summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/42293-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '42293-0.txt')
-rw-r--r--42293-0.txt8233
1 files changed, 8233 insertions, 0 deletions
diff --git a/42293-0.txt b/42293-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..3355d8b
--- /dev/null
+++ b/42293-0.txt
@@ -0,0 +1,8233 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42293 ***
+
+ VAN DEN VOS REYNAERDE
+
+ Tweede herziene druk
+
+ uitgegeven naar het Comburgse en Darmstadse
+ handschrift door
+
+ Dr. F. BUITENRUST HETTEMA
+
+ naar het Dyckse handschrift door
+
+ Dr. H. DEGERING
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT
+
+
+In 1903 verscheen in de Zwolsche Herdrukken een uitgave Van den Vos
+Reynaerde, naar het Comburgse handschrift uitgegeven door F. Buitenrust
+Hettema en J. W. Muller.
+
+Bij deze nieuwe herdruk, nu alleen door mij bezorgd, wordt aan een
+daar gegeven belofte voldaan en ook het Darmstadtse fragment (E)
+hier herdrukt; daarenboven was Dr. Degering, de vinder zelf van
+"het Dyckse handschrift (F)", zo welwillend dit, op nieuw herzien,
+hier uit te geven.
+
+Het Comburgse handschrift en het Darmstadtse fragment zijn nauwkeurig
+vergeleken, afgedrukt. Alleen zijn klaarblijkelike verschrijvingen of
+vergissingen in A verbeterd, om de lezer daarmee niet te vermoeien;
+overigens bleef de hs-tekst onveranderd, "ook al konden we voorshands
+niet verklaren noch aanwijzen hoe de eventueele fout te herstellen
+was." Evenmin is in het rijm, de maat of de grammatiese vormen
+gewijzigd.
+
+Waar in het hs. een rode hoofdletter staat, springt in deze uitgave
+de regel met een dubbel "blok" in; waar een rubricatie voor de
+"rooilijn" staat, met een enkel. Verder zijn afgekorte woorden
+met cursieve letters voluit geschreven, gescheiden leden van een
+eigenlike samenstelling door het teken (-) verbonden, eigennamen met
+hoofdletters gedrukt, en leestekens--zo schaars mogelik, alleen zover
+strikt nodig voor het gemakkelik lezen--aangebracht. Over een en ander,
+alsook over het hs. zelf, is meer te vinden in mijn Inleiding [1],
+bladzijde CXXXVIII.
+
+Omtrent biezonderheden van het Darmstadtse fragment verwijs ik naar
+de eerste uitgave van Martin, in Quellen und Forschungen LXV (1889).
+
+Waar het een Middelnéderlandse tekst gold, heeft Dr. Degering ter
+wille van de gelijkvormigheid in de gehele uitgave, goedgevonden dat
+zijn in het Duits geschreven Voorbericht, en noten, in 't Nederlands
+zijn omgewerkt, en in vereenvoudigde spelling gedrukt.
+
+Bijgevoegd zijn er twee fotogravures--geen facsimilé's--van hs. A;
+een van fragment E, en een van hs. F, fo. 105 v. de onderhelft.
+
+
+
+De weetgierige lezer, die zien wil wat van onze Reynaert I, en hoe
+dit bewaard is, vindt hier nu alle teksten bijeen.
+
+
+Zwolle, Mid-winter 1920. B. H.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+Bij deze afdruk van het Dyck'se Handschrift (F.) ben ik nog
+conservatiever te werk gegaan, overeenkomstig het plan van deze
+uitgave, als in de eerste druk, Munster 1910; alleen is de tekst
+gewijzigd waar mij toeleek duidelik een schrijffout te wezen; andere
+onjuistheden, die ten dele ook komen door het "rhapsodiese" van het
+werk, of opzettelike wijzigingen, of orthografiese biezonderheden,
+die volgens mijn opvatting de oostelike (nederrijnse) afschrijver te
+laste komen (vs 1290 hiep; vs 2330 listinge; vs 3167 balsch)--heb
+ik ongewijzigd gelaten: in de noten is er hoogstens dan op gewezen
+indien uit de eigenaardigheid er van iets op te maken viel voor de
+te veronderstellen tekst van Willems origineel.
+
+Ook het uiterlik stemt overeen met de wijze waarop de medeuitgever
+hs. A en E heeft bewerkt.
+
+Overigens verwijs ik omtrent inhoud, schrift, ouderdom en geschiedenis
+van het hs. naar de voorrede van de eerste uitgave; waar ik na nogmaals
+nauwkeurig nagaan, niets heb bijtevoegen of ook te wijzigen vind.
+
+Met enige voldoening meen ik te mogen constateren dat mijn opvatting
+omtrent de verhouding van de dichters Aernout en Willem, tegenover
+Muller en Franck, ingang begint te vinden. Wie evenwel deze mening
+deelt, moet, zo hij consequent wil blijven, aannemen dat aan de
+reconstructie van de R. zoals Willem hem vervaardigde--als men
+ten minste een dergelijke opgave zonder onoplosbare vragen over te
+laten, mogelik acht,--het Dyckse handschrift en niet het Comburgse
+tot grondslag moet gelegd worden. Muller's critiese uitgave zal dan
+wel niet meer op zijn instemming kunnen rekenen.
+
+
+Berlijn, 1920. Degering.
+
+
+
+
+
+
+
+VAN DEN VOS REYNAERDE.
+
+HANDSCHRIFT A
+
+
+ VVillem, die Madoc [2] maecte, (fo. 192c i.m.)
+Daer hi dicken omme waecte,
+Hem vernoyde so haerde
+Dat die auonture van Reynaerde
+In dietsche onghemaket bleuen
+(Die Willem niet heuet vulscreuen),
+Dat hi die vijte van Reynaerde dede [3] soucken
+Ende hise na den walschen boucken
+In dietsche dus heuet begonnen.
+God moete ons ziere hulpen jonnen!
+Nu keert hem daer toe mijn zin
+Dat ic bidde in dit beghin
+Beede den dorpren enten doren,
+Ofte si commen daer si horen
+Dese rijme ende dese woort
+(Die hem onnutte sijn ghehoort),
+Dat sise laten onbescauen:
+Te vele slachten si den rauen
+Die emmer es al euen malsch.
+Si maken sulke rijme valsch,
+Daer si niet meer of ne weten (fo. 192d)
+Dan ic doe hoe datsi heeten
+Die nu in Babilonien leuen.
+Daden si wel, si soudens begheuen.
+Dat en segghic niet dor minen wille:
+Mijns dichtens ware een ghestille,
+Ne hads mi eene niet ghebeden
+Die in groeter houesscheden
+Gherne keert hare saken.
+Soe bat mi dat ic soude maken
+Dese auontuere van Reynaerde.
+Al begripic die grongaerde
+Ende die dorpren ende die doren,
+Ic wille dat die ghene horen
+Die gherne pleghen der eeren
+Ende haren zin daer toe keeren
+Datsi leuen hoofschelike,
+Sijn si arem, sijn si rike,
+Diet verstaen met goeden sinne.
+Nu hoert hoe ic hier beghinne.
+ Het was in eenen tsinxen daghe,
+Dat beede bosch ende haghe
+Met groenen loueren waren beuaen.
+Nobel die coninc hadde ghedaen
+Sijn hof crayeren ouer al
+Dat hi waende, hadde hijs gheual,
+Houden ten wel groeten loue.
+Doe quamen tes sconinx houe
+Alle die diere, groet ende cleene,
+Sonder vos Reynaert alleene.
+Hi hadde te houe so vele mesdaen
+Dat hire niet dorste gaen:
+Die hem besculdich kent, ontsiet.
+Also was Reynaerde ghesciet,
+Ende hier omme scuwedi sconinx hof
+Daer hi in hadde crancken lof.
+Doe al dat hof versamet was,
+Was daer niemen sonder die das,
+Hine hadde te claghene ouer Reynaerde,
+Den fellen metten grijsen baerde.
+ Nv gaet hier vp eene claghe.
+Isingrijn ende sine maghe
+Ghinghen voer den coninc staen. (fo. 193a)
+Ysengrijn begonste saen
+Ende sprac: 'coninc heere,
+Dor hu edelheit ende dor hu eere
+Ende dor recht ende dor ghenade
+Ontfaerme hu miere scade
+Die mi Reynaert heeft ghedaen,
+Daer ic af dicken hebbe ontfaen
+Groeten lachter ende verlies.
+Voer al dandre ontfaerme hu dies
+Dat hi mijn wijf heuet verhoert,
+Ende mine kindre so mesvoert
+Dat hise beseekede daer si laghen,
+Datter twee noint ne saghen
+Ende si worden staer-blent.
+Nochtan hoendi mi sent:
+Het was sint so verre comen
+Datter eenen dach af was ghenomen,
+Ende Reynaerd soude hebben ghedaen
+Sine onsculde, ende also saen
+Alse die heleghe waren brocht,
+Was hi ander-sins bedocht
+Ende ontfoer ons in sine veste.
+Heere, dit kennen noch die beste
+Die te houe zijn commen hier.
+Mi heuet Reynaert, dat felle dier,
+So vele te leede ghedaen,
+Ic weet wel al sonder waen,
+Al ware al tlaken paerkement
+Datmen maket nu te Ghent,
+In ne ghescreeft niet daer an.
+Dies zwijghic [4] nochtan,
+Ne ware mijns wiues lachter
+Ne mach niet bliuen achter
+No onversweghen no onghewroken.'
+Doe Ysengrijn dit hadde ghesproken,
+Stont vp een hondekijn, hiet Cortoys,
+Ende claghede den coninc in francsoys
+Hoet so arem was wijlen eere,
+Dat alles goeds en hadde meere
+In eenen winter, in eene vorst,
+Dan alleene eene worst,
+Ende hem Reynaert, die felle man, (fo. 193b)
+Die selue worst stal ende nam.
+Tybeert die cater die wart gram.
+Aldus hi sine tale began
+Ende spranc midden in den rinc
+Ende seide: 'heere coninc,
+Dor dat ghi Reynaerde zijt onhout,
+So en es hier ionc no hout,
+Hine hebbe te wroughene ieghen hu.
+Dat Cortoys claghet nu
+Dats ouer menich iaer ghesciet.
+Die worst was mine, al en claghic niet.
+Ic hadse bi miere lust ghewonnen,
+Daer ic bi nachte quam gheronnen
+Omme beiach in eene molen,
+Daer ic die worst in hadde ghestolen
+Eenen slapenden molen-man.
+Hadder Cortoys yewet an,
+Dan was bi niemene dan bi mi.
+Hets recht dat omberecht zi
+Die claghe die Cortoys doet.'
+ Pancer de beuer sprac: 'dinct hu goet,
+Tybeert, datmen die claghe ombeere?
+Reynaert es een recht mordeneere
+Ende een trekere ende een dief.
+Hine heeft oec niemene so lief,
+No den coninc minen heere,
+Hine wilde dat hi lijf ende eere
+Verlore, mochtire an winnen
+Een vet morzeel van eere hinnen.
+VVat sechdi van eere laghe:
+En dedi ghistren in den daghe
+Eene die meeste ouerdaet
+An Cuwaerde den hase die hier staet,
+Die noyt eenich dier ghedede?
+Want hi hem binnen sconinx vrede
+Ende binnen des coninx gheleede
+Ghelouede te leerne sinen crede
+Ende soudene maken capelaen.
+Doe dedine sitten gaen
+Vaste tusschen sine beene.
+Doe begonsten si ouer eene
+Spellen ende lesen beede (fo. 193c)
+Ende lude te zinghene crede.
+ Mi gheuiel dat ic te dien tijden
+Ter seluer stede soude lijden.
+Doe hoerdic haerre beeder sanc
+Ende maecte daer-waert minen ganc
+Met eere arde snelre vaerde.
+Doe vandic daer meester Reynaerde
+Die ziere lessen hadde begheuen,
+Die hi te voren vp hadde gheheuen,
+Ende diende van sinen houden spelen
+Ende hadde Coewaerde bi der kelen
+Ende soude hem thoeft af hebben ghenomen,
+Waer ic hem niet te hulpen comen
+Bi auontueren in dien stonden.
+Siet hier noch die verssche wonden
+Ende die teekine, heere coninc,
+Die Coewaert van hem ontfinc.
+Laetti dit bliuen onghewroken
+Dat hu verde dus es te-broken,
+Ghine wreket als huwe mannen wijsen,
+Men saelt huwen kindren mesprijsen
+Hier-naer ouer wel menich iaer.'
+'Bi Gode, Pancer, ghi secht waer,'
+Sprac Ysengrijn daer hi stoet,
+'Heere, waer Reynaerd doot, het waer ons goet,
+Also behoude mi God mijn leuen!
+Ne ware wert hem dit vergheuen,
+Hi sal noch hoenen binnen eere maent
+Sulken dies niet ne bewaent.'
+ Doe spranc vp Grinbert die das,
+Die Reynaerts broeder sone was,
+Met eere verbolghenlike tale.
+'Heere Ysengrijn, men weet dat wale
+Ende hets een hout bijspel:
+'Viants mont seit selden wel.'
+Verstaet, neemt miere talen goem:
+Ic wilde, hi hinghe an eenen boem
+Bi ziere kelen als een dief,
+Die andren heeft ghedaen meest grief.
+Heere Ysengrijn, wildi angaen
+Soendinc ende dat ontfaen,
+Daer toe willic helpen gherne. (fo. 193d)
+Mijn oem en saelt hem oec niet wernen.
+Entie meest andren heeft mesdaen
+Sal den andren in baten staen
+Van minen oem ende van hu.
+Al comt hi niet claghen nu,
+Ware mijn oem wel te houe
+Ende stonde in sconinx loue,
+Heere Ysengrijn, als ghi doet,
+En soude den coninc niet dincken goet
+Ende ghine bleues heden onbegrepen
+Dat ghi sijn vel so hebt ghenepen
+So dicwile met huwen scerpen tanden,
+Dat hi niet ne conde ghehanden.'
+ Ysengrijn sprac: 'hebdi gheleert
+An huwen oem dus lieghen apeert?'
+'In hebbe daeran niet gheloghen:
+Ghi hebt minen oem bedroghen
+Arde dicke in menegher wijsen.
+Ghi mesleettene van den pladijse
+Die hi hu warp van der kerren,
+Doe ghi hem volghet van verren
+Ende ghi die beste pladijse vp laset,
+Daer ghi hu ane hadt versadet,
+Ghine gaeft hem no goet no quaet,
+Sonder alleene eenen pladijsen-graet,
+Dat ghi hem te ieghen brocht
+Dor dat ghine niet en mocht.
+Sint hoendine van eenen bake
+Die vet was ende van goeder smake.
+Dien ghi leit in huwen muzeele.
+Doe Reynaert heesschede zijn deele,
+Andwoerdi hem in scerne:
+'Hu deel willic hu gheuen gherne,
+Reynaert, scone ionghelinc:
+Die wisse daer die bake an hinc,
+Becnause, so es so vet.'
+Reynaerde waes lettel te bet
+Dat hi den goeden bake ghewan
+In sulker zorghen, dattene een man
+Vinc ende warpene in sínen zac.
+Dese pine ende dit onghemac
+Heuet hi leden dor Ysengrijne (fo. 194a)
+Ende ondert weruen meer dan ic hu rijme!
+ Ghi heeren, dinct hu dit ghenouch?
+Nochtan om meer ongheuouch
+Dat hi claghet om sijn wijf,
+Die Reynaerde heuet al haer lijf
+Ghemint, so doet hi hare.
+Al ne makeden [5] zijt niet mare,
+Ic dart wel segghen ouer waer
+Dat langher es dan .vij. iaer
+Dat Reynaert heuet hare trauwe.
+Om dat Haersint die scone vrauwe
+Dor minne ende dor quade zede
+Reynaert sinen wille dede:
+Wattan, so was sciere ghenesen!
+Wat talen mach daer omme wesen!
+ Nu maket heere Cuwaert die hase
+Eene claghe van eere blase.
+Of hi den credo niet wel en las,
+Reynaerd die zijn meester was,
+Mochte hi sinen clerc niet blauwen?
+Dat ware onrecht, en trauwen!
+Cortoys claghet om eene worst
+Die hi verloes in eene vorst.
+Die claghe ware bet verholen:
+Ende hoerdi datso was ghestolen?
+Male quesite male perdite:
+Ouer recht [6] wert men qualike quite
+Datmen heuet qualic ghewonnen.
+Wie sal Reynaerde dat verjonnen,
+Of hi ghestolen goet ghinc an?
+Niemen die recht versceeden can.
+ Reynaert es een gherecht man.
+Sint dat die coninc sinen ban
+Heuet gheboden ende sinen vrede,
+So weetic wel dat hi ne dede
+Dinc ne gheene, dan of hi ware
+Hermite ofte clusenare.
+Naest siere huut draecht hi een hare.
+Binnen desen naesten jare
+Sone hat hi vleesch, no wilt no tam:
+Dat seidi die ghistren danen quam.
+Malcroys heuet hi begheuen, (fo. 194b)
+Sinen casteel, ende heuet vp heuen
+Eene cluse daer hi leghet in.
+Ander beiach no ander ghewin
+So wanic wel dat hine heuet
+Dan karitate diemen hem gheuet.
+Bleec es hi ende magher van pinen,
+Hongher, dorst, scerpe karijnen
+Doghet hi voer sine zonden
+Recht te desen seluen stonden.'
+ Doe Grimbert stont in dese tale,
+Saghen si van berghe te dale
+Canticler commen gheuaren,
+Ende brochte vp eene bare
+Eene doode hinne, ende hiet Coppe,
+Die Reynaert hadde bi den croppe
+Hoeft ende hals af ghebeten.
+Dit moeste nu de coninc weten.
+Canteclere quam voer de bare gaende
+Sine vederen zeere slaende.
+In weder-zijden van der baren
+Ghinc een hane wijde mare.
+Die een hane hiet Cantaert,
+Daer wijlen na gheheeten waert
+Vrauwe Alenten goeden hane.
+Die ander hiet, na minen wane,
+Die goede hane Crayant,
+Die scoenste hane diemen vant
+Tusschen Portaengen ende Polane.
+Elker-lijc van desen hanen
+Drouch [7] eene berrende stallicht
+Dat lanc was ende richt.
+Daer waren Coppen broeders twee,
+Die riepen: 'o wy ende wee.'
+Om haerre sustre Coppen doot
+Dreuen si claghe ende jammer groot.
+Pinte ende Sproete droughen die bare.
+Hem was te moede zware
+Van haerre suster die si hadden verloren.
+Men mocht arde verre horen
+Haerre tweer carminghe.
+Dus sijn si commen int ghedinghe.
+Canticler spranc in den rijnc (fo. 194c)
+Ende seide: 'heere coninc,
+Dor God ende dor ghenade
+Nu ontfaermet miere scaden
+Die mi Reynaert heeft ghedaen
+Ende mine kindren, [8] die hier staen
+Ende seere hebben haren onwille.
+Ten in-gane van aprille,
+Doe die winter was vergaen
+Ende men siet die bloumen staen
+Ouer al die velde groene,
+Doe was ic fier ende coene
+Van minen groten gheslachte.
+Ic hadde jongher zonen achte
+Ende jongher dochtren zeuene
+Dien wel lusten te leuene,
+Die mi Roede die vroede
+Hadde brocht te dien broede.
+Si waren alle vet ende staerc
+Ende ghinghen in een scone paerc,
+Dat was beloken in eenen muere.
+Hier-binnen stoet eene scuere
+Daer vele honden toe hoorden,
+Datsi menich dier fel scoorden
+Dies waren mine kindre onueruaert.
+Dit benijdde dus Reynaert
+Dat siere waren so vaste binnen
+Dat hire ne gheen conste ghewinnen.
+Want Reynaert, die felle ghebuere,
+Hoe dicken ghinc hi om den muere, [9]
+Ende leide om ons sine laghen.
+Alsene dan die honde saghen,
+Liepen si na met haerre cracht.
+Eene waerf wart hi vp de gracht
+Bi auontueren daer belopen,
+Dat ic hem sach een deel becoepen
+Sine diefte ende sinen roef,
+Dat hem die pelse zeere stoef.
+Nochtan quam hi bi baraten,
+Dattene God moete verwaten!
+Doe waer-wi zijns langhe quijte.
+Sint quam hi als een hermijte,
+Reynaerd, die mordadeghe dief, (fo. 194d)
+Ende brochte mi zeghele ende brief
+Te lesene, heere coninc,
+Daer hu seghele ane hinc.
+ Doe ic die letteren began lesen,
+Dochte mi daer an ghescreuen wesen [10]
+Dat ghi haddet coninclike
+Ouer alle huwen rike
+Alle dieren gheboden vrede
+Ende oec allen voghelen mede.
+Oec brochte hi mi ander niemare
+Ende seide dat hi ware
+Een begheuen clusenare
+Ende hi hadde ghedaen vele zware
+Voer sine zonden meneghe pine.
+Hi toechde mi palster ende slauine
+Die hi brochte van der Elmare,
+Daer onder eene scerpe hare.
+Doe sprac hi: 'heere Cantecleer,
+Nu mooghdi wel vor-wert meer
+Van mi sonder hoede leuen.
+Ic hebbe bi der stole [11] vergheuen
+Al vleesch ende vleesch-smout,
+Ic bem voert meer so hout,
+Ic moet miere zielen telen.
+Gode willic hu beuelen.
+Ic ga daer ic hebbe te doene.
+Ic hebbe middach ende noene
+Ende priemen te segghene van den daghe.
+Doe nam hi neuen eere haghe
+Sinen wech, te dien ghesceede
+Ghinc hi lesen sinen crede.
+Ic wart blide ende onueruaert
+Ende ghinc te minen kindren waert,
+Ende was so wel al sonder hoede
+Dat ic al met minen broede
+Sonder zorghe ghinc buten muere.
+Daer gheuiel mi quade auontuere,
+Want Reynaert, die felle saghe,
+Was ghecropen dor de haghe
+Ende hadde ons die porte ondergaen.
+Doe wart miere kindre saen
+Een ghepronden huten ghetale, (fo. 195a)
+Dat leide Reynaert in sine male.
+Quade auontuere mi doe nakede.
+Want sint dat hise smakede
+In sinen ghiereghen mont,
+Ne conste ons wachtre no onse hont
+No bewachten no bescaermen.
+Heere, dat laet hu ontfaermen.
+Reynaert leide sine laghe
+Beede bi nachte ende bi daghe
+Ende roefde emmer mine kindre.
+So vele es tghetal nu mindre
+Dant ghewone was te zine,
+Dat die .xv. kindre mine
+Sijn ghedeghen al tote vieren.
+So zuuer heefse die onghiere
+Reynaert in sinen mont verslonden.
+Noch ghistren wart hem metten honden
+Ontjaghet Coppe die mare
+Die hier leghet vp dese bare.
+Dit claghic hu met groeten zeere:
+Ontfaremt hu mijns, wel soete heere!'
+ Die coninc sprac: 'Grimbeert die das,
+Hu oem die clusenare was,
+Hi heuet ghedaen so goede carine,
+Leuic een jaer, het sal hem scinen!
+Nu hoert hier, Canticleer,
+Wat sal der talen meer?
+Hu dochter leghet al hier versleghen.
+God moet haerre zielen pleghen
+Wine moghense niet langher houden
+(God moeter al ghewouden)
+Ende sullen onse vygelyen zinghen.
+Daer na sullen wise bringhen,
+Den lichame, ter eerden met eeren.
+Dan sullen wi met desen heeren
+Ons beraden ende bespreken
+Hoe wi ons best ghewreken
+An Reynaerde dese moort.'
+Doe hi ghesprac deze woort,
+Beual hi ionghe ende houden
+Datsi vygelyen zinghen souden.
+ Dat hi gheboet was sciere ghedaen. (fo. 195b)
+Doe mochtemen horen ane slaen
+Ende beghinnen harde ho
+Dat placebo domino
+Ende die verse die daer toe horen.
+Ic seit oec in waren worden,
+Ne ware oec tware [12] ons te lanc,
+Wie daer der zielen vers zanc
+Ende wie die zielen-lesse las.
+Doe die vygelyen ghehent was,
+Doe leidemen Coppen in dat graf
+Dat bi engiene ghemaect was
+Onder die linde in een gras,
+Van maerber-steene slecht [13] was
+Die saerc die daer vp lach.
+Die letteren, diemen daer an sach, [14]
+Deden [15] an tgraf bekinnen
+Wie daer lach begrauen binnen.
+Dus spraken die bouc-staue
+An den zaerc vp den graue:
+'Hier leghet Coppe begrauen
+Die so wale conste scrauen,
+Die Reynaert die vos verbeet
+Ende haren gheslachte was te wreet'.
+Nv leghet Coppe onder mouden.
+Die coninc sprac tsinen houden
+Datsi hem alle bespraken
+Hoe si alre best ghewraken
+Dese groete ouerdade.
+Doe waren si alle te rade
+Datsi daer den coninc rieden
+Dat hine dan soude ombieden
+Dat hi te houe soude comen,
+No dor scaden no dor vromen
+Ne lette, hine quame int ghedinghe,
+Ende men Brune van dien dinghe
+Die bodscap soude laden.
+Dies was die coninc sciere beraden
+Dat hi dus sprac te Bruun den beere:
+Heere Bruun, dit segghic voer dit heere
+Dat ghi dese bodscap doet.
+Oec biddic hu dat ghi zijt vroet,
+Dat ghi hu wacht van baraet. (fo. 195c)
+Reynaert es fel ende quaet:
+Hi sal hu smeeken ende lieghen,
+Mach hi, hi sal hu bedrieghen
+Met valschen woorden ende met sconen,
+Mach hi, bi Gode, hi sal hu honen.'
+'Heere,' seit hi, 'laet hu castyen,
+So moete mi God vermalendyen,
+Of mi Reynaert so sal honen,
+Inne saelt hem weder lonen
+Dat hijs an den dulsten zi.
+Nu ne zorghet niet om mi.'
+Nu neemt hi orlof ende hi sal naken
+Daer hi zeere sal mesraken.
+ Nv es Brune vp die vaert
+Ende heuet in ziere herten onwaert
+Ende het dochte hem ouer-daet
+Dat yement soude sijn so quaet
+Ende dat hem Reynaert hoenen soude.
+Dor den keer van eenen woude
+Quam hi gheloepen dor eene wostine,
+Daer Reynaert hadde de pade sine
+Ghesleghen crom ende menichfoude,
+Also als hi huten woude
+Hadde gheloepen om sijn beiach.
+Beneden der woestinen lach
+Een berch oech ende lanc,
+Daer moeste Bruun sinen ganc
+Te middewaerde ouer maken,
+Sal hi te Manpertus gheraken.
+Reynaerd hadde so menich huus,
+Maer die casteel Manpertus
+Dat was die beste van sinen borghen.
+Daer trac hi in, als hi in zorghen
+Ende in noede was beuaen.
+Nu es Brune die beere ghegaen
+Dat hi te Manpertuus es comen,
+Daer hi de porte heuet vernomen
+Daer Reynaerd hute plach te gane,
+Doe ghinc hi voer die barbecane
+Sitten ouer sinen staert
+Ende sprac: 'sidi in huus, Reynaert?
+Ic bem Bruun, des coninx bode. (fo. 195d)
+Die heuet ghezworen bi sinen gode:
+Ne comdi niet ten ghedinghe
+Ende ic hu niet voer mi bringhe,
+Recht te nemene ende te gheuene
+Ende in vreden voert te leuene,
+Hi doet hu breken ende raden.
+Reynaerd, doet dat ic hu rade
+Ende gaet met mi te houe waert.'
+Dit verhoerde al nu Reynaert
+Die voer sine poerte lach,
+Daer hi vele te ligghene plach
+Dor waremhede van der zonnen.
+Bi der tale die Bruun heeft begonnen,
+Bekenden alte-hant Reynaert
+Ende tart bet te dale waert
+In sine donckerste haghedochte.
+Menichfout was zijn ghedochte
+Hoe hi vonde sulken raet
+Daer hi Bruun, den fellen vraet,
+Te scherne mede mochte driuen
+Ende selue bi ziere eeren bliuen.
+ Doe sprac Reynaert ouer lanc:
+'Huwes goets raets hebbet danc,
+Heere Bruun, wel soete vrient.
+Hi heuet hu qualic ghedient
+Die hu beriet desen ganc,
+Ende hu desen berch lanc
+Ouer te loepene dede bestaen.
+Ic soude te houe sijn ghegaen,
+Al haddet ghi mi niet gheraden.
+Maer mi es den buuc so gheladen
+Ende in so vter-maten wijse
+Met eere vremder nieuwer spise:
+Ic vruchte in sal niet moghen gaen.
+Inne mach sitten no ghestaen,
+Ic bem so vtermaten zat.'
+ 'Reynaert, wat haetstu, wat?'
+'Heere Brune, ic hat crancke haue.
+Arem man dan nes gheen graue:
+Dat mooghdi bi mi wel weten.
+Wi aerme liede, wi moeten heten,
+Hadden wijs raet, dat wi node haten. (fo. 196a)
+Goeder versscher honich-raten
+Hebbic couuer arde groet,
+Die moetic heten dor den noet,
+Als ic hel niet mach ghewinnen.
+Nochtan als icse hebbe binnen,
+Hebbicker af pine ende onghemac.'
+Dit hoerde Brune ende sprac:
+'Helpe, lieue vos Reynaert,
+Hebdi honich dus onwaert?
+Honich es een soete spijse
+Die ic voer alle gherechten prijse,
+Ende icse voer alle gherechten minne.
+Reynaerd, helpt mi dat ics ghewinne.
+Edele Reynaert, soete neve,
+Also langhe als ic sal leuen
+Willic hu daer omme minnen.
+Reynaerd, helpt mi dat ics ghewinne.'
+'Ghewinnen, Bruun? ghi hout hu spot.'
+'In doe, Reynaert, so waer ic zot,
+Hildic spot met hu, neen ic niet.'
+Reynaert sprac: 'Bruun, mochtijs yet?
+Of ghi honich moghet heten,
+Bi huwer trauwen, laet mi weten:
+Mochtijs yet, ic souts hu saden.
+Ic saels hu so vele beraden,
+Ghine hatet niet met hu tienen,
+Waendic hu hulde daer-met verdienen.'
+'Met mi tienen? hoe mach dat wesen?
+Reynaert, hout huwen mont van desen,
+Ende sijts seker ende ghewes:
+Haddic al thonich dat nu es
+Tusschen hier ende Portegale,
+Ic haet al vp teenen male.'
+ Reynaerd sprac: 'Bruun, wat sechdi?
+Een dorper, heet Lamfroit, woent hier bi,
+Heuet honich so vele te waren,
+Ghine hatet niet in .vij. jaren.
+Dat soudic hu gheuen in hu ghewout,
+Heere Brune, wildi mi wesen hout
+Ende voer mi dinghen te houe.'
+Doe quam Brune ende ghinc ghelouen
+Ende sekerde Reynaerde dat: (fo. 196b)
+Wildine honichs maken zat,
+(Des hi cume ombiten sal)
+Hi wilde wesen ouer al
+Ghestade vrient ende goet gheselle.
+Hier omme louch Reynaert die felle
+Ende sprac: 'Bruun, heelt mare,
+Verghaue God dat mi nu ware
+Also bereet een goet gheual
+Alse hu dit honich wesen sal,
+Al wildijs hebben .vij. hamen.'
+Dese woort sijn hem bequame,
+Bruun, ende daden hem so sochte:
+Hi louch dat hi nemmee ne mochte.
+Doe peinsde Reynaerd daer hi stoet:
+'Bruun, es mine auonture goet,
+Ic wane hu daer noch heden laten
+Daer ghi sult lachen te maten.'
+ Na dit peinsen ghinc Reynaert huut
+Ende sprac al ouer luut:
+'Oem Bruun, gheselle, willecome.
+Het staet so, suldi hebben vrome,
+Hier ne mach zijn gheen langher staen.
+Volghet mi, ic sal voeren gaen.
+Wi houden desen crommen pat.
+Ghi sult noch heden werden zat,
+Saelt na minen wille gaen,
+Ghi sult noch heden hebben sonder waen
+Also vele als ghi moghet ghedraghen.'
+Reynaert meende van groten slaghen:
+Dit was dat hi hem beriet.
+Die keytijf Bruun ne wiste niet
+Waer hem Reynaerd die tale keerde,
+Die hem honich stelen leerde,
+Dat hi wel seere sal becoepen.
+Al sprekende quam dus gheloepen
+Reynaert met sinen gheselle Brune
+Tote Lamfroits bi den tune.
+ VVildi horen van Lamfreyde?
+Dat was, eist waer [16] somen mi seide,
+Een temmerman van goeden loue,
+Ende hadde bi sinen houe
+Eene eecke brocht huten woude (fo. 196c)
+Die hi ontwee clieuen soude,
+Ende hadde twee wegghen daer in ghesleghen,
+Also temmermans noch pleghen.
+Die eecke was ontdaen wel wijde,
+Des was Reynaert arde blide.
+Te Brunen sprac hi ende louch:
+'Siet hier hu grote gheuouch,
+Brune, ende nemet wel goem:
+Hier in desen seluen boem
+Es honichs vtermaten vele.
+Prouft oft ghijs in huwe kele
+Ende in huwen buuc moghet bringhen.
+Nochtan suldi hu seluen dwinghen,
+Al dincket hu goet die honich-raten,
+Hetet te zeden ende te maten,
+Dat ghi hu seluen niet verderuet:
+Ic ware ontheert ende ontheruet,
+Wel soete oem, mesquame hu yet.'
+Brune sprac: 'Reynaert, ne sorghet niet.
+Waendi dat ic bem onuroet?
+Mate es tallen spele goet.'
+'Ghi secht waer,' sprac Reynaerd,
+'Waer omme bem ic oec veruaert?
+Gaet toe ende crupet daer in.'
+Reynaert peinsde om zijn ghewin,
+Ende Brune liet hem so verdoren
+Dat hi thoeft ouer die horen
+Ende die twee voerdere voete in stac.
+Ende Reynaert poghede dat hi brac
+Die wegghen beede huter eecken:
+Die daer te voren ghinc so smeeken,
+Bruun bleef gheuanghen in den boem:
+Nu heuet de neve sinen oem
+In boesheden bracht met sulker achte,
+Dat hi met liste no met crachte
+In gheere wijs ne can ontgaen
+Ende bi den hoefde staet gheuaen.
+Wat raeddi Brunen te doene?
+Dat hi was sterc ende coene
+Sal hem niet ghehelpen moghen.
+Hi sach wel, hi was bedroghen.
+Hi began briesschen ende dulen, (fo. 196d)
+Hi was ghegrepen bi zier mulen
+So vaste ende bi den voeten voren:
+Al dat hi pijnde was verloren,
+Hine waende nemmermeer ontgaen.
+Van verren was Reynaert ghestaen
+Ende sach commen Lamfreyde
+Die vp sinen hals brochte beide
+Een scaerpe haex ende eene barde.
+Hier mooghdi horen van Reynaerde
+Hoe hi sinen oem ghinc rampineeren:
+'Oem Brune, vaste gaet mineeren!
+Hier comt Lamfroyt ende sal hu scijncken:
+Haddi gheten, so souddi drincken.'
+ Na der talen so ghinc Reynaert
+Weder te sinen casteele waert
+Sonder orlof, ende mettien
+Heuet Lamfroyt den beere versien,
+Ende vernam dat hi was gheuaen.
+Doe ne was daer gheen langher staen:
+Hi liep wech metter haest
+Daer hi die hulpe wiste naest,
+Daer dat naeste dorp stont,
+Ende dede hem allen cont
+Dat daer stont gheuaen een beere.
+Doe volchde hem een mekel heere.
+Int dorp ne bleef man no wijf:
+Den beere te nemene sijn lijf
+Liept al dat loepen mochte.
+Sulc was die eenen bessem brochte,
+Sulc eenen vleghel, sulc een rake,
+Sulc quam gheloepen met eenen stake,
+So si quamen van haren werke.
+Selue die pape van der kerke
+Brochte eenen cruus-staf,
+Die hem de coster noede gaf.
+Die coster drouch eene vane
+Mede te stekene ende te slane.
+Des spapen wijf, vrauwe Iulocke,
+Quam gheloepen met haren rocke,
+Daer so omme hadde ghesponnen.
+Voer hem allen quam gheronnen.
+Lamfroyt met eere scerper haex. (fo. 197a)
+Al hadde Brune lettel ghemaex,
+Hi ontsach meer ongheual
+Ende sette al ieghen al.
+ Doe hi dat gheruchte hoorde,
+Hi spranc vp, so dat hem scorde
+Van sinen aensichte al die huut.
+Al brochte Brune dat hoeft huut
+Met aerbeide ende met pinen,
+Nochtan liet hi daer van den zinen
+Eene oere ende beede sine lier.
+Nye maecte God so leelic dier.
+Hoe mochte hi zeerre sijn mesrocht?
+Al haddi thoeft hute brocht,
+Eer hi die voete conde ghewinnen,
+Bleuer alle die claeuwen binnen
+Ende sine twee anscoen beede.
+Dus gherochte hi huut met leede.
+Hoe mochte hi zijn ontheert meer?
+Die voete waren hem so zeer,
+Dat hi tloepen niet conste ghedoghen.
+Dat bloet liep hem ouer die hoghen,
+Dat hi niet wel conste ghesien.
+Hine dorste bliuen no vlien.
+Hi sach suut onder die zonne
+Lamfroyt commen gheronnen,
+Daer na die priester, die heere,
+Hi quam gheloepen vele zeere,
+Daer na die coster metter vane,
+Daer na alle die prochiane,
+Die houde lieden metten ionghen.
+Daer na quam vp haren stap ghespronghen
+Sulke quene, die van houden
+Cume eenen tant hadde behouden.
+Wie so wille wachte hem dies:
+Die scade heuet of verlies
+Ende groet ongheual,
+Ouer hem so willet al.
+Dit sceen arem man Brunen wel:
+Sulc dreechdem nu an sijn vel,
+Die des ghesweghen hadde stille,
+Hadde Bruun ghestaen tsinen wille.
+ Dit was beneden eere riuiere (fo. 197b)
+Dat Brune, onsalichst alre diere, [17]
+Van meneghen dorper was beringhet.
+Doe was daer lettel ghedinghet.
+Hem naecte groet onghemac.
+Die een slouch, die ander stac.
+Die een slouch, die ander warp.
+Lamfroyt was hem alte scaerp. [18]
+Een, hiet Lottram Lanc-voet,
+Hi drouch eenen verhoernden [19] cloet,
+Ende stacken emmer na dat hoghe.
+Vrauwe Vulmaerte scerpe loghe
+Ghinckene koken met eenen staue.
+Abelquac ende mijn vrauwe Baue
+Laghen beede onder die voete
+Ende streden beede om eene cloete.
+Ludmoer metter langher nese
+Drouch eenen loedwapper an een pese
+Ende ghincker met al omme zwinghen.
+Ludolf metten crommen vingheren
+Dede hem alles te voren.
+Want hi was best gheboren,
+Sonder Lamfroy alleene:
+Hughelijn metten crommen beene
+Was zijn vader, dat weet men wale,
+Ende was gheboren van Abstale, [20]
+Ende was sone vrauwe Ogernen,
+Eene [21] hout-makigghe van lanternen.
+Ander wijf ende ander man,
+Meer dan ic ghenomen can,
+Daden Brunen groet onghemac,
+So dat hem zijn bloet huut lac.
+Brune ontfinc al sulc payment
+Als hem elc gaf daer omtrent.
+Die pape liet den cruus-staf
+Ghedichte [22] slaen slach in slach
+Ende die coster metter vane
+Ghinc hem vastelike ane.
+Lamfroyt quam ter seluer wijlen
+Met eere scerper bijlen
+Ende slouchene tusschen hals ende hoeft,
+Dat Brune wart zeere verdoeft,
+Dat hi verspranc van den slaghe (fo. 197c)
+Tusschen der riuiere enter haghe
+In eenen trop van houden wiuen
+Ende warper een ghetal van viuen
+In die riuiere die daer liep,
+Die wel wijt was ende diep.
+Des papen wijf wasser eene,
+Des was spapen bliscap cleene,
+Doe hi zijn wijf sach in die vliet,
+Doene luste hem langher niet
+Bruun te stekene no te slane.
+Hi riep: 'siet, edele prochiane,
+Ghindre vloot vrauwe Julocke
+Beede met spillen ende met rocke.
+Nu toe, die haer helpen mach!
+Ic gheue hem iaer ende dach
+Vul pardoen ende aflaet
+Van alre sondeliker daet.'
+ Beede man ende wijf
+Lieten den aermen keytijf
+Brune ligghen ouer doot
+Ende ghinghen daer die pape gheboot
+Beede met stringhen ende met haken.
+Die wijle datsi die vrauwe huut traken,
+So quam Brune in die riuiere
+Ende ontswam hem allen sciere.
+Die dorperen waren alle gram:
+Si saghen dat hem Brune ontswam,
+Datsi hem niet mochten volghen.
+Vpt touuer stonden si verbolghen
+Ende ghinghen na hem rampineren.
+Bruun die lach in die ryuiere
+Daer hi vant den meesten stroem.
+Al dryuende bat hi dat God den boem
+Moeste verdrouuen ende verwaten,
+Daer hi zijn hoere in hadde ghelaten
+Ende beede sine lier.
+Voert vloucte hi dat felle dier,
+Den boesen vos Reynaerde,
+Diene met sinen brunen baerde
+So diepe in die eecke dede crupen,
+Daer na Lamfroyt van der stupen,
+Daer hi hem so leede dede. (fo. 197d)
+In aldustanen ghebede
+Lach Brune also langhe wijle,
+Dat hi wel een halue mile
+Van der stede was ghedreuen
+Daer die dorpers waren bleuen.
+Hi was verpijnet ende moede
+Ende onder-commen van den bloede,
+So dat hi hadde crancke vaert.
