zijn eisch in een volksvergadering
+en gaf God slechts vijf minuten om hem te vernietigen.
+
+Wij laten nu volgen een uittreksel uit eene omschrijving van het
+"heilige edict," die weliswaar niet oud is, (uit het begin der
+18e eeuw), maar ons een duidelijk beeld geeft van het oordeel der
+orthodoxie over Taoïsme en Boeddhisme.
+
+"Van ouds, heet het hier, hebben er drie secten bestaan; naast die
+der geleerden, nog die van de Boeddhisten en de Taoïsten. Al het
+spreken der Boeddhistische priesters heeft ten doel: zalig te worden,
+en gelijk aan Boeddha, den stichter van hun godsdienst. Als een zoon
+zijn familie verlaat en priester wordt, zoo zeggen zij, dat negen
+geslachten zijner bloedverwanten zeker zijn in den hemel te komen. Denk
+nu eens een oogenblik na. Waar is Boeddha? Wat is Boeddha? Boeddha
+is het hart. Wat is nadenken over de boeken van Boeddha? Ieder uur
+en ieder oogenblik denken aan de leiding van zijn hart. Is het goed,
+zoo is het Boeddha. Daarom heet ook het eerste boek hunner secte:
+"De weg des harten". De hoofdsom van wat deze weg des harten leert is,
+dat het hart recht moet zijn, niet krom, waar, niet huichelachtig,
+sterk, niet droomerig. Nijd, toorn en begeerten, deze drie fouten
+moeten worden uitgeroeid; alles moet u slechts voorkomen als de bloem
+door een spiegel, als de maan in het water, dan zult gij vrij zijn van
+vrees en zorgen. Dat is: het hart volmaken. Daarom zegt ook Chu tsze
+(Chu hi): de secte van Boeddha bekommert zich, noch om den hemel,
+noch om de aarde, noch om iets anders binnen het heelal, zij denkt
+slechts aan het hart. In die stelling ligt de geheele oorspronkelijke
+leer van Boeddha.
+
+Wat de Taoïsten betreft, zij hechten bizondere waarde aan "den
+steen der wijzen", waarmee zij kwikzilver vast willen maken en lood
+in goud veranderen, draken en tijgers temmen en wie weet wat voor
+verborgenheden nog meer mede bereiden willen. Alles komt echter
+neer op de versterking van de (dierlijke) levenskracht: een paar
+jaar het leven verlengen dat is alles. Daarom zegt Chu tsze ook:
+Waar het de Taoïsten vooral om te doen is, dat is de bewaring van den
+levensgeest. In die stelling ligt de gansche leer van Tao opgesloten.
+
+"Nu is het wel waar, dat de uitnemendsten onder de Boeddhistische
+priesters, die in de kloosters op de beroemde heuvelen wonen en
+het goed verstaan leeringen voor te dragen, alles op één woord: het
+hart terugbrengen en dat de brave doctoren van Tao, die diep in de
+kloven en holen der bergen naar de verkrijging der onsterfelijkheid
+trachten, alles samenvatten in dit ééne: de wedergeboorte des geestes,
+doch, als wij de zaak nu eens goed bekijken, dan zien wij nog wat
+anders. Dat zich terugtrekken in de eenzaamheid, waar noch menschen
+zijn noch de rook van menschelijke woningen is, dat met gekruiste
+beenen in diep stilzwijgen neerzitten, wat is het anders, dan de
+wederkeerige verplichtingen des levens met den wortel uittrekken
+en verwoesten? Verre zij het van ons te denken, dat zij Boeddha
+niet gelijk zouden kunnen worden of den rang der onsterfelijken
+bereiken, doch: als zij dat kunnen, wie heeft sommigen ten hemel
+zien varen en anderen midden op den dag hun vlucht opwaarts zien
+nemen? Dat zijn alles slechts fopperijen. Toch gelooft het domme
+volk alles en laat zich gemakkelijk wat op den mouw spelden. Zie
+maar naar de strenge priesters van Boeddha en de doctoren van Tao,
+die de menschen wedergeboren doen worden: zij allen verstoren--tot
+geen enkel redelijk doel--de betrekkingen des menschelijken levens:
+zij zijn voor de maatschappij nog niet de pluim van een veer waard!
+
+"Hoewel zij echter steeds zelfzuchtig waren en slechts dachten, aan
+wat hun eigen persoon aanging, zoo hadden zij toch in oude tijden
+geenszins de bedoeling om iemand anders te schaden. Nu is echter eene
+klasse van personen onder hen opgestaan, die zonder middel van bestaan
+of tehuis zich op de kloosters verlaten en in den tempel hun woning
+nemen. Deze menschen schermen met den naam Boeddha en bedenken een
+menigte dwaze sprookjes over hemelsche paleizen, onderaardsche holen,
+zielsverhuizing en vergelding. Volgens hen is het allereervolste: een
+priester te voeden en vrijgevig jegens de goden te zijn; zij noemen
+dat: zaaien op den akker der zegeningen! Zij zeggen: "Geef altijd
+en gij zult altijd hebben." En, opdat het volk hen gelooven moge,
+voegen zij er bij: "Veracht de priesters, bespot Boeddha, bespot de
+geboden, weiger vereering aan de goden, geef geen aalmoezen èn--gij
+kunt zeker zijn van in de hel te worden geslingerd. De dondersteen
+zal u treffen, de bliksem u verteren!" Alle soorten van sprookjes en
+geschiedenissen vertellen zij om het volk bang te maken, opdat het
+geloove, zich onderwerpe en betale. Eerst weten zij nog alleen maar den
+lieden hun geld afhandig te maken, ten einde het in hun eigen zak te
+steken. Langzamerhand echter gaan zij tot de grootste onbehoorlijkheden
+over. Zij roepen--hoe zal ik het zeggen--vergaderingen op ter eere
+van den versierden draak, de vrome wees, de reine bloem, waarin zij
+de klokken luiden, de pauken slaan, waarin zij allerlei uitleggen en
+bevelen en mannen en vrouwen te zamen brengen, die dag en nacht niet
+uit elkaar gaan. Nu heet het wel, dat de lieden voor goede doeleinden
+deze vergaderingen bevelen, doch ieder weet, dat het juist omgekeerd
+geschiedt om booze dingen te doen.
+
+"Gij eenvoudig volk kunt het valsche van het ware niet
+onderscheiden! Was niet Boeddha, naar wat de boeken over hem zeggen,
+de eerstgeboren zoon van koning Fan? en toch trok hij zich uit de
+wereld terug en vluchtte geheel alleen op den top der besneeuwde bergen
+om zich aan de deugd te wijden. Wanneer hij voor zijn eigen vader,
+zijn moeder, zijn vrouw en kinderen geen zorg droeg, zijt gij dan
+zoo dwaas nog te meenen, dat hij zorgen zou voor de groote menigte
+en haar zijn wetten en leeringen zou verkondigen?
+
+Het keizerlijk slot, de vertrekken der koningin, de troonzaal en de
+feestzalen, dat alles verachtte hij. Zou het nu niet vreemd zijn,
+als hij in verrukking kwam over de nonnen- en monnikenkloosters, de
+tempels en kerkelijke gebouwen, die gij voor hem opricht? En indien
+er werkelijk (zooals de Taoïsten leeren) een hoogste God in den hemel
+leeft, zou Hij zich dan daar niet kunnen vermaken overeenkomstig Zijn
+eigen smaak, zoudt gij dan voor Hem een lichaam van gesmolten goud
+moeten maken en een huis, waarin Hij wonen kan?
+
+"Al die onzinnige geschiedenissen over vasten en collecten,
+tempelgebouwen en oprichten van beelden, zijn uitvindingen van
+rondzwervende, nietswaardige priesters en monniken om u zand in de
+oogen te strooien. En toch gelooft gij ze en gaat niet slechts zelf
+in de tempels om te bidden en te wierooken, maar laat ook uw vrouwen
+en dochters toe ditzelfde te doen. Met heur haar vol pommade en
+met geblankette aangezichten, in roode kleeren met groene oplegsels
+trekken zij uit om wierook in de tempels te branden en dringen zich
+met Boeddhistische en Taoïstische priesters schouder aan schouder, arm
+aan arm, gestompt door de opdringende menigte. Ik zie er het goede niet
+van in dat zij meenen te doen, in tegendeel, zij doen veel schandelijke
+dingen, die ergernis opwekken en aanleiding geven tot hoon en spot.
+
+"Dan zijn er lieden, die bevreesd, dat hun lieve jongens en meisjes
+niet lang genoeg zullen leven, ze aan den tempel overgeven om priesters
+en priesteressen van Boeddha of Tao te worden, zich inbeeldend dat,
+wanneer zij eenmaal hun huis hebben verlaten en zich aan de voeten
+van grootvader Boeddha hebben neergezet, daardoor zeker hun leven
+zal worden verlengd. Kan men dan, zoo zou ik willen vragen, volhouden
+dat zij, die in onzen tijd priesters van Boeddha of Tao zijn, allen
+den leeftijd van 70 jaar zullen bereiken, en er geen onder hen is,
+die slechts kort leeft?
+
+"Wederom is er nog een andere klasse van bizonder domme lieden, die
+wijl hun ouders krank zijn, zichzelf den goden als offer aanbieden. Zij
+beloven, dat, als hun ouders gezond worden, zij zullen trekken naar
+een heiligen berg om daar te bidden en wierook te verbranden; bij
+iedere schrede zullen zij zich neerwerpen, totdat zij op den top van
+den berg komen, vanwaar zij zich dan naar beneden storten. Indien zij
+daarbij het leven al niet inschieten, armen en beenen breken zij er
+toch bij. Zij zelf zeggen: "Ons eigen leven prijs te geven om dat onzer
+ouders te redden is het grootste bewijs van kinderlijke liefde." De
+omstanders prijzen hen ook als goede kinderen, doch, zij bedenken niet,
+dat op die wijze het lichaam weg werpen, dat zij toch van hunne ouders
+ontvingen, integendeel een zeer onkinderlijk gemoed verraadt.
+
+"Verder zegt gij, dat de Boeddha-vereering zeer voordeelig is, dat,
+als men papieren afbeeldingen van geld verbrandt, geschenken offert en
+vast, uw God Boeddha alle ongeluk van u zal afwenden, uwe zonden zal
+wegnemen, uw geluk vermeerderen en uw leven verlengen zal. Denkt nu
+eens na. Van ouds heet het: De goden zijn goed. Was dit nu met Boeddha
+het geval, hoe kan hij dan begeerig verlangen, dat gij hem met uw
+goudpapier en uwe geschenken zoudt bewegen om u te beschermen? En als
+gij hem geen goudpapier verbrandt en geen gaven op zijn altaar legt zal
+Boeddha op u toornig zijn en zijne straffen u toezenden! Dan is immers
+uw god Boeddha een onwaardige! Neemt nu eens uw districtsrechter. Al
+zoudt gij hem ook nooit hoffelijkheden bewijzen en vleien, toch zal
+hij u, als gij maar goede en vlijtige menschen zijt, die uw plicht
+doet, met groote welwillendheid behandelen. Overtreedt gij echter de
+wetten, pleegt gij daden van geweld en matigt gij u de rechten van
+anderen aan, zoo zal hij, al hebt gij ook allerlei middelen en wegen
+om hem te vleien, toch ontevreden over u zijn en zulk gespuis uit de
+maatschappij weten te verwijderen.
+
+"Gij zegt, dat uwe vereering van Boeddha u vergeving der zonden
+verschaft, doch, stelt nu eens, dat gij in een of ander opzicht de wet
+hebt overtreden en in de rechtszaal verschijnen moet, om uw straf te
+vernemen, meent gij dan, dat de rechter u zal sparen, al roept gij ook
+nog zoo dikwijls, al ware het duizend malen: Genadigste heer rechter?
+
+"Gij wilt echter, om voor ieder geval gedekt te wezen een paar
+Boeddhistische en Taoïstische priesters bij u hebben, opdat zij u de
+heilige boeken voorlezen en u de biecht afnemen: want gij gelooft,
+dat het voorlezen der boeken de ellende verdrijft, geluk aanbrengt en
+het leven verlengt. Maar stel nu eens, dat gij u tevreden stelt met
+de verschillende gedeelten van dit "heilig edict" eenige duizende
+of honderdduizende malen te lezen, zonder daarnaar te handelen,
+meent gij dat de keizer daarover bizonder verrukt zal zijn, u met
+geld beloonen en in het ambt bevorderen zal?"
+
+Tot dusverre dit "heilig edict." We kunnen er uit zien, dat zeven
+eeuwen niet veel hebben veranderd in de opvatting der Chineesche
+geleerden. Doch--terwijl de dogmatische zijde van het Boeddhisme weinig
+genade vond in de oogen der orthodoxe volgelingen van Confucius, heeft
+zich, sedert de Sang-dynastie, in de school van Chu hi, een sterke
+neiging tot Boeddhistische en Taoïstische bespiegelingen vertoond. In
+het bizonder wat betreft vragen over de kosmogonie, het ontstaan
+der wereld. Terwijl de geleerden zich met bespiegelingen over deze
+onderwerpen bezig hielden, wijdden zij zich ook, sinds de 12e eeuw,
+aan de oplossing van vraagstukken, die ons als spel moeten voorkomen,
+doch die daarom niet minder de knapste koppen uit dien tijd in beslag
+namen en daarom althans een korte vermelding verdienen.
+
+Ho tu Loh shu, "het plan van Ho en de rol van Loh", is de Chineesche
+naam voor de mythische overleveringen, waarop blijkbaar "het groote
+plan" van den graaf van Ki berust. Het "groote plan" is de titel
+van een der geschriften van Shu-king, het boek der historische
+opteekeningen, dat in acht afdeelingen voorschriften behelst over
+de wijze, waarop het volk door de volkomenheid van den vorst en de
+daaruit voortvloeiende voortreffelijkheid der regeering gelukkig en
+tevreden kan worden. Dit geschrift werd blijkbaar tegen het einde der
+12e eeuw door den keizer Wu aan den graaf van Ki meegedeeld, welke,
+hoewel door den laatsten heerscher der Shang dynastie ingekerkerd,
+toch de aan dezen gezworen trouw wilde houden en den nieuwen keizer
+niet wilde huldigen. Ja toen hij door dezen in vrijheid werd gesteld,
+vluchtte hij naar Korea, met welk land hem Wu ten slotte zou hebben
+beleend.
+
+In het gedeelte van den commentaar op I-king, dat aan Confucius
+wordt toegeschreven, heet het: De gele rivier (Ho) bracht het plan
+voort en de rivier Loh de rol. In de "gesprekken" zegt Confucius:
+de rivier brengt geen plan meer voort, en op een andere plaats vindt
+men: de rivier bracht het plan van het paard voort.
+
+Naar deze grondslagen fantaseerde Kung Ngan Kwoh, een afstammeling van
+Confucius in het 12e lid, een man die in de 2e eeuw voor Christus bij
+het terugvinden en verklaren der kanonieke geschriften een groote rol
+speelde, de volgende geschiedenis: Een draak (een gevleugeld paard)
+steeg op uit de wateren der gele rivier. Hij vertoonde op zijn rug
+een rangschikking van zinnebeelden, waaruit de (fabel) keizer Fu hi
+het systeem van Pa kwa (acht maal drie letters) afleidde. Ook toonde
+een goddelijke schildpad aan den witten Yü een rol, die beschreven
+was met getallen van uit één tot negen teekens bestaande waaruit dan
+Yü den grondslag zijner negenvoudige wijsbegeerte zou hebben gevormd.
+
+Sedert de dynastie van Han hebben de Chineesche geleerden zich met
+deze beide mystieke openbaringen (het plan en de rol) het hoofd
+gebroken, doch onder de dynastie van Sung werd, voor het eerst
+tijdens de regeering van keizer Hwei Tsung (1106-1125) beproefd om
+die zinnebeelden in beeld te brengen en uit hen de grondslag eener
+diepzinnige of kinderachtige (het oordeel hierover is verschillend)
+philosophie der getallen af te leiden. Eerst onder Sung's regeering
+nam men echter deze quaestie met ernst ter hand en slechts een enkele
+geleerde dier dagen, An yang sin, die van 1017-1072 leefde, heeft het
+gewaagd het bestaan van het paardeplan en de schildpadrol te loochenen.
+
+De volgende eeuwen hielden aan de commentaren van Chu hi [150] en
+zijn school vast; eerst tegen het einde van de 16e eeuw begon zich
+de kritiek daartegen te verheffen, en korten tijd voor den val van
+den laatsten keizer uit de dynastie Ming richtte een aantal van
+beroemde geleerden aan dezen het verzoek om de oudere teksten en
+commentaren aan de staatsexamens ten grondslag te leggen: dat wil
+zeggen den invloed der Boeddhistische en Taoïstische leeringen op
+het staats-Confucianisme te breken.
+
+De met den ondergang der Ming-dynastie en der verovering van China door
+de Mandschoeren gepaard gaande strijd en onrust lieten het denkbeeld
+echter niet tot uitvoering komen, maar het telt nog talrijke aanhangers
+onder de Chineesche letterkundigen, al vindt het ook in den nieuweren
+tijd geen bepaald officieuse uitdrukking in een protest tegen het
+aanhouden der nog steeds als orthodox geldende verklaringen van Chu hi.
+
+De thans in China regeerende Mandschoe-dynastie heeft meer dan
+een harer voorgangsters voor de bewaring en onderhouding van het
+Confucianisme gedaan. Zeker wel omdat zij, door eerbied voor wat
+den Chineezen het dierbaarste is, de vreemde overheersching minder
+drukkend wilde doen schijnen. Zij heeft echter ook meer dan eene der
+vroegere regeeringen het Confucianisme voor haar doeleinden gebruikt
+en zijne leeringen voor staatsdoeleinden pasklaar gemaakt. De sterkste
+uitdrukking vindt deze politiek in het door keizer Kang hi in 1670
+bekend gemaakte "heilige edict", dat in zestien afdeelingen alles
+samenvat, wat de onderdaan heeft in acht te nemen.
+
+De keizer gaf deze verordeningen, toen hij 16 jaar oud was:
+waarschijnlijk daartoe genoopt door het politiek drijven van met het
+Taoïsme samenhangende vereenigingen. Als grond van zijn edict gaf hij
+deze overweging, "dat de zedelijkheid sedert eenigen tijd dagelijks
+was afgenomen en de harten der menschen niet meer dezelfde waren als
+vroeger." Als vader zijns volks wilde hij in weinige stellingen de
+grondregelen aangeven, die zijn leerlingen tot richtsnoer in alle
+betrekkingen des levens moesten dienen en wier opvolging hen zelve
+goed en gelukkig, hem echter tot heerscher van een talrijk, goed
+gevoed en beschaafd volk zou maken.
+
+Het edict moest op den 1en en den 15en van iedere maand overal openlijk
+worden voorgelezen, wat ook thans nog in zooverre geschiedt, dat een
+der afdeelingen wordt voorgelezen, verklaard en uitgelegd. Behalve
+de beambten, die daarbij krachtens hun betrekking tegenwoordig moeten
+zijn, komen er echter gewoonlijk slechts enkele toehoorders.
+
+Bij herhaling heeft men beproefd om bij deze voorlezingen een grooteren
+kring van toehoorders bijeen te brengen; zoo voor eenige jaren in
+Canton, met het doel om de zendelingen tegen te werken.
+
+Iedere afdeeling bestaat uit zeven teekens, van welke de eerste drie
+het voorschrift behelzen, de laatste drie het doel, dat men door de
+opvolging van het geschrift bereikt: een in China zeer gebruikelijke
+verbinding van nuttigheid en leering. Het vierde teeken is in iedere
+afdeeling hetzelfde en beteekent "om" of "opdat".
+
+Van ieder der 16 sententiën schreef keizer Yung Cheng, de zoon
+en opvolger van Kang hi, in 1724 een verklaring, welke bij de
+voorlezingen de plaats van vroegere verklaringen inneemt. Een nog
+uitvoeriger omschrijving werd later in 't licht gegeven door zekeren
+zout-commissaris in Shensi, Wang Yü po geheeten. Deze wordt als een
+waar meesterstuk beschouwd, omdat zij zoo begrijpelijk is en door het
+invlechten van historische voorbeelden, aanhalingen en spreekwoorden
+zoowel leerzaam als onderhoudend mag heeten. De straks aangehaalde
+pleitrede tegen Boeddha en Tao [151] is hier weggelaten. Overigens zijn
+er vele pogingen gedaan om "het heilige edict" populair te maken. In
+1681 gaf zekere districts-magistraat in Anhui, Liang Yen nien,
+een werk uit met 200 platen, welke, evenals de daarbij behoorende
+geschiedenissen bestemd waren om de voorschriften des keizers op te
+helderen en te illustreeren.
+
+In 1879 werd een ander dergelijk werk in Shanghai door een Chineesch
+photographisch instituut gepubliceerd en in Canton bestaat een
+omschrijving van het edict in verzen.
+
+We laten nu, hier en daar een enkele opmerking makend, de verschillende
+sententiën van dit edict volgen:
+
+1. Neemt de kinderlijke en broederlijke plichten in acht, opdat de
+wederkeerige betrekkingen des levens behoorlijk in stand blijven.
+
+2. Acht uw bloedverwanten, opdat gij de voordeelen van een goede
+verstandhouding moogt toonen.
+
+3. Leeft op goeden voet met uw naburen, opdat gij rechtsquaesties
+moogt vermijden. [152]
+
+4. Legt u toe op den landbouw en het kweeken van moerbeiboomen [153]
+om voldoende voeding en kleeding te hebben.
+
+5. Weest spaarzaam om onnuttige uitgaven te vermijden.
+
+6. Houdt de studie der wetenschap in eere, opdat gij de leerlingen
+leidt op den rechten weg.
+
+7. Vernedert valsche leringen, [154] om de ware leer te verhoogen.
+
+8. Verklaart de wetten, om de onwetenden en hardnekkigen te
+waarschuwen.
+
+9. Weest hoffelijk en toegevend om de zeden te verbeteren.
+
+10. Blijft getrouw aan uw eigenlijke bezigheden, opdat de wil des
+volks onveranderlijk zij. [155]
+
+11. Onderwijst de jeugd, opdat zij verhinderd worde kwaad te doen.
+
+12. Laat alle valsche beschuldigingen achterwege, opdat de onschuldigen
+beschermd worden.
+
+13. Waarschuwt allen, geen deserteurs (die het vaandel verlaten)
+bij zich op te nemen, opdat zij niet in hun straf deelen.
+
+14. Betaalt uwe belastingen, opdat gij niet dikwijls gemaand behoeft
+te worden.
+
+15. Vereenigt u tot tien en honderdtallen, om roof en diefstal uit
+te roeien. [156]
+
+16. Weest verdraagzaam jegens elkaar, opdat het leven in achting blijve
+(opdat er bij den strijd geen verwondingen en doodslagen voorvallen.)
+
+Het gezond menschenverstand, dat in de aangehaalde plaatsen, welke uit
+de geschriften van orthodoxe philosofen getrokken zijn, een zoo groote
+plaats beslaat, is, indien men allerlei bluf en versiering, alsmede de
+later eerst opgekomen speculaties van Boeddhisme en Taoïsme er buiten
+rekent, nog altijd de grondslag van de tegenwoordige philosophie, die
+onder den naam van Confucianisme de gansche Chineesche maatschappij,
+van de familie tot den staat toe, doortrekt.
+
+Trots alle bijgeloovige uitwassen, die uit Boeddhisme en Taoïsme
+zijn voortgekomen, of die zich in aansluiting daaraan uit den ouden
+staatsgodsdienst ontwikkelden en die in de hoogste, zoowel als in
+de laagste kringen hunnen invloed doen gelden: ja, officieel worden
+gehuldigd--trots dat alles ligt er toch in het Staats-confucianisme
+een voor familie en staat zeer beschavende macht.
+
+Aan den invloed dezer, zich tegen alle ruwheid en onzedelijkheid
+verzettende leer op de omliggende volken heeft China het te danken
+gehad, dat zijn philosophie tegenover deze volken een zelfde rol
+heeft vervuld, als in Europa de Grieksche en Romeinsche beschaving
+en later het Christendom.
+
+Natuurlijk hebben echter die omliggende volken niet alleen de
+deugden, maar ook de gebreken dezer beschaving overgenomen. Bij
+die gebreken denken wij vooral aan de steeds grootere afsluiting
+van andere geestelijke stroomingen en de daaruit voortvloeiende
+zelfoverschatting, waaruit zich dan de levenlooze onbewegelijkheid
+ontwikkelde, die wij in China, Annam en Korea ontmoeten, en waaraan
+slechts Japan zich--zeker ook omdat het Mongoolsche bloed hier niet
+onvermengd is--heeft ontworsteld.
+
+Welke verwijten men in dezen echter aan de Chineesche philosophie
+moge doen, men mag niet vergeten, dat zij China voor vele droevige
+verschijnselen, die wij in de snel voortgaande westersche beschaving
+opmerken, bewaard heeft.
+
+Men denke aan de inquisitie en het anarchisme, beiden door zoo talrijke
+klassen in het westen verheerlijkt. Voor zulke dingen is China gespaard
+gebleven. Nu moge men zeggen, dat ook in China de praktijk soms niet
+beantwoordde aan de theorie, wij vragen, waar dat geheel het geval
+is en merken op, dat de philosophie van Confucius heeft bereikt,
+wat voor andere stelsels onbereikbaar is gebleven, namelijk dat zij
+niet slechts het eigendom werd van enkele bevoorrechten, maar van de
+geheele volksmassa.
+
+Ook merken wij op, dat het zijn waarde kan hebben om, waar de
+tegenwoordige Europeesche philosophie in een alles afbrekend en
+vergiftigend pessimisme en cynisme ontaardt, zich in zijn zwartgallige,
+onpraktische bespiegeling eens te laten temperen door de wereldwijsheid
+der oude Chineezen, al moge zij wat "huisbakken" zijn.
+
+Waar nu de philosophische leeringen van oude tijden af tot nu toe
+zulk een grooten invloed uitoefenden op de denk- en handelwijze van
+het geheele Chineesche volk en deze zeker ook in de toekomst zullen
+uitoefenen, moeten wij, behalve deze leeringen, ook de werken kennen,
+waarin zij ons zijn bewaard gebleven.
