diff options
Diffstat (limited to '42293-0.txt')
| -rw-r--r-- | 42293-0.txt | 8233 |
1 files changed, 8233 insertions, 0 deletions
diff --git a/42293-0.txt b/42293-0.txt new file mode 100644 index 0000000..3355d8b --- /dev/null +++ b/42293-0.txt @@ -0,0 +1,8233 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42293 *** + + VAN DEN VOS REYNAERDE + + Tweede herziene druk + + uitgegeven naar het Comburgse en Darmstadse + handschrift door + + Dr. F. BUITENRUST HETTEMA + + naar het Dyckse handschrift door + + Dr. H. DEGERING + + + + + + + +VOORBERICHT + + +In 1903 verscheen in de Zwolsche Herdrukken een uitgave Van den Vos +Reynaerde, naar het Comburgse handschrift uitgegeven door F. Buitenrust +Hettema en J. W. Muller. + +Bij deze nieuwe herdruk, nu alleen door mij bezorgd, wordt aan een +daar gegeven belofte voldaan en ook het Darmstadtse fragment (E) +hier herdrukt; daarenboven was Dr. Degering, de vinder zelf van +"het Dyckse handschrift (F)", zo welwillend dit, op nieuw herzien, +hier uit te geven. + +Het Comburgse handschrift en het Darmstadtse fragment zijn nauwkeurig +vergeleken, afgedrukt. Alleen zijn klaarblijkelike verschrijvingen of +vergissingen in A verbeterd, om de lezer daarmee niet te vermoeien; +overigens bleef de hs-tekst onveranderd, "ook al konden we voorshands +niet verklaren noch aanwijzen hoe de eventueele fout te herstellen +was." Evenmin is in het rijm, de maat of de grammatiese vormen +gewijzigd. + +Waar in het hs. een rode hoofdletter staat, springt in deze uitgave +de regel met een dubbel "blok" in; waar een rubricatie voor de +"rooilijn" staat, met een enkel. Verder zijn afgekorte woorden +met cursieve letters voluit geschreven, gescheiden leden van een +eigenlike samenstelling door het teken (-) verbonden, eigennamen met +hoofdletters gedrukt, en leestekens--zo schaars mogelik, alleen zover +strikt nodig voor het gemakkelik lezen--aangebracht. Over een en ander, +alsook over het hs. zelf, is meer te vinden in mijn Inleiding [1], +bladzijde CXXXVIII. + +Omtrent biezonderheden van het Darmstadtse fragment verwijs ik naar +de eerste uitgave van Martin, in Quellen und Forschungen LXV (1889). + +Waar het een Middelnéderlandse tekst gold, heeft Dr. Degering ter +wille van de gelijkvormigheid in de gehele uitgave, goedgevonden dat +zijn in het Duits geschreven Voorbericht, en noten, in 't Nederlands +zijn omgewerkt, en in vereenvoudigde spelling gedrukt. + +Bijgevoegd zijn er twee fotogravures--geen facsimilé's--van hs. A; +een van fragment E, en een van hs. F, fo. 105 v. de onderhelft. + + + +De weetgierige lezer, die zien wil wat van onze Reynaert I, en hoe +dit bewaard is, vindt hier nu alle teksten bijeen. + + +Zwolle, Mid-winter 1920. B. H. + + + + + + + + + +Bij deze afdruk van het Dyck'se Handschrift (F.) ben ik nog +conservatiever te werk gegaan, overeenkomstig het plan van deze +uitgave, als in de eerste druk, Munster 1910; alleen is de tekst +gewijzigd waar mij toeleek duidelik een schrijffout te wezen; andere +onjuistheden, die ten dele ook komen door het "rhapsodiese" van het +werk, of opzettelike wijzigingen, of orthografiese biezonderheden, +die volgens mijn opvatting de oostelike (nederrijnse) afschrijver te +laste komen (vs 1290 hiep; vs 2330 listinge; vs 3167 balsch)--heb +ik ongewijzigd gelaten: in de noten is er hoogstens dan op gewezen +indien uit de eigenaardigheid er van iets op te maken viel voor de +te veronderstellen tekst van Willems origineel. + +Ook het uiterlik stemt overeen met de wijze waarop de medeuitgever +hs. A en E heeft bewerkt. + +Overigens verwijs ik omtrent inhoud, schrift, ouderdom en geschiedenis +van het hs. naar de voorrede van de eerste uitgave; waar ik na nogmaals +nauwkeurig nagaan, niets heb bijtevoegen of ook te wijzigen vind. + +Met enige voldoening meen ik te mogen constateren dat mijn opvatting +omtrent de verhouding van de dichters Aernout en Willem, tegenover +Muller en Franck, ingang begint te vinden. Wie evenwel deze mening +deelt, moet, zo hij consequent wil blijven, aannemen dat aan de +reconstructie van de R. zoals Willem hem vervaardigde--als men +ten minste een dergelijke opgave zonder onoplosbare vragen over te +laten, mogelik acht,--het Dyckse handschrift en niet het Comburgse +tot grondslag moet gelegd worden. Muller's critiese uitgave zal dan +wel niet meer op zijn instemming kunnen rekenen. + + +Berlijn, 1920. Degering. + + + + + + + +VAN DEN VOS REYNAERDE. + +HANDSCHRIFT A + + + VVillem, die Madoc [2] maecte, (fo. 192c i.m.) +Daer hi dicken omme waecte, +Hem vernoyde so haerde +Dat die auonture van Reynaerde +In dietsche onghemaket bleuen +(Die Willem niet heuet vulscreuen), +Dat hi die vijte van Reynaerde dede [3] soucken +Ende hise na den walschen boucken +In dietsche dus heuet begonnen. +God moete ons ziere hulpen jonnen! +Nu keert hem daer toe mijn zin +Dat ic bidde in dit beghin +Beede den dorpren enten doren, +Ofte si commen daer si horen +Dese rijme ende dese woort +(Die hem onnutte sijn ghehoort), +Dat sise laten onbescauen: +Te vele slachten si den rauen +Die emmer es al euen malsch. +Si maken sulke rijme valsch, +Daer si niet meer of ne weten (fo. 192d) +Dan ic doe hoe datsi heeten +Die nu in Babilonien leuen. +Daden si wel, si soudens begheuen. +Dat en segghic niet dor minen wille: +Mijns dichtens ware een ghestille, +Ne hads mi eene niet ghebeden +Die in groeter houesscheden +Gherne keert hare saken. +Soe bat mi dat ic soude maken +Dese auontuere van Reynaerde. +Al begripic die grongaerde +Ende die dorpren ende die doren, +Ic wille dat die ghene horen +Die gherne pleghen der eeren +Ende haren zin daer toe keeren +Datsi leuen hoofschelike, +Sijn si arem, sijn si rike, +Diet verstaen met goeden sinne. +Nu hoert hoe ic hier beghinne. + Het was in eenen tsinxen daghe, +Dat beede bosch ende haghe +Met groenen loueren waren beuaen. +Nobel die coninc hadde ghedaen +Sijn hof crayeren ouer al +Dat hi waende, hadde hijs gheual, +Houden ten wel groeten loue. +Doe quamen tes sconinx houe +Alle die diere, groet ende cleene, +Sonder vos Reynaert alleene. +Hi hadde te houe so vele mesdaen +Dat hire niet dorste gaen: +Die hem besculdich kent, ontsiet. +Also was Reynaerde ghesciet, +Ende hier omme scuwedi sconinx hof +Daer hi in hadde crancken lof. +Doe al dat hof versamet was, +Was daer niemen sonder die das, +Hine hadde te claghene ouer Reynaerde, +Den fellen metten grijsen baerde. + Nv gaet hier vp eene claghe. +Isingrijn ende sine maghe +Ghinghen voer den coninc staen. (fo. 193a) +Ysengrijn begonste saen +Ende sprac: 'coninc heere, +Dor hu edelheit ende dor hu eere +Ende dor recht ende dor ghenade +Ontfaerme hu miere scade +Die mi Reynaert heeft ghedaen, +Daer ic af dicken hebbe ontfaen +Groeten lachter ende verlies. +Voer al dandre ontfaerme hu dies +Dat hi mijn wijf heuet verhoert, +Ende mine kindre so mesvoert +Dat hise beseekede daer si laghen, +Datter twee noint ne saghen +Ende si worden staer-blent. +Nochtan hoendi mi sent: +Het was sint so verre comen +Datter eenen dach af was ghenomen, +Ende Reynaerd soude hebben ghedaen +Sine onsculde, ende also saen +Alse die heleghe waren brocht, +Was hi ander-sins bedocht +Ende ontfoer ons in sine veste. +Heere, dit kennen noch die beste +Die te houe zijn commen hier. +Mi heuet Reynaert, dat felle dier, +So vele te leede ghedaen, +Ic weet wel al sonder waen, +Al ware al tlaken paerkement +Datmen maket nu te Ghent, +In ne ghescreeft niet daer an. +Dies zwijghic [4] nochtan, +Ne ware mijns wiues lachter +Ne mach niet bliuen achter +No onversweghen no onghewroken.' +Doe Ysengrijn dit hadde ghesproken, +Stont vp een hondekijn, hiet Cortoys, +Ende claghede den coninc in francsoys +Hoet so arem was wijlen eere, +Dat alles goeds en hadde meere +In eenen winter, in eene vorst, +Dan alleene eene worst, +Ende hem Reynaert, die felle man, (fo. 193b) +Die selue worst stal ende nam. +Tybeert die cater die wart gram. +Aldus hi sine tale began +Ende spranc midden in den rinc +Ende seide: 'heere coninc, +Dor dat ghi Reynaerde zijt onhout, +So en es hier ionc no hout, +Hine hebbe te wroughene ieghen hu. +Dat Cortoys claghet nu +Dats ouer menich iaer ghesciet. +Die worst was mine, al en claghic niet. +Ic hadse bi miere lust ghewonnen, +Daer ic bi nachte quam gheronnen +Omme beiach in eene molen, +Daer ic die worst in hadde ghestolen +Eenen slapenden molen-man. +Hadder Cortoys yewet an, +Dan was bi niemene dan bi mi. +Hets recht dat omberecht zi +Die claghe die Cortoys doet.' + Pancer de beuer sprac: 'dinct hu goet, +Tybeert, datmen die claghe ombeere? +Reynaert es een recht mordeneere +Ende een trekere ende een dief. +Hine heeft oec niemene so lief, +No den coninc minen heere, +Hine wilde dat hi lijf ende eere +Verlore, mochtire an winnen +Een vet morzeel van eere hinnen. +VVat sechdi van eere laghe: +En dedi ghistren in den daghe +Eene die meeste ouerdaet +An Cuwaerde den hase die hier staet, +Die noyt eenich dier ghedede? +Want hi hem binnen sconinx vrede +Ende binnen des coninx gheleede +Ghelouede te leerne sinen crede +Ende soudene maken capelaen. +Doe dedine sitten gaen +Vaste tusschen sine beene. +Doe begonsten si ouer eene +Spellen ende lesen beede (fo. 193c) +Ende lude te zinghene crede. + Mi gheuiel dat ic te dien tijden +Ter seluer stede soude lijden. +Doe hoerdic haerre beeder sanc +Ende maecte daer-waert minen ganc +Met eere arde snelre vaerde. +Doe vandic daer meester Reynaerde +Die ziere lessen hadde begheuen, +Die hi te voren vp hadde gheheuen, +Ende diende van sinen houden spelen +Ende hadde Coewaerde bi der kelen +Ende soude hem thoeft af hebben ghenomen, +Waer ic hem niet te hulpen comen +Bi auontueren in dien stonden. +Siet hier noch die verssche wonden +Ende die teekine, heere coninc, +Die Coewaert van hem ontfinc. +Laetti dit bliuen onghewroken +Dat hu verde dus es te-broken, +Ghine wreket als huwe mannen wijsen, +Men saelt huwen kindren mesprijsen +Hier-naer ouer wel menich iaer.' +'Bi Gode, Pancer, ghi secht waer,' +Sprac Ysengrijn daer hi stoet, +'Heere, waer Reynaerd doot, het waer ons goet, +Also behoude mi God mijn leuen! +Ne ware wert hem dit vergheuen, +Hi sal noch hoenen binnen eere maent +Sulken dies niet ne bewaent.' + Doe spranc vp Grinbert die das, +Die Reynaerts broeder sone was, +Met eere verbolghenlike tale. +'Heere Ysengrijn, men weet dat wale +Ende hets een hout bijspel: +'Viants mont seit selden wel.' +Verstaet, neemt miere talen goem: +Ic wilde, hi hinghe an eenen boem +Bi ziere kelen als een dief, +Die andren heeft ghedaen meest grief. +Heere Ysengrijn, wildi angaen +Soendinc ende dat ontfaen, +Daer toe willic helpen gherne. (fo. 193d) +Mijn oem en saelt hem oec niet wernen. +Entie meest andren heeft mesdaen +Sal den andren in baten staen +Van minen oem ende van hu. +Al comt hi niet claghen nu, +Ware mijn oem wel te houe +Ende stonde in sconinx loue, +Heere Ysengrijn, als ghi doet, +En soude den coninc niet dincken goet +Ende ghine bleues heden onbegrepen +Dat ghi sijn vel so hebt ghenepen +So dicwile met huwen scerpen tanden, +Dat hi niet ne conde ghehanden.' + Ysengrijn sprac: 'hebdi gheleert +An huwen oem dus lieghen apeert?' +'In hebbe daeran niet gheloghen: +Ghi hebt minen oem bedroghen +Arde dicke in menegher wijsen. +Ghi mesleettene van den pladijse +Die hi hu warp van der kerren, +Doe ghi hem volghet van verren +Ende ghi die beste pladijse vp laset, +Daer ghi hu ane hadt versadet, +Ghine gaeft hem no goet no quaet, +Sonder alleene eenen pladijsen-graet, +Dat ghi hem te ieghen brocht +Dor dat ghine niet en mocht. +Sint hoendine van eenen bake +Die vet was ende van goeder smake. +Dien ghi leit in huwen muzeele. +Doe Reynaert heesschede zijn deele, +Andwoerdi hem in scerne: +'Hu deel willic hu gheuen gherne, +Reynaert, scone ionghelinc: +Die wisse daer die bake an hinc, +Becnause, so es so vet.' +Reynaerde waes lettel te bet +Dat hi den goeden bake ghewan +In sulker zorghen, dattene een man +Vinc ende warpene in sínen zac. +Dese pine ende dit onghemac +Heuet hi leden dor Ysengrijne (fo. 194a) +Ende ondert weruen meer dan ic hu rijme! + Ghi heeren, dinct hu dit ghenouch? +Nochtan om meer ongheuouch +Dat hi claghet om sijn wijf, +Die Reynaerde heuet al haer lijf +Ghemint, so doet hi hare. +Al ne makeden [5] zijt niet mare, +Ic dart wel segghen ouer waer +Dat langher es dan .vij. iaer +Dat Reynaert heuet hare trauwe. +Om dat Haersint die scone vrauwe +Dor minne ende dor quade zede +Reynaert sinen wille dede: +Wattan, so was sciere ghenesen! +Wat talen mach daer omme wesen! + Nu maket heere Cuwaert die hase +Eene claghe van eere blase. +Of hi den credo niet wel en las, +Reynaerd die zijn meester was, +Mochte hi sinen clerc niet blauwen? +Dat ware onrecht, en trauwen! +Cortoys claghet om eene worst +Die hi verloes in eene vorst. +Die claghe ware bet verholen: +Ende hoerdi datso was ghestolen? +Male quesite male perdite: +Ouer recht [6] wert men qualike quite +Datmen heuet qualic ghewonnen. +Wie sal Reynaerde dat verjonnen, +Of hi ghestolen goet ghinc an? +Niemen die recht versceeden can. + Reynaert es een gherecht man. +Sint dat die coninc sinen ban +Heuet gheboden ende sinen vrede, +So weetic wel dat hi ne dede +Dinc ne gheene, dan of hi ware +Hermite ofte clusenare. +Naest siere huut draecht hi een hare. +Binnen desen naesten jare +Sone hat hi vleesch, no wilt no tam: +Dat seidi die ghistren danen quam. +Malcroys heuet hi begheuen, (fo. 194b) +Sinen casteel, ende heuet vp heuen +Eene cluse daer hi leghet in. +Ander beiach no ander ghewin +So wanic wel dat hine heuet +Dan karitate diemen hem gheuet. +Bleec es hi ende magher van pinen, +Hongher, dorst, scerpe karijnen +Doghet hi voer sine zonden +Recht te desen seluen stonden.' + Doe Grimbert stont in dese tale, +Saghen si van berghe te dale +Canticler commen gheuaren, +Ende brochte vp eene bare +Eene doode hinne, ende hiet Coppe, +Die Reynaert hadde bi den croppe +Hoeft ende hals af ghebeten. +Dit moeste nu de coninc weten. +Canteclere quam voer de bare gaende +Sine vederen zeere slaende. +In weder-zijden van der baren +Ghinc een hane wijde mare. +Die een hane hiet Cantaert, +Daer wijlen na gheheeten waert +Vrauwe Alenten goeden hane. +Die ander hiet, na minen wane, +Die goede hane Crayant, +Die scoenste hane diemen vant +Tusschen Portaengen ende Polane. +Elker-lijc van desen hanen +Drouch [7] eene berrende stallicht +Dat lanc was ende richt. +Daer waren Coppen broeders twee, +Die riepen: 'o wy ende wee.' +Om haerre sustre Coppen doot +Dreuen si claghe ende jammer groot. +Pinte ende Sproete droughen die bare. +Hem was te moede zware +Van haerre suster die si hadden verloren. +Men mocht arde verre horen +Haerre tweer carminghe. +Dus sijn si commen int ghedinghe. +Canticler spranc in den rijnc (fo. 194c) +Ende seide: 'heere coninc, +Dor God ende dor ghenade +Nu ontfaermet miere scaden +Die mi Reynaert heeft ghedaen +Ende mine kindren, [8] die hier staen +Ende seere hebben haren onwille. +Ten in-gane van aprille, +Doe die winter was vergaen +Ende men siet die bloumen staen +Ouer al die velde groene, +Doe was ic fier ende coene +Van minen groten gheslachte. +Ic hadde jongher zonen achte +Ende jongher dochtren zeuene +Dien wel lusten te leuene, +Die mi Roede die vroede +Hadde brocht te dien broede. +Si waren alle vet ende staerc +Ende ghinghen in een scone paerc, +Dat was beloken in eenen muere. +Hier-binnen stoet eene scuere +Daer vele honden toe hoorden, +Datsi menich dier fel scoorden +Dies waren mine kindre onueruaert. +Dit benijdde dus Reynaert +Dat siere waren so vaste binnen +Dat hire ne gheen conste ghewinnen. +Want Reynaert, die felle ghebuere, +Hoe dicken ghinc hi om den muere, [9] +Ende leide om ons sine laghen. +Alsene dan die honde saghen, +Liepen si na met haerre cracht. +Eene waerf wart hi vp de gracht +Bi auontueren daer belopen, +Dat ic hem sach een deel becoepen +Sine diefte ende sinen roef, +Dat hem die pelse zeere stoef. +Nochtan quam hi bi baraten, +Dattene God moete verwaten! +Doe waer-wi zijns langhe quijte. +Sint quam hi als een hermijte, +Reynaerd, die mordadeghe dief, (fo. 194d) +Ende brochte mi zeghele ende brief +Te lesene, heere coninc, +Daer hu seghele ane hinc. + Doe ic die letteren began lesen, +Dochte mi daer an ghescreuen wesen [10] +Dat ghi haddet coninclike +Ouer alle huwen rike +Alle dieren gheboden vrede +Ende oec allen voghelen mede. +Oec brochte hi mi ander niemare +Ende seide dat hi ware +Een begheuen clusenare +Ende hi hadde ghedaen vele zware +Voer sine zonden meneghe pine. +Hi toechde mi palster ende slauine +Die hi brochte van der Elmare, +Daer onder eene scerpe hare. +Doe sprac hi: 'heere Cantecleer, +Nu mooghdi wel vor-wert meer +Van mi sonder hoede leuen. +Ic hebbe bi der stole [11] vergheuen +Al vleesch ende vleesch-smout, +Ic bem voert meer so hout, +Ic moet miere zielen telen. +Gode willic hu beuelen. +Ic ga daer ic hebbe te doene. +Ic hebbe middach ende noene +Ende priemen te segghene van den daghe. +Doe nam hi neuen eere haghe +Sinen wech, te dien ghesceede +Ghinc hi lesen sinen crede. +Ic wart blide ende onueruaert +Ende ghinc te minen kindren waert, +Ende was so wel al sonder hoede +Dat ic al met minen broede +Sonder zorghe ghinc buten muere. +Daer gheuiel mi quade auontuere, +Want Reynaert, die felle saghe, +Was ghecropen dor de haghe +Ende hadde ons die porte ondergaen. +Doe wart miere kindre saen +Een ghepronden huten ghetale, (fo. 195a) +Dat leide Reynaert in sine male. +Quade auontuere mi doe nakede. +Want sint dat hise smakede +In sinen ghiereghen mont, +Ne conste ons wachtre no onse hont +No bewachten no bescaermen. +Heere, dat laet hu ontfaermen. +Reynaert leide sine laghe +Beede bi nachte ende bi daghe +Ende roefde emmer mine kindre. +So vele es tghetal nu mindre +Dant ghewone was te zine, +Dat die .xv. kindre mine +Sijn ghedeghen al tote vieren. +So zuuer heefse die onghiere +Reynaert in sinen mont verslonden. +Noch ghistren wart hem metten honden +Ontjaghet Coppe die mare +Die hier leghet vp dese bare. +Dit claghic hu met groeten zeere: +Ontfaremt hu mijns, wel soete heere!' + Die coninc sprac: 'Grimbeert die das, +Hu oem die clusenare was, +Hi heuet ghedaen so goede carine, +Leuic een jaer, het sal hem scinen! +Nu hoert hier, Canticleer, +Wat sal der talen meer? +Hu dochter leghet al hier versleghen. +God moet haerre zielen pleghen +Wine moghense niet langher houden +(God moeter al ghewouden) +Ende sullen onse vygelyen zinghen. +Daer na sullen wise bringhen, +Den lichame, ter eerden met eeren. +Dan sullen wi met desen heeren +Ons beraden ende bespreken +Hoe wi ons best ghewreken +An Reynaerde dese moort.' +Doe hi ghesprac deze woort, +Beual hi ionghe ende houden +Datsi vygelyen zinghen souden. + Dat hi gheboet was sciere ghedaen. (fo. 195b) +Doe mochtemen horen ane slaen +Ende beghinnen harde ho +Dat placebo domino +Ende die verse die daer toe horen. +Ic seit oec in waren worden, +Ne ware oec tware [12] ons te lanc, +Wie daer der zielen vers zanc +Ende wie die zielen-lesse las. +Doe die vygelyen ghehent was, +Doe leidemen Coppen in dat graf +Dat bi engiene ghemaect was +Onder die linde in een gras, +Van maerber-steene slecht [13] was +Die saerc die daer vp lach. +Die letteren, diemen daer an sach, [14] +Deden [15] an tgraf bekinnen +Wie daer lach begrauen binnen. +Dus spraken die bouc-staue +An den zaerc vp den graue: +'Hier leghet Coppe begrauen +Die so wale conste scrauen, +Die Reynaert die vos verbeet +Ende haren gheslachte was te wreet'. +Nv leghet Coppe onder mouden. +Die coninc sprac tsinen houden +Datsi hem alle bespraken +Hoe si alre best ghewraken +Dese groete ouerdade. +Doe waren si alle te rade +Datsi daer den coninc rieden +Dat hine dan soude ombieden +Dat hi te houe soude comen, +No dor scaden no dor vromen +Ne lette, hine quame int ghedinghe, +Ende men Brune van dien dinghe +Die bodscap soude laden. +Dies was die coninc sciere beraden +Dat hi dus sprac te Bruun den beere: +Heere Bruun, dit segghic voer dit heere +Dat ghi dese bodscap doet. +Oec biddic hu dat ghi zijt vroet, +Dat ghi hu wacht van baraet. (fo. 195c) +Reynaert es fel ende quaet: +Hi sal hu smeeken ende lieghen, +Mach hi, hi sal hu bedrieghen +Met valschen woorden ende met sconen, +Mach hi, bi Gode, hi sal hu honen.' +'Heere,' seit hi, 'laet hu castyen, +So moete mi God vermalendyen, +Of mi Reynaert so sal honen, +Inne saelt hem weder lonen +Dat hijs an den dulsten zi. +Nu ne zorghet niet om mi.' +Nu neemt hi orlof ende hi sal naken +Daer hi zeere sal mesraken. + Nv es Brune vp die vaert +Ende heuet in ziere herten onwaert +Ende het dochte hem ouer-daet +Dat yement soude sijn so quaet +Ende dat hem Reynaert hoenen soude. +Dor den keer van eenen woude +Quam hi gheloepen dor eene wostine, +Daer Reynaert hadde de pade sine +Ghesleghen crom ende menichfoude, +Also als hi huten woude +Hadde gheloepen om sijn beiach. +Beneden der woestinen lach +Een berch oech ende lanc, +Daer moeste Bruun sinen ganc +Te middewaerde ouer maken, +Sal hi te Manpertus gheraken. +Reynaerd hadde so menich huus, +Maer die casteel Manpertus +Dat was die beste van sinen borghen. +Daer trac hi in, als hi in zorghen +Ende in noede was beuaen. +Nu es Brune die beere ghegaen +Dat hi te Manpertuus es comen, +Daer hi de porte heuet vernomen +Daer Reynaerd hute plach te gane, +Doe ghinc hi voer die barbecane +Sitten ouer sinen staert +Ende sprac: 'sidi in huus, Reynaert? +Ic bem Bruun, des coninx bode. (fo. 195d) +Die heuet ghezworen bi sinen gode: +Ne comdi niet ten ghedinghe +Ende ic hu niet voer mi bringhe, +Recht te nemene ende te gheuene +Ende in vreden voert te leuene, +Hi doet hu breken ende raden. +Reynaerd, doet dat ic hu rade +Ende gaet met mi te houe waert.' +Dit verhoerde al nu Reynaert +Die voer sine poerte lach, +Daer hi vele te ligghene plach +Dor waremhede van der zonnen. +Bi der tale die Bruun heeft begonnen, +Bekenden alte-hant Reynaert +Ende tart bet te dale waert +In sine donckerste haghedochte. +Menichfout was zijn ghedochte +Hoe hi vonde sulken raet +Daer hi Bruun, den fellen vraet, +Te scherne mede mochte driuen +Ende selue bi ziere eeren bliuen. + Doe sprac Reynaert ouer lanc: +'Huwes goets raets hebbet danc, +Heere Bruun, wel soete vrient. +Hi heuet hu qualic ghedient +Die hu beriet desen ganc, +Ende hu desen berch lanc +Ouer te loepene dede bestaen. +Ic soude te houe sijn ghegaen, +Al haddet ghi mi niet gheraden. +Maer mi es den buuc so gheladen +Ende in so vter-maten wijse +Met eere vremder nieuwer spise: +Ic vruchte in sal niet moghen gaen. +Inne mach sitten no ghestaen, +Ic bem so vtermaten zat.' + 'Reynaert, wat haetstu, wat?' +'Heere Brune, ic hat crancke haue. +Arem man dan nes gheen graue: +Dat mooghdi bi mi wel weten. +Wi aerme liede, wi moeten heten, +Hadden wijs raet, dat wi node haten. (fo. 196a) +Goeder versscher honich-raten +Hebbic couuer arde groet, +Die moetic heten dor den noet, +Als ic hel niet mach ghewinnen. +Nochtan als icse hebbe binnen, +Hebbicker af pine ende onghemac.' +Dit hoerde Brune ende sprac: +'Helpe, lieue vos Reynaert, +Hebdi honich dus onwaert? +Honich es een soete spijse +Die ic voer alle gherechten prijse, +Ende icse voer alle gherechten minne. +Reynaerd, helpt mi dat ics ghewinne. +Edele Reynaert, soete neve, +Also langhe als ic sal leuen +Willic hu daer omme minnen. +Reynaerd, helpt mi dat ics ghewinne.' +'Ghewinnen, Bruun? ghi hout hu spot.' +'In doe, Reynaert, so waer ic zot, +Hildic spot met hu, neen ic niet.' +Reynaert sprac: 'Bruun, mochtijs yet? +Of ghi honich moghet heten, +Bi huwer trauwen, laet mi weten: +Mochtijs yet, ic souts hu saden. +Ic saels hu so vele beraden, +Ghine hatet niet met hu tienen, +Waendic hu hulde daer-met verdienen.' +'Met mi tienen? hoe mach dat wesen? +Reynaert, hout huwen mont van desen, +Ende sijts seker ende ghewes: +Haddic al thonich dat nu es +Tusschen hier ende Portegale, +Ic haet al vp teenen male.' + Reynaerd sprac: 'Bruun, wat sechdi? +Een dorper, heet Lamfroit, woent hier bi, +Heuet honich so vele te waren, +Ghine hatet niet in .vij. jaren. +Dat soudic hu gheuen in hu ghewout, +Heere Brune, wildi mi wesen hout +Ende voer mi dinghen te houe.' +Doe quam Brune ende ghinc ghelouen +Ende sekerde Reynaerde dat: (fo. 196b) +Wildine honichs maken zat, +(Des hi cume ombiten sal) +Hi wilde wesen ouer al +Ghestade vrient ende goet gheselle. +Hier omme louch Reynaert die felle +Ende sprac: 'Bruun, heelt mare, +Verghaue God dat mi nu ware +Also bereet een goet gheual +Alse hu dit honich wesen sal, +Al wildijs hebben .vij. hamen.' +Dese woort sijn hem bequame, +Bruun, ende daden hem so sochte: +Hi louch dat hi nemmee ne mochte. +Doe peinsde Reynaerd daer hi stoet: +'Bruun, es mine auonture goet, +Ic wane hu daer noch heden laten +Daer ghi sult lachen te maten.' + Na dit peinsen ghinc Reynaert huut +Ende sprac al ouer luut: +'Oem Bruun, gheselle, willecome. +Het staet so, suldi hebben vrome, +Hier ne mach zijn gheen langher staen. +Volghet mi, ic sal voeren gaen. +Wi houden desen crommen pat. +Ghi sult noch heden werden zat, +Saelt na minen wille gaen, +Ghi sult noch heden hebben sonder waen +Also vele als ghi moghet ghedraghen.' +Reynaert meende van groten slaghen: +Dit was dat hi hem beriet. +Die keytijf Bruun ne wiste niet +Waer hem Reynaerd die tale keerde, +Die hem honich stelen leerde, +Dat hi wel seere sal becoepen. +Al sprekende quam dus gheloepen +Reynaert met sinen gheselle Brune +Tote Lamfroits bi den tune. + VVildi horen van Lamfreyde? +Dat was, eist waer [16] somen mi seide, +Een temmerman van goeden loue, +Ende hadde bi sinen houe +Eene eecke brocht huten woude (fo. 196c) +Die hi ontwee clieuen soude, +Ende hadde twee wegghen daer in ghesleghen, +Also temmermans noch pleghen. +Die eecke was ontdaen wel wijde, +Des was Reynaert arde blide. +Te Brunen sprac hi ende louch: +'Siet hier hu grote gheuouch, +Brune, ende nemet wel goem: +Hier in desen seluen boem +Es honichs vtermaten vele. +Prouft oft ghijs in huwe kele +Ende in huwen buuc moghet bringhen. +Nochtan suldi hu seluen dwinghen, +Al dincket hu goet die honich-raten, +Hetet te zeden ende te maten, +Dat ghi hu seluen niet verderuet: +Ic ware ontheert ende ontheruet, +Wel soete oem, mesquame hu yet.' +Brune sprac: 'Reynaert, ne sorghet niet. +Waendi dat ic bem onuroet? +Mate es tallen spele goet.' +'Ghi secht waer,' sprac Reynaerd, +'Waer omme bem ic oec veruaert? +Gaet toe ende crupet daer in.' +Reynaert peinsde om zijn ghewin, +Ende Brune liet hem so verdoren +Dat hi thoeft ouer die horen +Ende die twee voerdere voete in stac. +Ende Reynaert poghede dat hi brac +Die wegghen beede huter eecken: +Die daer te voren ghinc so smeeken, +Bruun bleef gheuanghen in den boem: +Nu heuet de neve sinen oem +In boesheden bracht met sulker achte, +Dat hi met liste no met crachte +In gheere wijs ne can ontgaen +Ende bi den hoefde staet gheuaen. +Wat raeddi Brunen te doene? +Dat hi was sterc ende coene +Sal hem niet ghehelpen moghen. +Hi sach wel, hi was bedroghen. +Hi began briesschen ende dulen, (fo. 196d) +Hi was ghegrepen bi zier mulen +So vaste ende bi den voeten voren: +Al dat hi pijnde was verloren, +Hine waende nemmermeer ontgaen. +Van verren was Reynaert ghestaen +Ende sach commen Lamfreyde +Die vp sinen hals brochte beide +Een scaerpe haex ende eene barde. +Hier mooghdi horen van Reynaerde +Hoe hi sinen oem ghinc rampineeren: +'Oem Brune, vaste gaet mineeren! +Hier comt Lamfroyt ende sal hu scijncken: +Haddi gheten, so souddi drincken.' + Na der talen so ghinc Reynaert +Weder te sinen casteele waert +Sonder orlof, ende mettien +Heuet Lamfroyt den beere versien, +Ende vernam dat hi was gheuaen. +Doe ne was daer gheen langher staen: +Hi liep wech metter haest +Daer hi die hulpe wiste naest, +Daer dat naeste dorp stont, +Ende dede hem allen cont +Dat daer stont gheuaen een beere. +Doe volchde hem een mekel heere. +Int dorp ne bleef man no wijf: +Den beere te nemene sijn lijf +Liept al dat loepen mochte. +Sulc was die eenen bessem brochte, +Sulc eenen vleghel, sulc een rake, +Sulc quam gheloepen met eenen stake, +So si quamen van haren werke. +Selue die pape van der kerke +Brochte eenen cruus-staf, +Die hem de coster noede gaf. +Die coster drouch eene vane +Mede te stekene ende te slane. +Des spapen wijf, vrauwe Iulocke, +Quam gheloepen met haren rocke, +Daer so omme hadde ghesponnen. +Voer hem allen quam gheronnen. +Lamfroyt met eere scerper haex. (fo. 197a) +Al hadde Brune lettel ghemaex, +Hi ontsach meer ongheual +Ende sette al ieghen al. + Doe hi dat gheruchte hoorde, +Hi spranc vp, so dat hem scorde +Van sinen aensichte al die huut. +Al brochte Brune dat hoeft huut +Met aerbeide ende met pinen, +Nochtan liet hi daer van den zinen +Eene oere ende beede sine lier. +Nye maecte God so leelic dier. +Hoe mochte hi zeerre sijn mesrocht? +Al haddi thoeft hute brocht, +Eer hi die voete conde ghewinnen, +Bleuer alle die claeuwen binnen +Ende sine twee anscoen beede. +Dus gherochte hi huut met leede. +Hoe mochte hi zijn ontheert meer? +Die voete waren hem so zeer, +Dat hi tloepen niet conste ghedoghen. +Dat bloet liep hem ouer die hoghen, +Dat hi niet wel conste ghesien. +Hine dorste bliuen no vlien. +Hi sach suut onder die zonne +Lamfroyt commen gheronnen, +Daer na die priester, die heere, +Hi quam gheloepen vele zeere, +Daer na die coster metter vane, +Daer na alle die prochiane, +Die houde lieden metten ionghen. +Daer na quam vp haren stap ghespronghen +Sulke quene, die van houden +Cume eenen tant hadde behouden. +Wie so wille wachte hem dies: +Die scade heuet of verlies +Ende groet ongheual, +Ouer hem so willet al. +Dit sceen arem man Brunen wel: +Sulc dreechdem nu an sijn vel, +Die des ghesweghen hadde stille, +Hadde Bruun ghestaen tsinen wille. + Dit was beneden eere riuiere (fo. 197b) +Dat Brune, onsalichst alre diere, [17] +Van meneghen dorper was beringhet. +Doe was daer lettel ghedinghet. +Hem naecte groet onghemac. +Die een slouch, die ander stac. +Die een slouch, die ander warp. +Lamfroyt was hem alte scaerp. [18] +Een, hiet Lottram Lanc-voet, +Hi drouch eenen verhoernden [19] cloet, +Ende stacken emmer na dat hoghe. +Vrauwe Vulmaerte scerpe loghe +Ghinckene koken met eenen staue. +Abelquac ende mijn vrauwe Baue +Laghen beede onder die voete +Ende streden beede om eene cloete. +Ludmoer metter langher nese +Drouch eenen loedwapper an een pese +Ende ghincker met al omme zwinghen. +Ludolf metten crommen vingheren +Dede hem alles te voren. +Want hi was best gheboren, +Sonder Lamfroy alleene: +Hughelijn metten crommen beene +Was zijn vader, dat weet men wale, +Ende was gheboren van Abstale, [20] +Ende was sone vrauwe Ogernen, +Eene [21] hout-makigghe van lanternen. +Ander wijf ende ander man, +Meer dan ic ghenomen can, +Daden Brunen groet onghemac, +So dat hem zijn bloet huut lac. +Brune ontfinc al sulc payment +Als hem elc gaf daer omtrent. +Die pape liet den cruus-staf +Ghedichte [22] slaen slach in slach +Ende die coster metter vane +Ghinc hem vastelike ane. +Lamfroyt quam ter seluer wijlen +Met eere scerper bijlen +Ende slouchene tusschen hals ende hoeft, +Dat Brune wart zeere verdoeft, +Dat hi verspranc van den slaghe (fo. 197c) +Tusschen der riuiere enter haghe +In eenen trop van houden wiuen +Ende warper een ghetal van viuen +In die riuiere die daer liep, +Die wel wijt was ende diep. +Des papen wijf wasser eene, +Des was spapen bliscap cleene, +Doe hi zijn wijf sach in die vliet, +Doene luste hem langher niet +Bruun te stekene no te slane. +Hi riep: 'siet, edele prochiane, +Ghindre vloot vrauwe Julocke +Beede met spillen ende met rocke. +Nu toe, die haer helpen mach! +Ic gheue hem iaer ende dach +Vul pardoen ende aflaet +Van alre sondeliker daet.' + Beede man ende wijf +Lieten den aermen keytijf +Brune ligghen ouer doot +Ende ghinghen daer die pape gheboot +Beede met stringhen ende met haken. +Die wijle datsi die vrauwe huut traken, +So quam Brune in die riuiere +Ende ontswam hem allen sciere. +Die