+Doe zwam hi te lande waert
+Ende croep ligghen in dat hoeuer.
+Ghine saghet noint droeuer
+Gheen dier no gheenen man.
+Hi lach jammerlic ende stan
+Ende slouch met beede sinen lancken.
+Des mochte hi al Reynaerde dancken.
+ Nv hoert wat Reynaert heeft ghedaen.
+Hi hadde een vet hoen gheuaen
+Bi Lamfroyts an der heyden,
+Eer hi danen was versceiden.
+Hi hadt vp eenen berch ghedreghen
+Verre huut allen weghen,
+Daer het eenlic was ghenouch.
+Dat was wel zijn gheuouch,
+Dor dat daer was niemens ganc
+Ende hi dor niemens bedwanc
+Sine proye dorste rumen.
+Doe hi dat hoen toten plumen
+Hadde gheleit in sine male,
+Doe ghinc hi neder te dale
+Eenen verholenliken pat.
+Hi was vtermaten zat.
+ Dat weder was scone ende heet
+Hi hadde gheloepen dat hem dat zweet
+Neder liep neuen die liere.
+Daer omme liep hi ter riuiere,
+Dor dat hi hem vercoelen soude.
+In bliscap arde menichfoude
+Was sijn herte doe beuaen.
+Hi hopede wel al sonder waen
+Dat Lamfroyt hadde den beere versleghen
+Ende hine thuus-waert hadde ghedreghen.
+Doe sprac hi: 'hets mi wel gheuaren. (fo. 198a)
+Die mi te houe meest soude daren,
+Die hebbic doot in desen daghe.
+Nochtan wanic sonder claghe
+Ende sonder wanconst bliuen.
+Ic mach te rechte bliscap driuen.'
+ Doe Reynaert was in dese tale,
+Sach hi neder-waert te dale
+Ende vernam Bruun daer hi lach.
+Enten eersten als hine sach,
+Hadde hijs rauwe ende toren
+(Daer die bliscap was te voren,
+Daer lach nu [23] thoren ende nijt)
+Ende sprac: 'vermalendijt,
+Lamfroyt, moet dijn herte sijn!
+Du best dulre dan een zwijn,
+Lamfroyt, ergher puten sone!
+Lettel eeren bestu ghewone.
+Hoe es di dese beere ontgaen,
+Die di te voren was gheuaen?
+Hoe menich morseel leghet der-an,
+Dat gherne hetet menich man.
+O wy, Lamfroyt, verscrouen druut,
+Hoe rikelike een beere-huut
+Heefstu heden verloren,
+Die di ghewonnen was te voren!'
+ Dit scelden heuet Reynaert ghelaten
+Ende ghinc neder bi der straten
+Dor te siene hoet Bruun stoet.
+Doe hine sach ligghen al een bloet
+Ende ziec ende onghesont,
+Den aermen beere, te dier stont,
+Dat sach Reynaert arde gherne,
+Doe bescalt hine te sinen scherne:
+'Siere priester, dieu vo saut!
+Kendi Reynaert, den rybaut?
+Wildine scauwen, so siettene hier,
+Den roden scalc, den fellen ghier!
+Seght mi, priester, soete vrient,
+Bi den heere dien ghi dient,
+In wat ordinen wildi hu doen,
+Dat ghi draghet [24] roeden capproen?
+So weder sidi abd so pryhore? (fo. 198b)
+Hi ghinc hu arde na den hore
+Die hu dese crune heuet bescoren.
+Ghi hebt huwen top verloren,
+Ghi hebt hu anscoen af ghedaen:
+Ic wane, ghi wilt zinghen gaen
+Van huwen complete dat ghetijde.'
+Dit hoerde Brune ende wart omblijde,
+Want hine const doe niet ghewreken.
+Hem so dochte sijn herte breken,
+Ende slouch weder in die riuiere:
+Hine wilde van den fellen diere
+Nemmeer hoeren die tale.
+Hi liet hem neder daer te dale
+Metten strome dryuen te hant
+Ende ghinc ligghen vp dat zant.
+ Hoe sal nu Brune te houe comen?
+Al mocht hem al de weerelt vromen,
+Hine ghinghe niet ouer sine voete.
+Hi was ghenoopt so onsoete
+In die eecke, daer hi te voren
+Van tween voeten hadde verloren
+Alle die claeuwen ende dat vel,
+Hine conste niet ghepeinsen wel
+Hoe hi best ten coninc gaet.
+Nu hoert hoe hi die vaert bestaet.
+Hi zat ouer sine hamen
+Ende began met groter scamen
+Rutsen ouer sinen staert,
+Ende als hi dus moede waert
+So wentelde hi dan eene wile.
+Dus dreef hi meer dan eene mile,
+Eer hi tes coninx houe quam.
+Doemen Brune vernam
+In derre wijs van verren comen,
+Wart ghetwifelt van hem zomen
+Wat daer quam ghewentelt zoe.
+Dien coninc wart de herte onvroe,
+Die Brune bekende te hant,
+Ende seide: 'dit es mijn seriant
+Brune, hem es dat hoeft so roet:
+Hi es ghewont toter doot.
+Ay God, wie heeftene so mesmaect?' (fo. 198c)
+Binnen desen so was Brune ghenaect,
+Dat hi den coninc claghen mochte.
+Hi stan ende versuchte onzochte
+Ende sprac: 'coninc, edel heere,
+Wreket mi dor hu selues eere
+Ouer Reynaerde, dat felle dier, [25]
+Die mi mine scone lier
+Met ziere lust verliesen dede
+Ende daer toe mine hoere [26] mede,
+Ende heuet mi ghemaect als ghi siet.'
+Die coninc sprac: 'of ic dit niet
+Ne wreke, so moetic zijn verdoomt!'
+Ende hier na so heuet hi ghenoomt
+Alle die hoechste bi namen,
+Ende ontboet datsi quamen
+Alle gader an sinen raet.
+Doe rieden si hoe dese daet
+Best werde gherecht tes conincs eere.
+Doe rieden die meeste heeren
+Dat menne twee weruen daghen soude,
+Reynaerde, of die coninc woude,
+Ende horen tale ende weder-tale.
+Oec seiden si, si wilden wale
+Dat Tybeert die cater van desen
+Tote Reynaerde bode soude wesen:
+Al ware hi cranc, hi ware vroet.
+Dese raet dinct den coninc goet.
+Doe sprac die coninc: 'heere Tybeert,
+Gaet wech, eer ghi weder keert
+Besiet dat Reynaert met hu come.
+Dese heeren segghen some,
+Al es Reynaert andren dieren fel,
+Hi gheloeuet hu so wel
+Dat hi gherne doet huwen raet.
+Ne comt hi niet, hets hem quaet:
+Men salne drie weruen daghen,
+Te lachtre alle sinen maghen.
+Gaet Tybeert, dit secht hem.'
+'Ay heere,' sprac Tybeert: 'ic bem
+Een arem wicht, een cleene dier.
+Heere Brune, die staerc was ende fier,
+Ne conste Reynaert niet ghewinnen: (fo. 198d)
+In welker wijs salics beghinnen?'
+Doe sprac die coninc: 'heere Tybeert,
+Ghi zijt wijs ende wel gheleert,
+Al sidi niet groet, nochtan
+Hets menich die met luste can
+Dat werken ende met goeden rade,
+Dat hi met crachte niet ne dade.
+Gaet, doet sciere mijn ghebod.'
+Tybeert sprac: 'nu helpe mi God
+Dat het mi moete wel vergaen.
+Ic sal eene vaert bestaen
+Die mi doet zwaer in minen moet.
+God gheuere mi af al goet!'
+ Nv moet Tybeert doen die vaert,
+Die zeere es drouue ende veruaert.
+Ende als hi vp den wech quam,
+Sach hi van verren ende vernam
+Sente Martins voghel, ende quam gheuloghen.
+Doe wart Tybeert vroe ende in hoghen
+Ende riep an sente Martins voghel:
+'Kere haerwaert dinen vloghel. [27]
+Nu vliech te miere rechter hant.'
+Die voghel vloech daer hi vant
+Een haghe, daer hi in wilde lijden,
+Ende vloech Tybeert ter luchter zijden.
+Dit teekin ende dit ghemoet
+Dochte Tybeert niet wesen goet.
+Hadde hi ghesien den voghel lijden
+Scone ter rechter zijden,
+So waende hi hebben goet gheual.
+Nu was hi dies onthopet al.
+Nochtan maecte hi hem seluen moet,
+Ende gheliet hem, als menich doet,
+Bet dan hem te moede was:
+Dus liep hi henen sinen pas,
+Tes hi quam te Manpertus
+Ende vant Reynaerde in zijn huus
+Alleene staen verweendelike.
+Tybeert sprac: 'God die rike
+Moete hu goeden auont gheuen.
+Die coninc dreecht hu an hu leuen,
+Ne comdi niet te houe met mi.'
+Reynaert sprac: 'Tybeert, helet vry, (fo. 199a)
+Neue, ghi zijt mi willecome.
+God gheue hu eere ende vrome.
+Bi Gode, dat jan ic hu wale!'
+Wat coste Reynaerde scone tale?
+Al seghet sine tonghe wale,
+Sine herte die es binnen fel.
+Dit wert Tybeerde ghetoghet wel,
+Eer die lijne wert ghelesen
+Ten hende. Ende met desen [28]
+Sprac Reynaert: 'neve, ic wille dat ghi
+Tauont herberghe hebt met mi,
+Ende morghen willen wi metten daghe
+Te houe waert sonder saghe.
+In hebbe oec onder alle mine maghe
+Niement, Tybeert, daer ic mi nu
+Bet vp verlate dan vp hu.
+Hier was commen Bruun de vraet. [29]
+Hi toechde mi so fel ghelaet
+Ende dochte mi so ouer-staerc,
+Dat ic omme dusent maerc
+Den wech met hem niet hadde bestaen.
+Dat sal ic met hu, al sonder waen,
+Maerghin metter dagheraet.'
+Tybeert sprac: 'hets beteren raet
+Ende het dinct mi beter ghedaen,
+Dat wi nochtauont te houe gaen
+Dan wi tote morghin beiden.
+Die mane scijnet an der heiden
+Also claer alse die dach.
+Ic wane niemen ne sach
+Beter tijt tote onser vaert.'
+'Neen, lieue neve,' sprac Reynaert,
+'Sulc mochte ons daer ghemoeten,
+Hi soude ons quedden ende groeten,
+Die ons nemmermee dade goet,
+Quame hi snachts in ons ghemoet.
+Ghi moet herberghen tauont met mi'.
+Tybeert sprac: 'wat souden wy
+Eten, Reynaert, of ic hier bleue?'
+'Daer omme zorghe ic, lieue neve,
+Hier es der spijsen quaden tijt.
+Ghi mocht heten, begheerdijt, (fo. 199b)
+Een stic van eere honich-raten
+Die bequamelic es vtermaten.
+Wat sechdi, moochdi shonichs yet.'
+Tybeert sprac: 'mine roukes niet.
+Reynaert, hebdi niet in huus?
+Gauedi mi eene vette muus,
+Daer mede lietic hu ghewaert.'
+'Eene vette muus?' sprac Reynaert,
+'Soete Tybeert, wat secht-di?
+Hier woent noch een pape bi,
+Een scuere staet noch an sijn huus,
+Daer in es meneghe vette muus:
+Ic waense niet ghedroughe een waghen.
+So dicken hoere ic den pape claghen
+Dat sine dryuen huten huuse.'
+'Reynaert, zijn daer so vette muse?
+Verghaue God, waer ic nu daer!'
+'Tybeert', seit hi, 'sechdi waer?
+Wildi muse?' 'Of icse wille?
+Reynaert, doet dies een ghestille:
+Ic minne muse voer alle saken.
+Weetti niet dat muse smaken
+Bet dan eenich venisoen?
+Wildi minen wille doen,
+Dat ghi mi leet daer si zijn,
+Daer mede mochti die hulde mijn
+Hebben, al haddi minen vadre
+Doot ende mijn gheslachte al gadre.'
+ Reynaert sprac: 'neve, houddi hu spot?'
+'Neenic, Reynaert, also helpe mi God!'
+'Weet God, Tybeert, wistic dat,
+Ghi soutter sijn nochtauont sat.'
+'Sat, Reynaert, dat ware vele.'
+'Tybeert, dat sechdi thuwen spele.'
+'In doe, Reynaert, bi miere wet.
+Haddic een muus ende waer so vet,
+In gaefse niet omme eenen busant.'
+'Tybeert, gaet met mi te hant.
+Ic leede hu daer ter seluer stat,
+Daer icker hu sal maken zat,
+Eer ic nemmermeer van hu sceede.'
+'Ia ic, Reynaert, vp die gheleede (fo. 199c)
+Ghinghe ic met hu te Mompelier.'
+'So gaen wi dan, wi sijn hier
+Al te langhe,' sprac Reynaert.
+Doe so namen si vp die vaert,
+Tybeert ende sijn oem Reynaert,
+Ende liepen daer si loepen wilden,
+Datsi nye toghel vp hilden,
+Eer si quamen tes papen scuere,
+Die met eenen erdinen muere
+Al omme ende omme was beloken,
+Daer Reynaert in was te-broken
+Des ander daghes daer te voren,
+Doe die pape hadde verloren
+Eenen hane, die hi hem nam.
+Hier omme was tornich ende gram
+Des papen sone Martinet,
+Ende hadde voer dat gat gheset
+Een strec den vos mede te vane:
+Dus gherne wrake hi den hane.
+Dit wiste Reynaert, dat felle dier,
+Ende sprac: 'neue Tybeert, hier
+Crupet in dit selue gat.
+Ne weset trage no lat.
+Gaet al omme ende omme gripen.
+Hoert hoe die muse pipen.
+Keert weder huut als ghi zijt sat.
+Ic sal hier bliuen voer dit gat
+Ende sal hu hier buten beiden:
+Wine moghen niet tauont sceiden,
+Morghin gaen wi te houe waert.
+Tybeert, siet dat ghi niet en spaert.
+Gaet heten, ende laet ons keeren
+Te miere herberghen met eeren.
+Mijn wijf sal ons wel ontfaen.'
+'Willic te desen gate in gaen?
+Wat sechdi, Reynaert, eist hu raet?
+Die papen connen vele baraet:
+Ic besteecse arde noode.'
+'O wy, Tybeert, twi sidi bloode?
+Wanen quam huwer herten desen wanc?'
+Tybeert scaemde hem ende spranc
+Daer hi vant groet ongherec: (fo. 199d)
+Want eer hijt wiste, was hem een strec
+Omme sinen hals arde vast.
+Dus hoende Reynaert sinen gast.
+Alse Tybeert gheware wart
+Des strecs, wart hi veruaert
+Ende spranc voert: dat strec liep toe.
+Tybeert moeste roupen doe
+Ende wroughede hem seluen dor den noot.
+Hi makede een gheroup so groot
+Met eenen iammerliken ghelate,
+Dat Reynaert hoerde vp der strate
+Buten, daer hi alleene stoet,
+Ende riep: 'vindise goet
+Die muse, Tybeert, ende vet?
+Wiste nu dat Martinet
+Dat ghi ter taflen satet
+Ende dit wiltbraet dus hatet,
+Dat ghi verteert, in weet hoe,
+Hi sauder hu saeuse maken toe:
+So houesch een cnape es Martinet.
+Tybeert, ghi singhet in lanc so bet.
+Pleecht men tes coninx houe des?
+Verghaue God, die gheweldich es,
+Dat, Tybeert, daer met hu ware
+Ysingrijn, die mordenare,
+In sulker bliscap als ghi zijt!'
+Dus heeft Reynaert groot delijt
+Dor Tybeerts ongheual.
+Ende Tybeert stont ende ghal
+So lude, dat Martinet ontspranc.
+Martinet riep: 'ha ha, God danc!
+Ter goeder tijt heeft nu ghestaen
+Mijn strec: ic hebber met gheuaen
+Den hoenre-dief, na minen wane,
+Nu toe! ghelden wi hem den hane!'
+ Met desen wart hi toten viere
+Ende ontstac eenen stroe-wisch sciere
+Ende wecte moedre ende vadre
+Ende die kindre alle gadre,
+Ende riep: 'nu toe! hi es gheuaen.'
+Doe mochtemen sien porren saen
+Alle die in dien huus waren. (fo. 200a)
+Selue die pape ne wilde niet sparen,
+Quam hute sinen bedde moeder-naect.
+Martinet hi was gheraect
+Tote Tybeert ende riep: 'hijs hier.'
+Die pape spranc an dat vier
+Ende ghegreep zijns wijfs rocke.
+Een offer-keersse nam vrauwe Iulocke
+Ende ontstacse metter haest.
+Die pape liep Tybeert naest
+Ende ghincken metten rocke slaen.
+Doe moeste Tybeert daer ontfaen
+Wel meneghen slach al in een.
+Die pape stont, als hem wel sceen,
+Al naect, ende slouch slach in slach
+Vp Tybeert, die voer hem lach.
+Daer ne spaerdene haer ne gheen.
+Martinet ghegreep eenen steen
+Ende warp Tybeert een hoghe huut.
+Die pape stont al bloeter huut
+Ende hief vp eenen groeten slach.
+Alse Tybeert dat ghesach,
+Dat hi emmer steruen soude,
+Doe dedi een deel als die boude,
+Dat dien pape verghinc te scanden.
+Beede met claeuwen ende met tanden
+Dedi hem pant, alsoet wel scheen,
+Ende spranc dien pape tusschen die been,
+In die burse al sonder naet,
+Daermen dien beyaert mede slaet.
+Dat dinc viel neder vp den vloer.
+Die vrauwe was zeerich ende zwoer
+Bi der zielen van haren vader,
+Sine wilde wel om al gader
+Die offerande van eenen jare,
+Dat niet den pape gheuallen ware
+Dit vernoy ende dese scame.
+So sprac: 'int-sleets duuels name
+Moete dit strec sijn gheset!
+Siet, lieue neve Martinet,
+Dit was van huwes vader ghewande,
+Siet hier mijn scade ende mijn scande,
+Emmermeer voert in allen stonden, (fo. 200b)
+Al ghenase hi van der wonden,
+Hi bliuet den soeten spele mat.'
+Reynaert stont noch doe voer tgat.
+ Doe hi dese tale hoerde,
+Hi louch dat hem bachten scorde
+Ende hem crakede die tauerne.
+Doe sprac hi te sinen scherne:
+'Swijghet, Iulocke, soete vrauwe,
+Ende laet zijncken desen rauwe
+Ende laet bliuen huwen toren.
+Wattan? al heuet hu heere verloren
+Eenen van den clippelen zinen,
+Al te meer [30] so sal hi pinen.
+Laet bliuen dese tale achtre:
+Gheneset de pape, en es gheen lachtre
+Dat hi ludet met eere clocken.'
+Dus troeste Reynaert vrauwe Iulocken,
+Die haer arde zeere mesliet.
+Die pape mochte langher niet
+Ghestaen, hi viel in ommacht.
+Doe hiefsene vp met haerre cracht
+Ende drouchene recht te bedde waert.
+Hier-binnen keerde Reynaert
+Alleene ter herberghen waert,
+Ende liet Tybeert zeere veruaert
+Ende in zorghen van der doot.
+Al was Tybeerts zorghe groet,
+Doe hise alle onledich sach
+Ouer dien pape, die daer lach
+Ghewont, doe ghinc hi hem pinen,
+So dat hi metten tanden zine
+Die pese midden beet ontwee.
+Doe ne wildi letten nemmee
+Ende spranc weder hute ten gate
+Ende dede hem vp die rechte strate,
+Die tes conincx waert ghelach.
+Eer hi daer quam so waest dach
+Ende die zonne begonste rijsen.
+In eens arems ziecs wijsen
+Quam Tybeert in thof gheronnen,
+Die tes papen hadde ghewonnen
+Dat hi langhe claghen mach. (fo. 200c)
+Alse die coninc dit versach
+Dat hi hadde dat hoeghe verloren,
+Doe mochtemen vreeselike horen
+Den coninc dreeghen den dief Reynaert.
+Die coninc doe niet langher ne spaert.
+Hine riep sine baroene te rade
+Ende vraechde wat hi best dade
+Ieghen Reynaerts ouerdaet?
+Doe wart ghindre menich raet
+Hoemen Reynaert ter redenen brochte,
+Die dese ouerdaet wrochte.
+ Doe sprac Grimbeert die das,
+Die Reynaerts broeder sone was:
+'Ghi heeren, ghi hebt meneghen raet.
+Al ware mijn oem noch also quaet,
+Salmen vry recht voert draghen,
+Men salne drie waeruen daghen,
+Alsomen doet eenen vryen man.
+Ende en comt hi niet dan,
+So es hi sculdich alre dinc,
+Daer hi af voer den coninc
+Van desen heeren es beclaghet.'
+'Wie wildi, Grimbert, dattene daghet?'
+Sprac de coninc, 'wie es hier,
+Die sijn hoeghe ofte sijn lier
+Wille setten in auontueren
+Omme eene felle creatuere?
+Ic wane hier nimene en es so zot!'
+Grimbert sprac: 'so helpe mi God!
+Siet mi hier, ic bem so coene
+Dat ic wel dar bestaen te doene
+Dese bodscap, ghebiedijt.'
+'Grimbeert, gaet wech ende zijt
+Vroet ende wacht hu ieghen mesval.'
+Grimbert sprac: 'coninc heere, ic sal.'
+Dvs gaet Grimbert te Manpertuus.
+Als hire quam, vant hi in huus
+Sinen oem ende vrauwe Ermelijnen,
+Die bi haren welpekijnen
+Laghen in die haghedochte.
+Ende ten eersten dat Grimbeert mochte,
+Groette hi sinen oem ende ziere moyen. (fo. 200d)
+Hi sprac: 'en sal hu niet vernoyen
+Des onrechts, daer ghi in zijt?
+Dincket hu noch niet wesen tijt
+Dat ghi trect, oem Reynaert,
+Tote des conincs houe waert,
+Daer ghi wel zeere zijt beclaghet?
+Ghi zijt .iij. waeruen ghedaghet.
+Vermerrendi maerghin den dach,
+So zorghic dat hu ne mach
+Ne gheene ghenade me ghescien.
+Ghi sult in den derden daghe sien
+Huwen casteel bestormen, Manpertuus.
+Ghi sult gherecht sien voer hu huus
+Eene galghe ofte een rat.
+Ouer waer segghic hu dat:
+Beede hu kindre ende hu wijf
+Sullen verliesen haer lijf
+Lachterlike, al sonder waen.
+Ghine moghet selue niet ontgaen.
+Daer omme es hu de beste raet
+Dat ghi met mi te houe gaet.
+Hets messelic hoet gheuallen mach:
+Hu es dicken vp eenen dach
+Vremder auontueren gheuallen,
+Dan ghi noch quite van hem allen
+Met des conincx orloue
+Maerghin sciet huten houe.'
+ Reynaert seide: 'ghi secht waer.
+Nochtan, Grimbeert, comme ic daer
+Onder des conincs ghesinde,
+Dat ic binnen den houe vinde
+Es vp mi verbolghen al.
+Quame ic danen, het ware gheual.
+Nochtan dinct mi beter wesen
+(Ghenese of ic mach ghenesen)
+Dat ic met hu te houe vare
+Dan het al verloren ware,
+Casteel, kindre ende wijf,
+Ende daer toe mijns selues lijf.
+In mach den coninc niet ontgaen.
+Alse ghi wilt, so willic gaen.
+Hoert,' seit hi, 'vrauwe Hermelijne, (fo. 201a)
+Ic beuele hu die kindre mine,
+Dat ghire wale pleghet nu.
+Voer alle dandre beuelic hu
+Minen zone Reynaerdine.
+Hem staen wel de gaerneline [31]
+In zine muulkine ouer al.
+Ic hope dat hi mi slachten sal.
+Hier es Rossel, een [32] scone dief!
+Die hebbic nochtan harde lief,
+Ja als yement sine kindre doet.
+Al eist dat ic nu van hier moet,
+Ic salt mi nemen arde na,
+Vp dat ic mach, dat ic ontga.
+Grimbeert neve, God moet hu lonen.'
+Met hoofschen woorden ende met sconen
+Nam Reynaert an de sine orlof
+Ende ruumde sijns selues hof.
+Ay hoe drouue bleef vrauwe Hermeline
+Ende hare cleene welpekine.
+ Doe Reynaert sciet huut Manpertuus
+Ende hi hof liet ende huus
+Aldus omberaden staen:
+Nu hoert wat Reynaert heeft ghedaen.
+Teerst dat hi quam an der heyden,
+Hi sprac te Grimbeerte ende zeide:
+'Grimbert, scone wel soete neve,
+Van zorghen suchtic ende beue.
+Lieue neve, ic wille gaen
+(Nu hoert mine redene saen)
+Te biechten hier te di:
+Hier nes ander pape bi.
+Hebbic mine biechte ghedaen,
+Hoe so die saken sijn vergaen,
+Mine ziele sal te claerre wesen.'
+Grimbeert andwoerde na desen:
+'Oem, wildi te biechten gaen,
+So moetti dan verlouen saen
+Alle diefte ende allen roef,
+Of en diet hu niet een loef.'
+'Dat weetic wel,' sprac Reynaert:
+'Grimbeert, nu hoert haerwaert
+Ende vandet mi gheraden.
+Siet, ic comme hu te ghenaden (fo. 201b)
+Van alle gader miere mesdaet. [33]
+Nu hoert, Grimbeert, ende verstaet:
+Confiteor pater mater,
+Dat ic den otter ende den cater
+Ende alle diere hebbe mesdaen,
+Daer af willic mi in biechten dwaen.'
+Grimbert sprac: 'oem, walschedi?
+Of ghi yet wilt, spreect ieghen mi
+In dietsche, dat ict mach verstaen.'
+Doe sprac Reynaert: "ic hebbe mesdaen
+Jeghen alle diere die leuen.
+Bidt Gode dat hijt mi moete vergheuen.
+Ic dede minen oem Brune
+Al bloedich maken sine crune.
+Tybeert dede ic muse vaen,
+Daer ickene zeere dede slaen,
+Tes papen huus daer hi spranc int strec. [34]
+Ic hebbe ghedaen groet ongherec
+Canticleer ende sine kindre:
+Waren si meerre ofte mindre,
+Dicken makedicse los.
+Dor recht beclaghet hi den vos.
+Die coninc en es mi oec niet ontgaen:
+Ic hebbe hem toren oec ghedaen
+Ende mesprijs der coninghinne,
+Datsi spade sullen verwinnen
+Also vele eeren van mi.
+Oec hebbic, dat segghic di,
+Grimbert, mee liede bedroghen
+Dan ic di soude ghesegghen moghen.
+Ende Ysengrijn, dat verstaet,
+Hietic oem dor baraet.
+Ic maectene moonc ter Elmaren,
+Daer wi beede begheuen waren:
+Dat wart hem al te zeere te pinen.
+Ic dede hem an die clocke-lijnen
+Binden beede sine voete.
+Dat luden wart hem doe so soete
+Dat hijt emmer wilde leeren:
+Dat verghinc hem tonneeren,
+Want hi luudde so vtermaten, (fo. 201c)
+Dat alle die ghinghen bi der straten,
+Ende waren binnen der Elmare
+Waenden dat die duuel ware
+Ende liepen daer si luden hoerden.
+Eer hi doe conste in corten woerden
+Ghespreken: 'ic wille mi begheuen,'
+Hadsi hem na ghenomen tleuen.
+Sint dedic hem crune gheuen.
+Hem maechs ghedincken al zijn leuen:
+Dat weetic wel ouer waer.
+Ic dede hem af bernen dat haer,
+So dat hem die zwaerde cramp.
+Sint dedic hem meerren scamp
+Vp thijs, daer icken leerde visschen
+Daer hi mi niet conste ontwisschen.
+Hi ontfincker meneghen slach.
+Sint leeddickene vp eenen dach
+Tote des papen van Ambloys. [35]
+In al dat lant van Vermendoys
+So en woende gheen pape riker.
+Die selue pape hadde eenen spijker
+Daer menich vet bake in lach:
+Des haddic dicken goet ghelach.
+Onder dien spijker haddic een gat
+Verholenlike ghemaect: in dat
+Daer dedic Ysingrijn in crupen.
+Daer vant hi rentvleesch in cupen
+Ende baken hanghende vele.
+Des vleesch dedi dor sine kele
+So vele gheliden vtermaten:
+Als hi weder huten gate
+Waende keeren huter noet,
+Hem was dien leeden buuc so groet
+Dat hi beclaghede zijn ghewin.
+Daer hi was commen ongherich in,
+Ne condi sat [36] niet commen huut.
+Ic liep, ic maecte groet gheluut
+Int dorp ende maecte groet gherochte.
+Nu hoert wat ic daer toe brochte.
+Ic liep aldaer die pape zat
+Te ziere taflen ende hat.
+ Die pape hadde eenen cappoen. (fo. 201d)
+Dat was dat alre beste hoen
+Dat men in al dat lant vant.
+Hi was ghewent al toter hant.
+Dien prandic in minen mont,
+Voer die tafle daer hi stont,
+Al daert die pape toe sach.
+Doe riep die pape: 'nu vanc, [37] slach!
+Helpe, wie sach dit wonder nye?
+Die vos comt, daer ic toe zye,
+Ende roeft mi in mijns selues [38] huus.
+So helpe mi sancta spiritus,
+Te wers hem dat hire quam!'
+Dat tafel-mes hi vp nam
+Ende stac de tafle, datso vloech
+Verre bouen mi arde hoech
+In midden-waerde vp den vloer.
+Hi vloucte zeere ende zwoer
+Ende hi riep lude: 'slach ende va!'
+Ende ic voeren ende hi na.
+Sijn tafel-mes haddi verheuen
+Ende brochte mi ghedreuen
+Vp Ysingrijn daer hi stont.
+Ic hadde dat hoen in minen mont
+Dat arde groet was ende zwaer.
+Datso moestic laten daer,
+Waest mi leet ofte lief.
+Doe riep die pape: 'ay, heere dief,
+Ghi moet den roef hier laten!'
+Hi riep ende ic ghinc miere straten
+Danen daer ic wesen woude.
+Alse die pape vp heffen soude
+Dat hoen, sach hi Ysingrine:
+Doe naecte hem eene grote pine.
+ Hi warpene int hoeghe metten messe.
+Den pape volchden si zesse,
+Die alle met groeten stauen quamen,
+Ende als si Ysingrijn vernamen
+Doe maecten si een groet gheluut,
+Ende die ghebuere quamen huut
+Ende maecten grote niemare
+Manlic andren, dat daer ware
+In spapen spijker een wulf gheuaen, (fo. 202a)
+Die hem seluen hadde ghedaen [39]
+Bi den buke in dat gat.
+Als die ghebuere ghevreescheden dat
+Liepen si dat wonder bescauwen.
+Al daer wart Ysingrijn te-blauwen,
+So dat hem ghinc al huten spele:
+Want hi ontfincker arde vele
+Groete slaghe ende groete worpe.
+Dus quamen die kindre van den dorpe
+Ende verbonden hem die hoghen.
+Het stont hem so, hi moest ghedoghen.
+So zeere slouch-si ende staken
+Dat sine huten gate traken
+(Doe ghedoghedi vele ongheuals)
+Ende bonden hem an sinen hals
+Eenen steen, ende lietene gaen
+Ende lietene dien [40] honden saen
+Diene ghinghen bassen ende jaghen.
+Oec diende men hem met groten slaghen
+So langhe, dat hi gheloue was.
+Doe viel hi neder vp dat gras,
+Of hi ware al steen-doot.
+Doe was dier kindre bliscap groot.
+Ghindre was groete niemare.
+Si namene ende leidene vp eene bare
+Ende droughene met groten ghehuke
+Ouer steene ende ouer struke.
+ Buten dien dorpe in eene gracht
+Bleef hi ligghende al dien nacht.
+Inne weet hoe hi danen voer.
+Sint verweruic dat hi mi zwoer
+Sine hulde een jaer al omtrent.
+Dat dedi vp sulc conuent
+Dat icken soude maken hoenre sat.
+Doe leeddickene in eene stat,
+Daer ic hem dede te verstane
+Dat twee hinnen ende eenen hane
+In een groet huus an eere straten
+Vp eenen aenbalke saten
+Recht teere valdore bi.
+Daer dedic Ysingrijn bi mi
+Vp dat huus clemmen bouen. (fo. 202b)
+Ic seide, ic wilde hem ghelouen,
+Wildi crupen in die valdore,
+Dat hire soude vinden vore
+Van vetten hoenren sijn gheuouch.
+Ter valdore ghinc hi ende louch,
+Ende croep daer in met vare
+Ende began tasten haren-thare.
+Hi taste, ende als hi niet en vant,
+Sprac hi: 'neve, hets hier bewant
+Te zorghen, ic ne vinder niet.'
+Ic sprac: 'oem, wats nu ghesciet?
+Cruupter een lettel bet in.
+Men moet wel pijnen om ghewin.
+Ic hebse wech diere saten voren.'
+Dus so liet hi hem verdoren
+Dat hi die hoenre te verre sochte.
+Ic sach dat icken hoenen mochte,
+Ende hoendene, so dat hi voer
+Van daer bouen vp den vloer
+Ende gaf eenen groeten val,
+Datsi ontspronghen ouer al
+Die in dien huse sliepen.
+Die bi den viere laghen, si riepen:
+Daer ware in huus sine wisten wat
+Gheuallen voer dat vyer-gat. [41]
+Si worden vp ende ontstaken lecht.
+Doe sine daer saghen echt
+Wart hi ghewont toter doot.
+Ic hebben brocht in menegher noot,
+Meer dan ic ghesegghen mochte.
+Nochtan al dat ic nye ghewrochte
+Jeghen hem, sone roucke ic niet
+Zo zeere, als dat ic verriet
+Vrauwe Erswenden, [42] sijn scone wijf,
+Die hi lieuer hadde dan sijns selfs lijf.
+God die moet mi vergheuen.
+Haer dedic dat mi lieuer ware bleuen
+Te doene, dant es ghedaen.'
+Grimbeert sprac: 'of ghi wilt gaen
+Claerliken te biechten tote mi
+Ende zijn van huwen zonden vry,
+So suldi spreken ombedect. (fo. 202c)
+In weet waer-waert ghi dit trect:
+'Ic hebbe ieghen sijn wijf mesdaen.'
+Oem, dat en can ic niet verstaen,
+Waer ghi dese tale keert.'
+Reynaert sprac: 'neve Grimbeert,
+Ware dat hoofschede groot,
+Of ic hadde gheseit al bloot:
+'Ic hebbe gheslapen bi miere moyen?'
+Ghi zijt mijn maech: hu souts vernoyen,
+Seidic eeneghe dorperheit.
+Grimbeert, nu hebbic hu gheseit
+Al dat mi mach ghedincken nu.
+Gheeft mi aflaet, dat biddic hu,
+Ende settet mi dat hu dinct goet.'
+Grimbeert was wijs ende vroet
+Ende brac een rijs van eere haghe
+Ende gaffer mede .xl. slaghe
+Ouer alle sine mesdaden.
+Daer na in gherechten raden
+Riet hi hem goet te wesene
+Ende te wakene ende te lesene
+Ende te vastene ende te vierne
+Ende te weghe waert te stierne
+Alle die hi buten weghe saghe:
+Ende hi voert alle sine daghe
+Behendelike soude gheneeren.
+Hier na so dedi hem verzweeren
+Beede rouen ende stelen.
+Nu moet hi siere sielen telen, [43]
+Reynaert, bi Grimbeerts rade,
+Ende ghinc te houe vp ghenade.
+ Nv es die biechte ghedaen.
+Die heeren hebben den wech bestaen
+Tote des conincs houe waert.
+Nu was buter rechter vaert,
+Dien si te gane hadden begonnen,
+Een pryoreit van zwarten nonnen,
+Daer meneghe gans ende menich hoen,
+Meneghe hinne, menich cappoen
+Plaghen te weedene buten muere.
+Dit wiste die felle creatuere,
+Die onghetrauwe Reynaert,
+Ende sprac: 'te ghenen houe waert (fo. 202d)
+So leghet onse rechte strate.'
+Met dusdanen barate
+Leedde hi Grimbeert bi der scueren,
+Daer die hoenre buten muere
+Ghinghen weeden haren-thare.
+Den hoenre wart Reynaert gheware.
+Sine oghen begonden omme te ghane.
+Buten den andren ghinc een hane,
+Die arde vet was ende jonc:
+Daer na gaf Reynaert eenen spronc
+So dat dien hane die plumen stouen.
+Grimbeert sprac: 'oem, ghi dinct mi douen!
+Onsalich man, wat wildi doen?
+Wildi noch om een hoen
+In alle die groete zonden slaen,
+Daer ghi te biechten af zijt ghegaen?
+Dat moet hu wel zeere rauwen.'
+Reynaert sprac: 'bi rechter trauwen,
+Ic hads vergheten, lieue neve.
+Bidt Gode dat hijt mi vergheue!
+Het ne ghesciet mi nemmermeer.'
+Doe daden si eenen wederkeer
+Ouer eene smale brugghe.
+Hoe dicken sach Reynaert achter rugghe
+Weder daer die hoenre ghinghen!
+Hine conste hem niet bedwinghen
+Hine moeste ziere zeden pleghen:
+Al haddemen hem thoeft af ghesleghen,
+Het ware ten hoenren waert gheuloghen,
+Also verre alst hadde ghemoghen.
+Grimbeert sach dit ghelaet
+Ende seide: 'onreyne vraet,
+Dat hu dat hoghe so omme gaet!'
+Reynaert andwoerde: 'ghi doet quaet
+Dat ghi mine herte so versmaert [44]
+Ende mine bede dus verstorbeert.
+Laet mi doch lesen .ij. pater nooster,
+Der hoenre zielen van den cloester
+Ende den gansen te ghenaden,
+Die ic dicken hebbe verraden,
+Die ic [45] desen heleghen nonnen
+Met miere lust af hebbe ghewonnen.'
+Grimbeert balch, ne waer Reynaert (fo. 203a)
+Hadde emmer zine oghen achterwaert,
+Tes si quamen ter rechter straten.
+Doe began hem drouue ghelaten
+Ende arde zeere beefde Reynaert
+(Daer keerde-si te houe waert),
+Doe hi began den houe naken,
+Daer hi waende seere mesraken.
+ Doe in sconinx hof was vernomen
+Dat Reynaert ware te houe comen
+Met Grimbeerde den das,
+Ic wane daer niemene ne was
+So arem no van so crancken maghen,
+Hine ghereedde hem vp een claghen:
+Dit was al ieghen Reynaerde.
+Nochtan dedi als die onueruaerde,
+Hoe so hem te moede was,
+Ende hi sprac te Grimbeerte den das:
+'Leedet ons die hoechste strate.'
+Reynaerd ghinc in dien ghelate
+Ende in also bouden ghebare,
+Ghelijc of hi sconinx sone ware
+Ende hi niet en hadde mesdaen.
+Boudeliken ghinc hi staen
+Voer Nobele dien coninc,
+Ende sprac: 'God, die alle dinc
+Gheboet, hi gheue hu, coninc heere,
+Langhe bliscap ende eere!
+Ic groet hu, coninc, ende hebbe recht.
+En hadde nye coninc eenen knecht
+So ghetrauwe ieghen hem
+Als ic oyt was ende bem:
+Dat es dicken worden anschijn.
+Nochtan die sulke die hier zijn
+Souden [46] mi nochtan gherne rouen
+Huwer hulden, wilde ghi hem ghelouen.
+Maer neen ghi niet: God moete hu lonen!
+Het en betaemt niet der cronen
+Datsi den scalken ende den fellen
+Te lichte ghelouen datsi vertellen.
+Nochtan willics Gode claghen:
+Dier es te vele in onsen daghen,
+Der scalke, die wroughen connen, (fo. 203b)
+Die niet ter rechter hant hebben ghewonnen
+Ouer al in rike houe:
+Dien salmen niet ghelouen.
+Die scalcheit es hem binnen gheboren,
+Datsi den goeden lieden doen toren:
+Dat wreke God vp haer leuen,
+Ende moete hem eewelike gheuen
+Al sulken loen als si zijn waert!'
+Die coninc sprac: 'o wy, Reynaert,
+O wy, Reynaert, onreyne quaet,
+Wat condi al scone ghelaet!
+Dat en can hu niet ghehelpen een caf.
+Nu comt huwes smeekens af.
+In werde bi smeekene niet hu vrient.
+Hets waer, ghi sout mi hebben ghedient
+Van eere saken in den woude,
+Daer ghi qualic in hebt ghehouden
+Die eede, die ic hadde ghezworen.'
+'O wy, wat hebbic al verloren,'
+Sprac Canticleer die daer stont.
+Die coninc sprac: 'hout huwen mont,
+Heere Canticleer, nu laet mi spreken,
+Laet mi antwoerden sinen treken.
+ Ay, heere dief Reynaert,
+Dat ghi mi lief hebt ende waert,
+Dat hebdi sonder huwe pine
+Mine boden laten anschine:
+Arem man Tybeert, heere Brune,
+Die noch bloedich es zijn crune.
+Ic ne sal hu niet scelden:
+Ic waent hu kele sal ontghelden
+Noch heden al vp eene wijle.'
+'Nomine patrum christum filye!'
+Sprac Reynaert, 'of mijn heere Brune
+Noch al bloedich es die crune,
+Was hi te-blauwen of versproken:
+Waer hi goet, hi ware ghewroken,
+Eer hi noint vloe int water.
+Bander zijde Tybeert die cater,
+Dien ic herberghede ende ontfinc,
+Of hi hute om stelen ghinc
+Tes papen, sonder minen raet, (fo. 203c)
+Ende hem die pape dede quaet:
+Bi Gode, soudic dat ontghelden,
+So mochtic mijn gheluc wel scelden.'
+Voert sprac Reynaert: 'coninc Lyoen,
+Wien twifelt des, ghine moghet doen
+Dat ghi ghebiet ouer mi?
