diff options
Diffstat (limited to '42433-h')
| -rw-r--r-- | 42433-h/42433-h.htm | 7406 |
1 files changed, 3496 insertions, 3910 deletions
diff --git a/42433-h/42433-h.htm b/42433-h/42433-h.htm index f1d4023..c7df52f 100644 --- a/42433-h/42433-h.htm +++ b/42433-h/42433-h.htm @@ -2,7 +2,7 @@ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> <html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl"> <head> - <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=UTF-8" /> <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> <title> The Project Gutenberg eBook of Warda, Roman uit het Oude Egypte, by George Ebers. @@ -97,46 +97,7 @@ cite {font-style: normal; font-weight: normal; text-decoration: none; </style> </head> <body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Warda, by Georg Ebers - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - - -Title: Warda - Roman uit het oude Egypte - -Author: Georg Ebers - -Translator: Hendrik Cornelis Rogge - -Release Date: March 29, 2013 [EBook #42433] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WARDA *** - - - - -Produced by eagkw, J.H. Berends and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net - - - - - - -</pre> - +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42433 ***</div> <div class="figcenter"> <img id="coverpage" src="images/cover.jpg" width="378" height="591" alt="Voorkant kaft" /> @@ -273,7 +234,7 @@ en bemest, steekt bij de zandige helling der bergen, die er achter liggen, af, als de tuinaarde van een bloembed bij het gele kiezelzand van het voetpad.</p> -<p>In de veertiende eeuw vóor onze jaartelling — want wij brengen +<p>In de veertiende eeuw vóor onze jaartelling — want wij brengen onze lezers terug in zulke langvervlogen tijden — waren menschenhanden in Thebe druk in de weer, om door hooge steenen dammen en dijken den wassenden vloed te keeren, ten einde @@ -295,7 +256,7 @@ bloeienden zetel der pharao’s!</p> <p>De westelijke Nijloever bood weder een gansch ander schouwspel aan. Ook hier ontbrak het voorzeker niet aan weidsche gebouwen en overvloed van menschen. Maar terwijl aan gene -zijde van den stroom de huizen éene ineengedrongene massa +zijde van den stroom de huizen éene ineengedrongene massa vormden, en de burgerlieden luidruchtig en vroolijk hunne dagelijksche bezigheden volbrachten, zag men aan deze zijde slechts prachtige gebouwen van buitengewone afmeting, waartegen de @@ -354,7 +315,7 @@ den vader op den zoon overging, hadden hunne huizen in de nabijheid der uitgestrekte gebouwen, die voor het balsemen bestemd waren. Het ontbrak echter niet aan fabrieken en winkels. In de eersten werden sarcophagen van steen en hout vervaardigd, -benevens windsels van lijnwaad, waarin de mummiën werden gewikkeld, +benevens windsels van lijnwaad, waarin de mummiën werden gewikkeld, en amuletten waarmede deze werden opgesierd. In de laatsten boden kooplieden specerijen, reukwerken, bloemen, vruchten, groenten en gebak te koop aan. Hier en ginds zag men @@ -433,13 +394,13 @@ was gezongen. Reeds wilden de soldaten die de wacht hadden van hun eersten onderzoekingstocht terugkeeren, toen plotseling een hond in het noordelijk gedeelte van de doodenstad hard begon te blaffen. Weldra liet een tweede, een derde, een vierde zich hooren. -De hoofdman van de wacht riep »halt!” en toen het geblaf +De hoofdman van de wacht riep »halt!” en toen het geblaf algemeener werd en met elke minuut in hevigheid toenam, beval hij hen die hem volgden in noordelijke richting op te marcheeren. De kleine troep had weldra den hoogen dam bereikt, die langs den westelijken oever liep van een kanaal, dat uit den Nijl was afgeleid, en overzag van hier het bouwland tot aan den vloed en het noordelijk -gedeelte van de Nekropolis. Wederom werd »halt” gecommandeerd. +gedeelte van de Nekropolis. Wederom werd »halt” gecommandeerd. Zoodra de soldaten in de richting in welke de honden het hevigst aansloegen het schijnsel van fakkels bespeurden, ijlden<span class="pagenum"><a name="Page_12" id="Page_12">[12]</a></span> zij voorwaarts en bereikten bij de pylonen<a name="FNanchor_3" id="FNanchor_3"></a><a href="#Footnote_3" class="fnanchor">3)</a> van den tempel, @@ -471,8 +432,8 @@ Met luider stem vroeg hij den man die geklopt had, wat hij begeerde.</p> <p>Zoodra deze zich hoorde toespreken, zag hij op, en zeide op -meesterachtigen, ja zelfs beleedigenden toon: »Hoe lang moeten -wij hier op je wachten, luië hond? Kom eerst naar beneden, +meesterachtigen, ja zelfs beleedigenden toon: »Hoe lang moeten +wij hier op je wachten, luië hond? Kom eerst naar beneden, open de poort en vraag dan! Wanneer de fakkels niet helder genoeg branden, om je te doen zien wie hier wacht, dan zal mijn zweep je op den rug schrijven wie we zijn en je leeren hoe men @@ -482,9 +443,9 @@ vorstelijke gasten te woord moet staan!”</p> de rust van de doodenstad zoo opeens en zoo ruw hoorde storen. Terwijl de portier een onverstaanbaar antwoord bromde en naar beneden kwam, om de deur open te doen, richtte de vrouw -op den wagen zich tot haar ongeduldigen geleider. »Gij vergeet, -Paäker,” sprak zij op welluidenden maar toch gebiedenden toon, -»dat gij weder in Egypte zijt, en hier niet te doen hebt met +op den wagen zich tot haar ongeduldigen geleider. »Gij vergeet, +Paäker,” sprak zij op welluidenden maar toch gebiedenden toon, +»dat gij weder in Egypte zijt, en hier niet te doen hebt met wilde Shasoe<a name="FNanchor_4" id="FNanchor_4"></a><a href="#Footnote_4" class="fnanchor">4)</a>, maar met vriendelijke priesters, van wie wij<span class="pagenum"><a name="Page_13" id="Page_13">[13]</a></span> bovendien nog een dienst hebben te vragen. Men klaagt niet ten onrechte over uwe ruwheid, die vooral ongepast is, nu wij onder @@ -504,9 +465,9 @@ kik, want hij kende zijn meester.</p> <p>Inmiddels had de portier opengedaan, en tegelijk met hem trad een jeugdige priester naar buiten, om te vernemen wat deze rustverstoorders -verlangden. Paäker wilde weder het woord voeren, +verlangden. Paäker wilde weder het woord voeren, maar de vrouw die op den wagen stond kwam hem voor met te -zeggen: »Ik ben Bent-Anat, de dochter des konings, en zij die +zeggen: »Ik ben Bent-Anat, de dochter des konings, en zij die in den draagstoel zit is Nefert, de gemalin van den edelen Mena, den wagenmenner mijns vaders. Wij hadden ons in gezelschap van deze aanzienlijke mannen naar het noordwestelijk dal van den @@ -520,100 +481,100 @@ Wij lieten haar daarop brengen naar het huis haars vaders, een Paraschiet<a name="FNanchor_5" id="FNanchor_5"></a><a href="#Footnote_5" class="fnanchor">5)</a>, Pinem geheeten, geloof ik. Ik weet niet of gij hem kent.”</p> -<p>»Zijt gij zijne hut binnengegaan, prinses?” vroeg de priester.</p> +<p>»Zijt gij zijne hut binnengegaan, prinses?” vroeg de priester.</p> -<p>»Ik moest wel, heilige vader,” was haar antwoord, »ofschoon +<p>»Ik moest wel, heilige vader,” was haar antwoord, »ofschoon ik weet, dat men zich verontreinigt, wanneer men den drempel van zulk eene woning overschrijdt. Maar....”</p> -<p>»Maar,” riep de vrouw van Mena, terwijl zij zich weder oprichtte -in haar draagstoel, »Bent-Anat kan zich immers heden +<p>»Maar,” riep de vrouw van Mena, terwijl zij zich weder oprichtte +in haar draagstoel, »Bent-Anat kan zich immers heden door u of door haren huispriester laten reinigen; den armen vader zal zij echter bezwaarlijk, misschien ook nooit, zijn kind gezond kunnen wedergeven.”</p> -<p>»Dit neemt niet weg, dat het ellendig verblijf van zulk een +<p>»Dit neemt niet weg, dat het ellendig verblijf van zulk een Paraschiet onrein is,” viel de kamerheer Penbesa, ceremoniemeester<span class="pagenum"><a name="Page_14" id="Page_14">[14]</a></span> -van de prinses, haar in de rede. »Ik heb er mij genoeg tegen +van de prinses, haar in de rede. »Ik heb er mij genoeg tegen verzet, toen Bent-Anat haar voornemen te kennen gaf, dat vervloekte nest in eigen persoon te betreden. Ik sloeg voor,” zoo -vervolgde hij tot den priester, »het meisje naar huis te laten +vervolgde hij tot den priester, »het meisje naar huis te laten dragen, en den vader een koninklijk geschenk te zenden.”</p> -<p>»En de prinses?” vroeg de priester.</p> +<p>»En de prinses?” vroeg de priester.</p> -<p>»Zij handelde, als gewoonlijk, overeenkomstig haar eigen wil,” +<p>»Zij handelde, als gewoonlijk, overeenkomstig haar eigen wil,” hernam de ceremoniemeester.</p> -<p>»En dan doet zij altijd wat goed is,” merkte de vrouw van +<p>»En dan doet zij altijd wat goed is,” merkte de vrouw van Mena op.</p> -<p>»Gaven de goden dat het zoo ware!” sprak de Prinses met +<p>»Gaven de goden dat het zoo ware!” sprak de Prinses met zachte stem. Zich tot den priester wendende, ging zij voort: -»Gij kent den wil der hemelsche goden en de harten der menschen, +»Gij kent den wil der hemelsche goden en de harten der menschen, heilige vader, en ik ben mij bewust, dat ik gaarne geef en armen help, ook wanneer de armoede de eenige voorspraak is. Maar na hetgeen heden is gebeurd, en tegenover dien ongelukkigen man ben ik het die voorspraak noodig heb.”</p> -<p>»Gij?” vroeg de kamerheer verbaasd.</p> +<p>»Gij?” vroeg de kamerheer verbaasd.</p> -<p>»Ja, ik!” antwoordde de prinses op stelligen toon.</p> +<p>»Ja, ik!” antwoordde de prinses op stelligen toon.</p> <p>De priester die tot hiertoe zwijgend dit gesprek had aangehoord, hief nu zijn rechterhand op, als om te zegenen, en zeide: -»Gij hebt braaf gehandeld. De Hathors<a name="FNanchor_6" id="FNanchor_6"></a><a href="#Footnote_6" class="fnanchor">6)</a> vormden uw hart, en +»Gij hebt braaf gehandeld. De Hathors<a name="FNanchor_6" id="FNanchor_6"></a><a href="#Footnote_6" class="fnanchor">6)</a> vormden uw hart, en de godin der waarheid leidt het. Ongetwijfeld komt gij ons in onze nachtelijke gebeden storen, ten einde een arts te vragen voor het verwonde meisje?”</p> -<p>»Zooals gij zegt!”</p> +<p>»Zooals gij zegt!”</p> -<p>»Ik zal den opperpriester vragen, om den besten geneesheer +<p>»Ik zal den opperpriester vragen, om den besten geneesheer voor uitwendige verwondingen, onverwijld naar de kranke te zenden. Doch waar is het huis van den Paraschiet Pinem? Ik ken hem niet.”</p> -<p>»Ten noorden van de terrassen van Hatasoe<a name="FNanchor_7" id="FNanchor_7"></a><a href="#Footnote_7" class="fnanchor">7)</a>, dicht bij.... +<p>»Ten noorden van de terrassen van Hatasoe<a name="FNanchor_7" id="FNanchor_7"></a><a href="#Footnote_7" class="fnanchor">7)</a>, dicht bij.... Maar ik zal een mijner geleiders gelasten den geneesheer den weg te wijzen. Ik stel er bijzonder veel prijs op morgen vroeg -te vernemen, hoe het met de zieke staat. — Paäker!”</p> +te vernemen, hoe het met de zieke staat. — Paäker!”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_15" id="Page_15">[15]</a></span></p> <p>De aangesprokene, met wien wij hebben kennis gemaakt, toen hij zoo ruw op de poort klopte, boog zich met nederhangende -handen ter aarde en vroeg: »Wat beveelt gij?”</p> +handen ter aarde en vroeg: »Wat beveelt gij?”</p> -<p>»Ik wijs ú aan tot gids van den arts,” zeide de prinses. »Het +<p>»Ik wijs ú aan tot gids van den arts,” zeide de prinses. »Het zal den wegwijzer des konings niet moeilijk vallen, het verborgen huisje weer te vinden. Vergeet niet dat gij mijn medeschuldige zijt. Want,” en hierbij wendde zij zich tot den priester, -»laat ik er maar rond voor uitkomen: het ongeluk geschiedde, -toen ik met mijne rossen Paäkers Syrische harddravers, die naar +»laat ik er maar rond voor uitkomen: het ongeluk geschiedde, +toen ik met mijne rossen Paäkers Syrische harddravers, die naar zijn zeggen veel vlugger liepen dan de Egyptische, trachtte in te halen. Het was een wild rennen.”</p> -<p>»Amon zij geloofd, dat het zóo afliep,” sprak de ceremoniemeester. -»Paäkers wagen ligt verbrijzeld in het enge dal, en zijn +<p>»Amon zij geloofd, dat het zóo afliep,” sprak de ceremoniemeester. +»Paäkers wagen ligt verbrijzeld in het enge dal, en zijn beste paard is zwaar gewond.”</p> -<p>»Nu, als hij den arts bij den Paraschiet heeft gebracht, mag -hij naar zijn paard gaan kijken,” hernam de prinses. »Weet gij, +<p>»Nu, als hij den arts bij den Paraschiet heeft gebracht, mag +hij naar zijn paard gaan kijken,” hernam de prinses. »Weet gij, Penbesa, gij trouwe bewaker van een onbezonnen meisje, dat ik mij heden voor het eerst er over verblijd, dat mijn vader krijg voert in het verre Sati-land<a name="FNanchor_8" id="FNanchor_8"></a><a href="#Footnote_8" class="fnanchor">8)</a>?”</p> -<p>»Hij zou ons zeker niet zeer vriendelijk ontvangen hebben,” +<p>»Hij zou ons zeker niet zeer vriendelijk ontvangen hebben,” antwoordde de ceremoniemeester met een glimlach.</p> -<p>»Maar de arts, de arts!” riep Bent-Anat haastig. »Paäker, het +<p>»Maar de arts, de arts!” riep Bent-Anat haastig. »Paäker, het blijft er bij: gij wijst hem den weg en brengt ons morgen bericht omtrent den toestand van het meisje.”</p> -<p>Paäker boog nog eens. De prinses gaf daarop een wenk. De +<p>Paäker boog nog eens. De prinses gaf daarop een wenk. De priester en zijne gezellen, die intusschen uit het heiligdom naar buiten waren gekomen, hieven zegenend de handen omhoog, en de nachtelijke optocht ging op weg in de richting van den Nijl. -Paäker bleef alleen achter met zijne beide slaven. Hij was verdrietig +Paäker bleef alleen achter met zijne beide slaven. Hij was verdrietig over den last, dien de prinses hem had opgedragen. Zoo lang de maneschijn toeliet den draagstoel met de vrouw van Mena te onderscheiden, oogde hij haar na. Toen trachtte hij zich @@ -621,22 +582,22 @@ te herinneren, waar het huis van den Paraschiet gelegen was. De hoofdman van de veiligheidspolitie hield nog altijd met zijne manschappen stand bij den tempelpoort.</p> -<p>»Kent gij de woning van den Paraschiet Pinem?” vroeg Paäker.</p> +<p>»Kent gij de woning van den Paraschiet Pinem?” vroeg Paäker.</p> -<p>»Wat moet gij bij hem zoeken?”</p> +<p>»Wat moet gij bij hem zoeken?”</p> -<p>»Dat gaat u niet aan,” hernam Paäker.</p> +<p>»Dat gaat u niet aan,” hernam Paäker.</p> -<p>»Lomperd!” riep de hoofdman. — »Links om en voorwaarts, +<p>»Lomperd!” riep de hoofdman. — »Links om en voorwaarts, mannen!”</p> -<p>»Halt!” riep Paäker, nijdig, »ik ben de koninklijke gids.”</p> +<p>»Halt!” riep Paäker, nijdig, »ik ben de koninklijke gids.”</p> -<p>»Dan zult gij des te gemakkelijker de plaats kunnen wedervinden, +<p>»Dan zult gij des te gemakkelijker de plaats kunnen wedervinden, waar gij vandaan komt. — Soldaten, voorwaarts!”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_16" id="Page_16">[16]</a></span></p> <p>Op deze woorden volgde als een echo het gelach van velerlei -stemmen. Paäker schrok zoo hevig van dit honend geluid, dat +stemmen. Paäker schrok zoo hevig van dit honend geluid, dat hij zijn zweep op den grond liet vallen. De slaaf, dien hij weinige minuten te voren geslagen had, stond deemoedig op en volgde zijn heer in den voorhof des tempels. Beiden schreven het gegiegel, @@ -647,7 +608,7 @@ Maar ook de oude portier had die overmoedige toonen vernomen. Hem was dat lachen beter bekend dan den wegwijzer des konings, want met forsche schreden trad hij de poort des heiligdoms uit en riep, terwijl hij, de donkere schaduw van den pylon volgende, -met zijn langen stok blindelings voor zich uitsloeg: »O, gij nietswaardig +met zijn langen stok blindelings voor zich uitsloeg: »O, gij nietswaardig Sethsgebroed<a name="FNanchor_9" id="FNanchor_9"></a><a href="#Footnote_9" class="fnanchor">9)</a>, gij galgenaas, gij aterlingen, ik zal u!”</p> <p>Op eens verstomde het gelach. Eenige jeugdige gestalten kwamen @@ -658,7 +619,7 @@ den wachter gelukt een dertienjarigen misdadiger te vatten, en hij hield hem zoo vast bij het oor, dat zijn kleine kop in horizontale richting aan zijn hals scheen gegroeid.</p> -<p>»Ik zal het den onderwijzer bekend maken, gij sprinkhanenplaag, +<p>»Ik zal het den onderwijzer bekend maken, gij sprinkhanenplaag, gij vledermuisgebroed,” riep hij vervolgens. Maar de bende schooljongens, die eene gunstige gelegenheid hadden waargenomen om uit hun engen kerker te komen, begon hem vriendelijk te @@ -669,7 +630,7 @@ de grootste scholieren den ouden om den kin streek, en beloofde hem morgen den wijn, die zijne moeder hem voor de volgende week zou zenden, ter bewaring te zullen geven, liet de wachter zijn gevangene los, die de pijn uit zijn vuurrood oor trachtte te -wrijven, en riep nog onvriendelijker dan zoo even: »Wilt gij een, +wrijven, en riep nog onvriendelijker dan zoo even: »Wilt gij een, twee, drie maken dat ge weg komt! Denkt ge dat ik uw streek zoo maar zal laten voorbijgaan? Dan kent gij den ouden Baba nog niet. Ik zal het den goden klagen en niet den onderwijzer. @@ -727,7 +688,7 @@ de voornaamste richtingen harer goddelijke werkzaamheid te verpersoonlijken.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_8" id="Footnote_8"></a><a href="#FNanchor_8"><span class="label">8)</span></a> Azië.</p> +<p><a name="Footnote_8" id="Footnote_8"></a><a href="#FNanchor_8"><span class="label">8)</span></a> Azië.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -746,7 +707,7 @@ werpen en verminken, maar nimmer vernietigen.</p> <hr class="l4" /> -<p>De tempel, in welks eerste voorhof Paäker stond te wachten, +<p>De tempel, in welks eerste voorhof Paäker stond te wachten, en waarin de priester was verdwenen om den geneesheer te halen, werd het Seti-huis genaamd, en was een der grootste heiligdommen van de doodenstad<a name="FNanchor_10" id="FNanchor_10"></a><a href="#Footnote_10" class="fnanchor">10)</a>. Wat zijn grootsche aanleg betreft, @@ -779,11 +740,11 @@ stond de hoogeschool, waarin priesters, geneesheeren, rechters, wis- en sterrenkundigen, beoefenaars van taal- en letterkunde en andere geleerden, niet alleen onderwijs ontvingen, maar ook eene vrije woonplaats vonden, nadat zij den hoogsten graad -van kennis bereikt en den titel van »schrijver” ontvangen hadden. +van kennis bereikt en den titel van »schrijver” ontvangen hadden. Daar werden zij dan op kosten des konings onderhouden, opdat zij, zonder door andere zorgen en bemoeiingen afgetrokken te worden, dagelijks verkeerende met huns gelijken, die -zich met dezelfde studiën bezighielden, zich geheel zouden kunnen +zich met dezelfde studiën bezighielden, zich geheel zouden kunnen wijden aan bespiegeling en wetenschappelijk onderzoek. De geleerden hadden eene groote boekerij tot hun dienst, waarin duizenden schriftrollen werden bewaard, en waaraan tegelijk een @@ -792,25 +753,25 @@ met het onderricht der jongere scholieren, die gevormd werden in de evenzeer tot het Seti-huis behoorende voorbereidende school. Die school stond open voor alle zonen van vrije burgers, en werd door honderden kinderen bezocht, die hier ook een nachtkwartier -vonden. Trouwens de ouders waren verplicht òf kostgeld -te betalen, òf de spijzen, die de kinderen voor hun onderhoud +vonden. Trouwens de ouders waren verplicht òf kostgeld +te betalen, òf de spijzen, die de kinderen voor hun onderhoud noodig hadden, naar de school te zenden. Voorts woonden in een afzonderlijk gebouw de kostkinderen van den tempel. Het -waren zonen van de voornaamste familiën, die hier voor eene +waren zonen van de voornaamste familiën, die hier voor eene niet geringe vergoeding door de priesters werden opgevoed. Seti I, de stichter van deze inrichting, had zijne eigene zonen, ja zelfs den troonopvolger Ramses daar laten opvoeden.</p> <p>Deze voorbereidende scholen werden druk bezocht. De stok speelde hier zulk eene groote rol, dat zeker paedagoog aan deze -inrichting met volle recht kon zeggen: »De ooren der schooljongens +inrichting met volle recht kon zeggen: »De ooren der schooljongens zitten op hun rug; zij hooren als men hen slaat.” Knapen, die uit de lagere klassen tot de hooge school wilden overgaan, moesten zich aan een examen onderwerpen. Waren zij geslaagd, dan konden de jonge studenten zich een leermeester kiezen uit de geleerden van hoogeren rang. Deze nam de leiding -hunner wetenschappelijke studiën op zich, en zij bleven hun leven -lang als cliënten aan zulk een patroon verbonden. Na een tweede<span class="pagenum"><a name="Page_19" id="Page_19">[19]</a></span> +hunner wetenschappelijke studiën op zich, en zij bleven hun leven +lang als cliënten aan zulk een patroon verbonden. Na een tweede<span class="pagenum"><a name="Page_19" id="Page_19">[19]</a></span> examen konden zij den titel van schrijver verkrijgen en het recht om eenig openbaar ambt te bekleeden. Nevens deze scholen voor geleerden vond men hier verder eene school tot opleiding @@ -841,7 +802,7 @@ enkele lampen verlicht.