dorperen waren alle gram: +Si saghen dat hem Brune ontswam, +Datsi hem niet mochten volghen. +Vpt touuer stonden si verbolghen +Ende ghinghen na hem rampineren. +Bruun die lach in die ryuiere +Daer hi vant den meesten stroem. +Al dryuende bat hi dat God den boem +Moeste verdrouuen ende verwaten, +Daer hi zijn hoere in hadde ghelaten +Ende beede sine lier. +Voert vloucte hi dat felle dier, +Den boesen vos Reynaerde, +Diene met sinen brunen baerde +So diepe in die eecke dede crupen, +Daer na Lamfroyt van der stupen, +Daer hi hem so leede dede. (fo. 197d) +In aldustanen ghebede +Lach Brune also langhe wijle, +Dat hi wel een halue mile +Van der stede was ghedreuen +Daer die dorpers waren bleuen. +Hi was verpijnet ende moede +Ende onder-commen van den bloede, +So dat hi hadde crancke vaert. +Doe zwam hi te lande waert +Ende croep ligghen in dat hoeuer. +Ghine saghet noint droeuer +Gheen dier no gheenen man. +Hi lach jammerlic ende stan +Ende slouch met beede sinen lancken. +Des mochte hi al Reynaerde dancken. + Nv hoert wat Reynaert heeft ghedaen. +Hi hadde een vet hoen gheuaen +Bi Lamfroyts an der heyden, +Eer hi danen was versceiden. +Hi hadt vp eenen berch ghedreghen +Verre huut allen weghen, +Daer het eenlic was ghenouch. +Dat was wel zijn gheuouch, +Dor dat daer was niemens ganc +Ende hi dor niemens bedwanc +Sine proye dorste rumen. +Doe hi dat hoen toten plumen +Hadde gheleit in sine male, +Doe ghinc hi neder te dale +Eenen verholenliken pat. +Hi was vtermaten zat. + Dat weder was scone ende heet +Hi hadde gheloepen dat hem dat zweet +Neder liep neuen die liere. +Daer omme liep hi ter riuiere, +Dor dat hi hem vercoelen soude. +In bliscap arde menichfoude +Was sijn herte doe beuaen. +Hi hopede wel al sonder waen +Dat Lamfroyt hadde den beere versleghen +Ende hine thuus-waert hadde ghedreghen. +Doe sprac hi: 'hets mi wel gheuaren. (fo. 198a) +Die mi te houe meest soude daren, +Die hebbic doot in desen daghe. +Nochtan wanic sonder claghe +Ende sonder wanconst bliuen. +Ic mach te rechte bliscap driuen.' + Doe Reynaert was in dese tale, +Sach hi neder-waert te dale +Ende vernam Bruun daer hi lach. +Enten eersten als hine sach, +Hadde hijs rauwe ende toren +(Daer die bliscap was te voren, +Daer lach nu [23] thoren ende nijt) +Ende sprac: 'vermalendijt, +Lamfroyt, moet dijn herte sijn! +Du best dulre dan een zwijn, +Lamfroyt, ergher puten sone! +Lettel eeren bestu ghewone. +Hoe es di dese beere ontgaen, +Die di te voren was gheuaen? +Hoe menich morseel leghet der-an, +Dat gherne hetet menich man. +O wy, Lamfroyt, verscrouen druut, +Hoe rikelike een beere-huut +Heefstu heden verloren, +Die di ghewonnen was te voren!' + Dit scelden heuet Reynaert ghelaten +Ende ghinc neder bi der straten +Dor te siene hoet Bruun stoet. +Doe hine sach ligghen al een bloet +Ende ziec ende onghesont, +Den aermen beere, te dier stont, +Dat sach Reynaert arde gherne, +Doe bescalt hine te sinen scherne: +'Siere priester, dieu vo saut! +Kendi Reynaert, den rybaut? +Wildine scauwen, so siettene hier, +Den roden scalc, den fellen ghier! +Seght mi, priester, soete vrient, +Bi den heere dien ghi dient, +In wat ordinen wildi hu doen, +Dat ghi draghet [24] roeden capproen? +So weder sidi abd so pryhore? (fo. 198b) +Hi ghinc hu arde na den hore +Die hu dese crune heuet bescoren. +Ghi hebt huwen top verloren, +Ghi hebt hu anscoen af ghedaen: +Ic wane, ghi wilt zinghen gaen +Van huwen complete dat ghetijde.' +Dit hoerde Brune ende wart omblijde, +Want hine const doe niet ghewreken. +Hem so dochte sijn herte breken, +Ende slouch weder in die riuiere: +Hine wilde van den fellen diere +Nemmeer hoeren die tale. +Hi liet hem neder daer te dale +Metten strome dryuen te hant +Ende ghinc ligghen vp dat zant. + Hoe sal nu Brune te houe comen? +Al mocht hem al de weerelt vromen, +Hine ghinghe niet ouer sine voete. +Hi was ghenoopt so onsoete +In die eecke, daer hi te voren +Van tween voeten hadde verloren +Alle die claeuwen ende dat vel, +Hine conste niet ghepeinsen wel +Hoe hi best ten coninc gaet. +Nu hoert hoe hi die vaert bestaet. +Hi zat ouer sine hamen +Ende began met groter scamen +Rutsen ouer sinen staert, +Ende als hi dus moede waert +So wentelde hi dan eene wile. +Dus dreef hi meer dan eene mile, +Eer hi tes coninx houe quam. +Doemen Brune vernam +In derre wijs van verren comen, +Wart ghetwifelt van hem zomen +Wat daer quam ghewentelt zoe. +Dien coninc wart de herte onvroe, +Die Brune bekende te hant, +Ende seide: 'dit es mijn seriant +Brune, hem es dat hoeft so roet: +Hi es ghewont toter doot. +Ay God, wie heeftene so mesmaect?' (fo. 198c) +Binnen desen so was Brune ghenaect, +Dat hi den coninc claghen mochte. +Hi stan ende versuchte onzochte +Ende sprac: 'coninc, edel heere, +Wreket mi dor hu selues eere +Ouer Reynaerde, dat felle dier, [25] +Die mi mine scone lier +Met ziere lust verliesen dede +Ende daer toe mine hoere [26] mede, +Ende heuet mi ghemaect als ghi siet.' +Die coninc sprac: 'of ic dit niet +Ne wreke, so moetic zijn verdoomt!' +Ende hier na so heuet hi ghenoomt +Alle die hoechste bi namen, +Ende ontboet datsi quamen +Alle gader an sinen raet. +Doe rieden si hoe dese daet +Best werde gherecht tes conincs eere. +Doe rieden die meeste heeren +Dat menne twee weruen daghen soude, +Reynaerde, of die coninc woude, +Ende horen tale ende weder-tale. +Oec seiden si, si wilden wale +Dat Tybeert die cater van desen +Tote Reynaerde bode soude wesen: +Al ware hi cranc, hi ware vroet. +Dese raet dinct den coninc goet. +Doe sprac die coninc: 'heere Tybeert, +Gaet wech, eer ghi weder keert +Besiet dat Reynaert met hu come. +Dese heeren segghen some, +Al es Reynaert andren dieren fel, +Hi gheloeuet hu so wel +Dat hi gherne doet huwen raet. +Ne comt hi niet, hets hem quaet: +Men salne drie weruen daghen, +Te lachtre alle sinen maghen. +Gaet Tybeert, dit secht hem.' +'Ay heere,' sprac Tybeert: 'ic bem +Een arem wicht, een cleene dier. +Heere Brune, die staerc was ende fier, +Ne conste Reynaert niet ghewinnen: (fo. 198d) +In welker wijs salics beghinnen?' +Doe sprac die coninc: 'heere Tybeert, +Ghi zijt wijs ende wel gheleert, +Al sidi niet groet, nochtan +Hets menich die met luste can +Dat werken ende met goeden rade, +Dat hi met crachte niet ne dade. +Gaet, doet sciere mijn ghebod.' +Tybeert sprac: 'nu helpe mi God +Dat het mi moete wel vergaen. +Ic sal eene vaert bestaen +Die mi doet zwaer in minen moet. +God gheuere mi af al goet!' + Nv moet Tybeert doen die vaert, +Die zeere es drouue ende veruaert. +Ende als hi vp den wech quam, +Sach hi van verren ende vernam +Sente Martins voghel, ende quam gheuloghen. +Doe wart Tybeert vroe ende in hoghen +Ende riep an sente Martins voghel: +'Kere haerwaert dinen vloghel. [27] +Nu vliech te miere rechter hant.' +Die voghel vloech daer hi vant +Een haghe, daer hi in wilde lijden, +Ende vloech Tybeert ter luchter zijden. +Dit teekin ende dit ghemoet +Dochte Tybeert niet wesen goet. +Hadde hi ghesien den voghel lijden +Scone ter rechter zijden, +So waende hi hebben goet gheual. +Nu was hi dies onthopet al. +Nochtan maecte hi hem seluen moet, +Ende gheliet hem, als menich doet, +Bet dan hem te moede was: +Dus liep hi henen sinen pas, +Tes hi quam te Manpertus +Ende vant Reynaerde in zijn huus +Alleene staen verweendelike. +Tybeert sprac: 'God die rike +Moete hu goeden auont gheuen. +Die coninc dreecht hu an hu leuen, +Ne comdi niet te houe met mi.' +Reynaert sprac: 'Tybeert, helet vry, (fo. 199a) +Neue, ghi zijt mi willecome. +God gheue hu eere ende vrome. +Bi Gode, dat jan ic hu wale!' +Wat coste Reynaerde scone tale? +Al seghet sine tonghe wale, +Sine herte die es binnen fel. +Dit wert Tybeerde ghetoghet wel, +Eer die lijne wert ghelesen +Ten hende. Ende met desen [28] +Sprac Reynaert: 'neve, ic wille dat ghi +Tauont herberghe hebt met mi, +Ende morghen willen wi metten daghe +Te houe waert sonder saghe. +In hebbe oec onder alle mine maghe +Niement, Tybeert, daer ic mi nu +Bet vp verlate dan vp hu. +Hier was commen Bruun de vraet. [29] +Hi toechde mi so fel ghelaet +Ende dochte mi so ouer-staerc, +Dat ic omme dusent maerc +Den wech met hem niet hadde bestaen. +Dat sal ic met hu, al sonder waen, +Maerghin metter dagheraet.' +Tybeert sprac: 'hets beteren raet +Ende het dinct mi beter ghedaen, +Dat wi nochtauont te houe gaen +Dan wi tote morghin beiden. +Die mane scijnet an der heiden +Also claer alse die dach. +Ic wane niemen ne sach +Beter tijt tote onser vaert.' +'Neen, lieue neve,' sprac Reynaert, +'Sulc mochte ons daer ghemoeten, +Hi soude ons quedden ende groeten, +Die ons nemmermee dade goet, +Quame hi snachts in ons ghemoet. +Ghi moet herberghen tauont met mi'. +Tybeert sprac: 'wat souden wy +Eten, Reynaert, of ic hier bleue?' +'Daer omme zorghe ic, lieue neve, +Hier es der spijsen quaden tijt. +Ghi mocht heten, begheerdijt, (fo. 199b) +Een stic van eere honich-raten +Die bequamelic es vtermaten. +Wat sechdi, moochdi shonichs yet.' +Tybeert sprac: 'mine roukes niet. +Reynaert, hebdi niet in huus? +Gauedi mi eene vette muus, +Daer mede lietic hu ghewaert.' +'Eene vette muus?' sprac Reynaert, +'Soete Tybeert, wat secht-di? +Hier woent noch een pape bi, +Een scuere staet noch an sijn huus, +Daer in es meneghe vette muus: +Ic waense niet ghedroughe een waghen. +So dicken hoere ic den pape claghen +Dat sine dryuen huten huuse.' +'Reynaert, zijn daer so vette muse? +Verghaue God, waer ic nu daer!' +'Tybeert', seit hi, 'sechdi waer? +Wildi muse?' 'Of icse wille? +Reynaert, doet dies een ghestille: +Ic minne muse voer alle saken. +Weetti niet dat muse smaken +Bet dan eenich venisoen? +Wildi minen wille doen, +Dat ghi mi leet daer si zijn, +Daer mede mochti die hulde mijn +Hebben, al haddi minen vadre +Doot ende mijn gheslachte al gadre.' + Reynaert sprac: 'neve, houddi hu spot?' +'Neenic, Reynaert, also helpe mi God!' +'Weet God, Tybeert, wistic dat, +Ghi soutter sijn nochtauont sat.' +'Sat, Reynaert, dat ware vele.' +'Tybeert, dat sechdi thuwen spele.' +'In doe, Reynaert, bi miere wet. +Haddic een muus ende waer so vet, +In gaefse niet omme eenen busant.' +'Tybeert, gaet met mi te hant. +Ic leede hu daer ter seluer stat, +Daer icker hu sal maken zat, +Eer ic nemmermeer van hu sceede.' +'Ia ic, Reynaert, vp die gheleede (fo. 199c) +Ghinghe ic met hu te Mompelier.' +'So gaen wi dan, wi sijn hier +Al te langhe,' sprac Reynaert. +Doe so namen si vp die vaert, +Tybeert ende sijn oem Reynaert, +Ende liepen daer si loepen wilden, +Datsi nye toghel vp hilden, +Eer si quamen tes papen scuere, +Die met eenen erdinen muere +Al omme ende omme was beloken, +Daer Reynaert in was te-broken +Des ander daghes daer te voren, +Doe die pape hadde verloren +Eenen hane, die hi hem nam. +Hier omme was tornich ende gram +Des papen sone Martinet, +Ende hadde voer dat gat gheset +Een strec den vos mede te vane: +Dus gherne wrake hi den hane. +Dit wiste Reynaert, dat felle dier, +Ende sprac: 'neue Tybeert, hier +Crupet in dit selue gat. +Ne weset trage no lat. +Gaet al omme ende omme gripen. +Hoert hoe die muse pipen. +Keert weder huut als ghi zijt sat. +Ic sal hier bliuen voer dit gat +Ende sal hu hier buten beiden: +Wine moghen niet tauont sceiden, +Morghin gaen wi te houe waert. +Tybeert, siet dat ghi niet en spaert. +Gaet heten, ende laet ons keeren +Te miere herberghen met eeren. +Mijn wijf sal ons wel ontfaen.' +'Willic te desen gate in gaen? +Wat sechdi, Reynaert, eist hu raet? +Die papen connen vele baraet: +Ic besteecse arde noode.' +'O wy, Tybeert, twi sidi bloode? +Wanen quam huwer herten desen wanc?' +Tybeert scaemde hem ende spranc +Daer hi vant groet ongherec: (fo. 199d) +Want eer hijt wiste, was hem een strec +Omme sinen hals arde vast. +Dus hoende Reynaert sinen gast. +Alse Tybeert gheware wart +Des strecs, wart hi veruaert +Ende spranc voert: dat strec liep toe. +Tybeert moeste roupen doe +Ende wroughede hem seluen dor den noot. +Hi makede een gheroup so groot +Met eenen iammerliken ghelate, +Dat Reynaert hoerde vp der strate +Buten, daer hi alleene stoet, +Ende riep: 'vindise goet +Die muse, Tybeert, ende vet? +Wiste nu dat Martinet +Dat ghi ter taflen satet +Ende dit wiltbraet dus hatet, +Dat ghi verteert, in weet hoe, +Hi sauder hu saeuse maken toe: +So houesch een cnape es Martinet. +Tybeert, ghi singhet in lanc so bet. +Pleecht men tes coninx houe des? +Verghaue God, die gheweldich es, +Dat, Tybeert, daer met hu ware +Ysingrijn, die mordenare, +In sulker bliscap als ghi zijt!' +Dus heeft Reynaert groot delijt +Dor Tybeerts ongheual. +Ende Tybeert stont ende ghal +So lude, dat Martinet ontspranc. +Martinet riep: 'ha ha, God danc! +Ter goeder tijt heeft nu ghestaen +Mijn strec: ic hebber met gheuaen +Den hoenre-dief, na minen wane, +Nu toe! ghelden wi hem den hane!' + Met desen wart hi toten viere +Ende ontstac eenen stroe-wisch sciere +Ende wecte moedre ende vadre +Ende die kindre alle gadre, +Ende riep: 'nu toe! hi es gheuaen.' +Doe mochtemen sien porren saen +Alle die in dien huus waren. (fo. 200a) +Selue die pape ne wilde niet sparen, +Quam hute sinen bedde moeder-naect. +Martinet hi was gheraect +Tote Tybeert ende riep: 'hijs hier.' +Die pape spranc an dat vier +Ende ghegreep zijns wijfs rocke. +Een offer-keersse nam vrauwe Iulocke +Ende ontstacse metter haest. +Die pape liep Tybeert naest +Ende ghincken metten rocke slaen. +Doe moeste Tybeert daer ontfaen +Wel meneghen slach al in een. +Die pape stont, als hem wel sceen, +Al naect, ende slouch slach in slach +Vp Tybeert, die voer hem lach. +Daer ne spaerdene haer ne gheen. +Martinet ghegreep eenen steen +Ende warp Tybeert een hoghe huut. +Die pape stont al bloeter huut +Ende hief vp eenen groeten slach. +Alse Tybeert dat ghesach, +Dat hi emmer steruen soude, +Doe dedi een deel als die boude, +Dat dien pape verghinc te scanden. +Beede met claeuwen ende met tanden +Dedi hem pant, alsoet wel scheen, +Ende spranc dien pape tusschen die been, +In die burse al sonder naet, +Daermen dien beyaert mede slaet. +Dat dinc viel neder vp den vloer. +Die vrauwe was zeerich ende zwoer +Bi der zielen van haren vader, +Sine wilde wel om al gader +Die offerande van eenen jare, +Dat niet den pape gheuallen ware +Dit vernoy ende dese scame. +So sprac: 'int-sleets duuels name +Moete dit strec sijn gheset! +Siet, lieue neve Martinet, +Dit was van huwes vader ghewande, +Siet hier mijn scade ende mijn scande, +Emmermeer voert in allen stonden, (fo. 200b) +Al ghenase hi van der wonden, +Hi bliuet den soeten spele mat.' +Reynaert stont noch doe voer tgat. + Doe hi dese tale hoerde, +Hi louch dat hem bachten scorde +Ende hem crakede die tauerne. +Doe sprac hi te sinen scherne: +'Swijghet, Iulocke, soete vrauwe, +Ende laet zijncken desen rauwe +Ende laet bliuen huwen toren. +Wattan? al heuet hu heere verloren +Eenen van den clippelen zinen, +Al te meer [30] so sal hi pinen. +Laet bliuen dese tale achtre: +Gheneset de pape, en es gheen lachtre +Dat hi ludet met eere clocken.' +Dus troeste Reynaert vrauwe Iulocken, +Die haer arde zeere mesliet. +Die pape mochte langher niet +Ghestaen, hi viel in ommacht. +Doe hiefsene vp met haerre cracht +Ende drouchene recht te bedde waert. +Hier-binnen keerde Reynaert +Alleene ter herberghen waert, +Ende liet Tybeert zeere veruaert +Ende in zorghen van der doot. +Al was Tybeerts zorghe groet, +Doe hise alle onledich sach +Ouer dien pape, die daer lach +Ghewont, doe ghinc hi hem pinen, +So dat hi metten tanden zine +Die pese midden beet ontwee. +Doe ne wildi letten nemmee +Ende spranc weder hute ten gate +Ende dede hem vp die rechte strate, +Die tes conincx waert ghelach. +Eer hi daer quam so waest dach +Ende die zonne begonste rijsen. +In eens arems ziecs wijsen +Quam Tybeert in thof gheronnen, +Die tes papen hadde ghewonnen +Dat hi langhe claghen mach. (fo. 200c) +Alse die coninc dit versach +Dat hi hadde dat hoeghe verloren, +Doe mochtemen vreeselike horen +Den coninc dreeghen den dief Reynaert. +Die coninc doe niet langher ne spaert. +Hine riep sine baroene te rade +Ende vraechde wat hi best dade +Ieghen Reynaerts ouerdaet? +Doe wart ghindre menich raet +Hoemen Reynaert ter redenen brochte, +Die dese ouerdaet wrochte. + Doe sprac Grimbeert die das, +Die Reynaerts broeder sone was: +'Ghi heeren, ghi hebt meneghen raet. +Al ware mijn oem noch also quaet, +Salmen vry recht voert draghen, +Men salne drie waeruen daghen, +Alsomen doet eenen vryen man. +Ende en comt hi niet dan, +So es hi sculdich alre dinc, +Daer hi af voer den coninc +Van desen heeren es beclaghet.' +'Wie wildi, Grimbert, dattene daghet?' +Sprac de coninc, 'wie es hier, +Die sijn hoeghe ofte sijn lier +Wille setten in auontueren +Omme eene felle creatuere? +Ic wane hier nimene en es so zot!' +Grimbert sprac: 'so helpe mi God! +Siet mi hier, ic bem so coene +Dat ic wel dar bestaen te doene +Dese bodscap, ghebiedijt.' +'Grimbeert, gaet wech ende zijt +Vroet ende wacht hu ieghen mesval.' +Grimbert sprac: 'coninc heere, ic sal.' +Dvs gaet Grimbert te Manpertuus. +Als hire quam, vant hi in huus +Sinen oem ende vrauwe Ermelijnen, +Die bi haren welpekijnen +Laghen in die haghedochte. +Ende ten eersten dat Grimbeert mochte, +Groette hi sinen oem ende ziere moyen. (fo. 200d) +Hi sprac: 'en sal hu niet vernoyen +Des onrechts, daer ghi in zijt? +Dincket hu noch niet wesen tijt +Dat ghi trect, oem Reynaert, +Tote des conincs houe waert, +Daer ghi wel zeere zijt beclaghet? +Ghi zijt .iij. waeruen ghedaghet. +Vermerrendi maerghin den dach, +So zorghic dat hu ne mach +Ne gheene ghenade me ghescien. +Ghi sult in den derden daghe sien +Huwen casteel bestormen, Manpertuus. +Ghi sult gherecht sien voer hu huus +Eene galghe ofte een rat. +Ouer waer segghic hu dat: +Beede hu kindre ende hu wijf +Sullen verliesen haer lijf +Lachterlike, al sonder waen. +Ghine moghet selue niet ontgaen. +Daer omme es hu de beste raet +Dat ghi met mi te houe gaet. +Hets messelic hoet gheuallen mach: +Hu es dicken vp eenen dach +Vremder auontueren gheuallen, +Dan ghi noch quite van hem allen +Met des conincx orloue +Maerghin sciet huten houe.' + Reynaert seide: 'ghi secht waer. +Nochtan, Grimbeert, comme ic daer +Onder des conincs ghesinde, +Dat ic binnen den houe vinde +Es vp mi verbolghen al. +Quame ic danen, het ware gheual. +Nochtan dinct mi beter wesen +(Ghenese of ic mach ghenesen) +Dat ic met hu te houe vare +Dan het al verloren ware, +Casteel, kindre ende wijf, +Ende daer toe mijns selues lijf. +In mach den coninc niet ontgaen. +Alse ghi wilt, so willic gaen. +Hoert,' seit hi, 'vrauwe Hermelijne, (fo. 201a) +Ic beuele hu die kindre mine, +Dat ghire wale pleghet nu. +Voer alle dandre beuelic hu +Minen zone Reynaerdine. +Hem staen wel de gaerneline [31] +In zine muulkine ouer al. +Ic hope dat hi mi slachten sal. +Hier es Rossel, een [32] scone dief! +Die hebbic nochtan harde lief, +Ja als yement sine kindre doet. +Al eist dat ic nu van hier moet, +Ic salt mi nemen arde na, +Vp dat ic mach, dat ic ontga. +Grimbeert neve, God moet hu lonen.' +Met hoofschen woorden ende met sconen +Nam Reynaert an de sine orlof +Ende ruumde sijns selues hof. +Ay hoe drouue bleef vrauwe Hermeline +Ende hare cleene welpekine. + Doe Reynaert sciet huut Manpertuus +Ende hi hof liet ende huus +Aldus omberaden staen: +Nu hoert wat Reynaert heeft ghedaen. +Teerst dat hi quam an der heyden, +Hi sprac te Grimbeerte ende zeide: +'Grimbert, scone wel soete neve, +Van zorghen suchtic ende beue. +Lieue neve, ic wille gaen +(Nu hoert mine redene saen) +Te biechten hier te di: +Hier nes ander pape bi. +Hebbic mine biechte ghedaen, +Hoe so die saken sijn vergaen, +Mine ziele sal te claerre wesen.' +Grimbeert andwoerde na desen: +'Oem, wildi te biechten gaen, +So moetti dan verlouen saen +Alle diefte ende allen roef, +Of en diet hu niet een loef.' +'Dat weetic wel,' sprac Reynaert: +'Grimbeert, nu hoert haerwaert +Ende vandet mi gheraden. +Siet, ic comme hu te ghenaden (fo. 201b) +Van alle gader miere mesdaet. [33] +Nu hoert, Grimbeert, ende verstaet: +Confiteor pater mater, +Dat ic den otter ende den cater +Ende alle diere hebbe mesdaen, +Daer af willic mi in biechten dwaen.' +Grimbert sprac: 'oem, walschedi? +Of ghi yet wilt, spreect ieghen mi +In dietsche, dat ict mach verstaen.' +Doe sprac Reynaert: "ic hebbe mesdaen +Jeghen alle diere die leuen. +Bidt Gode dat hijt mi moete vergheuen. +Ic dede minen oem Brune +Al bloedich maken sine crune. +Tybeert dede ic muse vaen, +Daer ickene zeere dede slaen, +Tes papen huus daer hi spranc int strec. [34] +Ic hebbe ghedaen groet ongherec +Canticleer ende sine kindre: +Waren si meerre ofte mindre, +Dicken makedicse los. +Dor recht beclaghet hi den vos. +Die coninc en es mi oec niet ontgaen: +Ic hebbe hem toren oec ghedaen +Ende mesprijs der coninghinne, +Datsi spade sullen verwinnen +Also vele eeren van mi. +Oec hebbic, dat segghic di, +Grimbert, mee liede bedroghen +Dan ic di soude ghesegghen moghen. +Ende Ysengrijn, dat verstaet, +Hietic oem dor baraet. +Ic maectene moonc ter Elmaren, +Daer wi beede begheuen waren: +Dat wart hem al te zeere te pinen. +Ic dede hem an die clocke-lijnen +Binden beede sine voete. +Dat luden wart hem doe so soete +Dat hijt emmer wilde leeren: +Dat verghinc hem tonneeren, +Want hi luudde so vtermaten, (fo. 201c) +Dat alle die ghinghen bi der straten, +Ende waren binnen der Elmare +Waenden dat die duuel ware +Ende liepen daer si luden hoerden. +Eer hi doe conste in corten woerden +Ghespreken: 'ic wille mi begheuen,' +Hadsi hem na ghenomen tleuen. +Sint dedic hem crune gheuen. +Hem maechs ghedincken al zijn leuen: +Dat weetic wel ouer waer. +Ic dede hem af bernen dat haer, +So dat hem die zwaerde cramp. +Sint dedic hem meerren scamp +Vp thijs, daer icken leerde visschen +Daer hi mi niet conste ontwisschen. +Hi ontfincker meneghen slach. +Sint leeddickene vp eenen dach +Tote des papen van Ambloys. [35] +In al dat lant van Vermendoys +So en woende gheen pape riker. +Die selue pape hadde eenen spijker +Daer menich vet bake in lach: +Des haddic dicken goet ghelach. +Onder dien spijker haddic een gat +Verholenlike ghemaect: in dat +Daer dedic Ysingrijn in crupen. +Daer vant hi rentvleesch in cupen +Ende baken hanghende vele. +Des vleesch dedi dor sine kele +So vele gheliden vtermaten: +Als hi weder huten gate +Waende keeren huter noet, +Hem was dien leeden buuc so groet +Dat hi beclaghede zijn ghewin. +Daer hi was commen ongherich in, +Ne condi sat [36] niet commen huut. +Ic liep, ic maecte groet gheluut +Int dorp ende maecte groet gherochte. +Nu hoert wat ic daer toe brochte. +Ic liep aldaer die pape zat +Te ziere taflen ende hat. + Die pape hadde eenen cappoen. (fo. 201d) +Dat was dat alre beste hoen +Dat men in al dat lant vant. +Hi was ghewent al toter hant. +Dien prandic in minen mont, +Voer die tafle daer hi stont, +Al daert die pape toe sach. +Doe riep die pape: 'nu vanc, [37] slach! +Helpe, wie sach dit wonder nye? +Die vos comt, daer ic toe zye, +Ende roeft mi in mijns selues [38] huus. +So helpe mi sancta spiritus, +Te wers hem dat hire quam!' +Dat tafel-mes hi vp nam +Ende stac de tafle, datso vloech +Verre bouen mi arde hoech +In midden-waerde vp den vloer. +Hi vloucte zeere ende zwoer +Ende hi riep lude: 'slach ende va!' +Ende ic voeren ende hi na. +Sijn tafel-mes haddi verheuen +Ende brochte mi ghedreuen +Vp Ysingrijn daer hi stont. +Ic hadde dat hoen in minen mont +Dat arde groet was ende zwaer. +Datso moestic laten daer, +Waest mi leet ofte lief. +Doe riep die pape: 'ay, heere dief, +Ghi moet den roef hier laten!' +Hi riep ende ic ghinc miere straten +Danen daer ic wesen woude. +Alse die pape vp heffen soude +Dat hoen, sach hi Ysingrine: +Doe naecte hem eene grote pine. + Hi warpene int hoeghe metten messe. +Den pape volchden si zesse, +Die alle met groeten stauen quamen, +Ende als si Ysingrijn vernamen +Doe maecten si een groet gheluut, +Ende die ghebuere quamen huut +Ende maecten grote niemare +Manlic andren, dat daer ware +In spapen spijker een wulf gheuaen, (fo. 202a) +Die hem seluen hadde ghedaen [39] +Bi den buke in dat gat. +Als die ghebuere ghevreescheden dat +Liepen si dat wonder bescauwen. +Al daer wart Ysingrijn te-blauwen, +So dat hem ghinc al huten spele: +Want hi ontfincker arde vele +Groete slaghe ende groete worpe. +Dus quamen die kindre van den dorpe +Ende verbonden hem die hoghen. +Het stont hem so, hi moest ghedoghen. +So zeere slouch-si ende staken +Dat sine huten gate traken +(Doe ghedoghedi vele ongheuals) +Ende bonden hem an sinen hals +Eenen steen, ende lietene gaen +Ende lietene dien [40] honden saen +Diene ghinghen bassen ende jaghen. +Oec diende men hem met groten slaghen +So langhe, dat hi gheloue was. +Doe viel hi neder vp dat gras, +Of hi ware al steen-doot. +Doe was dier kindre bliscap groot. +Ghindre was groete niemare. +Si namene ende leidene vp eene bare +Ende droughene met groten ghehuke +Ouer steene ende ouer struke. + Buten dien dorpe in eene gracht +Bleef hi ligghende al dien nacht. +Inne weet hoe hi danen voer. +Sint verweruic dat hi mi zwoer +Sine hulde een jaer al omtrent. +Dat dedi vp sulc conuent +Dat icken soude maken hoenre sat. +Doe leeddickene in eene stat, +Daer ic hem dede te verstane +Dat twee hinnen ende eenen hane +In een groet huus an eere straten +Vp eenen aenbalke saten +Recht teere valdore bi. +Daer dedic Ysingrijn bi mi +Vp dat huus clemmen bouen. (fo. 202b) +Ic seide, ic wilde hem ghelouen, +Wildi crupen in die valdore, +Dat hire soude vinden vore +Van vetten hoenren sijn gheuouch. +Ter valdore ghinc hi ende louch, +Ende croep daer in met vare +Ende began tasten haren-thare. +Hi taste, ende als hi niet en vant, +Sprac hi: 'neve, hets hier bewant +Te zorghen, ic ne vinder niet.' +Ic sprac: 'oem, wats nu ghesciet? +Cruupter een lettel bet in. +Men moet wel pijnen om ghewin. +Ic hebse wech diere saten voren.' +Dus so liet hi hem verdoren +Dat hi die hoenre te verre sochte. +Ic sach dat icken hoenen mochte, +Ende hoendene, so dat hi voer +Van daer bouen vp den vloer +Ende gaf eenen groeten val, +Datsi ontspronghen ouer al +Die in dien huse sliepen. +Die bi den viere laghen, si riepen: +Daer ware in huus sine wisten wat +Gheuallen voer dat vyer-gat. [41] +Si worden vp ende ontstaken lecht. +Doe sine daer saghen echt +Wart hi ghewont toter doot. +Ic hebben brocht in menegher noot, +Meer dan ic ghesegghen mochte. +Nochtan al dat ic nye ghewrochte +Jeghen hem, sone roucke ic niet +Zo zeere, als dat ic verriet +Vrauwe Erswenden, [42] sijn scone wijf, +Die hi lieuer hadde dan sijns selfs lijf. +God die moet mi vergheuen. +Haer dedic dat mi lieuer ware bleuen +Te doene, dant es ghedaen.' +Grimbeert sprac: 'of ghi wilt gaen +Claerliken te biechten tote mi +Ende zijn van huwen zonden vry, +So suldi spreken ombedect. (fo. 202c) +In weet waer-waert ghi dit trect: +'Ic hebbe ieghen sijn wijf mesdaen.' +Oem, dat en can ic niet verstaen, +Waer ghi dese tale keert.' +Reynaert sprac: 'neve Grimbeert, +Ware dat hoofschede groot, +Of ic hadde gheseit al bloot: +'Ic hebbe gheslapen bi miere moyen?' +Ghi zijt mijn maech: hu souts vernoyen, +Seidic eeneghe dorperheit. +Grimbeert, nu hebbic hu gheseit +Al dat mi mach ghedincken nu. +Gheeft mi aflaet, dat biddic hu, +Ende settet mi dat hu dinct goet.' +Grimbeert was wijs ende vroet +Ende brac een rijs van eere haghe +Ende gaffer mede .xl. slaghe +Ouer alle sine mesdaden. +Daer na in gherechten raden +Riet hi hem goet te wesene +Ende te wakene ende te lesene +Ende te vastene ende te vierne +Ende te weghe waert te stierne +Alle die hi buten weghe saghe: +Ende hi voert alle sine daghe +Behendelike soude gheneeren. +Hier na so dedi hem verzweeren +Beede rouen ende stelen. +Nu moet hi siere sielen telen, [43] +Reynaert, bi Grimbeerts rade, +Ende ghinc te houe vp ghenade. + Nv es die biechte ghedaen. +Die heeren hebben den wech bestaen +Tote des conincs houe waert. +Nu was buter rechter vaert, +Dien si te gane hadden begonnen, +Een pryoreit van zwarten nonnen, +Daer meneghe gans ende menich hoen, +Meneghe hinne, menich cappoen +Plaghen te weedene buten muere. +Dit wiste die felle creatuere, +Die onghetrauwe Reynaert, +Ende sprac: 'te ghenen houe waert (fo. 202d) +So leghet onse rechte strate.' +Met dusdanen barate +Leedde hi Grimbeert bi der scueren, +Daer die hoenre buten muere +Ghinghen weeden haren-thare. +Den hoenre wart Reynaert gheware. +Sine oghen begonden omme te ghane. +Buten den andren ghinc een hane, +Die arde vet was ende jonc: +Daer na gaf Reynaert eenen spronc +So dat dien hane die plumen stouen. +Grimbeert sprac: 'oem, ghi dinct mi douen! +Onsalich man, wat wildi doen? +Wildi noch om een hoen +In alle die groete zonden slaen, +Daer ghi te biechten af zijt ghegaen? +Dat moet hu wel zeere rauwen.' +Reynaert sprac: 'bi rechter trauwen, +Ic hads vergheten, lieue neve. +Bidt Gode dat hijt mi vergheue! +Het ne ghesciet mi nemmermeer.' +Doe daden si eenen wederkeer +Ouer eene smale brugghe. +Hoe dicken sach Reynaert achter rugghe +Weder daer die hoenre ghinghen! +Hine conste hem niet bedwinghen +Hine moeste ziere zeden pleghen: +Al haddemen hem thoeft af ghesleghen, +Het ware ten hoenren waert gheuloghen, +Also verre alst hadde ghemoghen. +Grimbeert sach dit ghelaet +Ende seide: 'onreyne vraet, +Dat hu dat hoghe so omme gaet!' +Reynaert andwoerde: 'ghi doet quaet +Dat ghi mine herte so versmaert [44] +Ende mine bede dus verstorbeert. +Laet mi doch lesen .ij. pater nooster, +Der hoenre zielen van den cloester +Ende den gansen te ghenaden, +Die ic dicken hebbe verraden, +Die ic [45] desen heleghen nonnen +Met miere lust af hebbe ghewonnen.' +Grimbeert balch, ne waer Reynaert (fo. 203a) +Hadde emmer zine oghen achterwaert, +Tes si quamen ter rechter straten. +Doe began hem drouue ghelaten +Ende arde zeere beefde Reynaert +(Daer keerde-si te houe waert), +Doe hi began den houe naken, +Daer hi waende seere mesraken. + Doe in sconinx hof was vernomen +Dat Reynaert ware te houe comen +Met Grimbeerde den das, +Ic wane daer niemene ne was +So arem no van so crancken maghen, +Hine ghereedde hem vp een claghen: +Dit was al ieghen Reynaerde. +Nochtan dedi als die onueruaerde, +Hoe so hem te moede was, +Ende hi sprac te Grimbeerte den das: +'Leedet ons die hoechste strate.' +Reynaerd ghinc in dien ghelate +Ende in also bouden ghebare, +Ghelijc of hi sconinx sone ware +Ende hi niet en hadde mesdaen. +Boudeliken ghinc hi staen +Voer Nobele dien coninc, +Ende sprac: 'God, die alle dinc +Gheboet, hi gheue hu, coninc heere, +Langhe bliscap ende eere! +Ic groet hu, coninc, ende hebbe recht. +En hadde nye coninc eenen knecht +So ghetrauwe ieghen hem +Als ic oyt was ende bem: +Dat es dicken worden anschijn. +Nochtan die sulke die hier zijn +Souden [46] mi nochtan gherne rouen +Huwer hulden, wilde ghi hem ghelouen. +Maer neen ghi niet: God moete hu lonen! +Het en betaemt niet der cronen +Datsi den scalken ende den fellen +Te lichte ghelouen datsi vertellen. +Nochtan willics Gode claghen: +Dier es te vele in onsen daghen, +Der scalke, die wroughen connen, (fo. 203b) +Die niet ter rechter hant hebben ghewonnen +Ouer al in rike houe: +Dien salmen niet ghelouen. +Die scalcheit es hem binnen gheboren, +Datsi den goeden lieden doen toren: +Dat wreke God vp haer leuen, +Ende moete hem eewelike gheuen +Al sulken loen als si zijn waert!' +Die coninc sprac: 'o wy, Reynaert, +O wy, Reynaert, onreyne quaet, +Wat condi al scone ghelaet! +Dat en can hu niet ghehelpen een caf. +Nu comt huwes smeekens af. +In werde bi smeekene niet hu vrient. +Hets waer, ghi sout mi hebben ghedient +Van eere saken in den woude, +Daer ghi qualic in hebt ghehouden +Die eede, die ic hadde ghezworen.' +'O wy, wat hebbic al verloren,' +Sprac Canticleer die daer stont. +Die coninc sprac: 'hout huwen mont, +Heere Canticleer, nu laet mi spreken, +Laet mi antwoerden sinen treken. + Ay, heere dief Reynaert, +Dat ghi mi lief hebt ende waert, +Dat hebdi sonder huwe pine +Mine boden laten anschine: +Arem man Tybeert, heere