diff options
Diffstat (limited to '42433-8.txt')
| -rw-r--r-- | 42433-8.txt | 22966 |
1 files changed, 0 insertions, 22966 deletions
diff --git a/42433-8.txt b/42433-8.txt deleted file mode 100644 index 3007be0..0000000 --- a/42433-8.txt +++ /dev/null @@ -1,22966 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Warda, by Georg Ebers - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - - -Title: Warda - Roman uit het oude Egypte - -Author: Georg Ebers - -Translator: Hendrik Cornelis Rogge - -Release Date: March 29, 2013 [EBook #42433] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WARDA *** - - - - -Produced by eagkw, J.H. Berends and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net - - - - - - - - WARDA - - - - - WARDA - - ROMAN UIT HET OUDE EGYPTE - VAN - GEORGE EBERS - - - IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT DOOR - DR. H. C. ROGGE - - - VIJFDE DRUK - - - AMSTERDAM - VAN HOLKEMA & WARENDORF - - - - - EERSTE BOEK. - - EERSTE HOOFDSTUK. 7 - TWEEDE HOOFDSTUK. 17 - DERDE HOOFDSTUK. 28 - VIERDE HOOFDSTUK. 36 - VIJFDE HOOFDSTUK. 50 - ZESDE HOOFDSTUK. 67 - ZEVENDE HOOFDSTUK. 82 - ACHTSTE HOOFDSTUK. 95 - NEGENDE HOOFDSTUK. 110 - TIENDE HOOFDSTUK. 121 - ELFDE HOOFDSTUK. 130 - TWAALFDE HOOFDSTUK. 137 - DERTIENDE HOOFDSTUK. 146 - VEERTIENDE HOOFDSTUK. 153 - VIJFTIENDE HOOFDSTUK. 163 - - - TWEEDE BOEK. - - EERSTE HOOFDSTUK. 173 - TWEEDE HOOFDSTUK. 183 - DERDE HOOFDSTUK. 196 - VIERDE HOOFDSTUK. 207 - VIJFDE HOOFDSTUK. 213 - ZESDE HOOFDSTUK. 221 - ZEVENDE HOOFDSTUK. 232 - ACHTSTE HOOFDSTUK. 248 - NEGENDE HOOFDSTUK. 258 - TIENDE HOOFDSTUK. 265 - ELFDE HOOFDSTUK. 277 - TWAALFDE HOOFDSTUK. 292 - DERTIENDE HOOFDSTUK. 301 - VEERTIENDE HOOFDSTUK. 316 - VIJFTIENDE HOOFDSTUK. 331 - - - DERDE BOEK. - - EERSTE HOOFDSTUK. 349 - TWEEDE HOOFDSTUK. 359 - DERDE HOOFDSTUK. 365 - VIERDE HOOFDSTUK. 380 - VIJFDE HOOFDSTUK. 396 - ZESDE HOOFDSTUK. 402 - ZEVENDE HOOFDSTUK. 413 - ACHTSTE HOOFDSTUK. 421 - NEGENDE HOOFDSTUK. 433 - TIENDE HOOFDSTUK. 443 - ELFDE HOOFDSTUK. 453 - TWAALFDE HOOFDSTUK. 463 - DERTIENDE HOOFDSTUK. 470 - VEERTIENDE HOOFDSTUK. 480 - VIJFTIENDE HOOFDSTUK. 488 - ZESTIENDE HOOFDSTUK. 498 - ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. 505 - - - - -EERSTE BOEK. - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - - -Bij het oude honderdpoortige Thebe wordt de Nijl merkbaar breeder. De -bergketenen, die zich uitstrekken aan beide zijden van den stroom, nemen -hier bepaalden vorm aan. Eenige bijna kegelvormige toppen steken, scherp -gekant, boven den vlakken rug van het veelkleurig kalkgebergte uit, -waarop geen palmboom groeit en zelfs de planten der woestijn niet tieren -kunnen. Met steenen gevulde spleten en openingen zijn de eenige wegen, -om meer of minder diep in dit gebergte door te dringen, waarachter de -doodsche woestijn zich uitbreidt, met hare zandvlakten en rotsblokken, -met hare klippen en naakte riffen. Achter de oostelijke bergen wordt -deze woestenij begrensd door de Roode zee, achter de westelijke is zij -onbegrensd als de eeuwigheid. De Egyptenaren geloofden, dat daarachter -het doodenrijk begint. - -Tusschen beide heuvelrijen nu, die als wallen en muren het woestijnzand -tegenhouden, stroomt de breede heldere Nijl, zegen en vruchtbaarheid -brengende, zoowel de vader als de wieg van millioenen schepselen. Aan -zijne beide oevers liggen in breede vlakten de donkere akkers, en in -zijn schoot koestert hij geschubde en gepantserde waterbewoners van -allerlei gedaante. Op den waterspiegel wiegelen lotusbloemen, en in het -papyrusriet aan den oever bouwen ontelbare watervogels hunne nesten. -Van den voet der bergen tot aan den Nijl strekken de graanvelden zich -uit, na den zaaitijd blauwachtig groen gekleurd, bij het naderen -van den oogst gelijk aan een zee van vloeibaar goud. Bij de putten -en schepraderen bespeurt men van nabij en van verre schaduwrijke -sykomoren-boomen, en zorgvuldig gekweekte dadelpalmen verheffen zich -samen tot lieflijke bosschen. Het vlakke zaailand, dat jaarlijks door de -overstrooming wordt besproeid en bemest, steekt bij de zandige helling -der bergen, die er achter liggen, af, als de tuinaarde van een bloembed -bij het gele kiezelzand van het voetpad. - -In de veertiende eeuw vóor onze jaartelling -- want wij brengen onze -lezers terug in zulke langvervlogen tijden -- waren menschenhanden in -Thebe druk in de weer, om door hooge steenen dammen en dijken den -wassenden vloed te keeren, ten einde de straten en pleinen, de tempels -en paleizen der stad voor overstrooming te bewaren. Kanalen, die goed -afgesloten konden worden, baanden den weg van de dammen naar het -daarachter gelegen land en door menige kleine zijvaart naar de tuinen -van Thebe. Aan den rechter, oostelijken oever van den Nijl zag men de -straten van deze beroemde residentie der pharao's. Dicht bij den stroom -verhieven zich de kolossale bontbeschilderde tempels van de Amonstad. -Daarachter, tot op geringe afstand van den oostelijken bergketen, -gedeeltelijk reeds op den woestijnbodem, verrezen de paleizen der -koningen en aanzienlijken, en waren de schaduwrijke straten aangelegd, -waar hooge en smalle huizen dicht bij elkander gebouwd stonden. Welk -een bont gewemel, wat levendige drukte heerschte daar in den bloeienden -zetel der pharao's! - -De westelijke Nijloever bood weder een gansch ander schouwspel aan. -Ook hier ontbrak het voorzeker niet aan weidsche gebouwen en overvloed -van menschen. Maar terwijl aan gene zijde van den stroom de huizen -éene ineengedrongene massa vormden, en de burgerlieden luidruchtig en -vroolijk hunne dagelijksche bezigheden volbrachten, zag men aan deze -zijde slechts prachtige gebouwen van buitengewone afmeting, waartegen de -kleinere huizen en hutten zich aandrongen, als kinderen die bescherming -zoeken door zich aan moeders schoot vast te klemmen. Deze groepen van -gebouwen rezen naast elkander op, doch waren onderling niet verbonden. -Wie het gebergte besteeg en op dit alles nederzag, kreeg den indruk als -lagen daar beneden hem, dicht bij elkander, een groot aantal dorpen met -deftige heerenhuizen. Zoo iemand uit de vlakte opzag naar de oostelijke -hellingen der westelijke bergen, dan ontwaarde men honderde geslotene -poorten, deels alleen staande, deels op rijen naast elkander, waarvan -er velen aan den voet van het gebergte, verscheidene in het midden, -sommigen zelfs op eene vrij aanzienlijke hoogte waren aangelegd. En hoe -weinig geleek het afgemeten, ja ernstige leven op de straten in dit -gedeelte, op het levenslustige gejoel en de bedrijvigheid der menschen -daar ginds! Ginds op den rechteroever was ieder in heftige beweging bij -arbeid en vermaak, onder vreugd en smart, in woord en daad. Hier, op den -linkeroever, werd weinig gesproken, scheen eene zekere tooverkracht de -schreden der wandelaar tegen te houden, eene bleeke hand den vroolijken -blik der oogen te benevelen en elke plooi glad te strijken, die een -lachje om den mond kon doen spelen. En toch landde hier menige sierlijk -getooide bark, ontbrak het er niet aan koren van zangers, bewogen -feestelijke optochten zich in de richting der westelijke bergen. -Maar die vaartuigen brachten slechts dooden aan, de liederen die -hier weerklonken waren klaagzangen, en de optochten bestonden uit -rouwdragenden, die de sombere lijkkist volgden. - -Wij staan op den bodem van Thebe's doodenstad. - -Doch daarom werd ook in dit gedeelte het levendige verkeer niet gemist. -Immers voor den Egyptenaar waren de dooden niet gestorven. Hij drukte -zijne ontslapenen de oogen toe; hij bracht hen naar de Nekropolis, de -doodenstad, in het huis van den Kolchyt, die de lijken balsemde, en ten -laatste in de groeve. Nochtans wist hij, dat de zielen der afgestorvenen -bleven voortleven; dat zij gerechtvaardigd zijnde als Osiris in het -zonneschip den hemel zouden bevaren, dat zij in elke gedaante, die zij -zouden willen aannemen, weder op aarde konden verschijnen, en op den -levensloop der achtergeblevenen invloed mochten oefenen. Daarom zorgde -hij voor eene waardige begrafenis zijner dooden, bovenal voor het -balsemen, waardoor de lichamen zeker voor bederf bewaard bleven. Ook -verzuimde hij niet, op bepaalde tijden het doodenoffer, bestaande in -vleesch en gevogelte, dranken en reukwerken, groenten en bloemen te -vernieuwen. Bij de begrafenis zoo min als bij het brengen dier offers -kon de dienaar der godheid worden gemist. - -De stille doodenstad scheen bovendien de geschiktste plaats voor het -bouwen van scholen en woningen voor geleerden. In de tempels van deze -Nekropolis hielden groote priestervereenigingen hun verblijf, en de -talrijke Kolchyten, wier ambt van den vader op den zoon overging, -hadden hunne huizen in de nabijheid der uitgestrekte gebouwen, die voor -het balsemen bestemd waren. Het ontbrak echter niet aan fabrieken en -winkels. In de eersten werden sarcophagen van steen en hout vervaardigd, -benevens windsels van lijnwaad, waarin de mummiën werden gewikkeld, -en amuletten waarmede deze werden opgesierd. In de laatsten boden -kooplieden specerijen, reukwerken, bloemen, vruchten, groenten en -gebak te koop aan. Hier en ginds zag men runderen, gazellen, geiten, -ganzen en ander gevogelte binnen grasperken met heggen omgeven, en -de naastbestaanden van den overledene gingen daarheen, om uit de -offerdieren, door de priesters voor rein verklaard, de zoodanige uit te -zoeken, die zij noodig hadden, en met het heilige merk te doen voorzien. -Velen kochten ook aan de slachtbanken enkele stukken vleesch. De armen -bleven echter van deze plaats verwijderd, zij vergenoegden zich met het -koopen van allerlei gebak in de gedaante van dieren, dat de runderen en -ganzen, die zij niet machtig konden worden, symbolisch vervangen moest. -In de deftigste winkels zaten dienaars van priesters, die bestellingen -aannamen en op papyrus-rollen aanteekenden. Deze werden daarna in de -bureelen van den tempel met die heilige teksten beschreven, welke -de zielen der afgestorvenen moesten kennen en uitspreken, om de -onderaardsche geesten af te weren, de deuren van de onderwereld te doen -openen, en rechtvaardig bevonden te worden voor Osiris en de twee en -veertig rechters van het onderaardsch gerechtshof. - -Wat er in de tempels omging, kon men buiten niet zien, want ieder -heiligdom was door een hoogen ringmuur omgeven, waarvan de zorgvuldig -geslotene en verhevene hoofdpoort alleen werd geopend, wanneer 's -morgens vroeg of des avonds een priesterkoor naar buiten ging, om -godsdienstige hymnen te zingen ter eere van de godheid, die als Horus -opkwam en als Tum nederdaalde[1]. Zoodra de laatste tonen van het -priesterlijk avondlied waren weggestorven, werd het ledig in de -Nekropolis, want alle rouwdragenden en bezoekers der graven waren dan -gehouden in de booten te gaan en de doodenstad te verlaten. Eene groote -menigte menschen, die in feestelijken optocht aan den westelijken oever -van Thebe voet aan wal hadden gezet, spoedde zich ordeloos naar den -stroom, voortgedreven door de wachters, die bij afdeelingen dienst deden -en de graven voor roovers moesten bewaren. De handelaars sloten hunne -winkels, de Kolchyten en werklieden eindigden hun dagwerk en gingen naar -hunne woningen. De priesters begaven zich naar hunne tempels terug, en -de herbergen werden gevuld met gasten, die van verre hierheen gereisd -waren, en liever in de nabijheid van hunne afgestorvenen, voor wie zij -herwaarts kwamen, dan in de woelige stad aan den anderen oever van den -stroom verlangden te overnachten. - - [1] De loop van den zonnegod werd vergeleken met die van - het menschelijk leven. Als kind (Horus) ging de zon op; zij - ontwikkelde zich tegen den middag tot den held Ra, voor wien - de Uraeus-slang, die op zijn diadeem prijkte, streed. Aan den - avond, als zij onderging, was zij een grijsaard (Tum). Het licht - was ontstaan uit de duisternis, bijgevolg werd Tum voor ouder - gehouden dan Horus en de andere lichtgoden. - -De stemmen der zangers en klaagvrouwen waren verstomd, zelfs het gezang -der matrozen, die de talrijke booten naar den oostelijken oever van -Thebe roeiden, stierf langzamerhand weg. De avondwind bracht nu en dan -nog een enkelen toon over, en eindelijk zweeg alles. Een onbewolkte -hemel breidde zich uit over de sombere doodenstad, slechts van tijd tot -tijd verduisterd door de lichte schaduwen van vledermuizen, die elken -avond naar den Nijl vliegen om zich te laven en op muggen jacht te -maken. Na zich versterkt te hebben voor haren dagslaap, keerden de -lichtschaduwen naar hare holen en rotsspleten terug. Nu en dan gleden -zwarte gedaanten met lange schaduwen als over den bodem heen. Het waren -de jakhalzen, die op dit uur hun dorst plegen te lesschen aan de rivier, -en zich dikwijls in troepen, schier zonder vrees, vertoonden in de -nabijheid van de ganzenhokken en de geitenstallen. Het was verboden om -op deze nachtelijke roovers jacht te maken, want zij werden gehouden -voor de heilige dieren van den god Anubis, den wachter der graven[2]. -Zij bleken ook weinig gevaarlijk te zijn, daar zij overvloed van -voedsel vonden in de graven. Zij toch aten de stukken vleesch die op de -offeraltaren waren neergelegd, tot groote voldoening der nabestaanden, -die meenden, wanneer zij het vleesch den volgenden dag niet meer vonden, -dat het door de onderaardsche goden goedgekeurd en aangenomen was. -Ook bleken zij betrouwbare wakers te zijn, want zij waren gevaarlijke -vijanden voor ieder, die ongeroepen, onder de bescherming van de -duisternis der nacht, in eene groeve wilde binnendringen. - - [2] Anubis, die met den kop van een jakhals wordt afgebeeld, is - de zoon van Osiris en Nephthys. De jakhals is zijn heilig dier. - In den vroegsten tijd komt hij reeds voor als god van de - onderwereld. Hij ziet toe op het balsemen, bewaart de lijken, - en beschermt de Nekropolis. Bovendien baant hij, als Hermes - Psychopompos (Hermanubis), den weg voor de zielen. Volgens - Plutarchus waakt hij voor de goden gelijk de honden voor de - menschen. - -Ook aan den zomeravond van het jaar 1352, op welke wij onze lezers -uitnoodigen de doodenstad van Thebe met ons te bezoeken, werd het -stil in de Nekropolis, nadat het priesterlijk avondlied was gezongen. -Reeds wilden de soldaten die de wacht hadden van hun eersten -onderzoekingstocht terugkeeren, toen plotseling een hond in het -noordelijk gedeelte van de doodenstad hard begon te blaffen. Weldra liet -een tweede, een derde, een vierde zich hooren. De hoofdman van de wacht -riep »halt!" en toen het geblaf algemeener werd en met elke minuut in -hevigheid toenam, beval hij hen die hem volgden in noordelijke richting -op te marcheeren. De kleine troep had weldra den hoogen dam bereikt, -die langs den westelijken oever liep van een kanaal, dat uit den Nijl -was afgeleid, en overzag van hier het bouwland tot aan den vloed -en het noordelijk gedeelte van de Nekropolis. Wederom werd »halt" -gecommandeerd. Zoodra de soldaten in de richting in welke de honden het -hevigst aansloegen het schijnsel van fakkels bespeurden, ijlden zij -voorwaarts en bereikten bij de pylonen[3] van den tempel, die door Seti -I, den overleden vader van den thans regeerenden koning Ramses II, was -gebouwd, de rustverstoorders. - - [3] Pylonen noemde men de door een poortdoorgang verbonden - torens aan den ingang van een Egyptischen tempel. - -De maan was opgegaan en goot haar bleek schijnsel uit over het prachtig -gebouw, waarvan de buitenmuren roodachtig werden verlicht door de in -donkeren rook gehulde vlammen der fakkels, die door zwarte dienaars -werden gedragen. Een kleine dikke man, bijzonder rijk gekleed, sloeg -met de metalen greep van een zweep zoo hard tegen de met koperen platen -bekleedde tempeldeur, dat de slagen bij de nachtelijke stilte heinde en -ver werden gehoord. In zijne nabijheid stonden een draagstoel en een -wagen, met paarden van het edelst ras bespannen. In de eerste zat eene -jonge vrouw, en op den wagen stond eene aanzienlijke maagd, rijzig van -gestalte, naast den wagenmenner. Beiden waren omgeven door mannen, die -blijkbaar tot de meer bevoorrechte standen behoorden, en een aantal -dienstknechten. Er werd niet veel gesproken; de aandacht van de geheele -groep, die maar gedeeltelijk werd verlicht, scheen uitsluitend op de -tempeldeur gericht te zijn. De duisternis maakte het onmogelijk de -gelaatstrekken der bijzondere personen te onderscheiden, doch de -maneschijn versterkt door het fakkellicht was voldoende, om den portier, -die uit een der torens van den pylon op de rustverstoorders neerzag, -te doen begrijpen, dat hij met hooggeplaatste lieden, ja misschien met -leden van de koninklijke familie te doen had. Met luider stem vroeg hij -den man die geklopt had, wat hij begeerde. - -Zoodra deze zich hoorde toespreken, zag hij op, en zeide op -meesterachtigen, ja zelfs beleedigenden toon: »Hoe lang moeten wij hier -op je wachten, luië hond? Kom eerst naar beneden, open de poort en vraag -dan! Wanneer de fakkels niet helder genoeg branden, om je te doen zien -wie hier wacht, dan zal mijn zweep je op den rug schrijven wie we zijn -en je leeren hoe men vorstelijke gasten te woord moet staan!" - -De vrouw in de draagstoel rees van schrik overeind, toen zij de rust van -de doodenstad zoo opeens en zoo ruw hoorde storen. Terwijl de portier -een onverstaanbaar antwoord bromde en naar beneden kwam, om de deur -open te doen, richtte de vrouw op den wagen zich tot haar ongeduldigen -geleider. »Gij vergeet, Paäker," sprak zij op welluidenden maar toch -gebiedenden toon, »dat gij weder in Egypte zijt, en hier niet te doen -hebt met wilde Shasoe[4], maar met vriendelijke priesters, van wie -wij bovendien nog een dienst hebben te vragen. Men klaagt niet ten -onrechte over uwe ruwheid, die vooral ongepast is, nu wij onder zulke -buitengewone omstandigheden ons naar dit heiligdom hebben begeven." - - [4] Roofzuchtige Semitische stammen in het oosten van Egypte. - -Hoewel deze woorden niet zoozeer werden gesproken om te berispen, dan -wel om leedwezen over het gebeurde uit te drukken, toch achtte zich de -kleine gevoelige man er door beleedigd. De vleugels van zijn breeden -neus begonnen zich sterk te bewegen; krampachtig omklemde hij met zijn -rechterhand de greep der zweep, en terwijl hij zich deemoedig scheen te -buigen, gaf hij een ouden Ethiopischen slaaf, die naast hem stond, zulk -een duchtigen slag op de naakte beenen, dat deze als een door de koude -verschrompeld blad ineenkromp. De arme kerel gaf echter geen kik, want -hij kende zijn meester. - -Inmiddels had de portier opengedaan, en tegelijk met hem trad een -jeugdige priester naar buiten, om te vernemen wat deze rustverstoorders -verlangden. Paäker wilde weder het woord voeren, maar de vrouw die op -den wagen stond kwam hem voor met te zeggen: »Ik ben Bent-Anat, de -dochter des konings, en zij die in den draagstoel zit is Nefert, de -gemalin van den edelen Mena, den wagenmenner mijns vaders. Wij hadden -ons in gezelschap van deze aanzienlijke mannen naar het noordwestelijk -dal van den Nekropolis begeven, ten einde de nieuwe bouwwerken in -oogenschouw te nemen. Gij kent de smalle rotspoort dier kloof. Op den -terugweg hield ikzelve de teugels, en had het ongeluk een meisje, -dat met een korfje vol bloemen aan den weg zat, te overrijden en te -verwonden, ja zeer gevaarlijk, zoo ik vrees. Mena's echtgenoote heeft -de kleine dadelijk met eigene handen verbonden. Wij lieten haar daarop -brengen naar het huis haars vaders, een Paraschiet[5], Pinem geheeten, -geloof ik. Ik weet niet of gij hem kent." - - [5] Een paras-chiet was iemand, die de lijken opende. - -»Zijt gij zijne hut binnengegaan, prinses?" vroeg de priester. - -»Ik moest wel, heilige vader," was haar antwoord, »ofschoon ik weet, dat -men zich verontreinigt, wanneer men den drempel van zulk eene woning -overschrijdt. Maar...." - -»Maar," riep de vrouw van Mena, terwijl zij zich weder oprichtte in -haar draagstoel, »Bent-Anat kan zich immers heden door u of door haren -huispriester laten reinigen; den armen vader zal zij echter bezwaarlijk, -misschien ook nooit, zijn kind gezond kunnen wedergeven." - -»Dit neemt niet weg, dat het ellendig verblijf van zulk een Paraschiet -onrein is," viel de kamerheer Penbesa, ceremoniemeester van de prinses, -haar in de rede. »Ik heb er mij genoeg tegen verzet, toen Bent-Anat -haar voornemen te kennen gaf, dat vervloekte nest in eigen persoon te -betreden. Ik sloeg voor," zoo vervolgde hij tot den priester, »het -meisje naar huis te laten dragen, en den vader een koninklijk geschenk -te zenden." - -»En de prinses?" vroeg de priester. - -»Zij handelde, als gewoonlijk, overeenkomstig haar eigen wil," hernam de -ceremoniemeester. - -»En dan doet zij altijd wat goed is," merkte de vrouw van Mena op. - -»Gaven de goden dat het zoo ware!" sprak de Prinses met zachte stem. -Zich tot den priester wendende, ging zij voort: »Gij kent den wil der -hemelsche goden en de harten der menschen, heilige vader, en ik ben mij -bewust, dat ik gaarne geef en armen help, ook wanneer de armoede de -eenige voorspraak is. Maar na hetgeen heden is gebeurd, en tegenover -dien ongelukkigen man ben ik het die voorspraak noodig heb." - -»Gij?" vroeg de kamerheer verbaasd. - -»Ja, ik!" antwoordde de prinses op stelligen toon. - -De priester die tot hiertoe zwijgend dit gesprek had aangehoord, hief -nu zijn rechterhand op, als om te zegenen, en zeide: »Gij hebt braaf -gehandeld. De Hathors[6] vormden uw hart, en de godin der waarheid leidt -het. Ongetwijfeld komt gij ons in onze nachtelijke gebeden storen, ten -einde een arts te vragen voor het verwonde meisje?" - - [6] Hathor is Isis in zinnelijken vorm. Zij is de godin van den - helderen lichten hemel en draagt de zonneschijf tusschen de - hoornen op den koekop, of op een menschenhoofd met de ooren van - eene koe. Zij wordt de godin met het schoone aangezicht genoemd - en is de schenkster van elke reine levensvreugde. Later - beschouwde men haar als de muze, die het leven veraangenaamt met - vroolijkheid, liefde, zang en dans. Als goede fee ontmoeten wij - haar bij de wieg der kinderen, om hun levenslot te bepalen. Zij - draagt vele namen, en er komen verschillende, meestal zeven - Hathoren voor, om de voornaamste richtingen harer goddelijke - werkzaamheid te verpersoonlijken. - -»Zooals gij zegt!" - -»Ik zal den opperpriester vragen, om den besten geneesheer voor -uitwendige verwondingen, onverwijld naar de kranke te zenden. Doch waar -is het huis van den Paraschiet Pinem? Ik ken hem niet." - -»Ten noorden van de terrassen van Hatasoe[7], dicht bij.... Maar ik zal -een mijner geleiders gelasten den geneesheer den weg te wijzen. Ik stel -er bijzonder veel prijs op morgen vroeg te vernemen, hoe het met de -zieke staat. -- Paäker!" - - [7] De groote koningin uit de 18de dynastie, voogdes van twee - pharao's. - -De aangesprokene, met wien wij hebben kennis gemaakt, toen hij zoo ruw -op de poort klopte, boog zich met nederhangende handen ter aarde en -vroeg: »Wat beveelt gij?" - -»Ik wijs ú aan tot gids van den arts," zeide de prinses. »Het zal den -wegwijzer des konings niet moeilijk vallen, het verborgen huisje weer te -vinden. Vergeet niet dat gij mijn medeschuldige zijt. Want," en hierbij -wendde zij zich tot den priester, »laat ik er maar rond voor uitkomen: -het ongeluk geschiedde, toen ik met mijne rossen Paäkers Syrische -harddravers, die naar zijn zeggen veel vlugger liepen dan de Egyptische, -trachtte in te halen. Het was een wild rennen." - -»Amon zij geloofd, dat het zóo afliep," sprak de ceremoniemeester. -»Paäkers wagen ligt verbrijzeld in het enge dal, en zijn beste paard is -zwaar gewond." - -»Nu, als hij den arts bij den Paraschiet heeft gebracht, mag hij naar -zijn paard gaan kijken," hernam de prinses. »Weet gij, Penbesa, gij -trouwe bewaker van een onbezonnen meisje, dat ik mij heden voor het -eerst er over verblijd, dat mijn vader krijg voert in het verre -Sati-land[8]?" - - [8] Azië. - -»Hij zou ons zeker niet zeer vriendelijk ontvangen hebben," antwoordde -de ceremoniemeester met een glimlach. - -»Maar de arts, de arts!" riep Bent-Anat haastig. »Paäker, het blijft -er bij: gij wijst hem den weg en brengt ons morgen bericht omtrent den -toestand van het meisje." - -Paäker boog nog eens. De prinses gaf daarop een wenk. De priester en -zijne gezellen, die intusschen uit het heiligdom naar buiten waren -gekomen, hieven zegenend de handen omhoog, en de nachtelijke optocht -ging op weg in de richting van den Nijl. Paäker bleef alleen achter met -zijne beide slaven. Hij was verdrietig over den last, dien de prinses -hem had opgedragen. Zoo lang de maneschijn toeliet den draagstoel met de -vrouw van Mena te onderscheiden, oogde hij haar na. Toen trachtte hij -zich te herinneren, waar het huis van den Paraschiet gelegen was. De -hoofdman van de veiligheidspolitie hield nog altijd met zijne -manschappen stand bij den tempelpoort. - -»Kent gij de woning van den Paraschiet Pinem?" vroeg Paäker. - -»Wat moet gij bij hem zoeken?" - -»Dat gaat u niet aan," hernam Paäker. - -»Lomperd!" riep de hoofdman. -- »Links om en voorwaarts, mannen!" - -»Halt!" riep Paäker, nijdig, »ik ben de koninklijke gids." - -»Dan zult gij des te gemakkelijker de plaats kunnen wedervinden, waar -gij vandaan komt. -- Soldaten, voorwaarts!" - -Op deze woorden volgde als een echo het gelach van velerlei stemmen. -Paäker schrok zoo hevig van dit honend geluid, dat hij zijn zweep op den -grond liet vallen. De slaaf, dien hij weinige minuten te voren geslagen -had, stond deemoedig op en volgde zijn heer in den voorhof des tempels. -Beiden schreven het gegiegel, dat de ernstige rust in den doodenstad zoo -ongepast kwam storen, en hun nog steeds in de ooren ruischte, zonder dat -zij de oorzaak er van ontdekken konden, aan rustelooze geesten toe. Maar -ook de oude portier had die overmoedige toonen vernomen. Hem was dat -lachen beter bekend dan den wegwijzer des konings, want met forsche -schreden trad hij de poort des heiligdoms uit en riep, terwijl hij, de -donkere schaduw van den pylon volgende, met zijn langen stok blindelings -voor zich uitsloeg: »O, gij nietswaardig Sethsgebroed[9], gij galgenaas, -gij aterlingen, ik zal u!" - - [9] Door de Grieken Typhon genoemd. Hij was de vijand van - Osiris, het ware, goede en reine, en vertegenwoordigde de - disharmonie en onrust in de natuur. Horus, die voor zijn vader - Osiris strijdt, kon hem ter aarde werpen en verminken, maar - nimmer vernietigen. - -Op eens verstomde het gelach. Eenige jeugdige gestalten kwamen in het -maanlicht voor den dag; de oude vervolgde ze al hijgende, en na eene -korte jacht vloog een troep opgeschoten knapen door de tempeldeur naar -het poortgebouw terug. Het was den wachter gelukt een dertienjarigen -misdadiger te vatten, en hij hield hem zoo vast bij het oor, dat zijn -kleine kop in horizontale richting aan zijn hals scheen gegroeid. - -»Ik zal het den onderwijzer bekend maken, gij sprinkhanenplaag, gij -vledermuisgebroed," riep hij vervolgens. Maar de bende schooljongens, -die eene gunstige gelegenheid hadden waargenomen om uit hun engen kerker -te komen, begon hem vriendelijk te vleien. Uit aller mond vernam hij -woorden van berouw, hoewel het pleizier over het gebeurde, dat niemand -hun ontnemen kon, in het oog van al die bengels stond te lezen. En toen -een van de grootste scholieren den ouden om den kin streek, en beloofde -hem morgen den wijn, die zijne moeder hem voor de volgende week zou -zenden, ter bewaring te zullen geven, liet de wachter zijn gevangene -los, die de pijn uit zijn vuurrood oor trachtte te wrijven, en riep nog -onvriendelijker dan zoo even: »Wilt gij een, twee, drie maken dat ge weg -komt! Denkt ge dat ik uw streek zoo maar zal laten voorbijgaan? Dan kent -gij den ouden Baba nog niet. Ik zal het den goden klagen en niet den -onderwijzer. En je wijn, vlegel, zal ik ten offer plengen, opdat de -hemel het je vergeve!" - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - - -De tempel, in welks eerste voorhof Paäker stond te wachten, en waarin de -priester was verdwenen om den geneesheer te halen, werd het Seti-huis -genaamd, en was een der grootste heiligdommen van de doodenstad[10]. -Wat zijn grootsche aanleg betreft, werd hij enkel overtroffen door het -prachtig gebouw uit den tijd der vorstelijke dynastie, die door den -grootvader van den thans regeerenden koning werd onttroond, dat Thotmes -III had gegrondvest en waarvan Amenophis III den ingang had versierd met -ontzaglijk kolossale beelden[11]. In ieder ander opzicht echter kwam aan -het Seti-huis de eerste plaats in de Nekropolis toe. Ramses I had den -eersten steen gelegd, kort nadat het hem gelukt was zich door geweld -van den Egyptischen troon meester te maken. Zijn groote zoon Seti had -den bouw voortgezet, ten einde in dezen tempel den doodendienst voor -de zielen der afgestorven leden van het nieuwe koningshuis te doen -verrichten, en de heilige feesten ter eere van de goden der onderwereld -te vieren. Groote sommen waren ten koste gelegd aan de versiering van -het gebouw, en beschikbaar gesteld voor het onderhoud van priesters en -instellingen, die aan dit heiligdom verbonden waren. Die stichtingen, -geheel ingericht naar het model der eeuwenoude scholen van Heliopolis en -Memphis, waarin de wijsheid der priesters werd bewaard, waren bestemd -met dezen gelijken tred te houden; zij moesten Thebe, de nieuwe -residentie van Opper-Egypte, ook door de vruchten van wetenschappelijk -onderzoek boven de hoofdsteden van Neder-Egypte verheffen. - - [10] Hij bestaat nog en is bekend onder den naam van den tempel - van Qoernah. - - [11] Het noordelijk beeld is, als het geluidgevende - Memnonsbeeld, wereldberoemd geworden. - -Het waren inzonderheid eenige inrichtingen voor onderwijs, die het eerst -verdienden genoemd te worden[12]. Op den voorgrond stond de hoogeschool, -waarin priesters, geneesheeren, rechters, wis- en sterrenkundigen, -beoefenaars van taal- en letterkunde en andere geleerden, niet alleen -onderwijs ontvingen, maar ook eene vrije woonplaats vonden, nadat zij -den hoogsten graad van kennis bereikt en den titel van »schrijver" -ontvangen hadden. Daar werden zij dan op kosten des konings onderhouden, -opdat zij, zonder door andere zorgen en bemoeiingen afgetrokken te -worden, dagelijks verkeerende met huns gelijken, die zich met dezelfde -studiën bezighielden, zich geheel zouden kunnen wijden aan bespiegeling -en wetenschappelijk onderzoek. De geleerden hadden eene groote boekerij -tot hun dienst, waarin duizenden schriftrollen werden bewaard, en -waaraan tegelijk een papyrus-fabriek verbonden was. Sommigen hunner -waren belast met het onderricht der jongere scholieren, die gevormd -werden in de evenzeer tot het Seti-huis behoorende voorbereidende -school. Die school stond open voor alle zonen van vrije burgers, en -werd door honderden kinderen bezocht, die hier ook een nachtkwartier -vonden. Trouwens de ouders waren verplicht òf kostgeld te betalen, òf -de spijzen, die de kinderen voor hun onderhoud noodig hadden, naar -de school te zenden. Voorts woonden in een afzonderlijk gebouw de -kostkinderen van den tempel. Het waren zonen van de voornaamste -familiën, die hier voor eene niet geringe vergoeding door de priesters -werden opgevoed. Seti I, de stichter van deze inrichting, had zijne -eigene zonen, ja zelfs den troonopvolger Ramses daar laten opvoeden. - - [12] De volgende beschrijving van eene Egyptische inrichting van - onderwijs is, tot in elke bijzonderheid, ontleend aan bronnen, - die uit den tijd van Ramses II en zijn opvolger Mernephtah - afkomstig zijn. - -Deze voorbereidende scholen werden druk bezocht. De stok speelde hier -zulk eene groote rol, dat zeker paedagoog aan deze inrichting met volle -recht kon zeggen: »De ooren der schooljongens zitten op hun rug; zij -hooren als men hen slaat." Knapen, die uit de lagere klassen tot de -hooge school wilden overgaan, moesten zich aan een examen onderwerpen. -Waren zij geslaagd, dan konden de jonge studenten zich een leermeester -kiezen uit de geleerden van hoogeren rang. Deze nam de leiding hunner -wetenschappelijke studiën op zich, en zij bleven hun leven lang als -cliënten aan zulk een patroon verbonden. Na een tweede examen konden -zij den titel van schrijver verkrijgen en het recht om eenig openbaar -ambt te bekleeden. Nevens deze scholen voor geleerden vond men hier -verder eene school tot opleiding van kunstenaars, waarin zoodanige -jongelingen werden onderwezen, die zich op de bouw-, de beeldhouw- of -schilderkunst wenschten toe te leggen. Ook bij deze inrichting koos elke -leerling zich zijn meester. Alle leeraars in deze scholen behoorden -tot de priesterschap van den Seti-tempel, die uit meer dan achthonderd -personen bestond. Zij waren in vijf klassen verdeeld, aan het hoofd -waarvan drie zoogenaamde profeten stonden. De eerste profeet was de -opperpriester van het Seti-huis, en tegelijk het hoofd van die duizende -hoogere en lagere dienaars der godheid, die tot de doodenstad van Thebe -behoorden. - -Het eigenlijk Seti-huis was een tempel van massieven kalksteen. Eene -rij van sphinxen voerde van den Nijl tot den ringmuur en den eersten -breeden pylon, die toegang verleende tot een ruim aan twee zijden door -zuilengangen omgeven voorhof, aan het einde waarvan zich eene tweede -poort verhief, die uit twee torens bestond in den vorm van afgeknotte -pyramiden. Was men deze doorgegaan, dan bevond men zich in een tweeden -voorhof, niet ongelijk aan den eersten. De achterzijde werd hier echter -gesloten door eene breede zuilenrij, die tot den eigenlijken tempel -behoorde. Deze werd thans van binnen door het matte schijnsel van enkele -lampen verlicht. - -Achter het Seti-huis stonden groote vierkante gebouwen, uit gebakken -Nijltegels opgetrokken, die er deftig en sierlijk uitzagen; want men -had de steenen door pleisterkalk aan het oog onttrokken, en de gladde -oppervlakte beschilderd met allerlei voorstellingen en opschriften -in hiëroglyphen. Inwendig waren deze gebouwen alle op dezelfde wijze -ingericht. In het midden bevond zich een open hof, waarop de deuren -uitkwamen van de vertrekken der priesters en geleerden. Aan beide zijden -van den hof had men een overdekten houten zuilengang aangebracht, die -tevens overdag schaduw verleende. Midden in de opene ruimte bespeurde -men een waterbekken, door sierlijke planten omgeven. De woningen der -scholieren waren op de bovenverdieping, terwijl het onderricht werd -gegeven in den hof, waarvan de tegelvloer door matten was bedekt. -Eindelijk verdient nog bijzonder de aandacht het huis van de hoofden -der profeten. Dit had een nog deftiger aanzien, en was terstond te -onderkennen aan de wimpels, die boven het dak uitwoeien. Het lag op -ongeveer honderd schreden afstands achter het Seti-huis tusschen een -goed onderhouden boschje en een helderen vijver, het heilige tempelmeer. -Die profeten hielden hier slechts tijdelijk verblijf terwille van hun -ambt, want zij woonden met vrouw en kinderen in aanzienlijke huizen, -die in de eigenlijke stad, aan gene zijde van den stroom, gelegen waren. - -Het late bezoek, dat aan den tempel werd gebracht, was natuurlijk deze -kolonie van priesterlijke geleerden niet ontgaan. Evenals de mieren -onrustig heen en weer beginnen te loopen, wanneer de menschelijke hand -hun nest aanraakt, zoo had deze onverwachte beweging niet alleen onrust -te weeg gebracht onder de scholieren, maar ook onder de leeraars en -priesters. In groepen naderden zij den ringmuur. Verschillende vragen -werden gedaan en vermoedens uitgesproken. Volgens den een was eene -koninklijke boodschap gekomen; volgens een ander weder zou de prinses -Bent-Anat door Kolchyten overvallen zijn. Een schalk onder de -losgebroken knapen wist te vertellen, dat de koninklijke gids, Paäker, -met geweld in den tempel was gebracht, om hier wat beter te leeren -schrijven. Daar de man, met wien de ondeugd den spot dreef, vroeger -werkelijk een kweekeling van het Seti-huis was geweest, en er onder het -knapengeslacht nog allerlei vermakelijke anecdoten voortleefden van 's -mans uiterst gebrekkige kennis van taal en stijl, zoo werd deze tijding -met algemeenen bijval begroet. Hoe onzinnig deze verklaring ook was, -daar Paäker een der hoogste posten bekleedde bij het leger des konings, -scheen zij toch zoo onwaarschijnlijk niet, daar een ernstige jonge -priester verzekerde, dat hij den wegwijzer in het eerste voorhof van den -tempel had gezien. - -De levendige gesprekken, het lachen en joelen der knapen op zulk een -ongewoon uur, bleef door den opperpriester niet onopgemerkt. Deze -geestelijke, Ameni geheeten, de zoon van Nebket, een zeldzaam man, -gesproten uit eene oude adellijke familie, was oneindig meer dan de -oppermachtige gebieder der tempelbewoners, die hij met krachtige hand en -wijs overleg wist te besturen. Alle priestercollegiën van het geheele -land erkenden zijne meerderheid, vroegen zijn raad in moeielijke -gevallen, en wachtten zich wel in eenig opzicht af te wijken van de -bepalingen ten aanzien van geestelijke dingen, die in het Seti-huis, -dat wilde zeggen door Ameni, werden vastgesteld. Men zag in hem het -priesterlijk ideaal als verwezenlijkt, en wanneer hij soms aan enkele -collegiën moeielijke, ja vreemde eischen stelde, dan onderwierp men -zich zonder tegenspraak, omdat de ervaring had geleerd, dat de duistere -kronkelwegen, die hij aanwees om te bewandelen, altijd tot éen doel -leidden, namelijk de verheffing van de macht en het aanzien der -hiërarchie. Zelfs de koning wist dien geheel eenigen man te waardeeren, -en had sedert lang beproefd hem als zegelbewaarder aan zijn hof te -verbinden. Ameni was er nochtans niet toe te bewegen geweest, zijne -oogenschijnlijk lagere betrekking vaarwel te zeggen. Immers hij zag met -minachting neer op uiterlijken glans en weidsche titels; hij waagde -het nu en dan zich bepaald te verzetten tegen de maatregelen van het -"het groote huis"[13] en liet er zich toe overhalen de onbepaalde -heerschappij over de geesten te verwisselen voor een beperkt gezag in -uitwendige aangelegenheden, die hem te nietig voorkwamen, terwijl hij -dan in dienst zou staan van den maar al te zelfstandigen pharao, die -zich niet gemakkelijk door anderen liet leiden. - - [13] Het groote, het verhevene huis, de hooge porte: ziedaar de - vertolking van het Egyptische Peraä, waaruit het "pharao" der - Joden is ontstaan. - -Hoewel zeer regelmatig in zijne gewoonten, had Ameni zich een geheel -bijzonderen levensregel voorgeschreven. Van elk tiental dagen vertoefde -hij er acht in den tempel, die aan zijne zorgen was toevertrouwd; de -overige twee wijdde hij aan zijn gezin dat aan den anderen Nijl-oever -woonde. Doch hij hield voor ieder, zelfs voor de zijnen verborgen, welk -gedeelte van de tien dagen hij voor zijn uitspanning dacht te nemen. Hij -had maar vier uren slaap noodig. Gewoonlijk rustte hij op den middag en -wel in een vertrek, dat stikdonker kon worden gemaakt, en waartoe geen -geluid vermocht door te dringen. Nooit sliep hij 's nachts; de koelte -en de diepe stilte schenen aan de krachtige inspanning des geestes -bevorderlijk te zijn. Vaak hield hij zich dan bezig met de beschouwing -van den helderen sterrenhemel. Aan alle ceremoniën, die zijn stand van -hem vorderde, zooals wasschingen en reinigingen, scheren en vasten, -onderwierp hij zich met stipte nauwgezetheid, en zijn uiterlijk -beantwoordde geheel aan zijn innerlijk. - -Ameni was pas zijn vijftigste jaar ingetreden. Hij was hoog van -gestalte, maar miste geheel de breedte en gezetheid, die men bij -oosterlingen op zulk een leeftijd pleegt waar te nemen. Zijn glad -geschoren schedel had een gelijkmatigen vorm en de gedaante van een -langwerpig ovaal. Zijn voorhoofd was noch breed, noch hoog, maar zijn -profiel buitengewoon fijn van lijnen. Zijne dunne droge lippen en -groote oogen, die onder zware wenkbrauwen te voorschijn kwamen, trokken -dadelijk de aandacht. Men kon ze juist niet prachtig noemen, noch -tintelend van vuur, want gewoonlijk richtte hij ze naar den grond, Maar -wanneer hij zien en onderzoeken wilde, dan was in die heldere oogen, -als hij ze langzaam opsloeg, hartstocht te lezen. De jonge Pentaoer, -de dichter van het Seti-huis, die deze oogen kende, had ze bezongen en -er van gezegd, dat zij goed aangevoerde legerscharen geleken, die de -veldheer vóor en na den strijd rust gunt, om ze met volle kracht in den -slag ter overwinning te voeren. De waardige afgemetenheid van zijne -woorden en gebaren had iets koninklijks en priesterlijks tegelijk; zij -was hem deels eigen en aangeboren, deels ook een gevolg van zijne groote -zelfbeheersching. Aan vijanden ontbrak het hem niet, maar lasteraars -waagden het zelden zich te meten met den man, die in alles hun meerdere -was. - -Verwonderd over de onrust die hem stoorde, zag de opperpriester thans -van zijn arbeid op naar de voorhoven van het heiligdom. Het vertrek, -waarin hij zich bevond, was zeer ruim en luchtig. Het benedendeel van -de wanden was met fijne tegels bemetseld, het bovendeel gepleisterd en -beschilderd. Doch men kon weinig zien van het veelkleurig meesterwerk, -door den schilder der inrichting gepenseeld, want de muren waren bijna -overal achter houten kasten verborgen, waarin de schriftrollen en -wastafeltjes lagen. Eene groote tafel, eene hooge sofa met panthervel -overtrokken, waarvoor een voetbank stond en waarop men een toestel zag -met een halvemaanvormigen beugel, bestemd om er het hoofd in te laten -rusten[14]; verder verschillende stoelen, een tafeltje met bekkens en -kannen en een ander met flesschen van verschillende grootte, schalen en -doozen, maakte het ameublement uit van deze zaal, die verlicht werd door -drie lampen in den vorm van vogels, met kiki-olie[15] gevuld. -- Ameni -droeg een overkleed van sneeuwwit linnen, dat in nette plooien tot op -zijne enkels afhing; eene met franje omboorde sjerp, waarvan de breede -en hard gesteven einden tot aan de knieën reikten, was rondom zijn -middel gestrikt. Het wijde overkleed werd echter opgehouden door een -breeden draagband van zilverbrokaat. Een uit paarlen en edelgesteenten -saamgestelde, meer dan een span breede band hing van zijn hals tot laag -op zijne naakte borst af, en zijne bovenarmen waren getooid met groote -gouden armbanden. Hij rees op van den ebbenhouten stoel, waarvan de -pooten gesneden waren in den vorm van leeuwenklauwen, en wenkte een -der dienaars, die aan den wand van het vertrek neergehurkt zaten. Deze -verstond ook zonder woorden het verlangen zijns meesters, zette hem -voorzichtig en stilzwijgend eene zwarte pruik met breede lokken op den -kalen schedel[16], en hing over de schouders een panthervel, waarvan de -kop en de klauwen met plaatgoud waren overtrokken. Een tweede dienaar -hield Ameni den metalen spiegel voor, waarin hij even een blik wierp, -terwijl hij de pruik en de dierenhuid recht schikte. - - [14] Vele exemplaren zijn in de graven gevonden. Een dergelijk - toestel wordt nog heden in Nubië gebruikt. - - [15] Ricinus-olie. - - [16] Alle voorname Egyptenaars droegen eene pruik op den - geschoren kruin. Zulke pruiken worden nog in enkele musea - bewaard. - -Juist wilde de derde slaaf den prelaat den kromstaf, het teeken zijner -hooge waardigheid, overhandigen, toen een priester binnentrad om den -schrijver Pentaoer aan te dienen. Ameni wenkte, en de zelfde jonge -geestelijke, met wien wij de prinses Bent-Anat bij de tempelpoort zagen -spreken, trad het vertrek binnen. - -Pentaoer kuste knielend de handen van den opperpriester, die, hem -zegenende, met welluidende stem tot hem zeide, in zulk eene zuivere taal -en zoo goed gestyleerd, alsof hij uit een boek voorlas: »Sta op mijn -zoon; uw komst zal mij op dit ongelegen uur eene wandeling besparen, zoo -gij mij kunt berichten, wat de scholieren in onzen tempel zoo in onrust -brengt. Spreek!" - -»Er is niet veel bijzonders voorgevallen, heilige vader!" gaf Pentaoer -ten antwoord; »en ik zou u thans niet gestoord hebben, wanneer de -kweekelingen niet zonder eenigen grond, zoo veel beweging hadden -gemaakt, en de prinses Bent-Anat niet zelve was gekomen, om ons een -geneesheer te vragen. Het ongewone uur, en het gevolg waarmede zij zich -aanmeldde...." - -»Is de dochter van den pharao dan ziek geworden?" vroeg de prelaat -haastig. - -»O neen, mijn vader, zij is maar al te welvarende. Want toen zij eene -proef wilde nemen van de vlugheid harer paarden, overreed zij de dochter -van Pinem, den Paraschiet. Goedhartig, gelijk zij is, bracht zij het -zwaar verwonde meisje in eigen persoon naar huis." - -»Zij betrad alzoo de hut van den onreine?" - -»Zoo is het." - -»En nu verlangt zij, dat wij haar reinigen zullen?" - -»Ik meende haar het misdrevene te mogen vergeven, vader, want de reinste -menschenliefde had haar bewogen tot eene daad, die wel is waar met de -zeden in strijd is, maar...." - -»=Maar=?" vroeg Ameni op hoog ernstigen toon, en zijne oogen, die tot -hiertoe naar den grond waren geslagen, begonnen te leven. - -»Maar," vervolgde de jonge priester, die nu op zijn beurt voor zich zag, -»maar toch geen misdaad kan zijn. Wanneer Ra[17] in zijn gouden boot den -hemel bevaart, beschijnt zijn licht het paleis van den pharao niet eer -en niet milder dan de hutten der armen. Moet dan het zwakke menschenhart -zijn vriendelijk licht, zijne liefde, aan den banneling onthouden, -omdat hij ellendig is?" - - [17] De zonnegod der Egyptenaars. - -»Ik hoor den dichter Pentaoer spreken," hernam de prelaat, »niet den -priester, wien de genade ten deel viel, tot den hoogsten graad der -wijsheid te worden opgevoerd, dien ik mijn broeder noem en mijns -gelijke. Jongeling, ik heb niets op u vooruit dan wat vergankelijke -kennis, die het verledene voor u zoowel als voor mij verworven heeft, -dan eenige waarnemingen en ervaringen, die de wereld niets nieuws kunnen -aanbrengen, maar wel haar leeren, hoe men de levensvatbaarheid en de -werkende kracht van het oude moet onderhouden. Dat wat gij voor weinige -weken geleden beloofd hebt, dat heb ik voor vele jaren in het aangezicht -van het allerheiligste bezworen, namelijk: =het weten zorgvuldig te -bewaren=, als het uitsluitend eigendom der ingewijden. Want het is 't -vuur gelijk, dat door hen die leerden er mede om te gaan tot een edel -doel wordt gebruikt, dat echter in de hand van een kind -- en het volk, -de groote menigte kan zich nimmer tot mannelijk rijpheid ontwikkelen -- -een alles vernielenden brand doet ontstaan, wanneer de woedende -en onuitbluschbare vlammen alles aantasten en vernietigen, wat de -voorgeslachten zoo schoon hebben gebouwd. Hoe echter kunnen wij -=de wetenden= blijven, en onze wetenschap onder de hoede van onzen -vreedzamen tempel in diepte en omvang doen toenemen, zonder de zwakken -en vromen in gevaar te brengen? Het is u bekend, en gij hebt gezworen -hiernaar te zullen handelen! Het is uw plicht en die van elken priester, -de groote menigte te binden aan het geloof en de inzettingen der -vaderen. De tijden zijn veranderd, mijn zoon! Onder de oude koningen was -het vuur, waarover ik tot u, dichter, zoo even sprak in een beeld, als -door metalen muren omgeven, waarlangs de menigte onwetend voorbijging. -Thans zie ik spleten in de oude omheining; de oogen der oningewijde -zinnelijke menschen zijn scherper geworden, en de een vertelt den ander -wat hij, half verblind, door die gloeiende openingen meent bespeurd te -hebben." - -Er was eene zachte trilling te bespeuren in de stem van den spreker. -Terwijl hij zijn doordringend oog onafgebroken op den dichter gericht -hield, ging hij voort: »Ieder ingewijde, die deze spleten tracht te -verbreeden, vloeken wij en bannen wij uit ons midden. Ja, wij straffen -zelfs den vriend, die onachtzaam verzuimt ze met metaal en hamerslagen -te dichten." - -»Mijn vader!" riep Pentaoer, en diep getroffen trok hij zijn hoofd -terug, terwijl het bloed hem naar de wangen steeg. - -De opperpriester trad naar hem toe, en legde beide handen op zijne -schouders. Ameni en Pentaoer waren van dezelfde lengte en ongeveer van -gelijke gestalte. Ook tusschen de trekken van hun gelaat bestond groote -overeenkomst. Toch zou iemand hen zelfs niet voor verre verwanten -gehouden hebben, want in de uitdrukking van hun gelaat bestond een -hemelsbreed verschil. De trekken van den een spraken van een vasten -wil en kracht, om zoowel het leven als zich zelven met ernst en -koelbloedigheid te beheerschen; die van den ander waren de tolken van -zeker teeder verlangen, om de gebreken en de ellende der wereld over 't -hoofd te zien, en het leven op te vatten gelijk het zich voordoet aan de -ziel eens dichters, wanneer hij het beschouwt in den tooverspiegel die -alles idealiseert. Frischheid van geest en levensvreugde verkondigden -zijne heldere oogen. Doch het fijne lachje dat om zijne lippen speelde, -bij eene gedachtenwisseling of wanneer zijn gevoelig gemoed in beweging -werd gebracht, bewees dat Pentaoer zich niet overgaf aan zekere naïve -zorgeloosheid, maar dat hij menigen zwaren zielestrijd had doorworsteld, -en ook gedronken had uit den beker van den twijfel. In dit oogenblik -voerden afwisselende aandoeningen strijd in zijn gemoed. Het was hem als -moest hij het gehoorde wederleggen; en toch oefende de indrukwekkende -meerderheid van den ander zulk een diepen invloed op de ziel van den -jongen man, die tot gehoorzaamheid was opgevoed, dat hij zweeg en eene -heilige huivering door zijne leden voer, toen Ameni's handen zijne -schouders aanraakten. - -»Ik berisp u," zeide de opperpriester, terwijl hij den jongeling nog -altijd vasthield, »ja ik moet u straffen ofschoon het mij smart. En -toch" -- nu eerst deed hij een schrede achterwaarts en greep Pentaoer's -rechterhand -- »en toch verblijdt het mij, dat dit noodig is; want -ik heb u lief en eer u als iemand, dien de Onuitsprekelijke met -buitengewone gaven gezegend en tot groote dingen uitverkoren heeft. Het -onkruid laat men wassen of men rukt het uit, maar gij zijt eene edele -boom, en ik vergelijk mijzelf bij den hovenier, die verzuimde den -jeugdigen stam van een steunsel te voorzien, en nu dankbaar is dat -hij eene verkeerde kromming opmerkt, die hem aan zijne nalatigheid -herinnert. Gij ziet mij vragend aan, en ik lees in de uitdrukking van uw -gelaat, dat ge mij voor een overmatig streng rechter houdt. Wat is u te -verwijten? -- Gij hebt toegelaten, dat men aan eene overoude inzetting -heeft getornd. Dat wil, zoo denkt gij wellicht in uwe kortzichtigheid en -lichtvaardigheid, niet veel zeggen. Maar ik verzeker u: gij hebt dubbel -misdreven, want de schuldige was de dochter des konings, waarop ieder -het oog gericht houdt, de aanzienlijken zoowel als de geringen, en wier -daden het volk ten voorbeeld moeten zijn. Wanneer de aanraking van -iemand, die volgens de oude inzetting met het ergste is besmet, haar -niet verontreinigt, die boven allen staat, wien verontreinigt zij dan? -Binnen weinige dagen zal men ieder hooren zeggen: Paraschieten zijn -menschen als wij, en het gebod der vaderen om ze te mijden was eene -dwaasheid. En zullen de opmerkingen der menigte hierbij blijven, of -maakt zij niet gaarne de gevolgtrekking, dat wie in een punt dwaalt ook -feilbaar is in anderen? In geloofszaken, mijn zoon, bestaat er geen -verschil tusschen klein en groot. Laat men den vijand éen toren over, -weldra zal hij meester zijn van de geheele vesting! In dezen onrustigen -tijd is het met onze leer als met een wagen, die op de helling van een -berg staat. Een steen onder het wiel houdt hem tegen. Doch een kind -neemt deze hindernis weg, en het voertuig rolt onverbiddelijk in de -diepte, om verbrijzeld te worden. Stel u voor dat de prinses dit kind -is, en de steen onder het wiel een stuk brood, hetwelk zij een bedelaar -tot spijs wil geven. Zoudt gij haar laten begaan, als uw vader, uwe -moeder en alles wat u lief en dierbaar is op den wagen stonden? -- -Spreek mij niet tegen! De prinses zal den Paraschiet morgen weder -bezoeken. Gij wacht haar op in de hut van dien man en zult haar dáar -aankondigen, dat zij zichzelve vergeten heeft en onze reiniging behoeft. -Voor ditmaal onthef ik u van alle verdere straf. De hemel schonk u -een rijken geest. Tracht te verwerven wat u nog ontbreekt: de kracht -namelijk om terwille van het éene -- en gij kent dat eene -- al het -andere te onderdrukken, zelfs de verleidende stem van uw hart en de -bedrieglijke inblazingen van uwe eigene overtuiging. -- Nog iets! Zend -artsen naar het huis van den Paraschiet, en beveel hen de gewonde te -behandelen alsof zij de koningin zelve ware. Wie kent de woning van dien -man?" - -»De prinses," antwoordde Pentaoer, »heeft den gids des konings, Paäker, -in den tempel achtergelaten, om de artsen naar het huis van Pinem den -weg te wijzen." - -De ernstige opperpriester begon te lachen, terwijl hij zeide: »Paäker, -die waakt over de dochter van een Paraschiet!" - -Pentaoer hief nog half vreesachtig, half schalks de oogen op, die hij -tot dusver had neergeslagen, en zuchtte: »En Pentaoer, de zoon van den -hovenier, die de dochter des konings moet aanzeggen, dat zij niet rein -is!" - -»Pentaoer de dienaar der godheid, Pentaoer de priester zal niet met de -prinses maar met een overtreedster der wet te doen hebben," hernam Ameni -weder ernstig. »Doe Paäker weten, dat ik hem verlang te spreken." - -De dichter boog diep en verliet het vertrek. De opperpriester fluisterde -in zichzelf: »Hij is nog niet zooals hij wezen moet, en mijne woorden -zijn op hem zonder uitwerking gebleven." Toen zweeg hij, liep peinzend -het vertrek op en neer, en zeide half overluid denkende: »En toch is -deze jongeling voor groote dingen bestemd. Welke gave des geestes zou -hij missen? Hij kan leeren, denken, gevoelen en harten veroveren -- ook -het mijne. Edel en bescheiden heeft hij zich gedragen...." - -Bij deze woorden bleef de hoogepriester stilstaan, sloeg zijn hand aan -de leuning van een stoel die voor hem stond, en vervolgde: »Juist dit is -'t wat hem ontbreekt! Hij kent het vuur der eerzucht nog niet. Laat ons -dit ontsteken, in zijn en in ons belang." - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - - -Pentaoer haastte zich aan het bevel van den opperpriester te voldoen. -Hij gelastte een dienaar den gids Paäker, die daar nog altijd stond te -wachten, naar Ameni te geleiden. Inmiddels ging hijzelf tot de artsen, -om hun de zorgvuldige verpleging van het ongelukkige meisje zeer op het -hart te drukken. - -Er werden in het Seti-huis vele geneesheeren gevormd[18], doch maar -weinigen bleven daar wonen, na hun schrijversexamen te hebben afgelegd. -De bekwaamsten werden naar de inrichting te Heliopolis gezonden, in -welker groote zalen van oudsher de beroemdste medische faculteit van het -land bloeide. Nadat zij daar hunne studiën hadden voleindigd, keerden -zij als meesters, hetzij in de chirurgie, hetzij in de oogheelkunde of -in eenig ander onderdeel hunner wetenschap, naar Thebe terug. Bekleed -met de hoogste waardigheid van hun stand, werden zij door den koning tot -lijfartsen gekozen, of zij gebruikten hunne wetenschap om weder anderen -te onderrichten. In moeielijke gevallen werden zij altijd geconsulteerd. - - [18] Wat hier over de artsen wordt gezegd is hoofdzakelijk - ontleend aan de geneeskundige geschriften der Egyptenaars, - waaronder de papyrus-Ebers in de eerste plaats in aanmerking - komt, vervolgens de medische papyrus I van Berlijn, en - eindelijk een hiëratisch handschrift te Londen, dat evenals de - papyrus-Ebers afkomstig is uit de 18de dynastie, d.i. uit de - 16de eeuw v. Chr. Vgl. verder Herodotus II, 84; Diodorus I, 82. - -De meeste artsen woonden natuurlijk aan den rechter Nijloever in het -eigenlijke Thebe, en wel met hunne gezinnen in hunne eigene woningen. -Toch behoorde ieder hunner tot een of ander priestercollege. Wie dus een -arts noodig had, richtte zijne schreden niet naar de woning van dezen -of genen, maar naar den tempel. Hier moest opgegeven worden aan welke -ziekten zij leden, die geneeskundige hulp inriepen. Aan het hoofd der -vereeniging van geneesheeren in het heiligdom bleef het dan overgelaten, -den heelmeester aan te wijzen, die door zijne bijzondere kennis het -meest geschikt scheen voor de behandeling van zulk een geval. - -Evenals alle priesters leefden ook de artsen van de inkomsten, die zij -trokken uit eenig grondbezit, uit koninklijke giften, uit de belastingen -der leeken en de toelagen, die zij verder ontvingen uit de schatkist van -den staat. Van hunne patiënten hadden zij geene belooning te verwachten, -hoewel de herstelden zelden verzuimden aan het heiligdom, dat den arts -had aangewezen, een geschenk te vereeren. Het behoorde daarom niet tot -de zeldzaamheden, dat de priesterlijke geneesheeren de genezing der -kranken afhankelijk maakten van de offers, die men zich ten behoeve van -den tempel wilde getroosten. De kennis der Egyptische artsen strekten -zich uit over het geheele gebied der medische wetenschap, en was -waarlijk niet gering te schatten. Het is echter te denken, dat -geneesheeren, die zich aan het ziekbed nederzetten als »daartoe -aangewezen dienaars der godheid," zich in geenen deele tevreden stelden -met eene rationeele behandeling der lijders; veel meer meenden zij -te mogen verwachten van de geheimzinnige werking van gebeden en -bezweringen, die volstrekt noodig werden geacht. - -Onder de leeraars in de geneeskunde aan het Seti-huis verbonden, waren -mannen van zeer verschillende gaven en geestesrichting. Pentaoer -aarzelde geen oogenblik aan wie hij de zorgvuldige behandeling van het -Paraschieten-kind, dat zoozeer zijne deelneming had opgewekt, moest -toevertrouwen. De man op wien zijne keuze viel, een zijner beste -schoolvrienden en met hem van gelijken leeftijd, was de kleinzoon van -een beroemd geneesheer, die ook Nebsecht heette en sedert lang gestorven -was. Deze had zich van der jeugd op zijne wetenschap toegelegd met een -buitengewonen aanleg, een ijver en eene toewijding, die hij van zijn -grootvader scheen geërfd te hebben. Te Heliopolis koos hij de chirurgie -tot zijne specialiteit[19], en zeker zou men hem daar als leeraar hebben -gehouden, indien niet een gebrek in het spraakorgaan hem het spreken -moeielijk had gemaakt. Het was hem dan ook niet mogelijk de formulieren -en gebeden overluid op te zeggen. Deze omstandigheid, eene bron van -droefheid en beklag voor zijne ouders en leermeesters, zou blijken -juist bevorderlijk te zijn aan zijn geluk. Het gebeurt zoo vaak, dat -schijnbare voorrechten ons kwaad aanbrengen, terwijl menig gemis in -het leven eene oorzaak wordt van zegen. Terwijl namelijk zij, die met -Nebsecht tot hetzelfde college behoorden, in gezangen en voordrachten -geoefend werden, kon hij, dank zij zijn gebrekkig spraakorgaan, zich -overgeven aan zijne hartstochtelijke neiging, om het organisch leven in -de natuur te bespieden. Zijne leermeesters begunstigden tot op zekere -hoogte zijn aangeboren zucht tot onderzoek, en trokken ook hun voordeel -van zijne kennis der dierlijke en menschelijke lichamen, en van de -vaardigheid zijner handen. Voorzeker zou zijn diepe afkeer van het -magisch gedeelte zijner wetenschap hem strenge straffen, ja mogelijk -uitwerping uit het gild op den hals hebben gehaald, wanneer hij hiervan -op eenige wijze had doen blijken. Nebsecht was echter een geleerde, -altijd stil en in zichzelf gekeerd. Volstrekt niet verlangende zijne -verdiensten gehuldigd te zien, vond hij overvloed van genot in de -voldoening van het onderzoek zelf. Vandaar dat hij niet zonder -tegenzin gehoor gaf, wanneer men begeerde, dat hij openlijk van zijne -bekwaamheden zou doen blijken. Zoo dikwijls hij bij kranken werd -geroepen, was dit voor hem eene onvermijdelijke stoornis in het -vruchtbaar onderzoek van zijn werkzamen geest, waarop hij zich niets -liet voorstaan. - - [19] Onder de zes hermetische boeken der artsen, door Clemens - van Alexandrië genoemd, was er éen gewijd aan de chirurgische - instrumenten. Verkeerd gezette beenbreuken die men bij mummies - heeft gevonden, strekken nochtans den Egyptischen chirurgen niet - tot eer. - -Pentaoer had zich tot dezen Nebsecht meer aangetrokken gevoeld, dan tot -een zijner medeleerlingen. Hij bewonderde zijne kennis en bekwaamheden, -en wanneer de niet zeer sterke maar nochtans onvermoeide arts op zijne -wandelingen de boschjes aan den Nijloever, de woestijn of het gebergte -doorkruiste, om planten en dieren te zoeken, dan vergezelde hem de -jonge priesterlijke dichter gaarne, ook in zijn eigen belang. Want zijn -vriend merkte duizend dingen op, die zonder hem voor zijn oog verborgen -zouden zijn gebleven. Andere voorwerpen, die hij slechts uitwendig -kende, kregen inhoud en beteekenis door de verklaringen van den -natuuronderzoeker, wiens onbuigzame tong zich ongedwongen kon bewegen, -wanneer het gold zijn metgezel de eigenaardigheden duidelijk te -maken van een organisme, waarvan hij de ontwikkeling nauwkeurig had -gadegeslagen. De dichter was den geleerde genegen en Nebsecht had -Pentaoer wederkeerig lief, daar deze alles bezat wat hij miste: -mannelijke schoonheid, kinderlijke vroolijkheid, vrijmoedige -oprechtheid, kunstzin en de gave om in woorden en liederen alles uit te -drukken wat zijn hart gevoelde. De dichter was wel is waar een leek op -het gebied, dat zijn vriend geheel beheerschte, maar in staat om alles, -zelfs het meest ingewikkelde te begrijpen. Ziedaar waarom Nebsecht -meer waarde hechtte aan het oordeel van Pentaoer dan aan dat zijner -vakgenooten, die bleken door allerlei vooroordeelen bevangen te zijn, -terwijl de dichter vrij en onbevangen oordeelde. - -Het vertrek van den natuuronderzoeker lag gelijkvloers, afgezonderd -van alle andere woningen, onder een graanschuur, die bij het Seti-huis -behoorde. Het mocht een ruime zaal heeten, en toch vond Pentaoer, die -thans den stillen bewoner ging opzoeken, zijn weg bijna overal versperd -door groote bundels van de meest verschillende planten, door uit -palmentakken gevlochten kooien, tot vier en vijf op elkaar; door een -menigte groote en kleine potten, die bedekt waren met papier waarin -men luchtgaten had gestoken. In die kooien en potten zag men allerlei -levende dieren, springhazen, groote Nijl-hagedissen en een soort van -lichtkleurige uilen, alsmede ontelbare exemplaren van kikvorschen, -slangen, schorpioenen en kevers. Op de eenige tafel, die in het midden -stond, lagen, behalve eenig schrijfgereedschap, beenderen van dieren, -benevens scherpe vuursteenen en bronzen messen van verschillende -grootte. In een hoek van het groote vertrek lag eene mat, waarop een -houten hoofdsteunsel stond, waaruit bleek dat de natuuronderzoeker daar -gewoonlijk sliep. - -Zoodra de voetstap van Pentaoer zich hooren liet op den drempel van -dit eenzame verblijf, schoof de bewoner, even angstvallig als een -schooljongen, die een stuk verboden speelgoed voor zijn meester tracht -te verstoppen, een voorwerp van tamelijken omvang onder de tafel, wierp -er een kleed overheen, en verborg het scherpe aan een houten hecht -bevestigde mesje van vuursteen[20], dat hij juist gebruikt had, in de -plooien van zijn gewaad. Daarop sloeg hij de armen over elkaar, om zich -het aanzien te geven van iemand, die onbezorgd zit te droomen, zonder -iets te doen. De eenige lamp, die aan een standaard naast zijn stoel was -vastgemaakt, verbreidde een matig licht, echter voldoende om Pentaoer, -die de gewoonten van zijn vriend maar al te goed kende, te overtuigen, -dat hij Nebsecht in eene verbodene werkzaamheid had gestoord. Deze -laatste knikte den binnentredende, zoodra hij hem erkende, vriendelijk -toe, zeggende: »Gij hadt mij niet zoo moeten doen schrikken." Hierop -stak hij zijne handen onder de tafel, en haalde wat hij weggestopt had -weder voor den dag, namelijk een levend konijn, op een plank gebonden. -In het opengespalkte lijf, dat door houten pennen open gehouden werd, -zag men het hart bewegen. Zonder zich verder over Pentaoer te -bekommeren, ging hij met zijn afgebroken onderzoek voort. - - [20] De Egyptenaren schijnen zich bij voorkeur van zulke - messen te hebben bediend, ten minste bij de besnijdenis en bij - lijkopeningen. Men heeft er een aantal gevonden, die in de - museën worden bewaard. - -Een tijdlang zag de dichter zwijgend toe; toen legde hij zijn hand op -den schouder zijns vriends, en zeide: »Sluit voortaan uw kamer, wanneer -gij u met verbodene dingen bezig houdt." - -»Men he... heeft mij," stotterde de geleerde, »de grendel van de deur -genomen, sedert men mij onlangs betrapte, toen ik bezig was de hand van -den bedrieger[21] Ptahmes te ontleden." - - [21] De wet beval bedriegers de hand af te houwen. Diodorus, - I, 78. - -»De mummie van den armen man zal dus de rechterhand moeten missen!" -hernam de dichter. - -»Hij zal dien aan gene zijde des grafs niet noodig hebben." - -»Gij hebt hem toch zeker Schebti-beeldjes[22] mede gegeven in zijn -graf?" - - [22] Kleine beeldjes, die men den gestorvene medegaf, om hem - behulpzaam te zijn bij den arbeid, dien hij in de onderwereld te - verrichten had. Zij houden eene spade en een ploegijzer in de - handen, en dragen een zaadbundel op den rug. Bijna allen voeren - het 6de hoofdstuk van het Doodenboek tot opschrift. - -»Onzin." - -»Gij gaat te ver, Nebsecht, en zijt onvoorzichtig! Hij die een -onschadelijk dier zonder nut martelt, hem zullen de geesten der -onderwereld desgelijks doen, leert de wet. Maar ik bemerk reeds wat gij -zeggen wilt. Ge acht het geoorloofd een dier te laten lijden, wanneer -gij daardoor uwe wetenschap kunt verrijken, die u in staat stelt de -smarten der menschen te lenigen......" - -»En gij niet?" - -Pentaoer plooide zijn mond tot een glimlach. Hij boog zich over het -konijntje neder en zeide: »Hoe merkwaardig! Het diertje leeft nog -altijd. Een mensch zou reeds lang onder zulk eene behandeling gestorven -zijn. Zijn organisme is zeker van een kostbaarder en fijner maaksel, en -daarom wordt het eerder vernietigd!" - -Nebsecht haalde de schouders op, terwijl hij antwoordde: »Misschien!" - -»Ik dacht toch, dat ge dit weten moest." - -»Ik?" vroeg de arts. »Waarom dan? Ik zeide het reeds: -- men staat mij -zelfs niet toe te onderzoeken, hoe zich de hand van een falsaris -beweegt." - -»Bedenk toch dat de schrift leert: het welzijn der ziel is afhankelijk -van het behoud des lichaams." - -Nebsecht sloeg zijne kleine schrandere oogen op, en zeide met hetzelfde -ongeloovig gebaar van zoo even: »Dat zal dan wel zoo zijn. Overigens -gaan die dingen mij niet aan. Handel met de zielen der menschen zooals -gij wilt, ik tracht alleen hunne lichamen te leeren kennen, en zet ze, -zoo goed het gaan wil, weder in elkaar, wanneer ze hier of daar gebroken -zijn." - -»Nu, Thot[23] zij geloofd, dat gij u in deze kunst het meesterschap niet -behoeft te ontzeggen!" - - [23] Toth is de god der geleerden en artsen. De ibis is zijn - heilig dier; gewoonlijk wordt hij dan ook met een ibis-kop - voorgesteld. Ra zou hem als "een schoon licht" hebben - geschapen, om de namen zijner booze vijanden kenbaar te maken. - Oorspronkelijk maangod, werd hij als heer van de tijdverdeeling - en van de maat in het algemeen vereerd. Hij is het die onder de - goden wikt en weegt, de wijze, de godheid van schrift, kunst en - wetenschap. De Grieken noemden hem Hermes Trismegistus, d. i. - de driemaal of zeer groote, en wel naar het voorbeeld der - Egyptenaars, die hem Toth of Techoeti, den tweemaal grooten, den - zeer grooten heeten. - -»Wie is een meester," vroeg Nebsecht, »behalve de godheid? Ik kan niets, -volstrekt niets, en gebruik mijne instrumenten met even onzekere hand -als de beeldhouwer die veroordeeld is in het duister te werken." - -»Dus zoowat als de blinde Resoe," hernam Pentaoer lachend, »die beter -kon schilderen dan al de ziende kunstenaars in den tempel." - -»Ik geef toe, dat er in mijne werkzaamheid ook iets =beter= of -=slechter= kan genoemd worden, maar van =goed= kan geen sprake zijn." - -»Dan zullen wij ons met uw =beter= te vreden moeten stellen. Ik kom -juist om er een beroep op te doen!" - -»Maar zijt gij dan ziek?" - -»Isis zij geloofd, ik voel mij zóo sterk, dat ik wel een palmboom zou -kunnen ontwortelen. Neen, ik wilde u vragen hedenavond nog een ziek -meisje te bezoeken. De prinses Bent-Anat..." - -»De koninklijke familie heeft hare eigene artsen." - -»Laat mij toch uitspreken! De prinses heeft een meisje overreden, en het -arme kind moet zwaar gewond zijn." - -»Zo-o," zeide de geleerde met een gerekte stem. »Ligt zij aan de -overzijde in de stad, of hier in Nekropolis?" - -»Hier; trouwens het is maar de dochter van een Paraschiet." - -»Een Paraschiet," vroeg Nebsecht, en schoof zijn konijntje weder onder -den tafel. »Dan ga ik dadelijk!" - -»Zonderling! ik ga waarlijk gelooven, dat gij hoopt iets bijzonders bij -den onreinen te vinden." - -»Dat is mijn zaak. Doch ik zal komen. Hoe heet die Paraschiet?" - -»Pinem." - -»Hm! Met hem zal niets zijn aan te vangen," bromde de geleerde binnen 's -monds. »Doch wie weet!" - -Na deze woorden stond hij op, opende een stevig gesloten fleschje, en -streek met een penseel strichnine[24] over de neus en den mond van het -konijn, dat terstond ophield te ademen. Daarop sloot hij het in een kist -en sprak: »Ik ben bereid." - - [24] Dit vergif was aan de Egyptenaars goed bekend. - -»Maar in deze smerige kleederen kunt gij het huis toch niet verlaten!" - -De arts gaf een teeken van toestemming en greep in eene lade naar een -schoon gewaad, dat hij begon aan te trekken over hetgeen hij aanhad, -toen Pentaoer den vriend met de hand tegenhield en lachend zeide: »Eerst -moet den werkmansrok uitgetrokken. Komaan, ik zal u helpen. -- Maar bij -den God Besa[25], gij zijt veelhuidig als een ui!" - - [25] De toilet-godheid der Egyptenaars, die als een - gedrochtelijke dwerg werd voorgesteld. Hij doet de vrouwen - overwinnen in de liefde en de mannen ook in den strijd. Hij is - afkomstig uit Arabië. - -Pentaoer was onder zijne medepriesters bekend om zijn gulhartige -vroolijkheid, en zijn luid gelach schaterde door het stille -studeervertrek, toen hij bemerkte dat zijn vriend voor de derde maal een -schoon kleed over een vuil wilde aantrekken, zoodat hij niet minder dan -drie kleederen aanhad. - -Nebsecht begon ook te lachen en zeide: »Nu begrijp ik ook waarom het -overkleed mij zoo zwaar zat, en ik het op den middag zoo ondragelijk -heet had. Ga heen, terwijl ik de overbodige kleederen uittrek, en laat, -bid ik u, den opperpriester vragen, of ik den tempel mag verlaten." - -»Hij heeft mij reeds opgedragen een arts naar den Paraschiet te zenden, -en voegde er bij, dat de kranke als een koningin behandeld moest -worden." - -»Ameni? En wist hij, dat wij hier slechts te doen hebben met een kind -van een Paraschiet?" - -»Voorzeker!" - -»Dan begin ik te gelooven, dat men met bezweringen, gebroken ledematen -weder in het lid kan zetten. Ja, van die bezweringen gesproken: gij ook -weet toch, dat ik niet meer alleen tot de kranken kan gaan, daar mijne -dikke tong zich te moeielijk kan bewegen om de spreuken op te zeggen, en -stervenden door angst rijke offergaven voor den tempel af te persen. -Loop gij, terwijl ik mij uitkleed, naar den propheet Gagaboe, en vraag -hem, dat hij den Pastophoor[26] Teta met mij laat gaan, die mij in den -regel vergezelt." - - [26] Lid eener priesterorde, waartoe ook de artsen behoorden. - -»In plaats van dien blinden oude, zou ik mij toch liever een jeugdiger -helper kiezen." - -»Laat het zoo blijven! Ik zou zeer tevreden zijn wanneer hij geen lust -had zelf mede te gaan en mij zijn tong als een aal of een slak liet -nakruipen. Hoofd en hart hebben met zijne spraakorganen toch niets uit -te staan, en hij gaat zijn gang als een os die het graan treedt[27]." - - [27] In Egypte, evenals in Palestina, dorschten, gelijk vele - afbeeldingen, ook uit den oudsten tijd, ons doen zien, runderen - het graan, door het in kuilen te treden, dikwijls met hulp - van eene zwaar beladen slede, aan beide zijden met halfronde - schijven voorzien, en die men heden "noreg" noemt. - -»Dat is waar," zeide Pentaoer. »Onlangs zag ik zelf, hoe de oude aan -een ziekbed zijne litanieën prevelde, en onderwijl in stilte de dadels -telde, waarvan men hem een zak vol had gegeven." - -»Hij zal niet gaarne medegaan naar den Paraschiet, want die is arm, en -de oude zou eer die schorpioenen-familie in gindschen pot aangrijpen, -dan een stuk brood aannemen uit de hand van een onreine. Zeg hem, dat -hij mij mag komen halen en mijn wijn opdrinken. Daar staan de porties -nog van drie dagen. Bij de tegenwoordige hitte benevelt de drank mijne -oogen te zeer. Woont de Paraschiet in het noorden of zuiden van den -Nekropolis?" - -»Ik meen in het noorden. -- Paäker, de gids des konings, zal u den weg -wijzen." - -»Hij?" hernam de geleerde spottend. »Wat staat er dan toch heden in den -kalender[28]? Een Paraschieten-kind moet als eene prinses behandeld -worden, en een arts geleid, alsof hij de pharao was in eigen persoon! Ik -had echter mijne drie overkleederen maar moeten aanhouden." - - [28] Er zijn nog kalenders bewaard; de volledigste vindt men in - den papyrus-Sallier IV, door F. Chabas uitgegeven en verklaard. - Bij elken dag staat aangeteekend, of hij gunstig is of niet, - enz. In de tempels heeft men een groot aantal feestkalenders - gevonden. De volledigste, van Medinet-Haboe, werd uitgegeven - door Dümichen. - -»De nacht is warm," zeide Pentaoer. - -»Doch Paäker heeft zonderlinge gewoonten. Eergisteren werd ik bij een -armen jongen geroepen, dien hij met zijn staf het sleutelbeen kort en -klein had geslagen. Als ik een paard van de prinses was geweest, zou ik -liever hem dan zoo'n arm meisje hebben getrapt." - -»Ik ook!" hernam Pentaoer lachend, en verliet het vertrek, om den -tweeden profeet van den tempel, Gagaboe, die tegelijk het hoofd der -artsen in het Seti-huis was, te verzoeken zijn vriend den blinden -Pastophoor Teta, als litanieën-zanger mede te geven. - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - - -Pentaoer wist zeer goed, waar hij den aanzienlijken priester zoeken -moest, want hijzelf was bij het gastmaal genoodigd, dat deze had -aangericht ter eere van twee nieuwe geleerden, die uit de hoogeschool -van Chennoe[29] in het Seti-huis waren overgeplaatst. In een open hof, -door bont beschilderde houten zuilen omgeven en door vele lampen -verlicht, zaten de smullende priesters in twee lange rijen op -gemakkelijke leuningstoelen. Voor ieder was een tafeltje geplaatst, en -vlugge dienaars waren druk in de weer, hen van spijzen en dranken te -voorzien, die in grooten overvloed gereed stonden op een soort van -buffet in het midden van den hof. Men zag er gazellenbouten[30], -gebraden ganzen en eenden, vleeschpastijen, artisjokken, asperges en -andere groenten, voorts allerlei soorten van koeken en suikergebak. De -gasten werden van alles bediend en hunne bekers telkens tot den rand -gevuld met de fijnste wijnen, waaraan nooit gebrek was in de luchtige -schuren[31] van het Seti-huis. Na het ronddienen van elk gerecht gingen -de dienaars met metalen bekkens en fijn geweven handdoeken rond, opdat -ieder zich de handen kon wasschen. Toen de honger gestild was begon -men lustiger te drinken, en iederen gast werden welriekende bloemen -aangeboden, welker geur het gesprek scheen te verlevendigen. Allen die -aan dit gastmaal deelnamen droegen lange sneeuwwitte kleederen, en -behoorden tot de ingewijden in de mysteriën. Zij waren derhalve de -aanvoerders der verschillende priesterorden van het Seti-huis. - - [29] Gelegen bij eene stroomversmalling van den Nijl, niet verre - van de Nubische grenzen, tegenwoordig Gebel Silsileh geheeten, - oudtijds beroemd door eene bloeiende priesterschool. - - [30] De gazellen werden tot huisdieren getemd. Op de monumenten - vinden wij ze onder de kudden van rijke Egyptenaars en onder het - slachtvee. Dit gastmaal is beschreven naar de afbeeldingen, - zooals men er vele in de graven heeft aangetroffen. - - [31] De kelders zijn in Egypte heet, men kan den wijn dus het - best in de schaduw van luchtige schuren bewaren. - -De tweede profeet Gagaboe, aan wien heden de leiding van het feest was -opgedragen door den opperpriester, die zich bij zulke gelegenheden -altijd maar voor enkele oogenblikken vertoonde, was een klein, -stevig gebouwd man, met een kalen bijna kogelronden schedel. Zijne -gelaatstrekken waren goed gevormd, hoewel hij al oud begon te worden, -en zijne gladgeschoren bolle wangen goed gevuld. Met zijne grijze oogen -zag hij vroolijk en opmerkzaam in het rond, en zij tintelden van vuur -wanneer hij zich opgewekt gevoelde, en zijne dikke zinnelijke lippen -begonnen te trillen. Naast hem stond de prachtige maar ledige zetel van -den opperpriester Ameni, en aan zijne andere zijde waren de uit Chennoe -overgeplaatste priesters gezeten, twee deftige bejaarde mannen, met -donkerkleurige huid. Aan de overige gasten waren plaatsen aangewezen -naar den rang, dien zij bekleedden bij het priestercollege van den -tempel, en die afhankelijk was van hun leeftijd. - -Was er bij het plaats nemen der dischgenooten streng op de rangorde -gelet, toch stond het ieder vrij aan het gesprek deel te nemen, zoo -vaak hij maar wilde. »Wij weten onze beroeping naar Thebe op prijs te -stellen," zeide Toeauf, de oudste der twee priesters, die uit Chennoe -naar het Seti-huis was overgeplaatst, en wiens leerbrief[32] in de -scholen dikwijls werd geraadpleegd. »Aan den eenen kant brengt zij ons -in de nabijheid van den pharao wien de godheid leven, heil en gezondheid -geve! Aan den anderen kant schenkt zij ons de eer in uw kring opgenomen -te worden. Ofschoon ook het college van Chennoe in vroeger tijd menig -beroemd man tot de zijnen rekende, en het voorrecht had dien in zijne -scholen te vormen, zoo kan het tegenwoordig toch niet meer met het -Seti-huis wedijveren. Zelfs Heliopolis en Memphis moeten voor u de vlag -strijken. Indien ik mij desniettemin in alle nederigheid en vol goeden -moed durf scharen in de rij van zooveel groote mannen, dan is het omdat -ik uw welslagen toeschrijf èn aan de goddelijke kracht, die in uw tempel -werkt, en ook mijne zwakke pogingen zal ondersteunen, èn aan uwe groote -bekwaamheden zoowel als aan uwe inspanning. Aan de laatste zal het hoop -ik, ook mij niet ontbreken. Reeds zag ik den opperpriester Ameni. Welk -een man! Wie kent uw naam niet Gagaboe; wie niet den uwen, Meriapoe!" - - [32] Sommigen zijn bewaard gebleven. - -»En wie uwer," vroeg de andere nieuweling, »mogen wij begroeten -als den dichter van de schoonste hymne aan Amon, welke ooit in het -sykomoren-land gezongen is? Wie uwer is Pentaoer?" - -»Die ledige stoel daar ginds," gaf Gagaboe ten antwoord, wijzende op een -zetel aan het benedeneinde, »staat op hem te wachten. Hij is de jongste -van ons allen, maar eene schoone toekomst wacht hem." - -»En niet minder zijne gezangen," voegde de oudste der uit Chennoe -gekomen geleerden er bij. - -»Zonder twijfel," sprak de eerste voorzitter der Horoscopen[33], een -bejaard man met een vervaarlijken grijzen kroeskop, die te zwaar scheen -voor zijn dunnen hals, waarschijnlijk zoo lang uitgerekt, omdat zijne -dagelijksche bezigheden was naar teekenen uit te zien. »Zonder twijfel," -zeide hij, terwijl zijne oogen in hunne hooggewelfde kassen van -fanatisme vonkelden, »hebben de goden onzen jongen vriend rijke gaven -verleend. Doch wij zullen nog moeten afwachten hoe hij ze gebruiken -zal. Ik heb bij dezen jongeling zekere ongebondenheid van den geest -opgemerkt, die mij doet vreezen. Wanneer hij dicht, dan blijft zijne -buigzame taal wel binnen de voorgeschreven vormen, maar zijne gedachten -gaan blijkbaar veel verder. In zijn hymne, die ook voor de ooren des -volks bestemd is, vind ik uitdrukkingen, die men met den naam van -verraad aan de mysteriën zou kunnen bestempelen, niettegenstaande nog -zoo weinige maanden zijn voorbijgegaan, sedert hij ze bezworen heeft. -Daar zegt hij, en wij zingen het hem na en de leeken hooren het: - - Eenig zijt Gij, Gij Schepper der wezens - En alleen Gij, die 't al maakt wat geworden is. - -En verder: - - Hij is eenig, alleen, zonder gelijken, - Wonende in het Allerheiligste[34]. - - [33] Leden van eene priesterorde in de Egyptische hiërarchie, - die zich met de studie der hemellichamen, tijdrekenkundige - verklaring van uurteekens, enz. bezig hield. - - [34] Uit de hymne van Amon, bewaard op een papyrus, die te - Boelaq aanwezig is. Grebaut en L. Stern hebben dien verklaard. - -Zulke plaatsen moesten niet openlijk gezongen mogen worden, allerminst -in een tijd als de onze, nu er toch reeds zooveel nieuwigheden uit den -vreemde binnendringen, als de sprinkhaanzwermen die uit het oosten -komen." - -»Dat is mij uit het hart gesproken!" riep de schatmeester des tempels. -»Ameni heeft dezen jongeling te vroeg in de mysteriën ingewijd." - -"Op voordracht van mij, zijn leermeester," zeide Gagaboe. "Ons -gezelschap mag trotsch zijn op een medelid, dat den roem van onzen -tempel zoo schitterend verhoogt. Het volk hoort zijne hymnen, maar -dringt niet door tot den diepen zin zijner woorden. Ik zag de leeken -nooit zoo aandachtig, als toen het diep gevoelde en schoone loflied -gezongen werd bij het feest van den trap[35]." - - [35] Een groot feest, dat bijzonder luisterrijk werd gevierd in - de Nekropolis, in den tempel van Medinet Haboe. - -"Pentaoer was sedert lang uw lieveling," riep de voorzitter der -Horoscopen. "Vele dingen, die ge u van hem laat welgevallen zoudt gij -anderen niet veroorloven. Zijne hymne is in mijn oog en ook dat van -anderen een gevaarlijk gewrocht. Of kunt gij loochenen, dat er grond -bestaat om ernstig bezorgd te zijn; dat wij dingen zien gebeuren en -veranderingen plaats grijpen, die ons in den weg treden, en eindelijk -ons te machtig zullen worden, wanneer wij ze niet onverbiddelijk -bestrijden, zoolang het nog tijd is?" - -"Gij draagt zand in de woestijn en strooit suiker op den honing," hernam -Gagaboe, en zijne lippen begonnen te beven. "Er is thans niets meer -zooals het wezen moest, en wij zullen hard moeten vechten, niet met -zwaarden, maar hiermede en daarmede" -- en de levendige man sloeg zich -terwijl hij dit zeide op het voorhoofd en den mond. "Wie is er hier en -dáar beter toegerust dan mijn leerling? Hij zal een voorvechter zijn -voor onze zaak, een tweede Hor Hoet, die als gevleugelde zonneschijf den -booze ter aarde wierp. Daar komt gij nu en wilt hem de vleugels binden, -en zijne klauwen afsnijden! Ach, Ach! Kunt gij mannen dan nooit leeren -begrijpen, dat een leeuw harder brult dan een kater, en de zon helderder -schijnt dan eene traanlamp? Laat mijn Pentaoer ongemoeid, zeg ik u, -anders handelt gij als de man, die zich als vrees voor tandpijn de -gezonde tanden liet uittrekken. Helaas! wij zullen in de eerst volgende -jaren wat te bijten krijgen, dat de stukken vleesch eraf vliegen en het -bloed stroomt, wanneer wij niet willen beleven, dat men ons opeet." - -"De vijand is ook ons niet onbekend gebleven," zeide de Chennoe-priester -Toeauf, "niettegenstaande wij aan de afgelegen zuidelijke grens des -rijks veel van ons verwijderd kunnen houden, wat in het noorden als een -kanker aan ons lichaam knaagt. Het vreemde wordt hier ternauwernood meer -voor onrein en typhonisch[36] gehouden." - - [36] Wat Typhon of Seth toebehoort. - -"Ternauwernood?" riep de voorzitter der Horoscopen. "Het wordt hierheen -gelokt, liefgekoosd en vereerd. Evenals stof, wanneer de heete -woestijnwinden waaien door de naden van een houten huis, zoo dringt het -door tot onze zeden en in onze taal[37]. Onze huizen, zelfs den tempel -sluipt het binnen, en op den troon van den navolger van Ra zetelt een -afstammeling...." - - [37] In geen tijdperk gebruikten de Egyptische schrijvers meer - vreemde Semitische woorden, dan onder de regeering van Ramses II - en zijn zoon Mernephtah. - -"Vermetele!" zoo deed zich op eens de stem van den opperpriester hooren, -die juist de zaal was binnengekomen. "Bedwing uw tong en waag het niet -dien te gebruiken tegen hem, die onze koning is, en als plaatsvervanger -van Ra in deze landen den scepter voert." - -De voorzitter der Horoscopen zweeg en boog. Alle feestgenooten waren -inmiddels opgerezen om Ameni te begroeten, die hen vriendelijk en vol -waardigheid toeknikte. De opperpriester nam plaats op zijn zetel, en -zich tot Gagaboe wendende, vroeg hij kalm: -- "Ik zie dat gij in eene -stemming verkeert, die ons priesters weinig voegt. Wat verstoorde het -evenwicht uwer zielen?" - -"Wij spraken over de nieuwigheden, die met alle geweld Egypte -binnendringen, en hoe noodig het wordt hieraan weerstand te bieden." - -"Gij zult mij in de eerste gelederen zien strijden," zeide Ameni. - -"Veel hebben wij reeds gedragen, doch er zijn nieuwe tijdingen uit het -noorden gekomen, die mij zeer verontrusten." - -"Hebben onze troepen eene nederlaag geleden?" - -"Zij behielden het veld. Maar andere duizendtallen onzer landslieden -zijn in veldslagen en op marschen een offer des doods geworden. Ramses -vraagt nieuwe hulptroepen. De gids Paäker heeft mij een brief gebracht -van onzen ambtgenoot, die in de omgeving des konings is, en den -stadhouder een van den pharao zelven, het bevel inhoudende hem -vijftigduizend strijdbare mannen te zenden. Daar echter de geheele caste -der krijgslieden en alle troepen der verbonden volken reeds onder de -wapenen staan, moeten de onderhoorigen van den tempel, die onze akkers -bebouwen, worden gelicht en naar Azië gezonden." - -Bij het vernemen dezer woorden werden algemeen teekenen van afkeuring -gegeven. De voorzitter der Horoscopen stampvoette en Gagaboe vroeg: "Wat -denkt gij te doen?" - -"Alles gereed te maken om het koninklijk bevel uittevoeren," antwoordde -Ameni, "en onverwijld de hoofden van alle tempels in de Amonstad -tot eene raadsvergadering bijeen te roepen. Ieder moet in zijn -allerheiligste de godheid om wijze inzichten bidden. Hebben wij een -besluit genomen, dan zal het eerste zijn wat ons te doen staat, den -stadhouder op onze zijde te brengen. Wie was er gisteren tegenwoordig -bij zijne gebeden?" - -»De beurt was aan mij," zeide de voorzitter der Horoscopen. - -»Volg mij na den maaltijd in mijne woning," beval Ameni. »Maar waarom -mis ik onzen dichter in uwen kring?" - -Op ditzelfde oogenblik verscheen Pentaoer in de zaal en verzocht, nadat -hij zich ongedwongen en waardig voor de dischgenooten, en diep voor -Ameni gebogen had, hem toe te staan den blinden Pastophoor Teta met den -arts Nebsecht naar het dochtertje van den Paraschiet te mogen zenden. -Ameni gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: »Zij moeten zich -wat haasten. Paäker wacht hen aan de groote poort en zal hen met mijn -wagen wegbrengen." - -Zoodra Pentaoer de gasten verlaten had, sprak de oudere priester uit -Chennoe, terwijl hij zich tot Ameni wendde: »Waarlijk, heilige vader, -zoo en niet anders heb ik mij uw dichter voorgesteld. Hij gelijkt -den zonnegod en zijne houding is die van een vorst. Hij is gewis van -aanzienlijke afkomst?" - -»Zijn vader is een eenvoudige hovenier," antwoordde de opperpriester, -»die het land, dat hem door onzen tempel wordt toegewezen, ijverig en -goed verzorgt. Overigens munt hij niet uit door eene edele gestalte -en is hij vrij onbeschaafd. Hij zond Pentaoer reeds vroeg naar de -school[38]. De knaap had een voortreffelijken aanleg, en wij voedden -hem op tot hetgeen hij nu is." - - [38] Het blijkt uit meer dan éen papyrus met zekerheid, dat ook - de zonen van mindere lieden, in zooverre zij aan de gestelde - bepalingen voldeden, in den priesterstand konden opgenomen - worden. Afgeslotene casten, zooals de Indiërs, hadden de - Egyptenaars niet. - -»Welke ambten bekleedt hij hier in den tempel?" - -»Hij geeft onderricht aan de oudste kweekelingen van de hoogeschool in -de spraakleer en de welsprekendheid. Hij is ook een uitmuntend waarnemer -van den sterrenhemel en de scherpzinnigste onder onze droomuitleggers," -gaf Gagaboe ten antwoord. »Doch daar is hij weder terug. Naar wien moet -Paäker onzen stamelenden chirurg en zijn medehelper heenbrengen?" - -»Naar het dochtertje van den Paraschiet, dat overreden is," sprak -Pentaoer. »Maar wat is die gids een ruw man! Mijne gehoorvliezen doen -nog pijn van zijn stemgeluid, en hij begroette onzen arts, alsof deze -zijn slaaf ware." - -»Hij was gemelijk over den last, dien de prinses hem opdroeg," merkte -de opperpriester vergoelijkend op. »Het is echter jammer, dat 's mans -oprechte vroomheid tot hiertoe zijn onvriendelijken gemoedsaard niet wat -heeft verzacht." - -»Dit is te meer te verwonderen," bracht een bejaarde priester in het -midden, »daar zijn broeder, die mij tot zijn leermeester koos en ons -voor eenige jaren verliet een zeer beminnelijke jongen was, die zich -gemakkelijk liet leiden." - -»En zijn vader," voegde Ameni er bij, »was een voortreffelijk man, kloek -in het handelen, en daarbij zeer vrijzinnig." - -»Zoo zal hij die kwade eigenschappen van zijne moeder geërfd hebben." - -»Ook dit is niet het geval. Zij is eene zachtaardige, voorkomende, -gevoelige vrouw." - -»Moet dan," vroeg Pentaoer, »een kind, altijd op zijne ouders gelijken? -Men zegt toch dat de zonen van den heiligen stier nog nooit het heilig -teeken huns vaders hebben gedragen." - -»Derhalve, als Paäker's vader een Apis was," zeide Gagaboe, »dan -behoorde de gids naar uw oordeel, helaas, in een boerenstal te huis!" - -Pentaoer sprak niet tegen, maar vervolgde lachend: »Hij is zichzelf -gelijk gebleven, sedert hij de schoolbanken verliet, toen zijne makkers -hem wegens zijne stugheid den woudezel noemden. Hij was sterker dan de -meesten hunner, en toch kenden zij geen grooter genot, dan hem woedend -te maken." - -»Kinderen zijn onmeedoogend," sprak de opperpriester. »Zij letten alleen -op de uitwendige verschijnselen en vragen nooit naar hunne oorzaken. De -gebrekkig ontwikkelde is in hun oog even schuldig als de trage, en -Paäker had geene eigenschappen, die hem aanspraak konden geven op -hunne toegevendheid. Ik ben een voorstander" -- en Ameni richtte bij -deze woorden zijn oog op de priesters van Chennoe -- »van vrijheid en -vroolijkheid onder onze kweekelingen, legt men hunne jeugdige dartelheid -aan banden, dan verlamt men juist hetgeen ons bij de opvoeding het meest -te stade komt. De uitspattingen van de neigingen en driften der knapen -kunnen het zekerst en het minst pijnlijk worden uitgeroeid bij hunne -wilde spelen. De schoolknaap is de beste opvoeder van zijne makkers." - -»Doch Paäker," merkte de priester Meriapoe aan, »is door den overmoed -zijner medescholieren niet beter geworden. In voortdurenden strijd met -hen is die onhandelbaarheid steeds toegenomen, waardoor hij een schrik -is van allen die onder hem gesteld zijn, en vele harten van hem -vervreemd." - -»Hij was de ongelukkigste van het groot aantal jongens," vervolgde Ameni -weder, »dat aan mijne zorg werd toevertrouwd, en ik meen de oorzaak er -van doorgrond te hebben. Hij miste den eenvoudigen kinderzin, toen hij -naar zijn leeftijd nog kind was, en de godheid onthield hem de hemelsche -gave der onbedachtzaamheid. De jeugd moet met weinig tevreden zijn, en -hij deed reeds van kindsbeen allerlei hooge eischen gelden. De grappen -van zijne medeleerlingen nam Paäker in ernst op, hunne scherts hield hij -voor dwaasheid, hunne plagerijen voor bewijzen van vijandschap, en zijn -vader, die op het punt van opvoeding zeer bekrompen was, prikkelde hem -tot tegenstand, in plaats van hem te leeren toegeven, meenende dat hij -op deze wijze zich zou harden tot het leven vol strijd en inspanning van -een Mohar." - -»Ik heb dikwijls hooren gewagen van de daden van zulk een Mohar"[39], -zeide de oudste der Chennoe-priesters. »Toch weet ik niet juist wat zijn -ambt van hem vordert." - - [39] Wij kennen de zware taak van den Mohar (held) en zijne - verplichtingen nauwkeurig uit den papyrus-Anastasi I in het - Britsch Museum, voortreffelijk uitgegeven door F. Chabas in - zijne =Voyage d'un Egyptien=. - -»Hij moet," antwoordde Gagaboe, »met eene keurbende van onverschrokken -manschappen het vijandelijk land doorkruisen, ten einde zich op de -hoogte te stellen van den aard en het aantal der bevolking, alsmede de -richting van bergen en dalen en den loop der rivieren onderzoeken. De -waarnemingen, zorgvuldig door hem opgeteekend, moet hij den bestuurder -der oorlogszaken[40] overhandigen, die daarnaar de marschen zijner -troepen regelt." - - [40] Men kan hem met onzen minister van oorlog vergelijken. - Reeds in den vroegsten tijd komt deze waardigheid op de - gedenkteekenen voor. - -»Derhalve moet de Mohar wel zeer knap zijn, èn als krijgsman èn als -schrijver." - -»Juist; en Paäkers vader is niet alleen een held maar tevens een -schrijver geweest, wiens duidelijke berichten, die blijken droegen van -groote kennis van zaken, ons in staat stelden het land dat hij doorreisd -had te overzien, als beschouwden wij het van een bergtop. Hij was de -eerste, die den naam van Mohar ontving. De koning achtte hem zóo hoog, -dat hij alleen van hem en den bestuurder der krijgsaangelegenheden -bevelen had te wachten." - -»Behoorde hij tot een adellijk geslacht?" - -»Tot een der oudste en edelste van het geheele land," antwoordde de -voorzitter der Horoscopen. »Zijn vader was de dappere krijgsman Assa, -en nadat hijzelf tot groot aanzien was gekomen en vele schatten had -verworven, huwde hij de nicht van koning Hor-em-heb, die evengoed als de -stadhouder aanspraak op den troon zou hebben, wanneer niet de grootvader -van Ramses haar geslacht door geweld van de heerschappij had beroofd." - -»Pas op uw woorden," zeide Ameni, den heftigen grijsaard in de rede -vallende. »Ramses I is en blijft de grootvader van den regeerenden -koning, in wiens aderen door zijne moeder het bloed vloeit van de echte -nakomelingen van den zonnegod." - -»Maar nog meer en zuiverder stroomt het door de aderen van den -stadhouder," waagde de Horoscoop nog hiertegen in te brengen. - -»Nochtans draagt Ramses de kroon," riep Ameni, »en hij zal die dragen, -zoolang de goden het willen. Bedenk dat gij reeds grijze haren hebt, -en dat oproerige woorden gelijk zijn aan vonken, die met den wind -wegwaaien, doch wanneer zij ongelukkig terecht komen, ons huis in brand -kunnen steken. -- Geniet nu verder van den maaltijd, mijne vrienden, -alleen bid ik u dezen avond niet meer over den koning en de nieuwe -verordening te spreken. -- Gij, Pentaoer, vervul morgen stipt en met -wijs overleg mijn bevel!" - -De opperpriester nam hierop van de gasten afscheid. Zoodra de deur -achter hem gesloten was, zeide de priester uit Chennoe, Toeauf: »Wat wij -zooeven omtrent den koninklijken wegwijzer, die zulk een gewichtig ambt -bekleedt, vernomen hebben, heeft mij niet weinig verwonderd. Munt hij -dan uit door bijzondere scherpzinnigheid?" - -»Hij was een blokker die maar een middelmatigen aanleg bezat." - -»Is dan de waardigheid van Mohar erfelijk, evenals die van de vorsten -des rijks?" - -»De hemel beware ons!" - -»Maar hoe kon dan...?" - -»Het gebeurde zooals het wel meer gaat," viel de oude Gagaboe den vrager -in de rede. »De zoon van den wijngaardenier heeft den mond vol druiven, -en het kind van een portier weet de sloten met woorden te openen." - -»In elk geval," voegde een oudere priester, die tot hiertoe gezwegen -had, er bij, »heeft Paäker zich als Mohar verdienstelijk gemaakt, -en bezit hij eigenschappen, die allen lof verdienen. Hij is taai -en onvermoeid, laat zich door geen gevaar uit het veld slaan, en -onderscheidde zich reeds als knaap door zijne vroomheid en groote -werkzaamheid. Wanneer de andere scholieren hun zakgeld naar de -fruitverkoopers en suikerbakkers aan de tempelpoort brachten, kocht hij -ganzen, en wanneer zijne moeder hem bijzonder rijkelijk met geschenken -bedacht, jonge gazellen, om die op het altaar neer te leggen voor -de hemelsche goden. Geen aanzienlijke des lands bezit een rijkere -verzameling van amuletten en godenbeeldjes. Ook nog heden moet hij onder -de godsdienstigsten worden gerekend, en de doodenoffers, die hij aan -zijn gestorven vader wijdt, zijn inderdaad koninklijk te noemen." - -»Wij zijn hem voor deze gaven dank schuldig," zeide de schatmeester, -»ook is de wijze waarop hij zijn vader na diens dood vereert -buitengewoon, en kan niet genoeg worden geroemd." - -»Zeker doet hij zijn best," zeide Gagaboe spottend, »dien vader in -alles na te volgen. Al heeft hij ook met den waardigen man geen enkelen -trek gemeen, zoo is hij toch langzamerhand wat op hem gaan gelijken, -maar helaas, gelijk een gans op een zwaan en een uil op een arend -gelijkt! Zijn vader was fier, hij is hoogmoedig; gene was streng maar -vriendelijk, deze is hard en ruw; de eerste onderscheidde zich door -waardigheid en volharding, deze is verwaand en onbuigzaam. 't Is waar, -hij is godsdienstig en wij kunnen zijne gaven best gebruiken. De -schatmeester heeft reden zich hierover te verblijden, en de dadels van -een vergroeiden boom smaken zoo goed als van een rechten. Doch als ik -de godheid was, dan zou mij zijne vroomheid niet meer waard zijn dan de -veder van een hoppe. Want hoe ziet het er uit in het hart van hem, die -deze offers brengt, ach, hoe ziet het er uit! De storm en de wolken -staan onder het bestuur van Seth, en daar binnen, dáar, dáar" -- en de -oude priester sloeg zich op zijn breede borst, -- »dáar kookt en schuimt -het en er is geen plekje zoo groot als deze tarwekoek te vinden, -geen plekje van den helderen, blauwen hemel van Ra, zooals zich die -vriendelijk en rein moet afspiegelen in de ziel van den waarlijk vrome." - -»Hebt gij zijn hart doorgrond?" vroeg de Horoscoop. - -»Zoo goed als dezen beker," antwoordde Gagaboe, terwijl hij den rand -van de blanke schaal op zijn nagel drukte. »Sedert vijftien jaren -onafgebroken! Deze man heeft ons diensten bewezen; hij dient ons nog en -zal het verder doen. Onze artsen gebruiken ook bittere gal van visschen -en doodelijke vergiften als geneesmiddelen, en lieden van dit slag...." - -»Het is haat die u zoo doet spreken," viel de Horoscoop den opgewonden -grijsaard in de rede. - -»Haat?" herhaalde deze, terwijl zijne lippen begonnen te beven. -»Haat?" -- en hij sloeg zich met de vuist op de breede borst. »Ja, hij -is geen vreemde gast in mijn ouden boezem. Doch, Horoscoop, open uwe -ooren, en gij anderen ook, gij allen moet mij hooren! Ik ken tweeërlei -soort van haat. De eene is die van den mensch tegen zijn evenmensch, en -deze heb ik gekneveld, gedood, verstikt, vernietigd, helaas, eerst na -een zwaren strijd! Voor jaren heb ik ook zijn bitterheid beproefd en -gedaan als de wespen, die, ofschoon zij weten dat zij er het leven -bij inschieten als zij steken, nochtans hun angel gebruiken. Vele -levensdagen zijn mij echter ten deel gevallen, namelijk om wijsheid te -leeren, en thans weet ik dat van alle driften, die ons hart bewegen, er -éene geheel aan Seth, dus gansch en al aan den booze behoort, en dat is -de haat jegens zijn evenmensch. De hebzucht kan tot vlijt aansporen, uit -zinnelijke begeerlijkheid nog eene edele vrucht geboren worden; maar de -haat is een verwoester, en in elk hart dat er van vervuld is groeit al -wat edel is, in plaats van naar het licht, naar beneden in het donker. -De godheid kan alles vergeven, alleen dien haat niet! -- Doch er is eene -andere soort van haat, die de hemelsche goden niet ongevallig is, en -die gij koesteren moogt, gelijk ik dien niet gaarne in mijn borst zou -missen; het is de haat tegen alles wat het licht verhindert door te -breken, wat aan het goede en reine in den weg staat, de haat van Horus -tegen Seth. De goden mogen mij straffen wanneer ik den gids Paäker, -wiens vader mijn vriend was, haat. Maar de geesten der duisternis mogen -dit oude hart uit mijn boezem scheuren, wanneer het geen afschuw gevoelt -van den onreinen hebzuchtigen offeraar, die het geluk dezer aarde van de -goden wil koopen voor schenkels van dieren en kannen met wijn, gelijk -men door loven en bieden een rok en een ezel verkwanselt, en wiens -ziel bewogen wordt door schandelijke drijfveeren. -- Ziet, Paäker's -offeranden kunnen de goden niet meer verblijden, dan u, Horoscoop, een -kruik rozenolie, waarin schorpioenen, duizendpooten en giftige slangen -zwemmen. Langen tijd was ik getuige van de gebeden van dezen man, en -nooit hoorde ik hem smeeken om edele goederen, wel duizendmaal om het -verderf van menschen, die hij haat." - -»In de heiligste gebeden uit den ouden tijd," sprak de Horoscoop, -»werden de goden toch wel aangeroepen, opdat wij den voet mochten zetten -op den nek onzer vijanden. Bovendien hoorde ik Paäker niet zelden met -innig gevoel bidden voor het welzijn zijner ouders." - -»Gij zijt een priester, een ingewijde," riep Gagaboe, »en helaas, gij -weet niet of wilt niet weten, dat met de vijanden, om wier ondergang wij -bidden, slechts de demonen der duisternis en de buitenlandsche volken -die Egypte bedreigen zijn bedoeld? Paäker heeft voor zijne ouders -gebeden? Dat zal hij ook voor zijne kinderen doen, want zij zullen zijne -toekomst zijn, gelijk zijne ouders zijn verleden. Als hij eene vrouw -had, dan zouden ook haar zijne offers gelden, want zij zou de helft -uitmaken van zijn eigen bestaan." - -»En niettegenstaande dit alles," hernam de Horoscoop Septah, »beoordeelt -gij den gids te hard. Hoewel hij onder een gelukkig gesternte geboren -werd, hebben de Hathors hem toch alles ontzegd, wat hem eene gelukkige -jeugd kon schenken. De vijand wiens ondergang hij afsmeekte, was -Mena, 's konings wagenmenner. Inderdaad, hij zou bovenmenschelijk of -onmannelijk zwak gehandeld hebben, wanneer hij den man iets goeds had -toegewenscht, door wien hem de schoone vrouw werd ontroofd, die voor hem -was bestemd." - -»Hoe heeft zoo iets kunnen gebeuren," vroeg een der priesters uit -Chennoe. »Eene verloving is immers heilig[41]?" - - [41] In den demotischen papyrus, die te Boelaq wordt bewaard en - het eerst door H. Brugsch werd uitgegeven (de Roman van Setnau) - heet het: "Is het niet de wet, die de een aan den ander - verbindt?" Van bruiden wordt o. a. gewag gemaakt op den - sarkofaag van Oennefer te Boelaq. - -»Paäker," antwoordde de Horoscoop, »hoe stijf overigens, was -hartstochtelijk verliefd op zijn nichtje Nefert, het aanminnigste meisje -uit geheel Thebe. Zij was de dochter van Katoeti, de zuster zijner -moeder, en hem als vrouw toegezegd. Hij was aan haar gehecht met geheel -zijne ziel. Daar werd zijn vader, dien hij begeleidde op al zijne -tochten, in Syrië doodelijk gewond. De koning stond aan het sterfbed van -den held, ving de laatste bede op van zijne lippen, en begiftigde Paäker -met zijn ambt. Deze bracht de mummie zijns vaders naar Thebe, liet dien -vorstelijk ter aarde bestellen, en moest, vóordat de rouwtijd ten einde -was, naar Syrië terug. Daar vond hij handen vol werk, want terwijl -de koning naar Egypte was teruggekeerd, moest hij het nieuwe gebied -doortrekken en opnemen. Eindelijk mocht ook hij het oorlogstooneel -verlaten, zich vleiende dat hij nu weldra met Nefert in het huwelijk zou -treden. Hij joeg zijne rossen bijna dood, om het doel van zijn smachtend -verlangen des te sneller te bereiken. Hoe bitter was hij teleurgesteld, -toen hij reeds in de Ramses-stad Tanis moest vernemen, dat de hem -toegezegde nicht de vrouw was geworden van een ander, den schoonsten -en dappersten in het leger, van den edelen Mena. Hoe kostbaarder het -voorwerp is, op welks bezit wij hadden gehoopt, des te rechtmatiger is -de toorn die ons bezielt tegen den man, die het ons betwist, ja het voor -zich weet te verkrijgen. Paäker had kikvorschenbloed in zijne aderen -moeten hebben, wanneer hij Mena dit vergeven had, in plaats van hem te -haten. De runderen, die hij onze goden ten offer heeft gebracht, om hun -wraak af te smeeken over den roover van zijn levensgeluk, zijn reeds bij -honderden te tellen." - -»Als gij ze hebt aangenomen," hernam Gagaboe, »terwijl gij wist waarvoor -ze dienen moesten, dan hebt gij onverstandig en niet recht gehandeld. -Ware ik een leek, ik zou mij wel wachten eene godheid te dienen, die -zich voor loon laat vinden, om toe te geven aan de onreinste van alle -menschelijke driften. Nochtans, de alwijze geest, die liefderijk de -wereld regeert naar eeuwig wijze wetten, weet niets van alle deze -offers, wier geur alleen het reukorgaan van den booze prikkelt. De -schatmeester verheugde zich, zoo vaak men het gezonde blanke vee onze -stallen binnendreef, maar Seth wreef zich in de roode handen[42], toen -hij het aannam! Vrienden, ik heb de verwenschingen mede aangehoord, -die Paäker als spoeling, dat men den zwijnen voorzet, over onze reine -altaren heeft uitgegoten. De pest en etterbuilen, jammer en dood heeft -hij over Mena afgebeden, en de arme, lieve vrouw, wie ik het waarlijk -niet euvel kan duiden, dat zij aan een strijdhengst boven een nijlpaard, -aan een Mena boven een Paäker de voorkeur heeft gegeven, wenschte hij -onvruchtbaarheid en het bitterst zieleleed toe." - - [42] Rood was de kleur voor Seth-Typhon. Het booze en - schadelijke wordt ook in de papyrus-Ebers het roode genoemd. - Roodharige menschen waren typhonisch. - -»De hemelsche goden," merkte de schatmeester op, »schijnen echter zijne -klachten niet zoo onbillijk gevonden te hebben, en het breken van zulk -eene verloving strenger op te vatten dan gij. Nefert heeft in de vier -jaren van haar huwelijk maar enkele weken het bijzijn van haar grooten -man genoten, en zij bleef kinderloos. Het is mij een raadsel, Gagaboe, -hoe gij, die gewoon zijt de verdediging op u te nemen van anderen, -waarover wij allen het doemvonnis uitspreken, een der grootste -weldoeners van onzen tempel zoo zonder eenige verschooning veroordeelen -kunt." - -»Het is voor mij minder mogelijk om te begrijpen," hernam de oude, »hoe -gij, die anders zoo gaarne vonnist, dezen, juist dezen, -- noem hem zoo -ge wilt -- met zooveel ijver tracht vrij te pleiten." - -»Wij kunnen hem in dezen tijd niet missen," zeide de Horoscoop. - -»Toegegeven," gaf Gagaboe hierop ten antwoord, terwijl hij zachter -begon te spreken. »Zelfs ik denk hem nog te gebruiken, evenals de -opperpriester sedert jaren van hem partij heeft getrokken in het belang -onzer zaak, die door gevaren wordt bedreigd. Ook een smerige weg is -goed, als hij tot het doel leidt. Voert ook de godheid ons niet vaak -door het kwade tot het heil? Maar moeten wij daarom het slechte goed -en het kromme recht noemen? Bedien u van den gids zooveel gij wilt, -vergeet echter niet, terwijl hij u door zijne gaven verplicht, hem te -beoordeelen naar zijne gevoelens en daden, wanneer gij althans aanspraak -wilt maken op den naam van ingewijden en verlichten. Laat hem al zijn -vee naar den tempel drijven en al zijn goud in onze schatkamer werpen, -maar bezoedel u niet door de gedachte, dat offers met zulk een hart en -zoodanige handen der godheid welgevallig zijn! Voor alles," -- en er was -oprechtheid en hartelijkheid in den toon, waarop de grijsaard deze -woorden uitsprak, »voor alles: spiegelt den man, die zoo jammerlijk -dwaalt, toch niet voor, gelijk gij tot hiertoe hebt gedaan, dat hij op -den rechten weg is. Immers, mijne vrienden, het is uwe, het is ons aller -duurste plicht, de zielen dergenen, die zich aan ons toevertrouwen, op -te leiden, tot hetgeen waarlijk goed en recht is." - -»O mijn leermeester," riep nu Pentaoer, »hoe beminnelijk zijt gij in uwe -gestrengheid!" - -»Ik toonde u de afzichtelijke zweren van dezen man," sprak de grijsaard, -terwijl hij opstond en zich gereed maakte de zaal te verlaten, »uw lof -zal ze verharden, uwe berisping zal ze genezen. Overigens, verkiest -gij in dezen uw plicht niet te doen, weet dan, dat de oude Gagaboe op -zekeren dag zal komen met zijn mes; dat hij den kranke zal aangrijpen en -snijden." - -De Horoscoop had onder deze woorden van den grijsaard meermalen de -schouders opgehaald. Hij zeide nu, zich tot een der priesters uit -Chennoe wendende: »Gagaboe is een oude kitteloorige driftkop, en gij -hebt uit zijn mond eene predikatie gehoord, zooals men ze zeker ook -bij u wel houdt voor de jonge schrijvers, die tot zielzorgers worden -opgeleid. Hij meent het best, maar hij vergeet licht het groote ter -wille van het kleine. Ameni zal het u aan het verstand brengen, dat het -ook bij ons op tien, zelfs op honderd zielen niet aankomt, wanneer het -algemeen belang er mede gemoeid is." - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - - -De nacht, waarin de prinses Bent-Anat met haar gevolg aan de poort van -het Seti-huis had geklopt, was voorbijgegaan. De geurige frischheid van -den vroegen morgenstond werd reeds vervangen door een gloed, die het -donkerblauw onbewolkt hemelgewelf als eene sterk verhitte stalen klok -begon uit te stralen. Het menschelijk oog was niet meer in staat op te -zien naar dien kolossalen vuurbol in de hoogte, die zijn stralen deed -breken in het fijne blinkende stof, dat heen woei over de aan graven zoo -rijke helling van het gebergte, waardoor de doodenstad aan de westzijde -werd afgesloten. De kalkrotsen weerkaatsten een verblindend licht; -de atmosfeer trilde, gelijk de verhitte lucht boven een gasvlam; de -schaduwen werden steeds kleiner, maar des te scherper hare omtrekken. - -Alle dieren, die wij aan den avond de Nekropolis zagen bevolken, hadden -zich in hunne schuilhoeken teruggetrokken. De mensch alleen trotseerde -den gloed van den zomerdag. Onverpoosd verrichtte hij zijn dagwerk, nu -en dan voor eenige oogenblikken zijn gereedschap uit de hand leggende, -om een weinig adem te scheppen, wanneer een verkwikkende luchtstroom uit -de richting van den sterk gezwollen vloed zijne slapen kwam afkoelen. -De haven, waar de vaartuigen die van het oostelijk-Thebe kwamen, gewoon -waren te landen, was opgevuld met feestelijk getooide barken en booten -voor het verkeer bestemd. De manschappen van die booten, roeiers -en stuurlieden van aanzienlijke afkomst, die tot den priesterstand -behoorden, namen een weinig rust, want de gasten, die zij hadden -overgezet, gingen thans in lange optochten naar de graven. Onder de -breede schaduw van eene sykomore had een koopman in eetwaren, geestrijke -dranken en azijn om het water te verkoelen, zijn tafel opgeslagen, en in -zijne nabijheid schreeuwden en kibbelden schippers en opzichters, die -druk in de weer waren met het mora-spel[43]. Ettelijke matrozen lagen te -slapen, deels op het dek hunner vaartuigen, deels aan den oever, hier -onder het weinig beschuttend bladerendak van een palmboom, dáar midden -in de zon, voor welker stralen zij zich wisten te beschutten door den -katoenen doek, die hun tot mantel diende, over het gezicht te trekken. -Tusschen dezen wandelden in lange rijen, éen voor éen achter elkaar, -bruine en zwarte lijfeigenen en slaven, gebogen onder zware lasten. Zij -droegen wat aan de tempels geleverd moest worden, de offergaven en de -waren, die door de handelaars in de Nekropolis waren besteld. Metselaars -trokken op sleden de vierkante steenblokken, die uit de groeven -van Chennoe en Soean[44] waren aangekomen, naar de plaats waar de -grondslagen waren gelegd voor een nieuwen tempel. Eenige handlangers -goten water onder de sleden, opdat het zwaar belaste uitgedroogde hout -niet door de wrijving mocht ontvlammen. Al deze werklieden werden door -een opzichter met stokken voortgedreven. Allen zongen bij den arbeid zoo -goed zij konden, doch ook de stemmen dergenen die den toon aangaven, -hoewel zij zich des avonds luid genoeg deden hooren, wanneer na een -sober maal de tijd der rust was aangebroken, klonken thans dof en -heesch. De schier verdroogde stembanden weigerden tegen den middag hun -dienst. Dichte zwermen van muggen volgden en plaagden de arme schepsels, -die echter even ongevoelig schenen te zijn voor de steken der -insekten als voor de slagen hunner aanvoerders. De hitte bleek al hun -weerstandbiedende kracht te hebben gebroken. Als de muggen in het midden -van de doodenstad hen verlieten, kwamen de vliegen en wespen, die bij -duizenden gonsden rondom de slachtbanken, gaarkeukens, vischbakkerijen -en de winkels waar vleesch, groenten, honig, gebak en drank te koop -werden geboden. Het ging daar levendig toe, niettegenstaande de -zonnegloed tegen den middag ondraaglijker werd, en de sterk verhitte -lucht, verzadigd van stof en allerlei geuren, de ademhaling schier -belemmerde. - - [43] Het Latijnsche "micare digitis." Een der spelers steekt met - eene snelle beweging enkele vingers op, en de anderen moeten het - aantal raden. Het was een geliefd spel der Egyptenaars, dat - telkens op afbeeldingen voorkomt. Nog wordt dit vingerspel door - de volken van Zuid-Europa dikwijls gespeeld. De voorstellingen, - zooals wij ze op de gedenkteekenen vinden, heeft Minutoli - weergegeven in de =Leipziger Illustr. Zeitung=, 1852, s. 331, ff. - - [44] Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den - eersten waterval. - -Hoe dichter men de Libysche bergen naderde, des te stiller werd het. -In het breede noordwestelijke dal, aan welks zuidelijke helling de -vader van den thans regeerenden koning eene diepe grafkamer had doen -uithouwen, en waar de steenhouwers reeds bezig waren een rotsgraf voor -den tegenwoordigen pharao in gereedheid te brengen, heerschte de rust -des doods. Een pas aangelegde rijweg voerde naar deze rotskloof met haar -steile gele en bruine wanden, waarop de zon enkele plekken had zwart -gezengd, en die als de in den nacht uit de graven opstijgende geesten, -van hun schaduw schenen beroofd te zijn. Rotsblokken vormden aan den -ingang van dit dal eene soort van poort. Ondanks de middaghitte, ging er -op dit oogenblik eene kleine schaar van meerendeels schitterend gekleede -menschen doorheen. Vier opgeschoten knapen of jongelingen liepen -vooruit. Hunne eenige kleeding bestond in een om de lendenen geslagen -schort en een met gouddraad doorwerkten hoofddoek, die tot den rug -afhing. De zonnestralen spiegelden zich in de gladde, roodbruine, -vochtige huid van deze stafdragers, wier veerkrachtige naakte voeten -nauwelijks met de steenen van den bodem in aanraking schenen te komen. -Zij werden gevolgd door een sierlijken tweewielige wagen, waarvoor twee -bruine paarden lustig draafden, terwijl roode en blauwe vederbossen op -hunne koppen wiegelden. Hunne edele houding, de fiere buiging van den -hals en de rustelooze beweging der staarten scheen te verraden, dat -zij trotscher waren op de rijk met zilver, blauw en purper bestikte -schabrakken en de gouden sieraden die hen tooiden, dan op de schoone -koninklijke maagd, Bent-Anat, de dochter van Ramses, wier kleine hand -hen leidde met bijna onmerkbare bewegingen, terwijl het minste geluid -uit haar mond hen de dunne ooren deed opsteken. Twee jonge mannen, -gekleed als de voorloopers, volgden den wagen, en beschermden het gelaat -van hun gebiedster tegen de zonnestralen met breede aan lange stokken -bevestigde waaiers, die uit sneeuwwitte struisvederen waren saamgesteld. - -Zoolang de breedte van den weg het toeliet, werd Nefert, de gemalin van -Mena, in haar vergulden draagstoel aan de zijde van Bent-Anat gedragen -door acht roodbruine mannen, die in snellen regelmatigen loop niet -gewoon waren onder te doen voor de dravende rossen en de slanke -waaierdragers. Beiden vrouwen, die wij nu voor het eerst in het volle -daglicht kunnen beschouwen, waren buitengemeen schoon, maar elke op -eene andere wijze. De vrouw van Mena zag er nog uit als een meisje. -Onder de lange wimpers keken een paar groote ovale oogen uit, nu eens -met verwondering, dan weer droomerig. Hare nauwelijks middelmatige -goedgevormde gestalte was meer gevuld geworden, zonder iets van hare -vroegere sierlijkheid te verliezen. Er vloeide geen drupje bloed in -hare aderen, dat niet zuiver Egyptisch was, gelijk blijken kon uit de -donkere huidkleur van frisch en gelijkmatig incarnaat, die het midden -hield tusschen helder goudgeel en donkerbruin, welke kleur nog heden -de Abessinische meisjes zoo schoon staat. Ook haar rechte neus, haar -schoongevormd voorhoofd, haar gladde ravenzwarte haren, benevens de -fijnheid der met gouden banden getooide polsen en enkels, waren hiervoor -onloochenbare bewijzen. De maagdelijke koningsdochter daarentegen had -ter nauwernood den leeftijd van negentien jaren bereikt; toch spraken -houding en gelaat van meer vrouwelijk zelfbewustzijn. Zij was bijna -een hoofd langer dan hare vriendin. Haar huidkleur was lichter. In den -opslag harer goedige heldere blauwe oogen lag iets dweperigs, maar ook -kloek verstand en vaste wil. Zij had een edel fijn besneden profiel, -zóo gelijk aan dat haars vaders, als een schoon landschap in den zachten -maneschijn, die de scherpe lijnen afrondt, vergeleken bij hetzelfde -landschap in den helderen middagglans. Haar zacht gebogen neus was het -erfdeel harer Semitische voorouders[45] en hetzelfde mocht ook gelden -van haar dicht zachtgolvend donkerbruin hoofdhaar dat nu door een zijden -doek met blauwe en witte strepen was gedekt. De zorgvuldig gelegde -plooien werden saamgehouden door een gouden band, in het midden waarvan -de met een robijnen schijf gekroonde kop van een gehoornde Uraeusslang -prijkte[46]. Van den linkerslaap van het hoofd hing eene zware met -gouddraad doorweven vlecht tot op de borst af, als teeken van hare -vorstelijke geboorte. Zij droeg een purperen kleed van bijna doorzichtig -fijn weefsel, dat door een gouden gordel en breede draagbanden werd -opgehouden. Om haar hals hing, gelijk een breede kraag, een halsband van -paarlen en kostbare edelgesteenten, die neerviel op haar schoon gevormde -borst. Achter de prinses stond haar wagenmenner, een oud krijgsman van -aanzienlijke afkomst. - - [45] Er zijn van Ramses vele portretten bewaard gebleven, het - schoonste is wel zijn voortreffelijk standbeeld, dat te Turijn - wordt bewaard. In dat profiel, met den schier onmerkbaar gebogen - neus, heeft men eenige gelijkenis met Napoleon meenen te zien. - - [46] Een gevaarlijk soort van giftslangen in Egypte. Wegens hun - snelwerkende macht over leven en dood, werden zij gekozen tot - koninklijk symbool. De Uraeusslang wordt aan geen diadeem der - pharao's gemist. - -Achter de vorstelijke vrouwen nu volgden drie draagstoelen met -hofbeambten, twee in elke, en verder een twaalftal slaven, gereed om te -helpen, zoo vaak dit noodig mocht zijn. De trein werd gesloten door een -troep stokdragers, ten einde de tragen voort te drijven, en door eenige -lichtgewapende, slechts met een schort en een hoofddoek gekleedde -soldaten. Zij droegen in den gordel een zwaard, dat veel op een dolk -geleek, eene bijl in de rechter en, ten teeken dat zij enkel in vrede -dienst deden, een palmtak in de linkerhand. Kleine meisjes in lange -wijde kleederen zwermden om den stoet, die in snellen draf voortijlde, -gelijk dolfijnen om een zeeschip. Zij droegen waterkruikjes op de -schrandere kopjes, om op een wenk bij de hand te zijn, zoodra iemand -verlangde te drinken. Met de vlugheid van gazellen vlogen zij vaak de -dravende paarden vooruit, en het was de moeite waard bij de grootste -onder haar de sierlijke buiging op te merken van den arm, die de kruik -in evenwicht hield. De hovelingen, die evenzeer door luchtige waaiers -werden overschaduwd en afgekoeld, zoodat de middaghitte zich bijna niet -deed gevoelen, spraken onder elkander met rustige langwijligheid over -onverschillige onderwerpen. De prinses beklaagde hare paarden, die -voortdurend werden geplaagd door lastige horsels, terwijl voorloopers en -soldaten, de dragers van waaiers en draagstoelen, de kinderen met hunne -kruikjes en kuchende huisslaven, gedwongen waren onder de stralen der -middagzon hunne krachten zóo in te spannen in dienst hunner meesteres, -dat hunne pezen dreigden te springen en hunne longen te bersten. - -Ter plaatse waar de weg wat breeder werd, waar aan de rechterzijde de -ingang was tot het sterk gebogen zijdal, waarin de laatste koningen van -het onttroonde koningshuis begraven waren, hield de trein eensklaps -stil, en wel op een teeken van Paäker, die de prinses te gemoet reed. -Hij mende zijne vurige zwarte Syrische paarden met zulk een stevige -hand, dat het bloedig schuim van hun gebit droop. Nadat de Mohar de -teugels aan een dienaar had overgegeven, sprong hij van den wagen en -zeide na de gewone plichtplegingen: »Hier, in dit dal is het nest van -dat afzichtelijk slag van menschen, waaraan gij, prinses, voornemens -zijt zulk een hooge eer te bewijzen. Vergun mij, dat ik als gids u -vooruitrijd. Wij zijn binnen weinige minuten aan ons doel." - -»Dan zullen wij te voet gaan," zeide de prinses, »en ons gevolg hier -achterlaten." - -Paäker boog. Bent-Anat wierp haar wagenmenner de teugels toe en steeg -van den wagen. De vrouw van Mena en de hovelingen verlieten hunne -draagstoelen. Reeds maakten de waaierdragers en kamerheeren zich gereed -om hunne meesteres in het dwarsdal te geleiden, toen zij zich omwendde -en beval: »Gij blijft terug, allen; alleen Paäker en Nefert zullen met -mij gaan." - -De prinses vloog met haastige schreden over den effen bodem van de -rotskloof, waarin de zonnestralen schier loodrecht nedervielen; zij -matigde echter haren tred, zoodra zij bemerkte, dat de zwakkere Nefert -moeite had haar te volgen. Bij eene bocht van den weg bleef de Mohar -staan. Ook Bent-Anat en Nefert gingen niet verder. Geen van beiden had -gedurende deze wandeling een woord gesproken. Het dal was doodstil en -geheel verlaten. Op den uitersten rand van den loodrechten bergwand -aan de rechterzijde, zat eene lange rij gieren, bewegingloos, als had -de middaghitte de kracht hunner vleugels verlamd. Paäker maakte eene -buiging voor de dieren, die aan de groote godin van Thebe geheiligd -waren[47], en de beide vrouwen deden zwijgend evenals hij. - - [47] De godin Moeth, die met Amon en Choensoe een trias - uitmaakt. Het groote rijksheiligdom, de tempel van Karah, was - haar gewijd. - -»Dáar," sprak Mohar kortaf, terwijl hij met den vinger wees op twee -hutten, die vlak tegen den linkerwand van het dal uit tegels van -gedroogd Nijlleem waren gebouwd, »dáar, die er het best uitziet, naast -die rotsholte." - -Bent-Anat liep met een kloppend hart naar deze stulp. Paäker liet de -vrouwen vooruitgaan. Nog weinige schreden en zij stonden voor een -heining, ruw uit rietstaven, palmtakken, doornstruiken en maïsstroo -saamgevlochten. Hartverscheurende jammerkreten, die uit de hut kwamen, -deden de lucht trillen, zoodat de vrouwen huiverden verder te gaan. -Nefert beefde en klemde zich vast aan hare vriendin, die sterker was, -ofschoon zij meende ook het hart der prinses sneller te hooren kloppen. -Beiden stonden enkele oogenblikken als aan den grond genageld; toen riep -de prinses den Mohar en zeide: »Ga gij ons voor in de hut." - -Paäker antwoordde, zich diep buigende: »Ik zal den man roepen. Wij -zullen het immers niet wagen zijn drempel te overschrijden? Gij weet dat -zulk eene daad ons verontreinigen zou." - -Nefert zag Bent-Anat smeekend aan; deze sprak echter op bevelenden toon: -»Ga mij voor, ik vrees zulk eene verontreiniging niet." - -De Mohar bleef nog altijd dralen, en vroeg: »Wilt gij de goden -vertoornen en u zelve...." - -Doch de prinses gunde hem geen tijd om uit te spreken; zij wenkte -Nefert, die verbaasd een afwerend gebaar met de handen maakte, haalde -toen de schouders op, liet hare gezellin bij den Mohar achter, en trad -door eene opening in de heg een kleinen tuin binnen. Daar lagen een -paar bruine geiten; er stond een ezel met de voorpooten aan elkander -gebonden, en eenige kippen, die vruchteloos naar voeder zochten, liepen -het stof op te krabbelen. Weldra stond zij alleen voor de geopende deur -van de hut, waarin de Paraschiet woonde. Niemand merkte haar op, zij -echter kon hare oogen, aan pracht en orde gewoon, niet afwenden van dit -somber maar zoo eigenaardig tooneel, dat thans haar gansch en al boeide. -Eindelijk naderde zij de deur, die te laag was voor hare hooge gestalte. -Haar hart kromp ineen; zij had wel gewenscht zich te kunnen verkleinen -en onkenbaar maken door het gewaad van een bedelaar, in plaats van te -schitteren met prachtige sieraden. Of stond zij niet gereed met goud -en edelgesteenten behangen deze stulp te betreden, als om den arme te -bespotten, gelijk een tyran, die, terwijl hij zich zit te vergasten aan -tafels, die schier bezwijken onder den last der spijzen, den bedelaar -dwingt toe te zien? Het kon hare fijngevoelige ziel niet ontgaan, dat -hare verschijning aan deze plaats in bittere disharmonie was met hare -omgeving. Deze wanklank deed haar pijnlijk aan, want zij mocht zich niet -ontveinzen, dat ellende en uiterlijke geringheid hier het recht hadden -den boventoon te voeren, en dat al hare heerlijkheid geen bijzonder -verheven figuur zou maken onder al die nietigheden, te midden van stof, -rook en jammer, ja zeer onevenredig en ergerlijk zou uitsteken, gelijk -een reus onder dwergen. Zij was echter reeds te ver gegaan om terug te -keeren, hoe gaarne zij het ook gedaan had. Hoe langer zij in deze -hut keek, des te dieper gevoelde zij de onmacht van haar vorstelijk -vermogen, het onbeduidende der rijke gaven, die zij met zich bracht; des -te meer werd zij overtuigd, dat zij den stoffige bodem dezer armelijke -hut niet betreden mocht dan in alle deemoed en als eene die om -verschooning vraagt. - -De ruimte, die zij gemakkelijk kon overzien, was laag, maar daarom -niet klein, en werd spaarzaam en zeer onregelmatig verlicht door twee -lichtstroomen, die elkander kruisten. De eene viel door de deur naar -binnen, de andere baande zich een weg door eene opening in de door -ouderdom zeer bouwvallige zoldering van het vertrek, dat zeker nog -nooit zoovele en zoo verschillende gasten had geherbergd als heden. De -aandacht van alle aanwezigen werd getrokken door eene groep, die bij het -deurlicht helder uitkwam. Op den stoffigen vloer zat eene oude vrouw -neergehurkt, met verweerde donkere gelaatstrekken en verwarde sedert -lang vergrijsde haren. Haar zwart-blauw katoenen kleed of hemd was van -voren open, en liet op de verdroogde borst eene blauwe getatoueerde ster -zien. Met hare handen steunde zij het in haar schoot rustend hoofd van -een meisje, dat met het slanke lichaam bewegingloos lag uitgestrekt op -een smallen versleten mat. De kleine blanke voeten van de kranke raakten -bijna aan den drempel van de deur. Naast haar zat op den grond een oud, -goedig man, slechts met een grof lendekleed bedekt. Hij scheen in -zichzelf gekeerd, doch nu en dan boog hij zich voorover, om de voetzolen -van het meisje met zijne magere handen te wrijven, terwijl hij zacht -eenige woorden bij zichzelf sprak. De kleine lijderes droeg niets dan -een kort rokje van grove helderblauwe stof. Haar gelaat was teeder en -regelmatig gevormd. Zij hield de oogen half gesloten, als kinderen, -wanneer een lieflijke droom hunne zielen vervult; doch van tijd tot tijd -trok zij de fijn besneden lippen smartelijk bijna krampachtig samen. -Dicht zacht rood-blond haar, waarin enkele verdorde bloemen hingen, -golfde ordeloos van haren schedel in den schoot der oude vrouw en tot -op de mat waarop zij nederlag. Hare blanke wangen waren door een blosje -gekleurd, en zoo vaak de jonge arts Nebsecht, die aan hare zijde zat -naast zijn blinden sombere litanieën zingenden metgezel, het gescheurde -doek, over haar maagdelijken door het wagenrad gekwetsten boezem gelegd, -oplichtte, of wanneer zij haar teederen arm omhoog hief, bleek het -duidelijk, dat zij in hare schitterend blanke huidkleur niet ongelijk -was aan de dochters van het Noorderland, die onder de krijgsgevangenen -des konings niet zelden naar Thebe kwamen. - -De beide uit het Seti-huis hierheen gezonden heelmeesters zaten aan de -linkerzijde van het meisje op een klein tapijt. Van tijd tot tijd legde -de een of de ander zijn hand op de plaats van het hart der lijderes, of -beluisterde hare ademhaling, of opende het medicijnkastje, om de compres -op de wond met een witachtig geneesmiddel te bevochtigen. In wijderen -kring, dicht bij de wanden van het vertrek, hadden zich eenige jongere -en oudere vrouwen op den grond neergezet. Het waren de vriendinnen van -het Paraschieten-gezin, die nu en dan door gillende jammerkreten te -kennen gaven, hoe diep hun medelijden was. Een van haar stond bij -regelmatige tusschenpoozen op, om een aarden bekken naast de artsen, met -frisch water te vullen. Zoo vaak de kou van eene nieuwe compres de heete -borst van de kranke deed huiveren, sloeg zij de oogen op, richtte ze -eerst als verwonderd, daarna met vromen eerbied naar een bepaald punt, -om ze echter terstond weder voor een langen tijd te sluiten. Deze -blikken waren tot hiertoe niet opgemerkt door hem, wien ze golden. - -Pentaoer stond in zijn lang wit priesterkleed geleund tegen den -rechterwand, wachtende op de komst der prinses. Met zijn schedel raakte -hij bijna de zoldering van het vertrek, en de smalle lichtstralen, die -door de gleuf in de zoldering naar binnen vielen, verlichtten juist -zijn welgevormd hoofd en zijne borst, terwijl alles wat hem omgaf in -schemerachtig donker was gehuld. Wederom sloeg de kranke de oogen op en -ditmaal ontmoette zij den blik van den jongen priester, die terstond -zijn hand ophief en half werktuigelijk met fluisterende stem eenige -woorden van zegen sprak. Maar aanstonds staarde hij weder onafgebroken -op den grond, geheel in zijne eigene gedachte verzonken. Eenige uren -geleden was hij reeds gekomen om, gehoorzaam aan het bevel van den -opperpriester Ameni, de prinses duidelijk aan het verstand te brengen, -dat zij zich bezoedelde door de aanraking van een Paraschiet, en alleen -door tusschenkomst des priesters hare reinheid terug kon erlangen. Met -tegenzin had hij den drempel van deze armzalige hut overschreden. -Loodzwaar drukte hem de gedachte, dat juist hij was gekozen om eene daad -van edele menschlievendheid te brandmerken, en de misdadige te verwijzen -naar den straffenden rechter. Pentaoer had door den omgang met zijn -vriend Nebsecht vele banden verbroken, die zijn geest knelden, en menig -denkbeeld in zich opgenomen, dat zijn meester zondig en oproerig zou -hebben verklaard. Toch had hij nog zekeren eerbied voor de heiligheid -der oude inzettingen, waardoor zij beschermd werden, die hij had leeren -beschouwen als de door de godheid zelve geroepene uitdeelers van -alle geestelijke zegeningen. Bovendien was hij niet vrij van zekeren -castentrots, van een geestelijken hoogmoed, die uit verstandige -berekening bij de priesters werd aangewakkerd. Hij stelde den gemeenen -man, die zijne lichaamskrachten inspant om door eerlijken arbeid het -brood voor de zijnen te verdienen, den koopman, den handwerker, den -boer, ja zelfs den krijgsman en vooral de leegloopers, die voor niets -anders leefden dan voor de bevrediging hunner zinnelijke lusten, -verre beneden de mannen van zijn stand, die streefden naar een hooger -geestelijk doel. Zij die door de wet als onrein gebrandmerkt waren, -hield ook hij voor zoodanig. - -Kon het wel anders? Zij die bij het balsemen der afgestorvenen het lijk -openden, waren uit de maatschappij gebannen, omdat zij door dit hun -beroep zich vergrepen aan het lichaam, den heiligen tempel der ziel[48]. -Men vergete echter niet, dat geen Paraschiet vrijwillig zijn beroep -koos. Het erfde van den vader over op den zoon, en wie als Paraschiet -was geboren, had geleerd, dat hij eene oude schuld moest boeten, -waarmede zijne ziel was bezwaard in eene vroegere periode, toen zij in -een ander lichaam huisde, en waardoor zij na den dood niet had zalig -gesproken kunnen worden. Die ziel had voortgeleefd in de lichamen van -allerlei dieren, om nu eindelijk eene nieuwe loopbaan te beginnen als -Paraschieten-kind, en straks zich opnieuw te stellen voor het aangezicht -van den rechter der onderwereld. Geen wonder dus dat Pentaoer met -weerzin het verblijf van den verachten man was binnen gegaan, die, -zoodra hij den priester zag naderen en zich nederzetten aan de voeten -van de kleine lijderes, met eenige verbazing had uitgeroepen: »Al weder -een in 't wit gekleede! Wascht dan het ongeluk den onreine rein?" - - [48] Diodorus I, 91. - -Pentaoer had den oude geen antwoord gegeven, en deze sloeg verder geen -acht op hem, want hij wreef de voetzolen van de zieke op bevel van den -arts, en vol teedere bezorgdheid bleven zijne handen onvermoeid in -gestadige beweging, als een scheprad, dat door den stroom der rivier -zonder ophouden wordt rondgewenteld. - -»Wascht het ongeluk den onreinen rein?" vroeg Pentaoer zich af. »Zeker -oefent het een reinigenden invloed. Zou de godheid die aan het vuur de -kracht verleende om het metaal te louteren, en aan den wind het vermogen -om den hemel van wolken te zuiveren, wel gewild hebben, dat haar eigen -evenbeeld, een mensch, van zijne geboorte tot zijn dood, besmet moet -blijven met onuitwischbare vlekken?" - -Hij zag bij die gedachte den Paraschiet eens aan, en 's mans gelaat -scheen op dat van zijn vader te gelijken. Deze opmerking deed hem -schrikken. Doch toen hij waarnam, dat de vrouw in wier schoot het -hoofd van het arme meisje rustte, angstig als eene duif, die een havik -op haar ziet afkomen, zich over de gewonde borst van de kranke heenboog, -om haar ademhaling te beluisteren, zoo vaak deze scheen stil te staan, -begon hij zich eene ure uit zijne eigene kindsheid te herinneren, toen -hij, door de koorts aangegrepen, op zijn bedje had gelegen. Wat er in -dien tijd met hemzelf en in zijne omgeving was voorgevallen, had hij -lang vergeten. Maar éen beeld had een diepen indruk op zijne ziel -achtergelaten; het was dat zijner moeder, dat met den doodsangst op 't -gelaat boven hem scheen te zweven, wier oogen zoo teeder en bezorgd op -haar kranken zoon hadden neergezien, als die der gevloekte vrouw op -haar lijdend kind. - -»Daar is dan toch eene zelfverloochenende, volmaakt reine, waarachtig -goddelijke liefde," zeide hij bij zichzelf, »en dat is de liefde van -Isis voor Horus, van de moeder voor haar kind. Indien deze menschen -werkelijk zóo onrein waren, dat alles wordt bezoedeld wat zij aanraken, -hoe zou dan dit zoo zuiver teeder en heilig gevoel bij hen zijne -reinheid en schoonheid kunnen bewaren? Maar," zoo ging hij denkend -voort, »de hemelsche goden hebben toch ook de moederliefde gelegd in de -borst van eene leeuwin en van het typhonisch nijlpaard!" - -Met weemoed beschouwde hij de Paraschieten-vrouw. Daar zag hij hoe haar -donker aangezicht zich van de lijderes afwendde. Zij had haar ademtocht -gehoord, en de rimpels van haar gelaat vertrokken zich tot een zaligen -glimlach. Zij knikte eerst den heelmeester en toen met een diepen zucht -haar man toe. De laatste hield zijne linkerhand niet van de voetzool -der kranke af, doch hij hief de rechter biddend omhoog, en zijne vrouw -deed hetzelfde. Het was Pentaoer als zag hij de zielen van die beiden in -heilige gemeenschap boven dat kind zweven, dat hunne handen in elkaar -legde; en wederom dacht hij aan het ouderlijk huis en de ure, waarin -zijn lief eenig zustertje gestorven was. Toen had zijne moeder zich -weenend op het bleeke kind geworpen, doch zijn vader stampvoette en -snikte, en sloeg zich met de vuist voor het voorhoofd. »Hoe stil -berustend en dankbaar zijn die onreinen toch," dacht Pentaoer, en de -afkeer van de inzetting der vaderen begon in zijn gemoed wortel te -schieten. »Ja, de hyena's kennen ook de moederliefde, maar de mensch, -die zijn geest richt op het edelste, kan alleen de godheid zoeken -en vinden. Tot aan de grenzen van het oneindige -- en de godheid is -eeuwig -- is den dieren het denkvermogen ontzegd; zij kunnen zelfs niet -lachen. De mensch kan het ook niet in zijne eerste levensdagen, want dan -woont er nog slechts levenskracht, een dierlijke ziel in hem. Weldra -openbaart zich in hem een deel der wereldziel, want het licht des -verstands begint te schemeren. Het komt allereerst te voorschijn in den -lach van het kind, die niet minder rein is als het licht en de waarheid, -waaruit zij voortkomt. De kleine van een Paraschiet lacht evenals elk -wezen uit eene vrouw geboren. Maar hoe weinig oude menschen zijn er -zelfs onder de ingewijden, die nog zoo rein en zalig kunnen lachen als -deze oude vrouw, die onder het bitterst leed is vergrijsd!" - -Diep medelijden begon Pentaoers hart te vervullen. Hij knielde naast het -arme kind neder, hief zijne armen op en bad uit den diepsten grond van -zijn hart tot den Eenige, die den hemel had geschapen en de wereld -regeert, den Eenige, wiens naam het heilig mysterie hem verbood te -noemen! dus niet tot de tallooze goden die het volk vereerde, en -die voor hem niets waren dan vermenschelijkte en zoo voor de leeken -verstaanbaar gemaakte eigenschappen van dien éénen god der ingewijden, -waartoe ook hij behoorde. In hartstochtelijke beweging richtte hij zijn -hart tot God, doch hij bad niet voor het dochtertje van den Paraschiet -en hare genezing, maar voor het geheele geslacht dezer verworpelingen -en zijne verlossing van den ouden banvloek; hij bad dat er licht mocht -nederdalen in zijn twijfelend gemoed, dat hij kracht mocht ontvangen om -zijne moeielijke taak verstandig te volbrengen. De kranke volgde hem met -haren blik, toen hij zijne vroegere plaats weder innam. - -Het gebed had den jongen priester goed gedaan en hem de blijmoedigheid -des geestes wedergegeven. Hij begon nu bij zichzelf te overleggen, welk -eene houding hij moest aannemen, als hij straks tegenover de prinses -zou staan. Hij had Bent-Anat gisteren niet voor het eerst ontmoet; -integendeel, dikwijls had hij haar in de Nekropolis gezien bij plechtige -optochten en hooge feesten, en evenals al zijne jeugdige medepriesters -hare trotsche schoonheid bewonderd, bewonderd evenals den glans -der onbereikbare sterren, of van het gloeiend avondrood aan den -verren horizon. Thans moest hij deze vrouw te gemoet gaan met eene -boetpredikatie. Hij stelde zich het oogenblik voor waarin hij -op haar zou toetreden, en kon niet laten daarbij aan zijn kleinen -leermeester Choefoe te denken, die hem als knaap uit de laagte zijne -terechtwijzingen toeriep, daar hij wel twee hoofden langer was dan het -manneke. 