</p> gebakken Nijltegels opgetrokken, die er deftig en sierlijk uitzagen; want men had de steenen door pleisterkalk aan het oog onttrokken, en de gladde oppervlakte beschilderd met allerlei -voorstellingen en opschriften in hiëroglyphen. Inwendig waren +voorstellingen en opschriften in hiëroglyphen. Inwendig waren deze gebouwen alle op dezelfde wijze ingericht. In het midden bevond zich een open hof, waarop de deuren uitkwamen van de vertrekken der priesters en geleerden. Aan beide zijden van den @@ -872,14 +833,14 @@ en vermoedens uitgesproken. Volgens den een was eene koninklijke boodschap gekomen; volgens een ander weder zou de prinses Bent-Anat door Kolchyten overvallen zijn. Een schalk onder de losgebroken knapen wist te vertellen, dat de koninklijke gids, -Paäker, met geweld in den tempel was gebracht, om hier wat +Paäker, met geweld in den tempel was gebracht, om hier wat beter te leeren schrijven. Daar de man, met wien de ondeugd den spot dreef, vroeger werkelijk een kweekeling van het Seti-huis was geweest, en er onder het knapengeslacht nog allerlei vermakelijke anecdoten voortleefden van ’s mans uiterst gebrekkige kennis van taal en stijl, zoo werd deze tijding met algemeenen bijval begroet. Hoe onzinnig deze verklaring ook was, -daar Paäker een der hoogste posten bekleedde bij het leger des +daar Paäker een der hoogste posten bekleedde bij het leger des konings, scheen zij toch zoo onwaarschijnlijk niet, daar een ernstige jonge priester verzekerde, dat hij den wegwijzer in het eerste voorhof van den tempel had gezien.</p> @@ -890,17 +851,17 @@ onopgemerkt. Deze geestelijke, Ameni geheeten, de zoon van Nebket, een zeldzaam man, gesproten uit eene oude adellijke familie, was oneindig meer dan de oppermachtige gebieder der tempelbewoners, die hij met krachtige hand en wijs overleg wist -te besturen. Alle priestercollegiën van het geheele land erkenden +te besturen. Alle priestercollegiën van het geheele land erkenden zijne meerderheid, vroegen zijn raad in moeielijke gevallen, en wachtten zich wel in eenig opzicht af te wijken van de bepalingen ten aanzien van geestelijke dingen, die in het Seti-huis, dat wilde zeggen door Ameni, werden vastgesteld. Men zag in hem het priesterlijk ideaal als verwezenlijkt, en wanneer -hij soms aan enkele collegiën moeielijke, ja vreemde eischen +hij soms aan enkele collegiën moeielijke, ja vreemde eischen stelde, dan onderwierp men zich zonder tegenspraak, omdat de ervaring had geleerd, dat de duistere kronkelwegen, die hij aanwees -om te bewandelen, altijd tot éen doel leidden, namelijk de -verheffing van de macht en het aanzien der hiërarchie. Zelfs de +om te bewandelen, altijd tot éen doel leidden, namelijk de +verheffing van de macht en het aanzien der hiërarchie. Zelfs de koning wist dien geheel eenigen man te waardeeren, en had sedert lang beproefd hem als zegelbewaarder aan zijn hof te verbinden. Ameni was er nochtans niet toe te bewegen geweest, @@ -927,7 +888,7 @@ geen geluid vermocht door te dringen. Nooit sliep hij ’s nachts; de koelte en de diepe stilte schenen aan de krachtige inspanning des geestes bevorderlijk te zijn. Vaak hield hij zich dan bezig met de beschouwing van den helderen sterrenhemel. Aan alle -ceremoniën, die zijn stand van hem vorderde, zooals wasschingen +ceremoniën, die zijn stand van hem vorderde, zooals wasschingen en reinigingen, scheren en vasten, onderwierp hij zich met stipte nauwgezetheid, en zijn uiterlijk beantwoordde geheel aan zijn innerlijk.</p> @@ -946,7 +907,7 @@ zien en onderzoeken wilde, dan was in die heldere oogen, als hij ze langzaam opsloeg, hartstocht te lezen. De jonge Pentaoer, de dichter van het Seti-huis, die deze oogen kende, had ze bezongen en er van gezegd, dat zij goed aangevoerde legerscharen -geleken, die de veldheer vóor en na den strijd rust gunt, om +geleken, die de veldheer vóor en na den strijd rust gunt, om ze met volle kracht in den slag ter overwinning te voeren. De<span class="pagenum"><a name="Page_22" id="Page_22">[22]</a></span> waardige afgemetenheid van zijne woorden en gebaren had iets koninklijks en priesterlijks tegelijk; zij was hem deels eigen en @@ -973,7 +934,7 @@ uit van deze zaal, die verlicht werd door drie lampen in den vorm van vogels, met kiki-olie<a name="FNanchor_15" id="FNanchor_15"></a><a href="#Footnote_15" class="fnanchor">15)</a> gevuld. — Ameni droeg een overkleed van sneeuwwit linnen, dat in nette plooien tot op zijne enkels afhing; eene met franje omboorde sjerp, waarvan -de breede en hard gesteven einden tot aan de knieën +de breede en hard gesteven einden tot aan de knieën reikten, was rondom zijn middel gestrikt. Het wijde overkleed werd echter opgehouden door een breeden draagband van zilverbrokaat. Een uit paarlen en edelgesteenten saamgestelde, @@ -1001,50 +962,50 @@ binnen.</p> <p>Pentaoer kuste knielend de handen van den opperpriester, die, hem zegenende, met welluidende stem tot hem zeide, in zulk eene zuivere taal en zoo goed gestyleerd, alsof hij uit een boek -voorlas: »Sta op mijn zoon; uw komst zal mij op dit ongelegen +voorlas: »Sta op mijn zoon; uw komst zal mij op dit ongelegen uur eene wandeling besparen, zoo gij mij kunt berichten, wat de scholieren in onzen tempel zoo in onrust brengt. Spreek!”</p> -<p>»Er is niet veel bijzonders voorgevallen, heilige vader!” gaf -Pentaoer ten antwoord; »en ik zou u thans niet gestoord hebben, +<p>»Er is niet veel bijzonders voorgevallen, heilige vader!” gaf +Pentaoer ten antwoord; »en ik zou u thans niet gestoord hebben, wanneer de kweekelingen niet zonder eenigen grond, zoo veel beweging hadden gemaakt, en de prinses Bent-Anat niet zelve was gekomen, om ons een geneesheer te vragen. Het ongewone uur, en het gevolg waarmede zij zich aanmeldde....”</p> -<p>»Is de dochter van den pharao dan ziek geworden?” vroeg +<p>»Is de dochter van den pharao dan ziek geworden?” vroeg de prelaat haastig.</p> -<p>»O neen, mijn vader, zij is maar al te welvarende. Want toen +<p>»O neen, mijn vader, zij is maar al te welvarende. Want toen zij eene proef wilde nemen van de vlugheid harer paarden, overreed zij de dochter van Pinem, den Paraschiet. Goedhartig, gelijk zij is, bracht zij het zwaar verwonde meisje in eigen persoon naar huis.”</p> -<p>»Zij betrad alzoo de hut van den onreine?”</p> +<p>»Zij betrad alzoo de hut van den onreine?”</p> -<p>»Zoo is het.”</p> +<p>»Zoo is het.”</p> -<p>»En nu verlangt zij, dat wij haar reinigen zullen?”</p> +<p>»En nu verlangt zij, dat wij haar reinigen zullen?”</p> -<p>»Ik meende haar het misdrevene te mogen vergeven, vader, +<p>»Ik meende haar het misdrevene te mogen vergeven, vader, want de reinste menschenliefde had haar bewogen tot eene daad, die wel is waar met de zeden in strijd is, maar....”</p> -<p>»<em>Maar</em>?” vroeg Ameni op hoog ernstigen toon, en zijne oogen, +<p>»<em>Maar</em>?” vroeg Ameni op hoog ernstigen toon, en zijne oogen, die tot hiertoe naar den grond waren geslagen, begonnen te leven.</p> -<p>»Maar,” vervolgde de jonge priester, die nu op zijn beurt -voor zich zag, »maar toch geen misdaad kan zijn. Wanneer +<p>»Maar,” vervolgde de jonge priester, die nu op zijn beurt +voor zich zag, »maar toch geen misdaad kan zijn. Wanneer Ra<a name="FNanchor_17" id="FNanchor_17"></a><a href="#Footnote_17" class="fnanchor">17)</a> in zijn gouden boot den hemel bevaart, beschijnt zijn licht het paleis van den pharao niet eer en niet milder dan de hutten der armen. Moet dan het zwakke menschenhart zijn vriendelijk<span class="pagenum"><a name="Page_24" id="Page_24">[24]</a></span> licht, zijne liefde, aan den banneling onthouden, omdat hij ellendig is?”</p> -<p>»Ik hoor den dichter Pentaoer spreken,” hernam de prelaat, -»niet den priester, wien de genade ten deel viel, tot den hoogsten +<p>»Ik hoor den dichter Pentaoer spreken,” hernam de prelaat, +»niet den priester, wien de genade ten deel viel, tot den hoogsten graad der wijsheid te worden opgevoerd, dien ik mijn broeder noem en mijns gelijke. Jongeling, ik heb niets op u vooruit dan wat vergankelijke kennis, die het verledene voor u zoowel @@ -1078,12 +1039,12 @@ door die gloeiende openingen meent bespeurd te hebben.”</p> <p>Er was eene zachte trilling te bespeuren in de stem van den spreker. Terwijl hij zijn doordringend oog onafgebroken op den -dichter gericht hield, ging hij voort: »Ieder ingewijde, die deze +dichter gericht hield, ging hij voort: »Ieder ingewijde, die deze spleten tracht te verbreeden, vloeken wij en bannen wij uit ons midden. Ja, wij straffen zelfs den vriend, die onachtzaam verzuimt ze met metaal en hamerslagen te dichten.”</p> -<p>»Mijn vader!” riep Pentaoer, en diep getroffen trok hij zijn +<p>»Mijn vader!” riep Pentaoer, en diep getroffen trok hij zijn hoofd terug, terwijl het bloed hem naar de wangen steeg.</p> <p>De opperpriester trad naar hem toe, en legde beide handen op @@ -1102,7 +1063,7 @@ die alles idealiseert. Frischheid van geest en levensvreugde verkondigden zijne heldere oogen. Doch het fijne lachje dat om zijne lippen speelde, bij eene gedachtenwisseling of wanneer zijn gevoelig gemoed in beweging werd gebracht, bewees dat Pentaoer -zich niet overgaf aan zekere naïve zorgeloosheid, maar dat hij +zich niet overgaf aan zekere naïve zorgeloosheid, maar dat hij menigen zwaren zielestrijd had doorworsteld, en ook gedronken had uit den beker van den twijfel. In dit oogenblik voerden afwisselende aandoeningen strijd in zijn gemoed. Het was hem als @@ -1112,10 +1073,10 @@ de ziel van den jongen man, die tot gehoorzaamheid was opgevoed, dat hij zweeg en eene heilige huivering door zijne leden voer, toen Ameni’s handen zijne schouders aanraakten.</p> -<p>»Ik berisp u,” zeide de opperpriester, terwijl hij den jongeling -nog altijd vasthield, »ja ik moet u straffen ofschoon het +<p>»Ik berisp u,” zeide de opperpriester, terwijl hij den jongeling +nog altijd vasthield, »ja ik moet u straffen ofschoon het mij smart. En toch” — nu eerst deed hij een schrede achterwaarts -en greep Pentaoer’s rechterhand — »en toch verblijdt het +en greep Pentaoer’s rechterhand — »en toch verblijdt het mij, dat dit noodig is; want ik heb u lief en eer u als iemand, dien de Onuitsprekelijke met buitengewone gaven gezegend en tot groote dingen uitverkoren heeft. Het onkruid laat men wassen @@ -1140,7 +1101,7 @@ der vaderen om ze te mijden was eene dwaasheid. En zullen de opmerkingen der menigte hierbij blijven, of maakt zij niet gaarne de gevolgtrekking, dat wie in een punt dwaalt ook feilbaar is in anderen? In geloofszaken, mijn zoon, bestaat er geen -verschil tusschen klein en groot. Laat men den vijand éen toren +verschil tusschen klein en groot. Laat men den vijand éen toren over, weldra zal hij meester zijn van de geheele vesting! In dezen onrustigen tijd is het met onze leer als met een wagen, die op de helling van een berg staat. Een steen onder het wiel @@ -1152,46 +1113,46 @@ spijs wil geven. Zoudt gij haar laten begaan, als uw vader, uwe moeder en alles wat u lief en dierbaar is op den wagen stonden? — Spreek mij niet tegen! De prinses zal den Paraschiet morgen weder bezoeken. Gij wacht haar op in de hut van dien -man en zult haar dáar aankondigen, dat zij zichzelve vergeten +man en zult haar dáar aankondigen, dat zij zichzelve vergeten heeft en onze reiniging behoeft. Voor ditmaal onthef ik u van alle verdere straf. De hemel schonk u een rijken geest. Tracht te verwerven wat u nog ontbreekt: de kracht namelijk om terwille -van het éene — en gij kent dat eene — al het andere te +van het éene — en gij kent dat eene — al het andere te onderdrukken, zelfs de verleidende stem van uw hart en de bedrieglijke inblazingen van uwe eigene overtuiging. — Nog iets! Zend artsen naar het huis van den Paraschiet, en beveel hen de gewonde te behandelen alsof zij de koningin zelve ware. Wie kent de woning van dien man?”</p> -<p>»De prinses,” antwoordde Pentaoer, »heeft den gids des konings, -Paäker, in den tempel achtergelaten, om de artsen naar +<p>»De prinses,” antwoordde Pentaoer, »heeft den gids des konings, +Paäker, in den tempel achtergelaten, om de artsen naar het huis van Pinem den weg te wijzen.”</p> <p>De ernstige opperpriester begon te lachen, terwijl hij zeide: -»Paäker, die waakt over de dochter van een Paraschiet!”</p> +»Paäker, die waakt over de dochter van een Paraschiet!”</p> <p>Pentaoer hief nog half vreesachtig, half schalks de oogen op, -die hij tot dusver had neergeslagen, en zuchtte: »En Pentaoer, +die hij tot dusver had neergeslagen, en zuchtte: »En Pentaoer, de zoon van den hovenier, die de dochter des konings moet aanzeggen, dat zij niet rein is!”</p> -<p>»Pentaoer de dienaar der godheid, Pentaoer de priester zal +<p>»Pentaoer de dienaar der godheid, Pentaoer de priester zal niet met de prinses maar met een overtreedster der wet te doen -hebben,” hernam Ameni weder ernstig. »Doe Paäker weten, +hebben,” hernam Ameni weder ernstig. »Doe Paäker weten, dat ik hem verlang te spreken.”</p> <p>De dichter boog diep en verliet het vertrek. De opperpriester -fluisterde in zichzelf: »Hij is nog niet zooals hij wezen moet, en +fluisterde in zichzelf: »Hij is nog niet zooals hij wezen moet, en mijne woorden zijn op hem zonder uitwerking gebleven.” Toen zweeg hij, liep peinzend het vertrek op en neer, en zeide half -overluid denkende: »En toch is deze jongeling voor groote dingen<span class="pagenum"><a name="Page_27" id="Page_27">[27]</a></span> +overluid denkende: »En toch is deze jongeling voor groote dingen<span class="pagenum"><a name="Page_27" id="Page_27">[27]</a></span> bestemd. Welke gave des geestes zou hij missen? Hij kan leeren, denken, gevoelen en harten veroveren — ook het mijne. Edel en bescheiden heeft hij zich gedragen....”</p> <p>Bij deze woorden bleef de hoogepriester stilstaan, sloeg zijn hand aan de leuning van een stoel die voor hem stond, en vervolgde: -»Juist dit is ’t wat hem ontbreekt! Hij kent het vuur +»Juist dit is ’t wat hem ontbreekt! Hij kent het vuur der eerzucht nog niet. Laat ons dit ontsteken, in zijn en in ons belang.”</p> @@ -1215,12 +1176,12 @@ van Ramses II en zijn opvolger Mernephtah afkomstig zijn.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_13" id="Footnote_13"></a><a href="#FNanchor_13"><span class="label">13)</span></a> Het groote, het verhevene huis, de hooge porte: ziedaar de vertolking -van het Egyptische Peraä, waaruit het „pharao” der Joden is ontstaan.</p> +van het Egyptische Peraä, waaruit het „pharao” der Joden is ontstaan.</p> </div> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_14" id="Footnote_14"></a><a href="#FNanchor_14"><span class="label">14)</span></a> Vele exemplaren zijn in de graven gevonden. Een dergelijk toestel -wordt nog heden in Nubië gebruikt.</p> +wordt nog heden in Nubië gebruikt.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -1246,7 +1207,7 @@ Zulke pruiken worden nog in enkele musea bewaard.</p> <hr class="l4" /> <p>Pentaoer haastte zich aan het bevel van den opperpriester te -voldoen. Hij gelastte een dienaar den gids Paäker, die daar nog +voldoen. Hij gelastte een dienaar den gids Paäker, die daar nog altijd stond te wachten, naar Ameni te geleiden. Inmiddels ging hijzelf tot de artsen, om hun de zorgvuldige verpleging van het ongelukkige meisje zeer op het hart te drukken.</p> @@ -1256,7 +1217,7 @@ maar weinigen bleven daar wonen, na hun schrijversexamen te hebben afgelegd. De bekwaamsten werden naar de inrichting te Heliopolis gezonden, in welker groote zalen van oudsher de beroemdste medische faculteit van het land bloeide. Nadat zij -daar hunne studiën hadden voleindigd, keerden zij als meesters, +daar hunne studiën hadden voleindigd, keerden zij als meesters, hetzij in de chirurgie, hetzij in de oogheelkunde of in eenig ander onderdeel hunner wetenschap, naar Thebe terug. Bekleed met de hoogste waardigheid van hun stand, werden zij door @@ -1279,7 +1240,7 @@ van zulk een geval.</p> <p>Evenals alle priesters leefden ook de artsen van de inkomsten, die zij trokken uit eenig grondbezit, uit koninklijke giften, uit de belastingen der leeken en de toelagen, die zij verder ontvingen -uit de schatkist van den staat. Van hunne patiënten hadden zij +uit de schatkist van den staat. Van hunne patiënten hadden zij geene belooning te verwachten, hoewel de herstelden zelden verzuimden aan het heiligdom, dat den arts had aangewezen, een geschenk te vereeren. Het behoorde daarom niet tot de zeldzaamheden, @@ -1289,7 +1250,7 @@ den tempel wilde getroosten. De kennis der Egyptische artsen strekten zich uit over het geheele gebied der medische wetenschap, en was waarlijk niet gering te schatten. Het is echter te denken, dat geneesheeren, die zich aan het ziekbed nederzetten -als »daartoe aangewezen dienaars der godheid,” zich in geenen +als »daartoe aangewezen dienaars der godheid,” zich in geenen deele tevreden stelden met eene rationeele behandeling der lijders; veel meer meenden zij te mogen verwachten van de geheimzinnige werking van gebeden en bezweringen, die volstrekt @@ -1305,7 +1266,7 @@ van gelijken leeftijd, was de kleinzoon van een beroemd geneesheer, die ook Nebsecht heette en sedert lang gestorven was. Deze had zich van der jeugd op zijne wetenschap toegelegd met een buitengewonen aanleg, een ijver en eene toewijding, die -hij van zijn grootvader scheen geërfd te hebben. Te Heliopolis +hij van zijn grootvader scheen geërfd te hebben. Te Heliopolis koos hij de chirurgie tot zijne specialiteit<a name="FNanchor_19" id="FNanchor_19"></a><a href="#Footnote_19" class="fnanchor">19)</a>, en zeker zou men hem daar als leeraar hebben gehouden, indien niet een gebrek in het spraakorgaan hem het spreken moeielijk had gemaakt. Het @@ -1394,7 +1355,7 @@ om Pentaoer, die de gewoonten van zijn vriend maar al te goed kende, te overtuigen, dat hij Nebsecht in eene verbodene werkzaamheid had gestoord. Deze laatste knikte den binnentredende, zoodra hij hem erkende, vriendelijk toe, zeggende: -»Gij hadt mij niet zoo moeten doen schrikken.” Hierop stak +»Gij hadt mij niet zoo moeten doen schrikken.” Hierop stak hij zijne handen onder de tafel, en haalde wat hij weggestopt had weder voor den dag, namelijk een levend konijn, op een plank gebonden. In het opengespalkte lijf, dat door houten @@ -1403,119 +1364,119 @@ zich verder over Pentaoer te bekommeren, ging hij met zijn afgebroken onderzoek voort.</p> <p>Een tijdlang zag de dichter zwijgend toe; toen legde hij zijn -hand op den schouder zijns vriends, en zeide: »Sluit voortaan +hand op den schouder zijns vriends, en zeide: »Sluit voortaan uw kamer, wanneer gij u met verbodene dingen bezig houdt.”</p> -<p>»Men he... heeft mij,” stotterde de geleerde, »de grendel van +<p>»Men he... heeft mij,” stotterde de geleerde, »de grendel van de deur genomen, sedert men mij onlangs betrapte, toen ik bezig was de hand van den bedrieger<a name="FNanchor_21" id="FNanchor_21"></a><a href="#Footnote_21" class="fnanchor">21)</a> Ptahmes te ontleden.”</p> -<p>»De mummie van den armen man zal dus de rechterhand +<p>»De mummie van den armen man zal dus de rechterhand moeten missen!” hernam de dichter.</p> -<p>»Hij zal dien aan gene zijde des grafs niet noodig hebben.”</p> +<p>»Hij zal dien aan gene zijde des grafs niet noodig hebben.”</p> -<p>»Gij hebt hem toch zeker Schebti-beeldjes<a name="FNanchor_22" id="FNanchor_22"></a><a href="#Footnote_22" class="fnanchor">22)</a> mede gegeven +<p>»Gij hebt hem toch zeker Schebti-beeldjes<a name="FNanchor_22" id="FNanchor_22"></a><a href="#Footnote_22" class="fnanchor">22)</a> mede gegeven in zijn graf?”</p> -<p>»Onzin.”</p> +<p>»Onzin.”</p> -<p>»Gij gaat te ver, Nebsecht, en zijt onvoorzichtig! Hij die een +<p>»Gij gaat te ver, Nebsecht, en zijt onvoorzichtig! Hij die een onschadelijk dier zonder nut martelt, hem zullen de geesten der onderwereld desgelijks doen, leert de wet. Maar ik bemerk reeds wat gij zeggen wilt. Ge acht het geoorloofd een dier te laten lijden, wanneer gij daardoor uwe wetenschap kunt verrijken, die u in staat stelt de smarten der menschen te lenigen......”</p> -<p>»En gij niet?”</p> +<p>»En gij niet?”</p> <p>Pentaoer plooide zijn mond tot een glimlach. Hij boog zich -over het konijntje neder en zeide: »Hoe merkwaardig! Het +over het konijntje neder en zeide: »Hoe merkwaardig! Het diertje leeft nog altijd. Een mensch zou reeds lang onder zulk eene behandeling gestorven zijn. Zijn organisme is zeker van een kostbaarder en fijner maaksel, en daarom wordt het eerder vernietigd!”</p> <p>Nebsecht haalde de schouders op, terwijl hij antwoordde: -»Misschien!”