Brune, +Die noch bloedich es zijn crune. +Ic ne sal hu niet scelden: +Ic waent hu kele sal ontghelden +Noch heden al vp eene wijle.' +'Nomine patrum christum filye!' +Sprac Reynaert, 'of mijn heere Brune +Noch al bloedich es die crune, +Was hi te-blauwen of versproken: +Waer hi goet, hi ware ghewroken, +Eer hi noint vloe int water. +Bander zijde Tybeert die cater, +Dien ic herberghede ende ontfinc, +Of hi hute om stelen ghinc +Tes papen, sonder minen raet, (fo. 203c) +Ende hem die pape dede quaet: +Bi Gode, soudic dat ontghelden, +So mochtic mijn gheluc wel scelden.' +Voert sprac Reynaert: 'coninc Lyoen, +Wien twifelt des, ghine moghet doen +Dat ghi ghebiet ouer mi? +Hoe groot mine sake [47] zi, +Ghi moghet mi vromen ende scaden. +Wildi mi zieden ofte braden +Ofte hanghen ofte blenden, +Ic ne mach hu niet ontwenden. +Alle diere zijn in hu bedwanc. +Ghi zijt groet ende ic bem cranc, +Mine hulp es cleene ende dhuwe groet: +Bi Gode, al slouchdi mi doot, +Dat ware eene crancke wrake, +Recht in dese selue sprake.' + Doe spranc vp Belin de ram +Ende sine hye, die met hem quam, +Dat was dame Hawy. +Belin sprac: 'ga wy +Alle voert met onser claghen!' +Bruun spranc vp met sinen maghen, +Ende Tybeert die felle, +Ende Ysingrijn sijn gheselle, +Forcondet dat euer-zwijn +Ende die rauen Tyecelijn, [48] +Pancer die beuer, ooc [49] Bruneel, +Dat water-var, dat butseel, +Ende dat een-coren, heere Rosseel, +Dieweline, die vrauwe fine, +(Cantecleer ende die kindre zine +Makeden groten vederslach), +Dat foret Cleene-beiach: +Liepen alle in dese scare. +Alle dese ghinghen openbare +Voer haren heere, den coninc, staen +Ende daden Reynaerde vaen. + Nv ghinct ghindre vp een playdieren. +Nye hoerde man van dieren +So scone tale, als nu es hier +Tusschen Reynaerde ende dandre dier, (fo. 203d) +Voert bringhen, diemen brochte daer, +Het ware mi pijnlic ende zwaer, +Daer omme corte ic hu de woort. +Die beste redenen ghinghen daer voort, +Die claghen, die de dieren ontbonden, +Proufden si met goeden orconden, +Als si sculdich waren te doene. +Die coninc dreef die hoeghe baroene +Te vonnesse van Reynaerts saken. +Doe wijsden si datmen soude maken +Eene galghe sterc ende vast, +Ende men Reynaerde, den fellen gast, +Daer an hinghe bi ziere kelen. +Nu gaet Reynaerde al huten spele. + Doe Reynaert verordeelt was, +Orlof nam Grimbeert die das +Met Reynaerts naeste maghen. +Sine consten niet verdraghen +No sine consten niet ghedoghen, +Datmen Reynaerde voer haren oghen +Soude hanghen alse eenen dief. +Nochtan waest hem somen lief. +Die coninc hi was arde vroet: +Doe hi mercte ende verstoet, +Datso menich ionghelinc +Met Grimbeerte huten houe ghinc, +Die Reynaerde na bestoet, +Doe peinsdi in sinen moet: +'Hier mach in loepen andren raet. +Al es Reynaert selue quaet, +Hi heuet meneghen goeden maech.' +Doe sprac hi: 'twi sidi traech, +Ysingrijn ende heere Bruun? +Reynaerde es cont menich tuun, +Ende hets den auonde bi: +Hier es Reynaert, ontsprinct hi, +Comt hi .iij. voete huter noot, +Sinen lust die es so groot, +Ende hi weet so meneghen keer, +Hine wert ghevanghen tsiaermeer. +Salmen hanghen, twine doetment dan? +Eer men nu ghereeden can (fo. 204a) +Eene galghe, so eist nacht.' +Ysingrijn was wel bedacht +Ende sprac: 'hier es een galghe bi.' +Ende mettien woerde versuchte hi. + Doe sprac die cater, heere Tybeert: +'Heere Ysingrijn, hu es verzeert +Hu herte, in wancans [50] hu niet. +Nochtan Reynaert diet al beriet +Ende selue mede ghinc, +Daermen huwe twee broeders hinc, +Rumen ende Wijde-lancken: +Hets tijt, wildijs hem dancken. +Waerdi goet, het ware ghedaen, +Hine ware noch niet onuerdaen. +Ysingrijn sprac tote Tybeert: +'Wat ghi ons al gader leert! +Ne ghebrake ons niet een strop, +Langhe heden wist zijn crop +Wat zijn achter-hende mochte weghen! +Reynaerd, die langhe hadde ghesweghen, +Sprac: 'ghi heeren, cort mine pine. +Tybeert heeft eene vaste lijne +Die hi beiaghede an sine kele, +Daer hi vernoys hadde vele, +Int huus daer hi den pape beet, +Die voer hem stont al sonder cleet. +Her Ysingrijn, nu maect hu voren. +Ende sidi nu daer toe vercoren, +Ende ghi Brune, dat ghi sult dooden +Reynaert, huwen neve, den fellen roden!' +Doe so sprac die coninc saen: +'Doet Tybeerte mede gaen: +Hi mach clemmen, hi mach de lijne +Vp draghen sonder huwe pijne. +Tybeert, gaet voren ende maect ghereet. +Dat ghi yet let, dats mi leet!' +Doe sprac Ysingrijn tote Brune: +'So helpe mi de cloester-crune +Die bouen vp mijn hoeft staet, +In hoerde nye so goeden raet +Alse Reynaert selue gheuet hier. +Hem langhet omme cloester-bier: (fo. 204b) +Nu gaen wi voeren ende bruwen hem!' +Bruun sprac: 'neve Tybeert, nem +Die lijne, du salt mede loepen. +Reynaert die salt nu becoepen, +Mijn scone liere ende dine hoghe. +Ghawi ende hanghene so hoghe, +Dats lachter hebben al sine vrient!' +'Gha-wi, hi heues wel verdient,' +Sprac Tybeert ende nam de lijne. +Hine dede nye so lieue pine. + Nv waren die drie heeren ghereet, +Die Reynaert hadde harde leet, [51] +Dat was die wulf ende Tybeert +Ende der Bruun, die hadde gheleert +Honich stelen te zinen scaden. +Ysingrijn was so beraden, +Eer hi van den houe sciet, +Hine wilde des laten niet +Hine vermaende nichten ende neven +Ende alle, die binnen den houe bleuen, +Beede ghebuere ende gaste, +Datsi Reynaerde hilden vaste. +Vrauwe Arsenden zinen wiue +Beual hi bi haren liue, +Datso stonde bi Reynaerde +Ende soene name bi den baerde +Ende van hem niet ne sciede +No dor goet no dor miede +No dor niet no dor noet +No dor zorghe van der doot. + Reynaert andwoerde in corten woorden, +Dat alle die daer waren horden: +'Heere Ysingrijn, half ghenade! +Al ware hu lief mijn grote scade +Ende al brincdi mi in vernoye: +Ic weet wel, soude mijn moye +Te rechte ghedincken ouder daet, +Sone dade mi nemmermeer quaet. +Maer her Ysingrijn, soete oem, +Ghi neemt huwes neven crancken goem, +Ende heere Brune ende heere Tybeert, +Dat ghi mi dus hebt onneert: +Ghi drie ghi hebbet ghedaen al, (fo. 204c) +Datmen mi ontliuen sal. +Daer toe hebdi ghemaket +Datso wie die mi ghenaket +Sceldet mi dief of heuet leet. +Daer omme moetti, God weet, +Gheonneert werden alle drie, +Ghine haest dat gescie +Al dat ghi begaert te doene! +Mi es dat herte noch also coene: +Ic dar wel steruen eene waerf. +Ne wart mijn vader, doe hi staerf, +Van alle sinen zonden vry? +Gaet, ghereet die galghe, of ghi +Een twint mi langher niet ne spaert, +Of varen moetti inderwaert, +Alle huwe voete ende huwe been!' +Doe sprac Ysingrijn: 'ameen!' +'Amen,' sprac Brune, 'ende hinderwaert +Moet hi varen die langher spaert!' +Tybeert sprac: 'nu haesten wy!' +Ende mettien woerde spronghen zi +Ende liepen voert arde blide +Ende pijnden hem ten strijde +Te springhene ouer meneghen tuun, +Ysingrijn ende heere Bruun. +Tybeert volchde hem naer: +Hem was die voet een lettel zwaer +Van der lijnen, die hi drouch. +Nochtan was hi rasch ghenouch: +Dat dede hem al die goede wille. +Reynaert stont ende zweech al stille +Ende sach sine viande loepen, +Die hem dat strec an waenden cnoepen, +'Maer het sal bliuen,' sprac Reynaert, +Die staet ende scauwet daer-waert, +Ende si springhen ende si keeren. +Hi peinsde: 'deus, wat joncheeren! +Nu laetse springhen ende loepen. +Leuic, si sullent noch becoepen, +Hare ouerdaet ende hare scampye, +Mine ghebreke reynaerdye. +Nochtanne zijn si mi (fo. 204d) +Lieuer verre danne bi, +Die ghene die ic meest ontsach. [52] +Nu willic prouuen dat ic mach +Te houe bringhen een baraet, +Dat ic voer de dagheraet +In groter zorghen vant te nacht. +Heuet mine lust sulke cracht +Alsic noch hope datso doet: +Al es hi lustich ende vroet, +Ic wane den coninc noch verdoren.' +Die coninc dede blasen eenen horen +Ende hiet Reynaerde huut-waert leeden. +Reynaert sprac: 'laet teerst ghereeden +Die galghe, daer ic an hanghen sal, +Ende daer-binnen so sal ic al +Den volcke mine biechte conden, +In verlanessen van minen zonden. +Hets beter dat al tfolc verstaet +Mine diefte ende mine ondaet, +Dan si namaels eeneghen man +Mine ouerdaet teghen an.' + Die coninc sprac: 'nu segghet dan.' +Reynaert stont als een drouue man +Ende sach al omme haren-thare. +Daer so sprac hi al openbare: +'Helpe,' seit hi, 'dominus! +Nu en es hier niemen in dit huus, +No vrient no viant, ic ne bem +Een deel mesdadich ieghen hem. +Nochtan horet alle, ghi heeren: +Laet v [53] wijsen ende leeren, +Hoe ic Reynaert aermijnc +Eerst an die boesheit vinc. +In allen tijden spade ende vroe +Wasic een houesch kint noch doe. +Doemen mi spaende van der mammen, [54] +Ghinc ic spelen metten lammen +Dor te hoerne dat ghebleet, +So dat ic een verbeet. +Ten eersten lapedic dat bloet: +Het smaecte so wel, het was so goet, +Dat ic dat vleesch mede ontgan. (fo. 205a) +Daer leerdic leckernie an, +So vele dat ic ghinc ten gheeten +Int wout, daer icse hoerde bleeten. +Daer verbeetic hoekine twee. +So dedic des derdes daghes mee, +Ende ic wart bouder ende coene +Ende verbeet haenden ende hoene +Ende gansen, daer icse vant. +Doe mi bloedich wart mijn tant, +Was ic so fel ende so wreet +Dat ic zuuer vp verbeet +Al dat ic vant ende wat mi dochte, +Dat mi bequam ende dat ic vermochte. +Daer na quam ic ende Ysingrine +Te wintre, in eenen couden rijme, +Bi Besele onder eenen boem. +Hi rekende dat hi ware mijn oem +Ende began eene sibbe tellen. +Al daer worden wi ghesellen: +Dat mach mi te rechte rauwen. +Daer gheloofden wi bi trauwen +Recht gheselscap manlic andren. +Doe begonsten wi te gader wandelen: +Hi stal tgroete ende ic dat cleene. +Dat wi beiaechden wart ghemeene. +Ende als wi deelen souden doe, +Ic was in hueghen ende vroe, +Mochtic mijn deel hebben half. +Alse Ysingrijn beiaghede een calf +Of eenen weder of eenen ram, +So grongierdi ende maecte hem gram, +Ende toechde mi een ghelaet, +Datso zuer was ende so quaet, +Dat hi mi daermet van hem verdreef +Ende hem mijn deel al gader bleef. +Nochtan hachtic niet van dien. +So menich waeruen hebbic versien: +Alse wi een groete proye lagheden, +Die ic ende mijn oem beiagheden, +Eenen osse of eenen bake, +Doe ghinc hi sitten met ghemake +Met sinen wiue vrauwe Harsenden (fo. 205b) +Ende met sinen .vij. kindren: +Sone mochtic cume deene hebben +Van den alre mintsten rebben, +Die sine kindre hadden ghecnaghet. +Dus nauwe hebbic mi beiaghet. +Nochtan dat was mi lettel noot: +Ne waer dat mijn zin so groot +Die lieue drouch te minen oem, +(Die mijns nemet crancken goem) +Ic hadde ghewonnen wel tetene. +Coninc, dit doe ic hu te wetene: +Ic hebbe noch seluer ende gout, +Dat al es in mier ghewout, +So vele dat cume een waghen +Te .vij. waeruen soude ghedraghen.' + Alse die coninc dit verhoerde, +Gaf hi Reynaerde felle andwoerde: +'Reynaert, wanen quam hu die scat?' +Reynaert andwoerde: 'ic segghu dat, +Wijldijt weten also ict weet, +No dor lief no dor leet +Sone salt danne bliuen verholen. +Coninc, dien scat was bestolen. +Ne waer hi oec ghestolen niet, +Daer ware die moert bi ghesciet +An hu lijf, in rechter trauwen, +Dat alle huwen vrienden mochte rauwen.' +Die coninghinne wart veruaert +Ende sprac: 'O wy, lieue Reynaert! +O wy, Reynaert, O wy, O wy! +O wy, Reynaert, wat sechdi? +Ic mane hu bider seluer vaert, +Dat ghi nu [55] ons secht, Reynaert, +Die hu ziele varen sal, +Dat ghi ons secht de waerheit al +Openbare ende brinct voort, +Of ghi weet van eenegher moort +Of eenen mordeliken raet, +Die ieghen minen heere gaet, +Dat laet hier openbare horen!' +Nu hoert hoe Reynaert sal verdoren +Den coninc entie coninghinne, (fo. 205c) +Ende hi beweruen sal met zinne +Des conincx vrienscap ende sine hulde, +Ende hi buten haerre sculde +Brune ende Ysingrijn beede +Vp hief in groter onghereede +Ende in veeten ende in ongheual +Ieghen den coninc bringhen sal. +Die heeren, die nu waren so fier, +Datsi Reynaerde waenden bier +Te sinen lachtre hebben ghebrauwen: +Ic wane wel in rechter trauwen, +Dat hi sal weder mede blanden, +Dien si sullen drincken met scanden. + In eenen ghelate, met drouuen zinne +Sprac Reynaert: 'edele coninghinne, +Al haddi mi nu niet ghemaent, +Ic bem een die steruen waent: +In laet niet ligghen vp mijn ziele. +Ende waert so dat mi gheuiele, +Mi stonder omme in de helle te sine, +Daer die torment es entie pine. +In dien dat die coninc milde +Een ghestille maken wilde, +Ic soude segghen met ghenaden +Hoe iammerlike hi was verraden +Te mordene van zinen lieden. +Nochtan diet alre meest berieden +Sijn som van minen liefsten maghen +Die ic noede soude bedraghen, +Ne daet die zorghe van der hellen, +Daermen seit dat si in quellen +Die hier steruen ende moort +Weten, sine bringhense voort.' +Dien coninc wart die herte zwaer +Ende sprac: 'Reynaerd, sechstu mi waer?' +'Waer?' sprac Reynaert, 'vraechdi mi des? +Iane weet ghi wel hoet met mi es? +Ne bewaent niet, edel coninc: +Al bem ic een aermijnc, +Hoe mochtic sulke moert ghetemen? +Waendi dat ic wille nemen +Eene [56] loghene vp mine langhe vaert? (fo. 205d) +En trauwen neen ic,' sprac Reynaert. + Bi der coninghinnen rade, +Die zeere ontsach des sconinx scade, +Gheboet die coninc openbare +Dat daer niemen so coene en ware, +Dat hi een wordekijn yet sprake +Tote dien dat Reynaert met ghemake +Hadde vulseit al sinen wille. +Doe zweghen si alle gader stille. +Die coninc hiet Reynaerde spreken. +Reynaert was van fellen treken. +Hem dochte scone zijn gheual. +Hi sprac: 'nu zwighet ouer al, +Na dien dat es den coninc lief. +Ic sal hu lesen sonder brief +Die verraderen openbare, +So dat ic niemene en spare, +Dien ic te wroughene sculdich bem: +Dies lachter heuet scaems hem!' + Nv verneemt alle gader +Hoe Reynaerd sinen erdschen vader +Met verradenessen sal bedraghen, [57] +Ende eenen van sinen liefsten maghen: [58] +Dat was Grimberte den das, +Die hem hout van herten was. +Dat dede Reynaert omme dat, +Dat hi wilde datmen te bat +Sinen woerden gheloeuen soude +Van sinen vianden, of hi woude +Die verranesse tyen an. +Nu hoert hoe hi dies began. +Reynaert sprac: 'wilen teer stonden +Hadde mine heere mijn vader vonden +Des coninx heymeliken scat +In eene verholnen stat. +Doe [59] mijn vader hadde vonden +Den scat, wart hi in corten stonden +So ouerdadich ende so fier, +Dat hi veronweerde alle dier +Die sine ghenote te voren waren. +Hi dede Tyberte den kater varen +In Arttinen, dat wilde lant, (fo. 206a) +Al daer hi Brunen den beere vant. +Hi ontboet Brune grote Gods houde: +Ende hi in Vlaendren commen soude +Ende hi coninc wilde wesen. +Bruun wart vro van desen: +Hi hadt meneghen dach begaert. +Daer maecte hi hem te Vlaendren waert +Ende quam in Waes, int soete lant, +Daer hi minen vader vant. +Mijn vader ontboet Grimberte den wysen +Ende Ysingrijn den grijsen, +Tybeert die kater was die vijffte: [60] +Ende quamen teenen dorpe, hiet Hijfte. +Tusschen Hijfte ende Ghend +Hilden si haer paerlement +In eere belokenre nacht. +Daer quamen si bi sduuels cracht +Ende bi sduuels ghewelt, +Ende zwoeren daer an twoeste velt +Alle viue des coninx doot. +Nu hoert wonder alle groot +Watsi noch ouer een draghen: +Wilde yement van sconinx maghen +Dat weder-segghen, mijn vader soude +Met sinen seluere, met zinen goude +So den ghenen steken achtre, +Dat sijs souden hebben lachtre. +Dit weetic ende segghe hu hoe. +Eens morghins arde vroe +Gheuiel dat mijn neve die das +Van wine een lettel droncken was, +Ende lyet in verholnen rade minen +Wiue, miere vrauwen Hermelinen, +Ende al van pointe te pointe seide, +Daer si liepen an die heyde. +Mijn wijf es eene vremde vrauwe, +Ende gaf Grimberte hare trauwe +Dat verholen bliuen soude. +Ten eersten datso quam ten woude, +Daer ic was ende so mi vant, +So telde zoet mi te hant, +Ne waer het was al stillekine. (fo. 206b) +Oec seide zoet bi sulken lijcteekine, +Dat ict kende so waer, +Dat mi alle mine haer +Vp-waert stonden van groten vare. +Mine herte wart mi openbare +Also caut als een hijs, +Dies zijt seker ende wijs. +Die pude wijlen waren vry, +Ende oec so beclaechden hem zij +Datsi waren sonder bedwanc. +Ende si maecten een ghemanc +Ende so groet ghecray vp Gode, +Dat hi hem gaue bi sinen ghebode +Eenen coninc diese dwonghe: +Dies baden die houde entie ionghe +Met groten ghecraye, met groten ghelude. +God ghehoerde die pude +Teenen tijde van den jare +Ende sende hem den coninc hodeuare, +Diese verbeet ende verslant [61] +In allen landen daer hise vant, +Beede in water ende in velt, +Daer hise vant in sine ghewelt. +Hi dede hem emmer onghenade. +Doe claechden si, het was te spade, +Het was te spade, ic secht hu twy; +Sij die voren waren vry +Sullen sonder wederkeer +Sijn eyghin bliuen emmermeer, +Ende leuen eewelike in vare +Van den coninc hodeuare. +Ghi heeren, aerme ende rike, +Ic vruchte oec dies ghelike +Dat nu van hu soude gheuallen. +Doe droughic zorghe voer ons allen. +Dus hebbic ghezorghet voer hu: +Dies dancti mi lettel nu. +Ic kenne Brunen valsch ende quaet +Ende vul van alre ouerdaet. +Ic peinsde, worde hi onse heere, +Dat ontvruchtic arde zeere, +Dat wi alle waren verloren. +Ic kennen, den coninc, [62] so wel gheboren +Ende soete ende goedertiere +Ende ghenadich allen dieren. +Het dochte mi bi allen dinghen +Eene quade manghelinghe, +Die ons ne mochte comen +Noch theeren noch te vromen. +Hier omme peinsdic ende poghede, +Mine herte grote zorghen [63] ghedoghede +Hoe so erghe eene zake +Datso ghescort worde, ende brake +Mijns vaders bosen raet, +Die eenen dorper, eenen vraet +Coninc ende heere maken waende. +Emmer badic Gode ende maende +Dat hi den coninc minen heere +Behilde sine warelt-eere. +Bedi ic kenne wel dat, +Behilde mijn vader sinen scat, +Si souden wel des raets ghetelen +Onder hem ende sinen ghespelen +Dat die coninc worde verstoten. +In diepen ghepeinse ende in groten +Was ic dicken hoe ic dat +Soude vinden, waer die scat +Lach, die mijn vader hadde vonden. +Ic wachte nauwe tallen stonden +Minen vader ende leide laghen +In meneghen bosch, in meneghe haghen, +Beede in velde ende in woude. +Waer mijn vader, die lusteghe houde, +Henen trac ende henen liep. +Was het droghe, was het diep, +Waest bi nachte, waest bi daghe, +Ic was emmer in die laghe. +Waest bi daghe, waest bi nachte, +Ic was emmer in die wachte. +Up eene stont gheuiel daer nare +Dat ic mi decte met groten vare +Ende lach ghestrect neuen dheerde, +Ende van den scatte die ic begheerde +Gherne yewer hadde vernomen. (fo. 206d) +Doe saghic minen vader comen +Hute eenen hole gheloepen. +Doe began ic ten scatte hopen, +Bi den barate als ic hem sach +Drijuen, als ic hu segghen mach. +Want doe [64] hi huten holle quam, +Sach ic wel ende vernam +Dat hi omme sach, ende merkedi +Of hem yemene ware bi. +Ende als hi niemene en sach, +Doe queddi den sconen dach +Ende stoppede dat hol met sande +Ende maectet ghelijc den andren lande. + Dat ic dit sach, ne wiste hi niet. +Doe saghic, eer hi danen sciet, +Dat hi den steert liet mede gaen, +Daer sine vore hadde ghestaen, +Ende decte sijn spore metter mouden. +Daer leerdic an den vroeden houden +Een lettel meesterlike liste, +Die ic te voren niet ne wiste. +Aldus voer mijn vader danen +Ten dorpe waert, daer die hanen +Ende die vette hinnen waren. +Teerst dat ic mi durste baren, +Spranc ic vp ende liep ten hole, +In wilde niet langher zijn in dole, +Ende ic gheraecter [65] doe te hant. +Sciere scraefdic vp dat zant +Met minen voeten ende croep in. +Al daer vandic groet ghewin. +Daer vandic seluer ende goud: +Hier nes niemen nu so houd, +Dies nye so vele te gader sach. +Doe ne spaerdic nacht no dach +Ic en ghinc trecken ende draghen, +Sonder karre ende waghen, +Ouer dach ende ouer nacht, +Met algader miere cracht. +Mi halp mijn wijf, vrauwe Hermeline. +Des dogheden wi grote pine, +Eer wi den ouer-groeten scat (fo. 207a) +Brochten in een ander gat, +Daer hi bet lach tonsen ghelaghe. +Wij droughene onder eenen haghe +In een hol verholenlike. +Doe was ic van scatte rike. +Nv hoert watsi hier binnen daden +Die den coninc hadden verraden. +Brune, die beere, sendde huut +Verholenlike zijn saluut +Achter lande ende omboet +Al den ghenen rijcheit groet, +Die dienen wilden omme tsout: +Hi beloofde hem seluer ende gout +Te gheuene met milder hant. +Mijn vader liep in al dat lant +Ende drouch des Brunen baniere. +Hoe lettel wiste hi dat de diere +Te sinen scatte waren gheraect, +Dies hem so quite hadden ghemaect! +En ware die scat niet ontgonnen, +Hi hadder met die stat van Lonnen +Alte gader moghen coepen. +Dus wan hi an zijn omme loepen. +Doe mijn vader al omme ende omme +Tusschen dier Elue entier Zomme +Hadde gheloepen al dat lant, +Ende hi meneghen coenen seriant +Hadde ghewonnen met sinen goude, +Die hem te hulpen commen soude, + Alse die zomer quame int lant, +Keerde mijn vader daer hi vant +Brune entie ghesellen zine. +Doe teldi die groete pine +Ende die menichfoudeghe zorghe, +Die hi voer de hoghe borghe +Int lant van Sassen hadde leden, +Daer die iagheren hadden gheleden +Alle daghe met haren honden, +Die hem veruaerden te meneghen stonden. +Dit telde hi te spele al gader. +Daer na so toghede mijn vader +Brieue, die Brunen wel bequamen, (fo. 207b) +Daer .xij.c al bi namen +Sheere Ysingrijns maghe in stonden, +Met scerpen claeuwen, met diepen monden, +Sonder die catte ende die baren, +Die alle in Bruuns souden waren, +Ende die vosse metten dassen +Van Doringhen ende van Sassen. +Dese hadden alle ghezworen, +In dien datmen hem te voren +Van .xx. daghen ghaue haer sout, +Si souden Brunen met ghewout +Seker wesen tsinen ghebode. +Dit benam ic al, danct Gode! +Doe mijn vader hadde ghedaen +Sine bodscap, hi soude gaen +Ende scauwen zinen scat. +Ende als hi quam ter seluer stat +Daer hine ghelaten hadde te voren, +Was die scat al verloren +Ende sijn hol was vp te-broken. +Wat holpe vele hier af ghesproken? +Doe mijn vader dat vernam, +Wart hi zeerich ende gram, +Dat hi van torne hem seluen hinc. +Dus bleef achter Brunen dinc +Bi miere behendichede al. +Nu meerct hier mijn ongheual: +Heere Ysingrine ende Brune de vraet +Hebben nu den nauwen raet +Metten coninc openbare, +Ende arem man Reynaerd es die blare!' + Die coninc entie coninghinne, +Die beede hopeden ten ghewinne, +Si leedden Reynaerde buten te rade +Ende baden hem dat hi wel dade +Ende hi hem wijsde sinen scat. +Ende alse Reynaerd horde dat, +Sprac hi: 'soudic hu wijsen mijn goet, +Heere coninc, die mi hanghen doet? +So waer ic huut minen zinne.' + 'Neen, Reynaert,' sprac die coninghinne, +'Mine heere sal hu laten leuen, (fo. 207c) +Ende sal hu vriendelike vergheuen +Alle gader sinen euelen moet, +Ende ghi sult voert meer sijn vroet +Ende goet ende ghetrauwe.' +Reynaerd sprac: 'dit doe ic, vrauwe, +In dien dat mi de coninc nv +Vaste gheloue hier voer hu +Dat hi mi [66] gheue sine hulde, +Ende hi mi alle mine onsculde +Wille vergheuen, ende omme dat +So willic hem wijsen den scat, +Den coninc, al daer hi leghet.' +Die coninc sprac: 'ic ware ontweghet, +Wildic Reynaerde vele ghelouen. +Hem es dat stelen ende dat rouen +Ende dat lieghen gheboren int been.' +Die coninghinne sprac: 'heere, neen. +Ghi moghet Reynaerde ghelouen wel: +Al was hi hier te voren fel, +Hi nes nu niet dat hi was. +Ghi hebt ghehoert hoe hi den das +Ende sinen vader heuet bedreghen +Met morde, die hi wel beteghen +Mochte hebben andren dieren, +Wildi meer zijn argertieren [67] +Ofte fel ofte onghetrauwe.' +Doe sprac die coninc: 'gentel vrauwe, +Al waendic dat mi soude scaden, +Eist dat ghijt mi dorret raden, +So willict laten vp hu ghenent, +Dese vorworde ende dit couent +Vp Reynaerts trauwe staen. +Ne waer ic segghe hem sonder waen: +Doet hi meer eerchede, +Alle die hem ten tienden lede +Sijn belanct, sullent becoepen.' +Reynaerd sach den coninc beloepen +Ende wart blide in sinen moet +Ende sprac: 'heere, ic ware onvroet, +Ne gheloofdic hu niet also.' +Doe nam die coninc een stro +Ende vergaf Reynaerde al gader (fo. 207d) +Die wanconst van sinen vader +Ende zijns selues mesdaet toe. +Al was Reynaert blide doe, +Dat en dinct mi gheen wonder wesen: +Iane was hi van der doot ghenesen? + Doe Reynaert quite was ghelaten, +Was hi blide vtermaten, +Ende sprac: 'coninc, edel heere, +God moete hu loenen al die eere, +Die ghi mi doet, ende mijn vrauwe. +Ic secht hu wel bi miere trauwe, +Dat ghi mi vele eeren doet, +So groet eere ende so groet goet, +Dat niemen nes onder die zonne, +Dien ic also wale jonne +Mijns scats ende miere trauwen, +Als ic hu doe ende miere vrauwen.' +Reynaert nam een stroe voer hem +Ende sprac: 'heere coninc, nem. +Hier gheue ic di vp den scat, +Die wijlen Ermelinc besat.' + Die coninc ontfinc dat stroe +Ende dancte Reynaerde zoe +Als quansijs: 'dese maect mi heere.' +Reynaerts herte louch so zeere, +Dat ment wel na an hem vernam, +Doe die coninc so gheorsam +Al gader was te sinen wille. +Reynaert sprac: 'heere zwighet stille. +Merket waer mine redene gaet. +Int oesthende van Vlaendren staet +Een bosch, ende heet Hulster loe. +Coninc, ghi moghet wesen vroe, +Mochti onthouden dit: +Een borne, heet Krieke-pit, +Gaet zuut-west niet verre danen. +Heere coninc, ghine dorft niet wanen +Dat ic hu de waerheit yet messe: +Dats een de meeste wildernesse, +Diemen heuet in eenich rike. +Ic segghe hu oec ghewaerlike +Dat somwijlen es een half iaer, (fo. 208a) +Dat toten borne commet daer +No weder man no wijf, +No creature die heuet lijf, +Sonder die hule entie scuvuut, +Die daer nestelen in dat cruut, +Of eenich ander voghelijn, +Dat daer-waert gherne wilde zijn, +Ende daer bi [68] auontuere lijdet: +Ende daer in leghet mijn scat ghehidet. [69] +Verstaet wel ditte, es hu nutte: +Die stede heetet Krieke-putte. +Ghi sult daer gaen ende mijn vrauwe, +Ne wetet oec niemene so ghetrauwe +Die ghi sult laten wesen hu bode, +Verstaet mi wel, coninc, dor Gode, +Maer gaet daer selue, ende alse ghi +Dien seluen putte commet bi, +Ghi sult vinden ionghe baerken. +Heere coninc, dit suldi maerken: +Die alre naest den putte staet, +Coninc, tote dier baerken gaet. +Daer leghet die scat onder begrauen. +Daer suldi deluen ende scrauen +Een lettel mos in deene zijde. +Daer suldi vinden menich ghesmide +Van goude rijkelijc ende scone. +Daer suldi vinden die crone, +Die Ermelijnc die coninc drouch, +Ende ander chierheit ghenouch: +Edele steene, guldin waerc. +Men cocht niet omme dusent maerc. + Ay coninc, als ghi hebt dat goet, +Hoe dicken suldi peinsen in huwen moet: +'Ay Reynaert, ghetrauwe vos, +Die hier grouues in dit mos +Desen scat bi dijnre lust, +God gheue di goet waer du best!' +Doe andwoerde die coninc saen: +'Reynaert, sal ic die vaert bestaen, +Ghi moet zijn mede in die vaert, +Ende ghi moet ons, Reynaert, +Helpen den scat ontdeluen. (fo. 208b) +Ic ne wane [70] bi mi seluen +Al daer nemmermeer gheraken. +Ic hebbe ghehoort nomen Aken +Ende Parijs: eist daer yet na? +Ende also als ic versta, +So smeekedi, Reynaert, ende roomt. +Krieke-putte dat ghi hier noomt, +Wanic, es een gheueinsde name.' +Dit was Reynaerde ombequame, +Ende verbalch hem ende seide: 'ja, ja, +Coninc, ghi zijter also na, +Alse van Colne tote Meye. +Waendi dat ic hu die Leye +Wille wijsen in die flume Jordane? +Ic sal hu wel toeghen, dat ic wane, +Orconde ghenouch al openbare.' +Lude riep hi: 'Cuwaert, comt hare, +Comet voer den [71] coninc, Cuwaert!' +Die diere saghen dese vaert. +Hem allen wonderde wat daer ware. +Cuwaert die ghinc met vare, +Hem wonderde wat die coninc woude. +Reynaert sprac: 'Cuwaert, hebdi coude? +Ghi beuet, zijt blide al sonder vaer, +Ende secht minen heere den coninc waer +(Dies maent hi hu bi der trauwen +Die ghi zijt sculdich miere vrauwen) [72] + + + +Ende die ic den coninc sculdich bem. +Doe sprac Reynaert: 'so secht hem, +Weetstu waer Krieke-putte steet?' +Cuwaert sprac: 'of ict weet? +Ja ic, hoene [73] sout wesen soe? +Ne staet hi niet bi Hulst-ter-loe +Vp dien moer, in die wostine? +Ic hebber ghedoghet groete pine +Ende meneghen hongher ende menich coude +Ende aermoede so menichfoude +Vp Krieken-putte so meneghen dach, +Dat ics vergheten niet ne mach. +Hoe mochte ic vergheten dies, +Dat al daer Reynout de ries +Die valsche penninghe slouch, (fo. 208c) +Daer hi hem mede bedrouch +Entie ghesellen sine. +Dat was te voren eer ic met Rijne +Mijn gheselscap makede vast, +Die mi ghequijtte meneghen past.' +'O wy,' sprac Reynaert: 'soete Rijn, +Lieue gheselle, scone hondekijn, +Vergaue God, waerdi nu hier! +Ghi sout toeghen vore [74] desen dier +Met huwen sconen rijmen, [75] waers te doene, +Dat ic noint wart so coene, +Dat ic eeneghe saken dede, +Daer ic den coninc mochte mede +Te mi waert belghen doen met rechte. +Gaet weder onder ghene knechte,' +Sprac Reynaert, 'haestelic, Cuwaert. +Mijn heere de coninc ne heeft thuwaert +Gheene sake te sprekene meer.' +Cuwaert dede eenen weder-keer +Ende ghinc van sconinx rade daer. +Reynaert sprac: 'coninc, eist waer +Dat ic seide?' 