summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/42433-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '42433-8.txt')
-rw-r--r--42433-8.txt22966
1 files changed, 0 insertions, 22966 deletions
diff --git a/42433-8.txt b/42433-8.txt
deleted file mode 100644
index 3007be0..0000000
--- a/42433-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,22966 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Warda, by Georg Ebers
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org
-
-
-Title: Warda
- Roman uit het oude Egypte
-
-Author: Georg Ebers
-
-Translator: Hendrik Cornelis Rogge
-
-Release Date: March 29, 2013 [EBook #42433]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WARDA ***
-
-
-
-
-Produced by eagkw, J.H. Berends and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net
-
-
-
-
-
-
-
- WARDA
-
-
-
-
- WARDA
-
- ROMAN UIT HET OUDE EGYPTE
- VAN
- GEORGE EBERS
-
-
- IN HET NEDERLANDSCH BEWERKT DOOR
- DR. H. C. ROGGE
-
-
- VIJFDE DRUK
-
-
- AMSTERDAM
- VAN HOLKEMA & WARENDORF
-
-
-
-
- EERSTE BOEK.
-
- EERSTE HOOFDSTUK. 7
- TWEEDE HOOFDSTUK. 17
- DERDE HOOFDSTUK. 28
- VIERDE HOOFDSTUK. 36
- VIJFDE HOOFDSTUK. 50
- ZESDE HOOFDSTUK. 67
- ZEVENDE HOOFDSTUK. 82
- ACHTSTE HOOFDSTUK. 95
- NEGENDE HOOFDSTUK. 110
- TIENDE HOOFDSTUK. 121
- ELFDE HOOFDSTUK. 130
- TWAALFDE HOOFDSTUK. 137
- DERTIENDE HOOFDSTUK. 146
- VEERTIENDE HOOFDSTUK. 153
- VIJFTIENDE HOOFDSTUK. 163
-
-
- TWEEDE BOEK.
-
- EERSTE HOOFDSTUK. 173
- TWEEDE HOOFDSTUK. 183
- DERDE HOOFDSTUK. 196
- VIERDE HOOFDSTUK. 207
- VIJFDE HOOFDSTUK. 213
- ZESDE HOOFDSTUK. 221
- ZEVENDE HOOFDSTUK. 232
- ACHTSTE HOOFDSTUK. 248
- NEGENDE HOOFDSTUK. 258
- TIENDE HOOFDSTUK. 265
- ELFDE HOOFDSTUK. 277
- TWAALFDE HOOFDSTUK. 292
- DERTIENDE HOOFDSTUK. 301
- VEERTIENDE HOOFDSTUK. 316
- VIJFTIENDE HOOFDSTUK. 331
-
-
- DERDE BOEK.
-
- EERSTE HOOFDSTUK. 349
- TWEEDE HOOFDSTUK. 359
- DERDE HOOFDSTUK. 365
- VIERDE HOOFDSTUK. 380
- VIJFDE HOOFDSTUK. 396
- ZESDE HOOFDSTUK. 402
- ZEVENDE HOOFDSTUK. 413
- ACHTSTE HOOFDSTUK. 421
- NEGENDE HOOFDSTUK. 433
- TIENDE HOOFDSTUK. 443
- ELFDE HOOFDSTUK. 453
- TWAALFDE HOOFDSTUK. 463
- DERTIENDE HOOFDSTUK. 470
- VEERTIENDE HOOFDSTUK. 480
- VIJFTIENDE HOOFDSTUK. 488
- ZESTIENDE HOOFDSTUK. 498
- ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. 505
-
-
-
-
-EERSTE BOEK.
-
-
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-
-Bij het oude honderdpoortige Thebe wordt de Nijl merkbaar breeder. De
-bergketenen, die zich uitstrekken aan beide zijden van den stroom, nemen
-hier bepaalden vorm aan. Eenige bijna kegelvormige toppen steken, scherp
-gekant, boven den vlakken rug van het veelkleurig kalkgebergte uit,
-waarop geen palmboom groeit en zelfs de planten der woestijn niet tieren
-kunnen. Met steenen gevulde spleten en openingen zijn de eenige wegen,
-om meer of minder diep in dit gebergte door te dringen, waarachter de
-doodsche woestijn zich uitbreidt, met hare zandvlakten en rotsblokken,
-met hare klippen en naakte riffen. Achter de oostelijke bergen wordt
-deze woestenij begrensd door de Roode zee, achter de westelijke is zij
-onbegrensd als de eeuwigheid. De Egyptenaren geloofden, dat daarachter
-het doodenrijk begint.
-
-Tusschen beide heuvelrijen nu, die als wallen en muren het woestijnzand
-tegenhouden, stroomt de breede heldere Nijl, zegen en vruchtbaarheid
-brengende, zoowel de vader als de wieg van millioenen schepselen. Aan
-zijne beide oevers liggen in breede vlakten de donkere akkers, en in
-zijn schoot koestert hij geschubde en gepantserde waterbewoners van
-allerlei gedaante. Op den waterspiegel wiegelen lotusbloemen, en in het
-papyrusriet aan den oever bouwen ontelbare watervogels hunne nesten.
-Van den voet der bergen tot aan den Nijl strekken de graanvelden zich
-uit, na den zaaitijd blauwachtig groen gekleurd, bij het naderen
-van den oogst gelijk aan een zee van vloeibaar goud. Bij de putten
-en schepraderen bespeurt men van nabij en van verre schaduwrijke
-sykomoren-boomen, en zorgvuldig gekweekte dadelpalmen verheffen zich
-samen tot lieflijke bosschen. Het vlakke zaailand, dat jaarlijks door de
-overstrooming wordt besproeid en bemest, steekt bij de zandige helling
-der bergen, die er achter liggen, af, als de tuinaarde van een bloembed
-bij het gele kiezelzand van het voetpad.
-
-In de veertiende eeuw vóor onze jaartelling -- want wij brengen onze
-lezers terug in zulke langvervlogen tijden -- waren menschenhanden in
-Thebe druk in de weer, om door hooge steenen dammen en dijken den
-wassenden vloed te keeren, ten einde de straten en pleinen, de tempels
-en paleizen der stad voor overstrooming te bewaren. Kanalen, die goed
-afgesloten konden worden, baanden den weg van de dammen naar het
-daarachter gelegen land en door menige kleine zijvaart naar de tuinen
-van Thebe. Aan den rechter, oostelijken oever van den Nijl zag men de
-straten van deze beroemde residentie der pharao's. Dicht bij den stroom
-verhieven zich de kolossale bontbeschilderde tempels van de Amonstad.
-Daarachter, tot op geringe afstand van den oostelijken bergketen,
-gedeeltelijk reeds op den woestijnbodem, verrezen de paleizen der
-koningen en aanzienlijken, en waren de schaduwrijke straten aangelegd,
-waar hooge en smalle huizen dicht bij elkander gebouwd stonden. Welk
-een bont gewemel, wat levendige drukte heerschte daar in den bloeienden
-zetel der pharao's!
-
-De westelijke Nijloever bood weder een gansch ander schouwspel aan.
-Ook hier ontbrak het voorzeker niet aan weidsche gebouwen en overvloed
-van menschen. Maar terwijl aan gene zijde van den stroom de huizen
-éene ineengedrongene massa vormden, en de burgerlieden luidruchtig en
-vroolijk hunne dagelijksche bezigheden volbrachten, zag men aan deze
-zijde slechts prachtige gebouwen van buitengewone afmeting, waartegen de
-kleinere huizen en hutten zich aandrongen, als kinderen die bescherming
-zoeken door zich aan moeders schoot vast te klemmen. Deze groepen van
-gebouwen rezen naast elkander op, doch waren onderling niet verbonden.
-Wie het gebergte besteeg en op dit alles nederzag, kreeg den indruk als
-lagen daar beneden hem, dicht bij elkander, een groot aantal dorpen met
-deftige heerenhuizen. Zoo iemand uit de vlakte opzag naar de oostelijke
-hellingen der westelijke bergen, dan ontwaarde men honderde geslotene
-poorten, deels alleen staande, deels op rijen naast elkander, waarvan
-er velen aan den voet van het gebergte, verscheidene in het midden,
-sommigen zelfs op eene vrij aanzienlijke hoogte waren aangelegd. En hoe
-weinig geleek het afgemeten, ja ernstige leven op de straten in dit
-gedeelte, op het levenslustige gejoel en de bedrijvigheid der menschen
-daar ginds! Ginds op den rechteroever was ieder in heftige beweging bij
-arbeid en vermaak, onder vreugd en smart, in woord en daad. Hier, op den
-linkeroever, werd weinig gesproken, scheen eene zekere tooverkracht de
-schreden der wandelaar tegen te houden, eene bleeke hand den vroolijken
-blik der oogen te benevelen en elke plooi glad te strijken, die een
-lachje om den mond kon doen spelen. En toch landde hier menige sierlijk
-getooide bark, ontbrak het er niet aan koren van zangers, bewogen
-feestelijke optochten zich in de richting der westelijke bergen.
-Maar die vaartuigen brachten slechts dooden aan, de liederen die
-hier weerklonken waren klaagzangen, en de optochten bestonden uit
-rouwdragenden, die de sombere lijkkist volgden.
-
-Wij staan op den bodem van Thebe's doodenstad.
-
-Doch daarom werd ook in dit gedeelte het levendige verkeer niet gemist.
-Immers voor den Egyptenaar waren de dooden niet gestorven. Hij drukte
-zijne ontslapenen de oogen toe; hij bracht hen naar de Nekropolis, de
-doodenstad, in het huis van den Kolchyt, die de lijken balsemde, en ten
-laatste in de groeve. Nochtans wist hij, dat de zielen der afgestorvenen
-bleven voortleven; dat zij gerechtvaardigd zijnde als Osiris in het
-zonneschip den hemel zouden bevaren, dat zij in elke gedaante, die zij
-zouden willen aannemen, weder op aarde konden verschijnen, en op den
-levensloop der achtergeblevenen invloed mochten oefenen. Daarom zorgde
-hij voor eene waardige begrafenis zijner dooden, bovenal voor het
-balsemen, waardoor de lichamen zeker voor bederf bewaard bleven. Ook
-verzuimde hij niet, op bepaalde tijden het doodenoffer, bestaande in
-vleesch en gevogelte, dranken en reukwerken, groenten en bloemen te
-vernieuwen. Bij de begrafenis zoo min als bij het brengen dier offers
-kon de dienaar der godheid worden gemist.
-
-De stille doodenstad scheen bovendien de geschiktste plaats voor het
-bouwen van scholen en woningen voor geleerden. In de tempels van deze
-Nekropolis hielden groote priestervereenigingen hun verblijf, en de
-talrijke Kolchyten, wier ambt van den vader op den zoon overging,
-hadden hunne huizen in de nabijheid der uitgestrekte gebouwen, die voor
-het balsemen bestemd waren. Het ontbrak echter niet aan fabrieken en
-winkels. In de eersten werden sarcophagen van steen en hout vervaardigd,
-benevens windsels van lijnwaad, waarin de mummiën werden gewikkeld,
-en amuletten waarmede deze werden opgesierd. In de laatsten boden
-kooplieden specerijen, reukwerken, bloemen, vruchten, groenten en
-gebak te koop aan. Hier en ginds zag men runderen, gazellen, geiten,
-ganzen en ander gevogelte binnen grasperken met heggen omgeven, en
-de naastbestaanden van den overledene gingen daarheen, om uit de
-offerdieren, door de priesters voor rein verklaard, de zoodanige uit te
-zoeken, die zij noodig hadden, en met het heilige merk te doen voorzien.
-Velen kochten ook aan de slachtbanken enkele stukken vleesch. De armen
-bleven echter van deze plaats verwijderd, zij vergenoegden zich met het
-koopen van allerlei gebak in de gedaante van dieren, dat de runderen en
-ganzen, die zij niet machtig konden worden, symbolisch vervangen moest.
-In de deftigste winkels zaten dienaars van priesters, die bestellingen
-aannamen en op papyrus-rollen aanteekenden. Deze werden daarna in de
-bureelen van den tempel met die heilige teksten beschreven, welke
-de zielen der afgestorvenen moesten kennen en uitspreken, om de
-onderaardsche geesten af te weren, de deuren van de onderwereld te doen
-openen, en rechtvaardig bevonden te worden voor Osiris en de twee en
-veertig rechters van het onderaardsch gerechtshof.
-
-Wat er in de tempels omging, kon men buiten niet zien, want ieder
-heiligdom was door een hoogen ringmuur omgeven, waarvan de zorgvuldig
-geslotene en verhevene hoofdpoort alleen werd geopend, wanneer 's
-morgens vroeg of des avonds een priesterkoor naar buiten ging, om
-godsdienstige hymnen te zingen ter eere van de godheid, die als Horus
-opkwam en als Tum nederdaalde[1]. Zoodra de laatste tonen van het
-priesterlijk avondlied waren weggestorven, werd het ledig in de
-Nekropolis, want alle rouwdragenden en bezoekers der graven waren dan
-gehouden in de booten te gaan en de doodenstad te verlaten. Eene groote
-menigte menschen, die in feestelijken optocht aan den westelijken oever
-van Thebe voet aan wal hadden gezet, spoedde zich ordeloos naar den
-stroom, voortgedreven door de wachters, die bij afdeelingen dienst deden
-en de graven voor roovers moesten bewaren. De handelaars sloten hunne
-winkels, de Kolchyten en werklieden eindigden hun dagwerk en gingen naar
-hunne woningen. De priesters begaven zich naar hunne tempels terug, en
-de herbergen werden gevuld met gasten, die van verre hierheen gereisd
-waren, en liever in de nabijheid van hunne afgestorvenen, voor wie zij
-herwaarts kwamen, dan in de woelige stad aan den anderen oever van den
-stroom verlangden te overnachten.
-
- [1] De loop van den zonnegod werd vergeleken met die van
- het menschelijk leven. Als kind (Horus) ging de zon op; zij
- ontwikkelde zich tegen den middag tot den held Ra, voor wien
- de Uraeus-slang, die op zijn diadeem prijkte, streed. Aan den
- avond, als zij onderging, was zij een grijsaard (Tum). Het licht
- was ontstaan uit de duisternis, bijgevolg werd Tum voor ouder
- gehouden dan Horus en de andere lichtgoden.
-
-De stemmen der zangers en klaagvrouwen waren verstomd, zelfs het gezang
-der matrozen, die de talrijke booten naar den oostelijken oever van
-Thebe roeiden, stierf langzamerhand weg. De avondwind bracht nu en dan
-nog een enkelen toon over, en eindelijk zweeg alles. Een onbewolkte
-hemel breidde zich uit over de sombere doodenstad, slechts van tijd tot
-tijd verduisterd door de lichte schaduwen van vledermuizen, die elken
-avond naar den Nijl vliegen om zich te laven en op muggen jacht te
-maken. Na zich versterkt te hebben voor haren dagslaap, keerden de
-lichtschaduwen naar hare holen en rotsspleten terug. Nu en dan gleden
-zwarte gedaanten met lange schaduwen als over den bodem heen. Het waren
-de jakhalzen, die op dit uur hun dorst plegen te lesschen aan de rivier,
-en zich dikwijls in troepen, schier zonder vrees, vertoonden in de
-nabijheid van de ganzenhokken en de geitenstallen. Het was verboden om
-op deze nachtelijke roovers jacht te maken, want zij werden gehouden
-voor de heilige dieren van den god Anubis, den wachter der graven[2].
-Zij bleken ook weinig gevaarlijk te zijn, daar zij overvloed van
-voedsel vonden in de graven. Zij toch aten de stukken vleesch die op de
-offeraltaren waren neergelegd, tot groote voldoening der nabestaanden,
-die meenden, wanneer zij het vleesch den volgenden dag niet meer vonden,
-dat het door de onderaardsche goden goedgekeurd en aangenomen was.
-Ook bleken zij betrouwbare wakers te zijn, want zij waren gevaarlijke
-vijanden voor ieder, die ongeroepen, onder de bescherming van de
-duisternis der nacht, in eene groeve wilde binnendringen.
-
- [2] Anubis, die met den kop van een jakhals wordt afgebeeld, is
- de zoon van Osiris en Nephthys. De jakhals is zijn heilig dier.
- In den vroegsten tijd komt hij reeds voor als god van de
- onderwereld. Hij ziet toe op het balsemen, bewaart de lijken,
- en beschermt de Nekropolis. Bovendien baant hij, als Hermes
- Psychopompos (Hermanubis), den weg voor de zielen. Volgens
- Plutarchus waakt hij voor de goden gelijk de honden voor de
- menschen.
-
-Ook aan den zomeravond van het jaar 1352, op welke wij onze lezers
-uitnoodigen de doodenstad van Thebe met ons te bezoeken, werd het
-stil in de Nekropolis, nadat het priesterlijk avondlied was gezongen.
-Reeds wilden de soldaten die de wacht hadden van hun eersten
-onderzoekingstocht terugkeeren, toen plotseling een hond in het
-noordelijk gedeelte van de doodenstad hard begon te blaffen. Weldra liet
-een tweede, een derde, een vierde zich hooren. De hoofdman van de wacht
-riep »halt!" en toen het geblaf algemeener werd en met elke minuut in
-hevigheid toenam, beval hij hen die hem volgden in noordelijke richting
-op te marcheeren. De kleine troep had weldra den hoogen dam bereikt,
-die langs den westelijken oever liep van een kanaal, dat uit den Nijl
-was afgeleid, en overzag van hier het bouwland tot aan den vloed
-en het noordelijk gedeelte van de Nekropolis. Wederom werd »halt"
-gecommandeerd. Zoodra de soldaten in de richting in welke de honden het
-hevigst aansloegen het schijnsel van fakkels bespeurden, ijlden zij
-voorwaarts en bereikten bij de pylonen[3] van den tempel, die door Seti
-I, den overleden vader van den thans regeerenden koning Ramses II, was
-gebouwd, de rustverstoorders.
-
- [3] Pylonen noemde men de door een poortdoorgang verbonden
- torens aan den ingang van een Egyptischen tempel.
-
-De maan was opgegaan en goot haar bleek schijnsel uit over het prachtig
-gebouw, waarvan de buitenmuren roodachtig werden verlicht door de in
-donkeren rook gehulde vlammen der fakkels, die door zwarte dienaars
-werden gedragen. Een kleine dikke man, bijzonder rijk gekleed, sloeg
-met de metalen greep van een zweep zoo hard tegen de met koperen platen
-bekleedde tempeldeur, dat de slagen bij de nachtelijke stilte heinde en
-ver werden gehoord. In zijne nabijheid stonden een draagstoel en een
-wagen, met paarden van het edelst ras bespannen. In de eerste zat eene
-jonge vrouw, en op den wagen stond eene aanzienlijke maagd, rijzig van
-gestalte, naast den wagenmenner. Beiden waren omgeven door mannen, die
-blijkbaar tot de meer bevoorrechte standen behoorden, en een aantal
-dienstknechten. Er werd niet veel gesproken; de aandacht van de geheele
-groep, die maar gedeeltelijk werd verlicht, scheen uitsluitend op de
-tempeldeur gericht te zijn. De duisternis maakte het onmogelijk de
-gelaatstrekken der bijzondere personen te onderscheiden, doch de
-maneschijn versterkt door het fakkellicht was voldoende, om den portier,
-die uit een der torens van den pylon op de rustverstoorders neerzag,
-te doen begrijpen, dat hij met hooggeplaatste lieden, ja misschien met
-leden van de koninklijke familie te doen had. Met luider stem vroeg hij
-den man die geklopt had, wat hij begeerde.
-
-Zoodra deze zich hoorde toespreken, zag hij op, en zeide op
-meesterachtigen, ja zelfs beleedigenden toon: »Hoe lang moeten wij hier
-op je wachten, luië hond? Kom eerst naar beneden, open de poort en vraag
-dan! Wanneer de fakkels niet helder genoeg branden, om je te doen zien
-wie hier wacht, dan zal mijn zweep je op den rug schrijven wie we zijn
-en je leeren hoe men vorstelijke gasten te woord moet staan!"
-
-De vrouw in de draagstoel rees van schrik overeind, toen zij de rust van
-de doodenstad zoo opeens en zoo ruw hoorde storen. Terwijl de portier
-een onverstaanbaar antwoord bromde en naar beneden kwam, om de deur
-open te doen, richtte de vrouw op den wagen zich tot haar ongeduldigen
-geleider. »Gij vergeet, Paäker," sprak zij op welluidenden maar toch
-gebiedenden toon, »dat gij weder in Egypte zijt, en hier niet te doen
-hebt met wilde Shasoe[4], maar met vriendelijke priesters, van wie
-wij bovendien nog een dienst hebben te vragen. Men klaagt niet ten
-onrechte over uwe ruwheid, die vooral ongepast is, nu wij onder zulke
-buitengewone omstandigheden ons naar dit heiligdom hebben begeven."
-
- [4] Roofzuchtige Semitische stammen in het oosten van Egypte.
-
-Hoewel deze woorden niet zoozeer werden gesproken om te berispen, dan
-wel om leedwezen over het gebeurde uit te drukken, toch achtte zich de
-kleine gevoelige man er door beleedigd. De vleugels van zijn breeden
-neus begonnen zich sterk te bewegen; krampachtig omklemde hij met zijn
-rechterhand de greep der zweep, en terwijl hij zich deemoedig scheen te
-buigen, gaf hij een ouden Ethiopischen slaaf, die naast hem stond, zulk
-een duchtigen slag op de naakte beenen, dat deze als een door de koude
-verschrompeld blad ineenkromp. De arme kerel gaf echter geen kik, want
-hij kende zijn meester.
-
-Inmiddels had de portier opengedaan, en tegelijk met hem trad een
-jeugdige priester naar buiten, om te vernemen wat deze rustverstoorders
-verlangden. Paäker wilde weder het woord voeren, maar de vrouw die op
-den wagen stond kwam hem voor met te zeggen: »Ik ben Bent-Anat, de
-dochter des konings, en zij die in den draagstoel zit is Nefert, de
-gemalin van den edelen Mena, den wagenmenner mijns vaders. Wij hadden
-ons in gezelschap van deze aanzienlijke mannen naar het noordwestelijk
-dal van den Nekropolis begeven, ten einde de nieuwe bouwwerken in
-oogenschouw te nemen. Gij kent de smalle rotspoort dier kloof. Op den
-terugweg hield ikzelve de teugels, en had het ongeluk een meisje,
-dat met een korfje vol bloemen aan den weg zat, te overrijden en te
-verwonden, ja zeer gevaarlijk, zoo ik vrees. Mena's echtgenoote heeft
-de kleine dadelijk met eigene handen verbonden. Wij lieten haar daarop
-brengen naar het huis haars vaders, een Paraschiet[5], Pinem geheeten,
-geloof ik. Ik weet niet of gij hem kent."
-
- [5] Een paras-chiet was iemand, die de lijken opende.
-
-»Zijt gij zijne hut binnengegaan, prinses?" vroeg de priester.
-
-»Ik moest wel, heilige vader," was haar antwoord, »ofschoon ik weet, dat
-men zich verontreinigt, wanneer men den drempel van zulk eene woning
-overschrijdt. Maar...."
-
-»Maar," riep de vrouw van Mena, terwijl zij zich weder oprichtte in
-haar draagstoel, »Bent-Anat kan zich immers heden door u of door haren
-huispriester laten reinigen; den armen vader zal zij echter bezwaarlijk,
-misschien ook nooit, zijn kind gezond kunnen wedergeven."
-
-»Dit neemt niet weg, dat het ellendig verblijf van zulk een Paraschiet
-onrein is," viel de kamerheer Penbesa, ceremoniemeester van de prinses,
-haar in de rede. »Ik heb er mij genoeg tegen verzet, toen Bent-Anat
-haar voornemen te kennen gaf, dat vervloekte nest in eigen persoon te
-betreden. Ik sloeg voor," zoo vervolgde hij tot den priester, »het
-meisje naar huis te laten dragen, en den vader een koninklijk geschenk
-te zenden."
-
-»En de prinses?" vroeg de priester.
-
-»Zij handelde, als gewoonlijk, overeenkomstig haar eigen wil," hernam de
-ceremoniemeester.
-
-»En dan doet zij altijd wat goed is," merkte de vrouw van Mena op.
-
-»Gaven de goden dat het zoo ware!" sprak de Prinses met zachte stem.
-Zich tot den priester wendende, ging zij voort: »Gij kent den wil der
-hemelsche goden en de harten der menschen, heilige vader, en ik ben mij
-bewust, dat ik gaarne geef en armen help, ook wanneer de armoede de
-eenige voorspraak is. Maar na hetgeen heden is gebeurd, en tegenover
-dien ongelukkigen man ben ik het die voorspraak noodig heb."
-
-»Gij?" vroeg de kamerheer verbaasd.
-
-»Ja, ik!" antwoordde de prinses op stelligen toon.
-
-De priester die tot hiertoe zwijgend dit gesprek had aangehoord, hief
-nu zijn rechterhand op, als om te zegenen, en zeide: »Gij hebt braaf
-gehandeld. De Hathors[6] vormden uw hart, en de godin der waarheid leidt
-het. Ongetwijfeld komt gij ons in onze nachtelijke gebeden storen, ten
-einde een arts te vragen voor het verwonde meisje?"
-
- [6] Hathor is Isis in zinnelijken vorm. Zij is de godin van den
- helderen lichten hemel en draagt de zonneschijf tusschen de
- hoornen op den koekop, of op een menschenhoofd met de ooren van
- eene koe. Zij wordt de godin met het schoone aangezicht genoemd
- en is de schenkster van elke reine levensvreugde. Later
- beschouwde men haar als de muze, die het leven veraangenaamt met
- vroolijkheid, liefde, zang en dans. Als goede fee ontmoeten wij
- haar bij de wieg der kinderen, om hun levenslot te bepalen. Zij
- draagt vele namen, en er komen verschillende, meestal zeven
- Hathoren voor, om de voornaamste richtingen harer goddelijke
- werkzaamheid te verpersoonlijken.
-
-»Zooals gij zegt!"
-
-»Ik zal den opperpriester vragen, om den besten geneesheer voor
-uitwendige verwondingen, onverwijld naar de kranke te zenden. Doch waar
-is het huis van den Paraschiet Pinem? Ik ken hem niet."
-
-»Ten noorden van de terrassen van Hatasoe[7], dicht bij.... Maar ik zal
-een mijner geleiders gelasten den geneesheer den weg te wijzen. Ik stel
-er bijzonder veel prijs op morgen vroeg te vernemen, hoe het met de
-zieke staat. -- Paäker!"
-
- [7] De groote koningin uit de 18de dynastie, voogdes van twee
- pharao's.
-
-De aangesprokene, met wien wij hebben kennis gemaakt, toen hij zoo ruw
-op de poort klopte, boog zich met nederhangende handen ter aarde en
-vroeg: »Wat beveelt gij?"
-
-»Ik wijs ú aan tot gids van den arts," zeide de prinses. »Het zal den
-wegwijzer des konings niet moeilijk vallen, het verborgen huisje weer te
-vinden. Vergeet niet dat gij mijn medeschuldige zijt. Want," en hierbij
-wendde zij zich tot den priester, »laat ik er maar rond voor uitkomen:
-het ongeluk geschiedde, toen ik met mijne rossen Paäkers Syrische
-harddravers, die naar zijn zeggen veel vlugger liepen dan de Egyptische,
-trachtte in te halen. Het was een wild rennen."
-
-»Amon zij geloofd, dat het zóo afliep," sprak de ceremoniemeester.
-»Paäkers wagen ligt verbrijzeld in het enge dal, en zijn beste paard is
-zwaar gewond."
-
-»Nu, als hij den arts bij den Paraschiet heeft gebracht, mag hij naar
-zijn paard gaan kijken," hernam de prinses. »Weet gij, Penbesa, gij
-trouwe bewaker van een onbezonnen meisje, dat ik mij heden voor het
-eerst er over verblijd, dat mijn vader krijg voert in het verre
-Sati-land[8]?"
-
- [8] Azië.
-
-»Hij zou ons zeker niet zeer vriendelijk ontvangen hebben," antwoordde
-de ceremoniemeester met een glimlach.
-
-»Maar de arts, de arts!" riep Bent-Anat haastig. »Paäker, het blijft
-er bij: gij wijst hem den weg en brengt ons morgen bericht omtrent den
-toestand van het meisje."
-
-Paäker boog nog eens. De prinses gaf daarop een wenk. De priester en
-zijne gezellen, die intusschen uit het heiligdom naar buiten waren
-gekomen, hieven zegenend de handen omhoog, en de nachtelijke optocht
-ging op weg in de richting van den Nijl. Paäker bleef alleen achter met
-zijne beide slaven. Hij was verdrietig over den last, dien de prinses
-hem had opgedragen. Zoo lang de maneschijn toeliet den draagstoel met de
-vrouw van Mena te onderscheiden, oogde hij haar na. Toen trachtte hij
-zich te herinneren, waar het huis van den Paraschiet gelegen was. De
-hoofdman van de veiligheidspolitie hield nog altijd met zijne
-manschappen stand bij den tempelpoort.
-
-»Kent gij de woning van den Paraschiet Pinem?" vroeg Paäker.
-
-»Wat moet gij bij hem zoeken?"
-
-»Dat gaat u niet aan," hernam Paäker.
-
-»Lomperd!" riep de hoofdman. -- »Links om en voorwaarts, mannen!"
-
-»Halt!" riep Paäker, nijdig, »ik ben de koninklijke gids."
-
-»Dan zult gij des te gemakkelijker de plaats kunnen wedervinden, waar
-gij vandaan komt. -- Soldaten, voorwaarts!"
-
-Op deze woorden volgde als een echo het gelach van velerlei stemmen.
-Paäker schrok zoo hevig van dit honend geluid, dat hij zijn zweep op den
-grond liet vallen. De slaaf, dien hij weinige minuten te voren geslagen
-had, stond deemoedig op en volgde zijn heer in den voorhof des tempels.
-Beiden schreven het gegiegel, dat de ernstige rust in den doodenstad zoo
-ongepast kwam storen, en hun nog steeds in de ooren ruischte, zonder dat
-zij de oorzaak er van ontdekken konden, aan rustelooze geesten toe. Maar
-ook de oude portier had die overmoedige toonen vernomen. Hem was dat
-lachen beter bekend dan den wegwijzer des konings, want met forsche
-schreden trad hij de poort des heiligdoms uit en riep, terwijl hij, de
-donkere schaduw van den pylon volgende, met zijn langen stok blindelings
-voor zich uitsloeg: »O, gij nietswaardig Sethsgebroed[9], gij galgenaas,
-gij aterlingen, ik zal u!"
-
- [9] Door de Grieken Typhon genoemd. Hij was de vijand van
- Osiris, het ware, goede en reine, en vertegenwoordigde de
- disharmonie en onrust in de natuur. Horus, die voor zijn vader
- Osiris strijdt, kon hem ter aarde werpen en verminken, maar
- nimmer vernietigen.
-
-Op eens verstomde het gelach. Eenige jeugdige gestalten kwamen in het
-maanlicht voor den dag; de oude vervolgde ze al hijgende, en na eene
-korte jacht vloog een troep opgeschoten knapen door de tempeldeur naar
-het poortgebouw terug. Het was den wachter gelukt een dertienjarigen
-misdadiger te vatten, en hij hield hem zoo vast bij het oor, dat zijn
-kleine kop in horizontale richting aan zijn hals scheen gegroeid.
-
-»Ik zal het den onderwijzer bekend maken, gij sprinkhanenplaag, gij
-vledermuisgebroed," riep hij vervolgens. Maar de bende schooljongens,
-die eene gunstige gelegenheid hadden waargenomen om uit hun engen kerker
-te komen, begon hem vriendelijk te vleien. Uit aller mond vernam hij
-woorden van berouw, hoewel het pleizier over het gebeurde, dat niemand
-hun ontnemen kon, in het oog van al die bengels stond te lezen. En toen
-een van de grootste scholieren den ouden om den kin streek, en beloofde
-hem morgen den wijn, die zijne moeder hem voor de volgende week zou
-zenden, ter bewaring te zullen geven, liet de wachter zijn gevangene
-los, die de pijn uit zijn vuurrood oor trachtte te wrijven, en riep nog
-onvriendelijker dan zoo even: »Wilt gij een, twee, drie maken dat ge weg
-komt! Denkt ge dat ik uw streek zoo maar zal laten voorbijgaan? Dan kent
-gij den ouden Baba nog niet. Ik zal het den goden klagen en niet den
-onderwijzer. En je wijn, vlegel, zal ik ten offer plengen, opdat de
-hemel het je vergeve!"
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-
-De tempel, in welks eerste voorhof Paäker stond te wachten, en waarin de
-priester was verdwenen om den geneesheer te halen, werd het Seti-huis
-genaamd, en was een der grootste heiligdommen van de doodenstad[10].
-Wat zijn grootsche aanleg betreft, werd hij enkel overtroffen door het
-prachtig gebouw uit den tijd der vorstelijke dynastie, die door den
-grootvader van den thans regeerenden koning werd onttroond, dat Thotmes
-III had gegrondvest en waarvan Amenophis III den ingang had versierd met
-ontzaglijk kolossale beelden[11]. In ieder ander opzicht echter kwam aan
-het Seti-huis de eerste plaats in de Nekropolis toe. Ramses I had den
-eersten steen gelegd, kort nadat het hem gelukt was zich door geweld
-van den Egyptischen troon meester te maken. Zijn groote zoon Seti had
-den bouw voortgezet, ten einde in dezen tempel den doodendienst voor
-de zielen der afgestorven leden van het nieuwe koningshuis te doen
-verrichten, en de heilige feesten ter eere van de goden der onderwereld
-te vieren. Groote sommen waren ten koste gelegd aan de versiering van
-het gebouw, en beschikbaar gesteld voor het onderhoud van priesters en
-instellingen, die aan dit heiligdom verbonden waren. Die stichtingen,
-geheel ingericht naar het model der eeuwenoude scholen van Heliopolis en
-Memphis, waarin de wijsheid der priesters werd bewaard, waren bestemd
-met dezen gelijken tred te houden; zij moesten Thebe, de nieuwe
-residentie van Opper-Egypte, ook door de vruchten van wetenschappelijk
-onderzoek boven de hoofdsteden van Neder-Egypte verheffen.
-
- [10] Hij bestaat nog en is bekend onder den naam van den tempel
- van Qoernah.
-
- [11] Het noordelijk beeld is, als het geluidgevende
- Memnonsbeeld, wereldberoemd geworden.
-
-Het waren inzonderheid eenige inrichtingen voor onderwijs, die het eerst
-verdienden genoemd te worden[12]. Op den voorgrond stond de hoogeschool,
-waarin priesters, geneesheeren, rechters, wis- en sterrenkundigen,
-beoefenaars van taal- en letterkunde en andere geleerden, niet alleen
-onderwijs ontvingen, maar ook eene vrije woonplaats vonden, nadat zij
-den hoogsten graad van kennis bereikt en den titel van »schrijver"
-ontvangen hadden. Daar werden zij dan op kosten des konings onderhouden,
-opdat zij, zonder door andere zorgen en bemoeiingen afgetrokken te
-worden, dagelijks verkeerende met huns gelijken, die zich met dezelfde
-studiën bezighielden, zich geheel zouden kunnen wijden aan bespiegeling
-en wetenschappelijk onderzoek. De geleerden hadden eene groote boekerij
-tot hun dienst, waarin duizenden schriftrollen werden bewaard, en
-waaraan tegelijk een papyrus-fabriek verbonden was. Sommigen hunner
-waren belast met het onderricht der jongere scholieren, die gevormd
-werden in de evenzeer tot het Seti-huis behoorende voorbereidende
-school. Die school stond open voor alle zonen van vrije burgers, en
-werd door honderden kinderen bezocht, die hier ook een nachtkwartier
-vonden. Trouwens de ouders waren verplicht òf kostgeld te betalen, òf
-de spijzen, die de kinderen voor hun onderhoud noodig hadden, naar
-de school te zenden. Voorts woonden in een afzonderlijk gebouw de
-kostkinderen van den tempel. Het waren zonen van de voornaamste
-familiën, die hier voor eene niet geringe vergoeding door de priesters
-werden opgevoed. Seti I, de stichter van deze inrichting, had zijne
-eigene zonen, ja zelfs den troonopvolger Ramses daar laten opvoeden.
-
- [12] De volgende beschrijving van eene Egyptische inrichting van
- onderwijs is, tot in elke bijzonderheid, ontleend aan bronnen,
- die uit den tijd van Ramses II en zijn opvolger Mernephtah
- afkomstig zijn.
-
-Deze voorbereidende scholen werden druk bezocht. De stok speelde hier
-zulk eene groote rol, dat zeker paedagoog aan deze inrichting met volle
-recht kon zeggen: »De ooren der schooljongens zitten op hun rug; zij
-hooren als men hen slaat." Knapen, die uit de lagere klassen tot de
-hooge school wilden overgaan, moesten zich aan een examen onderwerpen.
-Waren zij geslaagd, dan konden de jonge studenten zich een leermeester
-kiezen uit de geleerden van hoogeren rang. Deze nam de leiding hunner
-wetenschappelijke studiën op zich, en zij bleven hun leven lang als
-cliënten aan zulk een patroon verbonden. Na een tweede examen konden
-zij den titel van schrijver verkrijgen en het recht om eenig openbaar
-ambt te bekleeden. Nevens deze scholen voor geleerden vond men hier
-verder eene school tot opleiding van kunstenaars, waarin zoodanige
-jongelingen werden onderwezen, die zich op de bouw-, de beeldhouw- of
-schilderkunst wenschten toe te leggen. Ook bij deze inrichting koos elke
-leerling zich zijn meester. Alle leeraars in deze scholen behoorden
-tot de priesterschap van den Seti-tempel, die uit meer dan achthonderd
-personen bestond. Zij waren in vijf klassen verdeeld, aan het hoofd
-waarvan drie zoogenaamde profeten stonden. De eerste profeet was de
-opperpriester van het Seti-huis, en tegelijk het hoofd van die duizende
-hoogere en lagere dienaars der godheid, die tot de doodenstad van Thebe
-behoorden.
-
-Het eigenlijk Seti-huis was een tempel van massieven kalksteen. Eene
-rij van sphinxen voerde van den Nijl tot den ringmuur en den eersten
-breeden pylon, die toegang verleende tot een ruim aan twee zijden door
-zuilengangen omgeven voorhof, aan het einde waarvan zich eene tweede
-poort verhief, die uit twee torens bestond in den vorm van afgeknotte
-pyramiden. Was men deze doorgegaan, dan bevond men zich in een tweeden
-voorhof, niet ongelijk aan den eersten. De achterzijde werd hier echter
-gesloten door eene breede zuilenrij, die tot den eigenlijken tempel
-behoorde. Deze werd thans van binnen door het matte schijnsel van enkele
-lampen verlicht.
-
-Achter het Seti-huis stonden groote vierkante gebouwen, uit gebakken
-Nijltegels opgetrokken, die er deftig en sierlijk uitzagen; want men
-had de steenen door pleisterkalk aan het oog onttrokken, en de gladde
-oppervlakte beschilderd met allerlei voorstellingen en opschriften
-in hiëroglyphen. Inwendig waren deze gebouwen alle op dezelfde wijze
-ingericht. In het midden bevond zich een open hof, waarop de deuren
-uitkwamen van de vertrekken der priesters en geleerden. Aan beide zijden
-van den hof had men een overdekten houten zuilengang aangebracht, die
-tevens overdag schaduw verleende. Midden in de opene ruimte bespeurde
-men een waterbekken, door sierlijke planten omgeven. De woningen der
-scholieren waren op de bovenverdieping, terwijl het onderricht werd
-gegeven in den hof, waarvan de tegelvloer door matten was bedekt.
-Eindelijk verdient nog bijzonder de aandacht het huis van de hoofden
-der profeten. Dit had een nog deftiger aanzien, en was terstond te
-onderkennen aan de wimpels, die boven het dak uitwoeien. Het lag op
-ongeveer honderd schreden afstands achter het Seti-huis tusschen een
-goed onderhouden boschje en een helderen vijver, het heilige tempelmeer.
-Die profeten hielden hier slechts tijdelijk verblijf terwille van hun
-ambt, want zij woonden met vrouw en kinderen in aanzienlijke huizen,
-die in de eigenlijke stad, aan gene zijde van den stroom, gelegen waren.
-
-Het late bezoek, dat aan den tempel werd gebracht, was natuurlijk deze
-kolonie van priesterlijke geleerden niet ontgaan. Evenals de mieren
-onrustig heen en weer beginnen te loopen, wanneer de menschelijke hand
-hun nest aanraakt, zoo had deze onverwachte beweging niet alleen onrust
-te weeg gebracht onder de scholieren, maar ook onder de leeraars en
-priesters. In groepen naderden zij den ringmuur. Verschillende vragen
-werden gedaan en vermoedens uitgesproken. Volgens den een was eene
-koninklijke boodschap gekomen; volgens een ander weder zou de prinses
-Bent-Anat door Kolchyten overvallen zijn. Een schalk onder de
-losgebroken knapen wist te vertellen, dat de koninklijke gids, Paäker,
-met geweld in den tempel was gebracht, om hier wat beter te leeren
-schrijven. Daar de man, met wien de ondeugd den spot dreef, vroeger
-werkelijk een kweekeling van het Seti-huis was geweest, en er onder het
-knapengeslacht nog allerlei vermakelijke anecdoten voortleefden van 's
-mans uiterst gebrekkige kennis van taal en stijl, zoo werd deze tijding
-met algemeenen bijval begroet. Hoe onzinnig deze verklaring ook was,
-daar Paäker een der hoogste posten bekleedde bij het leger des konings,
-scheen zij toch zoo onwaarschijnlijk niet, daar een ernstige jonge
-priester verzekerde, dat hij den wegwijzer in het eerste voorhof van den
-tempel had gezien.
-
-De levendige gesprekken, het lachen en joelen der knapen op zulk een
-ongewoon uur, bleef door den opperpriester niet onopgemerkt. Deze
-geestelijke, Ameni geheeten, de zoon van Nebket, een zeldzaam man,
-gesproten uit eene oude adellijke familie, was oneindig meer dan de
-oppermachtige gebieder der tempelbewoners, die hij met krachtige hand en
-wijs overleg wist te besturen. Alle priestercollegiën van het geheele
-land erkenden zijne meerderheid, vroegen zijn raad in moeielijke
-gevallen, en wachtten zich wel in eenig opzicht af te wijken van de
-bepalingen ten aanzien van geestelijke dingen, die in het Seti-huis,
-dat wilde zeggen door Ameni, werden vastgesteld. Men zag in hem het
-priesterlijk ideaal als verwezenlijkt, en wanneer hij soms aan enkele
-collegiën moeielijke, ja vreemde eischen stelde, dan onderwierp men
-zich zonder tegenspraak, omdat de ervaring had geleerd, dat de duistere
-kronkelwegen, die hij aanwees om te bewandelen, altijd tot éen doel
-leidden, namelijk de verheffing van de macht en het aanzien der
-hiërarchie. Zelfs de koning wist dien geheel eenigen man te waardeeren,
-en had sedert lang beproefd hem als zegelbewaarder aan zijn hof te
-verbinden. Ameni was er nochtans niet toe te bewegen geweest, zijne
-oogenschijnlijk lagere betrekking vaarwel te zeggen. Immers hij zag met
-minachting neer op uiterlijken glans en weidsche titels; hij waagde
-het nu en dan zich bepaald te verzetten tegen de maatregelen van het
-"het groote huis"[13] en liet er zich toe overhalen de onbepaalde
-heerschappij over de geesten te verwisselen voor een beperkt gezag in
-uitwendige aangelegenheden, die hem te nietig voorkwamen, terwijl hij
-dan in dienst zou staan van den maar al te zelfstandigen pharao, die
-zich niet gemakkelijk door anderen liet leiden.
-
- [13] Het groote, het verhevene huis, de hooge porte: ziedaar de
- vertolking van het Egyptische Peraä, waaruit het "pharao" der
- Joden is ontstaan.
-
-Hoewel zeer regelmatig in zijne gewoonten, had Ameni zich een geheel
-bijzonderen levensregel voorgeschreven. Van elk tiental dagen vertoefde
-hij er acht in den tempel, die aan zijne zorgen was toevertrouwd; de
-overige twee wijdde hij aan zijn gezin dat aan den anderen Nijl-oever
-woonde. Doch hij hield voor ieder, zelfs voor de zijnen verborgen, welk
-gedeelte van de tien dagen hij voor zijn uitspanning dacht te nemen. Hij
-had maar vier uren slaap noodig. Gewoonlijk rustte hij op den middag en
-wel in een vertrek, dat stikdonker kon worden gemaakt, en waartoe geen
-geluid vermocht door te dringen. Nooit sliep hij 's nachts; de koelte
-en de diepe stilte schenen aan de krachtige inspanning des geestes
-bevorderlijk te zijn. Vaak hield hij zich dan bezig met de beschouwing
-van den helderen sterrenhemel. Aan alle ceremoniën, die zijn stand van
-hem vorderde, zooals wasschingen en reinigingen, scheren en vasten,
-onderwierp hij zich met stipte nauwgezetheid, en zijn uiterlijk
-beantwoordde geheel aan zijn innerlijk.
-
-Ameni was pas zijn vijftigste jaar ingetreden. Hij was hoog van
-gestalte, maar miste geheel de breedte en gezetheid, die men bij
-oosterlingen op zulk een leeftijd pleegt waar te nemen. Zijn glad
-geschoren schedel had een gelijkmatigen vorm en de gedaante van een
-langwerpig ovaal. Zijn voorhoofd was noch breed, noch hoog, maar zijn
-profiel buitengewoon fijn van lijnen. Zijne dunne droge lippen en
-groote oogen, die onder zware wenkbrauwen te voorschijn kwamen, trokken
-dadelijk de aandacht. Men kon ze juist niet prachtig noemen, noch
-tintelend van vuur, want gewoonlijk richtte hij ze naar den grond, Maar
-wanneer hij zien en onderzoeken wilde, dan was in die heldere oogen,
-als hij ze langzaam opsloeg, hartstocht te lezen. De jonge Pentaoer,
-de dichter van het Seti-huis, die deze oogen kende, had ze bezongen en
-er van gezegd, dat zij goed aangevoerde legerscharen geleken, die de
-veldheer vóor en na den strijd rust gunt, om ze met volle kracht in den
-slag ter overwinning te voeren. De waardige afgemetenheid van zijne
-woorden en gebaren had iets koninklijks en priesterlijks tegelijk; zij
-was hem deels eigen en aangeboren, deels ook een gevolg van zijne groote
-zelfbeheersching. Aan vijanden ontbrak het hem niet, maar lasteraars
-waagden het zelden zich te meten met den man, die in alles hun meerdere
-was.
-
-Verwonderd over de onrust die hem stoorde, zag de opperpriester thans
-van zijn arbeid op naar de voorhoven van het heiligdom. Het vertrek,
-waarin hij zich bevond, was zeer ruim en luchtig. Het benedendeel van
-de wanden was met fijne tegels bemetseld, het bovendeel gepleisterd en
-beschilderd. Doch men kon weinig zien van het veelkleurig meesterwerk,
-door den schilder der inrichting gepenseeld, want de muren waren bijna
-overal achter houten kasten verborgen, waarin de schriftrollen en
-wastafeltjes lagen. Eene groote tafel, eene hooge sofa met panthervel
-overtrokken, waarvoor een voetbank stond en waarop men een toestel zag
-met een halvemaanvormigen beugel, bestemd om er het hoofd in te laten
-rusten[14]; verder verschillende stoelen, een tafeltje met bekkens en
-kannen en een ander met flesschen van verschillende grootte, schalen en
-doozen, maakte het ameublement uit van deze zaal, die verlicht werd door
-drie lampen in den vorm van vogels, met kiki-olie[15] gevuld. -- Ameni
-droeg een overkleed van sneeuwwit linnen, dat in nette plooien tot op
-zijne enkels afhing; eene met franje omboorde sjerp, waarvan de breede
-en hard gesteven einden tot aan de knieën reikten, was rondom zijn
-middel gestrikt. Het wijde overkleed werd echter opgehouden door een
-breeden draagband van zilverbrokaat. Een uit paarlen en edelgesteenten
-saamgestelde, meer dan een span breede band hing van zijn hals tot laag
-op zijne naakte borst af, en zijne bovenarmen waren getooid met groote
-gouden armbanden. Hij rees op van den ebbenhouten stoel, waarvan de
-pooten gesneden waren in den vorm van leeuwenklauwen, en wenkte een
-der dienaars, die aan den wand van het vertrek neergehurkt zaten. Deze
-verstond ook zonder woorden het verlangen zijns meesters, zette hem
-voorzichtig en stilzwijgend eene zwarte pruik met breede lokken op den
-kalen schedel[16], en hing over de schouders een panthervel, waarvan de
-kop en de klauwen met plaatgoud waren overtrokken. Een tweede dienaar
-hield Ameni den metalen spiegel voor, waarin hij even een blik wierp,
-terwijl hij de pruik en de dierenhuid recht schikte.
-
- [14] Vele exemplaren zijn in de graven gevonden. Een dergelijk
- toestel wordt nog heden in Nubië gebruikt.
-
- [15] Ricinus-olie.
-
- [16] Alle voorname Egyptenaars droegen eene pruik op den
- geschoren kruin. Zulke pruiken worden nog in enkele musea
- bewaard.
-
-Juist wilde de derde slaaf den prelaat den kromstaf, het teeken zijner
-hooge waardigheid, overhandigen, toen een priester binnentrad om den
-schrijver Pentaoer aan te dienen. Ameni wenkte, en de zelfde jonge
-geestelijke, met wien wij de prinses Bent-Anat bij de tempelpoort zagen
-spreken, trad het vertrek binnen.
-
-Pentaoer kuste knielend de handen van den opperpriester, die, hem
-zegenende, met welluidende stem tot hem zeide, in zulk eene zuivere taal
-en zoo goed gestyleerd, alsof hij uit een boek voorlas: »Sta op mijn
-zoon; uw komst zal mij op dit ongelegen uur eene wandeling besparen, zoo
-gij mij kunt berichten, wat de scholieren in onzen tempel zoo in onrust
-brengt. Spreek!"
-
-»Er is niet veel bijzonders voorgevallen, heilige vader!" gaf Pentaoer
-ten antwoord; »en ik zou u thans niet gestoord hebben, wanneer de
-kweekelingen niet zonder eenigen grond, zoo veel beweging hadden
-gemaakt, en de prinses Bent-Anat niet zelve was gekomen, om ons een
-geneesheer te vragen. Het ongewone uur, en het gevolg waarmede zij zich
-aanmeldde...."
-
-»Is de dochter van den pharao dan ziek geworden?" vroeg de prelaat
-haastig.
-
-»O neen, mijn vader, zij is maar al te welvarende. Want toen zij eene
-proef wilde nemen van de vlugheid harer paarden, overreed zij de dochter
-van Pinem, den Paraschiet. Goedhartig, gelijk zij is, bracht zij het
-zwaar verwonde meisje in eigen persoon naar huis."
-
-»Zij betrad alzoo de hut van den onreine?"
-
-»Zoo is het."
-
-»En nu verlangt zij, dat wij haar reinigen zullen?"
-
-»Ik meende haar het misdrevene te mogen vergeven, vader, want de reinste
-menschenliefde had haar bewogen tot eene daad, die wel is waar met de
-zeden in strijd is, maar...."
-
-»=Maar=?" vroeg Ameni op hoog ernstigen toon, en zijne oogen, die tot
-hiertoe naar den grond waren geslagen, begonnen te leven.
-
-»Maar," vervolgde de jonge priester, die nu op zijn beurt voor zich zag,
-»maar toch geen misdaad kan zijn. Wanneer Ra[17] in zijn gouden boot den
-hemel bevaart, beschijnt zijn licht het paleis van den pharao niet eer
-en niet milder dan de hutten der armen. Moet dan het zwakke menschenhart
-zijn vriendelijk licht, zijne liefde, aan den banneling onthouden,
-omdat hij ellendig is?"
-
- [17] De zonnegod der Egyptenaars.
-
-»Ik hoor den dichter Pentaoer spreken," hernam de prelaat, »niet den
-priester, wien de genade ten deel viel, tot den hoogsten graad der
-wijsheid te worden opgevoerd, dien ik mijn broeder noem en mijns
-gelijke. Jongeling, ik heb niets op u vooruit dan wat vergankelijke
-kennis, die het verledene voor u zoowel als voor mij verworven heeft,
-dan eenige waarnemingen en ervaringen, die de wereld niets nieuws kunnen
-aanbrengen, maar wel haar leeren, hoe men de levensvatbaarheid en de
-werkende kracht van het oude moet onderhouden. Dat wat gij voor weinige
-weken geleden beloofd hebt, dat heb ik voor vele jaren in het aangezicht
-van het allerheiligste bezworen, namelijk: =het weten zorgvuldig te
-bewaren=, als het uitsluitend eigendom der ingewijden. Want het is 't
-vuur gelijk, dat door hen die leerden er mede om te gaan tot een edel
-doel wordt gebruikt, dat echter in de hand van een kind -- en het volk,
-de groote menigte kan zich nimmer tot mannelijk rijpheid ontwikkelen --
-een alles vernielenden brand doet ontstaan, wanneer de woedende
-en onuitbluschbare vlammen alles aantasten en vernietigen, wat de
-voorgeslachten zoo schoon hebben gebouwd. Hoe echter kunnen wij
-=de wetenden= blijven, en onze wetenschap onder de hoede van onzen
-vreedzamen tempel in diepte en omvang doen toenemen, zonder de zwakken
-en vromen in gevaar te brengen? Het is u bekend, en gij hebt gezworen
-hiernaar te zullen handelen! Het is uw plicht en die van elken priester,
-de groote menigte te binden aan het geloof en de inzettingen der
-vaderen. De tijden zijn veranderd, mijn zoon! Onder de oude koningen was
-het vuur, waarover ik tot u, dichter, zoo even sprak in een beeld, als
-door metalen muren omgeven, waarlangs de menigte onwetend voorbijging.
-Thans zie ik spleten in de oude omheining; de oogen der oningewijde
-zinnelijke menschen zijn scherper geworden, en de een vertelt den ander
-wat hij, half verblind, door die gloeiende openingen meent bespeurd te
-hebben."
-
-Er was eene zachte trilling te bespeuren in de stem van den spreker.
-Terwijl hij zijn doordringend oog onafgebroken op den dichter gericht
-hield, ging hij voort: »Ieder ingewijde, die deze spleten tracht te
-verbreeden, vloeken wij en bannen wij uit ons midden. Ja, wij straffen
-zelfs den vriend, die onachtzaam verzuimt ze met metaal en hamerslagen
-te dichten."
-
-»Mijn vader!" riep Pentaoer, en diep getroffen trok hij zijn hoofd
-terug, terwijl het bloed hem naar de wangen steeg.
-
-De opperpriester trad naar hem toe, en legde beide handen op zijne
-schouders. Ameni en Pentaoer waren van dezelfde lengte en ongeveer van
-gelijke gestalte. Ook tusschen de trekken van hun gelaat bestond groote
-overeenkomst. Toch zou iemand hen zelfs niet voor verre verwanten
-gehouden hebben, want in de uitdrukking van hun gelaat bestond een
-hemelsbreed verschil. De trekken van den een spraken van een vasten
-wil en kracht, om zoowel het leven als zich zelven met ernst en
-koelbloedigheid te beheerschen; die van den ander waren de tolken van
-zeker teeder verlangen, om de gebreken en de ellende der wereld over 't
-hoofd te zien, en het leven op te vatten gelijk het zich voordoet aan de
-ziel eens dichters, wanneer hij het beschouwt in den tooverspiegel die
-alles idealiseert. Frischheid van geest en levensvreugde verkondigden
-zijne heldere oogen. Doch het fijne lachje dat om zijne lippen speelde,
-bij eene gedachtenwisseling of wanneer zijn gevoelig gemoed in beweging
-werd gebracht, bewees dat Pentaoer zich niet overgaf aan zekere naïve
-zorgeloosheid, maar dat hij menigen zwaren zielestrijd had doorworsteld,
-en ook gedronken had uit den beker van den twijfel. In dit oogenblik
-voerden afwisselende aandoeningen strijd in zijn gemoed. Het was hem als
-moest hij het gehoorde wederleggen; en toch oefende de indrukwekkende
-meerderheid van den ander zulk een diepen invloed op de ziel van den
-jongen man, die tot gehoorzaamheid was opgevoed, dat hij zweeg en eene
-heilige huivering door zijne leden voer, toen Ameni's handen zijne
-schouders aanraakten.
-
-»Ik berisp u," zeide de opperpriester, terwijl hij den jongeling nog
-altijd vasthield, »ja ik moet u straffen ofschoon het mij smart. En
-toch" -- nu eerst deed hij een schrede achterwaarts en greep Pentaoer's
-rechterhand -- »en toch verblijdt het mij, dat dit noodig is; want
-ik heb u lief en eer u als iemand, dien de Onuitsprekelijke met
-buitengewone gaven gezegend en tot groote dingen uitverkoren heeft. Het
-onkruid laat men wassen of men rukt het uit, maar gij zijt eene edele
-boom, en ik vergelijk mijzelf bij den hovenier, die verzuimde den
-jeugdigen stam van een steunsel te voorzien, en nu dankbaar is dat
-hij eene verkeerde kromming opmerkt, die hem aan zijne nalatigheid
-herinnert. Gij ziet mij vragend aan, en ik lees in de uitdrukking van uw
-gelaat, dat ge mij voor een overmatig streng rechter houdt. Wat is u te
-verwijten? -- Gij hebt toegelaten, dat men aan eene overoude inzetting
-heeft getornd. Dat wil, zoo denkt gij wellicht in uwe kortzichtigheid en
-lichtvaardigheid, niet veel zeggen. Maar ik verzeker u: gij hebt dubbel
-misdreven, want de schuldige was de dochter des konings, waarop ieder
-het oog gericht houdt, de aanzienlijken zoowel als de geringen, en wier
-daden het volk ten voorbeeld moeten zijn. Wanneer de aanraking van
-iemand, die volgens de oude inzetting met het ergste is besmet, haar
-niet verontreinigt, die boven allen staat, wien verontreinigt zij dan?
-Binnen weinige dagen zal men ieder hooren zeggen: Paraschieten zijn
-menschen als wij, en het gebod der vaderen om ze te mijden was eene
-dwaasheid. En zullen de opmerkingen der menigte hierbij blijven, of
-maakt zij niet gaarne de gevolgtrekking, dat wie in een punt dwaalt ook
-feilbaar is in anderen? In geloofszaken, mijn zoon, bestaat er geen
-verschil tusschen klein en groot. Laat men den vijand éen toren over,
-weldra zal hij meester zijn van de geheele vesting! In dezen onrustigen
-tijd is het met onze leer als met een wagen, die op de helling van een
-berg staat. Een steen onder het wiel houdt hem tegen. Doch een kind
-neemt deze hindernis weg, en het voertuig rolt onverbiddelijk in de
-diepte, om verbrijzeld te worden. Stel u voor dat de prinses dit kind
-is, en de steen onder het wiel een stuk brood, hetwelk zij een bedelaar
-tot spijs wil geven. Zoudt gij haar laten begaan, als uw vader, uwe
-moeder en alles wat u lief en dierbaar is op den wagen stonden? --
-Spreek mij niet tegen! De prinses zal den Paraschiet morgen weder
-bezoeken. Gij wacht haar op in de hut van dien man en zult haar dáar
-aankondigen, dat zij zichzelve vergeten heeft en onze reiniging behoeft.
-Voor ditmaal onthef ik u van alle verdere straf. De hemel schonk u
-een rijken geest. Tracht te verwerven wat u nog ontbreekt: de kracht
-namelijk om terwille van het éene -- en gij kent dat eene -- al het
-andere te onderdrukken, zelfs de verleidende stem van uw hart en de
-bedrieglijke inblazingen van uwe eigene overtuiging. -- Nog iets! Zend
-artsen naar het huis van den Paraschiet, en beveel hen de gewonde te
-behandelen alsof zij de koningin zelve ware. Wie kent de woning van dien
-man?"
-
-»De prinses," antwoordde Pentaoer, »heeft den gids des konings, Paäker,
-in den tempel achtergelaten, om de artsen naar het huis van Pinem den
-weg te wijzen."
-
-De ernstige opperpriester begon te lachen, terwijl hij zeide: »Paäker,
-die waakt over de dochter van een Paraschiet!"
-
-Pentaoer hief nog half vreesachtig, half schalks de oogen op, die hij
-tot dusver had neergeslagen, en zuchtte: »En Pentaoer, de zoon van den
-hovenier, die de dochter des konings moet aanzeggen, dat zij niet rein
-is!"
-
-»Pentaoer de dienaar der godheid, Pentaoer de priester zal niet met de
-prinses maar met een overtreedster der wet te doen hebben," hernam Ameni
-weder ernstig. »Doe Paäker weten, dat ik hem verlang te spreken."
-
-De dichter boog diep en verliet het vertrek. De opperpriester fluisterde
-in zichzelf: »Hij is nog niet zooals hij wezen moet, en mijne woorden
-zijn op hem zonder uitwerking gebleven." Toen zweeg hij, liep peinzend
-het vertrek op en neer, en zeide half overluid denkende: »En toch is
-deze jongeling voor groote dingen bestemd. Welke gave des geestes zou
-hij missen? Hij kan leeren, denken, gevoelen en harten veroveren -- ook
-het mijne. Edel en bescheiden heeft hij zich gedragen...."
-
-Bij deze woorden bleef de hoogepriester stilstaan, sloeg zijn hand aan
-de leuning van een stoel die voor hem stond, en vervolgde: »Juist dit is
-'t wat hem ontbreekt! Hij kent het vuur der eerzucht nog niet. Laat ons
-dit ontsteken, in zijn en in ons belang."
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-
-Pentaoer haastte zich aan het bevel van den opperpriester te voldoen.
-Hij gelastte een dienaar den gids Paäker, die daar nog altijd stond te
-wachten, naar Ameni te geleiden. Inmiddels ging hijzelf tot de artsen,
-om hun de zorgvuldige verpleging van het ongelukkige meisje zeer op het
-hart te drukken.
-
-Er werden in het Seti-huis vele geneesheeren gevormd[18], doch maar
-weinigen bleven daar wonen, na hun schrijversexamen te hebben afgelegd.
-De bekwaamsten werden naar de inrichting te Heliopolis gezonden, in
-welker groote zalen van oudsher de beroemdste medische faculteit van het
-land bloeide. Nadat zij daar hunne studiën hadden voleindigd, keerden
-zij als meesters, hetzij in de chirurgie, hetzij in de oogheelkunde of
-in eenig ander onderdeel hunner wetenschap, naar Thebe terug. Bekleed
-met de hoogste waardigheid van hun stand, werden zij door den koning tot
-lijfartsen gekozen, of zij gebruikten hunne wetenschap om weder anderen
-te onderrichten. In moeielijke gevallen werden zij altijd geconsulteerd.
-
- [18] Wat hier over de artsen wordt gezegd is hoofdzakelijk
- ontleend aan de geneeskundige geschriften der Egyptenaars,
- waaronder de papyrus-Ebers in de eerste plaats in aanmerking
- komt, vervolgens de medische papyrus I van Berlijn, en
- eindelijk een hiëratisch handschrift te Londen, dat evenals de
- papyrus-Ebers afkomstig is uit de 18de dynastie, d.i. uit de
- 16de eeuw v. Chr. Vgl. verder Herodotus II, 84; Diodorus I, 82.
-
-De meeste artsen woonden natuurlijk aan den rechter Nijloever in het
-eigenlijke Thebe, en wel met hunne gezinnen in hunne eigene woningen.
-Toch behoorde ieder hunner tot een of ander priestercollege. Wie dus een
-arts noodig had, richtte zijne schreden niet naar de woning van dezen
-of genen, maar naar den tempel. Hier moest opgegeven worden aan welke
-ziekten zij leden, die geneeskundige hulp inriepen. Aan het hoofd der
-vereeniging van geneesheeren in het heiligdom bleef het dan overgelaten,
-den heelmeester aan te wijzen, die door zijne bijzondere kennis het
-meest geschikt scheen voor de behandeling van zulk een geval.
-
-Evenals alle priesters leefden ook de artsen van de inkomsten, die zij
-trokken uit eenig grondbezit, uit koninklijke giften, uit de belastingen
-der leeken en de toelagen, die zij verder ontvingen uit de schatkist van
-den staat. Van hunne patiënten hadden zij geene belooning te verwachten,
-hoewel de herstelden zelden verzuimden aan het heiligdom, dat den arts
-had aangewezen, een geschenk te vereeren. Het behoorde daarom niet tot
-de zeldzaamheden, dat de priesterlijke geneesheeren de genezing der
-kranken afhankelijk maakten van de offers, die men zich ten behoeve van
-den tempel wilde getroosten. De kennis der Egyptische artsen strekten
-zich uit over het geheele gebied der medische wetenschap, en was
-waarlijk niet gering te schatten. Het is echter te denken, dat
-geneesheeren, die zich aan het ziekbed nederzetten als »daartoe
-aangewezen dienaars der godheid," zich in geenen deele tevreden stelden
-met eene rationeele behandeling der lijders; veel meer meenden zij
-te mogen verwachten van de geheimzinnige werking van gebeden en
-bezweringen, die volstrekt noodig werden geacht.
-
-Onder de leeraars in de geneeskunde aan het Seti-huis verbonden, waren
-mannen van zeer verschillende gaven en geestesrichting. Pentaoer
-aarzelde geen oogenblik aan wie hij de zorgvuldige behandeling van het
-Paraschieten-kind, dat zoozeer zijne deelneming had opgewekt, moest
-toevertrouwen. De man op wien zijne keuze viel, een zijner beste
-schoolvrienden en met hem van gelijken leeftijd, was de kleinzoon van
-een beroemd geneesheer, die ook Nebsecht heette en sedert lang gestorven
-was. Deze had zich van der jeugd op zijne wetenschap toegelegd met een
-buitengewonen aanleg, een ijver en eene toewijding, die hij van zijn
-grootvader scheen geërfd te hebben. Te Heliopolis koos hij de chirurgie
-tot zijne specialiteit[19], en zeker zou men hem daar als leeraar hebben
-gehouden, indien niet een gebrek in het spraakorgaan hem het spreken
-moeielijk had gemaakt. Het was hem dan ook niet mogelijk de formulieren
-en gebeden overluid op te zeggen. Deze omstandigheid, eene bron van
-droefheid en beklag voor zijne ouders en leermeesters, zou blijken
-juist bevorderlijk te zijn aan zijn geluk. Het gebeurt zoo vaak, dat
-schijnbare voorrechten ons kwaad aanbrengen, terwijl menig gemis in
-het leven eene oorzaak wordt van zegen. Terwijl namelijk zij, die met
-Nebsecht tot hetzelfde college behoorden, in gezangen en voordrachten
-geoefend werden, kon hij, dank zij zijn gebrekkig spraakorgaan, zich
-overgeven aan zijne hartstochtelijke neiging, om het organisch leven in
-de natuur te bespieden. Zijne leermeesters begunstigden tot op zekere
-hoogte zijn aangeboren zucht tot onderzoek, en trokken ook hun voordeel
-van zijne kennis der dierlijke en menschelijke lichamen, en van de
-vaardigheid zijner handen. Voorzeker zou zijn diepe afkeer van het
-magisch gedeelte zijner wetenschap hem strenge straffen, ja mogelijk
-uitwerping uit het gild op den hals hebben gehaald, wanneer hij hiervan
-op eenige wijze had doen blijken. Nebsecht was echter een geleerde,
-altijd stil en in zichzelf gekeerd. Volstrekt niet verlangende zijne
-verdiensten gehuldigd te zien, vond hij overvloed van genot in de
-voldoening van het onderzoek zelf. Vandaar dat hij niet zonder
-tegenzin gehoor gaf, wanneer men begeerde, dat hij openlijk van zijne
-bekwaamheden zou doen blijken. Zoo dikwijls hij bij kranken werd
-geroepen, was dit voor hem eene onvermijdelijke stoornis in het
-vruchtbaar onderzoek van zijn werkzamen geest, waarop hij zich niets
-liet voorstaan.
-
- [19] Onder de zes hermetische boeken der artsen, door Clemens
- van Alexandrië genoemd, was er éen gewijd aan de chirurgische
- instrumenten. Verkeerd gezette beenbreuken die men bij mummies
- heeft gevonden, strekken nochtans den Egyptischen chirurgen niet
- tot eer.
-
-Pentaoer had zich tot dezen Nebsecht meer aangetrokken gevoeld, dan tot
-een zijner medeleerlingen. Hij bewonderde zijne kennis en bekwaamheden,
-en wanneer de niet zeer sterke maar nochtans onvermoeide arts op zijne
-wandelingen de boschjes aan den Nijloever, de woestijn of het gebergte
-doorkruiste, om planten en dieren te zoeken, dan vergezelde hem de
-jonge priesterlijke dichter gaarne, ook in zijn eigen belang. Want zijn
-vriend merkte duizend dingen op, die zonder hem voor zijn oog verborgen
-zouden zijn gebleven. Andere voorwerpen, die hij slechts uitwendig
-kende, kregen inhoud en beteekenis door de verklaringen van den
-natuuronderzoeker, wiens onbuigzame tong zich ongedwongen kon bewegen,
-wanneer het gold zijn metgezel de eigenaardigheden duidelijk te
-maken van een organisme, waarvan hij de ontwikkeling nauwkeurig had
-gadegeslagen. De dichter was den geleerde genegen en Nebsecht had
-Pentaoer wederkeerig lief, daar deze alles bezat wat hij miste:
-mannelijke schoonheid, kinderlijke vroolijkheid, vrijmoedige
-oprechtheid, kunstzin en de gave om in woorden en liederen alles uit te
-drukken wat zijn hart gevoelde. De dichter was wel is waar een leek op
-het gebied, dat zijn vriend geheel beheerschte, maar in staat om alles,
-zelfs het meest ingewikkelde te begrijpen. Ziedaar waarom Nebsecht
-meer waarde hechtte aan het oordeel van Pentaoer dan aan dat zijner
-vakgenooten, die bleken door allerlei vooroordeelen bevangen te zijn,
-terwijl de dichter vrij en onbevangen oordeelde.
-
-Het vertrek van den natuuronderzoeker lag gelijkvloers, afgezonderd
-van alle andere woningen, onder een graanschuur, die bij het Seti-huis
-behoorde. Het mocht een ruime zaal heeten, en toch vond Pentaoer, die
-thans den stillen bewoner ging opzoeken, zijn weg bijna overal versperd
-door groote bundels van de meest verschillende planten, door uit
-palmentakken gevlochten kooien, tot vier en vijf op elkaar; door een
-menigte groote en kleine potten, die bedekt waren met papier waarin
-men luchtgaten had gestoken. In die kooien en potten zag men allerlei
-levende dieren, springhazen, groote Nijl-hagedissen en een soort van
-lichtkleurige uilen, alsmede ontelbare exemplaren van kikvorschen,
-slangen, schorpioenen en kevers. Op de eenige tafel, die in het midden
-stond, lagen, behalve eenig schrijfgereedschap, beenderen van dieren,
-benevens scherpe vuursteenen en bronzen messen van verschillende
-grootte. In een hoek van het groote vertrek lag eene mat, waarop een
-houten hoofdsteunsel stond, waaruit bleek dat de natuuronderzoeker daar
-gewoonlijk sliep.
-
-Zoodra de voetstap van Pentaoer zich hooren liet op den drempel van
-dit eenzame verblijf, schoof de bewoner, even angstvallig als een
-schooljongen, die een stuk verboden speelgoed voor zijn meester tracht
-te verstoppen, een voorwerp van tamelijken omvang onder de tafel, wierp
-er een kleed overheen, en verborg het scherpe aan een houten hecht
-bevestigde mesje van vuursteen[20], dat hij juist gebruikt had, in de
-plooien van zijn gewaad. Daarop sloeg hij de armen over elkaar, om zich
-het aanzien te geven van iemand, die onbezorgd zit te droomen, zonder
-iets te doen. De eenige lamp, die aan een standaard naast zijn stoel was
-vastgemaakt, verbreidde een matig licht, echter voldoende om Pentaoer,
-die de gewoonten van zijn vriend maar al te goed kende, te overtuigen,
-dat hij Nebsecht in eene verbodene werkzaamheid had gestoord. Deze
-laatste knikte den binnentredende, zoodra hij hem erkende, vriendelijk
-toe, zeggende: »Gij hadt mij niet zoo moeten doen schrikken." Hierop
-stak hij zijne handen onder de tafel, en haalde wat hij weggestopt had
-weder voor den dag, namelijk een levend konijn, op een plank gebonden.
-In het opengespalkte lijf, dat door houten pennen open gehouden werd,
-zag men het hart bewegen. Zonder zich verder over Pentaoer te
-bekommeren, ging hij met zijn afgebroken onderzoek voort.
-
- [20] De Egyptenaren schijnen zich bij voorkeur van zulke
- messen te hebben bediend, ten minste bij de besnijdenis en bij
- lijkopeningen. Men heeft er een aantal gevonden, die in de
- museën worden bewaard.
-
-Een tijdlang zag de dichter zwijgend toe; toen legde hij zijn hand op
-den schouder zijns vriends, en zeide: »Sluit voortaan uw kamer, wanneer
-gij u met verbodene dingen bezig houdt."
-
-»Men he... heeft mij," stotterde de geleerde, »de grendel van de deur
-genomen, sedert men mij onlangs betrapte, toen ik bezig was de hand van
-den bedrieger[21] Ptahmes te ontleden."
-
- [21] De wet beval bedriegers de hand af te houwen. Diodorus,
- I, 78.
-
-»De mummie van den armen man zal dus de rechterhand moeten missen!"
-hernam de dichter.
-
-»Hij zal dien aan gene zijde des grafs niet noodig hebben."
-
-»Gij hebt hem toch zeker Schebti-beeldjes[22] mede gegeven in zijn
-graf?"
-
- [22] Kleine beeldjes, die men den gestorvene medegaf, om hem
- behulpzaam te zijn bij den arbeid, dien hij in de onderwereld te
- verrichten had. Zij houden eene spade en een ploegijzer in de
- handen, en dragen een zaadbundel op den rug. Bijna allen voeren
- het 6de hoofdstuk van het Doodenboek tot opschrift.
-
-»Onzin."
-
-»Gij gaat te ver, Nebsecht, en zijt onvoorzichtig! Hij die een
-onschadelijk dier zonder nut martelt, hem zullen de geesten der
-onderwereld desgelijks doen, leert de wet. Maar ik bemerk reeds wat gij
-zeggen wilt. Ge acht het geoorloofd een dier te laten lijden, wanneer
-gij daardoor uwe wetenschap kunt verrijken, die u in staat stelt de
-smarten der menschen te lenigen......"
-
-»En gij niet?"
-
-Pentaoer plooide zijn mond tot een glimlach. Hij boog zich over het
-konijntje neder en zeide: »Hoe merkwaardig! Het diertje leeft nog
-altijd. Een mensch zou reeds lang onder zulk eene behandeling gestorven
-zijn. Zijn organisme is zeker van een kostbaarder en fijner maaksel, en
-daarom wordt het eerder vernietigd!"
-
-Nebsecht haalde de schouders op, terwijl hij antwoordde: »Misschien!"
-
-»Ik dacht toch, dat ge dit weten moest."
-
-»Ik?" vroeg de arts. »Waarom dan? Ik zeide het reeds: -- men staat mij
-zelfs niet toe te onderzoeken, hoe zich de hand van een falsaris
-beweegt."
-
-»Bedenk toch dat de schrift leert: het welzijn der ziel is afhankelijk
-van het behoud des lichaams."
-
-Nebsecht sloeg zijne kleine schrandere oogen op, en zeide met hetzelfde
-ongeloovig gebaar van zoo even: »Dat zal dan wel zoo zijn. Overigens
-gaan die dingen mij niet aan. Handel met de zielen der menschen zooals
-gij wilt, ik tracht alleen hunne lichamen te leeren kennen, en zet ze,
-zoo goed het gaan wil, weder in elkaar, wanneer ze hier of daar gebroken
-zijn."
-
-»Nu, Thot[23] zij geloofd, dat gij u in deze kunst het meesterschap niet
-behoeft te ontzeggen!"
-
- [23] Toth is de god der geleerden en artsen. De ibis is zijn
- heilig dier; gewoonlijk wordt hij dan ook met een ibis-kop
- voorgesteld. Ra zou hem als "een schoon licht" hebben
- geschapen, om de namen zijner booze vijanden kenbaar te maken.
- Oorspronkelijk maangod, werd hij als heer van de tijdverdeeling
- en van de maat in het algemeen vereerd. Hij is het die onder de
- goden wikt en weegt, de wijze, de godheid van schrift, kunst en
- wetenschap. De Grieken noemden hem Hermes Trismegistus, d. i.
- de driemaal of zeer groote, en wel naar het voorbeeld der
- Egyptenaars, die hem Toth of Techoeti, den tweemaal grooten, den
- zeer grooten heeten.
-
-»Wie is een meester," vroeg Nebsecht, »behalve de godheid? Ik kan niets,
-volstrekt niets, en gebruik mijne instrumenten met even onzekere hand
-als de beeldhouwer die veroordeeld is in het duister te werken."
-
-»Dus zoowat als de blinde Resoe," hernam Pentaoer lachend, »die beter
-kon schilderen dan al de ziende kunstenaars in den tempel."
-
-»Ik geef toe, dat er in mijne werkzaamheid ook iets =beter= of
-=slechter= kan genoemd worden, maar van =goed= kan geen sprake zijn."
-
-»Dan zullen wij ons met uw =beter= te vreden moeten stellen. Ik kom
-juist om er een beroep op te doen!"
-
-»Maar zijt gij dan ziek?"
-
-»Isis zij geloofd, ik voel mij zóo sterk, dat ik wel een palmboom zou
-kunnen ontwortelen. Neen, ik wilde u vragen hedenavond nog een ziek
-meisje te bezoeken. De prinses Bent-Anat..."
-
-»De koninklijke familie heeft hare eigene artsen."
-
-»Laat mij toch uitspreken! De prinses heeft een meisje overreden, en het
-arme kind moet zwaar gewond zijn."
-
-»Zo-o," zeide de geleerde met een gerekte stem. »Ligt zij aan de
-overzijde in de stad, of hier in Nekropolis?"
-
-»Hier; trouwens het is maar de dochter van een Paraschiet."
-
-»Een Paraschiet," vroeg Nebsecht, en schoof zijn konijntje weder onder
-den tafel. »Dan ga ik dadelijk!"
-
-»Zonderling! ik ga waarlijk gelooven, dat gij hoopt iets bijzonders bij
-den onreinen te vinden."
-
-»Dat is mijn zaak. Doch ik zal komen. Hoe heet die Paraschiet?"
-
-»Pinem."
-
-»Hm! Met hem zal niets zijn aan te vangen," bromde de geleerde binnen 's
-monds. »Doch wie weet!"
-
-Na deze woorden stond hij op, opende een stevig gesloten fleschje, en
-streek met een penseel strichnine[24] over de neus en den mond van het
-konijn, dat terstond ophield te ademen. Daarop sloot hij het in een kist
-en sprak: »Ik ben bereid."
-
- [24] Dit vergif was aan de Egyptenaars goed bekend.
-
-»Maar in deze smerige kleederen kunt gij het huis toch niet verlaten!"
-
-De arts gaf een teeken van toestemming en greep in eene lade naar een
-schoon gewaad, dat hij begon aan te trekken over hetgeen hij aanhad,
-toen Pentaoer den vriend met de hand tegenhield en lachend zeide: »Eerst
-moet den werkmansrok uitgetrokken. Komaan, ik zal u helpen. -- Maar bij
-den God Besa[25], gij zijt veelhuidig als een ui!"
-
- [25] De toilet-godheid der Egyptenaars, die als een
- gedrochtelijke dwerg werd voorgesteld. Hij doet de vrouwen
- overwinnen in de liefde en de mannen ook in den strijd. Hij is
- afkomstig uit Arabië.
-
-Pentaoer was onder zijne medepriesters bekend om zijn gulhartige
-vroolijkheid, en zijn luid gelach schaterde door het stille
-studeervertrek, toen hij bemerkte dat zijn vriend voor de derde maal een
-schoon kleed over een vuil wilde aantrekken, zoodat hij niet minder dan
-drie kleederen aanhad.
-
-Nebsecht begon ook te lachen en zeide: »Nu begrijp ik ook waarom het
-overkleed mij zoo zwaar zat, en ik het op den middag zoo ondragelijk
-heet had. Ga heen, terwijl ik de overbodige kleederen uittrek, en laat,
-bid ik u, den opperpriester vragen, of ik den tempel mag verlaten."
-
-»Hij heeft mij reeds opgedragen een arts naar den Paraschiet te zenden,
-en voegde er bij, dat de kranke als een koningin behandeld moest
-worden."
-
-»Ameni? En wist hij, dat wij hier slechts te doen hebben met een kind
-van een Paraschiet?"
-
-»Voorzeker!"
-
-»Dan begin ik te gelooven, dat men met bezweringen, gebroken ledematen
-weder in het lid kan zetten. Ja, van die bezweringen gesproken: gij ook
-weet toch, dat ik niet meer alleen tot de kranken kan gaan, daar mijne
-dikke tong zich te moeielijk kan bewegen om de spreuken op te zeggen, en
-stervenden door angst rijke offergaven voor den tempel af te persen.
-Loop gij, terwijl ik mij uitkleed, naar den propheet Gagaboe, en vraag
-hem, dat hij den Pastophoor[26] Teta met mij laat gaan, die mij in den
-regel vergezelt."
-
- [26] Lid eener priesterorde, waartoe ook de artsen behoorden.
-
-»In plaats van dien blinden oude, zou ik mij toch liever een jeugdiger
-helper kiezen."
-
-»Laat het zoo blijven! Ik zou zeer tevreden zijn wanneer hij geen lust
-had zelf mede te gaan en mij zijn tong als een aal of een slak liet
-nakruipen. Hoofd en hart hebben met zijne spraakorganen toch niets uit
-te staan, en hij gaat zijn gang als een os die het graan treedt[27]."
-
- [27] In Egypte, evenals in Palestina, dorschten, gelijk vele
- afbeeldingen, ook uit den oudsten tijd, ons doen zien, runderen
- het graan, door het in kuilen te treden, dikwijls met hulp
- van eene zwaar beladen slede, aan beide zijden met halfronde
- schijven voorzien, en die men heden "noreg" noemt.
-
-»Dat is waar," zeide Pentaoer. »Onlangs zag ik zelf, hoe de oude aan
-een ziekbed zijne litanieën prevelde, en onderwijl in stilte de dadels
-telde, waarvan men hem een zak vol had gegeven."
-
-»Hij zal niet gaarne medegaan naar den Paraschiet, want die is arm, en
-de oude zou eer die schorpioenen-familie in gindschen pot aangrijpen,
-dan een stuk brood aannemen uit de hand van een onreine. Zeg hem, dat
-hij mij mag komen halen en mijn wijn opdrinken. Daar staan de porties
-nog van drie dagen. Bij de tegenwoordige hitte benevelt de drank mijne
-oogen te zeer. Woont de Paraschiet in het noorden of zuiden van den
-Nekropolis?"
-
-»Ik meen in het noorden. -- Paäker, de gids des konings, zal u den weg
-wijzen."
-
-»Hij?" hernam de geleerde spottend. »Wat staat er dan toch heden in den
-kalender[28]? Een Paraschieten-kind moet als eene prinses behandeld
-worden, en een arts geleid, alsof hij de pharao was in eigen persoon! Ik
-had echter mijne drie overkleederen maar moeten aanhouden."
-
- [28] Er zijn nog kalenders bewaard; de volledigste vindt men in
- den papyrus-Sallier IV, door F. Chabas uitgegeven en verklaard.
- Bij elken dag staat aangeteekend, of hij gunstig is of niet,
- enz. In de tempels heeft men een groot aantal feestkalenders
- gevonden. De volledigste, van Medinet-Haboe, werd uitgegeven
- door Dümichen.
-
-»De nacht is warm," zeide Pentaoer.
-
-»Doch Paäker heeft zonderlinge gewoonten. Eergisteren werd ik bij een
-armen jongen geroepen, dien hij met zijn staf het sleutelbeen kort en
-klein had geslagen. Als ik een paard van de prinses was geweest, zou ik
-liever hem dan zoo'n arm meisje hebben getrapt."
-
-»Ik ook!" hernam Pentaoer lachend, en verliet het vertrek, om den
-tweeden profeet van den tempel, Gagaboe, die tegelijk het hoofd der
-artsen in het Seti-huis was, te verzoeken zijn vriend den blinden
-Pastophoor Teta, als litanieën-zanger mede te geven.
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-
-Pentaoer wist zeer goed, waar hij den aanzienlijken priester zoeken
-moest, want hijzelf was bij het gastmaal genoodigd, dat deze had
-aangericht ter eere van twee nieuwe geleerden, die uit de hoogeschool
-van Chennoe[29] in het Seti-huis waren overgeplaatst. In een open hof,
-door bont beschilderde houten zuilen omgeven en door vele lampen
-verlicht, zaten de smullende priesters in twee lange rijen op
-gemakkelijke leuningstoelen. Voor ieder was een tafeltje geplaatst, en
-vlugge dienaars waren druk in de weer, hen van spijzen en dranken te
-voorzien, die in grooten overvloed gereed stonden op een soort van
-buffet in het midden van den hof. Men zag er gazellenbouten[30],
-gebraden ganzen en eenden, vleeschpastijen, artisjokken, asperges en
-andere groenten, voorts allerlei soorten van koeken en suikergebak. De
-gasten werden van alles bediend en hunne bekers telkens tot den rand
-gevuld met de fijnste wijnen, waaraan nooit gebrek was in de luchtige
-schuren[31] van het Seti-huis. Na het ronddienen van elk gerecht gingen
-de dienaars met metalen bekkens en fijn geweven handdoeken rond, opdat
-ieder zich de handen kon wasschen. Toen de honger gestild was begon
-men lustiger te drinken, en iederen gast werden welriekende bloemen
-aangeboden, welker geur het gesprek scheen te verlevendigen. Allen die
-aan dit gastmaal deelnamen droegen lange sneeuwwitte kleederen, en
-behoorden tot de ingewijden in de mysteriën. Zij waren derhalve de
-aanvoerders der verschillende priesterorden van het Seti-huis.
-
- [29] Gelegen bij eene stroomversmalling van den Nijl, niet verre
- van de Nubische grenzen, tegenwoordig Gebel Silsileh geheeten,
- oudtijds beroemd door eene bloeiende priesterschool.
-
- [30] De gazellen werden tot huisdieren getemd. Op de monumenten
- vinden wij ze onder de kudden van rijke Egyptenaars en onder het
- slachtvee. Dit gastmaal is beschreven naar de afbeeldingen,
- zooals men er vele in de graven heeft aangetroffen.
-
- [31] De kelders zijn in Egypte heet, men kan den wijn dus het
- best in de schaduw van luchtige schuren bewaren.
-
-De tweede profeet Gagaboe, aan wien heden de leiding van het feest was
-opgedragen door den opperpriester, die zich bij zulke gelegenheden
-altijd maar voor enkele oogenblikken vertoonde, was een klein,
-stevig gebouwd man, met een kalen bijna kogelronden schedel. Zijne
-gelaatstrekken waren goed gevormd, hoewel hij al oud begon te worden,
-en zijne gladgeschoren bolle wangen goed gevuld. Met zijne grijze oogen
-zag hij vroolijk en opmerkzaam in het rond, en zij tintelden van vuur
-wanneer hij zich opgewekt gevoelde, en zijne dikke zinnelijke lippen
-begonnen te trillen. Naast hem stond de prachtige maar ledige zetel van
-den opperpriester Ameni, en aan zijne andere zijde waren de uit Chennoe
-overgeplaatste priesters gezeten, twee deftige bejaarde mannen, met
-donkerkleurige huid. Aan de overige gasten waren plaatsen aangewezen
-naar den rang, dien zij bekleedden bij het priestercollege van den
-tempel, en die afhankelijk was van hun leeftijd.
-
-Was er bij het plaats nemen der dischgenooten streng op de rangorde
-gelet, toch stond het ieder vrij aan het gesprek deel te nemen, zoo
-vaak hij maar wilde. »Wij weten onze beroeping naar Thebe op prijs te
-stellen," zeide Toeauf, de oudste der twee priesters, die uit Chennoe
-naar het Seti-huis was overgeplaatst, en wiens leerbrief[32] in de
-scholen dikwijls werd geraadpleegd. »Aan den eenen kant brengt zij ons
-in de nabijheid van den pharao wien de godheid leven, heil en gezondheid
-geve! Aan den anderen kant schenkt zij ons de eer in uw kring opgenomen
-te worden. Ofschoon ook het college van Chennoe in vroeger tijd menig
-beroemd man tot de zijnen rekende, en het voorrecht had dien in zijne
-scholen te vormen, zoo kan het tegenwoordig toch niet meer met het
-Seti-huis wedijveren. Zelfs Heliopolis en Memphis moeten voor u de vlag
-strijken. Indien ik mij desniettemin in alle nederigheid en vol goeden
-moed durf scharen in de rij van zooveel groote mannen, dan is het omdat
-ik uw welslagen toeschrijf èn aan de goddelijke kracht, die in uw tempel
-werkt, en ook mijne zwakke pogingen zal ondersteunen, èn aan uwe groote
-bekwaamheden zoowel als aan uwe inspanning. Aan de laatste zal het hoop
-ik, ook mij niet ontbreken. Reeds zag ik den opperpriester Ameni. Welk
-een man! Wie kent uw naam niet Gagaboe; wie niet den uwen, Meriapoe!"
-
- [32] Sommigen zijn bewaard gebleven.
-
-»En wie uwer," vroeg de andere nieuweling, »mogen wij begroeten
-als den dichter van de schoonste hymne aan Amon, welke ooit in het
-sykomoren-land gezongen is? Wie uwer is Pentaoer?"
-
-»Die ledige stoel daar ginds," gaf Gagaboe ten antwoord, wijzende op een
-zetel aan het benedeneinde, »staat op hem te wachten. Hij is de jongste
-van ons allen, maar eene schoone toekomst wacht hem."
-
-»En niet minder zijne gezangen," voegde de oudste der uit Chennoe
-gekomen geleerden er bij.
-
-»Zonder twijfel," sprak de eerste voorzitter der Horoscopen[33], een
-bejaard man met een vervaarlijken grijzen kroeskop, die te zwaar scheen
-voor zijn dunnen hals, waarschijnlijk zoo lang uitgerekt, omdat zijne
-dagelijksche bezigheden was naar teekenen uit te zien. »Zonder twijfel,"
-zeide hij, terwijl zijne oogen in hunne hooggewelfde kassen van
-fanatisme vonkelden, »hebben de goden onzen jongen vriend rijke gaven
-verleend. Doch wij zullen nog moeten afwachten hoe hij ze gebruiken
-zal. Ik heb bij dezen jongeling zekere ongebondenheid van den geest
-opgemerkt, die mij doet vreezen. Wanneer hij dicht, dan blijft zijne
-buigzame taal wel binnen de voorgeschreven vormen, maar zijne gedachten
-gaan blijkbaar veel verder. In zijn hymne, die ook voor de ooren des
-volks bestemd is, vind ik uitdrukkingen, die men met den naam van
-verraad aan de mysteriën zou kunnen bestempelen, niettegenstaande nog
-zoo weinige maanden zijn voorbijgegaan, sedert hij ze bezworen heeft.
-Daar zegt hij, en wij zingen het hem na en de leeken hooren het:
-
- Eenig zijt Gij, Gij Schepper der wezens
- En alleen Gij, die 't al maakt wat geworden is.
-
-En verder:
-
- Hij is eenig, alleen, zonder gelijken,
- Wonende in het Allerheiligste[34].
-
- [33] Leden van eene priesterorde in de Egyptische hiërarchie,
- die zich met de studie der hemellichamen, tijdrekenkundige
- verklaring van uurteekens, enz. bezig hield.
-
- [34] Uit de hymne van Amon, bewaard op een papyrus, die te
- Boelaq aanwezig is. Grebaut en L. Stern hebben dien verklaard.
-
-Zulke plaatsen moesten niet openlijk gezongen mogen worden, allerminst
-in een tijd als de onze, nu er toch reeds zooveel nieuwigheden uit den
-vreemde binnendringen, als de sprinkhaanzwermen die uit het oosten
-komen."
-
-»Dat is mij uit het hart gesproken!" riep de schatmeester des tempels.
-»Ameni heeft dezen jongeling te vroeg in de mysteriën ingewijd."
-
-"Op voordracht van mij, zijn leermeester," zeide Gagaboe. "Ons
-gezelschap mag trotsch zijn op een medelid, dat den roem van onzen
-tempel zoo schitterend verhoogt. Het volk hoort zijne hymnen, maar
-dringt niet door tot den diepen zin zijner woorden. Ik zag de leeken
-nooit zoo aandachtig, als toen het diep gevoelde en schoone loflied
-gezongen werd bij het feest van den trap[35]."
-
- [35] Een groot feest, dat bijzonder luisterrijk werd gevierd in
- de Nekropolis, in den tempel van Medinet Haboe.
-
-"Pentaoer was sedert lang uw lieveling," riep de voorzitter der
-Horoscopen. "Vele dingen, die ge u van hem laat welgevallen zoudt gij
-anderen niet veroorloven. Zijne hymne is in mijn oog en ook dat van
-anderen een gevaarlijk gewrocht. Of kunt gij loochenen, dat er grond
-bestaat om ernstig bezorgd te zijn; dat wij dingen zien gebeuren en
-veranderingen plaats grijpen, die ons in den weg treden, en eindelijk
-ons te machtig zullen worden, wanneer wij ze niet onverbiddelijk
-bestrijden, zoolang het nog tijd is?"
-
-"Gij draagt zand in de woestijn en strooit suiker op den honing," hernam
-Gagaboe, en zijne lippen begonnen te beven. "Er is thans niets meer
-zooals het wezen moest, en wij zullen hard moeten vechten, niet met
-zwaarden, maar hiermede en daarmede" -- en de levendige man sloeg zich
-terwijl hij dit zeide op het voorhoofd en den mond. "Wie is er hier en
-dáar beter toegerust dan mijn leerling? Hij zal een voorvechter zijn
-voor onze zaak, een tweede Hor Hoet, die als gevleugelde zonneschijf den
-booze ter aarde wierp. Daar komt gij nu en wilt hem de vleugels binden,
-en zijne klauwen afsnijden! Ach, Ach! Kunt gij mannen dan nooit leeren
-begrijpen, dat een leeuw harder brult dan een kater, en de zon helderder
-schijnt dan eene traanlamp? Laat mijn Pentaoer ongemoeid, zeg ik u,
-anders handelt gij als de man, die zich als vrees voor tandpijn de
-gezonde tanden liet uittrekken. Helaas! wij zullen in de eerst volgende
-jaren wat te bijten krijgen, dat de stukken vleesch eraf vliegen en het
-bloed stroomt, wanneer wij niet willen beleven, dat men ons opeet."
-
-"De vijand is ook ons niet onbekend gebleven," zeide de Chennoe-priester
-Toeauf, "niettegenstaande wij aan de afgelegen zuidelijke grens des
-rijks veel van ons verwijderd kunnen houden, wat in het noorden als een
-kanker aan ons lichaam knaagt. Het vreemde wordt hier ternauwernood meer
-voor onrein en typhonisch[36] gehouden."
-
- [36] Wat Typhon of Seth toebehoort.
-
-"Ternauwernood?" riep de voorzitter der Horoscopen. "Het wordt hierheen
-gelokt, liefgekoosd en vereerd. Evenals stof, wanneer de heete
-woestijnwinden waaien door de naden van een houten huis, zoo dringt het
-door tot onze zeden en in onze taal[37]. Onze huizen, zelfs den tempel
-sluipt het binnen, en op den troon van den navolger van Ra zetelt een
-afstammeling...."
-
- [37] In geen tijdperk gebruikten de Egyptische schrijvers meer
- vreemde Semitische woorden, dan onder de regeering van Ramses II
- en zijn zoon Mernephtah.
-
-"Vermetele!" zoo deed zich op eens de stem van den opperpriester hooren,
-die juist de zaal was binnengekomen. "Bedwing uw tong en waag het niet
-dien te gebruiken tegen hem, die onze koning is, en als plaatsvervanger
-van Ra in deze landen den scepter voert."
-
-De voorzitter der Horoscopen zweeg en boog. Alle feestgenooten waren
-inmiddels opgerezen om Ameni te begroeten, die hen vriendelijk en vol
-waardigheid toeknikte. De opperpriester nam plaats op zijn zetel, en
-zich tot Gagaboe wendende, vroeg hij kalm: -- "Ik zie dat gij in eene
-stemming verkeert, die ons priesters weinig voegt. Wat verstoorde het
-evenwicht uwer zielen?"
-
-"Wij spraken over de nieuwigheden, die met alle geweld Egypte
-binnendringen, en hoe noodig het wordt hieraan weerstand te bieden."
-
-"Gij zult mij in de eerste gelederen zien strijden," zeide Ameni.
-
-"Veel hebben wij reeds gedragen, doch er zijn nieuwe tijdingen uit het
-noorden gekomen, die mij zeer verontrusten."
-
-"Hebben onze troepen eene nederlaag geleden?"
-
-"Zij behielden het veld. Maar andere duizendtallen onzer landslieden
-zijn in veldslagen en op marschen een offer des doods geworden. Ramses
-vraagt nieuwe hulptroepen. De gids Paäker heeft mij een brief gebracht
-van onzen ambtgenoot, die in de omgeving des konings is, en den
-stadhouder een van den pharao zelven, het bevel inhoudende hem
-vijftigduizend strijdbare mannen te zenden. Daar echter de geheele caste
-der krijgslieden en alle troepen der verbonden volken reeds onder de
-wapenen staan, moeten de onderhoorigen van den tempel, die onze akkers
-bebouwen, worden gelicht en naar Azië gezonden."
-
-Bij het vernemen dezer woorden werden algemeen teekenen van afkeuring
-gegeven. De voorzitter der Horoscopen stampvoette en Gagaboe vroeg: "Wat
-denkt gij te doen?"
-
-"Alles gereed te maken om het koninklijk bevel uittevoeren," antwoordde
-Ameni, "en onverwijld de hoofden van alle tempels in de Amonstad
-tot eene raadsvergadering bijeen te roepen. Ieder moet in zijn
-allerheiligste de godheid om wijze inzichten bidden. Hebben wij een
-besluit genomen, dan zal het eerste zijn wat ons te doen staat, den
-stadhouder op onze zijde te brengen. Wie was er gisteren tegenwoordig
-bij zijne gebeden?"
-
-»De beurt was aan mij," zeide de voorzitter der Horoscopen.
-
-»Volg mij na den maaltijd in mijne woning," beval Ameni. »Maar waarom
-mis ik onzen dichter in uwen kring?"
-
-Op ditzelfde oogenblik verscheen Pentaoer in de zaal en verzocht, nadat
-hij zich ongedwongen en waardig voor de dischgenooten, en diep voor
-Ameni gebogen had, hem toe te staan den blinden Pastophoor Teta met den
-arts Nebsecht naar het dochtertje van den Paraschiet te mogen zenden.
-Ameni gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: »Zij moeten zich
-wat haasten. Paäker wacht hen aan de groote poort en zal hen met mijn
-wagen wegbrengen."
-
-Zoodra Pentaoer de gasten verlaten had, sprak de oudere priester uit
-Chennoe, terwijl hij zich tot Ameni wendde: »Waarlijk, heilige vader,
-zoo en niet anders heb ik mij uw dichter voorgesteld. Hij gelijkt
-den zonnegod en zijne houding is die van een vorst. Hij is gewis van
-aanzienlijke afkomst?"
-
-»Zijn vader is een eenvoudige hovenier," antwoordde de opperpriester,
-»die het land, dat hem door onzen tempel wordt toegewezen, ijverig en
-goed verzorgt. Overigens munt hij niet uit door eene edele gestalte
-en is hij vrij onbeschaafd. Hij zond Pentaoer reeds vroeg naar de
-school[38]. De knaap had een voortreffelijken aanleg, en wij voedden
-hem op tot hetgeen hij nu is."
-
- [38] Het blijkt uit meer dan éen papyrus met zekerheid, dat ook
- de zonen van mindere lieden, in zooverre zij aan de gestelde
- bepalingen voldeden, in den priesterstand konden opgenomen
- worden. Afgeslotene casten, zooals de Indiërs, hadden de
- Egyptenaars niet.
-
-»Welke ambten bekleedt hij hier in den tempel?"
-
-»Hij geeft onderricht aan de oudste kweekelingen van de hoogeschool in
-de spraakleer en de welsprekendheid. Hij is ook een uitmuntend waarnemer
-van den sterrenhemel en de scherpzinnigste onder onze droomuitleggers,"
-gaf Gagaboe ten antwoord. »Doch daar is hij weder terug. Naar wien moet
-Paäker onzen stamelenden chirurg en zijn medehelper heenbrengen?"
-
-»Naar het dochtertje van den Paraschiet, dat overreden is," sprak
-Pentaoer. »Maar wat is die gids een ruw man! Mijne gehoorvliezen doen
-nog pijn van zijn stemgeluid, en hij begroette onzen arts, alsof deze
-zijn slaaf ware."
-
-»Hij was gemelijk over den last, dien de prinses hem opdroeg," merkte
-de opperpriester vergoelijkend op. »Het is echter jammer, dat 's mans
-oprechte vroomheid tot hiertoe zijn onvriendelijken gemoedsaard niet wat
-heeft verzacht."
-
-»Dit is te meer te verwonderen," bracht een bejaarde priester in het
-midden, »daar zijn broeder, die mij tot zijn leermeester koos en ons
-voor eenige jaren verliet een zeer beminnelijke jongen was, die zich
-gemakkelijk liet leiden."
-
-»En zijn vader," voegde Ameni er bij, »was een voortreffelijk man, kloek
-in het handelen, en daarbij zeer vrijzinnig."
-
-»Zoo zal hij die kwade eigenschappen van zijne moeder geërfd hebben."
-
-»Ook dit is niet het geval. Zij is eene zachtaardige, voorkomende,
-gevoelige vrouw."
-
-»Moet dan," vroeg Pentaoer, »een kind, altijd op zijne ouders gelijken?
-Men zegt toch dat de zonen van den heiligen stier nog nooit het heilig
-teeken huns vaders hebben gedragen."
-
-»Derhalve, als Paäker's vader een Apis was," zeide Gagaboe, »dan
-behoorde de gids naar uw oordeel, helaas, in een boerenstal te huis!"
-
-Pentaoer sprak niet tegen, maar vervolgde lachend: »Hij is zichzelf
-gelijk gebleven, sedert hij de schoolbanken verliet, toen zijne makkers
-hem wegens zijne stugheid den woudezel noemden. Hij was sterker dan de
-meesten hunner, en toch kenden zij geen grooter genot, dan hem woedend
-te maken."
-
-»Kinderen zijn onmeedoogend," sprak de opperpriester. »Zij letten alleen
-op de uitwendige verschijnselen en vragen nooit naar hunne oorzaken. De
-gebrekkig ontwikkelde is in hun oog even schuldig als de trage, en
-Paäker had geene eigenschappen, die hem aanspraak konden geven op
-hunne toegevendheid. Ik ben een voorstander" -- en Ameni richtte bij
-deze woorden zijn oog op de priesters van Chennoe -- »van vrijheid en
-vroolijkheid onder onze kweekelingen, legt men hunne jeugdige dartelheid
-aan banden, dan verlamt men juist hetgeen ons bij de opvoeding het meest
-te stade komt. De uitspattingen van de neigingen en driften der knapen
-kunnen het zekerst en het minst pijnlijk worden uitgeroeid bij hunne
-wilde spelen. De schoolknaap is de beste opvoeder van zijne makkers."
-
-»Doch Paäker," merkte de priester Meriapoe aan, »is door den overmoed
-zijner medescholieren niet beter geworden. In voortdurenden strijd met
-hen is die onhandelbaarheid steeds toegenomen, waardoor hij een schrik
-is van allen die onder hem gesteld zijn, en vele harten van hem
-vervreemd."
-
-»Hij was de ongelukkigste van het groot aantal jongens," vervolgde Ameni
-weder, »dat aan mijne zorg werd toevertrouwd, en ik meen de oorzaak er
-van doorgrond te hebben. Hij miste den eenvoudigen kinderzin, toen hij
-naar zijn leeftijd nog kind was, en de godheid onthield hem de hemelsche
-gave der onbedachtzaamheid. De jeugd moet met weinig tevreden zijn, en
-hij deed reeds van kindsbeen allerlei hooge eischen gelden. De grappen
-van zijne medeleerlingen nam Paäker in ernst op, hunne scherts hield hij
-voor dwaasheid, hunne plagerijen voor bewijzen van vijandschap, en zijn
-vader, die op het punt van opvoeding zeer bekrompen was, prikkelde hem
-tot tegenstand, in plaats van hem te leeren toegeven, meenende dat hij
-op deze wijze zich zou harden tot het leven vol strijd en inspanning van
-een Mohar."
-
-»Ik heb dikwijls hooren gewagen van de daden van zulk een Mohar"[39],
-zeide de oudste der Chennoe-priesters. »Toch weet ik niet juist wat zijn
-ambt van hem vordert."
-
- [39] Wij kennen de zware taak van den Mohar (held) en zijne
- verplichtingen nauwkeurig uit den papyrus-Anastasi I in het
- Britsch Museum, voortreffelijk uitgegeven door F. Chabas in
- zijne =Voyage d'un Egyptien=.
-
-»Hij moet," antwoordde Gagaboe, »met eene keurbende van onverschrokken
-manschappen het vijandelijk land doorkruisen, ten einde zich op de
-hoogte te stellen van den aard en het aantal der bevolking, alsmede de
-richting van bergen en dalen en den loop der rivieren onderzoeken. De
-waarnemingen, zorgvuldig door hem opgeteekend, moet hij den bestuurder
-der oorlogszaken[40] overhandigen, die daarnaar de marschen zijner
-troepen regelt."
-
- [40] Men kan hem met onzen minister van oorlog vergelijken.
- Reeds in den vroegsten tijd komt deze waardigheid op de
- gedenkteekenen voor.
-
-»Derhalve moet de Mohar wel zeer knap zijn, èn als krijgsman èn als
-schrijver."
-
-»Juist; en Paäkers vader is niet alleen een held maar tevens een
-schrijver geweest, wiens duidelijke berichten, die blijken droegen van
-groote kennis van zaken, ons in staat stelden het land dat hij doorreisd
-had te overzien, als beschouwden wij het van een bergtop. Hij was de
-eerste, die den naam van Mohar ontving. De koning achtte hem zóo hoog,
-dat hij alleen van hem en den bestuurder der krijgsaangelegenheden
-bevelen had te wachten."
-
-»Behoorde hij tot een adellijk geslacht?"
-
-»Tot een der oudste en edelste van het geheele land," antwoordde de
-voorzitter der Horoscopen. »Zijn vader was de dappere krijgsman Assa,
-en nadat hijzelf tot groot aanzien was gekomen en vele schatten had
-verworven, huwde hij de nicht van koning Hor-em-heb, die evengoed als de
-stadhouder aanspraak op den troon zou hebben, wanneer niet de grootvader
-van Ramses haar geslacht door geweld van de heerschappij had beroofd."
-
-»Pas op uw woorden," zeide Ameni, den heftigen grijsaard in de rede
-vallende. »Ramses I is en blijft de grootvader van den regeerenden
-koning, in wiens aderen door zijne moeder het bloed vloeit van de echte
-nakomelingen van den zonnegod."
-
-»Maar nog meer en zuiverder stroomt het door de aderen van den
-stadhouder," waagde de Horoscoop nog hiertegen in te brengen.
-
-»Nochtans draagt Ramses de kroon," riep Ameni, »en hij zal die dragen,
-zoolang de goden het willen. Bedenk dat gij reeds grijze haren hebt,
-en dat oproerige woorden gelijk zijn aan vonken, die met den wind
-wegwaaien, doch wanneer zij ongelukkig terecht komen, ons huis in brand
-kunnen steken. -- Geniet nu verder van den maaltijd, mijne vrienden,
-alleen bid ik u dezen avond niet meer over den koning en de nieuwe
-verordening te spreken. -- Gij, Pentaoer, vervul morgen stipt en met
-wijs overleg mijn bevel!"
-
-De opperpriester nam hierop van de gasten afscheid. Zoodra de deur
-achter hem gesloten was, zeide de priester uit Chennoe, Toeauf: »Wat wij
-zooeven omtrent den koninklijken wegwijzer, die zulk een gewichtig ambt
-bekleedt, vernomen hebben, heeft mij niet weinig verwonderd. Munt hij
-dan uit door bijzondere scherpzinnigheid?"
-
-»Hij was een blokker die maar een middelmatigen aanleg bezat."
-
-»Is dan de waardigheid van Mohar erfelijk, evenals die van de vorsten
-des rijks?"
-
-»De hemel beware ons!"
-
-»Maar hoe kon dan...?"
-
-»Het gebeurde zooals het wel meer gaat," viel de oude Gagaboe den vrager
-in de rede. »De zoon van den wijngaardenier heeft den mond vol druiven,
-en het kind van een portier weet de sloten met woorden te openen."
-
-»In elk geval," voegde een oudere priester, die tot hiertoe gezwegen
-had, er bij, »heeft Paäker zich als Mohar verdienstelijk gemaakt,
-en bezit hij eigenschappen, die allen lof verdienen. Hij is taai
-en onvermoeid, laat zich door geen gevaar uit het veld slaan, en
-onderscheidde zich reeds als knaap door zijne vroomheid en groote
-werkzaamheid. Wanneer de andere scholieren hun zakgeld naar de
-fruitverkoopers en suikerbakkers aan de tempelpoort brachten, kocht hij
-ganzen, en wanneer zijne moeder hem bijzonder rijkelijk met geschenken
-bedacht, jonge gazellen, om die op het altaar neer te leggen voor
-de hemelsche goden. Geen aanzienlijke des lands bezit een rijkere
-verzameling van amuletten en godenbeeldjes. Ook nog heden moet hij onder
-de godsdienstigsten worden gerekend, en de doodenoffers, die hij aan
-zijn gestorven vader wijdt, zijn inderdaad koninklijk te noemen."
-
-»Wij zijn hem voor deze gaven dank schuldig," zeide de schatmeester,
-»ook is de wijze waarop hij zijn vader na diens dood vereert
-buitengewoon, en kan niet genoeg worden geroemd."
-
-»Zeker doet hij zijn best," zeide Gagaboe spottend, »dien vader in
-alles na te volgen. Al heeft hij ook met den waardigen man geen enkelen
-trek gemeen, zoo is hij toch langzamerhand wat op hem gaan gelijken,
-maar helaas, gelijk een gans op een zwaan en een uil op een arend
-gelijkt! Zijn vader was fier, hij is hoogmoedig; gene was streng maar
-vriendelijk, deze is hard en ruw; de eerste onderscheidde zich door
-waardigheid en volharding, deze is verwaand en onbuigzaam. 't Is waar,
-hij is godsdienstig en wij kunnen zijne gaven best gebruiken. De
-schatmeester heeft reden zich hierover te verblijden, en de dadels van
-een vergroeiden boom smaken zoo goed als van een rechten. Doch als ik
-de godheid was, dan zou mij zijne vroomheid niet meer waard zijn dan de
-veder van een hoppe. Want hoe ziet het er uit in het hart van hem, die
-deze offers brengt, ach, hoe ziet het er uit! De storm en de wolken
-staan onder het bestuur van Seth, en daar binnen, dáar, dáar" -- en de
-oude priester sloeg zich op zijn breede borst, -- »dáar kookt en schuimt
-het en er is geen plekje zoo groot als deze tarwekoek te vinden,
-geen plekje van den helderen, blauwen hemel van Ra, zooals zich die
-vriendelijk en rein moet afspiegelen in de ziel van den waarlijk vrome."
-
-»Hebt gij zijn hart doorgrond?" vroeg de Horoscoop.
-
-»Zoo goed als dezen beker," antwoordde Gagaboe, terwijl hij den rand
-van de blanke schaal op zijn nagel drukte. »Sedert vijftien jaren
-onafgebroken! Deze man heeft ons diensten bewezen; hij dient ons nog en
-zal het verder doen. Onze artsen gebruiken ook bittere gal van visschen
-en doodelijke vergiften als geneesmiddelen, en lieden van dit slag...."
-
-»Het is haat die u zoo doet spreken," viel de Horoscoop den opgewonden
-grijsaard in de rede.
-
-»Haat?" herhaalde deze, terwijl zijne lippen begonnen te beven.
-»Haat?" -- en hij sloeg zich met de vuist op de breede borst. »Ja, hij
-is geen vreemde gast in mijn ouden boezem. Doch, Horoscoop, open uwe
-ooren, en gij anderen ook, gij allen moet mij hooren! Ik ken tweeërlei
-soort van haat. De eene is die van den mensch tegen zijn evenmensch, en
-deze heb ik gekneveld, gedood, verstikt, vernietigd, helaas, eerst na
-een zwaren strijd! Voor jaren heb ik ook zijn bitterheid beproefd en
-gedaan als de wespen, die, ofschoon zij weten dat zij er het leven
-bij inschieten als zij steken, nochtans hun angel gebruiken. Vele
-levensdagen zijn mij echter ten deel gevallen, namelijk om wijsheid te
-leeren, en thans weet ik dat van alle driften, die ons hart bewegen, er
-éene geheel aan Seth, dus gansch en al aan den booze behoort, en dat is
-de haat jegens zijn evenmensch. De hebzucht kan tot vlijt aansporen, uit
-zinnelijke begeerlijkheid nog eene edele vrucht geboren worden; maar de
-haat is een verwoester, en in elk hart dat er van vervuld is groeit al
-wat edel is, in plaats van naar het licht, naar beneden in het donker.
-De godheid kan alles vergeven, alleen dien haat niet! -- Doch er is eene
-andere soort van haat, die de hemelsche goden niet ongevallig is, en
-die gij koesteren moogt, gelijk ik dien niet gaarne in mijn borst zou
-missen; het is de haat tegen alles wat het licht verhindert door te
-breken, wat aan het goede en reine in den weg staat, de haat van Horus
-tegen Seth. De goden mogen mij straffen wanneer ik den gids Paäker,
-wiens vader mijn vriend was, haat. Maar de geesten der duisternis mogen
-dit oude hart uit mijn boezem scheuren, wanneer het geen afschuw gevoelt
-van den onreinen hebzuchtigen offeraar, die het geluk dezer aarde van de
-goden wil koopen voor schenkels van dieren en kannen met wijn, gelijk
-men door loven en bieden een rok en een ezel verkwanselt, en wiens
-ziel bewogen wordt door schandelijke drijfveeren. -- Ziet, Paäker's
-offeranden kunnen de goden niet meer verblijden, dan u, Horoscoop, een
-kruik rozenolie, waarin schorpioenen, duizendpooten en giftige slangen
-zwemmen. Langen tijd was ik getuige van de gebeden van dezen man, en
-nooit hoorde ik hem smeeken om edele goederen, wel duizendmaal om het
-verderf van menschen, die hij haat."
-
-»In de heiligste gebeden uit den ouden tijd," sprak de Horoscoop,
-»werden de goden toch wel aangeroepen, opdat wij den voet mochten zetten
-op den nek onzer vijanden. Bovendien hoorde ik Paäker niet zelden met
-innig gevoel bidden voor het welzijn zijner ouders."
-
-»Gij zijt een priester, een ingewijde," riep Gagaboe, »en helaas, gij
-weet niet of wilt niet weten, dat met de vijanden, om wier ondergang wij
-bidden, slechts de demonen der duisternis en de buitenlandsche volken
-die Egypte bedreigen zijn bedoeld? Paäker heeft voor zijne ouders
-gebeden? Dat zal hij ook voor zijne kinderen doen, want zij zullen zijne
-toekomst zijn, gelijk zijne ouders zijn verleden. Als hij eene vrouw
-had, dan zouden ook haar zijne offers gelden, want zij zou de helft
-uitmaken van zijn eigen bestaan."
-
-»En niettegenstaande dit alles," hernam de Horoscoop Septah, »beoordeelt
-gij den gids te hard. Hoewel hij onder een gelukkig gesternte geboren
-werd, hebben de Hathors hem toch alles ontzegd, wat hem eene gelukkige
-jeugd kon schenken. De vijand wiens ondergang hij afsmeekte, was
-Mena, 's konings wagenmenner. Inderdaad, hij zou bovenmenschelijk of
-onmannelijk zwak gehandeld hebben, wanneer hij den man iets goeds had
-toegewenscht, door wien hem de schoone vrouw werd ontroofd, die voor hem
-was bestemd."
-
-»Hoe heeft zoo iets kunnen gebeuren," vroeg een der priesters uit
-Chennoe. »Eene verloving is immers heilig[41]?"
-
- [41] In den demotischen papyrus, die te Boelaq wordt bewaard en
- het eerst door H. Brugsch werd uitgegeven (de Roman van Setnau)
- heet het: "Is het niet de wet, die de een aan den ander
- verbindt?" Van bruiden wordt o. a. gewag gemaakt op den
- sarkofaag van Oennefer te Boelaq.
-
-»Paäker," antwoordde de Horoscoop, »hoe stijf overigens, was
-hartstochtelijk verliefd op zijn nichtje Nefert, het aanminnigste meisje
-uit geheel Thebe. Zij was de dochter van Katoeti, de zuster zijner
-moeder, en hem als vrouw toegezegd. Hij was aan haar gehecht met geheel
-zijne ziel. Daar werd zijn vader, dien hij begeleidde op al zijne
-tochten, in Syrië doodelijk gewond. De koning stond aan het sterfbed van
-den held, ving de laatste bede op van zijne lippen, en begiftigde Paäker
-met zijn ambt. Deze bracht de mummie zijns vaders naar Thebe, liet dien
-vorstelijk ter aarde bestellen, en moest, vóordat de rouwtijd ten einde
-was, naar Syrië terug. Daar vond hij handen vol werk, want terwijl
-de koning naar Egypte was teruggekeerd, moest hij het nieuwe gebied
-doortrekken en opnemen. Eindelijk mocht ook hij het oorlogstooneel
-verlaten, zich vleiende dat hij nu weldra met Nefert in het huwelijk zou
-treden. Hij joeg zijne rossen bijna dood, om het doel van zijn smachtend
-verlangen des te sneller te bereiken. Hoe bitter was hij teleurgesteld,
-toen hij reeds in de Ramses-stad Tanis moest vernemen, dat de hem
-toegezegde nicht de vrouw was geworden van een ander, den schoonsten
-en dappersten in het leger, van den edelen Mena. Hoe kostbaarder het
-voorwerp is, op welks bezit wij hadden gehoopt, des te rechtmatiger is
-de toorn die ons bezielt tegen den man, die het ons betwist, ja het voor
-zich weet te verkrijgen. Paäker had kikvorschenbloed in zijne aderen
-moeten hebben, wanneer hij Mena dit vergeven had, in plaats van hem te
-haten. De runderen, die hij onze goden ten offer heeft gebracht, om hun
-wraak af te smeeken over den roover van zijn levensgeluk, zijn reeds bij
-honderden te tellen."
-
-»Als gij ze hebt aangenomen," hernam Gagaboe, »terwijl gij wist waarvoor
-ze dienen moesten, dan hebt gij onverstandig en niet recht gehandeld.
-Ware ik een leek, ik zou mij wel wachten eene godheid te dienen, die
-zich voor loon laat vinden, om toe te geven aan de onreinste van alle
-menschelijke driften. Nochtans, de alwijze geest, die liefderijk de
-wereld regeert naar eeuwig wijze wetten, weet niets van alle deze
-offers, wier geur alleen het reukorgaan van den booze prikkelt. De
-schatmeester verheugde zich, zoo vaak men het gezonde blanke vee onze
-stallen binnendreef, maar Seth wreef zich in de roode handen[42], toen
-hij het aannam! Vrienden, ik heb de verwenschingen mede aangehoord,
-die Paäker als spoeling, dat men den zwijnen voorzet, over onze reine
-altaren heeft uitgegoten. De pest en etterbuilen, jammer en dood heeft
-hij over Mena afgebeden, en de arme, lieve vrouw, wie ik het waarlijk
-niet euvel kan duiden, dat zij aan een strijdhengst boven een nijlpaard,
-aan een Mena boven een Paäker de voorkeur heeft gegeven, wenschte hij
-onvruchtbaarheid en het bitterst zieleleed toe."
-
- [42] Rood was de kleur voor Seth-Typhon. Het booze en
- schadelijke wordt ook in de papyrus-Ebers het roode genoemd.
- Roodharige menschen waren typhonisch.
-
-»De hemelsche goden," merkte de schatmeester op, »schijnen echter zijne
-klachten niet zoo onbillijk gevonden te hebben, en het breken van zulk
-eene verloving strenger op te vatten dan gij. Nefert heeft in de vier
-jaren van haar huwelijk maar enkele weken het bijzijn van haar grooten
-man genoten, en zij bleef kinderloos. Het is mij een raadsel, Gagaboe,
-hoe gij, die gewoon zijt de verdediging op u te nemen van anderen,
-waarover wij allen het doemvonnis uitspreken, een der grootste
-weldoeners van onzen tempel zoo zonder eenige verschooning veroordeelen
-kunt."
-
-»Het is voor mij minder mogelijk om te begrijpen," hernam de oude, »hoe
-gij, die anders zoo gaarne vonnist, dezen, juist dezen, -- noem hem zoo
-ge wilt -- met zooveel ijver tracht vrij te pleiten."
-
-»Wij kunnen hem in dezen tijd niet missen," zeide de Horoscoop.
-
-»Toegegeven," gaf Gagaboe hierop ten antwoord, terwijl hij zachter
-begon te spreken. »Zelfs ik denk hem nog te gebruiken, evenals de
-opperpriester sedert jaren van hem partij heeft getrokken in het belang
-onzer zaak, die door gevaren wordt bedreigd. Ook een smerige weg is
-goed, als hij tot het doel leidt. Voert ook de godheid ons niet vaak
-door het kwade tot het heil? Maar moeten wij daarom het slechte goed
-en het kromme recht noemen? Bedien u van den gids zooveel gij wilt,
-vergeet echter niet, terwijl hij u door zijne gaven verplicht, hem te
-beoordeelen naar zijne gevoelens en daden, wanneer gij althans aanspraak
-wilt maken op den naam van ingewijden en verlichten. Laat hem al zijn
-vee naar den tempel drijven en al zijn goud in onze schatkamer werpen,
-maar bezoedel u niet door de gedachte, dat offers met zulk een hart en
-zoodanige handen der godheid welgevallig zijn! Voor alles," -- en er was
-oprechtheid en hartelijkheid in den toon, waarop de grijsaard deze
-woorden uitsprak, »voor alles: spiegelt den man, die zoo jammerlijk
-dwaalt, toch niet voor, gelijk gij tot hiertoe hebt gedaan, dat hij op
-den rechten weg is. Immers, mijne vrienden, het is uwe, het is ons aller
-duurste plicht, de zielen dergenen, die zich aan ons toevertrouwen, op
-te leiden, tot hetgeen waarlijk goed en recht is."
-
-»O mijn leermeester," riep nu Pentaoer, »hoe beminnelijk zijt gij in uwe
-gestrengheid!"
-
-»Ik toonde u de afzichtelijke zweren van dezen man," sprak de grijsaard,
-terwijl hij opstond en zich gereed maakte de zaal te verlaten, »uw lof
-zal ze verharden, uwe berisping zal ze genezen. Overigens, verkiest
-gij in dezen uw plicht niet te doen, weet dan, dat de oude Gagaboe op
-zekeren dag zal komen met zijn mes; dat hij den kranke zal aangrijpen en
-snijden."
-
-De Horoscoop had onder deze woorden van den grijsaard meermalen de
-schouders opgehaald. Hij zeide nu, zich tot een der priesters uit
-Chennoe wendende: »Gagaboe is een oude kitteloorige driftkop, en gij
-hebt uit zijn mond eene predikatie gehoord, zooals men ze zeker ook
-bij u wel houdt voor de jonge schrijvers, die tot zielzorgers worden
-opgeleid. Hij meent het best, maar hij vergeet licht het groote ter
-wille van het kleine. Ameni zal het u aan het verstand brengen, dat het
-ook bij ons op tien, zelfs op honderd zielen niet aankomt, wanneer het
-algemeen belang er mede gemoeid is."
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-
-De nacht, waarin de prinses Bent-Anat met haar gevolg aan de poort van
-het Seti-huis had geklopt, was voorbijgegaan. De geurige frischheid van
-den vroegen morgenstond werd reeds vervangen door een gloed, die het
-donkerblauw onbewolkt hemelgewelf als eene sterk verhitte stalen klok
-begon uit te stralen. Het menschelijk oog was niet meer in staat op te
-zien naar dien kolossalen vuurbol in de hoogte, die zijn stralen deed
-breken in het fijne blinkende stof, dat heen woei over de aan graven zoo
-rijke helling van het gebergte, waardoor de doodenstad aan de westzijde
-werd afgesloten. De kalkrotsen weerkaatsten een verblindend licht;
-de atmosfeer trilde, gelijk de verhitte lucht boven een gasvlam; de
-schaduwen werden steeds kleiner, maar des te scherper hare omtrekken.
-
-Alle dieren, die wij aan den avond de Nekropolis zagen bevolken, hadden
-zich in hunne schuilhoeken teruggetrokken. De mensch alleen trotseerde
-den gloed van den zomerdag. Onverpoosd verrichtte hij zijn dagwerk, nu
-en dan voor eenige oogenblikken zijn gereedschap uit de hand leggende,
-om een weinig adem te scheppen, wanneer een verkwikkende luchtstroom uit
-de richting van den sterk gezwollen vloed zijne slapen kwam afkoelen.
-De haven, waar de vaartuigen die van het oostelijk-Thebe kwamen, gewoon
-waren te landen, was opgevuld met feestelijk getooide barken en booten
-voor het verkeer bestemd. De manschappen van die booten, roeiers
-en stuurlieden van aanzienlijke afkomst, die tot den priesterstand
-behoorden, namen een weinig rust, want de gasten, die zij hadden
-overgezet, gingen thans in lange optochten naar de graven. Onder de
-breede schaduw van eene sykomore had een koopman in eetwaren, geestrijke
-dranken en azijn om het water te verkoelen, zijn tafel opgeslagen, en in
-zijne nabijheid schreeuwden en kibbelden schippers en opzichters, die
-druk in de weer waren met het mora-spel[43]. Ettelijke matrozen lagen te
-slapen, deels op het dek hunner vaartuigen, deels aan den oever, hier
-onder het weinig beschuttend bladerendak van een palmboom, dáar midden
-in de zon, voor welker stralen zij zich wisten te beschutten door den
-katoenen doek, die hun tot mantel diende, over het gezicht te trekken.
-Tusschen dezen wandelden in lange rijen, éen voor éen achter elkaar,
-bruine en zwarte lijfeigenen en slaven, gebogen onder zware lasten. Zij
-droegen wat aan de tempels geleverd moest worden, de offergaven en de
-waren, die door de handelaars in de Nekropolis waren besteld. Metselaars
-trokken op sleden de vierkante steenblokken, die uit de groeven
-van Chennoe en Soean[44] waren aangekomen, naar de plaats waar de
-grondslagen waren gelegd voor een nieuwen tempel. Eenige handlangers
-goten water onder de sleden, opdat het zwaar belaste uitgedroogde hout
-niet door de wrijving mocht ontvlammen. Al deze werklieden werden door
-een opzichter met stokken voortgedreven. Allen zongen bij den arbeid zoo
-goed zij konden, doch ook de stemmen dergenen die den toon aangaven,
-hoewel zij zich des avonds luid genoeg deden hooren, wanneer na een
-sober maal de tijd der rust was aangebroken, klonken thans dof en
-heesch. De schier verdroogde stembanden weigerden tegen den middag hun
-dienst. Dichte zwermen van muggen volgden en plaagden de arme schepsels,
-die echter even ongevoelig schenen te zijn voor de steken der
-insekten als voor de slagen hunner aanvoerders. De hitte bleek al hun
-weerstandbiedende kracht te hebben gebroken. Als de muggen in het midden
-van de doodenstad hen verlieten, kwamen de vliegen en wespen, die bij
-duizenden gonsden rondom de slachtbanken, gaarkeukens, vischbakkerijen
-en de winkels waar vleesch, groenten, honig, gebak en drank te koop
-werden geboden. Het ging daar levendig toe, niettegenstaande de
-zonnegloed tegen den middag ondraaglijker werd, en de sterk verhitte
-lucht, verzadigd van stof en allerlei geuren, de ademhaling schier
-belemmerde.
-
- [43] Het Latijnsche "micare digitis." Een der spelers steekt met
- eene snelle beweging enkele vingers op, en de anderen moeten het
- aantal raden. Het was een geliefd spel der Egyptenaars, dat
- telkens op afbeeldingen voorkomt. Nog wordt dit vingerspel door
- de volken van Zuid-Europa dikwijls gespeeld. De voorstellingen,
- zooals wij ze op de gedenkteekenen vinden, heeft Minutoli
- weergegeven in de =Leipziger Illustr. Zeitung=, 1852, s. 331, ff.
-
- [44] Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den
- eersten waterval.
-
-Hoe dichter men de Libysche bergen naderde, des te stiller werd het.
-In het breede noordwestelijke dal, aan welks zuidelijke helling de
-vader van den thans regeerenden koning eene diepe grafkamer had doen
-uithouwen, en waar de steenhouwers reeds bezig waren een rotsgraf voor
-den tegenwoordigen pharao in gereedheid te brengen, heerschte de rust
-des doods. Een pas aangelegde rijweg voerde naar deze rotskloof met haar
-steile gele en bruine wanden, waarop de zon enkele plekken had zwart
-gezengd, en die als de in den nacht uit de graven opstijgende geesten,
-van hun schaduw schenen beroofd te zijn. Rotsblokken vormden aan den
-ingang van dit dal eene soort van poort. Ondanks de middaghitte, ging er
-op dit oogenblik eene kleine schaar van meerendeels schitterend gekleede
-menschen doorheen. Vier opgeschoten knapen of jongelingen liepen
-vooruit. Hunne eenige kleeding bestond in een om de lendenen geslagen
-schort en een met gouddraad doorwerkten hoofddoek, die tot den rug
-afhing. De zonnestralen spiegelden zich in de gladde, roodbruine,
-vochtige huid van deze stafdragers, wier veerkrachtige naakte voeten
-nauwelijks met de steenen van den bodem in aanraking schenen te komen.
-Zij werden gevolgd door een sierlijken tweewielige wagen, waarvoor twee
-bruine paarden lustig draafden, terwijl roode en blauwe vederbossen op
-hunne koppen wiegelden. Hunne edele houding, de fiere buiging van den
-hals en de rustelooze beweging der staarten scheen te verraden, dat
-zij trotscher waren op de rijk met zilver, blauw en purper bestikte
-schabrakken en de gouden sieraden die hen tooiden, dan op de schoone
-koninklijke maagd, Bent-Anat, de dochter van Ramses, wier kleine hand
-hen leidde met bijna onmerkbare bewegingen, terwijl het minste geluid
-uit haar mond hen de dunne ooren deed opsteken. Twee jonge mannen,
-gekleed als de voorloopers, volgden den wagen, en beschermden het gelaat
-van hun gebiedster tegen de zonnestralen met breede aan lange stokken
-bevestigde waaiers, die uit sneeuwwitte struisvederen waren saamgesteld.
-
-Zoolang de breedte van den weg het toeliet, werd Nefert, de gemalin van
-Mena, in haar vergulden draagstoel aan de zijde van Bent-Anat gedragen
-door acht roodbruine mannen, die in snellen regelmatigen loop niet
-gewoon waren onder te doen voor de dravende rossen en de slanke
-waaierdragers. Beiden vrouwen, die wij nu voor het eerst in het volle
-daglicht kunnen beschouwen, waren buitengemeen schoon, maar elke op
-eene andere wijze. De vrouw van Mena zag er nog uit als een meisje.
-Onder de lange wimpers keken een paar groote ovale oogen uit, nu eens
-met verwondering, dan weer droomerig. Hare nauwelijks middelmatige
-goedgevormde gestalte was meer gevuld geworden, zonder iets van hare
-vroegere sierlijkheid te verliezen. Er vloeide geen drupje bloed in
-hare aderen, dat niet zuiver Egyptisch was, gelijk blijken kon uit de
-donkere huidkleur van frisch en gelijkmatig incarnaat, die het midden
-hield tusschen helder goudgeel en donkerbruin, welke kleur nog heden
-de Abessinische meisjes zoo schoon staat. Ook haar rechte neus, haar
-schoongevormd voorhoofd, haar gladde ravenzwarte haren, benevens de
-fijnheid der met gouden banden getooide polsen en enkels, waren hiervoor
-onloochenbare bewijzen. De maagdelijke koningsdochter daarentegen had
-ter nauwernood den leeftijd van negentien jaren bereikt; toch spraken
-houding en gelaat van meer vrouwelijk zelfbewustzijn. Zij was bijna
-een hoofd langer dan hare vriendin. Haar huidkleur was lichter. In den
-opslag harer goedige heldere blauwe oogen lag iets dweperigs, maar ook
-kloek verstand en vaste wil. Zij had een edel fijn besneden profiel,
-zóo gelijk aan dat haars vaders, als een schoon landschap in den zachten
-maneschijn, die de scherpe lijnen afrondt, vergeleken bij hetzelfde
-landschap in den helderen middagglans. Haar zacht gebogen neus was het
-erfdeel harer Semitische voorouders[45] en hetzelfde mocht ook gelden
-van haar dicht zachtgolvend donkerbruin hoofdhaar dat nu door een zijden
-doek met blauwe en witte strepen was gedekt. De zorgvuldig gelegde
-plooien werden saamgehouden door een gouden band, in het midden waarvan
-de met een robijnen schijf gekroonde kop van een gehoornde Uraeusslang
-prijkte[46]. Van den linkerslaap van het hoofd hing eene zware met
-gouddraad doorweven vlecht tot op de borst af, als teeken van hare
-vorstelijke geboorte. Zij droeg een purperen kleed van bijna doorzichtig
-fijn weefsel, dat door een gouden gordel en breede draagbanden werd
-opgehouden. Om haar hals hing, gelijk een breede kraag, een halsband van
-paarlen en kostbare edelgesteenten, die neerviel op haar schoon gevormde
-borst. Achter de prinses stond haar wagenmenner, een oud krijgsman van
-aanzienlijke afkomst.
-
- [45] Er zijn van Ramses vele portretten bewaard gebleven, het
- schoonste is wel zijn voortreffelijk standbeeld, dat te Turijn
- wordt bewaard. In dat profiel, met den schier onmerkbaar gebogen
- neus, heeft men eenige gelijkenis met Napoleon meenen te zien.
-
- [46] Een gevaarlijk soort van giftslangen in Egypte. Wegens hun
- snelwerkende macht over leven en dood, werden zij gekozen tot
- koninklijk symbool. De Uraeusslang wordt aan geen diadeem der
- pharao's gemist.
-
-Achter de vorstelijke vrouwen nu volgden drie draagstoelen met
-hofbeambten, twee in elke, en verder een twaalftal slaven, gereed om te
-helpen, zoo vaak dit noodig mocht zijn. De trein werd gesloten door een
-troep stokdragers, ten einde de tragen voort te drijven, en door eenige
-lichtgewapende, slechts met een schort en een hoofddoek gekleedde
-soldaten. Zij droegen in den gordel een zwaard, dat veel op een dolk
-geleek, eene bijl in de rechter en, ten teeken dat zij enkel in vrede
-dienst deden, een palmtak in de linkerhand. Kleine meisjes in lange
-wijde kleederen zwermden om den stoet, die in snellen draf voortijlde,
-gelijk dolfijnen om een zeeschip. Zij droegen waterkruikjes op de
-schrandere kopjes, om op een wenk bij de hand te zijn, zoodra iemand
-verlangde te drinken. Met de vlugheid van gazellen vlogen zij vaak de
-dravende paarden vooruit, en het was de moeite waard bij de grootste
-onder haar de sierlijke buiging op te merken van den arm, die de kruik
-in evenwicht hield. De hovelingen, die evenzeer door luchtige waaiers
-werden overschaduwd en afgekoeld, zoodat de middaghitte zich bijna niet
-deed gevoelen, spraken onder elkander met rustige langwijligheid over
-onverschillige onderwerpen. De prinses beklaagde hare paarden, die
-voortdurend werden geplaagd door lastige horsels, terwijl voorloopers en
-soldaten, de dragers van waaiers en draagstoelen, de kinderen met hunne
-kruikjes en kuchende huisslaven, gedwongen waren onder de stralen der
-middagzon hunne krachten zóo in te spannen in dienst hunner meesteres,
-dat hunne pezen dreigden te springen en hunne longen te bersten.
-
-Ter plaatse waar de weg wat breeder werd, waar aan de rechterzijde de
-ingang was tot het sterk gebogen zijdal, waarin de laatste koningen van
-het onttroonde koningshuis begraven waren, hield de trein eensklaps
-stil, en wel op een teeken van Paäker, die de prinses te gemoet reed.
-Hij mende zijne vurige zwarte Syrische paarden met zulk een stevige
-hand, dat het bloedig schuim van hun gebit droop. Nadat de Mohar de
-teugels aan een dienaar had overgegeven, sprong hij van den wagen en
-zeide na de gewone plichtplegingen: »Hier, in dit dal is het nest van
-dat afzichtelijk slag van menschen, waaraan gij, prinses, voornemens
-zijt zulk een hooge eer te bewijzen. Vergun mij, dat ik als gids u
-vooruitrijd. Wij zijn binnen weinige minuten aan ons doel."
-
-»Dan zullen wij te voet gaan," zeide de prinses, »en ons gevolg hier
-achterlaten."
-
-Paäker boog. Bent-Anat wierp haar wagenmenner de teugels toe en steeg
-van den wagen. De vrouw van Mena en de hovelingen verlieten hunne
-draagstoelen. Reeds maakten de waaierdragers en kamerheeren zich gereed
-om hunne meesteres in het dwarsdal te geleiden, toen zij zich omwendde
-en beval: »Gij blijft terug, allen; alleen Paäker en Nefert zullen met
-mij gaan."
-
-De prinses vloog met haastige schreden over den effen bodem van de
-rotskloof, waarin de zonnestralen schier loodrecht nedervielen; zij
-matigde echter haren tred, zoodra zij bemerkte, dat de zwakkere Nefert
-moeite had haar te volgen. Bij eene bocht van den weg bleef de Mohar
-staan. Ook Bent-Anat en Nefert gingen niet verder. Geen van beiden had
-gedurende deze wandeling een woord gesproken. Het dal was doodstil en
-geheel verlaten. Op den uitersten rand van den loodrechten bergwand
-aan de rechterzijde, zat eene lange rij gieren, bewegingloos, als had
-de middaghitte de kracht hunner vleugels verlamd. Paäker maakte eene
-buiging voor de dieren, die aan de groote godin van Thebe geheiligd
-waren[47], en de beide vrouwen deden zwijgend evenals hij.
-
- [47] De godin Moeth, die met Amon en Choensoe een trias
- uitmaakt. Het groote rijksheiligdom, de tempel van Karah, was
- haar gewijd.
-
-»Dáar," sprak Mohar kortaf, terwijl hij met den vinger wees op twee
-hutten, die vlak tegen den linkerwand van het dal uit tegels van
-gedroogd Nijlleem waren gebouwd, »dáar, die er het best uitziet, naast
-die rotsholte."
-
-Bent-Anat liep met een kloppend hart naar deze stulp. Paäker liet de
-vrouwen vooruitgaan. Nog weinige schreden en zij stonden voor een
-heining, ruw uit rietstaven, palmtakken, doornstruiken en maïsstroo
-saamgevlochten. Hartverscheurende jammerkreten, die uit de hut kwamen,
-deden de lucht trillen, zoodat de vrouwen huiverden verder te gaan.
-Nefert beefde en klemde zich vast aan hare vriendin, die sterker was,
-ofschoon zij meende ook het hart der prinses sneller te hooren kloppen.
-Beiden stonden enkele oogenblikken als aan den grond genageld; toen riep
-de prinses den Mohar en zeide: »Ga gij ons voor in de hut."
-
-Paäker antwoordde, zich diep buigende: »Ik zal den man roepen. Wij
-zullen het immers niet wagen zijn drempel te overschrijden? Gij weet dat
-zulk eene daad ons verontreinigen zou."
-
-Nefert zag Bent-Anat smeekend aan; deze sprak echter op bevelenden toon:
-»Ga mij voor, ik vrees zulk eene verontreiniging niet."
-
-De Mohar bleef nog altijd dralen, en vroeg: »Wilt gij de goden
-vertoornen en u zelve...."
-
-Doch de prinses gunde hem geen tijd om uit te spreken; zij wenkte
-Nefert, die verbaasd een afwerend gebaar met de handen maakte, haalde
-toen de schouders op, liet hare gezellin bij den Mohar achter, en trad
-door eene opening in de heg een kleinen tuin binnen. Daar lagen een
-paar bruine geiten; er stond een ezel met de voorpooten aan elkander
-gebonden, en eenige kippen, die vruchteloos naar voeder zochten, liepen
-het stof op te krabbelen. Weldra stond zij alleen voor de geopende deur
-van de hut, waarin de Paraschiet woonde. Niemand merkte haar op, zij
-echter kon hare oogen, aan pracht en orde gewoon, niet afwenden van dit
-somber maar zoo eigenaardig tooneel, dat thans haar gansch en al boeide.
-Eindelijk naderde zij de deur, die te laag was voor hare hooge gestalte.
-Haar hart kromp ineen; zij had wel gewenscht zich te kunnen verkleinen
-en onkenbaar maken door het gewaad van een bedelaar, in plaats van te
-schitteren met prachtige sieraden. Of stond zij niet gereed met goud
-en edelgesteenten behangen deze stulp te betreden, als om den arme te
-bespotten, gelijk een tyran, die, terwijl hij zich zit te vergasten aan
-tafels, die schier bezwijken onder den last der spijzen, den bedelaar
-dwingt toe te zien? Het kon hare fijngevoelige ziel niet ontgaan, dat
-hare verschijning aan deze plaats in bittere disharmonie was met hare
-omgeving. Deze wanklank deed haar pijnlijk aan, want zij mocht zich niet
-ontveinzen, dat ellende en uiterlijke geringheid hier het recht hadden
-den boventoon te voeren, en dat al hare heerlijkheid geen bijzonder
-verheven figuur zou maken onder al die nietigheden, te midden van stof,
-rook en jammer, ja zeer onevenredig en ergerlijk zou uitsteken, gelijk
-een reus onder dwergen. Zij was echter reeds te ver gegaan om terug te
-keeren, hoe gaarne zij het ook gedaan had. Hoe langer zij in deze
-hut keek, des te dieper gevoelde zij de onmacht van haar vorstelijk
-vermogen, het onbeduidende der rijke gaven, die zij met zich bracht; des
-te meer werd zij overtuigd, dat zij den stoffige bodem dezer armelijke
-hut niet betreden mocht dan in alle deemoed en als eene die om
-verschooning vraagt.
-
-De ruimte, die zij gemakkelijk kon overzien, was laag, maar daarom
-niet klein, en werd spaarzaam en zeer onregelmatig verlicht door twee
-lichtstroomen, die elkander kruisten. De eene viel door de deur naar
-binnen, de andere baande zich een weg door eene opening in de door
-ouderdom zeer bouwvallige zoldering van het vertrek, dat zeker nog
-nooit zoovele en zoo verschillende gasten had geherbergd als heden. De
-aandacht van alle aanwezigen werd getrokken door eene groep, die bij het
-deurlicht helder uitkwam. Op den stoffigen vloer zat eene oude vrouw
-neergehurkt, met verweerde donkere gelaatstrekken en verwarde sedert
-lang vergrijsde haren. Haar zwart-blauw katoenen kleed of hemd was van
-voren open, en liet op de verdroogde borst eene blauwe getatoueerde ster
-zien. Met hare handen steunde zij het in haar schoot rustend hoofd van
-een meisje, dat met het slanke lichaam bewegingloos lag uitgestrekt op
-een smallen versleten mat. De kleine blanke voeten van de kranke raakten
-bijna aan den drempel van de deur. Naast haar zat op den grond een oud,
-goedig man, slechts met een grof lendekleed bedekt. Hij scheen in
-zichzelf gekeerd, doch nu en dan boog hij zich voorover, om de voetzolen
-van het meisje met zijne magere handen te wrijven, terwijl hij zacht
-eenige woorden bij zichzelf sprak. De kleine lijderes droeg niets dan
-een kort rokje van grove helderblauwe stof. Haar gelaat was teeder en
-regelmatig gevormd. Zij hield de oogen half gesloten, als kinderen,
-wanneer een lieflijke droom hunne zielen vervult; doch van tijd tot tijd
-trok zij de fijn besneden lippen smartelijk bijna krampachtig samen.
-Dicht zacht rood-blond haar, waarin enkele verdorde bloemen hingen,
-golfde ordeloos van haren schedel in den schoot der oude vrouw en tot
-op de mat waarop zij nederlag. Hare blanke wangen waren door een blosje
-gekleurd, en zoo vaak de jonge arts Nebsecht, die aan hare zijde zat
-naast zijn blinden sombere litanieën zingenden metgezel, het gescheurde
-doek, over haar maagdelijken door het wagenrad gekwetsten boezem gelegd,
-oplichtte, of wanneer zij haar teederen arm omhoog hief, bleek het
-duidelijk, dat zij in hare schitterend blanke huidkleur niet ongelijk
-was aan de dochters van het Noorderland, die onder de krijgsgevangenen
-des konings niet zelden naar Thebe kwamen.
-
-De beide uit het Seti-huis hierheen gezonden heelmeesters zaten aan de
-linkerzijde van het meisje op een klein tapijt. Van tijd tot tijd legde
-de een of de ander zijn hand op de plaats van het hart der lijderes, of
-beluisterde hare ademhaling, of opende het medicijnkastje, om de compres
-op de wond met een witachtig geneesmiddel te bevochtigen. In wijderen
-kring, dicht bij de wanden van het vertrek, hadden zich eenige jongere
-en oudere vrouwen op den grond neergezet. Het waren de vriendinnen van
-het Paraschieten-gezin, die nu en dan door gillende jammerkreten te
-kennen gaven, hoe diep hun medelijden was. Een van haar stond bij
-regelmatige tusschenpoozen op, om een aarden bekken naast de artsen, met
-frisch water te vullen. Zoo vaak de kou van eene nieuwe compres de heete
-borst van de kranke deed huiveren, sloeg zij de oogen op, richtte ze
-eerst als verwonderd, daarna met vromen eerbied naar een bepaald punt,
-om ze echter terstond weder voor een langen tijd te sluiten. Deze
-blikken waren tot hiertoe niet opgemerkt door hem, wien ze golden.
-
-Pentaoer stond in zijn lang wit priesterkleed geleund tegen den
-rechterwand, wachtende op de komst der prinses. Met zijn schedel raakte
-hij bijna de zoldering van het vertrek, en de smalle lichtstralen, die
-door de gleuf in de zoldering naar binnen vielen, verlichtten juist
-zijn welgevormd hoofd en zijne borst, terwijl alles wat hem omgaf in
-schemerachtig donker was gehuld. Wederom sloeg de kranke de oogen op en
-ditmaal ontmoette zij den blik van den jongen priester, die terstond
-zijn hand ophief en half werktuigelijk met fluisterende stem eenige
-woorden van zegen sprak. Maar aanstonds staarde hij weder onafgebroken
-op den grond, geheel in zijne eigene gedachte verzonken. Eenige uren
-geleden was hij reeds gekomen om, gehoorzaam aan het bevel van den
-opperpriester Ameni, de prinses duidelijk aan het verstand te brengen,
-dat zij zich bezoedelde door de aanraking van een Paraschiet, en alleen
-door tusschenkomst des priesters hare reinheid terug kon erlangen. Met
-tegenzin had hij den drempel van deze armzalige hut overschreden.
-Loodzwaar drukte hem de gedachte, dat juist hij was gekozen om eene daad
-van edele menschlievendheid te brandmerken, en de misdadige te verwijzen
-naar den straffenden rechter. Pentaoer had door den omgang met zijn
-vriend Nebsecht vele banden verbroken, die zijn geest knelden, en menig
-denkbeeld in zich opgenomen, dat zijn meester zondig en oproerig zou
-hebben verklaard. Toch had hij nog zekeren eerbied voor de heiligheid
-der oude inzettingen, waardoor zij beschermd werden, die hij had leeren
-beschouwen als de door de godheid zelve geroepene uitdeelers van
-alle geestelijke zegeningen. Bovendien was hij niet vrij van zekeren
-castentrots, van een geestelijken hoogmoed, die uit verstandige
-berekening bij de priesters werd aangewakkerd. Hij stelde den gemeenen
-man, die zijne lichaamskrachten inspant om door eerlijken arbeid het
-brood voor de zijnen te verdienen, den koopman, den handwerker, den
-boer, ja zelfs den krijgsman en vooral de leegloopers, die voor niets
-anders leefden dan voor de bevrediging hunner zinnelijke lusten,
-verre beneden de mannen van zijn stand, die streefden naar een hooger
-geestelijk doel. Zij die door de wet als onrein gebrandmerkt waren,
-hield ook hij voor zoodanig.
-
-Kon het wel anders? Zij die bij het balsemen der afgestorvenen het lijk
-openden, waren uit de maatschappij gebannen, omdat zij door dit hun
-beroep zich vergrepen aan het lichaam, den heiligen tempel der ziel[48].
-Men vergete echter niet, dat geen Paraschiet vrijwillig zijn beroep
-koos. Het erfde van den vader over op den zoon, en wie als Paraschiet
-was geboren, had geleerd, dat hij eene oude schuld moest boeten,
-waarmede zijne ziel was bezwaard in eene vroegere periode, toen zij in
-een ander lichaam huisde, en waardoor zij na den dood niet had zalig
-gesproken kunnen worden. Die ziel had voortgeleefd in de lichamen van
-allerlei dieren, om nu eindelijk eene nieuwe loopbaan te beginnen als
-Paraschieten-kind, en straks zich opnieuw te stellen voor het aangezicht
-van den rechter der onderwereld. Geen wonder dus dat Pentaoer met
-weerzin het verblijf van den verachten man was binnen gegaan, die,
-zoodra hij den priester zag naderen en zich nederzetten aan de voeten
-van de kleine lijderes, met eenige verbazing had uitgeroepen: »Al weder
-een in 't wit gekleede! Wascht dan het ongeluk den onreine rein?"
-
- [48] Diodorus I, 91.
-
-Pentaoer had den oude geen antwoord gegeven, en deze sloeg verder geen
-acht op hem, want hij wreef de voetzolen van de zieke op bevel van den
-arts, en vol teedere bezorgdheid bleven zijne handen onvermoeid in
-gestadige beweging, als een scheprad, dat door den stroom der rivier
-zonder ophouden wordt rondgewenteld.
-
-»Wascht het ongeluk den onreinen rein?" vroeg Pentaoer zich af. »Zeker
-oefent het een reinigenden invloed. Zou de godheid die aan het vuur de
-kracht verleende om het metaal te louteren, en aan den wind het vermogen
-om den hemel van wolken te zuiveren, wel gewild hebben, dat haar eigen
-evenbeeld, een mensch, van zijne geboorte tot zijn dood, besmet moet
-blijven met onuitwischbare vlekken?"
-
-Hij zag bij die gedachte den Paraschiet eens aan, en 's mans gelaat
-scheen op dat van zijn vader te gelijken. Deze opmerking deed hem
-schrikken. Doch toen hij waarnam, dat de vrouw in wier schoot het
-hoofd van het arme meisje rustte, angstig als eene duif, die een havik
-op haar ziet afkomen, zich over de gewonde borst van de kranke heenboog,
-om haar ademhaling te beluisteren, zoo vaak deze scheen stil te staan,
-begon hij zich eene ure uit zijne eigene kindsheid te herinneren, toen
-hij, door de koorts aangegrepen, op zijn bedje had gelegen. Wat er in
-dien tijd met hemzelf en in zijne omgeving was voorgevallen, had hij
-lang vergeten. Maar éen beeld had een diepen indruk op zijne ziel
-achtergelaten; het was dat zijner moeder, dat met den doodsangst op 't
-gelaat boven hem scheen te zweven, wier oogen zoo teeder en bezorgd op
-haar kranken zoon hadden neergezien, als die der gevloekte vrouw op
-haar lijdend kind.
-
-»Daar is dan toch eene zelfverloochenende, volmaakt reine, waarachtig
-goddelijke liefde," zeide hij bij zichzelf, »en dat is de liefde van
-Isis voor Horus, van de moeder voor haar kind. Indien deze menschen
-werkelijk zóo onrein waren, dat alles wordt bezoedeld wat zij aanraken,
-hoe zou dan dit zoo zuiver teeder en heilig gevoel bij hen zijne
-reinheid en schoonheid kunnen bewaren? Maar," zoo ging hij denkend
-voort, »de hemelsche goden hebben toch ook de moederliefde gelegd in de
-borst van eene leeuwin en van het typhonisch nijlpaard!"
-
-Met weemoed beschouwde hij de Paraschieten-vrouw. Daar zag hij hoe haar
-donker aangezicht zich van de lijderes afwendde. Zij had haar ademtocht
-gehoord, en de rimpels van haar gelaat vertrokken zich tot een zaligen
-glimlach. Zij knikte eerst den heelmeester en toen met een diepen zucht
-haar man toe. De laatste hield zijne linkerhand niet van de voetzool
-der kranke af, doch hij hief de rechter biddend omhoog, en zijne vrouw
-deed hetzelfde. Het was Pentaoer als zag hij de zielen van die beiden in
-heilige gemeenschap boven dat kind zweven, dat hunne handen in elkaar
-legde; en wederom dacht hij aan het ouderlijk huis en de ure, waarin
-zijn lief eenig zustertje gestorven was. Toen had zijne moeder zich
-weenend op het bleeke kind geworpen, doch zijn vader stampvoette en
-snikte, en sloeg zich met de vuist voor het voorhoofd. »Hoe stil
-berustend en dankbaar zijn die onreinen toch," dacht Pentaoer, en de
-afkeer van de inzetting der vaderen begon in zijn gemoed wortel te
-schieten. »Ja, de hyena's kennen ook de moederliefde, maar de mensch,
-die zijn geest richt op het edelste, kan alleen de godheid zoeken
-en vinden. Tot aan de grenzen van het oneindige -- en de godheid is
-eeuwig -- is den dieren het denkvermogen ontzegd; zij kunnen zelfs niet
-lachen. De mensch kan het ook niet in zijne eerste levensdagen, want dan
-woont er nog slechts levenskracht, een dierlijke ziel in hem. Weldra
-openbaart zich in hem een deel der wereldziel, want het licht des
-verstands begint te schemeren. Het komt allereerst te voorschijn in den
-lach van het kind, die niet minder rein is als het licht en de waarheid,
-waaruit zij voortkomt. De kleine van een Paraschiet lacht evenals elk
-wezen uit eene vrouw geboren. Maar hoe weinig oude menschen zijn er
-zelfs onder de ingewijden, die nog zoo rein en zalig kunnen lachen als
-deze oude vrouw, die onder het bitterst leed is vergrijsd!"
-
-Diep medelijden begon Pentaoers hart te vervullen. Hij knielde naast het
-arme kind neder, hief zijne armen op en bad uit den diepsten grond van
-zijn hart tot den Eenige, die den hemel had geschapen en de wereld
-regeert, den Eenige, wiens naam het heilig mysterie hem verbood te
-noemen! dus niet tot de tallooze goden die het volk vereerde, en
-die voor hem niets waren dan vermenschelijkte en zoo voor de leeken
-verstaanbaar gemaakte eigenschappen van dien éénen god der ingewijden,
-waartoe ook hij behoorde. In hartstochtelijke beweging richtte hij zijn
-hart tot God, doch hij bad niet voor het dochtertje van den Paraschiet
-en hare genezing, maar voor het geheele geslacht dezer verworpelingen
-en zijne verlossing van den ouden banvloek; hij bad dat er licht mocht
-nederdalen in zijn twijfelend gemoed, dat hij kracht mocht ontvangen om
-zijne moeielijke taak verstandig te volbrengen. De kranke volgde hem met
-haren blik, toen hij zijne vroegere plaats weder innam.
-
-Het gebed had den jongen priester goed gedaan en hem de blijmoedigheid
-des geestes wedergegeven. Hij begon nu bij zichzelf te overleggen, welk
-eene houding hij moest aannemen, als hij straks tegenover de prinses
-zou staan. Hij had Bent-Anat gisteren niet voor het eerst ontmoet;
-integendeel, dikwijls had hij haar in de Nekropolis gezien bij plechtige
-optochten en hooge feesten, en evenals al zijne jeugdige medepriesters
-hare trotsche schoonheid bewonderd, bewonderd evenals den glans
-der onbereikbare sterren, of van het gloeiend avondrood aan den
-verren horizon. Thans moest hij deze vrouw te gemoet gaan met eene
-boetpredikatie. Hij stelde zich het oogenblik voor waarin hij
-op haar zou toetreden, en kon niet laten daarbij aan zijn kleinen
-leermeester Choefoe te denken, die hem als knaap uit de laagte zijne
-terechtwijzingen toeriep, daar hij wel twee hoofden langer was dan het
-manneke. 't Is waar, hij was groot en slank, maar het scheen toch als
-zou hij heden tegenover Bent-Anat de potsierlijke rol van zijn meester
-vervullen. De komische snaar zijner ziel, die zeer gevoelig bij hem was,
-werd nu aangedaan, en wilde ook gehoord worden, na zooveel uren van
-hoogen ernst, terwijl zooveel treurigs hem omringde. Het leven is zoo
-rijk aan tegenstellingen, en een mensch, die van nature bijzonder
-vatbaar is voor indrukken, zou bezwijken, evenals een brug onder den
-gelijkmatigen stap van soldaten, wanneer het gewicht van de verhevenste
-gedachten en van een gevoel dat hem overweldigt, met onverstoorde
-gelijkmatigheid op hem bleef werken. Maar evenals in de muziek elke
-grondtoon zijn neventonen heeft, zoo trillen er ook andere snaren in
-ons hart, wanneer wij eene enkele geruimen tijd doen klinken, en soms
-zulke, waarvan wij dit het minst verwacht zouden hebben. Pentaoers
-oogen dwaalden door het eenige sombere vertrek, waaruit de geheele
-Paraschieten-hut bestond. De gansche ruimte was met menschen gevuld, en
-op eens, als een bliksemstraal, vloog de gedachte door zijn hoofd: »hoe
-zal de prinses met haar geheele gevolg hier plaats vinden?"
-
-Pentaoer had eene levendige verbeeldingskracht, die bij deze gedachte
-lustig aan het werk ging. Hij zag hoe de dochter van den pharao, met
-eene schitterende kroon op het trotsche hoofd, niet zonder gedruisch
-deze stille nederige woning binnenkwam; hoe de hovelingen haar volgden
-onder druk gesnap, en de vrouwen van den muur, de artsen van de zijde
-der kranke, ja zelfs de witte glimmende kat van de kast zouden dringen
-waarop zij zat. Wat eene vreeselijke verwarring zou dat zijn! Daarbij
-stelde hij zich voor, hoe de opgeprikte heeren en vrouwen zich op een
-behoorlijken afstand zouden houden van den onreinen, hoe zij de poezele
-handen stijf voor neus en mond zouden drukken, en den oude in het oor
-bijten, op welke wijze hij zich te gedragen had jegens het koningskind,
-dat zich verwaardigde hem te bezoeken. De oude moest het in haren schoot
-liggend hoofd, de Paraschiet de voeten, die hij zoo zorgvuldig gewreven
-had, loslaten en opstaan, om voor Bent-Anat het stof te kussen.
-Daarbij -- het was of de jonge priester dit alles werkelijk zag
-gebeuren -- weken de hovelingen angstig terug, vielen over elkander, en
-verdrongen zich in een hoek van het vertrek. Eindelijk wierp de prinses
-den vader, de moeder, mogelijk ook het dochtertje eenige zilveren en
-gouden ringen in den schoot, en het scheen alsof de hovelingen daarbij
-uitriepen: »Heil zij de genade van de dochter der zon!" en de uit de hut
-gedrongen vrouwen daar buiten dien jubelzang herhaalden. Toen zag hij de
-glansrijke verschijning de woning van den banneling weder verlaten, en
-in plaats van de lieve kranke, die nog hoorbaar ademde, een roerloos
-lijk liggen op de verschoven mat, en de twee die haar nu zoo trouw
-verpleegden vervangen door ongelukkigen, die troosteloos van smart luide
-klachten aanhieven.
-
-Het vurig gemoed van den jongen priester ontvlamde in toorn na dit
-visioen. Zoodra het geluid van den naderenden stoet zich werkelijk deed
-hooren, zou hij zich plaatsen vóor den ingang van de hut, de prinses
-beletten binnen te treden en haar met strenge woorden ontvangen. Wat
-voerde haar hierheen? Menschenliefde kon het moeielijk zijn. »Aan het
-hof heeft men wel wat afwisseling noodig," dacht hij in zichzelf. »Men
-zal verlangen naar wat nieuws, want er gebeurt zoo weinig, nu de koning
-bij het leger is, ver in het buitenland. Door zich naast de kleinen te
-plaatsen wordt de ijdelheid der grooten niet zelden geprikkeld, en men
-hoort de lieden gaarne praten over zijne nederbuigende goedheid. Zulk
-een nietig ongeval komt daar zoo recht van pas, en men acht het de
-moeite niet waard te overwegen, of de manier, waarop men zijne genade
-wil toonen, zulke armzalige lieden geluk zal aanbrengen of nadeel doen."
-
-Verbitterd stond Pentaoer zich op de lippen te bijten, bij deze
-alleenspraak. Hij dacht niet meer aan de verontreiniging, die Bent-Anat
-bedreigde van den Paraschiet, maar alleen aan de ontwijding van de
-heilige gewaarwordingen, die binnen dit stille vertrek in veler zielen
-opwelden, van harentwege. Nu hij zich had opgewonden tot fanatisme, was
-er geen twijfel aan of het zou hem niet aan scherpe woorden ontbreken.
-Gelijk een lichtgeest, die het zwaard opheft om een demon der duisternis
-te treffen, stond hij daar in al zijne lengte met zwoegende borst,
-en spitste de ooren, of hij ook eenig gerucht uit het dal vernam, om
-bijtijds het geroep der voorloopers en het geratel der wielen van den
-pronkwagen, dien hij wachtte, te hooren. Daar zag hij hoe de opening van
-de deur werd verduisterd en eene sterk voorovergebogene menschelijke
-gedaante, met de armen kruiselings over de borst, het vertrek betrad, om
-zich, zonder een woord te spreken, naast de kranke neer te zetten. De
-artsen en de oude man maakten eene beweging als wilden zij opstaan, zij
-gaf echter, zonder de lippen te openen, met hare betraande oogen te
-kennen, dat zij moesten blijven zitten. Lang zag zij de kranke aan met
-liefdevollen blik, terwijl zij den blanken arm zachtkens streek met hare
-hand. Eindelijk wendde zij zich tot de oude vrouw en fluisterde haar
-toe: »Wat is zij schoon!"
-
-De vrouw van den Paraschiet boog toestemmend. Het meisje scheen te
-glimlachen en de lippen te bewegen, als had zij die woorden gehoord en
-als wilde zij spreken. Op eens maakte Bent-Anat eene roos los uit haar
-kapsel en legde die op de borst van de kranke.
-
-De Paraschiet had de voeten van het kind geen oogenblik losgelaten. Toch
-had hij elke beweging van de prinses gevolgd en sprak thans met zachte
-stem: »Hathor, die u schoonheid gaf, moge u dit vergelden!"
-
-De koningsdochter richtte zich nu tot hem en zeide, terwijl zij naast
-het meisje geknield bleef: »Vergeef mij, dat ik tegen mijne bedoeling u
-zooveel smart veroorzaak."
-
-De oude had deze woorden niet verstaan, of hij liet de voeten der kranke
-los en vroeg met heldere luide stem: »Zijt gij Bent-Anat?"
-
-»Ik ben het," antwoordde de prinses met gebogen hoofd, doch nauwelijks
-hoorbaar, als schaamde zij zich haar verheven naam uit te spreken.
-
-De oogen van den Paraschiet schoten vuur. Na een oogenblik zeide hij
-zacht, maar op stelligen toon: »Zoo verlaat dan mijne hut, want zij zal
-u verontreinigen."
-
-»Neen, niet voordat gij mij vergeven hebt, wat ik zonder opzet heb
-gedaan!"
-
-"Zonder opzet gedaan," herhaalde de Paraschiet, »dat geloof ik! De
-hoeven uwer paarden werden zeker onrein, toen ze deze blanke borst
-vertraden! Daar, zie!" -- en hij nam den doek weg en wees op de groote
-roode wond, -- »ziehier, dit is de eerste roos, die gij mijne
-kleindochter op den boezem hebt gelegd, en die tweede -- dáar!"
-
-De Paraschiet had den arm reeds opgeheven om de bloem door de deur uit
-zijn hut te smijten. Doch Pentaoer was op hem toegetreden en greep zijne
-hand met zijn ijzeren vuist. »Halt!" riep hij met bevende stem, zich
-zooveel mogelijk inhoudende om der kranke wil. »Hebt gij, omdat uw hart
-zich zoo diep gekrenkt voelt, in uwe kortzichtigheid de derde roos niet
-opgemerkt, die deze edele hand u heeft toegereikt? Toch is het geschied.
-Gij moest haar kennen, al ware het enkel omdat gij allermeest behoefte
-hebt aan deze bloem, ja smachtend naar haar verlangt. De fiere vorstin
-heeft de vriendelijke bloem der reine menschenliefde uw kind op het
-hart en u aan de voeten gelegd. Niet met goud maar met deemoed is zij
-tot u gekomen, en wien de dochter van Ramses zóo als haars gelijke
-nadert, hij buige zijn hoofd, al mocht hij ook de eerste vorst in
-dit land zijn. Waarlijk, de goden zullen die daad van Bent-Anat niet
-vergeten. Daarom vergeef haar, indien gij wilt dat u de schuld vergeven
-zal worden, die gij draagt als erfdeel uwer voorvaderen en door uwe
-eigene ongerechtigheid!"
-
-Onder deze woorden had de Paraschiet het hoofd gebogen; toen hij het
-weder ophief, was zelfs de laatste zweem van toorn uit zijn fijn gevormd
-gelaat verdwenen. Hij wreef zijn pols, die nog den stevigen druk van
-Pentaoer's vingers voelde, en sprak met eene stem, waarin hij al de
-bitterheid zijner ervaringen scheen te leggen: »Uwe vuist is hard,
-priester, en uwe woorden treffen mij als mokerslagen. Deze schoone vrouw
-is ook goed en liefderijk, en ik weet wel, dat zij haar paarden niet
-opzettelijk over dit meisje heeft gejaagd, dat mijn kleinkind, niet
-mijne dochter is. Ware zij de vrouw van u of van dezen arts, of wel een
-kind van het arme schepsel tegenover mij, dat haar levensonderhoud moet
-vinden door de vederen en de pooten op te zamelen van de vogels, die bij
-de offeranden worden geslacht, ik zou haar niet alleen vergeven maar
-haar troosten, want zij zou zich even ongelukkig gevoelen als ik. Het
-noodlot had haar dan buiten haar schuld, tot eene moordenaresse gemaakt,
-gelijk het mij reeds als zuigeling den stempel der onreinheid op het
-voorhoofd heeft gedrukt. Ja, ik wilde haar troosten! En ik ben zoo
-ongevoelig niet! Heilige Trias van Thebe[49], hoe zou ik het ook kunnen
-zijn! Groot en klein gaat voor mij uit den weg, om niet met mij in
-aanraking te komen. Dagelijks werpt men mij met steenen, wanneer ik
-verricht heb, wat tot mijn ambt behoort[50]. Trouwe plichtsvervulling
-geeft anderen niet alleen het dagelijksch brood, maar vreugde en eer
-bovendien, terwijl mij telkens niet anders ten deel valt dan nieuwe
-smaad en pijnlijke wonden. Doch ik ben op niemand boos; ik heb moeten
-vergeven en weder vergeven en nog eens vergeven, tot eindelijk alles wat
-men mij aandeed natuurlijk scheen en onvermijdelijk, zoodat ik het mij
-liet welgevallen, als de brandende hitte in den zomer, en het stof dat
-de westewind mij in het aangezicht waait. Aangenaam was het mij niet;
-maar wat zou ik er tegen doen? Alleen vergeef ik...."
-
- [49] Amon, Moeth en Choensoe.
-
- [50] "Dan snijdt de Paraschiet met een Ethiopischen steen zoover
- door het vleesch van het lijk, als de wet voorschrijft. Terstond
- loopt hij echter in allerijl weg, en de aanverwanten van den
- gestorvene vervolgen hem met steenen en vloeken, als wilden zij
- de schuld op hem wentelen." Diodorus, I, 91.
-
-De stem van den Paraschiet was week geworden, en Bent-Anat, die innig
-geroerd op hem neerzag, viel hem in de rede door vol gevoel te zeggen:
-»Arme man! Vergeef dan ook mij!"
-
-De grijsaard zag met voordacht niet haar maar Pentaoer aan, toen hij
-antwoordde: »Arme man! Ja, dat zegt gij wel, arme man! Gij hebt mij
-uit de maatschappij gebannen, waarin gij leeft, en zoo heb ik deze hut
-ingericht tot eene wereld voor mij alleen. Ik behoor niet onder ulieden,
-en als ik dat vergeet, verjaagt gij mij als een ongenoode gast, ja, als
-een wolf, die in uwe schaapskooi inbreekt. Maar gij behoort evenmin bij
-mij. Toch moet ik het verdragen, als gij den wolf wilt spelen en mij
-overvallen."
-
-»Als eene smeekelinge echter, en met de heilige begeerte u goed te doen,
-betrad de prinses uwe woning," hernam Pentaoer.
-
-»De straffende goden," riep de oude, »mogen dit op hare rekening
-afschrijven, wanneer zij haar doen misgelden, wat haar vader jegens mij
-misdreven heeft. Misschien brengt het mij in de steengroeve, maar zeggen
-wil ik het toch: zeven zonen heb ik gehad en Ramses heeft ze allen
-van mij weggenomen en ter dood gevoerd. Het kind van den jongste, dit
-meisje, de eenige zonneschijn in mijne sombere hut, wordt nu vermoord
-door zijne dochter. Drie van mijne knapen liet de koning van dorst
-versmachten onder den dwangarbeid aan den Thenat[51], die den Nijl met
-de Schelfzee verbinden moest; drie liet hij vallen door het zwaard der
-Ethiopiërs, en de laatste, mijn oogappel, is nu misschien een aas voor
-de hyena's in het Noorderland."
-
- [51] Letterlijk: de doorsteek. Het eerste Suez-kanaal wordt
- bedoeld, dat door Seti I, den vader van Ramses, werd aangelegd,
- en waarvan wij nog eene afbeelding bezitten op den noordelijken
- buitenmuur van den tempel van Karnak. Het had ongeveer de
- richting van het door De Lesseps gegraven zoetwater-kanaal, en
- maakte het land van Gosen zoo bijzonder vruchtbaar. Mogelijk
- verbond het ook in noordelijke richting de meeren op de
- landengte van Suez.
-
-Bij deze ontboezeming barstte de oude vrouw, in wier schoot het hoofd
-der kranke nog altijd rustte, in luid gejammer uit. Ook de andere
-vrouwen begonnen te klagen.
-
-De kranke richtte zich met schrik overeind, opende de oogen en vroeg
-zacht: »Over wien klaagt gij?"
-
-»Over uw armen vader," zeide de oude.
-
-Toen begon het meisje te lachen, evenals een kind dat men uit aardigheid
-misleiden wil, en sprak: »Is mijn vader dan nog niet bij u geweest? Hij
-is toch hier in Thebe, en heeft mij gezien en gekust. Hij zeide mij dat
-hij buit medebrengt, en dat gij het van nu aan goed zult hebben. Ik bond
-den gouden ring, dien hij mij schonk, in mijn kleedje, juist op het
-oogenblik dat de wagen op mij kwam aanrennen. Ik trok nog aan de knoop,
-toen alles zwart werd voor mijne oogen en ik niets meer zag en hoorde.
-Maak nu den knoop maar los, grootmoeder, die ring is voor u. Ik wilde
-hem u brengen. Gij moet er een offerdier voor koopen en wijn voor
-grootvader, en oogzalf[52] voor u en mastiktakken[53], die gij zoolang
-hebt moeten missen."
-
- [52] Egyptisch: Mestem, d.i. stibium of spiesglas, dat reeds
- zeer vroeg uit Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt
- werd.
-
- [53] De takken van den mastikboom worden nog heden, om den
- aangenamen smaak, gaarne door de Egyptische vrouwen gekauwd. De
- oude Egyptenaars gebruikten allerlei soort van mondpillen. Men
- kan er recepten van vinden in den papyrus-Ebers.
-
-Het was alsof de Paraschiet elk woord van de lippen zijner kleindochter
-als kostbare paarlen opving. Wederom hief hij zijn rechterhand biddend
-ten hemel, en wederom merkte Pentaoer op, hoe zijn blik samensmolt met
-dien zijner vrouw. Een groote, heete traan welde in zijn oog en biggelde
-langs zijne wang op de vereelte hand. Toen kromp hij weer pijnlijk
-ineen, want hij meende, dat de kranke een droomgezicht had gehad.
-Maar -- daar zat de knoop in haar rokje. Met bevende hand maakte hij
-dien los, een gouden ring rolde op den grond.
-
-Bent-Anat raapte dien op, reikte hem den Paraschiet over en zeide: »In
-een gelukkig oogenblik ben ik tot u gekomen, want gij hebt een zoon
-terug ontvangen en uw kleindochtertje zal leven!"
-
-»Ja, zij zal leven!" herhaalde de arts, die de stomme getuige was
-geweest van alles wat hier gebeurde.
-
-»Zij zal bij ons blijven," lispelde de oude en zeide, terwijl hij de
-prinses op zijne knieën naderde en haar smeekend met zijne van tranen
-vochtige oogen aanzag: »Vergeef mij, gelijk ik u vergeef, en wanneer
-eene vrome wensch niet tot een vloek wordt op de lippen van een
-verworpeling, laat mij u dan zegenen."
-
-»Ik dank u," zeide Bent-Anat, terwijl de oude zegenend zijne handen
-ophief. Zij wendde zich hierop tot den arts, beval hem de kranke
-zorgvuldig te verplegen, boog zich over haar heen, kuste haar op het
-voorhoofd, legde haar gouden armband naast het kind neder, en gaf
-Pentaoer een wenk om met haar de hut te verlaten.
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-
-Terwijl dit alles in de hut voorviel, waren de gids des konings en de
-jonge vrouw van den wagenmenner Mena gedwongen op de prinses te wachten.
-De zon had juist haar middaghoogte bereikt, toen Bent-Anat den tuin
-van den Paraschiet binnenging. De naakte kalkrotsen aan beide zijden
-van het dal, en de zandige bodem daartusschen schitterden met zulk een
-verblindende glans, dat het de oogen pijn deed. Er was geen handbreed
-schaduw te zien, en de waaierdragers, ook van het tweetal dat hier moest
-toeven, waren op bevel der prinses bij den wagen en den draagstoel
-achtergebleven. Beiden stonden een tijdlang zwijgend naast elkander; ten
-laatste zeide de schoone Nefert, terwijl zij hare ovale oogen vermoeid
-opsloeg: »Wat blijft Bent-Anat lang bij dien onreine! Ik verschroei
-hier. Wat zullen wij aanvangen?"
-
-»Wachten!" sprak Paäker, keerde Nefert den rug toe, klom op een
-rotsblok, dat aan een der wanden uitstak, deed met zijn geoefend oog,
-dadelijk een verkenning, kwam tot haar terug en zeide: »Ik heb een
-beschaduwd plekje gevonden. Dáar!"
-
-De vrouw van Mena keek in de richting, waarin hij wees en schudde
-ontkennend met haar kleine hoofd. De gouden sieraden van haar kapsel
-klingelden daarbij even hoorbaar tegen elkander, en eene koude huivering
-deed haar teeder lichaam beven, ondanks de gloeiende middaghitte.
-
-»Sechet[54] woedt in den hemel," sprak Paäker. »Maak gebruik van dit
-schaduwrijk plekje, al is het klein. Op dit uur werd reeds zoo menigeen
-doodelijk getroffen."
-
- [54] De godin met den kop van eene leeuwin of kat, waarop
- meestal de zonneschijf met de slang is te zien. Zij wordt eene
- dochter van Ra genoemd en aan de kroon haars vaders is zij als
- Uraeus-slang de verpersoonlijking van den moordenden gloed der
- zon. In het menschelijk leven verbeeldde zij den gloeienden
- en wilden hartstocht der liefde. Als kat of met den kop eener
- leeuwin snijdt zij brandende wonden in de ledematen der
- schuldigen, zoodra zij in de onderwereld zijn. Hare geschenken
- zijn dronkenschap en zinnelijken lust. Zij wordt ook Bast, en
- naar hare Phoenicische zustergodheid Astarte genaamd.
-
-»Dat weet ik," antwoordde Nefert, en zij bedekte haar hals met hare
-handen. Daarop richtte zij hare schreden naar twee rotsplaten, die tegen
-elkander leunden als de bladen van een kaartenhuis. Dat was het bedoelde
-plekje, maar weinige voeten breed, dat tegen de zon eenige beschutting
-aanbood.
-
-Paäker liep voor haar uit, wentelde een vierkant met vuursteen vermengd
-blok kalksteen naar deze steenen tent, verpletterde eenige schorpioenen,
-die hier eene schuilplaats hadden gezocht, en spreidde zijn hoofddoek
-over deze harde zitplaats uit, zeggende: »Hier zijt gij beschut."
-
-Nefert zette zich op den steen neder en keek den Mohar na, die langzaam
-en zwijgend voor haar op en neder ging. Dit onophoudelijk heen en weder
-wandelen van haar metgezel werd ten laatste onverdraaglijk voor hare
-gevoelige en overprikkelde zenuwen. Daarop riep zij, na het hoofd
-ijlings te hebben opgeheven, dat tot hiertoe op haar hand had gerust:
-»Wat ik u bidden mag, blijf toch staan!"