+
+Wij willen daarom, vooral voor hen, die lust mochten hebben op dit
+gebied wat dieper dan de oppervlakte te gaan, een kort overzicht van
+namen, schrijvers, inhoud en ouderdom dier werken geven.
+
+
+
+
+
+VII. De klassieke boeken der Chineezen.
+
+
+De Chineezen spreken gewoonlijk van de "vijf Kings" en de "vier
+Shu's". De eersten zouden wij de vijf groote, de anderen de vier
+kleine klassieken kunnen noemen.
+
+De groote klassieken zijn volgens deze indeeling de volgende:
+
+
+ 1. I-king, het boek der veranderingen.
+ 2. Shu-king, het boek der geschiedkundige aanteekeningen.
+ 3. Shi-king, het boek der liederen.
+ 4. Li-ki, het boek der ceremoniën.
+ 5. Chun-chiu, de kroniek van Confucius met het geschiedkundig
+ verhaal van Tso chiu ming.
+
+
+De kleine klassieken zijn:
+
+
+ 1. Lun-yü, de gesprekken van Confucius.
+ 2. Ta-hio, de groote leer.
+ 3. Chung-yung, het onveranderlijke midden.
+ 4. De werken van Mencius.
+
+
+Noch het getal der werken, noch de boeken, die tot ieder der
+hoofdwerken behooren, noch de bestanddeelen dier kleinere werken of
+hun namen zijn altijd dezelfde geweest; er zijn vijf, zes, negen,
+tien en dertien "kings" geweest. Deze naam "Kings" is eerst sedert
+de dynastie van Han, in de laatste twee eeuwen vóór onze jaartelling
+voor alle boeken gebruikelijk geworden, die men als kanoniek en
+van onwankelbaar gezag beschouwde. Tegenwoordig, onder de Mandschoe
+dynastie, welke sedert 1643 in China heerscht, wordt, behalve van de
+"vijf kings" en de "vier shu's" ook dikwijls van de dertien "klassieke
+werken" gesproken. Deze zijn dan:
+
+
+ 1. Het boek der veranderingen.
+ 2. Het boek der geschiedkundige aanteekeningen.
+ 3. Het boek der liederen.
+ 4. Chau-li, het boek over de staatsinstellingen onder de Chau
+ dynastie.
+ 5. I-li, het boek der gebruiken.
+ 6. Het boek der ceremoniën.
+ 7. De kroniek van Confucius met het geschiedkundig verhaal van
+ Tso chiu ming.
+ 8. Dezelfde kroniek met het geschiedkundig verhaal van Kung yang.
+ 9. Dezelfde kroniek met het geschiedkundig verhaal van Ku liang.
+ 10. De gesprekken van Confucius.
+ 11. De geschriften van Mencius.
+ 12. Hsiao-king, het boek van de kinderlijke liefde.
+ 13. Het oude woordenboek Urhya.
+
+
+Onder die dertien worden niet genoemd de volgende drie werken, die
+echter ook als klassiek gelden:
+
+
+ 14. Ta-hio, de groote leer.
+ 15. Het onveranderlijke midden (Chung yung).
+ 16. De Bamboeboeken.
+
+
+Wat het ontstaan, de schrijvers en voor een deel ook den inhoud
+dezer werken aangaat; daarover zijn bijna evenveel meeningen,
+als er Chineesche critici zijn, die zich met deze vragen hebben
+beziggehouden. Dit is niet te verwonderen, daar bijna geen dezer
+boeken ons ongeschonden is overgeleverd en de tekst dikwijls
+onverstaanbaar is. Wat de een beslist voor waarheid aanneemt,
+wordt door den ander met evenveel beslistheid verworpen. Zelfs de
+gedurende langen tijd als gezaghebbend erkende verklaringen van Chu
+hi en zijne leerlingen in de 12e eeuw, zijn onder de tegenwoordige
+dynastie dikwijls bestreden. Evenwel vertegenwoordigen zij nog altijd
+de geijkte opvatting, waarvan men bij bekendmakingen van staatswege
+uitgaat. De nu volgende opgaven geven de thans vrij algemeen geldende
+opvattingen over de klassieke werken weer.
+
+
+
+1. I-king, het boek der veranderingen.
+
+De I-King is een boek, bestemd om de voor doeleinden van waarzeggerij
+gebruikte, uit heele en gebroken lijnen bestaande 8 trigrammen,
+evenals de daaruit afgeleide 64 hexagrammen te verklaren. [157] Die
+teekenen zelf zijn zeker ouder dan de 12e eeuw voor Christus. De
+korte verklaringen bij de hexagrammen en de uitweidingen over de
+onderdeelen, waaruit deze samengesteld zijn, worden gezegd afkomstig te
+zijn van Wen Wan (1251-1135 v. C.), den vader van den eersten keizer
+der Chau-dynastie en van Chau kung, den broeder van dien eersten
+keizer. De andere tien afdeelingen van het werk worden--waarschijnlijk
+ten onrechte--aan Confucius toegeschreven.
+
+Op een onbevooroordeeld lezer maken de oudste gedeelten van den
+I-king den indruk van een waarzeggersboek van weinig meer waarde
+en beteekenis, dan dergelijke werken gewoonlijk hebben. Eerst in
+het laatste, meer exegetische deel van het werk, wordt beproefd om
+in de oorspronkelijk geomantische verklaringen een philosophische
+beteekenis te leggen. Dit kan ons niet verwonderen, want ook bij
+andere volken zijn alchemie, astrologie en andere zwarte kunsten
+sterk met philosophische symboliek en mystiek dooreengewerkt.
+
+Het belangrijkste gedeelte van het werk, waaraan echter de bekende
+Duitsche wijsgeer Leibnitz een zeker te groote waarde toekende,
+is wel de derde der laatste verhandelingen (afdeeling 5 en 6). Deze
+bevat naast uitvoerige mededeelingen over de wijze van het verklaren
+van teekenen een rijk magazijn van oudheidkundige aanteekeningen en
+bespiegelende wijsbegeerte.
+
+Confucius stelde den I-king zeer hoog. Driemaal moesten de riempjes,
+welke de plankjes bijeenhielden, waarop in zijn exemplaar de tekst was
+ingesneden, worden vernieuwd. Ja, hij placht te zeggen, dat, als hij
+50 jaar aan de studie van I-king kon wijden, hij hopen mocht, daardoor
+zoover gevorderd te zijn, dat hij geen groote gebreken meer bezat.
+
+Terwijl nu Confucius en zijne aanhangers dit werk zoo vereerden, is
+het dubbel merkwaardig, dat ten slotte de Taoïsten zich geheel en al
+van de uitlegging hebben meester gemaakt en dat de thans officieel
+geijkte verklaring van dit werk afkomstig is van den Taoïst Ch'èn
+tw'an. Deze man leefde eenigen tijd aan het hof van Tai tsung,
+den tweeden keizer der Sung dynastie (976-997) en werd door dezen
+geroepen om hem in de geheime wetenschappen te onderrichten. Later
+trok hij zich in de eenzaamheid terug, waar hij ook stierf.
+
+Bij de vernietiging der boeken (van de wijsgeeren) onder keizer
+Tsing Shi Hwangti [158] werd de I-king als op de waarzeggingskunst
+betrekkelijk, verschoond. Toch was een deel van den, zooals wij reeds
+vermeldden, aan Confucius toegeschreven commentaar, verloren gegaan
+en werd dit eerst ongeveer 78-42 v. C. onder tamelijk romantische
+omstandigheden door een meisje teruggevonden in de ruïnen van een
+oud huis.
+
+
+
+2. Shu-king, het boek der geschiedkundige aanteekeningen.
+
+De Shu-king, zooals wij dien thans kennen, bevat de overblijfselen
+van een voorheen veel omvangrijker verzameling van geschiedkundige
+beschrijvingen en documenten uit de jaren 2357-627 v. C. Aan de
+echtheid van de gedeelten welke ongeveer 2197 v. C. en daarna
+zijn geschreven, wordt niet getwijfeld, terwijl met betrekking tot
+de andere, daaraan voorafgaande stukken wordt aangenomen, dat de
+schrijvers uit oudere stukken hebben geput.
+
+De zeer geestvolle en zeker doeltreffende verklaring, door den
+geleerden vrijheer von Richthofen over een van deze oudste stukken, de
+schatting van Yü gegeven, doet zien, dat er in dit werk nog gewichtige
+resultaten zijn te vinden voor diegenen, welke den moed hebben zich
+te bevrijden van de boeien der Chineesche verklaarders, wier opvatting
+gewoonlijk ook door de meeste vreemde vertalers wordt gevolgd.
+
+Wat de geloofwaardigheid van dit werk betreft: Mencius zegt er van,
+dat het veel beter zou zijn, den geheelen Shu-king niet te bezitten,
+dan daaraan onbepaald geloof te slaan. Confucius, wien men ook (ten
+onrechte) dit werk toeschrijft, haalt het telkens aan.
+
+Een deel van den thans als geldig beschouwden tekst wordt door de
+beste critici voor apocrief gehouden. Wat er van over is, bestaat uit
+enkele stukken, die bij de vernietiging der boeken gered en toen op
+eenigszins wonderbare wijze weer aan den dag zijn gebracht.
+
+
+
+3. Shi-king, het boek der liederen.
+
+De bekende geschiedschrijver Sze ma tien schrijft dit werk aan
+Confucius toe, doch zijne verzekering is ongeloofwaardig. Immers
+reeds lang vóór Confucius werden verschillende der hier voorkomende
+liederen met dezelfde namen genoemd, die zij later ook droegen.
+
+Ook de Shi-king ontging in de dagen der Tsin-dynastie de vernietiging
+niet. Doch, daar velen de liederen en gezangen daaruit van buiten
+kenden, werd het boek spoedig weer hersteld.
+
+In zijn tegenwoordige gedaante bestaat het werk uit 305 stukken,
+in vier groote afdeelingen samengevat, van welke de eerste afdeeling
+160 liederen: spotliederen, straatliederen, liefdes- en volksgedichten
+behelst. In de tweede afdeeling zijn 74 feestgezangen, oorspronkelijk
+bestemd voor het keizerlijk hof, doch later ook aan de hoven der
+vorsten gezongen. In de derde afdeeling zijn 31 gezangen, die eveneens
+aan het keizerlijk hof werden voorgedragen en wel, wanneer er feesten
+gegeven werden ter gelegenheid van het bezoek der onderhoorige vorsten,
+terwijl de vierde afdeeling 40 gezangen telt, welke gebruikt werden
+bij de ceremoniën in de hal der voorouders en bij de offers.
+
+Van de liederen oordeelt men, dat er 108 afkomstig zijn van den tijd
+tusschen 1765-1065 v. C., verder 156 van tusschen 1076-696, en de
+rest van af 696-585 v. C. Waarschijnlijk zijn deze opgaven niet ver
+van de waarheid.
+
+De Shi-king bevat vele stukken, die van groote dichterlijke waarde
+zijn. De Chineesche commentatoren hebben echter (evenals ook sommige
+vreemde vertalers), al hun best gedaan om den zin van de mooiste
+stukken te bederven, door deze namelijk ten onrechte als satyren
+op onzedelijke toestanden, of als afschrikwekkende schilderingen te
+gaan beschouwen.
+
+
+
+4. Chau-li, de staatsinrichtingen der Chau-dynastie.
+
+Dit, zooals men aanneemt, door Chau-kung in de 12e eeuw
+v. C. geschreven werk, bestaat in zijn tegenwoordige gedaante
+waarschijnlijk uit eenige oude gedeelten, met latere onechte
+toevoegselen uit den tijd der Han-dynastie vermeerderd. Chau-li
+werd door de Tsin-dynastie met bizonderen haat vervolgd en eerst in
+het jaar 40 v. C. door een der keizerlijke bibliothecarissen weer
+uitgegeven. Deze voegde een der verloren gegane stukken: het boek
+der handwerkers, er nieuw bij.
+
+Het werk behelst een soort hof- of staatskalender der dynastie
+Chau, waarin de verschillende ambten, het getal en de werkkring der
+waardigheidsbekleeders worden vermeld.
+
+
+
+5. I-li, het boek der gebruiken.
+
+Het allereerst vinden wij dit boek aangehaald bij Mencius, in de 4e
+eeuw voor Christus. Toch is het aan geen twijfel onderhevig, of een
+deel van de voorschriften, die men in dit werk vindt over handelwijzen
+bij bizondere gelegenheden, is reeds uit de dagen van Confucius of
+uit nog vroeger tijd afkomstig. Na de vernietiging der boeken kwam
+in de 2e eeuw v. C. een tekst van I-li, spoedig door een tweeden
+gevolgd voor den dag. Uit deze beide teksten is de tegenwoordige
+samengesteld. De titel "I-li" dagteekent uit den tijd der Han-dynastie.
+
+
+
+6. Li-ki, het boek der ceremoniën.
+
+De Li-ki is het derde en jongste der werken, in wier naam het teeken
+"Li" (gebruiken) voorkomt. Terwijl echter de beide andere werken op
+dit gebied, I-li en Chau-li, althans voor een deel zeer oud zijn:
+meer dan 1000 voor C. geschreven--is de Li-ki zeker niet voor de 2e
+eeuw onzer jaartelling voltooid.
+
+Li-ki behelst de oude commentaren over de onderwerpen, in het boek
+I-li behandeld en is, in zijn tegenwoordigen vorm een werk van Tae,
+den jongere. Diens oom, Tae, de oudere, gaf reeds vroeger een werk uit,
+"Ta Tae Li" d. i. de gebruiken van Tae den oudere, geheeten.
+
+Dit laatste boek (van den oom) was onder de dynastie Han niet bizonder
+in tel, doch nieuwere critici hebben het in zijn eer hersteld: het
+bevat namelijk den kalender der Hsia-dynastie, die, indien hij echt
+mocht zijn, ons sterrekundige opgaven geeft van 2000 jaar vóór onze
+jaartelling.
+
+
+
+7. 8. 9. Chun-Chiu, de kroniek van Confucius.
+
+Chun-Chiu beteekent letterlijk: herfst en voorjaar. De bedoeling
+echter is om met die twee jaargetijden het geheele jaar aan te duiden,
+alzoo: jaarboek. Het is een kroniek van het geheele Chineesche rijk
+over 722-484 v. C., geordend volgens de chronologie van den vorst
+van Lu. Deze kroniek wordt, door Mencius het eerst, aan Confucius
+toegeschreven.
+
+Ondanks den buitengewonen lof, dien de Chineesche verklaarders
+voor dit werk hebben, is het een droog, onnauwkeurig en onvolledig
+werk. Indien Confucius de maker van dit werk is, heeft hij daarbij al
+zonderlinge beginselen gevolgd: nl. om personen en feiten, waarmede
+hij niet ingenomen was, eenvoudig weg te laten.
+
+Het dor geraamte dezer kroniek krijgt eerst leven door de drie
+geschiedkundige vertellingen van Tso chiu ming, Kung yang en Ku liang,
+waarvan vooral het eerste verhaal allerlei belangrijke bizonderheden
+bevat.
+
+De verhalen en verklaringen in dit boek zouden mondeling zijn
+overgeleverd en eerst onder de dynastie van Han zijn opgeschreven. Wie
+de commentatoren waren (sommige critici houden deze zelfs voor
+mythische personen) is niet bekend.
+
+
+
+10. Lun-yü, de gesprekken van Confucius.
+
+Blijkbaar is dit boek door de leerlingen van de leerlingen van
+Confucius vervaardigd. Wij bezitten het vrijwel in den vorm, dien het
+in de tweede eeuw v. C. verkreeg of toen bezat. Het bevat allerlei
+antwoorden en uitlatingen van den wijze naar aanleiding van vragen,
+'t zij van zijn leerlingen, 't zij van andere personen. Dit een
+en ander is noch chronologisch, noch op andere wijze geordend. In
+sommige afdeelingen, voornamelijk in de 10e, vinden wij een uitvoerige
+beschrijving van de houding en de gewoonten van Confucius.
+
+
+
+11. De werken van Mencius.
+
+Men is het er niet over eens, wie eigenlijk de schrijver van deze
+boeken is. Sommigen schrijven de zeven afdeelingen, waaruit het
+bestaat, aan Mencius zelven toe, [159] anderen aan zijn leerlingen,
+nog anderen aan beiden gezamenlijk. Bij de vernietiging van de boeken
+schijnen de geschriften van Mencius te zijn gespaard, wellicht omdat
+hierin geleerd werd, dat de keizerlijke waardigheid aan den waardigsten
+toekwam en Mencius daardoor eenigszins partij had gekozen tegen de
+Chau dynastie, die later den troon aan de vorsten van Tsin verloor.
+
+In weerwil van de opmerkzaamheid, die de commentatoren aan Mencius
+wijdden, werden zijn geschriften toch eerst in 1088 n. C. onder de
+klassieken opgenomen en aan hun vervaardiger een plaats in de tempels
+van Confucius aangewezen.
+
+De eerste keizer der Ming dynastie, Hungwu, liet hem echter in 1372
+daaruit weer verwijderen, daar hij ééne plaats in diens werken als een
+onvergeeflijke misdaad tegen de vorstelijke waardigheid aanzag. In die
+plaats wordt namelijk geleerd, dat wanneer een vorst zijn ministers als
+aarde en gras beschouwt, zij hem als een vijand en roover beschouwen
+[160].
+
+Terzelfdertijd, dat de naam van Mencius uit de tempels verwijderd
+werd, maakte men eene verordening, waarin bepaald werd, dat ieder,
+die tegen deze handelwijze bedenking maakte (nl. tegen het verwijderen
+v. Mencius' naam) wegens hoogverraad ter verantwoording zou worden
+geroepen.
+
+De vereerders van den wijze lieten zich echter, met de
+onverschrokkenheid en vrijmoedigheid, die in zulke gevallen dikwijls
+aan Chineezen eigen is, daardoor niet afbrengen van protesten tegen
+den door den keizer bevolen maatregel. Reeds in het volgend jaar werd
+deze ingetrokken, omdat, zooals een nieuwe keizerlijke verordening
+het uitdrukte, Mencius zich door het in 't licht stellen en te niet
+doen van kettersche leeringen een waardig geestverwant van Confucius
+had getoond. Mencius neemt thans onder die beroemde geestverwanten
+van Confucius de vierde, d. i. de laatste plaats in, een plaats,
+die hem in 1530 is aangewezen.
+
+Evenals de gesprekken van Confucius bevatten ook de werken van Mencius
+gesprekken en naast elkaar opgenoemde uitingen en antwoorden van den
+meester. Alleen is hier alles beter geordend.
+
+
+
+12. Hsiao-king, het boek der kinderlijke liefde.
+
+Dit werk behelst gesprekken over het bovengenoemd onderwerp, welke
+tusschen Confucius en een zijner leerlingen zijn gehouden en door
+dien leerling aan een kleinzoon van den wijze, Tsze sze, zouden
+zijn medegedeeld. De aanduiding van dit werk, als het boek der
+kinderlijke liefde is voor den inhoud niet geheel passend, want ook
+andere betrekkingen: als tusschen heer en dienaar (vorst en beambte)
+worden er in besproken. De juiste titel van dit werk zou zijn:
+algemeene plichtsbetrachting op den grondslag van kinderlijke liefde.
+
+Na den ondergang der Tsin dynastie werd een exemplaar van Hsiao-king
+weergevonden, later een tweede. Over de echtheid van dit werk oordeelen
+de critici zeer verschillend.
+
+
+
+13. Het woordenboek Urhya.
+
+Dit werk dagteekent van 500 jaar v. C.; het behelst echter ook
+oudere gedeelten, speciaal uit de 13e eeuw v. C. Gewoonlijk wordt
+als schrijver genoemd Tsze hia, een leerling van Confucius. Het boek
+bestaat uit 19 afdeelingen: de woorden zijn hierin geordend naar de
+verschillende soorten, bv. onder vogels, planten, huisdieren enz. De
+beteekenis van dit boek ligt vooral hierin, dat wij het beschouwen
+kunnen als de eerste vroege poging om orde in het voorhanden materiaal
+te brengen en dat het de uitdrukkingen verklaart, die in de klassieke
+en in andere werken voorkomen.
+
+
+
+14. Ta-hio, de groote leer.
+
+Over den maker van dit boek is niets bekend. De overlevering schrijft
+het toe aan Confucius' kleinzoon. Na den val der Tsin dynastie werd
+dit werk met andere werken teruggevonden. De toen gevonden tekst bleef
+lang de geijkte. Bij een in de 11e eeuw na C. ondernomen onderzoek van
+den tekst bracht men hierin een aantal veranderingen. De voornaamste
+daarvan was, dat als de tweede plicht der vorsten werd gesteld,
+hun volk "op te voeden", in plaats van "lief te hebben", zooals het
+vroeger heette.
+
+
+
+15. Chung-yung, het onveranderlijke midden.
+
+Dit werk wordt algemeen--en waarschijnlijk te recht--toegeschreven aan
+Confucius' kleinzoon. Hoewel enkele critici van een ander gevoelen
+zijn, kunnen wij toch aannemen, dat dit werk vrij volledig tot ons
+is gekomen.
+
+Naar de oude opvatting behooren "de groote leer" en "het
+onveranderlijke midden" bijeen. Een beroemd geleerde uit de 2e eeuw
+zegt daarover het volgende: "Toen Kung kih (d.i. Tsze sze) in nood
+en ellende in Sung leefde, vreesde hij, dat datgene, wat de oude
+wijzen geleerd hadden, later niet meer verstaan zou worden en dat
+alzoo de grondstellingen der oude keizers en vorsten in duigen zouden
+vallen. Daarom vervaardigde hij "de groote leer" als den inslag en het
+"onveranderlijke midden" als de schering.
+
+Inderdaad valt een innerlijke samenhang tusschen deze beide werken,
+die volgens Chu hi in oude tijden den grondslag voor de opvoeding
+der jeugd vormden, geenszins te miskennen.
+
+"De groote leer" onderwijst: "de deugd in daden te toonen, het volk op
+te voeden (of lief te hebben) en in de volkomenheid te blijven." Het
+"onveranderlijke midden" zegt: "Wat de mensch van den hemel ontvangen
+heeft is zijne natuur, wie in overeenstemming met deze handelt,
+wandelt op den weg van den plicht, dit pad te gaan leert de mensch
+door onderwijzing."
+
+Als een roode draad loopt door beide werken de grondstelling, dat
+ieder, in 't bizonder echter de vorst, door zijn voorbeeld kan en
+moet werken, en dat alzoo ieder, die dezen invloed wil uitoefenen,
+eerst zelf naar volkomenheid moet streven, terwijl de rechte weg
+om deze te bereiken, tusschen de beide uitersten ligt, welke moeten
+worden vermeden.
+
+
+
+16. Tshu-shu, de bamboeboeken.
+
+De bamboeboeken, d. w. z. een aantal bamboetafeltjes met daarop 100.000
+teekenen, schijnen in het jaar 279 n. C. gevonden te zijn in het graf
+van koning Sêang van Wei (deze stierf 295 v. C.). Deze tafeltjes,
+die reeds vroeger door ouderdom en vochtigheid veel hadden geleden,
+werden toen neergelegd in de keizerlijke bibliotheek. Een commissie
+van onderzoek, benoemd om er rapport over uit te brengen, ontdekte
+daarin 15 werken, waaronder een afschrift van I-king [161], benevens
+een aantal jaarboeken. Deze laatsten worden dan als de bamboeboeken
+aangeduid.
+
+Deze jaarboeken beginnen met de geschiedenis van China vanaf 3000
+v. C. Over 960-369 v. C. handelen zij over de geschiedenis van het
+vorstendom Tsin. Over 369 v. C.-295 n. C. over die van het vorstendom
+Wei. Met den dood van koning Sêang breekt de geschiedenis dan af.
+
+De beroemde geleerde en staatsman Fu Yü (222-284 n. C.) maakt er
+van gewag, als zoo juist geschied. Toch wordt aan de echtheid der
+bamboeboeken dikwijls getwijfeld. Waarschijnlijk omdat men hier, naast
+historische feiten, ook tal van fabelen en mystieke bespiegelingen
+vindt, die doen denken òf aan oorspronkelijke, sterk-Taoïstische
+invloeden, òf aan eene latere omwerking in dien geest. Eén van de
+in het graf gevonden werken is het reisverhaal van keizer Mu uit de
+dynastie Chau (1001-983 v. C.) Deze zou de westelijke goddelijke
+moeder, Si wang mu, in het Kuenlüngebergte bezocht hebben: de
+fabelachtigste voorvallen worden aangaande het vinden dezer boeken,
+met dag en datum, opgenoemd.
+
+Een werk, dat zich bezig houdt met het leven en met de uitspraken
+van Confucius en dat hoewel zeker apocrief, toch wegens de vele
+overleveringen, welke uit den tijd van zijne vervaardiging, de 3e eeuw
+n. C. afkomstig zijn, in een grooten roep staat, is Kung tsze kia yu
+d.i.: uitspraken van Confucius in den kring zijner leerlingen. Zulk
+een boek bestond reeds vóór het begin onzer jaartelling. Dat oude werk
+is echter verloren gegaan. Wat wij nu hebben is een werk van zekeren
+Wang Suh, die zich de vervaardiger van den bijbehoorenden commentaar
+noemt, doch den tekst, naar hij beweert, van een der nakomelingen
+van Confucius heeft ontvangen.
+
+
+
+Behalve de klassieke boeken of andere, die daartoe min of meer worden
+gerekend, zijn er een groot aantal andere boeken, wier schrijvers,
+hoewel eveneens kanoniek verklaard en met de hoogste titels na hun dood
+vereerd, toch geen plaats hebben gevonden in het orthodoxe Pantheon:
+de tempels van Confucius.
