summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/39181-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '39181-0.txt')
-rw-r--r--39181-0.txt8246
1 files changed, 8246 insertions, 0 deletions
diff --git a/39181-0.txt b/39181-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..aa0e814
--- /dev/null
+++ b/39181-0.txt
@@ -0,0 +1,8246 @@
+The Project Gutenberg EBook of Dante's Louteringsberg, by Dante Alighieri
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
+
+
+Title: Dante's Louteringsberg
+ in proza overgebracht
+
+Author: Dante Alighieri
+
+Translator: Hendricus Johannes Boeken
+
+Release Date: March 17, 2012 [EBook #39181]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DANTE'S LOUTERINGSBERG ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
+ | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
+ | ~uitgespatieerd~. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |
+ | accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van |
+ | dit e-boek op http://www.gutenberg.org/ |
+ | |
+ | Dit e-boek is het tweede deel van “De Goddelijke Komedie” |
+ | van Dante Alighieri. De oorspronkelijke italiaanse versie van |
+ | dit boek is ook als e-boek beschikbaar via Project Gutenberg: |
+ | La Divina Commedia di Dante: Purgatorio |
+ | http://www.gutenberg.org/ebooks/1010 |
+ | |
+ | Via Project Gutenberg zijn ook de volgende vertalingen |
+ | beschikbaar: |
+ | * Divine Comedy, Longfellow's Translation, Purgatory |
+ | engels, http://www.gutenberg.org/ebooks/1002 |
+ | * Divine Comedy, Cary's Translation, Purgatory |
+ | engels, http://www.gutenberg.org/ebooks/1006 |
+ | * Divine Comedy, Norton's Translation, Purgatory (proza-vorm) |
+ | engels, http://www.gutenberg.org/ebooks/1996 |
+ | * The Divine Comedy by Dante, Illustrated, Purgatory |
+ | engels, http://www.gutenberg.org/ebooks/8795 |
+ | * Jumalainen näytelmä: Kiirastuli |
+ | fins, http://www.gutenberg.org/ebooks/11072 |
+ | * La Divina Comèdia: Purgatòri |
+ | friuliaans, http://www.gutenberg.org/ebooks/16188 |
+ | |
+ | Het eerste deel van “De Goddelijke Komedie” is ook als e-boek |
+ | via Project Gutenberg beschikbaar: |
+ | Dante's Hel, http://www.gutenberg.org/ebooks/30229 |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+DANTE'S LOUTERINGSBERG
+
+
+
+
+ [decoratieve titelpagina]
+
+ WERELDBIBLIOTHEEK
+
+ Onder leiding van L. Simons.
+
+ HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.
+
+ UITGEGEVEN DOOR:
+ DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
+ GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM
+
+
+
+
+ [decoratieve titelpagina]
+
+ DANTE'S LOUTERINGSBERG
+
+ IN PROZA OVERGEBRACHT
+ DOOR DR. H. J. BOEKEN
+
+ DERDE DRUK—(9e, 10e en 11e DUIZEND)
+
+ 1920
+
+
+
+
+Lezers dezer vertaling worden gewezen op het hoogst belangrijke werk, in
+onze ~Wereld-Bibliotheek~ verschenen:
+
+PROF. HENRI HAUVETTE: Inleiding tot de studie van de ~Divina Commedia~.
+Vertaling William Davids.
+
+~Keurboek voor Vlamingen~: „Als algemeene Inleiding tot de Goddelijke
+Comedie kon de W. B. geen beter werk kiezen dan de studie van Prof.
+Hauvette.”
+
+
+GEDRUKT TER DRUKKERIJ „DE DEGEL”—AMSTERDAM
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+EERSTE ZANG
+
+
+Aankomst der beide Dichters op het andere Halfrond; ontmoeting met Cato
+van Utica, die hun de eerste voorschriften geeft.
+
+ * * * * *
+
+1 Om koers te zetten over beter water, hijscht nu het scheepje van mijn
+ingeborenheid de zeilen, dat zóó gruwbare zee achter zich laat:
+
+4 en zingen zal ik van dat tweede Rijk, waar de menschelijke geest zich
+loutert, en waardig wordt om naar den Hemel te stijgen.
+
+7 Maar hier herrijze de doode Dichtkunst, o heilige Muzen, daar ik de
+Uwe ben, en dat Calliope hier een weinig hooger trede,
+
+10 mijnen zang volgende met dat geluid, van het welk de rampzalige
+Eksteren den slag zóódanig gevoelen, dat zij aan vergiffenis moesten
+wanhopen.
+
+13 Zoete kleur van oostelijk saffier, die zich gaarde in den wolkloozen
+aanblik van de zuivere lucht tot aan den eersten kring,
+
+16 herbegon geneugt voor mijne oogen, zoodra ik naar buiten trad uit de
+doode lucht, die mij de oogen en de borst had bedroefd.
+
+19 De schoone planeet, die tot minnen troost, deed het gansche Oosten
+glimlachen, verhullende de visschen, die in haren sleep gingen.
+
+22 Ik wendde mij ter rechter hand, en richtte mijnen geest op de andere
+pool, en ik zag vier starren nimmer gezien, uitgezeid aan de eerste
+menschen.
+
+25 De hemel scheen zich te verheugen in hunne vlammetjes. O noordelijke
+verweeuwde streek, daar gij verstoken zijt van die te bewonderen!
+
+28 Toen ik mij van hunnen aanblik had losgemaakt, mij een weinig wendend
+naar de andere pool, daar waar de Wagen reeds verdwenen was,
+
+31 zag ik dicht bij mij eenen oude alleen, zóó grooten eerbied in zijnen
+aanblik waardig, dat niet meerderen eenig zoon zijnen vader verschuldigd
+is.
+
+34 Den baard droeg hij lang en met witte haren ondermengd, gelijkende op
+zijne lokken, van welke op zijne borst een dubbele lijst afhing.
+
+37 De stralen der heilige vier lichten verluisterden zóó zijn aangezicht
+met licht, dat ik het zag alsof de Zon hem te voren ware.
+
+40 „Wie zijt gij, die tegen den blinden stroom op den eeuwigen kerker
+zijt ontvlucht?” zeide hij, bewegende dat eerwaarde pluimaadje:
+
+43 „wie heeft u geleid? Of wie was u een lamp, daar gij uitgingt buiten
+den duistren nacht, die altijd de vallei der onderwereld verdonkert?
+
+46 Zijn de wetten des afgronds aldus verbroken? Of is men in den Hemel
+tot nieuw beleid veraêrd, dat gij, die veroordeeld zijt, komt tot mijne
+rotsen?”
+
+49 Toen greep de Gids mij aan, en met woorden, handen en gebaarden,
+maakte hij mij de knieën en de wenkbrauw eerbiedbetuigend.
+
+52 Voorts antwoordde hij hem: „Niet uit mij zelven ben ik gekomen; eene
+vrouw daalde neder uit den Hemel, door wier gebeden ik dezen met mijn
+gezelschap ter hulpe kwam.
+
+55 Maar sinds het uw verlangen is dat meer worde verklaard van onzen
+toestand hoe die naar waarheid is, zoo kan het niet zijn dat het mijne
+aan u worde ontzegd.
+
+58 Deze zag nooit den laatsten avond, maar door zijne dwaasheid was hij
+dien zoo nabij, dat er zeer weinig tijd was om terug te keeren.
+
+61 Zooals ik zeide, werd ik tot hem gezonden om hem te redden, en er was
+geen andere weg, dan die langs welken ik mij heb begeven.
+
+64 Getoond heb ik hem al het schuldige volk; en van nu aan ben ik van
+zins hem die zielen te toonen, die zich louteren onder uwe balije.
+
+67 Hoe ik hem getogen heb, zoude lang zijn om u te zeggen: uit den
+hoogen daalt een vermogen, dat mij hem geleiden helpt opdat hij u zie en
+opdat hij u hoore.
+
+70 Nu behage het u zijne komst in te willigen; hij gaat zoekende de
+vrijheid, die zoo dierbaar is, zooals hij weet die voor haar het leven
+weigert.
+
+73 Gij weet het, daar om haar de dood voor u niet bitter was in Utica,
+waar gij het kleed liet, dat op den grooten dag zoo licht zal zijn.
+
+76 Niet zijn de eeuwige wetten voor ons geschonden, omdat deze leeft en
+Minos mij niet verbant; maar ik ben van den cirkel, waar de kuische
+oogen
+
+79 van uwe Marcia zijn, die, in haar gelaat u nog bidt, o heilige
+inborst, dat gij haar voor de uwe houdt: bij hare liefde dus neig u naar
+ons.
+
+82 Laat ons gaan door uwe zeven rijken: ~dank~ zal ik van u aan haar
+overbrengen, zoo gij gewaardigt daar beneden genoemd te worden.”
+
+85 „Marcia geviel zoozeer aan mijne oogen, zoolang ik aan gene zijde
+was,” zeide hij daarop: „dat welke gunst zij van mij verlangde, die deed
+ik.
+
+88 Maar nu zij aan gene zijde van de slechte rivier woont, kan zij mij
+niet meer bewegen, door die wet, die gemaakt werd toen ik er uit kwam.
+
+91 Maar indien eene Vrouw des Hemels u beweegt en stiert, zooals gij
+zegt, is er geene vleierij noodig: het zij voor u wèl genoeg, dat gij
+door haar het mij vraagt.
+
+94 Ga dus en maak dat gij hem toerust met een glad takjen en dat gij hem
+het gezicht wascht, zoodat gij alle onreinheid daarvan wegwischt:
+
+97 daar het niet zou betamen, het oog bevangen van eenigen nevel, te
+verschijnen voor den eersten dienaar, die is van diegenen van het
+Paradijs.
+
+100 Dit eilandjen draagt rondom gansch in de laagte, daar beneden, daar
+waar de golf het slaat, van die takjes boven het zachte slijk.
+
+103 Geen andere plant, die loover zou maken of harder zou worden, kan
+daar leven hebben omdat die niet aan de slagen (van het water) zou
+mee-geven.
+
+106 Voorts zij niet hier-langs uw teruggang; de zon, die alsnu oprijst,
+zal u wijzen den berg te nemen ter makkelijkste bestijging.”
+
+109 Zoo verdween hij en ik richtte mij op zonder te spreken, en voegde
+mij weder geheel bij mijnen Gids en richtte de oogen naar hem.
+
+112 Hij sprak: „Zoon, volg mijne schreden: draaien wij ons naar
+achteren, omdat aan dien kant deze vlakte afglooit naar hare lage
+grenzen.”
+
+115 De dageraad verwon de vroeg-ochtend-duisternis, die voor haar
+vlood, zoodat ik van verre het rimpelen van het zeevlak gewaar wierd.
+
+118 Wij gingen langs het eenzame strand gelijk een mensch, die weerkeert
+tot den verloren weg, zoodat, tot hij daar komt, het gaan hem ijdel
+schijnt.
+
+121 Toen wij waren daar waar de dauw tegen de zon strijdt, en door daar
+te zijn, waar schaduw is, maar langzaam verdwijnt;
+
+124 toen legde mijn Meester de beide handen zacht boven het kruid
+uitgespreid; waarom, ik die zijne kunsten bemerkt had,
+
+127 hem de betraande wangen bood: daar maakte hij me ganschelijk óntdekt
+die kleur, welke de Hel mij verborgen had.
+
+130 Toen kwamen wij op dat verlaten strand, dat nooit mensch, die later
+van terugkeeren ondervinding heeft gehad, zijne wateren bevaren zag.
+
+133 Hier bekranste hij mij, zooals dien anderen behaagd had; o wonder!
+daar zóó als hij er een geplukt had van de nederige plant, zooéén werd
+weer geboren
+
+136 eensklaps daar, vanwaar hij die had weggerukt.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+TWEEDE ZANG
+
+
+Wanneer de beide dichters aan het strand zijn, hunnen weg overdenkende,
+zien zij van over zee een schip aankomen. Onder de zielen, door dat
+schip aan land gezet, herkent Dante Casella. Wanneer Dante en de dooden
+zich door diens gezang een poos laten ophouden, schrikt Cato ze uiteen
+en naar den voet des bergs.
+
+ * * * * *
+
+1 Reeds was de Zon tot dien horizont gekomen, welks middag-cirkel met
+zijn hoogste punt Jerusalem overstolpt:
+
+4 en de nacht, die tegengesteld aan haar cirkelt, kwam uit den Ganges te
+voren met de Weegschalen, die haar uit de hand vallen, wanneer zij
+winnende is;
+
+7 zoodat dáár, waar ik was, de witte en vermiljoenen wangen der schoone
+Aurora door te grooten leeftijd oranje werden.
+
+10 Wij waren alsnog langs de zee, als menschen die hunnen weg bepeinzen,
+die gaan met het hart en met het lichaam blijven:
+
+13 en zie hoedanig, onder de nabijheid des uchtends, Mars door de dikke
+dampen rood gloeit laag in het Westen boven het zee-vlak;
+
+16 zóódanig scheen mij,—zoo waarlijk moge ik het nogmaals zien—een
+licht over de zee te komen zóó snel, dat geen vliegen zijn bewegen
+evenaart;
+
+19 dan, daar ik een weinig het oog van hetzelve had afgetrokken om
+mijnen gids te vragen, herzag ik het, lichtender en grooter geworden.
+
+22 Voorts aan elke zijde daarvan verscheen me een ik en weet niet wat
+voor wits, en van onder kwam er gaandeweg nog iet ander wits van naar
+buiten.
+
+25 Mijn Meester sprak nog geen woord, totdat die eerste witheden
+vleugelen bleken: maar toen hij wèl den galjoot herkende,
+
+28 riep hij: „Maak, maak dat gij de knieën buigt, zie hier den Engel
+Gods: vouw de handen: voortaan zult gij dusdanige dienstdoenden zien.
+
+31 Zie hier eenen, die de menschelijke hulpmiddelen versmaadt, zoodat
+hij geen roeispaan wil, noch ook eenig ander zeil dan zijne vleugels,
+[varende] tusschen zoo verre kusten.
+
+34 Zie hoe hij ze heeft gericht jegens den hemel, de lucht strookende
+met de eeuwige vederen, die niet veraêren zooals menschelijke haren.”
+
+37 Voorts daar de hemelsche vogel meer en meer ons nader kwam, te
+lichter verscheen hij: waarom het oog hem van nabij niet verdroeg,
+
+40 maar ik neeg het neder; maar hij kwam dichter bij den oever, met een
+hulkje zóó snel en zóó licht dat het water niets er van opslokte.
+
+43 Aan den achtersteven stond de hemelsche veerman, zoodanig dat hij wel
+zalig bleek aan hetgeen op hem te lezen stond: en meer dan honderd
+geesten zaten er binnen in.
+
+46 „Toen Israël uit Egypten toog” zongen allen te zamen op eene voois,
+met al wat er voorts van dezen psalm geschreven is.
+
+49 Voorts maakte hij hun het teeken des heiligen kruises; waarna zij
+allen zich op het strand wierpen, en hij ging weg, vlug, zooals hij
+gekomen was.
+
+52 De schare, die daar terug-bleef, vreemd bleek zij aan de plaats,
+schouwende in het ronde, gelijk degene die nieuwe dingen proeft.
+
+55 Van alle kanten schoot den dag de Zon, die met de wel gemikte pijlen
+den Steenbok van het midden des hemels had verjaagd;
+
+58 wanneer het nieuwe volk het voorhoofd op-hief jegens ons, zeggende
+tot ons: „Zoo gij het weet, wijst ons den weg, om tot den berg te gaan.”
+
+61 En Virgilius antwoordde: „Gij meent wellicht dat wij kennis hebben
+van deze plaats; maar wij zijn vreemden, zoo als gij het zijt.
+
+64 Zooeven kwamen wij een weinig vóór u, langs eenen anderen weg, die
+zóó ruw en moeielijk was, dat voortaan het stijgen ons een spel zal
+schijnen.”
+
+67 De zielen, die van mij opgemerkt hadden, aan het ademen, dat ik nog
+levend was, werden, zich verwonderend, ontsteld;
+
+70 en gelijk op den bode, die het olijf-loof draagt, het volk toeloopt
+om tijding te hooren, en niemand zich beschroomd toont om te dringen;
+
+73 zóó bleven op het zien van mij alle deze gelukzalige zielen
+stil-staan, bijna vergetende om te gaan tot daar waar zij zich schooner
+zouden maken.
+
+76 Ik zag er ééne van hen zich naar voren dringen om mij te omhelzen in
+zóó groote aandoening, dat hij mij bewoog om hetzelfde te doen.
+
+79 O ijdele schimmen, uitgezeid in den aanblik! Drie malen sloeg ik de
+handen achter hem in één, en even zoovele malen kwam ik met ze terug op
+mijn borst.
+
+82 Van verbazing, geloof ik, verschoot ik; waarom de schim glimlachte en
+zich terugtrok, en ik, volgende hem, ging naar voren.
+
+85 Zachtelijk zeide hij dat ik zoude stilstaan: toen herkende ik wie hij
+was, en ik verzocht hem dat hij om tot mij te spreken een weinig zoude
+stil staan.
+
+88 Hij antwoordde mij: „Zoo als ik u liefhad in het sterfelijk lichaam,
+zoo heb ik u lief, nu ik verlost ben; daarom blijf ik staan: maar gij,
+waarom gaat gij [dezen weg]?”
+
+91 „Casella, om nog eenmaal te keeren daarheen waar ik ben, doe ik deze
+reis,” zeide ik: „maar hoe is u zoo groot tijdsverloop ontnomen?”
+
+94 En hij tot mij: „Geen schade is mij gedaan, indien degene, die
+opneemt wanneer en wien hem behaagt, meerdere malen mij dezen overtocht
+heeft ontzegd,
+
+97 daar van den Rechtvaardigen Wil zijn wil wordt gemaakt.
+
+Waarlijk heeft hij sedert drie maanden al wie wilde ingaan, in allen
+vrede aangenomen.
+
+100 Waarom ik, die nog zooeven der zee was toegekeerd, daar waar het
+water van den Tiber zich pekelt, welwillend door hem werd opgenomen.
+
+103 Naar die uitmonding heeft hij nu weer den vleugel gericht; omdat
+zich dáar altijd vergadert, al wie niet naar den Acheron nederdaalt.”
+
+106 En ik: „Zoo de nieuwe wet u noch te heugenis noch het gebruik van
+het amoureuze lied ontneemt, dat mij placht alle mijne begeerten te
+stillen,
+
+109 gevalle het u daarmee een weinig mijne ziel te troosten, die met
+haar stoffelijk hulsel hier komende, zoozeer is vermoeid.
+
+112 „Liefde, die mij in den geest redeneert,” begon hij toen zóó
+zoetelijk, dat de zoetheid mij nog binnen-in weerklinkt.
+
+115 Mijn meester en ik en die lieden, die met hem waren, schenen zóó
+tevreden alsof niemand iets anders raakte.
+
+118 Wij waren allen gericht en oplettend op zijne tonen en zie, de
+eerwaarde grijsaard, [komt] schreeuwende: „Wat is dit, trage geesten?
+
+121 Wat nalatigheid, wat voor stil-staan is dit? Loopt naar den berg om
+u van de schellen te bevrijden, die u het gezicht tot God benemen.”
+
+124 Gelijk wanneer, graan of onkruid pikkende, de duiven vereenigd ter
+voeding, gerust, zonder de gewone preutschheid te toonen,
+
+127 als er een ding verschijnt, waarvoor zij vrees hebben, plotseling
+het voeder laten staan, omdat ze door grooter beslommering zijn
+besprongen;
+
+130 zoo zag ik dat versche gezelschap het gezang laten varen en vluchten
+naar den bergkant, gelijk een mensch die gaat, maar niet weet waar hij
+uitkomt:
+
+133 en niet minder snel was onze scheiding.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+DERDE ZANG
+
+
+De beide Dichters, aan den voet van den rots-wand gekomen, zoeken een
+punt, waarlangs zij dien zullen kunnen beklimmen. Zij worden op den weg
+geholpen door eenigen uit de voorhoede van een schare van schimmen, die
+in minachting van de kerk hebben geleefd. Onder dezen is ook Manfred
+van Hohenstaufen, die aan Dante zijn dood en tegenwoordigen toestand
+verhaalt.
+
+ * * * * *
+
+1 Hoewel de plotselinge vlucht genen over het landschap had verspreid,
+ten berg gewend, waarhenen de rede ons noopt;
+
+4 drong ik mij aan tegen mijn getrouw geleide: en hoe zoude ik zonder
+hem den tocht hebben gedaan? Wie hadde mij [anders] den berg òp-getogen?
+
+7 Hij scheen mij rouwig over zich-zelven. O waardig, onkreukbaar
+geweten, hoe is u kleine feil tot bitteren beet!
+
+10 Wanneer zijn voeten aflieten van de haastigheid, welke den eerlijken
+zwier bij elke handeling vermindert, [toen] verruimde mijn geest, die
+eerst benepen was,
+
+13 zijne aandrift, als begeerig, en ik zond mijne blikken tegen de
+helling op, welke de hoogste is, die zich uit zee ten hemel heft.
+
+16 De zon, die rood achter mij vlamde, was vóór mij gebroken, naar den
+omtrek, welken de weerstand van hare stralen op mij had.
+
+19 Ik wendde mij ter zijde, vreezende verlaten te zijn, daar ik alleen
+voor mij den grond verdonkerd zag:
+
+22 en mijn Trooster: „Waarom zijt gij nog mistrouwig,” begon hij tot mij
+te zeggen, gansch balsturig: „gelooft gij mij niet met u en dat ik u
+leid?
+
+25 De avond is reeds daar, waar het lichaam begraven is, binnen
+het-welke ik schaduw maakte: Napels bezit het, en van Brindisium is het
+weggenomen.
+
+28 Dies, wanneer vóór mij geen schaduw komt, verwonder u des niet meer
+dan over de hemelen, dat de één voor den anderen geenen lichtstraal
+onderschept.
+
+31 Om èn warme èn koude folteringen te doorstaan beschikt dát Vermogen
+gelijke lichamen, Dat niet wil dat zich aan ons onthulle hoe Het het
+doet.
+
+34 Stomp is hij die hoopt dat onze rede den oneindigen weg kan
+doorloopen, die vat eene zelfstandigheid in drie personen.
+
+37 Weest tevreden, menschelijk geslacht, met het ~Quia~, daar, indien
+gij alles hadt kunnen zien, het niet noodig was dat Maria zwanger werd;
+
+40 en begeeren zonder bate zaagt gij menigeen, want bevredigd ware
+hunne begeerte, die voor eeuwig hun tot foltering is gegeven.
+
+43 Van Aristoteles en van Plato spreek ik, en van vele anderen.” En hier
+neeg hij het voorhoofd; meer sprak hij niet, en hij bleef mismoedig.
+
+46 Wij kwamen onderwijl aan den voet van den berg: daar vonden wij de
+rots zóó steil, dat te vergeefs de beenen daar vlug zouden zijn geweest.
+
+49 De woestste en steilste rotswand: tusschen Lerici en Turbia is,
+vergeleken met dezen, een lichte en begaanbare trap!
+
+52 „Nu, wie weet er aan welke hand de steilte mindert,” zeide mijn
+Meester, den tred vertragend: „zóódat, wie zonder vleugels gaat, haar
+bestijgen kan?”
+
+55 En terwijl hij, den blik naar omlaag houdende, de gesteldheid des
+wegs onderzocht, en ik rondom tegen de rots òp-staarde,
+
+58 verscheen mij van de linkerhand eene schaar van schimmen, die de
+voeten te-ons-waart bewogen; en men zag het niet, zóó langzaam kwamen
+zij.
+
+61 „Hef,” zeide ik tot den Meester: „uwe oogen op: zie aan deze zijde
+[is er iemand] die ons raad zal geven, indien gij dien uit u zelven niet
+kunt hebben.”
+
+64 Toen keek hij, en met vrijen blik antwoordde hij: „Laat ons daarhenen
+gaan, daar zij langzaam komen; en gij, stijf uwe hoop, dierbare zoon.”
+
+67 Nog was dat volk, ik bedoel nadat wij duizend schreden hadden gedaan,
+zóó verre als een goed werper met de hand zou werpen;
+
+70 wanneer zij zich allen aan de harde rotsen van den hoogen wand
+drongen, en stil en opééngedrongen stonden, gelijk hij, die twijfelende
+gaat, stil blijft staan om te kijken.
+
+73 „O ter goeder uur gestorvenen, o reeds verkoren geesten,” begon
+Virgilius: „bij dien vrede, die ik geloof dat u allen te wachten staat,
+
+76 zegt ons waar de berg [vlakker] ligt, zoodat het naar boven gaan
+mogelijk zij; daar het tijd-verliezen aan wie meer weet, te meer
+mishaagt.”
+
+79 Gelijk de schapen komen uit de kooi, één, getweeën, gedrieën, en de
+anderen staan vreesachtig, met oog en muil naar beneden gericht,
+
+82 en dat wat de eerste doet, dat doen ook de anderen, tegen den rug van
+dezen opdringend als deze blijft stilstaan, onnoozel en zachtkens en het
+waarom weten zij niet:
+
+85 zóó zag ik toen den kop van die gelukzalige kudde zich bewegen om te
+komen, kuisch van aangezicht en eerbaar in den gang.
+
+88 Toen zij aan mijn rechter kant het licht voor mij op den grond
+gebroken zagen, zoodat de schaduw van mij op den rots-wand was,
+
+91 stonden zij stil, en trokken zij zich een weinig terug; en alle
+degenen, die meer achter aankwamen, niet wetende waarom, deden
+hetzelfde.
+
+94 „Zonder dat gij mij vraagt, verklaar ik u, dat dit een menschelijk
+lichaam is, dat gij ziet, door hetwelk het licht van de zon op den grond
+is gespleten.
+
+97 Verwondert u niet, maar gelooft, dat, niet zonder vermogen, dat van
+den hemel komt, hij dezen wand zoekt te boven te komen.”
+
+100 Aldus de Meester. En dat waardige volk: „Keert u,” zeide het: „komt
+bij ons in en gaat dan voort,” met de ruggen der handen een teeken
+gevende.
+
+103 En één van hen begon: „Wie gij ook zijt, keer dan, aldus
+voortgaande, het gezicht naar mij. Let op of gij mij ginds ooit hebt
+gezien.”
+
+106 Ik wendde mij te hem-waart, en beschouwde hem strak: blond was hij
+en schoon en van edelen aanblik; maar de ééne der wenkbrauwen had een
+houw gedeeld.
+
+109 Wanneer ik nederig ontkend had hem ooit gezien te hebben, zeide hij:
+„Nu zie;” en hij toonde mij eene wonde boven aan de borst.
+
+112 Voorts zeide hij glimlachende: „Ik ben Manfred, kleinzoon van
+Keizerin Constantia: waarom ik u bid dat, wanneer gij wederkeert,
+
+115 gij tot mijne schoone dochter gaat, die moeder is van de eer van
+Sicilië en Arragon, en dat gij haar de waarheid zegt, indien iets anders
+wordt verteld.
+
+118 Nadat mijn lichaam doorstoken was van twee doodelijke stooten, gaf
+ik mij weenende over aan Dengene, die gaarne vergeeft.
+
+121 Gruwelijk waren mijne zonden; maar de oneindige Goedheid heeft zóó
+groote armen, dat Zij opneemt al wie zich tot Haar wendt.
+
+124 Indien de Herder van Cosenza, die door Clemens was uitgezonden op de
+jacht naar mij, toen in God's Woord wèl die Bladzijde gelezen had,
+
+127 dan zouden de gebeenten van mijn lichaam nog zijn aan den opgang van
+de brug dicht bij Benevento, onder de bewaking van de zware zerk.
+
+130 Nu besproeit ze de regen en beweegt ze de wind buiten 't Koninkrijk,
+nabij den Verde, waarheen hij mij had overgebracht met gedoofde lichten.
+
+133 Door hunnen banvloek gaat men niet zóó verloren, dat de eeuwige
+Liefde niet kan wederkeeren, zóólang de hoop nog iets groens heeft.
+
+136 Waarheid is dat al wie sterft in minachting van de Heilige Kerk,
+ook al berouwt hij zich ten laatste, hem voegt het buiten dezen
+rots-rand te vertoeven,
+
+139 voor elken tijd, dat hij in zijn verstoktheid is geweest, dertig
+[tijden], indien zoodanig vonnis niet korter wordt door goede gebeden.
+
+142 Zie dan nu of gij mij blijde kunt maken, onthullende aan mijne goede
+Constantia hoe gij mij gezien hebt, en ook dit verbod;
+
+145 wijl men hier door die van ginds veel wint.”
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+VIERDE ZANG
+
+
+De beide Dichters bestijgen den rots-wand en komen op een weg, loopende
+rondom den berg. Virgilius verklaart hoe de zon zich nu links vertoont,
+wanneer men oostwaarts ziet. Ontmoeting met de luien, die hunne
+bekeering tot aan het einde van het leven hebben uitgesteld.
+
+ * * * * *
+
+1 Wanneer door geneugten of wel door smarten, welke eenig vermogen van
+ons opvat, de ziel zich wèl tot dat [vermogen] bepaalt,
+
+4 blijkt het dat zij op geen ander vermogen meer acht slaat; en dit is
+tegen die dwaling, die gelooft dat de ééne ziel boven de andere in ons
+ontstoken wordt.
+
+7 En daarom, wanneer men iets hoort of ziet, dat de ziel sterk op zich
+gericht houdt, [dan] gaat de tijd, en de mensch bemerkt het niet:
+
+10 want een ander vermogen is dat, dat het hoort, en een ander is dat,
+hetwelk de gansche ziel heeft: dàt is als 't ware gebonden, en dit is
+vrij.
+
+13 Hiervan had ik de ware ondervinding, daar ik naar dien geest hoorde
+en hem aanstaarde; want wel vijftig graden gestegen was
+
+16 de Zon, en ik had het niet bemerkt, wanneer wij kwamen daar waar die
+zielen éénstemmig tot ons riepen: „Hier is uw verlang.”
+
+19 Grooter opening stopt dikwijls met een vertakte doorntwijg de
+gaardenier dicht, wanneer de druif verdonkert,
+
+22 dan het pad was, waarlangs mijn Gids en ik achter hem opklommen, wij
+alleen, zoodra de schare zich van ons afscheidde.
+
+25 Naar Sanleo gaat men en naar Noli daalt men af, boven Bismantova
+klimt men naar den top met de voeten alleen; maar hier voegt het dat de
+mensch vliege:
+
+28 ik bedoel met de vlugge vleugelen en met de vederen der groote
+begeerte, opgetogen achter hèm aan, die hoop aan mij gaf en licht voor
+mij maakte.
+
+31 Wij klommen op tusschendoor de gebroken rots, en de kant ervan raakte
+ons aan beide zijden, en de bodem verlangde handen en voeten naar
+omlaag.
+
+34 Wanneer wij op den bovensten rand waren van den hoogen rotswand, op
+de opene plaats:
+
+„Mijn meester,” zeide ik: „welken weg zullen wij opgaan?”
+
+37 En hij tot mij: „Geen van uwe schreden dale: stadig den berg bestegen
+achter mij aan, totdat eenig ervaren geleide voor ons opdage.”
+
+40 De top was zóó hoog dat hij het gezicht te boven ging en de kant was
+vrij wat steiler dan de straal van den kwadrant, wanneer die halver wege
+op het middenpunt staat.
+
+43 Ik was moede, wanneer ik begon: „O zoete vader, keer u om en zie hoe
+ik alleen achter blijf, zoo gij niet stil staat.”
+
+46 „O zoon, trek u tot hiertoe op,” zeide hij, mij met den vinger een
+weinig lager een richel wijzende, die aan dien kant den ganschen berg
+omkringt.
+
+49 Zoo prikkelden mij zijne woorden dat ik mij geweld aandeed, achter
+hem aan naar boven kruipend, totdat mij die richel onder de voeten was.
+
+52 Daar zetten wij ons beiden neder om te zitten, gericht naar het
+Oosten, van waar wij waren opgestegen; welke aanblik den mensch pleegt
+te verheugen.
+
+55 Eerst richtte ik de oogen naar de lage kusten; voorts hief ik ze op
+naar de zon, en ik verwonderde mij dat wij ter slinker door haar werden
+beschenen.
+
+58 Wèl wierd de Dichter het gewaar dat ik geheel verstomd stond over de
+zonnekar, daar zij tusschen ons en het Noorden opging.
+
+61 Waarom hij tot mij: „Zoo Castor en Pollux in gezelschap waren van
+dezen spiegel, die boven en beneden zijn licht rondleidt,
+
+64 zoudt gij den rooden Dierenriem nog dichter tegen de Beren gedrongen
+zien kringen, zoo hij niet van den ouden weg is afgeweken.
+
+67 Indien gij het u wilt denken hoe dit is, keer in u zelf en stel u
+voor dat Sion tegenover dezen berg op de aarde staat
+
+70 derwijze, dat zij beiden éénen eenigen Horizont en verscheiden
+halfronden hebben; waarom gij zien zult hoe het sluit dat het pad, dat
+ter kwader ure Phaëton niet te berijden verstond,
+
+73 aan de ééne zijde gaat van dezen [berg], terwijl hij aan de andere
+zijde van genen [berg] gaat, indien uw verstand helder ziet.”
+
+76 „Zeker heb ik, Meester mijn,” zeide ik: „nooit zóó helder gezien,
+als ik nu, met dat deel van mijn verstand, dat kreupel scheen, inzie
+
+79 dat de midden-cirkel der Hemelsche Beweging, die in zekere kunst
+Equator genoemd wordt, en die altijd tusschen de Zon en den Winter
+blijft,
+
+82 om de reden, die gij zegt, van hier evenver noordwaarts af is, als de
+Hebreeuwen hem zuidwaarts van zich verwijderd zagen.
+
+85 Maar zoo het u gevalt, gaarne zoude ik weten, hoever wij hebben te
+gaan, daar de helling hooger stijgt dan mijne oogen kunnen stijgen.”
+
+88 En hij tot mij: „Deze berg is zoo, dat hij altijd van onder moeielijk
+is om te beginnen, en dat hoe hooger de mensch komt, hij hem te minder
+bezwaarlijk valt.
+
+91 Daarom, wanneer hij u zoo geneugtelijk zal schijnen, dat het gaan u
+zóó licht is, als het te scheep stroomafwaarts gaan,
+
+94 dan zult gij aan het einde van dit pad zijn; verwacht dus daar uit te
+rusten van de vermoeienis: meer antwoord ik niet, en dit weet ik voor
+waarheid.”
+
+97 En, toen hij zijn woorden gezegd had, klonk eene stem van dicht bij:
+„Wellicht zult gij te voren nog noodig hebben te zitten.”
+
+100 Bij den klank van haar draaide elk van ons zich om; en wij zagen ter
+linker een groot rotsblok, hetwelk noch ik, noch hij eerst hadden
+opgemerkt.
+
+103 Daarheen togen wij; en daar waren personen die zich in de schaduw
+bevonden achter de rots, gelijk de mensch uit luiheid zich pleegt te
+bevinden.
+
+106 En één van hen, die mij toescheen moede te zijn, zat en omarmde zich
+de knieën, het gezicht daartusschen naar omlaag houdende.
+
+109 „O zoete Heer mijn,” zeide ik: „beöog dezen, die zich veel loomer
+betoont dan of de luiheid zijn zusterlijn ware.”
+
+112 Daarop wendde hij zich tot ons, en werd oplettend, de blikken
+richtend over de heup en zeide: „Ga gij maar òp, gij die zoo krachtig
+zijt.”
+
+115 Toen herkende ik wie hij was; en die amechtigheid, die mij toen nog
+een weinig den adem versnelde, verlette mij niet tot hem te gaan: en
+voorts
+
+118 toen ik tot hem was gekomen, hief hij nauwelijks het hoofd op,
+zeggende: „Hebt gij wel gezien, hoe de zon aan den linkerkant den wagen
+leidt?”
+
+121 Zijne luie gebaren en korte woorden bewogen mijne lippen een weinig
+tot een lach; voorts begon ik: „Belacqua, nu treur ik
+
+124 niet meer over u; maar zeg mij: waarom zijt gij hier gezeten? Wacht
+gij geleide, of heeft weer de gewone hebbelijkheid u ingenomen?”
+
+127 En hij: „Broeder, het opwaarts gaan wat baat het? daar mij niet tot
+de martelingen toe zou laten de Engel Gods, die boven de Poort zit.
+
+130 Eerst moet het dat de Hemel zich zoovele malen om mij draait buiten
+het leven als hij zich in het leven om mij draaide, omdat ik de goede
+zuchten tot het einde verdaagde,
+
+133 indien gebed mij eerder niet te hulpe komt, dat opgaat uit een hart,
+dat in genade leeft; want wat baat het andere, dat in den hemel niet
+wordt gehoord?”
+
+136 En reeds steeg de Dichter voor mij op, en zeide: „Kom nu, zie dat de
+Middagcirkel reeds door de Zon wordt geraakt, en dat aan de grens [van
+de beide halfronden] de nacht met de voeten Marocco raakt.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+VIJFDE ZANG
+
+
+De beide Dichters, verder opstijgende, zien weder eene schare van
+boetedoenden, allen zondaars, die eerst, door een gewelddadigen dood
+overvallen, zich tot God begaven; drie van dezen maken zich kenbaar.
+
+ * * * * *
+
+1 Reeds was ik van die schimmen verscheiden, en volgde ik de voetstappen
+mijns Gidsen, wanneer achter mij aan, richtende den vinger,
+
+4 er ééne schreeuwde: „Zie, want niet schijnt het dat de straal licht
+geeft ter slinker van hem, die het benedenst gaat, en als een levende
+schijnt het dat hij zich gedraagt.”
+
+7 De oogen wendde ik op den klank van dat woord, en ik zag ze kijken in
+verwondering alleen maar naar mij, alleen maar naar mij en naar het
+licht dat gebroken was.
+
+10 „Waarom onthutst zich uwe ziel zoozeer,” zeide de Meester, „dat gij
+het gaan vertraagt? Wat deert het u wat zij-daar murmureeren?
+
+13 Kom achter mij, en laat de luiden praten; sta vast als een toren,
+die den top nooit schudt voor het blazen der winden.
+
+16 Daar altijd de mensch, in wien de gedachte na de gedachte opborrelt,
+het doelwit van zich verwijdert, daar de eene gedachte het vuur van de
+andere verdooft.”
+
+19 Wat konde ik meer zeggen dan: „Ik kom?” Ik zeide het, een weinig van
+die verf betogen, die wèl eens den mensch vergiffenis waardig maakt.
+
+22 En ondertusschen kwamen er dwars langs de helling, een weinig vóór
+ons, menschen, zingende „Miserere” vers-regel na regel.
+
+25 Wanneer zij gewaar wierden dat ik, van wege mijn lichaam, geen plaats
+liet aan het doorgaan der stralen, veranderden zij het zingen in eene
+lange en rauwe O.
+
+28 En twee van hen, in den schijn van boodschappers, liepen ons
+tegemoet, en vroegen ons: „Onderricht ons van uwen staat.”
+
+31 En mijn Meester: „Gij kunt weer heen gaan en vertellen aan degenen,
+die u zonden, dat het lichaam van dezen werkelijk vleesch is.
+
+34 Indien zij, gelijk ik oordeel, bleven staan om zijne schaduw te zien,
+is hun genoeg geantwoord: dat ze hem eer bewijzen, en hij kan zich hun
+dierbaar maken.”
+
+37 Nooit zag ik zoo snel ontstoken wasems in den voornacht de heldere
+lucht doorklieven, noch, bij het dalen der zon, Augustus-nevelen,
+
+40 of in nog minder tijd keerden genen naar boven: en daar gekomen
+keerden zij met de anderen te-ons-waarts, als ene schare, die toomeloos
+loopt.
+
+43 „Dat volk, dat op ons aandringt, is talrijk, en zij komen tot u om te
+vragen,” zeide de Dichter; „daarom ga stadig door, en luister al
+gaande.”
+
+46 „O ziel, die gaat om u te verblijden met dàt lichaam, waarmede gij
+geboren zijt,” (zoo krijtende kwamen zij) „vertraag een weinig uwen
+gang.
+
+49 Zie of gij ooit iemand van ons gezien hebt, zoodat gij naar ginds
+berichten van hem medeneemt: ei lieve waarom gaat gij? ei lieve waarom
+staat gij niet stil?
+
+52 Wij zijn voormaals allen gewelddadig gestorven, en waren zondaars tot
+onzen laatsten stonde: toen bracht een hemelsch licht ons tot bezinning,
+
+55 zóódat wij, ons berouwende en vergevende, uit het leven gingen, met
+God in vrede, die ons nu pijnigt door de begeerte om Hem te zien.”
+
+58 En ik: „Hoe zeer ik in uwe aangezichten spiede, ik herken er niet
+ééne; maar indien u gevalt eenig ding dat ik zou kunnen, wèl-geboren
+zielen,
+
+61 zegt gij het, en ik zal het doen bij dien vrede, die, achter de
+voeten van dusdanig geleide, mij van wereld tot wereld hem doet zoeken.”
+
+64 En één begon er: „Ieder vertrouwt op uw weldaad zonder dat gij ze
+bezweert, al neemt ook het willen het niet-kunnen niet weg.
+
+67 Waarom ik, die alleen voor de anderen spreek, u vraag, zoo ge ooit
+dat land gezien hebt, dat ligt tusschen Romagna en dat van Karel,
+
+70 dat gij mij in Fano zoozeer de hoofschheid betoont van uwe gebeden,
+[vragende] dat men er op de goede wijze voor mij bidde, opdat ik de
+zware feilen kunne boeten.
+
+73 Daar was ik, maar de diepe wonden, waar het bloed uitging, waarin ik
+eenmaal huisde, werden mij gemaakt te midden der Antenoren,
+
+76 daar waar ik veiliger meende te zijn; die van Este liet het doen, die
+op mij toornde vrij wat meer dan het recht het wel wilde.
+
+79 Maar indien ik naar Mira ware gevlucht, wanneer ik besprongen werd
+bij Oriacum, zoude ik nóg dáár zijn, waar men ademt.
+
+82 Ik liep naar den poel, en riet en slijk verstrikten mij zóó, dat ik
+viel, en daar zag ik op den grond zich uit mijne aderen een meer maken.”
+
+85 Voorts zeide een ander: „Eilieve, zoo waarlijk worde die begeerte
+vervuld, die u trekt ten hoogen berge, ontferm u en help mijne begeerte.
+
+88 Ik was van Montefeltro, ik ben Buonconte: Johanna en [mijne] andere
+[verwanten] gedenken mijner niet: waarom ik [nog] tusschen dezen ga met
+gebogen hoofde.”
+
+91 En ik tot hem: „Welke dwang of welk toeval deed u zoo ver buiten
+Campaldino verdwalen, dat men nooit de plaats van uwe begrafenis wist?”
+
+94 „O,” antwoordde gene: „langs den voet van het Casentijnsche gaat een
+water dat Archiano heet, en dat ontspringt boven het klooster op den
+Apennijn.
+
+97 Daar waar zijn naam ijdel wordt, kwam ik aan, met de keel doorboord,
+vluchtende te voet en de vlakte met bloed bezoedelende.
+
+100 Daar verloor ik het gezicht, en de spraak eindigde ik met den naam
+van Maria, en daar viel ik en bleef mijn vleesch alleen.
+
+103 Ik zal de waarheid zeggen, en gij herzeg haar onder de levenden: de
+Engel van God greep mij, en die van de Hel kreet: „O Gij van den Hemel,
+waarom berooft gij mij?
+
+106 Gij draagt van hem het eeuwige met u weg, wegens eenen kleinen traan
+die hem mij ontneemt; maar ik zal met het andere anders huis houden.”
+
+109 Gij weet wel hoe in de lucht zich die vochte damp vergaart, die
+weer tot water overgaat, zoodra hij tot zóó hoog stijgt, waar het koude
+hem opneemt.
+
+112 Dat kwaad bedoelen, dat stadig naar kwaad vraagt, verbond hij met
+zijn verstand, en hij bewoog den dam en den wind door dat vermogen dat
+zijn natuur hem gaf.
+
+115 Voorts, toen de dag voorbij was, bedekte hij met nevel het dal van
+Pratomagno tot aan den grooten bergrug en maakte hij den hemel van boven
+betogen
+
+118 zóó zeer, dat de gedrenkte lucht zich in water verkeerde: de regen
+viel en datgene er-van wat de aarde niet kon verduwen, kwam tot
+greppels.
+
+121 En toen het zich verzameld had tot groote beken stortte het zoo snel
+naar den Konings-stroom, dat niets het weerhield.
+
+124 Mijn verkild lichaam vond de gezwollen Archiano aan zijne
+uitmonding, en die drong het in den Arno, en ontbond op mijn borst het
+kruis
+
+127 dat ik van mijne handen gemaakt had toen het berouw mij overwon: hij
+wentelde mij tegen de oevers en tegen den bodem; voorts bedekte hij mij
+en omgaf hij mij met zijn buit.”
+
+130 „Eilieve, wanneer gij tot de wereld zult zijn teruggekeerd en zult
+zijn uitgerust van den langen weg,” zóó volgde de derde geest op den
+tweeden:
+
+133 „herinner u mijner, ik die ben Pia: Siena gaf mij het leven, Maremma
+den dood: ~hij~ weet het die mij, de reeds eenmaal gehuwde,
+
+136 met zijn edelsteen weder ten huwelijk nam.”
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+ZESDE ZANG
+
+
+Nadat de beide Dichters zich met moeite hebben losgemaakt uit de schare
+van schimmen, ondervraagt Dante Virgilius en onderhoudt Virgilius Dante
+over den grond van hoop, waarmede dezen heil van de gebeden der levenden
+verwachten. Voorts zien zij Sordello, die, eerst zich afgezonderd
+houdend, bij het hooren van zijn landaard, Virgilius op het hartelijkst
+begroet, hetgeen Dante aanleiding geeft tot een uitweiding over de
+ellende en verdeeldheid van Italië.
+
+ * * * * *
+
+1 Bij het scheiden van het dobbel-spel, dan blijft degene, die verliest,
+treurende achter, de kansen overrekenende, en hij bedilt ze ontstemd;
+
+4 met den andere gaan al de luiden mede: de eene gaat hem voor, en de
+andere vat hem van achter, en gene vraagt hem van ter zijde zijner te
+gedenken:
+
+7 hij echter blijft niet staan, en hoort dezen en genen aan; deze, wien
+hij de hand reikt, die dringt niet meer aan; en zóó verdedigt hij zich
+tegen het gedrang.
+
+10 Zoo was ik in dien dichten drom, her- en der-waart hun het gelaat
+toekeerende, en al belovende maakte ik er mij van los.
+
+13 Daar was de Aretijn, die van de wreede armen van Ghin di Tacco den
+dood kreeg; en de andere, die verdronk, daar hij vervolgende liep.
+
+16 Daar smeekte met de handen uitgespreid Frederik Novello, en die van
+Pisa, die den goeden Marzucco zich dapper betoonen deed.
+
+19 Ik zag Graaf Orso; en de ziel van het lichaam gescheiden door kwade
+trouw en nijd, zooals hij zeide, niet wegens zich berokkende schuld;
+
+22 Pieter Dalla Broccia bedoel ik; en hier zie, zoolang zij aan deze
+zijde is, de Vrouwe van Brabant toe, dat zij daarom niet kome te
+behooren tot slechtere kudde.