-
-De gids gehoorzaamde terstond en keek naar het huis van den Paraschiet,
-terwijl hij haar den rug toekeerde.
-
-Na eenige oogenblikken pauze zeide Nefert: »Spreek toch een woord tot
-mij!"
-
-Toen draaide de Mohar zijn breed gezicht naar haar toe, en zij schrikte
-van den wilden gloed, die haar tegenstraalde uit den blik waarmede hij
-haar aanzag.
-
-Nefert sloeg hare oogen neder. De gids antwoordde alleen: »Ik zwijg
-liever." Daarop zette hij zijne wandeling voort, totdat de vrouw van
-Mena hem op nieuw toesprak.
-
-»Ik weet," zeide zij, »dat gij boos op mij zijt. Doch ik was nog maar
-een kind, toen ze mij met u verloofd hebben. Ben ik dan niet goed voor
-u geweest? Als uwe moeder mij bij onze kinderlijke spelen uw klein
-vrouwtje noemde, was ik werkelijk blijde, en dacht ik hoe heerlijk het
-zijn zou, wanneer ik uw huis, dat gij toch voor mij zoo prachtig deed
-vernieuwen, toen uw vader gestorven was, en uw schoonen tuin, en uwe
-edele paarden in uwe stallen, en al uwe slaven en slavinnen mijn
-eigendom zou mogen noemen."
-
-Paäker lachte, maar die lach klonk zóo gedwongen en beleedigend, dat het
-Nefert door de ziel sneed, en zij zacht voortging, op een toon alsof
-zij om verschooning vroeg: »Het heet dat gij boos zijt op ons, en nu
-verstaat gij mijne woorden zóo, alsof het mij om uwe rijke erfenis te
-doen was geweest. Maar ik heb u immers reeds gezegd, dat ik altijd veel
-van u hield. Herinnert ge u dan niet meer, hoe ik met u geweend heb om
-de kwade jongens in de school, en om de strengheid, uws vaders? Toen
-stierf uw oom --; gij zijt naar Azië vertrokken...."
-
-»En gij," viel Paäker haar hard en scherp in de rede, »hebt die
-verloving verbroken, en zijt de vrouw geworden van Mena, den
-wagenmenner. Dat alles weet ik; waartoe het weder opgehaald?"
-
-»Omdat het mij leed doet, dat gij op mij toornig zijt en uwe goede
-moeder ons huis mijdt. Kondet ge maar begrijpen wat het is, wanneer de
-liefde eens in iemands borst ontwaakt en hem zoo geheel vervult, dat men
-zich niet meer alleen kan denken maar altijd bij en met en in de armen
-van een ander; wanneer het kloppen van ons hart ons in den slaap doet
-ontwaken, en wij zelfs in den droom niets anders zien dan dien eenige!"
-
-»En dat zou ik niet geweten hebben!?" riep Paäker, terwijl hij de armen
-over elkander sloeg en vlak voor haar ging staan. »Ik zou dat niet
-geweten hebben? Alsof gij het dan niet geweest waart, die mij dit gevoel
-deedt kennen! Zoo vaak ik aan u dacht, was het mij of niet langer bloed
-maar gloeiend vuur mij door de aderen stroomde, die gij thans met gif
-hebt gevuld. Hier in deze borst, waarin uw beeld zich nog lieflijker
-vertoonde dan dat van Hathor in het allerheilige, ziet het er uit als op
-die zee in het land der Syriërs, die zij de doode noemen, die zee waarin
-alles sterft en elke levenskiem wordt verstikt."
-
-Paäkers oogen rolden bij deze woorden door zijn hoofd; driftiger klonk
-zijn stem, toen hij voortging: »Maar Mena staat dicht bij den koning,
-dichter dan ik, en uwe moeder...."
-
-»Mijne moeder," viel Nefert den toornige in de rede, en hare woorden
-getuigden van hevige gemoedsbeweging, »mijne moeder heeft geen
-echtgenoot voor mij gekozen. Ik zag Mena toen hij, als ware hij de
-zonnegod, op den wagen des konings daarheen reed. Hij merkte mij op en
-zag mij aan, en zijn blik drong als een lans in mijn hart. Toen hij mij
-aansprak op 's konings verjaardag, was het mij alsof de Hathors mij met
-lieflijk klinkende snaren van gouden zonnestralen omweefden. En Mena
-gevoelde hetzelfde; hijzelf heeft het mij gezegd, toen hij de mijne was
-geworden. Om uwentwil sloeg mijne moeder zijn aanzoek af. Ik werd echter
-bleek en mager van verlangen naar hem, en hij verloor zijn frisschen
-moed en werd zoo treurig, dat het den koning in het oog viel, die hem
-vroeg wat hem toch zoo nederdrukte. Want Ramses heeft hem lief als zijn
-eigen zoon. Mena heeft den pharao bekend, dat de liefde zijne oogen
-verduisterde en zijne sterke handen verlamde, en nu deed de koning
-zelf aanzoek om mijne hand voor zijn trouwen dienaar. Mijne moeder
-gaf eindelijk toe en wij werden man en vrouw. Al het genot, dat de
-gezaligden smaken in de Aäloe-velden[55], is flauw en armelijk bij de
-zaligheid, waarin wij ons baadden, niet als sterfelijke menschen, maar
-als hemelsche goden."
-
- [55] De velden der gelukzaligen (Elysium) bestemd voor de
- verheerlijkte geesten. In het Doodenboek ziet men hoe de
- gelukzaligen daar bij koele wateren zitten, zaaien en oogsten.
-
-Nefert had onder deze laatste woorden als eene verheerlijkte haar
-blikken naar den hemel gericht. Nu sloeg zij de oogen neder en vervolgde
-op zachten toon: »Daar braken de Cheta[56] den vrede! De koning toog ten
-krijg en Mena met hem. Vijftienmaal was de maan opgegaan over ons geluk,
-en toen..."
-
- [56] De Arameërs, volgens de hoogstwaarschijnlijke uitlegging
- van Schrader. De volken van westelijk Azië hadden zich, in den
- tijd van dit verhaal, met hen vereenigd.
-
-»En toen verhoorden de goden mijn gebeden namen mijn offer aan,"
-vervolgde Paäker met bevende stem, »en rukten den roover van mijn geluk
-van uwe zijde weg, en verteerden uw hart en het zijne door de vlammen
-van het heimwee. Meent gij dat ge mij iets nieuws kunt vertellen? Nog
-eens was Mena vijftien dagen bij u; daarna is hij niet wedergekeerd uit
-den krijg, die in Azië hevig woedt."
-
-»Maar hij zal wederkeeren," riep de jonge vrouw.
-
-»Misschien ook niet!" zeide Paäker lachend. »De Cheta voeren scherpe
-wapenen en op den Libanon zijn vele gieren, die misschien in deze ure
-zijn lichaam verscheuren, gelijk gij mijn hart hebt vaneengereten."
-
-Nefert stond op. Deze taal trof hare fijngevoelige ziel, alsof zij door
-eene ruwe hand met een steen werd getroffen. Zij deed eene poging om
-hare schaduwrijke schuilplaats te verlaten en de prinses te volgen
-in het huis van den Paraschiet. Doch hare voeten weigerden haar den
-dienst, en bevend zonk zij weder op haar steenen zitplaats neer. Zij
-zocht woorden, maar haar tong scheen verlamd. Zij gevoelde zich zoo
-beklemd en verlaten, en te gelijk zoo diep verontwaardigd. In dezen
-onbeschrijfelijken toestand begaven haar de laatste krachten. Allerlei
-pijnlijke gewaarwordingen wisselden elkander af in haar binnenste,
-als woeste onstuimige golven, die al hooger en hooger stegen, haar de
-ademhaling bijna belemmerden en zich eindelijk lucht gaven in een hevig
-krampachtig snikken, dat haar geheele organisme schokte. Zij zag, zij
-hoorde niets meer; zij kon alleen bittere tranen schreien en gevoelen
-hoe diep ongelukkig zij was.
-
-Paäker stond zwijgend tegenover haar.
-
-Er zijn in het zuiden boomen, waaraan men naast verdroogde vruchten
-witte bloesems ziet hangen. Er zijn dagen waarop zich, te gelijk met
-de heldere zon, de bleeke sikkel der maan aan den hemel vertoont. Zoo
-gebeurt het soms, dat een menschelijk hart liefde en haat tegelijk
-gevoelt, en wel voor hetzelfde voorwerp. Neferts tranen vielen als dauw,
-hare diepe zuchten als manna in de naar wraak dorstende en hongerende
-ziel van den gids. Hij genoot van hare smart, en toch vervulde de
-aanblik harer edele gestalte hem met hartstochtelijke liefde, en werden
-zijne blikken als gekluisterd door hare lichamelijke schoonheid. Hij zou
-er de hemelsche zaligheid voor over hebben gehad, om haar nog slechts
-eens in zijne armen te mogen drukken, om nog eene enkele maal het woord
-der liefde van hare lippen op te vangen.
-
-Na eenige pijnlijke minuten hield Nefert op te weenen. Met matten, bijna
-onverschilligen blik zag zij den Mohar aan, die nog altijd voor haar
-stond, en vroeg op zacht smeekenden toon: »Mijne tong verdroogt; haal
-mij toch een weinig water!"
-
-»De prinses kan ieder oogenblik terugkeeren," antwoordde Paäker.
-
-»Maar ik versmacht," zeide Nefert, en begon opnieuw in stilte te weenen.
-
-Paäker haalde de schouders op en ging toen dieper het dal in, dat hij
-zoo goed kende als het huis zijns vaders. Daar toch lagen de graven van
-de voorvaderen zijner moeder, waarin hij als knaap bij volle en nieuwe
-maan gebeden had opgezegd en gaven op het altaar gelegd. Het was hem
-verboden de hut van den Paraschiet te betreden, maar hij wist dat nog
-geen honderd schreden van de plaats waar Nefert zat eene oude vrouw
-woonde, wier naam in slechten reuk stond. In haar rotshol zou wel een
-dronk water zijn te vinden. Half waanzinnig door alles wat er sedert de
-laatste minuten in zijne ziel was omgegaan en wat zijne oogen hadden
-gezien, vloog hij weg. Het was of zijn denkvermogen stilstond door de
-hartstochtelijke beweging van zijn bloed.
-
-Hij vond de deur, die het hol van de oude bij nacht moest beschermen
-tegen de overvallen van roofgierige jakhalzen, wijd open. De bewoonster
-zat onder een bruin, gescheurd stuk zeildoek, dat aan den eenen kant aan
-de rots en aan den anderen aan twee ruwe stokken was vastgemaakt. Zij
-zocht een hoop lichte en donkere worteltjes uit, die in haar schoot
-lagen. Naast haar zag men een rad, dat tusschen een hooge houten gaffel
-draaide. Een kwikstaart, die aan een kettinkje vastzat, hield het in
-voortdurende beweging, doordat hij van de eene spaak op de andere
-sprong[57]. Een groote kater, zoo zwart als kool, zat naast haar te
-spinnen, en berook de koppen van raven en uilen, wie even te voren de
-oogen waren uitgestoken. Boven de deur merkte men twee in elkander
-gedoken sperwers op. De rook van verbrandde jeneverbessen, waardoor de
-uitwasemingen van allerlei vreemdsoortige bestanddeelen, hier aanwezig,
-onschadelijk moesten worden gemaakt, drong uit het hol naar buiten.
-
- [57] Naar de Idylle van Theocritus: De tooveres.
-
-Toen Paäker naderde riep het wijf vragend naar binnen: »Kookt het was?"
-
-Een onverstaanbaar gebrom liet zich als antwoord hooren.
-
-»Doe er dan de apenoogen en de ibisvederen, en de linnen-lappen met de
-zwarte tooverteekens in[58]. Roer nog wat! Doof nu het vuur uit! Neem
-een kruik en haal water! Kom, haast je wat! Daar komt een bezoeker."
-
- [58] Spreekwijzen en toovermiddelen van heksen, voorkomende
- in een magischen papyrus. De door Chabas uitgegeven =Papyrus
- magique Harris= is ongeveer uit den tijd van ons verhaal
- afkomstig. Ook is hier gebruik gemaakt van den door Dr. Leemans
- uitgegeven magischen papyrus, die op het Leidsche Museum wordt
- gevonden, en van den toover-papyrus (in 't Grieksch) te Berlijn
- aanwezig, in het licht gegeven door Parthey.
-
-Terstond kwam eene donkerzwarte negerin, die een gescheurden kleurloozen
-lap om haar magere lenden had geslagen, naar buiten. Zij zette een
-grooten aarden pot op haar grauw kroeshaar en ging Paäker voorbij,
-zonder hem, juist toen hij bij het hol kwam, aan te zien. De oude, een
-rijzige, maar door ouderdom gekromde vrouw, met een gelaat dat mogelijk
-eens schoon was geweest, doch zich nu vol rimpels en scherpe plooien
-vertoonde, maakte toebereidselen om den gids te ontvangen, daar zij een
-bonten doek over het hoofd bond, haar blauw-wollen kleed onder den hals
-dichttrok, en eene uitgerafelde mat over de raven- en uilenkoppen wierp.
-Paäker riep haar toe, doch zij hield zich doof en deed alsof zij hem
-niet hoorde. Eerst toen hij vlak bij haar stond, sloeg zij hare slimme
-bliksemende oogen op en sprak: »Een geluksdag, een witte dag, die hooge
-gasten brengt en groote eer!"
-
-»Sta op," zeide Paäker tot het wijf op bevelenden toon, zonder haar te
-groeten, maar een zilveren ring[59] midden onder de wortelen in haar
-schoot werpende, »en geef mij voor goed geld wat water in eene zuivere
-kom."
-
- [59] De Egyptenaars hadden vóor Alexander en de Ptolemeërs geen
- munt. Zij wogen het metaal, waaraan zij gewoonlijk den vorm van
- ringen gaven.
-
-»Mooi, echt zilver," hernam de oude, terwijl zij den ring, dien zij
-haastig uit de wortelen te voorschijn had gehaald, dichter onder hare
-oogen hield. »Dat is te veel voor water alleen, en te weinig voor mijne
-kostelijke dranken."
-
-»Wauwel niet, bedelaarster, maak voort!" riep Paäker, terwijl hij een
-tweeden ring uit zijn zak haalde en in haar schoot wierp.
-
-»Gij hebt eene milde hand," zeide de oude, en dat in zuivere taal,
-zooals onder de hoogere standen werd gesproken. »Vele deuren zullen zich
-voor u openen, want het goud is een looper die in alle sloten past. Gij
-wilt water voor die mooie ringen? Moet het dienen tegen schadelijke
-dieren, of wilt gij er een ster van den hemel door doen nederdalen?
-Misschien wenscht gij geheime paden te leeren kennen, want het is uw
-ambt den weg te wijzen. Zal het koud maken wat warm is, en het koude
-weder heet? Moet het in staat stellen in de harten te lezen en lieflijke
-droomen te verwekken? Begeert gij het water der kennis, om te zien of
-uw vriend dan wel uw vijand -- ha! uw vijand sterven zal? Wilt gij
-een dronk hebben om uw geheugen te versterken? Of zal mijn water u
-onzichtbaar maken? Moet het ook den zesden teen van uw linkervoet
-wegnemen?"
-
-»Gij kent mij dan?" vroeg Paäker.
-
-»Hoe zou ik?" vroeg de heks. »Maar ik heb scherpe oogen, en weet
-uitnemend water te bereiden voor geringen en aanzienlijken!"
-
-»Praatjes!" riep Paäker ongeduldig, en greep naar de zweep in zijn
-gordel. »Maak voort, want de vrouw voor wie...."
-
-»Gij verlangt water voor eene vrouw?" viel de oude den Mohar in de rede.
-»Had ik dat kunnen denken! In den regel vragen de oude heeren meer naar
-de liefdedranken dan de jonge. Doch ik kan u hiermede dienen; ik zal u
-helpen."
-
-De oude ging na deze woorden in haar hol, en kwam een oogenblik daarna
-terug met een dun cylindervormig albasten fleschje in de hand. »Dit is
-het fleschje," zeide zij, terwijl zij het den gids toestak. »De helft
-moet in het water gegoten en aan de vrouw gegeven worden. Helpt het niet
-bij den eersten dan toch zeker bij den tweeden keer. Een kind kan het
-water drinken, zonder dat het kwaad zal doen, en een grijsaard wordt er
-vroolijk van. Daar, ik zal het u voorproeven!" -- En zij bevochtigde
-hare lippen met de witte vloeistof. »Het schaadt niet. Meer neem ik er
-toch niet van, anders mocht de oude heks eens verliefd op u worden, en
-dat zou het rijke heertje slecht bevallen, ha, ha! Helpt het drankje
-niet, dan ben ik genoeg betaald. Helpt het, dan brengt ge mij nog drie
-gouden ringen. En gij zult terugkomen, dat weet ik!"
-
-Paäker had de heks roerloos aangehoord, maar nu greep hij zoo driftig
-naar het fleschje, als moest hij een machtigen tegenstander gaan
-overwinnen. Hij duwde het in zijn geldzak, wierp het wijf nog eenige
-ringen voor de voeten, en eischte andermaal, maar spoedig, een zuivere
-kan vol Nijlwater.
-
-»Heeft mijnheer zoo'n haast?" prevelde de oude, terwijl zij het hol
-weder binnenging. »Hij vraagt mij of ik hem ken? =Hem= zeker! Maar zijn
-schatje? Waar mag het hier ergens verscholen zijn? Misschien de kleine
-Warda van den Paraschiet daarginds! Zij is mooi genoeg; maar zij ligt nu
-half verpletterd op de mat en sterft. Wij willen zien wat dat heertje
-voorheeft. Hij beviel mij niet toen ik jonger was; hij zal echter toch
-zijn doel bereiken, want hij is taai en ontziet niets."
-
-Terwijl zij deze en dergelijke woorden bij zich zelve mompelde,
-vulde zij eene nette schaal van verglaasd aardewerk, met gefiltreerd
-Nijlwater, dat zij uit een groote poreuze kruik schonk, legde op het
-heldere vocht een laurierblad, waarin twee met zeven strepen verbonden
-harten gekrast waren, en kwam er mede naar buiten.
-
-Toen Paäker de schaal van haar aannam en het laurierblad bekeek, zeide
-de heks: »Reeds dit verbindt de harten. Drie is de man, vier is de
-vrouw, zeven het ondeelbare Chaach, chachach charcharachacha"[60].
-
- [60] Galimatias of wartaal uit een Berlijnschen toover-papyrus.
-
-De heks zong dit bezweringsformulier niet zonder kunst, maar de Mohar
-scheen naar haar wartaal niet te luisteren, althans hij ging voorzichtig
-het dal weder in, en richtte zijne schreden naar de plaats waar de vrouw
-van Mena uitrustte. Vóor de rotsen, die hem voor Nefert onzichtbaar
-maakten, bleef hij staan, zette de schaal op een vlakken steen en haalde
-het fleschje met den liefdedrank uit zijn gordel. Zijne vingers beefden;
-zijne hersenen schenen beneveld door bedwelmende dampen; in zijne borst
-weerklonken wel duizend stemmen, die hem juichend schenen toe te roepen:
-»Grijp toe, handel, gebruik den drank, nu of nooit!" -- Hij was temoede
-als een eenzaam wandelaar, die op zijn pad het testament vindt van een
-gestorven bloedverwant, op wiens vermogen hij hoopt, het testament
-waarin hij onterfd wordt. Zal hij het den rechter overleveren, of zal
-hij het verscheuren?
-
-Paäker was niet alleen een uitwendig vrome, maar had ook tot dusver
-gemeend in alles naar de voorschriften van den voorvaderlijken
-godsdienst te handelen. Echtbreuk was eene zware zonde. Maar had hij dan
-op Nefert geene oudere rechten dan de koninklijke wagenmenner? Wie zich
-met de zwarte kunst inliet, moest volgens de wet met den dood worden
-gestraft[61], en het wijf stond ter kwader naam bekend, wegens haar
-ellendig beroep. Doch had hij haar dan om die liefdedrank gevraagd?
-Was het niet mogelijk dat de zielen zijner afgestorvenen, dat de goden
-zelven, vermurwd door zijne gebeden en offers, bij toeval, ja, als
-door een wonder, hem het toovermiddel in handen hadden gegeven, aan de
-werking waarvan hij geen oogenblik twijfelde? Zijne metgezellen hielden
-hem voor een man, die spoedig besloten was, en in moeilijke gevallen
-handelde hij inderdaad met buitengewone voortvarendheid. Wat hem daarbij
-leidde was echter niet het bewijs van eene vlugge en gezonde werking
-zijner hersenen, maar meestal het gevolg van de uitkomst van een vraag-
-en antwoordspel. Want verschillende amuletten hingen om zijn hals en aan
-zijn gordel, alle door de hand eens priesters gewijd. Het waren voor hem
-bijzonder heilige voorwerpen van hooge waarde. Bleef het oog van den
-lazuursteen, dat met een gouden keten aan zijn gordel hing, wanneer men
-het op den grond wierp, zóó liggen, dat de gegraveerde zijde naar
-den hemel zag en de gladde onder lag, dan zeide het »ja", en in het
-omgekeerde geval »neen". In zijn geldtasch had hij altijd het beeldje
-van den god Apheroe met den kop van een jakhals[62], den god die de
-wegen opent. Zoo vaak hij aan een kruisweg kwam, wierp hij dit beeldje
-voor zich uit en volgde hij de richting, naar welke de spitse snuit
-van den kop heenwees. In de meeste gevallen riep hij de hulp in van
-den zegelring van zijn overleden vader, een oud familiestuk, dat de
-opperpriester van Abydus op het heiligste onder de veertien graven van
-Osiris[63] gelegd en met wonderkracht toegerust had. Deze bestond uit
-een gouden hand met eene breede zegelplaat, waarin men den naam kon
-lezen van den sedert lang vergoodden Thotmes III, door wien het kleinood
-aan Paäkers voorvaderen was geschonken. Als hij tot dien ring vragen
-wilde richten, raakte de Mohar met de punt van zijn bronzen dolk de
-gegraveerde naamteekens aan, waarvan drie betrekking hadden op de
-godheid, terwijl de andere de afbeeldingen waren van profane voorwerpen.
-Trof nu de punt een der eerste teekens, dan, meende hij, was
-zijn Osiris-geworden vader het eens met zijn voornemen; in het
-tegenovergesteld geval liet hij het varen. Dikwijls drukte hij den ring
-tegen zijn hart en wachtte dan op het eerste levende wezen, dat hij zou
-ontmoeten. Kwam het van zijne rechterzijde, dan hield hij het voor een
-opwekkenden, kwam het van zijne linker, voor een waarschuwenden bode
-zijns vaders.
-
- [61] Volgens den papyrus-Lee en Rollin. Vgl. Birch, =Sur un
- papyrus magique= (Revue archéol. 1863); Chabas, =Papyrus magique
- Harris=; Devéria, =Papyr judiciaire de Turin=.
-
- [62] Een bijzondere vorm van Anubis. Hij was de plaatselijke god
- van Lykopolis, het tegenwoordige Sioet.
-
- [63] Typhon had het lijk van Osiris in veertien stukken gesneden
- en deze over Egypte verspreid. Waar Isis er een vond, daar
- richtte zij een grafteeken op voor haar gemaal. Geen dier graven
- was in den lateren tijd zoo heilig als dat van Abydus, waarheen
- ook voorname Egyptenaars hunne mummies lieten brengen, om in de
- nabijheid van Osiris te rusten.
-
-Langzamerhand had Paäker in dit vragen een zeker stelsel gebracht. Al
-wat hij in de natuur ontmoette, bracht hij in verband met zichzelven en
-zijn levensloop. Het was roerend en te gelijk treurig om op te merken,
-hoe innig hij steeds met de zielen zijner afgestorvenen voortleefde.
-Zijne niet zeer hoogvliegende maar toch sterke verbeeldingskracht was in
-staat, zoo vaak hij haar liet werken, hem het beeld zijns vaders of van
-zijn vroeg gestorven ouderen broeder voor de oogen te tooveren, tastbaar
-duidelijk, juist zooals hij hen gekend had. Nooit echter bezwoer hij de
-nagedachtenis van zijne onvergetelijke dooden, om hen te gedenken met
-stillen weemoed, die lieflijke bloem aan den doornstruik der smart,
-maar altijd met een of ander zelfzuchtig doel. Het aanroepen van de
-vaderlijke schim was hem gebleken bij sommige vragen van bijzondere
-uitwerking te zijn, en het aanroepen van de broederlijke schim bij
-andere, en daarom wendde hij zich tot den een of ander, met de zekerheid
-van een geoefend timmerman, die zelden twijfelt wanneer hij den bijl
-en wanneer hij de zaag gebruiken moet. Hij hield het er voor, dat
-deze zijne handelwijze overeenkwam met den wil der goden, en daar
-hij overtuigd was dat de geesten zijner afgestorvenen na hunne
-rechtvaardiging waren overgegaan in Osiris, dat wil zeggen, dat zij als
-bestanddeelen van de wereldziel thans deel hadden aan het bestuur over
-alles, zoo offerde hij hun niet alleen in zijn familiegraf, maar ook in
-de tempels van de Nekropolis, die aan den dienst der voorvaderen waren
-gewijd, en bij voorkeur in het Seti-huis. Van Ameni en de andere
-priesters, die tot het heiligdom behoorden, dat onder diens toezicht
-stond, ontving de koninklijke gids gaarne raad en nam hij ook berisping
-dankbaar aan, en zoo leefde hij in de hoogmoedige overtuiging, die door
-zijne meesters geen oogenblik aan het wankelen werd gebracht, dat hij
-behoorde tot de ijverigste vromen in den lande, die den goden het
-welgevalligst waren. Bij elken tred als door bovenzinnelijke machten
-omgeven en geleid, gevoelde hij geen behoefte aan vrienden en
-vertrouwden. In het veld zoowel als in Thebe stond hij geheel op
-zichzelven en werd door de zijnen gehouden voor een ruw, trotsch en
-ongevoelig man, maar die een ijzeren wil had.
-
-Paäker was in staat het beeld van verloren geliefden met dezelfde
-levendigheid voor zijne ziel te doen oprijzen, als de gestalten zijner
-afgestorvenen. Dat deed hij niet enkel in ontelbare stille nachten, maar
-evenzoo op lange tochten en ritten door de zwijgende woestijn. Op
-zulke visioenen volgden meestal hevige opwellingen van haat tegen den
-wagenmenner en eene reeks vurige gebeden, die alle het verderf van den
-laatste ten doel hadden. Toen hij dan ook de schaal met het water voor
-Nefert op de gladde rots zette en naar het fleschje met den liefdedrank
-greep, was zijne ziel zoo vol verlangen, dat er geene ruimte was voor
-haat. Intusschen kon de Mohar toch niet de bezorgdheid van zich weren,
-dat hij zich door het gebruik van een tooverdrank zwaar zou bezondigen.
-Daarom ondervroeg hij het orakel van zijn ring, alvorens de noodlottige
-druppels in het water te gieten. De dolk raakte geen der heilige teekens
-van het zegelopschrift. Onder andere omstandigheden zou hij dus zijn
-voornemen hebben opgegeven. Ditmaal stiet hij echter den dolk onwillig
-in de scheede, drukte den gouden ring aan zijn hart, lispelde den naam
-van zijn Osiris-geworden broeder, en wachtte nu op het eerste levend
-wezen, dat hem zou tegenkomen. Het liet niet lang op zich wachten,
-want van de berghelling tegenover hem vlogen twee witte gieren op met
-langzamen vleugelslag. Met angstige spanning volgde hij dezen in hun
-vlucht, al hooger en hooger. Een oogenblik lieten zij zich onbewegelijk
-door den luchtstroom dragen, beschreven een cirkel om elkander en zetten
-daarop koers naar de linkerzijde, om achter de bergen te verdwijnen.
-Zijn wensch was weder onvervuld gebleven. Haastig greep hij het fleschje
-om het weg te slingeren, maar de hartstocht, die in zijn binnenste
-woelde, had hem de heerschappij over zijn wil benomen. Daar rees het
-beeld van Nefert voor zijne ziel op, alsof zij hem vriendelijk wenkte.
-Geheimzinnige machten klemden zijne vingers al vaster en vaster aan het
-fleschje, en met den trots die hem eigen was, als hij tegenover zijne
-metgezellen stond, goot hij de helft van den liefdedrank in het water,
-greep de schaal op en naderde zijn offer.
-
-Nefert had inmiddels haar schaduwrijke zitplaats verlaten en ging hem te
-gemoet. Zonder iets te zeggen, nam zij de schaal aan, en dronk zij die
-met welgevallen ledig tot den bodem. »Dank," zeide zij, toen zij na het
-gulzig drinken weder bij adem gekomen was. »Dat heeft mij goedgedaan!
-Hoe frisch en hartig smaakte dat water! Maar uwe handen beven, en gij
-zijt zoo verhit door het harde loopen voor mij, gij arme!"
-
-Bij deze woorden zag zij hem aan met den innigen gloed, die er in hare
-groote oogen lag, en stak hem hare rechterhand toe, die hij onstuimig
-aan zijne lippen drukte.
-
-»Laat dit," zeide zij lachend. »Zie, daar komt de prinses met een
-priester uit de hut van den onreine. Foei, wat hebt ge mij straks met
-uwe vreeselijke woorden doen schrikken! Nu ja, ik gaf u grond om toornig
-tegen mij te zijn; maar nu moet gij weer goed zijn, hoort ge, en ook
-uwe moeder weer bij de mijne brengen. Geen woord meer! Ik wil toch eens
-zien of neef Paäker mij gehoorzaamheid zal weigeren!"
-
-Ondeugend hief zij den vinger tegen hem op; daarna weder ernstig
-wordende, sprak zij met een blik, die Paäker smartelijk maar tevens met
-een zalig gevoel tot in de ziel drong: »Kom, wees nu niet boos meer. Het
-is zoo heerlijk als men lief voor elkaar is."
-
-Na deze woorden liep zij naar de hut van den Paraschiet, terwijl Paäker
-beide handen tegen zijn borst drukte en in zich zelven zeide: »De drank
-werkt; zij zal de mijne worden. Heb dank, hemelsche goden!" -- Doch dit
-gebed, dat hij nooit verzuimde uit te spreken, wanneer hem eenig geluk
-was wedervaren, stierf heden op zijne lippen weg. Hij zag zich zoo dicht
-bij het doel zijner wenschen. Daar lag de tooverbron, waarnaar hij jaren
-lang had gesmacht, voor zijne oogen. Nog enkele schreden en hij zou zich
-kunnen drenken uit haar vollen stroom van liefde en haat te gelijk.
-
-Terwijl hij de vrouw van Mena volgde en het fleschje met angstvallige
-zorgvuldigheid in zijn gordel verborg, opdat toch geen enkel drupje
-verloren mocht gaan van het kostbare vocht, dat hij, overeenkomstig
-het voorschrift der oude, nog eens gebruiken moest, deden zich in zijn
-boezem waarschuwende stemmen vernemen, waarnaar hij gewoon was te
-luisteren als naar eene vaderlijke vermaning. Maar thans dreef hij er
-den spot mede, en gaf hij aan de stemming die hem beheerschte zichtbaar
-lucht, door met zijne rechterhand te zwaaien als een dronkaard, die, op
-weg naar het wijnvat, een zedeprediker afweert. De hartstocht hield hem
-nog zóo vast gevangen, dat de gedachte nauwelijks als een nevel in
-zijne ziel kon oprijzen: den korten stond, waarin een braaf man tot een
-misdadiger wordt, heb ik doorleefd. Hij had het tot hiertoe slechts
-gewaagd zijn smachtend verlangen naar liefde en haat in de verbeelding
-te bevredigen, het aan de godheid overlatende voor hem te handelen; doch
-nu had hij zijne zaak de goden uit de hand genomen, en was hij tot daden
-overgegaan, zonder hen, ja, huns ondanks. Daar gleed Hekt, de tooveres,
-strijkelings langs hem heen, om de vrouw te zien, waarvoor zij den
-liefdedrank had gegeven. Hij merkte haar op en schrikte. Het wijf
-was weldra achter een rots verdwenen en prevelde: »Zie me daar eens
-dien zesteenige! Het schijnt hem wel te bevallen in het erfdeel van
-Assa"[64]!
-
- [64] De zin dezer woorden wordt eerst later duidelijk. Vert.
-
-Midden in het dal kwamen Nefert en de gids de prinses Bent-Anat tegen
-en Pentaoer, die haar vergezelde. Toen de laatsten de hut van den
-Paraschiet verlieten, bleven zij zwijgend tegenover elkander staan. De
-koninklijke jonkvrouw drukte haar rechterhand op haar hart en dronk als
-eene dorstige met diepe ademhaling de reine lucht van het bergdal in.
-Het was alsof een centenaarslast van haar was afgewenteld, alsof zij
-verlost was van een schrikkelijk gevaar. Eindelijk richtte zij het woord
-tot haren metgezel, die ernstig naar den grond keek, en zeide: »Welk een
-ure!"
-
-De hooge gestalte van Pentaoer verroerde zich niet, maar hij boog
-toestemmend zijn hoofd, als in een droom verzonken.
-
-Bent-Anat zag hem nu voor het eerst in het volle daglicht, liet hare
-groote oogen vol bewondering op hem rusten en vroeg dan: »Zijt gij
-de priester, die mij gisteren, na mijn eerste bezoek in de hut, zoo
-bereidvaardig voor rein hebt verklaard?"
-
-»Ik ben het," antwoordde Pentaoer.
-
-»Ik heb uwe stem herkend en ben u dankbaar, want gij waart het, die mijn
-moed hebt gesterkt, om, in weerwil van het verbod mijns zielzorgers,
-den drang mijns harten te volgen en herwaarts te gaan. Gij zult mij
-verdedigen, wanneer de andere mij zullen berispen!"
-
-»Ik kwam echter hier om u onrein te verklaren."
-
-»Zoo zijt gij dan van meening veranderd?" vroeg Bent-Anat trotsch, en
-trekken van minachting vertoonden zich om hare lippen.
-
-»Ik volg een hooger gebod, dat beveelt de oude inzettingen als heilig
-te handhaven. Wanneer de aanraking van een Paraschiet, zoo zegt men, de
-dochter van Ramses niet verontreinigt, wien dan? Want is er iemand wiens
-gewaad vlekkeloozer is dan het hare?"
-
-»Maar die man daar is braaf, bij al zijne geringheid," hernam Bent-Anat,
-»braaf, ondanks den smaad die zijn dagelijksch brood is, gelijk eere het
-onze! De negen groote goden mogen het mij vergeven, maar die daar woont
-is liefderijk, vroom en moedig; hij bevalt mij. En gij, die gisteren
-zijne bezoedelde aanraking met éen woord meendet te kunnen afwasschen,
-wat geeft u aanleiding hem heden onder de melaatschen terug te stooten?"
-
-»De vermaning van een verlicht man, om van de oude inzettingen geen
-enkel gedeelte prijs te geven, omdat daardoor de keten, waaraan men toch
-reeds begint te vijlen, rammelend uit elkaar zou kunnen vallen."
-
-»Zoo legt gij dus op mij den smet der onreinheid op grond van een
-verouderde dwaling, terwille van de groote menigte, niet om de daad
-die ik heb verricht? Gij zwijgt? Antwoord mij nu openhartig en naar
-waarheid, wanneer gij werkelijk de man zijt waarvoor ik u tot hiertoe
-heb gehouden. Antwoord mij, want het geldt de rust mijner ziel!"
-
-Pentaoer haalde zwaar adem, daarna gaf hij zijn door twijfel gefolterd
-gemoed lucht in deze diep gevoelde woorden, die eerst zacht, vervolgens
-al luider werden gesproken: »Gij dwingt mij uit te spreken, wat ik
-eigenlijk niet eens moest denken. Maar liever wil ik zondigen tegen de
-gehoorzaamheid dan tegen de waarheid, de reine dochter van den zonnegod,
-wier gelijkenis gij draagt, Bent-Anat. Of de Paraschiet onrein is door
-zijne geboorte of niet, wie ben ik, dat ik zulk een vraagstuk zou
-kunnen uitmaken? Doch ook ik heb evenals gij in hem een mensch
-gezien van gelijke beweging als wij, wien dezelfde heilige en reine
-gemoedsaandoeningen vervullen, die mij en de mijnen, u en ieder die van
-eene moeder is geboren, aangrijpen en vaak zoo zalig stemmen. Ik geloof
-dat de indruk van deze ure noch uwe noch mijne ziel bevlekt, maar
-veeleer gelouterd heeft. Dwaal ik, dan moge de veelnamige godheid het
-mij vergeven, wier adem ook in den Paraschiet leeft en zich beweegt,
-zoowel als in u en mij, de godheid waarin ik geloof, en waaraan ik
-steeds reiner en blijmoediger van hart mijne gebrekkige liederen wijden
-wil, wanneer zij mij zal leeren, dat al wat leeft en ademt, wat weent en
-jubelt, eene afbeelding is van haar reine wezen, en tot dezelfde vreugde
-en dezelfde smart geboren."
-
-De dichter had zijne blikken ten hemel geslagen; thans ontmoetten
-zij het fier en van blijdschap glinsterend oog der prinses, die hem
-vrijmoedig haar rechterhand toestak. Pentaoer kuste deemoedig haar
-gewaad. Zij sprak echter: »Niet alzoo! Leg zegenend uwe hand op de
-mijne! Gij zijt een man en waarlijk een priester. Thans laat ik mij
-gaarne de onreinheid welgevallen, want ook mijn vader wenscht, dat door
-ons om den wil des volks de instellingen uit den ouden tijd, zoolang
-men er nog aan hecht, in eere gehouden worden. Laat ons de goden
-gemeenschappelijk bidden, dat zij deze arme schepsels van den banvloek
-ontheffen. Hoe heerlijk zou het in de wereld zijn, wanneer de mensch
-den mensch liet blijven, wat de onsterfelijke goden hem gemaakt
-hebben! -- Maar daar staan Paäker en Nefert nog altijd te wachten midden
-in de brandende zonnehitte. Volg mij!"
-
-Zij ging met den priester vooruit, maar had nauwelijks eenige schreden
-gedaan of zij keerde zich om en vroeg: »Hoe heet gij?"
-
-»Mijn naam is Pentaoer."
-
-»Zijt gij dan de dichter van het Seti-huis?"
-
-»Zoo noemen ze mij."
-
-Bent-Anat bleef nog een oogenblik staan en keek hem aandachtig aan, als
-een bloedverwant, die wij voor het eerst van aangezicht tot aangezicht
-zien, en zeide: »De goden hebben u buitengewone gaven geschonken, want
-uw blik reikt verder en dringt dieper door dan die van andere menschen,
-en gij verstaat de kunst om in woorden uit te drukken, wat wij slechts
-gevoelen. Gaarne volg ik u!"
-
-Pentaoer bloosde als een knaap en zeide, terwijl Paäker en Nefert hem en
-zijne gezellin steeds naderkwamen: »Tot heden lag het leven voor mij als
-in eene schemering, maar deze ure toont het mij anders. Ik heb er de
-donkere schaduwzijde van leeren kennen, en," voegde hij er zachtkens aan
-toe, »de heldere lichtzijde tevens."
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Een uur later hield Bent-Anat met haar gevolg stil voor de poort van het
-Seti-huis. Evenals een bal door een mannenhand geworpen, was een der
-voorloopers met groote sprongen den trein vooruitgevlogen, om den
-opperpriester te melden, dat de prinses in aantocht was. Zij stond
-alleen op haar wagen, die het gevolg vooruitreed. Pentaoer had eene
-plaats gevonden op den wagen van den gids. De overste der Horoscopen
-ontving den stoet aan de tempelpoort.
-
-Daar de groote deuren der pylonen wijd geopend waren, was het vergund
-een blik te slaan in het voorhof van het heiligdom, dat met gladde
-steenplaten geplaveid, en aan de linker- en rechterzijde alsmede van
-achteren met zuilengangen omgeven was. De wanden en architraven, de
-zuilen en de holvormige kroonlijst, die het voorhof van boven afsloot,
-waren met bontkleurig beeldwerk beschilderd. In het midden stond een
-groot offeraltaar, waarop kyphi-ballen[65], die de groote ruimte met een
-bedwelmenden geur vervulden, op spaanders van cederhout door het vuur
-werden verteerd. Rondom in een halven cirkel stonden meer dan honderd
-wit gekleedde priesters, met het aangezicht gekeerd naar de naderende
-prinses, en zongen hartroerende klaagliederen. Vele bewoners van de
-Nekropolis hadden zich geschaard aan beide zijden van de sphinxen,
-waartusschen Bent-Anat naar den tempel reed. Men vroeg niet wat het
-beduiden moest, dat juist nu klaagzangen werden aangeheven, want aan
-weeklachten en geheimzinnigheden was men hier gewoon.
-
- [65] Een beroemd reukwerk van de Egyptenaren. Recepten om het
- te bereiden zijn bewaard gebleven in den papyrus-Ebers, in
- de laboratoriën van de tempels, bij Dioskorides, Plutarchus,
- Galenus e.a. Parthey heeft door den apotheker L. Voigt te
- Berlijn drie soorten laten namaken. Het kyphi volgens het
- voorschrift van Dioskorides, was het beste. Voigt bereidde het
- uit rozijnen, wijn, radix Galangae, baccula juniperi, radix
- calami aromatici, asphalt, mastik, myrrhe, Bourgondische hars en
- honig.
-
-»Heil het kind van Ramses!" »Knielt neder voor de zonnedochter
-Bent-Anat!" klonk het uit duizend monden, en de saamgevloeide menigte
-boog zich ter aarde, toen de koninklijke jonkvrouw kwam aanrijden.
-
-De prinses steeg vóór het poortgebouw van den wagen, en volgde den
-eersten der Horoscopen, die haar ernstig en zwijgend aan den ingang
-van het heiligdom kwam begroeten. Toen zij gereed stond het voorhof te
-betreden, zwol het priesterlijk gezang op eens met eene vreeselijke
-donderende kracht. De heldere sopraanstemmen der tempelscholieren,
-gedragen door het gebrom der zware bassen, jammerden in hartstochtelijke
-weeklachten. Bent-Anat schrikte en hield een oogenblik haar voet terug.
-Daarop ging zij verder.
-
-Maar achter den drempel der poort trad Ameni haar in den weg, bekleed
-met al de teekenen zijner waardigheid. Hij strekte zijn kromstaf uit,
-als om haar af te weren, en riep luide en met vuur: »De tegenwoordigheid
-van de reine dochter van Ramses brengt dit heiligdom zegen, maar deze
-herberg der goden sluit hare poorten voor de verontreinigden, zij mogen
-slaven zijn of vorsten. In den naam der hemelsche goden, waarvan gij
-afstamt, vraag ik u, Bent-Anat, zijt gij rein, of hebt gij u bevlekt en
-uwe vorstelijke hand bezoedeld door de aanraking van onreinen?"
-
-De priester had zich geplaatst vlak voor de hooge gestalte van de
-prinses. Een helder rood overtoog de wangen der jonkvrouw; het suisde
-haar in de ooren als bruiste in hare nabijheid eene stormachtige zee, en
-haar boezem rees en daalde in hartstochtelijke beweging. Het koninklijk
-bloed vloeide onstuimig door hare aderen. Zij gevoelde dat men haar hier
-eene onwaardige rol liet spelen in een tooneelspel, dat met voordacht
-werd opgevoerd. Haar voornemen zichzelve als van onreinheid aan te
-klagen, was vergeten, en reeds opende zij de lippen, om den priester,
-wiens aanmatiging haar diep beleedigde, met kracht af te wijzen, toen
-Ameni de oogen opsloeg en haar aanstaarde, met al den ernst die in hem
-was.
-
-Bent-Anat zweeg, doch zij weerstond den blik en beantwoordde dien
-trotsch en afwijzend.
-
-De aderen op Ameni's voorhoofd zwollen; toch wist hij de
-verontwaardiging, die in zijn binnenste opkwam als een zwarte dreigende
-donderwolk, te beheerschen, en zeide op een toon, die echter wel een
-weinig verschilde van zijne gewone deftigheid: »Ten tweede male vragen
-de goden u door mij, die hun vertegenwoordiger ben: 'Hebt gij deze
-heilige plaats betreden, opdat de onsterfelijken de onreinheid van u
-nemen, die uw lichaam en uwe ziel bevlekt?'"
-
-Bent-Anat antwoordde kortaf en zich volkomen bewust van hetgeen zij
-zeide: »Mijn vader zal u het antwoord geven!"
-
-»Niet mij," hernam Ameni, »maar den goden zal hij het geven, in wier
-naam ik u thans beveel dit vlekkeloos heiligdom te verlaten, dat door
-uwe tegenwoordigheid wordt bezoedeld."
-
-De prinses huiverde bij deze woorden en zeide dof: »Ik ga."
-
-Reeds had zij den voet opgeheven, om naar de poort van den pylon terug
-te keeren, toen haar blik dien van den dichter ontmoette. Als een
-begenadigde, voor wiens oogen de grootste wonderen gebeuren, had hij
-daar gestaan tegenover de koninklijke jonkvrouw, onrustig en toch in
-verrukking, vol angst en toch met innerlijke zelfvoldoening. Scheen zij
-door deze vermetele daad niet den hemel te willen bestormen? En toch,
-die daad was geheel in overeenstemming met haar waar en groot karakter.
-Het kwam hem voor alsof Ameni, tot wien hij met zooveel eerbied en
-bewondering had opgezien, in het niet wegzonk, en toen zij zich gereed
-maakte den tempel te verlaten, weigerde zijne hand, die haar wilde
-tegenhouden, hem dezen dienst en zocht, terwijl Bent-Anat's blik den
-zijnen ontmoette, de plaats van zijn snel kloppend hart.
-
-Het kon den opperpriester niet moeielijk vallen in het ongeveinsd gelaat
-van deze twee te lezen. Hij gevoelde dat eene snel geknoopte band hunne
-zielen had saamgesnoerd, en de blik dien hij hen zag wisselen deed
-hem huiveren. Want de weerspannige had den dichter aangezien als eene
-zegepralende, die bijval vraagt, en de oogen van Pentaoer waren aan dit
-verlangen tegemoetgekomen. Na een oogenblik van beraad riep Ameni:
-»Bent-Anat!"
-
-De prinses keerde zich om, en zag den priester ernstig en vragend aan.
-Ameni deed eene schrede voorwaarts, en plaatste zich tusschen haar en
-den dichter. »Gij daagt," sprak hij op indrukwekkenden toon, »de goden
-uit ten strijd. Dat is stout! Maar het komt mij voor, dat gij tot zulk
-eene daad den moed hebt gehad, omdat gij rekent op een bondgenoot, die
-de onsterfelijken bijna even nabij staat als ik. Laat mij u daarom dit
-zeggen: Aan u, die als een kind op een dwaalspoor zijt geleid, mag veel
-vergeven worden; maar een dienaar der godheid" -- en dit zeggende zag
-hij Pentaoer aan met onheilspellenden blik -- »een priester, die in den
-strijd van willekeur tegen wet overloopt, die zijn plicht verzaakt en
-zijn eed vergeet, die kan u niet langer als een raadsman ter zijde
-staan. Al had de godheid hem ook met de rijkste gaven gezegend: hij is
-verdoemd! Wij bannen hem uit ons midden, wij vloeken hem, wij...."
-
-Bent-Anat zag bij deze woorden nu eens Ameni aan, die beefde van
-ontroering, dan weder Pentaoer, die tegenover haar stond. Op haar gelaat
-wisselden het rood der verontwaardiging en doodelijke bleekheid elkander
-af, gelijk het licht en de schaduw op den bodem van een palmwoud,
-waarover in den middag een stormwind heenvaart. De dichter kwam haar een
-voetstap nader. Zij begreep dat hij spreken wilde, en door het gebeurde
-te verdedigen zich onmisbaar in het verderf zou storten. Innig
-medelijden en eene namelooze angst grepen haar aan, en eer Pentaoer zijn
-mond nog kon ontsluiten, zonk zij langzaam voor Ameni's voeten neder en
-zeide zacht: »Ik heb gezondigd en mij bezoedeld, zooals gij zegt en
-Pentaoer mij ook heeft aangekondigd voor de hut van den Paraschiet. Geef
-mij mijne reinheid weder, Ameni, want ik ben onrein."
-
-Gelijk eene vlam, die door eene menschelijke hand wordt uitgebluscht,
-verdween de gloed uit de oogen van den opperpriester. Vriendelijk, ja
-met liefdevollen blik zag hij neder op de prinses. Hij zegende haar,
-geleidde haar tot voor het allerheiligste, liet haar dáar hullen in
-wierookwolken en zalven met de negen heiligste oliën, en gebood haar
-naar het koninklijk paleis terug te keeren. Hij voegde er bij, dat haar
-schuld nog niet volkomen was geboet; maar weldra zou zij vernemen door
-welke gebeden en heilige oefeningen zij van de goden, die hij in het
-allerheiligste des tempels zou ondervragen, hare reinheid terug kon
-ontvangen.
-
-Gedurende deze ceremoniën hief het priesterkoor in den voorhof weder
-zijne klaagzangen aan. Het volk, dat vóor den tempel stond te luisteren
-naar deze liederen, stemde er van tijd tot tijd mede in door een
-gillenden jammerkreet; want reeds had zich de sombere mare van het
-gebeurde onder de menigte verbreid.
-
-De zon begon langzaam naar het westen te neigen; de bezoekers van de
-doodenstad moesten weldra de Nekropolis verlaten, en nog altijd wilde
-Bent-Anat, op welker terugkomst het volk met ongeduld stond te wachten,
-niet te voorschijn komen. De een vertelde den ander, dat de dochter des
-konings vervloekt was geworden, omdat zij aan de zieke blanke en schoone
-Warda, bij de meesten geene onbekende, geneesmiddelen had gebracht.
-Onder de nieuwsgierigen, die hierheen gestroomd waren, bevonden zich
-vele balsemers, bouwlieden en menschen uit den minderen stand. De geest
-van verzet en oproer, waardoor het Egyptische volk in later tijd onder
-vreemde overheerschers zich zooveel lijden op den hals haalde, ontwaakte
-en nam toe bij de minuut. Men schold op den priesterlijken hoogmoed en
-zulk eene onzinnige en onwaardige inzetting. Een dronken soldaat, die
-weldra weder terugwandelde naar de kroeg, die hij zooeven had verlaten,
-was de raddraaier. Hij nam het eerst een zwaren steen op, om dien tegen
-de met metaal beslagene tempelpoort te slingeren. Eenige jongens volgden
-al schreeuwend zijn voorbeeld: zelfs meer bejaarde mannen, aangehitst
-door het gehuil van fanatieke vrouwen, lieten zich verleiden tot het
-schelden en smijten met steenen.
-
-In het Seti-huis weerklonken onafgebroken de priesterlijke liederen.
-Eindelijk, toen het geschreeuw der volksmenigte al luider en luider
-werd, opende zich de hoofdpoort. Ameni trad in vol ornaat met deftigen
-tred naar buiten, gevolgd door twintig Pastophoren, die godenbeelden
-en heilige symbolen op de schouder droegen. Terwijl hij voortging tot
-midden onder de menigte, zweeg alles. »Waarom stoort gij onze gebeden?"
-vroeg hij luid en kalm.
-
-Een verward geroep door elkander, waarin zich alleen de dikwijls
-herhaalde naam van Bent-Anat liet onderscheiden, was het antwoord.
-
-Ameni bewaarde zijne onverstoorbare bedaardheid, en zijn kromstaf
-opheffende riep hij: »Maakt plaats voor de dochter van Ramses. Zij heeft
-bij de goden, die zoowel de schuld van den aanzienlijkste als van den
-geringste onder u kennen, reinheid gezocht en gevonden. Zij beloonen de
-vromen, maar straffen de weerspannigen. Knielt neder en laat ons bidden,
-opdat zij u vergeving schenken en u met uwe kinderen zegenen."
-
-Ameni liet zich door een Pastophoor het heilige sistrum aangeven en hief
-het omhoog[66]. De priesters achter hem hieven eene plechtige hymne aan,
-en de menigte zonk op de knieën zonder zich te verroeren, tot het lied
-verstomde en de opperpriester uitriep: »De hemelsche goden zegenen u
-door mij, hun dienstknecht. Verlaat deze plaats en maakt ruimte voor de
-dochter van Ramses."
-
- [66] Een muziekinstrument, dat bij de godsdienstplechtigheden
- der Egyptenaars wordt gebruikt en waarvan nog vele exemplaren
- in de museën worden bewaard. Plutarchus beschrijft het met
- juistheid aldus: "Het sistrum is van boven rond gebogen, en
- de gebogen plaat omvat de vier staven, die in beweging worden
- gebracht. Op de ronding, boven, bevestigen zij het beeld van
- eene kat met een menschengezicht; onder de vier beweegbare
- staafjes plaatsen zij aan de eene zijde het gezicht van Isis
- en aan de andere zijde dat van Nephthys." Boven op een bronzen
- sistrum in het museum te Berlijn is de kat aanwezig; bij andere
- exemplaren vindt men gewoonlijk aan het einde van den steel
- maskers van Hathor. In het sanctuarium van den tempel dezer
- godin te Dendera werd eene afbeelding van het heilige sistrum op
- eene in het oog vallende plaats aangebracht.
-
-Na dit gesproken te hebben ging hij in den voorhof terug, en de
-tempelwacht veegde de straat schoon die, tusschen de sphinxen door naar
-den Nijl voerde, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten.
-
-Toen Bent-Anat haar wagen besteeg, sprak Ameni: »Gij zijt een
-koningskind. Het huis uws vaders rust op de schouders van het volk.
-Ondermijn de oude instellingen, die het in banden houden, en de menigte
-zal in opstand komen als deze onzinnigen."
-
-Ameni trad achterwaarts. Bent-Anat schikte langzaam de teugels in haar
-hand. Intusschen spiegelde haar oog zich in dat van den dichter, die,
-geleund tegen een der deurpijlers, als in verrukking naar haar opzag.
-Zij liet met opzet haar zweep op den grond vallen, in de hoop dat hij
-die oprapen en haar overhandigen zou; doch hij bemerkte het niet. Een
-looper sprong toe en gaf het voorwerp aan de prinses, wier paarden
-ongeduldig trappelden en onder gehinnik zich in beweging zetten.
-
-Pentaoer bleef als aan den pijler genageld staan, totdat het geratel
-der over de steenplaten van de sphinxenlaan rollende wagenwielen
-langzamerhand wegstierf, en de weerschijn van het gloeiend avondrood de
-oostelijke bergen kleurde met zachte purperen tinten. De klank van den
-slag op een metalen bekken, die in de verte kon worden gehoord, wekte
-den dichter uit zijne afgetrokkenheid. Hij bracht zijn linkerhand aan
-zijn hart en drukte de rechter tegen zijn voorhoofd, als wilde hij
-daarmede zijne her en der dwalende gedachten verzamelen. Het klankbekken
-riep hem tot zijn plicht, en wel tot de lessen in de redekunst die hij
-op dit uur voor de jonge priesters moest houden. Zwijgend richtte hij
-uit gewoonte zijne schreden naar den open hof, waar zijne leerlingen hem
-wachten; doch in plaats van gelijk anders op weg daarheen het onderwerp
-te overdenken, waarover hij wilde handelen, hielden zijn geest en zijn
-hart zich bezig met hetgeen hij in de laatste uren had doorleefd. Eén
-beeld, dat hem zoo zalig stemde, beheerschte al zijne voorstellingen;
-het was de beeltenis der onuitsprekelijk schoone vrouw, die in al den
-glans harer koninklijke waardigheid en bevende van fierheid zich om
-zijnentwil in het stof had geworpen. Het was hem alsof zij door die daad
-hem eene nieuwe vorstelijke waarde had verleend, alsof zij door haar
-blik hem met een hooger licht had beschenen, als ademde hij in reiner
-lucht en als hadden zijne voeten vleugelen aangeschoten.
-
-In zulk eene stemming verscheen Pentaoer onder zijne toehoorders.
-Toen hij daar stond tegenover al die bekende gezichten, kwam hij tot
-bezinning en begreep hij wat hem te doen stond. Zijn meest geliefde
-leerling, de jonge Anana, overhandigde hem het boek, waarmede hij,
-vier en twintig uren geleden, beloofd had voort te gaan. Leunende
-tegen den wand van den hof, opende hij de papyrus-rol en tuurde op de
-schriftteekens. Hij gevoelde echter dat hij niet in staat was om te
-lezen. Met alle kracht greep hij zich aan, zag naar boven en trachtte
-den draad weder te vinden, waar hij dien gisteren avond had afgebroken
-en thans weder moest opvatten; maar het scheen hem toe dat er tusschen
-gisteren en heden eene wijde zee lag, welker schuimende golfslag
-zijne herinnering en zijn denkvermogen geheel in de war bracht. Zijne
-leerlingen, die met de beenen kruislings onder het lijf op een stroomat
-tegenover hem zaten, zagen den zwijgenden anders zoo welsprekenden
-leeraar verwonderd aan. »Hij bidt," fluisterde een jonge priester zijn
-buurman toe, en Anana zag met bezorgdheid, hoe de sterke handen zijns
-meesters zich zoo vast om de schriftrol klemden, dat de dunne stof
-waaruit ze bestond dreigde te verbrokkelen.
-
-Eindelijk richtte Pentaoer zijn blik naar beneden. Hij had zijn
-onderwerp gevonden. Terwijl hij opzag was zijn oog gevallen op den naam
-des konings, die aan de overzijde op den wand stond geschilderd met den
-titel: »de goede god." Hij knoopte den gang zijner gedachten aan deze
-woorden vast en legde zijne toehoorders de vraag ter beantwoording voor:
-»Hoe kunnen wij weten dat de godheid goed is?" Hij riep den eenen
-priester na den ander op, om dit thema te behandelen, alsof hij voor
-zijne toekomstige gemeente stond. Verschillende leerlingen namen het
-woord en spraken met meer of minder waarheid en warmte. De beurt kwam
-ten laatste aan Anana, die in goed gekozen woorden de doelmatige
-schoonheid prees van de bezielde en onbezielde schepping, waarin zich de
-goedheid van Amon[67], Ra[68], Ptah[69] en de andere goden openbaarde.
-
- [67] Amon, d. i. de verborgene. Hij was de god van Thebe, die,
- nadat onder zijne bescherming de Hyksos uit het Nijldal waren
- verdreven, met Ra van Heliopolis werd vereenigd, en toegerust
- met de attributen van alle overige goden. Het wezen dezer
- godheid werd hoe langer hoe meer vergeestelijkt tot dat men het,
- in de esoterische leer onder de Ramessiden, gelijk stelde met
- het eeuwig verstand, dat het heelal vervult en alles bestuurt.
- Hij is de "echtgenoot zijner moeder, zijn eigen vader en zijn
- eigen zoon." Als "levende Osiris" bezielt hij al het geschapene,
- het vervullende met zijn geest. Het stoffelijke komt bij hem tot
- een hooger bestaan. Hij wordt "weldadig, schoon, zonder gelijke"
- genoemd, maar ook een "vernietiger van het kwade," in wien de
- mensch met vreugd de geheime kracht vereert, die het goede
- verheft en het booze nederwerpt. Men erkent hem aan de hooge
- dubbele veder op zijn kroon. Als Amon-Chnem wordt hij afgebeeld
- met een ramskop.
-
- [68] Oorspronkelijk de zonnegod. Zijn naam werd later in de
- pantheïstische leer der mysteriën gebruikt voor dien van den god
- die =het Al= is.
-
- [69] Ptah, door de Grieken Hephaistos genoemd, is de oudste
- onder de goden; de groote godheid die de grondstof der schepping
- heeft gemaakt, "die er van den aanvang geweest is;" wien de
- zeven Chnemoe als architecten helpend ter zijde staan, en die
- "de Heer der waarheid" wordt genoemd, omdat de wetten en de
- bepalingen, waaraan wat ontstaat onderworpen is, door hem zouden
- zijn ingesteld. Hij schiep ook de kiemen van het licht, staat
- daarom aan het hoofd van alle zonnegoden, en wordt schepper
- genoemd van het ei, waaruit, nadat hij de schaal had verbroken,
- zon en maan te voorschijn traden. Van daar zijn naam: "Hij die
- opent." Hij werd voornamelijk te Memphis vereerd. De Apis was
- zijn heilig dier. In de leer der onsterfelijkheid en in de
- onderwereld treedt hij gewoonlijk op als Ptah Sokar Osiris, die
- de ondergaande zon en de afgestorvenen datgene verleent, wat zij
- behoeven om weder op te gaan en op te staan.
-
-Pentaoer luisterde naar den jongeling met de armen kruiselings over
-elkander, hem nu eens vragend aanziende, dan weder toestemmend
-knikkende. Toen de voordracht geëindigd was, knoopte hij aan deze zijne
-denkbeelden vast. Want nu begon hij zelf te spreken. Als gehoorzame
-valken op de stem dergenen, die ze ter jacht hebben afgericht, schoten
-de ideeën hem toe, en de godsdienstige geestdrift, die in zijn borst was
-ontwaakt, doortintelde met gloed en leven zijne rede, die zich verhief
-gelijk een adelaar, met steeds breeder en geweldiger vleugelslag.
-Nu eens als wegsmeltende van aandoening, dan weder juichende van
-verrukking, prees hij de heerlijkheid der natuur. Toen hij de eeuwige
-orde aller dingen verheerlijkte, en de ondoorgrondelijke wijsheid des
-wereldscheppers, en de voorzienigheid van den Eenen, die eenig is en
-groot en zonder gelijken, ja, toen vloeiden hem de woorden van de lippen
-als een kristalheldere stroom. »Zóo onvergelijkelijk," dus besloot hij,
-»is de woonplaats, die de godheid ons gegeven heeft! Alles wat Hij, de
-Eenige, geschapen heeft, is doordrongen van zijn eigen wezen en het
-getuigt van zijne goedheid. Wie hem weet te vinden, ziet hem overal, hij
-geniet elke sekonde zijne heerlijkheid. Zoekt hem dan, en wanneer gij
-hem gevonden hebt, valt voor hem neder en zingt zijn lof. Maar prijst
-den allerhoogsten niet alleen uit dankbaarheid voor de heerlijkheid
-van de werken zijner handen, maar vooral daarvoor, dat hij ons met de
-vermogens heeft begaafd, om door hetgeen hij gemaakt heeft tot zalige
-verrukking te worden opgevoerd. Beklimt de toppen der bergen en overziet
-het land, dat aan uwe voeten ligt uitgestrekt; knielt neder wanneer het
-avondrood gloeit als robijnen en het morgenrood gloort als de rozen;
-gaat naar buiten in den nacht en ziet de sterren, hoe zij eeuwig en
-zonder stoornis in onmeetbare oneindige kringen de blauwe hemelzee op
-zilveren booten bevaren; neemt plaats nevens de wieg van het kind en bij
-den bloemknop, en ziet hoe de moeder zich heenbuigt over haar kleine
-en de heldere morgendauw op elk blaadje parelt. Maar wilt gij weten in
-welke richting de stroom der goddelijke goedheid zich in den volsten
-overvloed uitstort, waar de vereering van dien schepper hare rijkste
-gaven neerlegt en waar zijne heiligste altaren staan opgericht? Het is
-in uw eigen hart, zoo het althans rein is en van liefde vervuld. In
-zulke harten spiegelt de natuur zich af als in die tooverspiegels, in
-wier oppervlakten wij het schoone driemaal schoon aanschouwen. Dàar
-reikt het oog ver over stroom en boomgaarden en bergen heen, en overziet
-de geheele aarde. Daar schittert het morgen- en avondrood niet als rozen
-en robijnen, maar als de wangen van de godin der schoonheid zelve. Dáar
-bevaren de sterren niet zwijgend den hemel, maar onder het heerlijk
-ruischen der reinste accoorden. Dáar lacht het kind als een jeugdige
-god en de knop ontplooit zich tot een wonderbloem. Dáar breidt de
-dankbaarheid zich uit en wordt het gebed inniger, en wij werpen ons in
-de armen van een god die -- hoe zal ik zijne heerlijkheid uitspreken! --
-die een god is, tot wien het verheven negental der groote goden
-hulpbehoevend opziet als ellendige bedelaars."
-
-Het klankbekken, dat het einde van het uur aankondigde, brak zijne
-rede af. Pentaoer zweeg en haalde diep adem. Gedurende eenige minuten
-verroerde zich geen zijner leerlingen. Eindelijk legde de dichter de
-papyrus-rol uit zijne hand, veegde zich het zweet van zijn gloeiend
-voorhoofd en richtte langzaam zijne schreden naar de deur van den hof,
-die toegang verleende tot het heilige tempelbosch. Reeds stond hij op
-den drempel, toen hij voelde dat iemand de hand op zijn schouder legde.
-Hij zag om. Achter hem stond Ameni en zeide koeltjes: »Gij hebt uwe
-hoorders in betoovering opgevoerd, mijn vriend! Jammer maar, dat u de
-harp ontbrak."
-
-Deze woorden van Ameni troffen het opgewekt gemoed van den dichter, als
-ijs dat op de borst van een koortslijder wordt gelegd. Hij wist wat deze
-toon in de stem zijns meesters te beteekenen had, want zoo pleegde hij
-slechte leerlingen en zondige priesters met woorden te straffen. Hem had
-hij echter nog nooit op deze wijze toegesproken.
-
-»Gij schijnt inderdaad in uwe bedwelming vergeten te hebben," ging de
-opperpriester ijskoud voort, »wat een leeraar in de school behoort te
-spreken. Eenige weken geleden hebt gij in mijne handen gezworen het
-mysterie te zullen bewaren, en heden biedt het geheim van den eenigen
-onnoembaren, de heiligste bezitting der ingewijden als eene goedkoope
-waar op de open markt aan ieder aan."
-
-»Gij snijdt met messen," zeide Pentaoer.
-
-»Als ze maar scherp zijn," hernam de opperpriester, »en de onreine
-vlekken en het voortwoekerende onkruid in uwe ziel uitroeien. Gij zijt
-jong, te jong; doch niet als de teedere vruchtboom, die zich laat
-rechtbuigen en veredelen, maar als het gewone ooft op den grond, dat
-vergif wordt voor de kinderen die het oprapen, al ware de boom waarvan
-het viel ook nog zoo heilig. Niettegenstaande de meeste der ingewijden
-hunne stemmen er tegen verhieven, namen Gagaboe en ik u onder ons op.
-Dankbaar en vol geestdrift hebt ge mij gezworen, de wet op het mysterie
-in eere te zullen houden. Heden heb ik u voor het eerst uit den vrede
-der school in den kampstrijd des levens gebracht. En hoe hebt gij het
-veldteeken bewaard, dat gij moest omhoog houden en verdedigen?"
-
-»Ik heb gedaan," antwoordde Pentaoer, diep bewogen, »wat mij voorkwam
-waarheid en recht te zijn."
-
-»Recht is voor u even als voor ons, wat de wet voorschrijft. En wat is
-waarheid?"
-
-»Niemand heeft nog haar sluier opgelicht," zeide Pentaoer; »maar mijne
-ziel is geboren uit het bezielde lichaam van het al. Een deel van den
-onbedriegelijken geest der godheid leeft in mijne borst, en wanneer hij
-zich in mij werkzaam toont...."
-
-»Hoe licht houden wij toch de stem der eigenliefde voor de stem der
-godheid!"
-
-»Zou de god, die spreekt en werkt in mij als in u, als in ieder ander,
-zichzelf en zijne eigene stem niet herkennen?"
-
-»Als de menigte u hoorde," viel Ameni weder in, »dan zou ieder zich
-plaatsen op zijn kleinen troon, ieder de stem der godheid in zijn
-binnenste als zijne leidsvrouw beschouwen; dan verscheurden allen de wet
-en gaven de flarden prijs aan den oostewind, die ze naar de woestijn zou
-dragen."
-
-»Ik ben een wetende, dien gij zelf hebt geleerd den eenige te zoeken en
-te vinden. Het licht, in welks aanschouwing ik mij zalig voel, zou de
-menigte, ik loochen dit niet, met blindheid slaan, wanneer ik het haar
-toonde...."
-
-»Nochtans verblindt gij onze leerlingen met dien gevaarlijken glans."
-
-»Ik voed hen op tot jongelieden, die ook eens wetenden zullen zijn."
-
-»En dat in gloeiende ontboezemingen van een van liefde dronken hart!"
-
-»Ameni!"
-
-»Ook ongeroepen sta ik voor u, als uw meester, verwijzende naar de wet,
-die altijd en in alles wijzer is dan een mensch alleen. Zelfs de koning,
-ondanks zijn pralende titels, beroemt zich allereerst een =bevestiger=
-der wet te zijn. Voor haar moet zich niet minder de wetende buigen dan
-de gemeene man, dien wij leeren blindelings te gelooven. Als een vader
-sta ik voor u, die u van uwe kindsheid heeft lief gehad, en van geen
-zijner leerlingen grootere verwachtingen heeft gekoesterd dan van u. Is
-het dan wonder, dat ik u noch weder verliezen, noch de hoop die ik op u
-stelde prijs geven wil? Maak u gereed morgen ochtend vroeg onze stille
-woning te verlaten. Gij hebt uw leeraarsambt verbeurd. Het werkelijke
-leven zal u in de school nemen, en u eerst rijp maken voor de
-waardigheid van een ingewijde, die u door mijn toedoen te vroeg werd
-verleend. Gij zult uwe leerlingen verlaten zonder afscheid van hen te
-nemen, hoe zwaar u dit ook vallen mag. Als het Sothis-gesternte[70] zal
-zijn opgegaan, komt gij mijne nadere aanwijzing halen, want gij zult in
-de eerstvolgende maanden de priesters in den tempel van Hatasoe hebben
-te leiden, ten einde bij de vervulling van dit ambt onder mijne oogen
-het vertrouwen terug te winnen, dat gij verbeurd hebt. Geen tegenspraak!
-Heden nacht ontvangt gij mijn zegen en onze volmacht; de opkomende
-zon zult gij begroeten op de terrassen van de nieuwe plaats uwer
-werkzaamheid. De Onuitsprekelijke moge zijn wet diep in uwe ziel
-prenten!"
-
- [70] De heilige Sirius of het Hond-gesternte, dat aan Isis
- geheiligd was. De omloop van dit gesternte stemde in den tijd
- der pharao's overeen met het ware astronomische jaar en kon
- den Egyptenaars daarom reeds vroeg tot grondslag voor de
- tijdrekening dienen.
-
- * * * * *
-
-Ameni begaf zich naar zijne vertrekken. Daar ging hij rusteloos op
-en neer. Op eene kleine tafel lag een spiegel. Hij keek in de glad
-gepolijste oppervlakte van het metaal en legde het weder op dezelfde
-plaats neder, als had hij een vreemd gelaat gezien, dat hem niet beviel.
-Wat hij in de laatste ure had doorleefd was wel in staat geweest hem te
-schokken, en zijn vertrouwen op menschen en toestanden te doen wankelen.
-De priesters aan gene zijde van den Nijl waren de geestelijke raadgevers
-van Bent-Anat. Hij had de prinses altijd hooren roemen als eene vrome,
-zeer begaafde jonkvrouw. Haar onvoorzichtig breken met de aloude
-inzetting scheen hem eene welkome gelegenheid aan te bieden, om een lid
-van de familie van Ramses openlijk te deemoedigen. Doch nu moest hij
-voor zichzelf bekennen, dat hij deze jonge vrouw te laag geschat, dat
-hijzelf onhandig, ja misschien onverstandig jegens haar gehandeld had.
-Want hij kon het zich geen oogenblik ontveinzen, dat hare spoedige
-omkeering veeleer een gevolg was geweest van eene opwelling van haar
-innig medelijden, misschien zelfs van eene neiging haars harten, dan van
-de erkentenis, dat zij verkeerd had gehandeld. Alleen in geval zij zich
-schuldig gevoelde, kon hij zonder gevaar van hare overtreding gebruik
-maken.
-
-De opperpriester stond bovendien niet hoog genoeg om vrij te zijn van
-ijdelheid, en juist zijn eergevoel was diep beleedigd door dezen
-fieren tegenstand van de prinses. Toen hij Pentaoer beval haar te gaan
-bestraffen, had hij gehoopt diens eerzucht te prikkelen door het trotsch
-gevoel van macht te hebben over de machtigen der aarde. -- En nu?
-Hoe had de jongeling, die hem met zooveel geestdrift bewonderde, de
-leerling, van wien hij meer dan van eenig ander mocht verwachten, zijn
-proef doorgestaan! Zijn levensideaal, de onbeperkte heerschappij van de
-priesterlijke idee over de geesten, en van de priesterschap over allen,
-zelfs over den koning, was tot hiertoe door dezen zeldzamen jongeling
-niet begrepen.
-
-Toch moest hij het leeren begrijpen. »Hier," sprak Ameni bij zichzelf,
-»als de laatste onder honderden die boven hem gesteld zijn, wordt de
-zucht tot verzet in deze hoogdravende ziel gewekt. In den tempel van
-Hatasoe zal hij te gebieden hebben over beneden hem staande priesters,
-die de offers moeten slachten en het wierookvat zwaaien. Door
-gehoorzaamheid van anderen te eischen, zal hij de noodzakelijkheid er
-van voor zichzelf leeren inzien. De rebel, wien een troon ten deel valt,
-wordt een tyran!" -- »Pentaoer's dichterlijke ziel," zoo dacht hij
-verder, »heeft zich snel doen kluisteren door de schoonheid van
-Bent-Anat. En welke vrouw zou weerstand kunnen bieden aan dezen hoog
-begaafde, die schittert met de schoonheid van Ra Harmachis, en van wiens
-lippen de zoete taal vloeit van Techoeti[71]! Zij mogen elkander niet
-wederzien, want geen band mag hem verbinden aan het huis van Ramses."
-
- [71] Toth-Hermes. Zie boven.
-
-Wederom wandelde hij op en neder, zijne alleenspraak dus voorzettende:
-»Wat mag dit zijn!? Gelijk palmen de lagere struiken, zoo overtroffen
-twee mijner leerlingen in geest en begaafdheden al hunne metgezellen. Ik
-voedde hen op tot mijne opvolgers, tot de erfgenamen van mijne hoop en
-mijn streven. -- Mesoe[72] werd afvallig, en Pentaoer moest hem volgen!
-Is mijn doel dan waarlijk slecht, daar het voor de edelen geene
-aantrekkelijkheid schijnt te bezitten? Maar neen! Deze gevoelen dat zij
-uit eene betere stof zijn gevormd dan hunne lotgenooten. Zij stellen
-zichzelf de wet en huiveren het hoogere te zien opgaan in het lagere. Ik
-denk er echter anders over, vermeng mij als eene ijzerhoudende beek van
-den Libanon met den grooten stroom en verf dien met mijne kleur."
-
- [72] De Egyptische naam van Mozes, dien wij als een tijdgenoot
- van Ramses mogen aanmerken, daar de uittocht der Joden onder
- zijne opvolgers geschiedde.
-
-Aan het eind van den loop zijner gedachten bleef Ameni staan. Toen riep
-hij een der zoogenaamde heilige vaders, zijn geheimschrijver, en zeide:
-»Stel oogenblikkelijk een zendbrief op aan alle priestercollegiën van
-het land. Deel hun mede, dat de dochter van Ramses zich zwaar vergrepen
-heeft tegen de wet door zich te verontreinigen, en schrijf hun voor, dat
-men openlijke -- versta mij goed: openlijke! -- gebeden uitspreke voor
-hare reiniging in alle tempels. Leg mij den brief binnen een uur ter
-onderteekening voor! Doch neen, geef mij uwe pen[73] en uw palet; ik zal
-de verordening =zelf= opstellen!"
-
- [73] De Egyptenaars schreven met dunne rietjes, die in
- schrijftafeltjes geborgen werden. Vert.
-
-De heilige vader overhandigde hem het schrijfgereedschap en trad terug
-naar den achtergrond van het vertrek. Ameni prevelde: »De koning wil
-ons ongehoord geweld aandoen. Best! Dit schrijven zij de eerste pijl in
-antwoord op zijn lansworp."
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-
-Over de aan gene zijde der Nekropolis van Thebe gelegen stad der
-levenden was de maan opgegaan. In de door pylonen en rijen sphinxen
-verbonden tempelgebouwen, die zich wel een uur ver langs den Nijloever
-uitstrekten, waren de laatste tonen der avondliederen weggestorven, maar
-in de stad scheen nu het leven eerst recht te ontwaken. De weldadige
-koelte die op de hitte van den zomerdag volgde, lokte de burgers naar
-buiten, vóor de deuren, op de daken en torens hunner huizen of aan de
-schenktafels, waar zij onder het drinken van bier of wijn of frisch
-vruchtennat luisterden naar de verhalen van een sprookjesverteller. Vele
-der meer eenvoudige lieden hurkten in kringvormige groepen op den grond
-en zongen het referein mede van een of ander lied, dat een middelmatig
-zanger voordroeg bij den klank eener handtrommel en de tonen der fluit.
-
-Ten zuiden van den tempel van Amon lag het koninklijk paleis en in de
-nabijheid verhieven zich, te midden van meer of minder groote tuinen,
-de huizen der rijksgrooten waaronder zich éen vooral door pracht en
-omvang onderscheidde. Paäker, de koninklijke gids, had het door een der
-bekwaamste bouwmeesters, na den dood zijns vaders, doen optrekken op de
-plaats waar het vervallen huis zijner voorouders stond, in de hoop van
-zijn nichtje Nefert er binnen te kunnen leiden als zijne echtgenoote.
-Weinige schreden verder oostwaarts lag een ander, niet minder deftig
-gebouw, maar dat er ouder en niet zoo sierlijk uitzag. De koninklijke
-wagenmenner Mena had het van zijn vader geërfd. Terwijl hijzelf in het
-verre Syrische land in de tent des konings als diens lijfwacht verblijf
-hield, werd het bewoond door zijne gemalin Nefert en hare moeder
-Katoeti. Voor de poorten van beide huizen stonden dienaars met brandende
-fakkels, wachtende op de lang verbeidde terugkomst hunner gebieders.
-
-De poort die toegang verleende tot Paäkers terrein, dat rondom door
-een muur werd omgeven, was buiten verhouding tot de overige gebouwen
-pronkerig hoog en met allerlei bont schilderwerk bedekt. Ter linker- en
-rechterzijde rezen twee cederstammen omhoog als masten om de wimpels te
-dragen. Hij had ze met opzet voor dit doel op den Libanon doen vellen
-en met een schip naar Pelusium aan de noordoostelijke grens van Egypte
-laten brengen. Vandaar waren zij langs den Nijl naar Thebe gebracht.
-Ging men deze eerste poort door[74], dan kwam men in een ruimen
-geplaveiden hof, met gangen die alleen van achteren afgesloten waren, en
-waarvan de daken door dunne houten zuilen werden gedragen. Hier stonden
-de paarden en wagens van den gids; hier woonden zijne slaven en werd de
-voorraad van veldvruchten bewaard, die men in een maand noodig had. In
-den achterwand van dezen hof voor de huishouding was weder eene poort,
-doch minder hoog, waardoor men in den tuin kwam. Deze was beplant met
-rijen goed onderhouden boomen en wijnstokken langs latwerk geleid, met
-boschjes van verschillende heestergewassen, bloem- en groentebedden.
-Palmen, sykomoren en acacia's, de vijg, de granaat, de jasmijn, ja alles
-tierde hier welig, want Setchem, Paäkers moeder, hield het toezicht op
-het werk van den hovenier. Bovendien was er in den grooten vijver midden
-in dezen aanleg nooit gebrek aan water om de bedden en boomwortels te
-begieten, want hij werd gevoed door twee kanalen, waarin de door ossen
-in beweging gebrachte schepraderen, dag en nacht het water uit den Nijl
-opvoerden.
-
- [74] Dit erfdeel van den Mohar is beschreven naar de
- voortreffelijke voorstellingen van tuinen en huizen van
- Egyptische grootte in de groeven van Tel-el-Amarna, afgebeeld
- door Lepsius in zijne =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien=.
- Abth. III. Het werd voor een bijzonder voorrecht gehouden, een
- tuin te bezitten. In den papyrus IV uit het museum van Boelaq,
- door Mariëtte uitgegeven, wil de schrijver aantoonen, dat elke
- aardsche bezitting tot verzadiging leidt, en hij kiest tot
- voorbeeld het huis met een tuin. "Gij hebt voor u," zegt hij,
- "een stuk land aangelegd met water doorsneden. Gij hebt uw
- tuingrond omheind; sykomoren hebt gij in kringen geplant, ze
- keurig schikkende over het gansche erf van uw huis. Gij vult uw
- hand met alle bloemen die uw oog aanschouwt. Toch gebeurt het,
- dat gij ten laatste van alles verzadigd wordt."
-
-Aan de rechterzijde van dezen tuin zag men het woonhuis. Het was maar
-éene verdieping hoog, maar onafzienbaar lang en bestond uit eene enkele
-rij van vertrekken en kamers. Bijna elk vertrek had zijne eigene deur,
-die op eene door dunne houten zuilen gedragen veranda uitkwam, welke
-langs de geheele tuinzijde van het huis doorliep. Bij dit gebouw sloten
-zich rechthoekig een aantal voorraadschuren aan, waarin de vruchten
-en groenten, die uit den tuin werden ingezameld, de wijnkruiken, de
-geweven stoffen, dierenhuiden, leder, en andere bezittingen van dien
-aard werden geborgen. In een afzonderlijk vertrek, waarvan de muren uit
-stevig gehouwen steenen waren opgetrokken, werd de schat zorgvuldig
-bewaard, die Paäkers voorvaderen en hijzelf in den krijg hadden
-verworven, bestaande in gouden en zilveren ringen, dierenbeelden en
-vaatwerk. Het ontbrak hier ook niet aan baren koper en edelgesteenten,
-vooral lazuursteen en stukken malachiet. -- Midden in den tuin was eene
-rijke versierde kiosk aangebracht en eene kapel met godenbeelden. In
-de laatste stonden op den achtergrond de beeltenissen van Paäkers
-voorvaderen, in de gedaante van een als mummie ingewikkelden Osiris[75].
-Het eene beeld verschilde slechts van het ander, doordat de aangezichten
-portretten van de overledenen voorstelden.
-
- [75] De afgestorvene, die gerechtvaardigd is, wordt na zijn dood
- Osiris, dat is: hij komt tot volledige eenheid (Henosis) met de
- godheid. De Osiris-mythe vindt men in al hare onderdeelen weder
- in de letterkundige nalatenschap der Egyptenaars. Plutarchus
- deelt haar volledig mede. De inhoud is, met voorbijgang van
- hetgeen niet tot de hoofdzaak behoort, de volgende: Isis en
- Osiris beheerschen gelukkig en zegen verspreidend het Nijldal.
- Typhon (Seth) verleidt Osiris om in een kist te gaan liggen; hij
- sluit die met zijn zeventig helpers en zet haar in den Nijl,
- die haar noordwaarts in zee voert. Zij landt aan den oever van
- Byblos. Isis zoekt die kist weeklagende, vindt haar en brengt
- haar naar Egypte terug. Terwijl zij haar zoon Horus opzoekt,
- vindt Typhon het lijk, snijdt het in veertien deelen en strooit
- die over het land. Intusschen is Horus opgegroeid; deze
- bestrijdt en overwint Typhon, zonder hem te dooden, en geeft aan
- zijne moeder haar echtgenoot en aan zijn vader, die gedurende
- zijn schijnbaren dood in de onderwereld heeft geheerscht, zijn
- troon op aarde weder. Deze zinrijke mythe was een beeld van den
- cirkelloop der natuur, van de loopbaan der zon en van het lot
- der menschelijke ziel. De scheppende kracht der natuur en de
- volheid van den Nijl worden door de droogte, het zonlicht door
- de duisternis, de mensch door den dood, het goede beginsel door
- het booze, de waarheid door den leugen schijnbaar vernietigd,
- hoewel zij allen in de lente (de tijd waarop de Nijl begint te
- wassen), aan den morgen, in een ander leven en op den dag der
- wedervergelding zegepralen, evenals Osiris door Horus de
- overwinning op Typhon heeft behaald.
-
-De linkerzijde van den hof voor de huishouding was thans in duisternis
-gehuld. Toch vergunde de maneschijn vele donkere, slechts met een schort
-gekleede gestalten te onderscheiden. Het waren de slaven van den gids,
-die in groepjes van vijf of zes op den grond hurkten, of op dunne matten
-van palmbast, hunne vrij harde bedden naast elkaar lagen. Op eenige
-afstand van de poort, aan de rechterzijde van den hof, brandden eenige
-lampen; zij beschenen een groep bruine mannen, Paäkers huisbedienden,
-die korte witte rokken droegen in den vorm van hemden, en op een tapijt
-waren neergehurkt rondom een nauwelijks twee voet hooge tafel. Zij
-gebruikten hun avondmaal, bestaande in eene gebradene antiloop en groote
-platte broodkoeken. Zij werden bediend door slaven, die bekers van
-gebakken aarde vulden met geelachtig bier. De hofmeester sneed
-het groote gebraad op tafel, reikte den tuinman een stuk van een
-antilopenbout toe en zeide[76]: »De armen doen mij zeer; dat
-slavengespuis wordt van dag tot dag luier en brutaler."
-
- [76] Grieken en Romeinen berichten, dat de Egyptenaars zoo
- verzot waren op satyre en bijtende scherts, dat zij goed en
- leven op het spel zetten, om aan hun lust tot spot bot te kunnen
- vieren. De aanstootelijke afbeeldingen in de zoogenaamde kiosk
- van Medinet Haboe, caricaturen op een papyrus, enz. bevestigen
- deze getuigenis. Merkwaardig is eene plaats bij Flavius Vopiscus
- (Ed. Peter II, p. 208 c. 7), een Latijnschen geschiedschrijver
- uit den tijd van Diocletianus, die de Egyptenaars bijna met de
- Franschen vergelijkt. "Zij toch zijn," zegt hij "gelijk men
- genoeg weet, winderig, lichtgeraakt, opgeblazen, beleedigend en
- zeer ijdel, vrij, uitermate begeerig naar nieuwtjes, makers
- van verzen en stekelige gezegden, sterrenduiders, wichelaars,
- geneeskundigen."
-
-»Ik zie het aan de palmen," zeide de tuinman. »Gij hebt zooveel stokken
-noodig, dat hunne bladerkronen zoo kaal worden als ruiende vogels."
-
-»Wij moeten doen als onze meester," zeide de stalmeester, »en ons staven
-van ebbenhout aanschaffen. Die houden het wel honderd jaren uit!"
-
-»In elk geval langer dan de beenderen van menschen," zeide lachend de
-opperste veehoeder, die van Paäker's landgoed in de stad was gekomen
-om offervee, boter en kaas af te leveren. »Wanneer wij onzen heer in
-alles wilden nadoen, dan hadden wij eerlang niet anders dan lammen en
-kreupelen in huis."
-
-»Daar boven ligt de jongen, dien hij gisteren het sleutelbeen heeft stuk
-geslagen," zeide de hofmeester. »'t Spijt me van hem, want hij was een
-knap mattenvlechter. De oude heer sloeg zachter."
-
-»Dat zult gij wel weten!" riep een fijn stemmetje, dat zich spottend
-achter de schransende bedienden liet hooren.
-
-Zoodra zij omkeken barstten zij in lachen uit, toen zij den zonderlingen
-gast zagen, die hun ongemerkt genaderd was. De pas aangekomene was een
-gedrochtelijk kereltje, zoo groot als een knaap van vijf jaren, met een
-waterhoofd en ouwelijke maar scherp geteekende gelaatstrekken. De meeste
-aanzienlijke Egyptenaren hielden er voor hunne liefhebberij huisdwergen
-op na, en dit kleine schepsel moest als zoodanig de vrouw van Mena
-dienen. Men noemde hem Nemoe, d. i. dwerg, ontzag hem wegens zijne
-scherpe tong, maar zag hem toch gaarne, want hij werd voor zeer
-verstandig gehouden en kon aardig vertellen.
-
-»Gunt mij een plaatsje, mijne heeren," zeide de kleine; »ik neem niet
-veel ruimte in. Voor uw bier en uw gebraad hebt gij niet te vreezen,
-want mijn maagje is zoo klein als een vliegekop."
-
-»Maar uw gal is zoo groot als van een Nijlpaard," riep de kok.
-
-»Zij zwelt," hernam de dwerg ondeugend, »wanneer zij geroerd wordt door
-een roerstokdraaier en een lepelzwaaier van uw soort, ja dat zeg ik!"
-
-»Wees ons dan welkom," sprak de hofmeester. »Wat brengt ge mede?"
-
-»Mijzelf."
-
-»Dan brengt gij niet veel groots."
-
-»Anders zou ik ook niet goed bij ulieden passen," antwoordde de
-dwerg. »Maar in ernst, de moeder van mijne meesteres, Katoeti, en de
-stadhouder, die ons zooeven bezocht, hebben mij uitgezonden om te
-vernemen, of Paäker nog niet weder terug is. Hij begeleidde de prinses
-en Nefert naar de doodenstad en de vrouwen zijn nog niet wedergekeerd.
-Wij beginnen ongerust te worden, want het is reeds laat."
-
-De hofmeester zag op naar den sterrenhemel en zeide: »De maan staat
-reeds tamelijk hoog en onze meester wilde vóor zonsondergang te huis
-zijn."
-
-»De maaltijd was gereed," zuchtte de kok; »ik zal nog eens aan den
-arbeid moeten gaan, wanneer hij ten minste den ganschen nacht niet
-uitblijft."
-
-»Maar dat zal hij niet," verzekerde de hofmeester. »Hij begeleidt immers
-de prinses Bent-Anat."
-
-»En mijne meesteres," voegde de dwerg er bij.
-
-»Wat ze elkaar veel te vertellen zullen hebben," zeide de tuinman
-lachend, »uw opper-draagstoel-drager beweerde, dat zij gisteren op hun
-weg in de doodenstad geen woord gewisseld hebben."
-
-»Kunt gij het den meester ten kwade duiden, wanneer hij boos is op de
-vrouw, die met hem verloofd was en een ander tot man heeft genomen?
-Wanneer ik aan de ure denk, waarin hij vernam hoe Nefert hare
-trouwbelofte had verbroken, wordt ik nog heet en koud tegelijk."
-
-»Zorg tenminste hiervoor," spotte de dwerg, »dat gij 't in den winter
-warm en in den zomer koud hebt."
-
-»Aller dagen avond is nog niet gekomen," riep de stalmeester. »Paäker
-vergeet geene beleediging, en wij zullen het nog beleven, dat hij Mena,
-hoe hoog hij ook staat, den schimp hem aangedaan dubbel betaalt...."
-
-»Mijne meesteres Katoeti," viel Nemoe den stalmeester in de rede, »is
-thans bezig de uitstaande gelden van haar schoonzoon te incasseeren.
-Overigens wenscht zij reeds sedert lang de oude vriendschap met uw
-huis op nieuw aan te knoopen, en ook de stadhouder spreekt van
-verzoening. -- Geef mij een stuk gebraad, hofmeester, ik heb honger."
-
-»De buidel, waarin Mena's inkomsten vloeien," zeide de kok lachend,
-»schijnt mager te zijn."
-
-»Mager! Mager!" hernam de dwerg, »ja, ongeveer als uwe geestigheid. Geef
-mij nog een stuk gebraad, hofmeester. Hier, slaaf, schenk mij een dronk
-bier in!"
-
-»Zeidet ge zoo even niet, dat uw maag zoo klein was als een vliegekop?"
-riep de kok, »en nu verslindt ge het vleesch als de krokodillen in den
-heiligen vijver van het zeeland[77]. Ge schijnt me afkomstig te zijn uit
-de verkeerde wereld, waar de menschen zoo klein zijn als de vliegen en
-de vliegen zoo groot als de reuzen uit den voortijd!"
-
- [77] Thans Fajoem, alwaar bij den tempel van den god Sebek te
- Krokodilopolis, versierde heilige krokodillen onderhouden en
- rijkelijk gevoed werden.
-
-»Ik wenschte dat ik nog veel grooter was," meesmuilde de dwerg, terwijl
-hij onvermoeid verder kauwde, »zoo wat als uw afgunst, die mij niet eens
-een derde stuk vleesch gunt, -- ja dát, meen ik, wat de hofmeester, dien
-Zefa[78] zegene met rijke bezittingen! daar juist van den rug der
-antiloop snijdt."
-
- [78] De godin van den overvloed.
-
-»Daar neem 't, veelvraat, maar ge moogt uw gordel wel losmaken!" sprak
-de hofmeester vroolijk. »Ik had het stukje voor mijzelf bestemd, en
-bewonder uw fijnen neus."
-
-»Ja die neuzen," zeide de dwerg, »zij leeren een kenner beter dan een
-Horoskoop wat er in een mensch zit."
-
-»Dat is wat fraais!" riep de tuinman.
-
-»Kraam je wijsheid maar uit," zeide de hofmeester weder. »Als ge wat te
-zeggen hebt, zult ge wel eindelijk met eten ophouden."
-
-»Dat kan samen gaan," hernam de dwerg. »Luister dan! Een kromme neus,
-dien ik vergelijk met den snavel van een gier, gaat nooit gepaard met
-onderdanigheid. Denk aan den pharao en geheel zijn trotsch geslacht. De
-stadhouder daarentegen heeft een rechten, goed gevormden, middelmatigen
-neus, zooals de Amonsbeelden in den tempel. Hij is dan ook een
-rechtschapen man en vol goddelijke goedheid. Hij is niet hoogmoedig, ook
-niet onderdanig, maar juist zooals recht is. Hij houdt het niet met de
-grootsten en niet met de kleinsten, maar met lieden van ons slag. Dat
-ware een koning voor ons!"
-
-»Een neuzenkoning!" riep de kok. »Dan geef ik de voorkeur aan den
-adelaar Ramses. Maar, wat zegt ge van den neus uwer meesteres Nefert?"
-
-»Deze is teeder en fijn. Elke gedachte brengt haar in beweging, gelijk
-een tochtje de bloemblaadjes. Met haar hart is het evenzoo gesteld."
-
-»En Paäker?" vroeg de stalmeester.
-
-»Deze heeft een stevigen stompen neus, met ronde wijd openstaande
-neusvleugels. Wanner Seth het zand doet opstuiven en er een stofje in
-blaast, dat hem kittelt, dan wordt hij nijdig, en zoo draagt Paäkers
-neus en niets anders de schuld van uwe blauwe plekken. Zijne moeder
-Setchem, de zuster mijner meesteres Katoeti, heeft een kleinen, ronden,
-zachten...."
-
-»Jou dreumes!" viel de hofmeester hem op eens in de rede, »wij hebben je
-gevoerd en naar hartelust laten lasteren; maar als je spitse tong het
-waagt onze huisvrouw aan te raken, dan grijp ik je bij den gordel en
-slinger je naar het firmament, dat de sterren op je krommen bult blijven
-kleven."
-
-Bij deze woorden stond de dwerg op, ging een paar passen achteruit en
-zeide heel bedaard: »Ik zou die sterren zorgvuldig van mijn rug bij
-elkaar zoeken en u de schoonste planeet schenken, uit dankbaarheid voor
-uw malsch gebraad. -- Maar daar komen de wagens aan! Vaartwel, mijne
-heeren, wanneer de snavel van een gier een uwer soms pakt en medesleept
-naar den krijg in Syrië, denkt dan aan het woord van den kleinen Nemoe,
-die de menschen en de neuzen kent!"
-
- * * * * *
-
-De wagen van den gids rolde door de hooge poort vóor zijn huis den hof
-binnen. De honden in hunne hokken begonnen vroolijk te blaffen. De
-stalmeester vloog Paäker te gemoet en nam de teugels over, de hofmeester
-geleidde hem en de kok spoedde zich naar de keuken, om een nieuw maal
-gereed te maken. Eer Paäker nog aan de tuindeur gekomen was, deed zich
-van de pylonen van den reusachtigen Amon-tempel eerst het wijd in 't
-rond klinkend geluid van hard geslagen metalen platen vernemen, dat
-gevolgd werd door het veelstemmig gezang van eene statige hymne. De
-Mohar bleef stilstaan, zag op naar den hemel, riep zijne dienaars toe:
-»de goddelijke Sothis-ster is opgegaan!" wierp zich ter aarde en hief
-biddend zijne armen naar het gesternte omhoog. De slaven en beambten
-volgden terstond zijn voorbeeld.
-
-Er gebeurde niets in de natuur, waarop de priesterlijke leiders van het
-Egyptische volk niet nauwlettend acht sloegen. Elk verschijnsel op aarde
-en aan den sterrenhemel begroetten zij als de openbaring eener godheid,
-en zij omsponnen het leven der bewoners van het Nijldal van den morgen
-tot den avond, van het begin van den overstroomingstijd tot aan de dagen
-der droogte, met een net van gezangen en offeranden, van processiën en
-feesten, dat alle menschelijke wezens onverbrekelijk vast aan de godheid
-en hare vertegenwoordigers verbond.
-
-Gedurende eenige minuten lag de meester met zijne dienaars zwijgend op
-de knieën, met de oogen onafgebroken op het heilig gesternte gericht en
-luisterende naar de vrome gezangen der priesters. Zoodra de laatsten
-verstomden stond Paäker op. Alles rondom hem lag ter aarde; alleen bij
-de woningen der slaven stond eene door het maanlicht helder beschenen
-naakte gestalte roerloos tegen een pijler. De gids gaf een wenk en de
-dienaars rezen op; hijzelf echter ging met rasse schreden naar den
-persoon, die de godsdienstoefening, door hem met zooveel gestrengheid
-gehandhaafd, scheen te minachten, en riep: »Hofmeester, honderd slagen
-op de voetzolen van den verachter der godheid!"
-
-De aangesprokene boog zich en zeide: »Meester, de arts heeft den
-mattenvlechter bevolen zich niet te verroeren, en hij kan zijn arm
-niet opheffen. Hij lijdt zeer veel pijn. Gij hebt hem gisteren het
-sleutelbeen verbrijzeld."
-
-»Hem is recht geschied," antwoordde Paäker, daarbij zijn stem zoo luid
-verheffende, dat de verwonde hem hooren moest. Daarop keerde hij hem den
-rug toe en liep den tuin in. Hier riep hij den keldermeester en zeide:
-»Geef den slaven heden bier als nachtdronk, allen, en rijkelijk!"
-
-Weinige oogenblikken later stond hij voor zijne moeder, die hij vond
-op het met breede bladplanten versierde dak van haar woning. Zij had
-zooeven haar tweejarig kleindochtertje een spruit van haar jongeren
-zoon, in de armen van de kindermeid gelegd, om het naar bed te brengen.
-Paäker groette de waardige matrone eerbiedig. Zij zag er zeer
-vriendelijk uit. Een aantal jonge honden, de lievelingen der weduwe, die
-zoo vaak tot lange eenzaamheid was veroordeeld, lag stoeiend hare voeten
-te liefkozen. Haar zoon weerde de dadelijk op hem toespringende beestjes
-af en ging naar de kleine, die hij uit de armen van de meid in de zijne
-overnam. Maar het kind verzette zich hiertegen; het begon hevig te
-schreien, en toen het zich niet tot bedaren liet brengen, zette Paäker
-het op den grond, knorrig zeggende: »Jou ondeugend ding!"
-
-»Zij was den geheelen achtermiddag zoo lief en aardig," zeide moeder
-Setchem. »Zij ziet u ook zoo zelden!"
-
-»'t Kan zijn," antwoordde Paäker. »Doch ik weet het wel: de honden mogen
-mij wel lijden, maar geen kind laat zich door mij liefkozen."
-
-»Gij hebt ook zulke harde handen."
-
-»Breng den schreeuwleelijk weg!" riep Paäker de meid toe. »Ik heb met u
-te spreken, moeder!"
-
-Setchem bracht de kleine tot rust, gaf haar vele kussen en zond haar
-toen naar bed. Daarop ging zij naar haar zoon toe, streelde zijne wangen
-en zeide: »Als dit kind het uwe was, dan zou het zeker tot u komen, en u
-leeren, dat een kind de grootste is van alle schatten, welke de goden
-aan menschen toevertrouwen!"
-
-Paäker lachte even en zeide: »Ik weet waarop gij zinspeelt; maar laat
-dit thans rusten, want ik heb u wat gewichtigers mede te deelen."
-
-»Welnu?" vroeg Setchem.
-
-»Ik heb heden voor het eerst sedert toen, gij begrijpt mij, met Nefert
-gesproken. Al wat sedert gebeurd is mogen wij vergeten! Gij verlangt
-zoo zeer naar uwe zuster: welnu, ga haar bezoeken, ik heb er niets meer
-tegen."
-
-Setchem zag haar zoon met ongeveinsde verwondering aan; hare oogen,
-waarin spoedig een traan welde, vloeiden nu over, en aarzelend vroeg
-zij: »Kan ik mijne ooren vertrouwen, kind, hebt gij...."
-
-»Het is mijne bepaalde wensch," zeide Paäker op beslissenden toon, »dat
-gij den ouden hartelijken band met uwe bloedverwanten weder aanknoopt.
-De vervreemding heeft lang genoeg geduurd."
-
-»Veel te lang!" riep Setchem.
-
-De gids zag zwijgend naar den grond, en voldeed aan het verlangen zijner
-moeder, door zich naast haar neder te zetten.
-
-»Ik wist het wel," zeide zij, zijne hand in de hare nemende, »dat
-deze dag ons vreugde zou brengen, want ik heb van uw Osirischen vader
-gedroomd, en toen ik mij naar den tempel liet dragen, ontmoette ik eerst
-eene witte koe en daarna een bruidsoptocht. De heilige ram van Amon
-raakte ook den tarwekoek aan, dien ik hem aanbood"[79].
-
- [79] Het was voor Germanicus eene voorspelling van zijn
- aanstaanden dood, toen de Apis weigerde uit zijne hand te eten.
-
-»Dat zijn gelukkige voorteekenen," zeide Paäker ernstig en op een toon
-van stellige overtuiging.
-
-»Haasten wij ons dankbaar aan te grijpen wat de goden ons willen
-toezeggen," riep Setchem vol vreugde. »Morgen ga ik naar mijne zuster
-en zeg haar, dat wij weder met dezelfde liefde van weleer bij elkander
-willen wonen, en het goede zoowel als het kwade samen deelen. Wij
-behooren immers tot hetzelfde geslacht, en ik weet dat, evenals orde en
-reinheid een huis voor verval bewaren en den gast verblijden, eendracht
-alleen het geluk eener familie waarborgt en haar aanzien onder de
-menschen ophoudt. Wat gebeurde is nu eenmaal gebeurd en worde vergeten!
-Er zijn behalve Nefert nog vele vrouwen in Thebe, en honderd
-aanzienlijken des lands zouden zich gelukkig achten, u tot schoonzoon te
-krijgen."
-
-Paäker stond op en begon peinzend de groote ruimte op en neer te
-wandelen, terwijl Setchem verder sprak:
-
-»Ik weet," zeide zij, »dat ik eene pijnlijke wond in uw hart heb
-aangeraakt, maar zij is reeds half gesloten en zal wel genezen, wanneer
-gij gelukkiger zult zijn dan de wagenmenner Mena, en hem daarom niet
-meer zult behoeven te haten. Nefert is teer en onervaren; zij zou niet
-opgewassen zijn tegen eene zoo groote huishouding als de onze. Eerlang
-zal men ook mij wikkelen in de mummie-windsels, en wanneer dan uw plicht
-u naar Syrië roept, moet eene omzichtige huisvrouw in mijne plaats alles
-bestieren. Dat is waarlijk geen kleinigheid! Uw grootvader Assa heeft
-dikwijls gezegd: een huis waar overal goede orde heerscht is het beeld
-van een gezin, dat prijs stelt op een onbevlekten naam, waarin alles
-met wijsheid wordt geregeld en deugdelijk wordt geleefd; van een gezin
-waarin ieder zijn aangewezen plaats inneemt, zijne bepaalde plichten
-heeft te vervullen, en zeker kan zijn dat zijne rechten zullen worden
-gehandhaafd. Hoe dikwijls heb ik tot de Hathors gebeden, dat zij u eene
-gade mochten schenken naar mijn hart!"
-
-»Eene Setchem zal ik wel niet vinden," zeide Paäker, terwijl hij zijne
-moeder op het voorhoofd kuste, »want de vrouwen zooals gij zijt sterven
-uit."
-
-»Gij vleier!" zeide Setchem met een lach, terwijl zij haar zoon met
-den vinger dreigde. »Maar het is waar! Het opkomend geslacht pronkt en
-siert zich op met stoffen uit Kaft[80], het kruidt zijne gesprekken met
-Syrische woorden en laat den hofmeester en de kokkin de handen vrij,
-waar men zelf gebieden moest. Ook mijne zuster Katoeti en Nefert..."
-
- [80] Phoenicië.
-
-»Nefert is anders dan de overige vrouwen," viel Paäker zijne moeder in
-de rede. »Ware zij door u opgevoed, dan zou zij de kunst verstaan om
-niet alleen een huis sierlijk in te richten, maar ook het te besturen."
-
-Setchem zag haar zoon verwonderd aan; daarop zeide zij half in
-zichzelve: »Ja, ja, zij is een lief kind, waarop men niet boos kan
-worden, wanneer men haar in de oogen ziet. En toch was ik boos op haar,
-omdat gij het waart, en omdat.... nu ja, gij weet het wel! -- Doch nu
-gij haar vergeven hebt, vergeef ook ik gaarne, haar en haar echtgenoot."
-
-Er kwam een wolk op Paäker's voorhoofd, en terwijl hij voor zijne moeder
-bleef staan, zeide hij met zijne gewone schrille stem: »Hij moge in
-de woestijn versmachten, en de hyena's van het Noorderland mogen zijn
-onbegraven lichaam verslinden!"
-
-Setchem trok, toen zij deze taal hoorde, den sluier voor haar
-aangezicht, en klemde de aan haar hals hangende amuletten vast in hare
-handen. Daarop zeide zij zacht: »Wat kunt gij toch vreeselijk zijn! Ik
-weet wel dat gij den wagenmenner haat, want ik heb de zeven pijlen boven
-uw legerstede wel gezien, waarop geschreven staat: Dood aan Mena! Het is
-een Syrisch toovermiddel, dat hem in het verderf moet storten tegen wien
-het wordt aangewend. Hoe somber staat gij te staren! Ja, het is een
-toovermiddel, dat de goden haten en den booze macht geeft over ieder die
-er zich van bedient. Uw vader en ik hebben u geleerd de goden te eeren.
-Laat het aan hen over den misdadiger te treffen, want Osiris ontzegt hen
-zijne bescherming, die zich den booze tot bondgenoot kiezen."
-
-»Mijne offers," antwoordde Paäker, »verzekeren mij de hulp der goden.
-Wat Mena aangaat, die als een gevloekte roover jegens mij gehandeld
-heeft, ik lever hem over aan den booze, wien hij toebehoort. Genoeg
-hiervan! Wanneer gij mij liefhebt, spreek dan den naam van mijn vijand
-niet meer in mijne tegenwoordigheid uit! Nefert en hare moeder heb ik
-vergiffenis geschonken; dit zij u genoeg!"
-
-Setchem schudde het hoofd en riep: »Waar moet dat op uitloopen! De krijg
-kan toch niet eeuwig duren, en wanneer Mena terugkeert, dan zal de
-verzoening van heden in des te erger vijandschap overslaan. Ik zie
-maar éen redmiddel! Volg mijn raad en laat mij eene vrouw zoeken uwer
-waardig."
-
-»Thans niet," antwoordde Paäker ongeduldig. »Binnen weinige dagen
-vertrek ik weder naar het land van den vijand, en ik wensch niet even
-als Mena, mijne vrouw terwijl ik leef, als eene weduwe achter te laten.
-Waarom wilt gij daarop aandringen? De vrouw van mijn broeder en hare
-kinderen zijn immers bij u? Wees daarmede tevreden!"
-
-»De goden weten hoe ik ze liefheb," hernam Setchem, »maar uw broeder
-Horus is de jongste, gij zijt de oudste zoon, wien het erfdeel toekomt.
-Uw nichtje is voor mij een aangenaam tijdverdrijf. Maar hadt gij een
-zoon, dan kon ik dezen opvoeden in mijn en uws vaders geest, als
-toekomstigen stamhouder en hoofd der familie. Bovendien, alles is mij
-heilig, wat mijn gestorven echtgenoot wenschte. Hij verheugde zich er
-over, dat gij zoo vroeg reeds verloofd waart met Nefert, en hoopte dat
-een zoon van zijn oudsten zoon Assa's geslacht in stand zou houden."
-
-»Het zal mijne schuld niet zijn," zeide Paäker, »wanneer een zijner
-wenschen onvervuld blijft! De sterren staan reeds hoog. Slaap wel,
-moeder, en wanneer gij morgen Nefert en uwe zuster bezoekt, zeg
-hen dan, dat de poort van mijn huis voor haar open staat! -- Nog iets!
-Katoeti's hofmeester heeft den onzen eene kudde te koop aangeboden,
-niettegenstaande de veestapel op Mena's landgoed zeer klein moet zijn.
-Wat heeft dat te beteekenen?"
-
-»Gij kent mijne zuster," antwoordde Setchem. »Zij bestuurt Mena's
-bezittingen, heeft groote behoeften, zoekt door uiterlijk vertoon de
-grooten te overtreffen, ziet den stadhouder dikwijls bij zich aan huis,
-en heeft bovendien een zoon, die nog al verkwistend is. Zoo kan er nu en
-dan wel eens gebrek zijn aan het noodigste."
-
-Paäker haalde de schouders, op, groette andermaal en verliet zijne
-moeder.
-
- * * * * *
-
-Niet lang daarna stond hij in het ruime vertrek, dat hem tot woon-
-en slaapkamer diende, wanneer hij in Thebe was. De wanden waren wit
-bepleisterd en rondom de deuren en vensteropeningen van de tuinzijde met
-eenige vrome spreuken in hiëroglyphen beschilderd. Midden tegen den
-achtergrond stond een bed, in de gedaante van een leeuw; het hoofdeinde
-stelde de kop en het voeteneinde de staart voor. Over het bed was eene
-fijn gelooide leeuwenhuid gespreid, en een met vrome spreuken beschreven
-hoofdsteunsel van ebbenhout stond op eene trapvormige hooge voetbank
-gereed, wanneer hij slapen wilde. Boven het bed waren kostbare wapenen
-en zweepen van allerlei soort in keurige orde opgehangen, en daaronder
-ook de zeven pijlen, waarop Setchem de woorden: »Dood aan Mena!" had
-gelezen. Zij kruisten juist de letters eener spreuk, die beval de
-hongerigen te spijzigen, de dorstigen te drenken, de naakten te kleeden,
-en barmhartig te zijn jegens grooten en kleinen[81]. Aan het hoofdeinde
-van het bed kon men in de muur nog eene nis opmerken, die zorgvuldig
-door een purperen gordijn werd gesloten. Voorts stonden in alle hoeken
-van het vertrek beelden, waarvan drie de trias van Thebe: Amon, Moeth
-en Choensoe voorstelden, en de vierde Paäkers gestorven vader. Voor elk
-was een klein offeraltaar geplaatst met holten, die met fijne reukwerken
-waren gevuld. Op een houten toestel vond men kleine godenbeeldjes en
-amuletten in overvloed. Een aantal bont beschilderde kasten dienden tot
-bergplaats voor de kleederen, de sieraden en de papieren van den gids.
-Midden in de kamer stond eene tafel, omringd door eenige stoelen in den
-vorm van tabouretten.
-
- [81] Een gebod uit de heilige schriften, dat telkens wederkeert.
- Wij vinden het reeds op gedenkteekenen uit het oude rijk, bijv.
- te Beni Hassan (12e dynastie).
-
-Toen Paäker dit vertrek binnentrad, vond hij het door lampen verlicht
-en een groote hond vloog dadelijk kwispelstaartend naar hem toe. Hij
-liet toe dat het beest tegen zijne schouders opsprong, wierp het op den
-grond, vergunde het andermaal op hem aan te stormen, en gaf het toen een
-kus op zijn verstandigen kop. Vóor zijn bed lag een kolossale oude neger
-te ronken. Paäker gaf hem een schop met zijn voet en riep hem toe, toen
-hij wakker werd: »Ik heb honger!" waarop de zwarte grijskop langzaam
-oprees en het vertrek verliet.
-
-Zoodra de gids alleen was, haalde hij het fleschje met den liefdedrank
-uit zijn gordel, beschouwde het met teedere blikken en legde het in
-eene kist, die verschillende fleschjes met heilige offeroliën bevatte.
-Hij was gewoon elken avond de holten der altaren op nieuw met zulke
-vluchtige reukoliën te vullen en zich biddend voor de godenbeelden
-neer te werpen. Heden plaatste hij zich alleen voor de beeltenis zijns
-vaders, en kuste de voeten ervan, prevelende: »Uw wil zal geschieden! De
-vrouw, die gij voor mij bestemd hebt, zal uw oudsten zoon toebehooren!"
-
-Hierna liep hij op en neder, en overdacht alles wat dezen dag gebeurd
-was. Eindelijk bleef hij staan met de armen over elkaar, en zag daarbij
-de godenbeelden uit de hoogte aan, als een wandelaar, die een slechten
-gids wegjaagt en voornemens is zelf den weg te zoeken. Zijn blik viel op
-de pijlen boven zijn bed. Hij lachte, en terwijl hij met de vuist op de
-breede borst sloeg, riep hij: »Ik, ik, ik --!" De dog, die meende dat
-zijn meester hem riep, sprong naar hem toe, doch Paäker weerde het dier
-af, en sprak: »Als gij eene hyena in de woestijn tegen komt, valt gij
-het ondier aan, en wacht niet af tot mijne lans het bereikt heeft,
-en daar de goden, mijne meesters, talmen, zoo zal ik mijzelf recht
-verschaffen. Gij echter," ging hij voort, terwijl hij zich tot het beeld
-zijns vaders richtte, »zult mij bijstaan."
-
-Deze alleenspraak werd afgebroken door de slaven, die zijn maaltijd
-brachten. Paäker liet zijn oog gaan over de verschillende spijzen, die
-de kok voor hem had gereed gemaakt, en vroeg knorrig: »Hoe dikwijls moet
-ik bevelen, voor mij niet allerlei klaar te maken, maar slechts éen
-groot krachtig gerecht? En waar is de wijn?"
-
-»Gij zijt gewoon deze niet aan te raken," antwoordde de oude neger.
-
-»Maar heden heb ik trek in een dronk," riep de gids. »Breng een van die
-oude kruiken met rooden wijn van Kakem"[82]!
-
- [82] Eene plaats in de nabijheid van de trappenpyramide van
- Saqqarah in de Nekropolis van Memphis, waar reeds in de oudheid
- druiven moeten zijn geteeld, want van rooden wijn van Kakem
- (Kochome?) wordt meer dan eens gewaggemaakt.
-
-De slaven keken elkander verbaasd aan. De wijn werd gebracht en Paäker
-dronk den eenen beker na den anderen ledig. Toen de bedienden de hielen
-hadden gelicht, zeide een hunner, die het meest durfde: »Anders vreet de
-meester als een leeuw en zuipt hij als een mug; maar heden...."
-
-»Hou je mond!" riep zijn metgezel, »en kom in den hof want Paäker laat
-ons heden bier schenken. Hij heeft zeker de Hathors ontmoet!"
-
-De gebeurtenissen van dezen dag moesten wel diep in het innerlijk leven
-van den gids hebben ingegrepen, want de man, die onder alle krijgers van
-Ramses wel de matigste was, die den roes niet kende en de drinkgelagen
-van zijne gezellen in het legerkamp zorgvuldig ontweek, zat heden in het
-middernachtelijk uur alleen aan zijn tafel en dronk, tot het vermoeide
-hoofd hem zwaar werd. Op eens herstelde hij zich. Hij liep naar zijn bed
-en schoof het gordijn op zij, dat de nis aan het hoofdeinde van zijn
-legerstede bedekte. Er kwam een bontbeschilderd vrouwenbeeldje van
-kalksteen te voorschijn, met het hoofdsieraad en de attributen van de
-godin Hathor. Haar gelaat vertoonde de trekken van de vrouw van Mena.
-Vier jaren geleden had de koning bevolen een beeld der godheid te
-vervaardigen, met de aanminnige trekken der jonge vrouw van zijn
-wagenmenner, en het was Paäker gelukt zich er eene kopie van te
-verschaffen. Hij knielde nu op zijn bed neder, beschouwde het beeld met
-vochtige oogen, sloeg een onderzoekenden blik in het rond, om zich te
-verzekeren dat hij alleen was, boog zich daarop voorover en drukte eene
-kus op de zachte koude steenen lippen, legde zich neer en sliep in,
-zonder zich te ontkleeden en de lampen in zijn vertrek te doen
-uitblusschen.
-
-Onrustige droomen benauwden zijn gemoed. Toen de morgen begon te
-schemeren gaf hij, door een akelig droombeeld beangstigd, zulk een
-rauwen gil, dat de oude neger, die zich naast den hond vóor zijn bed had
-neergelegd, verschrikt opsprong en hem bij zijn naam riep om hem wakker
-te maken, terwijl de dog luid begon te huilen. Paäker werd wakker met
-zware hoofdpijn. Het droomgezicht, dat hem zoo beangstigd had, stond hem
-levendig voor den geest, en hij trachtte het vast te houden, tot hij
-een Horoscoop zou hebben doen ontbieden om het uit te leggen. Na de
-phantasieën van den vorigen avond, die hem het uitzicht hadden geopend
-op de vervulling zijner wenschen, gevoelde hij zich neerslachtig en
-bedrukt. De morgenhymnen uit den Amonstempel drongen als eene vermanende
-stem tot zijn vertrek door, en hij zette alle zondige gedachten van
-zich, met het voornemen de beslissing van zijn lot weder aan de goden
-over te laten en zich van alle tooverkunsten te onthouden. Als naar
-gewoonte daalde hij af in het voor hem gereed gemaakte bad. Terwijl het
-lauwe water hem omspoelde, dacht hij met klimmende levendigheid aan
-Nefert en aan den tooverdrank, dien hij haar eerst niet had willen
-inschenken, maar dien hij haar toch werkelijk had toegereikt, en die
-nu reeds kon gewerkt hebben. De liefde tooverde rooskleurige, de haat
-bloedroode beelden voor zijne oogen. Hij spande zijne krachten in om
-zich los te maken uit het net van verzoekingen, dat hem al vaster en
-vaster scheen te omklemmen; doch het ging hem als den man, die in een
-moeras is geraakt en dieper zinkt, hoe meer moeite hij doet om zich uit
-den modder te werken. Met het klimmen der zon steeg ook zijn levensmoed
-en zijn zelfvertrouwen. Toen hij zich gereed maakte in zijn kostbaarst
-kleed zijn huis te verlaten, was hij weder gestemd als gisteren avond,
-en stond zijn besluit vast, zonder, en als het zijn moest zelfs in
-weerwil van de goden, zijn doel na te streven.
-
-De Mohar had zijn weg gekozen, en hij keerde nooit om, als hij eene
-wandeltocht was begonnen.
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-
-De zon stond ter middaghoogte. Hare stralen vonden geen toegang tot de
-nauwe schaduwrijke straten van de woonstad Thebe, maar zij brandden
-met verzengende hitte op den breeden weg van den dijk, die naar het
-koninklijk paleis voerde en in den regel op dit uur niet zeer
-bevolkt was. Maar op dienzelfden weg verdrongen zich heden wagens en
-voetgangers, ruiters en dragers van draagstoelen. De wandelaars kwamen
-niet enkel uit de stad, maar ook van de havenzijde, waar de booten
-gewoonlijk de bewoners der Nekropolis aan wal zetten. Op sommige
-plaatsen goten negers uit lederen zakken water op den weg, maar er was
-zoo geweldig veel stof, dat de straat en al wat zich daarop bewoog in
-een drogen nevel werd gehuld.
-
-De residentie van den pharao verkeerde in buitengewone beweging, want
-als een loopend vuur, door een stormwind aangeblazen, had zich een
-gerucht verbreid, dat de hutten der armen zoowel als de paleizen der
-aanzienlijken met hoop en vrees vervulde. Vroeg in den morgen waren
-drie boden te paard met zwaar beladen briefzakken[83] uit het leger des
-konings gekomen, en vóor het paleis van den stadhouder afgestegen.
-Evenals de dorpsbewoners na lange droogte naar de zwarte onweerswolken
-zien, die zich boven hun hoofd samenpakken, waaruit verkwikkende regen,
-maar ook de vernielende bliksem en de verpletterende hagel te
-voorschijn kunnen komen, zoo verkeerden de burgers in angstige spanning
-en in blijde verwachting, zoo vaak er tijdingen kwamen van het
-oorlogstooneel, iets wat maar zelden en met onregelmatige tusschenpoozen
-gebeurde. Er was toch geen huis in de reusachtige stad, dat niet een
-vader, een zoon of een bloedverwant had gezonden naar het leger, dat in
-het verre noordoosten onder den koning streed. Wel is waar brachten
-de boden uit het kamp meer droeve dan blijde berichten over.
-De schriftrollen die zij bij zich droegen, hielden gewoonlijk
-kennisgevingen in van dood en verwonding, maar zelden van bevorderingen,
-koninklijke geschenken en behaalden buit. Dit nam niet weg, dat zij
-toch met smachtend verlangen werden te gemoet gezien en met gejuich
-ontvangen. Na de aankomst snelden groot en klein naar het paleis van den
-stadhouder; men verdrong zich om de schrijvers, die de ontvangen brieven
-uitdeelden, en de berichten voor openlijke mededeeling bestemd, alsmede
-de lijsten der gevallenen, of die op eene andere wijze bezweken waren,
-voorlazen. Er is voor een mensch niets pijnlijker dan de onzekerheid, en
-meestal ziet hij de slechte tijding met grooter spanning dan de goede te
-gemoet. Ongeluksboden rijden ook sneller, dan zij die goede dingen te
-verkondigen hebben.
-
- [83] De schrijflustige Egyptenaars schreven vele brieven,
- waarvan er een groot aantal voor ons bewaard bleven. Zij kenden
- ook eene vereeniging van briefbestellers en hadden daarvoor
- in hunne taal het woord "faï sjaat." Vgl. het voortreffelijk
- geschrift van Maspero, =Du genre épistolaire chez les anciens
- Egyptiens de l'époque pharaonique=.
-
-De stadhouder Ani hield zijn verblijf in een zijgebouw van het
-koninklijk paleis. Zijne bureelen omgaven een onafzienbaar ruim plein.
-In de talrijke vertrekken, die allen op het plein uitkwamen, zaten een
-menigte schrijvers onder opzichters te werken. Aan de achterzijde van
-den open hof zag men eene overdekte, door zuilen gedragene en van voren
-geopende ruimte, die veel op eene veranda geleek. Hier was Ani gewoon
-recht te spreken, beambten, boden en smeekelingen te ontvangen. Ook
-heden zat hij in deze vestibule, zichtbaar voor alle aanwezigen, omgeven
-door een talrijk gevolg, op een kostbaren troon. Hij liet zijn oog
-gaan over de volksmenigte, bij troepen door de hooge poort in den hof
-toegelaten door wachters met lange staven, die ze ook weder uitgeleide
-deden. Wat hij zag en hoorde was niet zeer opwekkend, want uit elke
-groep, die een schrijver omgaf, hoorde hij weeklachten opgaan. Zij
-die te vertellen hadden van buit, aan hunne bloedverwanten ten deel
-gevallen, waren wel te tellen. Een onzichtbare band, uit jammer en
-tranen geweven, scheen het grootste deel van die hierheen gekomen waren
-te verbinden. Hier stonden weeklagende mannen, die stof over hun hoofd
-wierpen, daar scheurden vrouwen hare kleederen, terwijl zij bitter
-schreiden en onder het zwaaien met den sluier uitkreten: »Ach mijn man!"
-»Ach mijn vader!" »Ach mijn broeder!" -- Ouders, die het bericht
-ontvingen van den dood van hun zoon, vielen elkander weenend om den
-hals; grijsaards rukten zich de baard- en hoofdharen uit; jonge vrouwen
-sloegen zich op het hoofd en den boezem, of vielen den voorlezenden
-schrijver op 't lijf, om met eigen oogen de namen te lezen
-der geliefden, die van hen waren weggerukt. Hartstochtelijke
-zielsaandoeningen, hetzij dat ze uit vreugde of uit smart worden
-geboren, dekken wij met een sluier, waaraan men in dien tijd geene
-behoefte gevoelde.
-
-Ter plaatse waar de klachten het luidst werden vernomen, vertoonde zich
-een mannetje, dat rusteloos van de eene groep naar de andere liep. Het
-was Nemoe, de dwerg van Katoeti, dien wij reeds kennen. Hij stond nu
-naast eene vrouw uit den aanzienlijken stand, die baadde in haar tranen,
-omdat haar echtgenoot in den laatsten slag gesneuveld was. »Kunt gij
-lezen?" vroeg hij haar. »Daar boven aan de architraaf staat de naam van
-Ramses, met al zijne titels. Schenker des levens noemt hij zich! Nu ja!
-hij weet wat nieuws te maken: weduwen bedoel ik, wier mannen hij laat
-slachten."
-
-Eer de verbaasde vrouw hem antwoorden kon, stond hij bij een diep
-bedroefd man, en zeide, terwijl hij hem aan zijn kleed trok: »Flinker
-jongen dan uw gevallen zoon heeft men nooit in Thebe gezien. Laat uw
-jongste verhongeren of sla hem kreupel, anders slepen ze hem ook naar
-Syrië, want Ramses heeft veel gezond Egyptisch vleesch noodig voor de
-Syrische gieren."
-
-De oude, die tot dusver daar had gestaan in stille berusting, balde de
-vuist; maar de dwerg vervolgde, terwijl hij op den stadhouder wees:
-»Wanneer die dáar den schepter zwaaide, zouden er geene weezen en
-bedelaars meer zijn aan den Nijl. Heden is het heilige water van den
-stroom nog zoet, maar weldra zal het ziltig smaken als de noordelijke
-zee, van al de tranen, die aan zijne oevers worden vergoten."
-
-Het was alsof de stadhouder deze woorden had gehoord, want hij stond van
-zijn troon op, en hief als een weeklagende zijne handen omhoog. Velen
-der aanwezigen merkten deze beweging op, en luide jammerkreten vervulden
-het plein, dat de soldaten weder deden ontruimen, om plaats te maken
-voor andere volksscharen, die zich aan de poort verdrongen.
-
-Terwijl deze zich opnieuw rondom de schrijvers groepeerden, zat de
-stadhouder Ani met kalme waardigheid op zijn troon, door zijn gevolg en
-zijne schrijvers omgeven, en verleende audientie. Hij was een man van
-ruim veertig jaren en 's konings eigen neef. Ramses I, de grootvader van
-den tegenwoordigen pharao, had het wettig koningshuis doen vallen, en
-zich door overweldiging van de kroon der pharao's meester gemaakt. Hij
-was gesproten uit een Semitisch geslacht, dat na de verdrijving der
-Hyksos[84] in Egypte was gebleven, en onder Thotmes en Amenophis zich
-door dapperheid had onderscheiden. Na zijn dood volgde zijn zoon Seti
-hem op, die zich het wettig recht op den troon zocht te verzekeren door
-Toeaä, de kleindochter van Amenophis III, tot vrouw te nemen. Zij schonk
-hem een eenigen zoon, dien hij naar zijn vader Ramses heette. Deze prins
-kon zich met alle reden op de legitimiteit beroepen, omdat zijne moeder
-aldus uit het rechtmatig koningshuis afstamde; want in Egypte kon
-een adellijk geslacht, zelfs dat der pharao's, in vrouwelijke linie
-voortbestaan. Seti benoemde Ramses tot zijn mederegent[85], om daardoor
-allen twijfel aan de rechtmatigheid zijner heerschappij weg te nemen.
-Den jongen neef zijner gemalin Toeaä, den stadhouder Ani, die weinige
-jaren jonger was dan Ramses, liet hij in het Seti-huis opvoeden; hij
-beschouwde hem als zijn eigen zoon, terwijl andere leden van het
-onttroonde koningshuis uit den weg geruimd of van hunne goederen beroofd
-werden.
-
- [84] Stammen die uit het oosten kwamen, toen zij door eene
- Aziatische volksverhuizing naar Egypte werden verdrongen. Zij
- maakten zich meester van het Nijldal, dat zij bijna 500 jaren
- beheerschten, totdat zij door de nakomelingen van het oude
- wettige geslacht der pharao's, die gedurende dien tijd zich
- tot Opper-Egypte beperkt zagen, na langdurigen strijd verjaagd
- werden.
-
- [85] Reeds bij zijne geboorte. In een opschrift te Abydus, door
- Mariëtte uitgegeven en door Maspero verklaard, beroemt Ramses
- zich, "dat hij reeds koning was in het ei." Hij is de Sesostris
- der Grieken. Zijn bijnaam Seseroe-Ra is op de gedenkteekenen
- bewaard gebleven. Wanneer de Grieken van de groote daden van
- Sesostris spreken, dan bedoelen zij wat Seti en Ramses te zamen
- hebben verricht.
-
-Ani toonde zich een getrouw dienaar én van Seti én van diens zoon. De
-oorlogzuchtige en grootmoedige Ramses vertrouwde hem als een broeder,
-hoewel hij zich niet ontveinzen kon, dat in zijne eigene aderen minder
-zuiver koningsbloed vloeide, dan in die van zijn neef. Het Egyptische
-koningshuis heette van den zonnegod Ra af te stammen, en de pharao kon
-zich alleen door zijne moeder, Ani daarentegen door zijne beide ouders
-op zoo hooge afkomst beroemen. Doch Ramses zat op den troon, hij voerde
-de teugels van het bewind met vaste hand, en dertien zonen verzekerden
-zijn huis de heerschappij over Egypte naar het scheen voor eeuwig. Toen
-hij na den dood van zijn krijgszuchtigen vader naar het noorden toog, om
-nieuwe lauweren te plukken op het oorlogsveld, benoemde hij Ani, die als
-gouverneur van de provincie Koesch[86] reeds de proef had doorgestaan,
-tot stadhouder van het rijk.
-
- [86] Ethiopië.
-
-Iemand van een sanguinisch temperament overschat vaak den man van een
-kalmer natuur, in wiens karakter hij zich niet verplaatsen en wiens
-voortreffelijke hoedanigheden hij zich niet toeëigenen kan. Vandaar dat
-de neef, die zeer matig was in zijne eischen en geen hartstocht bleek te
-kennen, op den oorlogzuchtigen vurigen Ramses zulk een indruk maakte.
-Ani scheen vrij te zijn van alle eerzucht en ondernemingsgeest. Hij nam
-de hem opgedragen waardigheid aan, na tot het uiterste zich er tegen
-verzet te hebben, en er was te minder reden om hem voor gevaarlijk
-te houden, daar hij vrouw en kinderen had verloren, en dus geene
-nakomelingen bezat. Wat zijn uiterlijk aangaat, was hij van meer dan
-middelbare grootte. Zijne trekken waren buitengewoon regelmatig, zelfs
-fijn geteekend, maar zijn gelaat overigens effen en weinig beweeglijk.
-Zijne heldere grijze oogen en dunne lippen deden niet blijken, dat zijn
-hart van zekere neigingen was vervuld. Veeleer had hij zich gewend zijn
-gezicht tot een glimlach te plooien, die nu eens wat sterker, dan weder
-wat minder, over het geheel voor verschillende wijziging vatbaar was,
-maar toch nooit geheel werd gemist.
-
-Met vriendelijke welwillendheid had hij de klacht van een grondbezitter
-aangehoord, wiens vee voor het leger des konings was weggehaald, en hem
-beloofd deze zaak te zullen onderzoeken. De berooide man verwijderde
-zich vol hoop; toen echter de schrijver, die aan de voeten van den
-stadhouder zat, vroeg, aan wien het onderzoek van deze daad der beambten
-moest worden toevertrouwd, zeide Ani: »ieder heeft voor den krijg zijn
-offer te brengen; het blijft bij het gebeurde."
-
-De nomarch[87] van Soean, in het zuidelijk gedeelte des rijks,
-verlangde de middelen tot nieuwe en noodzakelijke versterkingen van den
-rivieroever. De stadhouder hoorde 's mans levendige schildering met
-welgevallen, ja met eene uitdrukking van deelneming aan, maar hij gaf
-hem de verzekering, dat de oorlog alle middelen verslond en de kassen
-dus ledig waren. Toch was hij geneigd een deel zijner eigene inkomsten,
-wanneer deze ten minste ook niet uitbleven, ten offer te brengen tot
-bescherming van het bedreigde bouwland in zijne getrouwe provincie
-Soean, die hij van zijnentwege liet groeten. Zoodra de nomarch
-vertrokken was, beval hij eene aanzienlijke som uit de staatskas te
-nemen en den verzoeker achterna te zenden. Midden in het gesprek nu
-stond hij van tijd tot tijd op, om de houding van een weeklagende aan
-te nemen, opdat de bedroefden mochten weten, dat hij ook deel nam in
-de verliezen die hun aangingen.
-
- [87] Hoofd van een nomos of provincie.
-
-Reeds had de zon hare middaghoogte overschreden, toen men zekere onrust
-bespeurde onder de volksgroepen rondom de schrijvers op het plein,
-waarbij het geschreeuw van allerlei stemmen werd gehoord. Vele mannen
-en vrouwen stroomden naar éen punt samen, en ook de opmerkzaamheid der
-minst beweeglijke bewoners van Thebe werd getrokken door een op deze
-plaats gansch ongewoon voorval. Een soldaat van de wacht dreef de
-menigte uit elkaar, om doorgang te verleenen aan eene afdeeling
-Libysche politie-agenten, die een gevangene over het plein naar eene
-zijpoort brachten. Eer zij daar kwamen, was er reeds een bode van den
-stadhouder bij hen, om te vernemen wat er gebeurd was. De overste der
-veiligheidsbeambten volgde, en berichtte Ani, die op hem wachtte, onder
-levendig gebaar, dat een klein mannetje, het dwergje van vrouwe Katoeti,
-reeds uren lang in den hof had rondgeloopen, overal de gemoederen der
-burgers vergiftigende met zijne oproerige taal.
-
-Ani beval »den verblinde" in den kerker te werpen. Zoodra de overste
-echter weg was, gebood hij zijn schrijver den dwerg vóor zonsondergang
-bij hem te brengen.
-
-Terwijl hij deze bevelen gaf, ontstond er weder eene beweging van gansch
-anderen aard onder de saamgevloeide menigte. Evenals de zee, naar het
-oud verhaal, ter rechter- en ter linkerzijde voor de Hebreën week,
-opdat geen golf den voet der vervolgden zou bevochtigen, zoo trad het
-verzamelde volk, vrijwillig maar als op hooger last, onder eerbiedige
-buiging uiteen, en vormde een breeden doorgang voor den opperpriester
-van het Seti-huis, die in vol ornaat, vergezeld van eenige heilige
-vaders, recht op den stadhouder toeging, terwijl hij de menigte zegende.
-Ani kwam hem te gemoet, boog zich voor hem en zonderde zich terstond met
-hem af op den achtergrond van de zuilengaanderij.
-
-»Zoo is dan het ondenkbare toch gebeurd," zeide Ameni. »Onze
-onderhoorigen moeten den heerban volgen."
-
-»Ramses heeft soldaten noodig om te kunnen overwinnen," gaf de
-stadhouder ten antwoord.
-
-»En wij brood om te leven," riep de priester.
-
-»Nochtans werd mij bevolen terstond, dus nog vóor den zaaitijd, de
-tempelboeren te lichten. Ik betreur dit bevel, maar de koning wil het,
-en ik ben de hand die moet uitvoeren."
-
-»De hand, waarvan hij zich bedient om te spotten met eeuwenoude rechten,
-om voor de woestijn den weg te banen tot het bouwland"[88].
-
- [88] "Bij eene goede cultuur," zeide Napoleon I, "bereikt de
- Nijl de woestijn, bij eene slechte de woestijn den Nijl."
-
-»Uwe akkers zullen niet lang onbebouwd blijven. Ramses zal nieuwe
-overwinningen behalen door de uitbreiding van het leger en met de hulp
-der goden."
-
-»Der goden, die hij beleedigt!"
-
-»Als de vrede gesloten is, verzoent hij de hemelsche goden ongetwijfeld
-met driedubbel rijke gaven. Hij verwacht stellig, dat de oorlog spoedig
-ten einde zal zijn, en hij schrijft mij, dat hij voornemens is, na den
-eersten slag dien hij wint, den Cheta een verdrag voor te slaan. Men
-spreekt ook van een plan des konings om, na het sluiten van den vrede,
-weder in het huwelijk te treden, en wel met de dochter van Chetasar den
-koning Cheta."
-
-Tot hiertoe had de stadhouder zijne oogen naar beneden gericht, thans
-sloeg hij ze op, met een glimlach, als wilde hij zich wijden aan de
-vreugde, die deze berichten bij Ameni moesten verwekken. »Wat," vroeg
-hij, »zegt gij van deze plannen?"
-
-»Ik zeg," gaf Ameni ten antwoord, en er lag iets schalksch in zijne
-anders zoo ernstige stem, »ik zeg dat Ramses het bloed van uwe tante
-en zijne moeder, dat hem recht geeft op den troon van dit land, voor
-onveranderlijk rein schijnt te houden."
-
-»'t Is het bloed van den zonnegod!"
-
-»Dat echter =half= in zijne en =geheel= in uwe aderen stroomt."
-
-De stadhouder maakte eene afkeurende beweging, en zeide zacht, met een
-lachje als op het gelaat van een doode: »Wij zijn niet alleen."
-
-»Hier is niemand, die ons hooren kan," hernam Ameni, »en wat ik zeide
-weet zelfs ieder kind."
-
-»Doch zoo het den koning ter oore kwam," fluisterde Ani, »dan...."
-
-»Dan zou hij ondervinden hoe onverstandig het is, de oude rechten
-dergenen te minachten, aan wie het vrijstaat de reinheid van het bloed
-der beheerschers van dit land te onderzoeken."
-
-»Nog zit Ramses op den troon van Ra; hem bloeie leven, heil en
-kracht"[89]!
-
- [89] Eene formule, die zelfs in particuliere brieven van
- Egyptenaars achter den naam van den pharao voorkomt.
-
-De stadhouder boog en vroeg dan: »Denkt gij aan het verlangen van den
-pharao gehoor te geven?"
-
-»Hij is de koning. Onze Raad, die binnen weinige dagen vergadert, kan
-alleen beslissen hoe, niet of wij dit bevel ten uitvoer zullen leggen."
-
-»Gij wilt met het afzenden der onderhoorigen nog toeven, en toch heeft
-Ramses ze terstond noodig. Het bloedige handwerk van den krijg vordert
-nieuwe werktuigen."
-
-»En de vrede wellicht een nieuwen meester, die de zonen van dit land
-weet te gebruiken ten beste van het land zelf, een echten zoon van Ra!"
-
-De stadhouder stond onbeweeglijk tegenover den opperpriester, als een
-standbeeld uit metaal gegoten, en zweeg. Ameni deed zijn schepter voor
-hem als voor een god ter neder zinken, en trad daarop naar den voorgrond
-van de galerij. Om Ani's mond speelde het gewone glimlachje, toen hij
-hem volgde en zich weder vol waardigheid op den troon nederzette.
-
-»Zijt gij aan het einde uwer mededeelingen?" vroeg hij den
-opperpriester.
-
-»Mij blijft alleen nog te berichten," antwoordde deze met luider stem,
-zoodat hij door al de hier verzamelde grootwaardigheidsbekleeders
-verstaan kon worden, "dat de dochter des konings Bent-Anat, zich
-gisteren zwaar bezondigd heeft, en de goden in alle tempels van dit land
-met offers zullen worden aangeroepen, om de onreinheid van haar weg te
-nemen."
-
-Wederom trok eene schaduw heen over den zonneschijn op het gelaat van
-den stadhouder. Nadenkend zag hij voor zich, en zeide: »Morgen zal ik
-het Seti-huis bezoeken, tot zoolang bid ik u deze aangelegenheid te
-laten rusten."
-
-Ameni boog en de stadhouder verliet de galerij, om zich terug te
-trekken in den door hem bewoonden vleugel van het koningshuis. Op zijn
-schrijftafel lagen verzegelde schriftrollen. Hij wist dat zij zeer
-gewichtige tijdingen voor hem inhielden, maar het was zijne gewoonte
-zijne begeerten in bedwang te houden, zijne onthouding op de proef te
-stellen, en als een lekkerbek het beste gerecht het laatst te laten
-opdragen. Zoo las hij dan ook nu eerst de minst gewichtige brieven. Een
-stomme bediende, die aan zijne voeten zat, verbrandde op een bekken met
-kolen de papyrus-rollen, die zijn meester hem overgaf, en een beambte
-teekende kort de hoofdpunten op, die Ani hem toeriep en straks moesten
-dienen voor de verschillende antwoorden. Op een teeken van den
-stadhouder verliet de beambte het vertrek, waarna Ani langzaam een brief
-des konings opende. Uit het opschrift: »Aan mijn broeder Ani," bleek,
-dat hij over geene algemeene maar private aangelegenheden handelde. Van
-deze regels, dit wist de stadhouder, hing het af, welke richting zijn
-leven in de toekomst zou nemen. Met een lachje, dat ditmaal de onrust
-van zijn gemoed voor hemzelf scheen te moeten verbergen, maakte hij het
-zegelwas los, waarmede de brief, met 's konings eigene hand geschreven,
-was gesloten.
-
-»Wat Egypte betreft," dus schreef de pharao, »en de zorg voor mijn land,
-en de hoop op een gelukkig einde van den krijg, dienaangaande liet ik u
-door mijn schrijver onderrichten. Maar deze woorden gelden den broeder,
-die verlangt mijn zoon te worden, en daarom schrijf ik die zelf. De
-goddelijke geest van den gebieder, die in mij leeft, legt mij zoo gaarne
-een onverwijld =ja= of =neen= op de lippen, dat beslist wat het beste
-is. Gij nu verlangt mijn meest geliefd kind, Bent-Anat, tot vrouw, en
-ik zou Ramses niet zijn, indien ik niet ronduit bekende, dat, eer ik het
-laatste woord van uw brief gelezen had, een onbepaald =neen= mij van
-de lippen wilde. Ik liet de sterren ondervragen, en de ingewanden der
-offerdieren onderzoeken, doch zij waren tegen uw bede. Toch vermag ik
-haar niet af te wijzen, want gij zijt mij dierbaar, en uw bloed is even
-koninklijk als het mijne. Het is nog koninklijker, zeide mij een oud
-vriend, en hij waarschuwde mij voor uw eerzucht en uwe verheffing. Toen
-veranderde mijn hart, want ik zou geen zoon van Seti zijn, wanneer ik
-uit ijdele bezorgdheid een vriend wilde krenken. En wie zoo hoog staat,
-dat de menschen vreezen, of hij misschien ook beproeven zal Ramses boven
-het hoofd te groeien, deze schijnt mij Bent-Anat waardig te zijn.
-Wil haar vragen, en wanneer zij vrijwillig er in toestemt uwe vrouw
-te worden, dan mag de bruiloft gevierd worden op den dag van mijne
-tehuiskomst. Gij zijt nog jong genoeg om eene vrouw gelukkig te maken.
-Uwe meerdere rijpheid en wijsheid zullen mijn kind voor ongeluk bewaren.
-Bent-Anat mag weten, dat haar koninklijke vader uw aanzoek ondersteunt.
-Offer gij echter aan de Hathors, opdat zij het hart van Bent-Anat, aan
-welker beslissing wij beiden ons onderwerpen willen, gunstig voor u
-stemmen."
-
-Onder het lezen van dezen brief was de stadhouder meermalen van kleur
-veranderd. Schouderophalend legde hij dien thans op de tafel, stond op,
-plaatste zich met de armen op den rug tegen een der zuilen, die de
-zolderbalken van het vertrek schraagden, en keek peinzend naar den
-grond. Hoe langer hij nadacht, des te minder vriendelijk werden zijne
-trekken. »Eene pil met honig zoet gemaakt, zooals men die aan vrouwen
-geeft"[90], prevelde hij in zich zelf. Wederom ging hij naar de tafel,
-doorlas den koninklijken brief andermaal en zeide: »Men kan van hem
-leeren, hoe men weigert onder den schijn van toe te stemmen, en daarbij
-niet vergeet zijne edelmoedigheid te doen uitkomen. Ramses kent zijne
-dochter; zij is een meisje als alle andere, en zal er zich wel voor
-wachten een man te kiezen, die eens zoo oud is als zij, en die haar
-vader zou kunnen zijn. Ramses wil zich onderwerpen. Ik moet mij
-onderwerpen! Maar aan wien? Aan het oordeel en de keus van een
-eigenzinnig kind!"
-
- [90] In de medische papyrussen zijn tweeërlei recepten voor
- pillen bewaard, zonder honig voor mannen, met honig voor
- vrouwen.
-
-Met deze woorden schoof hij den brief zoo wild op de tafel, dat hij er
-overheen gleed op den grond. De stomme slaaf nam hem op en legde hem
-weder voorzichtig op tafel. Zijn meester wierp intusschen een kogel in
-een zilveren bekken. Verschillende beambten stoven naar binnen, wien
-Ani beval den gevangen dwerg van vrouwe Katoeti vóor hem te brengen. In
-zijne ziel was hij boos op den koning, die daar ginds in zijn legertent
-waande, hem door een bewijs zijner hoogste gunst gelukkig gemaakt te
-hebben. Wien men zelf kwalijk gezind is, dien is men geneigd voor zijn
-vijand te houden, en wanneer zoo iemand ons eene roos aanbiedt, dan
-gelooven wij, dat hij ons die bloem niet toereikt om haar geur, maar om
-haar doornen.
-
-De dwerg Nemoe werd voor den stadhouder gebracht en wierp zich voor hem
-ter aarde. Nadat Ani den beambte had bevolen heen te gaan, riep hij den
-kleine toe: »Gij hebt mij gedwongen u in de gevangenis te laten werpen;
-sta op."
-
-De dwerg stond op en zeide: »Heb dank, ook daarvoor dat gij mij liet
-opsluiten!"
-
-De stadhouder keek hem verwonderd aan; Nemoe ging echter half ondeugend,
-half deemoedig voort: »Ik werd benauwd voor mijn leven. Gij hebt het
-echter niet alleen niet verkort maar verlengd, want in dien eenzamen
-kerker is de tijd mij lang gevallen en zijn de minuten uren voor mij
-geworden."
-
-»Spaar uwe aardigheden voor de vrouwen," hernam de stadhouder. »Als ik
-niet wist, dat gij het goed meendet en handeldet in den geest van uwe
-meesteres Katoeti, dan zou ik u naar de steengroeve zenden."
-
-»Mijne handen," zeide de dwerg al meesmuilende, »zouden toch niet veel
-meer dan steenen voor het damspel kunnen breken. Doch mijne tong is
-als water, dat den eenen boer rijk maken en den anderen zijne akkers
-wegspoelen kan."
-
-»Men zal haar weten te beteugelen."
-
-»Voor mijne meesteres en voor u volgt zij toch den goeden weg," zeide de
-dwerg. »Ik bracht de klagende burgers aan het verstand, wie hun vleesch
-en bloed naar de slachtbank voert, en van wien zij vrede en geluk hebben
-te verwachten. Ik goot loog in de wonde en prees den arts."
-
-»Maar ongeroepen en onvoorzichtig!" viel de stadhouder hem in de rede.
-»Overigens hebt gij getoond, dat ge bruikbaar zijt, en ik zal u voor
-later tijd sparen. Al te ijverige vrienden zijn waarlijk schadelijker
-dan verklaarde vijanden. Als ik u noodig heb, zal ik u roepen. Vermijd
-tot zoo lang alle praatjes. Ga nu naar uwe meesteres en breng haar dezen
-brief, die voor haar is aangekomen."
-
-»Heil den zoon van den zonnegod, Ani!" riep de dwerg, terwijl hij den
-voet van den stadhouder kuste. »Heb ik geen brief over te brengen aan
-mijne meesteres Nefert?"
-
-»Breng haar mijn groet," antwoordde de stadhouder. »Zeg Katoeti, dat ik
-haar na den maaltijd een bezoek zal brengen. De wagenmenner des konings
-heeft niet geschreven, toch is hij welvarend, zoo ik hoor. Pak je nu weg
-en bedwing je tong!"
-
-De dwerg verliet het vertrek en Ani begaf zich naar eene luchtige
-galerij, waar hem zijn weelderig maal werd opgedragen, bestaande
-uit vele met bijzondere zorg toebereide gerechten. Zijn eetlust was
-bedorven, toch proefde hij van alle schotels en gaf over elke aan den
-hofmeester, die hem bediende, zijn oordeel ten beste. Onderwijl dacht
-hij aan den brief des konings, aan Bent-Anat, en of het geraden zou zijn
-zich aan eene afwijzing van hare zijde bloot te stellen. Na den maaltijd
-leverde hij zich over aan zijn kamerdienaar, die hem zorgvuldig schoor,
-blankette, aankleedde en opsierde, en hem dan den spiegel voorhield. Hij
-beschouwde zijn beeld met gespannen opmerkzaamheid, en toen hij zich
-in de draagstoel zette, om zich naar zijne vriendin Katoeti te laten
-dragen, kwam hij tot de overtuiging, dat hij toch nog altijd den naam
-verdiende van een schoon man.
-
-Wanneer hij nu eens aanzoek deed om de hand van Bent-Anat, en zij hem
-verhoorde, wat dan? Dit was het juist wat hem bewoog tot Katoeti te
-gaan, die altijd het rechte woord wist te vinden, wanneer hij in
-verwarring gebracht door alles wat er voor en wat er tegen was te
-zeggen, aarzelde een beslissenden stap te doen. Op haar raad had hij de
-prinses tot vrouw begeerd, als een nieuw eerbewijs, als eene verhooging
-van zijn inkomen, als een pand, dat zijn persoon zou beschermen. Zij had
-nooit meer of minder indruk op zijn hart gemaakt, dan iedere andere
-schoone vrouw in Egypte. Thans stond de fiere edele persoon voor zijne
-verbeelding, en het was hem als moest hij tot haar opzien als tot een
-wezen, dat hoog boven hem verheven was. Hij had er spijt van Katoeti's
-raad gevolgd te hebben, en hij begon te wenschen, dat zij het aanzoek
-mocht afslaan. Een huwelijk met Bent-Anat kwam hem bezwarend voor. Hij
-was te moede als een man, die een schitterend ambt tracht te verwerven,
-hoewel hij weet, dat zijne krachten niet berekend zullen zijn voor de
-eischen die het hem stelt. Hij had het gevoel van een eerzuchtige,
-wien de koninklijke waardigheid wordt aangeboden onder voorwaarde, dat
-hij de zware kroon nooit van zijn hoofd mag nemen. Doch ja, wanneer
-eens wat anders gelukte -- en zijne oogen fonkelden levendig bij deze
-gedachte -- wanneer het noodlot hem eens op de plaats van Ramses zette,
-dan verloor die verbintenis met de prinses al dat schrikwekkende, dan
-was hij ook haar onbeperkte koning, heer en gebieder, en niemand had hem
-rekenschap te vorderen van hetgeen hij voor haar zijn zou en haar deed
-ondervinden.
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Terwijl dit alles gebeurde, had het niet stil gestaan van bezoekers
-in het huis van den wagenmenner Mena. Uitwendig geleek het op Paäkers
-belendend erfgoed, maar de gebouwen waren hier wat ouder, de kleuren van
-het schilderwerk op zuilen en wanden waren verbleekt, en de groote tuin
-werd blijkbaar niet met zooveel zorg onderhouden. Alleen in de nabijheid
-van het woonhuis had men eenige rijke bloembedden aangelegd, die er
-keurig uitzagen, en de opene galerij, waarin Katoeti zich met hare
-dochter ophield, was inderdaad vorstelijk gemeubeld. Daar stonden
-sierlijk bewerkte elpenbeenen stoelen en eene ebbenhouten tafel, die
-evenals de rustbedden door vergulden voeten werd gedragen. Men zag er op
-de schenktafel, de kleine tafeltjes en consoles, Syrische drinkschalen
-van kunstrijken arbeid. Overal waren prachtige vazen met bloemen gevuld,
-neergezet. Heerlijke geuren stegen er op uit albasten schalen, en de
-vloer was bedekt met een mollig wollen tapijt, waarin de voet bijna
-wegzonk. Ofschoon al deze kostbaarheden hier zonder orde schenen
-bijeengebracht, lag er over het geheel toch een waas van bekoorlijkheid,
-iets onbeschrijfelijk lieflijks.
-
-De schoone Nefert lag op een rustbed uitgestrekt, spelende met eene
-witte zachtharige kat. Een negerinnetje was bezig haar met een waaier af
-te koelen, terwijl hare moeder Katoeti nog een afscheidsgroet gaf aan
-hare zuster Setchem en diens zoon Paäker, die de galerij verlieten.
-Beide hadden voor het eerst sedert vier jaren, dat was sedert Mena's
-huwelijk met de schoone Nefert, dezen drempel overschreden, en het
-scheen dat de oude vijandschap zou plaats maken voor eene nieuwe
-hartelijke verstandhouding en samenleving. Nadat de gids met zijne
-moeder verdwenen waren achter de granaatstruiken aan den ingang van
-den tuin, wendde Katoeti zich tot hare dochter en zeide: »Wie had dat
-gisteren gedacht? Ik geloof dat Paäker u nog altijd liefheeft."
-
-Nefert bloosde en sprak zacht, terwijl zij haar zijden katje met den
-waaier sloeg: »Moeder!"
-
-Katoeti lachte even. -- Zij was eene flinke vrouw van edele houding, die
-met hare scherpe maar toch fijne gelaatstrekken en levendige oogen nog
-altijd aanspraak mocht maken op vrouwelijke schoonheid. Zij droeg een
-lang gewaad van kostbare stof, dat tot over hare enkels reikte, maar
-waarvan de eenvoudige donkere kleur met opzet scheen gekozen te zijn.
-In de plaats van arm- en enkelbanden, oor- en vingerringen, van een
-halsketen en gouden sloten, waarvan de Egyptische dames en ook hare
-dochter en zuster zich rijkelijk plachten te bedienen, had zij zich
-getooid met frissche bloemen, die in den tuin van haar schoonzoon nooit
-vruchteloos werden gezocht. Een gladde, gouden diadeem alleen, het
-teeken harer koninklijke afkomst, bedekte van den vroegen morgen tot
-den laten avond haar, voor eene schoone vrouw wel wat al te hoog maar
-toch edel gevormd voorhoofd. Deze diadeem hield tevens hare lange
-blauw-zwarte haren samen, die ongevlochten, alsof zij de kunstige
-schikking van dit hoofdtooisel een ijdel werk achtte, over haar rug
-nedervielen. Doch in het uiterlijk van deze vrouw was niets zonder
-berekening, en de draagster van deze diadeem, al was haar kleed
-eenvoudig en zonder kostbaar sieraad, kon er, dank zij hare koninklijke
-gestalte, zeker van zijn, dat zij werd opgemerkt, dat anderen haar
-kleederdracht, ja zelfs hare bewegingen zouden navolgen.
-
-Toch had Katoeti langen tijd behoeftig geleefd; ja op het oogenblik
-waarop wij haar leeren kennen, kon zij weinig haar eigendom noemen.
-Immers zij leefde op het goed van haar schoonzoon als zijn gast en
-bestuurderes van zijne bezittingen, terwijl zij vóor het huwelijk van
-hare dochter, met hare kinderen had gewoond in een huis, dat aan hare
-zuster Setchem toebehoorde. Zij was de gade geweest van haar eigen jong
-gestorven broeder[91], die door zijne toomelooze praalzucht het gansche
-vermogen had verkwist, dat het nieuwe koningsgeslacht hem gelaten had.
-Als weduwe was zij met hare kinderen door Paäkers vader, haar zwager,
-als eene zuster opgenomen. Zij bewoonde een eigen huis, genoot de
-inkomsten van een landgoed, dat de oudere Mohar haar had geschonken, en
-liet aan haar zwager de zorg over voor de opvoeding van haar zoon, die,
-zich onderscheidende door zijne schoonheid en zijn overmoed, alle
-aanspraken deed gelden van een jongeling van aanzienlijke geboorte.
-
- [91] Huwelijken tusschen broeders en zusters waren in het
- oude Egypte geoorloofd. Ofschoon dit in strijd was met de
- Macedonische zeden, namen Ptolemaeën deze gewoonten toch over.
- Toen Ptolemaeus II Philadelphus, zijne zuster Arsinoë huwde,
- schijnt men het echter noodig geacht te hebben dit te
- verontschuldigen door den stand van de planeet Venus met
- betrekking tot Saturnus en den onvermijdelijken invloed van deze
- constellatie.
-
-Zulke groote weldaden zouden de trotsche Katoeti hebben neergedrukt en
-beschaamd, wanneer zij er mede tevreden was geweest en zich had kunnen
-voegen naar den aard en de handelwijze der gevers. Dit was echter in
-geenen deele het geval. Veeleer meende zij aanspraak te kunnen maken op
-eene schitterender positie. Zij voelde zich beleedigd, wanneer men haar
-lichtzinnigen jongen, terwijl hij nog op school was, vermaande zich met
-meer ernst op zijn werk toe te leggen, daar hij later geheel op eigene
-wieken zou moeten drijven. Ook had het haar gegriefd, zoo vaak haar
-zwager als het te pas kwam op zuinigheid aandrong, en haar openhartig
-als hij was, herinnerde aan haar beperkte middelen en aan de onzekere
-toekomst harer kinderen. Bovendien wilde zij zich gaarne gekrenkt
-achten, want zij begreep op dien grond te mogen beweren, dat hare
-bloedverwanten met al hunne gaven de beleedigingen haar aangedaan toch
-niet goed konden maken. Bij haar bevestigde zich de ervaring, dat wij
-op niemand gemakkelijker boos worden dan op een weldoener, wien wij het
-goede, dat hij ons gedaan heeft, niet vergelden kunnen.
-
-Nochtans, toen haar zwager voor zijn zoon aanzoek deed om de hand harer
-dochter, gaf zij gaarne hare toestemming. Nefert en Paäker waren te
-zamen opgegroeid, en door deze verbintenis werd hare eigene toekomst en
-die harer kinderen, verzekerd. Kort na den dood van den ouden Mohar,
-vroeg de wagenmenner Mena Nefert ten huwelijk. Zij zou hem echter hebben
-afgewezen, wanneer de koning zelf niet het aanzoek van zijn bijzonderen
-vriend ondersteund had. Na de bruiloft nam zij haar intrek in Mena's
-huis, en belastte zich, toen hij ten krijg trok, met de zorg voor zijn
-aanzienlijke, maar reeds door zijn vader met eenige schulden bezwaarde
-goederen. Het lot gaf haar nu een middel aan de hand, om zich en hare
-kinderen schadeloos te stellen voor lange ontberingen. Zij maakte er
-dan ook gebruik van, door toe te geven aan hare aangeborene neiging
-om opgemerkt en bewonderd te worden. Haar zoon deed zij schitterend
-uitgerust opnemen onder eene afdeeling van de aanzienlijke jonge
-wagenstrijders, en hare dochter omringde zij met vorstelijke pracht.
-
-Toen de stadhouder, een vriend van haar overleden gemaal, het paleis der
-pharao's te Thebe betrok, knoopte hij met haar betrekkingen aan, en de
-scherpzinnige vrouw, die zich bewust was van hetgeen zij wilde, wist
-zich bij den besluiteloozen man eerst aangenaam; eindelijk onontbeerlijk
-te maken. Zij maakte behendig gebruik van de omstandigheid, dat zij
-evenals hij gesproten was uit het oude koningshuis, ten einde zijne
-eerzucht te prikkelen en hem uitzichten te openen, waaraan hij, vóor
-zijn vertrouwelijken omgang met haar, zelfs niet gedacht zou hebben,
-zonder zich als misdadig te beschouwen. Dat Ani pogingen in het werk
-stelde om de hand der prinses Bent-Anat te verkrijgen, was Katoeti's
-werk. Zij hoopte in stilte, dat de pharao den stadhouder afwijzen, ja
-persoonlijk beleedigen zou. Het zou hem gemakkelijker den gevaarlijken
-weg doen inslaan, die zij bezig was voor hem te effenen.
-
-Bij dit alles was de dwerg Nemoe haar gehoorzaam werktuig. Zij had hem
-met geen enkel woord in hare plannen ingewijd. Toch sprak hij hare
-gemoedsaandoeningen in ronde woorden uit, die alleen door een tik met
-den waaier bestraft werden. Nemoe had het gisteren voor het eerst
-gewaagd te zeggen, dat, als de pharao eens niet Ramses maar Ani heette,
-Katoeti dan geene koningin zou zijn, maar eene godin. Want zij zou
-den pharao, die zelfs tot de hemelsche goden behoorde, niet moeten
-gehoorzamen, maar hem veeleer besturen. --
-
-Katoeti had het blosje van hare dochter niet opgemerkt, want zij keek in
-gespannen verwachting naar de tuindeur, en zeide: »Waar blijft Nemoe? Er
-zullen toch voor ons wel tijdingen uit het leger zijn gekomen?"
-
-»Mena heeft in zoolang niet geschreven," zeide Nefert. »Ha, daar is de
-hofmeester!"
-
-Katoeti richtte zich tot den beambte, die door een zijdeur der veranda
-was binnengekomen, met de vraag: »Wat nieuws brengt gij?"
-
-»De koopman Abscha," luidde het antwoord, »dringt op betaling aan. De
-nieuwe Syrische wagen en de purperstof...."
-
-»Verkoop koren!" beval Katoeti.
-
-»Onmogelijk, want de belastingen voor den tempel zijn nog niet voldaan,
-en er is reeds zooveel aan de kooplieden geleverd, dat er ter nauwernood
-genoeg overblijft voor de huishouding en den zaaitijd."
-
-»Betaal dan met runderen."
-
-»Maar meesteres," gaf de hofmeester angstig ten antwoord, »wij hebben
-eerst heden weder een kudde aan den Mohar verkocht, en de schepraderen
-moeten in beweging gehouden, het koren moet gedorscht worden; voorts
-hebben wij offervee noodig, en melk, boter en kaas voor het huishouden
-en mest om te stoken"[92].
-
- [92] In het aan hout zoo arme Egypte is heden nog gedroogde
- koemest de voornaamste brandstof. -- Ook in sommige gedeelten van
- ons land wordt deze brandstof (bijv. de plaggen in 't Gooi) door
- arme lieden gebruikt. Vert.
-
-Katoeti zag nadenkend vóor zich, en zeide toen: »Er moet toch geld zijn.
-Rijd naar Hermonthis, en zeg den opzichter van de stoeterij, dat hij
-tien van Mena's geelvossen hierheen laat brengen."
-
-»Ik heb reeds met hem gesproken," hernam de hofmeester; »hij zegt echter
-dat Mena hem streng verboden heeft een enkel van zijne paarden, op welk
-ras hij zeer trotsch is, prijs te geven. Alleen voor den wagen van onze
-meesteres Nefert..."
-
-»Ik verlang gehoorzaamheid," sprak Katoeti op beslissenden toon, terwijl
-zij den beambte belette verder te spreken, »en verwacht morgen de
-paarden!"
-
-»Maar de opzichter van de stoeterij is een koppig man, dien Mena voor
-onontbeerlijk houdt, en die..."
-
-Nefert was onder dit gesprek uit hare gemakkelijke houding opgerezen.
-Op de laatste woorden van Katoeti verliet zij het rustbed en zeide zóo
-bepaald, dat zelfs hare moeder er van schrikte: »Men moet de bevelen van
-mijn echtgenoot gehoorzamen. De paarden, die Mena lief heeft, blijven in
-hunne stallen. Neem dezen armband, die de koning mij schonk, hij is meer
-waard dan twintig paarden."
-
-De hofmeester monsterde het met edelgesteenten rijk bezette kleinood en
-zag Katoeti vragend aan. Zij haalde de schouders op, gaf met een knikje
-hare toestemming en zeide: »Abscha mag dit sieraad als onderpand bewaren
-tot Mena's buit hier zal zijn aangekomen. Sedert een jaar zond uw man
-niets van eenige beteekenis."
-
-Zoodra de beambte zich verwijderd had, strekte Nefert zich weder op haar
-rustbed uit en zeide vermoeid: »Ik dacht dat wij rijk waren."
-
-»Wij zouden het kunnen zijn," antwoordde Katoeti bitter. Toen zij echter
-bespeurde, dat Nefert's wangen op nieuw begonnen te gloeien, vervolgde
-zij vriendelijk: »Onze hooge rang legt ons groote plichten op. In onze
-aderen vloeit vorstelijk bloed en de oogen des volks zijn gericht op
-de gemalin van den roemrijksten held in 's konings leger. Men mag niet
-zeggen, dat gij door uw echtgenoot veronachtzaamd wordt. -- Wat blijft
-die Nemoe toch lang uit!"
-
-»Ik hoor gerucht in den hof," zeide Nefert. »De stadhouder zal komen."
-
-Katoeti zag weder naar den tuin. Daar zag zij een slaaf, die buiten adem
-kwam aanloopen met de tijding, dat Bent-Anat, de, dochter des konings,
-vóor de poort van het huis uit haar wagen gestegen en in aantocht was
-met prins Rameri. Nefert verliet het rustbed, en ging met Katoeti
-de hooge gasten in den tuin tegemoet. Zoodra moeder en dochter zich
-neerbogen, om het kleed der prinses te kussen, weerde Bent-Anat haar
-af en zeide: »Blijft op een afstand van mij; de priesters hebben de
-onreinheid nog niet geheel van mij weggenomen."
-
-»In weerwil hiervan zijt gij rein als het oog van Ra," riep de prins,
-die haar begeleidde, terwijl hij haar kuste, eer zij het beletten kon.
-Het was haar zeventienjarige broeder, die in het Seti-huis werd
-opgevoed, dat hij echter binnen weinige weken verlaten zou.
-
-»Ik zal den wildzang bij Ameni aanklagen," zeide Bent-Anat lachend. »Hij
-wilde mij volstrekt begeleiden. Uw gemaal heeft hij zich ten voorbeeld
-genomen, Nefert. Maar ook ik had te huis geen rust, want wij komen om u
-eene goede boodschap te brengen."
-
-»Van Mena?" vroeg de jonge vrouw, de hand tegen haar hart drukkende.
-
-»Van hem!" antwoordde Bent-Anat. »Mijn vader prijst zijne dapperheid en
-schrijft, dat hij bij de verdeeling van den buit vóor allen zal mogen
-kiezen."
-
-Nefert sloeg op hare moeder een zegevierenden blik, en Katoeti haalde
-ruimer adem. Bent-Anat streelde Nefert's wangen, alsof zij een kind
-was. Toen wendde zij zich tot Katoeti, nam haar mede in den tuin en bad
-haar, die zoo vroeg hare moeder had moeten missen, in eene gewichtige
-aangelegenheid te willen raden. »Mijn vader," zeide zij, na eenige
-inleidende woorden, »deelt mij mede, dat de stadhouder Ani mij tot vrouw
-vraagt, en raadt mij de trouw van den waardigen man met mijne hand te
-beloonen. Hij raadt, versta mij wel, hij beveelt niet."
-
-»En gij?" vroeg Katoeti.
-
-»En ik," antwoordde Bent-Anat beslist, »moet hem afwijzen."
-
-»Moet gij dat?"
-
-Bent-Anat gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: »Ik ben mij
-volkomen bewust van hetgeen ik doe. Ik kan niet anders."
-
-»Dan hebt gij mijn raad niet meer noodig, want ik weet dat niemand,
-zelfs niet uw vader, u van een besluit kan afbrengen."
-
-»Zelfs geene godheid," zeide Bent-Anat op vasten toon. »Maar gij zijt
-Ani's vriendin, en daar ik hem hoogacht, wil ik trachten hem eene
-vernedering te besparen. Beproef of gij hem bewegen kunt van zijn
-aanzoek af te zien. Wanneer ik hem ontmoet, wil ik mij houden als wist
-ik niets van zijn brief aan mijn vader."
-
-Katoeti zag weder peinzend naar den grond. Daarna zeide zij: »De
-stadhouder brengt zijne uren van uitspanning gaarne bij mij door,
-pratende of aan het dambord: doch ik weet niet of ik het durf wagen
-over zulke gewichtige zaken met hem te spreken."
-
-»Huwelijksplannen zijn vrouwenzaken," hernam Bent-Anat met een lachje.
-
-»Doch het huwelijk van eene prinses is eene staatsaangelegenheid," zeide
-de weduwe op haar beurt. »En in dit geval vraagt een neef de hand zijner
-nicht, die hem dierbaar is, en hem, gelijk hij hoopt, de tweede meest
-gevreesde helft zijns levens tot de schoonste kan maken. Ani is goed en
-niet hard. Gij zult in hem een echtgenoot ontvangen, die zorgvuldig op
-elk uwer wenken zal letten en zich gaarne voegen naar uw vasten wil."
-
-Bent-Anat's oogen helderden op en vol vuur riep zij uit: »Dat is het
-juist wat mij een beslist en onveranderlijk =neen= op de lippen legt.
-Omdat ik fier ben als mijne moeder, en weet wat ik wil, gelijk mijn
-vader, meent gij misschien dat ik een echtgenoot begeer, dien ik
-beheerschen en in alles leiden kan? Hoe weinig kent ge mij nog. Mijne
-honden, mijne dienaars, mijne beambten, en zoo de godheid zulks wil,
-mijne kinderen mogen mij gehoorzamen. Onderworpelingen, die mij de
-voeten kussen, zijn overal op straat te vinden, en kan ik, als ik wil,
-bij honderden op de slavenmarkt koopen. Wel twintigmaal is mijne hand
-gevraagd en wel twintig vrijers wees ik af, niet omdat ik vreesde, dat
-zij mijn trots en mijn wil konden buigen, maar omdat ik voelde tegen hen
-opgewassen te zijn. De man, wien ik mijn hart wil schenken, moet hooger
-staan, moet grooter, beter, sterker zijn dan ik ben. Ik wil trachten hem
-achterna te fladderen, waar zijn machtige geest de wieken uitslaat, en
-daarbij lachen over mijne zwakheid en vol bewondering zijne meerderheid
-prijzen."
-
-Katoeti hoorde de jonkvrouw aan met het goedig lachje, waardoor de man
-van ervaring zoo gaarne den dweper zijne meerderheid doet gevoelen, en
-zeide: »In vroeger eeuwen mag er zulk een man geleefd hebben, maar zoo
-gij in onze dagen op hem wachten wilt, moet gij de lok der jeugd[93]
-dragen tot zij grijs wordt. Onze denkers zijn geen helden en onze helden
-geen wijzen. -- Daar komt uw broeder aan met mijne Nefert."
-
- [93] Eene naar beneden gebogen haarvlecht, die alle jonge leden
- van vorstelijke huizen droegen. Ook de jeugdige Horus wordt er
- mede afgebeeld.
-
-»Wilt gij Ani bewegen zijn plan te laten varen?" vroeg de prinses
-dringend.
-
-»U ten gevalle wil ik het beproeven," gaf Katoeti ten antwoord. Daarop
-keerde zij zich half tot den jongen Rameri half tot zijne zuster en
-zeide: »De man die aan het hoofd staat van het Seti-huis, Ameni, was in
-zijn jeugd juist gelijk gij hem hebt geschilderd, Bent-Anat. -- Zeg ons,
-gij zoon van Ramses, die onder de jonge sykomoren opwast, bestemd om
-eens dit land te overschaduwen, wien schat gij 't hoogst onder uwe
-metgezellen? Is er iemand onder hen, die alle anderen verre overtreft in
-edelen zin en geestkracht?"
-
-De jonge Rameri zag de vraagster aan met levendige oogen en antwoordde
-lachend: »Wij zijn allen zooals wij zijn, en doen meer of minder gaarne
-wat wij doen moeten, en liefst alles wat wij niet doen mogen."
-
-»Kent gij dan in het Seti-huis," vroeg de weduwe verder, »geen jongeling
-met een grootschen aanleg, die een Snefroe[94], een Thotmes, of ook maar
-een Ameni belooft te worden?"
-
- [94] De eerste koning van de 4e dynastie, die ook in later tijd
- nog in eere werd gehouden. Van hem heet het op meer dan ééne
- plaats: "een dergelijke is niet gezien sedert de dagen van
- Snefroe." Voor de vereering zijner nagedachtenis waren ook later
- priesters aangewezen. De gedenkteekenen van zijn tijd zijn de
- oudste van alle die tot ons kwamen.
-
-»Voorzeker!" riep Rameri dadelijk, zonder aarzelen.
-
-»En die is?" vroeg Katoeti.
-
-»Pentaoer, de dichter!" hernam de jongeling.
-
-Bent-Anat's wangen werden hoog rood, terwijl haar broeder zijne woorden
-nader toelichtte: »Hij is edel, verheven van geest, en alle goden
-wonen in hem als hij spreekt. Dikwijls gevoelen wij veel lust om in de
-schoolhoven te slapen, maar zijne woorden slepen ons mede, en al vatten
-wij niet altijd wat er in zijne verhevene denkbeelden ligt opgesloten,
-toch weten wij dat zij waar zijn en grootsch."
-
-Bent-Anat haalde bij deze woorden sneller adem, en hare oogen hingen aan
-de lippen haars broeders.
-
-»Gij kent hem, Bent-Anat," sprak Rameri verder. »Hij was met u bij den
-Paraschiet en in den voorhof des tempels toen Ameni u onrein verklaarde.
-Zijn uiterlijk is schoon en indrukwekkend als dat van den god Menth[95],
-en ik geloof dat hij behoort tot zeker soort van menschen, die men niet
-vergeten kan, als men ze eens heeft gezien. Gisteren, toen gij den
-tempel had verlaten, sprak hij als nimmer te voren. 't Was of hij vuur
-uitgoot in onze zielen. Lach niet, Katoeti. Ik voel het nog branden.
-Heden morgen deelde men ons mede, dat hij uit den tempel was
-overgeplaatst, wie weet waar heen, en dat hij ons vaarwel liet zeggen.
-Men acht het altijd overbodig ons de gronden van zulke handelingen mede
-te delen; wij weten echter meer dan de heeren denken. Hij moet u niet
-streng genoeg de les gelezen hebben, Bent-Anat, en daarom zal hij uit
-het Seti-huis gebannen zijn. Wij hebben echter besloten gezamenlijk
-zijne terugroeping te verzoeken. De jonge Anana schrijft aan den
-opperpriester een brief, dien wij allen zullen onderteekenen. Als éen
-het alleen deed, zou hem dit slecht bekomen, maar als we allen tegelijk
-opkomen, kunnen zij niets doen. Mogelijk zijn zij ook wel zoo verstandig
-om hem terug te roepen. Zoo niet, dan beklagen wij ons allen bij onze
-vaders, die tot de eersten des lands behooren!"
-
- [95] De krijgsgod der Egyptenaars.
-
-»Dat heeft iets van een volledigen opstand," zeide Katoeti. »Heertjes,
-neemt u in acht! Ameni en de andere profeten laten niet met zich
-spotten."
-
-»Wij ook niet," antwoordde Rameri lachend. »Blijft Pentaoer gebannen,
-dan vraag ik mijn vader, of hij mij naar de school van Heliopolis
-of Chennoe wil verplaatsen en de anderen zullen mijn voorbeeld
-volgen. -- Kom, Bent-Anat! Ik moet vóor zonsondergang weder in den val
-zijn. Vergeving, Katoeti, zoo noemen wij de school. -- Daar komt ook uw
-kleine Nemoe aan!"
-
-Broeder en zuster verlieten den tuin. Zoodra de vrouwen, die hen
-uitgeleide deden, haar den rug hadden toegekeerd, drukte Bent-Anat de
-hand haars broeders met buitengewone warmte en zeide: »Pas op, dat ge
-niet onvoorzichtig handelt! Maar uw eisch is billijk, en gaarne help
-ik u."
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-
-Zoodra Bent-Anat Mena's erf verlaten had, kwam de dwerg Nemoe met een
-brief in den tuin, en vertelde kort maar op zulk eene komische manier al
-wat hem was wedervaren, dat de beide vrouwen wel moesten lachen, en
-Katoeti met zekere uitgelatene vroolijkheid, die haar anders vreemd was,
-zijne bekwaamheid prees, hoewel zij hem tevens waarschuwde wat
-voorzichtiger te zijn. »Dat was een kostelijke dag, die groote dingen
-bracht en nog grootere in de toekomst doet verwachten," zeide zij,
-terwijl zij het zegel van den brief beschouwde.
-
-Nefert ging zoo dicht mogelijk naast haar staan en vroeg: »Open toch den
-brief, en zie of er niets in staat over hem?"
-
-Katoeti maakte het was los, doorliep het schrijven met een vluchtigen
-blik, streelde de wangen harer dochter en zeide troostend: »Wellicht
-heeft uw broeder voor hem geschreven; ik zie geen regel van zijne hand."
-
-Nefert keek nu ook eens in den brief, niet zoozeer om te lezen, als wel
-om naar het haar welbekende handschrift van haar man te zoeken. Evenals
-alle Egyptische vrouwen van goeden huize, zoo verstond ook zij de kunst
-om te lezen, en zij had in de beide eerste jaren van haar huwelijk zeer
-dikwijls gelegenheid gehad zich te verwonderen en toch te verheugen over
-de gebrekkige letters, die de ijzeren hand van den wagenmenner op den
-papyrus had gekrabbeld voor haar, die met hare teedere vingers vast en
-zeker het schrijfriet wist te hanteeren. Opmerkzaam gluurde zij in den
-brief en zeide eindelijk, met tranen in de oogen: »Niets! -- Ik ga naar
-mijne kamer, moeder!"
-
-Katoeti kuste haar en zeide: »Hoor toch eens wat uw broeder schrijft."
-
-Maar Nefert schudde het hoofd, wendde zich zwijgend af en verdween in
-het huis.