+
+Dit zijn namelijk de geschriften der Taoïsten, een literatuur,
+die zóo grooten invloed op den ontwikkelingsgang der Chineezen
+heeft uitgeoefend, dat wij haar niet onvermeld mogen laten. Wat dien
+invloed betreft: deze werd niet zoozeer uitgeoefend door het zuivere
+Taoïsme, als wel door de latere ziekelijke ontaardingen der leer,
+die feitelijk met de oorspronkelijke slechts in verwijderd verband
+staan. Het hoofdwerk der Taoïstische richting is het: Tao teh king,
+het boek van den weg en van de deugd. Als de vervaardiger daarvan,
+wordt algemeen Li R. beschouwd gewoonlijk Lao tsze genoemd. Deze
+leefde waarschijnlijk tegen het einde der 6e eeuw v. C. en bekleedt
+in het Taoïsme dezelfde plaats als Confucius in de naar hem genoemde
+leer. Beiden waren verklaarders en verbreiders: geen eerste apostelen
+hunner leer. De oude geschriften en overleveringen, waaruit Lao
+tsze putte, zijn echter niet meer aanwezig. Het Tao teh king is vaak
+moeilijk te verstaan, soms geheel onbegrijpelijk en heeft daardoor
+aan uitleggers en vertalers een welkome gelegenheid gegeven om hun
+scherpzinnigheid te toonen.
+
+De oudste commentaar dateert uit de 3e eeuw onzer jaartelling en is
+door Wang Pi gemaakt. Ook aan den bevelhebber der Hanku pas, Yin Hi,
+voor wien naar de legende, Lao tsze het Tao teh king schreef [162],
+wordt een werk, Kwan Yin tze genaamd toegeschreven. In het gedeelte der
+Han kroniek, dat zich met de verschillende boeken bezig houdt, wordt
+dit werk genoemd, zonder dat het echter verder bekend schijnt. Eerst
+in de 12e eeuw komt het plotseling voor den dag als een bezit der
+familie Sun Ting, met een voorrede van Liu Hiang (80-9 v. C.) Dit
+werk is zeer zeker een vervalsching, doch, eene uit oude dagen. Een
+geleerde van beteekenis moet het hebben geschreven.
+
+Twee leerlingen van Lao tsze, Lieh tsze en Chwang tsze, de eerste
+tot de 5e, de ander tot de 4e eeuw voor Christus behoorende, [163]
+hebben eveneens werken nagelaten, die door hunne leerlingen naar
+mondelinge overleveringen zouden zijn opgeschreven. Bij beiden treedt
+de mystiek op den voorgrond, bij Chwang tsze ook een zekere Cynische
+richting. Beide werken hebben hun grooten invloed uitgeoefend om
+het Taoïsme ver van zijn oorspronkelijke koers af te voeren. De
+belangrijkste commentaren op deze twee werken zijn eerst uit de 4e
+eeuw n. C. terwijl hun hoofdinvloed in de 8e eeuw, onder de dynastie
+Tang zich deed gelden.
+
+Een ander belangrijk voorstander van het Taoïsme is Huai Nan Tsze
+[164]. Deze naam is een aangenomene, waaronder prins Liu Negan,
+kleinzoon van den stichter der Han dynastie, schreef. Als ijverig
+aanhanger der Taoïstische leer, in het bizonder van de alchemistische
+richting daarin, verzamelde hij vele honderden van aanhangers en
+zocht met hen naar het elixer der onsterfelijkheid en den steen der
+wijzen. Hij stierf in 112 v. C. door zijn eigen hand, nadat een poging
+om zich van den troon meester te maken was mislukt. Zijn geschriften
+zijn eveneens door Liu Hiang uitgegeven.
+
+De verschillende opgaven, hierboven gedaan, hebben voldoende in het
+licht gesteld, hoe groote gapingen er zijn in de overlevering der
+gewijde teksten, en hoe er vaak eeuwen liggen tusschen de vervaardiging
+der oude teksten zelf en het verschijnen der ons bewaard gebleven,
+onontbeerlijkste commentaren.
+
+De oorzaak van deze, voor de kennis van het oude China en zijn
+philosophische lectuur betreurenswaardige gapingen is tweeërlei: 1e. de
+gebrekkige ontwikkeling van het schrift en het schrijfmateriaal:
+tafeltjes uit bamboe, waar men de teekens met een scherpe stift
+inkraste of instak. 2e. in de door keizer Tsin Shi Hwang ti in 213
+v. C. bevolen vernietiging der meeste klassieke werken, waarbij
+slechts min of meer verminkte exemplaren aan het vuur ontsnapten.
+
+De Chineesche schrijver Sze ma tsien (163-85 v. C.) heeft in zijn
+"historische opteekeningen" het uitvaardigen van het keizerlijk edict,
+dat de vernietiging der boeken en de bewaking der geleerden voorschreef
+zeer dramatisch voorgesteld. In werkelijkheid is zeker deze maatregel
+wel de vrucht van rijp overwegen geweest.
+
+Sze ma tsien dan bericht het volgende:
+
+"In 212 v. C. kwam de keizer van eene reis naar het zuiden terug. Hij
+gaf toen een feest in het paleis, waar ook de 70 groote geleerden (de
+professoren der keizerlijke academie) verschenen en hem begroetten. Een
+der ministers, Chau tsing shin, trad naar voren en sprak: "Vroeger
+was het rijk van Tsin slechts 1000 Li groot, doch uwe hoogheid heeft
+met een kracht en een verstand als van de godheid het gansche rijk tot
+rust gebracht en alle barbaarsche stammen verdreven, zoodat, zoover zon
+en maan schijnen, allen u als gasten hun onderdanigheid betuigen. Gij
+hebt de staten der verschillende vorsten in provinciën en districten
+veranderd, waarin het volk een gezegende rust geniet, vrij van de
+gevaren van den oorlog en van den strijd om de heerschappij. Deze
+toestand zal 10.000 geslachten duren. Nooit, sedert de oudste tijden,
+is iemand in verheven deugd aan uwe hoogheid gelijk geweest."
+
+Deze vleitaal beviel aan den keizer. Toen trad Shun Yu yüe, een
+der grootste geleerden, naar voren en zeide: "de heerschers uit het
+geslacht van Yin (Shang) hebben sedert meer dan duizend jaar hunne
+zonen, jongere broeders en verdienstelijke ministers met bezit en
+macht beleend en vonden zoo bij hen hulp en steun, gelijk ik wel
+vernomen heb. Nu echter heeft uwe hoogheid bezit genomen van alles,
+wat er tusschen de vier zeeën is, en uwe zonen en jongere broeders
+zijn personen zonder gezag. Het gevolg daarvan zal zijn, dat er één
+zal optreden om te doen als de oproermakers in vroegere tijden. Waar
+wilt gij dan, zonder de ondersteuning uwer familie, de hulp vinden,
+die gij dan wellicht noodig hebt? Dat een toestand, die niet op de
+leeringen der oudheid berust, lang kan bestaan, heb ik nog nooit
+gehoord. Tsing staat voor u als een vleier, die de dwalingen van uwe
+majesteit vermeerdert, doch niet als een trouw minister."
+
+De keizer verlangde daarop het oordeel der anderen over deze zaak
+te weten, waarop de eerste minister Li sze sprak: "De vijf keizers
+waren niet allen de een het voorbeeld van den ander, evenmin
+volgden de drie dynastiën elkaars maatregelen na. Ieder had zijn
+eigen regeeringssysteem, niet om wat anders te bedenken, maar omdat
+de veranderde tijden dat eischten. Uwe hoogheid heeft thans den
+grondslag der keizerlijke macht voor 10.000 geslachten gelegd. Dat
+is meer dan een eenvoudig professor kan verstaan. Buitendien spreekt
+Yüe slechts over zaken, die op de drie dynastiën betrekking hebben
+en die als voorbeelden voor u niet geschikt zijn. Vroeger, toen de
+vorsten tegen elkaar streden, zocht ieder hunner geleerden om zich
+heen te verzamelen, nu echter staat het rijk vast en welgegrond en
+de wetten en verordeningen gaan van één hoogste macht uit. Zij, die
+in hun woonplaatsen blijven, behooren hunne krachten aan den landbouw
+te wijden; zij, die geleerden willen zijn, behooren de verschillende
+voorschriften en wetten te bestudeeren. In plaats echter van alzoo
+te handelen, leeren de geleerden niets, dat op den tegenwoordigen
+tijd betrekking heeft: doch bestudeeren de oudheid. Zij gaan voort
+den tegenwoordigen tijd te veroordeelen, het volk op een dwaalspoor
+te brengen en het tot wanorde te verleiden.
+
+"Zelfs al zou mijn leven er gevaar door loopen, moet ik, de eerste
+minister, u dit zeggen. Vroeger, toen het rijk oneenig en vol onrust
+was, was er niemand, die het eenheid kon geven. Daarom stonden de
+vorsten op, ieder beriep zich op het verleden: tot schade van het
+tegenwoordige: allerlei bewegingen zonder grond werden opgesteld:
+de werkelijkheid sloeg men in het aangezicht. Velen pronkten met hun
+eigen wetenschap om te veroordeelen, wat hun vorst beval. En zelfs nu,
+nadat uwe hoogheid het rijk in vaste eenheid heeft gegrondvest, zelfs
+nu prijzen zij hun eigen wetenschap en steken de hoofden bijeen. Zij
+leeren aan het volk wat met de wet in strijd is. Hooren zij dat eene
+verordening zal worden uitgevaardigd, dan begint ieder daarover zijn
+wijsheid uit te kramen. Aan het hof houden zij hun misnoegen vóór
+zich: buiten op de straat schreeuwen zij het uit. Terwijl zij doen,
+alsof zij hun meester prijzen, is toch ieder er trotsch op, zijn
+eigen vreemdsoortige inzichten te hebben. Zoo brengen zij het volk
+tot oproerige woorden. Indien zulke dingen niet verboden worden,
+zal het gezag van uwe majesteit schade lijden en er zullen zich in
+den staat partijschappen vormen. Daarom: verbied ze. Ik verzoek u,
+dat alle kronieken, die in de handen der geschiedschrijvers zijn,
+met uitzondering alleen van die van het huis van Tsin, worden
+verbrand. Eveneens, dat in het gansche rijk allen, die exemplaren
+van den Shi-king of den Shu-king, of van de boeken der 100 scholen
+bezitten, met uitzondering van de professoren der academie, deze aan
+de beambten der districten moeten inleveren, om ze te verbranden. Dat
+voorts allen, die samen over Shu-king of Shi-king spreken, worden
+gevonnist en hun lichaam op de marktplaats worde terechtgesteld,
+dat zij, die het verledene prijzen ten koste van het heden, met al
+hun bloedverwanten worden gedood. Dat beambten, die kennis dragen
+van de overtreding dezer geboden en de overtreders niet aanwijzen,
+worden gestraft evenals de overtreders zelve, en dat, wie zijn boeken
+niet binnen 30 dagen na uitvaardiging dezer verordening heeft verbrand,
+gebrandmerkt wordt en naar den grooten muur wordt gezonden, om daaraan
+vier jaren te arbeiden. De eenige boeken, die men sparen kan, zijn
+die over de geneeskunde, de waarzeggingskunst en den landbouw. Wie
+de wetten wenscht te leeren kennen, kan naar de ambtenaren gaan en
+ze daar vernemen. Het keizerlijk besluit worde alzoo vastgesteld."
+
+Een jaar na de uitvaardiging van het edict werd de toorn des keizers
+opnieuw opgewekt door de vlucht van twee geleerden, die zijn bizondere
+gunstelingen waren geweest. Hij liet dus nauwkeurige nasporingen
+doen, of ook iemand van de geleerden booze woorden over hem gesproken
+had, of het volk tegen hem had opgestookt. Het bleek nu, dat meer
+dan 460 geleerden het verbod hadden overtreden. Zij werden allen,
+tot waarschuwend voorbeeld voor het volk, levend begraven, terwijl
+de wetten, tegenover alle verdachten, met verdubbelde strengheid
+gehandhaafd werden. Deze vervolging der geleerden en verbranding der
+boeken is niet de eenige slag geweest, welke de Chineesche literatuur
+heeft getroffen. Bij den val der Tsin dynastie werd, in den strijd om
+de heerschappij, de hoofdstad des rijks een prooi der vlammen. Deze
+woedden er weken lang en hebben vermoedelijk minstens evenveel, uit
+de verwoesting der klassieken geredde exemplaren vernield, als het den
+Tsin keizer gelukt was te vernietigen. Dergelijke "bibliotheekrampen",
+zooals de Chineezen zeggen, volgden elkaar met korte tusschenpoozen
+op. In de eerste jaren onzer tijdrekening werd bij een opstand de, met
+veel moeite en tijdopoffering bijeengebrachte, 12000 deelen (bundels
+van tafeltjes) tellende, rijksbibliotheek verwoest. Eveneens ging het
+met eene verzameling, door de latere Han dynastie bijeengebracht. Deze
+ging tegen het einde der 2e eeuw n. C. verloren, gedeeltelijk bij een
+brand van het keizerlijk paleis, gedeeltelijk bij de overbrenging van
+het hof naar Schensi en de daarop gevolgde beroeringen. Hetzelfde lot
+deelde in 311 eene door de keizers der dynastie Wei en Tsin aangelegde
+bibliotheek van bijna 30.100 boeken (rollen, want leer en zijde
+hadden toen de plaats van het bamboe ingenomen). Een vijfde groote
+ramp volgde in 554, toen keizer Yuanti in Nanking zijne verzameling
+van 70.000 boeken aan de vlammen prijsgaf.
+
+Dat er nu, trots al deze ongelukken, nog zoo veel van de oude
+literatuur bewaard is, hebben wij te danken aan den wakkeren ijver,
+de lust tot verzamelen en den kritischen geest der Chineesche
+geleerden. Ook werd hun ijver door de belangstelling en de mildheid
+van verschillende heerschers aangespoord. Dat bij de verschillende
+pogingen tot herstel van deels verloren gegane en verminkte teksten
+(want slechts in dezen vorm zijn de brokstukken van vóór-Confuciaansche
+werken tot ons gekomen, wat trouwens ook met menig geschrift uit
+later tijd het geval is), vele vervalschingen zijn voorgekomen kan
+niemand verwonderen, die de voorliefde en den tact van de Chineezen
+voor dergelijke bedriegerijen in iederen tak hunner vaderlandsche
+bedrijven kent. In vele gevallen is het aan de latere kritiek, soms
+echter eerst na eeuwen, gelukt om de vervalschingen te ontdekken en
+de oude, wèl onvolledige, doch minder verdachte teksten weer voor
+den dag te brengen.
+
+Ook in den nieuweren tijd, zelfs na het uitvinden en de algemeene
+toepassing van de boekdrukkunst, is het aantal der verloren gegane
+werken, waarvan men het bestaan nog slechts kent door een titel in een
+catalogus, of door citaten in andere geschriften, zeer belangrijk. De
+reden daarvan ligt voor een goed deel in de vele inwendige onlusten,
+waarbij weinige steden de verwoesting ontgingen. Zoo heeft de bekende
+Taiping-opstand vreeselijke, onherstelbare schade aangericht, terwijl
+bij de verwoesting van het zomerpaleis door de Engelschen in 1860 de
+daarin aanwezige schoone keizerlijke bibliotheek werd vernield. Een
+ander ongeluk is, dat het aantal exemplaren van een werk, door
+overschrijven of drukken verveelvoudigd, vaak zeer beperkt was. Dit
+geldt natuurlijk vooral van grootere werken: handboeken, encyclopaediën
+enz., welke vaak slechts bestemd waren voor een kleinen kring.
+
+In vele gevallen zijn dan de daarvoor afzonderlijk bestemde metalen
+typen gestolen of de gewoonlijk voor het afdrukken bestemde houten
+platen verloren gegaan, vernield, of onbruikbaar geworden en is het
+nooit tot een tweede uitgave gekomen. Ook aan den in China zeer te
+vreezen boekenworm, is de vernieling van vele werken, soms zelfs van
+de houten platen te wijten.
+
+Men behoeft maar eenmaal een blik geslagen te hebben in de bibliotheek
+van een der vele kloosters in den omtrek van Peking, of Dr. Martin's
+beschrijving der bibliotheek van het Hanlin collegium te lezen, om
+zich te kunnen voorstellen, hoe vochtigheid en wormen opruiming hebben
+gehouden onder de letterkundige werken van China en hun vernielingswerk
+nog dagelijks voortzetten. In de kloosterbibliotheken is er onder
+duizend ongeordende, omzwervende deelen niet één, welks bladen niet
+half vergaan of met wormgaten doorboord zijn. En, te oordeelen naar
+den toestand, waarin vele werken, die uit keizerlijke of particuliere
+bibliotheken het licht zagen, zich bevinden, schijnt het in deze
+plaatsen der geleerdheid er ook niet veel beter uit te zien. Veel
+schuld heeft ook het slechte papier en het slordig openmaken, der
+uit los te zamen genaaide bladen bestaande deeltjes. De hoofdoorzaak
+van het verval is echter, dat de verzamelingen niet toegankelijk
+zijn voor het publiek en dat het administratief toezicht ook hier,
+als in zoovele andere gevallen in China, slechts een opzicht in naam
+is. Gevolg daarvan is, dat de boeken zoek raken of op andere wijze te
+gronde gaan, zonder dat iemand roeping gevoelt om ordenend en reddend
+den Augiasstal onderhanden te nemen.
+
+Het ontbreekt niet aan berichten en keizerlijke edicten, doch men laat
+het dikwijls bij fraai klinkende, schoon gevormde zinnen. Hier kan
+men de ware mierenvlijt der letterkundigen, die anders in zoo menig
+opzicht storend op de ontwikkeling van het land hebben ingewerkt,
+niet genoeg prijzen. Aan dien ijver toch is het te danken, dat van
+de letterkundige schatten des lands nog zooveel gered is en behouden
+zal blijven. Zonder dien ijver ware het ons niet mogelijk geweest,
+u de Chineesche philosophie eenigszins te doen kennen. Moge, wat wij
+daarover mededeelden, u tot de overtuiging hebben gebracht, dat ook
+deze Chineesche "denkers" onze aandacht verdienen.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+Het Mazdeïsme.
+
+
+I. Inleiding.
+
+
+Wanneer wij gelezen hebben van de aloude wijsheid der Brahmanen en ons
+daarop hebben verplaatst, in den eigenaardigen, rustig-bepeinzenden
+geest van het Boeddhisme, moet het ons vreemd aandoen, als wij uit
+die Indische wereld van peinzen en bespiegeling ons begeven naar
+het oude Iran, ten einde ons te verdiepen in den godsdienst van
+Zoroaster. Uit een wereld van subtiele droomerijen komen wij dan
+in eens met beide voeten op den bodem der werkelijkheid, uit een
+godsdienst die boven alles den vrede zoekt en allen strijd schuwt,
+komen wij tot een anderen, die strijd, meedoogenloozen strijd als
+een zijner grondbeginselen predikt. En, terwijl Indië den der wereld
+afgestorven kluizenaar of monnik bewondert, is in oud Perzië de kloeke
+huisvader, die met liefde zich aan den landbouw wijdt, de ware dienaar
+des Allerhoogsten. Vruchtbaarheid en leven is hier met den godsdienst
+één, terwijl Indië van den godgewijde onthouding van geslachtelijken
+omgang eischt.
+
+En toch, toch zijn die beide planten, oud-Indië en oud-Perzië, op
+denzelfden bodem gewassen. Beiden zijn ontstaan uit den oud-Arischen
+godsdienst, dien de gemeenschappelijke voorouders beleden, vóór zij
+uiteengingen, de een naar het warme Indië met zijn weelderige natuur,
+uitlokkend tot droomen en peinzen, de ander naar het onvruchtbare Iran,
+[165] waar de mensch wel wat anders had te doen en door noesten vlijt,
+in den strijd tegen de vijandige natuurmachten, zijn levensonderhoud
+aan den bodem moest ontwringen. Daar nu is het Mazdeïsme of de
+oud-Perzische godsdienst ontstaan. In welke landstreek--velen meenen
+in Bactrië--is onzeker. Wij spreken echter maar van oud-Perzischen
+godsdienst, omdat het Mazdeïsme, althans later de godsdienst van de
+Perzen, het meest op den voorgrond tredende der Iranische volken is
+geworden. De naam Mazdeïsme is ontleend aan Mazda, de "Verhevene",
+zooals de hoogste godheid werd genoemd. Over dit Mazdeïsme willen
+wij dus handelen: een niet gemakkelijk onderwerp, omdat wij hier
+weinig bronnen hebben en dan nog veel in die oude bronnen zwaar te
+verstaan is.
+
+Twee namen klinken ons hier tegen: wij lezen van het Zend-Avesta als
+het heilige boek en van Zoroaster den profeet, aan wiens naam dit
+boek is vastgeknoopt. 't Spreekt vanzelf, dat het daarom nog niet van
+zijn eigen hand behoeft te zijn: evenmin als de geheele Koran door
+Mohammed, of alles in de vijf eerste boeken des Ouden Testaments
+door Mozes geschreven is. Toch bestaan er goede redenen om aan te
+nemen, dat althans de Gatha's, oude liederen, die van het Avesta
+een deel uitmaken, van hem zelf afkomstig zijn. Overigens schuilt
+zijne geschiedenis in het duister. Zeker leefde hij vele eeuwen vóór
+Christus en lang vóór Cyrus (6e eeuw vóór C.) Waarschijnlijk was hij
+van aanzienlijke afkomst en gevoelde hij zich innerlijk geroepen als
+hervormer van den godsdienst op te treden. Na zeven jaar in eenzame
+overpeinzingen te hebben doorgebracht, trad hij met kracht tegen
+den afgodendienst op. Eerst bekeert hij enkele familieleden. Straks
+ook koning Vistaçpa. Veel had hij te strijden met den invloed der
+Turaniërs, wier bijgeloovige tooverpraktijken onder zijn volk sterk
+waren doorgedrongen. Doch hij gaf den strijd niet op en predikte zijn
+godsdienst der reinheid, tot hij in Balkh, de hoofdstad des rijks,
+bij een aanval der Turaniërs, om het leven kwam.
+
+Wat het Zend-Avesta betreft,--de naam beteekent wet (avesta) met
+verklaring (zend)--dit boek is eerst sedert 1771, toen het door den
+Franschen geleerde Anquetil du Perron uit Azië werd meegenomen en
+uitgegeven [166], in Europa bekend geworden.
+
+Het werk vormt de overblijfselen van een veel uitgebreider
+godsdienstige lectuur en dagteekent in zijn geheel zeker van minstens
+6 à 7 eeuwen vóór Christus. De meeste stukken zijn zelfs veel ouder.
+
+Evenals het O. T. ons verschillende phasen van ontwikkeling van
+eenzelfden godsdienst, b.v.: het oude Jahvisme, den godsdienst der
+profeten en den wettelijken godsdienst vanaf de dagen van Ezra en
+Nehemia doet zien: ontwikkelingsvormen die wel zeer uiteenloopen,
+doch door één draad zijn verbonden, zoo is het ook hier. Ook in
+het Zend-Avesta vinden wij drie ontwikkelingsvormen van denzelfden
+godsdienst, waarvan de eerste ons toont den nieuwen godsdienst,
+zooals hij gepredikt werd door Zoroaster of zijne school; de tweede
+teekent hem, zooals hij meer in 't practische leven inwerkt, doch
+dan ook door het oud volksgeloof enz. reeds eenigszins verontreinigd
+is en de derde doet hem ons zien als een volksgodsdienst geworden
+geheel en al: èn dus, noodzakelijkerwijze heel wat verschillend van
+de oude grondslagen, maar toch de grondgedachten van het verleden,
+zij het in aarden vaten, in zich dragend.
+
+Van deze phasen behandelen wij alleen de eerste en de derde, omdat wij
+over de tweede slechts zeer weinig bronnen hebben (de jongere Gatha's)
+en het verschil tusschen de eerste en tweede zeer gering is.
+
+Het is te bejammeren, dat, zooals wij boven zeiden, slechts brokstukken
+der oude gewijde literatuur tot ons zijn gekomen, doch wij moeten ons
+tevreden stellen met wat wij bezitten. Een enkele opmerking daarover
+zal hier niet misplaatst zijn.
+
+In de dagen toen Alexander de Groote zijn wereldheerschappij vestigde,
+alzoo in de 4e eeuw vóór Christus schijnt er, volgens geloofwaardige
+berichten, een rijke godsdienstige lectuur te hebben bestaan. Evenwel,
+Alexander de Groote, die aan het Perzische rijk een einde maakte,
+trad ook tegen den oud-Perzischen godsdienst en diens gewijde boeken
+vijandig op. Hij verbrandde deze of zond ze naar zijn rijk. Slechts
+een gedeelte bleef gespaard.
+
+Toen later de Perzen weer eigen koningen bezaten, nl. de dynastie der
+Sassaniden (226-636 n. C.) werd bijeen verzameld, wat overig was. Toen
+bestond het Zend-Avesta uit 21 boeken. Deze waren ook in hoofdzaak nog
+in de 9e eeuw na Christus aanwezig, althans een schrijver uit die dagen
+heeft er 20 in de oorspronkelijke taal voor zich gehad, 19 bovendien
+in een ander dialect, het Pehlewi, dat hij beter verstond. Ook deze
+verzameling is echter verloren: slechts brokstukken zijn er van
+over. De eeuwen hebben dus een geduchte zifting gehouden. Evenwel,
+verschillende gegevens samenvoegende, komen wij tot het besluit,
+dat ons het meest belangrijke bewaard is gebleven.
+
+Wat wij nu nog bezitten, en wat in hoofdzaak reeds door Anquetil du
+Perron is uitgegeven, is het volgende:
+
+1. Yasna, een boek van ritueelen aard, bevattende teksten bij de
+offerhandeling.
+
+2. Vispered (alle heeren) gebezigd bij die offeranden, waarbij "alle
+heeren" worden aangeroepen.
+
+3. Vendidad (wet tegen de daeva's = duivelen) in 22 fargards
+(hoofdstukken).
+
+4. Yasts, offerzangen ter eere van de Yazata's (verheven wezens)
+aan wie 27 van de 30 dagen der maand waren gewijd.
+
+5. Eenige kleinere geschriften; kalenders, gebeden, spreuken,
+gewoonlijk genaamd het Kleine Avesta.
+
+
+
+Deze gedeelten zijn van verschillenden ouderdom, en vertegenwoordigen
+de drie straks genoemde ontwikkelingsphasen van het Mazdeïsme. [167]
+In de Yasna vooral komen de oudste stukken voor, de zoogenaamde Gatha's
+(oude liederen), die ook wat hun taal betreft, van de overige deelen
+verschillen en in wier leer ook sommige denkbeelden en leerstellingen
+van het latere Mazdeïsme niet worden gevonden. Zij klimmen wel tot
+het jaar 1000 vóór onze jaartelling op en leeren ons het Mazdeïsme
+kennen in zijn aanvang en oorspronkelijke zuiverheid.