+
+25 Toen ik vrij was van alle deze schimmen, die stadig baden dat men
+voor hen bad, opdat zich hun heilig-worden verhaastte,
+
+28 begon ik: „Het schijnt mij dat gij me, o Licht mijn, uitdrukkelijk
+ergens in uw geschrift ontkent, dat eenige bede een besluit des Hemels
+wijzigt;
+
+31 en deze lieden bidden toch juist om dit. Zoude dan hunne hoop ijdel
+zijn? Of is uwe uitspraak mij niet genoegzaam duidelijk?”
+
+34 En hij tot mij: „Mijne schriftuur is duidelijk, en hunne hoop faalt
+niet, indien men het goed beschouwt met het gezonde verstand;
+
+37 daar top van gerechtigheid zich niet neer laat halen, omdat het vuur
+der liefde in eenen oogenblik vervult dat wat voldoening geven moet aan
+dengene, die hier verblijf houdt:
+
+40 en daar waar ik dat punt bevestigde, daar werd door bidden geen
+misslag geboet, omdat het gebed van God gescheiden was.
+
+43 Maar voorwaar berust niet bij zulk een diepe twijfeling, als gene het
+niet zegt, die tot een licht worde tusschen de waarheid en uw verstand.
+
+46 Ik weet niet of gij mij begrijpt: ik spreek van Beatrice; omhoog zult
+gij haar zien, boven op den top van dezen berg, lachende en gelukkig.”
+
+49 En ik: „Goede Gids, laten we gaan met grooteren spoed; daar ik reeds
+niet meer zoo moede word als te voren, en zie nu hoe de hoogte schaduw
+werpt.”
+
+52 „Wij zullen bij dezen dag zooveel vooruitgaan,” antwoordde hij: „als
+wij op zijn meest zullen kunnen; maar de zaak is anders gesteld dan gij
+denkt.
+
+55 Voordat gij daarboven zijt, zult gij zien wederkeeren dengene, die
+reeds schuilt achter de helling, zoodat gij zijne stralen zich niet doet
+breken.
+
+58 Maar ziedaar eene schimme, die eenzaam den blik op ons heeft gevest:
+~die~ zal ons den kortsten weg wijzen.”
+
+61 Wij kwamen tot haar: o Lombardische ziel, hoe stondt gij hooghartig
+en trotsch, in het bewegen der oogen edel en traag!
+
+64 Zij zeide niets tot ons; maar liet ons verder gaan, alleen kijkende
+op de wijze van een leeuw, wanneer hij gaat liggen.
+
+67 Toch bewoog zich Virgilius tot hem, vragende dat hij ons den besten
+opgang wees; en gene antwoordde niet op zijn vraag;
+
+70 maar naar ons land en ons leven vroeg hij ons. En de zoete Gids mijn
+begon: „Mantua...” en de schimme, die gansch eenzelvig was, verhief
+
+73 zich tot hem van de plaats waar zij eerst stond, zeggende: „O
+Mantuaan, ik ben Sordello, van land.” En de één omarmde den ander.
+
+76 Wee dienstbaar Italië, tehuis van smart, schip zonder schipper in
+grooten storm, niet heerinne van provinciën, maar bordeel!
+
+79 Die edele schim was zóó vlug, alleen op den zoeten klank [van den
+naam] zijns lands, om zijnen medeburger daar onthaal te geven;
+
+82 en nu bestaan in u niet zonder oorlog uwe levenden, en de een knaagt
+aan den andere onder degenen, welke één muur en ééne gracht omsluit.
+
+85 Zoek, rampzalige, de kusten langs van uwe zeeën, en dan zie u in den
+boezem of eenig deel van u zich in vrede verheugt.
+
+88 Wat baatte het, dat Justinianus u het gebit weer optoomde, zoo het
+zadel ledig is? Zonder hem zoude de schande minder zijn.
+
+91 Wee volk, dat deemoedig moest zijn, en Caesar moest laten zitten op
+den zadel, zóó gij goed verstaat dat wat God u voorschrijft!
+
+94 Zie, hoe deze trotsche woest is geworden, door niet geregeerd te
+worden met de sporen, sinds gij de hand sloegt aan den halster.
+
+97 O duitsche Albert, gij die háár verlaat, die ongetemd en wild is
+geworden, gij die haar zadel schrijlings moest omvatten,
+
+100 gerechte gerechtigheid valle van de sterren over uw bloed, en zij
+zij nieuw en openbaar, zoodat uw opvolger er vrees door gevoele,
+
+103 omdat gij en uw vader geduld hebt, door begeerigheid aan gene
+zijde gehouden, dat de tuin des Rijks verlaten zij.
+
+106 Kom om te zien [de geslachten der] Montecchi en Cappelletti, [der]
+Monaldi en Filippeschi, gij mensch zonder zorg, genen [beiden] reeds
+bedroefd, dezen [beiden] rampen verwachtend.
+
+109 Kom, wreede, kom en zie de verdrukking van uwe edelen, en heel hun
+leed, en gij zult zien hoe veilig Santafiore is.
+
+112 Kom om uw Rome te zien, dat weent, verweduwd en eenzaam, en dag en
+nacht u roept: „Mijn Caesar, waarom verzelschapt gij mij niet?”
+
+115 Kom om te zien hoezeer [de menschen van] uw volk elkanderen
+beminnen; en zoo geen medelijden met ons u beweegt, kom om u te schamen
+over uwen naam.
+
+118 En zoo het mij veroorloofd is, o hoogste God, die op aarde voor ons
+gekruisigd werdt, zijn uw gerechte oogen elders heen gekeerd?
+
+121 Of is de voorbereiding, die gij in den afgrond uws raads maakt voor
+eenig Goed, in alles van ons besef afgesneden?
+
+124 Daar de landen van Italië gansch vol zijn van tirannen, en elke
+hooveling, die als partijganger komt, een Marcellus wordt.
+
+127 Florence mijn, wel kunt gij tevreden zijn over deze uitweiding,
+welke u niet raakt, dank zij uw volk dat zóó goed redeneert.
+
+130 Velen hebben gerechtigheid in het hart, maar zij wordt eerst laag
+afgeschoten, uit vrees dat men onbezonnen den boog hanteere: maar uw
+volk heeft haar boven op de tong.
+
+133 Velen weigeren den algemeenen last; maar uw volk antwoordt haastig,
+zonder dat men het roept, en schreeuwt: „Ik neem hem op mij.”
+
+136 Nu verheug u, daar gij er wel reden toe hebt: gij rijke, gij
+vreedzame, gij verstandige: of ik de waarheid spreek, de uitwerking
+verheelt het niet.
+
+139 Athene en Lacedaemon, die de antieke wetten maakten, en zóó
+burgerlijk waren, brachten het maar weinig ver in de goede levens-wijze,
+
+142 vergeleken bij u, die zoo ragfijne maatregelen treft, dat niet tot
+midden-November komt, dat wat gij in October spint.
+
+145 Hoevele malen bij den tijd, waarvan u heugt, hebt gij van wetten,
+munten, en ambten en costumen veranderd, en van ingezetenen verwisseld!
+
+148 En als gij u goed herinnert en licht ziet, gij zult u zien gelijk
+aan die zieke, die geen rust kan vinden op de veeren,
+
+151 maar door zich te wenden en te keeren zich tegen de pijnen beschut.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+ZEVENDE ZANG
+
+
+Sordello, aan wien Virgilius zich bekend heeft gemaakt, zegt op diens
+verzoek om hun den weg te wijzen naar den Ingang van den eigenlijken
+Louteringsberg, dat zij zich eerst, daar men 's nachts niet kan verder
+gaan, een nachtverblijf moeten opzoeken en wijst hun als zoodanig een
+dal in den berg uitgehold, waarin de trage vorsten zich bevinden.
+
+ * * * * *
+
+1 Nadat de eervolle en blijde begroetingen drie en vier malen waren
+herhaald, trad Sordello [een weinig] terug en zeide: „Wie zijt gij?”
+
+4 „Voor dat tot dezen berg de zielen gekomen waren, waardig om tot God
+te stijgen, werden mijne beenderen door Octavianus begraven.
+
+7 Ik ben Virgilius; en door geene andere schuld verloor ik den hemel dan
+door geen geloof te hebben;” zoo antwoordde toen mijn Gids.
+
+10 Gelijk degene is, die plotseling iets voor zich ziet, waarom hij zich
+verwondert, dat hij gelooft en niet gelooft, zeggende: het is zoo, het
+is zoo niet;
+
+13 zoo scheen hij en voorts neeg hij de wenkbrauwen, en nederig keerde
+hij tot hem terug en omarmde hem daar, waar de mindere [zijnen meerdere]
+vastgrijpt.
+
+16 „O roem der Latijnen,” zeide hij: „door wien onze taal toonde wat zij
+vermocht: o eeuwige prijs van de plaats, vanwaar ik was;
+
+19 welke verdienste of welke genade vertoont u aan mij? zoo ik waardig
+ben uwe woorden te hooren, zeg mij of gij van de Hel komt en van welke
+afdeeling.”
+
+22 „Door alle de cirkels van dat treurende rijk,” antwoordde hij hem:
+„ben ik van daar gekomen; eene kracht des Hemels deed mij gaan, en met
+haar kom ik.
+
+25 Niet door te doen, maar door niet te doen heb ik [het recht] verloren
+om de hooge Zon te zien, naar welke gij wenscht, en die te laat door mij
+gekend werd.
+
+28 Daar beneden is een plaats, niet droef door martelingen maar alleen
+van duisternissen, waar de klachten niet klinken als jammerkreten, maar
+zuchten zijn.
+
+31 Daar vertoef ik met de kleine onnoozelen, die door de tanden des
+doods gebeten zijn, voordat zij van de menschelijke erfzonde bevrijd
+zijn.
+
+34 Daar vertoef ik met degenen, wie de drie heilige deugden niet
+bekleeden, en die zonder ondeugd de andere kenden, en die alle
+betrachtten.
+
+37 Maar zoo gij het weet en kunt, geef ons eenige aanwijzing, waardoor
+wij eerder kunnen komen daar, waar de plaats der Loutering den rechten
+ingang heeft.”
+
+40 Hij antwoordde: „Eene vaste plaats is ons niet toegewezen; het is mij
+veroorloofd naar boven en in 't rond te gaan; zoover als ik gaan kan,
+blijf ik u ter zij als gids.
+
+43 Maar zie reeds hoe de dag ten einde nijgt, en bij nacht kan men niet
+naar boven gaan; dies is het goed om aan een schoone plaats tot
+vertoeven te denken.
+
+46 Zielen zijn er ginds ter rechter zijde vertogen; zoo gij het mij
+toestemt, zal ik u tot haar brengen, en niet zonder geneugt zullen zij u
+bekend worden.”
+
+49 „Hoe is dat?” werd er geantwoord: „wie bij nacht zou willen stijgen,
+werd hij door een ander verhinderd? of zou het zóó zijn dat het niet
+kon?”
+
+52 En de goede Sordello haalde zijn vinger over den grond, zeggende:
+„Zie, ook maar deze streep kondt gij niet òverkomen na 't scheiden der
+Zon:
+
+55 niet dat iet anders verhindering gaf dan de nachtelijke duisternis,
+om òp te gaan; deze mèt het niet kunnen houdt den wil gebonden.
+
+58 Wel konde men bij donker neerwaarts keeren, en dwalende rondom de
+helling her en derwaart gaan, zoolang als de horizont den dag
+weggesloten houdt.”
+
+61 Toen mijn Heer, als het ware benieuwd: „Leid ons,” zeide hij: „daar
+waar gij zegt dat men vertoevende geneugt kan hebben.”
+
+64 Maar weinig hadden wij ons van daar verwijderd, wanneer ik gewaar
+werd dat de berg gehalveerd was, gelijk hier valleien bergen halveeren.
+
+67 „Daar,” zeide die schim; „zullen wij henengaan, daar waar de bergwand
+van zichzelven een schoot maakt, en daar zullen wij den nieuwen dag
+verwachten.
+
+70 Tusschen steil en vlak was een kronkel-weg, die ons bracht in de
+zijde van de delling, daar waar meer dan voor de helft de rand sterft.
+
+73 Goud en fijn zilver, en scharlaken en loodwit, indisch hout, licht
+en doorschijnend, frisch smaragd in den stonde dat het gebroken wordt,
+
+76 dat alles gelegd naast het kruid en de bloemen binnen in die delling,
+zou door hun verw overwonnen zijn, gelijk het mindere door het meerdere
+overwonnen wordt.
+
+79 Niet alleen had de natuur daar [kleuren] geschakeerd, maar zij maakte
+van de zoetheid van duizend geuren een ononderscheidelijke mengeling.
+
+82 „Salve Regina” zag ik daar op het groen en de bloemen zielen zitten
+te zingen, die men van wege de delling niet van buiten kon zien.
+
+85 „Voordat nog het weinige zonlicht in zijn nest gaat,” begon de
+Mantuaan die ons geleid had, „wilt niet dat ik u te midden van hen
+leide.
+
+88 Van dezen rand zult gij beter de gebaren en gezichten van hen allen
+onderscheiden, dan beneden in de delling opgenomen.
+
+91 Gene, die het hoogste zit, en schijnt veronachtzaamd te hebben dat
+wat hij doen moest en die den mond niet opent voor het gezang der
+anderen,
+
+94 was keizer Rudolf, die de wonden kon helen, welke Italië gedood
+hebben, zóódat zij maar al te laat door anderen tot verademing komt.
+
+97 De andere, die in het aangezicht hem troost, regeerde het land
+waaruit het water geboren wordt dat de Moldau in de Elbe, en de Elbe in
+zee brengt:
+
+100 Ottocar heette hij, en in de windselen was hij vrij wat beter dan
+Wenzislaus zijn zoon, nu hij een baard heeft, wien weelde en luiheid
+mest.
+
+103 En die Klein-neus, die in beraad schijnt met dengene die zoo
+goedwillig uitzicht heeft, stierf vluchtende en de lelie onteerend.
+
+106 Ziet daar, hoe hij zich de borst slaat. Ziet den andere, die zich
+al zuchtende van de handpalm een kussen voor de wang heeft gemaakt.
+
+109 Vader en Schoonvader zijn zij van het ongeluk van Frankrijk: zij
+weten van zijn snood en vuil leven, en vandaar komt die smart, die ze
+zoo zeer slaat.
+
+112 Hij die zoo vleezig schijnt, en die zingende te zamen stemt met
+genen van den mannelijken neus, droeg van elke deugd het koord gegord.
+
+115 En zoo na hem koning gebleven ware de jongeling, die achter hem zit,
+dan ging de deugdelijkheid schoon van vat tot vat;
+
+118 hetgeen men niet kon zeggen van den anderen erfgenaam. Jacob en
+Frederik hebben de koninkrijken; geen heeft bezit van 's vaders betere
+nalatenschap.
+
+121 Zelden gaat de menschelijke voortreffelijkheid door de takken
+naarboven: en dat wil Degene, Die haar geeft, opdat ze Zijn gave genoemd
+worde.
+
+124 Ook tot dien van ~den grooten Neus~ gaan mijne woorden (niet minder
+dan tot den andere, Peter, die met hem zingt) om wien Apulië en Provence
+nu smart hebben.
+
+127 Zooveel is de plant minder dan haar zaad, als, meer nog dan Beatrice
+en Margherita, Constantia op haar echtgenoot boogt.
+
+130 Ziet den koning van het eenvoudige leven daar alleen zitten, Hendrik
+van Engeland: deze heeft in zijn spruiten beter voortzetting.
+
+133 Gene, die verder naar beneden onder genen op aarde zit, naar boven
+kijkend, is markgraaf Willem, om wien èn Alessandria en diens oorlog
+
+136 Monferrat en het Cannoveserland laat weenen.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+ACHTSTE ZANG
+
+
+In Sordello's gezelschap gaan de beide Dichters het dal binnen; terwijl
+twee Engelen, nedergedaald uit den Hemel, post vatten om de boetedoenden
+tegen de slang te beschutten, onderhoudt Dante zich met Nino en Currado
+Malaspina.
+
+ * * * * *
+
+1 Het was reeds de ure die den zeevarenden de begeerte doet keeren en
+hun het hart verteêrt, den dag dat zij hunnen zoeten vrienden vaartwel
+hebben gezegd;
+
+4 en die den nieuwen bee-vaarder met liefde steekt, wanneer hij van
+verre den beiaard hoort, welke schijnt den dag te beweenen die
+wegsterft:
+
+7 wanneer ik het hooren begon te veronachtzamen, en te schouwen naar
+eene der zielen, die opgerezen was en die het luisteren vroeg met de
+hand.
+
+10 Zij voegde saam en hief beide de handpalmen, de oogen naar het Oosten
+richtende, of zij tot God zeide: „Al het andere wat raakt het me?”
+
+13 ~Te lucis ante~ kwam haar met zulk een wijding uit den mond, en met
+zóó zoete tonen, dat het mij mijn ziel buiten mij zelven deed treden.
+
+16 En voorts volgden de anderen zoetelijk en met wijding haar na door
+het gansche gezang, de oogen houdende naar de bovenste sferen.
+
+19 Spits hier wel, lezer, de oogen op de waarheid, daar het weefsel nu
+wel zoo dun is, voorzeker, dat het makkelijk is er door heen te vallen.
+
+22 En ik zag de edelaardge heir-schare zwijgend voorts naar boven
+kijken, als wachtende, bleek en deemoedig:
+
+25 en ik zag van den hoogen komen en naar beneden dalen twee Engelen met
+twee vlammende zwaarden, geknot en van hunne punten ontdaan.
+
+28 Groen als maar even uitgebotte loovertjes waren hunne gewaden, die
+zij slepen lieten, door hunne groene vleugelen geslagen en bewaaierd.
+
+31 De één kwam een weinig boven ons te staan, en de ander daalde neder
+op den tegenovergelegen rand, zoodat die lieden zich in het midden
+bevonden.
+
+34 Goed onderscheidde ik in hen het blonde hoofd; maar in de
+aangezichten verdoolde zich het oog als een vermogen dat in te veel
+raakt verbijsterd.
+
+37 „Beiden komen van den schoot van Maria,” zeide Sordello, „ter
+bewaking van het dal, tegen de slang, die zoo aanstonds zal komen.”
+
+40 Waarom ik, die niet wist, langs welken weg, mij rondom keerde, en mij
+nauw aandrong, gansch bevrozen, tegen de vertrouwde schouderen.
+
+43 En Sordello [sprak] nog weer: „Laten wij nu nederdalen tusschen de
+grootsche schimmen, en tot hen spreken; zeer welgevallig zal het hun
+zijn u te zien.”
+
+46 Nog maar drie passen geloof ik dat ik was nedergedaald, en ik was
+beneden en ik zag er eenen die stadig mij beschouwde, of hij mij wilde
+herkennen.
+
+49 Reeds was het de tijd dat de lucht zich verdonkerde, maar toch niet
+zóó dat tusschen zijne en mijne oogen niet geopenbaard werd dat wat hij
+eerst verborgen hield.
+
+52 Tot mij maakte hij zich op en ik maakte mij op tot hem: „Edele
+rechter Nino, hoe zeer gevalt het mij, wanneer ik u niet tusschen de
+schuldigen zie!”
+
+55 Geen enkele schoone begroetenis werd tusschen ons verzwegen: voorts
+vroeg hij: „Hoe lang is het sinds gij aan den voet van den berg over de
+verre wateren gekomen zijt?”
+
+58 „O!” zeide ik hem: „door de droeve plaatsen kwam ik dezen morgen, en
+ik ben in het eerste leven, zij het ook dat ik, aldus gaande, het andere
+gewin.”
+
+61 En wanneer mijn antwoord gehoord was, trokken Sordello en hij zich
+terug, als lieden plotseling verbijsterd.
+
+64 De ééne wendde zich tot Virgilius en de andere tot éénen, die daar
+zat, roepende: „Op Currado, kom om te zien dat wat God door zijne genade
+wilde.”
+
+67 Voorts tot mij gewend: „Bij dien bijzonderen dank, dien gij Hem
+schuldig zijt, Die zóózeer zijn eerste „waarom” verbergt, dat geen wadde
+daarheen voert,
+
+70 wanneer gij zijn zult aan gene zijde der breede wateren, zeg dan aan
+mijne Johanna, dat zij om mij roepe daar waar de onschuldigen
+beantwoord worden.
+
+73 Ik geloof niet dat hare moeder mij nog bemint, sinds zij de witte
+linten verwisselde, naar welke het zoo gevalt dat zij, ongelukkige, nog
+weder terug verlangt.
+
+76 In haar kan men gemakkelijk zien, hoe lang in eene vrouw het vuur der
+liefde duurt, als het gezicht en de tast het niet vaak weder opstookt.
+
+79 Zoo schoone begrafenis zal de slang, die de Milaneezer ten strijde
+voert haar niet geven als de haan van Gallura haar zou hebben gegeven.”
+
+82 Zoo sprak hij, in zijn aangezicht met dat kenteeken van dien
+gerechten ijver gemerkt, die met mate in het hart brandt.
+
+85 Mijne begeerige oogen gingen stadig ten hemel, stadig daarheen, waar
+de sterren het traagst gaan, zooals een rad het dichtst bij zijn as.
+
+88 En de Gids mijn: „Zoon, waarnaar kijkt gij daar omhoog?” En ik tot
+hem: „Naar die drie fakkels, door welke gindsche pool ganschelijk in
+brand staat.”
+
+91 En hij tot mij: „De vier heldere sterren, die gij daar van morgen
+zaagt, zijn nu ginds omlaag, en deze zijn omhoog gestegen waar die
+waren.”
+
+94 Terwijl hij sprak, trok Sordello hem tot zich zeggende: „Zie daar
+onzen tegenstander;” en hij richtte den vinger, opdat hij daarheen zou
+zien.
+
+97 Aan dien kant waar de kleine delling geene beschutting had, was een
+slang, wellicht, zoo één als aan Eva de bittere bete gaf.
+
+100 Tusschen 't gras en de bloemen kwam de kwade schuifelaar, al en al
+maar den kop draaiende, en den rug zich lekkende als een beest, dat zich
+glad maakt.
+
+103 Ik zag het niet en daarom kan ik het niet zeggen, hoe de hemelsche
+roofvogels opvlogen, maar ik zag heel goed zoowel den een als den ander
+opgevlogen.
+
+106 Toen ze merkte dat de lucht door de groene vleugels gekliefd werd,
+vluchtte de slang, en de Engelen keerden weer omhoog naar hunne posten
+gelijkelijk terug vliegende.
+
+109 De schim, die zich tot den rechter had teruggetrokken, wanneer hij
+hem riep, liet gedurende dezen ganschen aanval geen oogenblik af van
+naar mij te kijken.
+
+112 „Zoo de lamp, die u ten hoogen voert, in uwen vrijen wil zoo groote
+pit vindt als noodig is om te komen aan de bergvlakte op den top,”
+
+115 begon zij: „zoo gij ware tijding weet van Valdimagra, of van eenig
+naburig land, zeg haar aan mij, die daar eertijds machtig was.
+
+118 Ik heette Currado Malaspina: niet de Oude ben ik, maar van hem stam
+ik af: tot de mijnen droeg ik die liefde, die hier wordt gelouterd!”
+
+121 „O!” zeide ik tot hem: „in uwe landen ben ik nooit geweest; maar
+waar vertoeft iemand in gansch Europa, wien ze niet bekend zijn?
+
+124 De roem, die uw huis eert, verbreidt de heeren, verbreidt het land,
+zoo dat ook hij, die er niet was, ze kent.
+
+127 En ik zweer u, zoo waarlijk moge ik boven aankomen, dat uw geëerd
+geslacht niet aan het afnemen is in roem van beurs en zwaard.
+
+130 Gewoonte en aanleg bevoorrechten het zoo dat, hoezeer het slechte
+Hoofd de Wereld doet dwalen, het alleen den rechten weg houdt en den
+slechten weg versmaadt.”
+
+133 En hij: „Nu ga, daar de Zon zich geen zeven malen te ruste zal
+leggen in het leger dat de Ram met alle vier de pooten dekt en omvat,
+
+136 of deze heusche meening is u midden op het voorhoofd gegrift met
+grooter nagelen dan woorden van andere menschen,
+
+139 indien de loop der rechtvaardigheid niet tot stil-staan komt.”
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+NEGENDE ZANG
+
+
+De Dichter, ingeslapen zijnde, heeft tegen den morgen eenen droom; als
+hij daaruit ontwaakt, bevindt hij zich met Virgilius vóór de Poort van
+de eigenlijke plaats der Loutering, welke hij door den haar bewakenden
+engel wordt binnengelaten.
+
+ * * * * *
+
+1 De bijzit van den ouden Tithonus schemerde reeds aan de Ooster-kim,
+[opgerezen] uit de armen van haren zoete-lief:
+
+4 haar voorhoofd was lichtend van edel-gesteenten, die gezet waren naar
+de teekening van dat kille dier, dat met den staart de volkeren slaat:
+
+7 en de nacht had van de schreden, waarmede zij stijgt, er twee gedaan
+op de plaats, waar wij waren, en de derde neeg reeds de vleugelen naar
+beneden,
+
+10 wanneer ik, die met mij had van dat van Adam, verwonnen van den
+slaap, mij op het gras neeg, daar waar wij reeds alle vijf gezeten
+waren.
+
+13 Op de ure dat de zwaluw haar droeve zangen begint dicht bij den
+morgen, wellicht ter gedachtenis van hare eerste weeën,
+
+16 en dat onze geest, meer vervreemd van het vleesch, en minder door
+gedachten ingenomen, in zijne gezichten bijna profetisch is;
+
+19 was het mij in den droom of ik eenen adelaar zag, hangend in den
+hemel op gouden pennen, met de vlerken geopend, en bereid om zich neder
+te laten:
+
+22 en het docht mij dat ik dáár was, waar de zijnen door Ganymedes
+verlaten werden, daar hij ter hoogste vergadering getogen werd.
+
+25 Bij mij-zelven dacht ik: wellicht loert deze steeds hier uit gewoonte
+en wellicht gewaardigt deze zich niet van een andere plaats iets mede te
+nemen in zijne klauwen.
+
+28 Voorts docht me dat hij, na eerst nog een weinig in den ronde gewield
+te hebben, verschrikkelijk als een bliksem nederdaalde en mij naar boven
+haalde tot aan het vuur.
+
+31 Daar docht me dat hij en ik brandden, en zoo stak mij de verbeelde
+brand, dat het geviel dat de slaap verbroken werd.
+
+34 Niet anders huiverde Achilles, de ontwaakte oogen in een kring
+rond-bewegende, en niet wetende waar hij was,
+
+37 wanneer zijne moeder hem, slapende in hare armen, van Chiron
+wegvoerde naar Scyrus, daar van waar voorts de Grieken hem deden
+heengaan;
+
+40 als ik huiverde, mèt dat de slaap mij van het aangezicht vluchtte, en
+ik werd bleek, gelijk de mensch wordt, die ontsteld ijst.
+
+43 Alleen mijn trooster was mij ter zijde, en de zon was reeds hooger
+dan twee uren, en mijn gezicht was naar de zee toe gewend.
+
+46 „Heb geen vrees,” zeide mijn Heer: „stel u gerust, daar wij op een
+goede plaats zijn, wil alle kracht niet benauwen maar verruimen.”
+
+49 „Thans zijt gij aan het oord der Loutering gekomen. Zie daar den
+rand, die het van rondom sluit; zie daar den ingang waar die rand open
+schijnt.
+
+52 Zoo-even in den dageraad, die den dag vóórgaat, wanneer uwe ziel
+binnen-in u sliep op de bloemen, waarmee de grond daar beneden is
+getooid,
+
+55 kwam eene vrouw, en zeide: „Ik ben Lucia; laat mij hem opnemen, die
+daar slaapt, aldus zal ik hem bekwamen tot zijnen weg.”
+
+58 Sordello bleef achter, en ook de andere edele gestalten; zij nam u
+op, en mèt dat het helder dag was, ging zij opwaarts, en ik in hare
+voetstappen.
+
+61 Hier legde zij u neer: en eerst wezen hare schoone oogen mij dien
+open ingang; voorts gingen zij en uw slaap teffens weg.”
+
+64 Op de wijze van een mensch, die in twijfel zich voelt gerust gesteld,
+en die zijn vrees in welgemoedheid verandert, wanneer de waarheid hem
+ontdekt is,
+
+67 zoo verkeerde ik; en wanneer mijn Gids mij onbezorgd zag, bewoog hij
+zich voort over den rand, en ik achter hem naar de hoogte.
+
+70 Lezer, gij ziet wel hoe ik mijne stoffe verhoog, dies verwonder u
+niet zoo ik haar met meer kunst versterk.
+
+73 Wij naderden, en wij waren op eene plaats zóó dat ik daar, waar mij
+eerst docht een kloof te zijn, gelijk een spleet die een muur deelt,
+
+76 eene poort zag, en drie treden daaronder om tot haar te komen, van
+kleur verscheiden, en eenen poortwachter, die tot nog toe geen woord
+zei.
+
+79 En naar gelang ik meer en meer het oog er op opende, zag ik hem
+zitten boven op de bovenste trede, zoodanig in het aangezicht, dat ik
+het niet verdroeg:
+
+82 en een ontbloot zwaard had hij in de hand, dat de zonnestralen
+zoozeer te ons-waart weerkaatste, dat ik vele malen den blik vergeefs op
+hem richtte.
+
+85 „Zegt gij mij daar: wat wilt gij?” begon hij te zeggen: „waar is uw
+geleide? Ziet toe dat het boven-komen u niet schade.”
+
+88 „Eene vrouw uit den Hemel, van deze dingen wel-onderricht,” aldus
+antwoordde hem mijn Meester, „zeide zooeven tot ons: „Gaat daarheen,
+daar is de poort.””
+
+91 „En zij moge te goeder ure u uwe schreden voorwaarts doen richten,”
+herbegon de hoofsche portier: „nadert dus tot onze trappen.”
+
+94 Daar kwamen wij; en de eerste trede was wit marmer, zóó
+glad-gewreven, dat ik er mij in spiegelde gelijk ik verschijn.
+
+97 De tweede, donkerder dan donker paars, van een ruw en branderig steen
+over lang en over dwars gebarsten.
+
+100 De derde, die het bovenst opgestapeld lag, docht mij van een zoo
+vlammend porphier, als bloed, dat uit een ader spuit.
+
+103 Boven op deze hield de Engel Gods beide de voetzolen, zittende op
+den dorpel, die mij scheen van diamant.
+
+106 Over de drie treden trok mijn Gids mij, die vol ijver was, en hij
+zeide: „Vraag nederig dat hij het slot ontgrendele.”
+
+109 Deemoedig wierp ik mij aan de heilige voeten: erbarmen vroeg ik, en
+dat hij me opendeed; maar te voren gaf ik mij drie slagen op de borst.
+
+112 Zeven P's schreef hij mij op het voorhoofd met de spits van het
+zwaard, en: „Maak dat gij, wanneer gij binnen zijt, u deze wonden
+afwascht,” zeide hij.
+
+115 Asch of aarde, die droog opgegraven wordt, mocht wel van éénzelfde
+kleur zijn als zijn kleedij en van onder deze bracht hij twee sleutelen
+te voorschijn.
+
+118 De ééne was van goud, en de andere was van zilver; eerst met de
+witte en voorts met de gele deed hij aldus aan de poort, dat ik tevreden
+was.
+
+121 „Telkens wanneer één van deze sleutelen faalt, daar zij niet recht
+in het sleutelgat gestoken wordt,” zeide hij tot ons: „dan gaat de poort
+niet open.
+
+124 Kostbaarder is de ééne; maar de andere wil meer kunst en vernuft
+voordat zij opent, daar zij het is, die den knoop ontknoedelt.
+
+127 Van Petrus heb ik ze;” en hij zeide mij dat ik liever moest dwalen
+door haar te openen dan door haar dicht te houden, zoo maar de luiden
+zich voor mij ter aarde werpen.
+
+130 Voorts stiet hij de heilige deur open, zeggende: „Treedt binnen;
+maar ik maak u opmerkzaam, dat hij naar buiten terugkeert, die
+terugziet.”
+
+133 En toen in de scharnieren de spillen van die heilige deur waren
+omgedraaid, die van metaal zijn, dreunend en zwaar,
+
+136 niet loeide de Tarpejische rots aldus noch toonde zij zich zóó
+toornig, wanneer haar de goede Metellus werd ontnomen, waardoor zij
+voortaan ledig bleef.
+
+139 Ik richtte mij aandachtig naar den eersten donder, en „Te Deum
+laudamus” docht ik mij te hooren in zang-stem gemengd met de zoete
+muziek.
+
+142 Juist zulk eene verbeelding gaf mij dat wat ik hoorde, als men
+gewoon is te krijgen, wanneer men staat te zingen met het orgel:
+
+145 zoodat men dàn wel dàn niet de woorden verstaat.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+TIENDE ZANG
+
+~Eerste ommegang van den Louteringsberg~
+
+
+Op den eersten ommegang gekomen, zien de beide Dichters de in marmer
+gehouden tafereelen der deemoedigheid (1–96), daarna de schimmen, die
+boete doen voor hoovaardigheid.
+
+ * * * * *
+
+1 Toen wij waren binnen den dorpel van de poort, welken de kwade
+begeerte der zielen in onbruik brengt, daar zij den krommen weg recht
+doet schijnen,
+
+4 hoorde ik haar dreunende gesloten worden: en zoo ik de oogen naar haar
+gericht hadde, welke waardige verontschuldiging ware er geweest voor de
+feil?
+
+7 Wij stegen door een gespleten rots, die zich dan naar dezen dan naar
+dien kant bewoog, gelijk de golf, die vlucht en naderkomt.
+
+10 „Hier voegt het een weinig kunst te gebruiken,” begon mijn Gids: „om
+dan hier dan ginds den wand te naderen, die wijkt.”
+
+13 En dat maakte onze schreden zoo schaarsch, dat de donkere helft der
+maan aan hare legerstede kwam om zich ter ruste te begeven,
+
+16 voordat wij buiten die kloof waren. Maar wanneer wij vrij en open
+waren, daar boven-op, waar de berg zich van achteren weer sluit,
+
+19 toen stonden wij, ik vermoeid, en beiden onzeker over onzen weg, stil
+boven op een vlak, meer eenzaam dan wegen door woestijnen.
+
+22 De ruimte van den rand, waar die het ledige begrenst, tot aan den
+voet van den hoogen rotswand, die staeg rijst, zou in drie malen het
+lichaam van een mensch hebben gemeten:
+
+25 en zoover mijn oog de vleugelen kon spannen, ter linker en ter
+rechter zijde, docht mij die kornis aldus te zijn.
+
+28 Nog hadden onze voeten zich niet daar boven op bewogen, wanneer ik
+gewaar werd dat die rots-rand in den ronde, die niet in rechte richting
+bestegen kan worden,
+
+31 van wit marmer was, en dèr-wijze gesierd met er in uitgehouwen
+beeldwerk, dat niet maar Polycletus maar ook Natuur daarvoor had moeten
+onderdoen.
+
+34 De Engel, die op aarde kwam met de Boodschap van den vele jaren met
+tranen afgebeden vrede, welke den Hemel opende na het lange verbod,
+
+37 verscheen voor ons, waarachtig daar uitgehouwen, met zoo vredig
+gebaar, dat hij geen beeld scheen, dat zwijgt.
+
+40 Men zou gezworen hebben dat hij zeide: „Wees gegroet!” omdat daar
+uitgebeeld was ~Degene~, die de sleutels omdraaide om de hooge ~Liefde~
+te openen.
+
+43 En in haar doen drukte zij zoo eigenlijk deze woorden uit: „Zie hier
+uwe Dienstmaagd,” als waren het letters, gestempeld in lak.
+
+46 „Houd toch niet op ééne plaats de aandacht gericht,” zeide mijn zoete
+Meester, die mij had aan dien kant, aan welken de mensch het hart heeft:
+
+49 waarom ik mij draaide met den blik, en ik zag achter Maria, naar dien
+kant, waaraan degene was die mij aanporde,
+
+52 een andere historie in de rots gebeeld: waarom ik Virgilius
+voorbij-trad, en mij er dichter bij bracht opdat het me beter onder de
+oogen kwam.
+
+55 Daar waren in het marmer uitgehouwen de wagen en de ossen, trekkende
+de heilige Ark, door welke men zich schroomt voor niet toevertrouwden
+dienst.
+
+58 Daarvoor vertoonden zich lieden; en die allen, verdeeld in zeven
+koren, deden van twee van mijne zinnen den éénen zeggen: „zij zingen,”
+den anderen: „zij zingen niet.”
+
+61 Evenzeer aangaande den rook der wierookvaten, die daar was afgebeeld,
+geraakten de oogen en de neus over het al of niet branden in tweedracht.
+
+64 Daar ging, opgeschort dansende, de nederige Psalmist de gebenedijde
+Bondskist vóór, en was in dat geval tegelijk meer en minder dan Koning.
+
+67 Tegenover hem, aan het venster van een groot paleis, keek Michal,
+gelijk een minachtende en verdrietige vrouw.
+
+70 Ik verzette de voeten van de plaats waar ik stond, om van dichte-bij
+een andere historie te bezien, welke achter Michal in wit steen zich
+mij vertoonde.
+
+73 Daar was getafereeld de hooge glorie des Romeinschen vorsten, wiens
+groote deugd Gregorius prikkelde tot zijn groote overwinning:
+
+76 van Trajanus den Keizer, spreek ik: en een weeuwtjen was hem aan den
+toom, ontdaan door tranen en door smart.
+
+79 Rondom haar scheen het stampvol van ruiteren, en de adelaren van goud
+bewogen zich boven hen zichtbaar op den wind.
+
+82 Het rampzalig vrouwtje scheen te midden van deze allen te zeggen:
+„Heer, wreek mij mijnen zoon, die gedood is, dies ik treur.”
+
+85 En gene [scheen] haar te antwoorden: „Dan wacht totdat ik keere.” En
+zij: „Heer mijn,” gelijk een mensch in wien de smart ongeduldig wordt:
+
+88 „Zoo gij niet keert?” En hij: „Wie dàn zit, waar ik nù, zal het u
+doen.” En zij: „De goede daad des anderen, wat baat die u, zoo gij uw
+plicht verzaakt?”
+
+91 Waarop hij: „Dan troost u, daar het voegt dat ik mij kwijte van mijn
+plicht, voor ik uittrekke: Gerechtigheid wil 't en plichtsbesef houdt
+mij terug.”
+
+94 Degene, die nooit nog iets nieuws gezien heeft, bracht dat zichtbare
+spreken voort, nieuw voor ons, daar het hier niet gevonden wordt.
+
+97 Terwijl ik mij verlustigde met het aanschouwen der tafereelen van zoo
+groote deemoedigheden, wier aanblik mij ook lief was om der wille van
+hunnen Maker;
+
+100 toen fluisterde de Dichter: „Zie van ginds komen, maar met
+schaarsche treden, vele luiden: zij zullen den weg wijzen tot de
+hoogere ommegangen.”
+
+103 Mijne oogen, die bezig gehouden werden door de aanschouwing, om het
+nog nooit geziene te zien, waarnaar zij zoozeer verlangend zijn, waren
+niet traag om zich naar hem te keeren.
+
+106 Ik wil niet, lezer, dat gij daarom aflaat van goede voornemens,
+wanneer gij hoort hoe God wil dat de schuld geboet wordt.
+
+109 Let niet op den vorm van het martelen: let op hetgeen erop volgt;
+bedenk dat, in het ergste geval, het niet kan duren ginds van het groote
+Oordeel.
+
+112 Ik begon: „Meester, dat wat ik te-ons-waart zie bewegen, schijnen
+mij niet personen: ik en weet niet wat; zoo machteloos ben ik in het
+zien.”
+
+115 En hij tot mij: „De zware gesteldheid van hunne foltering doet ze
+zich ter aarde buigen, zóódat mijne oogen er eerst door te strijden
+hadden.
+
+118 Maar houd den blik daarop gericht, en ontbolster met den blik dat
+wat daar onder rotsblokken naderkomt: reeds kunt gij ontwaren hoe ieder
+gedrukt wordt.”
+
+121 O trotsche Christenen, rampzalig neergedrukten, die, zwak met de
+oogen des geestes, vertrouwen hebt op de rugge-waartsche schreden,
+
+124 beseft gij niet, dat wij wormen zijn, geboren om den engel-gelijken
+vlinder te vormen, die ter rechtvaardigheid vliegt zonder omhulling?
+
+127 Waarop gaat uwe ziel hoovaardig als een haan? Gij zijt als insecten
+in onvolkomenheid, gelijk rupsen, in welke de formatie nog ontbreekt.
+
+130 Gelijk, om vloer of dak te stutten, men menig malen tot stut een
+[menschelijke] gedaante ziet, wie de knieën tegen de borst komen,
+
+133 hoedanig eene over het niet-ware ware droefenis doet opkomen bij
+wie het ziet; zoo zag ik ze, toen ik ze wèl beschouwde.
+
+136 Waar is dat ze meer of min samengetrokken waren, naarmate ze meer of
+minder op den rug hadden; en hij, die het meeste geduld in het voorkomen
+had,
+
+139 scheen weenende te zeggen: „Ik kan niet meer.”
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+ELFDE ZANG
+
+~Voortzetting van den eersten ommegang, waarin geboet wordt voor
+hoovaardigheid~
+
+
+Volgens aanwijzing gekregen van ééne van die zielen, wenden de Dichters
+zich ter rechter over de eerste kornis; en ondertusschen vertoont
+zich aan hen Humbert, een der graven van Santafiore, en wordt Dante
+herkend door Oderisi da Cubbio, die spreekt over de ijdelheid van den
+wereldschen roem en hem een en ander mededeelt aangaande Provenzano
+Salvani, die aldaar zich loutert van de vroegere hoovaardigheid.
+
+ * * * * *
+
+1 „O Vader onze, die in de hemelen zijt, niet dáártoe beperkt, maar
+wegens de grootere liefde die Gij voor de eerste werken van daarboven
+hebt,
+
+4 Uw naam en Uw macht zij geprezen van alle schepsel, naar het voegt
+dank te zeggen aan uwen liefde-walm.
+
+7 Kome tot ons de vrede van Uw koninkrijk, daar wij niet uit ons zelven
+met alle onze ingeboren krachten tot haar kunnen komen, als zij niet tot
+ons komt.
+
+10 Gelijk uwe engelen van hunnen wil offerande doen aan U, zingende
+Hosanna, dat de menschen zóó doen van den hunnen.
+
+13 Geef ons heden ons dagelijksch manna, zonder hetwelk door deze rauwe
+woestenij teruggaat ook wie het meest zich inspant te gaan.
+
+16 En gelijk wij het kwaad, dat wij geleden hebben, aan een ieder mogen
+vergeven, zoo vergeef ook gij weldadig, en zie niet naar onze
+verdienste.
+
+19 Onze deugd, die lichtelijk bezwijkt, beproef die niet [in den strijd]
+met den Ouden Tegenstander, maar verlos haar van hem, die zóózeer haar
+bestookt.
+
+22 Dit laatste gebed, lieve Heer, wordt reeds niet gedaan om
+onzentwille, daar wij dat niet van noode hebben, maar ter wille van hen,
+die achter ons zijn blijven staan.”
+
+25 Aldus voor ons en voor zichzelven goede reize afbiddende, gingen deze
+schimmen onder den last, een dergelijken als waar men zoo dikwijls van
+droomt,
+
+28 naar verscheiden wijze benauwd, allen in het rond en moede, boven
+over den eersten rand, louterende de nevelen der wereld.
+
+31 Zoo aan gindsche zijde steeds goede voorspraak voor ons gedaan wordt,
+wat kan dan aan deze zijde voor hen gedaan worden door degenen, die
+goeden wortel hebben voor hunnen wil.
+
+34 Wèl moet men hen helpen te wasschen de merken, die zij hier droegen,
+zóódat zij rein en licht kunnen uitgaan tot de bestarnde sferen.
+
+37 „Zegt! zoo waarlijk moge gerechtigheid en vroomheid u weldra
+ontlasten, zoodat gij den vleugel kunt uitslaan, die u naar verlangen
+opheffe:
+
+40 wijst ons naar welken kant men het kortst gaat naar de trap: en zoo
+er meer dan ééne opening is, zegt ons die, welke het minst steil stijgt;
+
+43 daar deze, die met mij komt, door den last des vleesches van Adam,
+waarmede hij bekleed is, tegen zijnen wil zuinig is met opstijgen.”
+
+46 Deze hunne woorden, die ze antwoordden op gene, welke gezegd waren
+door hem, dien ik volgde, 't was niet duidelijk van wien ze kwamen;
+
+49 maar er werd gezegd: „Ter rechter hand langs den rotswand komt met
+ons, en gij zult den doorweg vinden, mogelijk voor een levend wezen om
+er langs op te gaan.
+
+52 En zoo ik niet belemmerd ware door het rotsblok, dat mijnen
+hoovaardigen nek ònderhoudt, vanwaar het mij voegt het hoofd laag te
+houden,
+
+55 zoude ik schouwen naar hem, die nog leeft en zich niet noemt, om te
+zien of ik hem ken en om hem medelijdend te maken met dezen last.
+
+58 Ik was een Latijner, geboren uit eenen grooten Toscaan: Willem
+Aldobrandeschi was mijn vader: ik weet niet of zijn naam ooit met u was.
+
+61 Het oude bloed en de roemrijke daden van mijne voorvaderen maakten
+mij zóó aanmatigend, dat ik, niet denkend aan de gemeenschappelijke
+moeder, te voren allen mensch
+
+64 zoozeer in minachting hield, dat ik er van stierf, gelijk de
+Sieneezen weten, en in Campagnatico elk sprekend wezen het weet.
+
+67 Ik ben Humberto; en niet slechts mij schaadde mijn hoovaardigheid,
+want alle mijne stamgenooten heeft zij met zich in het ongeluk
+getrokken.
+
+70 En hier voegt het dat ik dit gewicht drage voor hen, zoolang totdat
+hier bij de dooden Gode voldoening worde gegeven, daar ik dat niet bij
+de levenden deed.”
+
+73 Luisterende, neeg ik het aangezicht naar omlaag; en één van hen (niet
+degene die gesproken had) draaide zich onder het gewicht, dat hem
+belastte:
+
+76 en zag mij, en kende mij en riep, houdende de oogen met moeite
+gericht op mij, die gansch gebukt mèt hen ging:
+
+79 „O,” zeide ik tot hem: „Zijt gij niet Oderisi, de eer van Agubbio, en
+de eer van die kunst, welke verluchten in Parijs wordt genoemd?”
+
+82 „Broeder,” zeide hij: „meer lachen de papieren, welke Franco
+Bolognese penseelt: en thans is de eer gansch ~zijn~ en ~mijn~ [slechts]
+voor een deel.
+
+85 Wel zoude ik niet zoo hoffelijk geweest zijn, zoolang ik leefde, door
+de groote begeerte om uit te munten, waarop mijn hart zich richtte.
+
+88 Voor zóódanige hoovaardigheid betaalt men hier de boete: en nog zoude
+ik niet hier zijn, 't en ware het dat ik, [nog] kunnende zondigen, mij
+tot God heb gewend.
+
+91 O ijdele roem van de menschelijke vermogens, hoe kort duurt het groen
+op zijn kruin als hij niet wordt besprongen door ruwe tijden.