't Is waar, hij was groot en slank, maar het scheen toch als -zou hij heden tegenover Bent-Anat de potsierlijke rol van zijn meester -vervullen. De komische snaar zijner ziel, die zeer gevoelig bij hem was, -werd nu aangedaan, en wilde ook gehoord worden, na zooveel uren van -hoogen ernst, terwijl zooveel treurigs hem omringde. Het leven is zoo -rijk aan tegenstellingen, en een mensch, die van nature bijzonder -vatbaar is voor indrukken, zou bezwijken, evenals een brug onder den -gelijkmatigen stap van soldaten, wanneer het gewicht van de verhevenste -gedachten en van een gevoel dat hem overweldigt, met onverstoorde -gelijkmatigheid op hem bleef werken. Maar evenals in de muziek elke -grondtoon zijn neventonen heeft, zoo trillen er ook andere snaren in -ons hart, wanneer wij eene enkele geruimen tijd doen klinken, en soms -zulke, waarvan wij dit het minst verwacht zouden hebben. Pentaoers -oogen dwaalden door het eenige sombere vertrek, waaruit de geheele -Paraschieten-hut bestond. De gansche ruimte was met menschen gevuld, en -op eens, als een bliksemstraal, vloog de gedachte door zijn hoofd: »hoe -zal de prinses met haar geheele gevolg hier plaats vinden?" - -Pentaoer had eene levendige verbeeldingskracht, die bij deze gedachte -lustig aan het werk ging. Hij zag hoe de dochter van den pharao, met -eene schitterende kroon op het trotsche hoofd, niet zonder gedruisch -deze stille nederige woning binnenkwam; hoe de hovelingen haar volgden -onder druk gesnap, en de vrouwen van den muur, de artsen van de zijde -der kranke, ja zelfs de witte glimmende kat van de kast zouden dringen -waarop zij zat. Wat eene vreeselijke verwarring zou dat zijn! Daarbij -stelde hij zich voor, hoe de opgeprikte heeren en vrouwen zich op een -behoorlijken afstand zouden houden van den onreinen, hoe zij de poezele -handen stijf voor neus en mond zouden drukken, en den oude in het oor -bijten, op welke wijze hij zich te gedragen had jegens het koningskind, -dat zich verwaardigde hem te bezoeken. De oude moest het in haren schoot -liggend hoofd, de Paraschiet de voeten, die hij zoo zorgvuldig gewreven -had, loslaten en opstaan, om voor Bent-Anat het stof te kussen. -Daarbij -- het was of de jonge priester dit alles werkelijk zag -gebeuren -- weken de hovelingen angstig terug, vielen over elkander, en -verdrongen zich in een hoek van het vertrek. Eindelijk wierp de prinses -den vader, de moeder, mogelijk ook het dochtertje eenige zilveren en -gouden ringen in den schoot, en het scheen alsof de hovelingen daarbij -uitriepen: »Heil zij de genade van de dochter der zon!" en de uit de hut -gedrongen vrouwen daar buiten dien jubelzang herhaalden. Toen zag hij de -glansrijke verschijning de woning van den banneling weder verlaten, en -in plaats van de lieve kranke, die nog hoorbaar ademde, een roerloos -lijk liggen op de verschoven mat, en de twee die haar nu zoo trouw -verpleegden vervangen door ongelukkigen, die troosteloos van smart luide -klachten aanhieven. - -Het vurig gemoed van den jongen priester ontvlamde in toorn na dit -visioen. Zoodra het geluid van den naderenden stoet zich werkelijk deed -hooren, zou hij zich plaatsen vóor den ingang van de hut, de prinses -beletten binnen te treden en haar met strenge woorden ontvangen. Wat -voerde haar hierheen? Menschenliefde kon het moeielijk zijn. »Aan het -hof heeft men wel wat afwisseling noodig," dacht hij in zichzelf. »Men -zal verlangen naar wat nieuws, want er gebeurt zoo weinig, nu de koning -bij het leger is, ver in het buitenland. Door zich naast de kleinen te -plaatsen wordt de ijdelheid der grooten niet zelden geprikkeld, en men -hoort de lieden gaarne praten over zijne nederbuigende goedheid. Zulk -een nietig ongeval komt daar zoo recht van pas, en men acht het de -moeite niet waard te overwegen, of de manier, waarop men zijne genade -wil toonen, zulke armzalige lieden geluk zal aanbrengen of nadeel doen." - -Verbitterd stond Pentaoer zich op de lippen te bijten, bij deze -alleenspraak. Hij dacht niet meer aan de verontreiniging, die Bent-Anat -bedreigde van den Paraschiet, maar alleen aan de ontwijding van de -heilige gewaarwordingen, die binnen dit stille vertrek in veler zielen -opwelden, van harentwege. Nu hij zich had opgewonden tot fanatisme, was -er geen twijfel aan of het zou hem niet aan scherpe woorden ontbreken. -Gelijk een lichtgeest, die het zwaard opheft om een demon der duisternis -te treffen, stond hij daar in al zijne lengte met zwoegende borst, -en spitste de ooren, of hij ook eenig gerucht uit het dal vernam, om -bijtijds het geroep der voorloopers en het geratel der wielen van den -pronkwagen, dien hij wachtte, te hooren. Daar zag hij hoe de opening van -de deur werd verduisterd en eene sterk voorovergebogene menschelijke -gedaante, met de armen kruiselings over de borst, het vertrek betrad, om -zich, zonder een woord te spreken, naast de kranke neer te zetten. De -artsen en de oude man maakten eene beweging als wilden zij opstaan, zij -gaf echter, zonder de lippen te openen, met hare betraande oogen te -kennen, dat zij moesten blijven zitten. Lang zag zij de kranke aan met -liefdevollen blik, terwijl zij den blanken arm zachtkens streek met hare -hand. Eindelijk wendde zij zich tot de oude vrouw en fluisterde haar -toe: »Wat is zij schoon!" - -De vrouw van den Paraschiet boog toestemmend. Het meisje scheen te -glimlachen en de lippen te bewegen, als had zij die woorden gehoord en -als wilde zij spreken. Op eens maakte Bent-Anat eene roos los uit haar -kapsel en legde die op de borst van de kranke. - -De Paraschiet had de voeten van het kind geen oogenblik losgelaten. Toch -had hij elke beweging van de prinses gevolgd en sprak thans met zachte -stem: »Hathor, die u schoonheid gaf, moge u dit vergelden!" - -De koningsdochter richtte zich nu tot hem en zeide, terwijl zij naast -het meisje geknield bleef: »Vergeef mij, dat ik tegen mijne bedoeling u -zooveel smart veroorzaak." - -De oude had deze woorden niet verstaan, of hij liet de voeten der kranke -los en vroeg met heldere luide stem: »Zijt gij Bent-Anat?" - -»Ik ben het," antwoordde de prinses met gebogen hoofd, doch nauwelijks -hoorbaar, als schaamde zij zich haar verheven naam uit te spreken. - -De oogen van den Paraschiet schoten vuur. Na een oogenblik zeide hij -zacht, maar op stelligen toon: »Zoo verlaat dan mijne hut, want zij zal -u verontreinigen." - -»Neen, niet voordat gij mij vergeven hebt, wat ik zonder opzet heb -gedaan!" - -"Zonder opzet gedaan," herhaalde de Paraschiet, »dat geloof ik! De -hoeven uwer paarden werden zeker onrein, toen ze deze blanke borst -vertraden! Daar, zie!" -- en hij nam den doek weg en wees op de groote -roode wond, -- »ziehier, dit is de eerste roos, die gij mijne -kleindochter op den boezem hebt gelegd, en die tweede -- dáar!" - -De Paraschiet had den arm reeds opgeheven om de bloem door de deur uit -zijn hut te smijten. Doch Pentaoer was op hem toegetreden en greep zijne -hand met zijn ijzeren vuist. »Halt!" riep hij met bevende stem, zich -zooveel mogelijk inhoudende om der kranke wil. »Hebt gij, omdat uw hart -zich zoo diep gekrenkt voelt, in uwe kortzichtigheid de derde roos niet -opgemerkt, die deze edele hand u heeft toegereikt? Toch is het geschied. -Gij moest haar kennen, al ware het enkel omdat gij allermeest behoefte -hebt aan deze bloem, ja smachtend naar haar verlangt. De fiere vorstin -heeft de vriendelijke bloem der reine menschenliefde uw kind op het -hart en u aan de voeten gelegd. Niet met goud maar met deemoed is zij -tot u gekomen, en wien de dochter van Ramses zóo als haars gelijke -nadert, hij buige zijn hoofd, al mocht hij ook de eerste vorst in -dit land zijn. Waarlijk, de goden zullen die daad van Bent-Anat niet -vergeten. Daarom vergeef haar, indien gij wilt dat u de schuld vergeven -zal worden, die gij draagt als erfdeel uwer voorvaderen en door uwe -eigene ongerechtigheid!" - -Onder deze woorden had de Paraschiet het hoofd gebogen; toen hij het -weder ophief, was zelfs de laatste zweem van toorn uit zijn fijn gevormd -gelaat verdwenen. Hij wreef zijn pols, die nog den stevigen druk van -Pentaoer's vingers voelde, en sprak met eene stem, waarin hij al de -bitterheid zijner ervaringen scheen te leggen: »Uwe vuist is hard, -priester, en uwe woorden treffen mij als mokerslagen. Deze schoone vrouw -is ook goed en liefderijk, en ik weet wel, dat zij haar paarden niet -opzettelijk over dit meisje heeft gejaagd, dat mijn kleinkind, niet -mijne dochter is. Ware zij de vrouw van u of van dezen arts, of wel een -kind van het arme schepsel tegenover mij, dat haar levensonderhoud moet -vinden door de vederen en de pooten op te zamelen van de vogels, die bij -de offeranden worden geslacht, ik zou haar niet alleen vergeven maar -haar troosten, want zij zou zich even ongelukkig gevoelen als ik. Het -noodlot had haar dan buiten haar schuld, tot eene moordenaresse gemaakt, -gelijk het mij reeds als zuigeling den stempel der onreinheid op het -voorhoofd heeft gedrukt. Ja, ik wilde haar troosten! En ik ben zoo -ongevoelig niet! Heilige Trias van Thebe[49], hoe zou ik het ook kunnen -zijn! Groot en klein gaat voor mij uit den weg, om niet met mij in -aanraking te komen. Dagelijks werpt men mij met steenen, wanneer ik -verricht heb, wat tot mijn ambt behoort[50]. Trouwe plichtsvervulling -geeft anderen niet alleen het dagelijksch brood, maar vreugde en eer -bovendien, terwijl mij telkens niet anders ten deel valt dan nieuwe -smaad en pijnlijke wonden. Doch ik ben op niemand boos; ik heb moeten -vergeven en weder vergeven en nog eens vergeven, tot eindelijk alles wat -men mij aandeed natuurlijk scheen en onvermijdelijk, zoodat ik het mij -liet welgevallen, als de brandende hitte in den zomer, en het stof dat -de westewind mij in het aangezicht waait. Aangenaam was het mij niet; -maar wat zou ik er tegen doen? Alleen vergeef ik...." - - [49] Amon, Moeth en Choensoe. - - [50] "Dan snijdt de Paraschiet met een Ethiopischen steen zoover - door het vleesch van het lijk, als de wet voorschrijft. Terstond - loopt hij echter in allerijl weg, en de aanverwanten van den - gestorvene vervolgen hem met steenen en vloeken, als wilden zij - de schuld op hem wentelen." Diodorus, I, 91. - -De stem van den Paraschiet was week geworden, en Bent-Anat, die innig -geroerd op hem neerzag, viel hem in de rede door vol gevoel te zeggen: -»Arme man! Vergeef dan ook mij!" - -De grijsaard zag met voordacht niet haar maar Pentaoer aan, toen hij -antwoordde: »Arme man! Ja, dat zegt gij wel, arme man! Gij hebt mij -uit de maatschappij gebannen, waarin gij leeft, en zoo heb ik deze hut -ingericht tot eene wereld voor mij alleen. Ik behoor niet onder ulieden, -en als ik dat vergeet, verjaagt gij mij als een ongenoode gast, ja, als -een wolf, die in uwe schaapskooi inbreekt. Maar gij behoort evenmin bij -mij. Toch moet ik het verdragen, als gij den wolf wilt spelen en mij -overvallen." - -»Als eene smeekelinge echter, en met de heilige begeerte u goed te doen, -betrad de prinses uwe woning," hernam Pentaoer. - -»De straffende goden," riep de oude, »mogen dit op hare rekening -afschrijven, wanneer zij haar doen misgelden, wat haar vader jegens mij -misdreven heeft. Misschien brengt het mij in de steengroeve, maar zeggen -wil ik het toch: zeven zonen heb ik gehad en Ramses heeft ze allen -van mij weggenomen en ter dood gevoerd. Het kind van den jongste, dit -meisje, de eenige zonneschijn in mijne sombere hut, wordt nu vermoord -door zijne dochter. Drie van mijne knapen liet de koning van dorst -versmachten onder den dwangarbeid aan den Thenat[51], die den Nijl met -de Schelfzee verbinden moest; drie liet hij vallen door het zwaard der -Ethiopiërs, en de laatste, mijn oogappel, is nu misschien een aas voor -de hyena's in het Noorderland." - - [51] Letterlijk: de doorsteek. Het eerste Suez-kanaal wordt - bedoeld, dat door Seti I, den vader van Ramses, werd aangelegd, - en waarvan wij nog eene afbeelding bezitten op den noordelijken - buitenmuur van den tempel van Karnak. Het had ongeveer de - richting van het door De Lesseps gegraven zoetwater-kanaal, en - maakte het land van Gosen zoo bijzonder vruchtbaar. Mogelijk - verbond het ook in noordelijke richting de meeren op de - landengte van Suez. - -Bij deze ontboezeming barstte de oude vrouw, in wier schoot het hoofd -der kranke nog altijd rustte, in luid gejammer uit. Ook de andere -vrouwen begonnen te klagen. - -De kranke richtte zich met schrik overeind, opende de oogen en vroeg -zacht: »Over wien klaagt gij?" - -»Over uw armen vader," zeide de oude. - -Toen begon het meisje te lachen, evenals een kind dat men uit aardigheid -misleiden wil, en sprak: »Is mijn vader dan nog niet bij u geweest? Hij -is toch hier in Thebe, en heeft mij gezien en gekust. Hij zeide mij dat -hij buit medebrengt, en dat gij het van nu aan goed zult hebben. Ik bond -den gouden ring, dien hij mij schonk, in mijn kleedje, juist op het -oogenblik dat de wagen op mij kwam aanrennen. Ik trok nog aan de knoop, -toen alles zwart werd voor mijne oogen en ik niets meer zag en hoorde. -Maak nu den knoop maar los, grootmoeder, die ring is voor u. Ik wilde -hem u brengen. Gij moet er een offerdier voor koopen en wijn voor -grootvader, en oogzalf[52] voor u en mastiktakken[53], die gij zoolang -hebt moeten missen." - - [52] Egyptisch: Mestem, d.i. stibium of spiesglas, dat reeds - zeer vroeg uit Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt - werd. - - [53] De takken van den mastikboom worden nog heden, om den - aangenamen smaak, gaarne door de Egyptische vrouwen gekauwd. De - oude Egyptenaars gebruikten allerlei soort van mondpillen. Men - kan er recepten van vinden in den papyrus-Ebers. - -Het was alsof de Paraschiet elk woord van de lippen zijner kleindochter -als kostbare paarlen opving. Wederom hief hij zijn rechterhand biddend -ten hemel, en wederom merkte Pentaoer op, hoe zijn blik samensmolt met -dien zijner vrouw. Een groote, heete traan welde in zijn oog en biggelde -langs zijne wang op de vereelte hand. Toen kromp hij weer pijnlijk -ineen, want hij meende, dat de kranke een droomgezicht had gehad. -Maar -- daar zat de knoop in haar rokje. Met bevende hand maakte hij -dien los, een gouden ring rolde op den grond. - -Bent-Anat raapte dien op, reikte hem den Paraschiet over en zeide: »In -een gelukkig oogenblik ben ik tot u gekomen, want gij hebt een zoon -terug ontvangen en uw kleindochtertje zal leven!" - -»Ja, zij zal leven!" herhaalde de arts, die de stomme getuige was -geweest van alles wat hier gebeurde. - -»Zij zal bij ons blijven," lispelde de oude en zeide, terwijl hij de -prinses op zijne knieën naderde en haar smeekend met zijne van tranen -vochtige oogen aanzag: »Vergeef mij, gelijk ik u vergeef, en wanneer -eene vrome wensch niet tot een vloek wordt op de lippen van een -verworpeling, laat mij u dan zegenen." - -»Ik dank u," zeide Bent-Anat, terwijl de oude zegenend zijne handen -ophief. Zij wendde zich hierop tot den arts, beval hem de kranke -zorgvuldig te verplegen, boog zich over haar heen, kuste haar op het -voorhoofd, legde haar gouden armband naast het kind neder, en gaf -Pentaoer een wenk om met haar de hut te verlaten. - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - - -Terwijl dit alles in de hut voorviel, waren de gids des konings en de -jonge vrouw van den wagenmenner Mena gedwongen op de prinses te wachten. -De zon had juist haar middaghoogte bereikt, toen Bent-Anat den tuin -van den Paraschiet binnenging. De naakte kalkrotsen aan beide zijden -van het dal, en de zandige bodem daartusschen schitterden met zulk een -verblindende glans, dat het de oogen pijn deed. Er was geen handbreed -schaduw te zien, en de waaierdragers, ook van het tweetal dat hier moest -toeven, waren op bevel der prinses bij den wagen en den draagstoel -achtergebleven. Beiden stonden een tijdlang zwijgend naast elkander; ten -laatste zeide de schoone Nefert, terwijl zij hare ovale oogen vermoeid -opsloeg: »Wat blijft Bent-Anat lang bij dien onreine! Ik verschroei -hier. Wat zullen wij aanvangen?" - -»Wachten!" sprak Paäker, keerde Nefert den rug toe, klom op een -rotsblok, dat aan een der wanden uitstak, deed met zijn geoefend oog, -dadelijk een verkenning, kwam tot haar terug en zeide: »Ik heb een -beschaduwd plekje gevonden. Dáar!" - -De vrouw van Mena keek in de richting, waarin hij wees en schudde -ontkennend met haar kleine hoofd. De gouden sieraden van haar kapsel -klingelden daarbij even hoorbaar tegen elkander, en eene koude huivering -deed haar teeder lichaam beven, ondanks de gloeiende middaghitte. - -»Sechet[54] woedt in den hemel," sprak Paäker. »Maak gebruik van dit -schaduwrijk plekje, al is het klein. Op dit uur werd reeds zoo menigeen -doodelijk getroffen." - - [54] De godin met den kop van eene leeuwin of kat, waarop - meestal de zonneschijf met de slang is te zien. Zij wordt eene - dochter van Ra genoemd en aan de kroon haars vaders is zij als - Uraeus-slang de verpersoonlijking van den moordenden gloed der - zon. In het menschelijk leven verbeeldde zij den gloeienden - en wilden hartstocht der liefde. Als kat of met den kop eener - leeuwin snijdt zij brandende wonden in de ledematen der - schuldigen, zoodra zij in de onderwereld zijn. Hare geschenken - zijn dronkenschap en zinnelijken lust. Zij wordt ook Bast, en - naar hare Phoenicische zustergodheid Astarte genaamd. - -»Dat weet ik," antwoordde Nefert, en zij bedekte haar hals met hare -handen. Daarop richtte zij hare schreden naar twee rotsplaten, die tegen -elkander leunden als de bladen van een kaartenhuis. Dat was het bedoelde -plekje, maar weinige voeten breed, dat tegen de zon eenige beschutting -aanbood. - -Paäker liep voor haar uit, wentelde een vierkant met vuursteen vermengd -blok kalksteen naar deze steenen tent, verpletterde eenige schorpioenen, -die hier eene schuilplaats hadden gezocht, en spreidde zijn hoofddoek -over deze harde zitplaats uit, zeggende: »Hier zijt gij beschut." - -Nefert zette zich op den steen neder en keek den Mohar na, die langzaam -en zwijgend voor haar op en neder ging. Dit onophoudelijk heen en weder -wandelen van haar metgezel werd ten laatste onverdraaglijk voor hare -gevoelige en overprikkelde zenuwen. Daarop riep zij, na het hoofd -ijlings te hebben opgeheven, dat tot hiertoe op haar hand had gerust: -»Wat ik u bidden mag, blijf toch staan!" - -De gids gehoorzaamde terstond en keek naar het huis van den Paraschiet, -terwijl hij haar den rug toekeerde. - -Na eenige oogenblikken pauze zeide Nefert: »Spreek toch een woord tot -mij!" - -Toen draaide de Mohar zijn breed gezicht naar haar toe, en zij schrikte -van den wilden gloed, die haar tegenstraalde uit den blik waarmede hij -haar aanzag. - -Nefert sloeg hare oogen neder. De gids antwoordde alleen: »Ik zwijg -liever." Daarop zette hij zijne wandeling voort, totdat de vrouw van -Mena hem op nieuw toesprak. - -»Ik weet," zeide zij, »dat gij boos op mij zijt. Doch ik was nog maar -een kind, toen ze mij met u verloofd hebben. Ben ik dan niet goed voor -u geweest? Als uwe moeder mij bij onze kinderlijke spelen uw klein -vrouwtje noemde, was ik werkelijk blijde, en dacht ik hoe heerlijk het -zijn zou, wanneer ik uw huis, dat gij toch voor mij zoo prachtig deed -vernieuwen, toen uw vader gestorven was, en uw schoonen tuin, en uwe -edele paarden in uwe stallen, en al uwe slaven en slavinnen mijn -eigendom zou mogen noemen." - -Paäker lachte, maar die lach klonk zóo gedwongen en beleedigend, dat het -Nefert door de ziel sneed, en zij zacht voortging, op een toon alsof -zij om verschooning vroeg: »Het heet dat gij boos zijt op ons, en nu -verstaat gij mijne woorden zóo, alsof het mij om uwe rijke erfenis te -doen was geweest. Maar ik heb u immers reeds gezegd, dat ik altijd veel -van u hield. Herinnert ge u dan niet meer, hoe ik met u geweend heb om -de kwade jongens in de school, en om de strengheid, uws vaders? Toen -stierf uw oom --; gij zijt naar Azië vertrokken...." - -»En gij," viel Paäker haar hard en scherp in de rede, »hebt die -verloving verbroken, en zijt de vrouw geworden van Mena, den -wagenmenner. Dat alles weet ik; waartoe het weder opgehaald?" - -»Omdat het mij leed doet, dat gij op mij toornig zijt en uwe goede -moeder ons huis mijdt. Kondet ge maar begrijpen wat het is, wanneer de -liefde eens in iemands borst ontwaakt en hem zoo geheel vervult, dat men -zich niet meer alleen kan denken maar altijd bij en met en in de armen -van een ander; wanneer het kloppen van ons hart ons in den slaap doet -ontwaken, en wij zelfs in den droom niets anders zien dan dien eenige!" - -»En dat zou ik niet geweten hebben!?" riep Paäker, terwijl hij de armen -over elkander sloeg en vlak voor haar ging staan. »Ik zou dat niet -geweten hebben? Alsof gij het dan niet geweest waart, die mij dit gevoel -deedt kennen! Zoo vaak ik aan u dacht, was het mij of niet langer bloed -maar gloeiend vuur mij door de aderen stroomde, die gij thans met gif -hebt gevuld. Hier in deze borst, waarin uw beeld zich nog lieflijker -vertoonde dan dat van Hathor in het allerheilige, ziet het er uit als op -die zee in het land der Syriërs, die zij de doode noemen, die zee waarin -alles sterft en elke levenskiem wordt verstikt." - -Paäkers oogen rolden bij deze woorden door zijn hoofd; driftiger klonk -zijn stem, toen hij voortging: »Maar Mena staat dicht bij den koning, -dichter dan ik, en uwe moeder...." - -»Mijne moeder," viel Nefert den toornige in de rede, en hare woorden -getuigden van hevige gemoedsbeweging, »mijne moeder heeft geen -echtgenoot voor mij gekozen. Ik zag Mena toen hij, als ware hij de -zonnegod, op den wagen des konings daarheen reed. Hij merkte mij op en -zag mij aan, en zijn blik drong als een lans in mijn hart. Toen hij mij -aansprak op 's konings verjaardag, was het mij alsof de Hathors mij met -lieflijk klinkende snaren van gouden zonnestralen omweefden. En Mena -gevoelde hetzelfde; hijzelf heeft het mij gezegd, toen hij de mijne was -geworden. Om uwentwil sloeg mijne moeder zijn aanzoek af. Ik werd echter -bleek en mager van verlangen naar hem, en hij verloor zijn frisschen -moed en werd zoo treurig, dat het den koning in het oog viel, die hem -vroeg wat hem toch zoo nederdrukte. Want Ramses heeft hem lief als zijn -eigen zoon. Mena heeft den pharao bekend, dat de liefde zijne oogen -verduisterde en zijne sterke handen verlamde, en nu deed de koning -zelf aanzoek om mijne hand voor zijn trouwen dienaar. Mijne moeder -gaf eindelijk toe en wij werden man en vrouw. Al het genot, dat de -gezaligden smaken in de Aäloe-velden[55], is flauw en armelijk bij de -zaligheid, waarin wij ons baadden, niet als sterfelijke menschen, maar -als hemelsche goden." - - [55] De velden der gelukzaligen (Elysium) bestemd voor de - verheerlijkte geesten. In het Doodenboek ziet men hoe de - gelukzaligen daar bij koele wateren zitten, zaaien en oogsten. - -Nefert had onder deze laatste woorden als eene verheerlijkte haar -blikken naar den hemel gericht. Nu sloeg zij de oogen neder en vervolgde -op zachten toon: »Daar braken de Cheta[56] den vrede! De koning toog ten -krijg en Mena met hem. Vijftienmaal was de maan opgegaan over ons geluk, -en toen..." - - [56] De Arameërs, volgens de hoogstwaarschijnlijke uitlegging - van Schrader. De volken van westelijk Azië hadden zich, in den - tijd van dit verhaal, met hen vereenigd. - -»En toen verhoorden de goden mijn gebeden namen mijn offer aan," -vervolgde Paäker met bevende stem, »en rukten den roover van mijn geluk -van uwe zijde weg, en verteerden uw hart en het zijne door de vlammen -van het heimwee. Meent gij dat ge mij iets nieuws kunt vertellen? Nog -eens was Mena vijftien dagen bij u; daarna is hij niet wedergekeerd uit -den krijg, die in Azië hevig woedt." - -»Maar hij zal wederkeeren," riep de jonge vrouw. - -»Misschien ook niet!" zeide Paäker lachend. »De Cheta voeren scherpe -wapenen en op den Libanon zijn vele gieren, die misschien in deze ure -zijn lichaam verscheuren, gelijk gij mijn hart hebt vaneengereten." - -Nefert stond op. Deze taal trof hare fijngevoelige ziel, alsof zij door -eene ruwe hand met een steen werd getroffen. Zij deed eene poging om -hare schaduwrijke schuilplaats te verlaten en de prinses te volgen -in het huis van den Paraschiet. Doch hare voeten weigerden haar den -dienst, en bevend zonk zij weder op haar steenen zitplaats neer. Zij -zocht woorden, maar haar tong scheen verlamd. Zij gevoelde zich zoo -beklemd en verlaten, en te gelijk zoo diep verontwaardigd. In dezen -onbeschrijfelijken toestand begaven haar de laatste krachten. Allerlei -pijnlijke gewaarwordingen wisselden elkander af in haar binnenste, -als woeste onstuimige golven, die al hooger en hooger stegen, haar de -ademhaling bijna belemmerden en zich eindelijk lucht gaven in een hevig -krampachtig snikken, dat haar geheele organisme schokte. Zij zag, zij -hoorde niets meer; zij kon alleen bittere tranen schreien en gevoelen -hoe diep ongelukkig zij was. - -Paäker stond zwijgend tegenover haar. - -Er zijn in het zuiden boomen, waaraan men naast verdroogde vruchten -witte bloesems ziet hangen. Er zijn dagen waarop zich, te gelijk met -de heldere zon, de bleeke sikkel der maan aan den hemel vertoont. Zoo -gebeurt het soms, dat een menschelijk hart liefde en haat tegelijk -gevoelt, en wel voor hetzelfde voorwerp. Neferts tranen vielen als dauw, -hare diepe zuchten als manna in de naar wraak dorstende en hongerende -ziel van den gids. Hij genoot van hare smart, en toch vervulde de -aanblik harer edele gestalte hem met hartstochtelijke liefde, en werden -zijne blikken als gekluisterd door hare lichamelijke schoonheid. Hij zou -er de hemelsche zaligheid voor over hebben gehad, om haar nog slechts -eens in zijne armen te mogen drukken, om nog eene enkele maal het woord -der liefde van hare lippen op te vangen. - -Na eenige pijnlijke minuten hield Nefert op te weenen. Met matten, bijna -onverschilligen blik zag zij den Mohar aan, die nog altijd voor haar -stond, en vroeg op zacht smeekenden toon: »Mijne tong verdroogt; haal -mij toch een weinig water!" - -»De prinses kan ieder oogenblik terugkeeren," antwoordde Paäker. - -»Maar ik versmacht," zeide Nefert, en begon opnieuw in stilte te weenen. - -Paäker haalde de schouders op en ging toen dieper het dal in, dat hij -zoo goed kende als het huis zijns vaders. Daar toch lagen de graven van -de voorvaderen zijner moeder, waarin hij als knaap bij volle en nieuwe -maan gebeden had opgezegd en gaven op het altaar gelegd. Het was hem -verboden de hut van den Paraschiet te betreden, maar hij wist dat nog -geen honderd schreden van de plaats waar Nefert zat eene oude vrouw -woonde, wier naam in slechten reuk stond. In haar rotshol zou wel een -dronk water zijn te vinden. Half waanzinnig door alles wat er sedert de -laatste minuten in zijne ziel was omgegaan en wat zijne oogen hadden -gezien, vloog hij weg. Het was of zijn denkvermogen stilstond door de -hartstochtelijke beweging van zijn bloed. - -Hij vond de deur, die het hol van de oude bij nacht moest beschermen -tegen de overvallen van roofgierige jakhalzen, wijd open. De bewoonster -zat onder een bruin, gescheurd stuk zeildoek, dat aan den eenen kant aan -de rots en aan den anderen aan twee ruwe stokken was vastgemaakt. Zij -zocht een hoop lichte en donkere worteltjes uit, die in haar schoot -lagen. Naast haar zag men een rad, dat tusschen een hooge houten gaffel -draaide. Een kwikstaart, die aan een kettinkje vastzat, hield het in -voortdurende beweging, doordat hij van de eene spaak op de andere -sprong[57]. Een groote kater, zoo zwart als kool, zat naast haar te -spinnen, en berook de koppen van raven en uilen, wie even te voren de -oogen waren uitgestoken. Boven de deur merkte men twee in elkander -gedoken sperwers op. De rook van verbrandde jeneverbessen, waardoor de -uitwasemingen van allerlei vreemdsoortige bestanddeelen, hier aanwezig, -onschadelijk moesten worden gemaakt, drong uit het hol naar buiten. - - [57] Naar de Idylle van Theocritus: De tooveres. - -Toen Paäker naderde riep het wijf vragend naar binnen: »Kookt het was?" - -Een onverstaanbaar gebrom liet zich als antwoord hooren. - -»Doe er dan de apenoogen en de ibisvederen, en de linnen-lappen met de -zwarte tooverteekens in[58]. Roer nog wat! Doof nu het vuur uit! Neem -een kruik en haal water! Kom, haast je wat! Daar komt een bezoeker." - - [58] Spreekwijzen en toovermiddelen van heksen, voorkomende - in een magischen papyrus. De door Chabas uitgegeven =Papyrus - magique Harris= is ongeveer uit den tijd van ons verhaal - afkomstig. Ook is hier gebruik gemaakt van den door Dr. Leemans - uitgegeven magischen papyrus, die op het Leidsche Museum wordt - gevonden, en van den toover-papyrus (in 't Grieksch) te Berlijn - aanwezig, in het licht gegeven door Parthey. - -Terstond kwam eene donkerzwarte negerin, die een gescheurden kleurloozen -lap om haar magere lenden had geslagen, naar buiten. Zij zette een -grooten aarden pot op haar grauw kroeshaar en ging Paäker voorbij, -zonder hem, juist toen hij bij het hol kwam, aan te zien. De oude, een -rijzige, maar door ouderdom gekromde vrouw, met een gelaat dat mogelijk -eens schoon was geweest, doch zich nu vol rimpels en scherpe plooien -vertoonde, maakte toebereidselen om den gids te ontvangen, daar zij een -bonten doek over het hoofd bond, haar blauw-wollen kleed onder den hals -dichttrok, en eene uitgerafelde mat over de raven- en uilenkoppen wierp. -Paäker riep haar toe, doch zij hield zich doof en deed alsof zij hem -niet hoorde. Eerst toen hij vlak bij haar stond, sloeg zij hare slimme -bliksemende oogen op en sprak: »Een geluksdag, een witte dag, die hooge -gasten brengt en groote eer!" - -»Sta op," zeide Paäker tot het wijf op bevelenden toon, zonder haar te -groeten, maar een zilveren ring[59] midden onder de wortelen in haar -schoot werpende, »en geef mij voor goed geld wat water in eene zuivere -kom." - - [59] De Egyptenaars hadden vóor Alexander en de Ptolemeërs geen - munt. Zij wogen het metaal, waaraan zij gewoonlijk den vorm van - ringen gaven. - -»Mooi, echt zilver," hernam de oude, terwijl zij den ring, dien zij -haastig uit de wortelen te voorschijn had gehaald, dichter onder hare -oogen hield. »Dat is te veel voor water alleen, en te weinig voor mijne -kostelijke dranken." - -»Wauwel niet, bedelaarster, maak voort!" riep Paäker, terwijl hij een -tweeden ring uit zijn zak haalde en in haar schoot wierp. - -»Gij hebt eene milde hand," zeide de oude, en dat in zuivere taal, -zooals onder de hoogere standen werd gesproken. »Vele deuren zullen zich -voor u openen, want het goud is een looper die in alle sloten past. Gij -wilt water voor die mooie ringen? Moet het dienen tegen schadelijke -dieren, of wilt gij er een ster van den hemel door doen nederdalen? -Misschien wenscht gij geheime paden te leeren kennen, want het is uw -ambt den weg te wijzen. Zal het koud maken wat warm is, en het koude -weder heet? Moet het in staat stellen in de harten te lezen en lieflijke -droomen te verwekken? Begeert gij het water der kennis, om te zien of -uw vriend dan wel uw vijand -- ha! uw vijand sterven zal? Wilt gij -een dronk hebben om uw geheugen te versterken? Of zal mijn water u -onzichtbaar maken? Moet het ook den zesden teen van uw linkervoet -wegnemen?" - -»Gij kent mij dan?" vroeg Paäker. - -»Hoe zou ik?" vroeg de heks. »Maar ik heb scherpe oogen, en weet -uitnemend water te bereiden voor geringen en aanzienlijken!" - -»Praatjes!" riep Paäker ongeduldig, en greep naar de zweep in zijn -gordel. »Maak voort, want de vrouw voor wie...." - -»Gij verlangt water voor eene vrouw?" viel de oude den Mohar in de rede. -»Had ik dat kunnen denken! In den regel vragen de oude heeren meer naar -de liefdedranken dan de jonge. Doch ik kan u hiermede dienen; ik zal u -helpen." - -De oude ging na deze woorden in haar hol, en kwam een oogenblik daarna -terug met een dun cylindervormig albasten fleschje in de hand. »Dit is -het fleschje," zeide zij, terwijl zij het den gids toestak. »De helft -moet in het water gegoten en aan de vrouw gegeven worden. Helpt het niet -bij den eersten dan toch zeker bij den tweeden keer. Een kind kan het -water drinken, zonder dat het kwaad zal doen, en een grijsaard wordt er -vroolijk van. Daar, ik zal het u voorproeven!" -- En zij bevochtigde -hare lippen met de witte vloeistof. »Het schaadt niet. Meer neem ik er -toch niet van, anders mocht de oude heks eens verliefd op u worden, en -dat zou het rijke heertje slecht bevallen, ha, ha! Helpt het drankje -niet, dan ben ik genoeg betaald. Helpt het, dan brengt ge mij nog drie -gouden ringen. En gij zult terugkomen, dat weet ik!" - -Paäker had de heks roerloos aangehoord, maar nu greep hij zoo driftig -naar het fleschje, als moest hij een machtigen tegenstander gaan -overwinnen. Hij duwde het in zijn geldzak, wierp het wijf nog eenige -ringen voor de voeten, en eischte andermaal, maar spoedig, een zuivere -kan vol Nijlwater. - -»Heeft mijnheer zoo'n haast?" prevelde de oude, terwijl zij het hol -weder binnenging. »Hij vraagt mij of ik hem ken? =Hem= zeker! Maar zijn -schatje? Waar mag het hier ergens verscholen zijn? Misschien de kleine -Warda van den Paraschiet daarginds! Zij is mooi genoeg; maar zij ligt nu -half verpletterd op de mat en sterft. Wij willen zien wat dat heertje -voorheeft. Hij beviel mij niet toen ik jonger was; hij zal echter toch -zijn doel bereiken, want hij is taai en ontziet niets." - -Terwijl zij deze en dergelijke woorden bij zich zelve mompelde, -vulde zij eene nette schaal van verglaasd aardewerk, met gefiltreerd -Nijlwater, dat zij uit een groote poreuze kruik schonk, legde op het -heldere vocht een laurierblad, waarin twee met zeven strepen verbonden -harten gekrast waren, en kwam er mede naar buiten. - -Toen Paäker de schaal van haar aannam en het laurierblad bekeek, zeide -de heks: »Reeds dit verbindt de harten. Drie is de man, vier is de -vrouw, zeven het ondeelbare Chaach, chachach charcharachacha"[60]. - - [60] Galimatias of wartaal uit een Berlijnschen toover-papyrus. - -De heks zong dit bezweringsformulier niet zonder kunst, maar de Mohar -scheen naar haar wartaal niet te luisteren, althans hij ging voorzichtig -het dal weder in, en richtte zijne schreden naar de plaats waar de vrouw -van Mena uitrustte. Vóor de rotsen, die hem voor Nefert onzichtbaar -maakten, bleef hij staan, zette de schaal op een vlakken steen en haalde -het fleschje met den liefdedrank uit zijn gordel. Zijne vingers beefden; -zijne hersenen schenen beneveld door bedwelmende dampen; in zijne borst -weerklonken wel duizend stemmen, die hem juichend schenen toe te roepen: -»Grijp toe, handel, gebruik den drank, nu of nooit!" -- Hij was temoede -als een eenzaam wandelaar, die op zijn pad het testament vindt van een -gestorven bloedverwant, op wiens vermogen hij hoopt, het testament -waarin hij onterfd wordt. Zal hij het den rechter overleveren, of zal -hij het verscheuren? - -Paäker was niet alleen een uitwendig vrome, maar had ook tot dusver -gemeend in alles naar de voorschriften van den voorvaderlijken -godsdienst te handelen. Echtbreuk was eene zware zonde. Maar had hij dan -op Nefert geene oudere rechten dan de koninklijke wagenmenner? Wie zich -met de zwarte kunst inliet, moest volgens de wet met den dood worden -gestraft[61], en het wijf stond ter kwader naam bekend, wegens haar -ellendig beroep. Doch had hij haar dan om die liefdedrank gevraagd? -Was het niet mogelijk dat de zielen zijner afgestorvenen, dat de goden -zelven, vermurwd door zijne gebeden en offers, bij toeval, ja, als -door een wonder, hem het toovermiddel in handen hadden gegeven, aan de -werking waarvan hij geen oogenblik twijfelde? Zijne metgezellen hielden -hem voor een man, die spoedig besloten was, en in moeilijke gevallen -handelde hij inderdaad met buitengewone voortvarendheid. Wat hem daarbij -leidde was echter niet het bewijs van eene vlugge en gezonde werking -zijner hersenen, maar meestal het gevolg van de uitkomst van een vraag- -en antwoordspel. Want verschillende amuletten hingen om zijn hals en aan -zijn gordel, alle door de hand eens priesters gewijd. Het waren voor hem -bijzonder heilige voorwerpen van hooge waarde. Bleef het oog van den -lazuursteen, dat met een gouden keten aan zijn gordel hing, wanneer men -het op den grond wierp, zóó liggen, dat de gegraveerde zijde naar -den hemel zag en de gladde onder lag, dan zeide het »ja", en in het -omgekeerde geval »neen". In zijn geldtasch had hij altijd het beeldje -van den god Apheroe met den kop van een jakhals[62], den god die de -wegen opent. Zoo vaak hij aan een kruisweg kwam, wierp hij dit beeldje -voor zich uit en volgde hij de richting, naar welke de spitse snuit -van den kop heenwees. In de meeste gevallen riep hij de hulp in van -den zegelring van zijn overleden vader, een oud familiestuk, dat de -opperpriester van Abydus op het heiligste onder de veertien graven van -Osiris[63] gelegd en met wonderkracht toegerust had. Deze bestond uit -een gouden hand met eene breede zegelplaat, waarin men den naam kon -lezen van den sedert lang vergoodden Thotmes III, door wien het kleinood -aan Paäkers voorvaderen was geschonken. Als hij tot dien ring vragen -wilde richten, raakte de Mohar met de punt van zijn bronzen dolk de -gegraveerde naamteekens aan, waarvan drie betrekking hadden op de -godheid, terwijl de andere de afbeeldingen waren van profane voorwerpen. -Trof nu de punt een der eerste teekens, dan, meende hij, was -zijn Osiris-geworden vader het eens met zijn voornemen; in het -tegenovergesteld geval liet hij het varen. Dikwijls drukte hij den ring -tegen zijn hart en wachtte dan op het eerste levende wezen, dat hij zou -ontmoeten. Kwam het van zijne rechterzijde, dan hield hij het voor een -opwekkenden, kwam het van zijne linker, voor een waarschuwenden bode -zijns vaders. - - [61] Volgens den papyrus-Lee en Rollin. Vgl. Birch, =Sur un - papyrus magique= (Revue archéol. 1863); Chabas, =Papyrus magique - Harris=; Devéria, =Papyr judiciaire de Turin=. - - [62] Een bijzondere vorm van Anubis. Hij was de plaatselijke god - van Lykopolis, het tegenwoordige Sioet. - - [63] Typhon had het lijk van Osiris in veertien stukken gesneden - en deze over Egypte verspreid. Waar Isis er een vond, daar - richtte zij een grafteeken op voor haar gemaal. Geen dier graven - was in den lateren tijd zoo heilig als dat van Abydus, waarheen - ook voorname Egyptenaars hunne mummies lieten brengen, om in de - nabijheid van Osiris te rusten. - -Langzamerhand had Paäker in dit vragen een zeker stelsel gebracht. Al -wat hij in de natuur ontmoette, bracht hij in verband met zichzelven en -zijn levensloop. Het was roerend en te gelijk treurig om op te merken, -hoe innig hij steeds met de zielen zijner afgestorvenen voortleefde. -Zijne niet zeer hoogvliegende maar toch sterke verbeeldingskracht was in -staat, zoo vaak hij haar liet werken, hem het beeld zijns vaders of van -zijn vroeg gestorven ouderen broeder voor de oogen te tooveren, tastbaar -duidelijk, juist zooals hij hen gekend had. Nooit echter bezwoer hij de -nagedachtenis van zijne onvergetelijke dooden, om hen te gedenken met -stillen weemoed, die lieflijke bloem aan den doornstruik der smart, -maar altijd met een of ander zelfzuchtig doel. Het aanroepen van de -vaderlijke schim was hem gebleken bij sommige vragen van bijzondere -uitwerking te zijn, en het aanroepen van de broederlijke schim bij -andere, en daarom wendde hij zich tot den een of ander, met de zekerheid -van een geoefend timmerman, die zelden twijfelt wanneer hij den bijl -en wanneer hij de zaag gebruiken moet. Hij hield het er voor, dat -deze zijne handelwijze overeenkwam met den wil der goden, en daar -hij overtuigd was dat de geesten zijner afgestorvenen na hunne -rechtvaardiging waren overgegaan in Osiris, dat wil zeggen, dat zij als -bestanddeelen van de wereldziel thans deel hadden aan het bestuur over -alles, zoo offerde hij hun niet alleen in zijn familiegraf, maar ook in -de tempels van de Nekropolis, die aan den dienst der voorvaderen waren -gewijd, en bij voorkeur in het Seti-huis. Van Ameni en de andere -priesters, die tot het heiligdom behoorden, dat onder diens toezicht -stond, ontving de koninklijke gids gaarne raad en nam hij ook berisping -dankbaar aan, en zoo leefde hij in de hoogmoedige overtuiging, die door -zijne meesters geen oogenblik aan het wankelen werd gebracht, dat hij -behoorde tot de ijverigste vromen in den lande, die den goden het -welgevalligst waren. Bij elken tred als door bovenzinnelijke machten -omgeven en geleid, gevoelde hij geen behoefte aan vrienden en -vertrouwden. In het veld zoowel als in Thebe stond hij geheel op -zichzelven en werd door de zijnen gehouden voor een ruw, trotsch en -ongevoelig man, maar die een ijzeren wil had. - -Paäker was in staat het beeld van verloren geliefden met dezelfde -levendigheid voor zijne ziel te doen oprijzen, als de gestalten zijner -afgestorvenen. Dat deed hij niet enkel in ontelbare stille nachten, maar -evenzoo op lange tochten en ritten door de zwijgende woestijn. Op -zulke visioenen volgden meestal hevige opwellingen van haat tegen den -wagenmenner en eene reeks vurige gebeden, die alle het verderf van den -laatste ten doel hadden. Toen hij dan ook de schaal met het water voor -Nefert op de gladde rots zette en naar het fleschje met den liefdedrank -greep, was zijne ziel zoo vol verlangen, dat er geene ruimte was voor -haat. Intusschen kon de Mohar toch niet de bezorgdheid van zich weren, -dat hij zich door het gebruik van een tooverdrank zwaar zou bezondigen. -Daarom ondervroeg hij het orakel van zijn ring, alvorens de noodlottige -druppels in het water te gieten. De dolk raakte geen der heilige teekens -van het zegelopschrift. Onder andere omstandigheden zou hij dus zijn -voornemen hebben opgegeven. Ditmaal stiet hij echter den dolk onwillig -in de scheede, drukte den gouden ring aan zijn hart, lispelde den naam -van zijn Osiris-geworden broeder, en wachtte nu op het eerste levend -wezen, dat hem zou tegenkomen. Het liet niet lang op zich wachten, -want van de berghelling tegenover hem vlogen twee witte gieren op met -langzamen vleugelslag. Met angstige spanning volgde hij dezen in hun -vlucht, al hooger en hooger. Een oogenblik lieten zij zich onbewegelijk -door den luchtstroom dragen, beschreven een cirkel om elkander en zetten -daarop koers naar de linkerzijde, om achter de bergen te verdwijnen. -Zijn wensch was weder onvervuld gebleven. Haastig greep hij het fleschje -om het weg te slingeren, maar de hartstocht, die in zijn binnenste -woelde, had hem de heerschappij over zijn wil benomen. Daar rees het -beeld van Nefert voor zijne ziel op, alsof zij hem vriendelijk wenkte. -Geheimzinnige machten klemden zijne vingers al vaster en vaster aan het -fleschje, en met den trots die hem eigen was, als hij tegenover zijne -metgezellen stond, goot hij de helft van den liefdedrank in het water, -greep de schaal op en naderde zijn offer. - -Nefert had inmiddels haar schaduwrijke zitplaats verlaten en ging hem te -gemoet. Zonder iets te zeggen, nam zij de schaal aan, en dronk zij die -met welgevallen ledig tot den bodem. »Dank," zeide zij, toen zij na het -gulzig drinken weder bij adem gekomen was. »Dat heeft mij goedgedaan! -Hoe frisch en hartig smaakte dat water! Maar uwe handen beven, en gij -zijt zoo verhit door het harde loopen voor mij, gij arme!" - -Bij deze woorden zag zij hem aan met den innigen gloed, die er in hare -groote oogen lag, en stak hem hare rechterhand toe, die hij onstuimig -aan zijne lippen drukte. - -»Laat dit," zeide zij lachend. »Zie, daar komt de prinses met een -priester uit de hut van den onreine. Foei, wat hebt ge mij straks met -uwe vreeselijke woorden doen schrikken! Nu ja, ik gaf u grond om toornig -tegen mij te zijn; maar nu moet gij weer goed zijn, hoort ge, en ook -uwe moeder weer bij de mijne brengen. Geen woord meer! Ik wil toch eens -zien of neef Paäker mij gehoorzaamheid zal weigeren!" - -Ondeugend hief zij den vinger tegen hem op; daarna weder ernstig -wordende, sprak zij met een blik, die Paäker smartelijk maar tevens met -een zalig gevoel tot in de ziel drong: »Kom, wees nu niet boos meer. Het -is zoo heerlijk als men lief voor elkaar is." - -Na deze woorden liep zij naar de hut van den Paraschiet, terwijl Paäker -beide handen tegen zijn borst drukte en in zich zelven zeide: »De drank -werkt; zij zal de mijne worden. Heb dank, hemelsche goden!" -- Doch dit -gebed, dat hij nooit verzuimde uit te spreken, wanneer hem eenig geluk -was wedervaren, stierf heden op zijne lippen weg. Hij zag zich zoo dicht -bij het doel zijner wenschen. Daar lag de tooverbron, waarnaar hij jaren -lang had gesmacht, voor zijne oogen. Nog enkele schreden en hij zou zich -kunnen drenken uit haar vollen stroom van liefde en haat te gelijk. - -Terwijl hij de vrouw van Mena volgde en het fleschje met angstvallige -zorgvuldigheid in zijn gordel verborg, opdat toch geen enkel drupje -verloren mocht gaan van het kostbare vocht, dat hij, overeenkomstig -het voorschrift der oude, nog eens gebruiken moest, deden zich in zijn -boezem waarschuwende stemmen vernemen, waarnaar hij gewoon was te -luisteren als naar eene vaderlijke vermaning. Maar thans dreef hij er -den spot mede, en gaf hij aan de stemming die hem beheerschte zichtbaar -lucht, door met zijne rechterhand te zwaaien als een dronkaard, die, op -weg naar het wijnvat, een zedeprediker afweert. De hartstocht hield hem -nog zóo vast gevangen, dat de gedachte nauwelijks als een nevel in -zijne ziel kon oprijzen: den korten stond, waarin een braaf man tot een -misdadiger wordt, heb ik doorleefd. Hij had het tot hiertoe slechts -gewaagd zijn smachtend verlangen naar liefde en haat in de verbeelding -te bevredigen, het aan de godheid overlatende voor hem te handelen; doch -nu had hij zijne zaak de goden uit de hand genomen, en was hij tot daden -overgegaan, zonder hen, ja, huns ondanks. Daar gleed Hekt, de tooveres, -strijkelings langs hem heen, om de vrouw te zien, waarvoor zij den -liefdedrank had gegeven. Hij merkte haar op en schrikte. Het wijf -was weldra achter een rots verdwenen en prevelde: »Zie me daar eens -dien zesteenige! Het schijnt hem wel te bevallen in het erfdeel van -Assa"[64]! - - [64] De zin dezer woorden wordt eerst later duidelijk. Vert. - -Midden in het dal kwamen Nefert en de gids de prinses Bent-Anat tegen -en Pentaoer, die haar vergezelde. Toen de laatsten de hut van den -Paraschiet verlieten, bleven zij zwijgend tegenover elkander staan. De -koninklijke jonkvrouw drukte haar rechterhand op haar hart en dronk als -eene dorstige met diepe ademhaling de reine lucht van het bergdal in. -Het was alsof een centenaarslast van haar was afgewenteld, alsof zij -verlost was van een schrikkelijk gevaar. Eindelijk richtte zij het woord -tot haren metgezel, die ernstig naar den grond keek, en zeide: »Welk een -ure!" - -De hooge gestalte van Pentaoer verroerde zich niet, maar hij boog -toestemmend zijn hoofd, als in een droom verzonken. - -Bent-Anat zag hem nu voor het eerst in het volle daglicht, liet hare -groote oogen vol bewondering op hem rusten en vroeg dan: »Zijt gij -de priester, die mij gisteren, na mijn eerste bezoek in de hut, zoo -bereidvaardig voor rein hebt verklaard?" - -»Ik ben het," antwoordde Pentaoer. - -»Ik heb uwe stem herkend en ben u dankbaar, want gij waart het, die mijn -moed hebt gesterkt, om, in weerwil van het verbod mijns zielzorgers, -den drang mijns harten te volgen en herwaarts te gaan. Gij zult mij -verdedigen, wanneer de andere mij zullen berispen!" - -»Ik kwam echter hier om u onrein te verklaren." - -»Zoo zijt gij dan van meening veranderd?" vroeg Bent-Anat trotsch, en -trekken van minachting vertoonden zich om hare lippen. - -»Ik volg een hooger gebod, dat beveelt de oude inzettingen als heilig -te handhaven. Wanneer de aanraking van een Paraschiet, zoo zegt men, de -dochter van Ramses niet verontreinigt, wien dan? Want is er iemand wiens -gewaad vlekkeloozer is dan het hare?" - -»Maar die man daar is braaf, bij al zijne geringheid," hernam Bent-Anat, -»braaf, ondanks den smaad die zijn dagelijksch brood is, gelijk eere het -onze! De negen groote goden mogen het mij vergeven, maar die daar woont -is liefderijk, vroom en moedig; hij bevalt mij. En gij, die gisteren -zijne bezoedelde aanraking met éen woord meendet te kunnen afwasschen, -wat geeft u aanleiding hem heden onder de melaatschen terug te stooten?" - -»De vermaning van een verlicht man, om van de oude inzettingen geen -enkel gedeelte prijs te geven, omdat daardoor de keten, waaraan men toch -reeds begint te vijlen, rammelend uit elkaar zou kunnen vallen." - -»Zoo legt gij dus op mij den smet der onreinheid op grond van een -verouderde dwaling, terwille van de groote menigte, niet om de daad -die ik heb verricht? Gij zwijgt? Antwoord mij nu openhartig en naar -waarheid, wanneer gij werkelijk de man zijt waarvoor ik u tot hiertoe -heb gehouden. Antwoord mij, want het geldt de rust mijner ziel!" - -Pentaoer haalde zwaar adem, daarna gaf hij zijn door twijfel gefolterd -gemoed lucht in deze diep gevoelde woorden, die eerst zacht, vervolgens -al luider werden gesproken: »Gij dwingt mij uit te spreken, wat ik -eigenlijk niet eens moest denken. Maar liever wil ik zondigen tegen de -gehoorzaamheid dan tegen de waarheid, de reine dochter van den zonnegod, -wier gelijkenis gij draagt, Bent-Anat. Of de Paraschiet onrein is door -zijne geboorte of niet, wie ben ik, dat ik zulk een vraagstuk zou -kunnen uitmaken? Doch ook ik heb evenals gij in hem een mensch -gezien van gelijke beweging als wij, wien dezelfde heilige en reine -gemoedsaandoeningen vervullen, die mij en de mijnen, u en ieder die van -eene moeder is geboren, aangrijpen en vaak zoo zalig stemmen. Ik geloof -dat de indruk van deze ure noch uwe noch mijne ziel bevlekt, maar -veeleer gelouterd heeft. Dwaal ik, dan moge de veelnamige godheid het -mij vergeven, wier adem ook in den Paraschiet leeft en zich beweegt, -zoowel als in u en mij, de godheid waarin ik geloof, en waaraan ik -steeds reiner en blijmoediger van hart mijne gebrekkige liederen wijden -wil, wanneer zij mij zal leeren, dat al wat leeft en ademt, wat weent en -jubelt, eene afbeelding is van haar reine wezen, en tot dezelfde vreugde -en dezelfde smart geboren." - -De dichter had zijne blikken ten hemel geslagen; thans ontmoetten -zij het fier en van blijdschap glinsterend oog der prinses, die hem -vrijmoedig haar rechterhand toestak. Pentaoer kuste deemoedig haar -gewaad. Zij sprak echter: »Niet alzoo! Leg zegenend uwe hand op de -mijne! Gij zijt een man en waarlijk een priester. Thans laat ik mij -gaarne de onreinheid welgevallen, want ook mijn vader wenscht, dat door -ons om den wil des volks de instellingen uit den ouden tijd, zoolang -men er nog aan hecht, in eere gehouden worden. Laat ons de goden -gemeenschappelijk bidden, dat zij deze arme schepsels van den banvloek -ontheffen. Hoe heerlijk zou het in de wereld zijn, wanneer de mensch -den mensch liet blijven, wat de onsterfelijke goden hem gemaakt -hebben! -- Maar daar staan Paäker en Nefert nog altijd te wachten midden -in de brandende zonnehitte. Volg mij!" - -Zij ging met den priester vooruit, maar had nauwelijks eenige schreden -gedaan of zij keerde zich om en vroeg: »Hoe heet gij?" - -»Mijn naam is Pentaoer." - -»Zijt gij dan de dichter van het Seti-huis?" - -»Zoo noemen ze mij." - -Bent-Anat bleef nog een oogenblik staan en keek hem aandachtig aan, als -een bloedverwant, die wij voor het eerst van aangezicht tot aangezicht -zien, en zeide: »De goden hebben u buitengewone gaven geschonken, want -uw blik reikt verder en dringt dieper door dan die van andere menschen, -en gij verstaat de kunst om in woorden uit te drukken, wat wij slechts -gevoelen. Gaarne volg ik u!" - -Pentaoer bloosde als een knaap en zeide, terwijl Paäker en Nefert hem en -zijne gezellin steeds naderkwamen: »Tot heden lag het leven voor mij als -in eene schemering, maar deze ure toont het mij anders. Ik heb er de -donkere schaduwzijde van leeren kennen, en," voegde hij er zachtkens aan -toe, »de heldere lichtzijde tevens." - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - - -Een uur later hield Bent-Anat met haar gevolg stil voor de poort van het -Seti-huis. Evenals een bal door een mannenhand geworpen, was een der -voorloopers met groote sprongen den trein vooruitgevlogen, om den -opperpriester te melden, dat de prinses in aantocht was. Zij stond -alleen op haar wagen, die het gevolg vooruitreed. Pentaoer had eene -plaats gevonden op den wagen van den gids. De overste der Horoscopen -ontving den stoet aan de tempelpoort. - -Daar de groote deuren der pylonen wijd geopend waren, was het vergund -een blik te slaan in het voorhof van het heiligdom, dat met gladde -steenplaten geplaveid, en aan de linker- en rechterzijde alsmede van -achteren met zuilengangen omgeven was. De wanden en architraven, de -zuilen en de holvormige kroonlijst, die het voorhof van boven afsloot, -waren met bontkleurig beeldwerk beschilderd. In het midden stond een -groot offeraltaar, waarop kyphi-ballen[65], die de groote ruimte met een -bedwelmenden geur vervulden, op spaanders van cederhout door het vuur -werden verteerd. Rondom in een halven cirkel stonden meer dan honderd -wit gekleedde priesters, met het aangezicht gekeerd naar de naderende -prinses, en zongen hartroerende klaagliederen. Vele bewoners van de -Nekropolis hadden zich geschaard aan beide zijden van de sphinxen, -waartusschen Bent-Anat naar den tempel reed. Men vroeg niet wat het -beduiden moest, dat juist nu klaagzangen werden aangeheven, want aan -weeklachten en geheimzinnigheden was men hier gewoon. - - [65] Een beroemd reukwerk van de Egyptenaren. Recepten om het - te bereiden zijn bewaard gebleven in den papyrus-Ebers, in - de laboratoriën van de tempels, bij Dioskorides, Plutarchus, - Galenus e.a. Parthey heeft door den apotheker L. Voigt te - Berlijn drie soorten laten namaken. Het kyphi volgens het - voorschrift van Dioskorides, was het beste. Voigt bereidde het - uit rozijnen, wijn, radix Galangae, baccula juniperi, radix - calami aromatici, asphalt, mastik, myrrhe, Bourgondische hars en - honig. - -»Heil het kind van Ramses!" »Knielt neder voor de zonnedochter -Bent-Anat!" klonk het uit duizend monden, en de saamgevloeide menigte -boog zich ter aarde, toen de koninklijke jonkvrouw kwam aanrijden. - -De prinses steeg vóór het poortgebouw van den wagen, en volgde den -eersten der Horoscopen, die haar ernstig en zwijgend aan den ingang -van het heiligdom kwam begroeten. Toen zij gereed stond het voorhof te -betreden, zwol het priesterlijk gezang op eens met eene vreeselijke -donderende kracht. De heldere sopraanstemmen der tempelscholieren, -gedragen door het gebrom der zware bassen, jammerden in hartstochtelijke -weeklachten. Bent-Anat schrikte en hield een oogenblik haar voet terug. -Daarop ging zij verder. - -Maar achter den drempel der poort trad Ameni haar in den weg, bekleed -met al de teekenen zijner waardigheid. Hij strekte zijn kromstaf uit, -als om haar af te weren, en riep luide en met vuur: »De tegenwoordigheid -van de reine dochter van Ramses brengt dit heiligdom zegen, maar deze -herberg der goden sluit hare poorten voor de verontreinigden, zij mogen -slaven zijn of vorsten. In den naam der hemelsche goden, waarvan gij -afstamt, vraag ik u, Bent-Anat, zijt gij rein, of hebt gij u bevlekt en -uwe vorstelijke hand bezoedeld door de aanraking van onreinen?" - -De priester had zich geplaatst vlak voor de hooge gestalte van de -prinses. Een helder rood overtoog de wangen der jonkvrouw; het suisde -haar in de ooren als bruiste in hare nabijheid eene stormachtige zee, en -haar boezem rees en daalde in hartstochtelijke beweging. Het koninklijk -bloed vloeide onstuimig door hare aderen. Zij gevoelde dat men haar hier -eene onwaardige rol liet spelen in een tooneelspel, dat met voordacht -werd opgevoerd. Haar voornemen zichzelve als van onreinheid aan te -klagen, was vergeten, en reeds opende zij de lippen, om den priester, -wiens aanmatiging haar diep beleedigde, met kracht af te wijzen, toen -Ameni de oogen opsloeg en haar aanstaarde, met al den ernst die in hem -was. - -Bent-Anat zweeg, doch zij weerstond den blik en beantwoordde dien -trotsch en afwijzend. - -De aderen op Ameni's voorhoofd zwollen; toch wist hij de -verontwaardiging, die in zijn binnenste opkwam als een zwarte dreigende -donderwolk, te beheerschen, en zeide op een toon, die echter wel een -weinig verschilde van zijne gewone deftigheid: »Ten tweede male vragen -de goden u door mij, die hun vertegenwoordiger ben: 'Hebt gij deze -heilige plaats betreden, opdat de onsterfelijken de onreinheid van u -nemen, die uw lichaam en uwe ziel bevlekt?'" - -Bent-Anat antwoordde kortaf en zich volkomen bewust van hetgeen zij -zeide: »Mijn vader zal u het antwoord geven!" - -»Niet mij," hernam Ameni, »maar den goden zal hij het geven, in wier -naam ik u thans beveel dit vlekkeloos heiligdom te verlaten, dat door -uwe tegenwoordigheid wordt bezoedeld." - -De prinses huiverde bij deze woorden en zeide dof: »Ik ga." - -Reeds had zij den voet opgeheven, om naar de poort van den pylon terug -te keeren, toen haar blik dien van den dichter ontmoette. Als een -begenadigde, voor wiens oogen de grootste wonderen gebeuren, had hij -daar gestaan tegenover de koninklijke jonkvrouw, onrustig en toch in -verrukking, vol angst en toch met innerlijke zelfvoldoening. Scheen zij -door deze vermetele daad niet den hemel te willen bestormen? En toch, -die daad was geheel in overeenstemming met haar waar en groot karakter. -Het kwam hem voor alsof Ameni, tot wien hij met zooveel eerbied en -bewondering had opgezien, in het niet wegzonk, en toen zij zich gereed -maakte den tempel te verlaten, weigerde zijne hand, die haar wilde -tegenhouden, hem dezen dienst en zocht, terwijl Bent-Anat's blik den -zijnen ontmoette, de plaats van zijn snel kloppend hart. - -Het kon den opperpriester niet moeielijk vallen in het ongeveinsd gelaat -van deze twee te lezen. Hij gevoelde dat eene snel geknoopte band hunne -zielen had saamgesnoerd, en de blik dien hij hen zag wisselen deed -hem huiveren. Want de weerspannige had den dichter aangezien als eene -zegepralende, die bijval vraagt, en de oogen van Pentaoer waren aan dit -verlangen tegemoetgekomen. Na een oogenblik van beraad riep Ameni: -»Bent-Anat!" - -De prinses keerde zich om, en zag den priester ernstig en vragend aan. -Ameni deed eene schrede voorwaarts, en plaatste zich tusschen haar en -den dichter. »Gij daagt," sprak hij op indrukwekkenden toon, »de goden -uit ten strijd. Dat is stout! Maar het komt mij voor, dat gij tot zulk -eene daad den moed hebt gehad, omdat gij rekent op een bondgenoot, die -de onsterfelijken bijna even nabij staat als ik. Laat mij u daarom dit -zeggen: Aan u, die als een kind op een dwaalspoor zijt geleid, mag veel -vergeven worden; maar een dienaar der godheid" -- en dit zeggende zag -hij Pentaoer aan met onheilspellenden blik -- »een priester, die in den -strijd van willekeur tegen wet overloopt, die zijn plicht verzaakt en -zijn eed vergeet, die kan u niet langer als een raadsman ter zijde -staan. Al had de godheid hem ook met de rijkste gaven gezegend: hij is -verdoemd! Wij bannen hem uit ons midden, wij vloeken hem, wij...." - -Bent-Anat zag bij deze woorden nu eens Ameni aan, die beefde van -ontroering, dan weder Pentaoer, die tegenover haar stond. Op haar gelaat -wisselden het rood der verontwaardiging en doodelijke bleekheid elkander -af, gelijk het licht en de schaduw op den bodem van een palmwoud, -waarover in den middag een stormwind heenvaart. De dichter kwam haar een -voetstap nader. Zij begreep dat hij spreken wilde, en door het gebeurde -te verdedigen zich onmisbaar in het verderf zou storten. Innig -medelijden en eene namelooze angst grepen haar aan, en eer Pentaoer zijn -mond nog kon ontsluiten, zonk zij langzaam voor Ameni's voeten neder en -zeide zacht: »Ik heb gezondigd en mij bezoedeld, zooals gij zegt en -Pentaoer mij ook heeft aangekondigd voor de hut van den Paraschiet. Geef -mij mijne reinheid weder, Ameni, want ik ben onrein." - -Gelijk eene vlam, die door eene menschelijke hand wordt uitgebluscht, -verdween de gloed uit de oogen van den opperpriester. Vriendelijk, ja -met liefdevollen blik zag hij neder op de prinses. Hij zegende haar, -geleidde haar tot voor het allerheiligste, liet haar dáar hullen in -wierookwolken en zalven met de negen heiligste oliën, en gebood haar -naar het koninklijk paleis terug te keeren. Hij voegde er bij, dat haar -schuld nog niet volkomen was geboet; maar weldra zou zij vernemen door -welke gebeden en heilige oefeningen zij van de goden, die hij in het -allerheiligste des tempels zou ondervragen, hare reinheid terug kon -ontvangen. - -Gedurende deze ceremoniën hief het priesterkoor in den voorhof weder -zijne klaagzangen aan. Het volk, dat vóor den tempel stond te luisteren -naar deze liederen, stemde er van tijd tot tijd mede in door een -gillenden jammerkreet; want reeds had zich de sombere mare van het -gebeurde onder de menigte verbreid. - -De zon begon langzaam naar het westen te neigen; de bezoekers van de -doodenstad moesten weldra de Nekropolis verlaten, en nog altijd wilde -Bent-Anat, op welker terugkomst het volk met ongeduld stond te wachten, -niet te voorschijn komen. De een vertelde den ander, dat de dochter des -konings vervloekt was geworden, omdat zij aan de zieke blanke en schoone -Warda, bij de meesten geene onbekende, geneesmiddelen had gebracht. -Onder de nieuwsgierigen, die hierheen gestroomd waren, bevonden zich -vele balsemers, bouwlieden en menschen uit den minderen stand. De geest -van verzet en oproer, waardoor het Egyptische volk in later tijd onder -vreemde overheerschers zich zooveel lijden op den hals haalde, ontwaakte -en nam toe bij de minuut. Men schold op den priesterlijken hoogmoed en -zulk eene onzinnige en onwaardige inzetting. Een dronken soldaat, die -weldra weder terugwandelde naar de kroeg, die hij zooeven had verlaten, -was de raddraaier. Hij nam het eerst een zwaren steen op, om dien tegen -de met metaal beslagene tempelpoort te slingeren. Eenige jongens volgden -al schreeuwend zijn voorbeeld: zelfs meer bejaarde mannen, aangehitst -door het gehuil van fanatieke vrouwen, lieten zich verleiden tot het -schelden en smijten met steenen. - -In het Seti-huis weerklonken onafgebroken de priesterlijke liederen. -Eindelijk, toen het geschreeuw der volksmenigte al luider en luider -werd, opende zich de hoofdpoort. Ameni trad in vol ornaat met deftigen -tred naar buiten, gevolgd door twintig Pastophoren, die godenbeelden -en heilige symbolen op de schouder droegen. Terwijl hij voortging tot -midden onder de menigte, zweeg alles. »Waarom stoort gij onze gebeden?" -vroeg hij luid en kalm. - -Een verward geroep door elkander, waarin zich alleen de dikwijls -herhaalde naam van Bent-Anat liet onderscheiden, was het antwoord. - -Ameni bewaarde zijne onverstoorbare bedaardheid, en zijn kromstaf -opheffende riep hij: »Maakt plaats voor de dochter van Ramses. Zij heeft -bij de goden, die zoowel de schuld van den aanzienlijkste als van den -geringste onder u kennen, reinheid gezocht en gevonden. Zij beloonen de -vromen, maar straffen de weerspannigen. Knielt neder en laat ons bidden, -opdat zij u vergeving schenken en u met uwe kinderen zegenen." - -Ameni liet zich door een Pastophoor het heilige sistrum aangeven en hief -het omhoog[66]. De priesters achter hem hieven eene plechtige hymne aan, -en de menigte zonk op de knieën zonder zich te verroeren, tot het lied -verstomde en de opperpriester uitriep: »De hemelsche goden zegenen u -door mij, hun dienstknecht. Verlaat deze plaats en maakt ruimte voor de -dochter van Ramses." - - [66] Een muziekinstrument, dat bij de godsdienstplechtigheden - der Egyptenaars wordt gebruikt en waarvan nog vele exemplaren - in de museën worden bewaard. Plutarchus beschrijft het met - juistheid aldus: "Het sistrum is van boven rond gebogen, en - de gebogen plaat omvat de vier staven, die in beweging worden - gebracht. Op de ronding, boven, bevestigen zij het beeld van - eene kat met een menschengezicht; onder de vier beweegbare - staafjes plaatsen zij aan de eene zijde het gezicht van Isis - en aan de andere zijde dat van Nephthys." Boven op een bronzen - sistrum in het museum te Berlijn is de kat aanwezig; bij andere - exemplaren vindt men gewoonlijk aan het einde van den steel - maskers van Hathor. In het sanctuarium van den tempel dezer - godin te Dendera werd eene afbeelding van het heilige sistrum op - eene in het oog vallende plaats aangebracht. - -Na dit gesproken te hebben ging hij in den voorhof terug, en de -tempelwacht veegde de straat schoon die, tusschen de sphinxen door naar -den Nijl voerde, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten. - -Toen Bent-Anat haar wagen besteeg, sprak Ameni: »Gij zijt een -koningskind. Het huis uws vaders rust op de schouders van het volk. -Ondermijn de oude instellingen, die het in banden houden, en de menigte -zal in opstand komen als deze onzinnigen." - -Ameni trad achterwaarts. Bent-Anat schikte langzaam de teugels in haar -hand. Intusschen spiegelde haar oog zich in dat van den dichter, die, -geleund tegen een der deurpijlers, als in verrukking naar haar opzag. -Zij liet met opzet haar zweep op den grond vallen, in de hoop dat hij -die oprapen en haar overhandigen zou; doch hij bemerkte het niet. Een -looper sprong toe en gaf het voorwerp aan de prinses, wier paarden -ongeduldig trappelden en onder gehinnik zich in beweging zetten. - -Pentaoer bleef als aan den pijler genageld staan, totdat het geratel -der over de steenplaten van de sphinxenlaan rollende wagenwielen -langzamerhand wegstierf, en de weerschijn van het gloeiend avondrood de -oostelijke bergen kleurde met zachte purperen tinten. De klank van den -slag op een metalen bekken, die in de verte kon worden gehoord, wekte -den dichter uit zijne afgetrokkenheid. Hij bracht zijn linkerhand aan -zijn hart en drukte de rechter tegen zijn voorhoofd, als wilde hij -daarmede zijne her en der dwalende gedachten verzamelen. Het klankbekken -riep hem tot zijn plicht, en wel tot de lessen in de redekunst die hij -op dit uur voor de jonge priesters moest houden. Zwijgend richtte hij -uit gewoonte zijne schreden naar den open hof, waar zijne leerlingen hem -wachten; doch in plaats van gelijk anders op weg daarheen het onderwerp -te overdenken, waarover hij wilde handelen, hielden zijn geest en zijn -hart zich bezig met hetgeen hij in de laatste uren had doorleefd. Eén -beeld, dat hem zoo zalig stemde, beheerschte al zijne voorstellingen; -het was de beeltenis der onuitsprekelijk schoone vrouw, die in al den -glans harer koninklijke waardigheid en bevende van fierheid zich om -zijnentwil in het stof had geworpen. Het was hem alsof zij door die daad -hem eene nieuwe vorstelijke waarde had verleend, alsof zij door haar -blik hem met een hooger licht had beschenen, als ademde hij in reiner -lucht en als hadden zijne voeten vleugelen aangeschoten. - -In zulk eene stemming verscheen Pentaoer onder zijne toehoorders. -Toen hij daar stond tegenover al die bekende gezichten, kwam hij tot -bezinning en begreep hij wat hem te doen stond. Zijn meest geliefde -leerling, de jonge Anana, overhandigde hem het boek, waarmede hij, -vier en twintig uren geleden, beloofd had voort te gaan. Leunende -tegen den wand van den hof, opende hij de papyrus-rol en tuurde op de -schriftteekens. Hij gevoelde echter dat hij niet in staat was om te -lezen. Met alle kracht greep hij zich aan, zag naar boven en trachtte -den draad weder te vinden, waar hij dien gisteren avond had afgebroken -en thans weder moest opvatten; maar het scheen hem toe dat er tusschen -gisteren en heden eene wijde zee lag, welker schuimende golfslag -zijne herinnering en zijn denkvermogen geheel in de war bracht. Zijne -leerlingen, die met de beenen kruislings onder het lijf op een stroomat -tegenover hem zaten, zagen den zwijgenden anders zoo welsprekenden -leeraar verwonderd aan. »Hij bidt," fluisterde een jonge priester zijn -buurman toe, en Anana zag met bezorgdheid, hoe de sterke handen zijns -meesters zich zoo vast om de schriftrol klemden, dat de dunne stof -waaruit ze bestond dreigde te verbrokkelen. - -Eindelijk richtte Pentaoer zijn blik naar beneden. Hij had zijn -onderwerp gevonden. Terwijl hij opzag was zijn oog gevallen op den naam -des konings, die aan de overzijde op den wand stond geschilderd met den -titel: »de goede god." Hij knoopte den gang zijner gedachten aan deze -woorden vast en legde zijne toehoorders de vraag ter beantwoording voor: -»Hoe kunnen wij weten dat de godheid goed is?" Hij riep den eenen -priester na den ander op, om dit thema te behandelen, alsof hij voor -zijne toekomstige gemeente stond. Verschillende leerlingen namen het -woord en spraken met meer of minder waarheid en warmte. De beurt kwam -ten laatste aan Anana, die in goed gekozen woorden de doelmatige -schoonheid prees van de bezielde en onbezielde schepping, waarin zich de -goedheid van Amon[67], Ra[68], Ptah[69] en de andere goden openbaarde. - - [67] Amon, d. i. de verborgene. Hij was de god van Thebe, die, - nadat onder zijne bescherming de Hyksos uit het Nijldal waren - verdreven, met Ra van Heliopolis werd vereenigd, en toegerust - met de attributen van alle overige goden. Het wezen dezer - godheid werd hoe langer hoe meer vergeestelijkt tot dat men het, - in de esoterische leer onder de Ramessiden, gelijk stelde met - het eeuwig verstand, dat het heelal vervult en alles bestuurt. - Hij is de "echtgenoot zijner moeder, zijn eigen vader en zijn - eigen zoon." Als "levende Osiris" bezielt hij al het geschapene, - het vervullende met zijn geest. Het stoffelijke komt bij hem tot - een hooger bestaan. Hij wordt "weldadig, schoon, zonder gelijke" - genoemd, maar ook een "vernietiger van het kwade," in wien de - mensch met vreugd de geheime kracht vereert, die het goede - verheft en het booze nederwerpt. Men erkent hem aan de hooge - dubbele veder op zijn kroon. Als Amon-Chnem wordt hij afgebeeld - met een ramskop. - - [68] Oorspronkelijk de zonnegod. Zijn naam werd later in de - pantheïstische leer der mysteriën gebruikt voor dien van den god - die =het Al= is. - - [69] Ptah, door de Grieken Hephaistos genoemd, is de oudste - onder de goden; de groote godheid die de grondstof der schepping - heeft gemaakt, "die er van den aanvang geweest is;" wien de - zeven Chnemoe als architecten helpend ter zijde staan, en die - "de Heer der waarheid" wordt genoemd, omdat de wetten en de - bepalingen, waaraan wat ontstaat onderworpen is, door hem zouden - zijn ingesteld. Hij schiep ook de kiemen van het licht, staat - daarom aan het hoofd van alle zonnegoden, en wordt schepper - genoemd van het ei, waaruit, nadat hij de schaal had verbroken, - zon en maan te voorschijn traden. Van daar zijn naam: "Hij die - opent." Hij werd voornamelijk te Memphis vereerd. De Apis was - zijn heilig dier. In de leer der onsterfelijkheid en in de - onderwereld treedt hij gewoonlijk op als Ptah Sokar Osiris, die - de ondergaande zon en de afgestorvenen datgene verleent, wat zij - behoeven om weder op te gaan en op te staan. - -Pentaoer luisterde naar den jongeling met de armen kruiselings over -elkander, hem nu eens vragend aanziende, dan weder toestemmend -knikkende. Toen de voordracht geëindigd was, knoopte hij aan deze zijne -denkbeelden vast. Want nu begon hij zelf te spreken. Als gehoorzame -valken op de stem dergenen, die ze ter jacht hebben afgericht, schoten -de ideeën hem toe, en de godsdienstige geestdrift, die in zijn borst was -ontwaakt, doortintelde met gloed en leven zijne rede, die zich verhief -gelijk een adelaar, met steeds breeder en geweldiger vleugelslag. -Nu eens als wegsmeltende van aandoening, dan weder juichende van -verrukking, prees hij de heerlijkheid der natuur. Toen hij de eeuwige -orde aller dingen verheerlijkte, en de ondoorgrondelijke wijsheid des -wereldscheppers, en de voorzienigheid van den Eenen, die eenig is en -groot en zonder gelijken, ja, toen vloeiden hem de woorden van de lippen -als een kristalheldere stroom. »Zóo onvergelijkelijk," dus besloot hij, -»is de woonplaats, die de godheid ons gegeven heeft! Alles wat Hij, de -Eenige, geschapen heeft, is doordrongen van zijn eigen wezen en het -getuigt van zijne goedheid. Wie hem weet te vinden, ziet hem overal, hij -geniet elke sekonde zijne heerlijkheid. Zoekt hem dan, en wanneer gij -hem gevonden hebt, valt voor hem neder en zingt zijn lof. Maar prijst -den allerhoogsten niet alleen uit dankbaarheid voor de heerlijkheid -van de werken zijner handen, maar vooral daarvoor, dat hij ons met de -vermogens heeft begaafd, om door hetgeen hij gemaakt heeft tot zalige -verrukking te worden opgevoerd. Beklimt de toppen der bergen en overziet -het land, dat aan uwe voeten ligt uitgestrekt; knielt neder wanneer het -avondrood gloeit als robijnen en het morgenrood gloort als de rozen; -gaat naar buiten in den nacht en ziet de sterren, hoe zij eeuwig en -zonder stoornis in onmeetbare oneindige kringen de blauwe hemelzee op -zilveren booten bevaren; neemt plaats nevens de wieg van het kind en bij -den bloemknop, en ziet hoe de moeder zich heenbuigt over haar kleine -en de heldere morgendauw op elk blaadje parelt. Maar wilt gij weten in -welke richting de stroom der goddelijke goedheid zich in den volsten -overvloed uitstort, waar de vereering van dien schepper hare rijkste -gaven neerlegt en waar zijne heiligste altaren staan opgericht? Het is -in uw eigen hart, zoo het althans rein is en van liefde vervuld. In -zulke harten spiegelt de natuur zich af als in die tooverspiegels, in -wier oppervlakten wij het schoone driemaal schoon aanschouwen. Dàar -reikt het oog ver over stroom en boomgaarden en bergen heen, en overziet -de geheele aarde. Daar schittert het morgen- en avondrood niet als rozen -en robijnen, maar als de wangen van de godin der schoonheid zelve. Dáar -bevaren de sterren niet zwijgend den hemel, maar onder het heerlijk -ruischen der reinste accoorden. Dáar lacht het kind als een jeugdige -god en de knop ontplooit zich tot een wonderbloem. Dáar breidt de -dankbaarheid zich uit en wordt het gebed inniger, en wij werpen ons in -de armen van een god die -- hoe zal ik zijne heerlijkheid uitspreken! -- -die een god is, tot wien het verheven negental der groote goden -hulpbehoevend opziet als ellendige bedelaars." - -Het klankbekken, dat het einde van het uur aankondigde, brak zijne -rede af. Pentaoer zweeg en haalde diep adem. Gedurende eenige minuten -verroerde zich geen zijner leerlingen. Eindelijk legde de dichter de -papyrus-rol uit zijne hand, veegde zich het zweet van zijn gloeiend -voorhoofd en richtte langzaam zijne schreden naar de deur van den hof, -die toegang verleende tot het heilige tempelbosch. Reeds stond hij op -den drempel, toen hij voelde dat iemand de hand op zijn schouder legde. -Hij zag om. Achter hem stond Ameni en zeide koeltjes: »Gij hebt uwe -hoorders in betoovering opgevoerd, mijn vriend! Jammer maar, dat u de -harp ontbrak." - -Deze woorden van Ameni troffen het opgewekt gemoed van den dichter, als -ijs dat op de borst van een koortslijder wordt gelegd. Hij wist wat deze -toon in de stem zijns meesters te beteekenen had, want zoo pleegde hij -slechte leerlingen en zondige priesters met woorden te straffen. Hem had -hij echter nog nooit op deze wijze toegesproken. - -»Gij schijnt inderdaad in uwe bedwelming vergeten te hebben," ging de -opperpriester ijskoud voort, »wat een leeraar in de school behoort te -spreken. Eenige weken geleden hebt gij in mijne handen gezworen het -mysterie te zullen bewaren, en heden biedt het geheim van den eenigen -onnoembaren, de heiligste bezitting der ingewijden als eene goedkoope -waar op de open markt aan ieder aan." - -»Gij snijdt met messen," zeide Pentaoer. - -»Als ze maar scherp zijn," hernam de opperpriester, »en de onreine -vlekken en het voortwoekerende onkruid in uwe ziel uitroeien. Gij zijt -jong, te jong; doch niet als de teedere vruchtboom, die zich laat -rechtbuigen en veredelen, maar als het gewone ooft op den grond, dat -vergif wordt voor de kinderen die het oprapen, al ware de boom waarvan -het viel ook nog zoo heilig. Niettegenstaande de meeste der ingewijden -hunne stemmen er tegen verhieven, namen Gagaboe en ik u onder ons op. -Dankbaar en vol geestdrift hebt ge mij gezworen, de wet op het mysterie -in eere te zullen houden. Heden heb ik u voor het eerst uit den vrede -der school in den kampstrijd des levens gebracht. En hoe hebt gij het -veldteeken bewaard, dat gij moest omhoog houden en verdedigen?" - -»Ik heb gedaan," antwoordde Pentaoer, diep bewogen, »wat mij voorkwam -waarheid en recht te zijn." - -»Recht is voor u even als voor ons, wat de wet voorschrijft. En wat is -waarheid?" - -»Niemand heeft nog haar sluier opgelicht," zeide Pentaoer; »maar mijne -ziel is geboren uit het bezielde lichaam van het al. Een deel van den -onbedriegelijken geest der godheid leeft in mijne borst, en wanneer hij -zich in mij werkzaam toont...." - -»Hoe licht houden wij toch de stem der eigenliefde voor de stem der -godheid!" - -»Zou de god, die spreekt en werkt in mij als in u, als in ieder ander, -zichzelf en zijne eigene stem niet herkennen?" - -»Als de menigte u hoorde," viel Ameni weder in, »dan zou ieder zich -plaatsen op zijn kleinen troon, ieder de stem der godheid in zijn -binnenste als zijne leidsvrouw beschouwen; dan verscheurden allen de wet -en gaven de flarden prijs aan den oostewind, die ze naar de woestijn zou -dragen." - -»Ik ben een wetende, dien gij zelf hebt geleerd den eenige te zoeken en -te vinden. Het licht, in welks aanschouwing ik mij zalig voel, zou de -menigte, ik loochen dit niet, met blindheid slaan, wanneer ik het haar -toonde...." - -»Nochtans verblindt gij onze leerlingen met dien gevaarlijken glans." - -»Ik voed hen op tot jongelieden, die ook eens wetenden zullen zijn." - -»En dat in gloeiende ontboezemingen van een van liefde dronken hart!" - -»Ameni!" - -»Ook ongeroepen sta ik voor u, als uw meester, verwijzende naar de wet, -die altijd en in alles wijzer is dan een mensch alleen. Zelfs de koning, -ondanks zijn pralende titels, beroemt zich allereerst een =bevestiger= -der wet te zijn. Voor haar moet zich niet minder de wetende buigen dan -de gemeene man, dien wij leeren blindelings te gelooven. Als een vader -sta ik voor u, die u van uwe kindsheid heeft lief gehad, en van geen -zijner leerlingen grootere verwachtingen heeft gekoesterd dan van u. Is -het dan wonder, dat ik u noch weder verliezen, noch de hoop die ik op u -stelde prijs geven wil? Maak u gereed morgen ochtend vroeg onze stille -woning te verlaten. Gij hebt uw leeraarsambt verbeurd. Het werkelijke -leven zal u in de school nemen, en u eerst rijp maken voor de -waardigheid van een ingewijde, die u door mijn toedoen te vroeg werd -verleend. Gij zult uwe leerlingen verlaten zonder afscheid van hen te -nemen, hoe zwaar u dit ook vallen mag. Als het Sothis-gesternte[70] zal -zijn opgegaan, komt gij mijne nadere aanwijzing halen, want gij zult in -de eerstvolgende maanden de priesters in den tempel van Hatasoe hebben -te leiden, ten einde bij de vervulling van dit ambt onder mijne oogen -het vertrouwen terug te winnen, dat gij verbeurd hebt. Geen tegenspraak! -Heden nacht ontvangt gij mijn zegen en onze volmacht; de opkomende -zon zult gij begroeten op de terrassen van de nieuwe plaats uwer -werkzaamheid. De Onuitsprekelijke moge zijn wet diep in uwe ziel -prenten!" - - [70] De heilige Sirius of het Hond-gesternte, dat aan Isis - geheiligd was. De omloop van dit gesternte stemde in den tijd - der pharao's overeen met het ware astronomische jaar en kon - den Egyptenaars daarom reeds vroeg tot grondslag voor de - tijdrekening dienen. - - * * * * * - -Ameni begaf zich naar zijne vertrekken. Daar ging hij rusteloos op -en neer. Op eene kleine tafel lag een spiegel. Hij keek in de glad -gepolijste oppervlakte van het metaal en legde het weder op dezelfde -plaats neder, als had hij een vreemd gelaat gezien, dat hem niet beviel. -Wat hij in de laatste ure had doorleefd was wel in staat geweest hem te -schokken, en zijn vertrouwen op menschen en toestanden te doen wankelen. -De priesters aan gene zijde van den Nijl waren de geestelijke raadgevers -van Bent-Anat. Hij had de prinses altijd hooren roemen als eene vrome, -zeer begaafde jonkvrouw. Haar onvoorzichtig breken met de aloude -inzetting scheen hem eene welkome gelegenheid aan te bieden, om een lid -van de familie van Ramses openlijk te deemoedigen. Doch nu moest hij -voor zichzelf bekennen, dat hij deze jonge vrouw te laag geschat, dat -hijzelf onhandig, ja misschien onverstandig jegens haar gehandeld had. -Want hij kon het zich geen oogenblik ontveinzen, dat hare spoedige -omkeering veeleer een gevolg was geweest van eene opwelling van haar -innig medelijden, misschien zelfs van eene neiging haars harten, dan van -de erkentenis, dat zij verkeerd had gehandeld. Alleen in geval zij zich -schuldig gevoelde, kon hij zonder gevaar van hare overtreding gebruik -maken. - -De opperpriester stond bovendien niet hoog genoeg om vrij te zijn van -ijdelheid, en juist zijn eergevoel was diep beleedigd door dezen -fieren tegenstand van de prinses. Toen hij Pentaoer beval haar te gaan -bestraffen, had hij gehoopt diens eerzucht te prikkelen door het trotsch -gevoel van macht te hebben over de machtigen der aarde. -- En nu? -Hoe had de jongeling, die hem met zooveel geestdrift bewonderde, de -leerling, van wien hij meer dan van eenig ander mocht verwachten, zijn -proef doorgestaan! Zijn levensideaal, de onbeperkte heerschappij van de -priesterlijke idee over de geesten, en van de priesterschap over allen, -zelfs over den koning, was tot hiertoe door dezen zeldzamen jongeling -niet begrepen. - -Toch moest hij het leeren begrijpen. »Hier," sprak Ameni bij zichzelf, -»als de laatste onder honderden die boven hem gesteld zijn, wordt de -zucht tot verzet in deze hoogdravende ziel gewekt. In den tempel van -Hatasoe zal hij te gebieden hebben over beneden hem staande priesters, -die de offers moeten slachten en het wierookvat zwaaien. Door -gehoorzaamheid van anderen te eischen, zal hij de noodzakelijkheid er -van voor zichzelf leeren inzien. De rebel, wien een troon ten deel valt, -wordt een tyran!" -- »Pentaoer's dichterlijke ziel," zoo dacht hij -verder, »heeft zich snel doen kluisteren door de schoonheid van -Bent-Anat. En welke vrouw zou weerstand kunnen bieden aan dezen hoog -begaafde, die schittert met de schoonheid van Ra Harmachis, en van wiens -lippen de zoete taal vloeit van Techoeti[71]! Zij mogen elkander niet -wederzien, want geen band mag hem verbinden aan het huis van Ramses." - - [71] Toth-Hermes. Zie boven. - -Wederom wandelde hij op en neder, zijne alleenspraak dus voorzettende: -»Wat mag dit zijn!? Gelijk palmen de lagere struiken, zoo overtroffen -twee mijner leerlingen in geest en begaafdheden al hunne metgezellen. Ik -voedde hen op tot mijne opvolgers, tot de erfgenamen van mijne hoop en -mijn streven. -- Mesoe[72] werd afvallig, en Pentaoer moest hem volgen! -Is mijn doel dan waarlijk slecht, daar het voor de edelen geene -aantrekkelijkheid schijnt te bezitten? Maar neen! Deze gevoelen dat zij -uit eene betere stof zijn gevormd dan hunne lotgenooten. Zij stellen -zichzelf de wet en huiveren het hoogere te zien opgaan in het lagere. Ik -denk er echter anders over, vermeng mij als eene ijzerhoudende beek van -den Libanon met den grooten stroom en verf dien met mijne kleur." - - [72] De Egyptische naam van Mozes, dien wij als een tijdgenoot - van Ramses mogen aanmerken, daar de uittocht der Joden onder - zijne opvolgers geschiedde. - -Aan het eind van den loop zijner gedachten bleef Ameni staan. Toen riep -hij een der zoogenaamde heilige vaders, zijn geheimschrijver, en zeide: -»Stel oogenblikkelijk een zendbrief op aan alle priestercollegiën van -het land. Deel hun mede, dat de dochter van Ramses zich zwaar vergrepen -heeft tegen de wet door zich te verontreinigen, en schrijf hun voor, dat -men openlijke -- versta mij goed: openlijke! -- gebeden uitspreke voor -hare reiniging in alle tempels. Leg mij den brief binnen een uur ter -onderteekening voor! Doch neen, geef mij uwe pen[73] en uw palet; ik zal -de verordening =zelf= opstellen!" - - [73] De Egyptenaars schreven met dunne rietjes, die in - schrijftafeltjes geborgen werden. Vert. - -De heilige vader overhandigde hem het schrijfgereedschap en trad terug -naar den achtergrond van het vertrek. Ameni prevelde: »De koning wil -ons ongehoord geweld aandoen. Best! Dit schrijven zij de eerste pijl in -antwoord op zijn lansworp." - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - - -Over de aan gene zijde der Nekropolis van Thebe gelegen stad der -levenden was de maan opgegaan. In de door pylonen en rijen sphinxen -verbonden tempelgebouwen, die zich wel een uur ver langs den Nijloever -uitstrekten, waren de laatste tonen der avondliederen weggestorven, maar -in de stad scheen nu het leven eerst recht te ontwaken. De weldadige -koelte die op de hitte van den zomerdag volgde, lokte de burgers naar -buiten, vóor de deuren, op de daken en torens hunner huizen of aan de -schenktafels, waar zij onder het drinken van bier of wijn of frisch -vruchtennat luisterden naar de verhalen van een sprookjesverteller. Vele -der meer eenvoudige lieden hurkten in kringvormige groepen op den grond -en zongen het referein mede van een of ander lied, dat een middelmatig -zanger voordroeg bij den klank eener handtrommel en de tonen der fluit. - -Ten zuiden van den tempel van Amon lag het koninklijk paleis en in de -nabijheid verhieven zich, te midden van meer of minder groote tuinen, -de huizen der rijksgrooten waaronder zich éen vooral door pracht en -omvang onderscheidde. Paäker, de koninklijke gids, had het door een der -bekwaamste bouwmeesters, na den dood zijns vaders, doen optrekken op de -plaats waar het vervallen huis zijner voorouders stond, in de hoop van -zijn nichtje Nefert er binnen te kunnen leiden als zijne echtgenoote. -Weinige schreden verder oostwaarts lag een ander, niet minder deftig -gebouw, maar dat er ouder en niet zoo sierlijk uitzag. De koninklijke -wagenmenner Mena had het van zijn vader geërfd. Terwijl hijzelf in het -verre Syrische land in de tent des konings als diens lijfwacht verblijf -hield, werd het bewoond door zijne gemalin Nefert en hare moeder -Katoeti. Voor de poorten van beide huizen stonden dienaars met brandende -fakkels, wachtende op de lang verbeidde terugkomst hunner gebieders. - -De poort die toegang verleende tot Paäkers terrein, dat rondom door -een muur werd omgeven, was buiten verhouding tot de overige gebouwen -pronkerig hoog en met allerlei bont schilderwerk bedekt. Ter linker- en -rechterzijde rezen twee cederstammen omhoog als masten om de wimpels te -dragen. Hij had ze met opzet voor dit doel op den Libanon doen vellen -en met een schip naar Pelusium aan de noordoostelijke grens van Egypte -laten brengen. Vandaar waren zij langs den Nijl naar Thebe gebracht. -Ging men deze eerste poort door[74], dan kwam men in een ruimen -geplaveiden hof, met gangen die alleen van achteren afgesloten waren, en -waarvan de daken door dunne houten zuilen werden gedragen. Hier stonden -de paarden en wagens van den gids; hier woonden zijne slaven en werd de -voorraad van veldvruchten bewaard, die men in een maand noodig had. In -den achterwand van dezen hof voor de huishouding was weder eene poort, -doch minder hoog, waardoor men in den tuin kwam. Deze was beplant met -rijen goed onderhouden boomen en wijnstokken langs latwerk geleid, met -boschjes van verschillende heestergewassen, bloem- en groentebedden. -Palmen, sykomoren en acacia's, de vijg, de granaat, de jasmijn, ja alles -tierde hier welig, want Setchem, Paäkers moeder, hield het toezicht op -het werk van den hovenier. Bovendien was er in den grooten vijver midden -in dezen aanleg nooit gebrek aan water om de bedden en boomwortels te -begieten, want hij werd gevoed door twee kanalen, waarin de door ossen -in beweging gebrachte schepraderen, dag en nacht het water uit den Nijl -opvoerden. - - [74] Dit erfdeel van den Mohar is beschreven naar de - voortreffelijke voorstellingen van tuinen en huizen van - Egyptische grootte in de groeven van Tel-el-Amarna, afgebeeld - door Lepsius in zijne =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien=. - Abth. III. Het werd voor een bijzonder voorrecht gehouden, een - tuin te bezitten. In den papyrus IV uit het museum van Boelaq, - door Mariëtte uitgegeven, wil de schrijver aantoonen, dat elke - aardsche bezitting tot verzadiging leidt, en hij kiest tot - voorbeeld het huis met een tuin. "Gij hebt voor u," zegt hij, - "een stuk land aangelegd met water doorsneden. Gij hebt uw - tuingrond omheind; sykomoren hebt gij in kringen geplant, ze - keurig schikkende over het gansche erf van uw huis. Gij vult uw - hand met alle bloemen die uw oog aanschouwt. Toch gebeurt het, - dat gij ten laatste van alles verzadigd wordt." - -Aan de rechterzijde van dezen tuin zag men het woonhuis. Het was maar -éene verdieping hoog, maar onafzienbaar lang en bestond uit eene enkele -rij van vertrekken en kamers. Bijna elk vertrek had zijne eigene deur, -die op eene door dunne houten zuilen gedragen veranda uitkwam, welke -langs de geheele tuinzijde van het huis doorliep. Bij dit gebouw sloten -zich rechthoekig een aantal voorraadschuren aan, waarin de vruchten -en groenten, die uit den tuin werden ingezameld, de wijnkruiken, de -geweven stoffen, dierenhuiden, leder, en andere bezittingen van dien -aard werden geborgen. In een afzonderlijk vertrek, waarvan de muren uit -stevig gehouwen steenen waren opgetrokken, werd de schat zorgvuldig -bewaard, die Paäkers voorvaderen en hijzelf in den krijg hadden -verworven, bestaande in gouden en zilveren ringen, dierenbeelden en -vaatwerk. Het ontbrak hier ook niet aan baren koper en edelgesteenten, -vooral lazuursteen en stukken malachiet. -- Midden in den tuin was eene -rijke versierde kiosk aangebracht en eene kapel met godenbeelden. In -de laatste stonden op den achtergrond de beeltenissen van Paäkers -voorvaderen, in de gedaante van een als mummie ingewikkelden Osiris[75]. -Het eene beeld verschilde slechts van het ander, doordat de aangezichten -portretten van de overledenen voorstelden. - - [75] De afgestorvene, die gerechtvaardigd is, wordt na zijn dood - Osiris, dat is: hij komt tot volledige eenheid (Henosis) met de - godheid. De Osiris-mythe vindt men in al hare onderdeelen weder - in de letterkundige nalatenschap der Egyptenaars. Plutarchus - deelt haar volledig mede. De inhoud is, met voorbijgang van - hetgeen niet tot de hoofdzaak behoort, de volgende: Isis en - Osiris beheerschen gelukkig en zegen verspreidend het Nijldal. - Typhon (Seth) verleidt Osiris om in een kist te gaan liggen; hij - sluit die met zijn zeventig helpers en zet haar in den Nijl, - die haar noordwaarts in zee voert. Zij landt aan den oever van - Byblos. Isis zoekt die kist weeklagende, vindt haar en brengt - haar naar Egypte terug. Terwijl zij haar zoon Horus opzoekt, - vindt Typhon het lijk, snijdt het in veertien deelen en strooit - die over het land. Intusschen is Horus opgegroeid; deze - bestrijdt en overwint Typhon, zonder hem te dooden, en geeft aan - zijne moeder haar echtgenoot en aan zijn vader, die gedurende - zijn schijnbaren dood in de onderwereld heeft geheerscht, zijn - troon op aarde weder. Deze zinrijke mythe was een beeld van den - cirkelloop der natuur, van de loopbaan der zon en van het lot - der menschelijke ziel. De scheppende kracht der natuur en de - volheid van den Nijl worden door de droogte, het zonlicht door - de duisternis, de mensch door den dood, het goede beginsel door - het booze, de waarheid door den leugen schijnbaar vernietigd, - hoewel zij allen in de lente (de tijd waarop de Nijl begint te - wassen), aan den morgen, in een ander leven en op den dag der - wedervergelding zegepralen, evenals Osiris door Horus de - overwinning op Typhon heeft behaald. - -De linkerzijde van den hof voor de huishouding was thans in duisternis -gehuld. Toch vergunde de maneschijn vele donkere, slechts met een schort -gekleede gestalten te onderscheiden. Het waren de slaven van den gids, -die in groepjes van vijf of zes op den grond hurkten, of op dunne matten -van palmbast, hunne vrij harde bedden naast elkaar lagen. Op eenige -afstand van de poort, aan de rechterzijde van den hof, brandden eenige -lampen; zij beschenen een groep bruine mannen, Paäkers huisbedienden, -die korte witte rokken droegen in den vorm van hemden, en op een tapijt -waren neergehurkt rondom een nauwelijks twee voet hooge tafel. Zij -gebruikten hun avondmaal, bestaande in eene gebradene antiloop en groote -platte broodkoeken. Zij werden bediend door slaven, die bekers van -gebakken aarde vulden met geelachtig bier. De hofmeester sneed -het groote gebraad op tafel, reikte den tuinman een stuk van een -antilopenbout toe en zeide[76]: »De armen doen mij zeer; dat -slavengespuis wordt van dag tot dag luier en brutaler." - - [76] Grieken en Romeinen berichten, dat de Egyptenaars zoo - verzot waren op satyre en bijtende scherts, dat zij goed en - leven op het spel zetten, om aan hun lust tot spot bot te kunnen - vieren. De aanstootelijke afbeeldingen in de zoogenaamde kiosk - van Medinet Haboe, caricaturen op een papyrus, enz. bevestigen - deze getuigenis. Merkwaardig is eene plaats bij Flavius Vopiscus - (Ed. Peter II, p. 208 c. 7), een Latijnschen geschiedschrijver - uit den tijd van Diocletianus, die de Egyptenaars bijna met de - Franschen vergelijkt. "Zij toch zijn," zegt hij "gelijk men - genoeg weet, winderig, lichtgeraakt, opgeblazen, beleedigend en - zeer ijdel, vrij, uitermate begeerig naar nieuwtjes, makers - van verzen en stekelige gezegden, sterrenduiders, wichelaars, - geneeskundigen." - -»Ik zie het aan de palmen," zeide de tuinman. »Gij hebt zooveel stokken -noodig, dat hunne bladerkronen zoo kaal worden als ruiende vogels." - -»Wij moeten doen als onze meester," zeide de stalmeester, »en ons staven -van ebbenhout aanschaffen. Die houden het wel honderd jaren uit!" - -»In elk geval langer dan de beenderen van menschen," zeide lachend de -opperste veehoeder, die van Paäker's landgoed in de stad was gekomen -om offervee, boter en kaas af te leveren. »Wanneer wij onzen heer in -alles wilden nadoen, dan hadden wij eerlang niet anders dan lammen en -kreupelen in huis." - -»Daar boven ligt de jongen, dien hij gisteren het sleutelbeen heeft stuk -geslagen," zeide de hofmeester. »'t Spijt me van hem, want hij was een -knap mattenvlechter. De oude heer sloeg zachter." - -»Dat zult gij wel weten!" riep een fijn stemmetje, dat zich spottend -achter de schransende bedienden liet hooren. - -Zoodra zij omkeken barstten zij in lachen uit, toen zij den zonderlingen -gast zagen, die hun ongemerkt genaderd was. De pas aangekomene was een -gedrochtelijk kereltje, zoo groot als een knaap van vijf jaren, met een -waterhoofd en ouwelijke maar scherp geteekende gelaatstrekken. De meeste -aanzienlijke Egyptenaren hielden er voor hunne liefhebberij huisdwergen -op na, en dit kleine schepsel moest als zoodanig de vrouw van Mena -dienen. Men noemde hem Nemoe, d. i. dwerg, ontzag hem wegens zijne -scherpe tong, maar zag hem toch gaarne, want hij werd voor zeer -verstandig gehouden en kon aardig vertellen. - -»Gunt mij een plaatsje, mijne heeren," zeide de kleine; »ik neem niet -veel ruimte in. Voor uw bier en uw gebraad hebt gij niet te vreezen, -want mijn maagje is zoo klein als een vliegekop." - -»Maar uw gal is zoo groot als van een Nijlpaard," riep de kok. - -»Zij zwelt," hernam de dwerg ondeugend, »wanneer zij geroerd wordt door -een roerstokdraaier en een lepelzwaaier van uw soort, ja dat zeg ik!" - -»Wees ons dan welkom," sprak de hofmeester. »Wat brengt ge mede?" - -»Mijzelf." - -»Dan brengt gij niet veel groots." - -»Anders zou ik ook niet goed bij ulieden passen," antwoordde de -dwerg. »Maar in ernst, de moeder van mijne meesteres, Katoeti, en de -stadhouder, die ons zooeven bezocht, hebben mij uitgezonden om te -vernemen, of Paäker nog niet weder terug is. Hij begeleidde de prinses -en Nefert naar de doodenstad en de vrouwen zijn nog niet wedergekeerd. -Wij beginnen ongerust te worden, want het is reeds laat." - -De hofmeester zag op naar den sterrenhemel en zeide: »De maan staat -reeds tamelijk hoog en onze meester wilde vóor zonsondergang te huis -zijn." - -»De maaltijd was gereed," zuchtte de kok; »ik zal nog eens aan den -arbeid moeten gaan, wanneer hij ten minste den ganschen nacht niet -uitblijft." - -»Maar dat zal hij niet," verzekerde de hofmeester. »Hij begeleidt immers -de prinses Bent-Anat." - -»En mijne meesteres," voegde de dwerg er bij. - -»Wat ze elkaar veel te vertellen zullen hebben," zeide de tuinman -lachend, »uw opper-draagstoel-drager beweerde, dat zij gisteren op hun -weg in de doodenstad geen woord gewisseld hebben." - -»Kunt gij het den meester ten kwade duiden, wanneer hij boos is op de -vrouw, die met hem verloofd was en een ander tot man heeft genomen? -Wanneer ik aan de ure denk, waarin hij vernam hoe Nefert hare -trouwbelofte had verbroken, wordt ik nog heet en koud tegelijk." - -»Zorg tenminste hiervoor," spotte de dwerg, »dat gij 't in den winter -warm en in den zomer koud hebt." - -»Aller dagen avond is nog niet gekomen," riep de stalmeester. »Paäker -vergeet geene beleediging, en wij zullen het nog beleven, dat hij Mena, -hoe hoog hij ook staat, den schimp hem aangedaan dubbel betaalt...." - -»Mijne meesteres Katoeti," viel Nemoe den stalmeester in de rede, »is -thans bezig de uitstaande gelden van haar schoonzoon te incasseeren. -Overigens wenscht zij reeds sedert lang de oude vriendschap met uw -huis op nieuw aan te knoopen, en ook de stadhouder spreekt van -verzoening. -- Geef mij een stuk gebraad, hofmeester, ik heb honger." - -»De buidel, waarin Mena's inkomsten vloeien," zeide de kok lachend, -»schijnt mager te zijn." - -»Mager! Mager!" hernam de dwerg, »ja, ongeveer als uwe geestigheid. Geef -mij nog een stuk gebraad, hofmeester. Hier, slaaf, schenk mij een dronk -bier in!" - -»Zeidet ge zoo even niet, dat uw maag zoo klein was als een vliegekop?" -riep de kok, »en nu verslindt ge het vleesch als de krokodillen in den -heiligen vijver van het zeeland[77]. Ge schijnt me afkomstig te zijn uit -de verkeerde wereld, waar de menschen zoo klein zijn als de vliegen en -de vliegen zoo groot als de reuzen uit den voortijd!" - - [77] Thans Fajoem, alwaar bij den tempel van den god Sebek te - Krokodilopolis, versierde heilige krokodillen onderhouden en - rijkelijk gevoed werden. - -»Ik wenschte dat ik nog veel grooter was," meesmuilde de dwerg, terwijl -hij onvermoeid verder kauwde, »zoo wat als uw afgunst, die mij niet eens -een derde stuk vleesch gunt, -- ja dát, meen ik, wat de hofmeester, dien -Zefa[78] zegene met rijke bezittingen! daar juist van den rug der -antiloop snijdt." - - [78] De godin van den overvloed. - -»Daar neem 't, veelvraat, maar ge moogt uw gordel wel losmaken!" sprak -de hofmeester vroolijk. »Ik had het stukje voor mijzelf bestemd, en -bewonder uw fijnen neus." - -»Ja die neuzen," zeide de dwerg, »zij leeren een kenner beter dan een -Horoskoop wat er in een mensch zit." - -»Dat is wat fraais!" riep de tuinman. - -»Kraam je wijsheid maar uit," zeide de hofmeester weder. »Als ge wat te -zeggen hebt, zult ge wel eindelijk met eten ophouden." - -»Dat kan samen gaan," hernam de dwerg. »Luister dan! Een kromme neus, -dien ik vergelijk met den snavel van een gier, gaat nooit gepaard met -onderdanigheid. Denk aan den pharao en geheel zijn trotsch geslacht. De -stadhouder daarentegen heeft een rechten, goed gevormden, middelmatigen -neus, zooals de Amonsbeelden in den tempel. Hij is dan ook een -rechtschapen man en vol goddelijke goedheid. Hij is niet hoogmoedig, ook -niet onderdanig, maar juist zooals recht is. Hij houdt het niet met de -grootsten en niet met de kleinsten, maar met lieden van ons slag. Dat -ware een koning voor ons!" - -»Een neuzenkoning!" riep de kok. »Dan geef ik de voorkeur aan den -adelaar Ramses. Maar, wat zegt ge van den neus uwer meesteres Nefert?" - -»Deze is teeder en fijn. Elke gedachte brengt haar in beweging, gelijk -een tochtje de bloemblaadjes. Met haar hart is het evenzoo gesteld." - -»En Paäker?" vroeg de stalmeester. - -»Deze heeft een stevigen stompen neus, met ronde wijd openstaande -neusvleugels. Wanner Seth het zand doet opstuiven en er een stofje in -blaast, dat hem kittelt, dan wordt hij nijdig, en zoo draagt Paäkers -neus en niets anders de schuld van uwe blauwe plekken. Zijne moeder -Setchem, de zuster mijner meesteres Katoeti, heeft een kleinen, ronden, -zachten...." - -»Jou dreumes!" viel de hofmeester hem op eens in de rede, »wij hebben je -gevoerd en naar hartelust laten lasteren; maar als je spitse tong het -waagt onze huisvrouw aan te raken, dan grijp ik je bij den gordel en -slinger je naar het firmament, dat de sterren op je krommen bult blijven -kleven." - -Bij deze woorden stond de dwerg op, ging een paar passen achteruit en -zeide heel bedaard: »Ik zou die sterren zorgvuldig van mijn rug bij -elkaar zoeken en u de schoonste planeet schenken, uit dankbaarheid voor -uw malsch gebraad. -- Maar daar komen de wagens aan! Vaartwel, mijne -heeren, wanneer de snavel van een gier een uwer soms pakt en medesleept -naar den krijg in Syrië, denkt dan aan het woord van den kleinen Nemoe, -die de menschen en de neuzen kent!" - - * * * * * - -De wagen van den gids rolde door de hooge poort vóor zijn huis den hof -binnen. De honden in hunne hokken begonnen vroolijk te blaffen. De -stalmeester vloog Paäker te gemoet en nam de teugels over, de hofmeester -geleidde hem en de kok spoedde zich naar de keuken, om een nieuw maal -gereed te maken. Eer Paäker nog aan de tuindeur gekomen was, deed zich -van de pylonen van den reusachtigen Amon-tempel eerst het wijd in 't -rond klinkend geluid van hard geslagen metalen platen vernemen, dat -gevolgd werd door het veelstemmig gezang van eene statige hymne. De -Mohar bleef stilstaan, zag op naar den hemel, riep zijne dienaars toe: -»de goddelijke Sothis-ster is opgegaan!" wierp zich ter aarde en hief -biddend zijne armen naar het gesternte omhoog. De slaven en beambten -volgden terstond zijn voorbeeld. - -Er gebeurde niets in de natuur, waarop de priesterlijke leiders van het -Egyptische volk niet nauwlettend acht sloegen. Elk verschijnsel op aarde -en aan den sterrenhemel begroetten zij als de openbaring eener godheid, -en zij omsponnen het leven der bewoners van het Nijldal van den morgen -tot den avond, van het begin van den overstroomingstijd tot aan de dagen -der droogte, met een net van gezangen en offeranden, van processiën en -feesten, dat alle menschelijke wezens onverbrekelijk vast aan de godheid -en hare vertegenwoordigers verbond. - -Gedurende eenige minuten lag de meester met zijne dienaars zwijgend op -de knieën, met de oogen onafgebroken op het heilig gesternte gericht en -luisterende naar de vrome gezangen der priesters. Zoodra de laatsten -verstomden stond Paäker op. Alles rondom hem lag ter aarde; alleen bij -de woningen der slaven stond eene door het maanlicht helder beschenen -naakte gestalte roerloos tegen een pijler. De gids gaf een wenk en de -dienaars rezen op; hijzelf echter ging met rasse schreden naar den -persoon, die de godsdienstoefening, door hem met zooveel gestrengheid -gehandhaafd, scheen te minachten, en riep: »Hofmeester, honderd slagen -op de voetzolen van den verachter der godheid!" - -De aangesprokene boog zich en zeide: »Meester, de arts heeft den -mattenvlechter bevolen zich niet te verroeren, en hij kan zijn arm -niet opheffen. Hij lijdt zeer veel pijn. Gij hebt hem gisteren het -sleutelbeen verbrijzeld." - -»Hem is recht geschied," antwoordde Paäker, daarbij zijn stem zoo luid -verheffende, dat de verwonde hem hooren moest. Daarop keerde hij hem den -rug toe en liep den tuin in. Hier riep hij den keldermeester en zeide: -»Geef den slaven heden bier als nachtdronk, allen, en rijkelijk!" - -Weinige oogenblikken later stond hij voor zijne moeder, die hij vond -op het met breede bladplanten versierde dak van haar woning. Zij had -zooeven haar tweejarig kleindochtertje een spruit van haar jongeren -zoon, in de armen van de kindermeid gelegd, om het naar bed te brengen. -Paäker groette de waardige matrone eerbiedig. Zij zag er zeer -vriendelijk uit. Een aantal jonge honden, de lievelingen der weduwe, die -zoo vaak tot lange eenzaamheid was veroordeeld, lag stoeiend hare voeten -te liefkozen. Haar zoon weerde de dadelijk op hem toespringende beestjes -af en ging naar de kleine, die hij uit de armen van de meid in de zijne -overnam. Maar het kind verzette zich hiertegen; het begon hevig te -schreien, en toen het zich niet tot bedaren liet brengen, zette Paäker -het op den grond, knorrig zeggende: »Jou ondeugend ding!" - -»Zij was den geheelen achtermiddag zoo lief en aardig," zeide moeder -Setchem. »Zij ziet u ook zoo zelden!" - -»'t Kan zijn," antwoordde Paäker. »Doch ik weet het wel: de honden mogen -mij wel lijden, maar geen kind laat zich door mij liefkozen." - -»Gij hebt ook zulke harde handen." - -»Breng den schreeuwleelijk weg!" riep Paäker de meid toe. »Ik heb met u -te spreken, moeder!" - -Setchem bracht de kleine tot rust, gaf haar vele kussen en zond haar -toen naar bed. Daarop ging zij naar haar zoon toe, streelde zijne wangen -en zeide: »Als dit kind het uwe was, dan zou het zeker tot u komen, en u -leeren, dat een kind de grootste is van alle schatten, welke de goden -aan menschen toevertrouwen!" - -Paäker lachte even en zeide: »Ik weet waarop gij zinspeelt; maar laat -dit thans rusten, want ik heb u wat gewichtigers mede te deelen." - -»Welnu?" vroeg Setchem. - -»Ik heb heden voor het eerst sedert toen, gij begrijpt mij, met Nefert -gesproken. Al wat sedert gebeurd is mogen wij vergeten! Gij verlangt -zoo zeer naar uwe zuster: welnu, ga haar bezoeken, ik heb er niets meer -tegen." - -Setchem zag haar zoon met ongeveinsde verwondering aan; hare oogen, -waarin spoedig een traan welde, vloeiden nu over, en aarzelend vroeg -zij: »Kan ik mijne ooren vertrouwen, kind, hebt gij...." - -»Het is mijne bepaalde wensch," zeide Paäker op beslissenden toon, »dat -gij den ouden hartelijken band met uwe bloedverwanten weder aanknoopt. -De vervreemding heeft lang genoeg geduurd." - -»Veel te lang!" riep Setchem. - -De gids zag zwijgend naar den grond, en voldeed aan het verlangen zijner -moeder, door zich naast haar neder te zetten. - -»Ik wist het wel," zeide zij, zijne hand in de hare nemende, »dat -deze dag ons vreugde zou brengen, want ik heb van uw Osirischen vader -gedroomd, en toen ik mij naar den tempel liet dragen, ontmoette ik eerst -eene witte koe en daarna een bruidsoptocht. De heilige ram van Amon -raakte ook den tarwekoek aan, dien ik hem aanbood"[79]. - - [79] Het was voor Germanicus eene voorspelling van zijn - aanstaanden dood, toen de Apis weigerde uit zijne hand te eten. - -»Dat zijn gelukkige voorteekenen," zeide Paäker ernstig en op een toon -van stellige overtuiging. - -»Haasten wij ons dankbaar aan te grijpen wat de goden ons willen -toezeggen," riep Setchem vol vreugde. »Morgen ga ik naar mijne zuster -en zeg haar, dat wij weder met dezelfde liefde van weleer bij elkander -willen wonen, en het goede zoowel als het kwade samen deelen. Wij -behooren immers tot hetzelfde geslacht, en ik weet dat, evenals orde en -reinheid een huis voor verval bewaren en den gast verblijden, eendracht -alleen het geluk eener familie waarborgt en haar aanzien onder de -menschen ophoudt. Wat gebeurde is nu eenmaal gebeurd en worde vergeten! -Er zijn behalve Nefert nog vele vrouwen in Thebe, en honderd -aanzienlijken des lands zouden zich gelukkig achten, u tot schoonzoon te -krijgen." - -Paäker stond op en begon peinzend de groote ruimte op en neer te -wandelen, terwijl Setchem verder sprak: - -»Ik weet," zeide zij, »dat ik eene pijnlijke wond in uw hart heb -aangeraakt, maar zij is reeds half gesloten en zal wel genezen, wanneer -gij gelukkiger zult zijn dan de wagenmenner Mena, en hem daarom niet -meer zult behoeven te haten. Nefert is teer en onervaren; zij zou niet -opgewassen zijn tegen eene zoo groote huishouding als de onze. Eerlang -zal men ook mij wikkelen in de mummie-windsels, en wanneer dan uw plicht -u naar Syrië roept, moet eene omzichtige huisvrouw in mijne plaats alles -bestieren. Dat is waarlijk geen kleinigheid! Uw grootvader Assa heeft -dikwijls gezegd: een huis waar overal goede orde heerscht is het beeld -van een gezin, dat prijs stelt op een onbevlekten naam, waarin alles -met wijsheid wordt geregeld en deugdelijk wordt geleefd; van een gezin -waarin ieder zijn aangewezen plaats inneemt, zijne bepaalde plichten -heeft te vervullen, en zeker kan zijn dat zijne rechten zullen worden -gehandhaafd. Hoe dikwijls heb ik tot de Hathors gebeden, dat zij u eene -gade mochten schenken naar mijn hart!" - -»Eene Setchem zal ik wel niet vinden," zeide Paäker, terwijl hij zijne -moeder op het voorhoofd kuste, »want de vrouwen zooals gij zijt sterven -uit." - -»Gij vleier!" zeide Setchem met een lach, terwijl zij haar zoon met -den vinger dreigde. »Maar het is waar! Het opkomend geslacht pronkt en -siert zich op met stoffen uit Kaft[80], het kruidt zijne gesprekken met -Syrische woorden en laat den hofmeester en de kokkin de handen vrij, -waar men zelf gebieden moest. Ook mijne zuster Katoeti en Nefert..." - - [80] Phoenicië. - -»Nefert is anders dan de overige vrouwen," viel Paäker zijne moeder in -de rede. »Ware zij door u opgevoed, dan zou zij de kunst verstaan om -niet alleen een huis sierlijk in te richten, maar ook het te besturen." - -Setchem zag haar zoon verwonderd aan; daarop zeide zij half in -zichzelve: »Ja, ja, zij is een lief kind, waarop men niet boos kan -worden, wanneer men haar in de oogen ziet. En toch was ik boos op haar, -omdat gij het waart, en omdat.... nu ja, gij weet het wel! -- Doch nu -gij haar vergeven hebt, vergeef ook ik gaarne, haar en haar echtgenoot." - -Er kwam een wolk op Paäker's voorhoofd, en terwijl hij voor zijne moeder -bleef staan, zeide hij met zijne gewone schrille stem: »Hij moge in -de woestijn versmachten, en de hyena's van het Noorderland mogen zijn -onbegraven lichaam verslinden!" - -Setchem trok, toen zij deze taal hoorde, den sluier voor haar -aangezicht, en klemde de aan haar hals hangende amuletten vast in hare -handen. Daarop zeide zij zacht: »Wat kunt gij toch vreeselijk zijn! Ik -weet wel dat gij den wagenmenner haat, want ik heb de zeven pijlen boven -uw legerstede wel gezien, waarop geschreven staat: Dood aan Mena! Het is -een Syrisch toovermiddel, dat hem in het verderf moet storten tegen wien -het wordt aangewend. Hoe somber staat gij te staren! Ja, het is een -toovermiddel, dat de goden haten en den booze macht geeft over ieder die -er zich van bedient. Uw vader en ik hebben u geleerd de goden te eeren. -Laat het aan hen over den misdadiger te treffen, want Osiris ontzegt hen -zijne bescherming, die zich den booze tot bondgenoot kiezen." - -»Mijne offers," antwoordde Paäker, »verzekeren mij de hulp der goden. -Wat Mena aangaat, die als een gevloekte roover jegens mij gehandeld -heeft, ik lever hem over aan den booze, wien hij toebehoort. Genoeg -hiervan! Wanneer gij mij liefhebt, spreek dan den naam van mijn vijand -niet meer in mijne tegenwoordigheid uit! Nefert en hare moeder heb ik -vergiffenis geschonken; dit zij u genoeg!" - -Setchem schudde het hoofd en riep: »Waar moet dat op uitloopen! De krijg -kan toch niet eeuwig duren, en wanneer Mena terugkeert, dan zal de -verzoening van heden in des te erger vijandschap overslaan. Ik zie -maar éen redmiddel! Volg mijn raad en laat mij eene vrouw zoeken uwer -waardig." - -»Thans niet," antwoordde Paäker ongeduldig. »Binnen weinige dagen -vertrek ik weder naar het land van den vijand, en ik wensch niet even -als Mena, mijne vrouw terwijl ik leef, als eene weduwe achter te laten. -Waarom wilt gij daarop aandringen? De vrouw van mijn broeder en hare -kinderen zijn immers bij u? Wees daarmede tevreden!" - -»De goden weten hoe ik ze liefheb," hernam Setchem, »maar uw broeder -Horus is de jongste, gij zijt de oudste zoon, wien het erfdeel toekomt. -Uw nichtje is voor mij een aangenaam tijdverdrijf. Maar hadt gij een -zoon, dan kon ik dezen opvoeden in mijn en uws vaders geest, als -toekomstigen stamhouder en hoofd der familie. Bovendien, alles is mij -heilig, wat mijn gestorven echtgenoot wenschte. Hij verheugde zich er -over, dat gij zoo vroeg reeds verloofd waart met Nefert, en hoopte dat -een zoon van zijn oudsten zoon Assa's geslacht in stand zou houden." - -»Het zal mijne schuld niet zijn," zeide Paäker, »wanneer een zijner -wenschen onvervuld blijft! De sterren staan reeds hoog. Slaap wel, -moeder, en wanneer gij morgen Nefert en uwe zuster bezoekt, zeg -hen dan, dat de poort van mijn huis voor haar open staat! -- Nog iets! -Katoeti's hofmeester heeft den onzen eene kudde te koop aangeboden, -niettegenstaande de veestapel op Mena's landgoed zeer klein moet zijn. -Wat heeft dat te beteekenen?" - -»Gij kent mijne zuster," antwoordde Setchem. »Zij bestuurt Mena's -bezittingen, heeft groote behoeften, zoekt door uiterlijk vertoon de -grooten te overtreffen, ziet den stadhouder dikwijls bij zich aan huis, -en heeft bovendien een zoon, die nog al verkwistend is. Zoo kan er nu en -dan wel eens gebrek zijn aan het noodigste." - -Paäker haalde de schouders, op, groette andermaal en verliet zijne -moeder. - - * * * * * - -Niet lang daarna stond hij in het ruime vertrek, dat hem tot woon- -en slaapkamer diende, wanneer hij in Thebe was. De wanden waren wit -bepleisterd en rondom de deuren en vensteropeningen van de tuinzijde met -eenige vrome spreuken in hiëroglyphen beschilderd. Midden tegen den -achtergrond stond een bed, in de gedaante van een leeuw; het hoofdeinde -stelde de kop en het voeteneinde de staart voor. Over het bed was eene -fijn gelooide leeuwenhuid gespreid, en een met vrome spreuken beschreven -hoofdsteunsel van ebbenhout stond op eene trapvormige hooge voetbank -gereed, wanneer hij slapen wilde. Boven het bed waren kostbare wapenen -en zweepen van allerlei soort in keurige orde opgehangen, en daaronder -ook de zeven pijlen, waarop Setchem de woorden: »Dood aan Mena!" had -gelezen. Zij kruisten juist de letters eener spreuk, die beval de -hongerigen te spijzigen, de dorstigen te drenken, de naakten te kleeden, -en barmhartig te zijn jegens grooten en kleinen[81]. Aan het hoofdeinde -van het bed kon men in de muur nog eene nis opmerken, die zorgvuldig -door een purperen gordijn werd gesloten. Voorts stonden in alle hoeken -van het vertrek beelden, waarvan drie de trias van Thebe: Amon, Moeth -en Choensoe voorstelden, en de vierde Paäkers gestorven vader. Voor elk -was een klein offeraltaar geplaatst met holten, die met fijne reukwerken -waren gevuld. Op een houten toestel vond men kleine godenbeeldjes en -amuletten in overvloed. Een aantal bont beschilderde kasten dienden tot -bergplaats voor de kleederen, de sieraden en de papieren van den gids. -Midden in de kamer stond eene tafel, omringd door eenige stoelen in den -vorm van tabouretten. - - [81] Een gebod uit de heilige schriften, dat telkens wederkeert. - Wij vinden het reeds op gedenkteekenen uit het oude rijk, bijv. - te Beni Hassan (12e dynastie). - -Toen Paäker dit vertrek binnentrad, vond hij het door lampen verlicht -en een groote hond vloog dadelijk kwispelstaartend naar hem toe. Hij -liet toe dat het beest tegen zijne schouders opsprong, wierp het op den -grond, vergunde het andermaal op hem aan te stormen, en gaf het toen een -kus op zijn verstandigen kop. Vóor zijn bed lag een kolossale oude neger -te ronken. Paäker gaf hem een schop met zijn voet en riep hem toe, toen -hij wakker werd: »Ik heb honger!" waarop de zwarte grijskop langzaam -oprees en het vertrek verliet. - -Zoodra de gids alleen was, haalde hij het fleschje met den liefdedrank -uit zijn gordel, beschouwde het met teedere blikken en legde het in -eene kist, die verschillende fleschjes met heilige offeroliën bevatte. -Hij was gewoon elken avond de holten der altaren op nieuw met zulke -vluchtige reukoliën te vullen en zich biddend voor de godenbeelden -neer te werpen. Heden plaatste hij zich alleen voor de beeltenis zijns -vaders, en kuste de voeten ervan, prevelende: »Uw wil zal geschieden! De -vrouw, die gij voor mij bestemd hebt, zal uw oudsten zoon toebehooren!" - -Hierna liep hij op en neder, en overdacht alles wat dezen dag gebeurd -was. Eindelijk bleef hij staan met de armen over elkaar, en zag daarbij -de godenbeelden uit de hoogte aan, als een wandelaar, die een slechten -gids wegjaagt en voornemens is zelf den weg te zoeken. Zijn blik viel op -de pijlen boven zijn bed. Hij lachte, en terwijl hij met de vuist op de -breede borst sloeg, riep hij: »Ik, ik, ik --!" De dog, die meende dat -zijn meester hem riep, sprong naar hem toe, doch Paäker weerde het dier -af, en sprak: »Als gij eene hyena in de woestijn tegen komt, valt gij -het ondier aan, en wacht niet af tot mijne lans het bereikt heeft, -en daar de goden, mijne meesters, talmen, zoo zal ik mijzelf recht -verschaffen. Gij echter," ging hij voort, terwijl hij zich tot het beeld -zijns vaders richtte, »zult mij bijstaan." - -Deze alleenspraak werd afgebroken door de slaven, die zijn maaltijd -brachten. Paäker liet zijn oog gaan over de verschillende spijzen, die -de kok voor hem had gereed gemaakt, en vroeg knorrig: »Hoe dikwijls moet -ik bevelen, voor mij niet allerlei klaar te maken, maar slechts éen -groot krachtig gerecht? En waar is de wijn?" - -»Gij zijt gewoon deze niet aan te raken," antwoordde de oude neger. - -»Maar heden heb ik trek in een dronk," riep de gids. »Breng een van die -oude kruiken met rooden wijn van Kakem"[82]! - - [82] Eene plaats in de nabijheid van de trappenpyramide van - Saqqarah in de Nekropolis van Memphis, waar reeds in de oudheid - druiven moeten zijn geteeld, want van rooden wijn van Kakem - (Kochome?) wordt meer dan eens gewaggemaakt. - -De slaven keken elkander verbaasd aan. De wijn werd gebracht en Paäker -dronk den eenen beker na den anderen ledig. Toen de bedienden de hielen -hadden gelicht, zeide een hunner, die het meest durfde: »Anders vreet de -meester als een leeuw en zuipt hij als een mug; maar heden...." - -»Hou je mond!" riep zijn metgezel, »en kom in den hof want Paäker laat -ons heden bier schenken. Hij heeft zeker de Hathors ontmoet!" - -De gebeurtenissen van dezen dag moesten wel diep in het innerlijk leven -van den gids hebben ingegrepen, want de man, die onder alle krijgers van -Ramses wel de matigste was, die den roes niet kende en de drinkgelagen -van zijne gezellen in het legerkamp zorgvuldig ontweek, zat heden in het -middernachtelijk uur alleen aan zijn tafel en dronk, tot het vermoeide -hoofd hem zwaar werd. Op eens herstelde hij zich. Hij liep naar zijn bed -en schoof het gordijn op zij, dat de nis aan het hoofdeinde van zijn -legerstede bedekte. Er kwam een bontbeschilderd vrouwenbeeldje van -kalksteen te voorschijn, met het hoofdsieraad en de attributen van de -godin Hathor. Haar gelaat vertoonde de trekken van de vrouw van Mena. -Vier jaren geleden had de koning bevolen een beeld der godheid te -vervaardigen, met de aanminnige trekken der jonge vrouw van zijn -wagenmenner, en het was Paäker gelukt zich er eene kopie van te -verschaffen. Hij knielde nu op zijn bed neder, beschouwde het beeld met -vochtige oogen, sloeg een onderzoekenden blik in het rond, om zich te -verzekeren dat hij alleen was, boog zich daarop voorover en drukte eene -kus op de zachte koude steenen lippen, legde zich neer en sliep in, -zonder zich te ontkleeden en de lampen in zijn vertrek te doen -uitblusschen. - -Onrustige droomen benauwden zijn gemoed. Toen de morgen begon te -schemeren gaf hij, door een akelig droombeeld beangstigd, zulk een -rauwen gil, dat de oude neger, die zich naast den hond vóor zijn bed had -neergelegd, verschrikt opsprong en hem bij zijn naam riep om hem wakker -te maken, terwijl de dog luid begon te huilen. Paäker werd wakker met -zware hoofdpijn. Het droomgezicht, dat hem zoo beangstigd had, stond hem -levendig voor den geest, en hij trachtte het vast te houden, tot hij -een Horoscoop zou hebben doen ontbieden om het uit te leggen. Na de -phantasieën van den vorigen avond, die hem het uitzicht hadden geopend -op de vervulling zijner wenschen, gevoelde hij zich neerslachtig en -bedrukt. De morgenhymnen uit den Amonstempel drongen als eene vermanende -stem tot zijn vertrek door, en hij zette alle zondige gedachten van -zich, met het voornemen de beslissing van zijn lot weder aan de goden -over te laten en zich van alle tooverkunsten te onthouden. Als naar -gewoonte daalde hij af in het voor hem gereed gemaakte bad. Terwijl het -lauwe water hem omspoelde, dacht hij met klimmende levendigheid aan -Nefert en aan den tooverdrank, dien hij haar eerst niet had willen -inschenken, maar dien hij haar toch werkelijk had toegereikt, en die -nu reeds kon gewerkt hebben. De liefde tooverde rooskleurige, de haat -bloedroode beelden voor zijne oogen. Hij spande zijne krachten in om -zich los te maken uit het net van verzoekingen, dat hem al vaster en -vaster scheen te omklemmen; doch het ging hem als den man, die in een -moeras is geraakt en dieper zinkt, hoe meer moeite hij doet om zich uit -den modder te werken. Met het klimmen der zon steeg ook zijn levensmoed -en zijn zelfvertrouwen. Toen hij zich gereed maakte in zijn kostbaarst -kleed zijn huis te verlaten, was hij weder gestemd als gisteren avond, -en stond zijn besluit vast, zonder, en als het zijn moest zelfs in -weerwil van de goden, zijn doel na te streven. - -De Mohar had zijn weg gekozen, en hij keerde nooit om, als hij eene -wandeltocht was begonnen. - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - - -De zon stond ter middaghoogte. Hare stralen vonden geen toegang tot de -nauwe schaduwrijke straten van de woonstad Thebe, maar zij brandden -met verzengende hitte op den breeden weg van den dijk, die naar het -koninklijk paleis voerde en in den regel op dit uur niet zeer -bevolkt was. Maar op dienzelfden weg verdrongen zich heden wagens en -voetgangers, ruiters en dragers van draagstoelen. De wandelaars kwamen -niet enkel uit de stad, maar ook van de havenzijde, waar de booten -gewoonlijk de bewoners der Nekropolis aan wal zetten. Op sommige -plaatsen goten negers uit lederen zakken water op den weg, maar er was -zoo geweldig veel stof, dat de straat en al wat zich daarop bewoog in -een drogen nevel werd gehuld. - -De residentie van den pharao verkeerde in buitengewone beweging, want -als een loopend vuur, door een stormwind aangeblazen, had zich een -gerucht verbreid, dat de hutten der armen zoowel als de paleizen der -aanzienlijken met hoop en vrees vervulde. Vroeg in den morgen waren -drie boden te paard met zwaar beladen briefzakken[83] uit het leger des -konings gekomen, en vóor het paleis van den stadhouder afgestegen. -Evenals de dorpsbewoners na lange droogte naar de zwarte onweerswolken -zien, die zich boven hun hoofd samenpakken, waaruit verkwikkende regen, -maar ook de vernielende bliksem en de verpletterende hagel te -voorschijn kunnen komen, zoo verkeerden de burgers in angstige spanning -en in blijde verwachting, zoo vaak er tijdingen kwamen van het -oorlogstooneel, iets wat maar zelden en met onregelmatige tusschenpoozen -gebeurde. Er was toch geen huis in de reusachtige stad, dat niet een -vader, een zoon of een bloedverwant had gezonden naar het leger, dat in -het verre noordoosten onder den koning streed. Wel is waar brachten -de boden uit het kamp meer droeve dan blijde berichten over. -De schriftrollen die zij bij zich droegen, hielden gewoonlijk -kennisgevingen in van dood en verwonding, maar zelden van bevorderingen, -koninklijke geschenken en behaalden buit. Dit nam niet weg, dat zij -toch met smachtend verlangen werden te gemoet gezien en met gejuich -ontvangen. Na de aankomst snelden groot en klein naar het paleis van den -stadhouder; men verdrong zich om de schrijvers, die de ontvangen brieven -uitdeelden, en de berichten voor openlijke mededeeling bestemd, alsmede -de lijsten der gevallenen, of die op eene andere wijze bezweken waren, -voorlazen. Er is voor een mensch niets pijnlijker dan de onzekerheid, en -meestal ziet hij de slechte tijding met grooter spanning dan de goede te -gemoet. Ongeluksboden rijden ook sneller, dan zij die goede dingen te -verkondigen hebben. - - [83] De schrijflustige Egyptenaars schreven vele brieven, - waarvan er een groot aantal voor ons bewaard bleven. Zij kenden - ook eene vereeniging van briefbestellers en hadden daarvoor - in hunne taal het woord "faï sjaat." Vgl. het voortreffelijk - geschrift van Maspero, =Du genre épistolaire chez les anciens - Egyptiens de l'époque pharaonique=. - -De stadhouder Ani hield zijn verblijf in een zijgebouw van het -koninklijk paleis. Zijne bureelen omgaven een onafzienbaar ruim plein. -In de talrijke vertrekken, die allen op het plein uitkwamen, zaten een -menigte schrijvers onder opzichters te werken. Aan de achterzijde van -den open hof zag men eene overdekte, door zuilen gedragene en van voren -geopende ruimte, die veel op eene veranda geleek. Hier was Ani gewoon -recht te spreken, beambten, boden en smeekelingen te ontvangen. Ook -heden zat hij in deze vestibule, zichtbaar voor alle aanwezigen, omgeven -door een talrijk gevolg, op een kostbaren troon. Hij liet zijn oog -gaan over de volksmenigte, bij troepen door de hooge poort in den hof -toegelaten door wachters met lange staven, die ze ook weder uitgeleide -deden. Wat hij zag en hoorde was niet zeer opwekkend, want uit elke -groep, die een schrijver omgaf, hoorde hij weeklachten opgaan. Zij -die te vertellen hadden van buit, aan hunne bloedverwanten ten deel -gevallen, waren wel te tellen. Een onzichtbare band, uit jammer en -tranen geweven, scheen het grootste deel van die hierheen gekomen waren -te verbinden. Hier stonden weeklagende mannen, die stof over hun hoofd -wierpen, daar scheurden vrouwen hare kleederen, terwijl zij bitter -schreiden en onder het zwaaien met den sluier uitkreten: »Ach mijn man!" -»Ach mijn vader!" »Ach mijn broeder!" -- Ouders, die het bericht -ontvingen van den dood van hun zoon, vielen elkander weenend om den -hals; grijsaards rukten zich de baard- en hoofdharen uit; jonge vrouwen -sloegen zich op het hoofd en den boezem, of vielen den voorlezenden -schrijver op 't lijf, om met eigen oogen de namen te lezen -der geliefden, die van hen waren weggerukt. Hartstochtelijke -zielsaandoeningen, hetzij dat ze uit vreugde of uit smart worden -geboren, dekken wij met een sluier, waaraan men in dien tijd geene -behoefte gevoelde. - -Ter plaatse waar de klachten het luidst werden vernomen, vertoonde zich -een mannetje, dat rusteloos van de eene groep naar de andere liep. Het -was Nemoe, de dwerg van Katoeti, dien wij reeds kennen. Hij stond nu -naast eene vrouw uit den aanzienlijken stand, die baadde in haar tranen, -omdat haar echtgenoot in den laatsten slag gesneuveld was. »Kunt gij -lezen?" vroeg hij haar. »Daar boven aan de architraaf staat de naam van -Ramses, met al zijne titels. Schenker des levens noemt hij zich! Nu ja! -hij weet wat nieuws te maken: weduwen bedoel ik, wier mannen hij laat -slachten." - -Eer de verbaasde vrouw hem antwoorden kon, stond hij bij een diep -bedroefd man, en zeide, terwijl hij hem aan zijn kleed trok: »Flinker -jongen dan uw gevallen zoon heeft men nooit in Thebe gezien. Laat uw -jongste verhongeren of sla hem kreupel, anders slepen ze hem ook naar -Syrië, want Ramses heeft veel gezond Egyptisch vleesch noodig voor de -Syrische gieren." - -De oude, die tot dusver daar had gestaan in stille berusting, balde de -vuist; maar de dwerg vervolgde, terwijl hij op den stadhouder wees: -»Wanneer die dáar den schepter zwaaide, zouden er geene weezen en -bedelaars meer zijn aan den Nijl. Heden is het heilige water van den -stroom nog zoet, maar weldra zal het ziltig smaken als de noordelijke -zee, van al de tranen, die aan zijne oevers worden vergoten." - -Het was alsof de stadhouder deze woorden had gehoord, want hij stond van -zijn troon op, en hief als een weeklagende zijne handen omhoog. Velen -der aanwezigen merkten deze beweging op, en luide jammerkreten vervulden -het plein, dat de soldaten weder deden ontruimen, om plaats te maken -voor andere volksscharen, die zich aan de poort verdrongen. - -Terwijl deze zich opnieuw rondom de schrijvers groepeerden, zat de -stadhouder Ani met kalme waardigheid op zijn troon, door zijn gevolg en -zijne schrijvers omgeven, en verleende audientie. Hij was een man van -ruim veertig jaren en 's konings eigen neef. Ramses I, de grootvader van -den tegenwoordigen pharao, had het wettig koningshuis doen vallen, en -zich door overweldiging van de kroon der pharao's meester gemaakt. Hij -was gesproten uit een Semitisch geslacht, dat na de verdrijving der -Hyksos[84] in Egypte was gebleven, en onder Thotmes en Amenophis zich -door dapperheid had onderscheiden. Na zijn dood volgde zijn zoon Seti -hem op, die zich het wettig recht op den troon zocht te verzekeren door -Toeaä, de kleindochter van Amenophis III, tot vrouw te nemen. Zij schonk -hem een eenigen zoon, dien hij naar zijn vader Ramses heette. Deze prins -kon zich met alle reden op de legitimiteit beroepen, omdat zijne moeder -aldus uit het rechtmatig koningshuis afstamde; want in Egypte kon -een adellijk geslacht, zelfs dat der pharao's, in vrouwelijke linie -voortbestaan. Seti benoemde Ramses tot zijn mederegent[85], om daardoor -allen twijfel aan de rechtmatigheid zijner heerschappij weg te nemen. -Den jongen neef zijner gemalin Toeaä, den stadhouder Ani, die weinige -jaren jonger was dan Ramses, liet hij in het Seti-huis opvoeden; hij -beschouwde hem als zijn eigen zoon, terwijl andere leden van het -onttroonde koningshuis uit den weg geruimd of van hunne goederen beroofd -werden. - - [84] Stammen die uit het oosten kwamen, toen zij door eene - Aziatische volksverhuizing naar Egypte werden verdrongen. Zij - maakten zich meester van het Nijldal, dat zij bijna 500 jaren - beheerschten, totdat zij door de nakomelingen van het oude - wettige geslacht der pharao's, die gedurende dien tijd zich - tot Opper-Egypte beperkt zagen, na langdurigen strijd verjaagd - werden. - - [85] Reeds bij zijne geboorte. In een opschrift te Abydus, door - Mariëtte uitgegeven en door Maspero verklaard, beroemt Ramses - zich, "dat hij reeds koning was in het ei." Hij is de Sesostris - der Grieken. Zijn bijnaam Seseroe-Ra is op de gedenkteekenen - bewaard gebleven. Wanneer de Grieken van de groote daden van - Sesostris spreken, dan bedoelen zij wat Seti en Ramses te zamen - hebben verricht. - -Ani toonde zich een getrouw dienaar én van Seti én van diens zoon. De -oorlogzuchtige en grootmoedige Ramses vertrouwde hem als een broeder, -hoewel hij zich niet ontveinzen kon, dat in zijne eigene aderen minder -zuiver koningsbloed vloeide, dan in die van zijn neef. Het Egyptische -koningshuis heette van den zonnegod Ra af te stammen, en de pharao kon -zich alleen door zijne moeder, Ani daarentegen door zijne beide ouders -op zoo hooge afkomst beroemen. Doch Ramses zat op den troon, hij voerde -de teugels van het bewind met vaste hand, en dertien zonen verzekerden -zijn huis de heerschappij over Egypte naar het scheen voor eeuwig. Toen -hij na den dood van zijn krijgszuchtigen vader naar het noorden toog, om -nieuwe lauweren te plukken op het oorlogsveld, benoemde hij Ani, die als -gouverneur van de provincie Koesch[86] reeds de proef had doorgestaan, -tot stadhouder van het rijk. - - [86] Ethiopië. - -Iemand van een sanguinisch temperament overschat vaak den man van een -kalmer natuur, in wiens karakter hij zich niet verplaatsen en wiens -voortreffelijke hoedanigheden hij zich niet toeëigenen kan. Vandaar dat -de neef, die zeer matig was in zijne eischen en geen hartstocht bleek te -kennen, op den oorlogzuchtigen vurigen Ramses zulk een indruk maakte. -Ani scheen vrij te zijn van alle eerzucht en ondernemingsgeest. Hij nam -de hem opgedragen waardigheid aan, na tot het uiterste zich er tegen -verzet te hebben, en er was te minder reden om hem voor gevaarlijk -te houden, daar hij vrouw en kinderen had verloren, en dus geene -nakomelingen bezat. Wat zijn uiterlijk aangaat, was hij van meer dan -middelbare grootte. Zijne trekken waren buitengewoon regelmatig, zelfs -fijn geteekend, maar zijn gelaat overigens effen en weinig beweeglijk. -Zijne heldere grijze oogen en dunne lippen deden niet blijken, dat zijn -hart van zekere neigingen was vervuld. Veeleer had hij zich gewend zijn -gezicht tot een glimlach te plooien, die nu eens wat sterker, dan weder -wat minder, over het geheel voor verschillende wijziging vatbaar was, -maar toch nooit geheel werd gemist. - -Met vriendelijke welwillendheid had hij de klacht van een grondbezitter -aangehoord, wiens vee voor het leger des konings was weggehaald, en hem -beloofd deze zaak te zullen onderzoeken. De berooide man verwijderde -zich vol hoop; toen echter de schrijver, die aan de voeten van den -stadhouder zat, vroeg, aan wien het onderzoek van deze daad der beambten -moest worden toevertrouwd, zeide Ani: »ieder heeft voor den krijg zijn -offer te brengen; het blijft bij het gebeurde." - -De nomarch[87] van Soean, in het zuidelijk gedeelte des rijks, -verlangde de middelen tot nieuwe en noodzakelijke versterkingen van den -rivieroever. De stadhouder hoorde 's mans levendige schildering met -welgevallen, ja met eene uitdrukking van deelneming aan, maar hij gaf -hem de verzekering, dat de oorlog alle middelen verslond en de kassen -dus ledig waren. Toch was hij geneigd een deel zijner eigene inkomsten, -wanneer deze ten minste ook niet uitbleven, ten offer te brengen tot -bescherming van het bedreigde bouwland in zijne getrouwe provincie -Soean, die hij van zijnentwege liet groeten. Zoodra de nomarch -vertrokken was, beval hij eene aanzienlijke som uit de staatskas te -nemen en den verzoeker achterna te zenden. Midden in het gesprek nu -stond hij van tijd tot tijd op, om de houding van een weeklagende aan -te nemen, opdat de bedroefden mochten weten, dat hij ook deel nam in -de verliezen die hun aangingen. - - [87] Hoofd van een nomos of provincie. - -Reeds had de zon hare middaghoogte overschreden, toen men zekere onrust -bespeurde onder de volksgroepen rondom de schrijvers op het plein, -waarbij het geschreeuw van allerlei stemmen werd gehoord. Vele mannen -en vrouwen stroomden naar éen punt samen, en ook de opmerkzaamheid der -minst beweeglijke bewoners van Thebe werd getrokken door een op deze -plaats gansch ongewoon voorval. Een soldaat van de wacht dreef de -menigte uit elkaar, om doorgang te verleenen aan eene afdeeling -Libysche politie-agenten, die een gevangene over het plein naar eene -zijpoort brachten. Eer zij daar kwamen, was er reeds een bode van den -stadhouder bij hen, om te vernemen wat er gebeurd was. De overste der -veiligheidsbeambten volgde, en berichtte Ani, die op hem wachtte, onder -levendig gebaar, dat een klein mannetje, het dwergje van vrouwe Katoeti, -reeds uren lang in den hof had rondgeloopen, overal de gemoederen der -burgers vergiftigende met zijne oproerige taal. - -Ani beval »den verblinde" in den kerker te werpen. Zoodra de overste -echter weg was, gebood hij zijn schrijver den dwerg vóor zonsondergang -bij hem te brengen. - -Terwijl hij deze bevelen gaf, ontstond er weder eene beweging van gansch -anderen aard onder de saamgevloeide menigte. Evenals de zee, naar het -oud verhaal, ter rechter- en ter linkerzijde voor de Hebreën week, -opdat geen golf den voet der vervolgden zou bevochtigen, zoo trad het -verzamelde volk, vrijwillig maar als op hooger last, onder eerbiedige -buiging uiteen, en vormde een breeden doorgang voor den opperpriester -van het Seti-huis, die in vol ornaat, vergezeld van eenige heilige -vaders, recht op den stadhouder toeging, terwijl hij de menigte zegende. -Ani kwam hem te gemoet, boog zich voor hem en zonderde zich terstond met -hem af op den achtergrond van de zuilengaanderij. - -»Zoo is dan het ondenkbare toch gebeurd," zeide Ameni. »Onze -onderhoorigen moeten den heerban volgen." - -»Ramses heeft soldaten noodig om te kunnen overwinnen," gaf de -stadhouder ten antwoord. - -»En wij brood om te leven," riep de priester. - -»Nochtans werd mij bevolen terstond, dus nog vóor den zaaitijd, de -tempelboeren te lichten. Ik betreur dit bevel, maar de koning wil het, -en ik ben de hand die moet uitvoeren." - -»De hand, waarvan hij zich bedient om te spotten met eeuwenoude rechten, -om voor de woestijn den weg te banen tot het bouwland"[88]. - - [88] "Bij eene goede cultuur," zeide Napoleon I, "bereikt de - Nijl de woestijn, bij eene slechte de woestijn den Nijl." - -»Uwe akkers zullen niet lang onbebouwd blijven. Ramses zal nieuwe -overwinningen behalen door de uitbreiding van het leger en met de hulp -der goden." - -»Der goden, die hij beleedigt!" - -»Als de vrede gesloten is, verzoent hij de hemelsche goden ongetwijfeld -met driedubbel rijke gaven. Hij verwacht stellig, dat de oorlog spoedig -ten einde zal zijn, en hij schrijft mij, dat hij voornemens is, na den -eersten slag dien hij wint, den Cheta een verdrag voor te slaan. Men -spreekt ook van een plan des konings om, na het sluiten van den vrede, -weder in het huwelijk te treden, en wel met de dochter van Chetasar den -koning Cheta." - -Tot hiertoe had de stadhouder zijne oogen naar beneden gericht, thans -sloeg hij ze op, met een glimlach, als wilde hij zich wijden aan de -vreugde, die deze berichten bij Ameni moesten verwekken. »Wat," vroeg -hij, »zegt gij van deze plannen?" - -»Ik zeg," gaf Ameni ten antwoord, en er lag iets schalksch in zijne -anders zoo ernstige stem, »ik zeg dat Ramses het bloed van uwe tante -en zijne moeder, dat hem recht geeft op den troon van dit land, voor -onveranderlijk rein schijnt te houden." - -»'t Is het bloed van den zonnegod!" - -»Dat echter =half= in zijne en =geheel= in uwe aderen stroomt." - -De stadhouder maakte eene afkeurende beweging, en zeide zacht, met een -lachje als op het gelaat van een doode: »Wij zijn niet alleen." - -»Hier is niemand, die ons hooren kan," hernam Ameni, »en wat ik zeide -weet zelfs ieder kind." - -»Doch zoo het den koning ter oore kwam," fluisterde Ani, »dan...." - -»Dan zou hij ondervinden hoe onverstandig het is, de oude rechten -dergenen te minachten, aan wie het vrijstaat de reinheid van het bloed -der beheerschers van dit land te onderzoeken." - -»Nog zit Ramses op den troon van Ra; hem bloeie leven, heil en -kracht"[89]! - - [89] Eene formule, die zelfs in particuliere brieven van - Egyptenaars achter den naam van den pharao voorkomt. - -De stadhouder boog en vroeg dan: »Denkt gij aan het verlangen van den -pharao gehoor te geven?" - -»Hij is de koning. Onze Raad, die binnen weinige dagen vergadert, kan -alleen beslissen hoe, niet of wij dit bevel ten uitvoer zullen leggen." - -»Gij wilt met het afzenden der onderhoorigen nog toeven, en toch heeft -Ramses ze terstond noodig. Het bloedige handwerk van den krijg vordert -nieuwe werktuigen." - -»En de vrede wellicht een nieuwen meester, die de zonen van dit land -weet te gebruiken ten beste van het land zelf, een echten zoon van Ra!" - -De stadhouder stond onbeweeglijk tegenover den opperpriester, als een -standbeeld uit metaal gegoten, en zweeg. Ameni deed zijn schepter voor -hem als voor een god ter neder zinken, en trad daarop naar den voorgrond -van de galerij. Om Ani's mond speelde het gewone glimlachje, toen hij -hem volgde en zich weder vol waardigheid op den troon nederzette. - -»Zijt gij aan het einde uwer mededeelingen?" vroeg hij den -opperpriester. - -»Mij blijft alleen nog te berichten," antwoordde deze met luider stem, -zoodat hij door al de hier verzamelde grootwaardigheidsbekleeders -verstaan kon worden, "dat de dochter des konings Bent-Anat, zich -gisteren zwaar bezondigd heeft, en de goden in alle tempels van dit land -met offers zullen worden aangeroepen, om de onreinheid van haar weg te -nemen." - -Wederom trok eene schaduw heen over den zonneschijn op het gelaat van -den stadhouder. Nadenkend zag hij voor zich, en zeide: »Morgen zal ik -het Seti-huis bezoeken, tot zoolang bid ik u deze aangelegenheid te -laten rusten." - -Ameni boog en de stadhouder verliet de galerij, om zich terug te -trekken in den door hem bewoonden vleugel van het koningshuis. Op zijn -schrijftafel lagen verzegelde schriftrollen. Hij wist dat zij zeer -gewichtige tijdingen voor hem inhielden, maar het was zijne gewoonte -zijne begeerten in bedwang te houden, zijne onthouding op de proef te -stellen, en als een lekkerbek het beste gerecht het laatst te laten -opdragen. Zoo las hij dan ook nu eerst de minst gewichtige brieven. Een -stomme bediende, die aan zijne voeten zat, verbrandde op een bekken met -kolen de papyrus-rollen, die zijn meester hem overgaf, en een beambte -teekende kort de hoofdpunten op, die Ani hem toeriep en straks moesten -dienen voor de verschillende antwoorden. Op een teeken van den -stadhouder verliet de beambte het vertrek, waarna Ani langzaam een brief -des konings opende. Uit het opschrift: »Aan mijn broeder Ani," bleek, -dat hij over geene algemeene maar private aangelegenheden handelde. Van -deze regels, dit wist de stadhouder, hing het af, welke richting zijn -leven in de toekomst zou nemen. Met een lachje, dat ditmaal de onrust -van zijn gemoed voor hemzelf scheen te moeten verbergen, maakte hij het -zegelwas los, waarmede de brief, met 's konings eigene hand geschreven, -was gesloten. - -»Wat Egypte betreft," dus schreef de pharao, »en de zorg voor mijn land, -en de hoop op een gelukkig einde van den krijg, dienaangaande liet ik u -door mijn schrijver onderrichten. Maar deze woorden gelden den broeder, -die verlangt mijn zoon te worden, en daarom schrijf ik die zelf. De -goddelijke geest van den gebieder, die in mij leeft, legt mij zoo gaarne -een onverwijld =ja= of =neen= op de lippen, dat beslist wat het beste -is. Gij nu verlangt mijn meest geliefd kind, Bent-Anat, tot vrouw, en -ik zou Ramses niet zijn, indien ik niet ronduit bekende, dat, eer ik het -laatste woord van uw brief gelezen had, een onbepaald =neen= mij van -de lippen wilde. Ik liet de sterren ondervragen, en de ingewanden der -offerdieren onderzoeken, doch zij waren tegen uw bede. Toch vermag ik -haar niet af te wijzen, want gij zijt mij dierbaar, en uw bloed is even -koninklijk als het mijne. Het is nog koninklijker, zeide mij een oud -vriend, en hij waarschuwde mij voor uw eerzucht en uwe verheffing. Toen -veranderde mijn hart, want ik zou geen zoon van Seti zijn, wanneer ik -uit ijdele bezorgdheid een vriend wilde krenken. En wie zoo hoog staat, -dat de menschen vreezen, of hij misschien ook beproeven zal Ramses boven -het hoofd te groeien, deze schijnt mij Bent-Anat waardig te zijn. -Wil haar vragen, en wanneer zij vrijwillig er in toestemt uwe vrouw -te worden, dan mag de bruiloft gevierd worden op den dag van mijne -tehuiskomst. Gij zijt nog jong genoeg om eene vrouw gelukkig te maken. -Uwe meerdere rijpheid en wijsheid zullen mijn kind voor ongeluk bewaren. -Bent-Anat mag weten, dat haar koninklijke vader uw aanzoek ondersteunt. -Offer gij echter aan de Hathors, opdat zij het hart van Bent-Anat, aan -welker beslissing wij beiden ons onderwerpen willen, gunstig voor u -stemmen." - -Onder het lezen van dezen brief was de stadhouder meermalen van kleur -veranderd. Schouderophalend legde hij dien thans op de tafel, stond op, -plaatste zich met de armen op den rug tegen een der zuilen, die de -zolderbalken van het vertrek schraagden, en keek peinzend naar den -grond. Hoe langer hij nadacht, des te minder vriendelijk werden zijne -trekken. »Eene pil met honig zoet gemaakt, zooals men die aan vrouwen -geeft"[90], prevelde hij in zich zelf. Wederom ging hij naar de tafel, -doorlas den koninklijken brief andermaal en zeide: »Men kan van hem -leeren, hoe men weigert onder den schijn van toe te stemmen, en daarbij -niet vergeet zijne edelmoedigheid te doen uitkomen. Ramses kent zijne -dochter; zij is een meisje als alle andere, en zal er zich wel voor -wachten een man te kiezen, die eens zoo oud is als zij, en die haar -vader zou kunnen zijn. Ramses wil zich onderwerpen. Ik moet mij -onderwerpen! Maar aan wien? Aan het oordeel en de keus van een -eigenzinnig kind!" - - [90] In de medische papyrussen zijn tweeërlei recepten voor - pillen bewaard, zonder honig voor mannen, met honig voor - vrouwen. - -Met deze woorden schoof hij den brief zoo wild op de tafel, dat hij er -overheen gleed op den grond. De stomme slaaf nam hem op en legde hem -weder voorzichtig op tafel. Zijn meester wierp intusschen een kogel in -een zilveren bekken. Verschillende beambten stoven naar binnen, wien -Ani beval den gevangen dwerg van vrouwe Katoeti vóor hem te brengen. In -zijne ziel was hij boos op den koning, die daar ginds in zijn legertent -waande, hem door een bewijs zijner hoogste gunst gelukkig gemaakt te -hebben. Wien men zelf kwalijk gezind is, dien is men geneigd voor zijn -vijand te houden, en wanneer zoo iemand ons eene roos aanbiedt, dan -gelooven wij, dat hij ons die bloem niet toereikt om haar geur, maar om -haar doornen. - -De dwerg Nemoe werd voor den stadhouder gebracht en wierp zich voor hem -ter aarde. Nadat Ani den beambte had bevolen heen te gaan, riep hij den -kleine toe: »Gij hebt mij gedwongen u in de gevangenis te laten werpen; -sta op." - -De dwerg stond op en zeide: »Heb dank, ook daarvoor dat gij mij liet -opsluiten!" - -De stadhouder keek hem verwonderd aan; Nemoe ging echter half ondeugend, -half deemoedig voort: »Ik werd benauwd voor mijn leven. Gij hebt het -echter niet alleen niet verkort maar verlengd, want in dien eenzamen -kerker is de tijd mij lang gevallen en zijn de minuten uren voor mij -geworden." - -»Spaar uwe aardigheden voor de vrouwen," hernam de stadhouder. »Als ik -niet wist, dat gij het goed meendet en handeldet in den geest van uwe -meesteres Katoeti, dan zou ik u naar de steengroeve zenden." - -»Mijne handen," zeide de dwerg al meesmuilende, »zouden toch niet veel -meer dan steenen voor het damspel kunnen breken. Doch mijne tong is -als water, dat den eenen boer rijk maken en den anderen zijne akkers -wegspoelen kan." - -»Men zal haar weten te beteugelen." - -»Voor mijne meesteres en voor u volgt zij toch den goeden weg," zeide de -dwerg. »Ik bracht de klagende burgers aan het verstand, wie hun vleesch -en bloed naar de slachtbank voert, en van wien zij vrede en geluk hebben -te verwachten. Ik goot loog in de wonde en prees den arts." - -»Maar ongeroepen en onvoorzichtig!" viel de stadhouder hem in de rede. -»Overigens hebt gij getoond, dat ge bruikbaar zijt, en ik zal u voor -later tijd sparen. Al te ijverige vrienden zijn waarlijk schadelijker -dan verklaarde vijanden. Als ik u noodig heb, zal ik u roepen. Vermijd -tot zoo lang alle praatjes. Ga nu naar uwe meesteres en breng haar dezen -brief, die voor haar is aangekomen." - -»Heil den zoon van den zonnegod, Ani!" riep de dwerg, terwijl hij den -voet van den stadhouder kuste. »Heb ik geen brief over te brengen aan -mijne meesteres Nefert?" - -»Breng haar mijn groet," antwoordde de stadhouder. »Zeg Katoeti, dat ik -haar na den maaltijd een bezoek zal brengen. De wagenmenner des konings -heeft niet geschreven, toch is hij welvarend, zoo ik hoor. Pak je nu weg -en bedwing je tong!" - -De dwerg verliet het vertrek en Ani begaf zich naar eene luchtige -galerij, waar hem zijn weelderig maal werd opgedragen, bestaande -uit vele met bijzondere zorg toebereide gerechten. Zijn eetlust was -bedorven, toch proefde hij van alle schotels en gaf over elke aan den -hofmeester, die hem bediende, zijn oordeel ten beste. Onderwijl dacht -hij aan den brief des konings, aan Bent-Anat, en of het geraden zou zijn -zich aan eene afwijzing van hare zijde bloot te stellen. Na den maaltijd -leverde hij zich over aan zijn kamerdienaar, die hem zorgvuldig schoor, -blankette, aankleedde en opsierde, en hem dan den spiegel voorhield. Hij -beschouwde zijn beeld met gespannen opmerkzaamheid, en toen hij zich -in de draagstoel zette, om zich naar zijne vriendin Katoeti te laten -dragen, kwam hij tot de overtuiging, dat hij toch nog altijd den naam -verdiende van een schoon man. - -Wanneer hij nu eens aanzoek deed om de hand van Bent-Anat, en zij hem -verhoorde, wat dan? Dit was het juist wat hem bewoog tot Katoeti te -gaan, die altijd het rechte woord wist te vinden, wanneer hij in -verwarring gebracht door alles wat er voor en wat er tegen was te -zeggen, aarzelde een beslissenden stap te doen. Op haar raad had hij de -prinses tot vrouw begeerd, als een nieuw eerbewijs, als eene verhooging -van zijn inkomen, als een pand, dat zijn persoon zou beschermen. Zij had -nooit meer of minder indruk op zijn hart gemaakt, dan iedere andere -schoone vrouw in Egypte. Thans stond de fiere edele persoon voor zijne -verbeelding, en het was hem als moest hij tot haar opzien als tot een -wezen, dat hoog boven hem verheven was. Hij had er spijt van Katoeti's -raad gevolgd te hebben, en hij begon te wenschen, dat zij het aanzoek -mocht afslaan. Een huwelijk met Bent-Anat kwam hem bezwarend voor. Hij -was te moede als een man, die een schitterend ambt tracht te verwerven, -hoewel hij weet, dat zijne krachten niet berekend zullen zijn voor de -eischen die het hem stelt. Hij had het gevoel van een eerzuchtige, -wien de koninklijke waardigheid wordt aangeboden onder voorwaarde, dat -hij de zware kroon nooit van zijn hoofd mag nemen. Doch ja, wanneer -eens wat anders gelukte -- en zijne oogen fonkelden levendig bij deze -gedachte -- wanneer het noodlot hem eens op de plaats van Ramses zette, -dan verloor die verbintenis met de prinses al dat schrikwekkende, dan -was hij ook haar onbeperkte koning, heer en gebieder, en niemand had hem -rekenschap te vorderen van hetgeen hij voor haar zijn zou en haar deed -ondervinden. - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - - -Terwijl dit alles gebeurde, had het niet stil gestaan van bezoekers -in het huis van den wagenmenner Mena. Uitwendig geleek het op Paäkers -belendend erfgoed, maar de gebouwen waren hier wat ouder, de kleuren van -het schilderwerk op zuilen en wanden waren verbleekt, en de groote tuin -werd blijkbaar niet met zooveel zorg onderhouden. Alleen in de nabijheid -van het woonhuis had men eenige rijke bloembedden aangelegd, die er -keurig uitzagen, en de opene galerij, waarin Katoeti zich met hare -dochter ophield, was inderdaad vorstelijk gemeubeld. Daar stonden -sierlijk bewerkte elpenbeenen stoelen en eene ebbenhouten tafel, die -evenals de rustbedden door vergulden voeten werd gedragen. Men zag er op -de schenktafel, de kleine tafeltjes en consoles, Syrische drinkschalen -van kunstrijken arbeid. Overal waren prachtige vazen met bloemen gevuld, -neergezet. Heerlijke geuren stegen er op uit albasten schalen, en de -vloer was bedekt met een mollig wollen tapijt, waarin de voet bijna -wegzonk. Ofschoon al deze kostbaarheden hier zonder orde schenen -bijeengebracht, lag er over het geheel toch een waas van bekoorlijkheid, -iets onbeschrijfelijk lieflijks. - -De schoone Nefert lag op een rustbed uitgestrekt, spelende met eene -witte zachtharige kat. Een negerinnetje was bezig haar met een waaier af -te koelen, terwijl hare moeder Katoeti nog een afscheidsgroet gaf aan -hare zuster Setchem en diens zoon Paäker, die de galerij verlieten. -Beide hadden voor het eerst sedert vier jaren, dat was sedert Mena's -huwelijk met de schoone Nefert, dezen drempel overschreden, en het -scheen dat de oude vijandschap zou plaats maken voor eene nieuwe -hartelijke verstandhouding en samenleving. Nadat de gids met zijne -moeder verdwenen waren achter de granaatstruiken aan den ingang van -den tuin, wendde Katoeti zich tot hare dochter en zeide: »Wie had dat -gisteren gedacht? Ik geloof dat Paäker u nog altijd liefheeft." - -Nefert bloosde en sprak zacht, terwijl zij haar zijden katje met den -waaier sloeg: »Moeder!" - -Katoeti lachte even. -- Zij was eene flinke vrouw van edele houding, die -met hare scherpe maar toch fijne gelaatstrekken en levendige oogen nog -altijd aanspraak mocht maken op vrouwelijke schoonheid. Zij droeg een -lang gewaad van kostbare stof, dat tot over hare enkels reikte, maar -waarvan de eenvoudige donkere kleur met opzet scheen gekozen te zijn. -In de plaats van arm- en enkelbanden, oor- en vingerringen, van een -halsketen en gouden sloten, waarvan de Egyptische dames en ook hare -dochter en zuster zich rijkelijk plachten te bedienen, had zij zich -getooid met frissche bloemen, die in den tuin van haar schoonzoon nooit -vruchteloos werden gezocht. Een gladde, gouden diadeem alleen, het -teeken harer koninklijke afkomst, bedekte van den vroegen morgen tot -den laten avond haar, voor eene schoone vrouw wel wat al te hoog maar -toch edel gevormd voorhoofd. Deze diadeem hield tevens hare lange -blauw-zwarte haren samen, die ongevlochten, alsof zij de kunstige -schikking van dit hoofdtooisel een ijdel werk achtte, over haar rug -nedervielen. Doch in het uiterlijk van deze vrouw was niets zonder -berekening, en de draagster van deze diadeem, al was haar kleed -eenvoudig en zonder kostbaar sieraad, kon er, dank zij hare koninklijke -gestalte, zeker van zijn, dat zij werd opgemerkt, dat anderen haar -kleederdracht, ja zelfs hare bewegingen zouden navolgen. - -Toch had Katoeti langen tijd behoeftig geleefd; ja op het oogenblik -waarop wij haar leeren kennen, kon zij weinig haar eigendom noemen. -Immers zij leefde op het goed van haar schoonzoon als zijn gast en -bestuurderes van zijne bezittingen, terwijl zij vóor het huwelijk van -hare dochter, met hare kinderen had gewoond in een huis, dat aan hare -zuster Setchem toebehoorde. Zij was de gade geweest van haar eigen jong -gestorven broeder[91], die door zijne toomelooze praalzucht het gansche -vermogen had verkwist, dat het nieuwe koningsgeslacht hem gelaten had. -Als weduwe was zij met hare kinderen door Paäkers vader, haar zwager, -als eene zuster opgenomen. Zij bewoonde een eigen huis, genoot de -inkomsten van een landgoed, dat de oudere Mohar haar had geschonken, en -liet aan haar zwager de zorg over voor de opvoeding van haar zoon, die, -zich onderscheidende door zijne schoonheid en zijn overmoed, alle -aanspraken deed gelden van een jongeling van aanzienlijke geboorte. - - [91] Huwelijken tusschen broeders en zusters waren in het - oude Egypte geoorloofd. Ofschoon dit in strijd was met de - Macedonische zeden, namen Ptolemaeën deze gewoonten toch over. - Toen Ptolemaeus II Philadelphus, zijne zuster Arsinoë huwde, - schijnt men het echter noodig geacht te hebben dit te - verontschuldigen door den stand van de planeet Venus met - betrekking tot Saturnus en den onvermijdelijken invloed van deze - constellatie. - -Zulke groote weldaden zouden de trotsche Katoeti hebben neergedrukt en -beschaamd, wanneer zij er mede tevreden was geweest en zich had kunnen -voegen naar den aard en de handelwijze der gevers. Dit was echter in -geenen deele het geval. Veeleer meende zij aanspraak te kunnen maken op -eene schitterender positie. Zij voelde zich beleedigd, wanneer men haar -lichtzinnigen jongen, terwijl hij nog op school was, vermaande zich met -meer ernst op zijn werk toe te leggen, daar hij later geheel op eigene -wieken zou moeten drijven. Ook had het haar gegriefd, zoo vaak haar -zwager als het te pas kwam op zuinigheid aandrong, en haar openhartig -als hij was, herinnerde aan haar beperkte middelen en aan de onzekere -toekomst harer kinderen. Bovendien wilde zij zich gaarne gekrenkt -achten, want zij begreep op dien grond te mogen beweren, dat hare -bloedverwanten met al hunne gaven de beleedigingen haar aangedaan toch -niet goed konden maken. Bij haar bevestigde zich de ervaring, dat wij -op niemand gemakkelijker boos worden dan op een weldoener, wien wij het -goede, dat hij ons gedaan heeft, niet vergelden kunnen. - -Nochtans, toen haar zwager voor zijn zoon aanzoek deed om de hand harer -dochter, gaf zij gaarne hare toestemming. Nefert en Paäker waren te -zamen opgegroeid, en door deze verbintenis werd hare eigene toekomst en -die harer kinderen, verzekerd. Kort na den dood van den ouden Mohar, -vroeg de wagenmenner Mena Nefert ten huwelijk. Zij zou hem echter hebben -afgewezen, wanneer de koning zelf niet het aanzoek van zijn bijzonderen -vriend ondersteund had. Na de bruiloft nam zij haar intrek in Mena's -huis, en belastte zich, toen hij ten krijg trok, met de zorg voor zijn -aanzienlijke, maar reeds door zijn vader met eenige schulden bezwaarde -goederen. Het lot gaf haar nu een middel aan de hand, om zich en hare -kinderen schadeloos te stellen voor lange ontberingen. Zij maakte er -dan ook gebruik van, door toe te geven aan hare aangeborene neiging -om opgemerkt en bewonderd te worden. Haar zoon deed zij schitterend -uitgerust opnemen onder eene afdeeling van de aanzienlijke jonge -wagenstrijders, en hare dochter omringde zij met vorstelijke pracht. - -Toen de stadhouder, een vriend van haar overleden gemaal, het paleis der -pharao's te Thebe betrok, knoopte hij met haar betrekkingen aan, en de -scherpzinnige vrouw, die zich bewust was van hetgeen zij wilde, wist -zich bij den besluiteloozen man eerst aangenaam; eindelijk onontbeerlijk -te maken. Zij maakte behendig gebruik van de omstandigheid, dat zij -evenals hij gesproten was uit het oude koningshuis, ten einde zijne -eerzucht te prikkelen en hem uitzichten te openen, waaraan hij, vóor -zijn vertrouwelijken omgang met haar, zelfs niet gedacht zou hebben, -zonder zich als misdadig te beschouwen. Dat Ani pogingen in het werk -stelde om de hand der prinses Bent-Anat te verkrijgen, was Katoeti's -werk. Zij hoopte in stilte, dat de pharao den stadhouder afwijzen, ja -persoonlijk beleedigen zou. Het zou hem gemakkelijker den gevaarlijken -weg doen inslaan, die zij bezig was voor hem te effenen. - -Bij dit alles was de dwerg Nemoe haar gehoorzaam werktuig. Zij had hem -met geen enkel woord in hare plannen ingewijd. Toch sprak hij hare -gemoedsaandoeningen in ronde woorden uit, die alleen door een tik met -den waaier bestraft werden. Nemoe had het gisteren voor het eerst -gewaagd te zeggen, dat, als de pharao eens niet Ramses maar Ani heette, -Katoeti dan geene koningin zou zijn, maar eene godin. Want zij zou -den pharao, die zelfs tot de hemelsche goden behoorde, niet moeten -gehoorzamen, maar hem veeleer besturen. -- - -Katoeti had het blosje van hare dochter niet opgemerkt, want zij keek in -gespannen verwachting naar de tuindeur, en zeide: »Waar blijft Nemoe? Er -zullen toch voor ons wel tijdingen uit het leger zijn gekomen?" - -»Mena heeft in zoolang niet geschreven," zeide Nefert. »Ha, daar is de -hofmeester!" - -Katoeti richtte zich tot den beambte, die door een zijdeur der veranda -was binnengekomen, met de vraag: »Wat nieuws brengt gij?" - -»De koopman Abscha," luidde het antwoord, »dringt op betaling aan. De -nieuwe Syrische wagen en de purperstof...." - -»Verkoop koren!" beval Katoeti. - -»Onmogelijk, want de belastingen voor den tempel zijn nog niet voldaan, -en er is reeds zooveel aan de kooplieden geleverd, dat er ter nauwernood -genoeg overblijft voor de huishouding en den zaaitijd." - -»Betaal dan met runderen." - -»Maar meesteres," gaf de hofmeester angstig ten antwoord, »wij hebben -eerst heden weder een kudde aan den Mohar verkocht, en de schepraderen -moeten in beweging gehouden, het koren moet gedorscht worden; voorts -hebben wij offervee noodig, en melk, boter en kaas voor het huishouden -en mest om te stoken"[92]. - - [92] In het aan hout zoo arme Egypte is heden nog gedroogde - koemest de voornaamste brandstof. -- Ook in sommige gedeelten van - ons land wordt deze brandstof (bijv. de plaggen in 't Gooi) door - arme lieden gebruikt. Vert. - -Katoeti zag nadenkend vóor zich, en zeide toen: »Er moet toch geld zijn. -Rijd naar Hermonthis, en zeg den opzichter van de stoeterij, dat hij -tien van Mena's geelvossen hierheen laat brengen." - -»Ik heb reeds met hem gesproken," hernam de hofmeester; »hij zegt echter -dat Mena hem streng verboden heeft een enkel van zijne paarden, op welk -ras hij zeer trotsch is, prijs te geven. Alleen voor den wagen van onze -meesteres Nefert..." - -»Ik verlang gehoorzaamheid," sprak Katoeti op beslissenden toon, terwijl -zij den beambte belette verder te spreken, »en verwacht morgen de -paarden!" - -»Maar de opzichter van de stoeterij is een koppig man, dien Mena voor -onontbeerlijk houdt, en die..." - -Nefert was onder dit gesprek uit hare gemakkelijke houding opgerezen. -Op de laatste woorden van Katoeti verliet zij het rustbed en zeide zóo -bepaald, dat zelfs hare moeder er van schrikte: »Men moet de bevelen van -mijn echtgenoot gehoorzamen. De paarden, die Mena lief heeft, blijven in -hunne stallen. Neem dezen armband, die de koning mij schonk, hij is meer -waard dan twintig paarden." - -De hofmeester monsterde het met edelgesteenten rijk bezette kleinood en -zag Katoeti vragend aan. Zij haalde de schouders op, gaf met een knikje -hare toestemming en zeide: »Abscha mag dit sieraad als onderpand bewaren -tot Mena's buit hier zal zijn aangekomen. Sedert een jaar zond uw man -niets van eenige beteekenis." - -Zoodra de beambte zich verwijderd had, strekte Nefert zich weder op haar -rustbed uit en zeide vermoeid: »Ik dacht dat wij rijk waren." - -»Wij zouden het kunnen zijn," antwoordde Katoeti bitter. Toen zij echter -bespeurde, dat Nefert's wangen op nieuw begonnen te gloeien, vervolgde -zij vriendelijk: »Onze hooge rang legt ons groote plichten op. In onze -aderen vloeit vorstelijk bloed en de oogen des volks zijn gericht op -de gemalin van den roemrijksten held in 's konings leger. Men mag niet -zeggen, dat gij door uw echtgenoot veronachtzaamd wordt. -- Wat blijft -die Nemoe toch lang uit!" - -»Ik hoor gerucht in den hof," zeide Nefert. »De stadhouder zal komen." - -Katoeti zag weder naar den tuin. Daar zag zij een slaaf, die buiten adem -kwam aanloopen met de tijding, dat Bent-Anat, de, dochter des konings, -vóor de poort van het huis uit haar wagen gestegen en in aantocht was -met prins Rameri. Nefert verliet het rustbed, en ging met Katoeti -de hooge gasten in den tuin tegemoet. Zoodra moeder en dochter zich -neerbogen, om het kleed der prinses te kussen, weerde Bent-Anat haar -af en zeide: »Blijft op een afstand van mij; de priesters hebben de -onreinheid nog niet geheel van mij weggenomen." - -»In weerwil hiervan zijt gij rein als het oog van Ra," riep de prins, -die haar begeleidde, terwijl hij haar kuste, eer zij het beletten kon. -Het was haar zeventienjarige broeder, die in het Seti-huis werd -opgevoed, dat hij echter binnen weinige weken verlaten zou. - -»Ik zal den wildzang bij Ameni aanklagen," zeide Bent-Anat lachend. »Hij -wilde mij volstrekt begeleiden. Uw gemaal heeft hij zich ten voorbeeld -genomen, Nefert. Maar ook ik had te huis geen rust, want wij komen om u -eene goede boodschap te brengen." - -»Van Mena?" vroeg de jonge vrouw, de hand tegen haar hart drukkende. - -»Van hem!" antwoordde Bent-Anat. »Mijn vader prijst zijne dapperheid en -schrijft, dat hij bij de verdeeling van den buit vóor allen zal mogen -kiezen." - -Nefert sloeg op hare moeder een zegevierenden blik, en Katoeti haalde -ruimer adem. Bent-Anat streelde Nefert's wangen, alsof zij een kind -was. Toen wendde zij zich tot Katoeti, nam haar mede in den tuin en bad -haar, die zoo vroeg hare moeder had moeten missen, in eene gewichtige -aangelegenheid te willen raden. »Mijn vader," zeide zij, na eenige -inleidende woorden, »deelt mij mede, dat de stadhouder Ani mij tot vrouw -vraagt, en raadt mij de trouw van den waardigen man met mijne hand te -beloonen. Hij raadt, versta mij wel, hij beveelt niet." - -»En gij?" vroeg Katoeti. - -»En ik," antwoordde Bent-Anat beslist, »moet hem afwijzen." - -»Moet gij dat?" - -Bent-Anat gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: »Ik ben mij -volkomen bewust van hetgeen ik doe. Ik kan niet anders." - -»Dan hebt gij mijn raad niet meer noodig, want ik weet dat niemand, -zelfs niet uw vader, u van een besluit kan afbrengen." - -»Zelfs geene godheid," zeide Bent-Anat op vasten toon. »Maar gij zijt -Ani's vriendin, en daar ik hem hoogacht, wil ik trachten hem eene -vernedering te besparen. Beproef of gij hem bewegen kunt van zijn -aanzoek af te zien. Wanneer ik hem ontmoet, wil ik mij houden als wist -ik niets van zijn brief aan mijn vader." - -Katoeti zag weder peinzend naar den grond. Daarna zeide zij: »De -stadhouder brengt zijne uren van uitspanning gaarne bij mij door, -pratende of aan het dambord: doch ik weet niet of ik het durf wagen -over zulke gewichtige zaken met hem te spreken." - -»Huwelijksplannen zijn vrouwenzaken," hernam Bent-Anat met een lachje. - -»Doch het huwelijk van eene prinses is eene staatsaangelegenheid," zeide -de weduwe op haar beurt. »En in dit geval vraagt een neef de hand zijner -nicht, die hem dierbaar is, en hem, gelijk hij hoopt, de tweede meest -gevreesde helft zijns levens tot de schoonste kan maken. Ani is goed en -niet hard. Gij zult in hem een echtgenoot ontvangen, die zorgvuldig op -elk uwer wenken zal letten en zich gaarne voegen naar uw vasten wil." - -Bent-Anat's oogen helderden op en vol vuur riep zij uit: »Dat is het -juist wat mij een beslist en onveranderlijk =neen= op de lippen legt. -Omdat ik fier ben als mijne moeder, en weet wat ik wil, gelijk mijn -vader, meent gij misschien dat ik een echtgenoot begeer, dien ik -beheerschen en in alles leiden kan? Hoe weinig kent ge mij nog. Mijne -honden, mijne dienaars, mijne beambten, en zoo de godheid zulks wil, -mijne kinderen mogen mij gehoorzamen. Onderworpelingen, die mij de -voeten kussen, zijn overal op straat te vinden, en kan ik, als ik wil, -bij honderden op de slavenmarkt koopen. Wel twintigmaal is mijne hand -gevraagd en wel twintig vrijers wees ik af, niet omdat ik vreesde, dat -zij mijn trots en mijn wil konden buigen, maar omdat ik voelde tegen hen -opgewassen te zijn. De man, wien ik mijn hart wil schenken, moet hooger -staan, moet grooter, beter, sterker zijn dan ik ben. Ik wil trachten hem -achterna te fladderen, waar zijn machtige geest de wieken uitslaat, en -daarbij lachen over mijne zwakheid en vol bewondering zijne meerderheid -prijzen." - -Katoeti hoorde de jonkvrouw aan met het goedig lachje, waardoor de man -van ervaring zoo gaarne den dweper zijne meerderheid doet gevoelen, en -zeide: »In vroeger eeuwen mag er zulk een man geleefd hebben, maar zoo -gij in onze dagen op hem wachten wilt, moet gij de lok der jeugd[93] -dragen tot zij grijs wordt. Onze denkers zijn geen helden en onze helden -geen wijzen. -- Daar komt uw broeder aan met mijne Nefert." - - [93] Eene naar beneden gebogen haarvlecht, die alle jonge leden - van vorstelijke huizen droegen. Ook de jeugdige Horus wordt er - mede afgebeeld. - -»Wilt gij Ani bewegen zijn plan te laten varen?" vroeg de prinses -dringend. - -»U ten gevalle wil ik het beproeven," gaf Katoeti ten antwoord. Daarop -keerde zij zich half tot den jongen Rameri half tot zijne zuster en -zeide: »De man die aan het hoofd staat van het Seti-huis, Ameni, was in -zijn jeugd juist gelijk gij hem hebt geschilderd, Bent-Anat. -- Zeg ons, -gij zoon van Ramses, die onder de jonge sykomoren opwast, bestemd om -eens dit land te overschaduwen, wien schat gij 't hoogst onder uwe -metgezellen? Is er iemand onder hen, die alle anderen verre overtreft in -edelen zin en geestkracht?" - -De jonge Rameri zag de vraagster aan met levendige oogen en antwoordde -lachend: »Wij zijn allen zooals wij zijn, en doen meer of minder gaarne -wat wij doen moeten, en liefst alles wat wij niet doen mogen." - -»Kent gij dan in het Seti-huis," vroeg de weduwe verder, »geen jongeling -met een grootschen aanleg, die een Snefroe[94], een Thotmes, of ook maar -een Ameni belooft te worden?" - - [94] De eerste koning van de 4e dynastie, die ook in later tijd - nog in eere werd gehouden. Van hem heet het op meer dan ééne - plaats: "een dergelijke is niet gezien sedert de dagen van - Snefroe." Voor de vereering zijner nagedachtenis waren ook later - priesters aangewezen. De gedenkteekenen van zijn tijd zijn de - oudste van alle die tot ons kwamen. - -»Voorzeker!" riep Rameri dadelijk, zonder aarzelen. - -»En die is?" vroeg Katoeti. - -»Pentaoer, de dichter!" hernam de jongeling. - -Bent-Anat's wangen werden hoog rood, terwijl haar broeder zijne woorden -nader toelichtte: »Hij is edel, verheven van geest, en alle goden -wonen in hem als hij spreekt. Dikwijls gevoelen wij veel lust om in de -schoolhoven te slapen, maar zijne woorden slepen ons mede, en al vatten -wij niet altijd wat er in zijne verhevene denkbeelden ligt opgesloten, -toch weten wij dat zij waar zijn en grootsch." - -Bent-Anat haalde bij deze woorden sneller adem, en hare oogen hingen aan -de lippen haars broeders. - -»Gij kent hem, Bent-Anat," sprak Rameri verder. »Hij was met u bij den -Paraschiet en in den voorhof des tempels toen Ameni u onrein verklaarde. -Zijn uiterlijk is schoon en indrukwekkend als dat van den god Menth[95], -en ik geloof dat hij behoort tot zeker soort van menschen, die men niet -vergeten kan, als men ze eens heeft gezien. Gisteren, toen gij den -tempel had verlaten, sprak hij als nimmer te voren. 