+
+Wat hebben wij ons nu, aan de hand dezer oude oorkonden en van enkele
+andere berichten van het ontstaan van dezen godsdienst voor te stellen?
+
+We merkten reeds op, dat eenmaal de voorvaderen van Indiërs en Perzen,
+de Ariërs, gelijk zij zich noemden, samenwoonden in de landstreek ten
+noorden van Voor-Indië. Vandaar uit gingen de (latere) Indiërs naar
+het zuiden, de (latere) Perzen of liever Iraniërs, naar het noorden.
+
+De goden, die beiden vóór hunne scheiding vereerden waren dus
+dezelfde. Deze waren o. a. Varuna en Mithra, Yama, of zooals de
+Perzen hem later noemden Yima, den eersten mensch: mythisch koning
+van het oudste menschdom en van het doodenrijk. [168] Ook wisten zij
+toen reeds in hun mythen te gewagen van de worsteling, die er in de
+natuur is tusschen licht en duisternis, al vatten zij dien strijd
+ook nog niet zoozeer als een zedelijken strijd op.
+
+Voorts was het vuur bij hen in hooge eere en kenden zij een soort
+onsterfelijkheidsdrank, waaraan men zich een gewijden roes dronk: een
+middel toch zag men daarin om tot hooger leven, tot bovenmenschelijke
+bezieling te geraken.
+
+De twee--later zoo uiteenloopende stroomen--waren dus eenmaal één. Hoe
+zijn zij later zoo ver van elkaar gekomen? Het antwoord moet luiden:
+bij de Indiërs is, onder de leiding van priesterlijke familiën, de
+godsdienst langzamerhand in een eigenaardige bedding geleid, waarbij
+zij andere godsdiensten, b.v. die van overwonnen volken, in zich
+opnam, door hunne goden een plaats te geven onder de verhevenen. Bij
+de Perzen echter heeft--zeker geruimen tijd na hunne scheiding van
+de vroegere landgenooten--een bepaalde hervorming van den godsdienst
+plaats gehad, een hervorming, die verband hield met een belangrijken
+maatschappelijken overgang: dien van zwervend herder tot gezeten
+landbouwer. Aan deze hervorming is de naam Zoroaster verbonden. Reeds
+deelden wij enkele dingen over zijn leven mee, en merkten wij op,
+dat de Gatha's van hem afkomstig waren. Wij willen nu zien, wat deze
+bezielde profeet aan de menschheid bracht, welke eischen weerklank
+vonden in zijn rein gemoed.
+
+
+
+
+
+II. Het Mazdeïsme der Gatha's.
+
+
+Wat nu leerde deze nieuwe godsdienst? Hij prees aan den dienst van
+Mazda, ook wel Ahura Mazda geheeten, d. i. de wijze heer. Deze wordt
+voorgesteld als de schepper aller dingen, hemelsche en aardsche,
+geestelijke en stoffelijke. "Wie," zoo heet het van hem in een der oude
+liederen, [169] "heeft aan zon en sterren den weg gewezen? Wie maakt,
+dat de maan wast en afneemt? Wie houdt de aarde en de wolken daarboven
+terug van den val? Wie (schiep) de wateren en de boomen? Wie heeft
+aan den wind en den donder snelheid verbonden? Welke kunstenaar heeft
+het licht en de duisternis geschapen, welke kunstenaar den slaap en de
+waakzaamheid? Wie morgen, middag en nacht, die den geest besturen van
+hem, die de orde (den geregelden offerdienst) in acht neemt?... Wie
+schiep in 's vaders gemoed het verlangen naar een zoon?"
+
+Ook de mensch wordt genoemd een schepping Gods. "Van den aanvang af,
+Mazda! hebt gij ons geschapen door uwen geest als levende, zelfbewuste
+en verstandige wezens, hebt gij een lichaam gegeven aan de ziel,
+en daden en leeringen, waarop (de mensch) vrijwillig zijn keuze
+vestigt." [170]
+
+Alles roept Mazda in 't leven: hij schept Vohumano (de goede
+gezindheid), de lieflijke Armaiti (de vroomheid) met Khsathra
+(het ware rijk). [171] Geeft hij dezen als goede geniussen aan den
+mensch (deze drie worden met nog vier anderen in de Gatha's als zijn
+trawanten voorgesteld), hij zorgt ook voor de dieren. En wel in
+de eerste plaats voor de koe. Dit kan ons niet verwonderen, omdat
+dit hèt dier van den landbouw is en de godsdienstige hervorming,
+waarover wij spreken tevens bedoelde de oude Iraniërs tot vrome,
+gezeten, landbouwende huisvaders te maken.
+
+Het oude volksgeloof trouwens eerde reeds de koe. Het wist te
+verhalen, dat de eerstgeschapenen op aarde waren een eenig rund en een
+menschvormig wezen. Beiden werden echter gedood en uit het menschvormig
+wezen kwamen voort de twee eerste menschen, terwijl uit het lichaam
+van den gedooden stier een aantal voedings- en geneeskundige planten
+zich ontwikkelden. Het zaad van den stier echter werd gezuiverd in
+de maan en daaruit kwam voort het eerste runderpaar: vader en moeder
+der geheele dierenwereld. De ziel van het gedoode rund, Géus Urva,
+ging echter ten hemel.
+
+Deze mythe nu wordt door Zoroaster verder uitgewerkt, in een gesprek
+tusschen Géus Urva en hemelsche machten. Daarin klaagt "de ziel van
+het rund" over het geweld, waaraan zij ter prooi is. Géus tasan,
+de schepper van het runderpaar, vraagt dan aan Asa, een van Mazda's
+trawanten, welke ordeningen deze voor het rund heeft ingesteld. Het
+blijkt, dat het nog geen beschermer heeft, geen meester, die het
+voedt en verzorgt. En nu wordt Zarathustra (Zoroaster), als zijn
+beschermer aangesteld: hij zal, door Mazda's geboden te verkondigen,
+het rund beschermen. Zoo treedt de groote profeet als beschermer van
+landbouw en veeteelt op.
+
+Merkwaardig is, dat ook de aarde zelve wordt voorgesteld als een
+koe, de gelukbrengende of gaveschenkende, die besproeid moet worden,
+wil men haar voor het akkerwerk geschikt maken.
+
+Men ziet, hoe nauw landbouw en godsdienst hier verbonden zijn: de
+nauwgezette landbouwer, die goed voor zijn vee is en de aarde naar
+eisch bebouwt vervult daardoor tevens een plicht tegenover Mazda.
+
+Wat Mazda zelf voorts betreft, hij wordt evenals Varuna bij de oude
+Indiërs [172] voorgesteld als de Alziende, die niet bedrogen kan
+worden; de Wachter, wiens oogen bespeuren niet alleen wat in het
+openbaar, maar ook wat in het verborgen beraamd wordt; de Rechter,
+die weet wat menschen zullen doen of gedaan hebben. Hem moet de
+geloovige, de wijze zoowel als de landbouwer, vragen wat het rechte
+is, hem "die rechtvaardig regeerende aan de schepselen de ordeningen
+des rechts voorschrijft."
+
+Mazda is dus is allen deele de groote, eigenlijk de eenige
+god. Dit sluit echter niet uit, dat er naast hem--voornamelijk een
+zestal--hemelsche trawanten voorkomen. Echter moeten wij hierbij
+bedenken: 1e dat Mazda altijd als ver verheven boven deze trawanten
+wordt voorgesteld, 2e dat deze trawanten nauwelijks als personen,
+veeleer als verpersoonlijkte deugden worden voorgesteld.
+
+Wat deze trawanten betreft, in de eerste plaats moet daaronder
+genoemd worden Vohumano = de goede gezindheid. Daarmee wordt bedoeld,
+wat wij noemen: den heiligen geest: door zijn daden groeit Mazda's
+heerschappij, de gemeente der vromen draagt zijn kenteekenen, hij is
+de hemelsche vertegenwoordiger aller wezens.
+
+Dan volgt Asa = hetgeen voegzaam, passend, vroom is. Deze is feitelijk,
+wat wij noemen de goddelijke wereldorde; hij omvat alle plichten
+van den mensch in 't algemeen en in het bizonder die tegenover de
+hemelsche machten. Elken dag schept hij de ordeningen van Vohumano
+(bij den eeredienst). Als vertegenwoordiger van den offerdienst
+(waaraan de Ariërs zoo groote macht en zegen toekenden) is hij de
+grootste vijand der Drukh's (booze geesten), die zijn stichtingen
+vernielen. Een derde hemelgeest, of liever verpersoonlijking, is
+Khsathra, het hemelsche, het ideale rijk, waarin is eerbied voor het
+volmaakte, vergeving van zonden, de woonplaats der hoogste geesten,
+het rijk, waaraan eenmaal de vrome volkomen deel hoopt te hebben,
+hoewel Khsatra's zegeningen ook reeds hier op aarde worden gesmaakt.
+
+Mazda, heet het, schiep Asa door zichzelf, doch Khsatra door Vohumano:
+m. a. w. het ware rijk komt tot stand door den heiligen geest.
+
+Een vierde trawant is Armaiti = de richtig zorgende, ook wel de
+goede aardmoeder genoemd. Zij is de beschermster van den landbouw, de
+dochter van Mazda, die met Géus tasan in zijn hemelsche gemeenschap
+leefde. Mazda gaf haar de keuze, wie zij wilde beschermen; zij koos
+toen: den vromen huisheer, den ijverigen landman.
+
+Met haar komt de ware heerschappij, die een goede woning verzekert,
+den landbouw doet beoefenen en de bloeddorstige vijanden verlamt.
+
+Steeds wordt deze godin nauw met Asa, de ware vroomheid, vereenigd
+gedacht; wier schepping en zetel zij heet. M. a. w. vroomheid en
+landbouw moeten hand aan hand gaan.
+
+Dan volgen twee machten, eigenlijk komen ze in de Gatha's niet
+als personen, slechts als begrippen voor, die onafscheidelijk zijn
+verbonden. Zij zijn Haurvatat en Ameretat. De eerste naam beteekent:
+volkomen heil, de tweede: onsterfelijkheid. Somtijds heeten zij de
+spijzen van Mazda, die hij in zijn rijk aan de vromen schenkt, nadat
+hij hun op aarde kracht en duurzaamheid (de aardsche zegeningen,
+die aan deze hemelsche beantwoorden), heeft geschonken.
+
+Eindelijk hebben wij Sraosa, die nog weinig als genius in de Gatha's
+voorkomt, maar gewoonlijk eenvoudig "gehoorzaamheid" beteekent. Hij
+wordt voorgesteld als de middelaar tusschen hemel en aarde, ook heet
+hij: de weg tot de godheid.
+
+Men ziet, dat de zooeven genoemde geniussen: Vohumano, de goede
+gezindheid; Asa, de vroomheid, Khsatra, het rijk van den goeden
+geest, Armaiti, de richtig zorgende, Haurvatat, het volkomen welzijn,
+Ameretat, de onsterfelijkheid en Sraosa, de gehoorzaamheid, geen
+eigenlijke goden zijn. Hoogstens zijn zij werkingen, openbaringen van
+den éénen hoogsten God, Mazda. Feitelijk en praktisch, zoo zegt Tiele,
+was het oude Mazdeïsme vereering en erkenning van éénen God.
+
+De leer van éénen God.--En--zegt de lezer misschien, de oud-Perzische
+leer is bekend om zijn dualisme, zijn aannemen van twee wereldmachten,
+een goede en een booze: Ahura Mazda en Anro-mainyu. Zeer zeker. Doch
+vooral van het latere Mazdeïsme, zooals het zich in een volgende
+periode ontwikkelde, geldt dit. Hier in de Gatha's vinden wij
+het dualisme nog slechts onvolkomen. Wel wordt er gesproken van
+twee geesten, vahyo = het goede en akem = het slechte, beiden zich
+uitende in denken, spreken en handelen. Beiden zijn echter ten slotte
+aan Mazda, dien men later met den goeden dezer beide geesten zou
+vereenzelvigen, ondergeschikt. Die goede en die booze geest treden met
+elkander in overleg en besluiten elk naar zijn welbehagen te scheppen,
+de een het leven, de ander het niet-leven.
+
+Het slechtste bestaan zou voor de boozen, de leugenaars, het beste voor
+den gerechte, den vrome zijn. De een verkiest nu het kwade te doen,
+de ander het goede te scheppen en met den laatste houden het allen,
+die wenschen Ahura Mazda te behagen.
+
+Van een duivel tegenover den goeden god: Anro-mainyu tegenover Ahura
+Mazda, wordt hier dus nog niet gesproken. Wel worden booze machten
+erkend, die den Algoede bekampen. Doch het slechte heet akem (niets).
+
+Hier is dus wel dualisme, doch: boven alles en allen staat Mazda,
+van wien wordt verzekerd, dat hij de hemelsche kunstenaar is, die
+licht en duisternis, slaap en waakzaamheid, morgen, middag en nacht
+schept. Later zou dit anders worden: alle zedelijk, maar ook alle
+natuurlijk kwaad: d. i. duisternis, slaap, enz. zouden gebracht worden
+tot het gebied van Anro-mainyu, den booze.
+
+Toch: het zou altijd blijven een betrekkelijk dualisme: Anro-mainyu
+zou in macht nooit halen bij Mazda. Evenwel: voor de praktijk lag er
+in dit dualisme een groote kracht, het liet geen transactie toe met
+het kwaad en stelde den mensch in staat om moedig, hoopvol en fier
+den strijd, hem opgelegd, te volstrijden.
+
+Mazda was dus de eenige god.--Doch--onder het Perzische volk was
+vrijwel inheemsch de dienst der daeva's, der oude goden, die men
+reeds vroeger, toen men nog met de Indiërs samenwoonde, vereerde. Die
+vereering wilde men fnuiken: zij toch stond de erkenning van Mazda
+als den volstrekt-Eenigen in den weg. Doch hoe?
+
+In een der oudste teksten vinden wij deze voorstelling: de daeva's
+werden gesteld voor de keuze tusschen de twee oorspronkelijke
+geesten, de goede en de booze, en verklaarden zich voor den
+laatste. M. a. w. hier straalt door, dat ook de daeva's eenmaal vereerd
+werden, doch dat zij, als met de meer geestelijke godsvereering van
+het Mazdeïsme in strijd, werden ter zijde gesteld.
+
+Tweeërlei keus was voorgesteld aan de daeva's, ook aan den mensch. Hij
+kon Mazda en diens profeet Zarathustra volgende, partij kiezen voor
+den goeden geest, of zich scharen aan de zijde van Daeva's en Drukhs,
+de booze machten, waarvan Aesma een der voornaamste is.
+
+Doet hij het eerste, dan gaat zijne ziel bij den dood over de smalle
+brug Çinvat naar de Garo demana, de liederenwoning, waar Mazda met
+zijn trawanten is, waar dezen zich voeden met de spijs en drank der
+onsterfelijken (haurvatat en ameretat), waar Mazda der vromen gebeden
+hoort en verhoort en waar hen het loon wacht, door Zarathustra van
+ouds beloofd.
+
+Geheel anders is het lot van hen, die zich met het rijk des boozen
+verbinden. Ook zij moeten over die brug Çinvat ("de brug van het
+verzamelen"), waar dus allen samenkomen, goeden en boozen. Doch, zij
+bereiken den hemel niet. Zij storten van de brug af in den afgrond
+terneder; sidderend en bevend voor het lot, dat hen als leugendienaars
+wacht. Eeuwige ellende en duisternis is hun bereid, een eindeloos
+gejammer gaat er op van de verdoemden, die door de booze geesten met
+afgrijselijke spijzen worden gevoed.
+
+Zoo heeft er een oordeel plaats, onmiddellijk na den dood. Later
+echter komt een eindoordeel, "de voleinding der wereld" zooals het
+in de oude teksten heet. Dan vervangt Mazda's begeerlijke wereld
+deze gebrekkige, het hoogste goed wordt het deel zijner dienaren,
+het slechte deel krijgen zijn haters dan in alle volheid.
+
+Hoe nu echter moet men Mazda dienen en het rijk des boozen
+weerstaan? Wat zijn de plichten van zijn vereerder? Men moet
+Mazda eeren in gedachten, woorden en daden. Daarbij worden dan
+de gedachten in verband gebracht met Mazda zelven, de woorden
+met Sraosa en Khsatra, de daden met Asa. Vooral op deze laatsten,
+die de gezindheid nog beter doen kennen dan de woorden, wordt de
+nadruk gevestigd. Trouwens het Mazdeïsme is een godsdienst, die
+zoover mogelijk er van afstaat om het heil te zoeken in mystieke
+bespiegeling en stille wereldontvluchting. Werkzaamheid is hier het
+wachtwoord. Door eigen inspanning moet men zijn levensonderhoud zoeken,
+ijverig de aarde bebouwen en door bevordering van het gezeten leven
+Mazda's gebied uitbreiden.
+
+Mazda's gebied: de dorre, onbebouwde wildernis toch behoort tot het
+terrein van de booze geesten. Maar waar de landbouw komt, daar komt
+ook Mazda's rijk. IJverig zorgen voor den vrome en voor de aarde:
+onder het beeld van een heilige koe voorgesteld, worden in éénen
+adem als de plichten van den godsdienstigen mensch genoemd. Men moet
+dus Mazda's dienaar zijn, niet slechts door offers en gebeden, niet
+slechts door betrachting van reinheid naar lichaam en ziel en door
+heilig houden van het gewijde vuur: zijn openbaring, maar ook door
+de aarde te bebouwen, leven en vruchtbaarheid rondom zich te scheppen.
+
+Licht begrijpt men, dat hier aan geen voorkeur voor het ongehuwde leven
+valt te denken: integendeel, het huwelijk is een godsdienstige plicht,
+het zonder echtgenoot zijn een ramp voor de vrouw. Vele kinderen
+zijn een van de grootste zegeningen des hemels. In vele opzichten
+worden wij hier herinnerd aan de wettelijke voorschriften des Ouden
+Testaments. Evenmin als daar is ook hier plaats voor zachtheid jegens
+den vijand. Integendeel: het is plichtmatig het rijk des boozen en
+dus ook zijn dienaars ter neder te werpen. Den leugendienaar, zoo
+heet het, "onderwijze men met het zwaard." Hem te sparen is zondig;
+doet men dat, zoo gaat men zelf op weg naar de woningen des boozen.
+
+Wat den eeredienst betreft: daarin nam het "roode, heete vuur"
+van Mazda, dat heilig gehouden moest worden, de eerste plaats
+in. Ook bracht men offeranden: deze bestonden vooral uit vleesch,
+voorts uit een offerkoek, die Haurvatat en een drank, die Ameretat
+vertegenwoordigde. Gewijde spreuken werden daarbij gesproken,
+offerzangen aangeheven. Daarmee was de priester belast, de priester,
+die van Mazda diens welbehagen leerde.
+
+Zoo ongeveer was het oude Mazdeïsme, een eenvoudige, practische
+godsdienst. Straks zal het zich in sommige opzichten vervormen. Het
+zal, in het practische leven optredend, genoodzaakt zijn, veel van
+den ouden volksgodsdienst weer op te nemen, doch ook: het besef
+Mazda's medestrijder te zijn, zal straks meer ethisch, meer verheven
+worden opgevat. En scherper dan te voren, zal het dualisme aan het
+licht treden, Ahura Mazda en Anro-mainyu komen tegenover elkaar te
+staan, beiden als hoofden van een machtig rijk: toch blijft Mazda
+de machtigste.
+
+
+
+
+
+III. Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta.
+
+
+We leerden den ouden godsdienst van Zarathustra kennen in zijn
+eenvoudigheid; wij hebben ons echter niet voor te stellen, dat hij in
+dien vorm een volksgodsdienst werd. Wanneer verheven denkbeelden zich
+in ruimer kring verbreiden en daar in aanraking komen met allerlei
+bekrompene, oud-ingewortelde opvattingen, dan kan het niet anders,
+of zij boeten in den strijd om 't bestaan iets van hun zuiverheid
+in. Zoo nu is het ook hier gegaan.
+
+De minder ontwikkelden waren gehecht aan den dienst van verschillende
+goden, oud-Arische goden, die eigenlijk bij het Parzisme niet
+behoorden: welnu--er was geen andere weg, dan dezen onder de
+hemelgeesten en medestrijders van Ahura Mazda op te nemen. Zij
+waren gehecht aan godsdienstige gebruiken, oorspronkelijk aan 't
+Parzisme vreemd: men kon niet anders, dan ze met een Zarathustrischen
+ijk voorzien, in het nieuwe geloof opnemen. Anders kon de nieuwe
+godsdienst niet komen tot het hart des volks. Het Christendom heeft
+immers niet anders gedaan? Aldus was de ontwikkeling, of wilt ge,
+verbastering, der oorspronkelijke leer. We willen haar op enkele
+punten beschouwen. We merken daarbij op, dat ook wat wij thans gaan
+geven nog een zeer ouden godsdienst ons voorstelt, zoo zelfs dat het
+Parzisme, zooals dat onder de Achaemeniden (Cyrus en diens opvolgers,
+alzoo circa 535-325) was, als een latere ontwikkeling ook van deze
+opvatting moet worden beschouwd.
+
+Ahura Mazda leerden wij volgens de Gatha's kennen als den hoogsten der
+goden, den schepper van 't heelal. Dat bleef hij ook nu. Alleen worden
+Vohumano en de andere geniussen, die wij reeds leerden kennen, als hem
+ter zijde staande, [173] meer als personen opgevat, dan vroeger het
+geval was. De meesten hunner gelden thans als een soort aartsengelen,
+die met Ahura Mazda te zamen de zeven Amesa-Spenta's worden genoemd
+en de schoonste eerenamen dragen, [174] terwijl dan een gansch
+heirleger minder hooge geesten, de Yazata's (vereeringswaardigen)
+onder hen staan.
+
+Toch is het besef, dat zij ten slotte slechts eigenschappen van den
+eenigen Mazda zijn, niet geheel te loor gegaan. Immers het heet
+dat deze zeven één zijn in zin en in woord en daad, één ook met
+Ahura Mazda, hun aller leermeester. Zij lezen in elkaars binnenste
+en peinzen allen over weldenken, welspreken en weldoen en over Garo
+demana: den hemel. M.a.w. men erkent de éénheid in de veelheid, zij
+zijn openbaringen van de hooge wijsheid Gods, in welke deze gestalte
+verkrijgt. Langzamerhand echter treedt het persoonlijke meer op den
+voorgrond: 't zijn hemelgeesten, en zoo worden ook de vrouwelijke
+Haurvatat en Ameretat als mannelijke wezens voorgesteld.
+
+Sommigen van hen veranderen ook eenigszins van karakter, zoo worden
+b.v. de zooeven genoemde Haurvatat en Ameretat ook de stillers van
+honger en dorst, Armaiti wordt de beschermgeest der aarde. Ook de
+vereering van Sraosa, den middelaar tusschen de hemelwezens en den
+mensch, [175] komt thans in hooge eere. Hij wordt voorgesteld, niet
+slechts als een hemelsch priester, maar ook als een heilsprofeet,
+die de wet van Mazda over de aarde verbreidt en die zorgt, dat de
+onsterfelijke weldoeners, de Amesa-spenta's, hun invloed door de
+wereld doen gelden. Sraosa toch doorloopt met zijn vierspan hemelsche
+paarden, enkel licht zonder schaduw, driemaal daags en driemaal 's
+nachts de menschenwereld. Zijn wapen is het wonderbare, heilzame,
+kracht gevende gebed Ahuna vairya. [176]
+
+Waar men hem gastvrij ontvangt, daar kan geen onheil, leed of verderf
+het huis treffen. Geen booze geest kan hem weerstaan, niemand hunner
+vreest hij, doch allen sidderen voor zijn macht. Veilig kunnen rusten
+de vervolgde vromen, want zijn oog luikt geen slaap, hij staat met
+opgeheven zwaard, ook te middernacht.
+
+Geen wonder dat hem het volksgeloof den waakzamen haan als heilige
+vogel toekende.
+
+Niet alleen echter de Amesa-spenta's en Sraosa worden thans meer
+persoonlijk voorgesteld, neen, er komen ook nieuwe yazata's bij,
+die men voorheen slechts als begrippen kende. Zoo is er b.v. een
+bepaald gebed tot Rasnu, de rechtvaardigste rechtvaardigheid, waarin
+deze wordt voorgesteld als wonende in alle deelen van het heelal,
+van de zeven werelddeelen af tot in het ongeschapen licht en de
+hemelsche paradijzen toe. Zijn wet is de waarheid. De eed is bij hem
+boven alles heilig. Hij houdt met Mithra, den lichtgeest, en Sraosa,
+de wacht bij Çinvat, de brug naar den hemel.
+
+Ook het hemellicht--reeds voor Zarathustra's hervorming in Perzië
+vereerd--wordt thans hoog in aanzien gesteld onder den naam hvarena.
+
+Het is nu echter niet meer zooals voorheen, alleen het natuurlijke
+hemellicht, de glorie, die te middernacht begint neer te dalen naar
+der sterrensfeer en zoo door een heiligen geest aan het licht voor
+zonsopgang, den dageraad, wordt gebracht, om aldus den menschen het
+gezicht te geven en straks naar den Allerhoogste weder te keeren,
+neen, 't is nu vooral ook het goddelijk licht, dat den menschelijken
+geest verheldert, zoodat de mensch anderen kan leiden, wonderbare
+werken volbrengen en zich heerschappij kan verwerven. Eenmaal zelfs
+zal het--bij de voleinding der wereld--de vernieuwing van alle dingen
+en de opstanding der heiligen bewerken.