+Hoe groot mine sake [47] zi,
+Ghi moghet mi vromen ende scaden.
+Wildi mi zieden ofte braden
+Ofte hanghen ofte blenden,
+Ic ne mach hu niet ontwenden.
+Alle diere zijn in hu bedwanc.
+Ghi zijt groet ende ic bem cranc,
+Mine hulp es cleene ende dhuwe groet:
+Bi Gode, al slouchdi mi doot,
+Dat ware eene crancke wrake,
+Recht in dese selue sprake.'
+ Doe spranc vp Belin de ram
+Ende sine hye, die met hem quam,
+Dat was dame Hawy.
+Belin sprac: 'ga wy
+Alle voert met onser claghen!'
+Bruun spranc vp met sinen maghen,
+Ende Tybeert die felle,
+Ende Ysingrijn sijn gheselle,
+Forcondet dat euer-zwijn
+Ende die rauen Tyecelijn, [48]
+Pancer die beuer, ooc [49] Bruneel,
+Dat water-var, dat butseel,
+Ende dat een-coren, heere Rosseel,
+Dieweline, die vrauwe fine,
+(Cantecleer ende die kindre zine
+Makeden groten vederslach),
+Dat foret Cleene-beiach:
+Liepen alle in dese scare.
+Alle dese ghinghen openbare
+Voer haren heere, den coninc, staen
+Ende daden Reynaerde vaen.
+ Nv ghinct ghindre vp een playdieren.
+Nye hoerde man van dieren
+So scone tale, als nu es hier
+Tusschen Reynaerde ende dandre dier, (fo. 203d)
+Voert bringhen, diemen brochte daer,
+Het ware mi pijnlic ende zwaer,
+Daer omme corte ic hu de woort.
+Die beste redenen ghinghen daer voort,
+Die claghen, die de dieren ontbonden,
+Proufden si met goeden orconden,
+Als si sculdich waren te doene.
+Die coninc dreef die hoeghe baroene
+Te vonnesse van Reynaerts saken.
+Doe wijsden si datmen soude maken
+Eene galghe sterc ende vast,
+Ende men Reynaerde, den fellen gast,
+Daer an hinghe bi ziere kelen.
+Nu gaet Reynaerde al huten spele.
+ Doe Reynaert verordeelt was,
+Orlof nam Grimbeert die das
+Met Reynaerts naeste maghen.
+Sine consten niet verdraghen
+No sine consten niet ghedoghen,
+Datmen Reynaerde voer haren oghen
+Soude hanghen alse eenen dief.
+Nochtan waest hem somen lief.
+Die coninc hi was arde vroet:
+Doe hi mercte ende verstoet,
+Datso menich ionghelinc
+Met Grimbeerte huten houe ghinc,
+Die Reynaerde na bestoet,
+Doe peinsdi in sinen moet:
+'Hier mach in loepen andren raet.
+Al es Reynaert selue quaet,
+Hi heuet meneghen goeden maech.'
+Doe sprac hi: 'twi sidi traech,
+Ysingrijn ende heere Bruun?
+Reynaerde es cont menich tuun,
+Ende hets den auonde bi:
+Hier es Reynaert, ontsprinct hi,
+Comt hi .iij. voete huter noot,
+Sinen lust die es so groot,
+Ende hi weet so meneghen keer,
+Hine wert ghevanghen tsiaermeer.
+Salmen hanghen, twine doetment dan?
+Eer men nu ghereeden can (fo. 204a)
+Eene galghe, so eist nacht.'
+Ysingrijn was wel bedacht
+Ende sprac: 'hier es een galghe bi.'
+Ende mettien woerde versuchte hi.
+ Doe sprac die cater, heere Tybeert:
+'Heere Ysingrijn, hu es verzeert
+Hu herte, in wancans [50] hu niet.
+Nochtan Reynaert diet al beriet
+Ende selue mede ghinc,
+Daermen huwe twee broeders hinc,
+Rumen ende Wijde-lancken:
+Hets tijt, wildijs hem dancken.
+Waerdi goet, het ware ghedaen,
+Hine ware noch niet onuerdaen.
+Ysingrijn sprac tote Tybeert:
+'Wat ghi ons al gader leert!
+Ne ghebrake ons niet een strop,
+Langhe heden wist zijn crop
+Wat zijn achter-hende mochte weghen!
+Reynaerd, die langhe hadde ghesweghen,
+Sprac: 'ghi heeren, cort mine pine.
+Tybeert heeft eene vaste lijne
+Die hi beiaghede an sine kele,
+Daer hi vernoys hadde vele,
+Int huus daer hi den pape beet,
+Die voer hem stont al sonder cleet.
+Her Ysingrijn, nu maect hu voren.
+Ende sidi nu daer toe vercoren,
+Ende ghi Brune, dat ghi sult dooden
+Reynaert, huwen neve, den fellen roden!'
+Doe so sprac die coninc saen:
+'Doet Tybeerte mede gaen:
+Hi mach clemmen, hi mach de lijne
+Vp draghen sonder huwe pijne.
+Tybeert, gaet voren ende maect ghereet.
+Dat ghi yet let, dats mi leet!'
+Doe sprac Ysingrijn tote Brune:
+'So helpe mi de cloester-crune
+Die bouen vp mijn hoeft staet,
+In hoerde nye so goeden raet
+Alse Reynaert selue gheuet hier.
+Hem langhet omme cloester-bier: (fo. 204b)
+Nu gaen wi voeren ende bruwen hem!'
+Bruun sprac: 'neve Tybeert, nem
+Die lijne, du salt mede loepen.
+Reynaert die salt nu becoepen,
+Mijn scone liere ende dine hoghe.
+Ghawi ende hanghene so hoghe,
+Dats lachter hebben al sine vrient!'
+'Gha-wi, hi heues wel verdient,'
+Sprac Tybeert ende nam de lijne.
+Hine dede nye so lieue pine.
+ Nv waren die drie heeren ghereet,
+Die Reynaert hadde harde leet, [51]
+Dat was die wulf ende Tybeert
+Ende der Bruun, die hadde gheleert
+Honich stelen te zinen scaden.
+Ysingrijn was so beraden,
+Eer hi van den houe sciet,
+Hine wilde des laten niet
+Hine vermaende nichten ende neven
+Ende alle, die binnen den houe bleuen,
+Beede ghebuere ende gaste,
+Datsi Reynaerde hilden vaste.
+Vrauwe Arsenden zinen wiue
+Beual hi bi haren liue,
+Datso stonde bi Reynaerde
+Ende soene name bi den baerde
+Ende van hem niet ne sciede
+No dor goet no dor miede
+No dor niet no dor noet
+No dor zorghe van der doot.
+ Reynaert andwoerde in corten woorden,
+Dat alle die daer waren horden:
+'Heere Ysingrijn, half ghenade!
+Al ware hu lief mijn grote scade
+Ende al brincdi mi in vernoye:
+Ic weet wel, soude mijn moye
+Te rechte ghedincken ouder daet,
+Sone dade mi nemmermeer quaet.
+Maer her Ysingrijn, soete oem,
+Ghi neemt huwes neven crancken goem,
+Ende heere Brune ende heere Tybeert,
+Dat ghi mi dus hebt onneert:
+Ghi drie ghi hebbet ghedaen al, (fo. 204c)
+Datmen mi ontliuen sal.
+Daer toe hebdi ghemaket
+Datso wie die mi ghenaket
+Sceldet mi dief of heuet leet.
+Daer omme moetti, God weet,
+Gheonneert werden alle drie,
+Ghine haest dat gescie
+Al dat ghi begaert te doene!
+Mi es dat herte noch also coene:
+Ic dar wel steruen eene waerf.
+Ne wart mijn vader, doe hi staerf,
+Van alle sinen zonden vry?
+Gaet, ghereet die galghe, of ghi
+Een twint mi langher niet ne spaert,
+Of varen moetti inderwaert,
+Alle huwe voete ende huwe been!'
+Doe sprac Ysingrijn: 'ameen!'
+'Amen,' sprac Brune, 'ende hinderwaert
+Moet hi varen die langher spaert!'
+Tybeert sprac: 'nu haesten wy!'
+Ende mettien woerde spronghen zi
+Ende liepen voert arde blide
+Ende pijnden hem ten strijde
+Te springhene ouer meneghen tuun,
+Ysingrijn ende heere Bruun.
+Tybeert volchde hem naer:
+Hem was die voet een lettel zwaer
+Van der lijnen, die hi drouch.
+Nochtan was hi rasch ghenouch:
+Dat dede hem al die goede wille.
+Reynaert stont ende zweech al stille
+Ende sach sine viande loepen,
+Die hem dat strec an waenden cnoepen,
+'Maer het sal bliuen,' sprac Reynaert,
+Die staet ende scauwet daer-waert,
+Ende si springhen ende si keeren.
+Hi peinsde: 'deus, wat joncheeren!
+Nu laetse springhen ende loepen.
+Leuic, si sullent noch becoepen,
+Hare ouerdaet ende hare scampye,
+Mine ghebreke reynaerdye.
+Nochtanne zijn si mi (fo. 204d)
+Lieuer verre danne bi,
+Die ghene die ic meest ontsach. [52]
+Nu willic prouuen dat ic mach
+Te houe bringhen een baraet,
+Dat ic voer de dagheraet
+In groter zorghen vant te nacht.
+Heuet mine lust sulke cracht
+Alsic noch hope datso doet:
+Al es hi lustich ende vroet,
+Ic wane den coninc noch verdoren.'
+Die coninc dede blasen eenen horen
+Ende hiet Reynaerde huut-waert leeden.
+Reynaert sprac: 'laet teerst ghereeden
+Die galghe, daer ic an hanghen sal,
+Ende daer-binnen so sal ic al
+Den volcke mine biechte conden,
+In verlanessen van minen zonden.
+Hets beter dat al tfolc verstaet
+Mine diefte ende mine ondaet,
+Dan si namaels eeneghen man
+Mine ouerdaet teghen an.'
+ Die coninc sprac: 'nu segghet dan.'
+Reynaert stont als een drouue man
+Ende sach al omme haren-thare.
+Daer so sprac hi al openbare:
+'Helpe,' seit hi, 'dominus!
+Nu en es hier niemen in dit huus,
+No vrient no viant, ic ne bem
+Een deel mesdadich ieghen hem.
+Nochtan horet alle, ghi heeren:
+Laet v [53] wijsen ende leeren,
+Hoe ic Reynaert aermijnc
+Eerst an die boesheit vinc.
+In allen tijden spade ende vroe
+Wasic een houesch kint noch doe.
+Doemen mi spaende van der mammen, [54]
+Ghinc ic spelen metten lammen
+Dor te hoerne dat ghebleet,
+So dat ic een verbeet.
+Ten eersten lapedic dat bloet:
+Het smaecte so wel, het was so goet,
+Dat ic dat vleesch mede ontgan. (fo. 205a)
+Daer leerdic leckernie an,
+So vele dat ic ghinc ten gheeten
+Int wout, daer icse hoerde bleeten.
+Daer verbeetic hoekine twee.
+So dedic des derdes daghes mee,
+Ende ic wart bouder ende coene
+Ende verbeet haenden ende hoene
+Ende gansen, daer icse vant.
+Doe mi bloedich wart mijn tant,
+Was ic so fel ende so wreet
+Dat ic zuuer vp verbeet
+Al dat ic vant ende wat mi dochte,
+Dat mi bequam ende dat ic vermochte.
+Daer na quam ic ende Ysingrine
+Te wintre, in eenen couden rijme,
+Bi Besele onder eenen boem.
+Hi rekende dat hi ware mijn oem
+Ende began eene sibbe tellen.
+Al daer worden wi ghesellen:
+Dat mach mi te rechte rauwen.
+Daer gheloofden wi bi trauwen
+Recht gheselscap manlic andren.
+Doe begonsten wi te gader wandelen:
+Hi stal tgroete ende ic dat cleene.
+Dat wi beiaechden wart ghemeene.
+Ende als wi deelen souden doe,
+Ic was in hueghen ende vroe,
+Mochtic mijn deel hebben half.
+Alse Ysingrijn beiaghede een calf
+Of eenen weder of eenen ram,
+So grongierdi ende maecte hem gram,
+Ende toechde mi een ghelaet,
+Datso zuer was ende so quaet,
+Dat hi mi daermet van hem verdreef
+Ende hem mijn deel al gader bleef.
+Nochtan hachtic niet van dien.
+So menich waeruen hebbic versien:
+Alse wi een groete proye lagheden,
+Die ic ende mijn oem beiagheden,
+Eenen osse of eenen bake,
+Doe ghinc hi sitten met ghemake
+Met sinen wiue vrauwe Harsenden (fo. 205b)
+Ende met sinen .vij. kindren:
+Sone mochtic cume deene hebben
+Van den alre mintsten rebben,
+Die sine kindre hadden ghecnaghet.
+Dus nauwe hebbic mi beiaghet.
+Nochtan dat was mi lettel noot:
+Ne waer dat mijn zin so groot
+Die lieue drouch te minen oem,
+(Die mijns nemet crancken goem)
+Ic hadde ghewonnen wel tetene.
+Coninc, dit doe ic hu te wetene:
+Ic hebbe noch seluer ende gout,
+Dat al es in mier ghewout,
+So vele dat cume een waghen
+Te .vij. waeruen soude ghedraghen.'
+ Alse die coninc dit verhoerde,
+Gaf hi Reynaerde felle andwoerde:
+'Reynaert, wanen quam hu die scat?'
+Reynaert andwoerde: 'ic segghu dat,
+Wijldijt weten also ict weet,
+No dor lief no dor leet
+Sone salt danne bliuen verholen.
+Coninc, dien scat was bestolen.
+Ne waer hi oec ghestolen niet,
+Daer ware die moert bi ghesciet
+An hu lijf, in rechter trauwen,
+Dat alle huwen vrienden mochte rauwen.'
+Die coninghinne wart veruaert
+Ende sprac: 'O wy, lieue Reynaert!
+O wy, Reynaert, O wy, O wy!
+O wy, Reynaert, wat sechdi?
+Ic mane hu bider seluer vaert,
+Dat ghi nu [55] ons secht, Reynaert,
+Die hu ziele varen sal,
+Dat ghi ons secht de waerheit al
+Openbare ende brinct voort,
+Of ghi weet van eenegher moort
+Of eenen mordeliken raet,
+Die ieghen minen heere gaet,
+Dat laet hier openbare horen!'
+Nu hoert hoe Reynaert sal verdoren
+Den coninc entie coninghinne, (fo. 205c)
+Ende hi beweruen sal met zinne
+Des conincx vrienscap ende sine hulde,
+Ende hi buten haerre sculde
+Brune ende Ysingrijn beede
+Vp hief in groter onghereede
+Ende in veeten ende in ongheual
+Ieghen den coninc bringhen sal.
+Die heeren, die nu waren so fier,
+Datsi Reynaerde waenden bier
+Te sinen lachtre hebben ghebrauwen:
+Ic wane wel in rechter trauwen,
+Dat hi sal weder mede blanden,
+Dien si sullen drincken met scanden.
+ In eenen ghelate, met drouuen zinne
+Sprac Reynaert: 'edele coninghinne,
+Al haddi mi nu niet ghemaent,
+Ic bem een die steruen waent:
+In laet niet ligghen vp mijn ziele.
+Ende waert so dat mi gheuiele,
+Mi stonder omme in de helle te sine,
+Daer die torment es entie pine.
+In dien dat die coninc milde
+Een ghestille maken wilde,
+Ic soude segghen met ghenaden
+Hoe iammerlike hi was verraden
+Te mordene van zinen lieden.
+Nochtan diet alre meest berieden
+Sijn som van minen liefsten maghen
+Die ic noede soude bedraghen,
+Ne daet die zorghe van der hellen,
+Daermen seit dat si in quellen
+Die hier steruen ende moort
+Weten, sine bringhense voort.'
+Dien coninc wart die herte zwaer
+Ende sprac: 'Reynaerd, sechstu mi waer?'
+'Waer?' sprac Reynaert, 'vraechdi mi des?
+Iane weet ghi wel hoet met mi es?
+Ne bewaent niet, edel coninc:
+Al bem ic een aermijnc,
+Hoe mochtic sulke moert ghetemen?
+Waendi dat ic wille nemen
+Eene [56] loghene vp mine langhe vaert? (fo. 205d)
+En trauwen neen ic,' sprac Reynaert.
+ Bi der coninghinnen rade,
+Die zeere ontsach des sconinx scade,
+Gheboet die coninc openbare
+Dat daer niemen so coene en ware,
+Dat hi een wordekijn yet sprake
+Tote dien dat Reynaert met ghemake
+Hadde vulseit al sinen wille.
+Doe zweghen si alle gader stille.
+Die coninc hiet Reynaerde spreken.
+Reynaert was van fellen treken.
+Hem dochte scone zijn gheual.
+Hi sprac: 'nu zwighet ouer al,
+Na dien dat es den coninc lief.
+Ic sal hu lesen sonder brief
+Die verraderen openbare,
+So dat ic niemene en spare,
+Dien ic te wroughene sculdich bem:
+Dies lachter heuet scaems hem!'
+ Nv verneemt alle gader
+Hoe Reynaerd sinen erdschen vader
+Met verradenessen sal bedraghen, [57]
+Ende eenen van sinen liefsten maghen: [58]
+Dat was Grimberte den das,
+Die hem hout van herten was.
+Dat dede Reynaert omme dat,
+Dat hi wilde datmen te bat
+Sinen woerden gheloeuen soude
+Van sinen vianden, of hi woude
+Die verranesse tyen an.
+Nu hoert hoe hi dies began.
+Reynaert sprac: 'wilen teer stonden
+Hadde mine heere mijn vader vonden
+Des coninx heymeliken scat
+In eene verholnen stat.
+Doe [59] mijn vader hadde vonden
+Den scat, wart hi in corten stonden
+So ouerdadich ende so fier,
+Dat hi veronweerde alle dier
+Die sine ghenote te voren waren.
+Hi dede Tyberte den kater varen
+In Arttinen, dat wilde lant, (fo. 206a)
+Al daer hi Brunen den beere vant.
+Hi ontboet Brune grote Gods houde:
+Ende hi in Vlaendren commen soude
+Ende hi coninc wilde wesen.
+Bruun wart vro van desen:
+Hi hadt meneghen dach begaert.
+Daer maecte hi hem te Vlaendren waert
+Ende quam in Waes, int soete lant,
+Daer hi minen vader vant.
+Mijn vader ontboet Grimberte den wysen
+Ende Ysingrijn den grijsen,
+Tybeert die kater was die vijffte: [60]
+Ende quamen teenen dorpe, hiet Hijfte.
+Tusschen Hijfte ende Ghend
+Hilden si haer paerlement
+In eere belokenre nacht.
+Daer quamen si bi sduuels cracht
+Ende bi sduuels ghewelt,
+Ende zwoeren daer an twoeste velt
+Alle viue des coninx doot.
+Nu hoert wonder alle groot
+Watsi noch ouer een draghen:
+Wilde yement van sconinx maghen
+Dat weder-segghen, mijn vader soude
+Met sinen seluere, met zinen goude
+So den ghenen steken achtre,
+Dat sijs souden hebben lachtre.
+Dit weetic ende segghe hu hoe.
+Eens morghins arde vroe
+Gheuiel dat mijn neve die das
+Van wine een lettel droncken was,
+Ende lyet in verholnen rade minen
+Wiue, miere vrauwen Hermelinen,
+Ende al van pointe te pointe seide,
+Daer si liepen an die heyde.
+Mijn wijf es eene vremde vrauwe,
+Ende gaf Grimberte hare trauwe
+Dat verholen bliuen soude.
+Ten eersten datso quam ten woude,
+Daer ic was ende so mi vant,
+So telde zoet mi te hant,
+Ne waer het was al stillekine. (fo. 206b)
+Oec seide zoet bi sulken lijcteekine,
+Dat ict kende so waer,
+Dat mi alle mine haer
+Vp-waert stonden van groten vare.
+Mine herte wart mi openbare
+Also caut als een hijs,
+Dies zijt seker ende wijs.
+Die pude wijlen waren vry,
+Ende oec so beclaechden hem zij
+Datsi waren sonder bedwanc.
+Ende si maecten een ghemanc
+Ende so groet ghecray vp Gode,
+Dat hi hem gaue bi sinen ghebode
+Eenen coninc diese dwonghe:
+Dies baden die houde entie ionghe
+Met groten ghecraye, met groten ghelude.
+God ghehoerde die pude
+Teenen tijde van den jare
+Ende sende hem den coninc hodeuare,
+Diese verbeet ende verslant [61]
+In allen landen daer hise vant,
+Beede in water ende in velt,
+Daer hise vant in sine ghewelt.
+Hi dede hem emmer onghenade.
+Doe claechden si, het was te spade,
+Het was te spade, ic secht hu twy;
+Sij die voren waren vry
+Sullen sonder wederkeer
+Sijn eyghin bliuen emmermeer,
+Ende leuen eewelike in vare
+Van den coninc hodeuare.
+Ghi heeren, aerme ende rike,
+Ic vruchte oec dies ghelike
+Dat nu van hu soude gheuallen.
+Doe droughic zorghe voer ons allen.
+Dus hebbic ghezorghet voer hu:
+Dies dancti mi lettel nu.
+Ic kenne Brunen valsch ende quaet
+Ende vul van alre ouerdaet.
+Ic peinsde, worde hi onse heere,
+Dat ontvruchtic arde zeere,
+Dat wi alle waren verloren.
+Ic kennen, den coninc, [62] so wel gheboren
+Ende soete ende goedertiere
+Ende ghenadich allen dieren.
+Het dochte mi bi allen dinghen
+Eene quade manghelinghe,
+Die ons ne mochte comen
+Noch theeren noch te vromen.
+Hier omme peinsdic ende poghede,
+Mine herte grote zorghen [63] ghedoghede
+Hoe so erghe eene zake
+Datso ghescort worde, ende brake
+Mijns vaders bosen raet,
+Die eenen dorper, eenen vraet
+Coninc ende heere maken waende.
+Emmer badic Gode ende maende
+Dat hi den coninc minen heere
+Behilde sine warelt-eere.
+Bedi ic kenne wel dat,
+Behilde mijn vader sinen scat,
+Si souden wel des raets ghetelen
+Onder hem ende sinen ghespelen
+Dat die coninc worde verstoten.
+In diepen ghepeinse ende in groten
+Was ic dicken hoe ic dat
+Soude vinden, waer die scat
+Lach, die mijn vader hadde vonden.
+Ic wachte nauwe tallen stonden
+Minen vader ende leide laghen
+In meneghen bosch, in meneghe haghen,
+Beede in velde ende in woude.
+Waer mijn vader, die lusteghe houde,
+Henen trac ende henen liep.
+Was het droghe, was het diep,
+Waest bi nachte, waest bi daghe,
+Ic was emmer in die laghe.
+Waest bi daghe, waest bi nachte,
+Ic was emmer in die wachte.
+Up eene stont gheuiel daer nare
+Dat ic mi decte met groten vare
+Ende lach ghestrect neuen dheerde,
+Ende van den scatte die ic begheerde
+Gherne yewer hadde vernomen. (fo. 206d)
+Doe saghic minen vader comen
+Hute eenen hole gheloepen.
+Doe began ic ten scatte hopen,
+Bi den barate als ic hem sach
+Drijuen, als ic hu segghen mach.
+Want doe [64] hi huten holle quam,
+Sach ic wel ende vernam
+Dat hi omme sach, ende merkedi
+Of hem yemene ware bi.
+Ende als hi niemene en sach,
+Doe queddi den sconen dach
+Ende stoppede dat hol met sande
+Ende maectet ghelijc den andren lande.
+ Dat ic dit sach, ne wiste hi niet.
+Doe saghic, eer hi danen sciet,
+Dat hi den steert liet mede gaen,
+Daer sine vore hadde ghestaen,
+Ende decte sijn spore metter mouden.
+Daer leerdic an den vroeden houden
+Een lettel meesterlike liste,
+Die ic te voren niet ne wiste.
+Aldus voer mijn vader danen
+Ten dorpe waert, daer die hanen
+Ende die vette hinnen waren.
+Teerst dat ic mi durste baren,
+Spranc ic vp ende liep ten hole,
+In wilde niet langher zijn in dole,
+Ende ic gheraecter [65] doe te hant.
+Sciere scraefdic vp dat zant
+Met minen voeten ende croep in.
+Al daer vandic groet ghewin.
+Daer vandic seluer ende goud:
+Hier nes niemen nu so houd,
+Dies nye so vele te gader sach.
+Doe ne spaerdic nacht no dach
+Ic en ghinc trecken ende draghen,
+Sonder karre ende waghen,
+Ouer dach ende ouer nacht,
+Met algader miere cracht.
+Mi halp mijn wijf, vrauwe Hermeline.
+Des dogheden wi grote pine,
+Eer wi den ouer-groeten scat (fo. 207a)
+Brochten in een ander gat,
+Daer hi bet lach tonsen ghelaghe.
+Wij droughene onder eenen haghe
+In een hol verholenlike.
+Doe was ic van scatte rike.
+Nv hoert watsi hier binnen daden
+Die den coninc hadden verraden.
+Brune, die beere, sendde huut
+Verholenlike zijn saluut
+Achter lande ende omboet
+Al den ghenen rijcheit groet,
+Die dienen wilden omme tsout:
+Hi beloofde hem seluer ende gout
+Te gheuene met milder hant.
+Mijn vader liep in al dat lant
+Ende drouch des Brunen baniere.
+Hoe lettel wiste hi dat de diere
+Te sinen scatte waren gheraect,
+Dies hem so quite hadden ghemaect!
+En ware die scat niet ontgonnen,
+Hi hadder met die stat van Lonnen
+Alte gader moghen coepen.
+Dus wan hi an zijn omme loepen.
+Doe mijn vader al omme ende omme
+Tusschen dier Elue entier Zomme
+Hadde gheloepen al dat lant,
+Ende hi meneghen coenen seriant
+Hadde ghewonnen met sinen goude,
+Die hem te hulpen commen soude,
+ Alse die zomer quame int lant,
+Keerde mijn vader daer hi vant
+Brune entie ghesellen zine.
+Doe teldi die groete pine
+Ende die menichfoudeghe zorghe,
+Die hi voer de hoghe borghe
+Int lant van Sassen hadde leden,
+Daer die iagheren hadden gheleden
+Alle daghe met haren honden,
+Die hem veruaerden te meneghen stonden.
+Dit telde hi te spele al gader.
+Daer na so toghede mijn vader
+Brieue, die Brunen wel bequamen, (fo. 207b)
+Daer .xij.c al bi namen
+Sheere Ysingrijns maghe in stonden,
+Met scerpen claeuwen, met diepen monden,
+Sonder die catte ende die baren,
+Die alle in Bruuns souden waren,
+Ende die vosse metten dassen
+Van Doringhen ende van Sassen.
+Dese hadden alle ghezworen,
+In dien datmen hem te voren
+Van .xx. daghen ghaue haer sout,
+Si souden Brunen met ghewout
+Seker wesen tsinen ghebode.
+Dit benam ic al, danct Gode!
+Doe mijn vader hadde ghedaen
+Sine bodscap, hi soude gaen
+Ende scauwen zinen scat.
+Ende als hi quam ter seluer stat
+Daer hine ghelaten hadde te voren,
+Was die scat al verloren
+Ende sijn hol was vp te-broken.
+Wat holpe vele hier af ghesproken?
+Doe mijn vader dat vernam,
+Wart hi zeerich ende gram,
+Dat hi van torne hem seluen hinc.
+Dus bleef achter Brunen dinc
+Bi miere behendichede al.
+Nu meerct hier mijn ongheual:
+Heere Ysingrine ende Brune de vraet
+Hebben nu den nauwen raet
+Metten coninc openbare,
+Ende arem man Reynaerd es die blare!'
+ Die coninc entie coninghinne,
+Die beede hopeden ten ghewinne,
+Si leedden Reynaerde buten te rade
+Ende baden hem dat hi wel dade
+Ende hi hem wijsde sinen scat.
+Ende alse Reynaerd horde dat,
+Sprac hi: 'soudic hu wijsen mijn goet,
+Heere coninc, die mi hanghen doet?
+So waer ic huut minen zinne.'
+ 'Neen, Reynaert,' sprac die coninghinne,
+'Mine heere sal hu laten leuen, (fo. 207c)
+Ende sal hu vriendelike vergheuen
+Alle gader sinen euelen moet,
+Ende ghi sult voert meer sijn vroet
+Ende goet ende ghetrauwe.'
+Reynaerd sprac: 'dit doe ic, vrauwe,
+In dien dat mi de coninc nv
+Vaste gheloue hier voer hu
+Dat hi mi [66] gheue sine hulde,
+Ende hi mi alle mine onsculde
+Wille vergheuen, ende omme dat
+So willic hem wijsen den scat,
+Den coninc, al daer hi leghet.'
+Die coninc sprac: 'ic ware ontweghet,
+Wildic Reynaerde vele ghelouen.
+Hem es dat stelen ende dat rouen
+Ende dat lieghen gheboren int been.'
+Die coninghinne sprac: 'heere, neen.
+Ghi moghet Reynaerde ghelouen wel:
+Al was hi hier te voren fel,
+Hi nes nu niet dat hi was.
+Ghi hebt ghehoert hoe hi den das
+Ende sinen vader heuet bedreghen
+Met morde, die hi wel beteghen
+Mochte hebben andren dieren,
+Wildi meer zijn argertieren [67]
+Ofte fel ofte onghetrauwe.'
+Doe sprac die coninc: 'gentel vrauwe,
+Al waendic dat mi soude scaden,
+Eist dat ghijt mi dorret raden,
+So willict laten vp hu ghenent,
+Dese vorworde ende dit couent
+Vp Reynaerts trauwe staen.
+Ne waer ic segghe hem sonder waen:
+Doet hi meer eerchede,
+Alle die hem ten tienden lede
+Sijn belanct, sullent becoepen.'
+Reynaerd sach den coninc beloepen
+Ende wart blide in sinen moet
+Ende sprac: 'heere, ic ware onvroet,
+Ne gheloofdic hu niet also.'
+Doe nam die coninc een stro
+Ende vergaf Reynaerde al gader (fo. 207d)
+Die wanconst van sinen vader
+Ende zijns selues mesdaet toe.
+Al was Reynaert blide doe,
+Dat en dinct mi gheen wonder wesen:
+Iane was hi van der doot ghenesen?
+ Doe Reynaert quite was ghelaten,
+Was hi blide vtermaten,
+Ende sprac: 'coninc, edel heere,
+God moete hu loenen al die eere,
+Die ghi mi doet, ende mijn vrauwe.
+Ic secht hu wel bi miere trauwe,
+Dat ghi mi vele eeren doet,
+So groet eere ende so groet goet,
+Dat niemen nes onder die zonne,
+Dien ic also wale jonne
+Mijns scats ende miere trauwen,
+Als ic hu doe ende miere vrauwen.'
+Reynaert nam een stroe voer hem
+Ende sprac: 'heere coninc, nem.
+Hier gheue ic di vp den scat,
+Die wijlen Ermelinc besat.'
+ Die coninc ontfinc dat stroe
+Ende dancte Reynaerde zoe
+Als quansijs: 'dese maect mi heere.'
+Reynaerts herte louch so zeere,
+Dat ment wel na an hem vernam,
+Doe die coninc so gheorsam
+Al gader was te sinen wille.
+Reynaert sprac: 'heere zwighet stille.
+Merket waer mine redene gaet.
+Int oesthende van Vlaendren staet
+Een bosch, ende heet Hulster loe.
+Coninc, ghi moghet wesen vroe,
+Mochti onthouden dit:
+Een borne, heet Krieke-pit,
+Gaet zuut-west niet verre danen.
+Heere coninc, ghine dorft niet wanen
+Dat ic hu de waerheit yet messe:
+Dats een de meeste wildernesse,
+Diemen heuet in eenich rike.
+Ic segghe hu oec ghewaerlike
+Dat somwijlen es een half iaer, (fo. 208a)
+Dat toten borne commet daer
+No weder man no wijf,
+No creature die heuet lijf,
+Sonder die hule entie scuvuut,
+Die daer nestelen in dat cruut,
+Of eenich ander voghelijn,
+Dat daer-waert gherne wilde zijn,
+Ende daer bi [68] auontuere lijdet:
+Ende daer in leghet mijn scat ghehidet. [69]
+Verstaet wel ditte, es hu nutte:
+Die stede heetet Krieke-putte.
+Ghi sult daer gaen ende mijn vrauwe,
+Ne wetet oec niemene so ghetrauwe
+Die ghi sult laten wesen hu bode,
+Verstaet mi wel, coninc, dor Gode,
+Maer gaet daer selue, ende alse ghi
+Dien seluen putte commet bi,
+Ghi sult vinden ionghe baerken.
+Heere coninc, dit suldi maerken:
+Die alre naest den putte staet,
+Coninc, tote dier baerken gaet.
+Daer leghet die scat onder begrauen.
+Daer suldi deluen ende scrauen
+Een lettel mos in deene zijde.
+Daer suldi vinden menich ghesmide
+Van goude rijkelijc ende scone.
+Daer suldi vinden die crone,
+Die Ermelijnc die coninc drouch,
+Ende ander chierheit ghenouch:
+Edele steene, guldin waerc.
+Men cocht niet omme dusent maerc.
+ Ay coninc, als ghi hebt dat goet,
+Hoe dicken suldi peinsen in huwen moet:
+'Ay Reynaert, ghetrauwe vos,
+Die hier grouues in dit mos
+Desen scat bi dijnre lust,
+God gheue di goet waer du best!'
+Doe andwoerde die coninc saen:
+'Reynaert, sal ic die vaert bestaen,
+Ghi moet zijn mede in die vaert,
+Ende ghi moet ons, Reynaert,
+Helpen den scat ontdeluen. (fo. 208b)
+Ic ne wane [70] bi mi seluen
+Al daer nemmermeer gheraken.
+Ic hebbe ghehoort nomen Aken
+Ende Parijs: eist daer yet na?
+Ende also als ic versta,
+So smeekedi, Reynaert, ende roomt.
+Krieke-putte dat ghi hier noomt,
+Wanic, es een gheueinsde name.'
+Dit was Reynaerde ombequame,
+Ende verbalch hem ende seide: 'ja, ja,
+Coninc, ghi zijter also na,
+Alse van Colne tote Meye.
+Waendi dat ic hu die Leye
+Wille wijsen in die flume Jordane?
+Ic sal hu wel toeghen, dat ic wane,
+Orconde ghenouch al openbare.'
+Lude riep hi: 'Cuwaert, comt hare,
+Comet voer den [71] coninc, Cuwaert!'
+Die diere saghen dese vaert.
+Hem allen wonderde wat daer ware.
+Cuwaert die ghinc met vare,
+Hem wonderde wat die coninc woude.
+Reynaert sprac: 'Cuwaert, hebdi coude?
+Ghi beuet, zijt blide al sonder vaer,
+Ende secht minen heere den coninc waer
+(Dies maent hi hu bi der trauwen
+Die ghi zijt sculdich miere vrauwen) [72]
+
+
+
+Ende die ic den coninc sculdich bem.
+Doe sprac Reynaert: 'so secht hem,
+Weetstu waer Krieke-putte steet?'
+Cuwaert sprac: 'of ict weet?
+Ja ic, hoene [73] sout wesen soe?
+Ne staet hi niet bi Hulst-ter-loe
+Vp dien moer, in die wostine?
+Ic hebber ghedoghet groete pine
+Ende meneghen hongher ende menich coude
+Ende aermoede so menichfoude
+Vp Krieken-putte so meneghen dach,
+Dat ics vergheten niet ne mach.
+Hoe mochte ic vergheten dies,
+Dat al daer Reynout de ries
+Die valsche penninghe slouch, (fo. 208c)
+Daer hi hem mede bedrouch
+Entie ghesellen sine.
+Dat was te voren eer ic met Rijne
+Mijn gheselscap makede vast,
+Die mi ghequijtte meneghen past.'
+'O wy,' sprac Reynaert: 'soete Rijn,
+Lieue gheselle, scone hondekijn,
+Vergaue God, waerdi nu hier!
+Ghi sout toeghen vore [74] desen dier
+Met huwen sconen rijmen, [75] waers te doene,
+Dat ic noint wart so coene,
+Dat ic eeneghe saken dede,
+Daer ic den coninc mochte mede
+Te mi waert belghen doen met rechte.
+Gaet weder onder ghene knechte,'
+Sprac Reynaert, 'haestelic, Cuwaert.
+Mijn heere de coninc ne heeft thuwaert
+Gheene sake te sprekene meer.'
+Cuwaert dede eenen weder-keer
+Ende ghinc van sconinx rade daer.
+Reynaert sprac: 'coninc, eist waer
+Dat ic seide?' 'Reynaert, jaet.
+Vergheuet mi, ic dede quaet,
+Dat ic hu mestroude yet.
+Reynaert, goede vrient, nu siet
+Den raet, dat ghi met ons gaet
+Ten putte, al daer die baerke [76] staet,
+Daer die scat leghet begrauen onder.'
+Reynaert sprac: 'ghi secht wonder.
+Waendi in waers arde vro,
+Coninc, oft mi stonde also
+Dat ic met hu wandelen mochte
+Also als ons beeden dochte,
+Ende ghi, heere, waert al sonder zonde?
+Neent, het es also ic hu orconde,
+Ende ict hu segghe, al eist scame:
+Doe Ysingrijn in sduuels name
+In de ordine ghinc hier te voren
+Ende hi te moonke wart bescoren,
+Doe ne conste hem de prouende niet ghenoughen,
+Daer .vj. moenke hem bi bedroughen.
+Hi claghede van honghere ende carmede (fo. 208d)
+So zeere, dats mi ontfaermede.
+Doe hi carmede ende wart traech,
+Doe haddics rauwe, als een zijn maech,
+Ende gaf hem raet dat hi ontran.
+Daer omme bem ic in spaeus ban.
+ Maerghin, als die zonne vp gaet,
+Willic te Roeme om aflaet.
+Van Roeme willic ouer zee.
+Danen ne keeric nemmermee,
+Eer ic so vele hebbe ghedaen,
+Coninc, dat ic met hu mach gaen
+Thuwer eeren ende thuwer vromen,
+Of ic te lande weder come.
+Het ware een onscone dinc,
+Souddi, heere coninc,
+Maken huwe wandelinghe
+Met eenen verwatenen ballinghe
+Als ic nu bem, God betere mi!'
+Die coninc sprac: 'Reynaert, zidi
+Yet langhe verbannen?' doe sprac Reynaert:
+'Ja ic, hets .iij. iaer, dat ic wart
+Voer den deken Hermanne
+In vullen zeinde [77] te-bannen.'
+Die coninc sprac: 'Reynaert, na dat ghi zijt
+Te-bannen, men souts mi doen verwijt,
+Reynaert, lietic hu met mi wandelen.
+Ic sal Cuwaerde ofte eenen andren
+Toten scatte doen gaen met mi,
+Ende ic rade hu, Reynaert, dat ghi
+Niet ne laet ghine vaert,
+Dat ghi hu van den banne claert.'
+'Sone doe ic,' sprac Reynaert,
+'Ic ga morghin te Rome waert,
+Gaet na den wille mijn.'
+Die coninc sprac: 'ghi dinct mi zijn
+Beuaen in arde goeden dinghen.
+God jonne hu dat ghijt moet vulbringhen,
+Reynaert, alse hu ende mi
+Ende ons allen nutte zi!'
+ Doe dese tale was ghedaen,
+Doe ghinc Nobel die coninc staen
+Vp eene hoghe stage van steene, (fo. 209a)
+Daer hi vp plach te stane alleene,
+Als hi sat in zijn hof te dinghe.
+Die dieren saten teenen ringhe
+Al omme ende omme in dat gras,
+Na dien dat elc gheboren was.
+Reynaerd stont bi der coninghinne,
+Die hi te rechte wel mochte minnen: [78]
+'Bidt voer mi, edele vrauwe,
+Dat ic hu met lieue weder scauwe.'
+Soe sprac: 'die heere, daert al an staet,
+Doe hu van zonden vul aflaet.'
+Die coninc entie coninghinne
+Ginghen met eenen bliden zinne
+Voer haer diere, aerme ende rike.
+Die coninc die sprac vriendelike:
+'Reynaert es hier commen te houe
+Ende wille, dies ic Gode loue,
+Hem betren met al zinen zinnen.
+Ende mijn vrauwe de coninghinne
+Heuet so vele ghebeden voer hem,
+Dat ic zijn vrient worden bem
+Ende hi versoent es ieghen mi,
+Ende ic hem hebbe ghegheuen vry
+Beede lijf ende lede.
+Reynaerde ghebiedic vullen vrede,
+Anderwaerf ghebiedic hem vrede,
+Ende derde waeruen mede,
+Ende ghebiede hu allen bi huwen liue
+Dat ghi Reynaerde ende zinen wiue
+Ende zinen kindren eere doet,
+Waer si commen in hu ghemoet,
+Sijt bi nachte, zijt bi daghe.
+In wille meer gheene claghe
+Van Reynaerts dinghen horen.
+Al was hi rouckeloes hier voren,
+Hi wille hem betren, ic segghe hu hoe:
+Reynaert wille maerghin vroe
+Palster ende scerpe ontfaen
+Ende wille te Roeme gaen,
+Ende van Rome danen wille hi ouer zee,
+Ende dan commen nemmermee,
+Eer hi heeft vul aflaet
+Van alre zondeliker daet.' (fo. 209b)
+ Dese tale heuet Ticelin [79] vernomen
+Ende vloech danen dat hi es comen
+Ende hi vant die .iij. ghesellen.
+Nu hoert wat hi hem sal tellen.
+Hi sprac: 'keytiue, wat doedi hier?
+Reynaert es meester bottelgier
+Int hof ende moghende vtermaten.
+Die coninc heeftene quite ghelaten
+Van alle sinen mesdaden,
+Ende ghi zijt alle .iij. verraden.'