't Was of hij vuur -uitgoot in onze zielen. Lach niet, Katoeti. Ik voel het nog branden. -Heden morgen deelde men ons mede, dat hij uit den tempel was -overgeplaatst, wie weet waar heen, en dat hij ons vaarwel liet zeggen. -Men acht het altijd overbodig ons de gronden van zulke handelingen mede -te delen; wij weten echter meer dan de heeren denken. Hij moet u niet -streng genoeg de les gelezen hebben, Bent-Anat, en daarom zal hij uit -het Seti-huis gebannen zijn. Wij hebben echter besloten gezamenlijk -zijne terugroeping te verzoeken. De jonge Anana schrijft aan den -opperpriester een brief, dien wij allen zullen onderteekenen. Als éen -het alleen deed, zou hem dit slecht bekomen, maar als we allen tegelijk -opkomen, kunnen zij niets doen. Mogelijk zijn zij ook wel zoo verstandig -om hem terug te roepen. Zoo niet, dan beklagen wij ons allen bij onze -vaders, die tot de eersten des lands behooren!" - - [95] De krijgsgod der Egyptenaars. - -»Dat heeft iets van een volledigen opstand," zeide Katoeti. »Heertjes, -neemt u in acht! Ameni en de andere profeten laten niet met zich -spotten." - -»Wij ook niet," antwoordde Rameri lachend. »Blijft Pentaoer gebannen, -dan vraag ik mijn vader, of hij mij naar de school van Heliopolis -of Chennoe wil verplaatsen en de anderen zullen mijn voorbeeld -volgen. -- Kom, Bent-Anat! Ik moet vóor zonsondergang weder in den val -zijn. Vergeving, Katoeti, zoo noemen wij de school. -- Daar komt ook uw -kleine Nemoe aan!" - -Broeder en zuster verlieten den tuin. Zoodra de vrouwen, die hen -uitgeleide deden, haar den rug hadden toegekeerd, drukte Bent-Anat de -hand haars broeders met buitengewone warmte en zeide: »Pas op, dat ge -niet onvoorzichtig handelt! Maar uw eisch is billijk, en gaarne help -ik u." - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - - -Zoodra Bent-Anat Mena's erf verlaten had, kwam de dwerg Nemoe met een -brief in den tuin, en vertelde kort maar op zulk eene komische manier al -wat hem was wedervaren, dat de beide vrouwen wel moesten lachen, en -Katoeti met zekere uitgelatene vroolijkheid, die haar anders vreemd was, -zijne bekwaamheid prees, hoewel zij hem tevens waarschuwde wat -voorzichtiger te zijn. »Dat was een kostelijke dag, die groote dingen -bracht en nog grootere in de toekomst doet verwachten," zeide zij, -terwijl zij het zegel van den brief beschouwde. - -Nefert ging zoo dicht mogelijk naast haar staan en vroeg: »Open toch den -brief, en zie of er niets in staat over hem?" - -Katoeti maakte het was los, doorliep het schrijven met een vluchtigen -blik, streelde de wangen harer dochter en zeide troostend: »Wellicht -heeft uw broeder voor hem geschreven; ik zie geen regel van zijne hand." - -Nefert keek nu ook eens in den brief, niet zoozeer om te lezen, als wel -om naar het haar welbekende handschrift van haar man te zoeken. Evenals -alle Egyptische vrouwen van goeden huize, zoo verstond ook zij de kunst -om te lezen, en zij had in de beide eerste jaren van haar huwelijk zeer -dikwijls gelegenheid gehad zich te verwonderen en toch te verheugen over -de gebrekkige letters, die de ijzeren hand van den wagenmenner op den -papyrus had gekrabbeld voor haar, die met hare teedere vingers vast en -zeker het schrijfriet wist te hanteeren. Opmerkzaam gluurde zij in den -brief en zeide eindelijk, met tranen in de oogen: »Niets! -- Ik ga naar -mijne kamer, moeder!" - -Katoeti kuste haar en zeide: »Hoor toch eens wat uw broeder schrijft." - -Maar Nefert schudde het hoofd, wendde zich zwijgend af en verdween in -het huis. - -Katoeti was haar schoonzoon niet bijzonder genegen, maar zij hing met -geheel haar hart aan haren schoonen lichtzinnigen zoon, het evenbeeld -van haar gestorven gemaal, den lieveling der vrouwen, den vroolijksten -jongeling onder de jonge edelen, die de koninklijke garde van -wagenstrijders uitmaakten. Hoe uitvoerig had hij, die zoo moeielijk met -het schrijfriet kon omgaan, ditmaal geschreven! Anders was hij gewoon -in korte woorden te vragen om nieuwe middelen tot bevrediging van zijne -spilzucht, maar dit was nu eens een degelijke brief. Heden mocht zij -ook eene dankzegging verwachten, want nog kort geleden had hij eene -aanzienlijke toelage ontvangen, die zij weder had afgezonderd van de -inkomsten der goederen, die haar schoonzoon haar had toevertrouwd. -- -Zij begon nu te lezen. De blijdschap waarmede zij den dwerg had -ontvangen was geveinsd geweest, en niet ongelijk aan de fraaie -regenboog-kleuren, die de sombere oppervlakte van een moeras bedekken: -Werp een steen in den poel, de glans zal verdwijnen; troebele wolken -borrelen op en verven het water met onreine donkere tinten. Zoo vielen -de berichten, die de brief van haar zoon inhield, als zware rotsblokken -in Katoeti's ziel. De diepste smart welt voor ons altijd op uit dezelfde -bron, die ons met vreugde kan verzadigen, en die wonden branden het -heetst, die eene geliefde hand ons slaat. Hoe meer Katoeti zich -verdiepte in de moeilijk te ontcijferen volzinnen van haar lieveling, -die jammerlijk vol fouten waren, des te bleeker werd haar gelaat, dat -zij telkens bedekte met de bevende handen, waaraan ten laatste het blad -ontviel. - -Nemoe zat tegenover haar neergehurkt op den grond en volgde elke harer -bewegingen. Toen zij eindelijk opsprong met een gil, die door merg en -been drong, en haar voorhoofd drukte tegen een ruwen palmstam, kroop hij -naar haar toe, kuste hare voeten, en riep zoo hartelijk, dat het Katoeti -zelfs verraste, zij die enkel gewoon was jolige of scherpe woorden uit -den mond van haar dwerg te vernemen: »Meesteres, meesteres! Wat is er -toch gebeurd?" - -Katoeti kwam weer tot zich zelve, keerde zich om en trachtte te spreken; -maar haar doodsbleeke lippen bleven gesloten, en hare oogen staarden zoo -dof in de ruimte, als ware zij door doodskramp overvallen. - -»Meesteres, meesteres!" sprak de dwerg op nieuw, en steeds hartelijker. -»Wat deert u toch? Zal ik uwe dochter roepen?" - -Katoeti maakte eene ontkennende beweging met de hand en riep -halffluisterend uit: »Die ellendigen, die laaghartigen!" - -Haar adem begon sneller te gaan; het bloed steeg haar naar wangen en -oogen. Zij vertrapte den brief, en snikte zoo luid en hevig, dat de -dwerg, die nog nooit tranen in hare oogen had gezien, angstig opstond en -zacht berispend durfde zeggen: »Katoeti!" - -Zij begon hierop bitter te lachen en sprak met bevende stem: »Waarom -roept gij dezen naam zoo luid? Hij is onteerd, geschandvlekt. Hoe zullen -de heeren en vrouwen zich nu verheugen! Nu kan de nijd zijn geliefd -kind, den spot, tegen ons in 't harnas jagen. En ik heb dezen dag -zooeven nog geprezen! Men zegt: vertoon uw geluk op de straten en -verberg uw ongeluk. Omgekeerd! omgekeerd! Den goden mag men zelfs niet -laten blijken, dat men zich verblijdt en hoopt, want ook zij zijn -naijverig en hebben vermaak in ons leed." - -Andermaal liet zij haar hoofd tegen den palmboom rusten. - -»Gij spreekt van schande en niet van dood," zeide Nemoe, »en toch heb -ik van u geleerd, dat men niets verloren moet achten, behalve de -afgestorvenen." - -Deze woorden misten hare krachtige uitwerking niet op de vrouw, die -bijna vertwijfelde. Driftig en onstuimig wendde zij zich tot den dwerg -en sprak: »Gij zijt verstandig en zeker wel te vertrouwen. Hoor dan! -Doch al waart gij Amon zelf, er is geene redding meer mogelijk; neen, -geene!" - -»Toch moet men een middel trachten uit te denken," hernam Nemoe, en -zijne slimme oogen ontmoetten die van zijne meesteres. »Spreek toch! en -geef mij uw vertrouwen. Mogelijk kan ik u helpen. Gij weet dat ik de -kunst versta om te zwijgen." - -»Weldra zullen de kinderen elkaar op straat vertellen, wat deze brief -mij heeft gemeld," zeide Katoeti met bittere ironie. »Nefert alleen -mag van het gebeurde niets weten, niets, hoort gij! -- Wat is dat? -De stadhouder komt! Ga dadelijk tot hem! Zeg hem dat ik plotseling -ongesteld ben geworden, zeer erg! Ik kan hem niet zien, nu althans -niet! -- Niemand mag toegelaten worden, niemand! Verstaat ge?" - -De dwerg verdween terstond. Toen hij zijn last had volbracht en -terugkwam, vond hij zijne meesteres nog altijd in koortsachtige -overspanning. »Hoor dan," zeide zij. »Eerst wat van minder beteekenis -is, dan het verschrikkelijke, het onuitsprekelijke. Ramses overlaadt -Mena met gunstbewijzen. Men is overgegaan tot de verdeeling van den -krijgsbuit van dit jaar. Voor elken aanvoerder lagen groote schatten -gereed, en de wagenmenner mocht vóor allen kiezen." - -»Welnu?" vroeg de dwerg. - -»Welnu?" herhaalde Katoeti. »Welnu? Hoe zorgde de waardige huisheer voor -de zijnen in het vaderland; hoe eerde hij zijne arme verlatene vrouw; -hoe zocht hij zijn bezwaard erfdeel van schulden te ontheffen? Het is -schandelijk, afschuwelijk! Het zilver, het goud, de edelgesteenten ging -hij met een glimlach voorbij, en hij nam de schoone krijgsgevangene -dochter van den vorst der Danaërs en voerde haar naar zijne tent." - -»'t Is schandelijk!" prevelde de dwerg. - -»Arme, arme Nefert!" riep Katoeti, en zij verborg haar aangezicht met -beide handen. - -»En het andere?" vroeg Nemoe somber. - -»Dat," zeide Katoeti, »dat is... Maar ik wil kalm blijven, dood bedaard -en koel. Gij kent mijn zoon. Hij is lichtzinnig, maar hij heeft mij lief -en zijne zuster meer dan alles in de wereld. Dwaze die ik was! Om hem -tot spaarzaamheid te bewegen, had ik hem onze benarde omstandigheden -geschilderd. Toen nu die schandelijke daad door Mena was bedreven, dacht -hij aan ons en onze zorgen. Zijn aandeel in den buit was gering en kon -ons niet helpen. Zijne kameraden dobbelden om de gewonnen deelen; hij -zette het zijne op 't spel, om meer voor ons te winnen. Alles verloor -hij, alles! Eindelijk -- het is afgrijselijk, schier niet om uit te -spreken -- eindelijk zette hij tegenover eene ongehoorde som, altijd -aan ons denkende en aan ons alleen, de mummie van zijn afgestorven -vader[96]. Hij verloor! Lost hij dit heilig onderpand niet in vóor het -einde van de derde nieuwe maan, dan wordt hij eerloos verklaard[97], -en de mummie valt den winner ten deel. Verachting en verbanning uit de -samenleving zullen dan zijn en mijn deel zijn." - - [96] De koning, dien Herodotus Asychis noemt, en die - waarschijnlijk tot de 4e dynastie gebracht moet worden, zal - het eerst hebben toegelaten de mummiën der voorvaderen te - verpanden. "Wie dit onderpand gaf, en de schuld niet had willen - terugbetalen, dien zou na zijn dood noch in zijn vaderlijk, noch - in eenig ander graf eene plaats worden ingeruimd. Ook aan zijne - nakomelingen zou de begrafenis worden geweigerd." Herodotus - II, 136. - - [97] De zwaarste straf, die een Egyptisch soldaat treffen kon. - Het schijnt dat deze straf ook alleen voor krijgslieden bestond. - -Katoeti drukte de handen stijf tegen het gelaat. De dwerg prevelde -echter bij zichzelf: »Die speler en huichelaar!" Toen zijne meesteres -wat bedaarde, zeide hij overluid: »Dat is ontzettend; maar toch is alles -nog niet verloren. Hoeveel bedraagt de schuld?" - -Het klonk als een zware vloek, toen Katoeti antwoordde: »Dertig -Babylonische talenten"[98]! - - [98] Ongeveer 81,000 gulden. - -De dwerg sprong op met een gil, als had hem een adder gebeten, en vroeg: -»Wie waagde het tegen zulk een waanzinnigen inzet?" - -»Antef, de zoon van vrouw Hathor," antwoordde Katoeti, »die reeds in -Thebe het erfgoed zijns vaders heeft verspeeld." - -»Die laat geen graankorrel van zijne vordering vallen!" riep de dwerg. -»En Mena?" - -»Hoe kon mijn zoon, na al het gebeurde, zich tot hem wenden? Het arme -kind smeekt mij de hulp van den stadhouder in te roepen." - -»Van den stadhouder?" vroeg de dwerg, terwijl hij zijn groot hoofd -schudde. »Onmogelijk!" - -»Ik weet hoe het met hem gesteld is; maar zijn stand, zijn naam!" - -»Meesteres!" sprak de dwerg, en in zijne woorden lag hooge ernst, -»bederf de toekomst niet ter wille van het tegenwoordige. Wanneer uw -zoon zijne eer verliest onder koning Ramses, kan zij hem door den -toekomstigen pharao Ani teruggegeven worden! Bewijst de stadhouder u -thans zulk een ongehoorden dienst, dan zal hij meenen met u afgerekend -te hebben, wanneer dat werk gelukt en hij den troon beklimt. Op dit -oogenblik laat hij zich geheel door u leiden, terwijl gij hem niet -noodig hebt en enkel om zijnentwil voor zijne verheffing schijnt te -werken. Zoodra gij nu zijne hulp inroept en hij u redt, verliest gij de -vrijheid en belangeloosheid, waarin tegenover hem uw kracht is gelegen. -Hij zal met te meer onwil bemerken dat gij van hem denkt partij te -trekken, naarmate het hem moeielijker vallen zal zulk eene groote som in -korten tijd bijeen te brengen. Gij weet toch in welke omstandigheden hij -verkeert." - -»Hij steekt in schulden," zeide Katoeti, »dat weet ik." - -»Dat moet gij ook weten," ging de dwerg voort, »want gij zelve drijft -hem tot ongehoorde uitgaven. Door schitterende feesten aan te richten, -heeft hij de bevolking van Thebe voor zich gewonnen; als verzorger van -den heiligen Apis heeft hij te Memphis schatten uitgegeven[99]; de -aanvoerders der door hem uitgeruste troepen, die naar Ethiopië bestemd -zijn, heeft hij met duizenden begiftigd; en gijzelve weet wat zijne -geheime agenten kosten in het koninklijk leger. Van de meeste rijken -hier te lande heeft hij sommen geleend, en dat is goed, want zoovele -schuldeischers zijn tevens zoovele bondgenooten. De stadhouder Ani is -volgens hunne berekening een slecht schuldenaar, maar koning Ani zal een -dankbaar betaler zijn." - - [99] Toen onder Ptolemaeus I Soter, de Apis stierf, gaf zijn - verpleger voor de begrafenis van het heilige dier, niet alleen - al het geld uit, waarover hij te beschikken had, maar hij borgde - bovendien van den koning nog 50 talenten zilver, ongeveer - 135,000 gulden. In den tijd van Diodorus gaf de Apis-verzorger - voor hetzelfde doel 100 talenten, d. i. 270,000 gulden uit. - -Katoeti zag den dwerg verbaasd aan en kon niet nalaten te zeggen: »Gij -kent de menschen." - -»Helaas, ja!" antwoordde de dwerg. »Wend u niet tot den stadhouder. Eer -gij het werk van jaren afbreekt en de toekomstige grootheid van u en de -uwen opoffert, moet gij liever de eer van uw zoon prijsgeven." - -»En die van mijn gemaal en mijne eigene?" vroeg Katoeti. »Maar gij -weet niet wat dat beteekent! =Eer= is een woord dat de onvrije wel kan -nastamelen maar nimmer begrijpen. Gij wrijft de eeltplekken die men u -geslagen heeft; mij zal elke vinger, die met minachting op mij wijst, -verwonden als eene lans van essenhout met eene vergiftigde koperen punt. -O eeuwige goden, wie kan hier helpen?!" - -De gefolterde vrouw bedekte hare oogen weder met de handen, als -wilde zij hare eigene smaadheid niet aanschouwen. De dwerg zag haar -medelijdend aan en zeide op zachter toon: »Herinnert ge u den diamant, -die uit Nefert's schoonsten ring was gevallen? Wij zochten dien maar -vonden hem niet. Den volgenden dag liep ik door de kamer en trapte -op iets hards. Ik bukte en vond den steen. Wat aan het edele -gezichtsorgaan, het oog, was ontsnapt, dat had de verachte eeltachtige -voetzool gevonden. Wellicht gelukt het den onvrijen kleinen Nemoe, die -niet weet wat eer is, een redmiddel uit te denken, dat zich aan den -verheven geest zijner meesteres niet voordoet." - -»Waaraan denkt gij dan?" vroeg Katoeti. - -»Aan redding!" antwoordde de dwerg. »Is het waar dat uwe zuster Setchem -u heeft bezocht en dat gij u met elkander hebt verzoend?" - -»Zij bood mij de hand, en ik nam haar aan." - -»Ga dan tot haar. De menschen zijn nooit dienstvaardiger dan na eene -verzoening. De vijandschap die werd uitgedelgd beschouwen zij als eene -pas geheelde wond, die men met voorzichtigheid moet aanraken. Setchem is -van uw bloed en zij heeft een gevoelig hart." - -»Zij is niet rijk," gaf Katoeti ten antwoord. »Elke palm in haar tuin -komt van haar echtgenoot en behoort aan hare kinderen." - -»Was ook Paäker niet bij u?" - -»O ja, maar op verlangen zijner moeder," zeide Katoeti. »Gij weet, hij -haat mijn schoonzoon." - -»Ik weet het," zeide de dwerg, half binnen 's monds; »doch als Nefert -hem wilde verbidden...." - -De trotsche weduwe schrikte. Zij gevoelde dat zij den dwerg te veel -vrijheid had gegeven, en beval haar alleen te laten. - -Nemoe kuste haar gewaad en vroeg schuchter: »Zal ik vergeten wat ge mij -hebt toevertrouwd, of veroorlooft ge mij, dat ik verder over middelen -peins om uw zoon te redden?" - -Katoeti bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan, en zeide toen: -»Gij hebt zeer verstandig uiteengezet wat ik laten moet: mogelijk -openbaart eene godheid u wat ik doen zal. Laat mij nu alleen!" - -»Hebt ge mij morgen vroeg ook noodig?" vroeg het manneke. - -»Neen!" - -»Dan rijd ik naar de Nekropolis om te offeren." - -»Ga," zeide Katoeti, en ging met den noodlottigen brief het huis binnen. - -Nemoe bleef alleen staan. Peinzend keek hij voor zich en prevelde: »Zij -mogen niet tot eerloosheid vervallen, nu ten minste niet, want anders is -alles verloren. Wat is toch die =eer=! Alle menschen komen zonder haar -ter wereld, en de meeste onzer dalen als goede lieden ten grave, zonder -haar ooit gekend te hebben. Maar enkelen, die rijk zijn en niets te doen -hebben, bestrijken daarmede het gladde weefsel hunner ziel, evenals -de Koeschiten[100] hun haar met vet en balsem, tot het een kapsel -wordt[101], dat hun leelijk staat, maar waarop zij zoo trotsch zijn, dat -zij zich liever de ooren dan dit onding laten afsnijden. Ik vermoed, ja -ik vermoed.... doch eer ik mijn mond weder open doe, ga ik naar mijne -moeder, die meer weet dan twintig profeten." - - [100] Ethiopiërs. - - [101] Wij weten uit de gedenkteekenen, dat de zwarte bewoners - van den Boven-Nijl, reeds in den tijd der pharao's, de leelijke - mode huldigden, die nog steeds door hunne nakomelingen wordt - gevolgd. - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - - -Voordat de zon den volgenden dag was opgegaan, liet Nemoe zich met den -kleinen witten ezel, dien de overleden vader van den wagenmenner Mena -hem jaren geleden geschonken had, over den Nijl zetten. Voor zijn rit -door de Nekropolis maakte hij wijselijk gebruik van de morgenkoelte, die -de verschijning der dagvorstin voorafgaat. Goed bekend met alle wegen en -paden, vermeed hij met opzet de straat, die naar de plaats voerde waar -hij zijn wilde. Hij draafde voort in de richting van den berg, die -het dal der koningsgraven van de Nijlvlakte scheidt. Vóór zich zag -hij hemelhooge kalkrotsen indrukwekkend in een halfrond oprijzen; zij -maakten den achtergrond uit van den statigen op terrassen gebouwden -tempel, die de groote Hatasoe, de trotsche voogdes van twee pharao's uit -het gevallen koningshuis, tot haar eigen aandenken en ter eere van de -godin Hathor had opgericht. Nemoe liet het heiligdom links liggen en -reed het steile bergpad op, den naasten weg van de vlakte naar het dal -der koningsgraven. Weldra kon hij den terrasvormigen Hatasoe-tempel in -alle zijne onderdeelen beneden zich zien; en vóor zich de Nekropolis -met hare gebouwen, tempels en kolossen, nog sluimerende in de koele -ochtendschemering; en daarachter den breeden zilveren stroom, half -gesluierd door de witte zeilen en de langzaam optrekkende morgennevelen; -en nog verder de woonstad Thebe met hare reuzentempels, duidelijk -uitkomende tegen de oosterkim, door de opgaande zon gloeiend rood -gekleurd. - -Doch de dwerg zag niets van dit heerlijk tafereel aan zijne voeten. -In gedachten verzonken, ver over den hals van zijn beest gebogen, -liet hij den hijgenden ezel naar welgevallen nu eens klimmen dan weder -stilstaan. Toen hij zoowat ter halver hoogte was gekomen, hoorde hij de -voetstappen kraken van een wandelaar, die hem langzamerhand naderde. De -man, die bedaard naar boven klom, had hem weldra ingehaald, en bracht -hem een morgengroet. Het bergpad was smal, en zoodra de dwerg had -opgemerkt, dat de persoon die achter hem liep een priester was, hield -hij op een minder steil gedeelte van den weg zijn ezeltje stil en zeide -eerbiedig: »Wandel voorbij, heilige vader, want uw beide voeten loopen -harder dan mijne vier hoeven." - -»Eene lijdende heeft mijne hulp noodig," antwoordde de arts Nebsecht, -Pentaoer's vriend, dien wij in het Seti-huis en bij het gewonde -Paraschieten-meisje hebben leeren kennen; en hij versnelde zijn stap, om -den tragen ruiter vooruit te komen. - -Juist verscheen in het oosten aan den purperen horizont de vurige -zonneschijf, en uit het heiligdom beneden hen klommen de tonen op van -een godsdienstig lied, door een veelstemmig mannenkoor aangeheven. Nemoe -liet zich van zijn ezel glijden en nam de houding van een biddende aan. -De priester volgde zijn voorbeeld, doch terwijl de dwerg aandachtig -zijne oogen richtte op de wedergeboorte van den zonnegod achter de -oostelijke bergketen, staarden de zijnen naar den grond, en een zijner -ten hemel geheven handen daalde onopgemerkt neder, en greep naar eene -zeldzame versteende schelp die op den weg lag. Eenige oogenblikken later -stond Nebsecht op, door Nemoe gevolgd. - -»Een schoone morgen," zeide de dwerg. »De heilige vaders daar beneden -zijn heden vroeger op dan gewoonlijk." - -De arts lachte toestemmend en vroeg: »Behoort gij in de Nekropolis te -huis? Wie houdt er hier dwergen op na?" - -»Niemand," antwoordde het manneke. »Maar vergun mij eene wedervraag. -Welk aanzienlijk persoon woont er hier achter de bergen, dat een -priester uit het Seti-huis zijne nachtrust voor hem opoffert." - -»Mijn bezoek geldt iemand uit den geringeren stand. Maar zij lijdt -veel," zeide Nebsecht. - -Nemoe zag hem verwonderd aan en zeide: »Dat is edel, dat is...." Maar -hij voltooide den volzin niet, hij sloeg zich opeens tegen het voorhoofd -en zeide: »Gij gaat, ingevolge eene last van de prinses Bent-Anat, -naar het overreden Paraschieten-kind; ja, ik begreep het wel. De spijs -waarvoor de heeren zoo vroeg opstaan, moet toch een voornamen bijsmaak -hebben. Hoe gaat het met het arme kind?" - -In de laatste woorden lag zooveel warme deelneming, dat de arts, die -de opmerking van den dwerg niet zoo onnatuurlijk vond, vriendelijk -antwoordde: »Niet slecht; zij kan behouden worden." - -»Den goden zij dank!" riep Nemoe, terwijl de priester hem voorbijging. - -Met verdubbelde snelheid steeg Nebsecht den berg op en weder af, en -hij had reeds lang in de hut van den Paraschiet naast het leger van de -gewonde Warda plaats genomen, toen Nemoe de woning naderde van zijne -moeder Hekt, de tooveres, van wie Paäker den liefdedrank had ontvangen. -De oude vrouw zat weder voor de deur van haar hol. Naast haar lag eene -plank met dwarshouten, waartusschen een kleine knaap lag uitgestrekt, -zoodat de houten juist zijn hoofd en zijne voetzolen raakten. Hekt -verstond de kunst om dwergen te maken. Dit soort van speelgoed in de -gedaante van een mensch werd goed betaald, en het kind op de -martelplank, met zijn aardig gezichtje, beloofde een kostbaar artikel te -worden. - -Zoodra de tooveres bemerkte dat er iemand naderde, boog zij zich over -het knaapje, nam het met plank en al in de armen, droeg het in haar hol -en zeide streng: »Verroer je niet jongen, anders krijg je slagen! Laat -je nu binden." - -»Niet binden!" smeekte het kind. »Ik zal stil zijn en rustig blijven -liggen." - -»Strek je uit!" beval de oude, en sjorde het schreiende kind met -een touw aan de plank vast. »Als je stil bent, geef ik je later een -honigkoek en mag je met de jonge hoenders spelen." - -Het jongske kwam tot bedaren; een lachje speelde om zijn mond en zijne -lieve oogjes straalden van vreugde en hoop. Het greep met beide handen -het kleed van de oude en zeide op dien zoet vleienden toon, dien de -godheid in eene aanvallige kinderstem heeft gelegd. »Ik zal als een -muisje zoo stil zijn, en niemand zal weten dat ik er ben. Doch als ge -mij een honigkoek geeft, toe, laat mij dan vrij en naar Warda gaan -hierover." - -»Warda is ziek; wat wilt ge hierover doen?" vroeg de oude. - -»Ik zou haar den koek willen brengen," zeide het knaapje zacht, en -tranen glinsterden in zijne oogen. - -De oude streelde het kind met den vinger om zijn kin, en eene -geheimzinnige macht trok haar naar omlaag, om het te kussen. Doch vóor -hare lippen zijn gezichtje vonden, keerde zij zich af en zeide streng: -»Blijf rustig. Straks zullen wij zien!" Zij raapte een bruinen zak van -den grond op en wierp dien over den knaap. Daarop ging zij weder naar -buiten begroette Nemoe, zette hem melk, brood en honig voor, gaf hem op -zijn verlangen inlichtingen aangaande het overreden meisje, wier ongeluk -hem zeer ter harte scheen te gaan, en vroeg eindelijk: »Wat voert u -hierheen? De Nijl stond nog laag, toen ge mij de laatste maal een bezoek -hebt gebracht, en thans is hij reeds lang beginnen te vallen[102]. -Zendt uwe meesteres u hierheen, of begeert gij zelf mijne hulp? Al dat -gespuis blijft zich toch gelijk. Niemand gaat tot een ander, als hij hem -niet noodig heeft. Wat zal ik je geven?" - - [102] Wij zijn in de eerste dagen van November. Bij het begin - van Juni begint de Nijl langzaam te wassen, tusschen den - 15den en 20sten Juli zwellen zijne wateren op eens zeer - hoog, en in de eerste helft van October (niet op het eind van - September, gelijk men vroeger meende) bereikt de overstrooming - haar hoogsten stand. Heinrich Barth heeft dit stellig - uitgemaakt. Nadat het water in September is begonnen te dalen, - tracht het in October zijn hoogste punt nog eens te bereiken, - ja zelfs daarboven te stijgen. Spoedig daarop neemt het, eerst - langzaam, vervolgens steeds sneller af. - -»Ik heb niets noodig," antwoordde de dwerg, »maar...." - -»Maar gij komt op last van een derde," sprak de heks lachend. »'t Is -alles één en 't zelfde! Wie iets voor een ander verlangt, denkt toch aan -zichzelf alleen." - -»'t Kan zijn," hernam de kleine man. »Uwe woorden bewijzen in elk geval, -dat gij, sedert ik u het laatst zag, niet minder wijs zijt geworden, en -dat doet mij genoegen, want ik heb uw raad noodig." - -»Die is goedkoop te krijgen. Wat is er dan gaande aan de overzijde?" - -Nemoe vertelde zijne moeder kort, duidelijk en zonder terughouding, van -welke gedachten men zwanger ging in het huis zijner meesteres, en van de -verschrikkelijke schande, waarmede zij door haar zoon werd bedreigd. De -oude schudde bij herhaling bedenkelijk het grijze hoofd, maar zij liet -den dwerg uitspreken, zonder hem in de rede te vallen. Daarop vroeg zij, -met bliksemende oogen: »En gelooft gij werkelijk, dat het u gelukken -zal een adelaar door een musch te vervangen, een Ani te plaatsen op den -troon van een Ramses?" - -»De troepen die in Ethiopië strijden zijn aan onze zijde," riep Nemoe; -»de priesters verklaren zich tegen den koning en erkennen in Ani het -echte bloed van Ra." - -»Dat zegt veel," hernam de oude. - -»En vele honden zijn de dood eener gazel," voegde Nemoe er lachend bij. - -»Doch Ramses is geen vluchtend wild, maar een leeuw," sprak de heks -weder ernstig. »Inderdaad, gijlieden speelt hoog spel." - -»Dat weten we," antwoordde Nemoe, »maar daar is ook iets groots mede te -winnen." - -»Of alles mede te verliezen," mompelde de oude, terwijl zij met de -vingers over de dikke spieren van haar hals wreef. »Doe echter wat ge -wilt; mij kan 't niet schelen wie het jonger geslacht naar het slagveld -stuurt, en het vee der ouderen van het veld laat drijven. Wat wilt ge -van mij?" - -»Mij zendt niemand," antwoordde de dwerg. »Ik kom uit eigen beweging, -om u te vragen wat Katoeti doen moet ten einde haar zoon en haar huis -voor eerloosheid te bewaren." - -»Hm," bromde de heks, en zij zag Nemoe met beide oogen vragend aan, -terwijl zij zich aan het stokje in haar hand zoo hoog mogelijk -oprichtte. »Wat is er dan toch met je gebeurd dat ge het lot der grooten -zóo ter harte neemt, alsof het je eigen was?" - -De dwerg kreeg een kleur en antwoordde aarzelend: »Katoeti is eene goede -meesteres, en als het haar welgaat, kan er voor u en voor mij nog al wat -afvallen." - -De heks schudde ongeloovig het hoofd en zeide met schamperen lach: -»Misschien een brood voor u en voor mij een kruimel! -- Gij voert ook -nog iets anders in het schild, en ik lees in uw hart alsof ge deze -opengesneden raaf waart. Gij behoort tot het soort van lieden, die hunne -vingers niet stil kunnen houden en dag aan dag elk deeg kneden, overal -schuiven, wrijven, iets maken moeten. Elke rok is u te eng. Waart ge -drie hoofden grooter en het kind van een priester dan hadt ge het -misschien ver gebracht. Hoog wilt ge vliegen en hoog zult ge ook -eindigen, als vriend van een koning of -- aan de galg!" - -De oude lachte weder, maar Nemoe beet zich op de lippen en zeide: »Hadt -ge mij naar de school gezonden, ware ik niet de zoon van een heks en -geen dwerg, dan speelde ik met de menschen, gelijk gij met mij hebt -gespeeld. Want ik ben slimmer dan zij allen, en geen hunner drijfveeren -blijft mij verborgen. Honderd wegen liggen voor mij open, als zij heg -noch steg weten, en waar zij zorgeloos voortjagen, zie ik den afgrond -waarin zij onvermijdelijk zullen nederstorten." - -»En toch komt ge bij mij?" hernam de oude spottend. - -»Ik verlang uw raad," antwoordde Nemoe ernstig, »omdat vier oogen meer -opmerken dan twee; omdat de belangelooze toeschouwer helderder ziet dan -de speler, en omdat gij verplicht zijt mij te helpen." - -De heks keek verwonderd op en vroeg: »Ik? Verplicht? En waartoe dan?" - -»Mij te helpen," herhaalde de dwerg half smeekend. »Gij hebt mijn groei -belemmerd en mij tot een wangedrocht gemaakt." - -»Eenvoudig omdat niemand het in de wereld beter heeft dan gij dwergen," -haastte de oude zich te zeggen. - -Nemoe schudde het hoofd en vervolgde droefgeestig: »Dat hebt ge mij -reeds zoo dikwijls verteld. Ten aanzien van menig ander, die als ik in -ellende werd geboren, moogt gij gelijk hebben. Doch gij hebt mij het -leven bedorven; ge hebt mij niet alleen naar het lichaam, maar ook naar -de ziel verminkt. Mij hebt gij tot een nameloos lijden gedoemd, dat met -geen woorden is te beschrijven." - -Het groote hoofd van den dwerg zonk neder op zijn borst, en hij drukte -zijne linkerhand tegen zijn snelkloppend hart. De oude naderde hem -daarop en vroeg wat vriendelijker: »Wat hebt gij dan toch? Ik dacht dat -het u goed ging in Mena's huis." - -»Dat denkt ge," sprak de kleine, »gij, die mij zooeven als in een -spiegelbeeld toondet, wie ik ben, en hoe geheimzinnige krachten mij -dringen en drijven! Kunstmatig hebt ge mij gemaakt tot hetgeen ik ben. -Gij hebt mij verkocht aan den schatmeester van Ramses, en deze schonk -mij aan Mena's vader, zijn zwager. Dat is nu vijftien jaren geleden! Ik -was toen nog een jongeling, een knaap als zoovele anderen, alleen wat -levendiger van geest, wat onrustiger en driftiger dan zij. Men gaf mij -als speelgoed aan den kleinen Mena, en hij spande mij voor zijn wagentje -en schikte mij op met linten en vederen, en sloeg mij met de zweep, als -ik hem niet hard genoeg voorttrok. Wat heeft dat meisje, waarvoor ik -mijn leven zou hebben gegeven, dat dochtertje van den portier, om -mij gelachen, als ik in mijn maskeradetuig hijgend voor het wagentje -huppelde, en de geeselstriemen van het jongeheertje mij om de ooren -suisten, het zweet mij van het voorhoofd gutste en mijn diep gewond hart -bloedde! Toen stierf Mena's vader; de knaap kwam in het Seti-huis, en -van toen aan diende ik de vrouw van zijn hofmeester, dien Katoeti later -naar het erfgoed in Hermonthis verbande. Dat waren jaren! De dochtertjes -van den huize speelden met mij als met eene pop[103], legden mij in de -wieg en dwongen mij de oogen te sluiten en mij te houden alsof ik sliep, -terwijl liefde en haat strijd voerden in mijne ziel en groote ontwerpen -mijn brein vervulden. Zoodra ik poogde mij te verzetten, sloegen ze mij -met roeden, en toen ik eens in boosheid mijzelf had vergeten, de kleine -Mertitefs geslagen en gewond had, hing Mena, die er ongelukkig juist -opaan kwam, mij met mijn gordel aan een spijker in de schuur, en liet -mij daar eenvoudig bengelen, later zeggende, dat hij vergeten had mij af -te nemen. De ratten vielen mij op 't lijf! Daar zijn nog de litteekens, -de kleine witte puntjes hier. Zie maar! Misschien zullen zij eens geheel -vergroeien, maar de wonden, die mijn hart in die ure geslagen zijn, -zullen niet ophouden te bloeden! Daarna huwde Mena met Nefert, en met -deze vrouw kwam ook zijne schoonmoeder Katoeti in huis. Zij verloste mij -van den hofmeester. Ik werd voor haar onontbeerlijk. Zij behandelt mij -als een man. Zij weet de gaven mijns geestes te schatten en luistert -naar mijn raad. Daarom wil ik haar groot maken, met haar en door haar -machtig worden. Als Ani den troon bestijgt, dan zullen wij hem besturen, -gij en ik en zij! Ramses moet vallen en met hem Mena, die mijn lichaam -onteerd en mijne ziel vergiftigd heeft." - - [103] Poppen worden in verschillende museën bewaard, o.a. een - ledepop te Leiden. - -De oude had onder deze woorden zwijgend tegenover den dwerg gestaan. Zij -zette zich thans op haar ruwen houten zetel neer en zeide, terwijl zij -eene hoppe begon te plukken: »Nu begrijp ik u. Gij verlangt u te wreken. -Gij wenscht hoog te stijgen, en ik zal uw mes wetten en de ladder voor -u vasthouden. Arme kleine! Kom, zet je neder; drink om tot bedaren te -komen nog een slok melk en hoor mijn raad. Katoeti heeft veel geld -noodig om eerloosheid te voorkomen. Welnu, zij heeft het maar op te -nemen, want het ligt voor haar deur." - -De dwerg zag de heks met verbazing aan. - -»De Mohar Paäker," vervolgde zij, »is de zoon van hare zuster Setchem, -niet waar?" - -»Zoo als gij zegt." - -»Katoeti's dochter Nefert is de vrouw van uw meester Mena en ik geloof -dat een ander dit verlaten hoentje gaarne in zijn hof zou lokken." - -»Gij doelt op Paäker, die met Nefert verloofd was, voor zij Mena -volgde." - -»Paäker was eergisteren bij mij." - -»Bij u?" - -»Ja, bij mij, de oude Hekt, en wel om een liefdedrank te koopen. Ik gaf -hem zoo iets, en daar ik nieuwsgierig ben, liep ik hem achterna, zag hoe -hij het vrouwtje het water aanbood, en vorschte uit hoe zij heette." - -»En Nefert dronk den tooverdrank?" vroeg de dwerg met ontzetting. - -»Azijn en wortelsap!" spotte de oude. »Een groot heer, die tot mij komt -om eene vrouw te winnen, is tot alles in staat. Laat Nefert Paäker om -het geld smeeken, en de schulden van den lichtzinnigen jonkman zijn -betaald." - -»Katoeti is trotsch en heeft mij streng afgewezen, toen ik zoo iets -durfde voorslaan." - -»Dan moet Paäker zelf haar het geld aanbieden. Ga tot hem, wek in hem de -hoop op Nefert's genegenheid, vertel hem wat de vrouwen beangstigt, en -laat hem, als hij weigert, maar ook dan eerst, merken dat gij iets van -het drankje weet." - -De dwerg zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en sprak toen, -terwijl hij de oude vol bewondering aanstaarde: »Juist, dat is de rechte -weg." - -»Den verkeerden vindt ge ook wel zonder mij," prevelde de heks. »Uw -zaak is misschien toch nog zoo slecht niet, als ze mij in den beginne -wel toescheen. Katoeti mag den deugniet, die zijns vaders mummie -verspeelde, danken. -- Begrijpt ge mij niet! Nu, als gij van allen -daarginds de slimste heet, wat moeten de anderen dan wel zijn?!" - -»Gij meent dat men mijne meesteres roemen zal," zeide de dwerg, »dat zij -er zulk eene groote som voor overheeft, om den naam...." - -»Wat naam, wat roemen!" riep de oude ongeduldig. »Wij hebben met andere, -met werkelijke dingen te doen! Dáar staat Paäker, dàar de vrouw van -Mena. Wanneer de Mohar voor de jonge vrouw een geheel vermogen weggeeft, -dan wil hij haar bezitten, en Katoeti zal hem niet in den weg staan. Zij -weet toch, waarvoor hij haar schuld betaalt. Maar een ander verspert -haar den weg, en dat is Mena. Hij moet uit den weg geruimd! De -wagenmenner staat dicht bij den pharao, en de strik dien men naar den -een werpt kan ook licht om den hals van den ander heenslaan. Maak den -Mohar tot uw bondgenoot; gebruik hem met verstand. En dan zou het wel -eens kunnen gebeuren, dat uwe rattenbeten en doodswonden vergolden -werden; dat Ramses, die u omver blaast, wanneer gij openlijk tegen hem -optreedt, getroffen werd door eene lans uit eene hinderlaag geslingerd. -Is de troon eens ledig, dan zullen de zwakke beenen van den stadhouder -misschien er op kunnen klimmen, wanneer de priesters hem een handje -helpen. -- Zie, daar zit ge nu met open mond te luisteren, en ik heb u -toch niets geraden, wat gij zelf niet hadt kunnen vinden." - -»Gij zijt een vat vol wijsheid!" riep Nemoe. - -»En nu zult gij heengaan," vervolgde Hekt, »en uwe meesteres en den -stadhouder uwe plannen onthullen, opdat zij uwe slimheid bewonderen. -Heden weet gij nog, wat ik u aan het verstand hebt gebracht en wat u -te doen staat; morgen zult gij het weder vergeten zijn, en overmorgen -beeldt ge u in, dat de geest der negen groote goden u bezielt. Ik ken -dat. Maar ik kan niets geven om niet. Gij leeft van uwe kleinheid; een -ander voedt zich door zijne sterke handen; ik verdien mijn schamel brood -door wat hier in mijn hoofd omgaat. Hoor! Als gij Paäker half gewonnen -hebt en Ani blijkt genegen te zijn om zich te laten gebruiken, dan kunt -ge den stadhouder zeggen, dat ik een geheim weet -- en ik weet er een, -ik alleen! -- een geheim, dat den Mohar tot zijn speelbal maakt. Ik ben -bereid mij dit geheim te laten afkoopen." - -»Dat zal geschieden! ja stellig moeder!" riep de dwerg. »Wat verlangt -gij?" - -»Weinig," zeide de oude. »Alleen een vrijbrief, die mij waarborgt -ongehinderd, ook van de zijde der priesters, te mogen doen en laten -wat mij lust, en die mij verzekert, dat ik na mijn dood eene eerlijke -begrafenis zal hebben." - -»De stadhouder zal zich daar niet gemakkelijk toe laten overhalen, want -hij moet alles vermijden, wat de dienaars der godheid kwetsen kan." - -»En alles doen," ging de oude voort, »wat Ramses in hunne oogen -vernedert. Ani, hoort ge, behoeft mij geen nieuwen vrijbrief te -schrijven, hij kan volstaan met den ouden te hernieuwen, dien Ramses mij -verleende, nadat ik zijn ziek lievelingspaard had genezen. Zij hebben -dien met al mijne overige bezittingen verbrand, toen zij mijne hut -plunderden, mij voor eene tooveres en al mijn huisraad typhonisch -verklaarden. Wat de begrafenis aangaat, dat heeft voorloopig nog den -tijd. Ik verlang den vrijbrief van Ramses, meer niet." - -»Gij zult dien hebben," zeide de dwerg. »Vaarwel! Ik heb in last in het -familiegraf mijner meesteres te onderzoeken, of de doodenoffers naar -behooren geplaatst zijn, verder nieuwe reukwerken te plengen, en nog -andere dingen te laten vernieuwen. Als Sechet niet meer woedt[104] en -het koeler wordt, kom ik hier nog eens voorbij, want ik zou den -Paraschiet Pinem wel willen spreken en zien hoe het die arme Warda -gaat." - - [104] Zie boven blz. 61. - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - - -Terwijl dit gesprek werd gevoerd, waren voor de hut van den Paraschiet -twee mannen druk bezig met palen in den grond te bevestigen, en daarover -een gescheurden linnen lap uit te spannen. Een hunner, de oude Pinem, -dien wij als pleegvader zijner kleindochter hebben leeren kennen, -vermaande den ander van tijd tot tijd aan de kranke te denken, en wat -minder leven te maken. Toen zij hun eenvoudig werk voltooid en onder -deze tent eene ligplaats van frisch stroo gemaakt hadden, gingen beiden -op den grond zitten met het gezicht naar de hut, waarvoor de arts -Nebsecht zich had nedergezet, wachtende op het ontwaken van de -sluimerende kranke. - -»Wie is die man?" vroeg de heelmeester den oude, doelende op diens -jongeren metgezel, een stevig bruinkleurig soldaat, met dikken ronden -baard. - -»Mijn zoon," antwoordde de Paraschiet, »die uit Syrië is teruggekeerd." - -»Warda's vader?" vroeg de arts. - -De soldaat knikte toestemmend en zeide met een ruwe stem, maar toch op -trouwhartigen toon: »Men kan het mij wel niet aanzien, want zij is zoo -blank en blozend. Doch hare moeder was eene vreemdelinge, en zij is ook -zoo teer geworden als deze was. Ik was schier te bevreesd haar met mijn -pink aan te raken, en daar rijdt me nu een wagen over het tengere popje, -en zij houdt het uit en blijft leven." - -»Zonder de hulp van dezen heiligen vader," zeide de Paraschiet, terwijl -hij den arts naderde en diens gewaad kuste, »zoudt gij haar niet levend -hebben weergezien. De goden mogen u loonen voor hetgeen gij aan ons -armen gedaan hebt." - -»En wij kunnen ook betalen," riep de soldaat, slaande op den vollen -buidel die aan zijn gordel hing. »Wij hebben in Syrië buit gemaakt, en -ik zal een kalf koopen om het uw tempel te wijden." - -»Offer liever een dier van deeg,"[105] zeide de arts, »en wanneer gij -u dankbaar wilt toonen, geeft dan uw vader het geld, opdat hij uw zwak -dochtertje volgens mijn voorschrift voede en verplege." - - [105] Bij de feesten van Selene (Egyptisch Nechebt) werden - zwijnen geofferd. Herodotus zegt (II, 47): "De onbemiddelden - bakken uit armoede zwijnen van tarwedeeg, en brengen die ten - offer." Op de gedenkteekenen vindt men zulk gebak afgebeeld, in - allerlei gedaanten van dieren. - -»Hm," bromde de soldaat, nam den buidel van zijn gordel, woog dien met -de hand en zeide, terwijl hij hem den Paraschiet overhandigde: »Ik zou -het toch verbrassen! Daar vader, neem het geld voor de kleine en voor -moeder." - -Terwijl de oude aarzelend de hand uitstak naar het kostelijk geschenk, -bezon de soldaat zich en zeide, den buidel openende: »Laat mij er toch -eenige ringen uitnemen, want heden kan ik nog niet op een droogje -liggen. Ik heb een paar kameraden besteld in den Rooden kroeg. Dat is -ook voldoende voor morgen en overmorgen. Zoo zal het goed zijn. Daar, -neem het andere bagatel!" - -Nebsecht gaf den soldaat een teeken van goedkeuring; deze riep echter, -toen de Paraschiet uit dankbaarheid den arts de hand kuste: »Maak me die -kleine gezond, heilige vader! Met geschenken en offers is het nu uit, -want ik heb niets meer, maar hier zijn een paar ijzeren vuisten en een -borst als een vestingmuur! Als gij eens hulp noodig hebt, laat mij dan -roepen, en ik zal u tegen twintig vijanden beschermen. Gij hebt mijn -kind gered. Goed! Leven om leven! Ik verklaar met mijn eigen bloed dat -ik uw schuldenaar ben. Dáar!" - -Onder het uitspreken dezer woorden had hij een dolkmes uit zijn gordel -getrokken. Hij gaf zich eene snede in den arm en liet eenige droppels -van zijn bloed vallen op een steen voor de voeten van den arts. -»Ziedaar," vervolgde hij, »dit is mijne schuldbekentenis! Kaschta heeft -zich tot uw schuldenaar verklaard en gij kunt over zijn leven beschikken -als over het uwe. Wat ik gezegd heb, dat heb ik gezegd!" - -»Ik ben een man des vredes," stamelde Nebsecht, »en mijn wit gewaad -beschermt mij. Maar -- ik geloof dat onze kranke ontwaakt is." - -De arts stond op en ging de hut binnen. Warda's lieve hoofdje lag in -den schoot harer grootmoeder, en hare groote blauwe oogen keerden zich -rustig naar den priester. - -»Zij zou nu wel mogen opstaan en buiten komen," zeide de oude. »Zij -heeft lang en zacht geslapen." - -De arts onderzocht haar pols en de wond, waarop groene bladeren lagen, -en zeide: »Voortreffelijk! Wie heeft u toch dit kruid gegeven dat zulk -eene genezende kracht bezit?" - -De Paraschiet werd verlegen en draalde met het antwoord. Warda zeide -echter zonder schroom: »De oude Hekt, die daar ginds woont in het zwarte -hol." - -»De tooveres!" prevelde de arts. »Wij zullen de bladeren toch maar laten -liggen; daar zij helpen, komt het er niet op aan vanwaar zij komen." - -»Hekt heeft ook de druppels geproefd, die gij haar geeft," zeide de oude -vrouw, »en toegestemd dat zij goed waren." - -»Dan zijn wij over elkaar tevreden," gaf Nebsecht met een schalksch -lachje ten antwoord. »Meisje, wij zullen u nu naar buiten dragen, want -de lucht hier binnen is zoo zwaar als lood, en uwe teedere longen hebben -lichter voedsel noodig." - -»Ja, laat mij in frisscher lucht," smeekte de kranke. »Het is goed, -dat gij dien andere niet weder hebt medegebracht, die mij met zijne -bezweringen zoo bang maakte." - -»Gij meent den blinden Teta?" hernam Nebsecht. »Die zal niet terugkomen. -Maar de jonge priester, die uw grootvader tot bedaren bracht, toen hij -de prinses terugwees, hij zal u bezoeken. Hij is zoo vriendelijk, en gij -moest, moest...." - -»Zal Pentaoer komen?" vroeg het meisje levendig. - -»Voor den middag. Maar hoe kent gij zijn naam?" - -»Ik ken hem," zeide Warda op een toon die geen twijfel overliet. - -De arts zag haar verwonderd aan en zeide: »Gij moogt niet meer spreken, -want uwe wangen gloeien, en de koorts mag niet wederkeeren. Wij hebben -eene tent voor u gereed gemaakt en zullen u naar buiten dragen." - -»Nog niet," bad het meisje. »Grootmoeder, maak mijn haar wat op; het -hangt zoo zwaar." - -Dit zeggende greep zij zelve hare dikke roodblonde haren, en trachtte ze -met hare kleine handen te scheiden en te ontdoen van de stroohalmen, die -er in vast geraakt waren. - -»Houd u toch stil," vermaande de arts. - -»Het is zoo zwaar," zeide het meisje lachend, en toonde Nebsecht den -weelderigen rijkdom harer goudgele haren, als ware zij met zulk een last -verlegen. »Kom grootmoeder, help mij toch!" - -De oude vrouw boog zich over het hoofd der kranke en haalde voorzichtig -een groven grijzen hoornen kam door hare lange lokken, maakte zeer -behoedzaam de stroohalmen los uit die gulden verwarring en legde -ten laatste twee dichte glanzende vlechten over de schouders harer -kleindochter. Nebsecht wist, dat iedere beweging de lijderes kwaad kon -doen, en dit drong hem beiden dit werk te verbieden. Doch zijne tong -was als verlamd. Verbaasd, onbeweeglijk en met blozende wangen stond -hij tegenover het meisje, en zijne blikken volgden met angstige -opmerkzaamheid elke beweging harer handen. - -Zij gaf op hem echter geen acht. Toen de oude vrouw den kam uit de hand -legde, haalde Warda diep adem en vroeg: »Grootmoeder, de spiegel!" - -De grijze pleegmoeder bracht een scherf van donker verglaasd aardewerk. -De kranke draaide de glanzige binnenzijde naar het licht, staarde een -oogenblik het onduidelijk spiegelbeeld aan en zeide: »Ik heb in zoolang -geen bloem gezien, grootmoeder!" - -»Wacht, mijn kind!" zeide de oude, nam uit eene kan de roos die de -prinses Bent-Anat op de borst harer kleindochter had gelegd, en stak -haar die toe. Doch alvorens Warda haar grijpen kon, vielen de verdorde -bloemblaadjes uit elkander en op haar neder. De arts bukte, raapte ze -bij elkaar en gaf ze de kranke in de hand. - -»Wat zijt ge toch goed," zeide zij. »Ik heet Warda als deze bloem, en -ik houd zooveel van de rozen en van frissche lucht. Kom, draag mij naar -buiten." - -Zoodra Nebsecht riep, trad de Paraschiet met zijn zoon de hut binnen; -beide droegen de lijderes buiten de deur en legden haar onder de -eenvoudige door hen gespannen tent. De voeten van den soldaat knikten, -toen hij den lichten last van zijn dochtertje in zijne sterke handen -hield, en hij haalde weder adem, zoodra zij op de mat rustte. - -»Wat is de hemel heerlijk blauw!" zeide Warda. »En grootvader heeft -mijne granaatstruik begoten. Ja, dat dacht ik wel! -- Ach, daar zijn -mijne duifjes ook, daar komen ze! Geef mij wat graan in de hand, -grootmoeder! -- Wat zijn ze blijde!" - -De sierlijke vogeltjes, met zwarte ringen om den roodgrijzen hals, -klapwiekten zorgeloos om haar heen en pikten de graankorrels, die zij -spelende op hare lippen legde, van haar mondje weg. Nebsecht zag dit -tooneel met stille bewondering aan. Het was hem alsof eene nieuwe wereld -zich voor hem opende, als was er een nieuw orgaan, dat hem tot hiertoe -vreemd was gebleven, gewekt in zijne borst. Zwijgend zette hij zich voor -de hut neder en teekende het beeld eener roos met een door hem opgenomen -rietstaafje in het zand. - -Alles bleef stil in den omtrek, ook toen de duifjes de kranke verlaten -en het dak van de hut weder opgezocht hadden. Op eens sloeg de hond van -den Paraschiet aan; men hoorde voetstappen naderen. Warda richtte zich -op en zeide: »Grootmoeder, de priester Pentaoer!" - -»Wie zegt u dat?" vroeg de oude. - -»Ik weet het," antwoordde het meisje op stelligen toon. Weinige -oogenblikken later riep een heldere stem: »Heil u! Hoe gaat het uwe -kranke?" - -Weldra stond Pentaoer naast Warda, zich verheugende over het gunstig -bericht van den arts Nebsecht en het vriendelijk gelaat van het meisje. -Hij had bloemen in de hand, door eene gelukkige jonkvrouw gelegd op het -altaar der godin Hathor, die hij sedert gisteren als priester diende. -Hij overhandigde ze de kranke, die ze blozend aannam en in de gevouwen -handen vasthield. - -»Dat zendt u de hooge godin, die ik thans dien," zeide Pentaoer, »en zij -zal u genezing schenken. Blijf haar gelijk! Gij zijt als zij rein en -lieflijk; moge ook verder uw handel met den haren overeenstemmen. Gelijk -de zon leven geeft aan den nevelachtigen horizont, zoo brengt gij -vreugde in deze donkere hut. Bewaar uwe onschuld, en overal waar gij uwe -schreden richt zult gij liefde wekken, evenals er bloemen ontluiken op -elke plek, die Hathors gouden voet[106] betreedt. Haar zegen rust op u!" - - [106] Hathor wordt meermalen, bijv. te Dendera de "gouden" - genaamd. Deze godin heeft veel overeenkomst met de "Gouden - Aphrodite." - -Hij had de laatste woorden half tot het Paraschieten-paar, half tot -Warda gericht. Reeds maakte hij zich gereed om terug te keeren, toen -zich achter het maïs-stroo, dat dicht bij de tent van de kranke lag, -eene angstige kreet van een kind deed hooren. Spoedig daarop kwam een -knaapje te voorschijn, dat in de hoogopgeheven hand een koek hield, door -den hond, die het kind overigens wel scheen te kennen, voor de helft -afgebeten. - -»Hoe komt gij hierheen, Scheraoe?" vroeg de Paraschiet aan het pruilende -ongelukkige kind, dat door de oude Hekt tot een dwerg werd misvormd. - -»Ik wilde," zeide de kleine al snikkende, »ik wilde Warda de koek -brengen. Zij is ziek en ik had zooveel...." - -»Arm kind," haastte de Paraschiet zich te zeggen, terwijl hij het haar -van den kleine streelde. »Daar, geef het aan Warda." Scheraoe naderde -de lijderes, knielde naast haar neer en fluisterde met van blijdschap -stralende oogen: »Toe neem het! De koek is goed en zeer zoet, en wanneer -ik er weder een krijg en Hekt laat mij vrij, dan breng ik die naar u." - -»Ik dank u beste Scheraoe," antwoordde Warda en gaf den knaap een kus. -Toen richtte zij zich tot Pentaoer en zeide: »Sedert weken heeft hij -niets gehad dan papyrus-merg[107] en lotus-brood[108], en nu brengt hij -mij den koek, die moeder gisteren de oude Hekt mede naar huis gaf." - - [107] Volgens Herodotus II, 92, Diodorus I, 80 en Plinius - XIII, 10, aten de Egyptenaars het beneden deel van den - papyrus-stengel, d. w. z. het merg dezer plant, en wel het - liefst op den oven geroosterd. - - [108] "Zij stooten de kern van den lotus, die uiterlijk gelijkt - op een maankop, fijn en bakken daarvan brood" (Herodotus II, - 92). Daar, zooals de gedenkteekenen ons leeren, de lotus-planten - in overgroote menigte op het water en de papyrus-struiken aan - den Nijloever wiesen, is de opteekening van Diodorus dat, - namelijk een kind, tot het volwassen is, zijne ouders niet - meer dan 20 drachmen (ongeveer 9 gulden) heeft gekost, wel te - gelooven. Het is zeker vreemd, dat ondanks de nuttigheid van - beide planten, met name van den papyrus, de eene zoowel als de - andere in Egypte niet meer vóorkomen. - -Het knaapje bloosde tot over de ooren en stamelde: »Hij is nog maar -half, en toch heb ik hem niet aangeroerd; uw hond beet dit stuk hier af, -en dáar." Het kind raakte even met zijn vinger de honig aan en bracht -dien aan zijne lippen. »Ik zat reeds lang achter het stroo te wachten, -want ik durfde niet voor die vreemde heeren daar." Hij wees daarbij op -den arts en Pentaoer, en zeide daarop: »Maar nu moet ik naar huis." - -Toen het kind wilde heengaan, hield Pentaoer het tegen, pakte het op, -wiegde het op zijne armen en zeide, zich daarbij tot den arts wendende: -»Zij waren wel wijs, die Horus, den god die het goede doet zegepralen -over het kwade en het reine over het onreine, de gestalte van een kind -hebben gegeven. Wees gezegend, mijn kleine vriend, blijf goed en geef -maar altijd het uwe weg om anderen gelukkig te maken. Uw huis zal -daardoor niet rijk worden maar uw hart des te rijker!" - -Scheraoe drong zich tegen den priester aan en onwillekeurig verhief zich -daarbij zijne kleine hand, om Pentaoers wangen te streelen. Een ongekend -gevoel van teederheid welde in hem op, en het was hem al moest hij zijne -armpjes om 's dichters hals slaan en aan diens borst uitweenen. Pentaoer -zette hem weer op den grond en hij trippelde het dal in. Daar bleef hij -staan. De zon had bijna haar middaghoogte bereikt en vóor dien tijd -moest hij weder in het hol van de tooveres en tusschen de planken terug. -Hij had zoo gaarne verder gegaan tot aan het graf, dat voor den koning -werd aangelegd. Dicht bij de poort ervan stond een schutdak van -palmtakken, waaronder de beeldhouwer Bataoe, een hoogbejaarde grijsaard, -gewoonlijk rustte. De oude man was doof, maar hij werd te recht voor -den eersten kunstenaar van zijn tijd gehouden. Hij was de ontwerper -van de voortreffelijke afbeeldingen en de rijen hiëroglyphen op de -praalgebouwen van Seti te Abydus en te Thebe, alsmede van die in het -graf van genoemden vorst. Thans hield hij zich bezig met de versiering -van de wanden van Ramses' groeve. - -Dikwijls was Scheraoe in zijne nabijheid geslopen, had hij aandachtig -gekeken naar het werk van den beeldhouwer en dan zelf beproefd, of hij -uit een stukje klei ook dierlijke en menschelijke figuren kon maken. -Eens had de grijsaard hem opgemerkt, hem zwijgend zijn knutselwerk uit -de hand genomen, en het daarna teruggeven met een goedkeurend lachje. -Sedert was er tusschen deze twee eene eigenaardige betrekking ontstaan. -Scheraoe kreeg vergunning zich naast den beeldhouwer neer te zetten en -de door hem voltooide beeldwerken na te volgen. Geen woord werd daarbij -gewisseld, doch de doove grijsaard vernietigde nu eens het werk van den -knaap, dan weder verbeterde hij het met een enkelen vingerdruk, en niet -zelden gaf hij met een lachje zijn bijval te kennen. Zoo vaak de kleine -uitbleef, werd hij werkelijk door zijn leermeester gemist, en het waren -Scheraoe's heerlijkste uren, die hij aan de zijde van Bataoe mocht -doorleven. Het stond hem ook vrij klei mede naar huis te nemen, waar -hij achter den rug van de oude Hekt menig beeldje vormde, dat echter na -de voltooiing terstond werd vernietigd. Als hij op zijn martelbed lag, -beproefde hij met zijne ongebonden handjes de verschillende gestalten na -te maken, die er in zijne verbeelding leefden. Onder deze scheppenden -kunstenaarsarbeid vergat hij het tegenwoordige, en zijn bitter lot kreeg -althans een bijsmaak van zoet geluk. - -Heden was het zoo laat geworden, dat hij zijn bezoek aan het Ramses-graf -moest opgeven. Nog eenmaal keerde hij zich om naar de hut, en toen liep -hij op een drafje naar het zwarte hol. - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - - -Ook Pentaoer had weldra de hut van den Paraschiet verlaten. Peinzend -sloeg hij het bergpad in, dat naar den tempel[109] leidde, waarover -Ameni hem het bestuur had opgedragen. Hij zag alles behalve -verkwikkelijke, ja donkere uren naderen. Het heiligdom, aan zijne zorg -toevertrouwd, was door koningin Hatasoe[110], die tot de onttroonde -dynastie behoorde, gewijd aan hare eigene nagedachtenis en aan de -godin Hathor. De priesters die het bedienden, waren in het bezit van -bijzondere, bij gezegelde oorkonden gewaarborgde privilegiën, die tot -hiertoe streng ontzien werden. Hunne waardigheid was erfelijk, en ging -dus over van den vader op den zoon; ook mochten zij uit hun eigen midden -een hoofd kiezen. Roeï, die thans deze waardigheid bekleedde, was -doodelijk ziek, en Ameni, wien het oppertoezicht over deze priesters -toekwam, had, zonder hen te raadplegen, hun den jongen Pentaoer als -plaatsvervanger toegezonden. Zij ontvingen den indringer met tegenzin -en sloten zich vast aaneen, toen hun bleek dat hij voornemens was zijne -taak ernstig op te nemen en vele onder hen bestaande misbruiken af -te schaffen. Zij hadden de begroeting van de opgaande zon aan de -tempeldienaars opgedragen; Pentaoer verlangde echter, dat ten minste de -jongeren onder hen aan het gezang van de morgenhymne zouden deelnemen, -terwijl hijzelf de koren bestuurde. Tot hiertoe hadden zij handel -gedreven met de rijke op het altaar der goden neergelegde offers, doch -hun nieuwe meester verzette zich tegen deze onbetamelijke handelwijs, -alsmede tegen de afpersingen, waaraan zij zich schuldig maakten ten -opzichte van beangstigde vrouwen, die den tempel van Hathor in grooter -getal bezochten dan eenig ander heiligdom. - - [109] Deze tempel is betrekkelijk goed bewaard gebleven. - In Dümichen's =Flotte einer aegyptischen Königin= zijn de - belangrijkste voorstellingen, die men daar gevonden heeft, - afgebeeld. De platte grond, door Lepsius gegeven in zijne - =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien= kan aangevuld worden, na - de uitgravingen van Mariëtte. - - [110] Dochter van Thotmes I, gemalin van haar broeder Thotmes - II, voogdes van haar tweeden broeder Thotmes III. Zij was een - krachtig handelende vrouw, die groote werken deed uitvoeren, en - zich liet afbeelden met den helm en den baard van een man. - -De dichter, in het Seti-huis opgevoed tot zelfbeheersching, orde, -stiptheid en reinheid van zeden, diep doorgedrongen van de beteekenis -der priesterlijke waardigheid, en gewoon, met bijzonderen ijver te velde -te trekken, tegen traagheid van lichaam en geest, had een walg van dat -luie lekkere leven en de bedriegerijen dergenen, die onder hem gesteld -waren. Hij besloot daarom met te grooter ijver hier een nieuw leven te -wekken, sedert de dag van gisteren hem een diepen blik had doen slaan -in de ellende en de zorgen van het menschelijk leven. De overtuiging -dat de trage priesterschaar, die hem gehoorzamen moest, geroepen was -troostrijken balsem te gieten in duizend beknelde harten, ontelbare -tranen te drogen en aan het dorre hout der vertwijfeling het frissche -groen der hoop te doen ontspruiten, drong hem krachtig door te tasten. -Gisteren had hij gezien, hoe zijne onderhoorigen de klachten van eene -verlatene, van een bedrogen meisje, van eene vrouw, die den kinderzegen, -haar tot dusver ontzegd, kwam afbidden, van een zorgvolle moeder en -eene eenzame weduwe, met koele onverschilligheid hadden aangehoord. -Zij bleken op niets anders bedacht te zijn dan om het leed van anderen -winstgevend te maken voor de godin Hathor, of liever, om geschenken af -te persen ten behoeve van hun eigen zak en hun eigen buik. - -Thans naderde hij weder het tooneel zijner nieuwe werkzaamheid. Dáar -lag het eerwaardig heiligdom, uit het dal in vier terrassen statig -oprijzende, aan de westzijde geleund tegen den halfronden hemelhoogen -wand van het steile geelachtige kalkgebergte; daar lag het zoo -regelmatig en eigenaardig afgedeeld. Op den met zorg gevoegden onderbouw -prijkten reusachtige in den steen uitgehouwen sperwers, met het teeken -des levens. Zij waren eene symbolische voorstelling van Horus, den zoon -der godin, die al wat verwelkt op nieuw doet bloeien, al het stervende -weder doet opstaan. Op elk terras verhief zich eene naar het oosten -geopende overdekte ruimte, elk met twee en twintig zuilen in ouden -stijl[111]. De schoone schilderwerken en opschriften in fijn -beeldhouwwerk op de achterwanden, verkondigde aan de nakomelingschap wat -groote dingen Hatasoe met hulp der goden van Thebe had gedaan. Dáar -zag men de schepen, die zij naar Poent[112] had gezonden, om Egypte te -verrijken met de schatten van het oosten. Dáar waren de naar Thebe -overgebrachte wonderen van Arabië te zien. Dáar kon men de afbeeldingen -vinden van de huizen[113] der bewoners van het wierookland, en alle -visschen van de Roode zee in scherpe en karakteristieke omtrekken[114]. -Op het derde en vierde terras bevonden zich kleinere door Hatasoe en -hare broeders Thotmes II en III aangelegde vertrekken, die tegen de -rotsen waren aangebouwd, en waartoe poorten van graniet den toegang -verleenden. Daar moesten de reinigingen volbracht, de standbeelden der -godin vereerd, aan de schim der koningin geofferd en van bevoorrechte -smeekelingen de biecht gehoord worden. In een zijgebouw werd de heilige -koe der godin verpleegd. - - [111] Het waren veelhoekige zuilen, zooals die voorkomen in - graven uit de 12e dynastie (2354 tot 2194 v. Chr.). Na de - verdrijving der Hyksos door de koningen uit de 17e en 18e - dynastie werden zij ook voor op zichzelf staande gebouwen - gebruikt, doch onder de volgende koningen komen zij niet meer - voor. - - [112] Arabië, waarschijnlijk ook het kustland van Oost-Afrika - ten zuiden van Egypte, tot aan het Somali-land. Hiervoor pleiten - namelijk de onlangs door Mariëtte uitgegeven lijsten der - zuidelijke volken, die Thotmes III onderwierp, en die op de - pylonen van den tempel van Karnak waren uitgehouwen. - - [113] Zij stonden op palen, en men kon er alleen inkomen met - hulp van ladders. - - [114] De verschillende soorten zijn zeer goed te onderscheiden. - Het is Dr. Donitz gelukt aan vele de juiste naam te geven. - -Toen Pentaoer aan den hoofdpoort van den terrassentempel was gekomen, -moest hij getuige zijn van een schouwspel, dat hem met verontwaardiging -vervulde. Eene vrouw wenschte den voorhof binnengelaten te worden, om -aan het altaar der godin te bidden voor haar man, die ernstig ziek was. -Doch de dikke portier wees haar met ruwe woorden af. »Daar staat het," -zeide hij, wijzende op het opschrift boven de poort; »de reine alleen -mag zijn voet over dezen drempel zetten, en men kan slechts rein worden -door het bewierooken." - -»Slinger dan het wierookvat," bad de vrouw, »en neem daarvoor dezen -zilverring. Ik heb niet meer." - -»Eén zilverring?" riep de portier verbaasd. »Zal de godin om uwentwil -armoe lijden? de anta-korrels[115], die wij voor de reiniging noodig -hebben, kosten wel tienmaal meer." - - [115] Eene zeer dikwijls voorkomende soort van wierook. - -»Maar ik bezit niets meer," herhaalde de vrouw. »Mijn man, waarvoor ik -kom bidden, is ziek. Hij kan niet werken, en mijne kinderen...." - -»Die wilt gij zeker vetmesten, en daarom der godin onthouden wat haar -toekomt," sprak de portier. »Komaan, drie ringen, of ik sluit de poort." - -»Wees barmhartig!" hernam de vrouw weenend. »Wat moet er van ons worden, -wanneer Hathor mijn man niet bijstaat?" - -»Moet onze godin hem een geneesmiddel geven?" vroeg de portier. -»Waarlijk zij heeft wel wat anders te doen dan kranke hongerlijders -beter te maken. Dat behoort ook niet tot haar ambt. Ga naar -Imhotep[116], of naar Choensoe den plannenmaker[117] of tot den grooten -Techoeti zelven; zij zijn het die kranken helpen. Hier houdt men zich -niet op met kwakzalverij." - - [116] Zoon van Ptah. De Grieken noemden hem Asklepios - (Aesculapius). Memphis was de hoofdplaats zijner vereering. - Gewoonlijk wordt hij afgebeeld met een kap over het hoofd en een - boek op de knieën. Men vindt van hem zeer schoone standbeelden - te Berlijn, in het Louvre, te Boelaq en in andere museën. Een - bronzen beeldje van buitengewone schoonheid is in het bezit van - den predikant Haken te Riga. - - [117] De derde god in de trias van Thebe. Choensoe, steeds met - de lok der jeugd getooid, is de zoon van Amon en Moeth; hij - wordt bovendien met Toth vereenzelvigd en aangeroepen als goeden - raad gevende bij genezing van kranken. Zijn groote tempel te - Thebe (Karnak) is goed bewaard gebleven. Onder de 20ste dynastie - (1273-1095 v. Chr.) werd, gelijk E. de Rougé heeft aangetoond - uit een voortreffelijk verklaarden papyrus op de bibliotheek van - Parijs, zijn standbeeld naar Azië gezonden, om de door demonen - bezetene zuster der vrouw van Ramses XII, eene Aziatische - vorstendochter, te genezen. - -»Ik verlang niet anders dan troost in mijn kommer," snikte de vrouw. - -»Troost?" zeide de portier lachend, terwijl hij de vrouw, die er nog -jong en frisch uitzag, met zijne blikken opnam. »Die kunt gij goedkooper -krijgen!" - -De vrouw werd doodsbleek en sloeg den portier, die zijn hand naar -haar uitstrekte, terug. Op dit oogenblik trad Pentaoer gloeiend van -verontwaardiging tusschen beiden. Zegenend breidde hij zijne handen uit -over het hoofd der vrouw, die zich diep voor hem boog en zeide: »Wie de -godheid uit den diepsten grond des harten aanroept, dien is zij nabij. -Gij zijt rein. Treedt den voorhof binnen!" - -Zoodra zij in den tempel verdwenen was, richtte de priester zich tot den -portier en zeide: »Zóo dient gij de godheid dus; maakt gij zóo misbruik -van den nood der beklemde gemoederen? Geef over de sleutels van deze -poort! Dit ambt is u ontnomen, en morgen reeds gaat gij naar buiten op -de weide, om de ganzen van Hathor te hoeden." - -De portier wierp zich onder een vreeselijk misbaar op de knieën, maar -Pentaoer keerde hem den rug toe, trad het heiligdom binnen en ging den -trap op, die naar zijne op het hoogste terras gelegene woning leidde. -Eenige priesters, die hij tegenkwam, draaiden zich om; anderen keken -voor zich, hoorbaar smakkende en kauwende, en deden alsof zij hem niet -zagen. Zij hadden een complot gemaakt en het stellig besluit genomen, -zich tegen elken prijs van den lastigen indringer te ontslaan. Toen -Pentaoer het vertrek had bereikt, dat voor zijn zieken voorganger met -zooveel weelde was gemeubeld, deed hij zijn nieuw ambtsgewaad aan, en -kon niet nalaten onder smartelijke gewaarwordingen eene vergelijking te -maken tusschen voorheen en thans. Tot welk eene verwisseling had Ameni -hem gedoemd! Hier vond hij niet anders dan stompheid en weerzin, -waarheen hij ook de blikken richtte, terwijl honderd knapen hem tegemoet -ijlden en uit genegenheid aan zijn kleed hingen, wanneer hij door de -hoven van het Seti-huis wandelde. Door grooten en kleinen geëerd, vond -daar elk zijner woorden een plaats, en wanneer hij dag aan dag zijne -denkbeelden uitsprak, ontving hij ze in ernstige gesprekken met zijne -metgezellen en kweekelingen gelouterd terug, en legde zoo schatten op -voor zijn innerlijk leven. »Het vreemde," zeide hij tot zichzelf, »is -vaak het aantrekkelijkste. En toch: hoe zwaar valt het te missen, -waaraan men gewoon is." - -Pentaoer doorleefde weder in de verbeelding de gebeurtenissen van de -laatste dagen. Het beeld van Bent-Anat stond hem levendig voor den -geest, en nam steeds duidelijker en bekoorlijker vormen aan. Zijn hart -begon harder te kloppen en het bloed stroomde sneller door zijne aderen. -Hij verborg zijn aangezicht in zijne handen en herdacht elk harer -blikken en ieder woord van hare lippen. »U volg ik gaarne," had zij hem -vóor de hut van den Paraschiet gezegd. Nu vroeg hij zichzelven af, of -hij nog waardig was haar leidsman te zijn. Wel is waar was hij alle -perken te buiten gegaan, maar niet om het huis, dat hem dierbaar was, te -benadeelen, maar om nieuw licht binnen te laten in zijne sombere ruimte. -»Te doen, wat wij na ernstig nadenken als recht beschouwen," zeide hij -tot zichzelf, »kan strafbaar schijnen voor de menschen, maar is het niet -voor God." Hij voelde zijn borst verruimd en trad naar buiten op het -terras, met opgeheven hoofd en den vasten wil, hier niet alleen zelf te -doen wat recht is, maar ook voor recht en billijkheid een zetel op te -richten. »Wij menschen," dacht hij, »veroorzaken reeds smart bij onze -intrede in de wereld, en wederom droefheid wanneer wij haar verlaten. -Derhalve zijn wij verplicht in den tijd die daar tusschen ligt het -lijden te onderdrukken en vreugde te zaaien. Hier zijn vele tranen te -drogen. Welaan dan, aan 't werk." - -De dichter vond niemand van zijne onderhoorigen op de bovenste -terrassen. Alle priesters waren vereenigd in den tempelvoorhof, en -luisterden naar het verhaal van den portier, in wiens wrok zij deelden. -Hij wist op wien zij het gemunt hadden. Daarom ging hij met vasten tred -naar hen toe en zeide: »Ik heb dezen man uit ons midden gebannen, omdat -hij ons tot schande maakt. Morgen verlaat hij den tempel." - -»Ik ga dadelijk," antwoordde de portier op hoogen toon, »en zal -overeenkomstig den last dezer heilige vaders," -- en de blik dien hij -daarbij op de priesters sloeg, toonde duidelijk dat zij het eens waren, -»den opperpriester Ameni vragen, of het in het vervolg ook onreinen zal -vrijstaan dit heiligdom te betreden." - -Reeds naderde hij de poort; Pentaoer trad hem echter in den weg en zeide -op beslisten toon: »Gij blijft hier en zult morgen, overmorgen en altijd -de ganzen hoeden, tot het mij zal goeddunken u vergiffenis te schenken." - -De portier zag de priesters aan, maar geen hunner bewoog zich. »Ga terug -in uw vertrek!" riep de dichter op hem toetredende. - -De portier gehoorzaamde. Pentaoer sloot de deur van de kleine kamer, gaf -den sleutel aan een tempeldienaar en zeide: »Gij verricht zijn dienst, -bewaakt den man, wanneer hij ontvlucht dan volgt gij hem morgen achter -de ganzen. Ziet mijne vrienden, hoevele biddende daar voor onze altaren -knielen; gaat heen en doet wat uw ambt is. Ik wacht in de biechtzaal om -klachten te vernemen en te troosten." - -De priesters gingen uit elkaar, allen naar de offeranden. Pentaoer -besteeg opnieuw de trap, en nam plaats in de smalle door een voorhangsel -afgeslotene biechtkamer, op welker wanden eene voorstelling was te -zien van Hatasoe, die uit den uier van de Hathor-koe[118] de melk des -eeuwigen levens ontving. Nauwelijks had hij zich daar neergezet, of een -Neokore[119] kondigde hem de komst aan van eene aanzienlijke gesluierde -vrouw. Ook de dragers van haar draagstoel hadden het hoofd geheel -bedekt. Zij verlangde in het biechtvertrek gebracht te worden. De -dienaars overhandigden Pentaoer een bewijs, waardoor de opperpriester -van den grooten Amon-tempel aan de overzijde van den Nijl, haar het -voorrecht toekende met de Rechioe[120] het binnenste van den tempel -te betreden en met alle priesters, ja zelfs met den hoogsten onder de -ingewijden te verkeeren. - - [118] Een buitengewoon levendig, volkomen goed bewaard - relief-beeld. - - [119] De Neokoren maakten de laagste priesterorde uit. Onder hen - behoorden ook de tempeldienaars. - - [120] Egyptenaars, die tot de binnenste gedeelten van den tempel - en tot de hoogere graden van kennis werden toegelaten. - -De dichter trok zich achter een voorhangsel terug en verwachtte de -vreemdelinge met eene onrust, die hemzelf te meer bevreemden moest, -naarmate hij zich dikwijls in dergelijke omstandigheden had bevonden. -Ameni had zelfs de voornaamste onder de grootwaardigheidsbekleeders aan -hem overgelaten, wanneer zij zich naar het Seti-huis begaven, om daar -hunne droomen te doen uitleggen. Eene hooge vrouwengestalte betrad het -stille koele steenen vertrek, zonk op de knieën neder en bad lang en -geheel in zichzelve gekeerd voor het beeld van Hathor. Ook Pentaoer -hief, zonder door iemand gezien te worden, zijne handen op, en richtte -zich met geestdrift tot den geest die het heelal vervult, met de bede om -kracht en reinheid. Toen hij zijne armen liet nederzinken, hief de vrouw -haar hoofd op. Het was alsof de gebeden van beiden zich vereenigd hadden -om gemeenschappelijk ten hemel te stijgen. Nu stond de onbekende op en -liet haar sluier vallen. - -Het was Bent-Anat. - -Zij had in de onrust harer ziel de godin Hathor opgezocht, die den -harteslag der vrouwen regelde en de draden weefde, die man en vrouw -verbonden. »Hooge vorstin des hemels, veelnamige en schoone van -aangezicht," begon zij overluid te bidden, »gouden Hathor, gij die de -smart kent en de vreugde, het tegenwoordige en de toekomst, nader tot -uw kind en leid den geest uws dienaars, dat hij mij rade! -- Ik ben de -dochter eens vaders, die groot is en edel en waarachtig als een der -goden. Hij raadt mij, zonder mij te dwingen, een man te volgen, dien ik -nimmer zal kunnen liefhebben. Doch ik heb op mijn weg een man ontmoet, -eenvoudig van geboorte, maar groot van geest en gaven...." - -Tot hiertoe had Pentaoer, niet in staat een woord te spreken, de prinses -aangehoord. Zou hij verborgen blijven en haar geheim afluisteren, of -zou hij te voorschijn komen en zich aan haar vertoonen? Zijn trots -riep luide in zijn binnenste: »Thans noemt zij uw naam, gij zijt de -uitverkorene boven alle schoonen en grooten." Maar eene andere stem, -waarnaar hij zich door menige zelfbeproeving gewend had te luisteren, -verhief zich en zeide: »Laat de onwetende niets zeggen, waarover de -wetende zich zou moeten schamen." Blozende voor die stem, schoof hij het -voorhangsel open en trad Bent-Anat te gemoet. - -De prinses week verschrikt terug en vroeg: »Zijt gij Pentaoer, of een -der hemelsche goden!" - -»Ik ben Pentaoer," zeide hij met vaste stem, »een mensch met al de -zwakheden van mijn geslacht, maar met den wil om het goede te doen. -Verwijl hier en stort uw hart uit voor onze godin; mijn gansche leven -zal een gebed zijn voor u!" - -Hij zag haar hierbij met heldere oogen aan, en keerde zich daarop, zoo -snel alsof hij een gevaar te ontwijken had, naar den uitgang van het -biecht vertrek. - -Bent-Anat riep hem bij zijn naam, en hij stond stil. »De dochter van -Ramses," zeide zij, »behoeft hare verschijning aan deze plaats niet -te rechtvaardigen. Maar de jonkvrouw Bent-Anat," en bij deze woorden -bloosde zij, »vermoedde in plaats van u, den ouden Roeï hier te vinden, -en zij verlangde zijn raad. Laat mij thans bidden!" - -Bent-Anat zonk op de knieën en Pentaoer trad naar buiten. Toen ook de -prinses de biechtkamer weder verlaten had, lieten zich aan de zuidzijde -van het terras waarop zij stond, luide stemmen hooren. Zij vloog naar -de borstwering. »Heil Pentaoer!" klonk het van beneden. De dichter liep -insgelijks toe en plaatste zich naast de koningsdochter. Beiden zagen -neder in het dal en werden door allen gezien. - -»Heil Pentaoer!" klonk het nu nog eens zoo luide. »Heil onzen -leermeester! Keer terug in het Seti-huis. Weg met de vervolgers van -Pentaoer! Weg met onze onderdrukkers!" - -Aan het hoofd der jongelieden, die, zoodra zij vernomen hadden waarheen -de dichter gebannen was, uit het Seti-huis gevlucht waren, om hem te -zeggen dat zij hem bleven aanhangen, stond de prins Rameri. Zegepralend -wuifde hij zijne zuster toe. De jonge Anana, mede een der aanvoerders, -trad vooruit, om in eene plechtige en goed bestudeerde aanspraak den -vereerden meester mede te deelen, dat zij, ingeval Ameni weigeren mocht -hem in het Seti-huis terug te roepen, besloten waren hunne vaders te -verzoeken hen naar eene andere school over te plaatsen. - -De jeugdige geleerde sprak goed en Bent-Anat volgde niet zonder bijval -zijne rede. Pentaoer echter fronste al meer en meer het voorhoofd, en -eer zijn geliefkoosde leerling zijne toespraak ten einde had gebracht, -viel hij hem in de rede met ernstige woorden. Eerst wees hij den lof hem -toegebracht af, daarna sprak hij zijn ongenoegen uit over hunne daad. -Doch hoe luide hij ook zijne stem verhief, er lag in zijne taal geen -toorn maar veeleer smart. »Waarlijk," zoo besloot hij, »ik zou mij -beklagen over elk woord, weleer tot u gesproken, wanneer het uw moed -versterkte tot zulk eene onbezonnen daad. Gij zijt in paleizen geboren; -leert gehoorzamen, opdat gij later zult kunnen bevelen. Terug naar de -school! -- Talmt gij nog? Dan treed ik u met mijne wachters tegemoet, en -drijf u, die mij en uzelven door zulke bewijzen van liefde weinig eer -aandoet, naar de school terug, waar gij tehuis behoort!" - -De leerlingen waagden geen tegenspraak, maar verbluft en ontnuchterd -keerden zij zich om. - -Bent-Anat sloeg de oogen neder, toen zij den blik opving van haren -schouderophalenden broeder, en zag half schuw, half met hoogachting -naar den dichter. Doch weldra werd hare aandacht weder naar de vlakte -getrokken. Want dichte stofwolken verhieven zich; het getrappel van -hoeven en het geratel van wielen liet zich hooren en op hetzelfde -oogenblik hielden de wagen van Septah, de overste der Horoscopen, en een -voertuig met zwaar gewapende veiligheidswachters van het Seti-huis bij -het terras stil. De ijverige grijsaard sprong haastig op den grond, -riep de bende ontvloden jongelingen eenige strenge woorden toe, gaf de -manschappen van de wacht bevel ze naar de school terug te brengen, -en ijlde haastig als een jonkman naar de tempelpoort. De priesters -ontvingen hem daar met diepen eerbied, en droegen hem terstond hunne -klachten voor. Hij hoorde ze met welgevallen aan, liet hen echter niet -uitspreken, maar steeg snel hoewel met inspanning de trappen op. - -Daar kwam Bent-Anat hem tegemoet. De prinses voelde, dat zij zich, als -de Horoscoop haar herkende, aan berisping en verkeerde vermoedens zou -bloot stellen. Reeds strekte hare hand zich uit naar den dichten sluier, -doch zij trok dien dadelijk terug, zag den oude met kalme waardigheid -in de oogen, weerstond zijn toornigen blik en ging hem trotsch voorbij. -De Horoscoop boog, zonder haar te zegenen, en beval Pentaoer, dien hij -op het tweede terras aantrof, alle smeekelingen den tempel te doen -verlaten. Dit was in weinige minuten afgeloopen en de priesters waren -getuigen van een pijnlijk tooneel, zooals zich sedert jaren in dit -stille heiligdom niet had voorgedaan. - -De eerste der Horoscopen van het Seti-huis was een der ergste -tegenstanders van den zoo vroeg in de mysteriën ingewijden dichter, -wiens vermetele geest niet zelden aan de oude inzettingen tornde, -terwijl de ijverige grijsaard van der jeugd af aan uit overtuiging had -gearbeid om ze te bevestigen. De ergerlijke gebeurtenissen, waarvan -hij in het Seti-huis en weinige oogenblikken geleden hier getuige -was geweest, hield hij voor de gevolgen van de teugelloosheid van -een verdoolden fantast, en onder harde woorden stelde hij Pentaoer -verantwoordelijk voor den opstand der kweekelingen. »Gelijk onze -knapen," riep hij, »hebt gij ook de dochter van Ramses verleid. De -onreinheid is nog niet van haar weggenomen, en toch lokt gij haar tot -eene samenkomst, niet in het vreemdenkwartier, maar in het heilige huis -dezer reine godin!" - -Onverdiende lof kan zwakken in gevaar brengen, eene onrechtvaardige -berisping ook sterken van den goeden weg afleiden. Pentaoer wees de -verwijten van den grijsaard vol toorn van zich af, noemde ze een man van -zulk een leeftijd, stand en naam onwaardig, en opdat zijne verbolgenheid -hem niet overmeesteren zou, keerde hij Septah den rug toe. Doch de -Horoscoop beval hem te blijven, en verhoorde in zijne tegenwoordigheid -de priesters, die eenstemmig den dichter beschuldigden, dat hij, behalve -Bent-Anat, nog eene andere onreine vrouw in den tempel gebracht en den -portier, die zich tegen zulk eene heiligschennis verzette, afgezet en -in de gevangenis geworpen had. De Horoscoop beval den mishandelde te -bevrijden. Doch Pentaoer verzette zich tegen dezen last, deed zijn recht -om hier te bevelen gelden, en eischte met bevende stem, dat de Horoscoop -den tempel zou verlaten. Daarop toonde Septah Ameni's ring, waarmede -de opperpriester hem, zoolang hij zich in Thebe ophield, tot zijn -gevolmachtigde had gemaakt, ontzette den dichter van zijne waardigheid, -beval hem echter tot nader order het heiligdom niet te verlaten, en -verliet toen den Hatasoe-tempel. - -Pentaoer had zich voor den ring zijns meesters zwijgend gebogen en zich -toen teruggetrokken in de biechtkamer, waarin hij Bent-Anat had ontmoet. -Hij was in zijne overtuiging geschokt; zijne gedachten kruisten, zijne -gevoelens bestreden elkander. Hij huiverde, en toen de schaterlach der -priesters en van den portier, die zich vroolijk maakten over hunne -gemakkelijke overwinning, tot zijn oor doordrong, kromp hij ineen als -een onteerde, die zijn brandmerk in den spiegel ziet. Maar langzamerhand -kwam hij weder tot zichzelf en begon het op te klaren in zijne ziel. -Toen hij het stille biechtvertrek verliet om naar het oosten te zien, -waar zich aan genen oever van den Nijl het paleis verhief, waarin -Bent-Anat haar verblijf hield, toen voelde hij eene diepe verachting -voor zijne vijanden en doortintelde hem het trotsch gevoel zijner -mannelijke kracht. Hij kon het zich niet verhelen, dat hij vijanden had, -dat een tijdperk van strijd voor hem was aangebroken. Doch hij zag dien -tegemoet als een jonge held den morgen van den dag, waarop hij voor het -eerst slag zal leveren. - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - - -De namiddagschaduwen begonnen reeds langer te worden, toen een prachtige -wagen de poort van den terrassentempel naderde. De koninklijke gids -Paäker stond er op, en bestuurde zijne vurige Syrische rossen. Zijn -oude Ethiopische slaaf stond achter hem, en zijn groote dog volgde -het harddravende tweespan, met de tong uit den bek. Niet verre van de -tempelpoort werd hij aangeroepen en hield hij zijne paarden in. Een -klein mannetje ijlde hem tegemoet, en toen hij daarin den dwerg Nemoe -herkende, riep hij onwillig: »Moet ik om uwentwil stilhouden, dreumes? -Wat wilt ge?" - -»U smeeken," zeide de kleine, terwijl hij zich deemoedig boog, »mij, -als gij uwe zaken in de doodenstad hebt afgedaan, mede te nemen naar de -overzijde van Thebe." - -»Gij zijt de dwerg van den wagenmenner Mena?" vroeg de gids. - -»In het geheel niet," antwoordde Nemoe. »Ik behoor aan zijne verlatene -vrouw, aan mijne meesteres Nefert. Ik kan met mijne kleine beenen -den weg maar langzaam verteren, terwijl de hoeven uwer paarden dien -verslinden, als een krokodil zijn buit." - -»Sta op," beval Paäker. »Zijt gij te voet in de doodenstad gekomen?" - -»Neen heer," antwoordde Nemoe, »op een ezel, maar een demon is in dat -beest gevaren en heeft het met krankheid geslagen. Ik moest het midden -op den weg laten liggen. De dieren van Anubis[121] zullen het hedenavond -beter hebben dan wij." - - [121] Jakhalzen. - -»Gaat het dan bij uwe meesteres niet altijd rijkelijk toe?" vroeg de -gids. - -»Brood hebben wij nog," antwoordde Nemoe, »en de Nijl is vol water. Voor -vrouwen en dwergen is niet veel vleesch noodig; maar ons laatste vee -begint er uit te zien, dat het voor menschentanden te hard wordt om te -vermalen." - -De gids begreep de aardigheid van den dwerg niet, en zag hem vragend -aan. - -»Het wordt geld," zeide de dwerg, »en dat laat zich niet kauwen. Weldra -zal ook dat op zijn, en dan is de vraag hoe wij een recept uitvinden, -om uit aarde, water en palmbladen voedzame koeken te bakken. 't Kan mij -niet veel schelen, een dwerg heeft niet veel noodig; maar mijne arme, -teedere meesteres!" - -Paäker zette zijne paarden aan met zulk een geweldigen zweepslag, dat -zij begonnen te steigeren en hij al zijn kracht noodig had om hun vuur -te beteugelen. - -»Gij zult de kaken der paarden verbrijzelen," waarschuwde de oude slaaf -achter den gids. »'t Zou jammer zijn van die schoone dieren." - -»Moet gij ze betalen?" vroeg Paäker op hoogen toon. Daarop wendde hij -zich weder tot Nemoe en vroeg verstoord: »Waarom laat Mena de vrouwen -gebrek lijden?" - -»Hij heeft zijne gade niet meer lief," antwoordde de dwerg, terwijl hij -de oogen droevig nedersloeg. »Bij de laatste buitverdeeling versmaadde -hij goud en zilver, en haalde in plaats daarvan vreemde vrouwen in zijne -tent. Booze geesten hebben hem verblind, want waar ter wereld leefde -eene vrouw schooner dan Nefert?" - -»Gij hebt uwe meesteres lief?" - -»Als mijne oogen." - -Onder dit gesprek waren zij bij den terrassentempel gekomen. Paäker -wierp zijn slaaf de teugels toe en beval hem met Nemoe te wachten. Hij -meldde zich aan bij den portier met het verzoek, dat door een handvol -geld werd ondersteund, hem bij Pentaoer, het opperhoofd van den tempel, -te brengen. Na met eene vluchtige beweging van de hand het wierookbekken -voor den gids heen en weder geslingerd te hebben, liet de deurwachter -hem in het heiligdom, zeggende: »Gij zult hem op het derde terras -vinden. Maar hij is onze overste niet." - -»Zoo noemde men hem toch in het Seti-huis, vanwaar ik kom," antwoordde -Paäker. - -De portier haalde onder een spottend lachje de schouders op, en met de -woorden: »Een palmboom beklimt men snel, maar men valt nog sneller naar -beneden," liet hij den bezoeker door een tempeldienaar naar Pentaoer -brengen. Deze herkende den Mohar terstond, vroeg wat hij verlangde, en -vernam dat hij gekomen was om een zonderling droomgezicht door hem te -laten verklaren. Vóor hij begon te vertellen, betuigde Paäker dat hij -dezen dienst niet om niet verlangde; toen hij echter bespeurde, dat er -eene donkere wolk kwam op het aangezicht van den priester, voegde hij -er bij: »ik zal uwe godin een kostelijk offerdier zenden, als hare -uitlegging mij iets gunstigs voorspelt." - -»En in het tegenovergesteld geval?" vroeg de dichter, die in het -Seti-huis nooit zelfs het minste had te doen gehad met de betaling der -smeekelingen en de gaven der vromen. - -»Dan stuur ik een hamel," antwoordde Paäker, wien de fijne spot in 's -dichters woorden was ontgaan, en bovendien aan de godheid de gaven, naar -de waarde die zij voor hem persoonlijk hadden, gewoon was te betalen. - -Pentaoer dacht aan het oordeel, dat de oude Gagaboe een paar avonden -geleden over den Mohar had geveld, en hij gevoelde lust eens te -onderzoeken, hoever de verblinding van dezen man wel ging. Daarom vroeg -hij, zijn lachlust bedwingende: »En wanneer ik u nu eens niets wat -bepaald slecht, maar ook niets dat in alle opzichten goed is, -voorspellen kan?" - -»Eene antiloop en vier ganzen," antwoordde Paäker haastig. - -»Doch gesteld dat ik u nu eens niet genegen was van dienst te zijn?" -vroeg Pentaoer. »Als ik bijvoorbeeld eens dacht, dat het beneden de -waardigheid van een priester is, de goden, elk naar den graad hunner -gunst jegens den enkelen mensch, gelijk omkoopbare beambten te laten -betalen? Als ik u -- en ik ken u van de schoolbanken -- en juist u eens -aan het verstand mocht brengen, dat er dingen zijn, die zich niet voor -geërfde rijkdommen laten koopen." - -De gids deed verrast en spijtig een paar stappen achterwaarts. Pentaoer -ging echter met dezelfde bedaardheid voort: »Ik sta hier als een dienaar -van de godheid, en toch, ik lees het op uw aangezicht, scheelt het niet -veel, of gij wilt ook tot uw eigen schade op mij de proef nemen, hoever -gij het brengen kunt door geweld. De hemelsche goden zenden ons geene -droomen toe, om ons den voorsmaak van vreugde te bezorgen of ons -voor kwaad te waarschuwen, maar om ons te vermanen, dat wij onze -zielen moeten bereiden, opdat wij in staat zullen zijn het kwade -met gelatenheid te dragen, het goede met hartelijke dankbaarheid te -ontvangen, en met beide winst te doen voor ons innerlijk leven. -- Ik -wil uw droomen niet uitleggen! Kom weder zonder gaven, maar met een -deemoedig hart en een innig verlangen naar inwendige loutering, en ik -zal de goden bidden dat zij mij verlichten, en ook den kwaden droom voor -u zóo uitleggen, dat hij u ten zegen zal zijn. -- Verlaat mij en dezen -tempel!" - -Paäker knarsetandde van boosheid, doch hij bedwong zich en zeide -alleen, terwijl hij zich langzaam verwijderde: »Als men u niet reeds -van uw ambt had ontzet, dan zoudt gij het toch wellicht verbeurd hebben -door de onbeschaamdheid, waarmede ge mij afwijst. Wij ontmoeten elkander -weder, en dan zult gij ondervinden, dat geërfd geld, in de hand die het -weet te gebruiken, meer vermag dan u lief is." - -»Nog een vijand te meer!" dacht de dichter, toen hij alleen was, en hij -richtte zich op in al zijne lengte, met het blijmoedig gevoel, dat hij -het recht diende. - - * * * * * - -Gedurende het onderhoud van den gids met Pentaoer, had de dwerg een -praatje aangeknoopt met den deurwaarder des tempels, en van dezen -vernomen wat er was voorgevallen. Paäker besteeg bleek van woede den -wagen, en legde de zweep op zijne rossen, vóor Nemoe de treeplank had -kunnen opklauteren. Gelukkig dat de Ethiopische slaaf het manneke nog -tijdig greep en voorzichtig achter zijn meester op de been bracht. - -»Die schurk! die ellendeling! Daar zal hij voor boeten. Pentaoer heet -hij, die hond!" zoo raasde de gids in zichzelf. - -Den dwerg ontging geen woord, en zoodra hij den naam van den dichter -vernomen had, sprak hij Paäker aan, zeggende: »Ze hebben een gemeenen -vent tot overste van dezen tempel aangesteld. Hij heet Pentaoer. Hij is -wegens zijn zedeloos gedrag uit het Seti-huis verbannen, en nu moet hij -de leerlingen in opstand gebracht en onreine vrouwen in het heiligdom -gelokt hebben. Mijne lippen zouden het niet wagen uit te spreken, maar -de portier heeft het mij bezworen, dat de eerste Horoscoop uit het -Seti-huis hem betrapt heeft bij eene samenkomst met Bent-Anat, de -dochter des konings, en hem onmiddellijk van zijn ambt heeft ontzet." - -Paäker herhaalde vragend: »Met Bent-Anat?" en prevelde, nog vóor de -dwerg tijd kon vinden tot een antwoord: »Ja met Bent-Anat!" Want hij -dacht aan eergisteren en hoe lang de prinses met den priester in de hut -van den Paraschiet was gebleven, terwijl hij met Nefert gesproken en de -tooveres opgezocht had. - -»Ik zou niet gaarne in het vel van dien priester steken," zeide Nemoe; -»want al is Ramses ver af, de stadhouder Ani is toch nabij genoeg. Dit -is echter een heer, die zelden flink doortast. Maar zelfs de doffer laat -zich niet grijpen in zijn eigen nest." - -Paäker zag hem vragend aan. - -»Ik weet het," sprak de dwerg op stelligen toon. »De stadhouder doet -bij Ramses aanzoek om de hand zijner dochter. -- Ja hij heeft dat reeds -gedaan," verzekerde Nemoe, toen de gids ongeloovig lachte; »en de -koning is niet ongenegen zijne toestemming te geven. Hij sluit gaarne -huwelijken, dat weet gij het best." - -»Ik?" vroeg de gids verbaasd. - -»Hij heeft immers Katoeti gedwongen hare dochter Nefert aan zijn -wagenmenner tot vrouw te geven? Dat weet ik van haar zelve. Zij kan het -u bevestigen." - -Paäker schudde ontkennend het hoofd, de dwerg herhaalde echter -met nadruk: »Ja toch, zoo is het! Katoeti wilde u en u alleen tot -schoonzoon, en de koning, niet zij, heeft de verloving verbroken. Gij -waart toen zeker slecht aangeschreven bij het Groote Huis, want Ramses -moet harde woorden over u gesproken hebben. Lieden van ons slag zijn als -de muizen achter het gordijn, die ongemerkt veel te weten komen." - -Eensklaps hield Paäker zijne rossen staande, sprong van den wagen, wierp -den slaaf de teugels in de hand, riep den dwerg terzijde en sprak: »Wij -wandelen van hier tot aan den stroom en gij zegt mij wat gij weet. Doch -wanneer éen leugenachtig woord over uwe lippen komt, dan laat ik u door -mijne honden verscheuren." - -»Ik weet dat gij woord zult houden," zuchtte de kleine. »Maar loop wat -minder hard, als het u belieft, opdat ik niet buiten adem gerake. Laat -u door Katoeti zelve verhalen, hoe alles zoo gelopen is. Ramses heeft -haar gedwongen Nefert aan den wagenmenner te geven, ik weet niet wat hij -van u gezegd heeft, maar vleiend is het zeker niet geweest. Mijne arme -meesteres! Zij liet zich door den laffen vrouwenheld verlokken, en nu -klaagt en weent zij." - -»Als ik met Katoeti de hooge poort van uw huis voorbijga, dan zucht -zij dikwijls bitter en klaagt met reden want weldra zal het met onze -heerlijkheid gedaan zijn, en zullen wij onder de Amoe[122] in het -noordelijke laagland eene bescheidene vrijplaats opzoeken, want de -edelen hier zullen ons als melaatschen vermijden. Gij moogt blijde zijn, -dat gij uw lot niet aan het onze hebt verbonden. Doch ik ben trouwhartig -en volg mijne meesteres in hare ellende." - - [122] Semieten, die in den tijd van ons verhaal het oostelijk - Delta-land bewoonden. Zie Ebers, =Aegypten und die Bücher - Mose's=, alsmede het hoofdstuk: "Le Semitisme en Egypte" in de - 2de uitgaaf van Brugsch, =Histoire d'Egypte=. Uit den ouden - Amoe-naam is later die van Bi-amiten voortgekomen. - -»Gij spreekt in raadselen," hernam Paäker. »Wat hebt gij te vreezen?" - -De dwerg vertelde nu, dat Nefert's broeder de mummie zijns vaders had -verspeeld, hoe kolossaal de verloren som was, en dat Katoeti met hare -dochter tot eerloosheid waren vervallen. »Wie zal hen redden?" jammerde -hij. »Haar schandelijke echtgenoot verbrast zijn erfgoed en zijn buit. -Katoeti is arm en het woordje =geef mij= jaagt de vrienden op de vlucht, -evenals het gekras van een havik de hoenders. Mijne arme meesteres!" - -»De som is groot!" prevelde Paäker in zichzelf. - -»Verschrikkelijk groot is zij," zuchtte de dwerg, »en waar kan men haar -vinden in dezen benarden tijd? Hoe anders was het met ons gesteld, toen, -ja toen....en daarbij -- het is om dol te worden! -- daarbij geloof ik -niet, dat Nefert iets meer om dien praalhans geeft. Zij denkt althans -zooveel aan u, als aan hem!" - -Paäker zag den dwerg deels ongeloovig, deels dreigend aan. - -»Ja aan u," verzekerde Nemoe. »Sedert uw tocht naar de doodenstad, -eergisteren meen ik, spreekt zij alleen over u, en prijst zij uwe -degelijkheid en uw streng mannelijk karakter. Het is alsof eene zekere -tooverkracht haar dringt aan u te denken." - -De gids begon zoo hard te stappen, dat de dwerg hem opnieuw moest -verzoeken, zijne schreden te matigen. Zwijgend kwamen zij aan den Nijl, -waar Paäkers rijke bark wachtte, die ook zijn tweespan innam. Hij vleide -zich neder in de kajuit, riep den dwerg ter zijde en sprak: »Ik ben -Katoeti's naaste bloedverwant. Wij hebben ons verzoend, waarom wendt zij -zich in haar nood niet tot mij?" - -»Omdat zij te fier is en uw bloed ook in hare aderen vloeit. Liever -wilde zij met haar kind sterven, heeft zij gezegd, dan u, tegen wien zij -gezondigd heeft, om een aalmoes te smeeken." - -»Zoo, heeft zij aan mij gedacht?" - -»Voorzeker, en ook geen oogenblik getwijfeld aan uwe edelmoedigheid. Zij -acht u hoog, en wanneer Mena getroffen mocht worden door een pijl der -Cheta of de wraak der goden, dan voerde zij haar kind met blijdschap -in uwe armen. Nefert, geloof mij, heeft haar speelmakker ook nog niet -vergeten. Eergisterenavond, toen zij uit den doodenstad terugkeerde, eer -nog de brieven uit het leger ons in handen waren gekomen was zij geheel -van u vervuld[123]. Ja, zij heeft uw naam in den droom uitgeroepen, dat -weet ik van Kandake, hare zwarte kamenier." - - [123] "Vol (meh) van iemand zijn" werd ook in de Egyptische taal - gebruikt voor: verliefd zijn op iemand. - -De gids keek voor zich en zeide: »Zonderling! in dien zelfden nacht -had ik ook een droomgezicht, waarin uwe meesteres mij verscheen. Die -onbeschaamde priester in den Hathor-tempel moest het mij uitleggen...." - -»En hij weigerde u dit, die gek? Maar daar zijn nog wel andere lieden, -die deze kunst verstaan, en ik ben niet de minste onder hen. Vraag het -uw dienaar maar! Negen en negentig maal van de honderd komen mijne -uitleggingen uit. Wat was het voor een gezicht?" - -»Ik stond aan den Nijl," zeide Paäker, de oogen neerslaande en met zijne -zweep lijnen trekkende in de wol van het veelkleurig tapijt, dat in de -kajuit lag. »Het water was stil en ik zag Nefert aan den anderen oever -mij staan wenken. Ik riep haar, en zij wandelde op het water dat haar -droeg, als ware het dit tapijt. Zij schreed droogvoets over de golfjes -heen, als over steenen die in de woestijn liggen. Een vreemd gezicht! -Zij kwam mij al nader en nader, reeds meende ik hare hand te grijpen; -daar dook zij onder als eene zwaan. Ik daalde in het water af om haar te -ontvangen, en toen zij weder naar boven steeg, omvatte ik haar met mijne -armen. Doch wat daarop gebeurde was nog zonderlinger. Zij vervloeide; -zij smolt weg als de sneeuw in de Syrische bergen, wanneer men die in -de hand neemt. Maar toch op eene andere manier, want uit hare haren -werden waterleliën, uit hare oogen twee blanke visschen, die dartelend -wegzwommen, uit hare lippen twee koraaltakken, die dadelijk wegzonken, -en haar lichaam veranderde in een krokodil met den kop van Mena, die mij -schaterlachend aangrijnsde. Blinde woede greep mij aan. Ik stormde met -opgetogen zwaard op hem in. Hij sloeg zijne tanden in mijn vleesch; ik -stiet mijn wapen in zijn muil. De Nijl werd donder gekleurd door onze -bloedstroomen. En zóo worstelden wij met elkander, en streden voort -- -'t was of het eene eeuwigheid duurde -- tot ik ontwaakte." - -Eerst bij de laatste woorden haalde de gids diep adem, en het scheen als -beangstigde hem die wilde droom opnieuw. - -De dwerg had met gespannen opmerkzaamheid geluisterd. Er verliepen -echter enkele minuten, eer hij begon te zeggen: »Een vreemde droom, -gewis! Doch de beteekenis kan niet moeilijk te gissen zijn voor wie zich -op deze kunst verstaat. Nefert komt u tegemoet, zij wil de uwe worden. -Maar al waant gij ook, dat gij haar in uwe armen houdt, zal zij zich aan -u onttrekken, uwe hoop zal als ijs versmelten en als zand verwaaien, -wanneer gij den krokodil niet uit den weg weet te ruimen." - -Op dit oogenblik kwam de boot aan de landingsbrug. De gids rees op, -zeggende: »Wij zijn er." - -»Wij zijn er!" herhaalde het manneke met nadruk. »Alleen moeten wij nog -die smalle brug daar over." - -Toen beiden op den oever stonden, zeide de dwerg: »Heb dank voor uwe -gastvrijheid, en als ik u dienen kan, hebt gij slechts te bevelen." - -»Kom hierheen," riep de gids, en hij trok Nemoe met zich mede onder de -schaduw van eene sykomoor, die zich baadde in het schemerlicht der -ondergaande zon. - -»Wat bedoeldet gij met de brug, die wij nog over moesten! Ik versta die -verbloemde taal slecht en verlang duidelijke woorden." - -De dwerg bezon zich een oogenblik en zeide toen: »Mag ik onverbloemd, -naakt en open zeggen, wat ik meen, en zult gij niet boos op mij zijn?" - -»Spreek!" - -»Mena is de krokodil. Maak dat hij uit de wereld komt, en gij hebt de -brug overschreden; want Nefert zal de uwe zijn -- als ge mijn raad -volgt." - -»Wat moet ik doen?" - -»Zorg dat de wagenmenner uit de wereld komt!" - -Paäker maakte eene beweging als wilde hij zeggen, dat dit reeds lang bij -hem besloten was. Hij wendde nu, ter wille van het goede voorteeken, -zijn aangezicht zóo, dat de opgaande maan aan zijne rechterhand stond. - -»Verzeker u van Nefert," ging de dwerg intusschen voort, »opdat zij niet -voor u vervloeie als uw droombeeld, vóor gij het doel hebt bereikt. Dat -wil zeggen: red de eer van uwe toekomstige moeder en vrouw, want gij -zult toch geene gebrandmerkte uw huis willen binnenleiden?" - -Paäker bleef nadenkend staan, met de oogen naar den grond geslagen. -Nemoe vervolgde dus: »Mag ik mijne meesteres gaan melden, dat gij haar -redden wilt? Ik mag, niet waar?! Nu, dan komt alles te recht, want wie -voor zijne liefde een vermogen overheeft, die zal ook niet aarzelen voor -zijne liefde en zijn haat tegelijk een koperen spits en een rietschacht -te offeren!" - - - - -TWEEDE BOEK. - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - - -De zon was ondergegaan en de doodenstad gehuld in nachtelijk duister. De -maan scheen helder over het dal der koningsgraven, en de rotsblokken aan -de wanden der bergkloven wierpen scherp geteekende schaduwen. Akelig -stil was het in dit verlaten oord, en toch veel levendiger dan op den -middag, want nu schoten vledermuizen als zwarte zijden draden onhoorbaar -door de nachtlucht, uilen zweefden in den dampkring met breed ontplooide -wieken, en jakhalzen slopen in kleine troepen, de een achter den ander, -langs de bergwanden heen. Van tijd tot tijd stoorde hun akelig geblaf of -het kermend gelach eener hyena, de diepe stilte van den nacht. - -Het scheen dat ook de mensch nog niet tot rust was gekomen in het dal -der graven. Uit het hol der tooveres Hekt schemerde een mat licht en -vóor de hut van den Paraschiet brandde een vuur, dat Warda's grootmoeder -nu en dan met een stukje gedroogde koemest aanhield. Daarbij zaten twee -mannen; zij tuurden zwijgend in de kwijnende vlammen, wier doffe gloed -door het schitterend maanlicht werd overtroffen, terwijl een derde, -Warda's vader, bezig was een grooten hamel, waarvan hij den kop had -afgesneden, te ontweien. - -»Wat janken de jakhalzen!" zeide de oude Paraschiet, terwijl hij den -gescheurden bruinen katoenen lap, dien hij tegen de koude en den -nachtdauw had omgeslagen, steviger om zijne naakte schouders trok. - -»Ze ruiken het versche vleesch," antwoordde de arts Nebsecht. »Werp ze -straks de ingewanden toe. De schenkels en den rug kunt gij braden. Snijd -het hart, ja het hart zeer voorzichtig uit, soldaat. Daar is het. Wat -een groot dier was het!" - -Nebsecht nam het hart van den hamel in zijne hand en beschouwde het met -groote opmerkzaamheid. De oude Paraschiet zag hem daarbij angstig aan en -zeide: »Ik heb beloofd voor u alles te zullen doen wat gij verlangt, als -gij de kleine weder beter maakt. Maar gij vordert wat onmogelijk is." - -»Wat onmogelijk is?" vroeg de arts. »Waarom onmogelijk? Gij opent -lijken, en bij de balsemers loopt gij uit en in. Gij hebt juist met -de kanopen[124] te maken. Welnu, gij legt dit hart in de vaas en neemt -in de plaats ervan het menschenhart er uit. Niemand, niemand zal -het merken. Het behoeft ook niet dadelijk, morgen of overmorgen, te -gebeuren. Wacht slechts eene geschikte gelegenheid af. Uw zoon mag elken -dag voor mijn geld een hamel koopen en slachten, tot het u gelukken zal. -Uw kleindochtertje zal spoedig in kracht toenemen door het gebruik van -vleeschspijs. Houdt maar moed!" - - [124] Vazen van gebakken klei, kalksteen of albast, die - gebruikt werden voor het bewaren der ingewanden van gebalsemde - Egyptenaars. Zij moesten de vier geniën van den dood - voorstellen: Amset, Hapi, Toeamoetef en Khebsennoef. In plaats - van met een deksel, werd elke kanope gesloten met den kop van - den genius, waaraan zij gewijd was. Amset (onder bescherming - van Isis) had het hoofd van een mensch, Hapi (beschermd door - Nephtys) den kop van een aap, Toeamoetef (beschermd door Neith) - van een jakhals, Khebsennoef (beschermd door Selk) van een - sperwer. In een Christelijk-Koptisch handschrift worden, in - plaats van deze vier kanopen-goden, de vier aartsengelen - aangeroepen. - -»Voor het gevaar ben ik niet bang," zeide de oude, »maar mag ik een -gestorvene het leven ontstelen aan gene zijde des grafs? En dan!.... In -ellende en schande heb ik mijne dagen doorgebracht, en gedurende zoovele -jaren -- niemand heeft ze voor mij geteld -- de geboden opgevolgd, opdat -ik in de andere wereld rechtvaardig bevonden zal worden, en in de velden -van Aäloe[125] en in de zonneschuit vergoeding mag vinden voor alles wat -ik hier ontberen moest. Gij zijt goed en vriendelijk. Hoe kunt gij aan -een luim de zaligheid van een man opofferen, die zoolang hij leefde geen -geluk gekend en u nimmer leed gedaan heeft." - - [125] Zie Dl. I, bl. 64. - -»Wat ik met dat hart voorheb," hernam de arts, »kunt gij niet -begrijpen, doch wanneer gij het mij bezorgt, dan bevordert gij eene -groote en nuttige zaak. Gij weet wel dat het geen luim van mij is, want -ik ben geen leeglooper. En wat uwe zaligheid betreft, wees daarover -allerminst bezorgd. Ik ben een priester en neem uwe daad met al hare -gevolgen voor mijne rekening, verstaat gij: voor mijne rekening. Als -priester geef ik u de verzekering, dat het goed is wat ik van u vorder. -En als de doodenrechters u later vragen mochten: 'Waarom naamt gij -het hart van een mensch uit de kanope?' geef.... geef hun dan ten -antwoord: 'Wijl Nebsecht, de priester, het mij beval, en beloofde de -verantwoordelijkheid van deze daad geheel op zich te nemen.'" - -De oude keek peinzend naar den grond, de arts ging echter met te meer -aandrang voort: »En wanneer gij mijn wensch vervult, dan-dan, dat -zweer ik u, dan zal ik zorg dragen, dat men bij uw dood uwe mummie -met alle amuletten bekleedt, en ikzelf zal voor u een 'Boek van den -uitgang in den dag'[126], schrijven en dat laten wikkelen in uwe -mummiewindsels[127], alsof gij een der aanzienlijksten waart. Dat zal u -kracht geven tegen alle boozen geesten, en u zal toegang worden verleend -in den hof der beide gerechtigheden, de beloonende en de straffende, en -men zal u zalig spreken." - - [126] Dit is de titel van het eerste hoofdstuk van het - zoogenaamde Doodenboek. Het begint: Ha em re' em per em hroe, - welke woorden de Grieken later aanleiding gaven te spreken van - een boek der Egyptenaars, "De heilige Ambres" geheeten, dat bij - Horappollo (Hiërogl. I, 38) voorkomt. - - Het Doodenboek, door Champollion minder juist "Rituel - funéraire" genoemd, bevat eene reeks van opstellen of - hoofdstukken, die onder elkander niet onmiddellijk samenhangen, - of een aaneengesloten doorloopend geheel vormen. Het is eene - verzameling van heilige teksten, alle op een hoofdonderwerp: de - verrijzenis, het doodengericht en het leven aan gene zijde van - het graf, betrekkelijk, en uit verschillende tijden afkomstig. - Het behoorde tot de heilige schriften, die aan Toth of Hermes - worden toegekend, en kan zoo al niet tot de door Clemens van - Alexandrië vermelde 42 Hermetische boeken, dan toch tot de - andere geschriften van dezelfde afkomst (Jamblichus gewaagt - zelfs van 20000) gebracht worden. Het Doodenboek bevat alles - wat men weten moet, om op aarde zich reeds voor zijn dood voor - te bereiden. Het levert de beschrijving en den inhoud der - formulieren, die bij het vervaardigen der amuletten en andere - voorbehoedmiddelen aan den overledene werden medegegeven; de - gebeden en toespraken, die hij tot de goden van het doodenrijk - richt, en waardoor hij de beletselen overwint, hem door - vijandige geesten en booze machten in den weg gesteld. Zelfs - treedt hij telkens als handelende op. De inhoud heeft alleen - betrekking op hem en zijn tocht door het doodenrijk, waarbij - gezegd wordt, waarheen hij gaat, wat hij doet, hoort en ziet - en wie hij is. Eigenlijk is de overledene reeds voor de - begrafenis, of de plaatsing van zijn gebalsemd lijk in de - grafkamer, door zijn leven gerechtvaardigd, als de door Toth - tegen zijne vijanden gerechtvaardigde Osiris, in de gemeenschap - der zalige geesten en vereenzelvigd met Ra. Een volledige tekst - in hiëroglyphisch schrift is, naar het oorspronkelijke in het - Egyptisch museum te Turyn, in 1842 door Lepsius, een ander - insgelijks volledige tekst, doch in hiëratisch schrift, in het - vorige jaar naar een papyrus van het museum te Leiden door - Dr. Leemans in het licht gegeven. Laatstgemelde hield in eene - vergadering van de Afdeeling Letterkunde der Kon. Academie van - wetenschappen onlangs eene voordracht over het doodenboek, - waarvan een overzicht in de =Verslagen en Mededeelingen= - der Afdeeling werd opgenomen, en waaraan wij bovenstaande - opmerkingen ontleenden. Vert. - - [127] De teksten van het Doodenboek werden onder de windsels - (bij de dij of onder den arm), dikwijls ook in de lijkkist onder - of naast de mummie gevonden. - -»Maar de roof van een menschenhart zal den last mijner zonden verzwaren, -wanneer mijn eigen hart wordt gewogen," zuchtte de oude man. - -Nebsecht dacht een oogenblik na, waarop hij vervolgde: »Ik wil u een -schriftelijk bewijs geven, waarin ik verklaren zal, dat de roof van dat -hart u door mij werd bevolen. Dat moet gij in een zakje laten naaien, -altijd op uw borst dragen en met u doen begraven. Wanneer dan -Techoeti[128], de pleitbezorger der ziel, uwe rechtvaardiging voor -Osiris en de doodenrechters[129] op zich neemt, overhandig hem dan dit -geschrift. Hij zal het voorlezen en gij zult rechtvaardig bevonden -worden." - - [128] Toth. Zie Dl. I, bl. 27. - - [129] De afbeeldingen bij het 125ste hoofdstuk van het - Doodenboek stellen het doodengericht der Egyptenaars voor. De - opperrechter Osiris zit op een troon onder een baldakijn, met - de twee en veertig rechters bij hem. In de zaal staat de - weegschaal; de hondskopaap, het heilige dier van Toth, - bestuurt den evenaar. Op de eene schaal staat het hart van den - afgestorvene, op de andere het beeld van de godin der waarheid, - die de ziel in de rechtszaal binnenleidt. -- Toth schrijft het - protokol. De ziel verklaart zich niet schuldig te hebben gemaakt - aan de twee en veertig doodzonden, en wordt, wanneer zij geloof - heeft gevonden, "maä cheroe," d. i. "waarheid sprekende" genoemd - en alzoo zalig gesproken. Zij krijgt nu haar hart terug en gaat - over tot een nieuw goddelijk leven. - -»Ik ben niet ervaren in het lezen en beoordeelen van geschriften," -zeide de oude half verstaanbaar, en in den toon zijner stem lag eenig -mistrouwen. - -»Doch bij de negen groote goden zweer ik u, dat ik niets op den papyrus -zal schrijven, dan wat ik u beloofde. Ik zal verklaren dat ik, de -priester Nebsecht, u geboden heb het hart te nemen, dat uwe schuld de -mijne is." - -»Nu, breng mij het schrift dan," prevelde de oude. - -De arts veegde het zweet van zijn voorhoofd, reikte den Paraschiet de -hand en zeide: »Morgen zult gij het hebben, en ik verzeker u, dat ik uwe -kleindochter niet verlaten zal, tot zij gezond is." - -De soldaat had, terwijl hij den hamel ontleedde, van dit gesprek niets -gehoord. Hij had nu den achterbout aan de punt van een houten spit -gestoken, en hield dien boven het vuur om te braden. De jakhalzen -begonnen harder te huilen, toen de reuk van het smeltende vet zich door -de lucht verbreidde. De oude man vergat den vreeselijken last, dien hij -op zich nam, zoodra hij het vleesch zag braden; sedert jaren toch had -hij in zijn huis geen vleesch geproefd. Nebsecht zat het aan te zien hoe -zij smulden, terwijl hijzelf een stukje brood at. Zij reten het vleesch -van de beenderen; de soldaat vooral verslond het ongewoon en kostelijk -maal met dierlijke vraatzucht. Men hoorde hem kauwen als een paard aan -de kribbe. - -Geen wonder dat dit tooneel den priester met weerzin vervulde. -»Zinnelijke menschen," sprak hij in zichzelf; »dieren met bewustzijn! En -toch menschen! Zonderling! Zij smachten in de banden der zinnelijkheid, -waarvan zij zich nog niet los konden maken; en toch, hoeveel vuriger -verlangen zij naar het bovenzinnelijke dan wij, hoeveel gemakkelijker -maken zij er zich gemeenzaam mede!" - -»Wilt gij vleesch?" vroeg de soldaat, die had opgemerkt dat de lippen -van den arts zich bewogen. Tegelijk scheurde hij een stuk gebraad van -den bout, waaraan hij zat te kluiven, en hield het den heelmeester voor. - -Deze ging onwillekeurig achteruit; de vraatzuchtige blik, de -glinsterende tanden en de ruwe donkere trekken van den man deden hem -schrikken. Daarbij dacht hij aan de teedere blanke zieke daarbinnen op -de mat, en als vanzelf kwam de vraag op zijne lippen: »Is dat meisje, is -Warda uw eigen kind?" - -De soldaat sloeg zich op de borst en zeide: »Zoo waarachtig als koning -Ramses een zoon van Seti is." - -Toen de mannen met hun maal gereed en de platte broodkoeken, die de -Paraschieten-vrouw hun had gegeven en waarmede zij tevens hunne handen -van het vet gereinigd hadden, opgegeten waren, zeide de soldaat, wiens -langzaam werkende hersenen zich nog altijd met de vraag bezighielden, -diep zuchtende: »Haar moeder was een vreemde. Zij heeft het witte duifje -in het ravennest gelegd." - -»Uit welk land was uwe vrouw afkomstig?" vroeg de arts. - -»Dat weet ik niet," gaf de soldaat ten antwoord. - -»Hebt gij haar dan niet gevraagd, van waar zij kwam? Zij was toch uwe -vrouw." - -»Wel zeker. Maar hoe kon zij mij een antwoord geven? -- Dat is eene -lange, vreemde geschiedenis." - -»Kom, vertel mij de geschiedenis," vroeg Nebsecht. »De nacht is lang, -en hooren is mij liever dan spreken. Maar ik wil eerst eens naar onze -kranke gaan zien." - -Nadat de arts zich overtuigd had, dat Warda rustig sliep en regelmatig -ademhaalde, zette hij zich weder bij vader en zoon neder. De laatste -begon nu het volgende te vertellen: »Het is al heel lang geleden. Koning -Seti leefde nog, maar Ramses regeerde reeds in zijn plaats. In dien tijd -kwam ik terug uit het Noorderland. Zij hadden mij naar de werklieden -gestuurd, die de vestingwerken van Zoan, de Ramses-stad[130], moesten -bouwen. Ik was over zes man gesteld, uitsluitend Amoe[131], van den -stam der Hebreën[132], die Ramses streng onder den duim hield. Onder de -arbeiders waren de zonen van lieden, die rijke kudden bezaten. Bij de -lichting van werkvolk werd echter niet gevraagd: wat bezit gij? maar -alleen: tot welken stam behoort gij? De vestingwerken en het kanaal, dat -den Nijl met de Schelfzee verbinden zou, moesten voltooid worden, en -de koning, wien leven, heil en kracht gedijen mogen! nam de Egyptische -jongelingen mede in den krijg, en liet de Amoe, stamverwanten van zijne -vijanden in het oosten, handen aan den arbeid slaan. Het ging daar -rijkelijk toe in Gosen[133], want het land is schoon en men vindt er -overvloed van gras, groenten, visch en gevogelte. Het ontbrak mij dus -niet aan het beste wat ik verlangen kon, want onder mijne zes lieden -waren twee troetelkinderen, wier ouders mij menig stuk zilver gaven. -Ieder heeft zijne kinderen lief, maar de Hebreën beminnen ze toch -teederder dan andere menschen. Wij moesten dagelijks het bepaalde getal -tegels leveren[134]; ik hielp dan de jongens, als de zon zoo stak, en -bracht in éen uur alleen meer stuks samen, dan zij in drie. Want ik ben -sterk, en was het toen nog meer dan nu. - - [130] De stad Ramses, die in den bijbel voorkomt. Exodus I, 11. - - [131] Semieten. - - [132] Zie over hetgeen men van het verblijf der Joden in Egypte - op de monumenten en in de papyrussen heeft gevonden: Chabas, - =Mélanges égyptologiques II=, en Ebers, =Aegypten und die Bücher - Mose's=. - - [133] Zie over Gosen, waarvan ook op de monumenten gewag wordt - gemaakt: Ebers, =Durch Gosen zum Sinai, aus dem Wanderbuche - und der Bibliothek=. In een brief van een schrijver aan zijn - opziener wordt de heerlijkheid van dit landschap zeer geprezen. - - [134] Exodus I, 13, 14; V, 7, 8. - -»Toen het tijdstip kwam, waarop ik door een ander werd afgelost, -moest ik naar Thebe terug, ten einde opzicht te houden over de -krijgsgevangenen, die als werklieden werden gebruikt om den grooten -Amon-tempel aan de overzijde te bouwen. Daar ik een aardigen duit geld -mede naar huis had gebracht, en de voltooiing van de groote woning van -den koning der goden nog den tijd had, begon ik er aan te denken eene -vrouw te nemen. Maar geene Egyptische. Paraschieten-meisjes waren er -genoeg, maar ik wilde geen meisje uit die gevloekte caste mijns vaders, -en de andere hier, dat wist ik al te goed, waren te bevreesd voor onze -onreinheid. Ginds in het benedenland was ik beter gevaren; menige Amoe- -en Schasoevrouw[135] kwam gaarne in mijne tent. Ik had van den beginne -reeds mijn zin op een Aziatisch meisje gezet. Telkens kwamen er -krijgsgevangen meisjes te koop, maar zij bevielen mij niet, of waren mij -te duur. Inmiddels versmolt mijn geld, want in de vrije uren, die op den -bouwtijd volgden, leefden wij er vroolijk van. Aan danseressen was in -het vreemden-kwartier zeker geen gebrek. - - [135] Zie Dl. I, blz. 12. - -»Op zekeren dag kwam er een nieuw transport krijgsgevangenen. Het was -juist in den tijd van het heilige feest van den trap[136]. Er waren vele -vrouwen onder, die bij de groote haven aan den meestbiedende verkocht -werden. Voor haar die er werkelijk schoon en nog jong uitzagen werden -hooge prijzen besteed, maar ook de meer bejaarden waren mij te duur. -Geheel op het laatst werd er eene blinde vrouw voorgebracht en nog eene -broodmagere, die bovendien stom was, zooals de afslager den kooplustigen -mededeelde, ofschoon hij anders de goede hoedanigheden der gevangenen -hoog ophemelde. De blinde had flinke handen aan 't lijf; zij werd -gekocht door een kroeghouder, bij wien zij thans nog den handmolen -draait. De stomme, van welke niemand eigenlijk zeggen kon of zij jong of -oud was, hield een kind in de armen. Zij zag er uit, alsof zij reeds in -de doodkist lag, en het kind, alsof het haar in 't graf nog voor wilde -gaan. Bovendien had zij rood, vuurrood haar, juist als de kleur van -Typhon. Maar haar sneeuwwit gezicht zag er niet kwaad uit, ook wel niet -goed, maar moede, dood moede. Rondom hare magere blanke armen liepen -blauwe aderen als donkere koorden, de handen hingen mat naar beneden, en -hielden de kleine. Als er een windvlaag opsteekt, dacht ik, waait zij -nog weg met kind en al. - - [136] Een groot feest, dat gevierd werd, ter eere van Amon-Chem. - -»De afslager verlangde een bod, doch alles zweeg. Natuurlijk, want die -stomme schim was voor den arbeid niet bruikbaar. Ze was reeds half dood -en eene begrafenis is duur. Zoo verliepen er eenige oogenblikken. De -afslager liep eindelijk op haar toe en gaf haar een slag met den zweep, -om haar wat opgewekter, wat minder ellendig aan de koopers te doen -voorkomen. Zij kromp ineen als iemand die de koorts heeft, drukte het -kind vaster tegen zich aan en keek rond alsof zij hulp zocht. Zij zag -mij juist in het aangezicht. Wat mij toen overkwam was als een wonder. -Haar oog was grooter dan ik er ooit een heb gezien. Daar huisde een -demon in, die macht over mij had en tot het laatst toe mijn handel en -wandel heeft bestuurd. Het was op dien dag dat die demon mij het eerst -betooverde. Want ziet: het was volstrekt niet heet, ik had niets -gedronken, en toch handelde ik tegen mijn wil, tegen beter inzichten -in, toen ik, zoodra haar blik mij getroffen had, alles wat ik bezat -bood om haar te koopen. Ik had haar veel goedkooper kunnen krijgen! -Mijne metgezellen lachten mij hartelijk uit, en de afslager streek -schouderophalend het geld op. Maar ik hielp de vrouw overeind, nam het -kind op mijn arm, bracht haar in eene boot over den Nijl, laadde mijn -jammerlijk eigendom op een steenwagen en trok zelf het schepsel als een -blok kalksteen hierheen naar den oude. - -»Moeder schudde bedenkelijk het hoofd, en vader keek mij aan of ik -krankzinnig was; zij zeiden echter geen van beiden een woord. Men -spreidde haar een leger, en ik bouwde in mijne vrije nachten het -vervallen ding hiernaast, dat eens eene fatsoenlijke hut is geweest. -Moeder kreeg het kindje spoedig lief. Het was nog heel klein en wij -noemden het Pennoe[137], omdat het zoo snoesig was als een muisje. Ik -vermeed sedert het vreemden-kwartier, bespaarde wat ik verdiende en -kocht eene geit, die voor onze deur stond, toen ik de vrouw overdroeg -naar hare eigene hut. Zij was wel stom, maar niet doof. Zij verstond -onze taal niet, doch de demon in hare oogen sprak voor haar en vatte wat -ik zeide. Alles begreep zij en kon zij ook met hare blikken zeggen. Het -allerbeste wel kon zij danken. Geen opperpriester, die de goden op het -groote Nijlfeest voor hunne weldaden in lange liederen prijst, kon zoo -innig met zijne welsprekende lippen danken, als zij het kon met hare -stomme oogen. Als zij bidden wilde, dan was het of de demon in haar blik -nog machtiger was dan anders. In den beginne werd ik wel eens ongeduldig -als zij daar zoo mat en sprakeloos tegen den wand leunde, of als de -kleine schreeuwde en mij geen nachtrust liet. Zij had echter alleen de -oogen te openen, en dan onderdrukte de demon elke klacht in mijn gemoed -en bracht mij aan het verstand, dat het krijten niet anders was dan -lieflijk gezang. Pennoe schreide werkelijk lieflijker dan alle andere -kinderen, en hij had zulke kleine poezelige blanke vingertjes. - - [137] Pennoe beteekent in het Oud-Egyptisch: muis. - -»Eens had hij een tijd lang geschreeuwd. Toen boog ik mij over het -jongske neder en wilde hem toespreken; maar hij greep mij in den baard. -Dat was wat! Sedert moest hij mij telkens plukharen en zijne moeder -merkte dat het mij pleizier deed. Want als ik wat moois of lekkers had -medegebracht, een ei, of eene bloem, of een koekje, dan hield zij hem -in de hoogte, en stak zijne handjes in mijn baard. Ja binnen weinige -maanden had de vrouw geleerd het kind te waardeeren, want zij werd -rustiger en besteedde meer zorg aan zijne verpleging. Zij is altijd -blank en teer gebleven, maar het scheen of zij van dag tot dag jonger en -schooner werd. Zij kon ternauwernood twintig jaren geweest zijn, toen ik -haar kocht. Hoe zij heette heb ik nooit te weten kunnen komen. Wij gaven -haar ook geen naam: zij was 'de vrouw' en zoo spraken wij haar aan. Toen -zij acht maanden bij ons geweest was, stierf het muisje. Ik heb geweend -als zij, en terwijl ik zoo, over het kleine lijkje gebogen, aan mijne -tranen den vrijen loop liet en dacht: nu kan hij zijn vingertjes niet -meer naar je uitsteken, toen voelde ik voor het eerst de zachte hand van -de vrouw over mijne wangen. Zij streelde als een kind mijn ruwen baard, -en daarbij zag ze mij zoo dankbaar aan, dat ik te moede was alsof de -pharao mij Opper- en Neder-Egypte op eens ten geschenke had gegeven. - -»Zoodra het muisje begraven was, werd zij weder zwakker, maar moeder -zorgde voor hare verpleging, zoodat zij gezond bleef. Ik leefde met haar -als een vader met zijn kind. Zij was zoo vriendelijk! Doch zoodra ik -haar naderen wilde en haar mijne liefde toonen, dan keek ze mij aan, en -de demon in hare oogen dreef mij terug en ik liet haar alleen. Zij werd -gezonder, sterker en steeds schooner, zoo schoon zelfs, dat ik haar voor -anderen verborgen hield, en het verlangen mij verteerde haar tot mijne -vrouw te maken. Eene rechte huisvrouw kon zij wel nooit worden; hare -handjes waren zoo teer, en zij wist niet eens hoe zij geiten moest -melken. Dat en al het overige deed moeder voor haar. Overdag bleef -zij in de hut en werkte, want zij was zeer bedreven in vrouwelijke -handwerken, en kon kanten vlechten zoo fijn als spinrag, die moeder -verkocht om voor de opbrengst reukwerken aan te schaffen. Daar hield zij -veel van, en ook van bloemen; dat heeft Warda daarbinnen van haar. 's -Avonds, als de menschen van de overzijde de doodenstad hadden verlaten, -wandelde zij hier in het dal op en neer in gepeins, nu en dan eens -opziende naar de maan, die zij zeer liefhad. - -»Eens, het was in den wintertijd, kwam ik naar huis. Het was reeds -donker en ik dacht haar als naar gewoonte voor de deur te vinden. Daar -hoor ik, zoowat honderd schreden achter het hol van de oude Hekt, een -troep jakhalzen zoo geweldig blaffen, dat ik dadelijk bij mijzelf zeide: -ze hebben een mensch aangevallen. Ik begreep ook wie, al had niemand het -mij gezegd. De vrouw kon immers niet schreeuwen of om hulp roepen? -Razend van angst rukte ik de paal, waaraan de geit vaststond, uit den -grond en een brandend stuk hout van den haard, vloog de ongelukkige te -hulp, verjoeg de beesten en droeg de arme vrouw geheel bewusteloos in de -hut. Moeder hielp mij en wij brachten haar gelukkig weder bij. Toen wij -alleen waren, schreide ik als een kind van vreugde, dat ik haar gered -had. Zij liet zich door mij kussen, en -- toen is zij mijne vrouw -geworden, drie jaren nadat ik haar gekocht had. - -»Zij heeft mij een meisje geschonken, dat zij zelve Warda noemde. Want -zij toonde mij eene roos en wees op het kind, en wij begrepen haar, ook -al sprak zij niet. -- Niet lang daarna is zij gestorven. - -»Gij zijt een priester, maar ik verzeker u, wanneer ik ooit voor Osiris -word geroepen en mij toegang wordt verleend tot de gezaligden, dan wil -ik vragen of ik die vrouw daar ook weder vinden zal. Als de portier mij -dan een ontkennend antwoord geeft, mag hij mij gerust naar de verdoemden -verwijzen, wanneer ik haar daar terugvind." - -»En heeft zij door geen enkel teeken verraden, welke hare afkomst was?" -vroeg de arts. - -De soldaat bedekte zijn aangezicht met beide handen, weende luide en -hoorde hem niet. Doch de Paraschiet zeide: »Zij was de dochter van een -hooggeplaatst man, want wij vonden in haar kleed een gouden kleinood -met een edelsteen, waarop vreemde teekens zijn gegraveerd. Het is zeer -kostbaar, en mijne vrouw bewaart het zorgvuldig voor de kleine." - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - - -De arts Nebsecht verliet den volgenden morgen de hut van den Paraschiet -toen het begon te schemeren. Hij was tevreden over den toestand van -zijne kranke, en richtte, in ernstige gedachten verzonken, zijne -schreden naar den terrassentempel van Hatasoe, om zijn vriend Pentaoer -op te zoeken en bij hem het geschrift op te stellen, dat hij den ouden -man had toegezegd. Hij kwam bij het heiligdom, op het oogenblik dat -de zonnegod zich in zijn stralenkrans boven den horizont verhief. Hij -verwachtte natuurlijk het morgengezang van de priesters te hooren, maar -alles bleef stil. Hij klopte aan, en de portier opende slaperig de -poort. - -Nebsecht vroeg naar den tempelopziener. - -»Die is dezen nacht gestorven," geeuwde de man. - -»Wat zegt ge?" riep de arts, hevig ontroerd. »Wie is gestorven?" - -»Onze oude opziener Roeï, die brave man." - -Nebsecht haalde vrijer adem en vroeg naar Pentaoer. - -»Gij zijt uit het Seti-huis," sprak de portier, »en weet gij dan niet, -dat men hem van zijn ambt heeft ontzet? De heilige vaders hebben -geweigerd met hem de wedergeboorte van Ra te begroeten. Misschien zingt -hij voor zich alleen boven op de wachtplaats. Daar zult gij hem vinden." - -De arts klom haastig de trappen op. Verschillende priesters gingen -zingende bij elkaar staan, zoodra zij hem in 't oog kregen, doch hij gaf -geen acht op hen. Hij vond zijn vriend op het bovenste terras bezig met -schrijven. - -Weldra wist hij wat er gebeurd was, en toornig riep hij: »Gij zijt die -slimme heeren in het Seti-huis te oprecht en te waarheidlievend, en dit -vee hier te ijverig en te rein. Ik begreep wel dat het hierop uitloopen -zou, toen zij u in de mysteriën inleidden. Wij ingewijden hebben slechts -te kiezen tusschen liegen of zwijgen." - -»Al weder de oude dwaling!" zeide Pentaoer. »Wij weten dat de godheid -éen is; wij noemen hem het Al[138], het omhulsel van het Al[139] of -kortweg Ra. Maar onder Ra verstaan wij wat anders dan de zinnelijke -menschen, want voor ons is het heelal de godheid, en in elk zijner -deelen erkennen wij een openbaringsvorm van het hoogste wezen, buiten -hetwelk er niets is in de hoogte en in de diepte." - - [138] De heilige teksten noemen God dikwijls den Eenen en - den Eenigen. De pantheïstische leer der mysteriën wordt het - duidelijkst uitgesproken in de teksten, die men in bijna alle - koningsgraven te Thebe op de wanden van de ingangszalen vindt. - Men heeft ze verzameld en bevonden, dat zij lofverheffingen - van Ra bevatten, wiens vijf en zeventig voornaamste - openbaringsvormen worden aangeroepen. Deze teksten, en het - pantheïsme in de esoterische leer van de Egyptenaars heeft - E. Naville in zijn werk "=La litanie du soleil=" grondig en - voortreffelijk behandeld. De voornaamste bronnen voor de kennis - van de geheime leer der Egyptische priesters zijn: de tekst van - het Doodenboek; de hymne aan de zon, die te Boelaq wordt bewaard - en door Stern en door Grebaut is verklaard en uitgegeven; de - opschriften op de sarkophagen en aan de wanden van de tempels - uit den tijd der Ptolemaeën; en in de tweede plaats: Plutarchus' - verhandeling over Isis en Osiris: Jamblichus' Egyptische - mysteriën en de toespraak van Hermes Trismegistos aan de - menschelijke ziel. De meer geavanceerde beschouwingen, die in - dit gesprek voorkomen, schijnen eerst in het nieuwe rijk tot - ontwikkeling te zijn gekomen. De Egyptische godsdienst is - oorspronkelijk uitgegaan van een, in verhouding tot andere - godsdiensten nog weinig ontwikkelden, Zonne- en Nijldienst. - - [139] Teb temt. Bij gelijke opvatting schrijft Eusebius aan het - heelal den vorm van een Grieksche Theta (+Th+) toe. - -»Dat alles moogt gij mij alleen zeggen, een mede-ingewijde," viel -Nebsecht hem in de rede. - -»Maar ik ontwikkel het ook niet geheel voor de leeken," haastte Pentaoer -zich te zeggen: »alleen toon ik hen, die alles nog niet begrijpen -kunnen, enkele deelen. Ben ik een leugenaar, wanneer ik bijvoorbeeld -niet zeg: 'ik spreek,' maar: 'mijn mond spreekt,' wanneer ik beweer dat -uw oog ziet, hoewel gijzelf het zijt die ziet? Wanneer het licht van den -Eenen zich vertoont, dan dank ik hem in liederen uit den diepsten grond -mijns harten, en ik noem den vorm waarin hij zijn licht het glansrijkst -aan mij vertoont, Ra. Wanneer ik mijn oog laat weiden over de groenende -velden daarginds, dan roep ik de geloovigen op om Rennoet[140] te -danken, dat wil zeggen: om hulde te brengen aan de werkzaamheid van dien -Eenen, door welke het koorn in de aren rijpt. Word ik met bewondering -vervuld, zoo vaak ik denk aan de ontelbare zegeningen, die gindsche -goddelijke stroom, waarvan de oorsprong ons onbekend is, over ons land -uitstort, dan prijs ik den Eenen in de gedaanten van den god Hapi[141], -den geheimzinnige. Hetzij wij de zon aanschouwen, of den milden oogst, -of den Nijl, hetzij in de zichtbare of in de onzichtbare wereld de -eenheid en harmonie met bewondering opmerken, wij hebben toch altijd -met dien Eenen te doen, die alles omvat, tot wien ook wij behooren, als -zijnde de vormen zijner openbaring, waarin hij zijn zelfbewustzijn heeft -gelegd. De kring der voorstellingen, waarin de groote menigte zich -beweegt is klein...." - - [140] Godin van den zegen des oogstes. - - [141] De Nijl. - -»En zoo geven wij als leeuwen het volk de beten, die wij in eens -verslinden[142], in fijn gesneden brokjes, met saus overgoten gelijk een -kranke met eene zwakke maag." - - [142] "De priesters," zegt de kerkvader Clemens van Alexandrië, - "zorgen dat niemand in hunne mysteriën wordt ingewijd, behalve - de koningen, en de zoodanigen onder hen, die door deugd en - wijsheid uitmunten." De gedenkteekenen leeren ons hetzelfde op - vele plaatsen. - -»Neen, niet alzoo. Wij achten ons verplicht den sterk werkenden drank, -die zelfs mannen kan neerwerpen, te verzachten en te verzoeten, eer wij -dien aan kinderen, de geestelijke onmondigen toedienen. De wijzen uit -den voortijd hebben de verhevenste waarheden in allegorische beelden en -symbolen, en eindelijk in schoone en veelkleurige mythen omsluierd, maar -haar op deze wijze verstaanbaar tot de menigte gebracht"[143]. - - [143] Zie boven, bl. 91. - -»Verstaanbaar?" vroeg de arts. »Verstaanbaar? Waartoe dan de sluier?" - -»Meent gij dat het volk de naakte waarheid in het aangezicht zou kunnen -zien[144], zonder te vertwijfelen?" - - [144] Te Saïs had het standbeeld van Neith het volgend - opschrift: "Ik ben het Al, het verledene, het tegenwoordige - en het toekomstige. Geen sterveling heeft nog mijn sluier - opgelicht." Plutarchus, =Isis= en =Osiris=, c. 9. Het opschrift - wordt met dezelfde woorden medegedeeld door Proclus in Plato's - Timaeus. - -»Kan ik het dan? Kan een ander het, al ziet hij recht voor zich uit, en -al is het hem om niets en volstrekt niets anders dan waarheid te doen?" -riep de arts. »Wij beiden weten toch, dat de dingen alleen zóo zijn, als -zij zich vertoonen in den spiegel onzer ziel, al naarmate deze op eene -of andere wijze is gepolijst. Wat grijs is zie ik grijs, en wat wit is -wit, en ik heb mij gewend, wanneer ik iets tracht te weten te komen, -er niet het minste van het mijne bij te voegen, als er al zoo iets in -mijn nuchter hoofd voorhanden is. Gij beschouwt de dingen evenals ik, -maar iedere voorstelling wordt in u gewijzigd. Want in uwe ziel zijn -onzichtbare beeldhouwers werkzaam, die het scheeve rechtbuigen, aan -het alledaagsche zekere bekoorlijkheid weten bij te zetten, en het -indrukwekkende in een schoon gewaad kunnen kleeden. Gij zijt een -dichter, een kunstenaar, en ik maar eenvoudig iemand die naar waarheid -zoekt." - -»Juist," hernam Pentaoer, »om dit uw streven alleen acht ik u hoog, en -gij weet het wel, ook ik verlang niets dan waarheid." - -De arts boog het hoofd ten teeken van toestemming en zeide weder: »Ik -weet het, ik weet het! Maar onze wegen loopen naast elkander, zonder -elkander te raken. Ons beider einddoel is de oplossing van een raadsel, -waarvan velerlei verklaringen te geven zijn. Gij meent in het bezit te -zijn van de ware, en misschien bestaat er in 't geheel geene." - -»Dan willen wij ons tevreden stellen met die het meest beantwoordt aan -onze behoeften en tevens de schoonste is," zeide Pentaoer. - -»De schoonste!" riep Nebsecht onwillig. »Wilt gij dat wangedrocht schoon -noemen, dat gij God heet, dat reuzenlichaam, dat eeuwig zichzelf doet -geboren worden en zichzelf weder verslindt? God is het Al, zegt gij, -dat zichzelf genoeg is. Hij moet eeuwig zijn en is het ook, wijl alles -wat van hem uitgaat ook weder door hem opgeslokt wordt, en de groote -gierigaard geen zaadkorrel, geen lichtstraal, geen luchtblaasje -weggeeft, zonder ze terug te eischen voor zijne huishouding, die geen -doel heeft, die niet door rede en goedheid wordt bestuurd, maar door een -tyranniek: gij =zult=! waarvan hijzelf een slaaf is. Hij is alleen door -zichzelf te begrijpen, de bloodaard, die zich verborgen houdt achter een -ondoordringbaren sluier, dien ik hem zou willen afrukken als ik kon. -Zie, zoo beschouw ik dat ding, hetwelk gij God noemt!" - -»Zeker een walgelijk beeld," hernam Pentaoer, »omdat gij vergeet, dat -wij de rede erkend hebben als het wezen van het Al, als de kracht, die -het gansche heelal doordringt en beweegt, de rede, die in de harmonie -der samenwerking van alle deelen, en in ons zelven, gevormd uit zijn -stof en bezield met zijne ziel, zich openbaart." - -»Is er iets redelijks in dat worstelspel des levens?" vroeg Nebsecht. -»Is dat eeuwig nederwerpen om weder te laten opstaan zoo bijzonder -wijs, en heeft het zulk een verheven doel? En terwijl gij aan de -verschijnselen van het Al zulk eene rede ten grondslag legt, paait gij -uzelven met een opperheer van uw eigen maaksel, die verbazend veel -heeft van de meesters en meesteressen, waarvoor gij het volk laat -nederknielen." - -»Slechts schijnbaar," antwoordde Pentaoer. »Het is een noodzakelijk -gevolg van de omstandigheid, dat het bovenzinnelijke alleen in -zinnelijken vorm kan worden medegedeeld. Daar God zich aan ons doet -kennen als de wereldrede, noemen wij hem 'het woord'. 'Die zijne leden -met namen bekleedt'[145], zooals de heilige teksten zich uitdrukken, -beteekent zooveel als de kracht, die aan de dingen hunne eigenaardige -vormen verleent, waardoor zij zich van elkander onderscheiden. De -scarabeüs-kever[146], die 'als zijn eigen zoon in het leven treedt', -wijst ons op de zich altijd verjongende scheppingskracht in de natuur. -En wilt gij daarom onzen goeden God een wangedrocht noemen? Gij kunt het -bestaan van zulk een kracht niet loochenen, en evenmin ontkennen, dat -wij daarvoor een gelukkig beeld hebben gekozen. Immers gij weet, dat -er alleen mannelijke scarabeën zijn, en dat deze dieren zichzelven -voorttelen"[147]. - - [145] Volgens opschriften te Abydus en de lofverheffingen van Ra - te Biban el Moeloek. - - [146] Naar dezelfde teksten. - - [147] Naar Horapollo, die zegt: "De scarabeüs-kever wordt - geboren uit het mannetje alleen." - -Nebsecht kon niet nalaten te glimlachen en zeide: »Als alle -leerstellingen der mysteriën zoo waar zijn, als dit beeld gelukkig heet -gekozen te zijn, dan ziet het er met ulieden treurig uit. De mestkevers -zijn sedert jaren mijne vrienden, die met mij dezelfde kamer bewonen. -Ik ken hun familieleven en geef u de verzekering, dat er onder hen -mannetjes en wijfjes zijn, evenals onder de katten, apen en menschen. Uw -'goede God' is mij onbekend. Wat meer is, als ik kalm nadenk, dan kan ik -mij maar niet begrijpen, hoe gij over het geheel een goed en een kwaad -beginsel in de wereld wilt onderscheiden. Is het Al werkelijk god; is -God, zooals de schriften leeren, inderdaad de goedheid zelve, en is er -niets buiten hem, waar is dan nog plaats voor het kwade?" - -»Gij spreekt als een schooljongen," zeide Pentaoer onwillig. »Goed en -redelijk op zichzelf is al wat bestaat, maar de Eene, die oneindig is, -die zichzelf de wet voorschrijft en de wegen van zijne werkzaamheid -aanwijst, verleent aan het eindige zijn bestaan door altijddurende -vernieuwing, en gaat zonder ophouden in de wisselende vormen van het -eindige over. Wat wij kwaad, boos, duister noemen is, op zichzelf -beschouwd, goddelijk, goed, redelijk en helder. Doch het vertoont zich -aan ons beneveld verstand in een ander licht, wijl wij alleen den weg -zien en het doel niet kennen, enkel de op zichzelf staande dingen -waarnemen en het geheel niet overzien kunnen. Evenals gij berispen -oppervlakkige hoorders de muziek, waarin zij een wanklank hooren, die -de harpspeler echter opzettelijk aan zijne snaren ontlokte, om zijne -hoorders de reinheid der volgende harmonieën dieper te doen gevoelen. -Zoo bedilt een gek den schilder, die zijn paneel zwart maakt, zonder -te wachten tot het beeld voltooid is, dat juist op dien donkeren grond -helderder zal uitkomen. Zoo scheldt een kind op den edelen boom, waarvan -de vruchten rotten, zonder te begrijpen dat uit hunne kernen nieuw leven -zal ontwaken. Het schijnbaar kwade is slechts de voorbereiding tot -hooger geluk en de dood de drempel des nieuwen levens, gelijk het -avondrood door den nacht oversluierd wordt, om weldra weder te -voorschijn te komen als morgengloed, die den rijzenden dag aankondigt." - -»Inderdaad, dat klinkt zeer overtuigend," hernam Nebsecht. »Alles, zelfs -het afschrikwekkendste, wordt bekoorlijk op uwe lippen. Doch ik zou uwe -stelling kunnen omkeeren en zeggen: het kwaad regeert de wereld, slechts -nu en dan wordt ons een enkel drupje zalig genot te proeven gegeven, om -ons de bitterheid van het leven des te harder te doen gevoelen. Gij ziet -in alles harmonie en goedheid; mijne ervaring is echter, dat het leven -door den hartstocht wordt gewekt, dat ons gansche bestaan een strijd is, -en dat het eene schepsel bestemd is het andere op te eten." - -»En bemerkt gij dan niets van de schoonheid der zichtbare dingen? -Vervult die onveranderlijke orde van het heelal u niet met deemoedige -bewondering?" - -»Naar schoonheid," antwoordde de arts, »heb ik nooit gezocht; mogelijk -mis ik ook wel het orgaan, om haar zelfstandig waar te nemen, hoewel ik -mij gaarne door u er op laat wijzen. Aan de orde in de natuur laat ik -ten volle recht wedervaren, want zij is de ware wereldziel. Temt[148] -noemt gij den Eene, dat wil zeggen: de som, de eenheid, verkregen door -de optelling van vele getallen, en dat bevalt mij. Want de bestanddeelen -van het heelal, en de krachten die bepalen, in welke verschillende -richtingen het leven zich bewegen moet, zijn nauwkeurig berekend volgens -maat en getal, maar zonder dat daarbij van goed of schoon sprake kan -zijn." - - [148] Zie boven bl. 178. - -»Zulke opvattingen," zeide Pentaoer, die bezorgd werd over zijn vriend, -»zijn de gevolgen uwer zonderlinge bezigheden. Gij doodt en vernielt om, -zooals gij dat noemt, het geheim des levens op te sporen. Beschouw het -worden der dingen in de natuur: open het orgaan, dat u ontbreekt zoo gij -meent, namelijk uwe oogen en de schoonheid van de zichtbare wereld zal -u ook zonder mijne hulp leeren, dat het een valsche god is, dien gij -aanbidt." - -»Ik bid in het geheel niet," zeide Nebsecht, »want de wet, die de wereld -in beweging brengt, laat zich evenmin als uwe regelmatig afloopende -zandloopers door bidden vermurwen. Maar wie zegt u toch, dat ik het -worden der dingen niet op het spoor tracht te komen? Ik zeide u reeds, -dat ik beter dan gij weet, hoe de scarabeën ontstaan. Ja, ik heb menig -dier van kant gemaakt, en dat niet alleen om zijn organisme te leeren -kennen, maar ook om uit te vorschen, hoe het zich gevormd had. Doch -juist bij dezen arbeid heeft zich mijn orgaan voor het schoone eer -gesloten dan geopend. Ik verzeker u, dat het even weinig opwekkend is, -het ontstaan als de vernietiging en de verandering der dingen na te -gaan." - -Pentaoer zag den heelmeester vragend aan. - -»Ik wil ook eens," ging de laatste voort, »in beelden spreken. -Daar, zie dezen wijn! Wat is hij klaar en geurig! En toch hebben de -wijngaardeniers hem met hunne eeltachtige voeten uit de druiven geperst. -Ziehier deze volle aar! Welk eene goudgele glans! En zij zal, als -wij haar malen, sneeuwwit meel geven. Niettemin wies zij op uit een -rottenden zaadkorrel. Onlangs roemdet ge de schoonheid van de groote -bijna voltooide zuilenzaal in den tempel van Amon aan de overzijde in -Thebe[149]. Hoe zal de nakomelingschap dit werk bewonderen! Ik heb het -zien worden. Daar lagen vierkante steenblokken in de grootste wanorde -door elkaar. Hoopen stof dwarrelden op, zoodat ik bijna niet ademen -kon. Drie maanden geleden werd ik er heen gezonden, omdat men meer dan -honderd arbeiders, bij het steenslijpen in de brandende zonnehitte, zoo -had geslagen, dat zij het bijna bestierven. Als ik nu een dichter was -als gij zijt, dan zou ik u duizend zulke tafereelen ophangen, die u -zeker niet bevallen zouden. Vooreerst hebben wij genoeg te doen met het -bestaande waar te nemen, en de wetten op te sporen, waardoor alles in -beweging wordt gebracht." - - [149] Aangelegd door Ramses I, voortgezet door Seti I, voltooid - door Ramses II. De overblijfselen van deze zaal met hare honderd - vier en dertig zuilen zijn zonder wederga. - -»Ik heb uw streven nooit geheel kunnen verstaan, en het heeft mij altijd -moeite gekost te begrijpen, waarom gij u toch eigenlijk niet op de -wetenschap der Horoscopen hebt toegelegd," zeide Pentaoer. »Gelooft gij -dan, dat het leven van planten en dieren in zijne oneindige afwisseling, -dat zoo geheel afhankelijk is van zijne omgeving, waardoor het bepaald -wordt, zich tot wetten, getallen en afmetingen laat terugbrengen, -evenals de beweging der sterren?" - -»Vraagt gij dit? Zou de ontzaglijk sterke reuzenhand, die de lichten -daarboven dwingt zich voort te bewegen in hun nauwkeurige afgebakende -banen, ook niet fijn genoeg ontwikkeld zijn, om aan de vlucht der vogels -en den slag van het menschelijk hart bepaalde wetten voor te schrijven?" - -»Daar zijn wij weder bij de harten," zeide de dichter lachend. »Zijt gij -uw doel al wat nader gekomen?" - -De arts werd ernstig en zeide: »Misschien zal ik morgen reeds in het -bezit zijn van hetgeen ik noodig heb. Daar ligt uw palet met roode en -zwarte verf, papyrus en schrijfriet; mag ik een blad gebruiken?" - -»Natuurlijk; maar vertel mij eerst....." - -»Vraag maar niets; gij zoudt mijn voornemen niet billijken, en het zou -aanleiding geven tot nieuw verschil." - -»Ik denk," hernam de dichter, terwijl hij zijn hand op den schouder van -den arts legde, »dat wij den strijd niet behoeven te vreezen. Hij is -tot hiertoe het cement en de verfrisschende dauw van onze vriendschap -geweest." - -»Zoolang de strijd ten minste liep over meeningen en opvattingen, en -niet over daden." - -»Gij wilt u toch niet meester maken van een menschenhart?" riep de -dichter. »Bedenk wel wat gij doet! Het hart is de woning van het in ons -levend uitvloeisel der wereldziel." - -»Weet gij dat zoo zeker?" vroeg de heelmeester gevoelig. »Lever mij -dan het bewijs! Hebt gij ooit een hart onderzocht; heeft een mijner -ambtgenooten het gedaan? Zij verklaren zelfs het hart van een -boosdoener, een krijgsgevangene onaantastbaar. Wanneer wij ten einde -raad naast een kranke staan, en onze geneesmiddelen even dikwijls -schaden als baten, vanwaar komt dat? Daarvan alleen, dat wij, artsen, -gedwongen zijn om te arbeiden als de sterrenkundigen, van wien men zegt -dat zij de sterren door eene plank beschouwen. Te Heliopolis bad ik den -grooten oerma[150] Rahotep, dien inderdaad zoo geleerden oversten van -ons gild, die mij hoogschatte, het hart van een gestorven Amoe te mogen -onderzoeken. Doch hij weigerde het, omdat de groote Sechet[151] ook de -vrome Semieten in de velden der gezaligden binnenleidt[152]. Daarop -volgden weder de oude bedenkingen, namelijk: dat het zelfs zondig is -een dierenhart te ontleden, aangezien ook dit de drager is eener ziel, -misschien de bevlekte en veroordeelde ziel van een mensch, die, eer zij -tot den Eenen mag terugkeeren, den louteringsweg moet voleindigen door -de lichamen van dieren. Ik liet mij door deze tegenwerping niet uit het -veld slaan, en verklaarde hem, dat mijn overgrootvader Nebsecht, vóor -hij zijne verhandeling over het hart schreef[153], ongetwijfeld zulk een -orgaan onderzocht had. Toen gaf hij het antwoord, dat de godheid hem -zeker had geopenbaard wat hij geschreven had, waarom dan ook zijn werk -onder de heilige schriften van Toth[154] was opgenomen, die vast stonden -en onaantastbaar waren als de wereldrede. Hij wilde mij, zeide hij -verder, rust bezorgen tot stillen arbeid, want ik was een uitverkoren -geest; de hemelsche goden zouden mij wellicht insgelijks met -openbaringen begenadigen. -- Ik was toen jong en heb mijne nachten in -gebeden doorgebracht, maar ik viel met den dag af, en mijn geest werd -doffer in plaats van helderder. Toen slachtte ik in stilte eerst een -hoen, vervolgens ratten, daarna een konijntje. Ik ontleedde hunne harten -en volgde de bloedvaten, die vandaar uitgaan. 