-
-Katoeti was haar schoonzoon niet bijzonder genegen, maar zij hing met
-geheel haar hart aan haren schoonen lichtzinnigen zoon, het evenbeeld
-van haar gestorven gemaal, den lieveling der vrouwen, den vroolijksten
-jongeling onder de jonge edelen, die de koninklijke garde van
-wagenstrijders uitmaakten. Hoe uitvoerig had hij, die zoo moeielijk met
-het schrijfriet kon omgaan, ditmaal geschreven! Anders was hij gewoon
-in korte woorden te vragen om nieuwe middelen tot bevrediging van zijne
-spilzucht, maar dit was nu eens een degelijke brief. Heden mocht zij
-ook eene dankzegging verwachten, want nog kort geleden had hij eene
-aanzienlijke toelage ontvangen, die zij weder had afgezonderd van de
-inkomsten der goederen, die haar schoonzoon haar had toevertrouwd. --
-Zij begon nu te lezen. De blijdschap waarmede zij den dwerg had
-ontvangen was geveinsd geweest, en niet ongelijk aan de fraaie
-regenboog-kleuren, die de sombere oppervlakte van een moeras bedekken:
-Werp een steen in den poel, de glans zal verdwijnen; troebele wolken
-borrelen op en verven het water met onreine donkere tinten. Zoo vielen
-de berichten, die de brief van haar zoon inhield, als zware rotsblokken
-in Katoeti's ziel. De diepste smart welt voor ons altijd op uit dezelfde
-bron, die ons met vreugde kan verzadigen, en die wonden branden het
-heetst, die eene geliefde hand ons slaat. Hoe meer Katoeti zich
-verdiepte in de moeilijk te ontcijferen volzinnen van haar lieveling,
-die jammerlijk vol fouten waren, des te bleeker werd haar gelaat, dat
-zij telkens bedekte met de bevende handen, waaraan ten laatste het blad
-ontviel.
-
-Nemoe zat tegenover haar neergehurkt op den grond en volgde elke harer
-bewegingen. Toen zij eindelijk opsprong met een gil, die door merg en
-been drong, en haar voorhoofd drukte tegen een ruwen palmstam, kroop hij
-naar haar toe, kuste hare voeten, en riep zoo hartelijk, dat het Katoeti
-zelfs verraste, zij die enkel gewoon was jolige of scherpe woorden uit
-den mond van haar dwerg te vernemen: »Meesteres, meesteres! Wat is er
-toch gebeurd?"
-
-Katoeti kwam weer tot zich zelve, keerde zich om en trachtte te spreken;
-maar haar doodsbleeke lippen bleven gesloten, en hare oogen staarden zoo
-dof in de ruimte, als ware zij door doodskramp overvallen.
-
-»Meesteres, meesteres!" sprak de dwerg op nieuw, en steeds hartelijker.
-»Wat deert u toch? Zal ik uwe dochter roepen?"
-
-Katoeti maakte eene ontkennende beweging met de hand en riep
-halffluisterend uit: »Die ellendigen, die laaghartigen!"
-
-Haar adem begon sneller te gaan; het bloed steeg haar naar wangen en
-oogen. Zij vertrapte den brief, en snikte zoo luid en hevig, dat de
-dwerg, die nog nooit tranen in hare oogen had gezien, angstig opstond en
-zacht berispend durfde zeggen: »Katoeti!"
-
-Zij begon hierop bitter te lachen en sprak met bevende stem: »Waarom
-roept gij dezen naam zoo luid? Hij is onteerd, geschandvlekt. Hoe zullen
-de heeren en vrouwen zich nu verheugen! Nu kan de nijd zijn geliefd
-kind, den spot, tegen ons in 't harnas jagen. En ik heb dezen dag
-zooeven nog geprezen! Men zegt: vertoon uw geluk op de straten en
-verberg uw ongeluk. Omgekeerd! omgekeerd! Den goden mag men zelfs niet
-laten blijken, dat men zich verblijdt en hoopt, want ook zij zijn
-naijverig en hebben vermaak in ons leed."
-
-Andermaal liet zij haar hoofd tegen den palmboom rusten.
-
-»Gij spreekt van schande en niet van dood," zeide Nemoe, »en toch heb
-ik van u geleerd, dat men niets verloren moet achten, behalve de
-afgestorvenen."
-
-Deze woorden misten hare krachtige uitwerking niet op de vrouw, die
-bijna vertwijfelde. Driftig en onstuimig wendde zij zich tot den dwerg
-en sprak: »Gij zijt verstandig en zeker wel te vertrouwen. Hoor dan!
-Doch al waart gij Amon zelf, er is geene redding meer mogelijk; neen,
-geene!"
-
-»Toch moet men een middel trachten uit te denken," hernam Nemoe, en
-zijne slimme oogen ontmoetten die van zijne meesteres. »Spreek toch! en
-geef mij uw vertrouwen. Mogelijk kan ik u helpen. Gij weet dat ik de
-kunst versta om te zwijgen."
-
-»Weldra zullen de kinderen elkaar op straat vertellen, wat deze brief
-mij heeft gemeld," zeide Katoeti met bittere ironie. »Nefert alleen
-mag van het gebeurde niets weten, niets, hoort gij! -- Wat is dat?
-De stadhouder komt! Ga dadelijk tot hem! Zeg hem dat ik plotseling
-ongesteld ben geworden, zeer erg! Ik kan hem niet zien, nu althans
-niet! -- Niemand mag toegelaten worden, niemand! Verstaat ge?"
-
-De dwerg verdween terstond. Toen hij zijn last had volbracht en
-terugkwam, vond hij zijne meesteres nog altijd in koortsachtige
-overspanning. »Hoor dan," zeide zij. »Eerst wat van minder beteekenis
-is, dan het verschrikkelijke, het onuitsprekelijke. Ramses overlaadt
-Mena met gunstbewijzen. Men is overgegaan tot de verdeeling van den
-krijgsbuit van dit jaar. Voor elken aanvoerder lagen groote schatten
-gereed, en de wagenmenner mocht vóor allen kiezen."
-
-»Welnu?" vroeg de dwerg.
-
-»Welnu?" herhaalde Katoeti. »Welnu? Hoe zorgde de waardige huisheer voor
-de zijnen in het vaderland; hoe eerde hij zijne arme verlatene vrouw;
-hoe zocht hij zijn bezwaard erfdeel van schulden te ontheffen? Het is
-schandelijk, afschuwelijk! Het zilver, het goud, de edelgesteenten ging
-hij met een glimlach voorbij, en hij nam de schoone krijgsgevangene
-dochter van den vorst der Danaërs en voerde haar naar zijne tent."
-
-»'t Is schandelijk!" prevelde de dwerg.
-
-»Arme, arme Nefert!" riep Katoeti, en zij verborg haar aangezicht met
-beide handen.
-
-»En het andere?" vroeg Nemoe somber.
-
-»Dat," zeide Katoeti, »dat is... Maar ik wil kalm blijven, dood bedaard
-en koel. Gij kent mijn zoon. Hij is lichtzinnig, maar hij heeft mij lief
-en zijne zuster meer dan alles in de wereld. Dwaze die ik was! Om hem
-tot spaarzaamheid te bewegen, had ik hem onze benarde omstandigheden
-geschilderd. Toen nu die schandelijke daad door Mena was bedreven, dacht
-hij aan ons en onze zorgen. Zijn aandeel in den buit was gering en kon
-ons niet helpen. Zijne kameraden dobbelden om de gewonnen deelen; hij
-zette het zijne op 't spel, om meer voor ons te winnen. Alles verloor
-hij, alles! Eindelijk -- het is afgrijselijk, schier niet om uit te
-spreken -- eindelijk zette hij tegenover eene ongehoorde som, altijd
-aan ons denkende en aan ons alleen, de mummie van zijn afgestorven
-vader[96]. Hij verloor! Lost hij dit heilig onderpand niet in vóor het
-einde van de derde nieuwe maan, dan wordt hij eerloos verklaard[97],
-en de mummie valt den winner ten deel. Verachting en verbanning uit de
-samenleving zullen dan zijn en mijn deel zijn."
-
- [96] De koning, dien Herodotus Asychis noemt, en die
- waarschijnlijk tot de 4e dynastie gebracht moet worden, zal
- het eerst hebben toegelaten de mummiën der voorvaderen te
- verpanden. "Wie dit onderpand gaf, en de schuld niet had willen
- terugbetalen, dien zou na zijn dood noch in zijn vaderlijk, noch
- in eenig ander graf eene plaats worden ingeruimd. Ook aan zijne
- nakomelingen zou de begrafenis worden geweigerd." Herodotus
- II, 136.
-
- [97] De zwaarste straf, die een Egyptisch soldaat treffen kon.
- Het schijnt dat deze straf ook alleen voor krijgslieden bestond.
-
-Katoeti drukte de handen stijf tegen het gelaat. De dwerg prevelde
-echter bij zichzelf: »Die speler en huichelaar!" Toen zijne meesteres
-wat bedaarde, zeide hij overluid: »Dat is ontzettend; maar toch is alles
-nog niet verloren. Hoeveel bedraagt de schuld?"
-
-Het klonk als een zware vloek, toen Katoeti antwoordde: »Dertig
-Babylonische talenten"[98]!
-
- [98] Ongeveer 81,000 gulden.
-
-De dwerg sprong op met een gil, als had hem een adder gebeten, en vroeg:
-»Wie waagde het tegen zulk een waanzinnigen inzet?"
-
-»Antef, de zoon van vrouw Hathor," antwoordde Katoeti, »die reeds in
-Thebe het erfgoed zijns vaders heeft verspeeld."
-
-»Die laat geen graankorrel van zijne vordering vallen!" riep de dwerg.
-»En Mena?"
-
-»Hoe kon mijn zoon, na al het gebeurde, zich tot hem wenden? Het arme
-kind smeekt mij de hulp van den stadhouder in te roepen."
-
-»Van den stadhouder?" vroeg de dwerg, terwijl hij zijn groot hoofd
-schudde. »Onmogelijk!"
-
-»Ik weet hoe het met hem gesteld is; maar zijn stand, zijn naam!"
-
-»Meesteres!" sprak de dwerg, en in zijne woorden lag hooge ernst,
-»bederf de toekomst niet ter wille van het tegenwoordige. Wanneer uw
-zoon zijne eer verliest onder koning Ramses, kan zij hem door den
-toekomstigen pharao Ani teruggegeven worden! Bewijst de stadhouder u
-thans zulk een ongehoorden dienst, dan zal hij meenen met u afgerekend
-te hebben, wanneer dat werk gelukt en hij den troon beklimt. Op dit
-oogenblik laat hij zich geheel door u leiden, terwijl gij hem niet
-noodig hebt en enkel om zijnentwil voor zijne verheffing schijnt te
-werken. Zoodra gij nu zijne hulp inroept en hij u redt, verliest gij de
-vrijheid en belangeloosheid, waarin tegenover hem uw kracht is gelegen.
-Hij zal met te meer onwil bemerken dat gij van hem denkt partij te
-trekken, naarmate het hem moeielijker vallen zal zulk eene groote som in
-korten tijd bijeen te brengen. Gij weet toch in welke omstandigheden hij
-verkeert."
-
-»Hij steekt in schulden," zeide Katoeti, »dat weet ik."
-
-»Dat moet gij ook weten," ging de dwerg voort, »want gij zelve drijft
-hem tot ongehoorde uitgaven. Door schitterende feesten aan te richten,
-heeft hij de bevolking van Thebe voor zich gewonnen; als verzorger van
-den heiligen Apis heeft hij te Memphis schatten uitgegeven[99]; de
-aanvoerders der door hem uitgeruste troepen, die naar Ethiopië bestemd
-zijn, heeft hij met duizenden begiftigd; en gijzelve weet wat zijne
-geheime agenten kosten in het koninklijk leger. Van de meeste rijken
-hier te lande heeft hij sommen geleend, en dat is goed, want zoovele
-schuldeischers zijn tevens zoovele bondgenooten. De stadhouder Ani is
-volgens hunne berekening een slecht schuldenaar, maar koning Ani zal een
-dankbaar betaler zijn."
-
- [99] Toen onder Ptolemaeus I Soter, de Apis stierf, gaf zijn
- verpleger voor de begrafenis van het heilige dier, niet alleen
- al het geld uit, waarover hij te beschikken had, maar hij borgde
- bovendien van den koning nog 50 talenten zilver, ongeveer
- 135,000 gulden. In den tijd van Diodorus gaf de Apis-verzorger
- voor hetzelfde doel 100 talenten, d. i. 270,000 gulden uit.
-
-Katoeti zag den dwerg verbaasd aan en kon niet nalaten te zeggen: »Gij
-kent de menschen."
-
-»Helaas, ja!" antwoordde de dwerg. »Wend u niet tot den stadhouder. Eer
-gij het werk van jaren afbreekt en de toekomstige grootheid van u en de
-uwen opoffert, moet gij liever de eer van uw zoon prijsgeven."
-
-»En die van mijn gemaal en mijne eigene?" vroeg Katoeti. »Maar gij
-weet niet wat dat beteekent! =Eer= is een woord dat de onvrije wel kan
-nastamelen maar nimmer begrijpen. Gij wrijft de eeltplekken die men u
-geslagen heeft; mij zal elke vinger, die met minachting op mij wijst,
-verwonden als eene lans van essenhout met eene vergiftigde koperen punt.
-O eeuwige goden, wie kan hier helpen?!"
-
-De gefolterde vrouw bedekte hare oogen weder met de handen, als
-wilde zij hare eigene smaadheid niet aanschouwen. De dwerg zag haar
-medelijdend aan en zeide op zachter toon: »Herinnert ge u den diamant,
-die uit Nefert's schoonsten ring was gevallen? Wij zochten dien maar
-vonden hem niet. Den volgenden dag liep ik door de kamer en trapte
-op iets hards. Ik bukte en vond den steen. Wat aan het edele
-gezichtsorgaan, het oog, was ontsnapt, dat had de verachte eeltachtige
-voetzool gevonden. Wellicht gelukt het den onvrijen kleinen Nemoe, die
-niet weet wat eer is, een redmiddel uit te denken, dat zich aan den
-verheven geest zijner meesteres niet voordoet."
-
-»Waaraan denkt gij dan?" vroeg Katoeti.
-
-»Aan redding!" antwoordde de dwerg. »Is het waar dat uwe zuster Setchem
-u heeft bezocht en dat gij u met elkander hebt verzoend?"
-
-»Zij bood mij de hand, en ik nam haar aan."
-
-»Ga dan tot haar. De menschen zijn nooit dienstvaardiger dan na eene
-verzoening. De vijandschap die werd uitgedelgd beschouwen zij als eene
-pas geheelde wond, die men met voorzichtigheid moet aanraken. Setchem is
-van uw bloed en zij heeft een gevoelig hart."
-
-»Zij is niet rijk," gaf Katoeti ten antwoord. »Elke palm in haar tuin
-komt van haar echtgenoot en behoort aan hare kinderen."
-
-»Was ook Paäker niet bij u?"
-
-»O ja, maar op verlangen zijner moeder," zeide Katoeti. »Gij weet, hij
-haat mijn schoonzoon."
-
-»Ik weet het," zeide de dwerg, half binnen 's monds; »doch als Nefert
-hem wilde verbidden...."
-
-De trotsche weduwe schrikte. Zij gevoelde dat zij den dwerg te veel
-vrijheid had gegeven, en beval haar alleen te laten.
-
-Nemoe kuste haar gewaad en vroeg schuchter: »Zal ik vergeten wat ge mij
-hebt toevertrouwd, of veroorlooft ge mij, dat ik verder over middelen
-peins om uw zoon te redden?"
-
-Katoeti bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan, en zeide toen:
-»Gij hebt zeer verstandig uiteengezet wat ik laten moet: mogelijk
-openbaart eene godheid u wat ik doen zal. Laat mij nu alleen!"
-
-»Hebt ge mij morgen vroeg ook noodig?" vroeg het manneke.
-
-»Neen!"
-
-»Dan rijd ik naar de Nekropolis om te offeren."
-
-»Ga," zeide Katoeti, en ging met den noodlottigen brief het huis binnen.
-
-Nemoe bleef alleen staan. Peinzend keek hij voor zich en prevelde: »Zij
-mogen niet tot eerloosheid vervallen, nu ten minste niet, want anders is
-alles verloren. Wat is toch die =eer=! Alle menschen komen zonder haar
-ter wereld, en de meeste onzer dalen als goede lieden ten grave, zonder
-haar ooit gekend te hebben. Maar enkelen, die rijk zijn en niets te doen
-hebben, bestrijken daarmede het gladde weefsel hunner ziel, evenals
-de Koeschiten[100] hun haar met vet en balsem, tot het een kapsel
-wordt[101], dat hun leelijk staat, maar waarop zij zoo trotsch zijn, dat
-zij zich liever de ooren dan dit onding laten afsnijden. Ik vermoed, ja
-ik vermoed.... doch eer ik mijn mond weder open doe, ga ik naar mijne
-moeder, die meer weet dan twintig profeten."
-
- [100] Ethiopiërs.
-
- [101] Wij weten uit de gedenkteekenen, dat de zwarte bewoners
- van den Boven-Nijl, reeds in den tijd der pharao's, de leelijke
- mode huldigden, die nog steeds door hunne nakomelingen wordt
- gevolgd.
-
-
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-
-Voordat de zon den volgenden dag was opgegaan, liet Nemoe zich met den
-kleinen witten ezel, dien de overleden vader van den wagenmenner Mena
-hem jaren geleden geschonken had, over den Nijl zetten. Voor zijn rit
-door de Nekropolis maakte hij wijselijk gebruik van de morgenkoelte, die
-de verschijning der dagvorstin voorafgaat. Goed bekend met alle wegen en
-paden, vermeed hij met opzet de straat, die naar de plaats voerde waar
-hij zijn wilde. Hij draafde voort in de richting van den berg, die
-het dal der koningsgraven van de Nijlvlakte scheidt. Vóór zich zag
-hij hemelhooge kalkrotsen indrukwekkend in een halfrond oprijzen; zij
-maakten den achtergrond uit van den statigen op terrassen gebouwden
-tempel, die de groote Hatasoe, de trotsche voogdes van twee pharao's uit
-het gevallen koningshuis, tot haar eigen aandenken en ter eere van de
-godin Hathor had opgericht. Nemoe liet het heiligdom links liggen en
-reed het steile bergpad op, den naasten weg van de vlakte naar het dal
-der koningsgraven. Weldra kon hij den terrasvormigen Hatasoe-tempel in
-alle zijne onderdeelen beneden zich zien; en vóor zich de Nekropolis
-met hare gebouwen, tempels en kolossen, nog sluimerende in de koele
-ochtendschemering; en daarachter den breeden zilveren stroom, half
-gesluierd door de witte zeilen en de langzaam optrekkende morgennevelen;
-en nog verder de woonstad Thebe met hare reuzentempels, duidelijk
-uitkomende tegen de oosterkim, door de opgaande zon gloeiend rood
-gekleurd.
-
-Doch de dwerg zag niets van dit heerlijk tafereel aan zijne voeten.
-In gedachten verzonken, ver over den hals van zijn beest gebogen,
-liet hij den hijgenden ezel naar welgevallen nu eens klimmen dan weder
-stilstaan. Toen hij zoowat ter halver hoogte was gekomen, hoorde hij de
-voetstappen kraken van een wandelaar, die hem langzamerhand naderde. De
-man, die bedaard naar boven klom, had hem weldra ingehaald, en bracht
-hem een morgengroet. Het bergpad was smal, en zoodra de dwerg had
-opgemerkt, dat de persoon die achter hem liep een priester was, hield
-hij op een minder steil gedeelte van den weg zijn ezeltje stil en zeide
-eerbiedig: »Wandel voorbij, heilige vader, want uw beide voeten loopen
-harder dan mijne vier hoeven."
-
-»Eene lijdende heeft mijne hulp noodig," antwoordde de arts Nebsecht,
-Pentaoer's vriend, dien wij in het Seti-huis en bij het gewonde
-Paraschieten-meisje hebben leeren kennen; en hij versnelde zijn stap, om
-den tragen ruiter vooruit te komen.
-
-Juist verscheen in het oosten aan den purperen horizont de vurige
-zonneschijf, en uit het heiligdom beneden hen klommen de tonen op van
-een godsdienstig lied, door een veelstemmig mannenkoor aangeheven. Nemoe
-liet zich van zijn ezel glijden en nam de houding van een biddende aan.
-De priester volgde zijn voorbeeld, doch terwijl de dwerg aandachtig
-zijne oogen richtte op de wedergeboorte van den zonnegod achter de
-oostelijke bergketen, staarden de zijnen naar den grond, en een zijner
-ten hemel geheven handen daalde onopgemerkt neder, en greep naar eene
-zeldzame versteende schelp die op den weg lag. Eenige oogenblikken later
-stond Nebsecht op, door Nemoe gevolgd.
-
-»Een schoone morgen," zeide de dwerg. »De heilige vaders daar beneden
-zijn heden vroeger op dan gewoonlijk."
-
-De arts lachte toestemmend en vroeg: »Behoort gij in de Nekropolis te
-huis? Wie houdt er hier dwergen op na?"
-
-»Niemand," antwoordde het manneke. »Maar vergun mij eene wedervraag.
-Welk aanzienlijk persoon woont er hier achter de bergen, dat een
-priester uit het Seti-huis zijne nachtrust voor hem opoffert."
-
-»Mijn bezoek geldt iemand uit den geringeren stand. Maar zij lijdt
-veel," zeide Nebsecht.
-
-Nemoe zag hem verwonderd aan en zeide: »Dat is edel, dat is...." Maar
-hij voltooide den volzin niet, hij sloeg zich opeens tegen het voorhoofd
-en zeide: »Gij gaat, ingevolge eene last van de prinses Bent-Anat,
-naar het overreden Paraschieten-kind; ja, ik begreep het wel. De spijs
-waarvoor de heeren zoo vroeg opstaan, moet toch een voornamen bijsmaak
-hebben. Hoe gaat het met het arme kind?"
-
-In de laatste woorden lag zooveel warme deelneming, dat de arts, die
-de opmerking van den dwerg niet zoo onnatuurlijk vond, vriendelijk
-antwoordde: »Niet slecht; zij kan behouden worden."
-
-»Den goden zij dank!" riep Nemoe, terwijl de priester hem voorbijging.
-
-Met verdubbelde snelheid steeg Nebsecht den berg op en weder af, en
-hij had reeds lang in de hut van den Paraschiet naast het leger van de
-gewonde Warda plaats genomen, toen Nemoe de woning naderde van zijne
-moeder Hekt, de tooveres, van wie Paäker den liefdedrank had ontvangen.
-De oude vrouw zat weder voor de deur van haar hol. Naast haar lag eene
-plank met dwarshouten, waartusschen een kleine knaap lag uitgestrekt,
-zoodat de houten juist zijn hoofd en zijne voetzolen raakten. Hekt
-verstond de kunst om dwergen te maken. Dit soort van speelgoed in de
-gedaante van een mensch werd goed betaald, en het kind op de
-martelplank, met zijn aardig gezichtje, beloofde een kostbaar artikel te
-worden.
-
-Zoodra de tooveres bemerkte dat er iemand naderde, boog zij zich over
-het knaapje, nam het met plank en al in de armen, droeg het in haar hol
-en zeide streng: »Verroer je niet jongen, anders krijg je slagen! Laat
-je nu binden."
-
-»Niet binden!" smeekte het kind. »Ik zal stil zijn en rustig blijven
-liggen."
-
-»Strek je uit!" beval de oude, en sjorde het schreiende kind met
-een touw aan de plank vast. »Als je stil bent, geef ik je later een
-honigkoek en mag je met de jonge hoenders spelen."
-
-Het jongske kwam tot bedaren; een lachje speelde om zijn mond en zijne
-lieve oogjes straalden van vreugde en hoop. Het greep met beide handen
-het kleed van de oude en zeide op dien zoet vleienden toon, dien de
-godheid in eene aanvallige kinderstem heeft gelegd. »Ik zal als een
-muisje zoo stil zijn, en niemand zal weten dat ik er ben. Doch als ge
-mij een honigkoek geeft, toe, laat mij dan vrij en naar Warda gaan
-hierover."
-
-»Warda is ziek; wat wilt ge hierover doen?" vroeg de oude.
-
-»Ik zou haar den koek willen brengen," zeide het knaapje zacht, en
-tranen glinsterden in zijne oogen.
-
-De oude streelde het kind met den vinger om zijn kin, en eene
-geheimzinnige macht trok haar naar omlaag, om het te kussen. Doch vóor
-hare lippen zijn gezichtje vonden, keerde zij zich af en zeide streng:
-»Blijf rustig. Straks zullen wij zien!" Zij raapte een bruinen zak van
-den grond op en wierp dien over den knaap. Daarop ging zij weder naar
-buiten begroette Nemoe, zette hem melk, brood en honig voor, gaf hem op
-zijn verlangen inlichtingen aangaande het overreden meisje, wier ongeluk
-hem zeer ter harte scheen te gaan, en vroeg eindelijk: »Wat voert u
-hierheen? De Nijl stond nog laag, toen ge mij de laatste maal een bezoek
-hebt gebracht, en thans is hij reeds lang beginnen te vallen[102].
-Zendt uwe meesteres u hierheen, of begeert gij zelf mijne hulp? Al dat
-gespuis blijft zich toch gelijk. Niemand gaat tot een ander, als hij hem
-niet noodig heeft. Wat zal ik je geven?"
-
- [102] Wij zijn in de eerste dagen van November. Bij het begin
- van Juni begint de Nijl langzaam te wassen, tusschen den
- 15den en 20sten Juli zwellen zijne wateren op eens zeer
- hoog, en in de eerste helft van October (niet op het eind van
- September, gelijk men vroeger meende) bereikt de overstrooming
- haar hoogsten stand. Heinrich Barth heeft dit stellig
- uitgemaakt. Nadat het water in September is begonnen te dalen,
- tracht het in October zijn hoogste punt nog eens te bereiken,
- ja zelfs daarboven te stijgen. Spoedig daarop neemt het, eerst
- langzaam, vervolgens steeds sneller af.
-
-»Ik heb niets noodig," antwoordde de dwerg, »maar...."
-
-»Maar gij komt op last van een derde," sprak de heks lachend. »'t Is
-alles één en 't zelfde! Wie iets voor een ander verlangt, denkt toch aan
-zichzelf alleen."
-
-»'t Kan zijn," hernam de kleine man. »Uwe woorden bewijzen in elk geval,
-dat gij, sedert ik u het laatst zag, niet minder wijs zijt geworden, en
-dat doet mij genoegen, want ik heb uw raad noodig."
-
-»Die is goedkoop te krijgen. Wat is er dan gaande aan de overzijde?"
-
-Nemoe vertelde zijne moeder kort, duidelijk en zonder terughouding, van
-welke gedachten men zwanger ging in het huis zijner meesteres, en van de
-verschrikkelijke schande, waarmede zij door haar zoon werd bedreigd. De
-oude schudde bij herhaling bedenkelijk het grijze hoofd, maar zij liet
-den dwerg uitspreken, zonder hem in de rede te vallen. Daarop vroeg zij,
-met bliksemende oogen: »En gelooft gij werkelijk, dat het u gelukken
-zal een adelaar door een musch te vervangen, een Ani te plaatsen op den
-troon van een Ramses?"
-
-»De troepen die in Ethiopië strijden zijn aan onze zijde," riep Nemoe;
-»de priesters verklaren zich tegen den koning en erkennen in Ani het
-echte bloed van Ra."
-
-»Dat zegt veel," hernam de oude.
-
-»En vele honden zijn de dood eener gazel," voegde Nemoe er lachend bij.
-
-»Doch Ramses is geen vluchtend wild, maar een leeuw," sprak de heks
-weder ernstig. »Inderdaad, gijlieden speelt hoog spel."
-
-»Dat weten we," antwoordde Nemoe, »maar daar is ook iets groots mede te
-winnen."
-
-»Of alles mede te verliezen," mompelde de oude, terwijl zij met de
-vingers over de dikke spieren van haar hals wreef. »Doe echter wat ge
-wilt; mij kan 't niet schelen wie het jonger geslacht naar het slagveld
-stuurt, en het vee der ouderen van het veld laat drijven. Wat wilt ge
-van mij?"
-
-»Mij zendt niemand," antwoordde de dwerg. »Ik kom uit eigen beweging,
-om u te vragen wat Katoeti doen moet ten einde haar zoon en haar huis
-voor eerloosheid te bewaren."
-
-»Hm," bromde de heks, en zij zag Nemoe met beide oogen vragend aan,
-terwijl zij zich aan het stokje in haar hand zoo hoog mogelijk
-oprichtte. »Wat is er dan toch met je gebeurd dat ge het lot der grooten
-zóo ter harte neemt, alsof het je eigen was?"
-
-De dwerg kreeg een kleur en antwoordde aarzelend: »Katoeti is eene goede
-meesteres, en als het haar welgaat, kan er voor u en voor mij nog al wat
-afvallen."
-
-De heks schudde ongeloovig het hoofd en zeide met schamperen lach:
-»Misschien een brood voor u en voor mij een kruimel! -- Gij voert ook
-nog iets anders in het schild, en ik lees in uw hart alsof ge deze
-opengesneden raaf waart. Gij behoort tot het soort van lieden, die hunne
-vingers niet stil kunnen houden en dag aan dag elk deeg kneden, overal
-schuiven, wrijven, iets maken moeten. Elke rok is u te eng. Waart ge
-drie hoofden grooter en het kind van een priester dan hadt ge het
-misschien ver gebracht. Hoog wilt ge vliegen en hoog zult ge ook
-eindigen, als vriend van een koning of -- aan de galg!"
-
-De oude lachte weder, maar Nemoe beet zich op de lippen en zeide: »Hadt
-ge mij naar de school gezonden, ware ik niet de zoon van een heks en
-geen dwerg, dan speelde ik met de menschen, gelijk gij met mij hebt
-gespeeld. Want ik ben slimmer dan zij allen, en geen hunner drijfveeren
-blijft mij verborgen. Honderd wegen liggen voor mij open, als zij heg
-noch steg weten, en waar zij zorgeloos voortjagen, zie ik den afgrond
-waarin zij onvermijdelijk zullen nederstorten."
-
-»En toch komt ge bij mij?" hernam de oude spottend.
-
-»Ik verlang uw raad," antwoordde Nemoe ernstig, »omdat vier oogen meer
-opmerken dan twee; omdat de belangelooze toeschouwer helderder ziet dan
-de speler, en omdat gij verplicht zijt mij te helpen."
-
-De heks keek verwonderd op en vroeg: »Ik? Verplicht? En waartoe dan?"
-
-»Mij te helpen," herhaalde de dwerg half smeekend. »Gij hebt mijn groei
-belemmerd en mij tot een wangedrocht gemaakt."
-
-»Eenvoudig omdat niemand het in de wereld beter heeft dan gij dwergen,"
-haastte de oude zich te zeggen.
-
-Nemoe schudde het hoofd en vervolgde droefgeestig: »Dat hebt ge mij
-reeds zoo dikwijls verteld. Ten aanzien van menig ander, die als ik in
-ellende werd geboren, moogt gij gelijk hebben. Doch gij hebt mij het
-leven bedorven; ge hebt mij niet alleen naar het lichaam, maar ook naar
-de ziel verminkt. Mij hebt gij tot een nameloos lijden gedoemd, dat met
-geen woorden is te beschrijven."
-
-Het groote hoofd van den dwerg zonk neder op zijn borst, en hij drukte
-zijne linkerhand tegen zijn snelkloppend hart. De oude naderde hem
-daarop en vroeg wat vriendelijker: »Wat hebt gij dan toch? Ik dacht dat
-het u goed ging in Mena's huis."
-
-»Dat denkt ge," sprak de kleine, »gij, die mij zooeven als in een
-spiegelbeeld toondet, wie ik ben, en hoe geheimzinnige krachten mij
-dringen en drijven! Kunstmatig hebt ge mij gemaakt tot hetgeen ik ben.
-Gij hebt mij verkocht aan den schatmeester van Ramses, en deze schonk
-mij aan Mena's vader, zijn zwager. Dat is nu vijftien jaren geleden! Ik
-was toen nog een jongeling, een knaap als zoovele anderen, alleen wat
-levendiger van geest, wat onrustiger en driftiger dan zij. Men gaf mij
-als speelgoed aan den kleinen Mena, en hij spande mij voor zijn wagentje
-en schikte mij op met linten en vederen, en sloeg mij met de zweep, als
-ik hem niet hard genoeg voorttrok. Wat heeft dat meisje, waarvoor ik
-mijn leven zou hebben gegeven, dat dochtertje van den portier, om
-mij gelachen, als ik in mijn maskeradetuig hijgend voor het wagentje
-huppelde, en de geeselstriemen van het jongeheertje mij om de ooren
-suisten, het zweet mij van het voorhoofd gutste en mijn diep gewond hart
-bloedde! Toen stierf Mena's vader; de knaap kwam in het Seti-huis, en
-van toen aan diende ik de vrouw van zijn hofmeester, dien Katoeti later
-naar het erfgoed in Hermonthis verbande. Dat waren jaren! De dochtertjes
-van den huize speelden met mij als met eene pop[103], legden mij in de
-wieg en dwongen mij de oogen te sluiten en mij te houden alsof ik sliep,
-terwijl liefde en haat strijd voerden in mijne ziel en groote ontwerpen
-mijn brein vervulden. Zoodra ik poogde mij te verzetten, sloegen ze mij
-met roeden, en toen ik eens in boosheid mijzelf had vergeten, de kleine
-Mertitefs geslagen en gewond had, hing Mena, die er ongelukkig juist
-opaan kwam, mij met mijn gordel aan een spijker in de schuur, en liet
-mij daar eenvoudig bengelen, later zeggende, dat hij vergeten had mij af
-te nemen. De ratten vielen mij op 't lijf! Daar zijn nog de litteekens,
-de kleine witte puntjes hier. Zie maar! Misschien zullen zij eens geheel
-vergroeien, maar de wonden, die mijn hart in die ure geslagen zijn,
-zullen niet ophouden te bloeden! Daarna huwde Mena met Nefert, en met
-deze vrouw kwam ook zijne schoonmoeder Katoeti in huis. Zij verloste mij
-van den hofmeester. Ik werd voor haar onontbeerlijk. Zij behandelt mij
-als een man. Zij weet de gaven mijns geestes te schatten en luistert
-naar mijn raad. Daarom wil ik haar groot maken, met haar en door haar
-machtig worden. Als Ani den troon bestijgt, dan zullen wij hem besturen,
-gij en ik en zij! Ramses moet vallen en met hem Mena, die mijn lichaam
-onteerd en mijne ziel vergiftigd heeft."
-
- [103] Poppen worden in verschillende museën bewaard, o.a. een
- ledepop te Leiden.
-
-De oude had onder deze woorden zwijgend tegenover den dwerg gestaan. Zij
-zette zich thans op haar ruwen houten zetel neer en zeide, terwijl zij
-eene hoppe begon te plukken: »Nu begrijp ik u. Gij verlangt u te wreken.
-Gij wenscht hoog te stijgen, en ik zal uw mes wetten en de ladder voor
-u vasthouden. Arme kleine! Kom, zet je neder; drink om tot bedaren te
-komen nog een slok melk en hoor mijn raad. Katoeti heeft veel geld
-noodig om eerloosheid te voorkomen. Welnu, zij heeft het maar op te
-nemen, want het ligt voor haar deur."
-
-De dwerg zag de heks met verbazing aan.
-
-»De Mohar Paäker," vervolgde zij, »is de zoon van hare zuster Setchem,
-niet waar?"
-
-»Zoo als gij zegt."
-
-»Katoeti's dochter Nefert is de vrouw van uw meester Mena en ik geloof
-dat een ander dit verlaten hoentje gaarne in zijn hof zou lokken."
-
-»Gij doelt op Paäker, die met Nefert verloofd was, voor zij Mena
-volgde."
-
-»Paäker was eergisteren bij mij."
-
-»Bij u?"
-
-»Ja, bij mij, de oude Hekt, en wel om een liefdedrank te koopen. Ik gaf
-hem zoo iets, en daar ik nieuwsgierig ben, liep ik hem achterna, zag hoe
-hij het vrouwtje het water aanbood, en vorschte uit hoe zij heette."
-
-»En Nefert dronk den tooverdrank?" vroeg de dwerg met ontzetting.
-
-»Azijn en wortelsap!" spotte de oude. »Een groot heer, die tot mij komt
-om eene vrouw te winnen, is tot alles in staat. Laat Nefert Paäker om
-het geld smeeken, en de schulden van den lichtzinnigen jonkman zijn
-betaald."
-
-»Katoeti is trotsch en heeft mij streng afgewezen, toen ik zoo iets
-durfde voorslaan."
-
-»Dan moet Paäker zelf haar het geld aanbieden. Ga tot hem, wek in hem de
-hoop op Nefert's genegenheid, vertel hem wat de vrouwen beangstigt, en
-laat hem, als hij weigert, maar ook dan eerst, merken dat gij iets van
-het drankje weet."
-
-De dwerg zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en sprak toen,
-terwijl hij de oude vol bewondering aanstaarde: »Juist, dat is de rechte
-weg."
-
-»Den verkeerden vindt ge ook wel zonder mij," prevelde de heks. »Uw
-zaak is misschien toch nog zoo slecht niet, als ze mij in den beginne
-wel toescheen. Katoeti mag den deugniet, die zijns vaders mummie
-verspeelde, danken. -- Begrijpt ge mij niet! Nu, als gij van allen
-daarginds de slimste heet, wat moeten de anderen dan wel zijn?!"
-
-»Gij meent dat men mijne meesteres roemen zal," zeide de dwerg, »dat zij
-er zulk eene groote som voor overheeft, om den naam...."
-
-»Wat naam, wat roemen!" riep de oude ongeduldig. »Wij hebben met andere,
-met werkelijke dingen te doen! Dáar staat Paäker, dàar de vrouw van
-Mena. Wanneer de Mohar voor de jonge vrouw een geheel vermogen weggeeft,
-dan wil hij haar bezitten, en Katoeti zal hem niet in den weg staan. Zij
-weet toch, waarvoor hij haar schuld betaalt. Maar een ander verspert
-haar den weg, en dat is Mena. Hij moet uit den weg geruimd! De
-wagenmenner staat dicht bij den pharao, en de strik dien men naar den
-een werpt kan ook licht om den hals van den ander heenslaan. Maak den
-Mohar tot uw bondgenoot; gebruik hem met verstand. En dan zou het wel
-eens kunnen gebeuren, dat uwe rattenbeten en doodswonden vergolden
-werden; dat Ramses, die u omver blaast, wanneer gij openlijk tegen hem
-optreedt, getroffen werd door eene lans uit eene hinderlaag geslingerd.
-Is de troon eens ledig, dan zullen de zwakke beenen van den stadhouder
-misschien er op kunnen klimmen, wanneer de priesters hem een handje
-helpen. -- Zie, daar zit ge nu met open mond te luisteren, en ik heb u
-toch niets geraden, wat gij zelf niet hadt kunnen vinden."
-
-»Gij zijt een vat vol wijsheid!" riep Nemoe.
-
-»En nu zult gij heengaan," vervolgde Hekt, »en uwe meesteres en den
-stadhouder uwe plannen onthullen, opdat zij uwe slimheid bewonderen.
-Heden weet gij nog, wat ik u aan het verstand hebt gebracht en wat u
-te doen staat; morgen zult gij het weder vergeten zijn, en overmorgen
-beeldt ge u in, dat de geest der negen groote goden u bezielt. Ik ken
-dat. Maar ik kan niets geven om niet. Gij leeft van uwe kleinheid; een
-ander voedt zich door zijne sterke handen; ik verdien mijn schamel brood
-door wat hier in mijn hoofd omgaat. Hoor! Als gij Paäker half gewonnen
-hebt en Ani blijkt genegen te zijn om zich te laten gebruiken, dan kunt
-ge den stadhouder zeggen, dat ik een geheim weet -- en ik weet er een,
-ik alleen! -- een geheim, dat den Mohar tot zijn speelbal maakt. Ik ben
-bereid mij dit geheim te laten afkoopen."
-
-»Dat zal geschieden! ja stellig moeder!" riep de dwerg. »Wat verlangt
-gij?"
-
-»Weinig," zeide de oude. »Alleen een vrijbrief, die mij waarborgt
-ongehinderd, ook van de zijde der priesters, te mogen doen en laten
-wat mij lust, en die mij verzekert, dat ik na mijn dood eene eerlijke
-begrafenis zal hebben."
-
-»De stadhouder zal zich daar niet gemakkelijk toe laten overhalen, want
-hij moet alles vermijden, wat de dienaars der godheid kwetsen kan."
-
-»En alles doen," ging de oude voort, »wat Ramses in hunne oogen
-vernedert. Ani, hoort ge, behoeft mij geen nieuwen vrijbrief te
-schrijven, hij kan volstaan met den ouden te hernieuwen, dien Ramses mij
-verleende, nadat ik zijn ziek lievelingspaard had genezen. Zij hebben
-dien met al mijne overige bezittingen verbrand, toen zij mijne hut
-plunderden, mij voor eene tooveres en al mijn huisraad typhonisch
-verklaarden. Wat de begrafenis aangaat, dat heeft voorloopig nog den
-tijd. Ik verlang den vrijbrief van Ramses, meer niet."
-
-»Gij zult dien hebben," zeide de dwerg. »Vaarwel! Ik heb in last in het
-familiegraf mijner meesteres te onderzoeken, of de doodenoffers naar
-behooren geplaatst zijn, verder nieuwe reukwerken te plengen, en nog
-andere dingen te laten vernieuwen. Als Sechet niet meer woedt[104] en
-het koeler wordt, kom ik hier nog eens voorbij, want ik zou den
-Paraschiet Pinem wel willen spreken en zien hoe het die arme Warda
-gaat."
-
- [104] Zie boven blz. 61.
-
-
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Terwijl dit gesprek werd gevoerd, waren voor de hut van den Paraschiet
-twee mannen druk bezig met palen in den grond te bevestigen, en daarover
-een gescheurden linnen lap uit te spannen. Een hunner, de oude Pinem,
-dien wij als pleegvader zijner kleindochter hebben leeren kennen,
-vermaande den ander van tijd tot tijd aan de kranke te denken, en wat
-minder leven te maken. Toen zij hun eenvoudig werk voltooid en onder
-deze tent eene ligplaats van frisch stroo gemaakt hadden, gingen beiden
-op den grond zitten met het gezicht naar de hut, waarvoor de arts
-Nebsecht zich had nedergezet, wachtende op het ontwaken van de
-sluimerende kranke.
-
-»Wie is die man?" vroeg de heelmeester den oude, doelende op diens
-jongeren metgezel, een stevig bruinkleurig soldaat, met dikken ronden
-baard.
-
-»Mijn zoon," antwoordde de Paraschiet, »die uit Syrië is teruggekeerd."
-
-»Warda's vader?" vroeg de arts.
-
-De soldaat knikte toestemmend en zeide met een ruwe stem, maar toch op
-trouwhartigen toon: »Men kan het mij wel niet aanzien, want zij is zoo
-blank en blozend. Doch hare moeder was eene vreemdelinge, en zij is ook
-zoo teer geworden als deze was. Ik was schier te bevreesd haar met mijn
-pink aan te raken, en daar rijdt me nu een wagen over het tengere popje,
-en zij houdt het uit en blijft leven."
-
-»Zonder de hulp van dezen heiligen vader," zeide de Paraschiet, terwijl
-hij den arts naderde en diens gewaad kuste, »zoudt gij haar niet levend
-hebben weergezien. De goden mogen u loonen voor hetgeen gij aan ons
-armen gedaan hebt."
-
-»En wij kunnen ook betalen," riep de soldaat, slaande op den vollen
-buidel die aan zijn gordel hing. »Wij hebben in Syrië buit gemaakt, en
-ik zal een kalf koopen om het uw tempel te wijden."
-
-»Offer liever een dier van deeg,"[105] zeide de arts, »en wanneer gij
-u dankbaar wilt toonen, geeft dan uw vader het geld, opdat hij uw zwak
-dochtertje volgens mijn voorschrift voede en verplege."
-
- [105] Bij de feesten van Selene (Egyptisch Nechebt) werden
- zwijnen geofferd. Herodotus zegt (II, 47): "De onbemiddelden
- bakken uit armoede zwijnen van tarwedeeg, en brengen die ten
- offer." Op de gedenkteekenen vindt men zulk gebak afgebeeld, in
- allerlei gedaanten van dieren.
-
-»Hm," bromde de soldaat, nam den buidel van zijn gordel, woog dien met
-de hand en zeide, terwijl hij hem den Paraschiet overhandigde: »Ik zou
-het toch verbrassen! Daar vader, neem het geld voor de kleine en voor
-moeder."
-
-Terwijl de oude aarzelend de hand uitstak naar het kostelijk geschenk,
-bezon de soldaat zich en zeide, den buidel openende: »Laat mij er toch
-eenige ringen uitnemen, want heden kan ik nog niet op een droogje
-liggen. Ik heb een paar kameraden besteld in den Rooden kroeg. Dat is
-ook voldoende voor morgen en overmorgen. Zoo zal het goed zijn. Daar,
-neem het andere bagatel!"
-
-Nebsecht gaf den soldaat een teeken van goedkeuring; deze riep echter,
-toen de Paraschiet uit dankbaarheid den arts de hand kuste: »Maak me die
-kleine gezond, heilige vader! Met geschenken en offers is het nu uit,
-want ik heb niets meer, maar hier zijn een paar ijzeren vuisten en een
-borst als een vestingmuur! Als gij eens hulp noodig hebt, laat mij dan
-roepen, en ik zal u tegen twintig vijanden beschermen. Gij hebt mijn
-kind gered. Goed! Leven om leven! Ik verklaar met mijn eigen bloed dat
-ik uw schuldenaar ben. Dáar!"
-
-Onder het uitspreken dezer woorden had hij een dolkmes uit zijn gordel
-getrokken. Hij gaf zich eene snede in den arm en liet eenige droppels
-van zijn bloed vallen op een steen voor de voeten van den arts.
-»Ziedaar," vervolgde hij, »dit is mijne schuldbekentenis! Kaschta heeft
-zich tot uw schuldenaar verklaard en gij kunt over zijn leven beschikken
-als over het uwe. Wat ik gezegd heb, dat heb ik gezegd!"
-
-»Ik ben een man des vredes," stamelde Nebsecht, »en mijn wit gewaad
-beschermt mij. Maar -- ik geloof dat onze kranke ontwaakt is."
-
-De arts stond op en ging de hut binnen. Warda's lieve hoofdje lag in
-den schoot harer grootmoeder, en hare groote blauwe oogen keerden zich
-rustig naar den priester.
-
-»Zij zou nu wel mogen opstaan en buiten komen," zeide de oude. »Zij
-heeft lang en zacht geslapen."
-
-De arts onderzocht haar pols en de wond, waarop groene bladeren lagen,
-en zeide: »Voortreffelijk! Wie heeft u toch dit kruid gegeven dat zulk
-eene genezende kracht bezit?"
-
-De Paraschiet werd verlegen en draalde met het antwoord. Warda zeide
-echter zonder schroom: »De oude Hekt, die daar ginds woont in het zwarte
-hol."
-
-»De tooveres!" prevelde de arts. »Wij zullen de bladeren toch maar laten
-liggen; daar zij helpen, komt het er niet op aan vanwaar zij komen."
-
-»Hekt heeft ook de druppels geproefd, die gij haar geeft," zeide de oude
-vrouw, »en toegestemd dat zij goed waren."
-
-»Dan zijn wij over elkaar tevreden," gaf Nebsecht met een schalksch
-lachje ten antwoord. »Meisje, wij zullen u nu naar buiten dragen, want
-de lucht hier binnen is zoo zwaar als lood, en uwe teedere longen hebben
-lichter voedsel noodig."
-
-»Ja, laat mij in frisscher lucht," smeekte de kranke. »Het is goed,
-dat gij dien andere niet weder hebt medegebracht, die mij met zijne
-bezweringen zoo bang maakte."
-
-»Gij meent den blinden Teta?" hernam Nebsecht. »Die zal niet terugkomen.
-Maar de jonge priester, die uw grootvader tot bedaren bracht, toen hij
-de prinses terugwees, hij zal u bezoeken. Hij is zoo vriendelijk, en gij
-moest, moest...."
-
-»Zal Pentaoer komen?" vroeg het meisje levendig.
-
-»Voor den middag. Maar hoe kent gij zijn naam?"
-
-»Ik ken hem," zeide Warda op een toon die geen twijfel overliet.
-
-De arts zag haar verwonderd aan en zeide: »Gij moogt niet meer spreken,
-want uwe wangen gloeien, en de koorts mag niet wederkeeren. Wij hebben
-eene tent voor u gereed gemaakt en zullen u naar buiten dragen."
-
-»Nog niet," bad het meisje. »Grootmoeder, maak mijn haar wat op; het
-hangt zoo zwaar."
-
-Dit zeggende greep zij zelve hare dikke roodblonde haren, en trachtte ze
-met hare kleine handen te scheiden en te ontdoen van de stroohalmen, die
-er in vast geraakt waren.
-
-»Houd u toch stil," vermaande de arts.
-
-»Het is zoo zwaar," zeide het meisje lachend, en toonde Nebsecht den
-weelderigen rijkdom harer goudgele haren, als ware zij met zulk een last
-verlegen. »Kom grootmoeder, help mij toch!"
-
-De oude vrouw boog zich over het hoofd der kranke en haalde voorzichtig
-een groven grijzen hoornen kam door hare lange lokken, maakte zeer
-behoedzaam de stroohalmen los uit die gulden verwarring en legde
-ten laatste twee dichte glanzende vlechten over de schouders harer
-kleindochter. Nebsecht wist, dat iedere beweging de lijderes kwaad kon
-doen, en dit drong hem beiden dit werk te verbieden. Doch zijne tong
-was als verlamd. Verbaasd, onbeweeglijk en met blozende wangen stond
-hij tegenover het meisje, en zijne blikken volgden met angstige
-opmerkzaamheid elke beweging harer handen.
-
-Zij gaf op hem echter geen acht. Toen de oude vrouw den kam uit de hand
-legde, haalde Warda diep adem en vroeg: »Grootmoeder, de spiegel!"
-
-De grijze pleegmoeder bracht een scherf van donker verglaasd aardewerk.
-De kranke draaide de glanzige binnenzijde naar het licht, staarde een
-oogenblik het onduidelijk spiegelbeeld aan en zeide: »Ik heb in zoolang
-geen bloem gezien, grootmoeder!"
-
-»Wacht, mijn kind!" zeide de oude, nam uit eene kan de roos die de
-prinses Bent-Anat op de borst harer kleindochter had gelegd, en stak
-haar die toe. Doch alvorens Warda haar grijpen kon, vielen de verdorde
-bloemblaadjes uit elkander en op haar neder. De arts bukte, raapte ze
-bij elkaar en gaf ze de kranke in de hand.
-
-»Wat zijt ge toch goed," zeide zij. »Ik heet Warda als deze bloem, en
-ik houd zooveel van de rozen en van frissche lucht. Kom, draag mij naar
-buiten."
-
-Zoodra Nebsecht riep, trad de Paraschiet met zijn zoon de hut binnen;
-beide droegen de lijderes buiten de deur en legden haar onder de
-eenvoudige door hen gespannen tent. De voeten van den soldaat knikten,
-toen hij den lichten last van zijn dochtertje in zijne sterke handen
-hield, en hij haalde weder adem, zoodra zij op de mat rustte.
-
-»Wat is de hemel heerlijk blauw!" zeide Warda. »En grootvader heeft
-mijne granaatstruik begoten. Ja, dat dacht ik wel! -- Ach, daar zijn
-mijne duifjes ook, daar komen ze! Geef mij wat graan in de hand,
-grootmoeder! -- Wat zijn ze blijde!"
-
-De sierlijke vogeltjes, met zwarte ringen om den roodgrijzen hals,
-klapwiekten zorgeloos om haar heen en pikten de graankorrels, die zij
-spelende op hare lippen legde, van haar mondje weg. Nebsecht zag dit
-tooneel met stille bewondering aan. Het was hem alsof eene nieuwe wereld
-zich voor hem opende, als was er een nieuw orgaan, dat hem tot hiertoe
-vreemd was gebleven, gewekt in zijne borst. Zwijgend zette hij zich voor
-de hut neder en teekende het beeld eener roos met een door hem opgenomen
-rietstaafje in het zand.
-
-Alles bleef stil in den omtrek, ook toen de duifjes de kranke verlaten
-en het dak van de hut weder opgezocht hadden. Op eens sloeg de hond van
-den Paraschiet aan; men hoorde voetstappen naderen. Warda richtte zich
-op en zeide: »Grootmoeder, de priester Pentaoer!"
-
-»Wie zegt u dat?" vroeg de oude.
-
-»Ik weet het," antwoordde het meisje op stelligen toon. Weinige
-oogenblikken later riep een heldere stem: »Heil u! Hoe gaat het uwe
-kranke?"
-
-Weldra stond Pentaoer naast Warda, zich verheugende over het gunstig
-bericht van den arts Nebsecht en het vriendelijk gelaat van het meisje.
-Hij had bloemen in de hand, door eene gelukkige jonkvrouw gelegd op het
-altaar der godin Hathor, die hij sedert gisteren als priester diende.
-Hij overhandigde ze de kranke, die ze blozend aannam en in de gevouwen
-handen vasthield.
-
-»Dat zendt u de hooge godin, die ik thans dien," zeide Pentaoer, »en zij
-zal u genezing schenken. Blijf haar gelijk! Gij zijt als zij rein en
-lieflijk; moge ook verder uw handel met den haren overeenstemmen. Gelijk
-de zon leven geeft aan den nevelachtigen horizont, zoo brengt gij
-vreugde in deze donkere hut. Bewaar uwe onschuld, en overal waar gij uwe
-schreden richt zult gij liefde wekken, evenals er bloemen ontluiken op
-elke plek, die Hathors gouden voet[106] betreedt. Haar zegen rust op u!"
-
- [106] Hathor wordt meermalen, bijv. te Dendera de "gouden"
- genaamd. Deze godin heeft veel overeenkomst met de "Gouden
- Aphrodite."
-
-Hij had de laatste woorden half tot het Paraschieten-paar, half tot
-Warda gericht. Reeds maakte hij zich gereed om terug te keeren, toen
-zich achter het maïs-stroo, dat dicht bij de tent van de kranke lag,
-eene angstige kreet van een kind deed hooren. Spoedig daarop kwam een
-knaapje te voorschijn, dat in de hoogopgeheven hand een koek hield, door
-den hond, die het kind overigens wel scheen te kennen, voor de helft
-afgebeten.
-
-»Hoe komt gij hierheen, Scheraoe?" vroeg de Paraschiet aan het pruilende
-ongelukkige kind, dat door de oude Hekt tot een dwerg werd misvormd.
-
-»Ik wilde," zeide de kleine al snikkende, »ik wilde Warda de koek
-brengen. Zij is ziek en ik had zooveel...."
-
-»Arm kind," haastte de Paraschiet zich te zeggen, terwijl hij het haar
-van den kleine streelde. »Daar, geef het aan Warda." Scheraoe naderde
-de lijderes, knielde naast haar neer en fluisterde met van blijdschap
-stralende oogen: »Toe neem het! De koek is goed en zeer zoet, en wanneer
-ik er weder een krijg en Hekt laat mij vrij, dan breng ik die naar u."
-
-»Ik dank u beste Scheraoe," antwoordde Warda en gaf den knaap een kus.
-Toen richtte zij zich tot Pentaoer en zeide: »Sedert weken heeft hij
-niets gehad dan papyrus-merg[107] en lotus-brood[108], en nu brengt hij
-mij den koek, die moeder gisteren de oude Hekt mede naar huis gaf."
-
- [107] Volgens Herodotus II, 92, Diodorus I, 80 en Plinius
- XIII, 10, aten de Egyptenaars het beneden deel van den
- papyrus-stengel, d. w. z. het merg dezer plant, en wel het
- liefst op den oven geroosterd.
-
- [108] "Zij stooten de kern van den lotus, die uiterlijk gelijkt
- op een maankop, fijn en bakken daarvan brood" (Herodotus II,
- 92). Daar, zooals de gedenkteekenen ons leeren, de lotus-planten
- in overgroote menigte op het water en de papyrus-struiken aan
- den Nijloever wiesen, is de opteekening van Diodorus dat,
- namelijk een kind, tot het volwassen is, zijne ouders niet
- meer dan 20 drachmen (ongeveer 9 gulden) heeft gekost, wel te
- gelooven. Het is zeker vreemd, dat ondanks de nuttigheid van
- beide planten, met name van den papyrus, de eene zoowel als de
- andere in Egypte niet meer vóorkomen.
-
-Het knaapje bloosde tot over de ooren en stamelde: »Hij is nog maar
-half, en toch heb ik hem niet aangeroerd; uw hond beet dit stuk hier af,
-en dáar." Het kind raakte even met zijn vinger de honig aan en bracht
-dien aan zijne lippen. »Ik zat reeds lang achter het stroo te wachten,
-want ik durfde niet voor die vreemde heeren daar." Hij wees daarbij op
-den arts en Pentaoer, en zeide daarop: »Maar nu moet ik naar huis."
-
-Toen het kind wilde heengaan, hield Pentaoer het tegen, pakte het op,
-wiegde het op zijne armen en zeide, zich daarbij tot den arts wendende:
-»Zij waren wel wijs, die Horus, den god die het goede doet zegepralen
-over het kwade en het reine over het onreine, de gestalte van een kind
-hebben gegeven. Wees gezegend, mijn kleine vriend, blijf goed en geef
-maar altijd het uwe weg om anderen gelukkig te maken. Uw huis zal
-daardoor niet rijk worden maar uw hart des te rijker!"
-
-Scheraoe drong zich tegen den priester aan en onwillekeurig verhief zich
-daarbij zijne kleine hand, om Pentaoers wangen te streelen. Een ongekend
-gevoel van teederheid welde in hem op, en het was hem al moest hij zijne
-armpjes om 's dichters hals slaan en aan diens borst uitweenen. Pentaoer
-zette hem weer op den grond en hij trippelde het dal in. Daar bleef hij
-staan. De zon had bijna haar middaghoogte bereikt en vóor dien tijd
-moest hij weder in het hol van de tooveres en tusschen de planken terug.
-Hij had zoo gaarne verder gegaan tot aan het graf, dat voor den koning
-werd aangelegd. Dicht bij de poort ervan stond een schutdak van
-palmtakken, waaronder de beeldhouwer Bataoe, een hoogbejaarde grijsaard,
-gewoonlijk rustte. De oude man was doof, maar hij werd te recht voor
-den eersten kunstenaar van zijn tijd gehouden. Hij was de ontwerper
-van de voortreffelijke afbeeldingen en de rijen hiëroglyphen op de
-praalgebouwen van Seti te Abydus en te Thebe, alsmede van die in het
-graf van genoemden vorst. Thans hield hij zich bezig met de versiering
-van de wanden van Ramses' groeve.
-
-Dikwijls was Scheraoe in zijne nabijheid geslopen, had hij aandachtig
-gekeken naar het werk van den beeldhouwer en dan zelf beproefd, of hij
-uit een stukje klei ook dierlijke en menschelijke figuren kon maken.
-Eens had de grijsaard hem opgemerkt, hem zwijgend zijn knutselwerk uit
-de hand genomen, en het daarna teruggeven met een goedkeurend lachje.
-Sedert was er tusschen deze twee eene eigenaardige betrekking ontstaan.
-Scheraoe kreeg vergunning zich naast den beeldhouwer neer te zetten en
-de door hem voltooide beeldwerken na te volgen. Geen woord werd daarbij
-gewisseld, doch de doove grijsaard vernietigde nu eens het werk van den
-knaap, dan weder verbeterde hij het met een enkelen vingerdruk, en niet
-zelden gaf hij met een lachje zijn bijval te kennen. Zoo vaak de kleine
-uitbleef, werd hij werkelijk door zijn leermeester gemist, en het waren
-Scheraoe's heerlijkste uren, die hij aan de zijde van Bataoe mocht
-doorleven. Het stond hem ook vrij klei mede naar huis te nemen, waar
-hij achter den rug van de oude Hekt menig beeldje vormde, dat echter na
-de voltooiing terstond werd vernietigd. Als hij op zijn martelbed lag,
-beproefde hij met zijne ongebonden handjes de verschillende gestalten na
-te maken, die er in zijne verbeelding leefden. Onder deze scheppenden
-kunstenaarsarbeid vergat hij het tegenwoordige, en zijn bitter lot kreeg
-althans een bijsmaak van zoet geluk.
-
-Heden was het zoo laat geworden, dat hij zijn bezoek aan het Ramses-graf
-moest opgeven. Nog eenmaal keerde hij zich om naar de hut, en toen liep
-hij op een drafje naar het zwarte hol.
-
-
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Ook Pentaoer had weldra de hut van den Paraschiet verlaten. Peinzend
-sloeg hij het bergpad in, dat naar den tempel[109] leidde, waarover
-Ameni hem het bestuur had opgedragen. Hij zag alles behalve
-verkwikkelijke, ja donkere uren naderen. Het heiligdom, aan zijne zorg
-toevertrouwd, was door koningin Hatasoe[110], die tot de onttroonde
-dynastie behoorde, gewijd aan hare eigene nagedachtenis en aan de
-godin Hathor. De priesters die het bedienden, waren in het bezit van
-bijzondere, bij gezegelde oorkonden gewaarborgde privilegiën, die tot
-hiertoe streng ontzien werden. Hunne waardigheid was erfelijk, en ging
-dus over van den vader op den zoon; ook mochten zij uit hun eigen midden
-een hoofd kiezen. Roeï, die thans deze waardigheid bekleedde, was
-doodelijk ziek, en Ameni, wien het oppertoezicht over deze priesters
-toekwam, had, zonder hen te raadplegen, hun den jongen Pentaoer als
-plaatsvervanger toegezonden. Zij ontvingen den indringer met tegenzin
-en sloten zich vast aaneen, toen hun bleek dat hij voornemens was zijne
-taak ernstig op te nemen en vele onder hen bestaande misbruiken af
-te schaffen. Zij hadden de begroeting van de opgaande zon aan de
-tempeldienaars opgedragen; Pentaoer verlangde echter, dat ten minste de
-jongeren onder hen aan het gezang van de morgenhymne zouden deelnemen,
-terwijl hijzelf de koren bestuurde. Tot hiertoe hadden zij handel
-gedreven met de rijke op het altaar der goden neergelegde offers, doch
-hun nieuwe meester verzette zich tegen deze onbetamelijke handelwijs,
-alsmede tegen de afpersingen, waaraan zij zich schuldig maakten ten
-opzichte van beangstigde vrouwen, die den tempel van Hathor in grooter
-getal bezochten dan eenig ander heiligdom.
-
- [109] Deze tempel is betrekkelijk goed bewaard gebleven.
- In Dümichen's =Flotte einer aegyptischen Königin= zijn de
- belangrijkste voorstellingen, die men daar gevonden heeft,
- afgebeeld. De platte grond, door Lepsius gegeven in zijne
- =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien= kan aangevuld worden, na
- de uitgravingen van Mariëtte.
-
- [110] Dochter van Thotmes I, gemalin van haar broeder Thotmes
- II, voogdes van haar tweeden broeder Thotmes III. Zij was een
- krachtig handelende vrouw, die groote werken deed uitvoeren, en
- zich liet afbeelden met den helm en den baard van een man.
-
-De dichter, in het Seti-huis opgevoed tot zelfbeheersching, orde,
-stiptheid en reinheid van zeden, diep doorgedrongen van de beteekenis
-der priesterlijke waardigheid, en gewoon, met bijzonderen ijver te velde
-te trekken, tegen traagheid van lichaam en geest, had een walg van dat
-luie lekkere leven en de bedriegerijen dergenen, die onder hem gesteld
-waren. Hij besloot daarom met te grooter ijver hier een nieuw leven te
-wekken, sedert de dag van gisteren hem een diepen blik had doen slaan
-in de ellende en de zorgen van het menschelijk leven. De overtuiging
-dat de trage priesterschaar, die hem gehoorzamen moest, geroepen was
-troostrijken balsem te gieten in duizend beknelde harten, ontelbare
-tranen te drogen en aan het dorre hout der vertwijfeling het frissche
-groen der hoop te doen ontspruiten, drong hem krachtig door te tasten.
-Gisteren had hij gezien, hoe zijne onderhoorigen de klachten van eene
-verlatene, van een bedrogen meisje, van eene vrouw, die den kinderzegen,
-haar tot dusver ontzegd, kwam afbidden, van een zorgvolle moeder en
-eene eenzame weduwe, met koele onverschilligheid hadden aangehoord.
-Zij bleken op niets anders bedacht te zijn dan om het leed van anderen
-winstgevend te maken voor de godin Hathor, of liever, om geschenken af
-te persen ten behoeve van hun eigen zak en hun eigen buik.
-
-Thans naderde hij weder het tooneel zijner nieuwe werkzaamheid. Dáar
-lag het eerwaardig heiligdom, uit het dal in vier terrassen statig
-oprijzende, aan de westzijde geleund tegen den halfronden hemelhoogen
-wand van het steile geelachtige kalkgebergte; daar lag het zoo
-regelmatig en eigenaardig afgedeeld. Op den met zorg gevoegden onderbouw
-prijkten reusachtige in den steen uitgehouwen sperwers, met het teeken
-des levens. Zij waren eene symbolische voorstelling van Horus, den zoon
-der godin, die al wat verwelkt op nieuw doet bloeien, al het stervende
-weder doet opstaan. Op elk terras verhief zich eene naar het oosten
-geopende overdekte ruimte, elk met twee en twintig zuilen in ouden
-stijl[111]. De schoone schilderwerken en opschriften in fijn
-beeldhouwwerk op de achterwanden, verkondigde aan de nakomelingschap wat
-groote dingen Hatasoe met hulp der goden van Thebe had gedaan. Dáar
-zag men de schepen, die zij naar Poent[112] had gezonden, om Egypte te
-verrijken met de schatten van het oosten. Dáar waren de naar Thebe
-overgebrachte wonderen van Arabië te zien. Dáar kon men de afbeeldingen
-vinden van de huizen[113] der bewoners van het wierookland, en alle
-visschen van de Roode zee in scherpe en karakteristieke omtrekken[114].
-Op het derde en vierde terras bevonden zich kleinere door Hatasoe en
-hare broeders Thotmes II en III aangelegde vertrekken, die tegen de
-rotsen waren aangebouwd, en waartoe poorten van graniet den toegang
-verleenden. Daar moesten de reinigingen volbracht, de standbeelden der
-godin vereerd, aan de schim der koningin geofferd en van bevoorrechte
-smeekelingen de biecht gehoord worden. In een zijgebouw werd de heilige
-koe der godin verpleegd.
-
- [111] Het waren veelhoekige zuilen, zooals die voorkomen in
- graven uit de 12e dynastie (2354 tot 2194 v. Chr.). Na de
- verdrijving der Hyksos door de koningen uit de 17e en 18e
- dynastie werden zij ook voor op zichzelf staande gebouwen
- gebruikt, doch onder de volgende koningen komen zij niet meer
- voor.
-
- [112] Arabië, waarschijnlijk ook het kustland van Oost-Afrika
- ten zuiden van Egypte, tot aan het Somali-land. Hiervoor pleiten
- namelijk de onlangs door Mariëtte uitgegeven lijsten der
- zuidelijke volken, die Thotmes III onderwierp, en die op de
- pylonen van den tempel van Karnak waren uitgehouwen.
-
- [113] Zij stonden op palen, en men kon er alleen inkomen met
- hulp van ladders.
-
- [114] De verschillende soorten zijn zeer goed te onderscheiden.
- Het is Dr. Donitz gelukt aan vele de juiste naam te geven.
-
-Toen Pentaoer aan den hoofdpoort van den terrassentempel was gekomen,
-moest hij getuige zijn van een schouwspel, dat hem met verontwaardiging
-vervulde. Eene vrouw wenschte den voorhof binnengelaten te worden, om
-aan het altaar der godin te bidden voor haar man, die ernstig ziek was.
-Doch de dikke portier wees haar met ruwe woorden af. »Daar staat het,"
-zeide hij, wijzende op het opschrift boven de poort; »de reine alleen
-mag zijn voet over dezen drempel zetten, en men kan slechts rein worden
-door het bewierooken."
-
-»Slinger dan het wierookvat," bad de vrouw, »en neem daarvoor dezen
-zilverring. Ik heb niet meer."
-
-»Eén zilverring?" riep de portier verbaasd. »Zal de godin om uwentwil
-armoe lijden? de anta-korrels[115], die wij voor de reiniging noodig
-hebben, kosten wel tienmaal meer."
-
- [115] Eene zeer dikwijls voorkomende soort van wierook.
-
-»Maar ik bezit niets meer," herhaalde de vrouw. »Mijn man, waarvoor ik
-kom bidden, is ziek. Hij kan niet werken, en mijne kinderen...."
-
-»Die wilt gij zeker vetmesten, en daarom der godin onthouden wat haar
-toekomt," sprak de portier. »Komaan, drie ringen, of ik sluit de poort."
-
-»Wees barmhartig!" hernam de vrouw weenend. »Wat moet er van ons worden,
-wanneer Hathor mijn man niet bijstaat?"
-
-»Moet onze godin hem een geneesmiddel geven?" vroeg de portier.
-»Waarlijk zij heeft wel wat anders te doen dan kranke hongerlijders
-beter te maken. Dat behoort ook niet tot haar ambt. Ga naar
-Imhotep[116], of naar Choensoe den plannenmaker[117] of tot den grooten
-Techoeti zelven; zij zijn het die kranken helpen. Hier houdt men zich
-niet op met kwakzalverij."
-
- [116] Zoon van Ptah. De Grieken noemden hem Asklepios
- (Aesculapius). Memphis was de hoofdplaats zijner vereering.
- Gewoonlijk wordt hij afgebeeld met een kap over het hoofd en een
- boek op de knieën. Men vindt van hem zeer schoone standbeelden
- te Berlijn, in het Louvre, te Boelaq en in andere museën. Een
- bronzen beeldje van buitengewone schoonheid is in het bezit van
- den predikant Haken te Riga.
-
- [117] De derde god in de trias van Thebe. Choensoe, steeds met
- de lok der jeugd getooid, is de zoon van Amon en Moeth; hij
- wordt bovendien met Toth vereenzelvigd en aangeroepen als goeden
- raad gevende bij genezing van kranken. Zijn groote tempel te
- Thebe (Karnak) is goed bewaard gebleven. Onder de 20ste dynastie
- (1273-1095 v. Chr.) werd, gelijk E. de Rougé heeft aangetoond
- uit een voortreffelijk verklaarden papyrus op de bibliotheek van
- Parijs, zijn standbeeld naar Azië gezonden, om de door demonen
- bezetene zuster der vrouw van Ramses XII, eene Aziatische
- vorstendochter, te genezen.
-
-»Ik verlang niet anders dan troost in mijn kommer," snikte de vrouw.
-
-»Troost?" zeide de portier lachend, terwijl hij de vrouw, die er nog
-jong en frisch uitzag, met zijne blikken opnam. »Die kunt gij goedkooper
-krijgen!"
-
-De vrouw werd doodsbleek en sloeg den portier, die zijn hand naar
-haar uitstrekte, terug. Op dit oogenblik trad Pentaoer gloeiend van
-verontwaardiging tusschen beiden. Zegenend breidde hij zijne handen uit
-over het hoofd der vrouw, die zich diep voor hem boog en zeide: »Wie de
-godheid uit den diepsten grond des harten aanroept, dien is zij nabij.
-Gij zijt rein. Treedt den voorhof binnen!"
-
-Zoodra zij in den tempel verdwenen was, richtte de priester zich tot den
-portier en zeide: »Zóo dient gij de godheid dus; maakt gij zóo misbruik
-van den nood der beklemde gemoederen? Geef over de sleutels van deze
-poort! Dit ambt is u ontnomen, en morgen reeds gaat gij naar buiten op
-de weide, om de ganzen van Hathor te hoeden."
-
-De portier wierp zich onder een vreeselijk misbaar op de knieën, maar
-Pentaoer keerde hem den rug toe, trad het heiligdom binnen en ging den
-trap op, die naar zijne op het hoogste terras gelegene woning leidde.
-Eenige priesters, die hij tegenkwam, draaiden zich om; anderen keken
-voor zich, hoorbaar smakkende en kauwende, en deden alsof zij hem niet
-zagen. Zij hadden een complot gemaakt en het stellig besluit genomen,
-zich tegen elken prijs van den lastigen indringer te ontslaan. Toen
-Pentaoer het vertrek had bereikt, dat voor zijn zieken voorganger met
-zooveel weelde was gemeubeld, deed hij zijn nieuw ambtsgewaad aan, en
-kon niet nalaten onder smartelijke gewaarwordingen eene vergelijking te
-maken tusschen voorheen en thans. Tot welk eene verwisseling had Ameni
-hem gedoemd! Hier vond hij niet anders dan stompheid en weerzin,
-waarheen hij ook de blikken richtte, terwijl honderd knapen hem tegemoet
-ijlden en uit genegenheid aan zijn kleed hingen, wanneer hij door de
-hoven van het Seti-huis wandelde. Door grooten en kleinen geëerd, vond
-daar elk zijner woorden een plaats, en wanneer hij dag aan dag zijne
-denkbeelden uitsprak, ontving hij ze in ernstige gesprekken met zijne
-metgezellen en kweekelingen gelouterd terug, en legde zoo schatten op
-voor zijn innerlijk leven. »Het vreemde," zeide hij tot zichzelf, »is
-vaak het aantrekkelijkste. En toch: hoe zwaar valt het te missen,
-waaraan men gewoon is."
-
-Pentaoer doorleefde weder in de verbeelding de gebeurtenissen van de
-laatste dagen. Het beeld van Bent-Anat stond hem levendig voor den
-geest, en nam steeds duidelijker en bekoorlijker vormen aan. Zijn hart
-begon harder te kloppen en het bloed stroomde sneller door zijne aderen.
-Hij verborg zijn aangezicht in zijne handen en herdacht elk harer
-blikken en ieder woord van hare lippen. »U volg ik gaarne," had zij hem
-vóor de hut van den Paraschiet gezegd. Nu vroeg hij zichzelven af, of
-hij nog waardig was haar leidsman te zijn. Wel is waar was hij alle
-perken te buiten gegaan, maar niet om het huis, dat hem dierbaar was, te
-benadeelen, maar om nieuw licht binnen te laten in zijne sombere ruimte.
-»Te doen, wat wij na ernstig nadenken als recht beschouwen," zeide hij
-tot zichzelf, »kan strafbaar schijnen voor de menschen, maar is het niet
-voor God." Hij voelde zijn borst verruimd en trad naar buiten op het
-terras, met opgeheven hoofd en den vasten wil, hier niet alleen zelf te
-doen wat recht is, maar ook voor recht en billijkheid een zetel op te
-richten. »Wij menschen," dacht hij, »veroorzaken reeds smart bij onze
-intrede in de wereld, en wederom droefheid wanneer wij haar verlaten.
-Derhalve zijn wij verplicht in den tijd die daar tusschen ligt het
-lijden te onderdrukken en vreugde te zaaien. Hier zijn vele tranen te
-drogen. Welaan dan, aan 't werk."
-
-De dichter vond niemand van zijne onderhoorigen op de bovenste
-terrassen. Alle priesters waren vereenigd in den tempelvoorhof, en
-luisterden naar het verhaal van den portier, in wiens wrok zij deelden.
-Hij wist op wien zij het gemunt hadden. Daarom ging hij met vasten tred
-naar hen toe en zeide: »Ik heb dezen man uit ons midden gebannen, omdat
-hij ons tot schande maakt. Morgen verlaat hij den tempel."
-
-»Ik ga dadelijk," antwoordde de portier op hoogen toon, »en zal
-overeenkomstig den last dezer heilige vaders," -- en de blik dien hij
-daarbij op de priesters sloeg, toonde duidelijk dat zij het eens waren,
-»den opperpriester Ameni vragen, of het in het vervolg ook onreinen zal
-vrijstaan dit heiligdom te betreden."
-
-Reeds naderde hij de poort; Pentaoer trad hem echter in den weg en zeide
-op beslisten toon: »Gij blijft hier en zult morgen, overmorgen en altijd
-de ganzen hoeden, tot het mij zal goeddunken u vergiffenis te schenken."
-
-De portier zag de priesters aan, maar geen hunner bewoog zich. »Ga terug
-in uw vertrek!" riep de dichter op hem toetredende.
-
-De portier gehoorzaamde. Pentaoer sloot de deur van de kleine kamer, gaf
-den sleutel aan een tempeldienaar en zeide: »Gij verricht zijn dienst,
-bewaakt den man, wanneer hij ontvlucht dan volgt gij hem morgen achter
-de ganzen. Ziet mijne vrienden, hoevele biddende daar voor onze altaren
-knielen; gaat heen en doet wat uw ambt is. Ik wacht in de biechtzaal om
-klachten te vernemen en te troosten."
-
-De priesters gingen uit elkaar, allen naar de offeranden. Pentaoer
-besteeg opnieuw de trap, en nam plaats in de smalle door een voorhangsel
-afgeslotene biechtkamer, op welker wanden eene voorstelling was te
-zien van Hatasoe, die uit den uier van de Hathor-koe[118] de melk des
-eeuwigen levens ontving. Nauwelijks had hij zich daar neergezet, of een
-Neokore[119] kondigde hem de komst aan van eene aanzienlijke gesluierde
-vrouw. Ook de dragers van haar draagstoel hadden het hoofd geheel
-bedekt. Zij verlangde in het biechtvertrek gebracht te worden. De
-dienaars overhandigden Pentaoer een bewijs, waardoor de opperpriester
-van den grooten Amon-tempel aan de overzijde van den Nijl, haar het
-voorrecht toekende met de Rechioe[120] het binnenste van den tempel
-te betreden en met alle priesters, ja zelfs met den hoogsten onder de
-ingewijden te verkeeren.
-
- [118] Een buitengewoon levendig, volkomen goed bewaard
- relief-beeld.
-
- [119] De Neokoren maakten de laagste priesterorde uit. Onder hen
- behoorden ook de tempeldienaars.
-
- [120] Egyptenaars, die tot de binnenste gedeelten van den tempel
- en tot de hoogere graden van kennis werden toegelaten.
-
-De dichter trok zich achter een voorhangsel terug en verwachtte de
-vreemdelinge met eene onrust, die hemzelf te meer bevreemden moest,
-naarmate hij zich dikwijls in dergelijke omstandigheden had bevonden.
-Ameni had zelfs de voornaamste onder de grootwaardigheidsbekleeders aan
-hem overgelaten, wanneer zij zich naar het Seti-huis begaven, om daar
-hunne droomen te doen uitleggen. Eene hooge vrouwengestalte betrad het
-stille koele steenen vertrek, zonk op de knieën neder en bad lang en
-geheel in zichzelve gekeerd voor het beeld van Hathor. Ook Pentaoer
-hief, zonder door iemand gezien te worden, zijne handen op, en richtte
-zich met geestdrift tot den geest die het heelal vervult, met de bede om
-kracht en reinheid. Toen hij zijne armen liet nederzinken, hief de vrouw
-haar hoofd op. Het was alsof de gebeden van beiden zich vereenigd hadden
-om gemeenschappelijk ten hemel te stijgen. Nu stond de onbekende op en
-liet haar sluier vallen.
-
-Het was Bent-Anat.
-
-Zij had in de onrust harer ziel de godin Hathor opgezocht, die den
-harteslag der vrouwen regelde en de draden weefde, die man en vrouw
-verbonden. »Hooge vorstin des hemels, veelnamige en schoone van
-aangezicht," begon zij overluid te bidden, »gouden Hathor, gij die de
-smart kent en de vreugde, het tegenwoordige en de toekomst, nader tot
-uw kind en leid den geest uws dienaars, dat hij mij rade! -- Ik ben de
-dochter eens vaders, die groot is en edel en waarachtig als een der
-goden. Hij raadt mij, zonder mij te dwingen, een man te volgen, dien ik
-nimmer zal kunnen liefhebben. Doch ik heb op mijn weg een man ontmoet,
-eenvoudig van geboorte, maar groot van geest en gaven...."
-
-Tot hiertoe had Pentaoer, niet in staat een woord te spreken, de prinses
-aangehoord. Zou hij verborgen blijven en haar geheim afluisteren, of
-zou hij te voorschijn komen en zich aan haar vertoonen? Zijn trots
-riep luide in zijn binnenste: »Thans noemt zij uw naam, gij zijt de
-uitverkorene boven alle schoonen en grooten." Maar eene andere stem,
-waarnaar hij zich door menige zelfbeproeving gewend had te luisteren,
-verhief zich en zeide: »Laat de onwetende niets zeggen, waarover de
-wetende zich zou moeten schamen." Blozende voor die stem, schoof hij het
-voorhangsel open en trad Bent-Anat te gemoet.
-
-De prinses week verschrikt terug en vroeg: »Zijt gij Pentaoer, of een
-der hemelsche goden!"
-
-»Ik ben Pentaoer," zeide hij met vaste stem, »een mensch met al de
-zwakheden van mijn geslacht, maar met den wil om het goede te doen.
-Verwijl hier en stort uw hart uit voor onze godin; mijn gansche leven
-zal een gebed zijn voor u!"
-
-Hij zag haar hierbij met heldere oogen aan, en keerde zich daarop, zoo
-snel alsof hij een gevaar te ontwijken had, naar den uitgang van het
-biecht vertrek.
-
-Bent-Anat riep hem bij zijn naam, en hij stond stil. »De dochter van
-Ramses," zeide zij, »behoeft hare verschijning aan deze plaats niet
-te rechtvaardigen. Maar de jonkvrouw Bent-Anat," en bij deze woorden
-bloosde zij, »vermoedde in plaats van u, den ouden Roeï hier te vinden,
-en zij verlangde zijn raad. Laat mij thans bidden!"
-
-Bent-Anat zonk op de knieën en Pentaoer trad naar buiten. Toen ook de
-prinses de biechtkamer weder verlaten had, lieten zich aan de zuidzijde
-van het terras waarop zij stond, luide stemmen hooren. Zij vloog naar
-de borstwering. »Heil Pentaoer!" klonk het van beneden. De dichter liep
-insgelijks toe en plaatste zich naast de koningsdochter. Beiden zagen
-neder in het dal en werden door allen gezien.
-
-»Heil Pentaoer!" klonk het nu nog eens zoo luide. »Heil onzen
-leermeester! Keer terug in het Seti-huis. Weg met de vervolgers van
-Pentaoer! Weg met onze onderdrukkers!"
-
-Aan het hoofd der jongelieden, die, zoodra zij vernomen hadden waarheen
-de dichter gebannen was, uit het Seti-huis gevlucht waren, om hem te
-zeggen dat zij hem bleven aanhangen, stond de prins Rameri. Zegepralend
-wuifde hij zijne zuster toe. De jonge Anana, mede een der aanvoerders,
-trad vooruit, om in eene plechtige en goed bestudeerde aanspraak den
-vereerden meester mede te deelen, dat zij, ingeval Ameni weigeren mocht
-hem in het Seti-huis terug te roepen, besloten waren hunne vaders te
-verzoeken hen naar eene andere school over te plaatsen.
-
-De jeugdige geleerde sprak goed en Bent-Anat volgde niet zonder bijval
-zijne rede. Pentaoer echter fronste al meer en meer het voorhoofd, en
-eer zijn geliefkoosde leerling zijne toespraak ten einde had gebracht,
-viel hij hem in de rede met ernstige woorden. Eerst wees hij den lof hem
-toegebracht af, daarna sprak hij zijn ongenoegen uit over hunne daad.
-Doch hoe luide hij ook zijne stem verhief, er lag in zijne taal geen
-toorn maar veeleer smart. »Waarlijk," zoo besloot hij, »ik zou mij
-beklagen over elk woord, weleer tot u gesproken, wanneer het uw moed
-versterkte tot zulk eene onbezonnen daad. Gij zijt in paleizen geboren;
-leert gehoorzamen, opdat gij later zult kunnen bevelen. Terug naar de
-school! -- Talmt gij nog? Dan treed ik u met mijne wachters tegemoet, en
-drijf u, die mij en uzelven door zulke bewijzen van liefde weinig eer
-aandoet, naar de school terug, waar gij tehuis behoort!"
-
-De leerlingen waagden geen tegenspraak, maar verbluft en ontnuchterd
-keerden zij zich om.
-
-Bent-Anat sloeg de oogen neder, toen zij den blik opving van haren
-schouderophalenden broeder, en zag half schuw, half met hoogachting
-naar den dichter. Doch weldra werd hare aandacht weder naar de vlakte
-getrokken. Want dichte stofwolken verhieven zich; het getrappel van
-hoeven en het geratel van wielen liet zich hooren en op hetzelfde
-oogenblik hielden de wagen van Septah, de overste der Horoscopen, en een
-voertuig met zwaar gewapende veiligheidswachters van het Seti-huis bij
-het terras stil. De ijverige grijsaard sprong haastig op den grond,
-riep de bende ontvloden jongelingen eenige strenge woorden toe, gaf de
-manschappen van de wacht bevel ze naar de school terug te brengen,
-en ijlde haastig als een jonkman naar de tempelpoort. De priesters
-ontvingen hem daar met diepen eerbied, en droegen hem terstond hunne
-klachten voor. Hij hoorde ze met welgevallen aan, liet hen echter niet
-uitspreken, maar steeg snel hoewel met inspanning de trappen op.
-
-Daar kwam Bent-Anat hem tegemoet. De prinses voelde, dat zij zich, als
-de Horoscoop haar herkende, aan berisping en verkeerde vermoedens zou
-bloot stellen. Reeds strekte hare hand zich uit naar den dichten sluier,
-doch zij trok dien dadelijk terug, zag den oude met kalme waardigheid
-in de oogen, weerstond zijn toornigen blik en ging hem trotsch voorbij.
-De Horoscoop boog, zonder haar te zegenen, en beval Pentaoer, dien hij
-op het tweede terras aantrof, alle smeekelingen den tempel te doen
-verlaten. Dit was in weinige minuten afgeloopen en de priesters waren
-getuigen van een pijnlijk tooneel, zooals zich sedert jaren in dit
-stille heiligdom niet had voorgedaan.
-
-De eerste der Horoscopen van het Seti-huis was een der ergste
-tegenstanders van den zoo vroeg in de mysteriën ingewijden dichter,
-wiens vermetele geest niet zelden aan de oude inzettingen tornde,
-terwijl de ijverige grijsaard van der jeugd af aan uit overtuiging had
-gearbeid om ze te bevestigen. De ergerlijke gebeurtenissen, waarvan
-hij in het Seti-huis en weinige oogenblikken geleden hier getuige
-was geweest, hield hij voor de gevolgen van de teugelloosheid van
-een verdoolden fantast, en onder harde woorden stelde hij Pentaoer
-verantwoordelijk voor den opstand der kweekelingen. »Gelijk onze
-knapen," riep hij, »hebt gij ook de dochter van Ramses verleid. De
-onreinheid is nog niet van haar weggenomen, en toch lokt gij haar tot
-eene samenkomst, niet in het vreemdenkwartier, maar in het heilige huis
-dezer reine godin!"
-
-Onverdiende lof kan zwakken in gevaar brengen, eene onrechtvaardige
-berisping ook sterken van den goeden weg afleiden. Pentaoer wees de
-verwijten van den grijsaard vol toorn van zich af, noemde ze een man van
-zulk een leeftijd, stand en naam onwaardig, en opdat zijne verbolgenheid
-hem niet overmeesteren zou, keerde hij Septah den rug toe. Doch de
-Horoscoop beval hem te blijven, en verhoorde in zijne tegenwoordigheid
-de priesters, die eenstemmig den dichter beschuldigden, dat hij, behalve
-Bent-Anat, nog eene andere onreine vrouw in den tempel gebracht en den
-portier, die zich tegen zulk eene heiligschennis verzette, afgezet en
-in de gevangenis geworpen had. De Horoscoop beval den mishandelde te
-bevrijden. Doch Pentaoer verzette zich tegen dezen last, deed zijn recht
-om hier te bevelen gelden, en eischte met bevende stem, dat de Horoscoop
-den tempel zou verlaten. Daarop toonde Septah Ameni's ring, waarmede
-de opperpriester hem, zoolang hij zich in Thebe ophield, tot zijn
-gevolmachtigde had gemaakt, ontzette den dichter van zijne waardigheid,
-beval hem echter tot nader order het heiligdom niet te verlaten, en
-verliet toen den Hatasoe-tempel.
-
-Pentaoer had zich voor den ring zijns meesters zwijgend gebogen en zich
-toen teruggetrokken in de biechtkamer, waarin hij Bent-Anat had ontmoet.
-Hij was in zijne overtuiging geschokt; zijne gedachten kruisten, zijne
-gevoelens bestreden elkander. Hij huiverde, en toen de schaterlach der
-priesters en van den portier, die zich vroolijk maakten over hunne
-gemakkelijke overwinning, tot zijn oor doordrong, kromp hij ineen als
-een onteerde, die zijn brandmerk in den spiegel ziet. Maar langzamerhand
-kwam hij weder tot zichzelf en begon het op te klaren in zijne ziel.
-Toen hij het stille biechtvertrek verliet om naar het oosten te zien,
-waar zich aan genen oever van den Nijl het paleis verhief, waarin
-Bent-Anat haar verblijf hield, toen voelde hij eene diepe verachting
-voor zijne vijanden en doortintelde hem het trotsch gevoel zijner
-mannelijke kracht. Hij kon het zich niet verhelen, dat hij vijanden had,
-dat een tijdperk van strijd voor hem was aangebroken. Doch hij zag dien
-tegemoet als een jonge held den morgen van den dag, waarop hij voor het
-eerst slag zal leveren.
-
-
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-De namiddagschaduwen begonnen reeds langer te worden, toen een prachtige
-wagen de poort van den terrassentempel naderde. De koninklijke gids
-Paäker stond er op, en bestuurde zijne vurige Syrische rossen. Zijn
-oude Ethiopische slaaf stond achter hem, en zijn groote dog volgde
-het harddravende tweespan, met de tong uit den bek. Niet verre van de
-tempelpoort werd hij aangeroepen en hield hij zijne paarden in. Een
-klein mannetje ijlde hem tegemoet, en toen hij daarin den dwerg Nemoe
-herkende, riep hij onwillig: »Moet ik om uwentwil stilhouden, dreumes?
-Wat wilt ge?"
-
-»U smeeken," zeide de kleine, terwijl hij zich deemoedig boog, »mij,
-als gij uwe zaken in de doodenstad hebt afgedaan, mede te nemen naar de
-overzijde van Thebe."
-
-»Gij zijt de dwerg van den wagenmenner Mena?" vroeg de gids.
-
-»In het geheel niet," antwoordde Nemoe. »Ik behoor aan zijne verlatene
-vrouw, aan mijne meesteres Nefert. Ik kan met mijne kleine beenen
-den weg maar langzaam verteren, terwijl de hoeven uwer paarden dien
-verslinden, als een krokodil zijn buit."
-
-»Sta op," beval Paäker. »Zijt gij te voet in de doodenstad gekomen?"
-
-»Neen heer," antwoordde Nemoe, »op een ezel, maar een demon is in dat
-beest gevaren en heeft het met krankheid geslagen. Ik moest het midden
-op den weg laten liggen. De dieren van Anubis[121] zullen het hedenavond
-beter hebben dan wij."
-
- [121] Jakhalzen.
-
-»Gaat het dan bij uwe meesteres niet altijd rijkelijk toe?" vroeg de
-gids.
-
-»Brood hebben wij nog," antwoordde Nemoe, »en de Nijl is vol water. Voor
-vrouwen en dwergen is niet veel vleesch noodig; maar ons laatste vee
-begint er uit te zien, dat het voor menschentanden te hard wordt om te
-vermalen."
-
-De gids begreep de aardigheid van den dwerg niet, en zag hem vragend
-aan.
-
-»Het wordt geld," zeide de dwerg, »en dat laat zich niet kauwen. Weldra
-zal ook dat op zijn, en dan is de vraag hoe wij een recept uitvinden,
-om uit aarde, water en palmbladen voedzame koeken te bakken. 't Kan mij
-niet veel schelen, een dwerg heeft niet veel noodig; maar mijne arme,
-teedere meesteres!"
-
-Paäker zette zijne paarden aan met zulk een geweldigen zweepslag, dat
-zij begonnen te steigeren en hij al zijn kracht noodig had om hun vuur
-te beteugelen.
-
-»Gij zult de kaken der paarden verbrijzelen," waarschuwde de oude slaaf
-achter den gids. »'t Zou jammer zijn van die schoone dieren."
-
-»Moet gij ze betalen?" vroeg Paäker op hoogen toon. Daarop wendde hij
-zich weder tot Nemoe en vroeg verstoord: »Waarom laat Mena de vrouwen
-gebrek lijden?"
-
-»Hij heeft zijne gade niet meer lief," antwoordde de dwerg, terwijl hij
-de oogen droevig nedersloeg. »Bij de laatste buitverdeeling versmaadde
-hij goud en zilver, en haalde in plaats daarvan vreemde vrouwen in zijne
-tent. Booze geesten hebben hem verblind, want waar ter wereld leefde
-eene vrouw schooner dan Nefert?"
-
-»Gij hebt uwe meesteres lief?"
-
-»Als mijne oogen."
-
-Onder dit gesprek waren zij bij den terrassentempel gekomen. Paäker
-wierp zijn slaaf de teugels toe en beval hem met Nemoe te wachten. Hij
-meldde zich aan bij den portier met het verzoek, dat door een handvol
-geld werd ondersteund, hem bij Pentaoer, het opperhoofd van den tempel,
-te brengen. Na met eene vluchtige beweging van de hand het wierookbekken
-voor den gids heen en weder geslingerd te hebben, liet de deurwachter
-hem in het heiligdom, zeggende: »Gij zult hem op het derde terras
-vinden. Maar hij is onze overste niet."
-
-»Zoo noemde men hem toch in het Seti-huis, vanwaar ik kom," antwoordde
-Paäker.
-
-De portier haalde onder een spottend lachje de schouders op, en met de
-woorden: »Een palmboom beklimt men snel, maar men valt nog sneller naar
-beneden," liet hij den bezoeker door een tempeldienaar naar Pentaoer
-brengen. Deze herkende den Mohar terstond, vroeg wat hij verlangde, en
-vernam dat hij gekomen was om een zonderling droomgezicht door hem te
-laten verklaren. Vóor hij begon te vertellen, betuigde Paäker dat hij
-dezen dienst niet om niet verlangde; toen hij echter bespeurde, dat er
-eene donkere wolk kwam op het aangezicht van den priester, voegde hij
-er bij: »ik zal uwe godin een kostelijk offerdier zenden, als hare
-uitlegging mij iets gunstigs voorspelt."
-
-»En in het tegenovergesteld geval?" vroeg de dichter, die in het
-Seti-huis nooit zelfs het minste had te doen gehad met de betaling der
-smeekelingen en de gaven der vromen.
-
-»Dan stuur ik een hamel," antwoordde Paäker, wien de fijne spot in 's
-dichters woorden was ontgaan, en bovendien aan de godheid de gaven, naar
-de waarde die zij voor hem persoonlijk hadden, gewoon was te betalen.
-
-Pentaoer dacht aan het oordeel, dat de oude Gagaboe een paar avonden
-geleden over den Mohar had geveld, en hij gevoelde lust eens te
-onderzoeken, hoever de verblinding van dezen man wel ging. Daarom vroeg
-hij, zijn lachlust bedwingende: »En wanneer ik u nu eens niets wat
-bepaald slecht, maar ook niets dat in alle opzichten goed is,
-voorspellen kan?"
-
-»Eene antiloop en vier ganzen," antwoordde Paäker haastig.
-
-»Doch gesteld dat ik u nu eens niet genegen was van dienst te zijn?"
-vroeg Pentaoer. »Als ik bijvoorbeeld eens dacht, dat het beneden de
-waardigheid van een priester is, de goden, elk naar den graad hunner
-gunst jegens den enkelen mensch, gelijk omkoopbare beambten te laten
-betalen? Als ik u -- en ik ken u van de schoolbanken -- en juist u eens
-aan het verstand mocht brengen, dat er dingen zijn, die zich niet voor
-geërfde rijkdommen laten koopen."
-
-De gids deed verrast en spijtig een paar stappen achterwaarts. Pentaoer
-ging echter met dezelfde bedaardheid voort: »Ik sta hier als een dienaar
-van de godheid, en toch, ik lees het op uw aangezicht, scheelt het niet
-veel, of gij wilt ook tot uw eigen schade op mij de proef nemen, hoever
-gij het brengen kunt door geweld. De hemelsche goden zenden ons geene
-droomen toe, om ons den voorsmaak van vreugde te bezorgen of ons
-voor kwaad te waarschuwen, maar om ons te vermanen, dat wij onze
-zielen moeten bereiden, opdat wij in staat zullen zijn het kwade
-met gelatenheid te dragen, het goede met hartelijke dankbaarheid te
-ontvangen, en met beide winst te doen voor ons innerlijk leven. -- Ik
-wil uw droomen niet uitleggen! Kom weder zonder gaven, maar met een
-deemoedig hart en een innig verlangen naar inwendige loutering, en ik
-zal de goden bidden dat zij mij verlichten, en ook den kwaden droom voor
-u zóo uitleggen, dat hij u ten zegen zal zijn. -- Verlaat mij en dezen
-tempel!"
-
-Paäker knarsetandde van boosheid, doch hij bedwong zich en zeide
-alleen, terwijl hij zich langzaam verwijderde: »Als men u niet reeds
-van uw ambt had ontzet, dan zoudt gij het toch wellicht verbeurd hebben
-door de onbeschaamdheid, waarmede ge mij afwijst. Wij ontmoeten elkander
-weder, en dan zult gij ondervinden, dat geërfd geld, in de hand die het
-weet te gebruiken, meer vermag dan u lief is."
-
-»Nog een vijand te meer!" dacht de dichter, toen hij alleen was, en hij
-richtte zich op in al zijne lengte, met het blijmoedig gevoel, dat hij
-het recht diende.
-
- * * * * *
-
-Gedurende het onderhoud van den gids met Pentaoer, had de dwerg een
-praatje aangeknoopt met den deurwaarder des tempels, en van dezen
-vernomen wat er was voorgevallen. Paäker besteeg bleek van woede den
-wagen, en legde de zweep op zijne rossen, vóor Nemoe de treeplank had
-kunnen opklauteren. Gelukkig dat de Ethiopische slaaf het manneke nog
-tijdig greep en voorzichtig achter zijn meester op de been bracht.
-
-»Die schurk! die ellendeling! Daar zal hij voor boeten. Pentaoer heet
-hij, die hond!" zoo raasde de gids in zichzelf.
-
-Den dwerg ontging geen woord, en zoodra hij den naam van den dichter
-vernomen had, sprak hij Paäker aan, zeggende: »Ze hebben een gemeenen
-vent tot overste van dezen tempel aangesteld. Hij heet Pentaoer. Hij is
-wegens zijn zedeloos gedrag uit het Seti-huis verbannen, en nu moet hij
-de leerlingen in opstand gebracht en onreine vrouwen in het heiligdom
-gelokt hebben. Mijne lippen zouden het niet wagen uit te spreken, maar
-de portier heeft het mij bezworen, dat de eerste Horoscoop uit het
-Seti-huis hem betrapt heeft bij eene samenkomst met Bent-Anat, de
-dochter des konings, en hem onmiddellijk van zijn ambt heeft ontzet."
-
-Paäker herhaalde vragend: »Met Bent-Anat?" en prevelde, nog vóor de
-dwerg tijd kon vinden tot een antwoord: »Ja met Bent-Anat!" Want hij
-dacht aan eergisteren en hoe lang de prinses met den priester in de hut
-van den Paraschiet was gebleven, terwijl hij met Nefert gesproken en de
-tooveres opgezocht had.
-
-»Ik zou niet gaarne in het vel van dien priester steken," zeide Nemoe;
-»want al is Ramses ver af, de stadhouder Ani is toch nabij genoeg. Dit
-is echter een heer, die zelden flink doortast. Maar zelfs de doffer laat
-zich niet grijpen in zijn eigen nest."
-
-Paäker zag hem vragend aan.
-
-»Ik weet het," sprak de dwerg op stelligen toon. »De stadhouder doet
-bij Ramses aanzoek om de hand zijner dochter. -- Ja hij heeft dat reeds
-gedaan," verzekerde Nemoe, toen de gids ongeloovig lachte; »en de
-koning is niet ongenegen zijne toestemming te geven. Hij sluit gaarne
-huwelijken, dat weet gij het best."
-
-»Ik?" vroeg de gids verbaasd.
-
-»Hij heeft immers Katoeti gedwongen hare dochter Nefert aan zijn
-wagenmenner tot vrouw te geven? Dat weet ik van haar zelve. Zij kan het
-u bevestigen."
-
-Paäker schudde ontkennend het hoofd, de dwerg herhaalde echter
-met nadruk: »Ja toch, zoo is het! Katoeti wilde u en u alleen tot
-schoonzoon, en de koning, niet zij, heeft de verloving verbroken. Gij
-waart toen zeker slecht aangeschreven bij het Groote Huis, want Ramses
-moet harde woorden over u gesproken hebben. Lieden van ons slag zijn als
-de muizen achter het gordijn, die ongemerkt veel te weten komen."
-
-Eensklaps hield Paäker zijne rossen staande, sprong van den wagen, wierp
-den slaaf de teugels in de hand, riep den dwerg terzijde en sprak: »Wij
-wandelen van hier tot aan den stroom en gij zegt mij wat gij weet. Doch
-wanneer éen leugenachtig woord over uwe lippen komt, dan laat ik u door
-mijne honden verscheuren."
-
-»Ik weet dat gij woord zult houden," zuchtte de kleine. »Maar loop wat
-minder hard, als het u belieft, opdat ik niet buiten adem gerake. Laat
-u door Katoeti zelve verhalen, hoe alles zoo gelopen is. Ramses heeft
-haar gedwongen Nefert aan den wagenmenner te geven, ik weet niet wat hij
-van u gezegd heeft, maar vleiend is het zeker niet geweest. Mijne arme
-meesteres! Zij liet zich door den laffen vrouwenheld verlokken, en nu
-klaagt en weent zij."
-
-»Als ik met Katoeti de hooge poort van uw huis voorbijga, dan zucht
-zij dikwijls bitter en klaagt met reden want weldra zal het met onze
-heerlijkheid gedaan zijn, en zullen wij onder de Amoe[122] in het
-noordelijke laagland eene bescheidene vrijplaats opzoeken, want de
-edelen hier zullen ons als melaatschen vermijden. Gij moogt blijde zijn,
-dat gij uw lot niet aan het onze hebt verbonden. Doch ik ben trouwhartig
-en volg mijne meesteres in hare ellende."
-
- [122] Semieten, die in den tijd van ons verhaal het oostelijk
- Delta-land bewoonden. Zie Ebers, =Aegypten und die Bücher
- Mose's=, alsmede het hoofdstuk: "Le Semitisme en Egypte" in de
- 2de uitgaaf van Brugsch, =Histoire d'Egypte=. Uit den ouden
- Amoe-naam is later die van Bi-amiten voortgekomen.
-
-»Gij spreekt in raadselen," hernam Paäker. »Wat hebt gij te vreezen?"
-
-De dwerg vertelde nu, dat Nefert's broeder de mummie zijns vaders had
-verspeeld, hoe kolossaal de verloren som was, en dat Katoeti met hare
-dochter tot eerloosheid waren vervallen. »Wie zal hen redden?" jammerde
-hij. »Haar schandelijke echtgenoot verbrast zijn erfgoed en zijn buit.
-Katoeti is arm en het woordje =geef mij= jaagt de vrienden op de vlucht,
-evenals het gekras van een havik de hoenders. Mijne arme meesteres!"
-
-»De som is groot!" prevelde Paäker in zichzelf.
-
-»Verschrikkelijk groot is zij," zuchtte de dwerg, »en waar kan men haar
-vinden in dezen benarden tijd? Hoe anders was het met ons gesteld, toen,
-ja toen....en daarbij -- het is om dol te worden! -- daarbij geloof ik
-niet, dat Nefert iets meer om dien praalhans geeft. Zij denkt althans
-zooveel aan u, als aan hem!"
-
-Paäker zag den dwerg deels ongeloovig, deels dreigend aan.
-
-»Ja aan u," verzekerde Nemoe. »Sedert uw tocht naar de doodenstad,
-eergisteren meen ik, spreekt zij alleen over u, en prijst zij uwe
-degelijkheid en uw streng mannelijk karakter. Het is alsof eene zekere
-tooverkracht haar dringt aan u te denken."
-
-De gids begon zoo hard te stappen, dat de dwerg hem opnieuw moest
-verzoeken, zijne schreden te matigen. Zwijgend kwamen zij aan den Nijl,
-waar Paäkers rijke bark wachtte, die ook zijn tweespan innam. Hij vleide
-zich neder in de kajuit, riep den dwerg ter zijde en sprak: »Ik ben
-Katoeti's naaste bloedverwant. Wij hebben ons verzoend, waarom wendt zij
-zich in haar nood niet tot mij?"
-
-»Omdat zij te fier is en uw bloed ook in hare aderen vloeit. Liever
-wilde zij met haar kind sterven, heeft zij gezegd, dan u, tegen wien zij
-gezondigd heeft, om een aalmoes te smeeken."
-
-»Zoo, heeft zij aan mij gedacht?"
-
-»Voorzeker, en ook geen oogenblik getwijfeld aan uwe edelmoedigheid. Zij
-acht u hoog, en wanneer Mena getroffen mocht worden door een pijl der
-Cheta of de wraak der goden, dan voerde zij haar kind met blijdschap
-in uwe armen. Nefert, geloof mij, heeft haar speelmakker ook nog niet
-vergeten. Eergisterenavond, toen zij uit den doodenstad terugkeerde, eer
-nog de brieven uit het leger ons in handen waren gekomen was zij geheel
-van u vervuld[123]. Ja, zij heeft uw naam in den droom uitgeroepen, dat
-weet ik van Kandake, hare zwarte kamenier."
-
- [123] "Vol (meh) van iemand zijn" werd ook in de Egyptische taal
- gebruikt voor: verliefd zijn op iemand.
-
-De gids keek voor zich en zeide: »Zonderling! in dien zelfden nacht
-had ik ook een droomgezicht, waarin uwe meesteres mij verscheen. Die
-onbeschaamde priester in den Hathor-tempel moest het mij uitleggen...."
-
-»En hij weigerde u dit, die gek? Maar daar zijn nog wel andere lieden,
-die deze kunst verstaan, en ik ben niet de minste onder hen. Vraag het
-uw dienaar maar! Negen en negentig maal van de honderd komen mijne
-uitleggingen uit. Wat was het voor een gezicht?"
-
-»Ik stond aan den Nijl," zeide Paäker, de oogen neerslaande en met zijne
-zweep lijnen trekkende in de wol van het veelkleurig tapijt, dat in de
-kajuit lag. »Het water was stil en ik zag Nefert aan den anderen oever
-mij staan wenken. Ik riep haar, en zij wandelde op het water dat haar
-droeg, als ware het dit tapijt. Zij schreed droogvoets over de golfjes
-heen, als over steenen die in de woestijn liggen. Een vreemd gezicht!
-Zij kwam mij al nader en nader, reeds meende ik hare hand te grijpen;
-daar dook zij onder als eene zwaan. Ik daalde in het water af om haar te
-ontvangen, en toen zij weder naar boven steeg, omvatte ik haar met mijne
-armen. Doch wat daarop gebeurde was nog zonderlinger. Zij vervloeide;
-zij smolt weg als de sneeuw in de Syrische bergen, wanneer men die in
-de hand neemt. Maar toch op eene andere manier, want uit hare haren
-werden waterleliën, uit hare oogen twee blanke visschen, die dartelend
-wegzwommen, uit hare lippen twee koraaltakken, die dadelijk wegzonken,
-en haar lichaam veranderde in een krokodil met den kop van Mena, die mij
-schaterlachend aangrijnsde. Blinde woede greep mij aan. Ik stormde met
-opgetogen zwaard op hem in. Hij sloeg zijne tanden in mijn vleesch; ik
-stiet mijn wapen in zijn muil. De Nijl werd donder gekleurd door onze
-bloedstroomen. En zóo worstelden wij met elkander, en streden voort --
-'t was of het eene eeuwigheid duurde -- tot ik ontwaakte."
-
-Eerst bij de laatste woorden haalde de gids diep adem, en het scheen als
-beangstigde hem die wilde droom opnieuw.
-
-De dwerg had met gespannen opmerkzaamheid geluisterd. Er verliepen
-echter enkele minuten, eer hij begon te zeggen: »Een vreemde droom,
-gewis! Doch de beteekenis kan niet moeilijk te gissen zijn voor wie zich
-op deze kunst verstaat. Nefert komt u tegemoet, zij wil de uwe worden.
-Maar al waant gij ook, dat gij haar in uwe armen houdt, zal zij zich aan
-u onttrekken, uwe hoop zal als ijs versmelten en als zand verwaaien,
-wanneer gij den krokodil niet uit den weg weet te ruimen."
-
-Op dit oogenblik kwam de boot aan de landingsbrug. De gids rees op,
-zeggende: »Wij zijn er."
-
-»Wij zijn er!" herhaalde het manneke met nadruk. »Alleen moeten wij nog
-die smalle brug daar over."
-
-Toen beiden op den oever stonden, zeide de dwerg: »Heb dank voor uwe
-gastvrijheid, en als ik u dienen kan, hebt gij slechts te bevelen."
-
-»Kom hierheen," riep de gids, en hij trok Nemoe met zich mede onder de
-schaduw van eene sykomoor, die zich baadde in het schemerlicht der
-ondergaande zon.
-
-»Wat bedoeldet gij met de brug, die wij nog over moesten! Ik versta die
-verbloemde taal slecht en verlang duidelijke woorden."
-
-De dwerg bezon zich een oogenblik en zeide toen: »Mag ik onverbloemd,
-naakt en open zeggen, wat ik meen, en zult gij niet boos op mij zijn?"
-
-»Spreek!"
-
-»Mena is de krokodil. Maak dat hij uit de wereld komt, en gij hebt de
-brug overschreden; want Nefert zal de uwe zijn -- als ge mijn raad
-volgt."
-
-»Wat moet ik doen?"
-
-»Zorg dat de wagenmenner uit de wereld komt!"
-
-Paäker maakte eene beweging als wilde hij zeggen, dat dit reeds lang bij
-hem besloten was. Hij wendde nu, ter wille van het goede voorteeken,
-zijn aangezicht zóo, dat de opgaande maan aan zijne rechterhand stond.
-
-»Verzeker u van Nefert," ging de dwerg intusschen voort, »opdat zij niet
-voor u vervloeie als uw droombeeld, vóor gij het doel hebt bereikt. Dat
-wil zeggen: red de eer van uwe toekomstige moeder en vrouw, want gij
-zult toch geene gebrandmerkte uw huis willen binnenleiden?"
-
-Paäker bleef nadenkend staan, met de oogen naar den grond geslagen.
-Nemoe vervolgde dus: »Mag ik mijne meesteres gaan melden, dat gij haar
-redden wilt? Ik mag, niet waar?! Nu, dan komt alles te recht, want wie
-voor zijne liefde een vermogen overheeft, die zal ook niet aarzelen voor
-zijne liefde en zijn haat tegelijk een koperen spits en een rietschacht
-te offeren!"
-
-
-
-
-TWEEDE BOEK.
-
-
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-
-De zon was ondergegaan en de doodenstad gehuld in nachtelijk duister. De
-maan scheen helder over het dal der koningsgraven, en de rotsblokken aan
-de wanden der bergkloven wierpen scherp geteekende schaduwen. Akelig
-stil was het in dit verlaten oord, en toch veel levendiger dan op den
-middag, want nu schoten vledermuizen als zwarte zijden draden onhoorbaar
-door de nachtlucht, uilen zweefden in den dampkring met breed ontplooide
-wieken, en jakhalzen slopen in kleine troepen, de een achter den ander,
-langs de bergwanden heen. Van tijd tot tijd stoorde hun akelig geblaf of
-het kermend gelach eener hyena, de diepe stilte van den nacht.
-
-Het scheen dat ook de mensch nog niet tot rust was gekomen in het dal
-der graven. Uit het hol der tooveres Hekt schemerde een mat licht en
-vóor de hut van den Paraschiet brandde een vuur, dat Warda's grootmoeder
-nu en dan met een stukje gedroogde koemest aanhield. Daarbij zaten twee
-mannen; zij tuurden zwijgend in de kwijnende vlammen, wier doffe gloed
-door het schitterend maanlicht werd overtroffen, terwijl een derde,
-Warda's vader, bezig was een grooten hamel, waarvan hij den kop had
-afgesneden, te ontweien.
-
-»Wat janken de jakhalzen!" zeide de oude Paraschiet, terwijl hij den
-gescheurden bruinen katoenen lap, dien hij tegen de koude en den
-nachtdauw had omgeslagen, steviger om zijne naakte schouders trok.
-
-»Ze ruiken het versche vleesch," antwoordde de arts Nebsecht. »Werp ze
-straks de ingewanden toe. De schenkels en den rug kunt gij braden. Snijd
-het hart, ja het hart zeer voorzichtig uit, soldaat. Daar is het. Wat
-een groot dier was het!"
-
-Nebsecht nam het hart van den hamel in zijne hand en beschouwde het met
-groote opmerkzaamheid. De oude Paraschiet zag hem daarbij angstig aan en
-zeide: »Ik heb beloofd voor u alles te zullen doen wat gij verlangt, als
-gij de kleine weder beter maakt. Maar gij vordert wat onmogelijk is."
-
-»Wat onmogelijk is?" vroeg de arts. »Waarom onmogelijk? Gij opent
-lijken, en bij de balsemers loopt gij uit en in. Gij hebt juist met
-de kanopen[124] te maken. Welnu, gij legt dit hart in de vaas en neemt
-in de plaats ervan het menschenhart er uit. Niemand, niemand zal
-het merken. Het behoeft ook niet dadelijk, morgen of overmorgen, te
-gebeuren. Wacht slechts eene geschikte gelegenheid af. Uw zoon mag elken
-dag voor mijn geld een hamel koopen en slachten, tot het u gelukken zal.
-Uw kleindochtertje zal spoedig in kracht toenemen door het gebruik van
-vleeschspijs. Houdt maar moed!"
-
- [124] Vazen van gebakken klei, kalksteen of albast, die
- gebruikt werden voor het bewaren der ingewanden van gebalsemde
- Egyptenaars. Zij moesten de vier geniën van den dood
- voorstellen: Amset, Hapi, Toeamoetef en Khebsennoef. In plaats
- van met een deksel, werd elke kanope gesloten met den kop van
- den genius, waaraan zij gewijd was. Amset (onder bescherming
- van Isis) had het hoofd van een mensch, Hapi (beschermd door
- Nephtys) den kop van een aap, Toeamoetef (beschermd door Neith)
- van een jakhals, Khebsennoef (beschermd door Selk) van een
- sperwer. In een Christelijk-Koptisch handschrift worden, in
- plaats van deze vier kanopen-goden, de vier aartsengelen
- aangeroepen.
-
-»Voor het gevaar ben ik niet bang," zeide de oude, »maar mag ik een
-gestorvene het leven ontstelen aan gene zijde des grafs? En dan!.... In
-ellende en schande heb ik mijne dagen doorgebracht, en gedurende zoovele
-jaren -- niemand heeft ze voor mij geteld -- de geboden opgevolgd, opdat
-ik in de andere wereld rechtvaardig bevonden zal worden, en in de velden
-van Aäloe[125] en in de zonneschuit vergoeding mag vinden voor alles wat
-ik hier ontberen moest. Gij zijt goed en vriendelijk. Hoe kunt gij aan
-een luim de zaligheid van een man opofferen, die zoolang hij leefde geen
-geluk gekend en u nimmer leed gedaan heeft."
-
- [125] Zie Dl. I, bl. 64.
-
-»Wat ik met dat hart voorheb," hernam de arts, »kunt gij niet
-begrijpen, doch wanneer gij het mij bezorgt, dan bevordert gij eene
-groote en nuttige zaak. Gij weet wel dat het geen luim van mij is, want
-ik ben geen leeglooper. En wat uwe zaligheid betreft, wees daarover
-allerminst bezorgd. Ik ben een priester en neem uwe daad met al hare
-gevolgen voor mijne rekening, verstaat gij: voor mijne rekening. Als
-priester geef ik u de verzekering, dat het goed is wat ik van u vorder.
-En als de doodenrechters u later vragen mochten: 'Waarom naamt gij
-het hart van een mensch uit de kanope?' geef.... geef hun dan ten
-antwoord: 'Wijl Nebsecht, de priester, het mij beval, en beloofde de
-verantwoordelijkheid van deze daad geheel op zich te nemen.'"
-
-De oude keek peinzend naar den grond, de arts ging echter met te meer
-aandrang voort: »En wanneer gij mijn wensch vervult, dan-dan, dat
-zweer ik u, dan zal ik zorg dragen, dat men bij uw dood uwe mummie
-met alle amuletten bekleedt, en ikzelf zal voor u een 'Boek van den
-uitgang in den dag'[126], schrijven en dat laten wikkelen in uwe
-mummiewindsels[127], alsof gij een der aanzienlijksten waart. Dat zal u
-kracht geven tegen alle boozen geesten, en u zal toegang worden verleend
-in den hof der beide gerechtigheden, de beloonende en de straffende, en
-men zal u zalig spreken."
-
- [126] Dit is de titel van het eerste hoofdstuk van het
- zoogenaamde Doodenboek. Het begint: Ha em re' em per em hroe,
- welke woorden de Grieken later aanleiding gaven te spreken van
- een boek der Egyptenaars, "De heilige Ambres" geheeten, dat bij
- Horappollo (Hiërogl. I, 38) voorkomt.
-
- Het Doodenboek, door Champollion minder juist "Rituel
- funéraire" genoemd, bevat eene reeks van opstellen of
- hoofdstukken, die onder elkander niet onmiddellijk samenhangen,
- of een aaneengesloten doorloopend geheel vormen. Het is eene
- verzameling van heilige teksten, alle op een hoofdonderwerp: de
- verrijzenis, het doodengericht en het leven aan gene zijde van
- het graf, betrekkelijk, en uit verschillende tijden afkomstig.
- Het behoorde tot de heilige schriften, die aan Toth of Hermes
- worden toegekend, en kan zoo al niet tot de door Clemens van
- Alexandrië vermelde 42 Hermetische boeken, dan toch tot de
- andere geschriften van dezelfde afkomst (Jamblichus gewaagt
- zelfs van 20000) gebracht worden. Het Doodenboek bevat alles
- wat men weten moet, om op aarde zich reeds voor zijn dood voor
- te bereiden. Het levert de beschrijving en den inhoud der
- formulieren, die bij het vervaardigen der amuletten en andere
- voorbehoedmiddelen aan den overledene werden medegegeven; de
- gebeden en toespraken, die hij tot de goden van het doodenrijk
- richt, en waardoor hij de beletselen overwint, hem door
- vijandige geesten en booze machten in den weg gesteld. Zelfs
- treedt hij telkens als handelende op. De inhoud heeft alleen
- betrekking op hem en zijn tocht door het doodenrijk, waarbij
- gezegd wordt, waarheen hij gaat, wat hij doet, hoort en ziet
- en wie hij is. Eigenlijk is de overledene reeds voor de
- begrafenis, of de plaatsing van zijn gebalsemd lijk in de
- grafkamer, door zijn leven gerechtvaardigd, als de door Toth
- tegen zijne vijanden gerechtvaardigde Osiris, in de gemeenschap
- der zalige geesten en vereenzelvigd met Ra. Een volledige tekst
- in hiëroglyphisch schrift is, naar het oorspronkelijke in het
- Egyptisch museum te Turyn, in 1842 door Lepsius, een ander
- insgelijks volledige tekst, doch in hiëratisch schrift, in het
- vorige jaar naar een papyrus van het museum te Leiden door
- Dr. Leemans in het licht gegeven. Laatstgemelde hield in eene
- vergadering van de Afdeeling Letterkunde der Kon. Academie van
- wetenschappen onlangs eene voordracht over het doodenboek,
- waarvan een overzicht in de =Verslagen en Mededeelingen=
- der Afdeeling werd opgenomen, en waaraan wij bovenstaande
- opmerkingen ontleenden. Vert.
-
- [127] De teksten van het Doodenboek werden onder de windsels
- (bij de dij of onder den arm), dikwijls ook in de lijkkist onder
- of naast de mummie gevonden.
-
-»Maar de roof van een menschenhart zal den last mijner zonden verzwaren,
-wanneer mijn eigen hart wordt gewogen," zuchtte de oude man.
-
-Nebsecht dacht een oogenblik na, waarop hij vervolgde: »Ik wil u een
-schriftelijk bewijs geven, waarin ik verklaren zal, dat de roof van dat
-hart u door mij werd bevolen. Dat moet gij in een zakje laten naaien,
-altijd op uw borst dragen en met u doen begraven. Wanneer dan
-Techoeti[128], de pleitbezorger der ziel, uwe rechtvaardiging voor
-Osiris en de doodenrechters[129] op zich neemt, overhandig hem dan dit
-geschrift. Hij zal het voorlezen en gij zult rechtvaardig bevonden
-worden."
-
- [128] Toth. Zie Dl. I, bl. 27.
-
- [129] De afbeeldingen bij het 125ste hoofdstuk van het
- Doodenboek stellen het doodengericht der Egyptenaars voor. De
- opperrechter Osiris zit op een troon onder een baldakijn, met
- de twee en veertig rechters bij hem. In de zaal staat de
- weegschaal; de hondskopaap, het heilige dier van Toth,
- bestuurt den evenaar. Op de eene schaal staat het hart van den
- afgestorvene, op de andere het beeld van de godin der waarheid,
- die de ziel in de rechtszaal binnenleidt. -- Toth schrijft het
- protokol. De ziel verklaart zich niet schuldig te hebben gemaakt
- aan de twee en veertig doodzonden, en wordt, wanneer zij geloof
- heeft gevonden, "maä cheroe," d. i. "waarheid sprekende" genoemd
- en alzoo zalig gesproken. Zij krijgt nu haar hart terug en gaat
- over tot een nieuw goddelijk leven.
-
-»Ik ben niet ervaren in het lezen en beoordeelen van geschriften,"
-zeide de oude half verstaanbaar, en in den toon zijner stem lag eenig
-mistrouwen.
-
-»Doch bij de negen groote goden zweer ik u, dat ik niets op den papyrus
-zal schrijven, dan wat ik u beloofde. Ik zal verklaren dat ik, de
-priester Nebsecht, u geboden heb het hart te nemen, dat uwe schuld de
-mijne is."
-
-»Nu, breng mij het schrift dan," prevelde de oude.
-
-De arts veegde het zweet van zijn voorhoofd, reikte den Paraschiet de
-hand en zeide: »Morgen zult gij het hebben, en ik verzeker u, dat ik uwe
-kleindochter niet verlaten zal, tot zij gezond is."
-
-De soldaat had, terwijl hij den hamel ontleedde, van dit gesprek niets
-gehoord. Hij had nu den achterbout aan de punt van een houten spit
-gestoken, en hield dien boven het vuur om te braden. De jakhalzen
-begonnen harder te huilen, toen de reuk van het smeltende vet zich door
-de lucht verbreidde. De oude man vergat den vreeselijken last, dien hij
-op zich nam, zoodra hij het vleesch zag braden; sedert jaren toch had
-hij in zijn huis geen vleesch geproefd. Nebsecht zat het aan te zien hoe
-zij smulden, terwijl hijzelf een stukje brood at. Zij reten het vleesch
-van de beenderen; de soldaat vooral verslond het ongewoon en kostelijk
-maal met dierlijke vraatzucht. Men hoorde hem kauwen als een paard aan
-de kribbe.
-
-Geen wonder dat dit tooneel den priester met weerzin vervulde.
-»Zinnelijke menschen," sprak hij in zichzelf; »dieren met bewustzijn! En
-toch menschen! Zonderling! Zij smachten in de banden der zinnelijkheid,
-waarvan zij zich nog niet los konden maken; en toch, hoeveel vuriger
-verlangen zij naar het bovenzinnelijke dan wij, hoeveel gemakkelijker
-maken zij er zich gemeenzaam mede!"
-
-»Wilt gij vleesch?" vroeg de soldaat, die had opgemerkt dat de lippen
-van den arts zich bewogen. Tegelijk scheurde hij een stuk gebraad van
-den bout, waaraan hij zat te kluiven, en hield het den heelmeester voor.
-
-Deze ging onwillekeurig achteruit; de vraatzuchtige blik, de
-glinsterende tanden en de ruwe donkere trekken van den man deden hem
-schrikken. Daarbij dacht hij aan de teedere blanke zieke daarbinnen op
-de mat, en als vanzelf kwam de vraag op zijne lippen: »Is dat meisje, is
-Warda uw eigen kind?"
-
-De soldaat sloeg zich op de borst en zeide: »Zoo waarachtig als koning
-Ramses een zoon van Seti is."
-
-Toen de mannen met hun maal gereed en de platte broodkoeken, die de
-Paraschieten-vrouw hun had gegeven en waarmede zij tevens hunne handen
-van het vet gereinigd hadden, opgegeten waren, zeide de soldaat, wiens
-langzaam werkende hersenen zich nog altijd met de vraag bezighielden,
-diep zuchtende: »Haar moeder was een vreemde. Zij heeft het witte duifje
-in het ravennest gelegd."
-
-»Uit welk land was uwe vrouw afkomstig?" vroeg de arts.
-
-»Dat weet ik niet," gaf de soldaat ten antwoord.
-
-»Hebt gij haar dan niet gevraagd, van waar zij kwam? Zij was toch uwe
-vrouw."
-
-»Wel zeker. Maar hoe kon zij mij een antwoord geven? -- Dat is eene
-lange, vreemde geschiedenis."
-
-»Kom, vertel mij de geschiedenis," vroeg Nebsecht. »De nacht is lang,
-en hooren is mij liever dan spreken. Maar ik wil eerst eens naar onze
-kranke gaan zien."
-
-Nadat de arts zich overtuigd had, dat Warda rustig sliep en regelmatig
-ademhaalde, zette hij zich weder bij vader en zoon neder. De laatste
-begon nu het volgende te vertellen: »Het is al heel lang geleden. Koning
-Seti leefde nog, maar Ramses regeerde reeds in zijn plaats. In dien tijd
-kwam ik terug uit het Noorderland. Zij hadden mij naar de werklieden
-gestuurd, die de vestingwerken van Zoan, de Ramses-stad[130], moesten
-bouwen. Ik was over zes man gesteld, uitsluitend Amoe[131], van den
-stam der Hebreën[132], die Ramses streng onder den duim hield. Onder de
-arbeiders waren de zonen van lieden, die rijke kudden bezaten. Bij de
-lichting van werkvolk werd echter niet gevraagd: wat bezit gij? maar
-alleen: tot welken stam behoort gij? De vestingwerken en het kanaal, dat
-den Nijl met de Schelfzee verbinden zou, moesten voltooid worden, en
-de koning, wien leven, heil en kracht gedijen mogen! nam de Egyptische
-jongelingen mede in den krijg, en liet de Amoe, stamverwanten van zijne
-vijanden in het oosten, handen aan den arbeid slaan. Het ging daar
-rijkelijk toe in Gosen[133], want het land is schoon en men vindt er
-overvloed van gras, groenten, visch en gevogelte. Het ontbrak mij dus
-niet aan het beste wat ik verlangen kon, want onder mijne zes lieden
-waren twee troetelkinderen, wier ouders mij menig stuk zilver gaven.
-Ieder heeft zijne kinderen lief, maar de Hebreën beminnen ze toch
-teederder dan andere menschen. Wij moesten dagelijks het bepaalde getal
-tegels leveren[134]; ik hielp dan de jongens, als de zon zoo stak, en
-bracht in éen uur alleen meer stuks samen, dan zij in drie. Want ik ben
-sterk, en was het toen nog meer dan nu.
-
- [130] De stad Ramses, die in den bijbel voorkomt. Exodus I, 11.
-
- [131] Semieten.
-
- [132] Zie over hetgeen men van het verblijf der Joden in Egypte
- op de monumenten en in de papyrussen heeft gevonden: Chabas,
- =Mélanges égyptologiques II=, en Ebers, =Aegypten und die Bücher
- Mose's=.
-
- [133] Zie over Gosen, waarvan ook op de monumenten gewag wordt
- gemaakt: Ebers, =Durch Gosen zum Sinai, aus dem Wanderbuche
- und der Bibliothek=. In een brief van een schrijver aan zijn
- opziener wordt de heerlijkheid van dit landschap zeer geprezen.
-
- [134] Exodus I, 13, 14; V, 7, 8.
-
-»Toen het tijdstip kwam, waarop ik door een ander werd afgelost,
-moest ik naar Thebe terug, ten einde opzicht te houden over de
-krijgsgevangenen, die als werklieden werden gebruikt om den grooten
-Amon-tempel aan de overzijde te bouwen. Daar ik een aardigen duit geld
-mede naar huis had gebracht, en de voltooiing van de groote woning van
-den koning der goden nog den tijd had, begon ik er aan te denken eene
-vrouw te nemen. Maar geene Egyptische. Paraschieten-meisjes waren er
-genoeg, maar ik wilde geen meisje uit die gevloekte caste mijns vaders,
-en de andere hier, dat wist ik al te goed, waren te bevreesd voor onze
-onreinheid. Ginds in het benedenland was ik beter gevaren; menige Amoe-
-en Schasoevrouw[135] kwam gaarne in mijne tent. Ik had van den beginne
-reeds mijn zin op een Aziatisch meisje gezet. Telkens kwamen er
-krijgsgevangen meisjes te koop, maar zij bevielen mij niet, of waren mij
-te duur. Inmiddels versmolt mijn geld, want in de vrije uren, die op den
-bouwtijd volgden, leefden wij er vroolijk van. Aan danseressen was in
-het vreemden-kwartier zeker geen gebrek.
-
- [135] Zie Dl. I, blz. 12.
-
-»Op zekeren dag kwam er een nieuw transport krijgsgevangenen. Het was
-juist in den tijd van het heilige feest van den trap[136]. Er waren vele
-vrouwen onder, die bij de groote haven aan den meestbiedende verkocht
-werden. Voor haar die er werkelijk schoon en nog jong uitzagen werden
-hooge prijzen besteed, maar ook de meer bejaarden waren mij te duur.
-Geheel op het laatst werd er eene blinde vrouw voorgebracht en nog eene
-broodmagere, die bovendien stom was, zooals de afslager den kooplustigen
-mededeelde, ofschoon hij anders de goede hoedanigheden der gevangenen
-hoog ophemelde. De blinde had flinke handen aan 't lijf; zij werd
-gekocht door een kroeghouder, bij wien zij thans nog den handmolen
-draait. De stomme, van welke niemand eigenlijk zeggen kon of zij jong of
-oud was, hield een kind in de armen. Zij zag er uit, alsof zij reeds in
-de doodkist lag, en het kind, alsof het haar in 't graf nog voor wilde
-gaan. Bovendien had zij rood, vuurrood haar, juist als de kleur van
-Typhon. Maar haar sneeuwwit gezicht zag er niet kwaad uit, ook wel niet
-goed, maar moede, dood moede. Rondom hare magere blanke armen liepen
-blauwe aderen als donkere koorden, de handen hingen mat naar beneden, en
-hielden de kleine. Als er een windvlaag opsteekt, dacht ik, waait zij
-nog weg met kind en al.
-
- [136] Een groot feest, dat gevierd werd, ter eere van Amon-Chem.
-
-»De afslager verlangde een bod, doch alles zweeg. Natuurlijk, want die
-stomme schim was voor den arbeid niet bruikbaar. Ze was reeds half dood
-en eene begrafenis is duur. Zoo verliepen er eenige oogenblikken. De
-afslager liep eindelijk op haar toe en gaf haar een slag met den zweep,
-om haar wat opgewekter, wat minder ellendig aan de koopers te doen
-voorkomen. Zij kromp ineen als iemand die de koorts heeft, drukte het
-kind vaster tegen zich aan en keek rond alsof zij hulp zocht. Zij zag
-mij juist in het aangezicht. Wat mij toen overkwam was als een wonder.
-Haar oog was grooter dan ik er ooit een heb gezien. Daar huisde een
-demon in, die macht over mij had en tot het laatst toe mijn handel en
-wandel heeft bestuurd. Het was op dien dag dat die demon mij het eerst
-betooverde. Want ziet: het was volstrekt niet heet, ik had niets
-gedronken, en toch handelde ik tegen mijn wil, tegen beter inzichten
-in, toen ik, zoodra haar blik mij getroffen had, alles wat ik bezat
-bood om haar te koopen. Ik had haar veel goedkooper kunnen krijgen!
-Mijne metgezellen lachten mij hartelijk uit, en de afslager streek
-schouderophalend het geld op. Maar ik hielp de vrouw overeind, nam het
-kind op mijn arm, bracht haar in eene boot over den Nijl, laadde mijn
-jammerlijk eigendom op een steenwagen en trok zelf het schepsel als een
-blok kalksteen hierheen naar den oude.
-
-»Moeder schudde bedenkelijk het hoofd, en vader keek mij aan of ik
-krankzinnig was; zij zeiden echter geen van beiden een woord. Men
-spreidde haar een leger, en ik bouwde in mijne vrije nachten het
-vervallen ding hiernaast, dat eens eene fatsoenlijke hut is geweest.
-Moeder kreeg het kindje spoedig lief. Het was nog heel klein en wij
-noemden het Pennoe[137], omdat het zoo snoesig was als een muisje. Ik
-vermeed sedert het vreemden-kwartier, bespaarde wat ik verdiende en
-kocht eene geit, die voor onze deur stond, toen ik de vrouw overdroeg
-naar hare eigene hut. Zij was wel stom, maar niet doof. Zij verstond
-onze taal niet, doch de demon in hare oogen sprak voor haar en vatte wat
-ik zeide. Alles begreep zij en kon zij ook met hare blikken zeggen. Het
-allerbeste wel kon zij danken. Geen opperpriester, die de goden op het
-groote Nijlfeest voor hunne weldaden in lange liederen prijst, kon zoo
-innig met zijne welsprekende lippen danken, als zij het kon met hare
-stomme oogen. Als zij bidden wilde, dan was het of de demon in haar blik
-nog machtiger was dan anders. In den beginne werd ik wel eens ongeduldig
-als zij daar zoo mat en sprakeloos tegen den wand leunde, of als de
-kleine schreeuwde en mij geen nachtrust liet. Zij had echter alleen de
-oogen te openen, en dan onderdrukte de demon elke klacht in mijn gemoed
-en bracht mij aan het verstand, dat het krijten niet anders was dan
-lieflijk gezang. Pennoe schreide werkelijk lieflijker dan alle andere
-kinderen, en hij had zulke kleine poezelige blanke vingertjes.
-
- [137] Pennoe beteekent in het Oud-Egyptisch: muis.
-
-»Eens had hij een tijd lang geschreeuwd. Toen boog ik mij over het
-jongske neder en wilde hem toespreken; maar hij greep mij in den baard.
-Dat was wat! Sedert moest hij mij telkens plukharen en zijne moeder
-merkte dat het mij pleizier deed. Want als ik wat moois of lekkers had
-medegebracht, een ei, of eene bloem, of een koekje, dan hield zij hem
-in de hoogte, en stak zijne handjes in mijn baard. Ja binnen weinige
-maanden had de vrouw geleerd het kind te waardeeren, want zij werd
-rustiger en besteedde meer zorg aan zijne verpleging. Zij is altijd
-blank en teer gebleven, maar het scheen of zij van dag tot dag jonger en
-schooner werd. Zij kon ternauwernood twintig jaren geweest zijn, toen ik
-haar kocht. Hoe zij heette heb ik nooit te weten kunnen komen. Wij gaven
-haar ook geen naam: zij was 'de vrouw' en zoo spraken wij haar aan. Toen
-zij acht maanden bij ons geweest was, stierf het muisje. Ik heb geweend
-als zij, en terwijl ik zoo, over het kleine lijkje gebogen, aan mijne
-tranen den vrijen loop liet en dacht: nu kan hij zijn vingertjes niet
-meer naar je uitsteken, toen voelde ik voor het eerst de zachte hand van
-de vrouw over mijne wangen. Zij streelde als een kind mijn ruwen baard,
-en daarbij zag ze mij zoo dankbaar aan, dat ik te moede was alsof de
-pharao mij Opper- en Neder-Egypte op eens ten geschenke had gegeven.
-
-»Zoodra het muisje begraven was, werd zij weder zwakker, maar moeder
-zorgde voor hare verpleging, zoodat zij gezond bleef. Ik leefde met haar
-als een vader met zijn kind. Zij was zoo vriendelijk! Doch zoodra ik
-haar naderen wilde en haar mijne liefde toonen, dan keek ze mij aan, en
-de demon in hare oogen dreef mij terug en ik liet haar alleen. Zij werd
-gezonder, sterker en steeds schooner, zoo schoon zelfs, dat ik haar voor
-anderen verborgen hield, en het verlangen mij verteerde haar tot mijne
-vrouw te maken. Eene rechte huisvrouw kon zij wel nooit worden; hare
-handjes waren zoo teer, en zij wist niet eens hoe zij geiten moest
-melken. Dat en al het overige deed moeder voor haar. Overdag bleef
-zij in de hut en werkte, want zij was zeer bedreven in vrouwelijke
-handwerken, en kon kanten vlechten zoo fijn als spinrag, die moeder
-verkocht om voor de opbrengst reukwerken aan te schaffen. Daar hield zij
-veel van, en ook van bloemen; dat heeft Warda daarbinnen van haar. 's
-Avonds, als de menschen van de overzijde de doodenstad hadden verlaten,
-wandelde zij hier in het dal op en neer in gepeins, nu en dan eens
-opziende naar de maan, die zij zeer liefhad.
-
-»Eens, het was in den wintertijd, kwam ik naar huis. Het was reeds
-donker en ik dacht haar als naar gewoonte voor de deur te vinden. Daar
-hoor ik, zoowat honderd schreden achter het hol van de oude Hekt, een
-troep jakhalzen zoo geweldig blaffen, dat ik dadelijk bij mijzelf zeide:
-ze hebben een mensch aangevallen. Ik begreep ook wie, al had niemand het
-mij gezegd. De vrouw kon immers niet schreeuwen of om hulp roepen?
-Razend van angst rukte ik de paal, waaraan de geit vaststond, uit den
-grond en een brandend stuk hout van den haard, vloog de ongelukkige te
-hulp, verjoeg de beesten en droeg de arme vrouw geheel bewusteloos in de
-hut. Moeder hielp mij en wij brachten haar gelukkig weder bij. Toen wij
-alleen waren, schreide ik als een kind van vreugde, dat ik haar gered
-had. Zij liet zich door mij kussen, en -- toen is zij mijne vrouw
-geworden, drie jaren nadat ik haar gekocht had.
-
-»Zij heeft mij een meisje geschonken, dat zij zelve Warda noemde. Want
-zij toonde mij eene roos en wees op het kind, en wij begrepen haar, ook
-al sprak zij niet. -- Niet lang daarna is zij gestorven.
-
-»Gij zijt een priester, maar ik verzeker u, wanneer ik ooit voor Osiris
-word geroepen en mij toegang wordt verleend tot de gezaligden, dan wil
-ik vragen of ik die vrouw daar ook weder vinden zal. Als de portier mij
-dan een ontkennend antwoord geeft, mag hij mij gerust naar de verdoemden
-verwijzen, wanneer ik haar daar terugvind."
-
-»En heeft zij door geen enkel teeken verraden, welke hare afkomst was?"
-vroeg de arts.
-
-De soldaat bedekte zijn aangezicht met beide handen, weende luide en
-hoorde hem niet. Doch de Paraschiet zeide: »Zij was de dochter van een
-hooggeplaatst man, want wij vonden in haar kleed een gouden kleinood
-met een edelsteen, waarop vreemde teekens zijn gegraveerd. Het is zeer
-kostbaar, en mijne vrouw bewaart het zorgvuldig voor de kleine."
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-
-De arts Nebsecht verliet den volgenden morgen de hut van den Paraschiet
-toen het begon te schemeren. Hij was tevreden over den toestand van
-zijne kranke, en richtte, in ernstige gedachten verzonken, zijne
-schreden naar den terrassentempel van Hatasoe, om zijn vriend Pentaoer
-op te zoeken en bij hem het geschrift op te stellen, dat hij den ouden
-man had toegezegd. Hij kwam bij het heiligdom, op het oogenblik dat
-de zonnegod zich in zijn stralenkrans boven den horizont verhief. Hij
-verwachtte natuurlijk het morgengezang van de priesters te hooren, maar
-alles bleef stil. Hij klopte aan, en de portier opende slaperig de
-poort.
-
-Nebsecht vroeg naar den tempelopziener.
-
-»Die is dezen nacht gestorven," geeuwde de man.
-
-»Wat zegt ge?" riep de arts, hevig ontroerd. »Wie is gestorven?"
-
-»Onze oude opziener Roeï, die brave man."
-
-Nebsecht haalde vrijer adem en vroeg naar Pentaoer.
-
-»Gij zijt uit het Seti-huis," sprak de portier, »en weet gij dan niet,
-dat men hem van zijn ambt heeft ontzet? De heilige vaders hebben
-geweigerd met hem de wedergeboorte van Ra te begroeten. Misschien zingt
-hij voor zich alleen boven op de wachtplaats. Daar zult gij hem vinden."
-
-De arts klom haastig de trappen op. Verschillende priesters gingen
-zingende bij elkaar staan, zoodra zij hem in 't oog kregen, doch hij gaf
-geen acht op hen. Hij vond zijn vriend op het bovenste terras bezig met
-schrijven.
-
-Weldra wist hij wat er gebeurd was, en toornig riep hij: »Gij zijt die
-slimme heeren in het Seti-huis te oprecht en te waarheidlievend, en dit
-vee hier te ijverig en te rein. Ik begreep wel dat het hierop uitloopen
-zou, toen zij u in de mysteriën inleidden. Wij ingewijden hebben slechts
-te kiezen tusschen liegen of zwijgen."
-
-»Al weder de oude dwaling!" zeide Pentaoer. »Wij weten dat de godheid
-éen is; wij noemen hem het Al[138], het omhulsel van het Al[139] of
-kortweg Ra. Maar onder Ra verstaan wij wat anders dan de zinnelijke
-menschen, want voor ons is het heelal de godheid, en in elk zijner
-deelen erkennen wij een openbaringsvorm van het hoogste wezen, buiten
-hetwelk er niets is in de hoogte en in de diepte."
-
- [138] De heilige teksten noemen God dikwijls den Eenen en
- den Eenigen. De pantheïstische leer der mysteriën wordt het
- duidelijkst uitgesproken in de teksten, die men in bijna alle
- koningsgraven te Thebe op de wanden van de ingangszalen vindt.
- Men heeft ze verzameld en bevonden, dat zij lofverheffingen
- van Ra bevatten, wiens vijf en zeventig voornaamste
- openbaringsvormen worden aangeroepen. Deze teksten, en het
- pantheïsme in de esoterische leer van de Egyptenaars heeft
- E. Naville in zijn werk "=La litanie du soleil=" grondig en
- voortreffelijk behandeld. De voornaamste bronnen voor de kennis
- van de geheime leer der Egyptische priesters zijn: de tekst van
- het Doodenboek; de hymne aan de zon, die te Boelaq wordt bewaard
- en door Stern en door Grebaut is verklaard en uitgegeven; de
- opschriften op de sarkophagen en aan de wanden van de tempels
- uit den tijd der Ptolemaeën; en in de tweede plaats: Plutarchus'
- verhandeling over Isis en Osiris: Jamblichus' Egyptische
- mysteriën en de toespraak van Hermes Trismegistos aan de
- menschelijke ziel. De meer geavanceerde beschouwingen, die in
- dit gesprek voorkomen, schijnen eerst in het nieuwe rijk tot
- ontwikkeling te zijn gekomen. De Egyptische godsdienst is
- oorspronkelijk uitgegaan van een, in verhouding tot andere
- godsdiensten nog weinig ontwikkelden, Zonne- en Nijldienst.
-
- [139] Teb temt. Bij gelijke opvatting schrijft Eusebius aan het
- heelal den vorm van een Grieksche Theta (+Th+) toe.
-
-»Dat alles moogt gij mij alleen zeggen, een mede-ingewijde," viel
-Nebsecht hem in de rede.
-
-»Maar ik ontwikkel het ook niet geheel voor de leeken," haastte Pentaoer
-zich te zeggen: »alleen toon ik hen, die alles nog niet begrijpen
-kunnen, enkele deelen. Ben ik een leugenaar, wanneer ik bijvoorbeeld
-niet zeg: 'ik spreek,' maar: 'mijn mond spreekt,' wanneer ik beweer dat
-uw oog ziet, hoewel gijzelf het zijt die ziet? Wanneer het licht van den
-Eenen zich vertoont, dan dank ik hem in liederen uit den diepsten grond
-mijns harten, en ik noem den vorm waarin hij zijn licht het glansrijkst
-aan mij vertoont, Ra. Wanneer ik mijn oog laat weiden over de groenende
-velden daarginds, dan roep ik de geloovigen op om Rennoet[140] te
-danken, dat wil zeggen: om hulde te brengen aan de werkzaamheid van dien
-Eenen, door welke het koorn in de aren rijpt. Word ik met bewondering
-vervuld, zoo vaak ik denk aan de ontelbare zegeningen, die gindsche
-goddelijke stroom, waarvan de oorsprong ons onbekend is, over ons land
-uitstort, dan prijs ik den Eenen in de gedaanten van den god Hapi[141],
-den geheimzinnige. Hetzij wij de zon aanschouwen, of den milden oogst,
-of den Nijl, hetzij in de zichtbare of in de onzichtbare wereld de
-eenheid en harmonie met bewondering opmerken, wij hebben toch altijd
-met dien Eenen te doen, die alles omvat, tot wien ook wij behooren, als
-zijnde de vormen zijner openbaring, waarin hij zijn zelfbewustzijn heeft
-gelegd. De kring der voorstellingen, waarin de groote menigte zich
-beweegt is klein...."
-
- [140] Godin van den zegen des oogstes.
-
- [141] De Nijl.
-
-»En zoo geven wij als leeuwen het volk de beten, die wij in eens
-verslinden[142], in fijn gesneden brokjes, met saus overgoten gelijk een
-kranke met eene zwakke maag."
-
- [142] "De priesters," zegt de kerkvader Clemens van Alexandrië,
- "zorgen dat niemand in hunne mysteriën wordt ingewijd, behalve
- de koningen, en de zoodanigen onder hen, die door deugd en
- wijsheid uitmunten." De gedenkteekenen leeren ons hetzelfde op
- vele plaatsen.
-
-»Neen, niet alzoo. Wij achten ons verplicht den sterk werkenden drank,
-die zelfs mannen kan neerwerpen, te verzachten en te verzoeten, eer wij
-dien aan kinderen, de geestelijke onmondigen toedienen. De wijzen uit
-den voortijd hebben de verhevenste waarheden in allegorische beelden en
-symbolen, en eindelijk in schoone en veelkleurige mythen omsluierd, maar
-haar op deze wijze verstaanbaar tot de menigte gebracht"[143].
-
- [143] Zie boven, bl. 91.
-
-»Verstaanbaar?" vroeg de arts. »Verstaanbaar? Waartoe dan de sluier?"
-
-»Meent gij dat het volk de naakte waarheid in het aangezicht zou kunnen
-zien[144], zonder te vertwijfelen?"
-
- [144] Te Saïs had het standbeeld van Neith het volgend
- opschrift: "Ik ben het Al, het verledene, het tegenwoordige
- en het toekomstige. Geen sterveling heeft nog mijn sluier
- opgelicht." Plutarchus, =Isis= en =Osiris=, c. 9. Het opschrift
- wordt met dezelfde woorden medegedeeld door Proclus in Plato's
- Timaeus.
-
-»Kan ik het dan? Kan een ander het, al ziet hij recht voor zich uit, en
-al is het hem om niets en volstrekt niets anders dan waarheid te doen?"
-riep de arts. »Wij beiden weten toch, dat de dingen alleen zóo zijn, als
-zij zich vertoonen in den spiegel onzer ziel, al naarmate deze op eene
-of andere wijze is gepolijst. Wat grijs is zie ik grijs, en wat wit is
-wit, en ik heb mij gewend, wanneer ik iets tracht te weten te komen,
-er niet het minste van het mijne bij te voegen, als er al zoo iets in
-mijn nuchter hoofd voorhanden is. Gij beschouwt de dingen evenals ik,
-maar iedere voorstelling wordt in u gewijzigd. Want in uwe ziel zijn
-onzichtbare beeldhouwers werkzaam, die het scheeve rechtbuigen, aan
-het alledaagsche zekere bekoorlijkheid weten bij te zetten, en het
-indrukwekkende in een schoon gewaad kunnen kleeden. Gij zijt een
-dichter, een kunstenaar, en ik maar eenvoudig iemand die naar waarheid
-zoekt."
-
-»Juist," hernam Pentaoer, »om dit uw streven alleen acht ik u hoog, en
-gij weet het wel, ook ik verlang niets dan waarheid."
-
-De arts boog het hoofd ten teeken van toestemming en zeide weder: »Ik
-weet het, ik weet het! Maar onze wegen loopen naast elkander, zonder
-elkander te raken. Ons beider einddoel is de oplossing van een raadsel,
-waarvan velerlei verklaringen te geven zijn. Gij meent in het bezit te
-zijn van de ware, en misschien bestaat er in 't geheel geene."
-
-»Dan willen wij ons tevreden stellen met die het meest beantwoordt aan
-onze behoeften en tevens de schoonste is," zeide Pentaoer.
-
-»De schoonste!" riep Nebsecht onwillig. »Wilt gij dat wangedrocht schoon
-noemen, dat gij God heet, dat reuzenlichaam, dat eeuwig zichzelf doet
-geboren worden en zichzelf weder verslindt? God is het Al, zegt gij,
-dat zichzelf genoeg is. Hij moet eeuwig zijn en is het ook, wijl alles
-wat van hem uitgaat ook weder door hem opgeslokt wordt, en de groote
-gierigaard geen zaadkorrel, geen lichtstraal, geen luchtblaasje
-weggeeft, zonder ze terug te eischen voor zijne huishouding, die geen
-doel heeft, die niet door rede en goedheid wordt bestuurd, maar door een
-tyranniek: gij =zult=! waarvan hijzelf een slaaf is. Hij is alleen door
-zichzelf te begrijpen, de bloodaard, die zich verborgen houdt achter een
-ondoordringbaren sluier, dien ik hem zou willen afrukken als ik kon.
-Zie, zoo beschouw ik dat ding, hetwelk gij God noemt!"
-
-»Zeker een walgelijk beeld," hernam Pentaoer, »omdat gij vergeet, dat
-wij de rede erkend hebben als het wezen van het Al, als de kracht, die
-het gansche heelal doordringt en beweegt, de rede, die in de harmonie
-der samenwerking van alle deelen, en in ons zelven, gevormd uit zijn
-stof en bezield met zijne ziel, zich openbaart."
-
-»Is er iets redelijks in dat worstelspel des levens?" vroeg Nebsecht.
-»Is dat eeuwig nederwerpen om weder te laten opstaan zoo bijzonder
-wijs, en heeft het zulk een verheven doel? En terwijl gij aan de
-verschijnselen van het Al zulk eene rede ten grondslag legt, paait gij
-uzelven met een opperheer van uw eigen maaksel, die verbazend veel
-heeft van de meesters en meesteressen, waarvoor gij het volk laat
-nederknielen."
-
-»Slechts schijnbaar," antwoordde Pentaoer. »Het is een noodzakelijk
-gevolg van de omstandigheid, dat het bovenzinnelijke alleen in
-zinnelijken vorm kan worden medegedeeld. Daar God zich aan ons doet
-kennen als de wereldrede, noemen wij hem 'het woord'. 'Die zijne leden
-met namen bekleedt'[145], zooals de heilige teksten zich uitdrukken,
-beteekent zooveel als de kracht, die aan de dingen hunne eigenaardige
-vormen verleent, waardoor zij zich van elkander onderscheiden. De
-scarabeüs-kever[146], die 'als zijn eigen zoon in het leven treedt',
-wijst ons op de zich altijd verjongende scheppingskracht in de natuur.
-En wilt gij daarom onzen goeden God een wangedrocht noemen? Gij kunt het
-bestaan van zulk een kracht niet loochenen, en evenmin ontkennen, dat
-wij daarvoor een gelukkig beeld hebben gekozen. Immers gij weet, dat
-er alleen mannelijke scarabeën zijn, en dat deze dieren zichzelven
-voorttelen"[147].
-
- [145] Volgens opschriften te Abydus en de lofverheffingen van Ra
- te Biban el Moeloek.
-
- [146] Naar dezelfde teksten.
-
- [147] Naar Horapollo, die zegt: "De scarabeüs-kever wordt
- geboren uit het mannetje alleen."
-
-Nebsecht kon niet nalaten te glimlachen en zeide: »Als alle
-leerstellingen der mysteriën zoo waar zijn, als dit beeld gelukkig heet
-gekozen te zijn, dan ziet het er met ulieden treurig uit. De mestkevers
-zijn sedert jaren mijne vrienden, die met mij dezelfde kamer bewonen.
-Ik ken hun familieleven en geef u de verzekering, dat er onder hen
-mannetjes en wijfjes zijn, evenals onder de katten, apen en menschen. Uw
-'goede God' is mij onbekend. Wat meer is, als ik kalm nadenk, dan kan ik
-mij maar niet begrijpen, hoe gij over het geheel een goed en een kwaad
-beginsel in de wereld wilt onderscheiden. Is het Al werkelijk god; is
-God, zooals de schriften leeren, inderdaad de goedheid zelve, en is er
-niets buiten hem, waar is dan nog plaats voor het kwade?"
-
-»Gij spreekt als een schooljongen," zeide Pentaoer onwillig. »Goed en
-redelijk op zichzelf is al wat bestaat, maar de Eene, die oneindig is,
-die zichzelf de wet voorschrijft en de wegen van zijne werkzaamheid
-aanwijst, verleent aan het eindige zijn bestaan door altijddurende
-vernieuwing, en gaat zonder ophouden in de wisselende vormen van het
-eindige over. Wat wij kwaad, boos, duister noemen is, op zichzelf
-beschouwd, goddelijk, goed, redelijk en helder. Doch het vertoont zich
-aan ons beneveld verstand in een ander licht, wijl wij alleen den weg
-zien en het doel niet kennen, enkel de op zichzelf staande dingen
-waarnemen en het geheel niet overzien kunnen. Evenals gij berispen
-oppervlakkige hoorders de muziek, waarin zij een wanklank hooren, die
-de harpspeler echter opzettelijk aan zijne snaren ontlokte, om zijne
-hoorders de reinheid der volgende harmonieën dieper te doen gevoelen.
-Zoo bedilt een gek den schilder, die zijn paneel zwart maakt, zonder
-te wachten tot het beeld voltooid is, dat juist op dien donkeren grond
-helderder zal uitkomen. Zoo scheldt een kind op den edelen boom, waarvan
-de vruchten rotten, zonder te begrijpen dat uit hunne kernen nieuw leven
-zal ontwaken. Het schijnbaar kwade is slechts de voorbereiding tot
-hooger geluk en de dood de drempel des nieuwen levens, gelijk het
-avondrood door den nacht oversluierd wordt, om weldra weder te
-voorschijn te komen als morgengloed, die den rijzenden dag aankondigt."
-
-»Inderdaad, dat klinkt zeer overtuigend," hernam Nebsecht. »Alles, zelfs
-het afschrikwekkendste, wordt bekoorlijk op uwe lippen. Doch ik zou uwe
-stelling kunnen omkeeren en zeggen: het kwaad regeert de wereld, slechts
-nu en dan wordt ons een enkel drupje zalig genot te proeven gegeven, om
-ons de bitterheid van het leven des te harder te doen gevoelen. Gij ziet
-in alles harmonie en goedheid; mijne ervaring is echter, dat het leven
-door den hartstocht wordt gewekt, dat ons gansche bestaan een strijd is,
-en dat het eene schepsel bestemd is het andere op te eten."
-
-»En bemerkt gij dan niets van de schoonheid der zichtbare dingen?
-Vervult die onveranderlijke orde van het heelal u niet met deemoedige
-bewondering?"
-
-»Naar schoonheid," antwoordde de arts, »heb ik nooit gezocht; mogelijk
-mis ik ook wel het orgaan, om haar zelfstandig waar te nemen, hoewel ik
-mij gaarne door u er op laat wijzen. Aan de orde in de natuur laat ik
-ten volle recht wedervaren, want zij is de ware wereldziel. Temt[148]
-noemt gij den Eene, dat wil zeggen: de som, de eenheid, verkregen door
-de optelling van vele getallen, en dat bevalt mij. Want de bestanddeelen
-van het heelal, en de krachten die bepalen, in welke verschillende
-richtingen het leven zich bewegen moet, zijn nauwkeurig berekend volgens
-maat en getal, maar zonder dat daarbij van goed of schoon sprake kan
-zijn."
-
- [148] Zie boven bl. 178.
-
-»Zulke opvattingen," zeide Pentaoer, die bezorgd werd over zijn vriend,
-»zijn de gevolgen uwer zonderlinge bezigheden. Gij doodt en vernielt om,
-zooals gij dat noemt, het geheim des levens op te sporen. Beschouw het
-worden der dingen in de natuur: open het orgaan, dat u ontbreekt zoo gij
-meent, namelijk uwe oogen en de schoonheid van de zichtbare wereld zal
-u ook zonder mijne hulp leeren, dat het een valsche god is, dien gij
-aanbidt."
-
-»Ik bid in het geheel niet," zeide Nebsecht, »want de wet, die de wereld
-in beweging brengt, laat zich evenmin als uwe regelmatig afloopende
-zandloopers door bidden vermurwen. Maar wie zegt u toch, dat ik het
-worden der dingen niet op het spoor tracht te komen? Ik zeide u reeds,
-dat ik beter dan gij weet, hoe de scarabeën ontstaan. Ja, ik heb menig
-dier van kant gemaakt, en dat niet alleen om zijn organisme te leeren
-kennen, maar ook om uit te vorschen, hoe het zich gevormd had. Doch
-juist bij dezen arbeid heeft zich mijn orgaan voor het schoone eer
-gesloten dan geopend. Ik verzeker u, dat het even weinig opwekkend is,
-het ontstaan als de vernietiging en de verandering der dingen na te
-gaan."
-
-Pentaoer zag den heelmeester vragend aan.
-
-»Ik wil ook eens," ging de laatste voort, »in beelden spreken.
-Daar, zie dezen wijn! Wat is hij klaar en geurig! En toch hebben de
-wijngaardeniers hem met hunne eeltachtige voeten uit de druiven geperst.
-Ziehier deze volle aar! Welk eene goudgele glans! En zij zal, als
-wij haar malen, sneeuwwit meel geven. Niettemin wies zij op uit een
-rottenden zaadkorrel. Onlangs roemdet ge de schoonheid van de groote
-bijna voltooide zuilenzaal in den tempel van Amon aan de overzijde in
-Thebe[149]. Hoe zal de nakomelingschap dit werk bewonderen! Ik heb het
-zien worden. Daar lagen vierkante steenblokken in de grootste wanorde
-door elkaar. Hoopen stof dwarrelden op, zoodat ik bijna niet ademen
-kon. Drie maanden geleden werd ik er heen gezonden, omdat men meer dan
-honderd arbeiders, bij het steenslijpen in de brandende zonnehitte, zoo
-had geslagen, dat zij het bijna bestierven. Als ik nu een dichter was
-als gij zijt, dan zou ik u duizend zulke tafereelen ophangen, die u
-zeker niet bevallen zouden. Vooreerst hebben wij genoeg te doen met het
-bestaande waar te nemen, en de wetten op te sporen, waardoor alles in
-beweging wordt gebracht."
-
- [149] Aangelegd door Ramses I, voortgezet door Seti I, voltooid
- door Ramses II. De overblijfselen van deze zaal met hare honderd
- vier en dertig zuilen zijn zonder wederga.
-
-»Ik heb uw streven nooit geheel kunnen verstaan, en het heeft mij altijd
-moeite gekost te begrijpen, waarom gij u toch eigenlijk niet op de
-wetenschap der Horoscopen hebt toegelegd," zeide Pentaoer. »Gelooft gij
-dan, dat het leven van planten en dieren in zijne oneindige afwisseling,
-dat zoo geheel afhankelijk is van zijne omgeving, waardoor het bepaald
-wordt, zich tot wetten, getallen en afmetingen laat terugbrengen,
-evenals de beweging der sterren?"
-
-»Vraagt gij dit? Zou de ontzaglijk sterke reuzenhand, die de lichten
-daarboven dwingt zich voort te bewegen in hun nauwkeurige afgebakende
-banen, ook niet fijn genoeg ontwikkeld zijn, om aan de vlucht der vogels
-en den slag van het menschelijk hart bepaalde wetten voor te schrijven?"
-
-»Daar zijn wij weder bij de harten," zeide de dichter lachend. »Zijt gij
-uw doel al wat nader gekomen?"
-
-De arts werd ernstig en zeide: »Misschien zal ik morgen reeds in het
-bezit zijn van hetgeen ik noodig heb. Daar ligt uw palet met roode en
-zwarte verf, papyrus en schrijfriet; mag ik een blad gebruiken?"
-
-»Natuurlijk; maar vertel mij eerst....."
-
-»Vraag maar niets; gij zoudt mijn voornemen niet billijken, en het zou
-aanleiding geven tot nieuw verschil."
-
-»Ik denk," hernam de dichter, terwijl hij zijn hand op den schouder van
-den arts legde, »dat wij den strijd niet behoeven te vreezen. Hij is
-tot hiertoe het cement en de verfrisschende dauw van onze vriendschap
-geweest."
-
-»Zoolang de strijd ten minste liep over meeningen en opvattingen, en
-niet over daden."
-
-»Gij wilt u toch niet meester maken van een menschenhart?" riep de
-dichter. »Bedenk wel wat gij doet! Het hart is de woning van het in ons
-levend uitvloeisel der wereldziel."
-
-»Weet gij dat zoo zeker?" vroeg de heelmeester gevoelig. »Lever mij
-dan het bewijs! Hebt gij ooit een hart onderzocht; heeft een mijner
-ambtgenooten het gedaan? Zij verklaren zelfs het hart van een
-boosdoener, een krijgsgevangene onaantastbaar. Wanneer wij ten einde
-raad naast een kranke staan, en onze geneesmiddelen even dikwijls
-schaden als baten, vanwaar komt dat? Daarvan alleen, dat wij, artsen,
-gedwongen zijn om te arbeiden als de sterrenkundigen, van wien men zegt
-dat zij de sterren door eene plank beschouwen. Te Heliopolis bad ik den
-grooten oerma[150] Rahotep, dien inderdaad zoo geleerden oversten van
-ons gild, die mij hoogschatte, het hart van een gestorven Amoe te mogen
-onderzoeken. Doch hij weigerde het, omdat de groote Sechet[151] ook de
-vrome Semieten in de velden der gezaligden binnenleidt[152]. Daarop
-volgden weder de oude bedenkingen, namelijk: dat het zelfs zondig is
-een dierenhart te ontleden, aangezien ook dit de drager is eener ziel,
-misschien de bevlekte en veroordeelde ziel van een mensch, die, eer zij
-tot den Eenen mag terugkeeren, den louteringsweg moet voleindigen door
-de lichamen van dieren. Ik liet mij door deze tegenwerping niet uit het
-veld slaan, en verklaarde hem, dat mijn overgrootvader Nebsecht, vóor
-hij zijne verhandeling over het hart schreef[153], ongetwijfeld zulk een
-orgaan onderzocht had. Toen gaf hij het antwoord, dat de godheid hem
-zeker had geopenbaard wat hij geschreven had, waarom dan ook zijn werk
-onder de heilige schriften van Toth[154] was opgenomen, die vast stonden
-en onaantastbaar waren als de wereldrede. Hij wilde mij, zeide hij
-verder, rust bezorgen tot stillen arbeid, want ik was een uitverkoren
-geest; de hemelsche goden zouden mij wellicht insgelijks met
-openbaringen begenadigen. -- Ik was toen jong en heb mijne nachten in
-gebeden doorgebracht, maar ik viel met den dag af, en mijn geest werd
-doffer in plaats van helderder. Toen slachtte ik in stilte eerst een
-hoen, vervolgens ratten, daarna een konijntje. Ik ontleedde hunne harten
-en volgde de bloedvaten, die vandaar uitgaan. 't Is waar, ik weet nu
-slechts weinig meer dan te voren, maar ik moet achter de waarheid komen
-en het hart van een mensch hebben."
-
- [150] Hoogepriester van Heliopolis.
-
- [151] De leeuwenkoppige godin. Vgl. bl. 61.
-
- [152] Naar den tekst bij de beroemde voorstellingen van de vier
- volken (Egyptenaars, Semieten, Libiërs en Ethiopiërs) in het
- graf van Seti I.
-
- [153] Deze verhandeling maakt het belangrijkst gedeelte uit van
- den papyrus-Ebers, uitgegeven bij W. Engelmann te Leipzig.
-
- [154] Door de Grieken "Hermetische boeken" genoemd. De
- papyrus-Ebers is, volgens den uitgever, het geschrift, dat door
- Clemens van Alexandrië: "Het boek van de artsenijen" wordt
- genoemd. Vrt.
-
-»Wat zal u dat geven?" vroeg Pentaoer. »Verwacht ge dan dat gij het
-onzichtbare en oneindige met uwe menschelijke oogen zult waarnemen?"
-
-»Kent gij de verhandeling van mijn grootvader?"
-
-»Zoowat," gaf de dichter ten antwoord. »Hij zegt dat, waar men ook den
-vinger legt, hetzij op het hoofd, hetzij op de handen of de maag, overal
-het hart wordt gevonden, daar zijne bloedvaten naar alle leden uitgaan,
-en dat het hart het uitgangspunt is van al deze vaten. Verder geeft
-Nebsecht aan, hoe de aderen over de leden verdeeld zijn, en toont
-aan -- is het niet zoo? -- hoe de verschillende zielstoestanden, als
-toorn, verdriet, afschuw, ja ook het gebruik van het woord hart, in het
-algemeen voor zijne opvatting getuigen."
-
-»Juist, wij hebben daarover reeds gesproken, en ik geloof dat hij
-gelijk heeft, wat het bloed en de dierlijke gewaarwordingen betreft.
-Maar het rein en helder verstand in ons heeft een anderen zetel," en
-de arts sloeg bij deze woorden met de hand op zijn breed maar laag
-voorhoofd. »Koppen heb ik bij honderden bestudeerd, daarginds
-bij het hooggerechtshof; ook lichtte ik de hersenpan van levende
-dieren[155]. -- Doch laat mij nu schrijven, voor wij gestoord worden."
-
- [155] Het gebruik van menschenhersenen wordt in den
- papyrus-Ebers voorgeschreven, als geneesmiddel tegen eene
- oogziekte. Herophilus, een der eerste geleerden van het
- Alexandrijnsch museum, bestudeerde niet enkel de lijken van
- terechtgestelde misdadigers, maar hij nam ook proeven op
- levende boosdoeners. Hij beweerde, dat de vierde holte van de
- menschelijke hersenen de zetel was der ziel.
-
-De arts nam het schrijfriet, lengde de zwarte uit verkoolden papyrus
-bereide verfkleur aan, en schreef in sierlijke hiëratische letters[156]
-het document voor den Paraschiet, waarbij hij bekende voor hem geëischt
-te hebben, dat hij het hart van een mensch zou stelen, en kort en bondig
-verklaarde voor Osiris en de doodenrechters de schuld van den oude op
-zich te willen nemen. Toen hij gereed was, strekte Pentaoer zijne hand
-uit naar het geschreven stuk, maar Nebsecht vouwde het samen, stak het
-in een taschje, waarin zich de amulet bevond, die zijne stervende moeder
-hem om den hals had gehangen, en zeide, na eene diepe ademhaling:
-»Daarmede zijn we klaar. Vaarwel Pentaoer!"
-
- [156] In den tijd van dit verhaal hadden de Egyptenaars
- tweeërlei soort van schrift: het hiëroglyphische en het
- hiëratische. In het eerste bestonden de letters uit concrete
- voorwerpen, mathematische of vrij uitgedachte figuren. Het werd
- gewoonlijk op de gedenkteekenen gebruikt. Met het laatste
- schreef men meestal op papyrus. In dit schrift zijn de
- afbeeldingen der hiëroglyphen zoo gewijzigd en afgekort, om
- des te sneller te kunnen schrijven, dat men de oorspronkelijke
- teekens er slechts onduidelijk in herkennen kan. In de achtste
- eeuw ontstond eene nog verdere verkorting van het hiëratisch
- schrift, die men het demotisch of volksschrift noemde. Terwijl
- het hiëroglyphen- en het hiëratisch schrift in het oude heilige
- dialect werd geschreven, bezigde men de demotische letterteekens
- alleen om de taal te schrijven, die door het volk werd
- geschreven. Zie Em. de Rougé, =Chrestomathie égyptienne=;
- H. Brugsch =Hieroglyphische Grammatik=; Le Page Renouf,
- =Hieroglyphicial grammar=; Ebers, =Ueber das hieroglyphische
- Schriftsystem=, 2 Aufl. 1875 in de =Vorträge=, door Virchow en
- Holtzendorf uitgegeven.
-
-De dichter hield zijn vriend staande, sprak hem met ernst en warmte toe,
-en smeekte hem toch van zijn voornemen af te zien. Doch Nebsecht bleef
-ongeroerd door deze beden en trachtte zijne vingers los te rukken uit
-de verbazend sterke handen van Pentaoer, die ze als met ijzeren klemmen
-vasthielden. De dichter vermoedde in zijne vervoering niet, dat hij zijn
-vriend pijn deed, tot deze, na eene vruchtelooze poging om vrij te
-komen, uitriep: »Gij verwringt mijne vingers!"
-
-Er kwam een glimlach op het gelaat van den dichter. Hij liet den
-heelmeester los en zeide, terwijl hij diens vuurroode handen streelde
-als eene moeder, die de pijn van haar kind weg wil strijken: »Wees niet
-boos op mij, Nebsecht; gij kent mijne ongelukkige vuisten. Heden moesten
-ze u inderdaad vasthouden, want wat gij voorhebt is al te dolzinnig."
-
-»Dolzinnig?" vroeg de arts, terwijl hij op zijn beurt lachte. »Mij
-goed, maar weet gij dan niet, dat wij Egyptenaars met bijzondere
-angstvalligheid aan onze dwaasheden hangen, en zelfs ons niet ontzien er
-huis en hof voor op te offeren?"
-
-»Ja =eigen= huis en =eigen= hof!" riep de dichter, en voegde er daarna
-bij: »maar niet het leven, niet het welzijn van een ander."
-
-»Heb ik u dan niet reeds gezegd, dat ik het hart niet voor den zetel van
-het verstand kan houden? Wat mij betreft, het is mij om 't even, of ik
-met het hart van een hamel of met mijn eigen hart begraven zal worden."
-
-»Ik spreek niet van den doode, die van dit lichaamsdeel beroofd zal
-zijn, maar van den levende," hernam Pentaoer. »Wanneer de daad van
-den Paraschiet ontdekt wordt, dan is hij verloren, en het lieve kind
-daarginds in de hut zoudt gij alleen gered hebben, om het in de diepste
-ellende te storten."
-
-Nebsecht zag zijn vriend zoo verbluft en onthutst aan, alsof hij door
-een ongeluksbode opeens uit den slaap was gewekt. Na een oogenblik zeide
-hij echter: »Ik zou met den oude en Warda deelen al wat ik heb."
-
-»En wie zal u beschermen?"
-
-»Haar vader."
-
-»Die ruwe dronkaard, dien zij morgen of overmorgen wie weet waarheen
-zullen zenden....!"
-
-»Hij is een braaf man," viel de arts zijn vriend in de rede, terwijl hij
-merkbaar ontroerd was en heel erg stotterde. »Maar wie zou het wagen het
-meisje iets te doen? Zij is zoo.... zoo.... Zij is zoo lieftallig, zoo
-schoon en heeft zoo iets eigenaardigs!"
-
-Bij de laatste woorden sloeg hij de oogen neder en bloosde als een
-meisje. »Gij begrijpt dat beter dan ik," ging hij voort, »ja, gij vindt
-haar ook schoon! Zonderling! -- Gij moet niet lachen, wanneer ik erken
--- ik ben immers ook een mensch als ieder ander? -- wanneer ik erken,
-dat ik het orgaan, het mij ontbrekende orgaan voor de schoonheid der
-vormen toch eindelijk ook in mij meen ontdekt te hebben; neen, niet
-meen, maar werkelijk ontdekt heb. Want het heeft van het eerste
-oogenblik hier niet gesproken maar geschreeuwd, geraasd, dat mij de
-ooren suisden, en voor het eerst in mijn leven trok de lijdende mij meer
-aan dan het leed op zichzelf. Hoe heb ik daar gezeten als aan die hut
-gekluisterd, en haar haren bewonderd en hare oogen en haar ademtocht
-opgevangen! Zij hebben mij lang in het Seti-huis gemist; misschien
-hebben zij ook mijne preparaten ontdekt, toen ze mij in mijne kamer
-zochten. Twee dagen en nachten heb ik mij van den arbeid laten afhouden
-door dit kind! Dacht ik als de leeken, die gij u aantrekt, dan zou ik
-zeggen: demonen hebben mij betooverd. Maar dat is het niet" -- en bij
-deze woorden was het alsof zijne oogen vlammen schoten -- »dat is het
-niet! Het dierlijke in mij, de lage natuurdriften, waarvan het hart de
-zetel is, deze dreigden mijne borst aan haar ziekbed te doen bersten;
-zij hebben de andere fijnere en reine opwellingen hier, hier in deze
-hersens overmeesterd. En zoo moet ik, op het oogenblik dat ik hoop te
-zullen weten als God zelf, dien gij den vorst van alle wetenschap noemt,
-helaas ondervinden, dat het dier in mij sterker is dan wat ik mijn god
-noem."
-
-Onder deze laatste woorden had de arts gejaagd en verbolgen naar den
-grond gezien, en niet eens op den dichter gelet, die verbaasd en vol
-deelneming naar hem luisterde. Beiden zwegen eene poos, tot Pentaoer
-zijne hand op die van zijn vriend legde en met aandoening zeide:
-»Waarlijk, mijne ziel is niet vreemd aan hetgeen gij thans gevoelt. Het
-heeft bij mij, als ik u naspreken mag, hoofd en hart tegelijk aangedaan.
-Maar ik weet dat hetgeen wij voelen wel is waar vreemd is, aan onze
-gewone gewaarwordingen, dat het echter hooger en edeler is, in plaats
-van daar beneden te staan. Het is niet het dierlijke, Nebsecht, dat
-gij in u waarneemt, maar het goddelijke. Het goede is de schoonste
-eigenschap van het hemelsche, en gij zijt altijd liefderijk gezind
-geweest jegens groot en klein. Doch ik vraag u of ooit iets zulk eene
-onweerstaanbare macht op u heeft uitgeoefend, om een oceaan van goedheid
-over een ander wezen uit te storten; of gij aan Warda niet alles wat gij
-zijt en hebt blijmoediger en met grooter zelfverloochening zoudt geven,
-dan aan vader en moeder en uwe oudste vrienden?"
-
-Nebsecht boog zijn hoofd ten teeken van toestemming; Pentaoer vervolgde
-echter: »Welaan dan! Volg de nieuwe goddelijke stem in u, heb Warda lief
-en offer haar niet op aan uwe ijdele wenschen. Arme vriend! Bij al uw
-zoeken naar de verborgenheden van het leven, hebt gij nog nooit naar
-het leven zelf omgezien, dat zich daar open en uitlokkend uitbreidt
-voor onzen blik in al zijn omvang en zijne diepte. Gelooft gij dat de
-jonkvrouw, die den kalmsten denker in Thebe zoo in vlam kan zetten,
-niet door honderd zinnelijke menschen zal worden begeerd, wanneer zij
-geen beschermer heeft? Moet ik u zeggen, dat onder de danseressen in
-het vreemden-kwartier negen van de tien, dochters zijn van uit de
-maatschappij gebannen ouders? Kunt gij vrede hebben met de gedachte dat
-door uw toedoen de onschuld aan de misdaad zal worden prijs gegeven en
-de roos in het slijk getreden? Is het menschenhart, waarnaar gij zoozeer
-verlangt, eene Warda waard? -- Ga nu, en kom morgen weder bij mij, uw
-vriend, die in staat is alles te gevoelen wat gij gevoelt, wien gij
-heden zooveel nader zijt gekomen, omdat gij geleerd hebt in zijn reinst
-geluk te deelen."
-
-Pentaoer stak den arts zijne hand toe, Nebsecht nam haar aan, maar
-langzaam. Nadenkend en met loome schreden ging hij heen, en zonder
-te letten op den brandenden gloed van de middagzon, daalde hij over
-den berg af in het dal der koningsgraven, in de richting van de
-Paraschieten-hut. Hier vond hij den soldaat bij zijne dochter en vroeg
-met nadruk: »Waar is de oude?"
-
-»Hij ging naar den arbeid in het huis van de balsemers," luidde
-het antwoord. »Hij laat u weten dat, als hem iets overkomt, gij de
-schriftelijke verklaring niet moogt vergeten, noch het boek. Hij was
-als gek, toen hij ons verliet, en heeft het hart van den hamel bij zich
-gestoken en medegenomen. Blijft gij wat bij de kleine; moeder verricht
-dienstwerk, en ik moet krijgsgevangenen naar Hermonthis[157] brengen."
-
- [157] Het tegenwoordige Erment, de naaste stad ten zuiden van
- Thebe, die men in eene dagreis bereiken kan.
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-
-Terwijl de beide vrienden uit het Seti-huis dit belangrijk onderhoud
-hadden, liep vrouwe Katoeti in de opene galerij voor het huis van haar
-schoonzoon, waar wij haar het eerst leerden kennen, onrustig op en neer.
-Een sneeuwwit katje hield haar op deze wandeling gezelschap, nu eens
-spelende met den sleep van haar eenvoudig lang gewaad, dan weder een
-sprong doende naar een voetstuk, dat vroeger een zilveren beeld had
-gedragen, voor weinige maanden verkocht, en waarop Nemoe zich thans had
-neergezet. Hij was bijzonder op dat plaatsje gesteld, omdat het hem van
-die hoogte alleen mogelijk was zijne meesteres en andere volwassene
-menschen in de oogen te zien.
-
-»O wanneer gij mij bedrogen, mij misleid hebt!" zeide Katoeti met
-dreigende gebaren, toen zij zijn zetel voorbijkwam.