+
+Dit licht was reeds het deel der oude heilsprofeten van vóór
+Zarathustra, onder anderen van Yima (de Indische Yama), doch het
+valt ook ten deel aan de profeten, die later zullen komen. Ten
+slotte wordt het ten eigendom aan den Heiland (Saosyant), die in de
+toekomst de vernieuwing der wereld tot stand zal brengen. Hvarena
+is dus, wat wij zouden noemen: de hoogere verlichting. Wij merken
+hier tevens op, dat door deze leer van het hvarena op eigenaardige
+wijze uitgesproken wordt, wat wij verstaan onder de continuïteit der
+goddelijke openbaringen: het wordt hier duidelijk gemaakt, dat het
+Mazdeïsme niet van gisteren is. Ook erkent men op treffende wijze,
+dat de volle goddelijke verlichting alleen aan den Verhevene zelf
+toekomt. Men hoore de volgende mythe:
+
+Twee wedijverende geesten, Spenta en Anro mainyu: de goede en de
+booze geest, [177] pogen zich meester te maken van het hvarena. De
+eerste bezigt daartoe Atar, den vuurgod, de ander den draak Azhi
+dahaka. Nu eens is de een voor, dan de ander. Echter ontsnapt aan
+beiden de onbereikbare heerlijkheid: de watergod Apam napat [178]
+verbergt haar in de diepte der mythische zee. Ook deze Atar--de
+god van het huiselijk vuur, het haardvuur--werd veel gediend. Hij,
+die het morgen- en middagmaal voor de vromen kookt, maakt op hun
+offeranden aanspraak. Hij vraagt voedsel bij elk der drie nachtwaken:
+hout, baresmatwijgen en granaattwijgen: zij maken het reine vuur
+welriekend en wijden het. Doch ook bepaalde offergaven worden hem
+gebracht. Naast hem worden nog andere, oud-Arische vuurgoden vereerd:
+Apam napat, het vuur in de hemelsche wateren, m. a. w. de bliksem,
+die ze bevrucht. (Als zoodanig waarschijnlijk heet hij ook, "de
+vrouwenheer".) en Nairyo-Sanha, eveneens tevens een vruchtbaarheidsgod.
+
+Ook Anahita, de groote godin der wateren, wordt in hooge eere
+gehouden. Zij wordt voorgesteld als beheerscheres van een hemelstroom:
+alléén zoo groot als alle wateren, die op aarde vloeien, met duizend
+meren en duizend kanalen, waarvan een reeds genoeg zou zijn om de
+gansche aarde te overstroomen. In elk dier kanalen heeft zij een
+schoon paleis met een welriekende legerstede. Haar vierspan bestiert
+zij zelve: wind, regen, wolken en rijp zijn hare rossen: zij zendt
+op Mazda's bevel regen, sneeuw, hagel en rijp op aarde neer.
+
+Rijk zijn de zegeningen, die zij schenkt van uit haar hoogen hemel. Van
+den hemelberg daalt zij neer, als de vrome haar aanroept. Als
+hemelsch rein water zuivert zij het zaad der mannen en de baarmoeder
+der vrouwen, bevordert de goede geboorten, reinigt de melk en bewerkt
+alzoo de vermeerdering der kudden en van alle rijkdommen. Afgeschilderd
+wordt zij als eene schoone maagd, hoog en krachtig van gestalte, met
+blanke gevulde armen en zwellenden boezem, in prachtig uit bevervellen
+saamgesteld gewaad, een gouden kroon op het hoofd.
+
+Waarschijnlijk was deze Anahita een Oud-Semietische godin, wier
+dienst in West-Azië met ontuchtige praktijken gepaard ging, welke
+echter het Parzisme verre van hare vereering wist te houden. Zoo zien
+wij hoe het Parzisme, waar het op het volk beslag ging leggen, oude,
+meestal Arische, soms ook Semietische goden en godinnen in zich opnam,
+doch hen in overeenstemming wist te brengen met zijn eigen stelsel.
+
+Dit was ook het geval met de zon, de maan en de sterren. Ook deze
+werden door den ouden volksgodsdienst geëerd: door het oorspronkelijk
+Parzisme ter zijde gesteld, doch later opgenomen en in het nieuwe
+stelsel ingevoegd. Daarbij worden dan echter zon en maan eenigszins
+gedegradeerd: zelfstandige machten kunnen zij natuurlijk ook niet meer
+zijn: Ahura Mazda doet de maan wassen en afnemen. Zoodra de maan zich
+vertoont, grijpen de Amesa-spenta's den glans en verdeelen dien over
+de aarde.
+
+Die aan de zon, de schitterende met de snelle paarden offert, hij
+brengt eigenlijk zijne vereering aan Mazda, aan de Amesa-spenta's en
+zijn eigen ziel en hij verheugt alle yazata's: [179] want indien de
+zon, die macht des lichts, niet opging: zouden zij dan in staat zijn
+de booze machten der duisternis, de daeva's te weerstaan?
+
+Wat de sterren betreft--de planeten vereerde men niet, dat waren in
+de oogen der Perzen vijandige machten. Doch wel de vaste sterren:
+die deze bestrijden. En onder hen vooral Tistrya, een ouden volksgod,
+die men met de ster Sirius vereenzelvigde.
+
+Deze Sirius is het, die na de verschroeiende hitte van den zomer den
+weldadigen regen doet neerdalen. In een mythe van het Avesta treedt
+hij geheel als natuurgod op. Eerst als een vijftienjarig jongeling
+[180], gelijk aan den eersten mensch, groot, sterk en helder van
+oogen, daarna als een stier met gouden horens, eindelijk als een wit
+paard met gele ooren en een gouden voorhoofd. In die laatste gestalte
+strijdt hij tegen den daeva Apaosa (veranderd in een zwart bont paard),
+dien hij ten laatste overwint. Dan brengt hij Vourukasa, de hemelzee
+met de wijde oevers, in beweging, zoodat het water naar alle zijden
+stroomt en op de aarde neerdaalt.
+
+M. a. w. Tistrya was oorspronkelijk de hooge hemelgod, die de door
+booze machten vastgehouden wateren bevrijdt. In drie jaargetijden
+voert hij heerschappij: in de lente is hij een krachtig jongeling,
+in den zomer de bevruchtende stier, in den herfst het witte paard,
+dat het donkere zwerk bekampt en overwint.
+
+Dezen god kon men in het dorre Perzië allerminst missen. Hij moest wel
+worden opgenomen in den nieuwen godsdienst: zouden niet de vromen het
+uitblijven van den regen toeschrijven aan het verzuim om den machtigen
+Tistrya vereering te brengen? Zoo wordt dan ook in het Avesta op zijne
+vereering aangedrongen, doch tevens uitdrukkelijk bepaald dat roovers,
+boeleersters en ongeloovigen verre van zijn dienst moeten blijven.
+
+Ook wordt hij, hoe hoog verheven ook als heer van de sterren, toch
+aan Mazda ondergeschikt gemaakt en eene eigenaardige kleur aan zijne
+vereering gegeven, in overeenstemming met het Perzische geloof.
+
+Ook de dienst der oude godin Asi, meestal nu met Asa verbonden,
+herleefde wederom. Geen wonder: zij gold als de godin die de
+vruchtbaarheid verleent. Daarom zijn allen, die den bijslaap niet of
+niet meer kunnen uitoefenen van hare vereering uitgesloten. Eveneens
+ontuchtigen, of die de vrucht afdrijven. En--de grootste zonde in
+hare oogen, is dat men de jonge meisjes lang ongehuwd laat of tot den
+ongehuwden staat veroordeelt. Het moest immers geen moeite kosten den
+dienst van zulk eene godin te doen herleven in een godsdienst, die
+wars van ascese en ongehuwden staat, het eerbaar huiselijk, gezeten
+leven op prijs stelt? Onder de goden, in het Zarathustrisch systeem
+opgenomen, mogen wij vooral Haoma, Hom, zooals hij soms ook genoemd
+wordt, niet vergeten. Wij ontmoetten dien god der onsterfelijkheid
+reeds vroeger in Indië [181] en met verwondering zien we hem ook
+hier wederom verschijnen. Zeer waarschijnlijk is zijn vereering eerst
+opgekomen in zuid-oost Iran, het gedeelte aan Indië grenzende.
+
+Dat hij oorspronkelijk niet in het Mazdeïsme thuisbehoort, blijkt
+uit de volgende mythe. Zarathustra, zoo heet het, reinigt, onder
+het zingen der Gatha's, het vuuraltaar. Daar verschijnt een verheven
+gestalte, waarin de profeet een goddelijk lichtwezen herkent. Wie hij
+is, weet hij echter niet. Haoma maakt zich bekend en deelt hem mede
+dat hij altoos vereerd is door de vromen van den voortijd, wien tot
+loon voor die vereering zulke groote zonen werden geschonken. Ook
+de vader van den profeet noemt hij onder zijn vereerders: hem werd
+de groote Zarathustra geboren. Dan verklaart deze zich bereid de
+voorvaderen te volgen en zingt een loflied, Haoma ter eere. In de
+voorstelling van deze godheid is veel onzekers; nu eens is hij de
+onsterfelijkheidsplant zelve, die het Haomasap levert, dan weer een
+hemelsche personificatie daarvan. De zaak is denkelijk deze: als men
+in den zaligen roes verkeerde, welke door het Haomasap werd gewekt,
+gevoelde men zijn kracht als verdubbeld en erkende daarin de werking
+van een machtigen geest. Die geest was de god Haoma. Later werd hem
+nog meer macht toegekend: hij werd de Levensgever in ruimeren zin. Ook
+drenkt hij de goden en bevochtigt de aarde.
+
+De haomaplant is door de goden geschapen en over de aarde verbreid,
+haar wonderkracht geeft een zalige bedwelming, die geen twist, noch
+nijd veroorzaakt.
+
+Werd alzoo Haoma een god van beteekenis, niet minder was dit met den
+Oost-Arischen lichtgod Mithra het geval. Deze god vertegenwoordigt
+oorspronkelijk den lichthemel bij dag en nacht. Nooit slaapt hij,
+alles aanschouwt hij van uit zijn wachttoren. Met zijn knots
+gewapend--want hij is een krijgsgod--gaat hij rond om alles op te
+merken, wat er op aarde voorvalt. Met gestrengheid bestrijdt hij
+de leugen; een ever met ijzeren klauwen en tanden gaat hem vooraf,
+de vijanden vernietigend. Zijn toorn is vreeselijk, wee, die den
+eed, aan dezen gestrenge gedaan, verbreekt. Mazda zelf, zoo heet
+het, heeft hem geschapen, hem al zijn wonderbare krachten en zijn
+tienduizend oogen gegeven en hem alzoo tot den waakzamen beschermer
+der wereld aangesteld.
+
+Behalve deze oude volksgoden, opgenomen onder de yazata's, de
+vereerenswaardige geesten, spelen in het Parzisme ook een soort
+beschermgeesten, de Fravasi's een vrij belangrijke rol. Zij zijn
+het, die--ongeveer als de beschermengelen van het Roomsch Catholiek
+geloof--de menschen terzijde staan. Elk persoon, elke veldheer of
+koning, ieder huis en dorp heeft zijn beschermgeest. Doch ook zijn
+er myriaden van Fravasi's, die de wacht houden over het gesternte,
+vooral over den grooten beer, die als hoofd der noordelijke sterren
+het dichtst bij de woningen der daeva's staat. Wederom anderen waken
+over het zaad van Zarathustra, dat volgens de Parzische legende
+in een meer wordt bewaard en waaruit eenmaal badende jonkvrouwen
+van een wereldheiland en zijn beide voorloopers zullen zwanger
+worden. Somtijds ook worden de fravasi's voorgesteld als eigenlijk
+de zielen der geloovigen, die voortleven na den dood: oorspronkelijk
+werden deze echter daarvan onderscheiden.
+
+Zoo zien wij dus aan de zijde van Ahura Mazda een heirleger van
+hoogere en lagere hemelwezens, die met hem het rijk des boozen
+bestrijden, machten bij wie de mensch hulp en bescherming kan zoeken
+en die hij overal op zijn levensweg ontmoet. Daartegenover echter
+staat een gansche wereld van booze geesten, met Anro mainyu aan
+het hoofd. Deze staat geenszins met Mazda op ééne lijn, al is hij
+een machtig wederpartijder. Alwetend is hij noch almachtig. Mazda
+zelf kende hij niet, voor hij, bij een poging om in den hemel door te
+dringen, door diens licht werd verblind. Ook de toekomst kent hij niet,
+voordat Mazda hem deze heeft onthuld: eenmaal zal hij al zijn macht
+verliezen, zijn schepselen vernietigd zien en zelf in het niet zinken.
+
+Anro mainyu siddert en beeft, hij en zijn dienaren, als de groote
+profeet, met het Godswoord gewapend, geboren is. Als hij dat verneemt,
+roept hij zijn getrouwen samen bij den ingang der hel en deelt hun mede
+dat de heilige Zarathustra, de geesel der daeva's, de aartsvijand der
+druja's, is geboren, en dat het rijk van verderf, leugen en valschheid
+met den ondergang wordt bedreigd. Hij weet niet, hoe dezen profeet te
+dooden. Later beproeft hij het, als de profeet tot rijperen leeftijd
+gekomen, zijn goddelijke roeping wil gaan vervullen. Hij zendt een
+boozen geest op hem af, doch deze vindt hem bezig het heilig gebed, het
+Ahuna vairya, aan te heffen en de Mazdayasnische geloofsbelijdenis op
+te zeggen. Daartegenover vermag de booze geest niets en teleurgesteld
+keert hij tot zijnen meester terug en verklaart dat de heerlijkheid
+van Mazda te groot is, dan dat de dood macht over hem zou hebben. Nog
+andere pogingen worden in 't werk gesteld, doch Zarathustra, sterk
+met zijn heilig offergereedschap, met Haoma en de woorden van Mazda,
+geeft den strijd niet op, doch geeft te kennen, dat hij liever zou
+te niet gaan dan het geloof afzweren.
+
+Zoo wordt hier het rijk des boozen in zijn machteloosheid
+geschetst. Eveneens ook elders: de booze kan wel de scheppingen van
+Mazda vernielen; de landen, door hem voor zijn aanbidders bestemd
+onbewoonbaar te maken, vermag hij niet; al wat hij kan, is ze door
+zijn tegenscheppingen eenigszins te bederven. Soms schijnt de heer
+des hemels in verlegenheid, doch hij heeft goede machten onder zich,
+waartegen de vijand niets vermag.
+
+Op aarde en voor den mensch is echter de macht van den booze
+zeer geducht. Met alle natuurlijk en zedelijk kwaad staat deze hem
+tegen. Onder zijn helpers is de drukhs Nasus, de demon des bederfs, die
+uit het noorden komt aanvliegen en zich op het lijk van den gestorvene
+zet. Deze werkt samen met den doodsdemon, den beenderenbreker, dien
+men zich in vogelgestalte voorstelde. Ook staan aan Anro mainyu
+ter zijde: Aesma, de nijd, Ahomano, de slechte gezindheid, Tauru,
+de pijniger, Indra, Sauru (= Çarva-Çiva) enz., de beide laatste,
+zoo men ziet Indische goden. Eveneens helpen hem de Pairika's, de
+schoone jonkvrouwen van het verboden genot. Een van haar poogt met haar
+bedwelmend sluimerlied de geheele wereld weer te doen inslapen, zoodra
+de heilige vogel van Sraosa, Parodars, de haan, de wereld heeft wakker
+gemaakt. Ook heeft men een pairika, die de genius der afgoderij zou
+kunnen heeten. Verder de druja's, die de menschen tot vleeschelijke
+gemeenschap verleiden, en met wie men gemeenschap pleegt, indien
+men, zij het onwillekeurig, zichzelf bevlekt. Dan al de daeva's, die
+verblijf houden in het onderaardsche rijk van den booze, "de duistere
+duisternis, uit duisternis gesproten." Tegen al deze machten, door
+Anro mainyu, den moordenaar, den duizenddooder, zooals hij menigmaal
+genoemd wordt, aangevoerd, heeft de mensch nu te strijden. Offers,
+reinigingsplechtigheden, heilige gebeden zijn zijne wapenen.
+
+De mensch heeft er tegen te strijden, zeide ik. Daarop wijst ook
+de plaats, welke hij inneemt in de wereld. Hij staat tusschen beide
+machten, de goede en de booze in. Boven hem toch welft zich de hemel,
+de woning des lichts, onder hem is de diepte der duisternis, hijzelf
+is in het rijk van Vayu [182], in den dampkring. De aarde waarop de
+mensch woont, is in zeven karsvare's (kringen) verdeeld. De middelste
+daarvan is de door de menschheid bewoonde aarde, zij is tevens de
+schitterendste. Men weet, dat ook de Indiërs en de oude Babyloniërs
+zulk een in zeven deelen verdeelde aarde kennen, de Indiërs spreken
+van de zeven dvipa's. Wat de voorstelling omtrent het heelal betreft,
+de oude Perzen kenden twee wereldoceanen: den een in de diepte,
+Puita, den stinkenden d. i. den aardschen oceaan, waarin het water
+uit de hemelzee gereinigd wordt en die met hare zoute, onreine
+wateren onder de gansche aarde doorloopt, den anderen, Vourakasa,
+den hemelschen oceaan daarboven, waaruit Anahita, Tistrya en de
+Fravasi's de hemelwateren uitstorten over de aarde. Voorts nemen zij
+aan, dat een wereldstroom de gansche aarde omgeeft.
+
+Boven de hemelzee is de onzichtbare lichthemel, waar de verheven
+geesten en Mazda wonen. In 't midden daarvan staat de hemelboom,
+waar de planten van alle soorten groeien, welker zaden Mazda laat
+neerdalen in den regen om koren voor den mensch en gras voor het
+nuttig vee te doen groeien. Somtijds zet zich op dien boom de arend
+Saena neer, die, als hij zich neerzet, duizend takken doet afvallen,
+welke weer aangroeien, zoodra hij wegvliegt. Ook kennen de oude
+Perzen een hemelschen berg, een godenberg met twee spitsen. Daar
+zijn der goden paleizen. In den morgen worden deze bergen door de
+zon overschreden en ook de zielen, die ten hemel varen komen hier
+langs. De hoogste spits van dit gebergte is de Taera, het middelpunt
+der wereld, waaromheen zon, maan en sterren draaien.
+
+Men ziet: zuiver mythologische opvattingen. Toch daarnaast staat weer
+veel verhevens. Zoo worden de oneindige tijd, het eeuwige licht en
+de oorspronkelijke duisternis, alsmede de wereld van Asa, als eeuwig
+gedacht. Waarom? Omdat zij boven Mazda zouden staan? Neen, maar
+omdat Mazda van eeuwigheid is en dus ook zijn rijk, zijn geestelijke
+wereldorde, zijn lichtsfeer van eeuwigheid bestaat, evenals de
+oorspronkelijke duisternis, het tegenbeeld dier lichtsfeer. Al het
+andere, zegt het Avesta, mensch en dier en plant, ook de Yazata's,
+heeft Ahura Mazda geschapen.
+
+Wat die schepping betreft, de voorstellingen der oude Perzen hebben
+eenige overeenkomst met het scheppingsverhaal van Genesis I.
+
+Ook de Perzen toch spreken van zes scheppingsdagen, waaraan zij
+zes jaarlijksche feesten, oorspronkelijk landbouwfeesten, hebben
+gewijd. Wat de volgorde betreft, zij is deze: eerst brengt Mazda
+een hemelsche schepping tot stand door [183] het uitspreken van het
+heilige woord, Ahuna Vairya, daarna de aardsche: het uitspansel,
+de wateren, de planten, het vee, de menschen.
+
+We zien dus ook hier weer, dat het oude Parzisme geen zuiver
+dualisme is. Mazda staat boven alles: onder hem staan zijn dienaren:
+amesa-spenta's, yazata's enz., doch ten slotte ook de vijandige geest
+met diens rijk, dat op den duur tegen het zijne niets vermag en welks
+bestrijding de taak van den vrome is. Zoowel door landbouw als door een
+godgewijd leven: beiden toch vloeien ineen, moet deze daartegenover pal
+staan. De strijd tegen natuurlijk en zedelijk kwaad is zijn levenstaak.
+
+Voert hij dien strijd met volharding, dan vindt hij heil in dit,
+zoowel als in een volgend leven. Bij den dood toch wordt des menschen
+lot beslist. Voor de slechten volgt de diepste ellende, de vromen
+ontvangen, voor wat zij hier hebben opgeofferd [184], hiernamaals
+eeuwig loon.
+
+In een der plaatsen uit de Zend-Avesta wordt dit aldus voorgesteld:
+als de mensch gestorven is, strijden de ellendige daeva's om zijn
+bezit: drie nachten lang. Aan het eind van den derden nacht, als
+Mithra den top van den godenberg heeft bereikt en de zon opgaat,
+is de strijd beslist.
+
+De booze daevadienaars worden meegenomen door den daeva Vizaresa
+(den wegsleeper). Doch de andere zielen gaan op het goede pad. Bij
+de brug Çinvat komen de vromen en smeeken om hun deel, voor wat zij
+hier moesten prijsgeven.
+
+Een sterke, sierlijke jonge vrouw verschijnt, een kroon op het hoofd,
+met de honden, die de dooden geleiden. Zij voert de zielen over de
+brug Çinvat en steunt hen. Zoo komen zij in den hemel, waar Mazda
+met zijn heiligen is.
+
+Vohumano rijst van zijn gouden troon en vraagt: "Hoe zijt gij hier
+tot ons gekomen van de vergankelijke tot de onvergankelijke wereld?"
+
+Dit gedeelte behoort tot de oudste teksten; later wist men van de brug
+Çinvat te vertellen, dat deze zoo smal was als een scheermes voor de
+slechten, zoodat deze er afvallen. Hier wordt zij nog uitsluitend:
+als een brug der goden, door de vromen betreden. Ook weten latere
+schrijvers van verschillende hemelen, ten slotte zelfs van een soort
+vagevuur, te gewagen.
+
+De boozen gaan alzoo naar de plaats des verderfs, de dienaars van Mazda
+naar den hemel. Hoe echter dacht men over de toekomst der aarde en
+die der op haar wonende menschheid? Een oude voorstelling is deze: Aan
+het einde van de twaalf duizendjarige perioden der wereldgeschiedenis
+zal Mazda, door de Amesa-Spenta's geholpen, de wereld herscheppen.
+
+Dan zullen de menschen niet meer verouderen of sterven, maar eeuwig
+leven en bloeien. De dooden zullen opstaan, zielen en lichamen worden
+vereenigd en de levenden gaan tot de onsterfelijkheid in, de wereld
+wordt herschapen naar den wil van Mazda in de ordeningen van Asa. Alle
+booze machten worden ten onder gebracht en vernietigd en de oorsprong
+van alle kwaad, Anro mainyu, trekt zich in wanhoop terug.
+
+Deze groote gebeurtenis der tweede schepping wordt reeds door de drie
+voorafgaande wereldeeuwen (van 1000 jaren elk) voorbereid. Elk van
+deze drie tijdperken heeft zijn Saosyant (heiland, Messias). Deze
+drie Messiassen, waarvan de laatste de grootste, de eigenlijke
+wereldvernieuwer is, worden geboren uit het zaad van den grooten
+profeet Zarathustra, sinds eeuwen bewaard in het meer Kasaya, welk
+zaad drie jonge maagden, in het meer badend, in zich opnemen. De
+eerste verlosser heet: de groeiende gerechtigheid, de tweede: de
+groeiende aanbidding, de derde: de belichaamde gerechtigheid.
+
+De laatste heiland aanschouwt met zijn verstandigen zegenenden blik
+de wereld en dit reeds is genoeg om haar onsterfelijk te maken. De
+vromen zijn zijne helpers: zij die, steeds goed in denken, spreken,
+handelen en gelooven, nooit hun woord hebben gebroken. Voor hen te
+zamen neemt de demon Aesma de vlucht. Dan nemen ook de hemellingen
+deel aan den strijd. Asa beslist den slag door de Drukhs: de moeder
+van alle kwaad, de duistere bij uitnemendheid, te dooden. Wel valt
+Akem mano, de booze gezindheid, nog aan, doch Vohumano verslaat
+hem, de waarheid overwint de leugen en Haurvatat en Ameretat maken
+aan honger en dorst voor immer een einde. Anro mainyu moet, zoo wij
+reeds vermeldden, zich machteloos terugtrekken. Over zijn verder lot
+zwijgen de oude teksten. Wel schijnt er ook op den bodem dezer oude
+voorstellingen reeds de gedachte te liggen, in later dagen nog meer
+opzettelijk uitgewerkt, dat ten slotte allen gered worden, omdat
+allen worden geheiligd.
+
+We hebben gezien, wie de oude Perzen boven zich zagen, als bondgenooten
+in den goeden strijd; welke hun tegenstanders waren en wat voor lot
+zij verwachtten van de toekomst.
+
+Ons rest nu nog op hun godsdienstig-zedelijk leven zelf onzen blik te
+vestigen. Achtereenvolgens bespreken wij daartoe: de geestelijkheid,
+den eeredienst en de zedewet.
+
+Wat de eerste betreft, evenals in andere godsdiensten golden ook hier
+de priesters als de voornaamsten, de eersten in stand. Zij werden meest
+atharvans, vuurpriesters genoemd en hunne voornaamste werkzaamheden
+waren: het brengen van offers, vooral van het haoma offer en het
+voeden en vereeren van het heilige vuur. Ook waren er onder hen,
+naar het schijnt, verschillende klassen.
+
+Het komt mij onnoodig voor, om op al die eigenaardigheden van
+priesterschap en eeredienst uitvoerig in te gaan. Een enkele opmerking
+moge volstaan over het haoma-offer en den vuurdienst.
+
+Wat dat eerste betreft, het had ten doel het leven op te wekken en
+te versterken, allereerst bij den offeraar zelf, voorts ook bij de
+geheele natuur, waarbij deze laatste zinnebeeldig werd voorgesteld
+door de baresman (gewijde twijgen) en de wateren. Daarom had de
+heilige handeling hierbij, ook met het oog op dit tweeledig doel,
+tweemaal plaats en mocht de offeraar bij die tweede handeling eerst
+van het haoma drinken, als de daarbij behoorende afdeeling uit de
+heilige boeken geheel was opgezegd. Alles wat bij dit offer te pas
+kwam, had betrekking op het levensonderhoud, zooals: het wijwater,
+de melk, het vleesch, de granaatvrucht, de offerkoekjes. Den offeraar
+geeft het genot van den onsterfelijkheidsdrank deel aan het hemelsche
+leven, doch ook heeft het een geheimzinnige uitwerking op de natuur
+en de hemelmachten. De maaltijd bij het offer was oorspronkelijk een
+gemeenschappelijk maal, waarbij men uitdrukkelijk werd gewaarschuwd
+toch niet onwaardig de gewijde spijzen, de myazda of offerkoekjes, te
+eten. De goden werden, volgens hun rangorde, Mazda en de Amesa-Spenta's
+vooraan, uitgenoodigd bij het offer tegenwoordig te zijn.