+ Isingrijn began andwoerden
+Te Tieceline met corten woerden:
+'Ic wane ghi lieghet, heere rauen.'
+Mettien woerde began hi scauen,
+Ende Brune die volchde mede.
+Si ghinghen recken hare lede,
+Loepende tes [80] coninx waert.
+Tybeert bleef zeere veruaert,
+Ende hi bleef sittende vp die galghe.
+Hi was van sinen ruwen balghe
+In zorghen so groet vtermaten,
+Dat hi gherne wille laten
+Sine oeghe varen ouer niet,
+Die hi in spapen scuere liet,
+In dien dat hi verzoent ware.
+Hine wiste wat doen van vare,
+Dan hi ghinc sitten vp die micke.
+Hi claechde vele ende arde dicke
+Dat hi Reynaerde ye bekinde.
+Isingrijn quam met groeten gheninde
+Ghedronghen voer de coninghinne
+Ende sprac met eenen fellen zinne
+Te Reynaert waert so verre
+Dat die coninc wart al erre
+Ende hiet Ysingrine vaen
+Ende Brune: alsoe saen
+Worden si gheuanghen ende ghebonden
+Ghine saghet nye verwoedde honden
+Doen meer lachters dan men hem dede,
+Ysingrine ende Brunen mede.
+Men voerese als leede gaste:
+Men bantse beede daer so vaste, (fo. 209c)
+Datsi binnen eere nacht
+Met gheenrande cracht
+Een let niet en mochten roeren.
+Nu hoert hoe hise coert sal voeren.
+Reynaert, die hem was te wreet,
+Hi dede datmen Brunen sneet
+Van sinen rugghe een velspot af,
+Datmen hem teere scerpen gaf,
+Voets lanc ende voets breet.
+Nu ware Reynaert al ghereet,
+Haddi .iiij. verssche scoen.
+Nu hoert wat hi sal doen,
+Hoe hi sal .iiij. scoen ghewinnen.
+Hi ruunde toter coninghinnen:
+'Vrauwe, ic bem hu peelgrijn.
+Hier es mijn oem Ysingrijn,
+Hi heuet .iiij. vaste scoen.
+Helpt mi dat icse an mach doen.
+Ic neme hu ziele in mine plecht:
+Het es peelgrins recht
+Dat hi ghedincket in sine ghebeden
+Al tgoet datmen hem noyt dede.
+Ghi moghet hu ziele an mi scoyen.
+Doet Haersenden miere moyen
+Gheuen twee van haren scoen.
+Dit moghedi wel met eeren doen:
+So bliuet thuus in haer ghemac.'
+'Gherne,' die coninghinne sprac,
+'Reynaert, ghine mochtes niet ombeeren,
+Ghine hebt scoen: ghi moetet varen
+Huten lande in des Gods ghewout
+Ouer berghe ende int wout,
+Ende terden struke ende steene.
+Dinen aerbeit wert niet cleene:
+Hets dijn noet dattu hebs scoen.
+Ic wilre gherne mijn macht toe doen.
+Die Ysingrijns waren hu wel ghemicke:
+Si zijn so vaste ende so dicke,
+Die Ysingrijn draghet ende zijn wijf.
+Al sout hem gaen an haer lijf,
+Elkerlijc moet hu gheuen twee scoen,
+Daer ghi hu vaert mede moet doen.' (fo. 209d)
+Dus heuet die valsche peelgrijn
+Beworuen dat dher Ysingrijn
+Al toten knien heuet verloren
+An [81] beede sine voeten voren
+Dat vel al gader toten claeuwen.
+Ghine saecht noint voghel braeuwen,
+Die stilre hilt al sine leden
+Dan Ysingrijn de zine dede.
+Doemen so iammerlike ontscoyde,
+Dat hem dat bloet ten teen af vloyde.
+ Doe Ysingrijn ontscoyt was,
+Moeste gaen ligghen vp dat gras
+Vrauwe Hersuint die wulfinne
+Met eenen wel drouuen zinne,
+Ende liet haer af doen dat vel
+Ende die claeuwen also wel,
+Bachten van beede haren voeten.
+Dese daet dede wel soeten
+Reynaerde sinen drouuen moet.
+Nu hoert wat claghen hi noch doet.
+'Moye,' seit hi, 'moye,
+In hoe meneghen vernoye
+Hebdi dor minen wille ghewesen!
+Dats mi al leet, sonder van desen
+Eist mi lief, ic segghe hu twi.
+Ghi zijt (des ghelouet mi)
+Een die liefste van minen maghen:
+Bedi sal ic hu scoen an draghen.
+Godweet, dats al huwe bate:
+Ghi sult an hoghen aflate
+Deelen ende an al dat pardoen,
+Lieue moye, dat ic in hu scoen
+Sal beiaghen ouer zee.'
+Vrauwe Hersuinden was so wee
+Datso cume mochte spreken:
+'Ay Reynaert, God moete mi wreken,
+Dat ghi ouer ons siet huwen wille!'
+Ysingrijn balch ende zweech stille
+Ende zijn gheselle Brune, ne ware
+Hem was te moede arde zware.
+Si laghen ghebonden ende ghewont.
+Hadde oec doe ter seluer stont (fo. 210a)
+Tybeert die cater ghewesen daer,
+Ic dar wel segghen ouer waer:
+Hi hadde so vele ghedaen te voren,
+Hine waers niet bleuen sonder toren.
+ VVat helpt dat ict hu maecte lanc!
+Des ander daghes, voer de zonne vp-ganc
+Dede Reynaert zijn scoen snoeren,
+Die Ysingrijns waren te voren
+Ende zijns wijfs, vrauwe Hersenden,
+Ende hadse vaste ghedaen benden
+Om zine voeten, ende ghinc
+Daer hi vant den coninc
+Ende zijn wijf die coninghinne.
+Hi sprac met eenen soeten zinne:
+'Heere, God gheue hu goeden dach
+Ende mier vrauwen, die ic mach
+Prijs gheuen met rechte.
+Nu doet Reynaert gheuen, huwen knechte,
+Palster ende scerpe ende laet mi gaen.
+Doe dede die coninc haesten saen
+Den capelaen, Belin de ram.
+Ende als hi bi den coninc quam,
+Sprac die coninc: 'hier es
+Dese peelgrijn, leest hem een gheles,
+Ende gheuet hem scaerpe ende staf.'
+Belin den coninc andwoerde gaf:
+'Heere, in dar des doen niet.
+Reynaert heuet selue beghiet,
+Dat hi es in spaeus ban.'
+Die coninc sprac: 'Belin, wats dan?'
+Meester Jufroet doet ons verstaen:
+Hadde een man alleene ghedaen
+Also vele zonden alse alle die leuen,
+Ende wildi aercheit al begheuen
+Ende te biechten gaen
+Ende penitencie daer-af ontfaen,
+Dat hi ouer zee wille varen,
+Hi mochte hem wel selue claren.'
+Belin sprac ten coninc echt:
+'Ic en doere toe crom no recht
+Van gheesteliker dinc altoes,
+Ghine wilt mi quiten scadeloes (fo. 210b)
+Ieghen bisscop ende ieghen den deken.'
+Die coninc sprac: 'in .viij. weken
+Sone wane ic hu bidden so vele.
+Oec haddic lieuer dat huwe kele
+Hinghe, dan ic hu heden bat.'
+Ende alse Belin hoerde dat,
+Dat die coninc balch te hem waert,
+Wart Belin so veruaert
+Dat hi beefde van vare,
+Ende ghinc ghereeden zine autare,
+Ende began zinghen ende lesen
+Al dat hem goet dochte wesen.
+ Doe Belin die capelaen
+Oemoedelike hadde ghedaen
+Dat ghetijde van den daghe,
+Doe hinc hi an zine craghe
+Eene scaerpe van Bruuns velle.
+Oec gaf hi den fellen gheselle
+Den palster in de hant daer-bi
+Te zinen ghevoughe: doe was hi
+Al ghereet te ziere vaert.
+Doe sach hi ten coninc waert.
+Hem liepen die gheveinsde tranen
+Neder neuen zine granen,
+Alse oft hi jammerlike in sine herte
+Van rauwen hadde grote smerte.
+Dit was bedi ende anders niet
+Dat hi hem allen, die hi daer liet,
+Niet hadde beraden al sulke pine
+Alse Brunen ende Ysingrine,
+Haddet moghen gheuallen.
+Nochtan stont hi ende bat hem allen
+Datsi ouer hem bidden souden
+Also ghetrauwelike als si wouden [82]
+Dat hi ouer hem allen bade.
+Dat orlof nemen dochte hem spade,
+Want hi gherne danen ware:
+Hi was altoes zeere in vare,
+Als die hem seluen sculdich weet.
+Doe sprac die coninc: 'mi es leet,
+Reynaert, dat ghi dus haestich zijt.'
+'Neen, heere, het es tijt:
+Men sal gheene weldaet sparen. (fo. 210c)
+Huwen orlof, ic wille varen.'
+Die coninc sprac: 'Gods orlof!'
+Doe gheboet die coninc al dat hof
+Met Reynaerde huut-waert te ghane,
+Sonder alleene die gheuane.
+Nv wart Reynaert peelgrijn.
+Ende zijn oem Ysingrijn
+Ende Brune die ligghen ghebonden
+Ende ziec van zeeren wonden.
+Mi dinct ende ic wane des
+Dat niement so onspellic es
+Tusschen Pollanen ende Scouden,
+Die hem van lachene hadde onthouden
+Dor [83] rauwe die hem mochte ghescien,
+Hadde hi Reynaerde doe ghesien:
+Hoe wonderlic hi henen ghinc
+Ende hoe ghemackelic dat hem hinc
+Scaerpe ende palster omme den hals,
+Ende die scoen, als ende als,
+Die hi drouch an zine been
+Ghebonden, so dat hi sceen
+Een peelgrijn licht ghenouch.
+Reynaerts herte binnen louch,
+Dor datsi alle met hem ghinghen
+Met so groter zameninghen,
+Die hem te voren waren wreet.
+Doe sprac hi: 'coninc, mi es leet
+Dat ghi so verre met mi gaet:
+Ic vruchte, het mach hu wesen quaet.
+Ghi hebt gheuaen .ij. mordenaren.
+Gheualt datsi hu ontvaren,
+Ghi hebt hu te wachtene meer
+Dan ghi noint hadt eer.
+Blijft ghesont ende laet mi gaen.'
+Na dese tale ghinc hi staen
+Vp sine .ij. achterste voeten
+Ende maende die diere, cleene ende grote,
+Datsi alle voer hem baden,
+Of si alle an sine weldaden
+Recht deel nemen wouden.
+Si seiden alle datsi souden (fo. 210d)
+Sijns ghedincken in haer ghebede.
+Nu hoert voert wat Reynaert dede,
+Daer hi van den coninc sciet:
+So drouuelic hi hem gheliet,
+Dat hem somen zeere ontfaremde.
+Cuwaert den haze hi becaremde:
+'O wy, Cuwaert, sullen wi sceeden!
+Of God wilt, ghi sult mi gheleeden
+Ende mijn vrient Belin de ram:
+Ghi twee, ghine daedt mi noint gram.
+Ghi moet mi bet voert bringhen.
+Ghi zijt van zoeter wandelinghen
+Ende onberoupen ende goedertieren
+Ende ombeclaghet van allen dieren.
+Ghestade es huwer beeder zede,
+Als ic doe ten tijden dede,
+Als ic clusenare was:
+Hebdi louere ende gras,
+Ghine doet ne gheenen heesch
+Noch om broet, no om vleesch,
+Noch om sonderlinghe spijse.'
+Met aldus ghedanen prijse
+Heuet Reynaert dese .ij. verdoort,
+Datsi met hem ghinghen voort
+Tote dat hi quam voer zijn huus
+Ende voer de porte van Manpertuus.
+ Alse Reynaert voer de porte quam,
+Doe sprac hi: 'neve Belin de ram, [84]
+Ghi moet alleene buten staen,
+Ic moet in mine veste gaen:
+Cuaert sal in gaen met mi.
+Heere Belin, bidt hem dat hi
+Troeste wel vrauwe Hermelinen
+Met haren cleenen welpkinen,
+Als ic orlof an hem neme.'
+Belin sprac: 'ic bids heme,
+Dat hise alleene troeste wale.'
+Reynaert ghinc met scoenre tale
+So smeeken ende losengieren
+In so menegher manieren,
+Dat hi bi barate brochte
+Cuwaerde in sine haghedochte. (fo. 211a)
+ Als si in dat hol quamen,
+Cuaert ende Reynaert tsamen,
+Doe vonden si vrauwe Hermelinen
+Met haren cleenen welpkinen.
+Die was in zorghen ende in vare,
+Want so waent dat Reynaert ware
+Verhanghen, ende so vernam
+Dat hi weder thuus waert quam
+Ende palster ende scerpe drouch:
+Dit dochte haer wonders ghenouch.
+So was blide ende sprac saen:
+'Reynaert, hoe sidi ontgaen?'
+'Ic bem worden peelgrijn:
+Heere Brune ende heere Ysengrijn
+Sijn worden ghisele ouer mi.
+Die coninc heuet (danc hebbe hi!)
+Cuaerde ghegheuen in rechter zoene,
+Al onsen wille mede te doene.
+Die coninc die lyede das,
+Dat Cuaert die eerste was
+Die ons verriet ieghen hem.
+Ende bi der trauwen die ic bem
+Sculdich hu, vrauwe Hermeline,
+Cuaerde naket eene groete pine.
+Ic bem vp hem met rechte gram.'
+Ende alse dat Caert vernam,
+Keerdi hem omme ende waende vlien.
+Maer dat ne conste hem niet ghescien,
+Want Reynaert hadde hem ondergaen
+Die porte ende ghegreepene saen
+Bi der kelen mordadelike.
+Ende Cuaert riep ghenadelike:
+'Helpt mi, Belin, waer sidi?
+Dese peelgrijn verbijt mi.'
+ Dat roupen was sciere ghedaen,
+Bedi Reynaert hadde saen
+Sine kele ontwee ghebeten.
+Doe sprac Reynaert: 'nu gaen wi heten
+Desen goeden vetten hase.'
+Die welpine liepen ten hase [85]
+Ende ghinghen heten al ghemeene.
+Haren rauwe was wel cleene (fo. 211b)
+Dat Cuaert hadde verloren tlijf.
+Ermeline, Reynaerts wijf,
+Hat dat vleesch ende dranc des bloets. [86]
+Ay, hoe dicke dancte so goets
+Den coninc, die dor sine doghet
+Die cleene welpkine hadde verhoghet
+So wel met eenen goeden male!
+Reynaert sprac: 'hi jans hu wale.
+Ic weet wel, moet die coninc leuen,
+Hi soude ons gherne ghiften gheuen,
+Die hi selue niet ne woude
+Hebben om .vij. maerc van goude.'
+'Wat ghiften es dat?' sprac Hermeline.
+Reynaert sprac: 'hets eene lijne
+Ende eene vorst ende twee micken.
+Maer maghic, ic sal hem ontscricken,
+Hopic, eer lijden daghen twee,
+Dat ic omme zijn daghen mee
+Ne gaue dan hi omme tmijn.'
+Soe sprac: 'Reynaert, wat mach dat zijn?'
+Reynaert sprac: 'vrauwe, ic secht hu.
+Ic weet een wildernesse nu
+Van langhen haghen ende van heede.
+Ende die so nes niet onghereede
+Van goeden ligghene ende van spijsen.
+Daer wonen hoenre ende pertrijsen
+Ende menegherande vogheline.
+Wildi doen, vrauwe Ermeline,
+Dat ghi gaen wilt met mi daer,
+Wi moghen daer wonen .vij. jaer,
+Willen wi, wandelen onder die scade
+Ende hebben daer groete ghenade,
+Eer wi worden daer bespiet.
+Al seidic meer, in loghe niet.'
+ 'Ay Reynaert,' sprac vrauwe Hermeline,
+'Dit dinct mi wesen eene pine
+Die al gader ware verloren.
+Nu hebdi dit lant verzworen
+In te wonen nemmermee,
+Eer ghi comt ouer zee,
+Ende hebt palster ende scerpe ontfaen.'
+Reynaert andwoerde vele saen:
+'So meer ghezworen, so meer verloren. (fo. 211c)
+Mi seide een goet man hier te voren,
+In rade dat hi mi riet:
+'Bedwonghene [87] trauwe ne diedet niet.'
+Al vuldade ic dese vaert,
+En holpe mi niet,' sprac Reynaert,
+'In waers een ey niet te bat.
+Ic hebbe den coninc eenen scat
+Belouet, die mi es onghereet.
+Ende als hi des de waerheit weet
+Dat ic hem al hebbe gheloghen
+Ende hi bi mi es bedroghen, [88]
+So sal hi mi haten vele meere
+Dan hi noint dede eere.
+Daer-bi peinsic in minen moet,
+Dat varen es mi also goet
+Alse dit bliuen,' sprac Reynaert,
+'Ende godsat hebbe mijn rode baert
+(Ghedoe hoe ic ghedoe),
+Of mi troestet mee daer-toe
+No die cater no die das,
+No Bruun, die na mijn oem was,
+No dor ghewin no dor scade,
+Dat ic in sconinx ghenade
+Ne comme, dat ic leue lancst!
+Ic hebbe leden so meneghen anxt.'
+ So zeere balch die ram Belijn
+Dat Cuaert, die gheselle zijn,
+In dat hol so langhe merrede.
+Hi riep, als die hem zeere errede:
+'Cuaert, lates den duuel wouden!
+Hoe langhe sal hu daer Reynaert houden?
+Twine comdi huut! ende laet ons gaen.'
+Alse Reynaert dit hadde verstaen,
+Doe ghinc hi hute tote Beline
+Ende sprac al stillekine:
+'Ay heere, twi so belghedi?
+Al sprac Cuwaert ieghen mi
+Ende ieghen ziere moyen,
+Waer omme mach hu dus vernoyen?
+Cuaert dede mi verstaen:
+Ghi moghet wel sachte voeren gaen, (fo. 211d)
+Ne wildi hier niet langher zijn.
+Hi moet hier merren een lettelkijn
+Met siere moyen Hermelinen
+Ende met haren welpkinen,
+Die seere weenen ende mesbaren,
+Om dat ic hem sal ontfaren.'
+Belin sprac: 'nu secht mi,
+Heere Reynaert, wat hebdi
+Cuaerde te leede ghedaen?
+Also als ic conste verstaen,
+So riep hi arde hulpe vp mi.'
+Reynaert sprac: 'wat sechdi?
+Belin, God moete hu beraden!
+Ic segghe hu wat wi doe daden:
+Doe ic in huus gheganghen quam
+Ende Ermeline an mi vernam
+Dat ic wilde varen ouer zee,
+Ten eersten wart haer so wee
+Datso langhe in ommacht lach.
+Ende alse Cuaert dat ghesach,
+Doe riep hi lude: 'helet vry,
+Com hare ende helpt mi
+Miere moyen lauen! so es in ommacht.'
+Doe riep hi met groeter cracht.
+Dit waren die woerde ende niet hel.'
+'En trauwen ic verstont oec wel
+Dat Cuaert dreef groet mesbare:
+Ic waende hem yet mesvallen ware.'
+Reynaert sprac: 'Belin, neent niet.
+Mi ware lieuer, [89] mesquame hem yet,
+Minen kindren of minen wiue,
+Dan mijns neuen Cuwaerts liue.'
+ Reynaert sprac: 'vernaemdi yet
+Dat mi de coninc ghistren hiet
+Voer arde vele hoeghe liede,
+Als ic huten lande sciede,
+Dat ic hem een paer lettren screue?
+Suldijt hem draghen, Belin neve?
+Het es ghescreuen ende al ghereet.'
+Belin sprac: 'ende ic ne weet.
+Reynaert, wistic hu ghedichte
+Dat ghetrauwe ware, ghi mochtet lichte (fo. 212a)
+Ghebidden dat ict den coninc
+Droughe, haddic eeneghe dinc
+Daer icse mochte in steken.'
+Reynaert sprac: 'hu ne sal niet ghebreken,
+Eer des coninx lettren hier bleuen,
+Ic soude hu dese scerpe eer gheuen,
+Heere Belin, die ic draghe,
+Ende hanghense an huwe craghe,
+Ende des conincs lettren daer in.
+Ghi sulter al hebben groet ghewin,
+Des conincs danc ende groet eere.
+Ghi sult den coninc minen heere
+Harde willecomme zijn.'
+Dit loofde mijn heere Belijn.
+Reynaert ghinc in die aghedochte
+Ende keerde weder ende brochte
+Sinen vrient Beline ieghen
+Dat hoeft van Cuaerde ghedreghen,
+In die scerpe ghesteken,
+Ende hinc bi sinen quaden treken
+Die scerpe Belin an den hals,
+Ende beual hem als ende hals
+Dat hi die lettren niet ne soude
+Besien, of hi gherne woude
+Den coninc teenen vriende [90] maken,
+Ende seide hem dat die lettren staken
+In die scerpe verholenlike,
+Ende of hi wesen wilde rike
+Ende sinen heere den coninc hadde lief,
+Dat hi seide dat desen brief
+Bi hem alleene ware ghescreuen,
+Ende hiere raet toe hadde ghegheuen.
+Die coninc souts hem weten danc.
+Dat hoerde Belin ende spranc
+Van der stede, daer hi vp stoet,
+Meer dan eenen haluen voet:
+So blide was hi van der dinc,
+Die hem te toerne sint verghinc.
+ Doe sprac Reynaert: 'Belin heere,
+Nu weetic wel dat ghi doet eere
+Hu seluen ende die zijn int hof.
+Men saels hu spreken groeten lof, (fo. 212b)
+Alsmen weet dat ghi coont dichten
+Met sconen woerden ende met lichten,
+Also als [91] ics niet ne can.
+Men seit dicken: hets menich man
+Groete eere ghesciet, dat hem God ionste,
+Van dinghen die hi lettel conste.'
+Hier na sprac Belin: 'Reynaert,
+Wats hu raet? wille Cuaert
+Met mi weder te houe gaen?'
+'Neen hi,' sprac Reynaert, 'hi sal hu saen
+Volghen bi desen seluen pade:
+Hine heuet noch ne gheene stade.
+Nu gaet voren met ghemake.
+Ic sal Cuaerde sulke sake
+Ontdecken die noch es verholen.'
+'Reynaert, so bliuet Gode volen!'
+Sprac Belin, ende dede hem vp de vaert.
+Nu hoert wat hi doet, Reynaert:
+Hi keerde in sine haghedochte
+Ende sprac: 'hier naect ons gherochte,
+Bliuen wi hier, ende grote pine.
+Ghereet hu, vrauwe Hermeline,
+Ende mine kindre also al gader,
+Volghet mi: ic bem hu vader.
+Ende pinen wi ons dat wi ontfaren!'
+Doene was daer [92] gheen langher sparen,
+Si daden hem alle vp die vaert,
+Ermeline ende heere Reynaert
+Ende hare jonghe welpkine,
+Dese ane-vaerden die woestine.
+ Nv heuet Belin die ram
+Soe gheloepen, dat hi quam
+Te houe een lettel na middach.
+Als die coninc Belin ghesach,
+Die de scerpe weder brochte,
+Daer Brune die beere so onsochte
+Te voren omme was ghedaen,
+Doe sprac hi te Belin saen:
+'Heere Belin, wanen comedi?
+Waer es Reynaert? hoe comt dat hi
+Dese scerpe niet met hem draghet?'
+Belin sprac: 'coninc, ic maghet (fo. 212c)
+Hu segghen also ict weet.
+Doe Reynaert al was ghereet
+Ende hi den casteel rumen soude,
+Doe seide hi mi dat hi hu woude
+Een paer lettren, coninc vry,
+Senden, ende doe bat hi mi
+Dat icse droughe dor huwe lieue.
+Ic seide, meer dan .vij. brieue
+Soudic dor huwen wille draghen.
+Doe ne conste Reynaert niet beiaghen
+Daer ic de brieue in draghen mochte.
+Dese scerpe hi mi brochte
+Ende die lettren daer in ghesteken.
+Coninc, ghine horet noint spreken
+Van betren dichtre dan ic bem:
+Dese lettren dichte ic hem,
+Gaet mi te goede of te quade,
+Dese lettren sijn [93] bi minen rade
+Aldus ghemaect ende ghescreuen.'
+Doe hiet hem die coninc gheuen
+Den brief Botsaerde sinen clerc:
+Dat was hi, die ant werc
+Bet conste dan yement die daer was.
+Botsaert plach emmer dat hi las
+Die lettren die te houe quamen.
+Bruneel ende hi die namen
+Die scerpe van den halse Belijns,
+Die bi der dompheit zijns
+Hier toe hadde gheseit so verre,
+Dat hi snieme sal werden erre.
+Die scerpe ontfinc Botsaert de clerc.
+Doe moeste bliken Reynaerts werc.
+ Alse hi dat hoeft voert trac,
+Botsaert, ende sach dat, hi sprac: [94]
+'Helpe, wat lettren zijn dit!
+Heere coninc, bi miere wit,
+Dit es dat hoeft van Cuaerde.
+O wach, dat ghi noint Reynaerde,
+Coninc, ghetrauwet so verre!'
+Doe mochtemen drouue sien ende erre
+Dien coninc entie coninghinne.
+Die coninc stont in drouuen zinne (fo. 212d)
+Ende slouch zijn hoeft neder.
+Ouer lanc hief hijt weder
+Vp ende begonste werpen huut
+Een dat vreeselicste gheluut,
+Dat noint van diere ghehoort waert.
+Ghene dieren waren veruaert.
+ Doe spranc voert Syrapeel
+Die lubaert, hi was een deel
+Des coninx maech, hi mocht wel doen.
+Hi sprac: 'heere coninc Lyoen,
+Twi drijfdi dus groet ongheuouch?
+Ghi mesliet hu ghenouch,
+Al ware de coninghinne doot.
+Doet wel ende wijsheit groot
+Ende slaect huwen rauwe een deel.'
+Die coninc sprac: 'heere Sierapeel,
+Mi heuet een quaet wicht so verre
+Bedroghen, dat ics bem erre,
+Ende int strec gheleet bi barate,
+Dat ic recht mi seluen hate
+Ende ic mine eere hebbe verloren.
+Die mine vriende waren te voren,
+Die stoute heere Brune ende heere Ysingrijn,
+Die rouet mi een valsch peelgrijn.
+Dat gaet miere herten na so zeere
+Dat het gaen sal an mine eere
+Ende an mijn leuen, het es recht.'
+Doe sprac Syrapeel echt:
+'Es ghedaen mesdaet, men saelt zoenen
+Men sal den wulf enten beere doen comen
+Ende vrauwe Hersenden also wel
+Ende betren hem hare mesdaet snel,
+Ende ouer haren toren ende ouer hare pine
+Versoenen metten ram Beline,
+Na dat hi selue heeft ghelyet
+Dat hi Cuaerde verriet.
+Ende daer na sullen wi alle loepen
+(Hi heeft mesdaen, hi moet becoepen)
+Na Reynaerde ende sulne vanghen
+Ende sullen sine kele hanghen
+Sonder vonnesse, hets recht.'
+Doe andwoerde die coninc hecht: (fo. 213a)
+ 'O wy, heere Syrapeel,
+Mochte dit ghescien, so ware een deel
+Ghesocht den rauwe die mi slaet.'
+Syrapeel sprac: 'heere jaet.
+Ic wille gaen maken die zoene.'
+Doe ghinc Syrapeel die coene
+Daer hi die gheuanghene vant.
+Ic wane dat hise teerst ontbant,
+Ende daer na sprac hi: 'ghi heeren beede,
+Ic bringhe hu vrede ende gheleede.
+Mine heere de coninc groet hu,
+Ende hem berauwet zeere nu
+Dat hi ieghen hu heeft mesdaen.
+Hi biet hu, wildijt ontfaen,
+Wie so blide si ofte gram,
+Hi wille hu gheuen Belin den ram
+Ende alle sheere Belins maghe
+Van nu toten doms-daghe.
+Eist int velt, eist int wout,
+Hebse alle in hu ghewout,
+Ende ghise ghewilleghelike verbit.
+Die coninc ontbiet hu voer al dit,
+Dat ghi sonder eeneghe mesdaet
+Reynaerde moghet toren ende quaet
+Doen ende alle zine maghen,
+Waer so ghise moghet belaghen.
+Dese twee groete verheden [95]
+Wille hu die coninc gheuen heden
+Te vryen leene eewelike.
+Ende hier-binnen wilt die coninc rike
+Dat ghi hem zweert vaste hulde.
+Hine wille oec bi sinen sculde
+Nemmermeer ieghen hu mesdoen.
+Dit biedt hu de coninc Lyoen.
+Dit neemt, ende leeft met ghenaden.
+Bi Gode, ic dart hu wel raden!'
+Isingrijn sprac toten beere:
+'Wat sechdire toe, Brune heere?'
+Brune sprac: 'ic hebbe lieuer in de rijsere
+Dan hier te ligghene int ysere.
+Laet ons toten coninc gaen
+Ende sinen pays daer ontfaen.' (fo. 213b)
+Met Syrapeel datsi ghinghen
+Ende maecten pays van allen dinghen.
+
+
+ NOTA.
+
+
+
+
+
+
+
+HANDSCHRIFT E
+
+
+No creature die heuet lif.
+Sonder die ule ende die scowut
+die darne stelen in dat crut.
+Of eneh ander vogelin
+Dat el war gerne wilde sin.
+Ende dar bi auenturen lidet.
+Coninc dar leid min scat gehidet.
+Coninc die stede heed crikenputte
+Verstaet dit wel et es .v. nutte.
+Gi sult dar gaen. gi [laet sin] [96]
+ende min vrouwe
+En wetti oec nimenne so getrowe.
+Din gi laet sin .v. bode.
+Noh bi beden no bi gebode.
+Mar gaet dar selue ende asse gi
+dien seluen putte comet bi.
+Gi sult uinden ionge berken.
+here coninc dat suldi merken
+Die alre nast den putte staet.
+Coninc totir berken gaet.
+Dar leget die scat onder begrauen.
+Dar suldi diluen ende scrauen.
+En luttel mosses in dene side
+So suldi uenden meneh gesmide
+van goude riclic ende scone.
+Gi sult uenden oec die crone
+Die heimeric die keyser droh
+Ende and cyreiden genoeh.
+Edele stene gulden werc
+Men coht nit ombe dusent marc.
+Her coninc asse gi hebt dat guet.
+Hoe dicke suldi in .vwen muet.
+Pensen. R. getrouwe vos.
+Die hir grouet in dit mos.
+Desen scat bi dire lust
+Got geuedi guet so wa du best
+Doe antwerde die co[ninc]
+R. salic die vart be[staen]
+Gi motet sin an onse
+Ende gi motet ons .R
+Hulpen uwen sca
+Ine wande bi mi sel
+Aldar nember meer
+Jc hebbe gehort nom
+Ende pariis est dar it
+Ende est also assic ver
+So smeket di .R. ende
+Crikenpit die gi d
+Wanic es en geue
+Dese tale was .R. o
+Ende verbalh hem ende
+Gi siter coninc also n
+Alse van colne tot
+Wandidat ic .v.
+Wille wisen in di
+Jc sal v tonen soe ic
+Orconde genoh al
+Lude riep hi cohar
+Comt vorden coninc
+Die dire sagen all
+Ende wonderden alle v
+Cohart ginc beuen
+Hem wonderde wat
+.R. sprac. cohart he [97]
+Gi beuet siit blide s
+Segt minen here
+Dis manic v bider t
+Die gi vrouwe ge
+Ende hem seluen scu
+Doe sprac cohart
+Soe motic werden al
+Daat mi costen so
+        igen eneh wort
+        van ere mort
+        anet bider trouwen.
+        suter vrouwen.
+        c sculdeh bin
+        soe seg. hem.
+        r crikenputte steet.
+        at of ic weet.
+        ut wesen so.
+        i hulsterlo.
+        t in ere wostine.
+        oget so menege pine
+        onger so meneh coude
+        e menech foude.
+        so menegen dah.
+        tten nit in mah.
+        vergetten dis
+        munt die sies
+        ennincge sloeh
+        mede scone bedroueh
+        en sine [98]
+        voren er ic met rine
+        cap macte vast.
+        heft menegen past
+        R. sute rin
+        scone hondekin.
+        wardi nu hir
+        gen vor dese diir.
+        me wars te done
+        r ne wa soe cone.
+        e sake dede
+        coninc mote mede.
+        belgen doen met rehte
+        onder gene cnehte
+        stelike cohart.
+        coninc en heft tuwart
+Ne sake tespreke ne meer.
+Cohart dede enen wederkeer
+Ende ginc vans conincs rade dar.
+R. sprac coninc here est waer.
+Dat ic segge .R. iaet.
+vergeuet mi ic seyde quaet.
+Dat ic .v. mestroude it
+R. gude vrint nu siit
+Den raet dat gi met ons gaet.
+Ten putte aldar die berke staet [99]
+Dar die scat legt begrauen onder
+R. sprac here gi segt wonder.
+Wandi inwaers alte vro.
+Coninc of et mi stonde so.
+Dat ic met .v. wandelen mohte.
+Also ast ons beyden dohte
+Ende giis wart here sunder sonde.
+Neen ets asic .v. orconde.
+Ende ic .v. sege al est scame.
+Doe ysengrim indiuels name.
+Indie ordene ginc hir teuoren
+Ende hi te moneke wart bescoren.
+Doe ne constem nit dere prouende genogen.
+Dar ses moneke hen met bedrogen
+Hi clagede van hongre ende carmde.
+So sere dat hi mi ontfarmde.
+Doe hi crankede ende wart trah.
+Doe droh ics rouwe asse en sin maeh
+Ende gaf hem raet dat hi ut ran.
+Dar ombe bin ic in spaues ban.
+Margen asse die sunne op gaet.
+Willic te rome ombe aflaet.
+van rome var ic ouer ze
+Sone come ic dan nembermee.
+Eric so uele hebbe guds gedaen.
+Coninc dat ic met .v. mah gaen.
+
+
+
+Dat nimen so onspelic en es
+Tuschen pollanen ende scouden.
+Die hem van lahgene hadde onthouden.
+Dor rouwe die hem mohte gescien
+Hadde hi R. doe gesien.
+Hoe wonderlike hi henen ginc
+Ende hoe gemakelike heme hinc
+Scerpe ende palster ane sinen hals
+Ende die scon oec als ende als
+Die hi droeh ane sine been.
+Gebonden. daden dat hi sceen.
+Pelegrim gelic genoeh
+R. hadde [100] herte binnen loeh.
+Dor dat si alle met heme gingen.
+Met soe groter samenongen.
+Die hem teuoren waren wreet
+Doe sprac hi ten coninc mi es leet
+Dat gi dus verre met mi gaet.
+Ic vrochte et mah v. wesen quaet
+Gi hebt geuaen tue mordenare.
+geuallet dat si v. onfaren.
+Gi hebt .v. te wahtene meer
+Dan gi .v. dadet noit eer
+Blift gode beuolen ic moet gaen.
+Na dyse tale ginc hi staen
+Op sine echterste tue poten
+Ende maende den clenen ende den groten.
+Dat si alle vor hem baden.
+Of si ane sine weldanen.
+Gerech deel hebben wouden.
+Si seyden alle dat si souden.
+Sins [101] gedingen in haren gebede.
+Nu hort vort wat R. dede.
+Dar hi van den coninc sciet.
+So drouelike hi uan hem sciet.
+Dat et somen sere ontfarmede
+Cuarde den hase hi bimaende.
+O wi cuart nu sele wisce den.
+Of got wille gi sult mi geleden.
+Ende min vrint bellïn de ram.
+Gi tuene word mi noit gram.
+Gine moet mi vort bringen.
+Gi siid van soter wandelingen.
+Ende onbegrepen ende godertiren.
+Ende onbeclagt uan allen diren.
+Gestelic es v er beder sede.
+Gi leuet bede asse ic doe dede
+Doe ic clusenare was
+Hebdi leuer ohte gras
+Gine doet negene eesch.
+No om broet no ombe vlich [102]
+Noh ombe sonderlike spise
+Met aldus gedanen prise
+Heuet R. dese tue uerd. .
+So dat si met hem gin
+Tote si quamen vor s
+En vor die porte te
+Asse R. vore die p
+Doe sprac hi neu      die ram.
+Gi muet allene         n staen.
+Jc muet in mire        en gaen. [103]
+Cuaert sal in gaen met mi.
+Her bellin bidt hem dat hi.
+Troste wel urouwe ermelinen.
+Met haren armen wolpinen.
+Asse ic an hare orlof neme.
+Bellin sprac ic biddes heme
+Dat hise alle troste wale.
+R. ginc met sconre tale.
+Soe smekende ende soe losertire
+Inso meneger maniren.
+Dat hi met barate brohte.
+Cuarde in sene hagedohte.
+ Alse si in dat hol quamen
+Cuart. ende R. tesamen.
+Doe uonden si vrouwe ermelinen
+Bi haren clenen wolpinen.
+Si was in sorgen ende in vare.
+want si wande dat .R. ware.
+verhangen ende asse sine vernam.
+Dat hi thus weder quam.
+Ende palster ende scerpe droeh.
+Dohte hare wonderlike genoeh.
+Si wart blide ende sprac si an.
+Liue .R. hoe si di ontgaen.
+R. sprac ic was geuaen
+Mar die coninc hi liit mi gaen.
+Jc muet werden pelegrim.
+Her brun ende her ysengrim.
+                 en gisel ouer mi,
+                 eft ons. danc hebbe hi.
+C                en op rehte sone.
+Al               ille mede te done.
+D                ede [104] selue des
+Da               erste was
+Di o             it iegen hem.
+Ende bid        en die ic bin
+v sculde    vrouwe ermeline.
+Cuarde nact ene suare pine.
+Jc ben hem met rehte gram.
+Alse cuart dit uernam
+Kerde hi hem ombe ende wande vlien [105]
+Mar dit ne conste hem nit gescien.
+want .R. hadde hem onder gaen.
+Die porte ende grepene san.
+Bider kelen mordelike.
+Ende cuart riep genadelike.
+Hulpt mi bellin waer si di.
+Dese pelegrim hi dodet mi.
+Dit ropen was scire gedaen.
+bedie R. hi hadde saen.
+Sine kele ontue gebroken.
+Doe sprak R. nu ga wi coken.
+Desen guden vetten hase
+Die wolpine liepen toten  ase [106]
+Ende gingen eten algemeyne.
+Hare rouwe hi was clene
+Dat cuart hadde verloren lif.
+Ermeline. R. wiif
+at van den vlesce ende dranc dis bludis [107]
+ay hoe dicke bat si godis.
+Den coninc die dor sine doet
+Hare clene kindre hadde uerhoget.
+Soe vroeh met enen guden male.
+R. sprac hi ans ons wale.
+Jc weet wel muet die coninc leuen.
+hi soude ons gerne gehte geuen.
+Die hi selue nit ne woude.
+heuen ombe seuen marc van goude.
+wat gehte sint dat sprac ermeline
+R. sprac ets ene line
+Ende ene worst ende ene micken,
+mar magic [ic] ic sal hem ontscricken.
+Magic eer liden dage tue
+Dat ic ombe sin danger mee.
+Ne gaue. dan hi ombe dat mi.
+Si sprac .R. war mah dat sin.
+R. sprac vrouwe ic seggu.
+Jc weet en weldernesse ru.
+van langen gagele ende van heyden.
+Dat es een wel groet geleide,
+van guden leuene van goder spisen.
+Dar wonen vor-honre ende pertrisen.
+Ende menegerande vogeline.
+
+
+
+
+
+
+
+HANDSCHRIFT F
+
+
+ Vvillam, die Madocke makede, (fo 102. rb. R. 1.)
+Daer hi dicke omme wakede,
+Hem vernoyde so harde
+Dat [108] ene auenture van Reynaerde
+In dietsche was onvolmaket bleuen,
+Die Arnout niet en hadde bescreuen,
+Dat hi die [109] vite dede soeken
+Ende hise vten walschen boeken
+In dietsche heuet begonnen.
+God moete hem sire hulpen onnen!
+ Nv keert hem dar toe mijn sin
+Dat ic bidde indit begin
+Beyde den dorpers ende den doren,
+Oftsi comen dar si [110] horen
+Dese rime ende dese woert,
+Dien si onnutte sijn gehoert,
+Dat sise laten onbescauen.
+Te vele slachten si den rauen
+Die emmer es al euen malsch:
+Si maken sulke rime valsch,
+Daer si niet meer af ne weten
+Dan ic doe hoe die gene heten
+Die nv in Babilonien leuen.
+Daden si wel, si soudens begeuen.
+Mijns dichtens ware oec gestille,
+(Dat ne seg [111] ic niet dur haren wille)
+En hads mi niet gebeden
+Die in groter houescheden
+Gherne keret hare saken.
+Si bad mi dat ic soude maken
+Dese auenture van Reynaerde
+Al begrepent die grinsarde.
+Je wil wel dat se de gone horen
+Ende daer toe geuen har oren
+Die gaerne plegen der heren
+Ende haren sin daer toe keren,
+Sijn si arme, sijn si rike,
+Dat si leuen houeslike.
+Dit verstaet in goeden sinne.
+Nv hoert hoe ict beginne.
+ Het was an enen pijnster dage (fo 102 va)
+Dat beyde busch ende hage
+Mit groenen loueren was beuaen.
+Nobel, die coninc, hadde gedaen
+Sijn hof creyieren ouer al
+Dat hi wel waende, hadde hijs geual,
+Houden te wel groten loue.
+Dus quamen tes coninx houe
+Alle diere, groet ende clene,
+Sonder Reynaer, de vos, allene. [112]
+Hi hadde te houe so vele misdaen
+Dat hire niet en dorste gaen.
+Die dief, die steelt, die scuwet tlicht:
+Dat seit die lettere, dat es recht.
