diff options
Diffstat (limited to '39181-0.txt')
| -rw-r--r-- | 39181-0.txt | 8246 |
1 files changed, 8246 insertions, 0 deletions
diff --git a/39181-0.txt b/39181-0.txt new file mode 100644 index 0000000..aa0e814 --- /dev/null +++ b/39181-0.txt @@ -0,0 +1,8246 @@ +The Project Gutenberg EBook of Dante's Louteringsberg, by Dante Alighieri + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org/license + + +Title: Dante's Louteringsberg + in proza overgebracht + +Author: Dante Alighieri + +Translator: Hendricus Johannes Boeken + +Release Date: March 17, 2012 [EBook #39181] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DANTE'S LOUTERINGSBERG *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | + | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | + | ~uitgespatieerd~. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder | + | accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van | + | dit e-boek op http://www.gutenberg.org/ | + | | + | Dit e-boek is het tweede deel van “De Goddelijke Komedie” | + | van Dante Alighieri. De oorspronkelijke italiaanse versie van | + | dit boek is ook als e-boek beschikbaar via Project Gutenberg: | + | La Divina Commedia di Dante: Purgatorio | + | http://www.gutenberg.org/ebooks/1010 | + | | + | Via Project Gutenberg zijn ook de volgende vertalingen | + | beschikbaar: | + | * Divine Comedy, Longfellow's Translation, Purgatory | + | engels, http://www.gutenberg.org/ebooks/1002 | + | * Divine Comedy, Cary's Translation, Purgatory | + | engels, http://www.gutenberg.org/ebooks/1006 | + | * Divine Comedy, Norton's Translation, Purgatory (proza-vorm) | + | engels, http://www.gutenberg.org/ebooks/1996 | + | * The Divine Comedy by Dante, Illustrated, Purgatory | + | engels, http://www.gutenberg.org/ebooks/8795 | + | * Jumalainen näytelmä: Kiirastuli | + | fins, http://www.gutenberg.org/ebooks/11072 | + | * La Divina Comèdia: Purgatòri | + | friuliaans, http://www.gutenberg.org/ebooks/16188 | + | | + | Het eerste deel van “De Goddelijke Komedie” is ook als e-boek | + | via Project Gutenberg beschikbaar: | + | Dante's Hel, http://www.gutenberg.org/ebooks/30229 | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + + + +DANTE'S LOUTERINGSBERG + + + + + [decoratieve titelpagina] + + WERELDBIBLIOTHEEK + + Onder leiding van L. Simons. + + HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN. + + UITGEGEVEN DOOR: + DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN + GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM + + + + + [decoratieve titelpagina] + + DANTE'S LOUTERINGSBERG + + IN PROZA OVERGEBRACHT + DOOR DR. H. J. BOEKEN + + DERDE DRUK—(9e, 10e en 11e DUIZEND) + + 1920 + + + + +Lezers dezer vertaling worden gewezen op het hoogst belangrijke werk, in +onze ~Wereld-Bibliotheek~ verschenen: + +PROF. HENRI HAUVETTE: Inleiding tot de studie van de ~Divina Commedia~. +Vertaling William Davids. + +~Keurboek voor Vlamingen~: „Als algemeene Inleiding tot de Goddelijke +Comedie kon de W. B. geen beter werk kiezen dan de studie van Prof. +Hauvette.” + + +GEDRUKT TER DRUKKERIJ „DE DEGEL”—AMSTERDAM + +[decoratieve illustratie] + + + + +EERSTE ZANG + + +Aankomst der beide Dichters op het andere Halfrond; ontmoeting met Cato +van Utica, die hun de eerste voorschriften geeft. + + * * * * * + +1 Om koers te zetten over beter water, hijscht nu het scheepje van mijn +ingeborenheid de zeilen, dat zóó gruwbare zee achter zich laat: + +4 en zingen zal ik van dat tweede Rijk, waar de menschelijke geest zich +loutert, en waardig wordt om naar den Hemel te stijgen. + +7 Maar hier herrijze de doode Dichtkunst, o heilige Muzen, daar ik de +Uwe ben, en dat Calliope hier een weinig hooger trede, + +10 mijnen zang volgende met dat geluid, van het welk de rampzalige +Eksteren den slag zóódanig gevoelen, dat zij aan vergiffenis moesten +wanhopen. + +13 Zoete kleur van oostelijk saffier, die zich gaarde in den wolkloozen +aanblik van de zuivere lucht tot aan den eersten kring, + +16 herbegon geneugt voor mijne oogen, zoodra ik naar buiten trad uit de +doode lucht, die mij de oogen en de borst had bedroefd. + +19 De schoone planeet, die tot minnen troost, deed het gansche Oosten +glimlachen, verhullende de visschen, die in haren sleep gingen. + +22 Ik wendde mij ter rechter hand, en richtte mijnen geest op de andere +pool, en ik zag vier starren nimmer gezien, uitgezeid aan de eerste +menschen. + +25 De hemel scheen zich te verheugen in hunne vlammetjes. O noordelijke +verweeuwde streek, daar gij verstoken zijt van die te bewonderen! + +28 Toen ik mij van hunnen aanblik had losgemaakt, mij een weinig wendend +naar de andere pool, daar waar de Wagen reeds verdwenen was, + +31 zag ik dicht bij mij eenen oude alleen, zóó grooten eerbied in zijnen +aanblik waardig, dat niet meerderen eenig zoon zijnen vader verschuldigd +is. + +34 Den baard droeg hij lang en met witte haren ondermengd, gelijkende op +zijne lokken, van welke op zijne borst een dubbele lijst afhing. + +37 De stralen der heilige vier lichten verluisterden zóó zijn aangezicht +met licht, dat ik het zag alsof de Zon hem te voren ware. + +40 „Wie zijt gij, die tegen den blinden stroom op den eeuwigen kerker +zijt ontvlucht?” zeide hij, bewegende dat eerwaarde pluimaadje: + +43 „wie heeft u geleid? Of wie was u een lamp, daar gij uitgingt buiten +den duistren nacht, die altijd de vallei der onderwereld verdonkert? + +46 Zijn de wetten des afgronds aldus verbroken? Of is men in den Hemel +tot nieuw beleid veraêrd, dat gij, die veroordeeld zijt, komt tot mijne +rotsen?” + +49 Toen greep de Gids mij aan, en met woorden, handen en gebaarden, +maakte hij mij de knieën en de wenkbrauw eerbiedbetuigend. + +52 Voorts antwoordde hij hem: „Niet uit mij zelven ben ik gekomen; eene +vrouw daalde neder uit den Hemel, door wier gebeden ik dezen met mijn +gezelschap ter hulpe kwam. + +55 Maar sinds het uw verlangen is dat meer worde verklaard van onzen +toestand hoe die naar waarheid is, zoo kan het niet zijn dat het mijne +aan u worde ontzegd. + +58 Deze zag nooit den laatsten avond, maar door zijne dwaasheid was hij +dien zoo nabij, dat er zeer weinig tijd was om terug te keeren. + +61 Zooals ik zeide, werd ik tot hem gezonden om hem te redden, en er was +geen andere weg, dan die langs welken ik mij heb begeven. + +64 Getoond heb ik hem al het schuldige volk; en van nu aan ben ik van +zins hem die zielen te toonen, die zich louteren onder uwe balije. + +67 Hoe ik hem getogen heb, zoude lang zijn om u te zeggen: uit den +hoogen daalt een vermogen, dat mij hem geleiden helpt opdat hij u zie en +opdat hij u hoore. + +70 Nu behage het u zijne komst in te willigen; hij gaat zoekende de +vrijheid, die zoo dierbaar is, zooals hij weet die voor haar het leven +weigert. + +73 Gij weet het, daar om haar de dood voor u niet bitter was in Utica, +waar gij het kleed liet, dat op den grooten dag zoo licht zal zijn. + +76 Niet zijn de eeuwige wetten voor ons geschonden, omdat deze leeft en +Minos mij niet verbant; maar ik ben van den cirkel, waar de kuische +oogen + +79 van uwe Marcia zijn, die, in haar gelaat u nog bidt, o heilige +inborst, dat gij haar voor de uwe houdt: bij hare liefde dus neig u naar +ons. + +82 Laat ons gaan door uwe zeven rijken: ~dank~ zal ik van u aan haar +overbrengen, zoo gij gewaardigt daar beneden genoemd te worden.” + +85 „Marcia geviel zoozeer aan mijne oogen, zoolang ik aan gene zijde +was,” zeide hij daarop: „dat welke gunst zij van mij verlangde, die deed +ik. + +88 Maar nu zij aan gene zijde van de slechte rivier woont, kan zij mij +niet meer bewegen, door die wet, die gemaakt werd toen ik er uit kwam. + +91 Maar indien eene Vrouw des Hemels u beweegt en stiert, zooals gij +zegt, is er geene vleierij noodig: het zij voor u wèl genoeg, dat gij +door haar het mij vraagt. + +94 Ga dus en maak dat gij hem toerust met een glad takjen en dat gij hem +het gezicht wascht, zoodat gij alle onreinheid daarvan wegwischt: + +97 daar het niet zou betamen, het oog bevangen van eenigen nevel, te +verschijnen voor den eersten dienaar, die is van diegenen van het +Paradijs. + +100 Dit eilandjen draagt rondom gansch in de laagte, daar beneden, daar +waar de golf het slaat, van die takjes boven het zachte slijk. + +103 Geen andere plant, die loover zou maken of harder zou worden, kan +daar leven hebben omdat die niet aan de slagen (van het water) zou +mee-geven. + +106 Voorts zij niet hier-langs uw teruggang; de zon, die alsnu oprijst, +zal u wijzen den berg te nemen ter makkelijkste bestijging.” + +109 Zoo verdween hij en ik richtte mij op zonder te spreken, en voegde +mij weder geheel bij mijnen Gids en richtte de oogen naar hem. + +112 Hij sprak: „Zoon, volg mijne schreden: draaien wij ons naar +achteren, omdat aan dien kant deze vlakte afglooit naar hare lage +grenzen.” + +115 De dageraad verwon de vroeg-ochtend-duisternis, die voor haar +vlood, zoodat ik van verre het rimpelen van het zeevlak gewaar wierd. + +118 Wij gingen langs het eenzame strand gelijk een mensch, die weerkeert +tot den verloren weg, zoodat, tot hij daar komt, het gaan hem ijdel +schijnt. + +121 Toen wij waren daar waar de dauw tegen de zon strijdt, en door daar +te zijn, waar schaduw is, maar langzaam verdwijnt; + +124 toen legde mijn Meester de beide handen zacht boven het kruid +uitgespreid; waarom, ik die zijne kunsten bemerkt had, + +127 hem de betraande wangen bood: daar maakte hij me ganschelijk óntdekt +die kleur, welke de Hel mij verborgen had. + +130 Toen kwamen wij op dat verlaten strand, dat nooit mensch, die later +van terugkeeren ondervinding heeft gehad, zijne wateren bevaren zag. + +133 Hier bekranste hij mij, zooals dien anderen behaagd had; o wonder! +daar zóó als hij er een geplukt had van de nederige plant, zooéén werd +weer geboren + +136 eensklaps daar, vanwaar hij die had weggerukt. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +TWEEDE ZANG + + +Wanneer de beide dichters aan het strand zijn, hunnen weg overdenkende, +zien zij van over zee een schip aankomen. Onder de zielen, door dat +schip aan land gezet, herkent Dante Casella. Wanneer Dante en de dooden +zich door diens gezang een poos laten ophouden, schrikt Cato ze uiteen +en naar den voet des bergs. + + * * * * * + +1 Reeds was de Zon tot dien horizont gekomen, welks middag-cirkel met +zijn hoogste punt Jerusalem overstolpt: + +4 en de nacht, die tegengesteld aan haar cirkelt, kwam uit den Ganges te +voren met de Weegschalen, die haar uit de hand vallen, wanneer zij +winnende is; + +7 zoodat dáár, waar ik was, de witte en vermiljoenen wangen der schoone +Aurora door te grooten leeftijd oranje werden. + +10 Wij waren alsnog langs de zee, als menschen die hunnen weg bepeinzen, +die gaan met het hart en met het lichaam blijven: + +13 en zie hoedanig, onder de nabijheid des uchtends, Mars door de dikke +dampen rood gloeit laag in het Westen boven het zee-vlak; + +16 zóódanig scheen mij,—zoo waarlijk moge ik het nogmaals zien—een +licht over de zee te komen zóó snel, dat geen vliegen zijn bewegen +evenaart; + +19 dan, daar ik een weinig het oog van hetzelve had afgetrokken om +mijnen gids te vragen, herzag ik het, lichtender en grooter geworden. + +22 Voorts aan elke zijde daarvan verscheen me een ik en weet niet wat +voor wits, en van onder kwam er gaandeweg nog iet ander wits van naar +buiten. + +25 Mijn Meester sprak nog geen woord, totdat die eerste witheden +vleugelen bleken: maar toen hij wèl den galjoot herkende, + +28 riep hij: „Maak, maak dat gij de knieën buigt, zie hier den Engel +Gods: vouw de handen: voortaan zult gij dusdanige dienstdoenden zien. + +31 Zie hier eenen, die de menschelijke hulpmiddelen versmaadt, zoodat +hij geen roeispaan wil, noch ook eenig ander zeil dan zijne vleugels, +[varende] tusschen zoo verre kusten. + +34 Zie hoe hij ze heeft gericht jegens den hemel, de lucht strookende +met de eeuwige vederen, die niet veraêren zooals menschelijke haren.” + +37 Voorts daar de hemelsche vogel meer en meer ons nader kwam, te +lichter verscheen hij: waarom het oog hem van nabij niet verdroeg, + +40 maar ik neeg het neder; maar hij kwam dichter bij den oever, met een +hulkje zóó snel en zóó licht dat het water niets er van opslokte. + +43 Aan den achtersteven stond de hemelsche veerman, zoodanig dat hij wel +zalig bleek aan hetgeen op hem te lezen stond: en meer dan honderd +geesten zaten er binnen in. + +46 „Toen Israël uit Egypten toog” zongen allen te zamen op eene voois, +met al wat er voorts van dezen psalm geschreven is. + +49 Voorts maakte hij hun het teeken des heiligen kruises; waarna zij +allen zich op het strand wierpen, en hij ging weg, vlug, zooals hij +gekomen was. + +52 De schare, die daar terug-bleef, vreemd bleek zij aan de plaats, +schouwende in het ronde, gelijk degene die nieuwe dingen proeft. + +55 Van alle kanten schoot den dag de Zon, die met de wel gemikte pijlen +den Steenbok van het midden des hemels had verjaagd; + +58 wanneer het nieuwe volk het voorhoofd op-hief jegens ons, zeggende +tot ons: „Zoo gij het weet, wijst ons den weg, om tot den berg te gaan.” + +61 En Virgilius antwoordde: „Gij meent wellicht dat wij kennis hebben +van deze plaats; maar wij zijn vreemden, zoo als gij het zijt. + +64 Zooeven kwamen wij een weinig vóór u, langs eenen anderen weg, die +zóó ruw en moeielijk was, dat voortaan het stijgen ons een spel zal +schijnen.” + +67 De zielen, die van mij opgemerkt hadden, aan het ademen, dat ik nog +levend was, werden, zich verwonderend, ontsteld; + +70 en gelijk op den bode, die het olijf-loof draagt, het volk toeloopt +om tijding te hooren, en niemand zich beschroomd toont om te dringen; + +73 zóó bleven op het zien van mij alle deze gelukzalige zielen +stil-staan, bijna vergetende om te gaan tot daar waar zij zich schooner +zouden maken. + +76 Ik zag er ééne van hen zich naar voren dringen om mij te omhelzen in +zóó groote aandoening, dat hij mij bewoog om hetzelfde te doen. + +79 O ijdele schimmen, uitgezeid in den aanblik! Drie malen sloeg ik de +handen achter hem in één, en even zoovele malen kwam ik met ze terug op +mijn borst. + +82 Van verbazing, geloof ik, verschoot ik; waarom de schim glimlachte en +zich terugtrok, en ik, volgende hem, ging naar voren. + +85 Zachtelijk zeide hij dat ik zoude stilstaan: toen herkende ik wie hij +was, en ik verzocht hem dat hij om tot mij te spreken een weinig zoude +stil staan. + +88 Hij antwoordde mij: „Zoo als ik u liefhad in het sterfelijk lichaam, +zoo heb ik u lief, nu ik verlost ben; daarom blijf ik staan: maar gij, +waarom gaat gij [dezen weg]?” + +91 „Casella, om nog eenmaal te keeren daarheen waar ik ben, doe ik deze +reis,” zeide ik: „maar hoe is u zoo groot tijdsverloop ontnomen?” + +94 En hij tot mij: „Geen schade is mij gedaan, indien degene, die +opneemt wanneer en wien hem behaagt, meerdere malen mij dezen overtocht +heeft ontzegd, + +97 daar van den Rechtvaardigen Wil zijn wil wordt gemaakt. + +Waarlijk heeft hij sedert drie maanden al wie wilde ingaan, in allen +vrede aangenomen. + +100 Waarom ik, die nog zooeven der zee was toegekeerd, daar waar het +water van den Tiber zich pekelt, welwillend door hem werd opgenomen. + +103 Naar die uitmonding heeft hij nu weer den vleugel gericht; omdat +zich dáar altijd vergadert, al wie niet naar den Acheron nederdaalt.” + +106 En ik: „Zoo de nieuwe wet u noch te heugenis noch het gebruik van +het amoureuze lied ontneemt, dat mij placht alle mijne begeerten te +stillen, + +109 gevalle het u daarmee een weinig mijne ziel te troosten, die met +haar stoffelijk hulsel hier komende, zoozeer is vermoeid. + +112 „Liefde, die mij in den geest redeneert,” begon hij toen zóó +zoetelijk, dat de zoetheid mij nog binnen-in weerklinkt. + +115 Mijn meester en ik en die lieden, die met hem waren, schenen zóó +tevreden alsof niemand iets anders raakte. + +118 Wij waren allen gericht en oplettend op zijne tonen en zie, de +eerwaarde grijsaard, [komt] schreeuwende: „Wat is dit, trage geesten? + +121 Wat nalatigheid, wat voor stil-staan is dit? Loopt naar den berg om +u van de schellen te bevrijden, die u het gezicht tot God benemen.” + +124 Gelijk wanneer, graan of onkruid pikkende, de duiven vereenigd ter +voeding, gerust, zonder de gewone preutschheid te toonen, + +127 als er een ding verschijnt, waarvoor zij vrees hebben, plotseling +het voeder laten staan, omdat ze door grooter beslommering zijn +besprongen; + +130 zoo zag ik dat versche gezelschap het gezang laten varen en vluchten +naar den bergkant, gelijk een mensch die gaat, maar niet weet waar hij +uitkomt: + +133 en niet minder snel was onze scheiding. + +[decoratieve illustratie] + + + + +DERDE ZANG + + +De beide Dichters, aan den voet van den rots-wand gekomen, zoeken een +punt, waarlangs zij dien zullen kunnen beklimmen. Zij worden op den weg +geholpen door eenigen uit de voorhoede van een schare van schimmen, die +in minachting van de kerk hebben geleefd. Onder dezen is ook Manfred +van Hohenstaufen, die aan Dante zijn dood en tegenwoordigen toestand +verhaalt. + + * * * * * + +1 Hoewel de plotselinge vlucht genen over het landschap had verspreid, +ten berg gewend, waarhenen de rede ons noopt; + +4 drong ik mij aan tegen mijn getrouw geleide: en hoe zoude ik zonder +hem den tocht hebben gedaan? Wie hadde mij [anders] den berg òp-getogen? + +7 Hij scheen mij rouwig over zich-zelven. O waardig, onkreukbaar +geweten, hoe is u kleine feil tot bitteren beet! + +10 Wanneer zijn voeten aflieten van de haastigheid, welke den eerlijken +zwier bij elke handeling vermindert, [toen] verruimde mijn geest, die +eerst benepen was, + +13 zijne aandrift, als begeerig, en ik zond mijne blikken tegen de +helling op, welke de hoogste is, die zich uit zee ten hemel heft. + +16 De zon, die rood achter mij vlamde, was vóór mij gebroken, naar den +omtrek, welken de weerstand van hare stralen op mij had. + +19 Ik wendde mij ter zijde, vreezende verlaten te zijn, daar ik alleen +voor mij den grond verdonkerd zag: + +22 en mijn Trooster: „Waarom zijt gij nog mistrouwig,” begon hij tot mij +te zeggen, gansch balsturig: „gelooft gij mij niet met u en dat ik u +leid? + +25 De avond is reeds daar, waar het lichaam begraven is, binnen +het-welke ik schaduw maakte: Napels bezit het, en van Brindisium is het +weggenomen. + +28 Dies, wanneer vóór mij geen schaduw komt, verwonder u des niet meer +dan over de hemelen, dat de één voor den anderen geenen lichtstraal +onderschept. + +31 Om èn warme èn koude folteringen te doorstaan beschikt dát Vermogen +gelijke lichamen, Dat niet wil dat zich aan ons onthulle hoe Het het +doet. + +34 Stomp is hij die hoopt dat onze rede den oneindigen weg kan +doorloopen, die vat eene zelfstandigheid in drie personen. + +37 Weest tevreden, menschelijk geslacht, met het ~Quia~, daar, indien +gij alles hadt kunnen zien, het niet noodig was dat Maria zwanger werd; + +40 en begeeren zonder bate zaagt gij menigeen, want bevredigd ware +hunne begeerte, die voor eeuwig hun tot foltering is gegeven. + +43 Van Aristoteles en van Plato spreek ik, en van vele anderen.” En hier +neeg hij het voorhoofd; meer sprak hij niet, en hij bleef mismoedig. + +46 Wij kwamen onderwijl aan den voet van den berg: daar vonden wij de +rots zóó steil, dat te vergeefs de beenen daar vlug zouden zijn geweest. + +49 De woestste en steilste rotswand: tusschen Lerici en Turbia is, +vergeleken met dezen, een lichte en begaanbare trap! + +52 „Nu, wie weet er aan welke hand de steilte mindert,” zeide mijn +Meester, den tred vertragend: „zóódat, wie zonder vleugels gaat, haar +bestijgen kan?” + +55 En terwijl hij, den blik naar omlaag houdende, de gesteldheid des +wegs onderzocht, en ik rondom tegen de rots òp-staarde, + +58 verscheen mij van de linkerhand eene schaar van schimmen, die de +voeten te-ons-waart bewogen; en men zag het niet, zóó langzaam kwamen +zij. + +61 „Hef,” zeide ik tot den Meester: „uwe oogen op: zie aan deze zijde +[is er iemand] die ons raad zal geven, indien gij dien uit u zelven niet +kunt hebben.” + +64 Toen keek hij, en met vrijen blik antwoordde hij: „Laat ons daarhenen +gaan, daar zij langzaam komen; en gij, stijf uwe hoop, dierbare zoon.” + +67 Nog was dat volk, ik bedoel nadat wij duizend schreden hadden gedaan, +zóó verre als een goed werper met de hand zou werpen; + +70 wanneer zij zich allen aan de harde rotsen van den hoogen wand +drongen, en stil en opééngedrongen stonden, gelijk hij, die twijfelende +gaat, stil blijft staan om te kijken. + +73 „O ter goeder uur gestorvenen, o reeds verkoren geesten,” begon +Virgilius: „bij dien vrede, die ik geloof dat u allen te wachten staat, + +76 zegt ons waar de berg [vlakker] ligt, zoodat het naar boven gaan +mogelijk zij; daar het tijd-verliezen aan wie meer weet, te meer +mishaagt.” + +79 Gelijk de schapen komen uit de kooi, één, getweeën, gedrieën, en de +anderen staan vreesachtig, met oog en muil naar beneden gericht, + +82 en dat wat de eerste doet, dat doen ook de anderen, tegen den rug van +dezen opdringend als deze blijft stilstaan, onnoozel en zachtkens en het +waarom weten zij niet: + +85 zóó zag ik toen den kop van die gelukzalige kudde zich bewegen om te +komen, kuisch van aangezicht en eerbaar in den gang. + +88 Toen zij aan mijn rechter kant het licht voor mij op den grond +gebroken zagen, zoodat de schaduw van mij op den rots-wand was, + +91 stonden zij stil, en trokken zij zich een weinig terug; en alle +degenen, die meer achter aankwamen, niet wetende waarom, deden +hetzelfde. + +94 „Zonder dat gij mij vraagt, verklaar ik u, dat dit een menschelijk +lichaam is, dat gij ziet, door hetwelk het licht van de zon op den grond +is gespleten. + +97 Verwondert u niet, maar gelooft, dat, niet zonder vermogen, dat van +den hemel komt, hij dezen wand zoekt te boven te komen.” + +100 Aldus de Meester. En dat waardige volk: „Keert u,” zeide het: „komt +bij ons in en gaat dan voort,” met de ruggen der handen een teeken +gevende. + +103 En één van hen begon: „Wie gij ook zijt, keer dan, aldus +voortgaande, het gezicht naar mij. Let op of gij mij ginds ooit hebt +gezien.” + +106 Ik wendde mij te hem-waart, en beschouwde hem strak: blond was hij +en schoon en van edelen aanblik; maar de ééne der wenkbrauwen had een +houw gedeeld. + +109 Wanneer ik nederig ontkend had hem ooit gezien te hebben, zeide hij: +„Nu zie;” en hij toonde mij eene wonde boven aan de borst. + +112 Voorts zeide hij glimlachende: „Ik ben Manfred, kleinzoon van +Keizerin Constantia: waarom ik u bid dat, wanneer gij wederkeert, + +115 gij tot mijne schoone dochter gaat, die moeder is van de eer van +Sicilië en Arragon, en dat gij haar de waarheid zegt, indien iets anders +wordt verteld. + +118 Nadat mijn lichaam doorstoken was van twee doodelijke stooten, gaf +ik mij weenende over aan Dengene, die gaarne vergeeft. + +121 Gruwelijk waren mijne zonden; maar de oneindige Goedheid heeft zóó +groote armen, dat Zij opneemt al wie zich tot Haar wendt. + +124 Indien de Herder van Cosenza, die door Clemens was uitgezonden op de +jacht naar mij, toen in God's Woord wèl die Bladzijde gelezen had, + +127 dan zouden de gebeenten van mijn lichaam nog zijn aan den opgang van +de brug dicht bij Benevento, onder de bewaking van de zware zerk. + +130 Nu besproeit ze de regen en beweegt ze de wind buiten 't Koninkrijk, +nabij den Verde, waarheen hij mij had overgebracht met gedoofde lichten. + +133 Door hunnen banvloek gaat men niet zóó verloren, dat de eeuwige +Liefde niet kan wederkeeren, zóólang de hoop nog iets groens heeft. + +136 Waarheid is dat al wie sterft in minachting van de Heilige Kerk, +ook al berouwt hij zich ten laatste, hem voegt het buiten dezen +rots-rand te vertoeven, + +139 voor elken tijd, dat hij in zijn verstoktheid is geweest, dertig +[tijden], indien zoodanig vonnis niet korter wordt door goede gebeden. + +142 Zie dan nu of gij mij blijde kunt maken, onthullende aan mijne goede +Constantia hoe gij mij gezien hebt, en ook dit verbod; + +145 wijl men hier door die van ginds veel wint.” + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +VIERDE ZANG + + +De beide Dichters bestijgen den rots-wand en komen op een weg, loopende +rondom den berg. Virgilius verklaart hoe de zon zich nu links vertoont, +wanneer men oostwaarts ziet. Ontmoeting met de luien, die hunne +bekeering tot aan het einde van het leven hebben uitgesteld. + + * * * * * + +1 Wanneer door geneugten of wel door smarten, welke eenig vermogen van +ons opvat, de ziel zich wèl tot dat [vermogen] bepaalt, + +4 blijkt het dat zij op geen ander vermogen meer acht slaat; en dit is +tegen die dwaling, die gelooft dat de ééne ziel boven de andere in ons +ontstoken wordt. + +7 En daarom, wanneer men iets hoort of ziet, dat de ziel sterk op zich +gericht houdt, [dan] gaat de tijd, en de mensch bemerkt het niet: + +10 want een ander vermogen is dat, dat het hoort, en een ander is dat, +hetwelk de gansche ziel heeft: dàt is als 't ware gebonden, en dit is +vrij. + +13 Hiervan had ik de ware ondervinding, daar ik naar dien geest hoorde +en hem aanstaarde; want wel vijftig graden gestegen was + +16 de Zon, en ik had het niet bemerkt, wanneer wij kwamen daar waar die +zielen éénstemmig tot ons riepen: „Hier is uw verlang.” + +19 Grooter opening stopt dikwijls met een vertakte doorntwijg de +gaardenier dicht, wanneer de druif verdonkert, + +22 dan het pad was, waarlangs mijn Gids en ik achter hem opklommen, wij +alleen, zoodra de schare zich van ons afscheidde. + +25 Naar Sanleo gaat men en naar Noli daalt men af, boven Bismantova +klimt men naar den top met de voeten alleen; maar hier voegt het dat de +mensch vliege: + +28 ik bedoel met de vlugge vleugelen en met de vederen der groote +begeerte, opgetogen achter hèm aan, die hoop aan mij gaf en licht voor +mij maakte. + +31 Wij klommen op tusschendoor de gebroken rots, en de kant ervan raakte +ons aan beide zijden, en de bodem verlangde handen en voeten naar +omlaag. + +34 Wanneer wij op den bovensten rand waren van den hoogen rotswand, op +de opene plaats: + +„Mijn meester,” zeide ik: „welken weg zullen wij opgaan?” + +37 En hij tot mij: „Geen van uwe schreden dale: stadig den berg bestegen +achter mij aan, totdat eenig ervaren geleide voor ons opdage.” + +40 De top was zóó hoog dat hij het gezicht te boven ging en de kant was +vrij wat steiler dan de straal van den kwadrant, wanneer die halver wege +op het middenpunt staat. + +43 Ik was moede, wanneer ik begon: „O zoete vader, keer u om en zie hoe +ik alleen achter blijf, zoo gij niet stil staat.” + +46 „O zoon, trek u tot hiertoe op,” zeide hij, mij met den vinger een +weinig lager een richel wijzende, die aan dien kant den ganschen berg +omkringt. + +49 Zoo prikkelden mij zijne woorden dat ik mij geweld aandeed, achter +hem aan naar boven kruipend, totdat mij die richel onder de voeten was. + +52 Daar zetten wij ons beiden neder om te zitten, gericht naar het +Oosten, van waar wij waren opgestegen; welke aanblik den mensch pleegt +te verheugen. + +55 Eerst richtte ik de oogen naar de lage kusten; voorts hief ik ze op +naar de zon, en ik verwonderde mij dat wij ter slinker door haar werden +beschenen. + +58 Wèl wierd de Dichter het gewaar dat ik geheel verstomd stond over de +zonnekar, daar zij tusschen ons en het Noorden opging. + +61 Waarom hij tot mij: „Zoo Castor en Pollux in gezelschap waren van +dezen spiegel, die boven en beneden zijn licht rondleidt, + +64 zoudt gij den rooden Dierenriem nog dichter tegen de Beren gedrongen +zien kringen, zoo hij niet van den ouden weg is afgeweken. + +67 Indien gij het u wilt denken hoe dit is, keer in u zelf en stel u +voor dat Sion tegenover dezen berg op de aarde staat + +70 derwijze, dat zij beiden éénen eenigen Horizont en verscheiden +halfronden hebben; waarom gij zien zult hoe het sluit dat het pad, dat +ter kwader ure Phaëton niet te berijden verstond, + +73 aan de ééne zijde gaat van dezen [berg], terwijl hij aan de andere +zijde van genen [berg] gaat, indien uw verstand helder ziet.” + +76 „Zeker heb ik, Meester mijn,” zeide ik: „nooit zóó helder gezien, +als ik nu, met dat deel van mijn verstand, dat kreupel scheen, inzie + +79 dat de midden-cirkel der Hemelsche Beweging, die in zekere kunst +Equator genoemd wordt, en die altijd tusschen de Zon en den Winter +blijft, + +82 om de reden, die gij zegt, van hier evenver noordwaarts af is, als de +Hebreeuwen hem zuidwaarts van zich verwijderd zagen. + +85 Maar zoo het u gevalt, gaarne zoude ik weten, hoever wij hebben te +gaan, daar de helling hooger stijgt dan mijne oogen kunnen stijgen.” + +88 En hij tot mij: „Deze berg is zoo, dat hij altijd van onder moeielijk +is om te beginnen, en dat hoe hooger de mensch komt, hij hem te minder +bezwaarlijk valt. + +91 Daarom, wanneer hij u zoo geneugtelijk zal schijnen, dat het gaan u +zóó licht is, als het te scheep stroomafwaarts gaan, + +94 dan zult gij aan het einde van dit pad zijn; verwacht dus daar uit te +rusten van de vermoeienis: meer antwoord ik niet, en dit weet ik voor +waarheid.” + +97 En, toen hij zijn woorden gezegd had, klonk eene stem van dicht bij: +„Wellicht zult gij te voren nog noodig hebben te zitten.” + +100 Bij den klank van haar draaide elk van ons zich om; en wij zagen ter +linker een groot rotsblok, hetwelk noch ik, noch hij eerst hadden +opgemerkt. + +103 Daarheen togen wij; en daar waren personen die zich in de schaduw +bevonden achter de rots, gelijk de mensch uit luiheid zich pleegt te +bevinden. + +106 En één van hen, die mij toescheen moede te zijn, zat en omarmde zich +de knieën, het gezicht daartusschen naar omlaag houdende. + +109 „O zoete Heer mijn,” zeide ik: „beöog dezen, die zich veel loomer +betoont dan of de luiheid zijn zusterlijn ware.” + +112 Daarop wendde hij zich tot ons, en werd oplettend, de blikken +richtend over de heup en zeide: „Ga gij maar òp, gij die zoo krachtig +zijt.” + +115 Toen herkende ik wie hij was; en die amechtigheid, die mij toen nog +een weinig den adem versnelde, verlette mij niet tot hem te gaan: en +voorts + +118 toen ik tot hem was gekomen, hief hij nauwelijks het hoofd op, +zeggende: „Hebt gij wel gezien, hoe de zon aan den linkerkant den wagen +leidt?” + +121 Zijne luie gebaren en korte woorden bewogen mijne lippen een weinig +tot een lach; voorts begon ik: „Belacqua, nu treur ik + +124 niet meer over u; maar zeg mij: waarom zijt gij hier gezeten? Wacht +gij geleide, of heeft weer de gewone hebbelijkheid u ingenomen?” + +127 En hij: „Broeder, het opwaarts gaan wat baat het? daar mij niet tot +de martelingen toe zou laten de Engel Gods, die boven de Poort zit. + +130 Eerst moet het dat de Hemel zich zoovele malen om mij draait buiten +het leven als hij zich in het leven om mij draaide, omdat ik de goede +zuchten tot het einde verdaagde, + +133 indien gebed mij eerder niet te hulpe komt, dat opgaat uit een hart, +dat in genade leeft; want wat baat het andere, dat in den hemel niet +wordt gehoord?” + +136 En reeds steeg de Dichter voor mij op, en zeide: „Kom nu, zie dat de +Middagcirkel reeds door de Zon wordt geraakt, en dat aan de grens [van +de beide halfronden] de nacht met de voeten Marocco raakt. + +[decoratieve illustratie] + + + + +VIJFDE ZANG + + +De beide Dichters, verder opstijgende, zien weder eene schare van +boetedoenden, allen zondaars, die eerst, door een gewelddadigen dood +overvallen, zich tot God begaven; drie van dezen maken zich kenbaar. + + * * * * * + +1 Reeds was ik van die schimmen verscheiden, en volgde ik de voetstappen +mijns Gidsen, wanneer achter mij aan, richtende den vinger, + +4 er ééne schreeuwde: „Zie, want niet schijnt het dat de straal licht +geeft ter slinker van hem, die het benedenst gaat, en als een levende +schijnt het dat hij zich gedraagt.” + +7 De oogen wendde ik op den klank van dat woord, en ik zag ze kijken in +verwondering alleen maar naar mij, alleen maar naar mij en naar het +licht dat gebroken was. + +10 „Waarom onthutst zich uwe ziel zoozeer,” zeide de Meester, „dat gij +het gaan vertraagt? Wat deert het u wat zij-daar murmureeren? + +13 Kom achter mij, en laat de luiden praten; sta vast als een toren, +die den top nooit schudt voor het blazen der winden. + +16 Daar altijd de mensch, in wien de gedachte na de gedachte opborrelt, +het doelwit van zich verwijdert, daar de eene gedachte het vuur van de +andere verdooft.” + +19 Wat konde ik meer zeggen dan: „Ik kom?” Ik zeide het, een weinig van +die verf betogen, die wèl eens den mensch vergiffenis waardig maakt. + +22 En ondertusschen kwamen er dwars langs de helling, een weinig vóór +ons, menschen, zingende „Miserere” vers-regel na regel. + +25 Wanneer zij gewaar wierden dat ik, van wege mijn lichaam, geen plaats +liet aan het doorgaan der stralen, veranderden zij het zingen in eene +lange en rauwe O. + +28 En twee van hen, in den schijn van boodschappers, liepen ons +tegemoet, en vroegen ons: „Onderricht ons van uwen staat.” + +31 En mijn Meester: „Gij kunt weer heen gaan en vertellen aan degenen, +die u zonden, dat het lichaam van dezen werkelijk vleesch is. + +34 Indien zij, gelijk ik oordeel, bleven staan om zijne schaduw te zien, +is hun genoeg geantwoord: dat ze hem eer bewijzen, en hij kan zich hun +dierbaar maken.” + +37 Nooit zag ik zoo snel ontstoken wasems in den voornacht de heldere +lucht doorklieven, noch, bij het dalen der zon, Augustus-nevelen, + +40 of in nog minder tijd keerden genen naar boven: en daar gekomen +keerden zij met de anderen te-ons-waarts, als ene schare, die toomeloos +loopt. + +43 „Dat volk, dat op ons aandringt, is talrijk, en zij komen tot u om te +vragen,” zeide de Dichter; „daarom ga stadig door, en luister al +gaande.” + +46 „O ziel, die gaat om u te verblijden met dàt lichaam, waarmede gij +geboren zijt,” (zoo krijtende kwamen zij) „vertraag een weinig uwen +gang. + +49 Zie of gij ooit iemand van ons gezien hebt, zoodat gij naar ginds +berichten van hem medeneemt: ei lieve waarom gaat gij? ei lieve waarom +staat gij niet stil? + +52 Wij zijn voormaals allen gewelddadig gestorven, en waren zondaars tot +onzen laatsten stonde: toen bracht een hemelsch licht ons tot bezinning, + +55 zóódat wij, ons berouwende en vergevende, uit het leven gingen, met +God in vrede, die ons nu pijnigt door de begeerte om Hem te zien.” + +58 En ik: „Hoe zeer ik in uwe aangezichten spiede, ik herken er niet +ééne; maar indien u gevalt eenig ding dat ik zou kunnen, wèl-geboren +zielen, + +61 zegt gij het, en ik zal het doen bij dien vrede, die, achter de +voeten van dusdanig geleide, mij van wereld tot wereld hem doet zoeken.” + +64 En één begon er: „Ieder vertrouwt op uw weldaad zonder dat gij ze +bezweert, al neemt ook het willen het niet-kunnen niet weg. + +67 Waarom ik, die alleen voor de anderen spreek, u vraag, zoo ge ooit +dat land gezien hebt, dat ligt tusschen Romagna en dat van Karel, + +70 dat gij mij in Fano zoozeer de hoofschheid betoont van uwe gebeden, +[vragende] dat men er op de goede wijze voor mij bidde, opdat ik de +zware feilen kunne boeten. + +73 Daar was ik, maar de diepe wonden, waar het bloed uitging, waarin ik +eenmaal huisde, werden mij gemaakt te midden der Antenoren, + +76 daar waar ik veiliger meende te zijn; die van Este liet het doen, die +op mij toornde vrij wat meer dan het recht het wel wilde. + +79 Maar indien ik naar Mira ware gevlucht, wanneer ik besprongen werd +bij Oriacum, zoude ik nóg dáár zijn, waar men ademt. + +82 Ik liep naar den poel, en riet en slijk verstrikten mij zóó, dat ik +viel, en daar zag ik op den grond zich uit mijne aderen een meer maken.” + +85 Voorts zeide een ander: „Eilieve, zoo waarlijk worde die begeerte +vervuld, die u trekt ten hoogen berge, ontferm u en help mijne begeerte. + +88 Ik was van Montefeltro, ik ben Buonconte: Johanna en [mijne] andere +[verwanten] gedenken mijner niet: waarom ik [nog] tusschen dezen ga met +gebogen hoofde.” + +91 En ik tot hem: „Welke dwang of welk toeval deed u zoo ver buiten +Campaldino verdwalen, dat men nooit de plaats van uwe begrafenis wist?” + +94 „O,” antwoordde gene: „langs den voet van het Casentijnsche gaat een +water dat Archiano heet, en dat ontspringt boven het klooster op den +Apennijn. + +97 Daar waar zijn naam ijdel wordt, kwam ik aan, met de keel doorboord, +vluchtende te voet en de vlakte met bloed bezoedelende. + +100 Daar verloor ik het gezicht, en de spraak eindigde ik met den naam +van Maria, en daar viel ik en bleef mijn vleesch alleen. + +103 Ik zal de waarheid zeggen, en gij herzeg haar onder de levenden: de +Engel van God greep mij, en die van de Hel kreet: „O Gij van den Hemel, +waarom berooft gij mij? + +106 Gij draagt van hem het eeuwige met u weg, wegens eenen kleinen traan +die hem mij ontneemt; maar ik zal met het andere anders huis houden.” + +109 Gij weet wel hoe in de lucht zich die vochte damp vergaart, die +weer tot water overgaat, zoodra hij tot zóó hoog stijgt, waar het koude +hem opneemt. + +112 Dat kwaad bedoelen, dat stadig naar kwaad vraagt, verbond hij met +zijn verstand, en hij bewoog den dam en den wind door dat vermogen dat +zijn natuur hem gaf. + +115 Voorts, toen de dag voorbij was, bedekte hij met nevel het dal van +Pratomagno tot aan den grooten bergrug en maakte hij den hemel van boven +betogen + +118 zóó zeer, dat de gedrenkte lucht zich in water verkeerde: de regen +viel en datgene er-van wat de aarde niet kon verduwen, kwam tot +greppels. + +121 En toen het zich verzameld had tot groote beken stortte het zoo snel +naar den Konings-stroom, dat niets het weerhield. + +124 Mijn verkild lichaam vond de gezwollen Archiano aan zijne +uitmonding, en die drong het in den Arno, en ontbond op mijn borst het +kruis + +127 dat ik van mijne handen gemaakt had toen het berouw mij overwon: hij +wentelde mij tegen de oevers en tegen den bodem; voorts bedekte hij mij +en omgaf hij mij met zijn buit.” + +130 „Eilieve, wanneer gij tot de wereld zult zijn teruggekeerd en zult +zijn uitgerust van den langen weg,” zóó volgde de derde geest op den +tweeden: + +133 „herinner u mijner, ik die ben Pia: Siena gaf mij het leven, Maremma +den dood: ~hij~ weet het die mij, de reeds eenmaal gehuwde, + +136 met zijn edelsteen weder ten huwelijk nam.” + +[decoratieve illustratie] + + + + +ZESDE ZANG + + +Nadat de beide Dichters zich met moeite hebben losgemaakt uit de schare +van schimmen, ondervraagt Dante Virgilius en onderhoudt Virgilius Dante +over den grond van hoop, waarmede dezen heil van de gebeden der levenden +verwachten. Voorts zien zij Sordello, die, eerst zich afgezonderd +houdend, bij het hooren van zijn landaard, Virgilius op het hartelijkst +begroet, hetgeen Dante aanleiding geeft tot een uitweiding over de +ellende en verdeeldheid van Italië. + + * * * * * + +1 Bij het scheiden van het dobbel-spel, dan blijft degene, die verliest, +treurende achter, de kansen overrekenende, en hij bedilt ze ontstemd; + +4 met den andere gaan al de luiden mede: de eene gaat hem voor, en de +andere vat hem van achter, en gene vraagt hem van ter zijde zijner te +gedenken: + +7 hij echter blijft niet staan, en hoort dezen en genen aan; deze, wien +hij de hand reikt, die dringt niet meer aan; en zóó verdedigt hij zich +tegen het gedrang. + +10 Zoo was ik in dien dichten drom, her- en der-waart hun het gelaat +toekeerende, en al belovende maakte ik er mij van los. + +13 Daar was de Aretijn, die van de wreede armen van Ghin di Tacco den +dood kreeg; en de andere, die verdronk, daar hij vervolgende liep. + +16 Daar smeekte met de handen uitgespreid Frederik Novello, en die van +Pisa, die den goeden Marzucco zich dapper betoonen deed. + +19 Ik zag Graaf Orso; en