't Is waar, ik weet nu -slechts weinig meer dan te voren, maar ik moet achter de waarheid komen -en het hart van een mensch hebben." - - [150] Hoogepriester van Heliopolis. - - [151] De leeuwenkoppige godin. Vgl. bl. 61. - - [152] Naar den tekst bij de beroemde voorstellingen van de vier - volken (Egyptenaars, Semieten, Libiërs en Ethiopiërs) in het - graf van Seti I. - - [153] Deze verhandeling maakt het belangrijkst gedeelte uit van - den papyrus-Ebers, uitgegeven bij W. Engelmann te Leipzig. - - [154] Door de Grieken "Hermetische boeken" genoemd. De - papyrus-Ebers is, volgens den uitgever, het geschrift, dat door - Clemens van Alexandrië: "Het boek van de artsenijen" wordt - genoemd. Vrt. - -»Wat zal u dat geven?" vroeg Pentaoer. »Verwacht ge dan dat gij het -onzichtbare en oneindige met uwe menschelijke oogen zult waarnemen?" - -»Kent gij de verhandeling van mijn grootvader?" - -»Zoowat," gaf de dichter ten antwoord. »Hij zegt dat, waar men ook den -vinger legt, hetzij op het hoofd, hetzij op de handen of de maag, overal -het hart wordt gevonden, daar zijne bloedvaten naar alle leden uitgaan, -en dat het hart het uitgangspunt is van al deze vaten. Verder geeft -Nebsecht aan, hoe de aderen over de leden verdeeld zijn, en toont -aan -- is het niet zoo? -- hoe de verschillende zielstoestanden, als -toorn, verdriet, afschuw, ja ook het gebruik van het woord hart, in het -algemeen voor zijne opvatting getuigen." - -»Juist, wij hebben daarover reeds gesproken, en ik geloof dat hij -gelijk heeft, wat het bloed en de dierlijke gewaarwordingen betreft. -Maar het rein en helder verstand in ons heeft een anderen zetel," en -de arts sloeg bij deze woorden met de hand op zijn breed maar laag -voorhoofd. »Koppen heb ik bij honderden bestudeerd, daarginds -bij het hooggerechtshof; ook lichtte ik de hersenpan van levende -dieren[155]. -- Doch laat mij nu schrijven, voor wij gestoord worden." - - [155] Het gebruik van menschenhersenen wordt in den - papyrus-Ebers voorgeschreven, als geneesmiddel tegen eene - oogziekte. Herophilus, een der eerste geleerden van het - Alexandrijnsch museum, bestudeerde niet enkel de lijken van - terechtgestelde misdadigers, maar hij nam ook proeven op - levende boosdoeners. Hij beweerde, dat de vierde holte van de - menschelijke hersenen de zetel was der ziel. - -De arts nam het schrijfriet, lengde de zwarte uit verkoolden papyrus -bereide verfkleur aan, en schreef in sierlijke hiëratische letters[156] -het document voor den Paraschiet, waarbij hij bekende voor hem geëischt -te hebben, dat hij het hart van een mensch zou stelen, en kort en bondig -verklaarde voor Osiris en de doodenrechters de schuld van den oude op -zich te willen nemen. Toen hij gereed was, strekte Pentaoer zijne hand -uit naar het geschreven stuk, maar Nebsecht vouwde het samen, stak het -in een taschje, waarin zich de amulet bevond, die zijne stervende moeder -hem om den hals had gehangen, en zeide, na eene diepe ademhaling: -»Daarmede zijn we klaar. Vaarwel Pentaoer!" - - [156] In den tijd van dit verhaal hadden de Egyptenaars - tweeërlei soort van schrift: het hiëroglyphische en het - hiëratische. In het eerste bestonden de letters uit concrete - voorwerpen, mathematische of vrij uitgedachte figuren. Het werd - gewoonlijk op de gedenkteekenen gebruikt. Met het laatste - schreef men meestal op papyrus. In dit schrift zijn de - afbeeldingen der hiëroglyphen zoo gewijzigd en afgekort, om - des te sneller te kunnen schrijven, dat men de oorspronkelijke - teekens er slechts onduidelijk in herkennen kan. In de achtste - eeuw ontstond eene nog verdere verkorting van het hiëratisch - schrift, die men het demotisch of volksschrift noemde. Terwijl - het hiëroglyphen- en het hiëratisch schrift in het oude heilige - dialect werd geschreven, bezigde men de demotische letterteekens - alleen om de taal te schrijven, die door het volk werd - geschreven. Zie Em. de Rougé, =Chrestomathie égyptienne=; - H. Brugsch =Hieroglyphische Grammatik=; Le Page Renouf, - =Hieroglyphicial grammar=; Ebers, =Ueber das hieroglyphische - Schriftsystem=, 2 Aufl. 1875 in de =Vorträge=, door Virchow en - Holtzendorf uitgegeven. - -De dichter hield zijn vriend staande, sprak hem met ernst en warmte toe, -en smeekte hem toch van zijn voornemen af te zien. Doch Nebsecht bleef -ongeroerd door deze beden en trachtte zijne vingers los te rukken uit -de verbazend sterke handen van Pentaoer, die ze als met ijzeren klemmen -vasthielden. De dichter vermoedde in zijne vervoering niet, dat hij zijn -vriend pijn deed, tot deze, na eene vruchtelooze poging om vrij te -komen, uitriep: »Gij verwringt mijne vingers!" - -Er kwam een glimlach op het gelaat van den dichter. Hij liet den -heelmeester los en zeide, terwijl hij diens vuurroode handen streelde -als eene moeder, die de pijn van haar kind weg wil strijken: »Wees niet -boos op mij, Nebsecht; gij kent mijne ongelukkige vuisten. Heden moesten -ze u inderdaad vasthouden, want wat gij voorhebt is al te dolzinnig." - -»Dolzinnig?" vroeg de arts, terwijl hij op zijn beurt lachte. »Mij -goed, maar weet gij dan niet, dat wij Egyptenaars met bijzondere -angstvalligheid aan onze dwaasheden hangen, en zelfs ons niet ontzien er -huis en hof voor op te offeren?" - -»Ja =eigen= huis en =eigen= hof!" riep de dichter, en voegde er daarna -bij: »maar niet het leven, niet het welzijn van een ander." - -»Heb ik u dan niet reeds gezegd, dat ik het hart niet voor den zetel van -het verstand kan houden? Wat mij betreft, het is mij om 't even, of ik -met het hart van een hamel of met mijn eigen hart begraven zal worden." - -»Ik spreek niet van den doode, die van dit lichaamsdeel beroofd zal -zijn, maar van den levende," hernam Pentaoer. »Wanneer de daad van -den Paraschiet ontdekt wordt, dan is hij verloren, en het lieve kind -daarginds in de hut zoudt gij alleen gered hebben, om het in de diepste -ellende te storten." - -Nebsecht zag zijn vriend zoo verbluft en onthutst aan, alsof hij door -een ongeluksbode opeens uit den slaap was gewekt. Na een oogenblik zeide -hij echter: »Ik zou met den oude en Warda deelen al wat ik heb." - -»En wie zal u beschermen?" - -»Haar vader." - -»Die ruwe dronkaard, dien zij morgen of overmorgen wie weet waarheen -zullen zenden....!" - -»Hij is een braaf man," viel de arts zijn vriend in de rede, terwijl hij -merkbaar ontroerd was en heel erg stotterde. »Maar wie zou het wagen het -meisje iets te doen? Zij is zoo.... zoo.... Zij is zoo lieftallig, zoo -schoon en heeft zoo iets eigenaardigs!" - -Bij de laatste woorden sloeg hij de oogen neder en bloosde als een -meisje. »Gij begrijpt dat beter dan ik," ging hij voort, »ja, gij vindt -haar ook schoon! Zonderling! -- Gij moet niet lachen, wanneer ik erken --- ik ben immers ook een mensch als ieder ander? -- wanneer ik erken, -dat ik het orgaan, het mij ontbrekende orgaan voor de schoonheid der -vormen toch eindelijk ook in mij meen ontdekt te hebben; neen, niet -meen, maar werkelijk ontdekt heb. Want het heeft van het eerste -oogenblik hier niet gesproken maar geschreeuwd, geraasd, dat mij de -ooren suisden, en voor het eerst in mijn leven trok de lijdende mij meer -aan dan het leed op zichzelf. Hoe heb ik daar gezeten als aan die hut -gekluisterd, en haar haren bewonderd en hare oogen en haar ademtocht -opgevangen! Zij hebben mij lang in het Seti-huis gemist; misschien -hebben zij ook mijne preparaten ontdekt, toen ze mij in mijne kamer -zochten. Twee dagen en nachten heb ik mij van den arbeid laten afhouden -door dit kind! Dacht ik als de leeken, die gij u aantrekt, dan zou ik -zeggen: demonen hebben mij betooverd. Maar dat is het niet" -- en bij -deze woorden was het alsof zijne oogen vlammen schoten -- »dat is het -niet! Het dierlijke in mij, de lage natuurdriften, waarvan het hart de -zetel is, deze dreigden mijne borst aan haar ziekbed te doen bersten; -zij hebben de andere fijnere en reine opwellingen hier, hier in deze -hersens overmeesterd. En zoo moet ik, op het oogenblik dat ik hoop te -zullen weten als God zelf, dien gij den vorst van alle wetenschap noemt, -helaas ondervinden, dat het dier in mij sterker is dan wat ik mijn god -noem." - -Onder deze laatste woorden had de arts gejaagd en verbolgen naar den -grond gezien, en niet eens op den dichter gelet, die verbaasd en vol -deelneming naar hem luisterde. Beiden zwegen eene poos, tot Pentaoer -zijne hand op die van zijn vriend legde en met aandoening zeide: -»Waarlijk, mijne ziel is niet vreemd aan hetgeen gij thans gevoelt. Het -heeft bij mij, als ik u naspreken mag, hoofd en hart tegelijk aangedaan. -Maar ik weet dat hetgeen wij voelen wel is waar vreemd is, aan onze -gewone gewaarwordingen, dat het echter hooger en edeler is, in plaats -van daar beneden te staan. Het is niet het dierlijke, Nebsecht, dat -gij in u waarneemt, maar het goddelijke. Het goede is de schoonste -eigenschap van het hemelsche, en gij zijt altijd liefderijk gezind -geweest jegens groot en klein. Doch ik vraag u of ooit iets zulk eene -onweerstaanbare macht op u heeft uitgeoefend, om een oceaan van goedheid -over een ander wezen uit te storten; of gij aan Warda niet alles wat gij -zijt en hebt blijmoediger en met grooter zelfverloochening zoudt geven, -dan aan vader en moeder en uwe oudste vrienden?" - -Nebsecht boog zijn hoofd ten teeken van toestemming; Pentaoer vervolgde -echter: »Welaan dan! Volg de nieuwe goddelijke stem in u, heb Warda lief -en offer haar niet op aan uwe ijdele wenschen. Arme vriend! Bij al uw -zoeken naar de verborgenheden van het leven, hebt gij nog nooit naar -het leven zelf omgezien, dat zich daar open en uitlokkend uitbreidt -voor onzen blik in al zijn omvang en zijne diepte. Gelooft gij dat de -jonkvrouw, die den kalmsten denker in Thebe zoo in vlam kan zetten, -niet door honderd zinnelijke menschen zal worden begeerd, wanneer zij -geen beschermer heeft? Moet ik u zeggen, dat onder de danseressen in -het vreemden-kwartier negen van de tien, dochters zijn van uit de -maatschappij gebannen ouders? Kunt gij vrede hebben met de gedachte dat -door uw toedoen de onschuld aan de misdaad zal worden prijs gegeven en -de roos in het slijk getreden? Is het menschenhart, waarnaar gij zoozeer -verlangt, eene Warda waard? -- Ga nu, en kom morgen weder bij mij, uw -vriend, die in staat is alles te gevoelen wat gij gevoelt, wien gij -heden zooveel nader zijt gekomen, omdat gij geleerd hebt in zijn reinst -geluk te deelen." - -Pentaoer stak den arts zijne hand toe, Nebsecht nam haar aan, maar -langzaam. Nadenkend en met loome schreden ging hij heen, en zonder -te letten op den brandenden gloed van de middagzon, daalde hij over -den berg af in het dal der koningsgraven, in de richting van de -Paraschieten-hut. Hier vond hij den soldaat bij zijne dochter en vroeg -met nadruk: »Waar is de oude?" - -»Hij ging naar den arbeid in het huis van de balsemers," luidde -het antwoord. »Hij laat u weten dat, als hem iets overkomt, gij de -schriftelijke verklaring niet moogt vergeten, noch het boek. Hij was -als gek, toen hij ons verliet, en heeft het hart van den hamel bij zich -gestoken en medegenomen. Blijft gij wat bij de kleine; moeder verricht -dienstwerk, en ik moet krijgsgevangenen naar Hermonthis[157] brengen." - - [157] Het tegenwoordige Erment, de naaste stad ten zuiden van - Thebe, die men in eene dagreis bereiken kan. - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - - -Terwijl de beide vrienden uit het Seti-huis dit belangrijk onderhoud -hadden, liep vrouwe Katoeti in de opene galerij voor het huis van haar -schoonzoon, waar wij haar het eerst leerden kennen, onrustig op en neer. -Een sneeuwwit katje hield haar op deze wandeling gezelschap, nu eens -spelende met den sleep van haar eenvoudig lang gewaad, dan weder een -sprong doende naar een voetstuk, dat vroeger een zilveren beeld had -gedragen, voor weinige maanden verkocht, en waarop Nemoe zich thans had -neergezet. Hij was bijzonder op dat plaatsje gesteld, omdat het hem van -die hoogte alleen mogelijk was zijne meesteres en andere volwassene -menschen in de oogen te zien. - -»O wanneer gij mij bedrogen, mij misleid hebt!" zeide Katoeti met -dreigende gebaren, toen zij zijn zetel voorbijkwam. - -»Sla mij dan aan een haak en hengel met mij naar een krokodil. Ik voor -mij ben alleen nieuwsgierig, hoe hij u het geld zal aanbieden." - -»Wilt gij mij andermaal zweren," ging zijne meesteres voort, met -koortsachtige gejaagdheid, »dat ge Paäker niet in mijn naam verzocht -hebt ons te redden?" - -»Ik zweer u duizend eeden!" zeide de kleine man. »Moet ik u ons gesprek -van gisteren nog eens vertellen? Ik zeg u dat hij zelfs zijne landerijen -en zijn huis met de hooge poort zou geven, voor éen vriendelijken blik -uit Nefert's oogen." - -»Indien Mena haar wilde lief hebben als hij!" zuchtte Katoeti, en -zwijgend zette zij hare wandeling voort, terwijl de dwerg naar den -ingang van den tuin zat te kijken. Plotseling bleef zij voor Nemoe -staan, en zeide op zulk een somberen toon, dat Nemoe eene koude rilling -door de leden voer: »Ik wenschte dat zij weduwe was." - -De dwerg maakte eene beweging met zijne hand, als moest hij zich -verbergen voor een boozen blik. Doch gelijktijdig liet hij zich van zijn -voetstuk op den grond zakken, roepende: »Daar houdt een wagen stil, -en ik hoor het zwaar geblaf van zijn dog. Hij is het! Zal ik Nefert -roepen?" - -»Neen!" zeide Katoeti zacht, en greep de leuning van een stoel, als had -zij een steun noodig. - -De dwerg haalde de schouders op en kroop achter een groep bladplanten -weg. Eenige minuten later stond Paäker voor zijne meesteres, die den -Mohar kalm en zich bewust van hare waardigheid ontving. Geen trek op -haar fijnbesneden gelaat verried de onrust van haar binnenste. Nadat de -gids haar begroet had, zeide zij met neerbuigende vriendelijkheid: »Ik -dacht wel dat gij komen zoudt. Neem plaats! Uw hart is gelijk aan dat -uws vaders. Nu gij u weder verzoend hebt met ons, toont gij geheel en al -een vriend te zijn." - -Paäker was gekomen, om zijne tante de geldsom aan te bieden, die zij -noodig had tot lossing van de mummie haars mans. Hij was lang met -zichzelf in strijd geweest, of hij dit niet liever aan zijne moeder zou -overlaten. Maar deels een inwendige vrees, deels zijne ijdelheid hadden -hem hiervan afgehouden. Hij pronkte zoo gaarne met zijn rijkdom, en -hij mocht Katoeti wel eens doen gevoelen wat hij vermocht en welk een -schoonzoon zij had afgewezen. Het liefst had hij het goud, dat hij -besloten had haar te schenken, dadelijk uit zijn schatkamer genomen en -het door zijne slaven voor zich uit laten dragen, gelijk de onderworpen -vorsten deden, als zij hunne schattingen brachten. Dat ging echter niet, -en daarom stak hij den grooten met een kostbaar edelgesteente versierden -ring, dien koning Seti eens aan zijn vader had geschonken aan den -vinger, en tooide hij zich met vele kleedergespen, borstspelden en -ringen. Toen hij zich alvorens zijn huis te verlaten, in den spiegel -beschouwde, zeide hij met bevrediging tot zichzelf, dat hij, zooals hij -daar stond en ging, wel zooveel waard was als het geheele erfgoed van -Mena. Sedert zijn onderhoud met den dwerg en diens uitlegging van zijn -droom, lagen de wegen, die hij ter bereiking van zijn doel te bewandelen -had, scherp afgebakend voor hem. Nefert's moeder moest voor schande -bewaard, met goud gewonnen en Mena naar de andere wereld gezonden -worden. Tot zijne bondgenooten rekende hij vooreerst: zijne gewoonte om -zonder omzien met kracht door te tasten, hetgeen hij bij voorkeur zijne -onwankelbare vastberadenheid noemde, vervolgens de slimheid van den -dwerg Nemoe, en eindelijk den liefdedrank. - -Thans naderde hij Katoeti, zeker van zijne overwinning, als een koopman, -die een kostbaar artikel gaat koopen, en weet dat hij rijk genoeg is om -het te betalen. Maar de waardige fiere houding van zijne tante bracht -hem in verwarring. Hij had gedacht haar anders, haar met een gebroken -hart en smeekende om hulp te zullen vinden. Hij had gehoopt na zijne -grootmoedige daad den dank van Nefert tegelijk met dien harer moeder te -zullen ontvangen. De schoone vrouw van Mena was echter afwezig, en -Katoeti liet haar niet roepen, ook niet nadat hij naar haar welstand had -gevraagd. De weduwe ging hem geen schrede te gemoet, en er verliep een -geruime tijd met onverschillige gesprekken, tot Paäker haar op eens -mededeelde: dat hij van de onverantwoordelijke daad haars zoons gehoord -en besloten had, haar en haar huis, als de naaste bloedverwanten zijner -moeder, voor eerloosheid te bewaren. - -Katoeti hield deze lompheid voor oprechtheid, vergaf Paäker zijne thans -al zeer weinig gepaste pronkzucht, en dankte hem in waardige, maar toch -hartelijke woorden, meer nog om den wil harer kinderen dan om haar -zelve, want van genen begon het leven pas, gelijk zij zeide, dat voor -haar reeds was afgesloten. - -»Gij zijt nog in uwe goede jaren," zeide Paäker. - -»Misschien in de beste," antwoordde de weduwe, »ten minste voor mij, die -het leven als eene taak, eene zware taak beschouw." - -»Het besturen van een goed, met zooveel schulden bezwaard, zal u -zorgvolle uren geven, dat geloof ik wel." - -Katoeti boog toestemmend het hoofd en zeide treurig: »Dat alles zou -nog wel te dragen zijn, wanneer ik niet gedoemd ware het arme kind -jammerlijk te zien verkwijnen, zonder het te kunnen helpen of raden. Er -was een tijd, dat gij haar gaarne tot uwe vrouw zoudt hebben gehad, en -nu vraag ik u: was er in Thebe, ja in geheel Egypte een meisje, dat haar -in schoonheid evenaarde? Was zij waard bemind te worden, en is zij het -nog niet? Verdient zij, dat haar echtgenoot haar eenzaam laat gebrek -lijden, dat hij haar geheel veronachtzaamt en, als had hij haar -verstooten, eene vreemde vrouw in hare plaats in zijn tent neemt? -- Ik -lees op uw gelaat wat gij denkt. Gij schuift de schuld van al het -gebeurde op mij. Uw hart vraagt: 'Waarom hebt gij de verloving -verbroken?' En uw oprechte zin antwoordt: dat gij haar een beter lot -zoudt hebben bereid." - -Bij deze woorden vatte de weduwe de hand van haar neef en ging met -klimmende warmte voort: »Heden hebben wij u leeren kennen als den -grootmoedigsten man in Thebe, want het onvergeeflijk onrecht u -aangedaan, hebt gij met ongehoorde weldaden vergolden. Als knaap reeds -waart gij ons lief en waard. De wensch uws vaders, die jegens ons als -een liefderijk broeder gehandeld heeft zoolang hij leefde, is mij heilig -en dierbaar geweest, en liever had ik mijzelve dan uwe goede moeder, -mijne zuster, smarten veroorzaakt. Ik bewaarde mijn kind en voedde het -op met alle zorgvuldigheid voor den jongen held, die in het verre Azië -zijne dapperheid toonde, voor u en u alleen. Daar stierf uw vader, en ik -verloor in hem mijn raadsman, mijn beschermer." - -»Ik weet alles," viel Paäker haar in de rede en zag somber naar den -grond. - -»Wie kan het u dan verteld hebben?" vroeg de weduwe. »Want uwe moeder -heeft, nadat gebeurd was wat niemand had kunnen gelooven, mij haar huis -verboden en haar oor voor mij gesloten. De koning zelf deed aanzoek voor -Mena, die hem nader aan het hart ligt dan zijn zoon. Toen ik sprak van -uwe oudere rechten, toen =beval= hij, en wie zou het wagen zich te -verzetten tegen de bevelen van den heer van beider werelden, den zoon -van den zonnegod? Koningen vergeten zoo spoedig! Hoe dikwijls stelde uw -vader zijn leven voor hem in de waagschaal; hoevele wonden werden hem -geslagen in zijn dienst! Om den wil uws vaders had hij u zulk een smaad, -zulk een leed moeten sparen." - -»En heb ikzelf hem ook gediend, of niet?" vroeg Paäker, en zijne wangen -kleurden zich donkerrood. - -»Hij kende u nog weinig," antwoordde Katoeti op verontschuldigenden -toon. Daarop gaf zij weder eene andere buiging aan haar stem, en -vroeg deelnemend: »Waarmede hebt gij in die dagen, -- gij waart nog zoo -jong, -- toch zijne ontevredenheid gaande gemaakt, zijn afkeer, ja -zijne...." - -»Wat?" vroeg de gids, en hij beefde over al zijne leden. - -»Zwijgen wij daarover," ging de weduwe voort, om het zooeven gezegde te -vergoeilijken. »De genade en ongenade eens konings zijn gelijk aan die -der godheid. Men mag er zich in verheugen of men moet er zich voor -buigen." - -»Waardoor dan toch heb ik Ramses reden gegeven tot ontevredenheid en -afkeer? Ik wil het weten!" riep Paäker, met klimmende heftigheid. - -»Gij maakt mij bang," zeide de weduwe, trachtende hem neer te zetten. -»Misschien stelde hij zich met uwe vernedering wel ten doel zijn -gunsteling in Nefert's oogen te verheffen." - -»Wat heeft hij gezegd?" riep de gids weder, en het klamme zweet droop -hem van het bruine voorhoofd. Men zag niet anders dan het wit zijner -rollende oogen. - -Katoeti week voor hem terug, maar hij achtervolgde haar, greep haar aan -en vroeg met heesche stem: »Wat heeft hij gezegd?" - -»Paäker," zeide de weduwe op klagenden en verwijtenden toon, »laat mij -los! Het is in uw eigen belang, dat ik de woorden verzwijg, waarmede -Ramses trachtte Nefert's hart van u afkeerig te maken. Laat mij los, en -bedenkt met wie gij spreekt!" - -Doch Paäker omklemde haar arm te vaster met zijn hand, en herhaalde -zijne vraag telkens dringender. - -»Schaam u!" riep Katoeti. »Gij doet mij pijn. Laat mij los! -- Gij wilt -niet, voor dat gij weet wat hij zeide! Welaan uw wil zal geschieden. -Maar enkel gedwongen komen deze woorden over mijne lippen. Hij zeide -dat, indien hij niet wist dat uwe moeder Setchem eene brave vrouw was, -hij u niet voor een zoon uws vader zou houden, daar gij hem zoo weinig -gelijkt als een uil een adelaar." - -Paäker liet oogenblikkelijk de hand van de arme weduwe los, en zijne -bleeke lippen prevelden: »Zoo -- zoo -- -- --" - -»Nefert heeft u verdedigd, en ik deed het met haar, doch vruchteloos. -Weeg dat harde woord niet te zwaar. Uw vader was een man zonder wederga, -en Ramses vergeet niet, dat wij verwant zijn aan het oude koningshuis. -Zijn grootvader, zijn vader en hij zijn parvenu's en er leeft nog -iemand, die beter aanspraak kan doen gelden op den troon der pharao's -dan hij." - -»De stadhouder Ani!" zeide Paäker met vaste stem. - -Katoeti gaf een teeken van toestemming, naderde den gids en zeide zacht: -»Ik geef mij in uwe handen, ofschoon ik weet dat gij ze tegen mij -opheffen kunt. Gij zijt echter mijn natuurlijke bondgenoot; want -dezelfde daad van Ramses, die u onteerde, heeft mij deelgenoote gemaakt -van de plannen des stadhouders. U heeft de koning eene bruid, mij eene -dochter ontstolen; uw ziel heeft hij met haat vervuld jegens den -overmoedigen medeminnaar, mij goot hij vuur in het hart over het -verloren levensgeluk van mijn kind. Ik gevoel iets van Hatasoe's bloed -in mijne aderen en mijn geest is sterk genoeg om mannen te besturen. Ik -was het, die den nog sluimerenden wensch in de borst van den stadhouder -deed ontwaken, die zijne oogen op den troon richtte, waarvoor de goden -hem bestemd hebben. De dienaars der hemelsche goden, de priesters, zijn -ons genegen. Wij hebben..." - -Op dit oogenblik kwam er beweging in den tuin. Een slaaf stoof buiten -adem den voorhof binnen en riep: »De stadhouder houdt stil voor de -poort!" - -Paäker stond als bedwelmd, doch spoedig kwam hij tot bezinning en wilde -zich verwijderen. Katoeti hield hem echter terug, zeggende: »Ik ga Ani -te gemoet; hij zal zich verblijden u te zien, want hij acht u hoog en -was een vriend uws vaders." - -Nauwelijks had Katoeti de galerij verlaten, of de dwerg Nemoe trad -achter de bladplanten te voorschijn, ging vlak voor Paäker staan en -vroeg onbeschaamd: »Welnu, heb ik u gisteren goed ingelicht, of niet?" - -Doch Paäker antwoordde niet; hij schoof het manneke met zijn voet op -zij, en liep peinzend op en neer. - - * * * * * - -Katoeti kwam den stadhouder midden in den tuin tegen. Hij hield eene -schriftrol in de eene hand en begroette haar reeds van verre met eene -beweging van de andere, waaruit genoeg bleek, dat hij eene blijde -tijding kwam brengen. De weduwe beschouwde haar vriend met bewondering; -het kwam haar voor dat hij kloeker en jeugdiger was geworden, sedert zij -hem het laatst had gezien. »Heil u," riep zij hem half vertrouwelijk, -half eerbiedig toe, waarbij zij hare handen met ontzag voor hem ophief, -als droeg hij reeds de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte. »Hebt -gij het negental goden ontmoet[158] of hebben de Hathors u in den slaap -gekust? Dit is een heldere, een geluksdag; dat lees ik in uwe trekken." - - [158] De Egyptenaars laten hunne goden gewoonlijk in groepen, - bijv. van drie (triaden) en negen, maar ook van acht, dertien - en vijftien optreden. In het sprookje van de beide broeders - verschijnen de negen goden aan den eenzamen Batoe, en scheppen - hem eene vrouw. - -»Gij verstaat u op het uitleggen van schrift en teekenen!" gaf Ani -vroolijk maar tevens waardig ten antwoord. »Nu, lees dan ook deze -boodschap!" - -Katoeti nam de papyrus-rol, die hij haar toereikte, doorlas den inhoud, -en gaf haar daarna terug, zeggende: »De door u uitgeruste troepen hebben -de legerscharen der verbondene Koeschiten[159] geslagen, en brengen -hunne gevangen vorsten met onmetelijke schatten en wel tienduizend -krijgsgevangenen naar Thebe! Den goden zij dank!" - - [159] Ethiopiërs. - -»En bovenal dank," voegde Ani er bij, »omdat de veldheer Scheschenk, -mijn zoogbroeder en vriend, behouden en ongewond onze krijgers -terugvoert. Ik geloof, Katoeti, dat onze droombeelden heden vleesch en -bloed beginnen te krijgen." - -»Zij wassen op tot helden!" riep de weduwe. »En uzelven, mijn gebieder, -heeft de adem der godheid aangeblazen. Als een echte zoon van Ra wandelt -gij hier naast mij. De moed van Menth[160] straalt uit uwe oogen, en om -uw mond zweeft het lachje van den overwinnenden Horus[161]." - - [160] De krijgsgod der Egyptenaars. - - [161] Zie boven, bl. 91. - -»Geduld, geduld, mijne vriendin!" sprak Ani, ten einde den ijver der -weduwe wat te matigen. »Thans is het meer dan ooit noodig vast te houden -aan mijne oude grondstelling, om de kracht van mijne tegenpartij hooger -en mijne eigene geringer te schatten, dan zij het verdienen. Nooit is -mij iets gelukt, als ik de uitkomst zeker verwachtte, veel daarentegen -wèl, waarvan ik vreesde dat het stellig mislukken zou. Wij zijn nog ter -nauwernood aan het begin van hetgeen wij hopen." - -»Maar evenals een ongeluk, zoo komt ook het goede nooit alleen," voegde -Katoeti er bij. - -»Dat ben ik volmaakt met u eens," zeide Ani. »Ik meen opgemerkt te -hebben, dat de gebeurtenissen in het leven altijd paarsgewijze optreden. -Elk ongeluk heeft zijn metgezel, evenals elk geluk. Kunt gij mij eene -tweede overwinning berichten?" - -»Vrouwen winnen geen veldslagen," hernam de weduwe lachend, »maar zij -werven vrienden, en ik heb een machtig bondgenoot gewonnen!" - -»Eene godheid of een leger?" vroeg de stadhouder. - -»Iets tusschen beiden," gaf zij ten antwoord. »Paäker, de koninklijke -gids, heeft zich aan onze zijde geschaard. Hoor!" En hierop vertelde zij -den stadhouder de geschiedenis van de liefde en den haat van haar neef. - -Ani luisterde zwijgend toe en zeide toen met eene uitdrukking van onrust -en bezorgdheid: »Deze man is een dienaar van Ramses en zal weldra weder -tot hem in het leger terugkeeren. Menigeen mag onze plannen vermoeden, -maar deze nieuwe deelgenoot van ons geheim zou een verrader kunnen -worden. Gij dringt en drijft mij ontijdig voorwaarts! Duizend -weltoegeruste vijanden zijn minder gevaarlijk, dan een onzekere -bondgenoot..." - -»Van Paäker kunnen wij zeker zijn," zeide Katoeti op stelligen toon. - -»Wie staat u voor hem borg?" vroeg de stadhouder. - -»Hij zal geheel in uwe handen worden overgeleverd," antwoordde Katoeti -ernstig. »Mijn slimme dwerg Nemoe weet, dat hij in het geheim een -misdaad heeft gepleegd, waarop bij de wet de doodstraf is gesteld." - -Het gelaat van den stadhouder klaarde op, nu hij op deze wijze werd -gerustgesteld. »Dat verandert de zaak," zeide hij. »Heeft hij een moord -begaan?" - -»Neen," antwoordde Katoeti. »De dwerg heeft mij bezworen, dat hij u -en u alleen zou mededeelen wat hij weet. Gij kunt gerust op hem -staatmaken." - -»Goed goed," zeide Ani, bedenkelijk het hoofd schuddende; »maar hij is -onvoorzichtig, veel te onvoorzichtig! Gij zijt als de ruiters, die om -eene weddenschap te winnen hun paard een sprong over lansen laten doen. -Valt het in de scherpe punten, zoo wordt dit dier het slachtoffer! Gij -laat het liggen en vervolgt uwen weg te voet." - -»Of wij worden tegelijk met het edele ros door de lansen doorboord," -zeide Katoeti ernstig. »Gij hebt meer te winnen en daarom ook meer te -verliezen dan wij; maar ook de kleinste heeft zijn leven lief. Behoef -ik u verder te zeggen, Ani, dat ik niet voor u werk, om door u iets te -winnen, maar alleen omdat ge mij dierbaar zijt als een broeder, en -ik in u den vertegenwoordiger zie van de vertreden rechten mijner -voorvaderen?" - -Ani reikte haar de hand en zeide: »Gij hebt ook met Bent-Anat als mijne -vriendin gesproken? -- Begrijp ik uw zwijgen goed?" - -Katoeti boog met het hoofd, terwijl haar gelaat eene smartelijke -uitdrukking aannam. Ani zeide echter: »Gisteren zou mij dit bewogen -hebben van haar af te zien, maar heden heb ik weder moed gekregen. Als -de Hathors mij bijstaan, zal ik haar nog wel voor mij kunnen winnen!" - -Na deze woorden liep hij de weduwe vooruit naar de galerij, waar Paäker -nog steeds onrustig op en neder wandelde. De gids boog zich diep -voor den stadhouder, die zijn groet met eene deels trotsche, deels -vriendelijke beweging van zijne hand beantwoordde. Toen hij zich op een -leuningstoel had nedergevleid, heette hij Paäker welkom, als den zoon -van een gestorven vriend en een bloedverwant van zijn huis. »De geheele -wereld," zeide hij, »roemt uwe onverschrokken dapperheid. Mannen -gelijk gij zijn er niet veel, en mij ontbreken zij geheel. Ik wenschte -wel dat ge mij nader stondt. Maar Ramses zal u niet willen missen -ofschoon -- ofschoon --. Evenwel, uw ambt is tweeledig; het vereischt -moed en vaardigheid in de schrijfkunst. Niemand betwijfelt of gij de -eerste bezit, maar wel de laatste. Het zwaard en het schrijfriet zijn -zeer verschillende wapenen; het eerste vereischt eene stevige vuist, -maar het laatste teedere vingers. De koning had vroeger op uwe berichten -nog al wat aan te merken; is hij thans beter over u tevreden?" - -»Ik wil het hopen," antwoordde de gids. »Mijn broeder Horus is een -geoefend schrijver en vergezelt mij op mijne tochten." - -»Dat is het ware!" zeide de stadhouder. »Als ik te bevelen had, dan zou -ik uwe manschappen driemaal verdubbelen: dan gaf ik u vier, vijf, zes -schrijvers mede, waarover gij onbepaald zoudt kunnen bevelen. Aan dezen -zoudt gij overvloedig stof kunnen leveren voor de berichten, die moeten -worden ingezonden. Uw ambt vordert moed en omzichtigheid, en men vindt -deze eigenschappen zelden in éen persoon vereenigd. Schrijfhelden zijn -er bij honderden in de tempels te vinden." - -»Dat denk ik ook wel," zeide Paäker. - -Ani staarde peinzend naar den grond, en zeide vervolgens: »Ramses -schijnt er bijzonder op gesteld u altijd met uw vader te vergelijken. -Dat is onbillijk, want de gezaligde was eenig in zijn soort, de -dapperste held en tegelijkertijd de fijnste schrijver. Gij wordt valsch -beoordeeld, en dat doet mij leed, ja meer dan dat, want door uwe moeder -zijt gij verwant aan mijne wel is waar arme, maar toch hoog aanzienlijke -familie. Wij zullen zien, of ik u kan stellen op de plaats, die juist -voor u het meest geschikt is. Voorloopig heeft men u in Syrië nog -noodig, later trekt gij u, omdat het niet anders zijn kan naar den wil -der eeuwige goden, op uw erfgoed terug. Gij hebt getoond een man te -zijn, die den dood niet vreest en weet te dienen, en moogt uw rijkdom -met uwe vrouw dus veilig genieten." - -»Ik heb echter geene vrouw," zeide Paäker. - -»Laat dan Katoeti," hernam de stadhouder met een glimlach, »wanneer gij -terugkeert, het schoonste meisje in het land voor u uitzoeken. Zij ziet -dagelijks in den spiegel, en heeft dus een scherp oog voor vrouwelijke -bekoorlijkheid." - -Dit gezegd hebbende stond Ani op, groette Paäker met buitengewone -vriendelijkheid, gaf de weduwe zijne hand en zeide, terwijl hij de -galerij verliet: »Zend mij heden nog het.... ja het doek door den dwerg -Nemoe!" - -Toen hij al in den tuin was, keerde hij zich nog eens om en riep Paäker -toe: »Heden avond komen eenige vrienden bij mij eten, ik noodig u uit -van de partij te zijn!" - -De gids boog. Hij had een duister vermoeden, dat hij door onzichtbare -draden werd omsponnen. Tot deze ure was hij er trotsch op geweest, dat -hij zich geheel aan zijn ambt had gewijd, en als Mohar dappere daden -verricht, en nu moest hij ondervinden dat dezelfde koning, wiens -eereketen zijn hals sierde, hem minachtte, en hem misschien alleen om -zijns vaders wil in zijn moeitevol en gevaarlijk ambt duldde, hetwelk -hij vrijwillig en belangeloos op zich genomen had, in weerwil dat zijne -rijkdommen hem naar Thebe lokten. Hij wist zeer goed, dat hij met het -schrijfriet zeer onhandig omging, maar dit was geen reden om hem te -minachten. Honderdmaal had hij gewenscht zijne positie zoo te kunnen -inrichten, als Ani haar voor hem had afgeteekend. Nochtans was zijn -verzoek om schrijvers te mogen houden door Ramses afgewezen. Wat hij -wist te bespieden, was hem geantwoord, moest geheim gehouden worden; en -niemand kon instaan voor de stilzwijgendheid van een tweede. Toen zijn -broeder Horus groot was geworden, volgde deze hem als zijn gehoorzame -dienaar, ook nog nadat hij eene vrouw had genomen, die in Thebe bij -hunne moeder Setchem met haar kindje achterbleef. Op dit oogenblik -bekleedde hij in Syrië Paäkers plaats, slecht zooals de gids meende, -ofschoon hij vele bewijzen van goedkeuring ontving. Want hoe onbeduidend -overigens, wist hij gladde taal vaardig te schrijven. - -De man, die zoo zeer aan de eenzaamheid gewoon was, trok zich geheel in -zichzelf terug en vergat alles om hem, ook de weduwe, die zich op een -kussen had nedergevlijd en hem zwijgend gadesloeg. Hij tuurde in de -ruimte, terwijl allerlei denkbeelden ordeloos zijn hoofd doorkruisten. -Hij gevoelde zich vreeselijk verongelijkt, en het was of de -noodzakelijkheid hem was opgelegd een schrikkelijk onheil over anderen -te brengen. Alles wat hij thans ondervond was zoo onduidelijk en -nevelachtig. Liefde en haat smolten in zijn binnenste samen. Doch met -vaste, door geen twijfel geschokte zekerheid, hoopte hij op het bezit -van Nefert. De goden stonden diep bij hem in schuld! Hoeveel opoffering -had hij zich niet voor hen getroost, en hoe luttel waren de weldaden, -die zij hem bewezen hadden! Hij kende maar éene vergoeding voor zijn -verwoest levensgeluk, en daarop meende hij zoo zeker te kunnen rekenen, -als op een kapitaal, dat hij tegen goede schuldbekentenissen had -uitgezet. In deze ure vergalden bittere ervaringen de zoete hoop, -waarmede hij zich had gevleid, en te vergeefs trachtte hij tot rust en -klaarheid te komen. Op zulke kruiswegen kon hij van geen amulet, van -geen vraag- en antwoordspel uitkomst verwachten. Het gold hier te -overleggen en plannen te smeden, en toch vermocht hij geen enkele goede -gedachte te vinden, geen aanslag te verzinnen. - -Heftig bracht hij de hand aan zijn brandend voorhoofd, en dit deed hem -ontwaken uit zijn somber gepeins. Op eens herinnerde hij zich waar hij -zich bevond, en zoowel het gesprek dat hij met de moeder zijner geliefde -gevoerd, als het woord dat zij tot hem gezegd had. Zeker, zij verstond -de kunst mannen te leiden. »Zoo moge zij dan voor mij denken," prevelde -hij in zichzelf; »de uitvoering is mijne zaak." - -Langzaam ging hij naar haar toe en zeide: »Het blijft daarbij: wij zijn -bondgenooten." - -»Tegen Ramses en voor Ani," antwoordde zij, hem hare tengere rechterhand -toestekende. - -»Binnen weinige dagen breek ik op naar Syrië; gij kunt onderwijl -overleggen welken last gij mij hebt op te dragen. Het geld voor uw zoon -zal heden nog na zonsondergang bij u nedergelegd worden. Kan ik Nefert -mijn groet brengen?" - -»Op dit oogenblik niet, want zij is in den tempel om te bidden." - -»Morgen dan?" - -»Gaarne, mijn lieve vriend! Het zal haar verblijden u te zien en u te -danken." - -»Vaarwel Katoeti!" - -»Noem mij moeder," zeide de weduwe, en zond den vertrekkende nog een -groet met haar sluier achterna. - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - - -Zoodra Paäker achter de struiken verdwenen was, sloeg Katoeti op eene -metalen schijf. Dadelijk verscheen er eene slavin, aan welke zij vroeg, -of Nefert al uit den tempel was teruggekeerd. - -»Haar draagstoel hield zooeven stil bij de achterpoort," luidde het -antwoord. - -»Ik wacht haar hier," beval de weduwe. - -De slavin verwijderde zich en eenige minuten later kwam Nefert de -galerij binnen. - -»Gij hebt mij geroepen," zeide zij, na hare moeder gegroet en zich op -haar rustbed nedergevlijd te hebben. »Ik ben moede. Neem den waaier, -Nemoe, en weer de vliegen van mij af!" - -De dwerg zette zich voor haar op een kussen neder en begon den waaier, -gevormd door struisvederen in een halvemaan gerangschikt, op en neder te -bewegen. Doch Katoeti belette hem voort te gaan, zeggende: »Laat dat nu, -wij hebben elkaar alleen te spreken." - -Nemoe haalde de schouders op en stond weder op. Nefert zag echter hare -moeder aan met een blik, waaraan deze geen weerstand kon bieden, en -zeide op zulk een weeken toon, als hing er haar geluk of ongeluk van af: -»Laat hem begaan. De vliegen hinderen mij zoo. Nemoe kan toch zwijgen." -Daarbij vatte zij het groote hoofd van den kleinen man tusschen hare -handen, alsof het de kop van een schoothondje was. Toen riep zij de -witte kat, die met een sierlijken sprong op haar schouder wipte, en daar -met gekromden rug bleef staan, om zich door hare zachte vingers te laten -streelen. - -De dwerg zag zijne meesteres vragend aan; maar deze richtte zich tot -hare dochter en zeide met nadruk: »Ik heb hoogernstige dingen met u te -bespreken." - -»Zoo?" vroeg de vrouw van Mena. »Maar ik kan mij toch niet door de -vliegen laten steken. Nu dan, wanneer gij het verlangt...." - -»Laat Nemoe dan blijven," zeide Katoeti, en er lag in haar stem iets van -den toon, waarop eene kindermeid een ongezeglijk kind zijn zin geeft. -»Hij weet bovendien waarover wij te spreken hebben." - -»Ziet gij wel!" hernam Nefert, terwijl zij den kop van haar wit katje -kuste en den dwerg den waaier weder in de hand gaf. - -De weduwe zag hare dochter met oprecht medelijden aan, kwam hare eene -schrede nader, en gevoelde zich voor de duizendste maal verrast door den -indruk van hare buitengewone bekoorlijkheid. »Arm kind," zuchtte zij, -»hoe gaarne zou ik u het schrikkelijke besparen, dat gij toch eens -hooren, eens ondervinden moet. Laat nu dat kinderachtige spel met die -kat; ik heb u dingen mede te deelen van vreeselijken ernst." - -»Spreek het maar uit," antwoordde Nefert; »heden vrees ik ook het ergste -niet. Mena's gesternte, heeft de Horoscoop mij gezegd, stond midden -onder het geluksteeken. In den Besa-tempel[162] raadpleegde ik het -orakel en vernam, dat het mijn man goed ging. Mijne ziel is geheel -verruimd door mijne gebeden. Spreek slechts; ik weet het reeds: de brief -van mijn broeder uit het leger behelsde niets goeds. Eergisteren avond -hebt gij geweend, en gisteren zaagt ge er zoo slecht uit. Zelfs de -granaten in uw haar stonden u niet." - - [162] Zie boven, bl. 28. - -»Uw broeder," sprak Katoeti al zuchtend, »veroorzaakt mij bitter -verdriet, en wij zouden door hem tot eerloosheid zijn vervallen...." - -»Wij? Tot eerloosheid?" vroeg Nefert en greep angstig naar haar katje. - -»Uw broeder verloor bij het spel ongehoorde sommen; om ze terug te -winnen, verpandde hij de mummie zijns vaders...." - -»Verschrikkelijk!" riep Nefert. »Dan zullen wij ons tot den koning -moeten wenden! Ik zelve zal hem schrijven, en om Mena's wil zal hij mij -hooren. Ramses is groot en edel, en hij zal eene geheele familie, die -hem zoo trouw aanhangt, niet tot schande laten vervallen, door de -lichtzinnigheid van een dollen jongen. -- Ja stellig, ik schrijf hem!" - -Dat alles zeide zij op een toon van het kinderlijkst vertrouwen. Alsof -deze aangelegenheid was afgedaan, beval zij Nemoe den waaier wat sneller -te bewegen. - -Verbazing en ontevredenheid over de onnatuurlijke kalmte van hare -dochter, voerden strijd in het hart van Katoeti. Doch zij hield eene -berisping op hare lippen terug, en zeide gelaten: »Wij zijn reeds -geholpen, want mijn neef Paäker, zoodra hij vernomen had welk gevaar ons -dreigde, bood zijne hulp aan, vrijwillig, zonder daartoe aangezocht te -zijn, uit de goedheid van zijn hart en uit trouwe gehechtheid." - -»Die goede Paäker!" riep Nefert. »Hij had mij zoo lief, en gij weet het, -moeder, hoe ik hem altijd verdedigd heb. Ongetwijfeld heeft hij thans om -mijnentwil zoo grootmoedig gehandeld." - -De jonge vrouw zeide dit lachend, en vatte haar katje weder bij den kop. -Zij hield het koele snoetje van het beest tegen haar neus, liet zich -door zijne groene oogen aanstaren en zeide, de spraak van een kind -nadoende: »Ziet gij wel, Miauwtje[163], hoe goed men is voor uwe kleine -meesteres?" - - [163] Bij de Egyptenaars heette de kat: Maoe. - -Katoeti voelde zich opnieuw beleedigd door dat kinderlijk spel harer -dochter en zeide: »Ik dacht dat gij niet zoudt spelen en gekheid maken, -wanneer ik zulke ernstige dingen met u bespreek. Ik heb reeds lang -opgemerkt, dat het lot van het huis, waartoe gij van vaders- en -moederszijde behoort, u onverschillig is geworden, en toch zult gij -onder mijn dak bescherming en liefde moeten zoeken, wanneer uw -echtgenoot u...." - -»Welnu, moeder?" vroeg Nefert, terwijl zij zich oprichtte en sneller -begon adem te halen. - -Zoodra Katoeti bespeurde dat haar kind in beweging werd gebracht, -gevoelde zij er berouw over, dat zij hare mededeeling niet voorzichtiger -had ingeleid. Want zij had hare dochter lief en wist dat zij haar hart -zou wonden. Daarom ging zij voort, op een toon van innige deelneming: -»Al schertsend hebt ge u zoo even beroemd, dat de menschen goed voor u -waren, en dat is waar. Gij verovert de harten geheel door uw persoon, -alleen door te zijn zoo als gij zijt. Mena heeft u zeker ook hartelijk -lief gehad, maar de scheiding, zegt het spreekwoord, is de vijandin van -de trouw, en Mena heeft...." - -»Wat heeft Mena?" viel Nefert andermaal hare moeder in de rede, en -daarbij trilden de vleugels van haar fijnen neus. - -»Mena heeft," ging Katoeti op vasten en verontwaardigden toon voort, »de -trouw en achting, die hij u verschuldigd was, geschonden en met voeten -getreden...." - -»Mena?" vroeg de jonge vrouw met vlammende oogen. Zij wierp de kat vrij -onzacht op den grond, en sprong van haar rustbed op. - -»Ja, hij!" zeide Katoeti, zonder te aarzelen. »Uw broeder schrijft, -dat hij als aandeel in den buit geen zilver of goud, maar de schoone -dochter van den vorst der Danaërs in zijne tent heeft genomen; die -eerlooze schelm!" - -»Die eerlooze schelm!" riep Nefert, terwijl zij nog eens de laatste -woorden harer moeder herhaalde. - -Katoeti ging met schrik een paar schreden achteruit, want haar zacht, -lijdelijk, kinderachtig dochtertje stond daar vóor haar bijkans -onkenbaar veranderd. Zij zag er uit als een wonderschoone wraakgodin. -Hare oogen fonkelden, haar adem was gejaagd, hare leden beefden, en met -buitengewone kracht en behendigheid greep zij den dwerg Nemoe bij de -hand, sleepte hem naar eene der deuren die toegang verleenden tot de -binnenvertrekken, rukte haar open, duwde den dwerg over den drempel, -wierp de deur achter hem in 't slot, en trad daarop met doodsbleeke -lippen hare moeder tegemoet. - -»Een eerloozen schelm hebt gij hem genoemd?" riep zij, buiten zichzelve -van toorn, met eene gedempte heesche stem. »Een eerlooze schelm! Neem -dat woord terug, moeder! Neem het terug, of...." - -Katoeti werd al bleeker en bleeker, en zeide, om het wat goed te maken: -»Dat woord mag hard klinken, maar hij heeft toch zijne trouwbelofte -jegens u verbroken en u openlijk beschimpt." - -»En dat zal ik gelooven?" hernam Nefert met een honenden lach. »Dat zal -ik gelooven, omdat de schandelijke jongen dat geschreven heeft, die -zijns vaders mummie en de eer zijner familie verdobbelde; gelooven, -nu de ware echte schelm het vertelt, dien een oorveeg van mijn man -zou dooden? Zie mij aan, moeder! Dat zijn mijne oogen! En al ware dat -postament daar Mena's tent, en al waart gij Mena, en al leiddet gij de -schoonste aller vrouwen aan de hand en sleeptet haar in uw verblijf, en -al zagen deze mijne oogen het een en andermaal, dan zou ik toch lachen, -gelijk ik nu lach, en zeggen: 'Wie weet wat hij die schoone daar binnen -te geven of te berichten heeft,' en ik zou geen oogenblik twijfelen aan -zijne trouw. Want uw zoon is valsch en Mena is oprecht. Osiris is Isis -ontrouw geworden[164], maar Mena mag de gunsteling zijn van duizend -vrouwen, in zijne tent zal hij geen andere nemen dan mij." - - [164] Plutarchus, Isis en Osiris, c. 14. - -»Blijf dan bij deze uwe overtuiging, zoo gij wilt," antwoordde Katoeti -bitter, »maar laat mij de mijne." - -»De uwe?" vroeg Nefert, en haar wangen, zooeven rood van -verontwaardiging, werden weder bleek. »Wat gelooft gij dan? Van den man, -die u met weldaden heeft overladen, hoort gij allerliefst het slechtste -en gemeenste! Hij zou een schurk zijn? Foei, moeder! Hoe kunt gij hem -een eerloozen schelm noemen, die u met zijn goed naar welgevallen laat -handelen!" - -»Nefert!" riep Katoeti gejaagd. »Ik zal...." - -»Doe wat gij wilt," viel de beleedigde vrouw hare moeder in de rede, -»maar werp geen smet op den grootmoedigen man, die u niet belette zijn -erfdeel ter wille van uw zoon en uwe eerzucht met schulden te bezwaren. -Sedert eergisteren weet ik, dat wij niet rijk zijn. Ik heb er over -nagedacht en mij afgevraagd, waar dan onze koeien en runderen, onze -schapen en de inkomsten van onze pachters gebleven zijn. Het erfdeel van -dien schelm was u niet te slecht! Maar dit zeg ik u: ik zou niet waard -zijn de gade van den edelen Mena te heeten, wanneer ik duldde, dat men -zijn naam onder zijn eigen dak belastert. Blijf bij uwe overtuiging, -blijf er bij; doch weet dat dan een van ons beiden dit huis moet -verlaten, gij of ik...." - -Bij deze laatste woorden barstte Nefert in hevig snikken uit. Zij wierp -zich voor haar rustbed op de knieën, verborg haar aangezicht in de -kussens en snikte zonder te kunnen ophouden. - -Katoeti stond achter haar als verpletterd en radeloos. Eene huivering -voer door al hare leden. Was dat haar zacht en droomerig kind? Had ooit -eene dochter gewaagd zóo tegen hare moeder te spreken? Was zij of was -Nefert in haar recht: Deze vraag drong haar als met onweerstaanbare -kracht naar het rustbed. Zij knielde naast de jonge vrouw neder, -sloeg den arm om haar hals, drukte haar hoofd tegen dat van Nefert en -fluisterde smeekend: »Kind, wat zijt gij hard en wreed! Vergeef uwe -arme beklagenswaardige moeder, en doe de maat harer ellende niet -overvloeien." - -Nefert stond op, kuste hare hand en ging zwijgend naar haar vertrek. -Katoeti bleef alleen staan. Het was haar alsof de ijskoude vingers -van eene doode hand haar hart omklemden, en zij fluisterde zacht in -zichzelve: »Ani heeft gelijk! Alleen dat keert zich ten goede, waarvan -men zich het ergste heeft voorgesteld!" - -Zij bracht de hand aan het voorhoofd, als kon zij niet gelooven, wat -zij zich onmogelijk had kunnen voorstellen. Eene stem in haar binnenste -zeide, dat zij hare dochter volgen moest. Doch in plaats van dit te doen -verzamelde zij al haar moed, om nog eens alles, wat Nefert haar voor de -voeten had geworpen, in haar geheugen terug te roepen. Geen enkel woord -liet zij zich ontgaan, en toen zij ten einde was, prevelde zij: »Zij kan -alles verijdelen. Ter wille van Mena offert zij mij en de geheele wereld -op. Mena en Ramses zijn éen, en als zij bemerkt wat wij in het schild -voeren, dan verraadt zij ons ongetwijfeld. Tot hiertoe geschiedde alles -onder haar oog, zonder dat zij er iets van gewaar werd, maar heden is -haar een licht opgegaan; een oog, een mond, een oor zijn geopend, die -tot dusverre gesloten waren. Het is haar gegaan als den stomme, wien een -hevige schrik plotseling het spraakvermogen teruggeeft. -- Mijn geliefd -kind zal mijne bewaakster worden en mijn rechter." - -Deze laatste woorden sprak zij niet uit, maar het oor in haar binnenste -vernam ze. Omdat zij de stem, die haar dit toefluisterde, vreesde en -de eenzaamheid haar beangstigde, riep zij den dwerg, en beval hem den -draagstoel gereed te laten maken, daar zij den tempel wilde bezoeken en -de gewonden, die uit Syrië herwaarts waren gezonden. - -»En het doek van den stadhouder?" vroeg Nemoe. - -»Was een voorwendsel" antwoordde Katoeti. »Hij verlangt u te spreken -over hetgeen gij zegt omtrent Paäker te weten gekomen te zijn. Wat is -dat?" - -»Vraag het mij niet," bad de kleine man; »ik mag het waarlijk niet -verraden. Bij Besa, die ons dwergen beschermt[165], het is beter als gij -het nog niet te weten komt." - - [165] Misschien om zijne pygmeën-gestalte. - -»Ik heb heden al nieuws genoeg vernomen," hernam Katoeti. »Ga nu tot -Ani, en wanneer het u gelukt hem Paäker geheel over te leveren, zoo.... -zoo --, maar ach wat heb ik nog weg te geven, -- zoo zal ik u dankbaar -zijn. En wanneer wij ons doel bereikt hebben, dan laat ik u vrij en maak -u rijk." - -Nemoe kuste haar gewaad en vroeg fluisterend: »En wat zal het doel -zijn?" - -»Gij weet wat Ani najaagt," antwoordde de weduwe. »Wat mij betreft, ik -heb maar éen wensch." - -»En die is?" - -»Paäker in Mena's plaats te zien." - -»Aldus ontmoeten onze wenschen elkander," sprak de dwerg, en verliet de -galerij. - -Katoeti zag hem na en prevelde: »Het moet zoo zijn! Want als alles bij -het oude blijft, en Mena terugkeert en rekenschap vraagt, dan.... -dan. -- Neen de gedachte is niet uit te staan; het mag niet gebeuren!" - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - - -Toen Nemoe, op den terugweg van den stadhouder, bij het huis zijner -meesteres was gekomen, werd hij door een knaap aangehouden, die hem -dringend verzocht mede te gaan naar het vreemden-kwartier. De dwerg -aarzelde een oogenblik, maar de bode toonde hem den ring zijner moeder -Hekt, die voor eenige zaken in de stad was gekomen en hem begeerde te -spreken. - -De kleine man was vermoeid, want gewoonlijk reed hij. Zijn ezeltje was -echter dood en Katoeti kon hem geen nieuw geven. De helft van Mena's vee -was reeds verkocht, en het overige was bijkans onvoldoende voor den -landbouw. Aan de hoeken van de drukste straten en op de markten stonden -knapen met grauwtjes, die zij voor een geringen prijs verhuurden[166]; -doch Nemoe had zijn laatsten ring aan een kleed en eene nieuwe pruik -uitgegeven, ten einde fatsoenlijk gekleed voor den stadhouder te kunnen -verschijnen. In vroeger dagen was zijne tasch nooit leeg geweest, -want Mena had hem menig stuk zilver of goud toegeworpen. Maar zijne -rustelooze en eerzuchtige ziel betreurde het verlies van zulk een -gemakkelijk leven niet. Met wrok dacht hij aan de jaren van overvloed -terug, en terwijl hij zich thans al kuchend door het stof voortsleepte, -gevoelde hij zich groot en tevreden. - - [166] In de tegenwoordige Egyptische steden vindt men, in plaats - van onze huurrijtuigen, gezadelde ezels. Op de gedenkteekenen - zijn alleen vreemdelingen als op ezels rijdende, afgebeeld. - Doch bijna alle aanzienlijken tellen in hunne graven, reeds in - vroeger tijd, hun bezit aan ezels op, dat vaak zeer groot is. Er - is ook eene voorstelling uit het oude rijk bewaard gebleven, - die ons een voornaam Egyptenaar vertoond, zittende op een - draagstoel, op de ruggen van twee ezels bevestigd. Lepsius, - =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien=. Abth. II, 126. - -De stadhouder had hem te woord gestaan, en het was den slimmen dwerg -weldra gelukt diens oor te boeien. Bij zijne schildering van Paäker's -waanzinnigen hartstocht hadden Ani van lachen de tranen langs de wangen -gebiggeld. In zijne overige berichten en vorderingen had het manneke -zich zeer ernstig en hulpvaardig getoond. Nemoe had het gevoel van eene -op het land opgegroeide eend, die men voor het eerst in het water zet; -of van een vogel die in eene kooi is grootgebracht, en nu voor de eerste -maal vrijheid heeft de vleugels uit te spreiden om te vliegen. Zonder -klagen zou hij zich dood gezwommen of gevlogen hebben, wanneer de -toestand waarin hij zich bevond aan zijn ijver en zijn vurige begeerte -om te handelen, geen perken had gesteld. - -Badende in zijn zweet en vol stof kwam hij aan de veelkleurige tent in -het vreemden-kwartier, waar de tooveres Hekt haar verblijf pleegde te -houden, als zij naar Thebe kwam. Terwijl hij ingewikkelde aanslagen -verzon, allerlei mogelijkheden overwoog, en slimme plannen smeedde, -telkens het al te gewaagde verwerpende, om het door iets meer -uitvoerbaars en minder gevaarlijks te vervangen, had de kleine staatsman -geen oog voor het druk gewoel dat hem omgaf[167]. Bij den tempel, -waarin de lieden uit Kaft[168] hunne Astarte[169] vereerden, en het -heiligdom van Seth, waarbij zij aan hun Baäls[170] offerden, was hij -voorbijgegaan, zonder zich te laten storen door het geroep der dansende -aanbidders, of door het luitspel en het geklank der cymbalen, dat van -achter hunne ringmuren tot zijn oor doordrong. Ook de tenten en de licht -en dicht gebouwde houten huisjes der danseressen en lichtekooien trokken -hem niet aan. De bewoneressen, die des avonds, met bonte kleederen -getooid en allerlei versiersels behangen, de jongelingen van Thebe tot -zingenot en zoo menigen dwazen streek wisten te verleiden, sliepen -bovendien zoolang de zon aan den hemel gloeide. Alleen in de speelhuizen -ging het ook over dag levendig toe, en de politie-agenten hadden moeite -den hartstocht der soldaten, die hun geheele aandeel in den buit -verloren, of de woede der matrozen, die zich bedrogen waanden, in toom -te houden en bloedige tooneelen te voorkomen. Vóor de kroegen lagen -eenige beschonkenen, terwijl anderen druk bezig waren, om onophoudelijk -de bekers te vullen en te ledigen, zich geheel overleverende aan den -geest van wijn of bier. Van de velerlei muzikanten, goochelaars, -vuurvreters, jongleurs, slangenbezweerders en paljassen, die des avonds -hier hunne kunsten vertoonden, was thans niets te bespeuren. Toch geleek -dit vreemdenkwartier wel eene jaarmarkt, die altijd voortduurde. - - [167] Herodotus (II, 112) maakt gewag van een kwartier der - Tyriërs te Memphis, dat ten zuiden van den tempel van Ptah - gelegen was, en waarin de "Aphrodite der vreemdelingen" vereerd - werd. Brugsch heeft dit bericht op het kwartier "auch ta", d. i. - de wereld des levens, van de Menes-stad toegepast. - - [168] Phoenicië. - - [169] De Phoenicische godin komt op Egyptische gedenkteekenen - meermalen in de plaats van Sechet voor (Vgl. blz. 61, v.). In - Edfoe wordt zij afgebeeld met een leeuwenkop, en staat zij op - een met paarden bespannen wagen. In den papyrus uit den tijd van - ons verhaal komt haar naam, dien Ramses II ook aan een zijner - lievelingspaarden en aan een hond gaf, niet zelden voor. - - [170] Volgens den papyrus-Sallier I, koos de Hyksoskoning Apepi - (Apophis) "Seth tot heer, en hij diende geen anderen god, die - in Egypte was." Later werd aan de Baäls der Semieten door de - Egyptenaars zelve de naam van Seth gegeven, gelijk blijkt uit - het te Karnak wedergevonden vredesverdrag van Ramses II met de - Cheta, waarin van de eene zijde de verschillende Seth's der - Cheta, Astarte, enz. en van de andere zijde de Egyptische - godheden aangeroepen worden. Naast den vorm Seth komt ook die - van Soetech voor. Over Seth-Typhon raadplege men, behalve het - oude geschrift van Diestel, Pleyte, =Etudes égyptologiques=; - Chabas, =Voyage d'un Egyptien=; Ebers, =Aegypten und die - Bücher Mose=; Brugsch, =Geogr. Inschriften=; E. Meyer in zijne - dissertatie over Seth. De godsvereering der Phoeniciërs wordt - het grondigst behandeld in het beroemde werk van Movers. -- - Vgl. Tiele, Vergelijkende gesch. der Egypt. en Mesopotamische - godsdiensten, St. 3. - -Deze genietingen echter, waarvan Nemoe duizendmaal ooggetuige was -geweest, hadden hem nooit aangelokt. Hij gaf niets om de liefde van -zulke deernen en de winst bij het spel. Al wat gemakkelijk en zonder -inspanning te bereiken was door maar plomp toe te grijpen, miste voor -hem alle bekoorlijkheid. Niet dat hij bang was voor den ruwen spot dier -deernen en die haar bezochten, integendeel, nu en dan ging hij uit eigen -beweging er heen omdat hij behagen schepte in woordentwist, en zich -overtuigd hield dat er niemand in Thebe leefde, die tegenover hem het -laatst aan het woord kon blijven. Vele vreemdelingen waren dit geheel -met hem eens, en nog kort geleden had Paäker's hofmeester van Nemoe -gezegd: »Onze tongen zijn stokken, maar die van den kleine is een dolk." - -Het doel waarop de dwerg regelrecht afging was eene groote bontkleurige -tent, die echter door niets zich onderscheidde van vele gelijksoortige -in de nabijheid. De opening, die tot het binnengedeelte toegang -verleende, was breed en thans gesloten door een stuk linnen, dat de -plaats van eene deur verving. Nemoe schoof tusschen den wand van de -tent en de beweeglijke sluiting behendig door, en kwam in een bijna -cirkelvormige veelzijdige ruimte, welker kegelvormig dak op een langen -stok als op een zuil rustte. Op den stoffigen grond van dit vertrek -lagen afgedankte stukken tapijt, waarop eenige jonge vrouwen in -kleederen van allerlei kleur neergehurkt zaten, terwijl eene oude vrouw -ijverig met het toilet dier dames bezig was. Zij verfde de nagels van -vingers en teenen met oranjekleurige hennah, maakte hare wenkbrauwen en -oogleden zwart met mestem[171], ten einde haar blik des te helderder zou -uitkomen, blankette de wangen met rood en wit poeder en zalfde de haren -met welriekende olie. Het was snikheet in deze tent en geen van de -meisjes sprak een woord. Zij lieten zich door de oude stil onder handen -nemen zonder zich te verroeren. Van tijd tot tijd greep deze of gene -eene der op den grond staande poreuse aarden waterkruiken om te -drinken, of opende een doosje, om een nieuw kyphi-balletje[172] op de -lippen te leggen. Tegen de wanden lagen verschillende soorten van -muziekinstrumenten, als handtrommels, fluiten, lieren en een viertal -tamboerijnen op den grond. Op het kalfsvel van eene der laatsten, -tusschen den rand met rinkelbellen, sliep eene kat, welker aardige -jongen met het klokje van eene andere tamboerijn speelden. Door eene -kleine achterdeur van de tent ging eene oude negerin af en aan, omgeven -door een zwerm vliegen en muggen, om de schotels met overblijfselen van -spijzen, granaatappel-schillen, broodkruimels en knooflookstengels op -te ruimen, die van den reeds voor eenige uren afgeloopen maaltijd der -meisjes op een der tapijten waren blijven staan of liggen. - - [171] Stibium of spiesglas. Zie boven, blz. 60. - - [172] Zie boven, blz. 76. - -De oude Hekt zat ver van deze deernen op eene bontbeschilderde kist. Zij -haalde een pakje uit hare tasch en riep de dienstmaagd toe: »Daar, neem -dit reukwerk en verbrand ervan zes korrels, dan zal het ongedierte" -- -zij wees op de vliegen, die om het bord in hare hand gonsden -- »wel -verdwijnen. Als gij het verlangt, verjaag ik ook muizen en lok de -slangen uit hunne gaten, veel beter dan eenig priesterlijk arts."[173] - - [173] In den papyrus-Ebers vindt men voorschriften tot het - verdrijven van al dit schadelijk gedierte. - -»Houd uwe toovermiddelen voor u zelve," zeide een der meisjes met -heesche stem. »Sedert gij de tooverwoorden over mij gesproken en -mij dien drank ingegeven hebt, om mij weder slank te doen worden en -lenig, kan ik 's nachts niet slapen van het hoesten, en word ik door -vermoeidheid overvallen, zoo vaak ik dans." - -»Maar ge zijt toch slank geworden," antwoordde Hekt, »en eerlang zult -gij ook niet meer hoesten." - -»Omdat zij dood zal zijn," fluisterde de negerin de tooveres toe. »Ik -weet dat, zoo eindigen de meesten." - -Nemoe's moeder haalde de schouders op. Zoodra zij den dwerg de tent zag -binnensluipen, verhief zij zich van haren zetel. Ook de deernen merkten -den kleine op, en maakten dat onbeschrijfelijk geluid, niet ongelijk -aan het kakelen van hoenders, dat de oostersche vrouwen bij elke -gemoedsaandoening plegen uit te stooten[174]. - - [174] Het zoogenaamde zagarit. - -De dwerg was voor de meisjes geen onbekende, want in hare tent hield -zijne moeder zich op, zoo vaak zij in Thebe kwam. Een van de vroolijkste -riep daarom: »Ge zijt grooter geworden sedert uw laatste bezoek, -kleintje!" - -»Gij ook," haastte Nemoe zich te antwoorden, »maar alleen wat je mond -aangaat." - -»En je zijt zoo ondeugend als je klein zijt," zeide het meisje op haar -beurt. - -»Dan beteekent mijne boosheid niet veel," hernam de dwerg lachend, »want -ik ben bijzonder klein en laag bij den grond. Heil u, meisjes! Besa -helpe u bij uw toilet! Wees gegroet, moeder. Gij hebt mij laten roepen?" - -De oude knikte; de dwerg ging naast haar op de kist zitten en zij -begonnen zamen te fluisteren. - -»Wat ziet ge er stoffig en vermoeid uit," zeide Hekt. »Ik begin waarlijk -te gelooven, dat ge in de brandende zonnehitte te voet zijt uitgegaan." - -»Mijn ezel is dood," antwoordde Nemoe, »en ik heb geen geld om zulk een -rijdier te huren." - -»Een fraai begin voor uwe toekomstige heerlijkheid," grinnikte de oude. -»Wat hebt gij nu gedaan?" - -»Paäker heeft ons gered," antwoordde de dwerg, »en ik kom juist terug -van een lang gesprek met den stadhouder." - -»Welnu?" - -»Hij zal uw vrijbrief vernieuwen, wanneer gij den gids in zijne handen -levert." - -»Goed, heel goed! Ik zou wel wenschen dat hij besloot mij op te zoeken, -natuurlijk verkleed; ik kon dan...." - -»Hij is bang, en wanneer ik hem zoo iets onuitvoerbaars wilde aanraden, -zou hij het niet slim overleggen." - -»Hm," bromde de oude, »ge kunt misschien gelijk hebben; want wie -dikwijls wat te vragen heeft, mag niet meer vorderen dan men geven kan. -Een onbeschaamd verlangen beneemt een goedgunstig gever dikwijls den -lust om een verzoek in te willigen. Nu, we zullen zien, we zullen zien. -Wat is er verder gebeurd?" - -»Het leger van den stadhouder heeft de Ethiopiërs geslagen en brengt -rijke schatten naar Thebe." - -»Daar kan men de lieden mede koopen," prevelde de oude. »Goed, goed!" - -»Paäkers zwaard is geslepen. Ik geef voor het leven van mijn meester -niet meer dan ik in mijn zak heb, en ge weet waarom ik te voet door het -stof hierheen gekomen ben." - -»Nu kunt gij ten minste terugrijden," antwoordde Hekt, terwijl ze den -kleine een zilveren ringetje gaf. »Heeft de gids uwe meesteres Nefert -wedergezien?" - -»Er zijn zonderlinge dingen gebeurd," zeide de dwerg, die hierop -aan zijne moeder vertelde, wat er tusschen Katoeti en Nefert was -voorgevallen. Nemoe was een goede luistervink, want van het gehoorde had -hij geen woord vergeten. - -De oude luisterde met gespannen opmerkzaamheid. »Zie, zie!" prevelde -zij, toen Nemoe zweeg. »Dat is dan toch ook eens iets ongewoons. Wat er -soms in een mensch omgaat ziet er even walgelijk uit, hetzij hij in een -paleis of in eene hut woont. De moeders zijn allen als de apen, zij -laten zich met welgevallen ten doode kwellen door hare kinderen, die er -haar waarlijk niet dankbaar voor zijn, en de vrouwen zijn gewoon hare -oogen wijd te openen, wanneer men haar van het slechte leven harer -echtgenooten vertelt. Doch met uwe meesteressen is het iets anders!" - -Hekt zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en vervolgde: »Wel -beschouwd laat zich ook dit zeer eenvoudig verklaren, en het is niet -vreemder dan het gapen der vermoeide deernen daarginds. Gij hebt mij -eens verteld, dat het zoo'n trotsch gezicht was, moeder en dochter -naast elkander op den wagen te zien staan, wanneer zij naar feesten en -panegyriën[175] rijden. Katoeti, zeidet ge, droeg dan ook zorg, dat er -overeenstemming was tusschen de kleuren van haar gewaad en de bloemen -in haar kapsel. Voor welke van beide wordt bij zulke gelegenheden de -kleeding het eerst gekozen?" - - [175] Feestverzamelingen met daaraan verbonden jaarmarkten. - -»Altijd voor meesteres Katoeti, die niet afgaat van zekere bepaalde -kleuren," antwoordde Nemoe haastig. - -»Ziet gij," zeide de heks met een lachje, »dat moet zoo zijn. Deze -moeder denkt altijd het eerst aan zichzelve, en aan dingen die zij zich -ter bereiking heeft voorgesteld. Doch die hangen hoog, en dan treedt zij -op alles wat zij bij de hand heeft, zelfs op haar kind, om ze te kunnen -grijpen. Zij stuurt Paäker op den hals van Mena, zoo waarachtig als mijn -oor suist. Want die vrouw zou in staat zijn voor de oogen harer dochter -mora-spel te spelen[176], en haar aan dien lammen hazewind daar uit te -huwen, wanneer ze langs dien weg hare eerzuchtige plannen bereiken kon." - - [176] Zie boven, blz. 45. - -»Maar Nefert?" vroeg de kleine. »O, gij hadt haar moeten zien. Het -duifje was eene leeuwin geworden." - -»Omdat zij Mena liefheeft, gelijk haar moeder zichzelve," antwoordde de -oude. »De dichters zouden zeggen: 'zij is vol van hem.' Dat is op haar -volkomen van toepassing. Er blijft geen plaats over voor iets anders. -Zij wil maar éen ding bezitten, en wee hem die het durft aan te tasten!" - -»Ik heb ook wel verliefde vrouwen gezien," zeide Nemoe, »maar...." - -»Maar," herhaalde de oude, en lachte daarbij zoo hard, dat de deernen -zich omkeerden. »Maar die zetten een heel ander gezicht dan uwe -meesteres Nefert, niet waar? Dat wil ik wel gelooven, en onder duizenden -is er niet éene zoo door deze ziekte aangegrepen, die vlijmender smarten -veroorzaakt dan Koeschitisch pijlenvergif in eene opene wond, die -sneller om zich grijpt dan de vlam, en moeielijker te genezen is dan de -tering, waaraan dat hoestende meisje ginds sterven zal. Hij wien deze -kweldemon beheerscht is ellendiger dan een verdoemde, of ook...." en bij -deze woorden daalde haar stem -- »gelukzaliger dan de goden, zooveel er -maar zijn. Ik weet dat alles -- alles, want ook ik was eene bezetene -onder de duizend. En nu, heden...." - -»Nu?" vroeg de dwerg. - -»Gekheid!" mompelde de heks, en zij rekte zich uit, alsof zij uit den -slaap ontwaakte. »Onzin! Hij, op wien ik doel, is sedert lang gestorven. -En al ware het niet zoo, het is mij onverschillig. Alle mannen gelijken -op elkander, en Mena zal wel niet verschillen van de overigen." - -»De gids Paäker wordt toch zeker door den demon beheerscht, dien gij -daar geschilderd hebt?" vroeg de kleine. - -»'t Kan zijn," antwoordde de oude; »maar hij zal eigenzinnig blijven, op -gevaar af van krankzinnig te worden. Op dit oogenblik zou hij zijn leven -wagen, om te bereiken wat hem ontzegd is. Als uwe meesteres Nefert zijne -vrouw was, mogelijk zou hij dan wat tot bedaren komen. -- Maar waartoe -al die praatjes! Ik moet nog daarginds in de gouden tent zijn, waar -thans alles bijeen is wat geld in den buidel heeft, om met de waardin -te spreken...." - -»Wat wilt gij van haar?" vroeg Nemoe. - -»De kleine Warda aan de overzijde," luidde het antwoord, »zal weldra -geheel hersteld zijn. Gij hebt haar ook weer gezien. Is zij niet schoon -geworden, buitengewoon schoon? Nu wil ik zien wat de waardin mij biedt, -wanneer ik haar dat kind lever. Zij is met de voeten zoo vlug als eene -gazel, en wanneer zij goed wordt geoefend, kan zij den dans in weinige -weken leeren." - -Nemoe verbleekte, en zeide zonder aarzelen: »Dat zult gij niet doen!" - -»Waarom niet," vroeg de oude; »wanneer er goed wat mede te verdienen -is?" - -»Wijl ik het u verbied," fluisterde de dwerg met heesche stem. - -»Kijk nu eens aan!" sprak de tooveres lachend. »Gij moest mijne Nefert -zijn, dan zou ik voor hare moeder Katoeti spelen! Maar in ernst -gesproken; hebt gij de kleine weergezien en begeert gij haar voor -uzelven?" - -»Ja," antwoordde Nemoe. »Als wij ons doel bereiken, laat Katoeti -mij vrij en maakt ze mij rijk. Dan koop ik van buurman Pinem zijne -kleindochter en neem haar tot vrouw. Ik bouw een huisje voor ons in de -nabijheid van het gerechtshof, en sta den aanklagers en aangeklaagden -met mijn raad ter zijde, gelijk de gebochelde Sent, die thans op zijn -eigen wagen door de straten rijdt." - -»Hm," zeide de oude. »Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, maar misschien is -het te laat. Het meisje sprak in hare ijlende koorts van den priester -uit het Seti-huis, die haar op bevel van Ameni bezocht. Dat is een -deftig jongman, die zeker veel belang in haar stelt. Hij is de zoon van -een hovenier, zij noemen hem Pentaoer." - -»Pentaoer?" vroeg de kleine, »Pentaoer? Deze heeft geheel de trotsche -houding en het aangezicht van den gestorven Mohar en wil de hoogte in. -Maar zij zullen hem spoedig den hoogmoedigen nek breken." - -»Des te beter," hernam de oude. »Warda zou eene beste vrouw voor je -zijn. Zij is goed en bescheiden; en men kan niet weten...." - -»Wat?" vroeg de dwerg. - -»Wie hare moeder is geweest. Want zij is geene van de onze. Zij is uit -den vreemde hierheen gekomen, en men heeft een edelgesteente bij haar -gevonden met zonderling schrift. Zoodra zij de uwe is, moeten wij het -aan de krijgsgevangenen laten zien, want misschien weet een hunner de -vreemdsoortige letterteekens te verklaren. Zij is van goeden huize, dat -weet ik zeker, want Warda is het sprekend evenbeeld harer moeder, en -reeds toen zij ter wereld kwam, zag zij er uit als een kind van een -aanzienlijke. -- Lacht gij daarom, gek? Duizend zuigelingen zijn door -mijne handen gegaan, en al brengt men ze in lompen gewikkeld tot mij, -zoo weet ik toch te onderscheiden, of hunne ouders tot de grooten of -tot de kleinen in den lande behooren. De bouw van den voet en andere -kenteekenen verraden het dadelijk. -- Warda mag nu blijven waar zij is, -ik zal u helpen. Zoodra er zich iets nieuws opdoet, laat het mij weten." - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - - -Toen Nemoe, ditmaal op den rug van een ezel, terugkeerde, vond hij noch -zijne meesteres, noch Nefert te huis. De eerste had zich naar den tempel -en vervolgens naar de stad begeven, terwijl Nefert, den onweerstaanbaren -drang van haar hart volgende, tot hare vorstelijke vriendin Bent-Anat -was gegaan. - -Het koninklijk paleis geleek meer op eene kleine stad dan op een -huis[177]. De vleugel waarin de stadhouder zijne residentie hield, en -dien wij reeds betreden hebben, lag naar de landzijde; de gebouwen -daarentegen, die de koning met zijne familie bewoonde, waren naar de -zijden van den stroom gekeerd. Voor den schipper, die de woonplaats der -pharao's voorbij voer, zag zij er schitterend en tegelijk vriendelijk -uit, want het gebouw verhief zich niet als éen ontzaglijk lichaam midden -uit groote tuinen, maar het bestond uit velerlei geledingen van allerlei -vormen. Aan het grootste gebouw, waarin zich de pronk- en feestzalen -bevonden, sloten zich onder dezelfde afmetingen aan beide zijden drie -rijen paviljoenen aan van verschillende grootte. Zij waren onderling -verbonden door zuilengangen of bruggen, waaronder de waterleidingen -liepen, die de tuinen besproeiden, en het paleis het aanzien gaven van -eene stad op een eiland. Alle deelen van het slot waren uit lichte -Nijltegels en sierlijk gebeeldhouwd houtwerk opgetrokken. Van dezelfde -steensoort was ook de ringmuur gebouwd, welks toegangen waren afgesloten -door hooge poortgebouwen, waarvoor zwaar gewapende soldaten op wacht -stonden. De muren en pijlers, de balkons en zuilengalerijen, ja zelfs -de daken waren met veelkleurig schilderwerk bedekt. Bij alle poorten -stonden lange masten, waaraan roode en blauwe vanen wapperden, als de -koning hier verblijf hield. Thans stonden zij met hunne ijzeren punten, -die voor bliksemafleiders moesten dienen[178], kaal in de lucht. Ter -rechterzijde van het hoofdgebouw lagen de verblijven der koninklijke -vrouwen, geheel door dicht plantsoen omringd. Sommige woningen -spiegelden zich in het water, dat haar op korter of verder afstand -omgaf. Bij dit gedeelte van het paleis werden de koninklijke -voorraadschuren gevonden in onafzienbare rijen, terwijl achter het -middengebouw, waar de pharao woonde, de kazernen van de lijfwachten en -de schatkamers stonden. De linkervleugel eindelijk van het slot, was -voor de hofbeambten, de ontelbare bedienden, de paarden en de wagens van -den monarch ingeruimd. - - [177] De meening, die in vele boeken wordt weergevonden, dat - namelijk de tempels tegelijk de paleizen der vorsten zijn - geweest, is onjuist. Van goed onderhouden tempels, zooals die - van Dendera en Edfoe, kennen wij de bestemming van alle zalen, - die alle tot godsdienstige doeleinden gebruikt werden. De - gedenkteekenen leeren, dat ook de koningen in uitgebreide, door - tuinen omgeven en uit lichte materialen opgetrokken gebouwen - woonden. De paleizen geleken op de huizen der aanzienlijken, - maar waren grooter dan deze. Zie boven blz. 90. - - [178] Volgens een, voor het eerst door Dümichen medegedeeld - opschrift te Dendera. - -Niettegenstaande 's konings afwezigheid, heerschte er leven en -bedrijvigheid in het paleis van Ramses, want honderden tuinlieden -begoten de grasperken, de bloemranden, de heesters en de boomen. -Soldaten van de wacht marcheerden af en aan, paarden werden opgetuigd en -afgereden, en in den vleugel der vorstelijke vrouwen bewogen zich als in -eene bijenkorf dienstmaagden en slaven, hofbeambten en priesters her- en -derwaarts. - -Nefert was in dit gedeelte van het slot goed bekend. De koninklijke -garden en deurwachters lieten haar draagstoel, onder eerbiedige -buigingen met het bovenlichaam, onaangeroepen voorbijgaan. In den -tuin werd zij ontvangen door een kamerheer, die haar naar den -ceremoniemeester bracht. Deze geleidde haar, na haar even te hebben -aangemeld, in het vertrek van Ramses' lievelingsdochter. - -Bent-Anat's woning lag op de eerste verdieping van het paviljoen, dat -het naastgelegen was bij het huis van den pharao. Hare overledene -moeder had dit vriendelijk vertrek bewoond, doch nadat de prinses eene -volwassene jonkvrouw was geworden, wenschte de koning niets liever dan -haar in zijne nabijheid te hebben. Hij schonk haar dus het schoone -verblijf der te vroeg ontslapene, en tevens, want zij was de oudste -zijner dochters, menig voorrecht, dat anders alleen aan koninginnen werd -toegestaan. - -Het ruime vertrek, waarin Nefert Bent-Anat aantrof, was naar den stroom -gekeerd. Eene deuropening, die enkel door een dun voorhangsel was -gesloten, gaf toegang tot een lang balkon met eene kunstig uit verguld -koper vervaardigde balustrade, omslingerd door leirozen met bleekroode -bloemen. Even vóor de vrouw van Mena den drempel overschreed, liet de -prinses door eenige slavinnen het ruischend gordijn openschuiven. Want -de zon neigde naar het westen; het begon koeler te worden, en Bent-Anat -zat gaarne in dit uur op haar balkon, ten einde met eerbiedig gevoel het -scheiden van Ra te aanschouwen, die elken avond als grijze Toem[179] -achter de Nekropolis onder den westelijken horizon wegdook, om in de -onderwereld de gezaligden te verlichten. - - [179] Zie boven, blz. 4. - -Nefert's woonvertrek was oneindig sierlijker gemeubeld dan dat der -prinses. Hare moeder en Mena hadden haar met duizenden fraaie voorwerpen -omgeven. Hare tapijten waren van hemelsblauw met zilverdraad doorwerkt -brocaat van Damascus; hare stoelen en het rustbed waren overtrokken met -eene stof, door Ethiopische vrouwen uit vederen vervaardigd, zoodat zij -er uitzagen als de borst van een veelkleurigen vogel. Het beeld van de -godin Hathor op haar huisaltaar bestond uit nagemaakt smaragd, dat -men mafkat noemde, en de overige kleine godenbeeldjes, die naast hare -patrones stonden, uit lazuursteen, malachiet, agaat en met goud ingelegd -brons. Op haar toilettafel stond eene verzameling van zalfdoozen en -schalen van ebbenhout en elpenbeen, uitmuntende door het fijnste -snijwerk. Alles was daar even keurig geordend en paste geheel bij -Nefert's persoon. - -Ook de woning van Bent-Anat was overeenkomstig haar karakter. De -vertrekken waren hoog en luchtig, en het huisraad dat men er in aantrof -was kostbaar maar eenvoudig. Het benedendeel der wanden was met koele -tegeltjes van fijn wit en violet porselein belegd, van welke elk eene -ster voorstelde, en die te zamen smaakvolle figuren vormden. Verder naar -boven waren de muren met dezelfde schoone donkergroene stof van Saïs -behangen, waaruit ook de overtrekken der lange divans aan de wanden -bestonden. Midden in dit vertrek stonden rieten stoelen en tabouretten -rondom eene zeer groote tafel. De verschillende andere kamers, die zich -bij dit middenvertrek aansloten, zagen er allen even deftig, aanzienlijk -en harmonisch uit; zij lieten dadelijk bespeuren, dat de bewoonster -weinig liefhebberij had in onbeduidende sieraden, maar des te meer in -fraai ontwikkelde planten, waarvan men bij uitnemendheid schoone en -zeldzame exemplaren, trapsgewijze met zekere kunstvaardigheid geordend, -in de hoeken van meer dan eene kamer kon zien. In andere vertrekken -waren de hoeken aangevuld door hooge ebbenhouten voetstukken in den vorm -van obelisken, die kostbare reukschalen droegen, want alle Egyptenaars -hielden bijzonder van reukwerken; bovendien schreven de artsen voor -daarmede de woningen te berooken. Haar eenvoudig slaapvertrek zou een -koningszoon, die veel hield van bloemen te kweeken, als verblijf zeker -evenzeer hebben aangestaan als eene vorstelijke jonkvrouw. Bent-Anat -verlangde vóor alles lucht en licht. Alleen als de stand van de zon het -dringend vorderde, werden de voorhangsels van venster- en deuropeningen -gesloten, terwijl Nefert's woning van 's morgens vroeg tot 's avonds -laat in een schemerachtig halfdonker verkeeren moest. - -De prinses ging de vrouw van Mena, die aan den drempel der kamer diep -voor haar boog, met hartelijkheid te gemoet, nam haar met de rechterhand -bij de kin, drukte eene kus op haar fijn smal voorhoofd en zeide: »Komt -gij, mijne beste, nu eindelijk eens ongenoodigd tot mij in mijne -eenzaamheid? Dat is waarlijk voor het eerst, sedert de mannen weder ten -krijg trokken. Als de dochter van Ramses u laat roepen, en gij niet -weigeren moogt, ja dan verschijnt gij; maar vrijwillig...." - -Nefert sloeg hare groote, door tranen bevochtigde oogen smeekend op, en -haar blik was zoo onweerstaanbaar, dat Bent-Anat hare toespraak afbrak, -en terwijl zij Nefert's beide handen greep, uitriep: »Weet gij, wie -juist zulke oogen moet gehad hebben als gij? De godheid, naar ik meen, -uit wier op aarde nedergevallen tranen de bloemen zijn ontstaan." - -De vrouw van Mena sloeg de oogen weder neder, zag blozend naar den grond -en lispelde: »Ik wenschte wel, dat ik deze oogen voor altijd sluiten -kon, want ik voel mij recht ongelukkig." Onder deze woorden biggelden -twee groote tranen over hare wangen. - -»Wat is u toch overkomen, mijne liefste?" vroeg de prinses met -deelneming, terwijl zij haar als een ziek kind met de rechterhand nader -tot zich trok. - -Nefert zag angstig om naar den ceremoniemeester en de vrouwen van den -hofstoet, die het vertrek met haar betreden hadden. Bent-Anat begreep -dezen wenk, en verzocht allen, die op hare bevelen stonden te wachten, -haar te verlaten. Toen zij met hare vriendin alleen was, zeide zij: -»Spreek nu vrij! Wat maakt uw hart zoo bekommerd? Hoe komt deze -smartelijke trek op uw lief kinderlijk gelaat? Zeg het mij en ik wil u -troosten, en gij zult weder mijn vroolijk zorgeloos popje worden!" - -»Uw popje!" herhaalde Nefert, en er was onwil in hare oogen te lezen. -»Maar gij hebt recht mij zoo vernederend te noemen, want ik verdien geen -beteren naam. Zoolang ik toch leef heb ik mij laten welgevallen, niet -anders dan een speelgoed van de mijnen te zijn." - -»Maar Nefert, ik herken u niet meer!" riep Bent-Anat. »Is dat mijne -zachte vriendelijke droomster?" - -»Dat is het woord wat ik zocht," zeide Nefert zacht. »Ik heb geslapen -en gedroomd, en altijd maar voortgedroomd, tot Mena mij wekte, en toen -hij mij verliet ben ik weder ingeslapen. Nu lag ik reeds twee jaren te -droomen, doch ik ben uit den slaap wakker geschrikt, zoo hard en ruw, -dat ik nergens meer rust kan vinden." - -Onder het uitspreken dezer woorden welden onophoudelijk groote tranen in -hare oogen. Bent-Anat werd zoo diep bewogen door alles wat zij zag en -hoorde, als ware de vrouw van Mena haar eigen lijdend kind. Met zachte -hand trok zij de jonge vrouw op den divan neer, zette zich naast haar en -hield niet op, voordat Nefert haar vergunde een blik in haar gemoed te -slaan en de diepte harer ellende te peilen. - -Het was Katoeti's dochter in de laatste uren gegaan als een blinde, -die op eens het vermogen om te zien terug ontvangt. Hij aanschouwt het -glanzend licht der zon en rondom hem de velerlei gestalten van het -geschapene, maar de stralen der dagvorstin verblinden zijn oog, en de -nieuwe vormen, die hij als bij voorgevoel met zijne ziel had gezocht en -zich nu in al hunne ruwe werkelijkheid aan hem opdringen, beangstigen en -pijnigen hem. Heden voor het eerst had zij zich afgevraagd, waarom toch -het bestuur van het huis, waarvan zij de meesteres heette[180], aan hare -moeder en niet aan haar was opgedragen. Het antwoord luidde: »Omdat Mena -u niet in staat acht te denken en te handelen." Menigmaal had hij haar -zijn roosje genoemd, en nu gevoelde zij, dat zij niet meer en niet beter -was dan eene bloem, die bloeit en verwelkt, en alleen door hare bonte -blaadjes de oogen verkwikt. - - [180] Meesteres des huizes is de gewone titel der vrouwen van - aanzienlijke Egyptenaars. - -»Mijne moeder," zeide zij tot Bent-Anat, »heeft mij ongetwijfeld lief, -maar zij heeft het goed van mijn echtgenoot slecht bestuurd, zeer slecht -zelfs, en ik ellendige sliep en droomde van Mena, en zag noch hoorde wat -er met zijn, met ons erfdeel geschiedde. Thans wordt mijne moeder bang -voor mijn gemaal, en wien men vreest, zoo zeide mijn oom, dien kan men -niet liefhebben. Heeft men iemand niet lief, dan is men gaarne bereid -het kwade van hem te gelooven. Zoo komt het, dat zij het oor leent aan -praatjes van lieden, die Mena belasteren en van hem berichten, dat hij -mij uit zijn hart verstooten en eene vreemde vrouw in zijne tent genomen -heeft. Maar dat is valsch, dat is gelogen, en ik kan, ik wil het -gelaat van mijne eigene moeder niet zien, wanneer zij het eenige wat -mij overblijft, wat mij staande houdt, den adem en het bloed mijns -levens, de liefde, de vurige liefde van mijn echtgenoot beleedigt en -schandvlekt." - -Bent-Anat had haar aangehoord, zonder haar in de rede te vallen. Een -tijd lang bleef zij zwijgend naast haar zitten. Eindelijk sprak zij: -»Kom buiten op het balkon: daar wil ik u zeggen, hoe ik erover denk, en -misschien geeft Toth mij een raad in het hart, die u helpen kan. Ik heb -u lief en ken u door en door. Ben ik al niet wijs, zoo heb ik toch opene -oogen en eene krachtige hand. Neem haar aan, en volg mij nu op het -balkon." - -Een verkwikkende luchtstroom kwam over den vloed de vrouwen tegen, toen -zij naar buiten traden. Het was reeds avond geworden, en eene aangename -koelte volgde op de hitte van den dag. Reeds wierpen de groote gebouwen -en de huizen langere schaduwen, en werd de Nijl, die met majesteit zijne -hooggezwollen wateren naar het noorden stuwde, bevolkt door tallooze -booten, die de uit de Nekropolis terugkeerenden overbrachten. Rondom -lag de groene tuin, waaruit geurige rozentakken opklommen tot aan het -traliewerk van het balkon. Een beroemd kunstenaar had dien hof reeds -aangelegd in de dagen van Hatasoe, en het tafereel, dat hij in zijne -verbeelding had aanschouwd, toen hij de zaden in den grond strooide en -de jonge twijgjes plantte, was nu, vele tientallen jaren na zijn dood, -tot werkelijkheid geworden. Hij had zich zijn aanleg als een tapijt -voorgesteld, waarop de talrijke gebouwen van het paleis moesten rusten. -Wateraderen, in velerlei bochten geslingerd en waarin witte zwanen -zwommen, vormden tegelijk de omtrekken der verschillende partijen, en de -figuren die zij begrensden waren als geschaduwd met planten van allerlei -grootte, vorm en kleur. De grond van het weefsel bestond overal uit -schoone oppervlakten van zachtgroene grasperken, waarop de volle -bontkleurige bloembedden en heestergroepen in gelijkmatige orde waren -aangebracht, terwijl de oude hooge en vreemde boomen, van welke -Hatasoe's schepen er vele uit Arabië naar Egypte hadden gebracht[181], -aan het geheel een zekeren ernst en deftigheid gaven. Op de bladeren der -boomen, de bloesems en grashalmen vonkelden thans heldere druppels, want -even te voren had men den geheelen aanleg met frisch water begoten. - - [181] In den tempel van Hatasoe te Der el Bahri, vindt men de - afbeelding van in kuipen naar Egypte gebrachte Neha-boomen. - -Van Bent-Anat's balkon kon men aan gene zijde een eiland opmerken, door -een arm van den Nijl gevormd, met het goed onderhouden heilige bosch van -Amon. Ook de Nekropolis was juist van hier goed te overzien. Daar waren -de sphinxen-lanen, die van de landingsplaats der feestbarken, naar -de reusachtige bouwwerken van Amenophis III met hunne kolossen, de -grootsten van Thebe, het Seti-huis en den tempel van Hatasoe, leidden. -Ginds lagen de uitgestrekte werkplaatsen van de balsemers en de dicht -met huizen bezette straten van de doodenstad. In het verre westen rezen -de Libysche bergen omhoog, met hunne tallooze groeven, en daarachter, -hoewel voor het oog verborgen, breidde zich in een grooten boog het dal -der koningsgraven uit. - -Zwijgend staarden de vrouwen naar het westen. De zon begon reeds -den horizon te naderen; nu bereikte zij dien; daar zonk zij -achter het gebergte weg. Terwijl de hemel schitterde met allerlei -kleurschakeeringen van helder goud, van vonkelende robijnen, aan -gesmolten granaten en amethisten gelijk, weerklonken uit alle tempels -weldra de avondliederen. De beide vriendinnen zonken op hare knieën, -verborgen haar aangezicht in de rozenguirlandes, die zich door de -balustrade slingerden, en baden uit den diepsten grond harer harten. -Toen zij weder opstonden, breidde de nacht reeds zijne vleugelen uit. -Want in Thebe duurt de schemering kort. Slechts hier en daar dreef nog -een roodachtig wolkje aan den al donkerder wordenden hemel, dat geheel -verbleekte toen de avondster opging. - -»Ik ben wel te moede," zeide Bent-Anat, diep ademhalende. »Is ook in uwe -ziel de vrede teruggekeerd?" - -Nefert schudde ontkennend het hoofd. - -De prinses deed haar op een rustbank plaats nemen, vlijde zich naast -haar neder en begon opnieuw: »Uw arm hart is gewond. Men heeft uw -verleden verbitterd, en met angst ziet gij de toekomst tegen. Laat mij -openhartig zijn, ook wanneer hetgeen ik u zeggen zal u leed doet. Gij -zijt ziek en ik wil trachten u te genezen. Wilt gij naar mij luisteren?" - -»Spreek vrij," zeide Nefert. - -»Het spreken," hernam Bent-Anat, »is niet mijne zaak, maar het handelen. -Ik geloof dat ik weet wat u ontbreekt, en dat ik u helpen kan. Gij hebt -uw man lief; zijn plicht riep hem van u weg en gij gevoelt u eenzaam en -verlaten. Dat is natuurlijk! Doch mijn vader en mijn broeder, die ik ook -liefheb, zijn insgelijks naar het oorlogsveld vertrokken; mijne moeder -is sedert lang gestorven; de aanzienlijke vrouw, die de koning mij tot -gezelschap achterliet, is nu weinige weken geleden aan eene ziekte -bezweken. Ziehier deze halfverlaten stad, die mijne woning is. Wie van -ons beiden kan men eenzamer noemen, u of mij?" - -»Mij," zeide Nefert. »Want niemand is zoo verlaten als de vrouw, die -gescheiden van haar echtgenoot verkwijnt van heimwee." - -»Maar gij gelooft in Mena's liefde?" vroeg Bent-Anat. - -Nefert knikte toestemmend, terwijl zij de hand tegen haar hart drukte. - -»En hij zal terugkeeren, en met hem uw geluk!" - -»Ik hoop het," antwoordde Nefert met zachte stem. - -»En wie hoopt," vervolgde Bent-Anat, »bezit het geluk der toekomst. -Zeg mij, zoudt gij met de goden hebben willen ruilen, zoo lang Mena -bij u was? Neen! Welnu, dan zijt gij dubbel rijk, want de zaligste -herinnering, het geluk van het verleden, is evenzeer uw eigendom. Wat -is dan het tegenwoordige? Terwijl ik spreek is het reeds niet meer! Nu -vraag ik u, aan welke zaligheid kan =ik= denken, en op welk zeker geluk -mag =ik= met grond hopen?" - -»Gij hebt niet lief," zeide Nefert. »Gij gaat als de maan koel en -onbeweeglijk daarheen op uwe baan. Het hoogste geluk is u tot hiertoe -vreemd gebleven, maar daarom kent gij dan ook niet het bitterste leed." - -»Welk leed?" vroeg Bent-Anat. - -»De smart van het heimwee, van een door de vlammen van Sechet verteerd -hart," antwoordde Nefert. - -De prinses staarde een poos nadenkend op den grond; eindelijk sloeg zij -de oogen op tot hare vriendin en zeide: »Gij dwaalt! Ik ken de liefde -en het heimwee. Maar wanneer gij op den hoogen feestdag wacht, om het -sieraad, dat uw eigendom is, weder te dragen, dan heb ik even weinig -recht om mijn kleinood het mijne te noemen, als de parel die ik op den -bodem der diepe zee zie glinsteren." - -»Gij hebt lief?" riep Nefert vol vreugde. »O, zoo dank ik Hathor, dat -zij eindelijk uw hart heeft getroffen. De dochter van Ramses behoeft -niet eerst de duikers te roepen, om het kleinood voor zich uit zee te -visschen. Zij wenkt, en de parel stijgt tot haar op, en legt zich in het -zand aan hare slanke voeten neder." - -Bent-Anat kuste lachend Nefert's voorhoofd en zeide: »Treft u dit zoo, -dat het op eens uw geest en uwe tong in beweging brengt? Wanneer twee -snaren gelijk gestemd zijn en men slaat de eene aan, dan klinkt de -andere noodzakelijk mede, zegt mijn meester in de muziek. Ik geloof dat -gij tot aan den morgen naar mij zoudt luisteren, wanneer ik u meer van -mijne liefde vertelde. Daarvoor zijn wij hier echter niet op het balkon -gekomen. Hoor mij nu aan! Ik ben alleen even als gij. Ik heb ook lief, -maar onder nog minder gelukkige omstandigheden. Mij dreigen uit -het Seti-huis bange uren, en toch ontzinkt mij het vertrouwen, de -levensmoed niet; toch verheug ik mij in mijn bestaan. Hoe kunt gij dat -verklaren?" - -»Gij zijt van eene zoo geheel andere natuur," zeide Nefert. - -»Toegegeven," antwoordde Bent-Anat; »maar we zijn beiden jong, wij -zijn vrouwen en willen het goede. Mij is reeds zoo vroeg eene moeder -ontvallen en niemand heeft mijne jeugdige schreden gericht; want men -gehoorzaamde mij reeds, toen ik nog zoozeer behoefte had aan leiding. U -voedde eene moeder op, die zich veel aan u gelegen liet zijn, die, toen -gij nog een kind waart, gaarne met haar schoon dochtertje pronkte, en -het droomen en spelen liet, wat der kleine zoo goed stond, zonder het -kwaad te vreezen dat in de toekomst dreigde. Toen kwam Mena uwe hand -te vragen. Gij hadt hem innig lief, maar in vier lange jaren was hij -slechts weinige maanden bij u. Uwe moeder bleef bij u, en gij merktet -het nauwelijks op, dat zij in uwe plaats uw eigen huis bestuurde en de -zorgen der huishouding op zich nam. Gij waart in het bezit van een -soort van speelgoed, waaraan gij u elken dag kondet wijden, namelijk -de gedachte aan Mena, en de ver van u verwijderde geliefde was het -middelpunt van uw duizenden droomen. O ik weet het, Nefert, al wat gij -sedert twintig maanden hebt gezien, gehoord, ondervonden, had betrekking -op hem en hem alleen. Op zichzelf beschouwd steekt hier geen kwaad in. -Deze rozenstruik, die met zijne takken mijne balustrade heeft omwonden, -aanschouwen wij beide met welgevallen; doch wanneer de hovenier hem niet -telkens snoeide, en hier en daar met palmbast opbond, dan zou hij in -deze vruchtbaren grond, waar alles zoo verbazend snel wast, weldra zoo -hoog opschieten, dat hij mijne deur en vensters bedekte, zoodat ik in -het donker zou zitten. - -»Sla dezen doek om uwe schouders, want met de koelte valt ook de dauw -neer. -- Hoor mij nu verder! Het heerlijk gevoel van liefde en trouw is -in uw droomerig gemoed onbeteugeld en onbelemmerd als in het wilde -opgeschoten, en verduistert thans uw hart en uw verstand. Waarachtige -liefde kan, naar ik meen, niet anders zijn dan een edele vruchtboom, en -geenszins zulk een woekerplant. Ik zeg dat niet om u te berispen, want -zij, die uwe hoveniers hadden moeten zijn, merkten niet op wat er met -u gebeurde, of wilde het niet opmerken. Zie Nefert, toen ik nog de -kinderlok droeg, heb ik ook gedaan wat mij het meest naar den zin was. -Aan droomen heb ik mij nimmer overgegeven, maar ik had lust in het wilde -spel met mijne broeders, in paarden en valken[182]. Men heeft dikwijls -gezegd, dat ik een jongenshart had. O, ik zou ook zoo gaarne een jongen -zijn geweest." - - [182] In verschillende papyrussen uit den tijd van dit verhaal - wordt gesproken van het africhten van valken. - -»Ik nooit," lispelde Nefert. - -»Gij, mijne liefste, zijt gelijk aan het roosje," ging Bent-Anat voort. -»Hoe dikwijls was ik, als vijftienjarig meisje, verdrietig, ontevreden -bij al mijne wildheid, onvergenoegd, niettegenstaande men mij overlaadde -met bewijzen van liefde en hartelijkheid. Toen gebeurde het eens, vier -jaren geleden, juist kort na uw huwelijk met Mena, dat vader mij riep -om met hem te dammen[183]. Gij weet met hoeveel zekerheid hij zelfs den -meest geoefenden tegenstander overwint; maar dien dag was hij verstrooid -en tweemaal achtereen won ik het spel. Uitgelaten van vreugde sprong -ik in mijn overmoed naar hem toe, gaf hem een kus op zijn schoon breed -voorhoofd en riep: 'De verheven god, de held, onder wiens voetzolen de -vreemde volken zich krommen[184], die door de priesters en het volk -wordt aangebeden, heeft zich door een meisje laten overwinnen!' Met een -gullen lach gaf hij mij ten antwoord: 'Dikwijls zijn ook de hemelsche -vrouwen de heeren des hemels te slim, en Necheb[185], onze godin der -overwinning, is eene vrouw.' Daarop werd hij weder ernstig en sprak: -'Gij noemt mij een god, mijn kind, maar slechts in éen opzicht gevoel ik -waarlijk iets goddelijks in mij, namelijk: dat ik in staat ben te ieder -ure met mijn arbeid het meest mogelijk nut te stichten, door hier iets -goeds te bevorderen, daar het kwade tegen te houden[186]. Ik ben alleen -aan de godheid gelijk wanneer ik iets groots uitdenk en voortbreng.' - - [183] Te Medinet Haboe is eene afbeelding bewaard gebleven, - waarop Ramses III -- niet Ramses II -- voorkomt met zijn dochter - dit spel spelende. - - [184] Eene formule, die in de overwinningsberichten telkens - wederkeert. - - [185] De Eileithyia der Grieken. De godin van het zuiden, die - tegenover Boeto, de godin van het noorden, staat. Dikwijls wordt - zij voorgesteld in de gedaante van een gier, als godin der - overwinning zwevende boven het hoofd van den pharao, die ten - krijg trekt. - - [186] De beide emblema's, die in de handen der pharao's en van - vele goden zelden ontbreken, de haakvormige kromstaf en de - zweep, wijzen misschien op den plicht des konings om tegen te - houden en aan te drijven. - -»Deze woorden, Nefert, vielen als zaadkorrels in mijne ziel. Ik wist op -eenmaal wat mij ontbrak; en toen de koning, weinige weken later, met uw -echtgenoot en honderdduizend krijgers ten strijd trok, besloot ik mijn -goddelijken vader waardig te worden en ook in mijn kring nuttig te zijn. -Gij weet niet wat er al zoo in die huizen daarachter onder mijn leiding -geschiedt. Wel driehonderd meisjes spinnen daar het zuivere vlas en -vervaardigen linnen windsels voor de wonden der soldaten. Vele kinderen -en oude vrouwen zoeken planten op de bergen en weder anderen sorteeren -ze, volgens het voorschrift der artsen. In de keukens worden geene -gastmalen gereed gemaakt, maar vruchten in suiker gekookt, tot eene -lekkernij voor de geliefden en kranken te velde. Daar worden stukken -vleesch gezouten, gedroogd en gerookt voor het leger, als het op marsch -gaat door de woestijn. De keldermeester heeft thans niet meer voor -drinkgelagen te zorgen, maar hij brengt mij den wijn in groote kruiken -van aardewerk, en zij gieten dien over in goed gesloten lederen -zakken voor de soldaten, en met de fijnere soorten vullen wij stevige -flesschen, die zorgvuldig met pek worden dicht gemaakt, opdat zij op -reis niet zullen bederven, maar straks het hart onzer helden verkwikken. -Dit alles en nog veel meer heb ik te regelen en te besturen, en zoo -vliegen mij de dagen om in moeitevollen arbeid. De goden zenden mij 's -nachts geen droomgezicht, want na zulk een zware inspanning val ik -altijd in een diepen slaap. Doch ik weet dat ik nuttig ben, en fier durf -ik mijn hoofd verheffen, omdat ik nu mijn grooten vader eenigermate -gelijk. Als de koning om mij denkt, dan, dit weet ik, verheugt hij zich -over hetgeen zijn kind verricht." - -»Nu ben ik echter aan het einde, Nefert. Het eenige wat ik u nog te -zeggen heb is: Sluit u bij mij aan; wees werkzaam evenals ik; toon dat -gij nuttig zijt, en dwing Mena, niet alleen met liefde maar ook met -zekeren trots aan zijn vrouwtje te denken." - -Nefert liet haar hoofd langzaam op Bent-Anat's borst zinken, sloeg hare -beide armen om den hals der prinses, en weende als een kind. Eindelijk -verzamelde zij hare krachten en zeide smeekend: »Neem mij in de school -en leer mij nuttig te zijn." - -»Ik wist wel," zeide Bent-Anat met een glimlach, »dat gij slechts eene -hand noodig had om u te leiden. Geloof mij, weldra zult ook gij aan uw -heimwee tevredenheid weten te paren. Laat ik u dit nog zeggen. Keer nu -terug naar uwe moeder, want het is reeds laat. Bejegen haar liefderijk, -dat is toch de wil der goden. Zoodra de morgen weder zal zijn -aangebroken, wil ik u een bezoek brengen en vrouwe Katoeti vragen, of -zij u aan mij wil toevertrouwen, in de plaats mijner gestorven vriendin. -Overmorgen neemt gij uw intrek in mijn paleis. Gij zult de vertrekken -van de ontslapene bewonen en begint, gelijk zij deed, mij bij mijn -arbeid te helpen. Moge deze ure gezegend zijn geweest!" - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - - -Terwijl dit onderhoud plaats had, toefde de arts Nebsecht aan de -overzijde in de doodenstad nog altijd voor de hut van den Paraschiet, -onder afwisselende aandoeningen den oude wachtende. Nu eens beefde hij -voor zijne terugkomst, dan weder vergat hij geheel en al het gevaar, -waaraan hij den oude had blootgesteld, en hoopte hij enkel op de -vervulling van zijn wensch, als hij wonderbare ontdekkingen zou doen bij -het onderzoeken van een menschenhart. In sommige oogenblikken was hij -geheel vervuld van wetenschappelijke beschouwingen, maar altijd en -altijd weder werd hij daarin gestoord door zijne bezorgdheid voor den -Paraschiet, en de nabijheid van Warda, die hem voortdurend in spanning -hield. Uren achtereen was hij met haar alleen gebleven, want haar -vader en hare grootmoeder hadden zich niet langer kunnen onttrekken -aan de werkzaamheden, die hun beroep vorderden. De eerste moest -krijgsgevangenen naar Hermonthis brengen, en de oude vrouw behoorde, -sedert hare kleindochter genoeg volwassen was om voor de kleine -huishouding zorg te dragen, tot de rouwklaagsters, die met loshangende -haren, het voorhoofd en de borst met Nijlslib bestreken, jammerende en -weeklagende de lijken moesten vergezellen op hun weg naar de Nekropolis. - -Toen de zon ten avond neigde, lag Warda nog altijd voor de hut. Zij zag -er bleek en mat uit. Hare dichte haren waren los geraakt, en in het -stroo van haar leger verward. Als Nebsecht haar naderde om haar pols te -voelen, of haar toe te spreken, keerde zij opzettelijk haar aangezicht -van hem af. - -Zoodra de zon achter de bergen was weggedoken, boog hij zich opnieuw -over haar heen en zeide: »Het begint koel te worden; wil ik u niet in de -hut dragen?" - -»Laat mij," zeide zij verdrietig. »Ik heb het warm genoeg; ga wat verder -van mij af! Ik ben niet meer ziek, en zou wel alleen in de hut kunnen -gaan, als ik maar wilde. Maar mijne grootouders zullen wel dadelijk -komen." - -Nebsecht stond op, zette zich op een hoenderkorf neder, die eenige -schreden van Warda afstond, en vroeg stotterend: »Moet ik nog verder -achteruit gaan?" - -»Doe wat gij wilt," gaf zij ten antwoord. - -»Gij zijt onvriendelijk," sprak hij droefgeestig. - -»Gij ziet mij ook altijd door aan," zeide Warda, »dat kan ik niet -lijden. Ik ben zeer ongerust, want grootvader was heden morgen anders -dan gewoonlijk, en sprak over allerlei vreemde dingen, over dood en den -hoogen prijs, die van hem voor mijne genezing gevorderd werd. Toen -bad hij mij, dat ik hem niet vergeten mocht, en daarbij was hij zoo -ontroerd, zoo zonderling! Waar hij nu toch blijft? Ik wenschte dat hij -weder bij mij was!" - -Na deze woorden begon Warda stil te schreien. Nebsecht werd door een -nameloozen angst voor den Paraschiet aangegrepen, want het woog hem nu -zoo zwaar op het hart, dat hij voor de eenvoudige vervulling van zijn -plicht het leven van een mensch als prijs had verlangd. Hij toch kende -de wet maar al te goed en wist, dat men den oude zou dwingen op staanden -voet den giftbeker te drinken, wanneer men hem op den roof van een -menschenhart betrapte. - -Het werd donker. Warda hield op te weenen en vroeg den arts: »Zou hij -misschien ook naar de stad zijn gegaan, om de groote som te borgen, die -gij of uw tempel voor de artsenijen vordert? Doch daar hebt gij den -gouden band van de prinses en den halven buit mijns vaders, en in die -kist dáar ligt, nog onaangeroerd, het loon, dat grootmoeder in twee -jaren als rouwklaagster verdiend heeft. Is dat alles u nog niet genoeg?" - -Het meisje deed de laatste vraag op knorrigen en verwijtenden toon, en -de arts, die zich tot levensregel had gesteld streng aan de waarheid te -houden, zweeg omdat hij begreep geen »ja" te kunnen zeggen. Meer dan -goud en zilver had hij voor zijne hulp verlangt. Op dit oogenblik -dacht hij aan Pentaoer's waarschuwing, en toen de jakhalzen begonnen -te blaffen, greep hij den vuurboor[187] en stak eenige voor de hand -liggende stukken pek aan. Daarbij vroeg hij zich af, wat wel het lot -van Warda zou zijn, zonder hare grootouders en hem, en een avontuurlijk -plan, dat hem reeds uren lang nevelachtig voor den geest zweefde, nam -thans in zijne ziel bepaalde omtrekken en een tastbare gedaante aan. Hij -wilde, als de oude niet terugkeerde, de Kolchyten of balsemers, die hem -om zijne bekwaamheid moeielijk konden afwijzen, verzoeken hem in hun -gilde[188] op te nemen. Vervolgens wilde hij Warda tot zijne vrouw -nemen, en met haar, afgescheiden van de wereld, voor zijn nieuw beroep, -waarin hij veel hoopte te leeren, en zijne studiën leven. Wat vroeg hij -naar het gemak en het genot des levens; wat gaf hij om eer bij zijne -medemenschen en eene bevoorrechte maatschappelijke positie! Op dit -nieuwe steenachtige pad hoopte hij sneller vooruit te komen, dan op den -ouden zoo keurig geëffenden weg. Hij gevoelde ook geen behoefte om zich -uit te spreken en de resultaten van zijn onderzoek aan anderen mede te -deelen; hij had aan het weten op zichzelf volkomen genoeg. Aan zijne -verplichtingen ten opzichte van het Seti-huis dacht hij zelfs niet meer. -Gedurende drie dagen had hij zijne kleederen niet verwisseld, was er -geen scheermes op zijn gelaat en schedel gekomen, had geen druppel water -zijne handen en voeten bevochtigd. In zijne eigene schatting was hij -reeds half verwilderd, half een balsemer en, als het zoo zijn moest, een -van de meest verachte menschen, een Paraschiet geworden. Dat afdalen -op de maatschappelijke ladder had thans voor hem iets bijzonder -aantrekkelijks, want zoo kwam hij met Warda op dezelfde lijn, en zij, -die daar met haar verwarde haren, ziekelijk en gejaagd naast hem lag, -paste juist in de toekomst, die hij zich voor zijne verbeelding -teekende. - - [187] De hiëroglief "sam" schijnt zulk een voorwerp aan te - duiden. - - [188] Dit gild bestond nog in den tijd der Romeinsche keizers, - en uit Grieksche papyrussen zijn wij omtrent hen veel te weten - gekomen. - -»Hoordet gij niets?" vroeg het meisje op eens. - -Hij luisterde met haar, of hij ook eenig geluid vernam uit het dal. -Werkelijk sloegen de honden aan, en weldra stond de Paraschiet met zijne -vrouw voor de hut. Daar namen zij afscheid van de oude Hekt, die zij op -haar terugweg uit Thebe ontmoet hadden. - -»Gij zijt lang weggebleven," riep Warda, toen de grootouders eindelijk -voor haar stonden. »Ik heb mij zoo beangst gemaakt." - -»De arts was toch bij u," zeide de oude vrouw, en ging de hut in, om -een eenvoudig maal gereed te maken, terwijl de Paraschiet naast zijne -kleindochter nederknielde, en haar innig, maar toch met zooveel -onderscheiding liefkoosde, als ware hij niet haar bloedverwant maar -slechts haar trouwe dienaar. - -Toen hij was opgestaan, overhandigde hij Nebsecht, die van spanning over -al zijne leden beefde, den groven linnen zak, dien hij gewoon was aan -een smallen draagband mede te nemen. »Daar ligt het hart in," fluisterde -hij den arts toe: »neem het er uit en geef mij den zak terug; want -mijne messen liggen er nog in, en die heb ik noodig." - -Nebsecht greep met bevende vingers het hart uit den buidel, nam eenige -doosjes uit zijn artsenijkast en legde het er voorzichtig in. Daarop -tastte hij in zijn borstzak, ging weder tot den Paraschiet en fluisterde -hem toe: »Daar neem deze verklaring; hang hem om uw hals, en wanneer -gij sterft laat ik voor u als voor een aanzienlijke een 'Boek van den -uitgang in den dag'[189] in de windsels wikkelen. Maar dit is mij niet -genoeg. Mijn broeder, die van zulke zaken verstand heeft, bestuurt het -vermogen, dat ik erfde, en sedert tien jaren heb ik de rente van dat -kapitaal niet aangeroerd. Ik zal ze u zenden, en gij zult met uwe vrouw -een onbekommerden ouden dag hebben." - - [189] Zie boven blz. 169. - -De Paraschiet had het zakje met de papyrus-strook aangenomen, en den -arts tot het einde aangehoord. Maar na de laatste woorden keerde hij -zich van hem af, en zeide bedaard, hoewel op stelligen toon: »Behoud uw -geld: wij zijn van elkander af. Dat wil zeggen," voegde hij er smeekend -bij, »als het meisje gezond wordt." - -»Zij is reeds half genezen," stotterde de arts. »Waarom wilt... wilt gij -echter mijn geschenk..." - -»Omdat ik tot heden nooit geborgd of gebedeld heb," viel de Paraschiet -hem in de rede, »en ik niet voornemens ben daarmede in mijn ouderdom te -beginnen. Leven om leven! Doch wat ik heden heb gedaan, dat kan Ramses -zelf mij met al zijn schatten niet betalen!" - -Nebsecht sloeg de oogen neder en wist den grijsaard niet te antwoorden. - -Intusschen kwam de oude vrouw weder te voorschijn. Zij zette een schotel -met gekookte linzen, die zij haastig gewarmd had, met ramenassen en -uien[190] voor de mannen neder, geleidde Warda, die niet meer gedragen -wilde worden in de hut en noodigde den arts aan haar maal deel te nemen. -Nebsecht voldeed gaarne aan dit verzoek, want sedert gisteren avond had -hij geen bete broods geproefd. - - [190] De gewone toespijs bij de Egyptische maaltijden. Ramenas, - uien en knoflook komen telkens op de monumenten voor. Volgens - Herodotus (II, 125) zouden van deze artikelen, bij het bouwen - van de Cheops-pyramide, voor 1600 talenten, ongeveer 4,320,000 - gulden, verbruikt zijn. - -Zoodra de grootmoeder weder in de hut was verdwenen, vroeg Nebsecht den -Paraschiet: »Wiens hart hebt gij mij gebracht, en hoe is het in uwe -handen gekomen?" - -»Zeg mij eerst," vroeg de oude op zijn beurt, »waarom liet ge mij zulk -eene groote zonde begaan!" - -»Omdat ik mij van de gesteldheid van het menschelijk hart overtuigen -wil," gaf Nebsecht ten antwoord, »opdat ik zieke harten, zoo dikwijls ik -ze ontmoet, zal kunnen genezen." - -De Paraschiet zag een poos zwijgend naar den grond en vroeg toen: -»Spreekt gij waarheid?" - -»Ja," antwoordde de arts, op zulk een overtuigenden toon, zoo dat er -geen twijfel kon overblijven. - -»Dat verheugt mij," zeide de oude, »want ook aan armen verleent gij uwe -hulp." - -»Even gaarne als aan rijken! Maar zeg mij nu wiens hart gij hebt -weggenomen." - -»Ik kwam in het huis van de balsemers," begon de grijsaard te vertellen, -nadat hij eenige groote vuursteenen voor zich had gelegd, teneinde deze -volgens de regelen der kunst zoo af te hakken en te slijpen, tot zij -als messen konden dienen. »Ik kwam dan in het huis van de balsemers -en vond er drie lijken, waarin ik met mijne steenen messen de acht -voorgeschreven insnijdingen moest maken. Als de lijken daar zoo naakt -liggen op de houten tafel, dan gelijken ze allen op elkander, en de -bedelaar zwijgt voor mij zoo goed als de eigen zoon des konings. - -»Maar ik wist wel wie daar voor mij lagen. Het stevige oude lichaam -midden op tafel was van den gestorven profeet uit den Hatasoe-tempel. -Een eind verder lagen, dicht bij elkander, de lijken van een steenhouwer -uit de Nekropolis en een meisje uit het vreemden-kwartier, dat aan de -longtering was gestorven; twee ellendige uitgeteerde gestalten. Den -profeet had ik wel gekend, want honderdmaal was ik hem tegengekomen in -zijn gouden draagstoel. Ze noemden hem altijd den rijken Roeï. - -»Ik deed mijn plicht aan alle drie. Men verdreef mij met de gewone -steenworpen, en ik bracht daarna met mijne gezellen het inwendige der -lijken in orde. Het hart en de overige ingewanden van den profeet -moesten later in kostbare albasten kanopen[191] worden bewaard; die van -den steenhouwer en het meisje zouden weder in het lichaam worden gelegd. -Nu vroeg ik mij zelven af: wien zal ik het leed doen van hem zijn hart -te ontnemen? Ik ging tot de armen en trad reeds op het lijk van het -zondige meisje toe. Daar hoorde ik op eens de stem van een demon, die -mijn eigen hart toeriep: het meisje was arm, veracht en ellendig evenals -gij, zoolang zij wandelde op den rug van Seb[192]; wellicht zal zij -genade vinden en vreugde in eene andere wereld, wanneer gij ze haar niet -moedwillig ontrooft! Toen ik bij het magere lijk van den steenhouwer -kwam, en zijne handen zag, die nog meer vereelt waren dan de mijne, -fluisterde de demon mij hetzelfde toe. Nu plaatste ik mij voor het -goed doorvoede lichaam van den profeet Roeï, die aan eene beroerte was -gestorven, en ik dacht aan de eer en den rijkdom, die hij op aarde -had genoten. Hij had ten minste eens overvloed van geluk en vreugde -gesmaakt. Toen greep ik, zoodra ik alleen was, snel in mijne buidel en -verwisselde het hart van den hamel met het zijne. - - [191] Zie boven blz. 168. - - [192] De aarde. Plutarchus noemt Seb, die op de gedenkteekenen - dikwijls "de vader der goden" heet, Kronos. Hij is de god van - den tijd, en daar de Egyptenaars de materie voor eeuwig hielden, - zoo is het niet toevallig, dat in het hiëroglyphen-schrift voor - de eeuwigheid het teeken werd gebruikt, dat de aarde voorstelde. - -»Misschien ben ik dubbel schuldig, omdat ik een zoo dolzinnig spel -heb gespeeld met het hart van een profeet. Maar zij zullen het lijk -van den rijken Roeï met honderd amuletten behangen, scarabeën[193] in -zijn lijf leggen op de plaats van het hart, en hem met heilige olie -en voortreffelijke schriften tegen alle vijanden op den weg in de -Amenti[194] beschutten, terwijl niemand aan die armen helpende talismans -zal medegeven. Bovendien, gij hebt mij gezworen in de andere wereld in -de zaal van het doodengericht, mijne schuld op u te nemen." - - [193] Afbeeldingen van den heiligen scarabeüs-kever, uit - allerlei stoffen vervaardigd, werden op de plaats van het hart - in de mummiën gelegd. Op grootere exemplaren leest men dikwijls - de hoofdstukken 26 tot 30 en 64 van het Doodenboek, die over het - hart handelen. - - [194] De onderwereld. - -Nebsecht stak den oude de hand toe en zeide: »Dat heb ik gedaan, en ik -zou gekozen hebben als gij. -- Neem nu dit water, verdeel het in vier -deelen en geef Warda telkens éen daarvan, vier avonden achtereen[195]. -Begin heden dadelijk, en reeds overmorgen zal zij, denk ik, gezond zijn. -Ik kom weldra terug om naar haar te zien. Ga nu rusten en gun mij hier -buiten een plaatsje. Eer de Isis-ster[196] is ondergegaan, breek ik op, -want zij wachten mij reeds lang in het Seti-huis." - - [195] Een voorschrift, dat in de medische papyrus-teksten - dikwijls voorkomt. - - [196] De Sirius of Sothis ster. - - * * * * * - -Toen de Paraschiet den volgenden morgen buiten kwam, was de arts -verdwenen, maar een bij het vuur liggende doek met een groote bloedvlek -zeide den ouden man, dat de ongeduldige Nebsecht in den afgeloopen nacht -het hart van den profeet onderzocht en waarschijnlijk geheel uit elkaar -gesneden had. Hij huiverde, en met grooten zielsangst wierp hij zich -op de knieën, toen de zonnegod in zijne gouden schuit aan den hemel -verscheen. Hij bad recht innig, eerst voor Warda en daarna voor het heil -zijner in gevaar verkeerende ziel. Bemoedigd stond hij op, overtuigde -zich dat zijne kleindochter aanmerkelijk in beterschap toenam, zeide -toen de vrouwen vaarwel, stak zijne vuursteenmessen en bronzen -haken[197] bij zich en ging weder naar het huis der balsemers, om daar -zijn treurigen arbeid te verrichten. - - [197] Volgens Herodotus (II, 87) werden de hersenen der lijken - met een haak door den neus uit het hoofd gehaald. Czermak - vond, bij de ontleding van twee mummiën te Praag, het zeefbeen - verbrijzeld. - -De groep gebouwen, waarin een groot deel van de inwoners van Thebe -werden gebalsemd, lag op een naakten woestijnbodem, ver van zijne hut -verwijderd, ten zuiden van het Seti-huis, aan den voet van het gebergte. -Zij vormden op zichzelve een tamelijk uitgestrekt vlek, dat door een -ruwen uit Nijltegels opgetrokken muur was omgeven. Door de hoofdpoort, -naar de zijde van den stroom gekeerd, werden de lijken bij de -Kolchyten[198] binnengebracht, terwijl de priesters, Paraschieten, -Taricheuten[199], wevers en handlangers, die hier hun dagelijksch werk -hadden te verrichten, benevens ontelbare waterdragers, die met lederen -zakken beladen van den Nijl kwamen, door eene zijpoort op dit terrein -werden toegelaten. Aan het uiterste einde ten noorden verhief zich een -deftig houten gebouw met eene eigene deur, waarin de bestellingen werden -aangenomen van de nabestaanden der afgestorvenen, dikwijls echter ook -van levende menschen, die intijds bedacht waren op eene behoorlijke -begrafenis[200]. - - [198] Naam van het geheele gild der balsemers. - - [199] Zij, die belast waren met het inzouten der lijken. - - [200] Naar de bekende plaatsen bij Herodotus (II, 85-90) en - Diodorus (I, 91), die door eenige handschriften uit het oude - Egypte aanmerkelijk worden aangevuld, bij name door den papyrus - III uit Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, en door den papyrus - 5158 van het Louvre, uitmuntend toegelicht door Maspero: - =Mémoire sur quelques papyrus du Louvre, II. Le rituel de - l'embaumement=. -- Uit dit ritueel van de balseming hebben wij - vele tot hiertoe onbekende bijzonderheden leeren kennen over het - gereed maken der mummiën en de gebruiken die daarbij werden in - acht genomen. Leerrijk zijn ook in dit opzicht de papyrus-Rind - in twee talen, en andere teksten, die op de begrafenis - betrekking hebben. Hoe wonderlijk zelfs de fijnste weefsels van - het menschelijk lichaam door de balsemers werden bewaard, weten - wij door het physiologisch onderzoek van Czermak van de twee - mummiën te Praag. - -In dit huis heerschte meestal vrij wat drukte. Op dit oogenblik bewogen -zich in de verschillende vertrekken wel vijftig mannen en vrouwen uit -allerlei standen. Zij kwamen niet enkel uit Thebe, maar ook uit vele -kleine steden van Opper-Egypte, om hier inkoopen te doen, of aan de -beambten die hier bezig waren onderscheidene bestellingen op te dragen. -De doodenbazar was goed genoeg voorzien, want men vond er lijkkisten in -alle vormen, van de eenvoudigste tot de kostbaarste, die, in de gedaante -van mummiën, rijk verguld en beschilderd waren. Ze stonden alle tegen -de wanden overeind. Op houten rekken lagen ontelbare rollen van grof en -fijn lijnwaad, waarmede de ledematen der mummiën omwonden werden. Dit -lijnwaad was door het personeel van deze inrichting voor het balsemen -vervaardigd, onder de bescherming van de godinnen van het weefgetouw, -Neith, Isis en Nephtys, of men had het van elders, met name uit Saïs -ontboden. - -De bezoekers van deze modelkamers mochten uit de lijkkisten en windsels -vrij hunne keuze doen. Ditzelfde gold van de halsbanden, scarabeën, -zuiltjes, Oeza-oogen, banden, hoofdsteunsels, driehoeken, rechthoeken, -gespleten ringen, trapjes en andere symbolische figuren[201], die men -gewoon was de dooden als heilige amuletten op het lichaam te hechten, -of in de windsels te wikkelen. Talrijk waren de stempels van gebakken -aarde[202], bestemd om in den grond te worden geborgen, ten einde zoo -er geschil ontstond over de grenzen van eene begraafplaats, te kunnen -uitmaken hoever het gebied van een familiegraf reikte. Voorts vond men -hier godenbeeldjes, die in het zand werden gelegd, om de zoodanigen te -reinigen en te heiligen, die Seth-Typhon toebehoorden[203]; alsmede -zoogenaamde Schebti-beeldjes, waarvan men een aantal in kleine kistjes, -of ook enkele afzonderlijk in het graf pleegde te plaatsen. Van deze -laatste verwachtte men, dat zij met hun spade, ploeg en zaadbuidel, -welke voorwerpen hun op de schouders werden gelegd, de afgestorvenen -zouden bijstaan in hun arbeid op den akker der gelukzaligen[204]. - - [201] Altemaal amuletten, die in groot aantal bij de mummiën - worden aangetroffen. Men kan ze in alle Egyptische museën zien. - De dikwijls zeer zonderlinge beteekenis van de meesten is ons - bekend, want bijna aan elke is een hoofdstuk van het Doodenboek - gewijd. - - [202] Ze zijn kegelvormig. Exemplaren zijn in alle musea - aanwezig. - - [203] Dikwijls in verbazende menigte in het zand gevonden; zoo - als bij de opdelvingen van Mariëtte. - - [204] Zie boven, blz. 26. - -De weduwe en de hofmeester van den overleden rijken profeet van den -Hatasoe-tempel Roeï, en een voornaam priester, die hen begeleidde, -waren thans in een levendig gesprek met de beambten van het huis der -balseming, en kozen uit de voorhanden modellen de kostbaarste kisten. -De mummie moest, besloten in een omhulsel van met stuco bedekt linnen, -in een houten kist, en deze weder in een steenen sarkophaag gelegd -worden. Verder zochten zij het fijnste lijnwaad uit, en amuletten van -malachiet, lazuursteen, bloedjaspis, carneool, en groen veldspaath[205], -alsmede albasten kanopen voor de ingewanden. Zij schreven op een -gereedliggend wastafeltje den naam van den ontslapene, van zijne ouders, -zijne vrouw en kinderen, benevens al zijne titels, en gaven de teksten -op, die op zijne lijkkist en op de papyrus-rollen, die hem zouden worden -medegegeven, moesten geschreven en op zijn naam opgesteld worden. Over -de opschriften der grafwanden van het voetstuk van zijn beeld, dat in -het graf moest worden geplaatst, en van den grafsteen[206], insgelijks -daar ter plaatse op te richten, zou nog nader worden gesproken. Het -vervaardigen van die opschriften zou worden opgedragen aan een priester -uit het Seti-huis, die tevens eene lijst moest opmaken van de rijke -doodenoffers, die de achterblijvenden zouden stichten. Deze lijst -kon echter eerst later worden opgegeven, wanneer na de deeling van -de erfenis over den omvang van het nagelaten vermogen kon worden -geoordeeld. Het balsemen alleen met de fijnste oliën en reukwerken, -daarbij gerekend de windsels, amuletten en de lijkkisten, zou, behalve -de steenen sarkophaag, een last zilver kosten[207]. - - [205] De zoogenaamde Victoria-steen, die slechts op grooten - afstand van Egypte wordt gevonden. Dat deze reeds in zoo vroegen - tijd voorkomt, bewijst hoe ver zich de handelswegen uitstrekten, - die de volken der oudheid aan elkander hebben verbonden. - - [206] Steenen tafels, van boven afgerond, met opschriften. - - [207] Volgens Diodorus (I, 91) kostte eene balseming eerste - klasse een talent zilver, ongeveer 2700 gulden; tweede klasse - twintig minen, ongeveer 720 gulden. - -De weduwe droeg een lang rouwgewaad, en haar voorhoofd was met Nijlslib -bestreken. Terwijl zij bezig was te loven en te bieden met de beambten -van het huis der balsemers, -- want de prijzen vond zij zoo ongehoord -hoog, dat zij zelfs van afzetterij sprak -- barstte zij van tijd tot -tijd, gelijk het gebruik vereischte, in luide weeklachten uit. Meer -bescheidene burgers waren spoediger met hunne bestellingen gereed, doch -het was volstrekt niet ongewoon, dat zij voor het balsemen van het hoofd -eener familie, een vader of eene moeder bijvoorbeeld, de inkomsten van -een geheel jaar ten beste gaven. Het balsemen der armen was echter -goedkoop, en voor de allerarmsten moesten de Kolchyten zelve zorgen. Dat -was eene schatting, die zij verplicht waren den koning op te brengen, -evenals van het linnen uit hunne weverijen. - -Dit magazijn van het huis voor de balseming was zorgvuldig gescheiden -van de overige gedeelten dezer inrichting, waarvan de toegang aan ieder, -die er niets te doen had, ten strengste was verboden. De Kolchyten -vormden een vastgesloten gild, aan het hoofd waarvan eenige priesters -stonden, uit wier midden de bestuurders der vereeniging gekozen werden, -die vele duizende leden telde. Deze bestuurders genoten alle eer. Ook -zij die met het eigenlijke werk der balseming belast waren, de -Taricheuten, mochten zich onder de andere burgers vertoonen, ofschoon -men in Thebe toch altijd eenigszins schuw voor hen uit den weg ging. Op -de Paraschieten alleen, die de lijken moesten openen, rustte de vloek -der onreinheid in al zijne zwaarte. De plaats hunner werkzaamheid zag er -inderdaad zeer akelig uit. De steenen zaal, waarin men de lijken opende, -en de hallen waarin ze gezalfd werden, waren verbonden met laboratoriën, -bewaarplaatsen van specerijen en nog verschillende andere vertrekken tot -het gereedmaken van allerlei benoodigdheden. In eene ruimte, die tegen -de zonnestralen alleen beschut was door een dak van palmtakken, vond men -een groot gemetseld bekken met eene oplossing van natron. Daarin werden -de lijken gezouten, waarna ze gedroogd werden in een steenen tunnel door -middel van een kunstmatig verhitte luchtstroom. - -De weverijen, alsmede de werkplaatsen der kistenmakers en schilders, -bevonden zich in talrijke kleine houten huisjes in de nabijheid van de -modelkamers. Op zeer grooten afstand vandaar stond het grootste gebouw -van deze inrichting, namelijk een laag, maar bijkans onafzienbaar lang, -massief steenen huis met een stevig dak. Hier werden de toebereide -lijken met de windsels omwikkeld, met amuletten versierd, en voor den -tocht naar de andere wereld geheel toegerust. Wat er binnen in dit -gebouw, waar leeken slechts voor enkele oogenblikken toegelaten werden, -gebeurde, was bovenmate geschikt om bevreemding te wekken. Hier schenen -de goden zelven zich met de lichamen der stervelingen bezig te houden. -Door de vensteropeningen die naar de straat waren gekeerd, kon men bij -dag en bij nacht de woorden van voordrachten en de tonen van hymnen en -weeklachten opvangen. De priesterlijke beambten, die hier aan het werk -waren, droegen maskers van de goden der onderwereld[208]. Een anubis met -den kop van een jakhals werd vooral veelvuldig aangetroffen. Knaapjes, -met momaangezichten van zoogenaamde Horus-kinderen, stonden dezen -ter zijde, en aan het hoofd- zoowel als aan het voeteinde van elke -mummie, zag men eene vrouw, staande of neergehurkt, de laatste met de -zinnebeelden van Nephthys, de eerste met die van Isis op het hoofd. -Ieder lid van den gestorvene op zichzelf werd met behulp van heilige -oliën, amuletten en tooverspreuken aan een bepaalden god gewijd. Voor -het omwinden van elke spier was een bijzonder toebereid stuk lijnwaad -bestemd. Elke drogerij, ieder windsel moest zijn oorsprong aan eene -godheid ontleenen. Dat verward geruisch der liederen, die verkleede -gedaanten en die welriekende geuren van allerlei aard werkten inderdaad -verdoovend op de zinnen van ieder, die deze plaats bezocht. Het spreekt -vanzelf, dat het geheele gebouw waar de balseming plaats had als -doortrokken was van de geuren van krachtige hars, zachte rozenolie, -scherpe muskus en andere welriekende specerijen, die in den geheelen -omtrek, ja tot op zeer verren afstand de lucht vervulden. Als de wind -woei uit het zuidwesten, droeg hij deze geuren wel eens over den Nijl -naar Thebe. Dat werd voor een ongunstig teeken gehouden, en te recht, -want uit het zuidwesten kwam de woestijnwind, die de krachten der -menschen verlamde en voor karavanen zoo gevaarlijk was. - - [208] Daarop scheen reeds veel in allerlei voorstellingen - betrekking te hebben. Men vond het onlangs bevestigd door - den papyrus III uit het museum van Boelaq. De Egyptenaars - vervaardigden zulke maskers van linnen, dat met een stuco of - lijmachtige stof bedekt werd. Aan het hoofdeinde van vele - mummie-kisten vindt men het masker van den afgestorvene. - Vert. - -Op het plein van het modellenhuis stonden verschillende groepen van -burgers uit Thebe rondom enkele personen geschaard, waaraan zij hunne -deelneming betuigden. Iemand die pas was aangekomen, de overste der -offerpriesters van den tempel van Amon, die voor velen een bekende -scheen te zijn en met eerbied werd begroet, berichtte, alvorens aan de -weduwe van den profeet Roeï zijn rouwbeklag te doen, dat hij vervuld was -van eene schrikkelijke gebeurtenis. Er had zich toch aan de overzijde in -Thebe een onheilspellend teeken voorgedaan, en wel in den tempel van den -koning der goden zelven[209]. Vele nieuwsgierige hoorders verdrongen -zich om hem, toen hij vertelde, dat de stadhouder Ani, uit blijdschap -over de overwinning van zijne naar Ethiopië gezonden troepen, onder het -garnizoen van Thebe, en dus ook onder de wachters van den Amon-tempel, -wijn in overvloed had laten uitdeelen, en dat, terwijl de soldaten aan -het feestvieren waren geweest, wolven[210] waren ingebroken in den -stal van de heilige rammen[211] der godheid. Sommigen waren den dood -ontkomen, maar de heerlijke ram, dien Ramses zelf uit Mendes[212] ten -geschenke had gezonden, toen hij ten krijg toog, het edele dier, dat -Amon tot woning zijner ziel had uitverkoren[213], was door de soldaten, -die de treurmare tot aller schrik door de stad kwamen verspreiden, -geheel verscheurd gevonden. Op hetzelfde uur was uit Memphis het bericht -gekomen, dat de heilige Apis-stier gestorven was. - - [209] De god Amon van Thebe. - - [210] De wolven zijn thans uit Egypte verdwenen; zij behoorden - echter tot de heilige dieren en werden te Lykopolis (Wolfstad), - het tegenwoordige Sioet, vereerd en begraven. Daar heeft men ook - mummiën van wolven gevonden. Volgens Herodotus (II, 67) begroef - men de wolven, waar men ze dood vond liggen, en Aelianus (De - natura animalium IX, 18) verhaalt, dat zeker kruid, Lykoktonon, - hetwelk voor de wolven doodelijk was, niet gebracht mocht worden - in plaatsen, waar wolven werden vereerd. - - [211] Amon had overigens ook zijne heilige stieren. - - [212] In Mendes werden de rammen bijzonder vereerd. Niet verre - van Mansoera, in het Delta, zijn de overblijfselen wedergevonden - van de oude stad. Brugsch heeft de aldaar gevonden opschriften - uitgegeven, die uitvoerige mededeelingen behelzen over de - vereering van den ram, en die eenige berichten dienaangaande bij - de oude schrijvers bevestigen en in een nieuw licht plaatsen. - - [213] De rammen heeten evenals de ziel "Ba" en de heilige - exemplaren dezer dieren hield men voor aardsche - openbaringsvormen van de ziel van Ra. - -De burgers, die zich verzameld hadden rondom den overste der -offerpriesters, hieven terstond luide jammerkreten aan, die wijd en -zijd in het rond werden gehoord. De opziener zelf en de weduwe van den -profeet Roeï stemden er levendig mede in. Uit het modellenhuis kwamen -de verkoopers en beambten, uit de hallen der balsemers de Taricheuten, -Paraschieten en hunne handlangers, uit de weverijen de werklieden en -spinsters met hunne opzichters te voorschijn, en zoodra zij vernomen -hadden wat er gebeurd was, namen allen aan het weegeklaag deel. Zij -huilden en schreeuwden, bestrooiden hunne haren en bestreken hunne -voorhoofden met stof. Het was een wild en oorverdoovend geraas. Toen -het een weinig begon te bedaren en de weeklagers tot hunne bezigheden -terugkeerden, kon men duidelijk het gejammer van de bewoners der -Nekropolis, ja zelfs van de burgers van Thebe hooren, dat door den -oostenwind werd overgedragen. - -»Nu zullen zich," zeide de overste der offerpriesters, »de slechte -tijdingen omtrent den koning en het leger wel niet lang laten wachten! -De dood van den ram, waaraan wij Ramses' naam gaven, zal door den pharao -nog meer worden betreurd, dan het sterven van den Apis. Inderdaad een -veeg, zeer veeg teeken!" - -»Mijn gestorven echtgenoot, de Osiris Roeï," zeide de weduwe, »heeft dat -alles vooruit gezien. Als ik maar durfde spreken, zou ik veel kunnen -openbaren, wat velen niet aangenaam zou zijn." - -De overste der offerpriesters glimlachte, want hij wist dat de -profeet van den Hatasoe-tempel een aanhanger was geweest van het oude -koningshuis. Daarom gaf hij ten antwoord: »Ramses' zon kan wel voor een -oogenblik door de wolken worden bedekt, maar haar ondergang zullen noch -zij aanschouwen, die er voor vreezen, noch zij die hem vurig wenschen." - -De priester groette hierop koeltjes en ging het wevershuis binnen, -waar hij eenige zaken had te doen, en de weduwe steeg weder in haar -draagstoel, die aan de poort stond te wachten. - -De oude Paraschiet Pinem had ook met zijne gezellen den dood der heilige -dieren betreurd. Hij zat nu in de snijkamer op het harde plaveisel, om -zijn eenvoudig maal te nemen; want het was middag geworden. De steenen -zaal, waarin hij zijne bete broods nuttigde, was slecht verlicht. -Zij ontving haar licht door eene kleine opening in het dak, waar de -middagzon loodrecht boven stond, zoodat een bundel schitterende stralen, -waarin de zwevende stofdeeltjes speelden, door de halfdonkere ruimte -op het grauwe plaveisel nederdaalde. Tegen alle wanden stonden -mummie-kisten, en op de glad gepolijste tafels lagen de lijken, met -grove doeken bedekt. Nu en dan schoot er een rat over den grond, en -uit de breede voegen der steenplaten, waarmede de ruimte bevloerd was, -kropen schorpioenen langzaam te voorschijn. - -Het gevoel van den Paraschiet was sedert lang afgestompt voor het -huiveringwekkende van deze plaats. Hij had een grof stuk linnen voor -zich uitgespreid, waarop hij de spijzen voorzichtig neerlegde, die zijne -vrouw voor hem in den buidel had gestoken, eerst een halven broodkoek, -dan wat zout en ten laatste eene ramenas. Doch het zakje bleek nog niet -leeg te zijn. Hij greep er weder in en vond een stuk vleesch, tusschen -twee koolbladen gewikkeld. De oude Hekt had voor Warda een gazellebout -uit Thebe medegebracht, en nu bleek hem dat de vrouwen een stuk ervan in -zijn buidel hadden gestoken, om hem wat te versterken. Met ontroering -beschouwde hij dit geschenk, maar hij aarzelde er de hand aan te slaan; -want het was hem alsof hij het aan de zieke ontstal. Terwijl hij het -brood en de ramenas zat op te eten, bleven zijne oogen op dat stuk -vleesch als op een kostbaar kleinood gericht, en wanneer eene vlieg het -waagde er zich op neer te zetten, sloeg hij die haastig weg. Eindelijk -bracht hij het aan zijn mond en dacht daarbij aan vroegere middagen, en -hoe dikwijls hij in zijn spijszak eene bloem had gevonden, die Warda bij -het brood had gelegd, om hem genoegen te doen. Zijn gemoed schoot vol en -in zijne goedige oude oogen welden tranen van dankbaarheid voor zooveel -liefde. Hij hief zijn hoofd weder op en daarbij viel zijn blik op de -lijkentafel. Onwillekeurig vroeg hij zich af, hoe hij te moede zou -zijn geweest, indien daar in plaats van den profeet zonder hart, zijne -kleindochter, de zonneschijn van zijn ouden dag, roerloos had gelegen. -Een kille huivering voer door al zijne leden, en hij meende dat hij den -arts, die haar leven had behouden, zelfs voor den prijs van zijn eigen -hart niet te duur betaald zou hebben. En toch -- hij had in zijn -langdurig leven zooveel leed en smaad ondervonden, dat hij de hoop op -een beter lot aan gene zijde des grafs niet opgeven kon. Daarop greep -hij naar de verklaring, die Nebsecht voor hem had opgesteld, hield haar -met beide handen in de hoogte, als wilde hij haar aan de hemelsche goden -toonen, en tot de goden der onderwereld bad hij, inzonderheid tot de -rechters in de zaal der waarheid en gerechtigheid, dat zij hem toch -niet mochten toerekenen, wat hij voor anderen, niet voor zichzelven -had misdreven, en dat zij Roeï, hoewel van zijn hart beroofd, de -rechtvaardiging niet mochten onthouden. - -Terwijl zijne ziel aldus in overpeinzing en gebed was verzonken, kwam er -beweging voor de deur van het ontledingsgebouw. Het was hem als hoorde -hij zijn naam uitspreken, en terwijl hij scherper begon te luisteren, -kwam een Taricheut binnen, die beval hem te volgen. - -Voor de van harslucht en andere welriekende geuren geheel vervulde zaal, -waarin de eigenlijke balseming plaats had, stonden vele Taricheuten -zeker voorwerp opmerkzaam te beschouwen, dat in eene albasten schaal -lag. De knieën van den oude begonnen te knikken, toen hij het dierenhart -herkende, dat hij bij de overige inwendige lichaamsdeelen van den -profeet Roeï gelegd had. - -De overste der Taricheuten vroeg hem, of hij den gestorven profeet had -behandeld. - -Pinem stamelde een toestemmend antwoord. - -Of dit dan het hart van Roeï was? - -De oude knikte bevestigend. - -De Taricheuten sloegen verder geen acht op hem. Na een oogenblik onder -elkander gefluisterd te hebben, verwijderde zich een hunner, om weldra -terug te keeren met den overste der offerpriesters uit den Amon-tempel -in Thebe, dien hij nog in het wevershuis had aangetroffen, en den -overste aller Kolchyten. - -»Laat mij dat hart zien," zeide de overste der offerpriesters, terwijl -hij bij de Taricheuten kwam. »Ik kan in het donker wel onderscheiden of -gij goed hebt gezien. Dagelijks onderzoek ik wel honderd dierenharten. -Geeft hier! -- Bij alle goden van hemel en onderwereld, dit is het hart -van een ram." - -»En het werd in de borst van Roeï gevonden," luidde de stellige -verzekering van een der Taricheuten. »Gisteren werd hij in onze -tegenwoordigheid door dezen ouden Paraschiet geopend." - -»Zonderling!" zeide de Amon-priester, »en ongelooflijk! Maar misschien -heeft er eene onwillekeurige verwisseling plaats gehad. Hebt gij ook -hierboven ergens geslacht, en...." - -»Wij reinigen ons," viel de overste Kolchyt den offerpriester in de -rede, »voor het feest van het dal, en sedert tien dagen is bij ons -geen dier tot spijziging geslacht. Bovendien liggen de stallen en -slachthuizen ver van hier, aan gene zijde van de weverijen." - -»Vreemd!" herhaalde de priester. »Bewaar dit hart zeer zorgvuldig, -Kolchyt! Of nog beter: Laat het in eene bus doen. Wij zullen het naar -den eersten profeet van Amon brengen. Het schijnt inderdaad, dat hier -een wonder is geschied." - -»Het hart behoort in de Nekropolis," bracht de overste Kolchyt hiertegen -in, »weshalve het geschikter zou zijn, als wij het aan den eersten -profeet van het Seti-huis, den grooten Ameni ter hand stelden." - -»Gij hebt hier te bevelen," was het antwoord van den ander. »Laat ons -dan heengaan!" - -Weinige oogenblikken later werden de offerpriester en de overste Kolchyt -in hunne draagstoelen het dal ingedragen, op den voet gevolgd door een -Taricheut, gezeten op een stoel, die tusschen twee ezels hing. Deze -laatste hield een elpenbeenen kastje, waarin het hamelhart lag, zeer -behoedzaam in zijne armen. - -De oude Paraschiet Pinem zag de priesters achter een tamarindenboschje -verdwijnen. Hoe gaarne was hij hen achterna geijld en had hij alles -bekend. Want zijn geweten kwelde hem, deed hem allerlei pijnigende -verwijten en noemde hem een bedrieger. Ofschoon zijn geest te traag was, -om op eens al de gevolgen van zijn daad te overzien, zoo begon hij toch -wel eenigermate te vermoeden, dat hij een zaad had uitgestrooid, waaruit -allerlei misleidingen konden geboren worden. Het was hem alsof hij -geheel tot leugen en ongerechtigheid was vervallen, als keerde de godin -der waarheid, die hij levenslang had gediend, hem verwijtend den rug -toe. Na het gebeurde kon hij toch nimmer hopen door de doodenrechters -zalig gesproken te zullen worden, als »een die der waarheid getuigenis -gaf[214]." Verloren, verspeeld was het doel van een lang leven, zoo -rijk aan gebeden en ontberingen! Zijne ziel weende bloedige tranen, het -suisde zoo hevig in zijne ooren, dat zijne zinnen verbijsterd werden. -Toen hij weder aan den arbeid wilde beginnen en de voetzolen van een -lijk afnemen[215], beefde zijne handen zoo hevig, dat hij niet in staat -was het mes te gebruiken. - - [214] Zie boven blz. 170. - - [215] Czermak ontdekte bij zijn onderzoek van twee mummiën te - Praag, dat men de voetzolen bij eene had afgesneden en in de - borst gestoken. Het 125e hoofdstuk van het Doodenboek behelst - eene plaats, waaruit is af te leiden dat dit geschiedde, opdat - de voet van hem die voor Osiris moest verschijnen den gewijden - bodem van de gerechtzaal niet zou verontreinigen. De - mededeelingen van Czermak, waarop reeds hierboven is gewezen, - worden gevonden in de =Sitzungsberichten= der klasse van wis- - en natuurkunde van de keizerl. koninklijke Academie van - wetenschappen te Weenen, 1852. - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - - -De treurmare van de jammerlijke wijze, waarop de ram van Amon was -omgekomen, alsmede dat de Apis-stier van Memphis was gestorven, had ook -reeds het Seti-huis bereikt. Zij was daar met weeklachten ontvangen, -waarin al zijne bewoners, van den eersten Horoscoop tot den kleinsten -knaap in de laagste schoolklasse instemden. Het hoofd der inrichting, -Ameni, bevond zich sedert drie dagen te Thebe, en werd eerst heden -teruggewacht. Met onrust en bezorgdheid werd zijn komst door velen -tegemoet gezien. De eerste der Horoscopen brandde van verlangen, hem de -weder opgevangen leerlingen ter bestraffing over te geven, en Pentaoer -zoowel als Bent-Anat bij hem aan te klagen. De ingewijden wisten, dat -aan gene zijde van den Nijl zeer gewichtige dingen verhandeld waren, en -de losgebroken jongelingen, dat er een streng gericht over hen gehouden -zou worden. - -De oproerige bende was op water en brood in een open hof opgesloten. -Daar de gewone gevangenkamer der inrichting voor allen te klein was, -hadden zij nu twee nachten in een schuur op dunne stroomatten moeten -slapen. De jeugdige gemoederen waren zeer in spanning, maar wat er in -hun omging uitte zich bij den een anders dan bij den ander. Bent-Anat's -broeder, de zoon van Ramses, Rameri, had zich dezelfde behandeling als -zijne makkers moeten laten welgevallen. Gisteren hadden zij met hem een -weinig den spot gedreven, en zich daarbij nog veel overmoediger getoond, -dan zij gewoonlijk waren, doch heden lieten zij het hoofd hangen. De -jonge Anana, Pentaoer's geliefdste leerling, zat in een hoek van den hof -met de ellebogen op de knieën, en verborg zijn aangezicht in zijne -handen. - -»Wij hebben deze streek nu eenmaal begaan," zeide Rameri, terwijl hij -naar Anana toeging en zijne hand op diens schouder legde, »en wij -moeten goedschiks of kwaadschiks de gevolgen ervan dragen. Maar schaamt -ge u niet, oude jongen! Uwe oogen zijn vochtig en de druppels hier op -uwe handen komen zeker niet uit de wolken. Dat heet een zeventienjarige, -en wil binnen weinige maanden een schrijver, een volwassen man zijn!" - -Anana zag tot den koningszoon op, veegde snel zijne tranen weg en zeide: -»Ik was uw aanvoerder. Ameni zal mij uit deze inrichting bannen, en dan -moet ik met schande tot mijne arme moeder terugkeeren, die in de wereld -niets anders heeft behalve mij." - -»Arme kerel!" sprak Rameri deelnemend. »Het is ook om uit je vel te -springen! En wanneer onze streek Pentaoer ten minste nog maar gebaat -had!" - -»We hebben hem kwaad berokkend," hernam Anana levendig, »en als -onzinnigen gehandeld." - -Rameri knikte toestemmend, zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich, -en sprak toen: »Weet ge wel, Anana, dat gij eigenlijk onzen aanvoerder -niet geweest zijt? In dit hoofd is het dolzinnige plan opgekomen, en -gij hebt het mij slechts helpen uitvoeren. Ik neem alles voor mijne -rekening. Ik ben de zoon van Ramses, en Ameni zal zachter met mij -handelen dan met ulieden!" - -»Hij zal ons in het verhoor nemen," zeide Anana, »en liever laat ik mij -straffen, dan dat ik liegen zou." - -Rameri kreeg eene kleur en riep: »Hebt ge mijne tong ooit hooren -zondigen tegen de lichtdochter van Ra? Heidaar! Antef, Hapi, Sent en gij -overigen, geeft antwoord! Heb ik ulieden opgehitst of niet? Wie anders -dan ik heeft u aangeraden Pentaoer te gaan opzoeken? Heb ik gedreigd, -dat ik mijn vader zou verzoeken mij uit het Seti-huis te nemen, of niet? -Heb ik u niet aangezet om hetzelfde te doen? Ja of neen? -- Daar hebt -gij 't! Ziet ge wel, Anana, ik ben de ontwerper van deze streek; ik ben -de raddraaier, en als wij ondervraagd worden, laat ge mij het eerst -spreken. Niemand mag den naam van Anana noemen, niemand, hoort ge! Al -slaan ze ulieden met stokken en al laten ze ons honger lijden, wij -blijven er bij, dat ik van al het gebeurde oorzaak ben?" - -»Gij zijt een brave jongen," zeide de zoon van den eersten profeet van -Amon in Thebe, en drukte daarbij Rameri's rechterhand, terwijl Anana -zijn linker schudde. - -De prins maakte lachend zijne handen uit die zijner vrienden los, -zeggende: »Laat nu den oude maar komen, we zijn er op voorbereid. Maar -ik blijf er bij: ik vraag mijn vader zoo waarachtig als ik Rameri heet, -mij naar Chennoe te zenden, als zij Pentaoer niet terugroepen." - -»Hij heeft ons als schooljongens behandeld," zeide de grootste onder de -jeugdige misdadigers. - -»En met recht," antwoordde Rameri. »Ik acht hem daarom te hooger. Gij -ziet mij aan voor een lichtzinnigen knaap; doch ik heb mijne eigene -gedachten en zal u mijne wijsheid doen kennen." - -Bij deze woorden zag hij zijne makkers aan met komischen ernst en -vervolgde, terwijl hij de stem van Ameni nabootste: »De groote mensch -onderscheidt zich hierdoor van den kleine, dat hij hetgeen zijn -ijdelheid streelt, en hem voor het oogenblik wenschelijk, zelfs nuttig -schijnt, versmaadt en onopgemerkt voorbijgaat, wanneer het niet is -overeen te brengen met door hem erkende wetten, en met een of ander -verheven doel, dat hij zich ter bereiking heeft voorgesteld, maar -misschien eerst na zijn dood kan worden verwezenlijkt. -- Deze wijsheid -heb ik deels uit den mond mijns vaders opgevangen, deels zelfs bedacht, -en nu vraag ik u: kon Pentaoer, als die grootere mensch, ons beter -behandelen?" - -»Gij spreekt uit," zeide Anana, »wat mijn hart mij reeds sedert gisteren -zeide. Wij hebben gehandeld als kleine kinderen, en in plaats van onzen -wil door te zetten, ons zelven en Pentaoer kwaad gedaan." - -Men hoorde het ratelen van een naderenden wagen. Rameri viel Anana in -de rede en riep: »Daar is hij! Moed, jongens! Ik ben de schuldige. Hij -durft mij niet met den stok te laten slaan, maar hij zal mij met zijne -oogen wel raken!" - -Ameni stapte haastig van zijn wagen. De portier deelde hem mede, dat de -eerste Kolchyt en de overste der offerpriesters van den Amon-tempel te -Thebe hem verlangden te spreken. - -»Zij kunnen wachten," antwoordde de profeet kortaf. »Breng ze voorloopig -in de tuinzaal. Waar is de eerste der Horoscopen?" - -Hij had nog niet uitgesproken, toen de grijsaard naar wien hij vroeg hem -rustig te gemoet kwam, om hem op de hoogte te brengen van alles wat er -in zijne afwezigheid was geschied. Doch de offerpriester had in Thebe -reeds alles vernomen, wat de oude man hem verlangde mede te deelen. - -Ameni liet zich, zoo vaak hij het Seti-huis verliet, elken morgen -getrouw berichten wat er zich had voorgedaan. Toen nu de Horoscoop met -zijn verslag begon, brak hij diens hartstochtelijke aanklacht af met te -zeggen: »Ik weet alles! De leerlingen hangen Pentaoer aan en hebben om -zijnentwil eene dwaasheid begaan, en gij hebt de prinses Bent-Anat bij -hem ontmoet in den Hatasoe-tempel, tot welken hij eene geringe vrouw -toegang verleende, zonder dat zij vooraf gereinigd was. Dat zijne erge -dingen, die ernstig behandeld moeten worden, maar niet heden. Wees -dus gerust! Pentaoer zal zijn straf niet ontgaan. Toch zullen wij hem -terstond naar het Seti-huis terug moeten ontbieden, want wij kunnen hem -morgen niet missen bij het feest van het dal. Voordat hij veroordeeld -is, mag niemand hem onvriendelijk bejegenen, dat verzoek ik u dringend, -en ik draag u op dit ook aan de anderen te zeggen." - -De Horoscoop beproefde Ameni te doen gevoelen, welk een ergernis zulk -eene ontijdige toegevendheid zou veroorzaken. Maar de offerpriester -liet hem niet uitspreken; hij eischte zijn ring van hem terug, riep -een jeugdig priester, wien hij het kostbaar kleinood overhandigde, met -den last om onverwijld zijn wagen te bestijgen, die nog aan de poort -wachtte, ten einde Pentaoer in zijn naam te bevelen in het Seti-huis -terug te keeren. - -Hoewel innerlijk teleurgesteld, schikte de Horoscoop zich naar den wil -van den offerpriester en vroeg alleen: »Zullen nu de misdadige knapen -ook ongestraft blijven?" - -»Zoo min als Pentaoer," antwoordde Ameni. »Doch hoe kunt gij dezen -jongensstreek eene misdaad noemen? Laat jongens toch vroolijk zijn en -overmoedig! Een opvoeder die zijne oogen altijd openhoudt en ze niet ter -rechter tijd weet te sluiten, zal hen zeker bederven. Alvorens het leven -de toewijding aan ernstige plichten van ons vordert, hebben wij te -beschikken over een verbazenden overvloed van krachten. Het kind wendt -ze aan bij zijn spel, de knaap als hij met den hamer en den beitel van -zijne fantasie luchtkasteelen bouwt en dwaasheden begaat. -- Gij schudt -het hoofd, Septah; ik zeg u echter: een dolzinnige jongensstreek is -de voorbode van mannelijke daden! Ik zal een van de knapen voor het -gebeurde laten boeten, en ook dezen zou ik zonder straf vrijlaten, -indien er niet bijzondere redenen waren, waarom ik hem van ons feest -verwijderd wil houden." - -Septah weersprak zijn meester niet, want hij wist dat, als Ameni de -oogen zoo driftig opsloeg, en zijne anders zoo afgemetene bewegingen zoo -ernstig waren als heden, er iets gewichtigs op til was. - -De offerpriester, bespeurende wat er in den Horoscoop omging, zeide: -»Thans verstaat gij mij niet, maar heden avond zult gij in de -vergadering der ingewijden alles vernemen. Er zijn belangrijke dingen -aan de orde. De priesters in den Amon-tempel aan den anderen oever, -worden afvallig van hetgeen ons allen die witte kleederen dragen, het -heiligste moest zijn. Zij zullen ons tegenhouden, als de tijd tot -handelen gekomen is. Bij het feest van het dal zullen wij tegenover onze -ambtgenooten van de overzijde staan. Geheel Thebe zal het feest komen -vieren en het zal er op aankomen te toonen, wie de godheid waardiger -weet te dienen, zij of wij. Wij zullen al onze krachten hebben in te -spannen, en Pentaoer kunnen wij het minst van allen missen. Hij moet -morgen als Cherheb[216] optreden, morgen alleen; overmorgen stellen -wij hem voor onze rechtbank. Onder die ongehoorzame jongens zijn onze -beste zangers, is ook de jonge Anana, die de stemmen leidt van het -jongelingskoor. Ik zal die onbezonnen knapen terstond in het verhoor -nemen. De zoon van Ramses, Rameri, was mede onder deze weerspannigen -niet waar?" - - [216] Feestredenaar. Wij kunnen ons niet vereenigen met hen, die - den naam van dezen redenaar, onder de priesters, met dien der - Kolchyten overeen willen brengen. - -»Hij schijnt een der raddraaiers geweest te zijn," antwoordde de -Horoscoop. - -Ameni zag den oude aan met een lachje, waarin een diepe zin lag, en -zeide: »De naaste bloedverwanten des konings bedekken zich met eer! Zijn -oudste dochter moet, als eene verontreinigde en weerspannige, op verren -afstand worden gehouden van de vromen in den tempel, en wij zullen wel -genoodzaakt zijn, zijn zoon uit deze inrichting te verbannen. Gij ziet -mij zoo verbaasd aan? Maar ik heb u zooeven reeds gezegd: de tijd om te -handelen is gekomen. Doch hierover heden avond! Thans nog eene vraag. Is -de mare van den dood van den heiligen ram van Amon tot u gekomen? Ja? -Ramses zelf schonk het dier aan de godheid, en ze hadden het zijn naam -gegeven. Een slecht voorteeken!" - -»Ook de Apis is gestorven," zeide de Horoscoop, en hief klagend zijne -armen omhoog. - -»Zijne goddelijke ziel keerde tot de godheid terug," antwoordde Ameni. -»Wij hebben nu veel te doen, voor alles te toonen, dat wij de priesters -van de overzijde staan kunnen, en Thebe voor ons te winnen. De -panegyrie, die wij tegen morgen in gereedheid brengen, moet alles wat -men tot hiertoe gezien heeft overtreffen. De stadhouder Ani schonk mij -rijke bijdragen, en...." - -»En," viel de Horoscoop hem in de rede, »onze wonderdoeners kunnen vrij -wat beter dingen voor den dag brengen, dan die van het Amon-huis, die -zitten te slempen, als wij ons oefenen." - -Ameni knikte toestemmend, en zeide lachend: »Wij zijn voor het volk -ook onontbeerlijker dan zij. De priesters van de overzijde besturen -de levenden, maar wij effenen den doodsweg, en in het licht kan men -gemakkelijker zonder gids wandelen dan in de duisternis. Wij zijn tegen -de priesters van Amon wel opgewassen." - -»Zoolang gij ons aanvoert, zeker!" riep de Horoscoop. - -»En zoolang het dit huis niet aan mannen ontbreekt van uw geest," -voegde Ameni er bij. Hij richtte zich daarbij half tot den Horoscoop, -half tot den tweeden profeet van het Seti-huis, den ouden maar -krachtigen Gagaboe, die juist was binnengetreden. Beiden geleidden den -offerpriester in den tuin, waar de twee priesters met het wonderhart op -hem stonden te wachten. - -Ameni groette den overste der offerpriesters van het Amon-huis met -waardige vriendelijkheid, den eerste der Kolchyten echter met zekere -voorname terughouding. Hij liet zich door hen van alles bericht geven, -beschouwde met den Horoscoop en Gagaboe het hart in 't kastje, nam het -angstvallig tusschen zijne lange dunne vingers, bekeek met aandacht het -orgaan, dat met specerijen verzadigd, een aangenamen geur rondom zich -verspreidde, en zeide ernstig: »Als dit, gelijk gij beweert, Kolchyt, -geen menschenhart, maar zooals gij, mijn broeder uit het Amon-huis, -verzekert, het hart van een ram is, dat gevonden werd in de borst van -den Osiris Roeï, dan staan wij hier voor een raadsel, dat de godheid -alleen kan oplossen. Volgt mij in het groote voorhof! Laat het bekken -slaan, Gagaboe, viermaal, want ik wensch alle tempelbewoners saam te -roepen." - -In krachtige golvingen verbreidde zich het geluid van den tamtam tot aan -de uiterste deelen van de uitgestrekte groep gebouwen. De ingewijden, -de heilige vaders, tempeldienaars en scholieren stroomden in weinige -oogenblikken samen. Niemand behalve een enkele kranke, ontbrak, want -ieder bewoner van het huis was verplicht op de viermaal herhaalde -roepstem, die maar zelden werd gehoord, in het eerste groote tempelhof -te verschijnen. Ook de arts Nebsecht was gekomen, want hij vreesde toen -hij den ongewonen vierden slag vernam, dat er brand was uitgebroken. - -Zoodra allen waren bijeengekomen, beval Ameni, dat zij zich in rangorde -zouden scharen. Hij deelde zijnen verbaasden hoorders mede, dat er in de -borst van den gestorven vromen overste van den Hatasoe-tempel, het hart -van een ram en niet dat van een mensch was gevonden, en verlangde dat -zij hem volgen zouden. Hij gebood allen op de knieën neder te zinken en -te bidden, terwijl hij in het Allerheiligste zou gaan, om de goden te -vragen, wat dit wonder voor hunne getrouwen te beteekenen had. Hij -ging, met het hart in de hand, aan het hoofd van den langen optocht en -verdween achter het voorhangsel van het allerheiligste. De ingewijden -baden in de door zes zuilen gedragen voorzaal, de overige priesters en -leerlingen in het ruime hof, dat aan de westzijde door den majestueusen -zuilengang met het poortgebouw werd afgesloten. - -Ameni bleef wel een uur in het stille binnenste heiligdom, waaruit -dichte wierookwolken naar buiten drongen. Eindelijk vertoonde hij zich -weder, brengenden eene gouden met edelgesteenten bezette vaas. Het rijke -gewaad van den opperpriester bekleedde thans zijne hooge gestalte. Een -priester, die voor hem uitging, hield de vaas met beide handen zoo hoog, -dat zij verre boven zijn hoofd uitstak. Ameni's oogen schenen zich niet -van dit kostbaar voorwerp te kunnen afwenden, en hij volgde het, op zijn -kromstaf leunende, in deemoedige houding. De ingewijden bogen hunne -voorhoofden tot op het steenen plaveisel van de zaal, en de priesters -en scholieren raakten met hunne aangezichten den grond, toen zij hun -trotschen meester zoo deemoedig en eerbiedig zagen naderen. De biddenden -hieven de hoofden eerst op, toen Ameni in het midden van het hof was -gekomen en de trappen van het altaar bestegen had, waarop de vaas -met het hart werd neergezet. Zij luisterden naar de woorden van den -opperpriester, die plechtig, met afgemeten woorden en zoo luide dat -allen het hooren konden, het volgende verkondigde: - -»Zinkt andermaal op uwe knieën neder! Bewondert, aanbidt, en dankt! -De achtbare overste der offerpriesters uit den Amon-tempel te Thebe -heeft zich in zijne kunst niet bedrogen, want het hart van een ram -werd inderdaad gevonden in de vrome borst van onzen Roeï. In het -allerheiligste heb ik duidelijk de stem der godheid vernomen, en -wonderbare woorden drongen door tot mijn oor. Wolven verscheurden den -heiligen ram van Amon in zijn heiligdom aan den anderen oever van den -stroom; maar het hart van het goddelijk dier vond zijn weg naar de borst -van den vromen Roeï. Een groot wonder is er geschied, en de goden geven -ons een zeldzaam teeken te aanschouwen. De ziel van den Allerhoogste -gevoelde zich niet te huis in het lichaam van den niet volmaakt heiligen -ram, en zij zocht en vond een reiner verblijf in de borst van onzen -achtenswaardigen Roeï, en in deze gewijde vaas. Het hart zal daarin -bewaard blijven, tot een nieuwe ram, door eene waardige hand geschonken, -in het perk van Amon heeft plaats genomen. Dit hart wordt onder de -heiligste reliquieën gerekend; het bezit de kracht velerlei krankheden -te genezen. Ook schijnt de voorspellende spreuk, die in wierookdamp -stond geschreven, gunstig te zijn. Hoort haar van woord tot woord: 'Wat -hoog is, stijgt hooger, en wat zich verhoogde zal weldra nederstorten.' -Op, Pastophoren! IJlt naar de heilige beelden, draagt ze naar buiten, -plaats het goddelijke hart aan het hoofd der processie, en laat ons -onder lofgezangen rondom den tempel trekken. Gij, Neokoren, neemt uwe -staven ter hand en gaat in alle deelen der stad het groote wonder -verkondigen, waarmede de godheid ons heeft begenadigd!" - -Nadat de processie een tempelomgang gedaan en zich ontbonden had, nam -de overste der offerpriesters van Ameni afscheid, boog zich voor hem -diep en volgens de voorgeschreven vormen, en zeide met bijkans vijandige -koelte: »Wij zullen in den Amon-tempel weten te waardeeren, wat gij in -het Allerheiligste hebt gehoord. Het wonder is geschied; ook de koning -zal vernemen, hoe het beloop er van is geweest en met welke woorden gij -het hebt aangekondigd." - -»Met de woorden van den Allerhoogste!" antwoordde de opperpriester -met waardigheid, boog zich voor den ander en wendde zich tot eenige -priesters, die elkander over de groote gebeurtenis van dezen dag -onderhielden. Ameni deed eenige vragen betreffende het groote feest -dat morgen gevierd zal worden, en liet toen den overste der Horoscopen -roepen, terwijl hij beval de oproerige kweekelingen naar den schoolhof -te brengen. De grijsaard berichtte, dat Pentaoer teruggekeerd was en -volgde het hoofd der inrichting naar de bevrijde gevangenen. Deze waren -op het ergste voorbereid en hielden zich overtuigd, dat zij zwaar -gestraft zouden worden. Intusschen schudden zij van lachen, toen prins -Rameri voorstelde, als zij soms veroordeeld mochten worden op erwten te -knielen, deze eerst te laten koken. - -»Er zijn niet alleen erwten, maar ook lange asperges"[217], zeide een -ander scholier, daarbij eene beweging makende alsof hij sloeg, en op -zijn rug wijzende. - - [217] Deze waren in Egypte bekend. Volgens Plinius namen zij - wijn, waarin asperges waren afgekookt, als middel tegen tandpijn - in den mond. - -Wederom barstten zij in schaterend lachen uit, dat echter verstomde, -zoodra de welbekende stap van Ameni zich hooren liet. Ieder vreesde het -ergste, en toen de opperpriester voor hen stond, was zelfs Rameri de -lust om te lachen geheel vergaan. Wel is waar zag hij hen niet verstoord -of dreigend aan, maar reeds zijn persoon dwong allen zulk een eerbied -af, dat ieder, ook zonder dat hij nog een woord sprak, in hem zijn -rechter erkende, tegen wiens uitspraak geen verzet denkbaar was. Tot -hunne verbazing sprak Ameni de onbedachtzame jongelingen vriendelijk -toe, hij prees den beweeggrond van hetgeen zij gedaan hadden, hunne -gehechtheid aan een hoogbegaafden leermeester, maar bracht hun daarna -duidelijk en bedaard aan het verstand, door welke dwaze middelen en -tegen welken prijs zij getracht hadden hun doel te bereiken. »Stel u -eens voor," zeide hij meer bepaald tot den prins, »dat uw hooggeëerde -vader een generaal verplaatste, die naar zijn oordeel hem elders beter -zou kunnen dienen, van Syrië naar Koesch bij voorbeeld, en dat zijne -troepen daarom tot den vijand wilden overloopen! Hoe zou u dat -bevallen?" - -In dezer voege ging de opperpriester eenige oogenblikken berispend en -vermanend voort. Hij besloot zijne toespraak met de verzekering, dat hij -heden buitengewoon toegevend wilde zijn, om het groote wonder, dat aan -dezen dag eene bijzondere wijding gaf. Hij mocht, naar hij zeide, ter -wille van het slechte voorbeeld, geene volkomene vrijstelling van straf -geven, en daarom vroeg hijzelf, wie hen tot deze daad had opgezet. Deze -en deze alleen moest de straf lijden. - -Nauwelijks had hij uitgesproken, of prins Rameri trad op den voorgrond -en zeide met bescheidenheid: »Wij zien nu in, heilige vader, dat wij een -dommen streek hebben begaan, en ik betreur dien dubbel, omdat ik hem heb -verzonnen en de anderen heb verleid mij te volgen. Ik heb Pentaoer innig -lief, en na u is er niemand in het Seti-huis, die hem nabij komt." - -Er kwam eene wolk op het gelaat van Ameni, en onwillig antwoordde hij: -»Scholieren staat het niet vrij over hunne leermeesters te oordeelen, -ook u niet. Waart gij niet de zoon des konings, die als Ra over Egypte -heerscht, zoo zou ik uwe onbezonnenheid met slagen doen straffen. -Tegenover u zijn de handen mij gebonden, en toch moet ik ze overal en -te ieder ure kunnen uitstrekken, opdat de honderden die mij zijn -toevertrouwd geen schade lijden." - -»Straf mij dan!" riep Rameri. »Als ik eene dwaasheid bega, ben ik ook -bereid er de gevolgen van te dragen." - -Ameni zag den levendigen jongeling weder met welgevallen aan, en zou hem -gaarne de hand geschud en zijn kroeskop gestreeld hebben. Maar de straf -Rameri toegedacht, moest een groot doel helpen bevorderen, en Ameni -kende ook aan geene opwelling van zijn gemoed het recht toe, hem in de -uitvoering van een wél overwogen plan te verhinderen. Daarom antwoordde -hij den prins met strengen ernst: »Ik moet en zal u straffen, en doe het -met u te verzoeken nog heden het Seti-huis te verlaten." - -De prins verbleekte; Ameni ging echter vergoelijkend voort: - -»Ik verjaag u niet met schande uit ons midden, maar zeg u vriendelijk -vaarwel. Binnen weinige weken zoudt gij deze inrichting toch verlaten, -en overeenkomstig het bevel des konings, wiens leven, heil en kracht -bloeie! het oefeningskamp der wagenstrijders betrokken hebben. Ik heb -ten uwen opzichte over geene andere straf te beschikken dan deze. -Reik mij nu de hand. Gij zult een degelijk man en misschien een groot -krijgsheld worden." - -Overbluft bleef Rameri tegenover Ameni staan, zonder zijne hem -aangebodene rechterhand aan te nemen. Toen naderde de priester hem en -zeide: »Gij zeidet mij, dat gij bereid waart de gevolgen uwer dwaasheid -op u te nemen, en het woord van een koningszoon is onwankelbaar. Vóor -zonsondergang geleiden wij u uit den tempel." - -De opperpriester keerde daarop den kweekelingen den rug toe en verliet -den schoolhof. Rameri zag hem na. Zijn anders zoo frisch gelaat was -doodelijk bleek geworden, en het bloed scheen uit zijne lippen -verdwenen. Geen zijner makkers durfde hem naderen, want ieder hunner -was overtuigd, dat de gedachten die 's jongelings ziel vervulden, niet -lichtvaardig mochten worden verstoord. Niemand sprak een woord, maar -allen zagen op hem. - -Zoodra Rameri dit bespeurde, trachtte hij zich te beheerschen en zeide -op een toon, die zijne aandoeningen verried, terwijl hij Anana en een -anderen vriend zijne handen toestak: »Ben ik dan zoo slecht, dat men mij -aldus uit uw midden verstooten en mijn vader zulk een leed berokkenen -moet?" - -»Gij hebt Ameni uw hand geweigerd," zeide Anana. »Ga heen, reik hem de -uwe, smeek hem, dat hij wat minder streng zij, mogelijk laat hij u dan -nog in deze inrichting." - -Rameri antwoordde enkel »neen!" Maar dat =neen= klonk zoo bepaald, dat -allen die hem kenden wel wisten, dat er niets aan te veranderen was. - -Eer de zon onderging verliet hij de school. Ameni zegende hem, zeggende, -dat de prins, als hij zelf te bevelen zou hebben, zijne strengheid zou -begrijpen. Aan de overige leerlingen was het vergund hem tot aan den -Nijl te begeleiden. Pentaoer nam hartelijk afscheid van hem aan de -tempelpoort. - -Toen Rameri met zijn hofmeester alleen was in de kajuit van zijne -vergulde bark, gevoelde hij dat zijne oogen zwommen in tranen. - -»Mijn prins weent toch niet?" vroeg de beambte. - -»Waarom?" gaf de koningszoon barsch ten antwoord. - -»Ik meende op de wangen van mijn prins tranen te hebben opgemerkt," -hernam de ander. - -»Tranen van vreugde, omdat ik uit den val ben," riep Rameri sprong aan -land en was weinige minuten later in het paleis der pharao's bij zijne -zuster Bent-Anat. - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - - -Deze dag, zoo rijk aan gebeurtenissen, zou niet alleen vele onverwachte -dingen brengen aan de bewoners van de doodenstad, maar ook aan onze -bekenden in Thebe. - -Vrouwe Katoeti was na een slapeloozen nacht vroeg opgestaan. Nefert was -laat te huis gekomen, had zich over haar lang uitblijven verontschuldigd -en hare moeder kortelijk medegedeeld, hoe Bent-Anat haar geruimen tijd -had opgehouden. Vriendelijk was zij heengegaan, nadat Katoeti haar een -nachtkus op het voorhoofd had gedrukt. Toen de weduwe zich in haar -slaapvertrek wilde terugtrekken en Nemoe de pit van hare lamp aanstak, -kwam haar het geheim weder in de gedachte, dat Paäker geheel in de -handen van den stadhouder zou overleveren. Zij beval den dwerg haar mede -te deelen wat hij wist, en de kleine vertelde haar eindelijk, hoewel met -ongeveinsden tegenzin, want hij was bang voor zijne moeder, dat de gids -zijne meesteres Nefert de helft van een liefdedrank had aangeboden, -waarvan de andere helft vermoedelijk nog in zijn bezit was. - -Weinige uren geleden zou dit bericht Katoeti met weerzin, ja, met -ontzetting hebben vervuld. Thans keurde zij de daad van den Mohar ook -wel af, maar zij vroeg toch met belangstelling, of zulk een drank -werkelijk