'Reynaert, jaet. +Vergheuet mi, ic dede quaet, +Dat ic hu mestroude yet. +Reynaert, goede vrient, nu siet +Den raet, dat ghi met ons gaet +Ten putte, al daer die baerke [76] staet, +Daer die scat leghet begrauen onder.' +Reynaert sprac: 'ghi secht wonder. +Waendi in waers arde vro, +Coninc, oft mi stonde also +Dat ic met hu wandelen mochte +Also als ons beeden dochte, +Ende ghi, heere, waert al sonder zonde? +Neent, het es also ic hu orconde, +Ende ict hu segghe, al eist scame: +Doe Ysingrijn in sduuels name +In de ordine ghinc hier te voren +Ende hi te moonke wart bescoren, +Doe ne conste hem de prouende niet ghenoughen, +Daer .vj. moenke hem bi bedroughen. +Hi claghede van honghere ende carmede (fo. 208d) +So zeere, dats mi ontfaermede. +Doe hi carmede ende wart traech, +Doe haddics rauwe, als een zijn maech, +Ende gaf hem raet dat hi ontran. +Daer omme bem ic in spaeus ban. + Maerghin, als die zonne vp gaet, +Willic te Roeme om aflaet. +Van Roeme willic ouer zee. +Danen ne keeric nemmermee, +Eer ic so vele hebbe ghedaen, +Coninc, dat ic met hu mach gaen +Thuwer eeren ende thuwer vromen, +Of ic te lande weder come. +Het ware een onscone dinc, +Souddi, heere coninc, +Maken huwe wandelinghe +Met eenen verwatenen ballinghe +Als ic nu bem, God betere mi!' +Die coninc sprac: 'Reynaert, zidi +Yet langhe verbannen?' doe sprac Reynaert: +'Ja ic, hets .iij. iaer, dat ic wart +Voer den deken Hermanne +In vullen zeinde [77] te-bannen.' +Die coninc sprac: 'Reynaert, na dat ghi zijt +Te-bannen, men souts mi doen verwijt, +Reynaert, lietic hu met mi wandelen. +Ic sal Cuwaerde ofte eenen andren +Toten scatte doen gaen met mi, +Ende ic rade hu, Reynaert, dat ghi +Niet ne laet ghine vaert, +Dat ghi hu van den banne claert.' +'Sone doe ic,' sprac Reynaert, +'Ic ga morghin te Rome waert, +Gaet na den wille mijn.' +Die coninc sprac: 'ghi dinct mi zijn +Beuaen in arde goeden dinghen. +God jonne hu dat ghijt moet vulbringhen, +Reynaert, alse hu ende mi +Ende ons allen nutte zi!' + Doe dese tale was ghedaen, +Doe ghinc Nobel die coninc staen +Vp eene hoghe stage van steene, (fo. 209a) +Daer hi vp plach te stane alleene, +Als hi sat in zijn hof te dinghe. +Die dieren saten teenen ringhe +Al omme ende omme in dat gras, +Na dien dat elc gheboren was. +Reynaerd stont bi der coninghinne, +Die hi te rechte wel mochte minnen: [78] +'Bidt voer mi, edele vrauwe, +Dat ic hu met lieue weder scauwe.' +Soe sprac: 'die heere, daert al an staet, +Doe hu van zonden vul aflaet.' +Die coninc entie coninghinne +Ginghen met eenen bliden zinne +Voer haer diere, aerme ende rike. +Die coninc die sprac vriendelike: +'Reynaert es hier commen te houe +Ende wille, dies ic Gode loue, +Hem betren met al zinen zinnen. +Ende mijn vrauwe de coninghinne +Heuet so vele ghebeden voer hem, +Dat ic zijn vrient worden bem +Ende hi versoent es ieghen mi, +Ende ic hem hebbe ghegheuen vry +Beede lijf ende lede. +Reynaerde ghebiedic vullen vrede, +Anderwaerf ghebiedic hem vrede, +Ende derde waeruen mede, +Ende ghebiede hu allen bi huwen liue +Dat ghi Reynaerde ende zinen wiue +Ende zinen kindren eere doet, +Waer si commen in hu ghemoet, +Sijt bi nachte, zijt bi daghe. +In wille meer gheene claghe +Van Reynaerts dinghen horen. +Al was hi rouckeloes hier voren, +Hi wille hem betren, ic segghe hu hoe: +Reynaert wille maerghin vroe +Palster ende scerpe ontfaen +Ende wille te Roeme gaen, +Ende van Rome danen wille hi ouer zee, +Ende dan commen nemmermee, +Eer hi heeft vul aflaet +Van alre zondeliker daet.' (fo. 209b) + Dese tale heuet Ticelin [79] vernomen +Ende vloech danen dat hi es comen +Ende hi vant die .iij. ghesellen. +Nu hoert wat hi hem sal tellen. +Hi sprac: 'keytiue, wat doedi hier? +Reynaert es meester bottelgier +Int hof ende moghende vtermaten. +Die coninc heeftene quite ghelaten +Van alle sinen mesdaden, +Ende ghi zijt alle .iij. verraden.' + Isingrijn began andwoerden +Te Tieceline met corten woerden: +'Ic wane ghi lieghet, heere rauen.' +Mettien woerde began hi scauen, +Ende Brune die volchde mede. +Si ghinghen recken hare lede, +Loepende tes [80] coninx waert. +Tybeert bleef zeere veruaert, +Ende hi bleef sittende vp die galghe. +Hi was van sinen ruwen balghe +In zorghen so groet vtermaten, +Dat hi gherne wille laten +Sine oeghe varen ouer niet, +Die hi in spapen scuere liet, +In dien dat hi verzoent ware. +Hine wiste wat doen van vare, +Dan hi ghinc sitten vp die micke. +Hi claechde vele ende arde dicke +Dat hi Reynaerde ye bekinde. +Isingrijn quam met groeten gheninde +Ghedronghen voer de coninghinne +Ende sprac met eenen fellen zinne +Te Reynaert waert so verre +Dat die coninc wart al erre +Ende hiet Ysingrine vaen +Ende Brune: alsoe saen +Worden si gheuanghen ende ghebonden +Ghine saghet nye verwoedde honden +Doen meer lachters dan men hem dede, +Ysingrine ende Brunen mede. +Men voerese als leede gaste: +Men bantse beede daer so vaste, (fo. 209c) +Datsi binnen eere nacht +Met gheenrande cracht +Een let niet en mochten roeren. +Nu hoert hoe hise coert sal voeren. +Reynaert, die hem was te wreet, +Hi dede datmen Brunen sneet +Van sinen rugghe een velspot af, +Datmen hem teere scerpen gaf, +Voets lanc ende voets breet. +Nu ware Reynaert al ghereet, +Haddi .iiij. verssche scoen. +Nu hoert wat hi sal doen, +Hoe hi sal .iiij. scoen ghewinnen. +Hi ruunde toter coninghinnen: +'Vrauwe, ic bem hu peelgrijn. +Hier es mijn oem Ysingrijn, +Hi heuet .iiij. vaste scoen. +Helpt mi dat icse an mach doen. +Ic neme hu ziele in mine plecht: +Het es peelgrins recht +Dat hi ghedincket in sine ghebeden +Al tgoet datmen hem noyt dede. +Ghi moghet hu ziele an mi scoyen. +Doet Haersenden miere moyen +Gheuen twee van haren scoen. +Dit moghedi wel met eeren doen: +So bliuet thuus in haer ghemac.' +'Gherne,' die coninghinne sprac, +'Reynaert, ghine mochtes niet ombeeren, +Ghine hebt scoen: ghi moetet varen +Huten lande in des Gods ghewout +Ouer berghe ende int wout, +Ende terden struke ende steene. +Dinen aerbeit wert niet cleene: +Hets dijn noet dattu hebs scoen. +Ic wilre gherne mijn macht toe doen. +Die Ysingrijns waren hu wel ghemicke: +Si zijn so vaste ende so dicke, +Die Ysingrijn draghet ende zijn wijf. +Al sout hem gaen an haer lijf, +Elkerlijc moet hu gheuen twee scoen, +Daer ghi hu vaert mede moet doen.' (fo. 209d) +Dus heuet die valsche peelgrijn +Beworuen dat dher Ysingrijn +Al toten knien heuet verloren +An [81] beede sine voeten voren +Dat vel al gader toten claeuwen. +Ghine saecht noint voghel braeuwen, +Die stilre hilt al sine leden +Dan Ysingrijn de zine dede. +Doemen so iammerlike ontscoyde, +Dat hem dat bloet ten teen af vloyde. + Doe Ysingrijn ontscoyt was, +Moeste gaen ligghen vp dat gras +Vrauwe Hersuint die wulfinne +Met eenen wel drouuen zinne, +Ende liet haer af doen dat vel +Ende die claeuwen also wel, +Bachten van beede haren voeten. +Dese daet dede wel soeten +Reynaerde sinen drouuen moet. +Nu hoert wat claghen hi noch doet. +'Moye,' seit hi, 'moye, +In hoe meneghen vernoye +Hebdi dor minen wille ghewesen! +Dats mi al leet, sonder van desen +Eist mi lief, ic segghe hu twi. +Ghi zijt (des ghelouet mi) +Een die liefste van minen maghen: +Bedi sal ic hu scoen an draghen. +Godweet, dats al huwe bate: +Ghi sult an hoghen aflate +Deelen ende an al dat pardoen, +Lieue moye, dat ic in hu scoen +Sal beiaghen ouer zee.' +Vrauwe Hersuinden was so wee +Datso cume mochte spreken: +'Ay Reynaert, God moete mi wreken, +Dat ghi ouer ons siet huwen wille!' +Ysingrijn balch ende zweech stille +Ende zijn gheselle Brune, ne ware +Hem was te moede arde zware. +Si laghen ghebonden ende ghewont. +Hadde oec doe ter seluer stont (fo. 210a) +Tybeert die cater ghewesen daer, +Ic dar wel segghen ouer waer: +Hi hadde so vele ghedaen te voren, +Hine waers niet bleuen sonder toren. + VVat helpt dat ict hu maecte lanc! +Des ander daghes, voer de zonne vp-ganc +Dede Reynaert zijn scoen snoeren, +Die Ysingrijns waren te voren +Ende zijns wijfs, vrauwe Hersenden, +Ende hadse vaste ghedaen benden +Om zine voeten, ende ghinc +Daer hi vant den coninc +Ende zijn wijf die coninghinne. +Hi sprac met eenen soeten zinne: +'Heere, God gheue hu goeden dach +Ende mier vrauwen, die ic mach +Prijs gheuen met rechte. +Nu doet Reynaert gheuen, huwen knechte, +Palster ende scerpe ende laet mi gaen. +Doe dede die coninc haesten saen +Den capelaen, Belin de ram. +Ende als hi bi den coninc quam, +Sprac die coninc: 'hier es +Dese peelgrijn, leest hem een gheles, +Ende gheuet hem scaerpe ende staf.' +Belin den coninc andwoerde gaf: +'Heere, in dar des doen niet. +Reynaert heuet selue beghiet, +Dat hi es in spaeus ban.' +Die coninc sprac: 'Belin, wats dan?' +Meester Jufroet doet ons verstaen: +Hadde een man alleene ghedaen +Also vele zonden alse alle die leuen, +Ende wildi aercheit al begheuen +Ende te biechten gaen +Ende penitencie daer-af ontfaen, +Dat hi ouer zee wille varen, +Hi mochte hem wel selue claren.' +Belin sprac ten coninc echt: +'Ic en doere toe crom no recht +Van gheesteliker dinc altoes, +Ghine wilt mi quiten scadeloes (fo. 210b) +Ieghen bisscop ende ieghen den deken.' +Die coninc sprac: 'in .viij. weken +Sone wane ic hu bidden so vele. +Oec haddic lieuer dat huwe kele +Hinghe, dan ic hu heden bat.' +Ende alse Belin hoerde dat, +Dat die coninc balch te hem waert, +Wart Belin so veruaert +Dat hi beefde van vare, +Ende ghinc ghereeden zine autare, +Ende began zinghen ende lesen +Al dat hem goet dochte wesen. + Doe Belin die capelaen +Oemoedelike hadde ghedaen +Dat ghetijde van den daghe, +Doe hinc hi an zine craghe +Eene scaerpe van Bruuns velle. +Oec gaf hi den fellen gheselle +Den palster in de hant daer-bi +Te zinen ghevoughe: doe was hi +Al ghereet te ziere vaert. +Doe sach hi ten coninc waert. +Hem liepen die gheveinsde tranen +Neder neuen zine granen, +Alse oft hi jammerlike in sine herte +Van rauwen hadde grote smerte. +Dit was bedi ende anders niet +Dat hi hem allen, die hi daer liet, +Niet hadde beraden al sulke pine +Alse Brunen ende Ysingrine, +Haddet moghen gheuallen. +Nochtan stont hi ende bat hem allen +Datsi ouer hem bidden souden +Also ghetrauwelike als si wouden [82] +Dat hi ouer hem allen bade. +Dat orlof nemen dochte hem spade, +Want hi gherne danen ware: +Hi was altoes zeere in vare, +Als die hem seluen sculdich weet. +Doe sprac die coninc: 'mi es leet, +Reynaert, dat ghi dus haestich zijt.' +'Neen, heere, het es tijt: +Men sal gheene weldaet sparen. (fo. 210c) +Huwen orlof, ic wille varen.' +Die coninc sprac: 'Gods orlof!' +Doe gheboet die coninc al dat hof +Met Reynaerde huut-waert te ghane, +Sonder alleene die gheuane. +Nv wart Reynaert peelgrijn. +Ende zijn oem Ysingrijn +Ende Brune die ligghen ghebonden +Ende ziec van zeeren wonden. +Mi dinct ende ic wane des +Dat niement so onspellic es +Tusschen Pollanen ende Scouden, +Die hem van lachene hadde onthouden +Dor [83] rauwe die hem mochte ghescien, +Hadde hi Reynaerde doe ghesien: +Hoe wonderlic hi henen ghinc +Ende hoe ghemackelic dat hem hinc +Scaerpe ende palster omme den hals, +Ende die scoen, als ende als, +Die hi drouch an zine been +Ghebonden, so dat hi sceen +Een peelgrijn licht ghenouch. +Reynaerts herte binnen louch, +Dor datsi alle met hem ghinghen +Met so groter zameninghen, +Die hem te voren waren wreet. +Doe sprac hi: 'coninc, mi es leet +Dat ghi so verre met mi gaet: +Ic vruchte, het mach hu wesen quaet. +Ghi hebt gheuaen .ij. mordenaren. +Gheualt datsi hu ontvaren, +Ghi hebt hu te wachtene meer +Dan ghi noint hadt eer. +Blijft ghesont ende laet mi gaen.' +Na dese tale ghinc hi staen +Vp sine .ij. achterste voeten +Ende maende die diere, cleene ende grote, +Datsi alle voer hem baden, +Of si alle an sine weldaden +Recht deel nemen wouden. +Si seiden alle datsi souden (fo. 210d) +Sijns ghedincken in haer ghebede. +Nu hoert voert wat Reynaert dede, +Daer hi van den coninc sciet: +So drouuelic hi hem gheliet, +Dat hem somen zeere ontfaremde. +Cuwaert den haze hi becaremde: +'O wy, Cuwaert, sullen wi sceeden! +Of God wilt, ghi sult mi gheleeden +Ende mijn vrient Belin de ram: +Ghi twee, ghine daedt mi noint gram. +Ghi moet mi bet voert bringhen. +Ghi zijt van zoeter wandelinghen +Ende onberoupen ende goedertieren +Ende ombeclaghet van allen dieren. +Ghestade es huwer beeder zede, +Als ic doe ten tijden dede, +Als ic clusenare was: +Hebdi louere ende gras, +Ghine doet ne gheenen heesch +Noch om broet, no om vleesch, +Noch om sonderlinghe spijse.' +Met aldus ghedanen prijse +Heuet Reynaert dese .ij. verdoort, +Datsi met hem ghinghen voort +Tote dat hi quam voer zijn huus +Ende voer de porte van Manpertuus. + Alse Reynaert voer de porte quam, +Doe sprac hi: 'neve Belin de ram, [84] +Ghi moet alleene buten staen, +Ic moet in mine veste gaen: +Cuaert sal in gaen met mi. +Heere Belin, bidt hem dat hi +Troeste wel vrauwe Hermelinen +Met haren cleenen welpkinen, +Als ic orlof an hem neme.' +Belin sprac: 'ic bids heme, +Dat hise alleene troeste wale.' +Reynaert ghinc met scoenre tale +So smeeken ende losengieren +In so menegher manieren, +Dat hi bi barate brochte +Cuwaerde in sine haghedochte. (fo. 211a) + Als si in dat hol quamen, +Cuaert ende Reynaert tsamen, +Doe vonden si vrauwe Hermelinen +Met haren cleenen welpkinen. +Die was in zorghen ende in vare, +Want so waent dat Reynaert ware +Verhanghen, ende so vernam +Dat hi weder thuus waert quam +Ende palster ende scerpe drouch: +Dit dochte haer wonders ghenouch. +So was blide ende sprac saen: +'Reynaert, hoe sidi ontgaen?' +'Ic bem worden peelgrijn: +Heere Brune ende heere Ysengrijn +Sijn worden ghisele ouer mi. +Die coninc heuet (danc hebbe hi!) +Cuaerde ghegheuen in rechter zoene, +Al onsen wille mede te doene. +Die coninc die lyede das, +Dat Cuaert die eerste was +Die ons verriet ieghen hem. +Ende bi der trauwen die ic bem +Sculdich hu, vrauwe Hermeline, +Cuaerde naket eene groete pine. +Ic bem vp hem met rechte gram.' +Ende alse dat Caert vernam, +Keerdi hem omme ende waende vlien. +Maer dat ne conste hem niet ghescien, +Want Reynaert hadde hem ondergaen +Die porte ende ghegreepene saen +Bi der kelen mordadelike. +Ende Cuaert riep ghenadelike: +'Helpt mi, Belin, waer sidi? +Dese peelgrijn verbijt mi.' + Dat roupen was sciere ghedaen, +Bedi Reynaert hadde saen +Sine kele ontwee ghebeten. +Doe sprac Reynaert: 'nu gaen wi heten +Desen goeden vetten hase.' +Die welpine liepen ten hase [85] +Ende ghinghen heten al ghemeene. +Haren rauwe was wel cleene (fo. 211b) +Dat Cuaert hadde verloren tlijf. +Ermeline, Reynaerts wijf, +Hat dat vleesch ende dranc des bloets. [86] +Ay, hoe dicke dancte so goets +Den coninc, die dor sine doghet +Die cleene welpkine hadde verhoghet +So wel met eenen goeden male! +Reynaert sprac: 'hi jans hu wale. +Ic weet wel, moet die coninc leuen, +Hi soude ons gherne ghiften gheuen, +Die hi selue niet ne woude +Hebben om .vij. maerc van goude.' +'Wat ghiften es dat?' sprac Hermeline. +Reynaert sprac: 'hets eene lijne +Ende eene vorst ende twee micken. +Maer maghic, ic sal hem ontscricken, +Hopic, eer lijden daghen twee, +Dat ic omme zijn daghen mee +Ne gaue dan hi omme tmijn.' +Soe sprac: 'Reynaert, wat mach dat zijn?' +Reynaert sprac: 'vrauwe, ic secht hu. +Ic weet een wildernesse nu +Van langhen haghen ende van heede. +Ende die so nes niet onghereede +Van goeden ligghene ende van spijsen. +Daer wonen hoenre ende pertrijsen +Ende menegherande vogheline. +Wildi doen, vrauwe Ermeline, +Dat ghi gaen wilt met mi daer, +Wi moghen daer wonen .vij. jaer, +Willen wi, wandelen onder die scade +Ende hebben daer groete ghenade, +Eer wi worden daer bespiet. +Al seidic meer, in loghe niet.' + 'Ay Reynaert,' sprac vrauwe Hermeline, +'Dit dinct mi wesen eene pine +Die al gader ware verloren. +Nu hebdi dit lant verzworen +In te wonen nemmermee, +Eer ghi comt ouer zee, +Ende hebt palster ende scerpe ontfaen.' +Reynaert andwoerde vele saen: +'So meer ghezworen, so meer verloren. (fo. 211c) +Mi seide een goet man hier te voren, +In rade dat hi mi riet: +'Bedwonghene [87] trauwe ne diedet niet.' +Al vuldade ic dese vaert, +En holpe mi niet,' sprac Reynaert, +'In waers een ey niet te bat. +Ic hebbe den coninc eenen scat +Belouet, die mi es onghereet. +Ende als hi des de waerheit weet +Dat ic hem al hebbe gheloghen +Ende hi bi mi es bedroghen, [88] +So sal hi mi haten vele meere +Dan hi noint dede eere. +Daer-bi peinsic in minen moet, +Dat varen es mi also goet +Alse dit bliuen,' sprac Reynaert, +'Ende godsat hebbe mijn rode baert +(Ghedoe hoe ic ghedoe), +Of mi troestet mee daer-toe +No die cater no die das, +No Bruun, die na mijn oem was, +No dor ghewin no dor scade, +Dat ic in sconinx ghenade +Ne comme, dat ic leue lancst! +Ic hebbe leden so meneghen anxt.' + So zeere balch die ram Belijn +Dat Cuaert, die gheselle zijn, +In dat hol so langhe merrede. +Hi riep, als die hem zeere errede: +'Cuaert, lates den duuel wouden! +Hoe langhe sal hu daer Reynaert houden? +Twine comdi huut! ende laet ons gaen.' +Alse Reynaert dit hadde verstaen, +Doe ghinc hi hute tote Beline +Ende sprac al stillekine: +'Ay heere, twi so belghedi? +Al sprac Cuwaert ieghen mi +Ende ieghen ziere moyen, +Waer omme mach hu dus vernoyen? +Cuaert dede mi verstaen: +Ghi moghet wel sachte voeren gaen, (fo. 211d) +Ne wildi hier niet langher zijn. +Hi moet hier merren een lettelkijn +Met siere moyen Hermelinen +Ende met haren welpkinen, +Die seere weenen ende mesbaren, +Om dat ic hem sal ontfaren.' +Belin sprac: 'nu secht mi, +Heere Reynaert, wat hebdi +Cuaerde te leede ghedaen? +Also als ic conste verstaen, +So riep hi arde hulpe vp mi.' +Reynaert sprac: 'wat sechdi? +Belin, God moete hu beraden! +Ic segghe hu wat wi doe daden: +Doe ic in huus gheganghen quam +Ende Ermeline an mi vernam +Dat ic wilde varen ouer zee, +Ten eersten wart haer so wee +Datso langhe in ommacht lach. +Ende alse Cuaert dat ghesach, +Doe riep hi lude: 'helet vry, +Com hare ende helpt mi +Miere moyen lauen! so es in ommacht.' +Doe riep hi met groeter cracht. +Dit waren die woerde ende niet hel.' +'En trauwen ic verstont oec wel +Dat Cuaert dreef groet mesbare: +Ic waende hem yet mesvallen ware.' +Reynaert sprac: 'Belin, neent niet. +Mi ware lieuer, [89] mesquame hem yet, +Minen kindren of minen wiue, +Dan mijns neuen Cuwaerts liue.' + Reynaert sprac: 'vernaemdi yet +Dat mi de coninc ghistren hiet +Voer arde vele hoeghe liede, +Als ic huten lande sciede, +Dat ic hem een paer lettren screue? +Suldijt hem draghen, Belin neve? +Het es ghescreuen ende al ghereet.' +Belin sprac: 'ende ic ne weet. +Reynaert, wistic hu ghedichte +Dat ghetrauwe ware, ghi mochtet lichte (fo. 212a) +Ghebidden dat ict den coninc +Droughe, haddic eeneghe dinc +Daer icse mochte in steken.' +Reynaert sprac: 'hu ne sal niet ghebreken, +Eer des coninx lettren hier bleuen, +Ic soude hu dese scerpe eer gheuen, +Heere Belin, die ic draghe, +Ende hanghense an huwe craghe, +Ende des conincs lettren daer in. +Ghi sulter al hebben groet ghewin, +Des conincs danc ende groet eere. +Ghi sult den coninc minen heere +Harde willecomme zijn.' +Dit loofde mijn heere Belijn. +Reynaert ghinc in die aghedochte +Ende keerde weder ende brochte +Sinen vrient Beline ieghen +Dat hoeft van Cuaerde ghedreghen, +In die scerpe ghesteken, +Ende hinc bi sinen quaden treken +Die scerpe Belin an den hals, +Ende beual hem als ende hals +Dat hi die lettren niet ne soude +Besien, of hi gherne woude +Den coninc teenen vriende [90] maken, +Ende seide hem dat die lettren staken +In die scerpe verholenlike, +Ende of hi wesen wilde rike +Ende sinen heere den coninc hadde lief, +Dat hi seide dat desen brief +Bi hem alleene ware ghescreuen, +Ende hiere raet toe hadde ghegheuen. +Die coninc souts hem weten danc. +Dat hoerde Belin ende spranc +Van der stede, daer hi vp stoet, +Meer dan eenen haluen voet: +So blide was hi van der dinc, +Die hem te toerne sint verghinc. + Doe sprac Reynaert: 'Belin heere, +Nu weetic wel dat ghi doet eere +Hu seluen ende die zijn int hof. +Men saels hu spreken groeten lof, (fo. 212b) +Alsmen weet dat ghi coont dichten +Met sconen woerden ende met lichten, +Also als [91] ics niet ne can. +Men seit dicken: hets menich man +Groete eere ghesciet, dat hem God ionste, +Van dinghen die hi lettel conste.' +Hier na sprac Belin: 'Reynaert, +Wats hu raet? wille Cuaert +Met mi weder te houe gaen?' +'Neen hi,' sprac Reynaert, 'hi sal hu saen +Volghen bi desen seluen pade: +Hine heuet noch ne gheene stade. +Nu gaet voren met ghemake. +Ic sal Cuaerde sulke sake +Ontdecken die noch es verholen.' +'Reynaert, so bliuet Gode volen!' +Sprac Belin, ende dede hem vp de vaert. +Nu hoert wat hi doet, Reynaert: +Hi keerde in sine haghedochte +Ende sprac: 'hier naect ons gherochte, +Bliuen wi hier, ende grote pine. +Ghereet hu, vrauwe Hermeline, +Ende mine kindre also al gader, +Volghet mi: ic bem hu vader. +Ende pinen wi ons dat wi ontfaren!' +Doene was daer [92] gheen langher sparen, +Si daden hem alle vp die vaert, +Ermeline ende heere Reynaert +Ende hare jonghe welpkine, +Dese ane-vaerden die woestine. + Nv heuet Belin die ram +Soe gheloepen, dat hi quam +Te houe een lettel na middach. +Als die coninc Belin ghesach, +Die de scerpe weder brochte, +Daer Brune die beere so onsochte +Te voren omme was ghedaen, +Doe sprac hi te Belin saen: +'Heere Belin, wanen comedi? +Waer es Reynaert? hoe comt dat hi +Dese scerpe niet met hem draghet?' +Belin sprac: 'coninc, ic maghet (fo. 212c) +Hu segghen also ict weet. +Doe Reynaert al was ghereet +Ende hi den casteel rumen soude, +Doe seide hi mi dat hi hu woude +Een paer lettren, coninc vry, +Senden, ende doe bat hi mi +Dat icse droughe dor huwe lieue. +Ic seide, meer dan .vij. brieue +Soudic dor huwen wille draghen. +Doe ne conste Reynaert niet beiaghen +Daer ic de brieue in draghen mochte. +Dese scerpe hi mi brochte +Ende die lettren daer in ghesteken. +Coninc, ghine horet noint spreken +Van betren dichtre dan ic bem: +Dese lettren dichte ic hem, +Gaet mi te goede of te quade, +Dese lettren sijn [93] bi minen rade +Aldus ghemaect ende ghescreuen.' +Doe hiet hem die coninc gheuen +Den brief Botsaerde sinen clerc: +Dat was hi, die ant werc +Bet conste dan yement die daer was. +Botsaert plach emmer dat hi las +Die lettren die te houe quamen. +Bruneel ende hi die namen +Die scerpe van den halse Belijns, +Die bi der dompheit zijns +Hier toe hadde gheseit so verre, +Dat hi snieme sal werden erre. +Die scerpe ontfinc Botsaert de clerc. +Doe moeste bliken Reynaerts werc. + Alse hi dat hoeft voert trac, +Botsaert, ende sach dat, hi sprac: [94] +'Helpe, wat lettren zijn dit! +Heere coninc, bi miere wit, +Dit es dat hoeft van Cuaerde. +O wach, dat ghi noint Reynaerde, +Coninc, ghetrauwet so verre!' +Doe mochtemen drouue sien ende erre +Dien coninc entie coninghinne. +Die coninc stont in drouuen zinne (fo. 212d) +Ende slouch zijn hoeft neder. +Ouer lanc hief hijt weder +Vp ende begonste werpen huut +Een dat vreeselicste gheluut, +Dat noint van diere ghehoort waert. +Ghene dieren waren veruaert. + Doe spranc voert Syrapeel +Die lubaert, hi was een deel +Des coninx maech, hi mocht wel doen. +Hi sprac: 'heere coninc Lyoen, +Twi drijfdi dus groet ongheuouch? +Ghi mesliet hu ghenouch, +Al ware de coninghinne doot. +Doet wel ende wijsheit groot +Ende slaect huwen rauwe een deel.' +Die coninc sprac: 'heere Sierapeel, +Mi heuet een quaet wicht so verre +Bedroghen, dat ics bem erre, +Ende int strec gheleet bi barate, +Dat ic recht mi seluen hate +Ende ic mine eere hebbe verloren. +Die mine vriende waren te voren, +Die stoute heere Brune ende heere Ysingrijn, +Die rouet mi een valsch peelgrijn. +Dat gaet miere herten na so zeere +Dat het gaen sal an mine eere +Ende an mijn leuen, het es recht.' +Doe sprac Syrapeel echt: +'Es ghedaen mesdaet, men saelt zoenen +Men sal den wulf enten beere doen comen +Ende vrauwe Hersenden also wel +Ende betren hem hare mesdaet snel, +Ende ouer haren toren ende ouer hare pine +Versoenen metten ram Beline, +Na dat hi selue heeft ghelyet +Dat hi Cuaerde verriet. +Ende daer na sullen wi alle loepen +(Hi heeft mesdaen, hi moet becoepen) +Na Reynaerde ende sulne vanghen +Ende sullen sine kele hanghen +Sonder vonnesse, hets recht.' +Doe andwoerde die coninc hecht: (fo. 213a) + 'O wy, heere Syrapeel, +Mochte dit ghescien, so ware een deel +Ghesocht den rauwe die mi slaet.' +Syrapeel sprac: 'heere jaet. +Ic wille gaen maken die zoene.' +Doe ghinc Syrapeel die coene +Daer hi die gheuanghene vant. +Ic wane dat hise teerst ontbant, +Ende daer na sprac hi: 'ghi heeren beede, +Ic bringhe hu vrede ende gheleede. +Mine heere de coninc groet hu, +Ende hem berauwet zeere nu +Dat hi ieghen hu heeft mesdaen. +Hi biet hu, wildijt ontfaen, +Wie so blide si ofte gram, +Hi wille hu gheuen Belin den ram +Ende alle sheere Belins maghe +Van nu toten doms-daghe. +Eist int velt, eist int wout, +Hebse alle in hu ghewout, +Ende ghise ghewilleghelike verbit. +Die coninc ontbiet hu voer al dit, +Dat ghi sonder eeneghe mesdaet +Reynaerde moghet toren ende quaet +Doen ende alle zine maghen, +Waer so ghise moghet belaghen. +Dese twee groete verheden [95] +Wille hu die coninc gheuen heden +Te vryen leene eewelike. +Ende hier-binnen wilt die coninc rike +Dat ghi hem zweert vaste hulde. +Hine wille oec bi sinen sculde +Nemmermeer ieghen hu mesdoen. +Dit biedt hu de coninc Lyoen. +Dit neemt, ende leeft met ghenaden. +Bi Gode, ic dart hu wel raden!' +Isingrijn sprac toten beere: +'Wat sechdire toe, Brune heere?' +Brune sprac: 'ic hebbe lieuer in de rijsere +Dan hier te ligghene int ysere. +Laet ons toten coninc gaen +Ende sinen pays daer ontfaen.' (fo. 213b) +Met Syrapeel datsi ghinghen +Ende maecten pays van allen dinghen. + + + NOTA. + + + + + + + +HANDSCHRIFT E + + +No creature die heuet lif. +Sonder die ule ende die scowut +die darne stelen in dat crut. +Of eneh ander vogelin +Dat el war gerne wilde sin. +Ende dar bi auenturen lidet. +Coninc dar leid min scat gehidet. +Coninc die stede heed crikenputte +Verstaet dit wel et es .v. nutte. +Gi sult dar gaen. gi [laet sin] [96] +ende min vrouwe +En wetti oec nimenne so getrowe. +Din gi laet sin .v. bode. +Noh bi beden no bi gebode. +Mar gaet dar selue ende asse gi +dien seluen putte comet bi. +Gi sult uinden ionge berken. +here coninc dat suldi merken +Die alre nast den putte staet. +Coninc totir berken gaet. +Dar leget die scat onder begrauen. +Dar suldi diluen ende scrauen. +En luttel mosses in dene side +So suldi uenden meneh gesmide +van goude riclic ende scone. +Gi sult uenden oec die crone +Die heimeric die keyser droh +Ende and cyreiden genoeh. +Edele stene gulden werc +Men coht nit ombe dusent marc. +Her coninc asse gi hebt dat guet. +Hoe dicke suldi in .vwen muet. +Pensen. R. getrouwe vos. +Die hir grouet in dit mos. +Desen scat bi dire lust +Got geuedi guet so wa du best +Doe antwerde die co[ninc] +R. salic die vart be[staen] +Gi motet sin an onse +Ende gi motet ons .R +Hulpen uwen sca +Ine wande bi mi sel +Aldar nember meer +Jc hebbe gehort nom +Ende pariis est dar it +Ende est also assic ver +So smeket di .R. ende +Crikenpit die gi d +Wanic es en geue +Dese tale was .R. o +Ende verbalh hem ende +Gi siter coninc also n +Alse van colne tot +Wandidat ic .v. +Wille wisen in di +Jc sal v tonen soe ic +Orconde genoh al +Lude riep hi cohar +Comt vorden coninc +Die dire sagen all +Ende wonderden alle v +Cohart ginc beuen +Hem wonderde wat +.R. sprac. cohart he [97] +Gi beuet siit blide s +Segt minen here +Dis manic v bider t +Die gi vrouwe ge +Ende hem seluen scu +Doe sprac cohart +Soe motic werden al +Daat mi costen so + igen eneh wort + van ere mort + anet bider trouwen. + suter vrouwen. + c sculdeh bin + soe seg. hem. + r crikenputte steet. + at of ic weet. + ut wesen so. + i hulsterlo. + t in ere wostine. + oget so menege pine + onger so meneh coude + e menech foude. + so menegen dah. + tten nit in mah. + vergetten dis + munt die sies + ennincge sloeh + mede scone bedroueh + en sine [98] + voren er ic met rine + cap macte vast. + heft menegen past + R. sute rin + scone hondekin. + wardi nu hir + gen vor dese diir. + me wars te done + r ne wa soe cone. + e sake dede + coninc mote mede. + belgen doen met rehte + onder gene cnehte + stelike cohart. + coninc en heft tuwart +Ne sake tespreke ne meer. +Cohart dede enen wederkeer +Ende ginc vans conincs rade dar. +R. sprac coninc here est waer. +Dat ic segge .R. iaet. +vergeuet mi ic seyde quaet. +Dat ic .v. mestroude it +R. gude vrint nu siit +Den raet dat gi met ons gaet. +Ten putte aldar die berke staet [99] +Dar die scat legt begrauen onder +R. sprac here gi segt wonder. +Wandi inwaers alte vro. +Coninc of et mi stonde so. +Dat ic met .v. wandelen mohte. +Also ast ons beyden dohte +Ende giis wart here sunder sonde. +Neen ets asic .v. orconde. +Ende ic .v. sege al est scame. +Doe ysengrim indiuels name. +Indie ordene ginc hir teuoren +Ende hi te moneke wart bescoren. +Doe ne constem nit dere prouende genogen. +Dar ses moneke hen met bedrogen +Hi clagede van hongre ende carmde. +So sere dat hi mi ontfarmde. +Doe hi crankede ende wart trah. +Doe droh ics rouwe asse en sin maeh +Ende gaf hem raet dat hi ut ran. +Dar ombe bin ic in spaues ban. +Margen asse die sunne op gaet. +Willic te rome ombe aflaet. +van rome var ic ouer ze +Sone come ic dan nembermee. +Eric so uele hebbe guds gedaen. +Coninc dat ic met .v. mah gaen. + + + +Dat nimen so onspelic en es +Tuschen pollanen ende scouden. +Die hem van lahgene hadde onthouden. +Dor rouwe die hem mohte gescien +Hadde hi R. doe gesien. +Hoe wonderlike hi henen ginc +Ende hoe gemakelike heme hinc +Scerpe ende palster ane sinen hals +Ende die scon oec als ende als +Die hi droeh ane sine been. +Gebonden. daden dat hi sceen. +Pelegrim gelic genoeh +R. hadde [100] herte binnen loeh. +Dor dat si alle met heme gingen. +Met soe groter samenongen. +Die hem teuoren waren wreet +Doe sprac hi ten coninc mi es leet +Dat gi dus verre met mi gaet. +Ic vrochte et mah v. wesen quaet +Gi hebt geuaen tue mordenare. +geuallet dat si v. onfaren. +Gi hebt .v. te wahtene meer +Dan gi .v. dadet noit eer +Blift gode beuolen ic moet gaen. +Na dyse tale ginc hi staen +Op sine echterste tue poten +Ende maende den clenen ende den groten. +Dat si alle vor hem baden. +Of si ane sine weldanen. +Gerech deel hebben wouden. +Si seyden alle dat si souden. +Sins [101] gedingen in haren gebede. +Nu hort vort wat R. dede. +Dar hi van den coninc sciet. +So drouelike hi uan hem sciet. +Dat et somen sere ontfarmede +Cuarde den hase hi bimaende. +O wi cuart nu sele wisce den. +Of got wille gi sult mi geleden. +Ende min vrint bellïn de ram. +Gi tuene word mi noit gram. +Gine moet mi vort bringen. +Gi siid van soter wandelingen. +Ende onbegrepen ende godertiren. +Ende onbeclagt uan allen diren. +Gestelic es v er beder sede. +Gi leuet bede asse ic doe dede +Doe ic clusenare was +Hebdi leuer ohte gras +Gine doet negene eesch. +No om broet no ombe vlich [102] +Noh ombe sonderlike spise +Met aldus gedanen prise +Heuet R. dese tue uerd. . +So dat si met hem gin +Tote si quamen vor s +En vor die porte te +Asse R. vore die p +Doe sprac hi neu die ram. +Gi muet allene n staen. +Jc muet in mire en gaen. [103] +Cuaert sal in gaen met mi. +Her bellin bidt hem dat hi. +Troste wel urouwe ermelinen. +Met haren armen wolpinen. +Asse ic an hare orlof neme. +Bellin sprac ic biddes heme +Dat hise alle troste wale. +R. ginc met sconre tale. +Soe smekende ende soe losertire +Inso meneger maniren. +Dat hi met barate brohte. +Cuarde in sene hagedohte. + Alse si in dat hol quamen +Cuart. ende R. tesamen. +Doe uonden si vrouwe ermelinen +Bi haren clenen wolpinen. +Si was in sorgen ende in vare. +want si wande dat .R. ware. +verhangen ende asse sine vernam. +Dat hi thus weder quam. +Ende palster ende scerpe droeh. +Dohte hare wonderlike genoeh. +Si wart blide ende sprac si an. +Liue .R. hoe si di ontgaen. +R. sprac ic was geuaen +Mar die coninc hi liit mi gaen. +Jc muet werden pelegrim. +Her brun ende her ysengrim. + en gisel ouer mi, + eft ons. danc hebbe hi. +C en op rehte sone. +Al ille mede te done. +D ede [104] selue des +Da erste was +Di o it iegen hem. +Ende bid en die ic bin +v sculde vrouwe ermeline. +Cuarde nact ene suare pine. +Jc ben hem met rehte gram. +Alse cuart dit uernam +Kerde hi hem ombe ende wande vlien [105] +Mar dit ne conste hem nit gescien. +want .R. hadde hem onder gaen. +Die porte ende grepene san. +Bider kelen mordelike. +Ende cuart riep genadelike. +Hulpt mi bellin waer si di. +Dese pelegrim hi dodet mi. +Dit ropen was scire gedaen. +bedie R. hi hadde saen. +Sine kele ontue gebroken. +Doe sprak R. nu ga wi coken. +Desen guden vetten hase +Die wolpine liepen toten ase [106] +Ende gingen eten algemeyne. +Hare rouwe hi was clene +Dat cuart hadde verloren lif. +Ermeline. R. wiif +at van den vlesce ende dranc dis bludis [107] +ay hoe dicke bat si godis. +Den coninc die dor sine doet +Hare clene kindre hadde uerhoget. +Soe vroeh met enen guden male. +R. sprac hi ans ons wale. +Jc weet wel muet die coninc leuen. +hi soude ons gerne gehte geuen. +Die hi selue nit ne woude. +heuen ombe seuen marc van goude. +wat gehte sint dat sprac ermeline +R. sprac ets ene line +Ende ene worst ende ene micken, +mar magic [ic] ic sal hem ontscricken. +Magic eer liden dage tue +Dat ic ombe sin danger mee. +Ne gaue. dan hi ombe dat mi. +Si sprac .R. war mah dat sin. +R. sprac vrouwe ic seggu. +Jc weet en weldernesse ru. +van langen gagele ende van heyden. +Dat es een wel groet geleide, +van guden leuene van goder spisen. +Dar wonen vor-honre ende pertrisen. +Ende menegerande vogeline. + + + + + + + +HANDSCHRIFT F + + + Vvillam, die Madocke makede, (fo 102. rb. R. 1.) +Daer hi dicke omme wakede, +Hem vernoyde so harde +Dat [108] ene auenture van Reynaerde +In dietsche was onvolmaket bleuen, +Die Arnout niet en hadde bescreuen, +Dat hi die [109] vite dede soeken +Ende hise vten walschen boeken +In dietsche heuet begonnen. +God moete hem sire hulpen onnen! + Nv keert hem dar toe mijn sin +Dat ic bidde indit begin +Beyde den dorpers ende den doren, +Oftsi comen dar si [110] horen +Dese rime ende dese woert, +Dien si onnutte sijn gehoert, +Dat sise laten onbescauen. +Te vele slachten si den rauen +Die emmer es al euen malsch: +Si maken sulke rime valsch, +Daer si niet meer af ne weten +Dan ic doe hoe die gene heten +Die nv in Babilonien leuen. +Daden si wel, si soudens begeuen. +Mijns dichtens ware oec gestille, +(Dat ne seg [111] ic niet dur haren wille) +En hads mi niet gebeden +Die in groter houescheden +Gherne keret hare saken. +Si bad mi dat ic soude maken +Dese auenture van Reynaerde +Al begrepent die grinsarde. +Je wil wel dat se de gone horen +Ende daer toe geuen har oren +Die gaerne plegen der heren +Ende haren sin daer toe keren, +Sijn si arme, sijn si rike, +Dat si leuen houeslike. +Dit verstaet in goeden sinne. +Nv hoert hoe ict beginne. + Het was an enen pijnster dage (fo 102 va) +Dat beyde busch ende hage +Mit groenen loueren was beuaen. +Nobel, die coninc, hadde gedaen +Sijn hof creyieren ouer al +Dat hi wel waende, hadde hijs geual, +Houden te wel groten loue. +Dus quamen