</p> +»Misschien!”</p> -<p>»Ik dacht toch, dat ge dit weten moest.”</p> +<p>»Ik dacht toch, dat ge dit weten moest.”</p> -<p>»Ik?” vroeg de arts. »Waarom dan? Ik zeide het reeds: — men +<p>»Ik?” vroeg de arts. »Waarom dan? Ik zeide het reeds: — men staat mij zelfs niet toe te onderzoeken, hoe zich de hand van een falsaris beweegt.”</p> -<p>»Bedenk toch dat de schrift leert: het welzijn der ziel is +<p>»Bedenk toch dat de schrift leert: het welzijn der ziel is afhankelijk van het behoud des lichaams.”</p> <p>Nebsecht sloeg zijne kleine schrandere oogen op, en zeide met -hetzelfde ongeloovig gebaar van zoo even: »Dat zal dan wel +hetzelfde ongeloovig gebaar van zoo even: »Dat zal dan wel zoo zijn. Overigens gaan die dingen mij niet aan. Handel<span class="pagenum"><a name="Page_33" id="Page_33">[33]</a></span> met de zielen der menschen zooals gij wilt, ik tracht alleen hunne lichamen te leeren kennen, en zet ze, zoo goed het gaan wil, weder in elkaar, wanneer ze hier of daar gebroken zijn.”</p> -<p>»Nu, Thot<a name="FNanchor_23" id="FNanchor_23"></a><a href="#Footnote_23" class="fnanchor">23)</a> zij geloofd, dat gij u in deze kunst het meesterschap +<p>»Nu, Thot<a name="FNanchor_23" id="FNanchor_23"></a><a href="#Footnote_23" class="fnanchor">23)</a> zij geloofd, dat gij u in deze kunst het meesterschap niet behoeft te ontzeggen!”</p> -<p>»Wie is een meester,” vroeg Nebsecht, »behalve de godheid? +<p>»Wie is een meester,” vroeg Nebsecht, »behalve de godheid? Ik kan niets, volstrekt niets, en gebruik mijne instrumenten met even onzekere hand als de beeldhouwer die veroordeeld is in het duister te werken.”</p> -<p>»Dus zoowat als de blinde Resoe,” hernam Pentaoer lachend, -»die beter kon schilderen dan al de ziende kunstenaars in den +<p>»Dus zoowat als de blinde Resoe,” hernam Pentaoer lachend, +»die beter kon schilderen dan al de ziende kunstenaars in den tempel.”</p> -<p>»Ik geef toe, dat er in mijne werkzaamheid ook iets <em>beter</em> +<p>»Ik geef toe, dat er in mijne werkzaamheid ook iets <em>beter</em> of <em>slechter</em> kan genoemd worden, maar van <em>goed</em> kan geen sprake zijn.”</p> -<p>»Dan zullen wij ons met uw <em>beter</em> te vreden moeten stellen. +<p>»Dan zullen wij ons met uw <em>beter</em> te vreden moeten stellen. Ik kom juist om er een beroep op te doen!”</p> -<p>»Maar zijt gij dan ziek?”</p> +<p>»Maar zijt gij dan ziek?”</p> -<p>»Isis zij geloofd, ik voel mij zóo sterk, dat ik wel een palmboom +<p>»Isis zij geloofd, ik voel mij zóo sterk, dat ik wel een palmboom zou kunnen ontwortelen. Neen, ik wilde u vragen hedenavond nog een ziek meisje te bezoeken. De prinses Bent-Anat...”</p> -<p>»De koninklijke familie heeft hare eigene artsen.”</p> +<p>»De koninklijke familie heeft hare eigene artsen.”</p> -<p>»Laat mij toch uitspreken! De prinses heeft een meisje overreden, +<p>»Laat mij toch uitspreken! De prinses heeft een meisje overreden, en het arme kind moet zwaar gewond zijn.”</p> -<p>»Zo-o,” zeide de geleerde met een gerekte stem. »Ligt zij aan +<p>»Zo-o,” zeide de geleerde met een gerekte stem. »Ligt zij aan de overzijde in de stad, of hier in Nekropolis?”</p> -<p>»Hier; trouwens het is maar de dochter van een Paraschiet.”</p> +<p>»Hier; trouwens het is maar de dochter van een Paraschiet.”</p> -<p>»Een Paraschiet,” vroeg Nebsecht, en schoof zijn konijntje -weder onder den tafel. »Dan ga ik dadelijk!”</p> +<p>»Een Paraschiet,” vroeg Nebsecht, en schoof zijn konijntje +weder onder den tafel. »Dan ga ik dadelijk!”</p> -<p>»Zonderling! ik ga waarlijk gelooven, dat gij hoopt iets bijzonders +<p>»Zonderling! ik ga waarlijk gelooven, dat gij hoopt iets bijzonders bij den onreinen te vinden.”</p> -<p>»Dat is mijn zaak. Doch ik zal komen. Hoe heet die Paraschiet?”</p> +<p>»Dat is mijn zaak. Doch ik zal komen. Hoe heet die Paraschiet?”</p> -<p>»Pinem.”</p> +<p>»Pinem.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_34" id="Page_34">[34]</a></span></p> -<p>»Hm! Met hem zal niets zijn aan te vangen,” bromde de -geleerde binnen ’s monds. »Doch wie weet!”</p> +<p>»Hm! Met hem zal niets zijn aan te vangen,” bromde de +geleerde binnen ’s monds. »Doch wie weet!”</p> <p>Na deze woorden stond hij op, opende een stevig gesloten fleschje, en streek met een penseel strichnine<a name="FNanchor_24" id="FNanchor_24"></a><a href="#Footnote_24" class="fnanchor">24)</a> over de neus en den mond van het konijn, dat terstond ophield te ademen. -Daarop sloot hij het in een kist en sprak: »Ik ben bereid.”</p> +Daarop sloot hij het in een kist en sprak: »Ik ben bereid.”</p> -<p>»Maar in deze smerige kleederen kunt gij het huis toch niet +<p>»Maar in deze smerige kleederen kunt gij het huis toch niet verlaten!”</p> <p>De arts gaf een teeken van toestemming en greep in eene lade naar een schoon gewaad, dat hij begon aan te trekken over hetgeen hij aanhad, toen Pentaoer den vriend met de hand -tegenhield en lachend zeide: »Eerst moet den werkmansrok +tegenhield en lachend zeide: »Eerst moet den werkmansrok uitgetrokken. Komaan, ik zal u helpen. — Maar bij den God Besa<a name="FNanchor_25" id="FNanchor_25"></a><a href="#Footnote_25" class="fnanchor">25)</a>, gij zijt veelhuidig als een ui!”</p> @@ -1525,22 +1486,22 @@ studeervertrek, toen hij bemerkte dat zijn vriend voor de derde maal een schoon kleed over een vuil wilde aantrekken, zoodat hij niet minder dan drie kleederen aanhad.</p> -<p>Nebsecht begon ook te lachen en zeide: »Nu begrijp ik ook +<p>Nebsecht begon ook te lachen en zeide: »Nu begrijp ik ook waarom het overkleed mij zoo zwaar zat, en ik het op den middag zoo ondragelijk heet had. Ga heen, terwijl ik de overbodige kleederen uittrek, en laat, bid ik u, den opperpriester vragen, of ik den tempel mag verlaten.”</p> -<p>»Hij heeft mij reeds opgedragen een arts naar den Paraschiet +<p>»Hij heeft mij reeds opgedragen een arts naar den Paraschiet te zenden, en voegde er bij, dat de kranke als een koningin behandeld moest worden.”</p> -<p>»Ameni? En wist hij, dat wij hier slechts te doen hebben +<p>»Ameni? En wist hij, dat wij hier slechts te doen hebben met een kind van een Paraschiet?”</p> -<p>»Voorzeker!”</p> +<p>»Voorzeker!”</p> -<p>»Dan begin ik te gelooven, dat men met bezweringen, gebroken +<p>»Dan begin ik te gelooven, dat men met bezweringen, gebroken ledematen weder in het lid kan zetten. Ja, van die bezweringen gesproken: gij ook weet toch, dat ik niet meer alleen tot de kranken kan gaan, daar mijne dikke tong zich te moeielijk @@ -1552,20 +1513,20 @@ in den regel vergezelt.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_35" id="Page_35">[35]</a></span></p> -<p>»In plaats van dien blinden oude, zou ik mij toch liever een +<p>»In plaats van dien blinden oude, zou ik mij toch liever een jeugdiger helper kiezen.”</p> -<p>»Laat het zoo blijven! Ik zou zeer tevreden zijn wanneer hij +<p>»Laat het zoo blijven! Ik zou zeer tevreden zijn wanneer hij geen lust had zelf mede te gaan en mij zijn tong als een aal of een slak liet nakruipen. Hoofd en hart hebben met zijne spraakorganen toch niets uit te staan, en hij gaat zijn gang als een os die het graan treedt<a name="FNanchor_27" id="FNanchor_27"></a><a href="#Footnote_27" class="fnanchor">27)</a>.”</p> -<p>»Dat is waar,” zeide Pentaoer. »Onlangs zag ik zelf, hoe de -oude aan een ziekbed zijne litanieën prevelde, en onderwijl in stilte +<p>»Dat is waar,” zeide Pentaoer. »Onlangs zag ik zelf, hoe de +oude aan een ziekbed zijne litanieën prevelde, en onderwijl in stilte de dadels telde, waarvan men hem een zak vol had gegeven.”</p> -<p>»Hij zal niet gaarne medegaan naar den Paraschiet, want die +<p>»Hij zal niet gaarne medegaan naar den Paraschiet, want die is arm, en de oude zou eer die schorpioenen-familie in gindschen pot aangrijpen, dan een stuk brood aannemen uit de hand van een onreine. Zeg hem, dat hij mij mag komen halen en mijn wijn @@ -1573,27 +1534,27 @@ opdrinken. Daar staan de porties nog van drie dagen. Bij de tegenwoordige hitte benevelt de drank mijne oogen te zeer. Woont de Paraschiet in het noorden of zuiden van den Nekropolis?”</p> -<p>»Ik meen in het noorden. — Paäker, de gids des konings, zal +<p>»Ik meen in het noorden. — Paäker, de gids des konings, zal u den weg wijzen.”</p> -<p>»Hij?” hernam de geleerde spottend. »Wat staat er dan toch +<p>»Hij?” hernam de geleerde spottend. »Wat staat er dan toch heden in den kalender<a name="FNanchor_28" id="FNanchor_28"></a><a href="#Footnote_28" class="fnanchor">28)</a>? Een Paraschieten-kind moet als eene prinses behandeld worden, en een arts geleid, alsof hij de pharao was in eigen persoon! Ik had echter mijne drie overkleederen maar moeten aanhouden.”</p> -<p>»De nacht is warm,” zeide Pentaoer.</p> +<p>»De nacht is warm,” zeide Pentaoer.</p> -<p>»Doch Paäker heeft zonderlinge gewoonten. Eergisteren werd +<p>»Doch Paäker heeft zonderlinge gewoonten. Eergisteren werd ik bij een armen jongen geroepen, dien hij met zijn staf het sleutelbeen kort en klein had geslagen. Als ik een paard van de prinses was geweest, zou ik liever hem dan zoo’n arm meisje hebben getrapt.”</p> -<p>»Ik ook!” hernam Pentaoer lachend, en verliet het vertrek, +<p>»Ik ook!” hernam Pentaoer lachend, en verliet het vertrek, om den tweeden profeet van den tempel, Gagaboe, die tegelijk het hoofd der artsen in het Seti-huis was, te verzoeken zijn vriend -den blinden Pastophoor Teta, als litanieën-zanger mede te geven.</p> +den blinden Pastophoor Teta, als litanieën-zanger mede te geven.</p> <div class="footnotes"> @@ -1601,14 +1562,14 @@ den blinden Pastophoor Teta, als litanieën-zanger mede te geven.</p> <p><a name="Footnote_18" id="Footnote_18"></a><a href="#FNanchor_18"><span class="label">18)</span></a> Wat hier over de artsen wordt gezegd is hoofdzakelijk ontleend aan de geneeskundige geschriften der Egyptenaars, waaronder de papyrus-Ebers in de eerste plaats in aanmerking komt, vervolgens de medische -papyrus I van Berlijn, en eindelijk een hiëratisch handschrift te Londen, +papyrus I van Berlijn, en eindelijk een hiëratisch handschrift te Londen, dat evenals de papyrus-Ebers afkomstig is uit de 18de dynastie, d.i. uit de 16de eeuw v. Chr. Vgl. verder Herodotus II, 84; Diodorus I, 82.</p> </div> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_19" id="Footnote_19"></a><a href="#FNanchor_19"><span class="label">19)</span></a> Onder de zes hermetische boeken der artsen, door Clemens van -Alexandrië genoemd, was er éen gewijd aan de chirurgische instrumenten. +Alexandrië genoemd, was er éen gewijd aan de chirurgische instrumenten. Verkeerd gezette beenbreuken die men bij mummies heeft gevonden, strekken nochtans den Egyptischen chirurgen niet tot eer.</p> </div> @@ -1616,7 +1577,7 @@ strekken nochtans den Egyptischen chirurgen niet tot eer.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_20" id="Footnote_20"></a><a href="#FNanchor_20"><span class="label">20)</span></a> De Egyptenaren schijnen zich bij voorkeur van zulke messen te hebben bediend, ten minste bij de besnijdenis en bij lijkopeningen. Men -heeft er een aantal gevonden, die in de museën worden bewaard.</p> +heeft er een aantal gevonden, die in de museën worden bewaard.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -1650,7 +1611,7 @@ hem Toth of Techoeti, den tweemaal grooten, den zeer grooten heeten.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_25" id="Footnote_25"></a><a href="#FNanchor_25"><span class="label">25)</span></a> De toilet-godheid der Egyptenaars, die als een gedrochtelijke dwerg werd voorgesteld. Hij doet de vrouwen overwinnen in de liefde en de -mannen ook in den strijd. Hij is afkomstig uit Arabië.</p> +mannen ook in den strijd. Hij is afkomstig uit Arabië.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -1669,7 +1630,7 @@ zijden met halfronde schijven voorzien, en die men heden „noreg” noe door F. Chabas uitgegeven en verklaard. Bij elken dag staat aangeteekend, of hij gunstig is of niet, enz. In de tempels heeft men een groot aantal feestkalenders gevonden. De volledigste, van Medinet-Haboe, -werd uitgegeven door Dümichen.</p> +werd uitgegeven door Dümichen.</p> </div></div> <hr class="l1" /> @@ -1703,7 +1664,7 @@ Toen de honger gestild was begon men lustiger te drinken, en iederen gast werden welriekende bloemen aangeboden, welker<span class="pagenum"><a name="Page_37" id="Page_37">[37]</a></span> geur het gesprek scheen te verlevendigen. Allen die aan dit gastmaal deelnamen droegen lange sneeuwwitte kleederen, en behoorden -tot de ingewijden in de mysteriën. Zij waren derhalve de aanvoerders +tot de ingewijden in de mysteriën. Zij waren derhalve de aanvoerders der verschillende priesterorden van het Seti-huis.</p> <p>De tweede profeet Gagaboe, aan wien heden de leiding van @@ -1725,11 +1686,11 @@ hun leeftijd.</p> <p>Was er bij het plaats nemen der dischgenooten streng op de rangorde gelet, toch stond het ieder vrij aan het gesprek deel -te nemen, zoo vaak hij maar wilde. »Wij weten onze beroeping +te nemen, zoo vaak hij maar wilde. »Wij weten onze beroeping naar Thebe op prijs te stellen,” zeide Toeauf, de oudste der twee priesters, die uit Chennoe naar het Seti-huis was overgeplaatst, en wiens leerbrief<a name="FNanchor_32" id="FNanchor_32"></a><a href="#Footnote_32" class="fnanchor">32)</a> in de scholen dikwijls werd geraadpleegd. -»Aan den eenen kant brengt zij ons in de nabijheid van den +»Aan den eenen kant brengt zij ons in de nabijheid van den pharao wien de godheid leven, heil en gezondheid geve! Aan den anderen kant schenkt zij ons de eer in uw kring opgenomen te worden. Ofschoon ook het college van Chennoe in vroeger @@ -1739,31 +1700,31 @@ toch niet meer met het Seti-huis wedijveren. Zelfs Heliopolis en Memphis moeten voor u de vlag strijken. Indien ik mij desniettemin in alle nederigheid en vol goeden moed durf scharen in de rij van zooveel groote mannen, dan is het omdat ik uw -welslagen toeschrijf èn aan de goddelijke kracht, die in uw tempel -werkt, en ook mijne zwakke pogingen zal ondersteunen, èn aan +welslagen toeschrijf èn aan de goddelijke kracht, die in uw tempel +werkt, en ook mijne zwakke pogingen zal ondersteunen, èn aan uwe groote bekwaamheden zoowel als aan uwe inspanning. Aan de laatste zal het hoop ik, ook mij niet ontbreken. Reeds zag ik den opperpriester Ameni. Welk een man! Wie kent uw naam niet Gagaboe; wie niet den uwen, Meriapoe!”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_38" id="Page_38">[38]</a></span></p> -<p>»En wie uwer,” vroeg de andere nieuweling, »mogen wij begroeten +<p>»En wie uwer,” vroeg de andere nieuweling, »mogen wij begroeten als den dichter van de schoonste hymne aan Amon, welke ooit in het sykomoren-land gezongen is? Wie uwer is Pentaoer?”</p> -<p>»Die ledige stoel daar ginds,” gaf Gagaboe ten antwoord, wijzende -op een zetel aan het benedeneinde, »staat op hem te wachten. +<p>»Die ledige stoel daar ginds,” gaf Gagaboe ten antwoord, wijzende +op een zetel aan het benedeneinde, »staat op hem te wachten. Hij is de jongste van ons allen, maar eene schoone toekomst wacht hem.”</p> -<p>»En niet minder zijne gezangen,” voegde de oudste der uit +<p>»En niet minder zijne gezangen,” voegde de oudste der uit Chennoe gekomen geleerden er bij.</p> -<p>»Zonder twijfel,” sprak de eerste voorzitter der Horoscopen<a name="FNanchor_33" id="FNanchor_33"></a><a href="#Footnote_33" class="fnanchor">33)</a>, +<p>»Zonder twijfel,” sprak de eerste voorzitter der Horoscopen<a name="FNanchor_33" id="FNanchor_33"></a><a href="#Footnote_33" class="fnanchor">33)</a>, een bejaard man met een vervaarlijken grijzen kroeskop, die te zwaar scheen voor zijn dunnen hals, waarschijnlijk zoo lang uitgerekt, omdat zijne dagelijksche bezigheden was naar teekenen uit -te zien. »Zonder twijfel,” zeide hij, terwijl zijne oogen in hunne -hooggewelfde kassen van fanatisme vonkelden, »hebben de goden +te zien. »Zonder twijfel,” zeide hij, terwijl zijne oogen in hunne +hooggewelfde kassen van fanatisme vonkelden, »hebben de goden onzen jongen vriend rijke gaven verleend. Doch wij zullen nog moeten afwachten hoe hij ze gebruiken zal. Ik heb bij dezen jongeling zekere ongebondenheid van den geest opgemerkt, die @@ -1771,7 +1732,7 @@ mij doet vreezen. Wanneer hij dicht, dan blijft zijne buigzame taal wel binnen de voorgeschreven vormen, maar zijne gedachten gaan blijkbaar veel verder. In zijn hymne, die ook voor de ooren des volks bestemd is, vind ik uitdrukkingen, die men met den -naam van verraad aan de mysteriën zou kunnen bestempelen, +naam van verraad aan de mysteriën zou kunnen bestempelen, niettegenstaande nog zoo weinige maanden zijn voorbijgegaan, sedert hij ze bezworen heeft. Daar zegt hij, en wij zingen het hem na en de leeken hooren het:</p> @@ -1793,13 +1754,13 @@ allerminst in een tijd als de onze, nu er toch reeds zooveel nieuwigheden uit den vreemde binnendringen, als de sprinkhaanzwermen die uit het oosten komen.”</p> -<p>»Dat is mij uit het hart gesproken!” riep de schatmeester des -tempels. »Ameni heeft dezen jongeling te vroeg in de mysteriën +<p>»Dat is mij uit het hart gesproken!” riep de schatmeester des +tempels. »Ameni heeft dezen jongeling te vroeg in de mysteriën ingewijd.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_39" id="Page_39">[39]</a></span></p> -<p>»Op voordracht van mij, zijn leermeester,” zeide Gagaboe. »Ons +<p>»Op voordracht van mij, zijn leermeester,” zeide Gagaboe. »Ons gezelschap mag trotsch zijn op een medelid, dat den roem van onzen tempel zoo schitterend verhoogt. Het volk hoort zijne hymnen, maar dringt niet door tot den diepen zin zijner woorden. @@ -1807,8 +1768,8 @@ Ik zag de leeken nooit zoo aandachtig, als toen het diep gevoelde en schoone loflied gezongen werd bij het feest van den trap<a name="FNanchor_35" id="FNanchor_35"></a><a href="#Footnote_35" class="fnanchor">35)</a>.”</p> -<p>»Pentaoer was sedert lang uw lieveling,” riep de voorzitter der -Horoscopen. »Vele dingen, die ge u van hem laat welgevallen +<p>»Pentaoer was sedert lang uw lieveling,” riep de voorzitter der +Horoscopen. »Vele dingen, die ge u van hem laat welgevallen zoudt gij anderen niet veroorloven. Zijne hymne is in mijn oog en ook dat van anderen een gevaarlijk gewrocht. Of kunt gij loochenen, dat er grond bestaat om ernstig bezorgd te zijn; dat @@ -1817,12 +1778,12 @@ ons in den weg treden, en eindelijk ons te machtig zullen worden, wanneer wij ze niet onverbiddelijk bestrijden, zoolang het nog tijd is?”</p> -<p>»Gij draagt zand in de woestijn en strooit suiker op den honing,” -hernam Gagaboe, en zijne lippen begonnen te beven. »Er +<p>»Gij draagt zand in de woestijn en strooit suiker op den honing,” +hernam Gagaboe, en zijne lippen begonnen te beven. »Er is thans niets meer zooals het wezen moest, en wij zullen hard moeten vechten, niet met zwaarden, maar hiermede en daarmede” — en de levendige man sloeg zich terwijl hij dit zeide -op het voorhoofd en den mond. »Wie is er hier en dáar beter +op het voorhoofd en den mond. »Wie is er hier en dáar beter toegerust dan mijn leerling? Hij zal een voorvechter zijn voor onze zaak, een tweede Hor Hoet, die als gevleugelde zonneschijf den booze ter aarde wierp. Daar komt gij nu en wilt hem de @@ -1835,22 +1796,22 @@ uittrekken. Helaas! wij zullen in de eerst volgende jaren wat te bijten krijgen, dat de stukken vleesch eraf vliegen en het bloed stroomt, wanneer wij niet willen beleven, dat men ons opeet.”</p> -<p>»De vijand is ook ons niet onbekend gebleven,” zeide de Chennoe-priester -Toeauf, »niettegenstaande wij aan de afgelegen zuidelijke +<p>»De vijand is ook ons niet onbekend gebleven,” zeide de Chennoe-priester +Toeauf, »niettegenstaande wij aan de afgelegen zuidelijke grens des rijks veel van ons verwijderd kunnen houden, wat in het noorden als een kanker aan ons lichaam knaagt. Het vreemde wordt hier ternauwernood meer voor onrein en typhonisch<a name="FNanchor_36" id="FNanchor_36"></a><a href="#Footnote_36" class="fnanchor">36)</a> gehouden.”</p> -<p>»Ternauwernood?” riep de voorzitter der Horoscopen. »Het<span class="pagenum"><a name="Page_40" id="Page_40">[40]</a></span> +<p>»Ternauwernood?” riep de voorzitter der Horoscopen. »Het<span class="pagenum"><a name="Page_40" id="Page_40">[40]</a></span> wordt hierheen gelokt, liefgekoosd en vereerd. Evenals stof, wanneer de heete woestijnwinden waaien door de naden van een houten huis, zoo dringt het door tot onze zeden en in onze taal<a name="FNanchor_37" id="FNanchor_37"></a><a href="#Footnote_37" class="fnanchor">37)</a>. Onze huizen, zelfs den tempel sluipt het binnen, en op den troon van den navolger van Ra zetelt een afstammeling....”