+
+94 Cimabue meende in de schilderkunst het veld te houden en nù heeft
+Giotto den roep, zoodat hij den roem van genen verduistert.
+
+97 Aldus heeft de ééne Guido den anderen den roem der taal ontnomen; en
+wellicht is geboren die den één en den ander uit het nest zal jagen.
+
+100 Niet anders is het wereldsch gerucht dan een windvlaag, die nu eens
+her-, dan derwaarts komt en van naam verandert omdat hij van kant
+verandert.
+
+103 Welken roem zult gij meer hebben, indien de ouderdom het vleesch van
+u scheidt, dan indien gij gestorven waart vóórdat gij afliet van „bôo,
+bôo” en „dui en dui” [te zeggen],
+
+106 eer duizend jaar voorbijgaan? Hetwelk eene kortere tijdsruimte is
+[vergeleken] bij de eeuwigheid, dan een oogwenk is [vergeleken] bij den
+cirkel, die het traagst in den hemel gewenteld wordt.
+
+109 Van dengene, die vóór mij zoo weinig op den weg vooruitkomt, schalde
+gansch Toscane, en nu fluistert men ternauwernood van hem in Siena,
+
+112 waarvan hij Heer was, wanneer verdelgd werd de Florentijnsche woede,
+dewelke te dien tijd hoovaardig was, gelijk zij thans veil is.
+
+115 Uw roep is als de kleur van 't kruid, die komt en gaat, en dezelfde
+doet haar verkleuren, door wie zij onrijp uitgaat uit den grond.”
+
+118 En ik tot hem: „Uw ware woorden boezemen mij goede nederigheid in en
+maken plat groote gezwollenheid: maar wie is degene van wien gij zooeven
+spraakt?”
+
+121 „Dat is,” antwoordde hij: „Salvani Provenzano; en hij is hier, omdat
+hij zich aanmatigde gansch Siena onder zijne handen te krijgen.
+
+124 Hij is aldus gegaan en gaat aldus zonder verpoozen, sinds hij
+stierf: zoodanige munt betaalt om voldoening te geven, hij die daarginds
+te vermetel was.”
+
+127 En ik: „Zoo de geest, die, voor hij zich berouwt, den rand des
+levens bereikt, daar omlaag blijft en niet hier omhoog stijgt,
+
+130 indien goede gebeden hem niet helpen, voordat verloopt zóó lange
+[tijd] als hij geleefd heeft, hoe werd de toegang hem gegeven?”
+
+133 „Wanneer hij roemrijkst leefde,” zeide hij: „vrij in het land van
+Siena, heeft hij, afleggende alle schaamte, zich gevest:
+
+136 en daar, om zijnen vriend te verlossen uit de pijne, die hij
+doorstond in de gevangenis van Karel, onderstond hij het om te beven
+over alle leden.
+
+139 Meer zal ik niet zeggen, en ik weet dat ik duister spreek, maar
+weinig tijd zal voorbijgaan, dat uwe geburen zoo zullen doen, dat gij
+het zult kunnen toelichten.
+
+142 Dit werk onthief hem van die grenslanden.”
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+TWAALFDE ZANG
+
+~Vervolg van den eersten ommegang~
+
+
+Hier zien de Dichters in de rots afgebeeld voorbeelden van gestrafte
+hoovaardigheid. Een Engel wijst hun den opgang tot den tweeden omgang.
+
+ * * * * *
+
+1 Paarswijze, als runderen die onder het juk gaan, ging ik verder met
+die belaste ziel, zoolang het toestond de zoete leidsman.
+
+4 Maar wanneer hij zeide: „Laat hem en kom mee, daar het hier goed is
+met het zeil en de riemen zoo goed [en zoo kwaad] ieder kan, zijn hulkje
+voort te drijven,”
+
+7 maakte ik mij weder recht, gelijk men pleegt te gaan, met mijn
+persoon, hoewel mijne gedachten gebogen en geknot bleven.
+
+10 Ik had mij voortbewogen, en volgde volgaarne de schreden van mijnen
+Meester, en beiden toonden wij reeds hoe licht wij waren;
+
+13 wanneer hij tot mij zeide: „Richt de oogen naar omlaag: het zal u
+goed zijn, tot het verlichten van den weg, het bed te zien van uwe
+voetzolen.”
+
+16 Gelijk, opdat er heugenis van hen zij, boven de begravenen de
+aardsche graftomben dragen verbeeld dat wat zij vroeger waren;
+
+19 waarom men daar vele malen weent, door den stekel der heugenis, die
+alleen aan de vromen de sporen geeft;
+
+22 zóó zag ik dáár, maar met betere gelijkenis, naar gelang van de
+kunstvaardigheid, bebeeld zooveel [ruimte] als voor weg buiten den berg
+naar voren komt.
+
+25 Aan ééne zijde zag ik dengene, die edelst geschapen was van alle
+schepsel, bliksemende nederdalen van den hemel.
+
+28 Briareus zag ik, doorboord van den hemelschen schicht, liggen aan den
+anderen kant, zwaar voor de aarde door de doods-kou.
+
+31 Ik zag [Apollo] Thymbraeus, ik zag Pallas en Mars, nog gewapend, rond
+hunnen vader, staren op de verspreide ledematen der Giganten.
+
+34 Ik zag Nimrod aan den voet van het groote werk, geheel verbijsterd de
+luiden aanstaren, die in Sennaär met hem hoovaardig waren.
+
+37 O Niobe, met welke treurende oogen zag ik u gebeeld op het plaveisel
+temidden van uwe zeven en zeven gedoode kinderen.
+
+40 O Saul, hoe scheent gij daar gestorven op uw eigen zwaard op den berg
+Gilboa, die voortaan noch regen noch dauw voelde.
+
+43 O dwaze Arachne, zóó zag ik u, reeds half eene spinne, droef bovenop
+de flarden van het werk dat tot uw nadeel gemaakt was.
+
+46 O Rehabeam, uw beeltenis schijnt daar niet meer dreigende te zijn,
+maar vol van vreezen draagt hem een wagen vandaar voor men hem verjage.
+
+49 Nog vertoonde het harde plaveisel hoe Alcmeon zijner moeder duur deed
+dunken het heilloos sieraad.
+
+52 Het vertoonde hoe zijne [eigene] zonen zich wierpen op Sennacherib
+binnen in den tempel en hoe zij hem dood daar lieten.
+
+55 Het vertoonde den ondergang en het wreede voorbeeld dat Tamyris
+stelde, daar zij zeide tot Cyrus: „Naar bloed dorstte u en van bloed
+verzadig ik u.”
+
+58 Het vertoonde hoe in verwarring vluchtten de Assyriërs, nadat
+Holophernes dood was, en ook het overschot des vermoorden.
+
+61 Ik zag Troja in asch en bouw-val: o Ilium, hoe vernederd en
+waardeloos toonde u de beeltenis, die men dáár ontwaart.
+
+64 Wie was er meester van penseel en teekenstift, dat hij weergaf de
+schaduwen en lijnen, die daar elken fijnen geest tot bewondering zouden
+brengen?
+
+67 Dood schenen daar de dooden en levend de levenden: hij, die de
+werkelijkheid ziet, ziet niet meer dan ik, [ziende] al wat ik betrad
+zoolang ik gebukt ging.
+
+70 Nu braveert maar en gaat met het gezicht omhoog, zonen Eva's, en
+buigt maar niet het gelaat zóó dat gij uw kwade pad ziet.
+
+73 Meer was er reeds door ons van den berg omgegaan en van den weg der
+zon vrij wat meer afgelegd, dan mijn onvrije ziel wel vermeende;
+
+76 wanneer hij, die altijd opmerkzaam vóórging, begon: „Hef het hoofd,
+het is niet meer tijd aldus in gedachten te gaan.
+
+79 Zie daar een Engel, die zich opmaakt te ons-waart te komen: zie hoe
+de zesde dienstmaagd keert van de bediening des daags.
+
+82 Doe uwe gebaren en gelaat aan met eerbiedigheid, zoodat het hem
+behage ons naar boven te geleiden: gedenk dat deze dag nooit weder
+daagt.
+
+85 Ik was aan zijn waarschuwen goed gewend, om toch geenen tijd te loor
+te laten gaan, zoodat hij in die stoffe niet duister tot mij kon
+spreken.
+
+88 Tot ons kwam het schoone schepsel, wit gekleed, en in het aangezicht
+zoodanig als de morgenstar flonkerend zich vertoont.
+
+91 De armen opende hij en daarna opende hij de vleugelen: en zeide:
+„Komt; hier dichtbij zijn de treden, en licht kan men van stonde aan
+stijgen.
+
+94 Op deze nooding komen maar zeer schaarschen: o menschelijk geslacht,
+geboren om opwaart te vliegen, waarom valt gij bij zoo weinig wind?”
+
+97 Hij leidde ons daar waar de rots was uitgehouwen; daar sloeg hij mij
+de vleugelen voor het voorhoofd, voorts beloofde hij mij veiligen gang.
+
+100 Gelijk om ter rechterhand ten berg op te klimmen, waar de kerk
+gelegen is, die neer ziet op de goed geleide boven de Rubaconte,
+
+103 de straffe heftigheid des stijgens verbroken wordt door de trappen,
+die gemaakt werden ten tijde dat kwatern en schepel veilig waren;
+
+106 aldus vergemakkelijkt zich de rand, die hier wel zeer snel valt, van
+den tweeden ommegang: maar hier en daar scheert [ons] de hooge rots.
+
+109 Terwijl wij ons aldaar omwendden, zongen stemmen aldaar „Zalig zijn
+de armen van geest,” derwijze dat geen woorden het konden weergeven.
+
+112 Ai mij! hoe verscheiden zijn deze ingangen van de helsche! daar men
+hier onder gezangen binnentreedt en daar onder woeste jammerkreten.
+
+115 Alreede stegen wij op langs de heilige treden, en veel lichter
+scheen het mij toe te zijn, dan het mij te voren in de vlakte had
+toegeschenen:
+
+118 waarop ik: „Meester” zeide: „welke zwarigheid is er van mij
+weggenomen, dat bijna geen vermoeienis onder het gaan door mij wordt
+gekregen?”
+
+121 Hij antwoordde: „Wanneer de P's, die nog op uw gelaat, bijna
+uitgewischt, overgebleven zijn, ganschelijk gelijk die ééne, zullen zijn
+weggeschoren,
+
+124 worden uwe voeten aldus overwonnen door uwen goeden wil, dat zij
+niet slechts geen vermoeienis zullen gevoelen, maar dat het hun vermaak
+zal zijn opwaart te worden gedrongen.”
+
+127 Toen deed ik gelijk degenen die gaan met op hun hoofd iets, waarvan
+zij niet weten tenzij dat de gebaren der andere menschen het hen doen
+vermoeden;
+
+130 waarom de hand hen helpt om hen te vergewissen, en zoekt en vindt,
+en dat werk verricht, wat niet kan worden verricht door het gezicht:
+
+133 en met de gescheiden vingers van de rechterhand bevond ik slechts
+zes der letters, welke die van de sleutelen mij boven de slapen had
+ingegrift:
+
+136 En mijn gids, dit ziende, glimlachte.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+DERTIENDE ZANG
+
+~De Tweede Ommegang. Hier wordt de zonde van de afgunst geboet.~
+
+
+Op den tweeden rand, waar nu de Dichters komen, wordt de zonde
+der afgunst gelouterd. De zielen aldaar zijn gekleed in een grove
+pij, en hebben de oogen met een ijzerdraad toegenaaid. Van afstand
+tot afstand vliegen stemmen door de lucht, door hemelsche geesten
+voortgebracht, die den afgunstigen eenig schoon voorbeeld van
+barmhartigheid of naasten-liefde in herinnering brengen. Voorts
+vertoont zich aan Dante Sapia van Siena.
+
+ * * * * *
+
+1 Wij waren aan den top der trap, waar ten tweeden male de berg
+ingesneden wordt, die door zijne bestijging de menschen loutert:
+
+4 aldaar omwindt een kornis evenzoo de helling gansch gelijk de eerste,
+tenzij dat haar boog zich vroeger ombuigt.
+
+7 Noch platte, noch bolle beeltenis is daar, die men ziet; zoo maar
+ziet men daar den wand, zoo maar ziet men daar den affenen weg met de
+loodkleur der rots-massa.
+
+10 „Zoo we hier menschen afwachten om na te vragen,” sprak de Dichter:
+„dan vrees ik dat wellicht ons besluit te veel vertraging ondervindt.”
+
+13 Voorts richtte hij de oogen vast op de zon; hij maakte van zijn
+rechterzijde het middelpunt voor de beweging, en den linkerkant van zich
+zelven draaide hij.
+
+16 „O zoete Licht, in vertrouwen waarop ik binnentreed langs den nieuwen
+weg, gij geleidt ons,” zeide hij: „gelijk men hier wel geleid wil zijn.
+
+19 Gij verwarmt de wereld, gij licht over haar: zoo niet andere reden
+tot het tegendeel nope, moeten uwe stralen altijd geleide zijn.”
+
+22 Zooveel men (aan deze zijde) voor een mijl rekent, zoo ver waren wij
+reeds van daar gegaan, in weinig tijd, door den vaardigen wil.
+
+25 En te ontwaart te vliegen werden bemerkt, daarom nog niet gezien,
+geesten, sprekende tot den disch der liefde heusche noodingen.
+
+28 De eerste stem, die voorbij ging, vliegende zeide luide: „Zij hebben
+geen wijn” en achter ons ging zij, het herhalende.
+
+31 En voordat die door den afstand gansch niet meer gehoord werd, daar
+ging een andere voorbij schreeuwende: „Ik ben Orestes” en hield mede
+geen stand.
+
+34 „O,” zeide ik: „Vader, welke stemmen zijn dezen?” en mèt dat ik het
+vroeg, een derde was daar, zeggende: „Hebt lief van wien gij kwaad
+ondervindt.”
+
+37 De goede Meester zeide: „Deze ommegang tuchtigt de schuld der
+afgunst, en daarom worden de koorden der geeselroede door liefde
+gehanteerd.
+
+40 De breidel wil zijn van tegengestelden klank; ik geloof dat gij hem
+zult hooren, mijns bedunkens, voor gij geraakt tot den overtocht der
+vergiffenis.
+
+43 Maar houd de oogen vast door de lucht gericht, en gij zult menschen
+voor ons zien zitten, en ieder van hen zit langs den rotswand.”
+
+46 Toen opende ik de oogen meer dan te voren; ik schouwde voor mij en ik
+zag schimmen met mantelen van de kleur van de steen niet ver scheiden.
+
+49 En toen wij een weinig meer vooruit waren, hoorde ik roepen: „Maria,
+bid voor ons;” ik hoorde ze roepen Michaël en Petrus en alle de
+heiligen.
+
+52 Ik geloof niet dat er heden op aarde een mensch gaat, zoo hard, die
+niet geslagen werd met medelijden voor dat wat ik voorts zag:
+
+55 want, wanneer ik zóó nabij hen was gekomen dat hunne gebaren
+duidelijk tot mij kwamen, werden door de zware smart me de tranen uit de
+oogen getogen.
+
+58 Van een grove pij schenen zij me bedekt, en de één schoorde den ander
+met den schouder, en allen waren geschoord van den rotswand.
+
+61 Zoo staan de blinden met het haveloos kleed, bij de ~biecht~ om hun
+nooddruft te vragen, en de één neigt het hoofd over den ander,
+
+64 opdat te eer bij de menschen het medelijden opkome, niet maar door
+het klinken der woorden, maar door den aanblik, die niet minder fleemt.
+
+67 En gelijk de blinden het zonlicht niet baat, zoo wil daarginds aan de
+schimmen, waarvan ik nu spreek, het zonlicht niet van zich mededeelen;
+
+70 daar bij allen een ijzeren draad het ooglid doorboort en toenaait
+gelijk men met den wilden sperwer doet, omdat hij niet rustig blijft.
+
+73 Het scheen me dat ik al gaande beleediging aandeed, daar ik, genen
+ziende, niet werd gezien; waarom ik mij wendde tot mijnen wijzen
+raadsman.
+
+76 Wel wist hij, wat de stomme wilde zeggen; en daarom wachtte hij mijn
+vraag niet af, maar zeide: „Spreek, en wees kort en bondig.”
+
+79 Virgilius kwam me aan dien kant van de kornis van waar men vallen
+kan, omdat die door geen rand omringd wordt.
+
+82 Aan mijn anderen kant waren de vrome zielen, die door den gruwelijken
+naad zoo zeer [de tranen] persten, dat ze de wangen baadden.
+
+85 Ik wendde mij tot hen, en: „O menschen,” begon ik: „verzekerd van te
+zullen zien het hooge licht, waarom alleen uwe begeerte bekommerd is,
+
+88 zoo waarlijk moge weldra de genade het schuim van uw geweten afnemen,
+zoodat de stroom van den geest helder daarin nederdale,
+
+91 zegt mij (daar het mij welgevallig en dierbaar zal zijn) of er hier
+tusschen u een latijnsche ziel is; en wellicht zal het haar goed zijn,
+zoo ik het verneem.”
+
+94 „O broeder mijn, elke [ziel] is burgeres van ééne ware stad; maar gij
+wilt zeggen, of er eene leefde als vreemdelinge in Italië.”
+
+97 Dit meende ik als antwoord te hooren van een weinig meer naar voren
+dan waar ik stond; waarom ik mij nog meer daar deed bemerken.
+
+100 Te midden van de anderen zag ik eene schimme, die kennelijk
+wachtte; en zoo iemand wilde vragen: hoe? de kin hief zij op de wijze
+van eenen blinde omhoog.
+
+103 „Ziele,” zeide ik: „die omlaag gehouden wordt om omhoog te rijzen,
+zoo gij degene zijt, die mij antwoorddet, maak u mij bekend door
+geboorteplaats of naam.”
+
+106 „Van Siena was ik,” antwoordde zij: „en met deze anderen louter ik
+hier het schuldig leven, tranen vergietende tot Hem dat Hij zich ons
+mededeele.
+
+109 Wijs was ik niet, hoewel ik Sapia was genoemd, en ik was veel
+blijder om eens anders schade dan om mijn eigen geluk.
+
+112 En opdat gij niet geloovet dat ik u bedrieg, hoor of ik, zooals ik u
+zeg, dwaas was, reeds afdalende den boog mijner jaren.
+
+115 Mijne medeburgers waren nabij Colle in het veld gekomen met hunne
+tegenstanders, en ik bad God om dat wat Hij wilde.
+
+118 Gebroken werden zij daar en gedreven op de bittere wegen der vlucht;
+en de jacht ziende, won ik in mij een blijdschap aan elke andere
+ongelijk:
+
+121 zoodat ik het onvervaarde gelaat omhoog hief, schreeuwende tot God:
+„Voortaan vrees ik u niet” gelijk de meerle deed bij 't eerste mooie
+weer.
+
+124 Vrede met God wenschte ik op het uiterste van mijn leven; en nog
+zoude mijn schuld niet door boetvaardigheid zijn verminderd,
+
+127 't en ware het dat Peter Pettinagno mijner had gedacht in zijn
+heilige gebeden, wien uit barmhartigheid mijner deerde.
+
+130 Maar gij, wie zijt gij, die gaat vragende naar onze toestanden en
+de oogen ongebonden draagt, naar ik geloof; en ademende spreekt?”
+
+133 „Wel zullen me,” zeide ik: „de oogen hier nog eenmaal worden
+ontnomen; maar gedurende weinig tijd, daar klein hun vergrijp is van met
+nijd te zijn bewogen.
+
+136 Veel meer is de vrees, waardoor mijn ziel wordt benard, voor de
+pijniging van hieronder, zoodat reeds de last van daarbeneden mij
+weegt.”
+
+139 En zij tot mij: „Wie heeft u dan hierboven te midden van ons geleid,
+indien gij gelooft daarbeneden te zullen terugkeeren?” En ik: „Hij die
+met mij is en geen woord spreekt:
+
+142 en levend ben ik; en daarom vraag mij weder, verkoren ziel, indien
+gij wilt dat ik daarginds de sterfelijke voeten voor u beweeg.”
+
+145 „O dit is om te hooren zoo nieuwe zaak”, antwoordde zij: „dat het
+een groot bewijs is dat God u liefheeft: daarom help mij dan nu en dan
+met uw gebed.
+
+148 En ik vraag u bij dat wat gij meest begeert: zoo gij ooit het
+Toscaansche land betreedt, dat gij bij mijne verwanten ten beste van mij
+spreekt.
+
+151 Gij zult ze zien bij dat wufte volk dat hoopt op Talamone, en dáár
+zal het nog meer hoop verliezen dan om de „Diana” te vinden.
+
+154 Maar nog meer zullen daar de admiraals verliezen.”
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+VEERTIENDE ZANG
+
+~Voortzetting van den tweeden ommegang.~
+
+
+Guido del Duca da Bertinoro beschrijft aan Rinieri dei Calboli, zijnen
+buurman, het slechte gedrag van de verschillende volkeren van het dal
+van den Arno en profeteert hem de schande van zijnen naneef. Voorts
+bejammert hij het ontaarde Romagna, en vermeldt de namen van vele edele
+en geëerde Romagnolen van zijnen tijd. Wanneer ten slotte de Dichters
+van die schimmen zijn weggegaan, hooren zij stemmen als van den donder,
+die hen herinneren aan de kastijdingen, die de afgunstigen te wachten
+staan.
+
+ * * * * *
+
+1 „Wie is degene, die onzen erg òmgaat, voordat de dood hem vleugelen
+heeft gegeven, en die de oogen opent en toemaakt naar welbehagen?”
+
+4 „Niet weet ik wie hij is; maar wel weet ik dat hij niet alleen is:
+vraag gij het hem, daar gij hem nader bij zijt, en bejegen vriendelijk
+hem zóó dat hij spreke.”
+
+7 Aldus twee geesten, de één tot den ander geneigd, spraken daar van
+mij ter rechterhand; voorts hieven zij de aangezichten, om tot mij te
+spreken, achterover;
+
+10 ende één zeide: „O ziel, die nog in het lichaam gevest, hemelwaart
+gaat, vertroost ons uit barmhartigheid, en zeg ons,
+
+13 van waar gij komt, en wie gij zijt; daar gij ons zóó zeer doet
+verwonderen over uwe genade, als iets [verwondering] eischt, dat nog
+nooit is gebeurd.”
+
+16 En ik: „Midden door Toscana spanceert een stroompje, dat geboren
+wordt op de Falterona, en honderd mijlen loops verzadigt het niet.
+
+19 Van zijnen oever draag ik dit mijn lichaam; te zeggen wie ik ben,
+ware ijdel praten, daar mijn naam nog niet luide verluidt.”
+
+22 „Wanneer ik uwe bedoeling wèl begrijp,” antwoordde toen hij, die het
+eerste sprak: „dan spreekt gij van den Arno.”
+
+25 En de andere zeide tot hem: „Waarom verheelde hij den naam van die
+rivier, gelijk de mensch doet met gruwelijke dingen?”
+
+28 En de schim, die hieromtrent ondervraagd was, kweet zich aldus: „Dat
+weet ik niet, maar wel verdient de naam van zulk eene vallei dat hij te
+gronde ga,
+
+31 daar van zijnen aanvang (waar het Alpijnsch gebergt, van 't welk
+Pelorum is losgerukt, zóó van water is gedrenkt, dat het op weinig
+plaatsen die maat te boven gaat)
+
+34 tot daar, waar hij zich weder uitstort tot herstel van dat deel van
+'t zeewater, dat de hemel opslorpt, waardoor de rivieren hebben dat wat
+mèt hen gaat,
+
+37 aldus de deugd als vijandin door allen wordt gevloden, als het
+gesijfel [van eene slang], hetzij door het lot der plaatse, hetzij door
+kwade praktijk, die hen noopt:
+
+40 vanwaar de bewoners dier rampzalige vallei zóó hunnen aard veraêrd
+hebben, dat het lijkt of Circe hen in de kost hadde gehad.
+
+43 Door botte varkens heen, die eikelen meer verdienen dan ander
+voedsel, geschapen tot menschelijk gebruik, richt hij eerst zijn
+armelijk pad.
+
+46 Keffertjes vindt hij voorts, daar hij lager komt, meer grijnzend dan
+hun kracht vergt, en ze minachtend keert hij den muil van hen af.
+
+49 Hij gaat al vallende, en hoe meer die gemaledijde en ellendige sloot
+aangroeit, te meer ziet hij de honden tot wolven worden.
+
+52 Voorts afgedaald door meerdere diepe zeeën, vindt hij de vossen zóó
+vol van loosheid, dat zij geen list vreezen die hen ving.
+
+55 En ik zal niet nalaten te spreken opdat een ander mij hoore: en het
+zal hem goed zijn zoo hij zich herinnere dat wat een ware geest mij
+ingeeft.
+
+58 Ik zie uwen kleinzoon, die jager wordt van die wolven langs het
+strand van den wreeden stroom en ze allen verschrikt.
+
+61 Hij verkoopt hun vleesch, daar het [nog] levend is, voorts doodt hij
+ze als slachtvee; velen berooft hij van 't leven en zich van de eer.
+
+64 Bloedig komt hij uit het droeve woud; hij laat het zóó dat het in
+geen duizend jaar zich tot den ouden staat weer belommert.”
+
+67 Gelijk, bij tijding van toekomstig leed, zich ontstelt het gelaat van
+dengene, die luistert, van welken kant ook het gevaar hem aangrijpt;
+
+70 zóó zag ik de andere ziel, die stond gekeerd tot luisteren, zich
+onthutsen en bedroefd worden, nadat zij deze woorden in zich had
+opgenomen.
+
+73 Het spreken des éénen en het gezicht des anderen maakten mij begeerig
+hunne namen te weten, en een vraag deed ik hun, met gebeden gemengd.
+
+76 Waarom de geest, die het eerst tot mij sprak, herbegon: „Gij wilt dat
+ik mij neerbuige voor u te doen datgene wat gij voor mij niet wilt doen;
+
+79 maar sinds God wil dat in u zoo groote genade van Hem doorlichte, zal
+ik niet schriel voor u zijn; daarom weet dat ik ben Guido del Duca.
+
+82 Mijn bloed was in nijdigheid zóó ontbrand, dat wanneer ik een mensch
+zich zag verheugen, gij mij met loodkleur zoudt hebben zien bedekt.
+
+85 Van mijn zaad oogst ik zoodanig stroo. O menschelijk geslacht, waarom
+zet gij het hart op die dingen, waarvan gij u gemeenschap ontzeggen
+moet?
+
+88 Dit is Reinier; dit is de prijs en eere van het huis Calboli, waar
+voorts niemand erfgenaam is geworden van zijn deugd.
+
+91 En niet slechts zijn bloed is berooid—tusschen den Po en het
+gebergte, en de zeekust en den Reno—van het goed dat vereischt wordt
+voor waarheid en geneugt:
+
+94 daar binnen die grenzen ['t land] vol is van giftige kruiden, zóó dat
+ze, te laat [gekomen] om het te wieden, weldra zouden bezwijken.
+
+97 Waar is de goede Lizio, en Arrigo Manardi, Pier Traversaro en Guido
+di Carpagni? O Romagnolen, verkeerd tot bastaarden!
+
+100 Wanneer wordt weder in Bologna een Fabbro geboren? Wanneer in Faënza
+een Bernardin di Fosco, een edele spruit van nederig kruid?
+
+103 Verwonder u niet, zoo ik ween, Toscaan, wanneer ik met Guido da
+Prata Ugolino d'Azzo gedenk, die met ons geleefd heeft;
+
+106 Federigo Tignoso en zijn gezelschap, het huis Traversara en de
+Anastasii; (onterfd is het één en het andere geslacht!)
+
+109 de vrouwen en de ridders, het leed en het lief, al wat ons liefde en
+hoofschheid ingaf, daar waar de harten zóó zijn ontaard.
+
+112 O Brettinoro, waarom vlucht ge niet weg, nu uw gansche stamhuis weg
+is gegaan, en velen daarvan om niet misdadig te worden?
+
+115 Wèl doet Bagnacaval, dat het geen zonen meer teelt, en slecht doet
+Castrocaro en slechter Conio, die zich al dieper in schuld wikkelen door
+zulke graven voort te brengen.
+
+118 Goed zullen zijn de Pagani, wanneer hun Demon weg zal gaan; maar
+daarom [geschiedt het] toch niet dat er steeds zuiver getuigenis van hen
+zal zijn.
+
+121 O Ugolino de Fantoli, veilig is uw naam sedert niet meer [een zoon]
+verwacht wordt, die door ontaarding hem kan bezwalken.
+
+124 Maar nu ga voort, Toscaan, daar het mij nu al te zeer lust te
+weenen, meer dan te spreken; zóó heeft onze landstreek mij het gemoed
+genepen.”
+
+127 Wij wisten dat die dierbare zielen merkten dat wij gingen: dies
+deden ze door hun zwijgen ons vertrouwen hebben in onzen weg.
+
+130 Toen wij, al voortgaande, alleen waren, een bliksem, wanneer die de
+lucht klieft, scheen toen eene stem, die ons tegen kwam, zeggende:
+
+133 „Mij zal dood slaan, al wie mij vindt,” en [de stem] vluchtte, als
+donder die verrommelt, wanneer plotseling de wolk zich ontlaadt.
+
+136 Wanneer ons oor rust had van dien te hooren, en zie een andere stem
+kwam met zóó groot gedruisch, dat het donder leek, die terstond [den
+bliksem] volgt.
+
+139 „Ik ben Aglauros, die een steen werd.” En om mij tegen den Dichter
+te dringen, deed ik een stap naar achter en niet naar voren.
+
+142 Reeds was de lucht van elke zijde stil, en hij zeide tot mij: „Dat
+was het hard gebit, dat den mensch binnen zijne baan moest houden.
+
+145 Maar gij neemt het aas zoodat de haak des ouden Vijands u tot zich
+trekt; en weinig vermag daarom breidel of roepstem.
+
+148 De Hemel roept u, en draait zich rondom u, u zijne eeuwige
+schoonheden vertoonende, en toch staart uw oog gestadig op den grond;
+
+151 waarom de Hemel u kastijdt, die alles ziet.”
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+VIJFTIENDE ZANG
+
+~Van den tweeden ommegang naar den derden.~
+
+
+Bij het vallen van den avond komen de Dichters daar waar men van den
+tweeden ommegang opgaat tot den derden.
+
+Op aanduiding van den Engel gaan zij op langs de trap; ondertusschen
+vraagt Dante den Meester verklaring van hetgeen hij gehoord heeft van
+Guido del Duca. Wanneer zij aan den rand gekomen zijn, geraakt Dante in
+verrukking en ziet als tegenwoordig eenige oude daden van merkwaardige
+zachtmoedigheid. Hij keert weder tot zijne zinnen en wordt van
+lieverlede gewikkeld in een dikken rook, die hem geheel het gezicht
+beneemt.
+
+ * * * * *
+
+1 Hoeveel tusschen het einde van de derde ure en het begin van den dag
+schijnt afgelegd van dien kring, die altijd speelt als een kind,
+
+4 zóóveel van zijnen loop scheen er te avondwaart nog overig te zijn
+voor de zon: dáár was het avond en hier middernacht.
+
+7 En zijne stralen sloegen ons midden op den neus, omdat wij zóó [ver]
+den berg waren omgeloopen, dat wij reeds recht op het Westen aangingen,
+
+10 wanneer ik bemerkte dat mij het voorhoofd meer dan te voren werd
+bezwaard door den gloed, en tot verbazing werden mij de niet gekende
+dingen:
+
+13 waarom ik mijne handen hief tot boven mijne wenkbrauwen, en ik maakte
+mij een zonnescherm, dat als een vijl afneemt van de overmaat van licht.
+
+16 Gelijk de straal door het water of door den spiegel naar de
+tegenovergestelde zijde opspringt, uitvallende met den zelfden hoek,
+
+19 waarmede hij invalt, en op gelijken afstand evenveel afwijkt van de
+loodlijn, zooals ondervinding en kunst het [ons] leeren;
+
+22 zoo scheen het mij toe dat ik getroffen werd door licht, dat daar
+vóór mij werd weerkaatst; waarom mijne oogen zich haastten het te
+ontvluchten.
+
+25 „Wat is dat, zoete vader, waartegen ik mijn oog niet zoo [zeer] kan
+beschutten dat het mij baat,” zeide ik: „en schijnt te-ons-waart te zijn
+bewogen?”
+
+28 „Verwonder u niet als de dienaars-stoet des Hemels u nog verblindt,”
+antwoordde hij mij: „Gezonden is hij, die gekomen is om den mensch tot
+stijgen te nooden.
+
+31 Weldra zal het gebeuren dat zulke dingen te zien u niet zwaar zal
+vallen, maar u geneugt zal zijn, naar mate uw aard u beschikt om het [te
+meer] te gevoelen.”
+
+34 Nadat wij tot den gebenedijden Engel waren gekomen, zeide hij met
+blijde stem: „Komt hier binnen, tot eene trap, veel minder steil omhoog
+gaande dan de andere.”
+
+37 Wij stegen op, reeds van daar verscheiden, en: „Beati Misericordes”
+werd achter ons gezongen, en: „Verheug u gij die overwint.”
+
+40 Mijn meester en ik, wij gingen samen alleen opwaart en ik dacht al
+gaande voordeel te winnen in zijne woorden:
+
+43 en ik richtte mij tot hem, aldus vragende: „Wat wilde de geest [van
+dien] van Romagna zeggen, gewagende van gemeenschap en van zich te
+ontzeggen?”
+
+46 Waarom hij tot mij: „Van zijn grootste feil kent hij de schade; en
+daarom verwondere men zich niet zoo hij haar [den menschen] verwijt,
+opdat men hier te minder haar beweene.
+
+49 Omdat uwe begeerten zich op dátgene spitsen, waarvan door
+deelgenootschap elk deel kleiner wordt, beweegt afgunst den blaasbalg
+voor de zuchten.
+
+52 Maar indien de liefde tot de hoogste sfeer uwe begeerte naar boven
+trok, dan zoudt gij niet in de borst die vrees hebben:
+
+55 want hoe meer dát het onze wordt genoemd, des te meer goed bezit
+ieder en des te meer liefde brandt in dat klooster.”
+
+58 „Ik ben van het tevredenzijn nog nuchterder,” zeide ik: „dan indien
+er tot mij gezwegen ware, en meer twijfel heb ik in mijne ziel.
+
+61 Hoe kan het zijn, dat een goed, verdeeld zijnde, het grootere aantal
+bezitters rijker maakt aan zich dan wanneer het door weinigen wordt
+bezeten?”
+
+64 En hij tot mij: „Omdat gij maar stadig den geest richt op de
+aardsche zaken, gaart gij duisternis uit het waarachtig licht.
+
+67 Dat oneindig en onuitsprekelijk goed, dat daarboven is, snelt op
+dezelfde wijze naar de liefde, als een straal komt naar een spiegelend
+lichaam.
+
+70 Zoo veel gloed wordt daar [terug]gegeven als daar gevonden wordt:
+zoodat hoever ook barmhartigheid zich uitstrekke, het eeuwig
+[liefdes]-vermogen daarover zich uitbreidt.
+
+73 En hoe meer luiden elkander daarboven verstaan, te meer goeds valt
+daar te beminnen en te meer wordt daar bemind, en als een spiegel kaatst
+de één den ander weer.
+
+76 En zoo mijne rede u niet verzaadt, Beatrice zult gij zien, en die zal
+u ten volle deze en elke andere begeerte ontnemen.
+
+79 Dan verjaag, opdat ze spoedig, gelijk reeds de twee litteekenen zijn
+uitgewischt, de vijf litteekenen, die zich sluiten door pijnlijk te
+zijn.”
+
+82 Met dat ik zeggen wilde: „Gij stelt mij gerust!” zag ik mij gekomen
+tot den volgenden ommegang, zoodat mijne begeerige oogen mij deden
+zwijgen.
+
+85 Daar scheen ik mij toe plotseling getrokken te zijn tot een gezicht
+in verrukking, en in eenen tempel meerdere personen te zien;
+
+88 en dat eene vrouw aan den ingang, met het zoet gebaren eener moeder,
+zeide: „Mijn zoon, waarom hebt gij aldus jegens ons gedaan?
+
+91 Zie, in smarte hebben wij, uw vader en ik, u gezocht.” En toen het
+daar stil werd, verdween dat wat het eerst verscheen.
+
+94 Daarop verscheen mij een andere vrouw, met dát water op de wangen,
+dat de smart ontperst, wanneer die door groote minachting van eenen
+anderen geboren wordt,
+
+97 en dat zij zeide: „Zoo gij heer zijt van die Stad, over welker naam
+tusschen de goden zoo groote strijd was en van waar alle wetenschap als
+licht uitstraalt,
+
+100 neem wrake op die overmoedige armen, die onze dochter omarmden, o
+Pisistratus.” En de heer scheen mij toe welwillend en zachtaardig
+
+103 met vredig gelaat haar te antwoorden: „Wat zouden wij doen hèm die
+ons kwaad toewenscht, zoo degene die ons bemint, door ons wordt
+veroordeeld?”
+
+106 Voorts zag ik luiden in vuur van toorn ontbrand, met steenen eenen
+jonkman dooden, die elkanderen vast luide toeriepen: „Sla dood, sla
+dood.”
+
+109 En hem zag ik door den dood, die reeds op hem woog, zich ter aarde
+buigen, maar zijne oogen maakte hij altijd tot poorten voor den hemel;
+
+112 biddende tot den hoogen Heer in zoo groote benauwenis, dat Hij
+zijnen belagers vergave, met dien blik, die het mededoogen ontgrendelt.
+
+115 Wanneer mijne ziel wederkeerde naar buiten naar de dingen, die
+waarlijk buiten haar zijn, ik erkende mijne niet valsche dwalingen.
+
+118 Mijn gids, die mij kon zien doen zóó gelijk een mensch die zich
+losmaakt van den slaap, zeide: „Wat hebt gij dat gij u niet kunt houden?
+
+121 Maar gij zijt meer dan een halve mijl gekomen, de oogen luikende, en
+met de beenen gekromd, naar de wijze van éénen, wien wijn of slaap
+nederbuigt.”
+
+124 „O zoete vader mijn, zoo gij naar mij luistert, zal ik u zeggen,”
+zeide ik: „dat wat mij verscheen, wanneer mij [het gebruik der] beenen
+aldus was ontnomen.”
+
+127 En hij: „Zoo gij honderd mommen hadt over het aangezicht, ook dan
+zouden uwe gedachten, hoe klein ook, mij niet gesloten zijn.
+
+130 Dat wat gij zaagt was opdat gij u niet zoudt verontschuldigen het
+hart te openen voor de wateren des vredes, die uit de eeuwige bron
+worden vergoten.
+
+133 Ik vroeg niet: „Wat hebt gij?” om die [reden], die hèm doet vragen,
+die nog slechts ziet met het oog, dat niet [meer] ziet, wanneer het
+lichaam ligt ontzield.
+
+136 Maar ik vroeg [het u] om u kracht aan de voeten te geven. Zoo voegt
+het de luien aan te porren, die traag zijn om hunne wake te gebruiken,
+wanneer die wederkeert.”
+
+139 Wij gingen verder door den avond, aandachtig uitkijkend, zooverre
+onze oogen konden reiken, tegen de avondlijke en lichtende stralen,
+
+142 en zie bij beetjen en beetjen aan nadert ons daar een rook, donker
+als de nacht en er was geen plaats om dien te ontwijken:
+
+145 en hij ontnam ons de oogen èn de zuivere lucht.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+ZESTIENDE ZANG
+
+
+Op den derden ommegang in eenen rook en in de gruwelijkheid van eenen
+nacht, erger dan die van de hel, wordt de toorn gelouterd. Een Geest
+richt het woord tot Alighieri, en, zich kenbaar makende, spreekt hij
+van de ondeugden en de traagheid der tegenwoordig-levenden; waarom de
+Dichter, in twijfel vanwaar zoo groote verdorvenheid uitgaat, hetzij van
+de planeten of van de maatschappelijke toestanden, er den Geest over
+ondervraagt; die, met veel filosofie redeneerende, hem tevreden stelt.
+
+ * * * * *
+
+1 Het donker van de Hel en van den Nacht, beroofd van alle sterren,
+onder armen hemel, zooveel die maar kàn zijn door nevel verduisterd,
+
+4 maakte voor mijn gezicht niet zóó donkeren sluier als die rook, die
+ons daar omhulde, noch éénen [sluier] van zoo ruige harigheid,
+
+7 die gedoogde niet dat het oog open bleef staan; waarop mijn wijze èn
+trouwe Geleider mij aan zijne zijde nam en mij zijnen schouder bood.
+
+10 Gelijk een blinde gaat achter zijnen gids om niet te dolen; en om
+niet het hoofd te stooten tegen eenig ding, dat hem beleedigen of
+wellicht dooden kon,
+
+13 zóó ging ik voort door de bittere en onzuivere lucht, hoorende mijnen
+Gids, die vast zeide: „Wacht u, dat gij niet van mij los raakt.”
+
+16 Ik hoorde stemmen; en elke scheen om vrede en erbarmen te bidden tot
+het Lam Gods, dat de zonden wegneemt.
+
+19 En: „Agnus Dei” zóó was van allen de aanhef: éénerlei woorden waren
+het bij allen en ééne zangwijs, zóó dat tusschen hen allen
+éénstemmigheid scheen te zijn.”
+
+22 „Wie zijn die geesten, Meester, die ik hoor?” zeide ik. En hij tot
+mij: „Verneem gij de waarheid: van gramstorigheid ontknoedelen zij den
+knoop.”
+
+25 „Wie zijt gij, die onzen rook klieft, en van ons spreekt, of gij nog
+den tijd indeeldet naar maanden?”
+
+28 Aldus werd door eene stemme gesproken. Waarop mijn Meester mij zeide:
+„Antwoord, en vraag of men hierlangs opwaart gaat.”
+
+31 En ik: „O schepsel, die u reinigt om schoon te keeren tot Dengene,
+die u maakte, wonder zoudt gij hooren zoo gij mij hielpt.”
+
+34 „Ik zal u volgen zoover mij geoorloofd is,” antwoordde hij: „en zoo
+ook de rook het zien niet toelaat, zal het hooren ons op deze wijze
+verbonden houden.”
+
+37 Toen begon ik: „Met dien last, welken de dood ons afneemt, ga ik
+opwaart, en hierheen kwam ik door de helsche moeienis;
+
+40 en zoo waarlijk God mij zóó zeer in zijne genade heeft opgenomen, dat
+Hij wil dat ik tot Zijn hof kome op eene wijze gansch buiten het
+hedendaagsch gebruik,
+
+43 verheel mij niet wie gij waart vóór den dood, maar zeg het mij en zeg
+mij of ik zóó goed naar den opgang ga; en uwe woorden mogen mijn geleide
+worden.”
+
+46 „Een Lombarder was ik, en men noemde mij Marco: van de wereld wist ik
+en die gedegenheid had ik lief, op welke nu niemand den boog meer
+gespannen houdt.
+
+49 Om omhoog te gaan moet gij rechtuit gaan.” Zóó antwoordde hij; en
+voegde er aan toe: „Ik bid u dat gij voor mij biddet, wanneer gij boven
+zijt.”
+
+52 En ik tot hem: „Bij mijne trouw verbind ik mij te doen datgene wat
+gij mij vraagt; maar ik berst binnen-in van een twijfel, als ik daar van
+niet verlost word.
+
+55 Eerst was hij enkel en nu is hij dubbel geworden in uw gezegde, dat
+hier mij onderricht, en het elders [gehoorde] waaraan ik het vast knoop.
+
+58 De wereld is wel zoo zeer verlaten van alle deugd, gelijk gij mij te
+hooren geeft, van kwaadwilligheid zwanger en daarmee overdekt;
+
+61 maar ik bidde u dat gij mij de reden aanwijst, zóó dat ik haar zie,
+en dat ik haar aan anderen toone; daar de één haar in den hemel, en de
+andere haar hier beneden stelt.”
+
+64 Een diepen zucht, welken de smart samenneep tot een „hoei,” slaakte
+hij eerst en voorts begon hij: „Broeder, de wereld is blind, en gij komt
+wèl van haar.
+
+67 Gij, die leeft, brengt maar alle oorzaak terug op den hemel, alsof
+die alles in noodzaak met zich mede bewoog.
+
+70 Indien het zóó ware, dan ware de vrije wil in u vernietigd en het
+ware niet recht over het goede blijdschap en over het kwade rouw te
+hebben.
+
+73 De hemel geeft oorsprong aan uwe bewegingen; ik zeg niet aan alle;
+maar gesteld al dat ik het zeg, licht is u gegeven ten goede en ten
+kwade,
+
+76 en vrije wil, die, als hij, in de eerste gevechten met den hemel, de
+vermoeienissen doorstaat, later alles overwint, als hij goed wordt
+gevoed.
+
+79 Aan grootere kracht en aan betere natuur zijt gij als vrijen
+onderworpen, en ~die~ schept het verstand in u, hetwelk niet door den
+hemel wordt bestuurd.
+
+82 Daarom, indien de tegenwoordige wereld het spoor bijster raakt, de
+oorzaak ligt in u, in u worde zij gezocht, en ik zal er u een ware gids
+in zijn.
+
+85 Van Zijne Hand gaat zij uit, Die haar bemint [nog] vóór zij bestaat,
+naar de wijze van een kind, dat weenende en lachende dartelt,
+
+88 de eenvoudige ziel, die niets weet dan dat zij, uitgezonden door
+eenen blijmoedigen ~Maker~, gaarne keert tot dat, wat haar vermaakt.
+
+91 Van kleine dingen voelt zij in het eerst den smaak; daarop verlekkert
+zij en die loopt zij na, zoo gids of teugel haar begeerte niet keert.
+
+94 Waarom het voegelijk was wetten als teugel in te stellen; voegelijk
+was het eenen koning te hebben, dat die ten minste den toren der ware
+stad zoude onderscheiden.
+
+97 De wetten zijn er, maar wie houdt hand aan ze? Niemand; ómdat de
+herder, die vóórgaat, herkauwen kan, maar niet de hoeven gespleten
+heeft.
+
+100 Weshalve de luiden, die hunnen gids vast zien mikken op die dingen,
+waarop zij zelf belust zijn, zich daarmede voeden en niet naar verder
+vragen.
+
+103 Goed kunt gij dus zien dat het slecht bestier de oorzaak is, die de
+wereld zondig heeft gemaakt en niet de natuur, die in u bedorven zoude
+zijn.
+
+106 Rome, dat de goede wereld maakte, placht twee zonnen te hebben, die
+den éénen en den anderen weg deden zien, dien van de wereld en dien van
+God.
+
+109 De ééne heeft de andere verdaan; en het zwaard is verbonden met den
+herdersstaf; en dat de één en de andere te zamen niet goed gaan, hiertoe
+ligt de noodzakelijkheid;
+
+112 omdat, verbonden, de één den ander niet vreest. Als ge mij niet
+gelooft, let op de aar, daar elk kruid wordt gekend aan zijn zaad.
+
+115 Op het land, dat Etsch en Po bewateren, plachten moed en hoofschheid
+te zijn voordat Frederik moeielijkheden had.
+
+118 ~Nu~ kan veilig daar passeeren al wie, uit schaamte om met de goeden
+te spreken, het zou nagelaten hebben ze te naderen.