tes coninx houe +Alle diere, groet ende clene, +Sonder Reynaer, de vos, allene. [112] +Hi hadde te houe so vele misdaen +Dat hire niet en dorste gaen. +Die dief, die steelt, die scuwet tlicht: +Dat seit die lettere, dat es recht. +Also dede Reynaert dat hof +Daer hi in hadde wel cranken lof. +Doe al dat hof vergadert was, +Doene was dar niemen dan de das, +Hine hadde te clagene ouer Reynaerde, +Den fellen mitten roden baerde. + Nv gaet hier an ene claghe. +Ysegrim ende sine maghe +Ghingen vorden coninc staen. +Ysegrim begonde saen +Ende sprac: 'coninc, edel here, +Dur [v] edelheyt ende dur v ere +Beyde dur recht ende dur genade +Ontfarmt v der groter scade +Die mi Reynaer heeft gedaen, [113] +Dar ic dicke af hebbe ontfaen +Groten lachter ende verlies. +Vor al ontfarme v dies +Dat hi mijn wijf heft verhoert, +Ende mine kinder so gevoert +Dat hise beseicte dar si laghen, +Datter . ij . no min no meer nesaghen +Ende worden beyde al stare-blint. [114] +Nochtan hoende hi mi sint: +Et was sint so verre comen +Dats een dach was gecomen, +Ende Reynaert soude hebben gedaen (fo 102 vb) +Sijn onsculde . ende also saen +Alse die heyligen vor waren brocht, +Was Reynaert ander sins bedocht +Ende ontfloe in sine veste. +Here, [115] dat kinnen noch die beste +Die ten houe sijn comen hijr. +Mi heeft Reynaert, dat felle dijr, +So vele te lede gedaen, +Jc weet dat wel sonder waen, +Ware al dat laken perkement +Datmen maket tote Ghent, +Men screuet niet daer an. +Mer des swigic nochtan, +Mar [116] mines wiues lachter +Ne mach [117] niet bliuen achter +No verswegen no [118] onghewroken. +Als Ysegrim dit heft gesproken, +Stont op een hont ende hiet Cortoys, +Ende sprac ten [119] coninc in fransoys +Hoe hi so arm was wilee eer, +Dat hi als ne hadde meer +Op enen winter, in enen vorst, +Danene enige worst, +Ende hem Reynaert die selue nam. +Tybaert, de kater, hi wart gram +Ende spranc in midden den rinc +Ende seide: 'heer her coninc, +Dur dat Reynaert dus onthout, +Sones hier nieman, ionc noch out, +Hine hebbene te wroegen iegen v. +Dat Cortoys hier claget nv +Bi liste had icse gewonnen, +Bi nachte dar ic was geronnen +Om mijn beiach inere molen; +Dar had ic die worst gestolen +Enen slapenden moleman. +Hadder Cortoys yet an? +Dat was bi nieman dan bi mi. +Ets best dat onboret si +Derre clage die Cortoys hier doet.' (fo 103 ra) +Pancer sprac: 'dunct v goet +Datmen dere clage onbere? +Reynaert is een mordenere +Ende .i. verrader ende .i. dief. +Hine heft niemene so lief, +No den coninc, minen here, +Hine wilde dat hi lijf ende ere +Verlore, [120] mochte hire an winnen +Een vet morsiel van ere hennen. +Wat segdi van ere sage: +En dede hi gistren an den daghe +Ene die meeste ouerdaet +An Cuwarde, den hase, die hier staet, +Die noyt enich dier dede? +Want hi binnen des coninx vrede +Ende binnen des coninx gelede +Louede te leerne sinen crede +Ende souden maken goet capellaen +Ende dedene vor hem sitten gaen +Vaste tusschen sine been, +Ende begonde ouer een +Spellen ende lesen bede +Ende lude te singene haren crede. +Mi geuel dat ic an dien tiden +Ter seluer stede souden liden. +Dar hordic haren sanc +Ende maecte darwaert minen ganc +Mit ere harder snelre vaert. +Doe vandic meister Reinaert +Die sijn lesse hadde begeuen, +Die hi voren hadde opheuen, +Ende diende van sinen ouden spele +Ende hadde Cuwaerde bider kele +Ende soude hem tlijf hebben genomen, +En waric hem niet te hulpen comen +Bi auenturen in dien stonden. +Siet hier noch de versche wonden +An Cuwarde, den arminc! +Jc seg v, here her coninc, +Latijt bliuen onghewroken (fo 103 rb) +Dat v vrede dus es broken, [121] +Ghine wreket als vwe manine wisen, +Men salt vwen kinden mesprisen +Hier na ouer menich iaer.' +'Bi gode, Panser, du sechs waer,' +Sprac Ysegrim al daer hi stoet, +'Ware Reynaert doet, et ware goet, +Also behoude mi god mijn leuen! +Mar wart hem dit vergeuen, +Hi sal honen in derre maent +Sulken dies hem niet bewaent.' +Doe spranc op Grimbert, die das, +Die Reynaerds brueder sone was, +Mit ere verbolgentliker tale. +'Her Ysegrim, en weti wale +Ende ets een out bispel: +'Viants mont seit selden wel.' +Wat witi Reynaerde, minen oem? +Jc wilde, hi hinge an enen boem +Bisiere kele als een dief, +Har Ysegrim, ende waert v lief +Ende gijt also wilt anegaen, +Die andren meest heeft mesdaen +Van minen oem ende van v. +Al comt hi niet te houe nv, +Ware mijn oem alse wel te houe +Ende hi stont indes coninx loue, +Har Ysegrim, als gi doet, +En soudu niet dinken goet +Ende gine bleuets huden onbegrepen +Dar gi mijns oems vel hebt genepen +So dicke mit vwen scarpen tanden, +Dat hijt niet en dorste anden. +Jn hebbe dar an niet gelogen: +Ghi hebt minen oem bedrogen +Dicke ende in menigher wisen. +Ghi bedroechten vanden pladisen +Di hi warp vander kerren, +Doe gi volget na van verren +Ende gi die vette pladisen aet, [122] (fo. 103 va.) +Daer gi v seluen mede versaet. +Ghine gauet [123] hem no goet no quaet +Sonder ere pladisen graet, +Dat gi hem ieghen brocht +Dur dat gijs seluen niene mocht. + Sint honedine van enen bake +Die vet was ende van goeder smake, +Dien gi leit al in v butseel. +Doe Reynaert eyscede sijn deel, +Andwordi hem tuwen scerne: +'V deel sal ic v gheuen gherne, +Reynaert, scone iongelinc: +Die wisse dar die bake an hinc, +Becnaget die, sies wel vet.' +Reinaerde was luttel te bet +. . . . . . . [124] +Vinc. ende warpne in sine sac. +Dese pine ende dit ongemac +Heft hi leden dur Ysegrime +Ende .C. werue meer danic v rime. +Ghi heren, dunct v dit genoech? +Nochtan is meere ongeuoech +Dat hi claget om sijn wijf, +Die Reynaerde alhar lijf +Gheminnet heuet openbare, +Alne make sijs [125] niet widemare. +Jc wil seggen ouer waer +Dats langher es dan .vij. iaer +Dat Reynaert heft har trouwe, +Ende oftie scone vrouwe +Dur minne ende dur houeschede +Eens sinen wille dede +Ende sies saen was genesen, +Wat clagen mach dar af wesen! +Nv maket hier Cuwart, de hase, +Ene clage van ere blase. +Oft hi den crede niet wel en las, +Reynaert die sijn meyster was, +Enmoest hi sinen clerc niet blouwen? +Dat waer onrecht, bimire trouwen! +Cortoys clagede om ene worst (fo. 103 vb.) +Die hi verloes in enen vorst, +Die clage ware bet verholen: +En hordi dat si was gestolen? +Male quesijt male perdijt: +Mit rechte wert mens qualic quijt +Datmen qualike heft gewonnen. +Wi soude Reynaerde dat wanconnen, +Oft hi verstolen goet vinc an? +Nieman die rechte besceiden can. +Reynaert is een gherecht man. +Sint dat die Coninc sinen ban +Hebt geboden ende sinen vrede, +So wetic wel dat hine dede +Dinc ne gheen, dan oft hi ware +Erumite ofte clusenare. +Naest sire huut draget hi ene hare. +Binnen den naesten iare +Sone at hi vleysch, wilt no tam: +Dat seide hi die gistren van dane quam. +Maperthus hebt hi begheuen, +Sine casteel, ende heft op geheuen +Ene cluse dar leget hi in. +Ander beiach no ander gewin +So wanic wel dat hine heuet +Dan caritate die men hem geuet. +Bleec ende magher ishi van pinen: +Hongher, dorst, sware carinen +Doet hi ouer sine sonden.' +Rechte in desen seluen stonden, +Dat Grimbaert stont in deser tale, +Saghen si nederwaert in den dale +Cantecleer comen geuaren, +Ende brochte op ere baren +Ene dode henne, ende hiet Coppe, +Die Reynaert hadde biden croppe +Houet ende hals af gebeten. +Dat moste nv die Coninc weten. + Cantecleer quam vore gaende +Sine vedre sere slaende. +In weder side vander bare [126] (fo. 104 ra.) +Ghinghen twee hanen wide mare. +Dene hane hiete Cantart, +Daer na wilen gheheten wart +Ver Alenten goede hane. +Dander hiet na minen wane +Die goede hane Craiant, +Die scoenste hane diemen vant +Tusschen Bartanghen ende Pollanen. +Elkerlijc van desen hanen +Droech ene bernende stallecht +Dat beyde lanc was ende recht. +Dit waren Coppen bruedere twee. +Si riepen: 'wach ende wee.' +Om haer suster Coppen doet +Dreuen si clage ende iamer groet. + Pinte ende Sprote droegen die bare. +Hem was te moede harde sware +Om hare suster die si hadden verloren. +Men mochte harde verre horen +Der twier carminge. +Dus sijn si comen ten gedinge. +Cantecleer spranc inden rinc +Ende seyde: 'heer her coninc, +Dur god ende dur genade [127] +Nv ontfarme v mire scade +Die mi Reynaert heft ghedaen +Ende minen kinderen, die hier staen, +Die sere sijn te haren onwille. +Tot enen inganc vanden aprille, +Doe die winter was vergaen +Ende men sach die bloemen staen +Ende ouer al die velde groene, +Doe wasic fier ende coene +Van menigen groten geslachte. +Jc hadde [128] ionger sonen achte +Ende scoenre dochtre seuene +Dien wel lusten te leuene, +Ende mijn wijf Coppe, die vroede, +Hadde vort brocht tenen broede. +Si waren vet ende starc (fo. 104 rb.) +Ende gingen in enen parc, +Dat was beloken mit enen mure. +Daer binnen stont ene monic-scure [129] +Daer so vele honde toe horden +Dat si menegen dire de pelse scorden. +Des waren mine kindre onuervaert. +Dat benide te hant Reynaert +Dat sire so vaste woenden binnen +Dat hire [130] gheen en conde gewinnen, +Reynaert, die felle ghebuur. +Hoe dicke ran hi om den muur, +Ende leyde om ons sine laghen. +Alsene dan de honde saghen, +Setten si hem na mit crachte. +Enewarf wart hi optie grachte +Bi auenturen so belopen. +Daer sachic hem al becopen +Sine diefte ende sinen roef, +Want hem daer den pels stoef. +Nochtan quam hi mit barate [131] +Dane, datten gode verwate! + Doe ware wi sijns lange quite. +Sint quam hi als een erimite, [132] +Reynaert, die mordadighe dief, +Ende brochte mi enen brief +Te lesene, here coninc, +Daer vwe zeghel ane ghinc. +Doe ic den brief began te lesen, +Dochter mi in gescreuen wesen +Dat gi had coninclike +Ende als een coninc rike +Allen [133] diren ghegheuen vrede +Ende allen vogelen mede: +Ende hi seyde mi dat hi ware +Ene begheuen clusenare +Ende hadde ghedaen sware carinen +Ende vanden sonden sinen +Penitencie ende sware pine. +Hi toende mi pelse ende slauine +Die hi brocht vander Elmare, (fo. 104 va.) +Daer onder ene scarpe hare. +Doe sprac hi: 'here Cantecleer, +Nv mogedi voerwaer meer +Van mi sonder sorghe leuen. +Jc hebbe bider stolen begeuen +Al vleesch ende vleessmout. [134] +Jc bin vorwaert meer so out, +Jc moet mire zielen telen. +Gode wil ic v beuelen. + Jc ga daer ic hebbe te doene: +Jc hebbe noch middach ende noene +Ende prime te segghen vanden daghe.' +Doe nam hi neuen enen haghe +Enen wech te dien gescede +Ende began te lesen sinen crede. +Jc wart blide ende onuervaert +Ende ghinc te minen kindren waert, +Ende [was] so vele sonder hoede +Dat ic mit allen minen broede +Sonder sorge ghinc buten mure, +Daer mi geviel quade auenture. +Want Reynaert, die felle saghe, +Was ghecropen dur die haghe. +Ende hadde ons die porte ondergaen. +Doe wart mire kindre saen +Ene ghepronden vten ghetale, +Dat leyde Reynaert in sine male. +Quade auenture mi doe nakede. +Sint dat hire een gesmake[de] +Jn sinen ghireghen mont, +En conde ons wachter no hont +So bescermen noch bewachten +No bidaghe no binachten +Hine rouede mine kinder. +So vele is mijn getal te minder +Dantte voren plachte sine, +Dat die . xv . kinder mine +Sijn gedeghen al op vire. +So suuer heftse die onghehire [135] +Reynaert in sinen mont verslonden. (fo. 104 vb.) +Noch gistren wert hem mitten honden +Ontiaghet Coppe, die mare, +Die hier leget op die bare. +Dat clagic v mit groten sere: +Ontfarme v mijns . Coninc here!' + Die Coninc sprac: 'her das, +V oem die clusenaer was, +Hi heuet gedaen so sware carinen, +Leuic een iaer, et sal hem scinen! +Nv hort, heer Cantecleer, +Wat sal deser talen meer? +V wijf leit hier versleghen. +God moet haer zielen pleghen. +Wine moghense niet langher houden. +Wi sullens gode laten wouden +Ende sullen onse vigelien singen, +Ende daerna sulle wi bringhen +Den lichaem ter eerden mit eren. +Daer na sulwi mit desen heren +Dus beraden ende bespreken +Hoe wi best gewreken +An Reynaer[de] desen moert.' +Doe hi ghesproken hadde de woert, +Gheboet hi ionghen ende ouden +Dat si vigelien lesen souden. +Des coninx ghebod was scire gedaen. +Doe mochtmen horen harde saen +Beginnen lude ende ho +Placebo domino +Entie veerse dier toe behorden. +Jc seg v in corten woerden, +Wie daer die seuende lesse sanc, +Mar et ware alte lanc, [136] +Ende wie die zielemisse las. +Als der vigelien een ende was, +Doe leydemen Coppen in een graft +Dat mit sinne was gewracht +Onder een linde in dat gras. +Een marmersteen slecht alse glas +Was [137] die sarc die op har lach. (fo. 105 ra.) +Die letteren, diemen dar op sach, +Si daden op dat graf bekinnen +Wie daer op lach begrauen binnen. +Dus spraken die boecstaue +Anden sarke op den graue: +'Hier leghet Coppe begrauen +Die wel conde scrauen, +Die Reynaert, de vos, verbeet +Die haren geslachte was te wreet'. + Nv leget Coppe onder die moude. +Die Coninc boet al sine houde +Dat sihem bespraken +Hoe si alre best ghewraken +Op Reynaerde die ouerdade. +Doe worden si alte rade +Dat siden Coninc rieden +Dat hi Reynaerde soude onbieden +Dat hi te houe soude comen, +Dat hidur scade ende dur vromen +Ne liete, hine quame ten gedinge, +Ende men Brunen van deser dinge +Die boetscap soude laden. +Des was die Coninc saen beraden +Ende sprac dus te Brunen, den bere: [138] +'Her Brune, ic seg v vor dit here +Dat gi dese boetscap doet. +Oec radic v dat gi sijt vroet +Ende gi v wacht yeghen baraet. +Reynaert es so fel ende so quaet: +Hi sal v smeken ende lieghen, +Mach hi . hi sal v bedrieghen +Mit valschen worden ende mit sconen, +Mach hi, bigode . hi sal v honen.' +'Here,' sprac Brune . 'laet v castien, +So moete mi god vermaledien, +Ofte mi Reynaert sal honen, +Jnne salt hem so weder lonen +Dat hijs anden dilsten si. +Nu ne sorget niet vor mi.' +Dus nemet hi orlof ende salhem maken (fo. 105 rb.) +Dat hi welsere sal mesraken. + Nv es Brune opdie vaert +Ende heft in sire herten onwaert, +Ende et dochte hem ouerdaet +Dat menne helde ouerquaet +Datten Reynaert honen soude. +Durt donkerste vanden woude +Quam hi gelopen an ene woestine, +Daer Reynaert hadde de pade sine +Gheslaghen crom ende menichfout, +Also als hi in dat wout +Plach te lopen om sijn beiach. +Beneuen der woestinen lach +Een berch hoge ende lanc, +Dar most Brune sinen ganc +Te midwaert ouer maken, +Sal hi te Maperthus geraken. +Reynaert hadde menich huus, +Mar die casteel van Maperthus +Dat was die beste van sinen borghen: +Daer trac hi toe, alse mit sorghen +Oft in node was beuaen. +Nu is Brune so gegaen +Dat hi te Maperthus es comen, +Ende heft die porte vernomen +Daer Reynaert op plach te gaene. +Doe ginc hi vor die barbakane +Sitten op sinen staert +Ende sprac: sidi in huus, Reynaert? +Jc ben Brune, des coninx bode. +Hi heft ghesuoren bisinen gode, +Ne coemdi niet te gedinge, +Ende ic v vor mi niet en bringe, +Recht te nemenne ende te geuene, +Hi doet v rouene vanden leuene, +Hi doet v breken op enen rade. +Reynaert, nv doet [139] dat ic v rade +Ende gaet mit mi te houe waert.' +Dit verhoerde Reynaert +Die vore in sine porte lach, +Daer hi dicke te leggen plach (fo. 105 va.) +Dur die warmte van der sonnen. +Bider tale die Brune hadde begonnen +Bekindene [140] te hant Reynaert +Ende trac bet in te dale waert +Jn syn donkerste haghe-dochte. [141] +Menichfout was sine ghedochte +Hoe hi vonde sulken raet +Daer hi Brunen, den vraet, +Te scerne mede mochte driuen +Ende selue in sire eren bliuen. + Doe sprac Reynaert ouer lanc: +'Vwes goedes rades hebt danc, +Her Brune, goede vrient! +Hi heft v qualike gedient +Die v bereit desen ganc, +Entie v dese berghe lanc +Ouer te lopene dede bestaen. +Jc soude te houe sijn gegaen, +Al haddijt mi niet geraden, +Mar mi es de buuc geladen +Mit ere vremder spisen +Jn so vtermaten wisen, +Jc vruchte inne sal niet mogen gaen. +Jnne mach sitten no staen. +Jc bin so vtermaten sat.' +'Wat ati Reynaert' . 'wat ic at, +Her Brune? ic at ene cranke haue: +Arm man es gheen graue, +Dat mogedi wel bi mi weten. +Wi arme lude moeten eten, +Hadde wijs raet, dat wi node aten. +Grote vette honichraten +Der hebic coeuer harde groet. +Die moet ic eten dorden noet, +Als ic els niet can gewinnen. +Nochtan als icse hebbe binnen, +Doen is mi pine ende ongemac.' +Dit verhorde Brune ende sprac: (fo. 105 vb.) + Helpe dur die doet, vos Reynaert! +Hebdi honich dus onwaert? +Honich is een edel spise +Die ic vor alle gerechten prise +Ende vor alle gerechten minne. +Reynaert, helpt mi dat ics gewinne. +Edel Reynaert, wel soete neue, +Also lange als ic leue +Wil ic v dar omme minnen, +Mach ic des honics bi v gewinnen'. +'Gewinnen, Brune? gi hout v spot!' +Jnne doe, Reynaert. so war ic sot, +Spot ic mit v, nenic niet.' +Echt sprac Reynaert: 'Brune, mochtijs yet? +Ofte gi honich moget eten, +Bi vwer trouwen, doet mi te weten! +Mogedijs iet, ic sals v saden. +Jc sals v [so] vele beraden, +Ghine atet niet mit v tienen, +Waendic v hulde daer mede verdienen.' +'Mit mi tienen? hoe mach dat wesen? +Reynaert, hoet v van tesen, +Ende sijt seker ende gewis, +Had ic dat honich dat is +Tusschen hier ende Portegale, [142] +Jc atet op tenen male.' + Reynaer sprac: 'Brune, wat segdi? +Een dorper, heet Lamfret, [143] woent hier bi. +Hi heuets noch [144] so vele twaren, +Ghine aets niet in seuen iaren. +Dat soudic v geuen in v gewout, +Her Brune, wildi mi wesen hout +Ende vor mi dingen te houe.' +Des quam Brune tenen geloue, +Ende sekerde Reynaerde dat: +Wilde hine honichs maken sat, +(Des hi cume onbiten sal) +Hi wilde hem wisen ouer al +Ghestade vrient, goet geselle. +Hier omme loech Reynaert, de felle. +Doe sprac Reynaert openbare: (fo. 106 ra.) +'Vergaue god dat ie v nv [145] ware +Also gereet een goed geual +Als v dit honich wesen sal, +Al mochtijs eten, seuen amen.' +Dese worde si bequamen +Brunen ende daden hem [146] so sochte, +Hi loech datment horen mochte. +Doe dachte Reynaert daer hi stoet: +'Bruun, sijn v auenturen goet, +Jc wane hoedaen [147] v noch laten +Daer gi lachgen sult te maten.' +Na dit gepens ginc Reynaert wt [148] +Ende sprac al ouer luut: +'Her Bruun, geselle, wel come [149]! +Et staet so, sulli hebben vrome, +Hier ne mach sijn geen langher staen. +Volget mi, ic sal voren gaen, +Ende hout desen crommen pat. +Ghi sult noch huden wesen sat, +Salt na minen wille gaen. +Ghi sult hebben sonder waen +Also vele als gi moget dragen.' +Reynaert meende van groten slaghen. +Dat was dat hi hem behiet. +Die ckeytijf ne wistes niet +Waer dat Reynaert die tale keerde, +Die hem dat honich stelen leerde, +Dat hi wel dat sware sal becopen. +Al sprekende quamen si dus gelopen, [150] +Reynaert ende sijn geselle Brune, +Tote Lamfreids anden tune. + Uvildi horen van Lamfreyde? [151] +Wast waer datmen mi seide, +Hi was timmerman van groten loue +Ende hadde binnen sinen houe +Ene eyke bracht vten woude +Die hi ontwee clouen soude, +Ende hadder twe beytel in geslegen, +Alse die tymmermans noch plegen. +Die eyke was ondaen wel wide, (fo. 106 rb.) +Des was Reynaert harde blide, +Bidien et was wel sijn geuoech. +'Har Brune', sprac hi ende loech: +'Soeket ende nemet goem: +Hier in desen seluen boem +Es honichs [152] vtermaten vele. +Proeuet of ghijs iet in v kele +Of in vwen buuc sult winnen. +Nochtan moeti v seluen dwinghen, +Al dunken v goet die honichraten, +Etter te seden ende te maten, +Dat gi v seluen niet en verderuet: +Ic waer onneert ende onteruet, +Lieue oem, mesquame v iet.' +Brune sprac: 'Reynaert, ne sorget niet. +Waendi dat ic bin onvroet? +Mate is tallen spele goet.' +'Ghi segt oec waer'. sprac Reynaert: +'Waer omme binic dus vervaert? [153] +Latet al staen ende crupet in.' +Brune pensde om sijn gewin +Ende liet hem so verdoren +Dat hi dat hoeft ouer die oren +Ende beyde de vorste voete in stac. +Reynaert pogede dat hi trac [154] +Beyde die beytel vter eken +Die daer te voren in steken. +Brune bleef beclemmet in den boem. +Hoert hoe de neue sinen oem +Mit liste brachte in sulke hachte, +Dar hi mit liste n mit crachte +Jn ghere wijs ne [conde] ontgaen +Ende bleef biden hoefde geuaen. +Vvat [155] radi Brunen nv te doene? +Dat hi was starc ende coene +En [156] sal hem niet gehelpen moghen. +Hi sach wel dat hi was bedrogen. +Hi began breischen ende hulen. +Hi was ghegrepen [157] bider mulen +So vaste ende biden voeten voren: (fo. 106 va.) +Al dat hi pijnde was verloren. +Hi waende nemmermeer ontgaen. +Van verre is Reynaert ghestaen +Ende sach comen Lamfreyde +Die [158] op sinen hals brochte beyde +Ene scarpe [159] aexe ende ene baerde. +Nv mogedi horen van Reynaerde +Hoe hi sinen oem ginc rampeniren: +'Oem Bruun . vaste gaet mansieren! +Haddi gheten, gi sout drinken; +Hier coemt Lamfreit, hi sal v scinken. + Na [160] deser tale ginc Reynaert +Weder te sinen castele waert +Sonder orlof, ende mittien +Heft Lamfreit Brunen versien, +Ende vernam dat hi was geuaen. +Doene was daer gheen langer staen. +Hi liep wech mit groten haeste +Daer hi die hulpe [161] wiste naeste, +Ende daer dat naeste dorpe stont. +Hi dedet al den geburen cont +Dat daer stoet geuaen een bere. +Doe volgede hem een groet here. +Daer ne bleef man no wijf. +Die bere te nemene sijn lijf +Et liep al datter lopen mochte. +Sulc quam die enen besem brochte, +Sulc enen vlegel, sulc enen rake, +Sulc quam gelopen mit enen stake, +Also alsi quamen van haren werke. +Selue die pape vander kerke +Brocht enen cruusstaf, +Dien hem die coster node gaf. +Selue die coster droech ene vane +Mede te steken ende te slane. +Des papen wijf, vrouwe Julocke, +Quam gelopen mit haren spinrocke, +Daer si dages omme hadde gesponnen. +Voer hem allen quam geronnen +Lamfreit mit ere scarper aex. (fo. 106 vb.) +Al hadde Bruun luttel gemaex, +Hi ontsach meerre ongeual: +Hi sette al ieghen al, +Doe hi dat geruchte horde. +Hi spranc ende trac, dat scorde +Van sinen aensichte al die huut. +Al brochte Brune thouet wt +Mit arbeyde ende mit pinen, +Nochtan liet hi dar vanden sinen +Een ore ende sine beyde lier. +Niene sachmen so lelic dier. +Hoe mocht hi seere [162] sijn becocht? +Al hadde Brune thouet wt brocht, +Eer hi die voete conde vte gewinnen, +Bleuen daer al die clawen binnen +Ende sine hanscoen bede. +Doe bedochte hi hem mit lede. +Hoe mochte hi sijn onteret meer? [163] +Die voete waren hem so seer, +Dat hidat lopen niene conde gedogen. +Tbloet ran hem ouer die oghen, +Dat hi niet conde gesien. +Hine dorste bliuen no vlien. +Hi sach onder der sonnen +Lamfreide sere comen geronnen +Ende daer na den kerc-here, [164] +Hi quam gelopen harde sere, +Daer na die coster mitten vane +Ende alle die prochiane, +Die oude lude mitten ionghen. +Daer quam te haren staf gesprongen +Sulke quenen, die van ouden +Enen tant niet hadde behouden. +Wie so wel [165] wachte hem dies: +Wie scade heft ende verlies +Ende groet ongeual, +Ouer hem wilt al. +Dat sceen an armen Brunen wel: +Sulc dreigeden an sijn vel, +Die des gesweghen hadde al stille, (fo. 107 ra.) +Hadde Brune gestaen te sinen wille. + Dit [166] was beneuen ere riuire +Dat Brune, onsalichsts alre dire, +Van menighen dorper was berinct. +Doe was daer luttel gedinct. +Hem nakede groet ongemac. +Dene sloech, dander stac. +Dene sloech, dander warp. +Lamfreit was hem harde scarp. +Een hiet Otram Lancvoet, [167] +Die droech enen verhoernden cloet +Ende ghinckene steken naden oghe. [168] +Vrouwe Vulmar [169] scarpe loge +Ghinkene roeren mit enen maelstaue. [170] +Abel ende vrouwe Baue +Laghen beyde onder die voete +Ende streden om ene lange loete. +Ludolf mitter langer nese +Droech ene loetwapper an ene pese +Ende ghingher mede alomme slingren. +Grindemont mitten langen vingren +Dedehem alles te uoren, +Bidien hi was best geboren +Sonder Lamfreit allene: +Hughelijn mitten crommen bene +Was sijn vader, dat wistmen wale, +Ende was geboren van Abstale, +Ende was sone vrouwen Hogernen, +Ende was een maker van lanternen. + Si [171] deden Brunen groten torment. +Brune sat ende sach al omtrent +Ende nam datmen hem gaf. +Dien pape liet den cruusstaf +Ghedichte gaen in sinen hals, +Entie coster als ende als +Ghinckene nopen mitten vane, +Ende Otram warp hem sere ter bane, +Dien stoet ter [172] seluer wile +Mit ere harder scarper bile +So tusschen hals ende houet (fo. 107 rb) +Dat Brune so sere wart verdouet, +Dat hi verspranc vanden slaghe [173] +Tusschen der riuire enten haghe +Jn een torp van ouden wiuen +Ende warp een ghetal van viuen +Jn die riuire die daer liep, +Die wide was ende diep. +Des papen wijf waser ene, +Des was des papen bliscap clene, +Doe hi sijn wijf sach in den vliet, +Doene luste hem langher niet +Den bere te stekene no te slane. +'Nv toe, edel prochiane, +Ghindre vlot vrouwe Julocke +Beyde mit spille ende mit rocke. +Nv toe, die hare gehelpen mach! +Jc gheue hem iare ende dach +Vol paerdoenen ende vol aflaet +Van alle sondeliker [174] daet.' + Beyde [175] man ende wijf +Lieten den armen keytijf +Brunen leggen ouer doet +Ende liepen daer die pape geboet +Beyde mit stocken ende mit haken. +Die wile dat si die vrouwen wt traken, +So spranc Brune in die riuire +Ende ontswam hem allen scire. +Die dorpers stonden harde gram: +Si saghen dat hem Brune ontswam +Daer si hem niet en mochten volghen. +Op den oeuer sijn si verbolghen +Ende ghingen na hem rampeniren. +Brune swam in dier riuiren +Aldaer hi vant den besten stroem. +Al driuende bat hi dat god den boem +Moste verdoemen ende verwaten, +Daer hi sine oren hadde gelaten +Ende beide sine liere. +Voert vloect hi den fellen dire, +Den ongetrouwen Reynaerde, (fo. 107 va.) +Den fellen mitten roden baerde, +Dien so diepe indeyke dede crupen, +Daerne Lamfreit vant ter stupen +Dat hi hem so lede dede. +Jn aldus ghedaenen gebede +Was Brune alse lange wile, +Dat hi een halue mile +Vander stede was gedreuen +Daer die dorpers waren bleuen. +Hi was verpijnt ende moede +Ende ondercomen vanden bloede, +Dat hi hadde cranke vaert. +Doe swam hi te lande waert +Ende croep ligghen onder toeuer. +Ghine saget noyt, wanic, droeuer +Ne gheen dier dat lijf gewan. +Hi lach iamerlike ende stan +Ende sloech mit beyde sijn lanken. +Des mochte hi al Reynaerde danken. + Nv [176] hort wat Reynaert hadde gedaen. +Hi hadde een vet hoen geuaen +Bi Lamfreits ander heyden, +Eer hidane was gesceiden, +Ende had op enen berch gedreghen +Verre buten alle weghen, +Daert heymelic was genoech. +Dat was wel sijn geuoech, +Ende daer was niemans ganc, +Dat hi om yemens bedranc +Sine proye dorste rumen. +Doe [177] hi dat hoen [178] toten plumen +Hadde geleit in sinen male, +Doe ginc hinederwaert te dale +Enen verholentlike[n] pat. +Hi was weltematen sat. +Dat weder was scone ende heet: +Hi hadde gelopen dat hi sweet. +Neder liep hi neuen der liere. +Bidien begeerde hi der riuire, +Dat hi hem vercoelen woude. (fo. 107 vb) +Jn blijscap harde menichfoude +Was sijn herte doe beuaen, +Want hi hopede sonder waen, +Dat Lamfreit Brunen hadde verslegen +Ende hine int oeuer had gevlegen. +Hi sprac: 'hier is nv wel geuaren. +Die mi te houe meest soude daren, +Dien heb ic gedoet in desen dage +Ende wanes wel sonder clage +Ende sonder wangonste [179] bliuen. +Jc mach te rechte bliscap driuen.' + Doe Reynaert was in dese tale, +Sach hi nederwaert [180] te dale +Ende vernam Brunen daer hi lach. +Ten yersten dat hine sach, +Hadde hijs rouwe ende toren. +Dar die bliscap lach te voren, +Dar lach nv toren ende nijt. +Doe sprac hi: 'vermaledijt, +Lamfreit, moet dijn herte sijn! +Du biste [181] dulre dan een swijn, +Lamfreit, argher puten sone! +Luttel eren bistu gewone. +Hoe esdi [182] dese bere ontgaen, +Die di te voren was geuaen? +Hoe goet menich morsiel leiter an, +Dan gherne et menich man. +O wi, Lamfreit, verscrouen [183] druut, +Hoe rikelike eens beren huut +Heuestu huden verloren, +Die di gewonnen was te voren!' [184] +Dit scelden heft Reynaer gelaten +Ende ghinc neder bider straten +Dur te siene hoet Brunen stoet, +Dien hi sach leggen als een bloet +Ende siec ende ongesont +Ende oec harde seer gewont. +Dit sach Reynaert harde gherne. +Doe sprac hite sinen scerne: +'Brune, sier priester, deuosaut! [185] (fo. 108 ra) +Wildi Reynaert, den ribaut, +Den roden scalc, dat felle dier, +Bescouwen, so besieten hier! +Nv seget, priester, soete vrient, +Bidien here dien gi dient, +Jn wat ordinen wildi v doen, +Dat gi dus draget rode scoen? +Weder sidi abt so prior gecoren: +Hi ginc v herde na den oren +Die v de crune heft gescoren, +Want gi hebt vwen top verloren. +Ghi hebt vwe hanscoen wt gedaen: +Jc wane, gi singen wilt gaen +Van vre completen dat getide.' +Dit horde Brune ende was onblide, +Wat mochte hi doen, hine conste gewreken. +Hi moste sinen wille spreken, [186] +Ende sloech weder in die riuire: +Hine wilde vanden fellen diere +Niet meer horen der tale. +Hi liet hem nederwaert [187] te dale +Mitten strome driuen te hant +Ende hi quam [188] ant ander lant +Ende hi ghinc liggen ant sant, +Daer hijt alre naest vant. +Hoe [189] sal nv Brune te houe comen? +Al mocht hem alde werlt vromen, +Hine ghinc niet ouer sine voete. +Hi was beclemmet so onsoete +Jn die eyke, daer te voren. +Van tween voeten hadde hi verloren +Alle de clawen ende dat vel. +Hine conde niet gepensen wel +Hoe hi best quame ten coninc waert. +Nv hort hoe hi bestaet de vaert! +Hi sat ouer sine hamen +Ende began mit groten scamen +Rucken ouer sinen staert. +Alse hi dan des moede waert, +So wentelde hi dan ene wile. (fo. 108 rb.) +Dit dreef hi meer dan ene mile, +Eer hites coninx houe quam. +Doemen Brunen daer vernam +Jn deser wijs van verren comen, +Wart dar betuiuelt van hem somen +Wat daer gewentelt quam so. +Den coninc wart dat herte onvro, +Dine verkende alte hant +Ende sprac, 'ets Brune, mijn sariant. +Brunen es dat houet roet; +Hi es ghewont al toter doet. +Ay [190] god, wie, wie heftene dus gemaect?' +Binnen desen es Brune daer geraect, +Dat hi den Coninc clagen mochte. +Hi stan ende versuchte onsochte +Ende sprac: 'Coninc, edel here, +Wreket mi dur vwes selfs ere +Ouer Reynaerde, dat felle dier, +Die mi mijn scone lier +Mit sire liste verliesen dede +Daer toe mijn luchter ore mede, +Ende heft mi gemaect als ghi wel siet.' +Die coninc sprac: 'oftic dit niet +Ne wroke, so moetic sijn verdoemt!' +Binnen [191] desen heft hi genoemt +Alle die hogheste bi namen, +Ende geboet hem, dat si quamen +Alle gader in sinen raet +Ende rieden hem hoe dese daet +Best worde gerecht tes coninx eren. +Doe rieden hem die meeste heren +Datmen ander warf daghen soude +Reynaerde, oftie coninc woude, +Ende horen tale ende wedertale. [192] +Oec seiden si, si wilden wale +Dat Tibert, de cater, van desen +Te Reynaerde bode soude wesen: +Al waer hi cranc, hi waer vroet. +Dese raet dochte den coninc goet. (fo. 108 va.) + Doe seide die coninc: 'her Tibeert, +Gaet wech, eer gi weder keert +So siet dat Reynaert mit v come. +Dese heren segghen some, +Al es Reynaert andren diren fel, +Hi gelouet v so wel +Dat higheerne doet vwen raet. +En coemt hi niet, tis hem quaet: +Men salne derdeweruen daghen, +Te lastre allen sinen maghen. [193] +Gaet Tibert, segt dit hem.' +'Ay here,' sprac Tibert: 'ic ben +Een arm wicht ende ene clene dier. +Her Brune die starc is ende fier, +En conde Reynaert niet gewinnen: +Jn welker wijs soudix beginnen?' + Doe [194] sprac die coninc; 'her Tibeert, +Ghisijt wijs ende wel geleert, +Al sidi niet starc, wat tan? +Ets [195] menich die mit liste can +Dat werken ende mit goeden rade, +Dat hi mit crachte niet en dade. +Gaet, doet scire mijn ghebod.' +Tibert sprac! 