</p> -<p>»Vermetele!” zoo deed zich op eens de stem van den opperpriester -hooren, die juist de zaal was binnengekomen. »Bedwing +<p>»Vermetele!” zoo deed zich op eens de stem van den opperpriester +hooren, die juist de zaal was binnengekomen. »Bedwing uw tong en waag het niet dien te gebruiken tegen hem, die onze koning is, en als plaatsvervanger van Ra in deze landen den scepter voert.”</p> @@ -1862,121 +1823,121 @@ plaats op zijn zetel, en zich tot Gagaboe wendende, vroeg hij kalm: — &ldq zie dat gij in eene stemming verkeert, die ons priesters weinig voegt. Wat verstoorde het evenwicht uwer zielen?”</p> -<p>»Wij spraken over de nieuwigheden, die met alle geweld +<p>»Wij spraken over de nieuwigheden, die met alle geweld Egypte binnendringen, en hoe noodig het wordt hieraan weerstand te bieden.”</p> -<p>»Gij zult mij in de eerste gelederen zien strijden,” zeide Ameni.</p> +<p>»Gij zult mij in de eerste gelederen zien strijden,” zeide Ameni.</p> -<p>»Veel hebben wij reeds gedragen, doch er zijn nieuwe tijdingen +<p>»Veel hebben wij reeds gedragen, doch er zijn nieuwe tijdingen uit het noorden gekomen, die mij zeer verontrusten.”</p> -<p>»Hebben onze troepen eene nederlaag geleden?”</p> +<p>»Hebben onze troepen eene nederlaag geleden?”</p> -<p>»Zij behielden het veld. Maar andere duizendtallen onzer landslieden +<p>»Zij behielden het veld. Maar andere duizendtallen onzer landslieden zijn in veldslagen en op marschen een offer des doods -geworden. Ramses vraagt nieuwe hulptroepen. De gids Paäker +geworden. Ramses vraagt nieuwe hulptroepen. De gids Paäker heeft mij een brief gebracht van onzen ambtgenoot, die in de omgeving des konings is, en den stadhouder een van den pharao zelven, het bevel inhoudende hem vijftigduizend strijdbare mannen te zenden. Daar echter de geheele caste der krijgslieden en alle troepen der verbonden volken reeds onder de wapenen staan, moeten de onderhoorigen van den tempel, die onze akkers bebouwen, -worden gelicht en naar Azië gezonden.”</p> +worden gelicht en naar Azië gezonden.”</p> <p>Bij het vernemen dezer woorden werden algemeen teekenen van afkeuring gegeven. De voorzitter der Horoscopen stampvoette -en Gagaboe vroeg: »Wat denkt gij te doen?”</p> +en Gagaboe vroeg: »Wat denkt gij te doen?”</p> -<p>»Alles gereed te maken om het koninklijk bevel uittevoeren,” -antwoordde Ameni, »en onverwijld de hoofden van alle tempels +<p>»Alles gereed te maken om het koninklijk bevel uittevoeren,” +antwoordde Ameni, »en onverwijld de hoofden van alle tempels in de Amonstad tot eene raadsvergadering bijeen te roepen. Ieder moet in zijn allerheiligste de godheid om wijze inzichten bidden. Hebben wij een besluit genomen, dan zal het eerste zijn wat ons<span class="pagenum"><a name="Page_41" id="Page_41">[41]</a></span> te doen staat, den stadhouder op onze zijde te brengen. Wie was er gisteren tegenwoordig bij zijne gebeden?”</p> -<p>»De beurt was aan mij,” zeide de voorzitter der Horoscopen.</p> +<p>»De beurt was aan mij,” zeide de voorzitter der Horoscopen.</p> -<p>»Volg mij na den maaltijd in mijne woning,” beval Ameni. -»Maar waarom mis ik onzen dichter in uwen kring?”</p> +<p>»Volg mij na den maaltijd in mijne woning,” beval Ameni. +»Maar waarom mis ik onzen dichter in uwen kring?”</p> <p>Op ditzelfde oogenblik verscheen Pentaoer in de zaal en verzocht, nadat hij zich ongedwongen en waardig voor de dischgenooten, en diep voor Ameni gebogen had, hem toe te staan den blinden Pastophoor Teta met den arts Nebsecht naar het dochtertje van den Paraschiet te mogen zenden. Ameni gaf een -teeken van toestemming en voegde er bij: »Zij moeten zich wat -haasten. Paäker wacht hen aan de groote poort en zal hen met +teeken van toestemming en voegde er bij: »Zij moeten zich wat +haasten. Paäker wacht hen aan de groote poort en zal hen met mijn wagen wegbrengen.”</p> <p>Zoodra Pentaoer de gasten verlaten had, sprak de oudere priester -uit Chennoe, terwijl hij zich tot Ameni wendde: »Waarlijk, +uit Chennoe, terwijl hij zich tot Ameni wendde: »Waarlijk, heilige vader, zoo en niet anders heb ik mij uw dichter voorgesteld. Hij gelijkt den zonnegod en zijne houding is die van een vorst. Hij is gewis van aanzienlijke afkomst?”</p> -<p>»Zijn vader is een eenvoudige hovenier,” antwoordde de opperpriester, -»die het land, dat hem door onzen tempel wordt toegewezen, +<p>»Zijn vader is een eenvoudige hovenier,” antwoordde de opperpriester, +»die het land, dat hem door onzen tempel wordt toegewezen, ijverig en goed verzorgt. Overigens munt hij niet uit door eene edele gestalte en is hij vrij onbeschaafd. Hij zond Pentaoer reeds vroeg naar de school<a name="FNanchor_38" id="FNanchor_38"></a><a href="#Footnote_38" class="fnanchor">38)</a>. De knaap had een voortreffelijken aanleg, en wij voedden hem op tot hetgeen hij nu is.”</p> -<p>»Welke ambten bekleedt hij hier in den tempel?”</p> +<p>»Welke ambten bekleedt hij hier in den tempel?”</p> -<p>»Hij geeft onderricht aan de oudste kweekelingen van de hoogeschool +<p>»Hij geeft onderricht aan de oudste kweekelingen van de hoogeschool in de spraakleer en de welsprekendheid. Hij is ook een uitmuntend waarnemer van den sterrenhemel en de scherpzinnigste onder onze droomuitleggers,” gaf Gagaboe ten antwoord. -»Doch daar is hij weder terug. Naar wien moet Paäker onzen +»Doch daar is hij weder terug. Naar wien moet Paäker onzen stamelenden chirurg en zijn medehelper heenbrengen?”</p> -<p>»Naar het dochtertje van den Paraschiet, dat overreden is,” -sprak Pentaoer. »Maar wat is die gids een ruw man! Mijne +<p>»Naar het dochtertje van den Paraschiet, dat overreden is,” +sprak Pentaoer. »Maar wat is die gids een ruw man! Mijne gehoorvliezen doen nog pijn van zijn stemgeluid, en hij begroette onzen arts, alsof deze zijn slaaf ware.”</p> -<p>»Hij was gemelijk over den last, dien de prinses hem opdroeg,” -merkte de opperpriester vergoelijkend op. »Het is echter jammer, +<p>»Hij was gemelijk over den last, dien de prinses hem opdroeg,” +merkte de opperpriester vergoelijkend op. »Het is echter jammer, dat ’s mans oprechte vroomheid tot hiertoe zijn onvriendelijken gemoedsaard niet wat heeft verzacht.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_42" id="Page_42">[42]</a></span></p> -<p>»Dit is te meer te verwonderen,” bracht een bejaarde priester -in het midden, »daar zijn broeder, die mij tot zijn leermeester +<p>»Dit is te meer te verwonderen,” bracht een bejaarde priester +in het midden, »daar zijn broeder, die mij tot zijn leermeester koos en ons voor eenige jaren verliet een zeer beminnelijke jongen was, die zich gemakkelijk liet leiden.”</p> -<p>»En zijn vader,” voegde Ameni er bij, »was een voortreffelijk +<p>»En zijn vader,” voegde Ameni er bij, »was een voortreffelijk man, kloek in het handelen, en daarbij zeer vrijzinnig.”</p> -<p>»Zoo zal hij die kwade eigenschappen van zijne moeder geërfd +<p>»Zoo zal hij die kwade eigenschappen van zijne moeder geërfd hebben.”</p> -<p>»Ook dit is niet het geval. Zij is eene zachtaardige, voorkomende, +<p>»Ook dit is niet het geval. Zij is eene zachtaardige, voorkomende, gevoelige vrouw.”</p> -<p>»Moet dan,” vroeg Pentaoer, »een kind, altijd op zijne ouders +<p>»Moet dan,” vroeg Pentaoer, »een kind, altijd op zijne ouders gelijken? Men zegt toch dat de zonen van den heiligen stier nog nooit het heilig teeken huns vaders hebben gedragen.”</p> -<p>»Derhalve, als Paäker’s vader een Apis was,” zeide Gagaboe, -»dan behoorde de gids naar uw oordeel, helaas, in een boerenstal +<p>»Derhalve, als Paäker’s vader een Apis was,” zeide Gagaboe, +»dan behoorde de gids naar uw oordeel, helaas, in een boerenstal te huis!”</p> -<p>Pentaoer sprak niet tegen, maar vervolgde lachend: »Hij is +<p>Pentaoer sprak niet tegen, maar vervolgde lachend: »Hij is zichzelf gelijk gebleven, sedert hij de schoolbanken verliet, toen zijne makkers hem wegens zijne stugheid den woudezel noemden. Hij was sterker dan de meesten hunner, en toch kenden zij geen grooter genot, dan hem woedend te maken.”</p> -<p>»Kinderen zijn onmeedoogend,” sprak de opperpriester. »Zij +<p>»Kinderen zijn onmeedoogend,” sprak de opperpriester. »Zij letten alleen op de uitwendige verschijnselen en vragen nooit naar hunne oorzaken. De gebrekkig ontwikkelde is in hun oog even -schuldig als de trage, en Paäker had geene eigenschappen, die +schuldig als de trage, en Paäker had geene eigenschappen, die hem aanspraak konden geven op hunne toegevendheid. Ik ben een voorstander” — en Ameni richtte bij deze woorden zijn oog -op de priesters van Chennoe — »van vrijheid en vroolijkheid +op de priesters van Chennoe — »van vrijheid en vroolijkheid onder onze kweekelingen, legt men hunne jeugdige dartelheid aan banden, dan verlamt men juist hetgeen ons bij de opvoeding het meest te stade komt. De uitspattingen van de neigingen en @@ -1984,31 +1945,31 @@ driften der knapen kunnen het zekerst en het minst pijnlijk worden uitgeroeid bij hunne wilde spelen. De schoolknaap is de beste opvoeder van zijne makkers.”</p> -<p>»Doch Paäker,” merkte de priester Meriapoe aan, »is door den +<p>»Doch Paäker,” merkte de priester Meriapoe aan, »is door den overmoed zijner medescholieren niet beter geworden. In voortdurenden strijd met hen is die onhandelbaarheid steeds toegenomen, waardoor hij een schrik is van allen die onder hem gesteld zijn, en vele harten van hem vervreemd.”</p> -<p>»Hij was de ongelukkigste van het groot aantal jongens,” -vervolgde Ameni weder, »dat aan mijne zorg werd toevertrouwd, +<p>»Hij was de ongelukkigste van het groot aantal jongens,” +vervolgde Ameni weder, »dat aan mijne zorg werd toevertrouwd, en ik meen de oorzaak er van doorgrond te hebben. Hij miste den eenvoudigen kinderzin, toen hij naar zijn leeftijd nog kind was, en de godheid onthield hem de hemelsche gave der onbedachtzaamheid. De jeugd moet met weinig tevreden zijn, en hij<span class="pagenum"><a name="Page_43" id="Page_43">[43]</a></span> deed reeds van kindsbeen allerlei hooge eischen gelden. De grappen -van zijne medeleerlingen nam Paäker in ernst op, hunne +van zijne medeleerlingen nam Paäker in ernst op, hunne scherts hield hij voor dwaasheid, hunne plagerijen voor bewijzen van vijandschap, en zijn vader, die op het punt van opvoeding zeer bekrompen was, prikkelde hem tot tegenstand, in plaats van hem te leeren toegeven, meenende dat hij op deze wijze zich zou harden tot het leven vol strijd en inspanning van een Mohar.”</p> -<p>»Ik heb dikwijls hooren gewagen van de daden van zulk een -Mohar”<a name="FNanchor_39" id="FNanchor_39"></a><a href="#Footnote_39" class="fnanchor">39)</a>, zeide de oudste der Chennoe-priesters. »Toch weet +<p>»Ik heb dikwijls hooren gewagen van de daden van zulk een +Mohar”<a name="FNanchor_39" id="FNanchor_39"></a><a href="#Footnote_39" class="fnanchor">39)</a>, zeide de oudste der Chennoe-priesters. »Toch weet ik niet juist wat zijn ambt van hem vordert.”</p> -<p>»Hij moet,” antwoordde Gagaboe, »met eene keurbende van +<p>»Hij moet,” antwoordde Gagaboe, »met eene keurbende van onverschrokken manschappen het vijandelijk land doorkruisen, ten einde zich op de hoogte te stellen van den aard en het aantal der bevolking, alsmede de richting van bergen en dalen @@ -2017,40 +1978,40 @@ door hem opgeteekend, moet hij den bestuurder der oorlogszaken<a name="FNanchor_40" id="FNanchor_40"></a><a href="#Footnote_40" class="fnanchor">40)</a> overhandigen, die daarnaar de marschen zijner troepen regelt.”</p> -<p>»Derhalve moet de Mohar wel zeer knap zijn, èn als krijgsman -èn als schrijver.”</p> +<p>»Derhalve moet de Mohar wel zeer knap zijn, èn als krijgsman +èn als schrijver.”</p> -<p>»Juist; en Paäkers vader is niet alleen een held maar tevens +<p>»Juist; en Paäkers vader is niet alleen een held maar tevens een schrijver geweest, wiens duidelijke berichten, die blijken droegen van groote kennis van zaken, ons in staat stelden het land dat hij doorreisd had te overzien, als beschouwden wij het van een bergtop. Hij was de eerste, die den naam van Mohar -ontving. De koning achtte hem zóo hoog, dat hij alleen van +ontving. De koning achtte hem zóo hoog, dat hij alleen van hem en den bestuurder der krijgsaangelegenheden bevelen had te wachten.”</p> -<p>»Behoorde hij tot een adellijk geslacht?”</p> +<p>»Behoorde hij tot een adellijk geslacht?”</p> -<p>»Tot een der oudste en edelste van het geheele land,” antwoordde -de voorzitter der Horoscopen. »Zijn vader was de +<p>»Tot een der oudste en edelste van het geheele land,” antwoordde +de voorzitter der Horoscopen. »Zijn vader was de dappere krijgsman Assa, en nadat hijzelf tot groot aanzien was gekomen en vele schatten had verworven, huwde hij de nicht van koning Hor-em-heb, die evengoed als de stadhouder aanspraak op den troon zou hebben, wanneer niet de grootvader van Ramses haar geslacht door geweld van de heerschappij had beroofd.”</p> -<p>»Pas op uw woorden,” zeide Ameni, den heftigen grijsaard in -de rede vallende. »Ramses I is en blijft de grootvader van den +<p>»Pas op uw woorden,” zeide Ameni, den heftigen grijsaard in +de rede vallende. »Ramses I is en blijft de grootvader van den regeerenden koning, in wiens aderen door zijne moeder het bloed vloeit van de echte nakomelingen van den zonnegod.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_44" id="Page_44">[44]</a></span></p> -<p>»Maar nog meer en zuiverder stroomt het door de aderen +<p>»Maar nog meer en zuiverder stroomt het door de aderen van den stadhouder,” waagde de Horoscoop nog hiertegen in te brengen.</p> -<p>»Nochtans draagt Ramses de kroon,” riep Ameni, »en hij zal +<p>»Nochtans draagt Ramses de kroon,” riep Ameni, »en hij zal die dragen, zoolang de goden het willen. Bedenk dat gij reeds grijze haren hebt, en dat oproerige woorden gelijk zijn aan vonken, die met den wind wegwaaien, doch wanneer zij ongelukkig @@ -2062,28 +2023,28 @@ en met wijs overleg mijn bevel!”</p> <p>De opperpriester nam hierop van de gasten afscheid. Zoodra de deur achter hem gesloten was, zeide de priester uit Chennoe, -Toeauf: »Wat wij zooeven omtrent den koninklijken wegwijzer, +Toeauf: »Wat wij zooeven omtrent den koninklijken wegwijzer, die zulk een gewichtig ambt bekleedt, vernomen hebben, heeft mij niet weinig verwonderd. Munt hij dan uit door bijzondere scherpzinnigheid?”</p> -<p>»Hij was een blokker die maar een middelmatigen aanleg +<p>»Hij was een blokker die maar een middelmatigen aanleg bezat.”</p> -<p>»Is dan de waardigheid van Mohar erfelijk, evenals die van +<p>»Is dan de waardigheid van Mohar erfelijk, evenals die van de vorsten des rijks?”</p> -<p>»De hemel beware ons!”</p> +<p>»De hemel beware ons!”</p> -<p>»Maar hoe kon dan...?”</p> +<p>»Maar hoe kon dan...?”</p> -<p>»Het gebeurde zooals het wel meer gaat,” viel de oude Gagaboe -den vrager in de rede. »De zoon van den wijngaardenier heeft +<p>»Het gebeurde zooals het wel meer gaat,” viel de oude Gagaboe +den vrager in de rede. »De zoon van den wijngaardenier heeft den mond vol druiven, en het kind van een portier weet de sloten met woorden te openen.”</p> -<p>»In elk geval,” voegde een oudere priester, die tot hiertoe -gezwegen had, er bij, »heeft Paäker zich als Mohar verdienstelijk +<p>»In elk geval,” voegde een oudere priester, die tot hiertoe +gezwegen had, er bij, »heeft Paäker zich als Mohar verdienstelijk gemaakt, en bezit hij eigenschappen, die allen lof verdienen. Hij is taai en onvermoeid, laat zich door geen gevaar uit het veld slaan, en onderscheidde zich reeds als knaap door zijne vroomheid @@ -2097,13 +2058,13 @@ en godenbeeldjes. Ook nog heden moet hij onder de godsdienstigsten worden gerekend, en de doodenoffers, die hij aan zijn gestorven vader wijdt, zijn inderdaad koninklijk te noemen.”</p> -<p>»Wij zijn hem voor deze gaven dank schuldig,” zeide de -schatmeester, »ook is de wijze waarop hij zijn vader na diens +<p>»Wij zijn hem voor deze gaven dank schuldig,” zeide de +schatmeester, »ook is de wijze waarop hij zijn vader na diens dood vereert buitengewoon, en kan niet genoeg worden geroemd.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_45" id="Page_45">[45]</a></span></p> -<p>»Zeker doet hij zijn best,” zeide Gagaboe spottend, »dien vader +<p>»Zeker doet hij zijn best,” zeide Gagaboe spottend, »dien vader in alles na te volgen. Al heeft hij ook met den waardigen man geen enkelen trek gemeen, zoo is hij toch langzamerhand wat op hem gaan gelijken, maar helaas, gelijk een gans op een zwaan @@ -2118,30 +2079,30 @@ als ik de godheid was, dan zou mij zijne vroomheid niet meer waard zijn dan de veder van een hoppe. Want hoe ziet het er uit in het hart van hem, die deze offers brengt, ach, hoe ziet het er uit! De storm en de wolken staan onder het bestuur van -Seth, en daar binnen, dáar, dáar” — en de oude priester sloeg -zich op zijn breede borst, — »dáar kookt en schuimt het en +Seth, en daar binnen, dáar, dáar” — en de oude priester sloeg +zich op zijn breede borst, — »dáar kookt en schuimt het en er is geen plekje zoo groot als deze tarwekoek te vinden, geen plekje van den helderen, blauwen hemel van Ra, zooals zich die vriendelijk en rein moet afspiegelen in de ziel van den waarlijk vrome.”</p> -<p>»Hebt gij zijn hart doorgrond?” vroeg de Horoscoop.</p> +<p>»Hebt gij zijn hart doorgrond?” vroeg de Horoscoop.</p> -<p>»Zoo goed als dezen beker,” antwoordde Gagaboe, terwijl hij -den rand van de blanke schaal op zijn nagel drukte. »Sedert +<p>»Zoo goed als dezen beker,” antwoordde Gagaboe, terwijl hij +den rand van de blanke schaal op zijn nagel drukte. »Sedert vijftien jaren onafgebroken! Deze man heeft ons diensten bewezen; hij dient ons nog en zal het verder doen. Onze artsen gebruiken ook bittere gal van visschen en doodelijke vergiften als geneesmiddelen, en lieden van dit slag....”</p> -<p>»Het is haat die u zoo doet spreken,” viel de Horoscoop den +<p>»Het is haat die u zoo doet spreken,” viel de Horoscoop den opgewonden grijsaard in de rede.</p> -<p>»Haat?” herhaalde deze, terwijl zijne lippen begonnen te beven. -»Haat?” — en hij sloeg zich met de vuist op de breede borst. »Ja, +<p>»Haat?” herhaalde deze, terwijl zijne lippen begonnen te beven. +»Haat?” — en hij sloeg zich met de vuist op de breede borst. »Ja, hij is geen vreemde gast in mijn ouden boezem. Doch, Horoscoop, open uwe ooren, en gij anderen ook, gij allen moet mij hooren! -Ik ken tweeërlei soort van haat. De eene is die van den mensch +Ik ken tweeërlei soort van haat. De eene is die van den mensch tegen zijn evenmensch, en deze heb ik gekneveld, gedood, verstikt, vernietigd, helaas, eerst na een zwaren strijd! Voor jaren heb ik ook zijn bitterheid beproefd en gedaan als de wespen, die, @@ -2149,7 +2110,7 @@ ofschoon zij weten dat zij er het leven bij inschieten als zij steken, nochtans hun angel gebruiken. Vele levensdagen zijn mij echter ten deel gevallen, namelijk om wijsheid te leeren, en thans weet ik dat van alle driften, die ons hart bewegen, er -éene geheel aan Seth, dus gansch en al aan den booze behoort, +éene geheel aan Seth, dus gansch en al aan den booze behoort, en dat is de haat jegens zijn evenmensch. De hebzucht kan tot vlijt aansporen, uit zinnelijke begeerlijkheid nog eene edele vrucht<span class="pagenum"><a name="Page_46" id="Page_46">[46]</a></span> geboren worden; maar de haat is een verwoester, en in elk @@ -2161,38 +2122,38 @@ die gij koesteren moogt, gelijk ik dien niet gaarne in mijn borst zou missen; het is de haat tegen alles wat het licht verhindert door te breken, wat aan het goede en reine in den weg staat, de haat van Horus tegen Seth. De goden mogen mij -straffen wanneer ik den gids Paäker, wiens vader mijn vriend +straffen wanneer ik den gids Paäker, wiens vader mijn vriend was, haat. Maar de geesten der duisternis mogen dit oude hart uit mijn boezem scheuren, wanneer het geen afschuw gevoelt van den onreinen hebzuchtigen offeraar, die het geluk dezer aarde van de goden wil koopen voor schenkels van dieren en kannen met wijn, gelijk men door loven en bieden een rok en een ezel verkwanselt, en wiens ziel bewogen wordt door schandelijke drijfveeren. — Ziet, -Paäker’s offeranden kunnen de goden niet meer +Paäker’s offeranden kunnen de goden niet meer verblijden, dan u, Horoscoop, een kruik rozenolie, waarin schorpioenen, duizendpooten en giftige slangen zwemmen. Langen tijd was ik getuige van de gebeden van dezen man, en nooit hoorde ik hem smeeken om edele goederen, wel duizendmaal om het verderf van menschen, die hij haat.”