+
+121 Wel zijn daar nog drie ouden, in wie de oude tijd den nieuwen gispt,
+en het schijnt hun laat dat God hen in het beter leven haalt:
+
+124 Currado da Palazza en de goede Gherardo, en Guido da Castel, wien
+men beter naar Frankenwijze den eenvoudigen Lombard noemt.
+
+127 Zeg van nu aan, dat de kerk van Rome, door in zich twee
+heerschappijen te verwarren, valt in het slijk, en vervuilt zich en
+haren last.”
+
+130 „O Marcus mijn,” zeide ik: „wel gesproken; en nu doorzie ik waarom
+de zonen van Levi van de erfenis waren uitgesloten:
+
+133 maar wie is die Gherardo, die ge zegt dat gebleven is als heugenis
+van het voorbij gegane geslacht tot gisping van de verwilderde eeuw?”
+
+136 „Of uw spreken bedriegt mij, of stelt me op de proef,” antwoordde
+hij mij: „dat gij, die Toscaansch spreekt, schijnt niets te weten van
+den goeden Gherardo.
+
+139 Bij een anderen bijnaam ken ik hem niet, zoo die hem niet gekomen
+ware van zijne dochter Gaja. God zij met u, daar ik niet verder met u
+kome.
+
+142 Zie den dageraad, die door den rook straalt, reeds wit worden en het
+voegt mij weg te gaan—de Engel is daar—voordat hij verschijnt.”
+
+145 Zóó sprak hij, en hij wilde mij niet meer hooren.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE ZANG
+
+~Voortzetting van den derden omgang en aankomst op den vierden.~
+
+
+Wanneer de Dichters buiten den rook zijn gekomen, wordt Alighieri van
+nieuws in eene verrukking gebracht, gedurende welke hij verscheidene
+voorbeelden van gramstorigheid ziet. Hem wekt het bliksemende licht van
+eenen Engel, die hen richt naar de trap, waarlangs men tot den vierden
+ommegang opstijgt; óp dezen gekomen, kunnen zij geen schrede meer doen
+wegens den nacht, die hen overvalt. Dan toont Virgilius, om geen tijd te
+verliezen, zijnen Leerling aan hoe Liefde begin is van alle deugd en van
+alle ondeugd.
+
+ * * * * *
+
+1 Herinner u, lezer; zoo ooit in de Alpen een nevel u omving, dóór
+welken ge zaagt niet anders dan een mol door het vel [van zijn oogen];
+
+4 hoe dan, wanneer de vochte en dikke dampen zich beginnen te verdunnen,
+de schijf der Zon zwak door ze henen dringt;
+
+7 en het wordt uwer verbeelding licht te geraken tot het zien, hoe ik
+in het eerst herzag de zon, die reeds aan het dalen was.
+
+10 Aldus, parende mijne schreden aan de getrouwe schreden van mijnen
+Meester, kwam ik naar buiten uit zoodanige wolk, tot de zonnestralen,
+reeds gestorven in de lage streken.
+
+13 O verbeeldingskracht, die ons menig keer zoo zeer buiten [ons zelven]
+rukt, dat een mensch het niet bemerkt, dat duizend trompetten rond hem
+schetteren,
+
+16 wat beweegt u, zoo de zinnen u niets bieden? Licht beweegt u, dat in
+den hemel zich formeert, òf door zich zelf [gedreven], òf door [Gods]
+wil, die het omlaag stiert.
+
+19 Van de onmeedoogendheid van haar, die van gedaante verwisselde tot
+dien vogel, die het meest in het zingen zich vermeit, verscheen me in de
+verbeelding de gelijkenis.
+
+22 En hier was mijn geest zoo binnen-in zich opgesloten, dat er van
+buiten niets kwam, dat door hem werd opgenomen.
+
+25 Voorts daalde daar neder in mijne opgetogen fantasie een gekruisigde,
+norsch en trotsch in zijn aangezicht en aldus stierf hij.
+
+28 Rondom hem was de groote Assuerus, Esther, zijne vrouw, en de
+gerechte Mordechai, die zóó uit-één-stuk was in spreken en in daden.
+
+31 En toen deze verbeelding van zelve uit-een-spatte als een bel, die
+water te kort komt, onder hetwelk zij zich formeerde;
+
+34 kwam voor mijn gezicht óp een meisje, dat heftig weende en zeide: „O
+Koningin, waarom hebt gij uit toorn niet willen zijn?
+
+37 Gij hebt u gedood om niet Lavinia te verliezen; nu hebt gij mij
+verloren: ik ben het, die rouw eerder om uw verlies, dan om dat van een
+ander.”
+
+40 Gelijk de slaap breekt, wanneer plots nieuw licht het gesloten oog
+treft, en [de slaap] gebroken zijnde, eerst tegenstribbelt voor hij
+gansch vervliegt:
+
+43 zóó viel mijne verbeelding naar omlaag, zoodra een licht mijn gelaat
+trof, veel grooter dan dat hetwelk naar onze gewoonte is.
+
+46 Ik keerde mij om te zien waar ik was, wanneer eene stem zeide: „Hier
+stijgt men,” welke van elke andere aandacht mij aftrok;
+
+49 en maakte mijne begeerte zóó sterk om te zien wie hij was, die sprak,
+[als die begeerte] die nooit rust zoo zij niet het gewenschte voor oogen
+krijgt.
+
+52 Maar gelijk tegenover de zon, die ons gezicht bezwaart, en door
+overdaad haar eigen gelaat omsluiert, zoo ook hier schoot mijn vermogen
+te kort.
+
+55 „Deze is een goddelijke geest, die op den weg des stijgens ons richt
+zonder bede, en met zijn licht zich zelven verbergt.
+
+58 Hij doelt met óns, gelijk de mensch met zich-zelven doet: daar
+degene, die de bede wacht, al ziet hij de behoefte, zich reeds
+kwaadwillig aan het weigeren begeeft.
+
+61 Laten we nu onzen voet naar zoo hooge nooding zetten; haasten wij ons
+te stijgen voor dat het duistert, daar het daarna niet zoude kunnen, zoo
+de dag niet keert.”
+
+64 Alzoo sprak mijn gids; en ik en hij, wij richtten onze schreden tot
+eene trap: en zoodra ik aan de eerste trede was,
+
+67 voelde ik nabij mij als het bewegen van een vleugel, en het waaieren
+ervan in mijn aangezicht, en het zeggen: „Gelukzalig zijn de vreedzamen,
+die zijn zonder kwaden toorn.”
+
+70 Reeds waren boven ons zóó ver opgerezen de laatste stralen, op welke
+de nacht volgt, dat de sterren verschenen van meer dan éénen kant.
+
+73 „O mijne deugd, waarom vervliegt ge aldus,” zeide ik tot mij-zelven,
+daar ik de beweegkracht van mijne beenen voelde tot stilstand gebracht.
+
+76 Wij waren daar waar de trap niet meer steeg, en wij stonden stil, als
+een schip, dat aan het strand aankomt.
+
+79 En ik wachtte een weinig of ik iets hoorde op den nieuwen omgang;
+voorts keerde ik mijn tot mijnen Meester, en zeide:
+
+82 „Mijn zoete Vader, zeg van welk vergrijp loutert men zich hier, op
+dezen omgang, waar wij zijn. Indien de voet staat, laat daarom nog niet
+uw spreken stil staan.”
+
+85 En hij tot mij: „De liefde tot het goede, te kort schietend bij wat
+zij moet, wordt hier aangevuld, hier slaat men weer den kwalijk
+vertraagden riem.
+
+88 Maar opdat gij nog duidelijker begrijpt, keer uwen geest tot mij, en
+gij zult eenige goede vrucht krijgen van ons vertoef.
+
+91 Noch Schepper, noch schepsel was ooit,” begon hij: „mijn zoon zonder
+liefde, òf natuurlijke òf van den geest: en dat weet gij.
+
+94 De natuurlijke was altijd zonder dwaling: maar de andere kan dwalen
+door een kwaad voorwerp, of door te veel of door te weinig kracht.
+
+97 Zoolang zij op de ~eerste~ goederen is gericht en in de goederen van
+den tweeden rang zichzelven matigt, kan er geen reden zijn voor
+schuldig vermaak;
+
+100 maar wanneer zij zich draait tot het kwade, of met te veel zorg zich
+naar aardsche goederen richt, of met minder dan pas heeft, loopt naar
+het goed, dan gaat het maaksel te werk tegen zijn Maker.
+
+103 Hieruit kunt gij begrijpen dat het gevalt dat Liefde in u het zaad
+is van alle deugd èn van elke werkzaamheid, die straf verdient.
+
+106 Welnu, daar liefde niet kan afzien van het wèlzijn van haren drager,
+zijn de dingen beveiligd voor eigen haat.
+
+109 En omdat niets gedacht kan worden gescheiden van of bestaande buiten
+de ~Eerste Oorzaak~, is elke zielsaandoening verre van Die te haten.
+
+112 Blijft over, zoo ik, verdeelende, wel beschouwe, dat het kwade 't
+welk bemind wordt, dat van den naaste is en die liefde wordt op drie
+manieren in uw klei geboren.
+
+115 Er zijn er, die hopen uit te munten, doordat hun buurman vernederd
+is, en alleen dáárom begeeren dat hij van zijne grootheid omlaag gehaald
+wordt.
+
+118 Er zijn er die macht, aanzien, eer en roem vreezen te verliezen,
+doordat een ander stijgt, waarom zij zich zoo bedroeven dat ze het
+tegendeel begeeren:
+
+121 en er zijn er die door [hun aangedaan] onrecht blijken zóó gegriefd
+te worden, zoodat ze begeerig worden naar wraak; en met eenen zoodanige
+gebeurt het dat hij zich het kwade met geneugt voorspiegelt.
+
+124 Deze drie-ledige liefde wordt daar omlaag beweend; nu wil ik dat gij
+tot begrip koomt van de andere, die het Goede naijlt, maar zonder de
+goede mate.
+
+127 Een ieder grijpt in den blinde naar Eén Goed, opdat zijne ziel
+daarin vrede vinde, en begeert het: waarom ieder zich inspant om dat te
+bereiken.
+
+130 Indien trage liefde u trekt om te zien en om het te verkrijgen, dan
+na rechtmatig berouw martelt u deze bergrand.
+
+133 Een ander goed is er dat den mensch niet gelukkig maakt; het is niet
+de gelukzaligheid; het is niet de goede essentie, die de wortel is van
+alle goede vrucht.
+
+136 De liefde, die zich al te zeer aan ~dit~ goed overgeeft, wordt boven
+ons over drie ommegangen beweend; maar hoe die drie-deeling worde
+verklaard,
+
+139 dat zwijge ik, opdat gij het zelf onderzoekt.”
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+ACHTTIENDE ZANG
+
+
+Door zijnen kweekeling ondervraagd, verklaart Virgilius de natuur der
+liefde, en hoe de ziel door de rede en den vrijen wil hare neigingen
+beheerscht. Voorts komt een drom van zielen die zich louteren van de
+traagheid, naderijlende den Dichteren te gemoet, en twee vóór de anderen
+herinneren voorbeelden van deugd, tegengesteld aan hunne zonde. De Abt
+van San Zeno kondigt onheilspellende weeën aan voor Alberto della Scala;
+en achter hem halen twee zielen eenige voorbeelden aan van de slechte
+uitwerkselen van traagheid. Zachtjes aan slaapt Dante in.
+
+ * * * * *
+
+1 De hooge Leeraar had een einde aan zijne redeneering gemaakt, en
+aandachtig keek hij in mijn aangezicht of ik tevreden bleek.
+
+4 En ik, wien nieuwe dorst nog stak, ik zweeg van buiten en zeide van
+binnen: „Wellicht wordt het te vele vragen, dat ik doe, hem lastig.”
+
+7 Maar die waarheidlievende vader, die het beschroomde verlangen
+ontwaarde, dat niet werd geopenbaard, gaf, sprekende, mij moed tot
+spreken.
+
+10 Waarom ik: „Meester, mijn zien verlevendigt zich dermate in uw licht,
+dat ik duidelijk onderscheide al wat uwe redeneering bevat of
+beschrijft:
+
+13 waarom ik u bid, dierbare Vader, dat gij mij de Liefde verklaart, tot
+welke gij alle goed-doen en zijn tegen-deel herleidt.”
+
+16 „Richt,” zeide hij: „naar mij de scherpe lichten van uw begrip, en u
+zal duidelijk worden de dwaling der blinden, die zich zelven tot gidsen
+maken.
+
+19 De ziel, die geschapen is bereid tot beminnen, laat zich leiden tot
+elk ding, dat behaagt, zoodra zij door welgevallen is gewekt tot daad.
+
+22 Uw begripsvermogen krijgt beeldingen van iets dat waarachtig ~is~, en
+ontvouwt het binnen in u, zoodat de ziel er het aangezicht naar wendt.
+
+25 En indien zij, daarop gericht, zich derwaarts neigt, dan is dat
+neigen liefde, dan is dat natuur, die door het welgevallen op nieuw zich
+in u bindt.
+
+28 Voorts gelijk het vuur zich ten hoogen beweegt, door zijn ~vorm~, die
+geboren is om te stijgen daarheen waar hij langer bij zijne grondstoffe
+volhardt;
+
+31 zoo geraakt de [door liefde] bevangen ziel tot begeeren, hetwelk is
+een geestelijk bewegen; en zij rust niet, voordat het beminde voorwerp
+haar doet genieten.
+
+34 Nu kan u blijken hoe zeer de waarheid verborgen is voor degenen, die
+beweren dat elke liefde een prijzenswaardig ding is;
+
+37 omdat misschien hare grondstoffe altijd schijnt goed te zijn; maar
+niet elk stempelmerk is goed, hoe goed ook het lak zij.
+
+40 „Uwe woorden en mijn volgzame geest,” antwoordde ik hem, „hebben mij
+de liefde ontdekt; maar dat heeft mij te meer met twijfel gedrenkt:
+
+43 dat, indien liefde ons van buiten wordt geboden, en de ziel niet met
+anderen tred loopt, het niet háár verdienste is of zij recht of krom
+gaat.”
+
+46 En hij tot mij: „Zoo verre rede hier ziet, kan ik het u zeggen; wat
+verder is, hetwelk een werk des geloovens is, verwacht dat van Beatrice.
+
+49 Elke zelfstandige vorm, die onderscheiden is van de stof en er mede
+vereenigd is, heeft in zich vergaard een speciaal vermogen;
+
+52 hetwelk zonder te werken niet wordt opgemerkt, en zich slechts toont
+door hetgeen het uitwerkt, gelijk het leven in de plant [zich vertoont]
+door de groene loovers.
+
+55 Daarom, vanwaar het inzicht in de eerste begrippen komt, dat weet
+niemand, en de begeerte naar de eerst begeerde dingen,
+
+58 welke in u zijn gelijk het instinkt in de bijen om haren honig te
+maken; en die eerste wil is niet onderhevig aan lof of blaam.
+
+61 Dan, omdat aan dát vermogen elk ander vermogen verbonden is, is u dat
+vermogen aangeboren, dat beraadt en den drempel des toestemmens moet
+bezet houden.
+
+64 Dat is het beginsel in u, waar men gelegenheid krijgt om zich
+verdienstelijk te maken, al naar het goede of slechte liefden toelaat of
+verwerpt.
+
+67 Degenen, die, redeneerende, tot den bodem gingen, ontwaarden die
+aangeboren vrijheid; waarom zij der menschen wereld de zedelijkheid
+lieten.
+
+70 Stellen we dus dat uit noodzaak elke liefde opstaat die binnen in u
+ontstoken wordt, dan is toch in u de macht die te weerhouden.
+
+73 Met het edele vermogen bedoelt Beatrice den vrijen wil, dus geef acht
+dat gij dat in gedachte houdt, wanneer zij zich ertoe op maakt u daarvan
+te spreken.”
+
+76 De maan, bijna tot middernacht verlaat, deed de sterren aan ons
+dunner-gezaaid toeschijnen, en was als een ketel die gansch gloeiend
+staat;
+
+79 en zij liep tegen den hemel in, langs die banen, welke de zon in
+vlammen zet dan wanneer die van Rome haar zien tusschen Sardijnen en
+Corsicanen, daar zij ondergaat.
+
+82 En die edele schimme, om wie Pietola meer dan de Mantuaansche stad
+wordt genoemd, had de vracht van mijn last afgelegd.
+
+85 Waarom ik, die de opene en vlakke redeneering over mijne vragen had
+geoogst, stond als iemand, die al insluimerende zwijmelt.
+
+88 Maar die slaperigheid werd me ontnomen—plotseling—door luiden, die
+reeds achter onze schouders op ons af waren gekomen.
+
+91 En gelijk voorheen Ismenus en Asopus des nachts langs zich razernij
+en jacht zagen, altoos wanneer de Thebanen Bacchus van noode hadden;
+
+94 zoo een laat langs dien ommegang haar sikkelvormigen gang gaan, [te
+oordeelen] naar hetgeen ik zag van hen die kwamen, wie het goede
+verlangen en de rechtmatige begeerte berijdt.
+
+97 Dra waren zij bij ons, daar die gansche groote schare rennende
+aankwam; en twee voor-op schreeuwden weenende:
+
+100 „Maria snelde met haast ten berge; en Caesar, om Ilerda te
+onderjukken, trof Marsilia en snelde toen in Spanje.”
+
+103 „Snel, snel, dat de tijd niet verloren ga door te weinig liefde”,
+riepen die anderen achter; „daar ijver om goed te doen de genade doet
+hergroenen.”
+
+106 „O lieden, in wie de heftige hittigheid thans vergeldt wellicht
+zorgeloosheid en traagheid door u uit lauwheid in het goeddoen bedreven,
+
+109 deze, die leeft [en voorwaar ik bedrieg u niet] wil naar boven,
+zoodra de zon ons weder licht; daarom zegt ons waar de toegang dichtbij
+is.”
+
+112 Dit waren de woorden: van mijnen Gids; en één van die Geesten zeide:
+„Kom achter ons, daar ge de opening vinden zult.
+
+115 Wij zijn van verlangen om ons te bewegen zóó volle, dat stilstaan we
+niet kunnen; daarom vergeef, dat onze rechtvaardigheid boerschheid
+meebrengt.
+
+118 Ik was abt in [het klooster van] San Zeno te Verona, onder de
+regeering van den goeden Barbarossa, van wien Milaan nog met droefenis
+praat.
+
+121 En zoo één heeft reeds den éénen voet in het graf, die dra dat
+klooster zal beweenen, en treurig zal zijn daar macht te hebben gehad;
+
+124 daar hij zijnen zoon, kwalijk van lijf, en meer nog van ziel, en
+kwalijk geboren, gezet heeft in de plaats van zijnen waarachtigen
+herder.”
+
+127 Ik weet niet of hij meer zeide, of dat hij zweeg, zooverre reeds was
+hij ons voorbij geloopen; maar dát hoorde ik en dat vast te houden
+geviel mij.
+
+130 En gene, die mij bij elk werk was te hulp gekomen, zeide: „Wend u
+daarheen, zie er getweeën komen, gevend der traagheid den beet.”
+
+133 Zij riepen allen na: „Eer waren alle de lieden gestorven, voor wie
+de zee zich opende, dan dat de Jordaan zijne erven zag.
+
+136 En die, die niet de moeienis droegen tot het einde met den zoon van
+Anchises, gaven zich zelven aan een leven zonder roem.”
+
+139 Voorts wanneer die schimmen zóó verre van ons gescheiden waren, dat
+ze niet meer konden worden gezien, vestte zich een nieuw gedacht binnen
+in mij,
+
+142 van welke weer andere en verschillende geboren werden, en zoozeer
+zwijmelde ik van de ééne naar de andere, dat de oogen uit welgevallen
+zich sloten,
+
+145 en ik het gedacht in droomen veranderde.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+NEGENTIENDE ZANG
+
+
+Hierin wordt beschreven het mysterieuze Gezicht, dat kort voor den
+dageraad aan Alighieri, als hij slaapt, zich vertoont. De Dichters
+bestijgen den vijfden Ommegang waar de zielen, liggende en met het
+aangezicht naar de aarde gekeerd, de zonde der gierigheid beweenen. Zij
+komen tot Adrianus V uit het huis Fieschi, die op de vraag van Alighieri
+antwoord geeft.
+
+ * * * * *
+
+1 Te dier stonde, wanneer de warmte des daags niet meer de koude der
+maan kan lauw maken, verwonnen door de Aarde of somtijds door Saturnus;
+
+4 wanneer de geomanten hun grootste geluk zien in het Oosten, voor den
+dageraad, opkomend langs den weg, die nog maar kort donker blijft;
+
+7 kwam mij in den droom te voren eene stamelende vrouw, met de oogen
+loensch en boven de voeten verdraaid, met de handen verminkt en bleek
+van kleur.
+
+10 Ik staarde haar aan; en, gelijk de Zon troost de koude ledematen,
+welke de nacht(koude) bezwaart, zoo maakte mijn blik haar los
+
+13 de tong en voorts maakte hij haar gansch recht in korten tijd en het
+vervaalde gelaat kleurde hij zóó als liefde het wil.
+
+16 Nadat zij aldus de spraak óntbonden had, begon zij te zingen zóó, dat
+ik met moeite mijne aandacht van haar zou hebben afgewend.
+
+19 „Ik ben,” zong zij: „ik ben de zoete Sirene, die de zeelieden midden
+op zee doe verdwalen; zóó vol ben ik van welbehagen om waar te nemen.
+
+22 Ik heb Ulysses van zijn zwerftocht naar mijnen zang afgeleid; en wie
+met mij zich vergemeenzaamt, zelden gaat hij van mij, zoo zeer paai ik
+hem gansch.”
+
+25 Nog was haar mond niet gesloten, wanneer eene vrouw verscheen, heilig
+en vlug, langs mij om gene ontsteld te maken.
+
+28 „O Virgilius, Virgilius, wie is deze?” zeide zij verontwaardigd; en
+hij kwam, met de oogen stadig gericht op die eerbare.
+
+31 Zij greep de andere en opende haar van voren de kleederen, ze
+scheurende, en toonde mij haar buik; die wekte mij door den stank, die
+er van uitging.
+
+34 Ik keerde de oogen [tot hem]; en de goede Virgilius zeide: „Minstens
+drie [wek]-woorden heb ik tot u gesproken: sta-op en kom, vinden wij de
+poort, door welke gij binnen-ga.”
+
+37 Ik rees op, en alle de ommegangen van den heiligen berg waren reeds
+vol van den hoogen dag, en wij gingen met de nieuwe Zon op onze
+lendenen.
+
+40 Hem volgende, droeg ik mijn voorhoofd gelijk degene, die het beladen
+heeft met gedachten, en van zich een halven boog van een brug maakt;
+
+43 wanneer ik: „Komt, hier treedt men in,” zeggen hoorde op zachte en
+welwillende wijze, zooals men het niet hoort in deze sterfelijke streek.
+
+46 Met de vleugelen geopend, die schenen te zijn van een zwaan, richtte
+ons naar boven degene, die aldus tot ons sprak, tusschen die twee wanden
+van harde rots-steen.
+
+49 Voorts bewoog hij de vlerken en waaierde ons, verzekerende dat
+gelukzalig zijn wie treuren [qui lugent], daar hunne zielen het
+vertroosten zullen vinden.
+
+52 „Wat hebt gij dat gij staêg naar de aarde staart?” begon mijn Gids
+tot mij te zeggen, en wij beiden waren [slechts] weinig boven den Engel
+opgestegen.
+
+55 En ik: „Met zóó groote achterdocht doet mij gaan een nieuw gezicht,
+dat mij tot zich trekt, zóó dat ik mij niet van de gedachte los kan
+maken.”
+
+58 „Zaagt ge,” zeide hij: „die oude tooveres, die alleen nog boven ons
+wordt beweend? Zaagt ge hoe de mensch zich van haar losmaakt?
+
+61 Dit zij u genoeg, en zet de hielen op den grond, en richt de oogen
+weer omhoog naar dat lok-aas, dat de eeuwige Koning doet draaien met de
+groote raderen.”
+
+64 Gelijk de valk, die eerst op de voeten rondschouwt, voorts zich
+draait naar den kreet [des valkeniers] en zich uitstrekt, door de
+begeerte naar het voeder, dat hem daar lokt;
+
+67 zóó maakte ik mij zelven, en zóó, over zoo grooten afstand als
+waarover de rots zich splijt om doorgang te geven aan wie naar boven
+gaat, ging ik verder tot daar waar men weer het rondgaan krijgt.
+
+70 Zoodra ik op den vijfden ommegang was naar buiten getreden, zag ik
+daarop luiden, die weenden, liggende op den grond gansch omlaag gekeerd.
+
+73 „Adhaesit pavimento anima mea” [mijne ziel kleefde aan het plaveisel]
+hoorde ik dat zij zeiden met zoo diepe zuchten, dat het woord
+ternauwernood werd gehoord.
+
+76 „O uitverkorenen van God, wier lijden èn gerechtigheid èn hoop minder
+hard maken, richt ons naar de hooge opstijgingen.”
+
+79 „Indien gij lieden komt, van het liggen vrij-gesteld, en gij den weg
+ten vroegste wilt vinden, laat uw rechterzijden aan de buiten-zijde
+zijn.”
+
+82 Zóó bad de Dichter, en zóó werd ons een weinig voor ons uit
+geantwoord; waarom ik, al sprekende, lette op het overige, dat verborgen
+was.
+
+85 En ik wendde toen de oogen tot den Heere mijn; waarop hij mij
+toestond, met blijd gebaarde, dat waarom de aanblik der begeerte [in
+mij] hem vroeg.
+
+88 Nadat ik met mij handelen kon naar mijnen zin, begaf ik mij boven dat
+schepsel, welks woorden mij oplettend hadden gemaakt,
+
+91 zeggende: „Geest, in wien het weenen tot rijpheid brengt datgene,
+zonder het welk men niet tot God kan keeren, staak een weinig voor mij
+uwe grootere zorg.
+
+94 Wie waart gij, en waarom hebt gij de ruggen naar boven gekeerd, zeg
+het mij, en of gij wilt dat ik voor u eenig ding gedaan krijge daar, van
+waar ik levend opging.”
+
+97 En hij tot mij: „Waarom de hemel onze achterdeelen naar zich keert,
+dat zult gij weten: maar eerst, scias quod ego fui successor Petri [weet
+dat ik was opvolger van Petrus].
+
+100 Tusschen Siestri en Chiaveri daalt een schoone stroom, en van zijnen
+naam leidt de titel van mijn bloed zijn oorsprong af.
+
+103 Eene maand en weinig meer ervoer ik hoe de groote mantel weegt hem,
+die voor het slijk hem bewaart, zoodat een veder lijken alle andere
+lasten.
+
+106 Mijne bekeering, wee mij! was traag; maar toen ik tot Herder van
+Rome was gemaakt, ontdekte ik het bedriegelijke leven.
+
+109 Ik zag dat daar het hart niet tot rust kwam, en dat men niet verder
+kon stijgen in dat leven; waarom naar ~dit~ leven in mij de liefde
+ontbrandde.
+
+112 Tot op dat tijdstip was mijne ziel ellendig en van God vervreemd,
+naar het al begeerig; en, zooals gij ziet, word ik er voor gestraft.
+
+115 Dat wat gierigheid doet, wordt hier vertoond in de loutering der
+omgekeerde zielen, en geene bitterder boete heeft de berg.
+
+118 Zooals ons oog zich niet ophief ten hoogen, daar het was gevest op
+de aardsche zaken, zóó heeft gerechtigheid hier op den grond het
+ondergedompeld.
+
+121 Gelijk gierigheid onze liefde tot al het goede uitdoofde, waardoor
+alle arbeid te loor ging, zóó houdt gerechtigheid hier ons bekneld,
+
+124 aan de voeten en aan de handen gebonden en vast gehouden; en hoelang
+het 't welbehagen zal zijn des gerechten Heeren, zóó lang zullen wij
+blijven onbewegelijk en uitgestrekt.
+
+127 Geknield had ik mij, en wilde spreken; maar toen ik begon en hij,
+alleen door te hooren, mijn eerbiedenis gewaar wierd:
+
+130 „Welke oorzaak,” zeide hij: „heeft u aldus gekromd?” En ik tot hem:
+„Wegens uwe waardigheid noopte mij daartoe mijn geweten.”
+
+133 „Zet de beenen recht en hef u op, broeder,” antwoordde hij: „dwaal
+niet, ik ben een medeslaaf met u en met de anderen voor ééne macht.”
+
+136 Zoo gij ooit dat heilig evangelie-woord, dat zegt ~neque nubent~,
+hebt vernomen, kunt gij goed zien, waarom ik aldus redeneer.
+
+139 Ga nu heen; ik wil niet dat gij u meer ophoudt, daar uw blijven mijn
+weenen bemoeilijkt, waarmede ik tot rijpheid breng dat wat gij gezegd
+hebt.
+
+142 Eene nicht heb ik in het gindsche leven, die den naam heeft Alagia,
+goed uit zich zelve, als maar niet ons huis haar slecht maakt door het
+voorbeeld;
+
+145 en zij alléén is mij daar ginds gebleven.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+TWINTIGSTE ZANG
+
+
+Paus Adriaan verlaten hebbende en langs dien Ommegang den weg
+vervolgende, hooren zij eene ziel eenige beroemde voorbeelden vermelden
+van deugden, die het tegendeel zijn van Gierigheid. Dante nadert haar,
+en haar gevraagd hebbende wie zij is en waarom zij alleen die daden
+verheft, hoort hij van haar dat zij is Hugo Capet èn eenen heftigen
+uitval op de ondeugden en de ongerechtigheden van zijne nakomelingschap.
+Voorts dient zij hem op zijn andere vraag, en verhaalt hem voorbeelden,
+welke in den nacht daar worden herhaald tot verschrikking der gierigen.
+De Berg schudt en van alle kanten verheft zich een lied van zegepraal;
+waarom in Alighieri ontwaakt een stekende begeerte om te leeren kennen
+de oorzaak van zoo groot eene nieuwigheid.
+
+ * * * * *
+
+1 Tegen beteren wil strijdt kwade wil, vandaar dat tegen mijn gevallen,
+om hèm te gevallen, ik de nog niet verzadigde spons uit het water trok.
+
+4 Ik bewoog mij, en mijn Gids bewoog zich over de onbezette plaatsen
+langs den rotswand, gelijk men over eenen muur gaat strijkelings langs
+de meerlen;
+
+7 daar de lieden, die drop voor drop uitgieten door de oogen het kwaad,
+dat de gansche wereld bezet, aan de andere zijde te zeer den buitenkant
+naderen.
+
+10 Gemaledijd zijt gij, oude wolvin, die meer dan alle de andere beesten
+buit hebt, wegens uwen bodemloozen honger.
+
+13 O Hemel, door wiens ommegaan men schijnt te gelooven dat de
+toestanden hier beneden veranderen, wanneer zal komen degene, door wien
+weggaat deze wolvin?
+
+16 Wij gingen met trage en schaarsche schreden, en ik met de aandacht
+gericht op de schimmen, die ik bemerkte dat erbarmelijk weenden en
+jammerden;
+
+19 En bij geval hoorde ik: „Zoete Maria!” vóór ons zóó klagelijk roepen
+als eene vrouw doet, die in barensnood is;
+
+22 en aldus voortgaan: „Zoo arm waart gij, als men zien kan aan die
+herberging, waar gij uwe heilige dracht nederlegdet.”
+
+25 Vervolgens hoorde ik: „O goede Fabricius, gij wildet liever deugd met
+armoede dan grooten rijkdom met ondeugd bezitten.”
+
+28 Deze woorden hadden mij zoo bevallen, dat ik mij verder begaf om
+kennis te hebben van dien geest, uit wien zij schenen te zijn gekomen.
+
+31 Hij sprak ook van de mildheid, welke Nicolaas den maagden deed om
+hare jeugd tot eere te leiden.
+
+34 „O ziele, die zoo goed spreekt, zeg mij wie gij zijt,” zeide ik: „en
+waarom gij alleen deze verdiende loftuitingen hernieuwt?
+
+37 Uw woord zij niet zonder loon, als ik terug keer om den korten weg
+te voleinden van dat leven, dat naar het einde vliegt.”
+
+40 En hij: „Ik zal het u zeggen, niet om den troost, dien ik van ginds
+wacht, maar omdat zóó groote genade in U licht voordat gij dood zijt.
+
+43 Ik was de wortel van die kwade plant, die gansch Christen-land
+overschaduwt, zóó dat goede vrucht schaars er uit ontspruit.
+
+46 Maar zoo Douais, Gent, Rijssel en Brugge vermochten, zoude er weldra
+wraak over zijn; en ik vraag die aan Hem, die alles richt.
+
+49 Genoemd werd ik daarginds Hugo Capet: van mij zijn geboren de
+Philippen en Lodewijken, door wie nieuwlings Frankrijk is geregeerd.
+
+52 Ik was de zoon van eenen slachter van Parijs: wanneer het met de oude
+koningen gedaan liep, allen behalve éénen, die zich gekleed had in de
+grauwe stof,
+
+55 vond ik in mijne handen gegrepen den toom van het bestuur des rijks,
+en dat ik zoo groote macht van nieuws gekregen had en zoo rijk was aan
+vrienden,
+
+58 dat ik tot de verweeuwde kroon het hoofd van mijnen zoon zag
+bevorderd, bij wien de geheiligde beenderen van genen begonnen.
+
+61 Zoolang nog de groote schenking van Provence niet aan mijn bloed de
+schamelheid had ontnomen, vermocht het weinig, maar deed het geen kwaad.
+
+64 Sinds dien begon het met geweld en logen zijnen roof; en voorts ~tot
+boete~, nam hij Ponthieu en Normandië en Gascogne.
+
+67 Karel kwam in Italië en ~tot boete~ maakte hij een slachtoffer van
+Conradijn; en voorts stuurde hij Thomas tot den hemel terug ~tot
+boete~.
+
+70 Nog niet veel daarna zie ik den tijd, die eenen tweeden Karel uit
+Frankrijk toog, om nog beter zich en de zijnen te doen leeren kennen.
+
+73 Zonder wapenen ging hij er uit, en alleen met die lans, waarmede
+Judas zich weerde; en die punt hij zóódanig, dat ze Florence de pens
+doet barsten.
+
+76 Vandaar zal hij geen land, maar zonde en schande winnen, voor hem te
+zwaarder als hij lichter zulke schade voor anderen tilde.
+
+79 Den ander, die voorheen als krijgsgevangene ontscheepte, zie ik zijne
+dochter verkoopen en er verdragen mee bedingen, als zeeroovers doen met
+andere slavinnen.
+
+82 O hebzucht, wat kunt gij er nog erger van maken, daar gij mijn bloed
+zoo zeer te uwaart hebt getrokken, dat het niet geeft om zijn eigen
+vleesch?
+
+85 Dat nog minder schijne het komende en het gedane leed, zie ik de
+lelie in Alagna binnenkomen en, in zijn Stedehouder, Christus worden
+gevangen genomen.
+
+88 Ik zie hem andermaal bespot worden; ik zie de edik en gal vernieuwd
+worden en (hem) tusschen nieuwe boosdoeners dooden.
+
+91 Ik zie den nieuwen Pilatus zóó wreed, dat dit hem niet verzaadt, maar
+zonder verlof brengt hij in den tempel de begeerige zielen.
+
+94 O Heer mijn, wanneer zal ik blijde zijn te zien wraak, die, verholen,
+zoet maakt den toorn van uw geheimenis?
+
+97 Dat wat ik zeide van die eenige verloofde van den Heiligen Geest, en
+die u deed u te mijwaart richten om eenige verklaring,
+
+100 is slechts zóó lang gevoegd naar onze bede, als de dag duurt; maar
+wanneer het nacht wordt, vernemen we tegengestelden klank ter
+afwisseling.
+
+103 Dan herhalen wij [de daad van] Pygmalion, wien tot verrader, roover
+en moordenaar zijne begeerte maakte, op goud belust;
+
+106 en het ongeluk van den begeerigen Midas, dat volgde op zijn
+hebzuchtige vraag, om welke het wel altijd te lachen voegt.
+
+109 Van den dwazen Acam gedenkt voorts een ieder, hoe zijn buit was,
+zoodat het schijnt of de toorn van Jozua nog hier hem bijt.
+
+112 Voorts beschuldigen wij met haren man Safira: wij prijzen de
+speer-stooten, die Heliodorus kreeg; en in kwade faam omwaart den
+ganschen berg
+
+115 Polymnester, die Polydorus doodde. Ten laatsten roept men ons toe:
+„Crassus, zeg ons, gij die het weet, van welken smaak het goud is.”
+
+118 Deze spreekt luid, gene zachtkens, volgens de aandoening, die ons te
+spreken noopt nu tot heftiger, dan tot kalmere uiting.
+
+121 Daarom voor het goed, dat des daags hier zich laat hooren, was ik
+hier niet alleen; maar hier nabij verhief geen ander de stem.”
+
+124 Wij waren reeds van hem vertrokken om zooverre op den weg verder te
+komen, als aan ons vermogen was vergund;
+
+127 wanneer ik voelde, als een ding dat valt, den berg beven; van daar
+dat eene huivering mij beving, als te bevangen pleegt dengene, die ten
+doode gaat.
+
+130 Voorzeker schudde niet zóó hevig Delos, voordat Latona daar haar
+nest maakte om de beide oogen des hemels te baren.
+
+133 Voorts begon van alle kanten een kreet zóó dat de Meester zich te
+mij waart wendde, zeggende: „Wees niet wankelmoedig, zoolang ik u
+geleid.”
+
+136 „Eere zij God”: zeiden allen, „in den hoogen” naar wat ik van dichte
+bij vernam, vanwaar de kreet kon verstaan worden.
+
+139 Wij bleven staan onbewegelijk en in afwachting, als de herders, die
+voor het eerst dien zang hoorden, totdat het beven ophield en die zang
+werd afgezongen.
+
+142 Voorts hervatten wij onzen heiligen weg, ziende naar de schimmen,
+die ter aarde lagen, reeds wedergekeerd tot hun gewone geween.
+
+145 Geene onwetendheid maakte ooit met zulk eene kwelling mij begeerig
+tot weten, als mijne heugenis daarin niet dwaalt,
+
+148 als ik me toescheen toen al denkende te hebben, noch bij het haastig
+voorwaarts gaan, durfde ik het vragen,
+
+150 noch uit me zelven konde ik er iets van zien. Zóó ging ik verder,
+beschroomd en peinzend.
+
+
+NA-SCHRIFT BIJ ZANG XX
+
+Nu Dante, te midden der louterende zielen, al nader en nader zijne
+eigene loutering komt en de berg weldra, van vreugde over Dante's
+loutering—zooals in XXI wordt uitgelegd—beven zal, geeft de
+verschijning van Hugo Capet Dante gelegenheid zijne verbittering te
+uiten tegen de Fransche Koningen, Hugo's afstammelingen, allermeest
+tegen Karel van Valois (vs. 70–78) die in 1301 zonder leger in Italië
+gekomen, door Paus Bonifacius in staat werd gesteld een leger te werven
+en daarmede Florence bezette, de partij der Witten deed vallen en
+Dante's ballingschap veroorzaakte.
+
+Ook is merkwaardig hoe Dante zijne verontwaardiging uitspreekt over het
+gevangen nemen van dienzelfden Bonifacius door Philips den Schoonen.
+Immers over de handelwijze van dezen Paus was Dante ten zeerst
+vertoornd; toch deed zijn onwrikbare eerbied voor het Pausdom hem in
+deze gevangenneming een gruwel-daad zien.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+EEN EN TWINTIGSTE ZANG
+
+
+Terwijl de Dichters zich haasten naar de trap, zien zij zich begroet
+door eene Schim, die hun achterop kwam. Deze door Virgilius wederom
+gegroet, verkrijgt op zijne vragen een antwoord en gevraagd zijnde,
+openbaart hij de oorzaak van het schudden des bergs en ook eenige zaken
+van zijn leven.
+
+ * * * * *
+
+1 De dorst van onzen aard, die nooit wordt gelescht dan met het water
+waarvan het Samaritaansche vrouwtje de genade vroeg,
+
+4 pijnigde mij; en noopte mij tot haast over den belemmerden weg, achter
+mijnen Gids; en medelijden voelde ik met rechtvaardige wraak.
+
+7 En zie, zooals Lucas ervan schrijft, dat Christus verscheen aan twee,
+die op den weg waren, reeds opgestaan uit de holte van het graf;
+
+10 verscheen ons eene schimme en kwam achter ons, aan hare voeten ziende
+naar de menigte, die ligt; en wij werden haar niet gewaar, tot ze sprak,
+
+13 zeggende: „Broederen mijn, God geve u vrede.” Wij keerden ons
+plotseling, en Virgilius gaf hem dàt teeken tot antwoord, dat past bij
+zulke begroeting.
+
+16 Voorts begon hij: „In de vergadering der gelukzaligen zette in vrede
+u dat waardige Hof, dat mij tot eeuwige verbanning verwijst.”
+
+19 „Hoe?” zeide hij (en snel gingen wij een stuk verder): „zoo gij
+schimmen zijt, welke God niet boven eene plaats waardig keurt, wie heeft
+u op Zijne trap zóó ver geleid?”
+
+22 En de Leeraar mijn: „Zoo gij schouwt naar de teekenen, welke hij
+draagt en welke de engel teekent, zult ge zien dat het voegt, dat hij
+met de goeden regeere.
+
+25 Maar omdat zij, die dag en nacht spint, voor hem nog niet het kluwen
+had afgesponnen, dat Cloto voor een ieder [op het rokken] legt en
+schikt,
+
+28 kon zijne ziel, die van de uwe en de mijne zuster is, omhoog komende,
+niet alleen komen; waarom hij ook niet naar onze wijze rond-blikt;
+
+31 vandaar dat ik werd getogen buiten den ruimen muil der hel om hem te
+wijzen, en ik zàl hem wijzen verder, zooverre als hem mijne leering kan
+leiden.
+
+34 Maar zeg mij of gij weet waarom zulke stooten zooeven de berg gaf, en
+waarom allen eenstemmig schenen te schreeuwen overal op den berg tot
+zijne zachte voeten?”
+
+37 Aldus vragende trof hij mij in het oog van de naald mijner begeerte,
+zoo dat immers door de hoop mijn dorst minder nuchter begon te worden.
+
+40 Gene begon: „Niets is er wat de heiligheid des bergs gevoelt buiten
+de orde of wat buiten de gewoonte zij.
+
+43 Vrij is het hier van alle verandering: door wat de Hemel van zich
+zelven in zich zelven ontvangt, kan hier verandering zijn, maar door
+geene andere oorzaak:
+
+46 waarom noch regen, noch hagel, noch sneeuw, noch dauw, noch rijp meer
+naar boven valt dan de korte trap van drie treden.
+
+49 Noch dikke nevelen verschijnen hier, noch ijle, noch 't rossig
+weerlicht, noch de dochter van Thaumas, die ginds dikmaals van
+windstreek wisselt.
+
+52 Droge damp rijst nooit verder dan tot de hoogste der drie treden, die
+ik noemde, waar de stadhouder van Petrus de voetzolen heeft.
+
+55 Meer naar beneden heeft het bij geval weinig of veel, maar door wind,
+die in de aarde zich verbergt, ik en weet hoe, beefde het hier boven
+nooit.
+
+58 Het beeft er wanneer eenige ziel zich rein voelt zóó, dat zij
+oprijst, of zich opmaakt om op te stijgen, en zulk een kreet
+verzelschapt haar.
+
+61 Van de reinheid geeft het éénig willen het bewijs, dat, gansch vrij
+om van woonplaats te veranderen, de ziel inneemt; en het willen lust
+haar.
+
+64 [Ook] eerder wil zij het goede; maar de begeerte laat haar niet
+[vrij], welke de goddelijke gerechtigheid tegen ['s menschen] wil,
+gelijk zij tegen het zondigen was, richt op de loutering.
+
+67 En ik die vijfhonderd jaren en meer gelegen heb om dit lijden (der
+loutering te ondergaan) voelde eerst nu vrijen wil tot betere
+verblijfplaats.
+
+70 Dáárom voeldet gij de aardbeving en gaven de vrome geesten rondom op
+den berg lof aan dien Heer, die weldra hen opwaarts zende.”
+
+73 Aldus zeide hij; en omdat men zooveel genot heeft van het drinken als
+de dorst groot is, zoude ik niet weten te zeggen hoezeer hij mij baatte.
+
+76 En de wijze Gids [zeide]: „Alsnu zie ik het net, dat hier u grijpt,
+en hoe men het ontkomt, waar om het hier beeft en waarover gij u mede
+verblijdt.
+
+79 Nu gevalle het u dat ik wete wie gij waart, en uit uwe woorden
+begrijpe ik, waarom gij hier zóó vele eeuwen gelegen hebt.”
+
+82 „Ten tijde dat de goede Titus met behulp van den hoogsten Koning de
+gaten wreekte, waar het bloed uitging, door Judas verkocht,
+
+85 was ik daarginds met den naam, die het meest duurt en het meest
+eert,” antwoordde die geest, „wel befaamd, maar nog zonder geloof.
+
+88 Zóó zoet was de geest mijner zangen, dat Rome mij, den Tolosaan, tot
+zich trok, en dáár verdiende ik het de slapen met myrte te sieren.
+
+91 Nog noemt het volk daarginds mij Statius; ik zong van Thebe, en
+voorts van den grooten Achilles; maar ik viel op den weg met den tweeden
+last.
+
+94 Voor mijnen brand waren het zaad de vonken, die mij warmden, van de
+goddelijke vlam, waaraan meer dan duizend zijn ontstoken;
+
+97 Van de Aeneïs spreek ik, welke mij moederborst was, en zij was mij
+zoogster bij het dichten: zonder haar hadde ik niet het wicht van een
+drachme tot vasten vorm gebracht.
+
+100 En, om ginds geleefd te hebben wanneer Virgilius leefde, zoude ik
+gaarne toestemmen in éénen zonnegang méér dan ik verschuldigd ben,
+voordat ik uit mijn ballingschap zoude uitgaan.”
+
+103 Deze woorden wendden Virgilius tot mij, met een aangezicht, dat
+zwijgende zeide: „Zwijg!” Maar niet alles kan dàt vermogen [in ons] dat
+wil;
+
+106 daar lachen en geween zoo volgzaam zijn voor de aandoening waarvan
+elk ontspringt, dat ze het minst den wil volgen in de waarachtigste
+menschen.
+
+109 Toch glimlachte ik, als een mensch, die een teeken [van
+verstandhouding] geeft; waarom de schimme zweeg, en mij in de oogen zag,
+waar de gelijkenis [der ziel] allermeest wordt uitgedrukt.
+
+112 En: „Zoo waarlijk moogt gij zóó groot werk tot een goed einde
+brengen,” zeide hij: „waarom vertoonde uw gelaat een weerlicht van
+gelach?”
+
+115 Nu ben ik van den éénen en den anderen kant besprongen: de ééne doet
+mij zwijgen, de andere bezweert mij dat ik zegge: waarom ik zucht en
+gegrepen word.
+
+118 „Zeg het,” zeide mijn Meester: „en heb geen vrees te spreken, maar
+spreek en zeg hem dat wat hij met zóó grooten nadruk vraagt.”
+
+121 Waarom ik: „Wellicht dat gij u verwondert, geest uit de oudheid,
+waarom ik dat lachen deed; maar meer verwondering wil ik dat u grijpe.