'nv onne mi god +Dattet mi wel moet vergaen. +Jc sal ene vaert bestaen +Die mi duncket in minen moede. +God gheuese mi te goede!' +Nu [196] sel Tibert bestaen die vaert, +Die sere droeue es ende vervaert. +Ende als hi op den wech quam, +Sach hi van verre ende vernam +Sinte Martijns vogel comen geulogen. +Doe waert Tibert vro ende in hoghen +Ende riep: 'al heyl, Sinte Martijns vogel! +Kere harwaert dinen rechteren vlogel +Ende vliech te mire rechter hant.' +Die vogel vloech al dar hi vant +Een haghe, dar hi wilde liden, +Ende leet Tibert ter luchter siden. +Dit teiken ende dit gemoet (fo. 108 vb.) +Ne dochte Tiberde niet goet. +Hadde hiden vogel sien liden +Scone te sire rechter siden, +So waende hi hebben goet geual. +Nv es hi des in wanhopen al. +Nochtan maecte hi hem seluen moet +Ende geliet, alse menich man doet, +Bet dan hem te moede was. +Dus liep hi hene sinen pas, +Des [197] hi quam te Maperthuus +Ende vant Reynaert vor sijn huus +Allene staen verwendelike. +Tibert sprac: 'Reynaert, god die rike +Moetu goeden auond gheuen. +Die coninc dreiget an v leuen, +En coemdi niet te houe mit mi.' +Reynaert sprac: 'wellecome sidi, +Tibert, sijt sere wellecome. +God gheue v ere ende vrome. +Bi gode des onnic v wale!' +Wat coste Reynaerde scone tale? +Al seget sine tonge wel, +Sijn herte es binnen fel. +Dat sal hier getoghet wesen, +Eer die rime wert vollesen +Ten ende tusschen dese twee. +Reynaert sprac: 'neue, tauont mee +Suldi herbergen hier mit mi. +Comt in, ende morghen sul wi +Te houe waert mitten daghe. +Jnne hebbe onder alle mine mage +Niemene, Tibert, dar ic mi [198] nv +Bat op verlate dan op v. +Hier was Brune comen, die vraet, +Ende togede mi so fel ghelaet: +Ende hi dochte mi so starc, +Dat ic om dusent marc +Mit hem den wech niet hadde bestaen. +Dat sal ic · ic sal mit v gaen +Morghen mitter dageraet.' (fo. 109 ra.) +Tibert sprac · 'ets beter raet +Ende et dunct mi bet gedaen, +Dat wi tauond hene gaen +Dan wi tote morghen beyden. +Die mane scinet ander heyden +Also claer alse die dach. +Jc wane, noyt man ne [199] sach +Betren tijt tonser vaert.' +'Neen, lieue neue,' sprac Reynaert: +'Sulc mochtons dages ontmoeten, +Hi soude ons minliker groeten, +Die ons nemmer dade goet, +Quame wi bi nachte in sijn gemoet. +Ghi [200] moet te nachte herbergen mit mi.' +Tibert sprac: 'wat soude wi +Eten, oftic mit v bleue?' +Reynaert sprac: 'wel soete neue, +Hier is der spisen quaden tijt. +Ghi moget eten, begerdijt, +Een stucke vanere honichraten +Die bequamelic is vtermaten. +Wat radi, mogedi tshonichs iet?' +Tibert sprac: 'mi ne roekes niet. +Reynaert, en hebdi niet in huus? +Gauedi mi ene vette muus, +Daer mede lietic v bewaert.' +'Ene vette muus?' sprac Reynaert: +'Soete Tibaert, wat segdi? +Hier woenet noch een pape bi, +Een scure staet ansyn huus, +Daer is in so menige muus: +Jc wanese niet gedroge · j · waghen. +So horic dicke den pape clagen +Dat sine driuen vten huse.' +'Reynaert, sijn dar so vele muse? +Vergaue god, dat ic waer daer!' +'Wat meendi, Tibert · segdi waer? +Wildi muse?' 'oft icse wille? +Hoet des ende swiget stille! +Jc minne muse vor alle saken. (fo. 109 rb.) +Ne weti niet dat muse smaken +Bet dan enich venisoen? +Wildijt dur minen wille doen, +Dat gi mi leit daer muse sijn, +Daerbi mochti de hulde mijn +Hebben, al haddi minen vader +Gedoet ende mijn geslachte al gader.' +Reynaert sprac · 'neue, houdi v spot?' +'Neenic, alse helpe mi god!' +'Weet god, Tibert, wistic dat, +Ghi souter noch tauond wesen sat.' +'Sat, Reynaert, dat ware vele.' +'Tibert, dit segdi tuwen spele.' +'Jnne doe, Reynaert, bi mire wet. +Hadic een muus ende ware si vet, +En gauese niet om een bisant.' +'Tibert, so gaet mit mi te hant. +Jc leide v aldaer ter stat, +Daer icker v sal maken sat, +Eer ic emmer van v sceide.' +'Gherne, Reynaert, op v gheleyde +Ghinc ic mit v te Mompelier.' +'So ga wi dan · wisijn hier +Alte lanc,' sprac Reynaert. +Doe daden si hem op de vaert, + Nv [201] sijn si comen op die vaert +Tibert ende sijn neue [202] Reynaert +Ende liepen dat si lopen wilden +Dat si noyt togel op ne hilden, +Ent si quamen tes papen scure, +Die mit ere horden mure +Al omme ende omme was beloken, +Daer Reynaert in hadde gebroken +Des anderen nachts teuoren, +Doe die pape hadde verloren +Enen hane, ende hi hem dien nam. +Hier om was tornich ende gram +Des papen sone Mertinet, +Ende hadde vor dat gat geset +Enen stric den vos te vane: (fo. 109 va.) +So gherne wrake hi sinen hane. +Dit wiste Reynaert, dat felle dier, +Ende sprac: 'Tibert, neue, hier +Crupet int selue gat +Ende sijt no [203] trage no lat: +Gaet alomme ende omme gripen. +Hort hoe die muse pipen. +Keert weder wt als gi sijt sat. +Jc sal hier bliuen vordit gat. +Jc sal vwes hier buten ontbeiden. +Wine mogen tauont niet sceiden, +Morghen ga wi te houe waert +Tibert, hoe coemt dat gi spaert? +Gaet eten, ende laet ons keren +Te mire herbergen mit eren. +Mijn wijf sal onse beiach ontfaen.' +'Wilic te desen gate in gaen? +Was segdi, Reynaert, ist v raet? +Die papen connen wel baraet: +Jc besta dit harde node.' +'Tsi, Tibert, ghine waert nie so blode! +Wane quam vre herten die wanc?' [204] +Tibert scamede hem ende hi spranc +Daer hi vant groet ongherec: +Eer hi iet wiste, was hi indat strec +Om sinen hals harde vaste. +Dus hoende Reynaert sinen gaste. + Alse [205] Tibert geware waert +Des strickes, doe was hi vervaert: +Hi spranc, hi scoet, dat strec liep toe. +Tibert moste roepen doe +Ende wroegen hem dor dien noet. +Hi maect een gheluut so groet +Mit enen iamerliken gelate, +Dat Reynaert horde andie strate +Buten allene, dar hi [206] stoet. +Doe riep hi: 'vindise goet +Die muse ende vet? +Wiste dit nv Mertinet, +Hi souder v sause toe maken, (fo. 109 rb) +Const hise wel gheraken: +So goet een knaep es Martinet. +Tibert, gi singet als gi et? +Plegetmen [207] ten coninx houe des? +Vergaue god, die geweldich es, +Dat nv mit v daer ware +Die felle dief, die mordenare, +Jn sulker bliscap als gi sijt!' +Dus heuet Reynaert groet delijt +Dur Tiberts ongeual. +Ende Tibert stan iamerlike ende gal +So lude, dat Mertinet ontspranc +Ende roep: 'god hebs danc! +Ter goeder tijt heft nv gestaen +Mijn stric: ic hebber mede geuaen +Den hoenredief, [208] na minen wane. +Nu toe, wi ghelden hem onsen hane!' +Mit desen liep hi toten vire +Ende onstac enen strowisch [209] scire. +Hi wecte moeder ende vader +Entie kinder alle gader, +Ende riep: 'toe! nv is hi geuaen.' +Doe mocht men sien porren saen +Alle die inden huse waren. +Selue die pape quam geuaren +Van sinen bedde al naect. +Mertinet was geraect +Tote Tibert ende riep: 'hi is hier.' +Die pape ran achter dat vier +Ende greep sines wiues rocke. +Een offerkeerse greep vrouwe Julocke +Ende onstacse mitter haest. +Die pape was Tiberde naest +Ende ginckene mitten rocke slaen. +Doe moste Tibert daer ontfaen +Wel menigen slach al in een. +Die pape stont, als hem wel sceen, +Al naect, ende sloech slach op slach +Op Tiberde, die vor hem lach. +Daerne spaerdene har negheen. (fo. 110 ra.) +Martinet greep enen steen +Ende warp Tibert teen oghe wt. +Die pape stont al bloter huut +Ende hief openen groten slach: +Ende alse Tibert dit sach, +Dat hi emmer steruen soude, +Doe dede hi alse de boude, +Datten papen verginc te scanden. +Beyde mit clawen ende mit tanden +Dede hi scamp, alst wel sceen, +Hi spranc den paep tusscen die been, +Ende trac hem wt dat ene dinc, +Dat hem tusscen die bene hinc +Jn die burse sonder naet, +Daermen den beyaert mede slaet. +Dat dinc viel neder op die vloer. +Die [210] vrouwe vloecte ende swoer +Bider zielen hars vader, +Si wilde niet om al gader +Dofferhande van enen iare, +Datten pape geuallen ware +Dit vernoy ende dese scame. +Si sprac: 'ins leeds duuels name +Moete dit stric sijn geset! +Sich, lieue sone Martinet, +Dit was van dijns vader gewande, +Dese scade ende dese scande +Es emmer inallen stonden: +Al genase hi vander wonden, +Hi bleue ten sueten spele mat.' +Reynaert, die noch stont vor tgat, +Doe hi dese tale horde, +Loech hi dat hi achter scorde +Ende hem craecte die tauerne. +Doe sprac hi te sinen scerne: +'Swiget, Julocke, lieue vrouwe, +Laet sinken vwen groten rouwe, +Laet bliuen desen toren. +Wattan? al heft hi verloren +Enen vanden clepel sinen, (fo. 110 rb.) +Des te min darf hi pinen. +Laet dese clage bliuen achter: +Gheneset dese pape, en is geen lachter +Dat hi luut mit ere clocken.' +Dus troeste Reynaert vrouwe Julocken, +Die doe harde sere mesliet. +Die pape mochte langer niet +Ghestaen ende viel in ommacht. +Dien hiep si op mit hare cracht +Ende droegene te bedde waert. +Hier binnen keerde Reynaert +Allene te sire herberghen waert, +Ende liet Tiberde sere veruaert +Ende in sorghen vander doet. +Al was Tiberts sorge groet, +Doe hise alle onledich sach +Ouer den pape, die dar lach +Ghewont, doe ghinc hi pinen, +Dat hi mitten tanden sinen +Die peze in midden bete [211] ontwee. +Doene wilde hi dar nietmee +Letten ende spranc vten gate +Ende dede hem inde rechte strate, +Die te houewaert gelach. +Ende eer hi dar quam wast dach, +Entie sonne began te risen. +Jn een arme wichtes wisen +Quam Tibert int hof geronnen, +Die tes papen hadde gewonnen +Dat hi langhe claghen mach. +Alse die coninc doe sach +Dat Tibert teen oge had verloren. +Doe mochtmen sekerlike horen +Den coninc dreigen den [212] dief Reynaerde. +Jc wane, hi langer niene sparde, +Hine riep sine genote te rade +Ende vrageden wat hi best dade +Jeghen Reynaerts ouerdaet? +Doe wart ghinder menich raet (fo. 110 va.) +Hoemen Reynaert te redene brochte, +Die dus grote mordaet wrochte. + Doe sprac Grimbert, de das, +Die Reynaerts brueder sone was: +'Ghi heren hebt goeden raet. +Ware mijn oem noch so quaet, +Salmen recht vort dragen, +Men salne derdewaerf dagen, +Alsmen doet enen vremden man. +Comt hi niet te houe dan, +So is hi sculdich alre dinc, +Dat hi vorden Coninc +Van desen heren es [213] beclaget. +'Wie wildi, Grimbert, datten nv daget?' +Sprac die coninc: 'wie is nv hier, +Die sine oge · ofte sine lier +Wil setten in auenture +Dur ene felle creature? +Jc wane, hier nieman es so sot!' +Grimbert sprac: 'so helpe mi god! +Siet mi hier, ic bin so coene +Dat ic wel dar bestaen te doene +Dese boetscap, gebiedijt.' +'Grimbert, ia gaet ende sijt +Vroet ende wachtu iegen mesfal,' +Grimbaert sprac: 'coninc ic sal,' + Dus [214] gaet Grimbert te Maperthuus. +Alse hire quam, vant hi in huus +Sinen oem ende vrouwen Ermelinen, [215] +Die bi haren welpekinen +Laghen in die hagedochte. +Ende ten yersten dat Grimbert mochte, +Gruete hi sinen oem ende sire moyen. +Ende sprac: 'en sal v niet vernoyen [216] +Die anruchte, daer gi in sijt? +Dunct v noch iet tijt +Dat gi trect, here Reynaert, +Tes coninx houe waert, +Dar [217] gi sere sijt beclaget? +Ghi sjt nv derdewaerf gedaget. +Verlegdi morgen dien dach, (fo. 110 vb.) +So seg ic dat v ne mach +Ne gheen genade meer gescien. +Ghi selt inden derden dage sien +Vwen casteel verstormen, Maperthuus. +Men sal rechten vor v huus +Een galge ofte een rat. +Ouerwaer seg ic v dat: +Beyde v kinder ende v wijf +Sullen verliesen al haer lijf +Lasterlike, sonder waen. +Ghine moget oec selue niet ontgaen. +Daer om is die beste raet +Dat gi mit mi te houe gaet. +Ets mislijc wat geuallen mach: +V es dicke wile op enen dach +Vremder auenturen geuallen, +Dan gi noch quaemt vor hem allen +Mittes coninx orloue. +Morghen sceitmen vten houe.' +Reynaert sprac: 'gi segt waer. +Nochtan, Grimbert, quamic daer +Onder des coninx ingesinde, +Dat ic daer te houe vinde, +Ets op mi so verbolghen al: +Quamic daen, et [218] waer geual. +Nochtan dunket mi beter wesen +(Ghenese oft ix mach genesen) +Dat ic mit v te houe vare +Dant al verloren ware, +Casteel, kinder ende wijf, +Ende daer toe mijns selfs lijf. +Jnne mach den coninc niet ontstaen. +Als gi wilt, so sul wi gaen.' +Hier [219] na sprac hi: 'vrouwe Ermelijn, +Jc beuele v de kinder mijn, +Dat gire wale pleget nv. +Vor alle dander beuelic v +Minen iongen sone Reynaerdijn. +Hem staen die rode granekijn +So om sijn mulekijn ouer al: (fo. 111 ra.) +Jc hope, hi na mi slachten sal. +Hier es Roseel, een scone dief, +Desen heb ic oec also lief, +Als yement sine kindre doet. +Doedi minen kindren goet +Ende gan mi god dat ic ontga, +Jc salt mi nemen harde na, +Ofte ic salt v mit eren lonen.' +Mit houeschen [220] worden ende mit sconen +Nam Reynaert ande sine orlof +Ende rumede sijns selfs hof. +Hoe droue bleef vrouwe Ermeline +Ende har arme clene kinderkine, +Doe Reynaert sceide van Maperthuus, +Ende hi hof ende huus +Liet al onberaden staen. +Nv hort wat Reynaert heft gedaen. +Tierst dat hi quam ande heyde, +Hi sprac te [221] Grimbert ende seide: +'Grimbert, scouwet, suete neue, +Van anxte suchtic ende beue. +Jc ga in vresen vander doet. +Myn berouwenisse is so groet +Van sonden die ic hebbe gedaen, +Lieue neue, ic wil gaen +Te biechte hier te di: +Hier nes ander pape bi. +Heb ic mine biechte gedaen, +Hoe so de zaken dan vergaen, +Mine ziele sal te claerre wesen.' +Grimbert antworde te desen: +'Oem, wil wi te biechten gaen, +So moeti verlouen saen +Alle diefte ende allen roef, +Ofte diet v niet en geloef.' +'Dat wetic wel', sprac Reynaert: +'Grimbert, [222] nv hort harwaert, +(Siet ic come v toe ghenaden) +Ende vandet mi beraden +Van al gader mire mesdaet. (fo. 111 rb.) +Nv hort, oem, ende verstaet: + Confiteor [223] pater et mater, +Dat ic den otter enten cater +Ende andren diren heb mesdaen, +Des wil ic in boeten staen.' +Grimbert sprac: 'oem, wat walschdi? +Of gi iet wilt, dat segt mi +Jn dietsche, dat ict mach verstaen.' +'Lieue neue, ic heb mesdaen +Jegen allen dieren die leuen. +Bid gode dat hijt mi moet vergeuen. +Jc dede minen oem, haren Brune, +Al bloedich maken sine crune. +Tiberde dedic muse vaen, +Daer icken sere dede slaen +Tes papen daer hi spranc int strec. +Jc hebbe gedaen groet ongerec +Cantecler an sine kindre: +Waren si mere waren si mindre, +Dier maectic emmer los. +Mit rechte claget hi ouer den vos. +Die [224] coninc en is mi niet ontgaen: +Jc [225] hebbe hem laster gedaen +Ende mesprijs der coninginnen, +Des si spade sal gewinnen +Also vele eren van mi. +Oec hebic, dat seg ic di, +Jsegrim meer bedroghen +Danic v soude seggen moghen. +Jc hietene oem, dat was baraet, +Ysegrime die mi niene bestaet. +Jc maecten monic ter Elmaren +Daer wi beide begeuen waren: +Dat wart hem wel sere te pinen. +Jc deden ande cloclinen [226] +Binden beyde sine voete. +Dat luden docht hem so soete +Dat hijt emmer wilde leren: +Dat verginc hem te luttel eren, +Want hi lude so vtermaten, (fo. 111 va.) +Dat alle die gingen bider straten, +Entie waren binnen der Elmare +Waenden dattie duuel ware [227] +Ende liepen daer si luden hoerden. +Eer hi doe in corten worden +Gesprac: 'ic wil mi begeuen,' +Hadden si hem na genomen tleuen. +Sint dedic hem crune geuen. +Hem gedenkets al sijn leuen: +Dat wetic wel ouerwaer. +Jc dede hem bernen af sijn haer, +So dat hem de swaerde cramp. +Sint dedic hem meeren scamp +Optijs, daer icken dede visscen +Dar hi niene conde ontwisschen, +Hine ontfinc daer menigen slach. +Sint leidicken op enen dach +Totes [228] papen van Boloys. +Jn al tlant van Vermendoys +Sone woender gheen pape riker. +Die selue pape hadde een spiker +Daer menich vet baec in lach: +Des had ic dicke goet beiach. +Onder den spiker had ic een gat +Verholenlike gemaket: indat +So dedic Ysegrim in crupen. +Hi vant daer runtvleysch in cupen +Ende baken hangen harde [229] vele. +Des vleysch liet hi in sijn kele +So vele gliden vtermate: +Dat [als] hi weder vten gate +Waende keren [230] sonder noet, +Was die lede buuc so groet +Dat hi beclade [231] sijn gewin. +Dat hongerich was comen in, +En conste <hi> sat niet comen wt. +Jc liep ende maecte groet geluut: [232] +Jnt torp wart groet gerochte. +Hort hoe ict dar toe brochte! +Jc liep al dar die pape sat (fo. 111 vb.) +Te sire tafel ende at. +Die pape hadde een capoen, +Een dat alre beste hoen +Datmen inden lande vant. +Et was gewennet toter hant. +Dien prandic in minen mont, +Recht vor die tafel daer hi stont, +Al daer die pape toe sach. +Doe riep die pape: 'vanc, slach! +Help, wie sach dat wonder nie? +Die vos comt, dar ic toe sie, +Ende rouet mi in mijn huus. +So helpe mi spiritus sanctus, +So wie hem, dat hire quam!' +Dat tafelmes [233] hi vor hem nam +Ende sloech de tafel, dat si boech. [234] +Daer na nam hise datse [235] vloech +Jn middewaerde den vloer. +Hi vloecte ende swoer +Ende riep lude: 'sla, va!' +Ende ic vor ende hi na. +Sijn tafelmes [236] had hi op geheuen +Ende brachte mi gedreuen +Op Ysegrime, ende ic stont. [237] +Ende hadde thoen in minen mont +Dat groet was ende swaer, +Daer om mostict laten daer, +Wast mi leet wast mi lief. +Doe riep di pape: 'ay, har dief, +Ghi moet desen roef [238] hier laten!' +Hi riep · ende ic liep mire straten, +Daer ic wesen woude. +Alse die pape op heffen soude +Dat hoen, versach hi Ysegrime: +Doe naecte hem ene sware pine. +Hi warpene int houet mit enen messe. +Den pape volgeden si sesse, +Die alle mit grote stauen quamen, +Ende alsi Ysegrime vernamen +Doe maecten si groet geluut, (fo. 112 ra.) +Entie gebure traken wt +Ende maecten groet niemare +Ende seiden, dat dar ware +Jns papen spiker een wolf geuaen, +Die hem seluen heft gedaen +Biden buke in dat gat. +Alle [239] die gone die horden dat +Liepen dat wonder bescouwen. +Aldar wart Ysegrim teblouwen, [240] +So dat mit hem ginc vten spele: +Want hi ontfinc harde vele +Groter slaghe ende worpe. +Dan quamen die kinder vanden dorpe +Ende verbonden hem die ogen. +Et stont hem so · hi most gedogen. +Hoe sere sloegen sine ende staken. +Daer sine vten gate traken +Dogede hi vele ongeuals. +Si bonden hem om sinen hals +Enen steen ende [241] lieten gaen. +Doe riepen si die honde saen +Ende ghinghen bersen ende iaghen. +Oec dienden si hem van [242] grote slaghen +So lange, dat hi gelouich was. +Doe viel hi neder in dat gras, +Als of hi ware steendoet. [243] +Doe was ghinder blijscap groet. +Ghinder was grote niemare. +Si leyden op ene bare +Si droegene mit groten geluke +Ouer stene ende ouer struke +Buten den dorpe in een gracht. +Daer bleef hi leggende al die nacht. +Jnne weet hoe hi daen ontfoer. +Sint verwaruic dat hi swoer +Mine hulde een iaer omtrent. +Dat dede hi op sulc couent, +Dat icken hoenre maken sat. +Doe leidicken tot eenre stat, +Daer ic hem dede verstaen (fo. 112 rb.) +Dat vij · hennen ende enen haen +Jn een groet huus ander straten +Op eene hanebalke [244] saten +Recht ere valbruggen bi. +Daer dedic Ysegrime mit mi +Op dat huus climmen bouen. +Jc seide, ic wilde hem wel louen, +Wil hi crupen in die valdore, +Dat hire soude vinden vore +Van vetten hoenren sijn geuoech. +Ter valdore ghinc hi ende loech +Ende croep dar in een deel van vare +Ende began hare ende dare +Te tasten · ende als hi niet en vant, +Sprac hi: 'et is bewant +Te sorghen, inne vinde niet.' +Jc sprac: 'oem, wats mi gesciet? +Crupet een luttel bet in! +Men moet wel pinen om gewin. +Jc hebse wech die saten voren.' +Dus liet hi hem verdoren +Dat hi die hoenre te verre sochte. +Jc sach dat icken honen mochte +Ende hortene dat hi ouer voer. +Dus viel hi neder op die vloer +Ende gaf enen groten val, +Dat si ontsprongen ouer al +Die binnen den huse sliepen. +Die biden vire lagen · riepen: +Dat daer waer sine wisten wat +Gheuallen dor dat hemelgat. [245] +Si stonden op . ontstaken lecht. +Doe sine sagen, wart hi echt +Daer gewont toter doet. +Jc hebbene bracht in menigher noet, +Dan ic v geseggen mochte. +Nochtan al dat ic dit gewrochte +Jegen hem, sone vruchtic niet +So sere, alse dat ic verriet +Vrouwen Erswinen, sijn scone wijf, (fo. 112 va.) +Dien hi lieuer heft dan sijn selues lijf. +Har dedic (god moet mi vergeuen) +Dat mi lieuer ware bleuen +Te doene, dan et es gedaen.' [246] + Grimbert [247] sprac: 'oft gi wilt gaen +Claerliken te biechten te mi +Ende sijn van vwen sonden vri, +So suldi spreken onbedect. +Jnne weet warwart gi dit trect: +'Jc hebbe iegen sijn wijf mesdaen.' +Oem, des en canic niet verstaen, +Warwaert gi dese tale keert.' +Reynaert sprac: 'neue Grimbeert, +Waer dat houeschede groet, +Ofic hadde geseit al bloet: +'Jc hebbe geslapen bi mire moyen?' +Ghi sijt mijn maech: v souts vernoyen, +Seidic v enige dorperheit. +Grimbert, nv hebic v geseit +Al des mi bedenket nv. +Doet mi aflaet, des bidic v, +Set mi dat v duncket goet.' +Grimbert was listich ende vroet. +Hi brac een rijs an die hage [248] +Ende gaffer hem [249] mede XL slage +Ouer alle sine mesdade. +Dar na in gerechten rade +Riet hi hem goet te wesen +Ende sine salmekine te lesen +Ende te vasten ende te viren +Ende weder in den wech te stiren [250] +Alle die hi buten wege saghe: +Ende hi hem vort alle dage +Redenlike soude gheneren. +Hier na dede hi hem versueren +Beyde rouen ende stelen. +Nv moet hi sire zielen telen, +Reynaert, bi Grimberts rade +Ende gaen te houewaert op genaden. + Nv [251] es die bijchte gedaen. +Die heren hebben den wech bestaen +Tote des coninx houe waert. +Nv was buten der rechter vart, +Daer si te gaen hadden begonnen, [252] +Een swaer couent van nonnen, +Dar [253] menighe gans ende menich capoen, +Menige hinne ende menich hoen +Plaghen te weidene buten mure. +Dit wiste de felle creature, +Die ongetrouwe Reynaert, +Ende seide: 'tot ghenen houewaert +So leget onse rechte strate.' +Mit aldustanighen barate +Leide hi Grimbert biden mure +Dar die hoenre bider scure +Ghinghen weiden harentare. +Der hoenre wart Reynaert geware. +Die oghen ghinghen hem der ane. +Buten den andren ghinc een hane, +Die beide vet was ende ionc: +Daer na dede Reynaert enen spronc +So dat hem de plumen stouen. +Grimbert sprac: 'gi dunket mi douen! +Onsalich oem, wat wildi doen? +Wildi weder om een hoen +Jn al die grote misdaet slaen, +Daer gi die biechte sijt af gegaen? [254] +Dat mochtu wel sere rouwen.' +Reynaert sprac: 'in goeden trouwen, +Jc hads vergeten, lieue neue. +Bid gode dat hijt mi vergeue! +En gesciet mi nemmermeer!' +Doe deden si enen wederkeer [255] +Ouer ene smale brugge. +Hoe dicke sach Reynaert ouer rugge +Weder daer die hoenre ghingen! +Hine conste hem seluen niet beduingen, +Hi most sire zielen plegen. +Hadmen hem thouet af geslegen, +Et ware ten hoenre waert geulogen, (fo. 113 ra.) +Mijn waen en hadde mi bedrogen. + Grimbert [256] sach dat gelaet +Ende [...] seide Reynaert: 'gi doet quaet [257] +Dat gi mijn herte dus verstort +Ende mine bede testort. [258] +Liet mi doch lesen een pater noster, +Der hoenre zielen van den closter +Ende der gansen te genaden, +Die ic dicke hebbe uerraden. +Die ic desen heiligen nonnen +Mit mire list hebbe af gewonnen. +Grimbert balsch, mar Reynaert +Hadde emmer toge ten hoenren wart, +Tes si quamen ter rechter straten +Die si te voren hadden gelaten. +Daer keerden si tes coninx houe waert. +'Hoe sere beuic,' sprac Reynaert, +Doe hi ten houe began naken, +Daer hi sere waende mesraken. + Doe int hof was vernomen +Datte houe was comen +Reynaert mit Grimberde, den das, +Jc wane dae niemen en was +So arm no uan so cranken magen, +Hine gereide op hem dat claghen: +Dit was al iegen Reinaerde. +Nochtan dede hi alse donuervaerde, +So hoe so hem te moede was. +'Neue Grimbert, de das,' +Sprac Reynaert: 'leit ons die hofstrate.' +Reynaert ginc in dien gelate +Ende in also bouder gebare, +Of hi des coninx sone ware +Ende hi niet en hadde mesdaen. +Boudelike ginc hi staen +Vor Nobel, den coninc, +Ende sprac: 'god, die alle dinc +Gheboet · hi geue v, coninc here, +Groet gelucke ende groet ere! +Jc groetu, ende ic hebbe recht, (fo. 113 rb.) +En hadde noyt coninc enen knecht +So getrouwe iegen hem [259] +Als ic v oyt was ende noch ben: +Dat is dicke worden in scijn. +Nochtan sulke die hier sijn +Souden mi gherne, wanic, rouen +Vre hulden, wildise gelouen. +Neen gi niet: god moet v lonen! +En temet niet der coninc cronen +Dat si [260] den scalken ende den fellen +Te lichte gelouen, dat si hem tellen. +Nochtan wil ict gode clagen: +Der es so uele in onsen daghen, +Die honichscalkers, [261] die wroegen connen, +Die nv der vroeder hant hebben gewonnen +Ouer al inden riken houen, +Dat si so uerre sijn comen bouen, +Dat si den luden doen groten toren, +Die gene scalcheit an is geboren. +Dat wreke god an har leuen, +Ende moete hem ewelike geuen +Alsulke loen als si sijn waert!' +Die coninc sprac: 'ay, ay, Reynaert, +Ay, Reynaert, onreine quaet, +Wat condi al scone gelaet! +En sel v helpen niet een caf. +Comet vwes smekens af. +Jn werde bi smekens niet v vrient. +Danc hebt gi · hebbes wel verdient +Jn saken harde menichfoude. +Ghi hebt oec wel gehouden +Dien vrede, dien ic had gesworen.' +'O wi, owi, wat heb ic al verloren,' +Sprac Cantecleer, al dar hi stont. +Die coninc sprak: 'des hout vwen mont, +Har Cantecleer, ende laet mi sprecken. [262] +Laet mi antworden sine treken. + Ay, ay, dief Reynaert, +Dat gi mi lief hebt ende waert, +Dat hebdi sonder vwe pine (fo. 113 va.) +Minen boden gedaen in scine: +Den here Tibert ende Brunen, +Dien noch bloedich es sine crune. +Jnne wil v niet langher melden, +Reynaert, et sal vwe kele ontgelden +Noch [263] huden opene wile.' +'Nomine domine xpm file,' [264] + + + +Her coninc, wat bestaet mi dat, +Of hi Lamfreits honich at, +Ende hem die dorper laster dede? +Noch heft Brune so grote lede, +Was hi teblouwen [265] of versproken +Ware hi vroet, hi had gewroken, +Eer hi vlo int water. +Bi dander side Tibert, den cater, +Dien ic herbergede ende wel ontfinc, +Of hi om stelen ginc +Tes papen, sonder minen raet, +Ende hem die pape dede quaet: +Bigode, soudic des ontgelden, +So mochtic mijn gelucke wel scelden.' +'Hort,' sprac Reynaert: 'her coninc Lioen, +Wien twiuelt des, gine moget doen +Dat gi gebiet ouer mi? +Hoe groet mine misdaet si, +Ghi moget mi rouen ende scaden. +Wildi mi sieden of braden +Ofte hangen ofte binden, +Jnne mach v niet ontwinden. +Alle diren sijn in v bedwanc. +Ghi sijt starc ende ic bin cranc, +Mine helpe es clene · duwe es groet: +Bigode, al sladi mite doet, +Dat es ene cranke wrake.' +Recht in deser seluer sprake +Spranc op Bellijn, de ram, +Ende een, die mit hem quam, +Dat was dame Awi. [266] +Bellijn sprac: 'gawi +Alle vort mit onser clagen.' (fo. 113 vb.) +Brune spranc op mit sinen magen, +Ende Tibert, sine geselle, +Ende haer Ysegrim, die felle, +Foret adent, dat euerswijn, +Entie rauen Tiselijn, +Pancer, dat dier, otter Bruneel, +Daer na die vischpute Peel, +Blacart, die boc · Brisaert, de stier, +Cuwart, die hase, dat blode dier, +Dat eencorn die Ruceel, +Dat watermael Mucereel, +Die wesel, mijn vrouwe fine, +Cantecleer entie kinder sine +Maecten groet gevederslach, +Dat foret, dat clene beiach, +Liep al mede in dese scare. +Ende si gingen al openbare +Vor haren here, den Coninc, staen +Ende daden Reynaert vaen. + Nv ginct ginder opeen pleidiren. +Noch nie ne [267] sach man van diren +Alse scone tale, als was hijr +Tusschen Reynaert ende ander dijr. +Orconden gingen die dat horden. +Soudic die tale entie worden +Van reden diemen hadde daer [268] +Vort brengen, et ware mi te swaer. +Daer om cortic v die wort. +Die beste reden ginc dar vort, +Die clage, die de dire onbonden, +Quam vort mit sulker orconden, +Alsi sculdich was te doene. +Die coninc dreef sine baroene +Te vonnesse van Reinaerts zaken. +Doe wildense dat men soude maken +Ene galge starc ende vast, +Datmen Reynaert, den fellen gast, +Op soude hangen bisire kele. +Nv gaet mit Reynaerde vten spele. + Doe Reynaert dus ver[or] deelt was, [269] (fo. 114 ra.) +Orlof nam Grimbert, de das, +Mit Reinaerts naesten magen. +Sine constent niet verdragen, +No gedulden, no gedogen, +Datmen Reynaert vor har oghen +Soude hangen als een dief. +Nochtan wast hem somen lief. +Die coninc was harde vroet, +Die doe mercte ende verstoet, +Dat so menich iongelinc +Mit Grimbert vten houe ginc, +Die Reynaerde na [270] bestoet, +Doe pensde hi in sinen moet: +'Hier mach in lopen ander raet. +Al es Reynaert selue quaet, +Hi heft menigen goeden maech.' +Doe sprac hi: 'wie sidi traech, +Ysegrim ende here Bruun? +Hier es menich muur ende menich tuun, [271] +Comt hi · iij · voete vter noet, +Sine liste die is so groet, +Ende hi weet so menigen keer, +Hine wert geuangen huden meer. +Salmen hangen, twine doetment dan? +Eer men nv gereiden can +Ene galge, so est nacht.' +Ysegrim was [272] wel bedacht +Ende sprac: 'hier es ene galge bi.' +Mittien [273] worde versucht hi. +Doe sprac here Tibeert: +'Ysegrim, v es verseert +Vwe herte · inne wancons v niet, +Bidien want hijt al beriet +Ende selue mede ginc, +Daermen v twee brueder hinc, +Reynaerdijn ende Widelanken: +Ets tijt, wildijt hem danken. [274] +Ysegrim sprac: 'her Tibeert, +Wat gi ons al gader leert! +En gebrake ons niet een strop, (fo. 114 rb.) +Lange wiste Reynaerts crop +Wat hi achter mochte wegen.' +Reynaert, die lange hadde geswegen, +Sprac: 'gi heren, cort mine pine. +Tibert heft ene vaste line +Die hi beiagede om sine kele, +Daer hi vernoys hadde vele, +Jnt huus daer hi den pape beet, [275] +Die vor hem stont al sonder cleet.' +'Her Ysegrim,' seit hi: 'haest v voren. +Ja sidi dar toe uercoren, [276] +Ghi ende Brune, dat gi sult doden +Reynaert, vwen neue, den roden. +Doedi Tiberde oec mede gaen: +Ghi hebt vele des teer gedaen. +Tibert can climmen, hi mach die line +Op dragen sonder vwe pine. +Ghi drie gaet vore, maect gereet. +Dat gi yet let, dat is mi leet!' +Doe sprac Ysegrim te Brunen: +'So mi de closterlike crunen +Die bouen op minen hoefde staet, +Jnne horde noyt so goeden raet +Alse Reynaert geuet selue hijr. +Hem langet om cloesterbijr: [277] +Nv gawi voren ende brouwent hem!' +Brune sprac: 'Tibert, neue, nem +Dese line, du salt mede lopen. +Reynaert, hi moet nv becopen +Dijn [278] oge ende mijne scone lier. +Gawi ende hangen so hoge hier, +Dats lach hebben al sine vrient!' +'Bi gode, hi heuets wel verdient,' +Sprac Tibert ende prant die line: +'Jnne dede nie so lieue pine.' +Nv waren die · iij · heren ghereit, +Die Reynaert hadden harde leit, +Dat was de wolf ende here Tibeert +Ende her Brune, die had geleert +Honich te stelen te sire scaden. (fo. 114 va.) +Ysegrim was so beraden, +Eer hi vanden houe sciet, +Hine wildes laten niet +Hine vermaende nichten ende neuen +Ende alle, die te houe bleuen, +Beyde gebure ende gaste, +Dat si Reinaerde hilden vaste. +Vrouwen Erswinen, sinen wiue, +Beualhi bi haren liue, +Dat sistont bi Reinaerde +Ende sine name biden baerde, +Ende si van hem niene scede [279] + +No dur nijt no dur noet +No dur vrese vander doet. + Reynaert antworde in corten worden, +Dat alle die dar stonden horden: +'Her Ysegrim, halue [280] genade! +Al waer v lief v scade! +Al brengdi mi in vernoye: +Jc weet wel, soude mijn moye +Te rechte denken ouder daet, [281] +Sine dade mi nemmer quaet. +Mar gi Ysegrim, suete oem, +Ghi nemet ws neuen cranken goem, +Ende her Brune ende her Tibeert, +Dat gi mi hebt dus onweert: +Ghi drie hebt gemaket al, +Datmen mi ontliuen sal. +Dar toe hebdi gemaket +Dat so wie so mi genaket. +Scelt mi dief ende hebt mi leet. +Daer omme moeti, god weet, +Gemort werden alle [282] drie, +Ghine haest also dat gescie +Al dat gi begeert te doene! +Mi is dat herte noch so coene: +Enne dar wel steruen enewaerf. +En wert mijn vader, doe hi starf, +Van allen sinen sorgen vri? [283] + + + +Mittien worde porreden si (fo. 114 vb.) +Ende liepen [284] springende ende waren blide +Ende pijnden hem te stride +Te springen ouer enen tune, +Ysegrim ende here Brune. +Tibert volgede hem naer: +Hem was de voet een luttel swaer +Vander linen, die hi droech. +Nochtan was hi rasch genoech: +Dat dede hem de goede wille. [285] +Reynaert stont ende sweech al stille +Ende sach sine viande lopen, +Die hem den strop waenden knopen. +'Mar et sal bliuen,' sprac Reynaert, +Die staet ende scouwet derwaert, +Dat si springen ende lopen ende keren, +Ende pensde: 'deus, welke ioncheren! +Nu laetse springen ende lopen. +Leuic, si sullen noch becopen +Har ouerdaet ende har scampien, +Mine gebreke reynaerdien. +Nochtan so sijnsi mi +Lieuer verre dan bi, +Die gone die ic meest ontsach. +Nv wilic proeuen of ic mach +Te houe bringen een baraet, +Dat ic vor de dageraet +Jn groten sorgen vant te nacht. +Heft mine list sulke cracht +Als ic wane dat si doet: +Al is hi listich ende vroet, +Die coninc, ic wanen noch verdwasen.' +Die coninc hiet den horen blasen +Ende hiet Reynaert wtwaert [286] leiden. +Reynaert sprac: 'laet yerst gereiden +Die galge, dar ic an hangen sal, +Ende daer binnen sal ic al [287] +Den volke mine bijchte conden. +Jn verlatenisse mire sonden +Jst beter dattet volc verstaet +Mine bijchte ende mine ouerdaet, (fo. 115 ra.) +Dan si enen onsculdighen man +Mine