</p> -<p>»In de heiligste gebeden uit den ouden tijd,” sprak de Horoscoop, -»werden de goden toch wel aangeroepen, opdat wij den +<p>»In de heiligste gebeden uit den ouden tijd,” sprak de Horoscoop, +»werden de goden toch wel aangeroepen, opdat wij den voet mochten zetten op den nek onzer vijanden. Bovendien hoorde -ik Paäker niet zelden met innig gevoel bidden voor het welzijn +ik Paäker niet zelden met innig gevoel bidden voor het welzijn zijner ouders.”</p> -<p>»Gij zijt een priester, een ingewijde,” riep Gagaboe, »en helaas, +<p>»Gij zijt een priester, een ingewijde,” riep Gagaboe, »en helaas, gij weet niet of wilt niet weten, dat met de vijanden, om wier ondergang wij bidden, slechts de demonen der duisternis en de buitenlandsche volken die Egypte bedreigen zijn bedoeld? -Paäker heeft voor zijne ouders gebeden? Dat zal hij ook voor +Paäker heeft voor zijne ouders gebeden? Dat zal hij ook voor zijne kinderen doen, want zij zullen zijne toekomst zijn, gelijk zijne ouders zijn verleden. Als hij eene vrouw had, dan zouden ook haar zijne offers gelden, want zij zou de helft uitmaken van zijn eigen bestaan.”</p> -<p>»En niettegenstaande dit alles,” hernam de Horoscoop Septah, -»beoordeelt gij den gids te hard. Hoewel hij onder een gelukkig +<p>»En niettegenstaande dit alles,” hernam de Horoscoop Septah, +»beoordeelt gij den gids te hard. Hoewel hij onder een gelukkig gesternte geboren werd, hebben de Hathors hem toch alles ontzegd, wat hem eene gelukkige jeugd kon schenken. De vijand wiens ondergang hij afsmeekte, was Mena, ’s konings wagenmenner. @@ -2203,20 +2164,20 @@ voor hem was bestemd.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_47" id="Page_47">[47]</a></span></p> -<p>»Hoe heeft zoo iets kunnen gebeuren,” vroeg een der priesters -uit Chennoe. »Eene verloving is immers heilig<a name="FNanchor_41" id="FNanchor_41"></a><a href="#Footnote_41" class="fnanchor">41)</a>?”</p> +<p>»Hoe heeft zoo iets kunnen gebeuren,” vroeg een der priesters +uit Chennoe. »Eene verloving is immers heilig<a name="FNanchor_41" id="FNanchor_41"></a><a href="#Footnote_41" class="fnanchor">41)</a>?”</p> -<p>»Paäker,” antwoordde de Horoscoop, »hoe stijf overigens, was +<p>»Paäker,” antwoordde de Horoscoop, »hoe stijf overigens, was hartstochtelijk verliefd op zijn nichtje Nefert, het aanminnigste meisje uit geheel Thebe. Zij was de dochter van Katoeti, de zuster zijner moeder, en hem als vrouw toegezegd. Hij was aan haar gehecht met geheel zijne ziel. Daar werd zijn vader, dien -hij begeleidde op al zijne tochten, in Syrië doodelijk gewond. +hij begeleidde op al zijne tochten, in Syrië doodelijk gewond. De koning stond aan het sterfbed van den held, ving de laatste -bede op van zijne lippen, en begiftigde Paäker met zijn ambt. +bede op van zijne lippen, en begiftigde Paäker met zijn ambt. Deze bracht de mummie zijns vaders naar Thebe, liet dien vorstelijk -ter aarde bestellen, en moest, vóordat de rouwtijd ten -einde was, naar Syrië terug. Daar vond hij handen vol werk, +ter aarde bestellen, en moest, vóordat de rouwtijd ten +einde was, naar Syrië terug. Daar vond hij handen vol werk, want terwijl de koning naar Egypte was teruggekeerd, moest hij het nieuwe gebied doortrekken en opnemen. Eindelijk mocht ook hij het oorlogstooneel verlaten, zich vleiende dat hij nu weldra @@ -2228,14 +2189,14 @@ nicht de vrouw was geworden van een ander, den schoonsten en dappersten in het leger, van den edelen Mena. Hoe kostbaarder het voorwerp is, op welks bezit wij hadden gehoopt, des te rechtmatiger is de toorn die ons bezielt tegen den man, -die het ons betwist, ja het voor zich weet te verkrijgen. Paäker +die het ons betwist, ja het voor zich weet te verkrijgen. Paäker had kikvorschenbloed in zijne aderen moeten hebben, wanneer hij Mena dit vergeven had, in plaats van hem te haten. De runderen, die hij onze goden ten offer heeft gebracht, om hun wraak af te smeeken over den roover van zijn levensgeluk, zijn reeds bij honderden te tellen.”</p> -<p>»Als gij ze hebt aangenomen,” hernam Gagaboe, »terwijl gij +<p>»Als gij ze hebt aangenomen,” hernam Gagaboe, »terwijl gij wist waarvoor ze dienen moesten, dan hebt gij onverstandig en niet recht gehandeld. Ware ik een leek, ik zou mij wel wachten eene godheid te dienen, die zich voor loon laat vinden, om toe @@ -2246,15 +2207,15 @@ het reukorgaan van den booze prikkelt. De schatmeester verheugde zich, zoo vaak men het gezonde blanke vee onze stallen<span class="pagenum"><a name="Page_48" id="Page_48">[48]</a></span> binnendreef, maar Seth wreef zich in de roode handen<a name="FNanchor_42" id="FNanchor_42"></a><a href="#Footnote_42" class="fnanchor">42)</a>, toen hij het aannam! Vrienden, ik heb de verwenschingen mede aangehoord, -die Paäker als spoeling, dat men den zwijnen voorzet, +die Paäker als spoeling, dat men den zwijnen voorzet, over onze reine altaren heeft uitgegoten. De pest en etterbuilen, jammer en dood heeft hij over Mena afgebeden, en de arme, lieve vrouw, wie ik het waarlijk niet euvel kan duiden, dat zij aan een strijdhengst boven een nijlpaard, aan een Mena boven -een Paäker de voorkeur heeft gegeven, wenschte hij onvruchtbaarheid +een Paäker de voorkeur heeft gegeven, wenschte hij onvruchtbaarheid en het bitterst zieleleed toe.”</p> -<p>»De hemelsche goden,” merkte de schatmeester op, »schijnen +<p>»De hemelsche goden,” merkte de schatmeester op, »schijnen echter zijne klachten niet zoo onbillijk gevonden te hebben, en het breken van zulk eene verloving strenger op te vatten dan gij. Nefert heeft in de vier jaren van haar huwelijk maar enkele @@ -2265,15 +2226,15 @@ allen het doemvonnis uitspreken, een der grootste weldoeners van onzen tempel zoo zonder eenige verschooning veroordeelen kunt.”</p> -<p>»Het is voor mij minder mogelijk om te begrijpen,” hernam -de oude, »hoe gij, die anders zoo gaarne vonnist, dezen, juist +<p>»Het is voor mij minder mogelijk om te begrijpen,” hernam +de oude, »hoe gij, die anders zoo gaarne vonnist, dezen, juist dezen, — noem hem zoo ge wilt — met zooveel ijver tracht vrij te pleiten.”</p> -<p>»Wij kunnen hem in dezen tijd niet missen,” zeide de Horoscoop.</p> +<p>»Wij kunnen hem in dezen tijd niet missen,” zeide de Horoscoop.</p> -<p>»Toegegeven,” gaf Gagaboe hierop ten antwoord, terwijl hij -zachter begon te spreken. »Zelfs ik denk hem nog te gebruiken, +<p>»Toegegeven,” gaf Gagaboe hierop ten antwoord, terwijl hij +zachter begon te spreken. »Zelfs ik denk hem nog te gebruiken, evenals de opperpriester sedert jaren van hem partij heeft getrokken in het belang onzer zaak, die door gevaren wordt bedreigd. Ook een smerige weg is goed, als hij tot het doel leidt. @@ -2287,26 +2248,26 @@ al zijn vee naar den tempel drijven en al zijn goud in onze schatkamer werpen, maar bezoedel u niet door de gedachte, dat offers met zulk een hart en zoodanige handen der godheid welgevallig zijn! Voor alles,” — en er was oprechtheid en hartelijkheid in<span class="pagenum"><a name="Page_49" id="Page_49">[49]</a></span> -den toon, waarop de grijsaard deze woorden uitsprak, »voor alles: +den toon, waarop de grijsaard deze woorden uitsprak, »voor alles: spiegelt den man, die zoo jammerlijk dwaalt, toch niet voor, gelijk gij tot hiertoe hebt gedaan, dat hij op den rechten weg is. Immers, mijne vrienden, het is uwe, het is ons aller duurste plicht, de zielen dergenen, die zich aan ons toevertrouwen, op te leiden, tot hetgeen waarlijk goed en recht is.”</p> -<p>»O mijn leermeester,” riep nu Pentaoer, »hoe beminnelijk zijt +<p>»O mijn leermeester,” riep nu Pentaoer, »hoe beminnelijk zijt gij in uwe gestrengheid!”</p> -<p>»Ik toonde u de afzichtelijke zweren van dezen man,” sprak +<p>»Ik toonde u de afzichtelijke zweren van dezen man,” sprak de grijsaard, terwijl hij opstond en zich gereed maakte de zaal te -verlaten, »uw lof zal ze verharden, uwe berisping zal ze genezen. +verlaten, »uw lof zal ze verharden, uwe berisping zal ze genezen. Overigens, verkiest gij in dezen uw plicht niet te doen, weet dan, dat de oude Gagaboe op zekeren dag zal komen met zijn mes; dat hij den kranke zal aangrijpen en snijden.”</p> <p>De Horoscoop had onder deze woorden van den grijsaard meermalen de schouders opgehaald. Hij zeide nu, zich tot een der -priesters uit Chennoe wendende: »Gagaboe is een oude kitteloorige +priesters uit Chennoe wendende: »Gagaboe is een oude kitteloorige driftkop, en gij hebt uit zijn mond eene predikatie gehoord, zooals men ze zeker ook bij u wel houdt voor de jonge schrijvers, die tot zielzorgers worden opgeleid. Hij meent het best, maar hij @@ -2340,7 +2301,7 @@ de schaduw van luchtige schuren bewaren.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_33" id="Footnote_33"></a><a href="#FNanchor_33"><span class="label">33)</span></a> Leden van eene priesterorde in de Egyptische hiërarchie, die zich met +<p><a name="Footnote_33" id="Footnote_33"></a><a href="#FNanchor_33"><span class="label">33)</span></a> Leden van eene priesterorde in de Egyptische hiërarchie, die zich met de studie der hemellichamen, tijdrekenkundige verklaring van uurteekens, enz. bezig hield.</p> </div> @@ -2366,10 +2327,10 @@ Mernephtah.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_38" id="Footnote_38"></a><a href="#FNanchor_38"><span class="label">38)</span></a> Het blijkt uit meer dan éen papyrus met zekerheid, dat ook de zonen +<p><a name="Footnote_38" id="Footnote_38"></a><a href="#FNanchor_38"><span class="label">38)</span></a> Het blijkt uit meer dan éen papyrus met zekerheid, dat ook de zonen van mindere lieden, in zooverre zij aan de gestelde bepalingen voldeden, in den priesterstand konden opgenomen worden. Afgeslotene casten, -zooals de Indiërs, hadden de Egyptenaars niet.</p> +zooals de Indiërs, hadden de Egyptenaars niet.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -2439,10 +2400,10 @@ en in zijne nabijheid schreeuwden en kibbelden schippers en opzichters,<span cla die druk in de weer waren met het mora-spel<a name="FNanchor_43" id="FNanchor_43"></a><a href="#Footnote_43" class="fnanchor">43)</a>. Ettelijke matrozen lagen te slapen, deels op het dek hunner vaartuigen, deels aan den oever, hier onder het weinig beschuttend -bladerendak van een palmboom, dáar midden in de zon, voor welker +bladerendak van een palmboom, dáar midden in de zon, voor welker stralen zij zich wisten te beschutten door den katoenen doek, die hun tot mantel diende, over het gezicht te trekken. Tusschen -dezen wandelden in lange rijen, éen voor éen achter elkaar, bruine +dezen wandelden in lange rijen, éen voor éen achter elkaar, bruine en zwarte lijfeigenen en slaven, gebogen onder zware lasten. Zij droegen wat aan de tempels geleverd moest worden, de offergaven en de waren, die door de handelaars in de Nekropolis @@ -2530,7 +2491,7 @@ jaren bereikt; toch spraken houding en gelaat van meer vrouwelijk zelfbewustzijn. Zij was bijna een hoofd langer dan hare vriendin. Haar huidkleur was lichter. In den opslag harer goedige heldere blauwe oogen lag iets dweperigs, maar ook kloek verstand -en vaste wil. Zij had een edel fijn besneden profiel, zóo +en vaste wil. Zij had een edel fijn besneden profiel, zóo gelijk aan dat haars vaders, als een schoon landschap in den zachten maneschijn, die de scherpe lijnen afrondt, vergeleken bij hetzelfde landschap in den helderen middagglans. Haar zacht @@ -2573,7 +2534,7 @@ onderwerpen. De prinses beklaagde hare paarden, die voortdurend werden geplaagd door lastige horsels, terwijl voorloopers en soldaten, de dragers van waaiers en draagstoelen, de kinderen met hunne kruikjes en kuchende huisslaven, gedwongen -waren onder de stralen der middagzon hunne krachten zóo in +waren onder de stralen der middagzon hunne krachten zóo in te spannen in dienst hunner meesteres, dat hunne pezen dreigden te springen en hunne longen te bersten.</p> @@ -2581,25 +2542,25 @@ te springen en hunne longen te bersten.</p> rechterzijde de ingang was tot het sterk gebogen zijdal, waarin de laatste koningen van het onttroonde koningshuis begraven waren, hield de trein eensklaps stil, en wel op een teeken van -Paäker, die de prinses te gemoet reed. Hij mende zijne vurige +Paäker, die de prinses te gemoet reed. Hij mende zijne vurige zwarte Syrische paarden met zulk een stevige hand, dat het bloedig schuim van hun gebit droop. Nadat de Mohar de teugels aan een dienaar had overgegeven, sprong hij van den wagen -en zeide na de gewone plichtplegingen: »Hier, in dit dal is +en zeide na de gewone plichtplegingen: »Hier, in dit dal is het nest van dat afzichtelijk slag van menschen, waaraan gij, prinses, voornemens zijt zulk een hooge eer te bewijzen. Vergun mij, dat ik als gids u vooruitrijd. Wij zijn binnen weinige minuten aan ons doel.”</p> -<p>»Dan zullen wij te voet gaan,” zeide de prinses, »en ons +<p>»Dan zullen wij te voet gaan,” zeide de prinses, »en ons gevolg hier achterlaten.”</p> -<p>Paäker boog. Bent-Anat wierp haar wagenmenner de teugels +<p>Paäker boog. Bent-Anat wierp haar wagenmenner de teugels toe en steeg van den wagen. De vrouw van Mena en de hovelingen verlieten hunne draagstoelen. Reeds maakten de waaierdragers en kamerheeren zich gereed om hunne meesteres in het -dwarsdal te geleiden, toen zij zich omwendde en beval: »Gij -blijft terug, allen; alleen Paäker en Nefert zullen met mij gaan.”</p> +dwarsdal te geleiden, toen zij zich omwendde en beval: »Gij +blijft terug, allen; alleen Paäker en Nefert zullen met mij gaan.”</p> <p>De prinses vloog met haastige schreden over den effen bodem van de rotskloof, waarin de zonnestralen schier loodrecht nedervielen; @@ -2610,36 +2571,36 @@ niet verder. Geen van beiden had gedurende deze wandeling een woord gesproken. Het dal was doodstil en geheel verlaten. Op den uitersten rand van den loodrechten bergwand aan de rechterzijde, zat eene lange rij gieren, bewegingloos, als had de middaghitte -de kracht hunner vleugels verlamd. Paäker maakte eene +de kracht hunner vleugels verlamd. Paäker maakte eene buiging voor de dieren, die aan de groote godin van Thebe geheiligd waren<a name="FNanchor_47" id="FNanchor_47"></a><a href="#Footnote_47" class="fnanchor">47)</a>, en de beide vrouwen deden zwijgend evenals hij.</p> -<p>»Dáar,” sprak Mohar kortaf, terwijl hij met den vinger +<p>»Dáar,” sprak Mohar kortaf, terwijl hij met den vinger wees op twee hutten, die vlak tegen den linkerwand van het dal -uit tegels van gedroogd Nijlleem waren gebouwd, »dáar, die er +uit tegels van gedroogd Nijlleem waren gebouwd, »dáar, die er het best uitziet, naast die rotsholte.”</p> -<p>Bent-Anat liep met een kloppend hart naar deze stulp. Paäker +<p>Bent-Anat liep met een kloppend hart naar deze stulp. Paäker liet de vrouwen vooruitgaan. Nog weinige schreden en zij stonden voor een heining, ruw uit rietstaven, palmtakken, doornstruiken -en maïsstroo saamgevlochten. Hartverscheurende jammerkreten, +en maïsstroo saamgevlochten. Hartverscheurende jammerkreten, die uit de hut kwamen, deden de lucht trillen, zoodat de vrouwen huiverden verder te gaan. Nefert beefde en klemde zich vast aan hare vriendin, die sterker was, ofschoon zij meende ook het hart der prinses sneller te hooren kloppen. Beiden stonden enkele oogenblikken als aan den grond genageld; -toen riep de prinses den Mohar en zeide: »Ga gij ons voor in +toen riep de prinses den Mohar en zeide: »Ga gij ons voor in de hut.”</p> -<p>Paäker antwoordde, zich diep buigende: »Ik zal den man roepen. +<p>Paäker antwoordde, zich diep buigende: »Ik zal den man roepen. Wij zullen het immers niet wagen zijn drempel te overschrijden? Gij weet dat zulk eene daad ons verontreinigen zou.”</p> <p>Nefert zag Bent-Anat smeekend aan; deze sprak echter op -bevelenden toon: »Ga mij voor, ik vrees zulk eene verontreiniging +bevelenden toon: »Ga mij voor, ik vrees zulk eene verontreiniging niet.”</p> -<p>De Mohar bleef nog altijd dralen, en vroeg: »Wilt gij de goden +<p>De Mohar bleef nog altijd dralen, en vroeg: »Wilt gij de goden vertoornen en u zelve....”</p> <p>Doch de prinses gunde hem geen tijd om uit te spreken; zij @@ -2708,7 +2669,7 @@ rood-blond haar, waarin enkele verdorde bloemen hingen, golfde ordeloos van haren schedel in den schoot der oude vrouw en tot op de mat waarop zij nederlag. Hare blanke wangen waren door een blosje gekleurd, en zoo vaak de jonge arts Nebsecht, die aan -hare zijde zat naast zijn blinden sombere litanieën zingenden +hare zijde zat naast zijn blinden sombere litanieën zingenden metgezel, het gescheurde doek, over haar maagdelijken door het wagenrad gekwetsten boezem gelegd, oplichtte, of wanneer zij haar teederen arm omhoog hief, bleek het duidelijk, dat zij in @@ -2789,7 +2750,7 @@ te stellen voor het aangezicht van den rechter der onderwereld. Geen wonder dus dat Pentaoer met weerzin het verblijf van den verachten man was binnen gegaan, die, zoodra hij den priester zag naderen en zich nederzetten aan de voeten van de<span class="pagenum"><a name="Page_59" id="Page_59">[59]</a></span> -kleine lijderes, met eenige verbazing had uitgeroepen: »Al +kleine lijderes, met eenige verbazing had uitgeroepen: »Al weder een in ’t wit gekleede! Wascht dan het ongeluk den onreine rein?”</p> @@ -2800,8 +2761,8 @@ zijne handen onvermoeid in gestadige beweging, als een scheprad, dat door den stroom der rivier zonder ophouden wordt rondgewenteld.</p> -<p>»Wascht het ongeluk den onreinen rein?” vroeg Pentaoer zich -af. »Zeker oefent het een reinigenden invloed. Zou de godheid +<p>»Wascht het ongeluk den onreinen rein?” vroeg Pentaoer zich +af. »Zeker oefent het een reinigenden invloed. Zou de godheid die aan het vuur de kracht verleende om het metaal te louteren, en aan den wind het vermogen om den hemel van wolken te zuiveren, wel gewild hebben, dat haar eigen evenbeeld, een mensch, @@ -2818,19 +2779,19 @@ beluisteren, zoo vaak deze scheen stil te staan, begon hij zich eene ure uit zijne eigene kindsheid te herinneren, toen hij, door de koorts aangegrepen, op zijn bedje had gelegen. Wat er in dien tijd met hemzelf en in zijne omgeving was voorgevallen, had hij -lang vergeten. Maar éen beeld had een diepen indruk op zijne +lang vergeten. Maar éen beeld had een diepen indruk op zijne ziel achtergelaten; het was dat zijner moeder, dat met den doodsangst op ’t gelaat boven hem scheen te zweven, wier oogen zoo teeder en bezorgd op haar kranken zoon hadden neergezien, als die der gevloekte vrouw op haar lijdend kind.</p> -<p>»Daar is dan toch eene zelfverloochenende, volmaakt reine, -waarachtig goddelijke liefde,” zeide hij bij zichzelf, »en dat is de +<p>»Daar is dan toch eene zelfverloochenende, volmaakt reine, +waarachtig goddelijke liefde,” zeide hij bij zichzelf, »en dat is de liefde van Isis voor Horus, van de moeder voor haar kind. Indien -deze menschen werkelijk zóo onrein waren, dat alles wordt +deze menschen werkelijk zóo onrein waren, dat alles wordt bezoedeld wat zij aanraken, hoe zou dan dit zoo zuiver teeder en heilig gevoel bij hen zijne reinheid en schoonheid kunnen bewaren? -Maar,” zoo ging hij denkend voort, »de hemelsche goden +Maar,” zoo ging hij denkend voort, »de hemelsche goden hebben toch ook de moederliefde gelegd in de borst van eene leeuwin en van het typhonisch nijlpaard!”</p> @@ -2847,10 +2808,10 @@ handen in elkaar legde; en wederom dacht hij aan het ouderlijk huis en de ure, waarin zijn lief eenig zustertje gestorven was. Toen had zijne moeder zich weenend op het bleeke kind geworpen, doch zijn vader stampvoette en snikte, en sloeg zich -met de vuist voor het voorhoofd. »Hoe stil berustend en dankbaar +met de vuist voor het voorhoofd. »Hoe stil berustend en dankbaar zijn die onreinen toch,” dacht Pentaoer, en de afkeer van de inzetting der vaderen begon in zijn gemoed wortel te schieten. -»Ja, de hyena’s kennen ook de moederliefde, maar de mensch, +»Ja, de hyena’s kennen ook de moederliefde, maar de mensch, die zijn geest richt op het edelste, kan alleen de godheid zoeken en vinden. Tot aan de grenzen van het oneindige — en de godheid is eeuwig — is den dieren het denkvermogen ontzegd; @@ -2873,7 +2834,7 @@ geschapen en de wereld regeert, den Eenige, wiens naam het heilig mysterie hem verbood te noemen! dus niet tot de tallooze goden die het volk vereerde, en die voor hem niets waren dan vermenschelijkte en zoo voor de leeken verstaanbaar gemaakte -eigenschappen van dien éénen god der ingewijden, waartoe ook +eigenschappen van dien éénen god der ingewijden, waartoe ook hij behoorde. In hartstochtelijke beweging richtte hij zijn hart tot God, doch hij bad niet voor het dochtertje van den Paraschiet en hare genezing, maar voor het geheele geslacht dezer verworpelingen @@ -2915,7 +2876,7 @@ dit het minst verwacht zouden hebben. Pentaoers oogen dwaalden door het eenige sombere vertrek, waaruit de geheele Paraschieten-hut bestond. De gansche ruimte was met menschen gevuld, en op eens, als een bliksemstraal, vloog de gedachte door -zijn hoofd: »hoe zal de prinses met haar geheele gevolg hier +zijn hoofd: »hoe zal de prinses met haar geheele gevolg hier plaats vinden?”