+
+124 Deze, die mijne oogen ten hoogen leidt, ~is~ die Virgilius, van wien
+gij kracht kreegt om te zingen van goden en menschen.
+
+127 Zoo gij gelooft dat er een andere reden was voor mijn lachen, laat
+haar varen als niet waar; en geloof dat die woorden het zijn die gij
+over hem zeidet.”
+
+130 Reeds knielde hij om mijnen leeraar de voeten te omhelzen; maar deze
+zeide: „Broeder, doe dat niet, daar gij eene schimme zijt en gij eene
+schimme ziet.”
+
+133 En hij opstaande (zeide): „Nu kunt gij de hoe-grootheid vatten van
+de liefde, die tot u mij verwarmt, wanneer ik onze ijdelheid vergeet, de
+schimmen behandelende als een ondoordringbare zaak.”
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+TWEE EN TWINTIGSTE ZANG
+
+~Opstijging tot den Zesden Omgang.~
+
+
+Gedurende den tijd dat zij naar den Zesden Ommegang opstijgen verhaalt
+Statius aan Virgilius hoedanige zonden hem zóó lang op de Plaats der
+Loutering hebben gehouden, en hoe hij gekomen was tot het Christelijk
+Geloof. Daarna deelt Virgilius hem nieuws mede over vele groote en
+befaamde personen, die in den Limbus zijn. Wanneer de Dichters op den
+Ommegang zijn aangekomen en eenige schreden ter rechter hebben gedaan,
+zien zij een boom, vol met geurige appelen, van waaruit eenige stemmen
+opgaan die aansporen tot ingetogenheid.
+
+ * * * * *
+
+1 Reeds was de Engel achter ons terug gebleven, de Engel, die ons geleid
+had tot den Zesden Omgang, hebbende mij van het aangezicht één
+merkteeken afgestreken,
+
+4 en degenen, die tot gerechtigheid hunne begeerte hebben, hadden
+gezegd: „Welgelukzalig”; en hunne stemmen deden dat af met „die dorst
+hebben” zonder meer.
+
+7 En ik, lichter dan door de andere doorgangen, ging verder, zóó dat ik
+zonder eenigen arbeid volgde omhoog de vlugge geesten;
+
+10 wanneer Virgilius begon: „Liefde, ontstoken door deugd, ontstak
+altijd den ander [tot wederliefde] als maar hare vlam zich openbaarde.
+
+13 Dès, sindsdien te midden van ons in den zoom der Hel Juvenalis
+nederdaalde, die uwe genegenheid [te mijwaart] mij openbaarde,
+
+16 was mijne welwillendheid te u-waart meer dan elke, die me ooit
+beroerde voor een niet geziene persoon, zóó dat nù deze treden mij kort
+schijnen.
+
+19 Maar zeg mij, en als vriend vergeet me als te groote veiligheid me
+den teugel viert, en wil als vriend met me redeneeren:
+
+22 hoe kon binnen in uwe borst gierigheid eene plaats vinden, bij zoo
+groot verstand, waarvan gij door uwe zorge vol waart?”
+
+25 Deze woorden deden Statius eerst een weinig tot lachen komen; voorts
+antwoordde hij: „Al uw spreken is me een dierbaar teeken van uw liefde.
+
+28 In waarheid meerdere malen vertoonen zich dingen, die valsche stof
+tot twijfelen geven, wegens de ware redenen die verborgen zijn.
+
+31 Uw vraag bewijst me dat uw gelooven is, dat ik gierig was in het
+andere leven, wellicht wegens dien cirkel waar ik was:
+
+34 dan weet dat gierigheid te zéér van mij verscheiden was, en wegens
+ònmatigheid hebben een duizendtal maanden mij gestraft.
+
+37 En zoo het niet ware dat ik mijne zorg de goede richting gaf, wanneer
+ik tot inkeer kwam daar waar gij uitroept, als vertoornd op den
+menschelijken aard:
+
+40 „Waartoe, brengt gij niet, o vervloekte gouddorst de begeerte der
+stervelingen?” zoude ik, om- en omkeerende voelen de grimme toernooien.
+
+43 Toen werd ik gewaar dat de handen al te veel de vleugelen konden
+openspreiden om uit te geven, en mij rouwde des, evenzeer als van de
+andere zonden.
+
+46 Hoevelen zullen er verrijzen met de haren uitgetrokken wegens de
+onwetendheid, die bij het leven en bij het uiteinde het berouw over deze
+zonde wegneemt!
+
+49 En weet dat de schuld, die door rechte tegenoverstelling een zonde
+weerkaatst, tegelijk hiermede zijn groenheid droogt.
+
+52 Daarom, zoo ik te midden van die luiden geweest ben, om mij te
+louteren, die de gierigheid beweenen, is mij dat door haar tegendeel
+overkomen”.
+
+55 „Des, toen gij zongt de wreede wapenen van de dubbele droefenis van
+Iocaste,” zeide de Zanger der Herders-zangen:
+
+58 „bij dàt wat Clio daar met u tokkelt, blijkt nog niet dat dat geloof
+u tot zijne getrouwen gemaakt had, zonder 't welk goed te doen niet
+genoeg is.
+
+61 Indien het zóó is, welke zon en welke kaarsen ontduisterden u
+zóódanig, dat gij voorts de zeilen achter den Visscher aanstuurdet?”
+
+64 En hij tot hem: „Gij hebt mij eerst den weg opgestuurd naar den
+Parnassus om te drinken in zijne grotten, en voorts hebt gij na God mij
+verlicht.
+
+67 Gij hebt gedaan als degene, die bij nacht gaat, die het licht achter
+zich draagt, en zich zelven niet helpt, maar achter zich de personen
+onderricht maakt;
+
+70 wanneer gij zeidet: „De eeuw hernieuwt zich: de Gerechtigheid en de
+eerste tijd des menschdoms keert; een nieuw kroost daalt uit den Hemel
+neder.”
+
+73 Door u was ik dichter, door u Christen: maar opdat ge beter ziet dat
+wat ik teeken, zal ik de hand uitstrekken om te kleuren.
+
+76 Reeds was de wereld gansch-en-al zwanger van het ware geloof, gezaaid
+door de boodschappers van het eeuwige rijk;
+
+79 en uw woord, hier-boven geciteerd, was zoo zeer in saam-klank met de
+nieuwe predikers; waarom ik gewoonte nam om ze te bezoeken.
+
+82 Zij werden mij, door hun verschijnen, zóó heilig dat, wanneer
+Domitianus ze vervolgde, hunne klachten niet waren zonder mijn weenen.
+
+85 En zóó lang door mij ginds werd vertoefd, herinnerde ik mij hunner,
+en hunne rechte zeden deden me alle andere secten minachten;
+
+88 en vóór ik dichtende de Grieken leidde tot de stroomen van Thebe, had
+ik den doop; maar uit vrees was ik een verholen Christen,
+
+91 langen tijd heidendom vertoonende: en deze lauwheid deed mij den
+vierden ommegang meer dan het vierde honderd-tal van jaren omgaan.
+
+94 Gij nu, die het deksel hebt opgelicht, dat me verborg zóó groot een
+goed, waarvan ik spreek, terwijl we door het stijgen overvloed van tijd
+hebben,
+
+97 zeg mij, waar Terentius is, onze oude dichter, Caecilius, Plautus en
+Varro, zoo gij het weet: zeg mij of zij veroordeeld zijn en in welk
+kwartier.”
+
+100 „Dezen, en Persius, en ik, en vele anderen,” antwoordde mijn Gids,
+„zijn te zamen met dien Griek, dien de Muzen zoogden meer dan ooit
+eenigen anderen,
+
+103 in den eersten cirkel van den duisteren kerker. Dikmaals
+onderhouden wij ons van dien berg, die onze voedsters altijd bij zich
+heeft.
+
+106 Euripides is daar met ons, en Antifon, Simonides, Agathon en andere
+Grieken meer, die weleer zich het voorhoofd met laurieren omkransten.
+
+109 Dààr ziet men van uwe persoonaadjen Antigone, Deïphile en Argia en
+Ismene zoo treurende als zij was.
+
+112 Daar ziet men dengene, die de bron Langia wees; daar ziet men de
+dochter van Tiresias, en Thetis, en met hare zusters Deidamia.”
+
+115 Toen zwegen alreeds beide de Dichteren, van nieuws erop gericht om
+rondom te kijken, bevrijd van het stijgen en van de wanden;
+
+118 en reeds waren vier van de dienstmaagden des daags achter ons
+gebleven, en de vijfde was aan den disselboom, den gloeienden boog vast
+omhoog-richtende,
+
+121 wanneer mijn Gids: „Ik geloof dat het ons voegt de rechter
+schouderen naar den rand te keeren, omgaande den berg gelijk wij
+plegen.”
+
+124 Zóó was de gewoonte daar onze wegwijster, en we namen den weg met
+minder argwaan door het goedkeuren van die waardige ziel.
+
+127 Zij gingen vóór, en ik alleen achter, en ik hoorde naar gesprekken
+van hen, die mij verstand tot dichten hadden gegeven.
+
+130 Maar weldra verbrak de zoete redenen een boom, dien wij vonden
+halverwege, met appelen zoet en goelijk om te ruiken.
+
+133 En gelijk een esscheboom naar omhoog afneemt van tak tot tak, zóó
+deze naar omlaag; ik geloof opdat niemand er op ga.
+
+136 Aan die zijde, waar onze weg afgesloten was, viel van de rots een
+helder vocht en verspreidde zich boven over de bladeren.
+
+139 De twee dichters naderden den boom; en eene stem binnen in het
+loover riep: „Met deze spijs zult gij zuinig zijn.”
+
+142 Voorts zeide zij: „Meer dacht Maria, vanwaar de bruiloft eerlijk en
+volkomen zoude zijn, dan aan haar mond, die nu voor u voorspraak doet.
+
+145 En de Romeinsche vrouwen van oudsher waren voor heur drinken
+tevreden met water en Daniël versmaadde de spijs en verkreeg wetenschap.
+
+148 De eerste eeuw was zoo schoon als goud; ze maakte door honger de
+eikels smakelijk en door dorst nectar van elke beek.
+
+151 Honig en sprinkhanen waren de gerechten, die den Dooper voedden in
+de woestijn; waardoor hij roemrijk is en zóó groot, als u door het
+Evangelie bekend is.”
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+DRIE EN TWINTIGSTE ZANG
+
+
+Honger en Dorst, te feller gemaakt door de aanwezigheid van met ooft
+beladen boomen en van opborrelende wateren, louteren op den ~zesden~
+Omgang de Gulzigaards, wier beangstigende magerheid beschreven wordt.
+Dante ontmoet Forese de' Donati, die den lof spreekt van zijne weduwe,
+en scherp gispt de schaamteloosheid der Florentijnsche vrouwen.
+
+ * * * * *
+
+1 Terwijl ik door het groene loover de oogen vestte aldus, als degene
+pleegt te doen die achter de vogelen zijn leven slijt,
+
+4 zeide de meer-dan-mijn-vader: „Mijn zoon, nu kom, daar de tijd, die
+ons is opgelegd, nuttiger besteed wil worden.”
+
+7 Ik wendde het gezicht en den stap niet minder snel naar de Wijzen, die
+aldus spraken, dat zij mijn gaan mij geen [vermoeienis] deden kosten.
+
+10 En zie een weenen en een zingen werd gehoord: „Labia mea, Domine”; op
+zoodanig eene wijze dat het van geneugt en smart zwanger ging.
+
+13 „O zoete vader, wat is dat wat ik hoor?” begon ik; en hij: „Schimmen,
+die gaan, wellicht den knoop van hunnen plicht ontknoopende.
+
+16 Gelijk de beêvaartgangers in gepeinzen gaande doen, achterhalende op
+hunnen weg lieden hun onbekend, en zich tot dezen wenden en niet blijven
+staan;
+
+19 aldus achter ons, sneller voortbewogen, aankomende en ons
+passeerende, beöogde ons eene schare, zwijgend en devoot, van schimmen.
+
+22 Van oogen was elke donker en hol, bleek in het aangezicht en zóó [van
+vleesch] ontdaan, dat de huid zich vormde naar het gebeente.
+
+25 Ik geloof niet dat aan het buitenst van de huid Erisichthon zóó droog
+geworden was door vasten, wanneer hij er het meeste vrees voor had.
+
+28 Ik sprak, bij mijzelven denkende: „Zie de lieden, die Jerusalem
+verloren, wanneer Maria haren eigen zoon verslond.
+
+31 De oogholten schenen een ring zonder edelgesteenten; wie in het
+aangezicht der menschen leest: ~OMO~, zoude hier wèl de M hebben
+herkend.
+
+34 Wie zoude gelooven dat de geur van een appel de menschen zóó havende,
+begeerte opwekkende, en die van water, niet wetende hoe?
+
+37 Reeds was ik aan het verwonderen wat zoo hen doet hongeren, daar nog
+niet openbaar was de oorzaak van hunne magerheid en van hun nare
+schub-huid;
+
+40 en zie, uit het diep van zijn hoofd wendde eene schimme de oogen tot
+mij en keek scherp; voorts riep hij met luider stemme: „Welke genade is
+me dit?”
+
+43 Nooit hadde ik hem aan het aangezicht herkend; maar in zijne stem
+werd mij openbaar dat wat het aangezicht in zich had verwoest.
+
+46 Die vonk ontstak wederom ganschelijk mijne kennis van dat veranderd
+aangezicht, en ik herkende het gelaat van Forese.
+
+49 „Eilieve, geef geen aandacht aan de droge schurft, die mij de huid,”
+zoo bad hij: „ontkleurt, noch aan het te-kort aan vleesch, dat ik hebbe;
+
+52 maar zeg mij de waarheid aangaande u, en wie zijn die twee zielen,
+die daar u geleide doen; maar blijf niet zonder dat ge tot mij spreekt.”
+
+55 „Uw aangezicht dat ik weleer, toen het gestorven was, met tranen
+overgoot, geeft mij nu niet minder smart om te weenen,” antwoordde ik
+hem, „nu ik het zóó verdraaid zie.
+
+58 Daarom zeg mij, bij God, wat u zoo ontloovert; doe mij niet spreken,
+terwijl ik mij over u verwondere, daar kwalijk spreken kan, wie van
+andere begeerte vol is.”
+
+61 En hij tot mij: „Van den Eeuwigen Raad valt een vermogen in het water
+en in de plant, die achter [ons] bleef, door welk [vermogen] ik zoo dun
+word.
+
+64 Alle deze luiden, die weenende zingen, voor het volgen van hunne
+matelooze gulzigheid, louteren zich hier door honger en dorst.
+
+67 Tot drinken en tot eten ontsteekt onze begeerte de geur, die uitgaat
+van den appel en van de besproeiing, die verspreid wordt over het groen.
+
+70 En niet maar ééne maal, deze ruimte rondgaande, wordt onze pijn
+ververscht; ik zeg „pijn,” maar ik moest zeggen „vertroosting”:
+
+73 daar de begeerte naar den boom ons leidt, die Christus blijde voerde
+om te zeggen „Eli,” wanneer hij ons bevrijdde met zijn bloed.”
+
+76 En ik tot hem: „Forese, van dien dag, op welken gij de wereld
+verwisseldet voor beter leven, zijn nog geen vijf jaar verloopen tot nu.
+
+79 Indien het vermogen om meerder te zondigen eerder in u werd
+geëindigd, voordat de stonde gekomen ware van de heilzame smarte die ons
+weder tot God terugbrengt,
+
+82 hoe zijt gij hierboven gekomen? Nog geloofde ik u daarbeneden te
+vinden, waar tijd door tijd hersteld wordt.”
+
+85 En hij tot mij: „Zóó spoedig heeft mij geleid tot het drinken van den
+zoeten alsem der martelingen mijne Nella met haar overvloedig weenen.
+
+88 Met hare toegewijde gebeden en met zuchten heeft zij mij getogen van
+den rots-wand, waar men wacht, en heeft ze mij bevrijd van de andere
+ommegangen.
+
+91 Zooveel te meer dierbaar en welgevallig aan God is mijn weeuwke, die
+ik zóózeer beminde, als zij eenzamer is in het goed-doen;
+
+94 daar Barbagia op Sardinië in zijne vrouwen veel zediger is dan dat
+Barbagia waar ik haar achterliet.
+
+97 O zoete broeder, wat wilt gij dat ik zegge? Een komende tijd is reeds
+in mijn gezicht, voor welken deze stonde niet zeer oud zal zijn,
+
+100 in welken op pergament zal verboden zijn aan de schaamtelooze
+Florentijnsche vrouwen het gaan, vertoonende boezem en borsten.
+
+103 Welke barbaarsche vrouwen waren er ooit, welke Saraceensche, voor
+wie noodig ware geweest, om ze gekleed te doen gaan, of geestelijke of
+andere tucht!
+
+106 Maar zoo de schaamteloozen wisten dat wat de radde hemel heur
+bereidt, hadden ze nu reeds de monden open om te huilen.
+
+109 Daar, indien het vóórzien me niet misleidt, ze eerder treurende
+zullen worden, dan degene de wangen behaard krijgt, die ~nu~ met 't
+„suja, suja” wordt vertroost.
+
+112 Zoete broeder, nu maak dat ge me u niet meer verheelt; gij ziet dat
+niet slechts ik, maar alle deze luiden turen daar waar gij het zonlicht
+schut.”
+
+115 Waarom ik tot hem: „Zoo ge u wederom in den geest haalt hoedanig gij
+met mij waart en ik met u, dan zal nog de herinnering u bezwaren.
+
+118 Van dat leven wendde degene, die mij te voren gaat, mij af, voor
+eer-gisteren, wanneer de zuster van gene zich rond vertoonde
+
+121 (en ik wees naar de Zon). Deze heeft me geleid door den diepen nacht
+der waarlijk gestorvenen, met dit mijn echte vleesch, dat volgt.
+
+124 Vandaar hebben zijne vertroostingen mij opgetogen, stijgende en
+rondgaande den berg, die recht maakt u lieden, wie de wereld heeft
+gekromd.
+
+127 Zóólang zeide hij mij tot zijn geleide te maken, tot dat ik zal zijn
+waar Beatrice is: dáár voegt het dat ik zonder hem achterblijve.
+
+130 Virgilius is gene, die aldus tot mij sprak (en ik wees hem) en deze
+andere is die schimme, om welke zooeven uw rijk alle zijne afhangen deed
+schudden, daar het zich van hem ontlast.”
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+VIER EN TWINTIGSTE ZANG
+
+
+Forese wijst Dante verscheidene zielen van ~Gulzigen~, onder anderen den
+dichter Buonagiunta, die den Florentijn eene nieuwe liefde voorspelt,
+en hem prijst om den te voren nooit gehoorden, zoeten stijl van zijne
+gedichten. Na in duistere bewoordingen den dood van zijnen broeder Corso
+te hebben voorzeid, gaat Forese van hen weg. Hunnen weg vervolgende,
+hooren de Dichters bij een boom voorbeelden ter verschrikking voor de
+gulzigen, en weinig later ontmoeten zij den Engel en vinden zij den
+doorgang naar den hoogeren, den Zevenden Omgang.
+
+ * * * * *
+
+1 Noch het spreken maakte het gaan, noch het gaan het spreken langzamer,
+maar redeneerende gingen wij met kracht, zooals een schip, gedreven door
+goeden wind.
+
+4 En de schimmen, die schenen dingen ten tweeden male gestorven, trokken
+door de holten hunner oogen bewondering van mij, wanneer zij mijn leven
+gewaar werden.
+
+7 En ik, mijn gesprek voortzettende, zeide: „Zij gaat wellicht
+langzamer omhoog dan zij doen zoude, ter wille van den ander.
+
+10 Maar zeg mij, zoo gij weet, waar Piccarda is; zeg mij of ik personen
+zie, (waardig) om op te merken, onder deze lieden, die zóó naar mij
+kijken.”
+
+13 „Mijne zuster, die van schoon en goed ik niet weet wat meer was,
+triumfeert reeds op den hoogen Olympus, blijde om hare kroon.”
+
+16 Zoo zeide hij eerst; en voorts: „Hier is niet verboden een elk te
+noemen, vermits onze gelijkenis zóó weggeteerd is door de leefwijze.
+
+19 Deze (en hij wees met den vinger) is Buonagiunta, Buonagiunta uit
+Lucca: en dat aangezicht ginds van hem, meer dan de andere uitgehold,
+
+22 had de heilige Kerk in zijne armen; van Tours was hij en boet door
+vasten voor de paling van Bolsena en den witten wijn.”
+
+25 Vele anderen noemde hij één voor één, en in het noemen schenen allen
+tevreden, zóó dat ik daarom geen enkelen donkeren blik zag.
+
+28 Ik zag van honger in het ijle de tanden gebruiken Ubaldijn dalla Pila
+en Bonifazio, die met het spinrokken velen lieden tot herder was.
+
+31 Ik zag den heer Marchese, die weleer te Forli tijd had om te drinken
+met minder droogte van keel en nochtans zoo was, dat hij zich niet
+verzadigd voelde.
+
+34 Maar, gelijk hij doet die kijkt, en dàn het ééne meer prijst dan het
+àndere, zóó deed ik met dien van Lucca, die meer van mij scheen te
+willen weten.
+
+37 Hij mompelde; en ik en weet welke „Gentucca” werd ik gewaar daar,
+waar hij de marteling der gerechtigheid gewaar werd, die hem zoo plukt.
+
+40 „O ziel,” zeide ik: „die zóó begeerig schijnt om met mij te spreken,
+maak dat ik u versta, en bevredig u en mij door uw spreken.”
+
+43 „Eene vrouw is geboren, en zij draagt nog niet den hoofdband,” begon
+hij: „die u mijne stad zal doen bevallen, hoe ook de menschen haar
+bevitten.
+
+46 Gij zult henen-gaan met dit vóórzien: indien mijn mompelen u tot
+dwalen zal hebben gebracht, zullen de feiten u verlichten.
+
+49 Maar zeg of ik hier zie degene die te voren bracht de nieuwe rijmen,
+beginnende: „Vrouwen, die begrip van liefde hebt.””
+
+52 En ik tot hem: „Ik ben er één die, wanneer de Liefde iet mij
+inblaast, het opmerk en op die wijze waarop zij het binnen in mij
+dicteert, voortga het opteekenende.”
+
+55 „O broeder, nu zie ik;” zeide hij: „den knoop, die den Notaris en
+Guittone en mij weerhield aan deze zijde van den zoeten nieuwen stijl,
+welken ik hoor.
+
+58 Ik zie wèl hoe uwe pennen op den voet dengene die dicteert, volgen,
+hetwelk met de onze voorzeker niet geschiedde.
+
+61 En degene, die er zich toe zet de zaak verder te bekijken, hij ziet
+niet meer van den éénen tot den anderen stijl.” En als tevreden gesteld,
+zweeg hij.
+
+64 Gelijk de vogelen, die langs den Nijl verwinteren, wel eens in de
+lucht eenen dichten drom van zich maken, dan meer met haast vluchten en
+gaan in een streep;
+
+67 aldus [deden] de luiden, die daar waren: het aangezicht keerende,
+verhaastten zij hun schrede, èn door de magerheid èn door de begeerte
+licht zijnde.
+
+70 En gelijk de mensch, die door draven vermoeid is, de gezellen laat
+gaan en in stap gaat totdat het snel op en neer gaan van de borstkas tot
+bedaren komt;
+
+73 zoo liet Forese de heilige kudde voorbijgaan en ging achter mij aan,
+zeggende: „Wanneer gebeure het dat ik u wederzie?”
+
+76 „Ik weet,” antwoordde ik hem: „niet hoelang ik leef; maar alreede zal
+mijn keeren niet zoo snel zijn, of met het verlangen zal ik eerder aan
+den oever zijn,
+
+79 omdat de plaats waar ik geplaatst ben om te leven, van dag tot dag
+meer van het goede wordt ontdaan, en bestemd schijnt tot droeven
+ondergang.”
+
+82 „Dan ga,” zeide hij: „daar ik hem, die er het meeste schuld aan
+heeft, zie aan den staart van een beest getrokken naar dàt dal, waar men
+nooit de schuld kwijt gaat.
+
+85 Het beest gaat bij elken stap sneller, altijd toenemende, totdat het
+hem trapt en het lichaam schandelijk verminkt laat.
+
+88 Niet hebben véél meer te draaien deze raderen (en hij richtte de
+oogen ten hemel) dat u duidelijk zal worden dat wat mijn zeggen niet
+meer kan verduidelijken.
+
+91 Blijf gij nu achter, daar de tijd kostbaar is in dit rijk zóó, dat ik
+te veel verlies door zóó gelijk met u op te loopen.”
+
+94 Gelijk wel eens in galop de ruiter uitgaat van de ruiterschare, die
+optrekt, en gaat om zich de eer te geven van den eersten aanval;
+
+97 zóó scheidde hij van ons met groote schreden: en ik bleef terug met
+die beiden, die van de wereld zóó groote maarschalken waren.
+
+100 En wanneer hij aldus voor ons was heengetreden, dat mijne oogen hem
+[evenmin] konden volgen als mijn geest zijne woorden;
+
+103 verschenen mij de bezwaarde en levende takken van eenen anderen
+appelboom, en niet verre verwijderd, daar wij eerst toen den weg
+daarheen waren ingeslagen.
+
+106 Ik zag lieden onder hem de handen opheffen en schreeuwen ik en weet
+niet wat naar het loover, als begeerige en wufte kinderen,
+
+109 die bidden, en de gebedene geeft geen antwoord; maar om hun begeerte
+wèl hevig te maken, houdt hij wat zij begeeren hoog en verbergt het
+niet;
+
+112 voorts gaan zij er van weg, als ontgoocheld; ook wij kwamen alsnu
+tot den grootsten boom, die zoovele beden en tranen afscheept.
+
+115 „Passeert verder zonder hem te naderen; hooger op is een boom,
+waarin gebeten werd door Eva, en deze plant stamt van gene af.”
+
+118 Aldus tusschen de twijgen zeide er een ik weet niet wie, waarom
+Virgilius en Statius en ik, op elkaar gedrongen, verder passeerden aan
+die zijde die opgaat.
+
+121 „Herinnert u,” zeide het: „de gemaledijden, in de wolken
+geformeerden, die met tweevoudige borst, met wijn verzadigd, Theseus
+bevochten:
+
+124 en van de Hebreeuwen, degenen, die bij het drinken zich week
+betoonden, waarom Gideon ze niet tot gezellen wilde, wanneer hij te
+Madian-waart van de heuvelen daalde.”
+
+127 Aldus, gedrongen tegen den eenen van de beide kanten, passeerden
+wij, hoorend [voorbeelden van] schuld door gulzigheid, weleer gevolgd
+door kwalijk bekomende winsten.
+
+130 Voorts, in het ruime gekomen over den vrijen weg, begaven wij ons
+wel duizend en meer passen verder, ieder beschouwende zonder een woord.
+
+133 „Waarover denkende gaat gij aldus gedrieën alleen?” zeide plotseling
+eene stem, waarop ik opschrok, zooals beesten doen verschrikt en
+schichtig.
+
+136 Ik richtte het hoofd om te zien wie het was; en nooit zag men in een
+oven glas of metaal zoo lichtend en rood,
+
+139 als ik er éénen zag, die zeide: „Zoo gij verlangt naar boven op te
+gaan, voegt het u hier om te slaan; hier langs gaat al wie wil gaan ten
+vrede.”
+
+142 Zijn aanblik had mij het gezicht genomen; waarom ik afsloeg achter
+mijne leeraren, gelijk iemand die gaat volgens wat hij hoort.
+
+145 En gelijk, voorbode van het licht, de Mei-lucht ons aanvaart en
+geurt, gansch bezwangerd door kruid en bloem;
+
+148 zóó voelde ik me een wind komen midden op het voorhoofd, en wel
+voelde ik de veder bewegen die me den geur van ambrozijn deed ruiken;
+
+151 en ik hoorde zeggen „Wel-zalig wie zooveel genade verlicht, dat de
+liefde tot [het genot van] den smaak in hun borst niet te veel verlangen
+doet walmen, hongerende altijd zóóveel als gerecht is.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+VIJF EN TWINTIGSTE ZANG
+
+
+Op den nauwen weg, die van den Zesden Omgang leidt tot den Zevenden en
+laatsten, vraagt Dante aan zijnen Meester hoe het wezen kan dat men zóó
+vermagert daar waar men geen voedsel noodig heeft. Virgilius geeft hem
+eenig antwoord, en voorts vraagt hij Statius om hem meer tevreden te
+stellen. Deze, heuschelijk het verzoek inwilligende, maakt zich op om te
+spreken van de generatie van het menschelijk lichaam, van de instorting
+van den geest daarin, en van de wijze van bestaan na den dood. Gekomen
+boven op den Omgang, vinden zij dezen gansch bezet door vlammen, behalve
+den uitersten tand, en ze zien geesten daardoor heen en weder loopen
+eenen lofzang zingende en beroemde voorbeelden van kuischheid roepende.
+
+ * * * * *
+
+1 Het was de stonde dat het stijgen geen uitstel gedoogde, daar de Zon
+den middagcirkel voor den Stier, en de Nacht dien voor den Skorpioen had
+vrijgemaakt.
+
+4 Waarom, gelijk de mensch doet, die niet stille staat, maar op zijnen
+weg voortgaat, wat ook hem verschijne, als prikkel van nooddruft hem
+steekt;
+
+7 aldus traden wij binnen door de heg-opening, één vóór den ander, de
+trap nemende, die door nauwte de bestijgers één voor één doet gaan.
+
+10 En gelijk het ooievaars-jong, dat de vleugelen heft, uit begeerte tot
+vliegen en zich niet waagt om het nest te verlaten, en ze weer strijkt;
+
+13 zóódanig was ik, met de begeerte tot vragen, ontvlamd èn gedoofd,
+komende tot dàt gebaar, hetwelk maakt degene, die zich tot spreken zet.
+
+16 Niet liet om 't gaan, dat snel was, de zoete Vader mijn [het
+spreken], maar hij zeide: „Schiet af den boog des sprekens, dien ge tot
+het ijzer hebt gespannen.”
+
+19 Toen opende ik vreesloos den mond, en ik begon: „Hoe kan men mager
+worden daar waar de nooddruft van het voeden [ons] niet raakt?”
+
+22 „Zoo ge u herinnerdet hoe Meleager wegteerde naar gelang van het
+wegteren van een talhout, dàn ware,” zeide hij: „dit u niet zóó
+moeilijk:
+
+25 en zoo ge bedacht hoe, naar uw verloop, uw beeld binnen den spiegel
+verloopt, zoude dat wat u moeilijk schijnt, u gemakkelijk schijnen.
+
+28 Maar omdat gij gansch in uw begeeren opgaat, zie hier Statius, en hem
+roep en verzoek ik, dat hij nu heeler zij van uwe wonden.”
+
+31 „Zoo ik hem den eeuwigen blik open,” antwoordde Statius: „daar waar
+gij bij zijt, verontschuldig mij: u kan ik niet weigeren.”
+
+34 Voorts begon hij: „Zoo uw geest, mijn zoon, mijne woorden bewaart en
+opneemt, zullen zij u worden een licht, voor het „hoe” dat gij zegt.
+
+37 Volmaakt bloed, dat nooit gedronken wordt door de dorstige aderen en
+blijft als voedsel, dat ge van den disch opneemt,
+
+40 neemt in het hart een vormend vermogen tot [het vormen van] alle
+menschelijke leden; gelijk dat [bloed] dat door de aderen gaat om zich
+tot deze [tot ledematen] te maken.
+
+43 Nog [meer] verwerkt, daalt het tot waar het schooner is te zwijgen
+dan te spreken; en vandaar voorts wordt het overgestort tot eens anders
+bloed in een door de natuur daartoe bestemd vat.
+
+46 Daar komt het een en 't ander bloed te zamen, het een bestemd tot
+lijden, het ander tot doen, wegens de volmaakte plaats [het hart]
+vanwaar het wordt gestuwd;
+
+49 en is dàt gekomen, dan begint dit te werken, eerst het stremmende en
+voorts maakt het levend dat wat 't door zijne stof deed tot vastheid
+komen.
+
+52 Wanneer het doende vermogen tot ziel is geworden, als van eene plant,
+maar zooverre verschillend, dat deze is op weg en gene [de plant] reeds
+aan de kust [aangekomen],
+
+55 werkt het zóóveel uit, dat zij [de ziel] reeds zich beweegt en gewaar
+wordt, als een zee-zwam; en daar begint [dat vermogen] in te richten de
+vermogens, van welke het zijn oorsprong heeft.
+
+58 Nu ontvouwt zich, mijn zoon, en zet zich uit het vermogen, dat
+[afkomstig] is uit het hart des verwekkers, vanwaar de natuur naar alle
+ledematen [haar krachten] stuwt.
+
+61 Maar hoe hij van dier wordt redelijk wezen, dat ziet gij nog niet:
+dit is zulk een punt dat het ook eenen wijzere, dan gij zijt, deed
+dwalen;
+
+64 zóó dat hij, in zijne leer het ~mogelijk~ verstand gescheiden maakt
+van de ziel, omdat hij van dat verstand geen orgaan ziet in beslag
+genomen.
+
+67 Open de borst voor de waarheid, die komt, en weet dat, zoodra bij de
+ongeboren vrucht de bewerktuiging der hersenen is voltooid,
+
+70 de Schepper [Eerste Veroorzaker] zich daartoe keert blijde, over zóó
+groot gewrocht der natuur, en het inblaast eenen nieuwen levensgeest van
+deugd vervuld,
+
+73 die den werkenden geest, dien hij daar vindt, tot zijne
+zelfstandigheid trekt, en daarmede wordt tot ééne ziel, die leeft en
+gewaar wordt en tot zich zelve terugkeert.
+
+76 En opdat gij minder u verwondert over mijne woorden, zie naar de
+warmte der zon, die wijn wordt, verbonden met het vocht, dat van den
+wingerd doorzijgt.
+
+79 En wanneer Lachesis geen draad meer heeft, ontbindt zij [de ziel]
+zich van het vleesch, en neemt in mogelijkheid met zich èn het
+menschelijke èn het goddelijke.
+
+82 [Dan zijn] alle de andere vermogens stom; [maar] geheugen, begrip en
+wil, in hunne werking, veel scherper dan te voren.
+
+85 Zonder vertoeven, komt zij uit zich zelve op wonderdadige wijze neder
+op eene van de oevers; dáár eerst verneemt zij haren weg.
+
+88 Zoodra eene plaats haar daar aan zich bindt, straalt het vormend
+vermogen rondom uit, in zoo groote en zoodanige mate als in de levende
+leden.
+
+91 En gelijk de lucht, wanneer die gansch gedrenkt is van regen, door de
+zonnestralen, die in haar worden weerkaatst, met bonte kleuren zich
+toont getooid;
+
+94 zoo schikt zich de naburige lucht in zulke gestalte, welke in haar
+stempelt door haar vermogen de ziel die daar in stand hield:
+
+97 en voorts gelijkende de vlam, die met het vuur meeloopt waarhenen
+zich dat ook begeeft, volgt den geest zijne nieuwe gestalte.
+
+100 Omdat hij voortaan dáárvan zijn voorkomen heeft, wordt hij ~schimme~
+of ~schaduw~ genoemd, en daarin vormt hij zich alle zintuigen tot
+[zelfs] het gezicht.
+
+103 Dáárin nu spreken, daarin nu lachen wij, daarin maken wij de tranen
+en de zuchten, de welke gij langs dezen berg hebt kunnen ontwaren.
+
+106 Al naar de wijze waarop de begeerten en de andere aandoeningen ons
+aandoen, vormt zich de schimme, en dat is de oorzaak van wat gij, u
+verwonderend, aanschouwt.”
+
+109 En reeds was tot de laatste pijniging gekomen door ons, en gekeerd
+ter rechterhand en we waren aandachtig tot andere zorge.
+
+112 Daar werpt de rotswand vlammen van zich uit, en de rand blaast adem
+naar boven, die de vlam terug dringt en haar ver van den rand houdt.
+
+115 Zoodat het ons voegde te gaan aan den openen kant, één voor één, en
+ik vreesde het vuur hier, en ginds vreesde ik het vallen naar beneden.
+
+118 De Gids mijn zeide: Langs deze plaats moet men aan de oogen strak de
+teugels houden, omdat men dwalen kon door kleinen [misstap].
+
+121 „Summae Deus clementiae” hoorde ik toen zingen in den boezem van den
+grooten brand, hetwelk niet minder deed mij er op bedacht zijn me
+daarheen te wenden.
+
+124 En zielen zag ik gaand door de vlammen, waarom ik schouwde naar hen
+en naar mijne schreden, het kijken nu en dan afwisselende.
+
+127 Na het einde, dat aan het zingen werd gemaakt, riepen zij luide:
+„Virum non cognosco;” voorts herbegonnen zij den zang met zachtere
+stemmen.
+
+130 Was het uit, wederom zongen zij: „In het woud hield zich Diana op,
+en Elice joeg zij er uit, daar die Venus' aanraking had gevoeld.”
+
+133 Voorts wendden zij zich tot het zingen; voorts riepen zij [namen
+van] vrouwen en van gehuwde mannen die kuisch waren, gelijk deugd en
+huwelijk hun opgelegd had.
+
+136 En deze wijze, geloof ik, dat voor hen volstaat, gedurende den
+ganschen tijd dat het vuur hen brandt: met zulke zorge en met zulke
+spijze voegt het dat de laatste wonde zich sluite.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+ZES EN TWINTIGSTE ZANG
+
+
+Zij, die zich te buiten gingen in genietingen, louteren zich van dit
+onreine vuur, te midden van de vlammen den berg omkringende in twee
+aan elkaar tegengestelde scharen. Dante onderhoudt zich met Guido
+Guinicelli, en voorts met Arnaut Daniel, Provençaalsch dichter.
+
+ * * * * *
+
+1 Terwijl aldus langs den rand, de een voor den ander, wij voortgingen,
+zeide dikmalen de goede Meester: „Wees op uwe hoede; verheug u dat ik u
+beschut.”
+
+4 Op den rechter schouder trof mij de zon, die reeds, stralende, gansch
+het Westen van hemelsch blauw verschieten deed tot eenen witten aanblik;
+
+7 en ik deed met mijne schaduwe de vlam meer blozend verschijnen, en
+toch reeds op zoo klein een kenteeken zag ik vele schimmen, al gaande,
+hunne aandacht vesten.
+
+10 Dit was de oorzaak, die hun eenen aanvang gaf om te spreken van mij;
+en zij begonnen te zeggen: „Deze blijkt geen schijn-lichaam.”
+
+13 Voorts maakten eenigen zóóverre als zij konden, zich op tot mij,
+altijd met zorge niet uit te gaan tot daar waar zij niet zouden worden
+verbrand.
+
+16 „O gij, die gaat, niet omdat gij trager zijt, maar wellicht uit
+eerbied, achter de anderen, antwoord mij, die in dorst en in vuur
+brande:
+
+19 en niet alleen mij is uw antwoord van noode; daar alle dezen er
+grooteren dorst naar hebben, dan naar koud water Indiaan of Ethiopiër.
+
+22 Zeg ons hoe het is dat gij van u zelven eenen muur maakt voor de zon,
+alsof gij nog niet binnen het net des doods waart getreden.”
+
+25 Zoo sprak mij één van dezen en ik zoude mij reeds hebben geopenbaard,
+zoo ik niet oplettend ware geworden op andere nieuwigheid, die toen zich
+voordeed:
+
+28 daar door het midden van den in brand gestokenen weg lieden kwamen
+met het aangezicht genen tegemoet, welke mij vol verwachting maakten om
+toe te zien.
+
+31 Daar zie ik van elken kant elke schim zich haasten, en de een de
+ander kussen, zonder stille te staan, tevreden met zóó kort festijn.
+
+34 Aldus binst hunne donkere schare raakt de eene de andere mier met den
+snuit, wellicht om te speuren elkander reize en elkanders lot.
+
+37 Zoodra zij uitéén gaan van de lievende begroetenis, nog voor zij tot
+de eerste schreden zich bewegen, bemoeit zich elke boven de anderen uit
+te schreeuwen,
+
+40 de nieuwgekomen luiden: „Sodom en Gomorrah!” en de anderen: „In de
+koe kroop Pasiphaë, dat de stier tot haar minneweelde kwam.”
+
+43 Voorts, als kraanvogels, die vlogen deels naar de Ripaeische bergen,
+deels naar de zanden [der woestijnen], dezen de koude, genen de zonne
+schuwende;
+
+46 het ééne volk gaat henen, het andere komt, en zij keeren weenende tot
+hunne eerste liederen, en tot dien kreet, die hun het meest voegelijk
+is;
+
+49 en zij praaiden mij wederom, gelijk te voren, diezelfden die mij
+hadden gebeden, en vol aandacht waren zij om te luisteren in hun
+voorkomen.
+
+52 Ik die twee malen hun begeerte had gezien, begon: „O zielen verzekerd
+van te hebben, wanneer het ook zij, eenen staat van vrede,
+
+55 niet zijn mijne ledematen noch onrijp noch rijp aan gene zijde
+gebleven, maar zij zijn hier met mij met hun bloed en met hunne
+samenvoegingen;
+
+58 daar omhoog ga ik om niet langer blind te zijn: eene vrouw is omhoog,
+die de genade voor mij heeft gewonnen, door welke [genade] ik mijn
+sterfelijk [deel] door uwe wereld tors.
+
+61 Maar zóó waarlijk uwe grootere begeerte spoedig verzadigd worde,
+zóódat de hemel u herberge, die vol is van liefde en zich al wijder
+ruimt,
+
+64 zeg mij, opdat ik er nog papieren mee bestrepele, wie zijt gij, en
+wie is gene drom, die weg gaat achter van uwe ruggen?”
+
+67 Niet anders ontstelt zich verstomd de bergbewoner, en schouwende
+staat hij sprakeloos, wanneer hij, ruw en onbehouwen ter stede komt,
+
+70 als elke schim in haar voorkomen deed; maar nadat zij ontlast waren
+van de ontsteltenis die in hooge harten dra zich matigt:
+
+73 herbegon degene die het eerst had gevraagd: „Welzalig gij, die van
+onze gewesten, de hoop medeneemt om beter te leven!
+
+76 De lieden die niet met ons mede gaan, misdeden in dat, waarom
+voorhenen Caesar, triompheerende, zich in zijn gezicht, „koningin”
+hoorde noemen;
+
+79 daarom gaan zij henen „Sodom” roepende, in zich gispende, gelijk gij
+gehoord hebt, en helpen zij den brand door zich te schamen.
+
+82 Onze zonde is die van Hermafrodiet; maar omdat wij niet hielden
+menschelijke wet, als beesten onzen lust volgend,
+
+85 wordt tot onze eigene schande door ons aangeroepen, wanneer wij van
+elkanderen gaan, de naam van degene die zich tot beest maakte in het tot
+beest gemaakte hout.
+
+88 Nu weet gij onze daden en weet waaraan wij schuldig waren; zoo ge
+wellicht bij name weten wilt wie [allen] we zijn; er is geen tijd om het
+te zeggen en gij zult het niet weten.
+
+91 Den wensch echter omtrent mij zal ik u bevredigen; ik ben Guido
+Guinicelli, en reeds word ik gelouterd daar 't mij wel rouwde vóór mijn
+levens-einde.”
+
+94 Hoedanig bij de droefenis van Lycurgus de twee zonen werden op het
+weerzien der moeder, zóó werd ik, maar niet tot zóó groote daad verrijs
+ik,
+
+97 wanneer ik zich zelven noemen hoorde den vader van mij en zoovele
+anderen, die beter zijn dan ik, die ooit in rijmen, zoete en gevallige,
+spraken van minne:
+
+100 en zonder te hooren en te spreken ging ik peinzende eene lange wijle
+hem aanziende, toch kwam ik wegens het vuur hem niet nader.
+
+103 Toen ik van hem te zien verzadigd was, bood ik mij hem bereid tot
+zijnen dienst, met zulke verzekering als iemand doet gelooven.
+
+106 En hij tot mij: „Gij laat door wat ik hoor, in mij zulk een spoor
+en zoo duidelijk, dat Lethe het niet kan wegnemen of verduisteren.
+
+109 Maar zoo zooeven uwe woorden de waarheid bezwoeren, zeg mij wat de
+reden is waarom gij toont in uw spreken en uw blikken mij lief te
+hebben.”
+
+112 En ik tot hem: „De zoete woorden uwe, die, zoolang de hedendaagsche
+spreekwijze zal duren, de geschriften waarin ze bevat zijn, zullen
+dierbaar maken.”
+
+115 „O broeder,” zeide hij: „gene, dien ik u aanwijs met den vinger (en
+hij wees voor ons uit er éénen met den vinger aan), was beter werkman in
+de moederlijke sprake.
+
+118 Gedichten van minne en proza-verhalen, hij overtrof ze alle en laat
+de dwazen [vrij] zeggen die gelooven dat die van Limoges hèm overtreft.
+
+121 Zij richten de gezichten meer naar het gerucht dan naar de waarheid
+en aldus vesten zij hunne meening vóórdat kunst of rede door hen wordt
+gehoord.
+
+124 Aldus deden vele ouden met Guittone, de één den ander nasprekend om
+hem lof te geven, totdat met meerdere personen de waarheid hem heeft
+overwonnen.
+
+127 Dies, indien gij zoo ruim een voorrecht hebt, dat het u veroorloofd
+zij te gaan tot het klooster, in het welk Christus abt is van het
+Collegium,
+
+130 doe bij hem voor mij een Pater noster, tot zóóver als wij nog in
+deze wereld noodig hebben, waar we nu niet meer het vermogen tot
+zondigen hebben.”
+
+133 Voorts, wellicht om eene tweede plaats te geven aan een ander, dien
+hij bij zich had, verdween hij in het vuur, gelijk door het water een
+visch die naar den bodem gaat.
+
+136 Ik ging een weinig naar voren tot dengene, die mij gewezen was, en
+zeide dat mijn verlangen zijnen naam een welgevallige plaats inruimde.
+
+139 Hij begon vrijmoediglijk te zeggen: „Zoozeer bevalt mij uwe hoofsche
+vraag, dat ik me u noch kan noch wil verbergen.
+
+142 Ik ben Arnaut, die ween en ga zingende; herdenkend zie ik mijne
+vroegere dwaasheid, en blijde zie ik de blijdschap die ik weldra hope.
+
+145 Nu bid ik u bij dat vermogen, dat u geleidt tot den top, die is
+zonder koude en zonder warmte, gedenk mijne smart te lenigen.”
+
+148 Voorts verborg hij zich in het vuur dat hem nabij was.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+ZEVEN EN TWINTIGSTE ZANG
+
+
+De Engel, die den toegang bewaakt, waarschuwt de Dichters dat om te
+stijgen ze door de vlammen moeten gaan. Bij deze aankondiging wordt
+Alighieri ontsteld en weifelt, totdat hij, door den Meester getroost,
+den doortocht doet. Op de trap overvalt hen bijna plotseling de nacht.
+Dante slaapt in en heeft een droom-gezicht. Wanneer hij met den dag den
+tocht hervat heeft, komt hij aan het aardsche Paradijs, waar Virgilius
+hem zegt dat nu zijn taak is volbracht en dat hij hem van nu aan zijn
+eigen heer laat zijn.