eenige uitwerking kon hebben. - -»Zeker wel," antwoordde de dwerg, »wanneer de geheele inhoud van het -fleschje wordt gebruikt; doch Nefert kreeg maar de helft te drinken." - -Laat in den avond begaf Katoeti zich naar haar slaapvertrek, geheel -vervuld met de gedachte aan Paäker's waanzinnige liefde, Mena's -trouwbreuk en de groote verandering, die er met Nefert had plaats -gegrepen. Toen zij op haar rustbed lag, werd zij gekweld door duizend -angsten, vermoedens en vreezen. Niet het minst verontrustte haar, dat -een gevoel, hetwelk tegen elken aanval bestand moest zijn, de liefde van -het kind voor hare moeder, bij Nefert zoo geweldig was geschokt. -Dadelijk na zonsopgang begaf zij zich naar de huiskapel, offerde daar -aan het in de gestalte van Osiris bewerkte beeld van haar gestorven -echtgenoot, reed naar den tempel en bracht daar een poos in het gebed -door. Bij haar terugkomst vond zij hare dochter echter nog niet in de -openbare galerij, die wij kennen en waar zij gewoon was haar ontbijt te -gebruiken. - -Katoeti bleef in het morgenuur gaarne ongestoord, en daarom verzette -zij zich niet tegen de neiging harer dochter, die gaarne nog wat in de -kunstmatige duisternis van haar vertrek bleef slapen, als de zon reeds -aan den hemel was. Wanneer de weduwe naar den tempel reed, dronk Nefert -gewoonlijk op haar bed eene schaal melk, waarna zij zich liet kleeden. -Keerde hare moeder terug, dan vond zij haar in de ons welbekende -veranda. Heden nu moest Katoeti alleen ontbijten. Toen zij een weinig -had gegeten, bedekte zij Nefert's ontbijt, bestaande uit een tarwekoek -en wat wijn in een zilveren bekertje, zorgvuldig met een dunnen doek -tegen stof en insecten, waarop zij zich naar het slaapvertrek harer -dochter begaf. Zij schrikte toen zij dit ledig vond, maar weldra vernam -zij, dat Nefert zich veel vroeger dan andere dagen naar den tempel had -laten dragen. - -Zij haalde vrijer adem, toen zij in de veranda terugkwam, om haar neef -Paäker te ontvangen, die inmiddels gekomen was om naar de gezondheid -zijner betrekkingen te vernemen. Hij liet zich twee prachtige -bloemruikers[218] door een slaaf nadragen, en had den grooten hond bij -zich, die reeds aan zijn vader had behoord. Den eenen ruiker, zeide hij, -had hij voor Nefert, den anderen voor hare moeder laten snijden. Katoeti -stelde nog te meer belang in Paäker, sedert zij wist, dat hij zich van -den liefdedrank had bediend. Maar zelden liet een jongeling uit den -stand waartoe hij behoorde, zich zoo door hartstochtelijke liefde -voor eene vrouw beheerschen als deze man, die met taai geduld en -vaste wilskracht op zijn doel afging, en geen middel ontzag om het te -bereiken. De gids, die onder hare oogen was opgegroeid, wiens zwakheden -zij kende en op wien zij gewoon was neer te zien, stond daar opeens voor -haar als een ander vreemd mensch, een redder voor zijne vrienden, een -onbarmhartig tegenstander van zijne vijanden. - - [218] De voorstellingen op de gedenkteekenen leeren ons, dat - reeds in het oude Egypte, evenals bij ons, bloemruikers als - teeken van vriendschap werden gegeven. - -Maar enkele oogenblikken hadden deze gedachten haar bezig gehouden, toen -zij haar oog op de ineengedrongen gestalte van haar sterk gespierden -neef liet rusten, en het trof haar dat hij uiterlijk zoo weinig geleek -op zijn vader, die slank en schoon gebouwd was. Dikwijls had zij de -fijne handen van haar overleden zwager bewonderd, die toch ook den greep -van het zwaard zoo vast wisten te omklemmen; maar de handen van zijn -zoon waren breed en lomp. Terwijl Paäker vertelde, dat hij weldra zou -opbreken om naar Syrië te vertrekken, volgde zij onwillekeurig de -beweging van zijne hand, die telkens naar den gordel greep, als had hij -daar een zeker iets te verbergen. Dat zeker iets was niets anders dan -het langwerpige albasten fleschje met den liefdedrank. Katoeti bemerkte -het, en hare wangen verbleekten; want zij begon te vermoeden wat het -inhield. - -Den gids kon de ontroering van zijne nicht niet ontgaan, en daarom -zeide hij deelnemend: »Ik kan het u aanzien, dat gij lijdt. De opzichter -van Mena's stoeterij in Hermonthis is zeker bij u geweest. -- Niet? -Gisteren kwam hij mij vragen, of ik hem wilde vergunnen zich bij mijne -troepenafdeeling aan te sluiten. Hij is boos op u, omdat hij enkele -spannen van Mena's geelvossen heeft moeten afgeven. Het schoonste heb -ik gekocht. Prachtige beesten! Nu wil hij naar zijn meester, om hem de -oogen te openen, zoo als hij zegt. -- Ga toch zitten, nicht; gij zijt -zoo bleek!" - -Katoeti voldeed echter volstrekt niet aan dit verzoek; integendeel, -zij glimlachte en zeide half onwillig half medelijdend: »Die oude gek -gelooft waarlijk, dat ons wel en wee aan die geelvossen hangt. Zult gij -hem medenemen? -- Hij wil Mena's oogen openen? Maar niemand heeft ze hem -nog doen sluiten!" - -De laatste woorden werden zachter door haar uitgesproken, terwijl -zij hare oogen nedersloeg. Ook Paäker zag vóor zich en zweeg. Weldra -herstelde hij zich echter en zeide: »Als Nefert nog lang uitblijft, dan -ga ik heen." - -»Neen, neen! Blijf!" sprak de weduwe haastig. »Zij verlangt u te zien en -kan ieder oogenblik terugkomen. Zie, daar staat haar broodkoek en haar -wijn nog onaangeroerd." - -Bij deze woorden nam zij het doekje van de onbijttafel, hief het -zilveren bekertje even op en vervolgde toen, het doekje in de hand -houdende: »Ik moet u een oogenblik alleen laten, om te onderzoeken of -zij misschien niet reeds terug is." - -Nauwelijks had zij de veranda verlaten, of Paäker, na zich overtuigd -te hebben dat hij door niemand gezien kon worden, greep driftig -het fleschje uit zijn gordel, hield het onder aanroeping van zijn -Osirischen vader in de hoogte, en goot het ledig in het bekertje, dat -nu boordevol was. - -Een oogenblik later verscheen Nefert, en onmiddellijk achter haar -Katoeti, in de veranda. Paäker greep naar den ruiker, dien zijn slaaf op -een stoel had gelegd, en naderde met aarzelende schreden de jonge vrouw, -die heden met zulk een vasten stap vooruittrad en zoo helder en fier de -oogen opsloeg, dat zelfs hare moeder haar met verbazing aanzag. Paäker -zeide tot zichzelven, dat hij haar nog nooit zoo schoon en levenslustig -had gezien. Kon zij haar echtgenoot wel liefhebben, wanneer zij zich -diens trouwbreuk zoo weinig aantrok? Behoorde haar hart nu aan een -ander? Zou de liefdedrank hem werkelijk in Mena's plaats hebben gesteld? -Ja waarlijk! want hoe begroette zij hem! Reeds van verre reikte zij -hem de hand, en liet haar lang in de zijne rusten. Zij dankte hem in -hartelijke woorden en prees zijne trouw en grootmoedigheid. Daarna ging -zij naar de ontbijttafel, verzocht Paäker zich bij haar neder te zetten, -brak haar koek door en vroeg belangstellend naar hare tante Setchem, -zijne moeder. - -Katoeti zoowel als Paäker volgden met een kloppend hart elke harer -bewegingen. Nu greep zij naar den beker, bracht dien aan de lippen, maar -zette hem terstond weder neder, toen de Mohar opmerkte, dat zij haar -ontbijt zoo laat gebruikte. Want terwijl een blosje hare wangen kleurde, -antwoordde zij: »Tot hiertoe was ik recht lui, maar heden ben ik vroeg -opgestaan, om nog in de morgenkoelte naar den tempel te gaan en te -bidden. Gij weet zeker, wat er met den heiligen ram van Amon gebeurd is. -Een vreeselijk ongeluk! De priesters waren geweldig ontsteld. Doch de -edele Bek-en-Choensoe ontving mij en verklaarde mijn droom, en nu gevoel -ik mij verlicht en recht vroolijk gestemd." - -»En dat alles zonder mij?" vroeg Katoeti, op zacht verwijtenden toon. - -»Ik wilde u niet storen," antwoordde Nefert. »En 's morgens," voegde zij -er bij, op nieuw blozende, »neemt ge mij toch nooit mede naar de stad en -den tempel." - -Wederom greep zij naar het bekertje, bekeek den wijn en zeide, zonder -nog te drinken: »Wilt gij hooren wat ik gedroomd heb, Paäker? Het was -een wonderbaar gezicht!" - -De gids verkeerde in zulk eene spanning, dat hij bijna geen adem durfde -halen. Toch verzocht hij haar te willen vertellen. - -»Verbeeld u," begon Nefert, en zij schoof het bekertje op het gladde -voetje, dat reeds bevochtigd was door eenige overgestorte droppels, -heen en weer. »Verbeeld u, Paäker, ik droomde van den Neha-boom[219] -daarginds in die groote kuip, die uw vader voor mij, toen ik nog een -kind was, uit Poent heeft medegebracht, en die sedert zoo heerlijk is -opgegroeid. Geen boom in den tuin is mij zoo lief als deze, want hij -herinnert mij altijd aan uw onvergetelijken vader, die zooveel van mij -hield." - - [219] Wierookboom. Zie boven, bl. 220. - -Paäker knikte toestemmend. - -Nefert zag hem aan, brak haar verhaal af en zeide, toen zij zag dat -zijne wangen gloeiden: »Het wordt heet. Wilt gij ook een dronk wijn of -water?" - -Terwijl zij dit zeide, nam zijzelve het bekertje op en dronk het half -leeg. Eene rilling voer haar door de leden, en terwijl zij haar schoon -gelaat tot een komisch lachje plooide, keerde zij zich om naar Katoeti, -die achter haar stoel stond, en reikte haar den beker toe, zeggende: -»Heden is de wijn toch wat al te zuur. Proef maar eens, moeder!" - -De weduwe nam het zilveren bekertje in de hand, en bracht het werkelijk -aan hare lippen, zonder die echter te bevochtigen. Toen zij den beker -van den mond nam, zweefde er een lachje over haar gezicht, terwijl zij -hare oogen richtte op den gids, die haar verschrikt aanstaarde. -Bliksemsnel schoot de gedachte door haar brein: »Ik smachtend verliefd -op hem, en hij vol angst voor zulk eene neiging!" -- Hoe zelfzuchtig -hare ziel ook was, hoe vol listen en lagen, zij was niet ruw, en -toch had zij hartelijk in lachen kunnen uitbarsten, terwijl zij de -schandelijkste daad haars levens beging. In goede luim gaf zij Nefert -den wijn terug, en zeide: »Ik heb dien wel eens zoeter gedronken, maar -de zure verfrischt meer in de hitte." - -»Dat is ook waar," antwoordde de vrouw van Mena, ledigde den beker tot -den bodem, en zeide, alsof het haar verkwikt had: »Nu wil ik ook mijn -droom ten einde vertellen. Ik zag dan den Neha-boom, het geschenk uws -vaders, fraai en duidelijk voor mij staan. Ja, ik meen zelfs zijn geur -te hebben opgevangen, ofschoon de droomuitlegger zeide, dat dit niet -mogelijk was, daar men in den droom niet ruiken kan. Vol bewondering -naderde ik de schoone plant. Daar vertoonden zich opeens wel honderd -bijlen in de lucht, en hieuwen, als door onzichtbare handen gedreven, op -den armen boom zoo duchtig in, dat de eene tak voor, de andere na, en -eindelijk ook de boom op den grond viel. Als gij nu meent, dat mij -dit verontrustte, dan bedriegt ge u. Ik schepte veeleer vermaak in de -blinkende bijlen en vliegende spaanders. Toen er eindelijk niets meer -over was om te vernielen, behalve de wortel in de aarde, besloot ik den -boom tot een nieuw leven te wekken. Mijne zwakke armen werden plotseling -buitengemeen sterk, mijne voeten uitermate vlug. Ik haalde veel water -uit den vijver en goot het op de wortels. Toen ik eindelijk van -inspanning niet langer kon, vertoonde zich een zacht groen, ter plaatse -waar de boom was afgehakt. Een knopje kwam te voorschijn, een groen -blaadje wikkelde er zich uit los, een saprijk stengeltje schoot in een -oogwenk naar boven, verhardde zich tot een stam, die zijne takken en -twijgjes begon uit te spreiden, waaraan groene blaadjes wiesen en witte, -roode en blauwe bloesems. Toen kwamen vele schoon gevederde vogels -aangevlogen; zij zetten zich in de kroon van den boom en begonnen te -zingen. Ach, mijn hart zong bij dit gezicht nog luider dan de vogels, en -ik zeide tot mij zelve: dat die boom zonder mij gestorven zou zijn, en -aan mij zijn leven te danken had." - -»Een schoone droom," zeide Katoeti, »die mij den tijd herinnert, toen -gij nog een jong meisje waart, en halve nachten lang wakker kondt -liggen, terwijl gij allerlei wonderlijke sprookjes bedacht. Welke -verklaring gaf de priester u?" - -»O, hij beloofde mij van alles," zeide Nefert, »en gaf mij de -verzekering, dat het voor mij bestemde geluk, na gewelddadige -stoornissen, eindelijk als het frissche groen zou ontluiken." - -»En Paäker's vader schonk u den Neha-boom?" vroeg Katoeti, terwijl zij -de veranda verliet, en naar buiten trad in den tuin. - -»Mijn vader bracht hem voor u van de oostelijke grenzen naar Thebe," -zeide de gids, de laatste woorden van de weduwe bevestigende. - -»Dat is het juist wat mij zoo hartelijk verheugt," hernam Nefert. »Want -ik had uw vader zoo lief; hij was mij zoo dierbaar, als ware hij mijn -eigen vader geweest. Weet gij nog hoe wij samen den vijver omzeilden, -hoe de boot toen omsloeg, en gij mij bewusteloos uit het water hebt -gedragen? Nooit zal ik den blik vergeten, waarmede de kloeke man mij -aanzag, toen ik in zijne armen weder bijkwam. Zulke verstandige en -trouwhartige oogen als hij, heeft niemand ooit gehad." - -»Hij was goed en had u innig lief," zeide Paäker, insgelijks de ure -gedenkende, waarin hij het voor 't eerst gewaagd had, het schoone -bewustelooze kind een kus op de lippen te drukken. - -»Hoe verheug ik mij," riep Nefert, »dat de dag eindelijk gekomen is, -waarop wij te zamen over hem kunnen spreken; dat de oude boosheid, die -mijn hart zoo bezwaarde, eindelijk vergeten is! Ik heb nu ondervonden, -hoe goed gij zijt! Mijn gemoed schiet vol, wanneer ik mij weder in mijne -kindsheid verplaats en gedenk, hoe ik al het schoone en onvergetelijke -van die jaren aan u en de uwen verschuldigd ben. Zie eens, hoe zich de -hond, de groote Descher, tegen mij aandringt. Hij wil mij toonen, dat -hij mij nog niet vergeten heeft! Al wat uit uw huis komt wekt in mij -zulke vriendelijke herinneringen!" - -»Wij hadden u allen ook zoo lief," zeide Paäker, en zag haar daarbij met -teederheid aan. - -»En wat zag het er mooi uit in uw tuin!" vervolgde Nefert. »Deze -bloemen, die ge mij gebracht hebt, moeten in het water gezet en lang -bewaard worden, als een groet van de plek, waar ik zoo gelukkig en -zorgeloos spelen en droomen kon!" - -Bij deze woorden drukte zij hare lippen op de veelkleurige bloemen. -Doch Paäker stond op, greep hare rechterhand en bedekte haar met vurige -kussen. - -Nefert schrikte, en trok haar hand snel terug. Hij strekte echter zijn -arm uit, om haar, terwijl zij terugweek, te omvatten. Reeds raakte zijne -bevende hand haar slanke middel aan, toen er een luid geroep uit den -tuin werd vernomen. Het was Nemoe, die de galerij binnenvloog om te -berichten, dat de prinses Bent-Anat gekomen was. Op hetzelfde oogenblik -verscheen Katoeti en weinige oogenblikken later de lievelingsdochter van -Ramses. - -Paäker trad terug en nam afscheid, alvorens Nefert tijd had gevonden aan -hare ontroering woorden te geven. Van vreugde dronken bereikte hij zijn -wagen. Hij hield zich zeker overtuigd, dat de vrouw van den wagenmenner -hem liefhad. Zijn hart jubelde en hij nam zich voor, de oude Hekt met -goud te beloonen. Onverwijld reed hij naar het paleis, om den stadhouder -Ani te verzoeken hem naar Syrië te laten trekken. Daar zou het gelden: -hem of Mena!..... - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - - -Terwijl Nefert daar van verontwaardiging als aan den grond genageld -stond, zoodat zij geene woorden kon vinden om hare vorstelijke vriendin -te begroeten, maakte Bent-Anat met koninklijke waardigheid aan de weduwe -haar besluit kenbaar om aan hare dochter de eereplaats op te dragen, die -door den dood van hare aanzienlijke vriendin was opengevallen. Heden -nog, zoo beval zij, moet de vrouw van Mena in het paleis haar intrek -nemen. - -Zóo had de prinses nog nooit tot Katoeti gesproken, en het kon de weduwe -niet ontgaan, dat Bent-Anat met voordacht thans niet sprak op den ouden -vertrouwelijken toon. »Nefert," zeide zij tot zichzelve, »heeft mij bij -haar aangeklaagd, en zij acht mij voortaan de vriendschap en goedheid, -waarmede zij mij vroeger bejegende, onwaardig." - -Zij gevoelde zich beleedigd en verontrust tevens. Ofschoon zij zich zeer -goed bewust was van de gevaren, waarmede zij bedreigd werd, nu de oogen -van hare dochter geopend waren, werd haar hart toch pijnlijk aangedaan -door de gedachte haar kind te zullen verliezen. De tranen die in haar -oogen welden, en de weemoed die er lag in hare bevende stem, waren -daarom oprecht gemeend, toen zij de prinses antwoordde: »Gij vordert -de betere helft van mijn leven! Doch gij hebt te bevelen en ik te -gehoorzamen." - -Bent-Anat gaf trotsch een wenk met de rechterhand, als om te bevestigen -wat de weduwe had gezegd. Maar Nefert vloog naar hare moeder toe, sloeg -de armen om haar hals en weende lang aan haar boezem. Ook in de oogen -van de prinses parelden tranen, toen Katoeti eindelijk hare dochter tot -haar leidde en nog een laatsten hartelijken kus op haar schoon voorhoofd -drukte. Bent-Anat vatte Nefert's hand en liet haar niet weder los. Zij -verzocht de weduwe al de kleederen en sieraden harer dochter ter hand te -stellen aan de dienstmaagden en huisslaven, die zij zenden zou. - -»Vergeet toch niet de doos met gedroogde bloemen, en mijn godenbeeldjes -en de amuletten," vroeg Nefert. »Ook den Neha-boom, dien oom mij schonk, -zou ik gaarne hebben." - -Aan hare voeten speelde haar wit katje met den op den grond gevallen -bloemruiker van Paäker. Zoodra zij het beestje opmerkte, nam zij het op -en gaf het een kus. - -»Neem ook dat diertje mede," zeide de prinses. »Gij speeldet er zoo -gaarne mede." - -»Neen," antwoordde Nefert, terwijl zij bloosde. - -De prinses begreep haar, drukte hare hand en vroeg, terwijl zij op Nemoe -wees: »De dwerg is immers ook uw eigendom? Zal hij u volgen?" - -»Ik geef hem mijne moeder ten geschenke," antwoordde Nefert. Daarop liet -zij door den kleine haar kleed en hare voeten kussen, omarmde Katoeti -nog eens en verliet den tuin met hare vorstelijke vriendin. - -Zoodra Katoeti alleen was, ijlde zij naar hare kapel, waarin de beelden -harer voorvaderen stonden, afgezonderd van die van Mena. Half klagend, -half dankend wierp zij zich neder voor het beeld van haar gestorven -echtgenoot. De scheiding was haar zeker moeilijk gevallen, en het gemis -harer dochter vervulde haar hart met smart, doch het verloste haar -tevens van een zwaren last, die als een berg hare borst beklemde. Sedert -gisteren was zij te moede geweest als een wandelaar, die zijne schreden -richt langs de helling van een diepen afgrond, terwijl zijn vijand hem -op de hielen volgt. Weldra kreeg het gevoel van verlost te zijn van -hetgeen haar bedreigde de overhand, en onderdrukte hare moedersmart. Het -was alsof de afgronden waren aangevuld, als lag daar voor haren voet een -effen weg, dien zij slechts te bewandelen had, om het laatste doel van -haar streven te bereiken. - -De weduwe, die anders zoo statig daarheen ging, doorliep nu haastig en -in heftige beweging de paden van den tuin, toen zij uit de kapel was -teruggekeerd. Voor de eerste maal, sedert die ongeluksbode kwam uit het -leger te velde, gelukte het haar den stand der zaken duidelijk en klaar -te overzien, en na te denken over de maatregelen, die Ani in de naaste -toekomst nemen moest. Het slot van hare overwegingen was, dat alles goed -stond, en dat het tijdstip gekomen was, om snel en kloek te handelen. - -Toen de boden van de prinses verschenen, was zij kalm en bestuurde zij -met overleg het inpakken van alle voorwerpen, die Nefert had verlangd -mede te nemen. Zoodra dit was afgeloopen, zond zij den dwerg tot Ani met -het verzoek, dat hij haar spoedig mocht bezoeken. Doch eer Nemoe nog -het erf van Mena verlaten had, zag hij reeds de voorloopers van den -stadhouder, en daarop zijn wagen, omgeven door de trawanten, die gewoon -waren hem te volgen. Weinige oogenblikken later wandelde Katoeti met -haar vorstelijken vriend in den tuin op en neder, vertelde hem dat -Bent-Anat hare dochter had medegenomen, en herhaalde alles, wat zij in -de laatste uren overwogen en vastgesteld had. - -»Gij hebt met mannelijke kloekheid alles overlegd," zeide Ani, »en -ditmaal zult gij mij niet tevergeefs aanzetten. Ameni is bereid te -handelen en Paäker verzamelt reeds zijne strijdbare lieden. Hij wil -morgen nog het feest van het dal bijwonen, en overmorgen trekt hij naar -Syrië." - -»Is hij dan bij u geweest?" vroeg Katoeti. - -»Uit uw huis kwam hij regelrecht naar het paleis," antwoordde Ani. -»Zijne wangen gloeiden. Hij is tot het uiterste besloten, hoewel hij nog -niet vermoedt, dat ik hem in mijne macht heb." - -Zoo voortpratende kwamen zij aan de veranda, waar Nemoe zich had -opgehouden, die zich nu om te luisteren achter de bladplanten had -verborgen. Zij zetten zich naast elkander neer aan Nefert's -ontbijttafel. Ani vroeg zijne vriendin, of Nemoe haar het geheim zijner -moeder had toevertrouwd. Katoeti hield zich van alles onkundig, en -speelde de rol eener door schrik en ontzetting aangegrepene moeder zoo -bijzonder goed, toen zij de geschiedenis van den liefdedrank vernam, dat -de stadhouder haar tot kalmte moest brengen door te verzekeren, dat de -werking van zulke dranken maar eene inbeelding was. - -»Nu versta, nu begrijp ik mijne dochter eerst," zeide Katoeti echter. -»Paäker moet den drank in haren wijn hebben gegoten, want zoodra Nefert -heden morgen haar beker geledigd had, was zij als veranderd. Zij -richtte tot Paäker de teederste woorden, en wanneer hij straks zich -zoo blijmoedig ter uwer beschikking heeft gesteld, dan deed hij dit -ongetwijfeld, omdat hij zeker meent te zijn van de liefde mijner -dochter. De artsenij van de oude tooveres heeft waarlijk gewerkt!" - -»Mogelijk zijn er toch wel zulke dranken," zeide Ani nadenkend. »Maar -zij zullen alleen de harten van jonge mannen kunnen doen winnen. Is -dit het geval, dan maakt die oude slechte zaken, want de jeugd is op -zichzelve wel in staat door hare betoovering liefde te wekken. Ja, als -ik nog zoo jong was als Paäker! -- Gij lacht om deze mijne verzuchting? -Laat ik het maar uitspreken: ik ben een zuchtend oud man! Ja, waarlijk, -een oud man, want de middag mijns levens ligt reeds achter mij. En -toch, Katoeti, vriendin, verstandigste der vrouwen, verklaar mij dit -eene! Toen ik jong was, werd ik zeer geliefd. Ik heb ook vele vrouwen -liefgehad, maar ik beschouwde ze allen als speelgoed; zelfs mijne vroeg -gestorvene gade maakte hierop geene uitzondering. En thans steek ik -mijne hand uit naar eene jonkvrouw, wier vader ik zou kunnen zijn, niet -om mij in haar bezit te verheugen, maar om haar dienstbaar te maken aan -mijne plannen. En nu zij mij versmaadt, gevoel ik mij zoo verontrust, -zoo zwaar als... ja, het verschilt niet veel of ik gelijk Paäker, die -een liefdedrank kocht." - -»Hebt gij met Bent-Anat gesproken?" vroeg de weduwe. - -»Ik was zoo onnoozel," antwoordde Ani, »om de prinses hare afwijzing, -die zij mij door u had laten overbrengen, met eigen mond te doen -herhalen. Gij ziet het, mijn verstand heeft geleden." - -»En onder welke voorwendsels wees zij uw hand af?" vroeg de weduwe. - -»Voorwendsels?" riep Ani. »Bent-Anat en voorwendsels! Dit moet erkend -worden: deze vrouw bezit koninklijken trots en de groote Ma[220] in -eigen persoon is niet waarachtiger dan zij. Ik kom er rond voor uit: -tegenover haar scheen mij alles wat wij in het schild voeren al zeer -erbarmelijk! In mijne aderen vloeien nu eenmaal vele droppels van -Thotmes' bloed, en ofschoon het leven mij geleerd heeft den rug te -krommen, zoo doet mij het bukken toch pijn. Het blijmoedig gevoel van -tevredenheid met mijn toestand en met al mijne handelingen heb ik nooit -gekend, want ik was altijd meer dan ik zijn mocht en deed minder dan -ik had moeten doen. Om niet ten alle tijde een droefgeestig gezicht te -zetten, lachte ik maar altijd. Mijn gelaat is met niets anders bedekt -dan met de huid, waarmede mijne moeder mij ter wereld bracht, en toch -draag ik altijd een masker. Ik dien hem, wiens heer ik meen te zijn, -krachtens mijne geboorte. Ik haat Ramses, die mij, al of niet oprecht -gemeend, zijn broeder noemt, en terwijl ik mij voordoe als bevestigde -ik den grondslag zijner heerschappij, ben ik ijverig bezig om dien te -ondermijnen. Mijn geheele bestaan is een leugen!" - - [220] De godin der waarheid. - -»Maar het zal waarheid worden," sprak Katoeti, »zoodra de goden u -vergunnen te worden wat gij zijt, de echte koning van het land." - -»Zonderling," zeide de stadhouder glimlachend. »De opperpriester -Ameni bediende zich heden bijna van dezelfde woorden. De slimheid van -priesters en vrouwen heeft veel overeenkomst; gij strijdt dan ook -met gelijksoortige wapenen. In plaats van zwaarden bedient gij u van -woorden, in plaats van lansen gebruikt gij strikken, die gij ons niet om -het lichaam maar om de ziel werpt." - -»Wilt gij ons hiermede berispen of prijzen?" vroeg de weduwe. »In elk -geval zijn wij niet onmachtig, en daarom bruikbare bondgenooten, zou ik -meenen." - -»Dat zijt gij," zeide Ani, wederom lachend. »Er vloeit toch in dit land -geen traan, hetzij uit smart hetzij uit vreugde geweend, waarvan niet -ten slotte een priester of eene vrouw de oorzaak is. In ernst, Katoeti, -van tien groote gebeurtenissen hebt gij vrouwen in negen de hand in het -spel. Gij zijt de aanleiding tot alles wat er thans wordt voorbereid. Ik -wil u oprecht belijden, dat ik voor weinige uren, niettegenstaande ons -laatste succes, mijne aanspraken op den troon zou hebben laten varen, -indien de jonkvrouw Bent-Anat in plaats van =neen=, ja had gezegd." - -»Gij wilt mij wijs maken," hernam Katoeti, »dat het zwakker geslacht met -een krachtiger wil is begaafd dan het sterkere. Gij noemt ons dan in het -huwelijk ook: 'de meesteressen van het huis,' en wanneer de ouders der -burgers zwak worden, dan is het hier te lande de gewoonte, dat niet de -zonen maar de dochters hen onderhouden. Maar wij vrouwen hebben ook onze -zwakheden, en daaronder in de eerste plaats de nieuwsgierigheid. Mag ik -vragen op welke gronden Bent-Anat u afwees?" - -»Gij weet zoo veel," antwoordde Ani, »dat gij alles wel moogt weten. Zij -vergunde mij dan haar alleen te spreken. Het was nog vroeg en zij kwam -juist uit den tempel, waar haar de oude en zwakke eerste profeet de -reinheid teruggegeven had. In al hare jeugdige frischheid, schoon en -fier trad zij mij te gemoet, sterk en gezond als eene godin en vorstin. -Mij klopte het hart in den boezem, alsof ik nog een jongeling was, en -terwijl zij mij hare bloemen toonde, zeide ik tot mij zelven: Gij zijt -gekomen om door haar een nieuw recht op den troon te winnen, maar stemt -zij er in toe de uwe te worden, dan wil ik Ramses' trouwe broeder en -stadhouder zijn, rust en geluk genieten aan hare zij en door haar, eer -het te laat is. Wijst zij mij af, dan moge het noodlot worden vervuld; -dan kies ik in plaats van liefde en vrede, de worsteling om de kroon, -die aan mijn huis werd ontroofd. -- Ik begon met mijn aanzoek, maar zij -nam mij het woord uit den mond, noemde mij een edel man, een waardig -minnaar..." - -»Doch nu kwam het =maar=," viel Katoeti in de rede. - -»Het kwam," hernam Ani bevestigend, »en wel in den vorm van een -openhartig =neen=! Ik vroeg naar de gronden dezer weigering. Zij bad, -dat ik mij met dit 'neen' tevreden zou stellen. Toen begon ik met meer -kracht aan te dringen, tot zij mij in de rede viel, en op trotschen -vastbesloten toon erkende, dat zij aan een ander boven mij de voorkeur -gaf. Ik wenschte den naam van dien gelukkige te weten. Zij weigerde dien -te noemen. Toen eerst begon mijn bloed te koken, mijn verlangen naar -haar nog grooter te worden. Toch moest ik haar verlaten, afgewezen -zonder hoop, en met een nieuw brandend gif in het hart." - -»Gij zijt ijverzuchtig," zeide Katoeti. »En weet gij op wien?" - -»Neen," antwoordde Ani. »Maar ik hoop het door u te weten te komen. Wat -hier in mijn binnenste woelt, weet ik geen naam te geven. Eén ding -echter weet ik, en dat is, dat ik weifelde toen ik het paleis betrad, -maar dat ik vast besloten was toen ik het verliet. Ik storm nu -voorwaarts, om niet meer op mijne schreden terug te kunnen keeren. Van -nu aan zult ge mij niet meer behoeven voort te drijven, maar veeleer -tegen te houden. Als hadden de goden mij willen toonen, dat zij genegen -zijn mij bij te staan, vond ik bij mijne tehuiskomst den opperpriester -Ameni en den gids Paäker op mij wachten. Ameni zal voor mij in Egypte, -Paäker in Syrië handelen. Mijne zegevierend uit Ethiopië teruggekeerde -troepen, trekken morgen vroeg in triumf Thebe binnen, als had de koning -aan hun hoofd gevochten. Zij zullen ook deelnemen aan het feest van -het dal. Later zenden wij ze in het noorderland, en leggen ze in -de vestingen, die Egypte tegen de uit het oosten komende vijanden -beschermen[221], Tanis, Pelusium, Daphne, en Migdol. Ramses verlangt, -zooals gij weet, dat de onderhoorigen van de priesters geoefend, en hem -als hulptroepen nagezonden zullen worden. Welnu, ik zend hem de helft -der lijfeigenen, de andere helft zal mij dienen bij de uitvoering mijner -plannen. De bezetting van Memphis, die Ramses geheel is toegedaan, wordt -naar Nubië gezonden, en vervangen door troepen die op mijne hand zijn. -Het volk van Thebe laat zich door de priesters leiden, en morgen zal -Ameni het toonen, wie zijn ware koning is, wie aan den krijg een einde -maken en de burgers van hunne drukkende lasten bevrijden zal. Zij zullen -zien wie den goden welgevalliger is: de laatste nakomeling van het oude -koningshuis of een uitwas van het nieuwe. De kinderen van Ramses zullen -van het feest worden uitgesloten, want, ondanks hetgeen de eerste -profeet van Amon in Thebe gezegd heeft, verklaart Ameni de prinses -Bent-Anat voor onrein. De jonge Rameri heeft een misdrijf begaan, en -Ameni, die nog andere grootere dingen in den zin heeft, zal hem uit het -Seti-huis verbannen. Dat werkt op de menigte. Hoe de zaken in Syrië -staan, weet gij. Ramses heeft veel te lijden van de Cheta en de met hen -verbonden volken. De soldaten zijn bij duizenden te tellen, die dat -eeuwigdurende in 't veld liggen moede zijn, en als het er op aankomt, -zullen zij ons aanhangen. Misschien zullen wij overwinnen, zonder dat -het tot eene worsteling komt, ten minste wanneer Paäker zijn plicht -doet. Thans is vóor alles noodig met spoed te handelen." - - [221] Over de vestinglinie, die Egypte moest verdedigen tegen - de invallen der Aziaten, is breedvoerig gehandeld in mijn boek: - =Aegypten und die Bücher Mose=. Bd. II, s, 78 ff. - -»Ik herken den wikkenden en wegenden, den altijd behoedzamen talmer niet -meer," zeide Katoeti. - -»Omdat voorzichtig overleg thans onvoorzichtigheid zou zijn," antwoordde -Ani. - -»En wanneer nu de koning eens te vroeg bericht kreeg van alles wat hier -omgaat?" vroeg Katoeti. - -»Ik zeide het u reeds," hernam Ani. »Wij hebben onze rollen verwisseld." - -»Gij dwaalt," antwoordde de weduwe. »Ik dring ook thans op handelen aan. -Maar ik mag u toch wel herinneren aan een maatregel van voorzorg, die -volstrekt dient genomen te worden. Uwe brieven alleen en geene andere -mogen in de eerste weken het leger bereiken." - -»Ook hierin stemt gij met den priester overeen," zeide de stadhouder -lachend, »want Ameni heeft mij denzelfden raad gegeven. Alle brieven, -die de vestinglinie tusschen Pelusium en de Schelfzee willen passeeren, -zullen worden aangehouden. Mijn schrijven alleen, waarin ik klagen wil -over roovers uit de woestijn, die onze boden overvallen, mag den koning -in handen komen." - -»Wijs gehandeld!" zeide de weduwe. »Laat ook de havens van de Schelfzee -bewaken en toezicht houden op de schrijvers. Wanneer gij koning zijt, -zult gij weten wie hunner u wel, en wie u kwalijk gezind was." - -Ani schudde ontkennend het hoofd en zeide, in antwoord op deze laatste -opmerking: »Dat zou mij in groote moeielijkheden brengen, want wilde ik -hen, die thans hun koning aanhangen, bestraffen en de anderen verheffen, -zoo zou ik de trouwe dienaars moeten verstooten en met de ontrouwe -regeeren. Gij behoeft niet te blozen, mijne vriendin, want wij zijn van -éenen bloede, en uw belang is ook het mijne." - -Katoeti greep de haar toegestoken hand en zeide: »Dat is zoo. Ook -verlang ik geen ander loon, dan het huis mijner vaderen op nieuw te zien -oprichten." - -»Misschien zal het gelukken," hernam Ani, »maar voor hoe korten tijd, -wanneer niet -- wanneer niet.... Denk eens na, Katoeti, tracht eens uit -te vorschen, waartoe gij de hulp van uwe dochter kunt inroepen. -- Wie -is hij toch dien zij -- Gij weet wien ik bedoel. -- Wien heeft Bent-Anat -lief?" - -De weduwe verschrikte, want met eene heftigheid, die geheel in strijd -was met zijne gewone hoffelijkheid, had Ani de laatste woorden -uitgeroepen. Maar spoedig plooide haar gelaat zich weder tot een -glimlach, terwijl zij voor den stadhouder de weinige jonge edelen -optelde, die den koning niet in het leger gevolgd maar te Thebe gebleven -waren. »Zou het haar broeder Chamoes zijn?" vroeg zij eindelijk. »Deze -is wel-is-waar in het leger; intusschen...." - -Op dit oogenblik liep Nemoe, wien geen woord van het gehouden gesprek -ontgaan was, de open zaal binnen, als kwam hij zoo juist uit den tuin, -en zeide: »Vergeef mij, meesteres, maar ik heb daar wonderlijke dingen -gehoord." - -»Spreek!" zeide Katoeti met een wenk. - -»De edele prinses Bent-Anat, de goddelijke dochter van Ramses, moet -openlijk in eene liefdesbetrekking staan met een priester van het -Seti-huis." - -»Onbeschaamde!" riep Ani, en het was of zijn toornige blik den dwerg -wilde doorboren. »Bewijs wat gij zegt, of ik laat je de tong uit den -mond halen!" - -»Ben ik een lasteraar en verrader van den staat, dan moogt ge mij -volgens de wet de tong laten uitsnijden," zei de kleine onderworpen, -hoewel met een ondeugend lachje. »Maar ditmaal mag ik haar zeker -behouden, want wat ik zeg kan ik bewijzen. Gij weet dat Bent-Anat onrein -is verklaard, omdat zij een uur of langer in het huis van een Paraschiet -vertoefde. Daar had zij eene samenkomst met den priester. Bij eene -tweede in den Hathor-tempel van Hatasoe, werd zij overvallen door -Septah, den eersten Horoscoop van het Seti-huis." - -»Wie is die priester?" vroeg Ani, schijnbaar bedaard. - -»Een man van lage afkomst," antwoordde Nemoe, »dien men kosteloos in het -Seti-huis heeft laten opvoeden, en die zich thans als droomuitlegger -en verzenmaker bekend heeft gemaakt. Hij heet Pentaoer, en men moet -erkennen, dat hij er schoon en deftig uitziet. Hij gelijkt op een haar -den overleden vader van den gids Paäker. -- Hebt gij hem wel eens -gezien, mijn vorst?" - -De stadhouder gaf een teeken van toestemming, fronste zijn voorhoofd en -zag naar den grond. Doch Katoeti vervolgde: - -»Dwaze die ik ben! De dwerg heeft gelijk! Ik zag hoe hare wangen zich -kleurden, toen haar broeder de verzekering gaf, dat alle knapen om -zijnentwil tegen Ameni zouden opstaan. Zeker, zij denkt aan Pentaoer en -aan geen ander." - -»Het is goed," zeide Ani, »wij zullen zien!" - -Met deze woorden nam hij afscheid van de weduwe, die, terwijl hij in den -tuin verdween, in zichzelve prevelde: »Hij was heden zoo beslist en zoo -helder, als ik dat niet van hem gewoon ben. Maar de ijverzucht begint -hem reeds te verblinden en zal hem weldra doen gevoelen, dat hij mijne -scherpe oogen niet missen kan." - -Nemoe was den stadhouder nageloopen. Achter het vijgenboschje riep hij -hem aan en fluisterde snel, terwijl hij zich eerbiedig boog: »Mijne -moeder weet zeer veel, edele heer! De heilige Ibis[222] schroomt niet -het moeras te doorwaden, wanneer zij op buit uitgaat; waarom zoudt gij -ook niet eens goud in het stof gaan zoeken? Ik weet wel hoe ge de oude -ongemerkt spreken kunt." - - [222] De Ibis religiosa, thans uit Egypte verdwenen. Er waren - twee soorten van dit aan Toth geheiligde dier, waarvan men op - vele plaatsen mummiën heeft gevonden. Volgens Aelianus toonde - men in Hermopolis een onsterfelijken Ibis. "De Ibis," zegt - Plutarchus (Isis en Osiris c. 75) "verdelgt de giftige kruipende - dieren, en heeft het eerst getoond, hoe men door middel van - inwendige reiniging kranken kan genezen, daar men zag dat hij - door inspuiting (met den snavel) zichzelf reinigde. De meest - nauwgezette onder de priesters, scheppen het reinigend wijwater - daarwaar de Ibis gedronken heeft, want hij drinkt nooit ongezond - of vergiftigd water, noch zoekt daarin zijn voedsel" enz. - -»Spreek op," bromde Ani. - -»Werp haar voor éen dag in de gevangenis, verhoor haar en laat -haar dan loopen, met een geschenk, als zij u gediend heeft, in het -tegenovergesteld geval met een pak slagen. Maar gij zult iets -onuitsprekelijk gewichtigs vernemen, dat zij zelfs voor mij hardnekkig -verzwijgt." - -»Wij zullen zien," antwoordde de stadhouder, wierp den kleinen man -eenige gouden ringen toe en besteeg zijn wagen. - -In de nabijheid van zijn paleis had zich zulk eene dichte menschenmassa -verzameld, dat de stadhouder een of ander onheil duchtte. Hij beval -zijn wagenmenner de paarden wat in te houden, en eenige soldaten van de -politie, zijne voorloopers te helpen. Doch het scheen dat eene blijde -boodschap hem wachtte, want bij de poort van het slot hoorde hij -duidelijk het gejubel der menigte, en in het voorhof van het paleis vond -hij een gezantschap uit het Seti-huis, dat hem en heel het volk op last -van Ameni het bericht kwam brengen van een groot wonder. Want het hart -van den door wilde dieren verscheurden ram van Amon was teruggevonden -in de borst van den vromen, gestorven profeet Roeï. - -Ani steeg dadelijk van zijn wagen, knielde neder voor het aangezicht der -menigte, die zijn voorbeeld volgde, hief biddend de handen omhoog en -dankte de goden met luider stem. Toen hij na eenige oogenblikken weder -was opgestaan en het paleis was binnengetreden, kwamen eenige slaven -naar buiten, die op last van Ani brood onder de menigte verdeelden. - -»De stadhouder heeft toch eene milde hand," zeide een schrijnwerker uit -Thebe tot eene vrouw, die bij hem stond. »Zie eens hoe wit dit brood is. -Ik steek het bij mij en breng het aan mijne kinderen." - -»Geef mij een stukje," riep een naakte jongen, greep den schrijnwerker -het broodje uit de hand en liep weg, terwijl hij zeer behendig tusschen -de beenen der menschen doorsloop. - -»Krokodillengebroed!" schreeuwde de man, die zijn deel verloren had. »De -onbeschaamdheid dier jongens wordt met den dag erger." - -»Ze zijn hongerig," zeide de vrouw, om den knaap te verontschuldigen. -»Hun vaders zijn te velde en hunne moeders hebben niet anders voor hen -dan papyrus-merg en lotuskorrels"[223]. - - [223] Zie Dl. I, bl. 145. - -»'t Moge hem goed bekomen," zeide de schrijnwerker. »Dringen wij wat -naar de linker zijde. Daar komt een dienaar met nieuwe brooden." - -»De stadhouder moet zich bijzonder verblijden over dit wonder," zeide -een schoenmaker. »Hij spaart er geen geld voor." - -»Er is ook in lang niets dergelijks gebeurd," sprak een mandenmaker, -zich in het gesprek mengende, »en Ani verheugt het zeker uitermate, dat -juist Roeï met dat heilige hart werd begenadigd. -- Gij vraagt waarom? -Domkop, die ge zijt! Hatasoe is Ani's grootmoeder." - -»En Roeï was profeet in den Hatasoe-tempel," zeide de schrijnwerker. - -»De priesters aan de overzijde zijn aanhangers van het oude -koningshuis," verzekerde een bakker. »Dat weet ik." - -»Alsof dat een geheim was!" zeide de schoenmaker. »De oude tijden waren -ook beter dan de tegenwoordige. De krijg verslindt alles, en zeer -fatsoenlijke lieden loopen nu barrevoets, omdat zij het leder niet -betalen kunnen. Met den buit ziet het er ook mager uit sedert het -laatste jaar. Ramses is een groot krijgsheld en een zoon van Ra, maar -wat vermag hij zonder de goden, wien het thans in Thebe niet meer -schijnt te bevallen? Waarom anders zoekt het heilige hart van den ram -zich eene nieuwe woning in de Nekropolis, en wel in de borst van een -aanhanger van het oude...." - -»Houd je mond," waarschuwde de mandenmaker, »daar komt de -politie-wacht." - -»Ik moet ook aan mijn werk," zeide de bakker, »want ik heb voor het -feest van morgen mijne handen vol." - -»Ik ook," zuchtte de schoenmaker, »want wie kan den koning der goden -barrevoets in de Nekropolis volgen?" - -»Gij zult mooi geld verdienen," hernam de mandenmaker. - -»Het zou nog al wat zijn," antwoordde de schoenmaker, »als men beter -hulp had; maar de gezellen zijn allen in den krijg. Men moet zich -behelpen met onhandige jongens. En dan die vrouwen! De mijne heeft zich -voor de processie een nieuw kleed aangeschaft, en voor de kinderen, -zelfs voor de kleine, halsbanden gekocht. Men eert wel gaarne zijne -dooden, en zij vergelden het ons ook dikwijls door hun bijstand, maar -wat die offers mij kosten is niet te zeggen. Nog meer dan de helft van -mijne verdienste gaat daarmee heen." - -»In mijne eerste droefheid over mijne overledene vrouw," zeide de -bakker, »heb ik mij verbonden elke nieuwe maan een kleiner en elk jaar -een grooter offer te brengen. De priesters schelden niets kwijt van -eene gelofte, en de tijden worden steeds slechter. Bovendien is de -afgestorvene mij kwalijk gezind, en even ondankbaar als bij haar leven. -Want verschijnt ze mij in den droom, dan heeft zij geen goed woord voor -mij en kwelt mij als altijd." - -»Zij is thans een lichtende en alwetende geest," zeide de vrouw van den -mandenmaker, »en ge zijt haar zeker ontrouw geweest. De verheerlijkten -weten alles wat op aarde gebeurt en gebeurd is." - -De bakker kreeg toevallig eene hoestbui, doch de schoenmaker riep: »Bij -Anubis, den heer der onderwereld, ik wensch vóor mijn oudje te sterven, -want wanneer zij bij Osiris te weten komt wat ik hier op aarde al -zoo gedaan heb, en zij in staat zal zijn zich in elke gedaante te -veranderen, waarin zij maar wil, dan verschijnt ze mij zeker elken -nacht, om mij als kreeft te knijpen, of als eene zware nachtmerrie mij -te benauwen." - -»Als gij 't eerst sterft," hernam de vrouw, »dan komt zij toch later bij -je in de onderwereld, waar zij je ook zal doorzien." - -»Dat is minder gevaarlijk," sprak de schoenmaker lachend, »want dan ben -ik zelf een verheerlijkte, en ligt ook haar verleden voor mij open. -Dat zal ook wel zoo voortreffelijk niet zijn. En werpt ze mij met den -schoen, dan werp ik haar met de leest." - -»Kom mede naar huis," zeide de mandenmakersvrouw, terwijl zij haar man -met zich voorttrok. »Ge hoort hier niets goeds." - -De omstanders lachten, doch de bakker sprak: »Het is meer dan tijd om -heen te gaan; ik moet in de Nekropolis zijn vóor het donker wordt, en -mijne tafel laten opslaan voor het feest van morgen. Mijne waren staan -dicht bij den smallen ingang van het dal. Breng je kleinen maar bij mij, -schoenmaker, dan zal ik ze wat zoetigheid geven. -- Vaart gij met mij -naar de overzijde?" - -»Mijn jongere broeder," antwoordde de schoenmaker, »is reeds met de -waren aan den overkant. We hebben nog werk voor onze klanten in Thebe, -en nu sta ik hier mijn tijd te verbabbelen! -- Zoudt ge denken dat het -wonderhart van den heiligen ram morgen vertoond zal worden?" - -»Wel zeker," zeide de bakker. »Vaarwel! Daar zijn mijne kisten." - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - - -Tegelijk met den bakker lieten honderde lieden, ondanks het -vergevorderde uur, zich naar de Nekropolis overzetten. Het was hun -geoorloofd daar, onder het oog der veiligheidsbeambten, in den nacht, -die aan het feest voorafging, te vertoeven. Zij toch moesten de tafels -voor hunne handelsartikelen en de schutdaken daarboven in gereedheid -brengen, hunne waren uitstallen en hunne tenten opslaan. Want zoodra de -zon zich den volgenden morgen zou vertoonen, was alle handelsverkeer op -den heiligen stroom verboden, en mochten slechts feestbarken en zulke -booten van Thebe afvaren, die de bedevaartgangers voor de groote -processie, mannen, vrouwen en kinderen, burgers en vreemdelingen naar -gindschen oever hadden over te voeren. - -In de zalen en laboratoriën van het Seti-huis was insgelijks meer -drukte dan gewoonlijk. De heiligverklaring van het wonderhart had de -toebereidselen tot het feest voor korten tijd afgebroken. Thans werden -weder hier de koren geoefend, daar de repetitie gehouden van de -vertooning, die op het heilige meer[224] zou worden uitgevoerd, ginds -de godenbeelden afgestoft en bekleed[225], en de kleuren der heilige -emblemen verfrischt. Sommigen waren bezig met de pantherhuiden en -verdere kleedingstukken van het priesterlijk ornaat te luchten en in -orde te brengen, anderen poetsten de schepters, wierookpannen en overige -koperen gereedschappen, nog anderen tooiden de feestbark op[226], die -bij de processie moest worden rondgedragen. De jongere kweekelingen -vlochten, onder toezicht van de tempelhoveniers, in het heilige bosch -van het Seti-huis guirlanden en kransen, om de landingsplaats, de -sphinxen, den tempel en de godenbeelden te versieren. Aan de met koper -beslagene masten[227] vóor de pylonen werden de vanen geheschen, en -purperkleurige zeilen gespannen over het midden van het groote voorhof, -om straks de brandende zonnestralen te weren. - - [224] Aan elken tempel was een heilig meer verbonden. Herodotus - (II 171) spreekt van de voorstellingen, die op het heilig meer - van Neith te Saïs, bij nacht werden gegeven. "Men noemt ze - mysteriën," zegt hij, "maar ofschoon ik er veel van weet, zwijg - ik daarover uit eerbied." Men stelde er de mythe van Isis, - Osiris en Seth-Typhon voor. -- Vgl. Ebers, =Eene Egyptische - koningsdochter=, B. III. - - [225] De Stolisten moesten de godenbeelden bekleeden, en - bij eenige reliefs worden nog de haken gevonden, waaraan de - kleedingstukken werden bevestigd. Het uit- en aankleeden dier - godenbeelden moest bij de godsdienstoefening volgens eene - vastgestelde orde geschieden. De door A. Mariëtte uitgegeven - opschriften in de zeven sanctuariën van Abydus, zijn voor - deze handelingen, die allen eene bepaalde beteekenis hadden, - bijzonder leerrijk. - - [226] De "Sam-bark" geheeten, volgens de voorstellingen, die - men nog zien kan in de overblijfselen van het Seti-huis, of den - tempel van Qoernah. - - [227] Zie boven bl. 216. - -Richtte men den blik naar eene der nevenpoorten, dan kon men den -opzichter der offergaven opmerken, die reeds nu het vee, het koren en de -vruchten in ontvangst nam. Dit was de schatting, die op het feest van -het dal, door burgers uit alle deelen des lands aan het Seti-huis werd -gebracht. Schrijvers die alles wat werd afgeleverd aanteekenden, -Neokoren die de gaven aannamen, en lijfeigenen, die voor den landbouw -werden gebruikt, stonden den priester bij dit werk ter zijde. - -Ameni was nu eens bij de zangers, dan weder bij de wonderdoeners, die -voor het volk verrassende gedaanteverwisselingen moesten vertoonen. -Pas had hij zijne bevelen gegeven aan de Neokoren, die den troon en de -zetels voor den stadhouder, de gezanten van de andere priestercollegiën -des lands[228] en de profeten van Thebe opsloegen, of hij begaf zich -weder naar de priesters, die de reukwerken in orde brachten, en naar de -dienaars, die de duizende lampen voor den feestnacht gereed maakten -en ophingen. Kortom, hij was overal, hier een woord van goedkeuring -sprekende, daar de tragen wat aanzettende. Toen hij overtuigd was dat -alles goed ging, beval hij een der heilige vaders Pentaoer te roepen. - - [228] De opschriften in den zuilengang aan de oostzijde van - den tempel van Qoernah doen ons zien, dat zelfs uit den Delta, - feestboden naar het Seti-huis werden gezonden. - -De jonge priester had zich, na afscheid genomen te hebben van Rameri, -den uit het Seti-huis verbannen zoon van Ramses, met zijn vriend -Nebsecht in diens studeerkamer teruggetrokken. De arts liep onrustig -tusschen zijne flesschen en kooien op en neer. In koortsachtige spanning -nu eens een bundel planten met den voet wegschoppende, dan weder met -zijn vuist op de tafel slaande, vertelde hij Pentaoer, terwijl zijne -anders stijve ledematen in heftige beweging waren, in welk een toestand -hij zijn studeervertrek bij zijne terugkomst had gevonden. Zijne -lievelingsvogels waren verhongerd; zijne slangen hadden zich weten vrij -te maken; ook zijn aap was, misschien wel uit angst voor de gevaarlijke -dieren, losgebroken. - -»Dat beest, dat monster!" riep hij toornig, »heeft de potten met kevers -omgeworpen, de kist met het meel, dat ik mijne vogels en wormen te eten -geef, opengemaakt en zich daarin rondgewenteld. Het heeft mijne messen, -naalden, tangen, mijne stiften, cirkels en rietpennen het venster -uitgeworpen. Toen ik de kamer inkwam, zat hij zoo wit als een -Ethiopische slaaf die dag en nacht den molen draait, daarboven op de -kast. Hij hield de rol, die mijne aanteekeningen bevat over den bouw van -het dierlijk lichaam, de resultaten van jarenlange studiën, in zijne -voorpooten, en zat er met zijn scheeven kop ernstig in te kijken. Ik wil -hem het geschrift afnemen, ja wel: hij springt met de rol het venster -uit, zet zich neer op den rand van den put, plukt en bijt daar woedend -den papyrus in flarden. Ik spring hem na, maar hij kruipt in den -emmer, trekt aan den ketting, en laat zich, terwijl hij mij spottend -aangrijnst, in den put naar beneden. Ik trek hem naar boven, maar hij -springt met de rest van mijn geschrift er weer in." - -»Is het arme beest verdronken?" vroeg Pentaoer. - -»Ik heb hem met den emmer er weer uitgevischt en in de zon te drogen -gelegd. Maar het hielp niet; hij had ook allerlei artsenijen gedronken -en is heden middag gestorven. Mijne aanteekeningen zijn ook verloren. -Veel heb ik nog overgehouden, maar over het geheel kan ik toch weer -van voren aan beginnen. Gij ziet het, de apen hebben het zoowel als de -wijzen op mijne studiën voorzien. Daar in de lade ligt het beest!" - -Pentaoer had bij het verhaal van zijn vriend eerst gelachen, en toen -zijn verlies betreurd. Thans vroeg hij met eenige bezorgdheid: »Ligt het -dier dáar? Gij vergeet toch niet, dat het in den tempel van Toth bij de -boekerij verpleegd moest worden? Het behoorde tot de heilige soort van -hondskop-apen[229] en alle goede kenteekenen werden er aan gevonden. De -bibliothecaris heeft het u toevertrouwd om zijn ziek oog te genezen." - - [229] De hondskop-apen (cynocephali) waren geheiligd aan - Toth-Hermes, den maangod. Men heeft van dit dier te Thebe en - bij het oude Hermopolis mummiën gevonden. Dikwijls werden er - treffende afbeeldingen gemaakt van zulke hondskop-apen, die met - schijnbaren ernst in een boek verdiept zijn. Ook is er een groot - aantal beelden van dit beest gevonden. In het bibliotheekvertrek - van den Isis-tempel te Philae is op den linkerwand een - relief-beeld van een cynocephalus aangebracht, dat bijzonder - goed is uitgevallen. - -»Nu, dat is weer gezond geworden," antwoordde Nebsecht losweg. - -»Maar zij zullen het lijk ongeschonden van u verlangen, om het te -balsemen," hernam Pentaoer. - -»Zullen zij?" prevelde Nebsecht, en hij zag daarbij zijn vriend aan als -een knaap, van wien men een appel terugvraagt, dien hij sedert lang -heeft opgegeten. - -»Ge hebt zeker weer wat heel fraais uitgevoerd!" riep Pentaoer, met een -vriendelijke bedreiging. - -De arts knikte en zeide: »Ik heb het beest geopend en zijn hart -onderzocht." - -»Gij zijt toch op harten verzot, als waart gij een behaagziek meisje!" -riep de dichter. »Wat is er toch van het menschenhart geworden, dat de -oude Paraschiet u zou bezorgen?" - -Nebsecht vertelde nu zonder terughouding, wat Warda's grootvader voor -hem had gedaan; dat hij het hart van een mensch had onderzocht maar -daarin niets gevonden, wat ook niet in het hart van een dier te vinden -was. »Maar ik moet het zien werken in samenhang met de overige organen -van een mensch," riep hij opgewekt, »en mijn besluit staat vast. Ik -verlaat het Seti-huis, en zal de Kolchyten vragen mij in hun gild op te -nemen. Als het niet anders zijn kan, verricht ik aanvankelijk den dienst -der laagste Paraschieten." - -Pentaoer deed den arts opmerken, welk een slechten ruil hij zou doen, en -zeide eindelijk, toen Nebsecht hem met vuur tegensprak: »Dat opensnijden -van harten keur ik af. Gij zelf zegt dat gij er niets door geleerd hebt. -Keurt gij het goed, schoon, of ook maar nuttig op zichzelf?" - -»Wat geef ik er om," antwoordde Nebsecht, »of dat wat ik onderzoek goed -of slecht, schoon of leelijk, nuttig of ijdel schijnt. Ik wil weten hoe -het is, verder niets!" - -»Alzoo uit bloote nieuwsgierigheid," riep Pentaoer, »wilt gij de -zaligheid van duizenden in gevaar brengen, het ellendigste handwerk bij -de hand nemen, en deze edele werkplaats verlaten, waar wij streven naar -verlichting, naar inwendige loutering en waarheid!" - -De natuuronderzoeker kon een spottend lachje niet bedwingen. - -Maar nu zwollen ook van verontwaardiging de aderen op het voorhoofd van -Pentaoer, en dreigend klonk zijn stem, toen hij, vroeg: »Gelooft gij -waarlijk, dat uwe vingers en oogen de waarheid hebben gevonden, waarnaar -edele geesten sedert duizende jaren zoeken, met inspanning van al hunne -krachten? Met uw onverstandig wroeten in het stof daalt gij af tot den -zinnelijken mensch, en hoe zekerder gij meent de waarheid gegrepen -te hebben, des te meer zijt gij het schandelijk slachtoffer van uwe -ellendige dwaling!" - -»Zoudt gij denken dat, indien ik meende werkelijk de waarheid te -bezitten, ik nog naar haar zoeken zou?" vroeg Nebsecht. »Hoe rijker ik -word in ervaring en in wetenschap, des te dieper gevoel ik, wat er aan -ons kunnen en weten ontbreekt." - -»Dat klinkt zeer bescheiden," hernam de dichter, »doch ik weet maar -al te wel, hoe uw onderzoek u er toe brengt, de waarde er van te -overschatten. Alles wat gij met uwe oogen zien en met uwe vingers tasten -kunt, schijnt u boven allen twijfel verheven, en met een voornaam -glimlachje noemt gij in uw hart alles onwaar, wat met uwe ervaring in -strijd is. Maar uwe ervaringen reiken niet verder dan de zinnelijke -wereld, en gij vergeet dat er dingen zijn, die tot een ander gebied -behooren." - -»Van deze dingen draag ik geen kennis," antwoordde Nebsecht bedaard. - -»Wij ingewijden," vervolgde de dichter, »schenken ook daaraan onze -opmerkzaamheid. Voor eeuwen zijn er onder ons volk reeds vermoedens -uitgesproken over hun wezen en hunne werkzaamheid; ontelbare -geslachten hebben die vermoedens getoetst, goedgekeurd, en ze ons als -geloofsartikelen nagelaten. Al ons weten is gebrekkig: toch vermogen -bevoorrechte profeten een blik in de toekomst te slaan; toch worden aan -vele stervelingen magische krachten verleend. Dat is echter in strijd -met de wetten van de stoffelijke wereld, die gij alleen wilt erkennen, -en laat zich nochtans zoo gemakkelijk verklaren, wanneer wij eene -hoogere orde van zaken aannemen. Gods geest leeft zoowel in ons als in -de natuur. De zinnelijke mensch kan het niet verder brengen dan tot het -alledaagsche weten, maar bij de profeten werkt de goddelijke eigenschap -van het weten onvermengd; zij bezitten de alwetendheid. De wonderdoener -heeft bij de uitvoering van zijne bovennatuurlijke werken niet alleen -over menschelijke krachten te beschikken, maar ook over de geheel -onbeperkte goddelijke kracht, dat is de almacht." - -»Loop heen met uwe profeten en wonderen!" riep de arts. - -»Ik dacht," antwoordde Pentaoer, »dat toch ook de orde in de natuur, die -gij niet loochent, u dagelijks de heerlijkste wonderen doet aanschouwen. -Ja, de Eenige wijkt van tijd tot tijd opzettelijk van de gewone orde -der dingen af, ten einde dat deel van zijn wezen, hetwelk wij onze ziel -noemen, op het verheven geheel te richten, waartoe zij behoort. Heden -weder hebt gij gezien, hoe het hart van den heiligen ram...." - -»Maar man!" viel Nebsecht zijn vriend opeens in de rede. »Het heilige -hart is niet anders dan het armzalige hart van een hamel, dat een -beschonken soldaat voor eene kleine som heeft gekocht van een vetweider, -en dat bij eene onreine op het erf geslacht is. Een gevloekte Paraschiet -stak het in de borst van Roeï en...en." Bij deze woorden trok hij de -lade open, wierp den dooden aap en eenige kleedingstukken op den grond, -en haalde eindelijk een albasten schaaltje te voorschijn, dat hij den -dichter voorhield -- »en de spieren in deze zoutoplossing, dat orgaan -hier, heeft eens in de borst van den profeet Roeï geklopt. Mijn -hamelhart zullen zij morgen in processie ronddragen! -- Ik zou het u wel -dadelijk verteld hebben, indien ik mijzelven niet het stilzwijgen had -opgelegd, terwille van dien ouden man, en dan... Maar man! man, wat -scheelt er aan?" - -Pentaoer had zich van zijn vriend afgewend, bedekte zijn aangezicht met -beide handen, en steunde, als ware hij overvallen door hevige hoofdpijn. - -Nebsecht begon te begrijpen, wat er in den dichter omging. Hij naderde -hem als een kind, hetwelk zijne moeder iets wil afsmeeken, dat het -eigenlijk niet vragen mag. Aarzelend bleef hij achter hem staan, -en waagde het niet hem aan te spreken. Zoo verliepen er eenige -oogenblikken. - -Plotseling verhief Pentaoer zich in zijn volle lengte, strekte de handen -hemelwaarts en riep: »Gij Eenige, al laat gij in den zomernacht ook -sterren van den hemel vallen, zoo houdt toch uwe eeuwige onveranderlijke -wet, in schoone harmonie, de nimmer rustenden[230] in hunne banen. Gij -heldere geest, die de wereld vervult, die u in mij openbaart als ik een -afschuw gevoel van de leugen, werk in mij voort, wanneer ik denk als -Licht, wanneer ik handel als Goedheid, wanneer ik spreek als -Waarheid, -- ja steeds als Waarheid!" - - [230] Zoo worden de planeten genoemd in de heilige teksten. - -De dichter ontboezemde deze woorden uit innige overtuiging. Nebsecht -hoorde ze aan, als waren het de toonen uit een verre schoone wereld. -Liefderijk naderde hij den vriend en bood hem de hand. Pentaoer greep -haar aan, drukte haar stevig en zeide: »Dat was een bange worsteling! -Gij weet niet wat Ameni voor mij geweest is, en nu, nu...." - -Hij had nog niet uitgesproken, toen voetstappen werden gehoord, die de -kamer van den arts naderden. Een jong priester kwam de vrienden roepen, -om terstond te verschijnen in de vergaderzaal der ingewijden. Een -oogenblik later betraden beiden de door lampen helder verlichte zaal, -waar de zitting werd gehouden. Geen van de leidslieden uit het Seti-huis -ontbrak. Ameni zat aan eene langwerpige tafel op een hoogen troon. Aan -zijne rechterhand had Gagaboe, de tweede, aan zijne linker- de derde -profeet des tempels plaats genomen. De hoofden der afzonderlijke -priesterklassen, en onder hen de eerste der Horoscopen, waren insgelijks -aan de tafel gezeten, terwijl de overige priesters, allen in hunne -sneeuwwitte linnen kleederen, zich in een grooten dubbelen halven cirkel -hadden geschaard, in welks midden zich het beeld verhief van de -godin der waarheid en gerechtigheid. Achter Ameni's troon stond de -bontgeschilderde gestalte van Toth met den ibis-kop, den god die de maat -en de orde der dingen bewaarde, die met wijze redenen de goden zoowel -als de menschen raad gaf, en de wetenschappen en kunsten beschermde. In -eene nis aan het uiterste einde van de zaal kon men de trias der goden -van Thebe opmerken, tot wie Ramses I en zijn zoon Seti, de grondvester -dezer inrichting, met offers naderden. De priesters waren streng volgens -hunne waardigheid en den tijd hunner opneming in het mysterie geordend. -Pentaoer zat geheel onderaan. - -Tot hiertoe hadden de eigenlijke beraadslagingen in deze vergadering -nog geen aanvang genomen, want Ameni vroeg slechts, luisterde naar -de antwoorden en gaf bevelen met betrekking tot het feest, dat den -volgenden dag gevierd zou worden. Alles scheen goed te zijn voorbereid -en geordend, zoodat men verwachten mocht, dat de plechtige feestviering -zonder stoornis zou afloopen. De heilige schrijvers klaagden alleen over -de schrale ontvangst van offervee, daar de boeren gebukt gingen onder -zware krijgslasten. Zij betreurden ook, dat aan de processie ditmaal de -elementen zouden ontbreken, die daaraan den grootsten luister plegen bij -te zetten, namelijk de koning en zijne familie. - -Deze laatste omstandigheid wekte het ongenoegen van eenige priesters. -Zij waren van oordeel, dat het zeer bedenkelijk was, de beide kinderen -van Ramses, die in Thebe vertoefden, van de deelneming aan de -feestviering uit te sluiten. - -Toen Ameni dit hoorde, stond hij op. »Wij hebben," zeide hij, »den -knaap Rameri uit dit huis moeten verbannen, en Bent-Anat voor onrein -verklaard. Al hebben de meer toegevende bestuurders van den Amon-tempel -te Thebe haar ook vrijgesproken, zoo mag zij voor rein gehouden worden -aan de overzijde, waar men enkel denkt aan het leven, maar niet hier. -Want op ons rust de taak de zielen op den dood voor te bereiden. De -stadhouder, de kleinzoon van den grooten koning dien men onttroond -heeft, zal bij de processie verschijnen in al den glans van zijn hoogen -rang. Ik zie, mijne vrienden, dat ge u hierover verbaast! Weet voor -heden slechts dit éene. Groote dingen worden voorbereid, en het kan -gebeuren, dat weldra eene nieuwe, lieflijk schijnende zon des vredes zal -opgaan over ons door den krijg verarmd volk. -- Er gebeuren wonderen en -ik aanschouwde in den droom een vrome, die zich gemakkelijk laat leiden, -op den troon van den vertegenwoordiger van Ra op aarde. Hij luisterde -naar onze stem; hij gaf ons wat ons toekomt; hij bracht onze naar -het leger gezondene onderhoorigen op onze akkers terug; hij wierp de -altaren der buitenlandsche goden omver en verjoeg onreine vreemdelingen -van onzen heiligen bodem." - -»Gij zinspeelt op den stadhouder Ani!" riep de eerste der Horoscopen. - -Er ontstond eene levendige beweging in de vergadering. Ameni ging echter -voort: »Misschien was de persoon, dien ik in den droom zag, hem niet -ongelijk. In elk geval is dit zeker: hij had de trekken van den echten -en rechtmatigen afstammeling van Ra, dien Roeï aanhing, in wiens borst -het heilige hart van den ram een toevlucht zocht. Morgen zal dit -onderpand der goddelijke genade den volke getoond worden, en nog -een ander wonder zal het worden kenbaar gemaakt. Hoort en looft de -beschikkingen van den Allerhoogste. Een uur geleden kreeg ik het -bericht, dat onder de kudden van Ani te Hermonthis een nieuwe Apis is -ontdekt, dragende al de heilige teekenen." - -Andermaal ontstond er eene groote beroering onder de luisterende schare. -Ameni liet aan de uitingen van verrassing onder de priesters den vrijen -loop. Eindelijk sprak hij: »Gaan wij thans over tot het afdoen van de -laatste vraag! Aan den priester Pentaoer, hier tegenwoordig, werd het -ambt van feestredenaar opgedragen. Hij heeft zwaar misdreven, doch -ik meen dat wij hem eerst na het feest mogen verhooren, en hem de -vereerende vervulling van dezen plicht niet mogen ontzeggen, gedachtig -aan zijne reine bedoelingen. Deelt gij mijn wensch? Verheft niemand zijn -stem hiertegen? -- Treed dan vooruit, gij jongste van allen, wien deze -heilige vereeniging zulk eene groote taak toevertrouwt!" - -Pentaoer stond op en plaatste zich eerst vóor Ameni, ten einde op diens -verlangen een schets te ontwerpen, in breede en scherpe omtrekken, -van hetgeen hij tot het volk en de aanzienlijken dacht te spreken. De -vergadering, en zelfs zijne tegenstanders, luisterden naar hem met -welgevallen. Ook Ameni prees hem en zeide daarop: »Ik mis maar éen -onderwerp, waarbij gij langer moet stilstaan en dat gij met bijzondere -warmte moet behandelen. Ik bedoel het wonder, dat heden ons zoo -getroffen heeft. Het komt er op aan te toonen, dat de goden het heilige -hart...." - -»Veroorloof mij," viel Pentaoer den opperpriester in de rede, en zag hem -ernstig in zijne doordringende, nog kort geleden door hemzelve bezongene -oogen. »Veroorloof mij u dringend te verzoeken, mij niet tot verkondiger -van het nieuwe wonder te verkiezen." - -Op het gelaat van al de hier verzamelde ingewijden was verbazing te -lezen. Menigeen zag eerst zijne buren, dan den dichter, eindelijk Ameni -vragend aan. De laatste kende Pentaoer en wist dat geen luim van het -oogenblik maar ernstige overwegingen hem hadden moeten doen weigeren. -Was het niet geweest alsof zijne heldere stem aarzelend, ja met tegenzin -de woorden: »het nieuwe wonder" had uitgesproken? Hij twijfelde derhalve -aan de echtheid van het goddelijk teeken! - -De profeet nam Pentaoer bedaard en onderzoekend met zijne oogen op, en -zeide toen: »Gij hebt gelijk, mijn vriend. Alvorens het oordeel over u -is uitgesproken, en gij weder voor ons staat in dezelfde reinheid, die -wij bij u zoo hoog waardeeren, is uw mond niet waardig het goddelijk -wonder den volke te verkondigen. Tast diep in uwe eigene ziel, en toon -den vromen het afschuwelijke van het kwade, wijst hun ook den door u -thans te betreden weg van reiniging des harten. Ik zelf zal het wonder -verkondigen." - -Dit besluit van den meester werd door de in 't wit gekleeden met -blijdschap begroet. Ameni drukte den een dit, den ander dat nog eens -op het hart. Na allen een onbepaald stilzwijgen over het verhandelde, -inzonderheid over den meegedeelden droom te hebben bevolen, sloot hij -deze bijeenkomst. Alleen den ouden Gagaboe en Pentaoer verzocht hij te -blijven. - -Zoodra zij alleen waren vroeg Ameni den dichter: »Waarom hebt gij -geweigerd aan het volk het wonder te verkondigen, dat alle priesters uit -de Nekropolis met vreugde vervult?" - -»Omdat gij mij geleerd hebt," antwoordde de dichter, »dat waarheid de -hoogste trap is, die men bereiken kan, en dat er geen hoogere is." - -»Dit leer ik u andermaal in deze ure," hernam Ameni. »En daar gij deze -leer belijdt, zoo vraag ik u, in den naam van de lichtdochter van Ra: -twijfelt gij aan de echtheid van het wonder, dat tastbaar duidelijk voor -onze oogen is geschied?" - -»Ja, ik twijfel," antwoordde Pentaoer. - -»Blijf volharden op den hoogen trap der waarheid," ging Ameni voort, »en -zeg ons verder, opdat ook wij het weten mogen, welke bedenkingen u -beletten te gelooven." - -»Ik weet," antwoordde de dichter, somber vóor zich ziende, »dat het -hart, aan hetwelk de menigte goddelijke eer zal bewijzen, waarvoor zelfs -ingewijden zich nederbuigen, als ware het een tempel voor de ziel van -Ra, gescheurd is uit de bloedende borst van een gemeen stuk vee, en dat -het heimelijk in de kanopen is gelegd, die de ingewanden van den profeet -Roeï bevatten." - -Ameni deed van schrik eene schrede achterwaarts, en Gagaboe riep: »Wie -heeft dat gezegd? Wie kan dat bewijzen? 't Is of men oud moet worden, om -van dag tot dag schrikkelijker dingen te hooren!" - -»Ik weet het," zeide Pentaoer op stelligen toon, »maar ik moet den naam -verzwijgen van hem, die het mij heeft medegedeeld." - -»Dan gelooven wij dat gij dwaalt, en dat een bedrieger den draak met -u stak," zeide Ameni. »Wij zullen onderzoeken, wie zulk een leugen -uitstrooit, en hem niet ongestraft laten! Het is zondig de stem der -godheid te hoonen, en ieder die gewillig zijn oor leent aan de leugen, -is ver van de waarheid. Heilig, ja driemaal heilig, verblinde dwaas, is -het hart, dat ik morgen met deze handen aan het volk denk te toonen, -en waarvoor ook gij u, zij 't niet gewillig, dan toch gedwongen zult -nederwerpen, aanbiddende in het stof. Ga nu heen en overdenk de woorden -waarmede gij morgen de zielen van het volk zult stichten. -- Weet nog -dit: Ook de waarheid heeft verschillende trappen, en hare gestalte -is even menigvuldig als die der godheid. Gelijk de zon zich niet -voortbeweegt langs eene effen baan en een rechten weg; gelijk ook -de sterren gebogene paden bewandelen, die wij vergelijken met de -kronkelingen van de slang Mehen[231]; zoo staat het den uitverkorenen, -die ruimte en tijd overzien en aan wie het te beurt viel over het lot -der menschen te mogen beschikken, -- dien uitverkorenen staat het vrij, -zelfs wordt hun geboden langs kronkelende wegen te wandelen, om een -hooger doel te doen zegevieren. Gij verstaat die wegen niet, en in uwe -onnoozelheid meent gij, dat zij ver afwijken van de paden der waarheid. -Gij ziet het heden alleen, maar wij zien ook de toekomst, en wat wij u -als waarheid aanbieden, dat hebt gij te gelooven! Vergeet ook vooral -niet: de leugen bevlekt, maar de twijfel vermoordt de ziel!" - - [231] De slang Mehen, met hare golvende kronkelingen, die - dikwijls voorkomt in de teksten "van hetgeen zich in de diepte - (onderwereld) bevindt," stelt symbolisch de kronkelingen voor, - die de zon op haar weg bij nacht door de onderwereld heeft af te - leggen. Slangvormige mythologische figuren hebben even dikwijls - eene gunstige als eene vijandige beteekenis. In elken tempel - werden heilige slangen onderhouden. In Thebe zijn slangenmummiën - gevonden en wel van de vipera cetastes. Plutarchus (Isis en - Osiris c. 74) zegt, dat de slang voor heilig werd gehouden, - omdat zij niet veroudert, en zich zonder ledematen al - schuifelend gemakkelijk kon voortbewegen op eene wijze als de - sterren. - -Ameni had met groote gemoedsbeweging gesproken. Toen Pentaoer zich -zwijgend verwijderd had, en hij met Gagaboe alleen was, riep hij uit: -»Waar moet het nu heen? Wie bezoedelt toch den reinen kinderlijken zin -van dezen hoogbegenadigden jongeling?" - -»Hij bederft zichzelven," zeide Gagaboe. »Hij schuift de oude wet op -zij, daar hij voelt, dat er eene nieuwe wet in zijn scheppenden geest is -ontwaakt!" - -»Doch wetten," hernam Ameni, »ontstaan vanzelf en groeien als -schaduwrijke wouden; er is nooit iemand, die ze maakt! Ik had den -dichter lief, maar ik moet hem toch inbinden, anders wast hij als de -hooggezwollen Nijl, die de dammen doorbreekt. En wat hij daar zegt van -het wonder...." - -»Hebt gij daar aanleiding toe gegeven?" vroeg Gagaboe. - -»Bij den Eenen, neen!" zeide Ameni. - -»Doch Pentaoer is waarheidlievend, en geneigd te gelooven," hernam de -oude bedenkelijk. - -»Ik begrijp het," hernam Ameni. »Wat hij zeide zal geschied zijn. Doch -wie heeft het gedaan, en hem in deze misdaad ingewijd?" - -Beide priesters zagen nadenkend vóor zich. Ameni brak het eerst het -stilzwijgen af, zeggende: »Pentaoer trad met Nebsecht hier binnen, -en beiden zijn boezemvrienden. Waar was de arts, terwijl ik in Thebe -vertoefde?" - -»Hij verpleegde het door Bent-Anat verwonde kind van den Paraschiet -Pinem, en bleef daar drie dagen lang," antwoordde Gagaboe. - -»En het was Pinem," sprak de opperpriester, »die de borst van Roeï -geopend heeft. Nu weet ik wie Pentaoer's geloof aan het wankelen -heeft gebracht. Het was die wroetende stamelaar. Hij zal het mij -boeten. -- Denken wij nu aan het feest van morgen, maar overmorgen neem -ik dien zonderlingen kwant in 't verhoor, en ik zal onverbiddelijk -streng zijn!" - -»Laat ons liever den natuuronderzoeker rustig verhooren," zeide Gagaboe. -»Hij is een sieraad van onzen tempel, want hij doorgrondt vele dingen, -en is een man van buitengewone bekwaamheid." - -»Dat alles kunnen wij overwegen na het feest," viel Ameni den ouden -profeet in de rede. »Er is nu nog veel gereed te maken." - -»En later nog meer te overleggen," hernam Gagaboe. »Wij zijn een -gevaarlijken weg ingeslagen. Gij weet het, ik blijf een stormlooper, -niettegenstaande ik, wat mijne jaren betreft een grijsaard ben. Helaas, -ik was nooit te schroomvallig! Maar Ramses is een geweldig man en mijn -plicht gebiedt mij u te vragen: Verleidt uw haat u niet tot een al te -haastig en al te onvoorzichtig optreden tegen den koning?" - -»Ik gevoel geen haat tegen Ramses," antwoordde Ameni ernstig. »Als hij -de kroon niet droeg, zou ik hem kunnen liefhebben. Ik ken hem alsof ik -zijn broeder was, en weet in hem alles wat groot is te waardeeren, wat -meer zegt: ik wil gaarne erkennen, dat hem niets ontsiert wat klein -moet heeten. Als ik niet wist hoe sterk hij was, zouden wij hem wel met -geringe middelen kunnen doen vallen! Doch gij weet zoo goed als ik, dat -hij onze vijand is. Niet de uwe noch de mijne persoonlijk, ook niet -van onzen goden, maar de vijand van de door hunne oudheid eerwaardige -inzettingen, naar welke dit volk en dit land bestuurd moeten worden. -Daarom is hij inzonderheid de vijand van hen, wier levensroeping is de -heilige leer van den voortijd te verdedigen, en een vorst den weg te -wijzen; van de priesterschap bedoel ik, die ik leiden moet en voor -welker rechten ik kamp met alle geestelijke middelen. Bij deze -worsteling bekleeden, zooals gij weet, volgens onze geheime wet, de -goden alles met den glans van het reine licht der waarheid, ook wat -anders als leugen, verraad en arglistig doemwaardig schijnt. Gelijk de -arts het mes en het vuur gebruikt om kranken te genezen, zoo mogen wij -onze toevlucht nemen tot schrikkelijke maatregelen om het geheel te -redden wanneer het bedreigd wordt. Gij ziet mij thans strijden met elk -wapen, dat mij ten dienste staat, want blijven wij rustig afwachten, -zoo zullen wij weldra van leiders der staatkundige aangelegendheden tot -slaven des konings vernederd worden." - -Gagaboe gaf een teeken van instemming. Ameni vervolgde echter met -klimmende warmte, sprekende in rhytmische volzinnen, waarin hij de -bevelen der godheid placht te verkondigen, zoo vaak hij uit het -Allerheiligste kwam: »Gij waart mijn meester, ik acht u zeer hoog, -daarom moogt gij nu alles vernemen, wat mij beweegt en vast doet -besluiten, den vreeslijken kamp te aanvaarden. Dit huis zoo gij weet, -was voor mij gelijk ook voor Ramses de kweekplaats, en het was wijs van -Seti dat hij hier zijnen zoon met andere knapen liet leeren. Slechts -de kroonprins en ik wij wonnen de prijzen, in werken en spelen. Wel -was hij mijn meester in vlugge bevatting, in stoute gedachten; mijn -nauwgezetheid was grooter en dieper mijn denken. Vaak spotte hij met -mijn moeitevol streven; doch mij scheen zijn schittrend vermogen slechts -ijdele begoochling te zijn. Ik werd een gewijde, maar hij stuurde het -roer van den staat met zijn vader; ten laatste alleen, toen Seti niet -meer was. Wij werden ouder, maar onveranderd bleef steeds de diepste -grond van ons wezen. Hij stormde naar buiten tot heerlijke daden! -volken bij volken wierp hij ter aarde; en door de stroomen bloeds -zijner burgers verhief hij den glans van d' Egyptischen naam tot -duizelingwekkende hoogte. - -»Ik sleet mijn leven in ijverig werken, ik leerde de jeugd en bewaakte -de inzetting, die het samenwonen der menschen regelt en het volk met de -godheid verbindt. Met ijver doorzocht ik de schriften der oudheid, en -menig heerlijk woord heb ik van haar wijzen vernomen. 'k Vergeleek met -elkander 't verleden en 't heden. Wat waren de priesters? Hoe zijn ze -geworden tot dat wat ze zijn? Wat toch, zoo wij er niet waren, wat werd -dan Egypte? Geen wetenschap bloeit er, geen kunst, geen vermogen, die -wij niet verwierven, bedachten en kweekten. Wij kroonden de vorsten, -wij noemden ze goden en leerden het volk ze als goden dienen. Want de -menigte zoekt een hand die haar leidt, waarvoor zij kan beven, als voor -de vuist van het overmachtige noodlot. Gaarne dienden wij den god op -zijn troon, die als de Eene naar eeuwige wetten, naar =onze= wet gebood -en heerschte. Uit ons midden koos hij zijn raadsliên, wat tot heil is -voor 't land dat deden wij hem weten. Hij hoorde ons gewillig aan en -voerde het uit. De oude koningen waren de handen, wij, de priesters, wij -waren het hoofd. En nu, mijn vader! Wat zijn wij geworden? Wij worden -gebruikt om het volk bij het geloof te bewaren. Want als het ophield -de goden te eeren, hoe zou 't zich dan voor den pharao buigen? Veel -waagde Seti, en meer nog zijn zoon, daarom begeerden zij beiden de -hulpe des hemels. Een vrome is Ramses, hij offert vlijtig en mint -het gebed. Voor hem zijn wij onmisbaar als wierookvat-slingeraars en -hecatomben-slachters, als die voor hem bidden en zijn droomen verklaren, -maar zijn raadslieden zijn wij niet meer. Mijn Osirische vader, een -waardiger opperpriester dan ik, bad den zijnen, op last van den grooten -raad der profeten, hij zou het vermetele plan laten varen, door een -bevaarbaar kanaal de noordelijke zee te verbinden met de onreine golven -der Schelfzee. Den Aziaten alleen komt zulk een werk ten goede[232]. -Doch Seti sloeg onzen raad in den wind[233]. Wij wilden 's lands oude -verdeeling bewaren, doch Ramses voerde de nieuwe in, tot schade der -priesters. Wij waarschuwden voor nieuwe bloedige oorlogen, en de koning -trok weder en weder te velde. Wij bezitten de oude geheiligde brieven, -die onze boeren van krijgsdienst ontslaan; gij weet het hoe hij ze -laatdunkend verscheurde. Sinds oude tijden mag niemand in dit land -voor vreemde goden tempels bouwen, en Ramses begunstigt de zonen der -vreemden, en bouwt in 't Noorderland niet alleen, maar ook in het oude -eerwaardige Memphis en hier in het vreemden-kwartier in Thebe, altaren -en statige heiligdommen voor de bloedige leugengoden[234] van 't -oosten." - - [232] De havens aan de Schelf- of Roode zee waren in handen - van Phoeniciërs, die van hier naar het zuiden zeilden om de - reukwerken uit Arabië en de schatten van Ophir te halen. - - [233] Koning Necho begon ook een Suez-kanaal aan te leggen, maar - hij voltooide het niet, omdat, volgens Herodotus II 58, het - orakel hem verkondigde, dat de vreemdelingen alleen voordeel van - de onderneming zouden trekken. - - [234] Door de Egyptenaars werden de menschenoffers, zooals - er nog in later tijd door de Phoeniciërs aan Moloch werden - gebracht, afgeschaft. - -»Gij spreekt als een ziener," riep de oude Gagaboe. »En wat gij zegt is -in alle opzichten waar! Wij heeten nog priesters, maar zelden wordt onze -raad gevraagd. 'Gij hebt de menschen in eene andere wereld een heerlijke -toekomst te bereiden', heeft Ramses gezegd, 'maar hun lot op aarde -bestuur ik alleen'!" - -»Zoo sprak hij," ging Ameni voort. »En al had hij niet anders gezegd dan -dát, hij zou reeds daardoor zijn geoordeeld! Hij en zijn huis zijn onzen -rechten vijandig, en vijanden mee, van dit ons edel land. Behoef ik u -te zeggen, wat pharao's stamboom is? Eens noemden wij de van 't oosten -komende scharen, die ons vaderland als sprinkhaan-zwermen overvielen, -die het hebben uitgemergeld en gekneveld, 'pestplagen en roovers'. Tot -deze behoorden Ramses' vaderen. Toen Ani's vaderen de Hyksos verdreven, -verkreeg de dappere familie van 't stamhoofd, wier nazaat thans Egypte -regeert, het voorrecht aan den Nijl te verblijven. Zij diende in het -leger, zij trad op den voorgrond, en eindelijk gelukte het den eersten -Ramses de troepen voor zich te winnen, en het oude, in ketterijen -verwarde geslacht der echte zonen van Ra van den troon te berooven. -Ongaarne erken ik 't: de rechtgeloovige priesters -- uw grootvader was -onder hen, en de mijne -- ondersteunden den koenen roover der kroon, die -de oude leer trouwhartig aanhing. Niet minder dan honderd voorzaten van -mijn huis en niet minder van 't uwe en vele andere priestergeslachten, -zijn hier aan den heiligen Nijl gestorven. Van Ramses' vaderen kennen -wij er slechts tien, en wij weten van dezen, dat zij behoorden tot -uitlandschen stam, tot de bende der Amoe! Als alle Semieten, zoo is ook -hij. Zij houden van zwerven en noemen ons 'ploegers'[235], bespottend -de wijze afgemeten orde, waarin wij, den zwarten bodem bebouwend, in -nuttigen arbeid des geestes en des lichaams, den langen dood te gemoet -gaan. Zij dwalen rond om buit te behalen, en stuwen het zeeschip door -ziltige wateren, en kennen geen vast en dierbaar tehuis. Waar winst is -te halen, daar strijken zij neder; is er niets meer voor hen te rooven, -dan slaan zij elders hun woning weer op. Zoo nu was Seti, zoo is ook -Ramses! Een jaar verblijven zij wel in Thebe, maar trekken dan weg, de -grenzen over ten oorlog. Zich vroom te onderwerpen, naar den raad te -vernemen der wijze vermaners, zij verstaan 't niet en zullen 't nooit -leeren. Gelijk de vaders zoo zijn ook de kinderen! Denk aan de vermetele -daad van Bent-Anat. Pharao, zeide ik, stelt de vreemden op prijs. Hebt -gij bedacht wat dat wel beteekent? Ons doel is naar 't hoogere en edele -te streven; wij hebben ons aan de banden der zinnen ontworsteld tot -verzorgers der zielen. Ook de armste leeft veilig, beschermd door de -wetten, en door ons neemt hij deel aan de gaven des geestes. Heerlijke -schatten van kunst en van kennis worden door ons den rijken geboden. -Zie nu naar den vreemdeling! Nomadenzwermen, in armzalige tenten, -doortrekken in 't oost en 't west de woestijn. In 't zuiden bidt een -verdierlijkt gepeupel tot vederschachten en ellendige goden, die zij -slaan, als 't geluk hun ontbreekt. In het noorden vindt men geordende -staten; maar wat zij aan kunst en aan kennis bezitten, dat danken -zij ons voor het meeste; en altijd nog bloeden op hun altaren, als -afgrijselijke offers, de lijken van menschen. Slechts afval van 't -goede, die schenkt ons de vreemdeling, dus is het verstandig zich van -hem te keeren, dies is hij ook bij onze goden gehaat. En Ramses, de -koning, is vreemdeling, door zijn bloed en zijn neiging, zijn hart en -zijn aanschijn. Zijn geest vliegt al verder, dit land is voor hem te -bekrompen. Hoe vlug ook zijn geest zij, wat waarachtig hem goed is zal -hij nimmer begrijpen. Hij luistert naar raad niet, hij benadeelt Egypte; -dus zeg ik: naar beneden met hem van den troon!" - - [235] De Bedoeïenen noemen thans nog de landbouwende bevolking - van Egypte met minachting Fellah, meerv. Fellahin, of ploegers. - -»Naar beneden met hem!" herhaalde Gagaboe in geestdrift. - -Ameni reikte den grijsaard zijne van opgewondenheid bevende hand, en -ging kalmer voort: »De stadhouder Ani is van vaders en moeders zijde een -echte zoon van het land. Ik ken hem door en door, en weet dat hij wel is -waar verstandig maar angstvallig voorzichtig is, en dat hij ons in ons -voormalig, ons rechtmatig toekomend erfdeel weder herstellen zal. Hier -valt de keus niet zwaar. Ik heb gekozen en ben gewoon door te zetten, -wat ik eens begonnen ben. Gij weet nu alles en zult mij helpen!" - -»Met lijf en ziel!" riep Gagaboe. - -»Versterk dan ook de harten onzer medepriesters," zeide Ameni, afscheid -nemende. »Ieder ingewijde mag vermoeden wat er eigenlijk gebeurt, maar -het mag volstrekt niet uitgesproken worden." - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - - -De zon was op den negen en twintigsten morgen van de tweede maand der -overstrooming[236] reeds opgegaan, en de burgers en burgeressen, de -grijsaards en de kinderen, de vrijen en de slaven in Thebe brachten het -opgaand daggesternte hunne hulde, onder de leiding der priesters, voor -de poorten van den tempel, waartoe het door hen bewoonde kwartier van de -stad behoorde. De inwoners van Thebe stonden in familie-groepen bijeen -voor de pylonen, wachtende op den optocht der priesters. Zij wilden zich -daarbij aansluiten om zoo te trekken naar den grooten rijkstempel en van -dezen uit met de feestbarken den stroom over te steken naar de -Nekropolis. - - [236] Den 29sten Paophi. De Egyptenaars hadden drie jaargetijden - of Tetrameniën, elk van vier maanden. Het waren de jaargetijden - der overstrooming, van zaaiing en oogst ("Scha", "per" en - "schemoe"). De tweede overstroomingsmaand heet Paophi en de - 29ste Paophi, waarop het feest van het dal gevierd werd, kwam - overeen met den 8sten November volgens onze tijdrekening. - -Heden, op het feest van het dal, werd Amon, de groote god van Thebe, in -plechtstatigen optocht overgebracht naar de doodenstad, ten einde daar, -zooals de priesters zeiden, te offeren voor zijne ouders in de andere -wereld[237]. Zijn tocht ging naar het westen, en gelijk daar het -stoffelijk overschot der menschen rust vond in de graven, zoo waren daar -ook de millioenen zonnen verdwenen, waarop dagelijks een nieuwe gevolgd -was, weder uit den nacht verrijzende. Het verjongde licht, zeiden de -priesters, vergeet het uitgebluschte niet, waaruit het geworden is; het -brengt als Amon daaraan zijne hulde, om de vromen te herinneren, dat zij -de afgestorvenen niet mogen vergeten, waaraan zij hun leven hadden te -danken. »Breng offers," zoo luidde eene godsdienstige spreuk, »aan uw -vader en uwe moeder, die in het dal der graven rusten, want dit is den -goden welgevallig, die deze gaven willen aannemen, als waren ze aan -henzelven gebracht. Bezoek uwe ontslapenen dikwijls, opdat uw zoon voor -u moge doen, wat gij voor hen doet"[238]. - - [237] Maspero, =Mémoire sur quelques Papyrus de Louvre=, p. 75 - Pap. 3. Boulaq, T. 3, p. 22, 23. - - [238] Uit den te Boulaq bewaarden Papyrus IV, die zedelijke - voorschriften behelst. Hij werd door Mariëtte uitgegeven, - en vertaald door Brugsch, E. de Rougé, en ten laatste op - voortreffelijke wijze analytisch verklaard en toegelicht door - Chabas in zijn tijdschrift =l'Egyptologie=. - -Het feest van het dal was een doodenfeest, maar het droeg geen somber -karakter; het werd niet met gejammer en weeklachten gevierd. Het was -integendeel een vroolijk feest, gewijd aan de liefdevolle nagedachtenis -van de zoodanigen, die men ook na den dood nog bleef liefhebben. Men -verhief het geluk dier gezaligden en herdacht hen vriendschappelijk, -terwijl men, gezellig in de grafkapel of vóor hunne groeve gezeten, -offers bracht en maaltijd hield. Ouders en kinderen sloten zich bij -elkander aan. De huisslaven volgden hen met voorraad van spijzen en -fakkels, om het donkere graf te verlichten, of ze ook te ontsteken, -wanneer men laat in den nacht huiswaarts keerde. Ook de armste had reeds -een dag te voren gezorgd voor een plaatsje op een der groote schuiten, -die de bedevaartgangers den stroom moesten overzetten. De barken der -aanzienlijken lagen schitterend getooid aan den oever gereed, wachtende -op de eigenaars met hun gevolg. De kinderen hadden 's nachts van -het heilige feestschip van Amon gedroomd; want de moeders hadden -hen verteld, dat dit vaartuig in pracht weinig onderdeed voor de -heerlijkheid der gouden zonneschuit, waarin de zonnegod met zijn gevolg -den oceaan des hemels bevoer. - -Reeds wemelde het van priesters op de oevertrappen van den rijkstempel, -van burgers op de kade en van booten op den vloed. Reeds overstemden de -ruischende tonen der feestmuziek het gejoel der volksmenigte, waaronder -de een den ander te midden van stofwolken verdrong, om de barken -en booten te bereiken. Reeds waren alle huizen en hutten van Thebe -ontvolkt, en zag men in gespannen verwachting het oogenblik te gemoet, -waarop de godheid uit de tempelpoort te voorschijn zou treden. Maar nog -altijd ontbraken de leden der koninklijke familie, die anders op dezen -dag gewoon waren te voet naar den grooten tempel van Amon te gaan. Onder -de menigte vroeg de een den ander, waarom Bent-Anat, de schoone dochter -van Ramses, zoo lang uitbleef, en het opbreken van de processie deed -vertragen. - -Reeds hieven de priesters hunne gezangen aan achter de tempelmuren, die -het volk verhinderden de veelkleurig beschilderde voorhoven te zien. -Reeds had de stadhouder met een luisterrijk gevolg het heiligdom -betreden. Reeds werden de deuren van het feestgebouw geopend en -vertoonden zich de enkel met een schort gekleede knapen, die voor de -godheid op den weg bloemen moesten strooien. Reeds verkondigden de -wierookgeuren, dat Amon naderde -- maar nog altijd vertoonde de dochter -van Ramses zich niet. - -Allerlei geruchten werden verbreid, waaronder zeer onzinnige. Dit stond -in elk geval vast, en werd ook tot teleurstelling van het volk door de -tempeldienaars bevestigd: de prinses nam geen deel aan de processie; -Bent-Anat was uitgesloten van het feest van het dal. Zij stond met haar -broeder Rameri en de vrouw van Mena op het balkon van haar vaderlijk -paleis, uitziende naar den stroom en het naderen der godheid. Gisteren -morgen had de oude opperpriester van Amon te Thebe, Bek-en-Choensoe, -haar de reinheid teruggegeven, maar aan den avond was hij haar komen -melden, dat Ameni haar verbood de Nekropolis te betreden, zoolang de -goden van het westen haar voor het misdrevene geene vergeving hadden -geschonken. Terwijl zij nog in den staat van onreinheid verkeerde, had -zij den Hatasoe-tempel betreden en dien bevlekt, en Bek-en-Choensoe -moest toestemmen, dat de overste van de doodenstad in zijn recht was, -wanneer hij het gebied van het westen voor haar sloot. Bent-Anat had -toen Ani's hulp ingeroepen, maar ofschoon de stadhouder haar zijn -tusschenkomst beloofde, zoo kwam hij toch laat in den avond tot haar, -om haar mede te deelen, dat Ameni onvermurwbaar bleef, ook zelfs voor -zijne bede. De stadhouder had haar hierover zijn leedwezen betuigd, -maar tevens den raad gegeven, elke aanleiding tot openbare ergernis te -vermijden, de eerwaarde gestrengheid van Ameni niet te trotseeren en -zich niet op het feest te laten zien. Terzelfder ure had vrouwe Katoeti -den dwerg Nemoe tot hare dochter gezonden, om deze uit te noodigen -met haar aan den optocht deel te nemen, en in het voorvaderlijk graf -te offeren. Doch Nefert had haar doen antwoorden, dat zij van hare -meesteres en vriendin niet konde of wilde scheiden. - -Bent-Anat had aan de voornaamste personen van hare hofhouding vergunning -gegeven om het feest mede te vieren, en hun verzocht harer bij deze -schoone plechtigheid te willen gedenken. Toen zij van het balkon het -volk zag samenstroomen, en de booten wemelden op den stroom, ging zij in -haar vertrek terug. Zij riep Rameri tot zich, die in woede losbrak over -de onbeschaamdheid van Ameni, vatte zijne beide handen en zeide: »Wij -hebben beiden misdreven, broeder! Laten wij de gevolgen van onze schuld -geduldig dragen, en handelen alsof onze vader bij ons was." - -»Hij zou den overmoedigen priester het panthervel van de schouders -scheuren," riep de prins, »wanneer deze het waagde in zijne -tegenwoordigheid u zoo te vernederen." En bij deze woorden rolden -tranen van boosheid langs zijne jeugdige wangen. - -»Wees nu niet langer toornig," antwoordde Bent-Anat. »Gij waart nog -klein, toen vader voor de laatste maal aan dit feest deelnam." - -»O, ik herinner mij dien morgen zeer goed," riep Rameri, »en ik zal dien -nooit vergeten." - -»Ik dacht het wel," zeide Bent-Anat. -- »Blijf gerust, Nefert; gij zijt -immers nu mijne zuster! Hoor! het was op een heerlijken morgen. Wij, -kinderen, waren feestelijk uitgedost verzameld in de groote zaal des -konings. Toen liet hij ons roepen in deze vertrekken, die onze moeder -bewoond had. Weinige maanden geleden was zij gestorven. Hij nam ons een -voor een bij de hand en zeide aan elk, dat hij hem alles vergaf wat hij -misdreven had, mits hij er ernstig berouw over had, en drukte ieder -een kus op het voorhoofd. Toen wenkte hij ons tot zich, en zeide zoo -bescheiden, alsof hij een onzer was, en niet de geduchte koning: -'Misschien heb ik ook iemand uwer onrecht gedaan, of hem niet volledig -recht laten wedervaren. Ik ben mij daarvan niet bewust, maar als het -gebeurd is, dan doet het mij leed!' -- Toen vlogen wij allen naar hem -toe, want ieder wilde hem kussen. Hij weerde ons echter lachend af en -zeide: 'Van een ding heeft ieder van u een gelijk deel genoten, gelijk -gij wel weet; ik bedoel de liefde uws vaders. Nu zie ik dat gij mij -weder wilt geven, wat ik u schonk.' -- Hij herinnerde ons daarop onze -overledene moeder en zeide, dat ook de hartelijkste vader niet in staat -was het gemis eener moeder te vergoeden. Toen hing hij ons een schoon -tafereel op van de zelfverloochenende liefde, waarmede de afgestorvene -zich geheel aan ons had gewijd, en noodigde ons uit aan hare rustplaats -met hem te bidden en te offeren. Dáar moesten wij beloven harer waardig -te leven, niet enkel in het groote, maar ook in het kleine. Want juist -dat kleine vormde het leven, gelijk de uren den dag en het jaar. -- Wij -grooteren drukten toen elkander de handen, en nooit ben ik zeker beter -geweest dan in die ure, en aan het graf mijner moeder!" - -Nefert sloeg hare oogen op, waarin tranen blonken, en zeide: »Als men -zulk een vader heeft, moet het gemakkelijk vallen goed te blijven." - -»Heeft uw moeder ook niet altijd aan den morgen van dezen feestdag -goede woorden in uw hart gelegd?" vroeg Bent-Anat. - -Nefert bloosde en zeide: »Het werd altijd laat met ons toilet, en dan -moesten wij ons haasten, om ter rechter tijd in den tempel te komen." - -»Kom, laat mij dan heden uwe moeder zijn!" sprak Bent-Anat. »En ook de -uwe, Rameri. Weet gij ook nog, hoe vader aan de hofbeambten en dienaars -vergeving schonk, en hoe hij hun zoowel als ons op het hart drukte, op -dien dag elke opwelling van toorn in onze borst te onderdrukken? 'Bij -dit feest,' zeide hij, 'behoort niet enkel een rein kleed, maar ook een -onbevlekt hart.' Derhalve, broeder, geen boos woord meer over Ameni, -wien zijn wet waarschijnlijk tot zulke eene gestrengheid dwingt. Onze -vader zal dit alles vernemen en richten. Het hart is mij zoo vol, als -moest het overvloeien. Kom, Nefert, geef mij een kus, en ook gij, -broeder! Ik ga thans in mijne kapel, waar de beelden der voorvaderen -staan, om aan mijne moeder te denken en aan de zalige geesten onzer -geliefden, waaraan ik heden niet offeren mag." - -»Ik ga met u," zeide Rameri. - -»Nefert," sprak Bent-Anat, »blijf gij hier en snijd zoo vele van mijne -bloemen, als gij wilt. De schoonste moogt gij nemen! Vlecht daarvan een -krans, en wanneer die gereed is, laten wij hem door een bode met andere -gaven naar de overzijde brengen, die zorgen moet dat hij in het graf van -Mena's moeder gelegd wordt." - -Toen broeder en zuster na een half uur tot de jonge vrouw terugkeerden, -hield Nefert twee sierlijke kransen in de hand, éen voor de gestorvene -koningin, en éen voor Mena's moeder. - -»Ik zal de kransen overbrengen," riep Rameri, »en in de graven -nederleggen." - -»Ani meent, dat het beter zal zijn, wanneer wij ons niet aan het volk -vertoonen," zeide Bent-Anat waarschuwend. »Men merkt ter nauwernood op, -dat gij onder de scholieren wordt gemist, maar...." - -»Maar ik wil mij niet als zoon van Ramses, maar als een tuinmansjongen -laten overzetten," viel de prins haar in de rede. »Hoort gij het -bazuingeschal? Thans dragen zij den god naar buiten!" - -Rameri betrad het balkon, de beide vrouwen volgden hem en richtten hare -blikken naar de plaats, waar de stoet zou scheep gaan. Met hare scherpe -oogen konden zij alles overzien. - -»Ik troost mij met de gedachte," zeide Rameri, »dat het een magere en -armzalige optocht[239] zal zijn, zonder mijn vader en ons. Hoe statig -rollen de tonen der muziek! Nu komen de vederdragers[240] en zangers. -Daar is de eerste profeet van den rijkstempel, de oude Bek-en-Choensoe. -Wat ziet hij er eerwaardig uit! Maar het loopen begint hem moeielijk te -vallen. Nu nadert de godheid; reeds vang ik de wierookgeuren op...." - - [239] Bij de beschrijving van de processie, heb ik voornamelijk - de voorstellingen gevolgd van den grooten optocht bij het feest - van den trap op den tempel van Medinet Haboe. - - [240] Pterophoren, zooals de priesters heeten, omdat zij zich - onderscheidden door twee vederen op hun hoofd. Vert. - -Bij deze woorden wierp de prins zich op de knieën, en de vrouwen volgden -zijn voorbeeld, toen zich ten eerste een prachtige stier vertoonde, in -wiens helder gladde huid de zon zich spiegelde. Hij droeg eene gouden, -met glanzend witte struisvederen getooide schijf tusschen de horens. -Daarachter, voorafgegaan door eenige waaierdragers, verscheen de god -zelf, nu en dan zichtbaar, maar meestal voor het oog der menigte -onzichtbaar, door de groote halfronde, aan lange staven bevestigde -schermen van zwarte en witte struisvederen, waarmede de priesters hem -beschaduwden. Geheimzinnig als zijn naam was ook zijn gang, want hij -scheen op zijn kostbaren zetel langzaam van de tempelpoort naar den -stroom te zweven. Zijn troon stond op eene tafel met kostelijke -bouquetten en bloemguirlanden getooid, bedekt met een kleed van purper -goudbrocaat, dat tevens de priesters bedekte, die den god op zijn troon -langzaam en met gelijkmatige schreden voortdroegen. - -Zoodra de godheid in het feestschip eene plaats had gevonden stonden -broeder en zuster benevens Nefert van hunne knieën op. Er kwamen nu -priesters te voorschijn, die een kist droegen met de altijd groene -heilige boomen van Amon, en toen op nieuw het gezang der liederen en de -geur van den wierook ooren en oogen bereikten van hen, die van het feest -waren uitgesloten, prevelde Bent-Anat: »Nu zou mijn vader zijn gekomen." - -»En gij!" riep Rameri, »en onmiddellijk daarachter Nefert's gemaal met -de garde. Neef Ani gaat te voet. Hoe zonderling heeft hij zich gekleed; -juist het tegengestelde van een sphinx[241]!" - - [241] Er waren in Egypte geene vrouwelijke sphinxen. De sphinx - heet Neb, d. i. de heer. De liggende leeuwengestalten dragen òf - het hoofd van een man, òf den kop van een ram. - -»Hoe zoo?" vroeg Nefert. - -»Een sphinx," antwoordde Rameri lachend, »heeft het lichaam van een -leeuw en het hoofd van een mensch, en neef draagt om zijn lichaam -een vreedzaam priesterlijk gewaad en op zijn hoofd den helm van een -krijgsman." - -»Ware de koning hier, de leven schenkende," zeide Nefert, »gij zoudt -onder zijne dragers niet worden gemist, Rameri." - -»Zeker niet!" gaf de prins ten antwoord. »Het zou er ook anders uitzien -als de heldengestalte van onzen vader op zijn gouden troon was gezeten; -achter hem zou het beeld van waarheid en gerechtigheid beschermend zijne -vleugelen over hem uitspreiden, vóor hem zou zijn geweldige metgezel -in den slag, de leeuw, nederliggen, en boven hem zou een troonhemel -versierd met Uraeus-slangen zich welven. -- De Horoscopen en de -Pastophoren met de standaarden en godenbeelden en kudden van slachtvee, -schijnen geen einde te nemen! Ziet eens, ook het Noorderland heeft zijne -feestgezanten gezonden, als ware onze vader hier. Ik onderscheid de -teekenen op de standaarden[242]. Herkent gij de beelden der koninklijke -voorvaderen, Bent-Anat? -- Niet goed? Ik ook niet; maar het scheen mij -toe als was het de eerste Ahmes, de verdrijver der Hyksos, waarvan onze -grootmoeder afstamt, en niet grootvader Seti, die den stoet opende, -zooals het toch behoorde te zijn. -- Daar komen de krijgslieden! Het -zijn de regimenten die Ani heeft uitgerust, en die eerst heden nacht -als overwinnaars uit Ethiopië terugkeerden. Hoort hoe het volk hen -toejuicht! Zij hebben zich ook dapper gedragen. -- Denkt eens, Bent-Anat -en Nefert, wat dat zijn zal, als onze vader terugkeert met wel honderd -gevangen vorsten, die zijn tweespan, door uwen Mena bestuurt, deemoedig -volgen, met al onze broeders, de edelen des lands, en de garden op hunne -prachtige wagens!" -- - - [242] Elke nomos of provincie van Egypte (daar waren er 44) had - haar kenteeken, een soort van wapen, dat bij feestelijke - optochten op banieren werd rondgedragen. Volledige lijsten - werden reeds in den tijd van Seti I op de muren van den - tempel te Abydus uitgebeiteld. Op de tempels uit den tijd der - Ptolemaeën, te Philae, Edfoe en Dendera, leeren de teksten, - die aan de lijsten der provinciën zijn toegevoegd, ons vele - belangrijke bijzonderheden kennen, vooral betreffende het - godsdienstig leven in elke nomos. Harris, Brugsch, Dümichen en - J. de Rougé hebben zich in het bijzonder bezig gehouden met de - geografische indeeling van het Nijldal. - -»Helaas," zuchtte Nefert, »zij denken nog niet aan hunne terugkomst!" - -Terwijl telkens nieuwe regimenten van den stadhouder, muziekkoren en -vreemde dieren[243] zich in den optocht vertoonden, voer het feestschip -van Amon van de landingstrap af. Het was een voortreffelijk groot -vaartuig geheel van glanzend gepolijst en rijk met goud ingelegd hout. -De boorden prijkten met versiersels van gesmolten glas, alsof het -zoovele smaragden of robijnen waren[244]. De masten en de raas waren -verguld, en van de laatste hingen purperen zeilen af. Rondom het schip, -zijne masten en zijn touwwerk slingerden zich guirlanders van leliën, -doorvlochten met rozen. De priesters zaten op elpenbeenen zetels. -- De -Nijlboot van den stadhouder was niet minder rijk. Het houtwerk blonk -van al het verguldsel. Het kajuithuisje was bekleed met veelkleurige -Babylonische tapijten. Aan de snebbe zag men, gelijk weleer aan de -zeeschepen van Hatasoe, een gouden leeuwenkop, waarin als oogen twee -groote robijnen vonkelden. - - [243] Zulke vreemde dieren namen in grooten getale aan een - feestelijken optocht deel, dien Ptolemaeus Philadelphus liet - houden, en die ons door een ooggetuige, Kallixenos, in Athenaeus - Deipnosophist, uitvoerig beschreven wordt. De vorst uit het - geslacht der Lagiden volgde hiermede de gewoonte van vroeger - tijd, gelijk ons blijkt uit voorstellingen in het graf van - Rechma-Ra (18e dynastie) en in andere groeven. - - [244] De Egyptenaars wisten met groote kunstvaardigheid - zulke edelgesteenten na te maken. Er zijn exemplaren van - verschillenden vorm en kleur bewaard gebleven. In de verzameling - van Minutoli en in andere, met name die te Boelaq, zijn - mozaïek-paarlen, die onze tegenwoordige kunstenaars op dit - gebied bezwaarlijk zullen kunnen namaken. - -Nadat de priesters zich hadden ingescheept en de heilige bark aan -gindschen oever was geland, stormde het volk op de booten los, die -weldra, soms tot zinkens toe geladen, den stroom langs de geheele lengte -van Thebe en in zijn gansche breedte zoo bedekten, dat de zon maar hier -en daar een plekje vond, om zich in het geelachtige water te spiegelen. - -»Nu ga ik toch het pak van een hovenier leenen," riep Rameri, »en laat -ik mij met de kransen overzetten." - -»Wilt gij ons dan alleen laten?" vroeg Bent-Anat. - -»Maak het mij niet te moeielijk, zuster," smeekte Rameri. - -»Ga dan," zeide de prinses. »Als onze vader hier was, hoe gaarne voer ik -dan met u naar de overzijde!" - -»Waag het met mij!" hernam de jongeling. »Mogelijk is er voor u ook wel -eene vermomming te vinden." - -»Dwaasheid!" antwoordde Bent-Anat, en zag Nefert vragend aan, die de -schouders ophaalde, als wilde zij zeggen: »Wat gij wilt is mij goed." - -Die oogentaal der vriendinnen was den slimmen Rameri niet ontgaan, en -met levendigheid riep hij uit: »Gij zult met mij gaan, dat kon ik u -wel aanzien. Iedere bedelaarsknaap werpt heden zijne bloemen in het -algemeene graf, dat de mummie zijns vaders bevat, en de kinderen van -Ramses en de vrouw van zijn wagenmenner zouden uitgesloten zijn en hunne -afgestorvenen geen krans mogen brengen?" - -»Ik zou het graf door mijne tegenwoordigheid bezoedelen," zeide -Bent-Anat blozend. - -»Gij, gij!" riep de prins terwijl hij zijne zuster omhelsde en kuste. -»Gij, het beste en grootmoedigste schepsel dat er leeft; gij, die -altijd gereed zijt om smarten te lenigen en tranen te drogen; gij het -schoone evenbeeld van onzen vader, zoudt onrein zijn! Eer geloof ik, dat -de zwanen onder ons zoo zwart zijn als de kraaien, en de rozenranken -hier aan het balkon scheerlingstruiken. Bek-en-Choensoe heeft u de -reinheid teruggegeven, en wanneer Ameni...." - -»Ameni is echter in zijn recht," zeide Bent-Anat vriendelijk, »en gij -weet, wat wij beloofd hebben. Ik wil heden geen kwaad woord over hem -hooren." - -»Goed dan! Hij heeft zich goed en genadig jegens ons betoond," hernam -Rameri spottend, terwijl hij zich diep boog met het aangezicht naar de -Nekropolis gekeerd, »en gij zijt onrein! Betreed dan, wat mij betreft, -het graf en den tempel niet, maar blijf met ons onder het volk. De -wegen dáar aan de overzijde zijn zoo teergevoelig niet; zij worden toch -dagelijks door onreine Paraschieten en huns gelijken betreden. Wees -verstandig, Bent-Anat, en kom mede! Wij verkleeden ons, ik geleid u, ik -leg de kransen op hunne plaats, wij bidden te zamen vóor de groeve, wij -zien den heiligen optocht, en de werken der wonderdoeners, en hooren -de feestrede. Bedenkt eens dat Pentaoer, niettegenstaande alles wat zij -tegen hem hebben, haar houden mag. Het Seti-huis wil heden schitteren, -en Ameni weet zeer goed dat Pentaoer, als hij den mond opent, dieper -indruk te weeg brengt, dan alle wijze heeren, wanneer zij te zamen -zingen in het heilige koor! Kom dan mede, zuster!" - -»Het zij zoo!" sprak Bent-Anat, opeens besloten. - -Rameri schrikte, toen hij dit haastig gesproken woord vernam, dat hem -echter verblijdde. Nefert zag Bent-Anat vragend aan, om echter hare -groote oogen weldra weder neder te slaan. Zij toch wist wie de -uitverkorene was van hare vriendin, en in haar binnenste rees de -angstige vraag: »Waar zal dit op uitloopen?" - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - - -Een uur later voer eene slanke, zeer eenvoudig gekleede burgervrouw, -bij welker jeugdig gelaat eenige donkere plooien op voorhoofd en wangen -slecht wilden passen, over den Nijl, vergezeld van een donker gekleurden -opgeschoten jongen en een tenger knaapje. Het was moeielijk in dit -drietal de fiere Bent-Anat, den lichtkleurigen Rameri en de schoone -Nefert te herkennen. Deze laatste maakte, in het lange witte kleed van -de kweekelingen eener priesterschool, alles behalve een slecht figuur. -Toen zij aan wal waren gestapt, werden zij gevolgd door de beide sterke -en trouwe opzichters van de draagstoeldragers der prinses. Zij had -hun bevolen, dat zij den schijn moesten aannemen, als stonden zij in -geenerlei betrekking tot hunne meesteres en die haar vergezelden. - -De vaart over den Nijl had lang geduurd. De vorstelijke broeder en -zuster hadden daarbij ondervonden, met hoeveel tegenspoeden gewone -stervelingen te worstelen hebben om tot een doel te geraken, dat zij -die een kroon dragen als vanzelf bereiken. Want niemand baande hun den -weg; geen boot week voor hun uit. Ieder was er op uit hun den voorrang -te betwisten, en eerder dan zij aan genen oever te landen. Toen zij -eindelijk bij de landingstrap uitstegen, was de processie reeds aan -het Seti-huis genaderd. Ameni was haar tegemoet gegaan, met zijne -zangerskoren, en had aan den Nijloever den god ontvangen. De profeten -van de Nekropolis plaatsten hem met eigene handen in de heilige van -cederhout en verguld zilver kunstig vervaardigde Sam-bark[245] van het -Seti-huis, die overal met edelgesteenten was bezet. Dertig Pastophoren -namen het kostbaar vaartuig op hunne schouders en droegen het door de -sphinxenlaan, die de haven met den tempel verbond, in het allerheiligste -van het Seti-huis, waar Amon vertoefde, terwijl de feestgezanten uit -alle provinciën des lands hunne offergaven in het voorhof van het -heiligdom nederlegden. Op weg naar den tempel liepen Kolchyten vooruit, -om naar oud gebruik zand voor den god te strooien[246]. - - [245] Zie boven bl. 272. - - [246] Peyron, =Papyri Graeci regii Taurinensis=, T. I, p. 41, - 42, 85-88. - -Na verloop van een uur trad de processie weder naar buiten. Zij bewoog -zich in eene zuidelijke richting voorwaarts, rustte het eerst in den -reuzentempel van Amenophis III, voor welken de twee grootste kolossen -van het Nijldal als wachters stonden, en daarna in den tempel van den -grooten Thotmes, die nog zuidelijker was gelegen[247]. Daar keerde zij -om, ging vlak langs de oostelijke helling van het Libysch gebergte, -waarin tal van graven waren[248], besteeg vervolgens de terrassen van -den tempel van Hatasoe, dien wij kennen, hield zich in de nabij dit -heiligdom gelegen graven der oudere koningen[249] eenige oogenblikken -op, en bereikte tegen zonsondergang het eigenlijke feestterrein, aan den -ingang van het dal, waarin het graf van Seti was aangelegd[250], terwijl -zich in de naar het westen loopende dwarsdalen eenige groeven bevonden -van pharao's uit het onttroonde koningshuis. Men was gewoon dit gedeelte -van de Nekropolis bij het licht der lampen en het schijnsel der fakkels -te bezoeken, voordat de god terugkeerde, en vóor de tegen middernacht -aanvangende feestspelen op het heilige meer in het zuidelijkste gedeelte -van de doodenstad. Achter den god werd in eene vaas van doorzichtig -kristal, die op een hoogen staak bevestigd was, opdat iedereen het zou -kunnen zien, het heilige hart van den ram rondgedragen. - - [247] Het goed onderhouden oudste deel des tempels van Medinet - Haboe. - - [248] Het tegenwoordige Qoernet Moerraï Ald el Qoernah. - - [249] Het tegenwoordige el Assassif en Drah aboe'l Negga. - - [250] Het tegenwoordige Biban el Moeloek. - -Onze vrienden sloten zich, nadat zij, zonder door iemand herkend te -zijn, hun krans op het rijke offeraltaar hunner koninklijke voorvaderen -gelegd hadden, eerst laat in den middag aan bij de volksmenigte, die de -processie volgde. Bij de groeve van Mena's voorvaderen bestegen zij de -oostelijke helling der Libysche bergen. De stamvader van Mena, -Neferhotep, een profeet van Amon, had dat graf laten aanleggen, welks -enge ingang door een groote volksmassa als belegerd was. Want in de -eerste in de rots uitgehouwen grafkamer zat, bij elk feest, een -harpspeler het doodenlied te zingen van den sedert lang ontslapen -profeet, en van zijne gemalin en zuster. Zijn huiszanger had het -gedicht. Het was in de tweede grafkamer in den wand gebeiteld, en -Neferhotep had aan het bestuur van de doodenstad een stuk grond -vermaakt, met de verplichting, dat de inkomsten ervan gebruikt moesten -worden tot bezoldiging van een harpspeler, die verplicht was zijn lied -bij elk doodenfeest, onder begeleiding van snarenspel te zingen. De -wagenmenner Mena kende dit doodenlied van zijn stamvader zeer goed, -en had het Nefert dikwijls voorgezongen, terwijl zij hem met de luit -begeleidde. Want ook in de uren van vreugde, ja, bij voorkeur in deze, -gedachten de Egyptenaars aan hunne dooden. Zij luisterde nu met die haar -vergezelden naar den harpspeler, die zong[251]: - - »Ruste in vrede deze groote! - Schenker van de schoonste gaven! - Sinds de heerschappij der goden, - Moet het kroost der menschen sterven. - Ouden wijken voor de jongen. - Schitterend rijst de nieuwe zongod - Elken morgen, nadat de oude - Rust vond in den schoot van 't westen[252]. - - * * * * * - - Vier nu, mijn profeet, den feestdag! - Geur'ge zalven, specerijen - Bieden wij, en bloemenkransen - Slingren wij om borst en armen - Uwer veelgeliefde zuster, - Die daar neerzit aan uw zijde. - Laat ons voor uw vriendelijk aanschijn - Lied'ren zingen, snaren tokk'len: - Laat toch achter u de zorgen, - Wees gedachtig aan de vreugde, - Tot de dag der reize nadert, - Als men landend rust mag vinden - In het rijk, waar allen zwijgen." - - [251] Het graf van Neferhotep bleef voortreffelijk bewaard, - alsmede de tekst van het lied, dat het eerst door Dümichen - (=Historische Inschriften=, II) werd uitgegeven, daarna door L. - Stern (=Zeitschr. für ägyptische Sprache=, 1873) werd verklaard. - De volgende regels zijn daaruit vertaald. - - [252] Manoen, =Doodenboek= 15 z. 44; 110, z. 11. - -Toen de zanger zweeg, drongen eenige lieden de eenvoudige grafkapel -binnen, om hun dank voor dit lied uit te spreken in het nederleggen van -eenige bloemen op het offeraltaar van den profeet. Nefert en Rameri -traden insgelijks het graf binnen, en de eerste legde, nadat zij in -een lang en stil gebed den verheerlijkten geest van den gestorvene had -aangeroepen, om Mena te beschermen, haar krans naast de mummie-groeve, -waarin de moeder van haar gemaal rustte. - -Vele leden van het hofgezin gingen zelfs rakelings de koningskinderen -voorbij zonder hen te herkennen. Zij haastten zich nu om op het -feestterrein te komen, maar het gedrang was zoo groot, dat de vrouwen -zich nu en dan genoodzaakt zagen in een graf uit te wijken. In alle -grafkapellen vonden zij de offeraltaren met gaven overladen, en in de -meeste de familiebetrekkingen gezellig bijeen, die onder het genot van -vleesch en vruchten, bier en wijn, hunne afgestorvenen gedachten, alsof -het reizigers gold, die ver van den geboortegrond hun geluk hadden -gevonden, en die men vroeger of later hoopte weer te zien. De zon neigde -reeds ten ondergang, toen zij op het eigenlijk feestterrein aankwamen. - -Welk een levendig tooneel deed zich hier aan hen voor. Overal stonden -tafels en tenten met eetwaren, voornamelijk met zoet gebak voor de -kinderen, en verder met dadels, vijgen, granaatappelen en andere -vruchten. Onder lichte afdaken, die echter voldoende waren om de -zonnestralen te weren, zag men sandalen te koop, en goed voor -kleedingstukken in alle stoffen en kleuren. Daar vond men snuisterijen, -amuletten, waaiers en zonneschermen, geurige reukwerken van allerlei -soort, kortom al wat men verlangen kon voor het offeraltaar zoowel als -voor de toilettafel. De korven der hoveniers en bloemenverkoopster waren -reeds ledig, maar de wisselaars hadden nog handen vol werk, en aan -de schenk- en dobbeltafels ging het reeds levendig toe. Vrienden en -bekenden begroetten elkander met vrome spreuken, terwijl kinderen -elkander hunne nieuwe sandalen, en de koeken die zij met dobbelspel -gewonnen hadden, of de koperen ringetjes die zij hadden gekregen en nog -heden besteed moesten worden, lieten kijken. Het meeste succes hadden -wel de wonderdoeners van het Seti-huis. Eene menigte toeschouwers -zat, op den grond neergehurkt, rondom hen geschaard; men had echter -vrijwillig voor de kinderen de eerste rijen ingeruimd. - -Toen onze wandelaars deze plek betraden, was het godsdienstige feest -reeds afgeloopen. Nog stond er de troonhemel, waaronder de koninklijke -familie de feestrede pleegde te hooren en in welks schaduw heden de -stadhouder Ani had gezeten. Men zag nog de zitplaatsen der aanzienlijken -staan en de staketsels, die het volk verwijderd hielden van den adel, de -priesters en de leden der koninklijke familie. Hier had Ameni met eigen -mond het wonder van het ramshart aan het jubelende volk medegedeeld, -en kenbaar gemaakt, dat er een nieuwe Apis onder de kudden van den -stadhouder gevonden was. Zijne verklaring dezer goddelijke teekenen ging -van mond tot mond. Zij voorspelden het land vrede en geluk, door een -lieveling der goden. Al sprak de opperpriester het niet uit, zoo kon -het zelfs den onnoozelste niet ontgaan, dat met dien lieveling niemand -anders werd bedoeld dan Ani, de afstammeling van de groote Hatasoe, -welker profeet met het hart van den heiligen ram begenadigd was -geworden. Ieder zag bij Ameni's woorden op Ani, en deze offerde voor het -oog van het volk onder het heilige hart en ontving den zegen van den -opperpriester. - -Ook Pentaoer had zijne rede reeds uitgesproken, toen Bent-Anat met die -haar vergezelden op het feestterrein kwam. Zij hoorde hoe een grijsaard -tot zijn zoon zeide: »Het leven is niet gemakkelijk. Dikwijls kwam het -mij voor als een last, die onbarmhartige goden ons op de schouders -leggen. Maar toen ik den jongen priester uit het Seti-huis hoorde, -gevoelde ik toch dat de hemelsche goden goed zijn, en dat wij hen voor -veel te danken hebben." - -Elders zeide de vrouw van een priester tot haar jongske: »Hebt ge dien -Pentaoer wel eens goed in 't aangezicht gezien, Hor-oeza? Hij is van -lage afkomst, maar hij overtreft de grootsten in geest en gaven, en zal -het ver brengen." - -Twee meisjes stonden ginds met elkander te praten. »Die feestredenaar -is de schoonste man, dien ik ooit gezien heb," zeide de eene tegen de -andere; »en zijne stem klonk als welluidend gezang." - -»En hoe vol vuur waren zijne oogen, toen hij de waarheid prees als de -hoogste deugd," antwoordde het andere meisje. »Ik zou denken dat alle -goden in hem woonden." - -Bent-Anat bloosde, toen zij deze woorden opving. Zij wilde terugkeeren, -want de duisternis begon te vallen, doch Rameri wenschte ook de -processie te volgen, die nu met lampen en fakkels door het westelijk -dal zou trekken, ten einde dan tevens het graf van hun grootvader Seti -een bezoek te brengen. De prinses gaf ongaarne toe. Het was echter op -dit tijdstip uiterst moeielijk den Nijl te bereiken, want de dichte -volksmenigte bewoog zich juist in de tegenovergestelde richting. De -prins en zijne zuster lieten zich dus met Nefert door den stroom -medesleepen en kwamen, toen de zon reeds was ondergegaan, in het -westelijk dal. Geen roofdier vertoonde zich daar in dezen nacht, want -jakhalzen en hyena's hadden de wijk genomen naar de woestijn, zoodra -zij het licht zagen der ontelbare fakkels en uit gekleurd papyrus -samengestelde lantaarns, die de bezoekers van de Nekropolis in de handen -droegen. De rook van fakkels en andere lichten, en de stof die werd -opgedreven door de beweging van zulk een menschenmassa, waren oorzaak, -dat men den sterrenhemel niet kon zien en de processie met de daarop -volgende menigte in eene wolk was gehuld. - -Bent-Anat, Nefert en Rameri hadden zich een weg gebaand tot bij de hut -van den Paraschiet Pinem. Hier waren zij echter gedwongen te blijven -staan, want veiligheidswachters drongen het volk met hunne staven -rechts en links uit den weg te gaan, ten einde ruimte te maken voor de -naderende processie. - -»Zie, Rameri," zeide Bent-Anat, terwijl zij wees naar den tuin van den -Paraschiet, die slechts enkele schreden van haar verwijderd was, »daar -woont het blanke meisje, dat ik overreden heb. Zij wordt toch beter. -Keer u eens om: dáar, achter de doornheg bij het kleine vuurtje, dat -haar juist in het gezicht schijnt, zit zij naast haar grootvader." - -De prins ging op de teenen staan, wierp een blik in den armoedigen hof, -en zeide daarop met zachte stem: »Is dat nu zulk een mooi meisje? -- -Maar wat doet zij toch met den oude? Die schijnt te bidden, en zij houdt -hem het eene oogenblik een doek voor den mond, en dan weder wrijft zij -zijne slapen. En wat ziet zij er angstig uit!" - -»De Paraschiet zal ziek zijn," antwoordde Bent-Anat. - -»Misschien heeft hij op het feestterrein wel een kan wijn te veel -gedronken," zeide de prins lachend. »O zeker! Zie eens hoe krampachtig -zijne lippen zich bewegen, hoe zijne oogen rollen. Akelig! Hij ziet er -uit als een bezetene." - -»Hij is een onreine," zeide Nefert. - -»Maar toch een goed en braaf man, met een teergevoelig hart," antwoordde -de prinses levendig. »Ik heb naar hem onderzoek gedaan. Hij moet zeer -rechtschapen zijn en altijd nuchter. Hij is dus zeker ziek en niet -dronken." - -»Nu staat het meisje op," riep Rameri, terwijl hij de papieren lantaarn, -die hij op het feestterrein gekocht had, wat lager hield. »Ga wat opzij, -Bent-Anat; zij schijnt iemand te wachten. Hebt ge ooit zulk een blank -menschenkind gezien, en zulk een aanvallig kopje? Zelfs die typhonische -haren staan haar buitengewoon schoon. Maar zij zelve waggelt. Zij moet -zeker nog heel zwak zijn! -- Daar zit zij weer bij den oude en wrijft -hem het voorhoofd. Het arme schepsel! Zie eens hoe zij snikt. Ik wil -haar mijn beurs toewerpen!" - -»Doe het niet," zeide Bent-Anat. »Ik heb haar een rijk geschenk gegeven, -en de tranen die daar worden gestort schijnen van dien aard, dat zij met -geen goud kunnen worden gedroogd. Ik zal morgen de oude Anath hierheen -zenden en laten vragen, of ik ook ergens mee helpen kan. -- Zie nu vóór -u, Nefert, daar komt de processie. Foei, hoe onfatsoenlijk dringt dat -volk! -- Als de god voorbij is, gaan wij naar huis!" - -»Ach," zeide Nefert, »ik ben zoo beangst!" Bij deze woorden klemde zij -bevend zich zoo vast mogelijk aan de prinses. - -»Ik wenschte ook wel, dat wij te huis waren," antwoordde Bent-Anat. - -»Zie toch eens," riep Rameri. »Daar zijn zij! Niet waar, dat is -heerlijk. Ziet hoe dat hart licht, alsof het eene ster was!" - -Al het volk en ook onze vrienden wierpen zich op de knieën. - -Vlak voor hen hield de processie een oogenblik stil. Dit geschiedde -telkens, wanneer men duizend schreden had afgelegd. Een heraut trad -vooruit en prees met eene ver klinkende stem het groote wonder, waarbij -kort geleden nog een nieuw was gekomen. Want het heilige hart van den -ram was, toen de duisternis aanbrak, begonnen te lichten. - - * * * * * - -Sedert zijn terugkeer uit het huis der balsemers had de Paraschiet Pinem -geen voedsel willen gebruiken. Op alle vragen der zijnen, die zich -doodelijk ongerust maakten, had hij niet willen antwoorden. Strak voor -zich uit ziende, prevelde hij allerlei onverstaanbare woorden, terwijl -hij de hand gedurig aan zijn voorhoofd bracht. Eenige uren geleden had -hij het plotseling uitgeschaterd van lachen. Zijne vrouw hierdoor nog -ongeruster geworden, was dadelijk naar het Seti-huis gegaan om den arts -Nebsecht te roepen. Gedurende hare afwezigheid moest Warda grootvaders -slapen wrijven met de bladeren, die de tooveres Hekt op hare borst had -gelegd. Deze hadden eens zoo goed gewerkt, en zouden ook nu voor de -tweede maal den demon der krankheid wel kunnen verjagen. - -Toen de door duizende fakkels en lampions verlichte processie stilhield -voor de hut van den Paraschiet, die echter geheel in de duisternis was -weggedoken, en een burger zijn buurman toeriep: »Het heilige ramshart -komt!" verschrikte de oude en richtte hij zich op. Zijne oogen staarden -onafgebroken op het flikkerende wonderhart in zijne kristallen vaas. -Langzaam rees hij overeind, met uitgerekten hals en bevende over zijn -gansche lichaam. -- De heraut verkondigde den lof van het wonder. Daar -vloog, vóor hij nog geëindigd had, terwijl het volk eerbiedig geknield -lag en onder diepe stilte luisterde naar de woorden van den spreker, -de Paraschiet de deur van zijn huis uit, sloeg met vuisten tegen zijn -voorhoofd en brak weder vlak tegenover het heilige hart in een -waanzinnig schaterlachen, uit, zoo luide, dat het wijd en zijd langs de -naakte rotsen van het dal weerkaatste. - -Vol ontzetting rees de menigte van de knieën op. Ook Ameni, die dicht -achter het hart liep, verschrikte, en zag rond naar de persoon, die zoo -afgrijselijk had gelachen. Hij had den Paraschiet nooit gezien, maar -hij ontwaarde door stof en duisternis heen de doffe schemering van het -kleine vuur in den hof. Hij wist dat de opensnijder van de lijken op -deze hoogte woonde. Dadelijk was zijn besluit genomen. Hij fluisterde -een der officieren, die met hunne soldaten aan beide zijden van den -trein marcheerden, eenige woorden in het oor, die deze alleen verstond, -gaf daarop een teeken, en de processie zette zich weder in beweging, -alsof er niets gebeurd was. - -De oude spande al zijne krachten in om, steeds luider en akeliger -lachende, op het hart los te stormen, maar het volk wierp hem terug. -Terwijl de laatste groepen van den feesttrein hem voorbij trokken, -sleepte hij zich, vreeslijk mishandeld, weder naar de deur van zijn hut. -Daar zonk hij ineen, en Warda wierp zich op den grijsaard, die onkenbaar -op den grond lag te midden van stof en duisternis. - -»Vertrapt den spotter!" - -»Scheurt hem in stukken!" - -»Verbrandt dat onreine nest!" - -»Werpt hem met de deerne in de vlammen!" - -Zoo brulde het in zijne aanbidding gestoorde volk in dolle woede. Twee -oude vrouwen rukten de lantaarnen van hare stokken, en sloegen op den -ongelukkige los, terwijl een Ethiopisch soldaat, Warda bij de haren -greep en van haar grootvader wegsleepte. - -Op dit oogenblik verscheen de vrouw van den Paraschiet en met haar -Pentaoer. De oude vrouw had Nebsecht niet gevonden maar wel den -dichter, die na het uitspreken van zijne rede naar het Seti-huis was -teruggekeerd. Zij vertelde hem van de demonen[253], die haar man hadden -aangegrepen, en smeekte hem met haar mede te gaan. Pentaoer volgde haar -onverwijld in zijn huiskleed, zooals hij ging en stond, zonder het witte -gewaad aan te trekken, dat hem bij dit bezoek niet wenschelijk voorkwam. -Toen hij in de nabijheid van de Paraschietenhut was gekomen, vernam -hij het getier der menigte en boven allen uit den schrillen angstkreet -van Warda. Hij vloog vooruit en zag bij het flauwe schijnsel van het -smeulend haardvuur en het gekleurde doffe licht der lantaarns, de hand -van den zwarten soldaat in de haren van het hulpelooze kind. Dadelijk -was zijn besluit genomen, en op hetzelfde oogenblik hadden reeds zijne -ijzeren handen den soldaat bij de keel gegrepen. Daarop vatte hij den -kerel om zijn middel, tilde hem op en wierp hem als een rotsblok in -den tuin van den Paraschiet. Dit deed de woede der menigte opnieuw -ontvlammen, en zij stormden op hem los. Pentaoer gevoelde zich door een -tot hiertoe ongekenden vechtlust aangegrepen. Met een enkelen ruk -haalde hij den paal van zwaar Ethiopisch hout uit den grond, die de -tent steunde, door grootvaders zorgzame hand voor zijne kleindochter -opgericht. Hij slingerde dit wapen alsof het een rietstaf was, met -onbegrijpelijke snelheid rondom zijn hoofd, joeg de menigte terug, en -riep Warda toe, dat zij zich aan hem moest vastklemmen. - - [253] Men geloofde dat waanzinnigen door demonen bezeten waren. - De beroemde stêle in de bibliotheek van Parijs, die door E. de - Rougé uitnemend is verklaard, verhaalt ons van de door demonen - bezetene schoonzuster van Ramses XII, dat de booze geesten, - waardoor zij bevangen was, uitgedreven waren door het beeld van - Choensoe, dat naar haar Aziatisch vaderland was gezonden. - -»Die dat meisje durft aanraken," schreeuwde hij, »is een kind des doods. -Is het geen schande dat gij een zwakken grijsaard en een hulpeloos kind -dus aanvalt op dit heilige feest!" - -De menigte zweeg een oogenblik, maar om dadelijk weder op te dringen, en -nog wilder dan zoo even te brullen: »Verscheurt die onreinen! Steekt het -nest in brand!" - -Eenige handwerkslieden uit Thebe gingen op den dichter af, in wien -niemand den priester kon herkennen. Maar deze slingerde zijn paal, die -hen ter aarde wierp, eer hunne vuisten en stokken hem konden raken. Waar -het zware stuk hout trof, daar viel een man. Maar lang kon de worsteling -niet duren, want eenige van het gepeupel waren over de omheining -gesprongen, om hem in den rug aan te vallen. Pentaoer stond nu opeens in -het volle licht. Men had vuur geworpen in de hut achter hem, de droge -palmtakken van het dak waren dadelijk in brand geraakt, en knetterende -vlammen stegen op naar den nachtelijken hemel. De dichter hoorde het -razen van het volk achter zich. Met zijne linkerhand omvatte hij -het hoofd van het bevende meisje, dat zich steeds dichter aan hem -vastklemde, terwijl hij met de rechter den paal bleef slingeren, -overtuigd dat zij beiden verloren waren, maar dat hij de onschuld en -het leven van dit lieve schepsel tot zijn laatsten ademtocht moest -verdedigen. - -Doch het wapen snorde voor het laatst, door de lucht. Het gelukte twee -mannen het vreeselijk hout te grijpen; anderen ijlden ter hulp en -wrongen het den worstelaar uit de hand. Van beide zijden naderden -woedende vijanden, die echter ongewapend waren, en door vrees voor de -ontembare kracht van zulk een tegenstander op zekeren afstand werden -gehouden. Hijgend naar adem en bevende over al hare leden, als een -opgejaagde antilope, hield Warda zich aan haar beschermer vast. - -Pentaoer liet niet anders hooren dan een somber gesteun, toen hij zich -ontwapend zag. Daar sprong, alsof hij uit den grond was opgekomen, -een jongeling aan zijne zijde, duwde hem het zwaard van den gevallen -soldaat, dat voor zijne voeten had gelegen, in de hand, en plaatste zich -achter den dichter, rug aan rug. Terstond richtte Pentaoer zich weder -op in zijne volle lengte, met den wapenkreet van een held op de laatste -vrije schans van zijne bestormde vesting, en zwaaide zijn nieuwe wapen. -Met de vlammende oogen van een leeuw, dien de jachthonden van het wild -dat hij velde, willen verjagen, stond hij daar, en een oogenblik weken -zijne tegenstanders terug. Want ook zijn bondgenoot, de jonge Rameri, -had dreigend zijn bijl opgeheven. - -»Die laffe moordenaars werpen met vuur," riep de prins. »Kom hier, -meisje! Laat ik het brandend pek op uw kleedje uitdooven." - -Bij deze woorden greep hij Warda's hand, trok haar naar zich toe, en -bluschte de vlam op haar kleedje, terwijl Pentaoer hen met zijn zwaard -beschermde. - -Eenige oogenblikken hadden de prins en de dichter rug aan rug gestaan, -toen een steen het hoofd van den laatsten trof. Pentaoer wankelde, en -reeds drong de tierende menigte naar voren, toen de omheining van den -kleinen tuin door krachtige handen werd omvergehaald, en eene vrouw lang -van gestalte, op het tooneel van de worsteling verscheen. »Laat dezen -met rust!" riep zij het verbaasde volk toe. »Ik beveel het! Ik ben -Bent-Anat, de dochter van Ramses!" - -Als door den bliksem getroffen, week de woedende menigte terug. - -De dichter kreeg zijn bewustzijn terug, en toch geloofde hij dat alles -maar zinsbegoocheling was. Hij zag en hoorde, en toch meende hij een -hemelschen droom te droomen. Het kwam hem voor, dat hij zich moest -nederwerpen voor den dochter van Ramses. Maar met de vlugheid van geest, -die hij in de school van Ameni had geleerd, overzag hij op eens -Bent-Anat's toestand. In plaats van de knie te buigen, riep hij: -»Menschen, wie deze vrouw ook zijn mag, al gelijkt zij misschien ook op -de dochter van Ramses, zij is Bent-Anat niet. Maar ik ben, al draag ik -het witte kleed niet, een priester uit het Seti-huis. Ik ben Pentaoer, -de Cherheb[254] van het feest van heden. -- Vrouw, verlaat deze plaats! -Ik beveel het u in naam van mijn heilig ambt!" - - [254] Feestredenaar. - -Bent-Anat gehoorzaamde. - -Pentaoer was gered. Want toen het volk van zijn verbazing begon te -bekomen; toen zij, die door hem verwond waren, en hunne metgezellen zich -opnieuw tegen hem verhieven; toen een opgeschoten jongen, wiens hand hij -verbrijzeld had, in woede schreeuwde: »Hij is een vechter, maar geen -heilige vader! Verscheurt den bedrieger!" riep eene stem uit het volk: -»Maak plaats voor mijn wit gewaad, en blijft met uwe handen van den -feestredenaar Pentaoer, die mijn vriend is. -- Velen uwer zullen mij -kennen!" - -»Gij zijt de arts Nebsecht, die mijn gebroken been hebt genezen," riep -een matroos. - -»En mijn ziek oog," zeide een wever. - -»Die schoone groote man is de redenaar. Ja, ik herken hem wel," riep een -der meisjes, wier oordeel over Pentaoer, Bent-Anat op het feestterrein -had opgevangen. - -»Redenaar of niet!" schreeuwde de jongen en drong naar voren. -- Maar -het volk hield hem tegen en ging eerbiedig op zij, toen Nebsecht -verzocht plaats voor hem te maken, om naar de gewonden onderzoek te -doen. - -Allereerst boog hij zich heen over den ouden Paraschiet, en riep vol -ontzetting: »Schande over u; gij hebt den ouden man doodgeslagen!" - -»En ik," zeide Pentaoer »moest mijne vreedzame handen met bloed -bevlekken, om zijn onschuldig ziek kleinkind voor hetzelfde lot te -bewaren." - -»Gij giftharten, addergebroed, schorpioenen, uitvaagsel van het -menschdom!" schreeuwde Nebsecht de menigte toe, en sprong driftig -overeind om Warda met zijne oogen te zoeken. Toen hij haar behouden -zag zitten aan de voeten van de tooveres Hekt, die den tuin was -binnengedrongen, haalde hij weder vrij adem, en begon zich met de -gewonden bezig te houden. - -»Hebt gij deze allen, die hier rondom liggen, in het stof doen bijten?" -vroeg hij zijn vriend fluisterend. - -Pentaoer knikte toestemmend en lachte: doch niet zegevierend, maar -beschaamd als een knaap, die het vogeltje dat hij ving, tegen zijn wil, -in zijne hand verstikte. - -Nebsecht zag hem aan met verwondering en bezorgdheid, en vroeg: »Waarom -hebt gij u niet dadelijk kenbaar gemaakt?" - -»Omdat de geest van den krijgsgod Menth mij had aangegrepen," antwoordde -Pentaoer, »toen ik zag hoe die verwenschte schurk dáar het meisje bij de -haren sleurde. Ik zag, ik hoorde niets meer; ik....." - -»Gij hebt recht gehandeld," viel Nebsecht hem in de rede. »Maar waar -moet dit op uitloopen?" - -Op dit oogenblik klonk het geschetter van trompetten. De hoofdman, die -door Ameni was afgezonden om den Paraschiet gevangen te nemen, naderde -met zijne soldaten. Alvorens den tuin binnen te rukken beval hij het -volk uiteen te gaan. De weerspannigen werden met geweld uit elkaar -gedreven. In weinige oogenblikken was de huilende en razende menigte uit -het dal weggeveegd en het brandende huis omsingeld. Ook de kinderen van -Ramses met Nefert werden gedwongen hun plaats bij de heining van den -hof te verlaten. Rameri was zijne zuster gevolgd, zoodra hij zag dat -Warda gered was. Nefert was op het punt van ineen te zijgen. Angst -en deelneming hadden haar te sterk aangegrepen. De oversten der -draagstoeldragers gaven elkaar de handen, tilden haar op en droegen -haar voor de prinses en haar broeder uit. Geen van het drietal sprak -een woord, zelfs Rameri niet, want hij kon Warda niet vergeten, noch -den dankbaren blik, waarmede zij hem had nageoogd. Maar opeens brak -Bent-Anat het zwijgen af, om te zeggen: »De Paraschieten-hut brandt nog -altijd. Waar zullen de armen nu slapen?" - -Nadat het dal van volk gezuiverd was, verscheen de officier in den hof -en vond hier, behalve de tooveres Hekt en Warda, ook den dichter en -Nebsecht, die bezig was met het verbinden der gewonden. Pentaoer lichtte -den hoofdman kortelijk omtrent het gebeurde in, en noemde hem zijn naam. - -Deze reikte hem de hand en zeide: »Waren er vele krijgers van uw slag, -heilige vader, in het leger van Ramses, de Cheta-oorlog zou spoedig -geëindigd zijn! Maar gij hebt geen Aziaten, gij hebt burgers uit Thebe -geveld, en hoeveel leed het mij ook doet, ik moet u als mijn gevangene -voor Ameni brengen." - -»Doe wat uw plicht vordert," antwoordde Pentaoer, zich buigende voor den -hoofdman, die zijne lieden intusschen beval het lijk van den Paraschiet -op te nemen en naar het Seti-huis te dragen. - -»Ik moet het meisje ook gevangen nemen," zeide de officier zich tot -Pentaoer richtende. - -»Zij is krank," antwoordde de dichter. - -»En wanneer zij niet spoedig tot rust komt," voegde de arts er bij, "dan -is het met haar gedaan. Laat haar; zij is de bijzondere beschermeling -van de prinses Bent-Anat, die haar onlangs heeft overreden." - -»Ik zal haar in mijn verblijf nemen," zeide de tooveres, »en wil voor -haar zorgen. Dáar ligt haar grootmoeder reeds; zij is half gestikt in de -vlammen, maar komt weer bij. Ik heb plaats voor beiden." - -»Tot morgen dan," antwoordde de arts, »dan zal ik haar een ander tehuis -bezorgen." - -De oude lachte hem onopgemerkt uit, prevelende: »Daar zullen ook nog wel -anderen voor haar willen zorgen!" - -De soldaten volgden het bevel van hun aanvoerder, namen de verwonden op, -en verwijderde zich met Pentaoer en het lijk van den Paraschiet. - - * * * * * - -Intusschen was Bent-Anat met haar broeder en Nefert, na veel -oponthoud, gekomen aan de landingsplaats van de Nijlschepen. Een der -draagstoeldragers werd uitgezonden om de boot te halen, die hen zou -wachten. Hij moest zich bijzonder haasten, want reeds zag men de lichten -van de processie naderen, die den god naar den Amontempel te Thebe -terugbracht. Gelukte het hun thans niet onverwijld in hunne boot plaats -te nemen, dan hadden zij het vooruitzicht uren lang te kunnen wachten. -Wanneer de processie in den nacht den stroom werd overgezet, dan mocht -geen vaartuig, dat niet voor dit doel werd gebruikt, ja, zelfs geen bark -van een der aanzienlijksten van land afsteken. Ongeduldig en in groote -spanning zagen broeder en zuster uit naar het teeken van hun boot, want -Nefert zonk van uitputting bijna ineen, en Bent-Anat, op wier arm zij -steunde, gevoelde dat al hare leden begonnen te beven. Eindelijk -wenkte de draagstoeldrager. Het snelle maar onaanzienlijke bootje, -dat gewoonlijk alleen bij het jagen op vogels werd gebruikt, schoot -naderbij. Rameri liet een der matrozen zijn roeispaan toesteken, en -trok zoo het vaartuig dichter bij de landingstrap. - -Juist op dit oogenblik verscheen de overste der veiligheidswachten, -en riep: »Deze boot is de laatste die van wal mag steken, vóor den -overtocht van den god." - -Zoo haastig als de zwakke Nefert zulks toeliet, die zoo zwaar aan haar -arm hing, liep Bent-Anat de trappen af, die nog maar spaarzaam verlicht -waren door het matte schijnsel van enkele lantaarns. Straks als de -godheid naderde, en de pekpannen en fakkels ontstoken zouden worden, -zou het hier daghelder zijn. Maar eer zij de laatste trede bereikt had, -voelde zij eene harde hand op haar schouder, en de ruwe stem van den -gids Paäker riep: »Terug vee! Wij eerst!" - -De veiligheidswachten hielden hem niet tegen, want zij kenden den gids -en zijne onbesuisde manier van handelen. Paäker stak dadelijk de vingers -in den mond en floot, zóo schel, dat het door de lucht suisde. Terstond -daarop hoorde men riemslagen. - -»Stoot die boot hier op zij! Dat volk kan wachten!" riep de Mohar zijn -scheepsvolk toe. - -Het vaartuig van den gids was grooter en sterker bemand, dan dat der -koningskinderen. - -»Snel in de boot!" riep echter Rameri. - -Bent-Anat ging weder zwijgend vooruit, want zij durfde zich hier om -der wille van het volk en van Nefert niet andermaal kenbaar maken. -Doch Paäker trad haar in den weg, en riep: »Heb je 't niet gehoord, -schorremorrie, dat je wachten zult tot wij weg zijn? Mannen, haalt de -boot van dat volk in den stroom terug!" - -Het was Bent-Anat alsof haar bloed verstijfde, toen zij terstond hierop -eene luide woordenwisseling beneden aan de landingstrap vernam. Rameri's -stem werd boven alle anderen uitgehoord. - -»Die schooiers durven weerstand bieden!" riep de gids. »Ik zal ze -leeren! Hola, hier, Descher! Pak dat wijf en dien jongen!" - -Op dien stem sprong de groote roodharige dog, die reeds aan zijn vader -had toebehoord, en hem altijd vergezelde wanneer hij als heden met zijne -moeder het graf van den gestorven Mohar bezocht, blaffend op het tweetal -los. Nefert gaf een gil van angst. Doch de hond herkende haar terstond, -drong tegen haar aan, en scheen met zijn gewoon gehuil zijne blijdschap -te kennen te geven. - -Paäker, die de booten reeds genaderd was, keerde zich verbaasd om, -zag hoe het dier kwispelstaartend rondom Nefert liep, die in haar -jongensgewaad voor hem onherkenbaar was, sprong terug en riep: »Ik zal -je leeren, vlegel, mijn hond door gif of tooverij te bederven." Daarbij -hief hij zijn zweep op en sloeg naar de schouders van Mena's vrouw, die -met een gillenden angstkreet bewusteloos ineenzonk. - -De snoeren van de zweep waren vlak langs de wangen der teedere vrouw -gegaan, dank zij Bent-Anat's tegenwoordigheid van geest. Want zij had -met een krachtigen greep Paäkers arm tegengehouden. Ontzetting, afschuw -en toorn beletten haar een woord te spreken. Doch Rameri had Nefert's -gil gehoord en was met een paar sprongen bij de vrouwen. - -»Laffe schurk!" riep hij, terwijl hij den roeiriem ophief, dien hij in -de hand hield. Paäker, aan den strijd gewoon, behield zijne bedaardheid, -en riep alleen zijn hond met een eigenaardig gesis van zijne lippen toe: -»Pak hem beet, Descher!" - -De hond sprong op den prins los. Rameri echter, die zijn vader reeds -als kind op menige jacht vergezelde, gaf het woedende dier met den -zwaren riem zulk een geweldigen slag op zijn kop, dat hij rochelend -neerstortte. - -Paäker meende in de gansche wereld geen warmer vriend te bezitten dan -dit dier, zijn trouwen metgezel op al zijne tochten door de woestijn -en door vijandige landstreken. Toen hij het daar stuiptrekkend zag -neerzinken, geraakte hij buiten zichzelven van woede. Met de zweep -in zijn opgeheven arm stormde hij op den jongeling los. Maar deze, -uitermate opgewonden door alles wat hij in dezen nacht had doorleefd, -geheel vervuld van den krijgszuchtigen geest zijner vaderen, ten hoogste -verbolgen op den ruwen beleediger der vrouwen, als welker beschermer hij -zich beschouwde, gevoelde zich tegen dien man opgewassen, en sloeg den -gids met de roeispaan zoo hevig op zijne linkerhand, dat de zweep hem -ontviel, en hij huilend van pijn met de rechter naar den dolk in zijn -gordel greep. - -Op dit oogenblik wierp Bent-Anat zich tusschen den man en den jongeling, -die nauwelijks den kinderleeftijd was ontwassen, noemde andermaal haar -eigen en ook haars broeders naam, beval Paäker zijne matrozen tot -bedaren te brengen, geleidde Nefert, die onbekend was gebleven, naar het -bootje, steeg erin met die haar geleidden, en landde in weinig tijd aan -het paleis. - -Paäker en zijne moeder Setchem, voor welke hij zijne Nijlboot had -voorgeroepen, en die boven aan de landingstrap uit haar draagstoel den -strijd had gezien, zonder echter de oorzaak te begrijpen en de personen -te herkennen, moesten nog eenigen tijd op de trap blijven wachten. Zijn -hond was dood, zijne hand deed hem gevoelig pijn en in zijn gemoed -kookte het van nieuwe woede. »Dat Ramses-gebroed!" bromde hij in -zichzelf; »die gelukzoekers! Zij zullen mij leeren kennen! Mena en -Ramses staan dicht genoeg bij elkaar! Ik offer hen beiden op!" - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - - -Eindelijk was ook de boot van den gids van wal gestoken met zijne moeder -Setchem en het lijk van zijn hond. Zijn plan was het beest te laten -balsemen, en te Kynopolis[255], de stad waarin men de honden meer dan -andere dieren voor heilig hield, te laten bijzetten. Hijzelf begaf zich -naar het Seti-huis, waar in den nacht die op het feest volgde een groot -gastmaal werd gehouden, waaraan zich de aanzienlijke priesters uit de -Nekropolis zoowel als uit Thebe, benevens de feestgezanten en de keur -der waardigheidbekleeders plachten te vereenigen. Zijn vader werd, als -hij ten minste in Thebe vertoefde, nooit bij dien maaltijd gemist. -Hemzelven viel heden voor het eerst de buitengewone onderscheiding ten -deel van als gast tegenwoordig te zijn, eene eer, die velen hem konden -benijden. Hij had dit alleen aan den stadhouder te danken, zoo als Ameni -hem uitdrukkelijk zeide, toen hij hem gisteren noodigde. - - [255] Het oude Egyptische Saka, het tegenwoordige Samakoet, waar - Anubis als hoofdgodheid vereerd werd. Plutarchus verhaalt, dat - de Oxyrynchiten, die den Oxyrynchos-visch vereerden, met hunne - naburen, de Kynopoliten, die den hond voor heilig hielden, een - strijd begonnen over deze dieren. De strijd nam hiermede een - aanvang, dat de Kynopoliten, Oxyrynchos-visschen aten, en de - Oxyrynchiten uit wraak honden vingen, die ze slachten en als - een offermaal gebruikten. Eene dergelijke geschiedenis verhaalt - Juvenalis in de 15de satire van de Omiten (waarschijnlijk - Koptiten) en Tentyriten. - -Voordat hij van haar afscheid nam, had zijne moeder de door Rameri -verwonde hand verbonden. Hij gevoelde hevige pijn, maar hij zou voor -geen prijs het gastmaal in het Seti-huis hebben willen verzuimen, -hoezeer hij er ook tegen opzag. Zijn geslacht was zoo oud en aanzienlijk -als eenig ander in Egypte, zijn bloed zuiverder dan dat des konings, en -toch gevoelde hij zich nooit in het gezelschap van rijksgrooten op -zijn plaats. Hij was geen priester en toch een schrijver, hij was een -krijgsman en toch stond hij niet in de gelederen van 's konings helden. -Bij zijne opvoeding had hij strenge plichtsbetrachting geleerd, en hij -wijdde zich ook geheel aan zijn beroep. Doch zijne levensgewoonten -verschilden hemelsbreed van die dergenen, in wier kring hij was -opgewassen, en waarvan zijn schoone, dappere en grootmoedige vader het -sieraad was geweest. Hij was niet als een gierigaard gehecht aan -het vermogen, dat hij geërfd had; integendeel, de edele deugd der -vrijgevigheid scheen hem niet vreemd te zijn. Hij liet echter de -ongevoeligheid van zijn hart juist het meest blijken als hij gaf. Want -behalve dat hij van zijne geschenken zooveel mogelijk vertoon maakte, -werd hij niet moede de beweldadigden, die van hem afhankelijk waren, -telkens voor te houden, welk een dank zij hem verschuldigd waren. Hij -meende door zijne gaven het recht verworven te hebben, elk die ze aannam -naar welgevallen ruw en onbeschaamd te mogen bejegenen. Ziedaar, waarom -zelfs zijne beste daden hem meer vijanden dan vrienden bezorgden. - -Paäker was derhalve een man van een onedel, of liever van een uiterst -zelfzuchtig karakter. Als hij langs een korter weg zijn doel bereiken -kon, was het hem volmaakt onverschillig, of hij op bloemen trad, dan op -het zand der woestijn. Deze zijn gemoedsgesteldheid openbaarde zich in -alles, en was ook merkbaar in zijn uiterlijk voorkomen, zooals in den -klank van zijn stem, in de breede trekken van zijn gelaat en in de -pronkerige bewegingen van zijne ineengedrongen gestalte. In het leger -kon hij zich gedragen zooals hij wilde, maar dit was niet geoorloofd -in het gezelschap van lieden, die tot zijn stand behoorden. Daarom, en -omdat hij de gave miste van vlug te kunnen spreken en met gevatheid te -kunnen antwoorden, eene gave die hun eigen was, gevoelde hij zich niet -op zijn gemak en niet op zijne plaats in hun midden. Hij zou aan de -uitnoodiging van Ameni waarschijnlijk geen gevolg hebben gegeven, -wanneer zij niet zijne ijdelheid gestreeld had. - -Het was reeds laat geworden, maar het maal begon eerst omstreeks -middernacht, want de gasten waren vooraf tegenwoordig bij de -voorstellingen, die op het heilige meer in het zuiden van de Nekropolis -bij lamp- en fakkellicht werden gegeven, en die betrekking hadden op de -lotgevallen van Isis en Osiris. Toen hij de feestelijk getooide zaal -betrad, waarin de tafels waren opgeslagen, vond hij alle gasten -verzameld. Ook de stadhouder Ani was tegenwoordig en gezeten ter -rechterzijde van Ameni, aan het hoofd van de voornaamste tafel in het -midden, waaraan verschillende plaatsen onbezet waren, want de profeten -en ingewijden van Amon in Thebe hadden zich laten verontschuldigen. Zij -waren trouw gehecht aan Ramses en zijn huis, en hun grijze overste -keurde de stoutmoedige handelwijze van Ameni tegen de kinderen des -konings ten strengste af. Zij hielden ook het wonder van het ramshart -voor een vijandigen streek der priesters in de Nekropolis tegen den -rijkstempel te Thebe, door den pharao zoozeer begunstigd[256]. - - [256] Zie boven blz. 183. Bijna alle koningen van het nieuwe - rijk zorgden, zelfs met verkwistende vrijgevigheid, voor - den tempel van Karnak. De oudste koningsnaam, die op de - overblijfselen van dit heiligdom bewaard bleef, is die van - Oesertesen I (12e dynastie). Gedurende den tijd der Hyksos werd - de arbeid gestaakt, maar de Koningen der 18e en 19e dynastie - breidden den tempel uit met gebouwen van buitengewone - afmetingen. De groote zaal, waartoe Ramses I den grondslag - legde, die Seti I deed bouwen en Ramses II versierde, had - 134 zuilen en was 102 bij 51 Meters groot. Ook de met Karnak - verbonden tempel van Loeqsor, onder de 18e dynastie aangelegd, - werd door Ramses II met grootere gebouwen voltooid. Aan de - oostzijde van Karnak werden nieuwe gedeelten aangebracht, en - onnoemelijk vele koninklijke geschenken, in de schatkamers van - dit heiligdom samengebracht. Mariëtte heeft onlangs in zijn - Karnak, voortreffelijke teekeningen van alle deelen en - onderdeelen van dezen tempel in het licht gegeven. - -De Mohar ging naar de tafel, aan welke de bevelhebber der als -overwinnaars uit Ethiopië teruggekeerde troepen, met andere officieren -van hoogen rang was gezeten. Naast eerstgenoemde was een plaats open. -Paäker wilde er regelrecht op afgaan; toen hij echter bemerkte, dat de -generaal zijn buurman een wenk gaf om aan te sluiten, begreep de gids -dat deze hem beletten wilde aan zijne zijde plaats te nemen. Hij keerde -dus met spijtigen blik aan de tafel der krijgslieden den rug toe. De -Mohar was hem geen welkom feestgenoot. »Het is of de wijn mij zuur -smaakt, als die lomperd er in ziet," zeide de bevelhebber. - -De oogen aller gasten richtten zich op Paäker, die naar eene plaats -uitzag. Toen niemand hem een wenk gaf om bij hem te komen, begon zijn -bloed weder te koken. Het liefst zou hij terstond met een vloek de -feestzaal verlaten hebben. Reeds keerde hij zich naar de deur, toen de -stadhouder, die met Ameni eenige woorden gefluisterd had, hem toeriep -en verzocht de plaats in te nemen, die voor hem bestemd was, daarbij -wijzende op den stoel aan zijne zijde, die voor den eersten profeet van -den rijkstempel was bestemd geweest. - -Paäker zette zich onder eene diepe buiging op deze eereplaats neder, -doch hij durfde niet van de tafel op te zien, want hij vreesde -verwonderde en spottende gezichten te ontmoeten. En toch had hij zich -kunnen voorstellen, hoe zijn grootvader Assa en zijn vader in de -nabijheid waren gezeten van deze plaats, die hun ook werkelijk meermalen -was ingeruimd. Was hij niet hun opvolger en erfgenaam? Stamde zijne -moeder Setchem niet uit een koninklijk geslacht? Was het Seti-huis hem -niet grooter dank schuldig, dan alle overigen? - -Een dienaar hing hem een krans over de breede schouders en een ander -bood hem wijn en spijzen aan. Nu eerst waagde hij het op te zien en -daarbij ontmoette hij de helder vonkelende oogen van den tweeden profeet -Gagaboe, die tegenover hem zat. Hij begon weder op de tafel te staren. -Toen sprak de stadhouder hem aan en vertelde, zich daarbij half wendend -tot die in zijne nabijheid waren gezeten, dat de Mohar morgen naar Syrië -dacht te trekken, ten einde zijne zware taak weder op zich te nemen. - -Het klonk Paäker in de ooren, als had Ani zich bij de aanwezigen -willen verontschuldigen, dat hij hem zulk eene eereplaats had gegeven. -Eindelijk hief de stadhouder den beker op, en dronk op den goeden -uitslag der verkenningstochten en het zegenrijk einde van elken strijd, -die de Mohar te voeren zou hebben. Ook de opperpriester wijdde hem een -dronk, en dankte hem luide in naam van het Seti-huis voor het kostelijk -stuk bouwland, dat hij hedenmorgen als feestgave aan den tempel had -vereerd[257]. Een gemompel van bijval werd door de geheele zaal -vernomen, en eerst nu begon het gevoel van onzekerheid den gids te -verlaten. - - [257] Het was een zeer gewoon verschijnsel, dat koningen - akkerland aan de tempels schonken. Op ontelbare gedenkteekenen - is het aandenken aan zulke schenkingen bewaard. Doch ook rijke - burgers begiftigden niet alleen de heiligdommen met stukken - grond en bouwland, maar stelden soms bovendien een kapitaal - vast tot ontginning of tot onderhoud. Zoo bijv. Amon-en-apt te - Medinet Haboe. - -»Zijt gij gewond?" vroeg de stadhouder. Want Paäker had nog altijd zijne -hand, die hem hevig pijn deed, in de zwachtels, die zijne moeder er -omgelegd had. - -»Het heeft niets te beteekenen," antwoordde de gids. »Toen ik mijne -moeder naar de boot bracht, viel er...." - -»Er viel," haastte zich een zijner vroegere medescholieren, de -opperbevelhebber van de wachtsoldaten in Thebe, die zeer hoog aan tafel -geplaatst was, lachende te zeggen: »er viel een stok of roeiriem op -zijne vingers." - -»Dat is wat te zeggen," riep de stadhouder. - -»Een nog zeer jonge knaap heeft zich tegen hem durven verzetten," ging -de bevelhebber voort. »Mijne lieden hebben mij alles haarfijn bericht. -De jongen sloeg eerst zijn hond dood...." - -»Den fraaien Descher?" vroeg de grijze opperjachtmeester, met innig -leedwezen. »Uw vader stond dikwijls met dit dier mij ter zijde, wanneer -wij jacht maakten op everzwijnen." - -Paäker knikte. De bevelhebber echter, in het trotsch gevoel van zijne -positie en waardigheid, begon opnieuw, zonder erop te letten dat het -bloed den gids naar het hoofd steeg en zijne wangen kleurde: »Toen de -hond op den grond lag, sloeg de waaghals u de zweep uit de hand." - -»De strijd heeft toch geene aanleiding gegeven tot rustverstoring?" -vroeg Ameni ernstig. - -»Neen," zeide de bevelhebber. »Het feest van heden is overigens -bijzonder rustig afgeloopen. Als niet het ongelukkig interval met dien -waanzinnige Paraschiet de processie had gestoord, dan zouden wij de -volksmenigte over hare houding slechts kunnen prijzen. Behalve den -vechtlustigen priester, dien wij u hebben uitgeleverd, zijn er enkel een -paar dieven opgebracht. Zij behoorden allen tot de caste[258], daarom -ontnamen wij hun alleen het geroofde, en lieten ze verder loopen. -- -Maar zeg mij toch eens, Paäker, welke vriendelijke geesten zijn er in u -gevaren dat gij dien vlegel ongestraft de wijk liet nemen?" - - [258] Volgens Diodorus (I. 80) hadden de dieven in Egypte een - eigen gild. Alle burgers moesten zich in registers van den - burgerlijken stand laten inschrijven, en opgeven waarvan zij - leefden, zoo ook de dieven. De namen werden ingeschreven bij - de dievenhoofdman, aan wien al het gestolene moest worden - uitgeleverd. De bestolene moest eene schriftelijke aanwijzing - inleveren van de hem ontvreemde voorwerpen, met opgave van dag - en uur waarop hij ze vermist had. Op deze wijze vond men het - gestolene gemakkelijk bij den hoofdman weder, die het aan - den bezitter uitleverde, tegen betaling van het vierde deel - der waarde, ten voordeele van de dieven. Eene soortgelijke - inrichting moet nog betrekkelijk kort geleden te Kaïro hebben - bestaan. - -»Hebt gij dat waarlijk gedaan?" riep de oude Gagaboe. »Gewoonlijk toch -is haat uw handwerk...." - -Ameni wierp den grijsaard zulk een verwijtenden blik toe, dat hij zweeg. -Hij vroeg daarop den Mohar: »Hoe ontstond deze strijd, en wie was die -jongen?" - -»Onbeschaamd volk," antwoordde Paäker, »wilde zijn schuitje met geweld -aan de landingsplaats brengen, vóor de boot waarop mijne moeder wachtte. -Ik verdedigde mijn recht. Toen viel die knaap mij aan, en sloeg mijn -hond dood. Ja, bij mijn Osirischen vader, die het dier liefhad, de -krokodillen zouden hem al lang hebben verslonden, wanneer niet eene -vrouw zich geplaatst had tusschen hem en mij, en zich had doen kennen -als Bent-Anat, de dochter van Ramses. Zij was het in eigen persoon, en -de knaap de jonge prins Rameri, dien gij gisteren uit dit huis hebt -gebannen." - -»Oho," riep de oude jachtmeester, »oho, mijnheer de Mohar, spreekt men -zoo van de kinderen des konings?" - -Ook andere beambten, die den pharao aanhingen, gaven duidelijk hun -ongenoegen te kennen. Doch Ameni fluisterde den gids toe: »Zwijg voor -het oogenblik!" Daarop zeide hij overluid: »Het wegen van woorden, mijn -vriend, was nooit uw zaak en heden spreekt gij naar 't mij toeschijnt, -als iemand die de koorts heeft. Kom hier Gagaboe, onderzoek Paäkers -wond, waarover hij zich niet behoeft te schamen, want een koningszoon -heeft hem geslagen." - -De grijsaard maakte de zwachtels los, die de sterk gezwollen hand van -den Mohar omgaven, en riep: »Die slag is duchtig aangekomen! Drie -vingers zijn gebroken, en bovendien, zie maar, de smaragd van uw -zegelring." - -Paäker zag naar zijne pijnlijke vingers en haalde weder vrij adem, want -niet zijn orakelring met den naam van Thotmes III was verbrijzeld, maar -de kostbare ring, dien de regeerende koning