</p> <p>Pentaoer had eene levendige verbeeldingskracht, die bij deze @@ -2939,7 +2900,7 @@ gebeuren — weken de hovelingen angstig terug, vielen over elkander, en verdrongen zich in een hoek van het vertrek. Eindelijk wierp de prinses den vader, de moeder, mogelijk ook het dochtertje eenige zilveren en gouden ringen in den schoot, en -het scheen alsof de hovelingen daarbij uitriepen: »Heil zij de +het scheen alsof de hovelingen daarbij uitriepen: »Heil zij de genade van de dochter der zon!” en de uit de hut gedrongen vrouwen daar buiten dien jubelzang herhaalden. Toen zag hij de glansrijke verschijning de woning van den banneling weder verlaten, @@ -2950,11 +2911,11 @@ die troosteloos van smart luide klachten aanhieven.</p> <p>Het vurig gemoed van den jongen priester ontvlamde in toorn na dit visioen. Zoodra het geluid van den naderenden stoet zich -werkelijk deed hooren, zou hij zich plaatsen vóor den ingang +werkelijk deed hooren, zou hij zich plaatsen vóor den ingang van de hut, de prinses beletten binnen te treden en haar met strenge woorden ontvangen. Wat voerde haar hierheen? Menschenliefde -kon het moeielijk zijn. »Aan het hof heeft men wel -wat afwisseling noodig,” dacht hij in zichzelf. »Men zal verlangen +kon het moeielijk zijn. »Aan het hof heeft men wel +wat afwisseling noodig,” dacht hij in zichzelf. »Men zal verlangen naar wat nieuws, want er gebeurt zoo weinig, nu de koning bij het leger is, ver in het buitenland. Door zich naast de kleinen te plaatsen wordt de ijdelheid der grooten niet zelden geprikkeld, @@ -2985,7 +2946,7 @@ zij gaf echter, zonder de lippen te openen, met hare betraande oogen te kennen, dat zij moesten blijven zitten. Lang zag zij de kranke aan met liefdevollen blik, terwijl zij den blanken arm zachtkens streek met hare hand. Eindelijk wendde zij zich tot -de oude vrouw en fluisterde haar toe: »Wat is zij schoon!”</p> +de oude vrouw en fluisterde haar toe: »Wat is zij schoon!”</p> <p>De vrouw van den Paraschiet boog toestemmend. Het meisje scheen te glimlachen en de lippen te bewegen, als had zij die woorden @@ -2994,39 +2955,39 @@ roos los uit haar kapsel en legde die op de borst van de kranke.</p> <p>De Paraschiet had de voeten van het kind geen oogenblik losgelaten. Toch had hij elke beweging van de prinses gevolgd en -sprak thans met zachte stem: »Hathor, die u schoonheid gaf, moge +sprak thans met zachte stem: »Hathor, die u schoonheid gaf, moge u dit vergelden!”</p> <p>De koningsdochter richtte zich nu tot hem en zeide, terwijl zij -naast het meisje geknield bleef: »Vergeef mij, dat ik tegen mijne +naast het meisje geknield bleef: »Vergeef mij, dat ik tegen mijne bedoeling u zooveel smart veroorzaak.”</p> <p>De oude had deze woorden niet verstaan, of hij liet de voeten -der kranke los en vroeg met heldere luide stem: »Zijt gij Bent-Anat?”</p> +der kranke los en vroeg met heldere luide stem: »Zijt gij Bent-Anat?”</p> -<p>»Ik ben het,” antwoordde de prinses met gebogen hoofd, doch +<p>»Ik ben het,” antwoordde de prinses met gebogen hoofd, doch nauwelijks hoorbaar, als schaamde zij zich haar verheven naam uit te spreken.</p> <p>De oogen van den Paraschiet schoten vuur. Na een oogenblik -zeide hij zacht, maar op stelligen toon: »Zoo verlaat dan mijne +zeide hij zacht, maar op stelligen toon: »Zoo verlaat dan mijne hut, want zij zal u verontreinigen.”</p> -<p>»Neen, niet voordat gij mij vergeven hebt, wat ik zonder opzet +<p>»Neen, niet voordat gij mij vergeven hebt, wat ik zonder opzet heb gedaan!”</p> -<p>»Zonder opzet gedaan,” herhaalde de Paraschiet, »dat geloof +<p>»Zonder opzet gedaan,” herhaalde de Paraschiet, »dat geloof ik! De hoeven uwer paarden werden zeker onrein, toen ze deze blanke borst vertraden! Daar, zie!” — en hij nam den doek weg -en wees op de groote roode wond, — »ziehier, dit is de eerste +en wees op de groote roode wond, — »ziehier, dit is de eerste roos, die gij mijne kleindochter op den boezem hebt gelegd, en -die tweede — dáar!”</p> +die tweede — dáar!”</p> <p>De Paraschiet had den arm reeds opgeheven om de bloem door de deur uit zijn hut te smijten. Doch Pentaoer was op hem -toegetreden en greep zijne hand met zijn ijzeren vuist. »Halt!” +toegetreden en greep zijne hand met zijn ijzeren vuist. »Halt!” riep hij met bevende stem, zich zooveel mogelijk inhoudende -om der kranke wil. »Hebt gij, omdat uw hart zich zoo diep +om der kranke wil. »Hebt gij, omdat uw hart zich zoo diep gekrenkt voelt, in uwe kortzichtigheid de derde roos niet opgemerkt, die deze edele hand u heeft toegereikt? Toch is het geschied. Gij moest haar kennen, al ware het enkel omdat gij @@ -3034,7 +2995,7 @@ allermeest behoefte hebt aan deze bloem, ja smachtend naar haar verlangt. De fiere vorstin heeft de vriendelijke bloem der reine<span class="pagenum"><a name="Page_64" id="Page_64">[64]</a></span> menschenliefde uw kind op het hart en u aan de voeten gelegd. Niet met goud maar met deemoed is zij tot u gekomen, en -wien de dochter van Ramses zóo als haars gelijke nadert, hij +wien de dochter van Ramses zóo als haars gelijke nadert, hij buige zijn hoofd, al mocht hij ook de eerste vorst in dit land zijn. Waarlijk, de goden zullen die daad van Bent-Anat niet vergeten. Daarom vergeef haar, indien gij wilt dat u de schuld vergeven @@ -3046,7 +3007,7 @@ hij het weder ophief, was zelfs de laatste zweem van toorn uit zijn fijn gevormd gelaat verdwenen. Hij wreef zijn pols, die nog den stevigen druk van Pentaoer’s vingers voelde, en sprak met eene stem, waarin hij al de bitterheid zijner ervaringen scheen te -leggen: »Uwe vuist is hard, priester, en uwe woorden treffen mij +leggen: »Uwe vuist is hard, priester, en uwe woorden treffen mij als mokerslagen. Deze schoone vrouw is ook goed en liefderijk, en ik weet wel, dat zij haar paarden niet opzettelijk over dit meisje heeft gejaagd, dat mijn kleinkind, niet mijne dochter is. Ware @@ -3078,10 +3039,10 @@ vergeef ik....”</p> <p>De stem van den Paraschiet was week geworden, en Bent-Anat, die innig geroerd op hem neerzag, viel hem in de rede -door vol gevoel te zeggen: »Arme man! Vergeef dan ook mij!”</p> +door vol gevoel te zeggen: »Arme man! Vergeef dan ook mij!”</p> <p>De grijsaard zag met voordacht niet haar maar Pentaoer aan, -toen hij antwoordde: »Arme man! Ja, dat zegt gij wel, arme +toen hij antwoordde: »Arme man! Ja, dat zegt gij wel, arme man! Gij hebt mij uit de maatschappij gebannen, waarin gij leeft, en zoo heb ik deze hut ingericht tot eene wereld voor mij alleen. Ik behoor niet onder ulieden, en als ik dat vergeet, verjaagt @@ -3090,10 +3051,10 @@ uwe schaapskooi inbreekt. Maar gij behoort evenmin bij mij. Toch moet ik het verdragen, als gij den wolf wilt spelen en mij overvallen.”</p> -<p>»Als eene smeekelinge echter, en met de heilige begeerte u +<p>»Als eene smeekelinge echter, en met de heilige begeerte u goed te doen, betrad de prinses uwe woning,” hernam Pentaoer.</p> -<p>»De straffende goden,” riep de oude, »mogen dit op hare +<p>»De straffende goden,” riep de oude, »mogen dit op hare rekening afschrijven, wanneer zij haar doen misgelden, wat haar vader jegens mij misdreven heeft. Misschien brengt het mij in de steengroeve, maar zeggen wil ik het toch: zeven zonen heb ik @@ -3103,7 +3064,7 @@ zonneschijn in mijne sombere hut, wordt nu vermoord door zijne dochter. Drie van mijne knapen liet de koning van dorst versmachten onder den dwangarbeid aan den Thenat<a name="FNanchor_51" id="FNanchor_51"></a><a href="#Footnote_51" class="fnanchor">51)</a>, die den Nijl met de Schelfzee verbinden moest; drie liet hij vallen door het -zwaard der Ethiopiërs, en de laatste, mijn oogappel, is nu misschien +zwaard der Ethiopiërs, en de laatste, mijn oogappel, is nu misschien een aas voor de hyena’s in het Noorderland.”</p> <p>Bij deze ontboezeming barstte de oude vrouw, in wier schoot @@ -3111,12 +3072,12 @@ het hoofd der kranke nog altijd rustte, in luid gejammer uit. Ook de andere vrouwen begonnen te klagen.</p> <p>De kranke richtte zich met schrik overeind, opende de oogen -en vroeg zacht: »Over wien klaagt gij?”</p> +en vroeg zacht: »Over wien klaagt gij?”</p> -<p>»Over uw armen vader,” zeide de oude.</p> +<p>»Over uw armen vader,” zeide de oude.</p> <p>Toen begon het meisje te lachen, evenals een kind dat men -uit aardigheid misleiden wil, en sprak: »Is mijn vader dan nog +uit aardigheid misleiden wil, en sprak: »Is mijn vader dan nog niet bij u geweest? Hij is toch hier in Thebe, en heeft mij gezien en gekust. Hij zeide mij dat hij buit medebrengt, en dat gij het van nu aan goed zult hebben. Ik bond den gouden ring, @@ -3139,20 +3100,20 @@ zat de knoop in haar rokje. Met bevende hand maakte hij dien los, een gouden ring rolde op den grond.</p> <p>Bent-Anat raapte dien op, reikte hem den Paraschiet over en -zeide: »In een gelukkig oogenblik ben ik tot u gekomen, want +zeide: »In een gelukkig oogenblik ben ik tot u gekomen, want gij hebt een zoon terug ontvangen en uw kleindochtertje zal leven!”</p> -<p>»Ja, zij zal leven!” herhaalde de arts, die de stomme getuige +<p>»Ja, zij zal leven!” herhaalde de arts, die de stomme getuige was geweest van alles wat hier gebeurde.</p> -<p>»Zij zal bij ons blijven,” lispelde de oude en zeide, terwijl -hij de prinses op zijne knieën naderde en haar smeekend met -zijne van tranen vochtige oogen aanzag: »Vergeef mij, gelijk ik +<p>»Zij zal bij ons blijven,” lispelde de oude en zeide, terwijl +hij de prinses op zijne knieën naderde en haar smeekend met +zijne van tranen vochtige oogen aanzag: »Vergeef mij, gelijk ik u vergeef, en wanneer eene vrome wensch niet tot een vloek wordt op de lippen van een verworpeling, laat mij u dan zegenen.”</p> -<p>»Ik dank u,” zeide Bent-Anat, terwijl de oude zegenend zijne +<p>»Ik dank u,” zeide Bent-Anat, terwijl de oude zegenend zijne handen ophief. Zij wendde zich hierop tot den arts, beval hem de kranke zorgvuldig te verplegen, boog zich over haar heen, kuste haar op het voorhoofd, legde haar gouden armband naast @@ -3171,7 +3132,7 @@ weergegeven in de <cite>Leipziger Illustr. Zeitung</cite>, 1852, s. 331, ff.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_44" id="Footnote_44"></a><a href="#FNanchor_44"><span class="label">44)</span></a> Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den eersten waterval.</p> +<p><a name="Footnote_44" id="Footnote_44"></a><a href="#FNanchor_44"><span class="label">44)</span></a> Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den eersten waterval.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -3219,7 +3180,7 @@ landengte van Suez.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_52" id="Footnote_52"></a><a href="#FNanchor_52"><span class="label">52)</span></a> Egyptisch: Mestem, d.i. stibium of spiesglas, dat reeds zeer vroeg uit -Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt werd.</p> +Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt werd.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -3249,14 +3210,14 @@ schaduw te zien, en de waaierdragers, ook van het tweetal dat hier moest toeven, waren op bevel der prinses bij den wagen en den draagstoel achtergebleven. Beiden stonden een tijdlang zwijgend naast elkander; ten laatste zeide de schoone -Nefert, terwijl zij hare ovale oogen vermoeid opsloeg: »Wat blijft +Nefert, terwijl zij hare ovale oogen vermoeid opsloeg: »Wat blijft Bent-Anat lang bij dien onreine! Ik verschroei hier. Wat zullen wij aanvangen?”</p> -<p>»Wachten!” sprak Paäker, keerde Nefert den rug toe, klom op +<p>»Wachten!” sprak Paäker, keerde Nefert den rug toe, klom op een rotsblok, dat aan een der wanden uitstak, deed met zijn geoefend oog, dadelijk een verkenning, kwam tot haar terug en zeide: -»Ik heb een beschaduwd plekje gevonden. Dáar!”</p> +»Ik heb een beschaduwd plekje gevonden. Dáar!”</p> <p>De vrouw van Mena keek in de richting, waarin hij wees en schudde ontkennend met haar kleine hoofd. De gouden sieraden @@ -3264,45 +3225,45 @@ van haar kapsel klingelden daarbij even hoorbaar tegen elkander, en eene koude huivering deed haar teeder lichaam beven, ondanks de gloeiende middaghitte.</p> -<p>»Sechet<a name="FNanchor_54" id="FNanchor_54"></a><a href="#Footnote_54" class="fnanchor">54)</a> woedt in den hemel,” sprak Paäker. »Maak gebruik<span class="pagenum"><a name="Page_68" id="Page_68">[68]</a></span> +<p>»Sechet<a name="FNanchor_54" id="FNanchor_54"></a><a href="#Footnote_54" class="fnanchor">54)</a> woedt in den hemel,” sprak Paäker. »Maak gebruik<span class="pagenum"><a name="Page_68" id="Page_68">[68]</a></span> van dit schaduwrijk plekje, al is het klein. Op dit uur werd reeds zoo menigeen doodelijk getroffen.”</p> -<p>»Dat weet ik,” antwoordde Nefert, en zij bedekte haar hals +<p>»Dat weet ik,” antwoordde Nefert, en zij bedekte haar hals met hare handen. Daarop richtte zij hare schreden naar twee rotsplaten, die tegen elkander leunden als de bladen van een kaartenhuis. Dat was het bedoelde plekje, maar weinige voeten breed, dat tegen de zon eenige beschutting aanbood.</p> -<p>Paäker liep voor haar uit, wentelde een vierkant met vuursteen +<p>Paäker liep voor haar uit, wentelde een vierkant met vuursteen vermengd blok kalksteen naar deze steenen tent, verpletterde eenige schorpioenen, die hier eene schuilplaats hadden gezocht, en spreidde zijn hoofddoek over deze harde zitplaats -uit, zeggende: »Hier zijt gij beschut.”</p> +uit, zeggende: »Hier zijt gij beschut.”</p> <p>Nefert zette zich op den steen neder en keek den Mohar na, die langzaam en zwijgend voor haar op en neder ging. Dit onophoudelijk heen en weder wandelen van haar metgezel werd ten laatste onverdraaglijk voor hare gevoelige en overprikkelde zenuwen. Daarop riep zij, na het hoofd ijlings te hebben opgeheven, -dat tot hiertoe op haar hand had gerust: »Wat ik u bidden mag, +dat tot hiertoe op haar hand had gerust: »Wat ik u bidden mag, blijf toch staan!”</p> <p>De gids gehoorzaamde terstond en keek naar het huis van den Paraschiet, terwijl hij haar den rug toekeerde.</p> -<p>Na eenige oogenblikken pauze zeide Nefert: »Spreek toch een +<p>Na eenige oogenblikken pauze zeide Nefert: »Spreek toch een woord tot mij!”</p> <p>Toen draaide de Mohar zijn breed gezicht naar haar toe, en zij schrikte van den wilden gloed, die haar tegenstraalde uit den blik waarmede hij haar aanzag.</p> -<p>Nefert sloeg hare oogen neder. De gids antwoordde alleen: »Ik +<p>Nefert sloeg hare oogen neder. De gids antwoordde alleen: »Ik zwijg liever.” Daarop zette hij zijne wandeling voort, totdat de vrouw van Mena hem op nieuw toesprak.</p> -<p>»Ik weet,” zeide zij, »dat gij boos op mij zijt. Doch ik was +<p>»Ik weet,” zeide zij, »dat gij boos op mij zijt. Doch ik was nog maar een kind, toen ze mij met u verloofd hebben. Ben ik dan niet goed voor u geweest? Als uwe moeder mij bij onze kinderlijke spelen uw klein vrouwtje noemde, was ik werkelijk @@ -3312,21 +3273,21 @@ vader gestorven was, en uw schoonen tuin, en uwe edele paarden in uwe stallen, en al uwe slaven en slavinnen mijn eigendom zou mogen noemen.”</p> -<p>Paäker lachte, maar die lach klonk zóo gedwongen en beleedigend, +<p>Paäker lachte, maar die lach klonk zóo gedwongen en beleedigend, dat het Nefert door de ziel sneed, en zij zacht voortging,<span class="pagenum"><a name="Page_69" id="Page_69">[69]</a></span> -op een toon alsof zij om verschooning vroeg: »Het heet +op een toon alsof zij om verschooning vroeg: »Het heet dat gij boos zijt op ons, en nu verstaat gij mijne woorden -zóo, alsof het mij om uwe rijke erfenis te doen was geweest. +zóo, alsof het mij om uwe rijke erfenis te doen was geweest. Maar ik heb u immers reeds gezegd, dat ik altijd veel van u hield. Herinnert ge u dan niet meer, hoe ik met u geweend heb om de kwade jongens in de school, en om de strengheid, -uws vaders? Toen stierf uw oom —; gij zijt naar Azië vertrokken....”</p> +uws vaders? Toen stierf uw oom —; gij zijt naar Azië vertrokken....”</p> -<p>»En gij,” viel Paäker haar hard en scherp in de rede, »hebt +<p>»En gij,” viel Paäker haar hard en scherp in de rede, »hebt die verloving verbroken, en zijt de vrouw geworden van Mena, den wagenmenner. Dat alles weet ik; waartoe het weder opgehaald?”</p> -<p>»Omdat het mij leed doet, dat gij op mij toornig zijt en uwe +<p>»Omdat het mij leed doet, dat gij op mij toornig zijt en uwe goede moeder ons huis mijdt. Kondet ge maar begrijpen wat het is, wanneer de liefde eens in iemands borst ontwaakt en hem zoo geheel vervult, dat men zich niet meer alleen kan denken maar @@ -3334,23 +3295,23 @@ altijd bij en met en in de armen van een ander; wanneer het kloppen van ons hart ons in den slaap doet ontwaken, en wij zelfs in den droom niets anders zien dan dien eenige!”</p> -<p>»En dat zou ik niet geweten hebben!?” riep Paäker, terwijl +<p>»En dat zou ik niet geweten hebben!?” riep Paäker, terwijl hij de armen over elkander sloeg en vlak voor haar ging staan. -»Ik zou dat niet geweten hebben? Alsof gij het dan niet geweest +»Ik zou dat niet geweten hebben? Alsof gij het dan niet geweest waart, die mij dit gevoel deedt kennen! Zoo vaak ik aan u dacht, was het mij of niet langer bloed maar gloeiend vuur mij door de aderen stroomde, die gij thans met gif hebt gevuld. Hier in deze borst, waarin uw beeld zich nog lieflijker vertoonde dan dat van Hathor in het allerheilige, ziet het er uit als op die zee in het -land der Syriërs, die zij de doode noemen, die zee waarin alles +land der Syriërs, die zij de doode noemen, die zee waarin alles sterft en elke levenskiem wordt verstikt.”</p> -<p>Paäkers oogen rolden bij deze woorden door zijn hoofd; driftiger -klonk zijn stem, toen hij voortging: »Maar Mena staat dicht bij +<p>Paäkers oogen rolden bij deze woorden door zijn hoofd; driftiger +klonk zijn stem, toen hij voortging: »Maar Mena staat dicht bij den koning, dichter dan ik, en uwe moeder....”</p> -<p>»Mijne moeder,” viel Nefert den toornige in de rede, en hare -woorden getuigden van hevige gemoedsbeweging, »mijne moeder +<p>»Mijne moeder,” viel Nefert den toornige in de rede, en hare +woorden getuigden van hevige gemoedsbeweging, »mijne moeder heeft geen echtgenoot voor mij gekozen. Ik zag Mena toen hij, als ware hij de zonnegod, op den wagen des konings daarheen reed. Hij merkte mij op en zag mij aan, en zijn blik drong @@ -3367,27 +3328,27 @@ heeft den pharao bekend, dat de liefde zijne oogen verduisterde en zijne sterke handen verlamde, en nu deed de koning zelf aanzoek om mijne hand voor zijn trouwen dienaar. Mijne moeder gaf eindelijk toe en wij werden man en vrouw. Al het genot, dat de -gezaligden smaken in de Aäloe-velden<a name="FNanchor_55" id="FNanchor_55"></a><a href="#Footnote_55" class="fnanchor">55)</a>, is flauw en armelijk bij +gezaligden smaken in de Aäloe-velden<a name="FNanchor_55" id="FNanchor_55"></a><a href="#Footnote_55" class="fnanchor">55)</a>, is flauw en armelijk bij de zaligheid, waarin wij ons baadden, niet als sterfelijke menschen, maar als hemelsche goden.”</p> <p>Nefert had onder deze laatste woorden als eene verheerlijkte haar blikken naar den hemel gericht. Nu sloeg zij de oogen neder en -vervolgde op zachten toon: »Daar braken de Cheta<a name="FNanchor_56" id="FNanchor_56"></a><a href="#Footnote_56" class="fnanchor">56)</a> den vrede! +vervolgde op zachten toon: »Daar braken de Cheta<a name="FNanchor_56" id="FNanchor_56"></a><a href="#Footnote_56" class="fnanchor">56)</a> den vrede! De koning toog ten krijg en Mena met hem. Vijftienmaal was de maan opgegaan over ons geluk, en toen...”</p> -<p>»En toen verhoorden de goden mijn gebeden namen mijn offer -aan,” vervolgde Paäker met bevende stem, »en rukten den roover +<p>»En toen verhoorden de goden mijn gebeden namen mijn offer +aan,” vervolgde Paäker met bevende stem, »en rukten den roover van mijn geluk van uwe zijde weg, en verteerden uw hart en het zijne door de vlammen van het heimwee. Meent gij dat ge mij iets nieuws kunt vertellen? Nog eens was Mena vijftien dagen bij -u; daarna is hij niet wedergekeerd uit den krijg, die in Azië hevig +u; daarna is hij niet wedergekeerd uit den krijg, die in Azië hevig woedt.”</p> -<p>»Maar hij zal wederkeeren,” riep de jonge vrouw.</p> +<p>»Maar hij zal wederkeeren,” riep de jonge vrouw.