-
-»Sla mij dan aan een haak en hengel met mij naar een krokodil. Ik voor
-mij ben alleen nieuwsgierig, hoe hij u het geld zal aanbieden."
-
-»Wilt gij mij andermaal zweren," ging zijne meesteres voort, met
-koortsachtige gejaagdheid, »dat ge Paäker niet in mijn naam verzocht
-hebt ons te redden?"
-
-»Ik zweer u duizend eeden!" zeide de kleine man. »Moet ik u ons gesprek
-van gisteren nog eens vertellen? Ik zeg u dat hij zelfs zijne landerijen
-en zijn huis met de hooge poort zou geven, voor éen vriendelijken blik
-uit Nefert's oogen."
-
-»Indien Mena haar wilde lief hebben als hij!" zuchtte Katoeti, en
-zwijgend zette zij hare wandeling voort, terwijl de dwerg naar den
-ingang van den tuin zat te kijken. Plotseling bleef zij voor Nemoe
-staan, en zeide op zulk een somberen toon, dat Nemoe eene koude rilling
-door de leden voer: »Ik wenschte dat zij weduwe was."
-
-De dwerg maakte eene beweging met zijne hand, als moest hij zich
-verbergen voor een boozen blik. Doch gelijktijdig liet hij zich van zijn
-voetstuk op den grond zakken, roepende: »Daar houdt een wagen stil,
-en ik hoor het zwaar geblaf van zijn dog. Hij is het! Zal ik Nefert
-roepen?"
-
-»Neen!" zeide Katoeti zacht, en greep de leuning van een stoel, als had
-zij een steun noodig.
-
-De dwerg haalde de schouders op en kroop achter een groep bladplanten
-weg. Eenige minuten later stond Paäker voor zijne meesteres, die den
-Mohar kalm en zich bewust van hare waardigheid ontving. Geen trek op
-haar fijnbesneden gelaat verried de onrust van haar binnenste. Nadat de
-gids haar begroet had, zeide zij met neerbuigende vriendelijkheid: »Ik
-dacht wel dat gij komen zoudt. Neem plaats! Uw hart is gelijk aan dat
-uws vaders. Nu gij u weder verzoend hebt met ons, toont gij geheel en al
-een vriend te zijn."
-
-Paäker was gekomen, om zijne tante de geldsom aan te bieden, die zij
-noodig had tot lossing van de mummie haars mans. Hij was lang met
-zichzelf in strijd geweest, of hij dit niet liever aan zijne moeder zou
-overlaten. Maar deels een inwendige vrees, deels zijne ijdelheid hadden
-hem hiervan afgehouden. Hij pronkte zoo gaarne met zijn rijkdom, en
-hij mocht Katoeti wel eens doen gevoelen wat hij vermocht en welk een
-schoonzoon zij had afgewezen. Het liefst had hij het goud, dat hij
-besloten had haar te schenken, dadelijk uit zijn schatkamer genomen en
-het door zijne slaven voor zich uit laten dragen, gelijk de onderworpen
-vorsten deden, als zij hunne schattingen brachten. Dat ging echter niet,
-en daarom stak hij den grooten met een kostbaar edelgesteente versierden
-ring, dien koning Seti eens aan zijn vader had geschonken aan den
-vinger, en tooide hij zich met vele kleedergespen, borstspelden en
-ringen. Toen hij zich alvorens zijn huis te verlaten, in den spiegel
-beschouwde, zeide hij met bevrediging tot zichzelf, dat hij, zooals hij
-daar stond en ging, wel zooveel waard was als het geheele erfgoed van
-Mena. Sedert zijn onderhoud met den dwerg en diens uitlegging van zijn
-droom, lagen de wegen, die hij ter bereiking van zijn doel te bewandelen
-had, scherp afgebakend voor hem. Nefert's moeder moest voor schande
-bewaard, met goud gewonnen en Mena naar de andere wereld gezonden
-worden. Tot zijne bondgenooten rekende hij vooreerst: zijne gewoonte om
-zonder omzien met kracht door te tasten, hetgeen hij bij voorkeur zijne
-onwankelbare vastberadenheid noemde, vervolgens de slimheid van den
-dwerg Nemoe, en eindelijk den liefdedrank.
-
-Thans naderde hij Katoeti, zeker van zijne overwinning, als een koopman,
-die een kostbaar artikel gaat koopen, en weet dat hij rijk genoeg is om
-het te betalen. Maar de waardige fiere houding van zijne tante bracht
-hem in verwarring. Hij had gedacht haar anders, haar met een gebroken
-hart en smeekende om hulp te zullen vinden. Hij had gehoopt na zijne
-grootmoedige daad den dank van Nefert tegelijk met dien harer moeder te
-zullen ontvangen. De schoone vrouw van Mena was echter afwezig, en
-Katoeti liet haar niet roepen, ook niet nadat hij naar haar welstand had
-gevraagd. De weduwe ging hem geen schrede te gemoet, en er verliep een
-geruime tijd met onverschillige gesprekken, tot Paäker haar op eens
-mededeelde: dat hij van de onverantwoordelijke daad haars zoons gehoord
-en besloten had, haar en haar huis, als de naaste bloedverwanten zijner
-moeder, voor eerloosheid te bewaren.
-
-Katoeti hield deze lompheid voor oprechtheid, vergaf Paäker zijne thans
-al zeer weinig gepaste pronkzucht, en dankte hem in waardige, maar toch
-hartelijke woorden, meer nog om den wil harer kinderen dan om haar
-zelve, want van genen begon het leven pas, gelijk zij zeide, dat voor
-haar reeds was afgesloten.
-
-»Gij zijt nog in uwe goede jaren," zeide Paäker.
-
-»Misschien in de beste," antwoordde de weduwe, »ten minste voor mij, die
-het leven als eene taak, eene zware taak beschouw."
-
-»Het besturen van een goed, met zooveel schulden bezwaard, zal u
-zorgvolle uren geven, dat geloof ik wel."
-
-Katoeti boog toestemmend het hoofd en zeide treurig: »Dat alles zou
-nog wel te dragen zijn, wanneer ik niet gedoemd ware het arme kind
-jammerlijk te zien verkwijnen, zonder het te kunnen helpen of raden. Er
-was een tijd, dat gij haar gaarne tot uwe vrouw zoudt hebben gehad, en
-nu vraag ik u: was er in Thebe, ja in geheel Egypte een meisje, dat haar
-in schoonheid evenaarde? Was zij waard bemind te worden, en is zij het
-nog niet? Verdient zij, dat haar echtgenoot haar eenzaam laat gebrek
-lijden, dat hij haar geheel veronachtzaamt en, als had hij haar
-verstooten, eene vreemde vrouw in hare plaats in zijn tent neemt? -- Ik
-lees op uw gelaat wat gij denkt. Gij schuift de schuld van al het
-gebeurde op mij. Uw hart vraagt: 'Waarom hebt gij de verloving
-verbroken?' En uw oprechte zin antwoordt: dat gij haar een beter lot
-zoudt hebben bereid."
-
-Bij deze woorden vatte de weduwe de hand van haar neef en ging met
-klimmende warmte voort: »Heden hebben wij u leeren kennen als den
-grootmoedigsten man in Thebe, want het onvergeeflijk onrecht u
-aangedaan, hebt gij met ongehoorde weldaden vergolden. Als knaap reeds
-waart gij ons lief en waard. De wensch uws vaders, die jegens ons als
-een liefderijk broeder gehandeld heeft zoolang hij leefde, is mij heilig
-en dierbaar geweest, en liever had ik mijzelve dan uwe goede moeder,
-mijne zuster, smarten veroorzaakt. Ik bewaarde mijn kind en voedde het
-op met alle zorgvuldigheid voor den jongen held, die in het verre Azië
-zijne dapperheid toonde, voor u en u alleen. Daar stierf uw vader, en ik
-verloor in hem mijn raadsman, mijn beschermer."
-
-»Ik weet alles," viel Paäker haar in de rede en zag somber naar den
-grond.
-
-»Wie kan het u dan verteld hebben?" vroeg de weduwe. »Want uwe moeder
-heeft, nadat gebeurd was wat niemand had kunnen gelooven, mij haar huis
-verboden en haar oor voor mij gesloten. De koning zelf deed aanzoek voor
-Mena, die hem nader aan het hart ligt dan zijn zoon. Toen ik sprak van
-uwe oudere rechten, toen =beval= hij, en wie zou het wagen zich te
-verzetten tegen de bevelen van den heer van beider werelden, den zoon
-van den zonnegod? Koningen vergeten zoo spoedig! Hoe dikwijls stelde uw
-vader zijn leven voor hem in de waagschaal; hoevele wonden werden hem
-geslagen in zijn dienst! Om den wil uws vaders had hij u zulk een smaad,
-zulk een leed moeten sparen."
-
-»En heb ikzelf hem ook gediend, of niet?" vroeg Paäker, en zijne wangen
-kleurden zich donkerrood.
-
-»Hij kende u nog weinig," antwoordde Katoeti op verontschuldigenden
-toon. Daarop gaf zij weder eene andere buiging aan haar stem, en
-vroeg deelnemend: »Waarmede hebt gij in die dagen, -- gij waart nog zoo
-jong, -- toch zijne ontevredenheid gaande gemaakt, zijn afkeer, ja
-zijne...."
-
-»Wat?" vroeg de gids, en hij beefde over al zijne leden.
-
-»Zwijgen wij daarover," ging de weduwe voort, om het zooeven gezegde te
-vergoeilijken. »De genade en ongenade eens konings zijn gelijk aan die
-der godheid. Men mag er zich in verheugen of men moet er zich voor
-buigen."
-
-»Waardoor dan toch heb ik Ramses reden gegeven tot ontevredenheid en
-afkeer? Ik wil het weten!" riep Paäker, met klimmende heftigheid.
-
-»Gij maakt mij bang," zeide de weduwe, trachtende hem neer te zetten.
-»Misschien stelde hij zich met uwe vernedering wel ten doel zijn
-gunsteling in Nefert's oogen te verheffen."
-
-»Wat heeft hij gezegd?" riep de gids weder, en het klamme zweet droop
-hem van het bruine voorhoofd. Men zag niet anders dan het wit zijner
-rollende oogen.
-
-Katoeti week voor hem terug, maar hij achtervolgde haar, greep haar aan
-en vroeg met heesche stem: »Wat heeft hij gezegd?"
-
-»Paäker," zeide de weduwe op klagenden en verwijtenden toon, »laat mij
-los! Het is in uw eigen belang, dat ik de woorden verzwijg, waarmede
-Ramses trachtte Nefert's hart van u afkeerig te maken. Laat mij los, en
-bedenkt met wie gij spreekt!"
-
-Doch Paäker omklemde haar arm te vaster met zijn hand, en herhaalde
-zijne vraag telkens dringender.
-
-»Schaam u!" riep Katoeti. »Gij doet mij pijn. Laat mij los! -- Gij wilt
-niet, voor dat gij weet wat hij zeide! Welaan uw wil zal geschieden.
-Maar enkel gedwongen komen deze woorden over mijne lippen. Hij zeide
-dat, indien hij niet wist dat uwe moeder Setchem eene brave vrouw was,
-hij u niet voor een zoon uws vader zou houden, daar gij hem zoo weinig
-gelijkt als een uil een adelaar."
-
-Paäker liet oogenblikkelijk de hand van de arme weduwe los, en zijne
-bleeke lippen prevelden: »Zoo -- zoo -- -- --"
-
-»Nefert heeft u verdedigd, en ik deed het met haar, doch vruchteloos.
-Weeg dat harde woord niet te zwaar. Uw vader was een man zonder wederga,
-en Ramses vergeet niet, dat wij verwant zijn aan het oude koningshuis.
-Zijn grootvader, zijn vader en hij zijn parvenu's en er leeft nog
-iemand, die beter aanspraak kan doen gelden op den troon der pharao's
-dan hij."
-
-»De stadhouder Ani!" zeide Paäker met vaste stem.
-
-Katoeti gaf een teeken van toestemming, naderde den gids en zeide zacht:
-»Ik geef mij in uwe handen, ofschoon ik weet dat gij ze tegen mij
-opheffen kunt. Gij zijt echter mijn natuurlijke bondgenoot; want
-dezelfde daad van Ramses, die u onteerde, heeft mij deelgenoote gemaakt
-van de plannen des stadhouders. U heeft de koning eene bruid, mij eene
-dochter ontstolen; uw ziel heeft hij met haat vervuld jegens den
-overmoedigen medeminnaar, mij goot hij vuur in het hart over het
-verloren levensgeluk van mijn kind. Ik gevoel iets van Hatasoe's bloed
-in mijne aderen en mijn geest is sterk genoeg om mannen te besturen. Ik
-was het, die den nog sluimerenden wensch in de borst van den stadhouder
-deed ontwaken, die zijne oogen op den troon richtte, waarvoor de goden
-hem bestemd hebben. De dienaars der hemelsche goden, de priesters, zijn
-ons genegen. Wij hebben..."
-
-Op dit oogenblik kwam er beweging in den tuin. Een slaaf stoof buiten
-adem den voorhof binnen en riep: »De stadhouder houdt stil voor de
-poort!"
-
-Paäker stond als bedwelmd, doch spoedig kwam hij tot bezinning en wilde
-zich verwijderen. Katoeti hield hem echter terug, zeggende: »Ik ga Ani
-te gemoet; hij zal zich verblijden u te zien, want hij acht u hoog en
-was een vriend uws vaders."
-
-Nauwelijks had Katoeti de galerij verlaten, of de dwerg Nemoe trad
-achter de bladplanten te voorschijn, ging vlak voor Paäker staan en
-vroeg onbeschaamd: »Welnu, heb ik u gisteren goed ingelicht, of niet?"
-
-Doch Paäker antwoordde niet; hij schoof het manneke met zijn voet op
-zij, en liep peinzend op en neer.
-
- * * * * *
-
-Katoeti kwam den stadhouder midden in den tuin tegen. Hij hield eene
-schriftrol in de eene hand en begroette haar reeds van verre met eene
-beweging van de andere, waaruit genoeg bleek, dat hij eene blijde
-tijding kwam brengen. De weduwe beschouwde haar vriend met bewondering;
-het kwam haar voor dat hij kloeker en jeugdiger was geworden, sedert zij
-hem het laatst had gezien. »Heil u," riep zij hem half vertrouwelijk,
-half eerbiedig toe, waarbij zij hare handen met ontzag voor hem ophief,
-als droeg hij reeds de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte. »Hebt
-gij het negental goden ontmoet[158] of hebben de Hathors u in den slaap
-gekust? Dit is een heldere, een geluksdag; dat lees ik in uwe trekken."
-
- [158] De Egyptenaars laten hunne goden gewoonlijk in groepen,
- bijv. van drie (triaden) en negen, maar ook van acht, dertien
- en vijftien optreden. In het sprookje van de beide broeders
- verschijnen de negen goden aan den eenzamen Batoe, en scheppen
- hem eene vrouw.
-
-»Gij verstaat u op het uitleggen van schrift en teekenen!" gaf Ani
-vroolijk maar tevens waardig ten antwoord. »Nu, lees dan ook deze
-boodschap!"
-
-Katoeti nam de papyrus-rol, die hij haar toereikte, doorlas den inhoud,
-en gaf haar daarna terug, zeggende: »De door u uitgeruste troepen hebben
-de legerscharen der verbondene Koeschiten[159] geslagen, en brengen
-hunne gevangen vorsten met onmetelijke schatten en wel tienduizend
-krijgsgevangenen naar Thebe! Den goden zij dank!"
-
- [159] Ethiopiërs.
-
-»En bovenal dank," voegde Ani er bij, »omdat de veldheer Scheschenk,
-mijn zoogbroeder en vriend, behouden en ongewond onze krijgers
-terugvoert. Ik geloof, Katoeti, dat onze droombeelden heden vleesch en
-bloed beginnen te krijgen."
-
-»Zij wassen op tot helden!" riep de weduwe. »En uzelven, mijn gebieder,
-heeft de adem der godheid aangeblazen. Als een echte zoon van Ra wandelt
-gij hier naast mij. De moed van Menth[160] straalt uit uwe oogen, en om
-uw mond zweeft het lachje van den overwinnenden Horus[161]."
-
- [160] De krijgsgod der Egyptenaars.
-
- [161] Zie boven, bl. 91.
-
-»Geduld, geduld, mijne vriendin!" sprak Ani, ten einde den ijver der
-weduwe wat te matigen. »Thans is het meer dan ooit noodig vast te houden
-aan mijne oude grondstelling, om de kracht van mijne tegenpartij hooger
-en mijne eigene geringer te schatten, dan zij het verdienen. Nooit is
-mij iets gelukt, als ik de uitkomst zeker verwachtte, veel daarentegen
-wèl, waarvan ik vreesde dat het stellig mislukken zou. Wij zijn nog ter
-nauwernood aan het begin van hetgeen wij hopen."
-
-»Maar evenals een ongeluk, zoo komt ook het goede nooit alleen," voegde
-Katoeti er bij.
-
-»Dat ben ik volmaakt met u eens," zeide Ani. »Ik meen opgemerkt te
-hebben, dat de gebeurtenissen in het leven altijd paarsgewijze optreden.
-Elk ongeluk heeft zijn metgezel, evenals elk geluk. Kunt gij mij eene
-tweede overwinning berichten?"
-
-»Vrouwen winnen geen veldslagen," hernam de weduwe lachend, »maar zij
-werven vrienden, en ik heb een machtig bondgenoot gewonnen!"
-
-»Eene godheid of een leger?" vroeg de stadhouder.
-
-»Iets tusschen beiden," gaf zij ten antwoord. »Paäker, de koninklijke
-gids, heeft zich aan onze zijde geschaard. Hoor!" En hierop vertelde zij
-den stadhouder de geschiedenis van de liefde en den haat van haar neef.
-
-Ani luisterde zwijgend toe en zeide toen met eene uitdrukking van onrust
-en bezorgdheid: »Deze man is een dienaar van Ramses en zal weldra weder
-tot hem in het leger terugkeeren. Menigeen mag onze plannen vermoeden,
-maar deze nieuwe deelgenoot van ons geheim zou een verrader kunnen
-worden. Gij dringt en drijft mij ontijdig voorwaarts! Duizend
-weltoegeruste vijanden zijn minder gevaarlijk, dan een onzekere
-bondgenoot..."
-
-»Van Paäker kunnen wij zeker zijn," zeide Katoeti op stelligen toon.
-
-»Wie staat u voor hem borg?" vroeg de stadhouder.
-
-»Hij zal geheel in uwe handen worden overgeleverd," antwoordde Katoeti
-ernstig. »Mijn slimme dwerg Nemoe weet, dat hij in het geheim een
-misdaad heeft gepleegd, waarop bij de wet de doodstraf is gesteld."
-
-Het gelaat van den stadhouder klaarde op, nu hij op deze wijze werd
-gerustgesteld. »Dat verandert de zaak," zeide hij. »Heeft hij een moord
-begaan?"
-
-»Neen," antwoordde Katoeti. »De dwerg heeft mij bezworen, dat hij u
-en u alleen zou mededeelen wat hij weet. Gij kunt gerust op hem
-staatmaken."
-
-»Goed goed," zeide Ani, bedenkelijk het hoofd schuddende; »maar hij is
-onvoorzichtig, veel te onvoorzichtig! Gij zijt als de ruiters, die om
-eene weddenschap te winnen hun paard een sprong over lansen laten doen.
-Valt het in de scherpe punten, zoo wordt dit dier het slachtoffer! Gij
-laat het liggen en vervolgt uwen weg te voet."
-
-»Of wij worden tegelijk met het edele ros door de lansen doorboord,"
-zeide Katoeti ernstig. »Gij hebt meer te winnen en daarom ook meer te
-verliezen dan wij; maar ook de kleinste heeft zijn leven lief. Behoef
-ik u verder te zeggen, Ani, dat ik niet voor u werk, om door u iets te
-winnen, maar alleen omdat ge mij dierbaar zijt als een broeder, en
-ik in u den vertegenwoordiger zie van de vertreden rechten mijner
-voorvaderen?"
-
-Ani reikte haar de hand en zeide: »Gij hebt ook met Bent-Anat als mijne
-vriendin gesproken? -- Begrijp ik uw zwijgen goed?"
-
-Katoeti boog met het hoofd, terwijl haar gelaat eene smartelijke
-uitdrukking aannam. Ani zeide echter: »Gisteren zou mij dit bewogen
-hebben van haar af te zien, maar heden heb ik weder moed gekregen. Als
-de Hathors mij bijstaan, zal ik haar nog wel voor mij kunnen winnen!"
-
-Na deze woorden liep hij de weduwe vooruit naar de galerij, waar Paäker
-nog steeds onrustig op en neder wandelde. De gids boog zich diep
-voor den stadhouder, die zijn groet met eene deels trotsche, deels
-vriendelijke beweging van zijne hand beantwoordde. Toen hij zich op een
-leuningstoel had nedergevleid, heette hij Paäker welkom, als den zoon
-van een gestorven vriend en een bloedverwant van zijn huis. »De geheele
-wereld," zeide hij, »roemt uwe onverschrokken dapperheid. Mannen
-gelijk gij zijn er niet veel, en mij ontbreken zij geheel. Ik wenschte
-wel dat ge mij nader stondt. Maar Ramses zal u niet willen missen
-ofschoon -- ofschoon --. Evenwel, uw ambt is tweeledig; het vereischt
-moed en vaardigheid in de schrijfkunst. Niemand betwijfelt of gij de
-eerste bezit, maar wel de laatste. Het zwaard en het schrijfriet zijn
-zeer verschillende wapenen; het eerste vereischt eene stevige vuist,
-maar het laatste teedere vingers. De koning had vroeger op uwe berichten
-nog al wat aan te merken; is hij thans beter over u tevreden?"
-
-»Ik wil het hopen," antwoordde de gids. »Mijn broeder Horus is een
-geoefend schrijver en vergezelt mij op mijne tochten."
-
-»Dat is het ware!" zeide de stadhouder. »Als ik te bevelen had, dan zou
-ik uwe manschappen driemaal verdubbelen: dan gaf ik u vier, vijf, zes
-schrijvers mede, waarover gij onbepaald zoudt kunnen bevelen. Aan dezen
-zoudt gij overvloedig stof kunnen leveren voor de berichten, die moeten
-worden ingezonden. Uw ambt vordert moed en omzichtigheid, en men vindt
-deze eigenschappen zelden in éen persoon vereenigd. Schrijfhelden zijn
-er bij honderden in de tempels te vinden."
-
-»Dat denk ik ook wel," zeide Paäker.
-
-Ani staarde peinzend naar den grond, en zeide vervolgens: »Ramses
-schijnt er bijzonder op gesteld u altijd met uw vader te vergelijken.
-Dat is onbillijk, want de gezaligde was eenig in zijn soort, de
-dapperste held en tegelijkertijd de fijnste schrijver. Gij wordt valsch
-beoordeeld, en dat doet mij leed, ja meer dan dat, want door uwe moeder
-zijt gij verwant aan mijne wel is waar arme, maar toch hoog aanzienlijke
-familie. Wij zullen zien, of ik u kan stellen op de plaats, die juist
-voor u het meest geschikt is. Voorloopig heeft men u in Syrië nog
-noodig, later trekt gij u, omdat het niet anders zijn kan naar den wil
-der eeuwige goden, op uw erfgoed terug. Gij hebt getoond een man te
-zijn, die den dood niet vreest en weet te dienen, en moogt uw rijkdom
-met uwe vrouw dus veilig genieten."
-
-»Ik heb echter geene vrouw," zeide Paäker.
-
-»Laat dan Katoeti," hernam de stadhouder met een glimlach, »wanneer gij
-terugkeert, het schoonste meisje in het land voor u uitzoeken. Zij ziet
-dagelijks in den spiegel, en heeft dus een scherp oog voor vrouwelijke
-bekoorlijkheid."
-
-Dit gezegd hebbende stond Ani op, groette Paäker met buitengewone
-vriendelijkheid, gaf de weduwe zijne hand en zeide, terwijl hij de
-galerij verliet: »Zend mij heden nog het.... ja het doek door den dwerg
-Nemoe!"
-
-Toen hij al in den tuin was, keerde hij zich nog eens om en riep Paäker
-toe: »Heden avond komen eenige vrienden bij mij eten, ik noodig u uit
-van de partij te zijn!"
-
-De gids boog. Hij had een duister vermoeden, dat hij door onzichtbare
-draden werd omsponnen. Tot deze ure was hij er trotsch op geweest, dat
-hij zich geheel aan zijn ambt had gewijd, en als Mohar dappere daden
-verricht, en nu moest hij ondervinden dat dezelfde koning, wiens
-eereketen zijn hals sierde, hem minachtte, en hem misschien alleen om
-zijns vaders wil in zijn moeitevol en gevaarlijk ambt duldde, hetwelk
-hij vrijwillig en belangeloos op zich genomen had, in weerwil dat zijne
-rijkdommen hem naar Thebe lokten. Hij wist zeer goed, dat hij met het
-schrijfriet zeer onhandig omging, maar dit was geen reden om hem te
-minachten. Honderdmaal had hij gewenscht zijne positie zoo te kunnen
-inrichten, als Ani haar voor hem had afgeteekend. Nochtans was zijn
-verzoek om schrijvers te mogen houden door Ramses afgewezen. Wat hij
-wist te bespieden, was hem geantwoord, moest geheim gehouden worden; en
-niemand kon instaan voor de stilzwijgendheid van een tweede. Toen zijn
-broeder Horus groot was geworden, volgde deze hem als zijn gehoorzame
-dienaar, ook nog nadat hij eene vrouw had genomen, die in Thebe bij
-hunne moeder Setchem met haar kindje achterbleef. Op dit oogenblik
-bekleedde hij in Syrië Paäkers plaats, slecht zooals de gids meende,
-ofschoon hij vele bewijzen van goedkeuring ontving. Want hoe onbeduidend
-overigens, wist hij gladde taal vaardig te schrijven.
-
-De man, die zoo zeer aan de eenzaamheid gewoon was, trok zich geheel in
-zichzelf terug en vergat alles om hem, ook de weduwe, die zich op een
-kussen had nedergevlijd en hem zwijgend gadesloeg. Hij tuurde in de
-ruimte, terwijl allerlei denkbeelden ordeloos zijn hoofd doorkruisten.
-Hij gevoelde zich vreeselijk verongelijkt, en het was of de
-noodzakelijkheid hem was opgelegd een schrikkelijk onheil over anderen
-te brengen. Alles wat hij thans ondervond was zoo onduidelijk en
-nevelachtig. Liefde en haat smolten in zijn binnenste samen. Doch met
-vaste, door geen twijfel geschokte zekerheid, hoopte hij op het bezit
-van Nefert. De goden stonden diep bij hem in schuld! Hoeveel opoffering
-had hij zich niet voor hen getroost, en hoe luttel waren de weldaden,
-die zij hem bewezen hadden! Hij kende maar éene vergoeding voor zijn
-verwoest levensgeluk, en daarop meende hij zoo zeker te kunnen rekenen,
-als op een kapitaal, dat hij tegen goede schuldbekentenissen had
-uitgezet. In deze ure vergalden bittere ervaringen de zoete hoop,
-waarmede hij zich had gevleid, en te vergeefs trachtte hij tot rust en
-klaarheid te komen. Op zulke kruiswegen kon hij van geen amulet, van
-geen vraag- en antwoordspel uitkomst verwachten. Het gold hier te
-overleggen en plannen te smeden, en toch vermocht hij geen enkele goede
-gedachte te vinden, geen aanslag te verzinnen.
-
-Heftig bracht hij de hand aan zijn brandend voorhoofd, en dit deed hem
-ontwaken uit zijn somber gepeins. Op eens herinnerde hij zich waar hij
-zich bevond, en zoowel het gesprek dat hij met de moeder zijner geliefde
-gevoerd, als het woord dat zij tot hem gezegd had. Zeker, zij verstond
-de kunst mannen te leiden. »Zoo moge zij dan voor mij denken," prevelde
-hij in zichzelf; »de uitvoering is mijne zaak."
-
-Langzaam ging hij naar haar toe en zeide: »Het blijft daarbij: wij zijn
-bondgenooten."
-
-»Tegen Ramses en voor Ani," antwoordde zij, hem hare tengere rechterhand
-toestekende.
-
-»Binnen weinige dagen breek ik op naar Syrië; gij kunt onderwijl
-overleggen welken last gij mij hebt op te dragen. Het geld voor uw zoon
-zal heden nog na zonsondergang bij u nedergelegd worden. Kan ik Nefert
-mijn groet brengen?"
-
-»Op dit oogenblik niet, want zij is in den tempel om te bidden."
-
-»Morgen dan?"
-
-»Gaarne, mijn lieve vriend! Het zal haar verblijden u te zien en u te
-danken."
-
-»Vaarwel Katoeti!"
-
-»Noem mij moeder," zeide de weduwe, en zond den vertrekkende nog een
-groet met haar sluier achterna.
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-
-Zoodra Paäker achter de struiken verdwenen was, sloeg Katoeti op eene
-metalen schijf. Dadelijk verscheen er eene slavin, aan welke zij vroeg,
-of Nefert al uit den tempel was teruggekeerd.
-
-»Haar draagstoel hield zooeven stil bij de achterpoort," luidde het
-antwoord.
-
-»Ik wacht haar hier," beval de weduwe.
-
-De slavin verwijderde zich en eenige minuten later kwam Nefert de
-galerij binnen.
-
-»Gij hebt mij geroepen," zeide zij, na hare moeder gegroet en zich op
-haar rustbed nedergevlijd te hebben. »Ik ben moede. Neem den waaier,
-Nemoe, en weer de vliegen van mij af!"
-
-De dwerg zette zich voor haar op een kussen neder en begon den waaier,
-gevormd door struisvederen in een halvemaan gerangschikt, op en neder te
-bewegen. Doch Katoeti belette hem voort te gaan, zeggende: »Laat dat nu,
-wij hebben elkaar alleen te spreken."
-
-Nemoe haalde de schouders op en stond weder op. Nefert zag echter hare
-moeder aan met een blik, waaraan deze geen weerstand kon bieden, en
-zeide op zulk een weeken toon, als hing er haar geluk of ongeluk van af:
-»Laat hem begaan. De vliegen hinderen mij zoo. Nemoe kan toch zwijgen."
-Daarbij vatte zij het groote hoofd van den kleinen man tusschen hare
-handen, alsof het de kop van een schoothondje was. Toen riep zij de
-witte kat, die met een sierlijken sprong op haar schouder wipte, en daar
-met gekromden rug bleef staan, om zich door hare zachte vingers te laten
-streelen.
-
-De dwerg zag zijne meesteres vragend aan; maar deze richtte zich tot
-hare dochter en zeide met nadruk: »Ik heb hoogernstige dingen met u te
-bespreken."
-
-»Zoo?" vroeg de vrouw van Mena. »Maar ik kan mij toch niet door de
-vliegen laten steken. Nu dan, wanneer gij het verlangt...."
-
-»Laat Nemoe dan blijven," zeide Katoeti, en er lag in haar stem iets van
-den toon, waarop eene kindermeid een ongezeglijk kind zijn zin geeft.
-»Hij weet bovendien waarover wij te spreken hebben."
-
-»Ziet gij wel!" hernam Nefert, terwijl zij den kop van haar wit katje
-kuste en den dwerg den waaier weder in de hand gaf.
-
-De weduwe zag hare dochter met oprecht medelijden aan, kwam hare eene
-schrede nader, en gevoelde zich voor de duizendste maal verrast door den
-indruk van hare buitengewone bekoorlijkheid. »Arm kind," zuchtte zij,
-»hoe gaarne zou ik u het schrikkelijke besparen, dat gij toch eens
-hooren, eens ondervinden moet. Laat nu dat kinderachtige spel met die
-kat; ik heb u dingen mede te deelen van vreeselijken ernst."
-
-»Spreek het maar uit," antwoordde Nefert; »heden vrees ik ook het ergste
-niet. Mena's gesternte, heeft de Horoscoop mij gezegd, stond midden
-onder het geluksteeken. In den Besa-tempel[162] raadpleegde ik het
-orakel en vernam, dat het mijn man goed ging. Mijne ziel is geheel
-verruimd door mijne gebeden. Spreek slechts; ik weet het reeds: de brief
-van mijn broeder uit het leger behelsde niets goeds. Eergisteren avond
-hebt gij geweend, en gisteren zaagt ge er zoo slecht uit. Zelfs de
-granaten in uw haar stonden u niet."
-
- [162] Zie boven, bl. 28.
-
-»Uw broeder," sprak Katoeti al zuchtend, »veroorzaakt mij bitter
-verdriet, en wij zouden door hem tot eerloosheid zijn vervallen...."
-
-»Wij? Tot eerloosheid?" vroeg Nefert en greep angstig naar haar katje.
-
-»Uw broeder verloor bij het spel ongehoorde sommen; om ze terug te
-winnen, verpandde hij de mummie zijns vaders...."
-
-»Verschrikkelijk!" riep Nefert. »Dan zullen wij ons tot den koning
-moeten wenden! Ik zelve zal hem schrijven, en om Mena's wil zal hij mij
-hooren. Ramses is groot en edel, en hij zal eene geheele familie, die
-hem zoo trouw aanhangt, niet tot schande laten vervallen, door de
-lichtzinnigheid van een dollen jongen. -- Ja stellig, ik schrijf hem!"
-
-Dat alles zeide zij op een toon van het kinderlijkst vertrouwen. Alsof
-deze aangelegenheid was afgedaan, beval zij Nemoe den waaier wat sneller
-te bewegen.
-
-Verbazing en ontevredenheid over de onnatuurlijke kalmte van hare
-dochter, voerden strijd in het hart van Katoeti. Doch zij hield eene
-berisping op hare lippen terug, en zeide gelaten: »Wij zijn reeds
-geholpen, want mijn neef Paäker, zoodra hij vernomen had welk gevaar ons
-dreigde, bood zijne hulp aan, vrijwillig, zonder daartoe aangezocht te
-zijn, uit de goedheid van zijn hart en uit trouwe gehechtheid."
-
-»Die goede Paäker!" riep Nefert. »Hij had mij zoo lief, en gij weet het,
-moeder, hoe ik hem altijd verdedigd heb. Ongetwijfeld heeft hij thans om
-mijnentwil zoo grootmoedig gehandeld."
-
-De jonge vrouw zeide dit lachend, en vatte haar katje weder bij den kop.
-Zij hield het koele snoetje van het beest tegen haar neus, liet zich
-door zijne groene oogen aanstaren en zeide, de spraak van een kind
-nadoende: »Ziet gij wel, Miauwtje[163], hoe goed men is voor uwe kleine
-meesteres?"
-
- [163] Bij de Egyptenaars heette de kat: Maoe.
-
-Katoeti voelde zich opnieuw beleedigd door dat kinderlijk spel harer
-dochter en zeide: »Ik dacht dat gij niet zoudt spelen en gekheid maken,
-wanneer ik zulke ernstige dingen met u bespreek. Ik heb reeds lang
-opgemerkt, dat het lot van het huis, waartoe gij van vaders- en
-moederszijde behoort, u onverschillig is geworden, en toch zult gij
-onder mijn dak bescherming en liefde moeten zoeken, wanneer uw
-echtgenoot u...."
-
-»Welnu, moeder?" vroeg Nefert, terwijl zij zich oprichtte en sneller
-begon adem te halen.
-
-Zoodra Katoeti bespeurde dat haar kind in beweging werd gebracht,
-gevoelde zij er berouw over, dat zij hare mededeeling niet voorzichtiger
-had ingeleid. Want zij had hare dochter lief en wist dat zij haar hart
-zou wonden. Daarom ging zij voort, op een toon van innige deelneming:
-»Al schertsend hebt ge u zoo even beroemd, dat de menschen goed voor u
-waren, en dat is waar. Gij verovert de harten geheel door uw persoon,
-alleen door te zijn zoo als gij zijt. Mena heeft u zeker ook hartelijk
-lief gehad, maar de scheiding, zegt het spreekwoord, is de vijandin van
-de trouw, en Mena heeft...."
-
-»Wat heeft Mena?" viel Nefert andermaal hare moeder in de rede, en
-daarbij trilden de vleugels van haar fijnen neus.
-
-»Mena heeft," ging Katoeti op vasten en verontwaardigden toon voort, »de
-trouw en achting, die hij u verschuldigd was, geschonden en met voeten
-getreden...."
-
-»Mena?" vroeg de jonge vrouw met vlammende oogen. Zij wierp de kat vrij
-onzacht op den grond, en sprong van haar rustbed op.
-
-»Ja, hij!" zeide Katoeti, zonder te aarzelen. »Uw broeder schrijft,
-dat hij als aandeel in den buit geen zilver of goud, maar de schoone
-dochter van den vorst der Danaërs in zijne tent heeft genomen; die
-eerlooze schelm!"
-
-»Die eerlooze schelm!" riep Nefert, terwijl zij nog eens de laatste
-woorden harer moeder herhaalde.
-
-Katoeti ging met schrik een paar schreden achteruit, want haar zacht,
-lijdelijk, kinderachtig dochtertje stond daar vóor haar bijkans
-onkenbaar veranderd. Zij zag er uit als een wonderschoone wraakgodin.
-Hare oogen fonkelden, haar adem was gejaagd, hare leden beefden, en met
-buitengewone kracht en behendigheid greep zij den dwerg Nemoe bij de
-hand, sleepte hem naar eene der deuren die toegang verleenden tot de
-binnenvertrekken, rukte haar open, duwde den dwerg over den drempel,
-wierp de deur achter hem in 't slot, en trad daarop met doodsbleeke
-lippen hare moeder tegemoet.
-
-»Een eerloozen schelm hebt gij hem genoemd?" riep zij, buiten zichzelve
-van toorn, met eene gedempte heesche stem. »Een eerlooze schelm! Neem
-dat woord terug, moeder! Neem het terug, of...."
-
-Katoeti werd al bleeker en bleeker, en zeide, om het wat goed te maken:
-»Dat woord mag hard klinken, maar hij heeft toch zijne trouwbelofte
-jegens u verbroken en u openlijk beschimpt."
-
-»En dat zal ik gelooven?" hernam Nefert met een honenden lach. »Dat zal
-ik gelooven, omdat de schandelijke jongen dat geschreven heeft, die
-zijns vaders mummie en de eer zijner familie verdobbelde; gelooven,
-nu de ware echte schelm het vertelt, dien een oorveeg van mijn man
-zou dooden? Zie mij aan, moeder! Dat zijn mijne oogen! En al ware dat
-postament daar Mena's tent, en al waart gij Mena, en al leiddet gij de
-schoonste aller vrouwen aan de hand en sleeptet haar in uw verblijf, en
-al zagen deze mijne oogen het een en andermaal, dan zou ik toch lachen,
-gelijk ik nu lach, en zeggen: 'Wie weet wat hij die schoone daar binnen
-te geven of te berichten heeft,' en ik zou geen oogenblik twijfelen aan
-zijne trouw. Want uw zoon is valsch en Mena is oprecht. Osiris is Isis
-ontrouw geworden[164], maar Mena mag de gunsteling zijn van duizend
-vrouwen, in zijne tent zal hij geen andere nemen dan mij."
-
- [164] Plutarchus, Isis en Osiris, c. 14.
-
-»Blijf dan bij deze uwe overtuiging, zoo gij wilt," antwoordde Katoeti
-bitter, »maar laat mij de mijne."
-
-»De uwe?" vroeg Nefert, en haar wangen, zooeven rood van
-verontwaardiging, werden weder bleek. »Wat gelooft gij dan? Van den man,
-die u met weldaden heeft overladen, hoort gij allerliefst het slechtste
-en gemeenste! Hij zou een schurk zijn? Foei, moeder! Hoe kunt gij hem
-een eerloozen schelm noemen, die u met zijn goed naar welgevallen laat
-handelen!"
-
-»Nefert!" riep Katoeti gejaagd. »Ik zal...."
-
-»Doe wat gij wilt," viel de beleedigde vrouw hare moeder in de rede,
-»maar werp geen smet op den grootmoedigen man, die u niet belette zijn
-erfdeel ter wille van uw zoon en uwe eerzucht met schulden te bezwaren.
-Sedert eergisteren weet ik, dat wij niet rijk zijn. Ik heb er over
-nagedacht en mij afgevraagd, waar dan onze koeien en runderen, onze
-schapen en de inkomsten van onze pachters gebleven zijn. Het erfdeel van
-dien schelm was u niet te slecht! Maar dit zeg ik u: ik zou niet waard
-zijn de gade van den edelen Mena te heeten, wanneer ik duldde, dat men
-zijn naam onder zijn eigen dak belastert. Blijf bij uwe overtuiging,
-blijf er bij; doch weet dat dan een van ons beiden dit huis moet
-verlaten, gij of ik...."
-
-Bij deze laatste woorden barstte Nefert in hevig snikken uit. Zij wierp
-zich voor haar rustbed op de knieën, verborg haar aangezicht in de
-kussens en snikte zonder te kunnen ophouden.
-
-Katoeti stond achter haar als verpletterd en radeloos. Eene huivering
-voer door al hare leden. Was dat haar zacht en droomerig kind? Had ooit
-eene dochter gewaagd zóo tegen hare moeder te spreken? Was zij of was
-Nefert in haar recht: Deze vraag drong haar als met onweerstaanbare
-kracht naar het rustbed. Zij knielde naast de jonge vrouw neder,
-sloeg den arm om haar hals, drukte haar hoofd tegen dat van Nefert en
-fluisterde smeekend: »Kind, wat zijt gij hard en wreed! Vergeef uwe
-arme beklagenswaardige moeder, en doe de maat harer ellende niet
-overvloeien."
-
-Nefert stond op, kuste hare hand en ging zwijgend naar haar vertrek.
-Katoeti bleef alleen staan. Het was haar alsof de ijskoude vingers
-van eene doode hand haar hart omklemden, en zij fluisterde zacht in
-zichzelve: »Ani heeft gelijk! Alleen dat keert zich ten goede, waarvan
-men zich het ergste heeft voorgesteld!"
-
-Zij bracht de hand aan het voorhoofd, als kon zij niet gelooven, wat
-zij zich onmogelijk had kunnen voorstellen. Eene stem in haar binnenste
-zeide, dat zij hare dochter volgen moest. Doch in plaats van dit te doen
-verzamelde zij al haar moed, om nog eens alles, wat Nefert haar voor de
-voeten had geworpen, in haar geheugen terug te roepen. Geen enkel woord
-liet zij zich ontgaan, en toen zij ten einde was, prevelde zij: »Zij kan
-alles verijdelen. Ter wille van Mena offert zij mij en de geheele wereld
-op. Mena en Ramses zijn éen, en als zij bemerkt wat wij in het schild
-voeren, dan verraadt zij ons ongetwijfeld. Tot hiertoe geschiedde alles
-onder haar oog, zonder dat zij er iets van gewaar werd, maar heden is
-haar een licht opgegaan; een oog, een mond, een oor zijn geopend, die
-tot dusverre gesloten waren. Het is haar gegaan als den stomme, wien een
-hevige schrik plotseling het spraakvermogen teruggeeft. -- Mijn geliefd
-kind zal mijne bewaakster worden en mijn rechter."
-
-Deze laatste woorden sprak zij niet uit, maar het oor in haar binnenste
-vernam ze. Omdat zij de stem, die haar dit toefluisterde, vreesde en
-de eenzaamheid haar beangstigde, riep zij den dwerg, en beval hem den
-draagstoel gereed te laten maken, daar zij den tempel wilde bezoeken en
-de gewonden, die uit Syrië herwaarts waren gezonden.
-
-»En het doek van den stadhouder?" vroeg Nemoe.
-
-»Was een voorwendsel" antwoordde Katoeti. »Hij verlangt u te spreken
-over hetgeen gij zegt omtrent Paäker te weten gekomen te zijn. Wat is
-dat?"
-
-»Vraag het mij niet," bad de kleine man; »ik mag het waarlijk niet
-verraden. Bij Besa, die ons dwergen beschermt[165], het is beter als gij
-het nog niet te weten komt."
-
- [165] Misschien om zijne pygmeën-gestalte.
-
-»Ik heb heden al nieuws genoeg vernomen," hernam Katoeti. »Ga nu tot
-Ani, en wanneer het u gelukt hem Paäker geheel over te leveren, zoo....
-zoo --, maar ach wat heb ik nog weg te geven, -- zoo zal ik u dankbaar
-zijn. En wanneer wij ons doel bereikt hebben, dan laat ik u vrij en maak
-u rijk."
-
-Nemoe kuste haar gewaad en vroeg fluisterend: »En wat zal het doel
-zijn?"
-
-»Gij weet wat Ani najaagt," antwoordde de weduwe. »Wat mij betreft, ik
-heb maar éen wensch."
-
-»En die is?"
-
-»Paäker in Mena's plaats te zien."
-
-»Aldus ontmoeten onze wenschen elkander," sprak de dwerg, en verliet de
-galerij.
-
-Katoeti zag hem na en prevelde: »Het moet zoo zijn! Want als alles bij
-het oude blijft, en Mena terugkeert en rekenschap vraagt, dan....
-dan. -- Neen de gedachte is niet uit te staan; het mag niet gebeuren!"
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-
-Toen Nemoe, op den terugweg van den stadhouder, bij het huis zijner
-meesteres was gekomen, werd hij door een knaap aangehouden, die hem
-dringend verzocht mede te gaan naar het vreemden-kwartier. De dwerg
-aarzelde een oogenblik, maar de bode toonde hem den ring zijner moeder
-Hekt, die voor eenige zaken in de stad was gekomen en hem begeerde te
-spreken.
-
-De kleine man was vermoeid, want gewoonlijk reed hij. Zijn ezeltje was
-echter dood en Katoeti kon hem geen nieuw geven. De helft van Mena's vee
-was reeds verkocht, en het overige was bijkans onvoldoende voor den
-landbouw. Aan de hoeken van de drukste straten en op de markten stonden
-knapen met grauwtjes, die zij voor een geringen prijs verhuurden[166];
-doch Nemoe had zijn laatsten ring aan een kleed en eene nieuwe pruik
-uitgegeven, ten einde fatsoenlijk gekleed voor den stadhouder te kunnen
-verschijnen. In vroeger dagen was zijne tasch nooit leeg geweest,
-want Mena had hem menig stuk zilver of goud toegeworpen. Maar zijne
-rustelooze en eerzuchtige ziel betreurde het verlies van zulk een
-gemakkelijk leven niet. Met wrok dacht hij aan de jaren van overvloed
-terug, en terwijl hij zich thans al kuchend door het stof voortsleepte,
-gevoelde hij zich groot en tevreden.
-
- [166] In de tegenwoordige Egyptische steden vindt men, in plaats
- van onze huurrijtuigen, gezadelde ezels. Op de gedenkteekenen
- zijn alleen vreemdelingen als op ezels rijdende, afgebeeld.
- Doch bijna alle aanzienlijken tellen in hunne graven, reeds in
- vroeger tijd, hun bezit aan ezels op, dat vaak zeer groot is. Er
- is ook eene voorstelling uit het oude rijk bewaard gebleven,
- die ons een voornaam Egyptenaar vertoond, zittende op een
- draagstoel, op de ruggen van twee ezels bevestigd. Lepsius,
- =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien=. Abth. II, 126.
-
-De stadhouder had hem te woord gestaan, en het was den slimmen dwerg
-weldra gelukt diens oor te boeien. Bij zijne schildering van Paäker's
-waanzinnigen hartstocht hadden Ani van lachen de tranen langs de wangen
-gebiggeld. In zijne overige berichten en vorderingen had het manneke
-zich zeer ernstig en hulpvaardig getoond. Nemoe had het gevoel van eene
-op het land opgegroeide eend, die men voor het eerst in het water zet;
-of van een vogel die in eene kooi is grootgebracht, en nu voor de eerste
-maal vrijheid heeft de vleugels uit te spreiden om te vliegen. Zonder
-klagen zou hij zich dood gezwommen of gevlogen hebben, wanneer de
-toestand waarin hij zich bevond aan zijn ijver en zijn vurige begeerte
-om te handelen, geen perken had gesteld.
-
-Badende in zijn zweet en vol stof kwam hij aan de veelkleurige tent in
-het vreemden-kwartier, waar de tooveres Hekt haar verblijf pleegde te
-houden, als zij naar Thebe kwam. Terwijl hij ingewikkelde aanslagen
-verzon, allerlei mogelijkheden overwoog, en slimme plannen smeedde,
-telkens het al te gewaagde verwerpende, om het door iets meer
-uitvoerbaars en minder gevaarlijks te vervangen, had de kleine staatsman
-geen oog voor het druk gewoel dat hem omgaf[167]. Bij den tempel,
-waarin de lieden uit Kaft[168] hunne Astarte[169] vereerden, en het
-heiligdom van Seth, waarbij zij aan hun Baäls[170] offerden, was hij
-voorbijgegaan, zonder zich te laten storen door het geroep der dansende
-aanbidders, of door het luitspel en het geklank der cymbalen, dat van
-achter hunne ringmuren tot zijn oor doordrong. Ook de tenten en de licht
-en dicht gebouwde houten huisjes der danseressen en lichtekooien trokken
-hem niet aan. De bewoneressen, die des avonds, met bonte kleederen
-getooid en allerlei versiersels behangen, de jongelingen van Thebe tot
-zingenot en zoo menigen dwazen streek wisten te verleiden, sliepen
-bovendien zoolang de zon aan den hemel gloeide. Alleen in de speelhuizen
-ging het ook over dag levendig toe, en de politie-agenten hadden moeite
-den hartstocht der soldaten, die hun geheele aandeel in den buit
-verloren, of de woede der matrozen, die zich bedrogen waanden, in toom
-te houden en bloedige tooneelen te voorkomen. Vóor de kroegen lagen
-eenige beschonkenen, terwijl anderen druk bezig waren, om onophoudelijk
-de bekers te vullen en te ledigen, zich geheel overleverende aan den
-geest van wijn of bier. Van de velerlei muzikanten, goochelaars,
-vuurvreters, jongleurs, slangenbezweerders en paljassen, die des avonds
-hier hunne kunsten vertoonden, was thans niets te bespeuren. Toch geleek
-dit vreemdenkwartier wel eene jaarmarkt, die altijd voortduurde.
-
- [167] Herodotus (II, 112) maakt gewag van een kwartier der
- Tyriërs te Memphis, dat ten zuiden van den tempel van Ptah
- gelegen was, en waarin de "Aphrodite der vreemdelingen" vereerd
- werd. Brugsch heeft dit bericht op het kwartier "auch ta", d. i.
- de wereld des levens, van de Menes-stad toegepast.
-
- [168] Phoenicië.
-
- [169] De Phoenicische godin komt op Egyptische gedenkteekenen
- meermalen in de plaats van Sechet voor (Vgl. blz. 61, v.). In
- Edfoe wordt zij afgebeeld met een leeuwenkop, en staat zij op
- een met paarden bespannen wagen. In den papyrus uit den tijd van
- ons verhaal komt haar naam, dien Ramses II ook aan een zijner
- lievelingspaarden en aan een hond gaf, niet zelden voor.
-
- [170] Volgens den papyrus-Sallier I, koos de Hyksoskoning Apepi
- (Apophis) "Seth tot heer, en hij diende geen anderen god, die
- in Egypte was." Later werd aan de Baäls der Semieten door de
- Egyptenaars zelve de naam van Seth gegeven, gelijk blijkt uit
- het te Karnak wedergevonden vredesverdrag van Ramses II met de
- Cheta, waarin van de eene zijde de verschillende Seth's der
- Cheta, Astarte, enz. en van de andere zijde de Egyptische
- godheden aangeroepen worden. Naast den vorm Seth komt ook die
- van Soetech voor. Over Seth-Typhon raadplege men, behalve het
- oude geschrift van Diestel, Pleyte, =Etudes égyptologiques=;
- Chabas, =Voyage d'un Egyptien=; Ebers, =Aegypten und die
- Bücher Mose=; Brugsch, =Geogr. Inschriften=; E. Meyer in zijne
- dissertatie over Seth. De godsvereering der Phoeniciërs wordt
- het grondigst behandeld in het beroemde werk van Movers. --
- Vgl. Tiele, Vergelijkende gesch. der Egypt. en Mesopotamische
- godsdiensten, St. 3.
-
-Deze genietingen echter, waarvan Nemoe duizendmaal ooggetuige was
-geweest, hadden hem nooit aangelokt. Hij gaf niets om de liefde van
-zulke deernen en de winst bij het spel. Al wat gemakkelijk en zonder
-inspanning te bereiken was door maar plomp toe te grijpen, miste voor
-hem alle bekoorlijkheid. Niet dat hij bang was voor den ruwen spot dier
-deernen en die haar bezochten, integendeel, nu en dan ging hij uit eigen
-beweging er heen omdat hij behagen schepte in woordentwist, en zich
-overtuigd hield dat er niemand in Thebe leefde, die tegenover hem het
-laatst aan het woord kon blijven. Vele vreemdelingen waren dit geheel
-met hem eens, en nog kort geleden had Paäker's hofmeester van Nemoe
-gezegd: »Onze tongen zijn stokken, maar die van den kleine is een dolk."
-
-Het doel waarop de dwerg regelrecht afging was eene groote bontkleurige
-tent, die echter door niets zich onderscheidde van vele gelijksoortige
-in de nabijheid. De opening, die tot het binnengedeelte toegang
-verleende, was breed en thans gesloten door een stuk linnen, dat de
-plaats van eene deur verving. Nemoe schoof tusschen den wand van de
-tent en de beweeglijke sluiting behendig door, en kwam in een bijna
-cirkelvormige veelzijdige ruimte, welker kegelvormig dak op een langen
-stok als op een zuil rustte. Op den stoffigen grond van dit vertrek
-lagen afgedankte stukken tapijt, waarop eenige jonge vrouwen in
-kleederen van allerlei kleur neergehurkt zaten, terwijl eene oude vrouw
-ijverig met het toilet dier dames bezig was. Zij verfde de nagels van
-vingers en teenen met oranjekleurige hennah, maakte hare wenkbrauwen en
-oogleden zwart met mestem[171], ten einde haar blik des te helderder zou
-uitkomen, blankette de wangen met rood en wit poeder en zalfde de haren
-met welriekende olie. Het was snikheet in deze tent en geen van de
-meisjes sprak een woord. Zij lieten zich door de oude stil onder handen
-nemen zonder zich te verroeren. Van tijd tot tijd greep deze of gene
-eene der op den grond staande poreuse aarden waterkruiken om te
-drinken, of opende een doosje, om een nieuw kyphi-balletje[172] op de
-lippen te leggen. Tegen de wanden lagen verschillende soorten van
-muziekinstrumenten, als handtrommels, fluiten, lieren en een viertal
-tamboerijnen op den grond. Op het kalfsvel van eene der laatsten,
-tusschen den rand met rinkelbellen, sliep eene kat, welker aardige
-jongen met het klokje van eene andere tamboerijn speelden. Door eene
-kleine achterdeur van de tent ging eene oude negerin af en aan, omgeven
-door een zwerm vliegen en muggen, om de schotels met overblijfselen van
-spijzen, granaatappel-schillen, broodkruimels en knooflookstengels op
-te ruimen, die van den reeds voor eenige uren afgeloopen maaltijd der
-meisjes op een der tapijten waren blijven staan of liggen.
-
- [171] Stibium of spiesglas. Zie boven, blz. 60.
-
- [172] Zie boven, blz. 76.
-
-De oude Hekt zat ver van deze deernen op eene bontbeschilderde kist. Zij
-haalde een pakje uit hare tasch en riep de dienstmaagd toe: »Daar, neem
-dit reukwerk en verbrand ervan zes korrels, dan zal het ongedierte" --
-zij wees op de vliegen, die om het bord in hare hand gonsden -- »wel
-verdwijnen. Als gij het verlangt, verjaag ik ook muizen en lok de
-slangen uit hunne gaten, veel beter dan eenig priesterlijk arts."[173]
-
- [173] In den papyrus-Ebers vindt men voorschriften tot het
- verdrijven van al dit schadelijk gedierte.
-
-»Houd uwe toovermiddelen voor u zelve," zeide een der meisjes met
-heesche stem. »Sedert gij de tooverwoorden over mij gesproken en
-mij dien drank ingegeven hebt, om mij weder slank te doen worden en
-lenig, kan ik 's nachts niet slapen van het hoesten, en word ik door
-vermoeidheid overvallen, zoo vaak ik dans."
-
-»Maar ge zijt toch slank geworden," antwoordde Hekt, »en eerlang zult
-gij ook niet meer hoesten."
-
-»Omdat zij dood zal zijn," fluisterde de negerin de tooveres toe. »Ik
-weet dat, zoo eindigen de meesten."
-
-Nemoe's moeder haalde de schouders op. Zoodra zij den dwerg de tent zag
-binnensluipen, verhief zij zich van haren zetel. Ook de deernen merkten
-den kleine op, en maakten dat onbeschrijfelijk geluid, niet ongelijk
-aan het kakelen van hoenders, dat de oostersche vrouwen bij elke
-gemoedsaandoening plegen uit te stooten[174].
-
- [174] Het zoogenaamde zagarit.
-
-De dwerg was voor de meisjes geen onbekende, want in hare tent hield
-zijne moeder zich op, zoo vaak zij in Thebe kwam. Een van de vroolijkste
-riep daarom: »Ge zijt grooter geworden sedert uw laatste bezoek,
-kleintje!"
-
-»Gij ook," haastte Nemoe zich te antwoorden, »maar alleen wat je mond
-aangaat."
-
-»En je zijt zoo ondeugend als je klein zijt," zeide het meisje op haar
-beurt.
-
-»Dan beteekent mijne boosheid niet veel," hernam de dwerg lachend, »want
-ik ben bijzonder klein en laag bij den grond. Heil u, meisjes! Besa
-helpe u bij uw toilet! Wees gegroet, moeder. Gij hebt mij laten roepen?"
-
-De oude knikte; de dwerg ging naast haar op de kist zitten en zij
-begonnen zamen te fluisteren.
-
-»Wat ziet ge er stoffig en vermoeid uit," zeide Hekt. »Ik begin waarlijk
-te gelooven, dat ge in de brandende zonnehitte te voet zijt uitgegaan."
-
-»Mijn ezel is dood," antwoordde Nemoe, »en ik heb geen geld om zulk een
-rijdier te huren."
-
-»Een fraai begin voor uwe toekomstige heerlijkheid," grinnikte de oude.
-»Wat hebt gij nu gedaan?"
-
-»Paäker heeft ons gered," antwoordde de dwerg, »en ik kom juist terug
-van een lang gesprek met den stadhouder."
-
-»Welnu?"
-
-»Hij zal uw vrijbrief vernieuwen, wanneer gij den gids in zijne handen
-levert."
-
-»Goed, heel goed! Ik zou wel wenschen dat hij besloot mij op te zoeken,
-natuurlijk verkleed; ik kon dan...."
-
-»Hij is bang, en wanneer ik hem zoo iets onuitvoerbaars wilde aanraden,
-zou hij het niet slim overleggen."
-
-»Hm," bromde de oude, »ge kunt misschien gelijk hebben; want wie
-dikwijls wat te vragen heeft, mag niet meer vorderen dan men geven kan.
-Een onbeschaamd verlangen beneemt een goedgunstig gever dikwijls den
-lust om een verzoek in te willigen. Nu, we zullen zien, we zullen zien.
-Wat is er verder gebeurd?"
-
-»Het leger van den stadhouder heeft de Ethiopiërs geslagen en brengt
-rijke schatten naar Thebe."
-
-»Daar kan men de lieden mede koopen," prevelde de oude. »Goed, goed!"
-
-»Paäkers zwaard is geslepen. Ik geef voor het leven van mijn meester
-niet meer dan ik in mijn zak heb, en ge weet waarom ik te voet door het
-stof hierheen gekomen ben."
-
-»Nu kunt gij ten minste terugrijden," antwoordde Hekt, terwijl ze den
-kleine een zilveren ringetje gaf. »Heeft de gids uwe meesteres Nefert
-wedergezien?"
-
-»Er zijn zonderlinge dingen gebeurd," zeide de dwerg, die hierop
-aan zijne moeder vertelde, wat er tusschen Katoeti en Nefert was
-voorgevallen. Nemoe was een goede luistervink, want van het gehoorde had
-hij geen woord vergeten.
-
-De oude luisterde met gespannen opmerkzaamheid. »Zie, zie!" prevelde
-zij, toen Nemoe zweeg. »Dat is dan toch ook eens iets ongewoons. Wat er
-soms in een mensch omgaat ziet er even walgelijk uit, hetzij hij in een
-paleis of in eene hut woont. De moeders zijn allen als de apen, zij
-laten zich met welgevallen ten doode kwellen door hare kinderen, die er
-haar waarlijk niet dankbaar voor zijn, en de vrouwen zijn gewoon hare
-oogen wijd te openen, wanneer men haar van het slechte leven harer
-echtgenooten vertelt. Doch met uwe meesteressen is het iets anders!"
-
-Hekt zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en vervolgde: »Wel
-beschouwd laat zich ook dit zeer eenvoudig verklaren, en het is niet
-vreemder dan het gapen der vermoeide deernen daarginds. Gij hebt mij
-eens verteld, dat het zoo'n trotsch gezicht was, moeder en dochter
-naast elkander op den wagen te zien staan, wanneer zij naar feesten en
-panegyriën[175] rijden. Katoeti, zeidet ge, droeg dan ook zorg, dat er
-overeenstemming was tusschen de kleuren van haar gewaad en de bloemen
-in haar kapsel. Voor welke van beide wordt bij zulke gelegenheden de
-kleeding het eerst gekozen?"
-
- [175] Feestverzamelingen met daaraan verbonden jaarmarkten.
-
-»Altijd voor meesteres Katoeti, die niet afgaat van zekere bepaalde
-kleuren," antwoordde Nemoe haastig.
-
-»Ziet gij," zeide de heks met een lachje, »dat moet zoo zijn. Deze
-moeder denkt altijd het eerst aan zichzelve, en aan dingen die zij zich
-ter bereiking heeft voorgesteld. Doch die hangen hoog, en dan treedt zij
-op alles wat zij bij de hand heeft, zelfs op haar kind, om ze te kunnen
-grijpen. Zij stuurt Paäker op den hals van Mena, zoo waarachtig als mijn
-oor suist. Want die vrouw zou in staat zijn voor de oogen harer dochter
-mora-spel te spelen[176], en haar aan dien lammen hazewind daar uit te
-huwen, wanneer ze langs dien weg hare eerzuchtige plannen bereiken kon."
-
- [176] Zie boven, blz. 45.
-
-»Maar Nefert?" vroeg de kleine. »O, gij hadt haar moeten zien. Het
-duifje was eene leeuwin geworden."
-
-»Omdat zij Mena liefheeft, gelijk haar moeder zichzelve," antwoordde de
-oude. »De dichters zouden zeggen: 'zij is vol van hem.' Dat is op haar
-volkomen van toepassing. Er blijft geen plaats over voor iets anders.
-Zij wil maar éen ding bezitten, en wee hem die het durft aan te tasten!"
-
-»Ik heb ook wel verliefde vrouwen gezien," zeide Nemoe, »maar...."
-
-»Maar," herhaalde de oude, en lachte daarbij zoo hard, dat de deernen
-zich omkeerden. »Maar die zetten een heel ander gezicht dan uwe
-meesteres Nefert, niet waar? Dat wil ik wel gelooven, en onder duizenden
-is er niet éene zoo door deze ziekte aangegrepen, die vlijmender smarten
-veroorzaakt dan Koeschitisch pijlenvergif in eene opene wond, die
-sneller om zich grijpt dan de vlam, en moeielijker te genezen is dan de
-tering, waaraan dat hoestende meisje ginds sterven zal. Hij wien deze
-kweldemon beheerscht is ellendiger dan een verdoemde, of ook...." en bij
-deze woorden daalde haar stem -- »gelukzaliger dan de goden, zooveel er
-maar zijn. Ik weet dat alles -- alles, want ook ik was eene bezetene
-onder de duizend. En nu, heden...."
-
-»Nu?" vroeg de dwerg.
-
-»Gekheid!" mompelde de heks, en zij rekte zich uit, alsof zij uit den
-slaap ontwaakte. »Onzin! Hij, op wien ik doel, is sedert lang gestorven.
-En al ware het niet zoo, het is mij onverschillig. Alle mannen gelijken
-op elkander, en Mena zal wel niet verschillen van de overigen."
-
-»De gids Paäker wordt toch zeker door den demon beheerscht, dien gij
-daar geschilderd hebt?" vroeg de kleine.
-
-»'t Kan zijn," antwoordde de oude; »maar hij zal eigenzinnig blijven, op
-gevaar af van krankzinnig te worden. Op dit oogenblik zou hij zijn leven
-wagen, om te bereiken wat hem ontzegd is. Als uwe meesteres Nefert zijne
-vrouw was, mogelijk zou hij dan wat tot bedaren komen. -- Maar waartoe
-al die praatjes! Ik moet nog daarginds in de gouden tent zijn, waar
-thans alles bijeen is wat geld in den buidel heeft, om met de waardin
-te spreken...."
-
-»Wat wilt gij van haar?" vroeg Nemoe.
-
-»De kleine Warda aan de overzijde," luidde het antwoord, »zal weldra
-geheel hersteld zijn. Gij hebt haar ook weer gezien. Is zij niet schoon
-geworden, buitengewoon schoon? Nu wil ik zien wat de waardin mij biedt,
-wanneer ik haar dat kind lever. Zij is met de voeten zoo vlug als eene
-gazel, en wanneer zij goed wordt geoefend, kan zij den dans in weinige
-weken leeren."
-
-Nemoe verbleekte, en zeide zonder aarzelen: »Dat zult gij niet doen!"
-
-»Waarom niet," vroeg de oude; »wanneer er goed wat mede te verdienen
-is?"
-
-»Wijl ik het u verbied," fluisterde de dwerg met heesche stem.
-
-»Kijk nu eens aan!" sprak de tooveres lachend. »Gij moest mijne Nefert
-zijn, dan zou ik voor hare moeder Katoeti spelen! Maar in ernst
-gesproken; hebt gij de kleine weergezien en begeert gij haar voor
-uzelven?"
-
-»Ja," antwoordde Nemoe. »Als wij ons doel bereiken, laat Katoeti
-mij vrij en maakt ze mij rijk. Dan koop ik van buurman Pinem zijne
-kleindochter en neem haar tot vrouw. Ik bouw een huisje voor ons in de
-nabijheid van het gerechtshof, en sta den aanklagers en aangeklaagden
-met mijn raad ter zijde, gelijk de gebochelde Sent, die thans op zijn
-eigen wagen door de straten rijdt."
-
-»Hm," zeide de oude. »Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, maar misschien is
-het te laat. Het meisje sprak in hare ijlende koorts van den priester
-uit het Seti-huis, die haar op bevel van Ameni bezocht. Dat is een
-deftig jongman, die zeker veel belang in haar stelt. Hij is de zoon van
-een hovenier, zij noemen hem Pentaoer."
-
-»Pentaoer?" vroeg de kleine, »Pentaoer? Deze heeft geheel de trotsche
-houding en het aangezicht van den gestorven Mohar en wil de hoogte in.
-Maar zij zullen hem spoedig den hoogmoedigen nek breken."
-
-»Des te beter," hernam de oude. »Warda zou eene beste vrouw voor je
-zijn. Zij is goed en bescheiden; en men kan niet weten...."
-
-»Wat?" vroeg de dwerg.
-
-»Wie hare moeder is geweest. Want zij is geene van de onze. Zij is uit
-den vreemde hierheen gekomen, en men heeft een edelgesteente bij haar
-gevonden met zonderling schrift. Zoodra zij de uwe is, moeten wij het
-aan de krijgsgevangenen laten zien, want misschien weet een hunner de
-vreemdsoortige letterteekens te verklaren. Zij is van goeden huize, dat
-weet ik zeker, want Warda is het sprekend evenbeeld harer moeder, en
-reeds toen zij ter wereld kwam, zag zij er uit als een kind van een
-aanzienlijke. -- Lacht gij daarom, gek? Duizend zuigelingen zijn door
-mijne handen gegaan, en al brengt men ze in lompen gewikkeld tot mij,
-zoo weet ik toch te onderscheiden, of hunne ouders tot de grooten of
-tot de kleinen in den lande behooren. De bouw van den voet en andere
-kenteekenen verraden het dadelijk. -- Warda mag nu blijven waar zij is,
-ik zal u helpen. Zoodra er zich iets nieuws opdoet, laat het mij weten."
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-
-Toen Nemoe, ditmaal op den rug van een ezel, terugkeerde, vond hij noch
-zijne meesteres, noch Nefert te huis. De eerste had zich naar den tempel
-en vervolgens naar de stad begeven, terwijl Nefert, den onweerstaanbaren
-drang van haar hart volgende, tot hare vorstelijke vriendin Bent-Anat
-was gegaan.
-
-Het koninklijk paleis geleek meer op eene kleine stad dan op een
-huis[177]. De vleugel waarin de stadhouder zijne residentie hield, en
-dien wij reeds betreden hebben, lag naar de landzijde; de gebouwen
-daarentegen, die de koning met zijne familie bewoonde, waren naar de
-zijden van den stroom gekeerd. Voor den schipper, die de woonplaats der
-pharao's voorbij voer, zag zij er schitterend en tegelijk vriendelijk
-uit, want het gebouw verhief zich niet als éen ontzaglijk lichaam midden
-uit groote tuinen, maar het bestond uit velerlei geledingen van allerlei
-vormen. Aan het grootste gebouw, waarin zich de pronk- en feestzalen
-bevonden, sloten zich onder dezelfde afmetingen aan beide zijden drie
-rijen paviljoenen aan van verschillende grootte. Zij waren onderling
-verbonden door zuilengangen of bruggen, waaronder de waterleidingen
-liepen, die de tuinen besproeiden, en het paleis het aanzien gaven van
-eene stad op een eiland. Alle deelen van het slot waren uit lichte
-Nijltegels en sierlijk gebeeldhouwd houtwerk opgetrokken. Van dezelfde
-steensoort was ook de ringmuur gebouwd, welks toegangen waren afgesloten
-door hooge poortgebouwen, waarvoor zwaar gewapende soldaten op wacht
-stonden. De muren en pijlers, de balkons en zuilengalerijen, ja zelfs
-de daken waren met veelkleurig schilderwerk bedekt. Bij alle poorten
-stonden lange masten, waaraan roode en blauwe vanen wapperden, als de
-koning hier verblijf hield. Thans stonden zij met hunne ijzeren punten,
-die voor bliksemafleiders moesten dienen[178], kaal in de lucht. Ter
-rechterzijde van het hoofdgebouw lagen de verblijven der koninklijke
-vrouwen, geheel door dicht plantsoen omringd. Sommige woningen
-spiegelden zich in het water, dat haar op korter of verder afstand
-omgaf. Bij dit gedeelte van het paleis werden de koninklijke
-voorraadschuren gevonden in onafzienbare rijen, terwijl achter het
-middengebouw, waar de pharao woonde, de kazernen van de lijfwachten en
-de schatkamers stonden. De linkervleugel eindelijk van het slot, was
-voor de hofbeambten, de ontelbare bedienden, de paarden en de wagens van
-den monarch ingeruimd.
-
- [177] De meening, die in vele boeken wordt weergevonden, dat
- namelijk de tempels tegelijk de paleizen der vorsten zijn
- geweest, is onjuist. Van goed onderhouden tempels, zooals die
- van Dendera en Edfoe, kennen wij de bestemming van alle zalen,
- die alle tot godsdienstige doeleinden gebruikt werden. De
- gedenkteekenen leeren, dat ook de koningen in uitgebreide, door
- tuinen omgeven en uit lichte materialen opgetrokken gebouwen
- woonden. De paleizen geleken op de huizen der aanzienlijken,
- maar waren grooter dan deze. Zie boven blz. 90.
-
- [178] Volgens een, voor het eerst door Dümichen medegedeeld
- opschrift te Dendera.
-
-Niettegenstaande 's konings afwezigheid, heerschte er leven en
-bedrijvigheid in het paleis van Ramses, want honderden tuinlieden
-begoten de grasperken, de bloemranden, de heesters en de boomen.
-Soldaten van de wacht marcheerden af en aan, paarden werden opgetuigd en
-afgereden, en in den vleugel der vorstelijke vrouwen bewogen zich als in
-eene bijenkorf dienstmaagden en slaven, hofbeambten en priesters her- en
-derwaarts.
-
-Nefert was in dit gedeelte van het slot goed bekend. De koninklijke
-garden en deurwachters lieten haar draagstoel, onder eerbiedige
-buigingen met het bovenlichaam, onaangeroepen voorbijgaan. In den
-tuin werd zij ontvangen door een kamerheer, die haar naar den
-ceremoniemeester bracht. Deze geleidde haar, na haar even te hebben
-aangemeld, in het vertrek van Ramses' lievelingsdochter.
-
-Bent-Anat's woning lag op de eerste verdieping van het paviljoen, dat
-het naastgelegen was bij het huis van den pharao. Hare overledene
-moeder had dit vriendelijk vertrek bewoond, doch nadat de prinses eene
-volwassene jonkvrouw was geworden, wenschte de koning niets liever dan
-haar in zijne nabijheid te hebben. Hij schonk haar dus het schoone
-verblijf der te vroeg ontslapene, en tevens, want zij was de oudste
-zijner dochters, menig voorrecht, dat anders alleen aan koninginnen werd
-toegestaan.
-
-Het ruime vertrek, waarin Nefert Bent-Anat aantrof, was naar den stroom
-gekeerd. Eene deuropening, die enkel door een dun voorhangsel was
-gesloten, gaf toegang tot een lang balkon met eene kunstig uit verguld
-koper vervaardigde balustrade, omslingerd door leirozen met bleekroode
-bloemen. Even vóor de vrouw van Mena den drempel overschreed, liet de
-prinses door eenige slavinnen het ruischend gordijn openschuiven. Want
-de zon neigde naar het westen; het begon koeler te worden, en Bent-Anat
-zat gaarne in dit uur op haar balkon, ten einde met eerbiedig gevoel het
-scheiden van Ra te aanschouwen, die elken avond als grijze Toem[179]
-achter de Nekropolis onder den westelijken horizon wegdook, om in de
-onderwereld de gezaligden te verlichten.
-
- [179] Zie boven, blz. 4.
-
-Nefert's woonvertrek was oneindig sierlijker gemeubeld dan dat der
-prinses. Hare moeder en Mena hadden haar met duizenden fraaie voorwerpen
-omgeven. Hare tapijten waren van hemelsblauw met zilverdraad doorwerkt
-brocaat van Damascus; hare stoelen en het rustbed waren overtrokken met
-eene stof, door Ethiopische vrouwen uit vederen vervaardigd, zoodat zij
-er uitzagen als de borst van een veelkleurigen vogel. Het beeld van de
-godin Hathor op haar huisaltaar bestond uit nagemaakt smaragd, dat
-men mafkat noemde, en de overige kleine godenbeeldjes, die naast hare
-patrones stonden, uit lazuursteen, malachiet, agaat en met goud ingelegd
-brons. Op haar toilettafel stond eene verzameling van zalfdoozen en
-schalen van ebbenhout en elpenbeen, uitmuntende door het fijnste
-snijwerk. Alles was daar even keurig geordend en paste geheel bij
-Nefert's persoon.
-
-Ook de woning van Bent-Anat was overeenkomstig haar karakter. De
-vertrekken waren hoog en luchtig, en het huisraad dat men er in aantrof
-was kostbaar maar eenvoudig. Het benedendeel der wanden was met koele
-tegeltjes van fijn wit en violet porselein belegd, van welke elk eene
-ster voorstelde, en die te zamen smaakvolle figuren vormden. Verder naar
-boven waren de muren met dezelfde schoone donkergroene stof van Saïs
-behangen, waaruit ook de overtrekken der lange divans aan de wanden
-bestonden. Midden in dit vertrek stonden rieten stoelen en tabouretten
-rondom eene zeer groote tafel. De verschillende andere kamers, die zich
-bij dit middenvertrek aansloten, zagen er allen even deftig, aanzienlijk
-en harmonisch uit; zij lieten dadelijk bespeuren, dat de bewoonster
-weinig liefhebberij had in onbeduidende sieraden, maar des te meer in
-fraai ontwikkelde planten, waarvan men bij uitnemendheid schoone en
-zeldzame exemplaren, trapsgewijze met zekere kunstvaardigheid geordend,
-in de hoeken van meer dan eene kamer kon zien. In andere vertrekken
-waren de hoeken aangevuld door hooge ebbenhouten voetstukken in den vorm
-van obelisken, die kostbare reukschalen droegen, want alle Egyptenaars
-hielden bijzonder van reukwerken; bovendien schreven de artsen voor
-daarmede de woningen te berooken. Haar eenvoudig slaapvertrek zou een
-koningszoon, die veel hield van bloemen te kweeken, als verblijf zeker
-evenzeer hebben aangestaan als eene vorstelijke jonkvrouw. Bent-Anat
-verlangde vóor alles lucht en licht. Alleen als de stand van de zon het
-dringend vorderde, werden de voorhangsels van venster- en deuropeningen
-gesloten, terwijl Nefert's woning van 's morgens vroeg tot 's avonds
-laat in een schemerachtig halfdonker verkeeren moest.
-
-De prinses ging de vrouw van Mena, die aan den drempel der kamer diep
-voor haar boog, met hartelijkheid te gemoet, nam haar met de rechterhand
-bij de kin, drukte eene kus op haar fijn smal voorhoofd en zeide: »Komt
-gij, mijne beste, nu eindelijk eens ongenoodigd tot mij in mijne
-eenzaamheid? Dat is waarlijk voor het eerst, sedert de mannen weder ten
-krijg trokken. Als de dochter van Ramses u laat roepen, en gij niet
-weigeren moogt, ja dan verschijnt gij; maar vrijwillig...."
-
-Nefert sloeg hare groote, door tranen bevochtigde oogen smeekend op, en
-haar blik was zoo onweerstaanbaar, dat Bent-Anat hare toespraak afbrak,
-en terwijl zij Nefert's beide handen greep, uitriep: »Weet gij, wie
-juist zulke oogen moet gehad hebben als gij? De godheid, naar ik meen,
-uit wier op aarde nedergevallen tranen de bloemen zijn ontstaan."
-
-De vrouw van Mena sloeg de oogen weder neder, zag blozend naar den grond
-en lispelde: »Ik wenschte wel, dat ik deze oogen voor altijd sluiten
-kon, want ik voel mij recht ongelukkig." Onder deze woorden biggelden
-twee groote tranen over hare wangen.
-
-»Wat is u toch overkomen, mijne liefste?" vroeg de prinses met
-deelneming, terwijl zij haar als een ziek kind met de rechterhand nader
-tot zich trok.
-
-Nefert zag angstig om naar den ceremoniemeester en de vrouwen van den
-hofstoet, die het vertrek met haar betreden hadden. Bent-Anat begreep
-dezen wenk, en verzocht allen, die op hare bevelen stonden te wachten,
-haar te verlaten. Toen zij met hare vriendin alleen was, zeide zij:
-»Spreek nu vrij! Wat maakt uw hart zoo bekommerd? Hoe komt deze
-smartelijke trek op uw lief kinderlijk gelaat? Zeg het mij en ik wil u
-troosten, en gij zult weder mijn vroolijk zorgeloos popje worden!"
-
-»Uw popje!" herhaalde Nefert, en er was onwil in hare oogen te lezen.
-»Maar gij hebt recht mij zoo vernederend te noemen, want ik verdien geen
-beteren naam. Zoolang ik toch leef heb ik mij laten welgevallen, niet
-anders dan een speelgoed van de mijnen te zijn."
-
-»Maar Nefert, ik herken u niet meer!" riep Bent-Anat. »Is dat mijne
-zachte vriendelijke droomster?"
-
-»Dat is het woord wat ik zocht," zeide Nefert zacht. »Ik heb geslapen
-en gedroomd, en altijd maar voortgedroomd, tot Mena mij wekte, en toen
-hij mij verliet ben ik weder ingeslapen. Nu lag ik reeds twee jaren te
-droomen, doch ik ben uit den slaap wakker geschrikt, zoo hard en ruw,
-dat ik nergens meer rust kan vinden."
-
-Onder het uitspreken dezer woorden welden onophoudelijk groote tranen in
-hare oogen. Bent-Anat werd zoo diep bewogen door alles wat zij zag en
-hoorde, als ware de vrouw van Mena haar eigen lijdend kind. Met zachte
-hand trok zij de jonge vrouw op den divan neer, zette zich naast haar en
-hield niet op, voordat Nefert haar vergunde een blik in haar gemoed te
-slaan en de diepte harer ellende te peilen.
-
-Het was Katoeti's dochter in de laatste uren gegaan als een blinde,
-die op eens het vermogen om te zien terug ontvangt. Hij aanschouwt het
-glanzend licht der zon en rondom hem de velerlei gestalten van het
-geschapene, maar de stralen der dagvorstin verblinden zijn oog, en de
-nieuwe vormen, die hij als bij voorgevoel met zijne ziel had gezocht en
-zich nu in al hunne ruwe werkelijkheid aan hem opdringen, beangstigen en
-pijnigen hem. Heden voor het eerst had zij zich afgevraagd, waarom toch
-het bestuur van het huis, waarvan zij de meesteres heette[180], aan hare
-moeder en niet aan haar was opgedragen. Het antwoord luidde: »Omdat Mena
-u niet in staat acht te denken en te handelen." Menigmaal had hij haar
-zijn roosje genoemd, en nu gevoelde zij, dat zij niet meer en niet beter
-was dan eene bloem, die bloeit en verwelkt, en alleen door hare bonte
-blaadjes de oogen verkwikt.
-
- [180] Meesteres des huizes is de gewone titel der vrouwen van
- aanzienlijke Egyptenaars.
-
-»Mijne moeder," zeide zij tot Bent-Anat, »heeft mij ongetwijfeld lief,
-maar zij heeft het goed van mijn echtgenoot slecht bestuurd, zeer slecht
-zelfs, en ik ellendige sliep en droomde van Mena, en zag noch hoorde wat
-er met zijn, met ons erfdeel geschiedde. Thans wordt mijne moeder bang
-voor mijn gemaal, en wien men vreest, zoo zeide mijn oom, dien kan men
-niet liefhebben. Heeft men iemand niet lief, dan is men gaarne bereid
-het kwade van hem te gelooven. Zoo komt het, dat zij het oor leent aan
-praatjes van lieden, die Mena belasteren en van hem berichten, dat hij
-mij uit zijn hart verstooten en eene vreemde vrouw in zijne tent genomen
-heeft. Maar dat is valsch, dat is gelogen, en ik kan, ik wil het
-gelaat van mijne eigene moeder niet zien, wanneer zij het eenige wat
-mij overblijft, wat mij staande houdt, den adem en het bloed mijns
-levens, de liefde, de vurige liefde van mijn echtgenoot beleedigt en
-schandvlekt."
-
-Bent-Anat had haar aangehoord, zonder haar in de rede te vallen. Een
-tijd lang bleef zij zwijgend naast haar zitten. Eindelijk sprak zij:
-»Kom buiten op het balkon: daar wil ik u zeggen, hoe ik erover denk, en
-misschien geeft Toth mij een raad in het hart, die u helpen kan. Ik heb
-u lief en ken u door en door. Ben ik al niet wijs, zoo heb ik toch opene
-oogen en eene krachtige hand. Neem haar aan, en volg mij nu op het
-balkon."
-
-Een verkwikkende luchtstroom kwam over den vloed de vrouwen tegen, toen
-zij naar buiten traden. Het was reeds avond geworden, en eene aangename
-koelte volgde op de hitte van den dag. Reeds wierpen de groote gebouwen
-en de huizen langere schaduwen, en werd de Nijl, die met majesteit zijne
-hooggezwollen wateren naar het noorden stuwde, bevolkt door tallooze
-booten, die de uit de Nekropolis terugkeerenden overbrachten. Rondom
-lag de groene tuin, waaruit geurige rozentakken opklommen tot aan het
-traliewerk van het balkon. Een beroemd kunstenaar had dien hof reeds
-aangelegd in de dagen van Hatasoe, en het tafereel, dat hij in zijne
-verbeelding had aanschouwd, toen hij de zaden in den grond strooide en
-de jonge twijgjes plantte, was nu, vele tientallen jaren na zijn dood,
-tot werkelijkheid geworden. Hij had zich zijn aanleg als een tapijt
-voorgesteld, waarop de talrijke gebouwen van het paleis moesten rusten.
-Wateraderen, in velerlei bochten geslingerd en waarin witte zwanen
-zwommen, vormden tegelijk de omtrekken der verschillende partijen, en de
-figuren die zij begrensden waren als geschaduwd met planten van allerlei
-grootte, vorm en kleur. De grond van het weefsel bestond overal uit
-schoone oppervlakten van zachtgroene grasperken, waarop de volle
-bontkleurige bloembedden en heestergroepen in gelijkmatige orde waren
-aangebracht, terwijl de oude hooge en vreemde boomen, van welke
-Hatasoe's schepen er vele uit Arabië naar Egypte hadden gebracht[181],
-aan het geheel een zekeren ernst en deftigheid gaven. Op de bladeren der
-boomen, de bloesems en grashalmen vonkelden thans heldere druppels, want
-even te voren had men den geheelen aanleg met frisch water begoten.
-
- [181] In den tempel van Hatasoe te Der el Bahri, vindt men de
- afbeelding van in kuipen naar Egypte gebrachte Neha-boomen.
-
-Van Bent-Anat's balkon kon men aan gene zijde een eiland opmerken, door
-een arm van den Nijl gevormd, met het goed onderhouden heilige bosch van
-Amon. Ook de Nekropolis was juist van hier goed te overzien. Daar waren
-de sphinxen-lanen, die van de landingsplaats der feestbarken, naar
-de reusachtige bouwwerken van Amenophis III met hunne kolossen, de
-grootsten van Thebe, het Seti-huis en den tempel van Hatasoe, leidden.
-Ginds lagen de uitgestrekte werkplaatsen van de balsemers en de dicht
-met huizen bezette straten van de doodenstad. In het verre westen rezen
-de Libysche bergen omhoog, met hunne tallooze groeven, en daarachter,
-hoewel voor het oog verborgen, breidde zich in een grooten boog het dal
-der koningsgraven uit.
-
-Zwijgend staarden de vrouwen naar het westen. De zon begon reeds
-den horizon te naderen; nu bereikte zij dien; daar zonk zij
-achter het gebergte weg. Terwijl de hemel schitterde met allerlei
-kleurschakeeringen van helder goud, van vonkelende robijnen, aan
-gesmolten granaten en amethisten gelijk, weerklonken uit alle tempels
-weldra de avondliederen. De beide vriendinnen zonken op hare knieën,
-verborgen haar aangezicht in de rozenguirlandes, die zich door de
-balustrade slingerden, en baden uit den diepsten grond harer harten.
-Toen zij weder opstonden, breidde de nacht reeds zijne vleugelen uit.
-Want in Thebe duurt de schemering kort. Slechts hier en daar dreef nog
-een roodachtig wolkje aan den al donkerder wordenden hemel, dat geheel
-verbleekte toen de avondster opging.
-
-»Ik ben wel te moede," zeide Bent-Anat, diep ademhalende. »Is ook in uwe
-ziel de vrede teruggekeerd?"
-
-Nefert schudde ontkennend het hoofd.
-
-De prinses deed haar op een rustbank plaats nemen, vlijde zich naast
-haar neder en begon opnieuw: »Uw arm hart is gewond. Men heeft uw
-verleden verbitterd, en met angst ziet gij de toekomst tegen. Laat mij
-openhartig zijn, ook wanneer hetgeen ik u zeggen zal u leed doet. Gij
-zijt ziek en ik wil trachten u te genezen. Wilt gij naar mij luisteren?"
-
-»Spreek vrij," zeide Nefert.
-
-»Het spreken," hernam Bent-Anat, »is niet mijne zaak, maar het handelen.
-Ik geloof dat ik weet wat u ontbreekt, en dat ik u helpen kan. Gij hebt
-uw man lief; zijn plicht riep hem van u weg en gij gevoelt u eenzaam en
-verlaten. Dat is natuurlijk! Doch mijn vader en mijn broeder, die ik ook
-liefheb, zijn insgelijks naar het oorlogsveld vertrokken; mijne moeder
-is sedert lang gestorven; de aanzienlijke vrouw, die de koning mij tot
-gezelschap achterliet, is nu weinige weken geleden aan eene ziekte
-bezweken. Ziehier deze halfverlaten stad, die mijne woning is. Wie van
-ons beiden kan men eenzamer noemen, u of mij?"
-
-»Mij," zeide Nefert. »Want niemand is zoo verlaten als de vrouw, die
-gescheiden van haar echtgenoot verkwijnt van heimwee."
-
-»Maar gij gelooft in Mena's liefde?" vroeg Bent-Anat.
-
-Nefert knikte toestemmend, terwijl zij de hand tegen haar hart drukte.
-
-»En hij zal terugkeeren, en met hem uw geluk!"
-
-»Ik hoop het," antwoordde Nefert met zachte stem.
-
-»En wie hoopt," vervolgde Bent-Anat, »bezit het geluk der toekomst.
-Zeg mij, zoudt gij met de goden hebben willen ruilen, zoo lang Mena
-bij u was? Neen! Welnu, dan zijt gij dubbel rijk, want de zaligste
-herinnering, het geluk van het verleden, is evenzeer uw eigendom. Wat
-is dan het tegenwoordige? Terwijl ik spreek is het reeds niet meer! Nu
-vraag ik u, aan welke zaligheid kan =ik= denken, en op welk zeker geluk
-mag =ik= met grond hopen?"
-
-»Gij hebt niet lief," zeide Nefert. »Gij gaat als de maan koel en
-onbeweeglijk daarheen op uwe baan. Het hoogste geluk is u tot hiertoe
-vreemd gebleven, maar daarom kent gij dan ook niet het bitterste leed."
-
-»Welk leed?" vroeg Bent-Anat.
-
-»De smart van het heimwee, van een door de vlammen van Sechet verteerd
-hart," antwoordde Nefert.
-
-De prinses staarde een poos nadenkend op den grond; eindelijk sloeg zij
-de oogen op tot hare vriendin en zeide: »Gij dwaalt! Ik ken de liefde
-en het heimwee. Maar wanneer gij op den hoogen feestdag wacht, om het
-sieraad, dat uw eigendom is, weder te dragen, dan heb ik even weinig
-recht om mijn kleinood het mijne te noemen, als de parel die ik op den
-bodem der diepe zee zie glinsteren."
-
-»Gij hebt lief?" riep Nefert vol vreugde. »O, zoo dank ik Hathor, dat
-zij eindelijk uw hart heeft getroffen. De dochter van Ramses behoeft
-niet eerst de duikers te roepen, om het kleinood voor zich uit zee te
-visschen. Zij wenkt, en de parel stijgt tot haar op, en legt zich in het
-zand aan hare slanke voeten neder."
-
-Bent-Anat kuste lachend Nefert's voorhoofd en zeide: »Treft u dit zoo,
-dat het op eens uw geest en uwe tong in beweging brengt? Wanneer twee
-snaren gelijk gestemd zijn en men slaat de eene aan, dan klinkt de
-andere noodzakelijk mede, zegt mijn meester in de muziek. Ik geloof dat
-gij tot aan den morgen naar mij zoudt luisteren, wanneer ik u meer van
-mijne liefde vertelde. Daarvoor zijn wij hier echter niet op het balkon
-gekomen. Hoor mij nu aan! Ik ben alleen even als gij. Ik heb ook lief,
-maar onder nog minder gelukkige omstandigheden. Mij dreigen uit
-het Seti-huis bange uren, en toch ontzinkt mij het vertrouwen, de
-levensmoed niet; toch verheug ik mij in mijn bestaan. Hoe kunt gij dat
-verklaren?"
-
-»Gij zijt van eene zoo geheel andere natuur," zeide Nefert.
-
-»Toegegeven," antwoordde Bent-Anat; »maar we zijn beiden jong, wij
-zijn vrouwen en willen het goede. Mij is reeds zoo vroeg eene moeder
-ontvallen en niemand heeft mijne jeugdige schreden gericht; want men
-gehoorzaamde mij reeds, toen ik nog zoozeer behoefte had aan leiding. U
-voedde eene moeder op, die zich veel aan u gelegen liet zijn, die, toen
-gij nog een kind waart, gaarne met haar schoon dochtertje pronkte, en
-het droomen en spelen liet, wat der kleine zoo goed stond, zonder het
-kwaad te vreezen dat in de toekomst dreigde. Toen kwam Mena uwe hand
-te vragen. Gij hadt hem innig lief, maar in vier lange jaren was hij
-slechts weinige maanden bij u. Uwe moeder bleef bij u, en gij merktet
-het nauwelijks op, dat zij in uwe plaats uw eigen huis bestuurde en de
-zorgen der huishouding op zich nam. Gij waart in het bezit van een
-soort van speelgoed, waaraan gij u elken dag kondet wijden, namelijk
-de gedachte aan Mena, en de ver van u verwijderde geliefde was het
-middelpunt van uw duizenden droomen. O ik weet het, Nefert, al wat gij
-sedert twintig maanden hebt gezien, gehoord, ondervonden, had betrekking
-op hem en hem alleen. Op zichzelf beschouwd steekt hier geen kwaad in.
-Deze rozenstruik, die met zijne takken mijne balustrade heeft omwonden,
-aanschouwen wij beide met welgevallen; doch wanneer de hovenier hem niet
-telkens snoeide, en hier en daar met palmbast opbond, dan zou hij in
-deze vruchtbaren grond, waar alles zoo verbazend snel wast, weldra zoo
-hoog opschieten, dat hij mijne deur en vensters bedekte, zoodat ik in
-het donker zou zitten.
-
-»Sla dezen doek om uwe schouders, want met de koelte valt ook de dauw
-neer. -- Hoor mij nu verder! Het heerlijk gevoel van liefde en trouw is
-in uw droomerig gemoed onbeteugeld en onbelemmerd als in het wilde
-opgeschoten, en verduistert thans uw hart en uw verstand. Waarachtige
-liefde kan, naar ik meen, niet anders zijn dan een edele vruchtboom, en
-geenszins zulk een woekerplant. Ik zeg dat niet om u te berispen, want
-zij, die uwe hoveniers hadden moeten zijn, merkten niet op wat er met
-u gebeurde, of wilde het niet opmerken. Zie Nefert, toen ik nog de
-kinderlok droeg, heb ik ook gedaan wat mij het meest naar den zin was.
-Aan droomen heb ik mij nimmer overgegeven, maar ik had lust in het wilde
-spel met mijne broeders, in paarden en valken[182]. Men heeft dikwijls
-gezegd, dat ik een jongenshart had. O, ik zou ook zoo gaarne een jongen
-zijn geweest."
-
- [182] In verschillende papyrussen uit den tijd van dit verhaal
- wordt gesproken van het africhten van valken.
-
-»Ik nooit," lispelde Nefert.
-
-»Gij, mijne liefste, zijt gelijk aan het roosje," ging Bent-Anat voort.
-»Hoe dikwijls was ik, als vijftienjarig meisje, verdrietig, ontevreden
-bij al mijne wildheid, onvergenoegd, niettegenstaande men mij overlaadde
-met bewijzen van liefde en hartelijkheid. Toen gebeurde het eens, vier
-jaren geleden, juist kort na uw huwelijk met Mena, dat vader mij riep
-om met hem te dammen[183]. Gij weet met hoeveel zekerheid hij zelfs den
-meest geoefenden tegenstander overwint; maar dien dag was hij verstrooid
-en tweemaal achtereen won ik het spel. Uitgelaten van vreugde sprong
-ik in mijn overmoed naar hem toe, gaf hem een kus op zijn schoon breed
-voorhoofd en riep: 'De verheven god, de held, onder wiens voetzolen de
-vreemde volken zich krommen[184], die door de priesters en het volk
-wordt aangebeden, heeft zich door een meisje laten overwinnen!' Met een
-gullen lach gaf hij mij ten antwoord: 'Dikwijls zijn ook de hemelsche
-vrouwen de heeren des hemels te slim, en Necheb[185], onze godin der
-overwinning, is eene vrouw.' Daarop werd hij weder ernstig en sprak:
-'Gij noemt mij een god, mijn kind, maar slechts in éen opzicht gevoel ik
-waarlijk iets goddelijks in mij, namelijk: dat ik in staat ben te ieder
-ure met mijn arbeid het meest mogelijk nut te stichten, door hier iets
-goeds te bevorderen, daar het kwade tegen te houden[186]. Ik ben alleen
-aan de godheid gelijk wanneer ik iets groots uitdenk en voortbreng.'
-
- [183] Te Medinet Haboe is eene afbeelding bewaard gebleven,
- waarop Ramses III -- niet Ramses II -- voorkomt met zijn dochter
- dit spel spelende.
-
- [184] Eene formule, die in de overwinningsberichten telkens
- wederkeert.
-
- [185] De Eileithyia der Grieken. De godin van het zuiden, die
- tegenover Boeto, de godin van het noorden, staat. Dikwijls wordt
- zij voorgesteld in de gedaante van een gier, als godin der
- overwinning zwevende boven het hoofd van den pharao, die ten
- krijg trekt.
-
- [186] De beide emblema's, die in de handen der pharao's en van
- vele goden zelden ontbreken, de haakvormige kromstaf en de
- zweep, wijzen misschien op den plicht des konings om tegen te
- houden en aan te drijven.
-
-»Deze woorden, Nefert, vielen als zaadkorrels in mijne ziel. Ik wist op
-eenmaal wat mij ontbrak; en toen de koning, weinige weken later, met uw
-echtgenoot en honderdduizend krijgers ten strijd trok, besloot ik mijn
-goddelijken vader waardig te worden en ook in mijn kring nuttig te zijn.
-Gij weet niet wat er al zoo in die huizen daarachter onder mijn leiding
-geschiedt. Wel driehonderd meisjes spinnen daar het zuivere vlas en
-vervaardigen linnen windsels voor de wonden der soldaten. Vele kinderen
-en oude vrouwen zoeken planten op de bergen en weder anderen sorteeren
-ze, volgens het voorschrift der artsen. In de keukens worden geene
-gastmalen gereed gemaakt, maar vruchten in suiker gekookt, tot eene
-lekkernij voor de geliefden en kranken te velde. Daar worden stukken
-vleesch gezouten, gedroogd en gerookt voor het leger, als het op marsch
-gaat door de woestijn. De keldermeester heeft thans niet meer voor
-drinkgelagen te zorgen, maar hij brengt mij den wijn in groote kruiken
-van aardewerk, en zij gieten dien over in goed gesloten lederen
-zakken voor de soldaten, en met de fijnere soorten vullen wij stevige
-flesschen, die zorgvuldig met pek worden dicht gemaakt, opdat zij op
-reis niet zullen bederven, maar straks het hart onzer helden verkwikken.
-Dit alles en nog veel meer heb ik te regelen en te besturen, en zoo
-vliegen mij de dagen om in moeitevollen arbeid. De goden zenden mij 's
-nachts geen droomgezicht, want na zulk een zware inspanning val ik
-altijd in een diepen slaap. Doch ik weet dat ik nuttig ben, en fier durf
-ik mijn hoofd verheffen, omdat ik nu mijn grooten vader eenigermate
-gelijk. Als de koning om mij denkt, dan, dit weet ik, verheugt hij zich
-over hetgeen zijn kind verricht."
-
-»Nu ben ik echter aan het einde, Nefert. Het eenige wat ik u nog te
-zeggen heb is: Sluit u bij mij aan; wees werkzaam evenals ik; toon dat
-gij nuttig zijt, en dwing Mena, niet alleen met liefde maar ook met
-zekeren trots aan zijn vrouwtje te denken."
-
-Nefert liet haar hoofd langzaam op Bent-Anat's borst zinken, sloeg hare
-beide armen om den hals der prinses, en weende als een kind. Eindelijk
-verzamelde zij hare krachten en zeide smeekend: »Neem mij in de school
-en leer mij nuttig te zijn."
-
-»Ik wist wel," zeide Bent-Anat met een glimlach, »dat gij slechts eene
-hand noodig had om u te leiden. Geloof mij, weldra zult ook gij aan uw
-heimwee tevredenheid weten te paren. Laat ik u dit nog zeggen. Keer nu
-terug naar uwe moeder, want het is reeds laat. Bejegen haar liefderijk,
-dat is toch de wil der goden. Zoodra de morgen weder zal zijn
-aangebroken, wil ik u een bezoek brengen en vrouwe Katoeti vragen, of
-zij u aan mij wil toevertrouwen, in de plaats mijner gestorven vriendin.
-Overmorgen neemt gij uw intrek in mijn paleis. Gij zult de vertrekken
-van de ontslapene bewonen en begint, gelijk zij deed, mij bij mijn
-arbeid te helpen. Moge deze ure gezegend zijn geweest!"
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Terwijl dit onderhoud plaats had, toefde de arts Nebsecht aan de
-overzijde in de doodenstad nog altijd voor de hut van den Paraschiet,
-onder afwisselende aandoeningen den oude wachtende. Nu eens beefde hij
-voor zijne terugkomst, dan weder vergat hij geheel en al het gevaar,
-waaraan hij den oude had blootgesteld, en hoopte hij enkel op de
-vervulling van zijn wensch, als hij wonderbare ontdekkingen zou doen bij
-het onderzoeken van een menschenhart. In sommige oogenblikken was hij
-geheel vervuld van wetenschappelijke beschouwingen, maar altijd en
-altijd weder werd hij daarin gestoord door zijne bezorgdheid voor den
-Paraschiet, en de nabijheid van Warda, die hem voortdurend in spanning
-hield. Uren achtereen was hij met haar alleen gebleven, want haar
-vader en hare grootmoeder hadden zich niet langer kunnen onttrekken
-aan de werkzaamheden, die hun beroep vorderden. De eerste moest
-krijgsgevangenen naar Hermonthis brengen, en de oude vrouw behoorde,
-sedert hare kleindochter genoeg volwassen was om voor de kleine
-huishouding zorg te dragen, tot de rouwklaagsters, die met loshangende
-haren, het voorhoofd en de borst met Nijlslib bestreken, jammerende en
-weeklagende de lijken moesten vergezellen op hun weg naar de Nekropolis.
-
-Toen de zon ten avond neigde, lag Warda nog altijd voor de hut. Zij zag
-er bleek en mat uit. Hare dichte haren waren los geraakt, en in het
-stroo van haar leger verward. Als Nebsecht haar naderde om haar pols te
-voelen, of haar toe te spreken, keerde zij opzettelijk haar aangezicht
-van hem af.
-
-Zoodra de zon achter de bergen was weggedoken, boog hij zich opnieuw
-over haar heen en zeide: »Het begint koel te worden; wil ik u niet in de
-hut dragen?"
-
-»Laat mij," zeide zij verdrietig. »Ik heb het warm genoeg; ga wat verder
-van mij af! Ik ben niet meer ziek, en zou wel alleen in de hut kunnen
-gaan, als ik maar wilde. Maar mijne grootouders zullen wel dadelijk
-komen."
-
-Nebsecht stond op, zette zich op een hoenderkorf neder, die eenige
-schreden van Warda afstond, en vroeg stotterend: »Moet ik nog verder
-achteruit gaan?"
-
-»Doe wat gij wilt," gaf zij ten antwoord.
-
-»Gij zijt onvriendelijk," sprak hij droefgeestig.
-
-»Gij ziet mij ook altijd door aan," zeide Warda, »dat kan ik niet
-lijden. Ik ben zeer ongerust, want grootvader was heden morgen anders
-dan gewoonlijk, en sprak over allerlei vreemde dingen, over dood en den
-hoogen prijs, die van hem voor mijne genezing gevorderd werd. Toen
-bad hij mij, dat ik hem niet vergeten mocht, en daarbij was hij zoo
-ontroerd, zoo zonderling! Waar hij nu toch blijft? Ik wenschte dat hij
-weder bij mij was!"
-
-Na deze woorden begon Warda stil te schreien. Nebsecht werd door een
-nameloozen angst voor den Paraschiet aangegrepen, want het woog hem nu
-zoo zwaar op het hart, dat hij voor de eenvoudige vervulling van zijn
-plicht het leven van een mensch als prijs had verlangd. Hij toch kende
-de wet maar al te goed en wist, dat men den oude zou dwingen op staanden
-voet den giftbeker te drinken, wanneer men hem op den roof van een
-menschenhart betrapte.
-
-Het werd donker. Warda hield op te weenen en vroeg den arts: »Zou hij
-misschien ook naar de stad zijn gegaan, om de groote som te borgen, die
-gij of uw tempel voor de artsenijen vordert? Doch daar hebt gij den
-gouden band van de prinses en den halven buit mijns vaders, en in die
-kist dáar ligt, nog onaangeroerd, het loon, dat grootmoeder in twee
-jaren als rouwklaagster verdiend heeft. Is dat alles u nog niet genoeg?"
-
-Het meisje deed de laatste vraag op knorrigen en verwijtenden toon, en
-de arts, die zich tot levensregel had gesteld streng aan de waarheid te
-houden, zweeg omdat hij begreep geen »ja" te kunnen zeggen. Meer dan
-goud en zilver had hij voor zijne hulp verlangt. Op dit oogenblik
-dacht hij aan Pentaoer's waarschuwing, en toen de jakhalzen begonnen
-te blaffen, greep hij den vuurboor[187] en stak eenige voor de hand
-liggende stukken pek aan. Daarbij vroeg hij zich af, wat wel het lot
-van Warda zou zijn, zonder hare grootouders en hem, en een avontuurlijk
-plan, dat hem reeds uren lang nevelachtig voor den geest zweefde, nam
-thans in zijne ziel bepaalde omtrekken en een tastbare gedaante aan. Hij
-wilde, als de oude niet terugkeerde, de Kolchyten of balsemers, die hem
-om zijne bekwaamheid moeielijk konden afwijzen, verzoeken hem in hun
-gilde[188] op te nemen. Vervolgens wilde hij Warda tot zijne vrouw
-nemen, en met haar, afgescheiden van de wereld, voor zijn nieuw beroep,
-waarin hij veel hoopte te leeren, en zijne studiën leven. Wat vroeg hij
-naar het gemak en het genot des levens; wat gaf hij om eer bij zijne
-medemenschen en eene bevoorrechte maatschappelijke positie! Op dit
-nieuwe steenachtige pad hoopte hij sneller vooruit te komen, dan op den
-ouden zoo keurig geëffenden weg. Hij gevoelde ook geen behoefte om zich
-uit te spreken en de resultaten van zijn onderzoek aan anderen mede te
-deelen; hij had aan het weten op zichzelf volkomen genoeg. Aan zijne
-verplichtingen ten opzichte van het Seti-huis dacht hij zelfs niet meer.
-Gedurende drie dagen had hij zijne kleederen niet verwisseld, was er
-geen scheermes op zijn gelaat en schedel gekomen, had geen druppel water
-zijne handen en voeten bevochtigd. In zijne eigene schatting was hij
-reeds half verwilderd, half een balsemer en, als het zoo zijn moest, een
-van de meest verachte menschen, een Paraschiet geworden. Dat afdalen
-op de maatschappelijke ladder had thans voor hem iets bijzonder
-aantrekkelijks, want zoo kwam hij met Warda op dezelfde lijn, en zij,
-die daar met haar verwarde haren, ziekelijk en gejaagd naast hem lag,
-paste juist in de toekomst, die hij zich voor zijne verbeelding
-teekende.
-
- [187] De hiëroglief "sam" schijnt zulk een voorwerp aan te
- duiden.
-
- [188] Dit gild bestond nog in den tijd der Romeinsche keizers,
- en uit Grieksche papyrussen zijn wij omtrent hen veel te weten
- gekomen.
-
-»Hoordet gij niets?" vroeg het meisje op eens.
-
-Hij luisterde met haar, of hij ook eenig geluid vernam uit het dal.
-Werkelijk sloegen de honden aan, en weldra stond de Paraschiet met zijne
-vrouw voor de hut. Daar namen zij afscheid van de oude Hekt, die zij op
-haar terugweg uit Thebe ontmoet hadden.
-
-»Gij zijt lang weggebleven," riep Warda, toen de grootouders eindelijk
-voor haar stonden. »Ik heb mij zoo beangst gemaakt."
-
-»De arts was toch bij u," zeide de oude vrouw, en ging de hut in, om
-een eenvoudig maal gereed te maken, terwijl de Paraschiet naast zijne
-kleindochter nederknielde, en haar innig, maar toch met zooveel
-onderscheiding liefkoosde, als ware hij niet haar bloedverwant maar
-slechts haar trouwe dienaar.
-
-Toen hij was opgestaan, overhandigde hij Nebsecht, die van spanning over
-al zijne leden beefde, den groven linnen zak, dien hij gewoon was aan
-een smallen draagband mede te nemen. »Daar ligt het hart in," fluisterde
-hij den arts toe: »neem het er uit en geef mij den zak terug; want
-mijne messen liggen er nog in, en die heb ik noodig."
-
-Nebsecht greep met bevende vingers het hart uit den buidel, nam eenige
-doosjes uit zijn artsenijkast en legde het er voorzichtig in. Daarop
-tastte hij in zijn borstzak, ging weder tot den Paraschiet en fluisterde
-hem toe: »Daar neem deze verklaring; hang hem om uw hals, en wanneer
-gij sterft laat ik voor u als voor een aanzienlijke een 'Boek van den
-uitgang in den dag'[189] in de windsels wikkelen. Maar dit is mij niet
-genoeg. Mijn broeder, die van zulke zaken verstand heeft, bestuurt het
-vermogen, dat ik erfde, en sedert tien jaren heb ik de rente van dat
-kapitaal niet aangeroerd. Ik zal ze u zenden, en gij zult met uwe vrouw
-een onbekommerden ouden dag hebben."
-
- [189] Zie boven blz. 169.
-
-De Paraschiet had het zakje met de papyrus-strook aangenomen, en den
-arts tot het einde aangehoord. Maar na de laatste woorden keerde hij
-zich van hem af, en zeide bedaard, hoewel op stelligen toon: »Behoud uw
-geld: wij zijn van elkander af. Dat wil zeggen," voegde hij er smeekend
-bij, »als het meisje gezond wordt."
-
-»Zij is reeds half genezen," stotterde de arts. »Waarom wilt... wilt gij
-echter mijn geschenk..."
-
-»Omdat ik tot heden nooit geborgd of gebedeld heb," viel de Paraschiet
-hem in de rede, »en ik niet voornemens ben daarmede in mijn ouderdom te
-beginnen. Leven om leven! Doch wat ik heden heb gedaan, dat kan Ramses
-zelf mij met al zijn schatten niet betalen!"
-
-Nebsecht sloeg de oogen neder en wist den grijsaard niet te antwoorden.
-
-Intusschen kwam de oude vrouw weder te voorschijn. Zij zette een schotel
-met gekookte linzen, die zij haastig gewarmd had, met ramenassen en
-uien[190] voor de mannen neder, geleidde Warda, die niet meer gedragen
-wilde worden in de hut en noodigde den arts aan haar maal deel te nemen.
-Nebsecht voldeed gaarne aan dit verzoek, want sedert gisteren avond had
-hij geen bete broods geproefd.
-
- [190] De gewone toespijs bij de Egyptische maaltijden. Ramenas,
- uien en knoflook komen telkens op de monumenten voor. Volgens
- Herodotus (II, 125) zouden van deze artikelen, bij het bouwen
- van de Cheops-pyramide, voor 1600 talenten, ongeveer 4,320,000
- gulden, verbruikt zijn.
-
-Zoodra de grootmoeder weder in de hut was verdwenen, vroeg Nebsecht den
-Paraschiet: »Wiens hart hebt gij mij gebracht, en hoe is het in uwe
-handen gekomen?"
-
-»Zeg mij eerst," vroeg de oude op zijn beurt, »waarom liet ge mij zulk
-eene groote zonde begaan!"
-
-»Omdat ik mij van de gesteldheid van het menschelijk hart overtuigen
-wil," gaf Nebsecht ten antwoord, »opdat ik zieke harten, zoo dikwijls ik
-ze ontmoet, zal kunnen genezen."
-
-De Paraschiet zag een poos zwijgend naar den grond en vroeg toen:
-»Spreekt gij waarheid?"
-
-»Ja," antwoordde de arts, op zulk een overtuigenden toon, zoo dat er
-geen twijfel kon overblijven.
-
-»Dat verheugt mij," zeide de oude, »want ook aan armen verleent gij uwe
-hulp."
-
-»Even gaarne als aan rijken! Maar zeg mij nu wiens hart gij hebt
-weggenomen."
-
-»Ik kwam in het huis van de balsemers," begon de grijsaard te vertellen,
-nadat hij eenige groote vuursteenen voor zich had gelegd, teneinde deze
-volgens de regelen der kunst zoo af te hakken en te slijpen, tot zij
-als messen konden dienen. »Ik kwam dan in het huis van de balsemers
-en vond er drie lijken, waarin ik met mijne steenen messen de acht
-voorgeschreven insnijdingen moest maken. Als de lijken daar zoo naakt
-liggen op de houten tafel, dan gelijken ze allen op elkander, en de
-bedelaar zwijgt voor mij zoo goed als de eigen zoon des konings.
-
-»Maar ik wist wel wie daar voor mij lagen. Het stevige oude lichaam
-midden op tafel was van den gestorven profeet uit den Hatasoe-tempel.
-Een eind verder lagen, dicht bij elkander, de lijken van een steenhouwer
-uit de Nekropolis en een meisje uit het vreemden-kwartier, dat aan de
-longtering was gestorven; twee ellendige uitgeteerde gestalten. Den
-profeet had ik wel gekend, want honderdmaal was ik hem tegengekomen in
-zijn gouden draagstoel. Ze noemden hem altijd den rijken Roeï.
-
-»Ik deed mijn plicht aan alle drie. Men verdreef mij met de gewone
-steenworpen, en ik bracht daarna met mijne gezellen het inwendige der
-lijken in orde. Het hart en de overige ingewanden van den profeet
-moesten later in kostbare albasten kanopen[191] worden bewaard; die van
-den steenhouwer en het meisje zouden weder in het lichaam worden gelegd.
-Nu vroeg ik mij zelven af: wien zal ik het leed doen van hem zijn hart
-te ontnemen? Ik ging tot de armen en trad reeds op het lijk van het
-zondige meisje toe. Daar hoorde ik op eens de stem van een demon, die
-mijn eigen hart toeriep: het meisje was arm, veracht en ellendig evenals
-gij, zoolang zij wandelde op den rug van Seb[192]; wellicht zal zij
-genade vinden en vreugde in eene andere wereld, wanneer gij ze haar niet
-moedwillig ontrooft! Toen ik bij het magere lijk van den steenhouwer
-kwam, en zijne handen zag, die nog meer vereelt waren dan de mijne,
-fluisterde de demon mij hetzelfde toe. Nu plaatste ik mij voor het
-goed doorvoede lichaam van den profeet Roeï, die aan eene beroerte was
-gestorven, en ik dacht aan de eer en den rijkdom, die hij op aarde
-had genoten. Hij had ten minste eens overvloed van geluk en vreugde
-gesmaakt. Toen greep ik, zoodra ik alleen was, snel in mijne buidel en
-verwisselde het hart van den hamel met het zijne.
-
- [191] Zie boven blz. 168.
-
- [192] De aarde. Plutarchus noemt Seb, die op de gedenkteekenen
- dikwijls "de vader der goden" heet, Kronos. Hij is de god van
- den tijd, en daar de Egyptenaars de materie voor eeuwig hielden,
- zoo is het niet toevallig, dat in het hiëroglyphen-schrift voor
- de eeuwigheid het teeken werd gebruikt, dat de aarde voorstelde.
-
-»Misschien ben ik dubbel schuldig, omdat ik een zoo dolzinnig spel
-heb gespeeld met het hart van een profeet. Maar zij zullen het lijk
-van den rijken Roeï met honderd amuletten behangen, scarabeën[193] in
-zijn lijf leggen op de plaats van het hart, en hem met heilige olie
-en voortreffelijke schriften tegen alle vijanden op den weg in de
-Amenti[194] beschutten, terwijl niemand aan die armen helpende talismans
-zal medegeven. Bovendien, gij hebt mij gezworen in de andere wereld in
-de zaal van het doodengericht, mijne schuld op u te nemen."
-
- [193] Afbeeldingen van den heiligen scarabeüs-kever, uit
- allerlei stoffen vervaardigd, werden op de plaats van het hart
- in de mummiën gelegd. Op grootere exemplaren leest men dikwijls
- de hoofdstukken 26 tot 30 en 64 van het Doodenboek, die over het
- hart handelen.
-
- [194] De onderwereld.
-
-Nebsecht stak den oude de hand toe en zeide: »Dat heb ik gedaan, en ik
-zou gekozen hebben als gij. -- Neem nu dit water, verdeel het in vier
-deelen en geef Warda telkens éen daarvan, vier avonden achtereen[195].
-Begin heden dadelijk, en reeds overmorgen zal zij, denk ik, gezond zijn.
-Ik kom weldra terug om naar haar te zien. Ga nu rusten en gun mij hier
-buiten een plaatsje. Eer de Isis-ster[196] is ondergegaan, breek ik op,
-want zij wachten mij reeds lang in het Seti-huis."
-
- [195] Een voorschrift, dat in de medische papyrus-teksten
- dikwijls voorkomt.
-
- [196] De Sirius of Sothis ster.
-
- * * * * *
-
-Toen de Paraschiet den volgenden morgen buiten kwam, was de arts
-verdwenen, maar een bij het vuur liggende doek met een groote bloedvlek
-zeide den ouden man, dat de ongeduldige Nebsecht in den afgeloopen nacht
-het hart van den profeet onderzocht en waarschijnlijk geheel uit elkaar
-gesneden had. Hij huiverde, en met grooten zielsangst wierp hij zich
-op de knieën, toen de zonnegod in zijne gouden schuit aan den hemel
-verscheen. Hij bad recht innig, eerst voor Warda en daarna voor het heil
-zijner in gevaar verkeerende ziel. Bemoedigd stond hij op, overtuigde
-zich dat zijne kleindochter aanmerkelijk in beterschap toenam, zeide
-toen de vrouwen vaarwel, stak zijne vuursteenmessen en bronzen
-haken[197] bij zich en ging weder naar het huis der balsemers, om daar
-zijn treurigen arbeid te verrichten.
-
- [197] Volgens Herodotus (II, 87) werden de hersenen der lijken
- met een haak door den neus uit het hoofd gehaald. Czermak
- vond, bij de ontleding van twee mummiën te Praag, het zeefbeen
- verbrijzeld.
-
-De groep gebouwen, waarin een groot deel van de inwoners van Thebe
-werden gebalsemd, lag op een naakten woestijnbodem, ver van zijne hut
-verwijderd, ten zuiden van het Seti-huis, aan den voet van het gebergte.
-Zij vormden op zichzelve een tamelijk uitgestrekt vlek, dat door een
-ruwen uit Nijltegels opgetrokken muur was omgeven. Door de hoofdpoort,
-naar de zijde van den stroom gekeerd, werden de lijken bij de
-Kolchyten[198] binnengebracht, terwijl de priesters, Paraschieten,
-Taricheuten[199], wevers en handlangers, die hier hun dagelijksch werk
-hadden te verrichten, benevens ontelbare waterdragers, die met lederen
-zakken beladen van den Nijl kwamen, door eene zijpoort op dit terrein
-werden toegelaten. Aan het uiterste einde ten noorden verhief zich een
-deftig houten gebouw met eene eigene deur, waarin de bestellingen werden
-aangenomen van de nabestaanden der afgestorvenen, dikwijls echter ook
-van levende menschen, die intijds bedacht waren op eene behoorlijke
-begrafenis[200].
-
- [198] Naam van het geheele gild der balsemers.
-
- [199] Zij, die belast waren met het inzouten der lijken.
-
- [200] Naar de bekende plaatsen bij Herodotus (II, 85-90) en
- Diodorus (I, 91), die door eenige handschriften uit het oude
- Egypte aanmerkelijk worden aangevuld, bij name door den papyrus
- III uit Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, en door den papyrus
- 5158 van het Louvre, uitmuntend toegelicht door Maspero:
- =Mémoire sur quelques papyrus du Louvre, II. Le rituel de
- l'embaumement=. -- Uit dit ritueel van de balseming hebben wij
- vele tot hiertoe onbekende bijzonderheden leeren kennen over het
- gereed maken der mummiën en de gebruiken die daarbij werden in
- acht genomen. Leerrijk zijn ook in dit opzicht de papyrus-Rind
- in twee talen, en andere teksten, die op de begrafenis
- betrekking hebben. Hoe wonderlijk zelfs de fijnste weefsels van
- het menschelijk lichaam door de balsemers werden bewaard, weten
- wij door het physiologisch onderzoek van Czermak van de twee
- mummiën te Praag.
-
-In dit huis heerschte meestal vrij wat drukte. Op dit oogenblik bewogen
-zich in de verschillende vertrekken wel vijftig mannen en vrouwen uit
-allerlei standen. Zij kwamen niet enkel uit Thebe, maar ook uit vele
-kleine steden van Opper-Egypte, om hier inkoopen te doen, of aan de
-beambten die hier bezig waren onderscheidene bestellingen op te dragen.
-De doodenbazar was goed genoeg voorzien, want men vond er lijkkisten in
-alle vormen, van de eenvoudigste tot de kostbaarste, die, in de gedaante
-van mummiën, rijk verguld en beschilderd waren. Ze stonden alle tegen
-de wanden overeind. Op houten rekken lagen ontelbare rollen van grof en
-fijn lijnwaad, waarmede de ledematen der mummiën omwonden werden. Dit
-lijnwaad was door het personeel van deze inrichting voor het balsemen
-vervaardigd, onder de bescherming van de godinnen van het weefgetouw,
-Neith, Isis en Nephtys, of men had het van elders, met name uit Saïs
-ontboden.
-
-De bezoekers van deze modelkamers mochten uit de lijkkisten en windsels
-vrij hunne keuze doen. Ditzelfde gold van de halsbanden, scarabeën,
-zuiltjes, Oeza-oogen, banden, hoofdsteunsels, driehoeken, rechthoeken,
-gespleten ringen, trapjes en andere symbolische figuren[201], die men
-gewoon was de dooden als heilige amuletten op het lichaam te hechten,
-of in de windsels te wikkelen. Talrijk waren de stempels van gebakken
-aarde[202], bestemd om in den grond te worden geborgen, ten einde zoo
-er geschil ontstond over de grenzen van eene begraafplaats, te kunnen
-uitmaken hoever het gebied van een familiegraf reikte. Voorts vond men
-hier godenbeeldjes, die in het zand werden gelegd, om de zoodanigen te
-reinigen en te heiligen, die Seth-Typhon toebehoorden[203]; alsmede
-zoogenaamde Schebti-beeldjes, waarvan men een aantal in kleine kistjes,
-of ook enkele afzonderlijk in het graf pleegde te plaatsen. Van deze
-laatste verwachtte men, dat zij met hun spade, ploeg en zaadbuidel,
-welke voorwerpen hun op de schouders werden gelegd, de afgestorvenen
-zouden bijstaan in hun arbeid op den akker der gelukzaligen[204].
-
- [201] Altemaal amuletten, die in groot aantal bij de mummiën
- worden aangetroffen. Men kan ze in alle Egyptische museën zien.
- De dikwijls zeer zonderlinge beteekenis van de meesten is ons
- bekend, want bijna aan elke is een hoofdstuk van het Doodenboek
- gewijd.
-
- [202] Ze zijn kegelvormig. Exemplaren zijn in alle musea
- aanwezig.
-
- [203] Dikwijls in verbazende menigte in het zand gevonden; zoo
- als bij de opdelvingen van Mariëtte.
-
- [204] Zie boven, blz. 26.
-
-De weduwe en de hofmeester van den overleden rijken profeet van den
-Hatasoe-tempel Roeï, en een voornaam priester, die hen begeleidde,
-waren thans in een levendig gesprek met de beambten van het huis der
-balseming, en kozen uit de voorhanden modellen de kostbaarste kisten.
-De mummie moest, besloten in een omhulsel van met stuco bedekt linnen,
-in een houten kist, en deze weder in een steenen sarkophaag gelegd
-worden. Verder zochten zij het fijnste lijnwaad uit, en amuletten van
-malachiet, lazuursteen, bloedjaspis, carneool, en groen veldspaath[205],
-alsmede albasten kanopen voor de ingewanden. Zij schreven op een
-gereedliggend wastafeltje den naam van den ontslapene, van zijne ouders,
-zijne vrouw en kinderen, benevens al zijne titels, en gaven de teksten
-op, die op zijne lijkkist en op de papyrus-rollen, die hem zouden worden
-medegegeven, moesten geschreven en op zijn naam opgesteld worden. Over
-de opschriften der grafwanden van het voetstuk van zijn beeld, dat in
-het graf moest worden geplaatst, en van den grafsteen[206], insgelijks
-daar ter plaatse op te richten, zou nog nader worden gesproken. Het
-vervaardigen van die opschriften zou worden opgedragen aan een priester
-uit het Seti-huis, die tevens eene lijst moest opmaken van de rijke
-doodenoffers, die de achterblijvenden zouden stichten. Deze lijst
-kon echter eerst later worden opgegeven, wanneer na de deeling van
-de erfenis over den omvang van het nagelaten vermogen kon worden
-geoordeeld. Het balsemen alleen met de fijnste oliën en reukwerken,
-daarbij gerekend de windsels, amuletten en de lijkkisten, zou, behalve
-de steenen sarkophaag, een last zilver kosten[207].
-
- [205] De zoogenaamde Victoria-steen, die slechts op grooten
- afstand van Egypte wordt gevonden. Dat deze reeds in zoo vroegen
- tijd voorkomt, bewijst hoe ver zich de handelswegen uitstrekten,
- die de volken der oudheid aan elkander hebben verbonden.
-
- [206] Steenen tafels, van boven afgerond, met opschriften.
-
- [207] Volgens Diodorus (I, 91) kostte eene balseming eerste
- klasse een talent zilver, ongeveer 2700 gulden; tweede klasse
- twintig minen, ongeveer 720 gulden.
-
-De weduwe droeg een lang rouwgewaad, en haar voorhoofd was met Nijlslib
-bestreken. Terwijl zij bezig was te loven en te bieden met de beambten
-van het huis der balsemers, -- want de prijzen vond zij zoo ongehoord
-hoog, dat zij zelfs van afzetterij sprak -- barstte zij van tijd tot
-tijd, gelijk het gebruik vereischte, in luide weeklachten uit. Meer
-bescheidene burgers waren spoediger met hunne bestellingen gereed, doch
-het was volstrekt niet ongewoon, dat zij voor het balsemen van het hoofd
-eener familie, een vader of eene moeder bijvoorbeeld, de inkomsten van
-een geheel jaar ten beste gaven. Het balsemen der armen was echter
-goedkoop, en voor de allerarmsten moesten de Kolchyten zelve zorgen. Dat
-was eene schatting, die zij verplicht waren den koning op te brengen,
-evenals van het linnen uit hunne weverijen.
-
-Dit magazijn van het huis voor de balseming was zorgvuldig gescheiden
-van de overige gedeelten dezer inrichting, waarvan de toegang aan ieder,
-die er niets te doen had, ten strengste was verboden. De Kolchyten
-vormden een vastgesloten gild, aan het hoofd waarvan eenige priesters
-stonden, uit wier midden de bestuurders der vereeniging gekozen werden,
-die vele duizende leden telde. Deze bestuurders genoten alle eer. Ook
-zij die met het eigenlijke werk der balseming belast waren, de
-Taricheuten, mochten zich onder de andere burgers vertoonen, ofschoon
-men in Thebe toch altijd eenigszins schuw voor hen uit den weg ging. Op
-de Paraschieten alleen, die de lijken moesten openen, rustte de vloek
-der onreinheid in al zijne zwaarte. De plaats hunner werkzaamheid zag er
-inderdaad zeer akelig uit. De steenen zaal, waarin men de lijken opende,
-en de hallen waarin ze gezalfd werden, waren verbonden met laboratoriën,
-bewaarplaatsen van specerijen en nog verschillende andere vertrekken tot
-het gereedmaken van allerlei benoodigdheden. In eene ruimte, die tegen
-de zonnestralen alleen beschut was door een dak van palmtakken, vond men
-een groot gemetseld bekken met eene oplossing van natron. Daarin werden
-de lijken gezouten, waarna ze gedroogd werden in een steenen tunnel door
-middel van een kunstmatig verhitte luchtstroom.
-
-De weverijen, alsmede de werkplaatsen der kistenmakers en schilders,
-bevonden zich in talrijke kleine houten huisjes in de nabijheid van de
-modelkamers. Op zeer grooten afstand vandaar stond het grootste gebouw
-van deze inrichting, namelijk een laag, maar bijkans onafzienbaar lang,
-massief steenen huis met een stevig dak. Hier werden de toebereide
-lijken met de windsels omwikkeld, met amuletten versierd, en voor den
-tocht naar de andere wereld geheel toegerust. Wat er binnen in dit
-gebouw, waar leeken slechts voor enkele oogenblikken toegelaten werden,
-gebeurde, was bovenmate geschikt om bevreemding te wekken. Hier schenen
-de goden zelven zich met de lichamen der stervelingen bezig te houden.
-Door de vensteropeningen die naar de straat waren gekeerd, kon men bij
-dag en bij nacht de woorden van voordrachten en de tonen van hymnen en
-weeklachten opvangen. De priesterlijke beambten, die hier aan het werk
-waren, droegen maskers van de goden der onderwereld[208]. Een anubis met
-den kop van een jakhals werd vooral veelvuldig aangetroffen. Knaapjes,
-met momaangezichten van zoogenaamde Horus-kinderen, stonden dezen
-ter zijde, en aan het hoofd- zoowel als aan het voeteinde van elke
-mummie, zag men eene vrouw, staande of neergehurkt, de laatste met de
-zinnebeelden van Nephthys, de eerste met die van Isis op het hoofd.
-Ieder lid van den gestorvene op zichzelf werd met behulp van heilige
-oliën, amuletten en tooverspreuken aan een bepaalden god gewijd. Voor
-het omwinden van elke spier was een bijzonder toebereid stuk lijnwaad
-bestemd. Elke drogerij, ieder windsel moest zijn oorsprong aan eene
-godheid ontleenen. Dat verward geruisch der liederen, die verkleede
-gedaanten en die welriekende geuren van allerlei aard werkten inderdaad
-verdoovend op de zinnen van ieder, die deze plaats bezocht. Het spreekt
-vanzelf, dat het geheele gebouw waar de balseming plaats had als
-doortrokken was van de geuren van krachtige hars, zachte rozenolie,
-scherpe muskus en andere welriekende specerijen, die in den geheelen
-omtrek, ja tot op zeer verren afstand de lucht vervulden. Als de wind
-woei uit het zuidwesten, droeg hij deze geuren wel eens over den Nijl
-naar Thebe. Dat werd voor een ongunstig teeken gehouden, en te recht,
-want uit het zuidwesten kwam de woestijnwind, die de krachten der
-menschen verlamde en voor karavanen zoo gevaarlijk was.
-
- [208] Daarop scheen reeds veel in allerlei voorstellingen
- betrekking te hebben. Men vond het onlangs bevestigd door
- den papyrus III uit het museum van Boelaq. De Egyptenaars
- vervaardigden zulke maskers van linnen, dat met een stuco of
- lijmachtige stof bedekt werd. Aan het hoofdeinde van vele
- mummie-kisten vindt men het masker van den afgestorvene.
- Vert.
-
-Op het plein van het modellenhuis stonden verschillende groepen van
-burgers uit Thebe rondom enkele personen geschaard, waaraan zij hunne
-deelneming betuigden. Iemand die pas was aangekomen, de overste der
-offerpriesters van den tempel van Amon, die voor velen een bekende
-scheen te zijn en met eerbied werd begroet, berichtte, alvorens aan de
-weduwe van den profeet Roeï zijn rouwbeklag te doen, dat hij vervuld was
-van eene schrikkelijke gebeurtenis. Er had zich toch aan de overzijde in
-Thebe een onheilspellend teeken voorgedaan, en wel in den tempel van den
-koning der goden zelven[209]. Vele nieuwsgierige hoorders verdrongen
-zich om hem, toen hij vertelde, dat de stadhouder Ani, uit blijdschap
-over de overwinning van zijne naar Ethiopië gezonden troepen, onder het
-garnizoen van Thebe, en dus ook onder de wachters van den Amon-tempel,
-wijn in overvloed had laten uitdeelen, en dat, terwijl de soldaten aan
-het feestvieren waren geweest, wolven[210] waren ingebroken in den
-stal van de heilige rammen[211] der godheid. Sommigen waren den dood
-ontkomen, maar de heerlijke ram, dien Ramses zelf uit Mendes[212] ten
-geschenke had gezonden, toen hij ten krijg toog, het edele dier, dat
-Amon tot woning zijner ziel had uitverkoren[213], was door de soldaten,
-die de treurmare tot aller schrik door de stad kwamen verspreiden,
-geheel verscheurd gevonden. Op hetzelfde uur was uit Memphis het bericht
-gekomen, dat de heilige Apis-stier gestorven was.
-
- [209] De god Amon van Thebe.
-
- [210] De wolven zijn thans uit Egypte verdwenen; zij behoorden
- echter tot de heilige dieren en werden te Lykopolis (Wolfstad),
- het tegenwoordige Sioet, vereerd en begraven. Daar heeft men ook
- mummiën van wolven gevonden. Volgens Herodotus (II, 67) begroef
- men de wolven, waar men ze dood vond liggen, en Aelianus (De
- natura animalium IX, 18) verhaalt, dat zeker kruid, Lykoktonon,
- hetwelk voor de wolven doodelijk was, niet gebracht mocht worden
- in plaatsen, waar wolven werden vereerd.
-
- [211] Amon had overigens ook zijne heilige stieren.
-
- [212] In Mendes werden de rammen bijzonder vereerd. Niet verre
- van Mansoera, in het Delta, zijn de overblijfselen wedergevonden
- van de oude stad. Brugsch heeft de aldaar gevonden opschriften
- uitgegeven, die uitvoerige mededeelingen behelzen over de
- vereering van den ram, en die eenige berichten dienaangaande bij
- de oude schrijvers bevestigen en in een nieuw licht plaatsen.
-
- [213] De rammen heeten evenals de ziel "Ba" en de heilige
- exemplaren dezer dieren hield men voor aardsche
- openbaringsvormen van de ziel van Ra.
-
-De burgers, die zich verzameld hadden rondom den overste der
-offerpriesters, hieven terstond luide jammerkreten aan, die wijd en
-zijd in het rond werden gehoord. De opziener zelf en de weduwe van den
-profeet Roeï stemden er levendig mede in. Uit het modellenhuis kwamen
-de verkoopers en beambten, uit de hallen der balsemers de Taricheuten,
-Paraschieten en hunne handlangers, uit de weverijen de werklieden en
-spinsters met hunne opzichters te voorschijn, en zoodra zij vernomen
-hadden wat er gebeurd was, namen allen aan het weegeklaag deel. Zij
-huilden en schreeuwden, bestrooiden hunne haren en bestreken hunne
-voorhoofden met stof. Het was een wild en oorverdoovend geraas. Toen
-het een weinig begon te bedaren en de weeklagers tot hunne bezigheden
-terugkeerden, kon men duidelijk het gejammer van de bewoners der
-Nekropolis, ja zelfs van de burgers van Thebe hooren, dat door den
-oostenwind werd overgedragen.
-
-»Nu zullen zich," zeide de overste der offerpriesters, »de slechte
-tijdingen omtrent den koning en het leger wel niet lang laten wachten!
-De dood van den ram, waaraan wij Ramses' naam gaven, zal door den pharao
-nog meer worden betreurd, dan het sterven van den Apis. Inderdaad een
-veeg, zeer veeg teeken!"
-
-»Mijn gestorven echtgenoot, de Osiris Roeï," zeide de weduwe, »heeft dat
-alles vooruit gezien. Als ik maar durfde spreken, zou ik veel kunnen
-openbaren, wat velen niet aangenaam zou zijn."
-
-De overste der offerpriesters glimlachte, want hij wist dat de
-profeet van den Hatasoe-tempel een aanhanger was geweest van het oude
-koningshuis. Daarom gaf hij ten antwoord: »Ramses' zon kan wel voor een
-oogenblik door de wolken worden bedekt, maar haar ondergang zullen noch
-zij aanschouwen, die er voor vreezen, noch zij die hem vurig wenschen."
-
-De priester groette hierop koeltjes en ging het wevershuis binnen,
-waar hij eenige zaken had te doen, en de weduwe steeg weder in haar
-draagstoel, die aan de poort stond te wachten.
-
-De oude Paraschiet Pinem had ook met zijne gezellen den dood der heilige
-dieren betreurd. Hij zat nu in de snijkamer op het harde plaveisel, om
-zijn eenvoudig maal te nemen; want het was middag geworden. De steenen
-zaal, waarin hij zijne bete broods nuttigde, was slecht verlicht.
-Zij ontving haar licht door eene kleine opening in het dak, waar de
-middagzon loodrecht boven stond, zoodat een bundel schitterende stralen,
-waarin de zwevende stofdeeltjes speelden, door de halfdonkere ruimte
-op het grauwe plaveisel nederdaalde. Tegen alle wanden stonden
-mummie-kisten, en op de glad gepolijste tafels lagen de lijken, met
-grove doeken bedekt. Nu en dan schoot er een rat over den grond, en
-uit de breede voegen der steenplaten, waarmede de ruimte bevloerd was,
-kropen schorpioenen langzaam te voorschijn.
-
-Het gevoel van den Paraschiet was sedert lang afgestompt voor het
-huiveringwekkende van deze plaats. Hij had een grof stuk linnen voor
-zich uitgespreid, waarop hij de spijzen voorzichtig neerlegde, die zijne
-vrouw voor hem in den buidel had gestoken, eerst een halven broodkoek,
-dan wat zout en ten laatste eene ramenas. Doch het zakje bleek nog niet
-leeg te zijn. Hij greep er weder in en vond een stuk vleesch, tusschen
-twee koolbladen gewikkeld. De oude Hekt had voor Warda een gazellebout
-uit Thebe medegebracht, en nu bleek hem dat de vrouwen een stuk ervan in
-zijn buidel hadden gestoken, om hem wat te versterken. Met ontroering
-beschouwde hij dit geschenk, maar hij aarzelde er de hand aan te slaan;
-want het was hem alsof hij het aan de zieke ontstal. Terwijl hij het
-brood en de ramenas zat op te eten, bleven zijne oogen op dat stuk
-vleesch als op een kostbaar kleinood gericht, en wanneer eene vlieg het
-waagde er zich op neer te zetten, sloeg hij die haastig weg. Eindelijk
-bracht hij het aan zijn mond en dacht daarbij aan vroegere middagen, en
-hoe dikwijls hij in zijn spijszak eene bloem had gevonden, die Warda bij
-het brood had gelegd, om hem genoegen te doen. Zijn gemoed schoot vol en
-in zijne goedige oude oogen welden tranen van dankbaarheid voor zooveel
-liefde. Hij hief zijn hoofd weder op en daarbij viel zijn blik op de
-lijkentafel. Onwillekeurig vroeg hij zich af, hoe hij te moede zou
-zijn geweest, indien daar in plaats van den profeet zonder hart, zijne
-kleindochter, de zonneschijn van zijn ouden dag, roerloos had gelegen.
-Een kille huivering voer door al zijne leden, en hij meende dat hij den
-arts, die haar leven had behouden, zelfs voor den prijs van zijn eigen
-hart niet te duur betaald zou hebben. En toch -- hij had in zijn
-langdurig leven zooveel leed en smaad ondervonden, dat hij de hoop op
-een beter lot aan gene zijde des grafs niet opgeven kon. Daarop greep
-hij naar de verklaring, die Nebsecht voor hem had opgesteld, hield haar
-met beide handen in de hoogte, als wilde hij haar aan de hemelsche goden
-toonen, en tot de goden der onderwereld bad hij, inzonderheid tot de
-rechters in de zaal der waarheid en gerechtigheid, dat zij hem toch
-niet mochten toerekenen, wat hij voor anderen, niet voor zichzelven
-had misdreven, en dat zij Roeï, hoewel van zijn hart beroofd, de
-rechtvaardiging niet mochten onthouden.
-
-Terwijl zijne ziel aldus in overpeinzing en gebed was verzonken, kwam er
-beweging voor de deur van het ontledingsgebouw. Het was hem als hoorde
-hij zijn naam uitspreken, en terwijl hij scherper begon te luisteren,
-kwam een Taricheut binnen, die beval hem te volgen.
-
-Voor de van harslucht en andere welriekende geuren geheel vervulde zaal,
-waarin de eigenlijke balseming plaats had, stonden vele Taricheuten
-zeker voorwerp opmerkzaam te beschouwen, dat in eene albasten schaal
-lag. De knieën van den oude begonnen te knikken, toen hij het dierenhart
-herkende, dat hij bij de overige inwendige lichaamsdeelen van den
-profeet Roeï gelegd had.
-
-De overste der Taricheuten vroeg hem, of hij den gestorven profeet had
-behandeld.
-
-Pinem stamelde een toestemmend antwoord.
-
-Of dit dan het hart van Roeï was?
-
-De oude knikte bevestigend.
-
-De Taricheuten sloegen verder geen acht op hem. Na een oogenblik onder
-elkander gefluisterd te hebben, verwijderde zich een hunner, om weldra
-terug te keeren met den overste der offerpriesters uit den Amon-tempel
-in Thebe, dien hij nog in het wevershuis had aangetroffen, en den
-overste aller Kolchyten.
-
-»Laat mij dat hart zien," zeide de overste der offerpriesters, terwijl
-hij bij de Taricheuten kwam. »Ik kan in het donker wel onderscheiden of
-gij goed hebt gezien. Dagelijks onderzoek ik wel honderd dierenharten.
-Geeft hier! -- Bij alle goden van hemel en onderwereld, dit is het hart
-van een ram."
-
-»En het werd in de borst van Roeï gevonden," luidde de stellige
-verzekering van een der Taricheuten. »Gisteren werd hij in onze
-tegenwoordigheid door dezen ouden Paraschiet geopend."
-
-»Zonderling!" zeide de Amon-priester, »en ongelooflijk! Maar misschien
-heeft er eene onwillekeurige verwisseling plaats gehad. Hebt gij ook
-hierboven ergens geslacht, en...."
-
-»Wij reinigen ons," viel de overste Kolchyt den offerpriester in de
-rede, »voor het feest van het dal, en sedert tien dagen is bij ons
-geen dier tot spijziging geslacht. Bovendien liggen de stallen en
-slachthuizen ver van hier, aan gene zijde van de weverijen."
-
-»Vreemd!" herhaalde de priester. »Bewaar dit hart zeer zorgvuldig,
-Kolchyt! Of nog beter: Laat het in eene bus doen. Wij zullen het naar
-den eersten profeet van Amon brengen. Het schijnt inderdaad, dat hier
-een wonder is geschied."
-
-»Het hart behoort in de Nekropolis," bracht de overste Kolchyt hiertegen
-in, »weshalve het geschikter zou zijn, als wij het aan den eersten
-profeet van het Seti-huis, den grooten Ameni ter hand stelden."
-
-»Gij hebt hier te bevelen," was het antwoord van den ander. »Laat ons
-dan heengaan!"
-
-Weinige oogenblikken later werden de offerpriester en de overste Kolchyt
-in hunne draagstoelen het dal ingedragen, op den voet gevolgd door een
-Taricheut, gezeten op een stoel, die tusschen twee ezels hing. Deze
-laatste hield een elpenbeenen kastje, waarin het hamelhart lag, zeer
-behoedzaam in zijne armen.
-
-De oude Paraschiet Pinem zag de priesters achter een tamarindenboschje
-verdwijnen. Hoe gaarne was hij hen achterna geijld en had hij alles
-bekend. Want zijn geweten kwelde hem, deed hem allerlei pijnigende
-verwijten en noemde hem een bedrieger. Ofschoon zijn geest te traag was,
-om op eens al de gevolgen van zijn daad te overzien, zoo begon hij toch
-wel eenigermate te vermoeden, dat hij een zaad had uitgestrooid, waaruit
-allerlei misleidingen konden geboren worden. Het was hem alsof hij
-geheel tot leugen en ongerechtigheid was vervallen, als keerde de godin
-der waarheid, die hij levenslang had gediend, hem verwijtend den rug
-toe. Na het gebeurde kon hij toch nimmer hopen door de doodenrechters
-zalig gesproken te zullen worden, als »een die der waarheid getuigenis
-gaf[214]." Verloren, verspeeld was het doel van een lang leven, zoo
-rijk aan gebeden en ontberingen! Zijne ziel weende bloedige tranen, het
-suisde zoo hevig in zijne ooren, dat zijne zinnen verbijsterd werden.
-Toen hij weder aan den arbeid wilde beginnen en de voetzolen van een
-lijk afnemen[215], beefde zijne handen zoo hevig, dat hij niet in staat
-was het mes te gebruiken.
-
- [214] Zie boven blz. 170.
-
- [215] Czermak ontdekte bij zijn onderzoek van twee mummiën te
- Praag, dat men de voetzolen bij eene had afgesneden en in de
- borst gestoken. Het 125e hoofdstuk van het Doodenboek behelst
- eene plaats, waaruit is af te leiden dat dit geschiedde, opdat
- de voet van hem die voor Osiris moest verschijnen den gewijden
- bodem van de gerechtzaal niet zou verontreinigen. De
- mededeelingen van Czermak, waarop reeds hierboven is gewezen,
- worden gevonden in de =Sitzungsberichten= der klasse van wis-
- en natuurkunde van de keizerl. koninklijke Academie van
- wetenschappen te Weenen, 1852.
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-
-De treurmare van de jammerlijke wijze, waarop de ram van Amon was
-omgekomen, alsmede dat de Apis-stier van Memphis was gestorven, had ook
-reeds het Seti-huis bereikt. Zij was daar met weeklachten ontvangen,
-waarin al zijne bewoners, van den eersten Horoscoop tot den kleinsten
-knaap in de laagste schoolklasse instemden. Het hoofd der inrichting,
-Ameni, bevond zich sedert drie dagen te Thebe, en werd eerst heden
-teruggewacht. Met onrust en bezorgdheid werd zijn komst door velen
-tegemoet gezien. De eerste der Horoscopen brandde van verlangen, hem de
-weder opgevangen leerlingen ter bestraffing over te geven, en Pentaoer
-zoowel als Bent-Anat bij hem aan te klagen. De ingewijden wisten, dat
-aan gene zijde van den Nijl zeer gewichtige dingen verhandeld waren, en
-de losgebroken jongelingen, dat er een streng gericht over hen gehouden
-zou worden.
-
-De oproerige bende was op water en brood in een open hof opgesloten.
-Daar de gewone gevangenkamer der inrichting voor allen te klein was,
-hadden zij nu twee nachten in een schuur op dunne stroomatten moeten
-slapen. De jeugdige gemoederen waren zeer in spanning, maar wat er in
-hun omging uitte zich bij den een anders dan bij den ander. Bent-Anat's
-broeder, de zoon van Ramses, Rameri, had zich dezelfde behandeling als
-zijne makkers moeten laten welgevallen. Gisteren hadden zij met hem een
-weinig den spot gedreven, en zich daarbij nog veel overmoediger getoond,
-dan zij gewoonlijk waren, doch heden lieten zij het hoofd hangen. De
-jonge Anana, Pentaoer's geliefdste leerling, zat in een hoek van den hof
-met de ellebogen op de knieën, en verborg zijn aangezicht in zijne
-handen.
-
-»Wij hebben deze streek nu eenmaal begaan," zeide Rameri, terwijl hij
-naar Anana toeging en zijne hand op diens schouder legde, »en wij
-moeten goedschiks of kwaadschiks de gevolgen ervan dragen. Maar schaamt
-ge u niet, oude jongen! Uwe oogen zijn vochtig en de druppels hier op
-uwe handen komen zeker niet uit de wolken. Dat heet een zeventienjarige,
-en wil binnen weinige maanden een schrijver, een volwassen man zijn!"
-
-Anana zag tot den koningszoon op, veegde snel zijne tranen weg en zeide:
-»Ik was uw aanvoerder. Ameni zal mij uit deze inrichting bannen, en dan
-moet ik met schande tot mijne arme moeder terugkeeren, die in de wereld
-niets anders heeft behalve mij."
-
-»Arme kerel!" sprak Rameri deelnemend. »Het is ook om uit je vel te
-springen! En wanneer onze streek Pentaoer ten minste nog maar gebaat
-had!"
-
-»We hebben hem kwaad berokkend," hernam Anana levendig, »en als
-onzinnigen gehandeld."
-
-Rameri knikte toestemmend, zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich,
-en sprak toen: »Weet ge wel, Anana, dat gij eigenlijk onzen aanvoerder
-niet geweest zijt? In dit hoofd is het dolzinnige plan opgekomen, en
-gij hebt het mij slechts helpen uitvoeren. Ik neem alles voor mijne
-rekening. Ik ben de zoon van Ramses, en Ameni zal zachter met mij
-handelen dan met ulieden!"
-
-»Hij zal ons in het verhoor nemen," zeide Anana, »en liever laat ik mij
-straffen, dan dat ik liegen zou."
-
-Rameri kreeg eene kleur en riep: »Hebt ge mijne tong ooit hooren
-zondigen tegen de lichtdochter van Ra? Heidaar! Antef, Hapi, Sent en gij
-overigen, geeft antwoord! Heb ik ulieden opgehitst of niet? Wie anders
-dan ik heeft u aangeraden Pentaoer te gaan opzoeken? Heb ik gedreigd,
-dat ik mijn vader zou verzoeken mij uit het Seti-huis te nemen, of niet?
-Heb ik u niet aangezet om hetzelfde te doen? Ja of neen? -- Daar hebt
-gij 't! Ziet ge wel, Anana, ik ben de ontwerper van deze streek; ik ben
-de raddraaier, en als wij ondervraagd worden, laat ge mij het eerst
-spreken. Niemand mag den naam van Anana noemen, niemand, hoort ge! Al
-slaan ze ulieden met stokken en al laten ze ons honger lijden, wij
-blijven er bij, dat ik van al het gebeurde oorzaak ben?"
-
-»Gij zijt een brave jongen," zeide de zoon van den eersten profeet van
-Amon in Thebe, en drukte daarbij Rameri's rechterhand, terwijl Anana
-zijn linker schudde.
-
-De prins maakte lachend zijne handen uit die zijner vrienden los,
-zeggende: »Laat nu den oude maar komen, we zijn er op voorbereid. Maar
-ik blijf er bij: ik vraag mijn vader zoo waarachtig als ik Rameri heet,
-mij naar Chennoe te zenden, als zij Pentaoer niet terugroepen."
-
-»Hij heeft ons als schooljongens behandeld," zeide de grootste onder de
-jeugdige misdadigers.
-
-»En met recht," antwoordde Rameri. »Ik acht hem daarom te hooger. Gij
-ziet mij aan voor een lichtzinnigen knaap; doch ik heb mijne eigene
-gedachten en zal u mijne wijsheid doen kennen."
-
-Bij deze woorden zag hij zijne makkers aan met komischen ernst en
-vervolgde, terwijl hij de stem van Ameni nabootste: »De groote mensch
-onderscheidt zich hierdoor van den kleine, dat hij hetgeen zijn
-ijdelheid streelt, en hem voor het oogenblik wenschelijk, zelfs nuttig
-schijnt, versmaadt en onopgemerkt voorbijgaat, wanneer het niet is
-overeen te brengen met door hem erkende wetten, en met een of ander
-verheven doel, dat hij zich ter bereiking heeft voorgesteld, maar
-misschien eerst na zijn dood kan worden verwezenlijkt. -- Deze wijsheid
-heb ik deels uit den mond mijns vaders opgevangen, deels zelfs bedacht,
-en nu vraag ik u: kon Pentaoer, als die grootere mensch, ons beter
-behandelen?"
-
-»Gij spreekt uit," zeide Anana, »wat mijn hart mij reeds sedert gisteren
-zeide. Wij hebben gehandeld als kleine kinderen, en in plaats van onzen
-wil door te zetten, ons zelven en Pentaoer kwaad gedaan."
-
-Men hoorde het ratelen van een naderenden wagen. Rameri viel Anana in
-de rede en riep: »Daar is hij! Moed, jongens! Ik ben de schuldige. Hij
-durft mij niet met den stok te laten slaan, maar hij zal mij met zijne
-oogen wel raken!"
-
-Ameni stapte haastig van zijn wagen. De portier deelde hem mede, dat de
-eerste Kolchyt en de overste der offerpriesters van den Amon-tempel te
-Thebe hem verlangden te spreken.
-
-»Zij kunnen wachten," antwoordde de profeet kortaf. »Breng ze voorloopig
-in de tuinzaal. Waar is de eerste der Horoscopen?"
-
-Hij had nog niet uitgesproken, toen de grijsaard naar wien hij vroeg hem
-rustig te gemoet kwam, om hem op de hoogte te brengen van alles wat er
-in zijne afwezigheid was geschied. Doch de offerpriester had in Thebe
-reeds alles vernomen, wat de oude man hem verlangde mede te deelen.
-
-Ameni liet zich, zoo vaak hij het Seti-huis verliet, elken morgen
-getrouw berichten wat er zich had voorgedaan. Toen nu de Horoscoop met
-zijn verslag begon, brak hij diens hartstochtelijke aanklacht af met te
-zeggen: »Ik weet alles! De leerlingen hangen Pentaoer aan en hebben om
-zijnentwil eene dwaasheid begaan, en gij hebt de prinses Bent-Anat bij
-hem ontmoet in den Hatasoe-tempel, tot welken hij eene geringe vrouw
-toegang verleende, zonder dat zij vooraf gereinigd was. Dat zijne erge
-dingen, die ernstig behandeld moeten worden, maar niet heden. Wees
-dus gerust! Pentaoer zal zijn straf niet ontgaan. Toch zullen wij hem
-terstond naar het Seti-huis terug moeten ontbieden, want wij kunnen hem
-morgen niet missen bij het feest van het dal. Voordat hij veroordeeld
-is, mag niemand hem onvriendelijk bejegenen, dat verzoek ik u dringend,
-en ik draag u op dit ook aan de anderen te zeggen."
-
-De Horoscoop beproefde Ameni te doen gevoelen, welk een ergernis zulk
-eene ontijdige toegevendheid zou veroorzaken. Maar de offerpriester
-liet hem niet uitspreken; hij eischte zijn ring van hem terug, riep
-een jeugdig priester, wien hij het kostbaar kleinood overhandigde, met
-den last om onverwijld zijn wagen te bestijgen, die nog aan de poort
-wachtte, ten einde Pentaoer in zijn naam te bevelen in het Seti-huis
-terug te keeren.
-
-Hoewel innerlijk teleurgesteld, schikte de Horoscoop zich naar den wil
-van den offerpriester en vroeg alleen: »Zullen nu de misdadige knapen
-ook ongestraft blijven?"
-
-»Zoo min als Pentaoer," antwoordde Ameni. »Doch hoe kunt gij dezen
-jongensstreek eene misdaad noemen? Laat jongens toch vroolijk zijn en
-overmoedig! Een opvoeder die zijne oogen altijd openhoudt en ze niet ter
-rechter tijd weet te sluiten, zal hen zeker bederven. Alvorens het leven
-de toewijding aan ernstige plichten van ons vordert, hebben wij te
-beschikken over een verbazenden overvloed van krachten. Het kind wendt
-ze aan bij zijn spel, de knaap als hij met den hamer en den beitel van
-zijne fantasie luchtkasteelen bouwt en dwaasheden begaat. -- Gij schudt
-het hoofd, Septah; ik zeg u echter: een dolzinnige jongensstreek is
-de voorbode van mannelijke daden! Ik zal een van de knapen voor het
-gebeurde laten boeten, en ook dezen zou ik zonder straf vrijlaten,
-indien er niet bijzondere redenen waren, waarom ik hem van ons feest
-verwijderd wil houden."
-
-Septah weersprak zijn meester niet, want hij wist dat, als Ameni de
-oogen zoo driftig opsloeg, en zijne anders zoo afgemetene bewegingen zoo
-ernstig waren als heden, er iets gewichtigs op til was.
-
-De offerpriester, bespeurende wat er in den Horoscoop omging, zeide:
-»Thans verstaat gij mij niet, maar heden avond zult gij in de
-vergadering der ingewijden alles vernemen. Er zijn belangrijke dingen
-aan de orde. De priesters in den Amon-tempel aan den anderen oever,
-worden afvallig van hetgeen ons allen die witte kleederen dragen, het
-heiligste moest zijn. Zij zullen ons tegenhouden, als de tijd tot
-handelen gekomen is. Bij het feest van het dal zullen wij tegenover onze
-ambtgenooten van de overzijde staan. Geheel Thebe zal het feest komen
-vieren en het zal er op aankomen te toonen, wie de godheid waardiger
-weet te dienen, zij of wij. Wij zullen al onze krachten hebben in te
-spannen, en Pentaoer kunnen wij het minst van allen missen. Hij moet
-morgen als Cherheb[216] optreden, morgen alleen; overmorgen stellen
-wij hem voor onze rechtbank. Onder die ongehoorzame jongens zijn onze
-beste zangers, is ook de jonge Anana, die de stemmen leidt van het
-jongelingskoor. Ik zal die onbezonnen knapen terstond in het verhoor
-nemen. De zoon van Ramses, Rameri, was mede onder deze weerspannigen
-niet waar?"
-
- [216] Feestredenaar. Wij kunnen ons niet vereenigen met hen, die
- den naam van dezen redenaar, onder de priesters, met dien der
- Kolchyten overeen willen brengen.
-
-»Hij schijnt een der raddraaiers geweest te zijn," antwoordde de
-Horoscoop.
-
-Ameni zag den oude aan met een lachje, waarin een diepe zin lag, en
-zeide: »De naaste bloedverwanten des konings bedekken zich met eer! Zijn
-oudste dochter moet, als eene verontreinigde en weerspannige, op verren
-afstand worden gehouden van de vromen in den tempel, en wij zullen wel
-genoodzaakt zijn, zijn zoon uit deze inrichting te verbannen. Gij ziet
-mij zoo verbaasd aan? Maar ik heb u zooeven reeds gezegd: de tijd om te
-handelen is gekomen. Doch hierover heden avond! Thans nog eene vraag. Is
-de mare van den dood van den heiligen ram van Amon tot u gekomen? Ja?
-Ramses zelf schonk het dier aan de godheid, en ze hadden het zijn naam
-gegeven. Een slecht voorteeken!"
-
-»Ook de Apis is gestorven," zeide de Horoscoop, en hief klagend zijne
-armen omhoog.
-
-»Zijne goddelijke ziel keerde tot de godheid terug," antwoordde Ameni.
-»Wij hebben nu veel te doen, voor alles te toonen, dat wij de priesters
-van de overzijde staan kunnen, en Thebe voor ons te winnen. De
-panegyrie, die wij tegen morgen in gereedheid brengen, moet alles wat
-men tot hiertoe gezien heeft overtreffen. De stadhouder Ani schonk mij
-rijke bijdragen, en...."
-
-»En," viel de Horoscoop hem in de rede, »onze wonderdoeners kunnen vrij
-wat beter dingen voor den dag brengen, dan die van het Amon-huis, die
-zitten te slempen, als wij ons oefenen."
-
-Ameni knikte toestemmend, en zeide lachend: »Wij zijn voor het volk
-ook onontbeerlijker dan zij. De priesters van de overzijde besturen
-de levenden, maar wij effenen den doodsweg, en in het licht kan men
-gemakkelijker zonder gids wandelen dan in de duisternis. Wij zijn tegen
-de priesters van Amon wel opgewassen."
-
-»Zoolang gij ons aanvoert, zeker!" riep de Horoscoop.
-
-»En zoolang het dit huis niet aan mannen ontbreekt van uw geest,"
-voegde Ameni er bij. Hij richtte zich daarbij half tot den Horoscoop,
-half tot den tweeden profeet van het Seti-huis, den ouden maar
-krachtigen Gagaboe, die juist was binnengetreden. Beiden geleidden den
-offerpriester in den tuin, waar de twee priesters met het wonderhart op
-hem stonden te wachten.
-
-Ameni groette den overste der offerpriesters van het Amon-huis met
-waardige vriendelijkheid, den eerste der Kolchyten echter met zekere
-voorname terughouding. Hij liet zich door hen van alles bericht geven,
-beschouwde met den Horoscoop en Gagaboe het hart in 't kastje, nam het
-angstvallig tusschen zijne lange dunne vingers, bekeek met aandacht het
-orgaan, dat met specerijen verzadigd, een aangenamen geur rondom zich
-verspreidde, en zeide ernstig: »Als dit, gelijk gij beweert, Kolchyt,
-geen menschenhart, maar zooals gij, mijn broeder uit het Amon-huis,
-verzekert, het hart van een ram is, dat gevonden werd in de borst van
-den Osiris Roeï, dan staan wij hier voor een raadsel, dat de godheid
-alleen kan oplossen. Volgt mij in het groote voorhof! Laat het bekken
-slaan, Gagaboe, viermaal, want ik wensch alle tempelbewoners saam te
-roepen."
-
-In krachtige golvingen verbreidde zich het geluid van den tamtam tot aan
-de uiterste deelen van de uitgestrekte groep gebouwen. De ingewijden,
-de heilige vaders, tempeldienaars en scholieren stroomden in weinige
-oogenblikken samen. Niemand behalve een enkele kranke, ontbrak, want
-ieder bewoner van het huis was verplicht op de viermaal herhaalde
-roepstem, die maar zelden werd gehoord, in het eerste groote tempelhof
-te verschijnen. Ook de arts Nebsecht was gekomen, want hij vreesde toen
-hij den ongewonen vierden slag vernam, dat er brand was uitgebroken.
-
-Zoodra allen waren bijeengekomen, beval Ameni, dat zij zich in rangorde
-zouden scharen. Hij deelde zijnen verbaasden hoorders mede, dat er in de
-borst van den gestorven vromen overste van den Hatasoe-tempel, het hart
-van een ram en niet dat van een mensch was gevonden, en verlangde dat
-zij hem volgen zouden. Hij gebood allen op de knieën neder te zinken en
-te bidden, terwijl hij in het Allerheiligste zou gaan, om de goden te
-vragen, wat dit wonder voor hunne getrouwen te beteekenen had. Hij
-ging, met het hart in de hand, aan het hoofd van den langen optocht en
-verdween achter het voorhangsel van het allerheiligste. De ingewijden
-baden in de door zes zuilen gedragen voorzaal, de overige priesters en
-leerlingen in het ruime hof, dat aan de westzijde door den majestueusen
-zuilengang met het poortgebouw werd afgesloten.
-
-Ameni bleef wel een uur in het stille binnenste heiligdom, waaruit
-dichte wierookwolken naar buiten drongen. Eindelijk vertoonde hij zich
-weder, brengenden eene gouden met edelgesteenten bezette vaas. Het rijke
-gewaad van den opperpriester bekleedde thans zijne hooge gestalte. Een
-priester, die voor hem uitging, hield de vaas met beide handen zoo hoog,
-dat zij verre boven zijn hoofd uitstak. Ameni's oogen schenen zich niet
-van dit kostbaar voorwerp te kunnen afwenden, en hij volgde het, op zijn
-kromstaf leunende, in deemoedige houding. De ingewijden bogen hunne
-voorhoofden tot op het steenen plaveisel van de zaal, en de priesters
-en scholieren raakten met hunne aangezichten den grond, toen zij hun
-trotschen meester zoo deemoedig en eerbiedig zagen naderen. De biddenden
-hieven de hoofden eerst op, toen Ameni in het midden van het hof was
-gekomen en de trappen van het altaar bestegen had, waarop de vaas
-met het hart werd neergezet. Zij luisterden naar de woorden van den
-opperpriester, die plechtig, met afgemeten woorden en zoo luide dat
-allen het hooren konden, het volgende verkondigde:
-
-»Zinkt andermaal op uwe knieën neder! Bewondert, aanbidt, en dankt!
-De achtbare overste der offerpriesters uit den Amon-tempel te Thebe
-heeft zich in zijne kunst niet bedrogen, want het hart van een ram
-werd inderdaad gevonden in de vrome borst van onzen Roeï. In het
-allerheiligste heb ik duidelijk de stem der godheid vernomen, en
-wonderbare woorden drongen door tot mijn oor. Wolven verscheurden den
-heiligen ram van Amon in zijn heiligdom aan den anderen oever van den
-stroom; maar het hart van het goddelijk dier vond zijn weg naar de borst
-van den vromen Roeï. Een groot wonder is er geschied, en de goden geven
-ons een zeldzaam teeken te aanschouwen. De ziel van den Allerhoogste
-gevoelde zich niet te huis in het lichaam van den niet volmaakt heiligen
-ram, en zij zocht en vond een reiner verblijf in de borst van onzen
-achtenswaardigen Roeï, en in deze gewijde vaas. Het hart zal daarin
-bewaard blijven, tot een nieuwe ram, door eene waardige hand geschonken,
-in het perk van Amon heeft plaats genomen. Dit hart wordt onder de
-heiligste reliquieën gerekend; het bezit de kracht velerlei krankheden
-te genezen. Ook schijnt de voorspellende spreuk, die in wierookdamp
-stond geschreven, gunstig te zijn. Hoort haar van woord tot woord: 'Wat
-hoog is, stijgt hooger, en wat zich verhoogde zal weldra nederstorten.'
-Op, Pastophoren! IJlt naar de heilige beelden, draagt ze naar buiten,
-plaats het goddelijke hart aan het hoofd der processie, en laat ons
-onder lofgezangen rondom den tempel trekken. Gij, Neokoren, neemt uwe
-staven ter hand en gaat in alle deelen der stad het groote wonder
-verkondigen, waarmede de godheid ons heeft begenadigd!"
-
-Nadat de processie een tempelomgang gedaan en zich ontbonden had, nam
-de overste der offerpriesters van Ameni afscheid, boog zich voor hem
-diep en volgens de voorgeschreven vormen, en zeide met bijkans vijandige
-koelte: »Wij zullen in den Amon-tempel weten te waardeeren, wat gij in
-het Allerheiligste hebt gehoord. Het wonder is geschied; ook de koning
-zal vernemen, hoe het beloop er van is geweest en met welke woorden gij
-het hebt aangekondigd."
-
-»Met de woorden van den Allerhoogste!" antwoordde de opperpriester
-met waardigheid, boog zich voor den ander en wendde zich tot eenige
-priesters, die elkander over de groote gebeurtenis van dezen dag
-onderhielden. Ameni deed eenige vragen betreffende het groote feest
-dat morgen gevierd zal worden, en liet toen den overste der Horoscopen
-roepen, terwijl hij beval de oproerige kweekelingen naar den schoolhof
-te brengen. De grijsaard berichtte, dat Pentaoer teruggekeerd was en
-volgde het hoofd der inrichting naar de bevrijde gevangenen. Deze waren
-op het ergste voorbereid en hielden zich overtuigd, dat zij zwaar
-gestraft zouden worden. Intusschen schudden zij van lachen, toen prins
-Rameri voorstelde, als zij soms veroordeeld mochten worden op erwten te
-knielen, deze eerst te laten koken.
-
-»Er zijn niet alleen erwten, maar ook lange asperges"[217], zeide een
-ander scholier, daarbij eene beweging makende alsof hij sloeg, en op
-zijn rug wijzende.
-
- [217] Deze waren in Egypte bekend. Volgens Plinius namen zij
- wijn, waarin asperges waren afgekookt, als middel tegen tandpijn
- in den mond.
-
-Wederom barstten zij in schaterend lachen uit, dat echter verstomde,
-zoodra de welbekende stap van Ameni zich hooren liet. Ieder vreesde het
-ergste, en toen de opperpriester voor hen stond, was zelfs Rameri de
-lust om te lachen geheel vergaan. Wel is waar zag hij hen niet verstoord
-of dreigend aan, maar reeds zijn persoon dwong allen zulk een eerbied
-af, dat ieder, ook zonder dat hij nog een woord sprak, in hem zijn
-rechter erkende, tegen wiens uitspraak geen verzet denkbaar was. Tot
-hunne verbazing sprak Ameni de onbedachtzame jongelingen vriendelijk
-toe, hij prees den beweeggrond van hetgeen zij gedaan hadden, hunne
-gehechtheid aan een hoogbegaafden leermeester, maar bracht hun daarna
-duidelijk en bedaard aan het verstand, door welke dwaze middelen en
-tegen welken prijs zij getracht hadden hun doel te bereiken. »Stel u
-eens voor," zeide hij meer bepaald tot den prins, »dat uw hooggeëerde
-vader een generaal verplaatste, die naar zijn oordeel hem elders beter
-zou kunnen dienen, van Syrië naar Koesch bij voorbeeld, en dat zijne
-troepen daarom tot den vijand wilden overloopen! Hoe zou u dat
-bevallen?"
-
-In dezer voege ging de opperpriester eenige oogenblikken berispend en
-vermanend voort. Hij besloot zijne toespraak met de verzekering, dat hij
-heden buitengewoon toegevend wilde zijn, om het groote wonder, dat aan
-dezen dag eene bijzondere wijding gaf. Hij mocht, naar hij zeide, ter
-wille van het slechte voorbeeld, geene volkomene vrijstelling van straf
-geven, en daarom vroeg hijzelf, wie hen tot deze daad had opgezet. Deze
-en deze alleen moest de straf lijden.
-
-Nauwelijks had hij uitgesproken, of prins Rameri trad op den voorgrond
-en zeide met bescheidenheid: »Wij zien nu in, heilige vader, dat wij een
-dommen streek hebben begaan, en ik betreur dien dubbel, omdat ik hem heb
-verzonnen en de anderen heb verleid mij te volgen. Ik heb Pentaoer innig
-lief, en na u is er niemand in het Seti-huis, die hem nabij komt."
-
-Er kwam eene wolk op het gelaat van Ameni, en onwillig antwoordde hij:
-»Scholieren staat het niet vrij over hunne leermeesters te oordeelen,
-ook u niet. Waart gij niet de zoon des konings, die als Ra over Egypte
-heerscht, zoo zou ik uwe onbezonnenheid met slagen doen straffen.
-Tegenover u zijn de handen mij gebonden, en toch moet ik ze overal en
-te ieder ure kunnen uitstrekken, opdat de honderden die mij zijn
-toevertrouwd geen schade lijden."
-
-»Straf mij dan!" riep Rameri. »Als ik eene dwaasheid bega, ben ik ook
-bereid er de gevolgen van te dragen."
-
-Ameni zag den levendigen jongeling weder met welgevallen aan, en zou hem
-gaarne de hand geschud en zijn kroeskop gestreeld hebben. Maar de straf
-Rameri toegedacht, moest een groot doel helpen bevorderen, en Ameni
-kende ook aan geene opwelling van zijn gemoed het recht toe, hem in de
-uitvoering van een wél overwogen plan te verhinderen. Daarom antwoordde
-hij den prins met strengen ernst: »Ik moet en zal u straffen, en doe het
-met u te verzoeken nog heden het Seti-huis te verlaten."
-
-De prins verbleekte; Ameni ging echter vergoelijkend voort:
-
-»Ik verjaag u niet met schande uit ons midden, maar zeg u vriendelijk
-vaarwel. Binnen weinige weken zoudt gij deze inrichting toch verlaten,
-en overeenkomstig het bevel des konings, wiens leven, heil en kracht
-bloeie! het oefeningskamp der wagenstrijders betrokken hebben. Ik heb
-ten uwen opzichte over geene andere straf te beschikken dan deze.
-Reik mij nu de hand. Gij zult een degelijk man en misschien een groot
-krijgsheld worden."
-
-Overbluft bleef Rameri tegenover Ameni staan, zonder zijne hem
-aangebodene rechterhand aan te nemen. Toen naderde de priester hem en
-zeide: »Gij zeidet mij, dat gij bereid waart de gevolgen uwer dwaasheid
-op u te nemen, en het woord van een koningszoon is onwankelbaar. Vóor
-zonsondergang geleiden wij u uit den tempel."
-
-De opperpriester keerde daarop den kweekelingen den rug toe en verliet
-den schoolhof. Rameri zag hem na. Zijn anders zoo frisch gelaat was
-doodelijk bleek geworden, en het bloed scheen uit zijne lippen
-verdwenen. Geen zijner makkers durfde hem naderen, want ieder hunner
-was overtuigd, dat de gedachten die 's jongelings ziel vervulden, niet
-lichtvaardig mochten worden verstoord. Niemand sprak een woord, maar
-allen zagen op hem.
-
-Zoodra Rameri dit bespeurde, trachtte hij zich te beheerschen en zeide
-op een toon, die zijne aandoeningen verried, terwijl hij Anana en een
-anderen vriend zijne handen toestak: »Ben ik dan zoo slecht, dat men mij
-aldus uit uw midden verstooten en mijn vader zulk een leed berokkenen
-moet?"
-
-»Gij hebt Ameni uw hand geweigerd," zeide Anana. »Ga heen, reik hem de
-uwe, smeek hem, dat hij wat minder streng zij, mogelijk laat hij u dan
-nog in deze inrichting."
-
-Rameri antwoordde enkel »neen!" Maar dat =neen= klonk zoo bepaald, dat
-allen die hem kenden wel wisten, dat er niets aan te veranderen was.
-
-Eer de zon onderging verliet hij de school. Ameni zegende hem, zeggende,
-dat de prins, als hij zelf te bevelen zou hebben, zijne strengheid zou
-begrijpen. Aan de overige leerlingen was het vergund hem tot aan den
-Nijl te begeleiden. Pentaoer nam hartelijk afscheid van hem aan de
-tempelpoort.
-
-Toen Rameri met zijn hofmeester alleen was in de kajuit van zijne
-vergulde bark, gevoelde hij dat zijne oogen zwommen in tranen.
-
-»Mijn prins weent toch niet?" vroeg de beambte.
-
-»Waarom?" gaf de koningszoon barsch ten antwoord.
-
-»Ik meende op de wangen van mijn prins tranen te hebben opgemerkt,"
-hernam de ander.
-
-»Tranen van vreugde, omdat ik uit den val ben," riep Rameri sprong aan
-land en was weinige minuten later in het paleis der pharao's bij zijne
-zuster Bent-Anat.
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Deze dag, zoo rijk aan gebeurtenissen, zou niet alleen vele onverwachte
-dingen brengen aan de bewoners van de doodenstad, maar ook aan onze
-bekenden in Thebe.
-
-Vrouwe Katoeti was na een slapeloozen nacht vroeg opgestaan. Nefert was
-laat te huis gekomen, had zich over haar lang uitblijven verontschuldigd
-en hare moeder kortelijk medegedeeld, hoe Bent-Anat haar geruimen tijd
-had opgehouden. Vriendelijk was zij heengegaan, nadat Katoeti haar een
-nachtkus op het voorhoofd had gedrukt. Toen de weduwe zich in haar
-slaapvertrek wilde terugtrekken en Nemoe de pit van hare lamp aanstak,
-kwam haar het geheim weder in de gedachte, dat Paäker geheel in de
-handen van den stadhouder zou overleveren. Zij beval den dwerg haar mede
-te deelen wat hij wist, en de kleine vertelde haar eindelijk, hoewel met
-ongeveinsden tegenzin, want hij was bang voor zijne moeder, dat de gids
-zijne meesteres Nefert de helft van een liefdedrank had aangeboden,
-waarvan de andere helft vermoedelijk nog in zijn bezit was.
-
-Weinige uren geleden zou dit bericht Katoeti met weerzin, ja, met
-ontzetting hebben vervuld. Thans keurde zij de daad van den Mohar ook
-wel af, maar zij vroeg toch met belangstelling, of zulk een drank
-werkelijk eenige uitwerking kon hebben.
-
-»Zeker wel," antwoordde de dwerg, »wanneer de geheele inhoud van het
-fleschje wordt gebruikt; doch Nefert kreeg maar de helft te drinken."
-
-Laat in den avond begaf Katoeti zich naar haar slaapvertrek, geheel
-vervuld met de gedachte aan Paäker's waanzinnige liefde, Mena's
-trouwbreuk en de groote verandering, die er met Nefert had plaats
-gegrepen. Toen zij op haar rustbed lag, werd zij gekweld door duizend
-angsten, vermoedens en vreezen. Niet het minst verontrustte haar, dat
-een gevoel, hetwelk tegen elken aanval bestand moest zijn, de liefde van
-het kind voor hare moeder, bij Nefert zoo geweldig was geschokt.
-Dadelijk na zonsopgang begaf zij zich naar de huiskapel, offerde daar
-aan het in de gestalte van Osiris bewerkte beeld van haar gestorven
-echtgenoot, reed naar den tempel en bracht daar een poos in het gebed
-door. Bij haar terugkomst vond zij hare dochter echter nog niet in de
-openbare galerij, die wij kennen en waar zij gewoon was haar ontbijt te
-gebruiken.
-
-Katoeti bleef in het morgenuur gaarne ongestoord, en daarom verzette
-zij zich niet tegen de neiging harer dochter, die gaarne nog wat in de
-kunstmatige duisternis van haar vertrek bleef slapen, als de zon reeds
-aan den hemel was. Wanneer de weduwe naar den tempel reed, dronk Nefert
-gewoonlijk op haar bed eene schaal melk, waarna zij zich liet kleeden.
-Keerde hare moeder terug, dan vond zij haar in de ons welbekende
-veranda. Heden nu moest Katoeti alleen ontbijten. Toen zij een weinig
-had gegeten, bedekte zij Nefert's ontbijt, bestaande uit een tarwekoek
-en wat wijn in een zilveren bekertje, zorgvuldig met een dunnen doek
-tegen stof en insecten, waarop zij zich naar het slaapvertrek harer
-dochter begaf. Zij schrikte toen zij dit ledig vond, maar weldra vernam
-zij, dat Nefert zich veel vroeger dan andere dagen naar den tempel had
-laten dragen.
-
-Zij haalde vrijer adem, toen zij in de veranda terugkwam, om haar neef
-Paäker te ontvangen, die inmiddels gekomen was om naar de gezondheid
-zijner betrekkingen te vernemen. Hij liet zich twee prachtige
-bloemruikers[218] door een slaaf nadragen, en had den grooten hond bij
-zich, die reeds aan zijn vader had behoord. Den eenen ruiker, zeide hij,
-had hij voor Nefert, den anderen voor hare moeder laten snijden. Katoeti
-stelde nog te meer belang in Paäker, sedert zij wist, dat hij zich van
-den liefdedrank had bediend. Maar zelden liet een jongeling uit den
-stand waartoe hij behoorde, zich zoo door hartstochtelijke liefde
-voor eene vrouw beheerschen als deze man, die met taai geduld en
-vaste wilskracht op zijn doel afging, en geen middel ontzag om het te
-bereiken. De gids, die onder hare oogen was opgegroeid, wiens zwakheden
-zij kende en op wien zij gewoon was neer te zien, stond daar opeens voor
-haar als een ander vreemd mensch, een redder voor zijne vrienden, een
-onbarmhartig tegenstander van zijne vijanden.