ouerdaet tegen an.' + Doe sprac die coninc: 'sege dan.' +Reynaert stont als een serich man +Ende sach omme harentare. +Dar na sprac hi openbare: +'Nv es in des coninx huus +Niemen, semmi sinte dominus, +No vrient no viant, inne ben +Een deel mesdadich iegen hem. +Nochtan hort alle, gi heren: +Laet v wisen ende leren, +Hoe ic Reynaert, de [288] arminc, +Tiersten andie loesheit vinc. +Jn allen tiden spade ende vroe +Was ic een houesch kijnt noch toe. [289] +Datmen mi spaende vander mammen, +Doe ginc ic spelen mitten lammen +Dur tehorne dat gebleet, +So lange dat icker een verbeet. +Tierst lapedic dat bloet: +Et smaecte so wel, et was so goet, +Dat ic dat vleisch ontgan. +Daer leerdic leckernie an, +So uele dat ic liep tengeten +Jnt wout, dar icse horde bleten. +Daer verbetic hoekine twee. +So ic des dede mee, +So ic wart bouder [290] ende coenre. +Jc verbeet ganse ende hoenre +Ende vincse dar icse vant. +Doe bloedich wart mijn tant, +Wart ic so fel ende so wreet +Dat ict al suuer op verbeet +Al dat ic vant [ende] mi dochte, +Dat mi bequam ende ic vermochte. +Daer na quam ic an Ysegrime +Te winter, an enen couden rime, +BiBelsele onder enen boem. +Jc rekende dat hi waer mijn oem (fo. 115 rb.) +Ende began een zibbe te tellen. +Aldar worde wi gesellen: +Dat mach mi te rechte rouwen. +Dar [291] belouede wi mit trouwen +Rechte geselscap malc andren, +Ende begonsten te samen wandren: +Hi stal dat grote ic stal dat clene. +Ende oec niet so gemene. +Jnne was in hogen ende vro, +Mochtic mijn deel hebben half. +Als Ysegrim beiagede · j · calf [292] +Oft enen weder oft enen ram, +So grimmede hi ende maecte [293] hem gram +Ende tonede mi een gelaet, +Dat so suer was ende so quaet, +Dat hire mi mede van hem verdreef +Ende hem allene mijn deel bleef, +Nochtan en at ic en twint van dien. +So menich waerf heb ic gesien, +Als wi ene goede proye lageden, +Ende ic ende mijn oem beiageden +Enen osse of enen bake, +So ginc hi sitten mit gemake +Mit sire vrouwen Erswinen +Ende mit sinen iongen kinden: +So mochtic dan cume hebben +Ene vanden minsten rebben, +Die sine kindren had beknaget. +Dus nauwe hebic mi beiaget. +Nochtan was mi luttel des noet: +Mar dat mijn sin so groet +Die lieue droech te minen oem, +Die mijns nu nemet [294] cranken goem, +Jc hadde wel gewonnen tetene. +Coninc, dat doe ic v te wetene: + Jc hebbe noch in mijn gewout, +Beyde siluer ende gout, +So vele dat cume een wagen +Te · vij · waeruen souden dragen,' +Alse die coninc dat verhorde, (fo. 115 va.) +Gaf hi Reynaerde selue antworde: +'Reynaert, wane quam v dese scat?' +'Coninc, wannen? [295] ic seg v dat. +Wildijt weten als ic weet, +No dur lief no dur leet +Sone salt bliuen nv uerholen. +Coninc, dese scat was verstolen . [296] +En ware hi verstolen niet, +Dar ware mort bi gesciet +Des mogedi mi wel getrouwen, +An v lijf · in rechten trouwen; +Die coninginne wart vervaert +Ende sprac: 'o wi, Reynaert! +Owi, Reynaert, owi, owi! +Owi, Reynaert, wat segdi? +Owi, lieue Reynaert, +Jc mane [297] v bider seluer vaert, +Die v ziele varen sal, +Dat gi di wareit segget al +Ende openbare bringet vort, +Of gi weet enige mort +Of enigen mordadeliken raet, +Die iegen minen here gaet. +Dat laet hier openbare horen!' +Nv hort hoe Reynaert sal verdoren +Den coninc entie coninginne, +Hoe [298] hi verweruen sal mit sinne +Des coninx vrientscap ende sine hulde, +Ende hoe hi buten hare sculde +Brunen ende Ysegrime beyde +Op een wel grote ongereyde [299] +Ende in vresen ende in ongeual +Jegen den coninc brengen sal, +Die hier waren so fier, +Dat si waenden een bier +Te sinen laster hebben gebrouwen: +Jc wane wel in rechten trouwen, +Dat hi sal weder mede blanden, +Dat si drinken sullen mit scanden. + Jn een gelaet van droeuen sinne (fo. 115 vb.) +Sprac Reynaert: 'edel coninginne, +Al haddi mi niet gemaent, +Ic ben een die steruen waent: +Jn laet niet leggen op mijn ziele, +Storuic, malichte mi geuiele, +In de helle dar om te sine +Jn groet torment ende pine. +Jn dien dattie coninc milde +Een gestille maken wilde, +Jc soude hem tellen wel mit staden +Hoe iamerlike hi was verraden +Te morden van sinen lieden. +Nochtan diet alre meest berieden +Sijn some van mijn liefsten magen +Die ic wel node soude bedragen, +Ne dar die sorge vander hellen, +Dar men seit dat si in quellen +Die steruen ende weten mort, +Sine bringense selue vort.' +Den coninc wart dat herte swaer +Ende sprac: 'Reynaert, seistu mi waer?' +'Wat?' sprac Reynaert: 'here, vragedi des? +En weti wel hoet mit mi es? +Ne bewant, edel coninc! +Al ben ic een arminc, +Hoe mogedi sulke wort getemen? +Waendi dat ic wil nemen +Een logen op [mijne] lange vaert? +Neen ick en trouwen,' sprac Reynaert. [300] + + + +Nv vernemet alle gader +Hoe Reynaert sinen eerdschen vader +Mit verradenisse sal bedragen [301] +Ende een van sinen liefsten magen: +Dat was Grimbert, die das, +Die hem hout van herten was. +Dit dede Reynaert omme dat, +Dat hi wilde datmen te bat +Sine worde gelouen soude +Van sinen vianden, [302] of hi hem woude +Die verradenisse tien an. (fo. 116 ra.) +Nv hort hoe Reynaert began. +Reynaert sprac: 'wilen tenen stonden +Hadde mijn here mijn vader vonden +Des coninx Hermerikes scat +Jn een verholenlike stat. +Doe [303] mijn vader hadde vonden +Den scat, hi wart in corten stonden +So ouerdadich ende so fier, +Hi onwerde alle dier +Die sine genote te uoren waren. +Hi dede Tibert, den cater, varen +Jn Ardeuene, in dat wilde [304] lant, +Aldar hi Brunen, den bere, vant. +Hi onboet Brune grote houde: +Ende hi in Vlaendren comen soude, +Of hi coninc wilde wesen. +Brune wart harde blide van desen: +Hi hads menigen dach begaert. +Brune maecte hem te Vlaendren waert +Ende quam inwaerts [305] int suete lant, +Aldar hi minen vader vant. +Mijn uader onboet Tibert, den wisen, +Ende har Ysegrim, den grisen. +(Tibert, die cater, was die wijste) +Ende quamen bienen dorpe hiet Ijste. +Tusschen Ijste ende Ghent +So hilden si een paerlement +An een beloken nacht. +Doe quamen si bi sduuels cracht +Ende bi sduuels gewelt, +Dar swoeren si an dat woeste velt +Alle viue des coninx doet. +Nv hort alle wonder groet! +Si swoeren op Ysegrims crune +Alle uiue, dat si Brune +Souden bringen [306] op den stoel tAken +Ende souden geweldich coninc maken. +War yeman vans coninx magen. +Die dat niet ne wilde uerdragen, +Jegen hem stunen mijn vader soude (fo. 116 rb.) +Mit sinen siluer ende mit sinen goude, +So den gonen setten achter. +Dat hi soude hebben lachter. +Dit wistic ende seg v hoe. +Ens morgens wel vroe +Gheuiel dat mijn neue, die das, +Van wine een deel in hogen was, +Ende hijt in rade minen +Wiue · vrouwen Ermelinen, +Al van punte te punte seide, +Dar si liepen andie heyde. +Mijn wijf es een vroede vrouwe, +Si gaf Grimberde hare trouwe +Dattet verholen bliuen soude. +Ten yersten dat si quam te woude, +Dar ic was ende si mi vant, +Si vertellet mi te hant, +Mar et was al stillikine. +Oec seide si mi puntekine, +Die ic kende so waer, +Dat mi al mijn haer +Opwaert stont mit groten vare. +Mijn herte wart mi openbare +Alse cout als een ijs. +Jc gepijnde, hoe dane wijs +Die puden wilen waren vri, +Ende hoe si clageden dat si +Te uele waren sonder bedwanc, +Ende hoe si makeden een bedranc [307] +Ende groet gecrai op gode, +Dat hi hem gaue bi sinen gebode +Enen coninc diese dwonge: +Des baden out ende ionge +Mit groten gecarme ende gelude. +God gehorde de pude +Tenen tide uanden iare +Ende sende hem den Odeuare, +Diese verbeet ende verslant +Jn allen tiden dar hise vant, +Beyde int water ende opt velt, (fo. 116 va.) +Dat hise vant in sire gewelt, +Hidede hem emmer ongenade. +Doe clageden si, et waer te spade. +Et was te spade, ic segget u [308] twi: +Die te uoren waren vri +Sullen sonder wederkeer +Bliuen eigen emmermeer +Ende leuen in eweliken vare +Onder den coninc Odeuare. + Ghi heren, arm ende rike, +Jc vruchte dat dit is gelike +Dat nv soude geuallen. +Des droegic vor v allen, +Ghi heren, de sorge vor v: +Dat gi mi luttel danket nv. +Jc kende Brunen scalc ende quaet +Ende fier van groter ouerdaet. +Daer om vruchtic sere +Ende pensde, wart hi onse here, +Dat wiwaren alle verloren. +Jc kende den coninc wel geboren +Ende suete ende goedertieren +Ende genadich allen diren, +Ende et duchte mi van allen dinge +Een quade mangelinge, +Die ons altoes ne mochte comen +Niwer teren noch te vromen. +Hier om pensde ende pogede +Mijn herte, die sorge grote dogede, +Eer si vant een sake, +Dar so bi scorde ende brake +Mines vader bose raet, +Die een dorper ende een quaet +Coninc ende here maken waende. +Emmer bad ic god ende maende +Dat hiden coninc minen here +Behilde sine werltere. [309] + + + + +Si souden wel des raets getelen [310] +Onder hem ende sine gespelen +Dattie coninc worde gestoten. (fo. 116 vb.) +Jn diepen gepense ende in groten +Was ic dicke hoe ic die stat +Soude vinden, dar die scat +Lage, die mijn vader had vonden. +Jc wachte nauwe tallen stonden +Minen vader ende leide hem lagen +Jn menigen bosch ende in hagen, +Beide in velde ende in woude, +Waer so mijn vader, die listinge oude, +Hene toech ende hene liep. +Wast droge, wast diep, +Wast bi dage, wast bi nachte, +Jc was emmer in die wachte. +Tenen stonden dat ic mi dar na +Hadde bedect mit groenen verna, +Ende ic gestrect lach neuen deerde, +Van dien scatte, dien ic begeerde, +Gherne iet hadde vernomen, +Doe sach ic minen vader comen +Wt enen hole gelopen. +Doe began ic den scat te [311] hopen +Biden barate die ic hem sach +Driuen, als ic v seggen mach, +Recht also als ict vernam. +Als hi vten hole quam +Al omme siende mercte hi +Of hem yement ware bi. +Ende als hi niement en sach, +Doe quedde hi den sconen dach +Ende stopte [312] thol mit sande +Ende maectet [313] gelijc den lande. +Dat ic dit sach, dat en wist hi niet. +Oec sachic, eer hi dane sciet, +Dat hi den start liet mede gaen, +Dar sine voete hadden gestaen, +Ende decte sijn spore mitter mouden. +Dar leerdic an den vroeden ouden +Een deel der meisterliker liste, +Daric te voren niet af en wiste. +Aldus liep mijn vader danen (fo. 117 ra.) +Ten dorpe waert, dar die vette hanen +Entie vette hinnen waren. +Tierst dat ic durste baren, +Spranc [ic] op ende liep ten hole. +Oec ne was ic so niet in dole +Jnne geraecter toe te hant. +Scire scrauedic op dat sant +Mit minen voeten ende croep in. +Aldar vant [314] ic groet gewin. +Dar vandic siluer ende gout: +Hier nes nv niemen so out, +Dies nie so uele tegader sach. [315] + + + +Jn ginc trecken ende dragen +Sonder carre ende sonder wagen +Ouer dach ende ouer nacht, +Mit al gader mire cracht. +Mi halp mijn vrouwe Ermeline. +Doe dogede wi dicke grote pine, +Eer wi den manliken scat +Brachten in een ander stat, +Dar hi [bet] lach tonsen gelage. +Wi droegen onder enen hage +Jn een hol verholenlike. +Doe was ic van scatte rike. +Nv hoert wat si hijr binne daden +Die [den] coninc hadden verraden. +Bruun, die here, hi sende wt +Verholenlike sijn saluut +Achter lande ende geboet +Al den gonen rikeit groet, +Die dienen wilde om sout. +Hi geboet hem siluer ende gout +Te geuen mit milder hant. [316] +Mijn vader liep in al dat lant +Ende droech des heren Brune brieue. +Hoe luttel wisti dattie dieue +Te sinen scatte waren geraect, +Dies hem quite hadden gemaect. +Dat hijs · iij · hellinge ne had gewonnen, +Al had hire mede de stat [317] van Lonnen (fo. 117 rb.) +Alte male mogen [318] copen. +Dus wan hi an sijn omme lopen. +Doe mijn vader al omme ende omme +Tusschen die Elue entie Ronne +Hadde gelopen al dat lant, +Ende hi menigen sariant +Had gewonnen mit sinen goude, +Die hem te hulpen comen soude, +Alse die somer quame int lant, +Doe keerde mijn vader dar hi vant +Brunen entie gesellen sine. +Doe telde hi hem die grote pine +Entie menichfoude sorge, +Di hi vor die hoge borge +Jnt lant van Sassen had geleden, +Dar die iagers an reden +Alle dage mit haren honden, +Diene verraden te menigen stonden. +Dat telde hi hem te spele al gader. +Dar na togede hem mijn vader +Die Brunen, den bere, wel bequamen: +Dat xij c al bi namen, +Dar Ysegrims mage an stonden, +Mit scarpen clawen mit widen monden, +Al sonder die catzen entie beren, +Die al in Brunes soute waren, +Entie vosse mitten dassen +Van Doringen ende van Sassen, +Die alle hadden gesworen, +Jn dien datmen hem gaue te voren +Van · XX · dagen har sout, +Die souden Brunen mit gewout +Comen mittien yersten bode. +Dit benam ic, danc gode! +Doe mijn vader had gedaen +Sine boetscap, soude hi gaen +Ende scouwen sinen scat. +Ende als hi quam te seluer stat +Dar hine had gelaten te voren, +Doe was die scat al verloren (fo. 117 va.) +Ende sijn hol was tebroken. [319] +Wat holpe hijr af vele gesproken? +Doe mijn vader dat vernam, +Wart hi droeuich ende gram, +Dat hi van torne hem seluen hinc. +Dus bleef al achter Brunen dinc +Mit mire behendicheden al. +Nv hort hier mijn ongeual: +Ysegrim ende her Brune, [320] die vraet, +Hebben nv den nausten raet +Mitten coninc openbare, +Ende arm man Reynaerde stat et sware! + Die coninc entie coninginne, +Die beide hoepten ten gewinne, +Si leiden Reynaert buten te rade +Ende baden hem dat hi wael dade +Ende hi hem wijste sinen scat. +Alse Reynaert horde dat, +Sprac hi: 'soudic wisen mijn goet +Den gonen die mi anxt doet, +So waric buten minen sinne.' +'Neen, Reynaert,' sprac [321] die coninginne: +'Mijn here sal v laten leuen, +Ende sal v vriendeliken vergeuen +Al gader sinen euelen moet, +Ende gi sult vorwaert meer sijn vroet +Ende wesen goet ende getrouwe.' +Reynaert sprac: 'dit doe ic, vrouwe, +Jn dien dat mi die coninc nv +Vaste geloue hier vor v, +Dat hi mi gheue sine hulde +Ende hi al mine sculde +Wil vergeuen, ende om dat +So wil ic wisen minen scat +Den coninc, al dar hi leget.' +Die coninc sprac: 'ic waer al ontweget, +Wildic Reynaerde wel gelouen. +So suete es hem stelen ende rouen +Ende [liegen] geboren int been.' (fo. 117 vb.) +Die coninginne sprac: 'neen, +Ghi moget Reynaerde gelouen wel: +Al was hi hier te uoren fel, +Hi nes niet dat hi was. +Ghi hebt gehort hoe hi den das +Ende sinen vader heft bedragen +Mit morde ende mit magen, +Ende mocht hebben bedragen ander liede, +Wil hi wesen meer van quaden diede.' +Doe sprac die coninc: 'lieue vrouwe, +Es hi fel ofte ongetrouwe, +Sint dat ghijt mi dorret raden, +Al waendic dat mi soude scaden, +So wil ic laten op een couent +Dese worde ende dit genent +Op Reinaers trouwen laten staen. +Mar ic seg v sonder waen: +Doet hi meer archede, +Alle die hem ten tienden lede +Sijn belanc sullent becopen.' +Reynaert sach den coninc belopen +Ende wart blide in sinen moet +Ende sprac: 'here, ic ware onvroet, +Ne louedict niet wel also.' +Doe nam die coninc ene stro +Ende uergaf Reynaerde al gader +Den wanconst uan sinen uader +Ende sines selues mesdaet altoe. +Al was Reynaert blide doe, +Dat ne dunket mi gheen wonder [322] wesen: +Jane was hi vander doet genesen? + Doe Reynaert quijt was gelaten +Doe was hi blide vtermaten, +Ende sprac: 'coninc, edel here, +God moet v lonen al der ere, +Die gi mi doet ende mijn vrouwe, +Die houesch is ende getrouwe. +Jc merke wel dat gi mi doet +So groet ere ende so groet goet, +Dat nieman es onder die sonne, +Dien ict also wale onne, (fo. 118 ra.) +Als ic v doe ende mire vrouwen, +Entes scattes, bi mire trouwen.' +Reynaert nam een stro vor hem +Ende sprac: 'here coninc, nem! +Hier geuic v op dien scat, +Dien wilen Ermeric besat.' +Die coninc ontfinc dat stro +Ende dankes Reynaerde also +Ende [323] alse quansijs: 'dese mach mi doen ere.' +Reynaerts herte loech so sere, +Datment wel anhem vernam, +Doe hem die coninc gehorsam +Algader was te sinen wille. +Reynaert sprac: 'here, swiget stille. +Merket waer mijn reden gaet. +Jnt hoghestende van Vlaendren staet +Een berchstaet [324] ende hiet Hulsterloe. +Coninc, gi moget wel wesen vroe, +Mogedi onthouden dit: +Een trompboem, [325] hiet Criecpit, +Staet int suutwest niet verre danen. +Here coninc, gine droeuet niet wanen +Dat ic der waerheden misse: +Dats een der meester wildernisse, +Datmen weet in enich rike. +Jc seg v gewaerlike +Dat som wile lijt eenhalf iaer, +Dat toten bome ne comet daer +No weder man no wijf +No creature die heuet lijf, +Sonder die vle entie scuufwt, +Die dar nestelen indat cruut +Of enich ander vogelijn, +De elwaer gherne wilt sijn +Ende daer biauenture lidet: +Coninc, dar leit mijn scat gehidet. +Coninc, die stede hiet Criekeputte: +Verstaet dit wel et is v nutte: +En weet nieman so getrouwe. +Ghi sult dar gaen gi ende v vrouwe. (fo. 118 rb.) +Niemen laet sijn v bode +No bi gebede no bi gebode: +Mar gaet dar selue, ende alse gi +Ten seluen putte comet bi, +Ghi sult vinden ionge berken. +Here coninc, dat suldi merken: +Die alre naest den putte staet, +Coninc, tot dien berge gaet. +Dar leit die scat onder begrauen. +Dar suldi deluen ende scrauen +Een luttel mos in dene side. +Dar suldi vinden menich gesmide +Van goude rikelic ende scone. +Ghi sult oec vinden mer [326] die crone, +Die Ermeric, die keyser, droech, +Ende ander sierheden genoech: +Edel stene, guldijn werc. +Men cochter niet om · m · marc. +Ay coninc, als gi hebt dat goet, +Hoe dicke suldi in vwen moet +Gepensen: 'Reynaert, [327] getrouwe vos. +Die hier groeues in dit mos +Desen scat bi dire list, +God geue di goet al war du bist!' +Doe antworde die coninc saen: +'Reynaert, sal ic die vaert bestaen, +Ghi moet sijn an onse vart, [328] +Ende gi moet ons, Reynaert, +Helpen vwen scat ontdeluen, +Jnne wane niet bi mi seluen +Aldar nemmermeer geraken. +Jc heb gehort genoemen [329] Aken +Ende Parijs: ist dar niet na? +Ende ist also als ict versta, +So smeecti, Reynaert, ende roemet, +Criekeput dien gi dar noemet, +Wanic, is een geuenst naem.' +Dese tale was Reynaerde ombequaem, +Ende verbalch ende sprac: 'ia, ia, +Ghi siter, coninc, also na, (fo. 118 va.) +Alse van Coelne tote mere. +Waendi dat ic v die lere +Wil wisen indie Jordane? +Jc sal v togen, als ic wane, +Orconde genoech al openbare.' +Hi riep lude: 'Cuwart, gaet hare, +Comt voerden coninc, Cuwart!' +Die dire sagen darwart +Ende wonderden alle wat dar ware. +Cuwart ghinc beuende [330] ende in vare, +Hem wonderde wat die coninc woude. +Reynaert sprac: 'wat, Cuwart, hebdi coude? +Ghi beuet, sijt blide sonder vaer, +Segt minen here, den coninc, waer! +Des manic v bider trouwen +Die gi ver Genten, [331] mire vrouwen, +Ende hem seluen sculdich [332] sijt.' +Doe sprac Cuwart: 'vermaledijt +So moetic werden, al wistic wel +Dat mi costen soude mijn vel, +Oft ic liege enich wort +Al waert van enige mort, +Want gi mi manet bider trouwen +Die ic mire lieuer vrouwen +Enten coninc sculdich ben.' +Doe sprac Reynaert: 'so sech hem, +Weetstu waer Criecput steet?' +Cuwart sprac: 'of ic dat weet. +Ja ic, hoe soude dat wesen so? +Ne statet niet bi Hulsterloe [333] +Optie moer, in die woestine? +Jc hebbe gedoget so menige pine +So menigen honger ende so menige coude +Ende armoede menichfoude +Op Criekeput so menigen dach, +Dat ics vergeten niene mach. +Hoe mochtic vergeten dies, +Aldar Symon, die Sies, +Sine valsche penninge sloech, +Dar hihem scone mede bedroech +Ende die gesellen sine. +Dat was eer ic mit Rijne [334] +Mine [335] geselscap maecte vast, +Die mi gequijt heft menigen past.' +'O wi,' sprac Reynaert: 'suete Rijn, +Lieue gespele, suete hondelijn, +Vergaue god, wardi nv hier! +Ghi sout orconden vor dit dier +Mit sconen worden, waers [336] te doene. +Dat ic noyt ne was so coene, +Dat ic enige sake dede, +Dar ic den coninc mochte mede +Te mi waert [337] belgen doen mit rechte. +Gaet weder onder gone knechte,' +Sprac Reynaert: 'haestelike, Cuwart! +Mijn here, de [338] coninc, en heft tuwart +Ne geen dinc te spreken meer.' +Cuart dede enen wederkeer +Ende ginc van sconinx rade dar. +Reynaert sprac: 'coninc here, ist waer +Dat ic seide?' 'Reynaert, iaet. [339] +Vergeuet mi, ic seide quaet, +Dat ic v mestroude iet. +Reynaert, goede vrient, nv siet +Ende doet, dat gi mit ons gaet +Ten putte, dar die berke [340] staet, +Dar die scat leit begrauen onder.' +Reynaert sprac: 'here, gi segt wonder. +Waendi inne wars alte vro, +Coninc, oftu stonde so +Dat ic mit v wandren mochte +Also alst ons beiden dochte, +Ende ghijs waert, here, sonder sonde? +Nv ist als ic v orconde, +Ende ic v segge, al ist scame: +Doe Ysegrim (in sduuels name) +Jn die ordine ginc te voren +Ende hi te monke wart bescoren, +Done conste hem die prouende niet genuegen, +Dar hem ses monke mede bedroegen (fo. 119 ra.) +Hine clagede van honger ende carmde +So sere, dats mi ontfarmde. +Doe hi crancte ende wart traech, +Doe droech ic rouwe als . i . sijn maech, +Ende gaf hem raet dat hi ouer ran, +Dar om ben ic ins pawes ban. +Morgen, als die sonne op gaet, +Wil ic te Romen om aflaet. +Van Romen wilic ouer zee. +Sone keric dan nemmermee, +Eer ic so uele hebbe mesdaen [341] +Coninc, dat ic mit v mach gaen +Tuwen eren ende tuwen vrome, [342] +Of ic weder te lande come. +Et ware een onscone dinc, +Soudi, here coninc, +Maken vwen wanderinge +Mit enen verwatenen ballinge, +Als ic nv bin, god betere mi!' +Die coninc sprac: 'Reynaert, sidi +Jet lange verbannen?' doe sprac Reynaert: +'Ja et is · iij · iaer, dat ic wart +Jn vollen seende gedaen te banne +Vorden deken Harmanne. + Die coninc sprac: 'sint dat gi sijt +Te banne, men sals mi doen verwijt, +Reynaert, liet ic v mit mi wandren. +Jc sal Cuaerde oft enen andren +Toten scatte doen gaen mit mi, +Ende oec radic v, Reynaert, dat gi +Niet ne latet gine varet, +Dar gi v vanden banne claret. +'So doe ic, here,' sprac Reynaert, +'Jc ga morgen te Rome waert, +Gatet na den wille mijn.' +Die coninc sprac: 'gi dunket mi sijn +Beuaen in harde grote dingen. +God onne v dat gijt moget volbringen, +Reynaert, als v ende mi +Ende ons allen nutte si!' [343] + Doe [344] dese tale was gedaen, (fo. 119 rb.) +Doe ginc Nobel, die coninc, staen +Op enen sitten hoge van steene, +Dar hi op plach te staen allene, +Als hisat ten gedinge. +Die dire saten tenen ringe +Al omme ende omme op dat gras, +Nadien dat elc geboren was. +Reynaert stont bider coninginnen. +Nv hort hoe hier sal beginnen +Die coninc spreken coninclike: +'Mine dire, arm ende rike, +Beyde luttel ende groet, +Mine baroene, mine genoet! +Reynaert die es hier comen te houe +Ende wil hem, des ic gode loue, +Betren uan allen euelen sinne. +Ende mijn wijf, die coninginne, +Heuet gebeden so uele vor hem, +Dat ic sijn vrient worden bem, [345] +Ende hi versoenet es iegen mi, +Ende ic hem vergeue vri +Beide vor lieue ende vor lede. +Reynaerde gebiedic vollen vrede, +Anderwarue gebiedic hem [346] vrede, +So doe ic derdewarve mede, [347] +Ende gebiedu allen bi vwen liue +Dat gi Reynaerde ende sinen wiue +Ende sinen kindren ere doet, +War so si comen in v gemoet, +Jst bi nachte, ist bi dage. +Jnne wil meer engene clage +Van Reynaerts dinge horen. +Al was hi rokeloes te voren, +Hi wilt betren, hi secht v hoe: +Reynaert wil morgen vroe +Palster ende scorpe ontfaen +En wil tote Romen gaen. +Van Romen wil hi ouer zee. +Danen wil hi nemmermee, +Eer hi heeft vol aflaet (fo. 119 va.) +Van alre sonderliker daet.' + Dese tale heft Necelijn vernomen +Ende vloech tes hi es comen +Dar hi vant die drie gesellen. +Nv hort wat hi hem sal vertellen. +Hi sprac: 'keitiue, wat doedi hijr? +Reynaert es meister ende bottelier +Jnt hof mogende vtermaten. +Die coninc heften quijt gelaten +Van alle sine grote mesdaden, +Ende gi sijt alle · iji · verraden.' +Ysegrim began te antworden +Te Neceline, ende alsi dat horden: +'Jc wane gi lieget, her rauen.' +Ende mittien worde ging hi scauen [348] +Ende Brune volgede mede. +Si gingen recken har lede +Ende liepen ten coninc waert. +Tibert wart so sere uervaert, +Dat hi bleef sittende op die galge. +Hi wart van sinen ruwen balge +Jn sorgen so groet vtermaten, +Dat hi gaerne [349] wilde laten +Sijn oge uaren om niet, +Dat hi ins papen huus liet, +Jn dien dat hi versoenet ware. +Hine wiste wat doen openbare, +Dan hi saet optie micke. +Hi clagede gode vele dicke +Dat hi Reinaerde nie bekende. +Ysegrim quam mit genende +Gedrongen vor de coninginne +Ende sprac mit enen fellen sinne +Te Reinaerde waert so uerre, +Dattie coninc wart so erre, +Dat hi Ysegrim hiet vaen +Ende Brunen mede also saen. +Si worden geuangen ende gebonden. +Ghine saget nie verwoerden honden +Doen meerren laster dan men hem dede, (fo. 119 vb.) +Brunen ende Ysegrime mede. +Men voerdse alse lede gaste: +Men bantse beide also vaste, +Dat si binnen ere nachte +Mit enigherhande crachte +Een lit ne mochten ruren. +Nv hort hoe hise sal vuren! +Reynaert, die hem was te wreet, +Hi dede datmen Brunen sneet +Van sinen rugge [een] velspot af, +Datmen hem tere scurpen gaf, +Voets lanc ende [350] voets breet. +Nv ware Reynaert gereet, +Hadde hi · iiij · scoen. +Nv hort wat hi hier sal doen, +Hoe hi vier scoen sal gewinnen. +Hi runede toter coninginnen: +'Vrouwe, ic ben v pelgrim. +Ende hier is mijn oem, her Ysegrim, +Hi heuet · iiij · vaste scoen. +Woudier mi twee lenen doen, +Jc name [351] v ziele in mijn plecht. +Et is pelgrims recht +Dat hi gedinket in sijn gebede +Alles goedes datmen hem oyt dede. +Ghi moghet vwe ziele wel an mi scoyen. +Doet mi Erswinen, mire moyen, +Gheuen van haren twee [352] scoen. +Si macht wel mit eren doen: +Si bliuet thuus in har [353] gemac.' +Gente, die coninginne, sprac: +'Reynaert, gine moget niet onbaren, +Ghine hebt scoen, gine sult varen +Vten lande in gods gewout +Ouer die berge ende dur dat wout, +Treden struke ende harde stene. +Ghine moghet hebben scoen ne gene +Die v waren bat gemicke: +Si sijn so uaste [354] ende so dicke +Die Ysegrim draget ende sijn wijf. (fo. 120 va.) +Al sout hem gaen an sijn lijf +Harlijc [355] moet v geuen twee scoen, +Dar gi vwe uaert mede moget doen. +Dus heuet die valsche pelgrim +Beweruet dat har Ysegrim +Altoe den knien heft verloren +Van beiden sinen uoeten uoren +Dat vel al toten clawen. +Ghine saget enen uogel noyt brawen, +Die stilre hilt an sinen leden +Dan Ysegrim die sinen deden, +Doemen also ontscoide, +Dat bloet vten benen uloide. +Doe Ysegrim ontscoyet was, +Doe ginc [356] liggen opt gras +Ver Erswine, die vulvinne, +Mit enen uele droeuen sinne +Ende liet har af doen dat uel +Entie clawen also wel +Achter uan haren uoeten. +Dese daet die dede soeten +Reynaerde sinen droeuen moet. +Hort wat clagen hi nochtan doet! +'Moye,' seide hi: 'wel lieue moye, +Jn hoe menigen vernoye +Hebdi dur minen wille gewesen! +Dats mi al leet, sonder van desen +Jst mi lief, ic seg v twi. +Ghi sijt (des gelouet mi) +Een die liefste uan minen magen: +Bidien sal ic v scoen andragen. +God weet, dat es dur vwe bate: +Gi sult andie hoge aflaete +Deel nemen ende an [357] alt paerdoen, +Dat ic, lieue moye, in v scoen +Sal beiagen ouer zee.' +Ver Erswinden was harde wee +Dat si cume mochte spreken: +'Ay Reynaert, god moet ons wreken, +Dat gi ouer ons siet vwen wille!' (fo. 120 rb.) +Ysegrim, hi sweech al stille +Ende sine geselle Brune, mare +Hem beide was te moede harde sware. +Si lagen gebonden ende gewont. +Hadde oec doe ter seluer stont +Tibert, die cater, gewesen daer, +Jc dar wel seggen [358] ouer waer: +Hi hadde gedaen so uele te uoren, +Hine wert niet bleuen sonder toren. + Wat holpe dat ict maecte lanc! +Des ander dages te sonne opganc +Dede Reynaert sine scoen smaren, +Die Ysegrims te uoren waren +Ende sines wiues, Erswinden, [359] +Ende hadse sere vaste doen binden +Om sine [360] uoete, ende ghinc +Dar hi uant den coninc +Ende sijn wijf, die coninginne. +Ende sprac te hem mit enen bliden sinne: +'Here, god geue v goeden dach +Ende mire vrouwen, die ic mach +Gheuen prijs mit groten rechte. +No doet geuen Reynaerde, vwen knechte, +Palster, scorpe ende laet mi [361] gaen.' +Doe dede de coninc eischen saen +Den cappellaen Bellijn, den ram. +Ende als hi vor den coninc quam, +Sprac hi: 'her Bellijn, hier es +Dese pelgrim, leset een les, +Ende geuet hem scorpen ende staf.' +Bellijn den coninc antworde gaf. [362] +'Heer, en dar des doen niet. +Reynaert heft selue gegiet, +Dat hi es ins pawes ban.' +Die coninc sprac: 'Bellijn, wattan? +Meister Gelijs doet ons verstaen: +Hadde een man allene gedaen +Also uele alse alle die leuen, +Ende wil hi archeit begeuen +Ende te biechten dar af gaen (fo. 120 va.) +Ende penitencie ontfaen, +Dat hi ouer zee wilde uaren, +Hi mochte wel hem seluen claren.' +Bellijn sprac ten coninc echt: +'Jnne doe Reynaerde no crom no recht +Van geesteliken dinge altoes, +Ghine wilt mi quiten scadeloes +Jegen bisscop ende deken.' +'Jnne bid v niet in · vij · weken,' +Sprac die coninc: 'also uele. +Oec had ic lieuer dat vwe kele +Hinge, dan ics v bat.' +Ende alse Bellijn horde dat, +Dattie coninc balsch te hem wart, +Wart Bellijn also sere uervaert +Ende ginc gereiden [363] sijn outare, +Oec beuede hi uan vare +Ende ginc singen ende lesen +Aldat hem best dochte wesen. + Doe Bellijn, die cappellaen, +Omoedelike had gedaen +Dat getide uanden dage, +Doe hinc hi Reynaerde an sinen crage +Ene scorpe uan Brunes uelle. +Oec hinc sine [364] geselle +Een palsterkijn dar bi. +Te sinen geuoege was hi +Al gereit te sire uaert. +Doe sach hiten coninc waert. +Hem liepen die geuensde trane +Neder neuen sine grane, +Als of hem iamerde in sijn herte. +Had hi uan iamer enige smerte, +Dat was bidien ende anders niet +Dat hi hem allen, die hi dar liet, +En hadde beraden sulke pine +Alse [365] Brune ende Ysegrime, +Had hem wel mogen geuallen. +Nochtan stont hi ende bat hem allen +Dat si uor hem bidden souden +Also getrouwelike alsi wouden (fo. 120 vb.) +Dat hi vor hem allen bade. +Dat orlof nemen docht hem te spade, +Want hi gherne dane ware: +Hi was altoes in vare, [366] +Alse die hem seluen sculdich weet. +Die coninc sprac: 'mi es harde leet, +Reynaert, dat gi dus haestich sijt.' +'Neen,' sprac hi · 'here ets tijt, +Men sal gene weldaet sparen. +Vwen orlof, here, ic wil varen.' +Die coninc sprac: 'hebt gods orlof!' +Doe geboet die coninc al sijn hof +Mit Reynaerde wtwaert te gane +Sonder allene die geuane. + Nv wart Reynaert pelgrim. +Ende sijn oem, her Ysegrim, +Entie bere liggen gebonden +Ende siec van seren wonden. +Mi dunket ende ic wane des [367] +Dat nieman [so] onspellic es +Tusschen Palanen ende Scouden, +Die hem van lachen had onthouden +Van rouwen die hem mochte gescien, +Had hi Reynaerde doe gesien: +Hoe wonderlike hi hene ginc, +Ende hoe gemeenlike hem hinc +Scorpe ende palster om sinen hals, +Entie scoen, als ende als, +Die hi droech an sijn been +Ghebonden, daden dat hi sceen +Pelgrim gelijc genoech. +Reynaert van binnen loech, [368] +Dur dat si alle mit hem gingen +Mit so groter sameningen, +Die hem te uoren waren wreet. +Doe sprac hi: 'coninc, mi es leet +Dat gidus verre mit mi gaet: +Jc vruchte, et mach v wesen quaet. +Ghi hebt geuaen · ij · mordenaren. (fo. 121 ra.) +Gheuallet dat si v ontfaren, +Ghi hebt v te wachten meer +Dan gi v hadt oyt eer. +Blijft godeuolen, laet mi varen.' +Na dese tale stont hi twaren +Op dachterste [369] · ij · poten +Ende maende de dire, clene ende groten, +Dat si alle vor hem baden +Oft si an sine weldaden [370] +Recht deel hebben wouden. +Si seiden alle dat si scouden [371] +Sijns gedenken in har gebede. +Nv hort vort wat hi dede, +Doe hi uanden coninc sciet: +So droeuelike hihem geliet, +Dats some sere ontfarmde. +Cuart, de haze, hi becarmde: +'O wi, Cuaert, sulwi sceiden! +Of gi wilt, gi sult mi leiden +Ende mijn vrient Bellijn, de ram: +Ghi twee ne maecten mi noit gram. +Ghi twe moet mi vort bringen. +Ghi sijt suet vanwandelinghen, +Onbegrepen ende goedertieren +Ende onclaget uan allen diren. +Gheistelic is uwer beider zede, +Ghi leuet beide als ic dede +Doe ic clusenare was. +Hebdi louer ende gras, +Ghine doet genen eisch +No om broet no om vleisch +No om sunderlinge spise.' +Mit aldustanigen prise +Heft Reynaert dese twe verdoert, [372] +Dat si mit hem gingen vort +Tote hi quam vor sijn huus +Ende vorde porte te Maperthuus. + Alse Reynaert voer de poerte quam, +Doe sprac hi: 'neue Bellijn, de ram, +Ghi moet allene buten staen, (fo. 121 rb.) +Jc moet