de ziel van het lichaam gescheiden door kwade +trouw en nijd, zooals hij zeide, niet wegens zich berokkende schuld; + +22 Pieter Dalla Broccia bedoel ik; en hier zie, zoolang zij aan deze +zijde is, de Vrouwe van Brabant toe, dat zij daarom niet kome te +behooren tot slechtere kudde. + +25 Toen ik vrij was van alle deze schimmen, die stadig baden dat men +voor hen bad, opdat zich hun heilig-worden verhaastte, + +28 begon ik: „Het schijnt mij dat gij me, o Licht mijn, uitdrukkelijk +ergens in uw geschrift ontkent, dat eenige bede een besluit des Hemels +wijzigt; + +31 en deze lieden bidden toch juist om dit. Zoude dan hunne hoop ijdel +zijn? Of is uwe uitspraak mij niet genoegzaam duidelijk?” + +34 En hij tot mij: „Mijne schriftuur is duidelijk, en hunne hoop faalt +niet, indien men het goed beschouwt met het gezonde verstand; + +37 daar top van gerechtigheid zich niet neer laat halen, omdat het vuur +der liefde in eenen oogenblik vervult dat wat voldoening geven moet aan +dengene, die hier verblijf houdt: + +40 en daar waar ik dat punt bevestigde, daar werd door bidden geen +misslag geboet, omdat het gebed van God gescheiden was. + +43 Maar voorwaar berust niet bij zulk een diepe twijfeling, als gene het +niet zegt, die tot een licht worde tusschen de waarheid en uw verstand. + +46 Ik weet niet of gij mij begrijpt: ik spreek van Beatrice; omhoog zult +gij haar zien, boven op den top van dezen berg, lachende en gelukkig.” + +49 En ik: „Goede Gids, laten we gaan met grooteren spoed; daar ik reeds +niet meer zoo moede word als te voren, en zie nu hoe de hoogte schaduw +werpt.” + +52 „Wij zullen bij dezen dag zooveel vooruitgaan,” antwoordde hij: „als +wij op zijn meest zullen kunnen; maar de zaak is anders gesteld dan gij +denkt. + +55 Voordat gij daarboven zijt, zult gij zien wederkeeren dengene, die +reeds schuilt achter de helling, zoodat gij zijne stralen zich niet doet +breken. + +58 Maar ziedaar eene schimme, die eenzaam den blik op ons heeft gevest: +~die~ zal ons den kortsten weg wijzen.” + +61 Wij kwamen tot haar: o Lombardische ziel, hoe stondt gij hooghartig +en trotsch, in het bewegen der oogen edel en traag! + +64 Zij zeide niets tot ons; maar liet ons verder gaan, alleen kijkende +op de wijze van een leeuw, wanneer hij gaat liggen. + +67 Toch bewoog zich Virgilius tot hem, vragende dat hij ons den besten +opgang wees; en gene antwoordde niet op zijn vraag; + +70 maar naar ons land en ons leven vroeg hij ons. En de zoete Gids mijn +begon: „Mantua...” en de schimme, die gansch eenzelvig was, verhief + +73 zich tot hem van de plaats waar zij eerst stond, zeggende: „O +Mantuaan, ik ben Sordello, van land.” En de één omarmde den ander. + +76 Wee dienstbaar Italië, tehuis van smart, schip zonder schipper in +grooten storm, niet heerinne van provinciën, maar bordeel! + +79 Die edele schim was zóó vlug, alleen op den zoeten klank [van den +naam] zijns lands, om zijnen medeburger daar onthaal te geven; + +82 en nu bestaan in u niet zonder oorlog uwe levenden, en de een knaagt +aan den andere onder degenen, welke één muur en ééne gracht omsluit. + +85 Zoek, rampzalige, de kusten langs van uwe zeeën, en dan zie u in den +boezem of eenig deel van u zich in vrede verheugt. + +88 Wat baatte het, dat Justinianus u het gebit weer optoomde, zoo het +zadel ledig is? Zonder hem zoude de schande minder zijn. + +91 Wee volk, dat deemoedig moest zijn, en Caesar moest laten zitten op +den zadel, zóó gij goed verstaat dat wat God u voorschrijft! + +94 Zie, hoe deze trotsche woest is geworden, door niet geregeerd te +worden met de sporen, sinds gij de hand sloegt aan den halster. + +97 O duitsche Albert, gij die háár verlaat, die ongetemd en wild is +geworden, gij die haar zadel schrijlings moest omvatten, + +100 gerechte gerechtigheid valle van de sterren over uw bloed, en zij +zij nieuw en openbaar, zoodat uw opvolger er vrees door gevoele, + +103 omdat gij en uw vader geduld hebt, door begeerigheid aan gene +zijde gehouden, dat de tuin des Rijks verlaten zij. + +106 Kom om te zien [de geslachten der] Montecchi en Cappelletti, [der] +Monaldi en Filippeschi, gij mensch zonder zorg, genen [beiden] reeds +bedroefd, dezen [beiden] rampen verwachtend. + +109 Kom, wreede, kom en zie de verdrukking van uwe edelen, en heel hun +leed, en gij zult zien hoe veilig Santafiore is. + +112 Kom om uw Rome te zien, dat weent, verweduwd en eenzaam, en dag en +nacht u roept: „Mijn Caesar, waarom verzelschapt gij mij niet?” + +115 Kom om te zien hoezeer [de menschen van] uw volk elkanderen +beminnen; en zoo geen medelijden met ons u beweegt, kom om u te schamen +over uwen naam. + +118 En zoo het mij veroorloofd is, o hoogste God, die op aarde voor ons +gekruisigd werdt, zijn uw gerechte oogen elders heen gekeerd? + +121 Of is de voorbereiding, die gij in den afgrond uws raads maakt voor +eenig Goed, in alles van ons besef afgesneden? + +124 Daar de landen van Italië gansch vol zijn van tirannen, en elke +hooveling, die als partijganger komt, een Marcellus wordt. + +127 Florence mijn, wel kunt gij tevreden zijn over deze uitweiding, +welke u niet raakt, dank zij uw volk dat zóó goed redeneert. + +130 Velen hebben gerechtigheid in het hart, maar zij wordt eerst laag +afgeschoten, uit vrees dat men onbezonnen den boog hanteere: maar uw +volk heeft haar boven op de tong. + +133 Velen weigeren den algemeenen last; maar uw volk antwoordt haastig, +zonder dat men het roept, en schreeuwt: „Ik neem hem op mij.” + +136 Nu verheug u, daar gij er wel reden toe hebt: gij rijke, gij +vreedzame, gij verstandige: of ik de waarheid spreek, de uitwerking +verheelt het niet. + +139 Athene en Lacedaemon, die de antieke wetten maakten, en zóó +burgerlijk waren, brachten het maar weinig ver in de goede levens-wijze, + +142 vergeleken bij u, die zoo ragfijne maatregelen treft, dat niet tot +midden-November komt, dat wat gij in October spint. + +145 Hoevele malen bij den tijd, waarvan u heugt, hebt gij van wetten, +munten, en ambten en costumen veranderd, en van ingezetenen verwisseld! + +148 En als gij u goed herinnert en licht ziet, gij zult u zien gelijk +aan die zieke, die geen rust kan vinden op de veeren, + +151 maar door zich te wenden en te keeren zich tegen de pijnen beschut. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +ZEVENDE ZANG + + +Sordello, aan wien Virgilius zich bekend heeft gemaakt, zegt op diens +verzoek om hun den weg te wijzen naar den Ingang van den eigenlijken +Louteringsberg, dat zij zich eerst, daar men 's nachts niet kan verder +gaan, een nachtverblijf moeten opzoeken en wijst hun als zoodanig een +dal in den berg uitgehold, waarin de trage vorsten zich bevinden. + + * * * * * + +1 Nadat de eervolle en blijde begroetingen drie en vier malen waren +herhaald, trad Sordello [een weinig] terug en zeide: „Wie zijt gij?” + +4 „Voor dat tot dezen berg de zielen gekomen waren, waardig om tot God +te stijgen, werden mijne beenderen door Octavianus begraven. + +7 Ik ben Virgilius; en door geene andere schuld verloor ik den hemel dan +door geen geloof te hebben;” zoo antwoordde toen mijn Gids. + +10 Gelijk degene is, die plotseling iets voor zich ziet, waarom hij zich +verwondert, dat hij gelooft en niet gelooft, zeggende: het is zoo, het +is zoo niet; + +13 zoo scheen hij en voorts neeg hij de wenkbrauwen, en nederig keerde +hij tot hem terug en omarmde hem daar, waar de mindere [zijnen meerdere] +vastgrijpt. + +16 „O roem der Latijnen,” zeide hij: „door wien onze taal toonde wat zij +vermocht: o eeuwige prijs van de plaats, vanwaar ik was; + +19 welke verdienste of welke genade vertoont u aan mij? zoo ik waardig +ben uwe woorden te hooren, zeg mij of gij van de Hel komt en van welke +afdeeling.” + +22 „Door alle de cirkels van dat treurende rijk,” antwoordde hij hem: +„ben ik van daar gekomen; eene kracht des Hemels deed mij gaan, en met +haar kom ik. + +25 Niet door te doen, maar door niet te doen heb ik [het recht] verloren +om de hooge Zon te zien, naar welke gij wenscht, en die te laat door mij +gekend werd. + +28 Daar beneden is een plaats, niet droef door martelingen maar alleen +van duisternissen, waar de klachten niet klinken als jammerkreten, maar +zuchten zijn. + +31 Daar vertoef ik met de kleine onnoozelen, die door de tanden des +doods gebeten zijn, voordat zij van de menschelijke erfzonde bevrijd +zijn. + +34 Daar vertoef ik met degenen, wie de drie heilige deugden niet +bekleeden, en die zonder ondeugd de andere kenden, en die alle +betrachtten. + +37 Maar zoo gij het weet en kunt, geef ons eenige aanwijzing, waardoor +wij eerder kunnen komen daar, waar de plaats der Loutering den rechten +ingang heeft.” + +40 Hij antwoordde: „Eene vaste plaats is ons niet toegewezen; het is mij +veroorloofd naar boven en in 't rond te gaan; zoover als ik gaan kan, +blijf ik u ter zij als gids. + +43 Maar zie reeds hoe de dag ten einde nijgt, en bij nacht kan men niet +naar boven gaan; dies is het goed om aan een schoone plaats tot +vertoeven te denken. + +46 Zielen zijn er ginds ter rechter zijde vertogen; zoo gij het mij +toestemt, zal ik u tot haar brengen, en niet zonder geneugt zullen zij u +bekend worden.” + +49 „Hoe is dat?” werd er geantwoord: „wie bij nacht zou willen stijgen, +werd hij door een ander verhinderd? of zou het zóó zijn dat het niet +kon?” + +52 En de goede Sordello haalde zijn vinger over den grond, zeggende: +„Zie, ook maar deze streep kondt gij niet òverkomen na 't scheiden der +Zon: + +55 niet dat iet anders verhindering gaf dan de nachtelijke duisternis, +om òp te gaan; deze mèt het niet kunnen houdt den wil gebonden. + +58 Wel konde men bij donker neerwaarts keeren, en dwalende rondom de +helling her en derwaart gaan, zoolang als de horizont den dag +weggesloten houdt.” + +61 Toen mijn Heer, als het ware benieuwd: „Leid ons,” zeide hij: „daar +waar gij zegt dat men vertoevende geneugt kan hebben.” + +64 Maar weinig hadden wij ons van daar verwijderd, wanneer ik gewaar +werd dat de berg gehalveerd was, gelijk hier valleien bergen halveeren. + +67 „Daar,” zeide die schim; „zullen wij henengaan, daar waar de bergwand +van zichzelven een schoot maakt, en daar zullen wij den nieuwen dag +verwachten. + +70 Tusschen steil en vlak was een kronkel-weg, die ons bracht in de +zijde van de delling, daar waar meer dan voor de helft de rand sterft. + +73 Goud en fijn zilver, en scharlaken en loodwit, indisch hout, licht +en doorschijnend, frisch smaragd in den stonde dat het gebroken wordt, + +76 dat alles gelegd naast het kruid en de bloemen binnen in die delling, +zou door hun verw overwonnen zijn, gelijk het mindere door het meerdere +overwonnen wordt. + +79 Niet alleen had de natuur daar [kleuren] geschakeerd, maar zij maakte +van de zoetheid van duizend geuren een ononderscheidelijke mengeling. + +82 „Salve Regina” zag ik daar op het groen en de bloemen zielen zitten +te zingen, die men van wege de delling niet van buiten kon zien. + +85 „Voordat nog het weinige zonlicht in zijn nest gaat,” begon de +Mantuaan die ons geleid had, „wilt niet dat ik u te midden van hen +leide. + +88 Van dezen rand zult gij beter de gebaren en gezichten van hen allen +onderscheiden, dan beneden in de delling opgenomen. + +91 Gene, die het hoogste zit, en schijnt veronachtzaamd te hebben dat +wat hij doen moest en die den mond niet opent voor het gezang der +anderen, + +94 was keizer Rudolf, die de wonden kon helen, welke Italië gedood +hebben, zóódat zij maar al te laat door anderen tot verademing komt. + +97 De andere, die in het aangezicht hem troost, regeerde het land +waaruit het water geboren wordt dat de Moldau in de Elbe, en de Elbe in +zee brengt: + +100 Ottocar heette hij, en in de windselen was hij vrij wat beter dan +Wenzislaus zijn zoon, nu hij een baard heeft, wien weelde en luiheid +mest. + +103 En die Klein-neus, die in beraad schijnt met dengene die zoo +goedwillig uitzicht heeft, stierf vluchtende en de lelie onteerend. + +106 Ziet daar, hoe hij zich de borst slaat. Ziet den andere, die zich +al zuchtende van de handpalm een kussen voor de wang heeft gemaakt. + +109 Vader en Schoonvader zijn zij van het ongeluk van Frankrijk: zij +weten van zijn snood en vuil leven, en vandaar komt die smart, die ze +zoo zeer slaat. + +112 Hij die zoo vleezig schijnt, en die zingende te zamen stemt met +genen van den mannelijken neus, droeg van elke deugd het koord gegord. + +115 En zoo na hem koning gebleven ware de jongeling, die achter hem zit, +dan ging de deugdelijkheid schoon van vat tot vat; + +118 hetgeen men niet kon zeggen van den anderen erfgenaam. Jacob en +Frederik hebben de koninkrijken; geen heeft bezit van 's vaders betere +nalatenschap. + +121 Zelden gaat de menschelijke voortreffelijkheid door de takken +naarboven: en dat wil Degene, Die haar geeft, opdat ze Zijn gave genoemd +worde. + +124 Ook tot dien van ~den grooten Neus~ gaan mijne woorden (niet minder +dan tot den andere, Peter, die met hem zingt) om wien Apulië en Provence +nu smart hebben. + +127 Zooveel is de plant minder dan haar zaad, als, meer nog dan Beatrice +en Margherita, Constantia op haar echtgenoot boogt. + +130 Ziet den koning van het eenvoudige leven daar alleen zitten, Hendrik +van Engeland: deze heeft in zijn spruiten beter voortzetting. + +133 Gene, die verder naar beneden onder genen op aarde zit, naar boven +kijkend, is markgraaf Willem, om wien èn Alessandria en diens oorlog + +136 Monferrat en het Cannoveserland laat weenen. + +[decoratieve illustratie] + + + + +ACHTSTE ZANG + + +In Sordello's gezelschap gaan de beide Dichters het dal binnen; terwijl +twee Engelen, nedergedaald uit den Hemel, post vatten om de boetedoenden +tegen de slang te beschutten, onderhoudt Dante zich met Nino en Currado +Malaspina. + + * * * * * + +1 Het was reeds de ure die den zeevarenden de begeerte doet keeren en +hun het hart verteêrt, den dag dat zij hunnen zoeten vrienden vaartwel +hebben gezegd; + +4 en die den nieuwen bee-vaarder met liefde steekt, wanneer hij van +verre den beiaard hoort, welke schijnt den dag te beweenen die +wegsterft: + +7 wanneer ik het hooren begon te veronachtzamen, en te schouwen naar +eene der zielen, die opgerezen was en die het luisteren vroeg met de +hand. + +10 Zij voegde saam en hief beide de handpalmen, de oogen naar het Oosten +richtende, of zij tot God zeide: „Al het andere wat raakt het me?” + +13 ~Te lucis ante~ kwam haar met zulk een wijding uit den mond, en met +zóó zoete tonen, dat het mij mijn ziel buiten mij zelven deed treden. + +16 En voorts volgden de anderen zoetelijk en met wijding haar na door +het gansche gezang, de oogen houdende naar de bovenste sferen. + +19 Spits hier wel, lezer, de oogen op de waarheid, daar het weefsel nu +wel zoo dun is, voorzeker, dat het makkelijk is er door heen te vallen. + +22 En ik zag de edelaardge heir-schare zwijgend voorts naar boven +kijken, als wachtende, bleek en deemoedig: + +25 en ik zag van den hoogen komen en naar beneden dalen twee Engelen met +twee vlammende zwaarden, geknot en van hunne punten ontdaan. + +28 Groen als maar even uitgebotte loovertjes waren hunne gewaden, die +zij slepen lieten, door hunne groene vleugelen geslagen en bewaaierd. + +31 De één kwam een weinig boven ons te staan, en de ander daalde neder +op den tegenovergelegen rand, zoodat die lieden zich in het midden +bevonden. + +34 Goed onderscheidde ik in hen het blonde hoofd; maar in de +aangezichten verdoolde zich het oog als een vermogen dat in te veel +raakt verbijsterd. + +37 „Beiden komen van den schoot van Maria,” zeide Sordello, „ter +bewaking van het dal, tegen de slang, die zoo aanstonds zal komen.” + +40 Waarom ik, die niet wist, langs welken weg, mij rondom keerde, en mij +nauw aandrong, gansch bevrozen, tegen de vertrouwde schouderen. + +43 En Sordello [sprak] nog weer: „Laten wij nu nederdalen tusschen de +grootsche schimmen, en tot hen spreken; zeer welgevallig zal het hun +zijn u te zien.” + +46 Nog maar drie passen geloof ik dat ik was nedergedaald, en ik was +beneden en ik zag er eenen die stadig mij beschouwde, of hij mij wilde +herkennen. + +49 Reeds was het de tijd dat de lucht zich verdonkerde, maar toch niet +zóó dat tusschen zijne en mijne oogen niet geopenbaard werd dat wat hij +eerst verborgen hield. + +52 Tot mij maakte hij zich op en ik maakte mij op tot hem: „Edele +rechter Nino, hoe zeer gevalt het mij, wanneer ik u niet tusschen de +schuldigen zie!” + +55 Geen enkele schoone begroetenis werd tusschen ons verzwegen: voorts +vroeg hij: „Hoe lang is het sinds gij aan den voet van den berg over de +verre wateren gekomen zijt?” + +58 „O!” zeide ik hem: „door de droeve plaatsen kwam ik dezen morgen, en +ik ben in het eerste leven, zij het ook dat ik, aldus gaande, het andere +gewin.” + +61 En wanneer mijn antwoord gehoord was, trokken Sordello en hij zich +terug, als lieden plotseling verbijsterd. + +64 De ééne wendde zich tot Virgilius en de andere tot éénen, die daar +zat, roepende: „Op Currado, kom om te zien dat wat God door zijne genade +wilde.” + +67 Voorts tot mij gewend: „Bij dien bijzonderen dank, dien gij Hem +schuldig zijt, Die zóózeer zijn eerste „waarom” verbergt, dat geen wadde +daarheen voert, + +70 wanneer gij zijn zult aan gene zijde der breede wateren, zeg dan aan +mijne Johanna, dat zij om mij roepe daar waar de onschuldigen +beantwoord worden. + +73 Ik geloof niet dat hare moeder mij nog bemint, sinds zij de witte +linten verwisselde, naar welke het zoo gevalt dat zij, ongelukkige, nog +weder terug verlangt. + +76 In haar kan men gemakkelijk zien, hoe lang in eene vrouw het vuur der +liefde duurt, als het gezicht en de tast het niet vaak weder opstookt. + +79 Zoo schoone begrafenis zal de slang, die de Milaneezer ten strijde +voert haar niet geven als de haan van Gallura haar zou hebben gegeven.” + +82 Zoo sprak hij, in zijn aangezicht met dat kenteeken van dien +gerechten ijver gemerkt, die met mate in het hart brandt. + +85 Mijne begeerige oogen gingen stadig ten hemel, stadig daarheen, waar +de sterren het traagst gaan, zooals een rad het dichtst bij zijn as. + +88 En de Gids mijn: „Zoon, waarnaar kijkt gij daar omhoog?” En ik tot +hem: „Naar die drie fakkels, door welke gindsche pool ganschelijk in +brand staat.” + +91 En hij tot mij: „De vier heldere sterren, die gij daar van morgen +zaagt, zijn nu ginds omlaag, en deze zijn omhoog gestegen waar die +waren.” + +94 Terwijl hij sprak, trok Sordello hem tot zich zeggende: „Zie daar +onzen tegenstander;” en hij richtte den vinger, opdat hij daarheen zou +zien. + +97 Aan dien kant waar de kleine delling geene beschutting had, was een +slang, wellicht, zoo één als aan Eva de bittere bete gaf. + +100 Tusschen 't gras en de bloemen kwam de kwade schuifelaar, al en al +maar den kop draaiende, en den rug zich lekkende als een beest, dat zich +glad maakt. + +103 Ik zag het niet en daarom kan ik het niet zeggen, hoe de hemelsche +roofvogels opvlogen, maar ik zag heel goed zoowel den een als den ander +opgevlogen. + +106 Toen ze merkte dat de lucht door de groene vleugels gekliefd werd, +vluchtte de slang, en de Engelen keerden weer omhoog naar hunne posten +gelijkelijk terug vliegende. + +109 De schim, die zich tot den rechter had teruggetrokken, wanneer hij +hem riep, liet gedurende dezen ganschen aanval geen oogenblik af van +naar mij te kijken. + +112 „Zoo de lamp, die u ten hoogen voert, in uwen vrijen wil zoo groote +pit vindt als noodig is om te komen aan de bergvlakte op den top,” + +115 begon zij: „zoo gij ware tijding weet van Valdimagra, of van eenig +naburig land, zeg haar aan mij, die daar eertijds machtig was. + +118 Ik heette Currado Malaspina: niet de Oude ben ik, maar van hem stam +ik af: tot de mijnen droeg ik die liefde, die hier wordt gelouterd!” + +121 „O!” zeide ik tot hem: „in uwe landen ben ik nooit geweest; maar +waar vertoeft iemand in gansch Europa, wien ze niet bekend zijn? + +124 De roem, die uw huis eert, verbreidt de heeren, verbreidt het land, +zoo dat ook hij, die er niet was, ze kent. + +127 En ik zweer u, zoo waarlijk moge ik boven aankomen, dat uw geëerd +geslacht niet aan het afnemen is in roem van beurs en zwaard. + +130 Gewoonte en aanleg bevoorrechten het zoo dat, hoezeer het slechte +Hoofd de Wereld doet dwalen, het alleen den rechten weg houdt en den +slechten weg versmaadt.” + +133 En hij: „Nu ga, daar de Zon zich geen zeven malen te ruste zal +leggen in het leger dat de Ram met alle vier de pooten dekt en omvat, + +136 of deze heusche meening is u midden op het voorhoofd gegrift met +grooter nagelen dan woorden van andere menschen, + +139 indien de loop der rechtvaardigheid niet tot stil-staan komt.” + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +NEGENDE ZANG + + +De Dichter, ingeslapen zijnde, heeft tegen den morgen eenen droom; als +hij daaruit ontwaakt, bevindt hij zich met Virgilius vóór de Poort van +de eigenlijke plaats der Loutering, welke hij door den haar bewakenden +engel wordt binnengelaten. + + * * * * * + +1 De bijzit van den ouden Tithonus schemerde reeds aan de Ooster-kim, +[opgerezen] uit de armen van haren zoete-lief: + +4 haar voorhoofd was lichtend van edel-gesteenten, die gezet waren naar +de teekening van dat kille dier, dat met den staart de volkeren slaat: + +7 en de nacht had van de schreden, waarmede zij stijgt, er twee gedaan +op de plaats, waar wij waren, en de derde neeg reeds de vleugelen naar +beneden, + +10 wanneer ik, die met mij had van dat van Adam, verwonnen van den +slaap, mij op het gras neeg, daar waar wij reeds alle vijf gezeten +waren. + +13 Op de ure dat de zwaluw haar droeve zangen begint dicht bij den +morgen, wellicht ter gedachtenis van hare eerste weeën, + +16 en dat onze geest, meer vervreemd van het vleesch, en minder door +gedachten ingenomen, in zijne gezichten bijna profetisch is; + +19 was het mij in den droom of ik eenen adelaar zag, hangend in den +hemel op gouden pennen, met de vlerken geopend, en bereid om zich neder +te laten: + +22 en het docht mij dat ik dáár was, waar de zijnen door Ganymedes +verlaten werden, daar hij ter hoogste vergadering getogen werd. + +25 Bij mij-zelven dacht ik: wellicht loert deze steeds hier uit gewoonte +en wellicht gewaardigt deze zich niet van een andere plaats iets mede te +nemen in zijne klauwen. + +28 Voorts docht me dat hij, na eerst nog een weinig in den ronde gewield +te hebben, verschrikkelijk als een bliksem nederdaalde en mij naar boven +haalde tot aan het vuur. + +31 Daar docht me dat hij en ik brandden, en zoo stak mij de verbeelde +brand, dat het geviel dat de slaap verbroken werd. + +34 Niet anders huiverde Achilles, de ontwaakte oogen in een kring +rond-bewegende, en niet wetende waar hij was, + +37 wanneer zijne moeder hem, slapende in hare armen, van Chiron +wegvoerde naar Scyrus, daar van waar voorts de Grieken hem deden +heengaan; + +40 als ik huiverde, mèt dat de slaap mij van het aangezicht vluchtte, en +ik werd bleek, gelijk de mensch wordt, die ontsteld ijst. + +43 Alleen mijn trooster was mij ter zijde, en de zon was reeds hooger +dan twee uren, en mijn gezicht was naar de zee toe gewend. + +46 „Heb geen vrees,” zeide mijn Heer: „stel u gerust, daar wij op een +goede plaats zijn, wil alle kracht niet benauwen maar verruimen.” + +49 „Thans zijt gij aan het oord der Loutering gekomen. Zie daar den +rand, die het van rondom sluit; zie daar den ingang waar die rand open +schijnt. + +52 Zoo-even in den dageraad, die den dag vóórgaat, wanneer uwe ziel +binnen-in u sliep op de bloemen, waarmee de grond daar beneden is +getooid, + +55 kwam eene vrouw, en zeide: „Ik ben Lucia; laat mij hem opnemen, die +daar slaapt, aldus zal ik hem bekwamen tot zijnen weg.” + +58 Sordello bleef achter, en ook de andere edele gestalten; zij nam u +op, en mèt dat het helder dag was, ging zij opwaarts, en ik in hare +voetstappen. + +61 Hier legde zij u neer: en eerst wezen hare schoone oogen mij dien +open ingang; voorts gingen zij en uw slaap teffens weg.” + +64 Op de wijze van een mensch, die in twijfel zich voelt gerust gesteld, +en die zijn vrees in welgemoedheid verandert, wanneer de waarheid hem +ontdekt is, + +67 zoo verkeerde ik; en wanneer mijn Gids mij onbezorgd zag, bewoog hij +zich voort over den rand, en ik achter hem naar de hoogte. + +70 Lezer, gij ziet wel hoe ik mijne stoffe verhoog, dies verwonder u +niet zoo ik haar met meer kunst versterk. + +73 Wij naderden, en wij waren op eene plaats zóó dat ik daar, waar mij +eerst docht een kloof te zijn, gelijk een spleet die een muur deelt, + +76 eene poort zag, en drie treden daaronder om tot haar te komen, van +kleur verscheiden, en eenen poortwachter, die tot nog toe geen woord +zei. + +79 En naar gelang ik meer en meer het oog er op opende, zag ik hem +zitten boven op de bovenste trede, zoodanig in het aangezicht, dat ik +het niet verdroeg: + +82 en een ontbloot zwaard had hij in de hand, dat de zonnestralen +zoozeer te ons-waart weerkaatste, dat ik vele malen den blik vergeefs op +hem richtte. + +85 „Zegt gij mij daar: wat wilt gij?” begon hij te zeggen: „waar is uw +geleide? Ziet toe dat het boven-komen u niet schade.” + +88 „Eene vrouw uit den Hemel, van deze dingen wel-onderricht,” aldus +antwoordde hem mijn Meester, „zeide zooeven tot ons: „Gaat daarheen, +daar is de poort.”” + +91 „En zij moge te goeder ure u uwe schreden voorwaarts doen richten,” +herbegon de hoofsche portier: „nadert dus tot onze trappen.” + +94 Daar kwamen wij; en de eerste trede was wit marmer, zóó +glad-gewreven, dat ik er mij in spiegelde gelijk ik verschijn. + +97 De tweede, donkerder dan donker paars, van een ruw en branderig steen +over lang en over dwars gebarsten. + +100 De derde, die het bovenst opgestapeld lag, docht mij van een zoo +vlammend porphier, als bloed, dat uit een ader spuit. + +103 Boven op deze hield de Engel Gods beide de voetzolen, zittende op +den dorpel, die mij scheen van diamant. + +106 Over de drie treden trok mijn Gids mij, die vol ijver was, en hij +zeide: „Vraag nederig dat hij het slot ontgrendele.” + +109 Deemoedig wierp ik mij aan de heilige voeten: erbarmen vroeg ik, en +dat hij me opendeed; maar te voren gaf ik mij drie slagen op de borst. + +112 Zeven P's schreef hij mij op het voorhoofd met de spits van het +zwaard, en: „Maak dat gij, wanneer gij binnen zijt, u deze wonden +afwascht,” zeide hij. + +115 Asch of aarde, die droog opgegraven wordt, mocht wel van éénzelfde +kleur zijn als zijn kleedij en van onder deze bracht hij twee sleutelen +te voorschijn. + +118 De ééne was van goud, en de andere was van zilver; eerst met de +witte en voorts met de gele deed hij aldus aan de poort, dat ik tevreden +was. + +121 „Telkens wanneer één van deze sleutelen faalt, daar zij niet recht +in het sleutelgat gestoken wordt,” zeide hij tot ons: „dan gaat de poort +niet open. + +124 Kostbaarder is de ééne; maar de andere wil meer kunst en vernuft +voordat zij opent, daar zij het is, die den knoop ontknoedelt. + +127 Van Petrus heb ik ze;” en hij zeide mij dat ik liever moest dwalen +door haar te openen dan door haar dicht te houden, zoo maar de luiden +zich voor mij ter aarde werpen. + +130 Voorts stiet hij de heilige deur open, zeggende: „Treedt binnen; +maar ik maak u opmerkzaam, dat hij naar buiten terugkeert, die +terugziet.” + +133 En toen in de scharnieren de spillen van die heilige deur waren +omgedraaid, die van metaal zijn, dreunend en zwaar, + +136 niet loeide de Tarpejische rots aldus noch toonde zij zich zóó +toornig, wanneer haar de goede Metellus werd ontnomen, waardoor zij +voortaan ledig bleef. + +139 Ik richtte mij aandachtig naar den eersten donder, en „Te Deum +laudamus” docht ik mij te hooren in zang-stem gemengd met de zoete +muziek. + +142 Juist zulk eene verbeelding gaf mij dat wat ik hoorde, als men +gewoon is te krijgen, wanneer men staat te zingen met het orgel: + +145 zoodat men dàn wel dàn niet de woorden verstaat. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +TIENDE ZANG + +~Eerste ommegang van den Louteringsberg~ + + +Op den eersten ommegang gekomen, zien de beide Dichters de in marmer +gehouden tafereelen der deemoedigheid (1–96), daarna de schimmen, die +boete doen voor hoovaardigheid. + + * * * * * + +1 Toen wij waren binnen den dorpel van de poort, welken de kwade +begeerte der zielen in onbruik brengt, daar zij den krommen weg recht +doet schijnen, + +4 hoorde ik haar dreunende gesloten worden: en zoo ik de oogen naar haar +gericht hadde, welke waardige verontschuldiging ware er geweest voor de +feil? + +7 Wij stegen door een gespleten rots, die zich dan naar dezen dan naar +dien kant bewoog, gelijk de golf, die vlucht en naderkomt. + +10 „Hier voegt het een weinig kunst te gebruiken,” begon mijn Gids: „om +dan hier dan ginds den wand te naderen, die wijkt.” + +13 En dat maakte onze schreden zoo schaarsch, dat de donkere helft der +maan aan hare legerstede kwam om zich ter ruste te begeven, + +16 voordat wij buiten die kloof waren. Maar wanneer wij vrij en open +waren, daar boven-op, waar de berg zich van achteren weer sluit, + +19 toen stonden wij, ik vermoeid, en beiden onzeker over onzen weg, stil +boven op een vlak, meer eenzaam dan wegen door woestijnen. + +22 De ruimte van den rand, waar die het ledige begrenst, tot aan den +voet van den hoogen rotswand, die staeg rijst, zou in drie malen het +lichaam van een mensch hebben gemeten: + +25 en zoover mijn oog de vleugelen kon spannen, ter linker en ter +rechter zijde, docht mij die kornis aldus te zijn. + +28 Nog hadden onze voeten zich niet daar boven op bewogen, wanneer ik +gewaar werd dat die rots-rand in den ronde, die niet in rechte richting +bestegen kan worden, + +31 van wit marmer was, en dèr-wijze gesierd met er in uitgehouwen +beeldwerk, dat niet maar Polycletus maar ook Natuur daarvoor had moeten +onderdoen. + +34 De Engel, die op aarde kwam met de Boodschap van den vele jaren met +tranen afgebeden vrede, welke den Hemel opende na het lange verbod, + +37 verscheen voor ons, waarachtig daar uitgehouwen, met zoo vredig +gebaar, dat hij geen beeld scheen, dat zwijgt. + +40 Men zou gezworen hebben dat hij zeide: „Wees gegroet!” omdat daar +uitgebeeld was ~Degene~, die de sleutels omdraaide om de hooge ~Liefde~ +te openen. + +43 En in haar doen drukte zij zoo eigenlijk deze woorden uit: „Zie hier +uwe Dienstmaagd,” als waren het letters, gestempeld in lak. + +46 „Houd toch niet op ééne plaats de aandacht gericht,” zeide mijn zoete +Meester, die mij had aan dien kant, aan welken de mensch het hart heeft: + +49 waarom ik mij draaide met den blik, en ik zag achter Maria, naar dien +kant, waaraan degene was die mij aanporde, + +52 een andere historie in de rots gebeeld: waarom ik Virgilius +voorbij-trad, en mij er dichter bij bracht opdat het me beter onder de +oogen kwam. + +55 Daar waren in het marmer uitgehouwen de wagen en de ossen, trekkende +de heilige Ark, door welke men zich schroomt voor niet toevertrouwden +dienst. + +58 Daarvoor vertoonden zich lieden; en die allen, verdeeld in zeven +koren, deden van twee van mijne zinnen den éénen zeggen: „zij zingen,” +den anderen: „zij zingen niet.” + +61 Evenzeer aangaande den rook der wierookvaten, die daar was afgebeeld, +geraakten de oogen en de neus over het al of niet branden in tweedracht. + +64 Daar ging, opgeschort dansende, de nederige Psalmist de gebenedijde +Bondskist vóór, en was in dat geval tegelijk meer en minder dan Koning. + +67 Tegenover hem, aan het venster van een groot paleis, keek Michal, +gelijk een minachtende en verdrietige vrouw. + +70 Ik verzette de voeten van de plaats waar ik stond, om van dichte-bij +een andere historie te bezien, welke achter Michal in wit steen zich +mij vertoonde. + +73 Daar was getafereeld de hooge glorie des Romeinschen vorsten, wiens +groote deugd Gregorius prikkelde tot zijn groote overwinning: + +76 van Trajanus den Keizer, spreek ik: en een weeuwtjen was hem aan den +toom, ontdaan door tranen en door smart. + +79 Rondom haar scheen het stampvol van ruiteren, en de adelaren van goud +bewogen zich boven hen zichtbaar op den wind. + +82 Het rampzalig vrouwtje scheen te midden van deze allen te zeggen: +„Heer, wreek mij mijnen zoon, die gedood is, dies ik treur.” + +85 En gene [scheen] haar te antwoorden: „Dan wacht totdat ik keere.” En +zij: „Heer mijn,” gelijk een mensch in wien de smart ongeduldig wordt: + +88 „Zoo gij niet keert?” En hij: „Wie dàn zit, waar ik nù, zal het u +doen.” En zij: „De goede daad des anderen, wat baat die u, zoo gij uw +plicht verzaakt?” + +91 Waarop hij: „Dan troost u, daar het voegt dat ik mij kwijte van mijn +plicht, voor ik uittrekke: Gerechtigheid wil 't en plichtsbesef houdt +mij terug.” + +94 Degene, die nooit nog iets nieuws gezien heeft, bracht dat zichtbare +spreken voort, nieuw voor ons, daar het hier niet gevonden wordt. + +97 Terwijl ik mij verlustigde met het aanschouwen der tafereelen van zoo +groote deemoedigheden, wier aanblik mij ook lief was om der wille van +hunnen Maker; + +100 toen fluisterde de Dichter: „Zie van ginds komen, maar met +schaarsche treden, vele luiden: zij zullen den weg wijzen tot de +hoogere ommegangen.” + +103 Mijne oogen, die bezig gehouden werden door de aanschouwing, om het +nog nooit geziene te zien, waarnaar zij zoozeer verlangend zijn, waren +niet traag om zich naar hem te keeren. + +106 Ik wil niet, lezer, dat gij daarom aflaat van goede voornemens, +wanneer gij hoort hoe God wil dat de schuld geboet wordt. + +109 Let niet op den vorm van het martelen: let op hetgeen erop volgt; +bedenk dat, in het ergste geval, het niet kan duren ginds van het groote +Oordeel. + +112 Ik begon: „Meester, dat wat ik te-ons-waart zie bewegen, schijnen +mij niet personen: ik en weet niet wat; zoo machteloos ben ik in het +zien.” + +115 En hij tot mij: „De zware gesteldheid van hunne foltering doet ze +zich ter aarde buigen, zóódat mijne oogen er eerst door te strijden +hadden. + +118 Maar houd den blik daarop gericht, en ontbolster met den blik dat +wat daar onder rotsblokken naderkomt: reeds kunt gij ontwaren hoe ieder +gedrukt wordt.” + +121 O trotsche Christenen, rampzalig neergedrukten, die, zwak met de +oogen des geestes, vertrouwen hebt op de rugge-waartsche schreden, + +124 beseft gij niet, dat wij wormen zijn, geboren om den engel-gelijken +vlinder te vormen, die ter rechtvaardigheid vliegt zonder omhulling? + +127 Waarop gaat uwe ziel hoovaardig als een haan? Gij zijt als insecten +in onvolkomenheid, gelijk rupsen, in welke de formatie nog ontbreekt. + +130 Gelijk, om vloer of dak te stutten, men menig malen tot stut een +[menschelijke] gedaante ziet, wie de knieën tegen de borst komen, + +133 hoedanig eene over het niet-ware ware droefenis doet opkomen bij +wie het ziet; zoo zag ik ze, toen ik ze wèl beschouwde. + +136 Waar is dat ze meer of min samengetrokken waren, naarmate ze meer of +minder op den rug hadden; en hij, die het meeste geduld in het voorkomen +had, + +139 scheen weenende te zeggen: „Ik kan niet meer.” + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +ELFDE ZANG + +~Voortzetting van den eersten ommegang, waarin geboet wordt voor +hoovaardigheid~ + + +Volgens aanwijzing gekregen van ééne van die zielen, wenden de Dichters +zich ter rechter over de eerste kornis; en ondertusschen vertoont +zich aan hen Humbert, een der graven van Santafiore, en wordt Dante +herkend door Oderisi da Cubbio, die spreekt over de ijdelheid van den +wereldschen roem en hem een en ander mededeelt aangaande Provenzano +Salvani, die aldaar zich loutert van de vroegere hoovaardigheid. + + * * * * * + +1 „O Vader onze, die in de hemelen zijt, niet dáártoe beperkt, maar +wegens de grootere liefde die Gij voor de eerste werken van daarboven +hebt, + +4 Uw naam en Uw macht zij geprezen van alle schepsel, naar het voegt +dank te zeggen aan uwen liefde-walm. + +7 Kome tot ons de vrede van Uw koninkrijk, daar wij niet uit ons zelven +met alle onze ingeboren krachten tot haar kunnen komen, als zij niet tot +ons komt. + +10 Gelijk uwe engelen van hunnen wil offerande doen aan U, zingende +Hosanna, dat de menschen zóó doen van den hunnen. + +13 Geef ons heden ons dagelijksch manna, zonder hetwelk door deze rauwe +woestenij teruggaat ook wie het meest zich inspant te gaan. + +16 En gelijk wij het kwaad, dat wij geleden hebben, aan een ieder mogen +vergeven, zoo vergeef ook gij weldadig, en zie niet naar onze +verdienste. + +19 Onze deugd, die lichtelijk bezwijkt, beproef die niet [in den strijd] +met den Ouden Tegenstander, maar verlos haar van hem, die zóózeer haar +bestookt. + +22 Dit laatste gebed, lieve Heer, wordt reeds niet gedaan om +onzentwille, daar wij dat niet van noode hebben, maar ter wille van hen, +die achter ons zijn blijven staan.” + +25 Aldus voor ons en voor zichzelven goede reize afbiddende, gingen deze +schimmen onder den last, een dergelijken als waar men zoo dikwijls van +droomt, + +28 naar verscheiden wijze benauwd, allen in het rond en moede, boven +over den eersten rand, louterende de nevelen der wereld. + +31 Zoo aan gindsche zijde steeds goede voorspraak voor ons gedaan wordt, +wat kan dan aan deze zijde voor hen gedaan worden door degenen, die +goeden wortel hebben voor hunnen wil. + +34 Wèl moet men hen helpen te wasschen de merken, die zij hier droegen, +zóódat zij rein en licht kunnen uitgaan tot de bestarnde sferen. + +37 „Zegt! zoo waarlijk moge gerechtigheid en vroomheid u weldra +ontlasten, zoodat gij den vleugel kunt uitslaan, die u naar verlangen +opheffe: + +40 wijst ons naar welken kant men het kortst gaat naar de trap: en zoo +er meer dan ééne opening is, zegt ons die, welke het minst steil stijgt; + +43 daar deze, die met mij komt, door den last des vleesches van Adam, +waarmede hij bekleed is, tegen zijnen wil zuinig is met opstijgen.” + +46 Deze hunne woorden, die ze antwoordden op gene, welke gezegd waren +door hem, dien ik volgde, 't was niet duidelijk van wien ze kwamen; + +49 maar er werd gezegd: „Ter rechter hand langs den rotswand komt met +ons, en gij zult den doorweg vinden, mogelijk voor een levend wezen om +er langs op te gaan. + +52 En zoo ik niet belemmerd ware door het rotsblok, dat mijnen +hoovaardigen nek ònderhoudt, vanwaar het mij voegt het hoofd laag te +houden, + +55 zoude ik schouwen naar hem, die nog leeft en zich niet noemt, om te +zien of ik hem ken en om hem medelijdend te maken met dezen last. + +58 Ik was een Latijner, geboren uit eenen grooten Toscaan: Willem +Aldobrandeschi was mijn vader: ik weet niet of zijn naam ooit met u was. + +61 Het oude bloed en de roemrijke daden van mijne voorvaderen maakten +mij zóó aanmatigend, dat ik, niet denkend aan de gemeenschappelijke +moeder, te voren allen mensch + +64 zoozeer in minachting hield, dat ik er van stierf, gelijk de +Sieneezen weten, en in Campagnatico elk sprekend wezen het weet. + +67 Ik ben Humberto; en niet slechts mij schaadde mijn hoovaardigheid, +want alle mijne stamgenooten heeft zij met zich in het ongeluk +getrokken. + +70 En hier voegt het dat ik dit gewicht drage voor hen, zoolang totdat +hier bij de dooden Gode voldoening worde gegeven, daar ik dat niet bij +de levenden deed.” + +73 Luisterende, neeg ik het aangezicht naar omlaag; en één van hen (niet +degene die gesproken had) draaide zich onder het gewicht, dat hem +belastte: + +76 en zag mij, en kende mij en riep, houdende de oogen met moeite +gericht op mij, die gansch gebukt mèt hen ging: + +79 „O,” zeide ik tot hem: „Zijt gij niet Oderisi, de eer van Agubbio, en +de eer van die kunst, welke verluchten in Parijs wordt genoemd?” + +82 „Broeder,” zeide hij: „meer lachen de papieren, welke Franco +Bolognese penseelt: en thans is de eer gansch ~zijn~ en ~mijn~ [slechts] +voor een deel. + +85 Wel zoude ik niet zoo hoffelijk geweest zijn, zoolang ik leefde, door +de groote begeerte om uit te munten, waarop mijn hart zich richtte. + +88 Voor zóódanige hoovaardigheid betaalt men hier de boete: en nog zoude +ik niet hier zijn, 't en ware het dat ik, [nog] kunnende zondigen, mij +tot God heb gewend. + +91 O ijdele roem van de menschelijke vermogens, hoe kort duurt het groen +op zijn kruin als hij niet wordt besprongen door ruwe tijden. + +94 Cimabue meende in de schilderkunst het veld te houden en nù heeft +Giotto den roep, zoodat hij den roem van genen verduistert. + +97 Aldus heeft de ééne Guido den anderen den roem der taal ontnomen; en +wellicht is geboren die den één en den ander uit het nest zal jagen. + +100 Niet anders is het wereldsch gerucht dan een windvlaag, die nu eens +her-, dan derwaarts komt en van naam verandert omdat hij van kant +verandert. + +103 Welken roem zult gij meer hebben, indien de ouderdom het vleesch van +u scheidt, dan indien gij gestorven waart vóórdat gij afliet van „bôo, +bôo” en „dui en dui” [te zeggen], + +106 eer duizend jaar voorbijgaan? Hetwelk eene kortere tijdsruimte is +[vergeleken] bij de eeuwigheid, dan een oogwenk is [vergeleken] bij den +cirkel, die het traagst in den hemel gewenteld wordt. + +109 Van dengene, die vóór mij zoo weinig op den weg vooruitkomt, schalde +gansch Toscane, en nu fluistert men ternauwernood van hem in Siena, + +112 waarvan hij Heer was, wanneer verdelgd werd de Florentijnsche woede, +dewelke te dien tijd hoovaardig was, gelijk zij thans veil is. + +115 Uw roep is als de kleur van 't kruid, die komt en gaat, en dezelfde +doet haar verkleuren, door wie zij onrijp uitgaat uit den grond.” + +118 En ik tot hem: „Uw ware woorden boezemen mij goede nederigheid in en +maken plat groote gezwollenheid: maar wie is degene van wien gij zooeven +spraakt?” + +121 „Dat is,” antwoordde hij: „Salvani Provenzano; en hij is hier, omdat +hij zich aanmatigde gansch Siena onder zijne handen te krijgen. + +124 Hij is aldus gegaan en gaat aldus zonder verpoozen, sinds hij +stierf: zoodanige munt betaalt om voldoening te geven, hij die daarginds +te vermetel was.” + +127 En ik: „Zoo de geest, die, voor hij zich berouwt, den rand des +levens bereikt, daar omlaag blijft en niet hier omhoog stijgt, + +130 indien goede gebeden hem niet helpen, voordat verloopt zóó lange +[tijd] als hij geleefd heeft, hoe werd de toegang hem gegeven?” + +133 „Wanneer hij roemrijkst leefde,” zeide hij: „vrij in het land van +Siena, heeft hij, afleggende alle schaamte, zich gevest: + +136 en daar, om zijnen vriend te verlossen uit de pijne, die hij +doorstond in de gevangenis van Karel, onderstond hij het om te beven +over alle leden. + +139 Meer zal ik niet zeggen, en ik weet dat ik duister spreek, maar +weinig tijd zal voorbijgaan, dat uwe geburen zoo zullen doen, dat gij +het zult kunnen toelichten. + +142 Dit werk onthief hem van die grenslanden.” + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +TWAALFDE ZANG + +~Vervolg van den eersten ommegang~ + + +Hier zien de Dichters in de rots afgebeeld voorbeelden van gestrafte +hoovaardigheid. Een Engel wijst hun den opgang tot den tweeden omgang. + + * * * * * + +1 Paarswijze, als runderen die onder het juk gaan, ging ik verder met +die belaste ziel, zoolang het toestond de zoete leidsman. + +4 Maar wanneer hij zeide: „Laat hem en kom mee, daar het hier goed is +met het zeil en de riemen zoo goed [en zoo kwaad] ieder kan, zijn hulkje +voort te drijven,” + +7 maakte ik mij weder recht, gelijk men pleegt te gaan, met mijn +persoon, hoewel mijne gedachten gebogen en geknot bleven. + +10 Ik had mij voortbewogen, en volgde volgaarne de schreden van mijnen +Meester, en beiden toonden wij reeds hoe licht wij waren; + +13 wanneer hij tot mij zeide: „Richt de oogen naar omlaag: het zal u +goed zijn, tot het verlichten van den weg, het bed te zien van uwe +voetzolen.” + +16 Gelijk, opdat er heugenis van hen zij, boven de begravenen de +aardsche graftomben dragen verbeeld dat wat zij vroeger waren; + +19 waarom men daar vele malen weent, door den stekel der heugenis, die +alleen aan de vromen de sporen geeft; + +22 zóó zag ik dáár, maar met betere gelijkenis, naar gelang van de +kunstvaardigheid, bebeeld zooveel [ruimte] als voor weg buiten den berg +naar voren komt. + +25 Aan ééne zijde zag ik dengene, die edelst geschapen was van alle +schepsel, bliksemende nederdalen van den hemel. + +28 Briareus zag ik, doorboord van den hemelschen schicht, liggen aan den +anderen kant, zwaar voor de aarde door de doods-kou. + +31 Ik zag [Apollo] Thymbraeus, ik zag Pallas en Mars, nog gewapend, rond +hunnen vader, staren op de verspreide ledematen der Giganten. + +34 Ik zag Nimrod aan den voet van het groote werk, geheel verbijsterd de +luiden aanstaren, die in Sennaär met hem hoovaardig waren. + +37 O Niobe, met welke treurende oogen zag ik u gebeeld op het plaveisel +temidden van uwe zeven en zeven gedoode kinderen. + +40 O Saul, hoe scheent gij daar gestorven op uw eigen zwaard op den berg +Gilboa, die voortaan noch regen noch dauw voelde. + +43 O dwaze Arachne, zóó zag ik u, reeds half eene spinne, droef bovenop +de flarden van het werk dat tot uw nadeel gemaakt was. + +46 O Rehabeam, uw beeltenis schijnt daar niet meer dreigende te zijn, +maar vol van vreezen draagt hem een wagen vandaar voor men hem verjage. + +49 Nog vertoonde het harde plaveisel hoe Alcmeon zijner moeder duur deed +dunken het heilloos sieraad. + +52 Het vertoonde hoe zijne [eigene] zonen zich wierpen op Sennacherib +binnen in den tempel en hoe zij hem dood daar lieten. + +55 Het vertoonde den ondergang en het wreede voorbeeld dat Tamyris +stelde, daar zij zeide tot Cyrus: „Naar bloed dorstte u en van bloed +verzadig ik u.” + +58 Het vertoonde hoe in verwarring vluchtten de Assyriërs, nadat +Holophernes dood was, en ook het overschot des vermoorden. + +61 Ik zag Troja in asch en bouw-val: o Ilium, hoe vernederd en +waardeloos toonde u de beeltenis, die men dáár ontwaart. + +64 Wie was er meester van penseel en teekenstift, dat hij weergaf de +schaduwen en lijnen, die daar elken fijnen geest tot bewondering zouden +brengen? + +67 Dood schenen daar de dooden en levend de levenden: hij, die de +werkelijkheid ziet, ziet niet meer dan ik, [ziende] al wat ik betrad +zoolang ik gebukt ging. + +70 Nu braveert maar en gaat met het gezicht omhoog, zonen Eva's, en +buigt maar niet het gelaat zóó dat gij uw kwade pad ziet. + +73 Meer was er reeds door ons van den berg omgegaan en van den weg der +zon vrij wat meer afgelegd, dan mijn onvrije ziel wel vermeende; + +76 wanneer hij, die altijd opmerkzaam vóórging, begon: „Hef het hoofd, +het is niet meer tijd aldus in gedachten te gaan. + +79 Zie daar een Engel, die zich opmaakt te ons-waart te komen: zie hoe +de zesde dienstmaagd keert van de bediening des daags. + +82 Doe uwe gebaren en gelaat aan met eerbiedigheid, zoodat het hem +behage ons naar boven te geleiden: gedenk dat deze dag nooit weder +daagt. + +85 Ik was aan zijn waarschuwen goed gewend, om toch geenen tijd te loor +te laten gaan, zoodat hij in die stoffe niet duister tot mij kon +spreken. + +88 Tot ons kwam het schoone schepsel, wit gekleed, en in het aangezicht +zoodanig als de morgenstar flonkerend zich vertoont. + +91 De armen opende hij en daarna opende hij de vleugelen: en zeide: +„Komt; hier dichtbij zijn de treden, en licht kan men van stonde aan +stijgen. + +94 Op deze nooding komen maar zeer schaarschen: o menschelijk geslacht, +geboren om opwaart te vliegen, waarom valt gij bij zoo weinig wind?” + +97 Hij leidde ons daar waar de rots was uitgehouwen; daar sloeg hij mij +de vleugelen voor het voorhoofd, voorts beloofde hij mij veiligen gang. + +100 Gelijk om ter rechterhand ten berg op te klimmen, waar de kerk +gelegen is, die neer ziet op de goed geleide boven de Rubaconte, + +103 de straffe heftigheid des stijgens verbroken wordt door de trappen, +die gemaakt werden ten tijde dat kwatern en schepel veilig waren; + +106 aldus vergemakkelijkt zich de rand, die hier wel zeer snel valt, van +den tweeden ommegang: maar hier en daar scheert [ons] de hooge rots. + +109 Terwijl wij ons aldaar omwendden, zongen stemmen aldaar „Zalig zijn +de armen van geest,” derwijze dat geen woorden het konden weergeven. + +112 Ai mij! hoe verscheiden zijn deze ingangen van de helsche! daar men +hier onder gezangen binnentreedt en daar onder woeste jammerkreten. + +115 Alreede stegen wij op langs de heilige treden, en veel lichter +scheen het mij toe te zijn, dan het mij te voren in de vlakte had +toegeschenen: + +118 waarop ik: „Meester” zeide: „welke zwarigheid is er van mij +weggenomen, dat bijna geen vermoeienis onder het gaan door mij wordt +gekregen?” + +121 Hij antwoordde: „Wanneer de P's, die nog op uw gelaat, bijna +uitgewischt, overgebleven zijn, ganschelijk gelijk die ééne, zullen zijn +weggeschoren, + +124 worden uwe voeten aldus overwonnen door uwen goeden wil, dat zij +niet slechts geen vermoeienis zullen gevoelen, maar dat het hun vermaak +zal zijn opwaart te worden gedrongen.” + +127 Toen deed ik gelijk degenen die gaan met op hun hoofd iets, waarvan +zij niet weten tenzij dat de gebaren der andere menschen het hen doen +vermoeden; + +130 waarom de hand hen helpt om hen te vergewissen, en zoekt en vindt, +en dat werk verricht, wat niet kan worden verricht door het gezicht: + +133 en met de gescheiden vingers van de rechterhand bevond ik slechts +zes der letters, welke die van de sleutelen mij boven de slapen had +ingegrift: + +136 En mijn gids, dit ziende, glimlachte. + +[decoratieve illustratie] + + + + +DERTIENDE ZANG + +~De Tweede Ommegang. Hier wordt de zonde van de afgunst geboet.~ + + +Op den tweeden rand, waar nu de Dichters komen, wordt de zonde +der afgunst gelouterd. De zielen aldaar zijn gekleed in een grove +pij, en hebben de oogen met een ijzerdraad toegenaaid. Van afstand +tot afstand vliegen stemmen door de lucht, door hemelsche geesten +voortgebracht, die den afgunstigen eenig schoon voorbeeld van +barmhartigheid of naasten-liefde in herinnering brengen. Voorts +vertoont zich aan Dante Sapia van Siena. + + * * * * * + +1 Wij waren aan den top der trap, waar ten tweeden male de berg +ingesneden wordt, die door zijne bestijging de menschen loutert: + +4 aldaar omwindt een kornis evenzoo de helling gansch gelijk de eerste, +tenzij dat haar boog zich vroeger ombuigt. + +7 Noch platte, noch bolle beeltenis is daar, die men ziet; zoo maar +ziet men daar den wand, zoo maar ziet men daar den affenen weg met de +loodkleur der rots-massa. + +10 „Zoo we hier menschen afwachten om na te vragen,” sprak de Dichter: +„dan vrees ik dat wellicht ons besluit te veel vertraging ondervindt.” + +13 Voorts richtte hij de oogen vast op de zon; hij maakte van zijn +rechterzijde het middelpunt voor de beweging, en den linkerkant van zich +zelven draaide hij. + +16 „O zoete Licht, in vertrouwen waarop ik binnentreed langs den nieuwen +weg, gij geleidt ons,” zeide hij: „gelijk men hier wel geleid wil zijn. + +19 Gij verwarmt de wereld, gij licht over haar: zoo niet andere reden +tot het tegendeel nope, moeten uwe stralen altijd geleide zijn.” + +22 Zooveel men (aan deze zijde) voor een mijl rekent, zoo ver waren wij +reeds van daar gegaan, in weinig tijd, door den vaardigen wil. + +25 En te ontwaart te vliegen werden bemerkt, daarom nog niet gezien, +geesten, sprekende tot den disch der liefde heusche noodingen. + +28 De eerste stem, die voorbij ging, vliegende zeide luide: „Zij hebben +geen wijn” en achter ons ging zij, het herhalende. + +31 En voordat die door den afstand gansch niet meer gehoord werd, daar +ging een andere voorbij schreeuwende: „Ik ben Orestes” en hield mede +geen stand. + +34 „O,” zeide ik: „Vader, welke stemmen zijn dezen?” en mèt dat ik het +vroeg, een derde was daar, zeggende: „Hebt lief van wien gij kwaad +ondervindt.” + +37 De goede Meester zeide: „Deze ommegang tuchtigt de schuld der +afgunst, en daarom worden de koorden der geeselroede door liefde +gehanteerd. + +40 De breidel wil zijn van tegengestelden klank; ik geloof dat gij hem +zult hooren, mijns bedunkens, voor gij geraakt tot den overtocht der +vergiffenis. + +43 Maar houd de oogen vast door de lucht gericht, en gij zult menschen +voor ons zien zitten, en ieder van hen zit langs den rotswand.” + +46 Toen opende ik de oogen meer dan te voren; ik schouwde voor mij en ik +zag schimmen met mantelen van de kleur van de steen niet ver scheiden. + +49 En toen wij een weinig meer vooruit waren, hoorde ik roepen: „Maria, +bid voor ons;” ik hoorde ze roepen Michaël en Petrus en alle de +heiligen. + +52 Ik geloof niet dat er heden op aarde een mensch gaat, zoo hard, die +niet geslagen werd met medelijden voor dat wat ik voorts zag: + +55 want, wanneer ik zóó nabij hen was gekomen dat hunne gebaren +duidelijk tot mij kwamen, werden door de zware smart me de tranen uit de +oogen getogen. + +58 Van een grove pij schenen zij me bedekt, en de één schoorde den ander +met den schouder, en allen waren geschoord van den rotswand. + +61 Zoo staan de blinden met het haveloos kleed, bij de ~biecht~ om hun +nooddruft te vragen, en de één neigt het hoofd over den ander, + +64 opdat te eer bij de menschen het medelijden opkome, niet maar door +het klinken der woorden, maar door den aanblik, die niet minder fleemt. + +67 En gelijk de blinden het zonlicht niet baat, zoo wil daarginds aan de +schimmen, waarvan ik nu spreek, het zonlicht niet van zich mededeelen; + +70 daar bij allen een ijzeren draad het ooglid doorboort en toenaait +gelijk men met den wilden sperwer doet, omdat hij niet rustig blijft. + +73 Het scheen me dat ik al gaande beleediging aandeed, daar ik, genen +ziende, niet werd gezien; waarom ik mij wendde tot mijnen wijzen +raadsman. + +76 Wel wist hij, wat de stomme wilde zeggen; en daarom wachtte hij mijn +vraag niet af, maar zeide: „Spreek, en wees kort en bondig.” + +79 Virgilius kwam me aan dien kant van de kornis van waar men vallen +kan, omdat die door geen rand omringd wordt. + +82 Aan mijn anderen kant waren de vrome zielen, die door den gruwelijken +naad zoo zeer [de tranen] persten, dat ze de wangen baadden. + +85 Ik wendde mij tot hen, en: „O menschen,” begon ik: „verzekerd van te +zullen zien het hooge licht, waarom alleen uwe begeerte bekommerd is, + +88 zoo waarlijk moge weldra de genade het schuim van uw geweten afnemen, +zoodat de stroom van den geest helder daarin nederdale, + +91 zegt mij (daar het mij welgevallig en dierbaar zal zijn) of er hier +tusschen u een latijnsche ziel is; en wellicht zal het haar goed zijn, +zoo ik het verneem.” + +94 „O broeder mijn, elke [ziel] is burgeres van ééne ware stad; maar gij +wilt zeggen, of er eene leefde als vreemdelinge in Italië.” + +97 Dit meende ik als antwoord te hooren van een weinig meer naar voren +dan waar ik stond; waarom ik mij nog meer daar deed bemerken. + +100 Te midden van de anderen zag ik eene schimme, die kennelijk +wachtte; en zoo iemand wilde vragen: hoe? de kin hief zij op de wijze +van eenen blinde omhoog. + +103 „Ziele,” zeide ik: „die omlaag gehouden wordt om omhoog te rijzen, +zoo gij degene zijt, die mij antwoorddet, maak u mij bekend door +geboorteplaats of naam.” + +106 „Van Siena was ik,” antwoordde zij: „en met deze anderen louter ik +hier het schuldig leven, tranen vergietende tot Hem dat Hij zich ons +mededeele. + +109 Wijs was ik niet, hoewel ik Sapia was genoemd, en ik was veel +blijder om eens anders schade dan om mijn eigen geluk. + +112 En opdat gij niet geloovet dat ik u bedrieg, hoor of ik, zooals ik u +zeg, dwaas was, reeds afdalende den boog mijner jaren. + +115 Mijne medeburgers waren nabij Colle in het veld gekomen met hunne +tegenstanders, en ik bad God om dat wat Hij wilde. + +118 Gebroken werden zij daar en gedreven op de bittere wegen der vlucht; +en de jacht ziende, won ik in mij een blijdschap aan elke andere +ongelijk: + +121 zoodat ik het onvervaarde gelaat omhoog hief, schreeuwende tot God: +„Voortaan vrees ik u niet” gelijk de meerle deed bij 't eerste mooie +weer. + +124 Vrede met God wenschte ik op het uiterste van mijn leven; en nog +zoude mijn schuld niet door boetvaardigheid zijn verminderd, + +127 't en ware het dat Peter Pettinagno mijner had gedacht in zijn +heilige gebeden, wien uit barmhartigheid mijner deerde. + +130 Maar gij, wie zijt gij, die gaat vragende naar onze toestanden en +de oogen ongebonden draagt, naar ik geloof; en ademende spreekt?” + +133 „Wel zullen me,” zeide ik: „de oogen hier nog eenmaal worden +ontnomen; maar gedurende weinig tijd, daar klein hun vergrijp is van met +nijd te zijn bewogen. + +136 Veel meer is de vrees, waardoor mijn ziel wordt benard, voor de +pijniging van hieronder, zoodat reeds de last van daarbeneden mij +weegt.” + +139 En zij tot mij: „Wie heeft u dan hierboven te midden van ons geleid, +indien gij gelooft daarbeneden te zullen terugkeeren?” En ik: „Hij die +met mij is en geen woord spreekt: + +142 en levend ben ik; en daarom vraag mij weder, verkoren ziel, indien +gij wilt dat ik daarginds de sterfelijke voeten voor u beweeg.” + +145 „O dit is om te hooren zoo nieuwe zaak”, antwoordde zij: „dat het +een groot bewijs is dat God u liefheeft: daarom help mij dan nu en dan +met uw gebed. + +148 En ik vraag u bij dat wat gij meest begeert: zoo gij ooit het +Toscaansche land betreedt, dat gij bij mijne verwanten ten beste van mij +spreekt. + +151 Gij zult ze zien bij dat wufte volk dat hoopt op Talamone, en dáár +zal het nog meer hoop verliezen dan om de „Diana” te vinden. + +154 Maar nog meer zullen daar de admiraals verliezen.” + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +VEERTIENDE ZANG + +~Voortzetting van den tweeden ommegang.~ + + +Guido del Duca da Bertinoro beschrijft aan Rinieri dei Calboli, zijnen +buurman, het slechte gedrag van de verschillende volkeren van het dal +van den Arno en profeteert hem de schande van zijnen naneef. Voorts +bejammert hij het ontaarde Romagna, en vermeldt de namen van vele edele +en geëerde Romagnolen van zijnen tijd. Wanneer ten slotte de Dichters +van die schimmen zijn weggegaan, hooren zij stemmen als van den donder, +die hen herinneren aan de kastijdingen, die de afgunstigen te wachten +staan. + + * * * * * + +1 „Wie is degene, die onzen erg òmgaat, voordat de dood hem vleugelen +heeft gegeven, en die de oogen opent en toemaakt naar welbehagen?” + +4 „Niet weet ik wie hij is; maar wel weet ik dat hij niet alleen is: +vraag gij het hem, daar gij hem nader bij zijt, en bejegen vriendelijk +hem zóó dat hij spreke.” + +7 Aldus twee geesten, de één tot den ander geneigd, spraken daar van +mij ter rechterhand; voorts hieven zij de aangezichten, om tot mij te +spreken, achterover; + +10 ende één zeide: „O ziel, die nog in het lichaam gevest, hemelwaart +gaat, vertroost ons uit barmhartigheid, en zeg ons, + +13 van waar gij komt, en wie gij zijt; daar gij ons zóó zeer doet +verwonderen over uwe genade, als iets [verwondering] eischt, dat nog +nooit is gebeurd.” + +16 En ik: „Midden door Toscana spanceert een stroompje, dat geboren +wordt op de Falterona, en honderd mijlen loops verzadigt het niet. + +19 Van zijnen oever draag ik dit mijn lichaam; te zeggen wie ik ben, +ware ijdel praten, daar mijn naam nog niet luide verluidt.” + +22 „Wanneer ik uwe bedoeling wèl begrijp,” antwoordde toen hij, die het +eerste sprak: „dan spreekt gij van den Arno.” + +25 En de andere zeide tot hem: „Waarom verheelde hij den naam van die +rivier, gelijk de mensch doet met gruwelijke dingen?” + +28 En de schim, die hieromtrent ondervraagd was, kweet zich aldus: „Dat +weet ik niet, maar wel verdient de naam van zulk eene vallei dat hij te +gronde ga, + +31 daar van zijnen aanvang (waar het Alpijnsch gebergt, van 't welk +Pelorum is losgerukt, zóó van water is gedrenkt, dat het op weinig +plaatsen die maat te boven gaat) + +34 tot daar, waar hij zich weder uitstort tot herstel van dat deel van +'t zeewater, dat de hemel opslorpt, waardoor de rivieren hebben dat wat +mèt hen gaat, + +37 aldus de deugd als vijandin door allen wordt gevloden, als het +gesijfel [van eene slang], hetzij door het lot der plaatse, hetzij door +kwade praktijk, die hen noopt: + +40 vanwaar de bewoners dier rampzalige vallei zóó hunnen aard veraêrd +hebben, dat het lijkt of Circe hen in de kost hadde gehad. + +43 Door botte varkens heen, die eikelen meer verdienen dan ander +voedsel, geschapen tot menschelijk gebruik, richt hij eerst zijn +armelijk pad. + +46 Keffertjes vindt hij voorts, daar hij lager komt, meer grijnzend dan +hun kracht vergt, en ze minachtend keert hij den muil van hen af. + +49 Hij gaat al vallende, en hoe meer die gemaledijde en ellendige sloot +aangroeit, te meer ziet hij de honden tot wolven worden. + +52 Voorts afgedaald door meerdere diepe zeeën, vindt hij de vossen zóó +vol van loosheid, dat zij geen list vreezen die hen ving. + +55 En ik zal niet nalaten te spreken opdat een ander mij hoore: en het +zal hem goed zijn zoo hij zich herinnere dat wat een ware geest mij +ingeeft. + +58 Ik zie uwen kleinzoon, die jager wordt van die wolven langs het +strand van den wreeden stroom en ze allen verschrikt. + +61 Hij verkoopt hun vleesch, daar het [nog] levend is, voorts doodt hij +ze als slachtvee; velen berooft hij van 't leven en zich van de eer. + +64 Bloedig komt hij uit het droeve woud; hij laat het zóó dat het in +geen duizend jaar zich tot den ouden staat weer belommert.” + +67 Gelijk, bij tijding van toekomstig leed, zich ontstelt het gelaat van +dengene, die luistert, van welken kant ook het gevaar hem aangrijpt; + +70 zóó zag ik de andere ziel, die stond gekeerd tot luisteren, zich +onthutsen en bedroefd worden, nadat zij deze woorden in zich had +opgenomen. + +73 Het spreken des éénen en het gezicht des anderen maakten mij begeerig +hunne namen te weten, en een vraag deed ik hun, met gebeden gemengd. + +76 Waarom de geest, die het eerst tot mij sprak, herbegon: „Gij wilt dat +ik mij neerbuige voor u te doen datgene wat gij voor mij niet wilt doen; + +79 maar sinds God wil dat in u zoo groote genade van Hem doorlichte, zal +ik niet schriel voor u zijn; daarom weet dat ik ben Guido del Duca. + +82 Mijn bloed was in nijdigheid zóó ontbrand, dat wanneer ik een mensch +zich zag verheugen, gij mij met loodkleur zoudt hebben zien bedekt. + +85 Van mijn zaad oogst ik zoodanig stroo. O menschelijk geslacht, waarom +zet gij het hart op die dingen, waarvan gij u gemeenschap ontzeggen +moet? + +88 Dit is Reinier; dit is de prijs en eere van het huis Calboli, waar +voorts niemand erfgenaam is geworden van zijn deugd. + +91 En niet slechts zijn bloed is berooid—tusschen den Po en het +gebergte, en de zeekust en den Reno—van het goed dat vereischt wordt +voor waarheid en geneugt: + +94 daar binnen die grenzen ['t land] vol is van giftige kruiden, zóó dat +ze, te laat [gekomen] om het te wieden, weldra zouden bezwijken. + +97 Waar is de goede Lizio, en Arrigo Manardi, Pier Traversaro en Guido +di Carpagni? O Romagnolen, verkeerd tot bastaarden! + +100 Wanneer wordt weder in Bologna een Fabbro geboren? Wanneer in Faënza +een Bernardin di Fosco, een edele spruit van nederig kruid? + +103 Verwonder u niet, zoo ik ween, Toscaan, wanneer ik met Guido da +Prata Ugolino d'Azzo gedenk, die met ons geleefd heeft; + +106 Federigo Tignoso en zijn gezelschap, het huis Traversara en de +Anastasii; (onterfd is het één en het andere geslacht!) + +109 de vrouwen en de ridders, het leed en het lief, al wat ons liefde en +hoofschheid ingaf, daar waar de harten zóó zijn ontaard. + +112 O Brettinoro, waarom vlucht ge niet weg, nu uw gansche stamhuis weg +is gegaan, en velen daarvan om niet misdadig te worden? + +115 Wèl doet Bagnacaval, dat het geen zonen meer teelt, en slecht doet +Castrocaro en slechter Conio, die zich al dieper in schuld wikkelen door +zulke graven voort te brengen. + +118 Goed zullen zijn de Pagani, wanneer hun Demon weg zal gaan; maar +daarom [geschiedt het] toch niet dat er steeds zuiver getuigenis van hen +zal zijn. + +121 O Ugolino de Fantoli, veilig is uw naam sedert niet meer [een zoon] +verwacht wordt, die door ontaarding hem kan bezwalken. + +124 Maar nu ga voort, Toscaan, daar het mij nu al te zeer lust te +weenen, meer dan te spreken; zóó heeft onze landstreek mij het gemoed +genepen.” + +127 Wij wisten dat die dierbare zielen merkten dat wij gingen: dies +deden ze door hun zwijgen ons vertrouwen hebben in onzen weg. + +130 Toen wij, al voortgaande, alleen waren, een bliksem, wanneer die de +lucht klieft, scheen toen eene stem, die ons tegen kwam, zeggende: + +133 „Mij zal dood slaan, al wie mij vindt,” en [de stem] vluchtte, als +donder die verrommelt, wanneer plotseling de wolk zich ontlaadt. + +136 Wanneer ons oor rust had van dien te hooren, en zie een andere stem +kwam met zóó groot gedruisch, dat het donder leek, die terstond [den +bliksem] volgt. + +139 „Ik ben Aglauros, die een steen werd.” En om mij tegen den Dichter +te dringen, deed ik een stap naar achter en niet naar voren. + +142 Reeds was de lucht van elke zijde stil, en hij zeide tot mij: „Dat +was het hard gebit, dat den mensch binnen zijne baan moest houden. + +145 Maar gij neemt het aas zoodat de haak des ouden Vijands u tot zich +trekt; en weinig vermag daarom breidel of roepstem. + +148 De Hemel roept u, en draait zich rondom u, u zijne eeuwige +schoonheden vertoonende, en toch staart uw oog gestadig op den grond; + +151 waarom de Hemel u kastijdt, die alles ziet.” + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +VIJFTIENDE ZANG + +~Van den tweeden ommegang naar den derden.~ + + +Bij het vallen van den avond komen de Dichters daar waar men van den +tweeden ommegang opgaat tot den derden. + +Op aanduiding van den Engel gaan zij op langs de trap; ondertusschen +vraagt Dante den Meester verklaring van hetgeen hij gehoord heeft van +Guido del Duca. Wanneer zij aan den rand gekomen zijn, geraakt Dante in +verrukking en ziet als tegenwoordig eenige oude daden van merkwaardige +zachtmoedigheid. Hij keert weder tot zijne zinnen en wordt van +lieverlede gewikkeld in een dikken rook, die hem geheel het gezicht +beneemt. + + * * * * * + +1 Hoeveel tusschen het einde van de derde ure en het begin van den dag +schijnt afgelegd van dien kring, die altijd speelt als een kind, + +4 zóóveel van zijnen loop scheen er te avondwaart nog overig te zijn +voor de zon: dáár was het avond en hier middernacht. + +7 En zijne stralen sloegen ons midden op den neus, omdat wij zóó [ver] +den berg waren omgeloopen, dat wij reeds recht op het Westen aangingen, + +10 wanneer ik bemerkte dat mij het voorhoofd meer dan te voren werd +bezwaard door den gloed, en tot verbazing werden mij de niet gekende +dingen: + +13 waarom ik mijne handen hief tot boven mijne wenkbrauwen, en ik maakte +mij een zonnescherm, dat als een vijl afneemt van de overmaat van licht. + +16 Gelijk de straal door het water of door den spiegel naar de +tegenovergestelde zijde opspringt, uitvallende met den zelfden hoek, + +19 waarmede hij invalt, en op gelijken afstand evenveel afwijkt van de +loodlijn, zooals ondervinding en kunst het [ons] leeren; + +22 zoo scheen het mij toe dat ik getroffen werd door licht, dat daar +vóór mij werd weerkaatst; waarom mijne oogen zich haastten het te +ontvluchten. + +25 „Wat is dat, zoete vader, waartegen ik mijn oog niet zoo [zeer] kan +beschutten dat het mij baat,” zeide ik: „en schijnt te-ons-waart te zijn +bewogen?” + +28 „Verwonder u niet als de dienaars-stoet des Hemels u nog verblindt,” +antwoordde hij mij: „Gezonden is hij, die gekomen is om den mensch tot +stijgen te nooden. + +31 Weldra zal het gebeuren dat zulke dingen te zien u niet zwaar zal +vallen, maar u geneugt zal zijn, naar mate uw aard u beschikt om het [te +meer] te gevoelen.” + +34 Nadat wij tot den gebenedijden Engel waren gekomen, zeide hij met +blijde stem: „Komt hier binnen, tot eene trap, veel minder steil omhoog +gaande dan de andere.” + +37 Wij stegen op, reeds van daar verscheiden, en: „Beati Misericordes” +werd achter ons gezongen, en: „Verheug u gij die overwint.” + +40 Mijn meester en ik, wij gingen samen alleen opwaart en ik dacht al +gaande voordeel te winnen in zijne woorden: + +43 en ik richtte mij tot hem, aldus vragende: „Wat wilde de geest [van +dien] van Romagna zeggen, gewagende van gemeenschap en van zich te +ontzeggen?” + +46 Waarom hij tot mij: „Van zijn grootste feil kent hij de schade; en +daarom verwondere men zich niet zoo hij haar [den menschen] verwijt, +opdat men hier te minder haar beweene. + +49 Omdat uwe begeerten zich op dátgene spitsen, waarvan door +deelgenootschap elk deel kleiner wordt, beweegt afgunst den blaasbalg +voor de zuchten. + +52 Maar indien de liefde tot de hoogste sfeer uwe begeerte naar boven +trok, dan zoudt gij niet in de borst die vrees hebben: + +55 want hoe meer dát het onze wordt genoemd, des te meer goed bezit +ieder en des te meer liefde brandt in dat klooster.” + +58 „Ik ben van het tevredenzijn nog nuchterder,” zeide ik: „dan indien +er tot mij gezwegen ware, en meer twijfel heb ik in mijne ziel. + +61 Hoe kan het zijn, dat een goed, verdeeld zijnde, het grootere aantal +bezitters rijker maakt aan zich dan wanneer het door weinigen wordt +bezeten?” + +64 En hij tot mij: „Omdat gij maar stadig den geest richt op de +aardsche zaken, gaart gij duisternis uit het waarachtig licht. + +67 Dat oneindig en onuitsprekelijk goed, dat daarboven is, snelt op +dezelfde wijze naar de liefde, als een straal komt naar een spiegelend +lichaam. + +70 Zoo veel gloed wordt daar [terug]gegeven als daar gevonden wordt: +zoodat hoever ook barmhartigheid zich uitstrekke, het eeuwig +[liefdes]-vermogen daarover zich uitbreidt. + +73 En hoe meer luiden elkander daarboven verstaan, te meer goeds valt +daar te beminnen en te meer wordt daar bemind, en als een spiegel kaatst +de één den ander weer. + +76 En zoo mijne rede u niet verzaadt, Beatrice zult gij zien, en die zal +u ten volle deze en elke andere begeerte ontnemen. + +79 Dan verjaag, opdat ze spoedig, gelijk reeds de twee litteekenen zijn +uitgewischt, de vijf litteekenen, die zich sluiten door pijnlijk te +zijn.” + +82 Met dat ik zeggen wilde: „Gij stelt mij gerust!” zag ik mij gekomen +tot den volgenden ommegang, zoodat mijne begeerige oogen mij deden +zwijgen. + +85 Daar scheen ik mij toe plotseling getrokken te zijn tot een gezicht +in verrukking, en in eenen tempel meerdere personen te zien; + +88 en dat eene vrouw aan den ingang, met het zoet gebaren eener moeder, +zeide: „Mijn zoon, waarom hebt gij aldus jegens ons gedaan? + +91 Zie, in smarte hebben wij, uw vader en ik, u gezocht.” En toen het +daar stil werd, verdween dat wat het eerst verscheen. + +94 Daarop verscheen mij een andere vrouw, met dát water op de wangen, +dat de smart ontperst, wanneer die door groote minachting van eenen +anderen geboren wordt, + +97 en dat zij zeide: „Zoo gij heer zijt van die Stad, over welker naam +tusschen de goden zoo groote strijd was en van waar alle wetenschap als +licht uitstraalt, + +100 neem wrake op die overmoedige armen, die onze dochter omarmden, o +Pisistratus.” En de heer scheen mij toe welwillend en zachtaardig + +103 met vredig gelaat haar te antwoorden: „Wat zouden wij doen hèm die +ons kwaad toewenscht, zoo degene die ons bemint, door ons wordt +veroordeeld?” + +106 Voorts zag ik luiden in vuur van toorn ontbrand, met steenen eenen +jonkman dooden, die elkanderen vast luide toeriepen: „Sla dood, sla +dood.” + +109 En hem zag ik door den dood, die reeds op hem woog, zich ter aarde +buigen, maar zijne oogen maakte hij altijd tot poorten voor den hemel; + +112 biddende tot den hoogen Heer in zoo groote benauwenis, dat Hij +zijnen belagers vergave, met dien blik, die het mededoogen ontgrendelt. + +115 Wanneer mijne ziel wederkeerde naar buiten naar de dingen, die +waarlijk buiten haar zijn, ik erkende mijne niet valsche dwalingen. + +118 Mijn gids, die mij kon zien doen zóó gelijk een mensch die zich +losmaakt van den slaap, zeide: „Wat hebt gij dat gij u niet kunt houden? + +121 Maar gij zijt meer dan een halve mijl gekomen, de oogen luikende, en +met de beenen gekromd, naar de wijze van éénen, wien wijn of slaap +nederbuigt.” + +124 „O zoete vader mijn, zoo gij naar mij luistert, zal ik u zeggen,” +zeide ik: „dat wat mij verscheen, wanneer mij [het gebruik der] beenen +aldus was ontnomen.” + +127 En hij: „Zoo gij honderd mommen hadt over het aangezicht, ook dan +zouden uwe gedachten, hoe klein ook, mij niet gesloten zijn. + +130 Dat wat gij zaagt was opdat gij u niet zoudt verontschuldigen het +hart te openen voor de wateren des vredes, die uit de eeuwige bron +worden vergoten. + +133 Ik vroeg niet: „Wat hebt gij?” om die [reden], die hèm doet vragen, +die nog slechts ziet met het oog, dat niet [meer] ziet, wanneer het +lichaam ligt ontzield. + +136 Maar ik vroeg [het u] om u kracht aan de voeten te geven. Zoo voegt +het de luien aan te porren, die traag zijn om hunne wake te gebruiken, +wanneer die wederkeert.” + +139 Wij gingen verder door den avond, aandachtig uitkijkend, zooverre +onze oogen konden reiken, tegen de avondlijke en lichtende stralen, + +142 en zie bij beetjen en beetjen aan nadert ons daar een rook, donker +als de nacht en er was geen plaats om dien te ontwijken: + +145 en hij ontnam ons de oogen èn de zuivere lucht. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +ZESTIENDE ZANG + + +Op den derden ommegang in eenen rook en in de gruwelijkheid van eenen +nacht, erger dan die van de hel, wordt de toorn gelouterd. Een Geest +richt het woord tot Alighieri, en, zich kenbaar makende, spreekt hij +van de ondeugden en de traagheid der tegenwoordig-levenden; waarom de +Dichter, in twijfel vanwaar zoo groote verdorvenheid uitgaat, hetzij van +de planeten of van de maatschappelijke toestanden, er den Geest over +ondervraagt; die, met veel filosofie redeneerende, hem tevreden stelt. + + * * * * * + +1 Het donker van de Hel en van den Nacht, beroofd van alle sterren, +onder armen hemel, zooveel die maar kàn zijn door nevel verduisterd, + +4 maakte voor mijn gezicht niet zóó donkeren sluier als die rook, die +ons daar omhulde, noch éénen [sluier] van zoo ruige harigheid, + +7 die gedoogde niet dat het oog open bleef staan; waarop mijn wijze èn +trouwe Geleider mij aan zijne zijde nam en mij zijnen schouder bood. + +10 Gelijk een blinde gaat achter zijnen gids om niet te dolen; en om +niet het hoofd te stooten tegen eenig ding, dat hem beleedigen of +wellicht dooden kon, + +13 zóó ging ik voort door de bittere en onzuivere lucht, hoorende mijnen +Gids, die vast zeide: „Wacht u, dat gij niet van mij los raakt.” + +16 Ik hoorde stemmen; en elke scheen om vrede en erbarmen te bidden tot +het Lam Gods, dat de zonden wegneemt. + +19 En: „Agnus Dei” zóó was van allen de aanhef: éénerlei woorden waren +het bij allen en ééne zangwijs, zóó dat tusschen hen allen +éénstemmigheid scheen te zijn.” + +22 „Wie zijn die geesten, Meester, die ik hoor?” zeide ik. En hij tot +mij: „Verneem gij de waarheid: van gramstorigheid ontknoedelen zij den +knoop.” + +25 „Wie zijt gij, die onzen rook klieft, en van ons spreekt, of gij nog +den tijd indeeldet naar maanden?” + +28 Aldus werd door eene stemme gesproken. Waarop mijn Meester mij zeide: +„Antwoord, en vraag of men hierlangs opwaart gaat.” + +31 En ik: „O schepsel, die u reinigt om schoon te keeren tot Dengene, +die u maakte, wonder zoudt gij hooren zoo gij mij hielpt.” + +34 „Ik zal u volgen zoover mij geoorloofd is,” antwoordde hij: „en zoo +ook de rook het zien niet toelaat, zal het hooren ons op deze wijze +verbonden houden.” + +37 Toen begon ik: „Met dien last, welken de dood ons afneemt, ga ik +opwaart, en hierheen kwam ik door de helsche moeienis; + +40 en zoo waarlijk God mij zóó zeer in zijne genade heeft opgenomen, dat +Hij wil dat ik tot Zijn hof kome op eene wijze gansch buiten het +hedendaagsch gebruik, + +43 verheel mij niet wie gij waart vóór den dood, maar zeg het mij en zeg +mij of ik zóó goed naar den opgang ga; en uwe woorden mogen mijn geleide +worden.” + +46 „Een Lombarder was ik, en men noemde mij Marco: van de wereld wist ik +en die gedegenheid had ik lief, op welke nu niemand den boog meer +gespannen houdt. + +49 Om omhoog te gaan moet gij rechtuit gaan.” Zóó antwoordde hij; en +voegde er aan toe: „Ik bid u dat gij voor mij biddet, wanneer gij boven +zijt.” + +52 En ik tot hem: „Bij mijne trouw verbind ik mij te doen datgene wat +gij mij vraagt; maar ik berst binnen-in van een twijfel, als ik daar van +niet verlost word. + +55 Eerst was hij enkel en nu is hij dubbel geworden in uw gezegde, dat +hier mij onderricht, en het elders [gehoorde] waaraan ik het vast knoop. + +58 De wereld is wel zoo zeer verlaten van alle deugd, gelijk gij mij te +hooren geeft, van kwaadwilligheid zwanger en daarmee overdekt; + +61 maar ik bidde u dat gij mij de reden aanwijst, zóó dat ik haar zie, +en dat ik haar aan anderen toone; daar de één haar in den hemel, en de +andere haar hier beneden stelt.” + +64 Een diepen zucht, welken de smart samenneep tot een „hoei,” slaakte +hij eerst en voorts begon hij: „Broeder, de wereld is blind, en gij komt +wèl van haar. + +67 Gij, die leeft, brengt maar alle oorzaak terug op den hemel, alsof +die alles in noodzaak met zich mede bewoog. + +70 Indien het zóó ware, dan ware de vrije wil in u vernietigd en het +ware niet recht over het goede blijdschap en over het kwade rouw te +hebben. + +73 De hemel geeft oorsprong aan uwe bewegingen; ik zeg niet aan alle; +maar gesteld al dat ik het zeg, licht is u gegeven ten goede en ten +kwade, + +76 en vrije wil, die, als hij, in de eerste gevechten met den hemel, de +vermoeienissen doorstaat, later alles overwint, als hij goed wordt +gevoed. + +79 Aan grootere kracht en aan betere natuur zijt gij als vrijen +onderworpen, en ~die~ schept het verstand in u, hetwelk niet door den +hemel wordt bestuurd. + +82 Daarom, indien de tegenwoordige wereld het spoor bijster raakt, de +oorzaak ligt in u, in u worde zij gezocht, en ik zal er u een ware gids +in zijn. + +85 Van Zijne Hand gaat zij uit, Die haar bemint [nog] vóór zij bestaat, +naar de wijze van een kind, dat weenende en lachende dartelt, + +88 de eenvoudige ziel, die niets weet dan dat zij, uitgezonden door +eenen blijmoedigen ~Maker~, gaarne keert tot dat, wat haar vermaakt. + +91 Van kleine dingen voelt zij in het eerst den smaak; daarop verlekkert +zij en die loopt zij na, zoo gids of teugel haar begeerte niet keert. + +94 Waarom het voegelijk was wetten als teugel in te stellen; voegelijk +was het eenen koning te hebben, dat die ten minste den toren der ware +stad zoude onderscheiden. + +97 De wetten zijn er, maar wie houdt hand aan ze? Niemand; ómdat de +herder, die vóórgaat, herkauwen kan, maar niet de hoeven gespleten +heeft. + +100 Weshalve de luiden, die hunnen gids vast zien mikken op die dingen, +waarop zij zelf belust zijn, zich daarmede voeden en niet naar verder +vragen. + +103 Goed kunt gij dus zien dat het slecht bestier de oorzaak is, die de +wereld zondig heeft gemaakt en niet de natuur, die in u bedorven zoude +zijn. + +106 Rome, dat de goede wereld maakte, placht twee zonnen te hebben, die +den éénen en den anderen weg deden zien, dien van de wereld en dien van +God. + +109 De ééne heeft de andere verdaan; en het zwaard is verbonden met den +herdersstaf; en dat de één en de andere te zamen niet goed gaan, hiertoe +ligt de noodzakelijkheid; + +112 omdat, verbonden, de één den ander niet vreest. Als ge mij niet +gelooft, let op de aar, daar elk kruid wordt gekend aan zijn zaad. + +115 Op het land, dat Etsch en Po bewateren, plachten moed en hoofschheid +te zijn voordat Frederik moeielijkheden had. + +118 ~Nu~ kan veilig daar passeeren al wie, uit schaamte om met de goeden +te spreken, het zou nagelaten hebben ze te naderen. + +121 Wel zijn daar nog drie ouden, in wie de oude tijd den nieuwen gispt, +en het schijnt hun laat dat God hen in het beter leven haalt: + +124 Currado da Palazza en de goede Gherardo, en Guido da Castel, wien +men beter naar Frankenwijze den eenvoudigen Lombard noemt. + +127 Zeg van nu aan, dat de kerk van Rome, door in zich twee +heerschappijen te verwarren, valt in het slijk, en vervuilt zich en +haren last.” + +130 „O Marcus mijn,” zeide ik: „wel gesproken; en nu doorzie ik waarom +de zonen van Levi van de erfenis waren uitgesloten: + +133 maar wie is die Gherardo, die ge zegt dat gebleven is als heugenis +van het voorbij gegane geslacht tot gisping van de verwilderde eeuw?” + +136 „Of uw spreken bedriegt mij, of stelt me op de proef,” antwoordde +hij mij: „dat gij, die Toscaansch spreekt, schijnt niets te weten van +den goeden Gherardo. + +139 Bij een anderen bijnaam ken ik hem niet, zoo die hem niet gekomen +ware van zijne dochter Gaja. God zij met u, daar ik niet verder met u +kome. + +142 Zie den dageraad, die door den rook straalt, reeds wit worden en het +voegt mij weg te gaan—de Engel is daar—voordat hij verschijnt.” + +145 Zóó sprak hij, en hij wilde mij niet meer hooren. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +ZEVENTIENDE ZANG + +~Voortzetting van den derden omgang en aankomst op den vierden.~ + + +Wanneer de Dichters buiten den rook zijn gekomen, wordt Alighieri van +nieuws in eene verrukking gebracht, gedurende welke hij verscheidene +voorbeelden van gramstorigheid ziet. Hem wekt het bliksemende licht van +eenen Engel, die hen richt naar de trap, waarlangs men tot den vierden +ommegang opstijgt; óp dezen gekomen, kunnen zij geen schrede meer doen +wegens den nacht, die hen overvalt. Dan toont Virgilius, om geen tijd te +verliezen, zijnen Leerling aan hoe Liefde begin is van alle deugd en van +alle ondeugd. + + * * * * * + +1 Herinner u, lezer; zoo ooit in de Alpen een nevel u omving, dóór +welken ge zaagt niet anders dan een mol door het vel [van zijn oogen]; + +4 hoe dan, wanneer de vochte en dikke dampen zich beginnen te verdunnen, +de schijf der Zon zwak door ze henen dringt; + +7 en het wordt uwer verbeelding licht te geraken tot het zien, hoe ik +in het eerst herzag de zon, die reeds aan het dalen was. + +10 Aldus, parende mijne schreden aan de getrouwe schreden van mijnen +Meester, kwam ik naar buiten uit zoodanige wolk, tot de zonnestralen, +reeds gestorven in de lage streken. + +13 O verbeeldingskracht, die ons menig keer zoo zeer buiten [ons zelven] +rukt, dat een mensch het niet bemerkt, dat duizend trompetten rond hem +schetteren, + +16 wat beweegt u, zoo de zinnen u niets bieden? Licht beweegt u, dat in +den hemel zich formeert, òf door zich zelf [gedreven], òf door [Gods] +wil, die het omlaag stiert. + +19 Van de onmeedoogendheid van haar, die van gedaante verwisselde tot +dien vogel, die het meest in het zingen zich vermeit, verscheen me in de +verbeelding de gelijkenis. + +22 En hier was mijn geest zoo binnen-in zich opgesloten, dat er van +buiten niets kwam, dat door hem werd opgenomen. + +25 Voorts daalde daar neder in mijne opgetogen fantasie een gekruisigde, +norsch en trotsch in zijn aangezicht en aldus stierf hij. + +28 Rondom hem was de groote Assuerus, Esther, zijne vrouw, en de +gerechte Mordechai, die zóó uit-één-stuk was in spreken en in daden. + +31 En toen deze verbeelding van zelve uit-een-spatte als een bel, die +water te kort komt, onder hetwelk zij zich formeerde; + +34 kwam voor mijn gezicht óp een meisje, dat heftig weende en zeide: „O +Koningin, waarom hebt gij uit toorn niet willen zijn? + +37 Gij hebt u gedood om niet Lavinia te verliezen; nu hebt gij mij +verloren: ik ben het, die rouw eerder om uw verlies, dan om dat van een +ander.” + +40 Gelijk de slaap breekt, wanneer plots nieuw licht het gesloten oog +treft, en [de slaap] gebroken zijnde, eerst tegenstribbelt voor hij +gansch vervliegt: + +43 zóó viel mijne verbeelding naar omlaag, zoodra een licht mijn gelaat +trof, veel grooter dan dat hetwelk naar onze gewoonte is. + +46 Ik keerde mij om te zien waar ik was, wanneer eene stem zeide: „Hier +stijgt men,” welke van elke andere aandacht mij aftrok; + +49 en maakte mijne begeerte zóó sterk om te zien wie hij was, die sprak, +[als die begeerte] die nooit rust zoo zij niet het gewenschte voor oogen +krijgt. + +52 Maar gelijk tegenover de zon, die ons gezicht bezwaart, en door +overdaad haar eigen gelaat omsluiert, zoo ook hier schoot mijn vermogen +te kort. + +55 „Deze is een goddelijke geest, die op den weg des stijgens ons richt +zonder bede, en met zijn licht zich zelven verbergt. + +58 Hij doelt met óns, gelijk de mensch met zich-zelven doet: daar +degene, die de bede wacht, al ziet hij de behoefte, zich reeds +kwaadwillig aan het weigeren begeeft. + +61 Laten we nu onzen voet naar zoo hooge nooding zetten; haasten wij ons +te stijgen voor dat het duistert, daar het daarna niet zoude kunnen, zoo +de dag niet keert.” + +64 Alzoo sprak mijn gids; en ik en hij, wij richtten onze schreden tot +eene trap: en zoodra ik aan de eerste trede was, + +67 voelde ik nabij mij als het bewegen van een vleugel, en het waaieren +ervan in mijn aangezicht, en het zeggen: „Gelukzalig zijn de vreedzamen, +die zijn zonder kwaden toorn.” + +70 Reeds waren boven ons zóó ver opgerezen de laatste stralen, op welke +de nacht volgt, dat de sterren verschenen van meer dan éénen kant. + +73 „O mijne deugd, waarom vervliegt ge aldus,” zeide ik tot mij-zelven, +daar ik de beweegkracht van mijne beenen voelde tot stilstand gebracht. + +76 Wij waren daar waar de trap niet meer steeg, en wij stonden stil, als +een schip, dat aan het strand aankomt. + +79 En ik wachtte een weinig of ik iets hoorde op den nieuwen omgang; +voorts keerde ik mijn tot mijnen Meester, en zeide: + +82 „Mijn zoete Vader, zeg van welk vergrijp loutert men zich hier, op +dezen omgang, waar wij zijn. Indien de voet staat, laat daarom nog niet +uw spreken stil staan.” + +85 En hij tot mij: „De liefde tot het goede, te kort schietend bij wat +zij moet, wordt hier aangevuld, hier slaat men weer den kwalijk +vertraagden riem. + +88 Maar opdat gij nog duidelijker begrijpt, keer uwen geest tot mij, en +gij zult eenige goede vrucht krijgen van ons vertoef. + +91 Noch Schepper, noch schepsel was ooit,” begon hij: „mijn zoon zonder +liefde, òf natuurlijke òf van den geest: en dat weet gij. + +94 De natuurlijke was altijd zonder dwaling: maar de andere kan dwalen +door een kwaad voorwerp, of door te veel of door te weinig kracht. + +97 Zoolang zij op de ~eerste~ goederen is gericht en in de goederen van +den tweeden rang zichzelven matigt, kan er geen reden zijn voor +schuldig vermaak; + +100 maar wanneer zij zich draait tot het kwade, of met te veel zorg zich +naar aardsche goederen richt, of met minder dan pas heeft, loopt naar +het goed, dan gaat het maaksel te werk tegen zijn Maker. + +103 Hieruit kunt gij begrijpen dat het gevalt dat Liefde in u het zaad +is van alle deugd èn van elke werkzaamheid, die straf verdient. + +106 Welnu, daar liefde niet kan afzien van het wèlzijn van haren drager, +zijn de dingen beveiligd voor eigen haat. + +109 En omdat niets gedacht kan worden gescheiden van of bestaande buiten +de ~Eerste Oorzaak~, is elke zielsaandoening verre van Die te haten. + +112 Blijft over, zoo ik, verdeelende, wel beschouwe, dat het kwade 't +welk bemind wordt, dat van den naaste is en die liefde wordt op drie +manieren in uw klei geboren. + +115 Er zijn er, die hopen uit te munten, doordat hun buurman vernederd +is, en alleen dáárom begeeren dat hij van zijne grootheid omlaag gehaald +wordt. + +118 Er zijn er die macht, aanzien, eer en roem vreezen te verliezen, +doordat een ander stijgt, waarom zij zich zoo bedroeven dat ze het +tegendeel begeeren: + +121 en er zijn er die door [hun aangedaan] onrecht blijken zóó gegriefd +te worden, zoodat ze begeerig worden naar wraak; en met eenen zoodanige +gebeurt het dat hij zich het kwade met geneugt voorspiegelt. + +124 Deze drie-ledige liefde wordt daar omlaag beweend; nu wil ik dat gij +tot begrip koomt van de andere, die het Goede naijlt, maar zonder de +goede mate. + +127 Een ieder grijpt in den blinde naar Eén Goed, opdat zijne ziel +daarin vrede vinde, en begeert het: waarom ieder zich inspant om dat te +bereiken. + +130 Indien trage liefde u trekt om te zien en om het te verkrijgen, dan +na rechtmatig berouw martelt u deze bergrand. + +133 Een ander goed is er dat den mensch niet gelukkig maakt; het is niet +de gelukzaligheid; het is niet de goede essentie, die de wortel is van +alle goede vrucht. + +136 De liefde, die zich al te zeer aan ~dit~ goed overgeeft, wordt boven +ons over drie ommegangen beweend; maar hoe die drie-deeling worde +verklaard, + +139 dat zwijge ik, opdat gij het zelf onderzoekt.” + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +ACHTTIENDE ZANG + + +Door zijnen kweekeling ondervraagd, verklaart Virgilius de natuur der +liefde, en hoe de ziel door de rede en den vrijen wil hare neigingen +beheerscht. Voorts komt een drom van zielen die zich louteren van de +traagheid, naderijlende den Dichteren te gemoet, en twee vóór de anderen +herinneren voorbeelden van deugd, tegengesteld aan hunne zonde. De Abt +van San Zeno kondigt onheilspellende weeën aan voor Alberto della Scala; +en achter hem halen twee zielen eenige voorbeelden aan van de slechte +uitwerkselen van traagheid. Zachtjes aan slaapt Dante in. + + * * * * * + +1 De hooge Leeraar had een einde aan zijne redeneering gemaakt, en +aandachtig keek hij in mijn aangezicht of ik tevreden bleek. + +4 En ik, wien nieuwe dorst nog stak, ik zweeg van buiten en zeide van +binnen: „Wellicht wordt het te vele vragen, dat ik doe, hem lastig.” + +7 Maar die waarheidlievende vader, die het beschroomde verlangen +ontwaarde, dat niet werd geopenbaard, gaf, sprekende, mij moed tot +spreken. + +10 Waarom ik: „Meester, mijn zien verlevendigt zich dermate in uw licht, +dat ik duidelijk onderscheide al wat uwe redeneering bevat of +beschrijft: + +13 waarom ik u bid, dierbare Vader, dat gij mij de Liefde verklaart, tot +welke gij alle goed-doen en zijn tegen-deel herleidt.” + +16 „Richt,” zeide hij: „naar mij de scherpe lichten van uw begrip, en u +zal duidelijk worden de dwaling der blinden, die zich zelven tot gidsen +maken. + +19 De ziel, die geschapen is bereid tot beminnen, laat zich leiden tot +elk ding, dat behaagt, zoodra zij door welgevallen is gewekt tot daad. + +22 Uw begripsvermogen krijgt beeldingen van iets dat waarachtig ~is~, en +ontvouwt het binnen in u, zoodat de ziel er het aangezicht naar wendt. + +25 En indien zij, daarop gericht, zich derwaarts neigt, dan is dat +neigen liefde, dan is dat natuur, die door het welgevallen op nieuw zich +in u bindt. + +28 Voorts gelijk het vuur zich ten hoogen beweegt, door zijn ~vorm~, die +geboren is om te stijgen daarheen waar hij langer bij zijne grondstoffe +volhardt; + +31 zoo geraakt de [door liefde] bevangen ziel tot begeeren, hetwelk is +een geestelijk bewegen; en zij rust niet, voordat het beminde voorwerp +haar doet genieten. + +34 Nu kan u blijken hoe zeer de waarheid verborgen is voor degenen, die +beweren dat elke liefde een prijzenswaardig ding is; + +37 omdat misschien hare grondstoffe altijd schijnt goed te zijn; maar +niet elk stempelmerk is goed, hoe goed ook het lak zij. + +40 „Uwe woorden en mijn volgzame geest,” antwoordde ik hem, „hebben mij +de liefde ontdekt; maar dat heeft mij te meer met twijfel gedrenkt: + +43 dat, indien liefde ons van buiten wordt geboden, en de ziel niet met +anderen tred loopt, het niet háár verdienste is of zij recht of krom +gaat.” + +46 En hij tot mij: „Zoo verre rede hier ziet, kan ik het u zeggen; wat +verder is, hetwelk een werk des geloovens is, verwacht dat van Beatrice. + +49 Elke zelfstandige vorm, die onderscheiden is van de stof en er mede +vereenigd is, heeft in zich vergaard een speciaal vermogen; + +52 hetwelk zonder te werken niet wordt opgemerkt, en zich slechts toont +door hetgeen het uitwerkt, gelijk het leven in de plant [zich vertoont] +door de groene loovers. + +55 Daarom, vanwaar het inzicht in de eerste begrippen komt, dat weet +niemand, en de begeerte naar de eerst begeerde dingen, + +58 welke in u zijn gelijk het instinkt in de bijen om haren honig te +maken; en die eerste wil is niet onderhevig aan lof of blaam. + +61 Dan, omdat aan dát vermogen elk ander vermogen verbonden is, is u dat +vermogen aangeboren, dat beraadt en den drempel des toestemmens moet +bezet houden. + +64 Dat is het beginsel in u, waar men gelegenheid krijgt om zich +verdienstelijk te maken, al naar het goede of slechte liefden toelaat of +verwerpt. + +67 Degenen, die, redeneerende, tot den bodem gingen, ontwaarden die +aangeboren vrijheid; waarom zij der menschen wereld de zedelijkheid +lieten. + +70 Stellen we dus dat uit noodzaak elke liefde opstaat die binnen in u +ontstoken wordt, dan is toch in u de macht die te weerhouden. + +73 Met het edele vermogen bedoelt Beatrice den vrijen wil, dus geef acht +dat gij dat in gedachte houdt, wanneer zij zich ertoe op maakt u daarvan +te spreken.” + +76 De maan, bijna tot middernacht verlaat, deed de sterren aan ons +dunner-gezaaid toeschijnen, en was als een ketel die gansch gloeiend +staat; + +79 en zij liep tegen den hemel in, langs die banen, welke de zon in +vlammen zet dan wanneer die van Rome haar zien tusschen Sardijnen en +Corsicanen, daar zij ondergaat. + +82 En die edele schimme, om wie Pietola meer dan de Mantuaansche stad +wordt genoemd, had de vracht van mijn last afgelegd. + +85 Waarom ik, die de opene en vlakke redeneering over mijne vragen had +geoogst, stond als iemand, die al insluimerende zwijmelt. + +88 Maar die slaperigheid werd me ontnomen—plotseling—door luiden, die +reeds achter onze schouders op ons af waren gekomen. + +91 En gelijk voorheen Ismenus en Asopus des nachts langs zich razernij +en jacht zagen, altoos wanneer de Thebanen Bacchus van noode hadden; + +94 zoo een laat langs dien ommegang haar sikkelvormigen gang gaan, [te +oordeelen] naar hetgeen ik zag van hen die kwamen, wie het goede +verlangen en de rechtmatige begeerte berijdt. + +97 Dra waren zij bij ons, daar die gansche groote schare rennende +aankwam; en twee voor-op schreeuwden weenende: + +100 „Maria snelde met haast ten berge; en Caesar, om Ilerda te +onderjukken, trof Marsilia en snelde toen in Spanje.” + +103 „Snel, snel, dat de tijd niet verloren ga door te weinig liefde”, +riepen die anderen achter; „daar ijver om goed te doen de genade doet +hergroenen.” + +106 „O lieden, in wie de heftige hittigheid thans vergeldt wellicht +zorgeloosheid en traagheid door u uit lauwheid in het goeddoen bedreven, + +109 deze, die leeft [en voorwaar ik bedrieg u niet] wil naar boven, +zoodra de zon ons weder licht; daarom zegt ons waar de toegang dichtbij +is.” + +112 Dit waren de woorden: van mijnen Gids; en één van die Geesten zeide: +„Kom achter ons, daar ge de opening vinden zult. + +115 Wij zijn van verlangen om ons te bewegen zóó volle, dat stilstaan we +niet kunnen; daarom vergeef, dat onze rechtvaardigheid boerschheid +meebrengt. + +118 Ik was abt in [het klooster van] San Zeno te Verona, onder de +regeering van den goeden Barbarossa, van wien Milaan nog met droefenis +praat. + +121 En zoo één heeft reeds den éénen voet in het graf, die dra dat +klooster zal beweenen, en treurig zal zijn daar macht te hebben gehad; + +124 daar hij zijnen zoon, kwalijk van lijf, en meer nog van ziel, en +kwalijk geboren, gezet heeft in de plaats van zijnen waarachtigen +herder.” + +127 Ik weet niet of hij meer zeide, of dat hij zweeg, zooverre reeds was +hij ons voorbij geloopen; maar dát hoorde ik en dat vast te houden +geviel mij. + +130 En gene, die mij bij elk werk was te hulp gekomen, zeide: „Wend u +daarheen, zie er getweeën komen, gevend der traagheid den beet.” + +133 Zij riepen allen na: „Eer waren alle de lieden gestorven, voor wie +de zee zich opende, dan dat de Jordaan zijne erven zag. + +136 En die, die niet de moeienis droegen tot het einde met den zoon van +Anchises, gaven zich zelven aan een leven zonder roem.” + +139 Voorts wanneer die schimmen zóó verre van ons gescheiden waren, dat +ze niet meer konden worden gezien, vestte zich een nieuw gedacht binnen +in mij, + +142 van welke weer andere en verschillende geboren werden, en zoozeer +zwijmelde ik van de ééne naar de andere, dat de oogen uit welgevallen +zich sloten, + +145 en ik het gedacht in droomen veranderde. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +NEGENTIENDE ZANG + + +Hierin wordt beschreven het mysterieuze Gezicht, dat kort voor den +dageraad aan Alighieri, als hij slaapt, zich vertoont. De Dichters +bestijgen den vijfden Ommegang waar de zielen, liggende en met het +aangezicht naar de aarde gekeerd, de zonde der gierigheid beweenen. Zij +komen tot Adrianus V uit het huis Fieschi, die op de vraag van Alighieri +antwoord geeft. + + * * * * * + +1 Te dier stonde, wanneer de warmte des daags niet meer de koude der +maan kan lauw maken, verwonnen door de Aarde of somtijds door Saturnus; + +4 wanneer de geomanten hun grootste geluk zien in het Oosten, voor den +dageraad, opkomend langs den weg, die nog maar kort donker blijft; + +7 kwam mij in den droom te voren eene stamelende vrouw, met de oogen +loensch en boven de voeten verdraaid, met de handen verminkt en bleek +van kleur. + +10 Ik staarde haar aan; en, gelijk de Zon troost de koude ledematen, +welke de nacht(koude) bezwaart, zoo maakte mijn blik haar los + +13 de tong en voorts maakte hij haar gansch recht in korten tijd en het +vervaalde gelaat kleurde hij zóó als liefde het wil. + +16 Nadat zij aldus de spraak óntbonden had, begon zij te zingen zóó, dat +ik met moeite mijne aandacht van haar zou hebben afgewend. + +19 „Ik ben,” zong zij: „ik ben de zoete Sirene, die de zeelieden midden +op zee doe verdwalen; zóó vol ben ik van welbehagen om waar te nemen. + +22 Ik heb Ulysses van zijn zwerftocht naar mijnen zang afgeleid; en wie +met mij zich vergemeenzaamt, zelden gaat hij van mij, zoo zeer paai ik +hem gansch.” + +25 Nog was haar mond niet gesloten, wanneer eene vrouw verscheen, heilig +en vlug, langs mij om gene ontsteld te maken. + +28 „O Virgilius, Virgilius, wie is deze?” zeide zij verontwaardigd; en +hij kwam, met de oogen stadig gericht op die eerbare. + +31 Zij greep de andere en opende haar van voren de kleederen, ze +scheurende, en toonde mij haar buik; die wekte mij door den stank, die +er van uitging. + +34 Ik keerde de oogen [tot hem]; en de goede Virgilius zeide: „Minstens +drie [wek]-woorden heb ik tot u gesproken: sta-op en kom, vinden wij de +poort, door welke gij binnen-ga.” + +37 Ik rees op, en alle de ommegangen van den heiligen berg waren reeds +vol van den hoogen dag, en wij gingen met de nieuwe Zon op onze +lendenen. + +40 Hem volgende, droeg ik mijn voorhoofd gelijk degene, die het beladen +heeft met gedachten, en van zich een halven boog van een brug maakt; + +43 wanneer ik: „Komt, hier treedt men in,” zeggen hoorde op zachte en +welwillende wijze, zooals men het niet hoort in deze sterfelijke streek. + +46 Met de vleugelen geopend, die schenen te zijn van een zwaan, richtte +ons naar boven degene, die aldus tot ons sprak, tusschen die twee wanden +van harde rots-steen. + +49 Voorts bewoog hij de vlerken en waaierde ons, verzekerende dat +gelukzalig zijn wie treuren [qui lugent], daar hunne zielen het +vertroosten zullen vinden. + +52 „Wat hebt gij dat gij staêg naar de aarde staart?” begon mijn Gids +tot mij te zeggen, en wij beiden waren [slechts] weinig boven den Engel +opgestegen. + +55 En ik: „Met zóó groote achterdocht doet mij gaan een nieuw gezicht, +dat mij tot zich trekt, zóó dat ik mij niet van de gedachte los kan +maken.” + +58 „Zaagt ge,” zeide hij: „die oude tooveres, die alleen nog boven ons +wordt beweend? Zaagt ge hoe de mensch zich van haar losmaakt? + +61 Dit zij u genoeg, en zet de hielen op den grond, en richt de oogen +weer omhoog naar dat lok-aas, dat de eeuwige Koning doet draaien met de +groote raderen.” + +64 Gelijk de valk, die eerst op de voeten rondschouwt, voorts zich +draait naar den kreet [des valkeniers] en zich uitstrekt, door de +begeerte naar het voeder, dat hem daar lokt; + +67 zóó maakte ik mij zelven, en zóó, over zoo grooten afstand als +waarover de rots zich splijt om doorgang te geven aan wie naar boven +gaat, ging ik verder tot daar waar men weer het rondgaan krijgt. + +70 Zoodra ik op den vijfden ommegang was naar buiten getreden, zag ik +daarop luiden, die weenden, liggende op den grond gansch omlaag gekeerd. + +73 „Adhaesit pavimento anima mea” [mijne ziel kleefde aan het plaveisel] +hoorde ik dat zij zeiden met zoo diepe zuchten, dat het woord +ternauwernood werd gehoord. + +76 „O uitverkorenen van God, wier lijden èn gerechtigheid èn hoop minder +hard maken, richt ons naar de hooge opstijgingen.” + +79 „Indien gij lieden komt, van het liggen vrij-gesteld, en gij den weg +ten vroegste wilt vinden, laat uw rechterzijden aan de buiten-zijde +zijn.” + +82 Zóó bad de Dichter, en zóó werd ons een weinig voor ons uit +geantwoord; waarom ik, al sprekende, lette op het overige, dat verborgen +was. + +85 En ik wendde toen de oogen tot den Heere mijn; waarop hij mij +toestond, met blijd gebaarde, dat waarom de aanblik der begeerte [in +mij] hem vroeg. + +88 Nadat ik met mij handelen kon naar mijnen zin, begaf ik mij boven dat +schepsel, welks woorden mij oplettend hadden gemaakt, + +91 zeggende: „Geest, in wien het weenen tot rijpheid brengt datgene, +zonder het welk men niet tot God kan keeren, staak een weinig voor mij +uwe grootere zorg. + +94 Wie waart gij, en waarom hebt gij de ruggen naar boven gekeerd, zeg +het mij, en of gij wilt dat ik voor u eenig ding gedaan krijge daar, van +waar ik levend opging.” + +97 En hij tot mij: „Waarom de hemel onze achterdeelen naar zich keert, +dat zult gij weten: maar eerst, scias quod ego fui successor Petri [weet +dat ik was opvolger van Petrus]. + +100 Tusschen Siestri en Chiaveri daalt een schoone stroom, en van zijnen +naam leidt de titel van mijn bloed zijn oorsprong af. + +103 Eene maand en weinig meer ervoer ik hoe de groote mantel weegt hem, +die voor het slijk hem bewaart, zoodat een veder lijken alle andere +lasten. + +106 Mijne bekeering, wee mij! was traag; maar toen ik tot Herder van +Rome was gemaakt, ontdekte ik het bedriegelijke leven. + +109 Ik zag dat daar het hart niet tot rust kwam, en dat men niet verder +kon stijgen in dat leven; waarom naar ~dit~ leven in mij de liefde +ontbrandde. + +112 Tot op dat tijdstip was mijne ziel ellendig en van God vervreemd, +naar het al begeerig; en, zooals gij ziet, word ik er voor gestraft. + +115 Dat wat gierigheid doet, wordt hier vertoond in de loutering der +omgekeerde zielen, en geene bitterder boete heeft de berg. + +118 Zooals ons oog zich niet ophief ten hoogen, daar het was gevest op +de aardsche zaken, zóó heeft gerechtigheid hier op den grond het +ondergedompeld. + +121 Gelijk gierigheid onze liefde tot al het goede uitdoofde, waardoor +alle arbeid te loor ging, zóó houdt gerechtigheid hier ons bekneld, + +124 aan de voeten en aan de handen gebonden en vast gehouden; en hoelang +het 't welbehagen zal zijn des gerechten Heeren, zóó lang zullen wij +blijven onbewegelijk en uitgestrekt. + +127 Geknield had ik mij, en wilde spreken; maar toen ik begon en hij, +alleen door te hooren, mijn eerbiedenis gewaar wierd: + +130 „Welke oorzaak,” zeide hij: „heeft u aldus gekromd?” En ik tot hem: +„Wegens uwe waardigheid noopte mij daartoe mijn geweten.” + +133 „Zet de beenen recht en hef u op, broeder,” antwoordde hij: „dwaal +niet, ik ben een medeslaaf met u en met de anderen voor ééne macht.” + +136 Zoo gij ooit dat heilig evangelie-woord, dat zegt ~neque nubent~, +hebt vernomen, kunt gij goed zien, waarom ik aldus redeneer. + +139 Ga nu heen; ik wil niet dat gij u meer ophoudt, daar uw blijven mijn +weenen bemoeilijkt, waarmede ik tot rijpheid breng dat wat gij gezegd +hebt. + +142 Eene nicht heb ik in het gindsche leven, die den naam heeft Alagia, +goed uit zich zelve, als maar niet ons huis haar slecht maakt door het +voorbeeld; + +145 en zij alléén is mij daar ginds gebleven. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +TWINTIGSTE ZANG + + +Paus Adriaan verlaten hebbende en langs dien Ommegang den weg +vervolgende, hooren zij eene ziel eenige beroemde voorbeelden vermelden +van deugden, die het tegendeel zijn van Gierigheid. Dante nadert haar, +en haar gevraagd hebbende wie zij is en waarom zij alleen die daden +verheft, hoort hij van haar dat zij is Hugo Capet èn eenen heftigen +uitval op de ondeugden en de ongerechtigheden van zijne nakomelingschap. +Voorts dient zij hem op zijn andere vraag, en verhaalt hem voorbeelden, +welke in den nacht daar worden herhaald tot verschrikking der gierigen. +De Berg schudt en van alle kanten verheft zich een lied van zegepraal; +waarom in Alighieri ontwaakt een stekende begeerte om te leeren kennen +de oorzaak van zoo groot eene nieuwigheid. + + * * * * * + +1 Tegen beteren wil strijdt kwade wil, vandaar dat tegen mijn gevallen, +om hèm te gevallen, ik de nog niet verzadigde spons uit het water trok. + +4 Ik bewoog mij, en mijn Gids bewoog zich over de onbezette plaatsen +langs den rotswand, gelijk men over eenen muur gaat strijkelings langs +de meerlen; + +7 daar de lieden, die drop voor drop uitgieten door de oogen het kwaad, +dat de gansche wereld bezet, aan de andere zijde te zeer den buitenkant +naderen. + +10 Gemaledijd zijt gij, oude wolvin, die meer dan alle de andere beesten +buit hebt, wegens uwen bodemloozen honger. + +13 O Hemel, door wiens ommegaan men schijnt te gelooven dat de +toestanden hier beneden veranderen, wanneer zal komen degene, door wien +weggaat deze wolvin? + +16 Wij gingen met trage en schaarsche schreden, en ik met de aandacht +gericht op de schimmen, die ik bemerkte dat erbarmelijk weenden en +jammerden; + +19 En bij geval hoorde ik: „Zoete Maria!” vóór ons zóó klagelijk roepen +als eene vrouw doet, die in barensnood is; + +22 en aldus voortgaan: „Zoo arm waart gij, als men zien kan aan die +herberging, waar gij uwe heilige dracht nederlegdet.” + +25 Vervolgens hoorde ik: „O goede Fabricius, gij wildet liever deugd met +armoede dan grooten rijkdom met ondeugd bezitten.” + +28 Deze woorden hadden mij zoo bevallen, dat ik mij verder begaf om +kennis te hebben van dien geest, uit wien zij schenen te zijn gekomen. + +31 Hij sprak ook van de mildheid, welke Nicolaas den maagden deed om +hare jeugd tot eere te leiden. + +34 „O ziele, die zoo goed spreekt, zeg mij wie gij zijt,” zeide ik: „en +waarom gij alleen deze verdiende loftuitingen hernieuwt? + +37 Uw woord zij niet zonder loon, als ik terug keer om den korten weg +te voleinden van dat leven, dat naar het einde vliegt.” + +40 En hij: „Ik zal het u zeggen, niet om den troost, dien ik van ginds +wacht, maar omdat zóó groote genade in U licht voordat gij dood zijt. + +43 Ik was de wortel van die kwade plant, die gansch Christen-land +overschaduwt, zóó dat goede vrucht schaars er uit ontspruit. + +46 Maar zoo Douais, Gent, Rijssel en Brugge vermochten, zoude er weldra +wraak over zijn; en ik vraag die aan Hem, die alles richt. + +49 Genoemd werd ik daarginds Hugo Capet: van mij zijn geboren de +Philippen en Lodewijken, door wie nieuwlings Frankrijk is geregeerd. + +52 Ik was de zoon van eenen slachter van Parijs: wanneer het met de oude +koningen gedaan liep, allen behalve éénen, die zich gekleed had in de +grauwe stof, + +55 vond ik in mijne handen gegrepen den toom van het bestuur des rijks, +en dat ik zoo groote macht van nieuws gekregen had en zoo rijk was aan +vrienden, + +58 dat ik tot de verweeuwde kroon het hoofd van mijnen zoon zag +bevorderd, bij wien de geheiligde beenderen van genen begonnen. + +61 Zoolang nog de groote schenking van Provence niet aan mijn bloed de +schamelheid had ontnomen, vermocht het weinig, maar deed het geen kwaad. + +64 Sinds dien begon het met geweld en logen zijnen roof; en voorts ~tot +boete~, nam hij Ponthieu en Normandië en Gascogne. + +67 Karel kwam in Italië en ~tot boete~ maakte hij een slachtoffer van +Conradijn; en voorts stuurde hij Thomas tot den hemel terug ~tot +boete~. + +70 Nog niet veel daarna zie ik den tijd, die eenen tweeden Karel uit +Frankrijk toog, om nog beter zich en de zijnen te doen leeren kennen. + +73 Zonder wapenen ging hij er uit, en alleen met die lans, waarmede +Judas zich weerde; en die punt hij zóódanig, dat ze Florence de pens +doet barsten. + +76 Vandaar zal hij geen land, maar zonde en schande winnen, voor hem te +zwaarder als hij lichter zulke schade voor anderen tilde. + +79 Den ander, die voorheen als krijgsgevangene ontscheepte, zie ik zijne +dochter verkoopen en er verdragen mee bedingen, als zeeroovers doen met +andere slavinnen. + +82 O hebzucht, wat kunt gij er nog erger van maken, daar gij mijn bloed +zoo zeer te uwaart hebt getrokken, dat het niet geeft om zijn eigen +vleesch? + +85 Dat nog minder schijne het komende en het gedane leed, zie ik de +lelie in Alagna binnenkomen en, in zijn Stedehouder, Christus worden +gevangen genomen. + +88 Ik zie hem andermaal bespot worden; ik zie de edik en gal vernieuwd +worden en (hem) tusschen nieuwe boosdoeners dooden. + +91 Ik zie den nieuwen Pilatus zóó wreed, dat dit hem niet verzaadt, maar +zonder verlof brengt hij in den tempel de begeerige zielen. + +94 O Heer mijn, wanneer zal ik blijde zijn te zien wraak, die, verholen, +zoet maakt den toorn van uw geheimenis? + +97 Dat wat ik zeide van die eenige verloofde van den Heiligen Geest, en +die u deed u te mijwaart richten om eenige verklaring, + +100 is slechts zóó lang gevoegd naar onze bede, als de dag duurt; maar +wanneer het nacht wordt, vernemen we tegengestelden klank ter +afwisseling. + +103 Dan herhalen wij [de daad van] Pygmalion, wien tot verrader, roover +en moordenaar zijne begeerte maakte, op goud belust; + +106 en het ongeluk van den begeerigen Midas, dat volgde op zijn +hebzuchtige vraag, om welke het wel altijd te lachen voegt. + +109 Van den dwazen Acam gedenkt voorts een ieder, hoe zijn buit was, +zoodat het schijnt of de toorn van Jozua nog hier hem bijt. + +112 Voorts beschuldigen wij met haren man Safira: wij prijzen de +speer-stooten, die Heliodorus kreeg; en in kwade faam omwaart den +ganschen berg + +115 Polymnester, die Polydorus doodde. Ten laatsten roept men ons toe: +„Crassus, zeg ons, gij die het weet, van welken smaak het goud is.” + +118 Deze spreekt luid, gene zachtkens, volgens de aandoening, die ons te +spreken noopt nu tot heftiger, dan tot kalmere uiting. + +121 Daarom voor het goed, dat des daags hier zich laat hooren, was ik +hier niet alleen; maar hier nabij verhief geen ander de stem.” + +124 Wij waren reeds van hem vertrokken om zooverre op den weg verder te +komen, als aan ons vermogen was vergund; + +127 wanneer ik voelde, als een ding dat valt, den berg beven; van daar +dat eene huivering mij beving, als te bevangen pleegt dengene, die ten +doode gaat. + +130 Voorzeker schudde niet zóó hevig Delos, voordat Latona daar haar +nest maakte om de beide oogen des hemels te baren. + +133 Voorts begon van alle kanten een kreet zóó dat de Meester zich te +mij waart wendde, zeggende: „Wees niet wankelmoedig, zoolang ik u +geleid.” + +136 „Eere zij God”: zeiden allen, „in den hoogen” naar wat ik van dichte +bij vernam, vanwaar de kreet kon verstaan worden. + +139 Wij bleven staan onbewegelijk en in afwachting, als de herders, die +voor het eerst dien zang hoorden, totdat het beven ophield en die zang +werd afgezongen. + +142 Voorts hervatten wij onzen heiligen weg, ziende naar de schimmen, +die ter aarde lagen, reeds wedergekeerd tot hun gewone geween. + +145 Geene onwetendheid maakte ooit met zulk eene kwelling mij begeerig +tot weten, als mijne heugenis daarin niet dwaalt, + +148 als ik me toescheen toen al denkende te hebben, noch bij het haastig +voorwaarts gaan, durfde ik het vragen, + +150 noch uit me zelven konde ik er iets van zien. Zóó ging ik verder, +beschroomd en peinzend. + + +NA-SCHRIFT BIJ ZANG XX + +Nu Dante, te midden der louterende zielen, al nader en nader zijne +eigene loutering komt en de berg weldra, van vreugde over Dante's +loutering—zooals in XXI wordt uitgelegd—beven zal, geeft de +verschijning van Hugo Capet Dante gelegenheid zijne verbittering te +uiten tegen de Fransche Koningen, Hugo's afstammelingen, allermeest +tegen Karel van Valois (vs. 70–78) die in 1301 zonder leger in Italië +gekomen, door Paus Bonifacius in staat werd gesteld een leger te werven +en daarmede Florence bezette, de partij der Witten deed vallen en +Dante's ballingschap veroorzaakte. + +Ook is merkwaardig hoe Dante zijne verontwaardiging uitspreekt over het +gevangen nemen van dienzelfden Bonifacius door Philips den Schoonen. +Immers over de handelwijze van dezen Paus was Dante ten zeerst +vertoornd; toch deed zijn onwrikbare eerbied voor het Pausdom hem in +deze gevangenneming een gruwel-daad zien. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +EEN EN TWINTIGSTE ZANG + + +Terwijl de Dichters zich haasten naar de trap, zien zij zich begroet +door eene Schim, die hun achterop kwam. Deze door Virgilius wederom +gegroet, verkrijgt op zijne vragen een antwoord en gevraagd zijnde, +openbaart hij de oorzaak van het schudden des bergs en ook eenige zaken +van zijn leven. + + * * * * * + +1 De dorst van onzen aard, die nooit wordt gelescht dan met het water +waarvan het Samaritaansche vrouwtje de genade vroeg, + +4 pijnigde mij; en noopte mij tot haast over den belemmerden weg, achter +mijnen Gids; en medelijden voelde ik met rechtvaardige wraak. + +7 En zie, zooals Lucas ervan schrijft, dat Christus verscheen aan twee, +die op den weg waren, reeds opgestaan uit de holte van het graf; + +10 verscheen ons eene schimme en kwam achter ons, aan hare voeten ziende +naar de menigte, die ligt; en wij werden haar niet gewaar, tot ze sprak, + +13 zeggende: „Broederen mijn, God geve u vrede.” Wij keerden ons +plotseling, en Virgilius gaf hem dàt teeken tot antwoord, dat past bij +zulke begroeting. + +16 Voorts begon hij: „In de vergadering der gelukzaligen zette in vrede +u dat waardige Hof, dat mij tot eeuwige verbanning verwijst.” + +19 „Hoe?” zeide hij (en snel gingen wij een stuk verder): „zoo gij +schimmen zijt, welke God niet boven eene plaats waardig keurt, wie heeft +u op Zijne trap zóó ver geleid?” + +22 En de Leeraar mijn: „Zoo gij schouwt naar de teekenen, welke hij +draagt en welke de engel teekent, zult ge zien dat het voegt, dat hij +met de goeden regeere. + +25 Maar omdat zij, die dag en nacht spint, voor hem nog niet het kluwen +had afgesponnen, dat Cloto voor een ieder [op het rokken] legt en +schikt, + +28 kon zijne ziel, die van de uwe en de mijne zuster is, omhoog komende, +niet alleen komen; waarom hij ook niet naar onze wijze rond-blikt; + +31 vandaar dat ik werd getogen buiten den ruimen muil der hel om hem te +wijzen, en ik zàl hem wijzen verder, zooverre als hem mijne leering kan +leiden. + +34 Maar zeg mij of gij weet waarom zulke stooten zooeven de berg gaf, en +waarom allen eenstemmig schenen te schreeuwen overal op den berg tot +zijne zachte voeten?” + +37 Aldus vragende trof hij mij in het oog van de naald mijner begeerte, +zoo dat immers door de hoop mijn dorst minder nuchter begon te worden. + +40 Gene begon: „Niets is er wat de heiligheid des bergs gevoelt buiten +de orde of wat buiten de gewoonte zij. + +43 Vrij is het hier van alle verandering: door wat de Hemel van zich +zelven in zich zelven ontvangt, kan hier verandering zijn, maar door +geene andere oorzaak: + +46 waarom noch regen, noch hagel, noch sneeuw, noch dauw, noch rijp meer +naar boven valt dan de korte trap van drie treden. + +49 Noch dikke nevelen verschijnen hier, noch ijle, noch 't rossig +weerlicht, noch de dochter van Thaumas, die ginds dikmaals van +windstreek wisselt. + +52 Droge damp rijst nooit verder dan tot de hoogste der drie treden, die +ik noemde, waar de stadhouder van Petrus de voetzolen heeft. + +55 Meer naar beneden heeft het bij geval weinig of veel, maar door wind, +die in de aarde zich verbergt, ik en weet hoe, beefde het hier boven +nooit. + +58 Het beeft er wanneer eenige ziel zich rein voelt zóó, dat zij +oprijst, of zich opmaakt om op te stijgen, en zulk een kreet +verzelschapt haar. + +61 Van de reinheid geeft het éénig willen het bewijs, dat, gansch vrij +om van woonplaats te veranderen, de ziel inneemt; en het willen lust +haar. + +64 [Ook] eerder wil zij het goede; maar de begeerte laat haar niet +[vrij], welke de goddelijke gerechtigheid tegen ['s menschen] wil, +gelijk zij tegen het zondigen was, richt op de loutering. + +67 En ik die vijfhonderd jaren en meer gelegen heb om dit lijden (der +loutering te ondergaan) voelde eerst nu vrijen wil tot betere +verblijfplaats. + +70 Dáárom voeldet gij de aardbeving en gaven de vrome geesten rondom op +den berg lof aan dien Heer, die weldra hen opwaarts zende.” + +73 Aldus zeide hij; en omdat men zooveel genot heeft van het drinken als +de dorst groot is, zoude ik niet weten te zeggen hoezeer hij mij baatte. + +76 En de wijze Gids [zeide]: „Alsnu zie ik het net, dat hier u grijpt, +en hoe men het ontkomt, waar om het hier beeft en waarover gij u mede +verblijdt. + +79 Nu gevalle het u dat ik wete wie gij waart, en uit uwe woorden +begrijpe ik, waarom gij hier zóó vele eeuwen gelegen hebt.” + +82 „Ten tijde dat de goede Titus met behulp van den hoogsten Koning de +gaten wreekte, waar het bloed uitging, door Judas verkocht, + +85 was ik daarginds met den naam, die het meest duurt en het meest +eert,” antwoordde die geest, „wel befaamd, maar nog zonder geloof. + +88 Zóó zoet was de geest mijner zangen, dat Rome mij, den Tolosaan, tot +zich trok, en dáár verdiende ik het de slapen met myrte te sieren. + +91 Nog noemt het volk daarginds mij Statius; ik zong van Thebe, en +voorts van den grooten Achilles; maar ik viel op den weg met den tweeden +last. + +94 Voor mijnen brand waren het zaad de vonken, die mij warmden, van de +goddelijke vlam, waaraan meer dan duizend zijn ontstoken; + +97 Van de Aeneïs spreek ik, welke mij moederborst was, en zij was mij +zoogster bij het dichten: zonder haar hadde ik niet het wicht van een +drachme tot vasten vorm gebracht. + +100 En, om ginds geleefd te hebben wanneer Virgilius leefde, zoude ik +gaarne toestemmen in éénen zonnegang méér dan ik verschuldigd ben, +voordat ik uit mijn ballingschap zoude uitgaan.” + +103 Deze woorden wendden Virgilius tot mij, met een aangezicht, dat +zwijgende zeide: „Zwijg!” Maar niet alles kan dàt vermogen [in ons] dat +wil; + +106 daar lachen en geween zoo volgzaam zijn voor de aandoening waarvan +elk ontspringt, dat ze het minst den wil volgen in de waarachtigste +menschen. + +109 Toch glimlachte ik, als een mensch, die een teeken [van +verstandhouding] geeft; waarom de schimme zweeg, en mij in de oogen zag, +waar de gelijkenis [der ziel] allermeest wordt uitgedrukt. + +112 En: „Zoo waarlijk moogt gij zóó groot werk tot een goed einde +brengen,” zeide hij: „waarom vertoonde uw gelaat een weerlicht van +gelach?” + +115 Nu ben ik van den éénen en den anderen kant besprongen: de ééne doet +mij zwijgen, de andere bezweert mij dat ik zegge: waarom ik zucht en +gegrepen word. + +118 „Zeg het,” zeide mijn Meester: „en heb geen vrees te spreken, maar +spreek en zeg hem dat wat hij met zóó grooten nadruk vraagt.” + +121 Waarom ik: „Wellicht dat gij u verwondert, geest uit de oudheid, +waarom ik dat lachen deed; maar meer verwondering wil ik dat u grijpe. + +124 Deze, die mijne oogen ten hoogen leidt, ~is~ die Virgilius, van wien +gij kracht kreegt om te zingen van goden en menschen. + +127 Zoo gij gelooft dat er een andere reden was voor mijn lachen, laat +haar varen als niet waar; en geloof dat die woorden het zijn die gij +over hem zeidet.” + +130 Reeds knielde hij om mijnen leeraar de voeten te omhelzen; maar deze +zeide: „Broeder, doe dat niet, daar gij eene schimme zijt en gij eene +schimme ziet.” + +133 En hij opstaande (zeide): „Nu kunt gij de hoe-grootheid vatten van +de liefde, die tot u mij verwarmt, wanneer ik onze ijdelheid vergeet, de +schimmen behandelende als een ondoordringbare zaak.” + +[decoratieve illustratie] + + + + +TWEE EN TWINTIGSTE ZANG + +~Opstijging tot den Zesden Omgang.