-
- [218] De voorstellingen op de gedenkteekenen leeren ons, dat
- reeds in het oude Egypte, evenals bij ons, bloemruikers als
- teeken van vriendschap werden gegeven.
-
-Maar enkele oogenblikken hadden deze gedachten haar bezig gehouden, toen
-zij haar oog op de ineengedrongen gestalte van haar sterk gespierden
-neef liet rusten, en het trof haar dat hij uiterlijk zoo weinig geleek
-op zijn vader, die slank en schoon gebouwd was. Dikwijls had zij de
-fijne handen van haar overleden zwager bewonderd, die toch ook den greep
-van het zwaard zoo vast wisten te omklemmen; maar de handen van zijn
-zoon waren breed en lomp. Terwijl Paäker vertelde, dat hij weldra zou
-opbreken om naar Syrië te vertrekken, volgde zij onwillekeurig de
-beweging van zijne hand, die telkens naar den gordel greep, als had hij
-daar een zeker iets te verbergen. Dat zeker iets was niets anders dan
-het langwerpige albasten fleschje met den liefdedrank. Katoeti bemerkte
-het, en hare wangen verbleekten; want zij begon te vermoeden wat het
-inhield.
-
-Den gids kon de ontroering van zijne nicht niet ontgaan, en daarom
-zeide hij deelnemend: »Ik kan het u aanzien, dat gij lijdt. De opzichter
-van Mena's stoeterij in Hermonthis is zeker bij u geweest. -- Niet?
-Gisteren kwam hij mij vragen, of ik hem wilde vergunnen zich bij mijne
-troepenafdeeling aan te sluiten. Hij is boos op u, omdat hij enkele
-spannen van Mena's geelvossen heeft moeten afgeven. Het schoonste heb
-ik gekocht. Prachtige beesten! Nu wil hij naar zijn meester, om hem de
-oogen te openen, zoo als hij zegt. -- Ga toch zitten, nicht; gij zijt
-zoo bleek!"
-
-Katoeti voldeed echter volstrekt niet aan dit verzoek; integendeel,
-zij glimlachte en zeide half onwillig half medelijdend: »Die oude gek
-gelooft waarlijk, dat ons wel en wee aan die geelvossen hangt. Zult gij
-hem medenemen? -- Hij wil Mena's oogen openen? Maar niemand heeft ze hem
-nog doen sluiten!"
-
-De laatste woorden werden zachter door haar uitgesproken, terwijl
-zij hare oogen nedersloeg. Ook Paäker zag vóor zich en zweeg. Weldra
-herstelde hij zich echter en zeide: »Als Nefert nog lang uitblijft, dan
-ga ik heen."
-
-»Neen, neen! Blijf!" sprak de weduwe haastig. »Zij verlangt u te zien en
-kan ieder oogenblik terugkomen. Zie, daar staat haar broodkoek en haar
-wijn nog onaangeroerd."
-
-Bij deze woorden nam zij het doekje van de onbijttafel, hief het
-zilveren bekertje even op en vervolgde toen, het doekje in de hand
-houdende: »Ik moet u een oogenblik alleen laten, om te onderzoeken of
-zij misschien niet reeds terug is."
-
-Nauwelijks had zij de veranda verlaten, of Paäker, na zich overtuigd
-te hebben dat hij door niemand gezien kon worden, greep driftig
-het fleschje uit zijn gordel, hield het onder aanroeping van zijn
-Osirischen vader in de hoogte, en goot het ledig in het bekertje, dat
-nu boordevol was.
-
-Een oogenblik later verscheen Nefert, en onmiddellijk achter haar
-Katoeti, in de veranda. Paäker greep naar den ruiker, dien zijn slaaf op
-een stoel had gelegd, en naderde met aarzelende schreden de jonge vrouw,
-die heden met zulk een vasten stap vooruittrad en zoo helder en fier de
-oogen opsloeg, dat zelfs hare moeder haar met verbazing aanzag. Paäker
-zeide tot zichzelven, dat hij haar nog nooit zoo schoon en levenslustig
-had gezien. Kon zij haar echtgenoot wel liefhebben, wanneer zij zich
-diens trouwbreuk zoo weinig aantrok? Behoorde haar hart nu aan een
-ander? Zou de liefdedrank hem werkelijk in Mena's plaats hebben gesteld?
-Ja waarlijk! want hoe begroette zij hem! Reeds van verre reikte zij
-hem de hand, en liet haar lang in de zijne rusten. Zij dankte hem in
-hartelijke woorden en prees zijne trouw en grootmoedigheid. Daarna ging
-zij naar de ontbijttafel, verzocht Paäker zich bij haar neder te zetten,
-brak haar koek door en vroeg belangstellend naar hare tante Setchem,
-zijne moeder.
-
-Katoeti zoowel als Paäker volgden met een kloppend hart elke harer
-bewegingen. Nu greep zij naar den beker, bracht dien aan de lippen, maar
-zette hem terstond weder neder, toen de Mohar opmerkte, dat zij haar
-ontbijt zoo laat gebruikte. Want terwijl een blosje hare wangen kleurde,
-antwoordde zij: »Tot hiertoe was ik recht lui, maar heden ben ik vroeg
-opgestaan, om nog in de morgenkoelte naar den tempel te gaan en te
-bidden. Gij weet zeker, wat er met den heiligen ram van Amon gebeurd is.
-Een vreeselijk ongeluk! De priesters waren geweldig ontsteld. Doch de
-edele Bek-en-Choensoe ontving mij en verklaarde mijn droom, en nu gevoel
-ik mij verlicht en recht vroolijk gestemd."
-
-»En dat alles zonder mij?" vroeg Katoeti, op zacht verwijtenden toon.
-
-»Ik wilde u niet storen," antwoordde Nefert. »En 's morgens," voegde zij
-er bij, op nieuw blozende, »neemt ge mij toch nooit mede naar de stad en
-den tempel."
-
-Wederom greep zij naar het bekertje, bekeek den wijn en zeide, zonder
-nog te drinken: »Wilt gij hooren wat ik gedroomd heb, Paäker? Het was
-een wonderbaar gezicht!"
-
-De gids verkeerde in zulk eene spanning, dat hij bijna geen adem durfde
-halen. Toch verzocht hij haar te willen vertellen.
-
-»Verbeeld u," begon Nefert, en zij schoof het bekertje op het gladde
-voetje, dat reeds bevochtigd was door eenige overgestorte droppels,
-heen en weer. »Verbeeld u, Paäker, ik droomde van den Neha-boom[219]
-daarginds in die groote kuip, die uw vader voor mij, toen ik nog een
-kind was, uit Poent heeft medegebracht, en die sedert zoo heerlijk is
-opgegroeid. Geen boom in den tuin is mij zoo lief als deze, want hij
-herinnert mij altijd aan uw onvergetelijken vader, die zooveel van mij
-hield."
-
- [219] Wierookboom. Zie boven, bl. 220.
-
-Paäker knikte toestemmend.
-
-Nefert zag hem aan, brak haar verhaal af en zeide, toen zij zag dat
-zijne wangen gloeiden: »Het wordt heet. Wilt gij ook een dronk wijn of
-water?"
-
-Terwijl zij dit zeide, nam zijzelve het bekertje op en dronk het half
-leeg. Eene rilling voer haar door de leden, en terwijl zij haar schoon
-gelaat tot een komisch lachje plooide, keerde zij zich om naar Katoeti,
-die achter haar stoel stond, en reikte haar den beker toe, zeggende:
-»Heden is de wijn toch wat al te zuur. Proef maar eens, moeder!"
-
-De weduwe nam het zilveren bekertje in de hand, en bracht het werkelijk
-aan hare lippen, zonder die echter te bevochtigen. Toen zij den beker
-van den mond nam, zweefde er een lachje over haar gezicht, terwijl zij
-hare oogen richtte op den gids, die haar verschrikt aanstaarde.
-Bliksemsnel schoot de gedachte door haar brein: »Ik smachtend verliefd
-op hem, en hij vol angst voor zulk eene neiging!" -- Hoe zelfzuchtig
-hare ziel ook was, hoe vol listen en lagen, zij was niet ruw, en
-toch had zij hartelijk in lachen kunnen uitbarsten, terwijl zij de
-schandelijkste daad haars levens beging. In goede luim gaf zij Nefert
-den wijn terug, en zeide: »Ik heb dien wel eens zoeter gedronken, maar
-de zure verfrischt meer in de hitte."
-
-»Dat is ook waar," antwoordde de vrouw van Mena, ledigde den beker tot
-den bodem, en zeide, alsof het haar verkwikt had: »Nu wil ik ook mijn
-droom ten einde vertellen. Ik zag dan den Neha-boom, het geschenk uws
-vaders, fraai en duidelijk voor mij staan. Ja, ik meen zelfs zijn geur
-te hebben opgevangen, ofschoon de droomuitlegger zeide, dat dit niet
-mogelijk was, daar men in den droom niet ruiken kan. Vol bewondering
-naderde ik de schoone plant. Daar vertoonden zich opeens wel honderd
-bijlen in de lucht, en hieuwen, als door onzichtbare handen gedreven, op
-den armen boom zoo duchtig in, dat de eene tak voor, de andere na, en
-eindelijk ook de boom op den grond viel. Als gij nu meent, dat mij
-dit verontrustte, dan bedriegt ge u. Ik schepte veeleer vermaak in de
-blinkende bijlen en vliegende spaanders. Toen er eindelijk niets meer
-over was om te vernielen, behalve de wortel in de aarde, besloot ik den
-boom tot een nieuw leven te wekken. Mijne zwakke armen werden plotseling
-buitengemeen sterk, mijne voeten uitermate vlug. Ik haalde veel water
-uit den vijver en goot het op de wortels. Toen ik eindelijk van
-inspanning niet langer kon, vertoonde zich een zacht groen, ter plaatse
-waar de boom was afgehakt. Een knopje kwam te voorschijn, een groen
-blaadje wikkelde er zich uit los, een saprijk stengeltje schoot in een
-oogwenk naar boven, verhardde zich tot een stam, die zijne takken en
-twijgjes begon uit te spreiden, waaraan groene blaadjes wiesen en witte,
-roode en blauwe bloesems. Toen kwamen vele schoon gevederde vogels
-aangevlogen; zij zetten zich in de kroon van den boom en begonnen te
-zingen. Ach, mijn hart zong bij dit gezicht nog luider dan de vogels, en
-ik zeide tot mij zelve: dat die boom zonder mij gestorven zou zijn, en
-aan mij zijn leven te danken had."
-
-»Een schoone droom," zeide Katoeti, »die mij den tijd herinnert, toen
-gij nog een jong meisje waart, en halve nachten lang wakker kondt
-liggen, terwijl gij allerlei wonderlijke sprookjes bedacht. Welke
-verklaring gaf de priester u?"
-
-»O, hij beloofde mij van alles," zeide Nefert, »en gaf mij de
-verzekering, dat het voor mij bestemde geluk, na gewelddadige
-stoornissen, eindelijk als het frissche groen zou ontluiken."
-
-»En Paäker's vader schonk u den Neha-boom?" vroeg Katoeti, terwijl zij
-de veranda verliet, en naar buiten trad in den tuin.
-
-»Mijn vader bracht hem voor u van de oostelijke grenzen naar Thebe,"
-zeide de gids, de laatste woorden van de weduwe bevestigende.
-
-»Dat is het juist wat mij zoo hartelijk verheugt," hernam Nefert. »Want
-ik had uw vader zoo lief; hij was mij zoo dierbaar, als ware hij mijn
-eigen vader geweest. Weet gij nog hoe wij samen den vijver omzeilden,
-hoe de boot toen omsloeg, en gij mij bewusteloos uit het water hebt
-gedragen? Nooit zal ik den blik vergeten, waarmede de kloeke man mij
-aanzag, toen ik in zijne armen weder bijkwam. Zulke verstandige en
-trouwhartige oogen als hij, heeft niemand ooit gehad."
-
-»Hij was goed en had u innig lief," zeide Paäker, insgelijks de ure
-gedenkende, waarin hij het voor 't eerst gewaagd had, het schoone
-bewustelooze kind een kus op de lippen te drukken.
-
-»Hoe verheug ik mij," riep Nefert, »dat de dag eindelijk gekomen is,
-waarop wij te zamen over hem kunnen spreken; dat de oude boosheid, die
-mijn hart zoo bezwaarde, eindelijk vergeten is! Ik heb nu ondervonden,
-hoe goed gij zijt! Mijn gemoed schiet vol, wanneer ik mij weder in mijne
-kindsheid verplaats en gedenk, hoe ik al het schoone en onvergetelijke
-van die jaren aan u en de uwen verschuldigd ben. Zie eens, hoe zich de
-hond, de groote Descher, tegen mij aandringt. Hij wil mij toonen, dat
-hij mij nog niet vergeten heeft! Al wat uit uw huis komt wekt in mij
-zulke vriendelijke herinneringen!"
-
-»Wij hadden u allen ook zoo lief," zeide Paäker, en zag haar daarbij met
-teederheid aan.
-
-»En wat zag het er mooi uit in uw tuin!" vervolgde Nefert. »Deze
-bloemen, die ge mij gebracht hebt, moeten in het water gezet en lang
-bewaard worden, als een groet van de plek, waar ik zoo gelukkig en
-zorgeloos spelen en droomen kon!"
-
-Bij deze woorden drukte zij hare lippen op de veelkleurige bloemen.
-Doch Paäker stond op, greep hare rechterhand en bedekte haar met vurige
-kussen.
-
-Nefert schrikte, en trok haar hand snel terug. Hij strekte echter zijn
-arm uit, om haar, terwijl zij terugweek, te omvatten. Reeds raakte zijne
-bevende hand haar slanke middel aan, toen er een luid geroep uit den
-tuin werd vernomen. Het was Nemoe, die de galerij binnenvloog om te
-berichten, dat de prinses Bent-Anat gekomen was. Op hetzelfde oogenblik
-verscheen Katoeti en weinige oogenblikken later de lievelingsdochter van
-Ramses.
-
-Paäker trad terug en nam afscheid, alvorens Nefert tijd had gevonden aan
-hare ontroering woorden te geven. Van vreugde dronken bereikte hij zijn
-wagen. Hij hield zich zeker overtuigd, dat de vrouw van den wagenmenner
-hem liefhad. Zijn hart jubelde en hij nam zich voor, de oude Hekt met
-goud te beloonen. Onverwijld reed hij naar het paleis, om den stadhouder
-Ani te verzoeken hem naar Syrië te laten trekken. Daar zou het gelden:
-hem of Mena!.....
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Terwijl Nefert daar van verontwaardiging als aan den grond genageld
-stond, zoodat zij geene woorden kon vinden om hare vorstelijke vriendin
-te begroeten, maakte Bent-Anat met koninklijke waardigheid aan de weduwe
-haar besluit kenbaar om aan hare dochter de eereplaats op te dragen, die
-door den dood van hare aanzienlijke vriendin was opengevallen. Heden
-nog, zoo beval zij, moet de vrouw van Mena in het paleis haar intrek
-nemen.
-
-Zóo had de prinses nog nooit tot Katoeti gesproken, en het kon de weduwe
-niet ontgaan, dat Bent-Anat met voordacht thans niet sprak op den ouden
-vertrouwelijken toon. »Nefert," zeide zij tot zichzelve, »heeft mij bij
-haar aangeklaagd, en zij acht mij voortaan de vriendschap en goedheid,
-waarmede zij mij vroeger bejegende, onwaardig."
-
-Zij gevoelde zich beleedigd en verontrust tevens. Ofschoon zij zich zeer
-goed bewust was van de gevaren, waarmede zij bedreigd werd, nu de oogen
-van hare dochter geopend waren, werd haar hart toch pijnlijk aangedaan
-door de gedachte haar kind te zullen verliezen. De tranen die in haar
-oogen welden, en de weemoed die er lag in hare bevende stem, waren
-daarom oprecht gemeend, toen zij de prinses antwoordde: »Gij vordert
-de betere helft van mijn leven! Doch gij hebt te bevelen en ik te
-gehoorzamen."
-
-Bent-Anat gaf trotsch een wenk met de rechterhand, als om te bevestigen
-wat de weduwe had gezegd. Maar Nefert vloog naar hare moeder toe, sloeg
-de armen om haar hals en weende lang aan haar boezem. Ook in de oogen
-van de prinses parelden tranen, toen Katoeti eindelijk hare dochter tot
-haar leidde en nog een laatsten hartelijken kus op haar schoon voorhoofd
-drukte. Bent-Anat vatte Nefert's hand en liet haar niet weder los. Zij
-verzocht de weduwe al de kleederen en sieraden harer dochter ter hand te
-stellen aan de dienstmaagden en huisslaven, die zij zenden zou.
-
-»Vergeet toch niet de doos met gedroogde bloemen, en mijn godenbeeldjes
-en de amuletten," vroeg Nefert. »Ook den Neha-boom, dien oom mij schonk,
-zou ik gaarne hebben."
-
-Aan hare voeten speelde haar wit katje met den op den grond gevallen
-bloemruiker van Paäker. Zoodra zij het beestje opmerkte, nam zij het op
-en gaf het een kus.
-
-»Neem ook dat diertje mede," zeide de prinses. »Gij speeldet er zoo
-gaarne mede."
-
-»Neen," antwoordde Nefert, terwijl zij bloosde.
-
-De prinses begreep haar, drukte hare hand en vroeg, terwijl zij op Nemoe
-wees: »De dwerg is immers ook uw eigendom? Zal hij u volgen?"
-
-»Ik geef hem mijne moeder ten geschenke," antwoordde Nefert. Daarop liet
-zij door den kleine haar kleed en hare voeten kussen, omarmde Katoeti
-nog eens en verliet den tuin met hare vorstelijke vriendin.
-
-Zoodra Katoeti alleen was, ijlde zij naar hare kapel, waarin de beelden
-harer voorvaderen stonden, afgezonderd van die van Mena. Half klagend,
-half dankend wierp zij zich neder voor het beeld van haar gestorven
-echtgenoot. De scheiding was haar zeker moeilijk gevallen, en het gemis
-harer dochter vervulde haar hart met smart, doch het verloste haar
-tevens van een zwaren last, die als een berg hare borst beklemde. Sedert
-gisteren was zij te moede geweest als een wandelaar, die zijne schreden
-richt langs de helling van een diepen afgrond, terwijl zijn vijand hem
-op de hielen volgt. Weldra kreeg het gevoel van verlost te zijn van
-hetgeen haar bedreigde de overhand, en onderdrukte hare moedersmart. Het
-was alsof de afgronden waren aangevuld, als lag daar voor haren voet een
-effen weg, dien zij slechts te bewandelen had, om het laatste doel van
-haar streven te bereiken.
-
-De weduwe, die anders zoo statig daarheen ging, doorliep nu haastig en
-in heftige beweging de paden van den tuin, toen zij uit de kapel was
-teruggekeerd. Voor de eerste maal, sedert die ongeluksbode kwam uit het
-leger te velde, gelukte het haar den stand der zaken duidelijk en klaar
-te overzien, en na te denken over de maatregelen, die Ani in de naaste
-toekomst nemen moest. Het slot van hare overwegingen was, dat alles goed
-stond, en dat het tijdstip gekomen was, om snel en kloek te handelen.
-
-Toen de boden van de prinses verschenen, was zij kalm en bestuurde zij
-met overleg het inpakken van alle voorwerpen, die Nefert had verlangd
-mede te nemen. Zoodra dit was afgeloopen, zond zij den dwerg tot Ani met
-het verzoek, dat hij haar spoedig mocht bezoeken. Doch eer Nemoe nog
-het erf van Mena verlaten had, zag hij reeds de voorloopers van den
-stadhouder, en daarop zijn wagen, omgeven door de trawanten, die gewoon
-waren hem te volgen. Weinige oogenblikken later wandelde Katoeti met
-haar vorstelijken vriend in den tuin op en neder, vertelde hem dat
-Bent-Anat hare dochter had medegenomen, en herhaalde alles, wat zij in
-de laatste uren overwogen en vastgesteld had.
-
-»Gij hebt met mannelijke kloekheid alles overlegd," zeide Ani, »en
-ditmaal zult gij mij niet tevergeefs aanzetten. Ameni is bereid te
-handelen en Paäker verzamelt reeds zijne strijdbare lieden. Hij wil
-morgen nog het feest van het dal bijwonen, en overmorgen trekt hij naar
-Syrië."
-
-»Is hij dan bij u geweest?" vroeg Katoeti.
-
-»Uit uw huis kwam hij regelrecht naar het paleis," antwoordde Ani.
-»Zijne wangen gloeiden. Hij is tot het uiterste besloten, hoewel hij nog
-niet vermoedt, dat ik hem in mijne macht heb."
-
-Zoo voortpratende kwamen zij aan de veranda, waar Nemoe zich had
-opgehouden, die zich nu om te luisteren achter de bladplanten had
-verborgen. Zij zetten zich naast elkander neer aan Nefert's
-ontbijttafel. Ani vroeg zijne vriendin, of Nemoe haar het geheim zijner
-moeder had toevertrouwd. Katoeti hield zich van alles onkundig, en
-speelde de rol eener door schrik en ontzetting aangegrepene moeder zoo
-bijzonder goed, toen zij de geschiedenis van den liefdedrank vernam, dat
-de stadhouder haar tot kalmte moest brengen door te verzekeren, dat de
-werking van zulke dranken maar eene inbeelding was.
-
-»Nu versta, nu begrijp ik mijne dochter eerst," zeide Katoeti echter.
-»Paäker moet den drank in haren wijn hebben gegoten, want zoodra Nefert
-heden morgen haar beker geledigd had, was zij als veranderd. Zij
-richtte tot Paäker de teederste woorden, en wanneer hij straks zich
-zoo blijmoedig ter uwer beschikking heeft gesteld, dan deed hij dit
-ongetwijfeld, omdat hij zeker meent te zijn van de liefde mijner
-dochter. De artsenij van de oude tooveres heeft waarlijk gewerkt!"
-
-»Mogelijk zijn er toch wel zulke dranken," zeide Ani nadenkend. »Maar
-zij zullen alleen de harten van jonge mannen kunnen doen winnen. Is
-dit het geval, dan maakt die oude slechte zaken, want de jeugd is op
-zichzelve wel in staat door hare betoovering liefde te wekken. Ja, als
-ik nog zoo jong was als Paäker! -- Gij lacht om deze mijne verzuchting?
-Laat ik het maar uitspreken: ik ben een zuchtend oud man! Ja, waarlijk,
-een oud man, want de middag mijns levens ligt reeds achter mij. En
-toch, Katoeti, vriendin, verstandigste der vrouwen, verklaar mij dit
-eene! Toen ik jong was, werd ik zeer geliefd. Ik heb ook vele vrouwen
-liefgehad, maar ik beschouwde ze allen als speelgoed; zelfs mijne vroeg
-gestorvene gade maakte hierop geene uitzondering. En thans steek ik
-mijne hand uit naar eene jonkvrouw, wier vader ik zou kunnen zijn, niet
-om mij in haar bezit te verheugen, maar om haar dienstbaar te maken aan
-mijne plannen. En nu zij mij versmaadt, gevoel ik mij zoo verontrust,
-zoo zwaar als... ja, het verschilt niet veel of ik gelijk Paäker, die
-een liefdedrank kocht."
-
-»Hebt gij met Bent-Anat gesproken?" vroeg de weduwe.
-
-»Ik was zoo onnoozel," antwoordde Ani, »om de prinses hare afwijzing,
-die zij mij door u had laten overbrengen, met eigen mond te doen
-herhalen. Gij ziet het, mijn verstand heeft geleden."
-
-»En onder welke voorwendsels wees zij uw hand af?" vroeg de weduwe.
-
-»Voorwendsels?" riep Ani. »Bent-Anat en voorwendsels! Dit moet erkend
-worden: deze vrouw bezit koninklijken trots en de groote Ma[220] in
-eigen persoon is niet waarachtiger dan zij. Ik kom er rond voor uit:
-tegenover haar scheen mij alles wat wij in het schild voeren al zeer
-erbarmelijk! In mijne aderen vloeien nu eenmaal vele droppels van
-Thotmes' bloed, en ofschoon het leven mij geleerd heeft den rug te
-krommen, zoo doet mij het bukken toch pijn. Het blijmoedig gevoel van
-tevredenheid met mijn toestand en met al mijne handelingen heb ik nooit
-gekend, want ik was altijd meer dan ik zijn mocht en deed minder dan
-ik had moeten doen. Om niet ten alle tijde een droefgeestig gezicht te
-zetten, lachte ik maar altijd. Mijn gelaat is met niets anders bedekt
-dan met de huid, waarmede mijne moeder mij ter wereld bracht, en toch
-draag ik altijd een masker. Ik dien hem, wiens heer ik meen te zijn,
-krachtens mijne geboorte. Ik haat Ramses, die mij, al of niet oprecht
-gemeend, zijn broeder noemt, en terwijl ik mij voordoe als bevestigde
-ik den grondslag zijner heerschappij, ben ik ijverig bezig om dien te
-ondermijnen. Mijn geheele bestaan is een leugen!"
-
- [220] De godin der waarheid.
-
-»Maar het zal waarheid worden," sprak Katoeti, »zoodra de goden u
-vergunnen te worden wat gij zijt, de echte koning van het land."
-
-»Zonderling," zeide de stadhouder glimlachend. »De opperpriester
-Ameni bediende zich heden bijna van dezelfde woorden. De slimheid van
-priesters en vrouwen heeft veel overeenkomst; gij strijdt dan ook
-met gelijksoortige wapenen. In plaats van zwaarden bedient gij u van
-woorden, in plaats van lansen gebruikt gij strikken, die gij ons niet om
-het lichaam maar om de ziel werpt."
-
-»Wilt gij ons hiermede berispen of prijzen?" vroeg de weduwe. »In elk
-geval zijn wij niet onmachtig, en daarom bruikbare bondgenooten, zou ik
-meenen."
-
-»Dat zijt gij," zeide Ani, wederom lachend. »Er vloeit toch in dit land
-geen traan, hetzij uit smart hetzij uit vreugde geweend, waarvan niet
-ten slotte een priester of eene vrouw de oorzaak is. In ernst, Katoeti,
-van tien groote gebeurtenissen hebt gij vrouwen in negen de hand in het
-spel. Gij zijt de aanleiding tot alles wat er thans wordt voorbereid. Ik
-wil u oprecht belijden, dat ik voor weinige uren, niettegenstaande ons
-laatste succes, mijne aanspraken op den troon zou hebben laten varen,
-indien de jonkvrouw Bent-Anat in plaats van =neen=, ja had gezegd."
-
-»Gij wilt mij wijs maken," hernam Katoeti, »dat het zwakker geslacht met
-een krachtiger wil is begaafd dan het sterkere. Gij noemt ons dan in het
-huwelijk ook: 'de meesteressen van het huis,' en wanneer de ouders der
-burgers zwak worden, dan is het hier te lande de gewoonte, dat niet de
-zonen maar de dochters hen onderhouden. Maar wij vrouwen hebben ook onze
-zwakheden, en daaronder in de eerste plaats de nieuwsgierigheid. Mag ik
-vragen op welke gronden Bent-Anat u afwees?"
-
-»Gij weet zoo veel," antwoordde Ani, »dat gij alles wel moogt weten. Zij
-vergunde mij dan haar alleen te spreken. Het was nog vroeg en zij kwam
-juist uit den tempel, waar haar de oude en zwakke eerste profeet de
-reinheid teruggegeven had. In al hare jeugdige frischheid, schoon en
-fier trad zij mij te gemoet, sterk en gezond als eene godin en vorstin.
-Mij klopte het hart in den boezem, alsof ik nog een jongeling was, en
-terwijl zij mij hare bloemen toonde, zeide ik tot mij zelven: Gij zijt
-gekomen om door haar een nieuw recht op den troon te winnen, maar stemt
-zij er in toe de uwe te worden, dan wil ik Ramses' trouwe broeder en
-stadhouder zijn, rust en geluk genieten aan hare zij en door haar, eer
-het te laat is. Wijst zij mij af, dan moge het noodlot worden vervuld;
-dan kies ik in plaats van liefde en vrede, de worsteling om de kroon,
-die aan mijn huis werd ontroofd. -- Ik begon met mijn aanzoek, maar zij
-nam mij het woord uit den mond, noemde mij een edel man, een waardig
-minnaar..."
-
-»Doch nu kwam het =maar=," viel Katoeti in de rede.
-
-»Het kwam," hernam Ani bevestigend, »en wel in den vorm van een
-openhartig =neen=! Ik vroeg naar de gronden dezer weigering. Zij bad,
-dat ik mij met dit 'neen' tevreden zou stellen. Toen begon ik met meer
-kracht aan te dringen, tot zij mij in de rede viel, en op trotschen
-vastbesloten toon erkende, dat zij aan een ander boven mij de voorkeur
-gaf. Ik wenschte den naam van dien gelukkige te weten. Zij weigerde dien
-te noemen. Toen eerst begon mijn bloed te koken, mijn verlangen naar
-haar nog grooter te worden. Toch moest ik haar verlaten, afgewezen
-zonder hoop, en met een nieuw brandend gif in het hart."
-
-»Gij zijt ijverzuchtig," zeide Katoeti. »En weet gij op wien?"
-
-»Neen," antwoordde Ani. »Maar ik hoop het door u te weten te komen. Wat
-hier in mijn binnenste woelt, weet ik geen naam te geven. Eén ding
-echter weet ik, en dat is, dat ik weifelde toen ik het paleis betrad,
-maar dat ik vast besloten was toen ik het verliet. Ik storm nu
-voorwaarts, om niet meer op mijne schreden terug te kunnen keeren. Van
-nu aan zult ge mij niet meer behoeven voort te drijven, maar veeleer
-tegen te houden. Als hadden de goden mij willen toonen, dat zij genegen
-zijn mij bij te staan, vond ik bij mijne tehuiskomst den opperpriester
-Ameni en den gids Paäker op mij wachten. Ameni zal voor mij in Egypte,
-Paäker in Syrië handelen. Mijne zegevierend uit Ethiopië teruggekeerde
-troepen, trekken morgen vroeg in triumf Thebe binnen, als had de koning
-aan hun hoofd gevochten. Zij zullen ook deelnemen aan het feest van
-het dal. Later zenden wij ze in het noorderland, en leggen ze in
-de vestingen, die Egypte tegen de uit het oosten komende vijanden
-beschermen[221], Tanis, Pelusium, Daphne, en Migdol. Ramses verlangt,
-zooals gij weet, dat de onderhoorigen van de priesters geoefend, en hem
-als hulptroepen nagezonden zullen worden. Welnu, ik zend hem de helft
-der lijfeigenen, de andere helft zal mij dienen bij de uitvoering mijner
-plannen. De bezetting van Memphis, die Ramses geheel is toegedaan, wordt
-naar Nubië gezonden, en vervangen door troepen die op mijne hand zijn.
-Het volk van Thebe laat zich door de priesters leiden, en morgen zal
-Ameni het toonen, wie zijn ware koning is, wie aan den krijg een einde
-maken en de burgers van hunne drukkende lasten bevrijden zal. Zij zullen
-zien wie den goden welgevalliger is: de laatste nakomeling van het oude
-koningshuis of een uitwas van het nieuwe. De kinderen van Ramses zullen
-van het feest worden uitgesloten, want, ondanks hetgeen de eerste
-profeet van Amon in Thebe gezegd heeft, verklaart Ameni de prinses
-Bent-Anat voor onrein. De jonge Rameri heeft een misdrijf begaan, en
-Ameni, die nog andere grootere dingen in den zin heeft, zal hem uit het
-Seti-huis verbannen. Dat werkt op de menigte. Hoe de zaken in Syrië
-staan, weet gij. Ramses heeft veel te lijden van de Cheta en de met hen
-verbonden volken. De soldaten zijn bij duizenden te tellen, die dat
-eeuwigdurende in 't veld liggen moede zijn, en als het er op aankomt,
-zullen zij ons aanhangen. Misschien zullen wij overwinnen, zonder dat
-het tot eene worsteling komt, ten minste wanneer Paäker zijn plicht
-doet. Thans is vóor alles noodig met spoed te handelen."
-
- [221] Over de vestinglinie, die Egypte moest verdedigen tegen
- de invallen der Aziaten, is breedvoerig gehandeld in mijn boek:
- =Aegypten und die Bücher Mose=. Bd. II, s, 78 ff.
-
-»Ik herken den wikkenden en wegenden, den altijd behoedzamen talmer niet
-meer," zeide Katoeti.
-
-»Omdat voorzichtig overleg thans onvoorzichtigheid zou zijn," antwoordde
-Ani.
-
-»En wanneer nu de koning eens te vroeg bericht kreeg van alles wat hier
-omgaat?" vroeg Katoeti.
-
-»Ik zeide het u reeds," hernam Ani. »Wij hebben onze rollen verwisseld."
-
-»Gij dwaalt," antwoordde de weduwe. »Ik dring ook thans op handelen aan.
-Maar ik mag u toch wel herinneren aan een maatregel van voorzorg, die
-volstrekt dient genomen te worden. Uwe brieven alleen en geene andere
-mogen in de eerste weken het leger bereiken."
-
-»Ook hierin stemt gij met den priester overeen," zeide de stadhouder
-lachend, »want Ameni heeft mij denzelfden raad gegeven. Alle brieven,
-die de vestinglinie tusschen Pelusium en de Schelfzee willen passeeren,
-zullen worden aangehouden. Mijn schrijven alleen, waarin ik klagen wil
-over roovers uit de woestijn, die onze boden overvallen, mag den koning
-in handen komen."
-
-»Wijs gehandeld!" zeide de weduwe. »Laat ook de havens van de Schelfzee
-bewaken en toezicht houden op de schrijvers. Wanneer gij koning zijt,
-zult gij weten wie hunner u wel, en wie u kwalijk gezind was."
-
-Ani schudde ontkennend het hoofd en zeide, in antwoord op deze laatste
-opmerking: »Dat zou mij in groote moeielijkheden brengen, want wilde ik
-hen, die thans hun koning aanhangen, bestraffen en de anderen verheffen,
-zoo zou ik de trouwe dienaars moeten verstooten en met de ontrouwe
-regeeren. Gij behoeft niet te blozen, mijne vriendin, want wij zijn van
-éenen bloede, en uw belang is ook het mijne."
-
-Katoeti greep de haar toegestoken hand en zeide: »Dat is zoo. Ook
-verlang ik geen ander loon, dan het huis mijner vaderen op nieuw te zien
-oprichten."
-
-»Misschien zal het gelukken," hernam Ani, »maar voor hoe korten tijd,
-wanneer niet -- wanneer niet.... Denk eens na, Katoeti, tracht eens uit
-te vorschen, waartoe gij de hulp van uwe dochter kunt inroepen. -- Wie
-is hij toch dien zij -- Gij weet wien ik bedoel. -- Wien heeft Bent-Anat
-lief?"
-
-De weduwe verschrikte, want met eene heftigheid, die geheel in strijd
-was met zijne gewone hoffelijkheid, had Ani de laatste woorden
-uitgeroepen. Maar spoedig plooide haar gelaat zich weder tot een
-glimlach, terwijl zij voor den stadhouder de weinige jonge edelen
-optelde, die den koning niet in het leger gevolgd maar te Thebe gebleven
-waren. »Zou het haar broeder Chamoes zijn?" vroeg zij eindelijk. »Deze
-is wel-is-waar in het leger; intusschen...."
-
-Op dit oogenblik liep Nemoe, wien geen woord van het gehouden gesprek
-ontgaan was, de open zaal binnen, als kwam hij zoo juist uit den tuin,
-en zeide: »Vergeef mij, meesteres, maar ik heb daar wonderlijke dingen
-gehoord."
-
-»Spreek!" zeide Katoeti met een wenk.
-
-»De edele prinses Bent-Anat, de goddelijke dochter van Ramses, moet
-openlijk in eene liefdesbetrekking staan met een priester van het
-Seti-huis."
-
-»Onbeschaamde!" riep Ani, en het was of zijn toornige blik den dwerg
-wilde doorboren. »Bewijs wat gij zegt, of ik laat je de tong uit den
-mond halen!"
-
-»Ben ik een lasteraar en verrader van den staat, dan moogt ge mij
-volgens de wet de tong laten uitsnijden," zei de kleine onderworpen,
-hoewel met een ondeugend lachje. »Maar ditmaal mag ik haar zeker
-behouden, want wat ik zeg kan ik bewijzen. Gij weet dat Bent-Anat onrein
-is verklaard, omdat zij een uur of langer in het huis van een Paraschiet
-vertoefde. Daar had zij eene samenkomst met den priester. Bij eene
-tweede in den Hathor-tempel van Hatasoe, werd zij overvallen door
-Septah, den eersten Horoscoop van het Seti-huis."
-
-»Wie is die priester?" vroeg Ani, schijnbaar bedaard.
-
-»Een man van lage afkomst," antwoordde Nemoe, »dien men kosteloos in het
-Seti-huis heeft laten opvoeden, en die zich thans als droomuitlegger
-en verzenmaker bekend heeft gemaakt. Hij heet Pentaoer, en men moet
-erkennen, dat hij er schoon en deftig uitziet. Hij gelijkt op een haar
-den overleden vader van den gids Paäker. -- Hebt gij hem wel eens
-gezien, mijn vorst?"
-
-De stadhouder gaf een teeken van toestemming, fronste zijn voorhoofd en
-zag naar den grond. Doch Katoeti vervolgde:
-
-»Dwaze die ik ben! De dwerg heeft gelijk! Ik zag hoe hare wangen zich
-kleurden, toen haar broeder de verzekering gaf, dat alle knapen om
-zijnentwil tegen Ameni zouden opstaan. Zeker, zij denkt aan Pentaoer en
-aan geen ander."
-
-»Het is goed," zeide Ani, »wij zullen zien!"
-
-Met deze woorden nam hij afscheid van de weduwe, die, terwijl hij in den
-tuin verdween, in zichzelve prevelde: »Hij was heden zoo beslist en zoo
-helder, als ik dat niet van hem gewoon ben. Maar de ijverzucht begint
-hem reeds te verblinden en zal hem weldra doen gevoelen, dat hij mijne
-scherpe oogen niet missen kan."
-
-Nemoe was den stadhouder nageloopen. Achter het vijgenboschje riep hij
-hem aan en fluisterde snel, terwijl hij zich eerbiedig boog: »Mijne
-moeder weet zeer veel, edele heer! De heilige Ibis[222] schroomt niet
-het moeras te doorwaden, wanneer zij op buit uitgaat; waarom zoudt gij
-ook niet eens goud in het stof gaan zoeken? Ik weet wel hoe ge de oude
-ongemerkt spreken kunt."
-
- [222] De Ibis religiosa, thans uit Egypte verdwenen. Er waren
- twee soorten van dit aan Toth geheiligde dier, waarvan men op
- vele plaatsen mummiën heeft gevonden. Volgens Aelianus toonde
- men in Hermopolis een onsterfelijken Ibis. "De Ibis," zegt
- Plutarchus (Isis en Osiris c. 75) "verdelgt de giftige kruipende
- dieren, en heeft het eerst getoond, hoe men door middel van
- inwendige reiniging kranken kan genezen, daar men zag dat hij
- door inspuiting (met den snavel) zichzelf reinigde. De meest
- nauwgezette onder de priesters, scheppen het reinigend wijwater
- daarwaar de Ibis gedronken heeft, want hij drinkt nooit ongezond
- of vergiftigd water, noch zoekt daarin zijn voedsel" enz.
-
-»Spreek op," bromde Ani.
-
-»Werp haar voor éen dag in de gevangenis, verhoor haar en laat
-haar dan loopen, met een geschenk, als zij u gediend heeft, in het
-tegenovergesteld geval met een pak slagen. Maar gij zult iets
-onuitsprekelijk gewichtigs vernemen, dat zij zelfs voor mij hardnekkig
-verzwijgt."
-
-»Wij zullen zien," antwoordde de stadhouder, wierp den kleinen man
-eenige gouden ringen toe en besteeg zijn wagen.
-
-In de nabijheid van zijn paleis had zich zulk eene dichte menschenmassa
-verzameld, dat de stadhouder een of ander onheil duchtte. Hij beval
-zijn wagenmenner de paarden wat in te houden, en eenige soldaten van de
-politie, zijne voorloopers te helpen. Doch het scheen dat eene blijde
-boodschap hem wachtte, want bij de poort van het slot hoorde hij
-duidelijk het gejubel der menigte, en in het voorhof van het paleis vond
-hij een gezantschap uit het Seti-huis, dat hem en heel het volk op last
-van Ameni het bericht kwam brengen van een groot wonder. Want het hart
-van den door wilde dieren verscheurden ram van Amon was teruggevonden
-in de borst van den vromen, gestorven profeet Roeï.
-
-Ani steeg dadelijk van zijn wagen, knielde neder voor het aangezicht der
-menigte, die zijn voorbeeld volgde, hief biddend de handen omhoog en
-dankte de goden met luider stem. Toen hij na eenige oogenblikken weder
-was opgestaan en het paleis was binnengetreden, kwamen eenige slaven
-naar buiten, die op last van Ani brood onder de menigte verdeelden.
-
-»De stadhouder heeft toch eene milde hand," zeide een schrijnwerker uit
-Thebe tot eene vrouw, die bij hem stond. »Zie eens hoe wit dit brood is.
-Ik steek het bij mij en breng het aan mijne kinderen."
-
-»Geef mij een stukje," riep een naakte jongen, greep den schrijnwerker
-het broodje uit de hand en liep weg, terwijl hij zeer behendig tusschen
-de beenen der menschen doorsloop.
-
-»Krokodillengebroed!" schreeuwde de man, die zijn deel verloren had. »De
-onbeschaamdheid dier jongens wordt met den dag erger."
-
-»Ze zijn hongerig," zeide de vrouw, om den knaap te verontschuldigen.
-»Hun vaders zijn te velde en hunne moeders hebben niet anders voor hen
-dan papyrus-merg en lotuskorrels"[223].
-
- [223] Zie Dl. I, bl. 145.
-
-»'t Moge hem goed bekomen," zeide de schrijnwerker. »Dringen wij wat
-naar de linker zijde. Daar komt een dienaar met nieuwe brooden."
-
-»De stadhouder moet zich bijzonder verblijden over dit wonder," zeide
-een schoenmaker. »Hij spaart er geen geld voor."
-
-»Er is ook in lang niets dergelijks gebeurd," sprak een mandenmaker,
-zich in het gesprek mengende, »en Ani verheugt het zeker uitermate, dat
-juist Roeï met dat heilige hart werd begenadigd. -- Gij vraagt waarom?
-Domkop, die ge zijt! Hatasoe is Ani's grootmoeder."
-
-»En Roeï was profeet in den Hatasoe-tempel," zeide de schrijnwerker.
-
-»De priesters aan de overzijde zijn aanhangers van het oude
-koningshuis," verzekerde een bakker. »Dat weet ik."
-
-»Alsof dat een geheim was!" zeide de schoenmaker. »De oude tijden waren
-ook beter dan de tegenwoordige. De krijg verslindt alles, en zeer
-fatsoenlijke lieden loopen nu barrevoets, omdat zij het leder niet
-betalen kunnen. Met den buit ziet het er ook mager uit sedert het
-laatste jaar. Ramses is een groot krijgsheld en een zoon van Ra, maar
-wat vermag hij zonder de goden, wien het thans in Thebe niet meer
-schijnt te bevallen? Waarom anders zoekt het heilige hart van den ram
-zich eene nieuwe woning in de Nekropolis, en wel in de borst van een
-aanhanger van het oude...."
-
-»Houd je mond," waarschuwde de mandenmaker, »daar komt de
-politie-wacht."
-
-»Ik moet ook aan mijn werk," zeide de bakker, »want ik heb voor het
-feest van morgen mijne handen vol."
-
-»Ik ook," zuchtte de schoenmaker, »want wie kan den koning der goden
-barrevoets in de Nekropolis volgen?"
-
-»Gij zult mooi geld verdienen," hernam de mandenmaker.
-
-»Het zou nog al wat zijn," antwoordde de schoenmaker, »als men beter
-hulp had; maar de gezellen zijn allen in den krijg. Men moet zich
-behelpen met onhandige jongens. En dan die vrouwen! De mijne heeft zich
-voor de processie een nieuw kleed aangeschaft, en voor de kinderen,
-zelfs voor de kleine, halsbanden gekocht. Men eert wel gaarne zijne
-dooden, en zij vergelden het ons ook dikwijls door hun bijstand, maar
-wat die offers mij kosten is niet te zeggen. Nog meer dan de helft van
-mijne verdienste gaat daarmee heen."
-
-»In mijne eerste droefheid over mijne overledene vrouw," zeide de
-bakker, »heb ik mij verbonden elke nieuwe maan een kleiner en elk jaar
-een grooter offer te brengen. De priesters schelden niets kwijt van
-eene gelofte, en de tijden worden steeds slechter. Bovendien is de
-afgestorvene mij kwalijk gezind, en even ondankbaar als bij haar leven.
-Want verschijnt ze mij in den droom, dan heeft zij geen goed woord voor
-mij en kwelt mij als altijd."
-
-»Zij is thans een lichtende en alwetende geest," zeide de vrouw van den
-mandenmaker, »en ge zijt haar zeker ontrouw geweest. De verheerlijkten
-weten alles wat op aarde gebeurt en gebeurd is."
-
-De bakker kreeg toevallig eene hoestbui, doch de schoenmaker riep: »Bij
-Anubis, den heer der onderwereld, ik wensch vóor mijn oudje te sterven,
-want wanneer zij bij Osiris te weten komt wat ik hier op aarde al
-zoo gedaan heb, en zij in staat zal zijn zich in elke gedaante te
-veranderen, waarin zij maar wil, dan verschijnt ze mij zeker elken
-nacht, om mij als kreeft te knijpen, of als eene zware nachtmerrie mij
-te benauwen."
-
-»Als gij 't eerst sterft," hernam de vrouw, »dan komt zij toch later bij
-je in de onderwereld, waar zij je ook zal doorzien."
-
-»Dat is minder gevaarlijk," sprak de schoenmaker lachend, »want dan ben
-ik zelf een verheerlijkte, en ligt ook haar verleden voor mij open.
-Dat zal ook wel zoo voortreffelijk niet zijn. En werpt ze mij met den
-schoen, dan werp ik haar met de leest."
-
-»Kom mede naar huis," zeide de mandenmakersvrouw, terwijl zij haar man
-met zich voorttrok. »Ge hoort hier niets goeds."
-
-De omstanders lachten, doch de bakker sprak: »Het is meer dan tijd om
-heen te gaan; ik moet in de Nekropolis zijn vóor het donker wordt, en
-mijne tafel laten opslaan voor het feest van morgen. Mijne waren staan
-dicht bij den smallen ingang van het dal. Breng je kleinen maar bij mij,
-schoenmaker, dan zal ik ze wat zoetigheid geven. -- Vaart gij met mij
-naar de overzijde?"
-
-»Mijn jongere broeder," antwoordde de schoenmaker, »is reeds met de
-waren aan den overkant. We hebben nog werk voor onze klanten in Thebe,
-en nu sta ik hier mijn tijd te verbabbelen! -- Zoudt ge denken dat het
-wonderhart van den heiligen ram morgen vertoond zal worden?"
-
-»Wel zeker," zeide de bakker. »Vaarwel! Daar zijn mijne kisten."
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-
-Tegelijk met den bakker lieten honderde lieden, ondanks het
-vergevorderde uur, zich naar de Nekropolis overzetten. Het was hun
-geoorloofd daar, onder het oog der veiligheidsbeambten, in den nacht,
-die aan het feest voorafging, te vertoeven. Zij toch moesten de tafels
-voor hunne handelsartikelen en de schutdaken daarboven in gereedheid
-brengen, hunne waren uitstallen en hunne tenten opslaan. Want zoodra de
-zon zich den volgenden morgen zou vertoonen, was alle handelsverkeer op
-den heiligen stroom verboden, en mochten slechts feestbarken en zulke
-booten van Thebe afvaren, die de bedevaartgangers voor de groote
-processie, mannen, vrouwen en kinderen, burgers en vreemdelingen naar
-gindschen oever hadden over te voeren.
-
-In de zalen en laboratoriën van het Seti-huis was insgelijks meer
-drukte dan gewoonlijk. De heiligverklaring van het wonderhart had de
-toebereidselen tot het feest voor korten tijd afgebroken. Thans werden
-weder hier de koren geoefend, daar de repetitie gehouden van de
-vertooning, die op het heilige meer[224] zou worden uitgevoerd, ginds
-de godenbeelden afgestoft en bekleed[225], en de kleuren der heilige
-emblemen verfrischt. Sommigen waren bezig met de pantherhuiden en
-verdere kleedingstukken van het priesterlijk ornaat te luchten en in
-orde te brengen, anderen poetsten de schepters, wierookpannen en overige
-koperen gereedschappen, nog anderen tooiden de feestbark op[226], die
-bij de processie moest worden rondgedragen. De jongere kweekelingen
-vlochten, onder toezicht van de tempelhoveniers, in het heilige bosch
-van het Seti-huis guirlanden en kransen, om de landingsplaats, de
-sphinxen, den tempel en de godenbeelden te versieren. Aan de met koper
-beslagene masten[227] vóor de pylonen werden de vanen geheschen, en
-purperkleurige zeilen gespannen over het midden van het groote voorhof,
-om straks de brandende zonnestralen te weren.
-
- [224] Aan elken tempel was een heilig meer verbonden. Herodotus
- (II 171) spreekt van de voorstellingen, die op het heilig meer
- van Neith te Saïs, bij nacht werden gegeven. "Men noemt ze
- mysteriën," zegt hij, "maar ofschoon ik er veel van weet, zwijg
- ik daarover uit eerbied." Men stelde er de mythe van Isis,
- Osiris en Seth-Typhon voor. -- Vgl. Ebers, =Eene Egyptische
- koningsdochter=, B. III.
-
- [225] De Stolisten moesten de godenbeelden bekleeden, en
- bij eenige reliefs worden nog de haken gevonden, waaraan de
- kleedingstukken werden bevestigd. Het uit- en aankleeden dier
- godenbeelden moest bij de godsdienstoefening volgens eene
- vastgestelde orde geschieden. De door A. Mariëtte uitgegeven
- opschriften in de zeven sanctuariën van Abydus, zijn voor
- deze handelingen, die allen eene bepaalde beteekenis hadden,
- bijzonder leerrijk.
-
- [226] De "Sam-bark" geheeten, volgens de voorstellingen, die
- men nog zien kan in de overblijfselen van het Seti-huis, of den
- tempel van Qoernah.
-
- [227] Zie boven bl. 216.
-
-Richtte men den blik naar eene der nevenpoorten, dan kon men den
-opzichter der offergaven opmerken, die reeds nu het vee, het koren en de
-vruchten in ontvangst nam. Dit was de schatting, die op het feest van
-het dal, door burgers uit alle deelen des lands aan het Seti-huis werd
-gebracht. Schrijvers die alles wat werd afgeleverd aanteekenden,
-Neokoren die de gaven aannamen, en lijfeigenen, die voor den landbouw
-werden gebruikt, stonden den priester bij dit werk ter zijde.
-
-Ameni was nu eens bij de zangers, dan weder bij de wonderdoeners, die
-voor het volk verrassende gedaanteverwisselingen moesten vertoonen.
-Pas had hij zijne bevelen gegeven aan de Neokoren, die den troon en de
-zetels voor den stadhouder, de gezanten van de andere priestercollegiën
-des lands[228] en de profeten van Thebe opsloegen, of hij begaf zich
-weder naar de priesters, die de reukwerken in orde brachten, en naar de
-dienaars, die de duizende lampen voor den feestnacht gereed maakten
-en ophingen. Kortom, hij was overal, hier een woord van goedkeuring
-sprekende, daar de tragen wat aanzettende. Toen hij overtuigd was dat
-alles goed ging, beval hij een der heilige vaders Pentaoer te roepen.
-
- [228] De opschriften in den zuilengang aan de oostzijde van
- den tempel van Qoernah doen ons zien, dat zelfs uit den Delta,
- feestboden naar het Seti-huis werden gezonden.
-
-De jonge priester had zich, na afscheid genomen te hebben van Rameri,
-den uit het Seti-huis verbannen zoon van Ramses, met zijn vriend
-Nebsecht in diens studeerkamer teruggetrokken. De arts liep onrustig
-tusschen zijne flesschen en kooien op en neer. In koortsachtige spanning
-nu eens een bundel planten met den voet wegschoppende, dan weder met
-zijn vuist op de tafel slaande, vertelde hij Pentaoer, terwijl zijne
-anders stijve ledematen in heftige beweging waren, in welk een toestand
-hij zijn studeervertrek bij zijne terugkomst had gevonden. Zijne
-lievelingsvogels waren verhongerd; zijne slangen hadden zich weten vrij
-te maken; ook zijn aap was, misschien wel uit angst voor de gevaarlijke
-dieren, losgebroken.
-
-»Dat beest, dat monster!" riep hij toornig, »heeft de potten met kevers
-omgeworpen, de kist met het meel, dat ik mijne vogels en wormen te eten
-geef, opengemaakt en zich daarin rondgewenteld. Het heeft mijne messen,
-naalden, tangen, mijne stiften, cirkels en rietpennen het venster
-uitgeworpen. Toen ik de kamer inkwam, zat hij zoo wit als een
-Ethiopische slaaf die dag en nacht den molen draait, daarboven op de
-kast. Hij hield de rol, die mijne aanteekeningen bevat over den bouw van
-het dierlijk lichaam, de resultaten van jarenlange studiën, in zijne
-voorpooten, en zat er met zijn scheeven kop ernstig in te kijken. Ik wil
-hem het geschrift afnemen, ja wel: hij springt met de rol het venster
-uit, zet zich neer op den rand van den put, plukt en bijt daar woedend
-den papyrus in flarden. Ik spring hem na, maar hij kruipt in den
-emmer, trekt aan den ketting, en laat zich, terwijl hij mij spottend
-aangrijnst, in den put naar beneden. Ik trek hem naar boven, maar hij
-springt met de rest van mijn geschrift er weer in."
-
-»Is het arme beest verdronken?" vroeg Pentaoer.
-
-»Ik heb hem met den emmer er weer uitgevischt en in de zon te drogen
-gelegd. Maar het hielp niet; hij had ook allerlei artsenijen gedronken
-en is heden middag gestorven. Mijne aanteekeningen zijn ook verloren.
-Veel heb ik nog overgehouden, maar over het geheel kan ik toch weer
-van voren aan beginnen. Gij ziet het, de apen hebben het zoowel als de
-wijzen op mijne studiën voorzien. Daar in de lade ligt het beest!"
-
-Pentaoer had bij het verhaal van zijn vriend eerst gelachen, en toen
-zijn verlies betreurd. Thans vroeg hij met eenige bezorgdheid: »Ligt het
-dier dáar? Gij vergeet toch niet, dat het in den tempel van Toth bij de
-boekerij verpleegd moest worden? Het behoorde tot de heilige soort van
-hondskop-apen[229] en alle goede kenteekenen werden er aan gevonden. De
-bibliothecaris heeft het u toevertrouwd om zijn ziek oog te genezen."
-
- [229] De hondskop-apen (cynocephali) waren geheiligd aan
- Toth-Hermes, den maangod. Men heeft van dit dier te Thebe en
- bij het oude Hermopolis mummiën gevonden. Dikwijls werden er
- treffende afbeeldingen gemaakt van zulke hondskop-apen, die met
- schijnbaren ernst in een boek verdiept zijn. Ook is er een groot
- aantal beelden van dit beest gevonden. In het bibliotheekvertrek
- van den Isis-tempel te Philae is op den linkerwand een
- relief-beeld van een cynocephalus aangebracht, dat bijzonder
- goed is uitgevallen.
-
-»Nu, dat is weer gezond geworden," antwoordde Nebsecht losweg.
-
-»Maar zij zullen het lijk ongeschonden van u verlangen, om het te
-balsemen," hernam Pentaoer.
-
-»Zullen zij?" prevelde Nebsecht, en hij zag daarbij zijn vriend aan als
-een knaap, van wien men een appel terugvraagt, dien hij sedert lang
-heeft opgegeten.
-
-»Ge hebt zeker weer wat heel fraais uitgevoerd!" riep Pentaoer, met een
-vriendelijke bedreiging.
-
-De arts knikte en zeide: »Ik heb het beest geopend en zijn hart
-onderzocht."
-
-»Gij zijt toch op harten verzot, als waart gij een behaagziek meisje!"
-riep de dichter. »Wat is er toch van het menschenhart geworden, dat de
-oude Paraschiet u zou bezorgen?"
-
-Nebsecht vertelde nu zonder terughouding, wat Warda's grootvader voor
-hem had gedaan; dat hij het hart van een mensch had onderzocht maar
-daarin niets gevonden, wat ook niet in het hart van een dier te vinden
-was. »Maar ik moet het zien werken in samenhang met de overige organen
-van een mensch," riep hij opgewekt, »en mijn besluit staat vast. Ik
-verlaat het Seti-huis, en zal de Kolchyten vragen mij in hun gild op te
-nemen. Als het niet anders zijn kan, verricht ik aanvankelijk den dienst
-der laagste Paraschieten."
-
-Pentaoer deed den arts opmerken, welk een slechten ruil hij zou doen, en
-zeide eindelijk, toen Nebsecht hem met vuur tegensprak: »Dat opensnijden
-van harten keur ik af. Gij zelf zegt dat gij er niets door geleerd hebt.
-Keurt gij het goed, schoon, of ook maar nuttig op zichzelf?"
-
-»Wat geef ik er om," antwoordde Nebsecht, »of dat wat ik onderzoek goed
-of slecht, schoon of leelijk, nuttig of ijdel schijnt. Ik wil weten hoe
-het is, verder niets!"
-
-»Alzoo uit bloote nieuwsgierigheid," riep Pentaoer, »wilt gij de
-zaligheid van duizenden in gevaar brengen, het ellendigste handwerk bij
-de hand nemen, en deze edele werkplaats verlaten, waar wij streven naar
-verlichting, naar inwendige loutering en waarheid!"
-
-De natuuronderzoeker kon een spottend lachje niet bedwingen.
-
-Maar nu zwollen ook van verontwaardiging de aderen op het voorhoofd van
-Pentaoer, en dreigend klonk zijn stem, toen hij, vroeg: »Gelooft gij
-waarlijk, dat uwe vingers en oogen de waarheid hebben gevonden, waarnaar
-edele geesten sedert duizende jaren zoeken, met inspanning van al hunne
-krachten? Met uw onverstandig wroeten in het stof daalt gij af tot den
-zinnelijken mensch, en hoe zekerder gij meent de waarheid gegrepen
-te hebben, des te meer zijt gij het schandelijk slachtoffer van uwe
-ellendige dwaling!"
-
-»Zoudt gij denken dat, indien ik meende werkelijk de waarheid te
-bezitten, ik nog naar haar zoeken zou?" vroeg Nebsecht. »Hoe rijker ik
-word in ervaring en in wetenschap, des te dieper gevoel ik, wat er aan
-ons kunnen en weten ontbreekt."
-
-»Dat klinkt zeer bescheiden," hernam de dichter, »doch ik weet maar
-al te wel, hoe uw onderzoek u er toe brengt, de waarde er van te
-overschatten. Alles wat gij met uwe oogen zien en met uwe vingers tasten
-kunt, schijnt u boven allen twijfel verheven, en met een voornaam
-glimlachje noemt gij in uw hart alles onwaar, wat met uwe ervaring in
-strijd is. Maar uwe ervaringen reiken niet verder dan de zinnelijke
-wereld, en gij vergeet dat er dingen zijn, die tot een ander gebied
-behooren."
-
-»Van deze dingen draag ik geen kennis," antwoordde Nebsecht bedaard.
-
-»Wij ingewijden," vervolgde de dichter, »schenken ook daaraan onze
-opmerkzaamheid. Voor eeuwen zijn er onder ons volk reeds vermoedens
-uitgesproken over hun wezen en hunne werkzaamheid; ontelbare
-geslachten hebben die vermoedens getoetst, goedgekeurd, en ze ons als
-geloofsartikelen nagelaten. Al ons weten is gebrekkig: toch vermogen
-bevoorrechte profeten een blik in de toekomst te slaan; toch worden aan
-vele stervelingen magische krachten verleend. Dat is echter in strijd
-met de wetten van de stoffelijke wereld, die gij alleen wilt erkennen,
-en laat zich nochtans zoo gemakkelijk verklaren, wanneer wij eene
-hoogere orde van zaken aannemen. Gods geest leeft zoowel in ons als in
-de natuur. De zinnelijke mensch kan het niet verder brengen dan tot het
-alledaagsche weten, maar bij de profeten werkt de goddelijke eigenschap
-van het weten onvermengd; zij bezitten de alwetendheid. De wonderdoener
-heeft bij de uitvoering van zijne bovennatuurlijke werken niet alleen
-over menschelijke krachten te beschikken, maar ook over de geheel
-onbeperkte goddelijke kracht, dat is de almacht."
-
-»Loop heen met uwe profeten en wonderen!" riep de arts.
-
-»Ik dacht," antwoordde Pentaoer, »dat toch ook de orde in de natuur, die
-gij niet loochent, u dagelijks de heerlijkste wonderen doet aanschouwen.
-Ja, de Eenige wijkt van tijd tot tijd opzettelijk van de gewone orde
-der dingen af, ten einde dat deel van zijn wezen, hetwelk wij onze ziel
-noemen, op het verheven geheel te richten, waartoe zij behoort. Heden
-weder hebt gij gezien, hoe het hart van den heiligen ram...."
-
-»Maar man!" viel Nebsecht zijn vriend opeens in de rede. »Het heilige
-hart is niet anders dan het armzalige hart van een hamel, dat een
-beschonken soldaat voor eene kleine som heeft gekocht van een vetweider,
-en dat bij eene onreine op het erf geslacht is. Een gevloekte Paraschiet
-stak het in de borst van Roeï en...en." Bij deze woorden trok hij de
-lade open, wierp den dooden aap en eenige kleedingstukken op den grond,
-en haalde eindelijk een albasten schaaltje te voorschijn, dat hij den
-dichter voorhield -- »en de spieren in deze zoutoplossing, dat orgaan
-hier, heeft eens in de borst van den profeet Roeï geklopt. Mijn
-hamelhart zullen zij morgen in processie ronddragen! -- Ik zou het u wel
-dadelijk verteld hebben, indien ik mijzelven niet het stilzwijgen had
-opgelegd, terwille van dien ouden man, en dan... Maar man! man, wat
-scheelt er aan?"
-
-Pentaoer had zich van zijn vriend afgewend, bedekte zijn aangezicht met
-beide handen, en steunde, als ware hij overvallen door hevige hoofdpijn.
-
-Nebsecht begon te begrijpen, wat er in den dichter omging. Hij naderde
-hem als een kind, hetwelk zijne moeder iets wil afsmeeken, dat het
-eigenlijk niet vragen mag. Aarzelend bleef hij achter hem staan,
-en waagde het niet hem aan te spreken. Zoo verliepen er eenige
-oogenblikken.
-
-Plotseling verhief Pentaoer zich in zijn volle lengte, strekte de handen
-hemelwaarts en riep: »Gij Eenige, al laat gij in den zomernacht ook
-sterren van den hemel vallen, zoo houdt toch uwe eeuwige onveranderlijke
-wet, in schoone harmonie, de nimmer rustenden[230] in hunne banen. Gij
-heldere geest, die de wereld vervult, die u in mij openbaart als ik een
-afschuw gevoel van de leugen, werk in mij voort, wanneer ik denk als
-Licht, wanneer ik handel als Goedheid, wanneer ik spreek als
-Waarheid, -- ja steeds als Waarheid!"
-
- [230] Zoo worden de planeten genoemd in de heilige teksten.
-
-De dichter ontboezemde deze woorden uit innige overtuiging. Nebsecht
-hoorde ze aan, als waren het de toonen uit een verre schoone wereld.
-Liefderijk naderde hij den vriend en bood hem de hand. Pentaoer greep
-haar aan, drukte haar stevig en zeide: »Dat was een bange worsteling!
-Gij weet niet wat Ameni voor mij geweest is, en nu, nu...."
-
-Hij had nog niet uitgesproken, toen voetstappen werden gehoord, die de
-kamer van den arts naderden. Een jong priester kwam de vrienden roepen,
-om terstond te verschijnen in de vergaderzaal der ingewijden. Een
-oogenblik later betraden beiden de door lampen helder verlichte zaal,
-waar de zitting werd gehouden. Geen van de leidslieden uit het Seti-huis
-ontbrak. Ameni zat aan eene langwerpige tafel op een hoogen troon. Aan
-zijne rechterhand had Gagaboe, de tweede, aan zijne linker- de derde
-profeet des tempels plaats genomen. De hoofden der afzonderlijke
-priesterklassen, en onder hen de eerste der Horoscopen, waren insgelijks
-aan de tafel gezeten, terwijl de overige priesters, allen in hunne
-sneeuwwitte linnen kleederen, zich in een grooten dubbelen halven cirkel
-hadden geschaard, in welks midden zich het beeld verhief van de
-godin der waarheid en gerechtigheid. Achter Ameni's troon stond de
-bontgeschilderde gestalte van Toth met den ibis-kop, den god die de maat
-en de orde der dingen bewaarde, die met wijze redenen de goden zoowel
-als de menschen raad gaf, en de wetenschappen en kunsten beschermde. In
-eene nis aan het uiterste einde van de zaal kon men de trias der goden
-van Thebe opmerken, tot wie Ramses I en zijn zoon Seti, de grondvester
-dezer inrichting, met offers naderden. De priesters waren streng volgens
-hunne waardigheid en den tijd hunner opneming in het mysterie geordend.
-Pentaoer zat geheel onderaan.
-
-Tot hiertoe hadden de eigenlijke beraadslagingen in deze vergadering
-nog geen aanvang genomen, want Ameni vroeg slechts, luisterde naar
-de antwoorden en gaf bevelen met betrekking tot het feest, dat den
-volgenden dag gevierd zou worden. Alles scheen goed te zijn voorbereid
-en geordend, zoodat men verwachten mocht, dat de plechtige feestviering
-zonder stoornis zou afloopen. De heilige schrijvers klaagden alleen over
-de schrale ontvangst van offervee, daar de boeren gebukt gingen onder
-zware krijgslasten. Zij betreurden ook, dat aan de processie ditmaal de
-elementen zouden ontbreken, die daaraan den grootsten luister plegen bij
-te zetten, namelijk de koning en zijne familie.
-
-Deze laatste omstandigheid wekte het ongenoegen van eenige priesters.
-Zij waren van oordeel, dat het zeer bedenkelijk was, de beide kinderen
-van Ramses, die in Thebe vertoefden, van de deelneming aan de
-feestviering uit te sluiten.
-
-Toen Ameni dit hoorde, stond hij op. »Wij hebben," zeide hij, »den
-knaap Rameri uit dit huis moeten verbannen, en Bent-Anat voor onrein
-verklaard. Al hebben de meer toegevende bestuurders van den Amon-tempel
-te Thebe haar ook vrijgesproken, zoo mag zij voor rein gehouden worden
-aan de overzijde, waar men enkel denkt aan het leven, maar niet hier.
-Want op ons rust de taak de zielen op den dood voor te bereiden. De
-stadhouder, de kleinzoon van den grooten koning dien men onttroond
-heeft, zal bij de processie verschijnen in al den glans van zijn hoogen
-rang. Ik zie, mijne vrienden, dat ge u hierover verbaast! Weet voor
-heden slechts dit éene. Groote dingen worden voorbereid, en het kan
-gebeuren, dat weldra eene nieuwe, lieflijk schijnende zon des vredes zal
-opgaan over ons door den krijg verarmd volk. -- Er gebeuren wonderen en
-ik aanschouwde in den droom een vrome, die zich gemakkelijk laat leiden,
-op den troon van den vertegenwoordiger van Ra op aarde. Hij luisterde
-naar onze stem; hij gaf ons wat ons toekomt; hij bracht onze naar
-het leger gezondene onderhoorigen op onze akkers terug; hij wierp de
-altaren der buitenlandsche goden omver en verjoeg onreine vreemdelingen
-van onzen heiligen bodem."
-
-»Gij zinspeelt op den stadhouder Ani!" riep de eerste der Horoscopen.
-
-Er ontstond eene levendige beweging in de vergadering. Ameni ging echter
-voort: »Misschien was de persoon, dien ik in den droom zag, hem niet
-ongelijk. In elk geval is dit zeker: hij had de trekken van den echten
-en rechtmatigen afstammeling van Ra, dien Roeï aanhing, in wiens borst
-het heilige hart van den ram een toevlucht zocht. Morgen zal dit
-onderpand der goddelijke genade den volke getoond worden, en nog
-een ander wonder zal het worden kenbaar gemaakt. Hoort en looft de
-beschikkingen van den Allerhoogste. Een uur geleden kreeg ik het
-bericht, dat onder de kudden van Ani te Hermonthis een nieuwe Apis is
-ontdekt, dragende al de heilige teekenen."
-
-Andermaal ontstond er eene groote beroering onder de luisterende schare.
-Ameni liet aan de uitingen van verrassing onder de priesters den vrijen
-loop. Eindelijk sprak hij: »Gaan wij thans over tot het afdoen van de
-laatste vraag! Aan den priester Pentaoer, hier tegenwoordig, werd het
-ambt van feestredenaar opgedragen. Hij heeft zwaar misdreven, doch
-ik meen dat wij hem eerst na het feest mogen verhooren, en hem de
-vereerende vervulling van dezen plicht niet mogen ontzeggen, gedachtig
-aan zijne reine bedoelingen. Deelt gij mijn wensch? Verheft niemand zijn
-stem hiertegen? -- Treed dan vooruit, gij jongste van allen, wien deze
-heilige vereeniging zulk eene groote taak toevertrouwt!"
-
-Pentaoer stond op en plaatste zich eerst vóor Ameni, ten einde op diens
-verlangen een schets te ontwerpen, in breede en scherpe omtrekken,
-van hetgeen hij tot het volk en de aanzienlijken dacht te spreken. De
-vergadering, en zelfs zijne tegenstanders, luisterden naar hem met
-welgevallen. Ook Ameni prees hem en zeide daarop: »Ik mis maar éen
-onderwerp, waarbij gij langer moet stilstaan en dat gij met bijzondere
-warmte moet behandelen. Ik bedoel het wonder, dat heden ons zoo
-getroffen heeft. Het komt er op aan te toonen, dat de goden het heilige
-hart...."
-
-»Veroorloof mij," viel Pentaoer den opperpriester in de rede, en zag hem
-ernstig in zijne doordringende, nog kort geleden door hemzelve bezongene
-oogen. »Veroorloof mij u dringend te verzoeken, mij niet tot verkondiger
-van het nieuwe wonder te verkiezen."
-
-Op het gelaat van al de hier verzamelde ingewijden was verbazing te
-lezen. Menigeen zag eerst zijne buren, dan den dichter, eindelijk Ameni
-vragend aan. De laatste kende Pentaoer en wist dat geen luim van het
-oogenblik maar ernstige overwegingen hem hadden moeten doen weigeren.
-Was het niet geweest alsof zijne heldere stem aarzelend, ja met tegenzin
-de woorden: »het nieuwe wonder" had uitgesproken? Hij twijfelde derhalve
-aan de echtheid van het goddelijk teeken!
-
-De profeet nam Pentaoer bedaard en onderzoekend met zijne oogen op, en
-zeide toen: »Gij hebt gelijk, mijn vriend. Alvorens het oordeel over u
-is uitgesproken, en gij weder voor ons staat in dezelfde reinheid, die
-wij bij u zoo hoog waardeeren, is uw mond niet waardig het goddelijk
-wonder den volke te verkondigen. Tast diep in uwe eigene ziel, en toon
-den vromen het afschuwelijke van het kwade, wijst hun ook den door u
-thans te betreden weg van reiniging des harten. Ik zelf zal het wonder
-verkondigen."
-
-Dit besluit van den meester werd door de in 't wit gekleeden met
-blijdschap begroet. Ameni drukte den een dit, den ander dat nog eens
-op het hart. Na allen een onbepaald stilzwijgen over het verhandelde,
-inzonderheid over den meegedeelden droom te hebben bevolen, sloot hij
-deze bijeenkomst. Alleen den ouden Gagaboe en Pentaoer verzocht hij te
-blijven.
-
-Zoodra zij alleen waren vroeg Ameni den dichter: »Waarom hebt gij
-geweigerd aan het volk het wonder te verkondigen, dat alle priesters uit
-de Nekropolis met vreugde vervult?"
-
-»Omdat gij mij geleerd hebt," antwoordde de dichter, »dat waarheid de
-hoogste trap is, die men bereiken kan, en dat er geen hoogere is."
-
-»Dit leer ik u andermaal in deze ure," hernam Ameni. »En daar gij deze
-leer belijdt, zoo vraag ik u, in den naam van de lichtdochter van Ra:
-twijfelt gij aan de echtheid van het wonder, dat tastbaar duidelijk voor
-onze oogen is geschied?"
-
-»Ja, ik twijfel," antwoordde Pentaoer.
-
-»Blijf volharden op den hoogen trap der waarheid," ging Ameni voort, »en
-zeg ons verder, opdat ook wij het weten mogen, welke bedenkingen u
-beletten te gelooven."
-
-»Ik weet," antwoordde de dichter, somber vóor zich ziende, »dat het
-hart, aan hetwelk de menigte goddelijke eer zal bewijzen, waarvoor zelfs
-ingewijden zich nederbuigen, als ware het een tempel voor de ziel van
-Ra, gescheurd is uit de bloedende borst van een gemeen stuk vee, en dat
-het heimelijk in de kanopen is gelegd, die de ingewanden van den profeet
-Roeï bevatten."
-
-Ameni deed van schrik eene schrede achterwaarts, en Gagaboe riep: »Wie
-heeft dat gezegd? Wie kan dat bewijzen? 't Is of men oud moet worden, om
-van dag tot dag schrikkelijker dingen te hooren!"
-
-»Ik weet het," zeide Pentaoer op stelligen toon, »maar ik moet den naam
-verzwijgen van hem, die het mij heeft medegedeeld."
-
-»Dan gelooven wij dat gij dwaalt, en dat een bedrieger den draak met
-u stak," zeide Ameni. »Wij zullen onderzoeken, wie zulk een leugen
-uitstrooit, en hem niet ongestraft laten! Het is zondig de stem der
-godheid te hoonen, en ieder die gewillig zijn oor leent aan de leugen,
-is ver van de waarheid. Heilig, ja driemaal heilig, verblinde dwaas, is
-het hart, dat ik morgen met deze handen aan het volk denk te toonen,
-en waarvoor ook gij u, zij 't niet gewillig, dan toch gedwongen zult
-nederwerpen, aanbiddende in het stof. Ga nu heen en overdenk de woorden
-waarmede gij morgen de zielen van het volk zult stichten. -- Weet nog
-dit: Ook de waarheid heeft verschillende trappen, en hare gestalte
-is even menigvuldig als die der godheid. Gelijk de zon zich niet
-voortbeweegt langs eene effen baan en een rechten weg; gelijk ook
-de sterren gebogene paden bewandelen, die wij vergelijken met de
-kronkelingen van de slang Mehen[231]; zoo staat het den uitverkorenen,
-die ruimte en tijd overzien en aan wie het te beurt viel over het lot
-der menschen te mogen beschikken, -- dien uitverkorenen staat het vrij,
-zelfs wordt hun geboden langs kronkelende wegen te wandelen, om een
-hooger doel te doen zegevieren. Gij verstaat die wegen niet, en in uwe
-onnoozelheid meent gij, dat zij ver afwijken van de paden der waarheid.
-Gij ziet het heden alleen, maar wij zien ook de toekomst, en wat wij u
-als waarheid aanbieden, dat hebt gij te gelooven! Vergeet ook vooral
-niet: de leugen bevlekt, maar de twijfel vermoordt de ziel!"
-
- [231] De slang Mehen, met hare golvende kronkelingen, die
- dikwijls voorkomt in de teksten "van hetgeen zich in de diepte
- (onderwereld) bevindt," stelt symbolisch de kronkelingen voor,
- die de zon op haar weg bij nacht door de onderwereld heeft af te
- leggen. Slangvormige mythologische figuren hebben even dikwijls
- eene gunstige als eene vijandige beteekenis. In elken tempel
- werden heilige slangen onderhouden. In Thebe zijn slangenmummiën
- gevonden en wel van de vipera cetastes. Plutarchus (Isis en
- Osiris c. 74) zegt, dat de slang voor heilig werd gehouden,
- omdat zij niet veroudert, en zich zonder ledematen al
- schuifelend gemakkelijk kon voortbewegen op eene wijze als de
- sterren.
-
-Ameni had met groote gemoedsbeweging gesproken. Toen Pentaoer zich
-zwijgend verwijderd had, en hij met Gagaboe alleen was, riep hij uit:
-»Waar moet het nu heen? Wie bezoedelt toch den reinen kinderlijken zin
-van dezen hoogbegenadigden jongeling?"
-
-»Hij bederft zichzelven," zeide Gagaboe. »Hij schuift de oude wet op
-zij, daar hij voelt, dat er eene nieuwe wet in zijn scheppenden geest is
-ontwaakt!"
-
-»Doch wetten," hernam Ameni, »ontstaan vanzelf en groeien als
-schaduwrijke wouden; er is nooit iemand, die ze maakt! Ik had den
-dichter lief, maar ik moet hem toch inbinden, anders wast hij als de
-hooggezwollen Nijl, die de dammen doorbreekt. En wat hij daar zegt van
-het wonder...."
-
-»Hebt gij daar aanleiding toe gegeven?" vroeg Gagaboe.
-
-»Bij den Eenen, neen!" zeide Ameni.
-
-»Doch Pentaoer is waarheidlievend, en geneigd te gelooven," hernam de
-oude bedenkelijk.
-
-»Ik begrijp het," hernam Ameni. »Wat hij zeide zal geschied zijn. Doch
-wie heeft het gedaan, en hem in deze misdaad ingewijd?"
-
-Beide priesters zagen nadenkend vóor zich. Ameni brak het eerst het
-stilzwijgen af, zeggende: »Pentaoer trad met Nebsecht hier binnen,
-en beiden zijn boezemvrienden. Waar was de arts, terwijl ik in Thebe
-vertoefde?"
-
-»Hij verpleegde het door Bent-Anat verwonde kind van den Paraschiet
-Pinem, en bleef daar drie dagen lang," antwoordde Gagaboe.
-
-»En het was Pinem," sprak de opperpriester, »die de borst van Roeï
-geopend heeft. Nu weet ik wie Pentaoer's geloof aan het wankelen
-heeft gebracht. Het was die wroetende stamelaar. Hij zal het mij
-boeten. -- Denken wij nu aan het feest van morgen, maar overmorgen neem
-ik dien zonderlingen kwant in 't verhoor, en ik zal onverbiddelijk
-streng zijn!"
-
-»Laat ons liever den natuuronderzoeker rustig verhooren," zeide Gagaboe.
-»Hij is een sieraad van onzen tempel, want hij doorgrondt vele dingen,
-en is een man van buitengewone bekwaamheid."
-
-»Dat alles kunnen wij overwegen na het feest," viel Ameni den ouden
-profeet in de rede. »Er is nu nog veel gereed te maken."
-
-»En later nog meer te overleggen," hernam Gagaboe. »Wij zijn een
-gevaarlijken weg ingeslagen. Gij weet het, ik blijf een stormlooper,
-niettegenstaande ik, wat mijne jaren betreft een grijsaard ben. Helaas,
-ik was nooit te schroomvallig! Maar Ramses is een geweldig man en mijn
-plicht gebiedt mij u te vragen: Verleidt uw haat u niet tot een al te
-haastig en al te onvoorzichtig optreden tegen den koning?"
-
-»Ik gevoel geen haat tegen Ramses," antwoordde Ameni ernstig. »Als hij
-de kroon niet droeg, zou ik hem kunnen liefhebben. Ik ken hem alsof ik
-zijn broeder was, en weet in hem alles wat groot is te waardeeren, wat
-meer zegt: ik wil gaarne erkennen, dat hem niets ontsiert wat klein
-moet heeten. Als ik niet wist hoe sterk hij was, zouden wij hem wel met
-geringe middelen kunnen doen vallen! Doch gij weet zoo goed als ik, dat
-hij onze vijand is. Niet de uwe noch de mijne persoonlijk, ook niet
-van onzen goden, maar de vijand van de door hunne oudheid eerwaardige
-inzettingen, naar welke dit volk en dit land bestuurd moeten worden.
-Daarom is hij inzonderheid de vijand van hen, wier levensroeping is de
-heilige leer van den voortijd te verdedigen, en een vorst den weg te
-wijzen; van de priesterschap bedoel ik, die ik leiden moet en voor
-welker rechten ik kamp met alle geestelijke middelen. Bij deze
-worsteling bekleeden, zooals gij weet, volgens onze geheime wet, de
-goden alles met den glans van het reine licht der waarheid, ook wat
-anders als leugen, verraad en arglistig doemwaardig schijnt. Gelijk de
-arts het mes en het vuur gebruikt om kranken te genezen, zoo mogen wij
-onze toevlucht nemen tot schrikkelijke maatregelen om het geheel te
-redden wanneer het bedreigd wordt. Gij ziet mij thans strijden met elk
-wapen, dat mij ten dienste staat, want blijven wij rustig afwachten,
-zoo zullen wij weldra van leiders der staatkundige aangelegendheden tot
-slaven des konings vernederd worden."
-
-Gagaboe gaf een teeken van instemming. Ameni vervolgde echter met
-klimmende warmte, sprekende in rhytmische volzinnen, waarin hij de
-bevelen der godheid placht te verkondigen, zoo vaak hij uit het
-Allerheiligste kwam: »Gij waart mijn meester, ik acht u zeer hoog,
-daarom moogt gij nu alles vernemen, wat mij beweegt en vast doet
-besluiten, den vreeslijken kamp te aanvaarden. Dit huis zoo gij weet,
-was voor mij gelijk ook voor Ramses de kweekplaats, en het was wijs van
-Seti dat hij hier zijnen zoon met andere knapen liet leeren. Slechts
-de kroonprins en ik wij wonnen de prijzen, in werken en spelen. Wel
-was hij mijn meester in vlugge bevatting, in stoute gedachten; mijn
-nauwgezetheid was grooter en dieper mijn denken. Vaak spotte hij met
-mijn moeitevol streven; doch mij scheen zijn schittrend vermogen slechts
-ijdele begoochling te zijn. Ik werd een gewijde, maar hij stuurde het
-roer van den staat met zijn vader; ten laatste alleen, toen Seti niet
-meer was. Wij werden ouder, maar onveranderd bleef steeds de diepste
-grond van ons wezen. Hij stormde naar buiten tot heerlijke daden!
-volken bij volken wierp hij ter aarde; en door de stroomen bloeds
-zijner burgers verhief hij den glans van d' Egyptischen naam tot
-duizelingwekkende hoogte.
-
-»Ik sleet mijn leven in ijverig werken, ik leerde de jeugd en bewaakte
-de inzetting, die het samenwonen der menschen regelt en het volk met de
-godheid verbindt. Met ijver doorzocht ik de schriften der oudheid, en
-menig heerlijk woord heb ik van haar wijzen vernomen. 'k Vergeleek met
-elkander 't verleden en 't heden. Wat waren de priesters? Hoe zijn ze
-geworden tot dat wat ze zijn? Wat toch, zoo wij er niet waren, wat werd
-dan Egypte? Geen wetenschap bloeit er, geen kunst, geen vermogen, die
-wij niet verwierven, bedachten en kweekten. Wij kroonden de vorsten,
-wij noemden ze goden en leerden het volk ze als goden dienen. Want de
-menigte zoekt een hand die haar leidt, waarvoor zij kan beven, als voor
-de vuist van het overmachtige noodlot. Gaarne dienden wij den god op
-zijn troon, die als de Eene naar eeuwige wetten, naar =onze= wet gebood
-en heerschte. Uit ons midden koos hij zijn raadsliên, wat tot heil is
-voor 't land dat deden wij hem weten. Hij hoorde ons gewillig aan en
-voerde het uit. De oude koningen waren de handen, wij, de priesters, wij
-waren het hoofd. En nu, mijn vader! Wat zijn wij geworden? Wij worden
-gebruikt om het volk bij het geloof te bewaren. Want als het ophield
-de goden te eeren, hoe zou 't zich dan voor den pharao buigen? Veel
-waagde Seti, en meer nog zijn zoon, daarom begeerden zij beiden de
-hulpe des hemels. Een vrome is Ramses, hij offert vlijtig en mint
-het gebed. Voor hem zijn wij onmisbaar als wierookvat-slingeraars en
-hecatomben-slachters, als die voor hem bidden en zijn droomen verklaren,
-maar zijn raadslieden zijn wij niet meer. Mijn Osirische vader, een
-waardiger opperpriester dan ik, bad den zijnen, op last van den grooten
-raad der profeten, hij zou het vermetele plan laten varen, door een
-bevaarbaar kanaal de noordelijke zee te verbinden met de onreine golven
-der Schelfzee. Den Aziaten alleen komt zulk een werk ten goede[232].
-Doch Seti sloeg onzen raad in den wind[233]. Wij wilden 's lands oude
-verdeeling bewaren, doch Ramses voerde de nieuwe in, tot schade der
-priesters. Wij waarschuwden voor nieuwe bloedige oorlogen, en de koning
-trok weder en weder te velde. Wij bezitten de oude geheiligde brieven,
-die onze boeren van krijgsdienst ontslaan; gij weet het hoe hij ze
-laatdunkend verscheurde. Sinds oude tijden mag niemand in dit land
-voor vreemde goden tempels bouwen, en Ramses begunstigt de zonen der
-vreemden, en bouwt in 't Noorderland niet alleen, maar ook in het oude
-eerwaardige Memphis en hier in het vreemden-kwartier in Thebe, altaren
-en statige heiligdommen voor de bloedige leugengoden[234] van 't
-oosten."
-
- [232] De havens aan de Schelf- of Roode zee waren in handen
- van Phoeniciërs, die van hier naar het zuiden zeilden om de
- reukwerken uit Arabië en de schatten van Ophir te halen.
-
- [233] Koning Necho begon ook een Suez-kanaal aan te leggen, maar
- hij voltooide het niet, omdat, volgens Herodotus II 58, het
- orakel hem verkondigde, dat de vreemdelingen alleen voordeel van
- de onderneming zouden trekken.
-
- [234] Door de Egyptenaars werden de menschenoffers, zooals
- er nog in later tijd door de Phoeniciërs aan Moloch werden
- gebracht, afgeschaft.
-
-»Gij spreekt als een ziener," riep de oude Gagaboe. »En wat gij zegt is
-in alle opzichten waar! Wij heeten nog priesters, maar zelden wordt onze
-raad gevraagd. 'Gij hebt de menschen in eene andere wereld een heerlijke
-toekomst te bereiden', heeft Ramses gezegd, 'maar hun lot op aarde
-bestuur ik alleen'!"
-
-»Zoo sprak hij," ging Ameni voort. »En al had hij niet anders gezegd dan
-dát, hij zou reeds daardoor zijn geoordeeld! Hij en zijn huis zijn onzen
-rechten vijandig, en vijanden mee, van dit ons edel land. Behoef ik u
-te zeggen, wat pharao's stamboom is? Eens noemden wij de van 't oosten
-komende scharen, die ons vaderland als sprinkhaan-zwermen overvielen,
-die het hebben uitgemergeld en gekneveld, 'pestplagen en roovers'. Tot
-deze behoorden Ramses' vaderen. Toen Ani's vaderen de Hyksos verdreven,
-verkreeg de dappere familie van 't stamhoofd, wier nazaat thans Egypte
-regeert, het voorrecht aan den Nijl te verblijven. Zij diende in het
-leger, zij trad op den voorgrond, en eindelijk gelukte het den eersten
-Ramses de troepen voor zich te winnen, en het oude, in ketterijen
-verwarde geslacht der echte zonen van Ra van den troon te berooven.
-Ongaarne erken ik 't: de rechtgeloovige priesters -- uw grootvader was
-onder hen, en de mijne -- ondersteunden den koenen roover der kroon, die
-de oude leer trouwhartig aanhing. Niet minder dan honderd voorzaten van
-mijn huis en niet minder van 't uwe en vele andere priestergeslachten,
-zijn hier aan den heiligen Nijl gestorven. Van Ramses' vaderen kennen
-wij er slechts tien, en wij weten van dezen, dat zij behoorden tot
-uitlandschen stam, tot de bende der Amoe! Als alle Semieten, zoo is ook
-hij. Zij houden van zwerven en noemen ons 'ploegers'[235], bespottend
-de wijze afgemeten orde, waarin wij, den zwarten bodem bebouwend, in
-nuttigen arbeid des geestes en des lichaams, den langen dood te gemoet
-gaan. Zij dwalen rond om buit te behalen, en stuwen het zeeschip door
-ziltige wateren, en kennen geen vast en dierbaar tehuis. Waar winst is
-te halen, daar strijken zij neder; is er niets meer voor hen te rooven,
-dan slaan zij elders hun woning weer op. Zoo nu was Seti, zoo is ook
-Ramses! Een jaar verblijven zij wel in Thebe, maar trekken dan weg, de
-grenzen over ten oorlog. Zich vroom te onderwerpen, naar den raad te
-vernemen der wijze vermaners, zij verstaan 't niet en zullen 't nooit
-leeren. Gelijk de vaders zoo zijn ook de kinderen! Denk aan de vermetele
-daad van Bent-Anat. Pharao, zeide ik, stelt de vreemden op prijs. Hebt
-gij bedacht wat dat wel beteekent? Ons doel is naar 't hoogere en edele
-te streven; wij hebben ons aan de banden der zinnen ontworsteld tot
-verzorgers der zielen. Ook de armste leeft veilig, beschermd door de
-wetten, en door ons neemt hij deel aan de gaven des geestes. Heerlijke
-schatten van kunst en van kennis worden door ons den rijken geboden.
-Zie nu naar den vreemdeling! Nomadenzwermen, in armzalige tenten,
-doortrekken in 't oost en 't west de woestijn. In 't zuiden bidt een
-verdierlijkt gepeupel tot vederschachten en ellendige goden, die zij
-slaan, als 't geluk hun ontbreekt. In het noorden vindt men geordende
-staten; maar wat zij aan kunst en aan kennis bezitten, dat danken
-zij ons voor het meeste; en altijd nog bloeden op hun altaren, als
-afgrijselijke offers, de lijken van menschen. Slechts afval van 't
-goede, die schenkt ons de vreemdeling, dus is het verstandig zich van
-hem te keeren, dies is hij ook bij onze goden gehaat. En Ramses, de
-koning, is vreemdeling, door zijn bloed en zijn neiging, zijn hart en
-zijn aanschijn. Zijn geest vliegt al verder, dit land is voor hem te
-bekrompen. Hoe vlug ook zijn geest zij, wat waarachtig hem goed is zal
-hij nimmer begrijpen. Hij luistert naar raad niet, hij benadeelt Egypte;
-dus zeg ik: naar beneden met hem van den troon!"
-
- [235] De Bedoeïenen noemen thans nog de landbouwende bevolking
- van Egypte met minachting Fellah, meerv. Fellahin, of ploegers.
-
-»Naar beneden met hem!" herhaalde Gagaboe in geestdrift.
-
-Ameni reikte den grijsaard zijne van opgewondenheid bevende hand, en
-ging kalmer voort: »De stadhouder Ani is van vaders en moeders zijde een
-echte zoon van het land. Ik ken hem door en door, en weet dat hij wel is
-waar verstandig maar angstvallig voorzichtig is, en dat hij ons in ons
-voormalig, ons rechtmatig toekomend erfdeel weder herstellen zal. Hier
-valt de keus niet zwaar. Ik heb gekozen en ben gewoon door te zetten,
-wat ik eens begonnen ben. Gij weet nu alles en zult mij helpen!"
-
-»Met lijf en ziel!" riep Gagaboe.
-
-»Versterk dan ook de harten onzer medepriesters," zeide Ameni, afscheid
-nemende. »Ieder ingewijde mag vermoeden wat er eigenlijk gebeurt, maar
-het mag volstrekt niet uitgesproken worden."
-
-
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-
-De zon was op den negen en twintigsten morgen van de tweede maand der
-overstrooming[236] reeds opgegaan, en de burgers en burgeressen, de
-grijsaards en de kinderen, de vrijen en de slaven in Thebe brachten het
-opgaand daggesternte hunne hulde, onder de leiding der priesters, voor
-de poorten van den tempel, waartoe het door hen bewoonde kwartier van de
-stad behoorde. De inwoners van Thebe stonden in familie-groepen bijeen
-voor de pylonen, wachtende op den optocht der priesters. Zij wilden zich
-daarbij aansluiten om zoo te trekken naar den grooten rijkstempel en van
-dezen uit met de feestbarken den stroom over te steken naar de
-Nekropolis.
-
- [236] Den 29sten Paophi. De Egyptenaars hadden drie jaargetijden
- of Tetrameniën, elk van vier maanden. Het waren de jaargetijden
- der overstrooming, van zaaiing en oogst ("Scha", "per" en
- "schemoe"). De tweede overstroomingsmaand heet Paophi en de
- 29ste Paophi, waarop het feest van het dal gevierd werd, kwam
- overeen met den 8sten November volgens onze tijdrekening.
-
-Heden, op het feest van het dal, werd Amon, de groote god van Thebe, in
-plechtstatigen optocht overgebracht naar de doodenstad, ten einde daar,
-zooals de priesters zeiden, te offeren voor zijne ouders in de andere
-wereld[237]. Zijn tocht ging naar het westen, en gelijk daar het
-stoffelijk overschot der menschen rust vond in de graven, zoo waren daar
-ook de millioenen zonnen verdwenen, waarop dagelijks een nieuwe gevolgd
-was, weder uit den nacht verrijzende. Het verjongde licht, zeiden de
-priesters, vergeet het uitgebluschte niet, waaruit het geworden is; het
-brengt als Amon daaraan zijne hulde, om de vromen te herinneren, dat zij
-de afgestorvenen niet mogen vergeten, waaraan zij hun leven hadden te
-danken. »Breng offers," zoo luidde eene godsdienstige spreuk, »aan uw
-vader en uwe moeder, die in het dal der graven rusten, want dit is den
-goden welgevallig, die deze gaven willen aannemen, als waren ze aan
-henzelven gebracht. Bezoek uwe ontslapenen dikwijls, opdat uw zoon voor
-u moge doen, wat gij voor hen doet"[238].
-
- [237] Maspero, =Mémoire sur quelques Papyrus de Louvre=, p. 75
- Pap. 3. Boulaq, T. 3, p. 22, 23.
-
- [238] Uit den te Boulaq bewaarden Papyrus IV, die zedelijke
- voorschriften behelst. Hij werd door Mariëtte uitgegeven,
- en vertaald door Brugsch, E. de Rougé, en ten laatste op
- voortreffelijke wijze analytisch verklaard en toegelicht door
- Chabas in zijn tijdschrift =l'Egyptologie=.
-
-Het feest van het dal was een doodenfeest, maar het droeg geen somber
-karakter; het werd niet met gejammer en weeklachten gevierd. Het was
-integendeel een vroolijk feest, gewijd aan de liefdevolle nagedachtenis
-van de zoodanigen, die men ook na den dood nog bleef liefhebben. Men
-verhief het geluk dier gezaligden en herdacht hen vriendschappelijk,
-terwijl men, gezellig in de grafkapel of vóor hunne groeve gezeten,
-offers bracht en maaltijd hield. Ouders en kinderen sloten zich bij
-elkander aan. De huisslaven volgden hen met voorraad van spijzen en
-fakkels, om het donkere graf te verlichten, of ze ook te ontsteken,
-wanneer men laat in den nacht huiswaarts keerde. Ook de armste had reeds
-een dag te voren gezorgd voor een plaatsje op een der groote schuiten,
-die de bedevaartgangers den stroom moesten overzetten. De barken der
-aanzienlijken lagen schitterend getooid aan den oever gereed, wachtende
-op de eigenaars met hun gevolg. De kinderen hadden 's nachts van
-het heilige feestschip van Amon gedroomd; want de moeders hadden
-hen verteld, dat dit vaartuig in pracht weinig onderdeed voor de
-heerlijkheid der gouden zonneschuit, waarin de zonnegod met zijn gevolg
-den oceaan des hemels bevoer.
-
-Reeds wemelde het van priesters op de oevertrappen van den rijkstempel,
-van burgers op de kade en van booten op den vloed. Reeds overstemden de
-ruischende tonen der feestmuziek het gejoel der volksmenigte, waaronder
-de een den ander te midden van stofwolken verdrong, om de barken
-en booten te bereiken. Reeds waren alle huizen en hutten van Thebe
-ontvolkt, en zag men in gespannen verwachting het oogenblik te gemoet,
-waarop de godheid uit de tempelpoort te voorschijn zou treden. Maar nog
-altijd ontbraken de leden der koninklijke familie, die anders op dezen
-dag gewoon waren te voet naar den grooten tempel van Amon te gaan. Onder
-de menigte vroeg de een den ander, waarom Bent-Anat, de schoone dochter
-van Ramses, zoo lang uitbleef, en het opbreken van de processie deed
-vertragen.
-
-Reeds hieven de priesters hunne gezangen aan achter de tempelmuren, die
-het volk verhinderden de veelkleurig beschilderde voorhoven te zien.
-Reeds had de stadhouder met een luisterrijk gevolg het heiligdom
-betreden. Reeds werden de deuren van het feestgebouw geopend en
-vertoonden zich de enkel met een schort gekleede knapen, die voor de
-godheid op den weg bloemen moesten strooien. Reeds verkondigden de
-wierookgeuren, dat Amon naderde -- maar nog altijd vertoonde de dochter
-van Ramses zich niet.
-
-Allerlei geruchten werden verbreid, waaronder zeer onzinnige. Dit stond
-in elk geval vast, en werd ook tot teleurstelling van het volk door de
-tempeldienaars bevestigd: de prinses nam geen deel aan de processie;
-Bent-Anat was uitgesloten van het feest van het dal. Zij stond met haar
-broeder Rameri en de vrouw van Mena op het balkon van haar vaderlijk
-paleis, uitziende naar den stroom en het naderen der godheid. Gisteren
-morgen had de oude opperpriester van Amon te Thebe, Bek-en-Choensoe,
-haar de reinheid teruggegeven, maar aan den avond was hij haar komen
-melden, dat Ameni haar verbood de Nekropolis te betreden, zoolang de
-goden van het westen haar voor het misdrevene geene vergeving hadden
-geschonken. Terwijl zij nog in den staat van onreinheid verkeerde, had
-zij den Hatasoe-tempel betreden en dien bevlekt, en Bek-en-Choensoe
-moest toestemmen, dat de overste van de doodenstad in zijn recht was,
-wanneer hij het gebied van het westen voor haar sloot. Bent-Anat had
-toen Ani's hulp ingeroepen, maar ofschoon de stadhouder haar zijn
-tusschenkomst beloofde, zoo kwam hij toch laat in den avond tot haar,
-om haar mede te deelen, dat Ameni onvermurwbaar bleef, ook zelfs voor
-zijne bede. De stadhouder had haar hierover zijn leedwezen betuigd,
-maar tevens den raad gegeven, elke aanleiding tot openbare ergernis te
-vermijden, de eerwaarde gestrengheid van Ameni niet te trotseeren en
-zich niet op het feest te laten zien. Terzelfder ure had vrouwe Katoeti
-den dwerg Nemoe tot hare dochter gezonden, om deze uit te noodigen
-met haar aan den optocht deel te nemen, en in het voorvaderlijk graf
-te offeren. Doch Nefert had haar doen antwoorden, dat zij van hare
-meesteres en vriendin niet konde of wilde scheiden.
-
-Bent-Anat had aan de voornaamste personen van hare hofhouding vergunning
-gegeven om het feest mede te vieren, en hun verzocht harer bij deze
-schoone plechtigheid te willen gedenken. Toen zij van het balkon het
-volk zag samenstroomen, en de booten wemelden op den stroom, ging zij in
-haar vertrek terug. Zij riep Rameri tot zich, die in woede losbrak over
-de onbeschaamdheid van Ameni, vatte zijne beide handen en zeide: »Wij
-hebben beiden misdreven, broeder! Laten wij de gevolgen van onze schuld
-geduldig dragen, en handelen alsof onze vader bij ons was."
-
-»Hij zou den overmoedigen priester het panthervel van de schouders
-scheuren," riep de prins, »wanneer deze het waagde in zijne
-tegenwoordigheid u zoo te vernederen." En bij deze woorden rolden
-tranen van boosheid langs zijne jeugdige wangen.
-
-»Wees nu niet langer toornig," antwoordde Bent-Anat. »Gij waart nog
-klein, toen vader voor de laatste maal aan dit feest deelnam."
-
-»O, ik herinner mij dien morgen zeer goed," riep Rameri, »en ik zal dien
-nooit vergeten."
-
-»Ik dacht het wel," zeide Bent-Anat. -- »Blijf gerust, Nefert; gij zijt
-immers nu mijne zuster! Hoor! het was op een heerlijken morgen. Wij,
-kinderen, waren feestelijk uitgedost verzameld in de groote zaal des
-konings. Toen liet hij ons roepen in deze vertrekken, die onze moeder
-bewoond had. Weinige maanden geleden was zij gestorven. Hij nam ons een
-voor een bij de hand en zeide aan elk, dat hij hem alles vergaf wat hij
-misdreven had, mits hij er ernstig berouw over had, en drukte ieder
-een kus op het voorhoofd. Toen wenkte hij ons tot zich, en zeide zoo
-bescheiden, alsof hij een onzer was, en niet de geduchte koning:
-'Misschien heb ik ook iemand uwer onrecht gedaan, of hem niet volledig
-recht laten wedervaren. Ik ben mij daarvan niet bewust, maar als het
-gebeurd is, dan doet het mij leed!' -- Toen vlogen wij allen naar hem
-toe, want ieder wilde hem kussen. Hij weerde ons echter lachend af en
-zeide: 'Van een ding heeft ieder van u een gelijk deel genoten, gelijk
-gij wel weet; ik bedoel de liefde uws vaders. Nu zie ik dat gij mij
-weder wilt geven, wat ik u schonk.' -- Hij herinnerde ons daarop onze
-overledene moeder en zeide, dat ook de hartelijkste vader niet in staat
-was het gemis eener moeder te vergoeden. Toen hing hij ons een schoon
-tafereel op van de zelfverloochenende liefde, waarmede de afgestorvene
-zich geheel aan ons had gewijd, en noodigde ons uit aan hare rustplaats
-met hem te bidden en te offeren. Dáar moesten wij beloven harer waardig
-te leven, niet enkel in het groote, maar ook in het kleine. Want juist
-dat kleine vormde het leven, gelijk de uren den dag en het jaar. -- Wij
-grooteren drukten toen elkander de handen, en nooit ben ik zeker beter
-geweest dan in die ure, en aan het graf mijner moeder!"
-
-Nefert sloeg hare oogen op, waarin tranen blonken, en zeide: »Als men
-zulk een vader heeft, moet het gemakkelijk vallen goed te blijven."
-
-»Heeft uw moeder ook niet altijd aan den morgen van dezen feestdag
-goede woorden in uw hart gelegd?" vroeg Bent-Anat.
-
-Nefert bloosde en zeide: »Het werd altijd laat met ons toilet, en dan
-moesten wij ons haasten, om ter rechter tijd in den tempel te komen."
-
-»Kom, laat mij dan heden uwe moeder zijn!" sprak Bent-Anat. »En ook de
-uwe, Rameri. Weet gij ook nog, hoe vader aan de hofbeambten en dienaars
-vergeving schonk, en hoe hij hun zoowel als ons op het hart drukte, op
-dien dag elke opwelling van toorn in onze borst te onderdrukken? 'Bij
-dit feest,' zeide hij, 'behoort niet enkel een rein kleed, maar ook een
-onbevlekt hart.' Derhalve, broeder, geen boos woord meer over Ameni,
-wien zijn wet waarschijnlijk tot zulke eene gestrengheid dwingt. Onze
-vader zal dit alles vernemen en richten. Het hart is mij zoo vol, als
-moest het overvloeien. Kom, Nefert, geef mij een kus, en ook gij,
-broeder! Ik ga thans in mijne kapel, waar de beelden der voorvaderen
-staan, om aan mijne moeder te denken en aan de zalige geesten onzer
-geliefden, waaraan ik heden niet offeren mag."
-
-»Ik ga met u," zeide Rameri.
-
-»Nefert," sprak Bent-Anat, »blijf gij hier en snijd zoo vele van mijne
-bloemen, als gij wilt. De schoonste moogt gij nemen! Vlecht daarvan een
-krans, en wanneer die gereed is, laten wij hem door een bode met andere
-gaven naar de overzijde brengen, die zorgen moet dat hij in het graf van
-Mena's moeder gelegd wordt."
-
-Toen broeder en zuster na een half uur tot de jonge vrouw terugkeerden,
-hield Nefert twee sierlijke kransen in de hand, éen voor de gestorvene
-koningin, en éen voor Mena's moeder.
-
-»Ik zal de kransen overbrengen," riep Rameri, »en in de graven
-nederleggen."
-
-»Ani meent, dat het beter zal zijn, wanneer wij ons niet aan het volk
-vertoonen," zeide Bent-Anat waarschuwend. »Men merkt ter nauwernood op,
-dat gij onder de scholieren wordt gemist, maar...."
-
-»Maar ik wil mij niet als zoon van Ramses, maar als een tuinmansjongen
-laten overzetten," viel de prins haar in de rede. »Hoort gij het
-bazuingeschal? Thans dragen zij den god naar buiten!"
-
-Rameri betrad het balkon, de beide vrouwen volgden hem en richtten hare
-blikken naar de plaats, waar de stoet zou scheep gaan. Met hare scherpe
-oogen konden zij alles overzien.
-
-»Ik troost mij met de gedachte," zeide Rameri, »dat het een magere en
-armzalige optocht[239] zal zijn, zonder mijn vader en ons. Hoe statig
-rollen de tonen der muziek! Nu komen de vederdragers[240] en zangers.
-Daar is de eerste profeet van den rijkstempel, de oude Bek-en-Choensoe.
-Wat ziet hij er eerwaardig uit! Maar het loopen begint hem moeielijk te
-vallen. Nu nadert de godheid; reeds vang ik de wierookgeuren op...."
-
- [239] Bij de beschrijving van de processie, heb ik voornamelijk
- de voorstellingen gevolgd van den grooten optocht bij het feest
- van den trap op den tempel van Medinet Haboe.
-
- [240] Pterophoren, zooals de priesters heeten, omdat zij zich
- onderscheidden door twee vederen op hun hoofd. Vert.
-
-Bij deze woorden wierp de prins zich op de knieën, en de vrouwen volgden
-zijn voorbeeld, toen zich ten eerste een prachtige stier vertoonde, in
-wiens helder gladde huid de zon zich spiegelde. Hij droeg eene gouden,
-met glanzend witte struisvederen getooide schijf tusschen de horens.
-Daarachter, voorafgegaan door eenige waaierdragers, verscheen de god
-zelf, nu en dan zichtbaar, maar meestal voor het oog der menigte
-onzichtbaar, door de groote halfronde, aan lange staven bevestigde
-schermen van zwarte en witte struisvederen, waarmede de priesters hem
-beschaduwden. Geheimzinnig als zijn naam was ook zijn gang, want hij
-scheen op zijn kostbaren zetel langzaam van de tempelpoort naar den
-stroom te zweven. Zijn troon stond op eene tafel met kostelijke
-bouquetten en bloemguirlanden getooid, bedekt met een kleed van purper
-goudbrocaat, dat tevens de priesters bedekte, die den god op zijn troon
-langzaam en met gelijkmatige schreden voortdroegen.
-
-Zoodra de godheid in het feestschip eene plaats had gevonden stonden
-broeder en zuster benevens Nefert van hunne knieën op. Er kwamen nu
-priesters te voorschijn, die een kist droegen met de altijd groene
-heilige boomen van Amon, en toen op nieuw het gezang der liederen en de
-geur van den wierook ooren en oogen bereikten van hen, die van het feest
-waren uitgesloten, prevelde Bent-Anat: »Nu zou mijn vader zijn gekomen."
-
-»En gij!" riep Rameri, »en onmiddellijk daarachter Nefert's gemaal met
-de garde. Neef Ani gaat te voet. Hoe zonderling heeft hij zich gekleed;
-juist het tegengestelde van een sphinx[241]!"
-
- [241] Er waren in Egypte geene vrouwelijke sphinxen. De sphinx
- heet Neb, d. i. de heer. De liggende leeuwengestalten dragen òf
- het hoofd van een man, òf den kop van een ram.
-
-»Hoe zoo?" vroeg Nefert.
-
-»Een sphinx," antwoordde Rameri lachend, »heeft het lichaam van een
-leeuw en het hoofd van een mensch, en neef draagt om zijn lichaam
-een vreedzaam priesterlijk gewaad en op zijn hoofd den helm van een
-krijgsman."
-
-»Ware de koning hier, de leven schenkende," zeide Nefert, »gij zoudt
-onder zijne dragers niet worden gemist, Rameri."
-
-»Zeker niet!" gaf de prins ten antwoord. »Het zou er ook anders uitzien
-als de heldengestalte van onzen vader op zijn gouden troon was gezeten;
-achter hem zou het beeld van waarheid en gerechtigheid beschermend zijne
-vleugelen over hem uitspreiden, vóor hem zou zijn geweldige metgezel
-in den slag, de leeuw, nederliggen, en boven hem zou een troonhemel
-versierd met Uraeus-slangen zich welven. -- De Horoscopen en de
-Pastophoren met de standaarden en godenbeelden en kudden van slachtvee,
-schijnen geen einde te nemen! Ziet eens, ook het Noorderland heeft zijne
-feestgezanten gezonden, als ware onze vader hier. Ik onderscheid de
-teekenen op de standaarden[242]. Herkent gij de beelden der koninklijke
-voorvaderen, Bent-Anat? -- Niet goed? Ik ook niet; maar het scheen mij
-toe als was het de eerste Ahmes, de verdrijver der Hyksos, waarvan onze
-grootmoeder afstamt, en niet grootvader Seti, die den stoet opende,
-zooals het toch behoorde te zijn. -- Daar komen de krijgslieden! Het
-zijn de regimenten die Ani heeft uitgerust, en die eerst heden nacht
-als overwinnaars uit Ethiopië terugkeerden. Hoort hoe het volk hen
-toejuicht! Zij hebben zich ook dapper gedragen. -- Denkt eens, Bent-Anat
-en Nefert, wat dat zijn zal, als onze vader terugkeert met wel honderd
-gevangen vorsten, die zijn tweespan, door uwen Mena bestuurt, deemoedig
-volgen, met al onze broeders, de edelen des lands, en de garden op hunne
-prachtige wagens!" --
-
- [242] Elke nomos of provincie van Egypte (daar waren er 44) had
- haar kenteeken, een soort van wapen, dat bij feestelijke
- optochten op banieren werd rondgedragen. Volledige lijsten
- werden reeds in den tijd van Seti I op de muren van den
- tempel te Abydus uitgebeiteld. Op de tempels uit den tijd der
- Ptolemaeën, te Philae, Edfoe en Dendera, leeren de teksten,
- die aan de lijsten der provinciën zijn toegevoegd, ons vele
- belangrijke bijzonderheden kennen, vooral betreffende het
- godsdienstig leven in elke nomos. Harris, Brugsch, Dümichen en
- J. de Rougé hebben zich in het bijzonder bezig gehouden met de
- geografische indeeling van het Nijldal.
-
-»Helaas," zuchtte Nefert, »zij denken nog niet aan hunne terugkomst!"
-
-Terwijl telkens nieuwe regimenten van den stadhouder, muziekkoren en
-vreemde dieren[243] zich in den optocht vertoonden, voer het feestschip
-van Amon van de landingstrap af. Het was een voortreffelijk groot
-vaartuig geheel van glanzend gepolijst en rijk met goud ingelegd hout.
-De boorden prijkten met versiersels van gesmolten glas, alsof het
-zoovele smaragden of robijnen waren[244]. De masten en de raas waren
-verguld, en van de laatste hingen purperen zeilen af. Rondom het schip,
-zijne masten en zijn touwwerk slingerden zich guirlanders van leliën,
-doorvlochten met rozen. De priesters zaten op elpenbeenen zetels. -- De
-Nijlboot van den stadhouder was niet minder rijk. Het houtwerk blonk
-van al het verguldsel. Het kajuithuisje was bekleed met veelkleurige
-Babylonische tapijten. Aan de snebbe zag men, gelijk weleer aan de
-zeeschepen van Hatasoe, een gouden leeuwenkop, waarin als oogen twee
-groote robijnen vonkelden.
-
- [243] Zulke vreemde dieren namen in grooten getale aan een
- feestelijken optocht deel, dien Ptolemaeus Philadelphus liet
- houden, en die ons door een ooggetuige, Kallixenos, in Athenaeus
- Deipnosophist, uitvoerig beschreven wordt. De vorst uit het
- geslacht der Lagiden volgde hiermede de gewoonte van vroeger
- tijd, gelijk ons blijkt uit voorstellingen in het graf van
- Rechma-Ra (18e dynastie) en in andere groeven.
-
- [244] De Egyptenaars wisten met groote kunstvaardigheid
- zulke edelgesteenten na te maken. Er zijn exemplaren van
- verschillenden vorm en kleur bewaard gebleven. In de verzameling
- van Minutoli en in andere, met name die te Boelaq, zijn
- mozaïek-paarlen, die onze tegenwoordige kunstenaars op dit
- gebied bezwaarlijk zullen kunnen namaken.
-
-Nadat de priesters zich hadden ingescheept en de heilige bark aan
-gindschen oever was geland, stormde het volk op de booten los, die
-weldra, soms tot zinkens toe geladen, den stroom langs de geheele lengte
-van Thebe en in zijn gansche breedte zoo bedekten, dat de zon maar hier
-en daar een plekje vond, om zich in het geelachtige water te spiegelen.
-
-»Nu ga ik toch het pak van een hovenier leenen," riep Rameri, »en laat
-ik mij met de kransen overzetten."
-
-»Wilt gij ons dan alleen laten?" vroeg Bent-Anat.
-
-»Maak het mij niet te moeielijk, zuster," smeekte Rameri.
-
-»Ga dan," zeide de prinses. »Als onze vader hier was, hoe gaarne voer ik
-dan met u naar de overzijde!"
-
-»Waag het met mij!" hernam de jongeling. »Mogelijk is er voor u ook wel
-eene vermomming te vinden."
-
-»Dwaasheid!" antwoordde Bent-Anat, en zag Nefert vragend aan, die de
-schouders ophaalde, als wilde zij zeggen: »Wat gij wilt is mij goed."
-
-Die oogentaal der vriendinnen was den slimmen Rameri niet ontgaan, en
-met levendigheid riep hij uit: »Gij zult met mij gaan, dat kon ik u
-wel aanzien. Iedere bedelaarsknaap werpt heden zijne bloemen in het
-algemeene graf, dat de mummie zijns vaders bevat, en de kinderen van
-Ramses en de vrouw van zijn wagenmenner zouden uitgesloten zijn en hunne
-afgestorvenen geen krans mogen brengen?"
-
-»Ik zou het graf door mijne tegenwoordigheid bezoedelen," zeide
-Bent-Anat blozend.
-
-»Gij, gij!" riep de prins terwijl hij zijne zuster omhelsde en kuste.
-»Gij, het beste en grootmoedigste schepsel dat er leeft; gij, die
-altijd gereed zijt om smarten te lenigen en tranen te drogen; gij het
-schoone evenbeeld van onzen vader, zoudt onrein zijn! Eer geloof ik, dat
-de zwanen onder ons zoo zwart zijn als de kraaien, en de rozenranken
-hier aan het balkon scheerlingstruiken. Bek-en-Choensoe heeft u de
-reinheid teruggegeven, en wanneer Ameni...."
-
-»Ameni is echter in zijn recht," zeide Bent-Anat vriendelijk, »en gij
-weet, wat wij beloofd hebben. Ik wil heden geen kwaad woord over hem
-hooren."
-
-»Goed dan! Hij heeft zich goed en genadig jegens ons betoond," hernam
-Rameri spottend, terwijl hij zich diep boog met het aangezicht naar de
-Nekropolis gekeerd, »en gij zijt onrein! Betreed dan, wat mij betreft,
-het graf en den tempel niet, maar blijf met ons onder het volk. De
-wegen dáar aan de overzijde zijn zoo teergevoelig niet; zij worden toch
-dagelijks door onreine Paraschieten en huns gelijken betreden. Wees
-verstandig, Bent-Anat, en kom mede! Wij verkleeden ons, ik geleid u, ik
-leg de kransen op hunne plaats, wij bidden te zamen vóor de groeve, wij
-zien den heiligen optocht, en de werken der wonderdoeners, en hooren
-de feestrede. Bedenkt eens dat Pentaoer, niettegenstaande alles wat zij
-tegen hem hebben, haar houden mag. Het Seti-huis wil heden schitteren,
-en Ameni weet zeer goed dat Pentaoer, als hij den mond opent, dieper
-indruk te weeg brengt, dan alle wijze heeren, wanneer zij te zamen
-zingen in het heilige koor! Kom dan mede, zuster!"
-
-»Het zij zoo!" sprak Bent-Anat, opeens besloten.
-
-Rameri schrikte, toen hij dit haastig gesproken woord vernam, dat hem
-echter verblijdde. Nefert zag Bent-Anat vragend aan, om echter hare
-groote oogen weldra weder neder te slaan. Zij toch wist wie de
-uitverkorene was van hare vriendin, en in haar binnenste rees de
-angstige vraag: »Waar zal dit op uitloopen?"
-
-
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Een uur later voer eene slanke, zeer eenvoudig gekleede burgervrouw,
-bij welker jeugdig gelaat eenige donkere plooien op voorhoofd en wangen
-slecht wilden passen, over den Nijl, vergezeld van een donker gekleurden
-opgeschoten jongen en een tenger knaapje. Het was moeielijk in dit
-drietal de fiere Bent-Anat, den lichtkleurigen Rameri en de schoone
-Nefert te herkennen. Deze laatste maakte, in het lange witte kleed van
-de kweekelingen eener priesterschool, alles behalve een slecht figuur.
-Toen zij aan wal waren gestapt, werden zij gevolgd door de beide sterke
-en trouwe opzichters van de draagstoeldragers der prinses. Zij had
-hun bevolen, dat zij den schijn moesten aannemen, als stonden zij in
-geenerlei betrekking tot hunne meesteres en die haar vergezelden.
-
-De vaart over den Nijl had lang geduurd. De vorstelijke broeder en
-zuster hadden daarbij ondervonden, met hoeveel tegenspoeden gewone
-stervelingen te worstelen hebben om tot een doel te geraken, dat zij
-die een kroon dragen als vanzelf bereiken. Want niemand baande hun den
-weg; geen boot week voor hun uit. Ieder was er op uit hun den voorrang
-te betwisten, en eerder dan zij aan genen oever te landen. Toen zij
-eindelijk bij de landingstrap uitstegen, was de processie reeds aan
-het Seti-huis genaderd. Ameni was haar tegemoet gegaan, met zijne
-zangerskoren, en had aan den Nijloever den god ontvangen. De profeten
-van de Nekropolis plaatsten hem met eigene handen in de heilige van
-cederhout en verguld zilver kunstig vervaardigde Sam-bark[245] van het
-Seti-huis, die overal met edelgesteenten was bezet. Dertig Pastophoren
-namen het kostbaar vaartuig op hunne schouders en droegen het door de
-sphinxenlaan, die de haven met den tempel verbond, in het allerheiligste
-van het Seti-huis, waar Amon vertoefde, terwijl de feestgezanten uit
-alle provinciën des lands hunne offergaven in het voorhof van het
-heiligdom nederlegden. Op weg naar den tempel liepen Kolchyten vooruit,
-om naar oud gebruik zand voor den god te strooien[246].
-
- [245] Zie boven bl. 272.
-
- [246] Peyron, =Papyri Graeci regii Taurinensis=, T. I, p. 41,
- 42, 85-88.
-
-Na verloop van een uur trad de processie weder naar buiten. Zij bewoog
-zich in eene zuidelijke richting voorwaarts, rustte het eerst in den
-reuzentempel van Amenophis III, voor welken de twee grootste kolossen
-van het Nijldal als wachters stonden, en daarna in den tempel van den
-grooten Thotmes, die nog zuidelijker was gelegen[247]. Daar keerde zij
-om, ging vlak langs de oostelijke helling van het Libysch gebergte,
-waarin tal van graven waren[248], besteeg vervolgens de terrassen van
-den tempel van Hatasoe, dien wij kennen, hield zich in de nabij dit
-heiligdom gelegen graven der oudere koningen[249] eenige oogenblikken
-op, en bereikte tegen zonsondergang het eigenlijke feestterrein, aan den
-ingang van het dal, waarin het graf van Seti was aangelegd[250], terwijl
-zich in de naar het westen loopende dwarsdalen eenige groeven bevonden
-van pharao's uit het onttroonde koningshuis. Men was gewoon dit gedeelte
-van de Nekropolis bij het licht der lampen en het schijnsel der fakkels
-te bezoeken, voordat de god terugkeerde, en vóor de tegen middernacht
-aanvangende feestspelen op het heilige meer in het zuidelijkste gedeelte
-van de doodenstad. Achter den god werd in eene vaas van doorzichtig
-kristal, die op een hoogen staak bevestigd was, opdat iedereen het zou
-kunnen zien, het heilige hart van den ram rondgedragen.
-
- [247] Het goed onderhouden oudste deel des tempels van Medinet
- Haboe.
-
- [248] Het tegenwoordige Qoernet Moerraï Ald el Qoernah.
-
- [249] Het tegenwoordige el Assassif en Drah aboe'l Negga.
-
- [250] Het tegenwoordige Biban el Moeloek.
-
-Onze vrienden sloten zich, nadat zij, zonder door iemand herkend te
-zijn, hun krans op het rijke offeraltaar hunner koninklijke voorvaderen
-gelegd hadden, eerst laat in den middag aan bij de volksmenigte, die de
-processie volgde. Bij de groeve van Mena's voorvaderen bestegen zij de
-oostelijke helling der Libysche bergen. De stamvader van Mena,
-Neferhotep, een profeet van Amon, had dat graf laten aanleggen, welks
-enge ingang door een groote volksmassa als belegerd was. Want in de
-eerste in de rots uitgehouwen grafkamer zat, bij elk feest, een
-harpspeler het doodenlied te zingen van den sedert lang ontslapen
-profeet, en van zijne gemalin en zuster. Zijn huiszanger had het
-gedicht. Het was in de tweede grafkamer in den wand gebeiteld, en
-Neferhotep had aan het bestuur van de doodenstad een stuk grond
-vermaakt, met de verplichting, dat de inkomsten ervan gebruikt moesten
-worden tot bezoldiging van een harpspeler, die verplicht was zijn lied
-bij elk doodenfeest, onder begeleiding van snarenspel te zingen. De
-wagenmenner Mena kende dit doodenlied van zijn stamvader zeer goed,
-en had het Nefert dikwijls voorgezongen, terwijl zij hem met de luit
-begeleidde. Want ook in de uren van vreugde, ja, bij voorkeur in deze,
-gedachten de Egyptenaars aan hunne dooden. Zij luisterde nu met die haar
-vergezelden naar den harpspeler, die zong[251]:
-
- »Ruste in vrede deze groote!
- Schenker van de schoonste gaven!
- Sinds de heerschappij der goden,
- Moet het kroost der menschen sterven.
- Ouden wijken voor de jongen.
- Schitterend rijst de nieuwe zongod
- Elken morgen, nadat de oude
- Rust vond in den schoot van 't westen[252].
-
- * * * * *
-
- Vier nu, mijn profeet, den feestdag!
- Geur'ge zalven, specerijen
- Bieden wij, en bloemenkransen
- Slingren wij om borst en armen
- Uwer veelgeliefde zuster,
- Die daar neerzit aan uw zijde.
- Laat ons voor uw vriendelijk aanschijn
- Lied'ren zingen, snaren tokk'len:
- Laat toch achter u de zorgen,
- Wees gedachtig aan de vreugde,
- Tot de dag der reize nadert,
- Als men landend rust mag vinden
- In het rijk, waar allen zwijgen."
-
- [251] Het graf van Neferhotep bleef voortreffelijk bewaard,
- alsmede de tekst van het lied, dat het eerst door Dümichen
- (=Historische Inschriften=, II) werd uitgegeven, daarna door L.
- Stern (=Zeitschr. für ägyptische Sprache=, 1873) werd verklaard.
- De volgende regels zijn daaruit vertaald.
-
- [252] Manoen, =Doodenboek= 15 z. 44; 110, z. 11.
-
-Toen de zanger zweeg, drongen eenige lieden de eenvoudige grafkapel
-binnen, om hun dank voor dit lied uit te spreken in het nederleggen van
-eenige bloemen op het offeraltaar van den profeet. Nefert en Rameri
-traden insgelijks het graf binnen, en de eerste legde, nadat zij in
-een lang en stil gebed den verheerlijkten geest van den gestorvene had
-aangeroepen, om Mena te beschermen, haar krans naast de mummie-groeve,
-waarin de moeder van haar gemaal rustte.
-
-Vele leden van het hofgezin gingen zelfs rakelings de koningskinderen
-voorbij zonder hen te herkennen. Zij haastten zich nu om op het
-feestterrein te komen, maar het gedrang was zoo groot, dat de vrouwen
-zich nu en dan genoodzaakt zagen in een graf uit te wijken. In alle
-grafkapellen vonden zij de offeraltaren met gaven overladen, en in de
-meeste de familiebetrekkingen gezellig bijeen, die onder het genot van
-vleesch en vruchten, bier en wijn, hunne afgestorvenen gedachten, alsof
-het reizigers gold, die ver van den geboortegrond hun geluk hadden
-gevonden, en die men vroeger of later hoopte weer te zien. De zon neigde
-reeds ten ondergang, toen zij op het eigenlijk feestterrein aankwamen.
-
-Welk een levendig tooneel deed zich hier aan hen voor. Overal stonden
-tafels en tenten met eetwaren, voornamelijk met zoet gebak voor de
-kinderen, en verder met dadels, vijgen, granaatappelen en andere
-vruchten. Onder lichte afdaken, die echter voldoende waren om de
-zonnestralen te weren, zag men sandalen te koop, en goed voor
-kleedingstukken in alle stoffen en kleuren. Daar vond men snuisterijen,
-amuletten, waaiers en zonneschermen, geurige reukwerken van allerlei
-soort, kortom al wat men verlangen kon voor het offeraltaar zoowel als
-voor de toilettafel. De korven der hoveniers en bloemenverkoopster waren
-reeds ledig, maar de wisselaars hadden nog handen vol werk, en aan
-de schenk- en dobbeltafels ging het reeds levendig toe. Vrienden en
-bekenden begroetten elkander met vrome spreuken, terwijl kinderen
-elkander hunne nieuwe sandalen, en de koeken die zij met dobbelspel
-gewonnen hadden, of de koperen ringetjes die zij hadden gekregen en nog
-heden besteed moesten worden, lieten kijken. Het meeste succes hadden
-wel de wonderdoeners van het Seti-huis. Eene menigte toeschouwers
-zat, op den grond neergehurkt, rondom hen geschaard; men had echter
-vrijwillig voor de kinderen de eerste rijen ingeruimd.
-
-Toen onze wandelaars deze plek betraden, was het godsdienstige feest
-reeds afgeloopen. Nog stond er de troonhemel, waaronder de koninklijke
-familie de feestrede pleegde te hooren en in welks schaduw heden de
-stadhouder Ani had gezeten. Men zag nog de zitplaatsen der aanzienlijken
-staan en de staketsels, die het volk verwijderd hielden van den adel, de
-priesters en de leden der koninklijke familie. Hier had Ameni met eigen
-mond het wonder van het ramshart aan het jubelende volk medegedeeld,
-en kenbaar gemaakt, dat er een nieuwe Apis onder de kudden van den
-stadhouder gevonden was. Zijne verklaring dezer goddelijke teekenen ging
-van mond tot mond. Zij voorspelden het land vrede en geluk, door een
-lieveling der goden. Al sprak de opperpriester het niet uit, zoo kon
-het zelfs den onnoozelste niet ontgaan, dat met dien lieveling niemand
-anders werd bedoeld dan Ani, de afstammeling van de groote Hatasoe,
-welker profeet met het hart van den heiligen ram begenadigd was
-geworden. Ieder zag bij Ameni's woorden op Ani, en deze offerde voor het
-oog van het volk onder het heilige hart en ontving den zegen van den
-opperpriester.
-
-Ook Pentaoer had zijne rede reeds uitgesproken, toen Bent-Anat met die
-haar vergezelden op het feestterrein kwam. Zij hoorde hoe een grijsaard
-tot zijn zoon zeide: »Het leven is niet gemakkelijk. Dikwijls kwam het
-mij voor als een last, die onbarmhartige goden ons op de schouders
-leggen. Maar toen ik den jongen priester uit het Seti-huis hoorde,
-gevoelde ik toch dat de hemelsche goden goed zijn, en dat wij hen voor
-veel te danken hebben."
-
-Elders zeide de vrouw van een priester tot haar jongske: »Hebt ge dien
-Pentaoer wel eens goed in 't aangezicht gezien, Hor-oeza? Hij is van
-lage afkomst, maar hij overtreft de grootsten in geest en gaven, en zal
-het ver brengen."
-
-Twee meisjes stonden ginds met elkander te praten. »Die feestredenaar
-is de schoonste man, dien ik ooit gezien heb," zeide de eene tegen de
-andere; »en zijne stem klonk als welluidend gezang."
-
-»En hoe vol vuur waren zijne oogen, toen hij de waarheid prees als de
-hoogste deugd," antwoordde het andere meisje. »Ik zou denken dat alle
-goden in hem woonden."
-
-Bent-Anat bloosde, toen zij deze woorden opving. Zij wilde terugkeeren,
-want de duisternis begon te vallen, doch Rameri wenschte ook de
-processie te volgen, die nu met lampen en fakkels door het westelijk
-dal zou trekken, ten einde dan tevens het graf van hun grootvader Seti
-een bezoek te brengen. De prinses gaf ongaarne toe. Het was echter op
-dit tijdstip uiterst moeielijk den Nijl te bereiken, want de dichte
-volksmenigte bewoog zich juist in de tegenovergestelde richting. De
-prins en zijne zuster lieten zich dus met Nefert door den stroom
-medesleepen en kwamen, toen de zon reeds was ondergegaan, in het
-westelijk dal. Geen roofdier vertoonde zich daar in dezen nacht, want
-jakhalzen en hyena's hadden de wijk genomen naar de woestijn, zoodra
-zij het licht zagen der ontelbare fakkels en uit gekleurd papyrus
-samengestelde lantaarns, die de bezoekers van de Nekropolis in de handen
-droegen. De rook van fakkels en andere lichten, en de stof die werd
-opgedreven door de beweging van zulk een menschenmassa, waren oorzaak,
-dat men den sterrenhemel niet kon zien en de processie met de daarop
-volgende menigte in eene wolk was gehuld.
-
-Bent-Anat, Nefert en Rameri hadden zich een weg gebaand tot bij de hut
-van den Paraschiet Pinem. Hier waren zij echter gedwongen te blijven
-staan, want veiligheidswachters drongen het volk met hunne staven
-rechts en links uit den weg te gaan, ten einde ruimte te maken voor de
-naderende processie.
-
-»Zie, Rameri," zeide Bent-Anat, terwijl zij wees naar den tuin van den
-Paraschiet, die slechts enkele schreden van haar verwijderd was, »daar
-woont het blanke meisje, dat ik overreden heb. Zij wordt toch beter.
-Keer u eens om: dáar, achter de doornheg bij het kleine vuurtje, dat
-haar juist in het gezicht schijnt, zit zij naast haar grootvader."
-
-De prins ging op de teenen staan, wierp een blik in den armoedigen hof,
-en zeide daarop met zachte stem: »Is dat nu zulk een mooi meisje? --
-Maar wat doet zij toch met den oude? Die schijnt te bidden, en zij houdt
-hem het eene oogenblik een doek voor den mond, en dan weder wrijft zij
-zijne slapen. En wat ziet zij er angstig uit!"
-
-»De Paraschiet zal ziek zijn," antwoordde Bent-Anat.
-
-»Misschien heeft hij op het feestterrein wel een kan wijn te veel
-gedronken," zeide de prins lachend. »O zeker! Zie eens hoe krampachtig
-zijne lippen zich bewegen, hoe zijne oogen rollen. Akelig! Hij ziet er
-uit als een bezetene."
-
-»Hij is een onreine," zeide Nefert.
-
-»Maar toch een goed en braaf man, met een teergevoelig hart," antwoordde
-de prinses levendig. »Ik heb naar hem onderzoek gedaan. Hij moet zeer
-rechtschapen zijn en altijd nuchter. Hij is dus zeker ziek en niet
-dronken."
-
-»Nu staat het meisje op," riep Rameri, terwijl hij de papieren lantaarn,
-die hij op het feestterrein gekocht had, wat lager hield. »Ga wat opzij,
-Bent-Anat; zij schijnt iemand te wachten. Hebt ge ooit zulk een blank
-menschenkind gezien, en zulk een aanvallig kopje? Zelfs die typhonische
-haren staan haar buitengewoon schoon. Maar zij zelve waggelt. Zij moet
-zeker nog heel zwak zijn! -- Daar zit zij weer bij den oude en wrijft
-hem het voorhoofd. Het arme schepsel! Zie eens hoe zij snikt. Ik wil
-haar mijn beurs toewerpen!"
-
-»Doe het niet," zeide Bent-Anat. »Ik heb haar een rijk geschenk gegeven,
-en de tranen die daar worden gestort schijnen van dien aard, dat zij met
-geen goud kunnen worden gedroogd. Ik zal morgen de oude Anath hierheen
-zenden en laten vragen, of ik ook ergens mee helpen kan. -- Zie nu vóór
-u, Nefert, daar komt de processie. Foei, hoe onfatsoenlijk dringt dat
-volk! -- Als de god voorbij is, gaan wij naar huis!"
-
-»Ach," zeide Nefert, »ik ben zoo beangst!" Bij deze woorden klemde zij
-bevend zich zoo vast mogelijk aan de prinses.
-
-»Ik wenschte ook wel, dat wij te huis waren," antwoordde Bent-Anat.
-
-»Zie toch eens," riep Rameri. »Daar zijn zij! Niet waar, dat is
-heerlijk. Ziet hoe dat hart licht, alsof het eene ster was!"
-
-Al het volk en ook onze vrienden wierpen zich op de knieën.
-
-Vlak voor hen hield de processie een oogenblik stil. Dit geschiedde
-telkens, wanneer men duizend schreden had afgelegd. Een heraut trad
-vooruit en prees met eene ver klinkende stem het groote wonder, waarbij
-kort geleden nog een nieuw was gekomen. Want het heilige hart van den
-ram was, toen de duisternis aanbrak, begonnen te lichten.
-
- * * * * *
-
-Sedert zijn terugkeer uit het huis der balsemers had de Paraschiet Pinem
-geen voedsel willen gebruiken. Op alle vragen der zijnen, die zich
-doodelijk ongerust maakten, had hij niet willen antwoorden. Strak voor
-zich uit ziende, prevelde hij allerlei onverstaanbare woorden, terwijl
-hij de hand gedurig aan zijn voorhoofd bracht. Eenige uren geleden had
-hij het plotseling uitgeschaterd van lachen. Zijne vrouw hierdoor nog
-ongeruster geworden, was dadelijk naar het Seti-huis gegaan om den arts
-Nebsecht te roepen. Gedurende hare afwezigheid moest Warda grootvaders
-slapen wrijven met de bladeren, die de tooveres Hekt op hare borst had
-gelegd. Deze hadden eens zoo goed gewerkt, en zouden ook nu voor de
-tweede maal den demon der krankheid wel kunnen verjagen.
-
-Toen de door duizende fakkels en lampions verlichte processie stilhield
-voor de hut van den Paraschiet, die echter geheel in de duisternis was
-weggedoken, en een burger zijn buurman toeriep: »Het heilige ramshart
-komt!" verschrikte de oude en richtte hij zich op. Zijne oogen staarden
-onafgebroken op het flikkerende wonderhart in zijne kristallen vaas.
-Langzaam rees hij overeind, met uitgerekten hals en bevende over zijn
-gansche lichaam. -- De heraut verkondigde den lof van het wonder. Daar
-vloog, vóor hij nog geëindigd had, terwijl het volk eerbiedig geknield
-lag en onder diepe stilte luisterde naar de woorden van den spreker,
-de Paraschiet de deur van zijn huis uit, sloeg met vuisten tegen zijn
-voorhoofd en brak weder vlak tegenover het heilige hart in een
-waanzinnig schaterlachen, uit, zoo luide, dat het wijd en zijd langs de
-naakte rotsen van het dal weerkaatste.
-
-Vol ontzetting rees de menigte van de knieën op. Ook Ameni, die dicht
-achter het hart liep, verschrikte, en zag rond naar de persoon, die zoo
-afgrijselijk had gelachen. Hij had den Paraschiet nooit gezien, maar
-hij ontwaarde door stof en duisternis heen de doffe schemering van het
-kleine vuur in den hof. Hij wist dat de opensnijder van de lijken op
-deze hoogte woonde. Dadelijk was zijn besluit genomen. Hij fluisterde
-een der officieren, die met hunne soldaten aan beide zijden van den
-trein marcheerden, eenige woorden in het oor, die deze alleen verstond,
-gaf daarop een teeken, en de processie zette zich weder in beweging,
-alsof er niets gebeurd was.
-
-De oude spande al zijne krachten in om, steeds luider en akeliger
-lachende, op het hart los te stormen, maar het volk wierp hem terug.
-Terwijl de laatste groepen van den feesttrein hem voorbij trokken,
-sleepte hij zich, vreeslijk mishandeld, weder naar de deur van zijn hut.
-Daar zonk hij ineen, en Warda wierp zich op den grijsaard, die onkenbaar
-op den grond lag te midden van stof en duisternis.
-
-»Vertrapt den spotter!"
-
-»Scheurt hem in stukken!"
-
-»Verbrandt dat onreine nest!"
-
-»Werpt hem met de deerne in de vlammen!"
-
-Zoo brulde het in zijne aanbidding gestoorde volk in dolle woede. Twee
-oude vrouwen rukten de lantaarnen van hare stokken, en sloegen op den
-ongelukkige los, terwijl een Ethiopisch soldaat, Warda bij de haren
-greep en van haar grootvader wegsleepte.
-
-Op dit oogenblik verscheen de vrouw van den Paraschiet en met haar
-Pentaoer. De oude vrouw had Nebsecht niet gevonden maar wel den
-dichter, die na het uitspreken van zijne rede naar het Seti-huis was
-teruggekeerd. Zij vertelde hem van de demonen[253], die haar man hadden
-aangegrepen, en smeekte hem met haar mede te gaan. Pentaoer volgde haar
-onverwijld in zijn huiskleed, zooals hij ging en stond, zonder het witte
-gewaad aan te trekken, dat hem bij dit bezoek niet wenschelijk voorkwam.
-Toen hij in de nabijheid van de Paraschietenhut was gekomen, vernam
-hij het getier der menigte en boven allen uit den schrillen angstkreet
-van Warda. Hij vloog vooruit en zag bij het flauwe schijnsel van het
-smeulend haardvuur en het gekleurde doffe licht der lantaarns, de hand
-van den zwarten soldaat in de haren van het hulpelooze kind. Dadelijk
-was zijn besluit genomen, en op hetzelfde oogenblik hadden reeds zijne
-ijzeren handen den soldaat bij de keel gegrepen. Daarop vatte hij den
-kerel om zijn middel, tilde hem op en wierp hem als een rotsblok in
-den tuin van den Paraschiet. Dit deed de woede der menigte opnieuw
-ontvlammen, en zij stormden op hem los. Pentaoer gevoelde zich door een
-tot hiertoe ongekenden vechtlust aangegrepen. Met een enkelen ruk
-haalde hij den paal van zwaar Ethiopisch hout uit den grond, die de
-tent steunde, door grootvaders zorgzame hand voor zijne kleindochter
-opgericht. Hij slingerde dit wapen alsof het een rietstaf was, met
-onbegrijpelijke snelheid rondom zijn hoofd, joeg de menigte terug, en
-riep Warda toe, dat zij zich aan hem moest vastklemmen.
-
- [253] Men geloofde dat waanzinnigen door demonen bezeten waren.
- De beroemde stêle in de bibliotheek van Parijs, die door E. de
- Rougé uitnemend is verklaard, verhaalt ons van de door demonen
- bezetene schoonzuster van Ramses XII, dat de booze geesten,
- waardoor zij bevangen was, uitgedreven waren door het beeld van
- Choensoe, dat naar haar Aziatisch vaderland was gezonden.
-
-»Die dat meisje durft aanraken," schreeuwde hij, »is een kind des doods.
-Is het geen schande dat gij een zwakken grijsaard en een hulpeloos kind
-dus aanvalt op dit heilige feest!"
-
-De menigte zweeg een oogenblik, maar om dadelijk weder op te dringen, en
-nog wilder dan zoo even te brullen: »Verscheurt die onreinen! Steekt het
-nest in brand!"
-
-Eenige handwerkslieden uit Thebe gingen op den dichter af, in wien
-niemand den priester kon herkennen. Maar deze slingerde zijn paal, die
-hen ter aarde wierp, eer hunne vuisten en stokken hem konden raken. Waar
-het zware stuk hout trof, daar viel een man. Maar lang kon de worsteling
-niet duren, want eenige van het gepeupel waren over de omheining
-gesprongen, om hem in den rug aan te vallen. Pentaoer stond nu opeens in
-het volle licht. Men had vuur geworpen in de hut achter hem, de droge
-palmtakken van het dak waren dadelijk in brand geraakt, en knetterende
-vlammen stegen op naar den nachtelijken hemel. De dichter hoorde het
-razen van het volk achter zich. Met zijne linkerhand omvatte hij
-het hoofd van het bevende meisje, dat zich steeds dichter aan hem
-vastklemde, terwijl hij met de rechter den paal bleef slingeren,
-overtuigd dat zij beiden verloren waren, maar dat hij de onschuld en
-het leven van dit lieve schepsel tot zijn laatsten ademtocht moest
-verdedigen.
-
-Doch het wapen snorde voor het laatst, door de lucht. Het gelukte twee
-mannen het vreeselijk hout te grijpen; anderen ijlden ter hulp en
-wrongen het den worstelaar uit de hand. Van beide zijden naderden
-woedende vijanden, die echter ongewapend waren, en door vrees voor de
-ontembare kracht van zulk een tegenstander op zekeren afstand werden
-gehouden. Hijgend naar adem en bevende over al hare leden, als een
-opgejaagde antilope, hield Warda zich aan haar beschermer vast.
-
-Pentaoer liet niet anders hooren dan een somber gesteun, toen hij zich
-ontwapend zag. Daar sprong, alsof hij uit den grond was opgekomen,
-een jongeling aan zijne zijde, duwde hem het zwaard van den gevallen
-soldaat, dat voor zijne voeten had gelegen, in de hand, en plaatste zich
-achter den dichter, rug aan rug. Terstond richtte Pentaoer zich weder
-op in zijne volle lengte, met den wapenkreet van een held op de laatste
-vrije schans van zijne bestormde vesting, en zwaaide zijn nieuwe wapen.
-Met de vlammende oogen van een leeuw, dien de jachthonden van het wild
-dat hij velde, willen verjagen, stond hij daar, en een oogenblik weken
-zijne tegenstanders terug. Want ook zijn bondgenoot, de jonge Rameri,
-had dreigend zijn bijl opgeheven.
-
-»Die laffe moordenaars werpen met vuur," riep de prins. »Kom hier,
-meisje! Laat ik het brandend pek op uw kleedje uitdooven."
-
-Bij deze woorden greep hij Warda's hand, trok haar naar zich toe, en
-bluschte de vlam op haar kleedje, terwijl Pentaoer hen met zijn zwaard
-beschermde.
-
-Eenige oogenblikken hadden de prins en de dichter rug aan rug gestaan,
-toen een steen het hoofd van den laatsten trof. Pentaoer wankelde, en
-reeds drong de tierende menigte naar voren, toen de omheining van den
-kleinen tuin door krachtige handen werd omvergehaald, en eene vrouw lang
-van gestalte, op het tooneel van de worsteling verscheen. »Laat dezen
-met rust!" riep zij het verbaasde volk toe. »Ik beveel het! Ik ben
-Bent-Anat, de dochter van Ramses!"
-
-Als door den bliksem getroffen, week de woedende menigte terug.
-
-De dichter kreeg zijn bewustzijn terug, en toch geloofde hij dat alles
-maar zinsbegoocheling was. Hij zag en hoorde, en toch meende hij een
-hemelschen droom te droomen. Het kwam hem voor, dat hij zich moest
-nederwerpen voor den dochter van Ramses. Maar met de vlugheid van geest,
-die hij in de school van Ameni had geleerd, overzag hij op eens
-Bent-Anat's toestand. In plaats van de knie te buigen, riep hij:
-»Menschen, wie deze vrouw ook zijn mag, al gelijkt zij misschien ook op
-de dochter van Ramses, zij is Bent-Anat niet. Maar ik ben, al draag ik
-het witte kleed niet, een priester uit het Seti-huis. Ik ben Pentaoer,
-de Cherheb[254] van het feest van heden. -- Vrouw, verlaat deze plaats!
-Ik beveel het u in naam van mijn heilig ambt!"
-
- [254] Feestredenaar.
-
-Bent-Anat gehoorzaamde.
-
-Pentaoer was gered. Want toen het volk van zijn verbazing begon te
-bekomen; toen zij, die door hem verwond waren, en hunne metgezellen zich
-opnieuw tegen hem verhieven; toen een opgeschoten jongen, wiens hand hij
-verbrijzeld had, in woede schreeuwde: »Hij is een vechter, maar geen
-heilige vader! Verscheurt den bedrieger!" riep eene stem uit het volk:
-»Maak plaats voor mijn wit gewaad, en blijft met uwe handen van den
-feestredenaar Pentaoer, die mijn vriend is. -- Velen uwer zullen mij
-kennen!"
-
-»Gij zijt de arts Nebsecht, die mijn gebroken been hebt genezen," riep
-een matroos.
-
-»En mijn ziek oog," zeide een wever.
-
-»Die schoone groote man is de redenaar. Ja, ik herken hem wel," riep een
-der meisjes, wier oordeel over Pentaoer, Bent-Anat op het feestterrein
-had opgevangen.
-
-»Redenaar of niet!" schreeuwde de jongen en drong naar voren. -- Maar
-het volk hield hem tegen en ging eerbiedig op zij, toen Nebsecht
-verzocht plaats voor hem te maken, om naar de gewonden onderzoek te
-doen.
-
-Allereerst boog hij zich heen over den ouden Paraschiet, en riep vol
-ontzetting: »Schande over u; gij hebt den ouden man doodgeslagen!"
-
-»En ik," zeide Pentaoer »moest mijne vreedzame handen met bloed
-bevlekken, om zijn onschuldig ziek kleinkind voor hetzelfde lot te
-bewaren."
-
-»Gij giftharten, addergebroed, schorpioenen, uitvaagsel van het
-menschdom!" schreeuwde Nebsecht de menigte toe, en sprong driftig
-overeind om Warda met zijne oogen te zoeken. Toen hij haar behouden
-zag zitten aan de voeten van de tooveres Hekt, die den tuin was
-binnengedrongen, haalde hij weder vrij adem, en begon zich met de
-gewonden bezig te houden.
-
-»Hebt gij deze allen, die hier rondom liggen, in het stof doen bijten?"
-vroeg hij zijn vriend fluisterend.
-
-Pentaoer knikte toestemmend en lachte: doch niet zegevierend, maar
-beschaamd als een knaap, die het vogeltje dat hij ving, tegen zijn wil,
-in zijne hand verstikte.
-
-Nebsecht zag hem aan met verwondering en bezorgdheid, en vroeg: »Waarom
-hebt gij u niet dadelijk kenbaar gemaakt?"
-
-»Omdat de geest van den krijgsgod Menth mij had aangegrepen," antwoordde
-Pentaoer, »toen ik zag hoe die verwenschte schurk dáar het meisje bij de
-haren sleurde. Ik zag, ik hoorde niets meer; ik....."
-
-»Gij hebt recht gehandeld," viel Nebsecht hem in de rede. »Maar waar
-moet dit op uitloopen?"
-
-Op dit oogenblik klonk het geschetter van trompetten. De hoofdman, die
-door Ameni was afgezonden om den Paraschiet gevangen te nemen, naderde
-met zijne soldaten. Alvorens den tuin binnen te rukken beval hij het
-volk uiteen te gaan. De weerspannigen werden met geweld uit elkaar
-gedreven. In weinige oogenblikken was de huilende en razende menigte uit
-het dal weggeveegd en het brandende huis omsingeld. Ook de kinderen van
-Ramses met Nefert werden gedwongen hun plaats bij de heining van den
-hof te verlaten. Rameri was zijne zuster gevolgd, zoodra hij zag dat
-Warda gered was. Nefert was op het punt van ineen te zijgen. Angst
-en deelneming hadden haar te sterk aangegrepen. De oversten der
-draagstoeldragers gaven elkaar de handen, tilden haar op en droegen
-haar voor de prinses en haar broeder uit. Geen van het drietal sprak
-een woord, zelfs Rameri niet, want hij kon Warda niet vergeten, noch
-den dankbaren blik, waarmede zij hem had nageoogd. Maar opeens brak
-Bent-Anat het zwijgen af, om te zeggen: »De Paraschieten-hut brandt nog
-altijd. Waar zullen de armen nu slapen?"
-
-Nadat het dal van volk gezuiverd was, verscheen de officier in den hof
-en vond hier, behalve de tooveres Hekt en Warda, ook den dichter en
-Nebsecht, die bezig was met het verbinden der gewonden. Pentaoer lichtte
-den hoofdman kortelijk omtrent het gebeurde in, en noemde hem zijn naam.
-
-Deze reikte hem de hand en zeide: »Waren er vele krijgers van uw slag,
-heilige vader, in het leger van Ramses, de Cheta-oorlog zou spoedig
-geëindigd zijn! Maar gij hebt geen Aziaten, gij hebt burgers uit Thebe
-geveld, en hoeveel leed het mij ook doet, ik moet u als mijn gevangene
-voor Ameni brengen."
-
-»Doe wat uw plicht vordert," antwoordde Pentaoer, zich buigende voor den
-hoofdman, die zijne lieden intusschen beval het lijk van den Paraschiet
-op te nemen en naar het Seti-huis te dragen.
-
-»Ik moet het meisje ook gevangen nemen," zeide de officier zich tot
-Pentaoer richtende.
-
-»Zij is krank," antwoordde de dichter.
-
-»En wanneer zij niet spoedig tot rust komt," voegde de arts er bij, "dan
-is het met haar gedaan. Laat haar; zij is de bijzondere beschermeling
-van de prinses Bent-Anat, die haar onlangs heeft overreden."
-
-»Ik zal haar in mijn verblijf nemen," zeide de tooveres, »en wil voor
-haar zorgen. Dáar ligt haar grootmoeder reeds; zij is half gestikt in de
-vlammen, maar komt weer bij. Ik heb plaats voor beiden."
-
-»Tot morgen dan," antwoordde de arts, »dan zal ik haar een ander tehuis
-bezorgen."
-
-De oude lachte hem onopgemerkt uit, prevelende: »Daar zullen ook nog wel
-anderen voor haar willen zorgen!"
-
-De soldaten volgden het bevel van hun aanvoerder, namen de verwonden op,
-en verwijderde zich met Pentaoer en het lijk van den Paraschiet.
-
- * * * * *
-
-Intusschen was Bent-Anat met haar broeder en Nefert, na veel
-oponthoud, gekomen aan de landingsplaats van de Nijlschepen. Een der
-draagstoeldragers werd uitgezonden om de boot te halen, die hen zou
-wachten. Hij moest zich bijzonder haasten, want reeds zag men de lichten
-van de processie naderen, die den god naar den Amontempel te Thebe
-terugbracht. Gelukte het hun thans niet onverwijld in hunne boot plaats
-te nemen, dan hadden zij het vooruitzicht uren lang te kunnen wachten.
-Wanneer de processie in den nacht den stroom werd overgezet, dan mocht
-geen vaartuig, dat niet voor dit doel werd gebruikt, ja, zelfs geen bark
-van een der aanzienlijksten van land afsteken. Ongeduldig en in groote
-spanning zagen broeder en zuster uit naar het teeken van hun boot, want
-Nefert zonk van uitputting bijna ineen, en Bent-Anat, op wier arm zij
-steunde, gevoelde dat al hare leden begonnen te beven. Eindelijk
-wenkte de draagstoeldrager. Het snelle maar onaanzienlijke bootje,
-dat gewoonlijk alleen bij het jagen op vogels werd gebruikt, schoot
-naderbij. Rameri liet een der matrozen zijn roeispaan toesteken, en
-trok zoo het vaartuig dichter bij de landingstrap.
-
-Juist op dit oogenblik verscheen de overste der veiligheidswachten,
-en riep: »Deze boot is de laatste die van wal mag steken, vóor den
-overtocht van den god."
-
-Zoo haastig als de zwakke Nefert zulks toeliet, die zoo zwaar aan haar
-arm hing, liep Bent-Anat de trappen af, die nog maar spaarzaam verlicht
-waren door het matte schijnsel van enkele lantaarns. Straks als de
-godheid naderde, en de pekpannen en fakkels ontstoken zouden worden,
-zou het hier daghelder zijn. Maar eer zij de laatste trede bereikt had,
-voelde zij eene harde hand op haar schouder, en de ruwe stem van den
-gids Paäker riep: »Terug vee! Wij eerst!"
-
-De veiligheidswachten hielden hem niet tegen, want zij kenden den gids
-en zijne onbesuisde manier van handelen. Paäker stak dadelijk de vingers
-in den mond en floot, zóo schel, dat het door de lucht suisde. Terstond
-daarop hoorde men riemslagen.
-
-»Stoot die boot hier op zij! Dat volk kan wachten!" riep de Mohar zijn
-scheepsvolk toe.
-
-Het vaartuig van den gids was grooter en sterker bemand, dan dat der
-koningskinderen.
-
-»Snel in de boot!" riep echter Rameri.
-
-Bent-Anat ging weder zwijgend vooruit, want zij durfde zich hier om
-der wille van het volk en van Nefert niet andermaal kenbaar maken.
-Doch Paäker trad haar in den weg, en riep: »Heb je 't niet gehoord,
-schorremorrie, dat je wachten zult tot wij weg zijn? Mannen, haalt de
-boot van dat volk in den stroom terug!"
-
-Het was Bent-Anat alsof haar bloed verstijfde, toen zij terstond hierop
-eene luide woordenwisseling beneden aan de landingstrap vernam. Rameri's
-stem werd boven alle anderen uitgehoord.
-
-»Die schooiers durven weerstand bieden!" riep de gids. »Ik zal ze
-leeren! Hola, hier, Descher! Pak dat wijf en dien jongen!"
-
-Op dien stem sprong de groote roodharige dog, die reeds aan zijn vader
-had toebehoord, en hem altijd vergezelde wanneer hij als heden met zijne
-moeder het graf van den gestorven Mohar bezocht, blaffend op het tweetal
-los. Nefert gaf een gil van angst. Doch de hond herkende haar terstond,
-drong tegen haar aan, en scheen met zijn gewoon gehuil zijne blijdschap
-te kennen te geven.
-
-Paäker, die de booten reeds genaderd was, keerde zich verbaasd om,
-zag hoe het dier kwispelstaartend rondom Nefert liep, die in haar
-jongensgewaad voor hem onherkenbaar was, sprong terug en riep: »Ik zal
-je leeren, vlegel, mijn hond door gif of tooverij te bederven." Daarbij
-hief hij zijn zweep op en sloeg naar de schouders van Mena's vrouw, die
-met een gillenden angstkreet bewusteloos ineenzonk.
-
-De snoeren van de zweep waren vlak langs de wangen der teedere vrouw
-gegaan, dank zij Bent-Anat's tegenwoordigheid van geest. Want zij had
-met een krachtigen greep Paäkers arm tegengehouden. Ontzetting, afschuw
-en toorn beletten haar een woord te spreken. Doch Rameri had Nefert's
-gil gehoord en was met een paar sprongen bij de vrouwen.
-
-»Laffe schurk!" riep hij, terwijl hij den roeiriem ophief, dien hij in
-de hand hield. Paäker, aan den strijd gewoon, behield zijne bedaardheid,
-en riep alleen zijn hond met een eigenaardig gesis van zijne lippen toe:
-»Pak hem beet, Descher!"
-
-De hond sprong op den prins los. Rameri echter, die zijn vader reeds
-als kind op menige jacht vergezelde, gaf het woedende dier met den
-zwaren riem zulk een geweldigen slag op zijn kop, dat hij rochelend
-neerstortte.
-
-Paäker meende in de gansche wereld geen warmer vriend te bezitten dan
-dit dier, zijn trouwen metgezel op al zijne tochten door de woestijn
-en door vijandige landstreken. Toen hij het daar stuiptrekkend zag
-neerzinken, geraakte hij buiten zichzelven van woede. Met de zweep
-in zijn opgeheven arm stormde hij op den jongeling los. Maar deze,
-uitermate opgewonden door alles wat hij in dezen nacht had doorleefd,
-geheel vervuld van den krijgszuchtigen geest zijner vaderen, ten hoogste
-verbolgen op den ruwen beleediger der vrouwen, als welker beschermer hij
-zich beschouwde, gevoelde zich tegen dien man opgewassen, en sloeg den
-gids met de roeispaan zoo hevig op zijne linkerhand, dat de zweep hem
-ontviel, en hij huilend van pijn met de rechter naar den dolk in zijn
-gordel greep.
-
-Op dit oogenblik wierp Bent-Anat zich tusschen den man en den jongeling,
-die nauwelijks den kinderleeftijd was ontwassen, noemde andermaal haar
-eigen en ook haars broeders naam, beval Paäker zijne matrozen tot
-bedaren te brengen, geleidde Nefert, die onbekend was gebleven, naar het
-bootje, steeg erin met die haar geleidden, en landde in weinig tijd aan
-het paleis.
-
-Paäker en zijne moeder Setchem, voor welke hij zijne Nijlboot had
-voorgeroepen, en die boven aan de landingstrap uit haar draagstoel den
-strijd had gezien, zonder echter de oorzaak te begrijpen en de personen
-te herkennen, moesten nog eenigen tijd op de trap blijven wachten. Zijn
-hond was dood, zijne hand deed hem gevoelig pijn en in zijn gemoed
-kookte het van nieuwe woede. »Dat Ramses-gebroed!" bromde hij in
-zichzelf; »die gelukzoekers! Zij zullen mij leeren kennen! Mena en
-Ramses staan dicht genoeg bij elkaar! Ik offer hen beiden op!"
-
-
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Eindelijk was ook de boot van den gids van wal gestoken met zijne moeder
-Setchem en het lijk van zijn hond. Zijn plan was het beest te laten
-balsemen, en te Kynopolis[255], de stad waarin men de honden meer dan
-andere dieren voor heilig hield, te laten bijzetten. Hijzelf begaf zich
-naar het Seti-huis, waar in den nacht die op het feest volgde een groot
-gastmaal werd gehouden, waaraan zich de aanzienlijke priesters uit de
-Nekropolis zoowel als uit Thebe, benevens de feestgezanten en de keur
-der waardigheidbekleeders plachten te vereenigen. Zijn vader werd, als
-hij ten minste in Thebe vertoefde, nooit bij dien maaltijd gemist.
-Hemzelven viel heden voor het eerst de buitengewone onderscheiding ten
-deel van als gast tegenwoordig te zijn, eene eer, die velen hem konden
-benijden. Hij had dit alleen aan den stadhouder te danken, zoo als Ameni
-hem uitdrukkelijk zeide, toen hij hem gisteren noodigde.
-
- [255] Het oude Egyptische Saka, het tegenwoordige Samakoet, waar
- Anubis als hoofdgodheid vereerd werd. Plutarchus verhaalt, dat
- de Oxyrynchiten, die den Oxyrynchos-visch vereerden, met hunne
- naburen, de Kynopoliten, die den hond voor heilig hielden, een
- strijd begonnen over deze dieren. De strijd nam hiermede een
- aanvang, dat de Kynopoliten, Oxyrynchos-visschen aten, en de
- Oxyrynchiten uit wraak honden vingen, die ze slachten en als
- een offermaal gebruikten. Eene dergelijke geschiedenis verhaalt
- Juvenalis in de 15de satire van de Omiten (waarschijnlijk
- Koptiten) en Tentyriten.
-
-Voordat hij van haar afscheid nam, had zijne moeder de door Rameri
-verwonde hand verbonden. Hij gevoelde hevige pijn, maar hij zou voor
-geen prijs het gastmaal in het Seti-huis hebben willen verzuimen,
-hoezeer hij er ook tegen opzag. Zijn geslacht was zoo oud en aanzienlijk
-als eenig ander in Egypte, zijn bloed zuiverder dan dat des konings, en
-toch gevoelde hij zich nooit in het gezelschap van rijksgrooten op
-zijn plaats. Hij was geen priester en toch een schrijver, hij was een
-krijgsman en toch stond hij niet in de gelederen van 's konings helden.
-Bij zijne opvoeding had hij strenge plichtsbetrachting geleerd, en hij
-wijdde zich ook geheel aan zijn beroep. Doch zijne levensgewoonten
-verschilden hemelsbreed van die dergenen, in wier kring hij was
-opgewassen, en waarvan zijn schoone, dappere en grootmoedige vader het
-sieraad was geweest. Hij was niet als een gierigaard gehecht aan
-het vermogen, dat hij geërfd had; integendeel, de edele deugd der
-vrijgevigheid scheen hem niet vreemd te zijn. Hij liet echter de
-ongevoeligheid van zijn hart juist het meest blijken als hij gaf. Want
-behalve dat hij van zijne geschenken zooveel mogelijk vertoon maakte,
-werd hij niet moede de beweldadigden, die van hem afhankelijk waren,
-telkens voor te houden, welk een dank zij hem verschuldigd waren. Hij
-meende door zijne gaven het recht verworven te hebben, elk die ze aannam
-naar welgevallen ruw en onbeschaamd te mogen bejegenen. Ziedaar, waarom
-zelfs zijne beste daden hem meer vijanden dan vrienden bezorgden.
-
-Paäker was derhalve een man van een onedel, of liever van een uiterst
-zelfzuchtig karakter. Als hij langs een korter weg zijn doel bereiken
-kon, was het hem volmaakt onverschillig, of hij op bloemen trad, dan op
-het zand der woestijn. Deze zijn gemoedsgesteldheid openbaarde zich in
-alles, en was ook merkbaar in zijn uiterlijk voorkomen, zooals in den
-klank van zijn stem, in de breede trekken van zijn gelaat en in de
-pronkerige bewegingen van zijne ineengedrongen gestalte. In het leger
-kon hij zich gedragen zooals hij wilde, maar dit was niet geoorloofd
-in het gezelschap van lieden, die tot zijn stand behoorden. Daarom, en
-omdat hij de gave miste van vlug te kunnen spreken en met gevatheid te
-kunnen antwoorden, eene gave die hun eigen was, gevoelde hij zich niet
-op zijn gemak en niet op zijne plaats in hun midden. Hij zou aan de
-uitnoodiging van Ameni waarschijnlijk geen gevolg hebben gegeven,
-wanneer zij niet zijne ijdelheid gestreeld had.
-
-Het was reeds laat geworden, maar het maal begon eerst omstreeks
-middernacht, want de gasten waren vooraf tegenwoordig bij de
-voorstellingen, die op het heilige meer in het zuiden van de Nekropolis
-bij lamp- en fakkellicht werden gegeven, en die betrekking hadden op de
-lotgevallen van Isis en Osiris. Toen hij de feestelijk getooide zaal
-betrad, waarin de tafels waren opgeslagen, vond hij alle gasten
-verzameld. Ook de stadhouder Ani was tegenwoordig en gezeten ter
-rechterzijde van Ameni, aan het hoofd van de voornaamste tafel in het
-midden, waaraan verschillende plaatsen onbezet waren, want de profeten
-en ingewijden van Amon in Thebe hadden zich laten verontschuldigen. Zij
-waren trouw gehecht aan Ramses en zijn huis, en hun grijze overste
-keurde de stoutmoedige handelwijze van Ameni tegen de kinderen des
-konings ten strengste af. Zij hielden ook het wonder van het ramshart
-voor een vijandigen streek der priesters in de Nekropolis tegen den
-rijkstempel te Thebe, door den pharao zoozeer begunstigd[256].
-
- [256] Zie boven blz. 183. Bijna alle koningen van het nieuwe
- rijk zorgden, zelfs met verkwistende vrijgevigheid, voor
- den tempel van Karnak. De oudste koningsnaam, die op de
- overblijfselen van dit heiligdom bewaard bleef, is die van
- Oesertesen I (12e dynastie). Gedurende den tijd der Hyksos werd
- de arbeid gestaakt, maar de Koningen der 18e en 19e dynastie
- breidden den tempel uit met gebouwen van buitengewone
- afmetingen. De groote zaal, waartoe Ramses I den grondslag
- legde, die Seti I deed bouwen en Ramses II versierde, had
- 134 zuilen en was 102 bij 51 Meters groot. Ook de met Karnak
- verbonden tempel van Loeqsor, onder de 18e dynastie aangelegd,
- werd door Ramses II met grootere gebouwen voltooid. Aan de
- oostzijde van Karnak werden nieuwe gedeelten aangebracht, en
- onnoemelijk vele koninklijke geschenken, in de schatkamers van
- dit heiligdom samengebracht. Mariëtte heeft onlangs in zijn
- Karnak, voortreffelijke teekeningen van alle deelen en
- onderdeelen van dezen tempel in het licht gegeven.
-
-De Mohar ging naar de tafel, aan welke de bevelhebber der als
-overwinnaars uit Ethiopië teruggekeerde troepen, met andere officieren
-van hoogen rang was gezeten. Naast eerstgenoemde was een plaats open.
-Paäker wilde er regelrecht op afgaan; toen hij echter bemerkte, dat de
-generaal zijn buurman een wenk gaf om aan te sluiten, begreep de gids
-dat deze hem beletten wilde aan zijne zijde plaats te nemen. Hij keerde
-dus met spijtigen blik aan de tafel der krijgslieden den rug toe. De
-Mohar was hem geen welkom feestgenoot. »Het is of de wijn mij zuur
-smaakt, als die lomperd er in ziet," zeide de bevelhebber.
-
-De oogen aller gasten richtten zich op Paäker, die naar eene plaats
-uitzag. Toen niemand hem een wenk gaf om bij hem te komen, begon zijn
-bloed weder te koken. Het liefst zou hij terstond met een vloek de
-feestzaal verlaten hebben. Reeds keerde hij zich naar de deur, toen de
-stadhouder, die met Ameni eenige woorden gefluisterd had, hem toeriep
-en verzocht de plaats in te nemen, die voor hem bestemd was, daarbij
-wijzende op den stoel aan zijne zijde, die voor den eersten profeet van
-den rijkstempel was bestemd geweest.
-
-Paäker zette zich onder eene diepe buiging op deze eereplaats neder,
-doch hij durfde niet van de tafel op te zien, want hij vreesde
-verwonderde en spottende gezichten te ontmoeten. En toch had hij zich
-kunnen voorstellen, hoe zijn grootvader Assa en zijn vader in de
-nabijheid waren gezeten van deze plaats, die hun ook werkelijk meermalen
-was ingeruimd. Was hij niet hun opvolger en erfgenaam? Stamde zijne
-moeder Setchem niet uit een koninklijk geslacht? Was het Seti-huis hem
-niet grooter dank schuldig, dan alle overigen?
-
-Een dienaar hing hem een krans over de breede schouders en een ander
-bood hem wijn en spijzen aan. Nu eerst waagde hij het op te zien en
-daarbij ontmoette hij de helder vonkelende oogen van den tweeden profeet
-Gagaboe, die tegenover hem zat. Hij begon weder op de tafel te staren.
-Toen sprak de stadhouder hem aan en vertelde, zich daarbij half wendend
-tot die in zijne nabijheid waren gezeten, dat de Mohar morgen naar Syrië
-dacht te trekken, ten einde zijne zware taak weder op zich te nemen.
-
-Het klonk Paäker in de ooren, als had Ani zich bij de aanwezigen
-willen verontschuldigen, dat hij hem zulk eene eereplaats had gegeven.
-Eindelijk hief de stadhouder den beker op, en dronk op den goeden
-uitslag der verkenningstochten en het zegenrijk einde van elken strijd,
-die de Mohar te voeren zou hebben. Ook de opperpriester wijdde hem een
-dronk, en dankte hem luide in naam van het Seti-huis voor het kostelijk
-stuk bouwland, dat hij hedenmorgen als feestgave aan den tempel had
-vereerd[257]. Een gemompel van bijval werd door de geheele zaal
-vernomen, en eerst nu begon het gevoel van onzekerheid den gids te
-verlaten.
-
- [257] Het was een zeer gewoon verschijnsel, dat koningen
- akkerland aan de tempels schonken. Op ontelbare gedenkteekenen
- is het aandenken aan zulke schenkingen bewaard. Doch ook rijke
- burgers begiftigden niet alleen de heiligdommen met stukken
- grond en bouwland, maar stelden soms bovendien een kapitaal
- vast tot ontginning of tot onderhoud. Zoo bijv. Amon-en-apt te
- Medinet Haboe.
-
-»Zijt gij gewond?" vroeg de stadhouder. Want Paäker had nog altijd zijne
-hand, die hem hevig pijn deed, in de zwachtels, die zijne moeder er
-omgelegd had.
-
-»Het heeft niets te beteekenen," antwoordde de gids. »Toen ik mijne
-moeder naar de boot bracht, viel er...."
-
-»Er viel," haastte zich een zijner vroegere medescholieren, de
-opperbevelhebber van de wachtsoldaten in Thebe, die zeer hoog aan tafel
-geplaatst was, lachende te zeggen: »er viel een stok of roeiriem op
-zijne vingers."
-
-»Dat is wat te zeggen," riep de stadhouder.
-
-»Een nog zeer jonge knaap heeft zich tegen hem durven verzetten," ging
-de bevelhebber voort. »Mijne lieden hebben mij alles haarfijn bericht.
-De jongen sloeg eerst zijn hond dood...."
-
-»Den fraaien Descher?" vroeg de grijze opperjachtmeester, met innig
-leedwezen. »Uw vader stond dikwijls met dit dier mij ter zijde, wanneer
-wij jacht maakten op everzwijnen."
-
-Paäker knikte. De bevelhebber echter, in het trotsch gevoel van zijne
-positie en waardigheid, begon opnieuw, zonder erop te letten dat het
-bloed den gids naar het hoofd steeg en zijne wangen kleurde: »Toen de
-hond op den grond lag, sloeg de waaghals u de zweep uit de hand."
-
-»De strijd heeft toch geene aanleiding gegeven tot rustverstoring?"
-vroeg Ameni ernstig.
-
-»Neen," zeide de bevelhebber. »Het feest van heden is overigens
-bijzonder rustig afgeloopen. Als niet het ongelukkig interval met dien
-waanzinnige Paraschiet de processie had gestoord, dan zouden wij de
-volksmenigte over hare houding slechts kunnen prijzen. Behalve den
-vechtlustigen priester, dien wij u hebben uitgeleverd, zijn er enkel een
-paar dieven opgebracht. Zij behoorden allen tot de caste[258], daarom
-ontnamen wij hun alleen het geroofde, en lieten ze verder loopen. --
-Maar zeg mij toch eens, Paäker, welke vriendelijke geesten zijn er in u
-gevaren dat gij dien vlegel ongestraft de wijk liet nemen?"
-
- [258] Volgens Diodorus (I. 80) hadden de dieven in Egypte een
- eigen gild. Alle burgers moesten zich in registers van den
- burgerlijken stand laten inschrijven, en opgeven waarvan zij
- leefden, zoo ook de dieven. De namen werden ingeschreven bij
- de dievenhoofdman, aan wien al het gestolene moest worden
- uitgeleverd. De bestolene moest eene schriftelijke aanwijzing
- inleveren van de hem ontvreemde voorwerpen, met opgave van dag
- en uur waarop hij ze vermist had. Op deze wijze vond men het
- gestolene gemakkelijk bij den hoofdman weder, die het aan
- den bezitter uitleverde, tegen betaling van het vierde deel
- der waarde, ten voordeele van de dieven. Eene soortgelijke
- inrichting moet nog betrekkelijk kort geleden te Kaïro hebben
- bestaan.
-
-»Hebt gij dat waarlijk gedaan?" riep de oude Gagaboe. »Gewoonlijk toch
-is haat uw handwerk...."
-
-Ameni wierp den grijsaard zulk een verwijtenden blik toe, dat hij zweeg.
-Hij vroeg daarop den Mohar: »Hoe ontstond deze strijd, en wie was die
-jongen?"
-
-»Onbeschaamd volk," antwoordde Paäker, »wilde zijn schuitje met geweld
-aan de landingsplaats brengen, vóor de boot waarop mijne moeder wachtte.
-Ik verdedigde mijn recht. Toen viel die knaap mij aan, en sloeg mijn
-hond dood. Ja, bij mijn Osirischen vader, die het dier liefhad, de
-krokodillen zouden hem al lang hebben verslonden, wanneer niet eene
-vrouw zich geplaatst had tusschen hem en mij, en zich had doen kennen
-als Bent-Anat, de dochter van Ramses. Zij was het in eigen persoon, en
-de knaap de jonge prins Rameri, dien gij gisteren uit dit huis hebt
-gebannen."
-
-»Oho," riep de oude jachtmeester, »oho, mijnheer de Mohar, spreekt men
-zoo van de kinderen des konings?"
-
-Ook andere beambten, die den pharao aanhingen, gaven duidelijk hun
-ongenoegen te kennen. Doch Ameni fluisterde den gids toe: »Zwijg voor
-het oogenblik!" Daarop zeide hij overluid: »Het wegen van woorden, mijn
-vriend, was nooit uw zaak en heden spreekt gij naar 't mij toeschijnt,
-als iemand die de koorts heeft. Kom hier Gagaboe, onderzoek Paäkers
-wond, waarover hij zich niet behoeft te schamen, want een koningszoon
-heeft hem geslagen."
-
-De grijsaard maakte de zwachtels los, die de sterk gezwollen hand van
-den Mohar omgaven, en riep: »Die slag is duchtig aangekomen! Drie
-vingers zijn gebroken, en bovendien, zie maar, de smaragd van uw
-zegelring."
-
-Paäker zag naar zijne pijnlijke vingers en haalde weder vrij adem, want
-niet zijn orakelring met den naam van Thotmes III was verbrijzeld, maar
-de kostbare ring, dien de regeerende koning eens aan zijn vader had
-geschonken. In de gouden kast hingen nog maar enkele splinters van den
-vlak geslepen zegelsteen. De naam des konings was met de ontbrekende
-stukken op den grond gevallen en verdwenen. Paäkers bleeke lippen
-bewogen zich weer en eene stem in zijn binnenste riep hem toe: »De goden
-wijzen u den weg! De naam is vernietigd; hij die hem droeg moet volgen!"
-
-»Jammer van den ring," zeide Gagaboe; »en als de hand niet denzelfden
-weg op zal gaan, -- gelukkig is het maar de linker -- raad ik u niet
-meer te drinken en u naar den arts Nebsecht te laten brengen, met
-verzoek de gebrokene beentjes te zetten en te verbinden."
-
-Paäker stond op en nam afscheid, nadat Ameni hem den volgenden dag in
-het Seti-huis en de stadhouder hem in het paleis had genoodigd.
-
-Zoodra de deur zich achter den gids had gesloten, zeide de schatmeester
-van het Seti-huis: »Dat was een kwade dag voor den Mohar, die hem
-misschien leeren zal, dat men er hier in Thebe niet op los kan trekken,
-gelijk in het veld. Er is heden nog wat anders met hem gebeurd. Wilt gij
-het hooren?"
-
-»Vertel het ons," riep een zijner dischgenooten.
-
-»Gij kent den ouden Seni," zoo begon de schatmeester. »Hij was een
-rijk man, maar gaf al wat hij bezat aan de armen, toen hij zijne zeven
-bloeiende zonen, den een na den ander, in den krijg of door ziekten
-verloren had. Hij behield voor zich niet meer dan een klein huisje met
-een tuintje en zeide, dat hij zich wilde erbarmen over de verlatenen
-hier op aarde, gelijk de goden zich over zijne kinderen in de andere
-wereld zouden ontfermen. Spijst de hongerigen, drenkt de dorstigen,
-kleedt de naakten, zegt de wet[259], en daar Seni niets meer heeft weg
-te geven, trekt hij, zoo gij weet, zelf honger en dorst lijdende en ter
-nauwernood gekleed, de stad door en naar elke plaats waar feest wordt
-gevierd, bedelende voor zijne aangenomen kinderen, de armen. Wij hebben
-hem allen wat gegeven, want ieder weet voor wie hij zich vernedert en
-de hand houdt uitgestrekt. Heden trok hij weder met zijn zakje rond, en
-smeekte met zijne goedige oogen om een aalmoes. Paäker heeft ons op dit
-feest een kostelijk stuk land gegeven, en meent nu, misschien te recht,
-dat hij het zijne heeft gedaan."
-
- [259] Zie Dl. I, bl. 100.
-
-»Toen Seni hem aansprak, beval hij hem heen te gaan. De oude man hield
-echter niet op te smeeken, en volgde hem onafgebroken tot aan het graf
-zijns vaders, terwijl vele lieden hen naliepen. Daar voer de gids hevig
-tegen hem uit, wees hem nog eens af, en toen de bedelaar het waagde hem
-bij zijn kleed te grijpen, hief hij zijne zweep op en sloeg den armen
-man twee, ja, driemaal, roepende: 'Daar heb je wat je toekomt!' De oude
-man hield zich geduldig en bedaard, en zeide, terwijl hij zijn zakje
-opendeed, met betraande oogen: 'Mijn deel heb ik dus ontvangen; maar nu
-mijne armen!'"