eens aan zijn vader had -geschonken. In de gouden kast hingen nog maar enkele splinters van den -vlak geslepen zegelsteen. De naam des konings was met de ontbrekende -stukken op den grond gevallen en verdwenen. Paäkers bleeke lippen -bewogen zich weer en eene stem in zijn binnenste riep hem toe: »De goden -wijzen u den weg! De naam is vernietigd; hij die hem droeg moet volgen!" - -»Jammer van den ring," zeide Gagaboe; »en als de hand niet denzelfden -weg op zal gaan, -- gelukkig is het maar de linker -- raad ik u niet -meer te drinken en u naar den arts Nebsecht te laten brengen, met -verzoek de gebrokene beentjes te zetten en te verbinden." - -Paäker stond op en nam afscheid, nadat Ameni hem den volgenden dag in -het Seti-huis en de stadhouder hem in het paleis had genoodigd. - -Zoodra de deur zich achter den gids had gesloten, zeide de schatmeester -van het Seti-huis: »Dat was een kwade dag voor den Mohar, die hem -misschien leeren zal, dat men er hier in Thebe niet op los kan trekken, -gelijk in het veld. Er is heden nog wat anders met hem gebeurd. Wilt gij -het hooren?" - -»Vertel het ons," riep een zijner dischgenooten. - -»Gij kent den ouden Seni," zoo begon de schatmeester. »Hij was een -rijk man, maar gaf al wat hij bezat aan de armen, toen hij zijne zeven -bloeiende zonen, den een na den ander, in den krijg of door ziekten -verloren had. Hij behield voor zich niet meer dan een klein huisje met -een tuintje en zeide, dat hij zich wilde erbarmen over de verlatenen -hier op aarde, gelijk de goden zich over zijne kinderen in de andere -wereld zouden ontfermen. Spijst de hongerigen, drenkt de dorstigen, -kleedt de naakten, zegt de wet[259], en daar Seni niets meer heeft weg -te geven, trekt hij, zoo gij weet, zelf honger en dorst lijdende en ter -nauwernood gekleed, de stad door en naar elke plaats waar feest wordt -gevierd, bedelende voor zijne aangenomen kinderen, de armen. Wij hebben -hem allen wat gegeven, want ieder weet voor wie hij zich vernedert en -de hand houdt uitgestrekt. Heden trok hij weder met zijn zakje rond, en -smeekte met zijne goedige oogen om een aalmoes. Paäker heeft ons op dit -feest een kostelijk stuk land gegeven, en meent nu, misschien te recht, -dat hij het zijne heeft gedaan." - - [259] Zie Dl. I, bl. 100. - -»Toen Seni hem aansprak, beval hij hem heen te gaan. De oude man hield -echter niet op te smeeken, en volgde hem onafgebroken tot aan het graf -zijns vaders, terwijl vele lieden hen naliepen. Daar voer de gids hevig -tegen hem uit, wees hem nog eens af, en toen de bedelaar het waagde hem -bij zijn kleed te grijpen, hief hij zijne zweep op en sloeg den armen -man twee, ja, driemaal, roepende: 'Daar heb je wat je toekomt!' De oude -man hield zich geduldig en bedaard, en zeide, terwijl hij zijn zakje -opendeed, met betraande oogen: 'Mijn deel heb ik dus ontvangen; maar nu -mijne armen!'" - -»Ik stond er bij, toen dit plaats had, en zag hoe Paäker zich ijlings -in het graf terugtrok, en hoe zijne moeder Setchem aan Seni haar vollen -buidel toewierp. Haar voorbeeld werd door anderen gevolgd, en de oude -heeft nooit zoo'n rijken oogst gehad als heden. De armen mogen den Mohar -wel dankbaar zijn! Eene groote massa volk vatte post voor zijne groeve, -en het zou slecht met hem zijn afgeloopen, als de politie-wacht de -menigte niet uit elkaar had gedreven." - -Dit verhaal werd natuurlijk met grooten bijval aangehoord. Want niemand -is zoo zeker van de algemeene instemming, als hij die de nederlaag -kan vertellen van een overmoedige, dien men niet liefheeft. Intusschen -hadden de stadhouder en de opperpriester druk met elkander gefluisterd. - -»Het is derhalve aan geen twijfel onderhevig," zeide Ameni, »dat -Bent-Anat het feest heeft bijgewoond." - -»En zij liet zich opnieuw in met den priester, dien gij altijd zoo warm -verdedigt," fluisterde de ander. - -»Pentaoer zal nog dezen nacht verhoord worden," antwoordde de -opperpriester. »Reeds worden de schotels weggenomen en het drinkgelag -begint. Laten wij opbreken en den dichter een bezoek brengen." - -»Wij missen thans getuigen," hernam Ani. - -»Die hebben wij niet noodig," verzekerde Ameni. »Hij kan niet liegen." - -»Nu, breek dan op," zeide de stadhouder lachend, »want ik ben waarlijk -ook nieuwsgierig naar dezen blanken neger, en wil wel eens weten hoe hij -met de waarheid zal omspringen. Gij vergeet echter, dat hier eene vrouw -in het spel is." - -»Dat is altijd het geval," antwoordde Ameni. Hij riep Gagaboe bij zich, -droeg zijn zetel aan hem over, en verzocht hem om aan het gesprek eene -vroolijke wending te geven, de gasten aan te moedigen om duchtig te -drinken, en elk onderhoud over den koning, den staat en den krijg af -te snijden. »Gij weet," zoo besloot hij, »dat wij heden niet onder -ons zijn. Wat heeft de wijn niet reeds doen verraden! Wees daaraan -indachtig! Zich aan anderen te spiegelen, leert voorzichtigheid!" - -De stadhouder Ani klopte den oude op den schouder en zeide: »Er zal -heden een bres gemaakt worden in uwe wijnschuren. Men zegt van u, dat -gij nooit een leeg glas, en ook geen vol kunt zien! Welnu, vier heden -aan uw tegenzin tegen beiden den vrijen teugel, en wanneer gij meent -dat het tijd is, wenk dan mijn hofmeester, die daar in den hoek zit. -Hij heeft eene kruik van het edelst druivennat van Byblos[260] van de -overzijde medegebracht en zal u daarvan schenken. Ik kom nog weder om u -goeden nacht te zeggen." - - [260] Gebal-Byblos in Phoenicië. Daar wies eene wijnsoort, die - ook onder de Grieken zeer beroemd was. - -Ameni was gewoon bij het begin van drinkgelagen zich te verwijderen. -Toen de deur achter hem en den stadhouder gesloten was, werden nieuwe -rozenkransen om den hals der gasten gelegd, lotusbloemen boven op -hun hoofd gestoken en de bekers opnieuw gevuld. Er verschenen eenige -muzikanten, die op harpen, luiten, fluiten en handtrommels, vroolijke -deuntjes speelden. De directeur gaf de maat aan met in de handen te -klappen en naarmate de gasten opgewondener werden, hielpen zij door -gelijkmatige slagen mede. De levendige Gagaboe handhaafde zijn roem -als lustig drinker en leider van eene drinkpartij. Weldra straalden de -ernstige priestergezichten van uitgelaten vreugde, en krijgslieden, -zoowel als hofbeambten deden hun best elkander de loef af te steken in -dartele scherts. - -Nu wenkte de grijsaard, en dadelijk verscheen een jeugdig, met kransen -getooid tempeldienaar, die een rijk verguld mummiebeeldje bracht. Hij -gaf het rond in den kring en riep: »Ziet dit beeld! Weest vroolijk en -drinkt, zoolang gij op aarde wandelt, want eerlang zult gij aan deze -mummie gelijk zijn"[261]. - - [261] Eene gewoonte, waarvan Herodotus (II 78) gewag maakt. - Lucianus was ooggetuige dat zulke mummiën bij een gastmaal - werden rondgegeven. De Grieken namen deze zede over, maar gewoon - om aan alles zekere bekoorlijkheid bij te zetten, stelden zij - een gevleugelden genius des doods in de plaats van de mummie. - Men herinnere zich hierbij ook de "larva" der Romeinen. - -Gagaboe wenkte nog eens, en nu bracht de hofmeester van den stadhouder -den edelen wijn van Byblos. Men prees den milden gever, Ani, en roemde -den geurigen smaak van dezen kostelijken drank. - -»Zulke wijn," riep de anders zoo bijzonder ernstige overste der -Pastophoren, »is als de zeep"[262]. - - [262] Deze vergelijking is zuiver Oostersch. Kisrâ noemde - den wijn "de zeep der zorg." Ofschoon den Mohamedanen de - wijn verboden was, hebben zij toch de heerlijkheid van het - druivennat, niet minder dan de gasten van het Seti-huis, - geroemd. Zoo zegt Abdelmâlik ibn Sâlih Hâschimî: "Het - uitnemendste waarmede de wereld zich verheugt, is de wijn." - Gâhiz zegt: "De wijn, wanneer hij in uwe beenderen dringt en - door uwe leden vloeit, verleent u de waarheid van het gevoel en - de volmaking der ziel; hij maakt uw geest buigzaam, neemt alle - beklemdheid weg, veredelt uwe stemming;" enz. Toen men Ibn - Aischah van iemand vertelde, dat hij geen wijn dronk, zeide hij: - "De wereld heeft dien man reeds driemaal verstooten." Ibn el Moe - tazz zong: - - "Zorg niet of de tijd blijft dralen, - of wel rusteloos verder gaat! - Klaag alleen den wijn uw kommer, - als hij schuimend voor u staat. - Hebt gij driemaal reeds gedronken, - zoo behoed vooral uw hart, - Zal de vreugd het niet ontvlieden - en u blijven alle smart. - Dit is de een'ge welbeproefde - aller zorgen artsenij; - Daarom hoor toch wat ik rade, - wetend wat u dienstig zij. - Zorg niet, want hoe menig wenschte - d'armen, droeven menschengeest - Van zijn zwaren last te ontheffen -- - 't Is al vruchteloos geweest!" - -»Welk eene wonderlijke vergelijking!" zeide Gagaboe, hartelijk lachende. -»Dat moet gij nader verklaren!" - -»Wel," hernam de ander, »hij wascht de zorgen der ziel weg." - -»Bravo, mijn vriend!" riep de oude. »Nu moet ook ieder den roem van dit -heerlijk druivensap met een woord prijzen. Kom gij, eerste profeet van -den Amenophis-tempel, maak maar een begin." - -»De zorg is vergif," sprak hij, »en de wijn is het tegengif tegen het -gif der zorg." - -»Heel goed! Nu verder! De beurt is aan u, geheimraad des konings!" - -»Elk ding heeft zijn geheim," sprak de beambte, »en het geheim van dezen -wijn is de vreugde." - -»Nu aan u, zegelbewaarder!" - -»De wijn grendelt de deuren der droefheid, en sluit de poorten der -zorgen!" - -»Ja, dat doet hij, dat doet hij zeker! Nu gij, eerwaarde gouverneur van -Hermonthis, die van ons allen de oudste zijt!" - -»De wijn rijpt eigenlijk alleen voor ons oudjes, en niet voor u, jong -volk!" - -»Dat zult ge ons nader verklaren," klonk een stem van de tafel der -krijgslieden. - -»Hij maakt," zeide de tachtigjarige lachend, »van grijsaards -jongelingen, maar van jongelingen kinderen." - -»Die kaatst moet den bal verwachten, gij jongens!" riep Gagaboe. »Uw -spreuk, overste der Horoscopen!" - -»De wijn is vergif," sprak de knorrige priester, »want hij maakt wijzen -tot gekken." - -»Dan hebt gij, helaas, weinig van hem te vreezen," antwoordde Gagaboe -ondeugend. »Verder, jachtmeester!" - -»De rand van den beker," sprak deze, »is als de lippen onzer geliefde. -Raakt men hem aan, en bevochtigt de wijn onze tong, dan kust ons de -bruid." - -»Veldoverste, de beurt is thans aan u!" - -»Ik wenschte dat de Nijl in plaats van water zulk een wijn inhield," -riep de krijgsman, »en dat ik zoo groot was als de kolos van Amenophis, -en dat Hatasoe's grootste obelisk[263] mijn drinkglas was, en dat ik -drinken mocht zooveel ik maar wilde. Laat ons nu, eerwaarde Gagaboe, ook -uw spreuk hooren tot lof van den wijn." - - [263] Deze staat nog heden overeind in den tempel van Karnak, en - is 33 meter hoog. De obelisk, die de Franschen van Loeqsor naar - Parijs overbrachten, en thans de Place de la Concorde versiert, - is 11 meter kleiner. - -De tweede profeet hief zijn beker omhoog, bekeek met welgevallen het -gulden vocht, slurpte het langzaam op, en zeide toen met ten hemel -geslagene oogen: »Ik vrees dat ik te nietig ben om de verheven goden -voor zulk eene weldaad te danken." - -»Goed gesproken!" riep de stadhouder Ani, die tot de gasten was -teruggekeerd, zonder dat ze hem opgemerkt hadden. »Wanneer mijn wijn -spreken kon, dan zou hij u danken, voor hetgeen gij van hem gezegd -hebt." - -»Heil den stadhouder Ani!" riepen de drinkers, en hieven hunne schalen -omhoog, die met zijn edel vocht gevuld waren. - -Hij beantwoordde dien dronk, stond daarna op en riep: »Wie uwer deze -wijn heeft geproefd, dien noodig ik morgen aan mijne tafel. Dáar zal hij -hem wedervinden, en blijft dit druivennat hem dan nog altijd smaken, zoo -zal hij mij als gast elken avond recht welkom zijn! Goeden nacht thans -mijne vrienden!" - -Een daverend gejuich klonk hem achterna. - -De morgen begon reeds te schemeren, toen de gasten de zaal verlieten. -Daar waren maar weinigen, die hun weg alleen konden vinden. De meesten -werden gewoonlijk opgenomen door hunne slaven, die hen stonden te -wachten, ze als balken op hunne hoofden droegen en zoo naar de -draagstoelen brachten, om ze naar huis te voeren. Doch heden werden hun -slaapplaatsen in het Seti-huis ingeruimd, want er was een schrikkelijk -onweder losgebroken. - - * * * * * - -Terwijl de gasten de bekers omhoog hieven en hunne vreugde steeds hooger -klom, was Pentaoer, weinige uren te voren als gevangene opgebracht, in -tegenwoordigheid van den stadhouder verhoord. Ameni's boden hadden den -priester geknield gevonden en zoo diep in gedachten verzonken, dat hij -hen zelfs niet hoorde naderen. Zijne zielsrust was geweken; zijn gemoed -was in oproer en het wilde hem maar niet gelukken kalm over alles na te -denken, en tot klaarheid te komen omtrent dat nieuw onstuimig leven in -zijn binnenste. Tot dusver had hij zich nooit ter ruste gelegd, zonder -zich rekenschap te geven van den afgeloopen dag, en het was hem -gemakkelijk gevallen in zijn doen en laten nauwkeurig het goede van -het kwade te onderscheiden. Maar heden vertoonden zich voor zijne -terugziende oogen niet anders dan verwarde beelden. Als hij moeite deed -ze van elkander te scheiden en te ordenen, zag hij de gestalte van -Bent-Anat, die zijn hart en zijne zinnen aan banden legde. - -Zijne vreedzame hand had zich tegen zijne medemenschen opgeheven en -bloed vergoten. Hij wilde zich overtuigen dat hij slecht had gehandeld -en berouw gevoelen; doch het was hem niet mogelijk, want zoo vaak hij -zichzelven verwijten deed en veroordeelde, zag hij de hand van den -soldaat in het haar van het meisje, en het oog van de prinses, dat zijne -handelwijze billijkte, ja van bewondering sprak. En hij moest voor -zichzelven erkennen, dat hij goed had gehandeld, en morgen in gelijke -omstandigheden weder hetzelfde zou doen. Tegelijk begreep hij echter, -dat hij de hem door de beschikking der goden gestelde grenzen aan alle -zijden had overschreden, en het scheen hem toe, als zou het hem nimmer -weder gelukken zich te huis te gevoelen in het stille, beperkte en -vreedzame leven van weleer. - -Hij bad tot den Eenen, en tot den verheerlijkten geest van de eenvoudige -vrome vrouw, die hij zijne moeder had genoemd, om zielsrust en -tevredenheid met zijn lot. Maar te vergeefs; want hoe langer hij op de -knieën lag, en de armen smeekend omhoog hief, des te stouter werden -zijne wenschen, des te minder gelukte het hem zijn schuld te erkennen -en berouw te gevoelen. De roepstem van Ameni scheen hem daarom eene -verlossing toe, en hij volgde den bode, overtuigd dat hij streng -gestraft zou worden, maar zonder vrees, ja zelfs blijmoedig. - -Pentaoer gehoorzaamde terstond het bevel van den opperpriester, die hem -hoog ernstig aanzag, en gaf van alles bericht. Hij vertelde hoe hij, -daar geen der artsen tehuis was, de oude Paraschietenvrouw was gevolgd -naar haar man, die door demonen bezeten was, en hoe hij om een meisje -te redden, dat het volk mishandelen wilde, zijne hand had opgeheven en -daarbij harde slagen had uitgedeeld. - -»Gij hebt vier menschen gedood en wel tweemaal zoovelen zwaar gewond," -zeide Ameni. »Waarom deedt ge u niet als priester kennen, en als de de -feestredenaar van dezen dag? Waarom hebt gij geene poging gedaan om het -volk, in plaats van door geweld, door vermanende woorden tot rust te -brengen?" - -»Ik droeg geen priesterlijk gewaad," antwoordde Pentaoer. - -»Ook daarin hebt gij misdreven," zeide Ameni, »want gij weet dat de wet -ieder onzer verbiedt zonder het witte kleed dit huis te verlaten. En -gij zoudt de macht van uwe stem niet kennen? Durft ge mij tegenspreken, -wanneer ik beweer, dat gij ook in het eenvoudig arbeiderskleed in -staat geweest zoudt zijn met woorden hetzelfde uit te werken als met -doodelijke slagen?" - -»Het zou mij misschien gelukt zijn," gaf Pentaoer ten antwoord. »Maar -eene dierlijke woede had zich van de menigte meester gemaakt. Ik -vond geen tijd tot kalm overleg, en toen ik den booswicht, die -het onschuldige kind bij de haren sleurde, als een gifslang had -weggeslingerd, werd er een strijdlustige geest in mij wakker. Mijn leven -was mij niets meer waard, en ik zou duizenden hebben verslagen, om dat -arme kind te redden." - -»Uwe oogen vonkelen," zeide Ameni, »als hadt gij een heldendaad -verricht. Toch hebt gij slechts weerlooze en vrome burgers verslagen, -die vol ontzetting waren over eene schandelijke misdaad. Ik begrijp -niet hoe in den tuinmanszoon, den dienaar der godheid, de geest van een -krijgsman is gevaren." - -»Ja," hernam Pentaoer, »toen de menigte op mij indrong, en ik haar met -inspanning van al mijne krachten van mij afweerde, toen heb ik iets -gevoeld van den wellust van den krijgsman, die het hem toevertrouwde -krijgsteeken verdedigt tegen het geweld van den aandringenden vijand. In -een priester is dit zeker zondig, en ik wil er voor boeten, maar het is -niet anders, ik heb het gevoeld." - -»Gij hebt het gevoeld en gij zult er voor boeten," sprak Ameni ernstig. -»Bovendien was uw bericht niet geheel overeenkomstig de waarheid. Waarom -hebt gij verzwegen, dat Bent-Anat, de dochter van Ramses, zich in den -strijd gemengd en u gered heeft, door zich aan de menigte te doen kennen -en haar te bevelen u met vrede te laten? Hebt gij haar dit voor het volk -heeten liegen, omdat gij haar niet voor Bent-Anat hield? Nu man, die zoo -vast staat op den hoogen trap, gij die de banier der waarheid altijd -omhoog heft, geef antwoord!" - -Pentaoer was onder deze woorden zijns meesters al bleeker en bleeker -geworden, Zijn antwoord luidde, terwijl hij met zijn oog op den -stadhouder: »Wij zijn niet alleen." - -»Daar is maar éene waarheid," zeide Ameni koeltjes. »Wat gij geneigd -zijt mij toe te vertrouwen, dat mag deze hoogverheven heer, de -vertegenwoordiger des konings, ook vernemen. Nu dan, hebt gij Bent-Anat -herkend, ja of neen?" - -»Zij die mij redde geleek haar, en zij geleek haar toch niet," -antwoordde de dichter, wien de fijne spot in de woorden des meesters -opnieuw het bloed deed koken. »En al had ik ook even zeker geweten dat -zij de prinses was, als ik weet dat gij, die mij eerst zoo hoog hebt -gewaardeerd, mij nu tracht te vernederen, dan zou ik toch gehandeld -hebben gelijk ik deed, om eene jonkvrouw booze uren te besparen, die -meer godin is dan vrouw, en die om mij ongelukkige te redden, van den -troon steeg in het stof." - -»Altijd nog de feestredenaar," zeide Ameni spottend. Daarop vervolgde -hij streng: »Ik bid u mij korte en duidelijke antwoorden te geven. Wij -weten zeker dat Bent-Anat -- zij heeft zich aan den koninklijken gids -kenbaar gemaakt -- in het gewaad van eene burgervrouw aan het feest -heeft deel genomen; dat niemand anders dan zij u gered heeft. Wist gij, -dat zij den Nijl zou over steken?" - -»Hoe zou ik het geweten hebben?" was Pentaoer's wedervraag. - -»Gij geloofdet toch Bent-Anat voor u te zien, toen zij zich op de -kampplaats waagde?" - -»Ik geloofde het," antwoordde Pentaoer aarzelend, met neergeslagen -oogen. - -»Dan was het zeer stout van u, de dochter des konings als eene -bedriegster weg te jagen." - -»Dat was het ook," gaf Pentaoer ten antwoord, »maar om mijnentwil -bracht zij de eer van haar naam en die van haar voortreffelijken vader -in gevaar, en zou ik dan niet mijne vrijheid en mijn leven hebben -gewaagd om...." - -»Wij hebben genoeg gehoord," viel Ameni hem in de rede. - -»Nog niet," zoo begon nu de stadhouder te spreken. »Wat is er geworden -van het meisje, dat gij gered hebt?" - -»Eene oude tooveres, Hekt geheeten, die in de nabijheid van den -Paraschiet woont, nam haar met hare grootmoeder bij zich in haar hol," -antwoordde de dichter. -- Hierna werd hij op bevel van den opperpriester -in de gevangenis van het Seti-huis teruggebracht. - -Nauwelijks was hij verdwenen, of de stadhouder riep uit: »Een gevaarlijk -mensch! Een dweeper! Een vurig vereerder van Ramses!" - -»En van zijne dochter," zeide Ameni lachend. »Maar ook slechts een -vereerder. Gij hebt niets van hem te vreezen, want ik sta u borg voor de -reinheid zijner bedoelingen." - -»Maar hij is schoon, en vermag veel door zijne groote welsprekendheid," -hernam Ani. »Ik verlang hem als mijn gevangene, want hij heeft een -soldaat van mijne troepen gedood." - -Ameni's voorhoofd rimpelde zich, zijn gelaat nam eene sombere -uitdrukking aan, en met hoogen ernst sprak hij: »Het komt, volgens -onzen vrijbrief, enkel den raad onzer priesters toe, over de leden van -dit huis te richten. Gij zelf, de toekomstige koning, hebt ons, de -verdedigers van uw eigen oud en heilig recht, vrijwillig toegezegd, dat -ook onze rechten geëerbiedigd zouden worden." - -»Dat zal ook geschieden," zeide Ani, met een lachje, dat den toorn van -den opperpriester moest bezweren. »Maar deze man is gevaarlijk, en gij -zult hem toch niet ongestraft willen laten?" - -»Hij zal streng gevonnist worden," zeide Ameni, »maar door ons en in dit -huis." - -»Hij heeft een, ja meer dan éen moord begaan," hernam Ani, »Hij is des -doods schuldig!" - -»Hij handelde door den nood gedrongen, om zich te verdedigen," -antwoordde Ameni, »en een door de godheid begenadigd man als deze geeft -men niet op, al verleidde ook eene zeer ontijdige edelmoedigheid hem -tot ergerlijke daden. Ik weet, ik zie het u bovendien aan, dat gij hem -kwalijk zijt gezind. Zoo ge mij als bondgenoot waardeert, beloof mij dan -hem niet naar het leven te zullen staan." - -»Gaarne!" antwoordde Ani met zijn gewone lachje, terwijl hij den -opperpriester zijne hand reikte. - -»Wees overtuigd van mijn dank," zeide Ameni. »Pentaoer was de meest -belovende van mijne kweekelingen, en ondanks menige afdwaling is hij -mij nog altijd dierbaar. Toen hij van den strijdlust gewaagde, die hem -heden overviel, zag hij er toen niet uit als de groote Assa, of zijn -zoon, de ontslapen Mohar, de Osirische vader van den gids Paäker?" - -»Deze gelijkenis is inderdaad treffend," gaf de ander ten antwoord. »En -toch moet hij van lage afkomst zijn. Wie was zijne moeder?" - -»De dochter van onzen poortwachter, eene stille en vrome ziel, maar die -niet door schoonheid uitmuntte." - -»Ik keer nu tot het drinkgelag terug," zeide de stadhouder, na zich een -oogenblik bezonnen te hebben. »Doch ik zou u nog wel een verzoek willen -doen. Ik vertelde u van het geheim, dat den gids Paäker geheel tot ons -werktuig kan maken. De tooveres Hekt, die de Paraschieten-vrouw tot zich -nam, moet er van weten. Zend politie-wachters tot haar, en laat haar -gevangen hierheen brengen. Ikzelf neem haar in het verhoor, en kan haar -op deze wijze uitvragen, zonder opzien te wekken." - -Ameni zond dadelijk eenige gewapenden uit, en beval daarop in stilte een -zijner meest vertrouwde dienaars, het zoogenaamde gehoor-vertrek te -verlichten, en in de ruimte daarnaast een zetel voor hem te plaatsen. - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - - -Terwijl de gasten van het Seti-huis nog feestvierden, en Ameni's boden -het dal der koningsgraven introkken, om de oude Hekt uit den slaap te -wekken, stak er uit het zuid-westen een heete storm op, die den hemel -bedekte met zwarte nevelen, en dichte bruine stofwolken voor zich -uitjoeg. Hij kromde de slanke stammen der palmen, als een schutter het -hout van zijn boog. Hij rukte op het feestterrein de pennen der tenten -uit den grond, voerde de lichte linnen zeilen hoog in de lucht en dreef -ze als ontzaglijke witte spookgestalten, met geweldige vaart door de -duisternis voort. Hij zweepte den anders zoo gladden waterspiegel van -den Nijl, tot zijne geelachtige wateren zich verhieven en de golven -sloegen als op de onrustige Zoutzee. - -Paäker had zijne bevende matrozen gedwongen hem over den stroom te -zetten. De boot was meer dan eens op het punt van om te slaan, maar -met zijne ongedeerde rechterhand had hij zelf vast en zeker het roer -gestuurd, hoewel hem, bij het onophoudelijk schommelen van het vaartuig, -zijne gebrokene vingers hevig pijn deden. Na herhaalde vruchtelooze -pogingen gelukte het hem eindelijk te landen. De storm had de lantaarns -aan de mastboomen, de teekens waarnaar zijne lieden aan den anderen -oever uitzagen, gebluscht en hij vond geen dienaars of fakkeldragers aan -de landingsplaats. In den stikdonkeren nacht en worstelende tegen den -verzengenden stormwind, bereikte hij ten laatste de trotsche poort van -zijn huis. Vroeger was het eigenaardig geblaf van zijn dog voor den -portier een bewijs, dat de meester terugkeerde; heden echter moesten de -matrozen die hem vergezelden, lang te vergeefs op de vleugeldeuren van -het poortgebouw kloppen. - -Toen de Mohar eindelijk zijn voorhof binnentrad, vond hij alles donker. -De storm had ook hier de fakkels en lantaarns uitgedoofd. Alleen de -vensters van het woonvertrek zijner moeder waren verlicht. Thans -begonnen de honden in hunne ongedekte perken zich te doen hooren, maar -hun geblaf klonk trillend en jankend, want het onweder maakte de dieren -angstig. Hun gehuil sneed den gids door de ziel, want hij dacht aan -zijn verslagen Descher, wiens zware stem hij miste. In zijne vertrekken -heette zijn oude Ethiopische slaaf hem welkom met een luiden -jammerkreet, die den hond gold; want de man had hem voor Paäker's vader -grootgebracht en zeer liefgehad. De gids wierp zich in een stoel neder -en beval, dat men hem water zou brengen, om zijne pijnlijke hand daarin -af te koelen, naar het voorschrift van den arts Nebsecht. - -Zoodra de oude slaaf de gebroken vingers zag, barstte hij andermaal in -jammerkreten uit. Toen Paäker hem gebood stil te zijn, vroeg hij: »Is de -onverlaat nog in leven, die dit gedaan en Descher geveld heeft?" - -Paäker knikte toestemmend en staarde op den grond, terwijl zijne hand -in het koele water lag. Hij gevoelde zich ellendig en vroeg zichzelven, -waarom de storm toch zijn boot niet omgeslagen en de Nijl hem niet -verzwolgen had? Eene naamlooze verbittering vervulde zijn gemoed; hij -wenschte nog een kind te zijn en te kunnen weenen. Doch deze stemming -ging ras voorbij; weldra bewoog zijne breede borst bij eene diepe -ademhaling zich weder op en neder, en zijne oogen straalden met een -akeligen glans. Hij dacht niet meer aan zijne liefde, maar alleen aan -zijne wraak, die hem thans zoeter scheen dan gene. - -»Dat Ramses-gebroed!" prevelde hij in zichzelf, terwijl hij zijn gebalde -vuist dreigend omhoog hief. »Ik offer ze allen te zamen, den koning en -Mena, ook die trotsche prinses en nog veel meer van dat geslacht. Ik -weet wel hoe! Wacht maar, wacht!" - -Daar werd de deur van zijne kamer geopend. De brullende stormwind was -oorzaak, dat niemand den voetstap van vrouwe Setchem had gehoord. Zij -naderde haren wraakgierigen zoon, en riep hem bij zijn naam, toen zij -vol ontzetting de wilde trekken zag, die zijn gelaat verwrongen. - -Paäker kromp van schrik ineen, maar zeide met schijnbare kalmte: »Zijt -gij het moeder? De morgen nadert, en op dit uur is het beter te slapen -dan te waken." - -»Ik had geen rust in mijn vertrek," antwoordde Setchem. »De storm huilt -ijselijk en ik ben zoo beangst, zoo vreeselijk gejaagd, evenals vóor den -dood uws vaders." - -»Blijf dan bij mij," zeide Paäker vriendelijk, »en leg u op mijn bed ter -ruste." - -»Ik kwam niet hierheen om te slapen," hernam Setchem. - -»Wat u aan de landingstrap overkwam is zoo verschrikkelijk en beklemt -mijn hart! -- Neen, neen, mijn zoon, het is niet om den verslagen hond, -niet omdat gij pijn lijdt; hoe innig leed mij dit ook doet, maar het is -om den koning en zijne verbolgenheid, wanneer hij bericht zal ontvangen -van uw gevecht. Hij is u minder genegen dan uw overleden vader, dat weet -ik helaas! Uw wilde lach, uw geheele uiterlijk, toen ik binnenkwam, dat -is mij door merg en been gegaan!" - -Beiden zwegen een tijdlang en luisterden naar den storm, die steeds -razender woedde. Eindelijk zeide Setchem: »Daar is ook nog iets anders, -dat mij geheel en al in verwarring brengt. Ik kan den feestredenaar -van heden, den jongen Pentaoer, niet vergeten. Zijn voorkomen, zijn -aangezicht, zijne bewegingen, ja zijne stem zijn geheel als die uws -vaders in de dagen toen hij mijne hand vroeg. Het is als wilden de goden -den besten man, dien zij van hier hebben weggenomen, andermaal voor -hunne oogen zien wandelen." - -»Ja meesteres," riep de oude Ethiopische slaaf, »zulk eene gelijkenis -heeft nog geen sterfelijk oog gezien. Ik zag hem vechten voor de hut -van den Paraschiet, en ook daar was hij het sprekend evenbeeld van -den gestorvene. Hij zwaaide met een paal, gelijk mijn heer met zijn -strijdbijl in den slag." - -»Zwijg!" riep Paäker. »Maak dat je wegkomt, domkop! -- De priester, -moeder, lijkt op mijn vader, dat geef ik toe, maar hij is een -onbeschaamde kerel, die mij schandelijk heeft beleedigd, en met wien -ik moet afrekenen, gelijk met zoo menig ander." - -»Wat zijt gij wild," viel Setchem hem in de rede, »en vol bitteren haat! -Uw vader was zoo vriendelijk gezind en had de menschen lief." - -»Hebben zij mij lief?" vroeg de gids met een pijnlijken lach. »Zelfs de -hemelsche goden zijn mij niet genegen en werpen doornen op mijn weg. -Maar ik ruim ze op met eigene hand, en ik zal mij ook zonder de hulp -van die daarboven wel verwerven wat ik begeer, en nederwerpen, wat zich -tegen mij durft verzetten!" - -»Wij kunnen geen veertje omhoog blazen, zonder de hulp der hemelsche -goden," zeide Setchem. »Zoo sprak uw vader, die naar lichaam en ziel een -ander man was dan gij zijt! Ik gruw van u sedert dezen avond, en den -vloek dien gij hebt uitgestooten tegen de kinderen van uw heer en -koning, den vriend uws vaders!" - -»Maar mijn vijand!" schreeuwde Paäker. »Gij zult nog wel andere -dingen van mij moeten hooren dan vloeken. En het Ramses-gebroed zal -ondervinden, of de zoon van uw echtgenoot zich laat verachten en -mishandelen zonder wraak. Ik zal ze in den afgrond stooten en -schaterlachen, als zij onder mij in het zand liggen te rochelen." - -»Jongen!" riep Setchem buiten zichzelve. »Ik ben maar eene vrouw, en -dikwijls hebt gij gescholden op mijne weekelijkheid en zwakheid. Maar -zoo waarachtig als ik uw gestorven vader, wien gij juist zooveel gelijkt -als een doornstruik een palmboom, trouw ben gebleven, zoo zeker ruk ik -mij de liefde voor u uit het hart, als gij de.... de -- Ha, nu zie ik -het! Nu weet ik het! Antwoord mij, moordenaar! Waar zijn de zeven pijlen -met de zondige woorden, die hier vroeger hingen? Waar zijn die -wapentuigen, waarop gij hebt gekrast: Dood aan Mena!" - -Zichzelve niet meer meester en met gejaagde ademhaling, had Setchem -deze woorden uitgebracht. De gids ging voor haar achteruit als toen hij -nog een knaap was, wanneer zij hem dreigde te tuchtigen wegens zijne -ondeugendheid. Doch zij volgde hem, greep hem bij den gordel en -herhaalde haar vraag met heesche stem. - -Onwillig trok Paäker zich terug, rukte haar hand van zijn gordel los en -zeide trotsch: »Ik heb ze in mijn pijlkoker gestoken, en dat niet voor -eene aardigheid. Nu weet gij 't!" - -Niet meer in staat een woord uit te brengen, hief de beleedigde moeder -nog eens hare hand op tegen den ontaarden zoon; maar hij stiet haar arm -terug, zeggende: »Ik ben geen kind meer, en meester van dit huis. Wat ik -wil dat doe ik, al trachtten honderd vrouwen mij tegen te houden!" - -Bij deze woorden wees hij met de hand naar de deur. Setchem begon luide -te snikken en keerde hem den rug toe. Bij de deur van zijne kamer -gekomen, zag zij nog eenmaal naar hem om. Hij was gaan zitten en lag met -zijn voorhoofd op de tafel, waarop het koele water stond. Setchem had -een zwaren strijd te strijden. Eindelijk noemde zij nog eens onder -tranen zijn naam, breidde hare armen uit en zeide: »Daar ben ik, daar -ben ik weder! Kom hier aan mijn hart! Laat toch die afgrijselijke -gedachte aan wraak varen!" - -Paäker bleef aan de tafel zitten, zag haar niet aan, zweeg en schudde -ontkennend het hoofd. - -Setchem liet de handen weder zinken en sprak zacht: »Wat heeft uw vader -u geleerd uit de schriften? Uw hoogste lof, zoo luidt het, moet daarin -bestaan, dat gij uwe moeder vergeldt, wat zij voor u gedaan heeft, toen -zij u opvoedde; opdat hare handen zich niet opheffen tot God, en hij -hare klachten niet verhoore"[264]. Paäker begon bij deze woorden -hoorbaar te snikken, maar hij zag niet op naar Zijne moeder. Zij riep -hem met teederheid bij zijn naam, maar hij verroerde zich niet. - - [264] Uit den te Boelaq bewaarden papyrus IV. Zie boven - blz. 287. - -Opeens vielen hare oogen op den pijlkoker, die met andere wapenen op -eene rustbank lag. Haar hart kromp ineen, en met bevende hand riep zij: -»Ik verbied u deze onzinnige wraak, hoort gij? Wilt gij er afstand van -doen? -- Gij verroert u niet. -- Neen? -- Niet? -- Eeuwige goden, wat -zal ik doen!" - -In vertwijfeling hief zij de handen omhoog. Doch opeens was haar besluit -genomen. Zij liep naar den koker, greep er een pijl uit en beproefde -dien te breken. - -Plotseling sprong Paäker van zijn zetel op en rukte haar het wapen uit -de hand. De scherpe punt drong even in haar vleesch, zoodat enkele -donkere bloeddruppels te voorschijn kwamen en op den steenen vloer van -het vertrek neervielen. - -Zoodra de Mohar dit zag, wilde hij haar gewonde hand grijpen. Setchem, -die doodsbleek was geworden, omdat zij, week van aard, geen bloed kon -zien, noch van haar zelve noch van een ander, wees hem terug. Op een -doffen toon, die vreemd was aan hare anders zoo vriendelijke stem, zeide -zij: »Deze bloedende moederhand zal de uwe niet eer omvatten, voordat -gij daarin met een duren eed hebt gezworen, alle gedachten aan wraak en -moord te zullen afwijzen en den naam uws vaders niet te zullen onteeren! -Ik heb het gezegd; de verheerlijkte geest uws vaders geve mij kracht dit -vol te houden, en zij mijn getuige!" - -Paäker was op de knieën gezonken, en voerde een geweldigen strijd met -zichzelven, terwijl zij naar de deur ging. Daar bleef zij nog eenige -oogenblikken staan. Hare lippen zwegen, maar hare oogen riepen hem tot -haar. -- - -Te vergeefs. Eindelijk verliet zij het vertrek. De stormwind wierp de -deur met kracht achter haar dicht. - -Paäker steunde, terwijl hij met de rechterhand zijne oogen bedekte! -»Moeder! Moeder! Ik kan niet terug, ik kan niet!" - -Een vreeselijke windvlaag overstemde zijne klacht. Te gelijkertijd -hoorde men twee heftige slagen, als waren er rotsblokken van den -hemel gevallen. Hij schrikte op en liep naar het venster, waardoor de -schemering grauwde van den somberen morgen, ten einde zijne slaven te -roepen. Zij kwamen weldra aanloopen, en de hofmeester riep hem reeds van -verre buiten adem toe: »De storm heeft de masten aan de hooge poort van -het huis omvergeworpen!" - -»Onmogelijk!" riep Paäker. - -»Toch is het zoo," antwoordde de beambte. »Zij zijn gedeeltelijk boven -den grond afgezaagd. Dat heeft de mattenvlechter zeker gedaan, wiens -sleutelbeen gij half verbrijzeld hebt. Hij is in dezen schrikkelijken -nacht weggeloopen!" - -»De honden los!" riep de Mohar woedend. »Alles wat beenen heeft jage den -ellendeling achterna. De vrijheid en vijf handen vol goud voor den man -die hem terug brengt!" - - * * * * * - -De gasten van het Seti-huis hadden zich reeds ter ruste begeven, toen -men den opperpriester Ameni kwam berichten, dat de tooveres Hekt was -gekomen. Hij begaf zich dadelijk naar de zaal, waar de stadhouder op de -heks zat te wachten. - -Ani schrikte op uit diep gepeins, zoodra hij de voetstappen van den -opperpriester hoorde, en vroeg gejaagd: »Is zij gekomen?" Toen Ameni -een bevestigend antwoord had gegeven, vervolgde hij, terwijl hij de -lange lokken van zijn pruik, die tamelijk in verwarring waren geraakt, -zorgvuldig in orde bracht, en zijn breeden halsband recht schoof: »Die -heks moet nog al veel macht hebben. Wilt gij niet uw zegen over mij -uitspreken om mij voor betoovering te bewaren? Wel is waar draag ik -dit Horus-oog en dit Isis-bloed[265] bij mij, maar men kan toch niet -weten...." - - [265] De amulet Thet in de gedaante van een strik, die - gewoonlijk uit bloedjaspis vervaardigd was, en waarop men - meestal hoofdst. 75 of 76 van het Doodenboek vindt. Zij wordt - "bloed van Isis," "tooversteen van Isis," "wijsheid (Choe) van - Isis" genoemd. - -»Mijne tegenwoordigheid zou u kunnen beschermen," antwoordde Ameni. -»Maar.... neen, neen, ik weet dat gij haar alleen wenscht te spreken! -Men zal u daarom in een vertrek brengen, waar heilige spreuken u voor -alle betoovering bewaren. Vaarwel, ik ga ter ruste. -- Heilige vader, -laat de heks in een der gewijde vertrekken, en nadat gij den drempel -hebt besprengd, zult gij den verheven heer Ani tot haar leiden." - -De opperpriester verwijderde zich en begaf zich naar een klein kamertje, -dat grensde aan het vertrek, waarin het onderhoud met de tooveres zou -plaats hebben. Daar kon men, met behulp van eene ter juister plaatse -aangebrachte spreekbuis, zelfs het zachtste woord opvangen, dat in het -aangrenzende vertrek gesproken werd. - -Toen Ani de tooveres in het oog kreeg, ging hij van schrik een paar -passen achteruit. Haar uiterlijk was in dit uur wel geschikt om -ontzetting te wekken. De storm had hare kleederen gescheurd en hare -grijze, maar nog overvloedige haren, zoo verwaaid, dat zij voor een -deel over haar gelaat neerhingen. In ver voorover gebogene houding, -leunende op haar stokje, zag zij den stadhouder aan met een paar -gloeiende oogen, die vuurrood waren van het woestijnzand, dat de wind -haar in het aangezicht had gedreven. Zij zag er uit als eene op buit -loerende hyena, en eene koude rilling voer Ani door de leden, toen zij -hare heesche stem verhief om hem te begroeten en tegelijk te verwijten, -dat hij zulk een buitengewoon tijdstip had gekozen om haar te spreken. -Toen zij hem hierop dank had gezegd voor het vernieuwen van den -vrijbrief, en bevestigd had dat Paäker een liefdedrank van haar had -ontvangen, streek zij de haren wat uit haar gezicht. Het viel haar -opeens in, dat zij eene vrouw was. - -De stadhouder zette zich op een leunstoel, terwijl zij bleef staan. -Maar die nachtelijke tocht tegen den stormwind op, had hare oude leden -vermoeid, en daarom bad zij Ani haar te willen vergunnen zich neer te -zetten. Zij had hem eene geschiedenis te vertellen, die hem in staat zou -stellen den Mohar als was te kneden. - -Ani wees naar een hoek van het vertrek. Zij begreep dezen wenk, en -hurkte daar op de vloertegels neer. - -Nadat hij haar bevolen had met haar verhaal te beginnen, staarde zij -langen tijd zwijgend op den grond. Eindelijk sprak zij, half voor zich: -»Ik zal het vertellen, want ik wil rust hebben. Ik mag niet ongebalsemd -blijven, als de dood komt. Men kan het niet weten, er is misschien in -gene wereld nog wat te verkrijgen, en dat wil ik niet missen. Ik mocht -hem eens wederzien aan de andere zijde des grafs, al ware het ook uit de -ziedende ketels der verdoemden. -- Hoor mij dan! Maar beloof mij, eer ik -spreek, dat gij, wat gij ook verneemt, mij in vrede zult laten wonen, en -dat gij voor mijne balseming zorg zult dragen als ik sterf. Anders zwijg -ik." - -Ani knikte toestemmend. - -»Neen, neen," zeide de oude, »zoo niet! Ik zal u den eed voorzeggen: -'Als ik aan Hekt, wanneer zij den Mohar in mijne handen overlevert, mijn -woord niet gestand doe, dan zullen de geesten, waarover zij te gebieden -heeft, mij laten vallen vóor ik den troon bestijg!' -- Wees niet -onwillig, heer, gij hebt niet anders te zeggen dan 'ja'. Wat gij in deze -ure zult vernemen, is meer waard dan een armzalig woord!" - -»Nu dan, ja!" riep de stadhouder, die in de grootste spanning verkeerde -omtrent de gewichtige ontdekkingen. - -De oude prevelde eenige onverstaanbare woorden. Daarop zette zij zich -in postuur, rekte haar mageren hals zoo lang mogelijk uit, en vroeg, -terwijl zij den man die tegenover haar zat met vonkelende oogen aanzag -»Hebt gij ook, toen gij nog jong waart, van de zangeres Beki gehoord? -He? -- Nu, zie mij slechts aan: zij zit voor u!" - -Bij deze woorden lachte zij met een heesch geluid en trok de flarden van -haar kleed over haar dorren boezem samen, als schaamde zij zich over -haar afzichtelijk uiterlijk. - -»Ja," ging zij voort, »met welgevallen beschouwt men de druiven en perst -ze uit, en als men den most gedronken heeft, werpt men de schillen op -den mesthoop. Zulk eene schil ben ik! Zie mij maar zoo medelijdend niet -aan! Eens was ik toch ook eene druif, en hoe arm en veracht ik ook ben, -niemand kan mij toch ontnemen wat ik ben geweest. Dit eene is mij boven -duizenden ten deel gevallen, namelijk: een geheel leven vol van alle -mogelijke vreugde en van elke smart, van liefde en haat, van zaligheid, -vertwijfeling en wraak. -- Verlangt gij dat ik alles vertellen zal en -mij op gindschen zetel neerzetten? Laat mij, ik ben gewoon zoo op den -grond te hurken. Ik wist wel, dat ge mij tot het einde zoudt laten -uitspreken. Ik behoorde eens tot uws gelijken! De uitersten houden -het er licht voor, dat zij aan elkander verwant zijn. Dat heb ik -ondervonden! De aanzienlijksten strekten naar de schoonsten de handen -uit, en er is een tijd geweest, waarin ik lieden van uw stand aan mijn -koord leidde. - -»Zal ik van den aanvang beginnen? Nu goed! Ik ben heden zoo wonderlijk -te moede. Vijftig jaren geleden heb ik in deze zelfde stemming een lied -gezongen, ja een lied! Ik, eene zwarte kraai, en zingen! -- Nu dan: Mijn -vader was een aanzienlijk man, de gouverneur van Abydus. Toen de eerste -Ramses zich van den troon meester maakte, bleef hij het huis uwer -voorvaderen trouw. De nieuwe koning zond hem en zijne geheele geslacht -naar de Ethiopische goudmijnen, waar ze zijn omgekomen, mijne ouders, -broeders, zusters, allen. Ik alleen ontkwam als door een wonder. Daar ik -er mooi uitzag en zingen kon, nam een muzikant mij onder zijn troep en -ging met mij naar Thebe. Waar slechts een feest werd gevierd in het huis -van een aanzienlijke, daar mocht Beki niet worden gemist. Ik oogstte in -die dagen bloemen en goud en teedere blikken, zooveel ik maar wilde. -Doch ik was trotsch en ongevoelig; het ongeluk mijner betrekkingen had -mij verbitterd in de jaren, waarin anders ook een wrange drank als honig -smaakt. Geen van de jonge zonen van vorsten en grooten, die mij voor -zich begeerden, durfde ook slechts mijne hand aanraken! Maar ook mijne -ure kwam! De jonge Assa, de vader van den ouderen Mohar, de grootvader -van den dichter Pentaoer, ik wil zeggen van Paäker, den gids, zag er -schooner en statiger uit dan alle anderen. Gij hebt hem toch nog gekend? -Waar ik zong, daar zat hij tegenover mij en zag mij aan. En ik kon de -blikken niet van hem afgewend houden. Het overige moogt gij er bij -denken. Doch neen, dat kunt gij niet. Want zoo als ik blaakte voor Assa, -heeft nooit, noch vóor noch na mij, eene vrouw liefgehad. -- - -»Waarom lacht gij niet? Mij dunkt het is toch nog al grappig, zoo iets -uit den tandeloozen mond van eene heks te hooren! Hij is sedert lang -gestorven. Zeker haat ik hem, maar hoe waanzinnig het ook klinkt, toch -geloof ik dat ik hem nog liefheb. En Assa heeft mij toen ook liefgehad, -en was twee jaren lang de mijne. Daarna toog hij met Seti ten krijg -en bleef zeer lang weg. Toen ik hem wederzag, had hij eene vrouw uit -een aanzienlijk en rijk huis getrouwd. Ik was in die dagen nog mooi -genoeg, maar bij de feesten zag hij mij niet meer aan. Ik trad hem wel -twintigmaal in den weg, hij ontvlood mij echter altijd, als ware ik eene -melaatsche. Ik begon van verdriet te verkwijnen; ten laatste wierp eene -koorts mij op het ziekbed neder. De artsen zeiden, dat het met mij -gedaan was. Toen zond ik hem een brief, waarin niets anders stond dan -deze woorden: 'De stervende Beki wil Assa nog eenmaal zien,' en in den -papyrus legde ik zijn eerste geschenk, een eenvoudigen ring. En wat was -het antwoord?.... Een hand vol goud. -- Dat goud, ja dat goud, geloof -mij, dat heeft, toen ik het zag, mijne oogen meer zeer gedaan, dan het -gloeiend staal, hetwelk men misdadigers in de oogholte stoot, om ze -blind te maken! Heden nog wanneer ik aan die ure denk, dan.... - -»Maar wat weet gij mannen, gij voorname heeren, van hetgeen een hart kan -lijden. Wanneer twee of drie van u bij elkander zitten, en gij vertelt -deze geschiedenis, dan zal zelfs de waardigste met eene deftige stem -zeggen: 'Voorwaar, die man heeft braaf gehandeld. Hij was getrouwd en -zou door zijne vrouw met booze woorden zijn bejegend, wanneer hij tot de -zangeres was gegaan'. -- Heb ik gelijk of ongelijk? Ja, ik weet het wel, -geen hunner zal denken, dat andere schepsel had toch ook menschelijk -gevoel, was toch ook eene vrouw; geen hunner zal zeggen, dat zijne -handelwijze dáar, in zijn huis, eene booze ure heeft voorkomen, maar -hier eene halve eeuw van vertwijfeling heeft doen aanbreken! Assa heeft -zich gevrijwaard voor de booze woorden van zijne vrouw, maar daarvoor -zijn duizende vloeken over hem en zijn huis uitgesproken. Hoe deugdzaam -meende hij zich te gedragen, toen hij een hart dat hem zoo genegen was, -dat niet anders had misdreven dan hem lief te hebben, zoo diep wondde, -en voor altijd vergiftigde! Ja, en hij zou toch zeker gekomen zijn, -wanneer hij niet nog iets voor mij gevoeld had, wanneer hij zichzelven -niet had gewantrouwd, niet had gevreesd, dat de stervende, de oude, -kunstmatig gedoofde vlam nog eens weder tot nieuwen gloed zou kunnen -aanblazen. Ware hij gekomen, ik zou hem beklaagd hebben, maar dat hij -mij goud zond, dat goud.... zie, dat heb ik hem nooit vergeven, dat boet -hij thans aan zijn kleinkind." - -De oude vrouw had de laatste woorden gesproken, als droomde zij, zonder -acht te geven op den man, die naar haar zat te luisteren. Ani gevoelde -eene huivering, als ware hij tegenover eene waanzinnige gezeten, en -onwillekeurig schoof hij zijn stoel achteruit. - -De heks merkte het op. Na een oogenblik rust ging zij voort: »Gij -heeren, die op de hoogten wandelt, weet niet hoe het er in de afgronden -en diepten uitziet, en gij wilt het ook niet weten. Laat mij kort zijn! -Ik genas, maar vermagerd en zonder mijne welluidende stem, stond ik -van het ziekbed op. Goud had ik genoeg, en daarvoor kocht ik bij alle -lieden, die zich in Thebe met magische kunsten inlieten, eerst middelen -om Assa opnieuw in liefde voor mij te doen ontvlammen; daarna liet ik -bezweringen uitspreken en toovermiddelen gereed maken, om hem in het -verderf te storten. Ik trachtte ook mijne stem terug te krijgen, maar -de dranken die ik daarvoor gebruikte, maakten mijn geluid eer rauwer -dan zachter. Een uitgeworpen priester, de beroemdste onder de magiërs, -nam mij in zijn huis op, en van hem heb ik veel geleerd. Toen zijne -voormalige standgenooten aan de overzijde hem vervolgden, trok hij zich -hier in de Nekropolis terug en ik vergezelde hem. Toen zij hem gevangen -namen en ophingen, bleef ik in zijn hol en werd zelve eene heks. De -kinderen wijzen mij met den vinger na; eerlijke mannen en vrouwen gaan -voor mij uit den weg. De menschen zijn mij een gruwel en ik veracht mij -zelve. Van dit alles is maar éen de schuld, de eerwaardigste burger van -Thebe, de vrome Assa! - -»Gedurende vele jaren had ik mij met tooverij bezig gehouden, en ik -was ervaren geworden in allerlei kunsten. Toen bracht mij op zekeren -dag de hovenier Sent, van wien ik sedert lang planten kocht voor -mijne dranken -- hij had een stuk grond van het Seti-huis gepacht -- -een pasgeboren kind, dat met zes teenen ter wereld gekomen was. Hij -verlangde, dat ik het overtollige lid door mijne kunst zou wegnemen. De -vrome moeder van den kleine lag in de koorts, zij zou het anders nooit -hebben toegestaan. Ik hield het schreeuwertje bij mij, want zoo iets -laat zich wel genezen. Den volgenden morgen, kort vóor zonsopgang, -hoorde ik beweging voor mijn hol. De dienstmaagd van eene aanzienlijke -familie kwam mij roepen. Hare meesteres, zeide de maagd, had zich met -haar naar het graf van haren vader begeven, en was daar van een zoon -bevallen. Hare meesteres lag bewusteloos, ik moest dadelijk mede om hulp -te verleenen. Ik nam terstond het zesteenig knaapje in mijn mantel, -beval mijne slavin mij water na te dragen, en stond weldra -- waar? Dat -kunt gij wel raden. Ik stond voor het graf van Assa's vader. De moeder, -die daar stuiptrekkend nederlag, was zijne schoondochter, vrouwe -Setchem. Het jongske, waaraan zij het levenslicht had geschonken, was -volmaakt gezond, maar zij zelve verkeerde in zeer groot gevaar. Ik zond -de dienstmaagd met den draagstoel, die buiten stond te wachten, naar het -Seti-huis om hulp te ontbieden. Het meisje zeide mij, dat haar meester, -de vader van het kind, de Mohar in het leger te velde was. Maar de -grootvader van het knaapje, de eerwaardige Assa, had vrouwe Setchem -beloofd haar in dit graf te ontmoeten, en zou dus weldra komen. Zij ging -heen met den draagstoel. Ik wiesch het kind en kuste het, alsof het mijn -eigen was. Daar hoorde ik in de verte voetstappen in het dal. De ure, -waarin ik doodziek het goud van Assa ontving en waarin ik hem vloekte, -stond mij weder levendig voor den geest. Opeens -- nog weet ik zelve -niet hoe het zoo in mij opkwam -- gaf ik mijne slavin den pasgeboren -kleinzoon van Assa in den arm, en beval haar het kind in mijn hol te -brengen; het zesteenig knaapje legde ik, in mijne lompen gehuld, in mijn -schoot. Terwijl ik daar zoo met dit kind zat te wachten tot Assa kwam, -schenen de minuten mij uren toe. Toen hij eindelijk voor mij stond, -wel-is-waar vergrijsd, maar nog altijd statig en ongebogen, legde -ikzelve den tuinmansjongen den zesteenigen in zijn arm, en duizend -demonen lachten daarbij vroolijk in mijn hart. Hij herkende mij niet, -zeide mij dank en gaf mij wederom een hand vol goud. Ik nam het aan, en -hoorde hoe de priesters, die inmiddels uit het Seti-huis gekomen waren, -aan het kind, dat in zulk eene gelukkige ure geboren was, veel schoons -voorspelden. Daarna ging ik naar mijn hol terug, en heb daar verder -gelachen, tot de tranen mij langs de wangen liepen. Ik weet echter niet, -of dit van het lachen kwam. Na verloop van eenige dagen gaf ik den -hovenier het kleinkind van Assa, zeggende, dat de zesde teen geheel was -weggenomen. Ik had den kleine een lichte insnijding aan het voetje -gegeven, om den domkop nog eerder te doen gelooven. Zoo werd Assa's -kleinzoon, de zoon van den Mohar, als het kind van den hovenier -grootgebracht. Het ontving den naam van Pentaoer, werd in het Seti-huis -opgevoed, en geleek volmaakt op Assa. Het zesteenig kind van den -hovenier is niemand anders dan de gids Paäker. Ziedaar het geheim." - -Ani had de schrikkelijke mededeelingen van de tooveres aangehoord, -zonder een woord te spreken. Men gevoelt zich onwillekeurig aan ieder -verplicht, die ons iets weet te berichten, dat boeit en wel waard is -medegedeeld te worden. Het kwam niet bij hem op de euveldaad van de oude -te straffen, veeleer dacht hij aan de verrukking, waarmede zijne oudere -vrienden van de liederen en de schoonheid van de zangeres Beki konden -vertellen. Hij zag de heks aan, en wederom liep er eene koude rilling -over zijne leden. Ten laatste zeide hij: »Gij zult in vrede wonen, en -als gij sterft, zal ik voor uw balseming zorg dragen. Maar laat nu die -tooverkunsten varen. Gij moet rijk zijn, en zijt gij het niet, zeg maar -wat gij behoeft. Waarlijk, ik durf het nauwelijks wagen u goud aan te -bieden, want dat wekt uw haat, zoo ik hoorde." - -»Het uwe kan ik gebruiken. Maar laat mij nu gaan!" - -Zij stond van den grond op en ging naar de deur. De stadhouder verzocht -haar echter nog te blijven, en vroeg: »Is Assa de vader van uw zoon, den -kleinen Nemoe, den dwerg van vrouwe Katoeti?" - -De heks barstte uit in lachen en zeide: »Lijkt dan die dreumes in iets -den grooten Assa of de schoone Beki? Ik heb hem opgeraapt, zooals vele -andere kinderen." - -»Maar hij is slim," zeide Ani. - -»Dat is hij! Hij steekt vol plannen, en is met hart en ziel aan zijne -meesteres Katoeti gehecht. Hij zal u helpen uw doel te bereiken, want -hij zelf heeft er ook een." - -»En dat is?" - -»Dat Katoeti groot moge worden door u en rijk door Paäker, die morgen -optrekt, om de vrouw, die hij voor zich begeert, tot weduwe te maken." - -»Gij weet veel," zeide Ani nadenkend. »Eén ding zou ik nog willen -vragen, ofschoon ik, na uw verhaal, mij zelven het antwoord wel geven -kan. Maar misschien hebt gij thans geleerd, wat u in uw jeugd verborgen -was. Zijn er werkelijk liefdedranken?" - -»Ik wil u niet bedriegen, omdat ik niet wenschen kan, dat ge aan mij uw -woord zult breken," antwoordde Hekt. »Een liefdedrank werkt maar zelden, -en dan altijd bij zulke vrouwen, die nog niet lief hebben. Geeft gij de -artsenij aan eene vrouw, wier gemoed vervuld is met het beeld van een -ander man, dan verhoogt gij slechts den hartstocht voor den eersten -geliefde." - -»Dan nog iets anders," vroeg Ani. »Zijn er middelen om een vijand uit de -verte in het verderf te storten?" - -»Ongetwijfeld!" zeide Hekt. »Geringe lieden kunnen gemakkelijker -lasteren, en de groote zijn altijd bij machte anderen te laten -uitvoeren, wat zij zelve niet kunnen doen. Mijn verhaal heeft uw gal -maar weinig geprikkeld; toch komt het mij voor, dat gij den dichter -Pentaoer niet genegen zijt. -- Gij glimlacht! Nu, goed. Ik heb hem niet -uit het oog verloren, en weet dat hij zoo schoon en zoo trotsch is -geworden als Assa. Hij gelijkt hem ook sprekend, en ik zou wel lust -hebben hem te beminnen, zooals dit dwaze hart nog alleen lief hebben -kan. Het is toch wonderlijk! Bij vele vrouwen die tot mij komen, merk -ik op, dat zij gehecht zijn aan de kinderen der mannen, die hunne -trouwbelofte hebben gebroken, en wij vrouwen gelijken allen in de meeste -dingen op elkander. Doch ik wil Assa's kleinzoon niet liefhebben, ik mag -niet. Ik wil hem benadeelen en ieder helpen die hem vervolgt, want Assa -is wel dood, maar dat wat hij mij heeft aangedaan blijft in mij leven, -zoolang ik leef. Er kome over Pentaoer wat wil! Staat gij hem naar het -leven, treed dan met Nemoe in overleg, die hem ook niet genegen is, en u -beter zal dienen dan mijne nietige bezweringen en het onzinnig brouwsel -van mijne dranken. Laat mij nu naar huis gaan." - - * * * * * - -Weinige uren later noodigde Ameni den stadhouder aan het ontbijt. - -»Weet gij, wie die tooveres Hekt is?" vroeg Ani. - -»Hoe zou ik dat niet weten? Zij is de zangeres Beki, die vroeger in -Thebe ieders hoofd op hol bracht. -- Mag ik weten wat zij u verteld -heeft?" - -Ani begreep het geheim van Pentaoer's geboorte voor den opperpriester -geheim te moeten houden, en gaf een ontwijkend antwoord. Toen vroeg -Ameni hem vergunning om iets mede te deelen, waarbij de oude hare handen -in het spel had gehad. Hij vertelde den stadhouder daarop, hoewel met -eenige weglatingen en veranderingen, als iets wat hem sedert lang bekend -was, de geschiedenis, die hij weinige uren geleden had afgeluisterd. - -De stadhouder toonde zich niet weinig verrast en was het met den -opperpriester eens, toen deze hem verzocht Paäker nog niet op de hoogte -te brengen van zijn ware afkomst. - -»Hij is een man van een zonderling karakter," zeide Ameni, »en het zou -kunnen zijn, dat hij ons leelijk in de wielen reed, als hij, vóor hij -het zijne heeft gedaan, te weten kwam, wie hij eigenlijk is." - - * * * * * - -De storm was gaan liggen, en de hemel, nog vroeg in den morgen -bedekt met vaneengescheurde wolken, die met eene snelle vaart werden -voortgedreven, werd steeds helderder. Op den heeten wind volgde eene -scherpe koelte, doch weldra verhitte de gloeiende zon weder de lucht van -Thebe. In de tuinen en op de straten lag menige ontwortelde boom. Vele -luchtig opgeslagen hutten en de meeste tenten in het vreemden-kwartier -waren omvergewaaid, terwijl honderde lichte daken van palmtakken door -den wind waren medegesleurd. De stadhouder reed thans met Ameni, die -zich met eigen oogen wilde overtuigen van de verwoestingen, die de storm -in zijne tuinen had aangericht, naar Thebe. Op den Nijl ontmoetten zij -Paäker's boot. Zij riepen dien aan, en Ani noodigde den gids hem spoedig -in zijn paleis een bezoek te brengen. - -De tuinen van den opperpriester behoefden in grootte en schoonen -aanleg niet onder te doen voor die van den Mohar. Het erf, dat sedert -onheuglijke tijden aan zijn geslacht behoorde, was zeer uitgestrekt, en -zijn prachtig huis geleek wel een paleis. Hij zette zich nu onder het -schaduwrijk priëel om met zijne schoone vrouw en zijn jonge lieftallige -dochtertjes aan het ontbijt deel te nemen. Op vriendelijken toon -troostte hij zijne gemalin over menige kleine schade, die het onweder -had aangericht, beloofde de meisjes in plaats van de omgewaaide -duiventil eene veel fraaiere te laten maken, speelde en schertste met -haar. De strenge bestuurder van het Seti-huis, het ernstige opperhoofd -van de Nekropolis, was hier een gewoon mensch, een hartelijke -echtgenoot, een teedere vader, een zorgzaam vriend voor zijne -lievelingen: de bloemen en bontgevederde vogels. - -Het jongste dochtertje hing aan zijn rechterarm en het oudste aan zijn -linker, toen hij van de tafel opstond om met haar een bezoek te brengen -aan den hoenderhof. Doch op weg daarheen, kwam een dienaar vrouwe -Setchem, de moeder van Paäker, bij hem aanmelden. - -»Breng haar bij mijne vrouw," beval hij. - -Toen echter de slaaf, die een rijk geschenk in geld in de hand hield, -verzekerde, dat de weduwe van den Mohar hem alleen wenschte te spreken, -zeide hij onwillig: »Kan ik dan nooit als andere menschen rust genieten? -De meesteres moet haar ontvangen, zij kan bij haar op mij wachten. Niet -waar, meisjes, thans behoor ik aan u, en aan de hoenders, de eenden en -de duiven!" - -Zijne jongste dochter kuste en de oudste liefkoosde hem hartelijk, en -vroolijk voerden zij hem met zich mede. - -Een uur later noodigde hij vrouwe Setchem uit hem in den tuin te -volgen. De diep bedroefde en beangstigde moeder had noode tot dezen -gang besloten. Haar goedige oogen zwommen in tranen, toen zij den -opperpriester mededeelde wat haar drukte. »Gij zijt de raadsman van -zijn geweten," zeide zij, »en gij weet ook, hoe mijn zoon de goden van -het Seti-huis eert door geschenken en offers. Naar zijne moeder wil -hij niet meer luisteren, maar gij bezit nog macht over zijn gemoed. -Schrikkelijke dingen voert hij in 't schild, en wanneer gij hem geen -vrees aanjaagt met de straf der hemelsche goden, dan heft hij zijne hand -op tegen Mena, en mogelijk, mogelijk ook...." - -»Tegen den koning," zeide Ameni ernstig. »Ik weet het, en zal met hem -spreken." - -»Neem mijn dank aan," riep de weduwe, diep geroerd, en greep naar het -gewaad van den priester om het te kussen. »Gij waart het toch zelf, die -na zijne geboorte mijn echtgenoot hebt aangekondigd, dat hij onder een -gelukkig teeken geboren was, en dat hij tot eer van zijn huis en tot -sieraad van zijn geslacht zou opwassen. En nu wil hij zich rampzalig -maken voor dit leven en het toekomende!" - -»Wat ik uw zoon heb aangekondigd," viel Ameni haar in de rede, »dat -zal geschieden, al voeren de goden en menschen hem ook langs allerlei -kronkelpaden." - -»Hoe doen die woorden mij goed!" riep Setchem. »O, als gij wist welk -een vreeselijke angst dit hart beklemde, toen ik besloot tot u te gaan! -Maar gij weet ook nog niet alles. De trotsche masten van cederhout, die -Paäker uit Syrië van den verren Libanon naar Egypte zond, om de vanen -te dragen en de hooge poort van ons huis te sieren, heeft de geweldige -storm tegen zonsopgang ter aarde gesmeten." - -»Zoo zal de trots van uw zoon gebroken worden," zeide Ameni. »Maar -voor u zal, wanneer gij slechts geduldig wacht, een nieuw tijdperk van -vreugde geboren worden." - -»Nogmaals zeg ik uw dank," hernam Setchem. »Maar ik heb nog iets op 't -hart. Ik weet wel hoe gierig gij zijt op de uren, die gij schenkt aan -uw gezin. Ik herinner mij zeer goed, hoe gij eens aan mijn echtgenoot -zeidet, dat gij u hier in Thebe gevoeldet als een vrachtpaard, dat men -het zware tuig heeft afgenomen, en zich mag vermeien in de groene weide. -Ik wil u ook niet langer meer ophouden, maar de goden zonden mij ook -zulk een vreemd droomgezicht. -- Paäker had naar mijn moederlijken raad -niet geluisterd. Vol kommer ging ik naar mijne vertrekken terug. De zon -stond reeds aan den hemel, toen eene sluimering van eenige oogenblikken -mijne oogleden sloot. Toen zag ik den feestredenaar Pentaoer, die zoo -zonderling gelijkt op mijn gestorven echtgenoot in gedaante en stem. -Paäker trad hem tegen, hij schold hem vreeselijk en ging hem met vuisten -te lijf. De priester hief zijne armen op, als om te bidden, juist zooals -ik het gisteren op het feestterrein heb gezien. Doch het was niet om de -goden te prijzen, maar om mijn zoon te omvatten en met hem te worstelen. -De worsteling duurde maar kort, want Paäker kromp ineen, en verloor -zijne menschelijke gedaante. Het was niet mijn kind, dat aan de voeten -des dichters neerviel, maar een groot vochtig stuk klei, gelijk de -pottebakkers gebruiken, om er vazen uit te vormen." - -»Een vreemde droom!" sprak Ameni, niet zonder ontroering. »Een vreemde -droom! Maar hij verkondigt u goede dingen. De klei, vrouwe Setchem, -laat zich kneden. Let daarom wel op hetgeen de goden u aankondigen. De -hemelsche goden willen een nieuwen, een beteren zoon, uit den ouden voor -u doen geboren worden. Langs welke wegen dit geschieden zal, is mij nog -verborgen. Ga nu heen en offer, en vertrouw op de wijze raadsbesluiten -van hen, die het leven der wereld en der stervelingen besturen. Nog -een anderen raad moet ik u geven. Als Paäker soms berouwvol tot u -komt, ontvang hem dan liefderijk en deel het mij mede. Maar blijft hij -halsstarrig weigeren zijn wil te buigen, sluit dan uwe vertrekken voor -hem, en laat hem zonder afscheid heengaan." - -Toen Setchem zich met een verlicht hart verwijderd had, prevelde Ameni: -»Zij zal eene schoone vergoeding ontvangen, voor dien ruwen kerel; zij -moet ons echter het wapen, waarmede wij onzen slag willen slaan, niet -week maken. Dikwijls heb ik er aan getwijfeld, of droomen wel in staat -waren ons de toekomst te voorspellen, maar heden gevoel ik mijn geloof -versterkt. Inderdaad, een moederhart ziet meer dan dat van andere -menschen." - -Toen Setchem terugkeerde, ontmoette zij bij de poorten van het paleis -den wagen van haar zoon. Beiden merkten elkander op, maar keerden het -hoofd om; zij konden elkander niet hartelijk en wilden elkander niet -vormelijk groeten. Eerst toen de paarden de draagstoeldragers voorbij -waren gerend, zag de moeder op naar den zoon, en de zoon om naar zijne -moeder. Hunne blikken ontmoetten elkander en beiden gevoelden als een -dolksteek in het hart. Aan den avond van denzelfden dag vertrok de gids -naar Syrië, nadat hij met den stadhouder gesproken, in het Seti-huis -Ameni's zegen over al zijne ondernemingen ontvangen, en in het graf -zijns vaders geofferd had. Juist toen hij den wagen wilde bestijgen, -werd hem bericht dat de mattenvlechter, die de mastboomen vóor zijne -poort had doorgezaagd, gevangen was. - -»Laat hem de oogen uitsteken!" Dit waren de laatste woorden, die hij op -zijn erfgoed sprak. - -Setchem zag hem lang achterna. Zij had hem een afscheidsgroet geweigerd -en bad nu de goden zijn hart te veranderen, en hem te behoeden voor -gevaren en booze daden. - - - - -DERDE BOEK. - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - - -Drie dagen waren sedert het vertrek van den Mohar verloopen. Hoewel het -nog vroeg was, bleek men toch in de werkzalen van Bent-Anat reeds druk -in de weer te zijn. De beide vriendinnen hadden den stormachtigen nacht, -die volgde op den feestavond, slapeloos doorgebracht. Wat toch hadden -zij niet doorleefd! Nefert gevoelde zich den volgenden morgen afgemat en -slaperig. Zij had de prinses verzocht, haar dien dag nog niet in haren -nieuwen werkkring in te leiden. De dochter van Ramses had haar echter -opwekkend toegesproken, zeggende dat men het goede nooit van heden -tot morgen moest uitstellen, en Nefert bewogen haar te volgen naar de -plaatsen, waar de verschillende werkzaamheden werden verricht. - -»Wij moeten beiden tot andere gedachten komen," zeide zij. »Nu en dan -overvalt mij onwillekeurig eene rilling, en is het mij als droeg ik -een brandmerk, als ware ik onteerd door eene vuile vlek hier aan den -schouder, waar de ruwe hand van Paäker mij heeft aangeraakt." - -Den eersten werkdag had Nefert nog veel met zichzelve te strijden, doch -den tweeden vond zij reeds eenige aantrekkelijkheid in dezen arbeid, en -den derden dag mocht zij zich verheugen over de kleine vruchten van hare -inspanning. Bent-Anat had haar dan ook recht op haar plaats gezet, toen -zij haar het toezicht opdroeg over een groot aantal kleine meisjes en -vrouwen, de dochters, de echtgenooten en de weduwen van mannen uit -Thebe, die nog in het leger streden of reeds gevallen waren. Deze -hielden zich bezig met het uitzoeken en schikken van genezende kruiden. -Hare helpsters zaten in kleine kringen op den grond neergehurkt. In het -midden van elke groep lag eene groote hoop versch geplukte en gedroogde -planten, en vóor elke arbeidster zag men een groot aantal pakjes met -de uitgezochte wortels, bladeren en bloemen. Een oude heelkundige was -belast met de geheele leiding van dezen arbeid, en had Nefert den -eersten dag bekend gemaakt met de verschillende planten, die men noodig -had. - -De vrouw van Mena, die zooveel van bloemen hield, had alles spoedig -begrepen. Zij leerde gaarne, want zij had de kinderen lief. Weldra had -zij zich onder die kleinen enkele lievelingen uitgezocht. Het duurde -niet lang, of zij wist de ijverige en zorgvuldige arbeidsters te -onderkennen van de trage, of die haar taak vluchtig volbrachten. - -»Ei, ei," zeide zij, terwijl zij zich voorover boog tot een klein -halfnaakt meisje, met groote ovale oogen. »Gij werpt alles maar door -elkaar! Je vader is immers in het leger, zooals ge mij gezegd hebt? Denk -eens, zou het niet erg treurig zijn, wanneer men, zoo een pijl hem trof, -dit kruid op zijne brandende wond legde, dat hem kwaad zou doen, in -plaats van dat andere, dat hem genezen kan?" - -Het meisje knikte met het hoofdje, en keek wat ze uitgezocht had nog -eens na. - -Nefert ging nu weder naar eene andere kleine, die zat te luieren. »Daar -zit je nu weer te babbelen en niets te doen," zeide zij, »en toch staat -je vader in 't veld! Als hij nu eens ziek is en geene geneesmiddelen -heeft, en wanneer hij dan in den nacht, van zijn dochtertje droomende, -je zóo ziet zitten, dan zegt hij zeker tot zichzelven: Nu zou ik gezond -kunnen zijn, maar mijn kind heeft mij niet meer lief, want zij legt -liever de handen in den schoot, dan dat zij voor haar zieken vader -geneesmiddelen klaar maakt." - -Daarna richtte Nefert zich tot een grooteren kring van meisjes, die -kruiden zaten uit te zoeken, en sprak: »Weet gij wel, kinderen, waar al -deze vriendelijke en gezegende kruiden vandaan komen? De goede Horus was -ten krijg getogen tegen Seth, den moordenaar van zijn vader, en in het -gevecht sloeg de woedende vijand, Horus een oog uit[266]. Maar de zoon -van Osiris overwon, want het goede is altijd machtiger dan het kwade. -Toen Isis echter het arme gewonde oog zag, toen drukte zij het hoofd van -haar zoon aan hare borst[267]. Het was haar zoo wee om 't hart als eene -ongelukkige menschelijke moeder, die haar lijdend kind in de armen -houdt, en zij dacht: 'Hoe gemakkelijk is het toch wonden te slaan, en -hoe moeilijk valt het ze te heelen!' Bij deze woorden weende zij. De -eene traan voor, de andere na viel op de aarde, en overal waar deze in -den bodem drongen, daar wies zulk een gezegend kruidje op"[268]. - - [266] Naar de teksten van het Doodenboek. - - [267] Volgens de teksten van het Doodenboek en de inleiding van - den papyrus-Ebers, geneest Isis het oog van Horus. - - [268] De Egyptenaren schreven aan het bloed en de tranen der - goden scheppende krachten toe. Hierover kan men het best - raadplegen Lefébure. =Le mythe osirien=. =Première partie: Les - yeux d'Horus=. In de door Naville uitgegeven "Lofverheffingen - van Ra" wordt deze godheid in de 21ste aanroeping "Remi", d. i. - "de weenende" genoemd, en in de teksten, die gevonden worden bij - de voorstelling van de vier menschenrassen, in het graf van Seti - I in Biban el Moeloek, komt eene plaats voor, waaruit blijkt, - dat ook wel menschen uit goddelijke tranen geboren zijn. Want - daar spreekt de godheid op de volgende wijze de volken toe: "Gij - zijt een traan uit mijn oog, gij die menschen heet." - -»Isis is zeer goed," riep nu een meisje, dat tegenover haar zat. »Moeder -zegt altijd, dat Isis de kinderen ook liefheeft, wanneer zij goed -oppassen." - -»Uwe moeder heeft gelijk," antwoordde Nefert. »Isis heeft ook zelve haar -lieve Horus-kindje. En ieder mensch die sterft, wordt, als hij braaf -heeft geleefd, weder een kind, en de godin neemt hem tot zich, alsof hij -haar eigen kind was, en legt hem aan hare borst en verpleegt hem met -hare zuster Nephtys[269], tot hij groot zal zijn en voor zijn vader -strijden kan." - - [269] Gelijk Isis als moeder, zoo wordt Nephtys als zoogmoeder - en opvoedster van Horus voorgesteld. Op het eiland Philak zien - wij een der Ptolemaeën als een jeugdige god afgebeeld, die van - Nephtys onderwijs ontvangt in het harpspel. Osiris heeft beide - godinnen lief, en beiden worden afgebeeld, weeklagende aan het - hoofd- en aan het voeteinde van zijne lijkbaar. Haar klaaglied - is bewaard gebleven in een papyrus van het Berlijnsch museum, - die door De Horrack werd uitgegeven. - -Nefert had opgemerkt, dat onder deze woorden eene vrouw was begonnen -te weenen. Zij ging tot haar om te vragen wat haar deerde, en kwam te -weten dat haar man en haar zoon, de eerste in Syrië, de laatste op zijn -terugreis naar Egypte, gestorven waren. - -»Arme vrouw en moeder!" zeide Nefert. »Nu moogt gij wel dubbel uw best -doen, opdat de wonden der anderen geheeld worden! Ik wil u nog iets -anders van Isis vertellen. Zij had haar gemaal Osiris zeer liefgehad, -zooals gij uw gestorven echtgenoot, en ik mijn Mena. Maar hij was -gevallen als een offer van de listen van Seth. Zij kon niet eens het -lijk vinden van den man, die haar op zoo wreede wijze was ontroofd, en -gij kunt uw echtgenoot ten minste nog bij zijn graf bezoeken. Toen trok -Isis klagende het land door, en ach, wat was er van Egypte geworden, het -schoone land, dat al zijne vruchtbaarheid aan Osiris te danken heeft! De -heilige Nijl lag droog, en geen grashalm groende er aan zijne oevers. De -goede godin gevoelde hierover eene onuitsprekelijke smart. Zij weende -een traan in het bed van den vloed en terstond begonnen de wateren weer -te zwellen. Want gij weet toch wel dat elke overstrooming ontstaat door -een traan van Isis[270]. Zoo werd de smart eener weduwe tot zegen voor -vele millioenen geslachten." - - [270] Onder de Arabieren is nog het oude geloof bewaard - gebleven, dat de Nijl wast door een goddelijken traan, die in - den stroom valt. Nog heden wordt den nacht van den 11den Baoeneh - "de nacht van den druppel" genoemd, omdat in dien nacht de Nijl - zijn laagste standpunt bereikt en langzaam begint te stijgen. - -De vrouw had opmerkzaam naar haar geluisterd, en zeide, toen Nefert -zweeg: »Maar ik heb nu ook de drie bloedjes van kinderen, die mijn zoon -naliet, te onderhouden. Want zijne vrouw, eene waschvrouw, is helaas bij -het verrichten van haar werk door een krokodil overvallen. Lieden van -onze soort moeten in de eerste plaats voor zichzelven en niet voor -anderen zorgen. Als de prinses ons niet betaalde, hoe kon ik dan aan de -wonden der krijgslieden denken, die mij niets aangaan? Ik ben ook niet -sterk meer en heb vier monden te voeden." - -Nefert gevoelde eene huivering, gelijk meermalen bij deze hare nieuwe -werkzaamheid, en verzocht Bent-Anat het loon van deze vrouw te -verhoogen. - -»Gaarne," zeide de prinses, »Wat zou ik eene helpster als gij zijt -kunnen weigeren! Kom thans eens mede in mijne keuken. Ik laat vruchten -inpakken voor mijn vader en broeders. Daar mag nu toch ook wel een -kistje voor Mena bij." - -Nefert volgde hare vorstelijke vriendin, en zag hoe men juist in eene -kist goudgele dadels van de oase van Amon[271] en in eene andere donkere -van Nubië, de lievelingssoorten van den koning, had gelegd. - - [271] De tegenwoordige oase Siwah, waar de dadelboomen nog - altijd vruchten dragen, die wijd en zijd beroemd zijn. - -»Laat mij dat pakken!" riep Nefert, beval de dienstmaagd, die er mede -bezig was, de kistjes weder te ledigen, en legde nu de dadels van -verschillende kleuren, benevens eenige andere in suiker gekookte -vruchten, in sierlijke figuren bijeen. - -Bent-Anat zag dit met welgevallen, reikte haar toen zij gereed was de -hand en zeide: »Wat uwe vingers maar aanroeren, dat krijgt dadelijk een -vriendelijk aanzien. Geef me dat stuk papyrus! Ik zal het in dit kistje -leggen en er op schrijven: Dit heeft de vlijtige medehelpster van zijne -dochter Bent-Anat, de vrouw van Mena, voor koning Ramses ingepakt." - -Na de rust van den middag werd de prinses weggeroepen, en Nefert bleef -nog eenige uren met hare arbeidsters alleen. Toen de zon onderging en -de vlijtige schare wilde opbreken, hield Nefert de vrouwen en meisjes -nog terug en zeide: »De zonneschuit verdwijnt ginds achter de westelijke -bergen. Komt, laat ons te zamen bidden voor den koning en onze geliefden -in 't veld. Ieder denke aan de zijnen, gij kinderen aan uwe vaders, -gij vrouwen aan uwe zonen, en wij echtgenooten aan onze mannen, die -verre van ons zijn. Wij bidden Amon, dat zij zoo zeker tot ons mogen -wederkomen, als de zon, die thans van ons scheidt, maar morgen vroeg -zich opnieuw zal vertoonen." - -Nefert knielde neder, en met haar de kinderen en vrouwen. - -Toen zij weder opstonden, liep een klein meisje naar de vrouw van Mena -en zeide schuchter, terwijl zij haar kleedje frommelde: »Gij hebt ons -ook gisteren hier laten knielen, en stellig zal het ook heden met mijne -moeder wat beter gaan, nu ik voor haar gebeden heb." - -»O zeker," zeide Nefert, en zij streelde de zwarte haren van het kind. - -Zij vond Bent-Anat op het balkon, peinzend starende over den stroom naar -de doodenstad, die al meer en meer in duisternis werd gehuld. Toen zij -de zachte schreden harer vriendin achter zich hoorde, schrikte zij een -oogenblik. - -»Ik stoor u zeker," zeide Nefert, en trad terug. - -»Neen blijf," smeekte Bent-Anat. »Ik dank de goden dat ik u heb, want -het is mij zoo wee, zoo akelig wee om 't hart." - -»Ik weet waaraan gij dacht," sprak Nefert zacht. - -»Welnu?" vroeg de prinses. - -»Aan Pentaoer." - -»Ik denk aan hem en altijd aan hem," antwoordde de prinses, »en toch is -er nog iets anders wat mijn gemoed beweegt. Ik ben mij zelve niet meer. -Wat ik denk moest ik niet denken, wat ik gevoel niet gevoelen, en toch -kan ik het niet van mij zetten. Ik geloof dat mijn hart zou doodbloeden, -wanneer ik het er met geweld uit wilde verwijderen. Vreemd, ja -onbetamelijk heb ik gehandeld, en nu hangt mij iets boven het hoofd, -dat mijne schouders bijna niet kunnen dragen, iets buitengewoons, dat u -misschien weder van mijne zijde wegneemt en naar uwe moeder terugvoert." - -»Alles wil ik met u deelen," riep Nefert. »Maar wat verlangt men dan van -u? Zijt gij dan de dochter van Ramses niet meer?" - -»Als eene burgervrouw heb ik mij aan het volk vertoond," antwoordde -Bent-Anat, »en nu heb ik de gevolgen van deze daad te dragen. -Bek-en-Choensoe, de opperpriester van Amon, was zooeven bij mij, en ik -heb mij lang met hem onderhouden. De eerwaardige man is mij welgezind, -dat weet ik, en mijn vader heeft mij geboden zijn raad boven dien van -alle anderen te volgen. Hij bracht mij onder het oog, dat ik zwaar -misdreven had. Terwijl ik nog in den staat der onreinheid verkeerde, heb -ik een tempel in de Nekropolis betreden, en nadat ik mij reeds eens had -gewaagd op het erf van een Paraschiet, en mij daarover de berisping van -Ameni op den hals gehaald, deed ik het toch andermaal. Zij weten aan -de overzijde alles, wat ons daar bejegend is! Nu moet ik mij laten -reinigen, óf door Ameni zelven in het Seti-huis, in tegenwoordigheid van -alle priesters en rijksgrooten, met buitengewone plechtigheid, óf door -eene bedevaart te ondernemen tot de Smaragden-Hathor[272], onder welker -bescherming men de edelgesteenten uit de rotsen houwt, en het erts -vindt, dat door smelting wordt gelouterd. De godin, die het echte van -het onechte scheidt, zal, zoo zeggen zij, de onreinheid van mij nemen, -gelijk zij het edel metaal van de slakken zuivert. Eene dagreize of iets -verder van de steengroeven vloeit van den heiligen berg des Heeren, den -Sinaï[273], zooals de Mentoe[274] hem noemen, eene diepe beek[275], -en daarbij verheft zich het heiligdom der godin, waarin de priesters -reiniging verleenen. De tocht is lang; de weg leidt door de woestijn en -over de zee; maar Bek-en-Choensoe raadt mij, dat ik het wagen zal. -Ameni, zegt hij, is mij niet gunstig gezind, omdat ik de inzettingen -overtreed, die hij boven alles in eere gehouden wil hebben. Hij meent, -dat ik het mij moet laten welgevallen, zoo deze met dubbele gestrengheid -handelt, want het volk ziet allereerst naar hen op die het hoogste -staan, en wanneer ik de inzettingen ongestraft minacht, zoo zal ik onder -de menigte navolgers vinden. Hij handelt in naam der goden, die de -harten der menschen meten met gelijke maat. De el behoort aan de godin -der waarheid[276]. Ik gevoel wel dat dit alles niet onjuist is, en toch -kan ik mij moeilijk schikken naar de uitspraak van den opperpriester, -omdat ik de dochter van Ramses ben!" - - [272] De Hathor van het maskat was de godin, die voornamelijk - op het Sinaïtisch schiereiland werd vereerd. Na de grondige - verhandeling van Lepsius, over de metalen bij de oude - Egyptenaars, staat het vast, dat maskat noch koper beteekent, - noch de turkoois, maar een groenen steen. Wordt het maskat echt - geheeten, dan bedoelt men smaragd; soms ook wel malachiet, - berggroen en groene vloeispaath, die veelvuldig in de graven - worden gevonden. Sieraden van malachiet komen zelden voor. Wij - vestigen hier de aandacht op een allerliefst beeldje van den god - Ptah (zie Dl. I. bl. 82, v.) uit dezen steen vervaardigd, dat - bewaard wordt in het Japansch paleis te Dresden. - - [273] Niet de berg Sinaï, waar de monniken wonen, maar het - reusachtig gebergte, dat thans Serbal heet, houden wij voor - den Sinaï van den Bijbel. Wij hebben deze opvatting uitvoerig - verdedigd in ons werk: =Durch Gosen zum Sinaï, aus dem - Wanderbuche und der Bibliothek=. - - [274] De bergvolken van het Sinaïtisch schiereiland. - - [275] In de tegenwoordige oase Feirân. - - [276] De naam van de godin der waarheid (Ma) wordt ook - geschreven met de hiëroglyphe, die eene el voorstelt. Van de - oude heilige ellematen zijn er verschillende bewaard gebleven. - Men kan alles hierover vinden in Lepsius' verhandeling: "Die - altägyptische Elle und ihre Eintheilung" in de =Abhandl. der k. - Akademie der Wissenschaften=, Berlin, 1865, s. 33. - -»Dat zijt gij," sprak Nefert, »en uw vader is een god!" - -»Maar," ging de prinses voort, »hij heeft mij ook altijd geleerd de -inzettingen te eeren. Ook heb ik met Bek-en-Choensoe nog wat anders -besproken. Gij weet dat ik de hand van den stadhouder afwees. Hij zal in -stilte boos op mij zijn. Dat nu zou mij geen schrik aanjagen, maar -hij is door mijn vader als voogd over mij aangesteld; hij is mijn -beschermer. Kan ik hem dan nog vertrouwelijk raad en hulp vragen? Neen! -Ik ben toch maar eene vrouw en bovendien de dochter van Ramses. Eer trek -ik door duizend woestijnen, eer dat ik mijn vader en zijn kind laat -vernederen. Tot morgen zal ik mij beraden, doch ik ben reeds nu besloten -de reis te aanvaarden, wat het mij ook zal kosten zooveel hier te -verlaten. -- Vrees niets, lieve, gij zijt te teeder voor zulk een verren -tocht; ik zou...." - -»Neen, neen," riep Nefert, »ik trek met u, al ging de reis ook tot aan -de vier zuilen des hemels aan de uiteinden der aarde[277]. Gij hebt een -nieuw leven in mij gewekt, en wat thans in mijn binnenste zoo frisch -ontkiemt, zou weder verdorren, als ik tot mijne moeder terugkeerde. Of -zij, óf ik moet meesteres zijn in onze woning. Alleen met Mena wil ik -haar weder betreden!" - - [277] De zuilen des hemels (sechent pet) komen in verschillende - teksten voor. Op de schoone overwinnings-stêle van Thotmes III - te Boelaq leest men: "Ik (Amon) verbreid ... de vrees voor u - tot de vier zuilen des hemels." Men stelde zich voor, dat deze - zuilen aan de uiterste einden van het zuiden, noorden, westen - en oosten werden gevonden. Daarom worden ook in vele teksten, - in plaats van de vier windstreken, de vier zuilen des hemels - genoemd. - -»Zoo is dan besloten, ik vertrek!" zeide de prinses. »O ware mijn vader -maar niet zoo ver; kon ik hem maar raad vragen en zijne stem hooren!" - -»Ja, die krijg, die eeuwigdurende krijg!" zuchtte Nefert. »Waarom -stellen de mannen zich toch nooit tevreden met hetgeen zij hebben, en -verkiezen zij een ijdelen roem boven den stillen vrede, die het leven -siert!" - -»Zouden zij dan mannen zijn? Zouden wij hen kunnen liefhebben, indien -zij anders waren?" vroeg Bent-Anat levendig. »Scheppen de goden ook in -den strijd geen behagen? Hebt gij ooit een verhevener beeld gezien, -dan dat van Pentaoer, toen hij dien onbehouwen paal hoog door de lucht -slingerde, en zijn leven waagde om de bedreigde onschuld te beschermen?" - -»Ik waagde maar even een blik in den hof te slaan," antwoordde Nefert, -»want ik maakte mij zoo angstig. Maar zijn luid geroep klinkt mij nog in -de ooren." - -»Zoo klinkt ook het krijgsgeschreeuw der helden in den slag, die de -vijanden doet beven!" zeide Bent-Anat. - -»Ja zeker, zoo klinkt het!" riep prins Rameri, die zonder door de -vrouwen opgemerkt te zijn, het halfdonkere vertrek van zijne zuster was -binnengetreden. - -De prinses keerde zich naar haar broeder om, zeggende: »Wat doet ge mij -daar schrikken!" - -»U?" vroeg de prins verwonderd. - -»Ja mij. Vroeger was ik kloek van hart, maar sedert dien avond beef ik -telkens, en overvalt mij gedurig een pijnlijke angst, ik weet zelve niet -waarvoor. Ik geloof dat een demon mij beheerscht." - -»Gij heerscht, waar gij u vertoont, en gij wordt door niets beheerscht," -zeide Rameri. »De ontsteltenis, en het verdriet dat gij in het dal hebt -geleden, en daarna aan de landingstrap, dat alles zit u nog in de leden. -Ook ik begin te knarsetanden, als ik eraan denk, hoe zij mij uit de -school hebben gebannen, en hoe die Paäker zijn hond tegen mij aanhitste. -Ik heb heden vrij wat ondervonden." - -»Waar zijt gij toch zoolang geweest?" vroeg Bent-Anat. »Neef Ani had -toch bevolen, dat gij het paleis niet mocht verlaten." - -»Ik zal in de volgende maand mijn achttiende jaar intreden," antwoordde -de prins, »en heb geen voogd meer noodig!" - -»Maar onze vader...." wilde Bent-Anat hem vermanen. - -»Onze vader," viel Rameri haar in de reden, »kent den stadhouder slecht. -Doch ik zal hem schrijven, al wat ik heden onder het volk heb hooren -vertellen. Men zegt dat zij Ani op het feest van het dal zoo goed als -gehuldigd hebben, en de een vertelt den ander openlijk, dat het den -stadhouder om de kroon te doen is, en dat hij voornemens is den koning -van den troon te stooten. -- Gij hebt gelijk, dat is onzinnig, maar er -moet toch wel iets van waar zijn." - -Nefert verbleekte. Bent-Anat vroeg eenige nadere bijzonderheden, waarop -de prins vertelde wat hij vernomen had, om dan lachend uit te roepen: -»Ani zou mijn vader doen vallen! Dat is zooveel alsof ik de Isis-ster -van den hemel wilde losrukken, om daarmede de lampen te ontsteken, die -hier nog altijd ontbreken!" - -»Ik vind het vertrouwelijker in donker te zitten," zeide Nefert. - -»Neen, laat het licht komen," zeide Bent-Anat. »Men kan beter spreken, -wanneer men hen tot wie men spreekt in de oogen kan zien. -- Wat die -dwaze volkspraatjes betreft, ik geloof er niet aan. Maar gij hebt -gelijk, wij moeten er onzen vader kennis van geven." - -»In de doodenstad hoorde ik de dolzinnigste zwetserij," zeide Rameri. - -»Hebt gij u dan aan de overzijde gewaagd? Hoe verkeerd hebt gij gedaan!" - -»Ik had mij weder een weinig verkleed, en heb heel veel goeds te -vertellen. Het gaat met de lieve Warda veel beter. Zij heeft uwe -geschenken ontvangen, en woont weder in haar eigen huis. Naast de -afgebrande stond een vervallen hut, die haar vader, een soldaat met een -grooten baard, die evenveel op haar gelijkt als een egel op een witte -duif, met eenige gezellen in een oogenblik weder in orde heeft gebracht. -Ik bood haar aan met de andere meisjes in het paleis voor u te werken, -tegen hoog loon. Maar zij wilde niet, want zij moet hare zieke -grootmoeder verplegen. Ook is zij trotsch en wil niemand dienen." - -»Het komt mij voor, dat gij lang bij die onreine hebt vertoefd," zeide -Bent-Anat verwijtend. »Ik had gedacht, dat hetgeen mij is wedervaren, u -tot eene waarschuwing geweest zou zijn." - -»Ik wil niet beter zijn dan gij!" hernam de prins. »Bovendien is de -Paraschiet dood, en Warda's vader is een eerlijk soldaat die niemand -verontreinigt. Voorts hield ik mij op een afstand van de oude vrouw. -Morgen steek ik weder over; dat heb ik haar beloofd." - -»Aan wie?" vroeg Bent-Anat. - -»Aan wie anders dan aan Warda! Zij houdt veel van bloemen, en na de -roos, die gij haar hebt geschonken, heeft zij er geene meer gezien. Ik -heb den hovenier reeds bevolen, dat hij mij tegen morgen een korf vol -rozen moet snijden, die ikzelf haar brengen zal." - -»Dat zult gij niet doen!" riep Bent-Anat. »Gij zijt nog half een kind, -en al ware dit niet zoo, ook om den wil van het meisje zult gij het -laten." - -»Wij zitten samen alleen wat te keuvelen," zeide de prins terwijl hij -bloosde, »en niemand zal mij herkennen. Ja, als gij het volstrekt -verlangt dan zal ik niet met dien korf vol rozen oversteken, maar alleen -ga ik toch tot haar. -- Neen, zuster, dat laat ik mij niet verbieden! -Zij is zoo bekoorlijk, zoo blank, zoo teeder, en haar stemmetje klinkt -zoo zacht en lieflijk! En zij heeft voetjes, ja, hoe zal ik het zeggen, -zoo klein en sierlijk als Neferts hand! Wij hebben het meest gesproken -over Pentaoer. Zij kent zijn vader, die hovenier is, en weet zeer veel -van hem. Denk eens aan, zij zegt dat Pentaoer geen kind van zijne -ouders is maar een goede geest, die op aarde is gekomen, misschien wel -eene godheid. In het begin was zij zeer schuchter, maar toen ik over -Pentaoer begon, werd zij spraakzaam. Zij vereert hem bijna afgodisch, en -dat juist heeft mij geërgerd." - -»Gij zoudt zeker liever willen, dat zij u zoo vereerde?" zeide Nefert -lachende. - -»Volstrekt niet!" hernam Rameri. »Maar ik heb haar mede gered en het -doet mij zoo goed als ik bij haar zit. Morgen, dat heb ik stellig -voorgenomen, steek ikzelf haar eene bloem in het haar. Dat is wel rood, -maar zoo zwaar als het uwe, Bent-Anat, en het moet verrukkelijk zijn het -met de hand te mogen aanraken en streelen!" - -De vrouwen zagen elkander aan met een blik, waaruit duidelijk bleek dat -zij elkander verstonden. De prinses zeide dan ook op beslissenden toon: -»Gij gaat morgen niet naar de doodenstad, mijn pleegzoon." - -»Dat zullen wij eens zien, mijn pleegmoedertje!" - -Dit zeide hij schertsend. Doch hierna werd hij ernstig en vervolgde: »Ik -heb ook mijn schoolvriend Anana gesproken. In het Seti-huis heerscht -thans de ongerechtigheid! Pentaoer zit in de gevangenis en gisteren -avond hebben zij gericht over hem gehouden. Onze neef Ani was ook -daarbij, en heeft den dichter heftig aangevallen. Ameni moet hem in -zijne bescherming hebben genomen. Welk besluit er eindelijk gevallen is, -konden de kweekelingen niet te weten komen, maar het moet wel iets heel -bedenkelijks zijn geweest, want de zoon van den schatmeester hoorde, hoe -Ameni na de zitting tot den ouden Gagaboe zeide; 'Straf verdient hij, -maar ik laat zijn ondergang niet toe!' Met deze woorden kon hij niemand -anders bedoelen dan Pentaoer. Morgen ga ik weder naar de overzijde, en -zal nog wel meer te weten komen, misschien wel iets verschrikkelijks, -denk ik. Op zijn minst zal hij voor vele jaren worden gevangen gezet." - -Bent-Anat was doodsbleek geworden. »Wat zij hem aandoen," riep zij uit, -»lijdt hij om mijnentwil! O gij almachtige goden, helpt hem, helpt mij -en weest mij genadig!" - -Zij sloeg de handen voor het aangezicht en verliet het vertrek. - -»Wat mag mijne zuster toch wel overkomen zijn," vroeg Rameri aan Nefert; -»zij komt mij zoo vreemd voor, en ook gij zijt anders dan gewoonlijk!" - -»Wij beiden hebben ons in zekeren nieuwen toestand te verplaatsen." - -»Wat bedoelt gij hiermede?" - -»Dat kan ik u zoo niet in een paar woorden verklaren. Maar het komt mij -voor als zult gijzelf weldra iets dergelijks ondervinden. -- Rameri! Ga -niet weder naar de Paraschieten!" - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - - -Vroeg op den volgenden dag ging de dwerg Nemoe met een man in een -eenvoudig lang kleed, naar het scheen de hofmeester van eene -aanzienlijke familie, de hut voorbij, die door Warda's vader weder in -orde was gebracht, de hut waarin de soldaat eens met zijne vrouw had -gewoond. Zij richtten hunne schreden naar het hol van de oude Hekt. - -»Hier omlaag, edele heer," zeide de dwerg, »verzoek ik u eenige -oogenblikken te wachten, om u bij mijne moeder aan te melden." - -»Dat klinkt zeker heel deftig," antwoordde de ander, »maar het zij zoo! -Nog éene voorwaarde! De oude mag mij niet bij mijn naam noemen, noch -mijn titel op hare lippen nemen. Zij noeme mij hofmeester, want men kan -nooit weten... Ik meen echter, dat niemand mij in deze vermomming zal -herkennen." - -Nemoe haastte zich naar het hol te gaan, waarvoor hij zijne moeder vond -zitten, die reeds van verre hem tegenriep: »Laat dien heer nu niet -wachten, ik weet maar al te goed wie het is!" - -De kleine man legde den vinger op den mond en zeide: »Gij moet hem als -hofmeester aanspreken." - -»Goed," prevelde de tooveres. »Zoo steekt ook een struisvogel zijn kop -in de veeren, wanneer hij wil dat men hem niet zien zal." - -»Is het prinsje gisteren nog lang bij Warda geweest?" - -»Neen, gek!" zeide de heks lachend. »Die kinderen spelen met elkander. -Rameri is een jonge ram, die nog geen horens heeft, maar toch de plek -voelt, waar ze zullen uitgroeien, en reeds beproeft of hij ze ook -gebruiken kan. Pentaoer kan u bij dat roodharig kopje veel gevaarlijker -worden. Loop nu een-twee-drie heen; men laat zulk een hofmeester zoolang -niet wachten." - -De oude gaf den dwerg een duw, en deze vloog naar Ani terug, terwijl zij -den kleinen, weder op zijne plank gebonden Scheraoe in de hut droeg, en -den bruinen zak over hem heen wierp. - -Eenige oogenblikken later stond de stadhouder voor haar. Zij boog met -eene sierlijkheid, die meer aan de zangeres Beki dan aan de tooveres -Hekt deed denken, en bad hem plaats te nemen op den eenigen stoel, dien -zij bezat. - -Toen hij door eene beweging met de hand te kennen gaf, dat hij niet -verlangde te gaan zitten, zeide zij: »Wel zeker, gij moet u nederzetten! -Dan kan men u uit het dal niet zien, omdat gij achter deze rots hier -verborgen zijt. Maar waarom hebt gij dit uur toch voor uw bezoek -gekozen?" - -»Omdat hetgeen ik met u wensch te bespreken haast heeft," zeide Ani, »en -ik in den avond licht door de wachters zou kunnen worden aangeroepen. -Mijne vermomming is voldoende. Onder dit overkleed draag ik mijn gewoon -gewaad. Van hier ga ik het dal in naar het graf mijner vaderen, om daar -den groven rok en wat mij verder nog onkenbaar maakt af te leggen, en -mijn wagen te wachten, die reeds besteld is. Ik zal aan de menschen -zeggen, dat ik heden eene gelofte heb vervuld, om namelijk de groeve te -voet en als een deemoedige te bezoeken." - -»Goed bedacht," prevelde de oude. Doch Ani wees op den dwerg en zeide op -beleefden toon: »Uw leerling!" - -Sedert de onthulling die zij gedaan had, was Hekt voor hem niet langer -de gewone tooveres. De oude vrouw gevoelde het, en neigde zich voor -hem met eene buiging, die zoo geheel in de vormen, zoo hoffelijk was, -dat een tamme raaf aan hare voeten zijn verbazing hierover niet kon -inhouden, maar zijn zwarten snavel wijd opensperde en een gekras deed -hooren. Zij wierp er een stuk kaas in, en de vogel huppelde weg, zijne -geknotte vleugels naslepende, en zweeg. - -»Ik moet u over Pentaoer spreken," zeide Ani. - -De oogen van de oude schoten vuur, en vol belangstelling vroeg zij: »Wat -is er dan met hem?" - -»Ik heb allen grond," antwoordde de stadhouder, »dezen man voor -gevaarlijk te houden. Hij staat mij in den weg. Allerlei kwaad heeft hij -gedaan; wat erger is, hij heeft moorden begaan. Maar in het Seti-huis -mogen zij hem gaarne lijden, en daar zouden zij hem liefst ongestraft -laten. Die heeren bezitten het recht over elkander alleen de vierschaar -te spannen, en ik kan aan hunne uitspraak niets veranderen. Eergisteren -hebben zij vonnis geveld. Zij willen hem naar de steengroeven van -Chennoe zenden[278]. Op al wat ik hiertegen inbracht heeft men geen -acht geslagen, en, nu ja.... Nemoe, ga naar de overzijde in het graf -van Amenophis, en wacht daar op mij! Ik heb iets met uwe moeder alleen -te bespreken!" - - [278] De steengroeven van Chennoe, thans Gebel Silsileh, waren - van buitengewonen omvang. Bijna al de zandsteen, dien men noodig - heeft gehad voor het bouwen der tempels in Opper-Egypte, is daar - uitgehouwen. - -Nemoe boog en daalde den berg af, wel-is-waar verdrietig, maar toch in -de zekere overtuiging, dat hij later alles zou vernemen, wat tusschen -die twee verhandeld werd. - -Toen de kleine verdwenen was, vroeg Ani: »Gevoelt gij nog iets voor het -oude koningshuis, dat uwe ouders zoo met hart en ziel waren toegedaan?" - -De oude boog toestemmend het hoofd. - -»Welnu, zoo zult gij mij uw hulp niet ontzeggen, wanneer ik trachten wil -het weder op te richten. Gij begrijpt hoezeer ik de priesters daarbij -noodig heb, en ik heb Ameni gezworen Pentaoer niet naar het leven te -zullen staan. Doch ik herhaal nog eens: hij staat mij in den weg! Ik heb -mijne verspieders ook in het Seti-huis, en door dezen weet ik, wat het -wegzenden van den dichter naar de steengroeven van Chennoe te beteekenen -heeft. Een tijdlang laten zij hem zandsteenen houwen, en dat zal aan de -gezondheid van dezen ijzersterken man eer goed dan kwaad doen. Zooals -gij weet, vindt men te Chennoe, behalve die groeven, ook het groote -priestercollege, dat in zeer nauwe verbinding staat met het Seti-huis. -Wanneer de vloed begint te wassen en in Chennoe het grootste Nijlfeest -wordt gevierd[279], dan hebben de priesters daar het recht zich die -misdadigers, die in de steengroeven werken, uit te kiezen tot hun eigen -dienst. Het spreekt vanzelf, dat zij in het volgend jaar Pentaoer -kiezen. Dan laten zij hem vrij en men lacht mij uit." - - [279] Bij Chennoe wordt de stroom smaller. Onder Ramses II - en zijn opvolger Mernephtah werden daar groote gedenksteenen - opgericht, die schoone hymnen bevatten aan den Nijl en de - lijsten der offers, die op de Nijlfeesten moesten worden - gebracht. De opschriften kunnen door onderlinge vergelijking - worden aangevuld. Dit is geschied door mijn vriend Stern en - ook door mij op de plaats zelve. De eerste heeft ze daarna - voortreffelijk verklaard in de =Zeitschrift für ägyptische - Sprache und Altertumskunde=, 1873, s. 129. Ramses de groote - heeft twee Nijlfeesten ingesteld. Stern vergelijkt ze met de - beide feesten, die thans nog gevierd worden, namelijk: "De nacht - van den druppel," die altijd op den 11den Baoeneh (in 1873 den - 17den Juni) valt, op welk tijdstip de stand van den Nijl het - laagst is, (Zie boven bl. 346.), en "De doorsteking van den - dam," een feest dat geregeld wordt naar den waterstand. De twee - maanden die thans nog als feestmaanden worden beschouwd, liggen - even ver uit elkander als weleer de Nijlfeesten van Chennoe. - -»Niet kwaad verzonnen," zeide de Heks! - -»Ik heb nu met mijzelven, met Katoeti en ook met Nemoe raad gehouden," -ging Ani voort, »maar alles wat zij bedachten was, ja, wel uitvoerbaar, -doch onraadzaam, en zou voor het minst tot vermoedens leiden, die ik -thans zorgvuldig moet trachten te vermijden. Wat is uw raad?" - -»Assa's stam moet ondergaan!" prevelde de oude somber. Daarna staarde -zij een poos nadenkend op den grond en zeide eindelijk: »Laat een gat -in het schip boren, en voor het in Chennoe aankomt, met de geboeide -gevangenen verzinken." - -»Neen, neen, daaraan heb ikzelf al gedacht, en ook Nemoe heeft het -aangeraden," zeide Ani. »Zoo iets is wel honderdmaal gebeurd. Ameni mag -mij ook niet voor meineedig houden, en ik heb gezworen Pentaoer niet -naar het leven te zullen staan." - -»O ja, dat hebt gij gezworen, en gij mannen zijt gewoon onder elkander -woord te houden. Wacht eens even, hoe was het ook weer? -- Gij laat het -schip met de gevangenen naar Chennoe onder zeil gaan, doch gij geeft -in 't geheim aan den gezagvoerder bevel, dat hij in den nacht zoo snel -mogelijk de steengroeven voorbij moet varen, en verder koers zetten naar -Ethiopië. Van Soean[280] laat gij de gevangenen door de woestijn naar -de goudmijnen voeren. Er kunnen vier, ja misschien wel acht weken -verloopen, eer men verneemt wat er gebeurd is. Spreekt Ameni u dan -hierover aan, dan houdt gij u alsof gij vertoornd zijt over dit -misverstand, en gij kunt bij alle goden van hemel en onderwereld zweren, -dat gij Pentaoer niet naar het leven hebt gestaan. Met het doen van -onderzoek verloopen weder eenige weken. Inmiddels doet Paäker het zijne -en gij het uwe, en -- gij zijt koning. Eene gelofte laat zich, dunkt -mij, wel met een schepter verbrijzelen. En wilt gij volstrekt uw woord -houden, welnu, laat Pentaoer dan in de goudmijnen. Van daar is nog nooit -iemand teruggekeerd. Ook de gebeenten van mijn vader en mijne broeders -zijn daar in de zon gebleekt." - - [280] Het oude Syene, het heilige Assoean, bij den eersten - waterval. - -»Maar Ameni zal niet willen gelooven, dat het een misverstand is -geweest," viel Ani de tooveres angstig in de rede. - -»Beken dan, dat gij dien tocht hebt bevolen!" hernam Hekt. »Verklaar dat -gij te weten zijt gekomen, wat zij in Chennoe met Pentaoer voorhadden; -dat gij uw woord hebt gehouden, maar dat gij een misdadiger niet -straffeloos wildet laten. Zij zullen berichten inwinnen, en vinden zij -den kleinzoon van Assa in het leven, dan zijt gij gerechtvaardigd. Volg -mijn raad, wanneer gij waarlijk wilt toonen de belangen van uw huis -ernstig te behartigen, en meester blijven van hetgeen gij bezit." - -»Het gaat niet," zeide de stadhouder. »Ik heb den steun van Ameni -niet enkel heden en morgen noodig. Ik wil geen blind werktuig van hem -worden, maar voor het oogenblik moet hij mij daarvoor houden." - -De oude haalde de schouders op, stond op, ging haar hol binnen, en kwam -terug met een fleschje. »Neem dit mede," zeide zij. »Men behoeft slechts -vier druppels van dit vocht in den wijn te gieten, en het kan niet -missen of die er van drinkt verliest zijn verstand. Neem de proef van -dezen drank bij een slaaf, en gij zult zien dat hij uitnemend werkt." - -»Wat moet ik daarmede aanvangen?" vroeg Ani. - -»U rechtvaardigen voor Ameni," zeide de tooveres lachend. »Gij beveelt -den gezagvoerder van het schip dadelijk na zijn terugkeer bij u te -komen. Gij onthaalt hem op wijn, en waarom zou Ameni, als hij den half -waanzinnige ziet, niet gelooven, dat deze in zijne zinsverbijstering -Chennoe is voorbij gevaren?" - -»Dat is verstandig, dat is voortreffelijk!" riep Ani. »Het buitengewone -daalt toch nimmer af tot het platte alledaagsche. Gij waart eens de -schoonste der zangeressen, en thans zijt gij de wijste der vrouwen, -vrouw Beki!" - -»Ik ben thans Beki niet meer, ik heet Hekt," zeide de oude op ruwen -toon. - -»Zoo als gij wilt! Inderdaad, had ik Beki's gezang gehoord, zoo zou ik -mij aan haar tot grooter dank verplicht achten, dan nu aan Hekt," zeide -Ani met een glimlach. »Doch ik mag de verstandigste vrouw van Thebe -niet verlaten, zonder eene ernstige vraag tot haar te richten. Is het u -werkelijk gegeven een blik in de toekomst te slaan? Staan u middelen ten -dienste, waardoor gij weten kunt, of het groote waagstuk -- gij weet -reeds wat ik bedoel, gelukken of mislukken zal?" - -Hekt zag weder naar den grond, en zeide, na een kortstondig overleg: »Ik -kan nog niets met zekerheid zeggen, maar uw zaak staat goed. Ziet gij -daar die twee sperwers met het kettinkje aan de pooten? Zij nemen van -niemand voedsel aan dan van mij. Die ruiende met zijne grauwe geslotene -oogen is Ramses; die mooie en glimmende met zijne bliksemende oogen zijt -gij! Het komt er nu maar op aan wie van beiden het langst leeft. Tot -dusverre is het voordeel aan uwe zijde, gelijk gij ziet." - -Ani sloeg een boozen blik op den ziekelijken sperwer des konings. Hekt -zeide echter: »Men moet beiden geheel gelijk behandelen, want men kan -het noodlot niet dwingen." - -»Voeder ze dan goed!" riep de stadhouder, terwijl hij Hekt zijne beurs -in den schoot wierp. Hij voegde er bij, zich gereedmakende om te -vertrekken: »Wanneer een van beide vogels iets overkomt, laat het mij -dan intijds door Nemoe weten." - -Ani daalde van den berg af, om zijne schreden te richten naar het -naastbijzijnde graf zijner vaderen. Hekt kon niet nalaten hem uit te -lachen, terwijl zij hem nazag, »Thans," prevelde zij in zich zelve, -»thans beschermt die gek mij, ter wille van zijn vogeltje! Die -glimlachende en moedelooze man, die te lui is om voor zichzelven te -denken, wil Egypte beheerschen! Ben ik dan zooveel wijzer dan andere -menschen, of komen alleen de dwazen tot de oude Hekt? Doch Ramses heeft -Ani toch tot zijne plaatsvervanger gekozen! Mogelijk ook wel, omdat hij -den niet zeer slimmen man voor niet bijzonder gevaarlijk hield. Maar als -hij zoo gedacht heeft, dan handelde hij niet wijs, want niemand is in -den regel zelfzuchtiger en onbeschaamder dan de domme!" - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - - -Een uur later reed Ani, uit het graf zijner vaderen komende, rijk -gekleed, op zijn schitterender wagen, het hol van de tooveres en de hut -van Warda's vader voorbij. Nemoe zat neergehurkt op de trede, de gewone -zitplaats der dwergen. De kleine sloeg een blik op de herstelde hut en -knarsetandde, toen hij bij Warda een man zag zitten, wiens wit gewaad -door de openingen van de heining schemerde. - -De bezoeker van het schoone kind was niemand anders dan prins Rameri, -die in het wit gewaad van een jong schrijver van het schathuis, reeds -vroeg in den morgen den Nijl was overgevaren, ten einde berichten in te -winnen omtrent Pentaoer, en Warda eene roos in het haar te steken. Dit -laatste voornemen was zeker wel het gewichtigste, het eerste moest ten -minste daarbij achterstaan, wat aangaat de volgorde van tijd. Hij vond -het dan ook noodig deze zijne handelwijze voor zichzelven op allerlei -deugdelijke gronden te verontschuldigen. Vooreerst liep de roos, die -goed geborgen was in de plooien van zijn gewaad gevaar te verwelken, -wanneer hij allereerst bij het Seti-huis op zijne makkers bleef wachten. -Vervolgens had zich bij het Seti-huis iets kunnen voordoen, dat hem zou -hebben gedwongen haastig naar Thebe terug te keeren. Ten laatste was het -ook niet onmogelijk, dat Bent-Anat hem den ceremoniemeester achterna -zond, en in dat geval zou elke vertraging zijn voornemen geheel kunnen -verijdelen. - -Geen wonder dus dat zijn hart hevig klopte, toen hij zich spoedde -naar de hut, niet alleen ter wille van het meisje, maar ook omdat hij -zichzelven bekennen moest niet goed te handelen. De plaats die hij -betreden zou was onrein, en tegenover Warda had hij voor het eerst -gelogen. Hij had zich uitgegeven voor een edelknaap uit het gevolg van -Bent-Anat, en daar de eene onwaarheid de andere meestal na zich sleept, -had hij op hare vragen naar zijne ouders en zijn leven allerlei -logenachtige antwoorden moeten verzinnen. Was dan het booze aan die -onreine plaats machtiger over hem, dan in het Seti-huis en in het -paleis zijns vaders? Zoo scheen het wel te zijn, want de booze Seth -veroorzaakte alle beroering in de natuur en in elke menschelijke ziel, -en -- hoe stormde het in zijn borst! En toch, hij wilde Warda enkel goed -doen. Zij was zoo schoon, zoo vriendelijk! Zij zag er uit als ware zij -het kind van eene godheid! Voorzeker, dat blanke meisje was geroofd en -behoorde niet te huis onder de onreinen. - -Toen de prins den tuin van de hut intrad, was Warda niet te zien. Doch -weldra vernam hij hare stem van binnen door de geopende deur. Zoodra zij -hoorde dat de hond vijandig tegen Rameri begon te blaffen, liep zij naar -buiten. - -Op het gezicht van den prins verschrikte zij, en zeide: »Zijt gij -daar nu weder? Maar ik heb u immers gewaarschuwd? Mijne grootmoeder -daarbinnen is de vrouw van een Paraschiet." - -»Haar breng ik ook geen bezoek," antwoordde de prins, »maar u alleen. -En gij behoort niet tot deze onreinen, heb ik zoo juist tot mijzelven -gezegd. In de woestijn groeien geen rozen." - -»En toch," hernam Warda met zekerheid, »ben ik het kind van mijn vader, -en de kleindochter van mijn armen verslagen grootvader. Wis-en-zeker -behoor ik bij hen, en ben ik voor iemand daarom te gering, dan blijve -hij verre van mij." - -Dit zeggende maakte zij zich gereed om de hut weder binnen te gaan. Doch -Rameri greep hare hand, hield haar terug en zeide: »Wat zijt gij boos! -Heb ik dan niet getracht u te redden, en ben ik niet tot u gekomen, eer -de gedachte in mij opkwam, dat gij zoudt kunnen.... nu ja, dat gij toch -zoo geheel ongelijk waart aan hen, die gij uwe bloedverwanten noemt? Gij -moet mij niet verkeerd verstaan; het was mij alleen eene schrikkelijke -gedachte, dat gij, zoo blank als eene lelie en zoo schoon, mede zoudt -lijden onder dien vreeselijken vloek. Iedereen, zelfs mijne meesteres -Bent-Anat, wordt door u aangetrokken, en zoo kwam het mij onmogelijk -voor, dat...." - -»Dat ik tot de onreinen zou behooren. Spreek het maar uit!" zeide Warda -zacht, terwijl zij hare oogen nedersloeg. Daarop vervolgde zij op -levendiger toon: »Maar die vloek is onrechtvaardig, zeg ik u, want er is -nooit beter mensch geweest, dan mijn arme grootvader was." En bij deze -woorden rolden de tranen haar langs de wangen. - -»Ik wil het gaarne gelooven," sprak Rameri, »en het moet zeer moeielijk -vallen goed te blijven, als de menschen u verachten en schelden. Wat -mij betreft, ik laat mij door verwijten tot niets dwingen, maar door lof -kan men alles goeds van mij gedaan krijgen. Doch ik moet bekennen, dat -de menschen wel genoodzaakt zijn, mij en de mijnen met achting te -bejegenen." - -»En ons met minachting," viel Warda hem in de rede. »Doch ik wil u eens -wat zeggen. Als men weet dat men goed is, dan is het ons onverschillig, -of wij door anderen veracht worden of geëerd. Ja, wij mogen trotscher -zijn dan gijlieden, want gij, groote heeren, moet dikwijls voor u zelven -bekennen, dat gij minder waard zijt dan de menschen u schatten, maar wij -weten dat wij meer gelden." - -»Juist, zóo heb ik mij u voorgesteld!" riep Rameri eensklaps uit. »En -daar is toch éen, die uwe waarde erkent, en dat ben ik! Zou ik anders -wel gedurig en altijd weder aan u denken?" - -»Maar ik heb ook aan u gedacht," zeide Warda. »Zooeven, toen ik bij -mijne zieke grootmoeder zat, kwam het voor 't eerst in mijne ziel op, -hoe heerlijk het zou zijn, wanneer ik eens een broeder had die op u -geleek. Weet gij wel wat ik doen zou, als gij mijn broeder waart?" - -»Welnu?" - -»Ik zou een wagen voor u koopen en paarden, en dan zoudt gij met 's -konings dapperen moeten uittrekken." - -»Zijt gij dan zoo rijk?" vroeg Rameri lachend. - -»O ja," antwoordde Warda. »Hoewel eerst sedert een uur. Kunt gij lezen?" - -»Ja." - -»Denk eens, toen ik ziek was, zonden zij mij een arts uit het Seti-huis. -Hij was zeer bekwaam, maar een wonderlijk man. Hij zag mij dikwijls zoo -vreemd met zijne oogen aan, alsof hij dronken was, en als hij sprak -stotterde hij." - -»Heet hij Nebsecht?" vroeg de prins. - -»Ja, Nebsecht. Hij had ook iets zonderlings voor met grootvader, en bij -dien schrikkelijken aanval op ons, sprong hij, nadat Pentaoer en gij ons -hadt gered, mede voor ons in de bres. Sedert is hij niet weder gekomen; -ik werd dan ook veel beter. Doch heden, zoowat een paar uren geleden, -blafte de hond, en een vreemde bejaarde man trad mij te gemoet. Hij gaf -voor Nebsecht's broeder te zijn, en zeide dat hij veel geld voor mij -bewaarde. Hij schonk mij ook een ring en voegde daarbij, dat hij aan -ieder, die dezen aan hem van mijnentwege terug kwam brengen, het geld -zou uitbetalen. Vervolgens las hij mij dezen brief voor." - -Rameri nam den brief van haar aan, en las: - -»Nebsecht aan de schoone Warda! - -»Nebsecht groet Warda en deelt haar mede, dat hij haren Osiris geworden -grootvader Pinem, wiens lijk de Kolchyten balsemen, alsof hij een der -aanzienlijksten was geweest, een som van duizend gouden ringen schuldig -is. Hij heeft zijn broeder Teta opgedragen, deze som ten allen tijde -voor haar gereed te houden. Zij kan zich geheel aan Teta toevertrouwen, -want hij is rechtschapen. Het staat haar vrij hem om geld te vragen, zoo -vaak zij het noodig heeft. Het zou 't beste zijn, wanneer zij aan mijn -broeder overliet het geld voor haar te beheeren, en voor haar een -huis met een stuk bouwland te koopen. Dan moet zij dat huis met hare -grootmoeder betrekken, om er zonder zorgen in te wonen. Hij wenscht dat -zij nog éen jaar zal wachten, vóor zij een man volgt, die haar tot vrouw -begeert. Nebsecht heeft Warda hartelijk lief. Is hij na verloop van -dertien maanden niet bij haar geweest, zoo mag zij zich tot echtgenoot -kiezen wien zij wil, maar niet voordat zij den tolk des konings het -kleinood heeft getoond, dat hare moeder haar naliet." - -»Vreemd!" zeide Rameri. »Wie had gedacht dat die wonderlijke arts, die -altijd vuile kleederen droeg, zoo edelmoedig kon zijn! Maar wat voor -kleinood bezit gij?" - -Warda maakte haar kleedje open, en toonde den prins het schitterend -juweel. - -»Dat zijn diamanten! Inderdaad, dat is zeer kostbaar!" riep de prins. -»Daar in het midden, in dat half ovaal van onyx, staan scherp gesneden -schriftteekens. Ik kan ze niet lezen, maar ik wil ze den tolk laten -zien! -- Heeft uwe moeder dat kleinood gedragen?" - -»Vader vond het bij haar, toen zij stierf," antwoordde Warda. »Zij kwam -als krijgsgevangene naar Egypte, en was zoo blank als ik, maar stom, -zoodat zij den naam van haar vaderland niet noemen kon." - -»Dan behoorde zij zeker tot eene aanzienlijke familie in het buitenland, -en de moeder bepaalt de afkomst der kinderen," hernam Rameri levendig. -»Gij zijt een prinsesje, Warda! O, ik kan u niet zeggen, hoeveel -genoegen mij dit doet en hoe lief ik u heb!" - -Het meisje glimlachte en zeide: »Dan behoeft gij nu ook niet meer te -vreezen het onreine meisje aan te raken." - -»Gij zijt hard!" gaf de prins haar ten antwoord. »Wil ik u eens zeggen, -wat ik gisteren voornam, wat mij heden nacht belette te slapen, en -waarom ik eigenlijk hier kwam?" - -»Nu?" - -Rameri haalde de schoone witte roos uit zijn kleed te voorschijn, en -zeide: »Het is misschien kinderachtig, maar ik dacht hoe het wel staan -zou, als ik deze bloem eens met mijne eigene vingers in uw glanzend haar -kon steken. Mag ik?" - -»Die roos is kostelijk. Zoo schoon heb ik er nog nooit eene gezien!" - -»Zij is dan voor mijn trotsch prinsesje. Kom, laat mij u nu eens -opsieren. Als de zijde van Tyrus, als de borst van een zwaan, als de -stralen der gouden sterren, zoo zacht zijn uwe glanzende haren! -- Daar -steekt zij vast! -- Neen, laat de roos nu zoo zitten. Als de zeven -Hathors u zien, moeten zij u wel benijden, want gij zijt schooner dan -zij allen te zamen." - -»Foei, gij vleier!" zeide Warda, een weinig beschaamd en blozend. Toch -zag zij Rameri in de heldere oogen. - -»Ach, Warda!" riep de prins, terwijl hij de hand op zijn hart legde, »nu -heb ik nog een enkele wensch. Voel maar hoe het hier bonst en klopt. Ik -geloof, dat dit niet eer tot rust zal komen, voor ge mij.... nu ja, -Warda -- voor ge mij veroorlooft u een kus, maar een enkelen, te geven." - -Het meisje ging achteruit en zeide ernstig: »Neen! Nu zie ik waar gij -heen wilt. De oude Hekt kent de menschen en heeft mij gewaarschuwd." - -»Wie is Hekt, en wat kan zij dan van mij weten?" - -»Zij heeft mij gezegd, dat er een tijd zal komen, waarop een man mij -zal naderen. Zijn oog zal het mijne zoeken, en wanneer ik zijn blik zal -beantwoorden, dan zal hij naar mijne lippen verlangen. Dan moest ik, -zeide zij, weigeren, want wanneer ik mij zijn kus liet welgevallen, dan -zou hij naar mijne ziel grijpen en haar rooven. Ik zou zielloos moeten -ronddwalen, als de rustelooze geesten, die de diepte opwerpt en de -stormwind wegdrijft, die de zee uitspuwt en de hemel niet hebben wil. Ga -daarom van mij weg, want ik zou u een kus niet kunnen weigeren, en wil -toch niet rusteloos zonder ziel omdwalen!" - -»Is die oude goed, die u dat geleerd heeft?" vroeg de prins. - -Warda schudde ontkennend het hoofd. - -»Dat kan zij ook niet zijn!" hernam Rameri, »want zij heeft onwaarheid -gesproken. Ik wil uwe ziel niet wegnemen, integendeel: ik wil u de mijne -bij de uwe geven, en gij zult mij de uwe geven bij de mijne, en zoo -zullen wij beide niet armer maar rijker worden!" - -»Hoe gaarne zou ik dat willen gelooven," zeide Warda nadenkend. »Iets -dergelijks heb ikzelve ook reeds gedacht. Toen ik nog gezond was, moest -ik dikwijls 's avonds laat naar den Nijl om water te scheppen bij de -landingsplaats, waar het groote scheprad staat. Duizende druppels vielen -er neder van den aarden emmer, en in elken spiegelde zich eene maan, en -toch stond er maar éene aan den hemel. Dan dacht ik zoo bij mij zelve: -Zoo zal het ook zijn met de liefde in het hart. Men heeft toch maar éene -liefde, en wij storten haar toch over in verschillende harten, zonder -dat zij vermindert in kracht of matter wordt van glans. Ik dacht aan -mijne grootouders, aan vader, aan den kleinen Scheraoe, aan den goden -en aan Pentaoer. Nu kan ik ook u wel een deel ervan geven?" - -»Maar een deel?" vroeg Rameri. - -»Neen," zeide Warda, »zij zal zich geheel in u afspiegelen, zooals de -geheele maan zich vertoonde in elken druppel.." - -»Dat zal zij," riep de koningszoon, sloeg zijn arm om het slanke middel -van het bevende meisje, en de beide jeugdige menschenzielen, verbonden -zich aan elkander door een eersten kus. - -»Ga nu ook heen!" smeekte Warda. - -»Laat mij nog een oogenblik blijven!" vroeg de prins. »Zet u naast -mij op de bank voor de hut. De heining verbergt ons voor het oog der -wandelaars. Bovendien, het dal is nu eenzaam en verlaten." - -»Wat wij doen is niet goed," zeide Warda nadenkend, »anders zouden wij -niet noodig hebben ons te verbergen." - -»Houdt gij dan voor kwaad, wat de priester in het allerheiligste -verricht?" vroeg Rameri. »En toch wordt dit onttrokken aan aller oogen." - -»Wat zijt gij bedreven in de kunst van te overreden!" zeide Warda -lachend. »Ik begrijp het: gij kunt schrijven, en gij zijt zijn leerling -geweest." - -»Zijn! zijn!" riep Rameri. »Gij bedoelt zeker Pentaoer. Van al mijne -leermeesters heb ik hem altijd het meest liefgehad, maar het hindert mij -toch als gij zoo over hem spreekt, als lag hij u nader aan het hart dan -ik en die anderen. De dichter, zeidet gij, was een der druppels, waarin -het maanlicht uwer liefde zich afspiegelde, en ik wil niet met velen -deelen!" - -»Hoe kunt gij zoo spreken!" viel Warda hem in de rede. »Eert gij dan uw -vader niet en de goden? Zooals ik u liefheb, bemin ik geen ander, en -wat ik zooeven gevoelde, toen gij mij hebt gekust, dat was ook niet als -het maanlicht, maar brandend als de zon op dit middaguur. Zoo vaak ik -aan u dacht, was mijne rust geweken. Ik wil het u wel bekennen, wel -twintigmaal zag ik te voren naar buiten, in stilte vragende: 'Zou mijn -redder, die lieve en vriendelijke krullebol ook komen, of zou hij mij, -arm meisje, versmaden?' Gij zijt gekomen, en ik ben zoo gelukkig! Ik zou -met u van ganscher harte kunnen jubelen! Kom, wees weer vriendelijk, -anders trek ik u bij de lokken!" - -»Ga je gang maar!" hernam Rameri. »Gij kunt met uw kleine hand geen zeer -doen, maar -- wel met woorden. Pentaoer is zeker wijzer en beter dan ik. -Gij zijt ook veel aan hem verschuldigd en ik mocht wel...." - -»Ga niet verder!" viel Warda hem in de rede. Op ernstigen toon ging zij -voort: »Er zijn geen twee menschen geheel aan elkander gelijk. Als hij -mij wilde kussen, dan zou ik als stof ineen vallen, gelijk door de zon -geblakerde asch, die men met den vinger aanraakt. Ik zou zijn lippen -kunnen vreezen als die van een leeuw. Al drijft gij er misschien den -spot mede, zoo geloof ik toch altijd, dat hij een van de hemelsche goden -is. Zijn eigen vader heeft mij gezegd, dat er reeds op den dag zijner -geboorte een groot wonder met hem heeft plaats gehad. De oude Hekt heeft -mij dikwijls naar den hovenier gezonden met den last naar zijn zoon -te vragen. De man is wat ruw, maar goed. In den beginne was hij niet -vriendelijk, maar toen hij zag hoeveel schik ik had in zijne bloemen, -kreeg hij mij lief en gaf mij wat te doen. Want hij liet mij kransen -vlechten en ruikers maken, en dan naar zijne klanten brengen. - -»Als wij zoo bij elkander zaten en het eene bloempje naast het andere -legden, vertelde hij altijd van zijn zoon, en van zijne schoonheid, -wijsheid en goedheid. Toen hij nog een kleine jongen was, kon hij reeds -dichten. Hij heeft leeren lezen, zonder dat iemand hem daarin onderwezen -had. De opperpriester Ameni kwam dit te weten, en daarom nam hij hem -in het Seti-huis op. Daar ontwikkelde hij zich zoo buitengewoon, dat -de hovenier ervan verbaasd stond. Nog kort geleden wandelde ik met den -ouden man langs de bloembedden. Hij sprak over Pentaoer als altijd, en -bleef staan voor een heerlijken heester met breede bladeren, zeggende: -'Mijn zoon is gelijk aan deze plant, die bij mij opgroeide, ik weet zelf -niet hoe. Het zaad ervan heb ik tegelijk met andere zaadkorrels, die ik -in Thebe had gekocht, in den grond gelegd. En nu kan niemand zeggen, van -waar die struik afkomstig is, en toch is hij mijn eigendom. Uit Egypte -is hij zeker niet afkomstig. En overtreft Pentaoer niet mij en zijne -moeder, en zijne broeders en zusters, gelijk deze struik de andere -bloemen? Wij zijn allen grof en klein, en hij is slank; onze huidkleur -is donker en de zijne is roodachtig; ruw is onze spraak en zijne stem -klinkt als gezang. Ik blijf er bij, hij is het kind eener godheid, dat -de hemelsche goden in mijn nederig huis hebben neergelegd. Wie begrijpt -hunne raadsbesluiten?' - -»Menigmaal heb ik Pentaoer bij de feesten gezien, en dan zeide ik tot -mij zelve: Welke andere priester uit het Seti-huis kan in houding en -gestalte met hem vergeleken worden? Ik hield hem voor een god, en nu ik -gezien heb, toen hij mijn leven redde, hoe hij door bovenmenschelijke -kracht gansche scharen van aanvallers weerstond, zou ik hem niet als een -hooger wezen, beschouwen? Ik zie tot hem op als tot zulk een goddelijk -wezen maar ik zou hem nooit in de oogen kunnen zien als u. Deed ik het, -dan zou mij het bloed in de aderen stollen, in plaats van sneller te -vloeien. Hoe zal ik het uitdrukken? U vindt mijne ziel, wanneer ik -vooruit zie, maar om hem te vinden, moet zij den blik naar boven -richten. Gij zijt voor mij een frissche rozenkrans, waarmede ik mij -tooi, en hij is een heilige Persaboom[281], waarvoor ik mij nederbuig!" - - [281] De Persea is een der heilige boomen, en meer bepaald aan - Hathor gewijd. Op de hartvormige vruchten, zooals de Persea op - de gedenkteekenen is afgebeeld, schreven de goden de namen van - den door hen begunstigden koning. In de benedenwereld wordt - Hathor voorgesteld als in de Persea gezeten, en daaruit den - overledene met spijs en drank lavende, op dezelfde wijze - waarop dit door Noe in den aan haar gewijden vijgenboom (ficus - sycomorus) geschiedt. De Persea, in het oud-Egyptisch - "schaoeaboe, schoeab" geheeten, is de balanites aegyptiaca. - -Rameri had zwijgend naar haar geluisterd en zeide nu: »Ik ben nog jong, -en heb nog geen gelegenheid gehad te toonen wie ik ben. Doch er zal een -tijd komen, waarin gij ook tot mij zult opzien als tot een boom, wel -niet als tot een heiligen, maar als tot een sykomore, onder welks -schaduw wij het liefst rusten. Ik ben niet vroolijk meer en wil u -verlaten, want ik heb een heiligen plicht te vervullen. Pentaoer is -in allen deele een man, en dat wil ik ook worden. Gij zult echter de -rozenkrans zijn, die mij siert. Mannen, die men met bloemen vergelijkt, -staan mij tegen." - -De prins stond op en reikte Warda zijne rechterhand. - -»Gij hebt eene sterke hand," zeide het meisje. »Gij zult zeker een -voortreffelijk man worden, en deze hand gebruiken tot iets goeds en iets -groots. Zie maar, mijne vingers zijn rood geworden van uw handdruk. Al -zijn zij teeder, zij zijn toch niet geheel onnut. Het is zoo, zij hebben -nooit zware dingen gehanteerd, maar wat zij aanraken en verzorgen, zeide -grootvader dikwijls, dat gedijt, en hij noemde ze daarom 'gelukkig.' -Zie maar eens die schoone leliën en dien granaatstruik dáar in den -hoek. Grootvader heeft voor mij aarde van den Nijl hierheen gedragen. -Pentaoer's vader heeft mij de zaden geschonken en elk plantje, dat -waagde boven den grond als een groen scheutje zich te vertoonen, heb ik -zoo lang gekoesterd, verpleegd en met moeite begoten -- want ik moest er -in mijn kruikje het water voor gaan halen -- tot het levenskracht bezat -om voor zichzelve te zorgen en mij met bloemen kon danken. Neem deze -granaat. Zij is de eerste, die aan mijn struik bloeide, en heeft -eene bijzondere beteekenis. Want toen de stevige knop in de lengte -uitgroeide, zich begon te ronden en van dag tot dag zich rooder kleurde, -toen heeft grootmoeder gezegd: Nu zal uw hartje ook weldra kloppen en -beginnen lief te hebben. Thans begrijp ik ook wat zij bedoelde. U komen -dan ook de beide eerste bloemen toe, die roode van dezen struik hier, -en die andere, die men wel niet ziet, maar die nog oneindig vuriger -schittert." - -Rameri drukte den granaatbloesem aan zijne lippen, en strekte zijne hand -naar Warda uit, maar zij week terug, want er sloop onverwacht iemand -door de opening van de heining. - -Het was niemand anders dan de kleine Scheraoe, die de oude Hekt tot -dwerg opvoedde. Zijn aardig gezichtje gloeide, en hij haalde snel adem, -omdat hij zoo hard geloopen had. Een tijdlang deed hij te vergeefs zijn -best om woorden uit te brengen, terwijl hij angstig tot den prins opzag. - -Warda zag het den kleine wel aan, dat hij iets bijzonders op het hart -had. Zij sprak hem vriendelijk toe, en zeide, toen hij verlangde haar -te spreken, dat Rameri haar beste vriend was, waarvoor hij niet bang -behoefde te zijn. - -»Maar het betreft niet u of mij," antwoordde het knaapje, »maar den -goeden heiligen vader Pentaoer, die zoo vriendelijk voor mij was, en die -u het leven heeft gered." - -»Ik ben Pentaoer zeer genegen," zeide de prins. »Niet waar, Warda? Hij -mag gerust in mijne tegenwoordigheid over hem spreken." - -»Mag ik?" vroeg Scheraoe. »Dan is het goed. Ik ben stillekens -weggeslopen. Hekt kan ieder oogenblik terugkomen, en wanneer zij -bemerkt, dat ik van huis ben gegaan, dan krijg ik zeker slagen en geen -eten." - -»Wie is dan toch die schandelijke Hekt?" vroeg de prins met eenige -ongerustheid. - -»Dat mag Warda u later vertellen," zeide de kleine hijgend. »Hoort nu -naar mij. Zij had mij op mijn plank in de hut gelegd, en mij met een zak -verborgen. Eerst kwam Nemoe en toen een ander man, dien zij hofmeester -noemde. Met dezen heeft zij veel gesproken. In den beginne luisterde ik -niet, maar toen ik den naam van Pentaoer verstond, maakte ik mijn hoofd -vrij en hoorde alles. De hofmeester zeide, dat Pentaoer een slecht man -was, en dat hij hem in den weg stond. Hij vertelde dat de opperpriester -Ameni hem naar de steengroeven van Chennoe wilde zenden, maar dat die -straf veel te gering was. Toen heeft Hekt hem aangeraden, dat hij den -scheepsgezagvoerder heimelijk zou bevelen, hem voorbij Chennoe en naar -Ethiopië te brengen, naar die vreeselijke mijnwerken, waarvan zij mij -dikwijls verteld heeft. Want haar vader en haar broeder zijn daar zoo -lang gemarteld tot zij dood waren." - -»Van allen die daarheen gingen is nooit iemand wedergekeerd," riep de -prins. »Maar vertel verder!" - -»Ja, wat er nu kwam, dat kon ik maar half verstaan. Maar zij sprak van -een drank, die waanzinnig maakt. O, wat heb ik al niet moeten zien en -hooren! Ik zou liever levenslang op mijn plank willen liggen, maar dit -alles is toch te afgrijselijk. Ik wou dat ik dood was!" - -De kleine begon bitter te weenen. Warda, die onder zijn verhaal al -bleeker en bleeker was geworden, streelde hem liefderijk. - -»Dat is vreeselijk en ongehoord," riep Rameri echter. »Wie was dan toch -die hofmeester? Hebt gij zijn naam niet verstaan? Kom wat tot u zelven, -beste jongen, en houd op met weenen. Het is hier om eens menschen leven -te doen. Wie was die schurk? Noemde hij zich niet? Bedenk u eens wel!" - -Scheraoe beet zich op de roode lippen, en deed al zijn best om tot -bedaren te komen. Zijne tranen hielden op te vloeien en plotseling riep -hij, terwijl hij in de borstopening van zijn versleten kleedje greep: -»Wacht even, misschien zult gij hem wel herkennen. Ik heb hem -nagemaakt." - -»Wat hebt gij?" vroeg de prins. - -»Wel, ik heb hem nagemaakt," vervolgde Scheraoe, en haalde voorzichtig -eene in een lapje gewikkelde massa te voorschijn. »Ik kon zijn hoofd -juist zeer scherp van terzijde zien, terwijl hij sprak, en mijne klei -lag naast mij. Ik moet altijd boetseeren, als mijn hart zoo klopt, en -ditmaal maakte ik haastig zijn gezicht na. Daar het portret niet slecht -gelukt was, stak ik het bij mij, om het als Hekt de hielen zou lichten, -aan mijn meester te toonen"[282]! - - [282] De portretten op de gedenkteekenen, en vooral de koppen - in profiel, die in bas-relief zijn uitgebeiteld, zijn bijzonder - scherp en karakteristiek gemodelleerd. In de onvoltooide zaal - van het graf van Seti I te Biban el Moeloek worden teekeningen - in omtrek gevonden, die nog heden ten dage de bewondering van - onze kunstenaars wekken. In Lepsius' =Denkmäler aus Aegypten und - Aethiopien=, is eene schoone verzameling van karakteristieke - portretten der pharao's opgenomen. - -De kleine had, terwijl hij deze woorden sprak, met bevende vingers de -lappen van het model afgenomen, dat hij thans aan Warda overhandigde. - -»Ani!" riep de prins. »Hij is 't en geen ander! Wie had het kunnen -denken! Wat wil hij van Pentaoer? Wat heeft de priester hem in den weg -gelegd?" - -Een oogenblik stond hij na te denken; toen sloeg hij zich met de hand -voor het voorhoofd en riep in heftige beweging: »Ik gek! Kind, dat ik -ben! -- Ja, zoo is 't, zoo is 't! Ik weet alles! Ani heeft aanzoek -gedaan om de hand van Bent-Anat, en zij.... Ja, nu eerst, sedert ik -u liefheb, Warda, begrijp ik wat er in haar omgaat. -- Weg met alle -bedrog! Ik wil niet langer liegen. Ik hen geen edelknaap van Bent-Anat; -ik ben haar broeder, koning Ramses' eigen zoon. -- Bedek uw aangezicht -niet met uwe handen, Warda, want al had ik ook niet het kleinood uwer -moeder gezien, al ware ik geen prins, maar Horus zelf, de zoon van Isis -in eigen persoon, dan zou ik u toch moeten liefhebben en niet loslaten. -Maar thans heb ik wat anders te doen dan met u te keuvelen. Thans zal ik -u toonen dat ik een man ben. Thans is de vraag Pentaoer te redden. -Vaarwel, Warda, blijf aan mij denken!" - -Hij wilde zich haastig verwijderen, doch Scheraoe hield hem bij zijn -kleed vast en sprak schuchter: »Gij zegt dat gij een zoon van Ramses -zijt. Nu, ook over dezen heeft de oude Hekt met hem gesproken. Zij -vergeleek hem bij onzen ruienden sperwer." - -»Weldra zal hij de klauwen van den koningsadelaar gevoelen," riep de -prins. »Nog eenmaal, vaarwel!" - -Hij reikte Warda de hand, en zij drukte hare brandende lippen erop. Doch -hij trok de hand terug, kuste haar op het voorhoofd en ijlde heen. - -Sprakeloos en bleek zag het meisje hem achterna. Zij merkte op hoe hij -een man voorbij vloog, en herkende in dezen haren vader. Dadelijk ging -zij hem te gemoet. De soldaat kwam om van haar afscheid te nemen, want -hij moest gevangenen wegbrengen. - -»Naar Chennoe?" vroeg Warda. - -»Neen, naar het noorden," antwoordde de roodbaard. - -Zijne dochter vertelde hem nu wat zij gehoord had, en vroeg of hij den -priester, die haar leven gered had, helpen kon. - -»Ja, als ik geld had, als ik geld had!" prevelde Kaschta nadenkend. - -»Dat hebben wij!" riep Warda. Zij vertelde hem wat Nebsecht haar -geschonken had en zeide: »Breng mij over den Nijl, en in twee uren hebt -gij wat een mensch rijk kan maken[283].... Doch neen, ik kan mijne zieke -grootmoeder toch niet alleen laten! Neem gijzelf den ring, en vergeet -niet dat zij Pentaoer straffen, omdat hij het waagde mij in zijne -bescherming te nemen." - - [283] Hier dient opgemerkt te worden, dat de vrouwen in Egypte - over haar vermogen konden beschikken. Hierover kan men bijv. - nazien den VIIden grooten papyrus in het Louvre te Parijs. - Daarin toch sluiten de dochter van een schuldenaar en de zoon - van een schuldeischer eene overeenkomst. Beiden behooren tot - denzelfden kring waarin Warda leefde, want Arsiësis is de zoon - van een Kolchyt in Thebe, en Asklepias, genaamd Senîmoethis, de - vrouw of dienstmaagd van een lijkbezorger in dezelfde stad. - -»Dat zal ik wel in gedachte houden," zeide de soldaat. »Ik heb maar éen -leven, en dat wil ik er gaarne aan wagen om het zijne te redden. -Aanslagen kan ik niet verzinnen, maar iets weet ik toch, en wanneer mij -dat gelukt, behoeft hij niet naar de goudmijnen te gaan. Ik laat mijne -wijnkruik hier; geef mij een dronk water, want in de eerstvolgende uren -heb ik een nuchter hoofd noodig." - -»Daar hebt gij het water, maar ik giet er toch een scheut wijn bij! Komt -gij weder om mij bericht te brengen?" - -»Dat zal moeielijk gaan, want tegen middernacht breken wij op. Doch -wanneer iemand u den ring terugbrengt, dan is mijn voornemen gelukt." - -Warda ging in de hut, gevolgd door haar vader, die afscheid nam van -zijne zieke moeder en zijne dochter. Toen hij weer buiten kwam, zeide -hij: »Gij kunt van de geschenken der prinses leven tot ik terugkom, en -ik heb maar de helft noodig van het geschenk van den arts. -- Maar waar -zijn uwe granaatbloemen?" - -»Die heb ik geplukt, en op een geliefkoosd plekje bewaard." - -»Wonderlijke wezens zijn die vrouwen toch!" prevelde de gebaarde man, -kuste voorzichtig zijn kind op het voorhoofd, en keerde naar den Nijl -terug, vanwaar hij gekomen was. - - * * * * * - -De prins was intusschen voortgesneld, en deed in de haven van de -Nekropolis onderzoek -- want van daar voeren gewoonlijk de schepen met -gevangenen in den nacht af -- waar het voor Chennoe bestemde vaartuig -voor anker lag. Daarna liet hij zich den Nijl overzetten, en spoedde hij -zich naar Bent-Anat. Hij vond haar en Nefert in buitengewone spanning, -want de trouwe ceremoniemeester was door vrienden des konings in Ani's -omgeving te weten gekomen, dat de stadhouder alle naar Syrië bestemde -brieven, en daaronder ook die van Ramses' kinderen, in Thebe had -opgehouden. Een kamerheer, die den koning geheel was toegedaan, had -daarop, door den ceremoniemeester aangemoedigd, aan Bent-Anat nog een en -ander medegedeeld, dat haar bijna niet langer kon doen twijfelen aan -Ani's eerzuchtige plannen. - -Men had de prinses ook gebeden zich voor Nefert te wachten, wier moeder -de vertrouwdste raadgeefster van den stadhouder was, doch Bent-Anat had -bij deze mededeeling gelachen. Zij had terzelfder ure een bode tot Ani -gezonden om hem mede te deelen, dat zij bereid was de bedevaart naar de -Smaragden-Hathor te ondernemen, en zich in den tempel dezer godin te -laten reinigen. Haar voornemen was vandaar boden naar haar vader te -zenden, en hem, als hij het toestond, in het legerkamp te volgen. Zij -had dit plan aan hare vriendin medegedeeld, en Nefert hield elken weg -voor de beste, die haar nader zou brengen bij haar gemaal. - -Rameri werd haastig in alles ingewijd. Hij berichtte daarentegen op zijn -beurt al wat hij vernomen had, en liet Bent-Anat vermoeden, dat hij het -geheim van haar hart doorzag. Zoo waardig was zijne houding, zoo ernstig -waren de woorden, die de anders zoo overmoedige wildzang sprak, dat -Bent-Anat bij zichzelve dacht: het gevaar dat dit huis bedreigt, heeft -dezen knaap opeens tot een man doen rijpen. - -Zij had dan ook niets tegen zijne beschikking in te brengen. -Hijzelf wilde, alleen vergezeld door een enkel getrouw dienaar, na -zonsondergang, met vlugge paarden naar Keft[284] rijden, en vandaar -in aller ijl door de woestijn naar de Schelfzee, ten einde daar een -Phoenicisch schip te huren en naar Alia[285] te zeilen. Vandaar wilde -hij door het rotsgebergte van het Sinaïtisch schiereiland heen met -versnelde marschen het Egyptisch leger en zijn vader trachten te -bereiken, ten einde hem in kennis te stellen met Ani's misdadige -plannen. - - [284] Koptos, het tegenwoordige Qeft aan den Nijl. - - [285] Bij het tegenwoordige Aqaba. - -Voorts werd aan Bent-Anat opgedragen, met behulp van den getrouwen -ceremoniemeester Pentaoer te redden. Aan geld ontbrak het niet, want -ook de schatmeester was haar toegedaan. Het kwam er nu maar op aan den -scheepsgezagvoerder te bewegen in Chennoe te landen. Het lot van den -dichter was in het ergste geval daar toch draaglijk. Te gelijker tijd -zou een getrouwe bode met een schrijven naar den gouverneur van Chennoe -worden gezonden, een bevel inhoudende, in naam van koning Ramses, om elk -schip, dat bij nacht de stroomengte van Chennoe zou passeeren, aan te -houden, alsmede om te beletten, dat de gevangenen, die tot den arbeid in -de steengroeven van zijne stad waren veroordeeld, naar Ethiopië werden -gesleept. - -Rameri nam afscheid van de vrouwen, en het gelukte hem Thebe onopgemerkt -te verlaten. - -Bent-Anat lag biddend voor de beelden van hare Osirische moeder, van -Hathor en de beschermgoden van haar huis, tot de ceremoniemeester -terugkeerde en haar mededeelde, dat hij den gezagvoerder had overgehaald -in Chennoe te landen, en voor Ani te verzwijgen, dat de geheele aanslag -verraden was. - -De prinses haalde weder vrij adem, toen zij dit hoorde, want zij was -besloten, wanneer de zending van haar trouwen dienaar mocht mislukken, -naar de Nekropolis over te steken, te verbieden dat het schip zou -afvaren, en in het uiterste geval het volk dat haar trouw was tegen Ani -op te roepen. - -Den volgenden morgen liet vrouwe Katoeti aan de prinses verlof vragen, -of zij haar dochter zou mogen spreken. Bent-Anat vertoonde zich echter -niet aan de weduwe, wier poging, om namelijk haar kind van de reis met -de koningsdochter terug te houden en weder in haar huis op te nemen, -schipbreuk leed. De gekrenkte moeder was daarop verstoord en onrustig -geworden, en ijlings naar Ani gegaan, teneinde hem te verzoeken Nefert -met geweld terug te houden. Maar de stadhouder wilde alles vermijden wat -opzien kon verwekken, en Bent-Anat laten vertrekken met een gevoel van -volkomene gerustheid. - -»Wees niet bezorgd," zeide hij; »ik zal de vrouwen eene vertrouwde -schare medegeven, die haar bij de Smaragden-Hathor zal terughouden, tot -hier alles zijn beslag heeft gekregen. Dan moogt gij Nefert in de armen -voeren van den ruwen Paäker, wanneer hij u als schoonzoon nog aangenaam -zal zijn, na alles wat ik ten uitvoer zal hebben gebracht. Wat mij -betreft, mogelijk beweeg ik ten slotte mijne trotsche nicht nog wel, in -plaats van naar beneden, naar boven te zien. Ik zal haar tweede geliefde -zijn, maar zij is ook niet mijne eerste!" - -De beiden vrouwen braken den volgenden dag op. Ani nam afscheid van haar -met zijne gewone vriendelijkheid, die koel en vormelijk werd beantwoord. - -De priesterschap van den Amon-tempel te Thebe, met den ouden -Bek-en-Choensoe aan het hoofd, deed haar tot aan de haven uitgeleide. -Het volk aan den oever riep Bent-Anat's naam en sprak luide vele -zegenwenschen uit. Doch er werden ook honende woorden gehoord. - -Het Nijlschip waarop zich de beide bedevaartgangsters bevonden, werd -gevolgd door twee andere, beladen met soldaten, die de vrouwen moesten -begeleiden »om haar te beschermen." De zuidenwind deed de zeilen zwellen -en voerde het vaartuig snel stroomafwaarts. De prinses zag nu eens op -naar het paleis harer vaderen, dan weder naar de graven en tempels van -de Nekropolis. Eindelijk verdwenen ook de kolossen van Amenophis en de -laatste huizen van Thebe uit het oog. De anders zoo sterke jonkvrouw -zuchtte smartelijk, en tranen rolden haar langs de wangen. Het was haar -alsof zij de vlucht nam na een verloren veldslag, hoewel niet moedeloos, -maar hopende op eene toekomstige zege. - -Toen Bent-Anat zich omkeerde, om naar de kajuit te gaan, trad een -gesluierd meisje haar te gemoet. Zij verwijderde het doek, dat haar -aangezicht verborgen hield, en zeide: »Vergeef mij, prinses, ik ben -Warda, die gij overreden hebt, en voor wie gij zoo goed zijt geweest. -Mijne grootmoeder is gestorven, en ik ben nu geheel alleen. Ik sloop -onder uwe dienstmaagden naar u toe, want ik wil u volgen en alles doen -wat gij beveelt. Wijs mij nu niet terug!" - -»Blijf, lief kind," zeide de prinses, en bij deze woorden legde zij -de hand op haar hoofd. Zij was getroffen over hare buitengewone -lieftalligheid en dacht onwillekeurig aan haar broeder, en zijn wensch -om Warda's glanzende haarvlechten met eene roos te tooien. - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - - -Twee maanden waren er sedert het vertrek van Bent-Anat uit Thebe en -de gevangenneming van Pentaoer verloopen, toen een lange trein van -lastdieren en menschen voorttrok door het dal, Ant-Baba geheeten, in het -westelijk deel van het Sinaïtisch schiereiland[286]. - - [286] Over het Schiereiland van den Sinaï, zijne geschiedenis en - de heilige plaatsen die daar gevonden worden, heb ik uitvoerig - gehandeld in mijn in 1872 verschenen werk: =Durch Gosen zum - Sinai, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek=, Leipzig, W. - Engelman. Het tooneel der gebeurtenissen, die hier geschilderd - worden, heb ik zoo nauwkeurig mogelijk naar de werkelijkheid - trachten te teekenen. Wie deze wonderbare eenzame bergstreek - heeft doorreisd, kan die nooit vergeten. Het dal dat heden Baba - wordt genoemd, heette in den tijd der pharao's evenzoo. - -Het was winter en toch schoot de middagzon brandende stralen, die door -de naakte rotsen werden teruggekaatst. - -De trein werd geopend en ook gesloten door eene afdeeling Libysche -soldaten. Elk hunner was met een dolk en een strijdbijl, met schild -en lans gewapend, en gereed van die wapenen gebruik te maken, als het -noodig was. Want deze krijgslieden geleidden een transport gevangenen -uit de mafkatgroeven, die zij naar het strand van de Schelfzee hadden -gebracht[287], om af te leveren wat uit de mijnen was gedolven, en om -den uit Egypte aangekomen voorraad in ontvangst te nemen, die naar de -magazijnen der bergwerken moest worden gevoerd. - - [287] De oude wegen, die van de mijnen naar zee voerden, - schijnen uitgeloopen te hebben op de bocht, die nog heden Aboe - Zelimeh heet, bij de kaap van gelijken naam. - -Gebogen onder hun last en hijgend stapten die ongelukkigen voort. Elke -gevangene sleepte een koperen ketting mede, die aan zijne enkels was -vastgesmeed. Hunne eenige kleeding bestond uit gescheurde lompen, die -zij om de heupen hadden geslagen. Schier bezwijkend onder de vracht der -zakken, staarden zij met strakke blikken naar den grond. Als de een of -ander dreigde ineen te zijgen, werd hij weer opgewekt door de zweep van -een der ruiters, die langs den trein op en neer reden. Voor velen was de -keus blijkbaar niet gemakkelijk, of zij onder de vermoeienis dan onder -de zweepslagen zouden bezwijken. - -Niemand, noch de gevangenen noch van die hen geleidden, sprak een enkel -woord. Zelfs zij die geslagen werden schreeuwden niet, want hunne -stemorganen waren als uitgedroogd, en in de harten hunner drijvers welde -zoo min een gevoel van medelijden op, als er een kruidje groende op de -rotsen aan den weg. - -De sombere schare bewoog zich voorwaarts alsof het zoovele schimmen -waren, dàn alleen met het oor waar te nemen, wanneer een zacht gesteun -aan de borst van een der gemartelden werd ontperst. De zandige weg -maakte geen geluid, als de naakte voet van den wandelaar dien betrad. De -bergen weigerden schaduw te geven. Het licht was hier eene plaag. Alles -in het rond scheen onbezield, en toch den mensch vijandig. Wijd en zijd -vertoonde zich op deze doodsche grauwe en bruine oppervlakte geen plant, -geen worm. Zelfs geen vogel, die klapwiekend zich in de lucht verheft, -lokte de bedrukten uit den blik eens omhoog te heffen. - -Daags te voren, op den middag, waren zij met hunne lading van de -havenbocht opgebroken. Twee uren lang waren zij voortgetrokken langs den -oever van de Schelfzee, met hare helder blauwgroene wateren[288]. Zij -hadden eene vooruitspringende rots moeten overtrekken, om daarna door -eene smalle vlakte te marcheeren. Bij den ingang van het dal, dat naar -de groeve leidde, werd nachtkwartier gehouden. De aanvoerders en de -soldaten ontstaken vuren, schaarden zich daarom en legden zich in de -bocht van eene rots te slapen neder. De gevangenen strekten zich midden -in het dal op den bodem uit, ongedekt, ofschoon de vorst hen deed -verstijven, toen de bittere koude van den nacht plotseling de gloeiende -hitte van den dag verving. De half bevrozenen begroetten waarlijk -de drukkende ellende van den dagelijkschen arbeid weder als eene -verlossing, hoewel zij weinige uren te voren naar de rust van den nacht -hadden gesmacht. - - [288] De Roode zee, in 't Hebreeuwsch en in 't Koptisch de - Schelfzee geheeten, heeft eene heerlijke blauw-groene kleur. - Volgens de schrijvers der oudheid werd zij aldus genoemd, òf - naar hare roode oevers, òf naar de Erythraeërs, "de Rooden," die - rondom hare kusten woonden. In een oud opschrift heet zij Atoer - set Descher, d. i. de wateren van het Roode land. Zie Ebers - =Durch Gosen=, u.s.w. S. 518, Anm. 37. - -Alvorens men opbrak, werd onder de gevangenen linzenbrij en hard brood -in overvloed uitgedeeld, maar het water werd hun toegemeten. Dan ging -het weder verder door de bergengte, die al heeter en heeter werd, van -het eene keteldal in het andere. In elk scheen het pad dood te loopen, -maar overal werd een uitweg gevonden. Het pad liep onafgebroken door; -het had geen einde, zoo min als de kwelling der ongelukkigen. - -Sommige reusachtige rotswanden zagen er uit, als waren zij uit -vierkante, rechthoekig gehouwen steenblokken laagsgewijze opgestapeld. -Doch er was maar éen onder de mijnwerkers, maar éen die een oog had voor -deze wonderbare vormen te midden van zoovele andere, waar in de natuur -zich openbaarde. De schouders van dien éenen schenen sterker te zijn dan -die zijner lotgenooten, en zijn last drukte maar weinig. - -»In deze eenzame woestenij, die de menschen alle levensonderhoud -weigert en hen van zich weert," dacht hij bij zichzelven, »hebben -de Chnemoe[289], de werklieden die de aarde bouwden, zich de moeite -bespaard de voegen aan te vullen en de vormen behoorlijk af te -ronden. Hoe komt het toch, dat men dit gruwzaam oord, waarin ook -de menschenharten zonder eenig gevoel van medelijden schijnen te -versteenen, gewijd heeft aan de goedige Hathor[290]? Misschien wel omdat -deze plek het meest behoefte heeft aan de gaven van de vriendelijke -godin der liefde en der vreugde." - - [289] Zie Dl. I bl. 82. - - [290] Zie Dl. I bl. 8. De gedenkteekenen, die bij de beide - voormalige steengroeven Wadi Maghara en Sarboet el Chadem op - het Sinaïtisch schiereiland bewaard zijn gebleven, leeren, dat - Hathor hier boven alle goden werd geëerd. - -»Blijf in het gelid, Hoeni!" riep een der drijvers op strengen toon. - -Hij die alzoo toegesproken werd, sloot zich dichter aan bij den man die -naast hem liep, den zuchtenden arts Nebsecht. - -Wij kennen den sterken gevangene. Het is Pentaoer, die op de lijst der -mijnwerkers onder den naam Hoeni voorkwam, en alzoo aangeroepen werd. - -De tocht ging verder. De rotsen werden steeds steiler. Op den weg, -die onmerkbaar meer en meer klom, lagen groote hoopen roode en zwarte -steenbrokken, zoo klein alsof de menschelijke hand ze had afgeslagen. -Wederom opende zich een nieuw keteldal, maar ditmaal was er geen uitweg. - -»De last der ezels verlichten!" riep de aanvoerder van het transport -den gevangenen toe. Daarop wendde hij zich tot de soldaten en beval -hen, nadat zij de lastdieren hadden afgeladen, de mannen zwaarder te -belasten. Onder de uiterste inspanning hunner krachten klouterden de -arme lieden, die tot bezwijkens overladen waren, het bergpad op[291], -dat nauwelijks te onderkennen was. - - [291] Tegenwoordig Naqb el Boeddrah. De Engelsche majoor - Macdonald, die in de uitgegraven mijnen turkooizen liet delven, - en eerst sedert eenige jaren gestorven is, heeft gezorgd, dat - het oude bergpad werd hernieuwd. - -Pentaoer's voorman, een magere grijsaard, zonk ter halver hoogte onder -zijn last ineen. Een drijver, die op het smalle pad de dragers niet -voorbij kon loopen, wierp hem met steenen, om den oude te dwingen -opnieuw al zijne krachten te verzamelen. De grijsaard schreeuwde van -pijn. Pentaoer dacht aan den Paraschiet, die onder de slagen der -woedende volksmenigte neerzonk, aan zijne worsteling en aan Bent-Anat. -Met innig medelijden vervuld, en in het gevoel van zijne eigene gezonde -kracht, was zijn besluit spoedig genomen. Hij tilde de zakken van 's -grijsaards schouders, wierp hen op de zijne, en hielp den oude weer op -de been. Menschen en dieren kwamen gelukkig ongedeerd over den berg -heen. - -Pentaoer's slapen klopten geweldig. Hij hijgde naar adem en huiverde, -toen hij van den hoogen bergpas neerzag in den bergketel beneden hem, en -zijn oog liet gaan langs de hem omringende scherp getande rotspunten, de -klippen en hoogten, hier wit en grauw of zwavelgeel, daar bloedig rood -en akelig zwart gekleurd. Hij dacht aan het heilige meer van Moeth te -Thebe[292], met de honderden beelden van de godin met den leeuwenkop, -uit zwart bazalt gehouwen, op hunne postamenten. De klippen die dit dal -omgaven namen dergelijke vormen aan, zij schenen zich te bewegen en den -muil te openen. Het was hem of hij in het wild gesuis om zijne ooren -haar gebrul hoorde, en de dubbele last, die ook voor zijne schouders te -zwaar was, gaf hem het gevoel, als drukten zij hare handen tegen zijn -borst. - - [292] Van dit meer heeft Karel Werner in zijne =Nilbildern=, in - kleurendruk uitgegeven bij Seitz te Wansbeck, eene zeer getrouwe - voorstelling gegeven. - -Eindelijk bereikte hij toch zijn doel. De andere gevangenen wierpen de -zakken van hunne schouders en gingen rusten. Hij deed werktuigelijk -hetzelfde. Zijn bloed kwam tot bedaren, de visioenen verdwenen, zijne -oogen zagen, zijne ooren hoorden weder, en in zijne hersenen keerde de -oude denkkracht terug. De grijsaard en de arts Nebsecht rustten naast -hem uit. - -De oude man streelde de hooggezwollen aderen van zijn hals en bad den -zegen aller goden over hem af. Doch de aanvoerder van de wachters sneed -den grijsaard de gelegenheid af verder te spreken, daar hij, de rustende -voorbij wandelende, riep: »Gij hebt kracht voor drie, Hoeni; wij zullen -je in het vervolg zwaarder belasten!" - -»Hoe liefderijk verhooren toch uwe vriendelijke goden de vrome -zegenwenschen," zeide de arts Nebsecht scherp, »en hoe weten zij eene -goede daad te beloonen!" - -»Ik ben genoeg beloond," antwoordde Pentaoer, terwijl hij den grijsaard -vriendelijk aanzag. »Maar gij eeuwige spotter, hoe gevoelt gij u? Gij -ziet er zoo bleek uit." - -»Ik gevoel mij als een dier ezels daar," antwoordde de natuurvorscher. -»Mijne knieën beven, evenals de hunne, en ik denk aan niets anders dan -waaraan zij denken, en ik wensch niets meer of niets minder dan zij. Dat -wil zeggen: ik wenschte dat wij in den stal lagen." - -»Nu, als gij nog denken kunt," zeide Pentaoer lachend, »dan ziet het er -nog zoo kwaad niet uit." - -»Eéne wijze gedachte had ik ten minste, terwijl gij zooeven in de lucht -tuurdet. Het verstand, zoo leeren de priesters, is een lichtende adem -van den eeuwigen wereldgeest, en onze ziel is de vorm van het stuk -materie, dat men mensch noemt. Ik zocht den geest eerst in het hart, -vervolgens in de hersenen: maar nu weet ik dat zij in armen en beenen -schuilt, want sedert ik deze lichaamsdeelen bovenmatig moet vermoeien, -is het gedaan met het denken. Ik ben te lui om mij met verdere bewijzen -in te laten, maar zal in het vervolg mijne beenen met meer achting -behandelen." - -»Zijt gij beiden weer aan 't twisten? -- Op mannen!" riep de drijver. - -De vermoeide ongelukkigen stonden langzaam op, de dieren werden opnieuw -beladen, en de beklagenswaardige troep zette zich weder in beweging, om -tegen den avond bij de mafkat-groeven aan te komen. - -Het einddoel van den tocht der gevangenen was een breed dal, door twee -hooge en rotsachtige berghellingen ingesloten. De Egyptenaren noemden -die plaats Ta Mafka, de Hebreën Dophka[293]. De zuidelijke rotswand -bestond uit donker graniet, de noordelijke, waarin de turkoois-mijnen -werden gevonden, uit ronden zandsteen. In een dwarsdal op eenigen -afstand lagen de metaalgroeven[294], waarin vooral koper werd gevonden. -Midden in het dal verhief zich een heuvel[295], door een muur omgeven, -waarop kleine van steen opgetrokken huisjes stonden voor de wachters, -officieren en opzichters[296]. Volgens een oud voorschrift moesten zij -van boven open zijn, doch daar vele arbeiders door den nachtvorst waren -ziek geworden en gestorven, had men ze een weinig gedekt, met palmtakken -uit de oase der Amalekieten in de nabijheid. - - [293] Numeri XXXIII, 13. Ebers, =Durch Gosen=, u. s. w. S. 140. - - [294] Palmer en Wilson hebben ze ontdekt, en wel in Wadi Oemm - Themâïm. Gaarne verwijzen wij hier naar het zeer belangrijke - werk van M. A. Palmer, =The desert of the Exodus=, Cambridge - 1871. - - [295] Het tegenwoordige Wadi Maghara. - - [296] Er zijn nog eenige bouwvallen bewaard gebleven. - -De smeltovens bevonden zich op de uiterste toppen van den heuvel, die -het meest aan den wind blootstonden. Daar stond ook de fabriek, waarin -men het groene vloeispaath vervaardigde, dat onder den naam mafkat, dat -is smaragd, in den handel werd gebracht. De echte edelsteen van dezen -naam werd aan de westkust van de Schelfzee, verder naar het zuiden -gevonden, en in Egypte hoog gewaardeerd. - -Onze vrienden behoorden reeds langer dan een maand onder de mijnwerkers -van het mafkat-dal, en Pentaoer wist nog altijd niet, hoe hij, in plaats -van in de zandsteen-groeven van Chennoe, hierheen en met Nebsecht samen -was gekomen. Ongetwijfeld had Warda's vader deze verwisseling bewerkt, -en de dichter kon niet anders gelooven, of de ruwe maar eerlijke soldaat -had dit met de beste bedoelingen gedaan. Hij was nog altijd in zijne -nabijheid, maar sedert zij van Thebe waren opgebroken, had hij nog maar -een enkele maal gelegenheid gehad hem te naderen. - -Dadelijk, in den eersten nacht, was de zoon van den Paraschiet bij hem -gekomen, en had hem in het oor gefluisterd: »Ik zal voor u zorgen! -Gij zult den arts Nebsecht hier wedervinden. Doet alsof gij elkander -vijandig zijt, indien gij niet wilt, dat men u van elkander zal -scheiden." - -Pentaoer had zijn vriend den raad van den soldaat medegedeeld, en de -arts volgde dien op zijne manier. Heimelijk schepte hij er behagen -in, te zien, hoe de werkelijkheid thans Pentaoer's geloof aan eene -rechtvaardige en liefderijke beschikking van 's menschen lotgevallen -logenstrafte. Hoe zwaarder werkzaamheden hem en den dichter werden -opgelegd, met des te meer verbittering, ja, met eene tot het uiterste -gedrevene ironie viel de anders zoo vreedzame natuuronderzoeker, den -laatste telkens aan. - -Nebsecht had Pentaoer lief, want deze bewaarde in zijne ziel de -sleutels, die toegang verleenden tot eene schoonere wereld, helaas, voor -het oog zijns geestes altijd gesloten. Toch viel het hem gemakkelijk, -zoo vaak hij bemerkte dat men het oog op hem had, zijne rol te spelen en -den dichter allerlei woorden naar het hoofd te werpen, die de drijvers -voor onzinnig hielden en hun lachlust opwekten, omdat zij hun zoo -zonderling in de ooren klonken, en zoo hortend en stootend over -zijne stamelende lippen kwamen. »Afgeranseld omhulsel van goddelijk -zelfbewustzijn;" »Op den bek geslagen advocaat der gerechtigheid;" -»Goochelaar, die deze wereld, de slechtste die men zich bij -mogelijkheid denken kan, op den kop zet, om te bewijzen dat zij de beste -is;" »Bewonderaar van de schoone kleur zijner blauwe plekken!" zulke -en dergelijke schimpwoorden, die alleen voor hemzelven en den gesmaden -verstaanbaar waren, kon hij gedurig uitwerpen, onuitputtelijk in nieuwe -combinatiën. - -Daardoor prikkelde hij Pentaoer tot antwoorden, die altijd doel troffen, -niet zelden zeer puntig waren, en door oningewijden niet konden begrepen -worden. Dikwijls gingen hunne smaadredenen in een formeel twistgesprek -over. En dit had een dubbel nut. Vooreerst vond hun geest, aan ernstig -denken gewoon, gelegenheid tot vrije beweging, ondanks den last van den -dwangarbeid, die alle geestelijk leven dreigde te vermoorden. Ten andere -hield men hen hierdoor werkelijk voor vijanden. - -Beiden sliepen in denzelfden hof, en wisten elkander daar nu en dan -heimelijk te spreken. Overdag werkte Nebsecht in de turkoois-groeven, -Pentaoer echter in de kopermijnen. De zwakkere arts was juist berekend -voor het omzichtig uitbeitelen van het edelgesteente uit de rotslagen. -Het verbrijzelen van den harden steen was eene bezigheid, die meer -geschikt was voor Pentaoer's reuzenkracht. De drijvers beschouwden den -geweldigen jongeling niet zelden met verbazing, wanneer hij met het -houweel wild op het gesteente