~ + + +Gedurende den tijd dat zij naar den Zesden Ommegang opstijgen verhaalt +Statius aan Virgilius hoedanige zonden hem zóó lang op de Plaats der +Loutering hebben gehouden, en hoe hij gekomen was tot het Christelijk +Geloof. Daarna deelt Virgilius hem nieuws mede over vele groote en +befaamde personen, die in den Limbus zijn. Wanneer de Dichters op den +Ommegang zijn aangekomen en eenige schreden ter rechter hebben gedaan, +zien zij een boom, vol met geurige appelen, van waaruit eenige stemmen +opgaan die aansporen tot ingetogenheid. + + * * * * * + +1 Reeds was de Engel achter ons terug gebleven, de Engel, die ons geleid +had tot den Zesden Omgang, hebbende mij van het aangezicht één +merkteeken afgestreken, + +4 en degenen, die tot gerechtigheid hunne begeerte hebben, hadden +gezegd: „Welgelukzalig”; en hunne stemmen deden dat af met „die dorst +hebben” zonder meer. + +7 En ik, lichter dan door de andere doorgangen, ging verder, zóó dat ik +zonder eenigen arbeid volgde omhoog de vlugge geesten; + +10 wanneer Virgilius begon: „Liefde, ontstoken door deugd, ontstak +altijd den ander [tot wederliefde] als maar hare vlam zich openbaarde. + +13 Dès, sindsdien te midden van ons in den zoom der Hel Juvenalis +nederdaalde, die uwe genegenheid [te mijwaart] mij openbaarde, + +16 was mijne welwillendheid te u-waart meer dan elke, die me ooit +beroerde voor een niet geziene persoon, zóó dat nù deze treden mij kort +schijnen. + +19 Maar zeg mij, en als vriend vergeet me als te groote veiligheid me +den teugel viert, en wil als vriend met me redeneeren: + +22 hoe kon binnen in uwe borst gierigheid eene plaats vinden, bij zoo +groot verstand, waarvan gij door uwe zorge vol waart?” + +25 Deze woorden deden Statius eerst een weinig tot lachen komen; voorts +antwoordde hij: „Al uw spreken is me een dierbaar teeken van uw liefde. + +28 In waarheid meerdere malen vertoonen zich dingen, die valsche stof +tot twijfelen geven, wegens de ware redenen die verborgen zijn. + +31 Uw vraag bewijst me dat uw gelooven is, dat ik gierig was in het +andere leven, wellicht wegens dien cirkel waar ik was: + +34 dan weet dat gierigheid te zéér van mij verscheiden was, en wegens +ònmatigheid hebben een duizendtal maanden mij gestraft. + +37 En zoo het niet ware dat ik mijne zorg de goede richting gaf, wanneer +ik tot inkeer kwam daar waar gij uitroept, als vertoornd op den +menschelijken aard: + +40 „Waartoe, brengt gij niet, o vervloekte gouddorst de begeerte der +stervelingen?” zoude ik, om- en omkeerende voelen de grimme toernooien. + +43 Toen werd ik gewaar dat de handen al te veel de vleugelen konden +openspreiden om uit te geven, en mij rouwde des, evenzeer als van de +andere zonden. + +46 Hoevelen zullen er verrijzen met de haren uitgetrokken wegens de +onwetendheid, die bij het leven en bij het uiteinde het berouw over deze +zonde wegneemt! + +49 En weet dat de schuld, die door rechte tegenoverstelling een zonde +weerkaatst, tegelijk hiermede zijn groenheid droogt. + +52 Daarom, zoo ik te midden van die luiden geweest ben, om mij te +louteren, die de gierigheid beweenen, is mij dat door haar tegendeel +overkomen”. + +55 „Des, toen gij zongt de wreede wapenen van de dubbele droefenis van +Iocaste,” zeide de Zanger der Herders-zangen: + +58 „bij dàt wat Clio daar met u tokkelt, blijkt nog niet dat dat geloof +u tot zijne getrouwen gemaakt had, zonder 't welk goed te doen niet +genoeg is. + +61 Indien het zóó is, welke zon en welke kaarsen ontduisterden u +zóódanig, dat gij voorts de zeilen achter den Visscher aanstuurdet?” + +64 En hij tot hem: „Gij hebt mij eerst den weg opgestuurd naar den +Parnassus om te drinken in zijne grotten, en voorts hebt gij na God mij +verlicht. + +67 Gij hebt gedaan als degene, die bij nacht gaat, die het licht achter +zich draagt, en zich zelven niet helpt, maar achter zich de personen +onderricht maakt; + +70 wanneer gij zeidet: „De eeuw hernieuwt zich: de Gerechtigheid en de +eerste tijd des menschdoms keert; een nieuw kroost daalt uit den Hemel +neder.” + +73 Door u was ik dichter, door u Christen: maar opdat ge beter ziet dat +wat ik teeken, zal ik de hand uitstrekken om te kleuren. + +76 Reeds was de wereld gansch-en-al zwanger van het ware geloof, gezaaid +door de boodschappers van het eeuwige rijk; + +79 en uw woord, hier-boven geciteerd, was zoo zeer in saam-klank met de +nieuwe predikers; waarom ik gewoonte nam om ze te bezoeken. + +82 Zij werden mij, door hun verschijnen, zóó heilig dat, wanneer +Domitianus ze vervolgde, hunne klachten niet waren zonder mijn weenen. + +85 En zóó lang door mij ginds werd vertoefd, herinnerde ik mij hunner, +en hunne rechte zeden deden me alle andere secten minachten; + +88 en vóór ik dichtende de Grieken leidde tot de stroomen van Thebe, had +ik den doop; maar uit vrees was ik een verholen Christen, + +91 langen tijd heidendom vertoonende: en deze lauwheid deed mij den +vierden ommegang meer dan het vierde honderd-tal van jaren omgaan. + +94 Gij nu, die het deksel hebt opgelicht, dat me verborg zóó groot een +goed, waarvan ik spreek, terwijl we door het stijgen overvloed van tijd +hebben, + +97 zeg mij, waar Terentius is, onze oude dichter, Caecilius, Plautus en +Varro, zoo gij het weet: zeg mij of zij veroordeeld zijn en in welk +kwartier.” + +100 „Dezen, en Persius, en ik, en vele anderen,” antwoordde mijn Gids, +„zijn te zamen met dien Griek, dien de Muzen zoogden meer dan ooit +eenigen anderen, + +103 in den eersten cirkel van den duisteren kerker. Dikmaals +onderhouden wij ons van dien berg, die onze voedsters altijd bij zich +heeft. + +106 Euripides is daar met ons, en Antifon, Simonides, Agathon en andere +Grieken meer, die weleer zich het voorhoofd met laurieren omkransten. + +109 Dààr ziet men van uwe persoonaadjen Antigone, Deïphile en Argia en +Ismene zoo treurende als zij was. + +112 Daar ziet men dengene, die de bron Langia wees; daar ziet men de +dochter van Tiresias, en Thetis, en met hare zusters Deidamia.” + +115 Toen zwegen alreeds beide de Dichteren, van nieuws erop gericht om +rondom te kijken, bevrijd van het stijgen en van de wanden; + +118 en reeds waren vier van de dienstmaagden des daags achter ons +gebleven, en de vijfde was aan den disselboom, den gloeienden boog vast +omhoog-richtende, + +121 wanneer mijn Gids: „Ik geloof dat het ons voegt de rechter +schouderen naar den rand te keeren, omgaande den berg gelijk wij +plegen.” + +124 Zóó was de gewoonte daar onze wegwijster, en we namen den weg met +minder argwaan door het goedkeuren van die waardige ziel. + +127 Zij gingen vóór, en ik alleen achter, en ik hoorde naar gesprekken +van hen, die mij verstand tot dichten hadden gegeven. + +130 Maar weldra verbrak de zoete redenen een boom, dien wij vonden +halverwege, met appelen zoet en goelijk om te ruiken. + +133 En gelijk een esscheboom naar omhoog afneemt van tak tot tak, zóó +deze naar omlaag; ik geloof opdat niemand er op ga. + +136 Aan die zijde, waar onze weg afgesloten was, viel van de rots een +helder vocht en verspreidde zich boven over de bladeren. + +139 De twee dichters naderden den boom; en eene stem binnen in het +loover riep: „Met deze spijs zult gij zuinig zijn.” + +142 Voorts zeide zij: „Meer dacht Maria, vanwaar de bruiloft eerlijk en +volkomen zoude zijn, dan aan haar mond, die nu voor u voorspraak doet. + +145 En de Romeinsche vrouwen van oudsher waren voor heur drinken +tevreden met water en Daniël versmaadde de spijs en verkreeg wetenschap. + +148 De eerste eeuw was zoo schoon als goud; ze maakte door honger de +eikels smakelijk en door dorst nectar van elke beek. + +151 Honig en sprinkhanen waren de gerechten, die den Dooper voedden in +de woestijn; waardoor hij roemrijk is en zóó groot, als u door het +Evangelie bekend is.” + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +DRIE EN TWINTIGSTE ZANG + + +Honger en Dorst, te feller gemaakt door de aanwezigheid van met ooft +beladen boomen en van opborrelende wateren, louteren op den ~zesden~ +Omgang de Gulzigaards, wier beangstigende magerheid beschreven wordt. +Dante ontmoet Forese de' Donati, die den lof spreekt van zijne weduwe, +en scherp gispt de schaamteloosheid der Florentijnsche vrouwen. + + * * * * * + +1 Terwijl ik door het groene loover de oogen vestte aldus, als degene +pleegt te doen die achter de vogelen zijn leven slijt, + +4 zeide de meer-dan-mijn-vader: „Mijn zoon, nu kom, daar de tijd, die +ons is opgelegd, nuttiger besteed wil worden.” + +7 Ik wendde het gezicht en den stap niet minder snel naar de Wijzen, die +aldus spraken, dat zij mijn gaan mij geen [vermoeienis] deden kosten. + +10 En zie een weenen en een zingen werd gehoord: „Labia mea, Domine”; op +zoodanig eene wijze dat het van geneugt en smart zwanger ging. + +13 „O zoete vader, wat is dat wat ik hoor?” begon ik; en hij: „Schimmen, +die gaan, wellicht den knoop van hunnen plicht ontknoopende. + +16 Gelijk de beêvaartgangers in gepeinzen gaande doen, achterhalende op +hunnen weg lieden hun onbekend, en zich tot dezen wenden en niet blijven +staan; + +19 aldus achter ons, sneller voortbewogen, aankomende en ons +passeerende, beöogde ons eene schare, zwijgend en devoot, van schimmen. + +22 Van oogen was elke donker en hol, bleek in het aangezicht en zóó [van +vleesch] ontdaan, dat de huid zich vormde naar het gebeente. + +25 Ik geloof niet dat aan het buitenst van de huid Erisichthon zóó droog +geworden was door vasten, wanneer hij er het meeste vrees voor had. + +28 Ik sprak, bij mijzelven denkende: „Zie de lieden, die Jerusalem +verloren, wanneer Maria haren eigen zoon verslond. + +31 De oogholten schenen een ring zonder edelgesteenten; wie in het +aangezicht der menschen leest: ~OMO~, zoude hier wèl de M hebben +herkend. + +34 Wie zoude gelooven dat de geur van een appel de menschen zóó havende, +begeerte opwekkende, en die van water, niet wetende hoe? + +37 Reeds was ik aan het verwonderen wat zoo hen doet hongeren, daar nog +niet openbaar was de oorzaak van hunne magerheid en van hun nare +schub-huid; + +40 en zie, uit het diep van zijn hoofd wendde eene schimme de oogen tot +mij en keek scherp; voorts riep hij met luider stemme: „Welke genade is +me dit?” + +43 Nooit hadde ik hem aan het aangezicht herkend; maar in zijne stem +werd mij openbaar dat wat het aangezicht in zich had verwoest. + +46 Die vonk ontstak wederom ganschelijk mijne kennis van dat veranderd +aangezicht, en ik herkende het gelaat van Forese. + +49 „Eilieve, geef geen aandacht aan de droge schurft, die mij de huid,” +zoo bad hij: „ontkleurt, noch aan het te-kort aan vleesch, dat ik hebbe; + +52 maar zeg mij de waarheid aangaande u, en wie zijn die twee zielen, +die daar u geleide doen; maar blijf niet zonder dat ge tot mij spreekt.” + +55 „Uw aangezicht dat ik weleer, toen het gestorven was, met tranen +overgoot, geeft mij nu niet minder smart om te weenen,” antwoordde ik +hem, „nu ik het zóó verdraaid zie. + +58 Daarom zeg mij, bij God, wat u zoo ontloovert; doe mij niet spreken, +terwijl ik mij over u verwondere, daar kwalijk spreken kan, wie van +andere begeerte vol is.” + +61 En hij tot mij: „Van den Eeuwigen Raad valt een vermogen in het water +en in de plant, die achter [ons] bleef, door welk [vermogen] ik zoo dun +word. + +64 Alle deze luiden, die weenende zingen, voor het volgen van hunne +matelooze gulzigheid, louteren zich hier door honger en dorst. + +67 Tot drinken en tot eten ontsteekt onze begeerte de geur, die uitgaat +van den appel en van de besproeiing, die verspreid wordt over het groen. + +70 En niet maar ééne maal, deze ruimte rondgaande, wordt onze pijn +ververscht; ik zeg „pijn,” maar ik moest zeggen „vertroosting”: + +73 daar de begeerte naar den boom ons leidt, die Christus blijde voerde +om te zeggen „Eli,” wanneer hij ons bevrijdde met zijn bloed.” + +76 En ik tot hem: „Forese, van dien dag, op welken gij de wereld +verwisseldet voor beter leven, zijn nog geen vijf jaar verloopen tot nu. + +79 Indien het vermogen om meerder te zondigen eerder in u werd +geëindigd, voordat de stonde gekomen ware van de heilzame smarte die ons +weder tot God terugbrengt, + +82 hoe zijt gij hierboven gekomen? Nog geloofde ik u daarbeneden te +vinden, waar tijd door tijd hersteld wordt.” + +85 En hij tot mij: „Zóó spoedig heeft mij geleid tot het drinken van den +zoeten alsem der martelingen mijne Nella met haar overvloedig weenen. + +88 Met hare toegewijde gebeden en met zuchten heeft zij mij getogen van +den rots-wand, waar men wacht, en heeft ze mij bevrijd van de andere +ommegangen. + +91 Zooveel te meer dierbaar en welgevallig aan God is mijn weeuwke, die +ik zóózeer beminde, als zij eenzamer is in het goed-doen; + +94 daar Barbagia op Sardinië in zijne vrouwen veel zediger is dan dat +Barbagia waar ik haar achterliet. + +97 O zoete broeder, wat wilt gij dat ik zegge? Een komende tijd is reeds +in mijn gezicht, voor welken deze stonde niet zeer oud zal zijn, + +100 in welken op pergament zal verboden zijn aan de schaamtelooze +Florentijnsche vrouwen het gaan, vertoonende boezem en borsten. + +103 Welke barbaarsche vrouwen waren er ooit, welke Saraceensche, voor +wie noodig ware geweest, om ze gekleed te doen gaan, of geestelijke of +andere tucht! + +106 Maar zoo de schaamteloozen wisten dat wat de radde hemel heur +bereidt, hadden ze nu reeds de monden open om te huilen. + +109 Daar, indien het vóórzien me niet misleidt, ze eerder treurende +zullen worden, dan degene de wangen behaard krijgt, die ~nu~ met 't +„suja, suja” wordt vertroost. + +112 Zoete broeder, nu maak dat ge me u niet meer verheelt; gij ziet dat +niet slechts ik, maar alle deze luiden turen daar waar gij het zonlicht +schut.” + +115 Waarom ik tot hem: „Zoo ge u wederom in den geest haalt hoedanig gij +met mij waart en ik met u, dan zal nog de herinnering u bezwaren. + +118 Van dat leven wendde degene, die mij te voren gaat, mij af, voor +eer-gisteren, wanneer de zuster van gene zich rond vertoonde + +121 (en ik wees naar de Zon). Deze heeft me geleid door den diepen nacht +der waarlijk gestorvenen, met dit mijn echte vleesch, dat volgt. + +124 Vandaar hebben zijne vertroostingen mij opgetogen, stijgende en +rondgaande den berg, die recht maakt u lieden, wie de wereld heeft +gekromd. + +127 Zóólang zeide hij mij tot zijn geleide te maken, tot dat ik zal zijn +waar Beatrice is: dáár voegt het dat ik zonder hem achterblijve. + +130 Virgilius is gene, die aldus tot mij sprak (en ik wees hem) en deze +andere is die schimme, om welke zooeven uw rijk alle zijne afhangen deed +schudden, daar het zich van hem ontlast.” + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +VIER EN TWINTIGSTE ZANG + + +Forese wijst Dante verscheidene zielen van ~Gulzigen~, onder anderen den +dichter Buonagiunta, die den Florentijn eene nieuwe liefde voorspelt, +en hem prijst om den te voren nooit gehoorden, zoeten stijl van zijne +gedichten. Na in duistere bewoordingen den dood van zijnen broeder Corso +te hebben voorzeid, gaat Forese van hen weg. Hunnen weg vervolgende, +hooren de Dichters bij een boom voorbeelden ter verschrikking voor de +gulzigen, en weinig later ontmoeten zij den Engel en vinden zij den +doorgang naar den hoogeren, den Zevenden Omgang. + + * * * * * + +1 Noch het spreken maakte het gaan, noch het gaan het spreken langzamer, +maar redeneerende gingen wij met kracht, zooals een schip, gedreven door +goeden wind. + +4 En de schimmen, die schenen dingen ten tweeden male gestorven, trokken +door de holten hunner oogen bewondering van mij, wanneer zij mijn leven +gewaar werden. + +7 En ik, mijn gesprek voortzettende, zeide: „Zij gaat wellicht +langzamer omhoog dan zij doen zoude, ter wille van den ander. + +10 Maar zeg mij, zoo gij weet, waar Piccarda is; zeg mij of ik personen +zie, (waardig) om op te merken, onder deze lieden, die zóó naar mij +kijken.” + +13 „Mijne zuster, die van schoon en goed ik niet weet wat meer was, +triumfeert reeds op den hoogen Olympus, blijde om hare kroon.” + +16 Zoo zeide hij eerst; en voorts: „Hier is niet verboden een elk te +noemen, vermits onze gelijkenis zóó weggeteerd is door de leefwijze. + +19 Deze (en hij wees met den vinger) is Buonagiunta, Buonagiunta uit +Lucca: en dat aangezicht ginds van hem, meer dan de andere uitgehold, + +22 had de heilige Kerk in zijne armen; van Tours was hij en boet door +vasten voor de paling van Bolsena en den witten wijn.” + +25 Vele anderen noemde hij één voor één, en in het noemen schenen allen +tevreden, zóó dat ik daarom geen enkelen donkeren blik zag. + +28 Ik zag van honger in het ijle de tanden gebruiken Ubaldijn dalla Pila +en Bonifazio, die met het spinrokken velen lieden tot herder was. + +31 Ik zag den heer Marchese, die weleer te Forli tijd had om te drinken +met minder droogte van keel en nochtans zoo was, dat hij zich niet +verzadigd voelde. + +34 Maar, gelijk hij doet die kijkt, en dàn het ééne meer prijst dan het +àndere, zóó deed ik met dien van Lucca, die meer van mij scheen te +willen weten. + +37 Hij mompelde; en ik en weet welke „Gentucca” werd ik gewaar daar, +waar hij de marteling der gerechtigheid gewaar werd, die hem zoo plukt. + +40 „O ziel,” zeide ik: „die zóó begeerig schijnt om met mij te spreken, +maak dat ik u versta, en bevredig u en mij door uw spreken.” + +43 „Eene vrouw is geboren, en zij draagt nog niet den hoofdband,” begon +hij: „die u mijne stad zal doen bevallen, hoe ook de menschen haar +bevitten. + +46 Gij zult henen-gaan met dit vóórzien: indien mijn mompelen u tot +dwalen zal hebben gebracht, zullen de feiten u verlichten. + +49 Maar zeg of ik hier zie degene die te voren bracht de nieuwe rijmen, +beginnende: „Vrouwen, die begrip van liefde hebt.”” + +52 En ik tot hem: „Ik ben er één die, wanneer de Liefde iet mij +inblaast, het opmerk en op die wijze waarop zij het binnen in mij +dicteert, voortga het opteekenende.” + +55 „O broeder, nu zie ik;” zeide hij: „den knoop, die den Notaris en +Guittone en mij weerhield aan deze zijde van den zoeten nieuwen stijl, +welken ik hoor. + +58 Ik zie wèl hoe uwe pennen op den voet dengene die dicteert, volgen, +hetwelk met de onze voorzeker niet geschiedde. + +61 En degene, die er zich toe zet de zaak verder te bekijken, hij ziet +niet meer van den éénen tot den anderen stijl.” En als tevreden gesteld, +zweeg hij. + +64 Gelijk de vogelen, die langs den Nijl verwinteren, wel eens in de +lucht eenen dichten drom van zich maken, dan meer met haast vluchten en +gaan in een streep; + +67 aldus [deden] de luiden, die daar waren: het aangezicht keerende, +verhaastten zij hun schrede, èn door de magerheid èn door de begeerte +licht zijnde. + +70 En gelijk de mensch, die door draven vermoeid is, de gezellen laat +gaan en in stap gaat totdat het snel op en neer gaan van de borstkas tot +bedaren komt; + +73 zoo liet Forese de heilige kudde voorbijgaan en ging achter mij aan, +zeggende: „Wanneer gebeure het dat ik u wederzie?” + +76 „Ik weet,” antwoordde ik hem: „niet hoelang ik leef; maar alreede zal +mijn keeren niet zoo snel zijn, of met het verlangen zal ik eerder aan +den oever zijn, + +79 omdat de plaats waar ik geplaatst ben om te leven, van dag tot dag +meer van het goede wordt ontdaan, en bestemd schijnt tot droeven +ondergang.” + +82 „Dan ga,” zeide hij: „daar ik hem, die er het meeste schuld aan +heeft, zie aan den staart van een beest getrokken naar dàt dal, waar men +nooit de schuld kwijt gaat. + +85 Het beest gaat bij elken stap sneller, altijd toenemende, totdat het +hem trapt en het lichaam schandelijk verminkt laat. + +88 Niet hebben véél meer te draaien deze raderen (en hij richtte de +oogen ten hemel) dat u duidelijk zal worden dat wat mijn zeggen niet +meer kan verduidelijken. + +91 Blijf gij nu achter, daar de tijd kostbaar is in dit rijk zóó, dat ik +te veel verlies door zóó gelijk met u op te loopen.” + +94 Gelijk wel eens in galop de ruiter uitgaat van de ruiterschare, die +optrekt, en gaat om zich de eer te geven van den eersten aanval; + +97 zóó scheidde hij van ons met groote schreden: en ik bleef terug met +die beiden, die van de wereld zóó groote maarschalken waren. + +100 En wanneer hij aldus voor ons was heengetreden, dat mijne oogen hem +[evenmin] konden volgen als mijn geest zijne woorden; + +103 verschenen mij de bezwaarde en levende takken van eenen anderen +appelboom, en niet verre verwijderd, daar wij eerst toen den weg +daarheen waren ingeslagen. + +106 Ik zag lieden onder hem de handen opheffen en schreeuwen ik en weet +niet wat naar het loover, als begeerige en wufte kinderen, + +109 die bidden, en de gebedene geeft geen antwoord; maar om hun begeerte +wèl hevig te maken, houdt hij wat zij begeeren hoog en verbergt het +niet; + +112 voorts gaan zij er van weg, als ontgoocheld; ook wij kwamen alsnu +tot den grootsten boom, die zoovele beden en tranen afscheept. + +115 „Passeert verder zonder hem te naderen; hooger op is een boom, +waarin gebeten werd door Eva, en deze plant stamt van gene af.” + +118 Aldus tusschen de twijgen zeide er een ik weet niet wie, waarom +Virgilius en Statius en ik, op elkaar gedrongen, verder passeerden aan +die zijde die opgaat. + +121 „Herinnert u,” zeide het: „de gemaledijden, in de wolken +geformeerden, die met tweevoudige borst, met wijn verzadigd, Theseus +bevochten: + +124 en van de Hebreeuwen, degenen, die bij het drinken zich week +betoonden, waarom Gideon ze niet tot gezellen wilde, wanneer hij te +Madian-waart van de heuvelen daalde.” + +127 Aldus, gedrongen tegen den eenen van de beide kanten, passeerden +wij, hoorend [voorbeelden van] schuld door gulzigheid, weleer gevolgd +door kwalijk bekomende winsten. + +130 Voorts, in het ruime gekomen over den vrijen weg, begaven wij ons +wel duizend en meer passen verder, ieder beschouwende zonder een woord. + +133 „Waarover denkende gaat gij aldus gedrieën alleen?” zeide plotseling +eene stem, waarop ik opschrok, zooals beesten doen verschrikt en +schichtig. + +136 Ik richtte het hoofd om te zien wie het was; en nooit zag men in een +oven glas of metaal zoo lichtend en rood, + +139 als ik er éénen zag, die zeide: „Zoo gij verlangt naar boven op te +gaan, voegt het u hier om te slaan; hier langs gaat al wie wil gaan ten +vrede.” + +142 Zijn aanblik had mij het gezicht genomen; waarom ik afsloeg achter +mijne leeraren, gelijk iemand die gaat volgens wat hij hoort. + +145 En gelijk, voorbode van het licht, de Mei-lucht ons aanvaart en +geurt, gansch bezwangerd door kruid en bloem; + +148 zóó voelde ik me een wind komen midden op het voorhoofd, en wel +voelde ik de veder bewegen die me den geur van ambrozijn deed ruiken; + +151 en ik hoorde zeggen „Wel-zalig wie zooveel genade verlicht, dat de +liefde tot [het genot van] den smaak in hun borst niet te veel verlangen +doet walmen, hongerende altijd zóóveel als gerecht is. + +[decoratieve illustratie] + + + + +VIJF EN TWINTIGSTE ZANG + + +Op den nauwen weg, die van den Zesden Omgang leidt tot den Zevenden en +laatsten, vraagt Dante aan zijnen Meester hoe het wezen kan dat men zóó +vermagert daar waar men geen voedsel noodig heeft. Virgilius geeft hem +eenig antwoord, en voorts vraagt hij Statius om hem meer tevreden te +stellen. Deze, heuschelijk het verzoek inwilligende, maakt zich op om te +spreken van de generatie van het menschelijk lichaam, van de instorting +van den geest daarin, en van de wijze van bestaan na den dood. Gekomen +boven op den Omgang, vinden zij dezen gansch bezet door vlammen, behalve +den uitersten tand, en ze zien geesten daardoor heen en weder loopen +eenen lofzang zingende en beroemde voorbeelden van kuischheid roepende. + + * * * * * + +1 Het was de stonde dat het stijgen geen uitstel gedoogde, daar de Zon +den middagcirkel voor den Stier, en de Nacht dien voor den Skorpioen had +vrijgemaakt. + +4 Waarom, gelijk de mensch doet, die niet stille staat, maar op zijnen +weg voortgaat, wat ook hem verschijne, als prikkel van nooddruft hem +steekt; + +7 aldus traden wij binnen door de heg-opening, één vóór den ander, de +trap nemende, die door nauwte de bestijgers één voor één doet gaan. + +10 En gelijk het ooievaars-jong, dat de vleugelen heft, uit begeerte tot +vliegen en zich niet waagt om het nest te verlaten, en ze weer strijkt; + +13 zóódanig was ik, met de begeerte tot vragen, ontvlamd èn gedoofd, +komende tot dàt gebaar, hetwelk maakt degene, die zich tot spreken zet. + +16 Niet liet om 't gaan, dat snel was, de zoete Vader mijn [het +spreken], maar hij zeide: „Schiet af den boog des sprekens, dien ge tot +het ijzer hebt gespannen.” + +19 Toen opende ik vreesloos den mond, en ik begon: „Hoe kan men mager +worden daar waar de nooddruft van het voeden [ons] niet raakt?” + +22 „Zoo ge u herinnerdet hoe Meleager wegteerde naar gelang van het +wegteren van een talhout, dàn ware,” zeide hij: „dit u niet zóó +moeilijk: + +25 en zoo ge bedacht hoe, naar uw verloop, uw beeld binnen den spiegel +verloopt, zoude dat wat u moeilijk schijnt, u gemakkelijk schijnen. + +28 Maar omdat gij gansch in uw begeeren opgaat, zie hier Statius, en hem +roep en verzoek ik, dat hij nu heeler zij van uwe wonden.” + +31 „Zoo ik hem den eeuwigen blik open,” antwoordde Statius: „daar waar +gij bij zijt, verontschuldig mij: u kan ik niet weigeren.” + +34 Voorts begon hij: „Zoo uw geest, mijn zoon, mijne woorden bewaart en +opneemt, zullen zij u worden een licht, voor het „hoe” dat gij zegt. + +37 Volmaakt bloed, dat nooit gedronken wordt door de dorstige aderen en +blijft als voedsel, dat ge van den disch opneemt, + +40 neemt in het hart een vormend vermogen tot [het vormen van] alle +menschelijke leden; gelijk dat [bloed] dat door de aderen gaat om zich +tot deze [tot ledematen] te maken. + +43 Nog [meer] verwerkt, daalt het tot waar het schooner is te zwijgen +dan te spreken; en vandaar voorts wordt het overgestort tot eens anders +bloed in een door de natuur daartoe bestemd vat. + +46 Daar komt het een en 't ander bloed te zamen, het een bestemd tot +lijden, het ander tot doen, wegens de volmaakte plaats [het hart] +vanwaar het wordt gestuwd; + +49 en is dàt gekomen, dan begint dit te werken, eerst het stremmende en +voorts maakt het levend dat wat 't door zijne stof deed tot vastheid +komen. + +52 Wanneer het doende vermogen tot ziel is geworden, als van eene plant, +maar zooverre verschillend, dat deze is op weg en gene [de plant] reeds +aan de kust [aangekomen], + +55 werkt het zóóveel uit, dat zij [de ziel] reeds zich beweegt en gewaar +wordt, als een zee-zwam; en daar begint [dat vermogen] in te richten de +vermogens, van welke het zijn oorsprong heeft. + +58 Nu ontvouwt zich, mijn zoon, en zet zich uit het vermogen, dat +[afkomstig] is uit het hart des verwekkers, vanwaar de natuur naar alle +ledematen [haar krachten] stuwt. + +61 Maar hoe hij van dier wordt redelijk wezen, dat ziet gij nog niet: +dit is zulk een punt dat het ook eenen wijzere, dan gij zijt, deed +dwalen; + +64 zóó dat hij, in zijne leer het ~mogelijk~ verstand gescheiden maakt +van de ziel, omdat hij van dat verstand geen orgaan ziet in beslag +genomen. + +67 Open de borst voor de waarheid, die komt, en weet dat, zoodra bij de +ongeboren vrucht de bewerktuiging der hersenen is voltooid, + +70 de Schepper [Eerste Veroorzaker] zich daartoe keert blijde, over zóó +groot gewrocht der natuur, en het inblaast eenen nieuwen levensgeest van +deugd vervuld, + +73 die den werkenden geest, dien hij daar vindt, tot zijne +zelfstandigheid trekt, en daarmede wordt tot ééne ziel, die leeft en +gewaar wordt en tot zich zelve terugkeert. + +76 En opdat gij minder u verwondert over mijne woorden, zie naar de +warmte der zon, die wijn wordt, verbonden met het vocht, dat van den +wingerd doorzijgt. + +79 En wanneer Lachesis geen draad meer heeft, ontbindt zij [de ziel] +zich van het vleesch, en neemt in mogelijkheid met zich èn het +menschelijke èn het goddelijke. + +82 [Dan zijn] alle de andere vermogens stom; [maar] geheugen, begrip en +wil, in hunne werking, veel scherper dan te voren. + +85 Zonder vertoeven, komt zij uit zich zelve op wonderdadige wijze neder +op eene van de oevers; dáár eerst verneemt zij haren weg. + +88 Zoodra eene plaats haar daar aan zich bindt, straalt het vormend +vermogen rondom uit, in zoo groote en zoodanige mate als in de levende +leden. + +91 En gelijk de lucht, wanneer die gansch gedrenkt is van regen, door de +zonnestralen, die in haar worden weerkaatst, met bonte kleuren zich +toont getooid; + +94 zoo schikt zich de naburige lucht in zulke gestalte, welke in haar +stempelt door haar vermogen de ziel die daar in stand hield: + +97 en voorts gelijkende de vlam, die met het vuur meeloopt waarhenen +zich dat ook begeeft, volgt den geest zijne nieuwe gestalte. + +100 Omdat hij voortaan dáárvan zijn voorkomen heeft, wordt hij ~schimme~ +of ~schaduw~ genoemd, en daarin vormt hij zich alle zintuigen tot +[zelfs] het gezicht. + +103 Dáárin nu spreken, daarin nu lachen wij, daarin maken wij de tranen +en de zuchten, de welke gij langs dezen berg hebt kunnen ontwaren. + +106 Al naar de wijze waarop de begeerten en de andere aandoeningen ons +aandoen, vormt zich de schimme, en dat is de oorzaak van wat gij, u +verwonderend, aanschouwt.” + +109 En reeds was tot de laatste pijniging gekomen door ons, en gekeerd +ter rechterhand en we waren aandachtig tot andere zorge. + +112 Daar werpt de rotswand vlammen van zich uit, en de rand blaast adem +naar boven, die de vlam terug dringt en haar ver van den rand houdt. + +115 Zoodat het ons voegde te gaan aan den openen kant, één voor één, en +ik vreesde het vuur hier, en ginds vreesde ik het vallen naar beneden. + +118 De Gids mijn zeide: Langs deze plaats moet men aan de oogen strak de +teugels houden, omdat men dwalen kon door kleinen [misstap]. + +121 „Summae Deus clementiae” hoorde ik toen zingen in den boezem van den +grooten brand, hetwelk niet minder deed mij er op bedacht zijn me +daarheen te wenden. + +124 En zielen zag ik gaand door de vlammen, waarom ik schouwde naar hen +en naar mijne schreden, het kijken nu en dan afwisselende. + +127 Na het einde, dat aan het zingen werd gemaakt, riepen zij luide: +„Virum non cognosco;” voorts herbegonnen zij den zang met zachtere +stemmen. + +130 Was het uit, wederom zongen zij: „In het woud hield zich Diana op, +en Elice joeg zij er uit, daar die Venus' aanraking had gevoeld.” + +133 Voorts wendden zij zich tot het zingen; voorts riepen zij [namen +van] vrouwen en van gehuwde mannen die kuisch waren, gelijk deugd en +huwelijk hun opgelegd had. + +136 En deze wijze, geloof ik, dat voor hen volstaat, gedurende den +ganschen tijd dat het vuur hen brandt: met zulke zorge en met zulke +spijze voegt het dat de laatste wonde zich sluite. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +ZES EN TWINTIGSTE ZANG + + +Zij, die zich te buiten gingen in genietingen, louteren zich van dit +onreine vuur, te midden van de vlammen den berg omkringende in twee +aan elkaar tegengestelde scharen. Dante onderhoudt zich met Guido +Guinicelli, en voorts met Arnaut Daniel, Provençaalsch dichter. + + * * * * * + +1 Terwijl aldus langs den rand, de een voor den ander, wij voortgingen, +zeide dikmalen de goede Meester: „Wees op uwe hoede; verheug u dat ik u +beschut.” + +4 Op den rechter schouder trof mij de zon, die reeds, stralende, gansch +het Westen van hemelsch blauw verschieten deed tot eenen witten aanblik; + +7 en ik deed met mijne schaduwe de vlam meer blozend verschijnen, en +toch reeds op zoo klein een kenteeken zag ik vele schimmen, al gaande, +hunne aandacht vesten. + +10 Dit was de oorzaak, die hun eenen aanvang gaf om te spreken van mij; +en zij begonnen te zeggen: „Deze blijkt geen schijn-lichaam.” + +13 Voorts maakten eenigen zóóverre als zij konden, zich op tot mij, +altijd met zorge niet uit te gaan tot daar waar zij niet zouden worden +verbrand. + +16 „O gij, die gaat, niet omdat gij trager zijt, maar wellicht uit +eerbied, achter de anderen, antwoord mij, die in dorst en in vuur +brande: + +19 en niet alleen mij is uw antwoord van noode; daar alle dezen er +grooteren dorst naar hebben, dan naar koud water Indiaan of Ethiopiër. + +22 Zeg ons hoe het is dat gij van u zelven eenen muur maakt voor de zon, +alsof gij nog niet binnen het net des doods waart getreden.” + +25 Zoo sprak mij één van dezen en ik zoude mij reeds hebben geopenbaard, +zoo ik niet oplettend ware geworden op andere nieuwigheid, die toen zich +voordeed: + +28 daar door het midden van den in brand gestokenen weg lieden kwamen +met het aangezicht genen tegemoet, welke mij vol verwachting maakten om +toe te zien. + +31 Daar zie ik van elken kant elke schim zich haasten, en de een de +ander kussen, zonder stille te staan, tevreden met zóó kort festijn. + +34 Aldus binst hunne donkere schare raakt de eene de andere mier met den +snuit, wellicht om te speuren elkander reize en elkanders lot. + +37 Zoodra zij uitéén gaan van de lievende begroetenis, nog voor zij tot +de eerste schreden zich bewegen, bemoeit zich elke boven de anderen uit +te schreeuwen, + +40 de nieuwgekomen luiden: „Sodom en Gomorrah!” en de anderen: „In de +koe kroop Pasiphaë, dat de stier tot haar minneweelde kwam.” + +43 Voorts, als kraanvogels, die vlogen deels naar de Ripaeische bergen, +deels naar de zanden [der woestijnen], dezen de koude, genen de zonne +schuwende; + +46 het ééne volk gaat henen, het andere komt, en zij keeren weenende tot +hunne eerste liederen, en tot dien kreet, die hun het meest voegelijk +is; + +49 en zij praaiden mij wederom, gelijk te voren, diezelfden die mij +hadden gebeden, en vol aandacht waren zij om te luisteren in hun +voorkomen. + +52 Ik die twee malen hun begeerte had gezien, begon: „O zielen verzekerd +van te hebben, wanneer het ook zij, eenen staat van vrede, + +55 niet zijn mijne ledematen noch onrijp noch rijp aan gene zijde +gebleven, maar zij zijn hier met mij met hun bloed en met hunne +samenvoegingen; + +58 daar omhoog ga ik om niet langer blind te zijn: eene vrouw is omhoog, +die de genade voor mij heeft gewonnen, door welke [genade] ik mijn +sterfelijk [deel] door uwe wereld tors. + +61 Maar zóó waarlijk uwe grootere begeerte spoedig verzadigd worde, +zóódat de hemel u herberge, die vol is van liefde en zich al wijder +ruimt, + +64 zeg mij, opdat ik er nog papieren mee bestrepele, wie zijt gij, en +wie is gene drom, die weg gaat achter van uwe ruggen?” + +67 Niet anders ontstelt zich verstomd de bergbewoner, en schouwende +staat hij sprakeloos, wanneer hij, ruw en onbehouwen ter stede komt, + +70 als elke schim in haar voorkomen deed; maar nadat zij ontlast waren +van de ontsteltenis die in hooge harten dra zich matigt: + +73 herbegon degene die het eerst had gevraagd: „Welzalig gij, die van +onze gewesten, de hoop medeneemt om beter te leven! + +76 De lieden die niet met ons mede gaan, misdeden in dat, waarom +voorhenen Caesar, triompheerende, zich in zijn gezicht, „koningin” +hoorde noemen; + +79 daarom gaan zij henen „Sodom” roepende, in zich gispende, gelijk gij +gehoord hebt, en helpen zij den brand door zich te schamen. + +82 Onze zonde is die van Hermafrodiet; maar omdat wij niet hielden +menschelijke wet, als beesten onzen lust volgend, + +85 wordt tot onze eigene schande door ons aangeroepen, wanneer wij van +elkanderen gaan, de naam van degene die zich tot beest maakte in het tot +beest gemaakte hout. + +88 Nu weet gij onze daden en weet waaraan wij schuldig waren; zoo ge +wellicht bij name weten wilt wie [allen] we zijn; er is geen tijd om het +te zeggen en gij zult het niet weten. + +91 Den wensch echter omtrent mij zal ik u bevredigen; ik ben Guido +Guinicelli, en reeds word ik gelouterd daar 't mij wel rouwde vóór mijn +levens-einde.” + +94 Hoedanig bij de droefenis van Lycurgus de twee zonen werden op het +weerzien der moeder, zóó werd ik, maar niet tot zóó groote daad verrijs +ik, + +97 wanneer ik zich zelven noemen hoorde den vader van mij en zoovele +anderen, die beter zijn dan ik, die ooit in rijmen, zoete en gevallige, +spraken van minne: + +100 en zonder te hooren en te spreken ging ik peinzende eene lange wijle +hem aanziende, toch kwam ik wegens het vuur hem niet nader. + +103 Toen ik van hem te zien verzadigd was, bood ik mij hem bereid tot +zijnen dienst, met zulke verzekering als iemand doet gelooven. + +106 En hij tot mij: „Gij laat door wat ik hoor, in mij zulk een spoor +en zoo duidelijk, dat Lethe het niet kan wegnemen of verduisteren. + +109 Maar zoo zooeven uwe woorden de waarheid bezwoeren, zeg mij wat de +reden is waarom gij toont in uw spreken en uw blikken mij lief te +hebben.” + +112 En ik tot hem: „De zoete woorden uwe, die, zoolang de hedendaagsche +spreekwijze zal duren, de geschriften waarin ze bevat zijn, zullen +dierbaar maken.” + +115 „O broeder,” zeide hij: „gene, dien ik u aanwijs met den vinger (en +hij wees voor ons uit er éénen met den vinger aan), was beter werkman in +de moederlijke sprake. + +118 Gedichten van minne en proza-verhalen, hij overtrof ze alle en laat +de dwazen [vrij] zeggen die gelooven dat die van Limoges hèm overtreft. + +121 Zij richten de gezichten meer naar het gerucht dan naar de waarheid +en aldus vesten zij hunne meening vóórdat kunst of rede door hen wordt +gehoord. + +124 Aldus deden vele ouden met Guittone, de één den ander nasprekend om +hem lof te geven, totdat met meerdere personen de waarheid hem heeft +overwonnen. + +127 Dies, indien gij zoo ruim een voorrecht hebt, dat het u veroorloofd +zij te gaan tot het klooster, in het welk Christus abt is van het +Collegium, + +130 doe bij hem voor mij een Pater noster, tot zóóver als wij nog in +deze wereld noodig hebben, waar we nu niet meer het vermogen tot +zondigen hebben.” + +133 Voorts, wellicht om eene tweede plaats te geven aan een ander, dien +hij bij zich had, verdween hij in het vuur, gelijk door het water een +visch die naar den bodem gaat. + +136 Ik ging een weinig naar voren tot dengene, die mij gewezen was, en +zeide dat mijn verlangen zijnen naam een welgevallige plaats inruimde. + +139 Hij begon vrijmoediglijk te zeggen: „Zoozeer bevalt mij uwe hoofsche +vraag, dat ik me u noch kan noch wil verbergen. + +142 Ik ben Arnaut, die ween en ga zingende; herdenkend zie ik mijne +vroegere dwaasheid, en blijde zie ik de blijdschap die ik weldra hope. + +145 Nu bid ik u bij dat vermogen, dat u geleidt tot den top, die is +zonder koude en zonder warmte, gedenk mijne smart te lenigen.” + +148 Voorts verborg hij zich in het vuur dat hem nabij was. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +ZEVEN EN TWINTIGSTE ZANG + + +De Engel, die den toegang bewaakt, waarschuwt de Dichters dat om te +stijgen ze door de vlammen moeten gaan. Bij deze aankondiging wordt +Alighieri ontsteld en weifelt, totdat hij, door den Meester getroost, +den doortocht doet. Op de trap overvalt hen bijna plotseling de nacht. +Dante slaapt in en heeft een droom-gezicht. Wanneer hij met den dag den +tocht hervat heeft, komt hij aan het aardsche Paradijs, waar Virgilius +hem zegt dat nu zijn taak is volbracht en dat hij hem van nu aan zijn +eigen heer laat zijn. + + * * * * * + +1 Gelijk wanneer de Zon hare eerste stralen drilt, daar waar haar Maker +zijn bloed vergoot, terwijl de Ebro onder de hooge Weegschaal valt, + +4 en de wateren van den Ganges door den noen worden geschroeid, zóó +stond de Zon; waarom de Dag wegging, wanneer de Engel Gods blijde ons +verscheen. + +7 Buiten de vlam stond hij op den rand, en zong: „Zalig de reinen van +harte,” in stemme veel meer levend dan de onze. + +10 Voorts: „Verder gaat men niet, zoo niet te voren, o heilige zielen, +het vuur u bijt; treedt er binnen, en weest niet doof voor het zingen +van ginds,” + +13 sprak hij tot ons, toen wij hem nabij waren; waardoor ik zoo werd, +toen ik hem verstond, als degene is, die in den kuil wordt gelegd. + +16 De gevouwen handen opheffende, strekte ik mij naar voren, ziende naar +het vuur en mij heftig verbeeldende menschelijke lichamen, die ik wel +eens in brand gestoken had gezien. + +19 Tot mij wendden zich mijne goede geleiders en Virgilius zeide tot +mij: „Zoon mijn, hier kan marteling zijn, maar geen dood. + +22 Herinner u, herinner u.. en, zoo ik boven op dien Gerion u veilig heb +geleid, wat zal ik doen nu ik ben veel nader bij God? + +25 Geloof voorzeker dat, al stondt ge binnen de bedding van dit vuur wel +duizend jaren, het u niet één haar kaler konde maken. + +28 En zoo gij wellicht geloovet dat ik u bedriege, maak u op tot de +vlam, en laat het u bewijzen met uwe handen aan den zoom van uwe +slippen. + +31 Leg af van nu, leg af alle vreeze: keer u ginds heen en kom onbezorgd +tot den overkant.” + +En ik [bleef] stil, ook tegen [beter] weten. + +34 Toen hij mij nochtans zag blijven staan, stil en onbewegelijk, [toen] +een weinig onthutst, zeide hij: „Nu zie, zoon, tusschen Beatrice en u is +deze muur.” + +37 Gelijk bij den naam van Thisbe Piramus vlak voor den dood de oogleden +opende en naar haar keek, ten tijde dat de moerbei bloedrood werd; + +40 alzoo, toen mijne hardheid zacht was gemaakt, keerde ik mij tot den +wijzen Gids, den naam hoorende, die altijd in mijnen geest weerbaûwt. + +43 Waarom hij het hoofd schudde en zeide: „Hoe nu, willen we hier +blijven?” Dan glimlachte hij, gelijk men tot het kindje doet, dat zich +laat winnen door den appel. + +46 Voorts binnen-in het vuur vóór mij begaf hij zich, Statius +verzoekende achter aan te komen, die eerst op langen weg ons [beiden] +scheidde. + +49 Toen ik er in was, zoude ik mij in kokend glas geworpen hebben om mij +te verfrisschen, zóó mateloos was daar de brand. + +52 De zoete vader mijn, om mij te troosten, ging steeds voort sprekende +van Beatrice, zeggende: „'t Is me of ik reeds haar oogen zag.” + +55 Ons geleidde eene stemme, die zong van ginds; en wij steeds +oplettende op haar, kwamen er uit daar waar men opging. + +58 „Venite, benedicti Patris mei,” klonk het binnen in een licht, dat +dáár was, zoo sterk dat het mij verwon en ik het niet kon zien. + +61 „De zon gaat henen,” voegde hij er aan toe: „en de avond komt; houd u +niet op, maar versnel den pas, terwijl het Westen nog niet zwart wordt.” + +64 Recht steeg de weg binnen de rots, naar zoodanig een kant dat ik vóór +mij wegnam de stralen der zon, die reeds laag was. + +67 En van weinig treden namen wij de proef, wanneer ik en mijne wijzen +gewaar werden aan de schaduw, die uitdoofde, dat de zon achter ons zonk. + +70 En voor in alle zijne onmetelijke deelen de horizont van éénen +aanblik was geworden, en de Nacht over alles was verdeeld, + +73 had elk van ons van eene trede zich een bed gemaakt, daar de aard +van den berg ons meer het vermogen dan het geneugt tot stijgen had +benomen. + +76 Gelijk de geiten al herkauwende mak worden, die snel en dartel waren +op de toppen, voor zij hebben gevroegmaald, + +79 zwijgende in de schaduw, terwijl de zonne brandt, gehoed door den +herder, die op den staf zich heeft geleend, en hen van rust dient; + +82 en gelijk de kudde-hoeder, die buiten huist, en bij zijn vee rustig +overnacht, wakende dat geen wild dier ze verstrooie; + +85 zóó waren wij gedrieën alstoen, ik als geitje en zij als herderen, +ommuurd van hier en ginds door de grot. + +88 Weinig kon daar zichtbaar worden van buiten; maar dóór dat weinige +zag ik de sterren meer dan naar hunne gewoonte helder en groot. + +91 Aldus herkauwende en gene [de starren] bespiedende, vatte mij de +slaap; de slaap die vele malen, eer het feit bestaat, de nieuwstijdingen +weet. + +94 In de ure, geloof ik, dat uit het Oosten het eerst op den berg +straalde Cytherea, die van minnevuur altijd brandende schijnt, + +97 docht ik mij jong en schoon in den droom eene vrouw te zien gaan door +eene landouw, bloemen plukkende; en zingende zeide zij: + +100 „Hij wete, wie ook naar mijnen naam mocht vragen, dat ik Lea ben en +ga bewegende in het rond de schoone handen om mij eenen bloemslinger te +maken. + +103 Om mij zelve in den spiegel te gevallen sier ik mij hier; maar mijne +zuster Rachel gaat nooit van haren spiegel, maar zit den ganschen dag. + +106 Zij is om hare eigene schoone oogen te zien zóó begeerig, als ik om +mij te tooien met mijne handen; haar geeft het zien, mij het arbeiden +den vrede.” + +109 En reeds, door de glanzen die komen voor het licht, die den te +beê-vaart-gaanden zóóveel te aangenamer rijzen, als zij, weerkeerende, +minder verre vernachten, + +112 vluchtten de duisternissen van alle kanten, en mijn slaap met haar; +waarom ik oprees, ziende de groote Meesters reeds gerezen. + +115 „Die zoete appel, welken door zoovele takken zoekende gaat de zorg +der stervelingen, zal heden uwen honger te vrede stellen.” + +118 Virgilius gebruikte te mij-waart zoodanige woorden, en nooit waren +er lekkernijen, die aan gene gelijk waren om te behagen. + +121 Zóó groote begeerte boven begeerte kwam mij om boven te zijn, dat ik +bij elke schrede voortaan als om te vliegen mij de vleugelen voelde +wassen. + +124 Toen de gansche trap onder ons was afgeloopen, en wij op de bovenste +trede waren, vestte Virgilius zijne oogen op mij, + +127 en zeide: „Het tijdelijk vuur en het eeuwige, hebt gij gezien, Zoon, +en zijt gekomen in een deel waar ik uit mijzelven niet verder +onderscheide. + +130 Getrokken heb ik u hierheen met verstand en met kunst; neem alsnu uw +eigen wèlgevallen als leids-man; gij zijt buiten de steile wegen, buiten +de enge. + +133 Daar zie de Zon, die u op het vóórhoofd licht; zie het kruid, zie de +bloemen, de boomkens, welke deze grond alleen uit zich zelven +voortbrengt. + +136 Terwijl blijde [tot u] komen de schoone oogen die, weenende, mij +tot u deden komen, kunt gij zitten en tusschen dezen henengaan. + +139 Wacht noch mijn zeggen meer, noch mijne aanwijzing: vrij, recht, +gezond is uwe keuze: en falen ware het, niet te doen naar zij verkiest; + +142 waarom ik u over u zelven kroon met kroon en mijter.” + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +ACHT EN TWINTIGSTE ZANG + + +Hier wordt met betooverende verwen geschilderd het gelukzalig verblijf, +geboden door het aardsch Paradijs. Alighieri schrijdt daar eenigen tijd +door voort, wanneer een stroompjen hem het verdergaan belet. Eene vrouwe +van wonderlijke schoonheid vertoont zich hem aan den anderen kant, zij +verklaart hem de gelegenheid der plaats en beantwoordt de door hem +gestelde vragen. + + * * * * * + +1 Begeerig om alhaast van binnen en rondom het goddelijk woud te +doorzoeken, dat dicht en levendig was, en voor de oogen den nieuwen dag +matigde, + +4 verliet ik zonder langer te wachten den zoom, langzaam aan den weg +door het landschap nemende over den grond, die van allen kant geurde. + +7 Een zacht koeltje, zonder verandering in zich te hebben, sloeg mij +voor het voorhoofd, niet met meer slag dan liefelijke wind; + +10 door hetwelk de looveren, snel trillende, alle negen naar die zijde, +waar de heilige berg de eerste schaduw werpt; + +13 niet daarom nog dat ze zoo recht-op gespreid werden dat de vogeltjes +door hunne toppen aflieten van al hunne kunsten uit te oefenen, + +16 maar met volle blijdschap ontvingen zij zingende de eerste uren +binnen de looveren, welke bij hunne rijmen zulk een gegons aanhielden, + +19 als dat, hetwelk van tak tot tak zich gaart door het pijnenwoud over +het kustland van Classis, wanneer Aeolus den Sirocco naar buiten +loslaat. + +22 Reeds hadden de langzame voetstappen mij zooverre binnen in het oude +woud gebracht, dat ik niet kon herzien van waar ik het binnen getreden +was: + +25 en zie, het verder gaan benam mij eene beek, die naar de slinker hand +met hare kleine golfjes het gras neigde, dat op haar oever groeide. + +28 Alle de wateren die daar ginds de zuiverste zijn, zouden schijnen de +een of andere aanlenging in zich te hebben, vergeleken met dit, hetwelk +niets verbergt, + +31 hoewel het zich al donkerlijk voortbeweegt onder de gedurige schaduw, +die daar nooit zon of maan toelaat te schijnen. + +34 Met de voeten hield ik stand en met de oogen stak ik over naar +gindsche zijde van het stroompje, om de groote bontheid der frissche +meien te bewonderen: + +37 en daar verscheen mij, zooals plotseling verschijnt een ding, dat +door wonderbaarlijkheid al ander denken van den weg leidt, + +40 eene vrouw in haar eentje, die ging al zingende en al plukkende bloem +na bloem, met welke haar gansche weg beschilderd was. + +43 „Ei, schoone vrouw, die aan de stralen der liefde u warmt, indien ik +wil gelooven de verschijnselen, die plegen te zijn getuigenis van het +hart; + +46 kome u de wil u voorwaarts te bewegen,” zeide ik, „nader naar deze +rivier, zoodat ik verstaan kunne dat wat gij zingt. + +49 Gij doet mij gedenken waar en hoedanig-eene Proserpina was toen hare +moeder haar en zij hare lente verloor.” + +52 Zooals zich draait, met de voetzolen dicht bij de aarde en bij +elkander gehouden, eene vrouw, die danst en nauwelijks den éénen voet +voor den anderen zet; + +55 draaide zij zich over de bloed-roode en de gele bloempjes te +mij-waart, niet anders dan als eene maagd, die de eerlijke oogen +nederslaat; + +58 en zij maakte dat mijne beden bevredigd werden, zich zóó nabij mij +begevend, dat het zoete geluid tot mij kwam mèt wat het beduidde. + +61 Zoodra ik daar was, waar de gras-sprietjes reeds bespoeld worden door +de golven van den schoonen stroom, deed zij mij het geschenk van de +oogen op te slaan. + +64 Ik geloof niet dat bij Venus zóóveel licht onder de wenkbrauwen +schitterde, wanneer zij door haren zoon, gansch tegen diens gewoonte, +[met een pijl] was getroffen. + +67 Zij lachte nu recht-op gericht van den anderen oever, velerlei +kleuren met hare handen hanteerende, welke de hooge aarde zonder zaad +deed ontspruiten. + +70 De stroom maakte ons drie passen van elkander verwijderd, maar de +Hellespont, daar waar Xerxes er over trok, nog steeds toom aan alle +menschelijke hoovaardijen, + +73 werd niet meer gehaat door Leander, omdat hij golfde tusschen Sestos +en Abydos, dan die rivier door mij, omdat zij zich toen niet voor mij +opende. + +76 „Gijlieden zijt hier nieuw, en misschien omdat ik lach,” zeide zij: +„in deze plaats, voor het menschelijk geslacht uitverkoren tot zijn +nest, + +79 houdt u in uwe verwondering een argwaan; maar de psalm, „Want gij +hebt mij verblijd,” geeft u licht, hetwelk uw verstand van den nevel kan +bevrijden. + +82 En gij, die vóór mij zijt en mij gebeden hebt, zeg of gij iets anders +wilt hooren, opdat ik dadelijk kome tot alle vraag van u, zoodat ik u +voldoe.” + +85 „Het water,” zeide ik: „en het geluid van het woud bestrijden binnen +in mij een nieuw geloof over eene zaak, die ik hoorde, tegengesteld aan +deze.” + +88 Waarop zij: „Ik zal zeggen hoe het voortkomt uit zijne oorzaak, dat, +hetwelk u doet verwonderd zijn, en ik zal den nevel weg doen, die u +verbijstert. + +91 De hoogste Goedheid, die alleen aan zichzelve behaagt, heeft den +mensch goed gemaakt; en zij gaf hem het goed van deze plaats tot pand +van eeuwigen vrede. + +94 Door zijn vergrijp woonde hij hier weinig tijd; door zijn vergrijp +verkeerde hij in klacht en in verdriet eerlijk lachen en aangenaam spel. + +97 Opdat de werveling, welke de uitwasemingen van het water en van de +aarde beneden veroorzaken (die zooveel zij kunnen de warmte achterna +gaan), + +100 den mensch geenerlei warrigheid zoude maken, rees deze berg zooverre +hemelwaarts en is hij vrij van daar af, waar hij gesloten wordt. + +103 Daar nu in den ganschen omtrek de lucht draait met het eerste +gewelf, indien haar de omgang niet op eenige plek is verbroken, + +106 daarom treft op deze hoogte, die gansch los is in de levende lucht, +zulk eene beweging het bosch en doet het ruischen daar het dicht is. + +109 En de getroffen plant vermag zooveel dat zij met haar vermogen de +lucht drenkt, en dat vermogen voorts ronddraaiende, rondstrooit. + +112 En de overige aarde, naardat zij waardig is door zich zelve of door +haar hemelstreek, ontvangt en brengt voort verscheiden gewas van +verscheiden vermogen. + +115 Voortaan zal het u dus niet meer verwonderlijk schijnen, nu gij dit +gehoord hebt, wanneer eenige plant zonder zichtbaar zaad hier op-spruit. + +118 En gij moet weten dat de heilige landouw, waarin gij zijt, van alle +gewas vol is, en gewas in zich heeft dat aan gindsche zij niet geplukt +wordt. + +121 Het water, dat gij ziet, ontspringt niet van een ader, welken damp +herstelt, door vorst bekeerd, zooals een stroom die buiten adem en bij +adem komt; + +124 Maar het komt uit een gestadige en zekere bron, die zooveel aan den +wil van God ontneemt, als zij vergiet naar twee zijden open. + +127 Naar deze zijde daalt het met een vermogen, dat iemand de heugenis +der zonde ontneemt; naar de andere zijde, hergeeft zij die van alle +goede daad. + +130 Hier heet zij Lethe, en zoo aan de andere zijde Eunoë en zij werkt +niet als zij niet van deze en van gene zijde geproefd is. + +133 Alle andere smaken gaat zij te boven. En hoewel uw dorst genoegzaam +kan verzadigd zijn, zoodat ik u niet meer ontvouwe, + +136 zal ik u uit gevalligheid nog een kransje geven; en ik geloof dat +mijn spreken u niet minder lief zal zijn, indien het boven belofte met u +weiden gaat. + +139 Diegenen die van oudsher dichtten van de Gouden Eeuw en haren +gelukkigen staat, droomden die plaats wellicht op den Parnas. + +142 Hier was de menschelijke oorsprong onschuldig; hier is altijd lente +en hier is alle gewas; dit is de nectar, waarvan ieder spreekt.” + +145 Toen wendde ik mij ganschelijk achter-om naar mijne dichters, en ik +zag dat zij met een lach de laatste uitlegging hadden vernomen. + +148 Voorts keerde ik het gezicht naar de schoone vrouw. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +NEGEN EN TWINTIGSTE ZANG + + +Terwijl de Dichter voortgaat langs de rivier, met gelijken tred de +Vrouwe volgende, die aan gene zijde der rivier is, wordt hij door haar +gemaand aandachtig te zijn; en zie, plotseling doorloopt een glans het +woud èn eene zoete melodie; waarop volgt een schouwspel vol wonder en +mysterie. + + * * * * * + +1 Zingende als eene Vrouwe, die verliefd is, vervolgde zij om hare +woorden te eindigen: „Gelukzalig degenen, wier zonden verborgen zijn.” + +4 En als nimfen, die eenzaam gaan door de woudschaduwen, begeerende +dezen om de zon te ontvluchten, genen om haar te zien, + +7 bewoog zij zich stroom-op-waarts, gaande op den oever en ik +gelijkelijk met haar, haar kleine schrede met kleine schrede volgende. + +10 Nog waren er geen honderd schreden bij elkaar door haar en mij +afgelegd, wanneer de oevers gelijkelijk eene zwenking maakten, derwijze +dat ik mij naar het Oosten begaf. + +13 Noch ook zóó was onze weg lang, wanneer de Vrouwe zich gansch te +mij-waart keerde, zeggende: „Broeder mijn, schouw en luister.” + +16 En zie, plotseling liep een luister van alle kanten door het groote +woud, zóódat het mij in vermoeden bracht dat het bliksemde. + +19 Maar omdat het bliksemen, gelijk het kwam, bleef en het, durende, +meer en meer straalde, zeide ik in mijne gedachte: „Wat is dit?” + +22 En eene zoete melodie liep door de lichtende lucht: waarom goede +ijver mij deed laken de vermetelheid van Eva, + +25 die dáár, waar hemel en aarde gehoorzaam was, zij de eenige vrouw, en +wel zoo even geschapen, 't niet gedroeg onder eenigen sluier te blijven: + +28 onder welken ik, als zij onderdanig ware geweest, die +onuitsprekelijke geneugten hadde gevoeld voormaals, en voorts in +eeuwigheid. + +31 Terwijl ik voortging, mids zóó groote eerstelingen van het eeuwige +geneugt, gansch in verrukking, en begeerig tot nog meerdere +blijdschappen, + +34 toen werd vóór ons, als een ontstoken vuur, aldus de lucht, onder de +groene takken, en het zoete geluid werd reeds gehoord als een lied. + +37 O onaantastbare Maagden, zoo ik ooit honger, koude of nacht-wake voor +u doorstond, nu noopt mij de gelegenheid dat ik loon daarvoor eische. + +40 Nu voegt het dat de Helicon zich voor mij vergiete, en Urania mij +helpe met haar koor, om dingen, die zwaar zijn te denken, in verzen te +zetten. + +43 Weinig later deed ons den schijn zien van zeven boomen van goud de +lange tusschen-ruimte, die nog tusschen hen en ons was; + +46 maar wanneer ik zoo nabij hen was gekomen, dat het verkeerd geziene +voorwerp, dat den zin misleidt, door den afstand geen enkel onderdeel +kwijt ging; + +49 ontwaarde dat vermogen, dat der rede de stoffe toedient, ze zooals ze +waren: als kandelaren, en in de stemmen van het zingen: „Hozanna.” + +52 Van boven vlamde dat schoon gerei veel heller dan maan aan +wolkenloozen hemel des middernachts in 't midden van haar maand. + +55 Ik keerde mij vol verwondering tot den goeden Virgilius, en hij +antwoordde mij met een aangezicht, niet minder vol van verbazen. + +58 Voorts hergaf ik den blik aan die hooge dingen, die zóó traag zich te +ons-waart bewogen, dat zij zouden verwonnen zijn door jonge bruiden. + +61 De Vrouwe kreet tot mij: „Waarom toch brandt gij zóó in begeerte voor +de levende lichten, en op wat achter hen komt, acht gij niet?” + +64 Luiden zag ik toen, als achter hunne gidsen, komen achter hen in het +wit gekleed; en zulke witheid was er nooit aan deze zijde. + +67 Het water was in lichtglans aan mijn linkerkant en hergaf me ook +mijne linker-zijde, als ik daarin zag, als een spiegel. + +70 Wanneer ik zóó dicht bij mijnen oever stond, dat alleen de stroom mij +[van dat alles] gescheiden maakte, bracht ik, om beter te zien, mijne +schreden tot stilstand; + +73 en ik zag de vlammekens naar voren gaan, latende achter zich de lucht +gekleurd, en van getrokken penseelen hadden zij den schijn; + +76 zóódat (de lucht) er boven bleef geschakeerd met zeven strepen, alle +in die kleuren, waarvan de zon haren boog maakt en Delia haren gordel. + +79 Die vlaggen waren naar achteren grooter dan ik kon zien en naar mijne +schatting waren er tien schreden tusschen de voorste [en de achterste]. + +82 Onder zóó schoonen hemel, als ik [vertellende] verdeel, kwamen +vierentwintig ouderlingen, twee aan twee, bekranst met leliën. + +85 Allen zongen: „Gezegend zijt gij onder de dochteren van Adam, en +gezegend zijn in eeuwigheid uwe schoonheden.” + +88 Nadat de bloemen en de andere versche kruiden, tegenover mij op den +anderen oever, vrij waren van die uitverkoren lieden, + +91 zóóals ['t eene] licht het [andere] licht opvolgt in den hemel, +kwamen achter hen vier dieren, elk bekranst met groen loover. + +94 Elk was gevlerkt met zeven vlerken, de vlerken vol met oogen; en de +oogen van Argus zouden, zoo ze levend waren, aldus zijn geweest. + +97 Om hunne gestalte verder te beschrijven kwist ik geene rijmen meer, +lezer; daar andere uitgave mij zóózeer nijpt dat ik in dezen niet mild +kan zijn. + +100 Maar lees Ezechiël, die ze beschrijft, hoe hij ze zag van den kouden +kant komen met wind, met wolken en met vuur; + +103 en hoedanig gij ze vinden zult in zijne geschriften, zóó waren ze +daar, behalve dat, voor de vederen, Johannes met mij is en van hem zich +scheidt. + +106 De ruimte tusschen hen gevieren bevatte eenen triumfwagen, op twee +raderen, die kwam getrokken aan den hals van eenen griffoen. + +109 En hij stak den éénen en den anderen vlerk omhoog tusschen de +middelste en de drie en drie strepen, zoodat hij geene, klievende, kwaad +deed. + +112 Zóó hoog rezen zij, dat zij niet werden gezien; de leden had hij van +goud, zóó verre hij vogel was, en wit de andere met bloedrood gemengd. + +115 Geen denken aan dat Rome met zoo schoonen wagen Scipio Africanus of +wel Augustus verheugde; maar [zelfs] die van de Zon ware arm bij dezen; + +118 die van de Zon, die den weg bijster, werd verbrand, op de bede der +deemoedige Aarde, wanneer Jupiter in zijnen geheimen raad rechtvaardig +was. + +121 Drie vrouwen rondom het rechter-rad kwamen dansende; de ééne zóó +rood, dat zij binnen in het vuur nauwelijks ware herkend; + +124 de tweede was als of haar vleesch en beenderen van smaragd waren +gemaakt; de derde scheen sneeuw, zoo even neergekomen. + +127 En nu schenen zij door de witte getrokken, dan door de roode, van +den zang van deze namen de anderen het snelle en het trage gaan. + +130 Ter slinker maakten er vier een feest, in purper gekleed, volgende +de maat van ééne van haar, die drie oogen had in het hoofd. + +133 Na de gansche voorzeide groep, zag ik twee ouden, in kleeding +verscheiden, maar gelijken in gebaren, eerlijk en ernstig. + +136 De één toonde zich één der volgelingen van dien grooten Hippocrates, +dien de natuur maakte voor de wezens, die zij het liefste heeft. + +139 De ander toonde de tegengestelde zorg met een zwaard, dat lichtend +was en scherp, zóódat het mij van den anderen kant der rivier vreeze +gaf. + +142 Voorts zag ik vier in nederigen schijn, en achter allen eenen oude +alléén komen, slapende, met helder-ziend gelaat. + +145 En deze zeven waren gekleed als die van den eersten stoet; maar van +leliën maakten zij rond om het hoofd geenen tuin; + +148 maar van rozen en andere bloedroode bloemen: gezworen hadde, wie ze +van wat verder zag, dat allen brandden van boven de brauwen. + +151 En wanneer de kar was tegenover mij, werd een donder gehoord; en +dien waardigen luiden scheen het verder gaan ontzeid te zijn, + +154 daar zij stille stonden bij de eerste teekenen. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +DERTIGSTE ZANG + + +Zie Beatrice, te midden van de feestelijke toejuichingen en +eerbetuigingen der Engelen. Virgilius is vertrokken en Dante weent. +Tot hem wendt zich de goddelijke Vrouwe, en gispt hem hevig over zijne +vergetelheid en ontrouw. Waardoor de Dichter zoo verbijsterd geraakt, +dat de Engelen zelf er erbarmen mede betuigen. Beatrice houdt niettemin +aan en, om hem meer te deemoedigen, ontvouwt zij hem zijne +ondankbaarheid en zijne dwalingen. + + * * * * * + +1 Wanneer het zevengesternte van den eersten Hemel, dat noch ondergang +ooit kende, noch opgang, noch sluier van eenigen anderen nevel dan +schuld, + +4 en dat dáár een iegelijk indachtig maakte aan zijnen plicht, gelijk +het lagere [zevengesternte een iegelijk], die de roer-pen draait om in +de haven te geraken, + +7 stille stond, keerde dat waarachtige volk, eerst gekomen tusschen den +griffoen en dat gesternte, zich tot de kar, als tot zijnen vrede: + +10 en één van hen, of hij ware van den hemel gezonden: „kom mijne bruid +van den Libanon,” zingende, riep hij drie malen, en alle de anderen hem +nà. + +13 Gelijk de zaligen bij den jongsten ban op zullen staan, vlug een +iegelijk uit zijne holte, het weer aangenomen vleesch op doende rijzen, + +16 aldus op den goddelijken wagen, rezen er honderd, „op de stem van zóó +groot eenen grijsaard,” dienaren en boden des eeuwigen levens. + +19 Allen zeiden: „Gezegend, gij die komt;” en bloemen werpende van +omhoog en in het rond: „Geeft, o geeft met volle handen leliën.” + +22 Wel zag ik bij het beginnen van den dag het Oostelijk deel des hemels +gansch rooskleurig, en den overigen hemel met schoone wolkeloosheid +gesierd, + +25 en het gelaat der zon beschaduwd geboren worden, zóó dat door de +matiging der dampen het oog haar langen tijd doorstond: + +28 aldus, binnen eenen nevel van bloemen, die van de engelen-handen +oprees en nederviel binnen en buiten [den wagen] + +31 met den olijf-krans boven den witten sluier, verscheen mij eene +vrouw, die, onder den groenen mantel, gekleed was met de verwe van +levende vlam. + +34 En mijn geest,—daar het reeds zóó lang her was, sinds hij in hare +tegenwoordigheid van verstomming sidderende, was verbroken— + +37 zonder door de oogen meer kennisse van haar te krijgen, voelde door +de verborgen kracht, die van haar uit ging, „het groot vermogen der oude +liefde.” + +40 Zoodra de hooge deugd mij in de oogen trof, die mij had doorschoten +vóór ik buiten den knapenleeftijd was, + +43 draaide ik mij ter slinker, met dat vertrouwen, waarmede het kindje +tot de moederborst snelt, wanneer het vrees heeft of bedroefd is, + +46 om te zeggen tot Virgilius: „Minder dan een wichtjen bloed is mij +gebleven dat niet siddert: ik herken de teekenen der oude vlam;” + +49 maar Virgilius had ons verlaten, zoodat wij van hem verstoken waren, +Virgilius, die zoetste vader, Virgilius, wien ik mij tot mijn heil had +overgegeven; + +52 en dat alles, wat onze Oude Moeder (Eva) had verloren, vermocht niet +op mijne wangen, die van tranen vrij waren, zóóveel dat zij niet +weenende werden verduisterd. + +55 „~Dante~, omdat Virgilius weggaat, ween niet meer, ween nog niet, +daar het om een ander zwaard u voegt te weenen.” + +58 Gelijk een admiraal, die op vóór- en achter-steven komt om de lieden +te zien, die de andere schepen bedienen, en om wèl te handelen hen +aanmoedigt, + +61 zóó zag ik, op den linkerrand der kar, wanneer ik mij keerde op het +geluid van ~mijnen naam, die noodzakelijkerwijze hier wordt +opgeteekend~, + +64 de Vrouwe, die te voren mij verscheen gesluierd onder den +engelen-feesttooi, de oogen te mijwaart richten van gene zijde der +rivier. + +67 Ofschoon de sluier, die haar daalde van het hoofd, omkranst met het +loover van Minerva, haar niet openbaar liet verschijnen, + +70 ging zij, koninklijk, in het gebaar nog onmeedoogend, voort, gelijk +degene, die spreekt, en het warmere spreken nog achterhoudt: + +73 „Aanschouw mij wèl: wèl ben, wèl ben ik Beatrice: hoe +~verwaardigdet~ gij u tot den berg toe te komen? Wist gij niet dat hier +de mensch gelukkig is?” + +76 Mijne oogen vielen omlaag in de heldere bron, maar mij daarin ziende, +trok ik ze terug tot het gras: zoo groote schaamte bezwaarde mij het +voorhoofd. + +79 Aldus dunkt de moeder trotsch den zoon, gelijk zij mij docht; omdat +bitter smaakt de strenge moederliefde. + +82 Zij zweeg, en de engelen zongen plots: „In U Heer heb ik gehoopt;” +maar verder dan tot „mijne voeten” kwamen zij niet. + +85 Zooals sneeuw te midden der levende balken over den rug van Italië +bevriest, als zij wordt beademd en genepen door de Slavonische winden, + +88 voorts gesmolten in zich zelve druppelt, mèt dat het land, waar de +mensch zijn schaduw kwijt gaat, blaast, zooals men 't vuur de kaars ziet +doen smelten; + +91 zóó was ik zonder tranen en zuchten vóór het zingen van degenen, die +altijd maat-houden, volgende de maten der eeuwige sferen. + +94 Maar nadat ik had vernomen in hunne zoete maatgeluiden hun erbarmen +met mij, méér dan zoo ze gezegd hadden: „Vrouwe, waarom hem zóó +vernederd?” + +97 werd de vorst, die me rond het hart was verhard, tot adem en tranen, +en met doods-weeën kwam ze door mond en oogen uit de borst. + +100 Zij, steeds stille op de gezegde zijde des wagens staande, richtte +voorts hare woorden aldus tot de vrome wezens: + +103 „Gij waakt in den eeuwigen dag, zoodat nacht noch slaap u eene +schrede steelt, welke de eeuw doet op hare wegen; + +106 waarom mijn antwoord met meer zorg is, opdat mij versta degene, die +daar weent, waardoor zijne schuld en de droefenis daarover van ééne mate +zij. + +109 Niet maar door de in-werking der groote raderen, die elk zaad tot +eenig doel sturen, al naar de starren begeleidsters zijn; + +112 maar door mildheid der goddelijke genade, die zóó dichte dampen voor +hare regens heeft, dat onze blikken hun niet nabij komen, + +115 was deze aldús in zijn jonge leven in ~vermogen~, dat alle passende +gewaad hem wonder wel hadde gestaan. + +118 Maar zoo veel slechter en meer verwilderd wordt de bodem door het +kwade zaad en wanneer hij niet goed is bebouwd, hoe meer eigen goede +kracht hij heeft. + +121 Eenigen tijd hield ik hem òp met mijn gelaat: de jeugdige oogen hem +vertoonende, leidde ik hem [zoodat hij was] met mij op het goede doel +gericht. + +124 Zoodra ik op den dorpel was van mijn tweeden leeftijd en van leven +verwisselde, pakte hij zich weg van mij en gaf hij zich aan een ander. + +127 Wanneer ik van vleesch tot geest was opgerezen, en schoonheid en +deugd mij waren gegroeid, was ik hem minder dierbaar en minder gevallig; + +130 en hij richtte de schreden langs den niet waren weg, valsche +schijnbeelden des goeds volgende, die niet gaaf wedergeven wat ze +beloofden. + +133 Noch dat ik voor hem inblazingen wist te winnen van God, vermocht +mij iet, waarmede ik hem in den droom en op andere wijze terugriep; zóó +weinig gaf hij er om. + +136 Zóó diep viel hij, dat alle middelen tot zijn heil reeds te kort +schoten, ~behalve hem de verdoemden te doen zien~. + +139 Om hèm bezocht ik den ingang der dooden en tot hèm, die hem tot hier +omhoog heeft geleid, werden mijne gebeden weenende gebracht. + +142 Het hooge gebod van God zou worden verbroken, als Lethe werd +gepasseerd, en zulk een drank werd geproefd zonder eenigen tol van +berouw, dat tranen plengt. + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +EEN EN DERTIGSTE ZANG + + +Beatrice vervolgt hare verwijten aan den Dichter, en noopt hem tot de +belijdenis van zijne dwalingen. Door zoo groote vernedering voorbereid +tot het grootste geluk, wordt hij opgenomen door Mathilde en gedopt +in den stroom der vergetelheid. Dan passeeren hem de vier zedelijke +Deugden, dansende met den arm boven zijn hoofd, en brengen hem tot voor +den wagen. Voorts presenteeren hem de drie theologische Deugden aan +Beatrice en verzoeken haar zich voor haren getrouwe te ontsluieren. De +sluier wordt afgenomen en de Dichter wordt in verrukking gebracht door +het Paradijs, dat straalt in de oogen zijner Vrouwe.— + + * * * * * + +1 „O gij, die zijt aan gene zijde van den heiligen stroom” (keerende tot +mij [het zwaard] van haar spreken met de spits, dat ook reeds met de +snede mij scherp had geschenen), + +4 herbegon zij, vervolgende zonder dralen: „Zeg, zeg of dit waar is: +bij zóó groote beschuldiging past het dat uwe belijdenis gevoegd zij.” + +7 Mijne deugd was zóózeer onthutst, dat mijne stem begon en doofde, vóór +zij uit hare organen was uitgegaan. + +10 Een weinig wachtte zij; voorts zeide zij: „Waaraan denkt ge? Antwoord +mij; daar de droeve heugenissen in u nog niet door het water zijn +uitgewischt.” + +13 Verwarring en vrees onder een gemengd dreven mij zulk een „ja” uit +den mond, om het welk te verstaan ook de oogen noodig waren. + +16 Gelijk een handboog, wanneer die afgaat al te zeer gespannen, zijn +koord en boog breekt, en met minder vaart de pijl het doelwit treft; + +19 zóó borst ik onder dien zwaren last, uit mij latende gaan tranen en +zuchten, en mijn stem vertraagde op haren weg. + +22 Waarop zij tot mij: „Mids de door mij gewekte begeerten, die u +leidden om het goede te minnen ginds waarvan niets meer valt na te +streven, + +25 welke dwarsgrachten, welke ketenen vondt gij daar, dat de hoop om +verder te komen u aldus moest worden benomen? + +28 En welke gemakken, of welke voordeelen vertoonden zich in het +voorhoofd der andere [goederen], waarom gij vóór hen uit moest loopen?” + +31 Na het ophalen van eenen bitteren zucht, had ik nauwelijks de stem +die antwoordde, en de lippen vormden haar met moeienis. + +34 Weenende zeide ik: „De tegenwoordige zaken met heur valsche behagen, +keerden mijne schreden, zoodra uw aanblik was schuil gegaan.” + +37 En zij: „Zoo gij verzweegt, of ontkendet datgene wat gij belijdt, +ware uwe schuld niet minder bekend: door zulk eenen rechter wordt die +geweten. + +40 Maar wanneer uit den eigen mond uitgaat de aanklacht van het +misdrijf, dan keert zich in ons hof het rad tegen de snede. + +43 Nochtans, opdat ge meerdere schaamte draagt over uwe dwaling, en +opdat gij een andermaal wanneer gij de sirenen hoort, sterker zijt, + +46 leg af den last die oorzaak is van uw weenen en luister; zóó zult ge +hooren hoe in tegengestelde richting u moest nopen mijn vleesch, dat +begraven is. + +49 Nooit bood natuur en kunst u behagen zóó groot als de schoone leden +waarin ik gesloten was, en die, nu ze ontbonden zijn, aarde zijn. + +52 En zoo het hoogste behagen u ontging door mijnen dood, welke +sterfelijke zaak moest u voorts trekken, tot hare begeerte? + +55 Toen u het eerst de schichten der begeerte der bedriegelijke zaken +troffen, hadt ge u moeten opheffen, om mij die niet meer zoodanig was te +volgen. + +58 Gij moest niet meer uwe vleugelen omlaag laten drukken, om meer +slagen te verwachten, hetzij door een meisje of eenige andere ijdelheid +met zóó korte bate. + +61 Een jeugdig vogelken laat zich twee of drie malen beknippen; maar +voor de oogen der gevederden spant men vergeefs het net of schiet men +den pijl.” + +64 Gelijk de kinderen van schaamte sprakeloos, met de oogen op den grond +luisterende staan, hunne schuld inziende en zich berouwende; + +67 aldus stond ik. En zij zeide: „Daar gij door het hooren droefenis +hebt, richt omhoog den baard, en meer droefenis zult ge krijgen door te +kijken.” + +70 Met minder weerbarstigheid ontwortelt zich een krachtige eik, of wel +voor onzen wind of wel dien van het land van Iärbas, + +73 dan ik op haar bevel de kin oprichtte: en daar zij met den baard het +aangezicht aanduidde, herkende ik wel het venijnige der betichting. + +76 En toen mijn aangezicht zich ontspande, ontwaarde mijn oog dat die +eerste schepselen van hunne besprenkeling hadden afgelaten: + +79 en mijne oogen nog weinig gerust, zagen Beatrice ~gericht~ op dat +wilde dier, dat alléén één persoon is in twee naturen. + +82 [Hoewel] onder haren sluier, en ginds van de groene rivier, scheen ze +mij haar oude zelf meer te overtreffen, dan zij de andere vrouwen hier +[overtrof], toen zij hier was. + +85 Het kruid des berouws stak mij daar zóó, dat van alle andere dingen +dat, wat mij het meeste toog tot zijne liefde, mij het meest vijandig +werd. + +88 Zulk eene zelfkennis beet mij het hart, dat ik verwonnen viel, en +hoedanig ik toen werd, zij weet het, die mij er de gelegenheid toe gaf. + +91 Voorts, wanneer het hart mij weer de kennis der buiten [wereld] +hergaf, zag ik de Vrouwe, die ik eenzaam gevonden had, boven mij, en zij +zeide: „Houd mij, houd mij vast.” + +94 Zij had mij in den stroom getogen tot aan de keel, en mij achter haar +aan trekkende, ging zij henen over het water licht als een weversspoel. + +97 Wanneer ik was dicht bij den gelukzaligen oever, werd er „Gij zult +mij besproeien” zóó zoetelijk gehoord, dat ik het niet weet te +herinneren, laat staan dat ik het schrijve. + +100 De schoone Vrouwe opende de armen, omarmde mij het hoofd, en +dompelde mij onder, waar het paste dat ik het water inslikte. + +103 Voorts hief zij mij op; en gebaad bood zij mij binnen ten dans aan +de vier schoone (vrouwen), en elke dekte mij met den arm. + +106 „Wij zijn hier nimfen en in den hemel zijn wij sterren; voordat +Beatrice nederdaalde in de wereld, waren wij haar toegewezen tot hare +dienstmaagden. + +109 Wij zullen u tot hare oogen geleiden; maar in het aangename licht, +dat daarbinnen is, zullen uwe oogen scherpen de drie van ginds, die +dieper spieden.” + +112 Aldus zingende begonnen zij; en voorts tot aan de borst des +griffoenen leidden zij mij met haar, waar Beatrice te ons-waart stond +gewend. + +115 Zij zeiden: „Maak dat gij de oogen niet spaart; wij hebben u gezet +voor de smaragden, vanwaar weleer liefde hare wapenen voor u trok.” + +118 Duizend begeerten heeter dan vlam drongen mijne oogen tot hare +weerlichtende oogen, die steeds bleven boven den griffoen bestendig. + +121 Gelijk de Zon in den spiegel, niet anders straalde het dubbele +gedierte daar binnen-in, nu met het ééne, dan met het andere bestier. + +124 Denk, lezer, of ik mij verwonderde, wanneer ik het ding in zich +stille zag staan, en het in zijne beeltenis zich veranderde. + +127 Terwijl, vol verbazing en blijde, mijne ziel die spijze proefde, +welke, verzadigende, doet dorsten; + +130 kwamen, in hare gebaren zich toonende van het hemelsche geslacht, de +andere drie naar voren, dansende naar haren engelen-zang. + +133 „Keer, Beatrice, keer de heilige oogen,” zoo was heur zingen: „tot +uwen getrouwe, die, om u te zien, zóó vele schreden heeft gedaan. + +136 Uit genade doe ons de genade hem uw gelaat te onthullen, zóó dat hij +onderscheide de tweede schoonheid die gij verholen houdt. + +139 O glans van eeuwig levend licht, wie is bleek geworden in schaduw +van den Parnassus, of dronk van zijne bron, + +142 die niet zou blijken den geest verduisterd te hebben, beproevende u +zoodanig weer te geven, als gij verscheent waar de Hemel musiceerende u +overschaduwt, + +145 wanneer gij u in de open lucht onthuldet? + +[decoratieve illustratie] + +[decoratieve illustratie] + + + + +TWEE EN DERTIGSTE ZANG + + +Terwijl Dante, vol van begeerte, in verrukking op Beatrice staart, wordt +hij gemaand door de stem van ééne der theologische deugden. En zie, de +wagen beweegt zich met de heilige schare en is gekomen tot een zeer +hoogen en kalen boom, aan welken de griffioen den dissel bindt; waardoor +de boom weldra met looveren en bloemen zich dekt. Bij een zoet gezang +slaapt de Dichter in; en wederom gewekt, ziet hij Beatrice zitten tot +bewaking van den wagen met de zeven vrouwen, en voorts verschillende +mysterieuse gevallen, die met boom en wagen gebeuren. + + * * * * * + +1 Zóózeer waren mijne oogen gevest en gericht om te verslaan den +tienjarigen dorst, dat mijne andere zinnen gansch gedoofd waren: + +4 en die [oogen] hadden aan deze en gene zijde [als] wanden van +onverschilligheid, zóó zeer trok het heilige glimlachen ze in het oude +net: + +7 wanneer met kracht mijn gezicht ter slinker werd gericht door die +godinnen, omdat ik door haar hoorde een: „al te vast.” + +10 En die [on]geschiktheid tot zien die in de oogen is, zooeven door de +zon getroffen, deed mij eenigen tijd zijn zonder gezicht; + +13 maar sinds het gezicht zich had herschapen tot het weinige (ik zeg +„tot het weinige” met opzicht tot het vele zinnelijke, waarvan ik mij +met geweld had losgemaakt), + +16 zag ik de glorieuse heerschare op den rechterarm gezwenkt, en zich +keeren met de zon en de zeven vlammen in het aangezicht. + +19 Gelijk