+
+Hoe hoog echter het Haoma-offer werd gesteld, toch waren de oude
+atharvans in de eerste plaats vuurpriesters. Het vuur achtten zij
+hoog, het is immers het levensbeginsel van het gansche heelal, het
+leeft in mensch en dier en plant, [185] het daalt in den bliksem
+op aarde neer, het brandt in Mazda's hemel voor zijn aangezicht,
+het is zijn zoon, tevens zijn geest. Heilig was dus het vuur, ook
+dat van den huiselijken haard, doch heilig bovenal het zoogenaamde
+Bahram vuur: het hemelsche vuur onder de menschen, dat door hout
+en reukwerk zorgvuldig werd onderhouden en dat men slechts naderen
+mocht, als men met den heiligen gordel was bekleed. Geen adem mocht
+het verontreinigen, het te blusschen was doodzonde. Onderhouden moest
+het worden door allen, in de eerste nachtwaak door den huisheer, in
+de tweede door den veldarbeider, in de derde roept het vuur Sraosa,
+opdat zijn haan Parodars de menschen wekke, want wie dan de eerste
+is om het heilige vuur te verzorgen, hij gaat het eerst ten hemel
+in. Aan dit heilige vuur moet men andere vuren reinigen. De zorg voor
+dit altaar des heiligen vuurs was niet te vergeefs. Atar, de vuurgod,
+gaf rijken zegen: waar zijn vlammen waaien, zijn geuren stroomen,
+worden duizenden daeva's gedood.
+
+De zorg voor het heilige vuur heeft ten allen tijde de aandacht
+getrokken der buiten het Parzisme staanden: vandaar dat men dikwijls
+ten onrechte van vuuraanbidders spreekt.
+
+In later dagen ging het met het Parzisme als met andere godsdiensten;
+de magie, het geloof aan tooverinvloeden, kwam hoe langer hoe meer
+het terrein van den godsdienst binnen, en zoo had ook het offeren--'t
+zelfde had trouwens in Indië plaats [186]--minder ten doel in de
+nabijheid der hemelwezens te komen en hun zegen te verwerven, dan
+wel macht te verkrijgen over de geesten der duisternis en die af te
+weren. Zoo ontaardde de eerst zoo verheven godsdienst.
+
+De wederom toegelaten oude volksgoden hadden daartoe aanleiding
+gegeven, met hen kwam het oude, bekrompen bijgeloof weer terug.
+
+Doch, wij overschrijden reeds het bestek, waarbinnen wij ons thans
+bewegen: wij willen ten slotte en dit is voor ons niet het minder
+belangrijke, nog een blik werpen op de wet, de religieuze zedewet
+van het Parzisme.
+
+Gewoonlijk heet deze: Daena, dat nu eens door "wet", dan weer door
+"godsdienst" kan vertaald worden. Aan haar wordt groote kracht
+toegekend: zij neemt de zonden weg, doch niet door vergeving maar door
+bestrijding, zij wischt bij den vrome slechte gedachten, woorden en
+daden weg, gelijk de sterke zuidenwind in den dampkring.
+
+Wij merkten reeds op, dat de Zarathustrische godsdienst tevens een
+sociale hervorming was.
+
+Dit nu komt ook hier uit. Tegenover het aan Mazda gewijd, gezeten
+leven van den landbouwer, staat het nomadenleven van den daevadienaar.
+
+Gelijk de bebouwde aarde het terrein is van Mazda, zoo is de woeste
+wildernis dat van zijn tegenstander.
+
+De aarde te bebouwen is volgens deze wetten een der voornaamste
+plichten. De aarde, zoo heet het, is als eene jonge maagd, die een man
+verlangt en, met den geliefde vereenigd, een zoon baart. Zoo ook geeft
+de aarde overvloed, aan wien haar vlijtig bebouwt (bevrucht). Graan
+zaaien is de wet betrachten. Waar de volle halmen zich verheffen,
+daar verdwijnen de daeva's.
+
+De landbouw is de vereering der heilige moeder-aarde. Drie plaatsen
+zijn alzoo het heiligst: waar de vrome zijn huis en erf heeft met
+het heilige vuur, waar hij het meeste koren, voeder en vruchtboomen
+doet groeien en dorre plaatsen besproeit, en: waar het meeste vee
+geboren wordt.
+
+De meest onreine plaatsen zijn: de ingang der hel, waar de daeva's
+vergaderen, de plaatsen waar lijken zijn of holen van aan Anro mainyu
+toebehoorende dieren, zooals slangen, enz. Lijken op te graven en
+holen van Anro mainyu te vernielen zijn dus voor den Mazda dienaar
+heilige plichten.
+
+Van ascese wil men niets weten: om te doen wat Asa voorschrijft zijn
+noodig welgevoede, krachtige mannen. Een spreuk (mathra), die men
+van buiten moest leeren zegt: "Hij die niet eet, heeft geen kracht
+voor het Asa, geen kracht tot den akkerbouw, geen kracht om zonen te
+telen." Daarmee komt overeen wat het Zend-Avesta voorschrijft, dat men
+vóór den bijslaap een gebed doe. Zoo stond men lijnrecht tegenover de
+ascese. Ook vrijwillige armoede, bedelend rondzwerven en zelfkastijding
+worden veroordeeld. "Bij ons", zoo heet het in een later geschrift,
+"is het houden van vasten dit, dat wij vasten van zondigen met onze
+oogen en tongen, onze ooren en handen en voeten--datgene wat in andere
+godsdiensten vasten is door niet te eten, is in onzen godsdienst
+vasten door geen zonden te bedrijven."
+
+Op ijverigen arbeid en vroeg opstaan wordt de nadruk gelegd:
+Parodars, de haan, is de heilige vogel van Sraosa. Doch niet minder
+op eerlijkheid, trouw en waarheid, terwijl ook de kuischheid in hooge
+eere stond. Ook mededeelzaamheid wordt als plicht gesteld: de stem
+van den arme, dien men ongetroost wegzendt, klinkt als een luide
+aanklacht door 't gansch heelal en bereikt den troon des Alwijzen.
+
+Wat de eerlijkheid betreft: eigenaardig heet het in een der teksten
+dat wie zijn schuld niet afdoet een dief is, die roof pleegt aan zijn
+schuldeischer. Ook wordt aangedrongen op het nakomen zijner contracten:
+zelfs de nabestaanden zijn daarvoor solidair aansprakelijk.
+
+Ontucht wordt met strenge straffen bedreigd. Afdrijving der vrucht
+en kindermoord zijn hier ten strengste verboden. Een vader is,
+men ziet dat op dit punt de Perzen ons vooruit waren, verplicht de
+ongehuwde moeder te onderhouden en voor het kind tot diens zevende
+jaar te zorgen. De ontuchtige vrouw is vogelvrij: de ontucht is Anro
+mainyu's geliefde dochter.
+
+Wat betreft de zoogenaamde verwanten-huwelijken (tusschen broeder
+en zuster, ouders en kinderen), later zijn deze bloedschendige
+verbintenissen wèl door de Magiërs aangeprezen, doch in het Avesta
+vinden wij dit niet. Waarschijnlijk zijn zij ontstaan uit de begeerte,
+om het ras zuiver en onvermengd te houden.
+
+Reinheid eischte de Mazdayasnische wet echter niet slechts op zedelijk,
+ook op natuurlijk gebied. Daartoe rekende men allereerst den plicht
+om aarde, water en vuur rein te houden: de drie heilige elementen
+van Mazda. Vandaar dat de oude Perzen hun dooden niet verbrandden,
+dat zou het vuur verontreinigen, noch hen begroeven, dat zou de
+aarde ontheiligen, maar ze neerlegden op een soort torens [187],
+waar ze door roofvogels konden worden verteerd. De alleroudste wijze
+van lijkbezorging was echter deze, dat men het lijk ergens neerlegde
+op zijn eigen kussen of doodslaken, fel beschenen door de zon.
+
+Een lijk begraven is een groote zonde, verbranden echter nog grooter
+kwaad; wie dàt iemand ziet doen, is volgens de wet verplicht den
+overtreder te dooden.
+
+Een veld waar een lijk van een mensch of een hond heeft gelegen, mag
+in geen geval bezaaid worden, voordat het is gereinigd. Een begraven
+lijk moet althans binnen 't jaar opgegraven worden, wie er twee jaar
+mee wacht, begaat een onvergeeflijke zonde.
+
+Tegenover de dierenwereld nemen de Parzisten een geheel andere houding
+aan, dan b.v. de volgelingen van Boeddha. Terwijl toch dezen het leven
+in alle schepselen heilig achten, is het hier plicht om de aan Mazda
+gewijde dieren te beschermen, maar de scheppingen van Anro mainyu
+uit te roeien.
+
+Was het dooden der eerste verboden, toch maakte men uitzondering voor
+dieren, die den mensch tot spijze dienden en bij de offers aan sommige
+yazata's werden ook paarden, kameelen, runderen en kleinvee geslacht.
+
+Waarom nu sommige dieren heilig, andere onrein werden geacht, is vaak
+moeilijk na te gaan. Het nut besliste zeker menigmaal, doch niet
+altijd. Heilig zijn boven alles de koe en de hond. Zoo ook de egel
+en de otter; den laatste hield men voor een soort hond. Ook de kat
+en de uil, de vogel van Vohumano, zijn heilig als bestrijders van
+het ongedierte, dat het graan opeet: de muizen. Eveneens de gier,
+de bekende straatreiniger van het Oosten.
+
+Onrein zijn: slangen, ratten, muizen, mieren, padden, kikvorschen,
+deze moeten worden gedood.
+
+De Perzen schenen, wat de onreinheid betreft, den stelregel
+toegedaan: "het bederf van het beste is het slechtste." Immers
+juist de overblijfselen van een mensch en een hond, en onder
+menschelijke overblijfsels vooral dat van een priester waren
+ten zeerste onrein. Zooveel mogelijk moest men zich daarvoor
+wachten. Verontreiniging was echter, bij de lijkbezorging, niet
+steeds te vermijden. Water, aarde, doch vooral de urine der koe,
+waren de gewone zuiveringsmiddelen. Wie b.v. een lijk had aangeraakt,
+moest een vrij omslachtige reiniging ondergaan, waarbij de priesters
+met besprengingen en gebeden dienst moesten doen.
+
+Zoo was reinheid een strenge eisch, doch om al het ritueele werd het
+innerlijke niet vergeten.
+
+"Reinig u zelf, o gerechte, klinkt het ons tegen; dit toch is in
+de stoffelijke wereld voor ieder de reiniging van deze zijn eigen
+persoonlijkheid, o gerechte, dat hij haar reinige door goede gedachten,
+woorden en daden."
+
+Wat nu de straffen aangaat, door de wet voor de overtreders bepaald,
+meestal waren zij niet gestreng. Slechts op groote onreinheden,
+grove ontucht en ketterij stond de doodstraf, overigens waren het
+lijfstraffen, die den overtreder hier bedreigde; later werden deze
+door geldboeten vervangen.
+
+Men had echter ook geestelijke straffen, waarbij men in meerdere of
+mindere mate van de gemeenschap der vromen was uitgesloten. Een der
+grootste straffen was: de verbanning uit der menschen gedachtenis,
+waarbij men dus werd dood verklaard. De allerzwaarste die: waarbij
+men van de godsdienstige gemeenschap werd uitgesloten en onder smaad
+en gejouw werd weggejaagd. Toch, ook dan nog kon men zich genade
+verwerven: als men namelijk een der felst gehate overtreders doodde.
+
+We hebben hiermede ons overzicht van het oude Mazdeïsme ten einde
+gebracht en het leeren kennen, als een bij uitstek praktischen,
+verstaanbaren godsdienst: althans in zijn hoofdtrekken. We weten
+ook--straks komen wij daarop terug--dat deze godsdienst ook nu nog
+hier en daar in Perzië zelf, maar vooral onder de naar voor-Indië
+uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi's, voortleeft. Doch, minder
+gemakkelijk is nog de vraag: waar en wanneer is deze godsdienst
+eigenlijk geldig geweest? Daarover is onder de geleerden veel verschil,
+waarop wij hier niet kunnen ingaan. We volstaan met als ons gevoelen
+mee te deelen dat de Zarathustrische godsdienst, nagenoeg zooals
+wij dien uit het jongere Avesta leerden kennen, de heerschende
+godsdienst is geweest onder Cyrus (558-529 v. C.) en zijne opvolgers,
+de zoogenaamde Achaemeniden. Aan hun rijk maakte Alexander de Groote
+(336-323) een einde en tevens schijnt hij tegen het Mazdeïsme en
+zijn gewijde boeken te hebben gewoed. Het gevolg is geweest dat deze
+godsdienst in diep verval geraakte, al bleef hij in enkele landstreken
+vrij zuiver bewaard. Later echter kwam er een tijd van herleving en
+wel onder de Sassaniden, welk vorstenhuis vanaf 226 n. C. regeerde,
+totdat de Islam zich ook in Perzië vertoonde en Mohammed Zarathustra
+verdrong, toen in 651 het rijk der Sassaniden bezweek.
+
+Toch bleven er eenige weinige getrouwen tot op dezen dag; vooral
+werden de Parzische instellingen en leeringen trouw bewaard door naar
+Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi's, welke laatsten zelfs
+trachten hun ouden godsdienst in diens oorspronkelijke zuiverheid
+te herstellen. Naar het mij voorkomt is dit verschijnsel belangrijk
+genoeg, om er nog een oogenblik bij stil te staan en ook aan dit
+nieuwe, herstelde Parzisme nog een enkele bladzijde te wijden.
+
+
+
+
+
+IV. Het "hervormde" Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi's.
+
+
+Wij vermeldden reeds, dat er in oude dagen, aan hun godsdienst getrouwe
+Perzen naar Indië uitweken. Gastvrij werden zij daar ontvangen, alleen
+hun wapens moesten zij afleggen, hun kleeding veranderen en geen koeien
+meer dooden. Daar, in Indië, vergaten zij hun taal, ook al konden zij
+nog een enkel gebed in de oude taal uitspreken en werden hun ook in
+het maatschappelijk leven allerlei gewoonten eigen, aan de Hindoes,
+later ook aan de Mohammedanen ontleend. Toch: twee punten van hun oud
+geloof hielden zij vast: er was maar één God, en: een man mocht slechts
+huwen met ééne vrouw. Ook bleven zij hun heilige boeken bewaren.
+
+Het Engelsch bewind gaf hun meer vrijheid en deed de kracht van het
+energieke volk, (de flinkste kooplieden van Bombay zijn allen bijna
+Parsi's) ontwaken. Verder werden zij nog meer wakker geschud uit
+hun verdooving door de werkzaamheid van Christenzendelingen. Toen
+er enkelen van hen voor het Christendom waren gewonnen, begrepen de
+anderen, dat zij--wilde hun godsdienst en gemeente bestaan blijven--wat
+meer voor de godsdienstige opleiding hunner kinderen moesten doen,
+dan hen enkele spreuken en gebeden uit het Zend-Avesta te laten
+leeren in de oorspronkelijke taal, welke zij niet begrepen. De vrucht
+dezer beweging was de uitgave van een Parzischen catechismus, onder
+den titel:
+
+"Eenige vragen en antwoorden om de kinderen van de heilige
+Zarathustrische gemeente bekend te maken met den Mazdeïstischen
+godsdienst. Gesprek tusschen een Zarathustrischen meester en zijn
+leerling."
+
+We halen uit dit werkje een gedeelte aan, vooral om er uit te doen
+zien, hoe de Parsi's hierin trachten terug te keeren tot het oude,
+zuivere geloof, toen het nog niet door den invloed der schare was
+verbasterd.
+
+"Waarin gelooven wij, leden der Zarathustrische gemeente?"
+
+"Wij gelooven slechts in één God, en in niemand behalve in Hem."
+
+"Wie is die ééne God?"
+
+"De God, die de hemelen, de aarde, de engelen, de sterren, de zon,
+de maan, het vuur, het water (of de vier elementen) en alles, wat in
+de twee werelden is "schiep". In dien God gelooven wij, Hem dienen
+wij en vereeren wij, Hem roepen wij aan."
+
+"Gelooven wij niet in eenig ander God?"
+
+"Wie in eenig ander God gelooft, is een ongeloovige; hij zal de
+straffen der hel ondergaan."
+
+"Welke gedaante heeft onze God?"
+
+"Onze God heeft geen gelaat of vorm, kleur noch gestalte, noch een
+bepaalde woonplaats."
+
+"Niemand is aan Hem gelijk. Hij is zoo heerlijk, dat wij Hem niet
+kunnen beschrijven of beoordeelen, noch Hem begrijpen."
+
+"Is daar eenig ding, dat God niet kan scheppen?"
+
+"Ja, daar is één ding, dat God zelf niet kan scheppen."
+
+"Wat dat is, moet gij mij uitleggen."
+
+"God is de Schepper aller dingen, maar indien Hij iets zou willen
+scheppen, dat Hem gelijk ware, Hij zou het niet vermogen. God kan
+geen ander scheppen, Hem zelf gelijk."
+
+"Hoeveel namen zijn er voor God?"
+
+"Men zegt, dat er duizend en één zijn, doch daarvan zijn er nog
+honderd en één overgebleven."
+
+"Waarom zijn daar zoovele namen van God?"
+
+"De namen van God, die zijn natuur weergeven, zijn twee: Yazdan
+(almachtig) en Pauk (heilig). Ook wordt Hij genoemd Hormuzd (de
+hoogste der geesten), Dádár (die gerechtigheid geeft), Purvurdegar
+(voorziener), Purvurtur (beschermer). Door deze namen prijzen wij
+Hem. Er zijn ook vele andere namen, die Zijn goede daden beschrijven."
+
+"Wat is onze godsdienst?"
+
+"Onze godsdienst is: Dienst van God."
+
+"Sedert wanneer ontvingen wij onzen godsdienst?"
+
+"Gods ware profeet--de waarachtige Zurthost (Zoroaster) Asphantaman
+Anoshirwan--bracht ons van Godswege het ware geloof."
+
+"Waarheen moet ik het aangezicht wenden, als ik den heiligen Hormuzd
+vereer?"
+
+"Wij behooren den heiligen rechtvaardigen Hormuzd te vereeren,
+met ons aangezicht gewend naar een zijner scheppingen van licht,
+heerlijkheid en verhevenheid."
+
+"Welke zijn deze voorwerpen?"
+
+"Deze zijn de zon, de maan, de sterren, het vuur, het water en andere
+heerlijke dingen. Naar deze zijne scheppingen wenden wij ons gelaat,
+en beschouwen die als ons "kibleh" [188] omdat God in haar een klein
+deel zijner heerlijkheid heeft neergelegd en zij daarom in de schepping
+meer verheven zijn en geschikt om ons "kibleh" te wezen."
+
+"Welke godsdienst heerschte er in Perzië vóór den tijd van Zurthost?"
+
+"De koningen en het volk waren dienaars van God, doch zij hadden,
+evenals de Hindoe's, beelden van de planeten en afgodsbeelden in
+hun tempels."
+
+"Welke geboden heeft God ons gegeven door zijnen profeet, den verheven
+Zurthost?"
+
+"Vele geboden, doch ik geef u het voornaamste, dat gij u altijd moet
+herinneren en waardoor gij u moet laten leiden:
+
+"God als Eén te erkennen. Den profeet, den verheven Zurthost als
+zijn waren profeet te eeren. Zijn godsdienst en het Avesta, door
+hem gebracht, als ontwijfelbaar waar aan te nemen. Te gelooven in de
+goedheid van God. Geen der geboden van den Mazdeïstischen godsdienst
+ongehoorzaam te zijn. Booze daden vermijden, goede daden verrichten,
+vijfmaal 's daags bidden. Te gelooven in vergelding en gerechtigheid
+op den vierden dag na den dood. [189] Op den hemel te hopen en de
+hel te vreezen. Zonder twijfel te gelooven in den dag der algemeene
+vernietiging en reiniging (van alle zielen, die lijden). Altijd te
+bedenken, dat God doet, wat Hij wil en zal doen, wat Hij wil. Eenig
+lichtend voorwerp aan te zien als wij God aanbidden."
+
+"Als wij eenige zonde begaan, zal onze profeet ons dan behouden?"
+
+"Nooit moeten wij, volgens ons geloof, eenige zonde begaan: onze
+profeet, onze gids in het rechte spoor, heeft ons uitdrukkelijk gezegd:
+"gij zult ontvangen, naar wat gij doet." Onze daden beslissen over
+onzen terugkeer in de andere wereld. Als gij deugdzame en vrome daden
+verricht, zal de hemel uwe vergelding zijn. Als gij zondigt en slechte
+dingen doet, zult gij in de hel worden gestraft. Daar is niemand dan
+God, die u kan redden van de gevolgen uwer zonden. Als iemand een zonde
+begaat, in het geloof dat hij door iemand zal worden gered, zoo zullen,
+zoowel hij, die hem (hierin) bedriegelijk voorgaat, als de bedrogene
+veroordeeld zijn tot op den dag van de voleinding der wereld."
+
+"Welke zijn de dingen, waardoor een mensch gezegend en beweldadigd
+wordt?"
+
+"Door deugdzame daden te doen, mild te geven, voorkomend en need'rig te
+zijn, zachte woorden te spreken, anderen het goede toe te wenschen,
+een rein hart te hebben, kennis te verkrijgen, de waarheid te
+spreken, den toorn te onderdrukken, geduldig te zijn en zichzelf te
+beheerschen, vriendelijk te zijn, schaamte te gevoelen, behoorlijken
+eerbied te toonen voor oud en jong, godsdienstig te zijn, uw ouders en
+leermeesters te eeren. Alle deze deugden zijn de vrienden van goede,
+de vijanden van slechte menschen."
+
+"Door welke dingen gaat een mensch verloren en wordt hij verlaagd?"
+
+"Door onwaarheid spreken, stelen, dobbelen, met booze begeerten eene
+vrouw aanzien, verraad plegen, misleiden, boos zijn, anderen kwaad toe
+wenschen, trotsch zijn, spotten, lui zijn, kwaadspreken, gierig zijn,
+oneerbiedig zijn, onbeschaamd, oploopend zijn, nemen wat eens anders
+eigendom is, wraakzuchtig, onzindelijk, hardnekkig, afgunstig zijn,
+iemand leed berokkenen, bijgeloovig zijn en tegenover anderen booze
+en vijandige daden plegen.
+
+"Dit zijn de vrienden van den slechte, de vijanden van den deugdzame."
+
+Deze catechismus was de eerste poging om godsdienstig onderricht aan
+de jeugd te geven. Ook werden de oude, gewijde boeken in de Gujarati
+taal overgezet, doch: deze vertaling was te letterlijk en daardoor
+onverstaanbaar.
+
+Daarop stichtte in 1849 Dabadhaï Naoroja, (een van de voormannen
+van het nieuw Parzisme, waaraan ik deze mededeelingen ontleen), ten
+einde meer invloed uit te oefenen, met andere jonge mannen scholen
+voor meisjes. Zij noemden zich: "Letterkundige en Wetenschappelijke
+Studentenvereniging." Deze Dabadhaï Naoroja kwam toen juist van de
+academie. Hij en zijne vrienden gaven 's morgens en 's avonds les en
+hadden eerst niet weinig tegen de vooroordeelen van de meerderheid van
+hun volk te strijden. Doch, zij hielden vol; aanzienlijke jongelieden
+kwamen hen helpen en de scholen kwamen tot gevestigden stand.
+
+Ook hield men lezingen en stichtte men een Parzistisch weekblad. In
+1851 werd eene vereeniging gesticht, met den straks genoemden Dabadhaï
+Naoroja als secretaris, die ten doel had het Mazdeïstische geloof
+van Hindoesche en Mohammedaansche toevoegselen te zuiveren en, door
+nauwgezette studie der gewijde boeken, tot zijn oorspronkelijke
+zuiverheid terug te brengen. Deze vereeniging heette "Rahanumai
+Mazdiashná" (gids voor de vereerders van éénen God).
+
+Er was tegen deze vereeniging een groote vijandschap: zelfs werd
+een tegenvereeniging opgericht, die echter spoedig bezweek. Waar het
+echter gold met Hindoesche en Mohammedaansche ceremoniën te breken,
+daar was er groote tegenstand bij de vrouwen, zusters en moeders:
+die toch immers in het huisgezin den toon aangeven. De meisjesschool
+evenwel had ook in dezen groot succes. Daar leerden deze meisjes
+immers dit alles als vooroordeel of bijgeloof kennen. Zij kwamen
+daardoor van zelf in verzet. "Neen, moeder," zeiden zij, de kleine
+schouders ophalend, "dat is ons geloof niet, dat is niet goed, dat
+is bijgeloovig." En--de moeder luisterde naar het kind, als zij naar
+man of broeder niet wilde hooren.
+
+Sedert dien tijd zijn twee geslachten voorbij gegaan. Die kinderen
+zijn nu zelf moeders en zij zetten de aangevangen hervorming voort.
+
+Ook nog een andere belangrijke schrede tot hervorming werd ongeveer
+1853 gedaan. Men weet, dat het oude Parzisme de vrouwen volstrekt
+niet achterstelde. Evenwel, onder vreemden invloed was er ongelijkheid
+gekomen: de vrouwen werden weinig geteld. De straks genoemde leider en
+anderen gingen nu familiesamenkomsten houden en maaltijden, waarbij
+ook de vrouwelijke leden der familie tegenwoordig waren. Inderdaad
+hielp dit. Trouwens men kon zich ook beroepen op de volgende woorden
+van Zarathustra, in de Zend Avesta aangehaald:
+
+"O gij bruiden en bruidegoms, mannen en vrouwen, ik zeg u deze woorden:
+Leeft in éénen geest; doet te zamen uw godsdienstige plichten in
+zuiverheid van gedachte, leeft met elkaar in waarheid en door deze
+dingen zult gij zeker gelukkig worden."