+Also dede Reynaert dat hof
+Daer hi in hadde wel cranken lof.
+Doe al dat hof vergadert was,
+Doene was dar niemen dan de das,
+Hine hadde te clagene ouer Reynaerde,
+Den fellen mitten roden baerde.
+ Nv gaet hier an ene claghe.
+Ysegrim ende sine maghe
+Ghingen vorden coninc staen.
+Ysegrim begonde saen
+Ende sprac: 'coninc, edel here,
+Dur [v] edelheyt ende dur v ere
+Beyde dur recht ende dur genade
+Ontfarmt v der groter scade
+Die mi Reynaer heeft gedaen, [113]
+Dar ic dicke af hebbe ontfaen
+Groten lachter ende verlies.
+Vor al ontfarme v dies
+Dat hi mijn wijf heft verhoert,
+Ende mine kinder so gevoert
+Dat hise beseicte dar si laghen,
+Datter . ij . no min no meer nesaghen
+Ende worden beyde al stare-blint. [114]
+Nochtan hoende hi mi sint:
+Et was sint so verre comen
+Dats een dach was gecomen,
+Ende Reynaert soude hebben gedaen (fo 102 vb)
+Sijn onsculde . ende also saen
+Alse die heyligen vor waren brocht,
+Was Reynaert ander sins bedocht
+Ende ontfloe in sine veste.
+Here, [115] dat kinnen noch die beste
+Die ten houe sijn comen hijr.
+Mi heeft Reynaert, dat felle dijr,
+So vele te lede gedaen,
+Jc weet dat wel sonder waen,
+Ware al dat laken perkement
+Datmen maket tote Ghent,
+Men screuet niet daer an.
+Mer des swigic nochtan,
+Mar [116] mines wiues lachter
+Ne mach [117] niet bliuen achter
+No verswegen no [118] onghewroken.
+Als Ysegrim dit heft gesproken,
+Stont op een hont ende hiet Cortoys,
+Ende sprac ten [119] coninc in fransoys
+Hoe hi so arm was wilee eer,
+Dat hi als ne hadde meer
+Op enen winter, in enen vorst,
+Danene enige worst,
+Ende hem Reynaert die selue nam.
+Tybaert, de kater, hi wart gram
+Ende spranc in midden den rinc
+Ende seide: 'heer her coninc,
+Dur dat Reynaert dus onthout,
+Sones hier nieman, ionc noch out,
+Hine hebbene te wroegen iegen v.
+Dat Cortoys hier claget nv
+Bi liste had icse gewonnen,
+Bi nachte dar ic was geronnen
+Om mijn beiach inere molen;
+Dar had ic die worst gestolen
+Enen slapenden moleman.
+Hadder Cortoys yet an?
+Dat was bi nieman dan bi mi.
+Ets best dat onboret si
+Derre clage die Cortoys hier doet.' (fo 103 ra)
+Pancer sprac: 'dunct v goet
+Datmen dere clage onbere?
+Reynaert is een mordenere
+Ende .i. verrader ende .i. dief.
+Hine heft niemene so lief,
+No den coninc, minen here,
+Hine wilde dat hi lijf ende ere
+Verlore, [120] mochte hire an winnen
+Een vet morsiel van ere hennen.
+Wat segdi van ere sage:
+En dede hi gistren an den daghe
+Ene die meeste ouerdaet
+An Cuwarde, den hase, die hier staet,
+Die noyt enich dier dede?
+Want hi binnen des coninx vrede
+Ende binnen des coninx gelede
+Louede te leerne sinen crede
+Ende souden maken goet capellaen
+Ende dedene vor hem sitten gaen
+Vaste tusschen sine been,
+Ende begonde ouer een
+Spellen ende lesen bede
+Ende lude te singene haren crede.
+Mi geuel dat ic an dien tiden
+Ter seluer stede souden liden.
+Dar hordic haren sanc
+Ende maecte darwaert minen ganc
+Mit ere harder snelre vaert.
+Doe vandic meister Reinaert
+Die sijn lesse hadde begeuen,
+Die hi voren hadde opheuen,
+Ende diende van sinen ouden spele
+Ende hadde Cuwaerde bider kele
+Ende soude hem tlijf hebben genomen,
+En waric hem niet te hulpen comen
+Bi auenturen in dien stonden.
+Siet hier noch de versche wonden
+An Cuwarde, den arminc!
+Jc seg v, here her coninc,
+Latijt bliuen onghewroken (fo 103 rb)
+Dat v vrede dus es broken, [121]
+Ghine wreket als vwe manine wisen,
+Men salt vwen kinden mesprisen
+Hier na ouer menich iaer.'
+'Bi gode, Panser, du sechs waer,'
+Sprac Ysegrim al daer hi stoet,
+'Ware Reynaert doet, et ware goet,
+Also behoude mi god mijn leuen!
+Mar wart hem dit vergeuen,
+Hi sal honen in derre maent
+Sulken dies hem niet bewaent.'
+Doe spranc op Grimbert, die das,
+Die Reynaerds brueder sone was,
+Mit ere verbolgentliker tale.
+'Her Ysegrim, en weti wale
+Ende ets een out bispel:
+'Viants mont seit selden wel.'
+Wat witi Reynaerde, minen oem?
+Jc wilde, hi hinge an enen boem
+Bisiere kele als een dief,
+Har Ysegrim, ende waert v lief
+Ende gijt also wilt anegaen,
+Die andren meest heeft mesdaen
+Van minen oem ende van v.
+Al comt hi niet te houe nv,
+Ware mijn oem alse wel te houe
+Ende hi stont indes coninx loue,
+Har Ysegrim, als gi doet,
+En soudu niet dinken goet
+Ende gine bleuets huden onbegrepen
+Dar gi mijns oems vel hebt genepen
+So dicke mit vwen scarpen tanden,
+Dat hijt niet en dorste anden.
+Jn hebbe dar an niet gelogen:
+Ghi hebt minen oem bedrogen
+Dicke ende in menigher wisen.
+Ghi bedroechten vanden pladisen
+Di hi warp vander kerren,
+Doe gi volget na van verren
+Ende gi die vette pladisen aet, [122] (fo. 103 va.)
+Daer gi v seluen mede versaet.
+Ghine gauet [123] hem no goet no quaet
+Sonder ere pladisen graet,
+Dat gi hem ieghen brocht
+Dur dat gijs seluen niene mocht.
+ Sint honedine van enen bake
+Die vet was ende van goeder smake,
+Dien gi leit al in v butseel.
+Doe Reynaert eyscede sijn deel,
+Andwordi hem tuwen scerne:
+'V deel sal ic v gheuen gherne,
+Reynaert, scone iongelinc:
+Die wisse dar die bake an hinc,
+Becnaget die, sies wel vet.'
+Reinaerde was luttel te bet
+.  .  .  .  .  .  . [124]
+Vinc. ende warpne in sine sac.
+Dese pine ende dit ongemac
+Heft hi leden dur Ysegrime
+Ende .C. werue meer danic v rime.
+Ghi heren, dunct v dit genoech?
+Nochtan is meere ongeuoech
+Dat hi claget om sijn wijf,
+Die Reynaerde alhar lijf
+Gheminnet heuet openbare,
+Alne make sijs [125] niet widemare.
+Jc wil seggen ouer waer
+Dats langher es dan .vij. iaer
+Dat Reynaert heft har trouwe,
+Ende oftie scone vrouwe
+Dur minne ende dur houeschede
+Eens sinen wille dede
+Ende sies saen was genesen,
+Wat clagen mach dar af wesen!
+Nv maket hier Cuwart, de hase,
+Ene clage van ere blase.
+Oft hi den crede niet wel en las,
+Reynaert die sijn meyster was,
+Enmoest hi sinen clerc niet blouwen?
+Dat waer onrecht, bimire trouwen!
+Cortoys clagede om ene worst (fo. 103 vb.)
+Die hi verloes in enen vorst,
+Die clage ware bet verholen:
+En hordi dat si was gestolen?
+Male quesijt male perdijt:
+Mit rechte wert mens qualic quijt
+Datmen qualike heft gewonnen.
+Wi soude Reynaerde dat wanconnen,
+Oft hi verstolen goet vinc an?
+Nieman die rechte besceiden can.
+Reynaert is een gherecht man.
+Sint dat die Coninc sinen ban
+Hebt geboden ende sinen vrede,
+So wetic wel dat hine dede
+Dinc ne gheen, dan oft hi ware
+Erumite ofte clusenare.
+Naest sire huut draget hi ene hare.
+Binnen den naesten iare
+Sone at hi vleysch, wilt no tam:
+Dat seide hi die gistren van dane quam.
+Maperthus hebt hi begheuen,
+Sine casteel, ende heft op geheuen
+Ene cluse dar leget hi in.
+Ander beiach no ander gewin
+So wanic wel dat hine heuet
+Dan caritate die men hem geuet.
+Bleec ende magher ishi van pinen:
+Hongher, dorst, sware carinen
+Doet hi ouer sine sonden.'
+Rechte in desen seluen stonden,
+Dat Grimbaert stont in deser tale,
+Saghen si nederwaert in den dale
+Cantecleer comen geuaren,
+Ende brochte op ere baren
+Ene dode henne, ende hiet Coppe,
+Die Reynaert hadde biden croppe
+Houet ende hals af gebeten.
+Dat moste nv die Coninc weten.
+ Cantecleer quam vore gaende
+Sine vedre sere slaende.
+In weder side vander bare [126] (fo. 104 ra.)
+Ghinghen twee hanen wide mare.
+Dene hane hiete Cantart,
+Daer na wilen gheheten wart
+Ver Alenten goede hane.
+Dander hiet na minen wane
+Die goede hane Craiant,
+Die scoenste hane diemen vant
+Tusschen Bartanghen ende Pollanen.
+Elkerlijc van desen hanen
+Droech ene bernende stallecht
+Dat beyde lanc was ende recht.
+Dit waren Coppen bruedere twee.
+Si riepen: 'wach ende wee.'
+Om haer suster Coppen doet
+Dreuen si clage ende iamer groet.
+ Pinte ende Sprote droegen die bare.
+Hem was te moede harde sware
+Om hare suster die si hadden verloren.
+Men mochte harde verre horen
+Der twier carminge.
+Dus sijn si comen ten gedinge.
+Cantecleer spranc inden rinc
+Ende seyde: 'heer her coninc,
+Dur god ende dur genade [127]
+Nv ontfarme v mire scade
+Die mi Reynaert heft ghedaen
+Ende minen kinderen, die hier staen,
+Die sere sijn te haren onwille.
+Tot enen inganc vanden aprille,
+Doe die winter was vergaen
+Ende men sach die bloemen staen
+Ende ouer al die velde groene,
+Doe wasic fier ende coene
+Van menigen groten geslachte.
+Jc hadde [128] ionger sonen achte
+Ende scoenre dochtre seuene
+Dien wel lusten te leuene,
+Ende mijn wijf Coppe, die vroede,
+Hadde vort brocht tenen broede.
+Si waren vet ende starc (fo. 104 rb.)
+Ende gingen in enen parc,
+Dat was beloken mit enen mure.
+Daer binnen stont ene monic-scure [129]
+Daer so vele honde toe horden
+Dat si menegen dire de pelse scorden.
+Des waren mine kindre onuervaert.
+Dat benide te hant Reynaert
+Dat sire so vaste woenden binnen
+Dat hire [130] gheen en conde gewinnen,
+Reynaert, die felle ghebuur.
+Hoe dicke ran hi om den muur,
+Ende leyde om ons sine laghen.
+Alsene dan de honde saghen,
+Setten si hem na mit crachte.
+Enewarf wart hi optie grachte
+Bi auenturen so belopen.
+Daer sachic hem al becopen
+Sine diefte ende sinen roef,
+Want hem daer den pels stoef.
+Nochtan quam hi mit barate [131]
+Dane, datten gode verwate!
+ Doe ware wi sijns lange quite.
+Sint quam hi als een erimite, [132]
+Reynaert, die mordadighe dief,
+Ende brochte mi enen brief
+Te lesene, here coninc,
+Daer vwe zeghel ane ghinc.
+Doe ic den brief began te lesen,
+Dochter mi in gescreuen wesen
+Dat gi had coninclike
+Ende als een coninc rike
+Allen [133] diren ghegheuen vrede
+Ende allen vogelen mede:
+Ende hi seyde mi dat hi ware
+Ene begheuen clusenare
+Ende hadde ghedaen sware carinen
+Ende vanden sonden sinen
+Penitencie ende sware pine.
+Hi toende mi pelse ende slauine
+Die hi brocht vander Elmare, (fo. 104 va.)
+Daer onder ene scarpe hare.
+Doe sprac hi: 'here Cantecleer,
+Nv mogedi voerwaer meer
+Van mi sonder sorghe leuen.
+Jc hebbe bider stolen begeuen
+Al vleesch ende vleessmout. [134]
+Jc bin vorwaert meer so out,
+Jc moet mire zielen telen.
+Gode wil ic v beuelen.
+ Jc ga daer ic hebbe te doene:
+Jc hebbe noch middach ende noene
+Ende prime te segghen vanden daghe.'
+Doe nam hi neuen enen haghe
+Enen wech te dien gescede
+Ende began te lesen sinen crede.
+Jc wart blide ende onuervaert
+Ende ghinc te minen kindren waert,
+Ende [was] so vele sonder hoede
+Dat ic mit allen minen broede
+Sonder sorge ghinc buten mure,
+Daer mi geviel quade auenture.
+Want Reynaert, die felle saghe,
+Was ghecropen dur die haghe.
+Ende hadde ons die porte ondergaen.
+Doe wart mire kindre saen
+Ene ghepronden vten ghetale,
+Dat leyde Reynaert in sine male.
+Quade auenture mi doe nakede.
+Sint dat hire een gesmake[de]
+Jn sinen ghireghen mont,
+En conde ons wachter no hont
+So bescermen noch bewachten
+No bidaghe no binachten
+Hine rouede mine kinder.
+So vele is mijn getal te minder
+Dantte voren plachte sine,
+Dat die . xv . kinder mine
+Sijn gedeghen al op vire.
+So suuer heftse die onghehire [135]
+Reynaert in sinen mont verslonden. (fo. 104 vb.)
+Noch gistren wert hem mitten honden
+Ontiaghet Coppe, die mare,
+Die hier leget op die bare.
+Dat clagic v mit groten sere:
+Ontfarme v mijns . Coninc here!'
+ Die Coninc sprac: 'her das,
+V oem die clusenaer was,
+Hi heuet gedaen so sware carinen,
+Leuic een iaer, et sal hem scinen!
+Nv hort, heer Cantecleer,
+Wat sal deser talen meer?
+V wijf leit hier versleghen.
+God moet haer zielen pleghen.
+Wine moghense niet langher houden.
+Wi sullens gode laten wouden
+Ende sullen onse vigelien singen,
+Ende daerna sulle wi bringhen
+Den lichaem ter eerden mit eren.
+Daer na sulwi mit desen heren
+Dus beraden ende bespreken
+Hoe wi best gewreken
+An Reynaer[de] desen moert.'
+Doe hi ghesproken hadde de woert,
+Gheboet hi ionghen ende ouden
+Dat si vigelien lesen souden.
+Des coninx ghebod was scire gedaen.
+Doe mochtmen horen harde saen
+Beginnen lude ende ho
+Placebo domino
+Entie veerse dier toe behorden.
+Jc seg v in corten woerden,
+Wie daer die seuende lesse sanc,
+Mar et ware alte lanc, [136]
+Ende wie die zielemisse las.
+Als der vigelien een ende was,
+Doe leydemen Coppen in een graft
+Dat mit sinne was gewracht
+Onder een linde in dat gras.
+Een marmersteen slecht alse glas
+Was [137] die sarc die op har lach. (fo. 105 ra.)
+Die letteren, diemen dar op sach,
+Si daden op dat graf bekinnen
+Wie daer op lach begrauen binnen.
+Dus spraken die boecstaue
+Anden sarke op den graue:
+'Hier leghet Coppe begrauen
+Die wel conde scrauen,
+Die Reynaert, de vos, verbeet
+Die haren geslachte was te wreet'.
+ Nv leget Coppe onder die moude.
+Die Coninc boet al sine houde
+Dat sihem bespraken
+Hoe si alre best ghewraken
+Op Reynaerde die ouerdade.
+Doe worden si alte rade
+Dat siden Coninc rieden
+Dat hi Reynaerde soude onbieden
+Dat hi te houe soude comen,
+Dat hidur scade ende dur vromen
+Ne liete, hine quame ten gedinge,
+Ende men Brunen van deser dinge
+Die boetscap soude laden.
+Des was die Coninc saen beraden
+Ende sprac dus te Brunen, den bere: [138]
+'Her Brune, ic seg v vor dit here
+Dat gi dese boetscap doet.
+Oec radic v dat gi sijt vroet
+Ende gi v wacht yeghen baraet.
+Reynaert es so fel ende so quaet:
+Hi sal v smeken ende lieghen,
+Mach hi . hi sal v bedrieghen
+Mit valschen worden ende mit sconen,
+Mach hi, bigode . hi sal v honen.'
+'Here,' sprac Brune . 'laet v castien,
+So moete mi god vermaledien,
+Ofte mi Reynaert sal honen,
+Jnne salt hem so weder lonen
+Dat hijs anden dilsten si.
+Nu ne sorget niet vor mi.'
+Dus nemet hi orlof ende salhem maken (fo. 105 rb.)
+Dat hi welsere sal mesraken.
+ Nv es Brune opdie vaert
+Ende heft in sire herten onwaert,
+Ende et dochte hem ouerdaet
+Dat menne helde ouerquaet
+Datten Reynaert honen soude.
+Durt donkerste vanden woude
+Quam hi gelopen an ene woestine,
+Daer Reynaert hadde de pade sine
+Gheslaghen crom ende menichfout,
+Also als hi in dat wout
+Plach te lopen om sijn beiach.
+Beneuen der woestinen lach
+Een berch hoge ende lanc,
+Dar most Brune sinen ganc
+Te midwaert ouer maken,
+Sal hi te Maperthus geraken.
+Reynaert hadde menich huus,
+Mar die casteel van Maperthus
+Dat was die beste van sinen borghen:
+Daer trac hi toe, alse mit sorghen
+Oft in node was beuaen.
+Nu is Brune so gegaen
+Dat hi te Maperthus es comen,
+Ende heft die porte vernomen
+Daer Reynaert op plach te gaene.
+Doe ginc hi vor die barbakane
+Sitten op sinen staert
+Ende sprac: sidi in huus, Reynaert?
+Jc ben Brune, des coninx bode.
+Hi heft ghesuoren bisinen gode,
+Ne coemdi niet te gedinge,
+Ende ic v vor mi niet en bringe,
+Recht te nemenne ende te geuene,
+Hi doet v rouene vanden leuene,
+Hi doet v breken op enen rade.
+Reynaert, nv doet [139] dat ic v rade
+Ende gaet mit mi te houe waert.'
+Dit verhoerde Reynaert
+Die vore in sine porte lach,
+Daer hi dicke te leggen plach (fo. 105 va.)
+Dur die warmte van der sonnen.
+Bider tale die Brune hadde begonnen
+Bekindene [140] te hant Reynaert
+Ende trac bet in te dale waert
+Jn syn donkerste haghe-dochte. [141]
+Menichfout was sine ghedochte
+Hoe hi vonde sulken raet
+Daer hi Brunen, den vraet,
+Te scerne mede mochte driuen
+Ende selue in sire eren bliuen.
+ Doe sprac Reynaert ouer lanc:
+'Vwes goedes rades hebt danc,
+Her Brune, goede vrient!
+Hi heft v qualike gedient
+Die v bereit desen ganc,
+Entie v dese berghe lanc
+Ouer te lopene dede bestaen.
+Jc soude te houe sijn gegaen,
+Al haddijt mi niet geraden,
+Mar mi es de buuc geladen
+Mit ere vremder spisen
+Jn so vtermaten wisen,
+Jc vruchte inne sal niet mogen gaen.
+Jnne mach sitten no staen.
+Jc bin so vtermaten sat.'
+'Wat ati Reynaert' . 'wat ic at,
+Her Brune? ic at ene cranke haue:
+Arm man es gheen graue,
+Dat mogedi wel bi mi weten.
+Wi arme lude moeten eten,
+Hadde wijs raet, dat wi node aten.
+Grote vette honichraten
+Der hebic coeuer harde groet.
+Die moet ic eten dorden noet,
+Als ic els niet can gewinnen.
+Nochtan als icse hebbe binnen,
+Doen is mi pine ende ongemac.'
+Dit verhorde Brune ende sprac: (fo. 105 vb.)
+ Helpe dur die doet, vos Reynaert!
+Hebdi honich dus onwaert?
+Honich is een edel spise
+Die ic vor alle gerechten prise
+Ende vor alle gerechten minne.
+Reynaert, helpt mi dat ics gewinne.
+Edel Reynaert, wel soete neue,
+Also lange als ic leue
+Wil ic v dar omme minnen,
+Mach ic des honics bi v gewinnen'.
+'Gewinnen, Brune? gi hout v spot!'
+Jnne doe, Reynaert. so war ic sot,
+Spot ic mit v, nenic niet.'
+Echt sprac Reynaert: 'Brune, mochtijs yet?
+Ofte gi honich moget eten,
+Bi vwer trouwen, doet mi te weten!
+Mogedijs iet, ic sals v saden.
+Jc sals v [so] vele beraden,
+Ghine atet niet mit v tienen,
+Waendic v hulde daer mede verdienen.'
+'Mit mi tienen? hoe mach dat wesen?
+Reynaert, hoet v van tesen,
+Ende sijt seker ende gewis,
+Had ic dat honich dat is
+Tusschen hier ende Portegale, [142]
+Jc atet op tenen male.'
+ Reynaer sprac: 'Brune, wat segdi?
+Een dorper, heet Lamfret, [143] woent hier bi.
+Hi heuets noch [144] so vele twaren,
+Ghine aets niet in seuen iaren.
+Dat soudic v geuen in v gewout,
+Her Brune, wildi mi wesen hout
+Ende vor mi dingen te houe.'
+Des quam Brune tenen geloue,
+Ende sekerde Reynaerde dat:
+Wilde hine honichs maken sat,
+(Des hi cume onbiten sal)
+Hi wilde hem wisen ouer al
+Ghestade vrient, goet geselle.
+Hier omme loech Reynaert, de felle.
+Doe sprac Reynaert openbare: (fo. 106 ra.)
+'Vergaue god dat ie v nv [145] ware
+Also gereet een goed geual
+Als v dit honich wesen sal,
+Al mochtijs eten, seuen amen.'
+Dese worde si bequamen
+Brunen ende daden hem [146] so sochte,
+Hi loech datment horen mochte.
+Doe dachte Reynaert daer hi stoet:
+'Bruun, sijn v auenturen goet,
+Jc wane hoedaen [147] v noch laten
+Daer gi lachgen sult te maten.'
+Na dit gepens ginc Reynaert wt [148]
+Ende sprac al ouer luut:
+'Her Bruun, geselle, wel come [149]!
+Et staet so, sulli hebben vrome,
+Hier ne mach sijn geen langher staen.
+Volget mi, ic sal voren gaen,
+Ende hout desen crommen pat.
+Ghi sult noch huden wesen sat,
+Salt na minen wille gaen.
+Ghi sult hebben sonder waen
+Also vele als gi moget dragen.'
+Reynaert meende van groten slaghen.
+Dat was dat hi hem behiet.
+Die ckeytijf ne wistes niet
+Waer dat Reynaert die tale keerde,
+Die hem dat honich stelen leerde,
+Dat hi wel dat sware sal becopen.
+Al sprekende quamen si dus gelopen, [150]
+Reynaert ende sijn geselle Brune,
+Tote Lamfreids anden tune.
+ Uvildi horen van Lamfreyde? [151]
+Wast waer datmen mi seide,
+Hi was timmerman van groten loue
+Ende hadde binnen sinen houe
+Ene eyke bracht vten woude
+Die hi ontwee clouen soude,
+Ende hadder twe beytel in geslegen,
+Alse die tymmermans noch plegen.
+Die eyke was ondaen wel wide, (fo. 106 rb.)
+Des was Reynaert harde blide,
+Bidien et was wel sijn geuoech.
+'Har Brune', sprac hi ende loech:
+'Soeket ende nemet goem:
+Hier in desen seluen boem
+Es honichs [152] vtermaten vele.
+Proeuet of ghijs iet in v kele
+Of in vwen buuc sult winnen.
+Nochtan moeti v seluen dwinghen,
+Al dunken v goet die honichraten,
+Etter te seden ende te maten,
+Dat gi v seluen niet en verderuet:
+Ic waer onneert ende onteruet,
+Lieue oem, mesquame v iet.'
+Brune sprac: 'Reynaert, ne sorget niet.
+Waendi dat ic bin onvroet?
+Mate is tallen spele goet.'
+'Ghi segt oec waer'. sprac Reynaert:
+'Waer omme binic dus vervaert? [153]
+Latet al staen ende crupet in.'
+Brune pensde om sijn gewin
+Ende liet hem so verdoren
+Dat hi dat hoeft ouer die oren
+Ende beyde de vorste voete in stac.
+Reynaert pogede dat hi trac [154]
+Beyde die beytel vter eken
+Die daer te voren in steken.
+Brune bleef beclemmet in den boem.
+Hoert hoe de neue sinen oem
+Mit liste brachte in sulke hachte,
+Dar hi mit liste n  mit crachte
+Jn ghere wijs ne [conde] ontgaen
+Ende bleef biden hoefde geuaen.
+Vvat [155] radi Brunen nv te doene?
+Dat hi was starc ende coene
+En [156] sal hem niet gehelpen moghen.
+Hi sach wel dat hi was bedrogen.
+Hi began breischen ende hulen.
+Hi was ghegrepen [157] bider mulen
+So vaste ende biden voeten voren: (fo. 106 va.)
+Al dat hi pijnde was verloren.
+Hi waende nemmermeer ontgaen.
+Van verre is Reynaert ghestaen
+Ende sach comen Lamfreyde
+Die [158] op sinen hals brochte beyde
+Ene scarpe [159] aexe ende ene baerde.
+Nv mogedi horen van Reynaerde
+Hoe hi sinen oem ginc rampeniren:
+'Oem Bruun . vaste gaet mansieren!
+Haddi gheten, gi sout drinken;
+Hier coemt Lamfreit, hi sal v scinken.
+ Na [160] deser tale ginc Reynaert
+Weder te sinen castele waert
+Sonder orlof, ende mittien
+Heft Lamfreit Brunen versien,
+Ende vernam dat hi was geuaen.
+Doene was daer gheen langer staen.
+Hi liep wech mit groten haeste
+Daer hi die hulpe [161] wiste naeste,
+Ende daer dat naeste dorpe stont.
+Hi dedet al den geburen cont
+Dat daer stoet geuaen een bere.
+Doe volgede hem een groet here.
+Daer ne bleef man no wijf.
+Die bere te nemene sijn lijf
+Et liep al datter lopen mochte.
+Sulc quam die enen besem brochte,
+Sulc enen vlegel, sulc enen rake,
+Sulc quam gelopen mit enen stake,
+Also alsi quamen van haren werke.
+Selue die pape vander kerke
+Brocht enen cruusstaf,
+Dien hem die coster node gaf.
+Selue die coster droech ene vane
+Mede te steken ende te slane.
+Des papen wijf, vrouwe Julocke,
+Quam gelopen mit haren spinrocke,
+Daer si dages omme hadde gesponnen.
+Voer hem allen quam geronnen
+Lamfreit mit ere scarper aex. (fo. 106 vb.)
+Al hadde Bruun luttel gemaex,
+Hi ontsach meerre ongeual:
+Hi sette al ieghen al,
+Doe hi dat geruchte horde.
+Hi spranc ende trac, dat scorde
+Van sinen aensichte al die huut.
+Al brochte Brune thouet wt
+Mit arbeyde ende mit pinen,
+Nochtan liet hi dar vanden sinen
+Een ore ende sine beyde lier.
+Niene sachmen so lelic dier.
+Hoe mocht hi seere [162] sijn becocht?
+Al hadde Brune thouet wt brocht,
+Eer hi die voete conde vte gewinnen,
+Bleuen daer al die clawen binnen
+Ende sine hanscoen bede.
+Doe bedochte hi hem mit lede.
+Hoe mochte hi sijn onteret meer? [163]
+Die voete waren hem so seer,
+Dat hidat lopen niene conde gedogen.
+Tbloet ran hem ouer die oghen,
+Dat hi niet conde gesien.
+Hine dorste bliuen no vlien.
+Hi sach onder der sonnen
+Lamfreide sere comen geronnen
+Ende daer na den kerc-here, [164]
+Hi quam gelopen harde sere,
+Daer na die coster mitten vane
+Ende alle die prochiane,
+Die oude lude mitten ionghen.
+Daer quam te haren staf gesprongen
+Sulke quenen, die van ouden
+Enen tant niet hadde behouden.
+Wie so wel [165] wachte hem dies:
+Wie scade heft ende verlies
+Ende groet ongeual,
+Ouer hem wilt al.
+Dat sceen an armen Brunen wel:
+Sulc dreigeden an sijn vel,
+Die des gesweghen hadde al stille, (fo. 107 ra.)
+Hadde Brune gestaen te sinen wille.
+ Dit [166] was beneuen ere riuire
+Dat Brune, onsalichsts alre dire,
+Van menighen dorper was berinct.
+Doe was daer luttel gedinct.
+Hem nakede groet ongemac.
+Dene sloech, dander stac.
+Dene sloech, dander warp.
+Lamfreit was hem harde scarp.
+Een hiet Otram Lancvoet, [167]
+Die droech enen verhoernden cloet
+Ende ghinckene steken naden oghe. [168]
+Vrouwe Vulmar [169] scarpe loge
+Ghinkene roeren mit enen maelstaue. [170]
+Abel ende vrouwe Baue
+Laghen beyde onder die voete
+Ende streden om ene lange loete.
+Ludolf mitter langer nese
+Droech ene loetwapper an ene pese
+Ende ghingher mede alomme slingren.
+Grindemont mitten langen vingren
+Dedehem alles te uoren,
+Bidien hi was best geboren
+Sonder Lamfreit allene:
+Hughelijn mitten crommen bene
+Was sijn vader, dat wistmen wale,
+Ende was geboren van Abstale,
+Ende was sone vrouwen Hogernen,
+Ende was een maker van lanternen.
+ Si [171] deden Brunen groten torment.
+Brune sat ende sach al omtrent
+Ende nam datmen hem gaf.
+Dien pape liet den cruusstaf
+Ghedichte gaen in sinen hals,
+Entie coster als ende als
+Ghinckene nopen mitten vane,
+Ende Otram warp hem sere ter bane,
+Dien stoet ter [172] seluer wile
+Mit ere harder scarper bile
+So tusschen hals ende houet (fo. 107 rb)
+Dat Brune so sere wart verdouet,
+Dat hi verspranc vanden slaghe [173]
+Tusschen der riuire enten haghe
+Jn een torp van ouden wiuen
+Ende warp een ghetal van viuen
+Jn die riuire die daer liep,
+Die wide was ende diep.
+Des papen wijf waser ene,
+Des was des papen bliscap clene,
+Doe hi sijn wijf sach in den vliet,
+Doene luste hem langher niet
+Den bere te stekene no te slane.
+'Nv toe, edel prochiane,
+Ghindre vlot vrouwe Julocke
+Beyde mit spille ende mit rocke.
+Nv toe, die hare gehelpen mach!
+Jc gheue hem iare ende dach
+Vol paerdoenen ende vol aflaet
+Van alle sondeliker [174] daet.'
+ Beyde [175] man ende wijf
+Lieten den armen keytijf
+Brunen leggen ouer doet
+Ende liepen daer die pape geboet
+Beyde mit stocken ende mit haken.
+Die wile dat si die vrouwen wt traken,
+So spranc Brune in die riuire
+Ende ontswam hem allen scire.
+Die dorpers stonden harde gram:
+Si saghen dat hem Brune ontswam
+Daer si hem niet en mochten volghen.
+Op den oeuer sijn si verbolghen
+Ende ghingen na hem rampeniren.
+Brune swam in dier riuiren
+Aldaer hi vant den besten stroem.
+Al driuende bat hi dat god den boem
+Moste verdoemen ende verwaten,
+Daer hi sine oren hadde gelaten
+Ende beide sine liere.
+Voert vloect hi den fellen dire,
+Den ongetrouwen Reynaerde, (fo. 107 va.)
+Den fellen mitten roden baerde,
+Dien so diepe indeyke dede crupen,
+Daerne Lamfreit vant ter stupen
+Dat hi hem so lede dede.
+Jn aldus ghedaenen gebede
+Was Brune alse lange wile,
+Dat hi een halue mile
+Vander stede was gedreuen
+Daer die dorpers waren bleuen.
+Hi was verpijnt ende moede
+Ende ondercomen vanden bloede,
+Dat hi hadde cranke vaert.
+Doe swam hi te lande waert
+Ende croep ligghen onder toeuer.
+Ghine saget noyt, wanic, droeuer
+Ne gheen dier dat lijf gewan.
+Hi lach iamerlike ende stan
+Ende sloech mit beyde sijn lanken.
+Des mochte hi al Reynaerde danken.
+ Nv [176] hort wat Reynaert hadde gedaen.
+Hi hadde een vet hoen geuaen
+Bi Lamfreits ander heyden,
+Eer hidane was gesceiden,
+Ende had op enen berch gedreghen
+Verre buten alle weghen,
+Daert heymelic was genoech.
+Dat was wel sijn geuoech,
+Ende daer was niemans ganc,
+Dat hi om yemens bedranc
+Sine proye dorste rumen.
+Doe [177] hi dat hoen [178] toten plumen
+Hadde geleit in sinen male,
+Doe ginc hinederwaert te dale
+Enen verholentlike[n] pat.
+Hi was weltematen sat.
+Dat weder was scone ende heet:
+Hi hadde gelopen dat hi sweet.
+Neder liep hi neuen der liere.
+Bidien begeerde hi der riuire,
+Dat hi hem vercoelen woude. (fo. 107 vb)
+Jn blijscap harde menichfoude
+Was sijn herte doe beuaen,
+Want hi hopede sonder waen,
+Dat Lamfreit Brunen hadde verslegen
+Ende hine int oeuer had gevlegen.
+Hi sprac: 'hier is nv wel geuaren.
+Die mi te houe meest soude daren,
+Dien heb ic gedoet in desen dage
+Ende wanes wel sonder clage
+Ende sonder wangonste [179] bliuen.
+Jc mach te rechte bliscap driuen.'
+ Doe Reynaert was in dese tale,
+Sach hi nederwaert [180] te dale
+Ende vernam Brunen daer hi lach.
+Ten yersten dat hine sach,
+Hadde hijs rouwe ende toren.
+Dar die bliscap lach te voren,
+Dar lach nv toren ende nijt.
+Doe sprac hi: 'vermaledijt,
+Lamfreit, moet dijn herte sijn!
+Du biste [181] dulre dan een swijn,
+Lamfreit, argher puten sone!
+Luttel eren bistu gewone.
+Hoe esdi [182] dese bere ontgaen,
+Die di te voren was geuaen?
+Hoe goet menich morsiel leiter an,
+Dan gherne et menich man.
+O wi, Lamfreit, verscrouen [183] druut,
+Hoe rikelike eens beren huut
+Heuestu huden verloren,
+Die di gewonnen was te voren!' [184]
+Dit scelden heft Reynaer gelaten
+Ende ghinc neder bider straten
+Dur te siene hoet Brunen stoet,
+Dien hi sach leggen als een bloet
+Ende siec ende ongesont
+Ende oec harde seer gewont.
+Dit sach Reynaert harde gherne.
+Doe sprac hite sinen scerne:
+'Brune, sier priester, deuosaut! [185] (fo. 108 ra)
+Wildi Reynaert, den ribaut,
+Den roden scalc, dat felle dier,
+Bescouwen, so besieten hier!
+Nv seget, priester, soete vrient,
+Bidien here dien gi dient,
+Jn wat ordinen wildi v doen,
+Dat gi dus draget rode scoen?
+Weder sidi abt so prior gecoren:
+Hi ginc v herde na den oren
+Die v de crune heft gescoren,
+Want gi hebt vwen top verloren.
+Ghi hebt vwe hanscoen wt gedaen:
+Jc wane, gi singen wilt gaen
+Van vre completen dat getide.'
+Dit horde Brune ende was onblide,
+Wat mochte hi doen, hine conste gewreken.
+Hi moste sinen wille spreken, [186]
+Ende sloech weder in die riuire:
+Hine wilde vanden fellen diere
+Niet meer horen der tale.
+Hi liet hem nederwaert [187] te dale
+Mitten strome driuen te hant
+Ende hi quam [188] ant ander lant
+Ende hi ghinc liggen ant sant,
+Daer hijt alre naest vant.
+Hoe [189] sal nv Brune te houe comen?
+Al mocht hem alde werlt vromen,
+Hine ghinc niet ouer sine voete.
+Hi was beclemmet so onsoete
+Jn die eyke, daer te voren.
+Van tween voeten hadde hi verloren
+Alle de clawen ende dat vel.
+Hine conde niet gepensen wel
+Hoe hi best quame ten coninc waert.
+Nv hort hoe hi bestaet de vaert!
+Hi sat ouer sine hamen
+Ende began mit groten scamen
+Rucken ouer sinen staert.
+Alse hi dan des moede waert,
+So wentelde hi dan ene wile. (fo. 108 rb.)
+Dit dreef hi meer dan ene mile,
+Eer hites coninx houe quam.
+Doemen Brunen daer vernam
+Jn deser wijs van verren comen,
+Wart dar betuiuelt van hem somen
+Wat daer gewentelt quam so.
+Den coninc wart dat herte onvro,
+Dine verkende alte hant
+Ende sprac, 'ets Brune, mijn sariant.
+Brunen es dat houet roet;
+Hi es ghewont al toter doet.
+Ay [190] god, wie, wie heftene dus gemaect?'
+Binnen desen es Brune daer geraect,
+Dat hi den Coninc clagen mochte.
+Hi stan ende versuchte onsochte
+Ende sprac: 'Coninc, edel here,
+Wreket mi dur vwes selfs ere
+Ouer Reynaerde, dat felle dier,
+Die mi mijn scone lier
+Mit sire liste verliesen dede
+Daer toe mijn luchter ore mede,
+Ende heft mi gemaect als ghi wel siet.'
+Die coninc sprac: 'oftic dit niet
+Ne wroke, so moetic sijn verdoemt!'
+Binnen [191] desen heft hi genoemt
+Alle die hogheste bi namen,
+Ende geboet hem, dat si quamen
+Alle gader in sinen raet
+Ende rieden hem hoe dese daet
+Best worde gerecht tes coninx eren.
+Doe rieden hem die meeste heren
+Datmen ander warf daghen soude
+Reynaerde, oftie coninc woude,
+Ende horen tale ende wedertale. [192]
+Oec seiden si, si wilden wale
+Dat Tibert, de cater, van desen
+Te Reynaerde bode soude wesen:
+Al waer hi cranc, hi waer vroet.
+Dese raet dochte den coninc goet. (fo. 108 va.)
+ Doe seide die coninc: 'her Tibeert,
+Gaet wech, eer gi weder keert
+So siet dat Reynaert mit v come.
+Dese heren segghen some,
+Al es Reynaert andren diren fel,
+Hi gelouet v so wel
+Dat higheerne doet vwen raet.
+En coemt hi niet, tis hem quaet:
+Men salne derdeweruen daghen,
+Te lastre allen sinen maghen. [193]
+Gaet Tibert, segt dit hem.'
+'Ay here,' sprac Tibert: 'ic ben
+Een arm wicht ende ene clene dier.
+Her Brune die starc is ende fier,
+En conde Reynaert niet gewinnen:
+Jn welker wijs soudix beginnen?'
+ Doe [194] sprac die coninc; 'her Tibeert,
+Ghisijt wijs ende wel geleert,
+Al sidi niet starc, wat tan?
+Ets [195] menich die mit liste can
+Dat werken ende mit goeden rade,
+Dat hi mit crachte niet en dade.
+Gaet, doet scire mijn ghebod.'
+Tibert sprac! 'nv onne mi god
+Dattet mi wel moet vergaen.
+Jc sal ene vaert bestaen
+Die mi duncket in minen moede.
+God gheuese mi te goede!'
+Nu [196] sel Tibert bestaen die vaert,
+Die sere droeue es ende vervaert.
+Ende als hi op den wech quam,
+Sach hi van verre ende vernam
+Sinte Martijns vogel comen geulogen.
+Doe waert Tibert vro ende in hoghen
+Ende riep: 'al heyl, Sinte Martijns vogel!
+Kere harwaert dinen rechteren vlogel
+Ende vliech te mire rechter hant.'
+Die vogel vloech al dar hi vant
+Een haghe, dar hi wilde liden,
+Ende leet Tibert ter luchter siden.
+Dit teiken ende dit gemoet (fo. 108 vb.)
+Ne dochte Tiberde niet goet.
+Hadde hiden vogel sien liden
+Scone te sire rechter siden,
+So waende hi hebben goet geual.
+Nv es hi des in wanhopen al.
+Nochtan maecte hi hem seluen moet
+Ende geliet, alse menich man doet,
+Bet dan hem te moede was.
+Dus liep hi hene sinen pas,
+Des [197] hi quam te Maperthuus
+Ende vant Reynaert vor sijn huus
+Allene staen verwendelike.
+Tibert sprac: 'Reynaert, god die rike
+Moetu goeden auond gheuen.
+Die coninc dreiget an v leuen,
+En coemdi niet te houe mit mi.'
+Reynaert sprac: 'wellecome sidi,
+Tibert, sijt sere wellecome.
+God gheue v ere ende vrome.
+Bi gode des onnic v wale!'
+Wat coste Reynaerde scone tale?
+Al seget sine tonge wel,
+Sijn herte es binnen fel.