-
-»Ik stond er bij, toen dit plaats had, en zag hoe Paäker zich ijlings
-in het graf terugtrok, en hoe zijne moeder Setchem aan Seni haar vollen
-buidel toewierp. Haar voorbeeld werd door anderen gevolgd, en de oude
-heeft nooit zoo'n rijken oogst gehad als heden. De armen mogen den Mohar
-wel dankbaar zijn! Eene groote massa volk vatte post voor zijne groeve,
-en het zou slecht met hem zijn afgeloopen, als de politie-wacht de
-menigte niet uit elkaar had gedreven."
-
-Dit verhaal werd natuurlijk met grooten bijval aangehoord. Want niemand
-is zoo zeker van de algemeene instemming, als hij die de nederlaag
-kan vertellen van een overmoedige, dien men niet liefheeft. Intusschen
-hadden de stadhouder en de opperpriester druk met elkander gefluisterd.
-
-»Het is derhalve aan geen twijfel onderhevig," zeide Ameni, »dat
-Bent-Anat het feest heeft bijgewoond."
-
-»En zij liet zich opnieuw in met den priester, dien gij altijd zoo warm
-verdedigt," fluisterde de ander.
-
-»Pentaoer zal nog dezen nacht verhoord worden," antwoordde de
-opperpriester. »Reeds worden de schotels weggenomen en het drinkgelag
-begint. Laten wij opbreken en den dichter een bezoek brengen."
-
-»Wij missen thans getuigen," hernam Ani.
-
-»Die hebben wij niet noodig," verzekerde Ameni. »Hij kan niet liegen."
-
-»Nu, breek dan op," zeide de stadhouder lachend, »want ik ben waarlijk
-ook nieuwsgierig naar dezen blanken neger, en wil wel eens weten hoe hij
-met de waarheid zal omspringen. Gij vergeet echter, dat hier eene vrouw
-in het spel is."
-
-»Dat is altijd het geval," antwoordde Ameni. Hij riep Gagaboe bij zich,
-droeg zijn zetel aan hem over, en verzocht hem om aan het gesprek eene
-vroolijke wending te geven, de gasten aan te moedigen om duchtig te
-drinken, en elk onderhoud over den koning, den staat en den krijg af
-te snijden. »Gij weet," zoo besloot hij, »dat wij heden niet onder
-ons zijn. Wat heeft de wijn niet reeds doen verraden! Wees daaraan
-indachtig! Zich aan anderen te spiegelen, leert voorzichtigheid!"
-
-De stadhouder Ani klopte den oude op den schouder en zeide: »Er zal
-heden een bres gemaakt worden in uwe wijnschuren. Men zegt van u, dat
-gij nooit een leeg glas, en ook geen vol kunt zien! Welnu, vier heden
-aan uw tegenzin tegen beiden den vrijen teugel, en wanneer gij meent
-dat het tijd is, wenk dan mijn hofmeester, die daar in den hoek zit.
-Hij heeft eene kruik van het edelst druivennat van Byblos[260] van de
-overzijde medegebracht en zal u daarvan schenken. Ik kom nog weder om u
-goeden nacht te zeggen."
-
- [260] Gebal-Byblos in Phoenicië. Daar wies eene wijnsoort, die
- ook onder de Grieken zeer beroemd was.
-
-Ameni was gewoon bij het begin van drinkgelagen zich te verwijderen.
-Toen de deur achter hem en den stadhouder gesloten was, werden nieuwe
-rozenkransen om den hals der gasten gelegd, lotusbloemen boven op
-hun hoofd gestoken en de bekers opnieuw gevuld. Er verschenen eenige
-muzikanten, die op harpen, luiten, fluiten en handtrommels, vroolijke
-deuntjes speelden. De directeur gaf de maat aan met in de handen te
-klappen en naarmate de gasten opgewondener werden, hielpen zij door
-gelijkmatige slagen mede. De levendige Gagaboe handhaafde zijn roem
-als lustig drinker en leider van eene drinkpartij. Weldra straalden de
-ernstige priestergezichten van uitgelaten vreugde, en krijgslieden,
-zoowel als hofbeambten deden hun best elkander de loef af te steken in
-dartele scherts.
-
-Nu wenkte de grijsaard, en dadelijk verscheen een jeugdig, met kransen
-getooid tempeldienaar, die een rijk verguld mummiebeeldje bracht. Hij
-gaf het rond in den kring en riep: »Ziet dit beeld! Weest vroolijk en
-drinkt, zoolang gij op aarde wandelt, want eerlang zult gij aan deze
-mummie gelijk zijn"[261].
-
- [261] Eene gewoonte, waarvan Herodotus (II 78) gewag maakt.
- Lucianus was ooggetuige dat zulke mummiën bij een gastmaal
- werden rondgegeven. De Grieken namen deze zede over, maar gewoon
- om aan alles zekere bekoorlijkheid bij te zetten, stelden zij
- een gevleugelden genius des doods in de plaats van de mummie.
- Men herinnere zich hierbij ook de "larva" der Romeinen.
-
-Gagaboe wenkte nog eens, en nu bracht de hofmeester van den stadhouder
-den edelen wijn van Byblos. Men prees den milden gever, Ani, en roemde
-den geurigen smaak van dezen kostelijken drank.
-
-»Zulke wijn," riep de anders zoo bijzonder ernstige overste der
-Pastophoren, »is als de zeep"[262].
-
- [262] Deze vergelijking is zuiver Oostersch. Kisrâ noemde
- den wijn "de zeep der zorg." Ofschoon den Mohamedanen de
- wijn verboden was, hebben zij toch de heerlijkheid van het
- druivennat, niet minder dan de gasten van het Seti-huis,
- geroemd. Zoo zegt Abdelmâlik ibn Sâlih Hâschimî: "Het
- uitnemendste waarmede de wereld zich verheugt, is de wijn."
- Gâhiz zegt: "De wijn, wanneer hij in uwe beenderen dringt en
- door uwe leden vloeit, verleent u de waarheid van het gevoel en
- de volmaking der ziel; hij maakt uw geest buigzaam, neemt alle
- beklemdheid weg, veredelt uwe stemming;" enz. Toen men Ibn
- Aischah van iemand vertelde, dat hij geen wijn dronk, zeide hij:
- "De wereld heeft dien man reeds driemaal verstooten." Ibn el Moe
- tazz zong:
-
- "Zorg niet of de tijd blijft dralen,
- of wel rusteloos verder gaat!
- Klaag alleen den wijn uw kommer,
- als hij schuimend voor u staat.
- Hebt gij driemaal reeds gedronken,
- zoo behoed vooral uw hart,
- Zal de vreugd het niet ontvlieden
- en u blijven alle smart.
- Dit is de een'ge welbeproefde
- aller zorgen artsenij;
- Daarom hoor toch wat ik rade,
- wetend wat u dienstig zij.
- Zorg niet, want hoe menig wenschte
- d'armen, droeven menschengeest
- Van zijn zwaren last te ontheffen --
- 't Is al vruchteloos geweest!"
-
-»Welk eene wonderlijke vergelijking!" zeide Gagaboe, hartelijk lachende.
-»Dat moet gij nader verklaren!"
-
-»Wel," hernam de ander, »hij wascht de zorgen der ziel weg."
-
-»Bravo, mijn vriend!" riep de oude. »Nu moet ook ieder den roem van dit
-heerlijk druivensap met een woord prijzen. Kom gij, eerste profeet van
-den Amenophis-tempel, maak maar een begin."
-
-»De zorg is vergif," sprak hij, »en de wijn is het tegengif tegen het
-gif der zorg."
-
-»Heel goed! Nu verder! De beurt is aan u, geheimraad des konings!"
-
-»Elk ding heeft zijn geheim," sprak de beambte, »en het geheim van dezen
-wijn is de vreugde."
-
-»Nu aan u, zegelbewaarder!"
-
-»De wijn grendelt de deuren der droefheid, en sluit de poorten der
-zorgen!"
-
-»Ja, dat doet hij, dat doet hij zeker! Nu gij, eerwaarde gouverneur van
-Hermonthis, die van ons allen de oudste zijt!"
-
-»De wijn rijpt eigenlijk alleen voor ons oudjes, en niet voor u, jong
-volk!"
-
-»Dat zult ge ons nader verklaren," klonk een stem van de tafel der
-krijgslieden.
-
-»Hij maakt," zeide de tachtigjarige lachend, »van grijsaards
-jongelingen, maar van jongelingen kinderen."
-
-»Die kaatst moet den bal verwachten, gij jongens!" riep Gagaboe. »Uw
-spreuk, overste der Horoscopen!"
-
-»De wijn is vergif," sprak de knorrige priester, »want hij maakt wijzen
-tot gekken."
-
-»Dan hebt gij, helaas, weinig van hem te vreezen," antwoordde Gagaboe
-ondeugend. »Verder, jachtmeester!"
-
-»De rand van den beker," sprak deze, »is als de lippen onzer geliefde.
-Raakt men hem aan, en bevochtigt de wijn onze tong, dan kust ons de
-bruid."
-
-»Veldoverste, de beurt is thans aan u!"
-
-»Ik wenschte dat de Nijl in plaats van water zulk een wijn inhield,"
-riep de krijgsman, »en dat ik zoo groot was als de kolos van Amenophis,
-en dat Hatasoe's grootste obelisk[263] mijn drinkglas was, en dat ik
-drinken mocht zooveel ik maar wilde. Laat ons nu, eerwaarde Gagaboe, ook
-uw spreuk hooren tot lof van den wijn."
-
- [263] Deze staat nog heden overeind in den tempel van Karnak, en
- is 33 meter hoog. De obelisk, die de Franschen van Loeqsor naar
- Parijs overbrachten, en thans de Place de la Concorde versiert,
- is 11 meter kleiner.
-
-De tweede profeet hief zijn beker omhoog, bekeek met welgevallen het
-gulden vocht, slurpte het langzaam op, en zeide toen met ten hemel
-geslagene oogen: »Ik vrees dat ik te nietig ben om de verheven goden
-voor zulk eene weldaad te danken."
-
-»Goed gesproken!" riep de stadhouder Ani, die tot de gasten was
-teruggekeerd, zonder dat ze hem opgemerkt hadden. »Wanneer mijn wijn
-spreken kon, dan zou hij u danken, voor hetgeen gij van hem gezegd
-hebt."
-
-»Heil den stadhouder Ani!" riepen de drinkers, en hieven hunne schalen
-omhoog, die met zijn edel vocht gevuld waren.
-
-Hij beantwoordde dien dronk, stond daarna op en riep: »Wie uwer deze
-wijn heeft geproefd, dien noodig ik morgen aan mijne tafel. Dáar zal hij
-hem wedervinden, en blijft dit druivennat hem dan nog altijd smaken, zoo
-zal hij mij als gast elken avond recht welkom zijn! Goeden nacht thans
-mijne vrienden!"
-
-Een daverend gejuich klonk hem achterna.
-
-De morgen begon reeds te schemeren, toen de gasten de zaal verlieten.
-Daar waren maar weinigen, die hun weg alleen konden vinden. De meesten
-werden gewoonlijk opgenomen door hunne slaven, die hen stonden te
-wachten, ze als balken op hunne hoofden droegen en zoo naar de
-draagstoelen brachten, om ze naar huis te voeren. Doch heden werden hun
-slaapplaatsen in het Seti-huis ingeruimd, want er was een schrikkelijk
-onweder losgebroken.
-
- * * * * *
-
-Terwijl de gasten de bekers omhoog hieven en hunne vreugde steeds hooger
-klom, was Pentaoer, weinige uren te voren als gevangene opgebracht, in
-tegenwoordigheid van den stadhouder verhoord. Ameni's boden hadden den
-priester geknield gevonden en zoo diep in gedachten verzonken, dat hij
-hen zelfs niet hoorde naderen. Zijne zielsrust was geweken; zijn gemoed
-was in oproer en het wilde hem maar niet gelukken kalm over alles na te
-denken, en tot klaarheid te komen omtrent dat nieuw onstuimig leven in
-zijn binnenste. Tot dusver had hij zich nooit ter ruste gelegd, zonder
-zich rekenschap te geven van den afgeloopen dag, en het was hem
-gemakkelijk gevallen in zijn doen en laten nauwkeurig het goede van
-het kwade te onderscheiden. Maar heden vertoonden zich voor zijne
-terugziende oogen niet anders dan verwarde beelden. Als hij moeite deed
-ze van elkander te scheiden en te ordenen, zag hij de gestalte van
-Bent-Anat, die zijn hart en zijne zinnen aan banden legde.
-
-Zijne vreedzame hand had zich tegen zijne medemenschen opgeheven en
-bloed vergoten. Hij wilde zich overtuigen dat hij slecht had gehandeld
-en berouw gevoelen; doch het was hem niet mogelijk, want zoo vaak hij
-zichzelven verwijten deed en veroordeelde, zag hij de hand van den
-soldaat in het haar van het meisje, en het oog van de prinses, dat zijne
-handelwijze billijkte, ja van bewondering sprak. En hij moest voor
-zichzelven erkennen, dat hij goed had gehandeld, en morgen in gelijke
-omstandigheden weder hetzelfde zou doen. Tegelijk begreep hij echter,
-dat hij de hem door de beschikking der goden gestelde grenzen aan alle
-zijden had overschreden, en het scheen hem toe, als zou het hem nimmer
-weder gelukken zich te huis te gevoelen in het stille, beperkte en
-vreedzame leven van weleer.
-
-Hij bad tot den Eenen, en tot den verheerlijkten geest van de eenvoudige
-vrome vrouw, die hij zijne moeder had genoemd, om zielsrust en
-tevredenheid met zijn lot. Maar te vergeefs; want hoe langer hij op de
-knieën lag, en de armen smeekend omhoog hief, des te stouter werden
-zijne wenschen, des te minder gelukte het hem zijn schuld te erkennen
-en berouw te gevoelen. De roepstem van Ameni scheen hem daarom eene
-verlossing toe, en hij volgde den bode, overtuigd dat hij streng
-gestraft zou worden, maar zonder vrees, ja zelfs blijmoedig.
-
-Pentaoer gehoorzaamde terstond het bevel van den opperpriester, die hem
-hoog ernstig aanzag, en gaf van alles bericht. Hij vertelde hoe hij,
-daar geen der artsen tehuis was, de oude Paraschietenvrouw was gevolgd
-naar haar man, die door demonen bezeten was, en hoe hij om een meisje
-te redden, dat het volk mishandelen wilde, zijne hand had opgeheven en
-daarbij harde slagen had uitgedeeld.
-
-»Gij hebt vier menschen gedood en wel tweemaal zoovelen zwaar gewond,"
-zeide Ameni. »Waarom deedt ge u niet als priester kennen, en als de de
-feestredenaar van dezen dag? Waarom hebt gij geene poging gedaan om het
-volk, in plaats van door geweld, door vermanende woorden tot rust te
-brengen?"
-
-»Ik droeg geen priesterlijk gewaad," antwoordde Pentaoer.
-
-»Ook daarin hebt gij misdreven," zeide Ameni, »want gij weet dat de wet
-ieder onzer verbiedt zonder het witte kleed dit huis te verlaten. En
-gij zoudt de macht van uwe stem niet kennen? Durft ge mij tegenspreken,
-wanneer ik beweer, dat gij ook in het eenvoudig arbeiderskleed in
-staat geweest zoudt zijn met woorden hetzelfde uit te werken als met
-doodelijke slagen?"
-
-»Het zou mij misschien gelukt zijn," gaf Pentaoer ten antwoord. »Maar
-eene dierlijke woede had zich van de menigte meester gemaakt. Ik
-vond geen tijd tot kalm overleg, en toen ik den booswicht, die
-het onschuldige kind bij de haren sleurde, als een gifslang had
-weggeslingerd, werd er een strijdlustige geest in mij wakker. Mijn leven
-was mij niets meer waard, en ik zou duizenden hebben verslagen, om dat
-arme kind te redden."
-
-»Uwe oogen vonkelen," zeide Ameni, »als hadt gij een heldendaad
-verricht. Toch hebt gij slechts weerlooze en vrome burgers verslagen,
-die vol ontzetting waren over eene schandelijke misdaad. Ik begrijp
-niet hoe in den tuinmanszoon, den dienaar der godheid, de geest van een
-krijgsman is gevaren."
-
-»Ja," hernam Pentaoer, »toen de menigte op mij indrong, en ik haar met
-inspanning van al mijne krachten van mij afweerde, toen heb ik iets
-gevoeld van den wellust van den krijgsman, die het hem toevertrouwde
-krijgsteeken verdedigt tegen het geweld van den aandringenden vijand. In
-een priester is dit zeker zondig, en ik wil er voor boeten, maar het is
-niet anders, ik heb het gevoeld."
-
-»Gij hebt het gevoeld en gij zult er voor boeten," sprak Ameni ernstig.
-»Bovendien was uw bericht niet geheel overeenkomstig de waarheid. Waarom
-hebt gij verzwegen, dat Bent-Anat, de dochter van Ramses, zich in den
-strijd gemengd en u gered heeft, door zich aan de menigte te doen kennen
-en haar te bevelen u met vrede te laten? Hebt gij haar dit voor het volk
-heeten liegen, omdat gij haar niet voor Bent-Anat hield? Nu man, die zoo
-vast staat op den hoogen trap, gij die de banier der waarheid altijd
-omhoog heft, geef antwoord!"
-
-Pentaoer was onder deze woorden zijns meesters al bleeker en bleeker
-geworden, Zijn antwoord luidde, terwijl hij met zijn oog op den
-stadhouder: »Wij zijn niet alleen."
-
-»Daar is maar éene waarheid," zeide Ameni koeltjes. »Wat gij geneigd
-zijt mij toe te vertrouwen, dat mag deze hoogverheven heer, de
-vertegenwoordiger des konings, ook vernemen. Nu dan, hebt gij Bent-Anat
-herkend, ja of neen?"
-
-»Zij die mij redde geleek haar, en zij geleek haar toch niet,"
-antwoordde de dichter, wien de fijne spot in de woorden des meesters
-opnieuw het bloed deed koken. »En al had ik ook even zeker geweten dat
-zij de prinses was, als ik weet dat gij, die mij eerst zoo hoog hebt
-gewaardeerd, mij nu tracht te vernederen, dan zou ik toch gehandeld
-hebben gelijk ik deed, om eene jonkvrouw booze uren te besparen, die
-meer godin is dan vrouw, en die om mij ongelukkige te redden, van den
-troon steeg in het stof."
-
-»Altijd nog de feestredenaar," zeide Ameni spottend. Daarop vervolgde
-hij streng: »Ik bid u mij korte en duidelijke antwoorden te geven. Wij
-weten zeker dat Bent-Anat -- zij heeft zich aan den koninklijken gids
-kenbaar gemaakt -- in het gewaad van eene burgervrouw aan het feest
-heeft deel genomen; dat niemand anders dan zij u gered heeft. Wist gij,
-dat zij den Nijl zou over steken?"
-
-»Hoe zou ik het geweten hebben?" was Pentaoer's wedervraag.
-
-»Gij geloofdet toch Bent-Anat voor u te zien, toen zij zich op de
-kampplaats waagde?"
-
-»Ik geloofde het," antwoordde Pentaoer aarzelend, met neergeslagen
-oogen.
-
-»Dan was het zeer stout van u, de dochter des konings als eene
-bedriegster weg te jagen."
-
-»Dat was het ook," gaf Pentaoer ten antwoord, »maar om mijnentwil
-bracht zij de eer van haar naam en die van haar voortreffelijken vader
-in gevaar, en zou ik dan niet mijne vrijheid en mijn leven hebben
-gewaagd om...."
-
-»Wij hebben genoeg gehoord," viel Ameni hem in de rede.
-
-»Nog niet," zoo begon nu de stadhouder te spreken. »Wat is er geworden
-van het meisje, dat gij gered hebt?"
-
-»Eene oude tooveres, Hekt geheeten, die in de nabijheid van den
-Paraschiet woont, nam haar met hare grootmoeder bij zich in haar hol,"
-antwoordde de dichter. -- Hierna werd hij op bevel van den opperpriester
-in de gevangenis van het Seti-huis teruggebracht.
-
-Nauwelijks was hij verdwenen, of de stadhouder riep uit: »Een gevaarlijk
-mensch! Een dweeper! Een vurig vereerder van Ramses!"
-
-»En van zijne dochter," zeide Ameni lachend. »Maar ook slechts een
-vereerder. Gij hebt niets van hem te vreezen, want ik sta u borg voor de
-reinheid zijner bedoelingen."
-
-»Maar hij is schoon, en vermag veel door zijne groote welsprekendheid,"
-hernam Ani. »Ik verlang hem als mijn gevangene, want hij heeft een
-soldaat van mijne troepen gedood."
-
-Ameni's voorhoofd rimpelde zich, zijn gelaat nam eene sombere
-uitdrukking aan, en met hoogen ernst sprak hij: »Het komt, volgens
-onzen vrijbrief, enkel den raad onzer priesters toe, over de leden van
-dit huis te richten. Gij zelf, de toekomstige koning, hebt ons, de
-verdedigers van uw eigen oud en heilig recht, vrijwillig toegezegd, dat
-ook onze rechten geëerbiedigd zouden worden."
-
-»Dat zal ook geschieden," zeide Ani, met een lachje, dat den toorn van
-den opperpriester moest bezweren. »Maar deze man is gevaarlijk, en gij
-zult hem toch niet ongestraft willen laten?"
-
-»Hij zal streng gevonnist worden," zeide Ameni, »maar door ons en in dit
-huis."
-
-»Hij heeft een, ja meer dan éen moord begaan," hernam Ani, »Hij is des
-doods schuldig!"
-
-»Hij handelde door den nood gedrongen, om zich te verdedigen,"
-antwoordde Ameni, »en een door de godheid begenadigd man als deze geeft
-men niet op, al verleidde ook eene zeer ontijdige edelmoedigheid hem
-tot ergerlijke daden. Ik weet, ik zie het u bovendien aan, dat gij hem
-kwalijk zijt gezind. Zoo ge mij als bondgenoot waardeert, beloof mij dan
-hem niet naar het leven te zullen staan."
-
-»Gaarne!" antwoordde Ani met zijn gewone lachje, terwijl hij den
-opperpriester zijne hand reikte.
-
-»Wees overtuigd van mijn dank," zeide Ameni. »Pentaoer was de meest
-belovende van mijne kweekelingen, en ondanks menige afdwaling is hij
-mij nog altijd dierbaar. Toen hij van den strijdlust gewaagde, die hem
-heden overviel, zag hij er toen niet uit als de groote Assa, of zijn
-zoon, de ontslapen Mohar, de Osirische vader van den gids Paäker?"
-
-»Deze gelijkenis is inderdaad treffend," gaf de ander ten antwoord. »En
-toch moet hij van lage afkomst zijn. Wie was zijne moeder?"
-
-»De dochter van onzen poortwachter, eene stille en vrome ziel, maar die
-niet door schoonheid uitmuntte."
-
-»Ik keer nu tot het drinkgelag terug," zeide de stadhouder, na zich een
-oogenblik bezonnen te hebben. »Doch ik zou u nog wel een verzoek willen
-doen. Ik vertelde u van het geheim, dat den gids Paäker geheel tot ons
-werktuig kan maken. De tooveres Hekt, die de Paraschieten-vrouw tot zich
-nam, moet er van weten. Zend politie-wachters tot haar, en laat haar
-gevangen hierheen brengen. Ikzelf neem haar in het verhoor, en kan haar
-op deze wijze uitvragen, zonder opzien te wekken."
-
-Ameni zond dadelijk eenige gewapenden uit, en beval daarop in stilte een
-zijner meest vertrouwde dienaars, het zoogenaamde gehoor-vertrek te
-verlichten, en in de ruimte daarnaast een zetel voor hem te plaatsen.
-
-
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Terwijl de gasten van het Seti-huis nog feestvierden, en Ameni's boden
-het dal der koningsgraven introkken, om de oude Hekt uit den slaap te
-wekken, stak er uit het zuid-westen een heete storm op, die den hemel
-bedekte met zwarte nevelen, en dichte bruine stofwolken voor zich
-uitjoeg. Hij kromde de slanke stammen der palmen, als een schutter het
-hout van zijn boog. Hij rukte op het feestterrein de pennen der tenten
-uit den grond, voerde de lichte linnen zeilen hoog in de lucht en dreef
-ze als ontzaglijke witte spookgestalten, met geweldige vaart door de
-duisternis voort. Hij zweepte den anders zoo gladden waterspiegel van
-den Nijl, tot zijne geelachtige wateren zich verhieven en de golven
-sloegen als op de onrustige Zoutzee.
-
-Paäker had zijne bevende matrozen gedwongen hem over den stroom te
-zetten. De boot was meer dan eens op het punt van om te slaan, maar
-met zijne ongedeerde rechterhand had hij zelf vast en zeker het roer
-gestuurd, hoewel hem, bij het onophoudelijk schommelen van het vaartuig,
-zijne gebrokene vingers hevig pijn deden. Na herhaalde vruchtelooze
-pogingen gelukte het hem eindelijk te landen. De storm had de lantaarns
-aan de mastboomen, de teekens waarnaar zijne lieden aan den anderen
-oever uitzagen, gebluscht en hij vond geen dienaars of fakkeldragers aan
-de landingsplaats. In den stikdonkeren nacht en worstelende tegen den
-verzengenden stormwind, bereikte hij ten laatste de trotsche poort van
-zijn huis. Vroeger was het eigenaardig geblaf van zijn dog voor den
-portier een bewijs, dat de meester terugkeerde; heden echter moesten de
-matrozen die hem vergezelden, lang te vergeefs op de vleugeldeuren van
-het poortgebouw kloppen.
-
-Toen de Mohar eindelijk zijn voorhof binnentrad, vond hij alles donker.
-De storm had ook hier de fakkels en lantaarns uitgedoofd. Alleen de
-vensters van het woonvertrek zijner moeder waren verlicht. Thans
-begonnen de honden in hunne ongedekte perken zich te doen hooren, maar
-hun geblaf klonk trillend en jankend, want het onweder maakte de dieren
-angstig. Hun gehuil sneed den gids door de ziel, want hij dacht aan
-zijn verslagen Descher, wiens zware stem hij miste. In zijne vertrekken
-heette zijn oude Ethiopische slaaf hem welkom met een luiden
-jammerkreet, die den hond gold; want de man had hem voor Paäker's vader
-grootgebracht en zeer liefgehad. De gids wierp zich in een stoel neder
-en beval, dat men hem water zou brengen, om zijne pijnlijke hand daarin
-af te koelen, naar het voorschrift van den arts Nebsecht.
-
-Zoodra de oude slaaf de gebroken vingers zag, barstte hij andermaal in
-jammerkreten uit. Toen Paäker hem gebood stil te zijn, vroeg hij: »Is de
-onverlaat nog in leven, die dit gedaan en Descher geveld heeft?"
-
-Paäker knikte toestemmend en staarde op den grond, terwijl zijne hand
-in het koele water lag. Hij gevoelde zich ellendig en vroeg zichzelven,
-waarom de storm toch zijn boot niet omgeslagen en de Nijl hem niet
-verzwolgen had? Eene naamlooze verbittering vervulde zijn gemoed; hij
-wenschte nog een kind te zijn en te kunnen weenen. Doch deze stemming
-ging ras voorbij; weldra bewoog zijne breede borst bij eene diepe
-ademhaling zich weder op en neder, en zijne oogen straalden met een
-akeligen glans. Hij dacht niet meer aan zijne liefde, maar alleen aan
-zijne wraak, die hem thans zoeter scheen dan gene.
-
-»Dat Ramses-gebroed!" prevelde hij in zichzelf, terwijl hij zijn gebalde
-vuist dreigend omhoog hief. »Ik offer ze allen te zamen, den koning en
-Mena, ook die trotsche prinses en nog veel meer van dat geslacht. Ik
-weet wel hoe! Wacht maar, wacht!"
-
-Daar werd de deur van zijne kamer geopend. De brullende stormwind was
-oorzaak, dat niemand den voetstap van vrouwe Setchem had gehoord. Zij
-naderde haren wraakgierigen zoon, en riep hem bij zijn naam, toen zij
-vol ontzetting de wilde trekken zag, die zijn gelaat verwrongen.
-
-Paäker kromp van schrik ineen, maar zeide met schijnbare kalmte: »Zijt
-gij het moeder? De morgen nadert, en op dit uur is het beter te slapen
-dan te waken."
-
-»Ik had geen rust in mijn vertrek," antwoordde Setchem. »De storm huilt
-ijselijk en ik ben zoo beangst, zoo vreeselijk gejaagd, evenals vóor den
-dood uws vaders."
-
-»Blijf dan bij mij," zeide Paäker vriendelijk, »en leg u op mijn bed ter
-ruste."
-
-»Ik kwam niet hierheen om te slapen," hernam Setchem.
-
-»Wat u aan de landingstrap overkwam is zoo verschrikkelijk en beklemt
-mijn hart! -- Neen, neen, mijn zoon, het is niet om den verslagen hond,
-niet omdat gij pijn lijdt; hoe innig leed mij dit ook doet, maar het is
-om den koning en zijne verbolgenheid, wanneer hij bericht zal ontvangen
-van uw gevecht. Hij is u minder genegen dan uw overleden vader, dat weet
-ik helaas! Uw wilde lach, uw geheele uiterlijk, toen ik binnenkwam, dat
-is mij door merg en been gegaan!"
-
-Beiden zwegen een tijdlang en luisterden naar den storm, die steeds
-razender woedde. Eindelijk zeide Setchem: »Daar is ook nog iets anders,
-dat mij geheel en al in verwarring brengt. Ik kan den feestredenaar
-van heden, den jongen Pentaoer, niet vergeten. Zijn voorkomen, zijn
-aangezicht, zijne bewegingen, ja zijne stem zijn geheel als die uws
-vaders in de dagen toen hij mijne hand vroeg. Het is als wilden de goden
-den besten man, dien zij van hier hebben weggenomen, andermaal voor
-hunne oogen zien wandelen."
-
-»Ja meesteres," riep de oude Ethiopische slaaf, »zulk eene gelijkenis
-heeft nog geen sterfelijk oog gezien. Ik zag hem vechten voor de hut
-van den Paraschiet, en ook daar was hij het sprekend evenbeeld van
-den gestorvene. Hij zwaaide met een paal, gelijk mijn heer met zijn
-strijdbijl in den slag."
-
-»Zwijg!" riep Paäker. »Maak dat je wegkomt, domkop! -- De priester,
-moeder, lijkt op mijn vader, dat geef ik toe, maar hij is een
-onbeschaamde kerel, die mij schandelijk heeft beleedigd, en met wien
-ik moet afrekenen, gelijk met zoo menig ander."
-
-»Wat zijt gij wild," viel Setchem hem in de rede, »en vol bitteren haat!
-Uw vader was zoo vriendelijk gezind en had de menschen lief."
-
-»Hebben zij mij lief?" vroeg de gids met een pijnlijken lach. »Zelfs de
-hemelsche goden zijn mij niet genegen en werpen doornen op mijn weg.
-Maar ik ruim ze op met eigene hand, en ik zal mij ook zonder de hulp
-van die daarboven wel verwerven wat ik begeer, en nederwerpen, wat zich
-tegen mij durft verzetten!"
-
-»Wij kunnen geen veertje omhoog blazen, zonder de hulp der hemelsche
-goden," zeide Setchem. »Zoo sprak uw vader, die naar lichaam en ziel een
-ander man was dan gij zijt! Ik gruw van u sedert dezen avond, en den
-vloek dien gij hebt uitgestooten tegen de kinderen van uw heer en
-koning, den vriend uws vaders!"
-
-»Maar mijn vijand!" schreeuwde Paäker. »Gij zult nog wel andere
-dingen van mij moeten hooren dan vloeken. En het Ramses-gebroed zal
-ondervinden, of de zoon van uw echtgenoot zich laat verachten en
-mishandelen zonder wraak. Ik zal ze in den afgrond stooten en
-schaterlachen, als zij onder mij in het zand liggen te rochelen."
-
-»Jongen!" riep Setchem buiten zichzelve. »Ik ben maar eene vrouw, en
-dikwijls hebt gij gescholden op mijne weekelijkheid en zwakheid. Maar
-zoo waarachtig als ik uw gestorven vader, wien gij juist zooveel gelijkt
-als een doornstruik een palmboom, trouw ben gebleven, zoo zeker ruk ik
-mij de liefde voor u uit het hart, als gij de.... de -- Ha, nu zie ik
-het! Nu weet ik het! Antwoord mij, moordenaar! Waar zijn de zeven pijlen
-met de zondige woorden, die hier vroeger hingen? Waar zijn die
-wapentuigen, waarop gij hebt gekrast: Dood aan Mena!"
-
-Zichzelve niet meer meester en met gejaagde ademhaling, had Setchem
-deze woorden uitgebracht. De gids ging voor haar achteruit als toen hij
-nog een knaap was, wanneer zij hem dreigde te tuchtigen wegens zijne
-ondeugendheid. Doch zij volgde hem, greep hem bij den gordel en
-herhaalde haar vraag met heesche stem.
-
-Onwillig trok Paäker zich terug, rukte haar hand van zijn gordel los en
-zeide trotsch: »Ik heb ze in mijn pijlkoker gestoken, en dat niet voor
-eene aardigheid. Nu weet gij 't!"
-
-Niet meer in staat een woord uit te brengen, hief de beleedigde moeder
-nog eens hare hand op tegen den ontaarden zoon; maar hij stiet haar arm
-terug, zeggende: »Ik ben geen kind meer, en meester van dit huis. Wat ik
-wil dat doe ik, al trachtten honderd vrouwen mij tegen te houden!"
-
-Bij deze woorden wees hij met de hand naar de deur. Setchem begon luide
-te snikken en keerde hem den rug toe. Bij de deur van zijne kamer
-gekomen, zag zij nog eenmaal naar hem om. Hij was gaan zitten en lag met
-zijn voorhoofd op de tafel, waarop het koele water stond. Setchem had
-een zwaren strijd te strijden. Eindelijk noemde zij nog eens onder
-tranen zijn naam, breidde hare armen uit en zeide: »Daar ben ik, daar
-ben ik weder! Kom hier aan mijn hart! Laat toch die afgrijselijke
-gedachte aan wraak varen!"
-
-Paäker bleef aan de tafel zitten, zag haar niet aan, zweeg en schudde
-ontkennend het hoofd.
-
-Setchem liet de handen weder zinken en sprak zacht: »Wat heeft uw vader
-u geleerd uit de schriften? Uw hoogste lof, zoo luidt het, moet daarin
-bestaan, dat gij uwe moeder vergeldt, wat zij voor u gedaan heeft, toen
-zij u opvoedde; opdat hare handen zich niet opheffen tot God, en hij
-hare klachten niet verhoore"[264]. Paäker begon bij deze woorden
-hoorbaar te snikken, maar hij zag niet op naar Zijne moeder. Zij riep
-hem met teederheid bij zijn naam, maar hij verroerde zich niet.
-
- [264] Uit den te Boelaq bewaarden papyrus IV. Zie boven
- blz. 287.
-
-Opeens vielen hare oogen op den pijlkoker, die met andere wapenen op
-eene rustbank lag. Haar hart kromp ineen, en met bevende hand riep zij:
-»Ik verbied u deze onzinnige wraak, hoort gij? Wilt gij er afstand van
-doen? -- Gij verroert u niet. -- Neen? -- Niet? -- Eeuwige goden, wat
-zal ik doen!"
-
-In vertwijfeling hief zij de handen omhoog. Doch opeens was haar besluit
-genomen. Zij liep naar den koker, greep er een pijl uit en beproefde
-dien te breken.
-
-Plotseling sprong Paäker van zijn zetel op en rukte haar het wapen uit
-de hand. De scherpe punt drong even in haar vleesch, zoodat enkele
-donkere bloeddruppels te voorschijn kwamen en op den steenen vloer van
-het vertrek neervielen.
-
-Zoodra de Mohar dit zag, wilde hij haar gewonde hand grijpen. Setchem,
-die doodsbleek was geworden, omdat zij, week van aard, geen bloed kon
-zien, noch van haar zelve noch van een ander, wees hem terug. Op een
-doffen toon, die vreemd was aan hare anders zoo vriendelijke stem, zeide
-zij: »Deze bloedende moederhand zal de uwe niet eer omvatten, voordat
-gij daarin met een duren eed hebt gezworen, alle gedachten aan wraak en
-moord te zullen afwijzen en den naam uws vaders niet te zullen onteeren!
-Ik heb het gezegd; de verheerlijkte geest uws vaders geve mij kracht dit
-vol te houden, en zij mijn getuige!"
-
-Paäker was op de knieën gezonken, en voerde een geweldigen strijd met
-zichzelven, terwijl zij naar de deur ging. Daar bleef zij nog eenige
-oogenblikken staan. Hare lippen zwegen, maar hare oogen riepen hem tot
-haar. --
-
-Te vergeefs. Eindelijk verliet zij het vertrek. De stormwind wierp de
-deur met kracht achter haar dicht.
-
-Paäker steunde, terwijl hij met de rechterhand zijne oogen bedekte!
-»Moeder! Moeder! Ik kan niet terug, ik kan niet!"
-
-Een vreeselijke windvlaag overstemde zijne klacht. Te gelijkertijd
-hoorde men twee heftige slagen, als waren er rotsblokken van den
-hemel gevallen. Hij schrikte op en liep naar het venster, waardoor de
-schemering grauwde van den somberen morgen, ten einde zijne slaven te
-roepen. Zij kwamen weldra aanloopen, en de hofmeester riep hem reeds van
-verre buiten adem toe: »De storm heeft de masten aan de hooge poort van
-het huis omvergeworpen!"
-
-»Onmogelijk!" riep Paäker.
-
-»Toch is het zoo," antwoordde de beambte. »Zij zijn gedeeltelijk boven
-den grond afgezaagd. Dat heeft de mattenvlechter zeker gedaan, wiens
-sleutelbeen gij half verbrijzeld hebt. Hij is in dezen schrikkelijken
-nacht weggeloopen!"
-
-»De honden los!" riep de Mohar woedend. »Alles wat beenen heeft jage den
-ellendeling achterna. De vrijheid en vijf handen vol goud voor den man
-die hem terug brengt!"
-
- * * * * *
-
-De gasten van het Seti-huis hadden zich reeds ter ruste begeven, toen
-men den opperpriester Ameni kwam berichten, dat de tooveres Hekt was
-gekomen. Hij begaf zich dadelijk naar de zaal, waar de stadhouder op de
-heks zat te wachten.
-
-Ani schrikte op uit diep gepeins, zoodra hij de voetstappen van den
-opperpriester hoorde, en vroeg gejaagd: »Is zij gekomen?" Toen Ameni
-een bevestigend antwoord had gegeven, vervolgde hij, terwijl hij de
-lange lokken van zijn pruik, die tamelijk in verwarring waren geraakt,
-zorgvuldig in orde bracht, en zijn breeden halsband recht schoof: »Die
-heks moet nog al veel macht hebben. Wilt gij niet uw zegen over mij
-uitspreken om mij voor betoovering te bewaren? Wel is waar draag ik
-dit Horus-oog en dit Isis-bloed[265] bij mij, maar men kan toch niet
-weten...."
-
- [265] De amulet Thet in de gedaante van een strik, die
- gewoonlijk uit bloedjaspis vervaardigd was, en waarop men
- meestal hoofdst. 75 of 76 van het Doodenboek vindt. Zij wordt
- "bloed van Isis," "tooversteen van Isis," "wijsheid (Choe) van
- Isis" genoemd.
-
-»Mijne tegenwoordigheid zou u kunnen beschermen," antwoordde Ameni.
-»Maar.... neen, neen, ik weet dat gij haar alleen wenscht te spreken!
-Men zal u daarom in een vertrek brengen, waar heilige spreuken u voor
-alle betoovering bewaren. Vaarwel, ik ga ter ruste. -- Heilige vader,
-laat de heks in een der gewijde vertrekken, en nadat gij den drempel
-hebt besprengd, zult gij den verheven heer Ani tot haar leiden."
-
-De opperpriester verwijderde zich en begaf zich naar een klein kamertje,
-dat grensde aan het vertrek, waarin het onderhoud met de tooveres zou
-plaats hebben. Daar kon men, met behulp van eene ter juister plaatse
-aangebrachte spreekbuis, zelfs het zachtste woord opvangen, dat in het
-aangrenzende vertrek gesproken werd.
-
-Toen Ani de tooveres in het oog kreeg, ging hij van schrik een paar
-passen achteruit. Haar uiterlijk was in dit uur wel geschikt om
-ontzetting te wekken. De storm had hare kleederen gescheurd en hare
-grijze, maar nog overvloedige haren, zoo verwaaid, dat zij voor een
-deel over haar gelaat neerhingen. In ver voorover gebogene houding,
-leunende op haar stokje, zag zij den stadhouder aan met een paar
-gloeiende oogen, die vuurrood waren van het woestijnzand, dat de wind
-haar in het aangezicht had gedreven. Zij zag er uit als eene op buit
-loerende hyena, en eene koude rilling voer Ani door de leden, toen zij
-hare heesche stem verhief om hem te begroeten en tegelijk te verwijten,
-dat hij zulk een buitengewoon tijdstip had gekozen om haar te spreken.
-Toen zij hem hierop dank had gezegd voor het vernieuwen van den
-vrijbrief, en bevestigd had dat Paäker een liefdedrank van haar had
-ontvangen, streek zij de haren wat uit haar gezicht. Het viel haar
-opeens in, dat zij eene vrouw was.
-
-De stadhouder zette zich op een leunstoel, terwijl zij bleef staan.
-Maar die nachtelijke tocht tegen den stormwind op, had hare oude leden
-vermoeid, en daarom bad zij Ani haar te willen vergunnen zich neer te
-zetten. Zij had hem eene geschiedenis te vertellen, die hem in staat zou
-stellen den Mohar als was te kneden.
-
-Ani wees naar een hoek van het vertrek. Zij begreep dezen wenk, en
-hurkte daar op de vloertegels neer.
-
-Nadat hij haar bevolen had met haar verhaal te beginnen, staarde zij
-langen tijd zwijgend op den grond. Eindelijk sprak zij, half voor zich:
-»Ik zal het vertellen, want ik wil rust hebben. Ik mag niet ongebalsemd
-blijven, als de dood komt. Men kan het niet weten, er is misschien in
-gene wereld nog wat te verkrijgen, en dat wil ik niet missen. Ik mocht
-hem eens wederzien aan de andere zijde des grafs, al ware het ook uit de
-ziedende ketels der verdoemden. -- Hoor mij dan! Maar beloof mij, eer ik
-spreek, dat gij, wat gij ook verneemt, mij in vrede zult laten wonen, en
-dat gij voor mijne balseming zorg zult dragen als ik sterf. Anders zwijg
-ik."
-
-Ani knikte toestemmend.
-
-»Neen, neen," zeide de oude, »zoo niet! Ik zal u den eed voorzeggen:
-'Als ik aan Hekt, wanneer zij den Mohar in mijne handen overlevert, mijn
-woord niet gestand doe, dan zullen de geesten, waarover zij te gebieden
-heeft, mij laten vallen vóor ik den troon bestijg!' -- Wees niet
-onwillig, heer, gij hebt niet anders te zeggen dan 'ja'. Wat gij in deze
-ure zult vernemen, is meer waard dan een armzalig woord!"
-
-»Nu dan, ja!" riep de stadhouder, die in de grootste spanning verkeerde
-omtrent de gewichtige ontdekkingen.
-
-De oude prevelde eenige onverstaanbare woorden. Daarop zette zij zich
-in postuur, rekte haar mageren hals zoo lang mogelijk uit, en vroeg,
-terwijl zij den man die tegenover haar zat met vonkelende oogen aanzag
-»Hebt gij ook, toen gij nog jong waart, van de zangeres Beki gehoord?
-He? -- Nu, zie mij slechts aan: zij zit voor u!"
-
-Bij deze woorden lachte zij met een heesch geluid en trok de flarden van
-haar kleed over haar dorren boezem samen, als schaamde zij zich over
-haar afzichtelijk uiterlijk.
-
-»Ja," ging zij voort, »met welgevallen beschouwt men de druiven en perst
-ze uit, en als men den most gedronken heeft, werpt men de schillen op
-den mesthoop. Zulk eene schil ben ik! Zie mij maar zoo medelijdend niet
-aan! Eens was ik toch ook eene druif, en hoe arm en veracht ik ook ben,
-niemand kan mij toch ontnemen wat ik ben geweest. Dit eene is mij boven
-duizenden ten deel gevallen, namelijk: een geheel leven vol van alle
-mogelijke vreugde en van elke smart, van liefde en haat, van zaligheid,
-vertwijfeling en wraak. -- Verlangt gij dat ik alles vertellen zal en
-mij op gindschen zetel neerzetten? Laat mij, ik ben gewoon zoo op den
-grond te hurken. Ik wist wel, dat ge mij tot het einde zoudt laten
-uitspreken. Ik behoorde eens tot uws gelijken! De uitersten houden
-het er licht voor, dat zij aan elkander verwant zijn. Dat heb ik
-ondervonden! De aanzienlijksten strekten naar de schoonsten de handen
-uit, en er is een tijd geweest, waarin ik lieden van uw stand aan mijn
-koord leidde.
-
-»Zal ik van den aanvang beginnen? Nu goed! Ik ben heden zoo wonderlijk
-te moede. Vijftig jaren geleden heb ik in deze zelfde stemming een lied
-gezongen, ja een lied! Ik, eene zwarte kraai, en zingen! -- Nu dan: Mijn
-vader was een aanzienlijk man, de gouverneur van Abydus. Toen de eerste
-Ramses zich van den troon meester maakte, bleef hij het huis uwer
-voorvaderen trouw. De nieuwe koning zond hem en zijne geheele geslacht
-naar de Ethiopische goudmijnen, waar ze zijn omgekomen, mijne ouders,
-broeders, zusters, allen. Ik alleen ontkwam als door een wonder. Daar ik
-er mooi uitzag en zingen kon, nam een muzikant mij onder zijn troep en
-ging met mij naar Thebe. Waar slechts een feest werd gevierd in het huis
-van een aanzienlijke, daar mocht Beki niet worden gemist. Ik oogstte in
-die dagen bloemen en goud en teedere blikken, zooveel ik maar wilde.
-Doch ik was trotsch en ongevoelig; het ongeluk mijner betrekkingen had
-mij verbitterd in de jaren, waarin anders ook een wrange drank als honig
-smaakt. Geen van de jonge zonen van vorsten en grooten, die mij voor
-zich begeerden, durfde ook slechts mijne hand aanraken! Maar ook mijne
-ure kwam! De jonge Assa, de vader van den ouderen Mohar, de grootvader
-van den dichter Pentaoer, ik wil zeggen van Paäker, den gids, zag er
-schooner en statiger uit dan alle anderen. Gij hebt hem toch nog gekend?
-Waar ik zong, daar zat hij tegenover mij en zag mij aan. En ik kon de
-blikken niet van hem afgewend houden. Het overige moogt gij er bij
-denken. Doch neen, dat kunt gij niet. Want zoo als ik blaakte voor Assa,
-heeft nooit, noch vóor noch na mij, eene vrouw liefgehad. --
-
-»Waarom lacht gij niet? Mij dunkt het is toch nog al grappig, zoo iets
-uit den tandeloozen mond van eene heks te hooren! Hij is sedert lang
-gestorven. Zeker haat ik hem, maar hoe waanzinnig het ook klinkt, toch
-geloof ik dat ik hem nog liefheb. En Assa heeft mij toen ook liefgehad,
-en was twee jaren lang de mijne. Daarna toog hij met Seti ten krijg
-en bleef zeer lang weg. Toen ik hem wederzag, had hij eene vrouw uit
-een aanzienlijk en rijk huis getrouwd. Ik was in die dagen nog mooi
-genoeg, maar bij de feesten zag hij mij niet meer aan. Ik trad hem wel
-twintigmaal in den weg, hij ontvlood mij echter altijd, als ware ik eene
-melaatsche. Ik begon van verdriet te verkwijnen; ten laatste wierp eene
-koorts mij op het ziekbed neder. De artsen zeiden, dat het met mij
-gedaan was. Toen zond ik hem een brief, waarin niets anders stond dan
-deze woorden: 'De stervende Beki wil Assa nog eenmaal zien,' en in den
-papyrus legde ik zijn eerste geschenk, een eenvoudigen ring. En wat was
-het antwoord?.... Een hand vol goud. -- Dat goud, ja dat goud, geloof
-mij, dat heeft, toen ik het zag, mijne oogen meer zeer gedaan, dan het
-gloeiend staal, hetwelk men misdadigers in de oogholte stoot, om ze
-blind te maken! Heden nog wanneer ik aan die ure denk, dan....
-
-»Maar wat weet gij mannen, gij voorname heeren, van hetgeen een hart kan
-lijden. Wanneer twee of drie van u bij elkander zitten, en gij vertelt
-deze geschiedenis, dan zal zelfs de waardigste met eene deftige stem
-zeggen: 'Voorwaar, die man heeft braaf gehandeld. Hij was getrouwd en
-zou door zijne vrouw met booze woorden zijn bejegend, wanneer hij tot de
-zangeres was gegaan'. -- Heb ik gelijk of ongelijk? Ja, ik weet het wel,
-geen hunner zal denken, dat andere schepsel had toch ook menschelijk
-gevoel, was toch ook eene vrouw; geen hunner zal zeggen, dat zijne
-handelwijze dáar, in zijn huis, eene booze ure heeft voorkomen, maar
-hier eene halve eeuw van vertwijfeling heeft doen aanbreken! Assa heeft
-zich gevrijwaard voor de booze woorden van zijne vrouw, maar daarvoor
-zijn duizende vloeken over hem en zijn huis uitgesproken. Hoe deugdzaam
-meende hij zich te gedragen, toen hij een hart dat hem zoo genegen was,
-dat niet anders had misdreven dan hem lief te hebben, zoo diep wondde,
-en voor altijd vergiftigde! Ja, en hij zou toch zeker gekomen zijn,
-wanneer hij niet nog iets voor mij gevoeld had, wanneer hij zichzelven
-niet had gewantrouwd, niet had gevreesd, dat de stervende, de oude,
-kunstmatig gedoofde vlam nog eens weder tot nieuwen gloed zou kunnen
-aanblazen. Ware hij gekomen, ik zou hem beklaagd hebben, maar dat hij
-mij goud zond, dat goud.... zie, dat heb ik hem nooit vergeven, dat boet
-hij thans aan zijn kleinkind."
-
-De oude vrouw had de laatste woorden gesproken, als droomde zij, zonder
-acht te geven op den man, die naar haar zat te luisteren. Ani gevoelde
-eene huivering, als ware hij tegenover eene waanzinnige gezeten, en
-onwillekeurig schoof hij zijn stoel achteruit.
-
-De heks merkte het op. Na een oogenblik rust ging zij voort: »Gij
-heeren, die op de hoogten wandelt, weet niet hoe het er in de afgronden
-en diepten uitziet, en gij wilt het ook niet weten. Laat mij kort zijn!
-Ik genas, maar vermagerd en zonder mijne welluidende stem, stond ik
-van het ziekbed op. Goud had ik genoeg, en daarvoor kocht ik bij alle
-lieden, die zich in Thebe met magische kunsten inlieten, eerst middelen
-om Assa opnieuw in liefde voor mij te doen ontvlammen; daarna liet ik
-bezweringen uitspreken en toovermiddelen gereed maken, om hem in het
-verderf te storten. Ik trachtte ook mijne stem terug te krijgen, maar
-de dranken die ik daarvoor gebruikte, maakten mijn geluid eer rauwer
-dan zachter. Een uitgeworpen priester, de beroemdste onder de magiërs,
-nam mij in zijn huis op, en van hem heb ik veel geleerd. Toen zijne
-voormalige standgenooten aan de overzijde hem vervolgden, trok hij zich
-hier in de Nekropolis terug en ik vergezelde hem. Toen zij hem gevangen
-namen en ophingen, bleef ik in zijn hol en werd zelve eene heks. De
-kinderen wijzen mij met den vinger na; eerlijke mannen en vrouwen gaan
-voor mij uit den weg. De menschen zijn mij een gruwel en ik veracht mij
-zelve. Van dit alles is maar éen de schuld, de eerwaardigste burger van
-Thebe, de vrome Assa!
-
-»Gedurende vele jaren had ik mij met tooverij bezig gehouden, en ik
-was ervaren geworden in allerlei kunsten. Toen bracht mij op zekeren
-dag de hovenier Sent, van wien ik sedert lang planten kocht voor
-mijne dranken -- hij had een stuk grond van het Seti-huis gepacht --
-een pasgeboren kind, dat met zes teenen ter wereld gekomen was. Hij
-verlangde, dat ik het overtollige lid door mijne kunst zou wegnemen. De
-vrome moeder van den kleine lag in de koorts, zij zou het anders nooit
-hebben toegestaan. Ik hield het schreeuwertje bij mij, want zoo iets
-laat zich wel genezen. Den volgenden morgen, kort vóor zonsopgang,
-hoorde ik beweging voor mijn hol. De dienstmaagd van eene aanzienlijke
-familie kwam mij roepen. Hare meesteres, zeide de maagd, had zich met
-haar naar het graf van haren vader begeven, en was daar van een zoon
-bevallen. Hare meesteres lag bewusteloos, ik moest dadelijk mede om hulp
-te verleenen. Ik nam terstond het zesteenig knaapje in mijn mantel,
-beval mijne slavin mij water na te dragen, en stond weldra -- waar? Dat
-kunt gij wel raden. Ik stond voor het graf van Assa's vader. De moeder,
-die daar stuiptrekkend nederlag, was zijne schoondochter, vrouwe
-Setchem. Het jongske, waaraan zij het levenslicht had geschonken, was
-volmaakt gezond, maar zij zelve verkeerde in zeer groot gevaar. Ik zond
-de dienstmaagd met den draagstoel, die buiten stond te wachten, naar het
-Seti-huis om hulp te ontbieden. Het meisje zeide mij, dat haar meester,
-de vader van het kind, de Mohar in het leger te velde was. Maar de
-grootvader van het knaapje, de eerwaardige Assa, had vrouwe Setchem
-beloofd haar in dit graf te ontmoeten, en zou dus weldra komen. Zij ging
-heen met den draagstoel. Ik wiesch het kind en kuste het, alsof het mijn
-eigen was. Daar hoorde ik in de verte voetstappen in het dal. De ure,
-waarin ik doodziek het goud van Assa ontving en waarin ik hem vloekte,
-stond mij weder levendig voor den geest. Opeens -- nog weet ik zelve
-niet hoe het zoo in mij opkwam -- gaf ik mijne slavin den pasgeboren
-kleinzoon van Assa in den arm, en beval haar het kind in mijn hol te
-brengen; het zesteenig knaapje legde ik, in mijne lompen gehuld, in mijn
-schoot. Terwijl ik daar zoo met dit kind zat te wachten tot Assa kwam,
-schenen de minuten mij uren toe. Toen hij eindelijk voor mij stond,
-wel-is-waar vergrijsd, maar nog altijd statig en ongebogen, legde
-ikzelve den tuinmansjongen den zesteenigen in zijn arm, en duizend
-demonen lachten daarbij vroolijk in mijn hart. Hij herkende mij niet,
-zeide mij dank en gaf mij wederom een hand vol goud. Ik nam het aan, en
-hoorde hoe de priesters, die inmiddels uit het Seti-huis gekomen waren,
-aan het kind, dat in zulk eene gelukkige ure geboren was, veel schoons
-voorspelden. Daarna ging ik naar mijn hol terug, en heb daar verder
-gelachen, tot de tranen mij langs de wangen liepen. Ik weet echter niet,
-of dit van het lachen kwam. Na verloop van eenige dagen gaf ik den
-hovenier het kleinkind van Assa, zeggende, dat de zesde teen geheel was
-weggenomen. Ik had den kleine een lichte insnijding aan het voetje
-gegeven, om den domkop nog eerder te doen gelooven. Zoo werd Assa's
-kleinzoon, de zoon van den Mohar, als het kind van den hovenier
-grootgebracht. Het ontving den naam van Pentaoer, werd in het Seti-huis
-opgevoed, en geleek volmaakt op Assa. Het zesteenig kind van den
-hovenier is niemand anders dan de gids Paäker. Ziedaar het geheim."
-
-Ani had de schrikkelijke mededeelingen van de tooveres aangehoord,
-zonder een woord te spreken. Men gevoelt zich onwillekeurig aan ieder
-verplicht, die ons iets weet te berichten, dat boeit en wel waard is
-medegedeeld te worden. Het kwam niet bij hem op de euveldaad van de oude
-te straffen, veeleer dacht hij aan de verrukking, waarmede zijne oudere
-vrienden van de liederen en de schoonheid van de zangeres Beki konden
-vertellen. Hij zag de heks aan, en wederom liep er eene koude rilling
-over zijne leden. Ten laatste zeide hij: »Gij zult in vrede wonen, en
-als gij sterft, zal ik voor uw balseming zorg dragen. Maar laat nu die
-tooverkunsten varen. Gij moet rijk zijn, en zijt gij het niet, zeg maar
-wat gij behoeft. Waarlijk, ik durf het nauwelijks wagen u goud aan te
-bieden, want dat wekt uw haat, zoo ik hoorde."
-
-»Het uwe kan ik gebruiken. Maar laat mij nu gaan!"
-
-Zij stond van den grond op en ging naar de deur. De stadhouder verzocht
-haar echter nog te blijven, en vroeg: »Is Assa de vader van uw zoon, den
-kleinen Nemoe, den dwerg van vrouwe Katoeti?"
-
-De heks barstte uit in lachen en zeide: »Lijkt dan die dreumes in iets
-den grooten Assa of de schoone Beki? Ik heb hem opgeraapt, zooals vele
-andere kinderen."
-
-»Maar hij is slim," zeide Ani.
-
-»Dat is hij! Hij steekt vol plannen, en is met hart en ziel aan zijne
-meesteres Katoeti gehecht. Hij zal u helpen uw doel te bereiken, want
-hij zelf heeft er ook een."
-
-»En dat is?"
-
-»Dat Katoeti groot moge worden door u en rijk door Paäker, die morgen
-optrekt, om de vrouw, die hij voor zich begeert, tot weduwe te maken."
-
-»Gij weet veel," zeide Ani nadenkend. »Eén ding zou ik nog willen
-vragen, ofschoon ik, na uw verhaal, mij zelven het antwoord wel geven
-kan. Maar misschien hebt gij thans geleerd, wat u in uw jeugd verborgen
-was. Zijn er werkelijk liefdedranken?"
-
-»Ik wil u niet bedriegen, omdat ik niet wenschen kan, dat ge aan mij uw
-woord zult breken," antwoordde Hekt. »Een liefdedrank werkt maar zelden,
-en dan altijd bij zulke vrouwen, die nog niet lief hebben. Geeft gij de
-artsenij aan eene vrouw, wier gemoed vervuld is met het beeld van een
-ander man, dan verhoogt gij slechts den hartstocht voor den eersten
-geliefde."
-
-»Dan nog iets anders," vroeg Ani. »Zijn er middelen om een vijand uit de
-verte in het verderf te storten?"
-
-»Ongetwijfeld!" zeide Hekt. »Geringe lieden kunnen gemakkelijker
-lasteren, en de groote zijn altijd bij machte anderen te laten
-uitvoeren, wat zij zelve niet kunnen doen. Mijn verhaal heeft uw gal
-maar weinig geprikkeld; toch komt het mij voor, dat gij den dichter
-Pentaoer niet genegen zijt. -- Gij glimlacht! Nu, goed. Ik heb hem niet
-uit het oog verloren, en weet dat hij zoo schoon en zoo trotsch is
-geworden als Assa. Hij gelijkt hem ook sprekend, en ik zou wel lust
-hebben hem te beminnen, zooals dit dwaze hart nog alleen lief hebben
-kan. Het is toch wonderlijk! Bij vele vrouwen die tot mij komen, merk
-ik op, dat zij gehecht zijn aan de kinderen der mannen, die hunne
-trouwbelofte hebben gebroken, en wij vrouwen gelijken allen in de meeste
-dingen op elkander. Doch ik wil Assa's kleinzoon niet liefhebben, ik mag
-niet. Ik wil hem benadeelen en ieder helpen die hem vervolgt, want Assa
-is wel dood, maar dat wat hij mij heeft aangedaan blijft in mij leven,
-zoolang ik leef. Er kome over Pentaoer wat wil! Staat gij hem naar het
-leven, treed dan met Nemoe in overleg, die hem ook niet genegen is, en u
-beter zal dienen dan mijne nietige bezweringen en het onzinnig brouwsel
-van mijne dranken. Laat mij nu naar huis gaan."
-
- * * * * *
-
-Weinige uren later noodigde Ameni den stadhouder aan het ontbijt.
-
-»Weet gij, wie die tooveres Hekt is?" vroeg Ani.
-
-»Hoe zou ik dat niet weten? Zij is de zangeres Beki, die vroeger in
-Thebe ieders hoofd op hol bracht. -- Mag ik weten wat zij u verteld
-heeft?"
-
-Ani begreep het geheim van Pentaoer's geboorte voor den opperpriester
-geheim te moeten houden, en gaf een ontwijkend antwoord. Toen vroeg
-Ameni hem vergunning om iets mede te deelen, waarbij de oude hare handen
-in het spel had gehad. Hij vertelde den stadhouder daarop, hoewel met
-eenige weglatingen en veranderingen, als iets wat hem sedert lang bekend
-was, de geschiedenis, die hij weinige uren geleden had afgeluisterd.
-
-De stadhouder toonde zich niet weinig verrast en was het met den
-opperpriester eens, toen deze hem verzocht Paäker nog niet op de hoogte
-te brengen van zijn ware afkomst.
-
-»Hij is een man van een zonderling karakter," zeide Ameni, »en het zou
-kunnen zijn, dat hij ons leelijk in de wielen reed, als hij, vóor hij
-het zijne heeft gedaan, te weten kwam, wie hij eigenlijk is."
-
- * * * * *
-
-De storm was gaan liggen, en de hemel, nog vroeg in den morgen
-bedekt met vaneengescheurde wolken, die met eene snelle vaart werden
-voortgedreven, werd steeds helderder. Op den heeten wind volgde eene
-scherpe koelte, doch weldra verhitte de gloeiende zon weder de lucht van
-Thebe. In de tuinen en op de straten lag menige ontwortelde boom. Vele
-luchtig opgeslagen hutten en de meeste tenten in het vreemden-kwartier
-waren omvergewaaid, terwijl honderde lichte daken van palmtakken door
-den wind waren medegesleurd. De stadhouder reed thans met Ameni, die
-zich met eigen oogen wilde overtuigen van de verwoestingen, die de storm
-in zijne tuinen had aangericht, naar Thebe. Op den Nijl ontmoetten zij
-Paäker's boot. Zij riepen dien aan, en Ani noodigde den gids hem spoedig
-in zijn paleis een bezoek te brengen.
-
-De tuinen van den opperpriester behoefden in grootte en schoonen
-aanleg niet onder te doen voor die van den Mohar. Het erf, dat sedert
-onheuglijke tijden aan zijn geslacht behoorde, was zeer uitgestrekt, en
-zijn prachtig huis geleek wel een paleis. Hij zette zich nu onder het
-schaduwrijk priëel om met zijne schoone vrouw en zijn jonge lieftallige
-dochtertjes aan het ontbijt deel te nemen. Op vriendelijken toon
-troostte hij zijne gemalin over menige kleine schade, die het onweder
-had aangericht, beloofde de meisjes in plaats van de omgewaaide
-duiventil eene veel fraaiere te laten maken, speelde en schertste met
-haar. De strenge bestuurder van het Seti-huis, het ernstige opperhoofd
-van de Nekropolis, was hier een gewoon mensch, een hartelijke
-echtgenoot, een teedere vader, een zorgzaam vriend voor zijne
-lievelingen: de bloemen en bontgevederde vogels.
-
-Het jongste dochtertje hing aan zijn rechterarm en het oudste aan zijn
-linker, toen hij van de tafel opstond om met haar een bezoek te brengen
-aan den hoenderhof. Doch op weg daarheen, kwam een dienaar vrouwe
-Setchem, de moeder van Paäker, bij hem aanmelden.
-
-»Breng haar bij mijne vrouw," beval hij.
-
-Toen echter de slaaf, die een rijk geschenk in geld in de hand hield,
-verzekerde, dat de weduwe van den Mohar hem alleen wenschte te spreken,
-zeide hij onwillig: »Kan ik dan nooit als andere menschen rust genieten?
-De meesteres moet haar ontvangen, zij kan bij haar op mij wachten. Niet
-waar, meisjes, thans behoor ik aan u, en aan de hoenders, de eenden en
-de duiven!"
-
-Zijne jongste dochter kuste en de oudste liefkoosde hem hartelijk, en
-vroolijk voerden zij hem met zich mede.
-
-Een uur later noodigde hij vrouwe Setchem uit hem in den tuin te
-volgen. De diep bedroefde en beangstigde moeder had noode tot dezen
-gang besloten. Haar goedige oogen zwommen in tranen, toen zij den
-opperpriester mededeelde wat haar drukte. »Gij zijt de raadsman van
-zijn geweten," zeide zij, »en gij weet ook, hoe mijn zoon de goden van
-het Seti-huis eert door geschenken en offers. Naar zijne moeder wil
-hij niet meer luisteren, maar gij bezit nog macht over zijn gemoed.
-Schrikkelijke dingen voert hij in 't schild, en wanneer gij hem geen
-vrees aanjaagt met de straf der hemelsche goden, dan heft hij zijne hand
-op tegen Mena, en mogelijk, mogelijk ook...."
-
-»Tegen den koning," zeide Ameni ernstig. »Ik weet het, en zal met hem
-spreken."
-
-»Neem mijn dank aan," riep de weduwe, diep geroerd, en greep naar het
-gewaad van den priester om het te kussen. »Gij waart het toch zelf, die
-na zijne geboorte mijn echtgenoot hebt aangekondigd, dat hij onder een
-gelukkig teeken geboren was, en dat hij tot eer van zijn huis en tot
-sieraad van zijn geslacht zou opwassen. En nu wil hij zich rampzalig
-maken voor dit leven en het toekomende!"
-
-»Wat ik uw zoon heb aangekondigd," viel Ameni haar in de rede, »dat
-zal geschieden, al voeren de goden en menschen hem ook langs allerlei
-kronkelpaden."
-
-»Hoe doen die woorden mij goed!" riep Setchem. »O, als gij wist welk
-een vreeselijke angst dit hart beklemde, toen ik besloot tot u te gaan!
-Maar gij weet ook nog niet alles. De trotsche masten van cederhout, die
-Paäker uit Syrië van den verren Libanon naar Egypte zond, om de vanen
-te dragen en de hooge poort van ons huis te sieren, heeft de geweldige
-storm tegen zonsopgang ter aarde gesmeten."
-
-»Zoo zal de trots van uw zoon gebroken worden," zeide Ameni. »Maar
-voor u zal, wanneer gij slechts geduldig wacht, een nieuw tijdperk van
-vreugde geboren worden."
-
-»Nogmaals zeg ik uw dank," hernam Setchem. »Maar ik heb nog iets op 't
-hart. Ik weet wel hoe gierig gij zijt op de uren, die gij schenkt aan
-uw gezin. Ik herinner mij zeer goed, hoe gij eens aan mijn echtgenoot
-zeidet, dat gij u hier in Thebe gevoeldet als een vrachtpaard, dat men
-het zware tuig heeft afgenomen, en zich mag vermeien in de groene weide.
-Ik wil u ook niet langer meer ophouden, maar de goden zonden mij ook
-zulk een vreemd droomgezicht. -- Paäker had naar mijn moederlijken raad
-niet geluisterd. Vol kommer ging ik naar mijne vertrekken terug. De zon
-stond reeds aan den hemel, toen eene sluimering van eenige oogenblikken
-mijne oogleden sloot. Toen zag ik den feestredenaar Pentaoer, die zoo
-zonderling gelijkt op mijn gestorven echtgenoot in gedaante en stem.
-Paäker trad hem tegen, hij schold hem vreeselijk en ging hem met vuisten
-te lijf. De priester hief zijne armen op, als om te bidden, juist zooals
-ik het gisteren op het feestterrein heb gezien. Doch het was niet om de
-goden te prijzen, maar om mijn zoon te omvatten en met hem te worstelen.
-De worsteling duurde maar kort, want Paäker kromp ineen, en verloor
-zijne menschelijke gedaante. Het was niet mijn kind, dat aan de voeten
-des dichters neerviel, maar een groot vochtig stuk klei, gelijk de
-pottebakkers gebruiken, om er vazen uit te vormen."
-
-»Een vreemde droom!" sprak Ameni, niet zonder ontroering. »Een vreemde
-droom! Maar hij verkondigt u goede dingen. De klei, vrouwe Setchem,
-laat zich kneden. Let daarom wel op hetgeen de goden u aankondigen. De
-hemelsche goden willen een nieuwen, een beteren zoon, uit den ouden voor
-u doen geboren worden. Langs welke wegen dit geschieden zal, is mij nog
-verborgen. Ga nu heen en offer, en vertrouw op de wijze raadsbesluiten
-van hen, die het leven der wereld en der stervelingen besturen. Nog
-een anderen raad moet ik u geven. Als Paäker soms berouwvol tot u
-komt, ontvang hem dan liefderijk en deel het mij mede. Maar blijft hij
-halsstarrig weigeren zijn wil te buigen, sluit dan uwe vertrekken voor
-hem, en laat hem zonder afscheid heengaan."
-
-Toen Setchem zich met een verlicht hart verwijderd had, prevelde Ameni:
-»Zij zal eene schoone vergoeding ontvangen, voor dien ruwen kerel; zij
-moet ons echter het wapen, waarmede wij onzen slag willen slaan, niet
-week maken. Dikwijls heb ik er aan getwijfeld, of droomen wel in staat
-waren ons de toekomst te voorspellen, maar heden gevoel ik mijn geloof
-versterkt. Inderdaad, een moederhart ziet meer dan dat van andere
-menschen."
-
-Toen Setchem terugkeerde, ontmoette zij bij de poorten van het paleis
-den wagen van haar zoon. Beiden merkten elkander op, maar keerden het
-hoofd om; zij konden elkander niet hartelijk en wilden elkander niet
-vormelijk groeten. Eerst toen de paarden de draagstoeldragers voorbij
-waren gerend, zag de moeder op naar den zoon, en de zoon om naar zijne
-moeder. Hunne blikken ontmoetten elkander en beiden gevoelden als een
-dolksteek in het hart. Aan den avond van denzelfden dag vertrok de gids
-naar Syrië, nadat hij met den stadhouder gesproken, in het Seti-huis
-Ameni's zegen over al zijne ondernemingen ontvangen, en in het graf
-zijns vaders geofferd had. Juist toen hij den wagen wilde bestijgen,
-werd hem bericht dat de mattenvlechter, die de mastboomen vóor zijne
-poort had doorgezaagd, gevangen was.
-
-»Laat hem de oogen uitsteken!" Dit waren de laatste woorden, die hij op
-zijn erfgoed sprak.
-
-Setchem zag hem lang achterna. Zij had hem een afscheidsgroet geweigerd
-en bad nu de goden zijn hart te veranderen, en hem te behoeden voor
-gevaren en booze daden.
-
-
-
-
-DERDE BOEK.
-
-
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-
-Drie dagen waren sedert het vertrek van den Mohar verloopen. Hoewel het
-nog vroeg was, bleek men toch in de werkzalen van Bent-Anat reeds druk
-in de weer te zijn. De beide vriendinnen hadden den stormachtigen nacht,
-die volgde op den feestavond, slapeloos doorgebracht. Wat toch hadden
-zij niet doorleefd! Nefert gevoelde zich den volgenden morgen afgemat en
-slaperig. Zij had de prinses verzocht, haar dien dag nog niet in haren
-nieuwen werkkring in te leiden. De dochter van Ramses had haar echter
-opwekkend toegesproken, zeggende dat men het goede nooit van heden
-tot morgen moest uitstellen, en Nefert bewogen haar te volgen naar de
-plaatsen, waar de verschillende werkzaamheden werden verricht.
-
-»Wij moeten beiden tot andere gedachten komen," zeide zij. »Nu en dan
-overvalt mij onwillekeurig eene rilling, en is het mij als droeg ik
-een brandmerk, als ware ik onteerd door eene vuile vlek hier aan den
-schouder, waar de ruwe hand van Paäker mij heeft aangeraakt."
-
-Den eersten werkdag had Nefert nog veel met zichzelve te strijden, doch
-den tweeden vond zij reeds eenige aantrekkelijkheid in dezen arbeid, en
-den derden dag mocht zij zich verheugen over de kleine vruchten van hare
-inspanning. Bent-Anat had haar dan ook recht op haar plaats gezet, toen
-zij haar het toezicht opdroeg over een groot aantal kleine meisjes en
-vrouwen, de dochters, de echtgenooten en de weduwen van mannen uit
-Thebe, die nog in het leger streden of reeds gevallen waren. Deze
-hielden zich bezig met het uitzoeken en schikken van genezende kruiden.
-Hare helpsters zaten in kleine kringen op den grond neergehurkt. In het
-midden van elke groep lag eene groote hoop versch geplukte en gedroogde
-planten, en vóor elke arbeidster zag men een groot aantal pakjes met
-de uitgezochte wortels, bladeren en bloemen. Een oude heelkundige was
-belast met de geheele leiding van dezen arbeid, en had Nefert den
-eersten dag bekend gemaakt met de verschillende planten, die men noodig
-had.
-
-De vrouw van Mena, die zooveel van bloemen hield, had alles spoedig
-begrepen. Zij leerde gaarne, want zij had de kinderen lief. Weldra had
-zij zich onder die kleinen enkele lievelingen uitgezocht. Het duurde
-niet lang, of zij wist de ijverige en zorgvuldige arbeidsters te
-onderkennen van de trage, of die haar taak vluchtig volbrachten.
-
-»Ei, ei," zeide zij, terwijl zij zich voorover boog tot een klein
-halfnaakt meisje, met groote ovale oogen. »Gij werpt alles maar door
-elkaar! Je vader is immers in het leger, zooals ge mij gezegd hebt? Denk
-eens, zou het niet erg treurig zijn, wanneer men, zoo een pijl hem trof,
-dit kruid op zijne brandende wond legde, dat hem kwaad zou doen, in
-plaats van dat andere, dat hem genezen kan?"
-
-Het meisje knikte met het hoofdje, en keek wat ze uitgezocht had nog
-eens na.
-
-Nefert ging nu weder naar eene andere kleine, die zat te luieren. »Daar
-zit je nu weer te babbelen en niets te doen," zeide zij, »en toch staat
-je vader in 't veld! Als hij nu eens ziek is en geene geneesmiddelen
-heeft, en wanneer hij dan in den nacht, van zijn dochtertje droomende,
-je zóo ziet zitten, dan zegt hij zeker tot zichzelven: Nu zou ik gezond
-kunnen zijn, maar mijn kind heeft mij niet meer lief, want zij legt
-liever de handen in den schoot, dan dat zij voor haar zieken vader
-geneesmiddelen klaar maakt."
-
-Daarna richtte Nefert zich tot een grooteren kring van meisjes, die
-kruiden zaten uit te zoeken, en sprak: »Weet gij wel, kinderen, waar al
-deze vriendelijke en gezegende kruiden vandaan komen? De goede Horus was
-ten krijg getogen tegen Seth, den moordenaar van zijn vader, en in het
-gevecht sloeg de woedende vijand, Horus een oog uit[266]. Maar de zoon
-van Osiris overwon, want het goede is altijd machtiger dan het kwade.
-Toen Isis echter het arme gewonde oog zag, toen drukte zij het hoofd van
-haar zoon aan hare borst[267]. Het was haar zoo wee om 't hart als eene
-ongelukkige menschelijke moeder, die haar lijdend kind in de armen
-houdt, en zij dacht: 'Hoe gemakkelijk is het toch wonden te slaan, en
-hoe moeilijk valt het ze te heelen!' Bij deze woorden weende zij. De
-eene traan voor, de andere na viel op de aarde, en overal waar deze in
-den bodem drongen, daar wies zulk een gezegend kruidje op"[268].
-
- [266] Naar de teksten van het Doodenboek.
-
- [267] Volgens de teksten van het Doodenboek en de inleiding van
- den papyrus-Ebers, geneest Isis het oog van Horus.
-
- [268] De Egyptenaren schreven aan het bloed en de tranen der
- goden scheppende krachten toe. Hierover kan men het best
- raadplegen Lefébure. =Le mythe osirien=. =Première partie: Les
- yeux d'Horus=. In de door Naville uitgegeven "Lofverheffingen
- van Ra" wordt deze godheid in de 21ste aanroeping "Remi", d. i.
- "de weenende" genoemd, en in de teksten, die gevonden worden bij
- de voorstelling van de vier menschenrassen, in het graf van Seti
- I in Biban el Moeloek, komt eene plaats voor, waaruit blijkt,
- dat ook wel menschen uit goddelijke tranen geboren zijn. Want
- daar spreekt de godheid op de volgende wijze de volken toe: "Gij
- zijt een traan uit mijn oog, gij die menschen heet."
-
-»Isis is zeer goed," riep nu een meisje, dat tegenover haar zat. »Moeder
-zegt altijd, dat Isis de kinderen ook liefheeft, wanneer zij goed
-oppassen."
-
-»Uwe moeder heeft gelijk," antwoordde Nefert. »Isis heeft ook zelve haar
-lieve Horus-kindje. En ieder mensch die sterft, wordt, als hij braaf
-heeft geleefd, weder een kind, en de godin neemt hem tot zich, alsof hij
-haar eigen kind was, en legt hem aan hare borst en verpleegt hem met
-hare zuster Nephtys[269], tot hij groot zal zijn en voor zijn vader
-strijden kan."
-
- [269] Gelijk Isis als moeder, zoo wordt Nephtys als zoogmoeder
- en opvoedster van Horus voorgesteld. Op het eiland Philak zien
- wij een der Ptolemaeën als een jeugdige god afgebeeld, die van
- Nephtys onderwijs ontvangt in het harpspel. Osiris heeft beide
- godinnen lief, en beiden worden afgebeeld, weeklagende aan het
- hoofd- en aan het voeteinde van zijne lijkbaar. Haar klaaglied
- is bewaard gebleven in een papyrus van het Berlijnsch museum,
- die door De Horrack werd uitgegeven.
-
-Nefert had opgemerkt, dat onder deze woorden eene vrouw was begonnen
-te weenen. Zij ging tot haar om te vragen wat haar deerde, en kwam te
-weten dat haar man en haar zoon, de eerste in Syrië, de laatste op zijn
-terugreis naar Egypte, gestorven waren.
-
-»Arme vrouw en moeder!" zeide Nefert. »Nu moogt gij wel dubbel uw best
-doen, opdat de wonden der anderen geheeld worden! Ik wil u nog iets
-anders van Isis vertellen. Zij had haar gemaal Osiris zeer liefgehad,
-zooals gij uw gestorven echtgenoot, en ik mijn Mena. Maar hij was
-gevallen als een offer van de listen van Seth. Zij kon niet eens het
-lijk vinden van den man, die haar op zoo wreede wijze was ontroofd, en
-gij kunt uw echtgenoot ten minste nog bij zijn graf bezoeken. Toen trok
-Isis klagende het land door, en ach, wat was er van Egypte geworden, het
-schoone land, dat al zijne vruchtbaarheid aan Osiris te danken heeft! De
-heilige Nijl lag droog, en geen grashalm groende er aan zijne oevers. De
-goede godin gevoelde hierover eene onuitsprekelijke smart. Zij weende
-een traan in het bed van den vloed en terstond begonnen de wateren weer
-te zwellen. Want gij weet toch wel dat elke overstrooming ontstaat door
-een traan van Isis[270]. Zoo werd de smart eener weduwe tot zegen voor
-vele millioenen geslachten."
-
- [270] Onder de Arabieren is nog het oude geloof bewaard
- gebleven, dat de Nijl wast door een goddelijken traan, die in
- den stroom valt. Nog heden wordt den nacht van den 11den Baoeneh
- "de nacht van den druppel" genoemd, omdat in dien nacht de Nijl
- zijn laagste standpunt bereikt en langzaam begint te stijgen.
-
-De vrouw had opmerkzaam naar haar geluisterd, en zeide, toen Nefert
-zweeg: »Maar ik heb nu ook de drie bloedjes van kinderen, die mijn zoon
-naliet, te onderhouden. Want zijne vrouw, eene waschvrouw, is helaas bij
-het verrichten van haar werk door een krokodil overvallen. Lieden van
-onze soort moeten in de eerste plaats voor zichzelven en niet voor
-anderen zorgen. Als de prinses ons niet betaalde, hoe kon ik dan aan de
-wonden der krijgslieden denken, die mij niets aangaan? Ik ben ook niet
-sterk meer en heb vier monden te voeden."
-
-Nefert gevoelde eene huivering, gelijk meermalen bij deze hare nieuwe
-werkzaamheid, en verzocht Bent-Anat het loon van deze vrouw te
-verhoogen.
-
-»Gaarne," zeide de prinses, »Wat zou ik eene helpster als gij zijt
-kunnen weigeren! Kom thans eens mede in mijne keuken. Ik laat vruchten
-inpakken voor mijn vader en broeders. Daar mag nu toch ook wel een
-kistje voor Mena bij."
-
-Nefert volgde hare vorstelijke vriendin, en zag hoe men juist in eene
-kist goudgele dadels van de oase van Amon[271] en in eene andere donkere
-van Nubië, de lievelingssoorten van den koning, had gelegd.
-
- [271] De tegenwoordige oase Siwah, waar de dadelboomen nog
- altijd vruchten dragen, die wijd en zijd beroemd zijn.
-
-»Laat mij dat pakken!" riep Nefert, beval de dienstmaagd, die er mede
-bezig was, de kistjes weder te ledigen, en legde nu de dadels van
-verschillende kleuren, benevens eenige andere in suiker gekookte
-vruchten, in sierlijke figuren bijeen.
-
-Bent-Anat zag dit met welgevallen, reikte haar toen zij gereed was de
-hand en zeide: »Wat uwe vingers maar aanroeren, dat krijgt dadelijk een
-vriendelijk aanzien. Geef me dat stuk papyrus! Ik zal het in dit kistje
-leggen en er op schrijven: Dit heeft de vlijtige medehelpster van zijne
-dochter Bent-Anat, de vrouw van Mena, voor koning Ramses ingepakt."
-
-Na de rust van den middag werd de prinses weggeroepen, en Nefert bleef
-nog eenige uren met hare arbeidsters alleen. Toen de zon onderging en
-de vlijtige schare wilde opbreken, hield Nefert de vrouwen en meisjes
-nog terug en zeide: »De zonneschuit verdwijnt ginds achter de westelijke
-bergen. Komt, laat ons te zamen bidden voor den koning en onze geliefden
-in 't veld. Ieder denke aan de zijnen, gij kinderen aan uwe vaders,
-gij vrouwen aan uwe zonen, en wij echtgenooten aan onze mannen, die
-verre van ons zijn. Wij bidden Amon, dat zij zoo zeker tot ons mogen
-wederkomen, als de zon, die thans van ons scheidt, maar morgen vroeg
-zich opnieuw zal vertoonen."
-
-Nefert knielde neder, en met haar de kinderen en vrouwen.
-
-Toen zij weder opstonden, liep een klein meisje naar de vrouw van Mena
-en zeide schuchter, terwijl zij haar kleedje frommelde: »Gij hebt ons
-ook gisteren hier laten knielen, en stellig zal het ook heden met mijne
-moeder wat beter gaan, nu ik voor haar gebeden heb."
-
-»O zeker," zeide Nefert, en zij streelde de zwarte haren van het kind.
-
-Zij vond Bent-Anat op het balkon, peinzend starende over den stroom naar
-de doodenstad, die al meer en meer in duisternis werd gehuld. Toen zij
-de zachte schreden harer vriendin achter zich hoorde, schrikte zij een
-oogenblik.
-
-»Ik stoor u zeker," zeide Nefert, en trad terug.
-
-»Neen blijf," smeekte Bent-Anat. »Ik dank de goden dat ik u heb, want
-het is mij zoo wee, zoo akelig wee om 't hart."
-
-»Ik weet waaraan gij dacht," sprak Nefert zacht.
-
-»Welnu?" vroeg de prinses.
-
-»Aan Pentaoer."
-
-»Ik denk aan hem en altijd aan hem," antwoordde de prinses, »en toch is
-er nog iets anders wat mijn gemoed beweegt. Ik ben mij zelve niet meer.
-Wat ik denk moest ik niet denken, wat ik gevoel niet gevoelen, en toch
-kan ik het niet van mij zetten. Ik geloof dat mijn hart zou doodbloeden,
-wanneer ik het er met geweld uit wilde verwijderen. Vreemd, ja
-onbetamelijk heb ik gehandeld, en nu hangt mij iets boven het hoofd,
-dat mijne schouders bijna niet kunnen dragen, iets buitengewoons, dat u
-misschien weder van mijne zijde wegneemt en naar uwe moeder terugvoert."
-
-»Alles wil ik met u deelen," riep Nefert. »Maar wat verlangt men dan van
-u? Zijt gij dan de dochter van Ramses niet meer?"
-
-»Als eene burgervrouw heb ik mij aan het volk vertoond," antwoordde
-Bent-Anat, »en nu heb ik de gevolgen van deze daad te dragen.
-Bek-en-Choensoe, de opperpriester van Amon, was zooeven bij mij, en ik
-heb mij lang met hem onderhouden. De eerwaardige man is mij welgezind,
-dat weet ik, en mijn vader heeft mij geboden zijn raad boven dien van
-alle anderen te volgen. Hij bracht mij onder het oog, dat ik zwaar
-misdreven had. Terwijl ik nog in den staat der onreinheid verkeerde, heb
-ik een tempel in de Nekropolis betreden, en nadat ik mij reeds eens had
-gewaagd op het erf van een Paraschiet, en mij daarover de berisping van
-Ameni op den hals gehaald, deed ik het toch andermaal. Zij weten aan
-de overzijde alles, wat ons daar bejegend is! Nu moet ik mij laten
-reinigen, óf door Ameni zelven in het Seti-huis, in tegenwoordigheid van
-alle priesters en rijksgrooten, met buitengewone plechtigheid, óf door
-eene bedevaart te ondernemen tot de Smaragden-Hathor[272], onder welker
-bescherming men de edelgesteenten uit de rotsen houwt, en het erts
-vindt, dat door smelting wordt gelouterd. De godin, die het echte van
-het onechte scheidt, zal, zoo zeggen zij, de onreinheid van mij nemen,
-gelijk zij het edel metaal van de slakken zuivert. Eene dagreize of iets
-verder van de steengroeven vloeit van den heiligen berg des Heeren, den
-Sinaï[273], zooals de Mentoe[274] hem noemen, eene diepe beek[275],
-en daarbij verheft zich het heiligdom der godin, waarin de priesters
-reiniging verleenen. De tocht is lang; de weg leidt door de woestijn en
-over de zee; maar Bek-en-Choensoe raadt mij, dat ik het wagen zal.
-Ameni, zegt hij, is mij niet gunstig gezind, omdat ik de inzettingen
-overtreed, die hij boven alles in eere gehouden wil hebben. Hij meent,
-dat ik het mij moet laten welgevallen, zoo deze met dubbele gestrengheid
-handelt, want het volk ziet allereerst naar hen op die het hoogste
-staan, en wanneer ik de inzettingen ongestraft minacht, zoo zal ik onder
-de menigte navolgers vinden. Hij handelt in naam der goden, die de
-harten der menschen meten met gelijke maat. De el behoort aan de godin
-der waarheid[276]. Ik gevoel wel dat dit alles niet onjuist is, en toch
-kan ik mij moeilijk schikken naar de uitspraak van den opperpriester,
-omdat ik de dochter van Ramses ben!"
-
- [272] De Hathor van het maskat was de godin, die voornamelijk
- op het Sinaïtisch schiereiland werd vereerd. Na de grondige
- verhandeling van Lepsius, over de metalen bij de oude
- Egyptenaars, staat het vast, dat maskat noch koper beteekent,
- noch de turkoois, maar een groenen steen. Wordt het maskat echt
- geheeten, dan bedoelt men smaragd; soms ook wel malachiet,
- berggroen en groene vloeispaath, die veelvuldig in de graven
- worden gevonden. Sieraden van malachiet komen zelden voor. Wij
- vestigen hier de aandacht op een allerliefst beeldje van den god
- Ptah (zie Dl. I. bl. 82, v.) uit dezen steen vervaardigd, dat
- bewaard wordt in het Japansch paleis te Dresden.
-
- [273] Niet de berg Sinaï, waar de monniken wonen, maar het
- reusachtig gebergte, dat thans Serbal heet, houden wij voor
- den Sinaï van den Bijbel. Wij hebben deze opvatting uitvoerig
- verdedigd in ons werk: =Durch Gosen zum Sinaï, aus dem
- Wanderbuche und der Bibliothek=.
-
- [274] De bergvolken van het Sinaïtisch schiereiland.
-
- [275] In de tegenwoordige oase Feirân.
-
- [276] De naam van de godin der waarheid (Ma) wordt ook
- geschreven met de hiëroglyphe, die eene el voorstelt. Van de
- oude heilige ellematen zijn er verschillende bewaard gebleven.
- Men kan alles hierover vinden in Lepsius' verhandeling: "Die
- altägyptische Elle und ihre Eintheilung" in de =Abhandl. der k.
- Akademie der Wissenschaften=, Berlin, 1865, s. 33.
-
-»Dat zijt gij," sprak Nefert, »en uw vader is een god!"
-
-»Maar," ging de prinses voort, »hij heeft mij ook altijd geleerd de
-inzettingen te eeren. Ook heb ik met Bek-en-Choensoe nog wat anders
-besproken. Gij weet dat ik de hand van den stadhouder afwees. Hij zal in
-stilte boos op mij zijn. Dat nu zou mij geen schrik aanjagen, maar
-hij is door mijn vader als voogd over mij aangesteld; hij is mijn
-beschermer. Kan ik hem dan nog vertrouwelijk raad en hulp vragen? Neen!
-Ik ben toch maar eene vrouw en bovendien de dochter van Ramses. Eer trek
-ik door duizend woestijnen, eer dat ik mijn vader en zijn kind laat
-vernederen. Tot morgen zal ik mij beraden, doch ik ben reeds nu besloten
-de reis te aanvaarden, wat het mij ook zal kosten zooveel hier te
-verlaten. -- Vrees niets, lieve, gij zijt te teeder voor zulk een verren
-tocht; ik zou...."
-
-»Neen, neen," riep Nefert, »ik trek met u, al ging de reis ook tot aan
-de vier zuilen des hemels aan de uiteinden der aarde[277]. Gij hebt een
-nieuw leven in mij gewekt, en wat thans in mijn binnenste zoo frisch
-ontkiemt, zou weder verdorren, als ik tot mijne moeder terugkeerde. Of
-zij, óf ik moet meesteres zijn in onze woning. Alleen met Mena wil ik
-haar weder betreden!"
-
- [277] De zuilen des hemels (sechent pet) komen in verschillende
- teksten voor. Op de schoone overwinnings-stêle van Thotmes III
- te Boelaq leest men: "Ik (Amon) verbreid ... de vrees voor u
- tot de vier zuilen des hemels." Men stelde zich voor, dat deze
- zuilen aan de uiterste einden van het zuiden, noorden, westen
- en oosten werden gevonden. Daarom worden ook in vele teksten,
- in plaats van de vier windstreken, de vier zuilen des hemels
- genoemd.
-
-»Zoo is dan besloten, ik vertrek!" zeide de prinses. »O ware mijn vader
-maar niet zoo ver; kon ik hem maar raad vragen en zijne stem hooren!"
-
-»Ja, die krijg, die eeuwigdurende krijg!" zuchtte Nefert. »Waarom
-stellen de mannen zich toch nooit tevreden met hetgeen zij hebben, en
-verkiezen zij een ijdelen roem boven den stillen vrede, die het leven
-siert!"
-
-»Zouden zij dan mannen zijn? Zouden wij hen kunnen liefhebben, indien
-zij anders waren?" vroeg Bent-Anat levendig. »Scheppen de goden ook in
-den strijd geen behagen? Hebt gij ooit een verhevener beeld gezien,
-dan dat van Pentaoer, toen hij dien onbehouwen paal hoog door de lucht
-slingerde, en zijn leven waagde om de bedreigde onschuld te beschermen?"
-
-»Ik waagde maar even een blik in den hof te slaan," antwoordde Nefert,
-»want ik maakte mij zoo angstig. Maar zijn luid geroep klinkt mij nog in
-de ooren."
-
-»Zoo klinkt ook het krijgsgeschreeuw der helden in den slag, die de
-vijanden doet beven!" zeide Bent-Anat.
-
-»Ja zeker, zoo klinkt het!" riep prins Rameri, die zonder door de
-vrouwen opgemerkt te zijn, het halfdonkere vertrek van zijne zuster was
-binnengetreden.
-
-De prinses keerde zich naar haar broeder om, zeggende: »Wat doet ge mij
-daar schrikken!"
-
-»U?" vroeg de prins verwonderd.
-
-»Ja mij. Vroeger was ik kloek van hart, maar sedert dien avond beef ik
-telkens, en overvalt mij gedurig een pijnlijke angst, ik weet zelve niet
-waarvoor. Ik geloof dat een demon mij beheerscht."
-
-»Gij heerscht, waar gij u vertoont, en gij wordt door niets beheerscht,"
-zeide Rameri. »De ontsteltenis, en het verdriet dat gij in het dal hebt
-geleden, en daarna aan de landingstrap, dat alles zit u nog in de leden.
-Ook ik begin te knarsetanden, als ik eraan denk, hoe zij mij uit de
-school hebben gebannen, en hoe die Paäker zijn hond tegen mij aanhitste.
-Ik heb heden vrij wat ondervonden."
-
-»Waar zijt gij toch zoolang geweest?" vroeg Bent-Anat. »Neef Ani had
-toch bevolen, dat gij het paleis niet mocht verlaten."
-
-»Ik zal in de volgende maand mijn achttiende jaar intreden," antwoordde
-de prins, »en heb geen voogd meer noodig!"
-
-»Maar onze vader...." wilde Bent-Anat hem vermanen.
-
-»Onze vader," viel Rameri haar in de reden, »kent den stadhouder slecht.
-Doch ik zal hem schrijven, al wat ik heden onder het volk heb hooren
-vertellen. Men zegt dat zij Ani op het feest van het dal zoo goed als
-gehuldigd hebben, en de een vertelt den ander openlijk, dat het den
-stadhouder om de kroon te doen is, en dat hij voornemens is den koning
-van den troon te stooten. -- Gij hebt gelijk, dat is onzinnig, maar er
-moet toch wel iets van waar zijn."
-
-Nefert verbleekte. Bent-Anat vroeg eenige nadere bijzonderheden, waarop
-de prins vertelde wat hij vernomen had, om dan lachend uit te roepen:
-»Ani zou mijn vader doen vallen! Dat is zooveel alsof ik de Isis-ster
-van den hemel wilde losrukken, om daarmede de lampen te ontsteken, die
-hier nog altijd ontbreken!"
-
-»Ik vind het vertrouwelijker in donker te zitten," zeide Nefert.
-
-»Neen, laat het licht komen," zeide Bent-Anat. »Men kan beter spreken,
-wanneer men hen tot wie men spreekt in de oogen kan zien. -- Wat die
-dwaze volkspraatjes betreft, ik geloof er niet aan. Maar gij hebt
-gelijk, wij moeten er onzen vader kennis van geven."
-
-»In de doodenstad hoorde ik de dolzinnigste zwetserij," zeide Rameri.
-
-»Hebt gij u dan aan de overzijde gewaagd? Hoe verkeerd hebt gij gedaan!"
-
-»Ik had mij weder een weinig verkleed, en heb heel veel goeds te
-vertellen. Het gaat met de lieve Warda veel beter. Zij heeft uwe
-geschenken ontvangen, en woont weder in haar eigen huis. Naast de
-afgebrande stond een vervallen hut, die haar vader, een soldaat met een
-grooten baard, die evenveel op haar gelijkt als een egel op een witte
-duif, met eenige gezellen in een oogenblik weder in orde heeft gebracht.
-Ik bood haar aan met de andere meisjes in het paleis voor u te werken,
-tegen hoog loon. Maar zij wilde niet, want zij moet hare zieke
-grootmoeder verplegen. Ook is zij trotsch en wil niemand dienen."
-
-»Het komt mij voor, dat gij lang bij die onreine hebt vertoefd," zeide
-Bent-Anat verwijtend. »Ik had gedacht, dat hetgeen mij is wedervaren, u
-tot eene waarschuwing geweest zou zijn."
-
-»Ik wil niet beter zijn dan gij!" hernam de prins. »Bovendien is de
-Paraschiet dood, en Warda's vader is een eerlijk soldaat die niemand
-verontreinigt. Voorts hield ik mij op een afstand van de oude vrouw.
-Morgen steek ik weder over; dat heb ik haar beloofd."
-
-»Aan wie?" vroeg Bent-Anat.
-
-»Aan wie anders dan aan Warda! Zij houdt veel van bloemen, en na de
-roos, die gij haar hebt geschonken, heeft zij er geene meer gezien. Ik
-heb den hovenier reeds bevolen, dat hij mij tegen morgen een korf vol
-rozen moet snijden, die ikzelf haar brengen zal."
-
-»Dat zult gij niet doen!" riep Bent-Anat. »Gij zijt nog half een kind,
-en al ware dit niet zoo, ook om den wil van het meisje zult gij het
-laten."
-
-»Wij zitten samen alleen wat te keuvelen," zeide de prins terwijl hij
-bloosde, »en niemand zal mij herkennen. Ja, als gij het volstrekt
-verlangt dan zal ik niet met dien korf vol rozen oversteken, maar alleen
-ga ik toch tot haar. -- Neen, zuster, dat laat ik mij niet verbieden!
-Zij is zoo bekoorlijk, zoo blank, zoo teeder, en haar stemmetje klinkt
-zoo zacht en lieflijk! En zij heeft voetjes, ja, hoe zal ik het zeggen,
-zoo klein en sierlijk als Neferts hand! Wij hebben het meest gesproken
-over Pentaoer. Zij kent zijn vader, die hovenier is, en weet zeer veel
-van hem. Denk eens aan, zij zegt dat Pentaoer geen kind van zijne
-ouders is maar een goede geest, die op aarde is gekomen, misschien wel
-eene godheid. In het begin was zij zeer schuchter, maar toen ik over
-Pentaoer begon, werd zij spraakzaam. Zij vereert hem bijna afgodisch, en
-dat juist heeft mij geërgerd."
-
-»Gij zoudt zeker liever willen, dat zij u zoo vereerde?" zeide Nefert
-lachende.
-
-»Volstrekt niet!" hernam Rameri. »Maar ik heb haar mede gered en het
-doet mij zoo goed als ik bij haar zit. Morgen, dat heb ik stellig
-voorgenomen, steek ikzelf haar eene bloem in het haar. Dat is wel rood,
-maar zoo zwaar als het uwe, Bent-Anat, en het moet verrukkelijk zijn het
-met de hand te mogen aanraken en streelen!"
-
-De vrouwen zagen elkander aan met een blik, waaruit duidelijk bleek dat
-zij elkander verstonden. De prinses zeide dan ook op beslissenden toon:
-»Gij gaat morgen niet naar de doodenstad, mijn pleegzoon."
-
-»Dat zullen wij eens zien, mijn pleegmoedertje!"
-
-Dit zeide hij schertsend. Doch hierna werd hij ernstig en vervolgde: »Ik
-heb ook mijn schoolvriend Anana gesproken. In het Seti-huis heerscht
-thans de ongerechtigheid! Pentaoer zit in de gevangenis en gisteren
-avond hebben zij gericht over hem gehouden. Onze neef Ani was ook
-daarbij, en heeft den dichter heftig aangevallen. Ameni moet hem in
-zijne bescherming hebben genomen. Welk besluit er eindelijk gevallen is,
-konden de kweekelingen niet te weten komen, maar het moet wel iets heel
-bedenkelijks zijn geweest, want de zoon van den schatmeester hoorde, hoe
-Ameni na de zitting tot den ouden Gagaboe zeide; 'Straf verdient hij,
-maar ik laat zijn ondergang niet toe!' Met deze woorden kon hij niemand
-anders bedoelen dan Pentaoer. Morgen ga ik weder naar de overzijde, en
-zal nog wel meer te weten komen, misschien wel iets verschrikkelijks,
-denk ik. Op zijn minst zal hij voor vele jaren worden gevangen gezet."
-
-Bent-Anat was doodsbleek geworden. »Wat zij hem aandoen," riep zij uit,
-»lijdt hij om mijnentwil! O gij almachtige goden, helpt hem, helpt mij
-en weest mij genadig!"
-
-Zij sloeg de handen voor het aangezicht en verliet het vertrek.
-
-»Wat mag mijne zuster toch wel overkomen zijn," vroeg Rameri aan Nefert;
-»zij komt mij zoo vreemd voor, en ook gij zijt anders dan gewoonlijk!"
-
-»Wij beiden hebben ons in zekeren nieuwen toestand te verplaatsen."
-
-»Wat bedoelt gij hiermede?"
-
-»Dat kan ik u zoo niet in een paar woorden verklaren. Maar het komt mij
-voor als zult gijzelf weldra iets dergelijks ondervinden. -- Rameri! Ga
-niet weder naar de Paraschieten!"
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-
-Vroeg op den volgenden dag ging de dwerg Nemoe met een man in een
-eenvoudig lang kleed, naar het scheen de hofmeester van eene
-aanzienlijke familie, de hut voorbij, die door Warda's vader weder in
-orde was gebracht, de hut waarin de soldaat eens met zijne vrouw had
-gewoond. Zij richtten hunne schreden naar het hol van de oude Hekt.
-
-»Hier omlaag, edele heer," zeide de dwerg, »verzoek ik u eenige
-oogenblikken te wachten, om u bij mijne moeder aan te melden."
-
-»Dat klinkt zeker heel deftig," antwoordde de ander, »maar het zij zoo!
-Nog éene voorwaarde! De oude mag mij niet bij mijn naam noemen, noch
-mijn titel op hare lippen nemen. Zij noeme mij hofmeester, want men kan
-nooit weten... Ik meen echter, dat niemand mij in deze vermomming zal
-herkennen."
-
-Nemoe haastte zich naar het hol te gaan, waarvoor hij zijne moeder vond
-zitten, die reeds van verre hem tegenriep: »Laat dien heer nu niet
-wachten, ik weet maar al te goed wie het is!"
-
-De kleine man legde den vinger op den mond en zeide: »Gij moet hem als
-hofmeester aanspreken."
-
-»Goed," prevelde de tooveres. »Zoo steekt ook een struisvogel zijn kop
-in de veeren, wanneer hij wil dat men hem niet zien zal."
-
-»Is het prinsje gisteren nog lang bij Warda geweest?"
-
-»Neen, gek!" zeide de heks lachend. »Die kinderen spelen met elkander.
-Rameri is een jonge ram, die nog geen horens heeft, maar toch de plek
-voelt, waar ze zullen uitgroeien, en reeds beproeft of hij ze ook
-gebruiken kan. Pentaoer kan u bij dat roodharig kopje veel gevaarlijker
-worden. Loop nu een-twee-drie heen; men laat zulk een hofmeester zoolang
-niet wachten."
-
-De oude gaf den dwerg een duw, en deze vloog naar Ani terug, terwijl zij
-den kleinen, weder op zijne plank gebonden Scheraoe in de hut droeg, en
-den bruinen zak over hem heen wierp.
-
-Eenige oogenblikken later stond de stadhouder voor haar. Zij boog met
-eene sierlijkheid, die meer aan de zangeres Beki dan aan de tooveres
-Hekt deed denken, en bad hem plaats te nemen op den eenigen stoel, dien
-zij bezat.
-
-Toen hij door eene beweging met de hand te kennen gaf, dat hij niet
-verlangde te gaan zitten, zeide zij: »Wel zeker, gij moet u nederzetten!
-Dan kan men u uit het dal niet zien, omdat gij achter deze rots hier
-verborgen zijt. Maar waarom hebt gij dit uur toch voor uw bezoek
-gekozen?"
-
-»Omdat hetgeen ik met u wensch te bespreken haast heeft," zeide Ani, »en
-ik in den avond licht door de wachters zou kunnen worden aangeroepen.
-Mijne vermomming is voldoende. Onder dit overkleed draag ik mijn gewoon
-gewaad. Van hier ga ik het dal in naar het graf mijner vaderen, om daar
-den groven rok en wat mij verder nog onkenbaar maakt af te leggen, en
-mijn wagen te wachten, die reeds besteld is. Ik zal aan de menschen
-zeggen, dat ik heden eene gelofte heb vervuld, om namelijk de groeve te
-voet en als een deemoedige te bezoeken."
-
-»Goed bedacht," prevelde de oude. Doch Ani wees op den dwerg en zeide op
-beleefden toon: »Uw leerling!"
-
-Sedert de onthulling die zij gedaan had, was Hekt voor hem niet langer
-de gewone tooveres. De oude vrouw gevoelde het, en neigde zich voor
-hem met eene buiging, die zoo geheel in de vormen, zoo hoffelijk was,
-dat een tamme raaf aan hare voeten zijn verbazing hierover niet kon
-inhouden, maar zijn zwarten snavel wijd opensperde en een gekras deed
-hooren. Zij wierp er een stuk kaas in, en de vogel huppelde weg, zijne
-geknotte vleugels naslepende, en zweeg.
-
-»Ik moet u over Pentaoer spreken," zeide Ani.
-
-De oogen van de oude schoten vuur, en vol belangstelling vroeg zij: »Wat
-is er dan met hem?"
-
-»Ik heb allen grond," antwoordde de stadhouder, »dezen man voor
-gevaarlijk te houden. Hij staat mij in den weg. Allerlei kwaad heeft hij
-gedaan; wat erger is, hij heeft moorden begaan. Maar in het Seti-huis
-mogen zij hem gaarne lijden, en daar zouden zij hem liefst ongestraft
-laten. Die heeren bezitten het recht over elkander alleen de vierschaar
-te spannen, en ik kan aan hunne uitspraak niets veranderen. Eergisteren
-hebben zij vonnis geveld. Zij willen hem naar de steengroeven van
-Chennoe zenden[278]. Op al wat ik hiertegen inbracht heeft men geen
-acht geslagen, en, nu ja.... Nemoe, ga naar de overzijde in het graf
-van Amenophis, en wacht daar op mij! Ik heb iets met uwe moeder alleen
-te bespreken!"
-
- [278] De steengroeven van Chennoe, thans Gebel Silsileh, waren
- van buitengewonen omvang. Bijna al de zandsteen, dien men noodig
- heeft gehad voor het bouwen der tempels in Opper-Egypte, is daar
- uitgehouwen.
-
-Nemoe boog en daalde den berg af, wel-is-waar verdrietig, maar toch in
-de zekere overtuiging, dat hij later alles zou vernemen, wat tusschen
-die twee verhandeld werd.
-
-Toen de kleine verdwenen was, vroeg Ani: »Gevoelt gij nog iets voor het
-oude koningshuis, dat uwe ouders zoo met hart en ziel waren toegedaan?"
-
-De oude boog toestemmend het hoofd.
-
-»Welnu, zoo zult gij mij uw hulp niet ontzeggen, wanneer ik trachten wil
-het weder op te richten. Gij begrijpt hoezeer ik de priesters daarbij
-noodig heb, en ik heb Ameni gezworen Pentaoer niet naar het leven te
-zullen staan. Doch ik herhaal nog eens: hij staat mij in den weg! Ik heb
-mijne verspieders ook in het Seti-huis, en door dezen weet ik, wat het
-wegzenden van den dichter naar de steengroeven van Chennoe te beteekenen
-heeft. Een tijdlang laten zij hem zandsteenen houwen, en dat zal aan de
-gezondheid van dezen ijzersterken man eer goed dan kwaad doen. Zooals
-gij weet, vindt men te Chennoe, behalve die groeven, ook het groote
-priestercollege, dat in zeer nauwe verbinding staat met het Seti-huis.
-Wanneer de vloed begint te wassen en in Chennoe het grootste Nijlfeest
-wordt gevierd[279], dan hebben de priesters daar het recht zich die
-misdadigers, die in de steengroeven werken, uit te kiezen tot hun eigen
-dienst. Het spreekt vanzelf, dat zij in het volgend jaar Pentaoer
-kiezen. Dan laten zij hem vrij en men lacht mij uit."
-
- [279] Bij Chennoe wordt de stroom smaller. Onder Ramses II
- en zijn opvolger Mernephtah werden daar groote gedenksteenen
- opgericht, die schoone hymnen bevatten aan den Nijl en de
- lijsten der offers, die op de Nijlfeesten moesten worden
- gebracht. De opschriften kunnen door onderlinge vergelijking
- worden aangevuld. Dit is geschied door mijn vriend Stern en
- ook door mij op de plaats zelve. De eerste heeft ze daarna
- voortreffelijk verklaard in de =Zeitschrift für ägyptische
- Sprache und Altertumskunde=, 1873, s. 129. Ramses de groote
- heeft twee Nijlfeesten ingesteld. Stern vergelijkt ze met de
- beide feesten, die thans nog gevierd worden, namelijk: "De nacht
- van den druppel," die altijd op den 11den Baoeneh (in 1873 den
- 17den Juni) valt, op welk tijdstip de stand van den Nijl het
- laagst is, (Zie boven bl. 346.), en "De doorsteking van den
- dam," een feest dat geregeld wordt naar den waterstand. De twee
- maanden die thans nog als feestmaanden worden beschouwd, liggen
- even ver uit elkander als weleer de Nijlfeesten van Chennoe.
-
-»Niet kwaad verzonnen," zeide de Heks!
-
-»Ik heb nu met mijzelven, met Katoeti en ook met Nemoe raad gehouden,"
-ging Ani voort, »maar alles wat zij bedachten was, ja, wel uitvoerbaar,
-doch onraadzaam, en zou voor het minst tot vermoedens leiden, die ik
-thans zorgvuldig moet trachten te vermijden. Wat is uw raad?"
-
-»Assa's stam moet ondergaan!" prevelde de oude somber. Daarna staarde
-zij een poos nadenkend op den grond en zeide eindelijk: »Laat een gat
-in het schip boren, en voor het in Chennoe aankomt, met de geboeide
-gevangenen verzinken."
-
-»Neen, neen, daaraan heb ikzelf al gedacht, en ook Nemoe heeft het
-aangeraden," zeide Ani. »Zoo iets is wel honderdmaal gebeurd. Ameni mag
-mij ook niet voor meineedig houden, en ik heb gezworen Pentaoer niet
-naar het leven te zullen staan."
-
-»O ja, dat hebt gij gezworen, en gij mannen zijt gewoon onder elkander
-woord te houden. Wacht eens even, hoe was het ook weer? -- Gij laat het
-schip met de gevangenen naar Chennoe onder zeil gaan, doch gij geeft
-in 't geheim aan den gezagvoerder bevel, dat hij in den nacht zoo snel
-mogelijk de steengroeven voorbij moet varen, en verder koers zetten naar
-Ethiopië. Van Soean[280] laat gij de gevangenen door de woestijn naar
-de goudmijnen voeren. Er kunnen vier, ja misschien wel acht weken
-verloopen, eer men verneemt wat er gebeurd is. Spreekt Ameni u dan
-hierover aan, dan houdt gij u alsof gij vertoornd zijt over dit
-misverstand, en gij kunt bij alle goden van hemel en onderwereld zweren,
-dat gij Pentaoer niet naar het leven hebt gestaan. Met het doen van
-onderzoek verloopen weder eenige weken. Inmiddels doet Paäker het zijne
-en gij het uwe, en -- gij zijt koning. Eene gelofte laat zich, dunkt
-mij, wel met een schepter verbrijzelen. En wilt gij volstrekt uw woord
-houden, welnu, laat Pentaoer dan in de goudmijnen. Van daar is nog nooit
-iemand teruggekeerd. Ook de gebeenten van mijn vader en mijne broeders
-zijn daar in de zon gebleekt."
-
- [280] Het oude Syene, het heilige Assoean, bij den eersten
- waterval.
-
-»Maar Ameni zal niet willen gelooven, dat het een misverstand is
-geweest," viel Ani de tooveres angstig in de rede.
-
-»Beken dan, dat gij dien tocht hebt bevolen!" hernam Hekt. »Verklaar dat
-gij te weten zijt gekomen, wat zij in Chennoe met Pentaoer voorhadden;
-dat gij uw woord hebt gehouden, maar dat gij een misdadiger niet
-straffeloos wildet laten. Zij zullen berichten inwinnen, en vinden zij
-den kleinzoon van Assa in het leven, dan zijt gij gerechtvaardigd. Volg
-mijn raad, wanneer gij waarlijk wilt toonen de belangen van uw huis
-ernstig te behartigen, en meester blijven van hetgeen gij bezit."
-
-»Het gaat niet," zeide de stadhouder. »Ik heb den steun van Ameni
-niet enkel heden en morgen noodig. Ik wil geen blind werktuig van hem
-worden, maar voor het oogenblik moet hij mij daarvoor houden."
-
-De oude haalde de schouders op, stond op, ging haar hol binnen, en kwam
-terug met een fleschje. »Neem dit mede," zeide zij. »Men behoeft slechts
-vier druppels van dit vocht in den wijn te gieten, en het kan niet
-missen of die er van drinkt verliest zijn verstand. Neem de proef van
-dezen drank bij een slaaf, en gij zult zien dat hij uitnemend werkt."
-
-»Wat moet ik daarmede aanvangen?" vroeg Ani.
-
-»U rechtvaardigen voor Ameni," zeide de tooveres lachend. »Gij beveelt
-den gezagvoerder van het schip dadelijk na zijn terugkeer bij u te
-komen. Gij onthaalt hem op wijn, en waarom zou Ameni, als hij den half
-waanzinnige ziet, niet gelooven, dat deze in zijne zinsverbijstering
-Chennoe is voorbij gevaren?"
-
-»Dat is verstandig, dat is voortreffelijk!" riep Ani. »Het buitengewone
-daalt toch nimmer af tot het platte alledaagsche. Gij waart eens de
-schoonste der zangeressen, en thans zijt gij de wijste der vrouwen,
-vrouw Beki!"
-
-»Ik ben thans Beki niet meer, ik heet Hekt," zeide de oude op ruwen
-toon.
-
-»Zoo als gij wilt! Inderdaad, had ik Beki's gezang gehoord, zoo zou ik
-mij aan haar tot grooter dank verplicht achten, dan nu aan Hekt," zeide
-Ani met een glimlach. »Doch ik mag de verstandigste vrouw van Thebe
-niet verlaten, zonder eene ernstige vraag tot haar te richten. Is het u
-werkelijk gegeven een blik in de toekomst te slaan? Staan u middelen ten
-dienste, waardoor gij weten kunt, of het groote waagstuk -- gij weet
-reeds wat ik bedoel, gelukken of mislukken zal?"
-
-Hekt zag weder naar den grond, en zeide, na een kortstondig overleg: »Ik
-kan nog niets met zekerheid zeggen, maar uw zaak staat goed. Ziet gij
-daar die twee sperwers met het kettinkje aan de pooten? Zij nemen van
-niemand voedsel aan dan van mij. Die ruiende met zijne grauwe geslotene
-oogen is Ramses; die mooie en glimmende met zijne bliksemende oogen zijt
-gij! Het komt er nu maar op aan wie van beiden het langst leeft. Tot
-dusverre is het voordeel aan uwe zijde, gelijk gij ziet."
-
-Ani sloeg een boozen blik op den ziekelijken sperwer des konings. Hekt
-zeide echter: »Men moet beiden geheel gelijk behandelen, want men kan
-het noodlot niet dwingen."
-
-»Voeder ze dan goed!" riep de stadhouder, terwijl hij Hekt zijne beurs
-in den schoot wierp. Hij voegde er bij, zich gereedmakende om te
-vertrekken: »Wanneer een van beide vogels iets overkomt, laat het mij
-dan intijds door Nemoe weten."
-
-Ani daalde van den berg af, om zijne schreden te richten naar het
-naastbijzijnde graf zijner vaderen. Hekt kon niet nalaten hem uit te
-lachen, terwijl zij hem nazag, »Thans," prevelde zij in zich zelve,
-»thans beschermt die gek mij, ter wille van zijn vogeltje! Die
-glimlachende en moedelooze man, die te lui is om voor zichzelven te
-denken, wil Egypte beheerschen! Ben ik dan zooveel wijzer dan andere
-menschen, of komen alleen de dwazen tot de oude Hekt? Doch Ramses heeft
-Ani toch tot zijne plaatsvervanger gekozen! Mogelijk ook wel, omdat hij
-den niet zeer slimmen man voor niet bijzonder gevaarlijk hield. Maar als
-hij zoo gedacht heeft, dan handelde hij niet wijs, want niemand is in
-den regel zelfzuchtiger en onbeschaamder dan de domme!"
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-
-Een uur later reed Ani, uit het graf zijner vaderen komende, rijk
-gekleed, op zijn schitterender wagen, het hol van de tooveres en de hut
-van Warda's vader voorbij. Nemoe zat neergehurkt op de trede, de gewone
-zitplaats der dwergen. De kleine sloeg een blik op de herstelde hut en
-knarsetandde, toen hij bij Warda een man zag zitten, wiens wit gewaad
-door de openingen van de heining schemerde.
-
-De bezoeker van het schoone kind was niemand anders dan prins Rameri,
-die in het wit gewaad van een jong schrijver van het schathuis, reeds
-vroeg in den morgen den Nijl was overgevaren, ten einde berichten in te
-winnen omtrent Pentaoer, en Warda eene roos in het haar te steken. Dit
-laatste voornemen was zeker wel het gewichtigste, het eerste moest ten
-minste daarbij achterstaan, wat aangaat de volgorde van tijd. Hij vond
-het dan ook noodig deze zijne handelwijze voor zichzelven op allerlei
-deugdelijke gronden te verontschuldigen. Vooreerst liep de roos, die
-goed geborgen was in de plooien van zijn gewaad gevaar te verwelken,
-wanneer hij allereerst bij het Seti-huis op zijne makkers bleef wachten.
-Vervolgens had zich bij het Seti-huis iets kunnen voordoen, dat hem zou
-hebben gedwongen haastig naar Thebe terug te keeren. Ten laatste was het
-ook niet onmogelijk, dat Bent-Anat hem den ceremoniemeester achterna
-zond, en in dat geval zou elke vertraging zijn voornemen geheel kunnen
-verijdelen.
-
-Geen wonder dus dat zijn hart hevig klopte, toen hij zich spoedde
-naar de hut, niet alleen ter wille van het meisje, maar ook omdat hij
-zichzelven bekennen moest niet goed te handelen. De plaats die hij
-betreden zou was onrein, en tegenover Warda had hij voor het eerst
-gelogen. Hij had zich uitgegeven voor een edelknaap uit het gevolg van
-Bent-Anat, en daar de eene onwaarheid de andere meestal na zich sleept,
-had hij op hare vragen naar zijne ouders en zijn leven allerlei
-logenachtige antwoorden moeten verzinnen. Was dan het booze aan die
-onreine plaats machtiger over hem, dan in het Seti-huis en in het
-paleis zijns vaders? Zoo scheen het wel te zijn, want de booze Seth
-veroorzaakte alle beroering in de natuur en in elke menschelijke ziel,
-en -- hoe stormde het in zijn borst! En toch, hij wilde Warda enkel goed
-doen. Zij was zoo schoon, zoo vriendelijk! Zij zag er uit als ware zij
-het kind van eene godheid! Voorzeker, dat blanke meisje was geroofd en
-behoorde niet te huis onder de onreinen.
-
-Toen de prins den tuin van de hut intrad, was Warda niet te zien. Doch
-weldra vernam hij hare stem van binnen door de geopende deur. Zoodra zij
-hoorde dat de hond vijandig tegen Rameri begon te blaffen, liep zij naar
-buiten.
-
-Op het gezicht van den prins verschrikte zij, en zeide: »Zijt gij
-daar nu weder? Maar ik heb u immers gewaarschuwd? Mijne grootmoeder
-daarbinnen is de vrouw van een Paraschiet."
-
-»Haar breng ik ook geen bezoek," antwoordde de prins, »maar u alleen.
-En gij behoort niet tot deze onreinen, heb ik zoo juist tot mijzelven
-gezegd. In de woestijn groeien geen rozen."
-
-»En toch," hernam Warda met zekerheid, »ben ik het kind van mijn vader,
-en de kleindochter van mijn armen verslagen grootvader. Wis-en-zeker
-behoor ik bij hen, en ben ik voor iemand daarom te gering, dan blijve
-hij verre van mij."
-
-Dit zeggende maakte zij zich gereed om de hut weder binnen te gaan. Doch
-Rameri greep hare hand, hield haar terug en zeide: »Wat zijt gij boos!
-Heb ik dan niet getracht u te redden, en ben ik niet tot u gekomen, eer
-de gedachte in mij opkwam, dat gij zoudt kunnen.... nu ja, dat gij toch
-zoo geheel ongelijk waart aan hen, die gij uwe bloedverwanten noemt? Gij
-moet mij niet verkeerd verstaan; het was mij alleen eene schrikkelijke
-gedachte, dat gij, zoo blank als eene lelie en zoo schoon, mede zoudt
-lijden onder dien vreeselijken vloek. Iedereen, zelfs mijne meesteres
-Bent-Anat, wordt door u aangetrokken, en zoo kwam het mij onmogelijk
-voor, dat...."
-
-»Dat ik tot de onreinen zou behooren. Spreek het maar uit!" zeide Warda
-zacht, terwijl zij hare oogen nedersloeg. Daarop vervolgde zij op
-levendiger toon: »Maar die vloek is onrechtvaardig, zeg ik u, want er is
-nooit beter mensch geweest, dan mijn arme grootvader was." En bij deze
-woorden rolden de tranen haar langs de wangen.
-
-»Ik wil het gaarne gelooven," sprak Rameri, »en het moet zeer moeielijk
-vallen goed te blijven, als de menschen u verachten en schelden. Wat
-mij betreft, ik laat mij door verwijten tot niets dwingen, maar door lof
-kan men alles goeds van mij gedaan krijgen. Doch ik moet bekennen, dat
-de menschen wel genoodzaakt zijn, mij en de mijnen met achting te
-bejegenen."
-
-»En ons met minachting," viel Warda hem in de rede. »Doch ik wil u eens
-wat zeggen. Als men weet dat men goed is, dan is het ons onverschillig,
-of wij door anderen veracht worden of geëerd. Ja, wij mogen trotscher
-zijn dan gijlieden, want gij, groote heeren, moet dikwijls voor u zelven
-bekennen, dat gij minder waard zijt dan de menschen u schatten, maar wij
-weten dat wij meer gelden."
-
-»Juist, zóo heb ik mij u voorgesteld!" riep Rameri eensklaps uit. »En
-daar is toch éen, die uwe waarde erkent, en dat ben ik! Zou ik anders
-wel gedurig en altijd weder aan u denken?"
-
-»Maar ik heb ook aan u gedacht," zeide Warda. »Zooeven, toen ik bij
-mijne zieke grootmoeder zat, kwam het voor 't eerst in mijne ziel op,
-hoe heerlijk het zou zijn, wanneer ik eens een broeder had die op u
-geleek. Weet gij wel wat ik doen zou, als gij mijn broeder waart?"
-
-»Welnu?"
-
-»Ik zou een wagen voor u koopen en paarden, en dan zoudt gij met 's
-konings dapperen moeten uittrekken."
-
-»Zijt gij dan zoo rijk?" vroeg Rameri lachend.
-
-»O ja," antwoordde Warda. »Hoewel eerst sedert een uur. Kunt gij lezen?"
-
-»Ja."
-
-»Denk eens, toen ik ziek was, zonden zij mij een arts uit het Seti-huis.
-Hij was zeer bekwaam, maar een wonderlijk man. Hij zag mij dikwijls zoo
-vreemd met zijne oogen aan, alsof hij dronken was, en als hij sprak
-stotterde hij."
-
-»Heet hij Nebsecht?" vroeg de prins.
-
-»Ja, Nebsecht. Hij had ook iets zonderlings voor met grootvader, en bij
-dien schrikkelijken aanval op ons, sprong hij, nadat Pentaoer en gij ons
-hadt gered, mede voor ons in de bres. Sedert is hij niet weder gekomen;
-ik werd dan ook veel beter. Doch heden, zoowat een paar uren geleden,
-blafte de hond, en een vreemde bejaarde man trad mij te gemoet. Hij gaf
-voor Nebsecht's broeder te zijn, en zeide dat hij veel geld voor mij
-bewaarde. Hij schonk mij ook een ring en voegde daarbij, dat hij aan
-ieder, die dezen aan hem van mijnentwege terug kwam brengen, het geld
-zou uitbetalen. Vervolgens las hij mij dezen brief voor."
-
-Rameri nam den brief van haar aan, en las:
-
-»Nebsecht aan de schoone Warda!
-
-»Nebsecht groet Warda en deelt haar mede, dat hij haren Osiris geworden
-grootvader Pinem, wiens lijk de Kolchyten balsemen, alsof hij een der
-aanzienlijksten was geweest, een som van duizend gouden ringen schuldig
-is. Hij heeft zijn broeder Teta opgedragen, deze som ten allen tijde
-voor haar gereed te houden. Zij kan zich geheel aan Teta toevertrouwen,
-want hij is rechtschapen. Het staat haar vrij hem om geld te vragen, zoo
-vaak zij het noodig heeft. Het zou 't beste zijn, wanneer zij aan mijn
-broeder overliet het geld voor haar te beheeren, en voor haar een
-huis met een stuk bouwland te koopen. Dan moet zij dat huis met hare
-grootmoeder betrekken, om er zonder zorgen in te wonen. Hij wenscht dat
-zij nog éen jaar zal wachten, vóor zij een man volgt, die haar tot vrouw
-begeert. Nebsecht heeft Warda hartelijk lief. Is hij na verloop van
-dertien maanden niet bij haar geweest, zoo mag zij zich tot echtgenoot
-kiezen wien zij wil, maar niet voordat zij den tolk des konings het
-kleinood heeft getoond, dat hare moeder haar naliet."
-
-»Vreemd!" zeide Rameri. »Wie had gedacht dat die wonderlijke arts, die
-altijd vuile kleederen droeg, zoo edelmoedig kon zijn! Maar wat voor
-kleinood bezit gij?"
-
-Warda maakte haar kleedje open, en toonde den prins het schitterend
-juweel.
-
-»Dat zijn diamanten! Inderdaad, dat is zeer kostbaar!" riep de prins.
-»Daar in het midden, in dat half ovaal van onyx, staan scherp gesneden
-schriftteekens. Ik kan ze niet lezen, maar ik wil ze den tolk laten
-zien! -- Heeft uwe moeder dat kleinood gedragen?"
-
-»Vader vond het bij haar, toen zij stierf," antwoordde Warda. »Zij kwam
-als krijgsgevangene naar Egypte, en was zoo blank als ik, maar stom,
-zoodat zij den naam van haar vaderland niet noemen kon."
-
-»Dan behoorde zij zeker tot eene aanzienlijke familie in het buitenland,
-en de moeder bepaalt de afkomst der kinderen," hernam Rameri levendig.
-»Gij zijt een prinsesje, Warda! O, ik kan u niet zeggen, hoeveel
-genoegen mij dit doet en hoe lief ik u heb!"
-
-Het meisje glimlachte en zeide: »Dan behoeft gij nu ook niet meer te
-vreezen het onreine meisje aan te raken."
-
-»Gij zijt hard!" gaf de prins haar ten antwoord. »Wil ik u eens zeggen,
-wat ik gisteren voornam, wat mij heden nacht belette te slapen, en
-waarom ik eigenlijk hier kwam?"
-
-»Nu?"
-
-Rameri haalde de schoone witte roos uit zijn kleed te voorschijn, en
-zeide: »Het is misschien kinderachtig, maar ik dacht hoe het wel staan
-zou, als ik deze bloem eens met mijne eigene vingers in uw glanzend haar
-kon steken. Mag ik?"
-
-»Die roos is kostelijk. Zoo schoon heb ik er nog nooit eene gezien!"
-
-»Zij is dan voor mijn trotsch prinsesje. Kom, laat mij u nu eens
-opsieren. Als de zijde van Tyrus, als de borst van een zwaan, als de
-stralen der gouden sterren, zoo zacht zijn uwe glanzende haren! -- Daar
-steekt zij vast! -- Neen, laat de roos nu zoo zitten. Als de zeven
-Hathors u zien, moeten zij u wel benijden, want gij zijt schooner dan
-zij allen te zamen."
-
-»Foei, gij vleier!" zeide Warda, een weinig beschaamd en blozend. Toch
-zag zij Rameri in de heldere oogen.
-
-»Ach, Warda!" riep de prins, terwijl hij de hand op zijn hart legde, »nu
-heb ik nog een enkele wensch. Voel maar hoe het hier bonst en klopt. Ik
-geloof, dat dit niet eer tot rust zal komen, voor ge mij.... nu ja,
-Warda -- voor ge mij veroorlooft u een kus, maar een enkelen, te geven."
-
-Het meisje ging achteruit en zeide ernstig: »Neen! Nu zie ik waar gij
-heen wilt. De oude Hekt kent de menschen en heeft mij gewaarschuwd."
-
-»Wie is Hekt, en wat kan zij dan van mij weten?"
-
-»Zij heeft mij gezegd, dat er een tijd zal komen, waarop een man mij
-zal naderen. Zijn oog zal het mijne zoeken, en wanneer ik zijn blik zal
-beantwoorden, dan zal hij naar mijne lippen verlangen. Dan moest ik,
-zeide zij, weigeren, want wanneer ik mij zijn kus liet welgevallen, dan
-zou hij naar mijne ziel grijpen en haar rooven. Ik zou zielloos moeten
-ronddwalen, als de rustelooze geesten, die de diepte opwerpt en de
-stormwind wegdrijft, die de zee uitspuwt en de hemel niet hebben wil. Ga
-daarom van mij weg, want ik zou u een kus niet kunnen weigeren, en wil
-toch niet rusteloos zonder ziel omdwalen!"
-
-»Is die oude goed, die u dat geleerd heeft?" vroeg de prins.
-
-Warda schudde ontkennend het hoofd.
-
-»Dat kan zij ook niet zijn!" hernam Rameri, »want zij heeft onwaarheid
-gesproken. Ik wil uwe ziel niet wegnemen, integendeel: ik wil u de mijne
-bij de uwe geven, en gij zult mij de uwe geven bij de mijne, en zoo
-zullen wij beide niet armer maar rijker worden!"
-
-»Hoe gaarne zou ik dat willen gelooven," zeide Warda nadenkend. »Iets
-dergelijks heb ikzelve ook reeds gedacht. Toen ik nog gezond was, moest
-ik dikwijls 's avonds laat naar den Nijl om water te scheppen bij de
-landingsplaats, waar het groote scheprad staat. Duizende druppels vielen
-er neder van den aarden emmer, en in elken spiegelde zich eene maan, en
-toch stond er maar éene aan den hemel. Dan dacht ik zoo bij mij zelve:
-Zoo zal het ook zijn met de liefde in het hart. Men heeft toch maar éene
-liefde, en wij storten haar toch over in verschillende harten, zonder
-dat zij vermindert in kracht of matter wordt van glans. Ik dacht aan
-mijne grootouders, aan vader, aan den kleinen Scheraoe, aan den goden
-en aan Pentaoer. Nu kan ik ook u wel een deel ervan geven?"
-
-»Maar een deel?" vroeg Rameri.
-
-»Neen," zeide Warda, »zij zal zich geheel in u afspiegelen, zooals de
-geheele maan zich vertoonde in elken druppel.."
-
-»Dat zal zij," riep de koningszoon, sloeg zijn arm om het slanke middel
-van het bevende meisje, en de beide jeugdige menschenzielen, verbonden
-zich aan elkander door een eersten kus.
-
-»Ga nu ook heen!" smeekte Warda.
-
-»Laat mij nog een oogenblik blijven!" vroeg de prins. »Zet u naast
-mij op de bank voor de hut. De heining verbergt ons voor het oog der
-wandelaars. Bovendien, het dal is nu eenzaam en verlaten."
-
-»Wat wij doen is niet goed," zeide Warda nadenkend, »anders zouden wij
-niet noodig hebben ons te verbergen."
-
-»Houdt gij dan voor kwaad, wat de priester in het allerheiligste
-verricht?" vroeg Rameri. »En toch wordt dit onttrokken aan aller oogen."
-
-»Wat zijt gij bedreven in de kunst van te overreden!" zeide Warda
-lachend. »Ik begrijp het: gij kunt schrijven, en gij zijt zijn leerling
-geweest."
-
-»Zijn! zijn!" riep Rameri. »Gij bedoelt zeker Pentaoer. Van al mijne
-leermeesters heb ik hem altijd het meest liefgehad, maar het hindert mij
-toch als gij zoo over hem spreekt, als lag hij u nader aan het hart dan
-ik en die anderen. De dichter, zeidet gij, was een der druppels, waarin
-het maanlicht uwer liefde zich afspiegelde, en ik wil niet met velen
-deelen!"
-
-»Hoe kunt gij zoo spreken!" viel Warda hem in de rede. »Eert gij dan uw
-vader niet en de goden? Zooals ik u liefheb, bemin ik geen ander, en
-wat ik zooeven gevoelde, toen gij mij hebt gekust, dat was ook niet als
-het maanlicht, maar brandend als de zon op dit middaguur. Zoo vaak ik
-aan u dacht, was mijne rust geweken. Ik wil het u wel bekennen, wel
-twintigmaal zag ik te voren naar buiten, in stilte vragende: 'Zou mijn
-redder, die lieve en vriendelijke krullebol ook komen, of zou hij mij,
-arm meisje, versmaden?' Gij zijt gekomen, en ik ben zoo gelukkig! Ik zou
-met u van ganscher harte kunnen jubelen! Kom, wees weer vriendelijk,
-anders trek ik u bij de lokken!"
-
-»Ga je gang maar!" hernam Rameri. »Gij kunt met uw kleine hand geen zeer
-doen, maar -- wel met woorden. Pentaoer is zeker wijzer en beter dan ik.
-Gij zijt ook veel aan hem verschuldigd en ik mocht wel...."
-
-»Ga niet verder!" viel Warda hem in de rede. Op ernstigen toon ging zij
-voort: »Er zijn geen twee menschen geheel aan elkander gelijk. Als hij
-mij wilde kussen, dan zou ik als stof ineen vallen, gelijk door de zon
-geblakerde asch, die men met den vinger aanraakt. Ik zou zijn lippen
-kunnen vreezen als die van een leeuw. Al drijft gij er misschien den
-spot mede, zoo geloof ik toch altijd, dat hij een van de hemelsche goden
-is. Zijn eigen vader heeft mij gezegd, dat er reeds op den dag zijner
-geboorte een groot wonder met hem heeft plaats gehad. De oude Hekt heeft
-mij dikwijls naar den hovenier gezonden met den last naar zijn zoon
-te vragen. De man is wat ruw, maar goed. In den beginne was hij niet
-vriendelijk, maar toen hij zag hoeveel schik ik had in zijne bloemen,
-kreeg hij mij lief en gaf mij wat te doen. Want hij liet mij kransen
-vlechten en ruikers maken, en dan naar zijne klanten brengen.
-
-»Als wij zoo bij elkander zaten en het eene bloempje naast het andere
-legden, vertelde hij altijd van zijn zoon, en van zijne schoonheid,
-wijsheid en goedheid. Toen hij nog een kleine jongen was, kon hij reeds
-dichten. Hij heeft leeren lezen, zonder dat iemand hem daarin onderwezen
-had. De opperpriester Ameni kwam dit te weten, en daarom nam hij hem
-in het Seti-huis op. Daar ontwikkelde hij zich zoo buitengewoon, dat
-de hovenier ervan verbaasd stond. Nog kort geleden wandelde ik met den
-ouden man langs de bloembedden. Hij sprak over Pentaoer als altijd, en
-bleef staan voor een heerlijken heester met breede bladeren, zeggende:
-'Mijn zoon is gelijk aan deze plant, die bij mij opgroeide, ik weet zelf
-niet hoe. Het zaad ervan heb ik tegelijk met andere zaadkorrels, die ik
-in Thebe had gekocht, in den grond gelegd. En nu kan niemand zeggen, van
-waar die struik afkomstig is, en toch is hij mijn eigendom. Uit Egypte
-is hij zeker niet afkomstig. En overtreft Pentaoer niet mij en zijne
-moeder, en zijne broeders en zusters, gelijk deze struik de andere
-bloemen? Wij zijn allen grof en klein, en hij is slank; onze huidkleur
-is donker en de zijne is roodachtig; ruw is onze spraak en zijne stem
-klinkt als gezang. Ik blijf er bij, hij is het kind eener godheid, dat
-de hemelsche goden in mijn nederig huis hebben neergelegd. Wie begrijpt
-hunne raadsbesluiten?'
-
-»Menigmaal heb ik Pentaoer bij de feesten gezien, en dan zeide ik tot
-mij zelve: Welke andere priester uit het Seti-huis kan in houding en
-gestalte met hem vergeleken worden? Ik hield hem voor een god, en nu ik
-gezien heb, toen hij mijn leven redde, hoe hij door bovenmenschelijke
-kracht gansche scharen van aanvallers weerstond, zou ik hem niet als een
-hooger wezen, beschouwen? Ik zie tot hem op als tot zulk een goddelijk
-wezen maar ik zou hem nooit in de oogen kunnen zien als u. Deed ik het,
-dan zou mij het bloed in de aderen stollen, in plaats van sneller te
-vloeien. Hoe zal ik het uitdrukken? U vindt mijne ziel, wanneer ik
-vooruit zie, maar om hem te vinden, moet zij den blik naar boven
-richten. Gij zijt voor mij een frissche rozenkrans, waarmede ik mij
-tooi, en hij is een heilige Persaboom[281], waarvoor ik mij nederbuig!"
-
- [281] De Persea is een der heilige boomen, en meer bepaald aan
- Hathor gewijd. Op de hartvormige vruchten, zooals de Persea op
- de gedenkteekenen is afgebeeld, schreven de goden de namen van
- den door hen begunstigden koning. In de benedenwereld wordt
- Hathor voorgesteld als in de Persea gezeten, en daaruit den
- overledene met spijs en drank lavende, op dezelfde wijze
- waarop dit door Noe in den aan haar gewijden vijgenboom (ficus
- sycomorus) geschiedt. De Persea, in het oud-Egyptisch
- "schaoeaboe, schoeab" geheeten, is de balanites aegyptiaca.
-
-Rameri had zwijgend naar haar geluisterd en zeide nu: »Ik ben nog jong,
-en heb nog geen gelegenheid gehad te toonen wie ik ben. Doch er zal een
-tijd komen, waarin gij ook tot mij zult opzien als tot een boom, wel
-niet als tot een heiligen, maar als tot een sykomore, onder welks
-schaduw wij het liefst rusten. Ik ben niet vroolijk meer en wil u
-verlaten, want ik heb een heiligen plicht te vervullen. Pentaoer is
-in allen deele een man, en dat wil ik ook worden. Gij zult echter de
-rozenkrans zijn, die mij siert. Mannen, die men met bloemen vergelijkt,
-staan mij tegen."
-
-De prins stond op en reikte Warda zijne rechterhand.
-
-»Gij hebt eene sterke hand," zeide het meisje. »Gij zult zeker een
-voortreffelijk man worden, en deze hand gebruiken tot iets goeds en iets
-groots. Zie maar, mijne vingers zijn rood geworden van uw handdruk. Al
-zijn zij teeder, zij zijn toch niet geheel onnut. Het is zoo, zij hebben
-nooit zware dingen gehanteerd, maar wat zij aanraken en verzorgen, zeide
-grootvader dikwijls, dat gedijt, en hij noemde ze daarom 'gelukkig.'
-Zie maar eens die schoone leliën en dien granaatstruik dáar in den
-hoek. Grootvader heeft voor mij aarde van den Nijl hierheen gedragen.
-Pentaoer's vader heeft mij de zaden geschonken en elk plantje, dat
-waagde boven den grond als een groen scheutje zich te vertoonen, heb ik
-zoo lang gekoesterd, verpleegd en met moeite begoten -- want ik moest er
-in mijn kruikje het water voor gaan halen -- tot het levenskracht bezat
-om voor zichzelve te zorgen en mij met bloemen kon danken. Neem deze
-granaat. Zij is de eerste, die aan mijn struik bloeide, en heeft
-eene bijzondere beteekenis. Want toen de stevige knop in de lengte
-uitgroeide, zich begon te ronden en van dag tot dag zich rooder kleurde,
-toen heeft grootmoeder gezegd: Nu zal uw hartje ook weldra kloppen en
-beginnen lief te hebben. Thans begrijp ik ook wat zij bedoelde. U komen
-dan ook de beide eerste bloemen toe, die roode van dezen struik hier,
-en die andere, die men wel niet ziet, maar die nog oneindig vuriger
-schittert."
-
-Rameri drukte den granaatbloesem aan zijne lippen, en strekte zijne hand
-naar Warda uit, maar zij week terug, want er sloop onverwacht iemand
-door de opening van de heining.
-
-Het was niemand anders dan de kleine Scheraoe, die de oude Hekt tot
-dwerg opvoedde. Zijn aardig gezichtje gloeide, en hij haalde snel adem,
-omdat hij zoo hard geloopen had. Een tijdlang deed hij te vergeefs zijn
-best om woorden uit te brengen, terwijl hij angstig tot den prins opzag.
-
-Warda zag het den kleine wel aan, dat hij iets bijzonders op het hart
-had. Zij sprak hem vriendelijk toe, en zeide, toen hij verlangde haar
-te spreken, dat Rameri haar beste vriend was, waarvoor hij niet bang
-behoefde te zijn.
-
-»Maar het betreft niet u of mij," antwoordde het knaapje, »maar den
-goeden heiligen vader Pentaoer, die zoo vriendelijk voor mij was, en die
-u het leven heeft gered."
-
-»Ik ben Pentaoer zeer genegen," zeide de prins. »Niet waar, Warda? Hij
-mag gerust in mijne tegenwoordigheid over hem spreken."
-
-»Mag ik?" vroeg Scheraoe. »Dan is het goed. Ik ben stillekens
-weggeslopen. Hekt kan ieder oogenblik terugkomen, en wanneer zij
-bemerkt, dat ik van huis ben gegaan, dan krijg ik zeker slagen en geen
-eten."
-
-»Wie is dan toch die schandelijke Hekt?" vroeg de prins met eenige
-ongerustheid.
-
-»Dat mag Warda u later vertellen," zeide de kleine hijgend. »Hoort nu
-naar mij. Zij had mij op mijn plank in de hut gelegd, en mij met een zak
-verborgen. Eerst kwam Nemoe en toen een ander man, dien zij hofmeester
-noemde. Met dezen heeft zij veel gesproken. In den beginne luisterde ik
-niet, maar toen ik den naam van Pentaoer verstond, maakte ik mijn hoofd
-vrij en hoorde alles. De hofmeester zeide, dat Pentaoer een slecht man
-was, en dat hij hem in den weg stond. Hij vertelde dat de opperpriester
-Ameni hem naar de steengroeven van Chennoe wilde zenden, maar dat die
-straf veel te gering was. Toen heeft Hekt hem aangeraden, dat hij den
-scheepsgezagvoerder heimelijk zou bevelen, hem voorbij Chennoe en naar
-Ethiopië te brengen, naar die vreeselijke mijnwerken, waarvan zij mij
-dikwijls verteld heeft. Want haar vader en haar broeder zijn daar zoo
-lang gemarteld tot zij dood waren."
-
-»Van allen die daarheen gingen is nooit iemand wedergekeerd," riep de
-prins. »Maar vertel verder!"
-
-»Ja, wat er nu kwam, dat kon ik maar half verstaan. Maar zij sprak van
-een drank, die waanzinnig maakt. O, wat heb ik al niet moeten zien en
-hooren! Ik zou liever levenslang op mijn plank willen liggen, maar dit
-alles is toch te afgrijselijk. Ik wou dat ik dood was!"
-
-De kleine begon bitter te weenen. Warda, die onder zijn verhaal al
-bleeker en bleeker was geworden, streelde hem liefderijk.
-
-»Dat is vreeselijk en ongehoord," riep Rameri echter. »Wie was dan toch
-die hofmeester? Hebt gij zijn naam niet verstaan? Kom wat tot u zelven,
-beste jongen, en houd op met weenen. Het is hier om eens menschen leven
-te doen. Wie was die schurk? Noemde hij zich niet? Bedenk u eens wel!"
-
-Scheraoe beet zich op de roode lippen, en deed al zijn best om tot
-bedaren te komen. Zijne tranen hielden op te vloeien en plotseling riep
-hij, terwijl hij in de borstopening van zijn versleten kleedje greep:
-»Wacht even, misschien zult gij hem wel herkennen. Ik heb hem
-nagemaakt."
-
-»Wat hebt gij?" vroeg de prins.
-
-»Wel, ik heb hem nagemaakt," vervolgde Scheraoe, en haalde voorzichtig
-eene in een lapje gewikkelde massa te voorschijn. »Ik kon zijn hoofd
-juist zeer scherp van terzijde zien, terwijl hij sprak, en mijne klei
-lag naast mij. Ik moet altijd boetseeren, als mijn hart zoo klopt, en
-ditmaal maakte ik haastig zijn gezicht na. Daar het portret niet slecht
-gelukt was, stak ik het bij mij, om het als Hekt de hielen zou lichten,
-aan mijn meester te toonen"[282]!
-
- [282] De portretten op de gedenkteekenen, en vooral de koppen
- in profiel, die in bas-relief zijn uitgebeiteld, zijn bijzonder
- scherp en karakteristiek gemodelleerd. In de onvoltooide zaal
- van het graf van Seti I te Biban el Moeloek worden teekeningen
- in omtrek gevonden, die nog heden ten dage de bewondering van
- onze kunstenaars wekken. In Lepsius' =Denkmäler aus Aegypten und
- Aethiopien=, is eene schoone verzameling van karakteristieke
- portretten der pharao's opgenomen.
-
-De kleine had, terwijl hij deze woorden sprak, met bevende vingers de
-lappen van het model afgenomen, dat hij thans aan Warda overhandigde.
-
-»Ani!" riep de prins. »Hij is 't en geen ander! Wie had het kunnen
-denken! Wat wil hij van Pentaoer? Wat heeft de priester hem in den weg
-gelegd?"
-
-Een oogenblik stond hij na te denken; toen sloeg hij zich met de hand
-voor het voorhoofd en riep in heftige beweging: »Ik gek! Kind, dat ik
-ben! -- Ja, zoo is 't, zoo is 't! Ik weet alles! Ani heeft aanzoek
-gedaan om de hand van Bent-Anat, en zij.... Ja, nu eerst, sedert ik
-u liefheb, Warda, begrijp ik wat er in haar omgaat. -- Weg met alle
-bedrog! Ik wil niet langer liegen. Ik hen geen edelknaap van Bent-Anat;
-ik ben haar broeder, koning Ramses' eigen zoon. -- Bedek uw aangezicht
-niet met uwe handen, Warda, want al had ik ook niet het kleinood uwer
-moeder gezien, al ware ik geen prins, maar Horus zelf, de zoon van Isis
-in eigen persoon, dan zou ik u toch moeten liefhebben en niet loslaten.
-Maar thans heb ik wat anders te doen dan met u te keuvelen. Thans zal ik
-u toonen dat ik een man ben. Thans is de vraag Pentaoer te redden.
-Vaarwel, Warda, blijf aan mij denken!"
-
-Hij wilde zich haastig verwijderen, doch Scheraoe hield hem bij zijn
-kleed vast en sprak schuchter: »Gij zegt dat gij een zoon van Ramses
-zijt. Nu, ook over dezen heeft de oude Hekt met hem gesproken. Zij
-vergeleek hem bij onzen ruienden sperwer."
-
-»Weldra zal hij de klauwen van den koningsadelaar gevoelen," riep de
-prins. »Nog eenmaal, vaarwel!"
-
-Hij reikte Warda de hand, en zij drukte hare brandende lippen erop. Doch
-hij trok de hand terug, kuste haar op het voorhoofd en ijlde heen.
-
-Sprakeloos en bleek zag het meisje hem achterna. Zij merkte op hoe hij
-een man voorbij vloog, en herkende in dezen haren vader. Dadelijk ging
-zij hem te gemoet. De soldaat kwam om van haar afscheid te nemen, want
-hij moest gevangenen wegbrengen.
-
-»Naar Chennoe?" vroeg Warda.
-
-»Neen, naar het noorden," antwoordde de roodbaard.
-
-Zijne dochter vertelde hem nu wat zij gehoord had, en vroeg of hij den
-priester, die haar leven gered had, helpen kon.
-
-»Ja, als ik geld had, als ik geld had!" prevelde Kaschta nadenkend.
-
-»Dat hebben wij!" riep Warda. Zij vertelde hem wat Nebsecht haar
-geschonken had en zeide: »Breng mij over den Nijl, en in twee uren hebt
-gij wat een mensch rijk kan maken[283].... Doch neen, ik kan mijne zieke
-grootmoeder toch niet alleen laten! Neem gijzelf den ring, en vergeet
-niet dat zij Pentaoer straffen, omdat hij het waagde mij in zijne
-bescherming te nemen."
-
- [283] Hier dient opgemerkt te worden, dat de vrouwen in Egypte
- over haar vermogen konden beschikken. Hierover kan men bijv.
- nazien den VIIden grooten papyrus in het Louvre te Parijs.
- Daarin toch sluiten de dochter van een schuldenaar en de zoon
- van een schuldeischer eene overeenkomst. Beiden behooren tot
- denzelfden kring waarin Warda leefde, want Arsiësis is de zoon
- van een Kolchyt in Thebe, en Asklepias, genaamd Senîmoethis, de
- vrouw of dienstmaagd van een lijkbezorger in dezelfde stad.
-
-»Dat zal ik wel in gedachte houden," zeide de soldaat. »Ik heb maar éen
-leven, en dat wil ik er gaarne aan wagen om het zijne te redden.
-Aanslagen kan ik niet verzinnen, maar iets weet ik toch, en wanneer mij
-dat gelukt, behoeft hij niet naar de goudmijnen te gaan. Ik laat mijne
-wijnkruik hier; geef mij een dronk water, want in de eerstvolgende uren
-heb ik een nuchter hoofd noodig."
-
-»Daar hebt gij het water, maar ik giet er toch een scheut wijn bij! Komt
-gij weder om mij bericht te brengen?"
-
-»Dat zal moeielijk gaan, want tegen middernacht breken wij op. Doch
-wanneer iemand u den ring terugbrengt, dan is mijn voornemen gelukt."
-
-Warda ging in de hut, gevolgd door haar vader, die afscheid nam van
-zijne zieke moeder en zijne dochter. Toen hij weer buiten kwam, zeide
-hij: »Gij kunt van de geschenken der prinses leven tot ik terugkom, en
-ik heb maar de helft noodig van het geschenk van den arts. -- Maar waar
-zijn uwe granaatbloemen?"
-
-»Die heb ik geplukt, en op een geliefkoosd plekje bewaard."
-
-»Wonderlijke wezens zijn die vrouwen toch!" prevelde de gebaarde man,
-kuste voorzichtig zijn kind op het voorhoofd, en keerde naar den Nijl
-terug, vanwaar hij gekomen was.
-
- * * * * *
-
-De prins was intusschen voortgesneld, en deed in de haven van de
-Nekropolis onderzoek -- want van daar voeren gewoonlijk de schepen met
-gevangenen in den nacht af -- waar het voor Chennoe bestemde vaartuig
-voor anker lag. Daarna liet hij zich den Nijl overzetten, en spoedde hij
-zich naar Bent-Anat. Hij vond haar en Nefert in buitengewone spanning,
-want de trouwe ceremoniemeester was door vrienden des konings in Ani's
-omgeving te weten gekomen, dat de stadhouder alle naar Syrië bestemde
-brieven, en daaronder ook die van Ramses' kinderen, in Thebe had
-opgehouden. Een kamerheer, die den koning geheel was toegedaan, had
-daarop, door den ceremoniemeester aangemoedigd, aan Bent-Anat nog een en
-ander medegedeeld, dat haar bijna niet langer kon doen twijfelen aan
-Ani's eerzuchtige plannen.
-
-Men had de prinses ook gebeden zich voor Nefert te wachten, wier moeder
-de vertrouwdste raadgeefster van den stadhouder was, doch Bent-Anat had
-bij deze mededeeling gelachen. Zij had terzelfder ure een bode tot Ani
-gezonden om hem mede te deelen, dat zij bereid was de bedevaart naar de
-Smaragden-Hathor te ondernemen, en zich in den tempel dezer godin te
-laten reinigen. Haar voornemen was vandaar boden naar haar vader te
-zenden, en hem, als hij het toestond, in het legerkamp te volgen. Zij
-had dit plan aan hare vriendin medegedeeld, en Nefert hield elken weg
-voor de beste, die haar nader zou brengen bij haar gemaal.
-
-Rameri werd haastig in alles ingewijd. Hij berichtte daarentegen op zijn
-beurt al wat hij vernomen had, en liet Bent-Anat vermoeden, dat hij het
-geheim van haar hart doorzag. Zoo waardig was zijne houding, zoo ernstig
-waren de woorden, die de anders zoo overmoedige wildzang sprak, dat
-Bent-Anat bij zichzelve dacht: het gevaar dat dit huis bedreigt, heeft
-dezen knaap opeens tot een man doen rijpen.
-
-Zij had dan ook niets tegen zijne beschikking in te brengen.
-Hijzelf wilde, alleen vergezeld door een enkel getrouw dienaar, na
-zonsondergang, met vlugge paarden naar Keft[284] rijden, en vandaar
-in aller ijl door de woestijn naar de Schelfzee, ten einde daar een
-Phoenicisch schip te huren en naar Alia[285] te zeilen. Vandaar wilde
-hij door het rotsgebergte van het Sinaïtisch schiereiland heen met
-versnelde marschen het Egyptisch leger en zijn vader trachten te
-bereiken, ten einde hem in kennis te stellen met Ani's misdadige
-plannen.
-
- [284] Koptos, het tegenwoordige Qeft aan den Nijl.
-
- [285] Bij het tegenwoordige Aqaba.
-
-Voorts werd aan Bent-Anat opgedragen, met behulp van den getrouwen
-ceremoniemeester Pentaoer te redden. Aan geld ontbrak het niet, want
-ook de schatmeester was haar toegedaan. Het kwam er nu maar op aan den
-scheepsgezagvoerder te bewegen in Chennoe te landen. Het lot van den
-dichter was in het ergste geval daar toch draaglijk. Te gelijker tijd
-zou een getrouwe bode met een schrijven naar den gouverneur van Chennoe
-worden gezonden, een bevel inhoudende, in naam van koning Ramses, om elk
-schip, dat bij nacht de stroomengte van Chennoe zou passeeren, aan te
-houden, alsmede om te beletten, dat de gevangenen, die tot den arbeid in
-de steengroeven van zijne stad waren veroordeeld, naar Ethiopië werden
-gesleept.
-
-Rameri nam afscheid van de vrouwen, en het gelukte hem Thebe onopgemerkt
-te verlaten.
-
-Bent-Anat lag biddend voor de beelden van hare Osirische moeder, van
-Hathor en de beschermgoden van haar huis, tot de ceremoniemeester
-terugkeerde en haar mededeelde, dat hij den gezagvoerder had overgehaald
-in Chennoe te landen, en voor Ani te verzwijgen, dat de geheele aanslag
-verraden was.
-
-De prinses haalde weder vrij adem, toen zij dit hoorde, want zij was
-besloten, wanneer de zending van haar trouwen dienaar mocht mislukken,
-naar de Nekropolis over te steken, te verbieden dat het schip zou
-afvaren, en in het uiterste geval het volk dat haar trouw was tegen Ani
-op te roepen.
-
-Den volgenden morgen liet vrouwe Katoeti aan de prinses verlof vragen,
-of zij haar dochter zou mogen spreken. Bent-Anat vertoonde zich echter
-niet aan de weduwe, wier poging, om namelijk haar kind van de reis met
-de koningsdochter terug te houden en weder in haar huis op te nemen,
-schipbreuk leed. De gekrenkte moeder was daarop verstoord en onrustig
-geworden, en ijlings naar Ani gegaan, teneinde hem te verzoeken Nefert
-met geweld terug te houden. Maar de stadhouder wilde alles vermijden wat
-opzien kon verwekken, en Bent-Anat laten vertrekken met een gevoel van
-volkomene gerustheid.
-
-»Wees niet bezorgd," zeide hij; »ik zal de vrouwen eene vertrouwde
-schare medegeven, die haar bij de Smaragden-Hathor zal terughouden, tot
-hier alles zijn beslag heeft gekregen. Dan moogt gij Nefert in de armen
-voeren van den ruwen Paäker, wanneer hij u als schoonzoon nog aangenaam
-zal zijn, na alles wat ik ten uitvoer zal hebben gebracht. Wat mij
-betreft, mogelijk beweeg ik ten slotte mijne trotsche nicht nog wel, in
-plaats van naar beneden, naar boven te zien. Ik zal haar tweede geliefde
-zijn, maar zij is ook niet mijne eerste!"
-
-De beiden vrouwen braken den volgenden dag op. Ani nam afscheid van haar
-met zijne gewone vriendelijkheid, die koel en vormelijk werd beantwoord.
-
-De priesterschap van den Amon-tempel te Thebe, met den ouden
-Bek-en-Choensoe aan het hoofd, deed haar tot aan de haven uitgeleide.
-Het volk aan den oever riep Bent-Anat's naam en sprak luide vele
-zegenwenschen uit. Doch er werden ook honende woorden gehoord.
-
-Het Nijlschip waarop zich de beide bedevaartgangsters bevonden, werd
-gevolgd door twee andere, beladen met soldaten, die de vrouwen moesten
-begeleiden »om haar te beschermen." De zuidenwind deed de zeilen zwellen
-en voerde het vaartuig snel stroomafwaarts. De prinses zag nu eens op
-naar het paleis harer vaderen, dan weder naar de graven en tempels van
-de Nekropolis. Eindelijk verdwenen ook de kolossen van Amenophis en de
-laatste huizen van Thebe uit het oog. De anders zoo sterke jonkvrouw
-zuchtte smartelijk, en tranen rolden haar langs de wangen. Het was haar
-alsof zij de vlucht nam na een verloren veldslag, hoewel niet moedeloos,
-maar hopende op eene toekomstige zege.
-
-Toen Bent-Anat zich omkeerde, om naar de kajuit te gaan, trad een
-gesluierd meisje haar te gemoet. Zij verwijderde het doek, dat haar
-aangezicht verborgen hield, en zeide: »Vergeef mij, prinses, ik ben
-Warda, die gij overreden hebt, en voor wie gij zoo goed zijt geweest.
-Mijne grootmoeder is gestorven, en ik ben nu geheel alleen. Ik sloop
-onder uwe dienstmaagden naar u toe, want ik wil u volgen en alles doen
-wat gij beveelt. Wijs mij nu niet terug!"
-
-»Blijf, lief kind," zeide de prinses, en bij deze woorden legde zij
-de hand op haar hoofd. Zij was getroffen over hare buitengewone
-lieftalligheid en dacht onwillekeurig aan haar broeder, en zijn wensch
-om Warda's glanzende haarvlechten met eene roos te tooien.
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-
-Twee maanden waren er sedert het vertrek van Bent-Anat uit Thebe en
-de gevangenneming van Pentaoer verloopen, toen een lange trein van
-lastdieren en menschen voorttrok door het dal, Ant-Baba geheeten, in het
-westelijk deel van het Sinaïtisch schiereiland[286].
-
- [286] Over het Schiereiland van den Sinaï, zijne geschiedenis en
- de heilige plaatsen die daar gevonden worden, heb ik uitvoerig
- gehandeld in mijn in 1872 verschenen werk: =Durch Gosen zum
- Sinai, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek=, Leipzig, W.
- Engelman. Het tooneel der gebeurtenissen, die hier geschilderd
- worden, heb ik zoo nauwkeurig mogelijk naar de werkelijkheid
- trachten te teekenen. Wie deze wonderbare eenzame bergstreek
- heeft doorreisd, kan die nooit vergeten. Het dal dat heden Baba
- wordt genoemd, heette in den tijd der pharao's evenzoo.
-
-Het was winter en toch schoot de middagzon brandende stralen, die door
-de naakte rotsen werden teruggekaatst.
-
-De trein werd geopend en ook gesloten door eene afdeeling Libysche
-soldaten. Elk hunner was met een dolk en een strijdbijl, met schild
-en lans gewapend, en gereed van die wapenen gebruik te maken, als het
-noodig was. Want deze krijgslieden geleidden een transport gevangenen
-uit de mafkatgroeven, die zij naar het strand van de Schelfzee hadden
-gebracht[287], om af te leveren wat uit de mijnen was gedolven, en om
-den uit Egypte aangekomen voorraad in ontvangst te nemen, die naar de
-magazijnen der bergwerken moest worden gevoerd.
-
- [287] De oude wegen, die van de mijnen naar zee voerden,
- schijnen uitgeloopen te hebben op de bocht, die nog heden Aboe
- Zelimeh heet, bij de kaap van gelijken naam.
-
-Gebogen onder hun last en hijgend stapten die ongelukkigen voort. Elke
-gevangene sleepte een koperen ketting mede, die aan zijne enkels was
-vastgesmeed. Hunne eenige kleeding bestond uit gescheurde lompen, die
-zij om de heupen hadden geslagen. Schier bezwijkend onder de vracht der
-zakken, staarden zij met strakke blikken naar den grond. Als de een of
-ander dreigde ineen te zijgen, werd hij weer opgewekt door de zweep van
-een der ruiters, die langs den trein op en neer reden. Voor velen was de
-keus blijkbaar niet gemakkelijk, of zij onder de vermoeienis dan onder
-de zweepslagen zouden bezwijken.
-
-Niemand, noch de gevangenen noch van die hen geleidden, sprak een enkel
-woord. Zelfs zij die geslagen werden schreeuwden niet, want hunne
-stemorganen waren als uitgedroogd, en in de harten hunner drijvers welde
-zoo min een gevoel van medelijden op, als er een kruidje groende op de
-rotsen aan den weg.
-
-De sombere schare bewoog zich voorwaarts alsof het zoovele schimmen
-waren, dàn alleen met het oor waar te nemen, wanneer een zacht gesteun
-aan de borst van een der gemartelden werd ontperst. De zandige weg
-maakte geen geluid, als de naakte voet van den wandelaar dien betrad. De
-bergen weigerden schaduw te geven. Het licht was hier eene plaag. Alles
-in het rond scheen onbezield, en toch den mensch vijandig. Wijd en zijd
-vertoonde zich op deze doodsche grauwe en bruine oppervlakte geen plant,
-geen worm. Zelfs geen vogel, die klapwiekend zich in de lucht verheft,
-lokte de bedrukten uit den blik eens omhoog te heffen.
-
-Daags te voren, op den middag, waren zij met hunne lading van de
-havenbocht opgebroken. Twee uren lang waren zij voortgetrokken langs den
-oever van de Schelfzee, met hare helder blauwgroene wateren[288]. Zij
-hadden eene vooruitspringende rots moeten overtrekken, om daarna door
-eene smalle vlakte te marcheeren. Bij den ingang van het dal, dat naar
-de groeve leidde, werd nachtkwartier gehouden. De aanvoerders en de
-soldaten ontstaken vuren, schaarden zich daarom en legden zich in de
-bocht van eene rots te slapen neder. De gevangenen strekten zich midden
-in het dal op den bodem uit, ongedekt, ofschoon de vorst hen deed
-verstijven, toen de bittere koude van den nacht plotseling de gloeiende
-hitte van den dag verving. De half bevrozenen begroetten waarlijk
-de drukkende ellende van den dagelijkschen arbeid weder als eene
-verlossing, hoewel zij weinige uren te voren naar de rust van den nacht
-hadden gesmacht.
-
- [288] De Roode zee, in 't Hebreeuwsch en in 't Koptisch de
- Schelfzee geheeten, heeft eene heerlijke blauw-groene kleur.
- Volgens de schrijvers der oudheid werd zij aldus genoemd, òf
- naar hare roode oevers, òf naar de Erythraeërs, "de Rooden," die
- rondom hare kusten woonden. In een oud opschrift heet zij Atoer
- set Descher, d. i. de wateren van het Roode land. Zie Ebers
- =Durch Gosen=, u.s.w. S. 518, Anm. 37.
-
-Alvorens men opbrak, werd onder de gevangenen linzenbrij en hard brood
-in overvloed uitgedeeld, maar het water werd hun toegemeten. Dan ging
-het weder verder door de bergengte, die al heeter en heeter werd, van
-het eene keteldal in het andere. In elk scheen het pad dood te loopen,
-maar overal werd een uitweg gevonden. Het pad liep onafgebroken door;
-het had geen einde, zoo min als de kwelling der ongelukkigen.
-
-Sommige reusachtige rotswanden zagen er uit, als waren zij uit
-vierkante, rechthoekig gehouwen steenblokken laagsgewijze opgestapeld.
-Doch er was maar éen onder de mijnwerkers, maar éen die een oog had voor
-deze wonderbare vormen te midden van zoovele andere, waar in de natuur
-zich openbaarde. De schouders van dien éenen schenen sterker te zijn dan
-die zijner lotgenooten, en zijn last drukte maar weinig.
-
-»In deze eenzame woestenij, die de menschen alle levensonderhoud
-weigert en hen van zich weert," dacht hij bij zichzelven, »hebben
-de Chnemoe[289], de werklieden die de aarde bouwden, zich de moeite
-bespaard de voegen aan te vullen en de vormen behoorlijk af te
-ronden. Hoe komt het toch, dat men dit gruwzaam oord, waarin ook
-de menschenharten zonder eenig gevoel van medelijden schijnen te
-versteenen, gewijd heeft aan de goedige Hathor[290]? Misschien wel omdat
-deze plek het meest behoefte heeft aan de gaven van de vriendelijke
-godin der liefde en der vreugde."
-
- [289] Zie Dl. I bl. 82.
-
- [290] Zie Dl. I bl. 8. De gedenkteekenen, die bij de beide
- voormalige steengroeven Wadi Maghara en Sarboet el Chadem op
- het Sinaïtisch schiereiland bewaard zijn gebleven, leeren, dat
- Hathor hier boven alle goden werd geëerd.
-
-»Blijf in het gelid, Hoeni!" riep een der drijvers op strengen toon.
-
-Hij die alzoo toegesproken werd, sloot zich dichter aan bij den man die
-naast hem liep, den zuchtenden arts Nebsecht.
-
-Wij kennen den sterken gevangene. Het is Pentaoer, die op de lijst der
-mijnwerkers onder den naam Hoeni voorkwam, en alzoo aangeroepen werd.
-
-De tocht ging verder. De rotsen werden steeds steiler. Op den weg,
-die onmerkbaar meer en meer klom, lagen groote hoopen roode en zwarte
-steenbrokken, zoo klein alsof de menschelijke hand ze had afgeslagen.
-Wederom opende zich een nieuw keteldal, maar ditmaal was er geen uitweg.
-
-»De last der ezels verlichten!" riep de aanvoerder van het transport
-den gevangenen toe. Daarop wendde hij zich tot de soldaten en beval
-hen, nadat zij de lastdieren hadden afgeladen, de mannen zwaarder te
-belasten. Onder de uiterste inspanning hunner krachten klouterden de
-arme lieden, die tot bezwijkens overladen waren, het bergpad op[291],
-dat nauwelijks te onderkennen was.
-
- [291] Tegenwoordig Naqb el Boeddrah. De Engelsche majoor
- Macdonald, die in de uitgegraven mijnen turkooizen liet delven,
- en eerst sedert eenige jaren gestorven is, heeft gezorgd, dat
- het oude bergpad werd hernieuwd.
-
-Pentaoer's voorman, een magere grijsaard, zonk ter halver hoogte onder
-zijn last ineen. Een drijver, die op het smalle pad de dragers niet
-voorbij kon loopen, wierp hem met steenen, om den oude te dwingen
-opnieuw al zijne krachten te verzamelen. De grijsaard schreeuwde van
-pijn. Pentaoer dacht aan den Paraschiet, die onder de slagen der
-woedende volksmenigte neerzonk, aan zijne worsteling en aan Bent-Anat.
-Met innig medelijden vervuld, en in het gevoel van zijne eigene gezonde
-kracht, was zijn besluit spoedig genomen. Hij tilde de zakken van 's
-grijsaards schouders, wierp hen op de zijne, en hielp den oude weer op
-de been. Menschen en dieren kwamen gelukkig ongedeerd over den berg
-heen.
-
-Pentaoer's slapen klopten geweldig. Hij hijgde naar adem en huiverde,
-toen hij van den hoogen bergpas neerzag in den bergketel beneden hem, en
-zijn oog liet gaan langs de hem omringende scherp getande rotspunten, de
-klippen en hoogten, hier wit en grauw of zwavelgeel, daar bloedig rood
-en akelig zwart gekleurd. Hij dacht aan het heilige meer van Moeth te
-Thebe[292], met de honderden beelden van de godin met den leeuwenkop,
-uit zwart bazalt gehouwen, op hunne postamenten. De klippen die dit dal
-omgaven namen dergelijke vormen aan, zij schenen zich te bewegen en den
-muil te openen. Het was hem of hij in het wild gesuis om zijne ooren
-haar gebrul hoorde, en de dubbele last, die ook voor zijne schouders te
-zwaar was, gaf hem het gevoel, als drukten zij hare handen tegen zijn
-borst.
-
- [292] Van dit meer heeft Karel Werner in zijne =Nilbildern=, in
- kleurendruk uitgegeven bij Seitz te Wansbeck, eene zeer getrouwe
- voorstelling gegeven.
-
-Eindelijk bereikte hij toch zijn doel. De andere gevangenen wierpen de
-zakken van hunne schouders en gingen rusten. Hij deed werktuigelijk
-hetzelfde. Zijn bloed kwam tot bedaren, de visioenen verdwenen, zijne
-oogen zagen, zijne ooren hoorden weder, en in zijne hersenen keerde de
-oude denkkracht terug. De grijsaard en de arts Nebsecht rustten naast
-hem uit.
-
-De oude man streelde de hooggezwollen aderen van zijn hals en bad den
-zegen aller goden over hem af. Doch de aanvoerder van de wachters sneed
-den grijsaard de gelegenheid af verder te spreken, daar hij, de rustende
-voorbij wandelende, riep: »Gij hebt kracht voor drie, Hoeni; wij zullen
-je in het vervolg zwaarder belasten!"
-
-»Hoe liefderijk verhooren toch uwe vriendelijke goden de vrome
-zegenwenschen," zeide de arts Nebsecht scherp, »en hoe weten zij eene
-goede daad te beloonen!"
-
-»Ik ben genoeg beloond," antwoordde Pentaoer, terwijl hij den grijsaard
-vriendelijk aanzag. »Maar gij eeuwige spotter, hoe gevoelt gij u? Gij
-ziet er zoo bleek uit."
-
-»Ik gevoel mij als een dier ezels daar," antwoordde de natuurvorscher.
-»Mijne knieën beven, evenals de hunne, en ik denk aan niets anders dan
-waaraan zij denken, en ik wensch niets meer of niets minder dan zij. Dat
-wil zeggen: ik wenschte dat wij in den stal lagen."
-
-»Nu, als gij nog denken kunt," zeide Pentaoer lachend, »dan ziet het er
-nog zoo kwaad niet uit."
-
-»Eéne wijze gedachte had ik ten minste, terwijl gij zooeven in de lucht
-tuurdet. Het verstand, zoo leeren de priesters, is een lichtende adem
-van den eeuwigen wereldgeest, en onze ziel is de vorm van het stuk
-materie, dat men mensch noemt. Ik zocht den geest eerst in het hart,
-vervolgens in de hersenen: maar nu weet ik dat zij in armen en beenen
-schuilt, want sedert ik deze lichaamsdeelen bovenmatig moet vermoeien,
-is het gedaan met het denken. Ik ben te lui om mij met verdere bewijzen
-in te laten, maar zal in het vervolg mijne beenen met meer achting
-behandelen."
-
-»Zijt gij beiden weer aan 't twisten? -- Op mannen!" riep de drijver.
-
-De vermoeide ongelukkigen stonden langzaam op, de dieren werden opnieuw
-beladen, en de beklagenswaardige troep zette zich weder in beweging, om
-tegen den avond bij de mafkat-groeven aan te komen.
-
-Het einddoel van den tocht der gevangenen was een breed dal, door twee
-hooge en rotsachtige berghellingen ingesloten. De Egyptenaren noemden
-die plaats Ta Mafka, de Hebreën Dophka[293]. De zuidelijke rotswand
-bestond uit donker graniet, de noordelijke, waarin de turkoois-mijnen
-werden gevonden, uit ronden zandsteen. In een dwarsdal op eenigen
-afstand lagen de metaalgroeven[294], waarin vooral koper werd gevonden.
-Midden in het dal verhief zich een heuvel[295], door een muur omgeven,
-waarop kleine van steen opgetrokken huisjes stonden voor de wachters,
-officieren en opzichters[296]. Volgens een oud voorschrift moesten zij
-van boven open zijn, doch daar vele arbeiders door den nachtvorst waren
-ziek geworden en gestorven, had men ze een weinig gedekt, met palmtakken
-uit de oase der Amalekieten in de nabijheid.
-
- [293] Numeri XXXIII, 13. Ebers, =Durch Gosen=, u. s. w. S. 140.
-
- [294] Palmer en Wilson hebben ze ontdekt, en wel in Wadi Oemm
- Themâïm. Gaarne verwijzen wij hier naar het zeer belangrijke
- werk van M. A. Palmer, =The desert of the Exodus=, Cambridge
- 1871.
-
- [295] Het tegenwoordige Wadi Maghara.
-
- [296] Er zijn nog eenige bouwvallen bewaard gebleven.
-
-De smeltovens bevonden zich op de uiterste toppen van den heuvel, die
-het meest aan den wind blootstonden. Daar stond ook de fabriek, waarin
-men het groene vloeispaath vervaardigde, dat onder den naam mafkat, dat
-is smaragd, in den handel werd gebracht. De echte edelsteen van dezen
-naam werd aan de westkust van de Schelfzee, verder naar het zuiden
-gevonden, en in Egypte hoog gewaardeerd.
-
-Onze vrienden behoorden reeds langer dan een maand onder de mijnwerkers
-van het mafkat-dal, en Pentaoer wist nog altijd niet, hoe hij, in plaats
-van in de zandsteen-groeven van Chennoe, hierheen en met Nebsecht samen
-was gekomen. Ongetwijfeld had Warda's vader deze verwisseling bewerkt,
-en de dichter kon niet anders gelooven, of de ruwe maar eerlijke soldaat
-had dit met de beste bedoelingen gedaan. Hij was nog altijd in zijne
-nabijheid, maar sedert zij van Thebe waren opgebroken, had hij nog maar
-een enkele maal gelegenheid gehad hem te naderen.
-
-Dadelijk, in den eersten nacht, was de zoon van den Paraschiet bij hem
-gekomen, en had hem in het oor gefluisterd: »Ik zal voor u zorgen!
-Gij zult den arts Nebsecht hier wedervinden. Doet alsof gij elkander
-vijandig zijt, indien gij niet wilt, dat men u van elkander zal
-scheiden."
-
-Pentaoer had zijn vriend den raad van den soldaat medegedeeld, en de
-arts volgde dien op zijne manier. Heimelijk schepte hij er behagen
-in, te zien, hoe de werkelijkheid thans Pentaoer's geloof aan eene
-rechtvaardige en liefderijke beschikking van 's menschen lotgevallen
-logenstrafte. Hoe zwaarder werkzaamheden hem en den dichter werden
-opgelegd, met des te meer verbittering, ja, met eene tot het uiterste
-gedrevene ironie viel de anders zoo vreedzame natuuronderzoeker, den
-laatste telkens aan.
-
-Nebsecht had Pentaoer lief, want deze bewaarde in zijne ziel de
-sleutels, die toegang verleenden tot eene schoonere wereld, helaas, voor
-het oog zijns geestes altijd gesloten. Toch viel het hem gemakkelijk,
-zoo vaak hij bemerkte dat men het oog op hem had, zijne rol te spelen en
-den dichter allerlei woorden naar het hoofd te werpen, die de drijvers
-voor onzinnig hielden en hun lachlust opwekten, omdat zij hun zoo
-zonderling in de ooren klonken, en zoo hortend en stootend over
-zijne stamelende lippen kwamen. »Afgeranseld omhulsel van goddelijk
-zelfbewustzijn;" »Op den bek geslagen advocaat der gerechtigheid;"
-»Goochelaar, die deze wereld, de slechtste die men zich bij
-mogelijkheid denken kan, op den kop zet, om te bewijzen dat zij de beste
-is;" »Bewonderaar van de schoone kleur zijner blauwe plekken!" zulke
-en dergelijke schimpwoorden, die alleen voor hemzelven en den gesmaden
-verstaanbaar waren, kon hij gedurig uitwerpen, onuitputtelijk in nieuwe
-combinatiën.
-
-Daardoor prikkelde hij Pentaoer tot antwoorden, die altijd doel troffen,
-niet zelden zeer puntig waren, en door oningewijden niet konden begrepen
-worden. Dikwijls gingen hunne smaadredenen in een formeel twistgesprek
-over. En dit had een dubbel nut. Vooreerst vond hun geest, aan ernstig
-denken gewoon, gelegenheid tot vrije beweging, ondanks den last van den
-dwangarbeid, die alle geestelijk leven dreigde te vermoorden. Ten andere
-hield men hen hierdoor werkelijk voor vijanden.
-
-Beiden sliepen in denzelfden hof, en wisten elkander daar nu en dan
-heimelijk te spreken. Overdag werkte Nebsecht in de turkoois-groeven,
-Pentaoer echter in de kopermijnen. De zwakkere arts was juist berekend
-voor het omzichtig uitbeitelen van het edelgesteente uit de rotslagen.
-Het verbrijzelen van den harden steen was eene bezigheid, die meer
-geschikt was voor Pentaoer's reuzenkracht. De drijvers beschouwden den
-geweldigen jongeling niet zelden met verbazing, wanneer hij met het
-houweel wild op het gesteente lossloeg.