+
+Ook het hebben van meer dan eene vrouw, welk misbruik hier en daar
+was ingeslopen en wel in dezen vorm, dat men zijne vrouw wegzond
+om eene andere te nemen, liet men niet onbestreden. Men wist, met
+eenige moeite, een wet te verkrijgen, waarbij de Parsi's in dezen
+met dezelfde straffen werden bedreigd als de Engelsche onderdanen.
+
+Ook tegen de, volgens Indische zede gebruikelijke, ook onder de Parsi's
+ingeslopen kinderhuwelijken trad men op. En wel met zooveel succes, dat
+ze thans onder hen voornamelijk in Bombay, bijna niet meer voorkomen.
+
+Zoo kwam er dus onder de Parsi's meer belangstelling in hun oude
+geloof. Evenwel, men bleef geenszins bij de letter daarvan hangen.
+
+Onder den invloed van "Rahanumai", de straks genoemde vereeniging, kwam
+men er toe, die oude geschriften meer opzettelijk te onderzoeken. Dit
+leidde tot de volgende resultaten: [190]
+
+Vele boeken, tot nu toe voor kanoniek gehouden, waren dit niet. Met
+uitzondering van de Gatha's gaven de oude boeken niet weer de woorden
+van Zarathustra, noch van zijne leerlingen. Verder: de godsdienst
+van Zarathustra werd uit een radicale hervorming geboren: tegenover
+het polytheïsme predikte deze den dienst van den grooten, verhevenen
+God als het begin en einde van den waren godsdienst. Hij alleen was
+de gever van alles. De oude goden en geesten verwierp de profeet, om
+zich alleen tot God te richten. "U en u alleen", sprak hij, "ziet het
+oog mijner ziel." Het monotheïsme van Zarathustra was ondubbelzinnig,
+eveneens zijne leer van maar eene vrouw te huwen.
+
+De tegenwoordig Parsi studenten houden vol dat, de boeken van het
+Avesta (behalve de Gatha's) door priesters zijn saamgevoegd, die na den
+dood van Zarathustra de oude geesten weer in eere herstelden, zij het
+ook in ondergeschikte positie: die geesten, welke men onderstelde over
+het water, het vuur, de aarde en alle groote scheppingen der natuur te
+regeeren. Ook maakten die priesters, zoo leeren zij, een ritueel en
+ceremoniën, die voor hen het meest voordeelig waren. Voorts maakten
+al de aanroepingen van verschillende geesten geen deel uit van den
+godsdienst van Zarathustra.
+
+Zij--de tegenwoordige beoefenaars der gewijde Perzische
+letterkunde--oordeelen dat de Parsi's moeten terugkeeren tot den
+oorspronkelijken geestelijken, eenvoudigen, zuiveren godsdienst der
+eerste tijden--en dat uit Zarathustra's woorden volgt, dat slechts
+de eeuwige beginselen van de regeering van éénen God, zuiverheid in
+gedachten, woorden en werken voor altijd bindend zijn. Alle gewoonten,
+ritueel en ceremoniën, aangenomen volgens tijdsomstandigheden, plaats
+en beschaving, kunnen veranderd worden, naardat de stoffelijke en
+geestelijke behoeften der gemeenschap dit eischen.
+
+Daarop leggen de tegenwoordige leiders dan ook den vollen
+nadruk. Blijven zij dat doen, dan kan zeker de betrekkelijk kleine
+kring van Parsi's in Indië, 84,000 op 254 millioen, als zij waarlijk
+strijdt voor waarheid, gerechtigheid en deugd toch een in menig
+opzicht heilzamen invloed uitoefenen.
+
+En ook voor ons westerlingen--vaak zoo ver van natuur en waarheid
+verwijderd--kan het niet anders dan gunstig werken om met den
+verhevenen, en toch practischen godsdienst van Zarathustra kennis
+te maken.
+
+Trouwens, de oude Perzen behooren ook tot onze geestelijke voorouders:
+hun leer van den duivel en de opstanding, van het wereldgericht en
+de reiniging der boozen, heeft door het Jodendom heen tot in het
+Christelijk denken zich een plaats verworven. Steeds klaarder komt
+dit door de nieuwere onderzoekingen aan het licht.
+
+Doch hierop leggen wij nu niet den nadruk. Het leven des menschen een
+strijd tegen het booze, waarin God hem ter zijde staat, een strijd,
+die goede vruchten moet en zal dragen, het ware leven geen sombere
+ascese, maar ijverig arbeiden in de maatschappij: geen dwaze verachting
+van de wereld der zinnen, maar heiliging van al het aardsche in den
+geest der gerechtigheid--zie, dat zijn de onsterfelijke waarheden,
+ons door Zarathustra toegeroepen. Houden wij die in eere!
+
+
+
+
+
+
+
+BIBLIOGRAPHIE.
+
+
+G. H. Lamers. De wetenschap van den godsdienst. (Historisch deel),
+in Nieuwe Bijdragen voor Godgeleerdheid en Wijsbegeerte deel VII en
+deel IX.
+
+P. D. Chantepie de la Saussaye. Lehrbuch der
+Religionsgeschichte. Freiburg 1887. J. C. B. Mohr.
+
+P. D. Chantepie de la Saussaye. Vier schetsen uit de
+Godsdienstgeschiedenis. Utrecht. C. H. E. Breijer 1883.
+
+Religious Systems of the World (a collection of
+addresses). London. Swan Sonnenschein & Co. 1901.
+
+Monier Williams. Religious Thought and Life in India. Part I. Vedism,
+Brahmanism and Hinduism. London. John Murray. 1883.
+
+H. Oldenberg. Buddha, sein Leben, seine Lehre, seine
+Gemeinde. Berlin. W. Hertz. 1881.
+
+T. W. Rhys Davids. Buddhism. London 1899. (Society for promoting
+Christian Knowledge).
+
+A. Lillie. Buddha and Buddhism. Edinburgh. T. Clark. 1900.
+
+E. Arnold. Het licht van Azië, vertaald door Dr. H. Meyboom. Amsterdam
+1881.
+
+H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof
+in Burma) vert. door F. Ortt. 's Gravenhage. "Drukkerij Vrede" 1900.
+
+M. von Brandt. Die Chinesische Philosophie und der
+Staatsconfucianismus. Stuttgart. Strecker & Moser 1898.
+
+C. P. Tiele. Geschiedenis van den Godsdienst in de oudheid. Deel II
+(de Iranische volken). Amsterdam. P. N. van Kampen & Zoon 1895.
+
+A. Brodbeck. Zoroaster. Leipzig. W. Friedrich. 1893.
+
+G. de Lafont. Les grandes religions (le Mazdeïsme). Paris Chamuel 1897.
+
+F. Justi. Geschichte des alten Persiens. Berlin. G. Grote. 1879.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+VOORREDE 1-4
+
+
+Het Brahmanisme 5-37
+
+I. Het Brahmanisme; zijn oorsprong, karakter en eigenaardigheden 5-15
+
+ Verhouding van Israëlietischen en Christelijken godsdienst
+ en van Brahmanisme en Boeddhisme.--Pantheïstisch karakter
+ van het Brahmanisme, bij polytheïstisch voorkomen.--Oorsprong
+ van het Brahmanisme. Stamland der oude Indiërs, hun goden en
+ godsvereering, Rishi's, Varuna, Agni, Indra, Surya, verwantschap
+ der goden.--Onsterfelijkheidsgeloof. Yama.--Kastenwezen.--De
+ Veda's.--Ontwikkeling, van den Vedischen godsdienst onder de leiding
+ der Brahmanen, waarde van het offer, zielsverhuizing. Atman,
+ Brahma, het leven van den Brahmaan als leerling, huisvader en
+ kluizenaar.--Opkomst eener philosophisch-ascetische richting, hoe
+ deze zich met het volksgeloof verstond.
+
+II. Brahmaansche godenleer en levensbeschouwing 16-28
+
+ Brahmaansche godenleer, Brahma, Vishnoe en Siva, hun
+ incarnaties, karakter en vereering.--Esoterische opvatting van
+ het Brahmanisme.--Einddoel, waarnaar men streeft.--Vedanta en
+ Sankhya.--Ramayana en Mahabharata, Valmiki, Visvamitra, Yayati.
+ --Op den drempel van het Boeddhisme.
+
+III. Gezuiverd Brahmanisme in den nieuweren tijd
+ (de Brahmo-Samaj) 28-37
+
+ Vroegere pogingen tot hervorming.--Karakter der
+ nieuwere beweging.--Rammohun Roy.--Zijn optreden tegen
+ de afgoderij.--Strijd tegen weduwenverbranding.--Zijn
+ streven. Verhouding tot het Christendom.--Eeredienst.--Stichting
+ der Brahmo Samaj.--Zijn dood.--Debendra-nath.--Zijn
+ beginselverklaring.--Liturgie.--Verdeeldheid.--Vier
+ grondbeginselen.--Voornaamste punten der leer.--Narain Bose.--
+ Keshab Chander Sen.--Zijn doel.--Zijn jeugd.--Toetreding tot de
+ broederschap.--Zijn radicalisme.--Sociale hervormingen, die hij
+ voorstond.--Scheuring en vereeniging der meer vooruitstrevenden
+ in een nieuwe vereeniging.--Program.--Godsdienstoefening.
+ --Mozoomdar.
+
+
+Het Boeddhisme 38-154
+
+I. Het leven van Boeddha tot aan zijn openlijk optreden 38-54
+
+ Het Boeddhisme in het Brahmanisme voorbereid.--Zijn verspreiding.
+ --Zijn uiteenloopende opvatting.--Quaestie over het historische
+ der Boeddha-figuur.--Waarheid en verdichting gemengd.--Boeddha's
+ geboorteplaats.--Wat over zijn jeugd vaststaat.--Zijn wonderbare
+ geboorte.--Asita.--De vier voorteekens.--Voorzorgen van zijn
+ vader.--De vier voorteekenen verschijnen.--Pogingen om de hoogere
+ roeping van Boeddha te vernietigen.--Hemelgeesten sterken hem.--
+ Hij ziet de verleidelijke vrouwen in haar ware gestalte.--Geboorte
+ van Rahula.--Boeddha's strijd.--Zijn besluit.--Zijn vertrek.--Wat
+ Mara hem voortoovert.--Boeddha bij de kluizenaars.--In 't woud.--
+ Einde zijner zelfkastijding.--Zijn vijf leerlingen verlaten hem.--
+ Zijn strijd en overwinning onder den Bo-boom.--Zijn verlichting.
+ --Aarzeling om de leer te prediken.
+
+II. Boeddha als prediker van den weg des heils 54-87
+
+ Boeddha in het wildpark bij Benares.--De vijf vroegere leerlingen.
+ --Prediking van de vier heilige waarheden en van het achtvoudig
+ pad.--Bekeering der vijf asceten.--Van Bimbisara.--Van Sariputta
+ en Mogallana.--Verzet des volks tegen de Boeddhistische ascese.
+ --Boeddha ontmoet zijn vader.--Ziet Yaçodhara terug.--Boeddha in
+ zijn dagelijksch leven.--Gelijkheid in den kring der leerlingen.
+ --Velen van hen zijn aanzienlijken.--Sunita, leerling uit geringen
+ stand.--Boeddhisme een democratische beweging?--Ananda, de meest
+ geliefde leerling.--Devadatta, de verrader.--Leekenvrienden en
+ vriendinnen.--Visakha.--Haar zorg voor monniken en nonnen.--
+ Boeddha's denkbeelden over de vrouw.--Gesprek daarover met Ananda
+ --Nonnen minder dan monniken geacht.--Boeddha's strijd tegen de
+ Brahmanen.--Boeddha over het offeren.--Boeddha tegen
+ zelfkastijding.--Boeddha geen "vrijdenker" of "atheïst".--
+ Getuigenissen daarover.--Boeddha's gesprek met Vasettha over de
+ vereeniging met Brahma.--Boeddha en de schoone zondares.--De
+ vergeldingsleer (Karma).--Aantrekkelijkheid van Boeddha's persoon:
+ zijn figuur geen schepping der verbeelding.--Boeddhistische
+ spreuken.--Boeddha's laatste levensdagen en dood.
+
+III. Boeddha's onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen 87-111
+
+ Waarde in het Boeddhisme aan "de leer" gehecht.--Boeddha's
+ onderwijs vooral tot het verstand gericht.--Rede over den gloed
+ der zinnen. Voor niet-ingewijden opklimming van af het eenvoudige
+ tot het hoogere.--Onderricht door vragen: gesprek met Sona,--
+ Gelijkenis van den waren en verkeerden weg.--Gelijkenis van de
+ vergeving.--Gelijkenis van den godloochenaar.--Gelijkenis van
+ Kisagotami.--Geschiedenis van prins Kunala.--Boeddha op een
+ huwelijksfeest.--Geschiedenis van het meisje Bhadra.--Koning
+ Wessantara.--Koning Bambadat.--De hongerige hond.--Boeddha als
+ vredestichter.--De verloren zoon.--De vrouw aan de bron.--
+ Geschiedenis van Vasavadatta.--Gelijkenis van het brandend huis.
+ --Gesprek met Rahula over valschheid.
+
+IV. Hoofdpunten van Boeddha's leer 111-119
+
+ Hoofdzaak: bevrijding van het lijden.--Schildering der Samsara.
+ --Er is echter verlossing.--Stemming der Boeddhisten in leven en
+ sterven.--"Dorst" de oorzaak van het lijden.--Hoe Boeddha de
+ zielsverhuizing opvatte?--Hoe Nirvana?--De ketterij van Yamaka:
+ conclusie.
+
+V. De weg des heils 119-124
+
+ Stations op den weg des heils.--Rechtschapenheid.--De vijf
+ geboden.--Geestelijke oefening in welwillendheid.--Bekeering
+ van Roja.--Geschiedenis van Sama.--Beheersching der zinnen.--
+ Opmerkzaamheid.--Mara, zijne verzoeking van Boeddha.--Gelijkenis
+ van den schildpad.--Voorsmaak van het hoogste heil hier op aarde:
+ extase.--Boeddha's persoon op den achtergrond.
+
+VI. Het Boeddhisme in de praktijk 124-139
+
+ Boeddhistische monniken geen tusschenpersonen tusschen hemel en
+ aarde.--Geen hiërarchie.--Wie van de (monniken) gemeente zijn
+ uitgesloten.--Opname als monnik (Pabbaja en Upasampada).--De
+ vier gestrenge regelen.--De vier groote verboden.--Gelofte niet
+ voor altijd.--Goede daarin.--Tucht van het publiek.--Dagelijksch
+ leven der monniken.--Onderricht der jeugd.--Aanzien, waarin
+ zij staan.--Biechtsamenkomsten.--Biechtformule (Patimokha).--De
+ regentijd.--Hoe die werd doorgebracht in de oudheid.--Hoe thans
+ in Birma.--In Ceylon.--Voorlezing op Zondag uit de H. S.--Vier
+ heilige plaatsen.--Boeddhistische nonnen.--Haar onderworpenheid
+ aan de monniken.--De vrouwen tegenover Boeddha's leer.--Haar
+ gebed.--Boeddhistische leeken.--Hun levensopvatting. --Afkeer
+ van den oorlog.--Individueele op den voorgrond.--Opvattingen over
+ vergelding en boete.--Hoe zij staan tegenover den dood.--
+ Waardeering der Boeddhistische leer.
+
+VII. De voortgang en ontwikkeling van het Boeddhisme 139-149
+
+ Hoofdpunten, hierbij te bespreken.--Oude concilie's.--Van
+ Rajagriha, Vaisali, Patna.--Açoka.--Zijn opschriften.--Açoka's
+ hervormingen op godsdienstig en maatschappelijk gebied.--Zijn
+ liefde voor den innerlijken godsdienst.--Zijn afkeer van den
+ oorlog.--Bescherming van dieren.--Zorg voor kranke menschen en
+ dieren.--Bepalingen ten gunste der monniken.--Het leven der
+ monniken in zijn dagen.--Godsdienstige feesten.--Zendelingen.
+ --Stupa's.--Concilie van Patna (244).--Heilige teksten.--Drie
+ Pitaka's.
+
+VIII. Uitbreiding en ontaarding van het Boeddhisme 149-154
+
+ Uitbreiding over Ceylon, Birma enz.--Ondergang in Indië.--Oorzaken
+ daarvan.--Het Boeddhisme in Tibet.--Overeenkomst met het
+ Roomsch-Catholicisme.--Beschrijving eener godsdienstoefening in de
+ kathedraal van Lhassa.--Slot.
+
+
+De Chineesche philosophie 155-245
+
+I. Inleiding 155-158
+
+ Hoofddoel van deze uiteenzetting.--Het oude en standvastige der
+ Chineesche beschaving.--De twee hoofdrichtingen der Chineesche
+ philosophie.--Strijd van Confucianisme en Taoïsme.--Overwinning
+ van Confucius.--Vreemde invloeden in het Confucianisme zelf.--Wat
+ aan het Confucianisme het overwicht gaf.--Oud-Chineesche
+ wijsgeer-profeten.--Keizer Wuwang (1110 v. C.)--Zijn fout.
+
+II. Confucius, zijn leven en leer 157-178
+
+ Zijn geboorte, naam, familie.--Zijn jeugd en huwelijk.--Bekleedt
+ verschillende betrekkingen.--Zijn roem.--Confucius' vlucht uit
+ Lu.--Keert terug.--Wordt beambte der stad Chungtu.--Klimt ten
+ slotte tot minister van justitie op.--Valt in ongenade.--In
+ ballingschap.--In 483 in Lu terug.--Zijn dood en laatste
+ woorden.--Eerst lang na zijn dood in eere.--Ten slotte
+ afzonderlijke tempels voor hem.--Ook thans bij de Mandschoe
+ regeering zeer geëerd.--Confucius' leer niet nieuw.--Stelde
+ het ordelijke, regelmatige op den voorgrond.--Afkeer
+ van bespiegeling over 's menschen toekomst.--Confucius'
+ nauwgezetheid en vormelijkheid.--Welken indruk wij van zijn
+ persoon krijgen.--Zijn ontmoeting met Lao-tsze.--Oordeel van
+ Taoïstische werklieden.--Confucius en de roover Kih.--Oordeel
+ van Wang-Chung.--Oordeel zijner leerlingen.--Confucius kind van
+ zijn tijd en volk.--Kritiek van zijn leerling Tsze lu.--Zijn
+ grief, dat hij miskend werd.--Zijn zwakheid.--Zijn leer der
+ wederkeerigheid.--Zichzelf en anderen opvoeden.--Opvatting
+ van gehoorzaamheid.--Kinderlijke liefde begin van alle
+ deugd.--Aanprijzing van zelfopvoeding.--Goed voorbeeld geven.--Zijn
+ ware natuur volgen.--Harmonie bewaren.--Anderen behandelen, zooals
+ men zelf behandeld wil zijn.--Ideaal van den wijze.--Fouten
+ zoeken in zichzelf.--De vijf wederkeerige plichten.--De drie
+ eigenschappen.--Waardoor zij uitgeoefend worden.--Negen regels
+ voor de beheerschers des rijks.--Vorm, waarin Confucius zijne leer
+ kleedt ook niet oorspronkelijk.--Wat Confucius eens op een beeld
+ las in 517 v. Chr.--Verval van Confucius' leer na zijn dood.
+
+III. Mencius 178-190
+
+ Zijn jeugd.--Zorg zijner moeder.--Zijn
+ leerjaren.--Leeraar.--Politiek hervormer.--Mencius'
+ ontgoocheling.--Ambteloos burger.--Zijn
+ dood.--Canonisatie.--Verschillend karakter van Confucius en
+ Mencius.--Mencius' strijd tegen Cynici en Mihisten.--Mencius'
+ democratie.--Zijn erkenning van de waarde der Chineesche
+ beschaving.--Zijn leer der "voorbeschikking".--Acht den
+ mensch van nature goed.--Leer van Han yü en Chu hi over 's
+ menschen natuur.--De vijf en de drie dingen, in strijd met
+ de kinderlijke liefde.--Mencius tegenover de secte van Shin
+ nung.--Erkent de waarde van elken heilzamen arbeid, vooral
+ van dien des wijzen.--Zijn vijf eischen ten opzichte van het
+ staatsbestuur.--Komt op tegen uitbuiting des volks.--Zijn strijd
+ tegen Mih ti's leer der algemeene liefde.--Leer van Mih ti.--Hoe
+ Mencius dit systeem omverwierp.--Mencius' strijd tegen den Taoïst
+ Yang Chu (pessimist).--Mencius' leer over de "hartstocht".--Verwante
+ denkbeelden bij den psycholoog Ribot.
+
+IV. Lao tsze 190-202
+
+ Zijn geboorte.--Latere verdichtselen daarover.--Zijn werk Tao
+ teh king. Ook Lao tsze slechts bewaarder der oude leer.--Het
+ Tao.--Wat daaronder te verstaan?--Iets onpersoonlijks.--Getuigenis
+ van Lao tsze, van Huai nan tsze.--Tao de natuur (natura
+ naturans).--Taoïsten over de wording van het heelal (Chwang
+ tsze).--Vergeleken met hedendaagsche beweringen.--Uitspraak van
+ Lieh tsze over Tao als het ongeschapene.--Verhouding van Tao en
+ God.--Evolutie door de Taoïsten erkend.--Plaats van den mensch in
+ het heelal volgens het Taoïsme.--Beschouwing van den dood.--Van 's
+ menschen roeping.--De "hemelsche" natuur te volgen.--Niet "actief"
+ zijn.--Hoe dit leidde tot ander politiek en sociaal optreden dan
+ van Confucius en de zijnen.--Lao tsze prijst rust en nederigheid
+ aan.--Overeenkomst met Confucius in lof der oudheid en afkeer van
+ druk.--Lao tsze wil weinig regeeren.-- Hoe hij de ontaarding der
+ regeering schetst.--Zijn regeeringsideaal.-- Zijn aanprijzing van
+ rust.--Droefgeestig beeld van zijn eigen persoon.
+
+V. Chwang tsze, Lieh tsze, Yang Chu en de ontaarding van het
+ Taoïsme 202-215
+
+ Chwang tsze en de vorst van Tsu.--Hoe hij begraven wilde
+ worden.--Valt Confucius en diens leer scherp aan.--Waarschuwing
+ tegen acht gebreken en vier fouten.--Keurt af Confucius'
+ rusteloosheid en bemoeizucht met anderen.--Gispt de
+ veeleischendheid der tegenwoordige heerschers.--Chwang tsze
+ over den dood.--Chwang tsze en de schedel.--Zijn besef van het
+ onbevredigende des levens.--Lieh tsze.--Het betrekkelijke der kennis
+ (de krankzinnige).--De man uit Yin (het vergankelijke).--Tchung
+ lu tsi, de man uit Ki en Lieh tsze spreken over het vergaan der
+ wereld.--Lieh tsze over leven en dood (het doodshoofd).--Yang
+ Chu.--Het korte leven dat zooveel droefs heeft.--Onbezorgd
+ genieten.--Keizer Muh en de Magiër.--Keizer Tsin Shi Wang Ti geeft
+ zich aan Taoïstische kunsten over.--De Taoïstische "doktoren der
+ rede" en het bijgeloof.--De Taoïstische paus.--Invloed van het
+ Taoïsme op het volk.
+
+VI. De "geleerden" tegenover Taoïsme en Boeddhisme 215-227
+
+ Argumenten van weerszijden gebezigd.--Het onbloedige der
+ vervolgingen.--Boeddhistische wijsbegeerte ten slotte zelfs
+ in de zedeleer der "geleerden" ingedrongen.--Oud en nieuw
+ Confucianisme.--Het heilige edict (tegenover Tao en Boeddha).--Het
+ groote plan van Ho en de rol van Loh.--Reactie tegen het
+ inkruipen van Taoïstische en Boeddhistische leeringen in het
+ Confucianisme.--De Mandschoe regeering en het Confucianisme.--Het
+ heilige edict, overwegingen, afkondiging, indeeling, verklaringen,
+ pogingen om het populair te maken.--Zijn 16 sententiën.--Waarde
+ van het Staats-Confucianisme.--Schaduwzijde.
+
+VII. De klassieke boeken der Chineezen 227-243
+
+ De vijf groote en de vier kleine klassieken.--De dertien
+ klassieke werken.--Nog drie andere klassieken.--Geijkte
+ verklaringen.--I-king.--Shu-king.--Shi-king.--Chau-li.--I-li.--
+ Li-ki.--Chun Chiu.--Lun-yü.--De werken van Mencius.--Hsiao-king.
+ --Het wonderboek Urhya.--Tahio.--Chung-yung.--Tshu-shu.--Kung
+ tsze kia yu.
+
+ Werken der Taoïsten: Tao teh king.--Commentaren.--Kwan yin
+ tsze.--Werken van Lieh tsze en Chwang tsze.--Liu Ngan (Huai
+ nan tsze).
+
+ Oorzaken der gapingen in de klassieke literatuur.--Vernietiging
+ der boeken door de dynastie Tsin.--Voorstelling van Sze ma
+ tsien.--Latere "bibliotheek-rampen".--Verdienste der Chineesche
+ geleerden.--Vervalschingen.--Schade in den nieuwen tijd.--Slecht
+ onderhoud der bibliotheken.--De ijver der Chineesche letterkundigen
+ te prijzen.--Besluit.
+
+
+Het Mazdeïsme 244-278
+
+I. Inleiding 244-248
+
+ Tegenstelling van den Indischen en den oud-Perzischen
+ godsdienst.--Toch beiden uit één stam.--Moeilijkheid om
+ het Mazdeïsme te beschrijven.--Zend-Avesta.--Zoroaster,
+ historisch?--Anquetil du Perron en het Zend-Avesta.--De drie
+ phasen van het Mazdeïsme.--Alexander de Groote.--De Sassaniden
+ (226-636 n. C.).--Wat van de oude literatuur is gebleven.--De
+ Gatha's, vertegenwoordigen oudste phase.--Gemeenschappelijke goden
+ en vereering bij de voorvaderen van Indiërs en Perzen.--Waardoor
+ later zooveel verschil?--Karakter der Zarathustrische hervorming.