+Dat sal hier getoghet wesen,
+Eer die rime wert vollesen
+Ten ende tusschen dese twee.
+Reynaert sprac: 'neue, tauont mee
+Suldi herbergen hier mit mi.
+Comt in, ende morghen sul wi
+Te houe waert mitten daghe.
+Jnne hebbe onder alle mine mage
+Niemene, Tibert, dar ic mi [198] nv
+Bat op verlate dan op v.
+Hier was Brune comen, die vraet,
+Ende togede mi so fel ghelaet:
+Ende hi dochte mi so starc,
+Dat ic om dusent marc
+Mit hem den wech niet hadde bestaen.
+Dat sal ic · ic sal mit v gaen
+Morghen mitter dageraet.' (fo. 109 ra.)
+Tibert sprac · 'ets beter raet
+Ende et dunct mi bet gedaen,
+Dat wi tauond hene gaen
+Dan wi tote morghen beyden.
+Die mane scinet ander heyden
+Also claer alse die dach.
+Jc wane, noyt man ne [199] sach
+Betren tijt tonser vaert.'
+'Neen, lieue neue,' sprac Reynaert:
+'Sulc mochtons dages ontmoeten,
+Hi soude ons minliker groeten,
+Die ons nemmer dade goet,
+Quame wi bi nachte in sijn gemoet.
+Ghi [200] moet te nachte herbergen mit mi.'
+Tibert sprac: 'wat soude wi
+Eten, oftic mit v bleue?'
+Reynaert sprac: 'wel soete neue,
+Hier is der spisen quaden tijt.
+Ghi moget eten, begerdijt,
+Een stucke vanere honichraten
+Die bequamelic is vtermaten.
+Wat radi, mogedi tshonichs iet?'
+Tibert sprac: 'mi ne roekes niet.
+Reynaert, en hebdi niet in huus?
+Gauedi mi ene vette muus,
+Daer mede lietic v bewaert.'
+'Ene vette muus?' sprac Reynaert:
+'Soete Tibaert, wat segdi?
+Hier woenet noch een pape bi,
+Een scure staet ansyn huus,
+Daer is in so menige muus:
+Jc wanese niet gedroge · j · waghen.
+So horic dicke den pape clagen
+Dat sine driuen vten huse.'
+'Reynaert, sijn dar so vele muse?
+Vergaue god, dat ic waer daer!'
+'Wat meendi, Tibert · segdi waer?
+Wildi muse?' 'oft icse wille?
+Hoet des ende swiget stille!
+Jc minne muse vor alle saken. (fo. 109 rb.)
+Ne weti niet dat muse smaken
+Bet dan enich venisoen?
+Wildijt dur minen wille doen,
+Dat gi mi leit daer muse sijn,
+Daerbi mochti de hulde mijn
+Hebben, al haddi minen vader
+Gedoet ende mijn geslachte al gader.'
+Reynaert sprac · 'neue, houdi v spot?'
+'Neenic, alse helpe mi god!'
+'Weet god, Tibert, wistic dat,
+Ghi souter noch tauond wesen sat.'
+'Sat, Reynaert, dat ware vele.'
+'Tibert, dit segdi tuwen spele.'
+'Jnne doe, Reynaert, bi mire wet.
+Hadic een muus ende ware si vet,
+En gauese niet om een bisant.'
+'Tibert, so gaet mit mi te hant.
+Jc leide v aldaer ter stat,
+Daer icker v sal maken sat,
+Eer ic emmer van v sceide.'
+'Gherne, Reynaert, op v gheleyde
+Ghinc ic mit v te Mompelier.'
+'So ga wi dan · wisijn hier
+Alte lanc,' sprac Reynaert.
+Doe daden si hem op de vaert,
+ Nv [201] sijn si comen op die vaert
+Tibert ende sijn neue [202] Reynaert
+Ende liepen dat si lopen wilden
+Dat si noyt togel op ne hilden,
+Ent si quamen tes papen scure,
+Die mit ere horden mure
+Al omme ende omme was beloken,
+Daer Reynaert in hadde gebroken
+Des anderen nachts teuoren,
+Doe die pape hadde verloren
+Enen hane, ende hi hem dien nam.
+Hier om was tornich ende gram
+Des papen sone Mertinet,
+Ende hadde vor dat gat geset
+Enen stric den vos te vane: (fo. 109 va.)
+So gherne wrake hi sinen hane.
+Dit wiste Reynaert, dat felle dier,
+Ende sprac: 'Tibert, neue, hier
+Crupet int selue gat
+Ende sijt no [203] trage no lat:
+Gaet alomme ende omme gripen.
+Hort hoe die muse pipen.
+Keert weder wt als gi sijt sat.
+Jc sal hier bliuen vordit gat.
+Jc sal vwes hier buten ontbeiden.
+Wine mogen tauont niet sceiden,
+Morghen ga wi te houe waert
+Tibert, hoe coemt dat gi spaert?
+Gaet eten, ende laet ons keren
+Te mire herbergen mit eren.
+Mijn wijf sal onse beiach ontfaen.'
+'Wilic te desen gate in gaen?
+Was segdi, Reynaert, ist v raet?
+Die papen connen wel baraet:
+Jc besta dit harde node.'
+'Tsi, Tibert, ghine waert nie so blode!
+Wane quam vre herten die wanc?' [204]
+Tibert scamede hem ende hi spranc
+Daer hi vant groet ongherec:
+Eer hi iet wiste, was hi indat strec
+Om sinen hals harde vaste.
+Dus hoende Reynaert sinen gaste.
+ Alse [205] Tibert geware waert
+Des strickes, doe was hi vervaert:
+Hi spranc, hi scoet, dat strec liep toe.
+Tibert moste roepen doe
+Ende wroegen hem dor dien noet.
+Hi maect een gheluut so groet
+Mit enen iamerliken gelate,
+Dat Reynaert horde andie strate
+Buten allene, dar hi [206] stoet.
+Doe riep hi: 'vindise goet
+Die muse ende vet?
+Wiste dit nv Mertinet,
+Hi souder v sause toe maken, (fo. 109 rb)
+Const hise wel gheraken:
+So goet een knaep es Martinet.
+Tibert, gi singet als gi et?
+Plegetmen [207] ten coninx houe des?
+Vergaue god, die geweldich es,
+Dat nv mit v daer ware
+Die felle dief, die mordenare,
+Jn sulker bliscap als gi sijt!'
+Dus heuet Reynaert groet delijt
+Dur Tiberts ongeual.
+Ende Tibert stan iamerlike ende gal
+So lude, dat Mertinet ontspranc
+Ende roep: 'god hebs danc!
+Ter goeder tijt heft nv gestaen
+Mijn stric: ic hebber mede geuaen
+Den hoenredief, [208] na minen wane.
+Nu toe, wi ghelden hem onsen hane!'
+Mit desen liep hi toten vire
+Ende onstac enen strowisch [209] scire.
+Hi wecte moeder ende vader
+Entie kinder alle gader,
+Ende riep: 'toe! nv is hi geuaen.'
+Doe mocht men sien porren saen
+Alle die inden huse waren.
+Selue die pape quam geuaren
+Van sinen bedde al naect.
+Mertinet was geraect
+Tote Tibert ende riep: 'hi is hier.'
+Die pape ran achter dat vier
+Ende greep sines wiues rocke.
+Een offerkeerse greep vrouwe Julocke
+Ende onstacse mitter haest.
+Die pape was Tiberde naest
+Ende ginckene mitten rocke slaen.
+Doe moste Tibert daer ontfaen
+Wel menigen slach al in een.
+Die pape stont, als hem wel sceen,
+Al naect, ende sloech slach op slach
+Op Tiberde, die vor hem lach.
+Daerne spaerdene har negheen. (fo. 110 ra.)
+Martinet greep enen steen
+Ende warp Tibert teen oghe wt.
+Die pape stont al bloter huut
+Ende hief openen groten slach:
+Ende alse Tibert dit sach,
+Dat hi emmer steruen soude,
+Doe dede hi alse de boude,
+Datten papen verginc te scanden.
+Beyde mit clawen ende mit tanden
+Dede hi scamp, alst wel sceen,
+Hi spranc den paep tusscen die been,
+Ende trac hem wt dat ene dinc,
+Dat hem tusscen die bene hinc
+Jn die burse sonder naet,
+Daermen den beyaert mede slaet.
+Dat dinc viel neder op die vloer.
+Die [210] vrouwe vloecte ende swoer
+Bider zielen hars vader,
+Si wilde niet om al gader
+Dofferhande van enen iare,
+Datten pape geuallen ware
+Dit vernoy ende dese scame.
+Si sprac: 'ins leeds duuels name
+Moete dit stric sijn geset!
+Sich, lieue sone Martinet,
+Dit was van dijns vader gewande,
+Dese scade ende dese scande
+Es emmer inallen stonden:
+Al genase hi vander wonden,
+Hi bleue ten sueten spele mat.'
+Reynaert, die noch stont vor tgat,
+Doe hi dese tale horde,
+Loech hi dat hi achter scorde
+Ende hem craecte die tauerne.
+Doe sprac hi te sinen scerne:
+'Swiget, Julocke, lieue vrouwe,
+Laet sinken vwen groten rouwe,
+Laet bliuen desen toren.
+Wattan? al heft hi verloren
+Enen vanden clepel sinen, (fo. 110 rb.)
+Des te min darf hi pinen.
+Laet dese clage bliuen achter:
+Gheneset dese pape, en is geen lachter
+Dat hi luut mit ere clocken.'
+Dus troeste Reynaert vrouwe Julocken,
+Die doe harde sere mesliet.
+Die pape mochte langer niet
+Ghestaen ende viel in ommacht.
+Dien hiep si op mit hare cracht
+Ende droegene te bedde waert.
+Hier binnen keerde Reynaert
+Allene te sire herberghen waert,
+Ende liet Tiberde sere veruaert
+Ende in sorghen vander doet.
+Al was Tiberts sorge groet,
+Doe hise alle onledich sach
+Ouer den pape, die dar lach
+Ghewont, doe ghinc hi pinen,
+Dat hi mitten tanden sinen
+Die peze in midden bete [211] ontwee.
+Doene wilde hi dar nietmee
+Letten ende spranc vten gate
+Ende dede hem inde rechte strate,
+Die te houewaert gelach.
+Ende eer hi dar quam wast dach,
+Entie sonne began te risen.
+Jn een arme wichtes wisen
+Quam Tibert int hof geronnen,
+Die tes papen hadde gewonnen
+Dat hi langhe claghen mach.
+Alse die coninc doe sach
+Dat Tibert teen oge had verloren.
+Doe mochtmen sekerlike horen
+Den coninc dreigen den [212] dief Reynaerde.
+Jc wane, hi langer niene sparde,
+Hine riep sine genote te rade
+Ende vrageden wat hi best dade
+Jeghen Reynaerts ouerdaet?
+Doe wart ghinder menich raet (fo. 110 va.)
+Hoemen Reynaert te redene brochte,
+Die dus grote mordaet wrochte.
+ Doe sprac Grimbert, de das,
+Die Reynaerts brueder sone was:
+'Ghi heren hebt goeden raet.
+Ware mijn oem noch so quaet,
+Salmen recht vort dragen,
+Men salne derdewaerf dagen,
+Alsmen doet enen vremden man.
+Comt hi niet te houe dan,
+So is hi sculdich alre dinc,
+Dat hi vorden Coninc
+Van desen heren es [213] beclaget.
+'Wie wildi, Grimbert, datten nv daget?'
+Sprac die coninc: 'wie is nv hier,
+Die sine oge · ofte sine lier
+Wil setten in auenture
+Dur ene felle creature?
+Jc wane, hier nieman es so sot!'
+Grimbert sprac: 'so helpe mi god!
+Siet mi hier, ic bin so coene
+Dat ic wel dar bestaen te doene
+Dese boetscap, gebiedijt.'
+'Grimbert, ia gaet ende sijt
+Vroet ende wachtu iegen mesfal,'
+Grimbaert sprac: 'coninc ic sal,'
+ Dus [214] gaet Grimbert te Maperthuus.
+Alse hire quam, vant hi in huus
+Sinen oem ende vrouwen Ermelinen, [215]
+Die bi haren welpekinen
+Laghen in die hagedochte.
+Ende ten yersten dat Grimbert mochte,
+Gruete hi sinen oem ende sire moyen.
+Ende sprac: 'en sal v niet vernoyen [216]
+Die anruchte, daer gi in sijt?
+Dunct v noch iet tijt
+Dat gi trect, here Reynaert,
+Tes coninx houe waert,
+Dar [217] gi sere sijt beclaget?
+Ghi sjt nv derdewaerf gedaget.
+Verlegdi morgen dien dach, (fo. 110 vb.)
+So seg ic dat v ne mach
+Ne gheen genade meer gescien.
+Ghi selt inden derden dage sien
+Vwen casteel verstormen, Maperthuus.
+Men sal rechten vor v huus
+Een galge ofte een rat.
+Ouerwaer seg ic v dat:
+Beyde v kinder ende v wijf
+Sullen verliesen al haer lijf
+Lasterlike, sonder waen.
+Ghine moget oec selue niet ontgaen.
+Daer om is die beste raet
+Dat gi mit mi te houe gaet.
+Ets mislijc wat geuallen mach:
+V es dicke wile op enen dach
+Vremder auenturen geuallen,
+Dan gi noch quaemt vor hem allen
+Mittes coninx orloue.
+Morghen sceitmen vten houe.'
+Reynaert sprac: 'gi segt waer.
+Nochtan, Grimbert, quamic daer
+Onder des coninx ingesinde,
+Dat ic daer te houe vinde,
+Ets op mi so verbolghen al:
+Quamic daen, et [218] waer geual.
+Nochtan dunket mi beter wesen
+(Ghenese oft ix mach genesen)
+Dat ic mit v te houe vare
+Dant al verloren ware,
+Casteel, kinder ende wijf,
+Ende daer toe mijns selfs lijf.
+Jnne mach den coninc niet ontstaen.
+Als gi wilt, so sul wi gaen.'
+Hier [219] na sprac hi: 'vrouwe Ermelijn,
+Jc beuele v de kinder mijn,
+Dat gire wale pleget nv.
+Vor alle dander beuelic v
+Minen iongen sone Reynaerdijn.
+Hem staen die rode granekijn
+So om sijn mulekijn ouer al: (fo. 111 ra.)
+Jc hope, hi na mi slachten sal.
+Hier es Roseel, een scone dief,
+Desen heb ic oec also lief,
+Als yement sine kindre doet.
+Doedi minen kindren goet
+Ende gan mi god dat ic ontga,
+Jc salt mi nemen harde na,
+Ofte ic salt v mit eren lonen.'
+Mit houeschen [220] worden ende mit sconen
+Nam Reynaert ande sine orlof
+Ende rumede sijns selfs hof.
+Hoe droue bleef vrouwe Ermeline
+Ende har arme clene kinderkine,
+Doe Reynaert sceide van Maperthuus,
+Ende hi hof ende huus
+Liet al onberaden staen.
+Nv hort wat Reynaert heft gedaen.
+Tierst dat hi quam ande heyde,
+Hi sprac te [221] Grimbert ende seide:
+'Grimbert, scouwet, suete neue,
+Van anxte suchtic ende beue.
+Jc ga in vresen vander doet.
+Myn berouwenisse is so groet
+Van sonden die ic hebbe gedaen,
+Lieue neue, ic wil gaen
+Te biechte hier te di:
+Hier nes ander pape bi.
+Heb ic mine biechte gedaen,
+Hoe so de zaken dan vergaen,
+Mine ziele sal te claerre wesen.'
+Grimbert antworde te desen:
+'Oem, wil wi te biechten gaen,
+So moeti verlouen saen
+Alle diefte ende allen roef,
+Ofte diet v niet en geloef.'
+'Dat wetic wel', sprac Reynaert:
+'Grimbert, [222] nv hort harwaert,
+(Siet ic come v toe ghenaden)
+Ende vandet mi beraden
+Van al gader mire mesdaet. (fo. 111 rb.)
+Nv hort, oem, ende verstaet:
+ Confiteor [223] pater et mater,
+Dat ic den otter enten cater
+Ende andren diren heb mesdaen,
+Des wil ic in boeten staen.'
+Grimbert sprac: 'oem, wat walschdi?
+Of gi iet wilt, dat segt mi
+Jn dietsche, dat ict mach verstaen.'
+'Lieue neue, ic heb mesdaen
+Jegen allen dieren die leuen.
+Bid gode dat hijt mi moet vergeuen.
+Jc dede minen oem, haren Brune,
+Al bloedich maken sine crune.
+Tiberde dedic muse vaen,
+Daer icken sere dede slaen
+Tes papen daer hi spranc int strec.
+Jc hebbe gedaen groet ongerec
+Cantecler  an sine kindre:
+Waren si mere waren si mindre,
+Dier maectic emmer los.
+Mit rechte claget hi ouer den vos.
+Die [224] coninc en is mi niet ontgaen:
+Jc [225] hebbe hem laster gedaen
+Ende mesprijs der coninginnen,
+Des si spade sal gewinnen
+Also vele eren van mi.
+Oec hebic, dat seg ic di,
+Jsegrim meer bedroghen
+Danic v soude seggen moghen.
+Jc hietene oem, dat was baraet,
+Ysegrime die mi niene bestaet.
+Jc maecten monic ter Elmaren
+Daer wi beide begeuen waren:
+Dat wart hem wel sere te pinen.
+Jc deden ande cloclinen [226]
+Binden beyde sine voete.
+Dat luden docht hem so soete
+Dat hijt emmer wilde leren:
+Dat verginc hem te luttel eren,
+Want hi lude so vtermaten, (fo. 111 va.)
+Dat alle die gingen bider straten,
+Entie waren binnen der Elmare
+Waenden dattie duuel ware [227]
+Ende liepen daer si luden hoerden.
+Eer hi doe in corten worden
+Gesprac: 'ic wil mi begeuen,'
+Hadden si hem na genomen tleuen.
+Sint dedic hem crune geuen.
+Hem gedenkets al sijn leuen:
+Dat wetic wel ouerwaer.
+Jc dede hem bernen af sijn haer,
+So dat hem de swaerde cramp.
+Sint dedic hem meeren scamp
+Optijs, daer icken dede visscen
+Dar hi niene conde ontwisschen,
+Hine ontfinc daer menigen slach.
+Sint leidicken op enen dach
+Totes [228] papen van Boloys.
+Jn al tlant van Vermendoys
+Sone woender gheen pape riker.
+Die selue pape hadde een spiker
+Daer menich vet baec in lach:
+Des had ic dicke goet beiach.
+Onder den spiker had ic een gat
+Verholenlike gemaket: indat
+So dedic Ysegrim in crupen.
+Hi vant daer runtvleysch in cupen
+Ende baken hangen harde [229] vele.
+Des vleysch liet hi in sijn kele
+So vele gliden vtermate:
+Dat [als] hi weder vten gate
+Waende keren [230] sonder noet,
+Was die lede buuc so groet
+Dat hi beclade [231] sijn gewin.
+Dat hongerich was comen in,
+En conste <hi> sat niet comen wt.
+Jc liep ende maecte groet geluut: [232]
+Jnt torp wart groet gerochte.
+Hort hoe ict dar toe brochte!
+Jc liep al dar die pape sat (fo. 111 vb.)
+Te sire tafel ende at.
+Die pape hadde een capoen,
+Een dat alre beste hoen
+Datmen inden lande vant.
+Et was gewennet toter hant.
+Dien prandic in minen mont,
+Recht vor die tafel daer hi stont,
+Al daer die pape toe sach.
+Doe riep die pape: 'vanc, slach!
+Help, wie sach dat wonder nie?
+Die vos comt, dar ic toe sie,
+Ende rouet mi in mijn huus.
+So helpe mi spiritus sanctus,
+So wie hem, dat hire quam!'
+Dat tafelmes [233] hi vor hem nam
+Ende sloech de tafel, dat si boech. [234]
+Daer na nam hise datse [235] vloech
+Jn middewaerde den vloer.
+Hi vloecte ende swoer
+Ende riep lude: 'sla, va!'
+Ende ic vor ende hi na.
+Sijn tafelmes [236] had hi op geheuen
+Ende brachte mi gedreuen
+Op Ysegrime, ende ic stont. [237]
+Ende hadde thoen in minen mont
+Dat groet was ende swaer,
+Daer om mostict laten daer,
+Wast mi leet wast mi lief.
+Doe riep di pape: 'ay, har dief,
+Ghi moet desen roef [238] hier laten!'
+Hi riep · ende ic liep mire straten,
+Daer ic wesen woude.
+Alse die pape op heffen soude
+Dat hoen, versach hi Ysegrime:
+Doe naecte hem ene sware pine.
+Hi warpene int houet mit enen messe.
+Den pape volgeden si sesse,
+Die alle mit grote stauen quamen,
+Ende alsi Ysegrime vernamen
+Doe maecten si groet geluut, (fo. 112 ra.)
+Entie gebure traken wt
+Ende maecten groet niemare
+Ende seiden, dat dar ware
+Jns papen spiker een wolf geuaen,
+Die hem seluen heft gedaen
+Biden buke in dat gat.
+Alle [239] die gone die horden dat
+Liepen dat wonder bescouwen.
+Aldar wart Ysegrim teblouwen, [240]
+So dat mit hem ginc vten spele:
+Want hi ontfinc harde vele
+Groter slaghe ende worpe.
+Dan quamen die kinder vanden dorpe
+Ende verbonden hem die ogen.
+Et stont hem so · hi most gedogen.
+Hoe sere sloegen sine ende staken.
+Daer sine vten gate traken
+Dogede hi vele ongeuals.
+Si bonden hem om sinen hals
+Enen steen ende [241] lieten gaen.
+Doe riepen si die honde saen
+Ende ghinghen bersen ende iaghen.
+Oec dienden si hem van [242] grote slaghen
+So lange, dat hi gelouich was.
+Doe viel hi neder in dat gras,
+Als of hi ware steendoet. [243]
+Doe was ghinder blijscap groet.
+Ghinder was grote niemare.
+Si leyden op ene bare
+Si droegene mit groten geluke
+Ouer stene ende ouer struke
+Buten den dorpe in een gracht.
+Daer bleef hi leggende al die nacht.
+Jnne weet hoe hi daen ontfoer.
+Sint verwaruic dat hi swoer
+Mine hulde een iaer omtrent.
+Dat dede hi op sulc couent,
+Dat icken hoenre maken sat.
+Doe leidicken tot eenre stat,
+Daer ic hem dede verstaen (fo. 112 rb.)
+Dat vij · hennen ende enen haen
+Jn een groet huus ander straten
+Op eene hanebalke [244] saten
+Recht ere valbruggen bi.
+Daer dedic Ysegrime mit mi
+Op dat huus climmen bouen.
+Jc seide, ic wilde hem wel louen,
+Wil hi crupen in die valdore,
+Dat hire soude vinden vore
+Van vetten hoenren sijn geuoech.
+Ter valdore ghinc hi ende loech
+Ende croep dar in een deel van vare
+Ende began hare ende dare
+Te tasten · ende als hi niet en vant,
+Sprac hi: 'et is bewant
+Te sorghen, inne vinde niet.'
+Jc sprac: 'oem, wats mi gesciet?
+Crupet een luttel bet in!
+Men moet wel pinen om gewin.
+Jc hebse wech die saten voren.'
+Dus liet hi hem verdoren
+Dat hi die hoenre te verre sochte.
+Jc sach dat icken honen mochte
+Ende hortene dat hi ouer voer.
+Dus viel hi neder op die vloer
+Ende gaf enen groten val,
+Dat si ontsprongen ouer al
+Die binnen den huse sliepen.
+Die biden vire lagen · riepen:
+Dat daer waer sine wisten wat
+Gheuallen dor dat hemelgat. [245]
+Si stonden op . ontstaken lecht.
+Doe sine sagen, wart hi echt
+Daer gewont toter doet.
+Jc hebbene bracht in menigher noet,
+Dan ic v geseggen mochte.
+Nochtan al dat ic dit gewrochte
+Jegen hem, sone vruchtic niet
+So sere, alse dat ic verriet
+Vrouwen Erswinen, sijn scone wijf, (fo. 112 va.)
+Dien hi lieuer heft dan sijn selues lijf.
+Har dedic (god moet mi vergeuen)
+Dat mi lieuer ware bleuen
+Te doene, dan et es gedaen.' [246]
+ Grimbert [247] sprac: 'oft gi wilt gaen
+Claerliken te biechten te mi
+Ende sijn van vwen sonden vri,
+So suldi spreken onbedect.
+Jnne weet warwart gi dit trect:
+'Jc hebbe iegen sijn wijf mesdaen.'
+Oem, des en canic niet verstaen,
+Warwaert gi dese tale keert.'
+Reynaert sprac: 'neue Grimbeert,
+Waer dat houeschede groet,
+Ofic hadde geseit al bloet:
+'Jc hebbe geslapen bi mire moyen?'
+Ghi sijt mijn maech: v souts vernoyen,
+Seidic v enige dorperheit.
+Grimbert, nv hebic v geseit
+Al des mi bedenket nv.
+Doet mi aflaet, des bidic v,
+Set mi dat v duncket goet.'
+Grimbert was listich ende vroet.
+Hi brac een rijs an die hage [248]
+Ende gaffer hem [249] mede XL slage
+Ouer alle sine mesdade.
+Dar na in gerechten rade
+Riet hi hem goet te wesen
+Ende sine salmekine te lesen
+Ende te vasten ende te viren
+Ende weder in den wech te stiren [250]
+Alle die hi buten wege saghe:
+Ende hi hem vort alle dage
+Redenlike soude gheneren.
+Hier na dede hi hem versueren
+Beyde rouen ende stelen.
+Nv moet hi sire zielen telen,
+Reynaert, bi Grimberts rade
+Ende gaen te houewaert op genaden.
+ Nv [251] es die bijchte gedaen.
+Die heren hebben den wech bestaen
+Tote des coninx houe waert.
+Nv was buten der rechter vart,
+Daer si te gaen hadden begonnen, [252]
+Een swaer couent van nonnen,
+Dar [253] menighe gans ende menich capoen,
+Menige hinne ende menich hoen
+Plaghen te weidene buten mure.
+Dit wiste de felle creature,
+Die ongetrouwe Reynaert,
+Ende seide: 'tot ghenen houewaert
+So leget onse rechte strate.'
+Mit aldustanighen barate
+Leide hi Grimbert biden mure
+Dar die hoenre bider scure
+Ghinghen weiden harentare.
+Der hoenre wart Reynaert geware.
+Die oghen ghinghen hem der ane.
+Buten den andren ghinc een hane,
+Die beide vet was ende ionc:
+Daer na dede Reynaert enen spronc
+So dat hem de plumen stouen.
+Grimbert sprac: 'gi dunket mi douen!
+Onsalich oem, wat wildi doen?
+Wildi weder om een hoen
+Jn al die grote misdaet slaen,
+Daer gi die biechte sijt af gegaen? [254]
+Dat mochtu wel sere rouwen.'
+Reynaert sprac: 'in goeden trouwen,
+Jc hads vergeten, lieue neue.
+Bid gode dat hijt mi vergeue!
+En gesciet mi nemmermeer!'
+Doe deden si enen wederkeer [255]
+Ouer ene smale brugge.
+Hoe dicke sach Reynaert ouer rugge
+Weder daer die hoenre ghingen!
+Hine conste hem seluen niet beduingen,
+Hi most sire zielen plegen.
+Hadmen hem thouet af geslegen,
+Et ware ten hoenre waert geulogen, (fo. 113 ra.)
+Mijn waen en hadde mi bedrogen.
+ Grimbert [256] sach dat gelaet
+Ende [...] seide Reynaert: 'gi doet quaet [257]
+Dat gi mijn herte dus verstort
+Ende mine bede testort. [258]
+Liet mi doch lesen een pater noster,
+Der hoenre zielen van den closter
+Ende der gansen te genaden,
+Die ic dicke hebbe uerraden.
+Die ic desen heiligen nonnen
+Mit mire list hebbe af gewonnen.
+Grimbert balsch, mar Reynaert
+Hadde emmer toge ten hoenren wart,
+Tes si quamen ter rechter straten
+Die si te voren hadden gelaten.
+Daer keerden si tes coninx houe waert.
+'Hoe sere beuic,' sprac Reynaert,
+Doe hi ten houe began naken,
+Daer hi sere waende mesraken.
+ Doe int hof was vernomen
+Datte houe was comen
+Reynaert mit Grimberde, den das,
+Jc wane dae niemen en was
+So arm no uan so cranken magen,
+Hine gereide op hem dat claghen:
+Dit was al iegen Reinaerde.
+Nochtan dede hi alse donuervaerde,
+So hoe so hem te moede was.
+'Neue Grimbert, de das,'
+Sprac Reynaert: 'leit ons die hofstrate.'
+Reynaert ginc in dien gelate
+Ende in also bouder gebare,
+Of hi des coninx sone ware
+Ende hi niet en hadde mesdaen.
+Boudelike ginc hi staen
+Vor Nobel, den coninc,
+Ende sprac: 'god, die alle dinc
+Gheboet · hi geue v, coninc here,
+Groet gelucke ende groet ere!
+Jc groetu, ende ic hebbe recht, (fo. 113 rb.)
+En hadde noyt coninc enen knecht
+So getrouwe iegen hem [259]
+Als ic v oyt was ende noch ben:
+Dat is dicke worden in scijn.
+Nochtan sulke die hier sijn
+Souden mi gherne, wanic, rouen
+Vre hulden, wildise gelouen.
+Neen gi niet: god moet v lonen!
+En temet niet der coninc cronen
+Dat si [260] den scalken ende den fellen
+Te lichte gelouen, dat si hem tellen.
+Nochtan wil ict gode clagen:
+Der es so uele in onsen daghen,
+Die honichscalkers, [261] die wroegen connen,
+Die nv der vroeder hant hebben gewonnen
+Ouer al inden riken houen,
+Dat si so uerre sijn comen bouen,
+Dat si den luden doen groten toren,
+Die gene scalcheit an is geboren.
+Dat wreke god an har leuen,
+Ende moete hem ewelike geuen
+Alsulke loen als si sijn waert!'
+Die coninc sprac: 'ay, ay, Reynaert,
+Ay, Reynaert, onreine quaet,
+Wat condi al scone gelaet!
+En sel v helpen niet een caf.
+Comet vwes smekens af.
+Jn werde bi smekens niet v vrient.
+Danc hebt gi · hebbes wel verdient
+Jn saken harde menichfoude.
+Ghi hebt oec wel gehouden
+Dien vrede, dien ic had gesworen.'
+'O wi, owi, wat heb ic al verloren,'
+Sprac Cantecleer, al dar hi stont.
+Die coninc sprak: 'des hout vwen mont,
+Har Cantecleer, ende laet mi sprecken. [262]
+Laet mi antworden sine treken.
+ Ay, ay, dief Reynaert,
+Dat gi mi lief hebt ende waert,
+Dat hebdi sonder vwe pine (fo. 113 va.)
+Minen boden gedaen in scine:
+Den here Tibert ende Brunen,
+Dien noch bloedich es sine crune.
+Jnne wil v niet langher melden,
+Reynaert, et sal vwe kele ontgelden
+Noch [263] huden opene wile.'
+'Nomine domine xpm file,' [264]
+
+
+
+Her coninc, wat bestaet mi dat,
+Of hi Lamfreits honich at,
+Ende hem die dorper laster dede?
+Noch heft Brune so grote lede,
+Was hi teblouwen [265] of versproken
+Ware hi vroet, hi had gewroken,
+Eer hi vlo int water.
+Bi dander side Tibert, den cater,
+Dien ic herbergede ende wel ontfinc,
+Of hi om stelen ginc
+Tes papen, sonder minen raet,
+Ende hem die pape dede quaet:
+Bigode, soudic des ontgelden,
+So mochtic mijn gelucke wel scelden.'
+'Hort,' sprac Reynaert: 'her coninc Lioen,
+Wien twiuelt des, gine moget doen
+Dat gi gebiet ouer mi?
+Hoe groet mine misdaet si,
+Ghi moget mi rouen ende scaden.
+Wildi mi sieden of braden
+Ofte hangen ofte binden,
+Jnne mach v niet ontwinden.
+Alle diren sijn in v bedwanc.
+Ghi sijt starc ende ic bin cranc,
+Mine helpe es clene · duwe es groet:
+Bigode, al sladi mite doet,
+Dat es ene cranke wrake.'
+Recht in deser seluer sprake
+Spranc op Bellijn, de ram,
+Ende een, die mit hem quam,
+Dat was dame Awi. [266]
+Bellijn sprac: 'gawi
+Alle vort mit onser clagen.' (fo. 113 vb.)
+Brune spranc op mit sinen magen,
+Ende Tibert, sine geselle,
+Ende haer Ysegrim, die felle,
+Foret adent, dat euerswijn,
+Entie rauen Tiselijn,
+Pancer, dat dier, otter Bruneel,
+Daer na die vischpute Peel,
+Blacart, die boc · Brisaert, de stier,
+Cuwart, die hase, dat blode dier,
+Dat eencorn die Ruceel,
+Dat watermael Mucereel,
+Die wesel, mijn vrouwe fine,
+Cantecleer entie kinder sine
+Maecten groet gevederslach,
+Dat foret, dat clene beiach,
+Liep al mede in dese scare.
+Ende si gingen al openbare
+Vor haren here, den Coninc, staen
+Ende daden Reynaert vaen.
+ Nv ginct ginder opeen pleidiren.
+Noch nie ne [267] sach man van diren
+Alse scone tale, als was hijr
+Tusschen Reynaert ende ander dijr.
+Orconden gingen die dat horden.
+Soudic die tale entie worden
+Van reden diemen hadde daer [268]
+Vort brengen, et ware mi te swaer.
+Daer om cortic v die wort.
+Die beste reden ginc dar vort,
+Die clage, die de dire onbonden,
+Quam vort mit sulker orconden,
+Alsi sculdich was te doene.
+Die coninc dreef sine baroene
+Te vonnesse van Reinaerts zaken.
+Doe wildense dat men soude maken
+Ene galge starc ende vast,
+Datmen Reynaert, den fellen gast,
+Op soude hangen bisire kele.
+Nv gaet mit Reynaerde vten spele.
+ Doe Reynaert dus ver[or] deelt was, [269] (fo. 114 ra.)
+Orlof nam Grimbert, de das,
+Mit Reinaerts naesten magen.
+Sine constent niet verdragen,
+No gedulden, no gedogen,
+Datmen Reynaert vor har oghen
+Soude hangen als een dief.
+Nochtan wast hem somen lief.
+Die coninc was harde vroet,
+Die doe mercte ende verstoet,
+Dat so menich iongelinc
+Mit Grimbert vten houe ginc,
+Die Reynaerde na [270] bestoet,
+Doe pensde hi in sinen moet:
+'Hier mach in lopen ander raet.
+Al es Reynaert selue quaet,
+Hi heft menigen goeden maech.'
+Doe sprac hi: 'wie sidi traech,
+Ysegrim ende here Bruun?
+Hier es menich muur ende menich tuun, [271]
+Comt hi · iij · voete vter noet,
+Sine liste die is so groet,
+Ende hi weet so menigen keer,
+Hine wert geuangen huden meer.
+Salmen hangen, twine doetment dan?
+Eer men nv gereiden can
+Ene galge, so est nacht.'
+Ysegrim was [272] wel bedacht
+Ende sprac: 'hier es ene galge bi.'
+Mittien [273] worde versucht hi.
+Doe sprac here Tibeert:
+'Ysegrim, v es verseert
+Vwe herte · inne wancons v niet,
+Bidien want hijt al beriet
+Ende selue mede ginc,
+Daermen v twee brueder hinc,
+Reynaerdijn ende Widelanken:
+Ets tijt, wildijt hem danken. [274]
+Ysegrim sprac: 'her Tibeert,
+Wat gi ons al gader leert!
+En gebrake ons niet een strop, (fo. 114 rb.)
+Lange wiste Reynaerts crop
+Wat hi achter mochte wegen.'
+Reynaert, die lange hadde geswegen,
+Sprac: 'gi heren, cort mine pine.
+Tibert heft ene vaste line
+Die hi beiagede om sine kele,
+Daer hi vernoys hadde vele,
+Jnt huus daer hi den pape beet, [275]
+Die vor hem stont al sonder cleet.'
+'Her Ysegrim,' seit hi: 'haest v voren.
+Ja sidi dar toe uercoren, [276]
+Ghi ende Brune, dat gi sult doden
+Reynaert, vwen neue, den roden.
+Doedi Tiberde oec mede gaen:
+Ghi hebt vele des teer gedaen.
+Tibert can climmen, hi mach die line
+Op dragen sonder vwe pine.
+Ghi drie gaet vore, maect gereet.
+Dat gi yet let, dat is mi leet!'
+Doe sprac Ysegrim te Brunen:
+'So mi de closterlike crunen
+Die bouen op minen hoefde staet,
+Jnne horde noyt so goeden raet
+Alse Reynaert geuet selue hijr.
+Hem langet om cloesterbijr: [277]
+Nv gawi voren ende brouwent hem!'
+Brune sprac: 'Tibert, neue, nem
+Dese line, du salt mede lopen.
+Reynaert, hi moet nv becopen
+Dijn [278] oge ende mijne scone lier.
+Gawi ende hangen so hoge hier,
+Dats lach hebben al sine vrient!'
+'Bi gode, hi heuets wel verdient,'
+Sprac Tibert ende prant die line:
+'Jnne dede nie so lieue pine.'
+Nv waren die · iij · heren ghereit,
+Die Reynaert hadden harde leit,
+Dat was de wolf ende here Tibeert
+Ende her Brune, die had geleert
+Honich te stelen te sire scaden. (fo. 114 va.)
+Ysegrim was so beraden,
+Eer hi vanden houe sciet,
+Hine wildes laten niet
+Hine vermaende nichten ende neuen
+Ende alle, die te houe bleuen,
+Beyde gebure ende gaste,
+Dat si Reinaerde hilden vaste.
+Vrouwen Erswinen, sinen wiue,
+Beualhi bi haren liue,
+Dat sistont bi Reinaerde
+Ende sine name biden baerde,
+Ende si van hem niene scede [279]
+
+No dur nijt no dur noet
+No dur vrese vander doet.
+ Reynaert antworde in corten worden,
+Dat alle die dar stonden horden:
+'Her Ysegrim, halue [280] genade!
+Al waer v lief v scade!
+Al brengdi mi in vernoye:
+Jc weet wel, soude mijn moye
+Te rechte denken ouder daet, [281]
+Sine dade mi nemmer quaet.
+Mar gi Ysegrim, suete oem,
+Ghi nemet ws neuen cranken goem,
+Ende her Brune ende her Tibeert,
+Dat gi mi hebt dus onweert:
+Ghi drie hebt gemaket al,
+Datmen mi ontliuen sal.
+Dar toe hebdi gemaket
+Dat so wie so mi genaket.
+Scelt mi dief ende hebt mi leet.
+Daer omme moeti, god weet,
+Gemort werden alle [282] drie,
+Ghine haest also dat gescie
+Al dat gi begeert te doene!
+Mi is dat herte noch so coene:
+Enne dar wel steruen enewaerf.
+En wert mijn vader, doe hi starf,
+Van allen sinen sorgen vri? [283]
+
+
+
+Mittien worde porreden si (fo. 114 vb.)
+Ende liepen [284] springende ende waren blide
+Ende pijnden hem te stride
+Te springen ouer enen tune,
+Ysegrim ende here Brune.
+Tibert volgede hem naer:
+Hem was de voet een luttel swaer
+Vander linen, die hi droech.
+Nochtan was hi rasch genoech:
+Dat dede hem de goede wille. [285]
+Reynaert stont ende sweech al stille
+Ende sach sine viande lopen,
+Die hem den strop waenden knopen.
+'Mar et sal bliuen,' sprac Reynaert,
+Die staet ende scouwet derwaert,
+Dat si springen ende lopen ende keren,
+Ende pensde: 'deus, welke ioncheren!
+Nu laetse springen ende lopen.
+Leuic, si sullen noch becopen
+Har ouerdaet ende har scampien,
+Mine gebreke reynaerdien.
+Nochtan so sijnsi mi
+Lieuer verre dan bi,
+Die gone die ic meest ontsach.
+Nv wilic proeuen of ic mach
+Te houe bringen een baraet,
+Dat ic vor de dageraet
+Jn groten sorgen vant te nacht.
+Heft mine list sulke cracht
+Als ic wane dat si doet:
+Al is hi listich ende vroet,
+Die coninc, ic wanen noch verdwasen.'
+Die coninc hiet den horen blasen
+Ende hiet Reynaert wtwaert [286] leiden.
+Reynaert sprac: 'laet yerst gereiden
+Die galge, dar ic an hangen sal,
+Ende daer binnen sal ic al [287]
+Den volke mine bijchte conden.
+Jn verlatenisse mire sonden
+Jst beter dattet volc verstaet
+Mine bijchte ende mine ouerdaet, (fo. 115 ra.)
+Dan si enen onsculdighen man
+Mine ouerdaet tegen an.'
+ Doe sprac die coninc: 'sege dan.'
+Reynaert stont als een serich man
+Ende sach omme harentare.
+Dar na sprac hi openbare:
+'Nv es in des coninx huus
+Niemen, semmi sinte dominus,
+No vrient no viant, inne ben
+Een deel mesdadich iegen hem.
+Nochtan hort alle, gi heren:
+Laet v wisen ende leren,
+Hoe ic Reynaert, de [288] arminc,
+Tiersten andie loesheit vinc.
+Jn allen tiden spade ende vroe
+Was ic een houesch kijnt noch toe. [289]
+Datmen mi spaende vander mammen,
+Doe ginc ic spelen mitten lammen
+Dur tehorne dat gebleet,
+So lange dat icker een verbeet.
+Tierst lapedic dat bloet:
+Et smaecte so wel, et was so goet,
+Dat ic dat vleisch ontgan.