lossloeg. - -Niemand kon vermoeden welke beelden zich in zulke uren van woedenden -arbeid voor de ziel des dichters plaatsten, welke vreeselijke en tevens -verleidelijke tonen hij in zijn binnenste vernam. Gewoonlijk vertoonde -Bent-Anat's gestalte zich voor zijne levendige verbeeldingskracht, -omringd door een leger, dat hij meende te verslaan, man voor man, -terwijl hij op de rotsen hamerde. Soms wierp hij te midden van zulk een -arbeid het houweel weg en breidde hij zijne armen uit, maar om diep te -steunen, en het zweet, dat van zijn voorhoofd gutste, met de hand weg te -vegen. - -De opzichters wisten eigenlijk niet, waarvoor zij dezen sterken -jongeling moesten houden, die soms zoo vriendelijk was als een kind, -maar toch reeds onder den invloed bleek te komen van den demon, waarvan -zoovele dwangarbeiders het slachtoffer werden[297]. - - [297] Het schrikkelijk lot der Egyptische mijnwerkers wordt - uitvoerig geschilderd in eene beroemde plaats van den rethor - Agatharchides van Knidus, die men bij Diodorus (III, 12-14) - vindt. Daar wordt echter niet gesproken van bovenstaande - steengroeven, maar van de Ethiopische goudmijnen, waarvan reeds - meermalen is gewag gemaakt, en die in de jaren 1832 en 1833, - door Linant-Bassa en Bonomi, tusschen den Nijl en de Roode zee - zijn weergevonden. De goudlagen in de kwartsrotsen van het - Bischari-gebied zijn tegenwoordig geheel uitgeput. - -Hij was zichzelven een raadsel geworden, want vanwaar kwam in hem, den -in den vrede van het Seti-huis opgevoeden tuinmanszoon, sedert het -gebeurde van dien nacht voor de hut van den Paraschiet, dat altijddurend -verlangen naar worsteling en strijd? - -De afgematte werklieden hadden zich ter ruste begeven; vóor het huis -van den overste der bergwerkers brandde echter nog een helder vuur. De -opzichters en onderbevelhebbers der soldaten waren in een kring er om -neergehurkt. - -»Doe thans de bekers weg," zeide de overste, »want wij hebben ernstig -raad te houden. Gisteren heb ik, op bevel van den stadhouder, de helft -der manschappen van de wacht naar Pelusium moeten zenden. Hij heeft -soldaten noodig. Maar wij zijn zoo zwak in aantal geworden, dat, als de -veroordeelden het wisten, zij zelfs zonder wapenen ons te sterk zouden -worden. Steenen liggen er hier beneden genoeg, en overdag hebben zij -beitel[298] en hamer. Het ergst ziet het er uit bij de Hebreën in de -kopermijn. Het is een zeer oproerig volk, dat men kort moet houden. Gij -kent mij genoeg, om te weten dat ik waarlijk niet bang ben. Maar ik maak -mij over iets bezorgd. Hier in dit vuur branden de laatste kolen, en de -smeltovens en glasgieterijen mogen niet stilstaan. Morgen moeten er -dus lieden naar Raphidim[299] worden uitgezonden, om kolen van de -Amalekieten te eischen. Zij zijn ons nog honderd ladingen schuldig[300]. -Belast de gevangenen met wat koper, om ze te vermoeien en de bewoners -der oase welwillend te stemmen. -- Wat zullen wij echter aanvangen om te -verkrijgen wat wij noodig hebben, en de manschappen hier toch niet al te -zeer te verzwakken?" - - [298] Deze beitels hadden den vorm van zwaluwstaarten. - - [299] De oase aan den voet van den berg Choreb, bij welke, - volgens de bijbelsche overlevering, de uitgetrokken Israëlieten - onder aanvoering van Jozua de Amalekieten overwonnen, terwijl - Aäron en Hur de armen van den biddenden Mozes ondersteunden. - Exodus XVII, 8, vv. - - [300] De Bedoeïnen op het Sinaïtisch Schiereiland branden thans - nog vele kolen uit het hout van den Sejâl-boom (Acacia tortilis - Hayne), en brengen ze naar Kaïro ter markt. - -Men overwoog nu eens dit, dan weder dat. Eindelijk werd besloten, -dat dagelijks eene zeer kleine afdeeling, door weinige soldaten -geëscorteerd, zou opmarcheeren, om zoo van den eenen dag op den anderen -in behoefte aan kolen te voorzien. Men achtte het voorts geraden, dat de -gevaarlijkste dezen vrachtdienst zouden verrichten, twee aan twee met -ketens aan elkander geklonken. - -De overste gaf in bedenking, dat twee sterke mannen, aan elkander -verbonden, dubbel gevaarlijk konden worden, wanneer zij eendrachtig -handelden. - -»Zoo verbinde men een sterken met een zwakken," zeide de man die de -rekening van de mijnen hield en dien men den schrijver der metalen -noemde. »Smeed ook zooveel mogelijk de zoodanigen aaneen, die elkander -vijandig zijn." - -»Hoeni bij voorbeeld, die zoo sterk is als een boom, aan den spottenden -musch, den stotterenden Nebsecht," riep een onderbevelhebber. - -»Aan die twee dacht ik ook juist," zeide de schrijver lachend. - -Nog drie andere paren werden eerst al schertsend maar daarna met -klimmenden ernst gekozen, en eindelijk ook Warda's vader onder de -drijvers opgenomen. - -Den volgenden morgen smeedde men Nebsecht en Pentaoer met een koperen -keten aan elkander vast. Toen de zon ter middaghoogte stond, braken vier -paar gevangenen op, met zware baren koper belast, om door zes soldaten -en den Paraschieten-zoon geleid, uit de oase der Amalekieten brandstof -voor de smeltovens te halen. - -Bij de halt Aloes[301] hielden zij rust. Daarna trokken zij verder -tusschen kale, steeds hooger oprijzende, grauwachtig groene en bruine -rotswanden van porfier. Van tijd tot tijd konden zij den scherpen top -van een reus in dit gebergte waarnemen, die hoog boven de lagere bergen -uitstak. Doch daar zij gebukt gingen onder den zwaren last van het koper -dat zij droegen, hadden zij weinig lust er acht op te slaan. De zon -neigde reeds ten avond, toen zij het kleine heiligdom van de -Smaragden-Hathor voorbijkwamen. - - [301] Numeri XXXIII, 13, 14. - -Hier vlogen eenige grijze en zwarte vogels klapwiekend hun te gemoet. -Pentaoer zag met blijdschap naar hen op. Hoe lang had hij reeds het -gezicht dezer dieren en het geluid hunner stem moeten missen! - -»Daar zijn vogels," sprak Nebsecht, »wij moeten dus in de nabijheid van -water zijn." - -Daar stond werkelijk de eerste palmboom. Weldra hoorde men duidelijk -het murmelen eener beek, en deze zachte tonen deden de gemoederen der -woestijn-wandelaars even weldadig aan, als de regen het dorrende gras. - -Aan de linkerzijde van het water was, in een wijden kring, eene -afdeeling Egyptische soldaten gelegerd, in wier midden zich drie groote -tenten verhieven, van kostbare, blauw en rood gestreepte en met goud -doorwerkte stoffen. Van de bewoners der tenten was niets te zien; toen -de gevangenen er echter voorbij waren, en hunne drijvers de wachtposten -hadden begroet, kwam hun een meisje te gemoet in het lange gewaad eener -Egyptische, en beschouwde hen met opmerkzaamheid. - -Pentaoer ging van schrik achteruit, als ware er een geest voor hem -opgerezen; maar Nebsecht kon niet nalaten een luiden kreet van -verrassing te doen hooren, daarbij eene beweging met zijne handen -makende. - -Op hetzelfde oogenblik zwaaide een drijver zijn zweep over de schouders -der twee vrienden, hun lachend toeroepende: »Met je tongen mag je elkaar -klappen toedienen, zoo veel je wilt, maar niet met je handen!" - -Daarop keerde de soldaat zich tot een zijner metgezellen, vragende: -»Hebt ge dat mooie meisje daar bij de tent gezien?" - -»'t Geeft ons niet veel!" antwoordde de ander. »Zij behoort tot het -gevolg der prinses, die reeds sedert drie weken den tempel van de -Smaragden-Hathor bezoekt." - -»Zij moet zware misdaden begaan hebben," hernam de eerste spreker. -»Behoorde zij tot ons gelijken, dan zou zij bij de groeven zand moeten -spitten of kleurstoffen fijnstooten, en zeker niet hier in vergulde -tenten wonen. -- Waar is de roodbaard?" - -Warda's vader was een weinig achter den trein gebleven, want het meisje -had hem gewenkt en eenige woorden met hem gewisseld. - -»Hebt ge ook nog oogen voor de meisjes?" vroeg hem de jongste der -drijvers, toen hij zich weder bij hen had gevoegd. - -»Zij is eene dienstmaagd der prinses," antwoordde Kaschta, niet zonder -verlegenheid. »Wij zullen morgen van haar een brief aan den schrijver -der metalen medenemen, en daarvoor wil zij ons wijn schenken, wanneer -wij ons ten minste legeren in de nabijheid der tenten." - -»Zie me dien ouden roodbaard!" riep een der jongere drijvers. »Hij ruikt -den wijn als een vos de ganzen. Laat ons hier rusten! Men weet bovendien -nimmer, hoe men het met de Mentoe[302] heeft, en de overste heeft -bevolen, dat wij buiten de oase ons nachtkwartier zullen houden. -- De -zakken af, mannen! Hier is frisch water, en misschien vallen er nog wel -wat dadels voor je af, en zoet Man[303] op het brood. Maar pas op dat je -vrede onder elkaar houdt, gij kemphanen Hoeni en Nebsecht!" - - [302] De goden der onderwereld. - - [303] "Man" noemen heden de Bedoeïnen van het Sinaïtisch - schiereiland de zoete uitzweeting van de tamarinde (tamarix - mannifera), die in de wadis of dalen hunner woonplaats groeit. - De uitzweeting heeft gewoonlijk plaats in Mei. Het 'man' kon - echter bewaard worden. Niet ten onrechte wordt het gehouden voor - hetzelfde als het manna waarvan in den bijbel wordt gesproken. - -Bent-Anat's reis naar de Smaragden-Hathor had lang geduurd. Zij was met -die haar begeleidden tot Keft[304] den Nijl afgezakt. Vandaar waren -zij in kleine dagmarschen de woestijn dwars doorgetrokken. Eindelijk -aangekomen in de grootendeels door Phoeniciërs bewoonde havenstad aan de -Schelfzee[305] hadden zij aldaar eene volle week moeten wachten op het -schip, dat hen naar Pharon overbracht, een dorpje alleen door visschers -bewoond. Vandaar trokken zij door het gebergte naar de oase, bij -welker noordelijken toegang het heiligdom van de Smaragden-Hathor werd -gevonden. - - [304] Zie boven bl. 371. - - [305] Het latere Berenice. - -De oude priesters, die met den dienst der godin belast waren, hadden de -dochter van Ramses eerbiedig ontvangen. Door middel van het heldere en -koele water der beek uit het gebergte, die de palmen der Amalekieten -drenkte, door berookingen, vrome spreuken en ontelbare ceremoniën, -hadden zij getracht aan de prinses hare reinheid terug te geven. Ten -laatste verklaarde de godin zich bevredigd, en Bent-Anat wilde nu -opbreken, ten einde noordwaarts naar haren vader te trekken. Doch de -bevelhebber der soldaten, die haar geleide uitmaakten, een in den dienst -vergrijsd Ethiopisch veldoverste, wiens zonen Ani tot hooge rangen had -bevorderd, verklaarde den ceremoniemeester, dat hij bevel had de prinses -zoolang in de oase terug te houden, tot de stadhouder haar zou toestaan -te vertrekken. Bent-Anat hoopte nu op den bijstand haars vaders, die -dagelijks kon verwacht worden, wanneer Rameri ten minste geen onheil was -overkomen. Maar, te vergeefs! - -De vrouwen verkeerden inderdaad in een zeer pijnlijken toestand, want -zij gevoelden, dat men haar in een hinderlaag had gelokt en dat zij -gevangenen waren. Er kwam nog bij, dat de Ethiopische soldaten zich -tegen de bewoners der oase vergrepen hadden. Dagelijks hadden er onder -hunne oogen vechtpartijen plaats, waarbij in de laatste dagen zelfs -bloed had gevloeid. - -Bent-Anat was krank naar de ziel. De beide machtige vleugels, die -haar in staat hadden gesteld zich zoo hoog te verheffen boven al hare -zusters, namelijk haar vorstelijke trots en hare opgeruimde helderheid -van geest, schenen gebroken te zijn. Zij gevoelde dat zij eenmaal -had liefgehad, om nimmer weder lief te hebben; dat zij, die -geene luchtkasteelen had willen bouwen, maar alles gezocht in de -werkelijkheid, ten slotte toch het beste deel van haar wezen had gewijd -aan een droombeeld. Het beeld van Pentaoer stond haar nog altijd -levendig voor den geest, en scheen steeds grootere en reinere vormen -aan te nemen. Hijzelf was voor haar als gestorven. Er was nog maar een -enkele brief uit Egypte tot haar gekomen, en deze had vrouwe Katoeti -aan Nefert gericht, om haar mede te deelen, hoe nieuwe berichten hadden -bevestigd, dat haar echtgenoot eene gevangene vorstendochter als zijn -aandeel in den buit in zijne tent had genomen. Het schrijven van de -weduwe hield verder in, dat de tot dwangarbeid veroordeelde dichter -Pentaoer niet in de steengroeven van Chennoe was aangekomen, zoodat men -allen grond had om te onderstellen, dat hij onderweg gestorven was. - -Nefert wankelde ook ditmaal geen oogenblik in de overtuiging, dat haar -echtgenoot haar trouw was gebleven. Zij hield onveranderlijk vast aan -het geloof in zijne liefde. De veerkracht harer natuur, die door een -grooten en reinen hartstocht geheel werd beheerscht, en daarom meer -harmonisch was ontwikkeld, bleek juist in deze bange en moeielijke -dagen. Het scheen wel dat zij en Bent-Anat van rollen hadden verwisseld. -Altijd vol hoop, verzekerde zij van den eenen dag op den anderen, dat -er wel hulp van den koning zou opdagen. Daarbij vleide zij zich dan -dat Mena, als hij van Rameri vernam dat zij bij Bent-Anat was, zelf zou -komen om haar te halen, wanneer zijn dienst het ten minste toeliet. In -uren van blijmoedige verwachting ging zij zelfs zoover, dat zij zich -voorstelde hoe de bewoners van de tent verdeeld moesten worden: wie -Bent-Anat gezelschap zou moeten houden, wanneer Mena haar bij zich in -zijne legerplaats nam; in welk gedeelte van de oase hij het best zijne -tenten zou opslaan; en zoo al verder. - -Warda, meende Nefert, kon gevoeglijk bij Bent-Anat haar plaats -vervangen, want het meisje had zich op deze reis merkwaardig ontwikkeld. -Zij droeg de deftige gewaden, die de prinses haar gaf, alsof zij nooit -andere had gedragen. Zij wist met bescheidenheid te luisteren, zich ter -rechter tijd te verwijderen, en aardig te praten, wanneer men met haar -in gesprek trad. Daar was een reine zilvertoon in haar lachje, dat meer -dan iets anders Bent-Anat kon vertroosten. Ook luisterden de vriendinnen -gaarne naar hare gezangen, hoewel de weinige liederen, die het meisje -kende, ernstig en zwaarmoedig waren. Zij had ze afgeluisterd van de oude -Hekt, die dikwijls in 't donker op eene luit speelde. Toen de tooveres -opmerkte, dat Warda hare melodieën nazong, wees zij haar op enkele -gebreken, en gaf haar goede wenken. »Zij valt toch eens in mijne -handen," dacht de heks, »en hoe beter zij zingen kan, des te duurder -wordt zij betaald." - -Bent-Anat beproefde ook Warda onderwijs te geven, maar het viel de -jeugdige leerlinge bijzonder zwaar te leeren lezen, hoeveel moeite zij -zich ook gaf. Toch liet de prinses de lessen in de spelkunst niet varen. -De werkeloosheid waartoe zij gedoemd was, hier aan den voet van dien -majestueuzen heiligen berg, tot welks toppen zij dikwijls met huivering -zoowel als met verlangen opzag, drukte haar des te zwaarder, naarmate er -meer in hare ziel omging, dan zij zou wenschen te uiten. Warda kende de -oorzaak van de smart harer meesteres, en zij had haar om zijnentwil lief -als eene heilige. Dikwijls vertelde zij van Pentaoer en zijn vader al -wat zij wist, en altijd zóo, dat de prinses niet vermoeden kon hoezeer -zij was ingewijd in het geheim harer liefde. - -Toen de gevangenen voorbij Bent-Anat's tent werden gevoerd, zat zij -met Nefert daar binnen, en sprak, zooals gewoonlijk in de schemering -geschiedde, over haar vader en zijn wagenmenner Mena, over Rameri en -Pentaoer. - -»Hij leeft nog," zeide Nefert, doelende op den dichter, »al schrijft -mijne moeder ook, dat men niet zeker weet waar hij gebleven is. Wanneer -hij ontkomen is, dan tracht hij ongetwijfeld het leger van den koning -te bereiken, wanneer wij daar eens zijn, dan vindt ge hem zeker bij uw -vader." - -De prinses staarde met een droef gelaat op den grond. Doch Nefert zag -haar vriendelijk aan en vroeg: »Denkt gij misschien aan het onderscheid -van stand, dat u scheidt van den uitverkorene uws harten?" - -»Wien ik mijne hand schenk," antwoordde Bent-Anat met vastheid, »dien -maak ik tot een vorst. Doch al kon ik Pentaoer ook verheffen tot -heerscher over de geheele wereld, zoo zou hij toch altijd meer zijn en -beter dan ik." - -»Maar uw vader?" vroeg Nefert bescheiden. - -»Hij is mijn vriend; hij hoort en verstaat mij. Als ik bij hem ben, zal -hij alles vernemen. Ik ken zijn vaderlijk en koninklijk hart." - -Beiden zwegen een geruimen tijd. Eindelijk zeide Bent-Anat: »Ik verzoek -u licht te laten brengen, want ik wil mijn weefsel afmaken." - -De vrouw van Mena stond op. Buiten de deur van de tent kwam zij Warda -tegen, die dadelijk haar hand greep en haar zwijgend met zich mede trok. - -»Wat hebt gij, meisje? Gij beeft," zeide Nefert. - -»Mijn vader is hier," antwoordde Warda gejaagd. »Hij bewaakt gevangenen -uit de mafkat-groeven. Onder hen zijn twee aan elkander vastgeketende -mannen. Een van dezen -- gij moet niet schrikken -- een van dezen is de -dichter Pentaoer. -- Blijf! om den wil der goden, blijf, en hoor mij -verder! Ik heb mijn vader reeds tweemaal gezien en met hem gesproken, -toen hij met andere dwangarbeiders hierlangs kwam. Pentaoer moet heden -bevrijd worden, maar Bent-Anat mag nog van niets weten; want wanneer -mijn plan mislukt...." - -»Kind! Meisje!" viel Nefert haar met levendigheid in de rede. »Hoe kan -ik u helpen?" - -»Beveel den hofmeester, dat hij aan den drijver der gevangenen, uit naam -der prinses, een vollen lederen zak wijn moet brengen. Neem dan uit -Bent-Anat's reis-apotheek[306] het fleschje, dat den drank tegen de -slapeloosheid bevat, waarvan zij ondanks uw herhaald verzoek nooit iets -wil nemen. Ik wacht hier buiten en zal er gebruik van weten te maken." - - [306] Zulk eene reis-apotheek, en wel eene die uit veel ouder - tijd afkomstig is dan de eeuw van Ramses, wordt in het museum te - Berlijn bewaard. - -Nefert vond den hofmeester dadelijk en beval hem Warda met een zak -wijn te volgen. Daarna keerde zij tot de prinses terug en opende de -reis-apotheek. - -»Wat zoekt gij?" vroeg Bent-Anat. - -»Een middel tegen hartkloppingen," antwoordde Nefert. Zij stak heimelijk -het verlangde fleschje hij zich, dat eenige oogenblikken later in -Warda's handen was overgegaan. Het meisje verzocht den hofmeester den -zak te willen openen, en haar den wijn te laten proeven. Terwijl zij -scheen te drinken, goot zij den slaapdrank in het druivensap, en liet -vervolgens het geschenk van Bent-Anat aan de dorstige drijvers brengen. - -Toen dit bezorgd was, ging Warda naar de keukentent, waarvoor zij een -jongen Amalekiet op den grond vond zitten, te midden van de dienaars der -prinses. Hij sprong op, zoodra hij het meisje gewaar werd, en zeide: -»Heden breng ik vier schoone patrijzen[307], die ik zelf heb geschoten, -en voor u dezen fraaien turkoois, dien mijn broeder bij eene rots heeft -gevonden[308]. Deze steen brengt geluk en is goed voor de oogen. Hij -schenkt overwinning op vijanden en verdrijft booze droomen"[309]. - - [307] Op den top van den Sinaï der monniken, die Gebel Katherin - wordt genaamd, ontspringt een beekje, dat "ma'yan esch - schoennâr" of patrijzenbron heet, en waarvan allerlei sagen in - omloop zijn. God zou het bijv. voor de patrijzen hebben doen - ontspringen, die de engelen waren gevolgd, toen deze het lichaam - van de heilige Katharina van Alexandrië naar den Sinaï brachten. - - [308] De Serbal-turkooizen zijn schooner en houden beter kleur, - dan die van Wadi Maghara. - - [309] Deze eigenschappen worden heden door de Arabieren aan de - turkooizen toegeschreven. - -»Ik dank u," zeide Warda en vatte, terwijl zij den hemelsblauwen steen -aannam, den jongeling bij de hand en trok hem met zich in het donker. - -»Hoor eens, Salich!" sprak zij zacht, zoodra zij zich ver genoeg van de -anderen meende verwijderd te hebben. »Gij zijt een brave jongen, en -de dienstmaagden hebben mij verteld, dat ge mij eene ster[310] hebt -genoemd, die van den hemel op aarde was gevallen om eene vrouw te -worden. Dat zegt men alleen van iemand, die men gaarne mag lijden. -Dat ge mij genegen zijt en aan mij denkt, toont gij dagelijks, door -de bloemen die ge mij brengt, als gij het wild, dat uw vader heeft -geschoten, aan den hofmeester aflevert. Zeg mij nu eens: wilt ge mij en -tevens de prinses een grooten dienst bewijzen? Ja? En gaarne?" -- »Ja! -O, dat wist ik wel. Nu hoor dan. Een vriend van de verhevene vrouw -Bent-Anat, die heden nacht hierheen zal komen, moet éen dag, misschien -wel gedurende meerdere dagen, voor zijne vervolgers verborgen worden -gehouden. Zou hij, of zouden zij, want het zijn er misschien twee, in -het huis van uw vader, dat hoog boven aan den heiligen berg moet liggen, -een onderkomen en bescherming kunnen vinden?" - - [310] De bewoners van het schiereiland van den Sinaï waren in - den oudsten tijd Cabiërs, d.i. zij vereerden de hemellichten. - Dit verkondigen ons de door Beer ontcijferde Nabatheïsche - opschriften, waarvan de oudste schrijvers zich "dienaars," - "vereerders" of "priesters" noemen van de "zon," de "maan," - "Baäl," enz. De zonnegod heette bij hen Doesaris. De oudste van - deze opschriften behooren eerst tot de tweede eeuw v. Chr. - -»Wien ik mijn vader breng," zeide de jongeling, »is hem welkom, en -wij verdedigen eerst onze gasten en dan ons zelven. -- Waar zijn die -vreemdelingen?" - -»Zij zullen binnen weinige uren komen. Wilt gij hier wachten tot de maan -hoog aan den hemel staat?" - -»Totdat de laatste van al de duizende manen, die achter de bergen -verdwijnen, ondergaat." - -»Goed dan. Wacht aan gene zijde van de beek, en breng hen naar uw huis, -die u driemaal mijn naam noemen. Gij weet toch hoe ik heet?" - -»Ik noem u de zilverster, maar zij noemen u met den naam Warda." - -»Juist! Gij brengt de vreemdelingen naar uwe hut, en wanneer zij daar -door uw vader zijn opgenomen, komt gij terug om het mij mede te deelen. -Ik houd hier aan de deur van de tent de wacht. Het spijt mij dat ik arm -ben en het u niet vergelden kan, maar de prinses zal uw vader vorstelijk -weten te beloonen. Wees waakzaam, Salich." - -Het meisje verdween en begaf zich naar de drijvers der gevangenen, -wenschte hen even een genotvollen avond en ijlde daarna naar Bent-Anat -terug, die haar met bezorgdheid over de volle lokken streek, en vroeg -waarom zij toch zoo bleek zag. »Ga wat liggen," zeide de prinses -vriendelijk. »Gij hebt de koorts. Zie maar, Nefert, men kan de beweging -van het bloed zien in de blauwe aderen op haar voorhoofd!" - -Intusschen waren de drijvers aan het drinken. Zij prezen den -koninklijken wijn en dezen gelukkigen dag. Toen Warda's vader voorsloeg -ook de gevangenen een slokje te laten proeven, riep een zijner gezellen: -»Komaan dan, het arme vee mag zich ook wel eens vroolijk maken." - -De roodbaard vulde een grooten beker en reikte dezen het eerst aan een -falsaris, die met den man die hem had aangegeven was saamgeklonken. -Daarop naderde hij Pentaoer en fluisterde hem in het oor: »Drink niet, -maar blijf wakker!" Toen hij ook naar den arts wilde gaan om dezen te -waarschuwen, kwam een zijner gezellen hem voor en riep, terwijl hij -Nebsecht den beker toestak: »Daar roerdomp, drink ook eens! -- Kijk eens -hoe hij slurpt! Thans kan zich zijn stotterend mondwerk vlug genoeg -bewegen." - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - - -Nadat de drinkende soldaten een uur in uitgelaten vroolijkheid hadden -doorgebracht, begonnen zij zich al meer en meer vermoeid te gevoelen. -De maan stond nog niet hoog aan den hemel, toen allen reeds waren -ingeslapen, behalve Kaschta en Pentaoer. De eerste stond voorzichtig op, -luisterde naar de ademhaling van elk zijner gezellen, naderde daarop den -dichter, ontsloot de ringen, waarmede de ketting aan zijne en Nebsecht's -enkels bevestigd was, hoewel hij te vergeefs beproefde den arts te -wekken. - -»Volg mij," riep hij den dichter toe, nam Nebsecht op zijne schouders en -haastte zich naar de plek aan de beek, die Warda hem had uitgeduid. - -Zoodra hij driemaal den naam zijner dochter had genoemd, kwam de jonge -Amalekiet te voorschijn. »Volg dezen," riep de soldaat den dichter toe, -»voor den arts zal ik wel zorgen." »Hem laat ik niet achter!" zeide -Pentaoer beslissend. »Mogelijk kan het water hem wakker maken." - -Zij dompelden Nebsecht in de beek, die zoowat half ontwaakte en door -zijne begeleiders, nu eens ondersteund dan weder gedragen, langs het -ruwe rotspad wankelend en struikelend naar boven werd gebracht, zoodat -zij met hem voor middernacht aan het doel hunner wandeling, de hut van -den Amalekiet, aanlandden. - -De oude jager sliep reeds, maar zijn zoon wekte hem, en deelde hem mede -wat Warda hem gezegd en beloofd had. Doch de brave bergbewoner behoefde -door geen uitzicht op belooning tot gastvrijheid opgewekt te worden. Hij -ontving den dichter met trouwhartige vriendelijkheid, legde den arts, -die weder vast was ingeslapen, op eene mat neder, en spreidde Pentaoer -een leger van loof en dierenvellen. Hij riep zijne dochter, liet hem de -voeten wasschen, en toen hij de lompen zag die zijn lichaam bedekten, -gaf hij hem zijn eigen feestkleed. - -Pentaoer vlijde zich op dit eenvoudig rustbed neder, dat hem zachter -voorkwam dan het zijden bed eener koningin. Toch kon hij den slaap -niet vatten. De afwisselende aandoeningen, die zijn hart vervulden, -overmeesterden en verwarden zijn verstand. De sterren stonden nog aan -den hemel, toen hij van zijn leger opsprong en, nadat hij den arts -daarop had nedergelegd, naar buiten snelde. - -Naast de woning van den jager ontsprong eene frissche bron. Hij ging -daarheen en dompelde zijn gezicht in het ijskoude water. Daarna liet -hij het een en andermaal over zijn gansche lichaam stroomen. Het kwam -hem voor, dat hij zich tot in het diepst zijner ziel moest reinigen, -niet enkel van het stof van zoovele weken, maar ook van spijt en -moedeloosheid, van smaad en bitterheid, van elke aanraking met al wat -laag en gemeen is. Toen hij eindelijk de bron verliet en naar de hut -terugkeerde, gevoelde hij zich zoo rein als aan den morgen van een -feestdag in het Seti-huis, wanneer hij zich gebaad en frissche kleederen -van sneeuwwit linnen aangetrokken had. Hij greep nu naar het feestkleed -van den jager, trok het aan en ging toen weder verder onder den blooten -hemel. - -Voor hem verhieven zich ontzaglijke rotsgevaarten als zwarte -onweerswolken, en daarboven welfde zich de donkerblauwe hemel, waaraan -duizenden sterren vonkelden. Het zalig gevoel van vrijheid en reinheid -verhief zijne ziel, en de lucht die hij inademde was zoo frisch en fijn, -dat hij, als door vleugels of onzichtbare handen gedragen, langs het -steile pad naar de donkere massa van bergtoppen opklom. - -Hij ontmoette een steenbok, die schuw voor hem uit den weg ging. Het -beest beklauterde vluchtend met zijn wijfje een steilen rotswand. Hij -riep het echter toe: »Ik zal u niets doen, ik niet." - -Toen hij op een klein plateau, aan den voet van een veeltandigen -graniettop, was aangekomen, bleef hij stilstaan. Wederom hoorde hij eene -bron in zijne nabijheid murmelen. Het gras, dat door zijne voeten werd -betreden, was vochtig en met eene dunne glinsterende ijslaag bedekt, -waarin de sterren zich spiegelden, die gaandeweg begonnen te verbleeken. -Hij zag op naar de nimmer rustende en toch eeuwig stilstaande -hemellichten. Hij liet zijn blik dwalen langs de toppen der bergen, in -de diepte en de oneindige verte. - -Langzamerhand kwam er licht in de duisternis. Het verdwijnen van den -nacht bracht teekening in de donkere massa. Al duidelijker traden de -vormen van het gebergte te voorschijn met zijne schemerende toppen, -omgeven door lichte wolkjes, gelijk aan den rook van een smeulend vuur. -Uit de oase en de andere dalen aan zijne voeten stegen grijze dampen -op. Eerst hingen zij zwaar en in groote massa neder, daarna verdeelden -zij zich en zweefden als spelende wolkjes tot hem en den helderen hemel -op. - -Laag beneden hem dreef een groote adelaar op zijne wieken, het eenig -levend wezen, dat zijn oog in den ganschen omtrek bespeurde. De geheele -natuur rondom hem bewaarde een plechtig stilzwijgen, dat door geen -geluid werd gestoord. En toen de adelaar neerstreek en uit zijn oog -verdween, toen de nevelen al lager schenen te zinken, zeide hij tot -zichzelven, dat hij hier alleen stond, hoog verheven boven al het -geschapene; dat hij de godheid nabij was. - -Eene diepe ademtocht bewoog zijne borst. Hij gevoelde zich gestemd als -in de ure, die op zijne wijding was gevolgd, toen hij voor het eerst in -het allerheiligste was geleid. Maar het was toch nog iets geheel anders. -In plaats van zware wierookgeuren, ademde hij thans eene reine en fijne -lucht in, en machtiger dan weleer het gezang der priesters, greep hem -hier de indrukwekkende stilte van dit gebergte in de ziel. Het kwam hem -voor dat de godheid thans zelfs het geringste stamelen van zijne lippen -moest vernemen. En toch was zijn hart zoo vervuld van eerbied en -dankbaarheid, dat het hem drong in een luid gezang uitdrukking te geven -aan al de verhevene aandoeningen die hem overweldigden. Maar zijn mond -verstomde, en zwijgend knielde hij neder om te bidden en te danken. - -Eerbiedig zag hij rondom zich heen. Waar was hier het oosten, dat in -Egypte door eene lange heuvelreeks zoo duidelijk was aangewezen? Ja, -daar ginds, waar thans boven de oase de hemel. begon op te klaren. Aan -zijne rechterhand lag het zuiden, het heilige land van den Nijl en van -de goden der watervallen. Doch hier golfde geen waterstroom; en waar was -hier een plekje voor de zichtbare werkzaamheid van Osiris en Isis, en -voor den uit eene lotusbloem te midden van het dichte papyrus-riet -opwassende Horus, of voor de zegenende godinnen Rennoet en Zefa[311]! -Tot welke van al de godheden kon hij hier de handen opheffen? - - [311] De godinnen van den oogst en van de voedingsmiddelen. - Rennoet is meestal gekenmerkt door de Uraeus-slang die, het - menschelijk hoofd vervangt. Met den naam van Zefa wordt in de - teksten een overvloed van voedsel aangeduid. Vert. - -Er verhief zich een zachte luchtstroom; de nevelen losten zich op, -gelijk rustelooze schaduwen voor het woord van den bezweerder. De kroon -van den heiligen berg Sinaï met zijne vele inzinkingen vertoonde zich -aan zijn oog in scherpe omtrekken, en beneden hem kwamen de kronkelingen -der dalen en verder de donkerkleurige, zachtbewogen oppervlakte der -zee steeds duidelijker te voorschijn. Alles bleef stil. Zonder door -eene menschelijke hand te zijn aangeraakt, was alles zoo wonderbaar -samengevoegd tot een groot en heerlijk geheel. Maar was alles niet aan -de wetten van het Al onderworpen, alles niet vol van de godheid? - -Hij wilde zijne handen dankbaar opheffen tot Apheroe[312], den wijzer -der wegen; maar hij gevoelde zich daartoe niet in staat. De goden, wier -lof hij zoo dikwijls aan het volk had verkondigd in bezielende woorden, -en die toch alleen aan de boorden van den Nijl beteekenis, een -vaderland, een gebied voor hunne heerschappij bezaten, schenen hem nu -zoo oneindig klein toe. - - [312] Apheroe is wegwijzer, een vorm van Anubis, door den - jakhals vertegenwoordigd. Hij werd meer bijzonder in de stad en - den nomos Chesschent of Lycopolis in Opper-Egypte vereerd. - Vert. - -»Tot u," prevelde hij, »bid ik niet! Hier, waar mijn blik als die eener -godheid het oneindige omvat, hier voel ik den Eenen, hier is hij mij -nabij, hier roep ik hem aan, hier wil ik hem danken!" - -En wederom verhief hij zijne handen en bad overluid: »Gij Eenige! -- Gij -Eenige! -- Gij Eenige!" - -Meer kon hij niet uitbrengen, maar een verheven lof- en danklied -vervulde zijn borst, terwijl hij deze woorden uitsprak. - -Toen hij eindelijk oprees, zag hij een man naast zich staan van hooge -gestalte, met doordringde oogen. Zijn uiterlijk was vol waardigheid als -dat eens konings, ofschoon hij een eenvoudig herderskleed droeg. - -»Heil u!" zeide de onbekende, op diepen en plechtigen toon. »Gij zoekt -den waren god." - -Pentaoer sloeg een onderzoekenden blik op den zwaar gebaarden man. »Nu -herken ik u," zeide hij ten laatste. »Gij zijt Mesoe[313]. Ik was nog -maar een knaap, toen gij het Seti-huis verliet, maar uwe trekken bleven -onuitwischbaar in mijne ziel geprent. Even als u, heeft Ameni ook mij -ingewijd in de leer van den Eenen." - - [313] De Egyptische naam van Mozes. - -»Hij kent hem niet," antwoordde de andere, nadenkend, en zag naar den -oostelijken gezichteinder, die reeds helderder begon te lichten. - -Daar kleurde zich den hemel purperrood en de toppen van den met een -ijssluier omhangen granietberg begonnen te vonkelen en stralen te -schieten, zooals een donkere diamant, die de zonnestralen heeft -ingedronken. De zon werd zichtbaar, en Pentaoer keerde zijn aangezicht -naar het groote hemellicht, om te bidden zooals hij gewoon was. - -Toen hij weder opstond, knielde ook Mesoe neder, maar hij keerde zich -van de zon af. - -Na zijn gebed voleindigd te hebben, vroeg Pentaoer hem: »Waarom hebt -gij u afgewend van de verschijning van den zonnegod? Ons werd toch -geleerd hem tegen te zien als hij nadert." »Omdat ik," antwoordde zijn -metgezel ernstig, »tot een ander bid dan gij. De zon en alle gesternten -zijn in zijne hand, wat de ballen zijn voor spelende kinderen. De aarde -is de voetbank zijner voeten, de stormwind is zijn adem, en de zee is in -zijne oogen het drupje gelijk, dat aan dit grasscheutje hangt." - -»Leer mij dien machtige kennen, tot wien gij bidt," zeide Pentaoer. - -»Zoek hem!" hernam de ander, »en gij zult hem vinden, want gij komt uit -de school van het lijden en de beproeving. Op deze plaats, op een morgen -als dezen, heeft hij zich aan mij geopenbaard." - -De vreemdeling keerde zich om, en weldra verdween hij achter eene rots -voor het oog van den dichter, die nadenkend in de verte staarde. - -Vervuld van allerlei gedachten, daalde Pentaoer af naar het dal en -naderde de hut van den jager. Weldra bleef hij stilstaan, want hij -hoorde menschelijke stemmen. Doch rotsen hielden de naderenden voor zijn -oog verborgen. Eindelijk verschenen de zoon van zijn gastvriend, een man -in Egyptische kleeding, eene vrouw van hooge gestalte, naast welke een -meisje vlug voortliep, en nog eene andere vrouw, die door slaven in een -draagstoel werd gedragen. Pentaoer ontroerde, want hij herkende -Bent-Anat en die haar vergezelden. Zij verdwenen echter weder bij het -jagershuis. - -Diep ademhalend bleef Pentaoer staan, als ware hij aan den rotswand -genageld. Zoo stond hij lang, zeer lang, zonder zich te verroeren. Hij -hoorde niet dat zachte schreden hem naderden en zich weder verwijderden; -hij voelde niet dat de zon hem en den porfierwand achter hem, met -gloeiende stralen bescheen; hij merkte de vrouw niet op, die hem -langzaam te gemoet kwam. Doch evenals een doove, die opeens het gehoor -terug ontvangt, zoo schrikte hij op, toen hij zijn naam hoorde noemen, -en -- van welke lippen! - -»Pentaoer!" riep Bent-Anat andermaal. De dichter opende zijne armen; de -dochter des konings zonk aan zijne borst, en hij trok haar tot zich, als -wilde hij haar vasthouden en levenslang niet meer loslaten. - - * * * * * - -Intusschen rustten zij, die de prinses begeleidden, voor de hut van den -jager uit. - -»Zij vloog hem om den hals; ja dat heb ik gezien," zeide Warda. »Ik zal -het nooit vergeten! Het was alsof de blinkende zee daarginds zich had -opgericht en den heiligen berg omhelsd!" - -»Kind! Hoe komt ge toch aan zulke gedachten?" vroeg Nefert. - -»Uit het hart, diep uit het hart!" zeide Warda. »Ik ben zoo -onuitsprekelijk gelukkig!" - -»Gij hebt hem gered en zijne weldaad vergolden. Ik begrijp dat u dit -reden tot blijdschap geeft." - -»Dat is het niet alleen," zeide Warda. »Ik vreesde reeds den moed te -zullen verliezen, maar nu zie ik toch weder, dat de goden rechtvaardig -zijn en goed." - -De vrouw van Mena knikte haar toe en zuchtte: »Deze twee zijn gelukkig!" - -»En zij verdienen het te zijn," hernam het meisje. »Als Bent-Anat stel -ik mij de godin der waarheid voor, en er is geen ander man in Egypte aan -Pentaoer gelijk." - -Nefert zweeg een poos; toen vroeg zij zacht: »Hebt gij Mena ook gezien?" - -»Hoe zou ik?" antwoordde Warda. »Wacht maar, ook uw tijd zal komen. -Ik geloof, dat ik heden als eene profetes een blik in de toekomst kan -slaan! Maar laten wij gaan zien of de arts Nebsecht nog altijd ligt te -slapen. De drank dien ik in den wijnzak heb uitgegoten, moet wel sterk -zijn." - -»Dat is hij," hernam Nefert, en volgde het meisje in de hut. - -Daar lag de arts nog altijd op zijn leger en sliep met wijd-geopenden -mond. - -Warda knielde bij hem neder, zag hem in het aangezicht en zeide: »Hij is -zoo verstandig en weet alles, toch ziet hij er nu zoo onnoozel uit! Ik -zal hem wekken." - -Zij trok een grashalm uit het stroo, en zeer ondeugend begon zij -daarmede zijn neus te streelen. - -Nebsecht hief het hoofd even op, niesde en sliep weder in. Warda -schaterde het uit van lachen met haar zilver stemmetje. Daarna bloosde -zij en zeide: »Dat was toch verkeerd van mij. Hij is zoo goed en -grootmoedig!" - -Nauwelijks had zij dit gezegd, of zij greep de hand van den slapende, -bracht die aan hare lippen, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Nu -ontwaakte hij. Hij sloeg de oogen op, en prevelde, nog half droomend: -»Warda, lieve Warda!" - -Het meisje stond op en vloog weg, gevolgd door Nefert. - -Toen Nebsecht weder op zijne voeten stond en rondzag, bevond hij zich -alleen in de vreemde jagershut. Hij ging naar buiten, waar hij het -gevolg van Bent-Anat aantrof, dat niet zonder bezorgdheid de dingen -besprak, die gebeurd en die nog te verwachten waren. - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - - -Eeuwen geleden hadden de bewoners der oase zich reeds aan de pharao's -onderworpen, en betaalden zij hun schatting. Daarvoor was hun als een -voorrecht toegestaan, dat geen Egyptisch soldaat zonder hun verlof hun -grondgebied mocht betreden. De Ethiopiërs hadden Bent-Anat's tenten en -hunne eigene legerplaats dan ook opgeslagen buiten de eigenlijke oase. -Het kwam echter weldra tot allerlei vechtpartijen tusschen de soldaten, -die met hun tijd geen weg wisten, en de Amalekieten. Die twisten liepen -nu en dan bloedig af, en kregen een zeer ernstig aanzien, toen op -zekeren avond eenige dronken soldaten Amalekietische meisjes bij het -waterputten overvielen. - -Heden morgen vroeg had een der drijvers, toen hij wakker geworden was, -Pentaoer en Nebsecht gemist. Hij had hierop zijne kameraden, waaronder -Warda's vader zijne plaats weder had ingenomen, dadelijk gewekt. De -bewakers der dwangarbeiders snelden woedend over het gebeurde naar den -bevelhebber der Ethiopiërs. Zij deelden hem mede, dat twee gevangenen -ontkomen waren, en dat het wel niet anders kon, of ze werden door de -Amalekieten verborgen gehouden. Deze beantwoordden den eisch om de -vluchtelingen, waarvan zij trouwens niets wisten, uit te leveren met -spottende woorden. De hoofdman werd hierdoor zoo verbitterd, dat hij -besloot de oase met geweld te doorzoeken, ja werkelijk rukte hij, nadat -men zijn bode had gehoond, met de grootste helft zijner manschappen de -vrijplaats der Amalekieten binnen. - -De zonen der woestijn waren te wapen gevlogen. Zij weken terug voor -de gesloten gelederen der Egyptenaars, die, zich zeker wanende van de -overwinning, hen vervolgden tot aan de plaats, waar het dal wijder -wordt, en zich om een rotsheuvel[314] heenbuigt. Hierachter stond de -hoofdmacht der Amelekieten verborgen, die, zoodra de Ethiopiërs zonder -eenig kwaad vermoeden den heuvel voorbij gemarcheerd waren, opeens voor -den dag kwamen en hen in den rug vielen. Tegelijk keerden de vervolgden -zich om, en schoten hunne pijlen en wierpen hunne lansen op de in -verwarring gebrachte soldaten, van welke er maar weinigen ontkwamen. -Onder deze laatsten was ook de hoofdman, die licht gewond en razend van -woede zich aan het hoofd stelde van de afdeeling, die tot bewaking van -Bent-Anat was achtergebleven. Hij beval de drijvers der gevangenen hem -insgelijks te volgen en drong opnieuw de oase binnen. - - [314] De tegenwoordige heuvel Meharret, met de ruïne der kerk - van het bisdom Pharan. - -Aan de mogelijkheid dat de prinses zou kunnen ontvluchten, dacht -hij niet. Nauwelijks had zij echter den laatsten harer wachters zien -verdwijnen, of de ceremoniemeester en allen die haar begeleidden -verklaarden, dat nu het tijdstip gekomen was om te vluchten. Het -dienstbaar personeel was de koningsdochter geheel toegedaan. De lieden -belastten zich met hetgeen men voor dagelijksch gebruik het meest noodig -had, namen draagstoelen en lastdieren mede, en terwijl het gevecht in de -oase woedde, voerde de jonge Salich hen naar de hoogten van Sinaï en -de woning zijns vaders. Onderweg bereidde Warda de prinses voor op de -ontmoeting, die haar bij den jager wachtte. Wij weten reeds hoe -Bent-Anat den dichter vond. - -Beiden wandelden hand in hand langs het bergpad, tot zij gekomen waren -aan een schaduwrijk plekje, bij eene vooruitspringende rots. Pentaoer -belegde die met mos, zij zetten zich daarop naast elkander neder, -openden voor elkander hunne harten en vertelden de geschiedenis van -hunne liefde en hun lijden, van hunne omzwervingen en hunne redding. - -Toen de dochter van den jager tegen den middag voorbijkwam met eene kan -vol geitenmelk, en hun aanbood hiervan te drinken, vulde Bent-Anat een -en andermaal de schaal van eene kalebas voor den geliefde. Haar hart -gevoelde zich trotsch, toen zij hem zoo bediende, en het zijne werd -vervuld met den ootmoedigen wensch, dat hij zijn bloed, ja zijn leven -voor haar mocht kunnen geven. - -Aanvankelijk hadden zij, verdiept in het verledene en genietende van -het tegenwoordige, weinig aan de toekomst gedacht. Terwijl zij elkander -honderdmaal herhaalden wat ze sedert lang wisten, en toch nimmer genoeg -konden hooren, vergaten zij het onmiddellijk gevaar, waarin zij nog -verkeerden. Na het eenvoudig maal kwam de golfslag van 's dichters -ziel, die sedert zijn morgengebed zoo hoog ging, langzamerhand tot -bedaren. Had hij tot dusverre gemeend te kunnen vliegen, nu voelde hij -dat zijn voet nog de aarde drukte. Bedaard begon hij met Bent-Anat te -overleggen, wat hun in de naaste toekomst te doen stond. In ernstig -gesprek, dat veel had van eene beraadslaging, en waarbij de zalige -vreugde die uit hunne oogen straalde weinig paste, daalden zij hand in -hand naar de hut van hun gastvriend af. - -Halverwege kwam de jager hun reeds tegemoet, geleid door zijne dochter. -Naast hen ging een deftig man, in de volle wapenrusting van het hoofd -der Amalekieten, die de oase bewoonden. Beiden bogen zich en kusten den -grond voor de voeten van Bent-Anat en Pentaoer. - -Zij zeiden vervolgens vernomen te hebben, dat de prinses door de -Ethiopische troepen met geweld in de oase werd teruggehouden. Nadat de -vorst der woestijn, Abocharabos[315], aan Pentaoer, dien hij voor een -zoon des konings hield, en Bent-Anat de verzekering had gegeven, dat hij -en de zijnen den pharao Ramses, die hunne rechten steeds geëerbiedigd -had, geheel waren toegedaan, verhaalde hij niet zonder trots, dat de -Ethiopiërs, op enkelen na, die door hem gevangen werden gehouden, allen -door zijne manschappen waren neergeschoten. - - [315] Deze naam is echt, want volgens Procopius schonk de - hoofdman der Saracenen Abocharabos, het palmbosch midden op het - schiereiland van den Sinaï aan Justinianus. De handschriften - hebben Abocharagos; dit werd echter, ongetwijfeld met recht, - door Tuch in Abocharabos veranderd. - -»Zij zijn gewoon," zeide hij, »tegen de zwarte hondsche lafaards van -Koesch te vechten. Maar wij zijn mannen en weten ons te verweren, als -de leeuwen in onze dalen. Moeten wij voor de overmacht wijken, dan -weten wij ons als de steenbok in de rotskloven van het gebergte te -verschuilen." - -Bent-Anat, wien de vreemde man met zijne bliksemende oogen en zijn -adelaarsneus, terwijl zijne bruine wangen nog de sporen droegen van een -zwaardhouw, wel beviel, beloofde hem, dat zij hem en de zijnen bij haar -vader zou aanbevelen. Zij sprak den wensch uit, zich onder leiding -van Pentaoer, haar verloofde, zoo spoedig mogelijk naar het leger des -konings te begeven. - -Het opperhoofd had Bent-Anat, terwijl zij sprak, en Pentaoer met zijne -oogen goed opgenomen, en zeide nu: »Gij, koningsdochter, gelijkt de -maan, en uw metgezel den zonnegod Doesaris[316]. Behalve Abocharabos," -en hij sloeg op zijne borst, »en zijne vrouw, ken ik geen paar menschen -gelijk aan u beiden. Tot Hebron zal ikzelf u geleiden met eenige van -mijne beste krijgslieden. Maar er is haast bij het werk, want ik moet -terug zijn, eer de verraderlijke man, die thans over Mitzraïm[317] -gebied voert en die u vervolgde, nieuwe troepen tegen u uitzendt. Trekt -nu naar beneden. Geen hoen wordt bij uw tenten gemist! Morgen breken wij -op, eer de dag aanlicht." - - [316] Doesares of Dysares, Grieksche vorm van de Nabatheïsche - godheid Dhû-l-shará, den god van den berg Seïr, door de - Grieksche schrijvers met Dionysos vergeleken. Zie boven bl. 388. - Vert. - - [317] De Semitische naam voor Egypte. - -Bij de jagershut begroette Pentaoer het gevolg der prinses. De -ceremoniemeester kon hem niet zonder schroom aanzien. De koning had hem -wel toen hij opbrak bevolen, Bent-Anat in alles te gehoorzamen, als ware -zij de koningin zelve, maar zulk eene keus van een toekomstig gemaal was -ongehoord. Hoe zou Ramses dat alles opnemen? - -Nefert verheugde zich over de edele gestalte van den dichter, en gaf -telkens de verzekering, dat hij als een jongere broeder geleek op haar -gestorven oom, den vader van den gids Paäker. - -Warda werd niet moede hem en de prinses in stilte te beschouwen. Zij zag -hem niet meer aan voor een hooger wezen, maar het schoone paar vertoonde -zich aan haar als een tastbaar gelukkig voorteeken van Nefert's en -mogelijk ook van hare eigene liefde. - -De arts Nebsecht hield zich op een behoorlijken afstand. De hoofdpijn, -die hem lang geplaagd had, was door de frissche berglucht voorbijgegaan. -Toen Pentaoer hem de hand drukte, zeide hij: »Nu is er een einde gekomen -aan ons lustig schelden! Het gaat toch zonderling toe met den loop van -'s menschen levenslot! Van nu aan trek ik altijd in den strijd met u aan -het kortste einde, want de groote orchestmeester, tot wien gij bidt, -heeft de disharmonieën in uw leven werkelijk heel aardig opgelost." - -»Het klinkt waarlijk als deed u dit leed; maar ook voor u zal alles ten -beste keeren." - -»Dat betwijfel ik," antwoordde de arts, »want ik zie nu duidelijk, dat -ieder mensch een instrument op zichzelf is, uit goed of slecht hout, -bruikbaar of onbruikbaar, reeds voor zijne geboorte zoo gemaakt in een -geheimzinnige werkplaats. Zeker iets, ik weet niet hoe ik het noemen -zal, speelt er rondom hem, en naarmate dat het instrument gemaakt is, -klinkt het goed of kwaad. Gij zijt een windharp. Hoe lieflijk klinkt -het, wanneer de adem van het lot u in beweging brengt! Maar ik ben een -windwijzer, en tracht altijd juist aan te duiden uit welken hoek de -wind waait, maar daarbij knars ik, dat u en anderen de ooren er van -zeer doen. Ik ben al tevreden, wanneer het aan dezen of genen schipper -gelukken mag, naar mijne aanwijzing het zeil goed te richten. Maar in -den grond is mij dit ook onverschillig! Ik wil draaien zonder mij van de -wijs te laten brengen; of anderen het opmerken of niet, wat doet het er -toe?" - - * * * * * - -Toen Pentaoer met Bent-Anat en haar gevolg afscheid namen van den jager, -wien de koningsdochter rijkelijk met geschenken had overladen, ging de -zon reeds ter ruste. De getande kroon van den Sinaï baadde in een gloed, -als bestond zij enkel uit robijnen, waarachter een brandend gedeelte van -het aardrijk lag te smeulen. - -Den volgenden morgen brak men op voor de reis naar het leger des -konings. Abocharabos, het Amalekieten-hoofd, begeleidde de karavaan, -waartoe nu ook Warda's vader behoorde. Hij was door de bewoners der oase -gevangen genomen, maar op verzoek der prinses in vrijheid gesteld. Bij -het eerste halt moest Kaschta vertellen, hoe het hem gelukt was Pentaoer -in plaats van naar de steengroeven van Chennoe naar de bergwerken van -het Sinaïtisch schiereiland te doen brengen. - -»Ik wist," zoo begon de soldaat op zijne eenvoudige manier, »door Warda, -waarheen deze man gebracht moest worden, die zijn leven voor ons, arme -schepsels, in de waagschaal had gesteld; en ik zeide tot mijzelven, dat -ik hem redden moest. Maar denken is mijne zaak niet, en ik kon nooit -plannen maken. Het zou dan ook gekomen zijn tot eene of andere daad van -geweld, die waarschijnlijk slecht ware afgeloopen, wanneer een ander mij -niet op een denkbeeld had gebracht, nog voordat Warda mij vertelde welk -gevaar Pentaoer bedreigde. - -»De zaak heeft zich aldus toegedragen. Ik zou de mannen, die veroordeeld -waren tot den dwangarbeid in de mafkat-groeven over den Nijl leiden, -naar de plaats waar het schip in de Nekropolis zou afvaren. Die arme -schelmen mogen hunne betrekkingen aan de haven van Thebe aan de -overzijde vaarwel zeggen. Honderdmaal heb ik dat aangezien, maar ik kon -er nooit aan wennen, ofschoon men toch anders voor zooveel onverschillig -wordt. Dat luid gejammer, dat wild gehuil is nog het ergste niet. De -ondervinding heeft mij geleerd, dat zij die het hardst schreeuwen, zich -het eerst in hun lot weten te schikken. Maar hen grijpt de ellende het -meest aan die er doodsbleek uitzien, wier lippen wit worden, wier kin -beeft alsof het vroor, wier droge oogen strak in de ruimte staren. Er -was toen ook weer veel naarheid te zien en te hooren. Het meest had ik -te doen met een man, dien ik sedert lang kende. Hoeni heet hij, en hij -behoorde bij den tempel van Amon, waar hij opzichter was van hen, die -den heiligen ram moeten verplegen. Ik had hem dikwijls ontmoet, als ik -de arbeiders bewaakte, die de groote zuilenzaal moesten voltooien. Hij -was bij iedereen geacht, en vervulde onberispelijk zijn plicht. Doch -eens verzuimde hij dien. Het was juist in den nacht, gij zult het u -nog herinneren, toen de wolven in den tempel doorbraken en den ram -verscheurden en het heilige hart in de borst van den profeet Roeï werd -overgebracht. Eén moest er voor boeten, en dit trof den ongelukkigen -Hoeni, die voor zijne nalatigheid werd veroordeeld tot dwangarbeid in de -mafkat-groeven. Zijne opvolgers zullen nu wel oppassen. - -»Er was niemand die Hoeni uitgeleide deed. Toch wist ik dat hij eene -vrouw had en vele kinderen. Hij zag zoo bleek als dit doek, en was een -dergenen wien de smart het hart verteert. Ik ging naar hem toe, en vroeg -waarom de zijnen niet kwamen? Hij had in zijn huis afscheid genomen, gaf -hij mij ten antwoord, want zijne kinderen mochten hem niet zien onder -moordenaars en falsarissen. Acht onverzorgde schapen waren bij de moeder -te huis, en nog kort geleden had een brand al wat zij bezaten vernield. -Er was geen kruimel in huis, om zoovele van honger gapende monden te -voeden. Dat vertelde hij mij niet zoo geregeld, neen, het eene woord -viel hem zoo na het andere uit den mond, gelijk dadels uit een -gescheurden zak. Ik moest ze stuk voor stuk oprapen, en toen hij zag dat -ik medelijden met hem gevoelde, toen brak hij los en zeide: 'Mij kunnen -ze voor mijn part naar de goudmijnen sturen, of in stukken hakken; maar -dat mijne kinderen nu honger moeten lijden, dat.... dat!' Daarbij sloeg -hij zich tegen het voorhoofd. -- - -»Ik ging heen om Warda vaarwel te zeggen, en op weg tot haar herhaalde -ik gedurig: 'dat, dat!' Daarbij zag ik den man vóor mij en die acht -schapen van kinderen. Als ik rijk was, dacht ik, zou ik dezen helpen! Ik -kom bij mijn dochtertje, zij vertelt mij van al het geld, dat de arts -Nebsecht haar geschonken had en stelt mij voor Pentaoer te redden. Daar -komt ineens de gedachte bij mij op: het geld krijgen de kinderen van -Hoeni, en hijzelf laat zich daarvoor naar Ethiopië sleepen. Ik loop naar -de haven, spreek met den man, vind hem volgaarne bereid, geef het geld -aan de vrouw, en in den nacht bij de inscheping gelukt het mij de -verwisseling te doen plaats hebben. Pentaoer kwam bij mij op mijn schip -onder den naam van den ander, en Hoeni voer naar het zuiden onder den -naam van Pentaoer. Ik had den man niet verzwegen, dat hij niet naar -Chennoe, maar naar de goudmijnen zou worden gevoerd. Niets valt zwaarder -dan iemand te bedriegen, dien men het gemakkelijkst bedriegen kan. Dat -gebeurt dan ook zelden. Men heeft er pleizier in een sluwen of een -sterken beet te nemen, maar wie kan een kind of een zieke misleiden? -Trouwens, Hoeni zou toen vanzelf in een der vuurpotten van de hel zijn -afgedaald, zonder te klagen. Hij heeft dan ook vol goeden moed van mij -afscheid genomen. - -»Het overige, en hoe wij hierheen gekomen zijn, weet gij zelve. -- In -Syrië zult gij in dit jaargetijde veel van den regen te lijden hebben. -Ik ken het land, want ik heb vandaar vele krijgsgevangenen naar Egypte -gebracht. Ik ben daar vijf jaren geweest onder de afdeeling van den -grooten Mohar, den vader van den gids Paäker." - -Bent-Anat dankte den braven man. Hierop zetten Pentaoer en Nebsecht zijn -verhaal voort. - -»Gedurende de vaart," zeide de arts, »was ik zeer bezorgd voor Pentaoer, -want ik zag dat hij innerlijk verkwijnde. Maar in de woestijn kwam hij -weder bij, en als wij halt hielden fluisterde hij mij dikwijls schoone -liederen in het oor, die hij op marsch had gedicht." - -»Vreemd!" voegde Bent-Anat er bij. »Ook ik heb mij beter gevoeld, sedert -ik in de woestijn was." - -»Zeg ons het versje toch eens op van de beytherân-plant"[318], verzocht -Nebsecht. - - [318] De bussaran- of bederan- of beytherân-struik (Cantolina - fragrantissima Forsk) is een aromatisch kruid der woestijn, dat - in groote menigte voorkomt, zoodat het soms den bodem als thijm - bedekt. Zie Ebers, =Durch Gosen= u.s.w., S. 129, 206, 224. - Vert. - -»Kent gij dat kruid?" vroeg de dichter aan de prinses. »Het groeit hier -op vele plaatsen. -- Daar is het! Ruik maar hoe het geurt, wanneer men -den vetten stengel op de blaadjes wrijft. Mijn versje is zeer eenvoudig. -Het viel mij in, na vele andere liederen, waarvan gij de beste reeds -kent." - -»Zij prezen alle dezelfde godin," zeide Nebsecht lachend. - -»Maar uw versje?" vroeg Bent-Anat. - -De dichter sprak zacht: - - "Vaak zag ik 't needrig plantje beytherân - Rijk bloeiend in het dor woestijnzand staan; - Geen vezeltje, geen blad dat zich onthult - Of 't spreidt dien zoeten geur die 't gansch vervult, - Hoe kan in d'armen bodem der woestijn - Een plant zoo rijk aan zulke gaven zijn? - En hoe ontwaakt het lang ontslapen lied - In 't aaklig oord waar slechts de dood gebiedt?" - -»Schrijft gij aan de woestijn niet toe, wat gij aan de liefde -verschuldigd zijt?" vroeg Nefert. - -»Ik heb beiden te danken. Maar ik moet bekennen, dat de woestijn een -uitnemende arts is voor eene kranke ziel. Uit de eindelooze eentonigheid -rondom ons, trekken wij ons geheel terug in ons binnenste. De zinnen -rusten; ongestoord en zonder inwerking van buiten is het ons hier -gegeven elke gedachte tot het laatste uit te spinnen, elk gevoel na te -sporen tot in zijne fijnste ontleding. In de steden is ieder altijd maar -een deel van een groot geheel, waarvan hij afhankelijk is, waaraan -hij geeft en waarvan hij terugontvangt. De eenzame wandelaar door -de woestijn is echter geheel aan zichzelven overgelaten. Nagenoeg -afgezonderd van elken grooten kring van menschen, moet hij zich met zijn -eigen ik tevreden stellen, en daarin zoeken wat inhoud en kleur kan -geven aan zijn bestaan. Hier, waar het tegenwoordige bescheiden op den -achtergrond treedt, vindt ook de denkende geest, die zich gaarne in het -oneindige verliest, geene grenzen." - -»Ja, in de woestijn kan men goed denken," bevestigde Nebsecht. »Hier is -mij duidelijk geworden, wat ik in Egypte slechts vermoedde." - -»En dat is?" vroeg Pentaoer. - -»Vooreerst," antwoordde de arts, »dat ik en wij allen inderdaad niets -goeds weten. Vervolgens, dat de ezel de roos wel mag liefhebben, maar de -roos niet den ezel. Het derde moet ik voor mij zelven houden, want dat -is juist mijn geheim, en ofschoon het ook alle menschen aangaat, niemand -bekommert zich daarom. Ceremoniemeester, hoe komt dat toch? Gij weet -precies hoe diep de menschen zich naar hun stand voor de prinses -te buigen hebben, en gij vermoedt niet hoe zoo'n ruggegraat is -samengesteld!" - -»Wat zou mij dat ook geven?" antwoordde de andere met eene wedervraag. -»Ik heb alleen op het uitwendige te letten, terwijl gij zeker dag en -nacht het inwendige beschouwt. Anders zou uw haar wel gladder en uw -kleed minder morsig zijn." - - * * * * * - -Het reisgezelschap kwam zonder buitengewone wederwaardigheden bij de -oude stad der Chetieten, Hebron, nam daar afscheid van Abocharabos en de -zijnen, en trok nu verder naar het noorden, onder het zeker geleide van -Egyptische troepen. - -Hier nam Pentaoer van de prinses afscheid, en Bent-Anat zeide hem zonder -eene klacht vaarwel. Warda's vader, die in den dienst van den ouderen -Mohar alle wegen en paden in Syrië nauwkeurig had leeren kennen, -begeleidde den dichter, terwijl de arts Nebsecht bij de vrouwen -terugbleef. Hun goed gesternte scheen met het vertrek van Pentaoer te -zijn ondergegaan, want in het Samaritaansch gebergte vielen hevige -regens, die de wegen bijna onbruikbaar maakten, de tenten doornat deden -worden en hen dikwijls dwongen tot een minder wenschelijk oponthoud. In -Megiddo[319] werden zij door den bevelhebber der Egyptische bezetting -met hooge eer ontvangen, en zij waren gedwongen hier langer te -vertoeven, want Nefert, die met bijzonderen ijver tot spoed had -aangedrongen, was ziek geworden, en de arts Nebsecht moest haar -verbieden in dit jaargetijde verder te reizen. - - [319] Egyptisch Maketha. Eene stad in Palestina, die - herhaaldelijk op de monumenten voorkomt. Zij had reeds lang - voor hare vernieuwing door Salomo (I Koningen IX, 15) eene - belangrijke strategische beteekenis. De groote veroveraars onder - de 18e dynastie (16e eeuw v. Chr.) moesten haar reeds belegeren - en innemen. - -Warda werd bleek en stiller. Bent-Anat zag met bezorgdheid van dag tot -dag het teeder rood van de wangen van hare schoone lieveling verdwijnen; -wanneer zij echter vroeg wat er aan scheelde, kreeg zij een ontwijkend -antwoord. Het meisje had geene enkele maal in tegenwoordigheid der -prinses Rameri's naam genoemd, en ook haar kleinood niet getoond. Zij -toch meende dat alles wat er tusschen haar en den prins was voorgevallen -een geheim was, dat haar niet alleen toebehoorde. Er was ook nog iets -anders dat haar den mond sloot. Zij was met hartstochtelijke liefde aan -Bent-Anat gehecht, en zij beeldde zich in dat de prinses, als zij haar -alles vertelde, haar broeder zou berispen of ten minste om hare neiging -lachen zou als over een kinderspel. Als dat eens gebeurde, begreep zij -de zuster van Rameri niet langer te kunnen lief hebben. - -Reeds bij het eerste grensstation was een bode te paard naar het leger -des konings gezonden, met de vraag welken weg de prinses en haar geleide -van Megiddo zouden moeten inslaan. Deze keerde nu met een korten en -beslissenden, maar teederen brief terug, door den pharao met eigene -hand geschreven, waarin hij zijne dochter beval Megiddo, de veilige -voorraadschuur van het leger, de goed versterkte plaats, die door een -groot garnizoen werd verdedigd en de toegangen tot het noorden en midden -van Palestina van de zeezijde beheerschte, niet te verlaten. Meer dan -een veldslag, schreef hij, zou er thans moeten geleverd worden, en zij -wist dat de Egyptenaars hunne vrouwen en dochters van krijgstochten -uitsloten, om haar des te zekerder te bewaren voor den vrede, als het -heerlijkst loon na den zege. - -Terwijl de vrouwen te Megiddo toefden, trok Pentaoer met Kaschta en eene -kleine bereden bende, die de bevelhebber van Hebron hem had medegegeven, -verder naar het noorden. Hijzelf zat deftig te paard, hoewel het op -deze reis de eerste keer was dat hij er een besteeg. Het was alsof -de rijkunst hem was aangeboren. Zoodra hij van de andere ruiters de -handgrepen had afgezien, en hij zich vertrouwd had gemaakt met de natuur -van het paard, was het zijn hoogste genot een vurig ros te temmen en te -berijden. Hij had zijn priesterkleed in Egypte gelaten. Hier droeg hij -een wapenrok, een zwaard en een strijdbijl, als een volmaakt krijgsman, -en de volle baard, die zich gedurende zijne gevangenschap had -ontwikkeld, hing nu neder op zijne borst. - -Warda's vader zag hem dikwijls verwonderd aan en zeide dan: »Men zou -haast denken dat de Osiris geworden Mohar, met wien ik meer dan eens -langs dezen weg ben getrokken, uit de dooden is opgestaan. Evenals gij -zag hij er uit en sprak hij, evenzoo riep hij de manschappen toe, zóo -zat hij te paard en hield hij de teugels, als de weg al te slecht was -voor zijn wagen"[320]. - - [320] De Mohars bedienden zich op reis van wagens. Dit blijkt - duidelijk uit den papyrus-Anastasi I, waarin de bezwaren - levendig geschilderd worden, die het beroep van een door Syrië - reizenden Mohar medebrachten. - -Geen van alle lieden, die Pentaoer onder zijn bevel had, was hem meer -dan een huurling, behalve de roodbaard. Daarom reed hij den trein het -liefst vooruit, altijd denkende aan hetgeen achter hem lag, zelden aan -hetgeen hem wachtte, en in den regel alles, wat zich op den weg aan hem -voordeed, met een geopend oog waarnemende. - -Weldra had hij den Libanon bereikt. Tusschen dit gebergte en den -Antilibanon voert een weg door Coele-Sirië[321]. Hij verblijdde zich met -eigene oogen de met heldere sneeuw bedekte, wijd en zijd in den omtrek -schitterende bergtoppen te zien, waarvan de krijgslieden zoo gaarne -vertelden. Het land tusschen beide hooge bergketenen was vruchtbaar en -rijk gezegend. Ruischende stortbeken en wilde stroomen spoedden zich van -beide berghellingen naar het dal. Pentaoer kwam langs dezen weg vele -dorpen en steden voorbij, maar de meesten hadden door den krijg geleden. -De trekossen der boeren, de kudden der herders waren weggedreven, en -wanneer een wijngaardenier, die zijn wijnstok opbond, den naderenden -hoefslag vernam, dan vluchtte hij in de bergkloven en bosschen. - - [321] Koile Syria, het holle Syrië. Vert. - -Overal vertoonden zich de sporen van ploeg en spade, maar thans lagen -de meeste velden braak, want de jongere boeren stonden onder de wapenen. -Tuinen en weiden waren door de soldaten vertreden, huizen en hutten -uitgeplunderd, vernield of verbrand. Alles droeg de sporen van den -verwoestenden krijg, alleen de eiken- en cederwouden verhieven zich -trotsch en ongedeerd langs de hellingen der bergen. Men zag er geheele -bosschen van platanen en Sint-Jansbrood-boomen, en in de engten en -spleten van het weinig ontwikkelde kalkgebergte, dat het vruchtbare -laagland begrensde, wies altijd groenend struikgewas. - -In dit jaargetijde was er geen gebrek aan water en zag alles er even -frisch en saprijk uit. Pentaoer vergeleek dit land daarom met Egypte, -en merkte op hoe hier andere krachten werkzaam waren, die dezelfde -uitwerkingen hadden. Hij dacht aan den morgen op den Sinaï, en zeide -weder tot zichzelven: »Hier werken andere dan onze goden, en de oude -meesters hadden geen onrecht, die de vreemdelingen voor goddeloozen -scholden, en de oningewijden, voor wie het geheim van den Eenen -verborgen bleef, waarschuwden, om toch het vaderland niet te verlaten." - -Hoe meer hij de legerplaats des konings naderde, des te levendiger hield -hij zich in zijne verbeelding met Bent-Anat bezig, des te sneller sloeg -van tijd tot tijd zijn hart, wanneer hij dacht aan de ure, waarop -hij den koning zou ontmoeten. Over het geheel was hij vol blijmoedig -vertrouwen, dat hijzelf dwaas moest noemen, maar waartegen hij niet in -staat was zich te verzetten. - -Ameni had hem dikwijls berispt over zijne al te groote bescheidenheid -en zijn gebrek aan eerzucht, wanneer hij zich gaarne bij anderen -achterstelde. Dat herinnerde hij zich nu, en hij moest er om lachen. -Want hij begreep zichzelven hoe langer hoe minder. Niettegenstaande hij -zich honderdmaal herhaalde, dat hij van lage afkomst was, een arme en -verbannen priester, toch kon hij de overtuiging maar niet onderdrukken, -dat hij zeker recht bezat om Bent-Anat tot zijne vrouw te vragen. - -En wanneer nu de koning hem eens zijne dochter weigerde, en hem deze -stoutmoedigheid met zijn leven liet betalen? -- Maar hij wist dat hij -onder den moordbijl geen wenkbrauw zou vertrekken; dat hij zelfs -gelukkig zou sterven. Want wat Bent-Anat hem geschonken had, dat bezat -hij; dat kon geen god hem ontnemen. - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - - -Pentaoer had zich met zijne ruiters enkele malen te verdedigen tegen -vijandige bergbewoners, die plotseling uit de wouden te voorschijn -kwamen en hen op het lijf vielen. Toen zij nog maar een paar dagreizen -van hun doel verwijderd waren, geraakten zij in een bloedigen kamp met -eene bende vijandelijke stroopers, die tot eene grootere legerafdeeling -scheen te behooren. - -Kaschta, die toonde dat hij hoe langer hoe meer met alle wegen bekend -was, naarmate men dichter bij Kadesch[322] kwam, ging op verkenning uit. -Hij keerde niet zonder bezorgdheid terug, daar hij groote scharen van -Cheta had gezien op den weg, dien zij moesten doortrekken. - - [322] De hoofdstad van den koning der Cheta, dat is van de - Arameërs, om wie zich het verbond van alle volken van westelijk - Azië geschaard had. Er waren meer plaatsen, die den naam van - Kadesch droegen. Al heeft het Kadesch, dat de legers van Thotmes - III dikwijls tegenhield, ook zuidelijker gelegen, zoo lag toch - de Chetiten-stad Kadesch, waarbij Ramses II zulk een zwaren - strijd te strijden had, in elk geval aan den Orontes. Want de in - twee armen verdeelde stroom, die deze vesting bespoelt, bijv. - op het tafereel, waarin zij voorkomt op een der pylonen van - het Ramsesseum, heet Aroentha. Ook in het zoogenaamde epos van - Pentaoer wordt gezegd, dat de grootste slag bij Kadesch aan - den oever van den Orontes geleverd is. De naam der stad bleef - behouden, en wel in het meer dat drie uren ten noorden van - Riblat is gelegen. - -Hoe kwamen die vijanden hier in den rug van de Egyptische hoofdmacht? -Zou Ramses een nederlaag hebben geleden? Gisteren hadden zij nog -Egyptische soldaten ontmoet, die hun mededeelden, dat de koning in -zijn legerplaats was en zich voorbereidde tot een grooten slag. Deze -beslissende slag kon toch sedert nog niet geleverd zijn, en geen enkel -vluchteling van het Egyptische leger was hun te gemoet gekomen. - -»Als wij nog maar twee uren door kunnen rijden, zonder aangevallen te -worden," zeide Warda's vader, »dan weet ik wel raad. Daar ginds is eene -bergkloof, en vandaar uit liep vroeger een pad over hoogten en laagten -naar de vlakte van Kadesch. Niemand kende dat pad, behalve de Mohar en -zijne meest vertrouwde dienaars. Halverwege ligt een verborgen hol, -waarin wij ons menigmaal dagen lang ophielden. De Cheta geloofden, dat -mijn heer tooverkracht bezat en zich onzichtbaar kon maken, want wanneer -zij op de loer lagen bij onze tochten langs dezen weg, waren wij -plotseling verdwenen, zeker niet in de wolken, maar in het hol, dat de -Mohar zijn Toeat[323] noemde. Ziet gij niet tegen het klimmen op, en -wilt gij u getroosten eenige uren het paard aan den teugel achter u te -leiden, dan wijs ik u den weg, en kunnen wij morgen avond in het leger -zijn." - - [323] De diepte. De onderwereld der Egyptenaren. - -Pentaoer liet nu den roodbaard den trein vooruit rijden. Zonder op -vijanden te stuiten, kwamen zij aan den kloof tusschen de bergen, -waardoor eene diepe beek zich in het dal stortte. Kaschta sprong van -zijn paard, en die hem volgden deden desgelijks. Nadat de paarden in het -water waren getrokken, wischte hij zorgvuldig het spoor der hoeven uit -tot aan den heerweg. Vervolgens ging het een halfuur stijgende tegen het -water in. Eindelijk bleef hij voor een dicht oleander-boschje staan, -zocht nauwkeurig naar het pad en baande zich gemakkelijk een weg door -het geboomte, toen hij het gevonden had. Zij die hem vergezelden en -vooral de paarden, die met inspanning moesten klauteren, volgden hem -niet zonder moeite. - -Zij kwamen vervolgens in een woud van hemelhooge ceders. Nu eens moesten -zij tusschen rotsblokken doorworstelen, dan weder bestond het pad enkel -uit gladde rolsteenen, die aan de hoeven der paarden geringen weerstand -boden. Het ging berg op, berg af. Soms moesten zij door dicht -struikgewas heen, of kleine beken over, die door den winterregen zeer -gezwollen waren. De weg werd hoe langer hoe moeielijker, want het -begon donker te worden. Wolken bedekten den hemel en er vielen zware -regendruppels. - -»Spoedt u mannen, en blijft dicht bij mij!" zeide Kaschta. »Nog een -half uur, en dan zijn wij op het droge, als ik ten minste het pad niet -bijster raak." - -Daar viel een paard neer. De ruiter die er bij liep richtte het met -moeite op. Het begon harder te regenen, de nacht werd donkerder, en de -roodbaard bleef meer dan eens staan, om met de handen het pad te zoeken. -Tweemaal meende hij het verloren te hebben, maar hij gaf zich geen -rust, voordat hij het oude spoor weder ontdekt had. Eindelijk bleef hij -staan en riep Pentaoer bij zich. - -»Hier moet het hol zijn," zeide hij. »Houdt u vlak achter mij. -- Het is -mogelijk dat wij hier lieden vinden van den gids Paäker. Toen zijn vader -leefde, was hier altijd spijsvoorraad en een vuurboor. -- Ziet gij mij? -Houd u aan mijn kleed vast en buk, tot ik u toeroep dat gij u weder kunt -oprichten. Houd ook uw bijl gereed. 't Zou kunnen zijn dat zich thans -Cheta of roofdieren hier genesteld hadden. -- Mannen, wacht hier op ons! -Zoo aanstonds roepen wij u, om mede binnen te komen." - -Pentaoer drong achter zijn gids door de natte struiken voort, kroop met -hem door een lagen gang, en bleef eindelijk met hem op een rotsplateau -staan. - -»Wees toch voorzichtig," zeide Kaschta, »houd linksaf; aan de -rechterzijde is een diepe afgrond. -- Ik riek rook. -- De hand aan de -bijl! Er moeten menschen in het hol zijn. Wacht een oogenblik! Ik zal -ook de manschappen hierheen brengen." - -De roodbaard ging terug, en Pentaoer luisterde in de richting, uit welke -de rook tot hem scheen te komen. Hij meende nu eene smalle lichtstreep -te bespeuren; duidelijk hoorde hij ook eerst klagen, daarna schelden. Al -tastende ging hij een weinig vooruit, terwijl hij zich aan den rotswand -hield, die zich aan zijne linkerzijde verhief. Het licht werd al -helderder en scheen wel door de spleet van eene deur te komen. - -De soldaat was weder bij Pentaoer gekomen. Beiden luisterden en de -laatste fluisterde zijn gids in het oor: »Zij spreken Egyptisch; ik heb -enkele woorden verstaan." - -»Des te beter," antwoordde de soldaat. »Paäker of zijne lieden zullen -dan daarbinnen zijn. De deur is er nog, maar zij is gesloten. -Wanneer men met vier harde en drie zachte slagen aanklopt, zal men -opendoen. -- Kunt gij wat verstaan?" - -»Een smeekt, dat men hem bevrijden zal," antwoordde Pentaoer, »en -scheldt daarbij op een verrader. De ander heeft eene ruwe stem, en zegt -dat hij zijn meester gehoorzamen moet. Nu kermt hij, die zooeven sprak, -hoort gij wel? Thans bezweert hij den ander bij de ziel zijns vaders, -zijn boeien los te maken. Hoe vertwijfelend klinkt zijne stem. -- Klop -aan, Kaschta, ik geloof dat wij juist ter rechter tijd komen! Klop aan, -zeg ik u!" - -De roodbaard klopte eerst vier maal en daarna driemaal. Uit het hol -klonk een kreet. Men hoorde hoe een zware verroeste grendel werd -teruggeschoven. De ruw getimmerde deur ging open, en eene rauwe stem -vroeg: »Zijt gij het, Paäker?" - -»Neen," antwoordde de roodbaard. »Ik ben Kaschta. Kent ge mij niet meer, -Noebi?" - -De man die alzoo werd aangesproken, de ons bekende Ethiopische slaaf van -den gids, ging achteruit en vroeg: »Leeft gij nog? Wat brengt gij?" - -»Deze man zal het u zeggen," antwoordde Kaschta, en ging achteruit, om -Pentaoer vooruit te laten komen. - -De dichter trad op den zwarte toe. Het licht van het vuur, dat in het -hol brandde, scheen hem met vollen gloed in het aangezicht. De oude -slaaf staarde hem aan, en week onder allerlei teekenen van ontzetting -terug. Hij wierp zich ter aarde, huilde luid als een hond, wien zijn -booze meester een schop tegen het lijf geeft en riep uit: »Hij heeft het -bevolen, geest van den Mohar, hij heeft het bevolen!" - -Pentaoer stond als aan den grond genageld, en was niet in staat een -woord te spreken. Want van het vuur kroop een jongeling, aan handen en -voeten gebonden, naar hem toe, en riep met diep ontzag, maar toch met -eene teederheid, die den dichter diep ontroerde: »Red mij, ziel van den -Mohar, red mij, vader!" - -Toen verhief de dichter zijne stem en zeide: »Ik ben geen geest van den -afgestorvene, maar de priester Pentaoer. En ik herken u, jongeling! -Gij zijt Horus, Paäkers broeder, die met mij in het Seti-huis werd -opgevoed." - -De gevangene naderde hem bevende, zag hem scherp aan en riep: "Wie -gij ook zijn moogt, gij gelijkt mijn vader in gedaante en stem. Maak -mijne banden los en red mij, want een schrikkelijk, een ongehoord en -vloekwaardig verraad bedreigt ons, den koning en allen." - -Pentaoer trok zijn zwaard en sneed de lederen riemen los, waarmede de -handen en de voeten van den jongeling waren omwonden. - -Wederom vrij ademhalende, en de goden overluid dankende, rekte de -verloste zijne bevrijde ledematen, en zeide: »Als gij Egypte liefhebt en -den koning zijt toegedaan, volg mij dan. Misschien is het nog tijd het -vreeselijk plan te verhinderen, het verraad te verijdelen." - -»De nacht is duister," zeide de soldaat, »en de weg naar het dal -gevaarlijk." - -»Al moest het ons het leven kosten, gij moet mij volgen!" riep de -jongeling, greep Pentaoers hand, en nam hem mede naar buiten. - -De Ethiopische slaaf trachtte, nu hij overtuigd was dat Pentaoer niet -de geest van zijn gestorven meester was, maar de priester van het -Seti-huis, dien hij voor de hut van den Paraschiet had zien worstelen, -langs Paäkers broeder heen te sluipen. Doch Horus bemerkte het, greep -hem in zijn wollig haar en hield hem vast. - -De slaaf begon weder luid te huilen en riep klagend: »Als gij ontkomt, -zal Paäker mij dooden! Dat heeft hij gezworen." - -»Wacht!" riep de jongeling. Hij sleepte den slaaf met zich voort, wierp -hem in het hol terug en sloot de deur met een zwaren balk, die voor dit -doel op den grond lag. - -Nadat de manschappen den lagen rotsgang weder doorgekropen en buiten -gekomen waren, woei een hevige wind hun in het aangezicht. »Zie hoe de -wolken jagen," zeide Horus, »weldra zal een storm ze verstrooien. -- -Laat nu paarden brengen, Pentaoer, want wij hebben geen oogenblik te -verliezen." - -De dichter beval Kaschta, dat hij de manschappen zou doen opbreken, maar -deze zeide: »De ruiters zoowel als de paarden zijn uitgeput, en in de -duisternis kan men slechts langzaam vooruitkomen. Geef éen uur rust, -voor de paarden om gevoerd te worden en voor de mannen om zich wat te -versterken en te warmen. Tegen dien tijd gaat ook de maan op, en met -frissche beesten halen wij op een helderen weg het verlorene driedubbel -in." - -»De man heeft gelijk," zeide Horus, en voerde Kaschta naar een hol, -waarin gerst en dadels voor de paarden, en eenige zakken vol wijn werden -bewaard. - -Weldra brandde er een helder vuur, en terwijl eenige lieden voor de -paarden zorgden en anderen een warm maal kookten, liepen Horus en -Pentaoer ongeduldig op en neder. - -»Waart gij sedert lang gebonden, toen wij kwamen?" vroeg de dichter. - -»Gisteren is mijn broeder mij op het lijf gevallen," antwoordde Horus. -»Hij is ons onbereikbaar ver vooruit. Wanneer hij zich naar de Cheta -begeeft, en wij niet vóor het aanbreken van den dag in het Egyptische -leger komen, dan is alles verloren." - -»Denkt Paäker werkelijk aan verraad?" - -»Aan verraad, zwart verraad!" riep de jongeling. »O mijn Osirische -vader." - -»Vertrouw mij," zeide Pentaoer, bijna op smeekenden toon, terwijl hij -den jongeling naderde, die bitter klagende, zijn aangezicht met de -handen bedekte. »Wat voert Paäker toch in het schild? Hoe is uw broeder -uw vijand geworden?" - -»Hij is de oudste van ons beiden," zeide Horus met bevende stem. »Toen -onze vader stierf, was ik eerst sedert kort uit het Seti-huis ontslagen. -Met zijne laatste woorden vermaande hij mij dat ik Paäker als hoofd van -ons huis zou eerbiedigen. Hij is heerschzuchtig en ruw. Hij kan niet -dulden dat een ander een wil heeft, die van den zijnen verschilt. Ik -verdroeg alles en was hem gehoorzaam, dikwijls tegen mijne betere -overtuiging. Twee jaren bleef ik bij hem; toen ging ik naar Thebe en -nam daar eene vrouw, die nu met mijn kind bij mijne moeder woont. Voor -zestien maanden ben ik naar Syrië teruggekeerd, en wij trokken weder te -zamen door het land. Maar nu kon ik niet langer een gedwee werktuig zijn -van mijn broeder, want ik was trotscher geworden. De vader van mijn -kind, dacht ik, mag geen knecht zijn, ook niet van zijn broeder. -Wij doorleefden te zamen kwade uren. Maar het leven werd mij bijna -ondragelijk, toen Paäker, na geruimen tijd in Thebe te hebben -doorgebracht, voor acht weken terugkeerde, prikkelbaarder en wilder dan -ooit te voren. Hij werd te meer verbitterd, toen de koning hem te kennen -gaf, dat mijne berichten hem beter bevielen dan de zijne. Van mijne -kindsheid ben ik teergevoelig geweest. Zij zeiden allen dat ik mijne -moeder geleek. Maar wat Paäker mij lijden liet met woord en daad, dat -is... dat vermag..." - -De stem begaf den spreker, en Pentaoer gevoelde hoe diep hij leed, toen -hij voortging: »Wat mijn broeder in Egypte overkomen is, weet ik niet. -Hij is zeer gesloten en schijnt, noch onder vreugde, noch onder smart, -behoefte aan deelneming te gevoelen. Maar uit los daarheen geworpen -woorden, kwam ik te weten, dat hij niet slechts den wagenmenner Mena, -die hem onrecht gedaan moet hebben, doodelijk haat, maar dat hij ook -verbolgen is op den koning. Ik meende hem te moeten waarschuwen, doch -maar eens; want als men hem weerstreeft, kent zijn toorn geen grenzen. -En hij is toch mijn oudste broeder. - -»Sedert eenige dagen wordt in het leger een beslissende slag voorbereid, -en wij werden gelast de sterkte en de positie van het vijandelijke leger -te verkennen. De koning had mij, niet hem opgedragen het bericht op te -stellen. Gisteren vroeg was ik met mijn rapport en de teekening gereed. -Toen zeide mijn broeder, dat hij een en ander naar het leger zou -brengen, terwijl ik hier moest wachten. Ik weigerde dit, daar de koning -niet van hem maar van mij het rapport had verlangd. Hierop begon hij te -razen als een waanzinnige, wierp mij voor de voeten, dat ik mij zijne -afwezigheid ten nutte had gemaakt, om mij in des konings gunst te -dringen, en eischte gehoorzaamheid als hoofd van onzen stam en in naam -van onzen vader. - -»Ik zat besluiteloos neder, toen hij het hol verliet om de paarden op -te halen. Daar viel mijn oog op eenige zaken, die de oude Ethiopiër van -mijn vader bij elkander bond, om er het lastpaard mede te beladen. Er -was eene schriftrol bij, die ik voor de mijne hield. Ik zag haar in, -maar -- wat moest ik vinden! Met levensgevaar had ik tot het midden in -de legerplaats der Cheta weten door te sluipen en bevonden, dat zij de -kern van hun leger samentrokken in een door bergen gedekt dwarsdal van -den Orontes, ten noord-oosten van Kadesch; doch in de rol stond, met -Paäker's eigene hand geschreven, dat dit dal vrij was, en de weg er door -heen breed en zeer geschikt voor 's konings strijdwagens. Ook andere -opgaven waren vervalscht, en toen ik verder zijne zaken doorsnuffelde, -vond ik tusschen pijlen in zijn koker, waarop de woorden 'Dood aan -Mena!' te lezen stonden, een ander rolletje. Ik grijp het er uit en ik -verstijfde, toen ik zag aan wien het gericht was." - -»Aan den koning der Cheta?" vroeg Pentaoer ontroerd. - -»Aan den overste van zijne dienaars, Titoere"[324], ging Horus voort. -»Beide rollen hield ik in mijne hand, toen Paäker het hol weder -binnenkwam. Verrader! riep ik hem toe. Doch hij wierp mij snel en handig -den strik, waarmede hij de paarden had opgevangen, om den hals, en toen -ik half verwurgd ineenzeeg, bond hij mij met hulp van den zwarte, die -hem gehoorzaamt als een hond. Hij liet den slaaf achter om mij te -bewaken, stak de rollen bij zich en vlood heen. -- Maar zie, daar -vertoonen zich de sterren en weldra zal de maan opgaan." - - [324] Hij wordt, op de afbeeldingen van den slag op pylonen van - het Ramesseum, onder de Cheta genoemd. - -»Op, mannen!" riep Pentaoer. »De drie beste paarden voor Horus, mij en -Kaschta! Gij overigen blijft hier achter!" - -Toen de roodbaard de rossen voorbracht, kwam de maan juist achter de -wolken te voorschijn, en een uur later bereikte het drietal de vlakte. -Hier sprongen zij op hunne rossen en joegen in gestrekten galop naar -het meer van Kadesch, dat zij bij het opgaan der zon reeds in de verte -grauwachtig zagen schemeren. Al nader en nader komende, bemerkten zij -aan den boomloozen westelijken oever zwarte massa's, die zich heen en -weer bewogen. Stofwolken verhieven zich en bliksemende lichtstralen -schoten op, alsof een spiegel het zonneschijnsel weerkaatste. - -»De slag heeft reeds een aanvang genomen," riep Horus, en wierp zich -hijgend over den hals van zijn paard. - -»Maar alles is nog niet verloren," zeide de dichter, en zette zijn paard -aan, opdat het dier zijne uiterste krachten mocht inspannen. De andere -twee volgden hem, maar eerst zeeg Kaschta's paard van vermoeienis neer, -daarna ook dat van Horus. - -»Van den linkervleugel kan nog redding komen," riep Paäker's broeder. -»Ik weet waar die te vinden is en loop er te voet heen. Gij zult den -koning gemakkelijk vinden, wanneer gij den stroom volgt tot aan de -steenen brug. In het dwarsdal, duizend schreden verder, ten noordwesten -van de vesting, zal het leger uit hinderlagen overvallen worden. -Tracht er door te komen en Ramses te waarschuwen. Het wachtwoord der -Egyptenaars is de naam van Ramses' lievelingsdochter, Bent-Anat. Maar -al hadt gij ook adelaarswieken en kwaamt gij nog ter rechter tijd bij -hem, zij zullen hem toch overweldigen, wanneer het niet gelukt met den -linkervleugel den vijand in den rug te vallen." - -Pentaoer joeg weder voort, maar eerlang bezweek ook zijn paard. Toen -begon hij uit al zijn macht te loopen, steeds het wachtwoord 'Bent-Anat' -roepende, waarvan het geluid zijne kracht scheen te verdubbelen, tot -hem een vijandelijke bode te paard tegenkwam. Hij sloeg den man er af, -sprong in zijne plaats op het paard en vloog naar de kampplaats, alsof -hij ter bruiloft ging. - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - - -Terwijl onze vrienden dit nachtelijk avontuur hadden, was alles in de -koninklijke legerplaats druk in de weer. Vóor zonsopgang zouden de -troepen opmarcheeren tot den veldslag, die reeds zoo lang was -voorbereid. - -Paäker had den koning met eigene hand zijn verkenningsrapport -overhandigd. Nadat er krijgsraad was gehouden, werd aan elke -troepenafdeeling voorgeschreven, in welke richting zij het eerst moest -optrekken. - -Het korps, dat den naam droeg van den zonnegod Ra, rukte uit het zuiden -op over Schabatoen[325], ten einde de oostzijde van het meer om te -trekken en den vijand in de flank te vallen. Het korps van Seth, waartoe -de soldaten uit Neder-Egypte behoorden, was uit Arnam aangekomen en zou -het centrum uitmaken. De koning zelf was voornemens met de keurbende -der wagenstrijders het dal te volgen, dat zich met de Orontes-vlakte -vereenigde en, volgens de opgave van den gids, breed en goed te berijden -was. Terwijl de troepen den vijand bezighielden, kon hij den Orontes op -eene doorwaadbare plaats overschrijden, en de vesting Kadesch aan de -noordwest-zijde van achteren aanvallen. Het korps van Amon, met de -Ethiopische hulptroepen, zou hem dan als achterhoede volgen langs een -anderen weg, die volgens de verraderlijke opgaven van den Mohar zich met -zijne operatie-linie verbond. Het korps van Ptah eindelijk hield zich -als reserve bij den linkervleugel. - - [325] Bij de beschrijving van den slag van Kadesch hebben wij - ons in het algemeen gehouden aan het epos van Pentaoer, het - nationale heldendicht der Egyptenaars. Aan het slot wordt de - schrijver Pentaoer als de vervaardiger genoemd. Het werd zoo - hoog gewaardeerd, dat men het te Loeqsor tweemaal en te Karnak - eens in steen beitelde. Op papyrussen komt het meermalen voor, - zooals op den papyrus-Sallier III en den papyrus Raifet, waarvan - helaas! slechts fragmenten in de "salle historique" van het - Louvre bewaard worden. De groote katastrophe, namelijk de - redding van den verlaten koning uit de handen van de duizenden, - wordt met de woorden van het epos ook op het Ramesseum (Thebe) - en te Aboe Simbel (Nubië) herhaald. De beste vertaling van het - heldendicht, gevolgd naar den meesterlijk herstelden tekst, - hebben wij te danken aan den grooten, te vroeg gestorven - Franschen Egyptoloog E. de Rougé. Men vindt haar in =Recueil de - travaux relatifs à la philologie et à l'archéologie Egyptiennes - et Assyriennes=. Fasc. I. 1870. - - Dr. W. Pleyte gaf in het =Theologisch tijdschrift= van 1869 - eene Nederlandsche vertaling met toelichting en kaart. Vert. - -De soldaten hadden zich niet als gewoonlijk te slapen gelegd. -Wachtpatrouilles van zwaar gewapenden, met een schild van -halvemans-hoogte in de eene, een slagzwaard of een spits dolkzwaard in -de andere hand, bewaakten het leger[326], waar, om talrijke vuren, de -rustende krijgers in kringen gezeten waren. Hier ging de wijnzak van -mond tot mond; dáar braadde men vleesch aan houten spitten; elders werd -reeds het lot geworpen over den nog te behalen buit, of mora gespeeld. -Daarbij ging het levendig toe, en de legerwachten moesten gedurig -soldaten, die ernstig handgemeen raakten, uit elkander halen. - - [326] Voorstellingen van Ramses' legerplaats zijn bewaard - gebleven op de pylonen van den tempel van Loeqsor en het - Ramesseum. - -In de nabijheid van de omheiningen, waarbinnen de paarden stonden, waren -de smeden bezig, want er moesten nog hoeven beslagen en lanspunten -gescherpt worden. Ook de dienstknechten van de wagenstrijders hadden nog -volop werk. Want vele strijdwagens waren over de bergen gekomen; men had -ze uit elkander moeten nemen en in stukken op de ruggen der paarden en -ezels moeten laden[327]. Thans zette men de lichte voertuigen weder in -elkaar en smeerde de raderen. - - [327] Op de afbeelding van het kamp van Ramses II in het - Ramesseum vindt men zoowel de onderdeelen van wagens als - lastezels. - -In het oostelijke gedeelte van het legerkamp waren, in de nabijheid -van een baldechijn, waaronder de standaarden bewaard werden, talrijke -priesters werkzaam. Zij zegenden de krijgers, slachtten offers en zongen -hymnen. Vaak werden hunne vrome liederen echter overstemd door het luid -gejoel van spelers en drinkers, door den hamerslag of het hevig gebalk -der ezelhengsten en het gehinnik der paarden. Somwijlen liet zich ook -het luid gebrul hooren van de getemde leeuwen des konings[328], die hem -in den slag altijd volgden en heden niet gevoederd werden, om hunne -woede te prikkelen. - - [328] Diodorus I, 47, en verschillende voorstellingen van den - ten strijd optrekkenden koning. - -Midden in het leger stonden de tenten van den pharao, omgeven door die -van de garden en wagenstrijders. De hulptroepen van elk volk waren -bij elkander gelegerd en tusschen hen lag telkens een legioen zwaar -gewapende Egyptische soldaten en boogschutters. Hier zag men zwarte -Ethiopiërs met hunne verwarde haren, waaruit enkele vederen opstaken. -Daar waren de schoon en regelmatig gebouwde »zonen des zands", uit -de Arabische woestijn, die Egypte van de Schelfzee scheidde, bezig -krijgsdansen uit te voeren, de heupen krampachtig schuddende en hunne -lansen zwaaiende. Ginds lagen de blanke Sarders met hunne metalen helmen -en groote zwaarden. Elders kon men de helderkleurige Libyërs opmerken, -kenbaar bovendien door hunne getatoeëerde armen en de struisvederen op -den schedel; alsmede spitsbaardige bruine Arabieren, allen bij hunne -paarden, strijdende deels met lansen, deels met pijl en boog, thans -biddende tot de sterrengeesten. Even verschillend als deze hulptroepen -er uitwendig uitzagen, was ook de klank hunner taal, doch allen -gehoorzaamden het commando van Ramses. - -Betrad men het terrein waar de koninklijke tenten waren opgeslagen, dan -kon men in het midden een licht gebouwd tempeltje zien, met de beelden -van de goden van Thebe en die van 's vorsten voorvaderen. Men kon thans -reeds van buiten den wierookgeur opvangen, want alle priesters waren -verplicht, aan den avond vóor een veldslag totdat hij beslist was, te -offeren aan Amon, den koning der goden, aan de overwinning-gevende godin -van het zuiden Necheb, en aan den krijgsgod Menth. Naast de tent waar -de pharao sliep, stond het afgesloten perk zijner leeuwen. Vóor de tent -waarin de krijgsraad vergaderde, waren hooge masten met vanen opgericht. -Binnen de wijde ruimte van deze laatste was het nu stil, maar des te -levendiger ging het toe in de keukententen en de daarmede verbondene -wijnmagazijnen. - -De tent die de groote, langwerpig rechthoekige oppervlakte bedekte, waar -Ramses gewoonlijk met de zijnen spijsde, was boven alle andere thans -helder verlicht. Zij was van alle zijden omgeven door bontkleurige -lampen. Sardische, Libysche en Egyptische lijfwachten bewaakten de -ingangen met uitgetogen zwaarden, en schenen zóo doordrongen te zijn van -het gewicht hunner taak, dat zij zelfs geen acht gaven op de schotels -en kannen, die de dienaars van den pharao, uitsluitend zonen van de -voornaamste familiën, voor de deuren van de tent in ontvangst namen -van keuken- en magazijnbeambten. Het schuine dak en de wanden van deze -pronkzaal, die in korten tijd moest kunnen opgebouwd en afgebroken -worden, bestond uit sterk en ondoordringbaar purperkleurig tapijtwerk, -dat te Memphis geweven en door Phoeniciërs in Tanis geverfd was. -Kunstenaars van Saïs hadden in deze kostbare stof ontelbare malen met -zilverdraad de gier van Necheb, het symbool der overwinning, gestikt. -Het cederhout der pijlers waarop de tent rustte, was met goud beslagen, -en de koorden, die het lichte bouwwerk aan den grond bevestigden, waren -uit dun zilverdraad en zijde gevlochten[329]. - - [329] De zijde was ten minste in den tijd der Ptolemaeën aan de - Egyptenaars bekend. De voor de Lagiden op het eiland Kos geweven - doorzichtige bombyxstoffen waren vooral beroemd. Onder de - Grieken is Aristoteles de eerste, die van zijde gewag maakt - (Histor. anim. V, 17). Over de geschiedenis van de zijde kan - men veel leerrijks te weten komen uit het werk van Pariset, - =Histoire de la Soie=, 1862. - -In deze tent nu waren meer dan honderd mannen gezeten aan een -nachtelijken maaltijd. Zij hadden aan vier tafels plaats genomen. Aan -drie van deze zaten, op lichte tabouretten, de aanvoerders van het -leger, de voornaamste priesters en de koninklijke raadslieden. Aan de -ver van de andere verwijderde vierde tafel merkte men de koninklijke -prinsen op. De pharao zelf zat aan eene afzonderlijke, van die zijner -zonen afgescheiden hoogere tafel, op een troon, die rustte op de -vergulde beelden van geboeide Aziaten. Tafel en troon stonden op eene -kleine verhevenheid, die met pantherhuiden was belegd, doch Ramses zou, -ook zonder haar, boven allen ver hebben uitgestoken. Men kon hem goed -zien, want het was in deze zaal, door de overvloedige verlichting, -daghelder. De pharao was een man van reusachtige gestalte. Dat -indrukwekkend gelaat met dien zwaren baard; dat hooge voorhoofd, -bedekt met den diadeem, in het midden waarvan de koppen van twee -Uraeus-slangen, dragen de kronen van Opper- en Neder-Egypte, te -voorschijn kwamen, deden terstond in hem den gebieder herkennen. Een -breede halsband van edelgesteenten bedekte halverwege zijne borst, -terwijl de andere helft was bekleed met een draagband in den vorm van -eene sjerp. De naakte beneden- en bovenarmen waren met gouden ringen -getooid. De regelmatige lichaamsvormen van dezen man waren als uit -metaal gegoten, waartoe de koperkleurige gladde huid, die over zijn -sterk gezwollen spieren was gespannen, niet weinig bijdroeg. - -Thans was hij onder de zijnen gezeten, en met rechtmatigen vaderlijken -trots zag hij op zijne bloeiende zonen neder. Hij was als een leeuw in -rust, maar ook zóo was hij een leeuw gelijk, en iets buitengewoons mocht -men van hem verwachten, wanneer hij zou opstaan, en de reuzenhand, die -nu het brood verdeelde, zich tot een vuist zou ballen. Er was aan dezen -man niets kleins, maar toch ook niets wat schrik wekte, want al straalde -uit zijn oog de glans van den heerscher, zoo getuigden zijne woorden -toch van bijzondere goedheid. Die zware uit zijn breede borst wellende -stem, die boven het slaggewoel kon worden gehoord, beschikte ook over -weeke en hartveroverende tonen. Dank zij zijne opvoeding, was hij, onder -het volle bewustzijn van zijne macht en grootheid, in den vollen zin des -woords een mensch gebleven, want geene aandoening van het menschelijk -hart was hem vreemd. - -Achter den koning stond een jong man, deze reikte hem den beker toe, -dien hij aan zijne lippen bracht, het edele vocht met welgevallen -proevende. Het was Mena, de wagenmenner en vriend des konings. De -gestalte van dezen edelman was slank en toch krachtig, buigzaam en toch -rustig. Zijn schoon besneden gelaat, met die vrijmoedig rondziende -oogen, toonde dat hij zelfbewustzijn aan goedhartigheid paarde. Deze -man mocht minder beteekenen in eene raadsvergadering, waar het gold -bedachtzaam te overleggen, des te hooger waarde had hij als een -beminnenswaardig, dapper en trouw strijdgenoot. - -Onder de prinsen zat Chamoes[330] het dichtst bij den koning. Hij was -van allen de oudste en eerst onlangs bekleed geworden met de waardigheid -van opperpriester van Memphis. De kroeskop Rameri, die op weg naar het -leger gevangen was geraakt, maar voor een losgeld was vrijgekocht, had, -als een der jongste prinsen, naast zijn broeder Mernephtah aan het -benedeneinde van de tafel plaats genomen. - - [330] Op de gedenkteekenen Cha-em-Oes, d.i. glans in Thebe - geheeten. Hij was "Sam" of opperpriester van Memphis. Zijne - mummie is bij de Apisgraven te Saqqarah door Mariëtte, bij de - uitgraving van het Serapeum van Memphis, weergevonden. - -»Hoe dreigend klinkt alles wat gijlieden vertelt!" zeide de koning. -»Elk van u, aanklagers, spreekt de waarheid, maar uwe liefde voor mij -benevelt uwe oogen. Wat Rameri mij verhaalt, wat Bent-Anat mij schrijft, -wat de opzichter van Mena's stoeterij mij omtrent Ani bericht, en wat -mij nu en dan uit Egypte wordt overgebracht, houd niets in, wat mij -verontrusten kan. Ik ken onzen neef en weet, dat hij het zich op den -geleenden troon zoo gemakkelijk maken zal als maar mogelijk is; doch -als wij terugkeeren, zal hij zich weder op een smalleren zetel weten -te schikken. Voor groote ontwerpen en koene daden is hij de man niet, -maar hij is zeer bruikbaar om uit te voeren, wat door anderen wordt -vastgesteld en gereed gemaakt, en daarom koos ik hem tot mijn -plaatsvervanger." - -»Doch Ameni," liet Chamoes zich hooren, terwijl hij eerbiedig voor zijn -vader boog, »schijnt zijne eerzucht te hebben doen ontvlammen, en hem -met raad te steunen. De leider van het Seti-huis is een stout en wijs -man, en de helft der priesterschap staat achter hem." - -»Ik weet het," antwoordde de koning. »Die heeren zijn boos op mij, omdat -ik hunne onderhoorigen, die hunne akkers bebouwen, onder de wapenen -riep. 't Is inderdaad kostelijk volk, dat ze mij gezonden hebben! -Met den eersten pijl vliegt hun moed reeds weg! Zij zullen morgen de -legerplaats bewaken; daarvoor zullen zij goed zijn, ten minste wanneer -men hun aan het verstand brengt dat, als zij zich de tenten laten -ontnemen, ook het brood, het vleesch en de wijnzakken in de handen der -vijanden vallen. Als Kadesch stormerderhand wordt ingenomen, dan zullen -de tempels aan den Nijl het beste deel van den buit hebben, en gijzelf, -mijn jonge opperpriester van Memphis, gij zult uwe stadgenooten kunnen -toonen, dat Ramses genegen is, wat hij de dienaars der godheid met -schepels ontneemt, met mudden weder te geven." - -»Ameni's ontevredenheid," hernam Chamoes, »heeft nog een dieper grond. -Uw groote geest zoekt en vindt zijn eigen weg....." - -»Die heeren echter," ging Ramses, hem in de rede vallende, voort, »zijn -gewoon ook den koning te leiden, en ik, ik wijs hen niet terug. Ik voer -heerschappij in de plaats van den hoogsten god, maar ik ben geen god, al -bewijzen zij mij ook als zoodanig eere. Met een deemoedig hart wil ik -gaarne mijn verkeer met de hemelsche goden, en ook dat van mijn volk aan -hunne tusschenkomst overdragen. Maar de menschelijke belangen bestuur ik -naar mijne eigene inzichten. -- En nu niet verder over dit onderwerp! -Het stuit mij tegen de borst aan vrienden te twijfelen, en ik gevoel zoo -groote behoefte aan, ik stel zooveel prijs op vertrouwen, dat ik het mij -laat welgevallen, wanneer ik daardoor ook eene enkele maal bedrogen -word!" - -De koning wenkte en ledigde den gouden beker, dien Mena hem -overhandigde. Een oogenblik zag hij op de blinkende bokaal; toen hief -hij de oogen weer op, waarin nu strenge ernst was te lezen, en zeide: -»En ook al bedrogen ze mij, en lokten tien Ameni's en Ani's mijn land in -den strik -- ik keer terug, en met mijn voetzool treed ik het gewormt in -het zand!" - -Terwijl hij deze laatste woorden uitsprak, had zijne zware stem -geklonken als die van een heraut, die eene groote daad verkondigt. Geene -lippen, geene hand zelfs bewoog zich in de wijde ruimte, toen hij zweeg. -Ramses hief nu den beker omhoog, en riep luide en vroolijk: »Vóor den -slag betaamt het ons het hart te verheffen. Roemrijke daden hebben wij -volbracht. Ver verwijderde volken hebben onze hand gevoeld. Aan hunne -stroomen richtten wij zegeteekenen op, en in hunne rotsen griffelden -wij den roem onzer daden[331]. Hij die over u gebied voert, is grooter -dan alle koningen; hij is het door de goden en door u, zijne dappere -medestrijders. Moge de slag van morgen ons nieuwen roem doen oogsten, en -de hemelsche goden weldra dezen krijg doen eindigen! Ledigt dan met mij -een beker op de overwinning en onzen blijden roemrijken terugkeer in het -vaderland!" - - [331] Herodotus (II, 102-106) verhaalt ons van de - beeldhouwwerken, die Ramses II deed beitelen in de rots van het - door hem onderworpen gebied, ter nagedachtenis aan zijne daden. - Twee ervan heeft hijzelf gezien. Een is nog heden bewaard, en - wel op eene rots bij Beyroet. Men kan daarvan afbeeldingen - vinden in Lepsius, =Denkmaler aus Aegypten und Aethiopiën=, in - eene verhandeling van denzelfde in de "Annali dell' Instituto di - correspondenza archeologica," vol. X. Roma 1838, p. 12-19, en - eene beschrijving van denz. in het "Bulletino dell' Instituto - d.C.A." 1840 p. 33-39. Vgl. het opstel van Dr. C. Leemans: - "Egyptische gedenkteekens van de krijgstochten van Sesostris in - Azië" in =Algem. Konst- en Letterbode=, 1854, No. 48 en 49. - -»Zege! zege! Leve bloeie den pharao, kracht en heil!" riepen juichend -alle gasten van Ramses, die, terwijl hij de trappen van zijn troon -afdaalde, den aanwezigen toeriep: »Rust nu, tot de Isis-ster ondergaat. -Volg mij dan in het gebed bij het altaar van Amon, daarna in den slag." - -Het gejuich verhief zich opnieuw, terwijl Ramses aan elk zijner zonen -met een opwekkend woord de hand reikte. De beide jongsten, Mernephtah en -Rameri, gebood hij hem te volgen. Hij verliet daarop met hen en Mena -de eetzaal en begaf zich, voorafgegaan van garden en hofbeambten, die -staven met gouden leliën en struisvederen in de handen droegen, naar -zijn slaaptent, die door een keurbende, onder aanvoering van een zijner -zonen, bewaakt werd. - -Eer hij die tent binnenging, liet hij zich eenige stukken vleesch geven, -waarmede hij eigenhandig zijne leeuwen voederde, die zich als tamme -katers door hem lieten streelen. Daarna wierp hij een blik in den stal, -klopte zijne lievelingsrossen op hunne edele halzen, streek ze over de -glimmende schenkels en bepaalde, dat »Noera" en »In Thebe de zege"[332] -hem morgen in den slag zouden voeren. Toen hij in zijn slaapvertrek -gekomen was, beval hij de hovelingen hem te verlaten. Daarop wenkte hij -Mena, liet zich door dezen zijne sieraden en wapenen afnemen, en riep -eindelijk zijne jongste zonen bij zich, die eerbiedig en met eenige -bezorgdheid aan de deur der tent stonden te wachten. - - [332] Zoo heetten inderdaad de paarden, die Ramses in den slag - van Kadesch voerden. - -»Waarom gebood ik u mij te volgen?" vroeg Ramses ernstig. - -Beiden zwegen. Daarop herhaalde hij zijne vraag. - -»Omdat gij hebt opgemerkt," antwoordde Rameri nu, »dat het tusschen ons -beiden niet in alle opzichten is gelijk het wezen moest." - -»En omdat ik wensch," viel de koning hem in de rede, »dat er onder mijne -kinderen eensgezindheid zij. Vijanden zult gij morgen genoeg kunnen -bevechten, maar vrienden vindt men zelden en verliest men maar al te -dikwijls in den slag. Wie van ons valt mag niet boos zijn op den ander, -maar moet hem vol liefde aan gene zijde des grafs kunnen wachten. Spreek -Rameri wat heeft u beiden verdeeld?" - -»Ik ben niet langer op hem vertoornd," antwoordde de aangesprokene. »Gij -hebt mij onlangs dat zwaard geschonken, hetwelk dáar in Mernephtah's -gordel steekt, omdat ik bij den laatsten uitval der Cheta mijn plicht -heb gedaan. Gij weet, wij slapen beiden in dezelfde tent, en toen ik -gisteren mijn zwaard uit de scheede trok, om mij in de beschouwing van -den schoonen kling te verheugen, toen bevond ik dat een vreemd, minder -scherp zwaard in de scheede stak." - -»Ik had mijn wapen uit scherts met het zijne verwisseld," sprak nu -Mernephtah. »Maar hij wil van geen gekheid weten en zeide, dat ik mij -voortaan wel met dat onverdiend eere-geschenk kon blijven tooien, dat -hij trachten zou in den kamp een nieuw te verdienen en, en dan...." - -»Ik weet genoeg," zeide de koning. »Gij hebt beiden verkeerd gehandeld. -Ook al schertsend, Mernephtah, moogt gij elkander niet bedriegen. Ik -heb het maar eens gedaan, en hoe dat afliep, wil ik u tot waarschuwing -vertellen. - -»Mijne voortreffelijke zalige moeder Toeaä bad mij, toen ik voor -het eerst naar het land der Fenchoe[333] trok, dat ik haar een steen -zou medebrengen van de kust bij Byblos, waar het lijk van Osiris -aanspoelde[334]. Ongelukkig vergat ik dit geheel en al. Toen wij Thebe -weder binnentrokken, viel mij het verzoek mijner moeder weder in. Jong -en onbedachtzaam, gelijk ik toen was, nam ik een steen van den weg op, -stak dien bij mij, en toen zij mij om het aandenken van Byblos vroeg, -gaf ik haar zwijgend den steen uit Thebe. Zij was er bijzonder mede in -haar schik, toonde het kleinood aan al hare broeders en zusters, en -legde het bij de beelden onzer voorvaderen. Schaamte en berouw kwelden -mij echter, en eindelijk nam ik heimelijk den steen weder weg en wierp -dien in het water. Alle dienaars werden saamgeroepen om streng onderzoek -te doen naar den dief van dit voorwerp. Toen kon ik het eindelijk niet -langer uithouden en bekende alles. Niemand heeft mij gestraft, en toch -ben ik nooit zwaarder getuchtigd. Sedert dien tijd veroorloofde ik mij -zelfs niet al schertsend iets anders dan de waarheid te zeggen. Neem -deze les ter harte, Mernephtah, die uw vader heeft ontvangen. - - [333] De Phoeniciërs worden reeds op gedenkteekenen uit de 18e - dynastie Fenchoe genoemd. - - [334] Zie boven bl. 91. - -»Wat u aangaat, Rameri, laat u het zwaard teruggeven. Geloof mij, er -komen in het leven zooveel groote dingen voor, die onzen toorn wekken, -dat men reeds vroeg moet leeren, zich zonder ontstemd te worden over de -kleinigheden heen te zetten, als men geen knorrig en ontevreden schepsel -wil worden gelijk de gids Paäker. En gij, wilde waaghals, schijnt mij -daarvoor allerminst aanleg te hebben. Geeft elkaar nu de handen!" - -De prinsen traden op elkander toe. Rameri viel zijn broeder echter om -den hals en kuste hem. - -De koning streelde beiden de haren en zeide: »Gaat nu rusten en laat -ieder uwer zich morgen een nieuw eergeschenk trachten te verwerven!" - -Toen zijne zonen de tent verlaten hadden, wendde Ramses zich tot zijn -wagenmenner en zeide: »Ook met u heb ik voor den strijd nog een woord te -spreken. Ik zie u door de oogen in de ziel, en geloof dat het daar niet -richtig is, sedert de overste uwer stoeterij hierheen kwam. Wat is er -toch in Thebe geschied?" - -Mena zag den koning aan met een open oog, waarin echter eene smartelijke -uitdrukking lag, en zeide: »Mijne schoonmoeder Katoeti bestuurt mijn -erfgoed zeer slecht; zij verpandt de akkers en verkoopt het vee." - -»Dat is te vergoeden," zeide Ramses vriendelijk. »Gij weet dat ik u nog -de vervulling van een wensch schuldig ben, wanneer Nefert u zoo zeker -vertrouwt als gij meent. Het komt mij echter voor, dat het met haar niet -zoo is als het wezen moest, want ik heb u nog nooit bezorgd gezien over -geld en goed. -- Spreek vrij uit; gij weet ik wil een vader voor u zijn. -Vrij en onbeneveld moeten hart en oogen zijn van den man, die in den -slag mijne paarden ment." - -Mena kuste het gewaad van den pharao en zeide: »Nefert heeft Katoeti's -huis verlaten en is, gelijk gij weet, uwe dochter Bent-Anat naar den -heiligen berg Sinaï en naar Megiddo gevolgd." - -»Ik dacht," antwoordde Ramses, »dat zij eene goede ruiling had gedaan. -Ik laat Bent-Anat voor Bent-Anat zorgen, want zij heeft geen ander -noodig die over haar waakt. En uwe vrouw kan geene betere vinden om -haar te beschermen, dan juist mijne dochter." - -»Zeker kan zij dit niet!" riep Mena in volle oprechtheid. »Doch eer -zij op reis ging, zijn er ergerlijke dingen gebeurd. Gij weet dat zij, -voordat gij hare hand voor mij hebt gevraagd, bestemd was voor haar -neef den Mohar Paäker. Deze nu ging, gedurende zijn oponthoud in Thebe, -in mijn huis uit en in. Hij heeft Katoeti met eene ontzaglijke som -bijgestaan, ten einde de schulden van mijn lichtvaardigen zwager te -betalen, en heeft gelijk de overste der stoeterij met eigen oogen gezien -heeft, Nefert bloemen geschonken." - -De koning glimlachte, legde zijne hand op den schouder van zijn -wagenmenner en zeide, terwijl hij hem recht in het gelaat zag: »Uwe -vrouw zou u vertrouwen, niettegenstaande gij eene vreemde vrouw in uwe -tent hebt genomen, en gij meent Nefert te mogen verdenken, omdat haar -neef haar bloemen schonk! Is dat verstandig en rechtvaardig? Ik geloof -dat gij ijverzuchtig zijt op den onbevalligen, breedgeschouderden man, -dien een nijdige demon in het nest van den edelen gestorven Mohar -schijnt te hebben gelegd." - -»IJverzuchtig ben ik niet," antwoordde Mena, »en geen twijfel aan Nefert -verontrust mijne ziel. Maar mij kwelt, en pijnigt, en beleedigt reeds -de gedachte alleen, dat juist die Paäker, die mij tegenstaat als eene -giftige spin, haar geschenken geeft en haar aanziet en dat in mijn eigen -huis!" - -»Wie vertrouwen verlangt, moet ook vertrouwen schenken!" zeide de -koning. »Moet ik het ook niet voor lief nemen, wanneer ellendige sukkels -mij en de mijnen met lofliederen prijzen? Komaan, strijk dadelijk de -plooien op uw voorhoofd glad, en denk aan de naderende overwinning en -den terugkeer naar het vaderland. Vergeet daarbij niet, dat gij Paäker -minder te vergeven hebt, dan hij u. Ga nu naar de paarden, en stap -morgen op mijn wagen, met vroolijken moed, zooals ik u het liefst zie." - -Mena verliet de tent en ging naar den vorstelijken paardenstal. Daar -trof hij Rameri aan, die hem wachtte. De levendige jongeling bekende -den wagenmenner, dat hij hem liefhad en eerde, als een schitterend -voorbeeld, dat hij wilde navolgen. Maar hij begon te twijfelen aan zijne -huwelijkstrouw, want hij had nu eerst gehoord, dat Mena eene vreemde -vrouw in zijne tent had genomen, niettegenstaande hij verbonden was -aan de schoonste en beminnenswaardigste vrouw in Thebe. »Ik heb," zoo -besloot hij, »met haar als een broeder omgegaan en weet dat zij het -besterven zou, indien zij hoorde, dat gij haar zoo diep beleedigt. Ja, -beleedigt, want zulk eene openbare trouwbreuk onteert de vrouw van een -Egyptenaar! Vergeef mij mijne openhartigheid maar wie weet wat de dag -van morgen brengt, en ik zou niet met slechte gedachten van u ten -strijde willen trekken!" - -Mena liet Rameri uitspreken, zonder hem in de rede te vallen en -antwoordde: »Gij spreekt rond en open als uw vader, en hebt zeker -ook van hem geleerd den aangeklaagde te hooren, alvorens hem te -veroordeelen. Eene vreemde vrouw, de dochter van den koning der -Danaërs[335], slaapt op mijne legerstede, maar ik houd sedert maanden -mijn nachtverblijf bij de deur van uws vaders tent, en heb mijne eigene -niet meer betreden, sedert het meisje daarin huist. Zet u een oogenblik -bij mij neer, en laat ik u vertellen, hoe dat gekomen is!" - - [335] Naam van de Grieken in den tijd van den Trojaanschen - oorlog. Zij komen in de opschriften uit den tijd van Ramses III - voor als bondgenooten van de bewoners der eilanden in de - Middellandsche zee tegen Egypte. De Dardaniërs, bewoners van het - Trojaansche landschap Dardania, welker naam ook voor de Trojanen - gebruikt wordt, komen naast de volken van Pisada (Pisidië), Masa - (Mysië) en Ilioena (Ilion) in het epos van Pentaoer voor als - bondgenooten der Cheta. Het is zeer waarschijnlijk, dat de - vorsten van de Grieksche eilanden, die nabij de kusten van - Klein-Azië gelegen waren, zich hebben aangesloten bij het groot - verbond der volken van Westelijk Azië tegen de Egyptenaars. - -»Wij hadden het leger voor Kadesch opgeslagen, en er was weinig voor mij -te doen, want Ramses lag nog lijdende aan zijne wonden. Dikwijls zocht -ik eenig tijdverdrijf met te jagen aan de oevers van het meer. Eens ging -ik, als gewoonlijk slechts met pijl en boog gewapend en vergezeld van -mijne hazewinden[336], naar de vlakte en vervolgde onbezorgd een haas. -Daar werd ik onverwachts door een bende Danaërs overvallen, die mij met -strikken bonden en in hunne legerplaats voerden. Ik werd als verspieder -voor hunne rechters gebracht. Reeds was het oordeel over mij geveld en -een strop om mijn hals gelegd, toen hun koning daar langs kwam, en mij -ziende mij nogmaals in het verhoor nam. Ik vertelde hem geheel naar -waarheid, dat ik op de dierenjacht zijnde, zonder eenige vijandige -bedoeling te hebben, in de handen der zijnen was gevallen. Hij geloofde -mij, schonk mij niet alleen het leven, maar ook de vrijheid. Hij had in -mij den edelman herkend, behandelde mij ook als zoodanig en liet mij -aan zijne eigene tafel spijzigen. Toen hij mij liet vertrekken, deed -ik stilzwijgend de gelofte, dat ik hem deze grootmoedige daad zou -vergelden. - - [336] Hazewindhonden, afgericht voor de jacht op hazen, vindt - men reeds in de alleroudste graven, bijv. bij den Mastaba te - Meydoem, die tot den tijd van Snefroe behoort (4000 jaren v. - Chr.) Over de honden, waarvan de Egyptenaars zich bedienden, - handelt S. Birch in de =Transactions of the society of biblical - Archaeology=, 1875, p. 172-195. - - De Mastaba of Moesatbet el Faroen, troon van Pharao, is een - pyramidevormig gebouw te Saqqarah, door de Arabieren met dien - naam onderscheiden, volgens de overlevering, dat een der oude - Egyptische koningen het tot zijn troonzetel bestemde. Vert. - -»Een maand later gelukte het ons, de legerplaats der met de Cheta -verbondene volken te overrompelen, en Lybische soldaten roofden uit de -tent van den koning der Danaërs, benevens andere schatten, ook zijne -dochter. Ik had mij dapper gedragen, en toen het tot de verdeeling van -den buit kwam, vergunde de koning mij het eerst te kiezen. Dadelijk -legde ik de hand op de dochter van mijn redder en gastvriend, en voerde -haar naar mijne tent, waar ik haar ongedeerd met hare dienstmaagden laat -leven om haar bij het sluiten van den vrede aan haren vader terug te -geven." - -»Vergeef mij!" riep Rameri, en reikte den wagenmenner de hand. »Nu -begrijp ik eerst, waarom de koning mij zoo met nadruk vroeg, of Nefert -aan uwe trouw gelooft!" - -»En wat hebt gij hem ten antwoord gegeven?" vroeg Mena. - -»Dat zij dag en nacht aan u denkt, en geen oogenblik aan u twijfelt. Dat -scheen ook mijn vader groot genoegen te doen, en hij zeide tot Chamoes: -'Dan heeft hij het gewonnen'!" - -»Hij wil mij eene groote gunst bewijzen," zeide Mena, om het antwoord -van Ramses op te helderen, »wanneer zij, na vernomen te hebben dat ik -eene vreemde vrouw in mijne tent opnam, mij toch nog vertrouwt. De -koning houdt dit schier voor onmogelijk, maar ik weet dat ik het winnen -zal. Zij =moet= op mij vertrouwen!" - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - - -Vóor den aanvang van den slag[337] waren bij elke troepenafdeeling -gebeden uitgesproken en offers geslacht. Men had heilige godenbeelden -in feestbarken voorbij de gelederen gedragen, en aan de soldaten -wonderdoende reliquieën getoond. Herauten verkondigden, dat de -opperpriesters bij de groote offers des konings gunstige voorteekenen -had gevonden, en de Horoscopen hoop hadden gegeven op eene schitterende -overwinning. - - [337] Bij onze schildering van het geheele beloop van den slag - hebben wij het epos van Pentaoer gevolgd. - -Ieder Egyptisch legioen zag met bijzonder vertrouwen op naar de -standaarden met het beeld van een of ander heilig dier, of het symbool -van de provincie, waaruit het afkomstig was. Doch ook ieder soldaat -afzonderlijk voorzag zich van voorbehoedmiddelen en amuletten van -allerlei aard. Deze droeg eene spreuk, die hulp kon verleenen, in een -zakje verborgen om den hals of aan den arm, gene weder heilaanbrengende -mystische oogen, en de meesten scarabeën aan hunne vingerringen. Velen -achten zich het best beschermd door de haren of de vederen van een -heilig dier, en niet weinigen lieten zich vrijwaren voor alle onheil -door eene levende slang of kever, die zij zorgvuldig in het taschje van -hun schortkleed of in hun spijszak verborgen. - -Toen de koning, voor wien de beelden van den godentrias van Thebe, Amon, -Mat en Choensoe, van den krijgsgod Menth en van de godin der overwinning -Necheb, werden gedragen, de troepen monsterde, was hij gezeten in -een draagstoel, die op de schouders van vier-en-twintig aanzienlijke -jongelingen rustte. Zoodra hij naderde viel het gansche leger op de -knieën en stond niet op voordat Ramses, na van den draagstoel te zijn -afgedaald, voor aller oogen aan de goden een rook- en drankoffer had -gebracht, en zijn zoon Chamoes, de opperpriester van Memphis, hem in -naam der hemelsche goden de symbolen van leven en macht had overhandigd. -Eindelijk zongen de priesterkoren lofliederen op den zonnegod Ra, en -zijn zoon en vertegenwoordiger op aarde, den koning. - -Toen de troepen opbraken, werd de hemel, die weinige uren te voren door -zware wolken was bedekt, weder helder, en vertoonde zich het reeds -verbleekend licht der sterren. Dit verschijnsel aan het firmament werd -als een gunstig voorteeken beschouwd, en de priesters verkondigden het -leger, dat evenals de naderende Ra de wolken voor zich uitdreef, zoo ook -de koning zijne vijanden zou verstrooien. - -De voetknechten trokken in de voorgeschrevene orde den vijand tegemoet, -zonder trommelslag of trompetgeschal, ten einde de Aziaten niet te -wekken. De wagenstrijders reden in lange rijen af, elk op een lichten -tweeradigen, met twee paarden bespannen wagen. Ramses stelde zich aan -het hoofd van dezen. Aan beide zijden van het vergulde voertuig dat hem -droeg, zag men een schitterend met edelgesteenten bezet foudraal voor -pijlen en bogen, Zijne schoone paarden waren rijk getuigd. Halzen en -ruggen waren gedekt door purperen, met turkooizen bestikte schrabrakken, -en op hunne hoofden was een sieraad geplaatst, dat veel op een kroon -geleek, en waarvan eene menigte witte struisvederen nederwaaiden. Aan -het einde van den ebbenhouten disselboom waren kleine, van kussens -voorziene jukken aangebracht, die op de nekken der paarden rustten. Als -spelend met hun lichten last, huppelden de glimmende slanke dieren voor -den wagen. Zij trappelden op den grond met hunne kleine stevige hoeven, -en bewogen hunne sierlijk gebogene zwanenhalzen met fierheid op en neer. - -Achter zijn heer, die met de kroon van Opper- en Neder-Egypte was -getooid, en een pantserrok[338] droeg, waarover de breede purperkleurige -draagband rondom zijne lenden was geslagen, stond Mena. Hij hield met -de linkerhand de paarden strak in toom. Zijne rechterhand leunde op het -schild, waarmede hij in den strijd zijn gebieder moest beschutten. -Gelijk een door stormen nog vaster gewortelde eik, naast welken een -slanke esch opwascht, zoo stond de pharao daar naast zijn wagenmenner. - - [338] De overblijfselen van zulk een pantser, dat afkomstig is - uit den tijd van den eersten Sheshenk (Sesonchis), die tot de - 22e dynastie behoorde, worden in het Britsch museum bewaard. Het - bestaat uit leder, waarop bronzen schubben bevestigd zijn. - -De oostelijke horizont begon zich te kleuren met roodachtige tinten, -toen zij de omheining van de legerplaats verlieten. Daar ter plaatse -reed de gids Paäker den koning te gemoet, wierp zich vóor hem neder en -kuste den bodem. Op de vraag van Ramses, waarom hij zonder zijn broeder -kwam, gaf hij ten antwoord, dat deze plotseling ziek was geworden. De -morgenschemering was oorzaak, dat de koning niet kon opmerken, hoe de -wangen van den verrader, die niet gewoon was te liegen, nu eens rood en -dan weder vaalbleek werden. - -»Hoe staat het met den vijand?" vroeg Ramses. - -»Hij weet," antwoordde Paäker, »dat het weldra tot een slag zal komen, -en trekt zijne tallooze volken in de legerplaatsen ten zuiden en ten -oosten van de stad bijeen. Gelukt het u Kadesch van de noordzijde van -achter aan te vallen, terwijl het voetvolk het leger der Aziaten van de -zuidzijde aangrijpt, dan zal de vesting nog heden in uwe handen zijn. De -bergengte, die gij moet doortrekken, om niet ontdekt te worden, is niet -slecht." - -»Zijt gij ziek als uw broeder?" vroeg de koning, »Uw stem beeft." - -»Ik ben gezonder dan ooit," antwoordde de Mohar. - -»Wijs ons den weg!" beval Ramses. - -Paäker gehoorzaamde. Zwijgend reden zij met een gevolg van tallooze -wagenstrijders in de frissche morgenkoelte over de bedauwde vlakte, en -zoo het gebergte in. Het met bogen en zwaarden gewapende korps van Ra -marcheerde in de voorhoede en opende den weg. Nadat zij de smalle en -drooge bedding van een stroom waren doorgetrokken, zagen zij voor zich -een breed dal, dat links en rechts door bergen was ingesloten. - -»De weg is goed," zeide Ramses, terwijl hij zich tot Mena richtte. »De -Mohar heeft van zijn vader geleerd zijn ambt goed te vervullen. Hij -heeft ook voortreffelijke paarden. Nu eens wijst hij de gidsen van onze -voorhoede den weg, dan weder is hij in onze nabijheid." - -»Het zijn geelvossen uit mijne stoeterij," zeide Mena, en de aderen op -zijn voorhoofd zwollen. »De opzichter zeide, dat Katoeti ze hem voor -zijn vertrek heeft gezonden. Zij moeten voor Nefert's wagen loopen, en -heden ment hij ze om mij te trotseeren." - -»De vrouw is de uwe, laat hem de paarden," antwoordde de koning goedig. - -Opeens werd de morgenstilte gestoord door het geluid van bazuinen. Men -zag niet uit welke richting het kwam, en toch klonk het niet uit de -verte. - -Ramses richtte zich op in al zijne lengte, en haalde de strijdbijl uit -zijn gordel. De rossen staken de ooren op en Mena zeide: »Dat waren -trompetten der Cheta; ik ken den toon." - -Achter het voertuig van Ramses reed een gesloten vierwielige wagen, -waarin de koninklijke leeuwen naar het tooneel van den strijd werden -gevoerd. - -»De leeuwen los!" riep de koning, zoodra hij het krijgsgeschreeuw hoorde -aanheffen, en spoedig daarop zag hij zijne door vijandelijke wagens -doorbrokene voorhoede, het dal weder in en hem tegemoet vluchten. De -roofdieren schudden woest de manen en sprongen brullend naast den -wagen van hun meester. Mena zwaaide de zweep; de paarden steigerden en -galoppeerden nu moedig tegen de vluchtenden, die door geen woorden tot -stilstaan waren te brengen, en de hen vervolgende vijanden in. - -»Waar is Paäker?" vroeg Ramses. - -Doch de gids was verdwenen, als had de aarde hem plotseling met zijn -wagen verslonden. - -De vluchtende Egyptenaars en de vijandelijke wagenstrijders, die dood -en verderf in hunne gelederen verspreiden, kwamen al nader en nader. De -grond dreunde; de hoefslag der paarden en het ratelen der wielen klonk -luider en luider, als het rollen van een snel opkomend onweder. - -Nu verhief Ramses zijn stem en liet een oorlogskreet hooren, die als -bazuingeschal door de rotsen ter linker- en rechterzijde werd herhaald. -Zijne wagenstrijders stemden in met dien kreet. De vluchtenden kwamen nu -een oogenblik tot staan, maar om terstond daarop met verdubbele snelheid -een goed heenkomen te zoeken. Want onverwachts hoorde men ook het -krijgsgeschreeuw en de trompetten van den vijand achter den koning. Uit -een dwarsdal, waarop Ramses geen acht had geslagen, en waarin Paäker -verdwenen was, stormden onafzienbare drommen wagenstrijders te -voorschijn, die voordat de koning het beletten kon, de rijen der hem -volgende strijders doorbraken, en hem van zijne hoofdmacht afsneden. - -Ramses hoorde achter zich het geweldig gedruisch van den aangevangen -strijd; vóor zich zag hij de zijnen vluchten en vallen, en den vijand, -die met klimmende woede en steeds talrijker op hem aanstormde. Hij -overzag het gansche gevaar en rekte zijne kolossale leden, als wilde -hij beproeven, of zij opgewassen waren tegen een niet minder sterken -tegenstander. Andermaal verhief hij zijne stem, doch nu zoo krachtig, -dat zij het geschreeuw en gesteun der soldaten, het commando der -aanvoerders, het gehinnik der paarden, het gekraak der wagens die -verbrijzeld werden, het dof geluid van de door lansen en zwaarden -getroffen schilden en helmen, kortom het oorverdoovend geraas van den -slag luide overstemde. Hij hief den boog op en doorboorde met zijn -eersten pijl een opperhoofd der Cheta. - -Nu sprongen zijne leeuwen vooruit, en brachten verwarring onder de -vijandelijke scharen, die hem van voren bedreigden. Want vele paarden -der Cheta keerden zich op het gebrul der woedende roofdieren dadelijk -om, wierpen de wagens omver en verhinderden het voortdringen hunner -strijdgenooten. - -Ramses schoot den eenen pijl na den anderen af, en Mena beschutte hem -met het schild, wanneer een vijandelijk schot op hem werd gericht. - -Thans hadden de rossen van den pharao den vijand bereikt en had zijne -strijdbijl den eersten der Aziaten geveld. Rameri en drie andere zonen -des konings streden aan zijne zijde op hunne wagens, en vóor hen de -leeuwen. Wild was het gedrang, vreeselijk de woede der strijders; -zinverbijsterend het gejoel van den slag, gelijk het bulderen der -branding van den oceaan, die door een fellen orkaan tegen hooge -granietrotsen wordt opgezweept. - -Het was of Mena zich wist te verdubbelen, want terwijl hij in zijne -linkerhand de teugels hield geklemd, waarmede hij de rossen nu eens -vooruit deed snellen, dan achteruit trok, dan weder opzij wendde, al -naar het noodig was in den drang van het gevecht, ontging hem geen -enkele pijl, die op den koning werd gericht. Zijne oogen en zijn schild -waren overal. De jonge held vertrok geen wenkbrauw, terwijl Ramses -woedender nog dan zijne leeuwen onder steeds luider krijgsgeschreeuw en -met vlammende blikken, zich, links en rechts er op inhouwende, al dieper -en dieper waagde onder de drommen der vijanden. - -In het schild van den wagenmenner staken reeds drie pijlen, die op Mena, -niet op den koning waren gericht, en op de schacht van den eenen zag hij -toevallig in Egyptisch schrift niet onduidelijk de woorden: »Dood aan -Mena." - -Daar snorde een vierde pijl! - -Hij volgde met de oogen de richting, van waar het wapen kwam, en terwijl -een vijfde schot zijn schouder verwondde, riep hij den koning toe: »Wij -zijn verraden! Zie daar, aan de overzijde! Paäker strijdt met de Cheta!" - -De gids spande juist opnieuw zijn boog en kwam den wagen van Ramses zoo -nabij, dat men hem verstaan kon, toen hij de pees aantrekkende, met -krijschende stem uitriep: »Thans rekenen wij af, gij dief en roover! Nog -is mijne bruid uwe vrouw, maar met dit schot maak ik Mena's weduwe tot -de mijne!" - -Met geweldige kracht doorkliefde de pijl de lucht en trof den helm van -den wagenmenner. Deze liet zijn schild zinken en bracht de hand aan -zijn hoofd, dat dreunde van den schok. Hij hoorde Paäkers woedenden -schaterlach, en voelde hoe een nieuwe pijl van zijn vijand hem door het -handgewricht sneed. Zichzelven niet meer meester, wierp hij de teugels -ver van zich weg, greep zijn strijdbijl, sprong, zijn plicht en -zichzelven vergetende, van den wagen en stormde op den gids los. - -Paäker wachtte hem af met zijn opgeheven slagzwaard. Zijne lippen waren -doodsbleek, zijne oogen bloedrood, zijne wijduitstaande neusvleugels -bewogen zich als die van een snuivend paard, en met giftig schuim op -zijn schreeuwenden mond, wierp hij zich op zijn doodvijand. - -De koning zag beiden met elkander worstelen, doch hij kon in dezen -strijd niet tusschen beiden komen, want de teugels, die Mena had -vastgehouden, sleepten langs den grond, en onbestuurd trokken zijne -paarden, de leeuwen volgende, hem met zich voort. - -De meeste zijner strijdgenooten waren gevallen. Voor hem en achter hem -woedde het vreeselijk gevecht; doch Ramses stond vast als een rots, -dekte zich met Mena's schild, en zwaaide zijne doodelijke strijdbijl. - -Daar zag hij hoe Rameri zich met zijn tweespan dicht bij hem aansloot. -De jongeling streed heldhaftig, en Ramses riep hem toe: »Goed zoo, gij -kleinzoon van Seti!" - -»Ik wil heden een nieuw zwaard verdienen!" antwoordde de kroeskop zijn -vader, en spleet een vijand den schedel. - -Doch reeds waren zij van alle zijden door vijandelijke wagens omringd. -De vader zag, hoe Danaërs de paarden van den jongeling neerhieuwen, en -hoe al zijne metgezellen, en onder hen de beste strijders, hunne paarden -omwendden en op de vlucht sloegen. - -Daar werd ook een zijner leeuwen met eene lans doorboord. Het edele -dier zonk neder, met een gehuil van woede en smart, dat boven alles uit -werd gehoord. Reeds was hij zelf door een pijl licht verwond, had een -zwaardhouw zijn schild gespleten, en was de laatste pijl afgeschoten. - -Hoewel hij nog altijd links en rechts dooden deed vallen, zag Ramses -toch zijne laatste ure naderen. Zonder de worsteling te staken, verhief -hij zijne stem om luide te bidden en Amon's hulp met hartstochtelijke -woorden in te roepen. - -Terwijl hij alzoo in doodsgevaar den heer des hemels om bijstand -smeekte, ziet, daar vertoonde zich midden in het strijdgewoel naast -zijne paarden een Egyptenaar van hooge gestalte. Hij nam de teugels op, -en terwijl hij den koning eerbiedig groette, sprong hij achter hem op -den wagen. - -Ramses beefde voor de eerste maal. Geschiedde hier een wonder? Had Amon -zijn gebed verhoord? Terwijl hij eenigszins schuw den blik richtte -op zijn nieuwen wagenmenner, en op zijn gelaat de trekken van den -afgestorven Mohar, den vader van den verrader Paäker, meende te -herkennen, geloofde hij werkelijk, dat Amon diens gedaante had -aangenomen, dat de god in eigen persoon tot hem was gekomen, om hem te -redden. - -»Er is hulp nabij!" riep zijn nieuwe wagenstrijder. »Nog maar een -wijle stand gehouden, dan zijt gij gered, en voert gij de uwen ter -overwinning!" - -Toen verhief Ramses opnieuw zijn krijgsgeschreeuw. De dichtst bij zijnde -Chetiet, die hem naderde, zonk ter aarde met verbrijzelden schedel, -terwijl de raadselachtige helper aan zijne zijde hem nu eens met -het schild, dat de koning hem had overgegeven, dekte, dan weder -verschrikkelijke slagen uitdeelde. - -Zoo gingen er met deze nieuwe worsteling eenige oogenblikken voorbij. - -Daar liet zich weder boven het luid gewoel van den strijd trompetgeschal -hooren. Ditmaal herkende Ramses zijne Egyptische hoornblazers, en van -den lagen bergwand aan zijne rechterzijde wierpen, zonder zich over weg -of steg te bekommeren, duizende lichtgewapende voetknechten van het -legioen van Ptah onder aanvoering van Horus, zich in de flank der -vijandelijke wagenstrijders. - -De Egyptenaars zagen in welk gevaar de koning verkeerde. Met ware -doodsverachting stormden zij op den vijand los, de wagenstrijders -nederhouwende of op de vlucht jagende. Weldra stond de pharao gered -onder de zijnen. - -Maar de raadselachtige persoon, die hem in den nood had geholpen, was -verdwenen. Hij was, door een pijl getroffen, ter aarde gezonken. Zoo is -het einde van een mensch; en toch meende de koning, dat Amon zelf zijn -redder was geweest. - -Ramses gunde zichzelven, zijnen rossen en zijnen strijders maar een -oogenblik rust; toen wendde hij zijn strijdwagen, reed den weg terug -langs welken hij gekomen was, overviel de vijanden, die hem van zijne -hoofdmacht hadden afgesneden, greep hen in den rug aan, terwijl zij nog -worstelden met zijne reeds terugwijkende wagenstrijders, en voerde de -meeste Aziaten, die aan de Egyptische pijlen en zwaarden ontkomen waren, -als gevangenen mede. - -Nadat hij zich wederom met zijne overige troepen vereenigd had, drong -hij dieper in de vlakte door, stiet hier op Aziatische voetknechten en -wagenstrijders, die met de zwaar gewapende Egyptenaars streden, en dreef -hen in de wateren van den Orontes of van het meer van Kadesch. Het -aanbreken van den nacht maakte een einde aan den strijd, die echter den -volgenden morgen vroeg weder aanving. - -Groote moedeloosheid had zich van de Aziatische bondgenooten meester -gemaakt. Zich van de overwinning zeker wanende waren zij naar het -slagveld opgetrokken. De gids Paäker had hun immers zijn koning -verraden? Toen de pharao uittrok waren de beste wagenstrijders der Cheta -heimelijk achter de stad geschaard en tegen Ramses afgezonden door de -noordelijke opening van het dal, waardoor hij tegen Kadesch optrok. -Gelijktijdig waren andere uitgelezen troepen, in het geheel twee duizend -vijfhonderd wagens, door een dwarsdal getrokken, dat zij in den nacht -bezet hadden, ten einde hem in de flank te vallen. Al deze plannen waren -uitgevoerd, en desniettemin hadden de Aziaten eene geduchte nederlaag -geleden en hunne voornaamste helden verloren, waaronder Titoere, -den kanselier, en Chiropasar, den boekenschrijver van den koning -der Cheta[339], die het zwaard zoo goed kon hanteeren als het -schrijfriet, en bestemd was de zege der Aziaten te schilderen en tot de -nakomelingschap over te brengen. Ramses had den een, en zijn onbekende -metgezel in den strijd, den ander met eigene handen verslagen, en -behalve deze nog vele andere aanvoerders der Cheta en hunner -bondgenooten. - - [339] Op de afbeelding van den slag op de pylonen van het - Ramesseum te Thebe, is boven een der gevallen Cheta deze naam en - deze titel te lezen. - -De koning werd als een god met gejuich en lofgezangen in het leger -begroet. Zelfs de tempelboeren en de in Opper-Egypte gelichte burgers, -die door Ani omgekocht en den langdurigen strijd moede waren, werden -door de algemeene geestdrift medegesleept. Zij prezen vroolijk den -grooten held en koning, den machtige, die den nek van elken weerspannige -wist te buigen. Zij brachten hulde aan den gelukkigen uitslag. - -Nu werden de dooden en gewonden op het slagveld opgezocht. Onder de -laatsten had men ook Mena gevonden. - -Rameri werd vermist; in de eerstvolgende dagen werd het bekend, dat hij -als gevangene in handen der vijanden was gevallen. Hij werd terstond -tegen de in Mena's tent teruggehoudene dochter van den vorst der Danaërs -uitgewisseld. - -Paäker was verdwenen, maar de geelvossen, die hem in den strijd hadden -gevoerd, werden ongedeerd vóor zijn verbrijzelden en met bloed bevlekten -wagen gevonden. - -De Egyptenaars bezetten Kadesch. Chetasar, de vorst der Cheta, wendde -pogingen aan, in zijn eigen naam en dien zijner bondgenooten, om met den -pharao in vredesonderhandeling te treden. Doch het stond bij Ramses -vast, dat hij hen niet hier, maar aan de grenzen van Egypte zijne -vredesvoorwaarden zou voorschrijven. Er bleef voor de overwonnenen geene -keuze, en de plaatsvervanger van den koning der Cheta, -- hijzelf was -gewond, -- benevens twaalf vorsten van de aanzienlijkste volken, die -tegen den pharao in het veld waren getogen, moesten zich bij zijn -zegetocht aansluiten. Men bewees hun alle eer, en behandelde hen, alsof -zij de koning zelf waren. Maar zij waren toch niets meer en niets minder -dan zijne gevangenen. - -De pharao wenschte geen tijd te verliezen, want zijn hart was vervuld -van zwaarmoedige voorgevoelens. Over zijn anders zoo zonnig gemoed had -zich een sluier uitgebreid van somberheid, die hem te voren geheel -vreemd was. Voor de eerste maal was hij aan den vijand verraden door een -Egyptenaar, die hem zoo na stond. - -De daad van Paäker had het blijmoedig vertrouwen van den pharao -geschokt. Toen de vorst der Cheta om vrede smeekte, had hij niet -onduidelijk laten blijken, dat Ramses in zijn eigen huis veel met geweld -van wapenen zou moeten beslechten. De koning voelde zich tegen Ani, de -priesterschap en allen die hij in Egypte had achtergelaten meer dan -opgewassen, maar het smartte hem diep wantrouwen te moeten gevoelen, -en de onzekerheid viel hem zwaarder te dragen dan het ongeluk. Daarom -verlangde hij naar Egypte terug. - -Ook om nog iets anders gevoelde hij tegenzin den krijg voort te zetten. -Mena, dien hij liefhad als zijn eigen zoon, die zijne minste wenken -begreep, die, zoodra hij den wagen betrad aan hem behoorde, als ware hij -een deel van zijn lichaam, bestuurde zijne rossen niet meer. Hij was -door eene uitspraak van de legeraanvoerders van zijn ambt ontzet -geworden. Hijzelf had dit oordeel moeten bevestigen als rechtvaardig en -zacht, want door zijn gebieder prijs te geven om eigen wraak uit te -oefenen had de wagenmenner een daad gepleegd, die eigenlijk met den dood -gestraft moest worden. Sedert zijne worsteling met Paäker had de koning -Mena niet wedergezien, maar met deelneming luisterde hij naar allen, die -hem gedurig kwamen berichten, dat de zwaar gewonde in beterschap toenam. - -Het opgewekt, beslist en wakker karakter van den pharao was wars -van alle droomerij. Niemand had hem, zelfs in uren van de zwaarste -vermoeienis, ooit aangetroffen in sombere en nevelachtige mijmeringen. -Thans kon hij bijwijle strak voor zich staren, als ware zijn geest -omfloersd, en schrikte hij dikwijls wakker, als iemand die plotseling -uit den slaap wordt gewekt, wanneer de buitenwereld hare eischen aan hem -deed gelden. Ontelbare malen had hij den dood in het aangezicht gezien -en zijne dreigende blikken getrotseerd als die van elk anderen vijand, -doch ditmaal was het hem geweest, als had hij reeds de kille hand van -den overmachtigen tegenstander aan zijn hart gevoeld. - -Ook het gevoel van machteloosheid, dat zich van hem had meester -gemaakt, toen hij aan de willekeur van zijne onbeteugelde paarden was -prijsgegeven, gelijk een blad dat door den wind wordt medegevoerd, -en door een wonder gered werd, wilde hem maar niet verlaten. -- Een -wonder! -- Was Amon werkelijk in menschelijke gedaante op zijn geroep -verschenen; was hij inderdaad een zoon der goden en vloeide er goddelijk -bloed in zijne aderen? - -De hemelsche goden hadden hem buitengewone gunst bewezen, maar hij was -toch niet meer dan een mensch; dat leerden hem de smarten zijner wonden, -en de misleidingen, waarvan hij bijna het slachtoffer was geworden. Ja, -hij moest zichzelven wel beschouwen als een veroordeelde, die genade had -ontvangen in het oogenblik, waarop het vonnis zou worden voltrokken. Hij -was een mensch als alle andere menschen, en hij wilde een mensch zijn. -Hij verblijdde zich er over, dat ook voor hem de toekomst in nevelen was -gehuld; dat hij tallooze zwakheden had, die hij deelde met hen die hij -liefhad, vooral dat hij het bewustzijn in zich omdroeg, onder gelijke -omstandigheden toch meer te vermogen dan al zijne tijdgenooten. - -Spoedig na zijne overwinning brak Ramses met de vorsten der overwonnen -volken in zijn gevolg naar Egypte op, nadat alle belangrijke bergpassen -en vaste plaatsen in Syrië door zijne krijgslieden waren bezet. Hij zond -twee zijner zonen naar Bent-Anat te Megiddo, om haar over zee naar -Pelusium te brengen. Hij wist dat de bevelhebbers, die de havens -der verste grondvesting in het oostelijkste gedeelte van zijn rijk -bewaakten, hem trouw waren toegedaan. Tevens gaf hij zijne dochter bevel -het schip niet te verlaten, tot hij zou aangekomen zijn, ten einde haar -voor elken aanslag van den stadhouder te vrijwaren. Ook een groot deel -van het oorlogsmaterieel en de meeste gekwetsten werden over zee naar -Egypte gezonden. - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - - -Sedert den beslissenden slag bij Kadesch waren er bijna drie -maanden verloopen. Heden werd de pharao, met zijne als overwinnaars -terugkeerende troepen, gewacht in het sterke Pelusium, den sleutel van -Egypte voor alle legers, die uit het oosten kwamen[340]. - - [340] Zie Lepsius, =Chronologie der Aegypter=, S. 338 f. waar - alle aanvallen, die het Nijldal uit het oosten heeft moeten - verduren, opgeteld worden. - -Er waren schitterende toebereidselen gemaakt om den koning te ontvangen, -en hij die de maatregelen voor het feest leidde, met een ijver die -dubbel verrassend was, omdat hij anders zoo kalm van aard scheen te -zijn, was niemand minder dan de stadhouder Ani. Overal zag men zijn -wagen, nu eens bij de werklieden, die de triumfbogen met frissche -bloemen moesten tooien, dan weder bij de slaven, die de houten leeuwen -langs de straten, opzettelijk voor deze gelegenheid vervaardigd, met -kransen omslingerden. Het meest en het langst zag men hem bij het -kolossale houten paleis, in korten tijd opgetimmerd op de plaats -waar vroeger de Hyksos gelegerd waren[341]. Daar zou het eigenlijk -welkomstfeest worden gevierd en de pharao voorloopig met de zijnen -verblijf houden. - - [341] Het Abaris van Menotho is Pelusium, zooals wij in ons - =Aegypten und die Bücher Mose's=, I. S. 209, bewezen hebben. Van - de oude wallen met inspringende hoeken, die aan eene vesting - doen denken, zijn nog sporen bewaard gebleven. Zie Lepsius in de - =Sitzungsberichte der Berliner Akademie der Wissenschaften=, 17 - Mai 1866. - -Door samenwerking van vele duizende menschenkrachten was het gelukt -in weinige weken dit prachtig gebouw te voltooien[342]. Er ontbrak -werkelijk niets, wat een koning, die aan weelderigen glans gewoon was, -maar in eenig opzicht begeerlijk kon toeschijnen. Een hooge op zichzelf -staande trap leidde uit een keurig aangelegden tuin, die als uit het -niet te voorschijn was geroepen, naar eene voorzaal, waarachter de -eigenlijke feestzaal gelegen was. Deze laatste was buitengewoon hoog -opgetrokken. Het houten dakgewelf, dat duizende sterren op een blauwen -grond vertoonde en het firmament voorstellen moest, rustte op zuilen, -waarvan sommige de gedaante hadden van dadelpalmen, andere van ceders -van den Libanon. De breede bladeren en de fijnvertakte naalden er aan, -bestonden uit kunstig vastgehecht en beschilderd weefsel. De zuilen -waren over de geheele breedte van de zaal aan elkander verbonden door -blauwachtig gaas. Alleen midden aan den oostelijken achterwand van deze -zaal was dit gaas saamgestoken in den vorm van eene schelp, die, bezaaid -met groen en blauw vloeispaath, paarlemoer, plaatjes van spiegelblank -Moscovisch glas en andere blinkende sieraden, zich als een baldachijn -over den hoogen troon van den pharao uitbreidde. Deze koninklijke zetel -had de gedaante van een schild dat door leeuwen werd bewaakt, die aan -zijne beiden zijden als leuningen rustten. Het geheel werd gedragen door -vier geboeide Aziatische vorsten, die onder het gewicht van dezen last -schenen te bezwijken. - - [342] Volgens Herodotus (II, 107) zou dit houten gebouw te - Daphne bij Pelusium zijn opgetrokken, volgens Diodorus (I, 57) - te Pelusium zelf. Wij kunnen niet instemmen met hen, die meenen - dat het verraad van den stadhouder gericht was tegen Ramses III - en niet tegen Sesostris (Ramses II). Werkelijk heeft er onder - Ramses III (vgl. Deveria, =Le papyrus judiciaire de Turin=) een - samenzwering van den harem plaats gehad, die ten doel had, den - broeder van den pharao op den troon van Egypte te plaatsen. - Maar van dergelijke paleis-revoluties vinden wij telkens gewag - gemaakt, bijv. reeds in het oude rijk, onder Amenemha I (12e - dynastie), in den papyrus-Sallier (II). - -De vloer van deze feestzaal was bedekt met zware tapijten, die eene -voorstelling moesten geven van den zeebodem; want men zag op den blauwen -grond de meest verschillende gedaanten van mosselen, visschen en -waterplanten. Hier stonden rondom sierlijke tafels wel driehonderd -zetels voor de grooten van het rijk en de aanvoerders van het leger. -Overal hingen ontelbare lampen in de gedaante van leliën en tulpen, -en in de voorzaal stonden groote korven met rozen gereed, die bij de -aankomst voor den koning moesten uitgestrooid worden. - -Ook de slaapvertrekken van den koning en de zijnen waren prachtig -gemeubeld. Rijk geborduurde purperen weefsels hingen als tapijten langs -de wanden neer. De zoldering was gedekt door blauw-wit gaas, in doffen -opgenomen, alsof het lichte boven het hoofd zwevende wolkjes waren. De -grond was in plaats van met tapijten, met giraffen-vellen belegd. - -Meer naar de zijde van de stad waren de barakken opgeslagen voor de -garden en lijfwachten des konings, alsmede de vorstelijke stallen, die -van het paleis gescheiden waren door den tuin, die het van alle zijden -omgaf. Een afzonderlijk, fraai verguld en met bloemen versierd paviljoen -was bestemd om de paarden te herbergen, die den koning in den slag -gereden hadden, en door hem aan den zonnegod waren gewijd. - -Op dit oogenblik doorwandelde de stadhouder Ani met vrouwe Katoeti deze -in allerijl opgetrokken feestzalen. - -»Mij dunkt dat alles goed geslaagd is," zeide de weduwe. - -»Eén ding alleen weet ik niet uit te maken," antwoordde de stadhouder. -»Wat moet ik het meest bewonderen: uw vindingrijke geest, of uw smaak?" - -»Laten wij daarover thans niet spreken," hernam de weduwe met een -glimlach. »Indien ik in eenig opzicht lof verdien, dan is het voor mijn -ijver om u te dienen. Wat moest er in dit moerassig oord[343], waar de -lucht vervuld is van hinderlijke insecten, al niet wordt uitgedacht, -gewaagd, geordend en afgedaan, eer dit gebouw er stond! Nu is het -voltooid, maar voor hoe lang?" - - [343] Volgens eene, hoewel onjuiste etymologie bij Strabo p. - (802) zou Pelusium, afgeleid van het Grieksche woord "pelos," - beteekenen "moerasstad." - -Ani zag naar den grond, terwijl hij herhaalde: »Voor hoe lang?" -- -Daarna ging hij aldus voort: »Eén groot waagstuk is reeds mislukt. Ameni -is koel geworden en verroert zich niet meer. De troepen, waarop ik -reken, zijn mij misschien nog toegedaan, maar veel te weinig in aantal. -De Hebreën, die hier hunne kudden hoeden, en die ik voor mij heb -gewonnen door hen van dwangarbeid te ontheffen, hebben nimmer wapenen -gedragen. Bovendien, gij kent dit volk! Zij kussen de voeten van den -roemrijken overwinnaar, al moesten zij ook om hem te naderen door het -bloed hunner kinderen waden. Het ontbreekt mij aan vertrouwen. En -behalve dit.... het is,... er heeft zich... nu ja, de sperwer, die de -oude Hekt voor mij verzorgt, is juist heden zoo ziek en afgemat...." - -»Hij zal zich morgen des te trotscher weer oprichten, als gij een man -zijt," zeide Katoeti, en hare oogen vonkelden van toorn. »Gij kunt thans -niet meer terug! Hier in Pelusium neemt Ramses, die als een god door u -ontvangen wordt, uw feest aan. Ik ken den koning! Hij is te trotsch om -wantrouwend te zijn, en zoo ingenomen met zichzelven, dat hij niets -moeielijker toegeeft, dan dat hij zich in een mensch, onverschillig of -het een vriend is of een vijand, zou hebben vergist. Hij zal den man, -die hijzelf, toen hij hem tot zijne stadhouder benoemde, voor den -waardigsten in het land verklaarde, ongaarne verdoemen. Heden nog -behoort zijn oor aan u, morgen reeds aan uwe vijanden, en er is in Thebe -te veel geschied, dan dat het zou kunnen uitgewischt worden. Gij zijt -den leeuw gelijk, die tusschen zijn wachter en de traliën staat. Laat -gij thans den tijd ongebruikt voorbijgaan, dan zit gij in de kooi; maar -voelt gij heden uw kracht en toont gij een leeuw te zijn, dan is het met -hem die u temde gedaan!" - -»Gij houdt niet op mij aan te zetten," hernam Ani. »Maar wanneer nu, -nadat Paäker's zoo voortreffelijk uitgevoerd plan is mislukt, ook uw -aanslag eens verkeerd uitvalt?" - -»Zoo staat het met uw zaak niet slimmer dan thans," antwoordde -Katoeti. »De goden, niet de menschen besturen de elementen. Is het -waarschijnlijk, dat gij zulk een prachtig gebouw met zooveel zorg zult -hebben doen voltooien, om het te verbranden? Wij hebben en behoeven -niemand, die van ons plan kennis draagt!" - -»Maar wie zal den brand steken in de vertrekken, die door Nemoe en mijn -stommen slaaf met stroo en pek zijn gevuld?" vroeg Ani. - -»Ik," antwoordde Katoeti vastbesloten, »en met mij nog iemand die van -Ramses niets te verwachten heeft." - -»En wie zal dat zijn?" - -»Paäker." - -»Is de Mohar dan hier?" vroeg de stadhouder verschrikt. - -»Gij hebt hem zelf gezien." - -»Gij vergist u," zeide Ani. »Ik zou ..." - -»Herinnert gij u dien eenoogigen zwarte, met zijn grijs hoofd, die u -gisteren mijn schrijven overbracht? -- Dat is de zoon mijner zuster." - -De stadhouder bracht de hand aan zijn voorhoofd, en prevelde, terwijl -eene rilling hem door de leden voer: »Die arme!" - -»Hij is vreeselijk veranderd," zeide Katoeti. »Hij had zich niet eens -behoeven te verven, om zelfs voor zijne moeder onkenbaar te zijn. In -het gevecht met Mena heeft hij een oog verloren. Een zwaardsteek van -mijn schoonzoon verwondde zijne longen, zoodat hij moeilijk spreekt en -ademhaalt. Het vleesch van zijne breede schouders is verdwenen, en zijne -stevige beenen, waarop hij vroeger zoo pochte, zijn thans dunner dan -die van een neger. Zonder aarzelen liet ik hem onder mijne dienaars -verwijlen. Mijn aanslag kent hij nog niet, maar ik weet dat hij ons -helpen zal, al bedreigden hem ook duizend dooden. Om der goden wil, -draal en wankel nu niet langer! Wij zullen den boom voor u schudden, -zorg gij slechts bij de hand te zijn, als het er morgen op aan zal komen -de vruchten op te rapen. Eén ding echter moet ik verlangen. Beveel den -opzichter der wijnschuren dat hij het druivennat niet spare, opdat de -garde en de Sardische wachters ons niet storen. Ik weet dat gij bevel -hebt gegeven, van de vijf schepen, die den inhoud van uwe wijnschuren -hierheen brachten, maar drie te ontladen. Ik dacht dat de toekomstige -beheerscher van Egypte ten minste niet zoo angstvallig spaarzaam zou -zijn!" - -Om Katoeti's lippen speelde een trek van minachting, terwijl zij deze -woorden sprak. - -Ani merkte het op en zeide: »Gij houdt mij voor schroomvallig. Nu ja, ik -stem het toe, het zou mij wel zoo lief zijn, wanneer ik kon maken dat -vele dingen, die ik op uw aandrijven heb gedaan, niet gebeurd waren. -Ik zou ook gaarne van dezen nieuwen aanslag afzien, hoe zorgvuldig -wij alles ook bij den aanleg en de versiering van dit gebouw hebben -voorbereid. Den wijn wil ik er aan geven. Inderdaad, er zijn wijnkruiken -bij, die nog uit den tijd van mijn vader afkomstig zijn. Doch het moet -zoo zijn. Gij hebt gelijk! Er is reeds te veel gebeurd, dat 's konings -toorn gaande zal maken. Gij zijt verstandig! Doe wat gij goed acht. Ik -slaap na het feest in het kamp der Ethiopiërs." - -»Zij zullen u tot koning uitroepen, zoodra die overweldigers verbrand -zijn," riep Katoeti. »Als er maar eenigen schreeuwen, zoo volgen de -anderen vanzelf, en al hebt gij Ameni ook vertoornd, hij huldigt u -altijd nog liever dan Ramses. -- Daar komt hij, zie, daarboven wapperen -reeds de vanen!" - -»Zij naderen," zeide de stadhouder. »Nu nog éen ding! Zorg gij er -persoonlijk voor, dat de prinses Bent-Anat de voor haar bestemde -vertrekken betrekt. Zij mag niet in den brand omkomen." - -»Nog altijd dezelfde?" vroeg Katoeti schalks en toch niet zonder -bitterheid lachende. »Wees niet bezorgd; hare vertrekken liggen -gelijkvloers en zij zal gewaarschuwd worden." - -Ani zeide haar vaarwel. Hij wierp nog een blik in de groote zaal en -sprak daarna zuchtende: »Mijn gemoed is beklemd; ik wenschte dat deze -dag en nacht voorbij waren!" - -»Het komt mij voor," zeide Katoeti met een glimlach, »dat er veel -overeenkomst is tusschen u en deze schoon versierde feestzaal, die er -thans zoo verlaten, haast huiveringwekkend uitziet. Maar dat alles zal -heden avond veranderen, wanneer zij met gasten gevuld is. Tot koning -zijt gij geboren, en toch nog geen koning. Gij zult eerst geheel uzelf -zijn, wanneer kroon en schepter u toebehooren." - -Ani dankte haar met een lachje en verliet haar. Katoeti prevelde echter -voor zichzelve: »Bent-Anat zal met de overigen verbranden; ik heb geen -lust de heerschappij over dezen met haar te deelen!" - - * * * * * - -Uit alle deelen van Egypte waren mannen en vrouwen saamgestroomd, om den -terugkeerenden overwinnaar en zijne troepen aan de grenzen van zijn rijk -te ontvangen[344]. - - [344] Aan den noordelijken wand van den tempel van Karnak is ons - de schoonste voorstelling van zulk eene feestelijke ontvangst - bewaard gebleven. Deze gold den vader van onzen Ramses, toen ook - hij uit Syrië terugkeerde. - -Elk eenigszins aanzienlijk priestercollege had Ramses eene deputatie -tegemoet gezonden. Het college van de Nekropolis van Thebe zond vijf -zijner medeleden, met den opperpriester Ameni en den tweeden profeet van -het Seti-huis, den ouden Gagaboe, aan het hoofd. De in het wit gekleede -dienaars der godheid naderden in statigen optocht de brug, die over den -oostelijken, den Pelusinischen Nijlarm voerde in het eigenlijke, door de -wateren van den heiligen stroom bevruchte Egypte[345]. - - [345] Het orakel van Amon gaf aan de bewoners van Marea en Apis, - twee steden aan de Lybische grenzen, ten antwoord, dat alles - tot Egypte behoorde, wat door den Nijl, wanneer hij buiten zijn - oevers trad, overstroomd werd, Herodotus II, 18. - -De trein werd geopend door de afgevaardigden van den eerwaardigen -Ptah-tempel te Memphis, welken Mena, de eerste koning wiens hoofd de -kroon van Opper- en Neder-Egypte sierde, reeds gesticht zou hebben, en -tot welks opperhoofd de oudste zoon van Ramses, Chamoes, was benoemd. -Hierop volgden zij, die door het niet minder eerwaardige Heliopolis -waren afgezonden. Daarachter kwamen zij, die den rijkstempel en die -de Nekropolis van Thebe vertegenwoordigden. Maar weinige leden dezer -gezantschappen droegen het eenvoudig witte kleed van de dienaars der -godheid, daar de meesten getooid waren met het panthervel der profeten. -Elk hield een langen staf in de hand die met rozen, leliën en groen loof -was omwonden. Velen droegen gouden armen met gebogene handen, in welker -holte, bij de nadering des konings, kostbaar reukwerk zou worden -ontstoken. Onder de afgevaardigden van de Amon-priesters van Thebe -bevonden zich ook enkele aanzienlijke vrouwen[346], die bij den dienst -van den god werkzaam waren. Daarbij zag men ook Katoeti, die kort -geleden, op uitdrukkelijk verlangen van den stadhouder, onder haar was -opgenomen. - - [346] De zoogenaamde Pallakieden, die wij het menigvuldigst - aantreffen bij de vereering van Amon, maar ook bij den dienst - van godinnen, als Isis en Bast. Hoewel zij op den gedenksteen - van Tanis "Jonkvrouwen" genoemd worden, zoo kon Katoeti toch wel - onder haar gerekend worden daar in ouderen tijd vele Pallakieden - gehuwd waren. - -De opperpriester Ameni liep nadenkend naast den profeet Gagaboe voort. - -»Wat is toch alles gansch anders uitgekomen dan wij dachten en -wenschten!" zeide de laatste zacht. »Wij zijn boden met verzegelde -brieven; wie kent den inhoud?" - -»Ik begroet Ramses met een blijmoedig hart," antwoordde Ameni op -beslisten toon. »Na alles wat hem voor Kadesch wedervoer, keert hij niet -terug, gelijk hij was toen hij te veld trok. Hij weet nu wat hij aan -Amon verschuldigd is. Zijn zeer geliefden zoon heeft hij reeds in dienst -gesteld van den god van Memphis. Hij heeft beloofd prachtige tempels te -bouwen, en den hemelschen goden rijke geschenken te geven. En Ramses is -gewoon zijne geloften beter gestand te doen, dan die lachende zwakhoofd -daar op den wagen." - -»Ik maak mij beangst over Ani," zeide Gagaboe. - -»De pharao zal hem niet straffen, zeker niet," verzekerde de -opperpriester. »En hij heeft niets van hem te vreezen, want dit -wankelend riet is, zonder krachtigen steun, een speelbal der winden." - -»Wat groote dingen hebt gij toch niet van hem verwacht!" - -»Niet =van= hem, maar =door= hem, als hij door ons werd geleid," hernam -Ameni zacht, maar met nadruk. »Dat ik hem opgaf, is geheel zijne eigene -schuld. Hij heeft onzen eersten wensch, den dichter Pentaoer te sparen, -in den wind geslagen; geen eedbreuk ontzien om ons te bedriegen, en -een der heerlijkste werken der goden, want dat was de dichter, te -vernietigen, om eene nietsbeduidende beleediging. Het valt moeilijker te -strijden tegen arglistige zwakheid dan tegen redelijke kracht. Zouden -wij den man, die ons Pentaoer ontstolen heeft, met eene kroon beloonen? -Het valt ieder mensch zwaar een weg, dien men eenmaal heeft ingeslagen, -te verlaten en een beteren te kiezen, een reeds half ten uitvoer gelegd -plan op te geven om een ander te volgen, dat beter uitzichten opent. -Doet hij het, dan loopt hij gevaar door de menschen van onbestendigheid -beschuldigd te worden. Doch wij zien noch rechts noch links, en wanneer -wij handelen in het algemeen belang, behoeven wij ons niet te houden -binnen de perken, die door wet of gewoonte voor de daden van gewone -menschen zijn gesteld. Wij treden terug even voor de bereiking