</p> -<p>»Misschien ook niet!” zeide Paäker lachend. »De Cheta voeren +<p>»Misschien ook niet!” zeide Paäker lachend. »De Cheta voeren scherpe wapenen en op den Libanon zijn vele gieren, die misschien in deze ure zijn lichaam verscheuren, gelijk gij mijn hart hebt vaneengereten.”</p> @@ -3408,7 +3369,7 @@ een hevig krampachtig snikken, dat haar geheele organisme schokte.<span class="p Zij zag, zij hoorde niets meer; zij kon alleen bittere tranen schreien en gevoelen hoe diep ongelukkig zij was.</p> -<p>Paäker stond zwijgend tegenover haar.</p> +<p>Paäker stond zwijgend tegenover haar.</p> <p>Er zijn in het zuiden boomen, waaraan men naast verdroogde vruchten witte bloesems ziet hangen. Er zijn dagen waarop zich, @@ -3427,15 +3388,15 @@ het woord der liefde van hare lippen op te vangen.</p> <p>Na eenige pijnlijke minuten hield Nefert op te weenen. Met matten, bijna onverschilligen blik zag zij den Mohar aan, die nog altijd voor haar stond, en vroeg op zacht smeekenden toon: -»Mijne tong verdroogt; haal mij toch een weinig water!”</p> +»Mijne tong verdroogt; haal mij toch een weinig water!”</p> -<p>»De prinses kan ieder oogenblik terugkeeren,” antwoordde -Paäker.</p> +<p>»De prinses kan ieder oogenblik terugkeeren,” antwoordde +Paäker.</p> -<p>»Maar ik versmacht,” zeide Nefert, en begon opnieuw in stilte +<p>»Maar ik versmacht,” zeide Nefert, en begon opnieuw in stilte te weenen.</p> -<p>Paäker haalde de schouders op en ging toen dieper het dal +<p>Paäker haalde de schouders op en ging toen dieper het dal in, dat hij zoo goed kende als het huis zijns vaders. Daar toch lagen de graven van de voorvaderen zijner moeder, waarin hij als knaap bij volle en nieuwe maan gebeden had opgezegd en gaven @@ -3465,12 +3426,12 @@ jeneverbessen, waardoor de uitwasemingen van allerlei vreemdsoortige bestanddeelen, hier aanwezig, onschadelijk moesten worden gemaakt, drong uit het hol naar buiten.</p> -<p>Toen Paäker naderde riep het wijf vragend naar binnen: »Kookt +<p>Toen Paäker naderde riep het wijf vragend naar binnen: »Kookt het was?”</p> <p>Een onverstaanbaar gebrom liet zich als antwoord hooren.</p> -<p>»Doe er dan de apenoogen en de ibisvederen, en de linnen-lappen +<p>»Doe er dan de apenoogen en de ibisvederen, en de linnen-lappen met de zwarte tooverteekens in<a name="FNanchor_58" id="FNanchor_58"></a><a href="#Footnote_58" class="fnanchor">58)</a>. Roer nog wat! Doof nu het vuur uit! Neem een kruik en haal water! Kom, haast je wat! Daar komt een bezoeker.”</p> @@ -3478,34 +3439,34 @@ je wat! Daar komt een bezoeker.”</p> <p>Terstond kwam eene donkerzwarte negerin, die een gescheurden kleurloozen lap om haar magere lenden had geslagen, naar buiten. Zij zette een grooten aarden pot op haar grauw kroeshaar en -ging Paäker voorbij, zonder hem, juist toen hij bij het hol kwam, +ging Paäker voorbij, zonder hem, juist toen hij bij het hol kwam, aan te zien. De oude, een rijzige, maar door ouderdom gekromde vrouw, met een gelaat dat mogelijk eens schoon was geweest, doch zich nu vol rimpels en scherpe plooien vertoonde, maakte toebereidselen om den gids te ontvangen, daar zij een bonten doek over het hoofd bond, haar blauw-wollen kleed onder den hals dichttrok, en eene uitgerafelde mat over de raven- en uilenkoppen -wierp. Paäker riep haar toe, doch zij hield zich doof en deed +wierp. Paäker riep haar toe, doch zij hield zich doof en deed alsof zij hem niet hoorde. Eerst toen hij vlak bij haar stond, -sloeg zij hare slimme bliksemende oogen op en sprak: »Een +sloeg zij hare slimme bliksemende oogen op en sprak: »Een geluksdag, een witte dag, die hooge gasten brengt en groote eer!”</p> -<p>»Sta op,” zeide Paäker tot het wijf op bevelenden toon, zonder +<p>»Sta op,” zeide Paäker tot het wijf op bevelenden toon, zonder haar te groeten, maar een zilveren ring<a name="FNanchor_59" id="FNanchor_59"></a><a href="#Footnote_59" class="fnanchor">59)</a> midden onder de wortelen -in haar schoot werpende, »en geef mij voor goed geld wat water +in haar schoot werpende, »en geef mij voor goed geld wat water in eene zuivere kom.”</p> -<p>»Mooi, echt zilver,” hernam de oude, terwijl zij den ring, dien +<p>»Mooi, echt zilver,” hernam de oude, terwijl zij den ring, dien zij haastig uit de wortelen te voorschijn had gehaald, dichter onder<span class="pagenum"><a name="Page_73" id="Page_73">[73]</a></span> -hare oogen hield. »Dat is te veel voor water alleen, en te weinig +hare oogen hield. »Dat is te veel voor water alleen, en te weinig voor mijne kostelijke dranken.”</p> -<p>»Wauwel niet, bedelaarster, maak voort!” riep Paäker, terwijl +<p>»Wauwel niet, bedelaarster, maak voort!” riep Paäker, terwijl hij een tweeden ring uit zijn zak haalde en in haar schoot wierp.</p> -<p>»Gij hebt eene milde hand,” zeide de oude, en dat in zuivere -taal, zooals onder de hoogere standen werd gesproken. »Vele deuren +<p>»Gij hebt eene milde hand,” zeide de oude, en dat in zuivere +taal, zooals onder de hoogere standen werd gesproken. »Vele deuren zullen zich voor u openen, want het goud is een looper die in alle sloten past. Gij wilt water voor die mooie ringen? Moet het dienen tegen schadelijke dieren, of wilt gij er een ster van den @@ -3519,42 +3480,42 @@ gij een dronk hebben om uw geheugen te versterken? Of zal mijn water u onzichtbaar maken? Moet het ook den zesden teen van uw linkervoet wegnemen?”</p> -<p>»Gij kent mij dan?” vroeg Paäker.</p> +<p>»Gij kent mij dan?” vroeg Paäker.</p> -<p>»Hoe zou ik?” vroeg de heks. »Maar ik heb scherpe oogen, +<p>»Hoe zou ik?” vroeg de heks. »Maar ik heb scherpe oogen, en weet uitnemend water te bereiden voor geringen en aanzienlijken!”</p> -<p>»Praatjes!” riep Paäker ongeduldig, en greep naar de zweep -in zijn gordel. »Maak voort, want de vrouw voor wie....”</p> +<p>»Praatjes!” riep Paäker ongeduldig, en greep naar de zweep +in zijn gordel. »Maak voort, want de vrouw voor wie....”</p> -<p>»Gij verlangt water voor eene vrouw?” viel de oude den Mohar -in de rede. »Had ik dat kunnen denken! In den regel vragen de +<p>»Gij verlangt water voor eene vrouw?” viel de oude den Mohar +in de rede. »Had ik dat kunnen denken! In den regel vragen de oude heeren meer naar de liefdedranken dan de jonge. Doch ik kan u hiermede dienen; ik zal u helpen.”</p> <p>De oude ging na deze woorden in haar hol, en kwam een oogenblik daarna terug met een dun cylindervormig albasten -fleschje in de hand. »Dit is het fleschje,” zeide zij, terwijl zij -het den gids toestak. »De helft moet in het water gegoten en +fleschje in de hand. »Dit is het fleschje,” zeide zij, terwijl zij +het den gids toestak. »De helft moet in het water gegoten en aan de vrouw gegeven worden. Helpt het niet bij den eersten dan toch zeker bij den tweeden keer. Een kind kan het water drinken, zonder dat het kwaad zal doen, en een grijsaard wordt er vroolijk van. Daar, ik zal het u voorproeven!” — En zij bevochtigde -hare lippen met de witte vloeistof. »Het schaadt niet. +hare lippen met de witte vloeistof. »Het schaadt niet. Meer neem ik er toch niet van, anders mocht de oude heks eens verliefd op u worden, en dat zou het rijke heertje slecht bevallen, ha, ha! Helpt het drankje niet, dan ben ik genoeg betaald. Helpt het, dan brengt ge mij nog drie gouden ringen. En gij zult terugkomen, dat weet ik!”</p> -<p>Paäker had de heks roerloos aangehoord, maar nu greep hij +<p>Paäker had de heks roerloos aangehoord, maar nu greep hij zoo driftig naar het fleschje, als moest hij een machtigen tegenstander gaan overwinnen. Hij duwde het in zijn geldzak, wierp<span class="pagenum"><a name="Page_74" id="Page_74">[74]</a></span> het wijf nog eenige ringen voor de voeten, en eischte andermaal, maar spoedig, een zuivere kan vol Nijlwater.</p> -<p>»Heeft mijnheer zoo’n haast?” prevelde de oude, terwijl zij het -hol weder binnenging. »Hij vraagt mij of ik hem ken? <em>Hem</em> +<p>»Heeft mijnheer zoo’n haast?” prevelde de oude, terwijl zij het +hol weder binnenging. »Hij vraagt mij of ik hem ken? <em>Hem</em> zeker! Maar zijn schatje? Waar mag het hier ergens verscholen zijn? Misschien de kleine Warda van den Paraschiet daarginds! Zij is mooi genoeg; maar zij ligt nu half verpletterd op de mat @@ -3569,27 +3530,27 @@ legde op het heldere vocht een laurierblad, waarin twee met zeven strepen verbonden harten gekrast waren, en kwam er mede naar buiten.</p> -<p>Toen Paäker de schaal van haar aannam en het laurierblad -bekeek, zeide de heks: »Reeds dit verbindt de harten. Drie is +<p>Toen Paäker de schaal van haar aannam en het laurierblad +bekeek, zeide de heks: »Reeds dit verbindt de harten. Drie is de man, vier is de vrouw, zeven het ondeelbare Chaach, chachach charcharachacha”<a name="FNanchor_60" id="FNanchor_60"></a><a href="#Footnote_60" class="fnanchor">60)</a>.</p> <p>De heks zong dit bezweringsformulier niet zonder kunst, maar de Mohar scheen naar haar wartaal niet te luisteren, althans hij ging voorzichtig het dal weder in, en richtte zijne schreden naar -de plaats waar de vrouw van Mena uitrustte. Vóor de rotsen, die +de plaats waar de vrouw van Mena uitrustte. Vóor de rotsen, die hem voor Nefert onzichtbaar maakten, bleef hij staan, zette de schaal op een vlakken steen en haalde het fleschje met den liefdedrank uit zijn gordel. Zijne vingers beefden; zijne hersenen schenen beneveld door bedwelmende dampen; in zijne borst weerklonken wel duizend stemmen, die hem juichend schenen toe te roepen: -»Grijp toe, handel, gebruik den drank, nu of nooit!” — Hij +»Grijp toe, handel, gebruik den drank, nu of nooit!” — Hij was temoede als een eenzaam wandelaar, die op zijn pad het testament vindt van een gestorven bloedverwant, op wiens vermogen hij hoopt, het testament waarin hij onterfd wordt. Zal hij het den rechter overleveren, of zal hij het verscheuren?</p> -<p>Paäker was niet alleen een uitwendig vrome, maar had ook +<p>Paäker was niet alleen een uitwendig vrome, maar had ook tot dusver gemeend in alles naar de voorschriften van den voorvaderlijken godsdienst te handelen. Echtbreuk was eene zware zonde. Maar had hij dan op Nefert geene oudere rechten @@ -3611,9 +3572,9 @@ om zijn hals en aan zijn gordel, alle door de hand eens priesters gewijd. Het waren voor hem bijzonder heilige voorwerpen van hooge waarde. Bleef het oog van den lazuursteen, dat met een gouden keten aan zijn gordel hing, wanneer men het op -den grond wierp, zóó liggen, dat de gegraveerde zijde naar den -hemel zag en de gladde onder lag, dan zeide het »ja”, en in -het omgekeerde geval »neen”. In zijn geldtasch had hij altijd het +den grond wierp, zóó liggen, dat de gegraveerde zijde naar den +hemel zag en de gladde onder lag, dan zeide het »ja”, en in +het omgekeerde geval »neen”. In zijn geldtasch had hij altijd het beeldje van den god Apheroe met den kop van een jakhals<a name="FNanchor_62" id="FNanchor_62"></a><a href="#Footnote_62" class="fnanchor">62)</a>, den god die de wegen opent. Zoo vaak hij aan een kruisweg kwam, wierp hij dit beeldje voor zich uit en volgde hij de richting, @@ -3624,7 +3585,7 @@ Abydus op het heiligste onder de veertien graven van Osiris<a name="FNanchor_63" gelegd en met wonderkracht toegerust had. Deze bestond uit een gouden hand met eene breede zegelplaat, waarin men den naam kon lezen van den sedert lang vergoodden Thotmes III, door -wien het kleinood aan Paäkers voorvaderen was geschonken. Als +wien het kleinood aan Paäkers voorvaderen was geschonken. Als hij tot dien ring vragen wilde richten, raakte de Mohar met de punt van zijn bronzen dolk de gegraveerde naamteekens aan, waarvan drie betrekking hadden op de godheid, terwijl de andere @@ -3637,7 +3598,7 @@ dat hij zou ontmoeten. Kwam het van zijne rechterzijde, dan hield hij het voor een opwekkenden, kwam het van zijne linker, voor een waarschuwenden bode zijns vaders.</p> -<p>Langzamerhand had Paäker in dit vragen een zeker stelsel +<p>Langzamerhand had Paäker in dit vragen een zeker stelsel gebracht. Al wat hij in de natuur ontmoette, bracht hij in verband met zichzelven en zijn levensloop. Het was roerend en te gelijk treurig om op te merken, hoe innig hij steeds met de @@ -3675,7 +3636,7 @@ zoowel als in Thebe stond hij geheel op zichzelven en werd door de zijnen gehouden voor een ruw, trotsch en ongevoelig man, maar die een ijzeren wil had.</p> -<p>Paäker was in staat het beeld van verloren geliefden met dezelfde +<p>Paäker was in staat het beeld van verloren geliefden met dezelfde levendigheid voor zijne ziel te doen oprijzen, als de gestalten zijner afgestorvenen. Dat deed hij niet enkel in ontelbare stille nachten, maar evenzoo op lange tochten en ritten door de<span class="pagenum"><a name="Page_77" id="Page_77">[77]</a></span> @@ -3714,8 +3675,8 @@ water, greep de schaal op en naderde zijn offer.</p> <p>Nefert had inmiddels haar schaduwrijke zitplaats verlaten en ging hem te gemoet. Zonder iets te zeggen, nam zij de schaal aan, en dronk zij die met welgevallen ledig tot den bodem. -»Dank,” zeide zij, toen zij na het gulzig drinken weder bij adem -gekomen was. »Dat heeft mij goedgedaan! Hoe frisch en hartig +»Dank,” zeide zij, toen zij na het gulzig drinken weder bij adem +gekomen was. »Dat heeft mij goedgedaan! Hoe frisch en hartig smaakte dat water! Maar uwe handen beven, en gij zijt zoo verhit door het harde loopen voor mij, gij arme!”</p> @@ -3723,23 +3684,23 @@ verhit door het harde loopen voor mij, gij arme!”</p> die er in hare groote oogen lag, en stak hem hare rechterhand toe, die hij onstuimig aan zijne lippen drukte.</p> -<p>»Laat dit,” zeide zij lachend. »Zie, daar komt de prinses met +<p>»Laat dit,” zeide zij lachend. »Zie, daar komt de prinses met een priester uit de hut van den onreine. Foei, wat hebt ge mij straks met uwe vreeselijke woorden doen schrikken! Nu ja, ik gaf u grond om toornig tegen mij te zijn; maar nu moet gij<span class="pagenum"><a name="Page_78" id="Page_78">[78]</a></span> weer goed zijn, hoort ge, en ook uwe moeder weer bij de mijne -brengen. Geen woord meer! Ik wil toch eens zien of neef Paäker +brengen. Geen woord meer! Ik wil toch eens zien of neef Paäker mij gehoorzaamheid zal weigeren!”</p> <p>Ondeugend hief zij den vinger tegen hem op; daarna weder -ernstig wordende, sprak zij met een blik, die Paäker smartelijk -maar tevens met een zalig gevoel tot in de ziel drong: »Kom, +ernstig wordende, sprak zij met een blik, die Paäker smartelijk +maar tevens met een zalig gevoel tot in de ziel drong: »Kom, wees nu niet boos meer. Het is zoo heerlijk als men lief voor elkaar is.”</p> <p>Na deze woorden liep zij naar de hut van den Paraschiet, -terwijl Paäker beide handen tegen zijn borst drukte en in zich -zelven zeide: »De drank werkt; zij zal de mijne worden. Heb +terwijl Paäker beide handen tegen zijn borst drukte en in zich +zelven zeide: »De drank werkt; zij zal de mijne worden. Heb dank, hemelsche goden!” — Doch dit gebed, dat hij nooit verzuimde uit te spreken, wanneer hem eenig geluk was wedervaren, stierf heden op zijne lippen weg. Hij zag zich zoo dicht @@ -3758,7 +3719,7 @@ eene vaderlijke vermaning. Maar thans dreef hij er den spot mede, en gaf hij aan de stemming die hem beheerschte zichtbaar lucht, door met zijne rechterhand te zwaaien als een dronkaard, die, op weg naar het wijnvat, een zedeprediker afweert. De hartstocht -hield hem nog zóo vast gevangen, dat de gedachte nauwelijks +hield hem nog zóo vast gevangen, dat de gedachte nauwelijks als een nevel in zijne ziel kon oprijzen: den korten stond, waarin een braaf man tot een misdadiger wordt, heb ik doorleefd. Hij had het tot hiertoe slechts gewaagd zijn smachtend verlangen @@ -3769,7 +3730,7 @@ overgegaan, zonder hen, ja, huns ondanks. Daar gleed Hekt, de tooveres, strijkelings langs hem heen, om de vrouw te zien, waarvoor zij den liefdedrank had gegeven. Hij merkte haar op en schrikte. Het wijf was weldra achter een rots verdwenen -en prevelde: »Zie me daar eens dien zesteenige! Het schijnt hem +en prevelde: »Zie me daar eens dien zesteenige! Het schijnt hem wel te bevallen in het erfdeel van Assa”<a name="FNanchor_64" id="FNanchor_64"></a><a href="#Footnote_64" class="fnanchor">64)</a>!</p> <p>Midden in het dal kwamen Nefert en de gids de prinses Bent-Anat<span class="pagenum"><a name="Page_79" id="Page_79">[79]</a></span> @@ -3781,50 +3742,50 @@ ademhaling de reine lucht van het bergdal in. Het was alsof een centenaarslast van haar was afgewenteld, alsof zij verlost was van een schrikkelijk gevaar. Eindelijk richtte zij het woord tot haren metgezel, die ernstig naar den grond keek, en zeide: -»Welk een ure!”</p> +»Welk een ure!”</p> <p>De hooge gestalte van Pentaoer verroerde zich niet, maar hij boog toestemmend zijn hoofd, als in een droom verzonken.</p> <p>Bent-Anat zag hem nu voor het eerst in het volle daglicht, liet hare groote oogen vol bewondering op hem rusten en vroeg -dan: »Zijt gij de priester, die mij gisteren, na mijn eerste bezoek +dan: »Zijt gij de priester, die mij gisteren, na mijn eerste bezoek in de hut, zoo bereidvaardig voor rein hebt verklaard?”</p> -<p>»Ik ben het,” antwoordde Pentaoer.</p> +<p>»Ik ben het,” antwoordde Pentaoer.</p> -<p>»Ik heb uwe stem herkend en ben u dankbaar, want gij waart +<p>»Ik heb uwe stem herkend en ben u dankbaar, want gij waart het, die mijn moed hebt gesterkt, om, in weerwil van het verbod mijns zielzorgers, den drang mijns harten te volgen en herwaarts te gaan. Gij zult mij verdedigen, wanneer de andere mij zullen berispen!”</p> -<p>»Ik kwam echter hier om u onrein te verklaren.”</p> +<p>»Ik kwam echter hier om u onrein te verklaren.”</p> -<p>»Zoo zijt gij dan van meening veranderd?” vroeg Bent-Anat +<p>»Zoo zijt gij dan van meening veranderd?” vroeg Bent-Anat trotsch, en trekken van minachting vertoonden zich om hare lippen.</p> -<p>»Ik volg een hooger gebod, dat beveelt de oude inzettingen als +<p>»Ik volg een hooger gebod, dat beveelt de oude inzettingen als heilig te handhaven. Wanneer de aanraking van een Paraschiet, zoo zegt men, de dochter van Ramses niet verontreinigt, wien dan? Want is er iemand wiens gewaad vlekkeloozer is dan het hare?”</p> -<p>»Maar die man daar is braaf, bij al zijne geringheid,” hernam -Bent-Anat, »braaf, ondanks den smaad die zijn dagelijksch brood +<p>»Maar die man daar is braaf, bij al zijne geringheid,” hernam +Bent-Anat, »braaf, ondanks den smaad die zijn dagelijksch brood is, gelijk eere het onze! De negen groote goden mogen het mij vergeven, maar die daar woont is liefderijk, vroom en moedig; hij bevalt mij. En gij, die gisteren zijne bezoedelde aanraking -met éen woord meendet te kunnen afwasschen, wat geeft u +met éen woord meendet te kunnen afwasschen, wat geeft u aanleiding hem heden onder de melaatschen terug te stooten?”</p> -<p>»De vermaning van een verlicht man, om van de oude inzettingen +<p>»De vermaning van een verlicht man, om van de oude inzettingen geen enkel gedeelte prijs te geven, omdat daardoor de keten, waaraan men toch reeds begint te vijlen, rammelend uit elkaar zou kunnen vallen.”</p> -<p>»Zoo legt gij dus op mij den smet der onreinheid op grond +<p>»Zoo legt gij dus op mij den smet der onreinheid op grond van een verouderde dwaling, terwille van de groote menigte, niet om de daad die ik heb verricht? Gij zwijgt? Antwoord mij nu openhartig en naar waarheid, wanneer gij werkelijk de<span class="pagenum"><a name="Page_80" id="Page_80">[80]</a></span> @@ -3833,7 +3794,7 @@ mij, want het geldt de rust mijner ziel!”</p> <p>Pentaoer haalde zwaar adem, daarna gaf hij zijn door twijfel gefolterd gemoed lucht in deze diep gevoelde woorden, die eerst -zacht, vervolgens al luider werden gesproken: »Gij dwingt mij +zacht, vervolgens al luider werden gesproken: »Gij dwingt mij uit te spreken, wat ik eigenlijk niet eens moest denken. Maar liever wil ik zondigen tegen de gehoorzaamheid dan tegen de waarheid, de reine dochter van den zonnegod, wier gelijkenis @@ -3856,7 +3817,7 @@ tot dezelfde vreugde en dezelfde smart geboren.”</p> <p>De dichter had zijne blikken ten hemel geslagen; thans ontmoetten zij het fier en van blijdschap glinsterend oog der prinses, die hem vrijmoedig haar rechterhand toestak. Pentaoer kuste -deemoedig haar gewaad. Zij sprak echter: »Niet alzoo! Leg +deemoedig haar gewaad. Zij sprak echter: »Niet alzoo! Leg zegenend uwe hand op de mijne! Gij zijt een man en waarlijk een priester. Thans laat ik mij gaarne de onreinheid welgevallen, want ook mijn vader wenscht, dat door ons om den wil des @@ -3865,32 +3826,32 @@ aan hecht, in eere gehouden worden. Laat ons de goden gemeenschappelijk bidden, dat zij deze arme schepsels van den banvloek ontheffen. Hoe heerlijk zou het in de wereld zijn, wanneer de mensch den mensch liet blijven, wat de onsterfelijke -goden hem gemaakt hebben! — Maar daar staan Paäker +goden hem gemaakt hebben! — Maar daar staan Paäker en Nefert nog altijd te wachten midden in de brandende zonnehitte. Volg mij!”