+
+ * * * * *
+
+1 Gelijk wanneer de Zon hare eerste stralen drilt, daar waar haar Maker
+zijn bloed vergoot, terwijl de Ebro onder de hooge Weegschaal valt,
+
+4 en de wateren van den Ganges door den noen worden geschroeid, zóó
+stond de Zon; waarom de Dag wegging, wanneer de Engel Gods blijde ons
+verscheen.
+
+7 Buiten de vlam stond hij op den rand, en zong: „Zalig de reinen van
+harte,” in stemme veel meer levend dan de onze.
+
+10 Voorts: „Verder gaat men niet, zoo niet te voren, o heilige zielen,
+het vuur u bijt; treedt er binnen, en weest niet doof voor het zingen
+van ginds,”
+
+13 sprak hij tot ons, toen wij hem nabij waren; waardoor ik zoo werd,
+toen ik hem verstond, als degene is, die in den kuil wordt gelegd.
+
+16 De gevouwen handen opheffende, strekte ik mij naar voren, ziende naar
+het vuur en mij heftig verbeeldende menschelijke lichamen, die ik wel
+eens in brand gestoken had gezien.
+
+19 Tot mij wendden zich mijne goede geleiders en Virgilius zeide tot
+mij: „Zoon mijn, hier kan marteling zijn, maar geen dood.
+
+22 Herinner u, herinner u.. en, zoo ik boven op dien Gerion u veilig heb
+geleid, wat zal ik doen nu ik ben veel nader bij God?
+
+25 Geloof voorzeker dat, al stondt ge binnen de bedding van dit vuur wel
+duizend jaren, het u niet één haar kaler konde maken.
+
+28 En zoo gij wellicht geloovet dat ik u bedriege, maak u op tot de
+vlam, en laat het u bewijzen met uwe handen aan den zoom van uwe
+slippen.
+
+31 Leg af van nu, leg af alle vreeze: keer u ginds heen en kom onbezorgd
+tot den overkant.”
+
+En ik [bleef] stil, ook tegen [beter] weten.
+
+34 Toen hij mij nochtans zag blijven staan, stil en onbewegelijk, [toen]
+een weinig onthutst, zeide hij: „Nu zie, zoon, tusschen Beatrice en u is
+deze muur.”
+
+37 Gelijk bij den naam van Thisbe Piramus vlak voor den dood de oogleden
+opende en naar haar keek, ten tijde dat de moerbei bloedrood werd;
+
+40 alzoo, toen mijne hardheid zacht was gemaakt, keerde ik mij tot den
+wijzen Gids, den naam hoorende, die altijd in mijnen geest weerbaûwt.
+
+43 Waarom hij het hoofd schudde en zeide: „Hoe nu, willen we hier
+blijven?” Dan glimlachte hij, gelijk men tot het kindje doet, dat zich
+laat winnen door den appel.
+
+46 Voorts binnen-in het vuur vóór mij begaf hij zich, Statius
+verzoekende achter aan te komen, die eerst op langen weg ons [beiden]
+scheidde.
+
+49 Toen ik er in was, zoude ik mij in kokend glas geworpen hebben om mij
+te verfrisschen, zóó mateloos was daar de brand.
+
+52 De zoete vader mijn, om mij te troosten, ging steeds voort sprekende
+van Beatrice, zeggende: „'t Is me of ik reeds haar oogen zag.”
+
+55 Ons geleidde eene stemme, die zong van ginds; en wij steeds
+oplettende op haar, kwamen er uit daar waar men opging.
+
+58 „Venite, benedicti Patris mei,” klonk het binnen in een licht, dat
+dáár was, zoo sterk dat het mij verwon en ik het niet kon zien.
+
+61 „De zon gaat henen,” voegde hij er aan toe: „en de avond komt; houd u
+niet op, maar versnel den pas, terwijl het Westen nog niet zwart wordt.”
+
+64 Recht steeg de weg binnen de rots, naar zoodanig een kant dat ik vóór
+mij wegnam de stralen der zon, die reeds laag was.
+
+67 En van weinig treden namen wij de proef, wanneer ik en mijne wijzen
+gewaar werden aan de schaduw, die uitdoofde, dat de zon achter ons zonk.
+
+70 En voor in alle zijne onmetelijke deelen de horizont van éénen
+aanblik was geworden, en de Nacht over alles was verdeeld,
+
+73 had elk van ons van eene trede zich een bed gemaakt, daar de aard
+van den berg ons meer het vermogen dan het geneugt tot stijgen had
+benomen.
+
+76 Gelijk de geiten al herkauwende mak worden, die snel en dartel waren
+op de toppen, voor zij hebben gevroegmaald,
+
+79 zwijgende in de schaduw, terwijl de zonne brandt, gehoed door den
+herder, die op den staf zich heeft geleend, en hen van rust dient;
+
+82 en gelijk de kudde-hoeder, die buiten huist, en bij zijn vee rustig
+overnacht, wakende dat geen wild dier ze verstrooie;
+
+85 zóó waren wij gedrieën alstoen, ik als geitje en zij als herderen,
+ommuurd van hier en ginds door de grot.
+
+88 Weinig kon daar zichtbaar worden van buiten; maar dóór dat weinige
+zag ik de sterren meer dan naar hunne gewoonte helder en groot.
+
+91 Aldus herkauwende en gene [de starren] bespiedende, vatte mij de
+slaap; de slaap die vele malen, eer het feit bestaat, de nieuwstijdingen
+weet.
+
+94 In de ure, geloof ik, dat uit het Oosten het eerst op den berg
+straalde Cytherea, die van minnevuur altijd brandende schijnt,
+
+97 docht ik mij jong en schoon in den droom eene vrouw te zien gaan door
+eene landouw, bloemen plukkende; en zingende zeide zij:
+
+100 „Hij wete, wie ook naar mijnen naam mocht vragen, dat ik Lea ben en
+ga bewegende in het rond de schoone handen om mij eenen bloemslinger te
+maken.
+
+103 Om mij zelve in den spiegel te gevallen sier ik mij hier; maar mijne
+zuster Rachel gaat nooit van haren spiegel, maar zit den ganschen dag.
+
+106 Zij is om hare eigene schoone oogen te zien zóó begeerig, als ik om
+mij te tooien met mijne handen; haar geeft het zien, mij het arbeiden
+den vrede.”
+
+109 En reeds, door de glanzen die komen voor het licht, die den te
+beê-vaart-gaanden zóóveel te aangenamer rijzen, als zij, weerkeerende,
+minder verre vernachten,
+
+112 vluchtten de duisternissen van alle kanten, en mijn slaap met haar;
+waarom ik oprees, ziende de groote Meesters reeds gerezen.
+
+115 „Die zoete appel, welken door zoovele takken zoekende gaat de zorg
+der stervelingen, zal heden uwen honger te vrede stellen.”
+
+118 Virgilius gebruikte te mij-waart zoodanige woorden, en nooit waren
+er lekkernijen, die aan gene gelijk waren om te behagen.
+
+121 Zóó groote begeerte boven begeerte kwam mij om boven te zijn, dat ik
+bij elke schrede voortaan als om te vliegen mij de vleugelen voelde
+wassen.
+
+124 Toen de gansche trap onder ons was afgeloopen, en wij op de bovenste
+trede waren, vestte Virgilius zijne oogen op mij,
+
+127 en zeide: „Het tijdelijk vuur en het eeuwige, hebt gij gezien, Zoon,
+en zijt gekomen in een deel waar ik uit mijzelven niet verder
+onderscheide.
+
+130 Getrokken heb ik u hierheen met verstand en met kunst; neem alsnu uw
+eigen wèlgevallen als leids-man; gij zijt buiten de steile wegen, buiten
+de enge.
+
+133 Daar zie de Zon, die u op het vóórhoofd licht; zie het kruid, zie de
+bloemen, de boomkens, welke deze grond alleen uit zich zelven
+voortbrengt.
+
+136 Terwijl blijde [tot u] komen de schoone oogen die, weenende, mij
+tot u deden komen, kunt gij zitten en tusschen dezen henengaan.
+
+139 Wacht noch mijn zeggen meer, noch mijne aanwijzing: vrij, recht,
+gezond is uwe keuze: en falen ware het, niet te doen naar zij verkiest;
+
+142 waarom ik u over u zelven kroon met kroon en mijter.”
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+ACHT EN TWINTIGSTE ZANG
+
+
+Hier wordt met betooverende verwen geschilderd het gelukzalig verblijf,
+geboden door het aardsch Paradijs. Alighieri schrijdt daar eenigen tijd
+door voort, wanneer een stroompjen hem het verdergaan belet. Eene vrouwe
+van wonderlijke schoonheid vertoont zich hem aan den anderen kant, zij
+verklaart hem de gelegenheid der plaats en beantwoordt de door hem
+gestelde vragen.
+
+ * * * * *
+
+1 Begeerig om alhaast van binnen en rondom het goddelijk woud te
+doorzoeken, dat dicht en levendig was, en voor de oogen den nieuwen dag
+matigde,
+
+4 verliet ik zonder langer te wachten den zoom, langzaam aan den weg
+door het landschap nemende over den grond, die van allen kant geurde.
+
+7 Een zacht koeltje, zonder verandering in zich te hebben, sloeg mij
+voor het voorhoofd, niet met meer slag dan liefelijke wind;
+
+10 door hetwelk de looveren, snel trillende, alle negen naar die zijde,
+waar de heilige berg de eerste schaduw werpt;
+
+13 niet daarom nog dat ze zoo recht-op gespreid werden dat de vogeltjes
+door hunne toppen aflieten van al hunne kunsten uit te oefenen,
+
+16 maar met volle blijdschap ontvingen zij zingende de eerste uren
+binnen de looveren, welke bij hunne rijmen zulk een gegons aanhielden,
+
+19 als dat, hetwelk van tak tot tak zich gaart door het pijnenwoud over
+het kustland van Classis, wanneer Aeolus den Sirocco naar buiten
+loslaat.
+
+22 Reeds hadden de langzame voetstappen mij zooverre binnen in het oude
+woud gebracht, dat ik niet kon herzien van waar ik het binnen getreden
+was:
+
+25 en zie, het verder gaan benam mij eene beek, die naar de slinker hand
+met hare kleine golfjes het gras neigde, dat op haar oever groeide.
+
+28 Alle de wateren die daar ginds de zuiverste zijn, zouden schijnen de
+een of andere aanlenging in zich te hebben, vergeleken met dit, hetwelk
+niets verbergt,
+
+31 hoewel het zich al donkerlijk voortbeweegt onder de gedurige schaduw,
+die daar nooit zon of maan toelaat te schijnen.
+
+34 Met de voeten hield ik stand en met de oogen stak ik over naar
+gindsche zijde van het stroompje, om de groote bontheid der frissche
+meien te bewonderen:
+
+37 en daar verscheen mij, zooals plotseling verschijnt een ding, dat
+door wonderbaarlijkheid al ander denken van den weg leidt,
+
+40 eene vrouw in haar eentje, die ging al zingende en al plukkende bloem
+na bloem, met welke haar gansche weg beschilderd was.
+
+43 „Ei, schoone vrouw, die aan de stralen der liefde u warmt, indien ik
+wil gelooven de verschijnselen, die plegen te zijn getuigenis van het
+hart;
+
+46 kome u de wil u voorwaarts te bewegen,” zeide ik, „nader naar deze
+rivier, zoodat ik verstaan kunne dat wat gij zingt.
+
+49 Gij doet mij gedenken waar en hoedanig-eene Proserpina was toen hare
+moeder haar en zij hare lente verloor.”
+
+52 Zooals zich draait, met de voetzolen dicht bij de aarde en bij
+elkander gehouden, eene vrouw, die danst en nauwelijks den éénen voet
+voor den anderen zet;
+
+55 draaide zij zich over de bloed-roode en de gele bloempjes te
+mij-waart, niet anders dan als eene maagd, die de eerlijke oogen
+nederslaat;
+
+58 en zij maakte dat mijne beden bevredigd werden, zich zóó nabij mij
+begevend, dat het zoete geluid tot mij kwam mèt wat het beduidde.
+
+61 Zoodra ik daar was, waar de gras-sprietjes reeds bespoeld worden door
+de golven van den schoonen stroom, deed zij mij het geschenk van de
+oogen op te slaan.
+
+64 Ik geloof niet dat bij Venus zóóveel licht onder de wenkbrauwen
+schitterde, wanneer zij door haren zoon, gansch tegen diens gewoonte,
+[met een pijl] was getroffen.
+
+67 Zij lachte nu recht-op gericht van den anderen oever, velerlei
+kleuren met hare handen hanteerende, welke de hooge aarde zonder zaad
+deed ontspruiten.
+
+70 De stroom maakte ons drie passen van elkander verwijderd, maar de
+Hellespont, daar waar Xerxes er over trok, nog steeds toom aan alle
+menschelijke hoovaardijen,
+
+73 werd niet meer gehaat door Leander, omdat hij golfde tusschen Sestos
+en Abydos, dan die rivier door mij, omdat zij zich toen niet voor mij
+opende.
+
+76 „Gijlieden zijt hier nieuw, en misschien omdat ik lach,” zeide zij:
+„in deze plaats, voor het menschelijk geslacht uitverkoren tot zijn
+nest,
+
+79 houdt u in uwe verwondering een argwaan; maar de psalm, „Want gij
+hebt mij verblijd,” geeft u licht, hetwelk uw verstand van den nevel kan
+bevrijden.
+
+82 En gij, die vóór mij zijt en mij gebeden hebt, zeg of gij iets anders
+wilt hooren, opdat ik dadelijk kome tot alle vraag van u, zoodat ik u
+voldoe.”
+
+85 „Het water,” zeide ik: „en het geluid van het woud bestrijden binnen
+in mij een nieuw geloof over eene zaak, die ik hoorde, tegengesteld aan
+deze.”
+
+88 Waarop zij: „Ik zal zeggen hoe het voortkomt uit zijne oorzaak, dat,
+hetwelk u doet verwonderd zijn, en ik zal den nevel weg doen, die u
+verbijstert.
+
+91 De hoogste Goedheid, die alleen aan zichzelve behaagt, heeft den
+mensch goed gemaakt; en zij gaf hem het goed van deze plaats tot pand
+van eeuwigen vrede.
+
+94 Door zijn vergrijp woonde hij hier weinig tijd; door zijn vergrijp
+verkeerde hij in klacht en in verdriet eerlijk lachen en aangenaam spel.
+
+97 Opdat de werveling, welke de uitwasemingen van het water en van de
+aarde beneden veroorzaken (die zooveel zij kunnen de warmte achterna
+gaan),
+
+100 den mensch geenerlei warrigheid zoude maken, rees deze berg zooverre
+hemelwaarts en is hij vrij van daar af, waar hij gesloten wordt.
+
+103 Daar nu in den ganschen omtrek de lucht draait met het eerste
+gewelf, indien haar de omgang niet op eenige plek is verbroken,
+
+106 daarom treft op deze hoogte, die gansch los is in de levende lucht,
+zulk eene beweging het bosch en doet het ruischen daar het dicht is.
+
+109 En de getroffen plant vermag zooveel dat zij met haar vermogen de
+lucht drenkt, en dat vermogen voorts ronddraaiende, rondstrooit.
+
+112 En de overige aarde, naardat zij waardig is door zich zelve of door
+haar hemelstreek, ontvangt en brengt voort verscheiden gewas van
+verscheiden vermogen.
+
+115 Voortaan zal het u dus niet meer verwonderlijk schijnen, nu gij dit
+gehoord hebt, wanneer eenige plant zonder zichtbaar zaad hier op-spruit.
+
+118 En gij moet weten dat de heilige landouw, waarin gij zijt, van alle
+gewas vol is, en gewas in zich heeft dat aan gindsche zij niet geplukt
+wordt.
+
+121 Het water, dat gij ziet, ontspringt niet van een ader, welken damp
+herstelt, door vorst bekeerd, zooals een stroom die buiten adem en bij
+adem komt;
+
+124 Maar het komt uit een gestadige en zekere bron, die zooveel aan den
+wil van God ontneemt, als zij vergiet naar twee zijden open.
+
+127 Naar deze zijde daalt het met een vermogen, dat iemand de heugenis
+der zonde ontneemt; naar de andere zijde, hergeeft zij die van alle
+goede daad.
+
+130 Hier heet zij Lethe, en zoo aan de andere zijde Eunoë en zij werkt
+niet als zij niet van deze en van gene zijde geproefd is.
+
+133 Alle andere smaken gaat zij te boven. En hoewel uw dorst genoegzaam
+kan verzadigd zijn, zoodat ik u niet meer ontvouwe,
+
+136 zal ik u uit gevalligheid nog een kransje geven; en ik geloof dat
+mijn spreken u niet minder lief zal zijn, indien het boven belofte met u
+weiden gaat.
+
+139 Diegenen die van oudsher dichtten van de Gouden Eeuw en haren
+gelukkigen staat, droomden die plaats wellicht op den Parnas.
+
+142 Hier was de menschelijke oorsprong onschuldig; hier is altijd lente
+en hier is alle gewas; dit is de nectar, waarvan ieder spreekt.”
+
+145 Toen wendde ik mij ganschelijk achter-om naar mijne dichters, en ik
+zag dat zij met een lach de laatste uitlegging hadden vernomen.
+
+148 Voorts keerde ik het gezicht naar de schoone vrouw.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+NEGEN EN TWINTIGSTE ZANG
+
+
+Terwijl de Dichter voortgaat langs de rivier, met gelijken tred de
+Vrouwe volgende, die aan gene zijde der rivier is, wordt hij door haar
+gemaand aandachtig te zijn; en zie, plotseling doorloopt een glans het
+woud èn eene zoete melodie; waarop volgt een schouwspel vol wonder en
+mysterie.
+
+ * * * * *
+
+1 Zingende als eene Vrouwe, die verliefd is, vervolgde zij om hare
+woorden te eindigen: „Gelukzalig degenen, wier zonden verborgen zijn.”
+
+4 En als nimfen, die eenzaam gaan door de woudschaduwen, begeerende
+dezen om de zon te ontvluchten, genen om haar te zien,
+
+7 bewoog zij zich stroom-op-waarts, gaande op den oever en ik
+gelijkelijk met haar, haar kleine schrede met kleine schrede volgende.
+
+10 Nog waren er geen honderd schreden bij elkaar door haar en mij
+afgelegd, wanneer de oevers gelijkelijk eene zwenking maakten, derwijze
+dat ik mij naar het Oosten begaf.
+
+13 Noch ook zóó was onze weg lang, wanneer de Vrouwe zich gansch te
+mij-waart keerde, zeggende: „Broeder mijn, schouw en luister.”
+
+16 En zie, plotseling liep een luister van alle kanten door het groote
+woud, zóódat het mij in vermoeden bracht dat het bliksemde.
+
+19 Maar omdat het bliksemen, gelijk het kwam, bleef en het, durende,
+meer en meer straalde, zeide ik in mijne gedachte: „Wat is dit?”
+
+22 En eene zoete melodie liep door de lichtende lucht: waarom goede
+ijver mij deed laken de vermetelheid van Eva,
+
+25 die dáár, waar hemel en aarde gehoorzaam was, zij de eenige vrouw, en
+wel zoo even geschapen, 't niet gedroeg onder eenigen sluier te blijven:
+
+28 onder welken ik, als zij onderdanig ware geweest, die
+onuitsprekelijke geneugten hadde gevoeld voormaals, en voorts in
+eeuwigheid.
+
+31 Terwijl ik voortging, mids zóó groote eerstelingen van het eeuwige
+geneugt, gansch in verrukking, en begeerig tot nog meerdere
+blijdschappen,
+
+34 toen werd vóór ons, als een ontstoken vuur, aldus de lucht, onder de
+groene takken, en het zoete geluid werd reeds gehoord als een lied.
+
+37 O onaantastbare Maagden, zoo ik ooit honger, koude of nacht-wake voor
+u doorstond, nu noopt mij de gelegenheid dat ik loon daarvoor eische.
+
+40 Nu voegt het dat de Helicon zich voor mij vergiete, en Urania mij
+helpe met haar koor, om dingen, die zwaar zijn te denken, in verzen te
+zetten.
+
+43 Weinig later deed ons den schijn zien van zeven boomen van goud de
+lange tusschen-ruimte, die nog tusschen hen en ons was;
+
+46 maar wanneer ik zoo nabij hen was gekomen, dat het verkeerd geziene
+voorwerp, dat den zin misleidt, door den afstand geen enkel onderdeel
+kwijt ging;
+
+49 ontwaarde dat vermogen, dat der rede de stoffe toedient, ze zooals ze
+waren: als kandelaren, en in de stemmen van het zingen: „Hozanna.”
+
+52 Van boven vlamde dat schoon gerei veel heller dan maan aan
+wolkenloozen hemel des middernachts in 't midden van haar maand.
+
+55 Ik keerde mij vol verwondering tot den goeden Virgilius, en hij
+antwoordde mij met een aangezicht, niet minder vol van verbazen.
+
+58 Voorts hergaf ik den blik aan die hooge dingen, die zóó traag zich te
+ons-waart bewogen, dat zij zouden verwonnen zijn door jonge bruiden.
+
+61 De Vrouwe kreet tot mij: „Waarom toch brandt gij zóó in begeerte voor
+de levende lichten, en op wat achter hen komt, acht gij niet?”
+
+64 Luiden zag ik toen, als achter hunne gidsen, komen achter hen in het
+wit gekleed; en zulke witheid was er nooit aan deze zijde.
+
+67 Het water was in lichtglans aan mijn linkerkant en hergaf me ook
+mijne linker-zijde, als ik daarin zag, als een spiegel.
+
+70 Wanneer ik zóó dicht bij mijnen oever stond, dat alleen de stroom mij
+[van dat alles] gescheiden maakte, bracht ik, om beter te zien, mijne
+schreden tot stilstand;
+
+73 en ik zag de vlammekens naar voren gaan, latende achter zich de lucht
+gekleurd, en van getrokken penseelen hadden zij den schijn;
+
+76 zóódat (de lucht) er boven bleef geschakeerd met zeven strepen, alle
+in die kleuren, waarvan de zon haren boog maakt en Delia haren gordel.
+
+79 Die vlaggen waren naar achteren grooter dan ik kon zien en naar mijne
+schatting waren er tien schreden tusschen de voorste [en de achterste].
+
+82 Onder zóó schoonen hemel, als ik [vertellende] verdeel, kwamen
+vierentwintig ouderlingen, twee aan twee, bekranst met leliën.
+
+85 Allen zongen: „Gezegend zijt gij onder de dochteren van Adam, en
+gezegend zijn in eeuwigheid uwe schoonheden.”
+
+88 Nadat de bloemen en de andere versche kruiden, tegenover mij op den
+anderen oever, vrij waren van die uitverkoren lieden,
+
+91 zóóals ['t eene] licht het [andere] licht opvolgt in den hemel,
+kwamen achter hen vier dieren, elk bekranst met groen loover.
+
+94 Elk was gevlerkt met zeven vlerken, de vlerken vol met oogen; en de
+oogen van Argus zouden, zoo ze levend waren, aldus zijn geweest.
+
+97 Om hunne gestalte verder te beschrijven kwist ik geene rijmen meer,
+lezer; daar andere uitgave mij zóózeer nijpt dat ik in dezen niet mild
+kan zijn.
+
+100 Maar lees Ezechiël, die ze beschrijft, hoe hij ze zag van den kouden
+kant komen met wind, met wolken en met vuur;
+
+103 en hoedanig gij ze vinden zult in zijne geschriften, zóó waren ze
+daar, behalve dat, voor de vederen, Johannes met mij is en van hem zich
+scheidt.
+
+106 De ruimte tusschen hen gevieren bevatte eenen triumfwagen, op twee
+raderen, die kwam getrokken aan den hals van eenen griffoen.
+
+109 En hij stak den éénen en den anderen vlerk omhoog tusschen de
+middelste en de drie en drie strepen, zoodat hij geene, klievende, kwaad
+deed.
+
+112 Zóó hoog rezen zij, dat zij niet werden gezien; de leden had hij van
+goud, zóó verre hij vogel was, en wit de andere met bloedrood gemengd.
+
+115 Geen denken aan dat Rome met zoo schoonen wagen Scipio Africanus of
+wel Augustus verheugde; maar [zelfs] die van de Zon ware arm bij dezen;
+
+118 die van de Zon, die den weg bijster, werd verbrand, op de bede der
+deemoedige Aarde, wanneer Jupiter in zijnen geheimen raad rechtvaardig
+was.
+
+121 Drie vrouwen rondom het rechter-rad kwamen dansende; de ééne zóó
+rood, dat zij binnen in het vuur nauwelijks ware herkend;
+
+124 de tweede was als of haar vleesch en beenderen van smaragd waren
+gemaakt; de derde scheen sneeuw, zoo even neergekomen.
+
+127 En nu schenen zij door de witte getrokken, dan door de roode, van
+den zang van deze namen de anderen het snelle en het trage gaan.
+
+130 Ter slinker maakten er vier een feest, in purper gekleed, volgende
+de maat van ééne van haar, die drie oogen had in het hoofd.
+
+133 Na de gansche voorzeide groep, zag ik twee ouden, in kleeding
+verscheiden, maar gelijken in gebaren, eerlijk en ernstig.
+
+136 De één toonde zich één der volgelingen van dien grooten Hippocrates,
+dien de natuur maakte voor de wezens, die zij het liefste heeft.
+
+139 De ander toonde de tegengestelde zorg met een zwaard, dat lichtend
+was en scherp, zóódat het mij van den anderen kant der rivier vreeze
+gaf.
+
+142 Voorts zag ik vier in nederigen schijn, en achter allen eenen oude
+alléén komen, slapende, met helder-ziend gelaat.
+
+145 En deze zeven waren gekleed als die van den eersten stoet; maar van
+leliën maakten zij rond om het hoofd geenen tuin;
+
+148 maar van rozen en andere bloedroode bloemen: gezworen hadde, wie ze
+van wat verder zag, dat allen brandden van boven de brauwen.
+
+151 En wanneer de kar was tegenover mij, werd een donder gehoord; en
+dien waardigen luiden scheen het verder gaan ontzeid te zijn,
+
+154 daar zij stille stonden bij de eerste teekenen.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+DERTIGSTE ZANG
+
+
+Zie Beatrice, te midden van de feestelijke toejuichingen en
+eerbetuigingen der Engelen. Virgilius is vertrokken en Dante weent.
+Tot hem wendt zich de goddelijke Vrouwe, en gispt hem hevig over zijne
+vergetelheid en ontrouw. Waardoor de Dichter zoo verbijsterd geraakt,
+dat de Engelen zelf er erbarmen mede betuigen. Beatrice houdt niettemin
+aan en, om hem meer te deemoedigen, ontvouwt zij hem zijne
+ondankbaarheid en zijne dwalingen.
+
+ * * * * *
+
+1 Wanneer het zevengesternte van den eersten Hemel, dat noch ondergang
+ooit kende, noch opgang, noch sluier van eenigen anderen nevel dan
+schuld,
+
+4 en dat dáár een iegelijk indachtig maakte aan zijnen plicht, gelijk
+het lagere [zevengesternte een iegelijk], die de roer-pen draait om in
+de haven te geraken,
+
+7 stille stond, keerde dat waarachtige volk, eerst gekomen tusschen den
+griffoen en dat gesternte, zich tot de kar, als tot zijnen vrede:
+
+10 en één van hen, of hij ware van den hemel gezonden: „kom mijne bruid
+van den Libanon,” zingende, riep hij drie malen, en alle de anderen hem
+nà.
+
+13 Gelijk de zaligen bij den jongsten ban op zullen staan, vlug een
+iegelijk uit zijne holte, het weer aangenomen vleesch op doende rijzen,
+
+16 aldus op den goddelijken wagen, rezen er honderd, „op de stem van zóó
+groot eenen grijsaard,” dienaren en boden des eeuwigen levens.
+
+19 Allen zeiden: „Gezegend, gij die komt;” en bloemen werpende van
+omhoog en in het rond: „Geeft, o geeft met volle handen leliën.”
+
+22 Wel zag ik bij het beginnen van den dag het Oostelijk deel des hemels
+gansch rooskleurig, en den overigen hemel met schoone wolkeloosheid
+gesierd,
+
+25 en het gelaat der zon beschaduwd geboren worden, zóó dat door de
+matiging der dampen het oog haar langen tijd doorstond:
+
+28 aldus, binnen eenen nevel van bloemen, die van de engelen-handen
+oprees en nederviel binnen en buiten [den wagen]
+
+31 met den olijf-krans boven den witten sluier, verscheen mij eene
+vrouw, die, onder den groenen mantel, gekleed was met de verwe van
+levende vlam.
+
+34 En mijn geest,—daar het reeds zóó lang her was, sinds hij in hare
+tegenwoordigheid van verstomming sidderende, was verbroken—
+
+37 zonder door de oogen meer kennisse van haar te krijgen, voelde door
+de verborgen kracht, die van haar uit ging, „het groot vermogen der oude
+liefde.”
+
+40 Zoodra de hooge deugd mij in de oogen trof, die mij had doorschoten
+vóór ik buiten den knapenleeftijd was,
+
+43 draaide ik mij ter slinker, met dat vertrouwen, waarmede het kindje
+tot de moederborst snelt, wanneer het vrees heeft of bedroefd is,
+
+46 om te zeggen tot Virgilius: „Minder dan een wichtjen bloed is mij
+gebleven dat niet siddert: ik herken de teekenen der oude vlam;”
+
+49 maar Virgilius had ons verlaten, zoodat wij van hem verstoken waren,
+Virgilius, die zoetste vader, Virgilius, wien ik mij tot mijn heil had
+overgegeven;
+
+52 en dat alles, wat onze Oude Moeder (Eva) had verloren, vermocht niet
+op mijne wangen, die van tranen vrij waren, zóóveel dat zij niet
+weenende werden verduisterd.
+
+55 „~Dante~, omdat Virgilius weggaat, ween niet meer, ween nog niet,
+daar het om een ander zwaard u voegt te weenen.”
+
+58 Gelijk een admiraal, die op vóór- en achter-steven komt om de lieden
+te zien, die de andere schepen bedienen, en om wèl te handelen hen
+aanmoedigt,
+
+61 zóó zag ik, op den linkerrand der kar, wanneer ik mij keerde op het
+geluid van ~mijnen naam, die noodzakelijkerwijze hier wordt
+opgeteekend~,
+
+64 de Vrouwe, die te voren mij verscheen gesluierd onder den
+engelen-feesttooi, de oogen te mijwaart richten van gene zijde der
+rivier.
+
+67 Ofschoon de sluier, die haar daalde van het hoofd, omkranst met het
+loover van Minerva, haar niet openbaar liet verschijnen,
+
+70 ging zij, koninklijk, in het gebaar nog onmeedoogend, voort, gelijk
+degene, die spreekt, en het warmere spreken nog achterhoudt:
+
+73 „Aanschouw mij wèl: wèl ben, wèl ben ik Beatrice: hoe
+~verwaardigdet~ gij u tot den berg toe te komen? Wist gij niet dat hier
+de mensch gelukkig is?”
+
+76 Mijne oogen vielen omlaag in de heldere bron, maar mij daarin ziende,
+trok ik ze terug tot het gras: zoo groote schaamte bezwaarde mij het
+voorhoofd.
+
+79 Aldus dunkt de moeder trotsch den zoon, gelijk zij mij docht; omdat
+bitter smaakt de strenge moederliefde.
+
+82 Zij zweeg, en de engelen zongen plots: „In U Heer heb ik gehoopt;”
+maar verder dan tot „mijne voeten” kwamen zij niet.
+
+85 Zooals sneeuw te midden der levende balken over den rug van Italië
+bevriest, als zij wordt beademd en genepen door de Slavonische winden,
+
+88 voorts gesmolten in zich zelve druppelt, mèt dat het land, waar de
+mensch zijn schaduw kwijt gaat, blaast, zooals men 't vuur de kaars ziet
+doen smelten;
+
+91 zóó was ik zonder tranen en zuchten vóór het zingen van degenen, die
+altijd maat-houden, volgende de maten der eeuwige sferen.
+
+94 Maar nadat ik had vernomen in hunne zoete maatgeluiden hun erbarmen
+met mij, méér dan zoo ze gezegd hadden: „Vrouwe, waarom hem zóó
+vernederd?”
+
+97 werd de vorst, die me rond het hart was verhard, tot adem en tranen,
+en met doods-weeën kwam ze door mond en oogen uit de borst.
+
+100 Zij, steeds stille op de gezegde zijde des wagens staande, richtte
+voorts hare woorden aldus tot de vrome wezens:
+
+103 „Gij waakt in den eeuwigen dag, zoodat nacht noch slaap u eene
+schrede steelt, welke de eeuw doet op hare wegen;
+
+106 waarom mijn antwoord met meer zorg is, opdat mij versta degene, die
+daar weent, waardoor zijne schuld en de droefenis daarover van ééne mate
+zij.
+
+109 Niet maar door de in-werking der groote raderen, die elk zaad tot
+eenig doel sturen, al naar de starren begeleidsters zijn;
+
+112 maar door mildheid der goddelijke genade, die zóó dichte dampen voor
+hare regens heeft, dat onze blikken hun niet nabij komen,
+
+115 was deze aldús in zijn jonge leven in ~vermogen~, dat alle passende
+gewaad hem wonder wel hadde gestaan.
+
+118 Maar zoo veel slechter en meer verwilderd wordt de bodem door het
+kwade zaad en wanneer hij niet goed is bebouwd, hoe meer eigen goede
+kracht hij heeft.
+
+121 Eenigen tijd hield ik hem òp met mijn gelaat: de jeugdige oogen hem
+vertoonende, leidde ik hem [zoodat hij was] met mij op het goede doel
+gericht.
+
+124 Zoodra ik op den dorpel was van mijn tweeden leeftijd en van leven
+verwisselde, pakte hij zich weg van mij en gaf hij zich aan een ander.
+
+127 Wanneer ik van vleesch tot geest was opgerezen, en schoonheid en
+deugd mij waren gegroeid, was ik hem minder dierbaar en minder gevallig;
+
+130 en hij richtte de schreden langs den niet waren weg, valsche
+schijnbeelden des goeds volgende, die niet gaaf wedergeven wat ze
+beloofden.
+
+133 Noch dat ik voor hem inblazingen wist te winnen van God, vermocht
+mij iet, waarmede ik hem in den droom en op andere wijze terugriep; zóó
+weinig gaf hij er om.
+
+136 Zóó diep viel hij, dat alle middelen tot zijn heil reeds te kort
+schoten, ~behalve hem de verdoemden te doen zien~.
+
+139 Om hèm bezocht ik den ingang der dooden en tot hèm, die hem tot hier
+omhoog heeft geleid, werden mijne gebeden weenende gebracht.
+
+142 Het hooge gebod van God zou worden verbroken, als Lethe werd
+gepasseerd, en zulk een drank werd geproefd zonder eenigen tol van
+berouw, dat tranen plengt.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+EEN EN DERTIGSTE ZANG
+
+
+Beatrice vervolgt hare verwijten aan den Dichter, en noopt hem tot de
+belijdenis van zijne dwalingen. Door zoo groote vernedering voorbereid
+tot het grootste geluk, wordt hij opgenomen door Mathilde en gedopt
+in den stroom der vergetelheid. Dan passeeren hem de vier zedelijke
+Deugden, dansende met den arm boven zijn hoofd, en brengen hem tot voor
+den wagen. Voorts presenteeren hem de drie theologische Deugden aan
+Beatrice en verzoeken haar zich voor haren getrouwe te ontsluieren. De
+sluier wordt afgenomen en de Dichter wordt in verrukking gebracht door
+het Paradijs, dat straalt in de oogen zijner Vrouwe.—
+
+ * * * * *
+
+1 „O gij, die zijt aan gene zijde van den heiligen stroom” (keerende tot
+mij [het zwaard] van haar spreken met de spits, dat ook reeds met de
+snede mij scherp had geschenen),
+
+4 herbegon zij, vervolgende zonder dralen: „Zeg, zeg of dit waar is:
+bij zóó groote beschuldiging past het dat uwe belijdenis gevoegd zij.”
+
+7 Mijne deugd was zóózeer onthutst, dat mijne stem begon en doofde, vóór
+zij uit hare organen was uitgegaan.
+
+10 Een weinig wachtte zij; voorts zeide zij: „Waaraan denkt ge? Antwoord
+mij; daar de droeve heugenissen in u nog niet door het water zijn
+uitgewischt.”
+
+13 Verwarring en vrees onder een gemengd dreven mij zulk een „ja” uit
+den mond, om het welk te verstaan ook de oogen noodig waren.
+
+16 Gelijk een handboog, wanneer die afgaat al te zeer gespannen, zijn
+koord en boog breekt, en met minder vaart de pijl het doelwit treft;
+
+19 zóó borst ik onder dien zwaren last, uit mij latende gaan tranen en
+zuchten, en mijn stem vertraagde op haren weg.
+
+22 Waarop zij tot mij: „Mids de door mij gewekte begeerten, die u
+leidden om het goede te minnen ginds waarvan niets meer valt na te
+streven,
+
+25 welke dwarsgrachten, welke ketenen vondt gij daar, dat de hoop om
+verder te komen u aldus moest worden benomen?
+
+28 En welke gemakken, of welke voordeelen vertoonden zich in het
+voorhoofd der andere [goederen], waarom gij vóór hen uit moest loopen?”
+
+31 Na het ophalen van eenen bitteren zucht, had ik nauwelijks de stem
+die antwoordde, en de lippen vormden haar met moeienis.
+
+34 Weenende zeide ik: „De tegenwoordige zaken met heur valsche behagen,
+keerden mijne schreden, zoodra uw aanblik was schuil gegaan.”
+
+37 En zij: „Zoo gij verzweegt, of ontkendet datgene wat gij belijdt,
+ware uwe schuld niet minder bekend: door zulk eenen rechter wordt die
+geweten.
+
+40 Maar wanneer uit den eigen mond uitgaat de aanklacht van het
+misdrijf, dan keert zich in ons hof het rad tegen de snede.
+
+43 Nochtans, opdat ge meerdere schaamte draagt over uwe dwaling, en
+opdat gij een andermaal wanneer gij de sirenen hoort, sterker zijt,
+
+46 leg af den last die oorzaak is van uw weenen en luister; zóó zult ge
+hooren hoe in tegengestelde richting u moest nopen mijn vleesch, dat
+begraven is.
+
+49 Nooit bood natuur en kunst u behagen zóó groot als de schoone leden
+waarin ik gesloten was, en die, nu ze ontbonden zijn, aarde zijn.
+
+52 En zoo het hoogste behagen u ontging door mijnen dood, welke
+sterfelijke zaak moest u voorts trekken, tot hare begeerte?
+
+55 Toen u het eerst de schichten der begeerte der bedriegelijke zaken
+troffen, hadt ge u moeten opheffen, om mij die niet meer zoodanig was te
+volgen.
+
+58 Gij moest niet meer uwe vleugelen omlaag laten drukken, om meer
+slagen te verwachten, hetzij door een meisje of eenige andere ijdelheid
+met zóó korte bate.
+
+61 Een jeugdig vogelken laat zich twee of drie malen beknippen; maar
+voor de oogen der gevederden spant men vergeefs het net of schiet men
+den pijl.”
+
+64 Gelijk de kinderen van schaamte sprakeloos, met de oogen op den grond
+luisterende staan, hunne schuld inziende en zich berouwende;
+
+67 aldus stond ik. En zij zeide: „Daar gij door het hooren droefenis
+hebt, richt omhoog den baard, en meer droefenis zult ge krijgen door te
+kijken.”
+
+70 Met minder weerbarstigheid ontwortelt zich een krachtige eik, of wel
+voor onzen wind of wel dien van het land van Iärbas,
+
+73 dan ik op haar bevel de kin oprichtte: en daar zij met den baard het
+aangezicht aanduidde, herkende ik wel het venijnige der betichting.
+
+76 En toen mijn aangezicht zich ontspande, ontwaarde mijn oog dat die
+eerste schepselen van hunne besprenkeling hadden afgelaten:
+
+79 en mijne oogen nog weinig gerust, zagen Beatrice ~gericht~ op dat
+wilde dier, dat alléén één persoon is in twee naturen.
+
+82 [Hoewel] onder haren sluier, en ginds van de groene rivier, scheen ze
+mij haar oude zelf meer te overtreffen, dan zij de andere vrouwen hier
+[overtrof], toen zij hier was.
+
+85 Het kruid des berouws stak mij daar zóó, dat van alle andere dingen
+dat, wat mij het meeste toog tot zijne liefde, mij het meest vijandig
+werd.
+
+88 Zulk eene zelfkennis beet mij het hart, dat ik verwonnen viel, en
+hoedanig ik toen werd, zij weet het, die mij er de gelegenheid toe gaf.
+
+91 Voorts, wanneer het hart mij weer de kennis der buiten [wereld]
+hergaf, zag ik de Vrouwe, die ik eenzaam gevonden had, boven mij, en zij
+zeide: „Houd mij, houd mij vast.”
+
+94 Zij had mij in den stroom getogen tot aan de keel, en mij achter haar
+aan trekkende, ging zij henen over het water licht als een weversspoel.
+
+97 Wanneer ik was dicht bij den gelukzaligen oever, werd er „Gij zult
+mij besproeien” zóó zoetelijk gehoord, dat ik het niet weet te
+herinneren, laat staan dat ik het schrijve.
+
+100 De schoone Vrouwe opende de armen, omarmde mij het hoofd, en
+dompelde mij onder, waar het paste dat ik het water inslikte.
+
+103 Voorts hief zij mij op; en gebaad bood zij mij binnen ten dans aan
+de vier schoone (vrouwen), en elke dekte mij met den arm.
+
+106 „Wij zijn hier nimfen en in den hemel zijn wij sterren; voordat
+Beatrice nederdaalde in de wereld, waren wij haar toegewezen tot hare
+dienstmaagden.
+
+109 Wij zullen u tot hare oogen geleiden; maar in het aangename licht,
+dat daarbinnen is, zullen uwe oogen scherpen de drie van ginds, die
+dieper spieden.”
+
+112 Aldus zingende begonnen zij; en voorts tot aan de borst des
+griffoenen leidden zij mij met haar, waar Beatrice te ons-waart stond
+gewend.
+
+115 Zij zeiden: „Maak dat gij de oogen niet spaart; wij hebben u gezet
+voor de smaragden, vanwaar weleer liefde hare wapenen voor u trok.”
+
+118 Duizend begeerten heeter dan vlam drongen mijne oogen tot hare
+weerlichtende oogen, die steeds bleven boven den griffoen bestendig.
+
+121 Gelijk de Zon in den spiegel, niet anders straalde het dubbele
+gedierte daar binnen-in, nu met het ééne, dan met het andere bestier.
+
+124 Denk, lezer, of ik mij verwonderde, wanneer ik het ding in zich
+stille zag staan, en het in zijne beeltenis zich veranderde.
+
+127 Terwijl, vol verbazing en blijde, mijne ziel die spijze proefde,
+welke, verzadigende, doet dorsten;
+
+130 kwamen, in hare gebaren zich toonende van het hemelsche geslacht, de
+andere drie naar voren, dansende naar haren engelen-zang.
+
+133 „Keer, Beatrice, keer de heilige oogen,” zoo was heur zingen: „tot
+uwen getrouwe, die, om u te zien, zóó vele schreden heeft gedaan.
+
+136 Uit genade doe ons de genade hem uw gelaat te onthullen, zóó dat hij
+onderscheide de tweede schoonheid die gij verholen houdt.
+
+139 O glans van eeuwig levend licht, wie is bleek geworden in schaduw
+van den Parnassus, of dronk van zijne bron,
+
+142 die niet zou blijken den geest verduisterd te hebben, beproevende u
+zoodanig weer te geven, als gij verscheent waar de Hemel musiceerende u
+overschaduwt,
+
+145 wanneer gij u in de open lucht onthuldet?
+
+[decoratieve illustratie]
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+TWEE EN DERTIGSTE ZANG
+
+
+Terwijl Dante, vol van begeerte, in verrukking op Beatrice staart, wordt
+hij gemaand door de stem van ééne der theologische deugden. En zie, de
+wagen beweegt zich met de heilige schare en is gekomen tot een zeer
+hoogen en kalen boom, aan welken de griffioen den dissel bindt; waardoor
+de boom weldra met looveren en bloemen zich dekt. Bij een zoet gezang
+slaapt de Dichter in; en wederom gewekt, ziet hij Beatrice zitten tot
+bewaking van den wagen met de zeven vrouwen, en voorts verschillende
+mysterieuse gevallen, die met boom en wagen gebeuren.
+
+ * * * * *
+
+1 Zóózeer waren mijne oogen gevest en gericht om te verslaan den
+tienjarigen dorst, dat mijne andere zinnen gansch gedoofd waren:
+
+4 en die [oogen] hadden aan deze en gene zijde [als] wanden van
+onverschilligheid, zóó zeer trok het heilige glimlachen ze in het oude
+net:
+
+7 wanneer met kracht mijn gezicht ter slinker werd gericht door die
+godinnen, omdat ik door haar hoorde een: „al te vast.”
+
+10 En die [on]geschiktheid tot zien die in de oogen is, zooeven door de
+zon getroffen, deed mij eenigen tijd zijn zonder gezicht;
+
+13 maar sinds het gezicht zich had herschapen tot het weinige (ik zeg
+„tot het weinige” met opzicht tot het vele zinnelijke, waarvan ik mij
+met geweld had losgemaakt),
+
+16 zag ik de glorieuse heerschare op den rechterarm gezwenkt, en zich
+keeren met de zon en de zeven vlammen in het aangezicht.
+
+19 Gelijk om zich te bergen eene schare zich omwendt onder de schilden,
+en met het vaandel zwenkt, voor dat zij ganschelijk zich in zich kan
+keeren;
+
+22 zóó passeerden ons die strijd-machten des Hemelschen Koninkrijks,
+vóór de Kar den disselboom omkeerde.
+
+25 Voorts keerden de vrouwen zich tot de raderen, en de griffoen bewoog
+den gebenedijden last zóó, dat daarom toch geen zijner vederen bewoog.
+
+28 De schoone vrouwe, die mij tot het veer had getogen en Statius en ik,
+wij volgden het rad, dat de bocht maakte met den kleinsten boog.
+
+31 Aldus passeerende door dat woud, dat ledig is door de schuld van haar
+die de slang geloofde, matigde eene engelsche muziek onze schreden.
+
+34 Wellicht in drie vluchten nam-in zóó groote ruimte afgeschoten pijl,
+als wij verder gegaan waren, wanneer Beatrice afstapte.
+
+37 Ik hoorde mompelen door allen: „Adam!” Voorts omkringden zij eenen
+boom, die ontdaan was van bloemen en alle loover op elken tak.
+
+40 Zijn getakte, dat zooveel zich verbreedt naarmate het hooger komt,
+zoude [zelfs] door de Indiërs in hunne bosschen om zijn hoogte zijn
+bewonderd.
+
+43 „Gelukkig zijt gij, griffoen, die met den bek niets afscheert van dat
+hout, dat den smaak zoet is, omdat de buik daarna kwalijk wordt
+gefolterd.”
+
+46 Aldus rondom den krachtigen boom riepen de anderen, en het dier, dat
+twee maal werd geboren: „Aldus wordt bewaard het zaad van alle recht.”
+
+49 En gekeerd naar den dissel, dien hij had getrokken, trok hij hem tot
+den voet van den verweeuwden boom; en dien [dissel] die van hem was,
+liet hij aan hem gebonden.