om zich te bergen eene schare zich omwendt onder de schilden, +en met het vaandel zwenkt, voor dat zij ganschelijk zich in zich kan +keeren; + +22 zóó passeerden ons die strijd-machten des Hemelschen Koninkrijks, +vóór de Kar den disselboom omkeerde. + +25 Voorts keerden de vrouwen zich tot de raderen, en de griffoen bewoog +den gebenedijden last zóó, dat daarom toch geen zijner vederen bewoog. + +28 De schoone vrouwe, die mij tot het veer had getogen en Statius en ik, +wij volgden het rad, dat de bocht maakte met den kleinsten boog. + +31 Aldus passeerende door dat woud, dat ledig is door de schuld van haar +die de slang geloofde, matigde eene engelsche muziek onze schreden. + +34 Wellicht in drie vluchten nam-in zóó groote ruimte afgeschoten pijl, +als wij verder gegaan waren, wanneer Beatrice afstapte. + +37 Ik hoorde mompelen door allen: „Adam!” Voorts omkringden zij eenen +boom, die ontdaan was van bloemen en alle loover op elken tak. + +40 Zijn getakte, dat zooveel zich verbreedt naarmate het hooger komt, +zoude [zelfs] door de Indiërs in hunne bosschen om zijn hoogte zijn +bewonderd. + +43 „Gelukkig zijt gij, griffoen, die met den bek niets afscheert van dat +hout, dat den smaak zoet is, omdat de buik daarna kwalijk wordt +gefolterd.” + +46 Aldus rondom den krachtigen boom riepen de anderen, en het dier, dat +twee maal werd geboren: „Aldus wordt bewaard het zaad van alle recht.” + +49 En gekeerd naar den dissel, dien hij had getrokken, trok hij hem tot +den voet van den verweeuwden boom; en dien [dissel] die van hem was, +liet hij aan hem gebonden. + +52 Gelijk onze planten, wanneer het groote licht omlaag-valt gemengd met +dat hetwelk straalt achter den hemelschen riet-voorn; + +55 zwellen en voorts elke zich met zijne kleur hernieuwt, voor dat de +~Zon~ hare renners aanspant onder een ander gesternte; + +58 eene kleur openbarende, minder dan van rozen en meer dan van violen, +vernieuwde zich die boom, die te voren het getakte zóó vereenzaamd had. + +61 Ik verstond het niet, noch wordt het hier beneden gezongen, het +loflied dat die luiden zongen, noch ook verdroeg ik den galm +gansch-en-al. + +64 Zoo ik konde wedergeven hoe in slaap geraakten de meedoogenlooze +oogen, daar zij hoorden van Syrinx, de oogen, welken het zoo duur kwam +te staan dat ze wakkerder waren dan andere, + +67 dàn zoude ik, als schilder die schildert náár het model, afteekenen +hoe ik insluimerde; maar wie maar wil, die zij het die het insluimeren +zich verbeelde. + +70 Daarom spring ik over tot wanneer ik wakker wierd, en zeg ik dat een +lichtgloed mij open-reet den sluier des slapens, en een roepen: „Sta op, +wat doet gij?” + +73 Gelijk tot het zien van de bloesemen des appelbooms, die de engelen +naar zijne vracht gulzig, en eeuwig durende bruiloft in den hemel maakt, + +76 Petrus en Jacobus en Johannes geleid waren en zij [eerst] overweldigd +zijnde terugkeerden tot [het hooren van] het woord, door hetwelk ook +diepere slaap werd gebroken; + +79 en zij het gezelschap gedund zagen, zoowel van Mozes als van Elias, +en van hunnen Meester het gewaad verwisseld; + +82 aldus keerde ik weder [tot mijn bewustzijn] en zag ik die Pia boven +mij staan, die geleidster was geweest van mijne schreden langs den +stroom te voren: + +85 en gansch in twijfel zeide ik: „Waar is Beatrice?” en zij: „Zie haar +onder het nieuwe loover zitten op den wortel. + +88 Zie het gezelschap, dat haar omgeeft; de anderen, achter den +griffoen, gaan henen omhoog, met zoeteren en dieperen zang.” + +91 En of haar verder spreken meer verward was, ik weet het niet, omdat +reeds mij in de oogen was zij, die voor ander ontwaren mij had gesloten. + +94 Alleenig zat zij op de ware aarde, als hoedster daar gelaten van den +wagen, dien ik zag binden door het tweestaltig dier. + +97 In cirkel rondom haar maakten eene heining van zich zelven de zeven +nimfen met die lichten in de hand, die ònontrust zijn door Noord- en +Zuid-wind. + +100 „Hier zult gij korten tijd vreemdeling zijn en gij zult met mij +zonder einde burger zijn van dat Rome, waarvan Christus is Romein; + +103 daarom voor het wel van de wereld, die kwalijk leeft, houd nu tot de +kar de oogen, en wat gij ziet, maak ginds gekeerd, dat gij het +schrijvet.” + +106 Aldus Beatrice; en ik, die gansch en al aan de voeten van hare +bevelen mijne toewijding toonde, richtte geest en oogen waarheen zij +wilde. + +109 Nooit daalde met zóó vlugge beweging vuur uit dikke wolk, wanneer +het regent van die streek, die het meest verwijderd is, + +112 als ik den vogel van Jupiter zag dalen tot den boom omlaag, +afbrekende [gedeelten] van de schors, laat staan van de bloesemen en +nieuwe bladeren. + +115 En hij sloeg den wagen uit alle macht, waardoor deze neeg, als een +schip in nood, door de golven overwonnen, dan naar stuur- dan naar +bak-boord. + +118 Voorts zag ik zich wagen in den bak des triumphantelijken voertuigen +eene wolvin, die nuchter scheen van alle goede voedsel. + +121 Maar haar berispend wegens leelijke schuld, deed mijne Vrouwe haar +zich keeren in zoo groote vlucht, als maar gedoogden de beenderen zonder +merg. + +124 Voorts, van waar hij was te voren gekomen, zag ik den adelaar +nederdalen in de ark des wagens, en haar laten vol met zijne vederen. + +127 En, hoedanig eene stemme uit een hart, dat in droefenis is, zoodanig +eene ging uit van den Hemel, en deze zeide aldus: „O mijn schepelijn, +hoe kwalijk zijt gij bevracht!” + +130 Voorts scheen mij dat de aarde zich opende tusschen beide de wielen, +en ik zag er uit komen een draak, die door de kar, naar boven, den +staart stak: + +133 en, gelijk eene wesp, die den angel terug-trekt, tot zich trekkende +den kwaadaardigen staart, trok hij dien uit den bodem, en ging weg +dit-heen en dat-heen [zich kronkelende]. + +136 Dat wat overbleef [van den wagen] werd, gelijk met hondsgras +vruchtbare aarde, zóó met pluimaadje geboden wellicht met bedoeling +kuisch en welwillend, + +139 bedekt, en er mede was overdekt en het ééne en het andre rad en de +dissel, in zoo weinig tijd, dat meer tijd de geopende mond eenen zucht +inhoudt. + +142 Aldus herschapen schoot het heilige gebouw hoofden naar buiten uit +zijne deelen, drie op den dissel en één op elken hoek. + +145 De eerste waren gehoornd als [die van] runderen, maar de vier +[andere] hadden één éénigen hoorn op het voorhoofd. Dusdanig monster was +nog nooit gezien. + +148 Vreesloos als burcht op hoogen berg, zag ik boven op hem zitten eene +hoer met losse kleederen, met de blikken rondom loenschend. + +151 En, als het ware, opdat zij hem niet werd ontnomen, zag ik haar ter +zijde eenen Reus, en zij kusten elkander meerdere malen. + +154 Maar omdat zij het begeerig en zwervend oog naar mij keerde, +geeselde die woeste boel haar van het hoofd tot de voetzolen. + +157 Voorts, vol van argwaan en rauw van toorn, ontbond hij het monster +[kar en al] en trok het door het woud zóóverre, dat hij alleen al van +dat [woud] een schut voor mij maakte tegen de Hoer en dat nieuwe +gedierte. + +[decoratieve illustratie] + + + + +DRIE EN DERTIGSTE ZANG + + +Beatrice verkondigt den Dichter in duistere woorden een naderenden +wreker der ontheiligde Kerk van Christus en hersteller des Rijks. Zij +gebiedt hem om, wanneer hij onder de levenden teruggekeerd zal zijn, +dat te vertellen wat hij gezien heeft rondom den Mystischen Boom; en na +andere besprekingen doet zij hem doopen door Mathilde in de wateren van +Eunoë, waarin ook Statius zich baadt. Aldus herboren door het heilige +bad, voelt hij zich gansch geschikt tot de reis door den hemel. + + * * * * * + +1 „God, de volkeren zijn gekomen,” aldus elkaar afwisselende, dan drie +dan vier, begonnen de vrouwen weenende een zoeten zang; + +4 en Beatrice zuchtende en vol erbarmen, hoorde derwijze naar ze, dat +maar weinig meer [van kleur] verschoot Maria bij het kruis. + +7 Maar nadat de andere maagden haar de beurt lieten om te spreken, hief +zij zich recht op de voeten en antwoordde gekleurd als vuur: + +10 „Een korte wijle, en gij zult mij niet zien, en andermaal, mijne +beminde zusteren, eene korte wijle en gij zult mij zien.” + +13 Voorts stelde zij ze alle zeven vóór zich; en slechts door een +teeken, deed zij achter zich gaan mij en de Vrouwe en den Wijze, die +gebleven was. + +16 Aldus ging zij henen en ik geloof niet dat nog de tiende schrede van +haar op den grond was gezet, wanneer zij met de oogen mij de oogen trof; + +19 en met rustigen aanblik: „Kom schiedijker,” zeide zij tot mij: +„zóódat, als ik met u spreke, gij wèl geschikt zijt om mij aan te +hooren.” + +22 Mèt dat ik, zooals ik moest, gelijk met haar was, zeide zij tot mij: +„Broeder, waarom waagt gij het niet eenige vraag te doen nu gij met mij +mede komt?” + +25 Gelijk degenen, die al te vol eerbiedenis zijn sprekende vóór hunne +meerderen, dat zij niet de stem levend tot de tanden trekken, + +28 zóó gebeurde het mij, dat ik zonder volkomen geluid begon: „Vrouwe +mijn, mijne nooddruft kent gij en dat wat haar goed is.” + +31 En zij tot mij: „Van vreeze en van schaamte wil ik dat gij alsnu u +ontpopt, zóó dat gij niet meer spreekt als mensch, die droomt. + +34 Weet dat het vat dat de slang heeft gebroken, ~wàs~ en niet ~is~; +maar wie er de schuld van heeft, hij geloove dat de wrake van God geen +ontkomen vreest. + +37 Niet zal ten allen tijde zonder erfgenaam zijn de adelaar, die de +vederen aan den wagen liet, waardoor die werd eene wangestalte en voorts +een buit; + +40 daar ik met zekerheid, (en daarom ook vertel ik het) reeds een +gesternte nader zie komen, bestemd om ons te geven een tijd gevrijwaard +voor elken tegenstand en elken hinderpaal, + +43 waarin een aanvoerder, gezonden door God, de Verworpene zal dooden, +en genen Reus, die met haar zich vergreep. + +46 En wellicht dat mijn duister verhaal, als van Themis en Sfinx, u +luttel overtuigt, daar het naar hare wijze het verstand benevelt; + +49 maar weldra komen de feiten, de Najaden, die dat zware raadsel zullen +oplossen, zonder schade voor vee en graan. + +52 Gij, let wel; en zóó als deze woorden van mij tot u worden gedragen, +aldus onderwijs ze aan de levenden van dàt leven, dat is een snellen tot +den dood; + +55 en houd in gedachten, wanneer gij ze schrijft, niet te verhelen +hoedanig gij zaagt de plant, die hier nu twee malen ontlooverd is. + +58 Alwie haar ontloovert of haar plukt met schendende daad, vergrijpt +zich aan God, die de plant alleen heilig schiep tot 's menschen gebruik. + +61 Omdat zij daarin beet, heeft de eerste ziel vijfduizend en meer jaren +in pijn en verlangen begeerd Dengene, die den beet in zich zelven +bestrafte. + +64 Uw verstand slaapt, zoo het meent dat zij niet door bijzondere +oorzaak zoo hoog gerezen is en zóó averechtsch van vorm in de kruin. + +67 En zoo niet, als wateren van den Elsa, te ijdele gedachten waren +geweest rond uwen geest, en heur geneugt [als] een Piramus voor den +moerbeiboom; + +70 dan zoudet door zóóvele omstandigheden alléén de rechtvaardigheid van +God in het verbod gij als zedeles aan den boom hebben leeren kennen. + +73 Maar daar ik u zie in uw verstand gemaakt van steen en in het +versteende gedoopt, zóó dat het u het licht van mijn woorden +verduistert; + +76 wil ik ook, en zoo niet geschreven, dan toch afgemaald, dat gij het +binnen in u draagt tot dat [einde] waartoe men draagt den staf met palm +omkranst.” + +79 En ik: „Zooals was door den stempel, dat den ingedrukten vorm niet +verandert, zóó is alsnu door u mijn brein gestempeld. + +82 Maar waarom vliegt zóó verre boven mijn gezicht uwe begeerde rede, +dat het die te meer verliest als het meer zich inspant?” + +85 „Opdat gij kennet,” zeide zij: „die leerschool, die gij hebt gevolgd, +en [opdat] gij inziet hoe [weinig] haar leer mijne rede kan volgen; + +88 en [opdat] gij ziet dat uw weg van den goddelijken zóóverre afwijkt +als van de aarde die hemel afwijkt, die het hoogst voortsnelt.” + +91 Waarop ik haar antwoordde: „Ik herinner mij niet dat ik mij ooit +vervreemdde van ulieden, noch heb ik er bewustzijn van, dat mij bijt.” + +94 „En zóó gij het u niet herinneren kunt,” antwoordde zij glimlachend: +„dan herinner u hoe gij nog heden van Lethe hebt gedronken: + +97 en zoo door den rook het vuur wordt bewezen, dan bewijst die +vergetelheid duidelijk schuld in uwen wil, die elders heen gericht was.” + +100 Warelijk zullen alsnu mijne woorden naakt zijn, zooverre het voegen +zal die te onthullen aan uw nog onontbolsterd gezicht.” + +103 En meer schitterend, en met tragere schreden, hield de zon den +middagcirkel, die daar en ginds, al naar de gezichtspunten, wordt +gemaakt; + +106 wanneer stille-hielden, gelijk stille-houdt, hij die tot escorte +vóórgaat aan eenen legertrein, zoo hij iets nieuws op zijne schreden +vindt, + +109 de zeven vrouwen, aan de grens van een bleeke schaduw, hoedanig eene +onder groene bladeren en zwarte takken op hunne koude beken de Alpen +dragen. + +112 Voor haar scheen ik me den Euphraat en den Tigris uit ééne bron te +zien uitgaan, en als vrienden noode van elkaar te gaan. + +115 „O licht, o roem des menschelijken geslachts, welk water is dit, dat +hier uit één beginsel zich verdeelt, en zich van zich verwijdert?” + +118 Op zulke bede werd mij gezegd: „Bid Mathilde dat zij het u zegge.” +En hier antwoordde, als degene doet, die zich kwijt van een schuld, + +121 de schoone vrouwe: „Dit en andere dingen zijn hem door mij gezegd: +en ik ben gewis dat het water van Lethe het hem niet heeft verborgen.” + +124 En Beatrice: „Wellicht grootere zorge, die dikmaals de heugenis +berooft, heeft zijnen geest in zijne oogen duister gemaakt. + +127 Maar zie Eunoë, die daar ontspringt: leid hem daarheen en gelijk gij +gewoon zijt, herlevendig hem de halfgestorven vermogens.” + +130 Gelijk eene edele ziele, die zich niet verschoont, maar haren wil +maakt van eens anders wil, zoodra deze door een teeken is kenbaar +gemaakt, + +133 aldus, nadat ik door haar was medegenomen, maakte de schoone vrouwe +zich op, en tot Statius zeide zij naar edeler vrouwe-wijze: „Kom met +hem.” + +136 Zoo ik hadde, lezer, meerdere ruimte tot schrijven, zoude ik in +onderdeelen zingen van het zoete drinken, dat mij nooit zoude hebben +verzadigd: + +139 maar omdat volle zijn alle de bladen die toegedeeld zijn tot dit +tweede gedicht, laat mij de teugel der kunst niet verder gaan. + +142 Ik keerde van die heiligste wateren, herschapen aldus, als jonge +planten weer getooid met jeugdige looveren, + +145 gelouterd en bekwaam tot stijgen tot de sterren. + + + + +AANTEEKENINGEN + + +EERSTE ZANG + +8 Calliope, muze van het heldendicht. + +11 Eksteren, dochters van Pieros, koning van Thessalië, hadden de Muzen +uitgedaagd tot een wedstrijd, waarin ze overwonnen werden en veranderd +in Eksters. + +15 Kring, horizon. + +19 troosten, in de oud-Holl. beteekenis van aanmoedigen tot. + +21 De zon staat nu in den Ram. Dit beeld volgt op de Visschen, waarin +zich nu de schoone planeet, Venus, bevindt, die het met haar licht +verduistert. + +75 licht, glanzend. + +79 _Marcia_, in hare jeugd de vrouw van Cato geworden, werd door hem +aan Hortensius afgestaan om dezen, zooals ook gebeurde, kinderen te +schenken, doch na H.'s dood weder—op haar verzoek—door Cato tot vrouw +aangenomen. Zie het verhaal van Marcia's terugkeer bij Lucanus II 326. +In Dante's Convito IV. 28 wordt die terugkeer geallegoriseerd: Marcia +verbeeldt dan de Edele Ziel, die na de plichten des levens vervuld te +hebben, tot Cato, (die hier God verbeeldt) terugkeert. + +95 glad takjen, symbool van eenvoud en geduld. Zie den Eersten Zendbrief +van Petrus, hoofdstuk 2. + + +TWEEDE ZANG + +1 Volgens deze voorstelling ligt Jerusalem op het middelpunt van +het bewoonde halfrond (zie Hel XXXIV). Wanneer men zich dus vier +hoofdmeridianen denkt, alle negentig graden van elkander afliggende, +loopt één over Sevilla, één over den Louteringsberg, één over den +Ganges. Wanneer (zooals hier) de Zon voor het gindsche halfrond opgaat, +begint voor ons de nacht, opkomende van den Ganges. + +6 wanneer zij winnende is, d.w.z. wanneer de nacht langer wordt dan de +dag. + +56 De Steenbok is 90° verwijderd van den Ram. Wanneer dus de Zon in den +Ram staat, staat de Steenbok bij Zonsopgang in het midden des hemels. + +70 bode, die het olijf-loof draagt = vredesgezant. + +98 _Sedert drie maanden_, d.i. sedert het begin van het Jubel-jaar 1300. + +112 „Liefde” enz. _Amor che nella mente mi ragiona_, aldus begint de +tweede Canzone van Dante's Convito, door Casella op muziek gezet. + + +DERDE ZANG + +27 Van Virgilius, die te Brindisi gestorven is, bestaat het graf te +Napels. + +37 Met het _Quia_ wordt bedoeld de wetenschap _a posteriori_, d.i. die +welke van de uitwerkselen tot de oorzaken opklimt, in tegenstelling met +het _Propter quod_, of de wetenschap _a priori_, wanneer men van de +oorzaken afdaalt tot de uitwerkselen. + +40 _menigeen_, namelijk de wijzen der Oudheid, die Virgilius in den +Limbus zag, zie Hel IV. „_daar zij zonder hoop leven in begeerte_.” +_Want_, nl. indien de mensch de _oorzaken_ der dingen konde bevroeden. + +52 Men lette op dat hier voor het eerst de Heiden Virgilius geen raad +weet te schaffen, maar de Christen Dante het middel vindt om den weg te +weten te komen. + +85 _kop_ of voorhoede. + +100 komt bij ons in onzen drom, dan gaan wij samen voort. + +112 Manfred, zoon van Keizer Frederik II, was Koning van Napels geweest, +had altijd als vijand van de Kerk geleefd en sneuvelde, door den Paus +in den ban gedaan, in den slag bij Benevento 1266. Hier streed hij +tegen Karel van Anjou, die door Paus Clemens IV ondersteund werd. Anjou +weigerde hem een eerlijke begrafenis; Anjou's soldaten echter droegen +elk een steen aan (vandaar 129 „_de zware zerk_”) voor zijn graf-teeken +aan de brug van Benevento. Ook dit werd hem misgund en de aartsbisschop +van Cosenza, [124], liet op last van Paus Clemens het lijk overbrengen +naar eene plaats op de grens van Abruzzo aan den Verde, gelegen buiten +het Koninkrijk Napels. Dit gebeurde, omdat de doode in den ban gestorven +was, met gedoofde lichten. + +135 _zóólang de hoop nog iets_, zoolang men nog leeft. + + +VIERDE ZANG + +6 _ontstoken wordt_, nml. bij de geboorte. + +16 De zon, die immers 15 graden in het uur aflegt, wijst dus aan dat het +op dezen Paasch-Zondag ongeveer kwart over negen in den morgen is. + +34 De berg heeft iets dat men een voetstuk zou kunnen noemen. Deze +eerste opgang leidt tot de vlakte bovenop het voetstuk rondom den berg. +D. noemt het dus den bovensten rand in tegenstelling met den ondersten +rand, die onder aan het voetstuk is. + +40 _top_, van den geheelen berg. + +42 de helling is dus 45°. + +60 In het teeken van C. en P., de Tweelingen, komt de zon na 21 Mei; dan +staat de zon nog veel noordelijker. + +62 _Spiegel_: de _Zon_, die Gods liefde afspiegelt. + +63 _boven en beneden_, in dit en het ander halfrond. + +73 d.i. dat de zon den berg der Loutering links [zuidelijk], maar den +berg Sion rechts [noordelijk] heeft. + +123 _Belacqua_, kunstig luitenmaker en door de Muziek met Dante +bevriend. + +136 Het is dus nu de Middag van den Paasch-Zondag. Wanneer het middag is +voor den Louteringsberg is het morgen aan den Ganges, en wordt het avond +in Marocco, het Westen van het Noordelijk Halfrond. + + +VIJFDE ZANG + +37 _Ontstoken wasems_, vallende sterren. + +55 _vergevende_, nl. dengenen die ons doodden. + +67 Degene, die hier spreekt is Jacob del Cassero, burger van Fano (Fanum +Fortunae) gelegen aan de Adr. Zee bij Ancona in den Kerk. Staat. + +69 _Tusschen Romagna en het land van Karel_, d.i. het Koninkrijk Napels. +Jacob del Cassero, burger van Fano, die hier spreekt, werd op weg +zijnde om te Milaan het Ambt van Podesta te aanvaarden, bij Oriaco in +het Paduaansche vermoord op last van Azzo III van Este, dien hij tegen +zich verbitterd had vooral door hem zijn afval van de Ghibellijnen te +verwijten. + +74 dit is volgens de leer dergenen, die zeggen dat de ziel in het _bloed +huist_. + +75 _Antenoren_, de Paduanen, naar hun stamvader Antenor. + +88 _Buonconte_, zoon van Guido van _Montefeltro_, (zie Hel XXVII) viel +in den slag van Campaldino, waar Dante ook meestreed, meermalen in de +hel genoemd. + +97 De Archiano mondt uit in den Arno. + +116 _Pratomagno_ is een plaats die Valdarno van Casentino scheidt; de +_groote bergrug_ is de Appennijnen. + +121 de _Konings-stroom_: de Arno in vergelijking met de andere stroomen. + +129 _buit_, al wat een rivier meevoert. + +133 Pia Guastellano, door haren man onder voorwendsel van verdenking van +echtbreuk weggevoerd naar de streek Maremma, bekend om haar doodelijke +luchtgesteldheid, en daar eenen langzamen dood prijsgegeven. + + +ZESDE ZANG + +22 _Pieter dalla Broccia_, van geringe afkomst, heelmeester van Lodewijk +den Heilige, en onder Philips den Stoute tot hoog aanzien aan het +Fransche Hof gestegen, was gehaat bij diens tweede vrouw, Maria van +Brabant; hij werd op haar bloot vermoeden van haar zoon vergiftigd te +hebben, ter dood gebracht. + +30 _ergens in uw geschrift_, nl. Aen. VI, waar de Sibylle tot Palinurus +die bidt medegenomen te worden over de Styx, antwoordt (v. 376): „Houd +op te hopen dat door gebeden de lotsbeschikkingen der goden worden +veranderd.” + +74 _Sordello_, van de Mantuaansche familie der Visconti, beroemd +minnezanger in de Provençaalsche taal. Wat zijne hooghartigheid betreft, +wachte men af wat in Zang X en XI over aardschen roem gezegd wordt. + +88 Justinianus, die Italië bevrijd had van de Gothen door Belisarius en +Narses, gaf het wetten, naar hem genoemd. Italië had zich moeten laten +regeeren naar het woord „Geef aan Caesar wat Caesar's is”, maar bij +gebrek aan ruiter sloeg het zelf de hand aan den halster. + +97 Albrecht van Habsburg in 1299 tot Keizer gekozen, maar wilde nooit +naar Italië komen. + +106 Alle vier Ghibellijnsche families, de eerste twee van Verona, de +tweede twee van Orvieto. De Ghibellijnen, om des Keizers zaak geprangd, +werden door hem veronachtzaamd. + +111 _hoe veilig_, ironie. S. is een leengoed des keizers in de Maremma, +maar geheel door hem veronachtzaamd. + +126 _Marcellus_, waarschijnlijk de tegenstander van Caesar, bij Lucanus +genoemd I, 312: „Marcellusque loquax.” + +127 Ironie. + +133 _den algemeenen last_, de overheids-ambten. + + +ZEVENDE ZANG + +15 _vastgrijpt_, d.w.z. om de knieën. + +25 _de hooge Zon_, God. + +33 _bevrijd_, nl. door den doop. + +34 _de heilige deugden_: geloof, hoop en liefde. + +49 Zou het ongegrond zijn om deze vraag aan Dante zelven toe te kennen? + +70 _Tusschen_, ik heb hier opzettelijk het dubbelzinnige van het +origineel behouden, dat verklaard kan worden: tusschen den _steilen_ en +den _vlakken_ bergrand, en: „half steil, half vlak” dus „glooiend”. + +85 _Zon_, hier als het licht der genade. + +94 _Rudolf_ van Habsburg, vader van Albrecht (zie den vorigen zang 97) +wien D. hetzelfde verwijt. + +100 Waarschijnlijk wordt Rudolf door den aanblik van Ottocar, koning van +Bohemen, getroost, omdat hij tegen dezen zijn plicht heeft gedaan. + +103 _En die met den kleinen neus_, Philips III van Frankrijk. + +104 met het _goedwillig_ uitzicht is Hendrik III van Navarre. + +105 _vluchtend_, in den oorlog tegen Peter III van Arragon. + +107 _den andere_, d.i. Hendrik III, zie 104. + +113 de Vorst, _van den mannelijken neus_ en vs. 124 met _den grooten +neus_ genoemd, is Karel van Anjou, koning van Sicilië. + +114 het gorden van het kleed beschouwd als bewijs van zorgvuldigheid. + +127 vergelijking van de drie vorsten, waarvan de eerste de minste en de +derde de beste is. + +131 Hendrik III. + +133 Den _laagsten_ rang onder deze keizers en koningen neemt Willem in, +de Markgraaf van Monferrat, die listig door die van Alessandrië gedood +is. + + +ACHTSTE ZANG + +13 _Te lucis ante_, begin-woorden van het avondgezang waarin gebeden +wordt tegen nachtelijke schrikbeelden en verzoekingen. + +52 Nino, van het geslacht der Visconti van Pisa, zusterszoon van Ugolino +(Hel XXXIII) aan wiens misdaden Dante had gedacht dat hij ook schuldig +was. Zijne vrouw, de moeder van zijne Johanna (vs. 71), was hertrouwd +(vs. 73) met Galeazzo Visconti, wiens geslacht een slang in het +wapenschild voerde, terwijl het wapen van Nino een haan droeg. + +90 Deze drie heldere sterren zijn Hoop, Geloof en Liefde, de drie +geestelijke deugden; vgl. de vier sterren in het eerste boek: de +Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Ingetogenheid en Dapperheid. + +97 Zie den vorigen zang vs. 72. + +112 De lamp der _genade_ moet geholpen worden door den vrijen wil van +den begenadigde. + +114 bergvlakte, het aardsche paradijs op den top van den Louteringsberg. + +118 Currado Malaspina, neef van dien Malaspina, die Dante zeven jaar +later (zie vs. 134) gastvrij heeft opgenomen, wiens mildheid hij dus +door daden, niet door woorden van anderen, zou ondervinden. + +129 _beurs en zwaard_, mildheid en heerschappij. + +131 _het slechte hoofd_, de Paus. + +133 d. w. z. eer zeven jaar verloopen zijn. + + +NEGENDE ZANG + +1 Waarschijnlijk moet men onder „de bijzit van Tithonus” niet Aurora, +die zijne echtgenoote is, maar die schemering verstaan, die het opgaan +van de Maan vóórafgaat; de maan immers kwam tegen negen uur op (zie +vs. 7, waar men de schreden als uren moet opvatten) en stond in den +Scorpioen, „dat kille dier”, vs. 5. + +4 _edelgesteenten_, sterren. + +12 _alle vijf_, zie den vorigen _zang_: dit waren Sordello, Nino, +Currado, Virgilius en Dante. + +30 _tot aan het vuur_ n.l. de sfeer des vuurs, gelegen boven den +dampkring en onder de sfeer of hemel-kring der maan, tot welke de +Louteringsberg met zijn top reikt. + +55 _Lucia_, ook genoemd Hel II, evenals hier verpersoonlijking der +_Genade_. + +94 De eerste trede is de belijdenis der zonden, de tweede de vernedering +des harten, de derde de liefde tot God. + +97 _paers_, bedoeld is een kleur samengesteld uit purper en zwart, +waarin het zwart den boventoon houdt. + +112 _Zeven P's_ (peccata of peccair), de zeven hoofdzonden. De zeven P's +geven tegelijk de 7 afdeelingen aan, waarin het eigenlijke _Vagevuur_ en +evenzoo het Gedicht tot aan het einde van Boek XXVII is ingedeeld. + +115 Het kleed des engels is gelijk aan dat des Priesters, die de +absolutie verleent. + +118 De gouden sleutel is symbool van de den priester toegekende +bevoegdheid tot het geven van absolutie; de zilveren dat van zijn gave +des onderzoeks (scientia discernendi). + +133 Het geluid dat de poort bij het opengaan maakte, herinnert Dante aan +het oogenblik dat op last van Caesar de bewaarplaats van de Romeinsche +schatkist, die door Metellus verdedigd was, geforceerd werd. Lucanus +III, 155 beschrijft het aldus: Toen dreunde de Tarpejische rots; en de +zware dreun getuigde dat de vleugel-deuren waren ontgrendeld. + + +TIENDE ZANG + +8 Hier is sprake van een door de rots kronkelend pad, niet van een +bewegende rots. + +15 Het is de vijfde dag na volle maan, dus de maan komt met haar donkere +helft aan de kim ongeveer 4 uren na zonsopgang. + +55 Dit beeldwerk voor wat beschreven is II Samuel, cap. 6. + +57 Immers Uza „strekte zijn hand uit naar de arke Gods, en hield ze want +de runderen struikelden. Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Uza, en +God sloeg hem aldaar bij de arke Gods.” Waarschijnlijk bevatten Dante's +woorden eene toespelling op de niet inachtgenomen verdeeling van +geestelijke en wereldlijke macht tusschen Paus en Keizer. + +66 Immers Daeid antwoordde tot Michol, die hem berispte: „Ook zal ik mij +nog geringer houden dan alzoo, en zal nederig zijn in mijne oogen” enz. + +73 De Heilige Gregorius, bewogen door den deemoed van Trajanus bij deze +gelegenheid betoond, verkreeg diens verlossing uit de Hel door zijn +gebed. + +100 _fluisterde_, ook Virgilius wordt door deze tafereelen tot ontzag +gestemd, zoodat hij slechts fluisterend durft spreken. + +123 ruggewaartsche schreden, zijn de schreden die in zonde gezet worden, +maar in het geval van hoovaardigheid gedaan met zelfvertrouwen. + + +ELFDE ZANG + +1 _niet daartoe_, God is niet beperkt tot den hemel, maar woont daar +wegens de grootere liefde, die Hij voor den hemel heeft, daar die +behoort tot Gods _eerste_ werken. + +30 Nl. van den Louteringsberg. + +33 _degenen_, die menschen op aarde die de goddelijke genade deelachtig +zijn. + +35 _hen helpen te wasschen de merken_, het bidden der bovengenoemde +begenadigden, moet meehelpen om van de zielen af te wasschen de merken +der zonden, die zij hier droegen en waarmee zij in het louteringsoord +aankwamen. + +37 zoo waarlijk moge gerechtigheid Gods en vroomheid dergenen die leven +en voor hen bidden etc. + +58 _Een Latijner_, een Italiaan. Hier spreekt Humbert Aldobrandeschi, +Graaf van Santafiore. Hij maakte zich door zijn hoovaardigheid zóó +gehaat bij het volk van Siena, dat hij vermoord werd in Campagnatico, +een plaats van de Maremma. + +81 _verluchten_, alluminare, d.i. het versieren van handschriften met +miniaturen. Oderisi van Agubbio, een stad van het hertogdom Urbinum, +miniatuurschilder. + +82 _meer lachen de papieren_ = meer bijval in de oogen der menschen +vinden de miniaturen. + +90 _nog kunnende zondigen_ = nog bij mijn leven. + +92 Hij nl. de roem. De roem van den kunstenaar is alleen duurzaam +wanneer zijn tijd wordt opgevolgd door onbeschaafde tijden. Anders +verduistert weldra de opvolger den voorbijganger. + +97–99 Guido Guinicelli stierf in 1276. Guido Cavalcante in 1301. +Wellicht bedoelt D. met den volgende zich zelf, en wil daardoor tevens +aantoonen dat ook hij niet vrij is van hoovaardigheid. + +105 dui-dui-duiten (woordelijk naar het Italiaansch). + +108 In het systeem van Ptolemaeüs is de traagst draaiende hemelcirkel +die der vaste sterren, welke in zesendertigduizend jaren zijn loop +volvoert. + +113 _de florentijnsche woede_, rabbia, misschien beter, schoon ongewoon, +_gemeen gepeupel_. + +116 _dezelfde_, de zon, d.i. de volksgunst. + +121 _Salvani Provenzano_, Ghibellijnen-hoofd te Siena, die zich de +gansche regeering had willen toeëigenen en tiran had willen worden. + +133–138 Hij droeg de schande van het bedelen om den losprijs, gevergd +voor een door Karel van Anjou gevangen-gehouden vriend, in te zamelen; +en de schande van het bedelen zal ook Dante, in zijn ballingschap, +weldra leeren kennen. + +142 _grenslanden_, de in de eerste negen zangen beschreven +Voor-louteringsberg. + + +TWAALFDE ZANG + +25 degene, die edelst geschapen was = Lucifer. + +30 _Zwaar_; weergegeven wordt de indruk, die een dood lichaam zwaarder +doet schijnen dan een levend. + +32 _rond hunnen vader_, = Jupiter, die met de hiergenoemde goden, de +Giganten (onder wie ook Briareus behoort) overwon. + +46 Rehabeam, Salomo's zoon. + +48 Koningen III. + +49 Alcmeon doodde zijn moeder, die haar man ter wille van een +halssieraad had prijsgegeven. + +52–54 Koningen 13: 37. + +75 _Onvrije ziel_, wijl ingenomen door gedachten van nederigheid. + +80 _De zesde dienstmaagd_, Twaalf zijn de dienstmaagden of uren des +daags, van zons-op- tot zonsondergang gerekend. Dit duidt dus den +_middag_ aan. + +102 _De goed geleide_, ironisch gezegd van de stad Florence; de +Rubaconte is een brug over de Arno. + +105 _Ten tijde dat_, hier wordt de oude tijd genoemd in tegenstelling +met Dante's eigen tijd. Dante zinspeelt op bedrog gepleegd door de +regeerders van Florence in het _kwatern_, het boek der rekeningen en in +de uitmeting van het _zout_. + + +DERTIENDE ZANG + +7 daar is geen schaduw (schilderwerk), nóch beeldwerk dat zich voordoet. + +19–21 Langs den Louteringsberg wordt altijd bij dag verder gereisd en +zooals wij reeds tweemaal hebben doorgemaakt op den weg over het +gedeelte buiten de Poort, des nachts gerust. + +28 De ongeziene sprekenden geven hier drie voorbeelden van +barmhartigheid: het ook ongevraagd geven van hulp aan degenen, die haar +noodig hebben zooals Maria deed, op de Bruiloft van Kana, toen zij tot +haren Zoon zeide: „Zij hebben geen wijn;” het zich vrijwillig om eens +anders wille in gevaar begeven, gelijk Pylades deed, die voorgaf Orestes +te zijn, om dezen van den dood te redden; kwaad met goed te vergelden, +gelijk door Christus wordt geleerd: „Hebt uwe vijanden lief.” + +37 metaphorisch gezegd voor de voorbeelden van de deugd aan nijd +tegenovergesteld. Hiermede worden bedoeld de spreuken die door de lucht +vliegende geesten hun doen hooren. + +41 _De breidel_, ook metaphorisch voor de straffen waarmede de nijdigen +worden gelouterd. Op twee manieren worden dus evenals op den vorigen +ommegang de zielen gelouterd, door voorbeelden ten goede, den _geesel_, +en door straffen, den _breidel_. + +61 _bij de biecht_, n.l. de bedelaars in de kerk. + +93 N.l. om die ziel bekend te maken bij de menschen op aarde opdat die +voor haar bidden. + +106 Dit is Sapia, eene aanzienlijke burgeres van Siena, die verbannen +naar Colle zich overmatig verheugde over de nederlaag, haren medeburgers +bij haar woonplaats door de Florentijnen toegebracht. + +117 en ik bad God om dat wat hij wilde, n.l. om de nederlaag der +Florentijnen waartoe God toch reeds besloten had. + +123 _gelijk de meerle deed_. Toespeling op een volkssprookje, van een +meerle, die in den winter binnenshuis gekoesterd, bij het eerste mooie +weer in den winter zich liet verlokken om uit te vliegen. + +133–135 Dante spreekt hier van zijn verwachting van het volgend leven, +wanneer hij zelf gestorven hier zal moeten boeten, slechts weinig voor +de zonde der afgunst, maar meer voor die der hoovaardigheid. + +152 Voor het laatst lucht de dichter hier op den ommegang der nijdigen, +zijn leedvermaak over twee mislukte ondernemingen der zoo gehate +Sieneezen (Hel XXIX. 122): hun poging om in Talamone in de ongezonde +Maremma, zich een havenplaats te stichten: telkens verloren daar hunne +admiraals en manschappen meer dan de hoop, het leven; ten tweede hun +poging om door in den grond te graven onder hun stad een water te +vinden, dat zij reeds te voren de Diana hadden genoemd. + + +VEERTIENDE ZANG + +43 Met de „_botte varkens_” worden bedoeld de inwoners van het +Casentijnsche land. + +46 _Keffertjes_ zijn de bewoners van Arezzo. + +49 Met „de honden die wolven worden,” worden de Florentijnen bedoeld, +die Guelfen (wolven) worden. + +52 Veertien mijlen beneden Florence vormt de Arno tusschen de rotsen +draaikolken, die nu nog _pelaghi_, zeeën genoemd worden. De vossen zijn +de inwoners van Pisa. + +55 _een ander_ = Dante. + +58 _Uwen kleinzoon_, kleinzoon of neef van den toegesprokene, die als +podestà van Florence door de zwarten omgekocht, velen der witten liet +ombrengen. + +64 Met het _woud_ wordt Florence bedoeld, dat hij zóó laat uitmoorden +dat het verlies aan inwoners lang onhersteld blijft. + +87 Gemeenschap bestaat slechts van hemelsche goederen: zie XV 43 en vlg. + +92 Dit zijn de juiste grenzen van het land Romagna. + +112 Brettinoro, kleine stad van Romagna, vaderstad van Guido. +_Stamhuis_, de familie van dien Guido. + +118 De Pagani, heeren van de stad Imola, wier vader Demon werd +bijgenaamd, zullen beter dan hij zijn. + +133 Dit zijn de woorden die Kaïn sprak na Abel gedood te hebben uit +nijd. (Genes. IV, 14). + +139 _Aglauros_, dochter van een Atheenschen koning Erechtheus, die uit +afgunst Mercurius' liefde voor haar zuster in den weg trad. + +143 „Het gebit”; zie den vorigen zang vs. 40. + + +VIJFTIENDE ZANG + +3 Die _kring_ die altijd speelt als een kind: de zonneweg, om zijn +veranderingen met een spelend kind vergeleken. De dag (de tijd tusschen +zons-òp- en -ondergang) is verdeeld in twaalf uur. Het is dus nu drie +uur in den namiddag op den Louteringsberg, welken tijd men oudtijds +_avond_ noemde. + +5 _dáár_ is de Louteringsberg; _hier_ is Italië. Men bedenke dat de +Louteringsberg ligt precies aan den tegenovergestelden kant van de aarde +als Jerusalem (waar het dus nu 3 uur na middernacht is) en dat Rome +wordt gerekend 45° Westelijk van Jerusalem te liggen, dat het dus nu +middernacht in Italië is. + +8 Toen de Dichters van het strand naar den Berg gingen, hadden zij (zie +III 16) de zon in den rug, dus liepen zij van O. naar W. Voorts gingen +zij den berg op in Noordelijke richting, maar langs den berg gingen zij +Westelijk, dus zijn zij met de zon mede gegaan om den berg heen. + +46 Het is natuurlijk dat Guido den menschen hun nijd verwijt: zoo wil +hij nu er voor waarschuwen opdat ze later hier op den Louteringsberg er +minder voor hoeven te boeten. + +58 Ik ben van het tevredenzijn nog nuchterder, d.w.z. nog minder +bevredigd in mijn honger naar weten. + +67 In den hemel valt het licht van Gods Liefde in elken zalige als in +een spiegel. + +71 _hoe ver_, dus over hoeveel personen zij zich uitbreidt. + +73 misschien te lezen: zonder „elkander”, dus God verstaan. + +94 Deze vrouw is Pisistratus' vrouw, die straf eischte voor een jong +Athener, die hunne dochter in het openbaar had gekust. + +106 een _jonkman_ is Stephanus. + + +ZESTIENDE ZANG + +24 Dit is een van de weinige metaphorische uitdrukkingen van Dante, die +anders altijd geziene beelden gebruikt. De bedoeling is hier: doorstaan +zij de moeilijkheden, waarin zij door hunne zonde zijn geraakt. + +42 Hel II. 31 worden degenen genoemd, die _vroeger_ levend het rijk der +dooden bezochten, nl. Aeneas en Paulus. + +46 _Marco_, vriend van Dante, alleen uit deze plaats bekend. + +55 Marco's uiting over de verdorvenheid der tegenwoordige menschen, +brengt D. in verband met het van Guido del Duca vernomene (XIV). + +73 Hier wordt met weinige woorden aangestipt de filosofie, uitvoerig +uitéén gezet in het „Convito”, volgens welke elke deugd, die de menschen +voortstuwt, haar bijzonderen zetel heeft in één der planeten, terwijl +tegelijk wordt aangeraakt het vraagstuk van den vrijen wil. + +79 _grootere kracht_ en _betere natuur_, d.i. God: en _die_ schept enz. + +85 _Zij_, dit is aankondiging van het subject, vs. 88 genoemd. + +97 De dichter gaat terstond over tot dat wat hem dunkt de hoofdoorzaak +van alle kwaad: de vereeniging van wereldlijke en geestelijke macht in +den Paus. Het volgende is toespeling op Mozes' voorschrift aangaande het +vleesch, hier toegepast op den Paus, die wel herkauwt, d.i. geleerd is, +maar geen gespleten hoeven, d.i. goede zeden heeft. + +106 goede wereld: Christendom tegenover Heidendom. + +126 De Franken noemden alle Italianen Lombarden. Van de hier genoemden +is niets bekend dan dat zij brave edellieden waren. + +130 De stam van Levi, den priester, kreeg geen deel van het land Kanaän +onder de stammen van Israël: zóó moesten ook de Pausen van het +wereldlijk bestuur zijn uitgesloten. + +139 Marco zinspeelt ook hier op het verderf onder de adellijke families. + + * * * * * + +Het is merkwaardig op te merken, dat Dante den vrijen wil handhaaft om +dezelfde reden als Kant. Nl. dat de mensch als zedelijk wezen met den +vrijen wil staat of valt, of zooals Dante zeer eenvoudig zegt: als er +geen vrije wil wordt aangenomen, er ook geen reden is om zich te +verheugen over het goede en te rouwen over het kwade. + + +ZEVENTIENDE ZANG + +17 De fabel van Tereus, Procne en Philomela wordt hier zóó gewijzigd, +dat niet zooals gewoonlijk Philomela, maar haar zuster Procne in een +nachtegaal heet veranderd te zijn. + +25–29 Boek Esther. + +34 Dit _meisje_ is Lavinia, sprekend tot hare doode moeder Amata, die +van kwaadheid stierf daar zij hare dochter niet aan Aeneas maar aan +Turnus toegezegd wilde zien. Zie Aeneïs XII. + +49 Dit kleine trekje geeft even aan de groote begeerte, die door het +geheele gedicht gaat, om het Hoogste Heil te aanschouwen. + +73 _deugd_, in de