-
-Niemand kon vermoeden welke beelden zich in zulke uren van woedenden
-arbeid voor de ziel des dichters plaatsten, welke vreeselijke en tevens
-verleidelijke tonen hij in zijn binnenste vernam. Gewoonlijk vertoonde
-Bent-Anat's gestalte zich voor zijne levendige verbeeldingskracht,
-omringd door een leger, dat hij meende te verslaan, man voor man,
-terwijl hij op de rotsen hamerde. Soms wierp hij te midden van zulk een
-arbeid het houweel weg en breidde hij zijne armen uit, maar om diep te
-steunen, en het zweet, dat van zijn voorhoofd gutste, met de hand weg te
-vegen.
-
-De opzichters wisten eigenlijk niet, waarvoor zij dezen sterken
-jongeling moesten houden, die soms zoo vriendelijk was als een kind,
-maar toch reeds onder den invloed bleek te komen van den demon, waarvan
-zoovele dwangarbeiders het slachtoffer werden[297].
-
- [297] Het schrikkelijk lot der Egyptische mijnwerkers wordt
- uitvoerig geschilderd in eene beroemde plaats van den rethor
- Agatharchides van Knidus, die men bij Diodorus (III, 12-14)
- vindt. Daar wordt echter niet gesproken van bovenstaande
- steengroeven, maar van de Ethiopische goudmijnen, waarvan reeds
- meermalen is gewag gemaakt, en die in de jaren 1832 en 1833,
- door Linant-Bassa en Bonomi, tusschen den Nijl en de Roode zee
- zijn weergevonden. De goudlagen in de kwartsrotsen van het
- Bischari-gebied zijn tegenwoordig geheel uitgeput.
-
-Hij was zichzelven een raadsel geworden, want vanwaar kwam in hem, den
-in den vrede van het Seti-huis opgevoeden tuinmanszoon, sedert het
-gebeurde van dien nacht voor de hut van den Paraschiet, dat altijddurend
-verlangen naar worsteling en strijd?
-
-De afgematte werklieden hadden zich ter ruste begeven; vóor het huis
-van den overste der bergwerkers brandde echter nog een helder vuur. De
-opzichters en onderbevelhebbers der soldaten waren in een kring er om
-neergehurkt.
-
-»Doe thans de bekers weg," zeide de overste, »want wij hebben ernstig
-raad te houden. Gisteren heb ik, op bevel van den stadhouder, de helft
-der manschappen van de wacht naar Pelusium moeten zenden. Hij heeft
-soldaten noodig. Maar wij zijn zoo zwak in aantal geworden, dat, als de
-veroordeelden het wisten, zij zelfs zonder wapenen ons te sterk zouden
-worden. Steenen liggen er hier beneden genoeg, en overdag hebben zij
-beitel[298] en hamer. Het ergst ziet het er uit bij de Hebreën in de
-kopermijn. Het is een zeer oproerig volk, dat men kort moet houden. Gij
-kent mij genoeg, om te weten dat ik waarlijk niet bang ben. Maar ik maak
-mij over iets bezorgd. Hier in dit vuur branden de laatste kolen, en de
-smeltovens en glasgieterijen mogen niet stilstaan. Morgen moeten er
-dus lieden naar Raphidim[299] worden uitgezonden, om kolen van de
-Amalekieten te eischen. Zij zijn ons nog honderd ladingen schuldig[300].
-Belast de gevangenen met wat koper, om ze te vermoeien en de bewoners
-der oase welwillend te stemmen. -- Wat zullen wij echter aanvangen om te
-verkrijgen wat wij noodig hebben, en de manschappen hier toch niet al te
-zeer te verzwakken?"
-
- [298] Deze beitels hadden den vorm van zwaluwstaarten.
-
- [299] De oase aan den voet van den berg Choreb, bij welke,
- volgens de bijbelsche overlevering, de uitgetrokken Israëlieten
- onder aanvoering van Jozua de Amalekieten overwonnen, terwijl
- Aäron en Hur de armen van den biddenden Mozes ondersteunden.
- Exodus XVII, 8, vv.
-
- [300] De Bedoeïnen op het Sinaïtisch Schiereiland branden thans
- nog vele kolen uit het hout van den Sejâl-boom (Acacia tortilis
- Hayne), en brengen ze naar Kaïro ter markt.
-
-Men overwoog nu eens dit, dan weder dat. Eindelijk werd besloten,
-dat dagelijks eene zeer kleine afdeeling, door weinige soldaten
-geëscorteerd, zou opmarcheeren, om zoo van den eenen dag op den anderen
-in behoefte aan kolen te voorzien. Men achtte het voorts geraden, dat de
-gevaarlijkste dezen vrachtdienst zouden verrichten, twee aan twee met
-ketens aan elkander geklonken.
-
-De overste gaf in bedenking, dat twee sterke mannen, aan elkander
-verbonden, dubbel gevaarlijk konden worden, wanneer zij eendrachtig
-handelden.
-
-»Zoo verbinde men een sterken met een zwakken," zeide de man die de
-rekening van de mijnen hield en dien men den schrijver der metalen
-noemde. »Smeed ook zooveel mogelijk de zoodanigen aaneen, die elkander
-vijandig zijn."
-
-»Hoeni bij voorbeeld, die zoo sterk is als een boom, aan den spottenden
-musch, den stotterenden Nebsecht," riep een onderbevelhebber.
-
-»Aan die twee dacht ik ook juist," zeide de schrijver lachend.
-
-Nog drie andere paren werden eerst al schertsend maar daarna met
-klimmenden ernst gekozen, en eindelijk ook Warda's vader onder de
-drijvers opgenomen.
-
-Den volgenden morgen smeedde men Nebsecht en Pentaoer met een koperen
-keten aan elkander vast. Toen de zon ter middaghoogte stond, braken vier
-paar gevangenen op, met zware baren koper belast, om door zes soldaten
-en den Paraschieten-zoon geleid, uit de oase der Amalekieten brandstof
-voor de smeltovens te halen.
-
-Bij de halt Aloes[301] hielden zij rust. Daarna trokken zij verder
-tusschen kale, steeds hooger oprijzende, grauwachtig groene en bruine
-rotswanden van porfier. Van tijd tot tijd konden zij den scherpen top
-van een reus in dit gebergte waarnemen, die hoog boven de lagere bergen
-uitstak. Doch daar zij gebukt gingen onder den zwaren last van het koper
-dat zij droegen, hadden zij weinig lust er acht op te slaan. De zon
-neigde reeds ten avond, toen zij het kleine heiligdom van de
-Smaragden-Hathor voorbijkwamen.
-
- [301] Numeri XXXIII, 13, 14.
-
-Hier vlogen eenige grijze en zwarte vogels klapwiekend hun te gemoet.
-Pentaoer zag met blijdschap naar hen op. Hoe lang had hij reeds het
-gezicht dezer dieren en het geluid hunner stem moeten missen!
-
-»Daar zijn vogels," sprak Nebsecht, »wij moeten dus in de nabijheid van
-water zijn."
-
-Daar stond werkelijk de eerste palmboom. Weldra hoorde men duidelijk
-het murmelen eener beek, en deze zachte tonen deden de gemoederen der
-woestijn-wandelaars even weldadig aan, als de regen het dorrende gras.
-
-Aan de linkerzijde van het water was, in een wijden kring, eene
-afdeeling Egyptische soldaten gelegerd, in wier midden zich drie groote
-tenten verhieven, van kostbare, blauw en rood gestreepte en met goud
-doorwerkte stoffen. Van de bewoners der tenten was niets te zien; toen
-de gevangenen er echter voorbij waren, en hunne drijvers de wachtposten
-hadden begroet, kwam hun een meisje te gemoet in het lange gewaad eener
-Egyptische, en beschouwde hen met opmerkzaamheid.
-
-Pentaoer ging van schrik achteruit, als ware er een geest voor hem
-opgerezen; maar Nebsecht kon niet nalaten een luiden kreet van
-verrassing te doen hooren, daarbij eene beweging met zijne handen
-makende.
-
-Op hetzelfde oogenblik zwaaide een drijver zijn zweep over de schouders
-der twee vrienden, hun lachend toeroepende: »Met je tongen mag je elkaar
-klappen toedienen, zoo veel je wilt, maar niet met je handen!"
-
-Daarop keerde de soldaat zich tot een zijner metgezellen, vragende:
-»Hebt ge dat mooie meisje daar bij de tent gezien?"
-
-»'t Geeft ons niet veel!" antwoordde de ander. »Zij behoort tot het
-gevolg der prinses, die reeds sedert drie weken den tempel van de
-Smaragden-Hathor bezoekt."
-
-»Zij moet zware misdaden begaan hebben," hernam de eerste spreker.
-»Behoorde zij tot ons gelijken, dan zou zij bij de groeven zand moeten
-spitten of kleurstoffen fijnstooten, en zeker niet hier in vergulde
-tenten wonen. -- Waar is de roodbaard?"
-
-Warda's vader was een weinig achter den trein gebleven, want het meisje
-had hem gewenkt en eenige woorden met hem gewisseld.
-
-»Hebt ge ook nog oogen voor de meisjes?" vroeg hem de jongste der
-drijvers, toen hij zich weder bij hen had gevoegd.
-
-»Zij is eene dienstmaagd der prinses," antwoordde Kaschta, niet zonder
-verlegenheid. »Wij zullen morgen van haar een brief aan den schrijver
-der metalen medenemen, en daarvoor wil zij ons wijn schenken, wanneer
-wij ons ten minste legeren in de nabijheid der tenten."
-
-»Zie me dien ouden roodbaard!" riep een der jongere drijvers. »Hij ruikt
-den wijn als een vos de ganzen. Laat ons hier rusten! Men weet bovendien
-nimmer, hoe men het met de Mentoe[302] heeft, en de overste heeft
-bevolen, dat wij buiten de oase ons nachtkwartier zullen houden. -- De
-zakken af, mannen! Hier is frisch water, en misschien vallen er nog wel
-wat dadels voor je af, en zoet Man[303] op het brood. Maar pas op dat je
-vrede onder elkaar houdt, gij kemphanen Hoeni en Nebsecht!"
-
- [302] De goden der onderwereld.
-
- [303] "Man" noemen heden de Bedoeïnen van het Sinaïtisch
- schiereiland de zoete uitzweeting van de tamarinde (tamarix
- mannifera), die in de wadis of dalen hunner woonplaats groeit.
- De uitzweeting heeft gewoonlijk plaats in Mei. Het 'man' kon
- echter bewaard worden. Niet ten onrechte wordt het gehouden voor
- hetzelfde als het manna waarvan in den bijbel wordt gesproken.
-
-Bent-Anat's reis naar de Smaragden-Hathor had lang geduurd. Zij was met
-die haar begeleidden tot Keft[304] den Nijl afgezakt. Vandaar waren
-zij in kleine dagmarschen de woestijn dwars doorgetrokken. Eindelijk
-aangekomen in de grootendeels door Phoeniciërs bewoonde havenstad aan de
-Schelfzee[305] hadden zij aldaar eene volle week moeten wachten op het
-schip, dat hen naar Pharon overbracht, een dorpje alleen door visschers
-bewoond. Vandaar trokken zij door het gebergte naar de oase, bij
-welker noordelijken toegang het heiligdom van de Smaragden-Hathor werd
-gevonden.
-
- [304] Zie boven bl. 371.
-
- [305] Het latere Berenice.
-
-De oude priesters, die met den dienst der godin belast waren, hadden de
-dochter van Ramses eerbiedig ontvangen. Door middel van het heldere en
-koele water der beek uit het gebergte, die de palmen der Amalekieten
-drenkte, door berookingen, vrome spreuken en ontelbare ceremoniën,
-hadden zij getracht aan de prinses hare reinheid terug te geven. Ten
-laatste verklaarde de godin zich bevredigd, en Bent-Anat wilde nu
-opbreken, ten einde noordwaarts naar haren vader te trekken. Doch de
-bevelhebber der soldaten, die haar geleide uitmaakten, een in den dienst
-vergrijsd Ethiopisch veldoverste, wiens zonen Ani tot hooge rangen had
-bevorderd, verklaarde den ceremoniemeester, dat hij bevel had de prinses
-zoolang in de oase terug te houden, tot de stadhouder haar zou toestaan
-te vertrekken. Bent-Anat hoopte nu op den bijstand haars vaders, die
-dagelijks kon verwacht worden, wanneer Rameri ten minste geen onheil was
-overkomen. Maar, te vergeefs!
-
-De vrouwen verkeerden inderdaad in een zeer pijnlijken toestand, want
-zij gevoelden, dat men haar in een hinderlaag had gelokt en dat zij
-gevangenen waren. Er kwam nog bij, dat de Ethiopische soldaten zich
-tegen de bewoners der oase vergrepen hadden. Dagelijks hadden er onder
-hunne oogen vechtpartijen plaats, waarbij in de laatste dagen zelfs
-bloed had gevloeid.
-
-Bent-Anat was krank naar de ziel. De beide machtige vleugels, die
-haar in staat hadden gesteld zich zoo hoog te verheffen boven al hare
-zusters, namelijk haar vorstelijke trots en hare opgeruimde helderheid
-van geest, schenen gebroken te zijn. Zij gevoelde dat zij eenmaal
-had liefgehad, om nimmer weder lief te hebben; dat zij, die
-geene luchtkasteelen had willen bouwen, maar alles gezocht in de
-werkelijkheid, ten slotte toch het beste deel van haar wezen had gewijd
-aan een droombeeld. Het beeld van Pentaoer stond haar nog altijd
-levendig voor den geest, en scheen steeds grootere en reinere vormen
-aan te nemen. Hijzelf was voor haar als gestorven. Er was nog maar een
-enkele brief uit Egypte tot haar gekomen, en deze had vrouwe Katoeti
-aan Nefert gericht, om haar mede te deelen, hoe nieuwe berichten hadden
-bevestigd, dat haar echtgenoot eene gevangene vorstendochter als zijn
-aandeel in den buit in zijne tent had genomen. Het schrijven van de
-weduwe hield verder in, dat de tot dwangarbeid veroordeelde dichter
-Pentaoer niet in de steengroeven van Chennoe was aangekomen, zoodat men
-allen grond had om te onderstellen, dat hij onderweg gestorven was.
-
-Nefert wankelde ook ditmaal geen oogenblik in de overtuiging, dat haar
-echtgenoot haar trouw was gebleven. Zij hield onveranderlijk vast aan
-het geloof in zijne liefde. De veerkracht harer natuur, die door een
-grooten en reinen hartstocht geheel werd beheerscht, en daarom meer
-harmonisch was ontwikkeld, bleek juist in deze bange en moeielijke
-dagen. Het scheen wel dat zij en Bent-Anat van rollen hadden verwisseld.
-Altijd vol hoop, verzekerde zij van den eenen dag op den anderen, dat
-er wel hulp van den koning zou opdagen. Daarbij vleide zij zich dan
-dat Mena, als hij van Rameri vernam dat zij bij Bent-Anat was, zelf zou
-komen om haar te halen, wanneer zijn dienst het ten minste toeliet. In
-uren van blijmoedige verwachting ging zij zelfs zoover, dat zij zich
-voorstelde hoe de bewoners van de tent verdeeld moesten worden: wie
-Bent-Anat gezelschap zou moeten houden, wanneer Mena haar bij zich in
-zijne legerplaats nam; in welk gedeelte van de oase hij het best zijne
-tenten zou opslaan; en zoo al verder.
-
-Warda, meende Nefert, kon gevoeglijk bij Bent-Anat haar plaats
-vervangen, want het meisje had zich op deze reis merkwaardig ontwikkeld.
-Zij droeg de deftige gewaden, die de prinses haar gaf, alsof zij nooit
-andere had gedragen. Zij wist met bescheidenheid te luisteren, zich ter
-rechter tijd te verwijderen, en aardig te praten, wanneer men met haar
-in gesprek trad. Daar was een reine zilvertoon in haar lachje, dat meer
-dan iets anders Bent-Anat kon vertroosten. Ook luisterden de vriendinnen
-gaarne naar hare gezangen, hoewel de weinige liederen, die het meisje
-kende, ernstig en zwaarmoedig waren. Zij had ze afgeluisterd van de oude
-Hekt, die dikwijls in 't donker op eene luit speelde. Toen de tooveres
-opmerkte, dat Warda hare melodieën nazong, wees zij haar op enkele
-gebreken, en gaf haar goede wenken. »Zij valt toch eens in mijne
-handen," dacht de heks, »en hoe beter zij zingen kan, des te duurder
-wordt zij betaald."
-
-Bent-Anat beproefde ook Warda onderwijs te geven, maar het viel de
-jeugdige leerlinge bijzonder zwaar te leeren lezen, hoeveel moeite zij
-zich ook gaf. Toch liet de prinses de lessen in de spelkunst niet varen.
-De werkeloosheid waartoe zij gedoemd was, hier aan den voet van dien
-majestueuzen heiligen berg, tot welks toppen zij dikwijls met huivering
-zoowel als met verlangen opzag, drukte haar des te zwaarder, naarmate er
-meer in hare ziel omging, dan zij zou wenschen te uiten. Warda kende de
-oorzaak van de smart harer meesteres, en zij had haar om zijnentwil lief
-als eene heilige. Dikwijls vertelde zij van Pentaoer en zijn vader al
-wat zij wist, en altijd zóo, dat de prinses niet vermoeden kon hoezeer
-zij was ingewijd in het geheim harer liefde.
-
-Toen de gevangenen voorbij Bent-Anat's tent werden gevoerd, zat zij
-met Nefert daar binnen, en sprak, zooals gewoonlijk in de schemering
-geschiedde, over haar vader en zijn wagenmenner Mena, over Rameri en
-Pentaoer.
-
-»Hij leeft nog," zeide Nefert, doelende op den dichter, »al schrijft
-mijne moeder ook, dat men niet zeker weet waar hij gebleven is. Wanneer
-hij ontkomen is, dan tracht hij ongetwijfeld het leger van den koning
-te bereiken, wanneer wij daar eens zijn, dan vindt ge hem zeker bij uw
-vader."
-
-De prinses staarde met een droef gelaat op den grond. Doch Nefert zag
-haar vriendelijk aan en vroeg: »Denkt gij misschien aan het onderscheid
-van stand, dat u scheidt van den uitverkorene uws harten?"
-
-»Wien ik mijne hand schenk," antwoordde Bent-Anat met vastheid, »dien
-maak ik tot een vorst. Doch al kon ik Pentaoer ook verheffen tot
-heerscher over de geheele wereld, zoo zou hij toch altijd meer zijn en
-beter dan ik."
-
-»Maar uw vader?" vroeg Nefert bescheiden.
-
-»Hij is mijn vriend; hij hoort en verstaat mij. Als ik bij hem ben, zal
-hij alles vernemen. Ik ken zijn vaderlijk en koninklijk hart."
-
-Beiden zwegen een geruimen tijd. Eindelijk zeide Bent-Anat: »Ik verzoek
-u licht te laten brengen, want ik wil mijn weefsel afmaken."
-
-De vrouw van Mena stond op. Buiten de deur van de tent kwam zij Warda
-tegen, die dadelijk haar hand greep en haar zwijgend met zich mede trok.
-
-»Wat hebt gij, meisje? Gij beeft," zeide Nefert.
-
-»Mijn vader is hier," antwoordde Warda gejaagd. »Hij bewaakt gevangenen
-uit de mafkat-groeven. Onder hen zijn twee aan elkander vastgeketende
-mannen. Een van dezen -- gij moet niet schrikken -- een van dezen is de
-dichter Pentaoer. -- Blijf! om den wil der goden, blijf, en hoor mij
-verder! Ik heb mijn vader reeds tweemaal gezien en met hem gesproken,
-toen hij met andere dwangarbeiders hierlangs kwam. Pentaoer moet heden
-bevrijd worden, maar Bent-Anat mag nog van niets weten; want wanneer
-mijn plan mislukt...."
-
-»Kind! Meisje!" viel Nefert haar met levendigheid in de rede. »Hoe kan
-ik u helpen?"
-
-»Beveel den hofmeester, dat hij aan den drijver der gevangenen, uit naam
-der prinses, een vollen lederen zak wijn moet brengen. Neem dan uit
-Bent-Anat's reis-apotheek[306] het fleschje, dat den drank tegen de
-slapeloosheid bevat, waarvan zij ondanks uw herhaald verzoek nooit iets
-wil nemen. Ik wacht hier buiten en zal er gebruik van weten te maken."
-
- [306] Zulk eene reis-apotheek, en wel eene die uit veel ouder
- tijd afkomstig is dan de eeuw van Ramses, wordt in het museum te
- Berlijn bewaard.
-
-Nefert vond den hofmeester dadelijk en beval hem Warda met een zak
-wijn te volgen. Daarna keerde zij tot de prinses terug en opende de
-reis-apotheek.
-
-»Wat zoekt gij?" vroeg Bent-Anat.
-
-»Een middel tegen hartkloppingen," antwoordde Nefert. Zij stak heimelijk
-het verlangde fleschje hij zich, dat eenige oogenblikken later in
-Warda's handen was overgegaan. Het meisje verzocht den hofmeester den
-zak te willen openen, en haar den wijn te laten proeven. Terwijl zij
-scheen te drinken, goot zij den slaapdrank in het druivensap, en liet
-vervolgens het geschenk van Bent-Anat aan de dorstige drijvers brengen.
-
-Toen dit bezorgd was, ging Warda naar de keukentent, waarvoor zij een
-jongen Amalekiet op den grond vond zitten, te midden van de dienaars der
-prinses. Hij sprong op, zoodra hij het meisje gewaar werd, en zeide:
-»Heden breng ik vier schoone patrijzen[307], die ik zelf heb geschoten,
-en voor u dezen fraaien turkoois, dien mijn broeder bij eene rots heeft
-gevonden[308]. Deze steen brengt geluk en is goed voor de oogen. Hij
-schenkt overwinning op vijanden en verdrijft booze droomen"[309].
-
- [307] Op den top van den Sinaï der monniken, die Gebel Katherin
- wordt genaamd, ontspringt een beekje, dat "ma'yan esch
- schoennâr" of patrijzenbron heet, en waarvan allerlei sagen in
- omloop zijn. God zou het bijv. voor de patrijzen hebben doen
- ontspringen, die de engelen waren gevolgd, toen deze het lichaam
- van de heilige Katharina van Alexandrië naar den Sinaï brachten.
-
- [308] De Serbal-turkooizen zijn schooner en houden beter kleur,
- dan die van Wadi Maghara.
-
- [309] Deze eigenschappen worden heden door de Arabieren aan de
- turkooizen toegeschreven.
-
-»Ik dank u," zeide Warda en vatte, terwijl zij den hemelsblauwen steen
-aannam, den jongeling bij de hand en trok hem met zich in het donker.
-
-»Hoor eens, Salich!" sprak zij zacht, zoodra zij zich ver genoeg van de
-anderen meende verwijderd te hebben. »Gij zijt een brave jongen, en
-de dienstmaagden hebben mij verteld, dat ge mij eene ster[310] hebt
-genoemd, die van den hemel op aarde was gevallen om eene vrouw te
-worden. Dat zegt men alleen van iemand, die men gaarne mag lijden.
-Dat ge mij genegen zijt en aan mij denkt, toont gij dagelijks, door
-de bloemen die ge mij brengt, als gij het wild, dat uw vader heeft
-geschoten, aan den hofmeester aflevert. Zeg mij nu eens: wilt ge mij en
-tevens de prinses een grooten dienst bewijzen? Ja? En gaarne?" -- »Ja!
-O, dat wist ik wel. Nu hoor dan. Een vriend van de verhevene vrouw
-Bent-Anat, die heden nacht hierheen zal komen, moet éen dag, misschien
-wel gedurende meerdere dagen, voor zijne vervolgers verborgen worden
-gehouden. Zou hij, of zouden zij, want het zijn er misschien twee, in
-het huis van uw vader, dat hoog boven aan den heiligen berg moet liggen,
-een onderkomen en bescherming kunnen vinden?"
-
- [310] De bewoners van het schiereiland van den Sinaï waren in
- den oudsten tijd Cabiërs, d.i. zij vereerden de hemellichten.
- Dit verkondigen ons de door Beer ontcijferde Nabatheïsche
- opschriften, waarvan de oudste schrijvers zich "dienaars,"
- "vereerders" of "priesters" noemen van de "zon," de "maan,"
- "Baäl," enz. De zonnegod heette bij hen Doesaris. De oudste van
- deze opschriften behooren eerst tot de tweede eeuw v. Chr.
-
-»Wien ik mijn vader breng," zeide de jongeling, »is hem welkom, en
-wij verdedigen eerst onze gasten en dan ons zelven. -- Waar zijn die
-vreemdelingen?"
-
-»Zij zullen binnen weinige uren komen. Wilt gij hier wachten tot de maan
-hoog aan den hemel staat?"
-
-»Totdat de laatste van al de duizende manen, die achter de bergen
-verdwijnen, ondergaat."
-
-»Goed dan. Wacht aan gene zijde van de beek, en breng hen naar uw huis,
-die u driemaal mijn naam noemen. Gij weet toch hoe ik heet?"
-
-»Ik noem u de zilverster, maar zij noemen u met den naam Warda."
-
-»Juist! Gij brengt de vreemdelingen naar uwe hut, en wanneer zij daar
-door uw vader zijn opgenomen, komt gij terug om het mij mede te deelen.
-Ik houd hier aan de deur van de tent de wacht. Het spijt mij dat ik arm
-ben en het u niet vergelden kan, maar de prinses zal uw vader vorstelijk
-weten te beloonen. Wees waakzaam, Salich."
-
-Het meisje verdween en begaf zich naar de drijvers der gevangenen,
-wenschte hen even een genotvollen avond en ijlde daarna naar Bent-Anat
-terug, die haar met bezorgdheid over de volle lokken streek, en vroeg
-waarom zij toch zoo bleek zag. »Ga wat liggen," zeide de prinses
-vriendelijk. »Gij hebt de koorts. Zie maar, Nefert, men kan de beweging
-van het bloed zien in de blauwe aderen op haar voorhoofd!"
-
-Intusschen waren de drijvers aan het drinken. Zij prezen den
-koninklijken wijn en dezen gelukkigen dag. Toen Warda's vader voorsloeg
-ook de gevangenen een slokje te laten proeven, riep een zijner gezellen:
-»Komaan dan, het arme vee mag zich ook wel eens vroolijk maken."
-
-De roodbaard vulde een grooten beker en reikte dezen het eerst aan een
-falsaris, die met den man die hem had aangegeven was saamgeklonken.
-Daarop naderde hij Pentaoer en fluisterde hem in het oor: »Drink niet,
-maar blijf wakker!" Toen hij ook naar den arts wilde gaan om dezen te
-waarschuwen, kwam een zijner gezellen hem voor en riep, terwijl hij
-Nebsecht den beker toestak: »Daar roerdomp, drink ook eens! -- Kijk eens
-hoe hij slurpt! Thans kan zich zijn stotterend mondwerk vlug genoeg
-bewegen."
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-
-Nadat de drinkende soldaten een uur in uitgelaten vroolijkheid hadden
-doorgebracht, begonnen zij zich al meer en meer vermoeid te gevoelen.
-De maan stond nog niet hoog aan den hemel, toen allen reeds waren
-ingeslapen, behalve Kaschta en Pentaoer. De eerste stond voorzichtig op,
-luisterde naar de ademhaling van elk zijner gezellen, naderde daarop den
-dichter, ontsloot de ringen, waarmede de ketting aan zijne en Nebsecht's
-enkels bevestigd was, hoewel hij te vergeefs beproefde den arts te
-wekken.
-
-»Volg mij," riep hij den dichter toe, nam Nebsecht op zijne schouders en
-haastte zich naar de plek aan de beek, die Warda hem had uitgeduid.
-
-Zoodra hij driemaal den naam zijner dochter had genoemd, kwam de jonge
-Amalekiet te voorschijn. »Volg dezen," riep de soldaat den dichter toe,
-»voor den arts zal ik wel zorgen." »Hem laat ik niet achter!" zeide
-Pentaoer beslissend. »Mogelijk kan het water hem wakker maken."
-
-Zij dompelden Nebsecht in de beek, die zoowat half ontwaakte en door
-zijne begeleiders, nu eens ondersteund dan weder gedragen, langs het
-ruwe rotspad wankelend en struikelend naar boven werd gebracht, zoodat
-zij met hem voor middernacht aan het doel hunner wandeling, de hut van
-den Amalekiet, aanlandden.
-
-De oude jager sliep reeds, maar zijn zoon wekte hem, en deelde hem mede
-wat Warda hem gezegd en beloofd had. Doch de brave bergbewoner behoefde
-door geen uitzicht op belooning tot gastvrijheid opgewekt te worden. Hij
-ontving den dichter met trouwhartige vriendelijkheid, legde den arts,
-die weder vast was ingeslapen, op eene mat neder, en spreidde Pentaoer
-een leger van loof en dierenvellen. Hij riep zijne dochter, liet hem de
-voeten wasschen, en toen hij de lompen zag die zijn lichaam bedekten,
-gaf hij hem zijn eigen feestkleed.
-
-Pentaoer vlijde zich op dit eenvoudig rustbed neder, dat hem zachter
-voorkwam dan het zijden bed eener koningin. Toch kon hij den slaap
-niet vatten. De afwisselende aandoeningen, die zijn hart vervulden,
-overmeesterden en verwarden zijn verstand. De sterren stonden nog aan
-den hemel, toen hij van zijn leger opsprong en, nadat hij den arts
-daarop had nedergelegd, naar buiten snelde.
-
-Naast de woning van den jager ontsprong eene frissche bron. Hij ging
-daarheen en dompelde zijn gezicht in het ijskoude water. Daarna liet
-hij het een en andermaal over zijn gansche lichaam stroomen. Het kwam
-hem voor, dat hij zich tot in het diepst zijner ziel moest reinigen,
-niet enkel van het stof van zoovele weken, maar ook van spijt en
-moedeloosheid, van smaad en bitterheid, van elke aanraking met al wat
-laag en gemeen is. Toen hij eindelijk de bron verliet en naar de hut
-terugkeerde, gevoelde hij zich zoo rein als aan den morgen van een
-feestdag in het Seti-huis, wanneer hij zich gebaad en frissche kleederen
-van sneeuwwit linnen aangetrokken had. Hij greep nu naar het feestkleed
-van den jager, trok het aan en ging toen weder verder onder den blooten
-hemel.
-
-Voor hem verhieven zich ontzaglijke rotsgevaarten als zwarte
-onweerswolken, en daarboven welfde zich de donkerblauwe hemel, waaraan
-duizenden sterren vonkelden. Het zalig gevoel van vrijheid en reinheid
-verhief zijne ziel, en de lucht die hij inademde was zoo frisch en fijn,
-dat hij, als door vleugels of onzichtbare handen gedragen, langs het
-steile pad naar de donkere massa van bergtoppen opklom.
-
-Hij ontmoette een steenbok, die schuw voor hem uit den weg ging. Het
-beest beklauterde vluchtend met zijn wijfje een steilen rotswand. Hij
-riep het echter toe: »Ik zal u niets doen, ik niet."
-
-Toen hij op een klein plateau, aan den voet van een veeltandigen
-graniettop, was aangekomen, bleef hij stilstaan. Wederom hoorde hij eene
-bron in zijne nabijheid murmelen. Het gras, dat door zijne voeten werd
-betreden, was vochtig en met eene dunne glinsterende ijslaag bedekt,
-waarin de sterren zich spiegelden, die gaandeweg begonnen te verbleeken.
-Hij zag op naar de nimmer rustende en toch eeuwig stilstaande
-hemellichten. Hij liet zijn blik dwalen langs de toppen der bergen, in
-de diepte en de oneindige verte.
-
-Langzamerhand kwam er licht in de duisternis. Het verdwijnen van den
-nacht bracht teekening in de donkere massa. Al duidelijker traden de
-vormen van het gebergte te voorschijn met zijne schemerende toppen,
-omgeven door lichte wolkjes, gelijk aan den rook van een smeulend vuur.
-Uit de oase en de andere dalen aan zijne voeten stegen grijze dampen
-op. Eerst hingen zij zwaar en in groote massa neder, daarna verdeelden
-zij zich en zweefden als spelende wolkjes tot hem en den helderen hemel
-op.
-
-Laag beneden hem dreef een groote adelaar op zijne wieken, het eenig
-levend wezen, dat zijn oog in den ganschen omtrek bespeurde. De geheele
-natuur rondom hem bewaarde een plechtig stilzwijgen, dat door geen
-geluid werd gestoord. En toen de adelaar neerstreek en uit zijn oog
-verdween, toen de nevelen al lager schenen te zinken, zeide hij tot
-zichzelven, dat hij hier alleen stond, hoog verheven boven al het
-geschapene; dat hij de godheid nabij was.
-
-Eene diepe ademtocht bewoog zijne borst. Hij gevoelde zich gestemd als
-in de ure, die op zijne wijding was gevolgd, toen hij voor het eerst in
-het allerheiligste was geleid. Maar het was toch nog iets geheel anders.
-In plaats van zware wierookgeuren, ademde hij thans eene reine en fijne
-lucht in, en machtiger dan weleer het gezang der priesters, greep hem
-hier de indrukwekkende stilte van dit gebergte in de ziel. Het kwam hem
-voor dat de godheid thans zelfs het geringste stamelen van zijne lippen
-moest vernemen. En toch was zijn hart zoo vervuld van eerbied en
-dankbaarheid, dat het hem drong in een luid gezang uitdrukking te geven
-aan al de verhevene aandoeningen die hem overweldigden. Maar zijn mond
-verstomde, en zwijgend knielde hij neder om te bidden en te danken.
-
-Eerbiedig zag hij rondom zich heen. Waar was hier het oosten, dat in
-Egypte door eene lange heuvelreeks zoo duidelijk was aangewezen? Ja,
-daar ginds, waar thans boven de oase de hemel. begon op te klaren. Aan
-zijne rechterhand lag het zuiden, het heilige land van den Nijl en van
-de goden der watervallen. Doch hier golfde geen waterstroom; en waar was
-hier een plekje voor de zichtbare werkzaamheid van Osiris en Isis, en
-voor den uit eene lotusbloem te midden van het dichte papyrus-riet
-opwassende Horus, of voor de zegenende godinnen Rennoet en Zefa[311]!
-Tot welke van al de godheden kon hij hier de handen opheffen?
-
- [311] De godinnen van den oogst en van de voedingsmiddelen.
- Rennoet is meestal gekenmerkt door de Uraeus-slang die, het
- menschelijk hoofd vervangt. Met den naam van Zefa wordt in de
- teksten een overvloed van voedsel aangeduid. Vert.
-
-Er verhief zich een zachte luchtstroom; de nevelen losten zich op,
-gelijk rustelooze schaduwen voor het woord van den bezweerder. De kroon
-van den heiligen berg Sinaï met zijne vele inzinkingen vertoonde zich
-aan zijn oog in scherpe omtrekken, en beneden hem kwamen de kronkelingen
-der dalen en verder de donkerkleurige, zachtbewogen oppervlakte der
-zee steeds duidelijker te voorschijn. Alles bleef stil. Zonder door
-eene menschelijke hand te zijn aangeraakt, was alles zoo wonderbaar
-samengevoegd tot een groot en heerlijk geheel. Maar was alles niet aan
-de wetten van het Al onderworpen, alles niet vol van de godheid?
-
-Hij wilde zijne handen dankbaar opheffen tot Apheroe[312], den wijzer
-der wegen; maar hij gevoelde zich daartoe niet in staat. De goden, wier
-lof hij zoo dikwijls aan het volk had verkondigd in bezielende woorden,
-en die toch alleen aan de boorden van den Nijl beteekenis, een
-vaderland, een gebied voor hunne heerschappij bezaten, schenen hem nu
-zoo oneindig klein toe.
-
- [312] Apheroe is wegwijzer, een vorm van Anubis, door den
- jakhals vertegenwoordigd. Hij werd meer bijzonder in de stad en
- den nomos Chesschent of Lycopolis in Opper-Egypte vereerd.
- Vert.
-
-»Tot u," prevelde hij, »bid ik niet! Hier, waar mijn blik als die eener
-godheid het oneindige omvat, hier voel ik den Eenen, hier is hij mij
-nabij, hier roep ik hem aan, hier wil ik hem danken!"
-
-En wederom verhief hij zijne handen en bad overluid: »Gij Eenige! -- Gij
-Eenige! -- Gij Eenige!"
-
-Meer kon hij niet uitbrengen, maar een verheven lof- en danklied
-vervulde zijn borst, terwijl hij deze woorden uitsprak.
-
-Toen hij eindelijk oprees, zag hij een man naast zich staan van hooge
-gestalte, met doordringde oogen. Zijn uiterlijk was vol waardigheid als
-dat eens konings, ofschoon hij een eenvoudig herderskleed droeg.
-
-»Heil u!" zeide de onbekende, op diepen en plechtigen toon. »Gij zoekt
-den waren god."
-
-Pentaoer sloeg een onderzoekenden blik op den zwaar gebaarden man. »Nu
-herken ik u," zeide hij ten laatste. »Gij zijt Mesoe[313]. Ik was nog
-maar een knaap, toen gij het Seti-huis verliet, maar uwe trekken bleven
-onuitwischbaar in mijne ziel geprent. Even als u, heeft Ameni ook mij
-ingewijd in de leer van den Eenen."
-
- [313] De Egyptische naam van Mozes.
-
-»Hij kent hem niet," antwoordde de andere, nadenkend, en zag naar den
-oostelijken gezichteinder, die reeds helderder begon te lichten.
-
-Daar kleurde zich den hemel purperrood en de toppen van den met een
-ijssluier omhangen granietberg begonnen te vonkelen en stralen te
-schieten, zooals een donkere diamant, die de zonnestralen heeft
-ingedronken. De zon werd zichtbaar, en Pentaoer keerde zijn aangezicht
-naar het groote hemellicht, om te bidden zooals hij gewoon was.
-
-Toen hij weder opstond, knielde ook Mesoe neder, maar hij keerde zich
-van de zon af.
-
-Na zijn gebed voleindigd te hebben, vroeg Pentaoer hem: »Waarom hebt
-gij u afgewend van de verschijning van den zonnegod? Ons werd toch
-geleerd hem tegen te zien als hij nadert." »Omdat ik," antwoordde zijn
-metgezel ernstig, »tot een ander bid dan gij. De zon en alle gesternten
-zijn in zijne hand, wat de ballen zijn voor spelende kinderen. De aarde
-is de voetbank zijner voeten, de stormwind is zijn adem, en de zee is in
-zijne oogen het drupje gelijk, dat aan dit grasscheutje hangt."
-
-»Leer mij dien machtige kennen, tot wien gij bidt," zeide Pentaoer.
-
-»Zoek hem!" hernam de ander, »en gij zult hem vinden, want gij komt uit
-de school van het lijden en de beproeving. Op deze plaats, op een morgen
-als dezen, heeft hij zich aan mij geopenbaard."
-
-De vreemdeling keerde zich om, en weldra verdween hij achter eene rots
-voor het oog van den dichter, die nadenkend in de verte staarde.
-
-Vervuld van allerlei gedachten, daalde Pentaoer af naar het dal en
-naderde de hut van den jager. Weldra bleef hij stilstaan, want hij
-hoorde menschelijke stemmen. Doch rotsen hielden de naderenden voor zijn
-oog verborgen. Eindelijk verschenen de zoon van zijn gastvriend, een man
-in Egyptische kleeding, eene vrouw van hooge gestalte, naast welke een
-meisje vlug voortliep, en nog eene andere vrouw, die door slaven in een
-draagstoel werd gedragen. Pentaoer ontroerde, want hij herkende
-Bent-Anat en die haar vergezelden. Zij verdwenen echter weder bij het
-jagershuis.
-
-Diep ademhalend bleef Pentaoer staan, als ware hij aan den rotswand
-genageld. Zoo stond hij lang, zeer lang, zonder zich te verroeren. Hij
-hoorde niet dat zachte schreden hem naderden en zich weder verwijderden;
-hij voelde niet dat de zon hem en den porfierwand achter hem, met
-gloeiende stralen bescheen; hij merkte de vrouw niet op, die hem
-langzaam te gemoet kwam. Doch evenals een doove, die opeens het gehoor
-terug ontvangt, zoo schrikte hij op, toen hij zijn naam hoorde noemen,
-en -- van welke lippen!
-
-»Pentaoer!" riep Bent-Anat andermaal. De dichter opende zijne armen; de
-dochter des konings zonk aan zijne borst, en hij trok haar tot zich, als
-wilde hij haar vasthouden en levenslang niet meer loslaten.
-
- * * * * *
-
-Intusschen rustten zij, die de prinses begeleidden, voor de hut van den
-jager uit.
-
-»Zij vloog hem om den hals; ja dat heb ik gezien," zeide Warda. »Ik zal
-het nooit vergeten! Het was alsof de blinkende zee daarginds zich had
-opgericht en den heiligen berg omhelsd!"
-
-»Kind! Hoe komt ge toch aan zulke gedachten?" vroeg Nefert.
-
-»Uit het hart, diep uit het hart!" zeide Warda. »Ik ben zoo
-onuitsprekelijk gelukkig!"
-
-»Gij hebt hem gered en zijne weldaad vergolden. Ik begrijp dat u dit
-reden tot blijdschap geeft."
-
-»Dat is het niet alleen," zeide Warda. »Ik vreesde reeds den moed te
-zullen verliezen, maar nu zie ik toch weder, dat de goden rechtvaardig
-zijn en goed."
-
-De vrouw van Mena knikte haar toe en zuchtte: »Deze twee zijn gelukkig!"
-
-»En zij verdienen het te zijn," hernam het meisje. »Als Bent-Anat stel
-ik mij de godin der waarheid voor, en er is geen ander man in Egypte aan
-Pentaoer gelijk."
-
-Nefert zweeg een poos; toen vroeg zij zacht: »Hebt gij Mena ook gezien?"
-
-»Hoe zou ik?" antwoordde Warda. »Wacht maar, ook uw tijd zal komen.
-Ik geloof, dat ik heden als eene profetes een blik in de toekomst kan
-slaan! Maar laten wij gaan zien of de arts Nebsecht nog altijd ligt te
-slapen. De drank dien ik in den wijnzak heb uitgegoten, moet wel sterk
-zijn."
-
-»Dat is hij," hernam Nefert, en volgde het meisje in de hut.
-
-Daar lag de arts nog altijd op zijn leger en sliep met wijd-geopenden
-mond.
-
-Warda knielde bij hem neder, zag hem in het aangezicht en zeide: »Hij is
-zoo verstandig en weet alles, toch ziet hij er nu zoo onnoozel uit! Ik
-zal hem wekken."
-
-Zij trok een grashalm uit het stroo, en zeer ondeugend begon zij
-daarmede zijn neus te streelen.
-
-Nebsecht hief het hoofd even op, niesde en sliep weder in. Warda
-schaterde het uit van lachen met haar zilver stemmetje. Daarna bloosde
-zij en zeide: »Dat was toch verkeerd van mij. Hij is zoo goed en
-grootmoedig!"
-
-Nauwelijks had zij dit gezegd, of zij greep de hand van den slapende,
-bracht die aan hare lippen, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Nu
-ontwaakte hij. Hij sloeg de oogen op, en prevelde, nog half droomend:
-»Warda, lieve Warda!"
-
-Het meisje stond op en vloog weg, gevolgd door Nefert.
-
-Toen Nebsecht weder op zijne voeten stond en rondzag, bevond hij zich
-alleen in de vreemde jagershut. Hij ging naar buiten, waar hij het
-gevolg van Bent-Anat aantrof, dat niet zonder bezorgdheid de dingen
-besprak, die gebeurd en die nog te verwachten waren.
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-
-Eeuwen geleden hadden de bewoners der oase zich reeds aan de pharao's
-onderworpen, en betaalden zij hun schatting. Daarvoor was hun als een
-voorrecht toegestaan, dat geen Egyptisch soldaat zonder hun verlof hun
-grondgebied mocht betreden. De Ethiopiërs hadden Bent-Anat's tenten en
-hunne eigene legerplaats dan ook opgeslagen buiten de eigenlijke oase.
-Het kwam echter weldra tot allerlei vechtpartijen tusschen de soldaten,
-die met hun tijd geen weg wisten, en de Amalekieten. Die twisten liepen
-nu en dan bloedig af, en kregen een zeer ernstig aanzien, toen op
-zekeren avond eenige dronken soldaten Amalekietische meisjes bij het
-waterputten overvielen.
-
-Heden morgen vroeg had een der drijvers, toen hij wakker geworden was,
-Pentaoer en Nebsecht gemist. Hij had hierop zijne kameraden, waaronder
-Warda's vader zijne plaats weder had ingenomen, dadelijk gewekt. De
-bewakers der dwangarbeiders snelden woedend over het gebeurde naar den
-bevelhebber der Ethiopiërs. Zij deelden hem mede, dat twee gevangenen
-ontkomen waren, en dat het wel niet anders kon, of ze werden door de
-Amalekieten verborgen gehouden. Deze beantwoordden den eisch om de
-vluchtelingen, waarvan zij trouwens niets wisten, uit te leveren met
-spottende woorden. De hoofdman werd hierdoor zoo verbitterd, dat hij
-besloot de oase met geweld te doorzoeken, ja werkelijk rukte hij, nadat
-men zijn bode had gehoond, met de grootste helft zijner manschappen de
-vrijplaats der Amalekieten binnen.
-
-De zonen der woestijn waren te wapen gevlogen. Zij weken terug voor
-de gesloten gelederen der Egyptenaars, die, zich zeker wanende van de
-overwinning, hen vervolgden tot aan de plaats, waar het dal wijder
-wordt, en zich om een rotsheuvel[314] heenbuigt. Hierachter stond de
-hoofdmacht der Amelekieten verborgen, die, zoodra de Ethiopiërs zonder
-eenig kwaad vermoeden den heuvel voorbij gemarcheerd waren, opeens voor
-den dag kwamen en hen in den rug vielen. Tegelijk keerden de vervolgden
-zich om, en schoten hunne pijlen en wierpen hunne lansen op de in
-verwarring gebrachte soldaten, van welke er maar weinigen ontkwamen.
-Onder deze laatsten was ook de hoofdman, die licht gewond en razend van
-woede zich aan het hoofd stelde van de afdeeling, die tot bewaking van
-Bent-Anat was achtergebleven. Hij beval de drijvers der gevangenen hem
-insgelijks te volgen en drong opnieuw de oase binnen.
-
- [314] De tegenwoordige heuvel Meharret, met de ruïne der kerk
- van het bisdom Pharan.
-
-Aan de mogelijkheid dat de prinses zou kunnen ontvluchten, dacht
-hij niet. Nauwelijks had zij echter den laatsten harer wachters zien
-verdwijnen, of de ceremoniemeester en allen die haar begeleidden
-verklaarden, dat nu het tijdstip gekomen was om te vluchten. Het
-dienstbaar personeel was de koningsdochter geheel toegedaan. De lieden
-belastten zich met hetgeen men voor dagelijksch gebruik het meest noodig
-had, namen draagstoelen en lastdieren mede, en terwijl het gevecht in de
-oase woedde, voerde de jonge Salich hen naar de hoogten van Sinaï en
-de woning zijns vaders. Onderweg bereidde Warda de prinses voor op de
-ontmoeting, die haar bij den jager wachtte. Wij weten reeds hoe
-Bent-Anat den dichter vond.
-
-Beiden wandelden hand in hand langs het bergpad, tot zij gekomen waren
-aan een schaduwrijk plekje, bij eene vooruitspringende rots. Pentaoer
-belegde die met mos, zij zetten zich daarop naast elkander neder,
-openden voor elkander hunne harten en vertelden de geschiedenis van
-hunne liefde en hun lijden, van hunne omzwervingen en hunne redding.
-
-Toen de dochter van den jager tegen den middag voorbijkwam met eene kan
-vol geitenmelk, en hun aanbood hiervan te drinken, vulde Bent-Anat een
-en andermaal de schaal van eene kalebas voor den geliefde. Haar hart
-gevoelde zich trotsch, toen zij hem zoo bediende, en het zijne werd
-vervuld met den ootmoedigen wensch, dat hij zijn bloed, ja zijn leven
-voor haar mocht kunnen geven.
-
-Aanvankelijk hadden zij, verdiept in het verledene en genietende van
-het tegenwoordige, weinig aan de toekomst gedacht. Terwijl zij elkander
-honderdmaal herhaalden wat ze sedert lang wisten, en toch nimmer genoeg
-konden hooren, vergaten zij het onmiddellijk gevaar, waarin zij nog
-verkeerden. Na het eenvoudig maal kwam de golfslag van 's dichters
-ziel, die sedert zijn morgengebed zoo hoog ging, langzamerhand tot
-bedaren. Had hij tot dusverre gemeend te kunnen vliegen, nu voelde hij
-dat zijn voet nog de aarde drukte. Bedaard begon hij met Bent-Anat te
-overleggen, wat hun in de naaste toekomst te doen stond. In ernstig
-gesprek, dat veel had van eene beraadslaging, en waarbij de zalige
-vreugde die uit hunne oogen straalde weinig paste, daalden zij hand in
-hand naar de hut van hun gastvriend af.
-
-Halverwege kwam de jager hun reeds tegemoet, geleid door zijne dochter.
-Naast hen ging een deftig man, in de volle wapenrusting van het hoofd
-der Amalekieten, die de oase bewoonden. Beiden bogen zich en kusten den
-grond voor de voeten van Bent-Anat en Pentaoer.
-
-Zij zeiden vervolgens vernomen te hebben, dat de prinses door de
-Ethiopische troepen met geweld in de oase werd teruggehouden. Nadat de
-vorst der woestijn, Abocharabos[315], aan Pentaoer, dien hij voor een
-zoon des konings hield, en Bent-Anat de verzekering had gegeven, dat hij
-en de zijnen den pharao Ramses, die hunne rechten steeds geëerbiedigd
-had, geheel waren toegedaan, verhaalde hij niet zonder trots, dat de
-Ethiopiërs, op enkelen na, die door hem gevangen werden gehouden, allen
-door zijne manschappen waren neergeschoten.
-
- [315] Deze naam is echt, want volgens Procopius schonk de
- hoofdman der Saracenen Abocharabos, het palmbosch midden op het
- schiereiland van den Sinaï aan Justinianus. De handschriften
- hebben Abocharagos; dit werd echter, ongetwijfeld met recht,
- door Tuch in Abocharabos veranderd.
-
-»Zij zijn gewoon," zeide hij, »tegen de zwarte hondsche lafaards van
-Koesch te vechten. Maar wij zijn mannen en weten ons te verweren, als
-de leeuwen in onze dalen. Moeten wij voor de overmacht wijken, dan
-weten wij ons als de steenbok in de rotskloven van het gebergte te
-verschuilen."
-
-Bent-Anat, wien de vreemde man met zijne bliksemende oogen en zijn
-adelaarsneus, terwijl zijne bruine wangen nog de sporen droegen van een
-zwaardhouw, wel beviel, beloofde hem, dat zij hem en de zijnen bij haar
-vader zou aanbevelen. Zij sprak den wensch uit, zich onder leiding
-van Pentaoer, haar verloofde, zoo spoedig mogelijk naar het leger des
-konings te begeven.
-
-Het opperhoofd had Bent-Anat, terwijl zij sprak, en Pentaoer met zijne
-oogen goed opgenomen, en zeide nu: »Gij, koningsdochter, gelijkt de
-maan, en uw metgezel den zonnegod Doesaris[316]. Behalve Abocharabos,"
-en hij sloeg op zijne borst, »en zijne vrouw, ken ik geen paar menschen
-gelijk aan u beiden. Tot Hebron zal ikzelf u geleiden met eenige van
-mijne beste krijgslieden. Maar er is haast bij het werk, want ik moet
-terug zijn, eer de verraderlijke man, die thans over Mitzraïm[317]
-gebied voert en die u vervolgde, nieuwe troepen tegen u uitzendt. Trekt
-nu naar beneden. Geen hoen wordt bij uw tenten gemist! Morgen breken wij
-op, eer de dag aanlicht."
-
- [316] Doesares of Dysares, Grieksche vorm van de Nabatheïsche
- godheid Dhû-l-shará, den god van den berg Seïr, door de
- Grieksche schrijvers met Dionysos vergeleken. Zie boven bl. 388.
- Vert.
-
- [317] De Semitische naam voor Egypte.
-
-Bij de jagershut begroette Pentaoer het gevolg der prinses. De
-ceremoniemeester kon hem niet zonder schroom aanzien. De koning had hem
-wel toen hij opbrak bevolen, Bent-Anat in alles te gehoorzamen, als ware
-zij de koningin zelve, maar zulk eene keus van een toekomstig gemaal was
-ongehoord. Hoe zou Ramses dat alles opnemen?
-
-Nefert verheugde zich over de edele gestalte van den dichter, en gaf
-telkens de verzekering, dat hij als een jongere broeder geleek op haar
-gestorven oom, den vader van den gids Paäker.
-
-Warda werd niet moede hem en de prinses in stilte te beschouwen. Zij zag
-hem niet meer aan voor een hooger wezen, maar het schoone paar vertoonde
-zich aan haar als een tastbaar gelukkig voorteeken van Nefert's en
-mogelijk ook van hare eigene liefde.
-
-De arts Nebsecht hield zich op een behoorlijken afstand. De hoofdpijn,
-die hem lang geplaagd had, was door de frissche berglucht voorbijgegaan.
-Toen Pentaoer hem de hand drukte, zeide hij: »Nu is er een einde gekomen
-aan ons lustig schelden! Het gaat toch zonderling toe met den loop van
-'s menschen levenslot! Van nu aan trek ik altijd in den strijd met u aan
-het kortste einde, want de groote orchestmeester, tot wien gij bidt,
-heeft de disharmonieën in uw leven werkelijk heel aardig opgelost."
-
-»Het klinkt waarlijk als deed u dit leed; maar ook voor u zal alles ten
-beste keeren."
-
-»Dat betwijfel ik," antwoordde de arts, »want ik zie nu duidelijk, dat
-ieder mensch een instrument op zichzelf is, uit goed of slecht hout,
-bruikbaar of onbruikbaar, reeds voor zijne geboorte zoo gemaakt in een
-geheimzinnige werkplaats. Zeker iets, ik weet niet hoe ik het noemen
-zal, speelt er rondom hem, en naarmate dat het instrument gemaakt is,
-klinkt het goed of kwaad. Gij zijt een windharp. Hoe lieflijk klinkt
-het, wanneer de adem van het lot u in beweging brengt! Maar ik ben een
-windwijzer, en tracht altijd juist aan te duiden uit welken hoek de
-wind waait, maar daarbij knars ik, dat u en anderen de ooren er van
-zeer doen. Ik ben al tevreden, wanneer het aan dezen of genen schipper
-gelukken mag, naar mijne aanwijzing het zeil goed te richten. Maar in
-den grond is mij dit ook onverschillig! Ik wil draaien zonder mij van de
-wijs te laten brengen; of anderen het opmerken of niet, wat doet het er
-toe?"
-
- * * * * *
-
-Toen Pentaoer met Bent-Anat en haar gevolg afscheid namen van den jager,
-wien de koningsdochter rijkelijk met geschenken had overladen, ging de
-zon reeds ter ruste. De getande kroon van den Sinaï baadde in een gloed,
-als bestond zij enkel uit robijnen, waarachter een brandend gedeelte van
-het aardrijk lag te smeulen.
-
-Den volgenden morgen brak men op voor de reis naar het leger des
-konings. Abocharabos, het Amalekieten-hoofd, begeleidde de karavaan,
-waartoe nu ook Warda's vader behoorde. Hij was door de bewoners der oase
-gevangen genomen, maar op verzoek der prinses in vrijheid gesteld. Bij
-het eerste halt moest Kaschta vertellen, hoe het hem gelukt was Pentaoer
-in plaats van naar de steengroeven van Chennoe naar de bergwerken van
-het Sinaïtisch schiereiland te doen brengen.
-
-»Ik wist," zoo begon de soldaat op zijne eenvoudige manier, »door Warda,
-waarheen deze man gebracht moest worden, die zijn leven voor ons, arme
-schepsels, in de waagschaal had gesteld; en ik zeide tot mijzelven, dat
-ik hem redden moest. Maar denken is mijne zaak niet, en ik kon nooit
-plannen maken. Het zou dan ook gekomen zijn tot eene of andere daad van
-geweld, die waarschijnlijk slecht ware afgeloopen, wanneer een ander mij
-niet op een denkbeeld had gebracht, nog voordat Warda mij vertelde welk
-gevaar Pentaoer bedreigde.
-
-»De zaak heeft zich aldus toegedragen. Ik zou de mannen, die veroordeeld
-waren tot den dwangarbeid in de mafkat-groeven over den Nijl leiden,
-naar de plaats waar het schip in de Nekropolis zou afvaren. Die arme
-schelmen mogen hunne betrekkingen aan de haven van Thebe aan de
-overzijde vaarwel zeggen. Honderdmaal heb ik dat aangezien, maar ik kon
-er nooit aan wennen, ofschoon men toch anders voor zooveel onverschillig
-wordt. Dat luid gejammer, dat wild gehuil is nog het ergste niet. De
-ondervinding heeft mij geleerd, dat zij die het hardst schreeuwen, zich
-het eerst in hun lot weten te schikken. Maar hen grijpt de ellende het
-meest aan die er doodsbleek uitzien, wier lippen wit worden, wier kin
-beeft alsof het vroor, wier droge oogen strak in de ruimte staren. Er
-was toen ook weer veel naarheid te zien en te hooren. Het meest had ik
-te doen met een man, dien ik sedert lang kende. Hoeni heet hij, en hij
-behoorde bij den tempel van Amon, waar hij opzichter was van hen, die
-den heiligen ram moeten verplegen. Ik had hem dikwijls ontmoet, als ik
-de arbeiders bewaakte, die de groote zuilenzaal moesten voltooien. Hij
-was bij iedereen geacht, en vervulde onberispelijk zijn plicht. Doch
-eens verzuimde hij dien. Het was juist in den nacht, gij zult het u
-nog herinneren, toen de wolven in den tempel doorbraken en den ram
-verscheurden en het heilige hart in de borst van den profeet Roeï werd
-overgebracht. Eén moest er voor boeten, en dit trof den ongelukkigen
-Hoeni, die voor zijne nalatigheid werd veroordeeld tot dwangarbeid in de
-mafkat-groeven. Zijne opvolgers zullen nu wel oppassen.
-
-»Er was niemand die Hoeni uitgeleide deed. Toch wist ik dat hij eene
-vrouw had en vele kinderen. Hij zag zoo bleek als dit doek, en was een
-dergenen wien de smart het hart verteert. Ik ging naar hem toe, en vroeg
-waarom de zijnen niet kwamen? Hij had in zijn huis afscheid genomen, gaf
-hij mij ten antwoord, want zijne kinderen mochten hem niet zien onder
-moordenaars en falsarissen. Acht onverzorgde schapen waren bij de moeder
-te huis, en nog kort geleden had een brand al wat zij bezaten vernield.
-Er was geen kruimel in huis, om zoovele van honger gapende monden te
-voeden. Dat vertelde hij mij niet zoo geregeld, neen, het eene woord
-viel hem zoo na het andere uit den mond, gelijk dadels uit een
-gescheurden zak. Ik moest ze stuk voor stuk oprapen, en toen hij zag dat
-ik medelijden met hem gevoelde, toen brak hij los en zeide: 'Mij kunnen
-ze voor mijn part naar de goudmijnen sturen, of in stukken hakken; maar
-dat mijne kinderen nu honger moeten lijden, dat.... dat!' Daarbij sloeg
-hij zich tegen het voorhoofd. --
-
-»Ik ging heen om Warda vaarwel te zeggen, en op weg tot haar herhaalde
-ik gedurig: 'dat, dat!' Daarbij zag ik den man vóor mij en die acht
-schapen van kinderen. Als ik rijk was, dacht ik, zou ik dezen helpen! Ik
-kom bij mijn dochtertje, zij vertelt mij van al het geld, dat de arts
-Nebsecht haar geschonken had en stelt mij voor Pentaoer te redden. Daar
-komt ineens de gedachte bij mij op: het geld krijgen de kinderen van
-Hoeni, en hijzelf laat zich daarvoor naar Ethiopië sleepen. Ik loop naar
-de haven, spreek met den man, vind hem volgaarne bereid, geef het geld
-aan de vrouw, en in den nacht bij de inscheping gelukt het mij de
-verwisseling te doen plaats hebben. Pentaoer kwam bij mij op mijn schip
-onder den naam van den ander, en Hoeni voer naar het zuiden onder den
-naam van Pentaoer. Ik had den man niet verzwegen, dat hij niet naar
-Chennoe, maar naar de goudmijnen zou worden gevoerd. Niets valt zwaarder
-dan iemand te bedriegen, dien men het gemakkelijkst bedriegen kan. Dat
-gebeurt dan ook zelden. Men heeft er pleizier in een sluwen of een
-sterken beet te nemen, maar wie kan een kind of een zieke misleiden?
-Trouwens, Hoeni zou toen vanzelf in een der vuurpotten van de hel zijn
-afgedaald, zonder te klagen. Hij heeft dan ook vol goeden moed van mij
-afscheid genomen.
-
-»Het overige, en hoe wij hierheen gekomen zijn, weet gij zelve. -- In
-Syrië zult gij in dit jaargetijde veel van den regen te lijden hebben.
-Ik ken het land, want ik heb vandaar vele krijgsgevangenen naar Egypte
-gebracht. Ik ben daar vijf jaren geweest onder de afdeeling van den
-grooten Mohar, den vader van den gids Paäker."
-
-Bent-Anat dankte den braven man. Hierop zetten Pentaoer en Nebsecht zijn
-verhaal voort.
-
-»Gedurende de vaart," zeide de arts, »was ik zeer bezorgd voor Pentaoer,
-want ik zag dat hij innerlijk verkwijnde. Maar in de woestijn kwam hij
-weder bij, en als wij halt hielden fluisterde hij mij dikwijls schoone
-liederen in het oor, die hij op marsch had gedicht."
-
-»Vreemd!" voegde Bent-Anat er bij. »Ook ik heb mij beter gevoeld, sedert
-ik in de woestijn was."
-
-»Zeg ons het versje toch eens op van de beytherân-plant"[318], verzocht
-Nebsecht.
-
- [318] De bussaran- of bederan- of beytherân-struik (Cantolina
- fragrantissima Forsk) is een aromatisch kruid der woestijn, dat
- in groote menigte voorkomt, zoodat het soms den bodem als thijm
- bedekt. Zie Ebers, =Durch Gosen= u.s.w., S. 129, 206, 224.
- Vert.
-
-»Kent gij dat kruid?" vroeg de dichter aan de prinses. »Het groeit hier
-op vele plaatsen. -- Daar is het! Ruik maar hoe het geurt, wanneer men
-den vetten stengel op de blaadjes wrijft. Mijn versje is zeer eenvoudig.
-Het viel mij in, na vele andere liederen, waarvan gij de beste reeds
-kent."
-
-»Zij prezen alle dezelfde godin," zeide Nebsecht lachend.
-
-»Maar uw versje?" vroeg Bent-Anat.
-
-De dichter sprak zacht:
-
- "Vaak zag ik 't needrig plantje beytherân
- Rijk bloeiend in het dor woestijnzand staan;
- Geen vezeltje, geen blad dat zich onthult
- Of 't spreidt dien zoeten geur die 't gansch vervult,
- Hoe kan in d'armen bodem der woestijn
- Een plant zoo rijk aan zulke gaven zijn?
- En hoe ontwaakt het lang ontslapen lied
- In 't aaklig oord waar slechts de dood gebiedt?"
-
-»Schrijft gij aan de woestijn niet toe, wat gij aan de liefde
-verschuldigd zijt?" vroeg Nefert.
-
-»Ik heb beiden te danken. Maar ik moet bekennen, dat de woestijn een
-uitnemende arts is voor eene kranke ziel. Uit de eindelooze eentonigheid
-rondom ons, trekken wij ons geheel terug in ons binnenste. De zinnen
-rusten; ongestoord en zonder inwerking van buiten is het ons hier
-gegeven elke gedachte tot het laatste uit te spinnen, elk gevoel na te
-sporen tot in zijne fijnste ontleding. In de steden is ieder altijd maar
-een deel van een groot geheel, waarvan hij afhankelijk is, waaraan
-hij geeft en waarvan hij terugontvangt. De eenzame wandelaar door
-de woestijn is echter geheel aan zichzelven overgelaten. Nagenoeg
-afgezonderd van elken grooten kring van menschen, moet hij zich met zijn
-eigen ik tevreden stellen, en daarin zoeken wat inhoud en kleur kan
-geven aan zijn bestaan. Hier, waar het tegenwoordige bescheiden op den
-achtergrond treedt, vindt ook de denkende geest, die zich gaarne in het
-oneindige verliest, geene grenzen."
-
-»Ja, in de woestijn kan men goed denken," bevestigde Nebsecht. »Hier is
-mij duidelijk geworden, wat ik in Egypte slechts vermoedde."
-
-»En dat is?" vroeg Pentaoer.
-
-»Vooreerst," antwoordde de arts, »dat ik en wij allen inderdaad niets
-goeds weten. Vervolgens, dat de ezel de roos wel mag liefhebben, maar de
-roos niet den ezel. Het derde moet ik voor mij zelven houden, want dat
-is juist mijn geheim, en ofschoon het ook alle menschen aangaat, niemand
-bekommert zich daarom. Ceremoniemeester, hoe komt dat toch? Gij weet
-precies hoe diep de menschen zich naar hun stand voor de prinses
-te buigen hebben, en gij vermoedt niet hoe zoo'n ruggegraat is
-samengesteld!"
-
-»Wat zou mij dat ook geven?" antwoordde de andere met eene wedervraag.
-»Ik heb alleen op het uitwendige te letten, terwijl gij zeker dag en
-nacht het inwendige beschouwt. Anders zou uw haar wel gladder en uw
-kleed minder morsig zijn."
-
- * * * * *
-
-Het reisgezelschap kwam zonder buitengewone wederwaardigheden bij de
-oude stad der Chetieten, Hebron, nam daar afscheid van Abocharabos en de
-zijnen, en trok nu verder naar het noorden, onder het zeker geleide van
-Egyptische troepen.
-
-Hier nam Pentaoer van de prinses afscheid, en Bent-Anat zeide hem zonder
-eene klacht vaarwel. Warda's vader, die in den dienst van den ouderen
-Mohar alle wegen en paden in Syrië nauwkeurig had leeren kennen,
-begeleidde den dichter, terwijl de arts Nebsecht bij de vrouwen
-terugbleef. Hun goed gesternte scheen met het vertrek van Pentaoer te
-zijn ondergegaan, want in het Samaritaansch gebergte vielen hevige
-regens, die de wegen bijna onbruikbaar maakten, de tenten doornat deden
-worden en hen dikwijls dwongen tot een minder wenschelijk oponthoud. In
-Megiddo[319] werden zij door den bevelhebber der Egyptische bezetting
-met hooge eer ontvangen, en zij waren gedwongen hier langer te
-vertoeven, want Nefert, die met bijzonderen ijver tot spoed had
-aangedrongen, was ziek geworden, en de arts Nebsecht moest haar
-verbieden in dit jaargetijde verder te reizen.
-
- [319] Egyptisch Maketha. Eene stad in Palestina, die
- herhaaldelijk op de monumenten voorkomt. Zij had reeds lang
- voor hare vernieuwing door Salomo (I Koningen IX, 15) eene
- belangrijke strategische beteekenis. De groote veroveraars onder
- de 18e dynastie (16e eeuw v. Chr.) moesten haar reeds belegeren
- en innemen.
-
-Warda werd bleek en stiller. Bent-Anat zag met bezorgdheid van dag tot
-dag het teeder rood van de wangen van hare schoone lieveling verdwijnen;
-wanneer zij echter vroeg wat er aan scheelde, kreeg zij een ontwijkend
-antwoord. Het meisje had geene enkele maal in tegenwoordigheid der
-prinses Rameri's naam genoemd, en ook haar kleinood niet getoond. Zij
-toch meende dat alles wat er tusschen haar en den prins was voorgevallen
-een geheim was, dat haar niet alleen toebehoorde. Er was ook nog iets
-anders dat haar den mond sloot. Zij was met hartstochtelijke liefde aan
-Bent-Anat gehecht, en zij beeldde zich in dat de prinses, als zij haar
-alles vertelde, haar broeder zou berispen of ten minste om hare neiging
-lachen zou als over een kinderspel. Als dat eens gebeurde, begreep zij
-de zuster van Rameri niet langer te kunnen lief hebben.
-
-Reeds bij het eerste grensstation was een bode te paard naar het leger
-des konings gezonden, met de vraag welken weg de prinses en haar geleide
-van Megiddo zouden moeten inslaan. Deze keerde nu met een korten en
-beslissenden, maar teederen brief terug, door den pharao met eigene
-hand geschreven, waarin hij zijne dochter beval Megiddo, de veilige
-voorraadschuur van het leger, de goed versterkte plaats, die door een
-groot garnizoen werd verdedigd en de toegangen tot het noorden en midden
-van Palestina van de zeezijde beheerschte, niet te verlaten. Meer dan
-een veldslag, schreef hij, zou er thans moeten geleverd worden, en zij
-wist dat de Egyptenaars hunne vrouwen en dochters van krijgstochten
-uitsloten, om haar des te zekerder te bewaren voor den vrede, als het
-heerlijkst loon na den zege.
-
-Terwijl de vrouwen te Megiddo toefden, trok Pentaoer met Kaschta en eene
-kleine bereden bende, die de bevelhebber van Hebron hem had medegegeven,
-verder naar het noorden. Hijzelf zat deftig te paard, hoewel het op
-deze reis de eerste keer was dat hij er een besteeg. Het was alsof
-de rijkunst hem was aangeboren. Zoodra hij van de andere ruiters de
-handgrepen had afgezien, en hij zich vertrouwd had gemaakt met de natuur
-van het paard, was het zijn hoogste genot een vurig ros te temmen en te
-berijden. Hij had zijn priesterkleed in Egypte gelaten. Hier droeg hij
-een wapenrok, een zwaard en een strijdbijl, als een volmaakt krijgsman,
-en de volle baard, die zich gedurende zijne gevangenschap had
-ontwikkeld, hing nu neder op zijne borst.
-
-Warda's vader zag hem dikwijls verwonderd aan en zeide dan: »Men zou
-haast denken dat de Osiris geworden Mohar, met wien ik meer dan eens
-langs dezen weg ben getrokken, uit de dooden is opgestaan. Evenals gij
-zag hij er uit en sprak hij, evenzoo riep hij de manschappen toe, zóo
-zat hij te paard en hield hij de teugels, als de weg al te slecht was
-voor zijn wagen"[320].
-
- [320] De Mohars bedienden zich op reis van wagens. Dit blijkt
- duidelijk uit den papyrus-Anastasi I, waarin de bezwaren
- levendig geschilderd worden, die het beroep van een door Syrië
- reizenden Mohar medebrachten.
-
-Geen van alle lieden, die Pentaoer onder zijn bevel had, was hem meer
-dan een huurling, behalve de roodbaard. Daarom reed hij den trein het
-liefst vooruit, altijd denkende aan hetgeen achter hem lag, zelden aan
-hetgeen hem wachtte, en in den regel alles, wat zich op den weg aan hem
-voordeed, met een geopend oog waarnemende.
-
-Weldra had hij den Libanon bereikt. Tusschen dit gebergte en den
-Antilibanon voert een weg door Coele-Sirië[321]. Hij verblijdde zich met
-eigene oogen de met heldere sneeuw bedekte, wijd en zijd in den omtrek
-schitterende bergtoppen te zien, waarvan de krijgslieden zoo gaarne
-vertelden. Het land tusschen beide hooge bergketenen was vruchtbaar en
-rijk gezegend. Ruischende stortbeken en wilde stroomen spoedden zich van
-beide berghellingen naar het dal. Pentaoer kwam langs dezen weg vele
-dorpen en steden voorbij, maar de meesten hadden door den krijg geleden.
-De trekossen der boeren, de kudden der herders waren weggedreven, en
-wanneer een wijngaardenier, die zijn wijnstok opbond, den naderenden
-hoefslag vernam, dan vluchtte hij in de bergkloven en bosschen.
-
- [321] Koile Syria, het holle Syrië. Vert.
-
-Overal vertoonden zich de sporen van ploeg en spade, maar thans lagen
-de meeste velden braak, want de jongere boeren stonden onder de wapenen.
-Tuinen en weiden waren door de soldaten vertreden, huizen en hutten
-uitgeplunderd, vernield of verbrand. Alles droeg de sporen van den
-verwoestenden krijg, alleen de eiken- en cederwouden verhieven zich
-trotsch en ongedeerd langs de hellingen der bergen. Men zag er geheele
-bosschen van platanen en Sint-Jansbrood-boomen, en in de engten en
-spleten van het weinig ontwikkelde kalkgebergte, dat het vruchtbare
-laagland begrensde, wies altijd groenend struikgewas.
-
-In dit jaargetijde was er geen gebrek aan water en zag alles er even
-frisch en saprijk uit. Pentaoer vergeleek dit land daarom met Egypte,
-en merkte op hoe hier andere krachten werkzaam waren, die dezelfde
-uitwerkingen hadden. Hij dacht aan den morgen op den Sinaï, en zeide
-weder tot zichzelven: »Hier werken andere dan onze goden, en de oude
-meesters hadden geen onrecht, die de vreemdelingen voor goddeloozen
-scholden, en de oningewijden, voor wie het geheim van den Eenen
-verborgen bleef, waarschuwden, om toch het vaderland niet te verlaten."
-
-Hoe meer hij de legerplaats des konings naderde, des te levendiger hield
-hij zich in zijne verbeelding met Bent-Anat bezig, des te sneller sloeg
-van tijd tot tijd zijn hart, wanneer hij dacht aan de ure, waarop
-hij den koning zou ontmoeten. Over het geheel was hij vol blijmoedig
-vertrouwen, dat hijzelf dwaas moest noemen, maar waartegen hij niet in
-staat was zich te verzetten.
-
-Ameni had hem dikwijls berispt over zijne al te groote bescheidenheid
-en zijn gebrek aan eerzucht, wanneer hij zich gaarne bij anderen
-achterstelde. Dat herinnerde hij zich nu, en hij moest er om lachen.
-Want hij begreep zichzelven hoe langer hoe minder. Niettegenstaande hij
-zich honderdmaal herhaalde, dat hij van lage afkomst was, een arme en
-verbannen priester, toch kon hij de overtuiging maar niet onderdrukken,
-dat hij zeker recht bezat om Bent-Anat tot zijne vrouw te vragen.
-
-En wanneer nu de koning hem eens zijne dochter weigerde, en hem deze
-stoutmoedigheid met zijn leven liet betalen? -- Maar hij wist dat hij
-onder den moordbijl geen wenkbrauw zou vertrekken; dat hij zelfs
-gelukkig zou sterven. Want wat Bent-Anat hem geschonken had, dat bezat
-hij; dat kon geen god hem ontnemen.
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Pentaoer had zich met zijne ruiters enkele malen te verdedigen tegen
-vijandige bergbewoners, die plotseling uit de wouden te voorschijn
-kwamen en hen op het lijf vielen. Toen zij nog maar een paar dagreizen
-van hun doel verwijderd waren, geraakten zij in een bloedigen kamp met
-eene bende vijandelijke stroopers, die tot eene grootere legerafdeeling
-scheen te behooren.
-
-Kaschta, die toonde dat hij hoe langer hoe meer met alle wegen bekend
-was, naarmate men dichter bij Kadesch[322] kwam, ging op verkenning uit.
-Hij keerde niet zonder bezorgdheid terug, daar hij groote scharen van
-Cheta had gezien op den weg, dien zij moesten doortrekken.
-
- [322] De hoofdstad van den koning der Cheta, dat is van de
- Arameërs, om wie zich het verbond van alle volken van westelijk
- Azië geschaard had. Er waren meer plaatsen, die den naam van
- Kadesch droegen. Al heeft het Kadesch, dat de legers van Thotmes
- III dikwijls tegenhield, ook zuidelijker gelegen, zoo lag toch
- de Chetiten-stad Kadesch, waarbij Ramses II zulk een zwaren
- strijd te strijden had, in elk geval aan den Orontes. Want de in
- twee armen verdeelde stroom, die deze vesting bespoelt, bijv.
- op het tafereel, waarin zij voorkomt op een der pylonen van
- het Ramsesseum, heet Aroentha. Ook in het zoogenaamde epos van
- Pentaoer wordt gezegd, dat de grootste slag bij Kadesch aan
- den oever van den Orontes geleverd is. De naam der stad bleef
- behouden, en wel in het meer dat drie uren ten noorden van
- Riblat is gelegen.
-
-Hoe kwamen die vijanden hier in den rug van de Egyptische hoofdmacht?
-Zou Ramses een nederlaag hebben geleden? Gisteren hadden zij nog
-Egyptische soldaten ontmoet, die hun mededeelden, dat de koning in
-zijn legerplaats was en zich voorbereidde tot een grooten slag. Deze
-beslissende slag kon toch sedert nog niet geleverd zijn, en geen enkel
-vluchteling van het Egyptische leger was hun te gemoet gekomen.
-
-»Als wij nog maar twee uren door kunnen rijden, zonder aangevallen te
-worden," zeide Warda's vader, »dan weet ik wel raad. Daar ginds is eene
-bergkloof, en vandaar uit liep vroeger een pad over hoogten en laagten
-naar de vlakte van Kadesch. Niemand kende dat pad, behalve de Mohar en
-zijne meest vertrouwde dienaars. Halverwege ligt een verborgen hol,
-waarin wij ons menigmaal dagen lang ophielden. De Cheta geloofden, dat
-mijn heer tooverkracht bezat en zich onzichtbaar kon maken, want wanneer
-zij op de loer lagen bij onze tochten langs dezen weg, waren wij
-plotseling verdwenen, zeker niet in de wolken, maar in het hol, dat de
-Mohar zijn Toeat[323] noemde. Ziet gij niet tegen het klimmen op, en
-wilt gij u getroosten eenige uren het paard aan den teugel achter u te
-leiden, dan wijs ik u den weg, en kunnen wij morgen avond in het leger
-zijn."
-
- [323] De diepte. De onderwereld der Egyptenaren.
-
-Pentaoer liet nu den roodbaard den trein vooruit rijden. Zonder op
-vijanden te stuiten, kwamen zij aan den kloof tusschen de bergen,
-waardoor eene diepe beek zich in het dal stortte. Kaschta sprong van
-zijn paard, en die hem volgden deden desgelijks. Nadat de paarden in het
-water waren getrokken, wischte hij zorgvuldig het spoor der hoeven uit
-tot aan den heerweg. Vervolgens ging het een halfuur stijgende tegen het
-water in. Eindelijk bleef hij voor een dicht oleander-boschje staan,
-zocht nauwkeurig naar het pad en baande zich gemakkelijk een weg door
-het geboomte, toen hij het gevonden had. Zij die hem vergezelden en
-vooral de paarden, die met inspanning moesten klauteren, volgden hem
-niet zonder moeite.
-
-Zij kwamen vervolgens in een woud van hemelhooge ceders. Nu eens moesten
-zij tusschen rotsblokken doorworstelen, dan weder bestond het pad enkel
-uit gladde rolsteenen, die aan de hoeven der paarden geringen weerstand
-boden. Het ging berg op, berg af. Soms moesten zij door dicht
-struikgewas heen, of kleine beken over, die door den winterregen zeer
-gezwollen waren. De weg werd hoe langer hoe moeielijker, want het
-begon donker te worden. Wolken bedekten den hemel en er vielen zware
-regendruppels.
-
-»Spoedt u mannen, en blijft dicht bij mij!" zeide Kaschta. »Nog een
-half uur, en dan zijn wij op het droge, als ik ten minste het pad niet
-bijster raak."
-
-Daar viel een paard neer. De ruiter die er bij liep richtte het met
-moeite op. Het begon harder te regenen, de nacht werd donkerder, en de
-roodbaard bleef meer dan eens staan, om met de handen het pad te zoeken.
-Tweemaal meende hij het verloren te hebben, maar hij gaf zich geen
-rust, voordat hij het oude spoor weder ontdekt had. Eindelijk bleef hij
-staan en riep Pentaoer bij zich.
-
-»Hier moet het hol zijn," zeide hij. »Houdt u vlak achter mij. -- Het is
-mogelijk dat wij hier lieden vinden van den gids Paäker. Toen zijn vader
-leefde, was hier altijd spijsvoorraad en een vuurboor. -- Ziet gij mij?
-Houd u aan mijn kleed vast en buk, tot ik u toeroep dat gij u weder kunt
-oprichten. Houd ook uw bijl gereed. 't Zou kunnen zijn dat zich thans
-Cheta of roofdieren hier genesteld hadden. -- Mannen, wacht hier op ons!
-Zoo aanstonds roepen wij u, om mede binnen te komen."
-
-Pentaoer drong achter zijn gids door de natte struiken voort, kroop met
-hem door een lagen gang, en bleef eindelijk met hem op een rotsplateau
-staan.
-
-»Wees toch voorzichtig," zeide Kaschta, »houd linksaf; aan de
-rechterzijde is een diepe afgrond. -- Ik riek rook. -- De hand aan de
-bijl! Er moeten menschen in het hol zijn. Wacht een oogenblik! Ik zal
-ook de manschappen hierheen brengen."
-
-De roodbaard ging terug, en Pentaoer luisterde in de richting, uit welke
-de rook tot hem scheen te komen. Hij meende nu eene smalle lichtstreep
-te bespeuren; duidelijk hoorde hij ook eerst klagen, daarna schelden. Al
-tastende ging hij een weinig vooruit, terwijl hij zich aan den rotswand
-hield, die zich aan zijne linkerzijde verhief. Het licht werd al
-helderder en scheen wel door de spleet van eene deur te komen.
-
-De soldaat was weder bij Pentaoer gekomen. Beiden luisterden en de
-laatste fluisterde zijn gids in het oor: »Zij spreken Egyptisch; ik heb
-enkele woorden verstaan."
-
-»Des te beter," antwoordde de soldaat. »Paäker of zijne lieden zullen
-dan daarbinnen zijn. De deur is er nog, maar zij is gesloten.
-Wanneer men met vier harde en drie zachte slagen aanklopt, zal men
-opendoen. -- Kunt gij wat verstaan?"
-
-»Een smeekt, dat men hem bevrijden zal," antwoordde Pentaoer, »en
-scheldt daarbij op een verrader. De ander heeft eene ruwe stem, en zegt
-dat hij zijn meester gehoorzamen moet. Nu kermt hij, die zooeven sprak,
-hoort gij wel? Thans bezweert hij den ander bij de ziel zijns vaders,
-zijn boeien los te maken. Hoe vertwijfelend klinkt zijne stem. -- Klop
-aan, Kaschta, ik geloof dat wij juist ter rechter tijd komen! Klop aan,
-zeg ik u!"
-
-De roodbaard klopte eerst vier maal en daarna driemaal. Uit het hol
-klonk een kreet. Men hoorde hoe een zware verroeste grendel werd
-teruggeschoven. De ruw getimmerde deur ging open, en eene rauwe stem
-vroeg: »Zijt gij het, Paäker?"
-
-»Neen," antwoordde de roodbaard. »Ik ben Kaschta. Kent ge mij niet meer,
-Noebi?"
-
-De man die alzoo werd aangesproken, de ons bekende Ethiopische slaaf van
-den gids, ging achteruit en vroeg: »Leeft gij nog? Wat brengt gij?"
-
-»Deze man zal het u zeggen," antwoordde Kaschta, en ging achteruit, om
-Pentaoer vooruit te laten komen.
-
-De dichter trad op den zwarte toe. Het licht van het vuur, dat in het
-hol brandde, scheen hem met vollen gloed in het aangezicht. De oude
-slaaf staarde hem aan, en week onder allerlei teekenen van ontzetting
-terug. Hij wierp zich ter aarde, huilde luid als een hond, wien zijn
-booze meester een schop tegen het lijf geeft en riep uit: »Hij heeft het
-bevolen, geest van den Mohar, hij heeft het bevolen!"
-
-Pentaoer stond als aan den grond genageld, en was niet in staat een
-woord te spreken. Want van het vuur kroop een jongeling, aan handen en
-voeten gebonden, naar hem toe, en riep met diep ontzag, maar toch met
-eene teederheid, die den dichter diep ontroerde: »Red mij, ziel van den
-Mohar, red mij, vader!"
-
-Toen verhief de dichter zijne stem en zeide: »Ik ben geen geest van den
-afgestorvene, maar de priester Pentaoer. En ik herken u, jongeling!
-Gij zijt Horus, Paäkers broeder, die met mij in het Seti-huis werd
-opgevoed."
-
-De gevangene naderde hem bevende, zag hem scherp aan en riep: "Wie
-gij ook zijn moogt, gij gelijkt mijn vader in gedaante en stem. Maak
-mijne banden los en red mij, want een schrikkelijk, een ongehoord en
-vloekwaardig verraad bedreigt ons, den koning en allen."
-
-Pentaoer trok zijn zwaard en sneed de lederen riemen los, waarmede de
-handen en de voeten van den jongeling waren omwonden.
-
-Wederom vrij ademhalende, en de goden overluid dankende, rekte de
-verloste zijne bevrijde ledematen, en zeide: »Als gij Egypte liefhebt en
-den koning zijt toegedaan, volg mij dan. Misschien is het nog tijd het
-vreeselijk plan te verhinderen, het verraad te verijdelen."
-
-»De nacht is duister," zeide de soldaat, »en de weg naar het dal
-gevaarlijk."
-
-»Al moest het ons het leven kosten, gij moet mij volgen!" riep de
-jongeling, greep Pentaoers hand, en nam hem mede naar buiten.
-
-De Ethiopische slaaf trachtte, nu hij overtuigd was dat Pentaoer niet
-de geest van zijn gestorven meester was, maar de priester van het
-Seti-huis, dien hij voor de hut van den Paraschiet had zien worstelen,
-langs Paäkers broeder heen te sluipen. Doch Horus bemerkte het, greep
-hem in zijn wollig haar en hield hem vast.
-
-De slaaf begon weder luid te huilen en riep klagend: »Als gij ontkomt,
-zal Paäker mij dooden! Dat heeft hij gezworen."
-
-»Wacht!" riep de jongeling. Hij sleepte den slaaf met zich voort, wierp
-hem in het hol terug en sloot de deur met een zwaren balk, die voor dit
-doel op den grond lag.
-
-Nadat de manschappen den lagen rotsgang weder doorgekropen en buiten
-gekomen waren, woei een hevige wind hun in het aangezicht. »Zie hoe de
-wolken jagen," zeide Horus, »weldra zal een storm ze verstrooien. --
-Laat nu paarden brengen, Pentaoer, want wij hebben geen oogenblik te
-verliezen."
-
-De dichter beval Kaschta, dat hij de manschappen zou doen opbreken, maar
-deze zeide: »De ruiters zoowel als de paarden zijn uitgeput, en in de
-duisternis kan men slechts langzaam vooruitkomen. Geef éen uur rust,
-voor de paarden om gevoerd te worden en voor de mannen om zich wat te
-versterken en te warmen. Tegen dien tijd gaat ook de maan op, en met
-frissche beesten halen wij op een helderen weg het verlorene driedubbel
-in."
-
-»De man heeft gelijk," zeide Horus, en voerde Kaschta naar een hol,
-waarin gerst en dadels voor de paarden, en eenige zakken vol wijn werden
-bewaard.
-
-Weldra brandde er een helder vuur, en terwijl eenige lieden voor de
-paarden zorgden en anderen een warm maal kookten, liepen Horus en
-Pentaoer ongeduldig op en neder.
-
-»Waart gij sedert lang gebonden, toen wij kwamen?" vroeg de dichter.
-
-»Gisteren is mijn broeder mij op het lijf gevallen," antwoordde Horus.
-»Hij is ons onbereikbaar ver vooruit. Wanneer hij zich naar de Cheta
-begeeft, en wij niet vóor het aanbreken van den dag in het Egyptische
-leger komen, dan is alles verloren."
-
-»Denkt Paäker werkelijk aan verraad?"
-
-»Aan verraad, zwart verraad!" riep de jongeling. »O mijn Osirische
-vader."
-
-»Vertrouw mij," zeide Pentaoer, bijna op smeekenden toon, terwijl hij
-den jongeling naderde, die bitter klagende, zijn aangezicht met de
-handen bedekte. »Wat voert Paäker toch in het schild? Hoe is uw broeder
-uw vijand geworden?"
-
-»Hij is de oudste van ons beiden," zeide Horus met bevende stem. »Toen
-onze vader stierf, was ik eerst sedert kort uit het Seti-huis ontslagen.
-Met zijne laatste woorden vermaande hij mij dat ik Paäker als hoofd van
-ons huis zou eerbiedigen. Hij is heerschzuchtig en ruw. Hij kan niet
-dulden dat een ander een wil heeft, die van den zijnen verschilt. Ik
-verdroeg alles en was hem gehoorzaam, dikwijls tegen mijne betere
-overtuiging. Twee jaren bleef ik bij hem; toen ging ik naar Thebe en
-nam daar eene vrouw, die nu met mijn kind bij mijne moeder woont. Voor
-zestien maanden ben ik naar Syrië teruggekeerd, en wij trokken weder te
-zamen door het land. Maar nu kon ik niet langer een gedwee werktuig zijn
-van mijn broeder, want ik was trotscher geworden. De vader van mijn
-kind, dacht ik, mag geen knecht zijn, ook niet van zijn broeder.
-Wij doorleefden te zamen kwade uren. Maar het leven werd mij bijna
-ondragelijk, toen Paäker, na geruimen tijd in Thebe te hebben
-doorgebracht, voor acht weken terugkeerde, prikkelbaarder en wilder dan
-ooit te voren. Hij werd te meer verbitterd, toen de koning hem te kennen
-gaf, dat mijne berichten hem beter bevielen dan de zijne. Van mijne
-kindsheid ben ik teergevoelig geweest. Zij zeiden allen dat ik mijne
-moeder geleek. Maar wat Paäker mij lijden liet met woord en daad, dat
-is... dat vermag..."
-
-De stem begaf den spreker, en Pentaoer gevoelde hoe diep hij leed, toen
-hij voortging: »Wat mijn broeder in Egypte overkomen is, weet ik niet.
-Hij is zeer gesloten en schijnt, noch onder vreugde, noch onder smart,
-behoefte aan deelneming te gevoelen. Maar uit los daarheen geworpen
-woorden, kwam ik te weten, dat hij niet slechts den wagenmenner Mena,
-die hem onrecht gedaan moet hebben, doodelijk haat, maar dat hij ook
-verbolgen is op den koning. Ik meende hem te moeten waarschuwen, doch
-maar eens; want als men hem weerstreeft, kent zijn toorn geen grenzen.
-En hij is toch mijn oudste broeder.
-
-»Sedert eenige dagen wordt in het leger een beslissende slag voorbereid,
-en wij werden gelast de sterkte en de positie van het vijandelijke leger
-te verkennen. De koning had mij, niet hem opgedragen het bericht op te
-stellen. Gisteren vroeg was ik met mijn rapport en de teekening gereed.
-Toen zeide mijn broeder, dat hij een en ander naar het leger zou
-brengen, terwijl ik hier moest wachten. Ik weigerde dit, daar de koning
-niet van hem maar van mij het rapport had verlangd. Hierop begon hij te
-razen als een waanzinnige, wierp mij voor de voeten, dat ik mij zijne
-afwezigheid ten nutte had gemaakt, om mij in des konings gunst te
-dringen, en eischte gehoorzaamheid als hoofd van onzen stam en in naam
-van onzen vader.
-
-»Ik zat besluiteloos neder, toen hij het hol verliet om de paarden op
-te halen. Daar viel mijn oog op eenige zaken, die de oude Ethiopiër van
-mijn vader bij elkander bond, om er het lastpaard mede te beladen. Er
-was eene schriftrol bij, die ik voor de mijne hield. Ik zag haar in,
-maar -- wat moest ik vinden! Met levensgevaar had ik tot het midden in
-de legerplaats der Cheta weten door te sluipen en bevonden, dat zij de
-kern van hun leger samentrokken in een door bergen gedekt dwarsdal van
-den Orontes, ten noord-oosten van Kadesch; doch in de rol stond, met
-Paäker's eigene hand geschreven, dat dit dal vrij was, en de weg er door
-heen breed en zeer geschikt voor 's konings strijdwagens. Ook andere
-opgaven waren vervalscht, en toen ik verder zijne zaken doorsnuffelde,
-vond ik tusschen pijlen in zijn koker, waarop de woorden 'Dood aan
-Mena!' te lezen stonden, een ander rolletje. Ik grijp het er uit en ik
-verstijfde, toen ik zag aan wien het gericht was."
-
-»Aan den koning der Cheta?" vroeg Pentaoer ontroerd.
-
-»Aan den overste van zijne dienaars, Titoere"[324], ging Horus voort.
-»Beide rollen hield ik in mijne hand, toen Paäker het hol weder
-binnenkwam. Verrader! riep ik hem toe. Doch hij wierp mij snel en handig
-den strik, waarmede hij de paarden had opgevangen, om den hals, en toen
-ik half verwurgd ineenzeeg, bond hij mij met hulp van den zwarte, die
-hem gehoorzaamt als een hond. Hij liet den slaaf achter om mij te
-bewaken, stak de rollen bij zich en vlood heen. -- Maar zie, daar
-vertoonen zich de sterren en weldra zal de maan opgaan."
-
- [324] Hij wordt, op de afbeeldingen van den slag op pylonen van
- het Ramesseum, onder de Cheta genoemd.
-
-»Op, mannen!" riep Pentaoer. »De drie beste paarden voor Horus, mij en
-Kaschta! Gij overigen blijft hier achter!"
-
-Toen de roodbaard de rossen voorbracht, kwam de maan juist achter de
-wolken te voorschijn, en een uur later bereikte het drietal de vlakte.
-Hier sprongen zij op hunne rossen en joegen in gestrekten galop naar
-het meer van Kadesch, dat zij bij het opgaan der zon reeds in de verte
-grauwachtig zagen schemeren. Al nader en nader komende, bemerkten zij
-aan den boomloozen westelijken oever zwarte massa's, die zich heen en
-weer bewogen. Stofwolken verhieven zich en bliksemende lichtstralen
-schoten op, alsof een spiegel het zonneschijnsel weerkaatste.
-
-»De slag heeft reeds een aanvang genomen," riep Horus, en wierp zich
-hijgend over den hals van zijn paard.
-
-»Maar alles is nog niet verloren," zeide de dichter, en zette zijn paard
-aan, opdat het dier zijne uiterste krachten mocht inspannen. De andere
-twee volgden hem, maar eerst zeeg Kaschta's paard van vermoeienis neer,
-daarna ook dat van Horus.
-
-»Van den linkervleugel kan nog redding komen," riep Paäker's broeder.
-»Ik weet waar die te vinden is en loop er te voet heen. Gij zult den
-koning gemakkelijk vinden, wanneer gij den stroom volgt tot aan de
-steenen brug. In het dwarsdal, duizend schreden verder, ten noordwesten
-van de vesting, zal het leger uit hinderlagen overvallen worden.
-Tracht er door te komen en Ramses te waarschuwen. Het wachtwoord der
-Egyptenaars is de naam van Ramses' lievelingsdochter, Bent-Anat. Maar
-al hadt gij ook adelaarswieken en kwaamt gij nog ter rechter tijd bij
-hem, zij zullen hem toch overweldigen, wanneer het niet gelukt met den
-linkervleugel den vijand in den rug te vallen."
-
-Pentaoer joeg weder voort, maar eerlang bezweek ook zijn paard. Toen
-begon hij uit al zijn macht te loopen, steeds het wachtwoord 'Bent-Anat'
-roepende, waarvan het geluid zijne kracht scheen te verdubbelen, tot
-hem een vijandelijke bode te paard tegenkwam. Hij sloeg den man er af,
-sprong in zijne plaats op het paard en vloog naar de kampplaats, alsof
-hij ter bruiloft ging.
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-
-Terwijl onze vrienden dit nachtelijk avontuur hadden, was alles in de
-koninklijke legerplaats druk in de weer. Vóor zonsopgang zouden de
-troepen opmarcheeren tot den veldslag, die reeds zoo lang was
-voorbereid.
-
-Paäker had den koning met eigene hand zijn verkenningsrapport
-overhandigd. Nadat er krijgsraad was gehouden, werd aan elke
-troepenafdeeling voorgeschreven, in welke richting zij het eerst moest
-optrekken.
-
-Het korps, dat den naam droeg van den zonnegod Ra, rukte uit het zuiden
-op over Schabatoen[325], ten einde de oostzijde van het meer om te
-trekken en den vijand in de flank te vallen. Het korps van Seth, waartoe
-de soldaten uit Neder-Egypte behoorden, was uit Arnam aangekomen en zou
-het centrum uitmaken. De koning zelf was voornemens met de keurbende
-der wagenstrijders het dal te volgen, dat zich met de Orontes-vlakte
-vereenigde en, volgens de opgave van den gids, breed en goed te berijden
-was. Terwijl de troepen den vijand bezighielden, kon hij den Orontes op
-eene doorwaadbare plaats overschrijden, en de vesting Kadesch aan de
-noordwest-zijde van achteren aanvallen. Het korps van Amon, met de
-Ethiopische hulptroepen, zou hem dan als achterhoede volgen langs een
-anderen weg, die volgens de verraderlijke opgaven van den Mohar zich met
-zijne operatie-linie verbond. Het korps van Ptah eindelijk hield zich
-als reserve bij den linkervleugel.
-
- [325] Bij de beschrijving van den slag van Kadesch hebben wij
- ons in het algemeen gehouden aan het epos van Pentaoer, het
- nationale heldendicht der Egyptenaars. Aan het slot wordt de
- schrijver Pentaoer als de vervaardiger genoemd. Het werd zoo
- hoog gewaardeerd, dat men het te Loeqsor tweemaal en te Karnak
- eens in steen beitelde. Op papyrussen komt het meermalen voor,
- zooals op den papyrus-Sallier III en den papyrus Raifet, waarvan
- helaas! slechts fragmenten in de "salle historique" van het
- Louvre bewaard worden. De groote katastrophe, namelijk de
- redding van den verlaten koning uit de handen van de duizenden,
- wordt met de woorden van het epos ook op het Ramesseum (Thebe)
- en te Aboe Simbel (Nubië) herhaald. De beste vertaling van het
- heldendicht, gevolgd naar den meesterlijk herstelden tekst,
- hebben wij te danken aan den grooten, te vroeg gestorven
- Franschen Egyptoloog E. de Rougé. Men vindt haar in =Recueil de
- travaux relatifs à la philologie et à l'archéologie Egyptiennes
- et Assyriennes=. Fasc. I. 1870.
-
- Dr. W. Pleyte gaf in het =Theologisch tijdschrift= van 1869
- eene Nederlandsche vertaling met toelichting en kaart. Vert.
-
-De soldaten hadden zich niet als gewoonlijk te slapen gelegd.
-Wachtpatrouilles van zwaar gewapenden, met een schild van
-halvemans-hoogte in de eene, een slagzwaard of een spits dolkzwaard in
-de andere hand, bewaakten het leger[326], waar, om talrijke vuren, de
-rustende krijgers in kringen gezeten waren. Hier ging de wijnzak van
-mond tot mond; dáar braadde men vleesch aan houten spitten; elders werd
-reeds het lot geworpen over den nog te behalen buit, of mora gespeeld.
-Daarbij ging het levendig toe, en de legerwachten moesten gedurig
-soldaten, die ernstig handgemeen raakten, uit elkander halen.
-
- [326] Voorstellingen van Ramses' legerplaats zijn bewaard
- gebleven op de pylonen van den tempel van Loeqsor en het
- Ramesseum.
-
-In de nabijheid van de omheiningen, waarbinnen de paarden stonden, waren
-de smeden bezig, want er moesten nog hoeven beslagen en lanspunten
-gescherpt worden. Ook de dienstknechten van de wagenstrijders hadden nog
-volop werk. Want vele strijdwagens waren over de bergen gekomen; men had
-ze uit elkander moeten nemen en in stukken op de ruggen der paarden en
-ezels moeten laden[327]. Thans zette men de lichte voertuigen weder in
-elkaar en smeerde de raderen.
-
- [327] Op de afbeelding van het kamp van Ramses II in het
- Ramesseum vindt men zoowel de onderdeelen van wagens als
- lastezels.
-
-In het oostelijke gedeelte van het legerkamp waren, in de nabijheid
-van een baldechijn, waaronder de standaarden bewaard werden, talrijke
-priesters werkzaam. Zij zegenden de krijgers, slachtten offers en zongen
-hymnen. Vaak werden hunne vrome liederen echter overstemd door het luid
-gejoel van spelers en drinkers, door den hamerslag of het hevig gebalk
-der ezelhengsten en het gehinnik der paarden. Somwijlen liet zich ook
-het luid gebrul hooren van de getemde leeuwen des konings[328], die hem
-in den slag altijd volgden en heden niet gevoederd werden, om hunne
-woede te prikkelen.
-
- [328] Diodorus I, 47, en verschillende voorstellingen van den
- ten strijd optrekkenden koning.
-
-Midden in het leger stonden de tenten van den pharao, omgeven door die
-van de garden en wagenstrijders. De hulptroepen van elk volk waren
-bij elkander gelegerd en tusschen hen lag telkens een legioen zwaar
-gewapende Egyptische soldaten en boogschutters. Hier zag men zwarte
-Ethiopiërs met hunne verwarde haren, waaruit enkele vederen opstaken.
-Daar waren de schoon en regelmatig gebouwde »zonen des zands", uit
-de Arabische woestijn, die Egypte van de Schelfzee scheidde, bezig
-krijgsdansen uit te voeren, de heupen krampachtig schuddende en hunne
-lansen zwaaiende. Ginds lagen de blanke Sarders met hunne metalen helmen
-en groote zwaarden. Elders kon men de helderkleurige Libyërs opmerken,
-kenbaar bovendien door hunne getatoeëerde armen en de struisvederen op
-den schedel; alsmede spitsbaardige bruine Arabieren, allen bij hunne
-paarden, strijdende deels met lansen, deels met pijl en boog, thans
-biddende tot de sterrengeesten. Even verschillend als deze hulptroepen
-er uitwendig uitzagen, was ook de klank hunner taal, doch allen
-gehoorzaamden het commando van Ramses.
-
-Betrad men het terrein waar de koninklijke tenten waren opgeslagen, dan
-kon men in het midden een licht gebouwd tempeltje zien, met de beelden
-van de goden van Thebe en die van 's vorsten voorvaderen. Men kon thans
-reeds van buiten den wierookgeur opvangen, want alle priesters waren
-verplicht, aan den avond vóor een veldslag totdat hij beslist was, te
-offeren aan Amon, den koning der goden, aan de overwinning-gevende godin
-van het zuiden Necheb, en aan den krijgsgod Menth. Naast de tent waar
-de pharao sliep, stond het afgesloten perk zijner leeuwen. Vóor de tent
-waarin de krijgsraad vergaderde, waren hooge masten met vanen opgericht.
-Binnen de wijde ruimte van deze laatste was het nu stil, maar des te
-levendiger ging het toe in de keukententen en de daarmede verbondene
-wijnmagazijnen.
-
-De tent die de groote, langwerpig rechthoekige oppervlakte bedekte, waar
-Ramses gewoonlijk met de zijnen spijsde, was boven alle andere thans
-helder verlicht. Zij was van alle zijden omgeven door bontkleurige
-lampen. Sardische, Libysche en Egyptische lijfwachten bewaakten de
-ingangen met uitgetogen zwaarden, en schenen zóo doordrongen te zijn van
-het gewicht hunner taak, dat zij zelfs geen acht gaven op de schotels
-en kannen, die de dienaars van den pharao, uitsluitend zonen van de
-voornaamste familiën, voor de deuren van de tent in ontvangst namen
-van keuken- en magazijnbeambten. Het schuine dak en de wanden van deze
-pronkzaal, die in korten tijd moest kunnen opgebouwd en afgebroken
-worden, bestond uit sterk en ondoordringbaar purperkleurig tapijtwerk,
-dat te Memphis geweven en door Phoeniciërs in Tanis geverfd was.
-Kunstenaars van Saïs hadden in deze kostbare stof ontelbare malen met
-zilverdraad de gier van Necheb, het symbool der overwinning, gestikt.
-Het cederhout der pijlers waarop de tent rustte, was met goud beslagen,
-en de koorden, die het lichte bouwwerk aan den grond bevestigden, waren
-uit dun zilverdraad en zijde gevlochten[329].
-
- [329] De zijde was ten minste in den tijd der Ptolemaeën aan de
- Egyptenaars bekend. De voor de Lagiden op het eiland Kos geweven
- doorzichtige bombyxstoffen waren vooral beroemd. Onder de
- Grieken is Aristoteles de eerste, die van zijde gewag maakt
- (Histor. anim. V, 17). Over de geschiedenis van de zijde kan
- men veel leerrijks te weten komen uit het werk van Pariset,
- =Histoire de la Soie=, 1862.
-
-In deze tent nu waren meer dan honderd mannen gezeten aan een
-nachtelijken maaltijd. Zij hadden aan vier tafels plaats genomen. Aan
-drie van deze zaten, op lichte tabouretten, de aanvoerders van het
-leger, de voornaamste priesters en de koninklijke raadslieden. Aan de
-ver van de andere verwijderde vierde tafel merkte men de koninklijke
-prinsen op. De pharao zelf zat aan eene afzonderlijke, van die zijner
-zonen afgescheiden hoogere tafel, op een troon, die rustte op de
-vergulde beelden van geboeide Aziaten. Tafel en troon stonden op eene
-kleine verhevenheid, die met pantherhuiden was belegd, doch Ramses zou,
-ook zonder haar, boven allen ver hebben uitgestoken. Men kon hem goed
-zien, want het was in deze zaal, door de overvloedige verlichting,
-daghelder. De pharao was een man van reusachtige gestalte. Dat
-indrukwekkend gelaat met dien zwaren baard; dat hooge voorhoofd,
-bedekt met den diadeem, in het midden waarvan de koppen van twee
-Uraeus-slangen, dragen de kronen van Opper- en Neder-Egypte, te
-voorschijn kwamen, deden terstond in hem den gebieder herkennen. Een
-breede halsband van edelgesteenten bedekte halverwege zijne borst,
-terwijl de andere helft was bekleed met een draagband in den vorm van
-eene sjerp. De naakte beneden- en bovenarmen waren met gouden ringen
-getooid. De regelmatige lichaamsvormen van dezen man waren als uit
-metaal gegoten, waartoe de koperkleurige gladde huid, die over zijn
-sterk gezwollen spieren was gespannen, niet weinig bijdroeg.
-
-Thans was hij onder de zijnen gezeten, en met rechtmatigen vaderlijken
-trots zag hij op zijne bloeiende zonen neder. Hij was als een leeuw in
-rust, maar ook zóo was hij een leeuw gelijk, en iets buitengewoons mocht
-men van hem verwachten, wanneer hij zou opstaan, en de reuzenhand, die
-nu het brood verdeelde, zich tot een vuist zou ballen. Er was aan dezen
-man niets kleins, maar toch ook niets wat schrik wekte, want al straalde
-uit zijn oog de glans van den heerscher, zoo getuigden zijne woorden
-toch van bijzondere goedheid. Die zware uit zijn breede borst wellende
-stem, die boven het slaggewoel kon worden gehoord, beschikte ook over
-weeke en hartveroverende tonen. Dank zij zijne opvoeding, was hij, onder
-het volle bewustzijn van zijne macht en grootheid, in den vollen zin des
-woords een mensch gebleven, want geene aandoening van het menschelijk
-hart was hem vreemd.
-
-Achter den koning stond een jong man, deze reikte hem den beker toe,
-dien hij aan zijne lippen bracht, het edele vocht met welgevallen
-proevende. Het was Mena, de wagenmenner en vriend des konings. De
-gestalte van dezen edelman was slank en toch krachtig, buigzaam en toch
-rustig. Zijn schoon besneden gelaat, met die vrijmoedig rondziende
-oogen, toonde dat hij zelfbewustzijn aan goedhartigheid paarde. Deze
-man mocht minder beteekenen in eene raadsvergadering, waar het gold
-bedachtzaam te overleggen, des te hooger waarde had hij als een
-beminnenswaardig, dapper en trouw strijdgenoot.
-
-Onder de prinsen zat Chamoes[330] het dichtst bij den koning. Hij was
-van allen de oudste en eerst onlangs bekleed geworden met de waardigheid
-van opperpriester van Memphis. De kroeskop Rameri, die op weg naar het
-leger gevangen was geraakt, maar voor een losgeld was vrijgekocht, had,
-als een der jongste prinsen, naast zijn broeder Mernephtah aan het
-benedeneinde van de tafel plaats genomen.
-
- [330] Op de gedenkteekenen Cha-em-Oes, d.i. glans in Thebe
- geheeten. Hij was "Sam" of opperpriester van Memphis. Zijne
- mummie is bij de Apisgraven te Saqqarah door Mariëtte, bij de
- uitgraving van het Serapeum van Memphis, weergevonden.
-
-»Hoe dreigend klinkt alles wat gijlieden vertelt!" zeide de koning.
-»Elk van u, aanklagers, spreekt de waarheid, maar uwe liefde voor mij
-benevelt uwe oogen. Wat Rameri mij verhaalt, wat Bent-Anat mij schrijft,
-wat de opzichter van Mena's stoeterij mij omtrent Ani bericht, en wat
-mij nu en dan uit Egypte wordt overgebracht, houd niets in, wat mij
-verontrusten kan. Ik ken onzen neef en weet, dat hij het zich op den
-geleenden troon zoo gemakkelijk maken zal als maar mogelijk is; doch
-als wij terugkeeren, zal hij zich weder op een smalleren zetel weten
-te schikken. Voor groote ontwerpen en koene daden is hij de man niet,
-maar hij is zeer bruikbaar om uit te voeren, wat door anderen wordt
-vastgesteld en gereed gemaakt, en daarom koos ik hem tot mijn
-plaatsvervanger."
-
-»Doch Ameni," liet Chamoes zich hooren, terwijl hij eerbiedig voor zijn
-vader boog, »schijnt zijne eerzucht te hebben doen ontvlammen, en hem
-met raad te steunen. De leider van het Seti-huis is een stout en wijs
-man, en de helft der priesterschap staat achter hem."
-
-»Ik weet het," antwoordde de koning. »Die heeren zijn boos op mij, omdat
-ik hunne onderhoorigen, die hunne akkers bebouwen, onder de wapenen
-riep. 't Is inderdaad kostelijk volk, dat ze mij gezonden hebben!
-Met den eersten pijl vliegt hun moed reeds weg! Zij zullen morgen de
-legerplaats bewaken; daarvoor zullen zij goed zijn, ten minste wanneer
-men hun aan het verstand brengt dat, als zij zich de tenten laten
-ontnemen, ook het brood, het vleesch en de wijnzakken in de handen der
-vijanden vallen. Als Kadesch stormerderhand wordt ingenomen, dan zullen
-de tempels aan den Nijl het beste deel van den buit hebben, en gijzelf,
-mijn jonge opperpriester van Memphis, gij zult uwe stadgenooten kunnen
-toonen, dat Ramses genegen is, wat hij de dienaars der godheid met
-schepels ontneemt, met mudden weder te geven."
-
-»Ameni's ontevredenheid," hernam Chamoes, »heeft nog een dieper grond.
-Uw groote geest zoekt en vindt zijn eigen weg....."
-
-»Die heeren echter," ging Ramses, hem in de rede vallende, voort, »zijn
-gewoon ook den koning te leiden, en ik, ik wijs hen niet terug. Ik voer
-heerschappij in de plaats van den hoogsten god, maar ik ben geen god, al
-bewijzen zij mij ook als zoodanig eere. Met een deemoedig hart wil ik
-gaarne mijn verkeer met de hemelsche goden, en ook dat van mijn volk aan
-hunne tusschenkomst overdragen. Maar de menschelijke belangen bestuur ik
-naar mijne eigene inzichten. -- En nu niet verder over dit onderwerp!
-Het stuit mij tegen de borst aan vrienden te twijfelen, en ik gevoel zoo
-groote behoefte aan, ik stel zooveel prijs op vertrouwen, dat ik het mij
-laat welgevallen, wanneer ik daardoor ook eene enkele maal bedrogen
-word!"
-
-De koning wenkte en ledigde den gouden beker, dien Mena hem
-overhandigde. Een oogenblik zag hij op de blinkende bokaal; toen hief
-hij de oogen weer op, waarin nu strenge ernst was te lezen, en zeide:
-»En ook al bedrogen ze mij, en lokten tien Ameni's en Ani's mijn land in
-den strik -- ik keer terug, en met mijn voetzool treed ik het gewormt in
-het zand!"
-
-Terwijl hij deze laatste woorden uitsprak, had zijne zware stem
-geklonken als die van een heraut, die eene groote daad verkondigt. Geene
-lippen, geene hand zelfs bewoog zich in de wijde ruimte, toen hij zweeg.
-Ramses hief nu den beker omhoog, en riep luide en vroolijk: »Vóor den
-slag betaamt het ons het hart te verheffen. Roemrijke daden hebben wij
-volbracht. Ver verwijderde volken hebben onze hand gevoeld. Aan hunne
-stroomen richtten wij zegeteekenen op, en in hunne rotsen griffelden
-wij den roem onzer daden[331]. Hij die over u gebied voert, is grooter
-dan alle koningen; hij is het door de goden en door u, zijne dappere
-medestrijders. Moge de slag van morgen ons nieuwen roem doen oogsten, en
-de hemelsche goden weldra dezen krijg doen eindigen! Ledigt dan met mij
-een beker op de overwinning en onzen blijden roemrijken terugkeer in het
-vaderland!"
-
- [331] Herodotus (II, 102-106) verhaalt ons van de
- beeldhouwwerken, die Ramses II deed beitelen in de rots van het
- door hem onderworpen gebied, ter nagedachtenis aan zijne daden.
- Twee ervan heeft hijzelf gezien. Een is nog heden bewaard, en
- wel op eene rots bij Beyroet. Men kan daarvan afbeeldingen
- vinden in Lepsius, =Denkmaler aus Aegypten und Aethiopiën=, in
- eene verhandeling van denzelfde in de "Annali dell' Instituto di
- correspondenza archeologica," vol. X. Roma 1838, p. 12-19, en
- eene beschrijving van denz. in het "Bulletino dell' Instituto
- d.C.A." 1840 p. 33-39. Vgl. het opstel van Dr. C. Leemans:
- "Egyptische gedenkteekens van de krijgstochten van Sesostris in
- Azië" in =Algem. Konst- en Letterbode=, 1854, No. 48 en 49.
-
-»Zege! zege! Leve bloeie den pharao, kracht en heil!" riepen juichend
-alle gasten van Ramses, die, terwijl hij de trappen van zijn troon
-afdaalde, den aanwezigen toeriep: »Rust nu, tot de Isis-ster ondergaat.
-Volg mij dan in het gebed bij het altaar van Amon, daarna in den slag."
-
-Het gejuich verhief zich opnieuw, terwijl Ramses aan elk zijner zonen
-met een opwekkend woord de hand reikte. De beide jongsten, Mernephtah en
-Rameri, gebood hij hem te volgen. Hij verliet daarop met hen en Mena
-de eetzaal en begaf zich, voorafgegaan van garden en hofbeambten, die
-staven met gouden leliën en struisvederen in de handen droegen, naar
-zijn slaaptent, die door een keurbende, onder aanvoering van een zijner
-zonen, bewaakt werd.
-
-Eer hij die tent binnenging, liet hij zich eenige stukken vleesch geven,
-waarmede hij eigenhandig zijne leeuwen voederde, die zich als tamme
-katers door hem lieten streelen. Daarna wierp hij een blik in den stal,
-klopte zijne lievelingsrossen op hunne edele halzen, streek ze over de
-glimmende schenkels en bepaalde, dat »Noera" en »In Thebe de zege"[332]
-hem morgen in den slag zouden voeren. Toen hij in zijn slaapvertrek
-gekomen was, beval hij de hovelingen hem te verlaten. Daarop wenkte hij
-Mena, liet zich door dezen zijne sieraden en wapenen afnemen, en riep
-eindelijk zijne jongste zonen bij zich, die eerbiedig en met eenige
-bezorgdheid aan de deur der tent stonden te wachten.
-
- [332] Zoo heetten inderdaad de paarden, die Ramses in den slag
- van Kadesch voerden.
-
-»Waarom gebood ik u mij te volgen?" vroeg Ramses ernstig.
-
-Beiden zwegen. Daarop herhaalde hij zijne vraag.
-
-»Omdat gij hebt opgemerkt," antwoordde Rameri nu, »dat het tusschen ons
-beiden niet in alle opzichten is gelijk het wezen moest."
-
-»En omdat ik wensch," viel de koning hem in de rede, »dat er onder mijne
-kinderen eensgezindheid zij. Vijanden zult gij morgen genoeg kunnen
-bevechten, maar vrienden vindt men zelden en verliest men maar al te
-dikwijls in den slag. Wie van ons valt mag niet boos zijn op den ander,
-maar moet hem vol liefde aan gene zijde des grafs kunnen wachten. Spreek
-Rameri wat heeft u beiden verdeeld?"
-
-»Ik ben niet langer op hem vertoornd," antwoordde de aangesprokene. »Gij
-hebt mij onlangs dat zwaard geschonken, hetwelk dáar in Mernephtah's
-gordel steekt, omdat ik bij den laatsten uitval der Cheta mijn plicht
-heb gedaan. Gij weet, wij slapen beiden in dezelfde tent, en toen ik
-gisteren mijn zwaard uit de scheede trok, om mij in de beschouwing van
-den schoonen kling te verheugen, toen bevond ik dat een vreemd, minder
-scherp zwaard in de scheede stak."
-
-»Ik had mijn wapen uit scherts met het zijne verwisseld," sprak nu
-Mernephtah. »Maar hij wil van geen gekheid weten en zeide, dat ik mij
-voortaan wel met dat onverdiend eere-geschenk kon blijven tooien, dat
-hij trachten zou in den kamp een nieuw te verdienen en, en dan...."
-
-»Ik weet genoeg," zeide de koning. »Gij hebt beiden verkeerd gehandeld.
-Ook al schertsend, Mernephtah, moogt gij elkander niet bedriegen. Ik
-heb het maar eens gedaan, en hoe dat afliep, wil ik u tot waarschuwing
-vertellen.
-
-»Mijne voortreffelijke zalige moeder Toeaä bad mij, toen ik voor
-het eerst naar het land der Fenchoe[333] trok, dat ik haar een steen
-zou medebrengen van de kust bij Byblos, waar het lijk van Osiris
-aanspoelde[334]. Ongelukkig vergat ik dit geheel en al. Toen wij Thebe
-weder binnentrokken, viel mij het verzoek mijner moeder weder in. Jong
-en onbedachtzaam, gelijk ik toen was, nam ik een steen van den weg op,
-stak dien bij mij, en toen zij mij om het aandenken van Byblos vroeg,
-gaf ik haar zwijgend den steen uit Thebe. Zij was er bijzonder mede in
-haar schik, toonde het kleinood aan al hare broeders en zusters, en
-legde het bij de beelden onzer voorvaderen. Schaamte en berouw kwelden
-mij echter, en eindelijk nam ik heimelijk den steen weder weg en wierp
-dien in het water. Alle dienaars werden saamgeroepen om streng onderzoek
-te doen naar den dief van dit voorwerp. Toen kon ik het eindelijk niet
-langer uithouden en bekende alles. Niemand heeft mij gestraft, en toch
-ben ik nooit zwaarder getuchtigd. Sedert dien tijd veroorloofde ik mij
-zelfs niet al schertsend iets anders dan de waarheid te zeggen. Neem
-deze les ter harte, Mernephtah, die uw vader heeft ontvangen.
-
- [333] De Phoeniciërs worden reeds op gedenkteekenen uit de 18e
- dynastie Fenchoe genoemd.
-
- [334] Zie boven bl. 91.
-
-»Wat u aangaat, Rameri, laat u het zwaard teruggeven. Geloof mij, er
-komen in het leven zooveel groote dingen voor, die onzen toorn wekken,
-dat men reeds vroeg moet leeren, zich zonder ontstemd te worden over de
-kleinigheden heen te zetten, als men geen knorrig en ontevreden schepsel
-wil worden gelijk de gids Paäker. En gij, wilde waaghals, schijnt mij
-daarvoor allerminst aanleg te hebben. Geeft elkaar nu de handen!"
-
-De prinsen traden op elkander toe. Rameri viel zijn broeder echter om
-den hals en kuste hem.
-
-De koning streelde beiden de haren en zeide: »Gaat nu rusten en laat
-ieder uwer zich morgen een nieuw eergeschenk trachten te verwerven!"
-
-Toen zijne zonen de tent verlaten hadden, wendde Ramses zich tot zijn
-wagenmenner en zeide: »Ook met u heb ik voor den strijd nog een woord te
-spreken. Ik zie u door de oogen in de ziel, en geloof dat het daar niet
-richtig is, sedert de overste uwer stoeterij hierheen kwam. Wat is er
-toch in Thebe geschied?"
-
-Mena zag den koning aan met een open oog, waarin echter eene smartelijke
-uitdrukking lag, en zeide: »Mijne schoonmoeder Katoeti bestuurt mijn
-erfgoed zeer slecht; zij verpandt de akkers en verkoopt het vee."
-
-»Dat is te vergoeden," zeide Ramses vriendelijk. »Gij weet dat ik u nog
-de vervulling van een wensch schuldig ben, wanneer Nefert u zoo zeker
-vertrouwt als gij meent. Het komt mij echter voor, dat het met haar niet
-zoo is als het wezen moest, want ik heb u nog nooit bezorgd gezien over
-geld en goed. -- Spreek vrij uit; gij weet ik wil een vader voor u zijn.
-Vrij en onbeneveld moeten hart en oogen zijn van den man, die in den
-slag mijne paarden ment."
-
-Mena kuste het gewaad van den pharao en zeide: »Nefert heeft Katoeti's
-huis verlaten en is, gelijk gij weet, uwe dochter Bent-Anat naar den
-heiligen berg Sinaï en naar Megiddo gevolgd."
-
-»Ik dacht," antwoordde Ramses, »dat zij eene goede ruiling had gedaan.
-Ik laat Bent-Anat voor Bent-Anat zorgen, want zij heeft geen ander
-noodig die over haar waakt. En uwe vrouw kan geene betere vinden om
-haar te beschermen, dan juist mijne dochter."
-
-»Zeker kan zij dit niet!" riep Mena in volle oprechtheid. »Doch eer
-zij op reis ging, zijn er ergerlijke dingen gebeurd. Gij weet dat zij,
-voordat gij hare hand voor mij hebt gevraagd, bestemd was voor haar
-neef den Mohar Paäker. Deze nu ging, gedurende zijn oponthoud in Thebe,
-in mijn huis uit en in. Hij heeft Katoeti met eene ontzaglijke som
-bijgestaan, ten einde de schulden van mijn lichtvaardigen zwager te
-betalen, en heeft gelijk de overste der stoeterij met eigen oogen gezien
-heeft, Nefert bloemen geschonken."
-
-De koning glimlachte, legde zijne hand op den schouder van zijn
-wagenmenner en zeide, terwijl hij hem recht in het gelaat zag: »Uwe
-vrouw zou u vertrouwen, niettegenstaande gij eene vreemde vrouw in uwe
-tent hebt genomen, en gij meent Nefert te mogen verdenken, omdat haar
-neef haar bloemen schonk! Is dat verstandig en rechtvaardig? Ik geloof
-dat gij ijverzuchtig zijt op den onbevalligen, breedgeschouderden man,
-dien een nijdige demon in het nest van den edelen gestorven Mohar
-schijnt te hebben gelegd."
-
-»IJverzuchtig ben ik niet," antwoordde Mena, »en geen twijfel aan Nefert
-verontrust mijne ziel. Maar mij kwelt, en pijnigt, en beleedigt reeds
-de gedachte alleen, dat juist die Paäker, die mij tegenstaat als eene
-giftige spin, haar geschenken geeft en haar aanziet en dat in mijn eigen
-huis!"
-
-»Wie vertrouwen verlangt, moet ook vertrouwen schenken!" zeide de
-koning. »Moet ik het ook niet voor lief nemen, wanneer ellendige sukkels
-mij en de mijnen met lofliederen prijzen? Komaan, strijk dadelijk de
-plooien op uw voorhoofd glad, en denk aan de naderende overwinning en
-den terugkeer naar het vaderland. Vergeet daarbij niet, dat gij Paäker
-minder te vergeven hebt, dan hij u. Ga nu naar de paarden, en stap
-morgen op mijn wagen, met vroolijken moed, zooals ik u het liefst zie."
-
-Mena verliet de tent en ging naar den vorstelijken paardenstal. Daar
-trof hij Rameri aan, die hem wachtte. De levendige jongeling bekende
-den wagenmenner, dat hij hem liefhad en eerde, als een schitterend
-voorbeeld, dat hij wilde navolgen. Maar hij begon te twijfelen aan zijne
-huwelijkstrouw, want hij had nu eerst gehoord, dat Mena eene vreemde
-vrouw in zijne tent had genomen, niettegenstaande hij verbonden was
-aan de schoonste en beminnenswaardigste vrouw in Thebe. »Ik heb," zoo
-besloot hij, »met haar als een broeder omgegaan en weet dat zij het
-besterven zou, indien zij hoorde, dat gij haar zoo diep beleedigt. Ja,
-beleedigt, want zulk eene openbare trouwbreuk onteert de vrouw van een
-Egyptenaar! Vergeef mij mijne openhartigheid maar wie weet wat de dag
-van morgen brengt, en ik zou niet met slechte gedachten van u ten
-strijde willen trekken!"
-
-Mena liet Rameri uitspreken, zonder hem in de rede te vallen en
-antwoordde: »Gij spreekt rond en open als uw vader, en hebt zeker
-ook van hem geleerd den aangeklaagde te hooren, alvorens hem te
-veroordeelen. Eene vreemde vrouw, de dochter van den koning der
-Danaërs[335], slaapt op mijne legerstede, maar ik houd sedert maanden
-mijn nachtverblijf bij de deur van uws vaders tent, en heb mijne eigene
-niet meer betreden, sedert het meisje daarin huist. Zet u een oogenblik
-bij mij neer, en laat ik u vertellen, hoe dat gekomen is!"
-
- [335] Naam van de Grieken in den tijd van den Trojaanschen
- oorlog. Zij komen in de opschriften uit den tijd van Ramses III
- voor als bondgenooten van de bewoners der eilanden in de
- Middellandsche zee tegen Egypte. De Dardaniërs, bewoners van het
- Trojaansche landschap Dardania, welker naam ook voor de Trojanen
- gebruikt wordt, komen naast de volken van Pisada (Pisidië), Masa
- (Mysië) en Ilioena (Ilion) in het epos van Pentaoer voor als
- bondgenooten der Cheta. Het is zeer waarschijnlijk, dat de
- vorsten van de Grieksche eilanden, die nabij de kusten van
- Klein-Azië gelegen waren, zich hebben aangesloten bij het groot
- verbond der volken van Westelijk Azië tegen de Egyptenaars.
-
-»Wij hadden het leger voor Kadesch opgeslagen, en er was weinig voor mij
-te doen, want Ramses lag nog lijdende aan zijne wonden. Dikwijls zocht
-ik eenig tijdverdrijf met te jagen aan de oevers van het meer. Eens ging
-ik, als gewoonlijk slechts met pijl en boog gewapend en vergezeld van
-mijne hazewinden[336], naar de vlakte en vervolgde onbezorgd een haas.
-Daar werd ik onverwachts door een bende Danaërs overvallen, die mij met
-strikken bonden en in hunne legerplaats voerden. Ik werd als verspieder
-voor hunne rechters gebracht. Reeds was het oordeel over mij geveld en
-een strop om mijn hals gelegd, toen hun koning daar langs kwam, en mij
-ziende mij nogmaals in het verhoor nam. Ik vertelde hem geheel naar
-waarheid, dat ik op de dierenjacht zijnde, zonder eenige vijandige
-bedoeling te hebben, in de handen der zijnen was gevallen. Hij geloofde
-mij, schonk mij niet alleen het leven, maar ook de vrijheid. Hij had in
-mij den edelman herkend, behandelde mij ook als zoodanig en liet mij
-aan zijne eigene tafel spijzigen. Toen hij mij liet vertrekken, deed
-ik stilzwijgend de gelofte, dat ik hem deze grootmoedige daad zou
-vergelden.
-
- [336] Hazewindhonden, afgericht voor de jacht op hazen, vindt
- men reeds in de alleroudste graven, bijv. bij den Mastaba te
- Meydoem, die tot den tijd van Snefroe behoort (4000 jaren v.
- Chr.) Over de honden, waarvan de Egyptenaars zich bedienden,
- handelt S. Birch in de =Transactions of the society of biblical
- Archaeology=, 1875, p. 172-195.
-
- De Mastaba of Moesatbet el Faroen, troon van Pharao, is een
- pyramidevormig gebouw te Saqqarah, door de Arabieren met dien
- naam onderscheiden, volgens de overlevering, dat een der oude
- Egyptische koningen het tot zijn troonzetel bestemde. Vert.
-
-»Een maand later gelukte het ons, de legerplaats der met de Cheta
-verbondene volken te overrompelen, en Lybische soldaten roofden uit de
-tent van den koning der Danaërs, benevens andere schatten, ook zijne
-dochter. Ik had mij dapper gedragen, en toen het tot de verdeeling van
-den buit kwam, vergunde de koning mij het eerst te kiezen. Dadelijk
-legde ik de hand op de dochter van mijn redder en gastvriend, en voerde
-haar naar mijne tent, waar ik haar ongedeerd met hare dienstmaagden laat
-leven om haar bij het sluiten van den vrede aan haren vader terug te
-geven."
-
-»Vergeef mij!" riep Rameri, en reikte den wagenmenner de hand. »Nu
-begrijp ik eerst, waarom de koning mij zoo met nadruk vroeg, of Nefert
-aan uwe trouw gelooft!"
-
-»En wat hebt gij hem ten antwoord gegeven?" vroeg Mena.
-
-»Dat zij dag en nacht aan u denkt, en geen oogenblik aan u twijfelt. Dat
-scheen ook mijn vader groot genoegen te doen, en hij zeide tot Chamoes:
-'Dan heeft hij het gewonnen'!"
-
-»Hij wil mij eene groote gunst bewijzen," zeide Mena, om het antwoord
-van Ramses op te helderen, »wanneer zij, na vernomen te hebben dat ik
-eene vreemde vrouw in mijne tent opnam, mij toch nog vertrouwt. De
-koning houdt dit schier voor onmogelijk, maar ik weet dat ik het winnen
-zal. Zij =moet= op mij vertrouwen!"
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Vóor den aanvang van den slag[337] waren bij elke troepenafdeeling
-gebeden uitgesproken en offers geslacht. Men had heilige godenbeelden
-in feestbarken voorbij de gelederen gedragen, en aan de soldaten
-wonderdoende reliquieën getoond. Herauten verkondigden, dat de
-opperpriesters bij de groote offers des konings gunstige voorteekenen
-had gevonden, en de Horoscopen hoop hadden gegeven op eene schitterende
-overwinning.
-
- [337] Bij onze schildering van het geheele beloop van den slag
- hebben wij het epos van Pentaoer gevolgd.
-
-Ieder Egyptisch legioen zag met bijzonder vertrouwen op naar de
-standaarden met het beeld van een of ander heilig dier, of het symbool
-van de provincie, waaruit het afkomstig was. Doch ook ieder soldaat
-afzonderlijk voorzag zich van voorbehoedmiddelen en amuletten van
-allerlei aard. Deze droeg eene spreuk, die hulp kon verleenen, in een
-zakje verborgen om den hals of aan den arm, gene weder heilaanbrengende
-mystische oogen, en de meesten scarabeën aan hunne vingerringen. Velen
-achten zich het best beschermd door de haren of de vederen van een
-heilig dier, en niet weinigen lieten zich vrijwaren voor alle onheil
-door eene levende slang of kever, die zij zorgvuldig in het taschje van
-hun schortkleed of in hun spijszak verborgen.
-
-Toen de koning, voor wien de beelden van den godentrias van Thebe, Amon,
-Mat en Choensoe, van den krijgsgod Menth en van de godin der overwinning
-Necheb, werden gedragen, de troepen monsterde, was hij gezeten in
-een draagstoel, die op de schouders van vier-en-twintig aanzienlijke
-jongelingen rustte. Zoodra hij naderde viel het gansche leger op de
-knieën en stond niet op voordat Ramses, na van den draagstoel te zijn
-afgedaald, voor aller oogen aan de goden een rook- en drankoffer had
-gebracht, en zijn zoon Chamoes, de opperpriester van Memphis, hem in
-naam der hemelsche goden de symbolen van leven en macht had overhandigd.
-Eindelijk zongen de priesterkoren lofliederen op den zonnegod Ra, en
-zijn zoon en vertegenwoordiger op aarde, den koning.
-
-Toen de troepen opbraken, werd de hemel, die weinige uren te voren door
-zware wolken was bedekt, weder helder, en vertoonde zich het reeds
-verbleekend licht der sterren. Dit verschijnsel aan het firmament werd
-als een gunstig voorteeken beschouwd, en de priesters verkondigden het
-leger, dat evenals de naderende Ra de wolken voor zich uitdreef, zoo ook
-de koning zijne vijanden zou verstrooien.
-
-De voetknechten trokken in de voorgeschrevene orde den vijand tegemoet,
-zonder trommelslag of trompetgeschal, ten einde de Aziaten niet te
-wekken. De wagenstrijders reden in lange rijen af, elk op een lichten
-tweeradigen, met twee paarden bespannen wagen. Ramses stelde zich aan
-het hoofd van dezen. Aan beide zijden van het vergulde voertuig dat hem
-droeg, zag men een schitterend met edelgesteenten bezet foudraal voor
-pijlen en bogen, Zijne schoone paarden waren rijk getuigd. Halzen en
-ruggen waren gedekt door purperen, met turkooizen bestikte schrabrakken,
-en op hunne hoofden was een sieraad geplaatst, dat veel op een kroon
-geleek, en waarvan eene menigte witte struisvederen nederwaaiden. Aan
-het einde van den ebbenhouten disselboom waren kleine, van kussens
-voorziene jukken aangebracht, die op de nekken der paarden rustten. Als
-spelend met hun lichten last, huppelden de glimmende slanke dieren voor
-den wagen. Zij trappelden op den grond met hunne kleine stevige hoeven,
-en bewogen hunne sierlijk gebogene zwanenhalzen met fierheid op en neer.
-
-Achter zijn heer, die met de kroon van Opper- en Neder-Egypte was
-getooid, en een pantserrok[338] droeg, waarover de breede purperkleurige
-draagband rondom zijne lenden was geslagen, stond Mena. Hij hield met
-de linkerhand de paarden strak in toom. Zijne rechterhand leunde op het
-schild, waarmede hij in den strijd zijn gebieder moest beschutten.
-Gelijk een door stormen nog vaster gewortelde eik, naast welken een
-slanke esch opwascht, zoo stond de pharao daar naast zijn wagenmenner.
-
- [338] De overblijfselen van zulk een pantser, dat afkomstig is
- uit den tijd van den eersten Sheshenk (Sesonchis), die tot de
- 22e dynastie behoorde, worden in het Britsch museum bewaard. Het
- bestaat uit leder, waarop bronzen schubben bevestigd zijn.
-
-De oostelijke horizont begon zich te kleuren met roodachtige tinten,
-toen zij de omheining van de legerplaats verlieten. Daar ter plaatse
-reed de gids Paäker den koning te gemoet, wierp zich vóor hem neder en
-kuste den bodem. Op de vraag van Ramses, waarom hij zonder zijn broeder
-kwam, gaf hij ten antwoord, dat deze plotseling ziek was geworden. De
-morgenschemering was oorzaak, dat de koning niet kon opmerken, hoe de
-wangen van den verrader, die niet gewoon was te liegen, nu eens rood en
-dan weder vaalbleek werden.
-
-»Hoe staat het met den vijand?" vroeg Ramses.
-
-»Hij weet," antwoordde Paäker, »dat het weldra tot een slag zal komen,
-en trekt zijne tallooze volken in de legerplaatsen ten zuiden en ten
-oosten van de stad bijeen. Gelukt het u Kadesch van de noordzijde van
-achter aan te vallen, terwijl het voetvolk het leger der Aziaten van de
-zuidzijde aangrijpt, dan zal de vesting nog heden in uwe handen zijn. De
-bergengte, die gij moet doortrekken, om niet ontdekt te worden, is niet
-slecht."
-
-»Zijt gij ziek als uw broeder?" vroeg de koning, »Uw stem beeft."
-
-»Ik ben gezonder dan ooit," antwoordde de Mohar.
-
-»Wijs ons den weg!" beval Ramses.
-
-Paäker gehoorzaamde. Zwijgend reden zij met een gevolg van tallooze
-wagenstrijders in de frissche morgenkoelte over de bedauwde vlakte, en
-zoo het gebergte in. Het met bogen en zwaarden gewapende korps van Ra
-marcheerde in de voorhoede en opende den weg. Nadat zij de smalle en
-drooge bedding van een stroom waren doorgetrokken, zagen zij voor zich
-een breed dal, dat links en rechts door bergen was ingesloten.
-
-»De weg is goed," zeide Ramses, terwijl hij zich tot Mena richtte. »De
-Mohar heeft van zijn vader geleerd zijn ambt goed te vervullen. Hij
-heeft ook voortreffelijke paarden. Nu eens wijst hij de gidsen van onze
-voorhoede den weg, dan weder is hij in onze nabijheid."
-
-»Het zijn geelvossen uit mijne stoeterij," zeide Mena, en de aderen op
-zijn voorhoofd zwollen. »De opzichter zeide, dat Katoeti ze hem voor
-zijn vertrek heeft gezonden. Zij moeten voor Nefert's wagen loopen, en
-heden ment hij ze om mij te trotseeren."
-
-»De vrouw is de uwe, laat hem de paarden," antwoordde de koning goedig.
-
-Opeens werd de morgenstilte gestoord door het geluid van bazuinen. Men
-zag niet uit welke richting het kwam, en toch klonk het niet uit de
-verte.
-
-Ramses richtte zich op in al zijne lengte, en haalde de strijdbijl uit
-zijn gordel. De rossen staken de ooren op en Mena zeide: »Dat waren
-trompetten der Cheta; ik ken den toon."
-
-Achter het voertuig van Ramses reed een gesloten vierwielige wagen,
-waarin de koninklijke leeuwen naar het tooneel van den strijd werden
-gevoerd.
-
-»De leeuwen los!" riep de koning, zoodra hij het krijgsgeschreeuw hoorde
-aanheffen, en spoedig daarop zag hij zijne door vijandelijke wagens
-doorbrokene voorhoede, het dal weder in en hem tegemoet vluchten. De
-roofdieren schudden woest de manen en sprongen brullend naast den
-wagen van hun meester. Mena zwaaide de zweep; de paarden steigerden en
-galoppeerden nu moedig tegen de vluchtenden, die door geen woorden tot
-stilstaan waren te brengen, en de hen vervolgende vijanden in.
-
-»Waar is Paäker?" vroeg Ramses.
-
-Doch de gids was verdwenen, als had de aarde hem plotseling met zijn
-wagen verslonden.
-
-De vluchtende Egyptenaars en de vijandelijke wagenstrijders, die dood
-en verderf in hunne gelederen verspreiden, kwamen al nader en nader. De
-grond dreunde; de hoefslag der paarden en het ratelen der wielen klonk
-luider en luider, als het rollen van een snel opkomend onweder.
-
-Nu verhief Ramses zijn stem en liet een oorlogskreet hooren, die als
-bazuingeschal door de rotsen ter linker- en rechterzijde werd herhaald.
-Zijne wagenstrijders stemden in met dien kreet. De vluchtenden kwamen nu
-een oogenblik tot staan, maar om terstond daarop met verdubbele snelheid
-een goed heenkomen te zoeken. Want onverwachts hoorde men ook het
-krijgsgeschreeuw en de trompetten van den vijand achter den koning. Uit
-een dwarsdal, waarop Ramses geen acht had geslagen, en waarin Paäker
-verdwenen was, stormden onafzienbare drommen wagenstrijders te
-voorschijn, die voordat de koning het beletten kon, de rijen der hem
-volgende strijders doorbraken, en hem van zijne hoofdmacht afsneden.
-
-Ramses hoorde achter zich het geweldig gedruisch van den aangevangen
-strijd; vóor zich zag hij de zijnen vluchten en vallen, en den vijand,
-die met klimmende woede en steeds talrijker op hem aanstormde. Hij
-overzag het gansche gevaar en rekte zijne kolossale leden, als wilde
-hij beproeven, of zij opgewassen waren tegen een niet minder sterken
-tegenstander. Andermaal verhief hij zijne stem, doch nu zoo krachtig,
-dat zij het geschreeuw en gesteun der soldaten, het commando der
-aanvoerders, het gehinnik der paarden, het gekraak der wagens die
-verbrijzeld werden, het dof geluid van de door lansen en zwaarden
-getroffen schilden en helmen, kortom het oorverdoovend geraas van den
-slag luide overstemde. Hij hief den boog op en doorboorde met zijn
-eersten pijl een opperhoofd der Cheta.
-
-Nu sprongen zijne leeuwen vooruit, en brachten verwarring onder de
-vijandelijke scharen, die hem van voren bedreigden. Want vele paarden
-der Cheta keerden zich op het gebrul der woedende roofdieren dadelijk
-om, wierpen de wagens omver en verhinderden het voortdringen hunner
-strijdgenooten.
-
-Ramses schoot den eenen pijl na den anderen af, en Mena beschutte hem
-met het schild, wanneer een vijandelijk schot op hem werd gericht.
-
-Thans hadden de rossen van den pharao den vijand bereikt en had zijne
-strijdbijl den eersten der Aziaten geveld. Rameri en drie andere zonen
-des konings streden aan zijne zijde op hunne wagens, en vóor hen de
-leeuwen. Wild was het gedrang, vreeselijk de woede der strijders;
-zinverbijsterend het gejoel van den slag, gelijk het bulderen der
-branding van den oceaan, die door een fellen orkaan tegen hooge
-granietrotsen wordt opgezweept.
-
-Het was of Mena zich wist te verdubbelen, want terwijl hij in zijne
-linkerhand de teugels hield geklemd, waarmede hij de rossen nu eens
-vooruit deed snellen, dan achteruit trok, dan weder opzij wendde, al
-naar het noodig was in den drang van het gevecht, ontging hem geen
-enkele pijl, die op den koning werd gericht. Zijne oogen en zijn schild
-waren overal. De jonge held vertrok geen wenkbrauw, terwijl Ramses
-woedender nog dan zijne leeuwen onder steeds luider krijgsgeschreeuw en
-met vlammende blikken, zich, links en rechts er op inhouwende, al dieper
-en dieper waagde onder de drommen der vijanden.
-
-In het schild van den wagenmenner staken reeds drie pijlen, die op Mena,
-niet op den koning waren gericht, en op de schacht van den eenen zag hij
-toevallig in Egyptisch schrift niet onduidelijk de woorden: »Dood aan
-Mena."
-
-Daar snorde een vierde pijl!
-
-Hij volgde met de oogen de richting, van waar het wapen kwam, en terwijl
-een vijfde schot zijn schouder verwondde, riep hij den koning toe: »Wij
-zijn verraden! Zie daar, aan de overzijde! Paäker strijdt met de Cheta!"
-
-De gids spande juist opnieuw zijn boog en kwam den wagen van Ramses zoo
-nabij, dat men hem verstaan kon, toen hij de pees aantrekkende, met
-krijschende stem uitriep: »Thans rekenen wij af, gij dief en roover! Nog
-is mijne bruid uwe vrouw, maar met dit schot maak ik Mena's weduwe tot
-de mijne!"
-
-Met geweldige kracht doorkliefde de pijl de lucht en trof den helm van
-den wagenmenner. Deze liet zijn schild zinken en bracht de hand aan
-zijn hoofd, dat dreunde van den schok. Hij hoorde Paäkers woedenden
-schaterlach, en voelde hoe een nieuwe pijl van zijn vijand hem door het
-handgewricht sneed. Zichzelven niet meer meester, wierp hij de teugels
-ver van zich weg, greep zijn strijdbijl, sprong, zijn plicht en
-zichzelven vergetende, van den wagen en stormde op den gids los.
-
-Paäker wachtte hem af met zijn opgeheven slagzwaard. Zijne lippen waren
-doodsbleek, zijne oogen bloedrood, zijne wijduitstaande neusvleugels
-bewogen zich als die van een snuivend paard, en met giftig schuim op
-zijn schreeuwenden mond, wierp hij zich op zijn doodvijand.
-
-De koning zag beiden met elkander worstelen, doch hij kon in dezen
-strijd niet tusschen beiden komen, want de teugels, die Mena had
-vastgehouden, sleepten langs den grond, en onbestuurd trokken zijne
-paarden, de leeuwen volgende, hem met zich voort.
-
-De meeste zijner strijdgenooten waren gevallen. Voor hem en achter hem
-woedde het vreeselijk gevecht; doch Ramses stond vast als een rots,
-dekte zich met Mena's schild, en zwaaide zijne doodelijke strijdbijl.
-
-Daar zag hij hoe Rameri zich met zijn tweespan dicht bij hem aansloot.
-De jongeling streed heldhaftig, en Ramses riep hem toe: »Goed zoo, gij
-kleinzoon van Seti!"
-
-»Ik wil heden een nieuw zwaard verdienen!" antwoordde de kroeskop zijn
-vader, en spleet een vijand den schedel.
-
-Doch reeds waren zij van alle zijden door vijandelijke wagens omringd.
-De vader zag, hoe Danaërs de paarden van den jongeling neerhieuwen, en
-hoe al zijne metgezellen, en onder hen de beste strijders, hunne paarden
-omwendden en op de vlucht sloegen.
-
-Daar werd ook een zijner leeuwen met eene lans doorboord. Het edele
-dier zonk neder, met een gehuil van woede en smart, dat boven alles uit
-werd gehoord. Reeds was hij zelf door een pijl licht verwond, had een
-zwaardhouw zijn schild gespleten, en was de laatste pijl afgeschoten.
-
-Hoewel hij nog altijd links en rechts dooden deed vallen, zag Ramses
-toch zijne laatste ure naderen. Zonder de worsteling te staken, verhief
-hij zijne stem om luide te bidden en Amon's hulp met hartstochtelijke
-woorden in te roepen.
-
-Terwijl hij alzoo in doodsgevaar den heer des hemels om bijstand
-smeekte, ziet, daar vertoonde zich midden in het strijdgewoel naast
-zijne paarden een Egyptenaar van hooge gestalte. Hij nam de teugels op,
-en terwijl hij den koning eerbiedig groette, sprong hij achter hem op
-den wagen.
-
-Ramses beefde voor de eerste maal. Geschiedde hier een wonder? Had Amon
-zijn gebed verhoord? Terwijl hij eenigszins schuw den blik richtte
-op zijn nieuwen wagenmenner, en op zijn gelaat de trekken van den
-afgestorven Mohar, den vader van den verrader Paäker, meende te
-herkennen, geloofde hij werkelijk, dat Amon diens gedaante had
-aangenomen, dat de god in eigen persoon tot hem was gekomen, om hem te
-redden.
-
-»Er is hulp nabij!" riep zijn nieuwe wagenstrijder. »Nog maar een
-wijle stand gehouden, dan zijt gij gered, en voert gij de uwen ter
-overwinning!"
-
-Toen verhief Ramses opnieuw zijn krijgsgeschreeuw. De dichtst bij zijnde
-Chetiet, die hem naderde, zonk ter aarde met verbrijzelden schedel,
-terwijl de raadselachtige helper aan zijne zijde hem nu eens met
-het schild, dat de koning hem had overgegeven, dekte, dan weder
-verschrikkelijke slagen uitdeelde.
-
-Zoo gingen er met deze nieuwe worsteling eenige oogenblikken voorbij.
-
-Daar liet zich weder boven het luid gewoel van den strijd trompetgeschal
-hooren. Ditmaal herkende Ramses zijne Egyptische hoornblazers, en van
-den lagen bergwand aan zijne rechterzijde wierpen, zonder zich over weg
-of steg te bekommeren, duizende lichtgewapende voetknechten van het
-legioen van Ptah onder aanvoering van Horus, zich in de flank der
-vijandelijke wagenstrijders.
-
-De Egyptenaars zagen in welk gevaar de koning verkeerde. Met ware
-doodsverachting stormden zij op den vijand los, de wagenstrijders
-nederhouwende of op de vlucht jagende. Weldra stond de pharao gered
-onder de zijnen.
-
-Maar de raadselachtige persoon, die hem in den nood had geholpen, was
-verdwenen. Hij was, door een pijl getroffen, ter aarde gezonken. Zoo is
-het einde van een mensch; en toch meende de koning, dat Amon zelf zijn
-redder was geweest.
-
-Ramses gunde zichzelven, zijnen rossen en zijnen strijders maar een
-oogenblik rust; toen wendde hij zijn strijdwagen, reed den weg terug
-langs welken hij gekomen was, overviel de vijanden, die hem van zijne
-hoofdmacht hadden afgesneden, greep hen in den rug aan, terwijl zij nog
-worstelden met zijne reeds terugwijkende wagenstrijders, en voerde de
-meeste Aziaten, die aan de Egyptische pijlen en zwaarden ontkomen waren,
-als gevangenen mede.
-
-Nadat hij zich wederom met zijne overige troepen vereenigd had, drong
-hij dieper in de vlakte door, stiet hier op Aziatische voetknechten en
-wagenstrijders, die met de zwaar gewapende Egyptenaars streden, en dreef
-hen in de wateren van den Orontes of van het meer van Kadesch. Het
-aanbreken van den nacht maakte een einde aan den strijd, die echter den
-volgenden morgen vroeg weder aanving.
-
-Groote moedeloosheid had zich van de Aziatische bondgenooten meester
-gemaakt. Zich van de overwinning zeker wanende waren zij naar het
-slagveld opgetrokken. De gids Paäker had hun immers zijn koning
-verraden? Toen de pharao uittrok waren de beste wagenstrijders der Cheta
-heimelijk achter de stad geschaard en tegen Ramses afgezonden door de
-noordelijke opening van het dal, waardoor hij tegen Kadesch optrok.
-Gelijktijdig waren andere uitgelezen troepen, in het geheel twee duizend
-vijfhonderd wagens, door een dwarsdal getrokken, dat zij in den nacht
-bezet hadden, ten einde hem in de flank te vallen. Al deze plannen waren
-uitgevoerd, en desniettemin hadden de Aziaten eene geduchte nederlaag
-geleden en hunne voornaamste helden verloren, waaronder Titoere,
-den kanselier, en Chiropasar, den boekenschrijver van den koning
-der Cheta[339], die het zwaard zoo goed kon hanteeren als het
-schrijfriet, en bestemd was de zege der Aziaten te schilderen en tot de
-nakomelingschap over te brengen. Ramses had den een, en zijn onbekende
-metgezel in den strijd, den ander met eigene handen verslagen, en
-behalve deze nog vele andere aanvoerders der Cheta en hunner
-bondgenooten.
-
- [339] Op de afbeelding van den slag op de pylonen van het
- Ramesseum te Thebe, is boven een der gevallen Cheta deze naam en
- deze titel te lezen.
-
-De koning werd als een god met gejuich en lofgezangen in het leger
-begroet. Zelfs de tempelboeren en de in Opper-Egypte gelichte burgers,
-die door Ani omgekocht en den langdurigen strijd moede waren, werden
-door de algemeene geestdrift medegesleept. Zij prezen vroolijk den
-grooten held en koning, den machtige, die den nek van elken weerspannige
-wist te buigen. Zij brachten hulde aan den gelukkigen uitslag.
-
-Nu werden de dooden en gewonden op het slagveld opgezocht. Onder de
-laatsten had men ook Mena gevonden.
-
-Rameri werd vermist; in de eerstvolgende dagen werd het bekend, dat hij
-als gevangene in handen der vijanden was gevallen. Hij werd terstond
-tegen de in Mena's tent teruggehoudene dochter van den vorst der Danaërs
-uitgewisseld.
-
-Paäker was verdwenen, maar de geelvossen, die hem in den strijd hadden
-gevoerd, werden ongedeerd vóor zijn verbrijzelden en met bloed bevlekten
-wagen gevonden.
-
-De Egyptenaars bezetten Kadesch. Chetasar, de vorst der Cheta, wendde
-pogingen aan, in zijn eigen naam en dien zijner bondgenooten, om met den
-pharao in vredesonderhandeling te treden. Doch het stond bij Ramses
-vast, dat hij hen niet hier, maar aan de grenzen van Egypte zijne
-vredesvoorwaarden zou voorschrijven. Er bleef voor de overwonnenen geene
-keuze, en de plaatsvervanger van den koning der Cheta, -- hijzelf was
-gewond, -- benevens twaalf vorsten van de aanzienlijkste volken, die
-tegen den pharao in het veld waren getogen, moesten zich bij zijn
-zegetocht aansluiten. Men bewees hun alle eer, en behandelde hen, alsof
-zij de koning zelf waren. Maar zij waren toch niets meer en niets minder
-dan zijne gevangenen.
-
-De pharao wenschte geen tijd te verliezen, want zijn hart was vervuld
-van zwaarmoedige voorgevoelens. Over zijn anders zoo zonnig gemoed had
-zich een sluier uitgebreid van somberheid, die hem te voren geheel
-vreemd was. Voor de eerste maal was hij aan den vijand verraden door een
-Egyptenaar, die hem zoo na stond.
-
-De daad van Paäker had het blijmoedig vertrouwen van den pharao
-geschokt. Toen de vorst der Cheta om vrede smeekte, had hij niet
-onduidelijk laten blijken, dat Ramses in zijn eigen huis veel met geweld
-van wapenen zou moeten beslechten. De koning voelde zich tegen Ani, de
-priesterschap en allen die hij in Egypte had achtergelaten meer dan
-opgewassen, maar het smartte hem diep wantrouwen te moeten gevoelen,
-en de onzekerheid viel hem zwaarder te dragen dan het ongeluk. Daarom
-verlangde hij naar Egypte terug.
-
-Ook om nog iets anders gevoelde hij tegenzin den krijg voort te zetten.
-Mena, dien hij liefhad als zijn eigen zoon, die zijne minste wenken
-begreep, die, zoodra hij den wagen betrad aan hem behoorde, als ware hij
-een deel van zijn lichaam, bestuurde zijne rossen niet meer. Hij was
-door eene uitspraak van de legeraanvoerders van zijn ambt ontzet
-geworden. Hijzelf had dit oordeel moeten bevestigen als rechtvaardig en
-zacht, want door zijn gebieder prijs te geven om eigen wraak uit te
-oefenen had de wagenmenner een daad gepleegd, die eigenlijk met den dood
-gestraft moest worden. Sedert zijne worsteling met Paäker had de koning
-Mena niet wedergezien, maar met deelneming luisterde hij naar allen, die
-hem gedurig kwamen berichten, dat de zwaar gewonde in beterschap toenam.
-
-Het opgewekt, beslist en wakker karakter van den pharao was wars
-van alle droomerij. Niemand had hem, zelfs in uren van de zwaarste
-vermoeienis, ooit aangetroffen in sombere en nevelachtige mijmeringen.
-Thans kon hij bijwijle strak voor zich staren, als ware zijn geest
-omfloersd, en schrikte hij dikwijls wakker, als iemand die plotseling
-uit den slaap wordt gewekt, wanneer de buitenwereld hare eischen aan hem
-deed gelden. Ontelbare malen had hij den dood in het aangezicht gezien
-en zijne dreigende blikken getrotseerd als die van elk anderen vijand,
-doch ditmaal was het hem geweest, als had hij reeds de kille hand van
-den overmachtigen tegenstander aan zijn hart gevoeld.
-
-Ook het gevoel van machteloosheid, dat zich van hem had meester
-gemaakt, toen hij aan de willekeur van zijne onbeteugelde paarden was
-prijsgegeven, gelijk een blad dat door den wind wordt medegevoerd,
-en door een wonder gered werd, wilde hem maar niet verlaten. -- Een
-wonder! -- Was Amon werkelijk in menschelijke gedaante op zijn geroep
-verschenen; was hij inderdaad een zoon der goden en vloeide er goddelijk
-bloed in zijne aderen?
-
-De hemelsche goden hadden hem buitengewone gunst bewezen, maar hij was
-toch niet meer dan een mensch; dat leerden hem de smarten zijner wonden,
-en de misleidingen, waarvan hij bijna het slachtoffer was geworden. Ja,
-hij moest zichzelven wel beschouwen als een veroordeelde, die genade had
-ontvangen in het oogenblik, waarop het vonnis zou worden voltrokken. Hij
-was een mensch als alle andere menschen, en hij wilde een mensch zijn.
-Hij verblijdde zich er over, dat ook voor hem de toekomst in nevelen was
-gehuld; dat hij tallooze zwakheden had, die hij deelde met hen die hij
-liefhad, vooral dat hij het bewustzijn in zich omdroeg, onder gelijke
-omstandigheden toch meer te vermogen dan al zijne tijdgenooten.
-
-Spoedig na zijne overwinning brak Ramses met de vorsten der overwonnen
-volken in zijn gevolg naar Egypte op, nadat alle belangrijke bergpassen
-en vaste plaatsen in Syrië door zijne krijgslieden waren bezet. Hij zond
-twee zijner zonen naar Bent-Anat te Megiddo, om haar over zee naar
-Pelusium te brengen. Hij wist dat de bevelhebbers, die de havens
-der verste grondvesting in het oostelijkste gedeelte van zijn rijk
-bewaakten, hem trouw waren toegedaan. Tevens gaf hij zijne dochter bevel
-het schip niet te verlaten, tot hij zou aangekomen zijn, ten einde haar
-voor elken aanslag van den stadhouder te vrijwaren. Ook een groot deel
-van het oorlogsmaterieel en de meeste gekwetsten werden over zee naar
-Egypte gezonden.
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Sedert den beslissenden slag bij Kadesch waren er bijna drie
-maanden verloopen. Heden werd de pharao, met zijne als overwinnaars
-terugkeerende troepen, gewacht in het sterke Pelusium, den sleutel van
-Egypte voor alle legers, die uit het oosten kwamen[340].
-
- [340] Zie Lepsius, =Chronologie der Aegypter=, S. 338 f. waar
- alle aanvallen, die het Nijldal uit het oosten heeft moeten
- verduren, opgeteld worden.
-
-Er waren schitterende toebereidselen gemaakt om den koning te ontvangen,
-en hij die de maatregelen voor het feest leidde, met een ijver die
-dubbel verrassend was, omdat hij anders zoo kalm van aard scheen te
-zijn, was niemand minder dan de stadhouder Ani. Overal zag men zijn
-wagen, nu eens bij de werklieden, die de triumfbogen met frissche
-bloemen moesten tooien, dan weder bij de slaven, die de houten leeuwen
-langs de straten, opzettelijk voor deze gelegenheid vervaardigd, met
-kransen omslingerden. Het meest en het langst zag men hem bij het
-kolossale houten paleis, in korten tijd opgetimmerd op de plaats
-waar vroeger de Hyksos gelegerd waren[341]. Daar zou het eigenlijk
-welkomstfeest worden gevierd en de pharao voorloopig met de zijnen
-verblijf houden.
-
- [341] Het Abaris van Menotho is Pelusium, zooals wij in ons
- =Aegypten und die Bücher Mose's=, I. S. 209, bewezen hebben. Van
- de oude wallen met inspringende hoeken, die aan eene vesting
- doen denken, zijn nog sporen bewaard gebleven. Zie Lepsius in de
- =Sitzungsberichte der Berliner Akademie der Wissenschaften=, 17
- Mai 1866.
-
-Door samenwerking van vele duizende menschenkrachten was het gelukt
-in weinige weken dit prachtig gebouw te voltooien[342]. Er ontbrak
-werkelijk niets, wat een koning, die aan weelderigen glans gewoon was,
-maar in eenig opzicht begeerlijk kon toeschijnen. Een hooge op zichzelf
-staande trap leidde uit een keurig aangelegden tuin, die als uit het
-niet te voorschijn was geroepen, naar eene voorzaal, waarachter de
-eigenlijke feestzaal gelegen was. Deze laatste was buitengewoon hoog
-opgetrokken. Het houten dakgewelf, dat duizende sterren op een blauwen
-grond vertoonde en het firmament voorstellen moest, rustte op zuilen,
-waarvan sommige de gedaante hadden van dadelpalmen, andere van ceders
-van den Libanon. De breede bladeren en de fijnvertakte naalden er aan,
-bestonden uit kunstig vastgehecht en beschilderd weefsel. De zuilen
-waren over de geheele breedte van de zaal aan elkander verbonden door
-blauwachtig gaas. Alleen midden aan den oostelijken achterwand van deze
-zaal was dit gaas saamgestoken in den vorm van eene schelp, die, bezaaid
-met groen en blauw vloeispaath, paarlemoer, plaatjes van spiegelblank
-Moscovisch glas en andere blinkende sieraden, zich als een baldachijn
-over den hoogen troon van den pharao uitbreidde. Deze koninklijke zetel
-had de gedaante van een schild dat door leeuwen werd bewaakt, die aan
-zijne beiden zijden als leuningen rustten. Het geheel werd gedragen door
-vier geboeide Aziatische vorsten, die onder het gewicht van dezen last
-schenen te bezwijken.
-
- [342] Volgens Herodotus (II, 107) zou dit houten gebouw te
- Daphne bij Pelusium zijn opgetrokken, volgens Diodorus (I, 57)
- te Pelusium zelf. Wij kunnen niet instemmen met hen, die meenen
- dat het verraad van den stadhouder gericht was tegen Ramses III
- en niet tegen Sesostris (Ramses II). Werkelijk heeft er onder
- Ramses III (vgl. Deveria, =Le papyrus judiciaire de Turin=) een
- samenzwering van den harem plaats gehad, die ten doel had, den
- broeder van den pharao op den troon van Egypte te plaatsen.
- Maar van dergelijke paleis-revoluties vinden wij telkens gewag
- gemaakt, bijv. reeds in het oude rijk, onder Amenemha I (12e
- dynastie), in den papyrus-Sallier (II).
-
-De vloer van deze feestzaal was bedekt met zware tapijten, die eene
-voorstelling moesten geven van den zeebodem; want men zag op den blauwen
-grond de meest verschillende gedaanten van mosselen, visschen en
-waterplanten. Hier stonden rondom sierlijke tafels wel driehonderd
-zetels voor de grooten van het rijk en de aanvoerders van het leger.
-Overal hingen ontelbare lampen in de gedaante van leliën en tulpen,
-en in de voorzaal stonden groote korven met rozen gereed, die bij de
-aankomst voor den koning moesten uitgestrooid worden.
-
-Ook de slaapvertrekken van den koning en de zijnen waren prachtig
-gemeubeld. Rijk geborduurde purperen weefsels hingen als tapijten langs
-de wanden neer. De zoldering was gedekt door blauw-wit gaas, in doffen
-opgenomen, alsof het lichte boven het hoofd zwevende wolkjes waren. De
-grond was in plaats van met tapijten, met giraffen-vellen belegd.
-
-Meer naar de zijde van de stad waren de barakken opgeslagen voor de
-garden en lijfwachten des konings, alsmede de vorstelijke stallen, die
-van het paleis gescheiden waren door den tuin, die het van alle zijden
-omgaf. Een afzonderlijk, fraai verguld en met bloemen versierd paviljoen
-was bestemd om de paarden te herbergen, die den koning in den slag
-gereden hadden, en door hem aan den zonnegod waren gewijd.
-
-Op dit oogenblik doorwandelde de stadhouder Ani met vrouwe Katoeti deze
-in allerijl opgetrokken feestzalen.
-
-»Mij dunkt dat alles goed geslaagd is," zeide de weduwe.
-
-»Eén ding alleen weet ik niet uit te maken," antwoordde de stadhouder.
-»Wat moet ik het meest bewonderen: uw vindingrijke geest, of uw smaak?"
-
-»Laten wij daarover thans niet spreken," hernam de weduwe met een
-glimlach. »Indien ik in eenig opzicht lof verdien, dan is het voor mijn
-ijver om u te dienen. Wat moest er in dit moerassig oord[343], waar de
-lucht vervuld is van hinderlijke insecten, al niet wordt uitgedacht,
-gewaagd, geordend en afgedaan, eer dit gebouw er stond! Nu is het
-voltooid, maar voor hoe lang?"
-
- [343] Volgens eene, hoewel onjuiste etymologie bij Strabo p.
- (802) zou Pelusium, afgeleid van het Grieksche woord "pelos,"
- beteekenen "moerasstad."
-
-Ani zag naar den grond, terwijl hij herhaalde: »Voor hoe lang?" --
-Daarna ging hij aldus voort: »Eén groot waagstuk is reeds mislukt. Ameni
-is koel geworden en verroert zich niet meer. De troepen, waarop ik
-reken, zijn mij misschien nog toegedaan, maar veel te weinig in aantal.
-De Hebreën, die hier hunne kudden hoeden, en die ik voor mij heb
-gewonnen door hen van dwangarbeid te ontheffen, hebben nimmer wapenen
-gedragen. Bovendien, gij kent dit volk! Zij kussen de voeten van den
-roemrijken overwinnaar, al moesten zij ook om hem te naderen door het
-bloed hunner kinderen waden. Het ontbreekt mij aan vertrouwen. En
-behalve dit.... het is,... er heeft zich... nu ja, de sperwer, die de
-oude Hekt voor mij verzorgt, is juist heden zoo ziek en afgemat...."
-
-»Hij zal zich morgen des te trotscher weer oprichten, als gij een man
-zijt," zeide Katoeti, en hare oogen vonkelden van toorn. »Gij kunt thans
-niet meer terug! Hier in Pelusium neemt Ramses, die als een god door u
-ontvangen wordt, uw feest aan. Ik ken den koning! Hij is te trotsch om
-wantrouwend te zijn, en zoo ingenomen met zichzelven, dat hij niets
-moeielijker toegeeft, dan dat hij zich in een mensch, onverschillig of
-het een vriend is of een vijand, zou hebben vergist. Hij zal den man,
-die hijzelf, toen hij hem tot zijne stadhouder benoemde, voor den
-waardigsten in het land verklaarde, ongaarne verdoemen. Heden nog
-behoort zijn oor aan u, morgen reeds aan uwe vijanden, en er is in Thebe
-te veel geschied, dan dat het zou kunnen uitgewischt worden. Gij zijt
-den leeuw gelijk, die tusschen zijn wachter en de traliën staat. Laat
-gij thans den tijd ongebruikt voorbijgaan, dan zit gij in de kooi; maar
-voelt gij heden uw kracht en toont gij een leeuw te zijn, dan is het met
-hem die u temde gedaan!"
-
-»Gij houdt niet op mij aan te zetten," hernam Ani. »Maar wanneer nu,
-nadat Paäker's zoo voortreffelijk uitgevoerd plan is mislukt, ook uw
-aanslag eens verkeerd uitvalt?"
-
-»Zoo staat het met uw zaak niet slimmer dan thans," antwoordde
-Katoeti. »De goden, niet de menschen besturen de elementen. Is het
-waarschijnlijk, dat gij zulk een prachtig gebouw met zooveel zorg zult
-hebben doen voltooien, om het te verbranden? Wij hebben en behoeven
-niemand, die van ons plan kennis draagt!"
-
-»Maar wie zal den brand steken in de vertrekken, die door Nemoe en mijn
-stommen slaaf met stroo en pek zijn gevuld?" vroeg Ani.
-
-»Ik," antwoordde Katoeti vastbesloten, »en met mij nog iemand die van
-Ramses niets te verwachten heeft."
-
-»En wie zal dat zijn?"
-
-»Paäker."
-
-»Is de Mohar dan hier?" vroeg de stadhouder verschrikt.
-
-»Gij hebt hem zelf gezien."
-
-»Gij vergist u," zeide Ani. »Ik zou ..."
-
-»Herinnert gij u dien eenoogigen zwarte, met zijn grijs hoofd, die u
-gisteren mijn schrijven overbracht? -- Dat is de zoon mijner zuster."
-
-De stadhouder bracht de hand aan zijn voorhoofd, en prevelde, terwijl
-eene rilling hem door de leden voer: »Die arme!"
-
-»Hij is vreeselijk veranderd," zeide Katoeti. »Hij had zich niet eens
-behoeven te verven, om zelfs voor zijne moeder onkenbaar te zijn. In
-het gevecht met Mena heeft hij een oog verloren. Een zwaardsteek van
-mijn schoonzoon verwondde zijne longen, zoodat hij moeilijk spreekt en
-ademhaalt. Het vleesch van zijne breede schouders is verdwenen, en zijne
-stevige beenen, waarop hij vroeger zoo pochte, zijn thans dunner dan
-die van een neger. Zonder aarzelen liet ik hem onder mijne dienaars
-verwijlen. Mijn aanslag kent hij nog niet, maar ik weet dat hij ons
-helpen zal, al bedreigden hem ook duizend dooden. Om der goden wil,
-draal en wankel nu niet langer! Wij zullen den boom voor u schudden,
-zorg gij slechts bij de hand te zijn, als het er morgen op aan zal komen
-de vruchten op te rapen. Eén ding echter moet ik verlangen. Beveel den
-opzichter der wijnschuren dat hij het druivennat niet spare, opdat de
-garde en de Sardische wachters ons niet storen. Ik weet dat gij bevel
-hebt gegeven, van de vijf schepen, die den inhoud van uwe wijnschuren
-hierheen brachten, maar drie te ontladen. Ik dacht dat de toekomstige
-beheerscher van Egypte ten minste niet zoo angstvallig spaarzaam zou
-zijn!"
-
-Om Katoeti's lippen speelde een trek van minachting, terwijl zij deze
-woorden sprak.
-
-Ani merkte het op en zeide: »Gij houdt mij voor schroomvallig. Nu ja, ik
-stem het toe, het zou mij wel zoo lief zijn, wanneer ik kon maken dat
-vele dingen, die ik op uw aandrijven heb gedaan, niet gebeurd waren.
-Ik zou ook gaarne van dezen nieuwen aanslag afzien, hoe zorgvuldig
-wij alles ook bij den aanleg en de versiering van dit gebouw hebben
-voorbereid. Den wijn wil ik er aan geven. Inderdaad, er zijn wijnkruiken
-bij, die nog uit den tijd van mijn vader afkomstig zijn. Doch het moet
-zoo zijn. Gij hebt gelijk! Er is reeds te veel gebeurd, dat 's konings
-toorn gaande zal maken. Gij zijt verstandig! Doe wat gij goed acht. Ik
-slaap na het feest in het kamp der Ethiopiërs."
-
-»Zij zullen u tot koning uitroepen, zoodra die overweldigers verbrand
-zijn," riep Katoeti. »Als er maar eenigen schreeuwen, zoo volgen de
-anderen vanzelf, en al hebt gij Ameni ook vertoornd, hij huldigt u
-altijd nog liever dan Ramses. -- Daar komt hij, zie, daarboven wapperen
-reeds de vanen!"
-
-»Zij naderen," zeide de stadhouder. »Nu nog éen ding! Zorg gij er
-persoonlijk voor, dat de prinses Bent-Anat de voor haar bestemde
-vertrekken betrekt. Zij mag niet in den brand omkomen."
-
-»Nog altijd dezelfde?" vroeg Katoeti schalks en toch niet zonder
-bitterheid lachende. »Wees niet bezorgd; hare vertrekken liggen
-gelijkvloers en zij zal gewaarschuwd worden."
-
-Ani zeide haar vaarwel. Hij wierp nog een blik in de groote zaal en
-sprak daarna zuchtende: »Mijn gemoed is beklemd; ik wenschte dat deze
-dag en nacht voorbij waren!"
-
-»Het komt mij voor," zeide Katoeti met een glimlach, »dat er veel
-overeenkomst is tusschen u en deze schoon versierde feestzaal, die er
-thans zoo verlaten, haast huiveringwekkend uitziet. Maar dat alles zal
-heden avond veranderen, wanneer zij met gasten gevuld is. Tot koning
-zijt gij geboren, en toch nog geen koning. Gij zult eerst geheel uzelf
-zijn, wanneer kroon en schepter u toebehooren."
-
-Ani dankte haar met een lachje en verliet haar. Katoeti prevelde echter
-voor zichzelve: »Bent-Anat zal met de overigen verbranden; ik heb geen
-lust de heerschappij over dezen met haar te deelen!"
-
- * * * * *
-
-Uit alle deelen van Egypte waren mannen en vrouwen saamgestroomd, om den
-terugkeerenden overwinnaar en zijne troepen aan de grenzen van zijn rijk
-te ontvangen[344].
-
- [344] Aan den noordelijken wand van den tempel van Karnak is ons
- de schoonste voorstelling van zulk eene feestelijke ontvangst
- bewaard gebleven. Deze gold den vader van onzen Ramses, toen ook
- hij uit Syrië terugkeerde.
-
-Elk eenigszins aanzienlijk priestercollege had Ramses eene deputatie
-tegemoet gezonden. Het college van de Nekropolis van Thebe zond vijf
-zijner medeleden, met den opperpriester Ameni en den tweeden profeet van
-het Seti-huis, den ouden Gagaboe, aan het hoofd. De in het wit gekleede
-dienaars der godheid naderden in statigen optocht de brug, die over den
-oostelijken, den Pelusinischen Nijlarm voerde in het eigenlijke, door de
-wateren van den heiligen stroom bevruchte Egypte[345].
-
- [345] Het orakel van Amon gaf aan de bewoners van Marea en Apis,
- twee steden aan de Lybische grenzen, ten antwoord, dat alles
- tot Egypte behoorde, wat door den Nijl, wanneer hij buiten zijn
- oevers trad, overstroomd werd, Herodotus II, 18.
-
-De trein werd geopend door de afgevaardigden van den eerwaardigen
-Ptah-tempel te Memphis, welken Mena, de eerste koning wiens hoofd de
-kroon van Opper- en Neder-Egypte sierde, reeds gesticht zou hebben, en
-tot welks opperhoofd de oudste zoon van Ramses, Chamoes, was benoemd.
-Hierop volgden zij, die door het niet minder eerwaardige Heliopolis
-waren afgezonden. Daarachter kwamen zij, die den rijkstempel en die
-de Nekropolis van Thebe vertegenwoordigden. Maar weinige leden dezer
-gezantschappen droegen het eenvoudig witte kleed van de dienaars der
-godheid, daar de meesten getooid waren met het panthervel der profeten.
-Elk hield een langen staf in de hand die met rozen, leliën en groen loof
-was omwonden. Velen droegen gouden armen met gebogene handen, in welker
-holte, bij de nadering des konings, kostbaar reukwerk zou worden
-ontstoken. Onder de afgevaardigden van de Amon-priesters van Thebe
-bevonden zich ook enkele aanzienlijke vrouwen[346], die bij den dienst
-van den god werkzaam waren. Daarbij zag men ook Katoeti, die kort
-geleden, op uitdrukkelijk verlangen van den stadhouder, onder haar was
-opgenomen.
-
- [346] De zoogenaamde Pallakieden, die wij het menigvuldigst
- aantreffen bij de vereering van Amon, maar ook bij den dienst
- van godinnen, als Isis en Bast. Hoewel zij op den gedenksteen
- van Tanis "Jonkvrouwen" genoemd worden, zoo kon Katoeti toch wel
- onder haar gerekend worden daar in ouderen tijd vele Pallakieden
- gehuwd waren.
-
-De opperpriester Ameni liep nadenkend naast den profeet Gagaboe voort.
-
-»Wat is toch alles gansch anders uitgekomen dan wij dachten en
-wenschten!" zeide de laatste zacht. »Wij zijn boden met verzegelde
-brieven; wie kent den inhoud?"
-
-»Ik begroet Ramses met een blijmoedig hart," antwoordde Ameni op
-beslisten toon. »Na alles wat hem voor Kadesch wedervoer, keert hij niet
-terug, gelijk hij was toen hij te veld trok. Hij weet nu wat hij aan
-Amon verschuldigd is. Zijn zeer geliefden zoon heeft hij reeds in dienst
-gesteld van den god van Memphis. Hij heeft beloofd prachtige tempels te
-bouwen, en den hemelschen goden rijke geschenken te geven. En Ramses is
-gewoon zijne geloften beter gestand te doen, dan die lachende zwakhoofd
-daar op den wagen."
-
-»Ik maak mij beangst over Ani," zeide Gagaboe.
-
-»De pharao zal hem niet straffen, zeker niet," verzekerde de
-opperpriester. »En hij heeft niets van hem te vreezen, want dit
-wankelend riet is, zonder krachtigen steun, een speelbal der winden."
-
-»Wat groote dingen hebt gij toch niet van hem verwacht!"
-
-»Niet =van= hem, maar =door= hem, als hij door ons werd geleid," hernam
-Ameni zacht, maar met nadruk. »Dat ik hem opgaf, is geheel zijne eigene
-schuld. Hij heeft onzen eersten wensch, den dichter Pentaoer te sparen,
-in den wind geslagen; geen eedbreuk ontzien om ons te bedriegen, en
-een der heerlijkste werken der goden, want dat was de dichter, te
-vernietigen, om eene nietsbeduidende beleediging. Het valt moeilijker te
-strijden tegen arglistige zwakheid dan tegen redelijke kracht. Zouden
-wij den man, die ons Pentaoer ontstolen heeft, met eene kroon beloonen?
-Het valt ieder mensch zwaar een weg, dien men eenmaal heeft ingeslagen,
-te verlaten en een beteren te kiezen, een reeds half ten uitvoer gelegd
-plan op te geven om een ander te volgen, dat beter uitzichten opent.
-Doet hij het, dan loopt hij gevaar door de menschen van onbestendigheid
-beschuldigd te worden. Doch wij zien noch rechts noch links, en wanneer
-wij handelen in het algemeen belang, behoeven wij ons niet te houden
-binnen de perken, die door wet of gewoonte voor de daden van gewone
-menschen zijn gesteld. Wij treden terug even voor de bereiking van het
-doel; wij laten hem vallen, dien wij omhoog hieven, en verheffen den
-man, dien wij zelven hadden neergeworpen, tot de hoogste hoogte. Om
-kort te gaan, wij bekennen voor onszelven, en hebben ons sedert eeuwen
-aan die leer gehouden. Elke weg is goed, die tot het groote doel
-voert, namelijk om der priesterschap de heerschappij over dit land te
-verzekeren. Ramses, door een wonder gered, die komt met de belofte
-om tempels te bouwen, zal zijn dorst naar groote daden niet meer als
-krijgsman maar als bouwmeester trachten te lesschen. Hij zal ons noodig
-hebben, en hem die ons noodig heeft, kunnen wij leiden. Ik huldig thans
-met blijdschap den zoon van Seti."