+Daer leerdic leckernie an,
+So uele dat ic liep tengeten
+Jnt wout, dar icse horde bleten.
+Daer verbetic hoekine twee.
+So ic des dede mee,
+So ic wart bouder [290] ende coenre.
+Jc verbeet ganse ende hoenre
+Ende vincse dar icse vant.
+Doe bloedich wart mijn tant,
+Wart ic so fel ende so wreet
+Dat ict al suuer op verbeet
+Al dat ic vant [ende] mi dochte,
+Dat mi bequam ende ic vermochte.
+Daer na quam ic an Ysegrime
+Te winter, an enen couden rime,
+BiBelsele onder enen boem.
+Jc rekende dat hi waer mijn oem (fo. 115 rb.)
+Ende began een zibbe te tellen.
+Aldar worde wi gesellen:
+Dat mach mi te rechte rouwen.
+Dar [291] belouede wi mit trouwen
+Rechte geselscap malc andren,
+Ende begonsten te samen wandren:
+Hi stal dat grote ic stal dat clene.
+Ende oec niet so gemene.
+Jnne was in hogen ende vro,
+Mochtic mijn deel hebben half.
+Als Ysegrim beiagede · j · calf [292]
+Oft enen weder oft enen ram,
+So grimmede hi ende maecte [293] hem gram
+Ende tonede mi een gelaet,
+Dat so suer was ende so quaet,
+Dat hire mi mede van hem verdreef
+Ende hem allene mijn deel bleef,
+Nochtan en at ic en twint van dien.
+So menich waerf heb ic gesien,
+Als wi ene goede proye lageden,
+Ende ic ende mijn oem beiageden
+Enen osse of enen bake,
+So ginc hi sitten mit gemake
+Mit sire vrouwen Erswinen
+Ende mit sinen iongen kinden:
+So mochtic dan cume hebben
+Ene vanden minsten rebben,
+Die sine kindren had beknaget.
+Dus nauwe hebic mi beiaget.
+Nochtan was mi luttel des noet:
+Mar dat mijn sin so groet
+Die lieue droech te minen oem,
+Die mijns nu nemet [294] cranken goem,
+Jc hadde wel gewonnen tetene.
+Coninc, dat doe ic v te wetene:
+ Jc hebbe noch in mijn gewout,
+Beyde siluer ende gout,
+So vele dat cume een wagen
+Te · vij · waeruen souden dragen,'
+Alse die coninc dat verhorde, (fo. 115 va.)
+Gaf hi Reynaerde selue antworde:
+'Reynaert, wane quam v dese scat?'
+'Coninc, wannen? [295] ic seg v dat.
+Wildijt weten als ic weet,
+No dur lief no dur leet
+Sone salt bliuen nv uerholen.
+Coninc, dese scat was verstolen . [296]
+En ware hi verstolen niet,
+Dar ware mort bi gesciet
+Des mogedi mi wel getrouwen,
+An v lijf · in rechten trouwen;
+Die coninginne wart vervaert
+Ende sprac: 'o wi, Reynaert!
+Owi, Reynaert, owi, owi!
+Owi, Reynaert, wat segdi?
+Owi, lieue Reynaert,
+Jc mane [297] v bider seluer vaert,
+Die v ziele varen sal,
+Dat gi di wareit segget al
+Ende openbare bringet vort,
+Of gi weet enige mort
+Of enigen mordadeliken raet,
+Die iegen minen here gaet.
+Dat laet hier openbare horen!'
+Nv hort hoe Reynaert sal verdoren
+Den coninc entie coninginne,
+Hoe [298] hi verweruen sal mit sinne
+Des coninx vrientscap ende sine hulde,
+Ende hoe hi buten hare sculde
+Brunen ende Ysegrime beyde
+Op een wel grote ongereyde [299]
+Ende in vresen ende in ongeual
+Jegen den coninc brengen sal,
+Die hier waren so fier,
+Dat si waenden een bier
+Te sinen laster hebben gebrouwen:
+Jc wane wel in rechten trouwen,
+Dat hi sal weder mede blanden,
+Dat si drinken sullen mit scanden.
+ Jn een gelaet van droeuen sinne (fo. 115 vb.)
+Sprac Reynaert: 'edel coninginne,
+Al haddi mi niet gemaent,
+Ic ben een die steruen waent:
+Jn laet niet leggen op mijn ziele,
+Storuic, malichte mi geuiele,
+In de helle dar om te sine
+Jn groet torment ende pine.
+Jn dien dattie coninc milde
+Een gestille maken wilde,
+Jc soude hem tellen wel mit staden
+Hoe iamerlike hi was verraden
+Te morden van sinen lieden.
+Nochtan diet alre meest berieden
+Sijn some van mijn liefsten magen
+Die ic wel node soude bedragen,
+Ne dar die sorge vander hellen,
+Dar men seit dat si in quellen
+Die steruen ende weten mort,
+Sine bringense selue vort.'
+Den coninc wart dat herte swaer
+Ende sprac: 'Reynaert, seistu mi waer?'
+'Wat?' sprac Reynaert: 'here, vragedi des?
+En weti wel hoet mit mi es?
+Ne bewant, edel coninc!
+Al ben ic een arminc,
+Hoe mogedi sulke wort getemen?
+Waendi dat ic wil nemen
+Een logen op [mijne] lange vaert?
+Neen ick en trouwen,' sprac Reynaert. [300]
+
+
+
+Nv vernemet alle gader
+Hoe Reynaert sinen eerdschen vader
+Mit verradenisse sal bedragen [301]
+Ende een van sinen liefsten magen:
+Dat was Grimbert, die das,
+Die hem hout van herten was.
+Dit dede Reynaert omme dat,
+Dat hi wilde datmen te bat
+Sine worde gelouen soude
+Van sinen vianden, [302] of hi hem woude
+Die verradenisse tien an. (fo. 116 ra.)
+Nv hort hoe Reynaert began.
+Reynaert sprac: 'wilen tenen stonden
+Hadde mijn here mijn vader vonden
+Des coninx Hermerikes scat
+Jn een verholenlike stat.
+Doe [303] mijn vader hadde vonden
+Den scat, hi wart in corten stonden
+So ouerdadich ende so fier,
+Hi onwerde alle dier
+Die sine genote te uoren waren.
+Hi dede Tibert, den cater, varen
+Jn Ardeuene, in dat wilde [304] lant,
+Aldar hi Brunen, den bere, vant.
+Hi onboet Brune grote houde:
+Ende hi in Vlaendren comen soude,
+Of hi coninc wilde wesen.
+Brune wart harde blide van desen:
+Hi hads menigen dach begaert.
+Brune maecte hem te Vlaendren waert
+Ende quam inwaerts [305] int suete lant,
+Aldar hi minen vader vant.
+Mijn uader onboet Tibert, den wisen,
+Ende har Ysegrim, den grisen.
+(Tibert, die cater, was die wijste)
+Ende quamen bienen dorpe hiet Ijste.
+Tusschen Ijste ende Ghent
+So hilden si een paerlement
+An een beloken nacht.
+Doe quamen si bi sduuels cracht
+Ende bi sduuels gewelt,
+Dar swoeren si an dat woeste velt
+Alle viue des coninx doet.
+Nv hort alle wonder groet!
+Si swoeren op Ysegrims crune
+Alle uiue, dat si Brune
+Souden bringen [306] op den stoel tAken
+Ende souden geweldich coninc maken.
+War yeman vans coninx magen.
+Die dat niet ne wilde uerdragen,
+Jegen hem stunen mijn vader soude (fo. 116 rb.)
+Mit sinen siluer ende mit sinen goude,
+So den gonen setten achter.
+Dat hi soude hebben lachter.
+Dit wistic ende seg v hoe.
+Ens morgens wel vroe
+Gheuiel dat mijn neue, die das,
+Van wine een deel in hogen was,
+Ende hijt in rade minen
+Wiue · vrouwen Ermelinen,
+Al van punte te punte seide,
+Dar si liepen andie heyde.
+Mijn wijf es een vroede vrouwe,
+Si gaf Grimberde hare trouwe
+Dattet verholen bliuen soude.
+Ten yersten dat si quam te woude,
+Dar ic was ende si mi vant,
+Si vertellet mi te hant,
+Mar et was al stillikine.
+Oec seide si mi puntekine,
+Die ic kende so waer,
+Dat mi al mijn haer
+Opwaert stont mit groten vare.
+Mijn herte wart mi openbare
+Alse cout als een ijs.
+Jc gepijnde, hoe dane wijs
+Die puden wilen waren vri,
+Ende hoe si clageden dat si
+Te uele waren sonder bedwanc,
+Ende hoe si makeden een bedranc [307]
+Ende groet gecrai op gode,
+Dat hi hem gaue bi sinen gebode
+Enen coninc diese dwonge:
+Des baden out ende ionge
+Mit groten gecarme ende gelude.
+God gehorde de pude
+Tenen tide uanden iare
+Ende sende hem den Odeuare,
+Diese verbeet ende verslant
+Jn allen tiden dar hise vant,
+Beyde int water ende opt velt, (fo. 116 va.)
+Dat hise vant in sire gewelt,
+Hidede hem emmer ongenade.
+Doe clageden si, et waer te spade.
+Et was te spade, ic segget u [308] twi:
+Die te uoren waren vri
+Sullen sonder wederkeer
+Bliuen eigen emmermeer
+Ende leuen in eweliken vare
+Onder den coninc Odeuare.
+ Ghi heren, arm ende rike,
+Jc vruchte dat dit is gelike
+Dat nv soude geuallen.
+Des droegic vor v allen,
+Ghi heren, de sorge vor v:
+Dat gi mi luttel danket nv.
+Jc kende Brunen scalc ende quaet
+Ende fier van groter ouerdaet.
+Daer om vruchtic sere
+Ende pensde, wart hi onse here,
+Dat wiwaren alle verloren.
+Jc kende den coninc wel geboren
+Ende suete ende goedertieren
+Ende genadich allen diren,
+Ende et duchte mi van allen dinge
+Een quade mangelinge,
+Die ons altoes ne mochte comen
+Niwer teren noch te vromen.
+Hier om pensde ende pogede
+Mijn herte, die sorge grote dogede,
+Eer si vant een sake,
+Dar so bi scorde ende brake
+Mines vader bose raet,
+Die een dorper ende een quaet
+Coninc ende here maken waende.
+Emmer bad ic god ende maende
+Dat hiden coninc minen here
+Behilde sine werltere. [309]
+
+
+
+
+Si souden wel des raets getelen [310]
+Onder hem ende sine gespelen
+Dattie coninc worde gestoten. (fo. 116 vb.)
+Jn diepen gepense ende in groten
+Was ic dicke hoe ic die stat
+Soude vinden, dar die scat
+Lage, die mijn vader had vonden.
+Jc wachte nauwe tallen stonden
+Minen vader ende leide hem lagen
+Jn menigen bosch ende in hagen,
+Beide in velde ende in woude,
+Waer so mijn vader, die listinge oude,
+Hene toech ende hene liep.
+Wast droge, wast diep,
+Wast bi dage, wast bi nachte,
+Jc was emmer in die wachte.
+Tenen stonden dat ic mi dar na
+Hadde bedect mit groenen verna,
+Ende ic gestrect lach neuen deerde,
+Van dien scatte, dien ic begeerde,
+Gherne iet hadde vernomen,
+Doe sach ic minen vader comen
+Wt enen hole gelopen.
+Doe began ic den scat te [311] hopen
+Biden barate die ic hem sach
+Driuen, als ic v seggen mach,
+Recht also als ict vernam.
+Als hi vten hole quam
+Al omme siende mercte hi
+Of hem yement ware bi.
+Ende als hi niement en sach,
+Doe quedde hi den sconen dach
+Ende stopte [312] thol mit sande
+Ende maectet [313] gelijc den lande.
+Dat ic dit sach, dat en wist hi niet.
+Oec sachic, eer hi dane sciet,
+Dat hi den start liet mede gaen,
+Dar sine voete hadden gestaen,
+Ende decte sijn spore mitter mouden.
+Dar leerdic an den vroeden ouden
+Een deel der meisterliker liste,
+Daric te voren niet af en wiste.
+Aldus liep mijn vader danen (fo. 117 ra.)
+Ten dorpe waert, dar die vette hanen
+Entie vette hinnen waren.
+Tierst dat ic durste baren,
+Spranc [ic] op ende liep ten hole.
+Oec ne was ic so niet in dole
+Jnne geraecter toe te hant.
+Scire scrauedic op dat sant
+Mit minen voeten ende croep in.
+Aldar vant [314] ic groet gewin.
+Dar vandic siluer ende gout:
+Hier nes nv niemen so out,
+Dies nie so uele tegader sach. [315]
+
+
+
+Jn ginc trecken ende dragen
+Sonder carre ende sonder wagen
+Ouer dach ende ouer nacht,
+Mit al gader mire cracht.
+Mi halp mijn vrouwe Ermeline.
+Doe dogede wi dicke grote pine,
+Eer wi den manliken scat
+Brachten in een ander stat,
+Dar hi [bet] lach tonsen gelage.
+Wi droegen onder enen hage
+Jn een hol verholenlike.
+Doe was ic van scatte rike.
+Nv hoert wat si hijr binne daden
+Die [den] coninc hadden verraden.
+Bruun, die here, hi sende wt
+Verholenlike sijn saluut
+Achter lande ende geboet
+Al den gonen rikeit groet,
+Die dienen wilde om sout.
+Hi geboet hem siluer ende gout
+Te geuen mit milder hant. [316]
+Mijn vader liep in al dat lant
+Ende droech des heren Brune brieue.
+Hoe luttel wisti dattie dieue
+Te sinen scatte waren geraect,
+Dies hem quite hadden gemaect.
+Dat hijs · iij · hellinge ne had gewonnen,
+Al had hire mede de stat [317] van Lonnen (fo. 117 rb.)
+Alte male mogen [318] copen.
+Dus wan hi an sijn omme lopen.
+Doe mijn vader al omme ende omme
+Tusschen die Elue entie Ronne
+Hadde gelopen al dat lant,
+Ende hi menigen sariant
+Had gewonnen mit sinen goude,
+Die hem te hulpen comen soude,
+Alse die somer quame int lant,
+Doe keerde mijn vader dar hi vant
+Brunen entie gesellen sine.
+Doe telde hi hem die grote pine
+Entie menichfoude sorge,
+Di hi vor die hoge borge
+Jnt lant van Sassen had geleden,
+Dar die iagers an reden
+Alle dage mit haren honden,
+Diene verraden te menigen stonden.
+Dat telde hi hem te spele al gader.
+Dar na togede hem mijn vader
+Die Brunen, den bere, wel bequamen:
+Dat xij c al bi namen,
+Dar Ysegrims mage an stonden,
+Mit scarpen clawen mit widen monden,
+Al sonder die catzen entie beren,
+Die al in Brunes soute waren,
+Entie vosse mitten dassen
+Van Doringen ende van Sassen,
+Die alle hadden gesworen,
+Jn dien datmen hem gaue te voren
+Van · XX · dagen har sout,
+Die souden Brunen mit gewout
+Comen mittien yersten bode.
+Dit benam ic, danc gode!
+Doe mijn vader had gedaen
+Sine boetscap, soude hi gaen
+Ende scouwen sinen scat.
+Ende als hi quam te seluer stat
+Dar hine had gelaten te voren,
+Doe was die scat al verloren (fo. 117 va.)
+Ende sijn hol was tebroken. [319]
+Wat holpe hijr af vele gesproken?
+Doe mijn vader dat vernam,
+Wart hi droeuich ende gram,
+Dat hi van torne hem seluen hinc.
+Dus bleef al achter Brunen dinc
+Mit mire behendicheden al.
+Nv hort hier mijn ongeual:
+Ysegrim ende her Brune, [320] die vraet,
+Hebben nv den nausten raet
+Mitten coninc openbare,
+Ende arm man Reynaerde stat et sware!
+ Die coninc entie coninginne,
+Die beide hoepten ten gewinne,
+Si leiden Reynaert buten te rade
+Ende baden hem dat hi wael dade
+Ende hi hem wijste sinen scat.
+Alse Reynaert horde dat,
+Sprac hi: 'soudic wisen mijn goet
+Den gonen die mi anxt doet,
+So waric buten minen sinne.'
+'Neen, Reynaert,' sprac [321] die coninginne:
+'Mijn here sal v laten leuen,
+Ende sal v vriendeliken vergeuen
+Al gader sinen euelen moet,
+Ende gi sult vorwaert meer sijn vroet
+Ende wesen goet ende getrouwe.'
+Reynaert sprac: 'dit doe ic, vrouwe,
+Jn dien dat mi die coninc nv
+Vaste geloue hier vor v,
+Dat hi mi gheue sine hulde
+Ende hi al mine sculde
+Wil vergeuen, ende om dat
+So wil ic wisen minen scat
+Den coninc, al dar hi leget.'
+Die coninc sprac: 'ic waer al ontweget,
+Wildic Reynaerde wel gelouen.
+So suete es hem stelen ende rouen
+Ende [liegen] geboren int been.' (fo. 117 vb.)
+Die coninginne sprac: 'neen,
+Ghi moget Reynaerde gelouen wel:
+Al was hi hier te uoren fel,
+Hi nes niet dat hi was.
+Ghi hebt gehort hoe hi den das
+Ende sinen vader heft bedragen
+Mit morde ende mit magen,
+Ende mocht hebben bedragen ander liede,
+Wil hi wesen meer van quaden diede.'
+Doe sprac die coninc: 'lieue vrouwe,
+Es hi fel ofte ongetrouwe,
+Sint dat ghijt mi dorret raden,
+Al waendic dat mi soude scaden,
+So wil ic laten op een couent
+Dese worde ende dit genent
+Op Reinaers trouwen laten staen.
+Mar ic seg v sonder waen:
+Doet hi meer archede,
+Alle die hem ten tienden lede
+Sijn belanc sullent becopen.'
+Reynaert sach den coninc belopen
+Ende wart blide in sinen moet
+Ende sprac: 'here, ic ware onvroet,
+Ne louedict niet wel also.'
+Doe nam die coninc ene stro
+Ende uergaf Reynaerde al gader
+Den wanconst uan sinen uader
+Ende sines selues mesdaet altoe.
+Al was Reynaert blide doe,
+Dat ne dunket mi gheen wonder [322] wesen:
+Jane was hi vander doet genesen?
+ Doe Reynaert quijt was gelaten
+Doe was hi blide vtermaten,
+Ende sprac: 'coninc, edel here,
+God moet v lonen al der ere,
+Die gi mi doet ende mijn vrouwe,
+Die houesch is ende getrouwe.
+Jc merke wel dat gi mi doet
+So groet ere ende so groet goet,
+Dat nieman es onder die sonne,
+Dien ict also wale onne, (fo. 118 ra.)
+Als ic v doe ende mire vrouwen,
+Entes scattes, bi mire trouwen.'
+Reynaert nam een stro vor hem
+Ende sprac: 'here coninc, nem!
+Hier geuic v op dien scat,
+Dien wilen Ermeric besat.'
+Die coninc ontfinc dat stro
+Ende dankes Reynaerde also
+Ende [323] alse quansijs: 'dese mach mi doen ere.'
+Reynaerts herte loech so sere,
+Datment wel anhem vernam,
+Doe hem die coninc gehorsam
+Algader was te sinen wille.
+Reynaert sprac: 'here, swiget stille.
+Merket waer mijn reden gaet.
+Jnt hoghestende van Vlaendren staet
+Een berchstaet [324] ende hiet Hulsterloe.
+Coninc, gi moget wel wesen vroe,
+Mogedi onthouden dit:
+Een trompboem, [325] hiet Criecpit,
+Staet int suutwest niet verre danen.
+Here coninc, gine droeuet niet wanen
+Dat ic der waerheden misse:
+Dats een der meester wildernisse,
+Datmen weet in enich rike.
+Jc seg v gewaerlike
+Dat som wile lijt eenhalf iaer,
+Dat toten bome ne comet daer
+No weder man no wijf
+No creature die heuet lijf,
+Sonder die vle entie scuufwt,
+Die dar nestelen indat cruut
+Of enich ander vogelijn,
+De elwaer gherne wilt sijn
+Ende daer biauenture lidet:
+Coninc, dar leit mijn scat gehidet.
+Coninc, die stede hiet Criekeputte:
+Verstaet dit wel et is v nutte:
+En weet nieman so getrouwe.
+Ghi sult dar gaen gi ende v vrouwe. (fo. 118 rb.)
+Niemen laet sijn v bode
+No bi gebede no bi gebode:
+Mar gaet dar selue, ende alse gi
+Ten seluen putte comet bi,
+Ghi sult vinden ionge berken.
+Here coninc, dat suldi merken:
+Die alre naest den putte staet,
+Coninc, tot dien berge gaet.
+Dar leit die scat onder begrauen.
+Dar suldi deluen ende scrauen
+Een luttel mos in dene side.
+Dar suldi vinden menich gesmide
+Van goude rikelic ende scone.
+Ghi sult oec vinden mer [326] die crone,
+Die Ermeric, die keyser, droech,
+Ende ander sierheden genoech:
+Edel stene, guldijn werc.
+Men cochter niet om · m · marc.
+Ay coninc, als gi hebt dat goet,
+Hoe dicke suldi in vwen moet
+Gepensen: 'Reynaert, [327] getrouwe vos.
+Die hier groeues in dit mos
+Desen scat bi dire list,
+God geue di goet al war du bist!'
+Doe antworde die coninc saen:
+'Reynaert, sal ic die vaert bestaen,
+Ghi moet sijn an onse vart, [328]
+Ende gi moet ons, Reynaert,
+Helpen vwen scat ontdeluen,
+Jnne wane niet bi mi seluen
+Aldar nemmermeer geraken.
+Jc heb gehort genoemen [329] Aken
+Ende Parijs: ist dar niet na?
+Ende ist also als ict versta,
+So smeecti, Reynaert, ende roemet,
+Criekeput dien gi dar noemet,
+Wanic, is een geuenst naem.'
+Dese tale was Reynaerde ombequaem,
+Ende verbalch ende sprac: 'ia, ia,
+Ghi siter, coninc, also na, (fo. 118 va.)
+Alse van Coelne tote mere.
+Waendi dat ic v die lere
+Wil wisen indie Jordane?
+Jc sal v togen, als ic wane,
+Orconde genoech al openbare.'
+Hi riep lude: 'Cuwart, gaet hare,
+Comt voerden coninc, Cuwart!'
+Die dire sagen darwart
+Ende wonderden alle wat dar ware.
+Cuwart ghinc beuende [330] ende in vare,
+Hem wonderde wat die coninc woude.
+Reynaert sprac: 'wat, Cuwart, hebdi coude?
+Ghi beuet, sijt blide sonder vaer,
+Segt minen here, den coninc, waer!
+Des manic v bider trouwen
+Die gi ver Genten, [331] mire vrouwen,
+Ende hem seluen sculdich [332] sijt.'
+Doe sprac Cuwart: 'vermaledijt
+So moetic werden, al wistic wel
+Dat mi costen soude mijn vel,
+Oft ic liege enich wort
+Al waert van enige mort,
+Want gi mi manet bider trouwen
+Die ic mire lieuer vrouwen
+Enten coninc sculdich ben.'
+Doe sprac Reynaert: 'so sech hem,
+Weetstu waer Criecput steet?'
+Cuwart sprac: 'of ic dat weet.
+Ja ic, hoe soude dat wesen so?
+Ne statet niet bi Hulsterloe [333]
+Optie moer, in die woestine?
+Jc hebbe gedoget so menige pine
+So menigen honger ende so menige coude
+Ende armoede menichfoude
+Op Criekeput so menigen dach,
+Dat ics vergeten niene mach.
+Hoe mochtic vergeten dies,
+Aldar Symon, die Sies,
+Sine valsche penninge sloech,
+Dar hihem scone mede bedroech
+Ende die gesellen sine.
+Dat was eer ic mit Rijne [334]
+Mine [335] geselscap maecte vast,
+Die mi gequijt heft menigen past.'
+'O wi,' sprac Reynaert: 'suete Rijn,
+Lieue gespele, suete hondelijn,
+Vergaue god, wardi nv hier!
+Ghi sout orconden vor dit dier
+Mit sconen worden, waers [336] te doene.
+Dat ic noyt ne was so coene,
+Dat ic enige sake dede,
+Dar ic den coninc mochte mede
+Te mi waert [337] belgen doen mit rechte.
+Gaet weder onder gone knechte,'
+Sprac Reynaert: 'haestelike, Cuwart!
+Mijn here, de [338] coninc, en heft tuwart
+Ne geen dinc te spreken meer.'
+Cuart dede enen wederkeer
+Ende ginc van sconinx rade dar.
+Reynaert sprac: 'coninc here, ist waer
+Dat ic seide?' 'Reynaert, iaet. [339]
+Vergeuet mi, ic seide quaet,
+Dat ic v mestroude iet.
+Reynaert, goede vrient, nv siet
+Ende doet, dat gi mit ons gaet
+Ten putte, dar die berke [340] staet,
+Dar die scat leit begrauen onder.'
+Reynaert sprac: 'here, gi segt wonder.
+Waendi inne wars alte vro,
+Coninc, oftu stonde so
+Dat ic mit v wandren mochte
+Also alst ons beiden dochte,
+Ende ghijs waert, here, sonder sonde?
+Nv ist als ic v orconde,
+Ende ic v segge, al ist scame:
+Doe Ysegrim (in sduuels name)
+Jn die ordine ginc te voren
+Ende hi te monke wart bescoren,
+Done conste hem die prouende niet genuegen,
+Dar hem ses monke mede bedroegen (fo. 119 ra.)
+Hine clagede van honger ende carmde
+So sere, dats mi ontfarmde.
+Doe hi crancte ende wart traech,
+Doe droech ic rouwe als . i . sijn maech,
+Ende gaf hem raet dat hi ouer ran,
+Dar om ben ic ins pawes ban.
+Morgen, als die sonne op gaet,
+Wil ic te Romen om aflaet.
+Van Romen wilic ouer zee.
+Sone keric dan nemmermee,
+Eer ic so uele hebbe mesdaen [341]
+Coninc, dat ic mit v mach gaen
+Tuwen eren ende tuwen vrome, [342]
+Of ic weder te lande come.
+Et ware een onscone dinc,
+Soudi, here coninc,
+Maken vwen wanderinge
+Mit enen verwatenen ballinge,
+Als ic nv bin, god betere mi!'
+Die coninc sprac: 'Reynaert, sidi
+Jet lange verbannen?' doe sprac Reynaert:
+'Ja et is · iij · iaer, dat ic wart
+Jn vollen seende gedaen te banne
+Vorden deken Harmanne.
+ Die coninc sprac: 'sint dat gi sijt
+Te banne, men sals mi doen verwijt,
+Reynaert, liet ic v mit mi wandren.
+Jc sal Cuaerde oft enen andren
+Toten scatte doen gaen mit mi,
+Ende oec radic v, Reynaert, dat gi
+Niet ne latet gine varet,
+Dar gi v vanden banne claret.
+'So doe ic, here,' sprac Reynaert,
+'Jc ga morgen te Rome waert,
+Gatet na den wille mijn.'
+Die coninc sprac: 'gi dunket mi sijn
+Beuaen in harde grote dingen.
+God onne v dat gijt moget volbringen,
+Reynaert, als v ende mi
+Ende ons allen nutte si!' [343]
+ Doe [344] dese tale was gedaen, (fo. 119 rb.)
+Doe ginc Nobel, die coninc, staen
+Op enen sitten hoge van steene,
+Dar hi op plach te staen allene,
+Als hisat ten gedinge.
+Die dire saten tenen ringe
+Al omme ende omme op dat gras,
+Nadien dat elc geboren was.
+Reynaert stont bider coninginnen.
+Nv hort hoe hier sal beginnen
+Die coninc spreken coninclike:
+'Mine dire, arm ende rike,
+Beyde luttel ende groet,
+Mine baroene, mine genoet!
+Reynaert die es hier comen te houe
+Ende wil hem, des ic gode loue,
+Betren uan allen euelen sinne.
+Ende mijn wijf, die coninginne,
+Heuet gebeden so uele vor hem,
+Dat ic sijn vrient worden bem, [345]
+Ende hi versoenet es iegen mi,
+Ende ic hem vergeue vri
+Beide vor lieue ende vor lede.
+Reynaerde gebiedic vollen vrede,
+Anderwarue gebiedic hem [346] vrede,
+So doe ic derdewarve mede, [347]
+Ende gebiedu allen bi vwen liue
+Dat gi Reynaerde ende sinen wiue
+Ende sinen kindren ere doet,
+War so si comen in v gemoet,
+Jst bi nachte, ist bi dage.
+Jnne wil meer engene clage
+Van Reynaerts dinge horen.
+Al was hi rokeloes te voren,
+Hi wilt betren, hi secht v hoe:
+Reynaert wil morgen vroe
+Palster ende scorpe ontfaen
+En wil tote Romen gaen.
+Van Romen wil hi ouer zee.
+Danen wil hi nemmermee,
+Eer hi heeft vol aflaet (fo. 119 va.)
+Van alre sonderliker daet.'
+ Dese tale heft Necelijn vernomen
+Ende vloech tes hi es comen
+Dar hi vant die drie gesellen.
+Nv hort wat hi hem sal vertellen.
+Hi sprac: 'keitiue, wat doedi hijr?
+Reynaert es meister ende bottelier
+Jnt hof mogende vtermaten.
+Die coninc heften quijt gelaten
+Van alle sine grote mesdaden,
+Ende gi sijt alle · iji · verraden.'
+Ysegrim began te antworden
+Te Neceline, ende alsi dat horden:
+'Jc wane gi lieget, her rauen.'
+Ende mittien worde ging hi scauen [348]
+Ende Brune volgede mede.
+Si gingen recken har lede
+Ende liepen ten coninc waert.
+Tibert wart so sere uervaert,
+Dat hi bleef sittende op die galge.
+Hi wart van sinen ruwen balge
+Jn sorgen so groet vtermaten,
+Dat hi gaerne [349] wilde laten
+Sijn oge uaren om niet,
+Dat hi ins papen huus liet,
+Jn dien dat hi versoenet ware.
+Hine wiste wat doen openbare,
+Dan hi saet optie micke.
+Hi clagede gode vele dicke
+Dat hi Reinaerde nie bekende.
+Ysegrim quam mit genende
+Gedrongen vor de coninginne
+Ende sprac mit enen fellen sinne
+Te Reinaerde waert so uerre,
+Dattie coninc wart so erre,
+Dat hi Ysegrim hiet vaen
+Ende Brunen mede also saen.
+Si worden geuangen ende gebonden.
+Ghine saget nie verwoerden honden
+Doen meerren laster dan men hem dede, (fo. 119 vb.)
+Brunen ende Ysegrime mede.
+Men voerdse alse lede gaste:
+Men bantse beide also vaste,
+Dat si binnen ere nachte
+Mit enigherhande crachte
+Een lit ne mochten ruren.
+Nv hort hoe hise sal vuren!
+Reynaert, die hem was te wreet,
+Hi dede datmen Brunen sneet
+Van sinen rugge [een] velspot af,
+Datmen hem tere scurpen gaf,
+Voets lanc ende [350] voets breet.
+Nv ware Reynaert gereet,
+Hadde hi · iiij · scoen.
+Nv hort wat hi hier sal doen,
+Hoe hi vier scoen sal gewinnen.
+Hi runede toter coninginnen:
+'Vrouwe, ic ben v pelgrim.
+Ende hier is mijn oem, her Ysegrim,
+Hi heuet · iiij · vaste scoen.
+Woudier mi twee lenen doen,
+Jc name [351] v ziele in mijn plecht.
+Et is pelgrims recht
+Dat hi gedinket in sijn gebede
+Alles goedes datmen hem oyt dede.
+Ghi moghet vwe ziele wel an mi scoyen.
+Doet mi Erswinen, mire moyen,
+Gheuen van haren twee [352] scoen.
+Si macht wel mit eren doen:
+Si bliuet thuus in har [353] gemac.'
+Gente, die coninginne, sprac:
+'Reynaert, gine moget niet onbaren,
+Ghine hebt scoen, gine sult varen
+Vten lande in gods gewout
+Ouer die berge ende dur dat wout,
+Treden struke ende harde stene.
+Ghine moghet hebben scoen ne gene
+Die v waren bat gemicke:
+Si sijn so uaste [354] ende so dicke
+Die Ysegrim draget ende sijn wijf. (fo. 120 va.)
+Al sout hem gaen an sijn lijf
+Harlijc [355] moet v geuen twee scoen,
+Dar gi vwe uaert mede moget doen.
+Dus heuet die valsche pelgrim
+Beweruet dat har Ysegrim
+Altoe den knien heft verloren
+Van beiden sinen uoeten uoren
+Dat vel al toten clawen.
+Ghine saget enen uogel noyt brawen,
+Die stilre hilt an sinen leden
+Dan Ysegrim die sinen deden,
+Doemen also ontscoide,
+Dat bloet vten benen uloide.
+Doe Ysegrim ontscoyet was,
+Doe ginc [356] liggen opt gras
+Ver Erswine, die vulvinne,
+Mit enen uele droeuen sinne
+Ende liet har af doen dat uel
+Entie clawen also wel
+Achter uan haren uoeten.
+Dese daet die dede soeten
+Reynaerde sinen droeuen moet.
+Hort wat clagen hi nochtan doet!
+'Moye,' seide hi: 'wel lieue moye,
+Jn hoe menigen vernoye
+Hebdi dur minen wille gewesen!
+Dats mi al leet, sonder van desen
+Jst mi lief, ic seg v twi.
+Ghi sijt (des gelouet mi)
+Een die liefste uan minen magen:
+Bidien sal ic v scoen andragen.
+God weet, dat es dur vwe bate:
+Gi sult andie hoge aflaete
+Deel nemen ende an [357] alt paerdoen,
+Dat ic, lieue moye, in v scoen
+Sal beiagen ouer zee.'
+Ver Erswinden was harde wee
+Dat si cume mochte spreken:
+'Ay Reynaert, god moet ons wreken,
+Dat gi ouer ons siet vwen wille!' (fo. 120 rb.)
+Ysegrim, hi sweech al stille
+Ende sine geselle Brune, mare
+Hem beide was te moede harde sware.
+Si lagen gebonden ende gewont.
+Hadde oec doe ter seluer stont
+Tibert, die cater, gewesen daer,
+Jc dar wel seggen [358] ouer waer:
+Hi hadde gedaen so uele te uoren,
+Hine wert niet bleuen sonder toren.
+ Wat holpe dat ict maecte lanc!
+Des ander dages te sonne opganc
+Dede Reynaert sine scoen smaren,
+Die Ysegrims te uoren waren
+Ende sines wiues, Erswinden, [359]
+Ende hadse sere vaste doen binden
+Om sine [360] uoete, ende ghinc
+Dar hi uant den coninc
+Ende sijn wijf, die coninginne.
+Ende sprac te hem mit enen bliden sinne:
+'Here, god geue v goeden dach
+Ende mire vrouwen, die ic mach
+Gheuen prijs mit groten rechte.
+No doet geuen Reynaerde, vwen knechte,
+Palster, scorpe ende laet mi [361] gaen.'
+Doe dede de coninc eischen saen
+Den cappellaen Bellijn, den ram.
+Ende als hi vor den coninc quam,
+Sprac hi: 'her Bellijn, hier es
+Dese pelgrim, leset een les,
+Ende geuet hem scorpen ende staf.'
+Bellijn den coninc antworde gaf. [362]
+'Heer, en dar des doen niet.
+Reynaert heft selue gegiet,
+Dat hi es ins pawes ban.'
+Die coninc sprac: 'Bellijn, wattan?
+Meister Gelijs doet ons verstaen:
+Hadde een man allene gedaen
+Also uele alse alle die leuen,
+Ende wil hi archeit begeuen
+Ende te biechten dar af gaen (fo. 120 va.)
+Ende penitencie ontfaen,
+Dat hi ouer zee wilde uaren,
+Hi mochte wel hem seluen claren.'
+Bellijn sprac ten coninc echt:
+'Jnne doe Reynaerde no crom no recht
+Van geesteliken dinge altoes,
+Ghine wilt mi quiten scadeloes
+Jegen bisscop ende deken.'
+'Jnne bid v niet in · vij · weken,'
+Sprac die coninc: 'also uele.
+Oec had ic lieuer dat vwe kele
+Hinge, dan ics v bat.'
+Ende alse Bellijn horde dat,
+Dattie coninc balsch te hem wart,
+Wart Bellijn also sere uervaert
+Ende ginc gereiden [363] sijn outare,
+Oec beuede hi uan vare
+Ende ginc singen ende lesen
+Aldat hem best dochte wesen.
+ Doe Bellijn, die cappellaen,
+Omoedelike had gedaen
+Dat getide uanden dage,
+Doe hinc hi Reynaerde an sinen crage
+Ene scorpe uan Brunes uelle.
+Oec hinc sine [364] geselle
+Een palsterkijn dar bi.
+Te sinen geuoege was hi
+Al gereit te sire uaert.
+Doe sach hiten coninc waert.
+Hem liepen die geuensde trane
+Neder neuen sine grane,
+Als of hem iamerde in sijn herte.
+Had hi uan iamer enige smerte,
+Dat was bidien ende anders niet
+Dat hi hem allen, die hi dar liet,
+En hadde beraden sulke pine
+Alse [365] Brune ende Ysegrime,
+Had hem wel mogen geuallen.
+Nochtan stont hi ende bat hem allen
+Dat si uor hem bidden souden
+Also getrouwelike alsi wouden (fo. 120 vb.)
+Dat hi vor hem allen bade.
+Dat orlof nemen docht hem te spade,
+Want hi gherne dane ware:
+Hi was altoes in vare, [366]
+Alse die hem seluen sculdich weet.
+Die coninc sprac: 'mi es harde leet,
+Reynaert, dat gi dus haestich sijt.'
+'Neen,' sprac hi · 'here ets tijt,
+Men sal gene weldaet sparen.
+Vwen orlof, here, ic wil varen.'
+Die coninc sprac: 'hebt gods orlof!'
+Doe geboet die coninc al sijn hof
+Mit Reynaerde wtwaert te gane
+Sonder allene die geuane.
+ Nv wart Reynaert pelgrim.
+Ende sijn oem, her Ysegrim,
+Entie bere liggen gebonden
+Ende siec van seren wonden.
+Mi dunket ende ic wane des [367]
+Dat nieman [so] onspellic es
+Tusschen Palanen ende Scouden,
+Die hem van lachen had onthouden
+Van rouwen die hem mochte gescien,
+Had hi Reynaerde doe gesien:
+Hoe wonderlike hi hene ginc,
+Ende hoe gemeenlike hem hinc
+Scorpe ende palster om sinen hals,
+Entie scoen, als ende als,
+Die hi droech an sijn been
+Ghebonden, daden dat hi sceen
+Pelgrim gelijc genoech.
+Reynaert van binnen loech, [368]
+Dur dat si alle mit hem gingen
+Mit so groter sameningen,
+Die hem te uoren waren wreet.
+Doe sprac hi: 'coninc, mi es leet
+Dat gidus verre mit mi gaet:
+Jc vruchte, et mach v wesen quaet.
+Ghi hebt geuaen · ij · mordenaren. (fo. 121 ra.)
+Gheuallet dat si v ontfaren,
+Ghi hebt v te wachten meer
+Dan gi v hadt oyt eer.
+Blijft godeuolen, laet mi varen.'
+Na dese tale stont hi twaren
+Op dachterste [369] · ij · poten
+Ende maende de dire, clene ende groten,
+Dat si alle vor hem baden
+Oft si an sine weldaden [370]
+Recht deel hebben wouden.
+Si seiden alle dat si scouden [371]
+Sijns gedenken in har gebede.
+Nv hort vort wat hi dede,
+Doe hi uanden coninc sciet:
+So droeuelike hihem geliet,
+Dats some sere ontfarmde.
+Cuart, de haze, hi becarmde:
+'O wi, Cuaert, sulwi sceiden!
+Of gi wilt, gi sult mi leiden
+Ende mijn vrient Bellijn, de ram:
+Ghi twee ne maecten mi noit gram.
+Ghi twe moet mi vort bringen.
+Ghi sijt suet vanwandelinghen,
+Onbegrepen ende goedertieren
+Ende onclaget uan allen diren.
+Gheistelic is uwer beider zede,
+Ghi leuet beide als ic dede
+Doe ic clusenare was.
+Hebdi louer ende gras,
+Ghine doet genen eisch
+No om broet no om vleisch
+No om sunderlinge spise.'
+Mit aldustanigen prise
+Heft Reynaert dese twe verdoert, [372]
+Dat si mit hem gingen vort
+Tote hi quam vor sijn huus
+Ende vorde porte te Maperthuus.
+ Alse Reynaert voer de poerte quam,
+Doe sprac hi: 'neue Bellijn, de ram,
+Ghi moet allene buten staen, (fo. 121 rb.)
+Jc moet in [373] mine ueste gaen;
+Cuart sal in gaen mit mi.
+Her Bellijn, bit him dat hi [374]
+Troeste veren Ermeline
+Mit haren armen welpekine, [375]
+Als ic uan har orlof neme.'
+Bellijn sprac: 'ic bits heme,
+Dat hise vertroeste wale.'
+Reynaert ginc [376] mit scoenre tale
+So smecken ende losengiren [377]
+Jn so menige manire,
+Dat hi bibarate brochte
+Cuarde in sine acdochte.
+Alsi in dat hol quamen,
+Cuart ende Reynaert te samen,
+Doe uonden si uer Ermelinen
+Bi haren clenen welpekinen.
+Si was in sorgen ende in vare,
+Want si waende dat Reynaert ware
+Verhangen, ende alsi uernam
+Dat hi weder thuus quam
+Ende palster ende scorpe droech:
+Dat dochte har wonderlic genoech.
+Si wart blide ende sprac saen:
+Lieue Reynaert, hoe sidi ontgaen?'