van het -doel; wij laten hem vallen, dien wij omhoog hieven, en verheffen den -man, dien wij zelven hadden neergeworpen, tot de hoogste hoogte. Om -kort te gaan, wij bekennen voor onszelven, en hebben ons sedert eeuwen -aan die leer gehouden. Elke weg is goed, die tot het groote doel -voert, namelijk om der priesterschap de heerschappij over dit land te -verzekeren. Ramses, door een wonder gered, die komt met de belofte -om tempels te bouwen, zal zijn dorst naar groote daden niet meer als -krijgsman maar als bouwmeester trachten te lesschen. Hij zal ons noodig -hebben, en hem die ons noodig heeft, kunnen wij leiden. Ik huldig thans -met blijdschap den zoon van Seti." - -Ameni had nog niet uitgesproken, toen de vlaggen aan de masten vóor -de eerepoorten werden geheschen. Aan gene zijde van den Nijl gingen -stofwolken op, en het geklank van bazuinen liet zich hooren. Daar -vertoonden zich de paarden, die Ramses naar het slagveld hadden gereden. -De koning mende ze zelf en zijn aangezicht straalde van vreugde, toen -de zijnen hem aan de andere zijde van de brug met een onbeschrijfelijk -gejuich begroetten, toen tienduizenden hem met tranen van ontroering -en geestdrift ontvingen, en een regen van tallooze geurige bloemen en -knoppen, van groen loof en palmtakken voor zijne voeten neder viel. - -Ani ging allen die den pharao ontvingen vóor. Hij wierp zich deemoedig -voor de paarden in het stof, kuste de aarde, en overhandigde den koning -den op een zijden kussen liggenden gouden schepter, die hem zoolang was -toevertrouwd. - -De koning riep hem genadig tot zich, en toen Ani zijn gewaad greep om -het te kussen, boog Ramses zich tot hem neder en raakte met zijne lippen -het voorhoofd van zijn plaatsvervanger aan. Hij verzocht hem vervolgens -zijn wagen te bestijgen en de teugels van zijne rossen in handen te -nemen. - -In 's konings oogen parelden tranen van dankbaarheid. Men had hem dus -niet misleid. Als een gelukaanbrengend en geliefd vader, niet als -een straffend gebieder, kon hij het land weder betreden, voor welks -grootheid en welvaart hij leefde. Tot in het diepst zijner ziel bewogen, -ontving hij den welkomstgroet der priesters, en met hen bad hij voor het -oog van de verzamelde volksmenigte. - -Vervolgens liet hij zich naar het voltooide praalgebouw brengen. -Vroolijk besteeg hij den hoogen voortrap. Boven gekomen, begroette hij -vandaar de zich verdringende menigte zijner saamgestroomde onderdanen. -Tweeduizend rijk getooide stieren en even zooveel tamme antilopen[347], -die als een dankoffer aan de goden voor zijn behouden terugkomst zouden -geslacht worden, getemde leeuwen en luipaarden, vreemde boomen, op -welker takken bontgevederde vogels zich wiegden, giraffen, wagens met -struisvogels bespannen, dat alles en nog meer zag hij voorbij voeren, -terwijl hij den stoet wachtte, die van de haven kwam, met Bent-Anat, in -een draagstoel gezeten, aan het hoofd. - - [347] De pracht van het feest, dat wij Ani laten geven, zinkt - geheel in het niet, wanneer wij het vergelijken met hetgeen - Ptolemaeus Philadelphus bij eene feestelijke gelegenheid voor de - bewoners van Alexandrië ten toon spreidde, volgens het verhaal - van een ooggetuige. Kallixenos (bij Athenaeus). - -Ten aanzien van het geheele volk omarmde Ramses zijne dochter. Hij -meende, dat hij zijne onderdanen moest laten deelen in het geluk en de -hartelijke dankbaarheid, die hem vervulden. Zoo schoon als heden was -zijn meest geliefd kind hem nog nooit voorgekomen. Zijn hart werd -ontroerd, want zij herinnerde hem zijne gestorvene gemalin[348], op -welke zij hoe langer hoe meer scheen te gelijken. - - [348] Zij heette Isis Nefert. - -De vrouw van Mena was hare vorstelijke vriendin gevolgd als draagster -van haar waaier. Zij knielde voor den pharao, terwijl deze zich -verheugde over het wederzien van zijne dochter. Thans merkte hij ook -Nefert op, en beval haar vriendelijk op te staan, zeggende: »Wat moet ik -heden al niet beleven! Ik heb ondervonden, dat hetgeen ik weleer voor -het grootste geluk hield, toch nog overtroffen kan worden. En nu zie ik, -dat ook het schoonste zich nog tot hooger schoonheid kan ontwikkelen. -Mena's ster is eene zon geworden." - -Bij deze woorden gedacht Ramses zijn wagenmenner. Een oogenblik rimpelde -zich zijn voorhoofd, toen boog hij langzaam het hoofd, met nedergeslagen -oogen. Bent-Anat kende deze beweging haars vaders. Zij was de voorbode -van een dier vriendelijke, ook weleens ondeugende plannen, waarmede -hij de zijnen placht te verrassen. Ditmaal zag hij echter langer dan -gewoonlijk naar beneden. - -Eindelijk hief hij het hoofd weder op, en liefderijk schitterden zijne -groote oogen, toen hij zijne dochter vroeg: »Wat heeft uwe vriendin wel -gezegd, toen zij hoorde dat haar gemaal eene vreemde schoone in zijne -tent genomen en daar maanden lang geherbergd heeft? Ik vraag de volle -waarheid, Bent-Anat!" - -»Ik ben Mena dankbaar voor deze daad," antwoordde de prinses, »die zeker -licht te vergeven zal zijn, omdat gij er over spreekt met een glimlach, -want zij bracht zijne vrouw tot mij. Hare moeder schold op haar -echtgenoot met bittere hardheid, maar zij bleef gelooven in zijne -trouw en verliet zijn huis, daar zij niet kon verdragen hem te hooren -belasteren." - -»Is dat waar?" vroeg Ramses. - -Nefert knikte toestemmend met het schoone hoofd, en een tweetal tranen -rolde langs hare blozende wangen. - -»Hoe goed moet hij zijn," riep de koning, »wien de goden zulk een geluk -laten te beurt vallen! Ceremoniemeester! Beveel Mena, dat hij mij heden -aan tafel bediene, gelijk vóor den slag bij Kadesch. Hij wierp in het -gevecht de teugels weg, toen hij zijn vijand zag; laat hij nu oppassen, -dat hij met den beker niet hetzelfde doe, wanneer zijne geliefde -meesteres[349] hem aan den maaltijd met deze beide oogen zal aanzien. -Gij vrouwen zult aan het maal deelnemen." - - [349] Zie boven bl. 219. - -Nefert zonk dankend voor den koning op de knieën, doch hij keerde zich -van haar af, om de waardigheidsbekleeders te begroeten, die gekomen -waren om hem te verwelkomen, en reed daarna naar den tempel, waar hij -het slachten der offers bijwoonde, en zijne gelofte, namelijk dat hij -uit dankbaarheid voor zijne redding uit doodsgevaar een prachtigen -tempel te Thebe zou stichten, voor de priesterschap en geheel het volk -plechtig herhaalde. De geestdrift waarmede hij ontvangen werd, waar hij -zich ook vertoonde, was zonder wederga. Zijn weg voerde hem ook voorbij -de haven en de tenten, waarin de gewonden verpleegd werden, die te -scheep naar Egypte vooruitgezonden waren. Hij groette allen van zijn -wagen met bijzondere vriendelijkheid. - -De stadhouder Ani mende weder de paarden. Hij liet de edele dieren -langzaam door de rijen der herstellenden stappen. Maar plotseling gaf -hij de teugels een hevigen ruk. De paarden steigerden en waren met -moeite weder rustig in gang te brengen. Getroffen zag Ramses om. Waar de -paarden waren geschrikt, had ook hem eene huivering aangegrepen, want -hij meende den persoon gezien te hebben, die te Kadesch zijn leven had -gered. - -Had de blik eener godheid de paarden doen schrikken? Moest het eene -zinsbegoocheling heeten, of was zijn redder inderdaad een sterfelijk -mensch, en als gewonde van het slagveld teruggekeerd? De man, die naast -hem de teugels hield, had de oplossing kunnen geven, want Ani had -Pentaoer herkend, en daarbij vol ontzetting in de teugels gegrepen. - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - - -De zon was reeds ondergegaan, toen de koning andermaal bij het houten -praalgebouw aankwam. In de dagheldere feestzaal, die door ontelbare -lampen werd verlicht, bewogen zich thans in bonte mengeling de gasten, -die den koning met ongeduld wachtten. Bij Ramses' verschijning bogen zij -zich, elk naar zijn rang, meer of minder diep. De pharao zette zich op -zijn troon met al zijne kinderen in een breeden halven cirkel om hem -heen. Dáar gingen zijne getrouwen vóor het begin van den maaltijd, hem -een voor een voorbij. Hij had voor elk een vriendelijk woord of ten -minste een blik, waardoor hij ieder wist te eeren en voor zich te -winnen, en blijde hoop wekte in aller harten. - -»Indien er," zeide hij tot zichzelf, »in mijne koninklijke waardigheid -iets is, dat stellig goddelijk mag heeten, dan is het zeker dit, dat het -mij zoo gemakkelijk valt anderen gelukkig te maken. De voorvaderen kozen -zich de giftige Uraeus-slang tot symbool hunner vorstelijke waardigheid, -omdat wij even snel als zij kunnen dooden[350]. Toch rust het vermogen -om gelukkig te maken op onze eigene lippen en in onze eigene oogen, -terwijl wij een werktuig noodig hebben, wanneer wij straffen moeten." - - [350] Zie boven bl. 47. - -»Neemt mij de Uraeus-kroon van den schedel," zeide hij, toen hij van -zijne troon afdaalde, om aan den feestdisch plaats te nemen, »legt mij -heden een bloemenkrans om het voorhoofd." - -Onder de plechtigheid der begroeting verwijderden zich twee mannen uit -de zaal, de stadhouder Ani en de opperpriester Ameni. De eerste gaf aan -eenige veiligheidsbeambten bevel in de legerplaats, voor de gewonden -bij de haven opgeslagen, den dichter Pentaoer op te zoeken, dezen, -zonder opzien te wekken, naar zijne tent over te brengen en daar te -bewaken tot hij terug zou keeren. Hij bezat den drank nog van de oude -Hekt, die den scheepsgezagvoerder het verstand had moeten benemen, en -het stond hem vrij den dichter daar als gast en niet als gevangene te -begroeten. Pentaoer kon hem kwaad doen, hetzij dat Katoeti's aanslag -gelukte of mislukte. - -Ameni had het gebouw verlaten, om den ouden Gagaboe een bezoek te -brengen. Deze had bij de feestelijke ontvangst te lang in de brandende -zon moeten staan, en was bewusteloos naar de tent gedragen, waarin hij -met den opperpriester verblijf hield, en die op geringen afstand van die -des stadhouders was opgeslagen. De overste van het Seti-huis vond den -grijsaard geheel hersteld, en maakte zich gereed zijn wagen te bestijgen -en tot het feest terug te keeren, toen de gerechtsdienaars van den -stadhouder Pentaoer langs hem heen voerden. - -De gevangene trok, door zijne deftige gestalte, onwillekeurig Ameni's -aandacht. De dichter herkende den opperpriester, riep hem bij zijn naam, -en weldra stonden beiden hand in hand tegenover elkander. Toen de -wachters zich hierover schenen te verontrusten, gaf de opperpriester te -kennen wie hij was. Hij verheugde zich oprecht over het behoud en het -wederzien van den meest geliefden zijner leerlingen, wiens dood hij -sedert maanden had betreurd. Met vaderlijke teederheid beschouwde hij -zijne mannelijke gestalte, en beval de dienaars, die zich voor zijne -hooge waardigheid bogen, »zijn vriend" op zijne verantwoording niet in -de tent van Ani maar in zijne eigene te brengen. - -Pentaoer vond daar den ouden Gagaboe, die onder het herhaald uitroepen -van »Ach!" en »Helaas!" van vreugde over zijne redding weende als een -kind. Alles wat Ameni den dichter zou hebben kunnen verwijten, scheen -vergeten te zijn. Ameni liet hem terstond bekleeden met een nieuw wit -gewaad, hield niet op hem met bewondering aan te zien, en klopte hem -gedurig met zijne trotsche hand op den schouder, als ware Pentaoer zijn -eigen verloren en teruggevonden zoon. - -Haastig moest de dichter mededeelen al wat hij had doorleefd. Hij -vertelde van zijne gevangenschap en van zijne bevrijding bij den -heiligen Sinaï, van zijne ontmoeting met Bent-Anat, en dat hij mede -gestreden had in den slag bij Kadesch, dat hij door een pijl was gewond, -maar door Warda's vader gevonden. Hij verzweeg alleen wat hij voor -Bent-Anat gevoelde, en dat niemand anders dan hij den koning had gered. - -»Een uur geleden," zoo besloot hij, »zat ik alleen in mijne tent en zag -naar de lichten in het paleis daarginds, toen de veiligheidsbeambten, -die daar buiten wachten, mij het bevel overbrachten, dat ik hen volgen -moest naar Ani's tent. Wat wil hij toch van mij? Ik heb allen grond te -onderstellen, dat hij mij kwalijk gezind is." - -Gagaboe en Ameni wisselden een blik, dien zij wederkeerig verstonden. -De laatste ging daarop in allerijl heen, want reeds te lang was hij van -het feest weggebleven. Alvorens zijn wagen te bestijgen, gebood hij de -wachters hunne posten weder te betrekken; hij nam op zich den stadhouder -mede te deelen, dat zijn gast tot het einde van het feest in zijne tent -zou vertoeven. De soldaten voldeden hieraan, zonder zich verder over -Pentaoer te bekommeren. - -Ameni bereikte vóor hen het paleis en trad de feestzaal in, toen de -stadhouder reeds aan zijne gasten hunne plaatsen had aangewezen. - -De opperpriester ging rechtstreeks op Ani toe, boog zich voor hem en -zeide: »Vergeef mij mijn langdurig uitblijven; maar eene buitengewone -verrassing hield mij terug. De dichter Pentaoer leeft, gelijk gij weet, -en ik noodigde hem tot uw terugkeer als gast in mijne tent, om den -profeet Gagaboe op te passen." - -De stadhouder verbleekte, terwijl hij Ameni sprakeloos en met glazige -oogen toelachte. Maar spoedig herstelde hij zich en zeide: »Gij ziet, -door welk eene onwaardige verdenking gij mij gekrenkt hebt. Ik wilde -morgen uw lieveling weder bij u brengen." - -»Vergeef ons dan, dat wij u zijn voorgekomen," zeide Ameni en nam zijn -plaats in, in de nabijheid van den pharao. - -Honderde slaven vlogen de zaal binnen, beladen met kostelijk -tafelgereedschap. Gouden en zilveren mengvaten, uitmuntende door -sierlijk drijfwerk, werden op raderen de zaal ingereden, en op de -schenktafels geplaatst. In keurig beschilderde houten schelpen en -lotusbloemen, die van de zoldering afhingen, waren kinderen geplaatst. -Zij wierpen over het doorzichtig gaas, dat de zalen verbond, als uit -de wolken rozen en viooltjes op de gasten neder. Uit voor het oog -onzichtbare bijzalen weerklonk harpspel en gezang, en van een zes el -hoog gouden altaar in het midden van de zaal, steeg de geur op van -kostelijk en bedwelmend reukwerk. - -De koning, onder wiens titels die van »zoon van den zonnegod" behoorde, -straalde als ware hijzelf de zon. Zijne kinderen waren weder allen -rondom hem; Mena schonk heden als in vroeger dagen den beker voor -hem in. Al wat er aanzienlijk was in het land zag hij om zich heen -geschaard, en verheugde zich met hem over zijne overwinning en zijne -terugkomst. - -Tegenover hem zaten de vrouwen, en vlak voor hem zij, die hij het liefst -zag, Bent-Anat en Nefert. De raad aan Mena gegeven, dat hij den beker -goed vast moest houden, scheen niet overbodig geweest te zijn, want maar -al te dikwijls richtte hij zijn blik van de koninklijke bokaal op zijne -aanminnige vrouw, uit wier mond hij nog geen welkomstgroet had kunnen -vernemen, wier hand hij nog niet weder had aangeraakt. - -Al de gasten verkeerden in eene feestelijke stemming. - -Ramses verhaalde van den slag bij Kadesch, waarop de opperpriester van -Heliopolis zeide: »Nog tot in later tijd zullen de zangers uwe daden -prijzen." - -»Niet hetgeen ik verricht heb," viel de koning hem in de rede, »moet hun -lied verheffen, maar de genade van den god, die uw gebieder wonderbaar -redde en de Egyptische wapenen de zege verleende over tallooze -vijanden." - -»Zaagt gij den god met eigene oogen, en in welke gedaante verscheen hij -u?" vroeg Bent-Anat. - -»Het was een wonder," antwoordde Ramses ernstig, »maar hij geleek den -overleden vader van den verrader Paäker. Mijn redder was hoog van -gestalte en schoon van gelaat. Hij had eene zware stem die door de ziel -drong, en hij slingerde de strijdbijl als een speeltuig." - -Ameni had opmerkzaam naar 's konings woorden geluisterd. Onder eene -diepe buiging zeide hij nu met bescheidenheid: »Indien ik jonger was, -zou ikzelf misschien beproeven, gelijk het de gewoonte was bij de -vaderen, deze heerlijke daad van een god en zijn verheven zoon bij het -feestmaal in een lied te verheerlijken. Maar het zoetvloeiende van onze -stem verdwijnt met de jaren, en het oor van den hoorder luistert liever -naar jongere zangers. Niets ontbreekt aan uw feest, milde Ani, als de -dichter, die in geestdrift bij snarenspel de groote daad van onzen vorst -bezingt. Toch vertoeft in onze nabijheid de door de godheid begenadigde -Pentaoer, de edelste kweekeling van het Seti-huis." - -Bent-Anat verbleekte, en de aanwezige priesters, die het verlies van den -door geheel Egypte gewaardeerden jongen dichter hadden betreurd, gaven -niet onduidelijk hunne vreugde en verbazing te kennen. - -De koning had door zijne zonen, met name door Rameri, Pentaoer hooren -roemen, en gaf gaarne zijne toestemming, toen Ameni hem vroeg, of hij -den dichter, die in den slag bij Kadesch had medegestreden, roepen en -tot het voordragen van een feestgezang uitnoodigen mocht. - -De stadhouder was niet zeer op zijn gemak, en zag met een bleek gelaat -in zijn beker. Ameni stond echter op, om Pentaoer zelf te halen, en voor -den koning te brengen. - -Gedurende Ameni's afwezigheid werden nieuwe gerechten opgedragen. -Achter elken gast was een zilveren bekken met rozenwater, waarin zij van -tijd tot tijd de vingers doopten om ze te reinigen. De dienende slaven -stonden met rijk gestikte doeken om de handen af te drogen[351] gereed, -terwijl andere de verwelkte kransen van het hoofd en den hals der gasten -wegnamen, om ze door frissche te doen vervangen. - - [351] In meer dan een griekschen papyrus van het Louvre werden - servetten (ekmageia) vermeld. Ook op de afbeeldingen van - gastmalen uit den ouden tijd dragen dienaars ze op den arm. - -»Gij zijt bleek, mijn kind," zeide Ramses, zich tot Bent-Anat richtende. -»Wanneer gij u vermoeid gevoelt, zal onze neef u zeker veroorloven -het feest te verlaten. Maar ik dacht, gij moest toch blijven, tot de -algemeen geprezen dichter zijn lied zal hebben gezongen. Wie zoo -geroemd wordt als hij, heeft eene zware taak, als hij de hoorders wil -bevredigen. -- Doch waarlijk, mijne dochter, gij maakt mij ongerust. -Wilt gij ook heengaan?" - -De stadhouder was opgestaan en zeide dringend: »Door uwe -tegenwoordigheid hebt gij mijn feest eer aangedaan. Daar het u echter -schijnt te vermoeien, bid ik u mij te veroorloven u met de vrouwen naar -de voor u bestemde vertrekken te geleiden." - -»Ik blijf," antwoordde Bent-Anat zacht, maar beslist, en zag met een -kloppend hart naar den grond, want het goedkeurend gemompel der gasten -zeide haar, dat Pentaoer de zaal was binnengekomen. - -Bescheiden, maar toch in verwarring gebracht door den ongewonen glans, -die hem hier omgaf, trad de dichter, door Ameni geleid, vóor den koning. -Hij droeg weder het lange witte gewaad van de priesters van het -Seti-huis, en de struisveder, die de ingewijden onderscheidde, op het -voorhoofd. Eerst toen hij vlak voor den koning stond sloeg hij de oogen -op, wierp zich voor hem neder, en wachtte op een wenk van den pharao om -weder op te staan. - -Maar Ramses talmde lang, want de aanblik van dezen tot hem opzienden -jongeling ontroerde hem. Was dit de gewaande god? Was dit dan zijn -redder? Werd hij weder door de gelijkheid bedrogen, of droomde hij? - -Alle feestgenooten zagen zwijgend naar den pharao, die daar roerloos -zat, en den dichter. - -Eindelijk gaf Ramses een wenk, Pentaoer stond op en zijn aangezicht werd -donkerrood gekleurd, toen hij Bent-Anat in zijn nabijheid aanschouwde. - -»Gij streedt voor Kadesch?" vroeg Ramses met bewogen stem. - -»Zooals gij zegt," antwoordde Pentaoer. - -»Men roemt u als dichter," ging de koning voort, »en wij verlangen mijne -wonderbare redding in een lied te hooren verheerlijken. Wilt gij het -beproeven, laat u dan een snarenspeeltuig brengen en zing." - -De dichter boog en zeide: »Mijne gaven zijn bescheiden, maar ik wil het -beproeven, de schoonste daad te prijzen voor den held zelven die haar -volbracht met den bijstand der goden." - -Ramses gaf een wenk en Ameni liet zijn leerling eene groote gouden harp -overhandigen. - -Pentaoer tokkelde de snaren zacht met zijne vingers, liet zijn hoofd -rusten tegen den top van den krommen balk der harp, staarde lang in -de ruimte, verhief zich toen in al zijn lengte, greep krachtig in de -snaren, en ontlokte daaraan volle tonen, die in stoute rythmen als -krijgsmuziek ver door de zaal klonken. Daarna begon hij in recitatief te -berichten, hoe Ramses voor Kadesch zijn legerplaats had opgeslagen, hoe -hij zijne troepen had geordend en tegen de Aziatische bondgenooten der -Cheta in het veld had gebracht. - -Gaandeweg nam zijne stem toe in omvang en kracht; geweldiger klonken -de tonen, zoodra hij het keerpunt van den strijd, de redding van den -koning, toen hij door de vijanden omsingeld was, begon te bezingen. Zich -hoog oprichtende luisterde de pharao, toen Pentaoer zong[352]. - - [352] Bijna woordelijke vertolking van een gedeelte van het - oud-Egyptisch heldendicht, "het epos van Pentaoer" geheeten. Zie - boven bl. 415. - - »Toen verhief zich de koning met vroolijker moed, - De wapenen grijpend, omgord met het pantser, - Gelijk aan den Baäl in 't uur van den strijd. - De rossen, zoo edel, bestemd hem te dragen -- - "In Thebe de zege", zoo heette het eene, - Het andere werd "Bevredigde Noera" genoemd. - Zij waren gesproten van 's Zonnegods rossen, - Den liev'ling van Amon, den koning der waarheid, - Dien zich de god Ra tot een stadhouder koos. - Vooruit dringt de koning, hij stort zich te midden - Der golvende rijen ellendige Cheta. - Hij, =geheel onverzeld, want geen ander was met hem=! - En toen hij gezien werd door de oogen der zijnen, - Die achter hem waren, toen werd hij omsingeld - Door meer dan twee duizend vijandelijke wagens. - Versperd was hem de aftocht door tallooze benden - Ellendige Cheta, en allerlei volken, - Met dezen verbonden: de krijgers van Arad, - Het Mysische heer en Pisidische strijders, - Er waren drie mannen op iederen wagen - En broederlijk waren zij allen vereenigd. - "Geen vorst bleef bij mij, geen hoofdman der troepen, - Geen leider der schutters, geen menner der wagens! - Verlaten zelfs had mij 't ontmoedigde voetvolk, - De ruiters zelfs vloden, geen hunner hield stand, - Om met mij getrouw aan mijn zijden te vechten." - Zoo sprak de Verhevene en riep in gebede: - "God Amon, mijn vader, ik weet wie gij zijt! - Vergat ooit de vader den zoon dien hij liefheeft? - Vergat ik u ooit bij al wat ik deed? - Heb ik niet gewandeld en stond ik niet stille, - Uw woord steeds gehoorzaam, 't gebod van uw mond? - Wel is hij verheven, de heer van Egypte, - Toch is hij voor uw' onuitspreek'lijke grootheid - Zoo klein als een zwervende stam der woestijne. - Wat dan beteek'nen voor u die Semieten? - Amon maakt kracht'loos al wie hem miskennen, - Maar ik? Schonk ik u niet ontelbare gaven? - Met gevangenen vulde ik uw heilige woning, - Ik stichtte u een tempel zoo prachtig, zoo hecht, - Dat hij zelfs millioenen van jaren kan duren. - Ik vulde uwe schuren met alles wat mijn is. - Ik bood u heel de aarde om uw rijk te vergrooten, - En dertigmaal duizend der krachtigste stieren - Liet ik voor u slachten op geurige houtmijt. - Ook liet ik verrijzen verheev'ne pylonen - En plantte daarvoor de bewimpelde masten. - Ik deed obelisken u wijden uit Aboe[353] - En eeuw'ge steenen u ter eere bewerken. - Voor u doorklieven mijn schepen de golven - Opdat zij u brengen de schatting der volken. - Zoo deed ik bestendig, want wel is rampzalig - Het lot van die tegen uw raad zich verzetten. - En nochtans regeert gij, met goedheid en liefde - Als een zoon zijnen vader, zoo roep ik u, Amon - Zie neder op mij, wien tallooze benden - Van volken omringen, zoo vreemd aan uw harte. - Tegen mij zijn verbonden de natiën alle, - =Ik sta hier alleen en geen ander is bij mij=. - Ik hen hier door al mijn voetvolk verlaten, - Mij zoekt zelfs geen ruiter met angstigen blik, - Ik riep hen, en niemand vernam mijne woorden, - Toch weet ik: de wil van den machtigen Amon - Heeft grooter kracht dan millioenen soldaten, - Dan honderdmaal duizende wagens en ruiters, - Dan tienmalen duizend der eigene broeders - En bloeiende zonen in 't hechtste verbond. - Het werk van de menschen, hoe groot hun getal zij, - Wordt nietige schaduw bij 't werk van uw hand, - Het woord uit uw mond bestuurde mijn daden, - Ik was steeds gehoorzaam als Amon gebood. - Zoo roep ik u aan, en mijn lof zal weerklinken - Tot verr' heen aan de uiterste grenzen der aarde." - Ja! tot aan Hermonthis drong door zijne stemme[354] - En Amon verscheen op zijn smeekende bede. - Hij reikte de hand hem. Hij juichte van vreugde - En achter hem sprak hij: "Ik snel u ter hulp, - O Ramses, en zal aan uw zij met u strijden! - Ik ben het, uw vader, wiens handen u dragen. - Meer ben ik voor u dan honderdmaal duizend. - De dapperheid eer ik, als sterkste der sterken, - Een heldenhart vond ik, dat geef ik mijn zegen. - En dat, wat ik voorneem, wordt zeker vervuld." - - [353] Elephantine. - - [354] In den Egyptischen tekst wordt ook het volgende door Ramses - in den eersten persoon gesproken. - - Toen wierp hij, den krijgsgod gelijk, met zijn rechter - De gevleugelde lans, en hief op met zijn linker - De wichtige strijdbijl en velde den vijand. - Hij sloeg hem als Baäl in 't uur van den slag. - Vijand'lijke wagens, ze vlogen in stukken; - Tweeduizend vijfhonderd. De rijders versagen; - Niet een hunner vindt meer een hand om te vechten; - De vrees grijpt hen aan en verlamt hunne leden. - Zelfs weten zij niet meer hun pijlen te richten, - Tot 't slingeren der lanzen ontbreken de krachten, - Nu dringt hij de scharen, zij storten in 't water...." - -In de ruime feestzaal was eene doodelijke stilte. - -Ramses had den dichter onafgebroken aangestaard, als wilde hij zijn -beeld geheel in zijne ziel opnemen, om het daar te plaatsen naast en -te vergelijken met een ander, dat hem sedert dien dag van Kadesch -onvergetelijk was. Er was geen twijfel meer aan, zijn redder stond voor -hem! - -Eene oogenblikkelijke opwelling volgende, viel hij den dichter midden -in het gezang, dat hem zoo diep trof, in de rede en riep zijnen -feestgenooten toe: »Eere zij dezen man, want de godheid koos zijne -gestalte om uw koning te redden, =toen hij alleen stond, en de duizenden -hem omringden=!" - -»Heil Pentaoer!" ruischte het door de wijde zaal. - -Daar stond Nefert op en overhandigde den dichter blozend den ruiker, -dien zij op haar boezem had gedragen. Ramses gaf haar zichtbaar zijne -goedkeuring te kennen en richtte een vragenden blik op zijne dochter. - -Bent-Anat beantwoordde zijn blik met al de innigheid eener oprecht -kinderlijke liefde. Zij had hem begrepen en scheen alleen zijne -goedkeuring te vragen, toen zij den krans, die hare schoone haren had -gesierd, van het hoofd nam, en dezen, naar den dichter toegaande, om -zijne slapen legde, gelijk eene bruid haar verloofde tooit voor de -bruiloft. - -Ramses was getroffen door deze daad van zijn kind, die door de aanwezige -gasten met luide teekenen van bijval werd beantwoord. Met een ernstigen -blik beschouwde hij Bent-Anat en den jongen man. Aller oogen waren vol -spanning op den koning en den dichter gericht, het scheen als had Ramses -de tegenwoordigheid der feestgenooten vergeten, en stond hij daar alleen -met zijne gedachten. - -Langzamerhand was er verandering in zijne trekken te bespeuren. Zijn -gelaat klaarde op, als een in nevelen gehuld landschap, wanneer de -stralen der lentezon doorbreken. Toen hij zijne oogen weder ophief, -verkondigden zij dat er blijdschap was in zijn helder gemoed. En -Bent-Anat wist, wat hij haar wilde zeggen, toen hij eerst haar, daarna -haar vriend, wiens hoofd nog altijd den bloemenkrans droeg, met -welgevallen aanzag. - -Eindelijk keerde Ramses zich van de twee geliefden af en riep hij de -feestgenooten toe: »Het middernachtelijk uur is reeds voorbij, en ik -verlaat u thans. Morgenavond noodig ik u allen, en u Pentaoer in het -bijzonder, als mijne gasten in deze zelfde feestzaal. Vult nog eens de -bekers, wij willen ze ledigen op den langen duur van den vrede, die -volgen zal op overwinningen, met behulp der goden bevochten. Laten wij -ook met dezen dronk mijn vriend Ani danken, die ons hier zoo heerlijk -heeft onthaald, en die het rijk, terwijl wij in het buitenland toefden, -getrouw en zorgvuldig heeft bestuurd." - -De gasten beantwoordden den dronk des konings, die den stadhouder -trouwhartig de hand schudde. Hierop verliet Ramses de zaal, omstuwd door -zijne stafdragers en kamerheeren, nadat hij Ameni, Mena en de vrouwen -een wenk had gegeven hem te volgen. - -Nefert mocht nu eerst Mena begroeten, om dadelijk weer afscheid van hem -te nemen. Zij had gehoor gegeven aan de dringende bede van Katoeti, om -dezen nacht niet bij Bent-Anat door te brengen, maar bij hare moeder, -die haar in vertrouwen zooveel had mede te deelen. Katoeti's wagen -bracht haar haastig naar hare tent. - -In de voorzaal, die tot zijn bijzondere vertrekken leidde, nam Ramses -van de zijnen afscheid. Nadat zijn gevolg zich verwijderd had, wenkte -hij Bent-Anat, en vroeg haar op goedigen toon: »Wat dacht ge wel bij -uzelve, toen gij uw krans den dichter op het hoofd druktet?" - -»Wat ieder ander meisje in Egypte denkt, die hetzelfde doet," antwoordde -de prinses met vertrouwelijke openhartigheid. - -»En uw vader?" vroeg Ramses. - -»Mijn vader weet, dat ik hem gehoorzaam zou zijn, ook wanneer hij het -zwaarste van mij mocht verlangen, namelijk dat ik mijn levensgeluk aan -hem ten offer zou brengen. Maar ik geloof dat hij.... dat gij mij -hartelijk liefhebt, en ik vergat de ure niet, waarin ge mij gezegd hebt, -dat gij, na den dood mijner moeder, voor mij vader en moeder te gelijk -wildet zijn, en dat gij zoudt trachten mij te begrijpen, gelijk zij -mij zeker begrepen zou hebben. Doch waartoe zijn er tusschen ons vele -woorden noodig! Ik bemin Pentaoer, met de eerste liefde van geheel mijn -hart, en niet sedert heden. Hij heeft getoond, dat hij de hoogste eere -waardig is. Maar al ware hij ook nog zoo nederig van afkomst, de hand -uwer dochter zou toch macht genoeg bezitten, om hem te verheffen boven -alle vorsten des lands." - -»Zij heeft deze macht, en gij moogt er gebruik van maken," sprak de -koning. »Gij zijt, gedurende den tijd dat uw leidsman en vader u aan -uzelve moest overlaten, trouw gebleven aan uwe beginselen en aan de -waarheid. Ik heb in u het beeld uwer moeder lief, en van haar leerde -ik, dat een rechtschapen vrouwenhart beter dan mannelijke wijsheid den -goeden weg weet te vinden. Ga nu ter ruste en bestel voor morgen een -nieuwen krans, want gij zult dien noodig hebben, mijn lieve dochter!" - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - - -Maan en sterren schitterden aan het onbewolkte hemelgewelf boven de -Pelusinische vlakte. De witte koppen der duizende tenten, waarin hier de -teruggekeerde krijgslieden sliepen, ginds de Egyptenaars, die herwaarts -waren gekomen om den koning mede te ontvangen, zagen er in de -nachtelijke schemering als zoovele sneeuwheuvels uit. - -In de legerplaats der soldaten was het bijzonder vroolijk toegegaan. -Drie ontzaglijke, met kransen getooide wijnzakken, geplaatst op een -wagen, die door niet minder dan dertig ossen werd getrokken, waren door -de straten, die de tenten van elkander scheidden, onophoudelijk heen -en weder gereden. Bij elke beweging vloeide het druivennat, en toen -de duisternis begon te vallen, werden op vele plaatsen van het kamp -schenktafels opgeslagen, waarbij de dienaars van den stadhouder de -troepen met kwistige hand van rooden en witten wijn voorzagen. - -De tenten van de Egyptische burgers, die den pharao kwamen begroeten, -waren van het prachtige gebouw, dat Ani liet optrekken, alleen -gescheiden door den in allerijl aangelegden tuin, in het midden van -welken het zich verhief. Dit terrein was rondom door rasterwerk -afgesloten. Het verblijf van den stadhouder zelven onderscheidde zich -van alle andere door grootte en pracht. Aan zijne rechterzijde waren de -lichte woningen opgeslagen van de afgevaardigden der priestercollegies, -aan de linkerzijde die van het personeel van zijn hofstaat. Onder -de laatsten waren ook de tenten van zijne vriendin Katoeti, eene -grootere voor haar eigen gebruik en verschillende kleinere voor haar -dienstpersoneel. - -Achter Ani's woning stond nog eene tent, die geheel omgeven was door -een hoogen loozen wand van lijnwaad. Daarin hield de oude Hekt haar -verblijf, die Ani heimelijk in zijne eigene boot had medegevoerd. Alleen -Katoeti en zijne meest vertrouwde dienaars wisten, wie achter de linnen -omheining van die geheimzinnige tent haar bijzonder leven leidde. - -Terwijl de gasten in Ani's feestzaal maaltijd hielden, zat Hekt -neergehurkt op den zandigen bodem van hare enge woning, die door -een kegelvormig linnen-dak was bedekt. Zij haalde zwaar adem. De -krampachtige aandoeningen van het hart, waaraan zij sedert lang had -geleden, herhaalden zich menigvuldiger en brachten haar leven ernstig in -gevaar. Vóór haar brandde een klein lampje uit roode gebakken aarde, en -in haar schoot zat een zieke sperwer. Het diertje dook telkens in zijne -veeren en sloot zijne witachtige oogleden, maar grimmig opende het de -oogen, zoo vaak Hekt het in hare dorre hand nam, om wat lucht te blazen -in zijn krommen snavel, die nog altijd lust gevoelde om van zich af te -bijten. - -De kleine Scheraoe lag aan de voeten der tooveres op eene mat te slapen. -Zij gaf thans het kind een schop met den voet, en zeide, toen het zich -slaapdronken oprichtte: »Gij hebt jonge ooren. Het kwam mij voor dat er -in Ani's tent eene vrouw schreeuwde. Hoort ge wat?" - -»Waarlijk," zeide de kleine. »Dat klinkt als gehuil. -- Maar nu was het -een gil. Het kwam van dáár, uit Nemoe's tent." - -»Kruip hier door," beval de oude, »en zie wat er gaande is?" - -Het kind gehoorzaamde. De heks hield zich inmiddels weder met den vogel -bezig, die nu niet meer zat, maar op zij gevallen was, doch nog altijd -zijne klauwen trachtte te gebruiken, wanneer zij hem aanpakte. - -»Hij sterft," prevelde de oude, »en die ik Ramses noemde wordt steeds -glanziger. Dat is nu alles onzin, en toch.... toch! Het spel van den -stadhouder loopt op zijn eind en hij verliest het! Daar rekt het -gedierte zich nog eens uit, daar zinkt zijn kop op zij, daar kruipt het -ineen, daar bijt het nog eens in mijn kleed, en -- nu is het dood!" - -Een tijdlang bleef zij met den dooden sperwer in haar schoot zitten, -eindelijk nam ze hem op, en wierp hem in een hoek van de tent, daarbij -roepende: »Goeden nacht, koning Ani, er komt niets van je kroon!" - -De oude zag peinzend naar den grond en mompelde weder in zichzelve: -»Wat zouden ze nu nog in het schild voeren? Wel twintigmaal heeft hij -gevraagd, of het groote plan al of niet gelukken zou. Alsof ik dat beter -wist dan hij! Ook Nemoe zinspeelt op allerlei dingen, maar voor de -eerste maal wil hij niet spreken. Er wordt iets voorbereid, en ik, ik..? -Daar komt het weer." - -Hekt drukte de hand op haar hart, sloot hare oogen, en op haar -aangezicht vertoonde zich trekken van hevige smart. Zij merkte niet dat -Scheraoe terugkwam; zij hoorde niet dat hij haar bij den naam riep, en -haar weder verliet, toen zij geen antwoord gaf. Zoo bleef zij wel een -uur lang bewusteloos; toen ontwaakte de levensgeest weder, doch het -was haar als vloeiden, in plaats van warm bloed, koude druppels haar -langzaam door de aderen. - -»Als ik voor mij een sperwer had bewaard," zoo prevelde zij verbitterd -in zichzelve, »dan zou deze weldra den ander in den hoek volgen! -- of -Ani woord zal houden en mij zal laten balsemen? Hoe zal hij dat kunnen, -nu het ook met hem op het eind loopt! Zij zullen mij laten verrotten en -vergaan, en voor mij is er geen leven na dit leven, geen wederzien van -Assa." - -Lang zweeg de oude, ten laatste begon zij weder te mompelen, op den -grond starende: »De dood brengt toch verlossing, al ware het enkel van -de kwelling der herinnering. -- Maar er is toch een leven aan gene zijde -des grafs; ik laat de hoop daarop niet varen, ik wil het niet! Alle -afgestorvenen zullen daar gelijke rechten hebben en aan dezelfde wetten -onderworpen zijn. -- Waar zal ik hem dan vinden, bij de zaligen of bij -de verdoemden? En waar zal ik komen, ik? -- 't Is mij onverschillig! Hoe -dieper de afgrond is, waarin zij mij neerstooten, des te beter! -- Kan -Assa, als hij zalig geworden is, zich zalig blijven gevoelen, als hij -ziet, tot hoever hij mij gebracht heeft? Ze moeten mij balsemen, ik mag -niet verderven en verwaaien, mij niet oplossen in niets!" - -Terwijl zij deze woorden mompelde, trad Nemoe zacht hare tent binnen. -Toen Scheraoe de oude vrouw bewusteloos had gevonden, was hij naar Nemoe -geloopen, om hem mede te deelen, dat zijne moeder met geslotene oogen en -stervende op den grond lag. - -Zoodra de oude den dwerg bemerkte, zeide zij: »Het is goed dat gij komt. -Ik zal wel dood zijn vóor de zon opgaat." - -»Moeder!" riep de kleine man verschrikt. »Gij zult leven, en een beter -leven leiden als gij tot hiertoe hebt gedaan, want groote gebeurtenissen -zijn er op til." - -»Ik weet het, ik weet het," zeide de heks. -- »Naar buiten -Scheraoe! -- Fluister mij nu in het oor wat gij voornemens zijt te -doen." - -De dwerg kon zich niet onttrekken aan den blik harer oogen, waarmede zij -hem aan zich kluisterde! Hij naderde haar en zeide zacht: »Het gebouw, -waarin de koning met de zijnen slaapt, is van hout. Tusschen de wanden -en onder den vloer is stroo en pek aangebracht. Zoodra zij ter ruste -gegaan zullen zijn, steken wij de lont in brand. De wachters zijn -smoordronken en slapen." - -»Goed verzonnen," prevelde Hekt. »Hebt gij dit plan uitgedacht?" - -»Mijne meesteres en ik," zeide Nemoe niet zonder trots. - -»Gij verstaat de kunst om aanslagen te smeden," zeide de oude, »maar in -de uitvoering zijt gij niet zoo sterk. Bleef het plan geheim? Hebt gij -degelijke helpers?" - -»Niemand weet er iets van," antwoordde de dwerg, »behalve Katoeti, -Paäker en ik. Wij steken met ons drieën het gebouw op de afgesproken -plaatsen in brand. Ik ben bezig bij de vertrekken van Bent-Anat; -Katoeti, die men overal toelaat, begeeft zich binnen in het gebouw naar -de trap, die tot de hoogere verdieping leidt, en door een slag op een -veer in elkander stort. Paäker plaatst zich onder de vertrekken des -konings." - -»Goed, goed, dat kan gelukken," zeide de oude, steunend. »Maar wat was -dat voor eene vrouwenstem, die schreeuwde in je tent?" - -De dwerg draalde met zijn antwoord. - -»Spreek zonder schroom," zeide Hekt. »Doode vrouwen zwijgen!" - -De dwerg, die beefde van innerlijke ontroering, onderdrukte de -bedenkingen die hij nog had, en zeide haastig: »Ik heb Warda, de -verdwenen kleindochter van den Paraschiet Pinem, teruggevonden en -hierheen gelokt, want zij en geene andere zal mijne vrouw worden, als -Ani koning is, en Katoeti groot wordt, en mij vrijlaat en rijk maakt. -Zij staat in dienst van de prinses Bent-Anat, slaapt in haar voorvertrek -en moet niet met hare meesteres verbranden. Zij wilde volstrekt naar het -paleis terug, en daar zij als eene mug in het vuur zou vliegen, en zij -daarin niet mag omkomen, zoo bond ik haar vast." - -»Heeft zij zich niet verweerd?" vroeg de oude. - -»Als eene waanzinnige," antwoordde de dwerg, »maar de stomme slaaf van -den stadhouder, die op bevel van zijn heer mij heden in alle dingen -moet gehoorzamen, heeft mij geholpen. Wij hebben haar ook den mond -dichtgebonden, opdat men haar schreien niet zou hooren." - -»Laat gij haar alleen, wanneer gij aan het werk gaat?" vroeg de -tooveres. - -»Haar vader blijft bij haar." - -»De roodbaard Kaschta?" vroeg de tooveres verbaasd. »Maar heeft hij -ulieden dan niet in stukken geslagen als aarden potten?" - -»Hij verroert zich niet," zeide Nemoe lachend, »want toen ik hem vond, -maakte ik hem met Ani's ouden wijn zoo smoordronken, dat hij neerligt -als een mummie. Door hem ben ik te weten gekomen, waar Warda zich -schuil hield. Ik ging naar haar toe en lokte haar mede, terwijl ik haar -vertelde, dat haar vader doodelijk ziek was geworden, en liet haar -bidden hem nog eens te bezoeken. Zij liep naast mij voort als een gazel, -en toen zij den roodbaard daar roerloos zag liggen, wierp zij zich naast -hem op den grond en verlangde water om zijn voorhoofd af te koelen. Want -hij redeneerde als in eene ijlende koorts van ratten en muizen, die hem -overvallen hadden. Toen het later werd, wilde zij tot hare meesteres -terug, en wij moesten wel geweld gebruiken. -- Wat is zij schoon -geworden, moeder! Gij zoudt het nauwelijks kunnen gelooven!" - -»O, zeker kan ik het begrijpen," zeide Hekt. »Gij zult wel op haar mogen -passen, wanneer zij eens de uwe is." - -»Ik zal haar behandelen als de vrouw van een aanzienlijke," sprak Nemoe, -»en eigene vrouwen betalen om haar te bewaken! Maar Katoeti is zoo even -met de vrouw van Mena teruggekeerd, de sterren dalen en zoo straks.... -Dat was reeds het eerste teeken! Als Katoeti ten derde male fluit, gaan -wij aan 't werk. Leen mij uwe tonderdoos, moeder, ze is beter dan de -mijne." - -»Ziedaar," zeide Hekt, »ik heb haar niet meer noodig. Gewis, het is met -mij gedaan! Hoe beven uwe handen! Houd de doos goed vast, anders valt -zij op den grond, vóor gij vuur gemaakt hebt." - -De dwerg zeide de oude vaarwel, en zonder zich te verroeren, liet zij -toe, dat hij haar bij het afscheid nemen kuste. - -Toen hij haar verlaten had, luisterde zij, diep ademhalend, in de stilte -van den nacht. Hare verstandige oogen vonkelden en allerlei gedachten -schoten pijlsnel door haar rusteloos brein. Toen zij het tweede teeken -uit het zilveren fluitje der weduwe vernam, richtte zij zich hoog op en -prevelde: »De ongeluksvogel Paäker, zijne ijdele tante en die dreumes -zijn ook tegen Ramses niet opgewassen. Ani's sperwer is dood; hij heeft -niets van de toekomst te wachten, en ik niets van hem. Maar als Ramses -wilde, als de ware koning verplichting aan mij had, dan, ja dan kon mijn -oud lijk.... Juist, dat is het! Ja waarlijk, zoo moet het zijn!" - -Zoo sprekende richtte zij zich met moeite op, hinkte, krom gebogen -en bevende, op haar stok naar het midden van de tent, stak daar een -fleschje en een mes bij zich, en sleepte zich met inspanning harer -laatste krachten naar Nemoe's tent, op het oogenblik dat het laatste -gefluit werd gehoord. Hier vond zij Warda aan handen en voeten gebonden, -en Kaschta in diepen dronkemans-slaap op den grond liggende. Het meisje -rilde van schrik, toen zij de heks zag, en de naast haar knielende -kleine Scheraoe stak zijne handen smeekend en afwerend naar de oude -uit. - -»Daar, neem dit mes, jongen," zeide de heks, »snijd de banden door, -waarmede ze dat arme ding gebonden hebben. De papyrus-touwen[355] zijn -stevig, gebruik het lemmet als zaag!" - - [355] Uit de papyrus-plant werden niet enkel bladen om te - schrijven, maar ook touwen vervaardigd. Met papyrus-strikken - waren ook de schipbruggen saamgekoppeld, die Xerxes over den - Hellespont liet slaan. - -Terwijl de kleine blijmoedig zijne krachten inspande, om haar bevel te -gehoorzamen, wreef zij met het geestrijke vocht uit het fleschje dat zij -medenam Kaschta's slapen, en druppelde een weinig op zijne lippen. De -roodbaard kwam langzaam bij, rekte zich uit en nam met verbazing wat hem -omringde op. Zij reikte hem water en beval hem te drinken. - -Toen Warda, van hare banden bevrijd, voor haar stond, zeide zij: »De -goden hebben u, blank meisje, tot gewichtige dingen uitverkoren. Luister -goed naar hetgeen de oude Hekt u zegt. Het leven van den koning en zijne -kinderen is in groot gevaar. Ik wil u en de zijnen redden, en verlang -daarvoor geen ander loon, dan dat hij mijn lijk laat balsemen en in -Thebe begraven. Zweer mij, dat gij dat aan hem zult overbrengen, wanneer -gij hem gered hebt." - -»Om der goden wil, wat zal er dan gebeuren?" riep Warda, buiten -zichzelve van angst. - -»Zweer, dat gij voor mijne begrafenis zult zorgen," herhaalde de -tooveres. - -»Ik zweer!" schreeuwde Warda. »Maar bij uw leven...." - -»Katoeti, Paäker en Nemoe zijn uitgegaan, om het paleis, waarin Ramses -slaapt, aan drie zijden in brand te steken. Hoort ge het, Kaschta? -- -IJlt nu beiden de brandstichters achterna! Wekt de bedienden! Tracht den -koning te redden!" - -»Voort, vader, voort!" riep het meisje, en beiden vlogen in de -duisternis weg. - -»Zij is braaf en zal woord houden," prevelde de oude, en beproefde of -zij zich naar haar tent terug kon slepen. Maar halverwege begaven haar -de krachten. De kleine Scheraoe wilde haar ondersteunen, maar hij was te -zwak om haar te helpen. Zij strekte zich uit in het zand op den weg en -tuurde in de verte. Daar zag zij, hoe uit het feestpaleis, dat als eene -donkere massa voor haar lag, eerst eene al lichter en lichter wordende -wolk te voorschijn kwam, en vervolgens zwarte rook, hoe daarna eene -heldere vlam hoog uitsloeg en een dichte regen van vonken opsteeg. - -»Loop naar de legerplaats, jongen!" riep zij. »Roep 'brand!' en wek -allen die slapen!" - -Scheraoe holde luid schreeuwende weg. - -Hekt greep op eens naar haar hart en prevelde: »Daar is het weer!" -- -»Aan de andere zijde, Assa!" -- En weder: »Assa!" Nog eens vertrok zij -de lippen om ze voor altijd te sluiten. - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - - -Katoeti had haar ongelukkigen neef Paäker verborgen gehouden in eene der -tenten van hare bedienden. De man had, na op het slagveld van Kadesch -zwaar verwond te zijn, onder onlijdelijke smarten langs hem alleen -bekende paden zich voortgesleept tot aan het hol, dat Kaschta aan -Pentaoer had gewezen. Met behulp van een ezel, dien hij van een -Syrischen boer had gekocht, kon hij het zoover brengen. Hier vond hij -zijn trouwen Ethiopischen slaaf, die hem verpleegde, tot hij zich sterk -genoeg gevoelde, om zijne reis naar Egypte te vervolgen. - -Onder de grootste ontberingen kwam hij verkleed als een Ismaëlitisch -kameeldrijver, te Pelusium. Zijne dienaren, die hem zouden kunnen -verraden, had hij in het hol achtergelaten. Eer men hem de sterkten liet -passeeren, op bepaalden afstanden gebouwd, op de landengte, die de -Middellandsche- en Schelfzeeën aan elkander verbonden, ten einde Egypte -te verdedigen tegen de invallen der nomadische Schaoe-stammen[356], werd -hij aan een streng verhoor onderworpen. Men vroeg hem onder anderen, -of hij den Mohar, die den koning had verraden, en van wien men -eene beschrijving gaf, niet had ontmoet. Niemand dacht in dien -uitgeteerden, vuilen eenoogigen kameeldrijver den breedgeschouderden en -sterkgespierden wegverkenner van den pharao voor zich te zien. Om zich -nog meer onkenbaar te maken, kocht hij van een arts een in dien tijd -veelvuldig gebruikt middel om het haar te verven[357], en smeerde -daarmede zijn lichaam in. - - [356] Ebers, =Aegypten und die Bücher Mose's=. S. 78. - - [357] In den papyrus-Ebers vind men vele recepten tot bereiding - van middelen om het haar te verven. Van een dier middelen zou - Schesch, de moeder van Teta, en gemalin van den eersten pharao - van Egypte, de uitvindster geweest zijn. Het oudste van alle - voorhandene recepten is dus een voorschrift, hoe men het haar - verft. - -Katoeti was met den stadhouder Ani lang vóor hem te Pelusium -aangekomen, om toezicht te houden op den bouw van het paleis. Als een -bedelende neger, met een palmtak in de hand, waagde Paäker het haar te -naderen. Zij gaf hem een aalmoes en vroeg hem naar zijn vaderland; want -ook den geringste zocht zij hier voor zich te winnen. Maar ofschoon zij -zijn antwoord met schijnbare deelneming aanhoorde, zoo herkende zij hem -toch niet. Dit gaf hem moed. Hij kwam den volgenden dag opnieuw tot -haar, en noemde haar eindelijk zijn naam. - -De weduwe bleef niet ongeroerd voor de vreeselijke verandering, die er -met haar neef was geschied. Hoewel zij wist dat Ani zelfs allen met den -dood had bedreigd, die gemeenschap mochten houden met den verrader, zoo -nam zij hem toch in haar dienst, want zij kon den tot wanhoop gebrachten -vijand van den koning en van haren schoonzoon nooit beter gebruiken dan -thans. De verminkte, de vervolgde en vogelvrij verklaarde gids, trok -zich geheel in zichzelven terug, en hield zich op een afstand van de -overige bedienden. Uit de minachting waarmede hij op geringe lieden -neerzag, bleek, dat zijn hoogmoed nog niet gebroken was. Aan Katoeti's -dochter dacht hij maar zelden, en dan als in een droom, want de haat -had de liefde geheel uit zijne ziel gedrongen. Slechts éen ding was er -dat hem het leven nog waarde deed hebben, het was de hoop om te mogen -medewerken tot het verderf en getuige te kunnen zijn van den dood zijner -vijanden. - -Zoo bood Paäker zich der weduwe als een welkom werktuig aan. De -eigenaardige glans, die zijn overgebleven oog deed schitteren, toen zij -hem deelgenoot maakte van het plan, om 's konings vertrekken in brand te -steken en te beletten, dat zoowel Mena als de pharao ontkwam, gaf haar -te verstaan, dat zij in den gids den zekersten van alle helpers had -gevonden. - -Vóor de aankomst van Ramses had Paäker het tooneel zijner werkzaamheid -nauwkeurig onderzocht. Onder de vensters van de koninklijke vertrekken, -die wel veertig voet boven den beganen grond verheven waren, liep eene -smalle borstwering. Deze bedekte de uiteinden der balken, waarop het met -pek verzadigde en met stroo gedekte roosterwerk rustte, dat de planken -van de verdieping droeg, in welke zich 's konings vertrekken bevonden. -De openingen, waartusschen de brandende lont moest worden ingeschoven, -zou de gids teruggevonden hebben, ook al ware hij aan beide oogen blind -geweest. - -Toen Katoeti voor de eerste maal haar fluitje deed hooren, sloop hij -naar zijn post. Geen schildwacht riep hem aan, want de weinige wachters, -die in de onmiddellijke nabijheid van het houten gebouw op post -waren gesteld, sliepen vast, door den zwaren wijn van den stadhouder -bevangen. In den vorm van versieringen waren in het hout van de -buitenzijde eenige insnijdingen aangebracht. Met behulp hiervan -klouterde Paäker naar boven tot op eene hoogte van twee manslengten. -Dáar was eene touwladder vastgemaakt, langs welke hij verder klom. -Weldra stond hij op de borstwering, waarboven zich de vensters der -koninklijke vertrekken bevonden, en waaronder het vuur moest worden -aangebracht. - -Ramses' slaapkamer was helder verlicht. Zonder gezien te worden, kon -Paäker er een blik in slaan, en elk woord verstaan, wat daar binnen werd -gesproken. De koning zat in een leuningstoel en zag naar den grond. -De stadhouder Ani stond voor hem en de wagenmenner Mena naast zijne -legerstede, met 's konings slaaprok in de hand. - -Thans hief Ramses het peinzend hoofd op, en zeide, terwijl hij den -stadhouder met oprechte hartelijkheid de hand reikte: »Laat mij, waarde -neef, dezen schoonen dag goed besluiten! Terwijl ik reeds op het punt -was geloof te slaan aan hetgeen tot uw nadeel werd verteld, door hen die -zich al te bezorgd over mij maken, heb ik u een trouw vriend bevonden. -Wantrouwen is mijn hart anders ten eenemale vreemd, maar hier werkten -velerlei dingen te zamen, die mijne ziel benevelden, en zoo kwam ik er -toe u onrecht te doen. Dat doet mij leed, oprecht leed, en ik schaam mij -niet u vergeving te vragen, dat ik aan uwe goede gezindheid heb kunnen -twijfelen. Gij zijt mijn vriend, en dat ik de uwe ben, dat zult gij -ondervinden! Ziedaar mijn hand! Geef mij de uwe, en geheel Egypte zal -weten, dat Ramses geen man zoo onvoorwaardelijk vertrouwt als zijn -stadhouder Ani. -- Ik draag aan u de eerewacht over mijn slaapvertrek -op. Wij deelen dezen nacht dit vertrek te zamen. Ik rust hier, neem gij, -wanneer ik mij ter ruste leg, plaats op het bed daartegenover!" - -Ani had Ramses de hand gereikt, thans stond hij bleek tegen over hem. -Paäker zag hem vlak in het gezicht, en het kostte hem moeite niet in een -luiden schaterlach uit te barsten. - -Ramses merkte niet op in welk een onrust de stadhouder verkeerde, want -hij had Mena reeds een wenk gegeven, om dichter bij hem te komen. - -»Ook met u," zeide hij, »wensch ik af te rekenen, voor ik mij heden ten -ruste begeef. Gij hebt het geloof van uwe trouwe gemalin op eene harde -proef gesteld, en daar zij u oprecht liefheeft, en zelve de ontrouw niet -kent, heeft zij vast op u gebouwd, met een kinderlijken eenvoud, die -dikwijls verstandiger is dan het overleg der wijzen. Ik beloofde u de -vervulling van een wensch, wanneer het blijken zou dat ik mij vergiste, -toen ik meende dat Nefert na het gebeurde aan u zou twijfelen. Zeg mij -nu, wat gij verlangt!" - -Mena zonk op de knieën, kuste herhaaldelijk het gewaad van zijn vorst en -sprak: »Ik smeek om vergeving; niets anders verlang ik dan vergiffenis! -Ik heb zwaar misdreven, dat weet ik, maar hoonend werd ik uitgedaagd. Ik -zag de eerlooze hand van den nijdigen verrader, dien men thans, gelijk -ik weet, als eene pad verafschuwt, zich onbeschaamd uitstrekken naar -mijne reine vrouw." - -»Wat was dat?" zeide de koning. »Het kwam mij voor dat ik buiten gesteun -hoorde." - -Hij stond op, en ging naar het venster, zag naar buiten, maar kon den -gids niet opmerken, want deze had met zijn oog elke beweging des -konings gevolgd, en ging zoodra het klagend geluid aan zijne boezem -was ontsnapt, languit op de borstwering liggen. - -Mena knielde nog altijd, toen Ramses hem weder naderde. »Vergeef mij!" -riep hij opnieuw, »Laat mij weder aan uwe zijde op den wagen staan en -uwe paarden mennen! Ik leef slechts en ben alleen iets waard door u en -uwe genade, mijn koning, mijn heer, mijn vader!" - -Ramses gaf zijn vriend een teeken om op te staan, en zeide: »Uwe bede -was reeds vervuld, vóor zij door u werd uitgesproken. Ik acht mij toch -uw schuldenaar ter wille van uwe brave vrouw! Breng Nefert, niet mij, -uw dank. En wij allen, laat ons heden met buitengewone geestdrift de -hemelsche goden prijzen. Wat heeft deze dag mij niet al gegeven! Hij -deed mij u beiden, twee verloren gewaande vrienden, terugvinden, en -eindelijk schonk hij mij een nieuwen zoon!" - -Een zacht gefluit drong door de nachtlucht. Het was het derde teeken van -Katoeti. Paäker blies den tonder aan, stak dien in de opening onder de -borstwering, en richtte zich daarna op om weder te luisteren, zonder te -denken aan het gevaar waarin hij zichzelven bracht. - -»Ik bid u," zeide de stadhouder, den pharao naderende, »mij te vergunnen -heen te gaan. Ik weet de eer die gij mij bewijst te waardeeren, maar de -inspanningen der laatste dagen hebben mijne krachten uitgeput. Ik kan -mij ter nauwernood op de been houden, en de eerewacht..." - -»Zal aan Mena zijn toevertrouwd," viel Ramses hem in de rede. »Slaap -hier gerust, waarde neef! De anderen zullen des te meer overtuigd -worden, dat ik alle mistrouwen jegens u verre van mij heb gezet! -- Geef -mij mijn nachtgewaad, Mena! -- Nog dit éene moet ik u zeggen: De jeugd -zoekt de jonkheid, Ani! Bent-Anat heeft zich een echtgenoot gekozen, -harer waardig, den redder van mijn leven, den dichter Pentaoer. Hij -ging door voor een man van geringe afkomst, voor een zoon van den -hovenier, die in dienst staat van het Seti-huis. En wat ben ik nu te -weten gekomen van den opperpriester Ameni? Hij is de echte zoon van den -edelen Mohar zaliger, en die eerlooze en boosaardige verrader Paäker is -het kind van den hovenier. Eene heks uit de Nekropolis heeft de kinderen -verwisseld! Dat is het beste geschenk van dezen dag, want reeds is de -weduwe van den Mohar, de edele vrouw Setchem, herwaarts gebracht, en ik -zou gedrongen zijn geweest tusschen twee vonnissen te kiezen: of haar -als moeder van den gevluchten booswicht naar de Ethiopische steengroeven -te zenden, óf haar voor de oogen van geheel het volk te laten -onthoofden. -- Om der goden wil, wat was dat?" - -Door het open venster was de rauwe kreet uit de borst van een man naar -binnen gedrongen. Terstond daarop volgde een slag, als viel er eene -zware massa van een groote hoogte naar beneden. - -Ramses en Mena vlogen naar het venster, maar verschrikt traden zij -terug, want een dikke rook kwam hen tegemoet. - -»Roept de wachters!" beval Ramses. - -»Vlieg naar beneden, Ani!" riep Mena. »Ik verlaat mijn heer niet weder -in het gevaar." - -De stadhouder ijlde de deur uit, als een veroordeelde uit zijn kerker. -Doch hij had nog maar weinige schreden voorwaarts gedaan, daar stortte -de eenige trap die naar de bovenverdieping voerde in elkaar, vóor hij -dien bereiken kon. Katoeti had deze door een enkelen hamerslag doen -vallen, toen zij het binnengedeelte van het paleis in brand had -gestoken. Ani zag nog het fladderen van haar kleed, terwijl zij de -vlucht nam. Hij balde de vuisten bij het uitroepen van haar naam, -en zonder te weten waar hij terecht zou komen, vloog hij het lange -voorportaal door waarop de kamers van den pharao uitkwamen. - -Het vreeselijk geweld, veroorzaakt door het instorten van den trap, -drong den koning en zijn wagenmenner insgelijks het vertrek te verlaten. - -»Daar ligt de trap! Dat wordt ernst!" zeide Ramses gelaten. Hij ging -in zijne kamer terug en plaatste zich voor het venster, om vandaar het -gevaar te overzien. Reeds sloegen de vlammen helder uit aan den -noordelijken vleugel van het paleis, zoodat de nacht, die reeds voor de -morgenschemering begon te wijken, daghelder werd. Alleen de zuidelijke -vleugel van het groote gebouw was nog ongedeerd. - -Mena vestigde zijne aandacht op de borstwering, van welke Paäker -naar beneden was gestort. Hij klom het venster uit, onderzocht het -hout onder zijne voeten en bespeurde dat het stevig genoeg was om -onderscheidene personen te dragen. Hij zag overal rond en richtte zijn -oog met gespannen aandacht naar den vleugel, die nog niet door de -vlammen was aangetast. - -»Het gebouw wordt met boosaardig opzet in brand gestoken," schreeuwde -hij opeens uit. »Zie daarheen! Daar zit een man, die bezig is vuur -tusschen het hout te steken." - -In een oogwenk sprong hij weder in het vertrek, dat zich reeds met rook -begon te vullen, rukte 's konings pijlkoker en boog, die hijzelf boven -zijn bed had opgehangen, van de wand, legde een pijl aan de pees, mikte -lang en met een gil viel de brandstichter neder. - -Later vond men den dwerg Nemoe met den pijl van den wagenmenner midden -in het hart. Na den vloer onder Bent-Anat's vertrekken in brand gestoken -te hebben, had hij den vleugel van het paleis, waarin Warda's vriend -Rameri en de andere zonen des konings sliepen, insgelijks willen -aansteken. - -Mena sprong opnieuw uit het venster en onderzocht het uitstek. Het -vertrek van den pharao vulde zich inmiddels meer en meer met rook. Reeds -drongen de vlammen hier en daar door de voegen der planken heen. - -Zoowel buiten als binnen het paleis begon beweging te komen. - -»Brand! Brand! Moord! Hulp! Redt den koning!" schreeuwde de roodbaard -uit al zijne macht, gevolgd door eenige lijfwachten, die hij ijlings had -gewekt. - -Warda was in het paleis gevlogen, om Bent-Anat, welker vertrekken zij -kende, te roepen. - -De koning was achter Mena het venster uitgeklommen en riep de soldaten -van de borstwering toe: »De helft van ulieden ga het gebouw binnen, en -trachtte allereerst de prinses te redden. De andere helft zorge, dat het -vuur den zuidelijken vleugel niet aantast. Ik zal beproeven daarheen te -komen!" - -Maar Nemoe's vuur had brand doen ontstaan en ook daar vertoonden zich -de vlammen, waartegen nu de soldaten worstelden met inspanning van alle -krachten. Hun luid geschreeuw werd gehoord te midden van het knetteren -en knappen van het droge hout, dat door de laaie vlammen werd verteerd, -van het geschetter der bazuinen en geroffel der trommen, waarmede de -troepen werden gewekt. - -Thans verschenen ook de prinsen aan de vensters hunner vertrekken. Zij -hadden in allerijl hunne mantels tot eene lijn aan elkander geknoopt, -waarlangs zij zich een voor een aflieten. Ramses moedigde hen aan door -zijn woord, maar hijzelf zag zich in zijn voortgang belemmerd. De -tamelijk breede borstwering die hen droeg omgaf wel-is-waar het geheele -gebouw, doch was bij elke tien schreden afgebroken door afstanden van -eene manslengte. Daarbij woekerde het vuur steeds voort. De knetterende -vonken spatten over hem en Mena heen, als het kaf rondom den landman, -die met zijn schudgavel de graanhalmen op een hoop werpt[358]. - - [358] Men bedenke, dat het graan in Egypte niet gedorscht, maar - door ossen getreden werd. De halmen, die rechts en links uit - den cirkel werden gestooten, moesten door een arbeider met zijn - schudgavel of riek weder naar het midden worden geworpen, - waarbij het kaf en de graankorrels naar alle zijden heen vlogen. - Vert. - -»Laat hieronder stroo op een hoop brengen," beval Ramses met eene stem, -die boven het geweld van den brand uit werd gehoord. »Alleen een sprong -naar beneden kan ons redden!" - -Reeds sloegen de laaie vlammen uit het koninklijk vertrek. Het was -onmogelijk daar weder binnen te gaan. Maar noch Ramses noch Mena -verloren hunne tegenwoordigheid van geest. - -Toen de wagenmenner den laatsten der twaalf prinsen den grond zag -bereiken, bracht hij zijne handen aan den mond en riep uit al zijn -macht, als door een roeper, Rameri, den laatsten die de reddende lijn -zou gaan gebruiken, toe: »Haal de lijn in de hoogte, en pas op dat zij -niet beschadige, totdat ik kom!" - -Rameri volgde het bevel, en eer Ramses het verhinderen kon, was Mena -over den afstand gesprongen, die het eene gedeelte der borstwering -van het andere scheidde. Den koning en den prinsen, die van beneden -toezagen, stolde het bloed in de aderen, toen Mena ten tweede male den -ontzettenden sprong waagde. Eene enkele misstap, en het zou hem gaan als -zijn doodvijand Paäker. - -Terwijl zij die beneden waren hem met ingehouden adem volgden, en er -niet anders werd gehoord dan het sissen en knetteren der vlammen, het -knappen der berstende houtkwasten, het dof gedreun der neerstortende -binten, en in de verte het gezang van een priesterkoor, dat uit de -legerplaats het tooneel van den brand naderde, knielde Nefert, die door -den kleinen Scheraoe was gewekt, op den grond, en bad uit het diepst -harer ziel tot de reddende goden. Hare oogen volgden daarbij elken -sprong van haar echtgenoot, en zij beet zich de lippen aan bloed, om -toch geen kreet te slaken. Zij gevoelde dat hij grootmoedig en goed -handelde, en dat hij verloren zou zijn, wanneer zijne opmerkzaamheid ook -maar voor éen oogenblik werd afgetrokken van dien afgrijselijken weg. - -Daar stond hij naast Rameri. Hij bond zich het eene einde van de uit -mantels en doeken saamgebondene lijn om het lichaam. Thans gaf hij -Rameri, die zich aan het vensterkozijn vasthield, het andere eind in -de hand, en maakte zich gereed om andermaal de gevaarlijke sprongen te -wagen. Nefert zag hoe hij een aanloop nam. Zij hield beide handen op -de saamgeklemde lippen, om toch niet te schreeuwen. Zij kneep de oogen -dicht, en toen zij ze weder opende was de eerste sprong gelukt. Ook bij -den tweeden bewaarden de hemelsche goden hem voor vallen. Bij den derden -sprong strekte Ramses nog intijds de handen uit, om hem te grijpen en -voor vallen te bewaren. Nadat hij het einde der lijn van zijne heupen -had losgemaakt, maakte hij haar stevig vast aan een uitstekenden balk, -waarbij de koning hem ondersteunde en hielp. Nu liet Rameri het andere -einde van den breeden en zwaren mantelketen los en volgde Mena. Ook den -prins, die in het Seti-huis niet te vergeefs zich bij de gymnastische -spelen geoefend had, gelukten de vreeselijke sprongen. - -Weldra stond nu de pharao gered op den grond. Rameri volgde hem en ten -laatste ook Mena. Zoodra zijn voet den vasten bodem betrad, kwam zijne -teergeliefde vrouw hem het zweet van de kloppende slapen wisschen. - -Ramses vloog terstond naar den noordelijken vleugel van het paleis, -waarin Bent-Anat had vertoefd. Hij vond haar behouden terug, maar -handenwringende, want haar jeugdige lieveling Warda was in de vlammen -verdwenen, nadat het meisje zelve haar gewekt en met de hulp haars -vaders gered had. - -Kaschta liep langs den brandenden buitenwand van het paleis heen en -weer, en rukte wanhopig zich de borstelige haren uit het hoofd. Nu eens -riep hij met luider stem zijn kind bij den naam, dan weder stond hij te -luisteren met ingehouden adem. Het zou waanzin zijn geweest, op goed -geluk in het ontzaglijk groote brandende gebouw te gaan zoeken. - -De koning had den beklagenswaardigen vader nauwelijks opgemerkt of hij -stelde hem aan het hoofd der soldaten, wien hij bevolen had den wand van -het gewezen verblijf van Bent-Anat in te slaan, om te beproeven of het -nog mogelijk was het verloren kind te redden. Kaschta liet zich eene -bijl geven, en hief dien reeds op om het hout te verbrijzelen. Daar -meende hij bij een luik van de onderste verdieping, dat op Katoeti's -bevel stevig gesloten was, geklop te hooren, dat van binnen uit het -gebouw kwam. Hij volgde het geluid aandachtig. Er was geen twijfel aan, -er werd geklopt. - -Met inspanning van al zijne krachten wrong Kaschta den bijl tusschen den -wand en het luik, dat eindelijk open sprong. Dichte zwarte rookgolven -drongen door deze nieuwe opening naar buiten. Daar zag hij, te midden -van dichte nevelen een man op het punt van te bezwijken, terwijl hij -Warda in zijne armen hield. Op hetzelfde oogenblik sprong Kaschta naar -binnen, en rukte, te midden van rook en vonkenregen, zijne dochter -uit de armen van haren redder, die reeds half gestikt ineen zeeg. Hij -sprong met zijn dierbaren lichten last weder naar buiten, en toen hij, -op veiligen bodem gekomen, zijne lippen zacht op hare geslotene oogleden -drukte, werden zijne oogen vochtig. In zijne verbeelding zag hij weder -het beeld der vrouw, die haar ter wereld bracht, die als eene eenzame -palmboom de dorre woestijn zijns levens had opgeluisterd. - -Doch maar enkele oogenblikken liet hij aan zijne gewaarwordingen den -vrijen loop, Bent-Anat zelve nam Warda uit zijne armen over, en hij -ijlde naar het brandende gebouw terug. Hij had den redder van zijn -kind maar al te goed herkend; het was de priester Nebsecht, die sedert -het gebeurde bij den Sinaï de prinses niet had verlaten, en als -haar lijfarts, met haar gevolg in hare vertrekken een onderkomen had -gevonden. Nu het luik weg was, kwam er een sterke luchtstroom door de -opening het vertrek binnen. De heldere vlammen sloegen reeds het venster -uit. Toch leefde Nebsecht nog, want zijn gekerm drong door rook en -vuurgloed naar buiten. - -Kaschta drong andermaal door het venster binnen. Die achter hem stonden -zagen, dat de zolderbalken van het vertrek reeds begonnen te buigen, -en waarschuwden hem. Ja, de koning zelf gebood hem terug te keeren. De -roodbaard zat echter reeds op het kozijn, en terwijl hij naar beneden -riep: »Ik heb mij met mijn bloed tot zijn schuldenaar verklaard. -Tweemalen heeft hij mijn kind gered, thans betaal ik hem mijne -schulden!" verdween hij in het brandend vertrek. - -Een oogenblik later vertoonde hij zich weder met Nebsecht, wiens wit -gewaad reeds door de vlammen gezengd was, op de armen. Men zag nog -hoe hij met zijn last meer en meer het venster naderde. Een menigte -soldaten, en onder hen ook Pentaoer, drongen naar voren om te helpen, -en vingen den bewusteloozen arts dien Kaschta het venster uittilde, in -hunne armen op. - -De roodbaard maakte zich gereed hem te volgen, maar eer hij den sprong -had gedaan, stortten de balken der zoldering boven hem in elkaar, en -begroeven den rechtschapen zoon van den Paraschiet. - -Pentaoer liet zijn bewusteloozen vriend Nebsecht in een tent dragen, en -hielp de artsen, die zijne brandwonden verbonden. - -De dichter was in een ernstig gesprek met den opperpriester verdiept, -toen het brandalarm werd vernomen. Ameni had hem medegedeeld, dat hij -niet de zoon was van een hovenier, maar dat hij uit een der edelste -huizen van het land was gesproten. De grondvesten van zijn uitwendig -leven werden als onder zijne voeten weggerukt. Ameni's verhaal -verplaatste hem als uit een hut in een paleis, en toch toonde Pentaoer -zich noch buitengewoon verrast, noch uitermate verheugd. Zoo zeer was -hij gewoon lief en leed niet van buiten, maar van binnen te ervaren. -Zoodra hij het geroep van brand had gehoord, was hij naar het toneel -van het onheil gevlogen, en had zich, toen hij het gevaar overzag waarin -Ramses verkeerde, aan het hoofd gesteld van de vele soldaten, die uit -de legerplaats kwamen toeschieten, ten einde te beproeven of het ook -mogelijk was den pharao van binnen uit het gebouw ter hulp te komen. - -Onder de wagenstrijders die hem volgden, was ook Katoeti's lichtzinnige -zoon, die zich voor Kadesch gunstig had onderscheiden en deze nieuwe -gelegenheid aangreep om zijn moed te toonen. Het instorten der wanden -belemmerde deze schare, die met ware doodsverachting trachtte voort te -dringen, ten laatste verder te gaan. Zij trok zich echter eerst terug, -nadat velen uit hun midden gestikt en onder brandende balken verpletterd -waren. De eerste die hier om het leven kwam, was Nefert's broeder, -Katoeti's zoon. - -Warda was naar de naastbijzijnde tent gebracht. Haar schoon hoofdje -rustte in Bent-Anat's schoot, en Nefert trachtte haar in het leven terug -te roepen, terwijl zij hare slapen wreef met een geestrijk vocht. De -lippen der jonkvrouw bewogen zich zacht. Voor het oog harer verbeelding -vertoonde zich nog eenmaal alles, wat zij in het laatste uur doorleefd -en geleden heeft. Zij zag hoe zij met haar vader door de legerplaats -voortijlde, en met hem, langs den bekenden weg, in de vertrekken der -prinses doordrong, terwijl hij de deuren insloeg, die door Katoeti -gesloten waren. Zij zag hoe Bent-Anat, door haar gewekt, haar achterna -kwam met haar gevolg. Zij herinnerde zich droomerig haar schrik, toen -zij, dicht bij de deur, waardoor zij gered zouden zijn, bespeurde, dat -zij haar kleinood, het eenige erfdeel harer gestorvene moeder, in haar -koffer had achtergelaten, en hoe zij haastig was omgekeerd, alleen door -den arts Nebsecht opgemerkt. Nog eenmaal doorleefde zij den angst, -die zij had uitgestaan, toen zij het kleinood weder op haar boezem had -geborgen, en den schrik die haar overmeesterde, toen op den terugweg -rook en vlammen haar tegensloegen. Wederom gevoelde zij zich de krachten -ontzinken, en was het haar, als nam de zonderlinge priester met zijn wit -gewaad haar opnieuw in zijne armen. Zij zag als in den droom andermaal -hoe zijne oogen met innige teederheid op haar gericht waren, en lachte -half dankbaar, half onwillig, als zij dacht aan het zachte kusje, dat -hij, eer de sterkere armen haars vaders haar aangrepen, op hare lippen -had gedrukt. - -»Wat is zij toch schoon!" zeide Bent-Anat. »Ik geloof dat de arme -Nebsecht niet dwaalde, toen hij vertelde, dat hare moeder eene -aanzienlijke vrouw uit het buitenland is geweest. Zaagt gij ooit -sierlijker handen en voeten? En hare huid is zoo doorzichtig als -Phoenicisch vloeispaath." - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - - -Terwijl de vriendinnen Warda weder bijbrachten en liefderijk -verpleegden, liep vrouwe Katoeti in hare tent onrustig op en neder. -Kort nadat zij was weggeslopen om het gebouw in brand te steken, had -het geschreeuw van den kleinen Scheraoe hare dochter gewekt. Zij vond -Nefert's rustbed verlaten, toen zij, bevende over al hare leden en met -zware handen, van haar misdadig werk terugkeerde. - -Zij zat nu vruchteloos op Nemoe en Paäker te wachten. Haar hofmeester, -dien zij herhaalde malen uitzond, om te vragen of de stadhouder reeds -was teruggekeerd, bracht steeds een ontkennend antwoord, en tevens het -bericht, dat hij de oude Hekt midden op den weg dood had gevonden. - -Het hart der weduwe klopte hevig en zij huiverde. Want terwijl zij -luisterde naar het geroep der soldaten, die kwamen blusschen, naar het -tromgeroffel en de trompetsignalen van anderen, die den koning ter hulp -ijlden, overvielen haar sombere vermoedens. Thans trof ook het dof -gedreun van instortende balken en wanden haar oor. Een boosaardig lachje -speelde er om hare lippen, terwijl zij dacht: »Dat trof misschien den -koning en mijn beminden schoonzoon, die het zeker niet helpen kon, dat -wij niet in schande zijn omgekomen, en die zich na alles wat voor -Kadesch is geschied, aan zijn geduldigen meester zal hechten gelijk een -kalf aan eene grazende koe." - -Wederom vervulde haar nieuwe moed. Zij hoorde in hare verbeelding de -kreten der Ethiopische troepen, die den stadhouder tot koning uitriepen. -Zij zag Ani, getooid met de kroon van Opper- en Neder-Egypte, op den -troon van Ramses, en zich zelve in een eenvoudig maar kostbaar gewaad -aan zijne zijde. Zij beschouwde zich als in het blijvend bezit van -Mena's erfdeel, door den stadhouder vergroot en geheel van schulden -vrijgemaakt, waarmede zij benevens haar zoon en hare dochter nu naar -welgevallen konden handelen. Ja, een nieuw en schitterend plan vervulde -haar met verwachtingen, die haar van blijdschap bedwelmden. Misschien -was Nefert reeds in deze ure weduwe, en waarom zou het haar niet -gelukken Ani over te halen, haar kind, de schoonste vrouw uit Egypte, -tot zijne gemalin te kiezen? Dan werd zij als koningin-moeder -onschendbaar en almachtig. Sedert lang had zij zich gewend den gids -Paäker als een weggeworpen werktuig te beschouwen, dat weldra geheel -vernietigd moest worden. Zijne bezittingen konden misschien eens op haar -zoon worden overgebracht, die zich voor Kadesch zoo dapper had gedragen, -en die Ani zeker eerlang tot zijn wagenmenner of tot overste zijner -wagenstrijders verheffen zou. Terwijl zij zich, al sneller en sneller op -en neer wandelende, in zulke bespiegelingen vermeide, verliet haar alle -bezorgdheid. - -Daar stormde de hofmeester, dien zij ditmaal naar het brandende gebouw -had gezonden, hare tent binnen, en bracht onder allerlei gebaren van -ontzetting de boodschap, dat de koning en zijn wagenmenner op eene -smalle borstwering midden tusschen de vlammen zweefden; dat zij verloren -waren, als er geen wonder geschiedde. Brandstichters, zoo heette het, -hadden het vuur aangelegd, en hij, de hofmeester, was weggevlogen om -haar bericht te brengen, toen men het verpletterde lijk van den gids -Paäker, dien men aan zijne zegelring had herkend, en ook dat van den -armen met een pijl doorboorden Nemoe hem voorbijgedragen had. - -Katoeti zweeg; na eene diepe ademhaling vroeg zij: »En de zonen van -Ramses?" - -»Den goden zij dank!" antwoordde de hofmeester. »Het gelukte hun zich -aan saamgeknoopte kleedingstukken af te laten. Eenigen waren reeds -gered, toen ik den brand verliet." - -Er kwam eene donkere wolk over Katoeti's gelaat, en zij zond opnieuw -haar bode uit. De oogenblikken zijner afwezigheid schenen haar dagen. Nu -eens bewoog zich haar boezem onstuimig op en neder, dan hield zij haar -adem in en sloot de oogen, alsof de angst haar laatste levenskracht -uitbluschte. - -Eindelijk, lang na zonsopgang, kwam de hofmeester terug. Bleek, bevende, -nauwelijks in staat een woord uit te brengen, wierp hij zich voor de -weduwe neder en riep klagend: »O, welk een nacht! -- Bereid u voor op -het ergste, meesteres! Moge Isis, die ook haar geliefden zoon zag -nederstorten in den strijd voor zijn vader en koning, u troosten, en -Amon, de groote god van Thebe u kracht verleenen! Onze trots, onze hoop, -uw zoon werd door instortende balken verpletterd." - -Katoeti vernam deze woorden strak en doodsbleek voor zich ziende, zonder -dat een traan hare oogen bevochtigde. Na eenige oogenblikken vroeg zij -dof: »En Ramses?" - -»Laat ons de goden prijzen!" antwoordde de hofmeester; »hij is gered -door uw schoonzoon Mena!" - -»En Ani?" - -»Verbrand. Zij vonden zijn lijk onkenbaar misvormd. Men herkende hem -alleen aan den diadeem, dien hij op het feest had gedragen." - -Katoeti staarde weder in de ruimte, en vol ontzetting ging de hofmeester -achteruit als voor eene waanzinnige, toen zij, in plaats van te weenen, -hare kleine, met ringen bedekte handen tot vuisten balde, ze hoog -ophief en in een luid hoonend gelach uitbarstte. Doch verschrikt over -den toon van hare eigene stem, zweeg zij plotseling, en richtte haar -blik strak op den grond. Zij hoorde en zag niet, dat de overste der -veiligheidsbeambten, die men »de oogen en de ooren des konings" noemde, -gevolgd door een aantal officieren en een schrijver, door de deur der -tent op haar toetrad, en haar bij name riep. Eerst toen de hofmeester -haar angstig aanstootte, ontwaakte zij als uit een diepen slaap. - -»Wat hebt gij hier in mijne tent te doen?" vroeg zij de beambten, -terwijl zij zich trotsch oprichtte. - -»In naam van den opperrechter van Thebe," zeide de bevelhebber der -veiligheidsbeambten plechtig, »neem ik u gevangen en daag ik u voor het -gerecht, om u voor het hoogste gerechtshof te rechtvaardigen tegen -de zware aanklacht van hoogverraad, van poging tot koningsmoord en -brandstichting, waarop de doodstraf staat." - -»Ik ben bereid," antwoordde de weduwe, en een spottende glimlach speelde -om hare lippen. - -Daarop wees zij met de haar eigene waardigheid naar een stoel en zeide: -»Neem plaats, opdat ik mij kleede!" De beambte boog. Hij bleef echter -staan aan den ingang van de tent, terwijl zij hare zwarte haren -samenbond, den diadeem op het hoofd zette, haar zalfkastje opende en -daaruit haastig een fleschje nam met snelwerkende strychnine, dat zij -zich reeds voor eenige maanden door Nemoe van de oude Hekt had weten te -verschaffen. - -»Mijn spiegel!" riep zij hare dienstmaagd toe, die in een hoek van de -tent zat neergehurkt. - -Zij hield vervolgens de metalen schijf voor het aangezicht, zoodat de -beambten niet konden zien wat zij deed, bracht het fleschje aan hare -lippen, en ledigde het in één teug. De spiegel ontviel aan hare hand, -zij wankelde en eene doodelijke kramp deed haar het hoofd buigen. De -beambte snelde op haar toe, en terwijl zij stervende hem aanzag, zeide -zij duidelijk: »Mijn spel is verloren: maar ook Ameni, ook Ameni zal -niets winnen. Zeg hem dat!" Zij zeeg neer, prevelde Neferts naam, gaf -een gil, die door merg en been drong, en was een lijk. - - * * * * * - -Het mag zijn dat de drinkbeker van het geluk voor enkele menschen zoo -rein en helder wordt als kristal, maar zelden verzuimt toch het noodlot -er een druppel in te gieten, die den drank troebel maakt. Maar wij mogen -daarover niet ontevreden zijn, want juist deze druppel is het, die ons -vermaant de goede gave des levens matig en dankbaar te genieten. - -Het zalig wederzien van Mena en Nefert was wel-is-waar beneveld door den -geweldadigen dood van Katoeti, maar beiden gevoelden nu eerst recht den -ernst der liefde. Mena moest zijne vrouw het gemis van moeder en broeder -vergoeden, en Nefert had veel goed te maken van hetgeen de gestorvenen -jegens haar echtgenoot hadden misdreven. Zij begrepen nu, dat zij -elkander hadden wedergevonden, niet enkel om van elkanders bijzijn te -genieten, maar ook om elkander wederkeerig te steunen en te dragen. - -Ramses verliet de rookende puinhoopen, vervuld van dank jegens de -hemelsche goden, die hem en de zijnen genadig hadden behouden. Hij beval -ontelbare stieren te slachten en door het gansche land vreugdefeesten te -vieren. Maar zijn hart was diep bedroefd, omdat hij het slachtoffer was -geweest van eene schandelijke misleiding. Evenals altijd, wanneer hij -gevoelde dat het evenwicht zijner ziel was verstoord, verlangde hij -naar eene eenzame ure, en liet zich in de legertent brengen, die men in -allerijl voor hem had opgeslagen. Want hij had geweigerd Ani's prachtig -verblijf te betreden. Het was hem alsof dit, als de woning van een -melaatsche, door verraad en leugen was verpest. - -Een uur lang bleef hij alleen. Hij woog het kwaad, dat hij van menschen -had ervaren, tegen het verblijdende en goede, en bevond, dat het laatste -het eerste verre overtrof. Als hij van oogenblik tot oogenblik zich -weder voor den geest riep, wat er dezen morgen met hem was gebeurd, werd -hij zich ten volle bewust van de dankbaarheid, die hij niet alleen -zijn hemelschen maar ook zijn aardschen vrienden verschuldigd was. Uwe -moeder, zoo sprak hij tot zichzelven, leerde u dankbaar te zijn, en den -plicht der dankbaarheid hebt gij ook uwen kinderen ingescherpt. Hij -is vroom, die zich jegens de goden dankbaar betoont, en goed, die niet -vergeet hoeveel dank hij aan menschen verschuldigd is. - -Toen hij Bent-Anat en Pentaoer in zijne tent ontbood, was alle -bitterheid uit zijne ziel verdwenen. Hij liet zich door zijne dochter -verhalen, hoe haar hart zich voor den dichter geopend had, viel haar -daarbij telkens met een woord van berisping of lof in de rede, en -vaderlijke vreugde vervulde zijne ziel, toen hij de handen van zijn -veelgeliefd kind in die van den dichter legde. - -Bent-Anat liet haar hoofd vol zalig gevoel tegen de borst van Assa's -kleinzoon rusten, maar zij zou zich niet minder blijmoedig hebben -overgegeven aan Pentaoer, den zoon van den hovenier. - -»Gij zijt nu een der onzen," zeide Ramses en gebood den dichter bij hem -te blijven, toen hij de herauten, boden en tolken beval de Aziatische -vorsten, die aan genen oever van den Nijl in hunne tenten verwijlden, -tot hem te roepen, om deugdelijke verdragen met hem te sluiten, die lang -zouden duren. - -Alvorens deze verschenen, betraden de zonen van den pharao de tent huns -vaders. Zij vernamen uit 's konings eigen mond, tot welk aanzienlijk -huis Pentaoer behoorde, en hoe zij het aan hunne zuster te danken -hadden, dat zij in hem een nieuwen broeder hadden gewonnen. De prinsen -wenschten het schoone en edele paar met oprechte vreugde geluk, doch -niemand deed dit met meer warmte dan de jonge Rameri. - -De koning liet deze laatsten uit de rij zijner broeders vooruit treden, -Ramses dankte Rameri voor zijne stoute daad van dezen morgen, waaraan -hij zijne redding te danken had. Reeds voor Kadesch had hij hem met -het gewaad van den man bekleed[359]. Thans benoemde hij hem tot -opperbevelhebber van het legioen zijner wagenstrijders, en schonk hem -het versiersel der leeuwenorde voor dappere daden, dat om den hals -gedragen werd[360]. - - [359] De scheepsgezagvoerder Ahmes vertelt in zijne - levensbeschrijving, die in den wand van zijn graf te el Kab - is uitgebeiteld (regel 6), dat hij met "het gewaad der jonge - mannen" bekleed is geworden, en dat hij "vervolgens een huis - genomen heeft," of wel zijn eigen huis heeft gebouwd, m. a. w. - dat hij getrouwd is. - - [360] Deze onderscheiding, die werkelijk "de leeuwenorde" - genoemd wordt, viel bijv. ten deel aan den veldoverste Amen - em Heb, die onder Thotmes III leefde. Zijn zeer belangrijk - grafschrift, door mij ontdekt, heb ik vertaald en uitvoerig - verklaard in =Zeitschrift der deutschen morgenländischen - Gesellschaft=, 1876. - -De prins dankte zijn vader in geknielde houding. Deze nam Rameri's -kroeskop tusschen zijne handen en zeide: »Door uwe voortreffelijke daden -hebt gij aanspraak op lof en belooning van uw vader, die thans gered, -reden heeft om over zulk een zoon tevreden te zijn. Maar als koning, die -waakt over de wet[361] en dit land bestuurt, moet ik toornig zijn, ja u -misschien bestraffen! Het is u moeielijk gevallen u te onderwerpen aan -den schooldwang, waardoor wij gehoorzaamheid moeten leeren, om later in -staat te zijn met billijkheid te bevelen. Vóor wij u riepen, hebt gij -Egypte verlaten en zijt gij naar het leger opgetrokken. Gij hebt getoond -in moed en kracht een man te zijn, maar een onbezonnen knaap wat -betreft verstandig overleg, hetwelk de zoon van een heldenstam minder -gemakkelijk leert dan flink er op in te slaan. Zonder eene leerschool -doorloopen te hebben, rekendet ge u reeds onder de meesters in den -krijg. En wat was het gevolg? Tweemaal geraaktet gij gevangen, en -tweemaal moest ik u uit de handen der vijanden loskoopen. - - [361] Titel van de pharao's, die zeer dikwijls voorkomt. - -»De koning der Danaërs leverde u uit tegen zijne dochter, die Mena in -zijne tent bewaarde. Hij verheugt zich nu reeds lang, dat hij zijn kind -terug ontving. Maar met haar hebben wij het krachtigst middel uit de -hand moeten geven, om eene vaste en duurzame vredesgelofte te verkrijgen -van den vorst, die over de steeds machtiger en trotscher wordende mannen -op de eilanden en aan de noordelijke kusten van de groote zee[362] -gebied voert. - - [362] De Middellandsche zee. - -»Zoo wordt door de onvoorzichtige en onwillekeurige handelwijze van een -knaap het groote werk in gevaar gebracht, dat nu moet worden voltooid. -Het doet mij heden bijzonder leed, dat ik uw gemoed, hetwelk ik door -lof oprichtte, door berisping weder moet nederdrukken. Ik wil ook niet -straffen, maar enkel leeren en waarschuwen. Eene staatsinrichting is -gelijk aan de in elkander grijpende raderen, die eene schepmachine van -den Nijl in beweging brengen. Wanneer éen rad weigert, staat het geheel -stil, hoe krachtig de stieren ook zijn, die den balk ronddraaien. Ieder -uwer, vergeet dit niet, is een hoofdrad in de kunstmatige inrichting -van den staat, en kan dan alleen nut doen, wanneer hij zich zonder -wederstand te bieden onderwerpt aan de machten die hem leiden. Sta -nu op! Mogelijk zal het gelukken den koning der Danaërs, ook zonder -gijzelaars, deugdelijke waarborgen af te dwingen." - -Daar traden herauten de tent binnen met het bericht, dat de -vertegenwoordiger van den koning der Cheta en der vorsten, zijne -bondgenooten, in de raadzaal van den pharao wachtten. Ramses liet zich -de kroon van Opper- en Neder-Egypte opzetten en kleeden in zijn vol -ornaat. Zijne ceremoniemeesters, de dragers van de teekenen zijner -macht, en de met struisvederen getooide oversten zijner schrijvers -gingen hem vooruit, terwijl zijne zonen, de opperbevelhebbers van zijn -leger en de tolken hem volgden. - -Ramses zette zich vol waardigheid op zijn troon. Uit zijne oogen -straalde ernst en strengheid, terwijl hij de hulde der door hem -overwonnen vorsten aannam. Alle Aziaten kusten den grond vóor zijne -voeten. De koning der Danaërs alleen stelde zich met eene buiging -tevreden. - -De pharao zag hem met weerzin aan, en liet hem door de tolken vragen, -of hij zich al of niet voor verslagen hield? De vorst liet Ramses -antwoorden, dat hij niet als gevangene voor hem verschenen was, en dat -hetgeen de koning van hem verlangde hem zou onteeren naar de zeden van -zijn vaderland, een land van vrijgeboren mannen, die zich enkel voor de -goden ter aarde wierpen. Hij hoopte een bondgenoot te worden van den -gebieder over Egypte, en stelde hem de vraag, of hij een onteerde tot -vriend begeerde? - -Ramses nam met zijne oogen de trotsche en edelgevormde gestalte op van -den vorst, die zulk eene taal voerde, en zeide streng: »Alleen met zulke -tegenstanders ben ik geneigd vrede te maken, die zich vrijwillig buigen -voor de dubbele kroon op mijn hoofd. Blijft gij in uwe weigering -volharden, dan zult gij met de uwen niet deelen in de milde verdragen, -die ik met deze uwe bondgenooten verlang te sluiten." - -De Danaër bewaarde zijn zelfbewuste houding, die echter vrij was van -alle aanmatiging, toen deze woorden van Ramses hem werden vertolkt. Hij -deed den pharao antwoorden, dat ook hij gekomen was met het plan, om -tegen een hoogen prijs vrede te sluiten, maar dat hij zich noch voor -eene kroon noch voor een mensch in het stof werpen kon of wilde. Hij was -voornemens den volgenden dag te vertrekken, hij bad dus om eene gunst, -mede in naam zijner dochter; want hij had gehoord, dat de Egyptenaars -de vrouw in hooge eere hielden. De koning wist dat zijn wagenmenner -Mena zijne dochter niet als eene gevangene maar als eene zuster had -behandeld, daarom koesterde Praxilla evenals hij den wensch, den edelen -wagenmenner vaarwel te zeggen, en hem benevens zijne gemalin voor zulk -eene groote edelmoedigheid te danken. Hij hoopte dat Ramses hem zou -toestaan vóor zijn vertrek den stroom nog eens te overschrijden en met -zijne dochter, Mena op te zoeken in zijne tent. - -De pharao willigde deze bede in. De vorst der Danaërs verliet daarop de -tent, waarna de onderhandelingen een aanvang namen. In weinige uren was -men hiermede gereed, want de Egyptische en Aziatische schrijvers waren -het gedurende den langen marsch reeds eens geworden over het verdrag, -dat thans geteekend zou worden. Het vredesprotokol zou in Ramses-stad -Tanis, door de vele daar gevestigde Semieten Zoan genoemd, in -bewoordingen, die men zorgvuldig moest wikken en wegen, geschreven en -onderteekend worden. De Aziatische vorsten mochten nu als gasten aan den -koninklijken maaltijd deelnemen. Zij zaten echter aan eene bijzondere -tafel, want een Egyptenaar zou zich verontreinigd hebben, wanneer hij -met vreemdelingen aan denzelfden disch at. - -Ramses was echter niet volkomen tevreden. Wanneer de Danaër heenging, -zonder zich met hem verbonden te hebben, dan was het te verwachten, dat -de vrede, dien hij zoo ernstig begeerde, wederom van korten duur zou -zijn. Toch gevoelde hij dat de vorst der Danaërs, al ware het alleen met -het oog op de andere overwonnen vorsten, niet mocht vrijgesteld worden -van de deemoediging, die hij gedwongen en, zoo hij meende, gerechtigd -was hem op te leggen, al trok die mannelijke houding hem ook aan, en al -moest hij erkennen dat de dapperheid der door dezen ten strijde gevoerde -volken hem achting afdwong. - -De zon neigde reeds ten avond, toen Mena, wien de koning verlof had -gegeven, buiten zich zelven van blijdschap aan de tafel der vergaderde -vorsten verscheen, en den koning liet verzoeken, of hij hem iets -gewichtigs mocht mededeelen. Ramses gaf hem een wenk, de wagenmenner -naderde hem en beiden voerden eenige oogenblikken een zacht maar -levendig gesprek. - -Ten laatste stond de pharao van zijn troon op, en riep Bent-Anat toe: -»Deze dag, die zoo schrikkelijk is begonnen, zal blijde eindigen. Het -lieftallig meisje, dat u heden gered heeft en bijna eene prooi der -vlammen was geworden, is van hooge afkomst." - -»Zij is van vorstelijk bloed," riep Rameri, zijn vader oneerbiedig in de -reden vallende. - -Ramses zag hem berispend aan en zeide: »Mijne zonen zwijgen tot ik hen -vraag." - -De prins kreeg eene kleur en zag voor zich. De koning stond op, wenkte -Bent-Anat en Pentaoer, verzocht zijne gasten hem voor een korten tijd -te verontschuldigen, en maakte zich gereed de tent te verlaten. Daar -naderde Bent-Anat. Zij zag haar vader vragend aan en fluisterde hem -eenige woorden in het oor, die op haar broeder betrekking hadden. En -niet te vergeefs, want Ramses bleef staan, zag eenige oogenblikken -nadenkend naar den grond, en wendde toen zijn blikken naar den kroeskop, -dien hij beschaamd en als aan zijn plaats genageld zag staan. Hij riep -Rameri bij zijn naam, en gaf hem een wenk om te volgen. - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - - -Terwijl Bent-Anat pogingen in het werk stelde om Warda, nadat zij uit -de vlammen gered was, in het leven terug te roepen had Rameri artsen -gehaald en was deze gevolgd in de tent van zijne zuster. Daar zag hij -met teedere bezorgdheid het half gestikte, nog altijd bewustelooze, doch -niet gewonde meisje aan, en greep eindelijk hare kleine hand, om zijne -lippen op hare vingertoppen te drukken. Bent-Anat wees hem echter van -het meisje terug. Toen bad hij haar met bewogen stem hem niet tegen te -gaan, en fluisterde haar in het oor, hoe lief haar redster hem geworden -was sedert die worsteling in den doodenstad. Nadat hij uit Syrië was -opgebroken, had hij dag en nacht aan haar gedacht, en niemand anders dan -Warda verlangde hij tot vrouw. - -Bent-Anat schrikte, en herinnerde haren broeder aan de onreinheid, die -Warda van vaderszijde aankleefde, eene onreinheid waardoor zij zelve zoo -zwaar had geleden. Maar Rameri antwoordde zijne zuster met levendigheid: -»De moeder bepaalt in Egypte de afkomst der menschen, de overledene -vrouw van den braven Kaschta...." - -»Ik weet alles," viel Bent-Anat hem in de rede. »De arts Nebsecht -vertelde ons reeds, dat zij eene stomme krijgsgevangene was geweest, en -ik geloof zelfs dat Warda niet van geringe afkomst is, want zij is zoo -edel gevormd." - -»En hare huid is zoo zacht als de weeke blaadjes eener bloem," vervolgde -Rameri. »Hare stem klinkt als zuiver goud, en.... Doch zie, zij beweegt -zich. -- Warda, sla toch de oogen eens op, Warda! Wanneer de éene zon -opgaat, dan prijzen wij de goden. -- Sla de oogen op! Hoe zal ik jubelen -en danken, wanneer beide zonnen te gelijk opgaan!" - -Bent-Anat trok haar broeder met een glimlach van de kranke weg, die diep -ademhaalde, want een arts was de tent binnen gekomen, om te berichten, -dat een warm kruidenbad gereed stond, hetwelk Warda geheel herstellen -zou. De prinses beval hare dienstmaagden het bewustelooze meisje te -helpen. Zijzelve maakte zich gereed te volgen, toen een bode haars -vaders haar ontbood in de koninklijke tent. Zij vermoedde wat deze -noodiging te beteekenen had, en verzocht daarom Rameri haar alleen te -laten, daar zij zich feestelijk moest kleeden. Warda zou na het bad, -gedurende den tijd dat zij afwezig was, aan de zorg van hare vriendin -Nefert worden toevertrouwd. - -»Zij is vriendelijk en goedhartig, en kent Warda," zeide Bent-Anat. -»De zorg voor dit lieve schepsel zal haar hart goeddoen, nadat het -lang gedobberd heeft tusschen diepe smart en langdurig gemis van het -huwelijksgeluk. Mijn vader heeft Mena voor eenige dagen verlof gegeven -van zijn dienst, en ik liet haar geheel vrij, want het tijdperk, waarin -wij elkander noodig hadden, is gisteren afgesloten. Ik denk, Rameri, -dat het ons na onze redding uit den schrikkelijken brand zal gaan als -den heiligen Bennoe-vogel[363], die naar Heliopolis komt om zich te -verbranden, doch verjongd en glanzend, zalig en gelukaanbrengend uit -zijn asch wederom te voorschijn komt." - - [363] De phenix. - -Toen zij alleen was, wierp zij zich voor het beeld harer moeder -neder en bad lang. Vervolgens bracht zij een reukoffer op het kleine -altaar van de godin Hathor, dat haar steeds vergezelde, liet zich met -blijmoedig vertrouwen voor haren vader en ook -- zij kon zich dat niet -ontveinzen -- voor Pentaoer tooien, ging daarop naar Nefert's tent, om -haar te verzoeken voor Warda te zorgen, en volgde eindelijk de roepstem -des konings, die, gelijk wij weten, hare goede verwachtingen tot -waarheid maakte. - -Zoodra Rameri uit de tent zijner zuster buiten kwam, zag hij hoe de -wachters een knaapje grepen en medevoerden. Het kind weende bitter en de -prins herkende in hem den kleinen beeldhouwer Scheraoe, die hem bij -Warda de aanslagen van den stadhouder verraden had, en dien hij ook bij -den brand meende gezien te hebben. De schildwachten hadden hem reeds -meer dan eens van de tent der prinses weggejaagd, maar hij was altijd -teruggekomen. Zijne volharding had het wantrouwen van een officier -gewekt, want na den brand liepen er ontelbare geruchten onder het leger -van samenzweringen en aanslagen tegen de koninklijke familie. - -Rameri zorgde, dat de kleine gevangene terstond weder op vrije voeten -werd gesteld, liet zich door hem vertellen, dat de oude Hekt, even vóor -haar dood, den roodbaard Kaschta en zijne dochter had uitgezonden om den -koning te redden, dat ook hij de soldaten had gewekt, dat hij nu geen -tehuis meer had en bij Warda wilde zijn. De prins bracht den kleine zelf -bij Nefert, en verzocht haar den knaap te veroorloven de geredde weer te -zien, en hem bij haar dienstpersoneel te laten wachten, tot hij van zijn -vader zou zijn teruggekeerd. - -De artsen hadden Warda's toestand juist beoordeeld, want in het bad -kwam zij weder bij. Men trok haar schoone kleederen aan, en wekte hare -krachten op door geesterijke vochten en geneesmiddelen, die men haar -liet inademen en drinken. Toen zij hierna in Nefert's tent werd -gebracht, kon Mena, die haar voor de eerste maal zag, zich niet genoeg -verbazen over hare treffende en eigenaardige schoonheid. »Zij gelijkt -inderdaad de dochter van den vorst der Danaërs, die ik voor haar vader -in mijne tent heb bewaard," zeide hij, »maar zij is jonger en ook nog -schooner dan deze." - -De kleine Scheraoe kwam om haar te begroeten en het deed haar genoegen -den knaap te zien. Maar zij was droevig gestemd, en hoe goedig Nefert -haar ook toesprak, zij bleef toch in zich zelve gekeerd, en van tijd tot -tijd rolden er groote tranen langs hare wangen. - -»Gij hebt uw vader verloren," zeide Nefert, om haar te troosten. »Ik -verloor mijne moeder en mijn broeder op éen dag." - -»Kaschta was wat ruw, maar goed," gaf Warda ten antwoord. »Ik zal -hem altijd blijven liefhebben. Hij was gelijk aan de vrucht van den -doem-palm[364]. Haar schaal is zoo hard als been, maar wie haar weet -te openen, vindt daarin zoete spijs. Nu is hij dood; mijne moeder en -grootouders zijn hem voorgegaan, en ik ben als het boomblad, dat ik bij -onze vaart hierheen op de zee zag drijven. Ik heb nooit iets zoo eenzaam -gezien als dat blad, want geheel gescheiden van alles waarop het -betrekking had, dreef het op het vreemde element, waarop nooit iets -groeide of gedijen kon, wat op een blad gelijkt." - - [364] Doem-palm, Crucifera Thebaica. Vert. - -Nefert kuste haar op het voorhoofd en zeide: »Maar gij hebt vrienden, -die u niet verlaten zullen." - -»Dat weet ik, ja, dat weet ik," antwoordde Warda nadenkend, »en toch -gevoel ik mij thans eerst recht alleen. Toen ik nog in Thebe was, heb ik -dikwijls de wilde zwanen nagestaard. Als zij trekken vliegen er eenige -vooraan, dan komt de geheele zwerm en ten laatste, dikwijls op zeer -grooten afstand, de eene achterblijver na den anderen. Zelfs den -laatsten van deze noem ik nog geen eenzame, want hij ziet toch nog -zijn broeder vóor zich. Maar wanneer een jager de laagvliegende -achterblijvers wegschiet en de laatste alleen overblijft; wanneer deze -den zwerm niet meer volgen kan, omdat hij dien uit het oog verliest en -weet, dat hij hem nooit kan wedervinden en bereiken, dan is hij eerst -recht beklagenswaardig. Het is mij zoo wee om het hart als zulk een -afgematten vogel, want heden heb ik hen waartoe ik behoor uit het oog -verloren, en kan ze nimmer wedervinden." - -»Gij zult in een edeler geslacht dan dat, waartoe gij door uwe geboorte -behoordet, worden opgenomen," zeide Nefert troostend. - -Op eens sloeg Warda de oogen vurig op, en zeide trotsch, bijna -hoogmoedig: »Mijn geslacht is dat mijner moeder die van hooge geboorte -was. Weet gij, waarom ik heden morgen weder ben omgekeerd te midden van -rook en vlammen, nadat ik reeds weder de vrije goddelijke lucht had -ingeademd? Weet gij wat mij weder terugdreef, omdat het mij der moeite -waard scheen daarvoor te sterven? Het was om het erfdeel mijner moeder, -dat ik bij mijne feestkleederen had weggelegd, toen ik den slechten -Nemoe in het kamp volgde. Ik wierp mij den dood in de armen, om -het kleinood te redden, maar waarlijk niet omdat het uit goud en -edelgesteenten bestond! Want rijk wil ik niet zijn, en voor mijn -onderhoud heb ik niet meer noodig dan een stukje brood, een dadel en -eene schaal vol water. -- Doch ik waagde mijn leven, omdat het in vreemd -schrift een naam bevat, en omdat ik geloof dat het mij met behulp -daarvan gelukken zal eens het geslacht te ontdekken, waaruit mijne -moeder geroofd is. Nu heb ik dat kleinood verloren, en daarmede mijn -stamboom, mijne hoop, mijn geluk!" - -Warda snikte luide. Nefert naderde haar liefderijk en vroeg: »Arm -meisje, is uw schat een prooi der vlammen geworden?" - -»Neen, neen!" riep Warda levendig. »Ik heb het kleinood uit mijne koffer -genomen, en hield het in de hand toen Nebsecht mij op de armen nam. Ik -had het nog toen ik, gered, daar lag tegenover het brandende gebouw, en -Bent-Anat mij verpleegde en Rameri bij mij kwam. Als in eene droom zag -ik hem vóor mij. Half ontwaakt greep ik terstond naar het kleinood en -voelde het nog tusschen mijne vingers." - -»Hebt gij het dan op den weg hierheen verloren?" vroeg Nefert. - -Warda knikte toestemmend. De kleine Scheraoe, die naast haar op den -grond neergehurkt zat, stond echter op, en sloop, met teedere en -vochtige oogen Warda aanziende, de deur van de tent uit. - -Er verliepen uren. Warda staarde zwijgend op den grond. Nefert en Mena -zaten hand in hand, en dachten aan hunne afgestorvenen. In de tent was -het doodstil, en de droefheid wierp donkere schaduwen over het geluk der -wedervereenigde echtgenooten. Van de zijde waar 's konings tent stond, -werd nu en dan het blazen van trompetten gehoord, eerst toen de -Aziatische vorsten hun intocht deden in de vergaderzaal, vervolgens toen -de vorst der Danaërs zich verwijderde, en eindelijk toen de pharao met -de overwonnenen aan tafel ging. De wagenmenner dacht aan zijn meester, -aan het eereambt, dat hij door het vertrouwen van zijne vrouw terug had -gekregen, en drukte Nefert dankbaar de hand. - -Daar kwam beweging voor zijne tent. Een officier trad binnen om Mena -mede te deelen, dat de koning der Danaërs en zijne dochter, door -koninklijke lijfwachten begeleid, hem en Nefert verlangden te zien en -te spreken. De tentdeuren werden terstond wijd geopend. Warda trad -bescheiden op den achtergrond, en Mena en Nefert gingen hand in hand -hunne onverwachte gasten tegemoet. - -De vorst der Danaërs was een man van gevorderden leeftijd. Zijn baard -en zijn dik hoofdhaar waren reeds grijs, maar hoewel hij zich bezadigd -en waardig toonde in zijne bewegingen, was hij nog levendig gelijk een -jongeling. Zijn mannelijk evenredig gelaat droeg reeds menigen rimpel. -Zijne groote helderblauwe oogen teekenden opgeruimdheid, maar bij zijn -mond vertoonden zich plooien, die getuigden van kommer. Naast hem -wandelde zijne dochter, eene jonkvrouw van middelbare grootte, maar edel -en gelijkmatig in al hare bewegingen, gelijk haar vader. Zij droeg een -lang wit, met purperstrooken omboord gewaad, boven de heupen door -een gouden gordel saamgehouden. Hare geelblonde haren, die langs het -achterhoofd in dichte lokken op hals en rug nederhingen, waren op het -voorhoofd met een diadeem gekroond. Het reine voorhoofd was smal en -vormde eene lijn met den fijnbesneden neus. Hare roode lippen gaven haar -gezicht eene vriendelijke uitdrukking. Buitengewoon schoon was vooral de -harmonie tusschen haar ovaal gelaat en haren sneeuwwitten hals. - -Naast dit paar liep een tolk, die elk woord van de bezoekers en die hen -ontvingen overbracht. Achter hem wandelden twee mannen en evenzoovele -vrouwen, die geschenken voor Mena en zijne gemalin droegen. - -De vorst der Danaërs prees de edelmoedigheid van den wagenmenner in -warme woorden. »Gij hebt mij bewezen," zeide hij, »dat de deugden -van dankbaarheid, onthouding en trouw ook door de Egyptenaars worden -beoefend, hoewel mij, o Mena, uwe verdienste niet zoo groot schijnt, -sedert ik uwe vrouw heb gezien. Want wie het schoonste reeds bezit, -onthoudt zich gemakkelijk van den wensch het schoone voor zich te -begeeren." - -Nefert bloosde en gaf hem ten antwoord: »Uwe grootmoedigheid berooft uwe -dochter om mij te verrijken, en de liefde voor mij bewoog wellicht mijn -echtgenoot om hetzelfde onrecht te plegen, dat uwe schoone dochter u -beiden en mij moge vergeven!" - -Praxilla trad haar thans nader, dankte haar en Mena hartelijk, en -overhandigde haar den kostbaren diadeem, de gouden ringen en de vreemde -parelsnoeren, die hare dienstmaagden droegen. Haar vader verzocht Mena -een pantser en een schild van kunstig gedreven zilverwerk van hem te -willen aannemen. - -Nadat dit voor de tent geschied was, volgden beiden het echtpaar naar -binnen, om daar als gasten verwelkomd te worden met brood en wijn. -Terwijl haar vader Mena de eer aandeed met hem te drinken, deelde -Praxilla met behulp van een tolk aan Nefert mede, welke ontzettende -uren zij had doorleefd, toen zij, na gevangen genomen te zijn, met den -overigen buit in het leger van Ramses was tentoongesteld, hoe een oud -bevelhebber haar reeds voor zich in beslag had genomen, maar Mena haar -de hand gereikt en in zijne hut gevoerd had, om haar daar als zijn eigen -kind te behandelen. Diepe ontroering klonk er in hare stem, ja zelfs in -die van den tolk, toen zij dit alles vertelde en met deze woorden sloot: -»Hoe dankbaar ik Mena ben, zult gij eerst recht begrijpen, wanneer ik u -mededeel, dat de voor mij bestemde echtgenoot, bij de verdediging van -onze legerplaats, voor mijne oogen gewond neerzonk. Hij is thans genezen -en bij mijne terugkomst wacht ons de bruiloft." - -»Alzoo mogen de goden het geheugen!" riep de Danaër, »want Praxilla is -de laatste telg uit mijn huis. De menschenmoordende krijg ontroofde mij -vier zonen, alvorens zij zich eene vrouw hadden genomen, en de vijfde -viel door Egyptische handen bij de verdediging van onze legerplaats, -die, met zijne vrouw en haar pasgeboren zoon in uwe handen viel. Zoo is -Praxilla, mijn jongste kind, het eenige, dat de afgunstige goden mij -gelaten hebben." - -Terwijl hij zoo sprak hoorde men de wachters roepen, en boven deze uit -eene luide kinderstem. Terstond daarop stormde de kleine Scheraoe met -de hand in de hoogte de tent binnen en riep: »Ik heb het, ik heb het -gevonden!" - -Warda, die zich had teruggetrokken achter het gordijn, waardoor -het gedeelte van de tent, dat voor slaapplaats bestemd was, werd -afgescheiden, maar niettemin elk woord van den vorst der Danaërs met -spanning had afgeluisterd, en hare oogen van de blanke en blonde -Praxilla niet had afgewend, trad nu gejaagd en vast besloten midden in -de tent. Zij nam den knaap het kleinood uit de hand, om het den vorst -te laten zien. Want terwijl zij Praxilla had beschouwd, was het haar -geweest alsof zij zichzelve in den spiegel had gezien, en het vermoeden -was in haar gewekt, dat hare moeder eene vrouw der Danaërs was geweest. -Haar hart sloeg hoorbaar, toen zij bescheiden, met gebogen hoofd en in -smeekende houding, den vorst naderde, terwijl zij haar kleinood omhoog -hield. - -Alle aanwezigen zagen vol verbazing naar den ouden held, want zijne -hooge gestalte begon te wankelen. Hij strekte zijne armen tegen Warda -uit, als om haar af te weren, en riep, terwijl hij eenige schreden -achterwaarts deed: »Xanthe, Xanthe! Laat Hades[365], dan zijne schimmen -vrij? Wilt gij mij roepen?" - - [365] Hades (Pluto) was de god van de onderwereld bij de - Grieken. Vert. - -Praxilla zag verschrikt haar vader aan, en niet minder verbaasd op -Warda. Plotseling echter gaf zij een gil, die door merg en been drong. -Zij rukte een keten van haar hals, vloog naar Warda toe, nam het -kleinood uit hare hand en riep: »Hier is het, hier is het, de andere -helft van het sieraad mijner arme zuster Xanthe!" - -Innig aandoenlijk was het den bejaarden vorst te zien, hoe hij worstelde -om zich goed te houden, en met welk eene teederheid hij Warda aanzag. -Zijne krachtige handen beefden, toen hij het kleinood van Warda en dat -van zijn dochter Praxilla aan elkander paste. Beide stukken geleken -elkander volkomen. Elk stelde den vleugel van een adelaar voor, die -uitging van een half ovaal, waarop eenige letters stonden. Legde -men beide steenen tegen elkaar, dan verkreeg men het beeld van den -vogel, die zijn vleugels uitspreidt, op welks borst in sierlijke, -op de doorsnede precies aan elkander passende regels, de volgende -raadselspreuk te lezen was: - - Eén is een nietig ding, een armelijk pronkend sieraad. - Doch met de tweede vereend, wordt het een liev'ling van Zeus. - -Een vluchtige blik op deze woorden bewezen den Danaër, dat hij het -sieraad in de hand hield, dat hij zijne dochter Xanthe met eigene hand -bij haar huwelijk om den hals had gehangen. De andere helft droeg -in die dagen hare moeder, waarvan Praxilla het erfde. Het kleinood -was oorspronkelijk voor zijne gemalin en hare vroeg gestorvene -tweelingszuster vervaardigd geworden. - -Voor hij nader onderzoek deed en van alles verklaring vroeg, nam de -vorst Warda's hoofd tusschen zijne handen, richtte haar aangezicht tegen -het zijne, en las in hare lieflijke trekken als in een boek, waarin hij -verwachten mocht de geschiedenis van de zaligste uren zijns levens te -zullen opgeteekend vinden. Het meisje toonde geen vrees, en weerde hem -niet af, toen hij een kus op haar voorhoofd drukte. Zij wist toch, dat -zij aan dezen man verwant was. - -Ten laatste wenkte de Danaër den tolk. Warda werd gevraagd wat zij van -hare moeder wist, en vertelde nu, hoe deze met een knaapje, dat spoedig -gestorven was, als krijgsgevangene naar Thebe was gebracht, hoe haar -vader haar gekocht en tot vrouw genomen, en al was zij ook stom, haar -innig bemind had. - -Na dit bericht erkende de vorst in Warda zijne kleindochter, voerde haar -in de armen van Praxilla en deed Mena en Nefert mededeelen, dat voor -twintig jaren zijn schoonzoon, bij een aanval op de legerplaats, was -gesneuveld, en diens vrouw, zijne dochter Xanthe, waarvan Warda het -sprekend evenbeeld was, met een knaapje aan de borst was weggesleept. -Van schrik over deze gebeurtenis was zijne vrouw gestorven, weinige -weken nadat zij hem Praxilla had geschonken. Alle nasporingen naar -Xanthe en haar kind waren vruchteloos gebleven. De vorst herinnerde -zich echter, dat hij op eene vraag van Egyptenaars, aan wie hij een -hoog losgeld had geboden, of zijne dochter stom was, ontkennend had -geantwoord. Xanthe had van schrik en smart haar spraakvermogen verloren. - -De vorst wist geene woorden te vinden om zijne blijdschap uit te -spreken, en Warda werd niet moede hem en zijne dochter te beschouwen -en de hand te drukken. Zij richtte zich tot den tolk en vroeg: »Hoe -zegt men: ik ben zeer gelukkig?" Lachend sprak zij hem na, en vroeg -dan verder: »Hoe zeg ik: Warda wil u hartelijk liefhebben?" Ook dat -herhaalde zij, en deze een weinig verminkte volzin klonk zoo innig, zoo -diep gevoeld, dat haar grootvader haar aan zijn hart drukte. - -In Nefert's oogen welden tranen van ontroering, en toen Warda zich -ook in hare armen wierp, zeide zij: »De verlaten zwaan heeft zijn -gezelschap, het eenzame blad zijn boom weergevonden, en kan nu gelukkig -zijn." - -Zoo vloog een uur voorbij in de reinste zaligheid. Doch eindelijk maakte -de vorst der Danaërs zich gereed om te vertrekken. Hij wilde Warda -medenemen, maar Mena verzocht vergunning om den pharao en zijn dochter -het gebeurde mede te deelen. Warda behoorde aan de prinses; zij was hem -door haar toevertrouwd, en hij mocht haar toch niet aan vreemde handen -overgeven, alvorens hij Bent-Anat gewaarschuwd had. Zonder zelfs het -antwoord van den Danaër af te wachten, verliet hij de tent en wist zich -den toegang te verschaffen, tot het gastmaal des konings. Ons is reeds -bekend, dat Ramses hem weldra met Bent-Anat en Rameri volgde. Mena hing -onderweg met levendige woorden een tafereel op van de aangrijpende -gebeurtenis, die hij zooeven had bijgewoond. - -»Zoudt gij bereid zijn," vroeg Ramses zijn zoon, terwijl hij Bent-Anat -zijdelings aanzag, »uw misdrijf goed te maken, en door uwe verloving met -zijne kleindochter den vorst der Danaërs voor ons te winnen?" - -De prins kon geene woorden vinden, doch hij greep de hand zijns vaders -en kuste die zoo onstuimig, dat Ramses haar terugtrok, en zeide, terwijl -hij met den vinger dreigde: »Ik geloof, mijn vriend, dat gij ons zijt -voorgekomen, en achter onzen rug staatkundige onderhandelingen hebt -aangeknoopt!" - -Ramses vond zijnen trotschen tegenstander vóor Mena's tent, en wilde hem -de hand reiken. Maar ditmaal was de Danaër reeds voor hem nedergezonken, -evenals de andere vorsten, en zeide: »Zie in mij niet den krijgsman en -koning, maar den smeekenden vader. Laat ons vrede sluiten en veroorloof -mij, dat ik dit meisje, mijne kleindochter, met mij neme naar mijn en -haar vaderland." - -De pharao hief den grijsaard op, reikte hem zijne rechterhand en zeide -goedig: »Wat gij verlangt, vermag ik slechts voor de helft te vergunnen. -Ik, de koning van Egypte, bied u van ganscher harte een vast verbond, -een blijvende vrede aan. Wat deze schoone jonkvrouw aangaat, daarover -moet gij met mijne kinderen onderhandelen, allereerst met deze mijne -dochter Bent-Anat, tot welker vrouwen zij behoort, en vervolgens met -dien door u vrijgegeven gevangene daar, mijn zoon Rameri, die Warda als -vrouw begeert." - -»Ik draag mijne rechten op mijn broeder over," zeide Bent-Anat, »en -vraag u, jonkvrouw, of gij genegen zijt hem als uw heer te erkennen?" - -Warda knikte toestemmend en zag haar grootvader aan met een blik, dien -hij ook zonder tolk verstond. - -»Ik ken u wel," zeide de vorst, zich tot Rameri wendende. »Wij stonden -tegenover elkander in het gevecht, en ik nam u gevangen, toen gij, -bedwelmd door den slag van mijn zwaard, van den wagen zijt getuimeld. -Gij zijt nog wat onstuimig, maar de tijd zal dit gebrek verbeteren, -wanneer men een held is van uw soort. Hoor mij aan, en ook gij, groote -pharao, vergun mij, eenige woorden te spreken. Laat ons deze beiden aan -elkander verloven, en moge hunne vereeniging ons verbond bevestigen. -Maar vergun mij eerst haar, die ik zoo lang heb moeten missen, een jaar -lang bij mij te houden, opdat ik mij in haar verheuge, en van hare -lippen de taal hoore harer moeder, die gij mij hebt ontnomen. Zij zijn -beide nog jong, naar de zeden van het land der Danaërs, waar mannen en -vrouwen later rijp zijn dan in uw land, te jong stellig voor een ernstig -echtverbond. Doch er is nog iets gewichtigs, wat ook u voor alles zal -doen besluiten mijn wensch in te willigen. Deze dochter van edelen stam -is in lage kringen opgevoed. Zij had hier geen huis, geen vaderland. -Als aan den weg moest de prins hare hand vragen. Maar wanneer zij mij -volgt, dan kan de zoon van den pharao als verloofde het paleis van een -vorst betreden, en koninklijk moet de bruiloft zijn, die ik hem bereiden -zal." - -»Wat gij verlangt," antwoordde Ramses, »is billijk en wijs. Neem -uw kleinkind mede, als de verloofde bruid van mijn zoon, als onze -toekomstige dochter. Reikt beiden mij de handen! Het zal er nu voor u op -aankomen geduld te oefenen, want Rameri blijft van heden een vol jaar in -Egypte. Dat is tot uw voordeel, lief kind, want de gehoorzaamheid, die -hij bij den dienst in het leger zal leeren, zal eens zijn toekomstige -gemalin ten goede komen. Voor u, Rameri, zal heden over een jaar, en ik -denk dat gij den dag wel niet vergeten zult, in de haven van Pelusium, -een goed gebouwd, met Phoenicische matrozen bemand zeeschip gereed -liggen, dat u naar het land der Danaërs ter bruiloft mag voeren." - -»Zoo zij het!" riep de grijsaard, »en bij Zeus, die de eeden hoort, ik -zal Xanthe's dochter uw zoon niet onthouden, als hij tot ons komt." - -Toen Rameri in de tent bij zijne broeders terugkeerde, vloog hij elk -afzonderlijk om den hals. Zoodra hij met hun knorrigen hofmeester alleen -was, nam hij hem de pruik van het hoofd, wierp die hoog in de lucht en -streelde den eerwaardigen beambte langs de wangen, terwijl hij hem het -hoofddeksel weer opzette. - - - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - - -Warda volgde haar grootvader en Praxilla in hunne tent aan gindschen -oever van den Pelusinischen Nijlarm, om den volgenden dag de Egyptische -legerplaats nog eens te bezoeken, van hare vrienden afscheid te nemen, -en zorg te dragen voor de begrafenis van haren vader. Zij vergat ook -niet indachtig te zijn aan de laatste bede van de oude Hekt, en het viel -Bent-Anat niet moeielijk haar vader over te halen, de tooveres, waaraan -hij zooveel dank schuldig was, gelijk hij thans te weten kwam, als eene -aanzienlijke vrouw te doen balsemen. - -Alvorens Warda het leger van den koning verliet, verzocht Pentaoer haar, -of zij haren stervenden redder Nebsecht eene laatste vreugde zou willen -bereiden, door zich nog eens aan hem te vertoonen. De jonkvrouw stemde -blozend toe, waarop de dichter, die den ganschen nacht bij den arts -had gewaakt, haar vooruit ging, om den kranke op haar bezoek voor te -bereiden. - -Nebsecht leed veel; zijne brandwonden en eene zware kwetsuur aan -het hoofd veroorzaakten hem groote smarten. Zijne wangen gloeiden -koortsachtig, en de artsen deelden Pentaoer mede, dat er niets meer aan -te doen was, en hij reeds binnen een uur kon sterven. - -De dichter legde zijne koele hand op het brandend voorhoofd van zijn -vriend en sprak hem vriendelijk toe. Doch Nebsecht glimlachte op zijne -eigenaardige manier, als wilde hij zeggen dat hij 't wel beter wist, en -zeide zacht en met zichtbare inspanning: »Nog maar enkele ademhalingen, -en dan komt er rust, hier en hier," daarbij wijzende op zijn hart en -zijn hoofd. - -»Wij allen komen tot rust," zeide Pentaoer, »doch wellicht alleen, om -ons na de doodsure ginds rustiger en zonder inspanning te bewegen. -Beloonen de goden ooit iets, dan is het een redelijk streven naar -waarheid en ernstigen arbeid. Vereenigt zich ooit een geest met de -wereldziel, om met de oogen der godheid door den sluier te dringen, die -hier voor hem het geheim des levens verborgen hield, dan zal het uw -geest zijn." - -»Ik heb aan dien sluier getrokken en gerukt," zuchtte Nebsecht, »en nu -mijn oog een deel der waarheid meent te hebben gevat, komt de plompe -hand des doods om het te sluiten. Wat baat het mij, met het oog der -godheid te zien en in hare alwetendheid te deelen? Niet het aanschouwen, -maar het vinden is zalig, zóo zalig, dat ik daarvoor nog een ander leven -hier en ginds op het spel zou willen zetten." - -Hij zweeg, want de krachten begaven hem, en Pentaoer verzocht hem -dringend zich rustig te houden, en de vriendelijke uren, die het leven -hem geschonken had, stil te overdenken. - -»Dat waren er maar weinige," zeide de arts. »Als mijne moeder mij kuste -en mij dadels schonk, als ik ongestoord alleen mocht navorschen en -arbeiden; wanneer gij mij een blik deedt slaan in uwe schoone wereld, -zoo rijk aan verscheidenheid, -- ja, dat was schoon!" - -»Ook hebt gij," zeide Pentaoer, »de smarten van vele menschen gelenigd, -en niemand leed veroorzaakt." - -Nebsecht schudde even het hoofd en prevelde: »Ik heb den ouden -Paraschiet waanzinnig gemaakt en doen sterven." - -Hij zweeg lang, toen sloeg hij de oogen plotseling op en zeide met meer -opgewektheid: »Maar toch niet om hem leed te doen; niet te vergeefs. In -Syrië, te Megiddo heb ik ongestoord gewerkt. Thans ken ik het orgaan, -met behulp waarvan wij denken. Het hart! Wat is dat hart? Het hart van -een hamel en van een mensch verrichten dezelfde diensten. Beide brengen -het drijfrad van het dierlijk leven in beweging. Beide slaan sneller -onder angst en genot, want vrees en droefheid hebben wij met de dieren -gemeen. Maar het denken, die goddelijke kracht, die reikt tot het -onbegrensde en oneindige, en ons in staat stelt juiste gevolgtrekkingen -te maken, heeft hier in het hoofd, heeft hier zijn zetel, hier achter -het voorhoofd, in de hersens!" - -Hier zweeg hij, uitgeput en door smart overmand. Pentaoer meende, dat -hij in koortsachtige overspanning zoo had gesproken. Hij reikte hem -een frisschen dronk toe, terwijl twee artsen, onder het zingen van -bezweringen, rondom zijn rustbed wandelden. - -Toen de kranke zich wat versterkt oprichtte, sprak de dichter: »Het -lieflijkste beeld van uw leven was zeker wel dat van het aanvallig -meisje, welks aangezicht eens, zooals ge mij zeidet, het orgaan voor het -schoone in u had doen ontwaken, en dat gij als een held, met opoffering -van uw eigen leven, den dood uit de armen hebt gerukt. Zooals gij weet -heeft Warda hare betrekkingen wedergevonden. Zij is gelukkig en haren -redder dankbaar en zou hem nog wel eens willen begroeten, voor zij met -haar grootvader naar zijn land trekt." - -De kranke aarzelde een oogenblik, eer hij zacht antwoordde: »Laat haar -komen. Maar alleen van verre wil ik haar aanschouwen." - -Pentaoer ging naar buiten en keerde spoedig daarop met Warda terug, die -blozend en met vochtige oogen aan de deur van de tent bleef staan. - -De arts zag haar smeekend en liefderijk aan, en zeide: »Neem mijn dank -aan, en wees gelukkig!" - -Het meisje wilde tot hem komen, om hem de hand te reiken, maar onrustig -weerde hij haar af met zijne verbonden rechterhand, en smeekte: »Kom mij -niet nader, maar blijf nog een oogenblik staan. Ach! Gij hebt tranen in -de oogen! Gelden ze mij of alleen mijne smarten?" - -»U, u, goede, edele man, mijn vriend en redder," zeide Warda. »U, beste, -arme Nebsecht!" - -De arts sloot de oogen, terwijl zij innig bewogen deze woorden sprak. -Toen hij zweeg, verhief hij nog eens den blik, zag haar lang vriendelijk -en met bewondering aan, en sprak zacht: - -»Nu is het genoeg! Thans wil ik sterven." - -Warda verliet de tent; Pentaoer bleef echter bij hem, en gaf nauwkeurig -acht op zijne reutelende ademhaling. - -Plotseling richtte de kranke zich overeind, en zeide: »Vaarwel, vriend! -De reis begint, wie weet waarheen?" - -»Zeker niet naar het ledig niets!" sprak Pentaoer met warmte. - -De arts schudde het hoofd en zeide: »Ik was toch iets en uit iets kan -nimmer niets worden. De natuur is spaarzaam en weet als eene zuinige -vrouw huis te houden. Van het kleinste maakt zij gebruik. Ook mij zal ze -verbruiken, al naardat ze mij noodig heeft. Overeenkomstig maat en getal -doet zij alles zijn doel bereiken, zoo ook mijn aanzijn in dit en in een -volgend leven. Er is niet aan te ontkomen. Uit elk ding wordt, wat er -uit worden moet -- niemand vraagt naar onzen wil. -- Mijn hoofd! -- -Zoodra het hierboven drukt, is 't met het denken gedaan! -- Kon ik maar -doorgronden -- doorgronden...." - -Deze laatste woorden kwamen al zachter en zachter over zijne lippen, -zijne ademhaling werd afgebroken. Weinige oogenblikken later sloot -Pentaoer hem, diep ontroerd, de oogen toe. - - * * * * * - -Toen de dichter de tent van den gestorvene verliet, ontmoette hij den -opperpriester Ameni, die wel verwacht had hem bij zijn vriend te zullen -vinden. Pentaoer keerde nu met den bestuurder van het Seti-huis tot den -doode terug. Ameni sprak haastig en gejaagd eenige gebeden uit voor het -heil van Nebsecht's ziel, en verzocht Pentaoer daarna hem onverwijld -naar zijn verblijf te volgen. Met de hem eigene voorzichtigheid bereidde -hij onderweg den dichter voor op eene ontmoeting, die hem meer droeve -dan blijde, in elk geval diep aangrijpende uren zou doen doorleven. - -De rechters van Thebe, die verplicht waren vrouwe Setchem, als moeder -van hem die den koning had verraden, tot verbanning naar de bergwerken -te veroordeelen[366], hadden deze aanzienlijke en achtenswaardige -matrone ongevraagd toegestaan, onder toezicht van veiligheidsbeambten -den koning te gemoet te reizen, en deze bij zijne terugkomst in Egypte -een smeekschrift voor haar zelve, niet, zooals er uitdrukkelijk werd -bijgevoegd, voor Paäker te overhandigen. Zij was echter vertrokken -met het heimelijk voornemen, niet voor zichzelve, maar voor haar zoon -te smeeken. Ameni had Thebe reeds verlaten, toen dit vonnis werd -uitgesproken; hij zou het anders hebben teruggehouden, door den rechter -de ware afkomst van Paäker te openbaren. Nadat hij den stadhouder had -opgegeven, behoefde hij het geheim van de oude Hekt niet langer te -bewaren. - - [366] Agatharchides (Diodorus III, 12) bericht, dat menigmaal - niet enkel zij, die schuldig waren bevonden, maar ook - hunne aanverwanten tot dwangarbeid in de bergwerken werden - veroordeeld. Bij het verdrag van uitlevering, dat de koning der - Cheta met Ramses II sloot, wordt er uitdrukkelijk in voorzien, - dat de naar Egypte teruggevoerde vluchteling ongestraft moet - blijven, dat men noch zijn huis, noch zijne vrouw, noch zijne - kinderen benadeelen, "=noch zijne moeder dooden zou=." - -De reis van vrouwe Setchem had door averij aan haar schip bij een storm -op den Nijl eenige vertraging ondergaan, en zoo gebeurde het, dat zij -eerst na den koning te Pelusium kwam. De mond van het Nijlkanaal, dat -bij deze vesting zich met de zee vereenigde, was zoo vol met schepen -van den stadhouder en zijn gevolg, van de feestgezanten en van edelen -en burgers, die uit alle deelen des lands waren saamgestroomd, om den -koning en zijne troepen te ontvangen, dat de boot der matrone ver van -de stad verwijderd voor anker moest komen. Eerst weinige uren geleden -was het haren trouwen hofmeester, die haar begeleidde, gelukt den -opperpriester te spreken. - -Vrouwe Setchem was zeer verouderd. Het oog, dat nog weinige maanden -geleden de groote huishouding in Thebe rustig overzag en bestuurde, was -nu mat en levenloos. Al was zij niet vermagerd, zij zag er toch niet -meer zoo statig uit als weleer, maar zwak en ziekelijk. Hare lippen, -die zich zoo dikwijls geopend hadden tot menig verstandig woord, waren -vast op elkander geklemd, en bewogen zich slechts om te bidden, of -wanneer een vriend den naam noemde van haren ongelukkigen zoon. Zijne -daad, dit ontveinsde zij zich niet, verdiende afschuw, en zij zocht -geene gronden om haar te verontschuldigen. Hare moederliefde kon hem -echter wel vergeven. Zoo dikwijls zij aan hem dacht, en dit deed zij -zonder ophouden bij dag en in hare slapelooze nachten, baadden hare -gevoelige, thans reeds lijdende oogen in tranen. - -Haar boot kwam te Pelusium juist in dezelfde ure voor anker, waarin de -vlammen van het brandende paleis den nacht begonnen te verlichten. De -vuurgloed en het geschreeuw op de haar omringende schepen riepen haar -op het dek. Zij vernam dat het brandende huis niets minder was dan -het prachtig gebouw, dat de stadhouder voor Ramses had opgericht. De -koning, zoo zeide men, verkeerde in doodsgevaar en verraders hadden -den brand aangestoken. Toen het dag geworden was, klonken haar onder -verwenschingen de namen van haar zoon en hare zuster in het oor. Zij -vroeg niet, zij wilde niets hooren, maar vermoedde de waarheid. Zoo -dikwijls men, nadat zij zich in hare kajuit had teruggetrokken, het -woord verraad in hare nabijheid uitsprak, gevoelde zij in haar duizelend -hoofd een pijnlijken steek, en overviel haar eene kille huivering. - -Gedurende den ganschen volgenden dag had zij spijs noch drank gebruikt, -en lag zij met geslotene oogen op haren divan. Haar hofmeester, die -weldra te weten kwam welk treurig aandeel zijn voormalige meester -aan deze brandstichting had genomen, en nu ook vrouwe Setchem's zaak -verloren achtte, had zich intusschen naar Ameni begeven. Maar de -opperpriester behoorde tot hen die steeds in 's konings nabijheid waren, -en eerst een dag later gelukte het hem dezen te spreken. - -Ameni sprak den trouwen beambte, die zoo bekommerd was en beangst, -nieuwen moed in, reed hem met zijn eigen wagen naar de haven, besteeg -het schip van vrouwe Setchem en beproefde haar voor te bereiden op de -vreugde, die haar na zulk eene zware beproeving wachtte. Doch hij was -te laat gekomen, want de geest der matrone was beneveld. Zij hoorde hem -onverschillig aan, toen hij al zijne krachten inspande, om haar moed te -verlevendigen. Alleen viel zij hem nu en dan in de reden met de vraag: -»Heeft hij het gedaan?" of »Leeft hij nog?" - -Ten laatste noodigde Ameni haar uit hem in haar draagstoel naar de -legerplaats te volgen, waar zij haar zoon zou vinden. Pentaoer geleek -sprekend op haar gestorven echtgenoot, en het gezicht van den dichter, -dacht de kenner der ziel, zou de sluimerende krachten van haar geest op -nieuw wekken. In zijne tent gekomen, verhaalde hij haar zoo omzichtig -mogelijk de geschiedenis der verwisseling van haar zoon Pentaoer met -Paäker. Zij volgde hem met schijnbare opmerkzaamheid, maar toch zoo, als -hoorde zij de lotgevallen van een vreemde verhalen. Toen Ameni begon -te spreken over 's dichters geest en gaven, en hoe hij geleek op haar -gestorven echtgenoot, prevelde zij: »Ik weet het, ik weet het; gij -bedoelt den redenaar van het feest van het dal." Daarna vroeg zij weder, -ofschoon zij reeds meermalen gehoord had dat haar zoon dood was, of -Paäker nog leefde. - -De opperpriester verliet haar eindelijk om Pentaoer te roepen. Wij -weten hoe hij hem vond vóor de tent, waarin zijn vriend Nebsecht de -eeuwige rust was ingegaan. Toen hij met den dichter, die inmiddels was -voorbereid op eene ontmoeting met zijne ware, zeer kranke moeder, zijne -tent binnentrad, vond hij haar verlaten. Zijne dienaars deelden hem -mede, dat vrouwe Setchem zich door den ouden Gagaboe, die gemakkelijk -was om te praten, naar het lijk van Paäker had laten brengen. Ameni werd -boos, want hij vreesde dat vrouwe Setchem nu verloren zou zijn. Hij -verzocht den dichter hem te volgen. - -In eene tent, die bij het tooneel van den brand was opgeslagen, lag -het stoffelijk overschot van den gids. Zijn lijk was onder een laken -verborgen, dat echter de breede trekken van zijn aangezicht, hetwelk -bij den val ongedeerd was gebleven, onbedekt liet. Naast hem knielde de -ongelukkige matrone. - -Daar zij de stem van den opperpriester niet hoorde, legde hij zijne hand -op haar schouder en zeide, op het lijk wijzende: »Deze was de zoon van -een tuinman. Gij hebt hem trouw opgevoed, al ware het uw eigen kind -geweest. Maar de echte erfgenaam van uw edelen echtgenoot, het kind dat -gij onder uw hart hebt gedragen, is deze jongeling, is Pentaoer, dien -de goden niet enkel de gedaante, maar ook den geest en de gaven zijns -vaders hebben geschonken. Om uwer goedheid wil moge dezen doode het -kwaad vergeven worden. Maar gij zijt uwe liefde verschuldigd aan dezen -echten zoon van uw gemaal, dezen edelen man, den redenaar van het -dal-feest, den redder van het leven des konings." - -Toen stond vrouwe Setchem op, ging naar Pentaoer toe, zag hem aan met -een glimlach, betastte zijne borst en zijn aangezicht, en zeide: »Hij is -het, de goden mogen hem zegenen!" - -Pentaoer wilde haar met zijne armen omvatten, maar zij week terug, als -vreesde zij zich aan trouwbreuk schuldig te maken, keerde zich haastig -om naar het lijk en prevelde »Arme, arme Paäker!" - -»Moeder, moeder, erken toch uw zoon!" riep Pentaoer, hevig ontroerd. - -Andermaal keerde zij zich om, en zeide: »Dat is zijne stem, ja, dat is -hij!" - -Zij naderde Pentaoer weder, leunde zich tegen hem aan, greep zijn tot -haar nedergebogen hoofd, kuste hem hartelijk op de lippen, en riep nog -eens: »De goden zullen u zegenen!" Toen vloog zij weder naar het lijk, -als had zij een onrecht jegens Paäker begaan, en zonk daar ineen. - -Roerloos zonder te spreken, bleef zij liggen, totdat men haar naar hare -boot terugdroeg. Daar legde zij zich neder en weigerde alle voedsel. Van -tijd tot, tijd prevelde zij nog: »Arme Paäker!" en eer Pentaoer, die -niet van hare zijde week, ofschoon zij hem niet meer kende, haar -verliet, was zij haren ruwen lieveling gevolgd naar gindsche oorden. - - - - -ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. - - -De koning had de legerplaats opgebroken, en was met het grootste deel -van zijne troepen verhuisd naar het nabij gelegen Tanis, de Ramses-stad, -die de talrijke in het landschap Gosen wonende Semieten, Zoan noemden. -De Hebreeuwsche kolonisten, die de stadhouder Ani voor zich had trachten -te winnen, door de hun opgelegde heerendiensten te verlichten, werden -thans met gestrengheid opgeroepen tot de werkzaamheden, die verricht -moesten worden, om de paleizen en vestingen te voltooien, die Ramses was -begonnen te bouwen. Te Tanis werd ook het vredes-verdrag onderteekend, -dat de gezant van den koning der Cheta, Tarthiseboe, in naam van zijn -heer, den pharao op eene zilveren plaat gegraveerd overhandigde[367]. - - [367] Dit hoogst merkwaardig gedenkstuk bleef bewaard, en wel op - een groot fragment van een muur, in het zuidelijk gedeelte van - den tempel van Karnak. De zilveren plaat, waarop het gegraveerd - was, en die de gezant Tarthiseboe aan Ramses moest overhandigen, - wordt in den vierden regel van het verdrag vermeld en afgebeeld. - Zij was rechthoekig en had van boven een oog, waaraan zij kon - opgehangen worden. De hiëroglyphen-tekst werd uitgegeven door - Burton, Lepsius en Brugsch. De beste vertaling hebben wij te - danken aan F. Chabas, =Voyage d'un Egyptien=, p. 332 sv. Eene - andere vertaling van dit verdrag vindt men in Egger's =Etudes - sur les traités publics=, p. 243, maar deze moet bij de latere - van Chabas achterstaan. - -Pentaoer volgde den koning, nadat hij zijne moeder de oogen gesloten en -haar lijk naar Heliopolis gebracht had, om het daar te doen balsemen. -Hare mummie zou vandaar naar Thebe gezonden en later plechtig in het -familiegraf worden bijgezet. Het vervullen van dezen kinderplicht jegens -eene moeder en de zorg voor de dooden was den Egyptenaren zóo heilig, -dat Pentaoer noch Bent-Anat aan hunne vereeniging mochten denken, -voordat hieraan was voldaan. - -Den 21sten Tybi van het een-en-twintigste jaar der regeering van -Ramses[368], juist op den dag der onderteekening van het vredes-verdrag, -kwam de dichter naar Tanis terug. Zijn hart was van weemoed vervuld, -want ook de hovenier, Paäker's vader, die Pentaoer had lief gehad alsof -het zijn eigen vader was geweest, was, vóor hij in Egypte terugkwam, -gestorven. De brave man had de valsche tijding van den dood des -dichters, die hij innig liefhad en eerde, en voor een hooger wezen -hield, dat hem slechts was toevertrouwd, niet lang overleefd. - - [368] Volgens den datum van bovenvermeld vredesverdrag. De - 21ste Tybi onze 29ste Januari. - -Zeven maanden na den brand te Pelusium, vierde Pentaoer in het paleis -van den pharao te Thebe zijn bruiloft met Bent-Anat, die zich nog vaster -aan hem gehecht gevoelde, na al het leed hetwelk hem was wedervaren. Zij -gevoelde, dat zij thans hem, den sterken man, moest helpen en geven van -het hare. Zij ondervond thans met blijdschap, dat, evenals het licht de -kelkjes opent van menige bloem, die zich bij zonsondergang sluiten, -zoo ook hare nabijheid in staat zou zijn aan de gedrukte ziel van haar -vriend nieuwe veerkracht te geven. - -Onder beproeving en strijd hadden zij elkander prijs moeten geven om -elkander weder te vinden. Ieder van hen wist, wat de ander hem of haar -waard was. Het doel van hun leven was voortaan elkander liefde te -bewijzen en het leven aangenaam te maken. Daar zij van hem overtuigd -was, gelijk hij van haar, dat niets hooger hij hem stond aangeschreven, -dan wat recht is en edel, zoo werd hun huwelijk tot eene waarachtige -verbintenis, die de harten loutert en rein geluk schenkt. Hij maakte -haar deelgenoote van zijne heiligste gedachten en moeielijkste -ondernemingen, en toen hun echt eerlang met kinderen werd gezegend, wist -zij hem dankbaar de kleine genoegens des levens te bereiden, die tevens -als de grootste te beschouwen zijn. - -Daar hij van den pharao groote bezittingen had ontvangen, liet Pentaoer -het erfgoed zijner familie over aan zijn broeder Horus, dien Ramses voor -zijn moedig optreden in den slag bij Kadesch, tot eersten Mohar benoemd -en vorstelijk beloond had. De afgezaagde cederboomen aan de hooge poort -van zijn huis, liet Horus door minder trotsche masten vervangen. - -De ongelukkige Hoeni, onder wiens naam Pentaoer in de bergwerken van -het Sinaïtisch schiereiland had gearbeid, werd door tusschenkomst van -den dichter uit de steengroeven van Chennoe bevrijd, en, overladen met -geschenken, aan zijne kinderen teruggegeven. - -De pharao doorzag snel welke buitengewone gaven Bent-Anat's echtgenoot -bezat. Hij gaf Pentaoer eene plaats in zijn raad, en vertrouwde hem de -gewichtigste aangelegenheden toe. Bent-Anat bleef tot zijn ouderdom -zijne uitverkoren dochter, ook nadat hij, tot bevestiging van den vrede, -met de dochter van den koning der Cheta in het huwelijk was getreden. - -Uit de papieren, die men in Ani's tent gevonden had, en andere -berichten, die in overvloed tot hem kwamen, kwam de koning te weten, -dat het hoofd van het Seti-huis, en met hem een groot deel der -priesterschap, een tijdlang gemeene zaak had gemaakt met den -trouweloozen stadhouder. Hoewel aanvankelijk geneigd om streng, ja -bloedig te straffen, liet hij zich door Pentaoer en zijn zoon Chamoes, -den opperpriester van Memphis, overhalen, om zijn wil door zachtere en -tegelijk doortastende maatregelen te doen eerbiedigen. - -Ramses wilde een beschermer zijn van den godsdienst, die alleen in staat -is den nederigen en zwaarbeproefden te verzoenen met zijn bestaan, hem -te vertroosten en aan zijn leven een geestelijken inhoud te geven. De -godsdienst scheen hem, den koning, een onontbeerlijk middel te zijn, om -de hoogere beteekenis van het leven steeds voor oogen te houden. Dit -heilig erfdeel zijner vaderen kwam hem voor bovenal nuttig te zijn als -eene school waarin het volk, dat geleid moest worden, gehoorzaamheid -leeren kon. Maar ieder Egyptenaar moest zich schikken naar de wet, -waarvan hij zich de verdediger noemde, waaraan hijzelf zich onderwierp, -en die gehoorzaamheid beval aan zijnen wil. Ook de priesterschap van het -land, die over de zielen waakte, mocht haar niet weerstreven. - -Reeds gedurende zijn verblijf in Tanis liet hij Ameni en zijn aanhang -gevoelen, dat hij alleen in Egypte gebood. Ondanks het stoutmoedig -verzet van de priesterpartij, die zich de »rechtgeloovige" noemde, liet -hij voor den god Seth, dien de Semieten sedert de dagen der Hyksos -boven alle andere goden vereerden, onder wiens naam zij hun Baäl -aanriepen[369] en voor wien men in den ouden tijd aan den Nijl geen -tempel had gebouwd, omdat hij eene buitenlandsche godheid was, een -prachtig heiligdom oprichten, in de Ramses-stad Tanis[370], om ook aan -de godsdienstige behoeften der vreemdelingen recht te laten wedervaren. -Op grond van dezelfde beginselen van verdraagzaamheid, liet hij de -plaatsen, waar vreemde goden werden vereerd, onaangetast. - - [369] Zie boven blz. 208. - - [370] Van dit heiligdom wordt in verschillende papyrussen gewag - gemaakt. - -Overigens was het zijn ijverig streven, de Egyptische goden door -buitengewone vrijgevigheid te eeren. In de meeste groote steden des -rijks liet hij tempels bouwen. Hij deed den Ptah-tempel te Memphis -vergrooten en tot aandenken aan zijne redding uit den brand twee -kolossale beelden vóor zijne pylonen oprichten[371]. In de Nekropolis -van Thebe liet hij, tot herinnering aan de ure, waarin hij voor Kadesch -als door een wonder aan den dood was ontkomen, het statig gebouw -oprichten, dat heden nog ieder die het ziet in verrukking brengt door de -harmonie zijner deelen[372]. Op zijne pylonen werd de slag hij Kadesch -in voortreffelijke reliefs afgebeeld, en hier zoowel als aan den -architraaf van de groote feesthal, bewaren opschriften de heugenis van -het gevaar waaraan hij ontkwam, toen hij =alleen stond onder duizenden=. - - [371] Een van deze bleef bewaard. Deze ligt onder de ruïnen van - het oude Memphis op den grond. - - [372] Het zoogenaamd Ramesseum. - -Het lied dat Pentaoer te Pelusium gezongen had, werd door Bent-Anat's -gemaal op bevel van Ramses opgeschreven. Op drie tempels, en in -verscheidene elkander aanvullende papyrus-rollen[373] is het -broksgewijze bewaard gebleven. Het was bestemd het nationale epos, de -Ilias der Egyptenaren te worden. - - [373] Zie boven bl. 415. - -Pentaoer viel de vereerende opdracht ten deel, de hoogeschool van het -Seti-huis over te brengen naar den nieuwen gelofte-tempel, die den naam -van het »Ramses-huis" ontving. Alles moest door hem opnieuw geregeld -worden, want de pharao gevoelde, dat het volstrekt noodzakelijk was een -nieuw priestergeslacht te vormen, en de dienaars der godheid te gewennen -hunne eigene wenschen ondergeschikt te maken aan de wetten van het land -en de verordeningen van den koning, die de wet beschermt en uitvoert. - -De dichter werd aan het hoofd gesteld van de nieuwe school, welker -bibliotheek, die den naam ontving van »Gezondheidsinrichting der -ziel"[374], haars gelijke niet had. Aan deze academie, die het model is -geweest van het latere Museum van Alexandrië, werden geleerden en -dichters gevormd, wier werken eeuwen hebben overleefd en voor een deel -tot ons gekomen zijn. De beroemdste van dezen zijn de hymnen van -Pentaoer's meest geliefden leerling, Anana, en het sprookje van de beide -broeders, hetwelk een kleinzoon van den ouden Gagaboe, die denzelfden -naam droeg, vervaardigde. - - [374] Diodorus I, 94. - -Ameni bleef niet in Thebe. Ramses wien ter oore was gekomen welk gebruik -de opperpriester gemaakt had van het omkomen van den ram, dien hijzelf -aan Amon had geschonken, en hoe hij het hart van het dier heilig had -verklaard, verplaatste hem, ofschoon hij hem zijne waardigheid en zijne -inkomsten liet, naar Mendes, de stad der heilige rammen in de Delta, -aangezien hij, zooals de koning niet zonder schamperheid opmerkte, toch -had getoond met deze heilige dieren bijzonder vertrouwd te zijn. Ook te -Mendes wist Ameni grooten invloed uit te oefenen. Ondanks veel verschil -van meening, dat hen dikwijls van elkander dreigde te vervreemden, bleef -hij tot het laatst door banden der vriendschap aan Pentaoer verbonden. - -In den eersten voorhof van het Ramses-huis staat nog heden ten dage, de -in het midden doorgebroken grootste kolos van Egypte. Hij bestaat uit -hard graniet, overtreft in omvang zelfs de bekende Memnon's beelden, en -wekt de verbazing van alle reizigers. Hij stelt Ramses den groote voor. -De kleine Scheraoe, dien Pentaoer tot beeldhouwer liet opleiden, heeft -dit en vele andere standbeelden van den grooten opperheerscher over -Egypte voltooid. - -Een jaar na den brand van Pelusium vertrok Rameri naar het land der -Danaërs, vierde zijn bruiloft met Warda, en bleef vervolgens wonen -in het vaderland van zijne gemalin, waar hij, na den dood van haar -grootvader, als koning over vele eilanden van de Middellandsche zee -gebied voerde, en de stamvader werd van een groot en roemrijk geslacht. -Warda's naam bleef lang onder hare onderdanen in gezegend aandenken, -want onder ellende geboren, verstond zij de kunst om te verzachten, en -zonder te deemoedigen wel te doen en gelukkig te maken. - - - - -Opmerkingen van de bewerker - - -Gespatieerde tekst is geplaatst tussen =tekens=, de transliteratie van -een Griekse letter tussen +tekens+. - -De voetnoten zijn hernummerd en geplaatst achter de alinea waar ze -bijhoren. - -Er is een inhoudsopgave toegevoegd na de titelpagina. - -Bij verwijzingen naar bladzijden in ditzelfde boek moet 6 worden -opgeteld, bijv. "Zie boven blz. 61", moet zijn: "Zie boven blz. 67". - -In het algemeen zijn er drie soorten van aanhalingstekens gebruikt. Hier -en daar zijn de aanhalingstekens gecorrigeerd voor de duidelijkheid. - -Inconsequente spelling is in het algemeen niet gecorrigeerd. De paar -keren dat een afwijking is aangepast aan de meerderheid van de gevallen -is aangegeven in onderstaande lijst. - -Duidelijke drukfouten o.a. van leestekens, ontbrekende spaties en -gekantelde letters zijn stilzwijgend gecorrigeerd. Ook zijn de volgende -correcties aangebracht, op bladzij - - 7 "bepaalder" in "bepaalden" (nemen hier bepaalden vorm aan) - 9 "sarophagen" in "sarcophagen" (werden sarcophagen van steen en - hout) - 9 "lijdwaad" in "lijnwaad" (benevens windsels van lijnwaad) - 10 "hymmen" in "hymnen" (om godsdienstige hymnen te zingen) - 11 "nachttelijke" in "nachtelijke" (verboden om op deze nachtelijke - roovers jacht te maken) - 15 "Pembesa" in "Penbesa" (Weet gij, Penbesa, gij trouwe bewaker) - 17 "Thutmes" in "Thotmes" (dat Thotmes III had gegrondvest) - 18 "Qornah" in "Qoernah" (van den tempel van Qoernah) - 19 "ontrokken" in "onttrokken" (door pleisterkalk aan het oog - onttrokken) - 20 "adelijke" in "adellijke" (uit eene oude adellijke familie) - 21 "vijfstigste" in "vijftigste" (zijn vijftigste jaar ingetreden.) - 23 "Penim" in "Pinem" (de dochter van Pinem, den Paraschiet) - 23 "Ami" in "Ameni" (vroeg Ameni op hoog ernstigen toon) - 24 "onwewetend" in "onwetend" (waarlangs de menigte onwetend - voorbijging.) - 26 "antwoorde" in "antwoordde" (»De prinses," antwoordde Pentaoer) - 26 "Penim" in "Pinem" (naar het huis van Pinem den weg te wijzen) - 26 "peizend" in "peinzend" (liep peinzend het vertrek op en neer) - 33 "grieken" in "Grieken" (De Grieken noemden hem) - 35 "litaniën" in "litanieën" (aan een ziekbed zijne litanieën - prevelde) - 38 "voveel" in "zoveel" (toch reeds zooveel nieuwigheden uit den - vreemde) - 43 "Paâkers" in "Paäkers" (en Paäkers vader is niet alleen) - 46 "Heroscoop" in "Horoscoop" (hernam de Horoscoop Septah) - 47 "zijn" in "zijns" (Deze bracht de mummie zijns vaders naar Thebe) - 56 "ztch" in "zich" (gewenscht zich te kunnen verkleinen) - 59 "Pantaoer" in "Pentaoer" (vroeg Pentaoer zich af) - 61 "terechtwijzigingen" in "terechtwijzingen" (zijne - terechtwijzingen toeriep) - 61 "van" toegevoegd (wanneer het gewicht van de verhevenste - gedachten) - 66 "Ben-Anat" in "Bent-Anat" (zeide Bent-Anat, terwijl de oude) - 77 "volgden" in "volgde" (Met angstige spanning volgde hij) - 77 "onstuiming" in "onstuimig" (die hij onstuimig aan zijne lippen - drukte) - 79 "Bent-Annat" in "Bent-Anat" (Bent-Anat zag hem nu voor het eerst - in) - 79 "vertoonde" in "vertoonden" (trekken van minachting vertoonden - zich) - 80 "Bent-Annat" in "Bent-Anat" (Bent-Anat bleef nog een oogenblik - staan) - 88 "Nyldag" in "Nijldal" (de Hyksos uit het Nijldal waren) - 90 "zieh" in "zich" (verroerde zich geen zijner leerlingen) - 93 "taai" in "taal" (van wiens lippen de zoete taal vloeit van) - 99 "a" in "ja" (van uw soort, ja dat zeg ik) - 101 "Eyptische" in "Egyptische" (van het Egyptische volk niet - nauwlettend) - 112 "war" in "was" ( Hij was gesproten uit een Semitisch geslacht) - 112 "des" in "der" (de verdrijving der Hyksos) - 112 "Thatmes" in "Thotmes" (en onder Thotmes en Amenophis zich door - dapperheid had onderscheiden.) - 113 "maakte" in "maakten" (Zij maakten zich meester van het Nijldal) - 115 "berichttet" in "berichtte" (berichtte Ani, die op hem wachtte) - 115 "onstond" in "ontstond" (ontstond er weder eene beweging) - 118 "vronw" in "vrouw" (Bent-Anat, tot vrouw, en ik zou Ramses niet - zijn) - 124 "Bent-Annat" in "Bent-Anat" (om de hand der prinses Bent-Anat te - verkrijgen) - 125 "Katoetie" in "Katoeti" (en zag Katoeti vragend aan) - 138 "voitooide" in "voltooide" (Maar hij voltooide den volzin niet) - 139 "voetzoelen" in "voetzolen" (juist zijn hoofd en zijne voetzolen - raakten) - 146 "ware" in "waren" (Terwijl dit gesprek werd gevoerd, waren voor - de hut van den Paraschiet twee mannen) - 149 "eIkander" in "elkander" (vielen de verdorde bloemblaadjes uit - elkander) - 151 "hiëropglypen" in "hiëroglyphen" (de rijen hiëroglyphen op de - praalgebouwen) - 154 "te" toegevoegd (met bijzonderen ijver te velde te trekken) - 163 "Syriscbe" in "Syrische" (bestuurde zijne vurige Syrische rossen) - 169 "vermelten" in "versmelten" (als ijs versmelten en als zand - verwaaien) - 173 "jakhalsen" in "jakhalzen" (Wat janken de jakhalzen!) - 189 "bidt" in "bid" (Ik bid in het geheel niet) - 194 "u" in "uw" (Bij al uw zoeken naar de verborgenheden) - 200 "pharo's" in "pharao's" (op den troon der pharao's dan hij.") - 202 "bezorgheid" in "bezorgdheid" (met eene uitdrukking van onrust - en bezorgdheid) - 205 "Nochthans" in "Nochtans" (Nochtans was zijn verzoek om - schrijvers) - 209 "beberoemd" in "beroemd" (hebt ge u zoo even beroemd, dat de - menschen) - 216 "toonen" in "teenen" (de nagels van vingers en teenen met - oranjekleurige hennah) - 216 "neen" in "neem" (neem dit reukwerk en verbrand ervan) - 221 "ondeling" in "onderling" (Zij waren onderling verbonden door) - 222 "lievelingdochter" in "lievelingsdochter" (in het vertrek van - Ramses' lievelingsdochter) - 229 "jeudige" in "jeugdige" (niemand heeft mijne jeugdige schreden - gericht) - 241 "gezalft" in "gezalfd" (de hallen waarin ze gezalfd werden) - 249 "Rameni" in "Rameri" (zoo waarachtig als ik Rameri heet) - 250 "Rameni" in "Rameri" (Rameri viel Anana in de rede) - 254 "reliquiën" in "reliquieën" (wordt onder de heiligste reliquieën - gerekend) - 265 "Bent Annat" in "Bent-Anat" (Bent-Anat gaf trotsch een wenk) - 273 "w nneer" in "wanneer" (te doorwaden, wanneer zij op buit - uitgaat) - 278 "panlherhuiden" in "pantherhuiden" (bezig met de pantherhuiden - en verdere kleedingstukken) - 284 "alleen" in "allen" (gij jongste van allen) - 284 "Pentooer" in "Pentaoer" (De laatste kende Pentaoer) - 287 2x "Pinim" in "Pinem" (verwonde kind van den Paraschiet Pinem) - en (»En het was Pinem," sprak de opperpriester) - 289 "de" in "ze" (Wij kroonden de vorsten, wij noemden ze goden en - leerden het volk) - 291 "rijkte" in "reikte" (Ameni reikte den grijsaard zijne) - 291 "uitgsproken" in "uitgesproken" (mag volstrekt niet uitgesproken - worden.) - 294 "Terzelder" in "Terzelfder" (Terzelfder ure had vrouwe Katoeti) - 296 "diet" in "niet" (waaraan ik heden niet offeren mag.) - 302 "uitgebouwen" in "uitgehouwen" (in de rots uitgehouwen grafkamer) - 303 "ingelijks" in "insgelijks" (traden insgelijks het graf binnen) - 314 "medgezel" in "metgezel" (zijn trouwen metgezel op al zijne - tochten) - 339 "oogeu" in "oogen" (toen ik het zag, mijne oogen meer zeer - gedaan) - 356 "Rameni" in "Rameri" (riep prins Rameri, die zonder) - 357 "veplegen" in "verplegen" (zij moet hare zieke grootmoeder - verplegen) - 362 "hondermaal" in "honderdmaal" (is wel honderdmaal gebeurd) - 363 "noch" in "nog" (Ik kan nog niets met zekerheid zeggen) - 365 "edelknaaap" in "edelknaap" (uitgegeven voor een edelknaap uit - het gevolg) - 368 "moedér" in "moeder" (de moeder bepaalt de afkomst der kinderen) - 370 "Rameni" in "Rameri" (»Maar een deel?" vroeg Rameri.) - 376 "vertrouwste" in "vertrouwdste" (de vertrouwdste raadgeefster - van den stadhouder) - 376 "daar" in "naar" (behoeft hij niet naar de goudmijnen te gaan) - 377 "scheepsgezagvoeder" in "scheepsgezagvoerder" (den - scheepsgezagvoerder te bewegen in Chennoe te landen) - 380 "getróffen" in "getroffen" (Zij was getroffen over hare - buitengewone) - 383 "Pentaoers's" in "Pentaoer's" (Pentaoer's slapen klopten - geweldig.) - 391 "melodiën" in "melodieën" (dat Warda hare melodieën nazong) - 400 "ij" in "hij" (heeft hij zich aan mij geopenbaard) - 406 "havan" in "haven" (aan de haven van Thebe) - 408 "aklig" in "aaklig" (In 't aaklig oord waar slechts) - 416 "trachte" in "trachtte" (De Ethiopische slaaf trachtte, nu hij - overtuigd was) - 422 "Egygtoloog" in "Egyptoloog" (gestorven Franschen Egyptoloog E. - de Rougé) - 427 "Mernepthah" in "Mernephtah" (De beide jongsten, Mernephtah en - Rameri) - 428 "toe" in "toen" (toen ik voor het eerst naar het land) - 430 "hehben" in "hebben" (schijnt te hebben gelegd) - 431 "Pidasa" in "Pisada" (volken van Pisada (Pisidië)) - 443 "Hijksos" in "Hyksos" (waar vroeger de Hyksos gelegerd waren) - 443 "Chrolonogie" in "Chronologie" (Chronologie der Aegypter) - 443 "Wissenschapften" in "Wissenschaften" (der Berliner Akademie der - Wissenschaften) - 449 "nog" in "noch" (wij zien noch rechts noch links) - 466 "Pinim" in "Pinem" (kleindochter van den Paraschiet Pinem) - 474 "eenveroordeelde" in "een veroordeelde" (als een veroordeelde - uit zijn kerker) - 494 "stukkken" in "stukken" (Beide stukken geleken elkander volkomen) - 502 "Setschem" in "Setchem" (besteeg het schip van vrouwe Setchem en - beproefde) - 503 "af" in "of" (dat haar zoon dood was, of Paäker nog leefde) - 507 "steven" in "streven" (Overigens was het zijn ijverig streven) - 507 "Hykos" in "Hyksos" (sedert de dagen der Hyksos). - -En in voetnoot - - [12] "Merneptah" in "Mernephtah" (en zijn opvolger Mernephtah - afkomstig zijn) - [28] "Madinet-Haboe" in "Medinet-Haboe" en "Dumichem" in "Dümichen" - (De volledigste, van Medinet-Haboe, werd uitgegeven door - Dümichen.) - [50] "Ethopischen" in "Ethiopischen" (met een Ethiopischen steen - zoover door) - [62] "Anibus" in "Anubis" (Een bijzondere vorm van Anibus. Hij was de - plaatselijke god) - [111] "Hykos" in "Hyksos" (Na de verdrijving der Hyksos door de - koningen) - [124] "konopen" in "kanopen" (in plaats van deze vier kanopen-goden) - [126] "hiëroglypisch" in "hiëroglyphisch" (Een volledige tekst in - hiëroglyphisch schrift) - [132] "Mèlanges egyptologiques" in "Mélanges égyptologiques" (in de - papyrussen heeft gevonden: Chabas, Mélanges égyptologiques II) - [138] "phanteïsme" in "pantheïsme" (het pantheïsme in de esoterische - leer van de Egyptenaars) - [138] "Ptolomaeën" in "Ptolemaeën" (tempels uit den tijd der - Ptolemaeën) - [151] "Vlg." in "Vgl." (De leeuwenkoppige godin. Vgl. bl. 61.) - [151] "Etiopiërs" in "Ethiopiërs" (vier volken (Egyptenaars, Semieten, - Libiërs en Ethiopiërs) in het graf van Seti I) - [170] "Gheta" in "Cheta" (met de Cheta, waarin van de eene zijde) - [224] "Vlg." in "Vgl." (Vgl. Ebers) - [230] "heilïge" in "heilige" (Zoo worden de planeten genoemd in de - heilige teksten.) - [243] "Ptolamceus" in "Ptolemaeus" (dien Ptolemaeus Philadelphus liet - houden) - [268] "aaroeping" in "aanroeping" (wordt deze godheid in de 21ste - aanroeping) - [269] "vau" in "van" (het voeteinde van zijne lijkbaar) - [279] "ägyptsche" in "ägyptische" (Zeitschrift für ägyptische Sprache) - [279] "Alterthumskunde" in "Altertumskunde" (ägyptische Sprache und - Altertumskunde) - [286] "pharo's" in "pharao's" (heette in den tijd der pharao's - evenzoo.) - [288] "n" in "in" (De Roode zee, in 't Hebreeuwsch) - [294] "dessert" in "desert" (het zeer belangrijke werk van M. A. - Palmer, The desert of the Exodus) - [333] "18" in "18e" (gedenkteekenen uit de 18e dynastie) - [342] "vlg." in "vgl." (vgl. Deveria) - [367] "Chabae" in "Chabas" (maar deze moet bij de latere van Chabas - achterstaan.). - -Overigens is de originele tekst bewaard gebleven. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Warda, by Georg Ebers - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WARDA *** - -***** This file should be named 42433-8.txt or 42433-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/4/2/4/3/42433/ - -Produced by eagkw, J.H. Berends and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License available with this file or online at - www.gutenberg.org/license. - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation information page at www.gutenberg.org - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at 809 -North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email -contact links and up to date contact information can be found at the -Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For forty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