-
-Ameni had nog niet uitgesproken, toen de vlaggen aan de masten vóor
-de eerepoorten werden geheschen. Aan gene zijde van den Nijl gingen
-stofwolken op, en het geklank van bazuinen liet zich hooren. Daar
-vertoonden zich de paarden, die Ramses naar het slagveld hadden gereden.
-De koning mende ze zelf en zijn aangezicht straalde van vreugde, toen
-de zijnen hem aan de andere zijde van de brug met een onbeschrijfelijk
-gejuich begroetten, toen tienduizenden hem met tranen van ontroering
-en geestdrift ontvingen, en een regen van tallooze geurige bloemen en
-knoppen, van groen loof en palmtakken voor zijne voeten neder viel.
-
-Ani ging allen die den pharao ontvingen vóor. Hij wierp zich deemoedig
-voor de paarden in het stof, kuste de aarde, en overhandigde den koning
-den op een zijden kussen liggenden gouden schepter, die hem zoolang was
-toevertrouwd.
-
-De koning riep hem genadig tot zich, en toen Ani zijn gewaad greep om
-het te kussen, boog Ramses zich tot hem neder en raakte met zijne lippen
-het voorhoofd van zijn plaatsvervanger aan. Hij verzocht hem vervolgens
-zijn wagen te bestijgen en de teugels van zijne rossen in handen te
-nemen.
-
-In 's konings oogen parelden tranen van dankbaarheid. Men had hem dus
-niet misleid. Als een gelukaanbrengend en geliefd vader, niet als
-een straffend gebieder, kon hij het land weder betreden, voor welks
-grootheid en welvaart hij leefde. Tot in het diepst zijner ziel bewogen,
-ontving hij den welkomstgroet der priesters, en met hen bad hij voor het
-oog van de verzamelde volksmenigte.
-
-Vervolgens liet hij zich naar het voltooide praalgebouw brengen.
-Vroolijk besteeg hij den hoogen voortrap. Boven gekomen, begroette hij
-vandaar de zich verdringende menigte zijner saamgestroomde onderdanen.
-Tweeduizend rijk getooide stieren en even zooveel tamme antilopen[347],
-die als een dankoffer aan de goden voor zijn behouden terugkomst zouden
-geslacht worden, getemde leeuwen en luipaarden, vreemde boomen, op
-welker takken bontgevederde vogels zich wiegden, giraffen, wagens met
-struisvogels bespannen, dat alles en nog meer zag hij voorbij voeren,
-terwijl hij den stoet wachtte, die van de haven kwam, met Bent-Anat, in
-een draagstoel gezeten, aan het hoofd.
-
- [347] De pracht van het feest, dat wij Ani laten geven, zinkt
- geheel in het niet, wanneer wij het vergelijken met hetgeen
- Ptolemaeus Philadelphus bij eene feestelijke gelegenheid voor de
- bewoners van Alexandrië ten toon spreidde, volgens het verhaal
- van een ooggetuige. Kallixenos (bij Athenaeus).
-
-Ten aanzien van het geheele volk omarmde Ramses zijne dochter. Hij
-meende, dat hij zijne onderdanen moest laten deelen in het geluk en de
-hartelijke dankbaarheid, die hem vervulden. Zoo schoon als heden was
-zijn meest geliefd kind hem nog nooit voorgekomen. Zijn hart werd
-ontroerd, want zij herinnerde hem zijne gestorvene gemalin[348], op
-welke zij hoe langer hoe meer scheen te gelijken.
-
- [348] Zij heette Isis Nefert.
-
-De vrouw van Mena was hare vorstelijke vriendin gevolgd als draagster
-van haar waaier. Zij knielde voor den pharao, terwijl deze zich
-verheugde over het wederzien van zijne dochter. Thans merkte hij ook
-Nefert op, en beval haar vriendelijk op te staan, zeggende: »Wat moet ik
-heden al niet beleven! Ik heb ondervonden, dat hetgeen ik weleer voor
-het grootste geluk hield, toch nog overtroffen kan worden. En nu zie ik,
-dat ook het schoonste zich nog tot hooger schoonheid kan ontwikkelen.
-Mena's ster is eene zon geworden."
-
-Bij deze woorden gedacht Ramses zijn wagenmenner. Een oogenblik rimpelde
-zich zijn voorhoofd, toen boog hij langzaam het hoofd, met nedergeslagen
-oogen. Bent-Anat kende deze beweging haars vaders. Zij was de voorbode
-van een dier vriendelijke, ook weleens ondeugende plannen, waarmede
-hij de zijnen placht te verrassen. Ditmaal zag hij echter langer dan
-gewoonlijk naar beneden.
-
-Eindelijk hief hij het hoofd weder op, en liefderijk schitterden zijne
-groote oogen, toen hij zijne dochter vroeg: »Wat heeft uwe vriendin wel
-gezegd, toen zij hoorde dat haar gemaal eene vreemde schoone in zijne
-tent genomen en daar maanden lang geherbergd heeft? Ik vraag de volle
-waarheid, Bent-Anat!"
-
-»Ik ben Mena dankbaar voor deze daad," antwoordde de prinses, »die zeker
-licht te vergeven zal zijn, omdat gij er over spreekt met een glimlach,
-want zij bracht zijne vrouw tot mij. Hare moeder schold op haar
-echtgenoot met bittere hardheid, maar zij bleef gelooven in zijne
-trouw en verliet zijn huis, daar zij niet kon verdragen hem te hooren
-belasteren."
-
-»Is dat waar?" vroeg Ramses.
-
-Nefert knikte toestemmend met het schoone hoofd, en een tweetal tranen
-rolde langs hare blozende wangen.
-
-»Hoe goed moet hij zijn," riep de koning, »wien de goden zulk een geluk
-laten te beurt vallen! Ceremoniemeester! Beveel Mena, dat hij mij heden
-aan tafel bediene, gelijk vóor den slag bij Kadesch. Hij wierp in het
-gevecht de teugels weg, toen hij zijn vijand zag; laat hij nu oppassen,
-dat hij met den beker niet hetzelfde doe, wanneer zijne geliefde
-meesteres[349] hem aan den maaltijd met deze beide oogen zal aanzien.
-Gij vrouwen zult aan het maal deelnemen."
-
- [349] Zie boven bl. 219.
-
-Nefert zonk dankend voor den koning op de knieën, doch hij keerde zich
-van haar af, om de waardigheidsbekleeders te begroeten, die gekomen
-waren om hem te verwelkomen, en reed daarna naar den tempel, waar hij
-het slachten der offers bijwoonde, en zijne gelofte, namelijk dat hij
-uit dankbaarheid voor zijne redding uit doodsgevaar een prachtigen
-tempel te Thebe zou stichten, voor de priesterschap en geheel het volk
-plechtig herhaalde. De geestdrift waarmede hij ontvangen werd, waar hij
-zich ook vertoonde, was zonder wederga. Zijn weg voerde hem ook voorbij
-de haven en de tenten, waarin de gewonden verpleegd werden, die te
-scheep naar Egypte vooruitgezonden waren. Hij groette allen van zijn
-wagen met bijzondere vriendelijkheid.
-
-De stadhouder Ani mende weder de paarden. Hij liet de edele dieren
-langzaam door de rijen der herstellenden stappen. Maar plotseling gaf
-hij de teugels een hevigen ruk. De paarden steigerden en waren met
-moeite weder rustig in gang te brengen. Getroffen zag Ramses om. Waar de
-paarden waren geschrikt, had ook hem eene huivering aangegrepen, want
-hij meende den persoon gezien te hebben, die te Kadesch zijn leven had
-gered.
-
-Had de blik eener godheid de paarden doen schrikken? Moest het eene
-zinsbegoocheling heeten, of was zijn redder inderdaad een sterfelijk
-mensch, en als gewonde van het slagveld teruggekeerd? De man, die naast
-hem de teugels hield, had de oplossing kunnen geven, want Ani had
-Pentaoer herkend, en daarbij vol ontzetting in de teugels gegrepen.
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-
-De zon was reeds ondergegaan, toen de koning andermaal bij het houten
-praalgebouw aankwam. In de dagheldere feestzaal, die door ontelbare
-lampen werd verlicht, bewogen zich thans in bonte mengeling de gasten,
-die den koning met ongeduld wachtten. Bij Ramses' verschijning bogen zij
-zich, elk naar zijn rang, meer of minder diep. De pharao zette zich op
-zijn troon met al zijne kinderen in een breeden halven cirkel om hem
-heen. Dáar gingen zijne getrouwen vóor het begin van den maaltijd, hem
-een voor een voorbij. Hij had voor elk een vriendelijk woord of ten
-minste een blik, waardoor hij ieder wist te eeren en voor zich te
-winnen, en blijde hoop wekte in aller harten.
-
-»Indien er," zeide hij tot zichzelf, »in mijne koninklijke waardigheid
-iets is, dat stellig goddelijk mag heeten, dan is het zeker dit, dat het
-mij zoo gemakkelijk valt anderen gelukkig te maken. De voorvaderen kozen
-zich de giftige Uraeus-slang tot symbool hunner vorstelijke waardigheid,
-omdat wij even snel als zij kunnen dooden[350]. Toch rust het vermogen
-om gelukkig te maken op onze eigene lippen en in onze eigene oogen,
-terwijl wij een werktuig noodig hebben, wanneer wij straffen moeten."
-
- [350] Zie boven bl. 47.
-
-»Neemt mij de Uraeus-kroon van den schedel," zeide hij, toen hij van
-zijne troon afdaalde, om aan den feestdisch plaats te nemen, »legt mij
-heden een bloemenkrans om het voorhoofd."
-
-Onder de plechtigheid der begroeting verwijderden zich twee mannen uit
-de zaal, de stadhouder Ani en de opperpriester Ameni. De eerste gaf aan
-eenige veiligheidsbeambten bevel in de legerplaats, voor de gewonden
-bij de haven opgeslagen, den dichter Pentaoer op te zoeken, dezen,
-zonder opzien te wekken, naar zijne tent over te brengen en daar te
-bewaken tot hij terug zou keeren. Hij bezat den drank nog van de oude
-Hekt, die den scheepsgezagvoerder het verstand had moeten benemen, en
-het stond hem vrij den dichter daar als gast en niet als gevangene te
-begroeten. Pentaoer kon hem kwaad doen, hetzij dat Katoeti's aanslag
-gelukte of mislukte.
-
-Ameni had het gebouw verlaten, om den ouden Gagaboe een bezoek te
-brengen. Deze had bij de feestelijke ontvangst te lang in de brandende
-zon moeten staan, en was bewusteloos naar de tent gedragen, waarin hij
-met den opperpriester verblijf hield, en die op geringen afstand van die
-des stadhouders was opgeslagen. De overste van het Seti-huis vond den
-grijsaard geheel hersteld, en maakte zich gereed zijn wagen te bestijgen
-en tot het feest terug te keeren, toen de gerechtsdienaars van den
-stadhouder Pentaoer langs hem heen voerden.
-
-De gevangene trok, door zijne deftige gestalte, onwillekeurig Ameni's
-aandacht. De dichter herkende den opperpriester, riep hem bij zijn naam,
-en weldra stonden beiden hand in hand tegenover elkander. Toen de
-wachters zich hierover schenen te verontrusten, gaf de opperpriester te
-kennen wie hij was. Hij verheugde zich oprecht over het behoud en het
-wederzien van den meest geliefden zijner leerlingen, wiens dood hij
-sedert maanden had betreurd. Met vaderlijke teederheid beschouwde hij
-zijne mannelijke gestalte, en beval de dienaars, die zich voor zijne
-hooge waardigheid bogen, »zijn vriend" op zijne verantwoording niet in
-de tent van Ani maar in zijne eigene te brengen.
-
-Pentaoer vond daar den ouden Gagaboe, die onder het herhaald uitroepen
-van »Ach!" en »Helaas!" van vreugde over zijne redding weende als een
-kind. Alles wat Ameni den dichter zou hebben kunnen verwijten, scheen
-vergeten te zijn. Ameni liet hem terstond bekleeden met een nieuw wit
-gewaad, hield niet op hem met bewondering aan te zien, en klopte hem
-gedurig met zijne trotsche hand op den schouder, als ware Pentaoer zijn
-eigen verloren en teruggevonden zoon.
-
-Haastig moest de dichter mededeelen al wat hij had doorleefd. Hij
-vertelde van zijne gevangenschap en van zijne bevrijding bij den
-heiligen Sinaï, van zijne ontmoeting met Bent-Anat, en dat hij mede
-gestreden had in den slag bij Kadesch, dat hij door een pijl was gewond,
-maar door Warda's vader gevonden. Hij verzweeg alleen wat hij voor
-Bent-Anat gevoelde, en dat niemand anders dan hij den koning had gered.
-
-»Een uur geleden," zoo besloot hij, »zat ik alleen in mijne tent en zag
-naar de lichten in het paleis daarginds, toen de veiligheidsbeambten,
-die daar buiten wachten, mij het bevel overbrachten, dat ik hen volgen
-moest naar Ani's tent. Wat wil hij toch van mij? Ik heb allen grond te
-onderstellen, dat hij mij kwalijk gezind is."
-
-Gagaboe en Ameni wisselden een blik, dien zij wederkeerig verstonden.
-De laatste ging daarop in allerijl heen, want reeds te lang was hij van
-het feest weggebleven. Alvorens zijn wagen te bestijgen, gebood hij de
-wachters hunne posten weder te betrekken; hij nam op zich den stadhouder
-mede te deelen, dat zijn gast tot het einde van het feest in zijne tent
-zou vertoeven. De soldaten voldeden hieraan, zonder zich verder over
-Pentaoer te bekommeren.
-
-Ameni bereikte vóor hen het paleis en trad de feestzaal in, toen de
-stadhouder reeds aan zijne gasten hunne plaatsen had aangewezen.
-
-De opperpriester ging rechtstreeks op Ani toe, boog zich voor hem en
-zeide: »Vergeef mij mijn langdurig uitblijven; maar eene buitengewone
-verrassing hield mij terug. De dichter Pentaoer leeft, gelijk gij weet,
-en ik noodigde hem tot uw terugkeer als gast in mijne tent, om den
-profeet Gagaboe op te passen."
-
-De stadhouder verbleekte, terwijl hij Ameni sprakeloos en met glazige
-oogen toelachte. Maar spoedig herstelde hij zich en zeide: »Gij ziet,
-door welk eene onwaardige verdenking gij mij gekrenkt hebt. Ik wilde
-morgen uw lieveling weder bij u brengen."
-
-»Vergeef ons dan, dat wij u zijn voorgekomen," zeide Ameni en nam zijn
-plaats in, in de nabijheid van den pharao.
-
-Honderde slaven vlogen de zaal binnen, beladen met kostelijk
-tafelgereedschap. Gouden en zilveren mengvaten, uitmuntende door
-sierlijk drijfwerk, werden op raderen de zaal ingereden, en op de
-schenktafels geplaatst. In keurig beschilderde houten schelpen en
-lotusbloemen, die van de zoldering afhingen, waren kinderen geplaatst.
-Zij wierpen over het doorzichtig gaas, dat de zalen verbond, als uit
-de wolken rozen en viooltjes op de gasten neder. Uit voor het oog
-onzichtbare bijzalen weerklonk harpspel en gezang, en van een zes el
-hoog gouden altaar in het midden van de zaal, steeg de geur op van
-kostelijk en bedwelmend reukwerk.
-
-De koning, onder wiens titels die van »zoon van den zonnegod" behoorde,
-straalde als ware hijzelf de zon. Zijne kinderen waren weder allen
-rondom hem; Mena schonk heden als in vroeger dagen den beker voor
-hem in. Al wat er aanzienlijk was in het land zag hij om zich heen
-geschaard, en verheugde zich met hem over zijne overwinning en zijne
-terugkomst.
-
-Tegenover hem zaten de vrouwen, en vlak voor hem zij, die hij het liefst
-zag, Bent-Anat en Nefert. De raad aan Mena gegeven, dat hij den beker
-goed vast moest houden, scheen niet overbodig geweest te zijn, want maar
-al te dikwijls richtte hij zijn blik van de koninklijke bokaal op zijne
-aanminnige vrouw, uit wier mond hij nog geen welkomstgroet had kunnen
-vernemen, wier hand hij nog niet weder had aangeraakt.
-
-Al de gasten verkeerden in eene feestelijke stemming.
-
-Ramses verhaalde van den slag bij Kadesch, waarop de opperpriester van
-Heliopolis zeide: »Nog tot in later tijd zullen de zangers uwe daden
-prijzen."
-
-»Niet hetgeen ik verricht heb," viel de koning hem in de rede, »moet hun
-lied verheffen, maar de genade van den god, die uw gebieder wonderbaar
-redde en de Egyptische wapenen de zege verleende over tallooze
-vijanden."
-
-»Zaagt gij den god met eigene oogen, en in welke gedaante verscheen hij
-u?" vroeg Bent-Anat.
-
-»Het was een wonder," antwoordde Ramses ernstig, »maar hij geleek den
-overleden vader van den verrader Paäker. Mijn redder was hoog van
-gestalte en schoon van gelaat. Hij had eene zware stem die door de ziel
-drong, en hij slingerde de strijdbijl als een speeltuig."
-
-Ameni had opmerkzaam naar 's konings woorden geluisterd. Onder eene
-diepe buiging zeide hij nu met bescheidenheid: »Indien ik jonger was,
-zou ikzelf misschien beproeven, gelijk het de gewoonte was bij de
-vaderen, deze heerlijke daad van een god en zijn verheven zoon bij het
-feestmaal in een lied te verheerlijken. Maar het zoetvloeiende van onze
-stem verdwijnt met de jaren, en het oor van den hoorder luistert liever
-naar jongere zangers. Niets ontbreekt aan uw feest, milde Ani, als de
-dichter, die in geestdrift bij snarenspel de groote daad van onzen vorst
-bezingt. Toch vertoeft in onze nabijheid de door de godheid begenadigde
-Pentaoer, de edelste kweekeling van het Seti-huis."
-
-Bent-Anat verbleekte, en de aanwezige priesters, die het verlies van den
-door geheel Egypte gewaardeerden jongen dichter hadden betreurd, gaven
-niet onduidelijk hunne vreugde en verbazing te kennen.
-
-De koning had door zijne zonen, met name door Rameri, Pentaoer hooren
-roemen, en gaf gaarne zijne toestemming, toen Ameni hem vroeg, of hij
-den dichter, die in den slag bij Kadesch had medegestreden, roepen en
-tot het voordragen van een feestgezang uitnoodigen mocht.
-
-De stadhouder was niet zeer op zijn gemak, en zag met een bleek gelaat
-in zijn beker. Ameni stond echter op, om Pentaoer zelf te halen, en voor
-den koning te brengen.
-
-Gedurende Ameni's afwezigheid werden nieuwe gerechten opgedragen.
-Achter elken gast was een zilveren bekken met rozenwater, waarin zij van
-tijd tot tijd de vingers doopten om ze te reinigen. De dienende slaven
-stonden met rijk gestikte doeken om de handen af te drogen[351] gereed,
-terwijl andere de verwelkte kransen van het hoofd en den hals der gasten
-wegnamen, om ze door frissche te doen vervangen.
-
- [351] In meer dan een griekschen papyrus van het Louvre werden
- servetten (ekmageia) vermeld. Ook op de afbeeldingen van
- gastmalen uit den ouden tijd dragen dienaars ze op den arm.
-
-»Gij zijt bleek, mijn kind," zeide Ramses, zich tot Bent-Anat richtende.
-»Wanneer gij u vermoeid gevoelt, zal onze neef u zeker veroorloven
-het feest te verlaten. Maar ik dacht, gij moest toch blijven, tot de
-algemeen geprezen dichter zijn lied zal hebben gezongen. Wie zoo
-geroemd wordt als hij, heeft eene zware taak, als hij de hoorders wil
-bevredigen. -- Doch waarlijk, mijne dochter, gij maakt mij ongerust.
-Wilt gij ook heengaan?"
-
-De stadhouder was opgestaan en zeide dringend: »Door uwe
-tegenwoordigheid hebt gij mijn feest eer aangedaan. Daar het u echter
-schijnt te vermoeien, bid ik u mij te veroorloven u met de vrouwen naar
-de voor u bestemde vertrekken te geleiden."
-
-»Ik blijf," antwoordde Bent-Anat zacht, maar beslist, en zag met een
-kloppend hart naar den grond, want het goedkeurend gemompel der gasten
-zeide haar, dat Pentaoer de zaal was binnengekomen.
-
-Bescheiden, maar toch in verwarring gebracht door den ongewonen glans,
-die hem hier omgaf, trad de dichter, door Ameni geleid, vóor den koning.
-Hij droeg weder het lange witte gewaad van de priesters van het
-Seti-huis, en de struisveder, die de ingewijden onderscheidde, op het
-voorhoofd. Eerst toen hij vlak voor den koning stond sloeg hij de oogen
-op, wierp zich voor hem neder, en wachtte op een wenk van den pharao om
-weder op te staan.
-
-Maar Ramses talmde lang, want de aanblik van dezen tot hem opzienden
-jongeling ontroerde hem. Was dit de gewaande god? Was dit dan zijn
-redder? Werd hij weder door de gelijkheid bedrogen, of droomde hij?
-
-Alle feestgenooten zagen zwijgend naar den pharao, die daar roerloos
-zat, en den dichter.
-
-Eindelijk gaf Ramses een wenk, Pentaoer stond op en zijn aangezicht werd
-donkerrood gekleurd, toen hij Bent-Anat in zijn nabijheid aanschouwde.
-
-»Gij streedt voor Kadesch?" vroeg Ramses met bewogen stem.
-
-»Zooals gij zegt," antwoordde Pentaoer.
-
-»Men roemt u als dichter," ging de koning voort, »en wij verlangen mijne
-wonderbare redding in een lied te hooren verheerlijken. Wilt gij het
-beproeven, laat u dan een snarenspeeltuig brengen en zing."
-
-De dichter boog en zeide: »Mijne gaven zijn bescheiden, maar ik wil het
-beproeven, de schoonste daad te prijzen voor den held zelven die haar
-volbracht met den bijstand der goden."
-
-Ramses gaf een wenk en Ameni liet zijn leerling eene groote gouden harp
-overhandigen.
-
-Pentaoer tokkelde de snaren zacht met zijne vingers, liet zijn hoofd
-rusten tegen den top van den krommen balk der harp, staarde lang in
-de ruimte, verhief zich toen in al zijn lengte, greep krachtig in de
-snaren, en ontlokte daaraan volle tonen, die in stoute rythmen als
-krijgsmuziek ver door de zaal klonken. Daarna begon hij in recitatief te
-berichten, hoe Ramses voor Kadesch zijn legerplaats had opgeslagen, hoe
-hij zijne troepen had geordend en tegen de Aziatische bondgenooten der
-Cheta in het veld had gebracht.
-
-Gaandeweg nam zijne stem toe in omvang en kracht; geweldiger klonken
-de tonen, zoodra hij het keerpunt van den strijd, de redding van den
-koning, toen hij door de vijanden omsingeld was, begon te bezingen. Zich
-hoog oprichtende luisterde de pharao, toen Pentaoer zong[352].
-
- [352] Bijna woordelijke vertolking van een gedeelte van het
- oud-Egyptisch heldendicht, "het epos van Pentaoer" geheeten. Zie
- boven bl. 415.
-
- »Toen verhief zich de koning met vroolijker moed,
- De wapenen grijpend, omgord met het pantser,
- Gelijk aan den Baäl in 't uur van den strijd.
- De rossen, zoo edel, bestemd hem te dragen --
- "In Thebe de zege", zoo heette het eene,
- Het andere werd "Bevredigde Noera" genoemd.
- Zij waren gesproten van 's Zonnegods rossen,
- Den liev'ling van Amon, den koning der waarheid,
- Dien zich de god Ra tot een stadhouder koos.
- Vooruit dringt de koning, hij stort zich te midden
- Der golvende rijen ellendige Cheta.
- Hij, =geheel onverzeld, want geen ander was met hem=!
- En toen hij gezien werd door de oogen der zijnen,
- Die achter hem waren, toen werd hij omsingeld
- Door meer dan twee duizend vijandelijke wagens.
- Versperd was hem de aftocht door tallooze benden
- Ellendige Cheta, en allerlei volken,
- Met dezen verbonden: de krijgers van Arad,
- Het Mysische heer en Pisidische strijders,
- Er waren drie mannen op iederen wagen
- En broederlijk waren zij allen vereenigd.
- "Geen vorst bleef bij mij, geen hoofdman der troepen,
- Geen leider der schutters, geen menner der wagens!
- Verlaten zelfs had mij 't ontmoedigde voetvolk,
- De ruiters zelfs vloden, geen hunner hield stand,
- Om met mij getrouw aan mijn zijden te vechten."
- Zoo sprak de Verhevene en riep in gebede:
- "God Amon, mijn vader, ik weet wie gij zijt!
- Vergat ooit de vader den zoon dien hij liefheeft?
- Vergat ik u ooit bij al wat ik deed?
- Heb ik niet gewandeld en stond ik niet stille,
- Uw woord steeds gehoorzaam, 't gebod van uw mond?
- Wel is hij verheven, de heer van Egypte,
- Toch is hij voor uw' onuitspreek'lijke grootheid
- Zoo klein als een zwervende stam der woestijne.
- Wat dan beteek'nen voor u die Semieten?
- Amon maakt kracht'loos al wie hem miskennen,
- Maar ik? Schonk ik u niet ontelbare gaven?
- Met gevangenen vulde ik uw heilige woning,
- Ik stichtte u een tempel zoo prachtig, zoo hecht,
- Dat hij zelfs millioenen van jaren kan duren.
- Ik vulde uwe schuren met alles wat mijn is.
- Ik bood u heel de aarde om uw rijk te vergrooten,
- En dertigmaal duizend der krachtigste stieren
- Liet ik voor u slachten op geurige houtmijt.
- Ook liet ik verrijzen verheev'ne pylonen
- En plantte daarvoor de bewimpelde masten.
- Ik deed obelisken u wijden uit Aboe[353]
- En eeuw'ge steenen u ter eere bewerken.
- Voor u doorklieven mijn schepen de golven
- Opdat zij u brengen de schatting der volken.
- Zoo deed ik bestendig, want wel is rampzalig
- Het lot van die tegen uw raad zich verzetten.
- En nochtans regeert gij, met goedheid en liefde
- Als een zoon zijnen vader, zoo roep ik u, Amon
- Zie neder op mij, wien tallooze benden
- Van volken omringen, zoo vreemd aan uw harte.
- Tegen mij zijn verbonden de natiën alle,
- =Ik sta hier alleen en geen ander is bij mij=.
- Ik hen hier door al mijn voetvolk verlaten,
- Mij zoekt zelfs geen ruiter met angstigen blik,
- Ik riep hen, en niemand vernam mijne woorden,
- Toch weet ik: de wil van den machtigen Amon
- Heeft grooter kracht dan millioenen soldaten,
- Dan honderdmaal duizende wagens en ruiters,
- Dan tienmalen duizend der eigene broeders
- En bloeiende zonen in 't hechtste verbond.
- Het werk van de menschen, hoe groot hun getal zij,
- Wordt nietige schaduw bij 't werk van uw hand,
- Het woord uit uw mond bestuurde mijn daden,
- Ik was steeds gehoorzaam als Amon gebood.
- Zoo roep ik u aan, en mijn lof zal weerklinken
- Tot verr' heen aan de uiterste grenzen der aarde."
- Ja! tot aan Hermonthis drong door zijne stemme[354]
- En Amon verscheen op zijn smeekende bede.
- Hij reikte de hand hem. Hij juichte van vreugde
- En achter hem sprak hij: "Ik snel u ter hulp,
- O Ramses, en zal aan uw zij met u strijden!
- Ik ben het, uw vader, wiens handen u dragen.
- Meer ben ik voor u dan honderdmaal duizend.
- De dapperheid eer ik, als sterkste der sterken,
- Een heldenhart vond ik, dat geef ik mijn zegen.
- En dat, wat ik voorneem, wordt zeker vervuld."
-
- [353] Elephantine.
-
- [354] In den Egyptischen tekst wordt ook het volgende door Ramses
- in den eersten persoon gesproken.
-
- Toen wierp hij, den krijgsgod gelijk, met zijn rechter
- De gevleugelde lans, en hief op met zijn linker
- De wichtige strijdbijl en velde den vijand.
- Hij sloeg hem als Baäl in 't uur van den slag.
- Vijand'lijke wagens, ze vlogen in stukken;
- Tweeduizend vijfhonderd. De rijders versagen;
- Niet een hunner vindt meer een hand om te vechten;
- De vrees grijpt hen aan en verlamt hunne leden.
- Zelfs weten zij niet meer hun pijlen te richten,
- Tot 't slingeren der lanzen ontbreken de krachten,
- Nu dringt hij de scharen, zij storten in 't water...."
-
-In de ruime feestzaal was eene doodelijke stilte.
-
-Ramses had den dichter onafgebroken aangestaard, als wilde hij zijn
-beeld geheel in zijne ziel opnemen, om het daar te plaatsen naast en
-te vergelijken met een ander, dat hem sedert dien dag van Kadesch
-onvergetelijk was. Er was geen twijfel meer aan, zijn redder stond voor
-hem!
-
-Eene oogenblikkelijke opwelling volgende, viel hij den dichter midden
-in het gezang, dat hem zoo diep trof, in de rede en riep zijnen
-feestgenooten toe: »Eere zij dezen man, want de godheid koos zijne
-gestalte om uw koning te redden, =toen hij alleen stond, en de duizenden
-hem omringden=!"
-
-»Heil Pentaoer!" ruischte het door de wijde zaal.
-
-Daar stond Nefert op en overhandigde den dichter blozend den ruiker,
-dien zij op haar boezem had gedragen. Ramses gaf haar zichtbaar zijne
-goedkeuring te kennen en richtte een vragenden blik op zijne dochter.
-
-Bent-Anat beantwoordde zijn blik met al de innigheid eener oprecht
-kinderlijke liefde. Zij had hem begrepen en scheen alleen zijne
-goedkeuring te vragen, toen zij den krans, die hare schoone haren had
-gesierd, van het hoofd nam, en dezen, naar den dichter toegaande, om
-zijne slapen legde, gelijk eene bruid haar verloofde tooit voor de
-bruiloft.
-
-Ramses was getroffen door deze daad van zijn kind, die door de aanwezige
-gasten met luide teekenen van bijval werd beantwoord. Met een ernstigen
-blik beschouwde hij Bent-Anat en den jongen man. Aller oogen waren vol
-spanning op den koning en den dichter gericht, het scheen als had Ramses
-de tegenwoordigheid der feestgenooten vergeten, en stond hij daar alleen
-met zijne gedachten.
-
-Langzamerhand was er verandering in zijne trekken te bespeuren. Zijn
-gelaat klaarde op, als een in nevelen gehuld landschap, wanneer de
-stralen der lentezon doorbreken. Toen hij zijne oogen weder ophief,
-verkondigden zij dat er blijdschap was in zijn helder gemoed. En
-Bent-Anat wist, wat hij haar wilde zeggen, toen hij eerst haar, daarna
-haar vriend, wiens hoofd nog altijd den bloemenkrans droeg, met
-welgevallen aanzag.
-
-Eindelijk keerde Ramses zich van de twee geliefden af en riep hij de
-feestgenooten toe: »Het middernachtelijk uur is reeds voorbij, en ik
-verlaat u thans. Morgenavond noodig ik u allen, en u Pentaoer in het
-bijzonder, als mijne gasten in deze zelfde feestzaal. Vult nog eens de
-bekers, wij willen ze ledigen op den langen duur van den vrede, die
-volgen zal op overwinningen, met behulp der goden bevochten. Laten wij
-ook met dezen dronk mijn vriend Ani danken, die ons hier zoo heerlijk
-heeft onthaald, en die het rijk, terwijl wij in het buitenland toefden,
-getrouw en zorgvuldig heeft bestuurd."
-
-De gasten beantwoordden den dronk des konings, die den stadhouder
-trouwhartig de hand schudde. Hierop verliet Ramses de zaal, omstuwd door
-zijne stafdragers en kamerheeren, nadat hij Ameni, Mena en de vrouwen
-een wenk had gegeven hem te volgen.
-
-Nefert mocht nu eerst Mena begroeten, om dadelijk weer afscheid van hem
-te nemen. Zij had gehoor gegeven aan de dringende bede van Katoeti, om
-dezen nacht niet bij Bent-Anat door te brengen, maar bij hare moeder,
-die haar in vertrouwen zooveel had mede te deelen. Katoeti's wagen
-bracht haar haastig naar hare tent.
-
-In de voorzaal, die tot zijn bijzondere vertrekken leidde, nam Ramses
-van de zijnen afscheid. Nadat zijn gevolg zich verwijderd had, wenkte
-hij Bent-Anat, en vroeg haar op goedigen toon: »Wat dacht ge wel bij
-uzelve, toen gij uw krans den dichter op het hoofd druktet?"
-
-»Wat ieder ander meisje in Egypte denkt, die hetzelfde doet," antwoordde
-de prinses met vertrouwelijke openhartigheid.
-
-»En uw vader?" vroeg Ramses.
-
-»Mijn vader weet, dat ik hem gehoorzaam zou zijn, ook wanneer hij het
-zwaarste van mij mocht verlangen, namelijk dat ik mijn levensgeluk aan
-hem ten offer zou brengen. Maar ik geloof dat hij.... dat gij mij
-hartelijk liefhebt, en ik vergat de ure niet, waarin ge mij gezegd hebt,
-dat gij, na den dood mijner moeder, voor mij vader en moeder te gelijk
-wildet zijn, en dat gij zoudt trachten mij te begrijpen, gelijk zij
-mij zeker begrepen zou hebben. Doch waartoe zijn er tusschen ons vele
-woorden noodig! Ik bemin Pentaoer, met de eerste liefde van geheel mijn
-hart, en niet sedert heden. Hij heeft getoond, dat hij de hoogste eere
-waardig is. Maar al ware hij ook nog zoo nederig van afkomst, de hand
-uwer dochter zou toch macht genoeg bezitten, om hem te verheffen boven
-alle vorsten des lands."
-
-»Zij heeft deze macht, en gij moogt er gebruik van maken," sprak de
-koning. »Gij zijt, gedurende den tijd dat uw leidsman en vader u aan
-uzelve moest overlaten, trouw gebleven aan uwe beginselen en aan de
-waarheid. Ik heb in u het beeld uwer moeder lief, en van haar leerde
-ik, dat een rechtschapen vrouwenhart beter dan mannelijke wijsheid den
-goeden weg weet te vinden. Ga nu ter ruste en bestel voor morgen een
-nieuwen krans, want gij zult dien noodig hebben, mijn lieve dochter!"
-
-
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-
-Maan en sterren schitterden aan het onbewolkte hemelgewelf boven de
-Pelusinische vlakte. De witte koppen der duizende tenten, waarin hier de
-teruggekeerde krijgslieden sliepen, ginds de Egyptenaars, die herwaarts
-waren gekomen om den koning mede te ontvangen, zagen er in de
-nachtelijke schemering als zoovele sneeuwheuvels uit.
-
-In de legerplaats der soldaten was het bijzonder vroolijk toegegaan.
-Drie ontzaglijke, met kransen getooide wijnzakken, geplaatst op een
-wagen, die door niet minder dan dertig ossen werd getrokken, waren door
-de straten, die de tenten van elkander scheidden, onophoudelijk heen
-en weder gereden. Bij elke beweging vloeide het druivennat, en toen
-de duisternis begon te vallen, werden op vele plaatsen van het kamp
-schenktafels opgeslagen, waarbij de dienaars van den stadhouder de
-troepen met kwistige hand van rooden en witten wijn voorzagen.
-
-De tenten van de Egyptische burgers, die den pharao kwamen begroeten,
-waren van het prachtige gebouw, dat Ani liet optrekken, alleen
-gescheiden door den in allerijl aangelegden tuin, in het midden van
-welken het zich verhief. Dit terrein was rondom door rasterwerk
-afgesloten. Het verblijf van den stadhouder zelven onderscheidde zich
-van alle andere door grootte en pracht. Aan zijne rechterzijde waren de
-lichte woningen opgeslagen van de afgevaardigden der priestercollegies,
-aan de linkerzijde die van het personeel van zijn hofstaat. Onder
-de laatsten waren ook de tenten van zijne vriendin Katoeti, eene
-grootere voor haar eigen gebruik en verschillende kleinere voor haar
-dienstpersoneel.
-
-Achter Ani's woning stond nog eene tent, die geheel omgeven was door
-een hoogen loozen wand van lijnwaad. Daarin hield de oude Hekt haar
-verblijf, die Ani heimelijk in zijne eigene boot had medegevoerd. Alleen
-Katoeti en zijne meest vertrouwde dienaars wisten, wie achter de linnen
-omheining van die geheimzinnige tent haar bijzonder leven leidde.
-
-Terwijl de gasten in Ani's feestzaal maaltijd hielden, zat Hekt
-neergehurkt op den zandigen bodem van hare enge woning, die door
-een kegelvormig linnen-dak was bedekt. Zij haalde zwaar adem. De
-krampachtige aandoeningen van het hart, waaraan zij sedert lang had
-geleden, herhaalden zich menigvuldiger en brachten haar leven ernstig in
-gevaar. Vóór haar brandde een klein lampje uit roode gebakken aarde, en
-in haar schoot zat een zieke sperwer. Het diertje dook telkens in zijne
-veeren en sloot zijne witachtige oogleden, maar grimmig opende het de
-oogen, zoo vaak Hekt het in hare dorre hand nam, om wat lucht te blazen
-in zijn krommen snavel, die nog altijd lust gevoelde om van zich af te
-bijten.
-
-De kleine Scheraoe lag aan de voeten der tooveres op eene mat te slapen.
-Zij gaf thans het kind een schop met den voet, en zeide, toen het zich
-slaapdronken oprichtte: »Gij hebt jonge ooren. Het kwam mij voor dat er
-in Ani's tent eene vrouw schreeuwde. Hoort ge wat?"
-
-»Waarlijk," zeide de kleine. »Dat klinkt als gehuil. -- Maar nu was het
-een gil. Het kwam van dáár, uit Nemoe's tent."
-
-»Kruip hier door," beval de oude, »en zie wat er gaande is?"
-
-Het kind gehoorzaamde. De heks hield zich inmiddels weder met den vogel
-bezig, die nu niet meer zat, maar op zij gevallen was, doch nog altijd
-zijne klauwen trachtte te gebruiken, wanneer zij hem aanpakte.
-
-»Hij sterft," prevelde de oude, »en die ik Ramses noemde wordt steeds
-glanziger. Dat is nu alles onzin, en toch.... toch! Het spel van den
-stadhouder loopt op zijn eind en hij verliest het! Daar rekt het
-gedierte zich nog eens uit, daar zinkt zijn kop op zij, daar kruipt het
-ineen, daar bijt het nog eens in mijn kleed, en -- nu is het dood!"
-
-Een tijdlang bleef zij met den dooden sperwer in haar schoot zitten,
-eindelijk nam ze hem op, en wierp hem in een hoek van de tent, daarbij
-roepende: »Goeden nacht, koning Ani, er komt niets van je kroon!"
-
-De oude zag peinzend naar den grond en mompelde weder in zichzelve:
-»Wat zouden ze nu nog in het schild voeren? Wel twintigmaal heeft hij
-gevraagd, of het groote plan al of niet gelukken zou. Alsof ik dat beter
-wist dan hij! Ook Nemoe zinspeelt op allerlei dingen, maar voor de
-eerste maal wil hij niet spreken. Er wordt iets voorbereid, en ik, ik..?
-Daar komt het weer."
-
-Hekt drukte de hand op haar hart, sloot hare oogen, en op haar
-aangezicht vertoonde zich trekken van hevige smart. Zij merkte niet dat
-Scheraoe terugkwam; zij hoorde niet dat hij haar bij den naam riep, en
-haar weder verliet, toen zij geen antwoord gaf. Zoo bleef zij wel een
-uur lang bewusteloos; toen ontwaakte de levensgeest weder, doch het
-was haar als vloeiden, in plaats van warm bloed, koude druppels haar
-langzaam door de aderen.
-
-»Als ik voor mij een sperwer had bewaard," zoo prevelde zij verbitterd
-in zichzelve, »dan zou deze weldra den ander in den hoek volgen! -- of
-Ani woord zal houden en mij zal laten balsemen? Hoe zal hij dat kunnen,
-nu het ook met hem op het eind loopt! Zij zullen mij laten verrotten en
-vergaan, en voor mij is er geen leven na dit leven, geen wederzien van
-Assa."
-
-Lang zweeg de oude, ten laatste begon zij weder te mompelen, op den
-grond starende: »De dood brengt toch verlossing, al ware het enkel van
-de kwelling der herinnering. -- Maar er is toch een leven aan gene zijde
-des grafs; ik laat de hoop daarop niet varen, ik wil het niet! Alle
-afgestorvenen zullen daar gelijke rechten hebben en aan dezelfde wetten
-onderworpen zijn. -- Waar zal ik hem dan vinden, bij de zaligen of bij
-de verdoemden? En waar zal ik komen, ik? -- 't Is mij onverschillig! Hoe
-dieper de afgrond is, waarin zij mij neerstooten, des te beter! -- Kan
-Assa, als hij zalig geworden is, zich zalig blijven gevoelen, als hij
-ziet, tot hoever hij mij gebracht heeft? Ze moeten mij balsemen, ik mag
-niet verderven en verwaaien, mij niet oplossen in niets!"
-
-Terwijl zij deze woorden mompelde, trad Nemoe zacht hare tent binnen.
-Toen Scheraoe de oude vrouw bewusteloos had gevonden, was hij naar Nemoe
-geloopen, om hem mede te deelen, dat zijne moeder met geslotene oogen en
-stervende op den grond lag.
-
-Zoodra de oude den dwerg bemerkte, zeide zij: »Het is goed dat gij komt.
-Ik zal wel dood zijn vóor de zon opgaat."
-
-»Moeder!" riep de kleine man verschrikt. »Gij zult leven, en een beter
-leven leiden als gij tot hiertoe hebt gedaan, want groote gebeurtenissen
-zijn er op til."
-
-»Ik weet het, ik weet het," zeide de heks. -- »Naar buiten
-Scheraoe! -- Fluister mij nu in het oor wat gij voornemens zijt te
-doen."
-
-De dwerg kon zich niet onttrekken aan den blik harer oogen, waarmede zij
-hem aan zich kluisterde! Hij naderde haar en zeide zacht: »Het gebouw,
-waarin de koning met de zijnen slaapt, is van hout. Tusschen de wanden
-en onder den vloer is stroo en pek aangebracht. Zoodra zij ter ruste
-gegaan zullen zijn, steken wij de lont in brand. De wachters zijn
-smoordronken en slapen."
-
-»Goed verzonnen," prevelde Hekt. »Hebt gij dit plan uitgedacht?"
-
-»Mijne meesteres en ik," zeide Nemoe niet zonder trots.
-
-»Gij verstaat de kunst om aanslagen te smeden," zeide de oude, »maar in
-de uitvoering zijt gij niet zoo sterk. Bleef het plan geheim? Hebt gij
-degelijke helpers?"
-
-»Niemand weet er iets van," antwoordde de dwerg, »behalve Katoeti,
-Paäker en ik. Wij steken met ons drieën het gebouw op de afgesproken
-plaatsen in brand. Ik ben bezig bij de vertrekken van Bent-Anat;
-Katoeti, die men overal toelaat, begeeft zich binnen in het gebouw naar
-de trap, die tot de hoogere verdieping leidt, en door een slag op een
-veer in elkander stort. Paäker plaatst zich onder de vertrekken des
-konings."
-
-»Goed, goed, dat kan gelukken," zeide de oude, steunend. »Maar wat was
-dat voor eene vrouwenstem, die schreeuwde in je tent?"
-
-De dwerg draalde met zijn antwoord.
-
-»Spreek zonder schroom," zeide Hekt. »Doode vrouwen zwijgen!"
-
-De dwerg, die beefde van innerlijke ontroering, onderdrukte de
-bedenkingen die hij nog had, en zeide haastig: »Ik heb Warda, de
-verdwenen kleindochter van den Paraschiet Pinem, teruggevonden en
-hierheen gelokt, want zij en geene andere zal mijne vrouw worden, als
-Ani koning is, en Katoeti groot wordt, en mij vrijlaat en rijk maakt.
-Zij staat in dienst van de prinses Bent-Anat, slaapt in haar voorvertrek
-en moet niet met hare meesteres verbranden. Zij wilde volstrekt naar het
-paleis terug, en daar zij als eene mug in het vuur zou vliegen, en zij
-daarin niet mag omkomen, zoo bond ik haar vast."
-
-»Heeft zij zich niet verweerd?" vroeg de oude.
-
-»Als eene waanzinnige," antwoordde de dwerg, »maar de stomme slaaf van
-den stadhouder, die op bevel van zijn heer mij heden in alle dingen
-moet gehoorzamen, heeft mij geholpen. Wij hebben haar ook den mond
-dichtgebonden, opdat men haar schreien niet zou hooren."
-
-»Laat gij haar alleen, wanneer gij aan het werk gaat?" vroeg de
-tooveres.
-
-»Haar vader blijft bij haar."
-
-»De roodbaard Kaschta?" vroeg de tooveres verbaasd. »Maar heeft hij
-ulieden dan niet in stukken geslagen als aarden potten?"
-
-»Hij verroert zich niet," zeide Nemoe lachend, »want toen ik hem vond,
-maakte ik hem met Ani's ouden wijn zoo smoordronken, dat hij neerligt
-als een mummie. Door hem ben ik te weten gekomen, waar Warda zich
-schuil hield. Ik ging naar haar toe en lokte haar mede, terwijl ik haar
-vertelde, dat haar vader doodelijk ziek was geworden, en liet haar
-bidden hem nog eens te bezoeken. Zij liep naast mij voort als een gazel,
-en toen zij den roodbaard daar roerloos zag liggen, wierp zij zich naast
-hem op den grond en verlangde water om zijn voorhoofd af te koelen. Want
-hij redeneerde als in eene ijlende koorts van ratten en muizen, die hem
-overvallen hadden. Toen het later werd, wilde zij tot hare meesteres
-terug, en wij moesten wel geweld gebruiken. -- Wat is zij schoon
-geworden, moeder! Gij zoudt het nauwelijks kunnen gelooven!"
-
-»O, zeker kan ik het begrijpen," zeide Hekt. »Gij zult wel op haar mogen
-passen, wanneer zij eens de uwe is."
-
-»Ik zal haar behandelen als de vrouw van een aanzienlijke," sprak Nemoe,
-»en eigene vrouwen betalen om haar te bewaken! Maar Katoeti is zoo even
-met de vrouw van Mena teruggekeerd, de sterren dalen en zoo straks....
-Dat was reeds het eerste teeken! Als Katoeti ten derde male fluit, gaan
-wij aan 't werk. Leen mij uwe tonderdoos, moeder, ze is beter dan de
-mijne."
-
-»Ziedaar," zeide Hekt, »ik heb haar niet meer noodig. Gewis, het is met
-mij gedaan! Hoe beven uwe handen! Houd de doos goed vast, anders valt
-zij op den grond, vóor gij vuur gemaakt hebt."
-
-De dwerg zeide de oude vaarwel, en zonder zich te verroeren, liet zij
-toe, dat hij haar bij het afscheid nemen kuste.
-
-Toen hij haar verlaten had, luisterde zij, diep ademhalend, in de stilte
-van den nacht. Hare verstandige oogen vonkelden en allerlei gedachten
-schoten pijlsnel door haar rusteloos brein. Toen zij het tweede teeken
-uit het zilveren fluitje der weduwe vernam, richtte zij zich hoog op en
-prevelde: »De ongeluksvogel Paäker, zijne ijdele tante en die dreumes
-zijn ook tegen Ramses niet opgewassen. Ani's sperwer is dood; hij heeft
-niets van de toekomst te wachten, en ik niets van hem. Maar als Ramses
-wilde, als de ware koning verplichting aan mij had, dan, ja dan kon mijn
-oud lijk.... Juist, dat is het! Ja waarlijk, zoo moet het zijn!"
-
-Zoo sprekende richtte zij zich met moeite op, hinkte, krom gebogen
-en bevende, op haar stok naar het midden van de tent, stak daar een
-fleschje en een mes bij zich, en sleepte zich met inspanning harer
-laatste krachten naar Nemoe's tent, op het oogenblik dat het laatste
-gefluit werd gehoord. Hier vond zij Warda aan handen en voeten gebonden,
-en Kaschta in diepen dronkemans-slaap op den grond liggende. Het meisje
-rilde van schrik, toen zij de heks zag, en de naast haar knielende
-kleine Scheraoe stak zijne handen smeekend en afwerend naar de oude
-uit.
-
-»Daar, neem dit mes, jongen," zeide de heks, »snijd de banden door,
-waarmede ze dat arme ding gebonden hebben. De papyrus-touwen[355] zijn
-stevig, gebruik het lemmet als zaag!"
-
- [355] Uit de papyrus-plant werden niet enkel bladen om te
- schrijven, maar ook touwen vervaardigd. Met papyrus-strikken
- waren ook de schipbruggen saamgekoppeld, die Xerxes over den
- Hellespont liet slaan.
-
-Terwijl de kleine blijmoedig zijne krachten inspande, om haar bevel te
-gehoorzamen, wreef zij met het geestrijke vocht uit het fleschje dat zij
-medenam Kaschta's slapen, en druppelde een weinig op zijne lippen. De
-roodbaard kwam langzaam bij, rekte zich uit en nam met verbazing wat hem
-omringde op. Zij reikte hem water en beval hem te drinken.
-
-Toen Warda, van hare banden bevrijd, voor haar stond, zeide zij: »De
-goden hebben u, blank meisje, tot gewichtige dingen uitverkoren. Luister
-goed naar hetgeen de oude Hekt u zegt. Het leven van den koning en zijne
-kinderen is in groot gevaar. Ik wil u en de zijnen redden, en verlang
-daarvoor geen ander loon, dan dat hij mijn lijk laat balsemen en in
-Thebe begraven. Zweer mij, dat gij dat aan hem zult overbrengen, wanneer
-gij hem gered hebt."
-
-»Om der goden wil, wat zal er dan gebeuren?" riep Warda, buiten
-zichzelve van angst.
-
-»Zweer, dat gij voor mijne begrafenis zult zorgen," herhaalde de
-tooveres.
-
-»Ik zweer!" schreeuwde Warda. »Maar bij uw leven...."
-
-»Katoeti, Paäker en Nemoe zijn uitgegaan, om het paleis, waarin Ramses
-slaapt, aan drie zijden in brand te steken. Hoort ge het, Kaschta? --
-IJlt nu beiden de brandstichters achterna! Wekt de bedienden! Tracht den
-koning te redden!"
-
-»Voort, vader, voort!" riep het meisje, en beiden vlogen in de
-duisternis weg.
-
-»Zij is braaf en zal woord houden," prevelde de oude, en beproefde of
-zij zich naar haar tent terug kon slepen. Maar halverwege begaven haar
-de krachten. De kleine Scheraoe wilde haar ondersteunen, maar hij was te
-zwak om haar te helpen. Zij strekte zich uit in het zand op den weg en
-tuurde in de verte. Daar zag zij, hoe uit het feestpaleis, dat als eene
-donkere massa voor haar lag, eerst eene al lichter en lichter wordende
-wolk te voorschijn kwam, en vervolgens zwarte rook, hoe daarna eene
-heldere vlam hoog uitsloeg en een dichte regen van vonken opsteeg.
-
-»Loop naar de legerplaats, jongen!" riep zij. »Roep 'brand!' en wek
-allen die slapen!"
-
-Scheraoe holde luid schreeuwende weg.
-
-Hekt greep op eens naar haar hart en prevelde: »Daar is het weer!" --
-»Aan de andere zijde, Assa!" -- En weder: »Assa!" Nog eens vertrok zij
-de lippen om ze voor altijd te sluiten.
-
-
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Katoeti had haar ongelukkigen neef Paäker verborgen gehouden in eene der
-tenten van hare bedienden. De man had, na op het slagveld van Kadesch
-zwaar verwond te zijn, onder onlijdelijke smarten langs hem alleen
-bekende paden zich voortgesleept tot aan het hol, dat Kaschta aan
-Pentaoer had gewezen. Met behulp van een ezel, dien hij van een
-Syrischen boer had gekocht, kon hij het zoover brengen. Hier vond hij
-zijn trouwen Ethiopischen slaaf, die hem verpleegde, tot hij zich sterk
-genoeg gevoelde, om zijne reis naar Egypte te vervolgen.
-
-Onder de grootste ontberingen kwam hij verkleed als een Ismaëlitisch
-kameeldrijver, te Pelusium. Zijne dienaren, die hem zouden kunnen
-verraden, had hij in het hol achtergelaten. Eer men hem de sterkten liet
-passeeren, op bepaalden afstanden gebouwd, op de landengte, die de
-Middellandsche- en Schelfzeeën aan elkander verbonden, ten einde Egypte
-te verdedigen tegen de invallen der nomadische Schaoe-stammen[356], werd
-hij aan een streng verhoor onderworpen. Men vroeg hem onder anderen,
-of hij den Mohar, die den koning had verraden, en van wien men
-eene beschrijving gaf, niet had ontmoet. Niemand dacht in dien
-uitgeteerden, vuilen eenoogigen kameeldrijver den breedgeschouderden en
-sterkgespierden wegverkenner van den pharao voor zich te zien. Om zich
-nog meer onkenbaar te maken, kocht hij van een arts een in dien tijd
-veelvuldig gebruikt middel om het haar te verven[357], en smeerde
-daarmede zijn lichaam in.
-
- [356] Ebers, =Aegypten und die Bücher Mose's=. S. 78.
-
- [357] In den papyrus-Ebers vind men vele recepten tot bereiding
- van middelen om het haar te verven. Van een dier middelen zou
- Schesch, de moeder van Teta, en gemalin van den eersten pharao
- van Egypte, de uitvindster geweest zijn. Het oudste van alle
- voorhandene recepten is dus een voorschrift, hoe men het haar
- verft.
-
-Katoeti was met den stadhouder Ani lang vóor hem te Pelusium
-aangekomen, om toezicht te houden op den bouw van het paleis. Als een
-bedelende neger, met een palmtak in de hand, waagde Paäker het haar te
-naderen. Zij gaf hem een aalmoes en vroeg hem naar zijn vaderland; want
-ook den geringste zocht zij hier voor zich te winnen. Maar ofschoon zij
-zijn antwoord met schijnbare deelneming aanhoorde, zoo herkende zij hem
-toch niet. Dit gaf hem moed. Hij kwam den volgenden dag opnieuw tot
-haar, en noemde haar eindelijk zijn naam.
-
-De weduwe bleef niet ongeroerd voor de vreeselijke verandering, die er
-met haar neef was geschied. Hoewel zij wist dat Ani zelfs allen met den
-dood had bedreigd, die gemeenschap mochten houden met den verrader, zoo
-nam zij hem toch in haar dienst, want zij kon den tot wanhoop gebrachten
-vijand van den koning en van haren schoonzoon nooit beter gebruiken dan
-thans. De verminkte, de vervolgde en vogelvrij verklaarde gids, trok
-zich geheel in zichzelven terug, en hield zich op een afstand van de
-overige bedienden. Uit de minachting waarmede hij op geringe lieden
-neerzag, bleek, dat zijn hoogmoed nog niet gebroken was. Aan Katoeti's
-dochter dacht hij maar zelden, en dan als in een droom, want de haat
-had de liefde geheel uit zijne ziel gedrongen. Slechts éen ding was er
-dat hem het leven nog waarde deed hebben, het was de hoop om te mogen
-medewerken tot het verderf en getuige te kunnen zijn van den dood zijner
-vijanden.
-
-Zoo bood Paäker zich der weduwe als een welkom werktuig aan. De
-eigenaardige glans, die zijn overgebleven oog deed schitteren, toen zij
-hem deelgenoot maakte van het plan, om 's konings vertrekken in brand te
-steken en te beletten, dat zoowel Mena als de pharao ontkwam, gaf haar
-te verstaan, dat zij in den gids den zekersten van alle helpers had
-gevonden.
-
-Vóor de aankomst van Ramses had Paäker het tooneel zijner werkzaamheid
-nauwkeurig onderzocht. Onder de vensters van de koninklijke vertrekken,
-die wel veertig voet boven den beganen grond verheven waren, liep eene
-smalle borstwering. Deze bedekte de uiteinden der balken, waarop het met
-pek verzadigde en met stroo gedekte roosterwerk rustte, dat de planken
-van de verdieping droeg, in welke zich 's konings vertrekken bevonden.
-De openingen, waartusschen de brandende lont moest worden ingeschoven,
-zou de gids teruggevonden hebben, ook al ware hij aan beide oogen blind
-geweest.
-
-Toen Katoeti voor de eerste maal haar fluitje deed hooren, sloop hij
-naar zijn post. Geen schildwacht riep hem aan, want de weinige wachters,
-die in de onmiddellijke nabijheid van het houten gebouw op post
-waren gesteld, sliepen vast, door den zwaren wijn van den stadhouder
-bevangen. In den vorm van versieringen waren in het hout van de
-buitenzijde eenige insnijdingen aangebracht. Met behulp hiervan
-klouterde Paäker naar boven tot op eene hoogte van twee manslengten.
-Dáar was eene touwladder vastgemaakt, langs welke hij verder klom.
-Weldra stond hij op de borstwering, waarboven zich de vensters der
-koninklijke vertrekken bevonden, en waaronder het vuur moest worden
-aangebracht.
-
-Ramses' slaapkamer was helder verlicht. Zonder gezien te worden, kon
-Paäker er een blik in slaan, en elk woord verstaan, wat daar binnen werd
-gesproken. De koning zat in een leuningstoel en zag naar den grond.
-De stadhouder Ani stond voor hem en de wagenmenner Mena naast zijne
-legerstede, met 's konings slaaprok in de hand.
-
-Thans hief Ramses het peinzend hoofd op, en zeide, terwijl hij den
-stadhouder met oprechte hartelijkheid de hand reikte: »Laat mij, waarde
-neef, dezen schoonen dag goed besluiten! Terwijl ik reeds op het punt
-was geloof te slaan aan hetgeen tot uw nadeel werd verteld, door hen die
-zich al te bezorgd over mij maken, heb ik u een trouw vriend bevonden.
-Wantrouwen is mijn hart anders ten eenemale vreemd, maar hier werkten
-velerlei dingen te zamen, die mijne ziel benevelden, en zoo kwam ik er
-toe u onrecht te doen. Dat doet mij leed, oprecht leed, en ik schaam mij
-niet u vergeving te vragen, dat ik aan uwe goede gezindheid heb kunnen
-twijfelen. Gij zijt mijn vriend, en dat ik de uwe ben, dat zult gij
-ondervinden! Ziedaar mijn hand! Geef mij de uwe, en geheel Egypte zal
-weten, dat Ramses geen man zoo onvoorwaardelijk vertrouwt als zijn
-stadhouder Ani. -- Ik draag aan u de eerewacht over mijn slaapvertrek
-op. Wij deelen dezen nacht dit vertrek te zamen. Ik rust hier, neem gij,
-wanneer ik mij ter ruste leg, plaats op het bed daartegenover!"
-
-Ani had Ramses de hand gereikt, thans stond hij bleek tegen over hem.
-Paäker zag hem vlak in het gezicht, en het kostte hem moeite niet in een
-luiden schaterlach uit te barsten.
-
-Ramses merkte niet op in welk een onrust de stadhouder verkeerde, want
-hij had Mena reeds een wenk gegeven, om dichter bij hem te komen.
-
-»Ook met u," zeide hij, »wensch ik af te rekenen, voor ik mij heden ten
-ruste begeef. Gij hebt het geloof van uwe trouwe gemalin op eene harde
-proef gesteld, en daar zij u oprecht liefheeft, en zelve de ontrouw niet
-kent, heeft zij vast op u gebouwd, met een kinderlijken eenvoud, die
-dikwijls verstandiger is dan het overleg der wijzen. Ik beloofde u de
-vervulling van een wensch, wanneer het blijken zou dat ik mij vergiste,
-toen ik meende dat Nefert na het gebeurde aan u zou twijfelen. Zeg mij
-nu, wat gij verlangt!"
-
-Mena zonk op de knieën, kuste herhaaldelijk het gewaad van zijn vorst en
-sprak: »Ik smeek om vergeving; niets anders verlang ik dan vergiffenis!
-Ik heb zwaar misdreven, dat weet ik, maar hoonend werd ik uitgedaagd. Ik
-zag de eerlooze hand van den nijdigen verrader, dien men thans, gelijk
-ik weet, als eene pad verafschuwt, zich onbeschaamd uitstrekken naar
-mijne reine vrouw."
-
-»Wat was dat?" zeide de koning. »Het kwam mij voor dat ik buiten gesteun
-hoorde."
-
-Hij stond op, en ging naar het venster, zag naar buiten, maar kon den
-gids niet opmerken, want deze had met zijn oog elke beweging des
-konings gevolgd, en ging zoodra het klagend geluid aan zijne boezem
-was ontsnapt, languit op de borstwering liggen.
-
-Mena knielde nog altijd, toen Ramses hem weder naderde. »Vergeef mij!"
-riep hij opnieuw, »Laat mij weder aan uwe zijde op den wagen staan en
-uwe paarden mennen! Ik leef slechts en ben alleen iets waard door u en
-uwe genade, mijn koning, mijn heer, mijn vader!"
-
-Ramses gaf zijn vriend een teeken om op te staan, en zeide: »Uwe bede
-was reeds vervuld, vóor zij door u werd uitgesproken. Ik acht mij toch
-uw schuldenaar ter wille van uwe brave vrouw! Breng Nefert, niet mij,
-uw dank. En wij allen, laat ons heden met buitengewone geestdrift de
-hemelsche goden prijzen. Wat heeft deze dag mij niet al gegeven! Hij
-deed mij u beiden, twee verloren gewaande vrienden, terugvinden, en
-eindelijk schonk hij mij een nieuwen zoon!"
-
-Een zacht gefluit drong door de nachtlucht. Het was het derde teeken van
-Katoeti. Paäker blies den tonder aan, stak dien in de opening onder de
-borstwering, en richtte zich daarna op om weder te luisteren, zonder te
-denken aan het gevaar waarin hij zichzelven bracht.
-
-»Ik bid u," zeide de stadhouder, den pharao naderende, »mij te vergunnen
-heen te gaan. Ik weet de eer die gij mij bewijst te waardeeren, maar de
-inspanningen der laatste dagen hebben mijne krachten uitgeput. Ik kan
-mij ter nauwernood op de been houden, en de eerewacht..."
-
-»Zal aan Mena zijn toevertrouwd," viel Ramses hem in de rede. »Slaap
-hier gerust, waarde neef! De anderen zullen des te meer overtuigd
-worden, dat ik alle mistrouwen jegens u verre van mij heb gezet! -- Geef
-mij mijn nachtgewaad, Mena! -- Nog dit éene moet ik u zeggen: De jeugd
-zoekt de jonkheid, Ani! Bent-Anat heeft zich een echtgenoot gekozen,
-harer waardig, den redder van mijn leven, den dichter Pentaoer. Hij
-ging door voor een man van geringe afkomst, voor een zoon van den
-hovenier, die in dienst staat van het Seti-huis. En wat ben ik nu te
-weten gekomen van den opperpriester Ameni? Hij is de echte zoon van den
-edelen Mohar zaliger, en die eerlooze en boosaardige verrader Paäker is
-het kind van den hovenier. Eene heks uit de Nekropolis heeft de kinderen
-verwisseld! Dat is het beste geschenk van dezen dag, want reeds is de
-weduwe van den Mohar, de edele vrouw Setchem, herwaarts gebracht, en ik
-zou gedrongen zijn geweest tusschen twee vonnissen te kiezen: of haar
-als moeder van den gevluchten booswicht naar de Ethiopische steengroeven
-te zenden, óf haar voor de oogen van geheel het volk te laten
-onthoofden. -- Om der goden wil, wat was dat?"
-
-Door het open venster was de rauwe kreet uit de borst van een man naar
-binnen gedrongen. Terstond daarop volgde een slag, als viel er eene
-zware massa van een groote hoogte naar beneden.
-
-Ramses en Mena vlogen naar het venster, maar verschrikt traden zij
-terug, want een dikke rook kwam hen tegemoet.
-
-»Roept de wachters!" beval Ramses.
-
-»Vlieg naar beneden, Ani!" riep Mena. »Ik verlaat mijn heer niet weder
-in het gevaar."
-
-De stadhouder ijlde de deur uit, als een veroordeelde uit zijn kerker.
-Doch hij had nog maar weinige schreden voorwaarts gedaan, daar stortte
-de eenige trap die naar de bovenverdieping voerde in elkaar, vóor hij
-dien bereiken kon. Katoeti had deze door een enkelen hamerslag doen
-vallen, toen zij het binnengedeelte van het paleis in brand had
-gestoken. Ani zag nog het fladderen van haar kleed, terwijl zij de
-vlucht nam. Hij balde de vuisten bij het uitroepen van haar naam,
-en zonder te weten waar hij terecht zou komen, vloog hij het lange
-voorportaal door waarop de kamers van den pharao uitkwamen.
-
-Het vreeselijk geweld, veroorzaakt door het instorten van den trap,
-drong den koning en zijn wagenmenner insgelijks het vertrek te verlaten.
-
-»Daar ligt de trap! Dat wordt ernst!" zeide Ramses gelaten. Hij ging
-in zijne kamer terug en plaatste zich voor het venster, om vandaar het
-gevaar te overzien. Reeds sloegen de vlammen helder uit aan den
-noordelijken vleugel van het paleis, zoodat de nacht, die reeds voor de
-morgenschemering begon te wijken, daghelder werd. Alleen de zuidelijke
-vleugel van het groote gebouw was nog ongedeerd.
-
-Mena vestigde zijne aandacht op de borstwering, van welke Paäker
-naar beneden was gestort. Hij klom het venster uit, onderzocht het
-hout onder zijne voeten en bespeurde dat het stevig genoeg was om
-onderscheidene personen te dragen. Hij zag overal rond en richtte zijn
-oog met gespannen aandacht naar den vleugel, die nog niet door de
-vlammen was aangetast.
-
-»Het gebouw wordt met boosaardig opzet in brand gestoken," schreeuwde
-hij opeens uit. »Zie daarheen! Daar zit een man, die bezig is vuur
-tusschen het hout te steken."
-
-In een oogwenk sprong hij weder in het vertrek, dat zich reeds met rook
-begon te vullen, rukte 's konings pijlkoker en boog, die hijzelf boven
-zijn bed had opgehangen, van de wand, legde een pijl aan de pees, mikte
-lang en met een gil viel de brandstichter neder.
-
-Later vond men den dwerg Nemoe met den pijl van den wagenmenner midden
-in het hart. Na den vloer onder Bent-Anat's vertrekken in brand gestoken
-te hebben, had hij den vleugel van het paleis, waarin Warda's vriend
-Rameri en de andere zonen des konings sliepen, insgelijks willen
-aansteken.
-
-Mena sprong opnieuw uit het venster en onderzocht het uitstek. Het
-vertrek van den pharao vulde zich inmiddels meer en meer met rook. Reeds
-drongen de vlammen hier en daar door de voegen der planken heen.
-
-Zoowel buiten als binnen het paleis begon beweging te komen.
-
-»Brand! Brand! Moord! Hulp! Redt den koning!" schreeuwde de roodbaard
-uit al zijne macht, gevolgd door eenige lijfwachten, die hij ijlings had
-gewekt.
-
-Warda was in het paleis gevlogen, om Bent-Anat, welker vertrekken zij
-kende, te roepen.
-
-De koning was achter Mena het venster uitgeklommen en riep de soldaten
-van de borstwering toe: »De helft van ulieden ga het gebouw binnen, en
-trachtte allereerst de prinses te redden. De andere helft zorge, dat het
-vuur den zuidelijken vleugel niet aantast. Ik zal beproeven daarheen te
-komen!"
-
-Maar Nemoe's vuur had brand doen ontstaan en ook daar vertoonden zich
-de vlammen, waartegen nu de soldaten worstelden met inspanning van alle
-krachten. Hun luid geschreeuw werd gehoord te midden van het knetteren
-en knappen van het droge hout, dat door de laaie vlammen werd verteerd,
-van het geschetter der bazuinen en geroffel der trommen, waarmede de
-troepen werden gewekt.
-
-Thans verschenen ook de prinsen aan de vensters hunner vertrekken. Zij
-hadden in allerijl hunne mantels tot eene lijn aan elkander geknoopt,
-waarlangs zij zich een voor een aflieten. Ramses moedigde hen aan door
-zijn woord, maar hijzelf zag zich in zijn voortgang belemmerd. De
-tamelijk breede borstwering die hen droeg omgaf wel-is-waar het geheele
-gebouw, doch was bij elke tien schreden afgebroken door afstanden van
-eene manslengte. Daarbij woekerde het vuur steeds voort. De knetterende
-vonken spatten over hem en Mena heen, als het kaf rondom den landman,
-die met zijn schudgavel de graanhalmen op een hoop werpt[358].
-
- [358] Men bedenke, dat het graan in Egypte niet gedorscht, maar
- door ossen getreden werd. De halmen, die rechts en links uit
- den cirkel werden gestooten, moesten door een arbeider met zijn
- schudgavel of riek weder naar het midden worden geworpen,
- waarbij het kaf en de graankorrels naar alle zijden heen vlogen.
- Vert.
-
-»Laat hieronder stroo op een hoop brengen," beval Ramses met eene stem,
-die boven het geweld van den brand uit werd gehoord. »Alleen een sprong
-naar beneden kan ons redden!"
-
-Reeds sloegen de laaie vlammen uit het koninklijk vertrek. Het was
-onmogelijk daar weder binnen te gaan. Maar noch Ramses noch Mena
-verloren hunne tegenwoordigheid van geest.
-
-Toen de wagenmenner den laatsten der twaalf prinsen den grond zag
-bereiken, bracht hij zijne handen aan den mond en riep uit al zijn
-macht, als door een roeper, Rameri, den laatsten die de reddende lijn
-zou gaan gebruiken, toe: »Haal de lijn in de hoogte, en pas op dat zij
-niet beschadige, totdat ik kom!"
-
-Rameri volgde het bevel, en eer Ramses het verhinderen kon, was Mena
-over den afstand gesprongen, die het eene gedeelte der borstwering
-van het andere scheidde. Den koning en den prinsen, die van beneden
-toezagen, stolde het bloed in de aderen, toen Mena ten tweede male den
-ontzettenden sprong waagde. Eene enkele misstap, en het zou hem gaan als
-zijn doodvijand Paäker.
-
-Terwijl zij die beneden waren hem met ingehouden adem volgden, en er
-niet anders werd gehoord dan het sissen en knetteren der vlammen, het
-knappen der berstende houtkwasten, het dof gedreun der neerstortende
-binten, en in de verte het gezang van een priesterkoor, dat uit de
-legerplaats het tooneel van den brand naderde, knielde Nefert, die door
-den kleinen Scheraoe was gewekt, op den grond, en bad uit het diepst
-harer ziel tot de reddende goden. Hare oogen volgden daarbij elken
-sprong van haar echtgenoot, en zij beet zich de lippen aan bloed, om
-toch geen kreet te slaken. Zij gevoelde dat hij grootmoedig en goed
-handelde, en dat hij verloren zou zijn, wanneer zijne opmerkzaamheid ook
-maar voor éen oogenblik werd afgetrokken van dien afgrijselijken weg.
-
-Daar stond hij naast Rameri. Hij bond zich het eene einde van de uit
-mantels en doeken saamgebondene lijn om het lichaam. Thans gaf hij
-Rameri, die zich aan het vensterkozijn vasthield, het andere eind in
-de hand, en maakte zich gereed om andermaal de gevaarlijke sprongen te
-wagen. Nefert zag hoe hij een aanloop nam. Zij hield beide handen op
-de saamgeklemde lippen, om toch niet te schreeuwen. Zij kneep de oogen
-dicht, en toen zij ze weder opende was de eerste sprong gelukt. Ook bij
-den tweeden bewaarden de hemelsche goden hem voor vallen. Bij den derden
-sprong strekte Ramses nog intijds de handen uit, om hem te grijpen en
-voor vallen te bewaren. Nadat hij het einde der lijn van zijne heupen
-had losgemaakt, maakte hij haar stevig vast aan een uitstekenden balk,
-waarbij de koning hem ondersteunde en hielp. Nu liet Rameri het andere
-einde van den breeden en zwaren mantelketen los en volgde Mena. Ook den
-prins, die in het Seti-huis niet te vergeefs zich bij de gymnastische
-spelen geoefend had, gelukten de vreeselijke sprongen.
-
-Weldra stond nu de pharao gered op den grond. Rameri volgde hem en ten
-laatste ook Mena. Zoodra zijn voet den vasten bodem betrad, kwam zijne
-teergeliefde vrouw hem het zweet van de kloppende slapen wisschen.
-
-Ramses vloog terstond naar den noordelijken vleugel van het paleis,
-waarin Bent-Anat had vertoefd. Hij vond haar behouden terug, maar
-handenwringende, want haar jeugdige lieveling Warda was in de vlammen
-verdwenen, nadat het meisje zelve haar gewekt en met de hulp haars
-vaders gered had.
-
-Kaschta liep langs den brandenden buitenwand van het paleis heen en
-weer, en rukte wanhopig zich de borstelige haren uit het hoofd. Nu eens
-riep hij met luider stem zijn kind bij den naam, dan weder stond hij te
-luisteren met ingehouden adem. Het zou waanzin zijn geweest, op goed
-geluk in het ontzaglijk groote brandende gebouw te gaan zoeken.
-
-De koning had den beklagenswaardigen vader nauwelijks opgemerkt of hij
-stelde hem aan het hoofd der soldaten, wien hij bevolen had den wand van
-het gewezen verblijf van Bent-Anat in te slaan, om te beproeven of het
-nog mogelijk was het verloren kind te redden. Kaschta liet zich eene
-bijl geven, en hief dien reeds op om het hout te verbrijzelen. Daar
-meende hij bij een luik van de onderste verdieping, dat op Katoeti's
-bevel stevig gesloten was, geklop te hooren, dat van binnen uit het
-gebouw kwam. Hij volgde het geluid aandachtig. Er was geen twijfel aan,
-er werd geklopt.
-
-Met inspanning van al zijne krachten wrong Kaschta den bijl tusschen den
-wand en het luik, dat eindelijk open sprong. Dichte zwarte rookgolven
-drongen door deze nieuwe opening naar buiten. Daar zag hij, te midden
-van dichte nevelen een man op het punt van te bezwijken, terwijl hij
-Warda in zijne armen hield. Op hetzelfde oogenblik sprong Kaschta naar
-binnen, en rukte, te midden van rook en vonkenregen, zijne dochter
-uit de armen van haren redder, die reeds half gestikt ineen zeeg. Hij
-sprong met zijn dierbaren lichten last weder naar buiten, en toen hij,
-op veiligen bodem gekomen, zijne lippen zacht op hare geslotene oogleden
-drukte, werden zijne oogen vochtig. In zijne verbeelding zag hij weder
-het beeld der vrouw, die haar ter wereld bracht, die als eene eenzame
-palmboom de dorre woestijn zijns levens had opgeluisterd.
-
-Doch maar enkele oogenblikken liet hij aan zijne gewaarwordingen den
-vrijen loop, Bent-Anat zelve nam Warda uit zijne armen over, en hij
-ijlde naar het brandende gebouw terug. Hij had den redder van zijn
-kind maar al te goed herkend; het was de priester Nebsecht, die sedert
-het gebeurde bij den Sinaï de prinses niet had verlaten, en als
-haar lijfarts, met haar gevolg in hare vertrekken een onderkomen had
-gevonden. Nu het luik weg was, kwam er een sterke luchtstroom door de
-opening het vertrek binnen. De heldere vlammen sloegen reeds het venster
-uit. Toch leefde Nebsecht nog, want zijn gekerm drong door rook en
-vuurgloed naar buiten.
-
-Kaschta drong andermaal door het venster binnen. Die achter hem stonden
-zagen, dat de zolderbalken van het vertrek reeds begonnen te buigen,
-en waarschuwden hem. Ja, de koning zelf gebood hem terug te keeren. De
-roodbaard zat echter reeds op het kozijn, en terwijl hij naar beneden
-riep: »Ik heb mij met mijn bloed tot zijn schuldenaar verklaard.
-Tweemalen heeft hij mijn kind gered, thans betaal ik hem mijne
-schulden!" verdween hij in het brandend vertrek.
-
-Een oogenblik later vertoonde hij zich weder met Nebsecht, wiens wit
-gewaad reeds door de vlammen gezengd was, op de armen. Men zag nog
-hoe hij met zijn last meer en meer het venster naderde. Een menigte
-soldaten, en onder hen ook Pentaoer, drongen naar voren om te helpen,
-en vingen den bewusteloozen arts dien Kaschta het venster uittilde, in
-hunne armen op.
-
-De roodbaard maakte zich gereed hem te volgen, maar eer hij den sprong
-had gedaan, stortten de balken der zoldering boven hem in elkaar, en
-begroeven den rechtschapen zoon van den Paraschiet.
-
-Pentaoer liet zijn bewusteloozen vriend Nebsecht in een tent dragen, en
-hielp de artsen, die zijne brandwonden verbonden.
-
-De dichter was in een ernstig gesprek met den opperpriester verdiept,
-toen het brandalarm werd vernomen. Ameni had hem medegedeeld, dat hij
-niet de zoon was van een hovenier, maar dat hij uit een der edelste
-huizen van het land was gesproten. De grondvesten van zijn uitwendig
-leven werden als onder zijne voeten weggerukt. Ameni's verhaal
-verplaatste hem als uit een hut in een paleis, en toch toonde Pentaoer
-zich noch buitengewoon verrast, noch uitermate verheugd. Zoo zeer was
-hij gewoon lief en leed niet van buiten, maar van binnen te ervaren.
-Zoodra hij het geroep van brand had gehoord, was hij naar het toneel
-van het onheil gevlogen, en had zich, toen hij het gevaar overzag waarin
-Ramses verkeerde, aan het hoofd gesteld van de vele soldaten, die uit
-de legerplaats kwamen toeschieten, ten einde te beproeven of het ook
-mogelijk was den pharao van binnen uit het gebouw ter hulp te komen.
-
-Onder de wagenstrijders die hem volgden, was ook Katoeti's lichtzinnige
-zoon, die zich voor Kadesch gunstig had onderscheiden en deze nieuwe
-gelegenheid aangreep om zijn moed te toonen. Het instorten der wanden
-belemmerde deze schare, die met ware doodsverachting trachtte voort te
-dringen, ten laatste verder te gaan. Zij trok zich echter eerst terug,
-nadat velen uit hun midden gestikt en onder brandende balken verpletterd
-waren. De eerste die hier om het leven kwam, was Nefert's broeder,
-Katoeti's zoon.
-
-Warda was naar de naastbijzijnde tent gebracht. Haar schoon hoofdje
-rustte in Bent-Anat's schoot, en Nefert trachtte haar in het leven terug
-te roepen, terwijl zij hare slapen wreef met een geestrijk vocht. De
-lippen der jonkvrouw bewogen zich zacht. Voor het oog harer verbeelding
-vertoonde zich nog eenmaal alles, wat zij in het laatste uur doorleefd
-en geleden heeft. Zij zag hoe zij met haar vader door de legerplaats
-voortijlde, en met hem, langs den bekenden weg, in de vertrekken der
-prinses doordrong, terwijl hij de deuren insloeg, die door Katoeti
-gesloten waren. Zij zag hoe Bent-Anat, door haar gewekt, haar achterna
-kwam met haar gevolg. Zij herinnerde zich droomerig haar schrik, toen
-zij, dicht bij de deur, waardoor zij gered zouden zijn, bespeurde, dat
-zij haar kleinood, het eenige erfdeel harer gestorvene moeder, in haar
-koffer had achtergelaten, en hoe zij haastig was omgekeerd, alleen door
-den arts Nebsecht opgemerkt. Nog eenmaal doorleefde zij den angst,
-die zij had uitgestaan, toen zij het kleinood weder op haar boezem had
-geborgen, en den schrik die haar overmeesterde, toen op den terugweg
-rook en vlammen haar tegensloegen. Wederom gevoelde zij zich de krachten
-ontzinken, en was het haar, als nam de zonderlinge priester met zijn wit
-gewaad haar opnieuw in zijne armen. Zij zag als in den droom andermaal
-hoe zijne oogen met innige teederheid op haar gericht waren, en lachte
-half dankbaar, half onwillig, als zij dacht aan het zachte kusje, dat
-hij, eer de sterkere armen haars vaders haar aangrepen, op hare lippen
-had gedrukt.
-
-»Wat is zij toch schoon!" zeide Bent-Anat. »Ik geloof dat de arme
-Nebsecht niet dwaalde, toen hij vertelde, dat hare moeder eene
-aanzienlijke vrouw uit het buitenland is geweest. Zaagt gij ooit
-sierlijker handen en voeten? En hare huid is zoo doorzichtig als
-Phoenicisch vloeispaath."
-
-
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Terwijl de vriendinnen Warda weder bijbrachten en liefderijk
-verpleegden, liep vrouwe Katoeti in hare tent onrustig op en neder.
-Kort nadat zij was weggeslopen om het gebouw in brand te steken, had
-het geschreeuw van den kleinen Scheraoe hare dochter gewekt. Zij vond
-Nefert's rustbed verlaten, toen zij, bevende over al hare leden en met
-zware handen, van haar misdadig werk terugkeerde.
-
-Zij zat nu vruchteloos op Nemoe en Paäker te wachten. Haar hofmeester,
-dien zij herhaalde malen uitzond, om te vragen of de stadhouder reeds
-was teruggekeerd, bracht steeds een ontkennend antwoord, en tevens het
-bericht, dat hij de oude Hekt midden op den weg dood had gevonden.
-
-Het hart der weduwe klopte hevig en zij huiverde. Want terwijl zij
-luisterde naar het geroep der soldaten, die kwamen blusschen, naar het
-tromgeroffel en de trompetsignalen van anderen, die den koning ter hulp
-ijlden, overvielen haar sombere vermoedens. Thans trof ook het dof
-gedreun van instortende balken en wanden haar oor. Een boosaardig lachje
-speelde er om hare lippen, terwijl zij dacht: »Dat trof misschien den
-koning en mijn beminden schoonzoon, die het zeker niet helpen kon, dat
-wij niet in schande zijn omgekomen, en die zich na alles wat voor
-Kadesch is geschied, aan zijn geduldigen meester zal hechten gelijk een
-kalf aan eene grazende koe."
-
-Wederom vervulde haar nieuwe moed. Zij hoorde in hare verbeelding de
-kreten der Ethiopische troepen, die den stadhouder tot koning uitriepen.
-Zij zag Ani, getooid met de kroon van Opper- en Neder-Egypte, op den
-troon van Ramses, en zich zelve in een eenvoudig maar kostbaar gewaad
-aan zijne zijde. Zij beschouwde zich als in het blijvend bezit van
-Mena's erfdeel, door den stadhouder vergroot en geheel van schulden
-vrijgemaakt, waarmede zij benevens haar zoon en hare dochter nu naar
-welgevallen konden handelen. Ja, een nieuw en schitterend plan vervulde
-haar met verwachtingen, die haar van blijdschap bedwelmden. Misschien
-was Nefert reeds in deze ure weduwe, en waarom zou het haar niet
-gelukken Ani over te halen, haar kind, de schoonste vrouw uit Egypte,
-tot zijne gemalin te kiezen? Dan werd zij als koningin-moeder
-onschendbaar en almachtig. Sedert lang had zij zich gewend den gids
-Paäker als een weggeworpen werktuig te beschouwen, dat weldra geheel
-vernietigd moest worden. Zijne bezittingen konden misschien eens op haar
-zoon worden overgebracht, die zich voor Kadesch zoo dapper had gedragen,
-en die Ani zeker eerlang tot zijn wagenmenner of tot overste zijner
-wagenstrijders verheffen zou. Terwijl zij zich, al sneller en sneller op
-en neer wandelende, in zulke bespiegelingen vermeide, verliet haar alle
-bezorgdheid.
-
-Daar stormde de hofmeester, dien zij ditmaal naar het brandende gebouw
-had gezonden, hare tent binnen, en bracht onder allerlei gebaren van
-ontzetting de boodschap, dat de koning en zijn wagenmenner op eene
-smalle borstwering midden tusschen de vlammen zweefden; dat zij verloren
-waren, als er geen wonder geschiedde. Brandstichters, zoo heette het,
-hadden het vuur aangelegd, en hij, de hofmeester, was weggevlogen om
-haar bericht te brengen, toen men het verpletterde lijk van den gids
-Paäker, dien men aan zijne zegelring had herkend, en ook dat van den
-armen met een pijl doorboorden Nemoe hem voorbijgedragen had.
-
-Katoeti zweeg; na eene diepe ademhaling vroeg zij: »En de zonen van
-Ramses?"
-
-»Den goden zij dank!" antwoordde de hofmeester. »Het gelukte hun zich
-aan saamgeknoopte kleedingstukken af te laten. Eenigen waren reeds
-gered, toen ik den brand verliet."
-
-Er kwam eene donkere wolk over Katoeti's gelaat, en zij zond opnieuw
-haar bode uit. De oogenblikken zijner afwezigheid schenen haar dagen. Nu
-eens bewoog zich haar boezem onstuimig op en neder, dan hield zij haar
-adem in en sloot de oogen, alsof de angst haar laatste levenskracht
-uitbluschte.
-
-Eindelijk, lang na zonsopgang, kwam de hofmeester terug. Bleek, bevende,
-nauwelijks in staat een woord uit te brengen, wierp hij zich voor de
-weduwe neder en riep klagend: »O, welk een nacht! -- Bereid u voor op
-het ergste, meesteres! Moge Isis, die ook haar geliefden zoon zag
-nederstorten in den strijd voor zijn vader en koning, u troosten, en
-Amon, de groote god van Thebe u kracht verleenen! Onze trots, onze hoop,
-uw zoon werd door instortende balken verpletterd."
-
-Katoeti vernam deze woorden strak en doodsbleek voor zich ziende, zonder
-dat een traan hare oogen bevochtigde. Na eenige oogenblikken vroeg zij
-dof: »En Ramses?"
-
-»Laat ons de goden prijzen!" antwoordde de hofmeester; »hij is gered
-door uw schoonzoon Mena!"
-
-»En Ani?"
-
-»Verbrand. Zij vonden zijn lijk onkenbaar misvormd. Men herkende hem
-alleen aan den diadeem, dien hij op het feest had gedragen."
-
-Katoeti staarde weder in de ruimte, en vol ontzetting ging de hofmeester
-achteruit als voor eene waanzinnige, toen zij, in plaats van te weenen,
-hare kleine, met ringen bedekte handen tot vuisten balde, ze hoog
-ophief en in een luid hoonend gelach uitbarstte. Doch verschrikt over
-den toon van hare eigene stem, zweeg zij plotseling, en richtte haar
-blik strak op den grond. Zij hoorde en zag niet, dat de overste der
-veiligheidsbeambten, die men »de oogen en de ooren des konings" noemde,
-gevolgd door een aantal officieren en een schrijver, door de deur der
-tent op haar toetrad, en haar bij name riep. Eerst toen de hofmeester
-haar angstig aanstootte, ontwaakte zij als uit een diepen slaap.
-
-»Wat hebt gij hier in mijne tent te doen?" vroeg zij de beambten,
-terwijl zij zich trotsch oprichtte.
-
-»In naam van den opperrechter van Thebe," zeide de bevelhebber der
-veiligheidsbeambten plechtig, »neem ik u gevangen en daag ik u voor het
-gerecht, om u voor het hoogste gerechtshof te rechtvaardigen tegen
-de zware aanklacht van hoogverraad, van poging tot koningsmoord en
-brandstichting, waarop de doodstraf staat."
-
-»Ik ben bereid," antwoordde de weduwe, en een spottende glimlach speelde
-om hare lippen.
-
-Daarop wees zij met de haar eigene waardigheid naar een stoel en zeide:
-»Neem plaats, opdat ik mij kleede!" De beambte boog. Hij bleef echter
-staan aan den ingang van de tent, terwijl zij hare zwarte haren
-samenbond, den diadeem op het hoofd zette, haar zalfkastje opende en
-daaruit haastig een fleschje nam met snelwerkende strychnine, dat zij
-zich reeds voor eenige maanden door Nemoe van de oude Hekt had weten te
-verschaffen.
-
-»Mijn spiegel!" riep zij hare dienstmaagd toe, die in een hoek van de
-tent zat neergehurkt.
-
-Zij hield vervolgens de metalen schijf voor het aangezicht, zoodat de
-beambten niet konden zien wat zij deed, bracht het fleschje aan hare
-lippen, en ledigde het in één teug. De spiegel ontviel aan hare hand,
-zij wankelde en eene doodelijke kramp deed haar het hoofd buigen. De
-beambte snelde op haar toe, en terwijl zij stervende hem aanzag, zeide
-zij duidelijk: »Mijn spel is verloren: maar ook Ameni, ook Ameni zal
-niets winnen. Zeg hem dat!" Zij zeeg neer, prevelde Neferts naam, gaf
-een gil, die door merg en been drong, en was een lijk.
-
- * * * * *
-
-Het mag zijn dat de drinkbeker van het geluk voor enkele menschen zoo
-rein en helder wordt als kristal, maar zelden verzuimt toch het noodlot
-er een druppel in te gieten, die den drank troebel maakt. Maar wij mogen
-daarover niet ontevreden zijn, want juist deze druppel is het, die ons
-vermaant de goede gave des levens matig en dankbaar te genieten.
-
-Het zalig wederzien van Mena en Nefert was wel-is-waar beneveld door den
-geweldadigen dood van Katoeti, maar beiden gevoelden nu eerst recht den
-ernst der liefde. Mena moest zijne vrouw het gemis van moeder en broeder
-vergoeden, en Nefert had veel goed te maken van hetgeen de gestorvenen
-jegens haar echtgenoot hadden misdreven. Zij begrepen nu, dat zij
-elkander hadden wedergevonden, niet enkel om van elkanders bijzijn te
-genieten, maar ook om elkander wederkeerig te steunen en te dragen.
-
-Ramses verliet de rookende puinhoopen, vervuld van dank jegens de
-hemelsche goden, die hem en de zijnen genadig hadden behouden. Hij beval
-ontelbare stieren te slachten en door het gansche land vreugdefeesten te
-vieren. Maar zijn hart was diep bedroefd, omdat hij het slachtoffer was
-geweest van eene schandelijke misleiding. Evenals altijd, wanneer hij
-gevoelde dat het evenwicht zijner ziel was verstoord, verlangde hij
-naar eene eenzame ure, en liet zich in de legertent brengen, die men in
-allerijl voor hem had opgeslagen. Want hij had geweigerd Ani's prachtig
-verblijf te betreden. Het was hem alsof dit, als de woning van een
-melaatsche, door verraad en leugen was verpest.
-
-Een uur lang bleef hij alleen. Hij woog het kwaad, dat hij van menschen
-had ervaren, tegen het verblijdende en goede, en bevond, dat het laatste
-het eerste verre overtrof. Als hij van oogenblik tot oogenblik zich
-weder voor den geest riep, wat er dezen morgen met hem was gebeurd, werd
-hij zich ten volle bewust van de dankbaarheid, die hij niet alleen
-zijn hemelschen maar ook zijn aardschen vrienden verschuldigd was. Uwe
-moeder, zoo sprak hij tot zichzelven, leerde u dankbaar te zijn, en den
-plicht der dankbaarheid hebt gij ook uwen kinderen ingescherpt. Hij
-is vroom, die zich jegens de goden dankbaar betoont, en goed, die niet
-vergeet hoeveel dank hij aan menschen verschuldigd is.
-
-Toen hij Bent-Anat en Pentaoer in zijne tent ontbood, was alle
-bitterheid uit zijne ziel verdwenen. Hij liet zich door zijne dochter
-verhalen, hoe haar hart zich voor den dichter geopend had, viel haar
-daarbij telkens met een woord van berisping of lof in de rede, en
-vaderlijke vreugde vervulde zijne ziel, toen hij de handen van zijn
-veelgeliefd kind in die van den dichter legde.
-
-Bent-Anat liet haar hoofd vol zalig gevoel tegen de borst van Assa's
-kleinzoon rusten, maar zij zou zich niet minder blijmoedig hebben
-overgegeven aan Pentaoer, den zoon van den hovenier.
-
-»Gij zijt nu een der onzen," zeide Ramses en gebood den dichter bij hem
-te blijven, toen hij de herauten, boden en tolken beval de Aziatische
-vorsten, die aan genen oever van den Nijl in hunne tenten verwijlden,
-tot hem te roepen, om deugdelijke verdragen met hem te sluiten, die lang
-zouden duren.
-
-Alvorens deze verschenen, betraden de zonen van den pharao de tent huns
-vaders. Zij vernamen uit 's konings eigen mond, tot welk aanzienlijk
-huis Pentaoer behoorde, en hoe zij het aan hunne zuster te danken
-hadden, dat zij in hem een nieuwen broeder hadden gewonnen. De prinsen
-wenschten het schoone en edele paar met oprechte vreugde geluk, doch
-niemand deed dit met meer warmte dan de jonge Rameri.
-
-De koning liet deze laatsten uit de rij zijner broeders vooruit treden,
-Ramses dankte Rameri voor zijne stoute daad van dezen morgen, waaraan
-hij zijne redding te danken had. Reeds voor Kadesch had hij hem met
-het gewaad van den man bekleed[359]. Thans benoemde hij hem tot
-opperbevelhebber van het legioen zijner wagenstrijders, en schonk hem
-het versiersel der leeuwenorde voor dappere daden, dat om den hals
-gedragen werd[360].
-
- [359] De scheepsgezagvoerder Ahmes vertelt in zijne
- levensbeschrijving, die in den wand van zijn graf te el Kab
- is uitgebeiteld (regel 6), dat hij met "het gewaad der jonge
- mannen" bekleed is geworden, en dat hij "vervolgens een huis
- genomen heeft," of wel zijn eigen huis heeft gebouwd, m. a. w.
- dat hij getrouwd is.
-
- [360] Deze onderscheiding, die werkelijk "de leeuwenorde"
- genoemd wordt, viel bijv. ten deel aan den veldoverste Amen
- em Heb, die onder Thotmes III leefde. Zijn zeer belangrijk
- grafschrift, door mij ontdekt, heb ik vertaald en uitvoerig
- verklaard in =Zeitschrift der deutschen morgenländischen
- Gesellschaft=, 1876.
-
-De prins dankte zijn vader in geknielde houding. Deze nam Rameri's
-kroeskop tusschen zijne handen en zeide: »Door uwe voortreffelijke daden
-hebt gij aanspraak op lof en belooning van uw vader, die thans gered,
-reden heeft om over zulk een zoon tevreden te zijn. Maar als koning, die
-waakt over de wet[361] en dit land bestuurt, moet ik toornig zijn, ja u
-misschien bestraffen! Het is u moeielijk gevallen u te onderwerpen aan
-den schooldwang, waardoor wij gehoorzaamheid moeten leeren, om later in
-staat te zijn met billijkheid te bevelen. Vóor wij u riepen, hebt gij
-Egypte verlaten en zijt gij naar het leger opgetrokken. Gij hebt getoond
-in moed en kracht een man te zijn, maar een onbezonnen knaap wat
-betreft verstandig overleg, hetwelk de zoon van een heldenstam minder
-gemakkelijk leert dan flink er op in te slaan. Zonder eene leerschool
-doorloopen te hebben, rekendet ge u reeds onder de meesters in den
-krijg. En wat was het gevolg? Tweemaal geraaktet gij gevangen, en
-tweemaal moest ik u uit de handen der vijanden loskoopen.
-
- [361] Titel van de pharao's, die zeer dikwijls voorkomt.
-
-»De koning der Danaërs leverde u uit tegen zijne dochter, die Mena in
-zijne tent bewaarde. Hij verheugt zich nu reeds lang, dat hij zijn kind
-terug ontving. Maar met haar hebben wij het krachtigst middel uit de
-hand moeten geven, om eene vaste en duurzame vredesgelofte te verkrijgen
-van den vorst, die over de steeds machtiger en trotscher wordende mannen
-op de eilanden en aan de noordelijke kusten van de groote zee[362]
-gebied voert.
-
- [362] De Middellandsche zee.
-
-»Zoo wordt door de onvoorzichtige en onwillekeurige handelwijze van een
-knaap het groote werk in gevaar gebracht, dat nu moet worden voltooid.
-Het doet mij heden bijzonder leed, dat ik uw gemoed, hetwelk ik door
-lof oprichtte, door berisping weder moet nederdrukken. Ik wil ook niet
-straffen, maar enkel leeren en waarschuwen. Eene staatsinrichting is
-gelijk aan de in elkander grijpende raderen, die eene schepmachine van
-den Nijl in beweging brengen. Wanneer éen rad weigert, staat het geheel
-stil, hoe krachtig de stieren ook zijn, die den balk ronddraaien. Ieder
-uwer, vergeet dit niet, is een hoofdrad in de kunstmatige inrichting
-van den staat, en kan dan alleen nut doen, wanneer hij zich zonder
-wederstand te bieden onderwerpt aan de machten die hem leiden. Sta
-nu op! Mogelijk zal het gelukken den koning der Danaërs, ook zonder
-gijzelaars, deugdelijke waarborgen af te dwingen."
-
-Daar traden herauten de tent binnen met het bericht, dat de
-vertegenwoordiger van den koning der Cheta en der vorsten, zijne
-bondgenooten, in de raadzaal van den pharao wachtten. Ramses liet zich
-de kroon van Opper- en Neder-Egypte opzetten en kleeden in zijn vol
-ornaat. Zijne ceremoniemeesters, de dragers van de teekenen zijner
-macht, en de met struisvederen getooide oversten zijner schrijvers
-gingen hem vooruit, terwijl zijne zonen, de opperbevelhebbers van zijn
-leger en de tolken hem volgden.
-
-Ramses zette zich vol waardigheid op zijn troon. Uit zijne oogen
-straalde ernst en strengheid, terwijl hij de hulde der door hem
-overwonnen vorsten aannam. Alle Aziaten kusten den grond vóor zijne
-voeten. De koning der Danaërs alleen stelde zich met eene buiging
-tevreden.
-
-De pharao zag hem met weerzin aan, en liet hem door de tolken vragen,
-of hij zich al of niet voor verslagen hield? De vorst liet Ramses
-antwoorden, dat hij niet als gevangene voor hem verschenen was, en dat
-hetgeen de koning van hem verlangde hem zou onteeren naar de zeden van
-zijn vaderland, een land van vrijgeboren mannen, die zich enkel voor de
-goden ter aarde wierpen. Hij hoopte een bondgenoot te worden van den
-gebieder over Egypte, en stelde hem de vraag, of hij een onteerde tot
-vriend begeerde?
-
-Ramses nam met zijne oogen de trotsche en edelgevormde gestalte op van
-den vorst, die zulk eene taal voerde, en zeide streng: »Alleen met zulke
-tegenstanders ben ik geneigd vrede te maken, die zich vrijwillig buigen
-voor de dubbele kroon op mijn hoofd. Blijft gij in uwe weigering
-volharden, dan zult gij met de uwen niet deelen in de milde verdragen,
-die ik met deze uwe bondgenooten verlang te sluiten."
-
-De Danaër bewaarde zijn zelfbewuste houding, die echter vrij was van
-alle aanmatiging, toen deze woorden van Ramses hem werden vertolkt. Hij
-deed den pharao antwoorden, dat ook hij gekomen was met het plan, om
-tegen een hoogen prijs vrede te sluiten, maar dat hij zich noch voor
-eene kroon noch voor een mensch in het stof werpen kon of wilde. Hij was
-voornemens den volgenden dag te vertrekken, hij bad dus om eene gunst,
-mede in naam zijner dochter; want hij had gehoord, dat de Egyptenaars
-de vrouw in hooge eere hielden. De koning wist dat zijn wagenmenner
-Mena zijne dochter niet als eene gevangene maar als eene zuster had
-behandeld, daarom koesterde Praxilla evenals hij den wensch, den edelen
-wagenmenner vaarwel te zeggen, en hem benevens zijne gemalin voor zulk
-eene groote edelmoedigheid te danken. Hij hoopte dat Ramses hem zou
-toestaan vóor zijn vertrek den stroom nog eens te overschrijden en met
-zijne dochter, Mena op te zoeken in zijne tent.
-
-De pharao willigde deze bede in. De vorst der Danaërs verliet daarop de
-tent, waarna de onderhandelingen een aanvang namen. In weinige uren was
-men hiermede gereed, want de Egyptische en Aziatische schrijvers waren
-het gedurende den langen marsch reeds eens geworden over het verdrag,
-dat thans geteekend zou worden. Het vredesprotokol zou in Ramses-stad
-Tanis, door de vele daar gevestigde Semieten Zoan genoemd, in
-bewoordingen, die men zorgvuldig moest wikken en wegen, geschreven en
-onderteekend worden. De Aziatische vorsten mochten nu als gasten aan den
-koninklijken maaltijd deelnemen. Zij zaten echter aan eene bijzondere
-tafel, want een Egyptenaar zou zich verontreinigd hebben, wanneer hij
-met vreemdelingen aan denzelfden disch at.
-
-Ramses was echter niet volkomen tevreden. Wanneer de Danaër heenging,
-zonder zich met hem verbonden te hebben, dan was het te verwachten, dat
-de vrede, dien hij zoo ernstig begeerde, wederom van korten duur zou
-zijn. Toch gevoelde hij dat de vorst der Danaërs, al ware het alleen met
-het oog op de andere overwonnen vorsten, niet mocht vrijgesteld worden
-van de deemoediging, die hij gedwongen en, zoo hij meende, gerechtigd
-was hem op te leggen, al trok die mannelijke houding hem ook aan, en al
-moest hij erkennen dat de dapperheid der door dezen ten strijde gevoerde
-volken hem achting afdwong.
-
-De zon neigde reeds ten avond, toen Mena, wien de koning verlof had
-gegeven, buiten zich zelven van blijdschap aan de tafel der vergaderde
-vorsten verscheen, en den koning liet verzoeken, of hij hem iets
-gewichtigs mocht mededeelen. Ramses gaf hem een wenk, de wagenmenner
-naderde hem en beiden voerden eenige oogenblikken een zacht maar
-levendig gesprek.
-
-Ten laatste stond de pharao van zijn troon op, en riep Bent-Anat toe:
-»Deze dag, die zoo schrikkelijk is begonnen, zal blijde eindigen. Het
-lieftallig meisje, dat u heden gered heeft en bijna eene prooi der
-vlammen was geworden, is van hooge afkomst."
-
-»Zij is van vorstelijk bloed," riep Rameri, zijn vader oneerbiedig in de
-reden vallende.
-
-Ramses zag hem berispend aan en zeide: »Mijne zonen zwijgen tot ik hen
-vraag."
-
-De prins kreeg eene kleur en zag voor zich. De koning stond op, wenkte
-Bent-Anat en Pentaoer, verzocht zijne gasten hem voor een korten tijd
-te verontschuldigen, en maakte zich gereed de tent te verlaten. Daar
-naderde Bent-Anat. Zij zag haar vader vragend aan en fluisterde hem
-eenige woorden in het oor, die op haar broeder betrekking hadden. En
-niet te vergeefs, want Ramses bleef staan, zag eenige oogenblikken
-nadenkend naar den grond, en wendde toen zijn blikken naar den kroeskop,
-dien hij beschaamd en als aan zijn plaats genageld zag staan. Hij riep
-Rameri bij zijn naam, en gaf hem een wenk om te volgen.
-
-
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Terwijl Bent-Anat pogingen in het werk stelde om Warda, nadat zij uit
-de vlammen gered was, in het leven terug te roepen had Rameri artsen
-gehaald en was deze gevolgd in de tent van zijne zuster. Daar zag hij
-met teedere bezorgdheid het half gestikte, nog altijd bewustelooze, doch
-niet gewonde meisje aan, en greep eindelijk hare kleine hand, om zijne
-lippen op hare vingertoppen te drukken. Bent-Anat wees hem echter van
-het meisje terug. Toen bad hij haar met bewogen stem hem niet tegen te
-gaan, en fluisterde haar in het oor, hoe lief haar redster hem geworden
-was sedert die worsteling in den doodenstad. Nadat hij uit Syrië was
-opgebroken, had hij dag en nacht aan haar gedacht, en niemand anders dan
-Warda verlangde hij tot vrouw.
-
-Bent-Anat schrikte, en herinnerde haren broeder aan de onreinheid, die
-Warda van vaderszijde aankleefde, eene onreinheid waardoor zij zelve zoo
-zwaar had geleden. Maar Rameri antwoordde zijne zuster met levendigheid:
-»De moeder bepaalt in Egypte de afkomst der menschen, de overledene
-vrouw van den braven Kaschta...."
-
-»Ik weet alles," viel Bent-Anat hem in de rede. »De arts Nebsecht
-vertelde ons reeds, dat zij eene stomme krijgsgevangene was geweest, en
-ik geloof zelfs dat Warda niet van geringe afkomst is, want zij is zoo
-edel gevormd."
-
-»En hare huid is zoo zacht als de weeke blaadjes eener bloem," vervolgde
-Rameri. »Hare stem klinkt als zuiver goud, en.... Doch zie, zij beweegt
-zich. -- Warda, sla toch de oogen eens op, Warda! Wanneer de éene zon
-opgaat, dan prijzen wij de goden. -- Sla de oogen op! Hoe zal ik jubelen
-en danken, wanneer beide zonnen te gelijk opgaan!"
-
-Bent-Anat trok haar broeder met een glimlach van de kranke weg, die diep
-ademhaalde, want een arts was de tent binnen gekomen, om te berichten,
-dat een warm kruidenbad gereed stond, hetwelk Warda geheel herstellen
-zou. De prinses beval hare dienstmaagden het bewustelooze meisje te
-helpen. Zijzelve maakte zich gereed te volgen, toen een bode haars
-vaders haar ontbood in de koninklijke tent. Zij vermoedde wat deze
-noodiging te beteekenen had, en verzocht daarom Rameri haar alleen te
-laten, daar zij zich feestelijk moest kleeden. Warda zou na het bad,
-gedurende den tijd dat zij afwezig was, aan de zorg van hare vriendin
-Nefert worden toevertrouwd.
-
-»Zij is vriendelijk en goedhartig, en kent Warda," zeide Bent-Anat.
-»De zorg voor dit lieve schepsel zal haar hart goeddoen, nadat het
-lang gedobberd heeft tusschen diepe smart en langdurig gemis van het
-huwelijksgeluk. Mijn vader heeft Mena voor eenige dagen verlof gegeven
-van zijn dienst, en ik liet haar geheel vrij, want het tijdperk, waarin
-wij elkander noodig hadden, is gisteren afgesloten. Ik denk, Rameri,
-dat het ons na onze redding uit den schrikkelijken brand zal gaan als
-den heiligen Bennoe-vogel[363], die naar Heliopolis komt om zich te
-verbranden, doch verjongd en glanzend, zalig en gelukaanbrengend uit
-zijn asch wederom te voorschijn komt."
-
- [363] De phenix.
-
-Toen zij alleen was, wierp zij zich voor het beeld harer moeder
-neder en bad lang. Vervolgens bracht zij een reukoffer op het kleine
-altaar van de godin Hathor, dat haar steeds vergezelde, liet zich met
-blijmoedig vertrouwen voor haren vader en ook -- zij kon zich dat niet
-ontveinzen -- voor Pentaoer tooien, ging daarop naar Nefert's tent, om
-haar te verzoeken voor Warda te zorgen, en volgde eindelijk de roepstem
-des konings, die, gelijk wij weten, hare goede verwachtingen tot
-waarheid maakte.
-
-Zoodra Rameri uit de tent zijner zuster buiten kwam, zag hij hoe de
-wachters een knaapje grepen en medevoerden. Het kind weende bitter en de
-prins herkende in hem den kleinen beeldhouwer Scheraoe, die hem bij
-Warda de aanslagen van den stadhouder verraden had, en dien hij ook bij
-den brand meende gezien te hebben. De schildwachten hadden hem reeds
-meer dan eens van de tent der prinses weggejaagd, maar hij was altijd
-teruggekomen. Zijne volharding had het wantrouwen van een officier
-gewekt, want na den brand liepen er ontelbare geruchten onder het leger
-van samenzweringen en aanslagen tegen de koninklijke familie.
-
-Rameri zorgde, dat de kleine gevangene terstond weder op vrije voeten
-werd gesteld, liet zich door hem vertellen, dat de oude Hekt, even vóor
-haar dood, den roodbaard Kaschta en zijne dochter had uitgezonden om den
-koning te redden, dat ook hij de soldaten had gewekt, dat hij nu geen
-tehuis meer had en bij Warda wilde zijn. De prins bracht den kleine zelf
-bij Nefert, en verzocht haar den knaap te veroorloven de geredde weer te
-zien, en hem bij haar dienstpersoneel te laten wachten, tot hij van zijn
-vader zou zijn teruggekeerd.
-
-De artsen hadden Warda's toestand juist beoordeeld, want in het bad
-kwam zij weder bij. Men trok haar schoone kleederen aan, en wekte hare
-krachten op door geesterijke vochten en geneesmiddelen, die men haar
-liet inademen en drinken. Toen zij hierna in Nefert's tent werd
-gebracht, kon Mena, die haar voor de eerste maal zag, zich niet genoeg
-verbazen over hare treffende en eigenaardige schoonheid. »Zij gelijkt
-inderdaad de dochter van den vorst der Danaërs, die ik voor haar vader
-in mijne tent heb bewaard," zeide hij, »maar zij is jonger en ook nog
-schooner dan deze."
-
-De kleine Scheraoe kwam om haar te begroeten en het deed haar genoegen
-den knaap te zien. Maar zij was droevig gestemd, en hoe goedig Nefert
-haar ook toesprak, zij bleef toch in zich zelve gekeerd, en van tijd tot
-tijd rolden er groote tranen langs hare wangen.
-
-»Gij hebt uw vader verloren," zeide Nefert, om haar te troosten. »Ik
-verloor mijne moeder en mijn broeder op éen dag."
-
-»Kaschta was wat ruw, maar goed," gaf Warda ten antwoord. »Ik zal
-hem altijd blijven liefhebben. Hij was gelijk aan de vrucht van den
-doem-palm[364]. Haar schaal is zoo hard als been, maar wie haar weet
-te openen, vindt daarin zoete spijs. Nu is hij dood; mijne moeder en
-grootouders zijn hem voorgegaan, en ik ben als het boomblad, dat ik bij
-onze vaart hierheen op de zee zag drijven. Ik heb nooit iets zoo eenzaam
-gezien als dat blad, want geheel gescheiden van alles waarop het
-betrekking had, dreef het op het vreemde element, waarop nooit iets
-groeide of gedijen kon, wat op een blad gelijkt."
-
- [364] Doem-palm, Crucifera Thebaica. Vert.
-
-Nefert kuste haar op het voorhoofd en zeide: »Maar gij hebt vrienden,
-die u niet verlaten zullen."
-
-»Dat weet ik, ja, dat weet ik," antwoordde Warda nadenkend, »en toch
-gevoel ik mij thans eerst recht alleen. Toen ik nog in Thebe was, heb ik
-dikwijls de wilde zwanen nagestaard. Als zij trekken vliegen er eenige
-vooraan, dan komt de geheele zwerm en ten laatste, dikwijls op zeer
-grooten afstand, de eene achterblijver na den anderen. Zelfs den
-laatsten van deze noem ik nog geen eenzame, want hij ziet toch nog
-zijn broeder vóor zich. Maar wanneer een jager de laagvliegende
-achterblijvers wegschiet en de laatste alleen overblijft; wanneer deze
-den zwerm niet meer volgen kan, omdat hij dien uit het oog verliest en
-weet, dat hij hem nooit kan wedervinden en bereiken, dan is hij eerst
-recht beklagenswaardig. Het is mij zoo wee om het hart als zulk een
-afgematten vogel, want heden heb ik hen waartoe ik behoor uit het oog
-verloren, en kan ze nimmer wedervinden."
-
-»Gij zult in een edeler geslacht dan dat, waartoe gij door uwe geboorte
-behoordet, worden opgenomen," zeide Nefert troostend.
-
-Op eens sloeg Warda de oogen vurig op, en zeide trotsch, bijna
-hoogmoedig: »Mijn geslacht is dat mijner moeder die van hooge geboorte
-was. Weet gij, waarom ik heden morgen weder ben omgekeerd te midden van
-rook en vlammen, nadat ik reeds weder de vrije goddelijke lucht had
-ingeademd? Weet gij wat mij weder terugdreef, omdat het mij der moeite
-waard scheen daarvoor te sterven? Het was om het erfdeel mijner moeder,
-dat ik bij mijne feestkleederen had weggelegd, toen ik den slechten
-Nemoe in het kamp volgde. Ik wierp mij den dood in de armen, om
-het kleinood te redden, maar waarlijk niet omdat het uit goud en
-edelgesteenten bestond! Want rijk wil ik niet zijn, en voor mijn
-onderhoud heb ik niet meer noodig dan een stukje brood, een dadel en
-eene schaal vol water. -- Doch ik waagde mijn leven, omdat het in vreemd
-schrift een naam bevat, en omdat ik geloof dat het mij met behulp
-daarvan gelukken zal eens het geslacht te ontdekken, waaruit mijne
-moeder geroofd is. Nu heb ik dat kleinood verloren, en daarmede mijn
-stamboom, mijne hoop, mijn geluk!"
-
-Warda snikte luide. Nefert naderde haar liefderijk en vroeg: »Arm
-meisje, is uw schat een prooi der vlammen geworden?"
-
-»Neen, neen!" riep Warda levendig. »Ik heb het kleinood uit mijne koffer
-genomen, en hield het in de hand toen Nebsecht mij op de armen nam. Ik
-had het nog toen ik, gered, daar lag tegenover het brandende gebouw, en
-Bent-Anat mij verpleegde en Rameri bij mij kwam. Als in eene droom zag
-ik hem vóor mij. Half ontwaakt greep ik terstond naar het kleinood en
-voelde het nog tusschen mijne vingers."
-
-»Hebt gij het dan op den weg hierheen verloren?" vroeg Nefert.
-
-Warda knikte toestemmend. De kleine Scheraoe, die naast haar op den
-grond neergehurkt zat, stond echter op, en sloop, met teedere en
-vochtige oogen Warda aanziende, de deur van de tent uit.
-
-Er verliepen uren. Warda staarde zwijgend op den grond. Nefert en Mena
-zaten hand in hand, en dachten aan hunne afgestorvenen. In de tent was
-het doodstil, en de droefheid wierp donkere schaduwen over het geluk der
-wedervereenigde echtgenooten. Van de zijde waar 's konings tent stond,
-werd nu en dan het blazen van trompetten gehoord, eerst toen de
-Aziatische vorsten hun intocht deden in de vergaderzaal, vervolgens toen
-de vorst der Danaërs zich verwijderde, en eindelijk toen de pharao met
-de overwonnenen aan tafel ging. De wagenmenner dacht aan zijn meester,
-aan het eereambt, dat hij door het vertrouwen van zijne vrouw terug had
-gekregen, en drukte Nefert dankbaar de hand.
-
-Daar kwam beweging voor zijne tent. Een officier trad binnen om Mena
-mede te deelen, dat de koning der Danaërs en zijne dochter, door
-koninklijke lijfwachten begeleid, hem en Nefert verlangden te zien en
-te spreken. De tentdeuren werden terstond wijd geopend. Warda trad
-bescheiden op den achtergrond, en Mena en Nefert gingen hand in hand
-hunne onverwachte gasten tegemoet.
-
-De vorst der Danaërs was een man van gevorderden leeftijd. Zijn baard
-en zijn dik hoofdhaar waren reeds grijs, maar hoewel hij zich bezadigd
-en waardig toonde in zijne bewegingen, was hij nog levendig gelijk een
-jongeling. Zijn mannelijk evenredig gelaat droeg reeds menigen rimpel.
-Zijne groote helderblauwe oogen teekenden opgeruimdheid, maar bij zijn
-mond vertoonden zich plooien, die getuigden van kommer. Naast hem
-wandelde zijne dochter, eene jonkvrouw van middelbare grootte, maar edel
-en gelijkmatig in al hare bewegingen, gelijk haar vader. Zij droeg een
-lang wit, met purperstrooken omboord gewaad, boven de heupen door
-een gouden gordel saamgehouden. Hare geelblonde haren, die langs het
-achterhoofd in dichte lokken op hals en rug nederhingen, waren op het
-voorhoofd met een diadeem gekroond. Het reine voorhoofd was smal en
-vormde eene lijn met den fijnbesneden neus. Hare roode lippen gaven haar
-gezicht eene vriendelijke uitdrukking. Buitengewoon schoon was vooral de
-harmonie tusschen haar ovaal gelaat en haren sneeuwwitten hals.
-
-Naast dit paar liep een tolk, die elk woord van de bezoekers en die hen
-ontvingen overbracht. Achter hem wandelden twee mannen en evenzoovele
-vrouwen, die geschenken voor Mena en zijne gemalin droegen.
-
-De vorst der Danaërs prees de edelmoedigheid van den wagenmenner in
-warme woorden. »Gij hebt mij bewezen," zeide hij, »dat de deugden
-van dankbaarheid, onthouding en trouw ook door de Egyptenaars worden
-beoefend, hoewel mij, o Mena, uwe verdienste niet zoo groot schijnt,
-sedert ik uwe vrouw heb gezien. Want wie het schoonste reeds bezit,
-onthoudt zich gemakkelijk van den wensch het schoone voor zich te
-begeeren."
-
-Nefert bloosde en gaf hem ten antwoord: »Uwe grootmoedigheid berooft uwe
-dochter om mij te verrijken, en de liefde voor mij bewoog wellicht mijn
-echtgenoot om hetzelfde onrecht te plegen, dat uwe schoone dochter u
-beiden en mij moge vergeven!"
-
-Praxilla trad haar thans nader, dankte haar en Mena hartelijk, en
-overhandigde haar den kostbaren diadeem, de gouden ringen en de vreemde
-parelsnoeren, die hare dienstmaagden droegen. Haar vader verzocht Mena
-een pantser en een schild van kunstig gedreven zilverwerk van hem te
-willen aannemen.
-
-Nadat dit voor de tent geschied was, volgden beiden het echtpaar naar
-binnen, om daar als gasten verwelkomd te worden met brood en wijn.
-Terwijl haar vader Mena de eer aandeed met hem te drinken, deelde
-Praxilla met behulp van een tolk aan Nefert mede, welke ontzettende
-uren zij had doorleefd, toen zij, na gevangen genomen te zijn, met den
-overigen buit in het leger van Ramses was tentoongesteld, hoe een oud
-bevelhebber haar reeds voor zich in beslag had genomen, maar Mena haar
-de hand gereikt en in zijne hut gevoerd had, om haar daar als zijn eigen
-kind te behandelen. Diepe ontroering klonk er in hare stem, ja zelfs in
-die van den tolk, toen zij dit alles vertelde en met deze woorden sloot:
-»Hoe dankbaar ik Mena ben, zult gij eerst recht begrijpen, wanneer ik u
-mededeel, dat de voor mij bestemde echtgenoot, bij de verdediging van
-onze legerplaats, voor mijne oogen gewond neerzonk. Hij is thans genezen
-en bij mijne terugkomst wacht ons de bruiloft."
-
-»Alzoo mogen de goden het geheugen!" riep de Danaër, »want Praxilla is
-de laatste telg uit mijn huis. De menschenmoordende krijg ontroofde mij
-vier zonen, alvorens zij zich eene vrouw hadden genomen, en de vijfde
-viel door Egyptische handen bij de verdediging van onze legerplaats,
-die, met zijne vrouw en haar pasgeboren zoon in uwe handen viel. Zoo is
-Praxilla, mijn jongste kind, het eenige, dat de afgunstige goden mij
-gelaten hebben."
-
-Terwijl hij zoo sprak hoorde men de wachters roepen, en boven deze uit
-eene luide kinderstem. Terstond daarop stormde de kleine Scheraoe met
-de hand in de hoogte de tent binnen en riep: »Ik heb het, ik heb het
-gevonden!"
-
-Warda, die zich had teruggetrokken achter het gordijn, waardoor
-het gedeelte van de tent, dat voor slaapplaats bestemd was, werd
-afgescheiden, maar niettemin elk woord van den vorst der Danaërs met
-spanning had afgeluisterd, en hare oogen van de blanke en blonde
-Praxilla niet had afgewend, trad nu gejaagd en vast besloten midden in
-de tent. Zij nam den knaap het kleinood uit de hand, om het den vorst
-te laten zien. Want terwijl zij Praxilla had beschouwd, was het haar
-geweest alsof zij zichzelve in den spiegel had gezien, en het vermoeden
-was in haar gewekt, dat hare moeder eene vrouw der Danaërs was geweest.
-Haar hart sloeg hoorbaar, toen zij bescheiden, met gebogen hoofd en in
-smeekende houding, den vorst naderde, terwijl zij haar kleinood omhoog
-hield.
-
-Alle aanwezigen zagen vol verbazing naar den ouden held, want zijne
-hooge gestalte begon te wankelen. Hij strekte zijne armen tegen Warda
-uit, als om haar af te weren, en riep, terwijl hij eenige schreden
-achterwaarts deed: »Xanthe, Xanthe! Laat Hades[365], dan zijne schimmen
-vrij? Wilt gij mij roepen?"
-
- [365] Hades (Pluto) was de god van de onderwereld bij de
- Grieken. Vert.
-
-Praxilla zag verschrikt haar vader aan, en niet minder verbaasd op
-Warda. Plotseling echter gaf zij een gil, die door merg en been drong.
-Zij rukte een keten van haar hals, vloog naar Warda toe, nam het
-kleinood uit hare hand en riep: »Hier is het, hier is het, de andere
-helft van het sieraad mijner arme zuster Xanthe!"
-
-Innig aandoenlijk was het den bejaarden vorst te zien, hoe hij worstelde
-om zich goed te houden, en met welk eene teederheid hij Warda aanzag.
-Zijne krachtige handen beefden, toen hij het kleinood van Warda en dat
-van zijn dochter Praxilla aan elkander paste. Beide stukken geleken
-elkander volkomen. Elk stelde den vleugel van een adelaar voor, die
-uitging van een half ovaal, waarop eenige letters stonden. Legde
-men beide steenen tegen elkaar, dan verkreeg men het beeld van den
-vogel, die zijn vleugels uitspreidt, op welks borst in sierlijke,
-op de doorsnede precies aan elkander passende regels, de volgende
-raadselspreuk te lezen was:
-
- Eén is een nietig ding, een armelijk pronkend sieraad.
- Doch met de tweede vereend, wordt het een liev'ling van Zeus.
-
-Een vluchtige blik op deze woorden bewezen den Danaër, dat hij het
-sieraad in de hand hield, dat hij zijne dochter Xanthe met eigene hand
-bij haar huwelijk om den hals had gehangen. De andere helft droeg
-in die dagen hare moeder, waarvan Praxilla het erfde. Het kleinood
-was oorspronkelijk voor zijne gemalin en hare vroeg gestorvene
-tweelingszuster vervaardigd geworden.
-
-Voor hij nader onderzoek deed en van alles verklaring vroeg, nam de
-vorst Warda's hoofd tusschen zijne handen, richtte haar aangezicht tegen
-het zijne, en las in hare lieflijke trekken als in een boek, waarin hij
-verwachten mocht de geschiedenis van de zaligste uren zijns levens te
-zullen opgeteekend vinden. Het meisje toonde geen vrees, en weerde hem
-niet af, toen hij een kus op haar voorhoofd drukte. Zij wist toch, dat
-zij aan dezen man verwant was.
-
-Ten laatste wenkte de Danaër den tolk. Warda werd gevraagd wat zij van
-hare moeder wist, en vertelde nu, hoe deze met een knaapje, dat spoedig
-gestorven was, als krijgsgevangene naar Thebe was gebracht, hoe haar
-vader haar gekocht en tot vrouw genomen, en al was zij ook stom, haar
-innig bemind had.
-
-Na dit bericht erkende de vorst in Warda zijne kleindochter, voerde haar
-in de armen van Praxilla en deed Mena en Nefert mededeelen, dat voor
-twintig jaren zijn schoonzoon, bij een aanval op de legerplaats, was
-gesneuveld, en diens vrouw, zijne dochter Xanthe, waarvan Warda het
-sprekend evenbeeld was, met een knaapje aan de borst was weggesleept.
-Van schrik over deze gebeurtenis was zijne vrouw gestorven, weinige
-weken nadat zij hem Praxilla had geschonken. Alle nasporingen naar
-Xanthe en haar kind waren vruchteloos gebleven. De vorst herinnerde
-zich echter, dat hij op eene vraag van Egyptenaars, aan wie hij een
-hoog losgeld had geboden, of zijne dochter stom was, ontkennend had
-geantwoord. Xanthe had van schrik en smart haar spraakvermogen verloren.
-
-De vorst wist geene woorden te vinden om zijne blijdschap uit te
-spreken, en Warda werd niet moede hem en zijne dochter te beschouwen
-en de hand te drukken. Zij richtte zich tot den tolk en vroeg: »Hoe
-zegt men: ik ben zeer gelukkig?" Lachend sprak zij hem na, en vroeg
-dan verder: »Hoe zeg ik: Warda wil u hartelijk liefhebben?" Ook dat
-herhaalde zij, en deze een weinig verminkte volzin klonk zoo innig, zoo
-diep gevoeld, dat haar grootvader haar aan zijn hart drukte.
-
-In Nefert's oogen welden tranen van ontroering, en toen Warda zich
-ook in hare armen wierp, zeide zij: »De verlaten zwaan heeft zijn
-gezelschap, het eenzame blad zijn boom weergevonden, en kan nu gelukkig
-zijn."
-
-Zoo vloog een uur voorbij in de reinste zaligheid. Doch eindelijk maakte
-de vorst der Danaërs zich gereed om te vertrekken. Hij wilde Warda
-medenemen, maar Mena verzocht vergunning om den pharao en zijn dochter
-het gebeurde mede te deelen. Warda behoorde aan de prinses; zij was hem
-door haar toevertrouwd, en hij mocht haar toch niet aan vreemde handen
-overgeven, alvorens hij Bent-Anat gewaarschuwd had. Zonder zelfs het
-antwoord van den Danaër af te wachten, verliet hij de tent en wist zich
-den toegang te verschaffen, tot het gastmaal des konings. Ons is reeds
-bekend, dat Ramses hem weldra met Bent-Anat en Rameri volgde. Mena hing
-onderweg met levendige woorden een tafereel op van de aangrijpende
-gebeurtenis, die hij zooeven had bijgewoond.
-
-»Zoudt gij bereid zijn," vroeg Ramses zijn zoon, terwijl hij Bent-Anat
-zijdelings aanzag, »uw misdrijf goed te maken, en door uwe verloving met
-zijne kleindochter den vorst der Danaërs voor ons te winnen?"
-
-De prins kon geene woorden vinden, doch hij greep de hand zijns vaders
-en kuste die zoo onstuimig, dat Ramses haar terugtrok, en zeide, terwijl
-hij met den vinger dreigde: »Ik geloof, mijn vriend, dat gij ons zijt
-voorgekomen, en achter onzen rug staatkundige onderhandelingen hebt
-aangeknoopt!"
-
-Ramses vond zijnen trotschen tegenstander vóor Mena's tent, en wilde hem
-de hand reiken. Maar ditmaal was de Danaër reeds voor hem nedergezonken,
-evenals de andere vorsten, en zeide: »Zie in mij niet den krijgsman en
-koning, maar den smeekenden vader. Laat ons vrede sluiten en veroorloof
-mij, dat ik dit meisje, mijne kleindochter, met mij neme naar mijn en
-haar vaderland."
-
-De pharao hief den grijsaard op, reikte hem zijne rechterhand en zeide
-goedig: »Wat gij verlangt, vermag ik slechts voor de helft te vergunnen.
-Ik, de koning van Egypte, bied u van ganscher harte een vast verbond,
-een blijvende vrede aan. Wat deze schoone jonkvrouw aangaat, daarover
-moet gij met mijne kinderen onderhandelen, allereerst met deze mijne
-dochter Bent-Anat, tot welker vrouwen zij behoort, en vervolgens met
-dien door u vrijgegeven gevangene daar, mijn zoon Rameri, die Warda als
-vrouw begeert."
-
-»Ik draag mijne rechten op mijn broeder over," zeide Bent-Anat, »en
-vraag u, jonkvrouw, of gij genegen zijt hem als uw heer te erkennen?"
-
-Warda knikte toestemmend en zag haar grootvader aan met een blik, dien
-hij ook zonder tolk verstond.
-
-»Ik ken u wel," zeide de vorst, zich tot Rameri wendende. »Wij stonden
-tegenover elkander in het gevecht, en ik nam u gevangen, toen gij,
-bedwelmd door den slag van mijn zwaard, van den wagen zijt getuimeld.
-Gij zijt nog wat onstuimig, maar de tijd zal dit gebrek verbeteren,
-wanneer men een held is van uw soort. Hoor mij aan, en ook gij, groote
-pharao, vergun mij, eenige woorden te spreken. Laat ons deze beiden aan
-elkander verloven, en moge hunne vereeniging ons verbond bevestigen.
-Maar vergun mij eerst haar, die ik zoo lang heb moeten missen, een jaar
-lang bij mij te houden, opdat ik mij in haar verheuge, en van hare
-lippen de taal hoore harer moeder, die gij mij hebt ontnomen. Zij zijn
-beide nog jong, naar de zeden van het land der Danaërs, waar mannen en
-vrouwen later rijp zijn dan in uw land, te jong stellig voor een ernstig
-echtverbond. Doch er is nog iets gewichtigs, wat ook u voor alles zal
-doen besluiten mijn wensch in te willigen. Deze dochter van edelen stam
-is in lage kringen opgevoed. Zij had hier geen huis, geen vaderland.
-Als aan den weg moest de prins hare hand vragen. Maar wanneer zij mij
-volgt, dan kan de zoon van den pharao als verloofde het paleis van een
-vorst betreden, en koninklijk moet de bruiloft zijn, die ik hem bereiden
-zal."
-
-»Wat gij verlangt," antwoordde Ramses, »is billijk en wijs. Neem
-uw kleinkind mede, als de verloofde bruid van mijn zoon, als onze
-toekomstige dochter. Reikt beiden mij de handen! Het zal er nu voor u op
-aankomen geduld te oefenen, want Rameri blijft van heden een vol jaar in
-Egypte. Dat is tot uw voordeel, lief kind, want de gehoorzaamheid, die
-hij bij den dienst in het leger zal leeren, zal eens zijn toekomstige
-gemalin ten goede komen. Voor u, Rameri, zal heden over een jaar, en ik
-denk dat gij den dag wel niet vergeten zult, in de haven van Pelusium,
-een goed gebouwd, met Phoenicische matrozen bemand zeeschip gereed
-liggen, dat u naar het land der Danaërs ter bruiloft mag voeren."
-
-»Zoo zij het!" riep de grijsaard, »en bij Zeus, die de eeden hoort, ik
-zal Xanthe's dochter uw zoon niet onthouden, als hij tot ons komt."
-
-Toen Rameri in de tent bij zijne broeders terugkeerde, vloog hij elk
-afzonderlijk om den hals. Zoodra hij met hun knorrigen hofmeester alleen
-was, nam hij hem de pruik van het hoofd, wierp die hoog in de lucht en
-streelde den eerwaardigen beambte langs de wangen, terwijl hij hem het
-hoofddeksel weer opzette.
-
-
-
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-Warda volgde haar grootvader en Praxilla in hunne tent aan gindschen
-oever van den Pelusinischen Nijlarm, om den volgenden dag de Egyptische
-legerplaats nog eens te bezoeken, van hare vrienden afscheid te nemen,
-en zorg te dragen voor de begrafenis van haren vader. Zij vergat ook
-niet indachtig te zijn aan de laatste bede van de oude Hekt, en het viel
-Bent-Anat niet moeielijk haar vader over te halen, de tooveres, waaraan
-hij zooveel dank schuldig was, gelijk hij thans te weten kwam, als eene
-aanzienlijke vrouw te doen balsemen.
-
-Alvorens Warda het leger van den koning verliet, verzocht Pentaoer haar,
-of zij haren stervenden redder Nebsecht eene laatste vreugde zou willen
-bereiden, door zich nog eens aan hem te vertoonen. De jonkvrouw stemde
-blozend toe, waarop de dichter, die den ganschen nacht bij den arts
-had gewaakt, haar vooruit ging, om den kranke op haar bezoek voor te
-bereiden.
-
-Nebsecht leed veel; zijne brandwonden en eene zware kwetsuur aan
-het hoofd veroorzaakten hem groote smarten. Zijne wangen gloeiden
-koortsachtig, en de artsen deelden Pentaoer mede, dat er niets meer aan
-te doen was, en hij reeds binnen een uur kon sterven.
-
-De dichter legde zijne koele hand op het brandend voorhoofd van zijn
-vriend en sprak hem vriendelijk toe. Doch Nebsecht glimlachte op zijne
-eigenaardige manier, als wilde hij zeggen dat hij 't wel beter wist, en
-zeide zacht en met zichtbare inspanning: »Nog maar enkele ademhalingen,
-en dan komt er rust, hier en hier," daarbij wijzende op zijn hart en
-zijn hoofd.
-
-»Wij allen komen tot rust," zeide Pentaoer, »doch wellicht alleen, om
-ons na de doodsure ginds rustiger en zonder inspanning te bewegen.
-Beloonen de goden ooit iets, dan is het een redelijk streven naar
-waarheid en ernstigen arbeid. Vereenigt zich ooit een geest met de
-wereldziel, om met de oogen der godheid door den sluier te dringen, die
-hier voor hem het geheim des levens verborgen hield, dan zal het uw
-geest zijn."
-
-»Ik heb aan dien sluier getrokken en gerukt," zuchtte Nebsecht, »en nu
-mijn oog een deel der waarheid meent te hebben gevat, komt de plompe
-hand des doods om het te sluiten. Wat baat het mij, met het oog der
-godheid te zien en in hare alwetendheid te deelen? Niet het aanschouwen,
-maar het vinden is zalig, zóo zalig, dat ik daarvoor nog een ander leven
-hier en ginds op het spel zou willen zetten."
-
-Hij zweeg, want de krachten begaven hem, en Pentaoer verzocht hem
-dringend zich rustig te houden, en de vriendelijke uren, die het leven
-hem geschonken had, stil te overdenken.
-
-»Dat waren er maar weinige," zeide de arts. »Als mijne moeder mij kuste
-en mij dadels schonk, als ik ongestoord alleen mocht navorschen en
-arbeiden; wanneer gij mij een blik deedt slaan in uwe schoone wereld,
-zoo rijk aan verscheidenheid, -- ja, dat was schoon!"
-
-»Ook hebt gij," zeide Pentaoer, »de smarten van vele menschen gelenigd,
-en niemand leed veroorzaakt."
-
-Nebsecht schudde even het hoofd en prevelde: »Ik heb den ouden
-Paraschiet waanzinnig gemaakt en doen sterven."
-
-Hij zweeg lang, toen sloeg hij de oogen plotseling op en zeide met meer
-opgewektheid: »Maar toch niet om hem leed te doen; niet te vergeefs. In
-Syrië, te Megiddo heb ik ongestoord gewerkt. Thans ken ik het orgaan,
-met behulp waarvan wij denken. Het hart! Wat is dat hart? Het hart van
-een hamel en van een mensch verrichten dezelfde diensten. Beide brengen
-het drijfrad van het dierlijk leven in beweging. Beide slaan sneller
-onder angst en genot, want vrees en droefheid hebben wij met de dieren
-gemeen. Maar het denken, die goddelijke kracht, die reikt tot het
-onbegrensde en oneindige, en ons in staat stelt juiste gevolgtrekkingen
-te maken, heeft hier in het hoofd, heeft hier zijn zetel, hier achter
-het voorhoofd, in de hersens!"
-
-Hier zweeg hij, uitgeput en door smart overmand. Pentaoer meende, dat
-hij in koortsachtige overspanning zoo had gesproken. Hij reikte hem
-een frisschen dronk toe, terwijl twee artsen, onder het zingen van
-bezweringen, rondom zijn rustbed wandelden.
-
-Toen de kranke zich wat versterkt oprichtte, sprak de dichter: »Het
-lieflijkste beeld van uw leven was zeker wel dat van het aanvallig
-meisje, welks aangezicht eens, zooals ge mij zeidet, het orgaan voor het
-schoone in u had doen ontwaken, en dat gij als een held, met opoffering
-van uw eigen leven, den dood uit de armen hebt gerukt. Zooals gij weet
-heeft Warda hare betrekkingen wedergevonden. Zij is gelukkig en haren
-redder dankbaar en zou hem nog wel eens willen begroeten, voor zij met
-haar grootvader naar zijn land trekt."
-
-De kranke aarzelde een oogenblik, eer hij zacht antwoordde: »Laat haar
-komen. Maar alleen van verre wil ik haar aanschouwen."
-
-Pentaoer ging naar buiten en keerde spoedig daarop met Warda terug, die
-blozend en met vochtige oogen aan de deur van de tent bleef staan.
-
-De arts zag haar smeekend en liefderijk aan, en zeide: »Neem mijn dank
-aan, en wees gelukkig!"
-
-Het meisje wilde tot hem komen, om hem de hand te reiken, maar onrustig
-weerde hij haar af met zijne verbonden rechterhand, en smeekte: »Kom mij
-niet nader, maar blijf nog een oogenblik staan. Ach! Gij hebt tranen in
-de oogen! Gelden ze mij of alleen mijne smarten?"
-
-»U, u, goede, edele man, mijn vriend en redder," zeide Warda. »U, beste,
-arme Nebsecht!"
-
-De arts sloot de oogen, terwijl zij innig bewogen deze woorden sprak.
-Toen hij zweeg, verhief hij nog eens den blik, zag haar lang vriendelijk
-en met bewondering aan, en sprak zacht:
-
-»Nu is het genoeg! Thans wil ik sterven."
-
-Warda verliet de tent; Pentaoer bleef echter bij hem, en gaf nauwkeurig
-acht op zijne reutelende ademhaling.
-
-Plotseling richtte de kranke zich overeind, en zeide: »Vaarwel, vriend!
-De reis begint, wie weet waarheen?"
-
-»Zeker niet naar het ledig niets!" sprak Pentaoer met warmte.
-
-De arts schudde het hoofd en zeide: »Ik was toch iets en uit iets kan
-nimmer niets worden. De natuur is spaarzaam en weet als eene zuinige
-vrouw huis te houden. Van het kleinste maakt zij gebruik. Ook mij zal ze
-verbruiken, al naardat ze mij noodig heeft. Overeenkomstig maat en getal
-doet zij alles zijn doel bereiken, zoo ook mijn aanzijn in dit en in een
-volgend leven. Er is niet aan te ontkomen. Uit elk ding wordt, wat er
-uit worden moet -- niemand vraagt naar onzen wil. -- Mijn hoofd! --
-Zoodra het hierboven drukt, is 't met het denken gedaan! -- Kon ik maar
-doorgronden -- doorgronden...."
-
-Deze laatste woorden kwamen al zachter en zachter over zijne lippen,
-zijne ademhaling werd afgebroken. Weinige oogenblikken later sloot
-Pentaoer hem, diep ontroerd, de oogen toe.
-
- * * * * *
-
-Toen de dichter de tent van den gestorvene verliet, ontmoette hij den
-opperpriester Ameni, die wel verwacht had hem bij zijn vriend te zullen
-vinden. Pentaoer keerde nu met den bestuurder van het Seti-huis tot den
-doode terug. Ameni sprak haastig en gejaagd eenige gebeden uit voor het
-heil van Nebsecht's ziel, en verzocht Pentaoer daarna hem onverwijld
-naar zijn verblijf te volgen. Met de hem eigene voorzichtigheid bereidde
-hij onderweg den dichter voor op eene ontmoeting, die hem meer droeve
-dan blijde, in elk geval diep aangrijpende uren zou doen doorleven.
-
-De rechters van Thebe, die verplicht waren vrouwe Setchem, als moeder
-van hem die den koning had verraden, tot verbanning naar de bergwerken
-te veroordeelen[366], hadden deze aanzienlijke en achtenswaardige
-matrone ongevraagd toegestaan, onder toezicht van veiligheidsbeambten
-den koning te gemoet te reizen, en deze bij zijne terugkomst in Egypte
-een smeekschrift voor haar zelve, niet, zooals er uitdrukkelijk werd
-bijgevoegd, voor Paäker te overhandigen. Zij was echter vertrokken
-met het heimelijk voornemen, niet voor zichzelve, maar voor haar zoon
-te smeeken. Ameni had Thebe reeds verlaten, toen dit vonnis werd
-uitgesproken; hij zou het anders hebben teruggehouden, door den rechter
-de ware afkomst van Paäker te openbaren. Nadat hij den stadhouder had
-opgegeven, behoefde hij het geheim van de oude Hekt niet langer te
-bewaren.
-
- [366] Agatharchides (Diodorus III, 12) bericht, dat menigmaal
- niet enkel zij, die schuldig waren bevonden, maar ook
- hunne aanverwanten tot dwangarbeid in de bergwerken werden
- veroordeeld. Bij het verdrag van uitlevering, dat de koning der
- Cheta met Ramses II sloot, wordt er uitdrukkelijk in voorzien,
- dat de naar Egypte teruggevoerde vluchteling ongestraft moet
- blijven, dat men noch zijn huis, noch zijne vrouw, noch zijne
- kinderen benadeelen, "=noch zijne moeder dooden zou=."
-
-De reis van vrouwe Setchem had door averij aan haar schip bij een storm
-op den Nijl eenige vertraging ondergaan, en zoo gebeurde het, dat zij
-eerst na den koning te Pelusium kwam. De mond van het Nijlkanaal, dat
-bij deze vesting zich met de zee vereenigde, was zoo vol met schepen
-van den stadhouder en zijn gevolg, van de feestgezanten en van edelen
-en burgers, die uit alle deelen des lands waren saamgestroomd, om den
-koning en zijne troepen te ontvangen, dat de boot der matrone ver van
-de stad verwijderd voor anker moest komen. Eerst weinige uren geleden
-was het haren trouwen hofmeester, die haar begeleidde, gelukt den
-opperpriester te spreken.
-
-Vrouwe Setchem was zeer verouderd. Het oog, dat nog weinige maanden
-geleden de groote huishouding in Thebe rustig overzag en bestuurde, was
-nu mat en levenloos. Al was zij niet vermagerd, zij zag er toch niet
-meer zoo statig uit als weleer, maar zwak en ziekelijk. Hare lippen,
-die zich zoo dikwijls geopend hadden tot menig verstandig woord, waren
-vast op elkander geklemd, en bewogen zich slechts om te bidden, of
-wanneer een vriend den naam noemde van haren ongelukkigen zoon. Zijne
-daad, dit ontveinsde zij zich niet, verdiende afschuw, en zij zocht
-geene gronden om haar te verontschuldigen. Hare moederliefde kon hem
-echter wel vergeven. Zoo dikwijls zij aan hem dacht, en dit deed zij
-zonder ophouden bij dag en in hare slapelooze nachten, baadden hare
-gevoelige, thans reeds lijdende oogen in tranen.
-
-Haar boot kwam te Pelusium juist in dezelfde ure voor anker, waarin de
-vlammen van het brandende paleis den nacht begonnen te verlichten. De
-vuurgloed en het geschreeuw op de haar omringende schepen riepen haar
-op het dek. Zij vernam dat het brandende huis niets minder was dan
-het prachtig gebouw, dat de stadhouder voor Ramses had opgericht. De
-koning, zoo zeide men, verkeerde in doodsgevaar en verraders hadden
-den brand aangestoken. Toen het dag geworden was, klonken haar onder
-verwenschingen de namen van haar zoon en hare zuster in het oor. Zij
-vroeg niet, zij wilde niets hooren, maar vermoedde de waarheid. Zoo
-dikwijls men, nadat zij zich in hare kajuit had teruggetrokken, het
-woord verraad in hare nabijheid uitsprak, gevoelde zij in haar duizelend
-hoofd een pijnlijken steek, en overviel haar eene kille huivering.
-
-Gedurende den ganschen volgenden dag had zij spijs noch drank gebruikt,
-en lag zij met geslotene oogen op haren divan. Haar hofmeester, die
-weldra te weten kwam welk treurig aandeel zijn voormalige meester
-aan deze brandstichting had genomen, en nu ook vrouwe Setchem's zaak
-verloren achtte, had zich intusschen naar Ameni begeven. Maar de
-opperpriester behoorde tot hen die steeds in 's konings nabijheid waren,
-en eerst een dag later gelukte het hem dezen te spreken.
-
-Ameni sprak den trouwen beambte, die zoo bekommerd was en beangst,
-nieuwen moed in, reed hem met zijn eigen wagen naar de haven, besteeg
-het schip van vrouwe Setchem en beproefde haar voor te bereiden op de
-vreugde, die haar na zulk eene zware beproeving wachtte. Doch hij was
-te laat gekomen, want de geest der matrone was beneveld. Zij hoorde hem
-onverschillig aan, toen hij al zijne krachten inspande, om haar moed te
-verlevendigen. Alleen viel zij hem nu en dan in de reden met de vraag:
-»Heeft hij het gedaan?" of »Leeft hij nog?"
-
-Ten laatste noodigde Ameni haar uit hem in haar draagstoel naar de
-legerplaats te volgen, waar zij haar zoon zou vinden. Pentaoer geleek
-sprekend op haar gestorven echtgenoot, en het gezicht van den dichter,
-dacht de kenner der ziel, zou de sluimerende krachten van haar geest op
-nieuw wekken. In zijne tent gekomen, verhaalde hij haar zoo omzichtig
-mogelijk de geschiedenis der verwisseling van haar zoon Pentaoer met
-Paäker. Zij volgde hem met schijnbare opmerkzaamheid, maar toch zoo, als
-hoorde zij de lotgevallen van een vreemde verhalen. Toen Ameni begon
-te spreken over 's dichters geest en gaven, en hoe hij geleek op haar
-gestorven echtgenoot, prevelde zij: »Ik weet het, ik weet het; gij
-bedoelt den redenaar van het feest van het dal." Daarna vroeg zij weder,
-ofschoon zij reeds meermalen gehoord had dat haar zoon dood was, of
-Paäker nog leefde.
-
-De opperpriester verliet haar eindelijk om Pentaoer te roepen. Wij
-weten hoe hij hem vond vóor de tent, waarin zijn vriend Nebsecht de
-eeuwige rust was ingegaan. Toen hij met den dichter, die inmiddels was
-voorbereid op eene ontmoeting met zijne ware, zeer kranke moeder, zijne
-tent binnentrad, vond hij haar verlaten. Zijne dienaars deelden hem
-mede, dat vrouwe Setchem zich door den ouden Gagaboe, die gemakkelijk
-was om te praten, naar het lijk van Paäker had laten brengen. Ameni werd
-boos, want hij vreesde dat vrouwe Setchem nu verloren zou zijn. Hij
-verzocht den dichter hem te volgen.
-
-In eene tent, die bij het tooneel van den brand was opgeslagen, lag
-het stoffelijk overschot van den gids. Zijn lijk was onder een laken
-verborgen, dat echter de breede trekken van zijn aangezicht, hetwelk
-bij den val ongedeerd was gebleven, onbedekt liet. Naast hem knielde de
-ongelukkige matrone.
-
-Daar zij de stem van den opperpriester niet hoorde, legde hij zijne hand
-op haar schouder en zeide, op het lijk wijzende: »Deze was de zoon van
-een tuinman. Gij hebt hem trouw opgevoed, al ware het uw eigen kind
-geweest. Maar de echte erfgenaam van uw edelen echtgenoot, het kind dat
-gij onder uw hart hebt gedragen, is deze jongeling, is Pentaoer, dien
-de goden niet enkel de gedaante, maar ook den geest en de gaven zijns
-vaders hebben geschonken. Om uwer goedheid wil moge dezen doode het
-kwaad vergeven worden. Maar gij zijt uwe liefde verschuldigd aan dezen
-echten zoon van uw gemaal, dezen edelen man, den redenaar van het
-dal-feest, den redder van het leven des konings."
-
-Toen stond vrouwe Setchem op, ging naar Pentaoer toe, zag hem aan met
-een glimlach, betastte zijne borst en zijn aangezicht, en zeide: »Hij is
-het, de goden mogen hem zegenen!"
-
-Pentaoer wilde haar met zijne armen omvatten, maar zij week terug, als
-vreesde zij zich aan trouwbreuk schuldig te maken, keerde zich haastig
-om naar het lijk en prevelde »Arme, arme Paäker!"
-
-»Moeder, moeder, erken toch uw zoon!" riep Pentaoer, hevig ontroerd.
-
-Andermaal keerde zij zich om, en zeide: »Dat is zijne stem, ja, dat is
-hij!"
-
-Zij naderde Pentaoer weder, leunde zich tegen hem aan, greep zijn tot
-haar nedergebogen hoofd, kuste hem hartelijk op de lippen, en riep nog
-eens: »De goden zullen u zegenen!" Toen vloog zij weder naar het lijk,
-als had zij een onrecht jegens Paäker begaan, en zonk daar ineen.
-
-Roerloos zonder te spreken, bleef zij liggen, totdat men haar naar hare
-boot terugdroeg. Daar legde zij zich neder en weigerde alle voedsel. Van
-tijd tot, tijd prevelde zij nog: »Arme Paäker!" en eer Pentaoer, die
-niet van hare zijde week, ofschoon zij hem niet meer kende, haar
-verliet, was zij haren ruwen lieveling gevolgd naar gindsche oorden.
-
-
-
-
-ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
-
-
-De koning had de legerplaats opgebroken, en was met het grootste deel
-van zijne troepen verhuisd naar het nabij gelegen Tanis, de Ramses-stad,
-die de talrijke in het landschap Gosen wonende Semieten, Zoan noemden.
-De Hebreeuwsche kolonisten, die de stadhouder Ani voor zich had trachten
-te winnen, door de hun opgelegde heerendiensten te verlichten, werden
-thans met gestrengheid opgeroepen tot de werkzaamheden, die verricht
-moesten worden, om de paleizen en vestingen te voltooien, die Ramses was
-begonnen te bouwen. Te Tanis werd ook het vredes-verdrag onderteekend,
-dat de gezant van den koning der Cheta, Tarthiseboe, in naam van zijn
-heer, den pharao op eene zilveren plaat gegraveerd overhandigde[367].
-
- [367] Dit hoogst merkwaardig gedenkstuk bleef bewaard, en wel op
- een groot fragment van een muur, in het zuidelijk gedeelte van
- den tempel van Karnak. De zilveren plaat, waarop het gegraveerd
- was, en die de gezant Tarthiseboe aan Ramses moest overhandigen,
- wordt in den vierden regel van het verdrag vermeld en afgebeeld.
- Zij was rechthoekig en had van boven een oog, waaraan zij kon
- opgehangen worden. De hiëroglyphen-tekst werd uitgegeven door
- Burton, Lepsius en Brugsch. De beste vertaling hebben wij te
- danken aan F. Chabas, =Voyage d'un Egyptien=, p. 332 sv. Eene
- andere vertaling van dit verdrag vindt men in Egger's =Etudes
- sur les traités publics=, p. 243, maar deze moet bij de latere
- van Chabas achterstaan.
-
-Pentaoer volgde den koning, nadat hij zijne moeder de oogen gesloten en
-haar lijk naar Heliopolis gebracht had, om het daar te doen balsemen.
-Hare mummie zou vandaar naar Thebe gezonden en later plechtig in het
-familiegraf worden bijgezet. Het vervullen van dezen kinderplicht jegens
-eene moeder en de zorg voor de dooden was den Egyptenaren zóo heilig,
-dat Pentaoer noch Bent-Anat aan hunne vereeniging mochten denken,
-voordat hieraan was voldaan.
-
-Den 21sten Tybi van het een-en-twintigste jaar der regeering van
-Ramses[368], juist op den dag der onderteekening van het vredes-verdrag,
-kwam de dichter naar Tanis terug. Zijn hart was van weemoed vervuld,
-want ook de hovenier, Paäker's vader, die Pentaoer had lief gehad alsof
-het zijn eigen vader was geweest, was, vóor hij in Egypte terugkwam,
-gestorven. De brave man had de valsche tijding van den dood des
-dichters, die hij innig liefhad en eerde, en voor een hooger wezen
-hield, dat hem slechts was toevertrouwd, niet lang overleefd.
-
- [368] Volgens den datum van bovenvermeld vredesverdrag. De
- 21ste Tybi onze 29ste Januari.
-
-Zeven maanden na den brand te Pelusium, vierde Pentaoer in het paleis
-van den pharao te Thebe zijn bruiloft met Bent-Anat, die zich nog vaster
-aan hem gehecht gevoelde, na al het leed hetwelk hem was wedervaren. Zij
-gevoelde, dat zij thans hem, den sterken man, moest helpen en geven van
-het hare. Zij ondervond thans met blijdschap, dat, evenals het licht de
-kelkjes opent van menige bloem, die zich bij zonsondergang sluiten,
-zoo ook hare nabijheid in staat zou zijn aan de gedrukte ziel van haar
-vriend nieuwe veerkracht te geven.
-
-Onder beproeving en strijd hadden zij elkander prijs moeten geven om
-elkander weder te vinden. Ieder van hen wist, wat de ander hem of haar
-waard was. Het doel van hun leven was voortaan elkander liefde te
-bewijzen en het leven aangenaam te maken. Daar zij van hem overtuigd
-was, gelijk hij van haar, dat niets hooger hij hem stond aangeschreven,
-dan wat recht is en edel, zoo werd hun huwelijk tot eene waarachtige
-verbintenis, die de harten loutert en rein geluk schenkt. Hij maakte
-haar deelgenoote van zijne heiligste gedachten en moeielijkste
-ondernemingen, en toen hun echt eerlang met kinderen werd gezegend, wist
-zij hem dankbaar de kleine genoegens des levens te bereiden, die tevens
-als de grootste te beschouwen zijn.
-
-Daar hij van den pharao groote bezittingen had ontvangen, liet Pentaoer
-het erfgoed zijner familie over aan zijn broeder Horus, dien Ramses voor
-zijn moedig optreden in den slag bij Kadesch, tot eersten Mohar benoemd
-en vorstelijk beloond had. De afgezaagde cederboomen aan de hooge poort
-van zijn huis, liet Horus door minder trotsche masten vervangen.
-
-De ongelukkige Hoeni, onder wiens naam Pentaoer in de bergwerken van
-het Sinaïtisch schiereiland had gearbeid, werd door tusschenkomst van
-den dichter uit de steengroeven van Chennoe bevrijd, en, overladen met
-geschenken, aan zijne kinderen teruggegeven.
-
-De pharao doorzag snel welke buitengewone gaven Bent-Anat's echtgenoot
-bezat. Hij gaf Pentaoer eene plaats in zijn raad, en vertrouwde hem de
-gewichtigste aangelegenheden toe. Bent-Anat bleef tot zijn ouderdom
-zijne uitverkoren dochter, ook nadat hij, tot bevestiging van den vrede,
-met de dochter van den koning der Cheta in het huwelijk was getreden.
-
-Uit de papieren, die men in Ani's tent gevonden had, en andere
-berichten, die in overvloed tot hem kwamen, kwam de koning te weten,
-dat het hoofd van het Seti-huis, en met hem een groot deel der
-priesterschap, een tijdlang gemeene zaak had gemaakt met den
-trouweloozen stadhouder. Hoewel aanvankelijk geneigd om streng, ja
-bloedig te straffen, liet hij zich door Pentaoer en zijn zoon Chamoes,
-den opperpriester van Memphis, overhalen, om zijn wil door zachtere en
-tegelijk doortastende maatregelen te doen eerbiedigen.
-
-Ramses wilde een beschermer zijn van den godsdienst, die alleen in staat
-is den nederigen en zwaarbeproefden te verzoenen met zijn bestaan, hem
-te vertroosten en aan zijn leven een geestelijken inhoud te geven. De
-godsdienst scheen hem, den koning, een onontbeerlijk middel te zijn, om
-de hoogere beteekenis van het leven steeds voor oogen te houden. Dit
-heilig erfdeel zijner vaderen kwam hem voor bovenal nuttig te zijn als
-eene school waarin het volk, dat geleid moest worden, gehoorzaamheid
-leeren kon. Maar ieder Egyptenaar moest zich schikken naar de wet,
-waarvan hij zich de verdediger noemde, waaraan hijzelf zich onderwierp,
-en die gehoorzaamheid beval aan zijnen wil. Ook de priesterschap van het
-land, die over de zielen waakte, mocht haar niet weerstreven.
-
-Reeds gedurende zijn verblijf in Tanis liet hij Ameni en zijn aanhang
-gevoelen, dat hij alleen in Egypte gebood. Ondanks het stoutmoedig
-verzet van de priesterpartij, die zich de »rechtgeloovige" noemde, liet
-hij voor den god Seth, dien de Semieten sedert de dagen der Hyksos
-boven alle andere goden vereerden, onder wiens naam zij hun Baäl
-aanriepen[369] en voor wien men in den ouden tijd aan den Nijl geen
-tempel had gebouwd, omdat hij eene buitenlandsche godheid was, een
-prachtig heiligdom oprichten, in de Ramses-stad Tanis[370], om ook aan
-de godsdienstige behoeften der vreemdelingen recht te laten wedervaren.
-Op grond van dezelfde beginselen van verdraagzaamheid, liet hij de
-plaatsen, waar vreemde goden werden vereerd, onaangetast.
-
- [369] Zie boven blz. 208.
-
- [370] Van dit heiligdom wordt in verschillende papyrussen gewag
- gemaakt.
-
-Overigens was het zijn ijverig streven, de Egyptische goden door
-buitengewone vrijgevigheid te eeren. In de meeste groote steden des
-rijks liet hij tempels bouwen. Hij deed den Ptah-tempel te Memphis
-vergrooten en tot aandenken aan zijne redding uit den brand twee
-kolossale beelden vóor zijne pylonen oprichten[371]. In de Nekropolis
-van Thebe liet hij, tot herinnering aan de ure, waarin hij voor Kadesch
-als door een wonder aan den dood was ontkomen, het statig gebouw
-oprichten, dat heden nog ieder die het ziet in verrukking brengt door de
-harmonie zijner deelen[372]. Op zijne pylonen werd de slag hij Kadesch
-in voortreffelijke reliefs afgebeeld, en hier zoowel als aan den
-architraaf van de groote feesthal, bewaren opschriften de heugenis van
-het gevaar waaraan hij ontkwam, toen hij =alleen stond onder duizenden=.
-
- [371] Een van deze bleef bewaard. Deze ligt onder de ruïnen van
- het oude Memphis op den grond.
-
- [372] Het zoogenaamd Ramesseum.
-
-Het lied dat Pentaoer te Pelusium gezongen had, werd door Bent-Anat's
-gemaal op bevel van Ramses opgeschreven. Op drie tempels, en in
-verscheidene elkander aanvullende papyrus-rollen[373] is het
-broksgewijze bewaard gebleven. Het was bestemd het nationale epos, de
-Ilias der Egyptenaren te worden.
-
- [373] Zie boven bl. 415.
-
-Pentaoer viel de vereerende opdracht ten deel, de hoogeschool van het
-Seti-huis over te brengen naar den nieuwen gelofte-tempel, die den naam
-van het »Ramses-huis" ontving. Alles moest door hem opnieuw geregeld
-worden, want de pharao gevoelde, dat het volstrekt noodzakelijk was een
-nieuw priestergeslacht te vormen, en de dienaars der godheid te gewennen
-hunne eigene wenschen ondergeschikt te maken aan de wetten van het land
-en de verordeningen van den koning, die de wet beschermt en uitvoert.
-
-De dichter werd aan het hoofd gesteld van de nieuwe school, welker
-bibliotheek, die den naam ontving van »Gezondheidsinrichting der
-ziel"[374], haars gelijke niet had. Aan deze academie, die het model is
-geweest van het latere Museum van Alexandrië, werden geleerden en
-dichters gevormd, wier werken eeuwen hebben overleefd en voor een deel
-tot ons gekomen zijn. De beroemdste van dezen zijn de hymnen van
-Pentaoer's meest geliefden leerling, Anana, en het sprookje van de beide
-broeders, hetwelk een kleinzoon van den ouden Gagaboe, die denzelfden
-naam droeg, vervaardigde.
-
- [374] Diodorus I, 94.
-
-Ameni bleef niet in Thebe. Ramses wien ter oore was gekomen welk gebruik
-de opperpriester gemaakt had van het omkomen van den ram, dien hijzelf
-aan Amon had geschonken, en hoe hij het hart van het dier heilig had
-verklaard, verplaatste hem, ofschoon hij hem zijne waardigheid en zijne
-inkomsten liet, naar Mendes, de stad der heilige rammen in de Delta,
-aangezien hij, zooals de koning niet zonder schamperheid opmerkte, toch
-had getoond met deze heilige dieren bijzonder vertrouwd te zijn. Ook te
-Mendes wist Ameni grooten invloed uit te oefenen. Ondanks veel verschil
-van meening, dat hen dikwijls van elkander dreigde te vervreemden, bleef
-hij tot het laatst door banden der vriendschap aan Pentaoer verbonden.
-
-In den eersten voorhof van het Ramses-huis staat nog heden ten dage, de
-in het midden doorgebroken grootste kolos van Egypte. Hij bestaat uit
-hard graniet, overtreft in omvang zelfs de bekende Memnon's beelden, en
-wekt de verbazing van alle reizigers. Hij stelt Ramses den groote voor.
-De kleine Scheraoe, dien Pentaoer tot beeldhouwer liet opleiden, heeft
-dit en vele andere standbeelden van den grooten opperheerscher over
-Egypte voltooid.
-
-Een jaar na den brand van Pelusium vertrok Rameri naar het land der
-Danaërs, vierde zijn bruiloft met Warda, en bleef vervolgens wonen
-in het vaderland van zijne gemalin, waar hij, na den dood van haar
-grootvader, als koning over vele eilanden van de Middellandsche zee
-gebied voerde, en de stamvader werd van een groot en roemrijk geslacht.
-Warda's naam bleef lang onder hare onderdanen in gezegend aandenken,
-want onder ellende geboren, verstond zij de kunst om te verzachten, en
-zonder te deemoedigen wel te doen en gelukkig te maken.
-
-
-
-
-Opmerkingen van de bewerker
-
-
-Gespatieerde tekst is geplaatst tussen =tekens=, de transliteratie van
-een Griekse letter tussen +tekens+.
-
-De voetnoten zijn hernummerd en geplaatst achter de alinea waar ze
-bijhoren.
-
-Er is een inhoudsopgave toegevoegd na de titelpagina.
-
-Bij verwijzingen naar bladzijden in ditzelfde boek moet 6 worden
-opgeteld, bijv. "Zie boven blz. 61", moet zijn: "Zie boven blz. 67".
-
-In het algemeen zijn er drie soorten van aanhalingstekens gebruikt. Hier
-en daar zijn de aanhalingstekens gecorrigeerd voor de duidelijkheid.
-
-Inconsequente spelling is in het algemeen niet gecorrigeerd. De paar
-keren dat een afwijking is aangepast aan de meerderheid van de gevallen
-is aangegeven in onderstaande lijst.
-
-Duidelijke drukfouten o.a. van leestekens, ontbrekende spaties en
-gekantelde letters zijn stilzwijgend gecorrigeerd. Ook zijn de volgende
-correcties aangebracht, op bladzij
-
- 7 "bepaalder" in "bepaalden" (nemen hier bepaalden vorm aan)
- 9 "sarophagen" in "sarcophagen" (werden sarcophagen van steen en
- hout)
- 9 "lijdwaad" in "lijnwaad" (benevens windsels van lijnwaad)
- 10 "hymmen" in "hymnen" (om godsdienstige hymnen te zingen)
- 11 "nachttelijke" in "nachtelijke" (verboden om op deze nachtelijke
- roovers jacht te maken)
- 15 "Pembesa" in "Penbesa" (Weet gij, Penbesa, gij trouwe bewaker)
- 17 "Thutmes" in "Thotmes" (dat Thotmes III had gegrondvest)
- 18 "Qornah" in "Qoernah" (van den tempel van Qoernah)
- 19 "ontrokken" in "onttrokken" (door pleisterkalk aan het oog
- onttrokken)
- 20 "adelijke" in "adellijke" (uit eene oude adellijke familie)
- 21 "vijfstigste" in "vijftigste" (zijn vijftigste jaar ingetreden.)
- 23 "Penim" in "Pinem" (de dochter van Pinem, den Paraschiet)
- 23 "Ami" in "Ameni" (vroeg Ameni op hoog ernstigen toon)
- 24 "onwewetend" in "onwetend" (waarlangs de menigte onwetend
- voorbijging.)
- 26 "antwoorde" in "antwoordde" (»De prinses," antwoordde Pentaoer)
- 26 "Penim" in "Pinem" (naar het huis van Pinem den weg te wijzen)
- 26 "peizend" in "peinzend" (liep peinzend het vertrek op en neer)
- 33 "grieken" in "Grieken" (De Grieken noemden hem)
- 35 "litaniën" in "litanieën" (aan een ziekbed zijne litanieën
- prevelde)
- 38 "voveel" in "zoveel" (toch reeds zooveel nieuwigheden uit den
- vreemde)
- 43 "Paâkers" in "Paäkers" (en Paäkers vader is niet alleen)
- 46 "Heroscoop" in "Horoscoop" (hernam de Horoscoop Septah)
- 47 "zijn" in "zijns" (Deze bracht de mummie zijns vaders naar Thebe)
- 56 "ztch" in "zich" (gewenscht zich te kunnen verkleinen)
- 59 "Pantaoer" in "Pentaoer" (vroeg Pentaoer zich af)
- 61 "terechtwijzigingen" in "terechtwijzingen" (zijne
- terechtwijzingen toeriep)
- 61 "van" toegevoegd (wanneer het gewicht van de verhevenste
- gedachten)
- 66 "Ben-Anat" in "Bent-Anat" (zeide Bent-Anat, terwijl de oude)
- 77 "volgden" in "volgde" (Met angstige spanning volgde hij)
- 77 "onstuiming" in "onstuimig" (die hij onstuimig aan zijne lippen
- drukte)
- 79 "Bent-Annat" in "Bent-Anat" (Bent-Anat zag hem nu voor het eerst
- in)
- 79 "vertoonde" in "vertoonden" (trekken van minachting vertoonden
- zich)
- 80 "Bent-Annat" in "Bent-Anat" (Bent-Anat bleef nog een oogenblik
- staan)
- 88 "Nyldag" in "Nijldal" (de Hyksos uit het Nijldal waren)
- 90 "zieh" in "zich" (verroerde zich geen zijner leerlingen)
- 93 "taai" in "taal" (van wiens lippen de zoete taal vloeit van)
- 99 "a" in "ja" (van uw soort, ja dat zeg ik)
- 101 "Eyptische" in "Egyptische" (van het Egyptische volk niet
- nauwlettend)
- 112 "war" in "was" ( Hij was gesproten uit een Semitisch geslacht)
- 112 "des" in "der" (de verdrijving der Hyksos)
- 112 "Thatmes" in "Thotmes" (en onder Thotmes en Amenophis zich door
- dapperheid had onderscheiden.)
- 113 "maakte" in "maakten" (Zij maakten zich meester van het Nijldal)
- 115 "berichttet" in "berichtte" (berichtte Ani, die op hem wachtte)
- 115 "onstond" in "ontstond" (ontstond er weder eene beweging)
- 118 "vronw" in "vrouw" (Bent-Anat, tot vrouw, en ik zou Ramses niet
- zijn)
- 124 "Bent-Annat" in "Bent-Anat" (om de hand der prinses Bent-Anat te
- verkrijgen)
- 125 "Katoetie" in "Katoeti" (en zag Katoeti vragend aan)
- 138 "voitooide" in "voltooide" (Maar hij voltooide den volzin niet)
- 139 "voetzoelen" in "voetzolen" (juist zijn hoofd en zijne voetzolen
- raakten)
- 146 "ware" in "waren" (Terwijl dit gesprek werd gevoerd, waren voor
- de hut van den Paraschiet twee mannen)
- 149 "eIkander" in "elkander" (vielen de verdorde bloemblaadjes uit
- elkander)
- 151 "hiëropglypen" in "hiëroglyphen" (de rijen hiëroglyphen op de
- praalgebouwen)
- 154 "te" toegevoegd (met bijzonderen ijver te velde te trekken)
- 163 "Syriscbe" in "Syrische" (bestuurde zijne vurige Syrische rossen)
- 169 "vermelten" in "versmelten" (als ijs versmelten en als zand
- verwaaien)
- 173 "jakhalsen" in "jakhalzen" (Wat janken de jakhalzen!)
- 189 "bidt" in "bid" (Ik bid in het geheel niet)
- 194 "u" in "uw" (Bij al uw zoeken naar de verborgenheden)
- 200 "pharo's" in "pharao's" (op den troon der pharao's dan hij.")
- 202 "bezorgheid" in "bezorgdheid" (met eene uitdrukking van onrust
- en bezorgdheid)
- 205 "Nochthans" in "Nochtans" (Nochtans was zijn verzoek om
- schrijvers)
- 209 "beberoemd" in "beroemd" (hebt ge u zoo even beroemd, dat de
- menschen)
- 216 "toonen" in "teenen" (de nagels van vingers en teenen met
- oranjekleurige hennah)
- 216 "neen" in "neem" (neem dit reukwerk en verbrand ervan)
- 221 "ondeling" in "onderling" (Zij waren onderling verbonden door)
- 222 "lievelingdochter" in "lievelingsdochter" (in het vertrek van
- Ramses' lievelingsdochter)
- 229 "jeudige" in "jeugdige" (niemand heeft mijne jeugdige schreden
- gericht)
- 241 "gezalft" in "gezalfd" (de hallen waarin ze gezalfd werden)
- 249 "Rameni" in "Rameri" (zoo waarachtig als ik Rameri heet)
- 250 "Rameni" in "Rameri" (Rameri viel Anana in de rede)
- 254 "reliquiën" in "reliquieën" (wordt onder de heiligste reliquieën
- gerekend)
- 265 "Bent Annat" in "Bent-Anat" (Bent-Anat gaf trotsch een wenk)
- 273 "w nneer" in "wanneer" (te doorwaden, wanneer zij op buit
- uitgaat)
- 278 "panlherhuiden" in "pantherhuiden" (bezig met de pantherhuiden
- en verdere kleedingstukken)
- 284 "alleen" in "allen" (gij jongste van allen)
- 284 "Pentooer" in "Pentaoer" (De laatste kende Pentaoer)
- 287 2x "Pinim" in "Pinem" (verwonde kind van den Paraschiet Pinem)
- en (»En het was Pinem," sprak de opperpriester)
- 289 "de" in "ze" (Wij kroonden de vorsten, wij noemden ze goden en
- leerden het volk)
- 291 "rijkte" in "reikte" (Ameni reikte den grijsaard zijne)
- 291 "uitgsproken" in "uitgesproken" (mag volstrekt niet uitgesproken
- worden.)
- 294 "Terzelder" in "Terzelfder" (Terzelfder ure had vrouwe Katoeti)
- 296 "diet" in "niet" (waaraan ik heden niet offeren mag.)
- 302 "uitgebouwen" in "uitgehouwen" (in de rots uitgehouwen grafkamer)
- 303 "ingelijks" in "insgelijks" (traden insgelijks het graf binnen)
- 314 "medgezel" in "metgezel" (zijn trouwen metgezel op al zijne
- tochten)
- 339 "oogeu" in "oogen" (toen ik het zag, mijne oogen meer zeer
- gedaan)
- 356 "Rameni" in "Rameri" (riep prins Rameri, die zonder)
- 357 "veplegen" in "verplegen" (zij moet hare zieke grootmoeder
- verplegen)
- 362 "hondermaal" in "honderdmaal" (is wel honderdmaal gebeurd)
- 363 "noch" in "nog" (Ik kan nog niets met zekerheid zeggen)
- 365 "edelknaaap" in "edelknaap" (uitgegeven voor een edelknaap uit
- het gevolg)
- 368 "moedér" in "moeder" (de moeder bepaalt de afkomst der kinderen)
- 370 "Rameni" in "Rameri" (»Maar een deel?" vroeg Rameri.)
- 376 "vertrouwste" in "vertrouwdste" (de vertrouwdste raadgeefster
- van den stadhouder)
- 376 "daar" in "naar" (behoeft hij niet naar de goudmijnen te gaan)
- 377 "scheepsgezagvoeder" in "scheepsgezagvoerder" (den
- scheepsgezagvoerder te bewegen in Chennoe te landen)
- 380 "getróffen" in "getroffen" (Zij was getroffen over hare
- buitengewone)
- 383 "Pentaoers's" in "Pentaoer's" (Pentaoer's slapen klopten
- geweldig.)
- 391 "melodiën" in "melodieën" (dat Warda hare melodieën nazong)
- 400 "ij" in "hij" (heeft hij zich aan mij geopenbaard)
- 406 "havan" in "haven" (aan de haven van Thebe)
- 408 "aklig" in "aaklig" (In 't aaklig oord waar slechts)
- 416 "trachte" in "trachtte" (De Ethiopische slaaf trachtte, nu hij
- overtuigd was)
- 422 "Egygtoloog" in "Egyptoloog" (gestorven Franschen Egyptoloog E.
- de Rougé)
- 427 "Mernepthah" in "Mernephtah" (De beide jongsten, Mernephtah en
- Rameri)
- 428 "toe" in "toen" (toen ik voor het eerst naar het land)
- 430 "hehben" in "hebben" (schijnt te hebben gelegd)
- 431 "Pidasa" in "Pisada" (volken van Pisada (Pisidië))
- 443 "Hijksos" in "Hyksos" (waar vroeger de Hyksos gelegerd waren)
- 443 "Chrolonogie" in "Chronologie" (Chronologie der Aegypter)
- 443 "Wissenschapften" in "Wissenschaften" (der Berliner Akademie der
- Wissenschaften)
- 449 "nog" in "noch" (wij zien noch rechts noch links)
- 466 "Pinim" in "Pinem" (kleindochter van den Paraschiet Pinem)
- 474 "eenveroordeelde" in "een veroordeelde" (als een veroordeelde
- uit zijn kerker)
- 494 "stukkken" in "stukken" (Beide stukken geleken elkander volkomen)
- 502 "Setschem" in "Setchem" (besteeg het schip van vrouwe Setchem en
- beproefde)
- 503 "af" in "of" (dat haar zoon dood was, of Paäker nog leefde)
- 507 "steven" in "streven" (Overigens was het zijn ijverig streven)
- 507 "Hykos" in "Hyksos" (sedert de dagen der Hyksos).
-
-En in voetnoot
-
- [12] "Merneptah" in "Mernephtah" (en zijn opvolger Mernephtah
- afkomstig zijn)
- [28] "Madinet-Haboe" in "Medinet-Haboe" en "Dumichem" in "Dümichen"
- (De volledigste, van Medinet-Haboe, werd uitgegeven door
- Dümichen.)
- [50] "Ethopischen" in "Ethiopischen" (met een Ethiopischen steen
- zoover door)
- [62] "Anibus" in "Anubis" (Een bijzondere vorm van Anibus. Hij was de
- plaatselijke god)
- [111] "Hykos" in "Hyksos" (Na de verdrijving der Hyksos door de
- koningen)
- [124] "konopen" in "kanopen" (in plaats van deze vier kanopen-goden)
- [126] "hiëroglypisch" in "hiëroglyphisch" (Een volledige tekst in
- hiëroglyphisch schrift)
- [132] "Mèlanges egyptologiques" in "Mélanges égyptologiques" (in de
- papyrussen heeft gevonden: Chabas, Mélanges égyptologiques II)
- [138] "phanteïsme" in "pantheïsme" (het pantheïsme in de esoterische
- leer van de Egyptenaars)
- [138] "Ptolomaeën" in "Ptolemaeën" (tempels uit den tijd der
- Ptolemaeën)
- [151] "Vlg." in "Vgl." (De leeuwenkoppige godin. Vgl. bl. 61.)
- [151] "Etiopiërs" in "Ethiopiërs" (vier volken (Egyptenaars, Semieten,
- Libiërs en Ethiopiërs) in het graf van Seti I)
- [170] "Gheta" in "Cheta" (met de Cheta, waarin van de eene zijde)
- [224] "Vlg." in "Vgl." (Vgl. Ebers)
- [230] "heilïge" in "heilige" (Zoo worden de planeten genoemd in de
- heilige teksten.)
- [243] "Ptolamceus" in "Ptolemaeus" (dien Ptolemaeus Philadelphus liet
- houden)
- [268] "aaroeping" in "aanroeping" (wordt deze godheid in de 21ste
- aanroeping)
- [269] "vau" in "van" (het voeteinde van zijne lijkbaar)
- [279] "ägyptsche" in "ägyptische" (Zeitschrift für ägyptische Sprache)
- [279] "Alterthumskunde" in "Altertumskunde" (ägyptische Sprache und
- Altertumskunde)
- [286] "pharo's" in "pharao's" (heette in den tijd der pharao's
- evenzoo.)
- [288] "n" in "in" (De Roode zee, in 't Hebreeuwsch)
- [294] "dessert" in "desert" (het zeer belangrijke werk van M. A.
- Palmer, The desert of the Exodus)
- [333] "18" in "18e" (gedenkteekenen uit de 18e dynastie)
- [342] "vlg." in "vgl." (vgl. Deveria)
- [367] "Chabae" in "Chabas" (maar deze moet bij de latere van Chabas
- achterstaan.).
-
-Overigens is de originele tekst bewaard gebleven.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Warda, by Georg Ebers
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WARDA ***
-
-***** This file should be named 42433-8.txt or 42433-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/4/2/4/3/42433/
-
-Produced by eagkw, J.H. Berends and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License available with this file or online at
- www.gutenberg.org/license.
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation information page at www.gutenberg.org
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at 809
-North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
-contact links and up to date contact information can be found at the
-Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-