+'Jc moet werden pelgrim:
+Har Brune ende Ysegrim
+Si worden gysel ouer mi.
+Die coninc heft ons (danc heb hi!)
+Cuarde gegeuen op rechte soene,
+Al onsen wille mede te doene.
+Die coninc liede selue das,
+Dat Cuart de eerste was
+Die ons verriet iegen hem.
+Ende bider trouwen die ic bem
+V sculdich, vrouwe Ermeline,
+Cuart naket sware pine.
+Jc ben mit rechte op hem gram.'
+Alse Cuwart dit vernam,
+Keerde hihem om ende waende vlien: (fo. 121 va.)
+Mar dat en conste hem niet gescien,
+Want Reynaert hadden ondergaen
+Die porte ende grepene saen
+Bider kele mordelike.
+Ende Cuaert riep genadelike:
+'Help mi, Bellijn, waer sidi?
+Dese pelgrim dodet mi.'
+Dat roepen was scire gedaen,
+Want Reynaert had hem saen
+Sine kele ontwe gebeten.
+Doe sprac Reynaert: 'nu gawi eten
+Desen goeden vetten hase.'
+Die welpekine liepen toten ase
+Ende gingen eten al gemene
+Har rouwe was harde clene
+Dat Cuart had verloren tlijf
+Ermelijn, Reinaerts wijf,
+At vanden vleische ende dranc des bloets.
+Ay, hoe dicke bat si [378] goedes
+Den coninc, die dur sine doget
+Har kindre hadden verhoget
+So wel mit enen goeden male!
+Reynaert sprac: 'hi gan ons wale.
+Jc weet wel, moet die coninc leuen,
+Hi soude ons gherne gifte geuen,
+Die hi selue niet en woude
+Hebben om · vij · marc van goude.'
+'Wat giften es dat?' sorac Ermeline.
+Reynaert sprac: 'ets een line
+Ende een vorst ende twe micken.
+Mar mach ic · ic sal hem onstricken,
+Malichte eer liden dage twee,
+Dat ic om sijn dreigen niet mee
+Ne geue dan [hi] om tmijn.'
+Si sprac: 'Reynaert, hoe mach dat sijn?'
+Reynaert sprac: 'vrouwe, ic seg v,
+Jc weet een wiltenisse ru
+Van langen gagel ende van hede.
+Dar es een deel wel gerede
+Van goeden legere van spisen. (fo. 121 vb.)
+Dar sijn hoenre ende patrisen [379]
+Ende menigherhande vogeline.
+Wildijt, ver Ermeline,
+Dat gi gaet mit mi dar,
+Wie mogen dar wonen · vij · iaer,
+Wilwi, wandren onder den scade
+Ende hebben goet ende genade,
+Eer wie dar werden verspiet.
+Al seidic langher, ic en loge niet.'
+'Ay', sprac Reynaerts vrouwe Ermeline:
+'Dit dunket mi wesen ene pine
+Die al gader ware verloren.
+En hebdi dit lant versworen
+Jnte woenen mit Ermeline [380]
+Ende nemmermeer inte sine,
+Al noch seide Ermelijn mee, [381]
+Eer gi comet ouer zee,
+Ende hebt palster ende scorpe ontfaen.'
+Reynaert antworde har saen:
+'So meer gesworen, so meer verloren.
+Mi seide een goet [382] man hier te uoren
+Jnrade dar hi mi riet,
+Bedwongen eet en [383] dade niet.
+Al uoldadic dese vaert,
+En holpe mi niet,' sprac [384] Reynaert:
+'Mi waers een ey niet te bat.
+Jc heb den coninc enen scat
+Belouet, [385] die mi es ongereet.
+Ende alse hi des de wareit weet
+Dat ic hem al heb gelogen
+Ende hi bi mi dus es bedrogen,
+Hi sal mi haten vele te meer
+Dan hi dede oit eer.
+Dar pensic in minen moet,
+Dat sculen es mi alte goet
+Alse dat varen,' sprac Reynaert:
+'Ende gods had heb mijn rode baert
+(Ghedoe oec hoe ic gedoe),
+Oft mi meer uertroest dar toe
+No de cater no de das (fo. 122 ra.)
+No Brune, die om mi comen was,
+No dur gewin no dur scade,
+Dat ic meer in des connx genade
+Ne come, dat ic lide lanxt!
+Jc heb gedoget so menigen anxt.'
+ Ho sere balsch hem de ram Bellijn,
+Dat Cuart, die geselle sijn,
+Jn dat hol so lange merrede.
+Hi riep als een die hem errede:
+'Cuart, lates den duuel wouden!
+Hoe lange sal v Reynaert dar houden?
+Wane comdi wt ende laet ons gaen?'
+Alse Reynaert dit heft [386] verstaen,
+Doe ginc hi wt tot Belline
+Ende sprac al stillikine:
+'Ay, lieue here, twi belgedi?
+Al spreke C[uar]t [387] iegen mi
+Ende iegen sire moyen,
+War om mach v des vernoyen?
+Cuart dede mi uerstaen:
+Ghi moget wel sachte voren gaen,
+En [388] wildi hier niet langher sijn.
+Hi moet hier merren een luttelkijn
+Mit sire moyen Ermeline
+Ende mit haren welpekine,
+Die sere wenen ende mesbaren,
+Dur dat ic hem sal ontfaren.'
+Bellijn sprac: 'nv seget [389] mi,
+Har Reynaert, wat hebdi
+Cuarde te lede gedaen?
+Also als ic conste uerstaen,
+So riep hi sere help op mi.'
+Reynaert sprac: 'wat segdi?
+Bellijn, god moet v beraden!
+Jc seg v hoe wi daden:
+Doe ic in huus gegaen quam
+Ende Ermelijn an mi vernam
+Dat ic wilde uaren ouer zee,
+Hare herten wert so wee
+Dat si lange in ommacht lach. (fo. 122 rb.)
+Ende alse Cuwart dat sach,
+Doe riep hi: 'Bellijn, helt vri, [390]
+Comt ende helpt mi!
+Mire moyen, si is in ommacht.'
+Dat riep hi mit groter cracht.'
+Doe sprac Bellijn: 'iane wast el,
+En trowen, ic verstont wel
+Dat Cuaert dreef groet mesbaer:
+Jc waende hem iet mesfallen waer.'
+Reynaert sprac: [391] 'Bellijn, neent niet.
+Mi waer lieuer, mesquame iet
+Mijn kinde of minen wiue,
+Dat hem mesquame an sinen liue.'
+Reinaer sprac: 'uernamedi iet
+Dat mi die coninc gistren hiet
+Vor harde vele sire liede,
+Eer ic vten lande sciede,
+Dat ic hem een paer lettren [screue]? [392]
+Suldise hem dragen, Bellijn, neue?
+Et is gescreuen al gereet,'
+Bellijn sprac: 'inne weet.
+Reynaert, wistic dat v gedichte
+Trouwe ware, hi mochte lichte
+Ghebieden dat icken den coninc [393]
+Droege, had ic enige dinc
+Dar icse mochte in [394] steken.'
+Reynaert sprac: 'v ne [395] sal niet gebreken.
+Eer des coninx lettre hier bleuen,
+Jc soudu eer die scorpe geuen,
+Her Bellijn, die ic draghe,
+Ende hangense [396] an vwen crage,
+Des coninx lettere dar in.
+Ghi sulter af hebben groet gewin,
+Durs [397] coninx danc ende groet ere.
+Ghi sult den coninc, minen here,
+Herde willecome sijn.'
+Dit louede mijn here Bellijn.
+Reynaert ginc in sijn acdochte
+Ende keerde weder ende brochte
+Sinen vrient Bellijn iegen (fo. 122 va.)
+Dat houet van Cuarde gedregen,
+Jndie scorpe gesteken,
+Ende hinc bi sinen quaden treken
+Die scurpe hem anden hals,
+Ende beual hem als ende als
+Dat hidie lettere niet en soude
+Besien, oft hi garne woude
+Hem den coninc te vriende maken.
+Hi seide dattie lettere staken
+Jndie scurpe uerholenlike,
+Ende oft hi wilde wesen rike
+Ende sinen here · den coninc, had lief,
+Dat hi hem seide dattie brief
+Bihem so ware gescreuen,
+Ende hi dar raet toe had gegeuen.
+Hi souts hem weten danc.
+Dit uerhorde Bellijn ende uerspranc
+Vander stat, dar hi op stoet,
+Hogher dan ander haluen uoet:
+So blide was hi van deser dinc,
+Die hem te torne seder verginc.
+Bellijn sprac doe: Reynaert, here,
+Nv wetic dat gi [mi] doet ere.
+Jc sal uallen in groten lof
+Bi v, alsemen in dat hof
+Sal seggen dat ic wel can dichten
+Mit sconen worden ende mit slichten,
+Alsi dat ics niet en can.
+Men seit: 'ets menich man
+Goet gesciet, des hem god onste,
+Jn saken die hi luttel conste.'
+Hier na sprac Bellijn: 'her Reynaert,
+Laet v lief · wil Cuart
+Mit mi te houe weder gaen?'
+'Neen,' sprac Reynaert: 'hi sal v saen
+Volgen bi desen seluen pade:
+Hine heuet genen stade. [398]
+Nv gaet uorwart mit gemake.
+Jc sal Cuart sulke sake
+Ondecken die noch es verholen.' (fo. 122 vb.)
+'Reynaert, bliuet godeuolen!'
+Sprac Bellijn · ende dede hem tervaert.
+Wat sal nu doen Reynaert?
+Hi keerde in sijn acdochte
+Ende seide: ons naket groet gerochte,
+Bliue wi hier langer · ende grote pine.
+Ghereet v, Ermeline,
+Ende mine kinder al gader,
+Volget mi · ic ben v vader.
+Ende pine wi ons dat wi ontfaren!'
+Nv ne was dar geen langer sparen,
+Si deden hem alle op de uaert,
+Ermelijn ende Reynaert
+Ende har ionge welpekine,
+Des [399] si quamen ande woestine.
+Ende mijn her Bellijn, de ram,
+Heuet gelopen, des hi quam
+Te houe een luttel vor middach.
+Ende alse die coninc Bellijn sach,
+Die de scurpe weder brochte,
+Daer Brunen, den bere, onsochte
+Te voren om was gedaen,
+Doe sprac hi te Belline saen:
+'Her Bellijn, van wane comdi?
+War es Reynaert? hoe comt dat hi
+Die scurpe niet met hem ne draget?'
+Bellijn sprac: 'her coninc, ic maget
+V rechte seggen dat ic weet.
+Doe Reynaert was al gereet
+Ende sinen casteel rumen soude,
+Doe seide hi dat hi woude
+Een paer lettre, coninc vri,
+V senden, ende doe bat hi mi
+Dat icse droege dur v lieue.
+Jc seide, meer dan · vij · brieue
+Soudic dur uwen wille draghen.
+Doene conste Reynaert niet beiaghen
+Dar ic den brief in dragen mochte. [400]
+Dese scurpe hi mi doe brochte
+Entie lettere dar in gesteken. (fo. 123 ra.)
+Coninc, gine hort noyt spreken
+Van betren dichter dan ic ben:
+Dese lettere dichtic hem,
+Gaet mi te goede ofte quade.
+Dese brief was bi minen rade
+Aldus gemaket ende gescreuen.'
+Doe hietene hem die coninc geuen
+Bockarde, den goeden clerc:
+Die was, die in dat werc
+Meer conste dan iemen die dar was.
+Bockart plach emmer dat hi las
+Die lettere die te hem quamen.
+Bruneel ende hi die namen
+Die scurpe vanden halse Bellijns,
+Die bider dompheit sijns
+Hier toe had geseit so uerre,
+Dat hijs cortelike sal werden erre.
+Die scurpe ontfinc Bockart, de clerc.
+Doe moste bliken Reinaerts werc,
+Alse hi dat houet wt trac.
+Bockart besaget ende sprac:
+'Helpe, wat lettre sijn dit!
+Here coninc, bi mire wit,
+Dit is thouet van Cuarde.
+Help, dat gi noit Reinaerde,
+Coninc, gelouen sout so verre!'
+Doe mochtmen sien droeue ende erre
+Den coninc entie coninginne.
+Die coninc stont in drouen sinne
+Ende sloech sijn houet neder.
+Ouer lanc hief hijt op weder
+Ende begonste werpen wt
+Een dat vreislixte geluut,
+Dat noyt van dire wart gehort;
+So sere wart sijn sin [401] te stort.
+ Doe spranc vort har Firapeel,
+Die lupart, hi was een deel
+Des coninx maech, hi dorst wel doen,
+Ende sprac ten coninc Lyoen:
+'Hoe driuedi dus groet ongeuoech? (fo. 123 rb.)
+Ghi meslietet v genoech,
+Al ware die coninginne doet.
+Doet wel ende wijsheit groet
+Ende matet uwen sin ende v seer.'
+Die coninc sprac: 'her Firapeel, [402]
+Jnne mages niet dat ic ben erre,
+Mi heuet een quaet wicht so verre
+Jn sterc geleit bi barate,
+Dat ic mi seluen daer om hate
+Ende ic mijn herte heb verloren.
+Die mine vriende waren te voren, [403]
+Den stoute Brunen ende Ysegrim,
+Mi heuet een valsch pelgrim
+Doen verwerken so sere,
+Dattet al gaet an mijn ere
+Ende an mijn leuen, dats recht.'
+Doe sprac Firapeel echt:
+'Es dar mesdaen, men salt soenen
+Men sal den wolf ende Brunen, den coenen,
+Ende ver Erswinden [404] also wel
+Ouer scoen ende ouer uel,
+Ouer toren ende ouer pine
+Gelden mitten ram Belline, [405]
+Sint dat hi selue heuet beliet.
+Hi heuet hem seluen an getiet
+Dat hi Cuarde, den hase, verriet.
+Des es hem qualike gesciet.
+Hi heuet mesdaen, [406] hi salt becopen.
+Ende dar na sul wi alle lopen
+Na Reinaerde ende sullen vangen
+Ende sullen sind kele hangen.'
+
+
+ NOTA.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Om geen traditie te laten ontstaan, vermeld ik hier ter loops dat
+Muller (Critische Commentaar op Van den Vos Reinaerde 1917) en Verdam
+(aankondiging in het Museum 1910) berichten hoe door mij moedwillig
+de "betere lezingen" van hs. (f) zijn verzwegen in mijn Inleiding en
+Aantekeningen. Blijkbaar is hun beiden, onopzettelik, ontgaan dat de
+uitgave van Degering van 1910 is, en mijn Inleiding en Aantekeningen
+gezet zijn in 1909, en geheel afgedrukt waren in Des. 1909,--zoals
+op blz. XI is vermeld; en CXXXIV: "van dit hs. is nog geen uitgave,
+alleen enige proeven zijn gepubliceerd."--Ik heb alleen gebruik kunnen
+maken van "stichproben", door Dr. Muller in de Vla. Acad. meegedeeld.
+
+[2] 1 Madok J] vele bouke
+
+[3] 7 dede J] ontbr.
+
+[4] 94 zwijghic W] zwijghics
+
+[5] 238 makeden J] makedent
+
+[6] 258 Ouer recht Verd] Onrecht
+
+[7] 303 drouch G] droucht
+
+[8] 320 kindren W] sustren
+
+[9] 343 343, 344 G] 344, 343
+
+[10] 362 wesen G] ontbr.
+
+[11] 378 stole De Vr] scole, er kan ook stole worden gelezen.
+
+[12] 447 tware G] ware
+
+[13] 454 slecht M] die slecht
+
+[14] 455, 456 M] 456, 455
+
+[15] 457 deden J] dede
+
+[16] 648 was, eist waer G] waer was eist
+
+[17] 777 niet, 778 wel met grote beginletter
+
+[18] 784 alte scaerp J] alre scaerpst
+
+[19] 786 verhoernden De Vr] verboerden
+
+[20] 802 Abstale G] abscale of abstale
+
+[21] 804 Eene] Eens
+
+[22] 812 gedichte G] gestichte
+
+[23] 915 nu F] in
+
+[24] 944 draghet W] draghen
+
+[25] 993 dier G] diet
+
+[26] 996 hoere] hoeren
+
+[27] 1050 G] ontbr.
+
+[28] 1081 Zo in 't hs.
+
+[29] 1089 vraet G] braet
+
+[30] 1295 meer J] min
+
+[31] 1413 gaerneline J] gaerdeline
+
+[32] 1416 Rossel, een G] rollel ende
+
+[33] 1452 miere mesdaet G] minen mesdaden
+
+[34] 1468 strec J] net
+
+[35] 1510 Ambloys Knorr] vnnbloys
+
+[36] 1528 sat W] ontbr.
+
+[37] 1541 vanc J] vant, mogelik ook vanc
+
+[38] 1544 selues G] ontbr.
+
+[39] 1577 ghedaen W] gheuaen
+
+[40] 1593 dien G] diene
+
+[41] 1643 vyer-gat] vyuer gat
+
+[42] 1652 Erswenden G] Yswenden
+
+[43] 1689 telen J] pleghen
+
+[44] 1738 versmaert] versmaet
+
+[45] 1744 Die ic G] Dien
+
+[46] 1780 souden G] soude
+
+[47] 1837 sake W] saken
+
+[48] 1857 Tyecelijn G] Tyocelijn
+
+[49] 1858 ooc G] och
+
+[50] 1921 wancans G] wanconst
+
+[51] 1968 ] ontbr.
+
+[52] 2043 met groote roode beginletter.
+
+[53] 2072 v G] ontbr.
+
+[54] 2077 mammen G] mannen
+
+[55] 2158 nu] mi
+
+[56] 2209 Eene G] Eeene
+
+[57] 2231 bedraghen J] bedrieghen
+
+[58] 2232 maghen J] maghen lieghen
+
+[59] 2245 Doe G] Die
+
+[60] 2263 vijffte] vijfste met lange f, zodat ook vijffte kan gelezen
+worden.
+
+[61] 2313 verslant] verslanc, kan ook verslant zijn.
+
+[62] 2336 den coninc G] ontbr.
+
+[63] 2344 zorghen (zorghe G)] zorghe ende
+
+[64] 2382 doe W] ontbr.
+
+[65] 2405 gheraecter J] gheraecte
+
+[66] 2512 hi mi] bruun
+
+[67] 2528 argertieren G] argentieren
+
+[68] 2595 bi J] hi
+
+[69] 2596 gehidet G] gehidelt
+
+[70] 2630 wane] wanen.
+
+[71] 2647 voer den G] voert.
+
+[72] 2656 Hier zijn verschillende regels overgeslagen zie Aant.
+
+[73] 2661 hoene G] hoe.
+
+[74] 2680 vore F] wee
+
+[75] 2681 sconen rijmen M] sone rijne.
+
+[76] 2698 die baerke W] dien burne
+
+[77] 2736 zeinde G] zeinde wart
+
+[78] 2762 W] ontbr.
+
+[79] 2799 Tiecelin G] cirlin
+
+[80] 2815 tes G] des
+
+[81] 2886 An H] Ende
+
+[82] 3000 si wouden G] hi woude
+
+[83] 3023 Dor M] Die
+
+[84] 3078 neve Belin de ram M] Belin neve ram
+
+[85] 3132 hase J] base
+
+[86] 3137 des bloets] dat bloet
+
+[87] 3180 Bedwonghene M] Bedi ne gheene
+
+[88] 3187, 3188 G] 3188, 3187
+
+[89] 3248 lieuer G] leet
+
+[90] 3285 vriende G] vrienden
+
+[91] 3305 Also als] Alsi dat
+
+[92] 3328 daer W] daer doe
+
+[93] 3362 sijn J] dichte ic
+
+[94] 3378 hi sprac W] ontbr.
+
+[95] 3455 vriheden J] vreden
+
+[96] 2599 laet sin] is met rood doorgeschrapt; met een rood streepje
+is ende min vrouwe aangehaald bij de voorgaande regel, dit streepje
+is over de l heengetrokken, die nog zwart doorschemert.
+
+[97] 2652 De e van he is nog enigszins te zien.
+
+[98] 2673 Na sine volgen nog enige letters, niet met zekerheid aan
+te geven.
+
+[99] 2698 De a in qet lijkt van later hand, evenals in 2703, 3042,
+3079 en 3097.
+
+[100] 3032 hadde] is onderpunt, als aanwijzing dat het weg telaten is.
+
+[101] 3051 Sins of sine?
+
+[102] 3070 In vlich is de i zeer duidelik.
+
+[103] 3080 Er kunnen drie of vier letters hier weg zijn.
+
+[104] 3111 De eerste e van ede is niet duidelik.]
+
+[105] 3118 Met een zwart-en-rood streepje is aangegeven dat vlien
+bij de volgende regel hoort.
+
+[106] 3136 Voor ase is een letter weggekrabd, een b of h?
+
+[107] 3140 Met een rood streepje is aangegeven dat bludis bij de
+volgende regel behoort.
+
+[108] 4 Mogelik moet er dater gelezen; aan de t is nog een naar boven
+open haaltje geschreven, dat anders bij deze letter niet voorkomt;
+maar gewoonlik wordt er door een haaltje naar onderen open aangeduid.
+
+[109] 7 die staat op een rasuur.
+
+[110] 14 si staat op een rasuur.
+
+[111] 26 seg is verbeterd uit geg.
+
+[112] 50 Vgl. Vers 55, maar ook Vers 69.
+
+[113] 69 Vgl. Vers. 50 en 55.
+
+[114] 77 stare-blint] stare blint.
+
+[115] 86 Here] Hore.
+
+[116] 95 mar] mer. A: neware.
+
+[117] 96 mach] nach.
+
+[118] 97 no] ne.
+
+[119] 100 ten: de letterverbindingen de en te zijn niet altijd duidelik
+in het hs. te onderscheiden.
+
+Vers 112 staat aan 't eind van een kolom achter vs. 119. Twee tekentjes
+(*) aan de rand geven de juiste volgorde aan.
+
+Na vs. 112 ontbr. twee regels.
+
+[120] 129 Achter verlore is een letter uitgeschrapt.
+
+[121] 162 Dit vers is door de afschrijver aan 't slot van de kolom
+(na vs. 200) bijgevoegd. De juiste volgorde geven twee kruisjes aan.
+
+[122] 201 De eerste helft van deze regel staat op een rasuur.
+
+[123] 203 gauet] geuet.
+
+[124] 216 Hier missen twee regels.
+
+[125] 226 sijs [sijs sij.
+
+[126] 281 Als custode van het blad: na der bare.
+
+[127] 305 Eerst genaden, de n is evenwel doorgeschrapt en onderstipt;
+ook is er aan gekrast.
+
+[128] 316 Eerst stond er hadder, de r is evenwel onderstipt en
+uitgeschrapt.
+
+[129] 324 monic-scure.
+
+[130] 330 hire] hare.
+
+[131] 341 barate] baratae.
+
+[132] 344 Voor er in verbeterd was had het hs e erimite.
+
+[133] 353 Allen] Ende allen.
+
+[134] 367 vlees smout] vlees smout
+
+[135] 400 onghehire staat op een rasuur.
+
+[136] 434 alte lanc] altehant.
+
+[137] 441 De W is geheel door 't wegslijten van 't perkament verdwenen.
+
+[138] 465 bere verbeterd in het hs. uit here.
+
+[139] 518 doet] doe.
+
+[140] 525 Bekindene staat op een rasuur.
+
+[141] 527 haghe-dochte] haghe dochte.
+
+[142] 585 Portegale] porltegale met een . onder de eerste l.
+
+[143] 588 De r in lamfret is later er boven geschreven. Ook bij het
+woord woent schreef de afschrijver eerst een n in plaats van de t,
+maar verbeterde die.
+
+[144] 589 noch is later door de afschrijver er boven geschreven.
+
+[145] 602 dat ie v nv] dat ic v nv
+
+[146] 607 hem is later er boven geschreven.
+
+[147] 611 hoedaen] v daer.
+
+[148] 612 N is met rood aangestreept.
+
+[149] 615 welcome] wel come.
+
+[150] 630 Na vs. 640 aan 't eind van de kolom is dit vers
+bijgeschreven; een a en b aan de kant geven de juiste volgorde aan.
+
+[151] 633 U is met rood aangestreept.
+
+[152] 647 De s in honichs is later erbij gevoegd.
+
+[153] 660 vervaert] verwaert voor er in gekorrigeerd werd.
+
+[154] 666 trac] stac.
+
+[155] 675 V is met rood aangestreept.
+
+[156] 677 En] Ende.
+
+[157] 680 De r in ghegrepen is er boven geschreven.
+
+[158] 686 Die] Ende.
+
+[159] 687 Ene scarpe] Enen scarpe.
+
+[160] 693 N is met rood aangestreept.
+
+[161] 700 hulpe (dorpre?)] dorpe.
+
+[162] 733 seere staat op een rasuur.
+
+[163] 739 sijn--meer staat op een rasuur.
+
+[164] 747 kerc-here] kerc here
+
+[165] 755 wel is uit wil verbeterd.
+
+[166] 763 D is met rood aangestreept.
+
+[167] 771 Lancvoet] Lanc voet.
+
+[168] 773 oghen met een . onder de n.
+
+[169] 774 Vulmar is als wlmar geschreven.
+
+[170] 775 Vers 775 en 76 zijn omgezet.
+
+[171] 791 S is met rood aangestreept.
+
+[172] 799 tweemaal ter.
+
+[173] 803 slaghe verbeterd uit slaghen.
+
+[174] 820 De corrector maakte uit sondeliker door er een r boven te
+schrijven, sonderliker.
+
+[175] 821 B is met rood aangestreept.
+
+[176] 861 N is met rood aangestreept.
+
+[177] 872 Doe] Dat. Achter toten Rasur.
+
+[178] 872 hoen] hoec.
+
+[179] 891 wangonste] wan gonste.
+
+[180] 894 nederwaert] neder waert.
+
+[181] 902 b (biste) staat op rasuur.
+
+[182] 905 esdi] estu.
+
+[183] 909 verscrouen] eerst stond er naar 't schijnt, verscruen. De
+verbetering is zeer onduidelik, zodat onzeker is of er staat verscouen,
+verscriuen of verscrouen.
+
+[184] 912 die di te voren was gewonnen. De juiste woordvolging is
+aangegeven met getallen.
+
+[185] 921 deuosaut] deuosant.
+
+[186] 938 't Vers luidde wel vroeger: Hi moste willen sinen
+spreken. d. i.: Hi moste onwillig gedogen Reinaerts ovele rede. Over
+willen in deze betekenis, zie Lexer: vgl. L sed surda preterit
+aure probra.
+
+[187] 942 nederwaert] neder waert.
+
+[188] 944 achter quam is liggen ingevoegd, maar weer doorgeschrapt.
+
+[189] 947 H is met rood aangestreept.
+
+[190] 973 A is met rood aangestreept.
+
+[191] 986 Binnen] Brunen, genoemt] gemoemt.
+
+[192] 995 wedertale] weder tale.
+
+[193] 1009-1010. Deze regels zijn m. i. onecht.
+
+[194] 1017 D is met rood aangestreept.
+
+[195] 1020 Ets] Et
+
+[196] 1029 Nu] Du.
+
+[197] 1051 Des = Tes Vgl. Vers 3296 en 3298.
+
+[198] 1073 mi] mit. Zou in het voorlegschrift mic gestaan hebben?
+
+[199] 1088 man ne] ne man voor de woordvolging door er boven geschreven
+tekentjes verbeterd werd.
+
+[200] 1095 G is met rood aangeschrapt.
+
+[201] 1147 N is met rood aangeschrapt.
+
+[202] 1148 Uit het woord neue blijkt dat vs. 1147 en 1148
+m. i. geinterpoleerd zijn.
+
+[203] 1166 Het eerste no is er later boven geschreven.
+
+[204] 1183 wanc is uit wane verbeterd.
+
+[205] 1189 A is met rood aangeschrapt.
+
+[206] 1197 hi verbeterd uit hise.
+
+[207] 1205 Plegetmen] plegemen.
+
+[208] 1217 hoenredief] hoenre dief.
+
+[209] 1220 strowisch] stro wisch.
+
+[210] 1258 Dat] Die.
+
+[211] 1301 bete] bene.
+
+[212] 1315 dreigen den] dreigeden.
+
+[213] 1333 tweemaal es, het eerste evenwel geschrapt.
+
+[214] 1347 D is met rood aangestreept; daarvoor nog een rubricering.
+
+[215] 1349 Ermelinen] erminen.
+
+[216] 1354 vernoyen] vermoyen.
+
+[217] 1359 Dar] Dat.
+
+[218] 1386 achter et een kleine rasuur, mischien stond er eerst en.
+
+[219] 1395 H is met rood aangestreept.
+
+[220] 1410 houeschen] houescheden.
+
+[221] 1420 te is later er boven geschreven.
+
+[222] 1438 achter Grimbert schreef de afschrijver eerst sp, (van
+sprac), schrapte het later door.
+
+[223] 1443 C is met rood aangeschrapt.
+
+[224] 1463 Die] Den.
+
+[225] 1464 Ic] In.
+
+[226] 1476 cloclinen] cloc linen.
+
+[227] 1484 waren: de n doorgeschrapt en daarna onderstipt.
+
+[228] 1499 tote met een s er later boven geschreven.
+
+[229] 1509 harde uit hande verbeterd.
+
+[230] 1513 Waende keren] Weder keren.
+
+[231] 1515 beclade staat op een rasuur.
+
+[232] 1518 geluut] geluuut.
+
+[233] 1536 tafelmes] tafel mes.
+
+[234] 1537-8 De afkortingstekens boven de beide en's heeft de
+afschrijver blijkbaar weer geschrapt.
+
+[235] 1538 hise datse] hi se ende dase.
+
+[236] 1543 tafelmes] tafel mes.
+
+[237] 1545 stont of stoent is verbeterd uit stoet, door er een n
+boven te zetten. De e is niet geschrapt.
+
+[238] 1551 roef is in het hs. uit roep verbeterd.
+
+[239] 1568 Alle] Alse.
+
+[240] 1570 teblouwen] te blouwen.
+
+[241] 1581 tweemaal ende.
+
+[242] 1584 van is uit m verbeterd.
+
+[243] 1587 steendoet] steen doet.
+
+[244] 1604 hanebalke] hane balke.
+
+[245] 1632 hemelgat] hemel gat.
+
+[246] 1645 en 1646 zijn omgezet.
+
+[247] 1646 G is met rood aangeschrapt en er voor een rubricering.
+
+[248] 1665 hage] heyde.
+
+[249] 1666 hem is verbeterd uit m.
+
+[250] 1672 stiren] sciren.
+
+[251] 1681 N is met rood aangeschrapt en met rubricering. bijcte met
+daarboven geschreven h.
+
+[252] 1685 en 1686 zijn omgezet.
+
+[253] 1687 Daer] Dat.
+
+[254] 1708 Vermoedelik luidde vroeger de regel; Daer gi die bichte sijt
+(sint) af gedaen met gewone ellips van hebt, of: Daer gi te biechten
+sijt af gegaan, zo als A heeft.
+
+[255] 1714 wederkeer] weder keer.
+
+[256] 1723 G is met rood aangeschrapt en met rubricering.
+
+[257] 1724 Hier zijn 4 verzen in twee samengetrokken; de verzen
+zullen vermoedelik geluid hebben: ... sach dat gelaet Ende seide:
+'onreine vraet Dat v dat oghe so omme gaet!' 'Neue', seide Reynaert:
+'gi doet quaet Dat gi ...'
+
+[258] 1726 testort] te stort.
+
+[259] 1763 Voor hem is er iets uitgeschrapt.
+
+[260] 1771 si] gi.
+
+[261] 1775 honichscalkers] honich scalkers.
+
+[262] 1797 spreken] speken
+
+[263] 1807 Voor N een rubricering.
+
+[264] Na 1808 zijn twee verzen uitgelaten.
+
+[265] 1813 teblouwen] te blouwen.
+
+[266] 1839 dame Awi] darme awi.
+
+[267] 1862 Noch nie ne] Noch inne.
+
+[268] 1867 en 1868 zijn omgezet.
+
+[269] 1881 ver[or]deelt was] was verdeelt: de juiste woordvolging
+is aangegeven.
+
+[270] 1893 na is heel klein er boven geschreven.
+
+[271] 1900 twee verzen zijn weggelaten.
+
+[272] 1908 was] was was.
+
+[273] 1910 mittien] miettien.
+
+[274] 1918 twee verzen zijn weggelaten.
+
+[275] 1929 beet] 't Eerst geschreven beet is ten onrechte in cleet
+veranderd.
+
+[276] 1932 Tussen de u en c in uercoren is nog een fijn dun haakje
+te zien, dat ook elders om een correctuur aantewijzen gevonden wordt;
+waarschijnlik had de afschrijver 't teken voor er vergeten.
+
+[277] 1946 cloesterbijr] cloester bijr.
+
+[278] 1951 Dijn in het hs. verbeterd uit dien, mijne] dine.
+
+[279] 1973 een regel is weggelaten.
+
+[280] 1978 halue] haue.
+
+[281] 1982 ouder daet] ouerdaet.
+
+[282] 1994 Voor alle is een h weggeschrapt.
+
+[283] 2000 Hier missen 7 regels.
+
+[284] 2002 liepen] liep.
+
+[285] 2010 de goede wille] den goeden wille.
+
+[286] 2034 wtwaert] wt waert.
+
+[287] 2037 was door de afschrijver weggelaten, en is aan het eind
+van de kolom geschreven. Een a en b vooraan de regels geven de juiste
+volgorde aan.
+
+[288] 2054 de] den.
+
+[289] 2057 toe noch met een aanwijzing dat zij moeten omgezet worden.
+
+[290] 2070 bouder is mischien verbeterd uit couder.
+
+[291] 2085 Dar] Dat.
+
+[292] 2092 calf] caf, de l is er bovengeschreven.
+
+[293] 2094 Tussen ende en maecte is er iets uitgeschrapt, vermoedelik
+hi (2 letters). In plaats van maecte stond in het hs. voor er in
+verbeterd werd maecten.
+
+[294] 2114 nemet] memet.
+
+[295] 2124 wannen] ic wannen.
+
+[296] 2127 nv uerholen] onuerholen.
+
+[297] 2138 mane] wane.
+
+[298] 2148 Hoe] He.
+
+[299] 2152 ongereyde] in het hs. onreyde voor er in verbeterd werd.
+
+[300] 2190 Hier missen 18 regels.
+
+[301] 2193 Deze regel staat op een rasuur.
+
+[302] 2200 vianden] viande hem] he.
+
+[303] 2207 Doe] Die.
+
+[304] 2213 wilde] voor er verbeterd werd wid
+
+[305] 2221 inwaerts] in waerts.
+
+[306] 2237 bringen] bringe.
+
+[307] 2270 bedranc] bedwanc.
+
+[308] 2285 segget u] segge di
+
+[309] 2318 werltere] werlt ere. Er missen na 2318 twee regels.
+
+[310] 2319 en 2320 sijn omgezet, blijkbaar om het verband te
+herstellen; de twee regels zullen dus al in het voorlegschrift van
+f zijn weggelaten.
+
+[311] 2342 te] to voor er in verbeterd werd.
+
+[312] 2351 stopte] stoptet.
+
+[313] 2352 maectet] maecte.
+
+[314] 2370 vant is uit crant verbeterd, mischien schuilt er in cramt =
+kocht, of craut = crauet?
+
+[315] 2373 Een vers uitgelaten.
+
+[316] 2394 mit milder hant] mitter hant.
+
+[317] 2401 stat] scat.
+
+[318] 2402 mogen] moge.
+
+[319] 2442 tebroken] te broken.
+
+[320] 2450 ende her Brune] en her Brunen; of de afschrijver zich
+vergistte met het afkortingsteken op Brune inplaats van op en te
+plaatsen?
+
+[321] 2463 Reynaert sprac] sprac Reynaert.
+
+[322] 2510 wonder] wond.
+
+[323] 2530 Ende] En.
+
+[324] 2538 berchstaet] berch staet.
+
+[325] 2541 trompboem] tromp boem
+
+[326] 2575 mer] oec. Dit tweede oec staat op een rasuur; 't lijkt
+wel of de o boven een m staat.
+
+[327] 2582 Reynaert is er later boven geschreven.
+
+[328] 2588 De regels 2588 en 2589 zijn omgezet.
+
+[329] 2593 gehort genoemen] genoemen gehort, evenwel staat er een
+teken bij om ze om te zetten.
+
+[330] 2611 beuende] beuede.
+
+[331] 2617 Gente is hier een eigennaam als Nobel. Voor er in verbeterd
+werd vergenten. De scheiding tussen de beide woorden is door een
+. tussen de v en g aangegeven. Vergl. vs. 2784.
+
+[332] 2618 seluen sculdich] sculdich seluen, de volgorde is door een
+teken aangegeven.
+
+[333] 2631 Hulsterloe] hulterloe voor er verbeterd werd.
+
+[334] 2643 Rijne] rime.
+
+[335] 2644 Mine] Ende mine.
+
+[336] 2650 Waers schijnt uit waerts verbeterd.
+
+[337] 2654 mi waert] nit- of nicwaert.
+
+[338] 2657 de] den.
+
+[339] 2662 iaet] o iaet. De o is onderstipt.
+
+[340] 2667 berke] putte.
+
+[341] 2692 De lezing van deze regel in f is wel niet juist, maar
+die van a en b bevallen evenmin; mischien was de vroegere lezing:
+Eer ic so uel hebbe elmes gedaen.
+
+[342] 2694 achter vrome is een n uitgeschrapt.
+
+[343] 2720 en 2720a staan op een regel.
+
+[344] 2721 D is met rood aangeschrapt.
+
+[345] 2740 is weggelaten en aan 't einde van de kolom na vs. 1859
+geschreven. De letters a en b geven de juiste volgorde aan.
+
+[346] 2745 hem] he.
+
+[347] 2746 De afschrijver begon met een v, of hij weer vrede, in
+plaats mede zou schrijven.
+
+[348] 2776/7 Ende mittien worde gingen si scauen Ende Brunen volgeden
+mede.
+
+[349] 2784 hi gaerne] higaerne. De scheiding van de woorden is door
+het invoegen van een . tussen de i en g aangeduid. Vergl. vs. 2617.
+
+[350] 2813 ende is er later boven geschreven.
+
+[351] 2823 name] wane.
+
+[352] 2829 twee] tween.
+
+[353] 2831 har] thar.
+
+[354] 2840 uaste] uasten.
+
+[355] 2843 Harlyc] Har lijc.
+
+[356] 2856 ginc] ginc hi.
+
+[357] 2875 an] in.
+
+[358] 2888 Tussen wel en seggen is een woord uitgeschrapt.
+
+[359] 2895 Erswinden is verbeterd uit Erswinen.
+
+[360] 2897 sine] sinen. ende] en.
+
+[361] 2905 mi] Eerst stond er ons, met drie stippen werd dit als
+geschrapt aangewezen: er boven is mi geschreven.
+
+[362] 2912 den coninc hem.
+
+[363] 2937 gereiden] rreiden.
+
+[364] 2946 sine] sinen.
+
+[365] 2958 Alse] Ende alse.
+
+[366] 2966 is hier weggelaten en aan het einde van de kolom, na
+vs. 3000 geschreven. Door a en b is de volgorde aangewezen, maar 2966
+daarbij onjuist voor 2965 gezet.
+
+[367] 2981 des] dies.
+
+[368] 2994 Tussen binnen en loech staat nog een o of d.
+
+[369] 3007 dachterste] dachsterste
+
+[370] 3010 wel daden.] weldaden
+
+[371] 3012 scouden. Vgl. Frank: Gramm. § 114, 7.
+
+[372] 3035 verdoert verbeterd uit verdoet.
+
+[373] 3042 Tussen moet en in een doorgeschrapte a.
+
+[374] 3044 Tussen dat en hi een doorgeschrapt gi.
+
+[375] 3046 welpekine] wepelkine. Vgl. achter Vers 3058.
+
+[376] 3050 ginc] ginc in.
+
+[377] 3051 So smeckende ende so sengiren.
+
+[378] 3100 si] hi.
+
+[379] 3122 voor er in verbeterd werd partisen.
+
+[380] 3135 achter Ermeline is een letter (n) uitgeschrapt.
+
+[381] 3137 Achter mee is een r uitgeschrapt.
+
+[382] 3142 goet is uit goen verbeterd.
+
+[383] 3144 en] ende.
+
+[384] 3146 voor er in verbeterd werd spac
+
+[385] 3149 Belouct] Bolouet
+
+[386] 3174 dit heft] dit heft dit.
+
+[387] 3178 spreke C[uar]t] sprekect, met een - tussen e en c.
+
+[388] 3183 En] Ende.
+
+[389] 3189 voor seget is een letter uitgeschrapt.
+
+[390] 3203 helt vri staat op rasuur.
+
+[391] 3211 spac met een r er boven geschreven.
+
+[392] 3219 woord screue mist in het hs. maar achter lettren is een
+woord (sciede) uitgeschrapt.
+
+[393] 3225 Achter coninc is een woord (droege) uitgeschrapt.
+
+[394] 3227 in is er later boven geschreven.
+
+[395] 3228 vne eerst in een woord geschreven, is later door een
+streepje gescheiden.
+
+[396] 3232 hangen se] hagetse.
+
+[397] 3235 Durs] Dus.
+
+[398] 3278 stade] scade.
+
+[399] 3296 Des = Tes; vgl. vers 1051, 3298.
+
+[400] 3319 dragen mochte] mochte dragen, maar de juiste volgorde is
+door tekentjes aangegeven.
+
+[401] 3356 sin] sijn.
+
+[402] 3366 Frapeer uit Firapeel (of omgekeerd).
+
+[403] 3372 was uitgelaten, en is aan de rand bijgeschreven.
+
+[404] 3381 Erswinden is verbeterd met Erswinen.
+
+[405] 3383/4 zijn omgezet.
+
+[406] 3389 mesdaen] is uit medaen verbeterd.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Van den Vos Reynaerde, by Anonymous
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42293 ***