+
+52 Gelijk onze planten, wanneer het groote licht omlaag-valt gemengd met
+dat hetwelk straalt achter den hemelschen riet-voorn;
+
+55 zwellen en voorts elke zich met zijne kleur hernieuwt, voor dat de
+~Zon~ hare renners aanspant onder een ander gesternte;
+
+58 eene kleur openbarende, minder dan van rozen en meer dan van violen,
+vernieuwde zich die boom, die te voren het getakte zóó vereenzaamd had.
+
+61 Ik verstond het niet, noch wordt het hier beneden gezongen, het
+loflied dat die luiden zongen, noch ook verdroeg ik den galm
+gansch-en-al.
+
+64 Zoo ik konde wedergeven hoe in slaap geraakten de meedoogenlooze
+oogen, daar zij hoorden van Syrinx, de oogen, welken het zoo duur kwam
+te staan dat ze wakkerder waren dan andere,
+
+67 dàn zoude ik, als schilder die schildert náár het model, afteekenen
+hoe ik insluimerde; maar wie maar wil, die zij het die het insluimeren
+zich verbeelde.
+
+70 Daarom spring ik over tot wanneer ik wakker wierd, en zeg ik dat een
+lichtgloed mij open-reet den sluier des slapens, en een roepen: „Sta op,
+wat doet gij?”
+
+73 Gelijk tot het zien van de bloesemen des appelbooms, die de engelen
+naar zijne vracht gulzig, en eeuwig durende bruiloft in den hemel maakt,
+
+76 Petrus en Jacobus en Johannes geleid waren en zij [eerst] overweldigd
+zijnde terugkeerden tot [het hooren van] het woord, door hetwelk ook
+diepere slaap werd gebroken;
+
+79 en zij het gezelschap gedund zagen, zoowel van Mozes als van Elias,
+en van hunnen Meester het gewaad verwisseld;
+
+82 aldus keerde ik weder [tot mijn bewustzijn] en zag ik die Pia boven
+mij staan, die geleidster was geweest van mijne schreden langs den
+stroom te voren:
+
+85 en gansch in twijfel zeide ik: „Waar is Beatrice?” en zij: „Zie haar
+onder het nieuwe loover zitten op den wortel.
+
+88 Zie het gezelschap, dat haar omgeeft; de anderen, achter den
+griffoen, gaan henen omhoog, met zoeteren en dieperen zang.”
+
+91 En of haar verder spreken meer verward was, ik weet het niet, omdat
+reeds mij in de oogen was zij, die voor ander ontwaren mij had gesloten.
+
+94 Alleenig zat zij op de ware aarde, als hoedster daar gelaten van den
+wagen, dien ik zag binden door het tweestaltig dier.
+
+97 In cirkel rondom haar maakten eene heining van zich zelven de zeven
+nimfen met die lichten in de hand, die ònontrust zijn door Noord- en
+Zuid-wind.
+
+100 „Hier zult gij korten tijd vreemdeling zijn en gij zult met mij
+zonder einde burger zijn van dat Rome, waarvan Christus is Romein;
+
+103 daarom voor het wel van de wereld, die kwalijk leeft, houd nu tot de
+kar de oogen, en wat gij ziet, maak ginds gekeerd, dat gij het
+schrijvet.”
+
+106 Aldus Beatrice; en ik, die gansch en al aan de voeten van hare
+bevelen mijne toewijding toonde, richtte geest en oogen waarheen zij
+wilde.
+
+109 Nooit daalde met zóó vlugge beweging vuur uit dikke wolk, wanneer
+het regent van die streek, die het meest verwijderd is,
+
+112 als ik den vogel van Jupiter zag dalen tot den boom omlaag,
+afbrekende [gedeelten] van de schors, laat staan van de bloesemen en
+nieuwe bladeren.
+
+115 En hij sloeg den wagen uit alle macht, waardoor deze neeg, als een
+schip in nood, door de golven overwonnen, dan naar stuur- dan naar
+bak-boord.
+
+118 Voorts zag ik zich wagen in den bak des triumphantelijken voertuigen
+eene wolvin, die nuchter scheen van alle goede voedsel.
+
+121 Maar haar berispend wegens leelijke schuld, deed mijne Vrouwe haar
+zich keeren in zoo groote vlucht, als maar gedoogden de beenderen zonder
+merg.
+
+124 Voorts, van waar hij was te voren gekomen, zag ik den adelaar
+nederdalen in de ark des wagens, en haar laten vol met zijne vederen.
+
+127 En, hoedanig eene stemme uit een hart, dat in droefenis is, zoodanig
+eene ging uit van den Hemel, en deze zeide aldus: „O mijn schepelijn,
+hoe kwalijk zijt gij bevracht!”
+
+130 Voorts scheen mij dat de aarde zich opende tusschen beide de wielen,
+en ik zag er uit komen een draak, die door de kar, naar boven, den
+staart stak:
+
+133 en, gelijk eene wesp, die den angel terug-trekt, tot zich trekkende
+den kwaadaardigen staart, trok hij dien uit den bodem, en ging weg
+dit-heen en dat-heen [zich kronkelende].
+
+136 Dat wat overbleef [van den wagen] werd, gelijk met hondsgras
+vruchtbare aarde, zóó met pluimaadje geboden wellicht met bedoeling
+kuisch en welwillend,
+
+139 bedekt, en er mede was overdekt en het ééne en het andre rad en de
+dissel, in zoo weinig tijd, dat meer tijd de geopende mond eenen zucht
+inhoudt.
+
+142 Aldus herschapen schoot het heilige gebouw hoofden naar buiten uit
+zijne deelen, drie op den dissel en één op elken hoek.
+
+145 De eerste waren gehoornd als [die van] runderen, maar de vier
+[andere] hadden één éénigen hoorn op het voorhoofd. Dusdanig monster was
+nog nooit gezien.
+
+148 Vreesloos als burcht op hoogen berg, zag ik boven op hem zitten eene
+hoer met losse kleederen, met de blikken rondom loenschend.
+
+151 En, als het ware, opdat zij hem niet werd ontnomen, zag ik haar ter
+zijde eenen Reus, en zij kusten elkander meerdere malen.
+
+154 Maar omdat zij het begeerig en zwervend oog naar mij keerde,
+geeselde die woeste boel haar van het hoofd tot de voetzolen.
+
+157 Voorts, vol van argwaan en rauw van toorn, ontbond hij het monster
+[kar en al] en trok het door het woud zóóverre, dat hij alleen al van
+dat [woud] een schut voor mij maakte tegen de Hoer en dat nieuwe
+gedierte.
+
+[decoratieve illustratie]
+
+
+
+
+DRIE EN DERTIGSTE ZANG
+
+
+Beatrice verkondigt den Dichter in duistere woorden een naderenden
+wreker der ontheiligde Kerk van Christus en hersteller des Rijks. Zij
+gebiedt hem om, wanneer hij onder de levenden teruggekeerd zal zijn,
+dat te vertellen wat hij gezien heeft rondom den Mystischen Boom; en na
+andere besprekingen doet zij hem doopen door Mathilde in de wateren van
+Eunoë, waarin ook Statius zich baadt. Aldus herboren door het heilige
+bad, voelt hij zich gansch geschikt tot de reis door den hemel.
+
+ * * * * *
+
+1 „God, de volkeren zijn gekomen,” aldus elkaar afwisselende, dan drie
+dan vier, begonnen de vrouwen weenende een zoeten zang;
+
+4 en Beatrice zuchtende en vol erbarmen, hoorde derwijze naar ze, dat
+maar weinig meer [van kleur] verschoot Maria bij het kruis.
+
+7 Maar nadat de andere maagden haar de beurt lieten om te spreken, hief
+zij zich recht op de voeten en antwoordde gekleurd als vuur:
+
+10 „Een korte wijle, en gij zult mij niet zien, en andermaal, mijne
+beminde zusteren, eene korte wijle en gij zult mij zien.”
+
+13 Voorts stelde zij ze alle zeven vóór zich; en slechts door een
+teeken, deed zij achter zich gaan mij en de Vrouwe en den Wijze, die
+gebleven was.
+
+16 Aldus ging zij henen en ik geloof niet dat nog de tiende schrede van
+haar op den grond was gezet, wanneer zij met de oogen mij de oogen trof;
+
+19 en met rustigen aanblik: „Kom schiedijker,” zeide zij tot mij:
+„zóódat, als ik met u spreke, gij wèl geschikt zijt om mij aan te
+hooren.”
+
+22 Mèt dat ik, zooals ik moest, gelijk met haar was, zeide zij tot mij:
+„Broeder, waarom waagt gij het niet eenige vraag te doen nu gij met mij
+mede komt?”
+
+25 Gelijk degenen, die al te vol eerbiedenis zijn sprekende vóór hunne
+meerderen, dat zij niet de stem levend tot de tanden trekken,
+
+28 zóó gebeurde het mij, dat ik zonder volkomen geluid begon: „Vrouwe
+mijn, mijne nooddruft kent gij en dat wat haar goed is.”
+
+31 En zij tot mij: „Van vreeze en van schaamte wil ik dat gij alsnu u
+ontpopt, zóó dat gij niet meer spreekt als mensch, die droomt.
+
+34 Weet dat het vat dat de slang heeft gebroken, ~wàs~ en niet ~is~;
+maar wie er de schuld van heeft, hij geloove dat de wrake van God geen
+ontkomen vreest.
+
+37 Niet zal ten allen tijde zonder erfgenaam zijn de adelaar, die de
+vederen aan den wagen liet, waardoor die werd eene wangestalte en voorts
+een buit;
+
+40 daar ik met zekerheid, (en daarom ook vertel ik het) reeds een
+gesternte nader zie komen, bestemd om ons te geven een tijd gevrijwaard
+voor elken tegenstand en elken hinderpaal,
+
+43 waarin een aanvoerder, gezonden door God, de Verworpene zal dooden,
+en genen Reus, die met haar zich vergreep.
+
+46 En wellicht dat mijn duister verhaal, als van Themis en Sfinx, u
+luttel overtuigt, daar het naar hare wijze het verstand benevelt;
+
+49 maar weldra komen de feiten, de Najaden, die dat zware raadsel zullen
+oplossen, zonder schade voor vee en graan.
+
+52 Gij, let wel; en zóó als deze woorden van mij tot u worden gedragen,
+aldus onderwijs ze aan de levenden van dàt leven, dat is een snellen tot
+den dood;
+
+55 en houd in gedachten, wanneer gij ze schrijft, niet te verhelen
+hoedanig gij zaagt de plant, die hier nu twee malen ontlooverd is.
+
+58 Alwie haar ontloovert of haar plukt met schendende daad, vergrijpt
+zich aan God, die de plant alleen heilig schiep tot 's menschen gebruik.
+
+61 Omdat zij daarin beet, heeft de eerste ziel vijfduizend en meer jaren
+in pijn en verlangen begeerd Dengene, die den beet in zich zelven
+bestrafte.
+
+64 Uw verstand slaapt, zoo het meent dat zij niet door bijzondere
+oorzaak zoo hoog gerezen is en zóó averechtsch van vorm in de kruin.
+
+67 En zoo niet, als wateren van den Elsa, te ijdele gedachten waren
+geweest rond uwen geest, en heur geneugt [als] een Piramus voor den
+moerbeiboom;
+
+70 dan zoudet door zóóvele omstandigheden alléén de rechtvaardigheid van
+God in het verbod gij als zedeles aan den boom hebben leeren kennen.
+
+73 Maar daar ik u zie in uw verstand gemaakt van steen en in het
+versteende gedoopt, zóó dat het u het licht van mijn woorden
+verduistert;
+
+76 wil ik ook, en zoo niet geschreven, dan toch afgemaald, dat gij het
+binnen in u draagt tot dat [einde] waartoe men draagt den staf met palm
+omkranst.”
+
+79 En ik: „Zooals was door den stempel, dat den ingedrukten vorm niet
+verandert, zóó is alsnu door u mijn brein gestempeld.
+
+82 Maar waarom vliegt zóó verre boven mijn gezicht uwe begeerde rede,
+dat het die te meer verliest als het meer zich inspant?”
+
+85 „Opdat gij kennet,” zeide zij: „die leerschool, die gij hebt gevolgd,
+en [opdat] gij inziet hoe [weinig] haar leer mijne rede kan volgen;
+
+88 en [opdat] gij ziet dat uw weg van den goddelijken zóóverre afwijkt
+als van de aarde die hemel afwijkt, die het hoogst voortsnelt.”
+
+91 Waarop ik haar antwoordde: „Ik herinner mij niet dat ik mij ooit
+vervreemdde van ulieden, noch heb ik er bewustzijn van, dat mij bijt.”
+
+94 „En zóó gij het u niet herinneren kunt,” antwoordde zij glimlachend:
+„dan herinner u hoe gij nog heden van Lethe hebt gedronken:
+
+97 en zoo door den rook het vuur wordt bewezen, dan bewijst die
+vergetelheid duidelijk schuld in uwen wil, die elders heen gericht was.”
+
+100 Warelijk zullen alsnu mijne woorden naakt zijn, zooverre het voegen
+zal die te onthullen aan uw nog onontbolsterd gezicht.”
+
+103 En meer schitterend, en met tragere schreden, hield de zon den
+middagcirkel, die daar en ginds, al naar de gezichtspunten, wordt
+gemaakt;
+
+106 wanneer stille-hielden, gelijk stille-houdt, hij die tot escorte
+vóórgaat aan eenen legertrein, zoo hij iets nieuws op zijne schreden
+vindt,
+
+109 de zeven vrouwen, aan de grens van een bleeke schaduw, hoedanig eene
+onder groene bladeren en zwarte takken op hunne koude beken de Alpen
+dragen.
+
+112 Voor haar scheen ik me den Euphraat en den Tigris uit ééne bron te
+zien uitgaan, en als vrienden noode van elkaar te gaan.
+
+115 „O licht, o roem des menschelijken geslachts, welk water is dit, dat
+hier uit één beginsel zich verdeelt, en zich van zich verwijdert?”
+
+118 Op zulke bede werd mij gezegd: „Bid Mathilde dat zij het u zegge.”
+En hier antwoordde, als degene doet, die zich kwijt van een schuld,
+
+121 de schoone vrouwe: „Dit en andere dingen zijn hem door mij gezegd:
+en ik ben gewis dat het water van Lethe het hem niet heeft verborgen.”
+
+124 En Beatrice: „Wellicht grootere zorge, die dikmaals de heugenis
+berooft, heeft zijnen geest in zijne oogen duister gemaakt.
+
+127 Maar zie Eunoë, die daar ontspringt: leid hem daarheen en gelijk gij
+gewoon zijt, herlevendig hem de halfgestorven vermogens.”
+
+130 Gelijk eene edele ziele, die zich niet verschoont, maar haren wil
+maakt van eens anders wil, zoodra deze door een teeken is kenbaar
+gemaakt,
+
+133 aldus, nadat ik door haar was medegenomen, maakte de schoone vrouwe
+zich op, en tot Statius zeide zij naar edeler vrouwe-wijze: „Kom met
+hem.”
+
+136 Zoo ik hadde, lezer, meerdere ruimte tot schrijven, zoude ik in
+onderdeelen zingen van het zoete drinken, dat mij nooit zoude hebben
+verzadigd:
+
+139 maar omdat volle zijn alle de bladen die toegedeeld zijn tot dit
+tweede gedicht, laat mij de teugel der kunst niet verder gaan.
+
+142 Ik keerde van die heiligste wateren, herschapen aldus, als jonge
+planten weer getooid met jeugdige looveren,
+
+145 gelouterd en bekwaam tot stijgen tot de sterren.
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+EERSTE ZANG
+
+8 Calliope, muze van het heldendicht.
+
+11 Eksteren, dochters van Pieros, koning van Thessalië, hadden de Muzen
+uitgedaagd tot een wedstrijd, waarin ze overwonnen werden en veranderd
+in Eksters.
+
+15 Kring, horizon.
+
+19 troosten, in de oud-Holl. beteekenis van aanmoedigen tot.
+
+21 De zon staat nu in den Ram. Dit beeld volgt op de Visschen, waarin
+zich nu de schoone planeet, Venus, bevindt, die het met haar licht
+verduistert.
+
+75 licht, glanzend.
+
+79 _Marcia_, in hare jeugd de vrouw van Cato geworden, werd door hem
+aan Hortensius afgestaan om dezen, zooals ook gebeurde, kinderen te
+schenken, doch na H.'s dood weder—op haar verzoek—door Cato tot vrouw
+aangenomen. Zie het verhaal van Marcia's terugkeer bij Lucanus II 326.
+In Dante's Convito IV. 28 wordt die terugkeer geallegoriseerd: Marcia
+verbeeldt dan de Edele Ziel, die na de plichten des levens vervuld te
+hebben, tot Cato, (die hier God verbeeldt) terugkeert.
+
+95 glad takjen, symbool van eenvoud en geduld. Zie den Eersten Zendbrief
+van Petrus, hoofdstuk 2.
+
+
+TWEEDE ZANG
+
+1 Volgens deze voorstelling ligt Jerusalem op het middelpunt van
+het bewoonde halfrond (zie Hel XXXIV). Wanneer men zich dus vier
+hoofdmeridianen denkt, alle negentig graden van elkander afliggende,
+loopt één over Sevilla, één over den Louteringsberg, één over den
+Ganges. Wanneer (zooals hier) de Zon voor het gindsche halfrond opgaat,
+begint voor ons de nacht, opkomende van den Ganges.
+
+6 wanneer zij winnende is, d.w.z. wanneer de nacht langer wordt dan de
+dag.
+
+56 De Steenbok is 90° verwijderd van den Ram. Wanneer dus de Zon in den
+Ram staat, staat de Steenbok bij Zonsopgang in het midden des hemels.
+
+70 bode, die het olijf-loof draagt = vredesgezant.
+
+98 _Sedert drie maanden_, d.i. sedert het begin van het Jubel-jaar 1300.
+
+112 „Liefde” enz. _Amor che nella mente mi ragiona_, aldus begint de
+tweede Canzone van Dante's Convito, door Casella op muziek gezet.
+
+
+DERDE ZANG
+
+27 Van Virgilius, die te Brindisi gestorven is, bestaat het graf te
+Napels.
+
+37 Met het _Quia_ wordt bedoeld de wetenschap _a posteriori_, d.i. die
+welke van de uitwerkselen tot de oorzaken opklimt, in tegenstelling met
+het _Propter quod_, of de wetenschap _a priori_, wanneer men van de
+oorzaken afdaalt tot de uitwerkselen.
+
+40 _menigeen_, namelijk de wijzen der Oudheid, die Virgilius in den
+Limbus zag, zie Hel IV. „_daar zij zonder hoop leven in begeerte_.”
+_Want_, nl. indien de mensch de _oorzaken_ der dingen konde bevroeden.
+
+52 Men lette op dat hier voor het eerst de Heiden Virgilius geen raad
+weet te schaffen, maar de Christen Dante het middel vindt om den weg te
+weten te komen.
+
+85 _kop_ of voorhoede.
+
+100 komt bij ons in onzen drom, dan gaan wij samen voort.
+
+112 Manfred, zoon van Keizer Frederik II, was Koning van Napels geweest,
+had altijd als vijand van de Kerk geleefd en sneuvelde, door den Paus
+in den ban gedaan, in den slag bij Benevento 1266. Hier streed hij
+tegen Karel van Anjou, die door Paus Clemens IV ondersteund werd. Anjou
+weigerde hem een eerlijke begrafenis; Anjou's soldaten echter droegen
+elk een steen aan (vandaar 129 „_de zware zerk_”) voor zijn graf-teeken
+aan de brug van Benevento. Ook dit werd hem misgund en de aartsbisschop
+van Cosenza, [124], liet op last van Paus Clemens het lijk overbrengen
+naar eene plaats op de grens van Abruzzo aan den Verde, gelegen buiten
+het Koninkrijk Napels. Dit gebeurde, omdat de doode in den ban gestorven
+was, met gedoofde lichten.
+
+135 _zóólang de hoop nog iets_, zoolang men nog leeft.
+
+
+VIERDE ZANG
+
+6 _ontstoken wordt_, nml. bij de geboorte.
+
+16 De zon, die immers 15 graden in het uur aflegt, wijst dus aan dat het
+op dezen Paasch-Zondag ongeveer kwart over negen in den morgen is.
+
+34 De berg heeft iets dat men een voetstuk zou kunnen noemen. Deze
+eerste opgang leidt tot de vlakte bovenop het voetstuk rondom den berg.
+D. noemt het dus den bovensten rand in tegenstelling met den ondersten
+rand, die onder aan het voetstuk is.
+
+40 _top_, van den geheelen berg.
+
+42 de helling is dus 45°.
+
+60 In het teeken van C. en P., de Tweelingen, komt de zon na 21 Mei; dan
+staat de zon nog veel noordelijker.
+
+62 _Spiegel_: de _Zon_, die Gods liefde afspiegelt.
+
+63 _boven en beneden_, in dit en het ander halfrond.
+
+73 d.i. dat de zon den berg der Loutering links [zuidelijk], maar den
+berg Sion rechts [noordelijk] heeft.
+
+123 _Belacqua_, kunstig luitenmaker en door de Muziek met Dante
+bevriend.
+
+136 Het is dus nu de Middag van den Paasch-Zondag. Wanneer het middag is
+voor den Louteringsberg is het morgen aan den Ganges, en wordt het avond
+in Marocco, het Westen van het Noordelijk Halfrond.
+
+
+VIJFDE ZANG
+
+37 _Ontstoken wasems_, vallende sterren.
+
+55 _vergevende_, nl. dengenen die ons doodden.
+
+67 Degene, die hier spreekt is Jacob del Cassero, burger van Fano (Fanum
+Fortunae) gelegen aan de Adr. Zee bij Ancona in den Kerk. Staat.
+
+69 _Tusschen Romagna en het land van Karel_, d.i. het Koninkrijk Napels.
+Jacob del Cassero, burger van Fano, die hier spreekt, werd op weg
+zijnde om te Milaan het Ambt van Podesta te aanvaarden, bij Oriaco in
+het Paduaansche vermoord op last van Azzo III van Este, dien hij tegen
+zich verbitterd had vooral door hem zijn afval van de Ghibellijnen te
+verwijten.
+
+74 dit is volgens de leer dergenen, die zeggen dat de ziel in het _bloed
+huist_.
+
+75 _Antenoren_, de Paduanen, naar hun stamvader Antenor.
+
+88 _Buonconte_, zoon van Guido van _Montefeltro_, (zie Hel XXVII) viel
+in den slag van Campaldino, waar Dante ook meestreed, meermalen in de
+hel genoemd.
+
+97 De Archiano mondt uit in den Arno.
+
+116 _Pratomagno_ is een plaats die Valdarno van Casentino scheidt; de
+_groote bergrug_ is de Appennijnen.
+
+121 de _Konings-stroom_: de Arno in vergelijking met de andere stroomen.
+
+129 _buit_, al wat een rivier meevoert.
+
+133 Pia Guastellano, door haren man onder voorwendsel van verdenking van
+echtbreuk weggevoerd naar de streek Maremma, bekend om haar doodelijke
+luchtgesteldheid, en daar eenen langzamen dood prijsgegeven.
+
+
+ZESDE ZANG
+
+22 _Pieter dalla Broccia_, van geringe afkomst, heelmeester van Lodewijk
+den Heilige, en onder Philips den Stoute tot hoog aanzien aan het
+Fransche Hof gestegen, was gehaat bij diens tweede vrouw, Maria van
+Brabant; hij werd op haar bloot vermoeden van haar zoon vergiftigd te
+hebben, ter dood gebracht.
+
+30 _ergens in uw geschrift_, nl. Aen. VI, waar de Sibylle tot Palinurus
+die bidt medegenomen te worden over de Styx, antwoordt (v. 376): „Houd
+op te hopen dat door gebeden de lotsbeschikkingen der goden worden
+veranderd.”
+
+74 _Sordello_, van de Mantuaansche familie der Visconti, beroemd
+minnezanger in de Provençaalsche taal. Wat zijne hooghartigheid betreft,
+wachte men af wat in Zang X en XI over aardschen roem gezegd wordt.
+
+88 Justinianus, die Italië bevrijd had van de Gothen door Belisarius en
+Narses, gaf het wetten, naar hem genoemd. Italië had zich moeten laten
+regeeren naar het woord „Geef aan Caesar wat Caesar's is”, maar bij
+gebrek aan ruiter sloeg het zelf de hand aan den halster.
+
+97 Albrecht van Habsburg in 1299 tot Keizer gekozen, maar wilde nooit
+naar Italië komen.
+
+106 Alle vier Ghibellijnsche families, de eerste twee van Verona, de
+tweede twee van Orvieto. De Ghibellijnen, om des Keizers zaak geprangd,
+werden door hem veronachtzaamd.
+
+111 _hoe veilig_, ironie. S. is een leengoed des keizers in de Maremma,
+maar geheel door hem veronachtzaamd.
+
+126 _Marcellus_, waarschijnlijk de tegenstander van Caesar, bij Lucanus
+genoemd I, 312: „Marcellusque loquax.”
+
+127 Ironie.
+
+133 _den algemeenen last_, de overheids-ambten.
+
+
+ZEVENDE ZANG
+
+15 _vastgrijpt_, d.w.z. om de knieën.
+
+25 _de hooge Zon_, God.
+
+33 _bevrijd_, nl. door den doop.
+
+34 _de heilige deugden_: geloof, hoop en liefde.
+
+49 Zou het ongegrond zijn om deze vraag aan Dante zelven toe te kennen?
+
+70 _Tusschen_, ik heb hier opzettelijk het dubbelzinnige van het
+origineel behouden, dat verklaard kan worden: tusschen den _steilen_ en
+den _vlakken_ bergrand, en: „half steil, half vlak” dus „glooiend”.
+
+85 _Zon_, hier als het licht der genade.
+
+94 _Rudolf_ van Habsburg, vader van Albrecht (zie den vorigen zang 97)
+wien D. hetzelfde verwijt.
+
+100 Waarschijnlijk wordt Rudolf door den aanblik van Ottocar, koning van
+Bohemen, getroost, omdat hij tegen dezen zijn plicht heeft gedaan.
+
+103 _En die met den kleinen neus_, Philips III van Frankrijk.
+
+104 met het _goedwillig_ uitzicht is Hendrik III van Navarre.
+
+105 _vluchtend_, in den oorlog tegen Peter III van Arragon.
+
+107 _den andere_, d.i. Hendrik III, zie 104.
+
+113 de Vorst, _van den mannelijken neus_ en vs. 124 met _den grooten
+neus_ genoemd, is Karel van Anjou, koning van Sicilië.
+
+114 het gorden van het kleed beschouwd als bewijs van zorgvuldigheid.
+
+127 vergelijking van de drie vorsten, waarvan de eerste de minste en de
+derde de beste is.
+
+131 Hendrik III.
+
+133 Den _laagsten_ rang onder deze keizers en koningen neemt Willem in,
+de Markgraaf van Monferrat, die listig door die van Alessandrië gedood
+is.
+
+
+ACHTSTE ZANG
+
+13 _Te lucis ante_, begin-woorden van het avondgezang waarin gebeden
+wordt tegen nachtelijke schrikbeelden en verzoekingen.
+
+52 Nino, van het geslacht der Visconti van Pisa, zusterszoon van Ugolino
+(Hel XXXIII) aan wiens misdaden Dante had gedacht dat hij ook schuldig
+was. Zijne vrouw, de moeder van zijne Johanna (vs. 71), was hertrouwd
+(vs. 73) met Galeazzo Visconti, wiens geslacht een slang in het
+wapenschild voerde, terwijl het wapen van Nino een haan droeg.
+
+90 Deze drie heldere sterren zijn Hoop, Geloof en Liefde, de drie
+geestelijke deugden; vgl. de vier sterren in het eerste boek: de
+Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Ingetogenheid en Dapperheid.
+
+97 Zie den vorigen zang vs. 72.
+
+112 De lamp der _genade_ moet geholpen worden door den vrijen wil van
+den begenadigde.
+
+114 bergvlakte, het aardsche paradijs op den top van den Louteringsberg.
+
+118 Currado Malaspina, neef van dien Malaspina, die Dante zeven jaar
+later (zie vs. 134) gastvrij heeft opgenomen, wiens mildheid hij dus
+door daden, niet door woorden van anderen, zou ondervinden.
+
+129 _beurs en zwaard_, mildheid en heerschappij.
+
+131 _het slechte hoofd_, de Paus.
+
+133 d. w. z. eer zeven jaar verloopen zijn.
+
+
+NEGENDE ZANG
+
+1 Waarschijnlijk moet men onder „de bijzit van Tithonus” niet Aurora,
+die zijne echtgenoote is, maar die schemering verstaan, die het opgaan
+van de Maan vóórafgaat; de maan immers kwam tegen negen uur op (zie
+vs. 7, waar men de schreden als uren moet opvatten) en stond in den
+Scorpioen, „dat kille dier”, vs. 5.
+
+4 _edelgesteenten_, sterren.
+
+12 _alle vijf_, zie den vorigen _zang_: dit waren Sordello, Nino,
+Currado, Virgilius en Dante.
+
+30 _tot aan het vuur_ n.l. de sfeer des vuurs, gelegen boven den
+dampkring en onder de sfeer of hemel-kring der maan, tot welke de
+Louteringsberg met zijn top reikt.
+
+55 _Lucia_, ook genoemd Hel II, evenals hier verpersoonlijking der
+_Genade_.
+
+94 De eerste trede is de belijdenis der zonden, de tweede de vernedering
+des harten, de derde de liefde tot God.
+
+97 _paers_, bedoeld is een kleur samengesteld uit purper en zwart,
+waarin het zwart den boventoon houdt.
+
+112 _Zeven P's_ (peccata of peccair), de zeven hoofdzonden. De zeven P's
+geven tegelijk de 7 afdeelingen aan, waarin het eigenlijke _Vagevuur_ en
+evenzoo het Gedicht tot aan het einde van Boek XXVII is ingedeeld.
+
+115 Het kleed des engels is gelijk aan dat des Priesters, die de
+absolutie verleent.
+
+118 De gouden sleutel is symbool van de den priester toegekende
+bevoegdheid tot het geven van absolutie; de zilveren dat van zijn gave
+des onderzoeks (scientia discernendi).
+
+133 Het geluid dat de poort bij het opengaan maakte, herinnert Dante aan
+het oogenblik dat op last van Caesar de bewaarplaats van de Romeinsche
+schatkist, die door Metellus verdedigd was, geforceerd werd. Lucanus
+III, 155 beschrijft het aldus: Toen dreunde de Tarpejische rots; en de
+zware dreun getuigde dat de vleugel-deuren waren ontgrendeld.
+
+
+TIENDE ZANG
+
+8 Hier is sprake van een door de rots kronkelend pad, niet van een
+bewegende rots.
+
+15 Het is de vijfde dag na volle maan, dus de maan komt met haar donkere
+helft aan de kim ongeveer 4 uren na zonsopgang.
+
+55 Dit beeldwerk voor wat beschreven is II Samuel, cap. 6.
+
+57 Immers Uza „strekte zijn hand uit naar de arke Gods, en hield ze want
+de runderen struikelden. Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Uza, en
+God sloeg hem aldaar bij de arke Gods.” Waarschijnlijk bevatten Dante's
+woorden eene toespelling op de niet inachtgenomen verdeeling van
+geestelijke en wereldlijke macht tusschen Paus en Keizer.
+
+66 Immers Daeid antwoordde tot Michol, die hem berispte: „Ook zal ik mij
+nog geringer houden dan alzoo, en zal nederig zijn in mijne oogen” enz.
+
+73 De Heilige Gregorius, bewogen door den deemoed van Trajanus bij deze
+gelegenheid betoond, verkreeg diens verlossing uit de Hel door zijn
+gebed.
+
+100 _fluisterde_, ook Virgilius wordt door deze tafereelen tot ontzag
+gestemd, zoodat hij slechts fluisterend durft spreken.
+
+123 ruggewaartsche schreden, zijn de schreden die in zonde gezet worden,
+maar in het geval van hoovaardigheid gedaan met zelfvertrouwen.
+
+
+ELFDE ZANG
+
+1 _niet daartoe_, God is niet beperkt tot den hemel, maar woont daar
+wegens de grootere liefde, die Hij voor den hemel heeft, daar die
+behoort tot Gods _eerste_ werken.
+
+30 Nl. van den Louteringsberg.
+
+33 _degenen_, die menschen op aarde die de goddelijke genade deelachtig
+zijn.
+
+35 _hen helpen te wasschen de merken_, het bidden der bovengenoemde
+begenadigden, moet meehelpen om van de zielen af te wasschen de merken
+der zonden, die zij hier droegen en waarmee zij in het louteringsoord
+aankwamen.
+
+37 zoo waarlijk moge gerechtigheid Gods en vroomheid dergenen die leven
+en voor hen bidden etc.
+
+58 _Een Latijner_, een Italiaan. Hier spreekt Humbert Aldobrandeschi,
+Graaf van Santafiore. Hij maakte zich door zijn hoovaardigheid zóó
+gehaat bij het volk van Siena, dat hij vermoord werd in Campagnatico,
+een plaats van de Maremma.
+
+81 _verluchten_, alluminare, d.i. het versieren van handschriften met
+miniaturen. Oderisi van Agubbio, een stad van het hertogdom Urbinum,
+miniatuurschilder.
+
+82 _meer lachen de papieren_ = meer bijval in de oogen der menschen
+vinden de miniaturen.
+
+90 _nog kunnende zondigen_ = nog bij mijn leven.
+
+92 Hij nl. de roem. De roem van den kunstenaar is alleen duurzaam
+wanneer zijn tijd wordt opgevolgd door onbeschaafde tijden. Anders
+verduistert weldra de opvolger den voorbijganger.
+
+97–99 Guido Guinicelli stierf in 1276. Guido Cavalcante in 1301.
+Wellicht bedoelt D. met den volgende zich zelf, en wil daardoor tevens
+aantoonen dat ook hij niet vrij is van hoovaardigheid.
+
+105 dui-dui-duiten (woordelijk naar het Italiaansch).
+
+108 In het systeem van Ptolemaeüs is de traagst draaiende hemelcirkel
+die der vaste sterren, welke in zesendertigduizend jaren zijn loop
+volvoert.
+
+113 _de florentijnsche woede_, rabbia, misschien beter, schoon ongewoon,
+_gemeen gepeupel_.
+
+116 _dezelfde_, de zon, d.i. de volksgunst.
+
+121 _Salvani Provenzano_, Ghibellijnen-hoofd te Siena, die zich de
+gansche regeering had willen toeëigenen en tiran had willen worden.
+
+133–138 Hij droeg de schande van het bedelen om den losprijs, gevergd
+voor een door Karel van Anjou gevangen-gehouden vriend, in te zamelen;
+en de schande van het bedelen zal ook Dante, in zijn ballingschap,
+weldra leeren kennen.
+
+142 _grenslanden_, de in de eerste negen zangen beschreven
+Voor-louteringsberg.
+
+
+TWAALFDE ZANG
+
+25 degene, die edelst geschapen was = Lucifer.
+
+30 _Zwaar_; weergegeven wordt de indruk, die een dood lichaam zwaarder
+doet schijnen dan een levend.
+
+32 _rond hunnen vader_, = Jupiter, die met de hiergenoemde goden, de
+Giganten (onder wie ook Briareus behoort) overwon.
+
+46 Rehabeam, Salomo's zoon.
+
+48 Koningen III.
+
+49 Alcmeon doodde zijn moeder, die haar man ter wille van een
+halssieraad had prijsgegeven.
+
+52–54 Koningen 13: 37.
+
+75 _Onvrije ziel_, wijl ingenomen door gedachten van nederigheid.
+
+80 _De zesde dienstmaagd_, Twaalf zijn de dienstmaagden of uren des
+daags, van zons-op- tot zonsondergang gerekend. Dit duidt dus den
+_middag_ aan.
+
+102 _De goed geleide_, ironisch gezegd van de stad Florence; de
+Rubaconte is een brug over de Arno.
+
+105 _Ten tijde dat_, hier wordt de oude tijd genoemd in tegenstelling
+met Dante's eigen tijd. Dante zinspeelt op bedrog gepleegd door de
+regeerders van Florence in het _kwatern_, het boek der rekeningen en in
+de uitmeting van het _zout_.
+
+
+DERTIENDE ZANG
+
+7 daar is geen schaduw (schilderwerk), nóch beeldwerk dat zich voordoet.
+
+19–21 Langs den Louteringsberg wordt altijd bij dag verder gereisd en
+zooals wij reeds tweemaal hebben doorgemaakt op den weg over het
+gedeelte buiten de Poort, des nachts gerust.
+
+28 De ongeziene sprekenden geven hier drie voorbeelden van
+barmhartigheid: het ook ongevraagd geven van hulp aan degenen, die haar
+noodig hebben zooals Maria deed, op de Bruiloft van Kana, toen zij tot
+haren Zoon zeide: „Zij hebben geen wijn;” het zich vrijwillig om eens
+anders wille in gevaar begeven, gelijk Pylades deed, die voorgaf Orestes
+te zijn, om dezen van den dood te redden; kwaad met goed te vergelden,
+gelijk door Christus wordt geleerd: „Hebt uwe vijanden lief.”
+
+37 metaphorisch gezegd voor de voorbeelden van de deugd aan nijd
+tegenovergesteld. Hiermede worden bedoeld de spreuken die door de lucht
+vliegende geesten hun doen hooren.
+
+41 _De breidel_, ook metaphorisch voor de straffen waarmede de nijdigen
+worden gelouterd. Op twee manieren worden dus evenals op den vorigen
+ommegang de zielen gelouterd, door voorbeelden ten goede, den _geesel_,
+en door straffen, den _breidel_.
+
+61 _bij de biecht_, n.l. de bedelaars in de kerk.
+
+93 N.l. om die ziel bekend te maken bij de menschen op aarde opdat die
+voor haar bidden.
+
+106 Dit is Sapia, eene aanzienlijke burgeres van Siena, die verbannen
+naar Colle zich overmatig verheugde over de nederlaag, haren medeburgers
+bij haar woonplaats door de Florentijnen toegebracht.
+
+117 en ik bad God om dat wat hij wilde, n.l. om de nederlaag der
+Florentijnen waartoe God toch reeds besloten had.
+
+123 _gelijk de meerle deed_. Toespeling op een volkssprookje, van een
+meerle, die in den winter binnenshuis gekoesterd, bij het eerste mooie
+weer in den winter zich liet verlokken om uit te vliegen.
+
+133–135 Dante spreekt hier van zijn verwachting van het volgend leven,
+wanneer hij zelf gestorven hier zal moeten boeten, slechts weinig voor
+de zonde der afgunst, maar meer voor die der hoovaardigheid.
+
+152 Voor het laatst lucht de dichter hier op den ommegang der nijdigen,
+zijn leedvermaak over twee mislukte ondernemingen der zoo gehate
+Sieneezen (Hel XXIX. 122): hun poging om in Talamone in de ongezonde
+Maremma, zich een havenplaats te stichten: telkens verloren daar hunne
+admiraals en manschappen meer dan de hoop, het leven; ten tweede hun
+poging om door in den grond te graven onder hun stad een water te
+vinden, dat zij reeds te voren de Diana hadden genoemd.
+
+
+VEERTIENDE ZANG
+
+43 Met de „_botte varkens_” worden bedoeld de inwoners van het
+Casentijnsche land.
+
+46 _Keffertjes_ zijn de bewoners van Arezzo.
+
+49 Met „de honden die wolven worden,” worden de Florentijnen bedoeld,
+die Guelfen (wolven) worden.
+
+52 Veertien mijlen beneden Florence vormt de Arno tusschen de rotsen
+draaikolken, die nu nog _pelaghi_, zeeën genoemd worden. De vossen zijn
+de inwoners van Pisa.
+
+55 _een ander_ = Dante.
+
+58 _Uwen kleinzoon_, kleinzoon of neef van den toegesprokene, die als
+podestà van Florence door de zwarten omgekocht, velen der witten liet
+ombrengen.
+
+64 Met het _woud_ wordt Florence bedoeld, dat hij zóó laat uitmoorden
+dat het verlies aan inwoners lang onhersteld blijft.
+
+87 Gemeenschap bestaat slechts van hemelsche goederen: zie XV 43 en vlg.
+
+92 Dit zijn de juiste grenzen van het land Romagna.
+
+112 Brettinoro, kleine stad van Romagna, vaderstad van Guido.
+_Stamhuis_, de familie van dien Guido.
+
+118 De Pagani, heeren van de stad Imola, wier vader Demon werd
+bijgenaamd, zullen beter dan hij zijn.
+
+133 Dit zijn de woorden die Kaïn sprak na Abel gedood te hebben uit
+nijd. (Genes. IV, 14).
+
+139 _Aglauros_, dochter van een Atheenschen koning Erechtheus, die uit
+afgunst Mercurius' liefde voor haar zuster in den weg trad.
+
+143 „Het gebit”; zie den vorigen zang vs. 40.
+
+
+VIJFTIENDE ZANG
+
+3 Die _kring_ die altijd speelt als een kind: de zonneweg, om zijn
+veranderingen met een spelend kind vergeleken. De dag (de tijd tusschen
+zons-òp- en -ondergang) is verdeeld in twaalf uur. Het is dus nu drie
+uur in den namiddag op den Louteringsberg, welken tijd men oudtijds
+_avond_ noemde.
+
+5 _dáár_ is de Louteringsberg; _hier_ is Italië. Men bedenke dat de
+Louteringsberg ligt precies aan den tegenovergestelden kant van de aarde
+als Jerusalem (waar het dus nu 3 uur na middernacht is) en dat Rome
+wordt gerekend 45° Westelijk van Jerusalem te liggen, dat het dus nu
+middernacht in Italië is.
+
+8 Toen de Dichters van het strand naar den Berg gingen, hadden zij (zie
+III 16) de zon in den rug, dus liepen zij van O. naar W. Voorts gingen
+zij den berg op in Noordelijke richting, maar langs den berg gingen zij
+Westelijk, dus zijn zij met de zon mede gegaan om den berg heen.
+
+46 Het is natuurlijk dat Guido den menschen hun nijd verwijt: zoo wil
+hij nu er voor waarschuwen opdat ze later hier op den Louteringsberg er
+minder voor hoeven te boeten.
+
+58 Ik ben van het tevredenzijn nog nuchterder, d.w.z. nog minder
+bevredigd in mijn honger naar weten.
+
+67 In den hemel valt het licht van Gods Liefde in elken zalige als in
+een spiegel.
+
+71 _hoe ver_, dus over hoeveel personen zij zich uitbreidt.
+
+73 misschien te lezen: zonder „elkander”, dus God verstaan.
+
+94 Deze vrouw is Pisistratus' vrouw, die straf eischte voor een jong
+Athener, die hunne dochter in het openbaar had gekust.
+
+106 een _jonkman_ is Stephanus.
+
+
+ZESTIENDE ZANG
+
+24 Dit is een van de weinige metaphorische uitdrukkingen van Dante, die
+anders altijd geziene beelden gebruikt. De bedoeling is hier: doorstaan
+zij de moeilijkheden, waarin zij door hunne zonde zijn geraakt.
+
+42 Hel II. 31 worden degenen genoemd, die _vroeger_ levend het rijk der
+dooden bezochten, nl. Aeneas en Paulus.
+
+46 _Marco_, vriend van Dante, alleen uit deze plaats bekend.
+
+55 Marco's uiting over de verdorvenheid der tegenwoordige menschen,
+brengt D. in verband met het van Guido del Duca vernomene (XIV).
+
+73 Hier wordt met weinige woorden aangestipt de filosofie, uitvoerig
+uitéén gezet in het „Convito”, volgens welke elke deugd, die de menschen
+voortstuwt, haar bijzonderen zetel heeft in één der planeten, terwijl
+tegelijk wordt aangeraakt het vraagstuk van den vrijen wil.
+
+79 _grootere kracht_ en _betere natuur_, d.i. God: en _die_ schept enz.
+
+85 _Zij_, dit is aankondiging van het subject, vs. 88 genoemd.
+
+97 De dichter gaat terstond over tot dat wat hem dunkt de hoofdoorzaak
+van alle kwaad: de vereeniging van wereldlijke en geestelijke macht in
+den Paus. Het volgende is toespeling op Mozes' voorschrift aangaande het
+vleesch, hier toegepast op den Paus, die wel herkauwt, d.i. geleerd is,
+maar geen gespleten hoeven, d.i. goede zeden heeft.
+
+106 goede wereld: Christendom tegenover Heidendom.
+
+126 De Franken noemden alle Italianen Lombarden. Van de hier genoemden
+is niets bekend dan dat zij brave edellieden waren.
+
+130 De stam van Levi, den priester, kreeg geen deel van het land Kanaän
+onder de stammen van Israël: zóó moesten ook de Pausen van het
+wereldlijk bestuur zijn uitgesloten.
+
+139 Marco zinspeelt ook hier op het verderf onder de adellijke families.
+
+ * * * * *
+
+Het is merkwaardig op te merken, dat Dante den vrijen wil handhaaft om
+dezelfde reden als Kant. Nl. dat de mensch als zedelijk wezen met den
+vrijen wil staat of valt, of zooals Dante zeer eenvoudig zegt: als er
+geen vrije wil wordt aangenomen, er ook geen reden is om zich te
+verheugen over het goede en te rouwen over het kwade.
+
+
+ZEVENTIENDE ZANG
+
+17 De fabel van Tereus, Procne en Philomela wordt hier zóó gewijzigd,
+dat niet zooals gewoonlijk Philomela, maar haar zuster Procne in een
+nachtegaal heet veranderd te zijn.
+
+25–29 Boek Esther.
+
+34 Dit _meisje_ is Lavinia, sprekend tot hare doode moeder Amata, die
+van kwaadheid stierf daar zij hare dochter niet aan Aeneas maar aan
+Turnus toegezegd wilde zien. Zie Aeneïs XII.
+
+49 Dit kleine trekje geeft even aan de groote begeerte, die door het
+geheele gedicht gaat, om het Hoogste Heil te aanschouwen.
+
+73 _deugd_, in de eigenlijke beteekenis van het woord.
+
+97 Liefde gericht op de eerste, d.i. geestelijke goederen is onschuldig;
+liefde gericht op de aardsche goederen kan alleen onschuldig zijn
+wanneer zij het goede beoogt en gematigd is. Als zij het kwade
+beoogt, dan veroorzaakt zij hoogmoed (vs. 115–117) nijd (vs. 118–120)
+gramstorigheid (vs. 121–123) voor welke in de eerste, tweede en derde
+ommegangen geboet wordt. Wanneer zij zich wendt zonder de juiste mate
+tot het goede, d.w.z. te lauw tot God, en te heftig tot de aardsche
+goederen, dan voert zij tot de zonden, in de hoogere vier ommegangen
+geboet, die nog moeten worden beschreven.
+
+114 _in uw klei_: in de menschelijke natuur.
+
+124 daar omlaag, nl. op de drie reeds doorloopen ommegangen,—afgunst,
+nijd en wraakzucht. Op de volgende drie ommegangen komen traagheid,
+gierigheid en gulzigheid.
+
+127 _Eén Goed_: God.
+
+136 _dit goed_ nl. dat niet het ware geluk geeft, dus het aardsche.
+
+
+ACHTTIENDE ZANG
+
+27 _op nieuw_, die liefde wordt als een _tweede_ natuur.