+
+II. Het Mazdëisme der Gatha's 248-254
+
+ Verhevenheid van Ahura Mazda.--De goede geniussen, die hij
+ den mensch schenkt.--Bescherming van de koe, opgedragen
+ aan Zoroaster.--Oude kosmogonische mythe.--De aarde als de
+ gavenschenkende koe.--Mazda als de Alwetende, éénige God.--Mazda's
+ trawanten (geniussen).--Gematigd dualisme.--De daeva's.--Lot
+ van goeden en boozen.--Eindoordeel.--Hoe Mazda moet worden
+ gediend.--Landbouw en huwelijk in hooge eere.--Geen zachtheid
+ tegenover den vijand.--Offeren.--Gewijde spreuken.
+
+III. Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta 254-271
+
+ Waarom en hoe zooveel van het oude volksgeloof weer in
+ den nieuwen godsdienst kwam.--De Amesa-Spenta's, meer
+ zelfstandig.--Sraosa.--Ahuna vairya.--De "rechtvaardigste
+ rechtvaardigheid" en "het hemellicht".--Strijd om het
+ hemellicht.--Atar, god van het vuur.--Apam Napat.--Het
+ hemelvuur.--Anahita.--Zon, maan en sterren.--Planeten als vijandig
+ beschouwd.--Tistrya (Sirius).--Asi.--Haoma.--De roes van den
+ onsterfelijkheidsdrank.--Mithra.--De fravasi's.--Anro mainyu en
+ de booze geesten.--Anro mainyu en Zarathustra.--De helpers van den
+ booze.--De mensch tusschen Mazda en Anro mainyu in.--Voorstelling
+ omtrent heelal en aarde.--De eeuwigheid van Mazda's
+ schepping.--Voorstelling der schepping.--Des menschen levenstaak
+ en dood.--Het toekomstig leven van goeden en boozen. De voleinding
+ der wereld.--De drie Heilanden.--Anro mainyu's nederlaag.--De
+ priesters.--De eeredienst.--Het haoma offer.--De vuurdienst.--De
+ godsdienst in het leven.--Landbouw.--Heilige en onreine
+ plaatsen.--Tegen ascese.--IJverige arbeid.--Eerlijkheid.--Tegen
+ ontucht.--Reinheidseischen.--Heiligheid van vuur, aarde en
+ water.--De dierenwereld.--Plicht tegenover reine en onreine
+ dieren.--Innerlijke reinheid.--Straffen.--Geestelijke straffen.
+
+IV. Het "hervormde" Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi's 272-278
+
+ Uitgeweken Perzen in Indië.--Welke twee punten van hun geloof
+ zij vasthielden.--Wat hen wakker maakte.--Strijd met het
+ Christendom.--Nieuwe Zarathustrische catechismus.--Dabadhaï
+ Naoroja.--Scholen.--Lezingen.--Weekblad.--Vereeniging.--Verheffing
+ der vrouw.--Tegen kinder-huwelijk.--Resultaat omtrent de gewijde
+ boeken.--Beteekenis van het Parsisme.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] M. von Brandt, Die Chinesische philosophie und der
+Staatsconfucianismus. Stuttgart 1898.
+
+[2] Bij Indische of "Zend" woorden heb ik de lettergrepen, die, waar
+onze Hollandsche opvatting anders zou doen vermoeden, lang moeten
+worden uitgesproken, door een liggend streepje gekenmerkt bv. Surya,
+Ramayana enz. Korte lettergrepen zijn, waar noodig door [breve]
+aangewezen, bv. Brahma.
+
+[3] Uit de Atharva. Veta. IV. 16.
+
+[4] Die afscheiding was en is voor een goed deel nog van dien aard dat
+personen van hoogere caste geen huwelijk met die van een lagere mogen
+aangaan. De ongelukkige paria, die uit een onwettige vereeniging van
+personen van verschillende caste wordt geboren, is het uitvaagsel
+der Indische maatschappij. De Brahmanen en Kshatrya's staan als
+"tweemaal geborenen" bovenaan.
+
+[5] Wij zullen echter straks zien, dat er ook in het Brahmanisme een
+theïstische strooming was en nog is.
+
+[6] Man der laagste caste.
+
+[7] Zie blz. 9.
+
+[8] Een secte, eenigszins aan het Boeddhisme verwant.
+
+[9] Het theïsme stelt, tegenover het pantheïsme, het zelfstandig
+bestaan van God, diens persoonlijkheid, op den voorgrond.
+
+[10] Essai sur la legende du Buddha. Paris 1875.
+
+[11] Vleeschwording der godheid, m. a. w. die teekenen zouden toonen
+dat hij een vleeschwording der godheid was.
+
+[12] Een bekend Boeddhistisch geschrift.
+
+[13] M. a. w. een der vroegere openbaringen van de godheid.
+
+[14] God des doods, zie Brahmanisme op blz. 9.
+
+[15] De vijf gehechtheden, hiermede worden bedoeld: lichamelijkheid,
+gewaarwordingen, voorstellingen, neigingen en bewustzijn. De
+bedoeling van dezen eenigszins duisteren zin, uit Boeddhistische
+teksten ontleend, is waarschijnlijk: waar men de vijf gehechtheden
+heeft achtergelaten zal geen ouderdom, ziekte of dood zijn. Waar men
+dus verheven is boven strijd en moeite.
+
+[16] Amrita, letterlijk: levensdrank.
+
+[17] Rishi's, zie Brahmanisme blz. 8.
+
+[18] Jina = iemand, die zijn lagere natuur bedwingt.
+
+[19] Dit ziet op vroegere levens van den Boeddha.
+
+[20] De boom, waaronder Boeddha tot het ware inzicht kwam.
+
+[21] = Levensdrank onsterfelijk.
+
+[22] Jaarlijks stierf de zonnegod als zonnepaard (ons sterrenbeeld
+aries = de ram) om volgens de Indiërs alle vleesch te redden. Vandaar
+ook het paardenoffer.
+
+[23] M. a. w.: Wat is de oorzaak der wedergeboorte?
+
+[24] M. a. w.: Waar de begeerte is gedood, daar wordt men van
+wedergeboorte verlost.
+
+[25] Mahavagga I. 5. 2 enz.
+
+[26] Teeken van eerbied.
+
+[27] Zie blz. 50.
+
+[28] Mahavagga I. 6. 10.
+
+[29] "Voleindigde", titel waarmee Boeddha zichzelf noemde, evenals
+Jezus sprak van "de Zoon des Menschen".
+
+[30] "Nirvana" een woord over welks beteekenis veel verschil is. De
+Boeddhisten duiden er het hoogste heil mee aan, dat boven alle lust
+is verheven.
+
+[31] Hiermee worden bedoeld de vijf elementen, waaruit volgens het
+Boeddhisme de menschelijke persoonlijkheid bestaat. Zij worden ook wel
+genoemd de vijf Skandha's, en zijn: lichamelijkheid, gewaarwordingen,
+voorstellingen, neigingen en bewustzijn.
+
+[32] In den zin van "begeerte".
+
+[33] Hernieuwd bestaan.
+
+[34] Een geijkte formule zijn deze woorden ook thans nog in het
+Boeddhisme.
+
+[35] Feitelijk vormen de Boeddhisten, zooals wij nader zien zullen
+een monnikengemeente, doch ook als leek kon men den verlichte eeren
+en hem volgen op een afstand.
+
+[36] Asceet.
+
+[37] Men zie op blz. 51 en 52 Boeddha's bespiegeling onder den Bo-boom.
+
+[38] getiteld: "De vraag van Upatisa" (een andere naam voor Sariputta.)
+
+[39] Sanjaya's leerlingen.
+
+[40] Rishi's, zie over hen blz. 8.
+
+[41] Volgens het Boeddhistische geschrift "Dhamma pada", een
+verzameling, grootendeels van spreuken.
+
+[42] Jataka: d. w. z. verhalen over vroegere levens.
+
+[43] De leer, de wet.
+
+[44] De Boeddhistische monniken hadden en hebben haar en baard
+afgeschoren.
+
+[45] De oudste naam der Boeddhisten.
+
+[46] Dat later het Boeddhisme de verdrukten hielp verlossen, zullen
+wij zien als wij over koning Açoka handelen.
+
+[47] Zie blz. 63.
+
+[48] d. i. kloosters.
+
+[49] Zie bladz. 58.
+
+[50] Het verhaal over Visakha in Mahavagga. VIII. 15.
+
+[51] Maha Prajapati.
+
+[52] Deze aanhaling zoowel als het thans volgend verhaal naar Digka
+Nikaya.
+
+[53] H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof
+in Burma). vertaald door F. Ortt. 's-Gravenh. 1900.
+
+[54] Volgens Anguttara Nikaya.
+
+[55] Zie blz. 56.
+
+[56] Een Cingaleesch Boeddhistisch geschrift.
+
+[57] Dit is de waarschijnlijke afwerking van dezen niet afloopenden
+zin.
+
+[58] De hooge verlichting in de rede.
+
+[59] Ook Prof. Rhys Davis, die overigens daartoe wel geneigd is,
+erkent het geloof der oude Boeddhisten in een bovennatuurlijke
+kennis, Abhinna, en bovenzinnelijke vermogens, Iddhi. Men zie zijn
+Buddhism. 1899. pag. 174.
+
+[60] Hier wordt geteekend "de kracht van vriendelijke gedachten", ook
+tegenwoordig wel bekend, waarop wij wellicht later nog terugkomen. Men
+zie ook blz. 76.
+
+[61] Dhammapada.
+
+[62] Dhammapada.
+
+[63] Het licht van Azië. vert. door
+Dr. H. U. Meyboom. Amsterdam. 1881. blz. 166, 167.
+
+[64] Zie bladz. 172. a. w.
+
+[65] Bhikshu = bedelaar, Muni = zwijgende, omdat de monniken zwijgend
+rondgingen met hun aalmoezenschaal.
+
+[66] Chineesch spreekwoord.
+
+[67] De boven aangehaalde spreuken zijn aan verschillende
+Boeddhistische geschriften ontleend.
+
+[68] Uit Mahavagga, deze rede zou gericht zijn tot de duizend
+kluizenaars van Uruvela.
+
+[69] Men vergelijke ook op blz. 71 het gesprek met een Brahmaan over
+het ware offer.
+
+[70] Uit Mahavagga.
+
+[71] Uit Doedha-vitakha Sutta.
+
+[72] Naar het water.
+
+[73] Chineesche uitdrukking voor Nirvana.
+
+[74] Soort van vergiftige slang.
+
+[75] Een soort vogel.
+
+[76] Of Iddhi = door haar in "verrukking van zinnen" te brengen.
+
+[77] Letterlijk: oud man, een soort Boeddhistische heilige.
+
+[78] Vrouwenverblijf.
+
+[79] Indische wetboek van voor-Boeddhistischen oorsprong. Thans
+o.a. nog in Birma geëerd.
+
+[80] Lieden die tot geen caste behooren, dus verachtten in de
+maatschappij.
+
+[81] Soort muziekinstrument.
+
+[82] Goudstukken.
+
+[83] nl. Boeddha, Dharma, Sangha: de verlichte, de leer, de gemeente.
+
+[84] Mahayana, groote overtocht, Hinayana, kleine overtocht. Alzoo
+heeten de twee scholen, waarin het oorspronkelijke Boeddhisme zich
+splitste en die beiden hun eigenaardige opvattingen en litteratuur
+bezaten.
+
+[85] Açoka was koning over een deel van Indië in de 3e eeuw voor
+Christus.
+
+[86] Rahat of Arahat: een, die niet meer wederom geboren behoeft
+te worden.
+
+[87] Zie pag. 56.
+
+[88] Samyuttaka Nikaya.
+
+[89] Zie H. Fielding. De ziel van een volk, vertaald door
+F. Ortt. Drukkerij "Vrede" 's-Gravenh. 1900.
+
+[90] Vgl. blz. 112.
+
+[91] Dit Atman beschouwen zij als Brahma in den mensch, het goddelijke
+in ons, vgl. blz. 12, 13.
+
+[92] n.l. diegenen, die als Makhali Gosala, zie blz. 74, gelooven
+dat het ik, na een aantal zielsverhuizingen doorgemaakt te hebben,
+'t zij goed of boos, in den dood ondergaat.
+
+[93] Milinda is de Grieksche koning Menander, die ongeveer 100 jaar
+voor Christus leefde en Indië aan zich onderwierp.
+
+[94] Zie blz. 95 enz.
+
+[95] Uit Dhammapada.
+
+[96] Cariya Pitaka. III. 15.
+
+[97] M. a. w. naar alle vier de windstreken, zie blz. 78, waar
+hetzelfde onderwerp wordt aangeroerd.
+
+[98] Cullavagga. VII. 3.12.
+
+[99] Zie blz. 100, 101.
+
+[100] Kant verhaalt dat hij door deze voortgezette oefening deelen
+van zijn lichaam, die anders niet onder de heerschappij van zijn
+geest stonden, kon beheerschen.
+
+[101] Samyuttaka Nikaya. vol. I fol. gha.
+
+[102] Ook dit verhaal naar Samyuttaka Nikaya. vol. II. fol. ja.
+
+[103] Blz. 324. a. w.
+
+[104] Geen slangendemon in menschengedaante.
+
+[105] Een der oudere monniken, die hem voordraagt.
+
+[106] Waarschijnlijk vertoefden de oudste volgelingen vooral onder
+boomen; doch ook tegenwoordig zijn de kloosters altijd met boomen
+omgeven.
+
+[107] Zeer kleine munt.
+
+[108] M. a. w. zich beroemen op zijn liefde tot een eenzaam,
+bespiegelend leven.
+
+[109] De ziel van een volk blz. 175.
+
+[110] Waarbij een monnik uit de heilige boeken voorleest.
+
+[111] Pitaka's = korven, de drie heilige boekverzamelingen der
+zuidelijke Boeddhisten, waarvan het eerste handelt over Vinaya (de
+orde). Het tweede over Dharma (de leer), het derde over Abhidharma (het
+geloof). Ieder dier afdeelingen bestaat uit tal van geschriften. Vele
+zijn uitgegeven en vertaald in de verzameling "Sacred books of
+the East."
+
+[112] Vlg. op bl. 70 het gesprek met Ananda.
+
+[113] Cullavagga XI. 4.
+
+[114] a. w. blz. 17.
+
+[115] Zie blz. 119.
+
+[116] Fielding a. w. blz. 108 en volg.
+
+[117] Naam, dien Açoka droeg.
+
+[118] Grafteeken, gedenkteeken.
+
+[119] De bedoeling schijnt te zijn dat deze boomen 's nachts de
+monniken tot toevlucht zullen strekken.
+
+[120] Over het laatstgenoemde zie bl. 109-111 van dit werk. Upatishya
+of Upatissa is een andere naam voor Sariputta, zie blz. 58 en 59.
+
+[121] Waarschijnlijk waren er ook olifanten bij, die worden heel wat
+ouder dan menschen.
+
+[122] Zie blz. 118 en 119.
+
+[123] Woorden, die Boeddha zou geuit hebben, toen hem onder den
+Boddhiboom de verlichting ten deel viel.
+
+[124] Zie blz. 126.
+
+[125] deze zijn: 1 geen leven vernietigen. 2 niet stelen. 3 zich
+voor onreinheid wachten. 4 niet liegen. 5 geen bedwelmende dranken
+gebruiken. 6 niet op verboden tijden eten. 7 van dansen, zingen,
+muziek en tooneelvoorstellingen zich onthouden. 8 geen kransen,
+parfumerieën, zalven of sieraden gebruiken. 9 geen hoog of breed bed
+gebruiken. 10 geen goud en zilver aannemen.
+
+[126] Vragen, het ontstaan der wereld betreffende.
+
+[127] Toch had ook deze wijsheid, gelijk wij zien zullen, een
+"metaphysischen grondslag." Goed staatsburger zijn behoort ook tot
+het opvolgen van 's hemels ordeningen.
+
+[128] Daar is thans nog de groote tempel ter eere van Confucius,
+waar den heiligen ouden wijze geschenken worden gebracht.
+
+[129] Wij vergeten daarbij echter het woord niet, dat niemand groot
+is voor zijn kamerdienaar.
+
+[130] Mannen van rang dragen twee zwaarden.
+
+[131] Hsiao-king.
+
+[132] Tahio.
+
+[133] Chung yung.
+
+[134] Daarom offeren ook gesnedenen, die in hun jeugd door de ouders
+verkocht zijn om hen te laten ontmannen, aan de gestorven ouders niet,
+daar dezen hun de vervulling van den plicht der kinderlijke liefde
+onmogelijk gemaakt hebben. Volwassenen, die zichzelf voor dit doel
+verkocht hebben, brengen die offers wel: evenals de Boeddhistische
+(uiteraard ongehuwde) priesters.
+
+[135] De Cynici vormden een wijsgeerige school in het oude
+Griekenland. Zij versmaadden alle beschaving en trachtten naar den
+grootsten eenvoud: men denke aan Diogenes en zijn ton!
+
+[136] Diogenes leefde in de 4e eeuw v. C. Van hem is bekend dat hij den
+strengsten eenvoud betrachtte: een ton was zijn woning. Van Alexander
+den Groote vroeg hij als gunst slechts dat de vorst wat op zijde zou
+gaan om hem niet te berooven van 't genot van den zonneschijn.
+
+[137] Zie blz. 165.
+
+[138] vgl. Ev. n. Johannes, hfdst. I.
+
+[139] "Jehovah". Een juistere uitspraak is Jahve.
+
+[140] Zie blz. 176 enz.
+
+[141] Wij zouden hier eerder "bemoeizucht" verwachten.
+
+[142] of liever Boeddhistisch in den geest van "den grooten overtocht",
+het latere, sceptische Boeddhisme, zie blz. 118 en 119.
+
+[143] Alchimie = het zoeken van den steen der wijzen, necromantie =
+het bezweren der dooden.
+
+[144] Dat de mensch in een droom of onder suggestie in een
+ongelooflijk korten tijd veel kan doorleven is een feit, door nieuwere
+onderzoekingen bevestigd.
+
+[145] De aanhangers van Confucius en Mencius.
+
+[146] de Taipings, die in 1864 van zich deden spreken, wilden de
+Mandschoe dynastie verdrijven en het zuiver Chineesche element op den
+voorgrond stellen. De gansche beweging werd echter in bloed gesmoord.
+
+[147] men zie over het Lamaïsme blz. 150 enz. van dit werk.
+
+[148] incubi zijn geesten, die als mannen met vrouwen den bijslaap
+uitoefenen, succubi zijn geesten, die dit als vrouwen met mannen doen.
+
+[149] deze laatsten wilden wel de Joodsche traditie handhaven, doch
+hadden zeer veel aan de denkbeelden der Grieken ontleend en in hun
+philosophie opgenomen.
+
+[150] de vertegenwoordiger van het "gewijzigde" Confucianisme, zie
+blz. 182, 216 en 221.
+
+[151] Zie blz. 216 enz.
+
+[152] In China zijn geen wettig aangestelde advocaten, daardoor werden
+rechtszaken behandeld door "winkeladvocaten", die niet zeer in eere
+staan, doch bij domme menschen toch maar al te veel invloed hebben. In
+de omschrijving van deze sententie worden zij geducht doorgehaald,
+o. a. dit: heeft men ooit gehoord dat een dezer lieden een natuurlijken
+dood stierf? (m. a. w. zulke ellendelingen treft des hemels straf).
+
+[153] Zooals men weet leeft de zijderups op den moerbeiboom.
+
+[154] Met die valsche leeringen wordt niet alleen op het Taoïsme
+en het Boeddhisme, maar ook op het Christendom, bepaald in zijn
+Roomsch-Katholieken vorm gedoeld. Over het Christendom handelt deze
+omschrijving: "Zelfs de leer van de "secte van den heer des hemels"
+(zoo noemen de Chineezen het R. K. geloof) die over den hemel spreekt
+en over de aarde zwetst en over dingen zonder schaduw en wezen, is
+valsch en bedorven. Dewijl echter de leeraren van dezen godsdienst
+met de sterrekunde bekend zijn en in de wiskunde ervaren, gebruikt de
+regeering hen om den kalender te verbeteren. Dat bewijst echter bij
+lange niet, dat hun godsdienst goed is. Gij moet hen tot geen prijs
+geloof schenken. De wet is streng tegen al deze valsche secten. De
+straf die hen treft is dezelfde als die voor mannelijke en vrouwelijke
+toovenaars is vastgesteld. De regeering heeft deze wet uitgevaardigd om
+het volk te verhinderen kwaad te doen en het aan te moedigen goed te
+doen, van verdorvenheid te wijken en tot de waarheid terug te keeren,
+gevaar te vermijden en rust te verkrijgen."
+
+Deze uitspraak is een van de krachtigste hindernissen, die de
+toelating van het Christendom in den weg staan en misschien nog lang
+zal nawerken.
+
+[155] de bedoeling is deze: iedere klasse heeft hare eigene bezigheid,
+waaraan zij vast moet houden: de geleerde, de landman, de handwerksman,
+de koopman. Doen zij dat niet, dan ontbreekt hun bestendigheid,
+en al arbeiden zij ook den ganschen dag, zoo brengen zij toch niets
+tot stand. Daarom moet ieder vasthouden aan datgene, wat hij eenmaal
+begonnen heeft. Behalve de vier zooeven genoemde klassen zijn er nog
+soldaten--verder nog een klasse van arme lieden, die geen land hebben
+om te bebouwen, geen geld om handel te drijven, en die geen handwerk
+hebben geleerd. Tot dezen wordt hier gezegd: "Gij kunt niet anders
+dan u als daglooners verhuren om in uw levensonderhoud te voorzien,
+uw rug en uw schouders moeten dragen, weest echter eerlijk en vlijtig,
+en noch aan eten noch aan drinken zal het u ontbreken."
+
+[156] Tien of honderd familiën vormen eene vereeniging, die solidair
+voor elkaars medeleden verantwoordelijk is. Zoo worden b.v., als
+iemand een deserteur heeft geherbergd, de vijf huizen rechts en de
+vijf huizen links medegestraft. Toen er in 1891 opstand in Mongolië
+was, werd deze organisatie weer in herinnering gebracht en scherp
+doorgevoerd. In ieder huis moest een tafel zijn, waarop de namen van
+alle bewoners van het huis stonden vermeld.
+
+[157] Trigrammen, uit drie, hexagrammen, uit zes letters bestaande
+teekens, waaraan men een geheimzinnige waarde toekende. Zie ook
+blz. 221 en 222.
+
+[158] 220-205 v. C.
+
+[159] deze leefde van 371-288 v. C.
+
+[160] Zie blz. 180.
+
+[161] zie bladz. 228 enz.
+
+[162] Zie blz. 191.
+
+[163] Zie blz. 202 enz.
+
+[164] Zie blz. 193 enz.
+
+[165] Iran omvat de landstreek tusschen den Indus ten oosten en de
+Tigris en Euphraat ten westen, den Oxus ten noorden en de Perzische
+golf ten zuiden. Perzië en Medië vormen hiervan gedeelten.
+
+[166] Anquetil du Perron. Zend-Avesta, ouvrage de Zoroastre en 3
+vol. 4o, Paris 1771.
+
+[167] zij zijn: de oude Gatha's, de jongere Gatha's en het jonger
+Avesta.
+
+[168] zie bladz. 8 en 9 van dit werk.
+
+[169] Yasna 44, 3-7.
+
+[170] Yasna 31, 11.
+
+[171] Yasna 44. 3, 4, 7.
+
+[172] zie blz. 8.
+
+[173] zie bladz. 250 enz.
+
+[174] Zij zijn dus: Vohumano, Asa, Armaiti, Khsatra, Haurvatat en
+Ameretat.
+
+[175] zie blz. 251.
+
+[176] Dit gebed luidt: Waar het gewenschte (ware) leven is, daar is de
+ordening uit gerechtigheid (Asa), die de daden des levens van vromen
+zin schept en behoort aan Mazda Ahura het rijk, dat hij geschapen
+heeft tot bescherming der vervolgde geloovigen.
+
+[177] Zie blz. 251.
+
+[178] Tevens vuurgod en wel god van het bliksemvuur, dat de
+bovenaardsche wateren doet stroomen.
+
+[179] Hemelsche geesten.
+
+[180] De onderdanen van koning Yima, de menschen der oudheid, werden
+niet ouder dan dien leeftijd: zij hadden een eeuwige jeugd.
+
+[181] Zie Brahmanisme, blz. 8.
+
+[182] Vayua, de god van den dampkring, is slechts aanbiddelijk
+voorzoover hij tot Asa's rijk behoort.
+
+[183] of: na.
+
+[184] In den hier aangehaalden tekst wordt gedacht aan dienaren van
+Mazda, die zelfs hun bebouwde velden en de heilige stroomende wateren
+verlaten om niet met de daevadienaren besmet te worden.
+
+[185] Het zaad en de adem hadden ook hun kracht aan het vuur te
+danken. Bij het gebed hield de Mazda-dienaar een linnen doek voor
+den mond om het "vuur van den adem" zuiver te houden.
+
+[186] Zie Brahmanisme blz. 11.
+
+[187] Dakhma's geheeten.
+
+[188] "Kibleh", letterlijk: het tegenovergestelde, dus: het
+tegenbeeld. We denken hierbij aan een bekend Hervormd Kerkgezang,
+namelijk Gezang 15:1, daar heet het o.a. van de zon: "Zij is de
+spiegel, die ons 't beeld, Van uwe volheid mededeelt En uitlokt
+tot vertrouwen."
+
+[189] Drie dagen lang liet men een lijk geheel onaangeroerd. Volgens
+het Zend-Avesta was eerst daarna de scheiding tusschen lichaam en
+ziel volkomen.
+
+[190] Prof. C. P. Tiele kwam tot dezelfde resultaten in zijn werk
+"Geschiedenis van den Godsdienst in de Oudheid", Deel II. 1ste
+helft. De godsdienst onder de Iranische volken.
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WIJZEN VAN HET OOSTEN ***
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg-tm electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
+Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
+on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
+phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
+Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
+other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg-tm website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
+Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
+provided that:
+
+* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation."
+
+* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
+ works.
+
+* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+* You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.