in [373] mine ueste gaen; +Cuart sal in gaen mit mi. +Her Bellijn, bit him dat hi [374] +Troeste veren Ermeline +Mit haren armen welpekine, [375] +Als ic uan har orlof neme.' +Bellijn sprac: 'ic bits heme, +Dat hise vertroeste wale.' +Reynaert ginc [376] mit scoenre tale +So smecken ende losengiren [377] +Jn so menige manire, +Dat hi bibarate brochte +Cuarde in sine acdochte. +Alsi in dat hol quamen, +Cuart ende Reynaert te samen, +Doe uonden si uer Ermelinen +Bi haren clenen welpekinen. +Si was in sorgen ende in vare, +Want si waende dat Reynaert ware +Verhangen, ende alsi uernam +Dat hi weder thuus quam +Ende palster ende scorpe droech: +Dat dochte har wonderlic genoech. +Si wart blide ende sprac saen: +Lieue Reynaert, hoe sidi ontgaen?' +'Jc moet werden pelgrim: +Har Brune ende Ysegrim +Si worden gysel ouer mi. +Die coninc heft ons (danc heb hi!) +Cuarde gegeuen op rechte soene, +Al onsen wille mede te doene. +Die coninc liede selue das, +Dat Cuart de eerste was +Die ons verriet iegen hem. +Ende bider trouwen die ic bem +V sculdich, vrouwe Ermeline, +Cuart naket sware pine. +Jc ben mit rechte op hem gram.' +Alse Cuwart dit vernam, +Keerde hihem om ende waende vlien: (fo. 121 va.) +Mar dat en conste hem niet gescien, +Want Reynaert hadden ondergaen +Die porte ende grepene saen +Bider kele mordelike. +Ende Cuaert riep genadelike: +'Help mi, Bellijn, waer sidi? +Dese pelgrim dodet mi.' +Dat roepen was scire gedaen, +Want Reynaert had hem saen +Sine kele ontwe gebeten. +Doe sprac Reynaert: 'nu gawi eten +Desen goeden vetten hase.' +Die welpekine liepen toten ase +Ende gingen eten al gemene +Har rouwe was harde clene +Dat Cuart had verloren tlijf +Ermelijn, Reinaerts wijf, +At vanden vleische ende dranc des bloets. +Ay, hoe dicke bat si [378] goedes +Den coninc, die dur sine doget +Har kindre hadden verhoget +So wel mit enen goeden male! +Reynaert sprac: 'hi gan ons wale. +Jc weet wel, moet die coninc leuen, +Hi soude ons gherne gifte geuen, +Die hi selue niet en woude +Hebben om · vij · marc van goude.' +'Wat giften es dat?' sorac Ermeline. +Reynaert sprac: 'ets een line +Ende een vorst ende twe micken. +Mar mach ic · ic sal hem onstricken, +Malichte eer liden dage twee, +Dat ic om sijn dreigen niet mee +Ne geue dan [hi] om tmijn.' +Si sprac: 'Reynaert, hoe mach dat sijn?' +Reynaert sprac: 'vrouwe, ic seg v, +Jc weet een wiltenisse ru +Van langen gagel ende van hede. +Dar es een deel wel gerede +Van goeden legere van spisen. (fo. 121 vb.) +Dar sijn hoenre ende patrisen [379] +Ende menigherhande vogeline. +Wildijt, ver Ermeline, +Dat gi gaet mit mi dar, +Wie mogen dar wonen · vij · iaer, +Wilwi, wandren onder den scade +Ende hebben goet ende genade, +Eer wie dar werden verspiet. +Al seidic langher, ic en loge niet.' +'Ay', sprac Reynaerts vrouwe Ermeline: +'Dit dunket mi wesen ene pine +Die al gader ware verloren. +En hebdi dit lant versworen +Jnte woenen mit Ermeline [380] +Ende nemmermeer inte sine, +Al noch seide Ermelijn mee, [381] +Eer gi comet ouer zee, +Ende hebt palster ende scorpe ontfaen.' +Reynaert antworde har saen: +'So meer gesworen, so meer verloren. +Mi seide een goet [382] man hier te uoren +Jnrade dar hi mi riet, +Bedwongen eet en [383] dade niet. +Al uoldadic dese vaert, +En holpe mi niet,' sprac [384] Reynaert: +'Mi waers een ey niet te bat. +Jc heb den coninc enen scat +Belouet, [385] die mi es ongereet. +Ende alse hi des de wareit weet +Dat ic hem al heb gelogen +Ende hi bi mi dus es bedrogen, +Hi sal mi haten vele te meer +Dan hi dede oit eer. +Dar pensic in minen moet, +Dat sculen es mi alte goet +Alse dat varen,' sprac Reynaert: +'Ende gods had heb mijn rode baert +(Ghedoe oec hoe ic gedoe), +Oft mi meer uertroest dar toe +No de cater no de das (fo. 122 ra.) +No Brune, die om mi comen was, +No dur gewin no dur scade, +Dat ic meer in des connx genade +Ne come, dat ic lide lanxt! +Jc heb gedoget so menigen anxt.' + Ho sere balsch hem de ram Bellijn, +Dat Cuart, die geselle sijn, +Jn dat hol so lange merrede. +Hi riep als een die hem errede: +'Cuart, lates den duuel wouden! +Hoe lange sal v Reynaert dar houden? +Wane comdi wt ende laet ons gaen?' +Alse Reynaert dit heft [386] verstaen, +Doe ginc hi wt tot Belline +Ende sprac al stillikine: +'Ay, lieue here, twi belgedi? +Al spreke C[uar]t [387] iegen mi +Ende iegen sire moyen, +War om mach v des vernoyen? +Cuart dede mi uerstaen: +Ghi moget wel sachte voren gaen, +En [388] wildi hier niet langher sijn. +Hi moet hier merren een luttelkijn +Mit sire moyen Ermeline +Ende mit haren welpekine, +Die sere wenen ende mesbaren, +Dur dat ic hem sal ontfaren.' +Bellijn sprac: 'nv seget [389] mi, +Har Reynaert, wat hebdi +Cuarde te lede gedaen? +Also als ic conste uerstaen, +So riep hi sere help op mi.' +Reynaert sprac: 'wat segdi? +Bellijn, god moet v beraden! +Jc seg v hoe wi daden: +Doe ic in huus gegaen quam +Ende Ermelijn an mi vernam +Dat ic wilde uaren ouer zee, +Hare herten wert so wee +Dat si lange in ommacht lach. (fo. 122 rb.) +Ende alse Cuwart dat sach, +Doe riep hi: 'Bellijn, helt vri, [390] +Comt ende helpt mi! +Mire moyen, si is in ommacht.' +Dat riep hi mit groter cracht.' +Doe sprac Bellijn: 'iane wast el, +En trowen, ic verstont wel +Dat Cuaert dreef groet mesbaer: +Jc waende hem iet mesfallen waer.' +Reynaert sprac: [391] 'Bellijn, neent niet. +Mi waer lieuer, mesquame iet +Mijn kinde of minen wiue, +Dat hem mesquame an sinen liue.' +Reinaer sprac: 'uernamedi iet +Dat mi die coninc gistren hiet +Vor harde vele sire liede, +Eer ic vten lande sciede, +Dat ic hem een paer lettren [screue]? [392] +Suldise hem dragen, Bellijn, neue? +Et is gescreuen al gereet,' +Bellijn sprac: 'inne weet. +Reynaert, wistic dat v gedichte +Trouwe ware, hi mochte lichte +Ghebieden dat icken den coninc [393] +Droege, had ic enige dinc +Dar icse mochte in [394] steken.' +Reynaert sprac: 'v ne [395] sal niet gebreken. +Eer des coninx lettre hier bleuen, +Jc soudu eer die scorpe geuen, +Her Bellijn, die ic draghe, +Ende hangense [396] an vwen crage, +Des coninx lettere dar in. +Ghi sulter af hebben groet gewin, +Durs [397] coninx danc ende groet ere. +Ghi sult den coninc, minen here, +Herde willecome sijn.' +Dit louede mijn here Bellijn. +Reynaert ginc in sijn acdochte +Ende keerde weder ende brochte +Sinen vrient Bellijn iegen (fo. 122 va.) +Dat houet van Cuarde gedregen, +Jndie scorpe gesteken, +Ende hinc bi sinen quaden treken +Die scurpe hem anden hals, +Ende beual hem als ende als +Dat hidie lettere niet en soude +Besien, oft hi garne woude +Hem den coninc te vriende maken. +Hi seide dattie lettere staken +Jndie scurpe uerholenlike, +Ende oft hi wilde wesen rike +Ende sinen here · den coninc, had lief, +Dat hi hem seide dattie brief +Bihem so ware gescreuen, +Ende hi dar raet toe had gegeuen. +Hi souts hem weten danc. +Dit uerhorde Bellijn ende uerspranc +Vander stat, dar hi op stoet, +Hogher dan ander haluen uoet: +So blide was hi van deser dinc, +Die hem te torne seder verginc. +Bellijn sprac doe: Reynaert, here, +Nv wetic dat gi [mi] doet ere. +Jc sal uallen in groten lof +Bi v, alsemen in dat hof +Sal seggen dat ic wel can dichten +Mit sconen worden ende mit slichten, +Alsi dat ics niet en can. +Men seit: 'ets menich man +Goet gesciet, des hem god onste, +Jn saken die hi luttel conste.' +Hier na sprac Bellijn: 'her Reynaert, +Laet v lief · wil Cuart +Mit mi te houe weder gaen?' +'Neen,' sprac Reynaert: 'hi sal v saen +Volgen bi desen seluen pade: +Hine heuet genen stade. [398] +Nv gaet uorwart mit gemake. +Jc sal Cuart sulke sake +Ondecken die noch es verholen.' (fo. 122 vb.) +'Reynaert, bliuet godeuolen!' +Sprac Bellijn · ende dede hem tervaert. +Wat sal nu doen Reynaert? +Hi keerde in sijn acdochte +Ende seide: ons naket groet gerochte, +Bliue wi hier langer · ende grote pine. +Ghereet v, Ermeline, +Ende mine kinder al gader, +Volget mi · ic ben v vader. +Ende pine wi ons dat wi ontfaren!' +Nv ne was dar geen langer sparen, +Si deden hem alle op de uaert, +Ermelijn ende Reynaert +Ende har ionge welpekine, +Des [399] si quamen ande woestine. +Ende mijn her Bellijn, de ram, +Heuet gelopen, des hi quam +Te houe een luttel vor middach. +Ende alse die coninc Bellijn sach, +Die de scurpe weder brochte, +Daer Brunen, den bere, onsochte +Te voren om was gedaen, +Doe sprac hi te Belline saen: +'Her Bellijn, van wane comdi? +War es Reynaert? hoe comt dat hi +Die scurpe niet met hem ne draget?' +Bellijn sprac: 'her coninc, ic maget +V rechte seggen dat ic weet. +Doe Reynaert was al gereet +Ende sinen casteel rumen soude, +Doe seide hi dat hi woude +Een paer lettre, coninc vri, +V senden, ende doe bat hi mi +Dat icse droege dur v lieue. +Jc seide, meer dan · vij · brieue +Soudic dur uwen wille draghen. +Doene conste Reynaert niet beiaghen +Dar ic den brief in dragen mochte. [400] +Dese scurpe hi mi doe brochte +Entie lettere dar in gesteken. (fo. 123 ra.) +Coninc, gine hort noyt spreken +Van betren dichter dan ic ben: +Dese lettere dichtic hem, +Gaet mi te goede ofte quade. +Dese brief was bi minen rade +Aldus gemaket ende gescreuen.' +Doe hietene hem die coninc geuen +Bockarde, den goeden clerc: +Die was, die in dat werc +Meer conste dan iemen die dar was. +Bockart plach emmer dat hi las +Die lettere die te hem quamen. +Bruneel ende hi die namen +Die scurpe vanden halse Bellijns, +Die bider dompheit sijns +Hier toe had geseit so uerre, +Dat hijs cortelike sal werden erre. +Die scurpe ontfinc Bockart, de clerc. +Doe moste bliken Reinaerts werc, +Alse hi dat houet wt trac. +Bockart besaget ende sprac: +'Helpe, wat lettre sijn dit! +Here coninc, bi mire wit, +Dit is thouet van Cuarde. +Help, dat gi noit Reinaerde, +Coninc, gelouen sout so verre!' +Doe mochtmen sien droeue ende erre +Den coninc entie coninginne. +Die coninc stont in drouen sinne +Ende sloech sijn houet neder. +Ouer lanc hief hijt op weder +Ende begonste werpen wt +Een dat vreislixte geluut, +Dat noyt van dire wart gehort; +So sere wart sijn sin [401] te stort. + Doe spranc vort har Firapeel, +Die lupart, hi was een deel +Des coninx maech, hi dorst wel doen, +Ende sprac ten coninc Lyoen: +'Hoe driuedi dus groet ongeuoech? (fo. 123 rb.) +Ghi meslietet v genoech, +Al ware die coninginne doet. +Doet wel ende wijsheit groet +Ende matet uwen sin ende v seer.' +Die coninc sprac: 'her Firapeel, [402] +Jnne mages niet dat ic ben erre, +Mi heuet een quaet wicht so verre +Jn sterc geleit bi barate, +Dat ic mi seluen daer om hate +Ende ic mijn herte heb verloren. +Die mine vriende waren te voren, [403] +Den stoute Brunen ende Ysegrim, +Mi heuet een valsch pelgrim +Doen verwerken so sere, +Dattet al gaet an mijn ere +Ende an mijn leuen, dats recht.' +Doe sprac Firapeel echt: +'Es dar mesdaen, men salt soenen +Men sal den wolf ende Brunen, den coenen, +Ende ver Erswinden [404] also wel +Ouer scoen ende ouer uel, +Ouer toren ende ouer pine +Gelden mitten ram Belline, [405] +Sint dat hi selue heuet beliet. +Hi heuet hem seluen an getiet +Dat hi Cuarde, den hase, verriet. +Des es hem qualike gesciet. +Hi heuet mesdaen, [406] hi salt becopen. +Ende dar na sul wi alle lopen +Na Reinaerde ende sullen vangen +Ende sullen sind kele hangen.' + + + NOTA. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Om geen traditie te laten ontstaan, vermeld ik hier ter loops dat +Muller (Critische Commentaar op Van den Vos Reinaerde 1917) en Verdam +(aankondiging in het Museum 1910) berichten hoe door mij moedwillig +de "betere lezingen" van hs. (f) zijn verzwegen in mijn Inleiding en +Aantekeningen. Blijkbaar is hun beiden, onopzettelik, ontgaan dat de +uitgave van Degering van 1910 is, en mijn Inleiding en Aantekeningen +gezet zijn in 1909, en geheel afgedrukt waren in Des. 1909,--zoals +op blz. XI is vermeld; en CXXXIV: "van dit hs. is nog geen uitgave, +alleen enige proeven zijn gepubliceerd."--Ik heb alleen gebruik kunnen +maken van "stichproben", door Dr. Muller in de Vla. Acad. meegedeeld. + +[2] 1 Madok J] vele bouke + +[3] 7 dede J] ontbr. + +[4] 94 zwijghic W] zwijghics + +[5] 238 makeden J] makedent + +[6] 258 Ouer recht Verd] Onrecht + +[7] 303 drouch G] droucht + +[8] 320 kindren W] sustren + +[9] 343 343, 344 G] 344, 343 + +[10] 362 wesen G] ontbr. + +[11] 378 stole De Vr] scole, er kan ook stole worden gelezen. + +[12] 447 tware G] ware + +[13] 454 slecht M] die slecht + +[14] 455, 456 M] 456, 455 + +[15] 457 deden J] dede + +[16] 648 was, eist waer G] waer was eist + +[17] 777 niet, 778 wel met grote beginletter + +[18] 784 alte scaerp J] alre scaerpst + +[19] 786 verhoernden De Vr] verboerden + +[20] 802 Abstale G] abscale of abstale + +[21] 804 Eene] Eens + +[22] 812 gedichte G] gestichte + +[23] 915 nu F] in + +[24] 944 draghet W] draghen + +[25] 993 dier G] diet + +[26] 996 hoere] hoeren + +[27] 1050 G] ontbr. + +[28] 1081 Zo in 't hs. + +[29] 1089 vraet G] braet + +[30] 1295 meer J] min + +[31] 1413 gaerneline J] gaerdeline + +[32] 1416 Rossel, een G] rollel ende + +[33] 1452 miere mesdaet G] minen mesdaden + +[34] 1468 strec J] net + +[35] 1510 Ambloys Knorr] vnnbloys + +[36] 1528 sat W] ontbr. + +[37] 1541 vanc J] vant, mogelik ook vanc + +[38] 1544 selues G] ontbr. + +[39] 1577 ghedaen W] gheuaen + +[40] 1593 dien G] diene + +[41] 1643 vyer-gat] vyuer gat + +[42] 1652 Erswenden G] Yswenden + +[43] 1689 telen J] pleghen + +[44] 1738 versmaert] versmaet + +[45] 1744 Die ic G] Dien + +[46] 1780 souden G] soude + +[47] 1837 sake W] saken + +[48] 1857 Tyecelijn G] Tyocelijn + +[49] 1858 ooc G] och + +[50] 1921 wancans G] wanconst + +[51] 1968 ] ontbr. + +[52] 2043 met groote roode beginletter. + +[53] 2072 v G] ontbr. + +[54] 2077 mammen G] mannen + +[55] 2158 nu] mi + +[56] 2209 Eene G] Eeene + +[57] 2231 bedraghen J] bedrieghen + +[58] 2232 maghen J] maghen lieghen + +[59] 2245 Doe G] Die + +[60] 2263 vijffte] vijfste met lange f, zodat ook vijffte kan gelezen +worden. + +[61] 2313 verslant] verslanc, kan ook verslant zijn. + +[62] 2336 den coninc G] ontbr. + +[63] 2344 zorghen (zorghe G)] zorghe ende + +[64] 2382 doe W] ontbr. + +[65] 2405 gheraecter J] gheraecte + +[66] 2512 hi mi] bruun + +[67] 2528 argertieren G] argentieren + +[68] 2595 bi J] hi + +[69] 2596 gehidet G] gehidelt + +[70] 2630 wane] wanen. + +[71] 2647 voer den G] voert. + +[72] 2656 Hier zijn verschillende regels overgeslagen zie Aant. + +[73] 2661 hoene G] hoe. + +[74] 2680 vore F] wee + +[75] 2681 sconen rijmen M] sone rijne. + +[76] 2698 die baerke W] dien burne + +[77] 2736 zeinde G] zeinde wart + +[78] 2762 W] ontbr. + +[79] 2799 Tiecelin G] cirlin + +[80] 2815 tes G] des + +[81] 2886 An H] Ende + +[82] 3000 si wouden G] hi woude + +[83] 3023 Dor M] Die + +[84] 3078 neve Belin de ram M] Belin neve ram + +[85] 3132 hase J] base + +[86] 3137 des bloets] dat bloet + +[87] 3180 Bedwonghene M] Bedi ne gheene + +[88] 3187, 3188 G] 3188, 3187 + +[89] 3248 lieuer G] leet + +[90] 3285 vriende G] vrienden + +[91] 3305 Also als] Alsi dat + +[92] 3328 daer W] daer doe + +[93] 3362 sijn J] dichte ic + +[94] 3378 hi sprac W] ontbr. + +[95] 3455 vriheden J] vreden + +[96] 2599 laet sin] is met rood doorgeschrapt; met een rood streepje +is ende min vrouwe aangehaald bij de voorgaande regel, dit streepje +is over de l heengetrokken, die nog zwart doorschemert. + +[97] 2652 De e van he is nog enigszins te zien. + +[98] 2673 Na sine volgen nog enige letters, niet met zekerheid aan +te geven. + +[99] 2698 De a in qet lijkt van later hand, evenals in 2703, 3042, +3079 en 3097. + +[100] 3032 hadde] is onderpunt, als aanwijzing dat het weg telaten is. + +[101] 3051 Sins of sine? + +[102] 3070 In vlich is de i zeer duidelik. + +[103] 3080 Er kunnen drie of vier letters hier weg zijn. + +[104] 3111 De eerste e van ede is niet duidelik.] + +[105] 3118 Met een zwart-en-rood streepje is aangegeven dat vlien +bij de volgende regel hoort. + +[106] 3136 Voor ase is een letter weggekrabd, een b of h? + +[107] 3140 Met een rood streepje is aangegeven dat bludis bij de +volgende regel behoort. + +[108] 4 Mogelik moet er dater gelezen; aan de t is nog een naar boven +open haaltje geschreven, dat anders bij deze letter niet voorkomt; +maar gewoonlik wordt er door een haaltje naar onderen open aangeduid. + +[109] 7 die staat op een rasuur. + +[110] 14 si staat op een rasuur. + +[111] 26 seg is verbeterd uit geg. + +[112] 50 Vgl. Vers 55, maar ook Vers 69. + +[113] 69 Vgl. Vers. 50 en 55. + +[114] 77 stare-blint] stare blint. + +[115] 86 Here] Hore. + +[116] 95 mar] mer. A: neware. + +[117] 96 mach] nach. + +[118] 97 no] ne. + +[119] 100 ten: de letterverbindingen de en te zijn niet altijd duidelik +in het hs. te onderscheiden. + +Vers 112 staat aan 't eind van een kolom achter vs. 119. Twee tekentjes +(*) aan de rand geven de juiste volgorde aan. + +Na vs. 112 ontbr. twee regels. + +[120] 129 Achter verlore is een letter uitgeschrapt. + +[121] 162 Dit vers is door de afschrijver aan 't slot van de kolom +(na vs. 200) bijgevoegd. De juiste volgorde geven twee kruisjes aan. + +[122] 201 De eerste helft van deze regel staat op een rasuur. + +[123] 203 gauet] geuet. + +[124] 216 Hier missen twee regels. + +[125] 226 sijs [sijs sij. + +[126] 281 Als custode van het blad: na der bare. + +[127] 305 Eerst genaden, de n is evenwel doorgeschrapt en onderstipt; +ook is er aan gekrast. + +[128] 316 Eerst stond er hadder, de r is evenwel onderstipt en +uitgeschrapt. + +[129] 324 monic-scure. + +[130] 330 hire] hare. + +[131] 341 barate] baratae. + +[132] 344 Voor er in verbeterd was had het hs e erimite. + +[133] 353 Allen] Ende allen. + +[134] 367 vlees smout] vlees smout + +[135] 400 onghehire staat op een rasuur. + +[136] 434 alte lanc] altehant. + +[137] 441 De W is geheel door 't wegslijten van 't perkament verdwenen. + +[138] 465 bere verbeterd in het hs. uit here. + +[139] 518 doet] doe. + +[140] 525 Bekindene staat op een rasuur. + +[141] 527 haghe-dochte] haghe dochte. + +[142] 585 Portegale] porltegale met een . onder de eerste l. + +[143] 588 De r in lamfret is later er boven geschreven. Ook bij het +woord woent schreef de afschrijver eerst een n in plaats van de t, +maar verbeterde die. + +[144] 589 noch is later door de afschrijver er boven geschreven. + +[145] 602 dat ie v nv] dat ic v nv + +[146] 607 hem is later er boven geschreven. + +[147] 611 hoedaen] v daer. + +[148] 612 N is met rood aangestreept. + +[149] 615 welcome] wel come. + +[150] 630 Na vs. 640 aan 't eind van de kolom is dit vers +bijgeschreven; een a en b aan de kant geven de juiste volgorde aan. + +[151] 633 U is met rood aangestreept. + +[152] 647 De s in honichs is later erbij gevoegd. + +[153] 660 vervaert] verwaert voor er in gekorrigeerd werd. + +[154] 666 trac] stac. + +[155] 675 V is met rood aangestreept. + +[156] 677 En] Ende. + +[157] 680 De r in ghegrepen is er boven geschreven. + +[158] 686 Die] Ende. + +[159] 687 Ene scarpe] Enen scarpe. + +[160] 693 N is met rood aangestreept. + +[161] 700 hulpe (dorpre?)] dorpe. + +[162] 733 seere staat op een rasuur. + +[163] 739 sijn--meer staat op een rasuur. + +[164] 747 kerc-here] kerc here + +[165] 755 wel is uit wil verbeterd. + +[166] 763 D is met rood aangestreept. + +[167] 771 Lancvoet] Lanc voet. + +[168] 773 oghen met een . onder de n. + +[169] 774 Vulmar is als wlmar geschreven. + +[170] 775 Vers 775 en 76 zijn omgezet. + +[171] 791 S is met rood aangestreept. + +[172] 799 tweemaal ter. + +[173] 803 slaghe verbeterd uit slaghen. + +[174] 820 De corrector maakte uit sondeliker door er een r boven te +schrijven, sonderliker. + +[175] 821 B is met rood aangestreept. + +[176] 861 N is met rood aangestreept. + +[177] 872 Doe] Dat. Achter toten Rasur. + +[178] 872 hoen] hoec. + +[179] 891 wangonste] wan gonste. + +[180] 894 nederwaert] neder waert. + +[181] 902 b (biste) staat op rasuur. + +[182] 905 esdi] estu. + +[183] 909 verscrouen] eerst stond er naar 't schijnt, verscruen. De +verbetering is zeer onduidelik, zodat onzeker is of er staat verscouen, +verscriuen of verscrouen. + +[184] 912 die di te voren was gewonnen. De juiste woordvolging is +aangegeven met getallen. + +[185] 921 deuosaut] deuosant. + +[186] 938 't Vers luidde wel vroeger: Hi moste willen sinen +spreken. d. i.: Hi moste onwillig gedogen Reinaerts ovele rede. Over +willen in deze betekenis, zie Lexer: vgl. L sed surda preterit +aure probra. + +[187] 942 nederwaert] neder waert. + +[188] 944 achter quam is liggen ingevoegd, maar weer doorgeschrapt. + +[189] 947 H is met rood aangestreept. + +[190] 973 A is met rood aangestreept. + +[191] 986 Binnen] Brunen, genoemt] gemoemt. + +[192] 995 wedertale] weder tale. + +[193] 1009-1010. Deze regels zijn m. i. onecht. + +[194] 1017 D is met rood aangestreept. + +[195] 1020 Ets] Et + +[196] 1029 Nu] Du. + +[197] 1051 Des = Tes Vgl. Vers 3296 en 3298. + +[198] 1073 mi] mit. Zou in het voorlegschrift mic gestaan hebben? + +[199] 1088 man ne] ne man voor de woordvolging door er boven geschreven +tekentjes verbeterd werd. + +[200] 1095 G is met rood aangeschrapt. + +[201] 1147 N is met rood aangeschrapt. + +[202] 1148 Uit het woord neue blijkt dat vs. 1147 en 1148 +m. i. geinterpoleerd zijn. + +[203] 1166 Het eerste no is er later boven geschreven. + +[204] 1183 wanc is uit wane verbeterd. + +[205] 1189 A is met rood aangeschrapt. + +[206] 1197 hi verbeterd uit hise. + +[207] 1205 Plegetmen] plegemen. + +[208] 1217 hoenredief] hoenre dief. + +[209] 1220 strowisch] stro wisch. + +[210] 1258 Dat] Die. + +[211] 1301 bete] bene. + +[212] 1315 dreigen den] dreigeden. + +[213] 1333 tweemaal es, het eerste evenwel geschrapt. + +[214] 1347 D is met rood aangestreept; daarvoor nog een rubricering. + +[215] 1349 Ermelinen] erminen. + +[216] 1354 vernoyen] vermoyen. + +[217] 1359 Dar] Dat. + +[218] 1386 achter et een kleine rasuur, mischien stond er eerst en. + +[219] 1395 H is met rood aangestreept. + +[220] 1410 houeschen] houescheden. + +[221] 1420 te is later er boven geschreven. + +[222] 1438 achter Grimbert schreef de afschrijver eerst sp, (van +sprac), schrapte het later door. + +[223] 1443 C is met rood aangeschrapt. + +[224] 1463 Die] Den. + +[225] 1464 Ic] In. + +[226] 1476 cloclinen] cloc linen. + +[227] 1484 waren: de n doorgeschrapt en daarna onderstipt. + +[228] 1499 tote met een s er later boven geschreven. + +[229] 1509 harde uit hande verbeterd. + +[230] 1513 Waende keren] Weder keren. + +[231] 1515 beclade staat op een rasuur. + +[232] 1518 geluut] geluuut. + +[233] 1536 tafelmes] tafel mes. + +[234] 1537-8 De afkortingstekens boven de beide en's heeft de +afschrijver blijkbaar weer geschrapt. + +[235] 1538 hise datse] hi se ende dase. + +[236] 1543 tafelmes] tafel mes. + +[237] 1545 stont of stoent is verbeterd uit stoet, door er een n +boven te zetten. De e is niet geschrapt. + +[238] 1551 roef is in het hs. uit roep verbeterd. + +[239] 1568 Alle] Alse. + +[240] 1570 teblouwen] te blouwen. + +[241] 1581 tweemaal ende. + +[242] 1584 van is uit m verbeterd. + +[243] 1587 steendoet] steen doet. + +[244] 1604 hanebalke] hane balke. + +[245] 1632 hemelgat] hemel gat. + +[246] 1645 en 1646 zijn omgezet. + +[247] 1646 G is met rood aangeschrapt en er voor een rubricering. + +[248] 1665 hage] heyde. + +[249] 1666 hem is verbeterd uit m. + +[250] 1672 stiren] sciren. + +[251] 1681 N is met rood aangeschrapt en met rubricering. bijcte met +daarboven geschreven h. + +[252] 1685 en 1686 zijn omgezet. + +[253] 1687 Daer] Dat. + +[254] 1708 Vermoedelik luidde vroeger de regel; Daer gi die bichte sijt +(sint) af gedaen met gewone ellips van hebt, of: Daer gi te biechten +sijt af gegaan, zo als A heeft. + +[255] 1714 wederkeer] weder keer. + +[256] 1723 G is met rood aangeschrapt en met rubricering. + +[257] 1724 Hier zijn 4 verzen in twee samengetrokken; de verzen +zullen vermoedelik geluid hebben: ... sach dat gelaet Ende seide: +'onreine vraet Dat v dat oghe so omme gaet!' 'Neue', seide Reynaert: +'gi doet quaet Dat gi ...' + +[258] 1726 testort] te stort. + +[259] 1763 Voor hem is er iets uitgeschrapt. + +[260] 1771 si] gi. + +[261] 1775 honichscalkers] honich scalkers. + +[262] 1797 spreken] speken + +[263] 1807 Voor N een rubricering. + +[264] Na 1808 zijn twee verzen uitgelaten. + +[265] 1813 teblouwen] te blouwen. + +[266] 1839 dame Awi] darme awi. + +[267] 1862 Noch nie ne] Noch inne. + +[268] 1867 en 1868 zijn omgezet. + +[269] 1881 ver[or]deelt was] was verdeelt: de juiste woordvolging +is aangegeven. + +[270] 1893 na is heel klein er boven geschreven. + +[271] 1900 twee verzen zijn weggelaten. + +[272] 1908 was] was was. + +[273] 1910 mittien] miettien. + +[274] 1918 twee verzen zijn weggelaten. + +[275] 1929 beet] 't Eerst geschreven beet is ten onrechte in cleet +veranderd. + +[276] 1932 Tussen de u en c in uercoren is nog een fijn dun haakje +te zien, dat ook elders om een correctuur aantewijzen gevonden wordt; +waarschijnlik had de afschrijver 't teken voor er vergeten. + +[277] 1946 cloesterbijr] cloester bijr. + +[278] 1951 Dijn in het hs. verbeterd uit dien, mijne] dine. + +[279] 1973 een regel is weggelaten. + +[280] 1978 halue] haue. + +[281] 1982 ouder daet] ouerdaet. + +[282] 1994 Voor alle is een h weggeschrapt. + +[283] 2000 Hier missen 7 regels. + +[284] 2002 liepen] liep. + +[285] 2010 de goede wille] den goeden wille. + +[286] 2034 wtwaert] wt waert. + +[287] 2037 was door de afschrijver weggelaten, en is aan het eind +van de kolom geschreven. Een a en b vooraan de regels geven de juiste +volgorde aan. + +[288] 2054 de] den. + +[289] 2057 toe noch met een aanwijzing dat zij moeten omgezet worden. + +[290] 2070 bouder is mischien verbeterd uit couder. + +[291] 2085 Dar] Dat. + +[292] 2092 calf] caf, de l is er bovengeschreven. + +[293] 2094 Tussen ende en maecte is er iets uitgeschrapt, vermoedelik +hi (2 letters). In plaats van maecte stond in het hs. voor er in +verbeterd werd maecten. + +[294] 2114 nemet] memet. + +[295] 2124 wannen] ic wannen. + +[296] 2127 nv uerholen] onuerholen. + +[297] 2138 mane] wane. + +[298] 2148 Hoe] He. + +[299] 2152 ongereyde] in het hs. onreyde voor er in verbeterd werd. + +[300] 2190 Hier missen 18 regels. + +[301] 2193 Deze regel staat op een rasuur. + +[302] 2200 vianden] viande hem] he. + +[303] 2207 Doe] Die. + +[304] 2213 wilde] voor er verbeterd werd wid + +[305] 2221 inwaerts] in waerts. + +[306] 2237 bringen] bringe. + +[307] 2270 bedranc] bedwanc. + +[308] 2285 segget u] segge di + +[309] 2318 werltere] werlt ere. Er missen na 2318 twee regels. + +[310] 2319 en 2320 sijn omgezet, blijkbaar om het verband te +herstellen; de twee regels zullen dus al in het voorlegschrift van +f zijn weggelaten. + +[311] 2342 te] to voor er in verbeterd werd. + +[312] 2351 stopte] stoptet. + +[313] 2352 maectet] maecte. + +[314] 2370 vant is uit crant verbeterd, mischien schuilt er in cramt = +kocht, of craut = crauet? + +[315] 2373 Een vers uitgelaten. + +[316] 2394 mit milder hant] mitter hant. + +[317] 2401 stat] scat. + +[318] 2402 mogen] moge. + +[319] 2442 tebroken] te broken. + +[320] 2450 ende her Brune] en her Brunen; of de afschrijver zich +vergistte met het afkortingsteken op Brune inplaats van op en te +plaatsen? + +[321] 2463 Reynaert sprac] sprac Reynaert. + +[322] 2510 wonder] wond. + +[323] 2530 Ende] En. + +[324] 2538 berchstaet] berch staet. + +[325] 2541 trompboem] tromp boem + +[326] 2575 mer] oec. Dit tweede oec staat op een rasuur; 't lijkt +wel of de o boven een m staat. + +[327] 2582 Reynaert is er later boven geschreven. + +[328] 2588 De regels 2588 en 2589 zijn omgezet. + +[329] 2593 gehort genoemen] genoemen gehort, evenwel staat er een +teken bij om ze om te zetten. + +[330] 2611 beuende] beuede. + +[331] 2617 Gente is hier een eigennaam als Nobel. Voor er in verbeterd +werd vergenten. De scheiding tussen de beide woorden is door een +. tussen de v en g aangegeven. Vergl. vs. 2784. + +[332] 2618 seluen sculdich] sculdich seluen, de volgorde is door een +teken aangegeven. + +[333] 2631 Hulsterloe] hulterloe voor er verbeterd werd. + +[334] 2643 Rijne] rime. + +[335] 2644 Mine] Ende mine. + +[336] 2650 Waers schijnt uit waerts verbeterd. + +[337] 2654 mi waert] nit- of nicwaert. + +[338] 2657 de] den. + +[339] 2662 iaet] o iaet. De o is onderstipt. + +[340] 2667 berke] putte. + +[341] 2692 De lezing van deze regel in f is wel niet juist, maar +die van a en b bevallen evenmin; mischien was de vroegere lezing: +Eer ic so uel hebbe elmes gedaen. + +[342] 2694 achter vrome is een n uitgeschrapt. + +[343] 2720 en 2720a staan op een regel. + +[344] 2721 D is met rood aangeschrapt. + +[345] 2740 is weggelaten en aan 't einde van de kolom na vs. 1859 +geschreven. De letters a en b geven de juiste volgorde aan. + +[346] 2745 hem] he. + +[347] 2746 De afschrijver begon met een v, of hij weer vrede, in +plaats mede zou schrijven. + +[348] 2776/7 Ende mittien worde gingen si scauen Ende Brunen volgeden +mede. + +[349] 2784 hi gaerne] higaerne. De scheiding van de woorden is door +het invoegen van een . tussen de i en g aangeduid. Vergl. vs. 2617. + +[350] 2813 ende is er later boven geschreven. + +[351] 2823 name] wane. + +[352] 2829 twee] tween. + +[353] 2831 har] thar. + +[354] 2840 uaste] uasten. + +[355] 2843 Harlyc] Har lijc. + +[356] 2856 ginc] ginc hi. + +[357] 2875 an] in. + +[358] 2888 Tussen wel en seggen is een woord uitgeschrapt. + +[359] 2895 Erswinden is verbeterd uit Erswinen. + +[360] 2897 sine] sinen. ende] en. + +[361] 2905 mi] Eerst stond er ons, met drie stippen werd dit als +geschrapt aangewezen: er boven is mi geschreven. + +[362] 2912 den coninc hem. + +[363] 2937 gereiden] rreiden. + +[364] 2946 sine] sinen. + +[365] 2958 Alse] Ende alse. + +[366] 2966 is hier weggelaten en aan het einde van de kolom, na +vs. 3000 geschreven. Door a en b is de volgorde aangewezen, maar 2966 +daarbij onjuist voor 2965 gezet. + +[367] 2981 des] dies. + +[368] 2994 Tussen binnen en loech staat nog een o of d. + +[369] 3007 dachterste] dachsterste + +[370] 3010 wel daden.] weldaden + +[371] 3012 scouden. Vgl. Frank: Gramm. § 114, 7. + +[372] 3035 verdoert verbeterd uit verdoet. + +[373] 3042 Tussen moet en in een doorgeschrapte a. + +[374] 3044 Tussen dat en hi een doorgeschrapt gi. + +[375] 3046 welpekine] wepelkine. Vgl. achter Vers 3058. + +[376] 3050 ginc] ginc in. + +[377] 3051 So smeckende ende so sengiren. + +[378] 3100 si] hi. + +[379] 3122 voor er in verbeterd werd partisen. + +[380] 3135 achter Ermeline is een letter (n) uitgeschrapt. + +[381] 3137 Achter mee is een r uitgeschrapt. + +[382] 3142 goet is uit goen verbeterd. + +[383] 3144 en] ende. + +[384] 3146 voor er in verbeterd werd spac + +[385] 3149 Belouct] Bolouet + +[386] 3174 dit heft] dit heft dit. + +[387] 3178 spreke C[uar]t] sprekect, met een - tussen e en c. + +[388] 3183 En] Ende. + +[389] 3189 voor seget is een letter uitgeschrapt. + +[390] 3203 helt vri staat op rasuur. + +[391] 3211 spac met een r er boven geschreven. + +[392] 3219 woord screue mist in het hs. maar achter lettren is een +woord (sciede) uitgeschrapt. + +[393] 3225 Achter coninc is een woord (droege) uitgeschrapt. + +[394] 3227 in is er later boven geschreven. + +[395] 3228 vne eerst in een woord geschreven, is later door een +streepje gescheiden. + +[396] 3232 hangen se] hagetse. + +[397] 3235 Durs] Dus. + +[398] 3278 stade] scade. + +[399] 3296 Des = Tes; vgl. vers 1051, 3298. + +[400] 3319 dragen mochte] mochte dragen, maar de juiste volgorde is +door tekentjes aangegeven. + +[401] 3356 sin] sijn. + +[402] 3366 Frapeer uit Firapeel (of omgekeerd). + +[403] 3372 was uitgelaten, en is aan de rand bijgeschreven. + +[404] 3381 Erswinden is verbeterd met Erswinen. + +[405] 3383/4 zijn omgezet. + +[406] 3389 mesdaen] is uit medaen verbeterd. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Van den Vos Reynaerde, by Anonymous + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42293 *** |