+
+28 Volgens Aristoteles moet men in elk ding onderscheiden tusschen de
+eigenschaplooze _grondstoffen_ en den _vorm_ of idee, die daaraan eerst
+het eigenlijke bestaan geeft. Zoo is het de natuur van den _vorm_ of
+idee om kort in hare stof te blijven en zoo spoedig mogelijk naar den
+hemelkring der maan op te stijgen waar zij thuis hoort en niet zoo snel
+verteert [dus langer bij haar grondstof volhardt].
+
+37 Ook hier wordt de liefde op de bij vs. 28 opgegeven wijze verdeeld in
+de grondstof: d.i. liefde in 't algemeen en de bepaalde _idee_ of _vorm_
+die haar tot eene bepaalde liefde maakt.
+
+46 Deze uitspraak van Virgilius herinnert er nogmaals aan dat hij
+slechts de wetenschap mededeelt welke de Rede geeft, maar dat Beatrice
+de hoogere, die des Geloofs geeft.
+
+49 Wederom de Scolastiek naar Aristoteles: de zelfstandige
+[substantieele] vorm of idee, nl. de ziel, die met de stof, het lichaam,
+vereenigd wordt.
+
+55 eerste begrippen; d.i. de aangeboren begrippen, tot welke alle
+oordeelen zijn te herleiden, als: het ware, goede, schoone.
+
+62 dàt _vermogen_, de rede, die na beraadslaging ja en neen zegt tot elk
+oordeel.
+
+63 Zie Parad. V. 19.
+
+76 Het is nu de zesde avond na volle maan, die begint.
+
+79 De maan staat in het sterrebeeld tegengesteld aan dat van de zon,
+dus dat waar de zon in October staat, wanneer men te Rome de zon ziet
+ondergaan als hier staat beschreven.
+
+82 _Pietola_, vroeger Andes, het dorpje, waar Virgilius is geboren.
+
+100 Lucas 1: 39, Maria spoedt zich tot bezoek bij haar nicht Elisabeth.
+
+101 Caesar enz. ziet op het begin van den burgeroorlog, toen Caesar met
+de grootste haast Marseille liet belegeren en bij Ilerda in Spanje de
+legers overwon die zich anders met Pompejus vereenigd zouden hebben.
+
+133 Al de Joden, die de Roode Zee doortrokken, stierven voor dat de
+Joden hun erfdeel Palestina betraden.
+
+136 Die tochtgenooten van Aeneas die op Sicilië bleven.
+
+
+NEGENTIENDE ZANG
+
+1 De koude van het oogenblik, dat onmiddellijk vóór gaat de opkomst
+van de Zon, werd toegeschreven aan den invloed van de Aarde, somtijds
+versterkt door dien van de planeet Saturnus. De Maan staat hier voor
+den _Nacht_.
+
+4 De geomanten, (_Aarde-waarzeggers_) teekenen in den blinde eene figuur
+op den grond en beschouwen het als hun grootst geluk, wanneer die figuur
+gelijkt op den stand der sterren die nu in het Oosten valt waar te
+nemen: de Waterman _geheel_, de Visschen _gedeeltelijk_ boven den
+horizont. Immers dit teeken wordt onmiddellijk gevolgd door den _Ram_,
+het teeken waarin _nu_ de Zon staat.
+
+13 _hij_: mijn blik. Door haar lang te zien, vergat D. hare gebreken.
+
+19 _doe verdwalen_, dat woord kan ook beteekenen: „verbijsteren.”
+
+22 Ten onrechte, zooals men weet, beroemt zij zich hier.
+
+25 Wie deze heilige vrouw is, wordt niet nader aangeduid, hetzij de
+heilige Waarheid, hetzij Lucia, de verlichtende genade.
+
+31 Daar het oorspr. hier geen pronomen heeft, kan men ook vertalen: Hij
+[d.i. Virg.] greep, welke opvatting misschien wel verdedigd wordt door
+vs. 60. „hoe _de mensch_ zich van haar los maakt.”
+
+37 Zij gaan steeds van O. naar W., dus schijnt de Zon in den ochtend
+achter tegen hunne lendenen.
+
+49–51 lett.: daar zij hebben de zielen als meesteressen of bezitsters
+van het troosten.
+
+58 Dit is een van de weinige plaatsen, waar Dante zich niet beeldend
+maar afgetrokken uitdrukt. Die _tooveres_ is de allegorie van de drie
+hoofd-zonden, welke in de nu nog volgende, dus hoogere kringen geboet
+worden, _om welke_ dus _boven ons geweend wordt_. Virgilius bewijst
+hierin wederom hoe hij alles gewaar wordt wat in Dante omgaat.
+
+62 _lok-aas_, de hemel met de sterren.
+
+67–69 Eenigszins omstandig gezegd voor: door de gansche spleet.
+
+82–84 D. had den spreker wel gehoord, maar zijn aangezicht niet gezien.
+
+93 _grootere zorg_, zijne eigene zaligheid, in vergelijking met de
+aandacht, aan Dante te schenken.
+
+100 Deze stroom is de Lavagna, in het Land van Genua, waarnaar de
+Fieschi zich noemden Graven van Lavagna.
+
+137 _neque nubent_ Matthaeüs XXII. 30 „want in de opstanding nemen zij
+niet ten huwelijk, en worden niet ten huwelijk uitgegeven.” Met deze
+woorden geeft de Paus te kennen dat ook het huwelijk van den Paus met
+de Kerk [waarop Dante meermalen Hel XIX, Lout. XXIV zinspeelt], in het
+andere leven hen niets meer boven andere stervelingen verheft.
+
+141 zie vs. 91.
+
+145 Alagia was de vrouw van Marcello Malaspina, uit een geslacht aan
+hetwelk Dante wegens goedheid, in zijn ballingschap hem bewezen, dank
+schuldig was.
+
+
+TWINTIGSTE ZANG
+
+4–6 meerlen, Ital. merli, woord dat hier slechts voorkomt, aanduidend
+een onderdeel van de verschansing.
+
+13–15 Ook hier denkt Dante aan den held, die een einde zal maken aan de
+wereldlijke macht van den Paus en zoo aan alle gierigheid der menschen.
+
+16–18 jammerden, Ital. lagnarsi: zich scheuren; kan echter niet van
+eenig rouwmisbaar, met de handen bedreven, bedoeld zijn, daar deze
+schimmen de handen en voeten gebonden hebben.
+
+31–33 _Sint Nicolaas._ De bij ons te lande zoo goed bekende Bisschop van
+Mira, die eens vernomen had dat een vader zijn drie dochters bij gebrek
+aan een bruidsschat zich aan de prostitutie wilde laten overgeven, en
+daarom heimelijk 's nachts twee zakken gouds bij haar in het venster
+liet werpen.
+
+64–69 tot boete,—ironisch bedoeld.
+
+67 Karel, Hertog van Anjou.
+
+70 eenen tweeden _Karel_, nl. van Valois.
+
+79 Den ander = Karel van Anjou, Koning van Apulië, krijgsgevangen
+gemaakt door den admiraal van Pieter van Arragon.
+
+87 In 1303 werd Paus Bonifacius VIII gevangen genomen door Philips den
+Schoone, Koning van Frankrijk. Alagne is in de Romeinsche campagne.
+
+92 _In den tempel_, dit slaat op de Orde der tempeliers, door Philips
+den Schoone gewelddadig opgeheven in 1307.
+
+97 nl. Maria zie no. 19.
+
+103 Pygmalion, die uit gouddorst zijnen broeder, Dido's echtgenoot,
+vermoordde.
+
+109 Acam; op Jozua's bevel gesteenigd om het zich toeëigenen van een
+gedeelte van den buit van Jericho.
+
+112 Safira, Handelingen V. 113. Heliodorus, op het punt om de
+tempelschatten te rooven, werd teruggedreven door een gewapend en
+gespoord man.
+
+115 Polydorus, zie Aen. III.
+
+121 d.w.z. ik was de eenige die luid sprak. Deze eerste regels geven
+antwoord op 36.
+
+130 Delos, het eiland waarop Latona Apollo en Diana baarde, was volgens
+de legende vóór die geboorte los van den bodem der zee.
+
+
+EEN EN TWINTIGSTE ZANG
+
+1 De dorst naar weten.
+
+36 zijne zachte voeten: de zandige kust aan den voet des bergs.
+
+50 _de dochter van_ T. is Iris, de regenboog, die op aarde steeds
+tusschen zon en toeschouwer staat.
+
+52 _Droge damp_, als oorzaak der winden in tegenstelling met de
+_vochten_, die den regen veroorzaken.
+
+56 door _wind_, die voor oorzaak der aardbevingen werd gehouden.
+
+61–66 De ziel voelt den wil tot opstijgen reeds eerder, maar deze wordt
+bestreden door den wil zich te louteren. Is de loutering volbracht dan
+voelt zij den _éénigen_ wil tot stijgen.
+
+85 _den naam_, _die_, enz., d.i. die van den dichter.
+
+91 Statius is de dichter der Silvae, der Thebais en der op lange na niet
+voltooide Achilleïs.
+
+
+TWEE EN TWINTIGSTE ZANG
+
+3 een merkteeken, n.l. één van de zeven P's.
+
+5 Het geheele gezang luidt: Welgelukzalig die dorst hebben en die honger
+hebben. De honger is bewaard voor den hoogeren cirkel in zang XXIV.
+
+40 Zie de Aeneïs III.
+
+en hoe volgens den Zevenden Zang in den 4en omgang der Hel de gierigen
+worden gestraft.
+
+43 één van de weinige plaatsen waar Dante om het rijm een valsch beeld
+gebruikt.
+
+46 Zie Hel. VII 57.
+
+49 Evenals in de Hel wordt hier gierigheid met haar, tegendeel
+spilzucht te zamen gebracht. _Weerkaatst_ heb ik hier zijn letterlijke
+beteekenis genomen omdat ook Dante het eigenlijke woord aan het
+kaatsspel ontleent. „Zijn groenheid droogt” is eene omschrijving van
+louteren.
+
+55 _de dubbele droefenis_ zijn de beide elkaar vijandige zoons van
+Iöcaste en Oedipus, van wie de ééne, Polynices, de Grieken (vs. 88)
+tegen zijn broeder en zijn vaderstad Thebe deed optrekken.
+
+58 „tokkelt” in proza schijnt dit woord eenigszins gezocht, is echter in
+het origineel geheel in overeenstemming met den luchtigen toon die den
+ganschen Canto, de ontmoeting der drie Dichters vertellende, kenmerkt.
+
+70 Dit zijn de beginwoorden van één der Herderszangen, door lateren
+opgevat als voorzegging van het Christendom.
+
+104 dien berg: den Parnassus.
+
+
+DRIE EN TWINTIGSTE ZANG
+
+10 „Labia etc.” Zie Psalm 51 vs. 17: Heer, open mijne lippen en ik zal
+uwen lof verkondigen.
+
+25 _Erisichthon_, die Ceres minachtte; daarom gestraft werd met
+onverzadigbaren honger zoo dat, door zijn eten van al wat hij bezat, tot
+volslagen armoede vervallen, hij er toe kwam zijne tanden in zijn eigen
+vleesch te slaan. Aan dat oogenblik moet hier gedacht worden.
+
+29 Toen Jerusalem door Titus werd belegerd, kwam ééne vrouw, M., ertoe
+haar eigen kind te verslinden. Zie Vondels _Jerusalem verwoest_.
+
+45 verwoest: n.l. de kenbare trekken.
+
+48 Forese Donati, broeder van Corso Donati, partijhoofd der zwarten
+(adel en rijke burgers).
+
+66 _loutert_, letterlijk: hermaakt zich hier heilig.
+
+73 de begeerte tot verlossing van de zonde die Christus tot het kruis
+bracht. Eli; één der laatste woorden door Chr. aan het kruis gesproken.
+Matth. XXVII: 46.
+
+79 Dante verwachtte Forese vóór de poort van den Louteringsberg te
+vinden, daar deze zich eerst berouwd had op het einde van zijn leven,
+toen het vermogen om te zondigen hem ontnomen werd.
+
+81 _terugbrengt_, letterlijk: weder huwelijkt aan God.
+
+84 immers, voor de Póort van den eigenlijken Louteringsberg moeten de
+tragen even lang wachten als de traagheid in hun leven heeft geduurd.
+
+94 Barbagia, een streek in 't binnenland van Sardinië, waar 't heette
+dat de vrouwen nagenoeg ongekleed gingen.
+
+109–112 Deze regelen slaan op de vele rampen, die de Florentijnen zullen
+hebben te doorstaan, voor dat de zuigeling van nu manbaar zal zijn
+geworden.
+
+119 _voor luttel_ dagen, het origineel heeft eergisteren, doch het was
+voor-eergisteren. Immers nu is het Paasch-Maandag en het was Goede
+Vrijdag bij volle maan, wanneer Dante den Tocht begon.
+
+132 Zie XX 127 waar de berg schudt uit vreugde over de voltooide
+loutering van Statius.
+
+
+VIER EN TWINTIGSTE ZANG
+
+4 _weder gestorven_, n.l. ten tweeden male, wegens hunne magerheid.
+
+8 Zij: de schim van Statius, die ter wille van Virgilius langzamer gaat.
+
+10 Piccarda, Forese's zuster, die in een klooster gegaan, gedwongen werd
+er uit te gaan en te huwen maar weldra stierf.
+
+19 B. de Lucca, een rijmer.
+
+22 dit is Martinus IV bisschop van Tours, later Paus.
+
+30 Bonifazio, bisschop van Ravenna; van welk bisdom de herders-staf den
+vorm van een spinrokken had.
+
+37 ik hoorde hem „Gentucca” mompelen in zijne tanden, dus waar hij den
+onbevredigden honger voelde.
+
+43 den _hoofd_-band, het kenmerk der gehuwden.
+
+51 „Vrouwen—etc.” uit de „Vita Nuova.” Zie Inleiding „Hel.”
+
+58 _degene_, eigenlijk dengene, daar Amore in het Italiaansch mannelijk
+is.
+
+61 de afstand die den gemaniereerden van den geinspireerden stijl
+scheidt is zoo groot, dat men van uit den een den anderen niet kan zien.
+
+82 Voorzegging van den dood van Forese Donati's broeder Corso Donati,
+partijhoofd der zwarten. Hij kwam om door een val van het paard, waarbij
+hij in het tuig verward bleef (15 Sept. 1308).
+
+90 Forese noemt met opzet zijns broeders naam niet.
+
+121 _de Centauren_, zijn de wezens, in de wolken geformeerd met
+_tweevoudige_ borst, n.l. die van een paard en van een man. Toen zij
+met wijn verzadigd waren, begonnen zij op de bruiloft van Pirithous
+gewelddadigheden, waarvoor Theseus ze boeten deed.
+
+124 Gideon koos diegenen, die bij de bron gekomen niet neerknielden om
+te drinken, maar staande water met de hand schepten.
+
+148 _Zóó voelde._ De dichter zegt het wel niet, maar men kan naar
+anologie met hetgeen op de andere omgangen gebeurt begrijpen dat hij
+aldus hier de Zesde P van het voorhoofd kwijt raakt.
+
+
+VIJF EN TWINTIGSTE ZANG
+
+1–3 De zon staat nu in den Ram. De Stier is het beeld volgende op den
+Ram, dus als deze in den middagcirkel staat is het twee uur na den
+middag. De nacht is het punt, recht tegenover de Zon, aan het Noordelijk
+halfrond. Dit valt in de Weegschaal. Het beeld, dat daarop volgt is de
+Schorpioen. Staat deze in den Meridiaan, dan is het in het Noordelijk
+halfrond twee uur na middernacht.
+
+31 Of volgens andere lezing: „de eeuwige wraak openbaar”.
+
+63 _een wijzere_ n.l. Averroës of Ibn Rasch (zie Hel IV 152) die in
+zijn commentaar op Aristoteles het mogelijk verstand (intellectus
+possibilis, den _al-geest_, in tegenstelling met intellectus agens,
+die de zinsindrukken tot het bewustzijn brengt) van de ziel scheidt.
+
+79 wat dit _in mogelijkheid_ beteekent kan _misschien_ begrepen worden,
+indien men de tegenstelling tusschen intellectus possibilis en
+intellectus agens in het oog houdt.
+
+88 _levende leden_—het lichaam dat op aarde leefde.
+
+100 dáárvan: van de gevormde lucht.
+
+109 Aankomst op den Zevenden Ommegang.
+
+139 _de laatste wonde_—de laatste van de zeven P's.
+
+
+ZES EN TWINTIGSTE ZANG
+
+61 n.l. de begeerte om zich te louteren, die nu nog strijdt met de
+begeerte om ten hemel te stijgen, zie zang XXI, vs. 64.
+
+94 Lycurgus; zie het verhaal bij Statius in de Thebais vs. 721.
+
+130 tot zóóver: dus met weglating van: en veroordeel ons niet.
+
+
+ZEVEN EN TWINTIGSTE ZANG
+
+1 Dante neemt Ganges en Ebro als oostelijke en westelijke grens,
+Jerusalem als middagcirkel van ons halfrond; dus, wanneer voor den
+Louteringsberg de zon ondergaat, is het noen bij den Ganges, morgen
+te Jerusalem en staat de nacht in de Weegschaal, het sterrebeeld
+tegengesteld aan den Ram, waarin nu de Zon staat.
+
+13 Dante wil zeggen dat het afstand doen van die genietingen hem
+voorkwam gelijk aan den dood te zijn.
+
+22 _Gerion._ Zie Hel canto 19.
+
+58 „Komt, gezegenden mijns Vaders.”
+
+94 _Cytherea_, Venus, nu staande in het teeken der Visschen, dat
+vóórgaat aan het teeken van den Ram, waarin nu de Zon is.
+
+101 Lea en Rachel uit het O. T. verbeelden het practische en het
+beschouwende leven, nog voor het licht van Christus aan Dante is
+verschenen. In het aardsche Paradijs zullen hem weldra hetzelfde
+verbeelden de Christinnen Mathilde en Beatrice.
+
+127 het tijdelijk vuur, nl. op den Berg en het eeuwige in de Hel.
+
+129 _Uit mijzelven_—Virgilius is het licht der goddelijke genade niet
+deelachtig.
+
+142 _Over u zelven_—nl. als heer over u zelf, dus: als uw eigen
+meester.
+
+
+ACHT EN TWINTIGSTE ZANG
+
+67 _Nu recht-op gericht_, d.w.z. niet meer bloemen plukkende.
+
+80 Psalm XCII, vs. 5 (Vulgata).
+
+85 Louteringsberg XXI, 52–54 vertelde immers Statius dat vanaf de poort
+van den Louteringsberg naar boven geen wind of regen meer was.
+
+102 Nl. door de poort van St. Pieter.
+
+103 Dante denkt zich om de stilstaande aarde negen hemelkringen, van
+oost naar west draaiende, genoemd naar de zeven planeten (de Maan,
+Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus). De achtste is
+die der vaste sterren, de negende het Empyreum. Zie „het Paradijs”.
+
+136 _Kransje_,—nl. de mededeeling van eene waarheid.
+
+
+NEGEN EN TWINTIGSTE ZANG
+
+3 _Wier zonden_, nl. de 7 P's die nu alle uitgewischt zijn.
+
+27 Onder eenigen sluier, d.w.z. verstoken van de Kennis des Goeds en des
+Kwaads.
+
+46 het verkeerd geziene: letterl. het gemeene, d.i. wat beiden dingen
+gemeen is, dus de gelijkenis doet vinden.
+
+75 _Penseelen_, het Italiaansche pennelli kan ook beteekenen: baniertjes
+of wimpels. _Delia_, nl. Diana of de Maan.
+
+79 de zeven kandelaren = de zeven gaven v. d. Heiligen Geest; de tien
+schreden = de tien geboden.
+
+82 Vierentwintig ouderlingen—vertegenwoordigend 24 boeken van het Oude
+Testament, zie Apocal. IV. 4.
+
+94 Argus, de duizend-oogige bewaker, verbeeldende den sterrenhemel, door
+Juno over hare medeminnares Iö tot bewaker gesteld; hij werd door
+Mercurius Jupiter ten gevalle gedood. Zijne oogen kwamen neer op Juno's
+vogel, den pauw.
+
+108 De griffoen is een uit twee dieren samengesteld dier. Het voorste
+deel van het lichaam is van een arend, het achterdeel van een leeuw.
+Met dit dier wordt Christus voorgesteld, in wien twee naturen zijn: de
+goddelijke, die zich verheft (de arend) en de menschelijke, die aan de
+aarde gebonden is (de leeuw).
+
+118 De zonnekar, door Phaëton onkundig bereden, zoodat hij de aarde
+verzengde, werd verbrand. Dante verbeeldt hierin alle hare rechtmatige
+grenzen te buiten gaande macht, waarschijnlijk die der Rom. Curie, die,
+tot de geestelijke heerschappij geroepen, zich ook de wereldlijke
+aanmatigt.
+
+121 Drie vrouwen: Liefde, Hoop, Geloof.
+
+130 vier: voorzichtigheid, rechtvaardigheid, moed en gematigdheid.
+Voorzichtigheid leidt den dans; deze heeft drie oogen.
+
+133 twee, Lucas als geneesheer, en schrijver der Handelingen, Paulus met
+het zwaard der waarheid.
+
+142 _Vier_, wie der apostelen of kerkvaders is niet zeker; een oude is
+Johannes, die slapende de Gezichten der Openbaring zag.
+
+154 teekenen: de kandelaren.
+
+
+DERTIGSTE ZANG
+
+1 Het zevengesternte zijn de zeven kandelaren. Zie XXIX. 49. De eerste
+Hemel is het aardsche Paradijs.
+
+16 Zóó groot eenen grijsaard—een van de 24, zie canto 29—dus Salomo
+als schrijver van het Hooglied.
+
+23 Roos-kleurig, misschien beter „vol-daan”.
+
+39 De aangehaalde woorden zijn die, waarmede Virgilius Dido's liefde
+kenschetst voor haren eersten man. Zoo ook vs. 48.
+
+52 _alles wat_, nl. al de heerlijkheden van het Paradijs.
+
+57 _zwaard_, nl. van het berouw.
+
+73 _verwaardigdet_, dit is met eenige ironie gezegd en met eenige
+bitterheid over Dante's afdwalingen.
+
+82 Psalm 30. (Vulgata).
+
+85–90 Men lette er op hoe naar waarheid Italië's klimaat wordt
+beschreven, blootstaande aan de koude winden uit Slavonië, de heete uit
+Afrika.
+
+109 _De groote raderen_, de hemelsferen. _Het zaad_, nl. ieders aanleg.
+
+112 Met de _dampen_, die oorzaken zijn van de _regens_, worden hier
+vergeleken de ondoorgrondelijke oorzaken, die de goddelijke genade,
+hun gave, doen nederregenen. Hier wordt wederom even als in de Hel het
+gedrag der menschen afhankelijk gesteld van de inwerking der sterren en
+de goddelijke genade.
+
+115 In _vermogen_, in mogelijkheid of aanleg, in tegenstelling met: in
+werkelijkheid.
+
+116 gewaad genomen als kenmerk van het ambt door iemand bekleed.
+
+133 De inblazingen of inspiratie die, op hare voorbede, God hem zond.
+
+
+EEN EN DERTIGSTE ZANG
+
+7 _Mijne deugd_, hier en meermalen elders wordt het woord _deugd_
+gebruikt in zijn oorspronkelijken zin van kracht, evenals het Latijnsche
+virtus, van _vir_, man. Vergelijk het Oud-Germaansch degen = held.
+
+30 _voor hen uit loopen_,—bij wijze van huldebetoon.
+
+40 Het zwaard der gerechtigheid wordt gescherpt door een rad. In geval
+van belijdenis keert het rad zich tegen de snede en wordt het zwaard
+gestompt.
+
+46 het zaad nl. de oorzaak, hier de zware last van vs. 19.
+
+57 _zoodanig_, niet meer behoorend tot de sterfelijke zaken.
+
+70–72 door Noord- of Zuid-wind.
+
+76 de _eerste schepselen_, de engelen.
+
+81 Voor den griffoen. Zie XXIX, 108.
+
+97 Psalm 50.
+
+109 _versta_: de drie van ginds van de kar, de theologische deugden, die
+dieper spieden, zullen Uwe oogen scherpen om te zien in het aangename
+licht, dat daarbinnen, nl. in B.'s oogen is.
+
+121 daarbinnen-in, nl. in B.'s oogen, _het ééne en het andere bestier_,
+zijn menschelijke en goddelijke natuur.
+
+
+TWEE EN DERTIGSTE ZANG
+
+23 De _boom_ verbeeldt Rome of het Romeinsche Rijk.
+
+37 „Adam” wordt geroepen als de eerste zondaar, maar ook wordt met Adam,
+die in het Aardsche Paradijs geplaatst zich vergreep aan den verboden
+Boom, verbeeld de Paus, die te Rome geplaatst als ondergeschikte van
+den Keizer, zich aan diens autoriteit onttrok en zich vergrijpt aan
+diens wereldlijke macht. Van de ongehoorzaamheid des Pausen komt de
+verlatenheid van het Romeinsche Rijk, de wanorde en ellende van Italië.
+
+52 In de lente staat de zon in den Ram die volgt op _de Visch_.
+
+64 Iö werd bemind door Jupiter; Juno had daar erg in; Jupiter
+herschept de beminde in eene koe; Juno laat de koe bewaken door den
+honderd-oogigen Argus; Jupiter zendt Mercurius die zoetelijk zingt van
+Syrinx, de nimf bemind door Pan, zoodat Argus' honderd oogen insluimeren
+en hij door Merc. wordt gedood.
+
+82 Pia = Mathilde.
+
+73–87 Christus wordt hier vereenzelvigd met den appelboom uit het
+Hooglied cap. II, en voor de geheele vergelijking zie men Mattheüs XVII.
+Met den diepen slaap is bedoeld die van Lazarus.
+
+100–102 Vreemdeling, eigenlijk woudbewoner, silvano. Italië wordt als
+woud of wildernis beschouwd in tegenstelling met den Hemel, hier Rome
+genoemd, met Christus als burger.
+
+109 De bliksem gedacht als komende (regenende) uit de hoogste
+luchtstreek, grenzende aan het vuur.
+
+De adelaar verbeeldt de keizers, vervolgers der Christenen, de wolvin de
+ketterij.
+
+124 Deze vederen verbeelden de wereldlijke macht en goederen aan de
+Kerk gegeven.
+
+130 De draak verbeeldt Satan.
+
+136 verg. Hel XIX 115.
+
+142 De hoofden verbeelden de zonden der Kerk, de Hoer, de Pausen; de
+Reus, die koningen van Frankrijk die bewerkten dat de Paus zijn zetel te
+Avignon hield.
+
+154 —_naar mij_—nl. naar de Ghibellijnen.
+
+157–160 Door het vertrek der Pausen naar Avignon (hier voorspeld en
+gebeurd in 1305 onder Clemens V) raakt de Paus geheel uit het oog der
+Ghibellijnen.
+
+
+DRIE EN DERTIGSTE ZANG
+
+1 De psalm 78, waarin voorzegd worden de rampen die zullen komen over
+Jerusalem, hier toegepast op die van Italië.
+
+34 _Het vat_—nl. de wagen die de Kerk verbeeldt.
+
+43 _een aanvoerder_, een keizer door Dante steeds verwacht als
+hersteller van het Pausdom binnen de daaraan gestelde grenzen en als
+hervormer van het geheele Rijk, vooral van Italië.
+
+49 Zonder schade enz. Zooals te Thebe de oplossing van het raadsel der
+Sfinx door Oedipus.
+
+63 nl. door zich te laten kruisigen.
+
+67 De wateren van den Elsa (in Toscane) overdekken al wat er in valt,
+met een steenachtige laag. Piramus maakte met zijn bloed de witte
+moerbei rood.
+
+76 d.i. opdat men wete dat gij hier zijt geweest, gelijk men aan de
+palm-bladeren om den pelgrimsstaf, de pelgrims herkent die in het
+Heilige Land zijn geweest.
+
+91 ulieden, de hemelingen.
+
+123 Alleen van het kwade verliest men de heugenis door het drinken van
+Lethe.
+
+
+
+
+NA-WOORD
+
+
+I
+
+
+[Kantlijn: Karakter van het geheele gedicht.]
+
+De Hel straft degenen, die zich aan onvergefelijke zonden hebben
+schuldig gemaakt. Dante voelt wèl den val tot zulke zonden als een
+gevaar, dat hem evengoed als alle andere menschen, bedreigt, maar toch
+weet hij zich zelven van zulke zonden vrij.
+
+Hoe die zonden hem bedreigen, men heeft gezien in den eersten Zang van
+de Hel, waar hem Wellust, Heersch-zucht en Heb-zucht als Losch (vs. 31),
+als Leeuw (vs. 43) en als Wolvin (vs. 49) verschrikten, voor hij zijn
+toevlucht bij Virgilius vond. Dat Dante, hoewel bedreigd, zich toch vrij
+van de zonden voelde, blijkt duidelijk uit Hel III 127, waar bij het
+oversteken van den Acheron, Virgilius hem toespreekt: „Hier steekt nooit
+goede ziel over: en daarom, indien Charon zich over u vertoornt, dan
+kunt gij wel weten wat zijn spreken beduidt.”
+
+Zoo is het dat Dante op den geheelen tocht wel verschrikking voelt bij
+het zien der straffen, maar ze niet zelf aan zich zelven meê-maakt. Wel
+voelt hij medelijden met de gestraften, maar dit beschouwt hij als eene
+zwakheid, die hij in zich zelven bestrijdt.
+
+Ook toorn gevoelt hij tegen de zondigen; en vreugde, over de rechtmatige
+straf; deze beiden als prijzenswaarde gevoelens.
+
+Maar in het Rijk der Loutering is het geheel anders. Hier wordt geboet
+voor zonden, aan welke ook Dante zich schuldig voelt. Hij maakt de
+straf, de boete, de loutering zelf door.
+
+Niet alleen blijkt uit de zeven P's, Dante op het voorhoofd gedrukt
+door den Engel, die de Poort van den Louteringsberg bewaakt, en die, de
+een na de andere, bij het doorloopen der zeven ommegangen verdwijnen,
+maar men voelt het bij de lezing van het geheele gedicht. Zwaar drukt de
+zonden-last den dichter bij het begin; steeds lichter voelt hij zich
+worden en steeds gemakkelijker de stijging naar mate hij den top des
+Bergs nadert.
+
+
+II
+
+[Kantlijn: De Louteringsberg als verblijfplaats der zielen.]
+
+In Italië zelf is de Hel gedurende vele eeuwen meer bekend geweest dan
+de beide andere gedichten. In de laatste tijden van hernieuwd nationaal
+leven en daarmede hernieuwde belangstelling in de nationale letterkunde
+is daarin verandering gekomen en is de Louteringsberg minstens evenzeer
+algemeen eigendom als de Hel. Niet weinig draagt daartoe bij wat ik
+hierboven zei: de Louteringsberg bevat het leven van den strevenden
+dichter, en dus van elk strevend mensch. Ja, het menschelijk leven is
+het eigenlijk onderwerp van het gedicht.
+
+Ook het tooneel, waar de handeling van dit gedicht afspeelt, is veel
+meer geschikt om ons als een welgewenscht verblijf tot zich te lokken.
+Grootsch en somber was de voorstelling van het gruwelijk verblijf der
+voor eeuwig verdoemden. De ontzaggelijke cirkels, als ommegangen den
+helle-trechter omgaande, zich al nauwer sluitend, hadden ons eindelijk
+tusschen den eeuwigen jammer gebracht tot aan den bodem van eeuwig ijs,
+waarin de van alle menschelijk gevoel vervreemde moordenaars van wie hun
+lief en dierbaar hadden moeten en kunnen zijn, vastgevroren liggen. Wij
+zijn de tunnel doorgekomen, het gat door Lucifer bij zijn val uit den
+Hemel in de Aarde gemaakt, dat van onze tegenvoeters loopt tot aan het
+centrum, tegelijk den top van de omgekeerde holle pyramide, door den
+Helletrechter gevormd. We zien, op Goeden Vrijdag de Hel binnengekomen,
+nu op Paasch-morgen het zon-licht weder. We hebben denzelfden tijd, ook
+door Christus in de onderwereld doorgebracht, daar beneden vertoefd.
+De morgen, die de opstanding van natuur en mensch viert (die ook Faust
+tot een nieuw leven zag herboren worden), ontvangt ons op het Zuidelijk
+half-rond in een nieuwen dag en een nieuw Zonnelicht. Nog staan aan den
+hemel de starren van het Zuiderkruis, het sterrebeeld, ons Noordelingen
+onbekend, maar dat ginds den nacht verluistert en tegelijk het Symbool
+is van nieuwe deugden, hier onbereikbaar.
+
+Wel zijn ook in de Hel geweldige berglandschappen ons voor oogen
+getooverd! Maar hier zien wij het heerlijk Italië in al zijn onderdeelen
+voor ons, al is het ook in naam het Zuidelijk Halfrond, waar we ons
+bevinden. De Zon, die we zoolang hebben moeten derven, zien we nu, elk
+van de drie dagen dat ook deze tocht duurt, opkomen, hemel en aarde
+verlichten en weer achter ons dalen; den nacht brengen we door onder het
+geleide en de bewaking der wacht-engelen, van liefelijke zangen omzweefd
+en omruischt. Eindelijk is de top bereikt en daarmede ook het Aardsche
+Paradijs. Nooit moeten we vergeten dat deze tocht, die het gansche leven
+verbeeldt, toch in slechts weinige dagen wordt afgespeeld. Zóó is alles
+verfijnd, versterkt tot een afgerond, beperkt beeld. Reeds dadelijk
+worden we er aan herinnerd dat ook het jaar, waarin deze tocht door
+Dante is gedaan, een bijzonder jaar was, het jubeljaar: 1300. Immers als
+Dante de kabbeling van de golven ziet aan het Zee-strand, ontwaart hij
+meteen de boot met Schimmen, die onder het bestuur van een Engel, over
+zee aankomt van den mond des Tibers, de verzamel-plaats der schimmen,
+die der Loutering zijn waardig gekeurd; maar die noodzakelijk door Rome,
+d.w.z. door de Kerk den weg hierheen moesten vinden. En meer dan anders
+is de boot beladen, want allen, die het jubeljaar gebruikten om Rome te
+bezoeken, hun is ook na den dood de toegang tot den Louteringsberg
+gewaarborgd.
+
+
+III
+
+[Kantlijn: De Allegorie in 't aardsche Paradijs.]
+
+Ook langs den Louteringsberg wordt Dante geleid door Virgilius, die voor
+hem de bron is van alle menschelijk weten. Eerst wanneer hij op den top
+is gekomen en het aardsche Paradijs is bereikt, verlaat Virgilius hem en
+verschijnt hem Beatrice, die hem verder zal geleiden door dit Paradijs
+en verder door al de hemelkringen tot het aanschouwen van God-zelven.
+
+Wat Dante in het Aardsche Paradijs ziet, is eene weerspiegeling van de
+toestanden op aarde en van datgene wat Dante beschouwde als de oorzaak
+van alle kwaad: het feit dat noch Kerk noch Staat waren overeenkomstig
+beider goddelijke bestemming. De algemeene en bijzondere zin van de
+gansche allegorie, zooals die ons in Zang XXXII en XXXIII voor oogen
+wordt gesteld, is duidelijk genoeg, vooral voor den lezer, die de aan
+het slot gevoegde noten raadpleegt. Wel geloof ik dat ik den lezer
+een dienst bewijs, door de toestanden zelf zoo kort mogelijk hem te
+herinneren.
+
+[Kantlijn: Jubeljaar.]
+
+De viering van het zoo even genoemde jubeljaar 1300 was een triomf
+van Paus Bonifacius VIII, den heerschzuchtigen Paus uit het Romeinsche
+geslacht der Orsini, den Paus, dien we reeds hadden hooren noemen in
+de Hel (XIX 52). Het is daar, waar Paus Nicolaas III, met het hoofd
+naar beneden, met de voeten omhoog in brand, wordt gestraft voor het
+misbruiken der Pauselijke Macht en meent dat Dante reeds zijn opvolger
+Bonifacius is, die tevens zijn plaats in de Hel komt innemen.
+
+Deze Bonifacius vierde in dat jubeljaar zijn triomf over Keizer en
+Koning, en liet zich zelf als Imperator vereeren door de saamgestroomde
+Kristenheid. Het Duitsche Rijk verkeerde in zulk een toestand van
+verdeeldheid en verzwakking, dat van dien kant niets te vreezen viel.
+
+[Kantlijn: Philips IV van Frankrijk en Bonifacius VII.]
+
+Het was vooral Philips IV, Koning van Frankrijk, tegen wien de Paus
+te strijden had. Deze had Frankrijk naar binnen en naar buiten tot
+den krachtigsten staat gemaakt. Onder zijne regeering had de Fransche
+geestelijkheid zich te Rome beklaagd over de zware lasten, door de
+kroon haar opgelegd. De Paus verbood daarop (1296) dat geestelijken
+door leeken belastingen werden opgelegd. Deze oorlogsverklaring aan
+den Koning, werd door dezen beantwoord met het verbod van den uitvoer
+van paarden, wapenen, geld en kostbaarheden, dus van al datgene wat
+'s Pausen inkomsten uit Frankrijk vormde. Twee dreigende brieven van
+den Paus aan den Koning richtten niets uit. De Paus riep een algemeen
+concilie te Rome bijéén tegen 1302, waartoe hij ook Philips uitnodigde.
+Had de Paus zijn wil door kunnen zetten, dan had hij voorzeker den
+Koning door dit concilie laten afzetten, gelijk in 1246 Keizer Frederik
+II was afgezet. Doch de Fransche Koning vond steun bij zijn volk.
+De Staten-Generaal, door hem bijeengeroepen, verklaarden zich bereid
+den Koning trouw ter zijde te staan en verboden aan alle Fransche
+geestelijken het concilie bij te wonen. Toch opende de Paus de
+Kerkvergadering in November, en trots het verbod waren er tal van
+Fransche bisschoppen verschenen. De Paus werd door deze vergadering
+tot ~hoofd der Wereld~ verklaard, de geestelijkheid verheven boven
+het wereldgezag. Plechtig werd de ban uitgesproken tegen allen, die
+de Curie het haar toekomende wilden onthouden of haar op andere wijze
+benadeelen. Daarmede was de banvloek over Philips uitgesproken. Na
+allerlei dreigementen werd de Paus door 's Konings gezant gevangen
+genomen nabij Rome (Louteringsberg XX 85) in Sept. 1303, doch liet
+zich niet dwingen tot 't herroepen zijner decreten. Wel werd hij door
+de bevolking bevrijd, maar hij stierf reeds den 11en October 1303.
+
+[Kantlijn: Vernedering van het Pausdom.]
+
+Zijn opvolger was Bertrand de Got, Aartsbisschop van Bordeaux, het
+blinde werktuig des Franschen Konings. Hij onthief den Koning van den
+ban, trok alle aanklachten in en herriep de decreten zijns voorgangers.
+Na zijn dood in 1314 bleef de stoel van St. Peter twee jaren onbezet.
+In 1316 dwong Philips V het conclave tot de keuze van eenen Franschman,
+Johannes XXII. Deze was nog nauwer dan Clemens V verbonden met de
+Fransche koningen. Hij was meer intrigant dan staatsman, eerzuchtig in
+hooge mate, werkzaam maar zonder diepen blik in de tijdsomstandigheden;
+hebzuchtig en geldgierig, heeft hij de geldmiddelen van den Heiligen
+Stoel op kosten der Kerk en der geloovigen belangrijk versterkt, maar
+niet zonder daardoor hevige ontevredenheid te wekken. Hij stelde zich
+geheel onder de hoede des Franschen Konings en vestigde zich te Avignon,
+een bezitting der Pausen in Provence.
+
+In het Derde Gedicht: ~het Paradijs~ (of de Hemel) zal Dante nog meer
+gelegenheid hebben zijn ideaal (reeds in de Inleiding tot de Hel
+aangestipt) van Kerk en Staat uitvoeriger te laten uitspreken, door
+de verschillende personen die hij daar ontmoet.
+
+ H. J. B.
+
+
+
+
+ +--------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) — Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: zeide ik: „bëoog dezen, die zich |
+ | C: zeide ik: „beöog dezen, die zich |
+ | B: het bloed uitging, waain ik |
+ | C: het bloed uitging, waarin ik |
+ | B: hebt, door begeerrigheid aan gene |
+ | C: hebt, door begeerigheid aan gene |
+ | B: hoeveling, die als partijganger |
+ | C: hooveling, die als partijganger |
+ | B: alles gelegd naats het kruid en de |
+ | C: alles gelegd naast het kruid en de |
+ | B: Malespina. |
+ | C: Malaspina. |
+ | B: goed plaats zijn, wil alle |
+ | C: goede plaats zijn, wil alle |
+ | B: 49 Thans zijt gij aan het |
+ | C: 49 „Thans zijt gij aan het |
+ | B: daar is de poort.” |
+ | C: daar is de poort.”” |
+ | B: beide de zoetzolen, zittende op |
+ | C: beide de voetzolen, zittende op |
+ | B: niet open.” |
+ | C: niet open. |
+ | B: Petrus heb ik ze; en hij zeide |
+ | C: Petrus heb ik ze;” en hij zeide |
+ | B: zich voor mij ter aarde werpen.” |
+ | C: zich voor mij ter aarde werpen. |
+ | B: welke stemmen zijn dezen? en mèt dat ik |
+ | C: welke stemmen zijn dezen?” en mèt dat ik |
+ | B: Van een gove pij schenen |
+ | C: Van een grove pij schenen |
+ | B: meerdere diepe zeëen, vindt hij de |
+ | C: meerdere diepe zeeën, vindt hij de |
+ | B: geen duizend aar zich tot den |
+ | C: geen duizend jaar zich tot den |
+ | B: niet: „Wat hebt gij? om die |
+ | C: niet: „Wat hebt gij?” om die |
+ | B: 91 „Nog Schepper, noch schepsel |
+ | C: 91 Noch Schepper, noch schepsel |
+ | B: één van die Geesten ezide: |
+ | C: één van die Geesten zeide: |
+ | B: 67 Gij hebtgeda an als degene, |
+ | C: 67 Gij hebt gedaan als degene, |
+ | B: persoonaadjen Antigone, Dëiphile en Argia |
+ | C: persoonaadjen Antigone, Deïphile en Argia |
+ | B: vader, wat is dat was ik hoor?” |
+ | C: vader, wat is dat wat ik hoor?” |
+ | B: 40 O ziel,” zeide ik: |
+ | C: 40 „O ziel,” zeide ik: |
+ | B: antwoordde ik hem „niet hoelang |
+ | C: antwoordde ik hem: „niet hoelang |
+ | B: 121 Summae Deus clementiae” hoorde |
+ | C: 121 „Summae Deus clementiae” hoorde |
+ | B: waren, vestte Virgiluis zijne oogen |
+ | C: waren, vestte Virgilius zijne oogen |
+ | B: kan verzadgid zijn, zoodat ik |
+ | C: kan verzadigd zijn, zoodat ik |
+ | B: de nectar, waarvan ieder speekt.” |
+ | C: de nectar, waarvan ieder spreekt.” |
+ | B: 84 _Zon_, hier als het |
+ | C: 85 _Zon_, hier als het |
+ | B: door den aanblik van Ottacar, koning |
+ | C: door den aanblik van Ottocar, koning |
+ | B: 108 _vluchtend_, in den oorlog |
+ | C: 105 _vluchtend_, in den oorlog |
+ | B: en vs. 124 _met_ den _grooten |
+ | C: en vs. 124 met _den grooten |
+ | B: 128 Currado Malaspina, neef van |
+ | C: 118 Currado Malaspina, neef van |
+ | B: Currado. Virgilius en Dante. |
+ | C: Currado, Virgilius en Dante. |
+ | B: 112 _Zeven P'e_ (peccata of |
+ | C: 112 _Zeven P's_ (peccata of |
+ | B: III, 155. beschrijft het aldus: |
+ | C: III, 155 beschrijft het aldus: |
+ | B: traagst draaiende hemelcircel |
+ | C: traagst draaiende hemelcirkel |
+ | B: 90 _De zesde dienstmaagd_, |
+ | C: 80 _De zesde dienstmaagd_, |
+ | B: 128_gelijk de meerle deed_. |
+ | C: 123 _gelijk de meerle deed_. |
+ | B: Louterinsberg ligt precies aan |
+ | C: outeringsberg ligt precies aan |
+ | B: 75 Het is nu de zesde |
+ | C: 76 Het is nu de zesde |
+ | B: 78 De maan staat in het sterrebeeld |
+ | C: 79 De maan staat in het sterrebeeld |
+ | B: NEGENDE ZANG |
+ | C: NEGENTIENDE ZANG |
+ | B: 49–51: lett: daar zij hebben |
+ | C: 49–51 lett.: daar zij hebben |
+ | B: jammerden, Ital: lagnarsi: zich |
+ | C: jammerden, Ital. lagnarsi: zich |
+ | C: 64–66 tot boete,—ironisch bedoeld. |
+ | B: 64–69 tot boete,—ironisch bedoeld. |
+ | B: 77 Den ander = Karel |
+ | C: 79 Den ander = Karel |
+ | B: 6 zijne zachte voeten: |
+ | C: 36 zijne zachte voeten: |
+ | B: oorzaak der aarbevingen werd gehouden. |
+ | C: oorzaak der aardbevingen werd gehouden. |
+ | B: 40 Zie de Aeneis III |
+ | C: 40 Zie de Aeneïs III. |
+ | B: Bonifazio, bischop van Ravenna; |
+ | C: Bonifazio, bisschop van Ravenna; |
+ | B: als oostelijke en westetelijke grens, |
+ | C: als oostelijke en westelijke grens, |
+ | B: 140 _Over u zelven_—nl. |
+ | C: 142 _Over u zelven_—nl. |
+ | B: 78 Psalm XCI, vs. 5 (Vulgata). |
+ | C: 80 Psalm XCII, vs. 5 (Vulgata). |
+ | B: 21 Roos-kleurig, misschien |
+ | C: 23 Roos-kleurig, misschien |
+ | B: 3 De _boom_ verbeeldt Rome of het |
+ | C: 23 De _boom_ verbeeldt Rome of het |
+ | B: 147–160 Door het vertrek der |
+ | C: 157–160 Door het vertrek der |
+ | B: Paus geheel uit het het oog der |
+ | C: Paus geheel uit het oog der |
+ | B: oplossing van het der raadsel |
+ | C: oplossing van het raadsel |
+ | B: heugenis door het drinken von |
+ | C: heugenis door het drinken van |
+ | B: Heb-zucht als Losch, (vs. 31) |
+ | C: Heb-zucht als Losch (vs. 31), |
+ | B: als Leeuw (vs. 43) als Wolvin |
+ | C: als Leeuw (vs. 43) en als Wolvin |
+ | B: leven zag herboren worden ontvangt ons |
+ | C: leven zag herboren worden), ontvangt ons |
+ | B: Frankrijk en Bonifacius VII |
+ | C: Frankrijk en Bonifacius VII. |
+ | |
+ +--------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Dante's Louteringsberg, by Dante Alighieri
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DANTE'S LOUTERINGSBERG ***
+
+***** This file should be named 39181-0.txt or 39181-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/9/1/8/39181/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.