eigenlijke beteekenis van het woord. + +97 Liefde gericht op de eerste, d.i. geestelijke goederen is onschuldig; +liefde gericht op de aardsche goederen kan alleen onschuldig zijn +wanneer zij het goede beoogt en gematigd is. Als zij het kwade +beoogt, dan veroorzaakt zij hoogmoed (vs. 115–117) nijd (vs. 118–120) +gramstorigheid (vs. 121–123) voor welke in de eerste, tweede en derde +ommegangen geboet wordt. Wanneer zij zich wendt zonder de juiste mate +tot het goede, d.w.z. te lauw tot God, en te heftig tot de aardsche +goederen, dan voert zij tot de zonden, in de hoogere vier ommegangen +geboet, die nog moeten worden beschreven. + +114 _in uw klei_: in de menschelijke natuur. + +124 daar omlaag, nl. op de drie reeds doorloopen ommegangen,—afgunst, +nijd en wraakzucht. Op de volgende drie ommegangen komen traagheid, +gierigheid en gulzigheid. + +127 _Eén Goed_: God. + +136 _dit goed_ nl. dat niet het ware geluk geeft, dus het aardsche. + + +ACHTTIENDE ZANG + +27 _op nieuw_, die liefde wordt als een _tweede_ natuur. + +28 Volgens Aristoteles moet men in elk ding onderscheiden tusschen de +eigenschaplooze _grondstoffen_ en den _vorm_ of idee, die daaraan eerst +het eigenlijke bestaan geeft. Zoo is het de natuur van den _vorm_ of +idee om kort in hare stof te blijven en zoo spoedig mogelijk naar den +hemelkring der maan op te stijgen waar zij thuis hoort en niet zoo snel +verteert [dus langer bij haar grondstof volhardt]. + +37 Ook hier wordt de liefde op de bij vs. 28 opgegeven wijze verdeeld in +de grondstof: d.i. liefde in 't algemeen en de bepaalde _idee_ of _vorm_ +die haar tot eene bepaalde liefde maakt. + +46 Deze uitspraak van Virgilius herinnert er nogmaals aan dat hij +slechts de wetenschap mededeelt welke de Rede geeft, maar dat Beatrice +de hoogere, die des Geloofs geeft. + +49 Wederom de Scolastiek naar Aristoteles: de zelfstandige +[substantieele] vorm of idee, nl. de ziel, die met de stof, het lichaam, +vereenigd wordt. + +55 eerste begrippen; d.i. de aangeboren begrippen, tot welke alle +oordeelen zijn te herleiden, als: het ware, goede, schoone. + +62 dàt _vermogen_, de rede, die na beraadslaging ja en neen zegt tot elk +oordeel. + +63 Zie Parad. V. 19. + +76 Het is nu de zesde avond na volle maan, die begint. + +79 De maan staat in het sterrebeeld tegengesteld aan dat van de zon, +dus dat waar de zon in October staat, wanneer men te Rome de zon ziet +ondergaan als hier staat beschreven. + +82 _Pietola_, vroeger Andes, het dorpje, waar Virgilius is geboren. + +100 Lucas 1: 39, Maria spoedt zich tot bezoek bij haar nicht Elisabeth. + +101 Caesar enz. ziet op het begin van den burgeroorlog, toen Caesar met +de grootste haast Marseille liet belegeren en bij Ilerda in Spanje de +legers overwon die zich anders met Pompejus vereenigd zouden hebben. + +133 Al de Joden, die de Roode Zee doortrokken, stierven voor dat de +Joden hun erfdeel Palestina betraden. + +136 Die tochtgenooten van Aeneas die op Sicilië bleven. + + +NEGENTIENDE ZANG + +1 De koude van het oogenblik, dat onmiddellijk vóór gaat de opkomst +van de Zon, werd toegeschreven aan den invloed van de Aarde, somtijds +versterkt door dien van de planeet Saturnus. De Maan staat hier voor +den _Nacht_. + +4 De geomanten, (_Aarde-waarzeggers_) teekenen in den blinde eene figuur +op den grond en beschouwen het als hun grootst geluk, wanneer die figuur +gelijkt op den stand der sterren die nu in het Oosten valt waar te +nemen: de Waterman _geheel_, de Visschen _gedeeltelijk_ boven den +horizont. Immers dit teeken wordt onmiddellijk gevolgd door den _Ram_, +het teeken waarin _nu_ de Zon staat. + +13 _hij_: mijn blik. Door haar lang te zien, vergat D. hare gebreken. + +19 _doe verdwalen_, dat woord kan ook beteekenen: „verbijsteren.” + +22 Ten onrechte, zooals men weet, beroemt zij zich hier. + +25 Wie deze heilige vrouw is, wordt niet nader aangeduid, hetzij de +heilige Waarheid, hetzij Lucia, de verlichtende genade. + +31 Daar het oorspr. hier geen pronomen heeft, kan men ook vertalen: Hij +[d.i. Virg.] greep, welke opvatting misschien wel verdedigd wordt door +vs. 60. „hoe _de mensch_ zich van haar los maakt.” + +37 Zij gaan steeds van O. naar W., dus schijnt de Zon in den ochtend +achter tegen hunne lendenen. + +49–51 lett.: daar zij hebben de zielen als meesteressen of bezitsters +van het troosten. + +58 Dit is een van de weinige plaatsen, waar Dante zich niet beeldend +maar afgetrokken uitdrukt. Die _tooveres_ is de allegorie van de drie +hoofd-zonden, welke in de nu nog volgende, dus hoogere kringen geboet +worden, _om welke_ dus _boven ons geweend wordt_. Virgilius bewijst +hierin wederom hoe hij alles gewaar wordt wat in Dante omgaat. + +62 _lok-aas_, de hemel met de sterren. + +67–69 Eenigszins omstandig gezegd voor: door de gansche spleet. + +82–84 D. had den spreker wel gehoord, maar zijn aangezicht niet gezien. + +93 _grootere zorg_, zijne eigene zaligheid, in vergelijking met de +aandacht, aan Dante te schenken. + +100 Deze stroom is de Lavagna, in het Land van Genua, waarnaar de +Fieschi zich noemden Graven van Lavagna. + +137 _neque nubent_ Matthaeüs XXII. 30 „want in de opstanding nemen zij +niet ten huwelijk, en worden niet ten huwelijk uitgegeven.” Met deze +woorden geeft de Paus te kennen dat ook het huwelijk van den Paus met +de Kerk [waarop Dante meermalen Hel XIX, Lout. XXIV zinspeelt], in het +andere leven hen niets meer boven andere stervelingen verheft. + +141 zie vs. 91. + +145 Alagia was de vrouw van Marcello Malaspina, uit een geslacht aan +hetwelk Dante wegens goedheid, in zijn ballingschap hem bewezen, dank +schuldig was. + + +TWINTIGSTE ZANG + +4–6 meerlen, Ital. merli, woord dat hier slechts voorkomt, aanduidend +een onderdeel van de verschansing. + +13–15 Ook hier denkt Dante aan den held, die een einde zal maken aan de +wereldlijke macht van den Paus en zoo aan alle gierigheid der menschen. + +16–18 jammerden, Ital. lagnarsi: zich scheuren; kan echter niet van +eenig rouwmisbaar, met de handen bedreven, bedoeld zijn, daar deze +schimmen de handen en voeten gebonden hebben. + +31–33 _Sint Nicolaas._ De bij ons te lande zoo goed bekende Bisschop van +Mira, die eens vernomen had dat een vader zijn drie dochters bij gebrek +aan een bruidsschat zich aan de prostitutie wilde laten overgeven, en +daarom heimelijk 's nachts twee zakken gouds bij haar in het venster +liet werpen. + +64–69 tot boete,—ironisch bedoeld. + +67 Karel, Hertog van Anjou. + +70 eenen tweeden _Karel_, nl. van Valois. + +79 Den ander = Karel van Anjou, Koning van Apulië, krijgsgevangen +gemaakt door den admiraal van Pieter van Arragon. + +87 In 1303 werd Paus Bonifacius VIII gevangen genomen door Philips den +Schoone, Koning van Frankrijk. Alagne is in de Romeinsche campagne. + +92 _In den tempel_, dit slaat op de Orde der tempeliers, door Philips +den Schoone gewelddadig opgeheven in 1307. + +97 nl. Maria zie no. 19. + +103 Pygmalion, die uit gouddorst zijnen broeder, Dido's echtgenoot, +vermoordde. + +109 Acam; op Jozua's bevel gesteenigd om het zich toeëigenen van een +gedeelte van den buit van Jericho. + +112 Safira, Handelingen V. 113. Heliodorus, op het punt om de +tempelschatten te rooven, werd teruggedreven door een gewapend en +gespoord man. + +115 Polydorus, zie Aen. III. + +121 d.w.z. ik was de eenige die luid sprak. Deze eerste regels geven +antwoord op 36. + +130 Delos, het eiland waarop Latona Apollo en Diana baarde, was volgens +de legende vóór die geboorte los van den bodem der zee. + + +EEN EN TWINTIGSTE ZANG + +1 De dorst naar weten. + +36 zijne zachte voeten: de zandige kust aan den voet des bergs. + +50 _de dochter van_ T. is Iris, de regenboog, die op aarde steeds +tusschen zon en toeschouwer staat. + +52 _Droge damp_, als oorzaak der winden in tegenstelling met de +_vochten_, die den regen veroorzaken. + +56 door _wind_, die voor oorzaak der aardbevingen werd gehouden. + +61–66 De ziel voelt den wil tot opstijgen reeds eerder, maar deze wordt +bestreden door den wil zich te louteren. Is de loutering volbracht dan +voelt zij den _éénigen_ wil tot stijgen. + +85 _den naam_, _die_, enz., d.i. die van den dichter. + +91 Statius is de dichter der Silvae, der Thebais en der op lange na niet +voltooide Achilleïs. + + +TWEE EN TWINTIGSTE ZANG + +3 een merkteeken, n.l. één van de zeven P's. + +5 Het geheele gezang luidt: Welgelukzalig die dorst hebben en die honger +hebben. De honger is bewaard voor den hoogeren cirkel in zang XXIV. + +40 Zie de Aeneïs III. + +en hoe volgens den Zevenden Zang in den 4en omgang der Hel de gierigen +worden gestraft. + +43 één van de weinige plaatsen waar Dante om het rijm een valsch beeld +gebruikt. + +46 Zie Hel. VII 57. + +49 Evenals in de Hel wordt hier gierigheid met haar, tegendeel +spilzucht te zamen gebracht. _Weerkaatst_ heb ik hier zijn letterlijke +beteekenis genomen omdat ook Dante het eigenlijke woord aan het +kaatsspel ontleent. „Zijn groenheid droogt” is eene omschrijving van +louteren. + +55 _de dubbele droefenis_ zijn de beide elkaar vijandige zoons van +Iöcaste en Oedipus, van wie de ééne, Polynices, de Grieken (vs. 88) +tegen zijn broeder en zijn vaderstad Thebe deed optrekken. + +58 „tokkelt” in proza schijnt dit woord eenigszins gezocht, is echter in +het origineel geheel in overeenstemming met den luchtigen toon die den +ganschen Canto, de ontmoeting der drie Dichters vertellende, kenmerkt. + +70 Dit zijn de beginwoorden van één der Herderszangen, door lateren +opgevat als voorzegging van het Christendom. + +104 dien berg: den Parnassus. + + +DRIE EN TWINTIGSTE ZANG + +10 „Labia etc.” Zie Psalm 51 vs. 17: Heer, open mijne lippen en ik zal +uwen lof verkondigen. + +25 _Erisichthon_, die Ceres minachtte; daarom gestraft werd met +onverzadigbaren honger zoo dat, door zijn eten van al wat hij bezat, tot +volslagen armoede vervallen, hij er toe kwam zijne tanden in zijn eigen +vleesch te slaan. Aan dat oogenblik moet hier gedacht worden. + +29 Toen Jerusalem door Titus werd belegerd, kwam ééne vrouw, M., ertoe +haar eigen kind te verslinden. Zie Vondels _Jerusalem verwoest_. + +45 verwoest: n.l. de kenbare trekken. + +48 Forese Donati, broeder van Corso Donati, partijhoofd der zwarten +(adel en rijke burgers). + +66 _loutert_, letterlijk: hermaakt zich hier heilig. + +73 de begeerte tot verlossing van de zonde die Christus tot het kruis +bracht. Eli; één der laatste woorden door Chr. aan het kruis gesproken. +Matth. XXVII: 46. + +79 Dante verwachtte Forese vóór de poort van den Louteringsberg te +vinden, daar deze zich eerst berouwd had op het einde van zijn leven, +toen het vermogen om te zondigen hem ontnomen werd. + +81 _terugbrengt_, letterlijk: weder huwelijkt aan God. + +84 immers, voor de Póort van den eigenlijken Louteringsberg moeten de +tragen even lang wachten als de traagheid in hun leven heeft geduurd. + +94 Barbagia, een streek in 't binnenland van Sardinië, waar 't heette +dat de vrouwen nagenoeg ongekleed gingen. + +109–112 Deze regelen slaan op de vele rampen, die de Florentijnen zullen +hebben te doorstaan, voor dat de zuigeling van nu manbaar zal zijn +geworden. + +119 _voor luttel_ dagen, het origineel heeft eergisteren, doch het was +voor-eergisteren. Immers nu is het Paasch-Maandag en het was Goede +Vrijdag bij volle maan, wanneer Dante den Tocht begon. + +132 Zie XX 127 waar de berg schudt uit vreugde over de voltooide +loutering van Statius. + + +VIER EN TWINTIGSTE ZANG + +4 _weder gestorven_, n.l. ten tweeden male, wegens hunne magerheid. + +8 Zij: de schim van Statius, die ter wille van Virgilius langzamer gaat. + +10 Piccarda, Forese's zuster, die in een klooster gegaan, gedwongen werd +er uit te gaan en te huwen maar weldra stierf. + +19 B. de Lucca, een rijmer. + +22 dit is Martinus IV bisschop van Tours, later Paus. + +30 Bonifazio, bisschop van Ravenna; van welk bisdom de herders-staf den +vorm van een spinrokken had. + +37 ik hoorde hem „Gentucca” mompelen in zijne tanden, dus waar hij den +onbevredigden honger voelde. + +43 den _hoofd_-band, het kenmerk der gehuwden. + +51 „Vrouwen—etc.” uit de „Vita Nuova.” Zie Inleiding „Hel.” + +58 _degene_, eigenlijk dengene, daar Amore in het Italiaansch mannelijk +is. + +61 de afstand die den gemaniereerden van den geinspireerden stijl +scheidt is zoo groot, dat men van uit den een den anderen niet kan zien. + +82 Voorzegging van den dood van Forese Donati's broeder Corso Donati, +partijhoofd der zwarten. Hij kwam om door een val van het paard, waarbij +hij in het tuig verward bleef (15 Sept. 1308). + +90 Forese noemt met opzet zijns broeders naam niet. + +121 _de Centauren_, zijn de wezens, in de wolken geformeerd met +_tweevoudige_ borst, n.l. die van een paard en van een man. Toen zij +met wijn verzadigd waren, begonnen zij op de bruiloft van Pirithous +gewelddadigheden, waarvoor Theseus ze boeten deed. + +124 Gideon koos diegenen, die bij de bron gekomen niet neerknielden om +te drinken, maar staande water met de hand schepten. + +148 _Zóó voelde._ De dichter zegt het wel niet, maar men kan naar +anologie met hetgeen op de andere omgangen gebeurt begrijpen dat hij +aldus hier de Zesde P van het voorhoofd kwijt raakt. + + +VIJF EN TWINTIGSTE ZANG + +1–3 De zon staat nu in den Ram. De Stier is het beeld volgende op den +Ram, dus als deze in den middagcirkel staat is het twee uur na den +middag. De nacht is het punt, recht tegenover de Zon, aan het Noordelijk +halfrond. Dit valt in de Weegschaal. Het beeld, dat daarop volgt is de +Schorpioen. Staat deze in den Meridiaan, dan is het in het Noordelijk +halfrond twee uur na middernacht. + +31 Of volgens andere lezing: „de eeuwige wraak openbaar”. + +63 _een wijzere_ n.l. Averroës of Ibn Rasch (zie Hel IV 152) die in +zijn commentaar op Aristoteles het mogelijk verstand (intellectus +possibilis, den _al-geest_, in tegenstelling met intellectus agens, +die de zinsindrukken tot het bewustzijn brengt) van de ziel scheidt. + +79 wat dit _in mogelijkheid_ beteekent kan _misschien_ begrepen worden, +indien men de tegenstelling tusschen intellectus possibilis en +intellectus agens in het oog houdt. + +88 _levende leden_—het lichaam dat op aarde leefde. + +100 dáárvan: van de gevormde lucht. + +109 Aankomst op den Zevenden Ommegang. + +139 _de laatste wonde_—de laatste van de zeven P's. + + +ZES EN TWINTIGSTE ZANG + +61 n.l. de begeerte om zich te louteren, die nu nog strijdt met de +begeerte om ten hemel te stijgen, zie zang XXI, vs. 64. + +94 Lycurgus; zie het verhaal bij Statius in de Thebais vs. 721. + +130 tot zóóver: dus met weglating van: en veroordeel ons niet. + + +ZEVEN EN TWINTIGSTE ZANG + +1 Dante neemt Ganges en Ebro als oostelijke en westelijke grens, +Jerusalem als middagcirkel van ons halfrond; dus, wanneer voor den +Louteringsberg de zon ondergaat, is het noen bij den Ganges, morgen +te Jerusalem en staat de nacht in de Weegschaal, het sterrebeeld +tegengesteld aan den Ram, waarin nu de Zon staat. + +13 Dante wil zeggen dat het afstand doen van die genietingen hem +voorkwam gelijk aan den dood te zijn. + +22 _Gerion._ Zie Hel canto 19. + +58 „Komt, gezegenden mijns Vaders.” + +94 _Cytherea_, Venus, nu staande in het teeken der Visschen, dat +vóórgaat aan het teeken van den Ram, waarin nu de Zon is. + +101 Lea en Rachel uit het O. T. verbeelden het practische en het +beschouwende leven, nog voor het licht van Christus aan Dante is +verschenen. In het aardsche Paradijs zullen hem weldra hetzelfde +verbeelden de Christinnen Mathilde en Beatrice. + +127 het tijdelijk vuur, nl. op den Berg en het eeuwige in de Hel. + +129 _Uit mijzelven_—Virgilius is het licht der goddelijke genade niet +deelachtig. + +142 _Over u zelven_—nl. als heer over u zelf, dus: als uw eigen +meester. + + +ACHT EN TWINTIGSTE ZANG + +67 _Nu recht-op gericht_, d.w.z. niet meer bloemen plukkende. + +80 Psalm XCII, vs. 5 (Vulgata). + +85 Louteringsberg XXI, 52–54 vertelde immers Statius dat vanaf de poort +van den Louteringsberg naar boven geen wind of regen meer was. + +102 Nl. door de poort van St. Pieter. + +103 Dante denkt zich om de stilstaande aarde negen hemelkringen, van +oost naar west draaiende, genoemd naar de zeven planeten (de Maan, +Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus). De achtste is +die der vaste sterren, de negende het Empyreum. Zie „het Paradijs”. + +136 _Kransje_,—nl. de mededeeling van eene waarheid. + + +NEGEN EN TWINTIGSTE ZANG + +3 _Wier zonden_, nl. de 7 P's die nu alle uitgewischt zijn. + +27 Onder eenigen sluier, d.w.z. verstoken van de Kennis des Goeds en des +Kwaads. + +46 het verkeerd geziene: letterl. het gemeene, d.i. wat beiden dingen +gemeen is, dus de gelijkenis doet vinden. + +75 _Penseelen_, het Italiaansche pennelli kan ook beteekenen: baniertjes +of wimpels. _Delia_, nl. Diana of de Maan. + +79 de zeven kandelaren = de zeven gaven v. d. Heiligen Geest; de tien +schreden = de tien geboden. + +82 Vierentwintig ouderlingen—vertegenwoordigend 24 boeken van het Oude +Testament, zie Apocal. IV. 4. + +94 Argus, de duizend-oogige bewaker, verbeeldende den sterrenhemel, door +Juno over hare medeminnares Iö tot bewaker gesteld; hij werd door +Mercurius Jupiter ten gevalle gedood. Zijne oogen kwamen neer op Juno's +vogel, den pauw. + +108 De griffoen is een uit twee dieren samengesteld dier. Het voorste +deel van het lichaam is van een arend, het achterdeel van een leeuw. +Met dit dier wordt Christus voorgesteld, in wien twee naturen zijn: de +goddelijke, die zich verheft (de arend) en de menschelijke, die aan de +aarde gebonden is (de leeuw). + +118 De zonnekar, door Phaëton onkundig bereden, zoodat hij de aarde +verzengde, werd verbrand. Dante verbeeldt hierin alle hare rechtmatige +grenzen te buiten gaande macht, waarschijnlijk die der Rom. Curie, die, +tot de geestelijke heerschappij geroepen, zich ook de wereldlijke +aanmatigt. + +121 Drie vrouwen: Liefde, Hoop, Geloof. + +130 vier: voorzichtigheid, rechtvaardigheid, moed en gematigdheid. +Voorzichtigheid leidt den dans; deze heeft drie oogen. + +133 twee, Lucas als geneesheer, en schrijver der Handelingen, Paulus met +het zwaard der waarheid. + +142 _Vier_, wie der apostelen of kerkvaders is niet zeker; een oude is +Johannes, die slapende de Gezichten der Openbaring zag. + +154 teekenen: de kandelaren. + + +DERTIGSTE ZANG + +1 Het zevengesternte zijn de zeven kandelaren. Zie XXIX. 49. De eerste +Hemel is het aardsche Paradijs. + +16 Zóó groot eenen grijsaard—een van de 24, zie canto 29—dus Salomo +als schrijver van het Hooglied. + +23 Roos-kleurig, misschien beter „vol-daan”. + +39 De aangehaalde woorden zijn die, waarmede Virgilius Dido's liefde +kenschetst voor haren eersten man. Zoo ook vs. 48. + +52 _alles wat_, nl. al de heerlijkheden van het Paradijs. + +57 _zwaard_, nl. van het berouw. + +73 _verwaardigdet_, dit is met eenige ironie gezegd en met eenige +bitterheid over Dante's afdwalingen. + +82 Psalm 30. (Vulgata). + +85–90 Men lette er op hoe naar waarheid Italië's klimaat wordt +beschreven, blootstaande aan de koude winden uit Slavonië, de heete uit +Afrika. + +109 _De groote raderen_, de hemelsferen. _Het zaad_, nl. ieders aanleg. + +112 Met de _dampen_, die oorzaken zijn van de _regens_, worden hier +vergeleken de ondoorgrondelijke oorzaken, die de goddelijke genade, +hun gave, doen nederregenen. Hier wordt wederom even als in de Hel het +gedrag der menschen afhankelijk gesteld van de inwerking der sterren en +de goddelijke genade. + +115 In _vermogen_, in mogelijkheid of aanleg, in tegenstelling met: in +werkelijkheid. + +116 gewaad genomen als kenmerk van het ambt door iemand bekleed. + +133 De inblazingen of inspiratie die, op hare voorbede, God hem zond. + + +EEN EN DERTIGSTE ZANG + +7 _Mijne deugd_, hier en meermalen elders wordt het woord _deugd_ +gebruikt in zijn oorspronkelijken zin van kracht, evenals het Latijnsche +virtus, van _vir_, man. Vergelijk het Oud-Germaansch degen = held. + +30 _voor hen uit loopen_,—bij wijze van huldebetoon. + +40 Het zwaard der gerechtigheid wordt gescherpt door een rad. In geval +van belijdenis keert het rad zich tegen de snede en wordt het zwaard +gestompt. + +46 het zaad nl. de oorzaak, hier de zware last van vs. 19. + +57 _zoodanig_, niet meer behoorend tot de sterfelijke zaken. + +70–72 door Noord- of Zuid-wind. + +76 de _eerste schepselen_, de engelen. + +81 Voor den griffoen. Zie XXIX, 108. + +97 Psalm 50. + +109 _versta_: de drie van ginds van de kar, de theologische deugden, die +dieper spieden, zullen Uwe oogen scherpen om te zien in het aangename +licht, dat daarbinnen, nl. in B.'s oogen is. + +121 daarbinnen-in, nl. in B.'s oogen, _het ééne en het andere bestier_, +zijn menschelijke en goddelijke natuur. + + +TWEE EN DERTIGSTE ZANG + +23 De _boom_ verbeeldt Rome of het Romeinsche Rijk. + +37 „Adam” wordt geroepen als de eerste zondaar, maar ook wordt met Adam, +die in het Aardsche Paradijs geplaatst zich vergreep aan den verboden +Boom, verbeeld de Paus, die te Rome geplaatst als ondergeschikte van +den Keizer, zich aan diens autoriteit onttrok en zich vergrijpt aan +diens wereldlijke macht. Van de ongehoorzaamheid des Pausen komt de +verlatenheid van het Romeinsche Rijk, de wanorde en ellende van Italië. + +52 In de lente staat de zon in den Ram die volgt op _de Visch_. + +64 Iö werd bemind door Jupiter; Juno had daar erg in; Jupiter +herschept de beminde in eene koe; Juno laat de koe bewaken door den +honderd-oogigen Argus; Jupiter zendt Mercurius die zoetelijk zingt van +Syrinx, de nimf bemind door Pan, zoodat Argus' honderd oogen insluimeren +en hij door Merc. wordt gedood. + +82 Pia = Mathilde. + +73–87 Christus wordt hier vereenzelvigd met den appelboom uit het +Hooglied cap. II, en voor de geheele vergelijking zie men Mattheüs XVII. +Met den diepen slaap is bedoeld die van Lazarus. + +100–102 Vreemdeling, eigenlijk woudbewoner, silvano. Italië wordt als +woud of wildernis beschouwd in tegenstelling met den Hemel, hier Rome +genoemd, met Christus als burger. + +109 De bliksem gedacht als komende (regenende) uit de hoogste +luchtstreek, grenzende aan het vuur. + +De adelaar verbeeldt de keizers, vervolgers der Christenen, de wolvin de +ketterij. + +124 Deze vederen verbeelden de wereldlijke macht en goederen aan de +Kerk gegeven. + +130 De draak verbeeldt Satan. + +136 verg. Hel XIX 115. + +142 De hoofden verbeelden de zonden der Kerk, de Hoer, de Pausen; de +Reus, die koningen van Frankrijk die bewerkten dat de Paus zijn zetel te +Avignon hield. + +154 —_naar mij_—nl. naar de Ghibellijnen. + +157–160 Door het vertrek der Pausen naar Avignon (hier voorspeld en +gebeurd in 1305 onder Clemens V) raakt de Paus geheel uit het oog der +Ghibellijnen. + + +DRIE EN DERTIGSTE ZANG + +1 De psalm 78, waarin voorzegd worden de rampen die zullen komen over +Jerusalem, hier toegepast op die van Italië. + +34 _Het vat_—nl. de wagen die de Kerk verbeeldt. + +43 _een aanvoerder_, een keizer door Dante steeds verwacht als +hersteller van het Pausdom binnen de daaraan gestelde grenzen en als +hervormer van het geheele Rijk, vooral van Italië. + +49 Zonder schade enz. Zooals te Thebe de oplossing van het raadsel der +Sfinx door Oedipus. + +63 nl. door zich te laten kruisigen. + +67 De wateren van den Elsa (in Toscane) overdekken al wat er in valt, +met een steenachtige laag. Piramus maakte met zijn bloed de witte +moerbei rood. + +76 d.i. opdat men wete dat gij hier zijt geweest, gelijk men aan de +palm-bladeren om den pelgrimsstaf, de pelgrims herkent die in het +Heilige Land zijn geweest. + +91 ulieden, de hemelingen. + +123 Alleen van het kwade verliest men de heugenis door het drinken van +Lethe. + + + + +NA-WOORD + + +I + + +[Kantlijn: Karakter van het geheele gedicht.] + +De Hel straft degenen, die zich aan onvergefelijke zonden hebben +schuldig gemaakt. Dante voelt wèl den val tot zulke zonden als een +gevaar, dat hem evengoed als alle andere menschen, bedreigt, maar toch +weet hij zich zelven van zulke zonden vrij. + +Hoe die zonden hem bedreigen, men heeft gezien in den eersten Zang van +de Hel, waar hem Wellust, Heersch-zucht en Heb-zucht als Losch (vs. 31), +als Leeuw (vs. 43) en als Wolvin (vs. 49) verschrikten, voor hij zijn +toevlucht bij Virgilius vond. Dat Dante, hoewel bedreigd, zich toch vrij +van de zonden voelde, blijkt duidelijk uit Hel III 127, waar bij het +oversteken van den Acheron, Virgilius hem toespreekt: „Hier steekt nooit +goede ziel over: en daarom, indien Charon zich over u vertoornt, dan +kunt gij wel weten wat zijn spreken beduidt.” + +Zoo is het dat Dante op den geheelen tocht wel verschrikking voelt bij +het zien der straffen, maar ze niet zelf aan zich zelven meê-maakt. Wel +voelt hij medelijden met de gestraften, maar dit beschouwt hij als eene +zwakheid, die hij in zich zelven bestrijdt. + +Ook toorn gevoelt hij tegen de zondigen; en vreugde, over de rechtmatige +straf; deze beiden als prijzenswaarde gevoelens. + +Maar in het Rijk der Loutering is het geheel anders. Hier wordt geboet +voor zonden, aan welke ook Dante zich schuldig voelt. Hij maakt de +straf, de boete, de loutering zelf door. + +Niet alleen blijkt uit de zeven P's, Dante op het voorhoofd gedrukt +door den Engel, die de Poort van den Louteringsberg bewaakt, en die, de +een na de andere, bij het doorloopen der zeven ommegangen verdwijnen, +maar men voelt het bij de lezing van het geheele gedicht. Zwaar drukt de +zonden-last den dichter bij het begin; steeds lichter voelt hij zich +worden en steeds gemakkelijker de stijging naar mate hij den top des +Bergs nadert. + + +II + +[Kantlijn: De Louteringsberg als verblijfplaats der zielen.] + +In Italië zelf is de Hel gedurende vele eeuwen meer bekend geweest dan +de beide andere gedichten. In de laatste tijden van hernieuwd nationaal +leven en daarmede hernieuwde belangstelling in de nationale letterkunde +is daarin verandering gekomen en is de Louteringsberg minstens evenzeer +algemeen eigendom als de Hel. Niet weinig draagt daartoe bij wat ik +hierboven zei: de Louteringsberg bevat het leven van den strevenden +dichter, en dus van elk strevend mensch. Ja, het menschelijk leven is +het eigenlijk onderwerp van het gedicht. + +Ook het tooneel, waar de handeling van dit gedicht afspeelt, is veel +meer geschikt om ons als een welgewenscht verblijf tot zich te lokken. +Grootsch en somber was de voorstelling van het gruwelijk verblijf der +voor eeuwig verdoemden. De ontzaggelijke cirkels, als ommegangen den +helle-trechter omgaande, zich al nauwer sluitend, hadden ons eindelijk +tusschen den eeuwigen jammer gebracht tot aan den bodem van eeuwig ijs, +waarin de van alle menschelijk gevoel vervreemde moordenaars van wie hun +lief en dierbaar hadden moeten en kunnen zijn, vastgevroren liggen. Wij +zijn de tunnel doorgekomen, het gat door Lucifer bij zijn val uit den +Hemel in de Aarde gemaakt, dat van onze tegenvoeters loopt tot aan het +centrum, tegelijk den top van de omgekeerde holle pyramide, door den +Helletrechter gevormd. We zien, op Goeden Vrijdag de Hel binnengekomen, +nu op Paasch-morgen het zon-licht weder. We hebben denzelfden tijd, ook +door Christus in de onderwereld doorgebracht, daar beneden vertoefd. +De morgen, die de opstanding van natuur en mensch viert (die ook Faust +tot een nieuw leven zag herboren worden), ontvangt ons op het Zuidelijk +half-rond in een nieuwen dag en een nieuw Zonnelicht. Nog staan aan den +hemel de starren van het Zuiderkruis, het sterrebeeld, ons Noordelingen +onbekend, maar dat ginds den nacht verluistert en tegelijk het Symbool +is van nieuwe deugden, hier onbereikbaar. + +Wel zijn ook in de Hel geweldige berglandschappen ons voor oogen +getooverd! Maar hier zien wij het heerlijk Italië in al zijn onderdeelen +voor ons, al is het ook in naam het Zuidelijk Halfrond, waar we ons +bevinden. De Zon, die we zoolang hebben moeten derven, zien we nu, elk +van de drie dagen dat ook deze tocht duurt, opkomen, hemel en aarde +verlichten en weer achter ons dalen; den nacht brengen we door onder het +geleide en de bewaking der wacht-engelen, van liefelijke zangen omzweefd +en omruischt. Eindelijk is de top bereikt en daarmede ook het Aardsche +Paradijs. Nooit moeten we vergeten dat deze tocht, die het gansche leven +verbeeldt, toch in slechts weinige dagen wordt afgespeeld. Zóó is alles +verfijnd, versterkt tot een afgerond, beperkt beeld. Reeds dadelijk +worden we er aan herinnerd dat ook het jaar, waarin deze tocht door +Dante is gedaan, een bijzonder jaar was, het jubeljaar: 1300. Immers als +Dante de kabbeling van de golven ziet aan het Zee-strand, ontwaart hij +meteen de boot met Schimmen, die onder het bestuur van een Engel, over +zee aankomt van den mond des Tibers, de verzamel-plaats der schimmen, +die der Loutering zijn waardig gekeurd; maar die noodzakelijk door Rome, +d.w.z. door de Kerk den weg hierheen moesten vinden. En meer dan anders +is de boot beladen, want allen, die het jubeljaar gebruikten om Rome te +bezoeken, hun is ook na den dood de toegang tot den Louteringsberg +gewaarborgd. + + +III + +[Kantlijn: De Allegorie in 't aardsche Paradijs.] + +Ook langs den Louteringsberg wordt Dante geleid door Virgilius, die voor +hem de bron is van alle menschelijk weten. Eerst wanneer hij op den top +is gekomen en het aardsche Paradijs is bereikt, verlaat Virgilius hem en +verschijnt hem Beatrice, die hem verder zal geleiden door dit Paradijs +en verder door al de hemelkringen tot het aanschouwen van God-zelven. + +Wat Dante in het Aardsche Paradijs ziet, is eene weerspiegeling van de +toestanden op aarde en van datgene wat Dante beschouwde als de oorzaak +van alle kwaad: het feit dat noch Kerk noch Staat waren overeenkomstig +beider goddelijke bestemming. De algemeene en bijzondere zin van de +gansche allegorie, zooals die ons in Zang XXXII en XXXIII voor oogen +wordt gesteld, is duidelijk genoeg, vooral voor den lezer, die de aan +het slot gevoegde noten raadpleegt. Wel geloof ik dat ik den lezer +een dienst bewijs, door de toestanden zelf zoo kort mogelijk hem te +herinneren. + +[Kantlijn: Jubeljaar.] + +De viering van het zoo even genoemde jubeljaar 1300 was een triomf +van Paus Bonifacius VIII, den heerschzuchtigen Paus uit het Romeinsche +geslacht der Orsini, den Paus, dien we reeds hadden hooren noemen in +de Hel (XIX 52). Het is daar, waar Paus Nicolaas III, met het hoofd +naar beneden, met de voeten omhoog in brand, wordt gestraft voor het +misbruiken der Pauselijke Macht en meent dat Dante reeds zijn opvolger +Bonifacius is, die tevens zijn plaats in de Hel komt innemen. + +Deze Bonifacius vierde in dat jubeljaar zijn triomf over Keizer en +Koning, en liet zich zelf als Imperator vereeren door de saamgestroomde +Kristenheid. Het Duitsche Rijk verkeerde in zulk een toestand van +verdeeldheid en verzwakking, dat van dien kant niets te vreezen viel. + +[Kantlijn: Philips IV van Frankrijk en Bonifacius VII.] + +Het was vooral Philips IV, Koning van Frankrijk, tegen wien de Paus +te strijden had. Deze had Frankrijk naar binnen en naar buiten tot +den krachtigsten staat gemaakt. Onder zijne regeering had de Fransche +geestelijkheid zich te Rome beklaagd over de zware lasten, door de +kroon haar opgelegd. De Paus verbood daarop (1296) dat geestelijken +door leeken belastingen werden opgelegd. Deze oorlogsverklaring aan +den Koning, werd door dezen beantwoord met het verbod van den uitvoer +van paarden, wapenen, geld en kostbaarheden, dus van al datgene wat +'s Pausen inkomsten uit Frankrijk vormde. Twee dreigende brieven van +den Paus aan den Koning richtten niets uit. De Paus riep een algemeen +concilie te Rome bijéén tegen 1302, waartoe hij ook Philips uitnodigde. +Had de Paus zijn wil door kunnen zetten, dan had hij voorzeker den +Koning door dit concilie laten afzetten, gelijk in 1246 Keizer Frederik +II was afgezet. Doch de Fransche Koning vond steun bij zijn volk. +De Staten-Generaal, door hem bijeengeroepen, verklaarden zich bereid +den Koning trouw ter zijde te staan en verboden aan alle Fransche +geestelijken het concilie bij te wonen. Toch opende de Paus de +Kerkvergadering in November, en trots het verbod waren er tal van +Fransche bisschoppen verschenen. De Paus werd door deze vergadering +tot ~hoofd der Wereld~ verklaard, de geestelijkheid verheven boven +het wereldgezag. Plechtig werd de ban uitgesproken tegen allen, die +de Curie het haar toekomende wilden onthouden of haar op andere wijze +benadeelen. Daarmede was de banvloek over Philips uitgesproken. Na +allerlei dreigementen werd de Paus door 's Konings gezant gevangen +genomen nabij Rome (Louteringsberg XX 85) in Sept. 1303, doch liet +zich niet dwingen tot 't herroepen zijner decreten. Wel werd hij door +de bevolking bevrijd, maar hij stierf reeds den 11en October 1303. + +[Kantlijn: Vernedering van het Pausdom.] + +Zijn opvolger was Bertrand de Got, Aartsbisschop van Bordeaux, het +blinde werktuig des Franschen Konings. Hij onthief den Koning van den +ban, trok alle aanklachten in en herriep de decreten zijns voorgangers. +Na zijn dood in 1314 bleef de stoel van St. Peter twee jaren onbezet. +In 1316 dwong Philips V het conclave tot de keuze van eenen Franschman, +Johannes XXII. Deze was nog nauwer dan Clemens V verbonden met de +Fransche koningen. Hij was meer intrigant dan staatsman, eerzuchtig in +hooge mate, werkzaam maar zonder diepen blik in de tijdsomstandigheden; +hebzuchtig en geldgierig, heeft hij de geldmiddelen van den Heiligen +Stoel op kosten der Kerk en der geloovigen belangrijk versterkt, maar +niet zonder daardoor hevige ontevredenheid te wekken. Hij stelde zich +geheel onder de hoede des Franschen Konings en vestigde zich te Avignon, +een bezitting der Pausen in Provence. + +In het Derde Gedicht: ~het Paradijs~ (of de Hemel) zal Dante nog meer +gelegenheid hebben zijn ideaal (reeds in de Inleiding tot de Hel +aangestipt) van Kerk en Staat uitvoeriger te laten uitspreken, door +de verschillende personen die hij daar ontmoet. + + H. J. B. + + + + + +--------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Bron (B:) — Correctie (C:) | + | | + | B: zeide ik: „bëoog dezen, die zich | + | C: zeide ik: „beöog dezen, die zich | + | B: het bloed uitging, waain ik | + | C: het bloed uitging, waarin ik | + | B: hebt, door begeerrigheid aan gene | + | C: hebt, door begeerigheid aan gene | + | B: hoeveling, die als partijganger | + | C: hooveling, die als partijganger | + | B: alles gelegd naats het kruid en de | + | C: alles gelegd naast het kruid en de | + | B: Malespina. | + | C: Malaspina. | + | B: goed plaats zijn, wil alle | + | C: goede plaats zijn, wil alle | + | B: 49 Thans zijt gij aan het | + | C: 49 „Thans zijt gij aan het | + | B: daar is de poort.” | + | C: daar is de poort.”” | + | B: beide de zoetzolen, zittende op | + | C: beide de voetzolen, zittende op | + | B: niet open.” | + | C: niet open. | + | B: Petrus heb ik ze; en hij zeide | + | C: Petrus heb ik ze;” en hij zeide | + | B: zich voor mij ter aarde werpen.” | + | C: zich voor mij ter aarde werpen. | + | B: welke stemmen zijn dezen? en mèt dat ik | + | C: welke stemmen zijn dezen?” en mèt dat ik | + | B: Van een gove pij schenen | + | C: Van een grove pij schenen | + | B: meerdere diepe zeëen, vindt hij de | + | C: meerdere diepe zeeën, vindt hij de | + | B: geen duizend aar zich tot den | + | C: geen duizend jaar zich tot den | + | B: niet: „Wat hebt gij? om die | + | C: niet: „Wat hebt gij?” om die | + | B: 91 „Nog Schepper, noch schepsel | + | C: 91 Noch Schepper, noch schepsel | + | B: één van die Geesten ezide: | + | C: één van die Geesten zeide: | + | B: 67 Gij hebtgeda an als degene, | + | C: 67 Gij hebt gedaan als degene, | + | B: persoonaadjen Antigone, Dëiphile en Argia | + | C: persoonaadjen Antigone, Deïphile en Argia | + | B: vader, wat is dat was ik hoor?” | + | C: vader, wat is dat wat ik hoor?” | + | B: 40 O ziel,” zeide ik: | + | C: 40 „O ziel,” zeide ik: | + | B: antwoordde ik hem „niet hoelang | + | C: antwoordde ik hem: „niet hoelang | + | B: 121 Summae Deus clementiae” hoorde | + | C: 121 „Summae Deus clementiae” hoorde | + | B: waren, vestte Virgiluis zijne oogen | + | C: waren, vestte Virgilius zijne oogen | + | B: kan verzadgid zijn, zoodat ik | + | C: kan verzadigd zijn, zoodat ik | + | B: de nectar, waarvan ieder speekt.” | + | C: de nectar, waarvan ieder spreekt.” | + | B: 84 _Zon_, hier als het | + | C: 85 _Zon_, hier als het | + | B: door den aanblik van Ottacar, koning | + | C: door den aanblik van Ottocar, koning | + | B: 108 _vluchtend_, in den oorlog | + | C: 105 _vluchtend_, in den oorlog | + | B: en vs. 124 _met_ den _grooten | + | C: en vs. 124 met _den grooten | + | B: 128 Currado Malaspina, neef van | + | C: 118 Currado Malaspina, neef van | + | B: Currado. Virgilius en Dante. | + | C: Currado, Virgilius en Dante. | + | B: 112 _Zeven P'e_ (peccata of | + | C: 112 _Zeven P's_ (peccata of | + | B: III, 155. beschrijft het aldus: | + | C: III, 155 beschrijft het aldus: | + | B: traagst draaiende hemelcircel | + | C: traagst draaiende hemelcirkel | + | B: 90 _De zesde dienstmaagd_, | + | C: 80 _De zesde dienstmaagd_, | + | B: 128_gelijk de meerle deed_. | + | C: 123 _gelijk de meerle deed_. | + | B: Louterinsberg ligt precies aan | + | C: outeringsberg ligt precies aan | + | B: 75 Het is nu de zesde | + | C: 76 Het is nu de zesde | + | B: 78 De maan staat in het sterrebeeld | + | C: 79 De maan staat in het sterrebeeld | + | B: NEGENDE ZANG | + | C: NEGENTIENDE ZANG | + | B: 49–51: lett: daar zij hebben | + | C: 49–51 lett.: daar zij hebben | + | B: jammerden, Ital: lagnarsi: zich | + | C: jammerden, Ital. lagnarsi: zich | + | C: 64–66 tot boete,—ironisch bedoeld. | + | B: 64–69 tot boete,—ironisch bedoeld. | + | B: 77 Den ander = Karel | + | C: 79 Den ander = Karel | + | B: 6 zijne zachte voeten: | + | C: 36 zijne zachte voeten: | + | B: oorzaak der aarbevingen werd gehouden. | + | C: oorzaak der aardbevingen werd gehouden. | + | B: 40 Zie de Aeneis III | + | C: 40 Zie de Aeneïs III. | + | B: Bonifazio, bischop van Ravenna; | + | C: Bonifazio, bisschop van Ravenna; | + | B: als oostelijke en westetelijke grens, | + | C: als oostelijke en westelijke grens, | + | B: 140 _Over u zelven_—nl. | + | C: 142 _Over u zelven_—nl. | + | B: 78 Psalm XCI, vs. 5 (Vulgata). | + | C: 80 Psalm XCII, vs. 5 (Vulgata). | + | B: 21 Roos-kleurig, misschien | + | C: 23 Roos-kleurig, misschien | + | B: 3 De _boom_ verbeeldt Rome of het | + | C: 23 De _boom_ verbeeldt Rome of het | + | B: 147–160 Door het vertrek der | + | C: 157–160 Door het vertrek der | + | B: Paus geheel uit het het oog der | + | C: Paus geheel uit het oog der | + | B: oplossing van het der raadsel | + | C: oplossing van het raadsel | + | B: heugenis door het drinken von | + | C: heugenis door het drinken van | + | B: Heb-zucht als Losch, (vs. 31) | + | C: Heb-zucht als Losch (vs. 31), | + | B: als Leeuw (vs. 43) als Wolvin | + | C: als Leeuw (vs. 43) en als Wolvin | + | B: leven zag herboren worden ontvangt ons | + | C: leven zag herboren worden), ontvangt ons | + | B: Frankrijk en Bonifacius VII | + | C: Frankrijk en Bonifacius VII. | + | | + +--------------------------------------------------------+ + + + + + +End of Project Gutenberg's Dante's Louteringsberg, by Dante Alighieri + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DANTE'S LOUTERINGSBERG *** + +***** This file should be named 39181-0.txt or 39181-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/9/1/8/39181/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org/license + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