</p> <p>Zij ging met den priester vooruit, maar had nauwelijks eenige -schreden gedaan of zij keerde zich om en vroeg: »Hoe heet gij?”</p> +schreden gedaan of zij keerde zich om en vroeg: »Hoe heet gij?”</p> -<p>»Mijn naam is Pentaoer.”</p> +<p>»Mijn naam is Pentaoer.”</p> -<p>»Zijt gij dan de dichter van het Seti-huis?”</p> +<p>»Zijt gij dan de dichter van het Seti-huis?”</p> -<p>»Zoo noemen ze mij.”</p> +<p>»Zoo noemen ze mij.”</p> <p>Bent-Anat bleef nog een oogenblik staan en keek hem aandachtig aan, als een bloedverwant, die wij voor het eerst van<span class="pagenum"><a name="Page_81" id="Page_81">[81]</a></span> -aangezicht tot aangezicht zien, en zeide: »De goden hebben u +aangezicht tot aangezicht zien, en zeide: »De goden hebben u buitengewone gaven geschonken, want uw blik reikt verder en dringt dieper door dan die van andere menschen, en gij verstaat de kunst om in woorden uit te drukken, wat wij slechts gevoelen. Gaarne volg ik u!”</p> -<p>Pentaoer bloosde als een knaap en zeide, terwijl Paäker en -Nefert hem en zijne gezellin steeds naderkwamen: »Tot heden +<p>Pentaoer bloosde als een knaap en zeide, terwijl Paäker en +Nefert hem en zijne gezellin steeds naderkwamen: »Tot heden lag het leven voor mij als in eene schemering, maar deze ure toont het mij anders. Ik heb er de donkere schaduwzijde van -leeren kennen, en,” voegde hij er zachtkens aan toe, »de heldere +leeren kennen, en,” voegde hij er zachtkens aan toe, »de heldere lichtzijde tevens.”</p> <div class="footnotes"> @@ -3914,8 +3875,8 @@ wateren zitten, zaaien en oogsten.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_56" id="Footnote_56"></a><a href="#FNanchor_56"><span class="label">56)</span></a> De Arameërs, volgens de hoogstwaarschijnlijke uitlegging van Schrader. -De volken van westelijk Azië hadden zich, in den tijd van dit verhaal, met +<p><a name="Footnote_56" id="Footnote_56"></a><a href="#FNanchor_56"><span class="label">56)</span></a> De Arameërs, volgens de hoogstwaarschijnlijke uitlegging van Schrader. +De volken van westelijk Azië hadden zich, in den tijd van dit verhaal, met hen vereenigd.</p> </div> @@ -3933,7 +3894,7 @@ Grieksch) te Berlijn aanwezig, in het licht gegeven door Parthey.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_59" id="Footnote_59"></a><a href="#FNanchor_59"><span class="label">59)</span></a> De Egyptenaars hadden vóor Alexander en de Ptolemeërs geen munt. +<p><a name="Footnote_59" id="Footnote_59"></a><a href="#FNanchor_59"><span class="label">59)</span></a> De Egyptenaars hadden vóor Alexander en de Ptolemeërs geen munt. Zij wogen het metaal, waaraan zij gewoonlijk den vorm van ringen gaven.</p> </div> @@ -3943,8 +3904,8 @@ Zij wogen het metaal, waaraan zij gewoonlijk den vorm van ringen gaven.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_61" id="Footnote_61"></a><a href="#FNanchor_61"><span class="label">61)</span></a> Volgens den papyrus-Lee en Rollin. Vgl. Birch, <cite>Sur un papyrus -magique</cite> (Revue archéol. 1863); Chabas, <cite>Papyrus magique -Harris</cite>; Devéria, <cite>Papyr judiciaire de Turin</cite>.</p> +magique</cite> (Revue archéol. 1863); Chabas, <cite>Papyrus magique +Harris</cite>; Devéria, <cite>Papyr judiciaire de Turin</cite>.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -4000,12 +3961,12 @@ reed. Men vroeg niet wat het beduiden moest, dat juist nu klaagzangen werden aangeheven, want aan weeklachten en geheimzinnigheden was men hier gewoon.</p> -<p>»Heil het kind van Ramses!” »Knielt neder voor de zonnedochter +<p>»Heil het kind van Ramses!” »Knielt neder voor de zonnedochter Bent-Anat!” klonk het uit duizend monden, en de saamgevloeide menigte boog zich ter aarde, toen de koninklijke jonkvrouw kwam aanrijden.</p> -<p>De prinses steeg vóór het poortgebouw van den wagen, en +<p>De prinses steeg vóór het poortgebouw van den wagen, en volgde den eersten der Horoscopen, die haar ernstig en zwijgend aan den ingang van het heiligdom kwam begroeten. Toen zij gereed stond het voorhof te betreden, zwol het priesterlijk gezang @@ -4018,7 +3979,7 @@ ging zij verder.</p> <p>Maar achter den drempel der poort trad Ameni haar in den weg, bekleed met al de teekenen zijner waardigheid. Hij strekte zijn kromstaf uit, als om haar af te weren, en riep luide en -met vuur: »De tegenwoordigheid van de reine dochter van Ramses +met vuur: »De tegenwoordigheid van de reine dochter van Ramses brengt dit heiligdom zegen, maar deze herberg der goden sluit hare poorten voor de verontreinigden, zij mogen slaven zijn of vorsten. In den naam der hemelsche goden, waarvan gij afstamt, @@ -4046,19 +4007,19 @@ dien trotsch en afwijzend.</p> verontwaardiging, die in zijn binnenste opkwam als een zwarte dreigende donderwolk, te beheerschen, en zeide op een toon, die echter wel een weinig verschilde van zijne gewone deftigheid: -»Ten tweede male vragen de goden u door mij, die hun vertegenwoordiger<span class="pagenum"><a name="Page_84" id="Page_84">[84]</a></span> +»Ten tweede male vragen de goden u door mij, die hun vertegenwoordiger<span class="pagenum"><a name="Page_84" id="Page_84">[84]</a></span> ben: ‚Hebt gij deze heilige plaats betreden, opdat de onsterfelijken de onreinheid van u nemen, die uw lichaam en uwe ziel bevlekt?’”</p> <p>Bent-Anat antwoordde kortaf en zich volkomen bewust van hetgeen -zij zeide: »Mijn vader zal u het antwoord geven!”</p> +zij zeide: »Mijn vader zal u het antwoord geven!”</p> -<p>»Niet mij,” hernam Ameni, »maar den goden zal hij het geven, +<p>»Niet mij,” hernam Ameni, »maar den goden zal hij het geven, in wier naam ik u thans beveel dit vlekkeloos heiligdom te verlaten, dat door uwe tegenwoordigheid wordt bezoedeld.”</p> -<p>De prinses huiverde bij deze woorden en zeide dof: »Ik ga.”</p> +<p>De prinses huiverde bij deze woorden en zeide dof: »Ik ga.”</p> <p>Reeds had zij den voet opgeheven, om naar de poort van den pylon terug te keeren, toen haar blik dien van den dichter @@ -4081,18 +4042,18 @@ geknoopte band hunne zielen had saamgesnoerd, en de blik dien hij hen zag wisselen deed hem huiveren. Want de weerspannige had den dichter aangezien als eene zegepralende, die bijval vraagt, en de oogen van Pentaoer waren aan dit verlangen tegemoetgekomen. -Na een oogenblik van beraad riep Ameni: »Bent-Anat!”</p> +Na een oogenblik van beraad riep Ameni: »Bent-Anat!”</p> <p>De prinses keerde zich om, en zag den priester ernstig en vragend aan. Ameni deed eene schrede voorwaarts, en plaatste zich -tusschen haar en den dichter. »Gij daagt,” sprak hij op indrukwekkenden -toon, »de goden uit ten strijd. Dat is stout! Maar +tusschen haar en den dichter. »Gij daagt,” sprak hij op indrukwekkenden +toon, »de goden uit ten strijd. Dat is stout! Maar het komt mij voor, dat gij tot zulk eene daad den moed hebt gehad, omdat gij rekent op een bondgenoot, die de onsterfelijken bijna even nabij staat als ik. Laat mij u daarom dit zeggen: Aan u, die als een kind op een dwaalspoor zijt geleid, mag veel vergeven worden; maar een dienaar der godheid” — en dit zeggende -zag hij Pentaoer aan met onheilspellenden blik — »een priester, +zag hij Pentaoer aan met onheilspellenden blik — »een priester, die in den strijd van willekeur tegen wet overloopt, die zijn plicht verzaakt en zijn eed vergeet, die kan u niet langer als een raadsman ter zijde staan. Al had de godheid hem ook met de rijkste @@ -4111,7 +4072,7 @@ nader. Zij begreep dat hij spreken wilde, en door het gebeurde te verdedigen zich onmisbaar in het verderf zou storten. Innig medelijden en eene namelooze angst grepen haar aan, en eer Pentaoer zijn mond nog kon ontsluiten, zonk zij langzaam voor -Ameni’s voeten neder en zeide zacht: »Ik heb gezondigd en mij +Ameni’s voeten neder en zeide zacht: »Ik heb gezondigd en mij bezoedeld, zooals gij zegt en Pentaoer mij ook heeft aangekondigd voor de hut van den Paraschiet. Geef mij mijne reinheid weder, Ameni, want ik ben onrein.”</p> @@ -4120,16 +4081,16 @@ weder, Ameni, want ik ben onrein.”</p> verdween de gloed uit de oogen van den opperpriester. Vriendelijk, ja met liefdevollen blik zag hij neder op de prinses. Hij zegende haar, geleidde haar tot voor het allerheiligste, liet -haar dáar hullen in wierookwolken en zalven met de negen -heiligste oliën, en gebood haar naar het koninklijk paleis terug +haar dáar hullen in wierookwolken en zalven met de negen +heiligste oliën, en gebood haar naar het koninklijk paleis terug te keeren. Hij voegde er bij, dat haar schuld nog niet volkomen was geboet; maar weldra zou zij vernemen door welke gebeden en heilige oefeningen zij van de goden, die hij in het allerheiligste des tempels zou ondervragen, hare reinheid terug kon ontvangen.</p> -<p>Gedurende deze ceremoniën hief het priesterkoor in den voorhof -weder zijne klaagzangen aan. Het volk, dat vóor den tempel +<p>Gedurende deze ceremoniën hief het priesterkoor in den voorhof +weder zijne klaagzangen aan. Het volk, dat vóor den tempel stond te luisteren naar deze liederen, stemde er van tijd tot tijd mede in door een gillenden jammerkreet; want reeds had zich de sombere mare van het gebeurde onder de menigte verbreid.</p> @@ -4162,7 +4123,7 @@ luider en luider werd, opende zich de hoofdpoort. Ameni trad in vol ornaat met deftigen tred naar buiten, gevolgd door twintig Pastophoren, die godenbeelden en heilige symbolen op de schouder droegen. Terwijl hij voortging tot midden onder de menigte, -zweeg alles. »Waarom stoort gij onze gebeden?” vroeg hij luid +zweeg alles. »Waarom stoort gij onze gebeden?” vroeg hij luid en kalm.</p> <p>Een verward geroep door elkander, waarin zich alleen de @@ -4170,7 +4131,7 @@ dikwijls herhaalde naam van Bent-Anat liet onderscheiden, was het antwoord.</p> <p>Ameni bewaarde zijne onverstoorbare bedaardheid, en zijn -kromstaf opheffende riep hij: »Maakt plaats voor de dochter van +kromstaf opheffende riep hij: »Maakt plaats voor de dochter van Ramses. Zij heeft bij de goden, die zoowel de schuld van den aanzienlijkste als van den geringste onder u kennen, reinheid gezocht en gevonden. Zij beloonen de vromen, maar straffen @@ -4179,9 +4140,9 @@ vergeving schenken en u met uwe kinderen zegenen.”</p> <p>Ameni liet zich door een Pastophoor het heilige sistrum aangeven en hief het omhoog<a name="FNanchor_66" id="FNanchor_66"></a><a href="#Footnote_66" class="fnanchor">66)</a>. De priesters achter hem hieven -eene plechtige hymne aan, en de menigte zonk op de knieën +eene plechtige hymne aan, en de menigte zonk op de knieën zonder zich te verroeren, tot het lied verstomde en de opperpriester -uitriep: »De hemelsche goden zegenen u door mij, hun +uitriep: »De hemelsche goden zegenen u door mij, hun dienstknecht. Verlaat deze plaats en maakt ruimte voor de dochter van Ramses.”</p> @@ -4189,7 +4150,7 @@ dochter van Ramses.”</p> de tempelwacht veegde de straat schoon die, tusschen de sphinxen<span class="pagenum"><a name="Page_87" id="Page_87">[87]</a></span> door naar den Nijl voerde, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten.</p> -<p>Toen Bent-Anat haar wagen besteeg, sprak Ameni: »Gij zijt +<p>Toen Bent-Anat haar wagen besteeg, sprak Ameni: »Gij zijt een koningskind. Het huis uws vaders rust op de schouders van het volk. Ondermijn de oude instellingen, die het in banden houden, en de menigte zal in opstand komen als deze onzinnigen.”</p> @@ -4218,7 +4179,7 @@ richtte hij uit gewoonte zijne schreden naar den open hof, waar zijne leerlingen hem wachten; doch in plaats van gelijk anders op weg daarheen het onderwerp te overdenken, waarover hij wilde handelen, hielden zijn geest en zijn hart zich bezig met -hetgeen hij in de laatste uren had doorleefd. Eén beeld, dat hem +hetgeen hij in de laatste uren had doorleefd. Eén beeld, dat hem zoo zalig stemde, beheerschte al zijne voorstellingen; het was de beeltenis der onuitsprekelijk schoone vrouw, die in al den glans harer koninklijke waardigheid en bevende van fierheid @@ -4243,7 +4204,7 @@ tusschen gisteren en heden eene wijde zee lag, welker schuimende golfslag zijne herinnering en zijn denkvermogen geheel in de war bracht. Zijne leerlingen, die met de beenen kruislings onder het lijf op een stroomat tegenover hem zaten, zagen den zwijgenden -anders zoo welsprekenden leeraar verwonderd aan. »Hij bidt,” +anders zoo welsprekenden leeraar verwonderd aan. »Hij bidt,” fluisterde een jonge priester zijn buurman toe, en Anana zag met bezorgdheid, hoe de sterke handen zijns meesters zich zoo vast om de schriftrol klemden, dat de dunne stof waaruit ze bestond @@ -4252,9 +4213,9 @@ dreigde te verbrokkelen.</p> <p>Eindelijk richtte Pentaoer zijn blik naar beneden. Hij had zijn onderwerp gevonden. Terwijl hij opzag was zijn oog gevallen op den naam des konings, die aan de overzijde op den wand stond -geschilderd met den titel: »de goede god.” Hij knoopte den +geschilderd met den titel: »de goede god.” Hij knoopte den gang zijner gedachten aan deze woorden vast en legde zijne toehoorders -de vraag ter beantwoording voor: »Hoe kunnen wij +de vraag ter beantwoording voor: »Hoe kunnen wij weten dat de godheid goed is?” Hij riep den eenen priester na den ander op, om dit thema te behandelen, alsof hij voor zijne toekomstige gemeente stond. Verschillende leerlingen namen het @@ -4268,10 +4229,10 @@ en de andere goden openbaarde.</p> <p>Pentaoer luisterde naar den jongeling met de armen kruiselings over elkander, hem nu eens vragend aanziende, dan -weder toestemmend knikkende. Toen de voordracht geëindigd +weder toestemmend knikkende. Toen de voordracht geëindigd was, knoopte hij aan deze zijne denkbeelden vast. Want nu begon hij zelf te spreken. Als gehoorzame valken op de stem -dergenen, die ze ter jacht hebben afgericht, schoten de ideeën +dergenen, die ze ter jacht hebben afgericht, schoten de ideeën hem toe, en de godsdienstige geestdrift, die in zijn borst was ontwaakt, doortintelde met gloed en leven zijne rede, die zich verhief gelijk een adelaar, met steeds breeder en geweldiger vleugelslag. @@ -4281,7 +4242,7 @@ Toen hij de eeuwige orde aller dingen verheerlijkte, en de ondoorgrondelijke wijsheid des wereldscheppers, en de voorzienigheid van den Eenen, die eenig is en groot en zonder gelijken, ja, toen vloeiden hem de woorden van de lippen als een kristalheldere -stroom. »Zóo onvergelijkelijk,” dus besloot hij, »is de +stroom. »Zóo onvergelijkelijk,” dus besloot hij, »is de woonplaats, die de godheid ons gegeven heeft! Alles wat Hij, de Eenige, geschapen heeft, is doordrongen van zijn eigen wezen en het getuigt van zijne goedheid. Wie hem weet te vinden, @@ -4306,14 +4267,14 @@ hare rijkste gaven neerlegt en waar zijne heiligste altaren staan opgericht? Het is in uw eigen hart, zoo het althans rein is en van liefde vervuld. In zulke harten spiegelt de natuur zich af als in die tooverspiegels, in wier oppervlakten wij het schoone -driemaal schoon aanschouwen. Dàar reikt het oog ver over +driemaal schoon aanschouwen. Dà ar reikt het oog ver over stroom en boomgaarden en bergen heen, en overziet de geheele aarde. Daar schittert het morgen- en avondrood niet als rozen en robijnen, maar als de wangen van de godin der schoonheid -zelve. Dáar bevaren de sterren niet zwijgend den hemel, maar -onder het heerlijk ruischen der reinste accoorden. Dáar lacht +zelve. Dáar bevaren de sterren niet zwijgend den hemel, maar +onder het heerlijk ruischen der reinste accoorden. Dáar lacht het kind als een jeugdige god en de knop ontplooit zich tot een -wonderbloem. Dáar breidt de dankbaarheid zich uit en wordt +wonderbloem. Dáar breidt de dankbaarheid zich uit en wordt het gebed inniger, en wij werpen ons in de armen van een god die — hoe zal ik zijne heerlijkheid uitspreken! — die een god is, tot wien het verheven negental der groote goden hulpbehoevend @@ -4327,7 +4288,7 @@ zweet van zijn gloeiend voorhoofd en richtte langzaam zijne schreden naar de deur van den hof, die toegang verleende tot het heilige tempelbosch. Reeds stond hij op den drempel, toen hij voelde dat iemand de hand op zijn schouder legde. Hij zag om. -Achter hem stond Ameni en zeide koeltjes: »Gij hebt uwe hoorders +Achter hem stond Ameni en zeide koeltjes: »Gij hebt uwe hoorders in betoovering opgevoerd, mijn vriend! Jammer maar, dat u de harp ontbrak.”</p> @@ -4338,17 +4299,17 @@ had, want zoo pleegde hij slechte leerlingen en zondige priesters met woorden te straffen. Hem had hij echter nog nooit op deze wijze toegesproken.</p> -<p>»Gij schijnt inderdaad in uwe bedwelming vergeten te hebben,” -ging de opperpriester ijskoud voort, »wat een leeraar in +<p>»Gij schijnt inderdaad in uwe bedwelming vergeten te hebben,” +ging de opperpriester ijskoud voort, »wat een leeraar in de school behoort te spreken. Eenige weken geleden hebt gij in mijne handen gezworen het mysterie te zullen bewaren, en heden biedt het geheim van den eenigen onnoembaren, de heiligste bezitting der ingewijden als eene goedkoope waar op de open markt aan ieder aan.”</p> -<p>»Gij snijdt met messen,” zeide Pentaoer.</p> +<p>»Gij snijdt met messen,” zeide Pentaoer.</p> -<p>»Als ze maar scherp zijn,” hernam de opperpriester, »en de +<p>»Als ze maar scherp zijn,” hernam de opperpriester, »en de onreine vlekken en het voortwoekerende onkruid in uwe ziel uitroeien. Gij zijt jong, te jong; doch niet als de teedere vruchtboom, die zich laat rechtbuigen en veredelen, maar als het gewone<span class="pagenum"><a name="Page_91" id="Page_91">[91]</a></span> @@ -4362,46 +4323,46 @@ den vrede der school in den kampstrijd des levens gebracht. En hoe hebt gij het veldteeken bewaard, dat gij moest omhoog houden en verdedigen?”</p> -<p>»Ik heb gedaan,” antwoordde Pentaoer, diep bewogen, »wat mij +<p>»Ik heb gedaan,” antwoordde Pentaoer, diep bewogen, »wat mij voorkwam waarheid en recht te zijn.”</p> -<p>»Recht is voor u even als voor ons, wat de wet voorschrijft. +<p>»Recht is voor u even als voor ons, wat de wet voorschrijft. En wat is waarheid?”</p> -<p>»Niemand heeft nog haar sluier opgelicht,” zeide Pentaoer; -»maar mijne ziel is geboren uit het bezielde lichaam van het al. +<p>»Niemand heeft nog haar sluier opgelicht,” zeide Pentaoer; +»maar mijne ziel is geboren uit het bezielde lichaam van het al. Een deel van den onbedriegelijken geest der godheid leeft in mijne borst, en wanneer hij zich in mij werkzaam toont....”</p> -<p>»Hoe licht houden wij toch de stem der eigenliefde voor de stem +<p>»Hoe licht houden wij toch de stem der eigenliefde voor de stem der godheid!”</p> -<p>»Zou de god, die spreekt en werkt in mij als in u, als in ieder +<p>»Zou de god, die spreekt en werkt in mij als in u, als in ieder ander, zichzelf en zijne eigene stem niet herkennen?”</p> -<p>»Als de menigte u hoorde,” viel Ameni weder in, »dan zou +<p>»Als de menigte u hoorde,” viel Ameni weder in, »dan zou ieder zich plaatsen op zijn kleinen troon, ieder de stem der godheid in zijn binnenste als zijne leidsvrouw beschouwen; dan verscheurden allen de wet en gaven de flarden prijs aan den oostewind, die ze naar de woestijn zou dragen.”</p> -<p>»Ik ben een wetende, dien gij zelf hebt geleerd den eenige te +<p>»Ik ben een wetende, dien gij zelf hebt geleerd den eenige te zoeken en te vinden. Het licht, in welks aanschouwing ik mij zalig voel, zou de menigte, ik loochen dit niet, met blindheid slaan, wanneer ik het haar toonde....”</p> -<p>»Nochtans verblindt gij onze leerlingen met dien gevaarlijken +<p>»Nochtans verblindt gij onze leerlingen met dien gevaarlijken glans.”</p> -<p>»Ik voed hen op tot jongelieden, die ook eens wetenden zullen +<p>»Ik voed hen op tot jongelieden, die ook eens wetenden zullen zijn.”</p> -<p>»En dat in gloeiende ontboezemingen van een van liefde dronken +<p>»En dat in gloeiende ontboezemingen van een van liefde dronken hart!”</p> -<p>»Ameni!”</p> +<p>»Ameni!”</p> -<p>»Ook ongeroepen sta ik voor u, als uw meester, verwijzende +<p>»Ook ongeroepen sta ik voor u, als uw meester, verwijzende naar de wet, die altijd en in alles wijzer is dan een mensch alleen. Zelfs de koning, ondanks zijn pralende titels, beroemt zich allereerst een <em>bevestiger</em> der wet te zijn. Voor @@ -4463,16 +4424,16 @@ priesterlijke idee over de geesten, en van de priesterschap over allen, zelfs over den koning, was tot hiertoe door dezen zeldzamen jongeling niet begrepen.</p> -<p>Toch moest hij het leeren begrijpen. »Hier,” sprak Ameni bij -zichzelf, »als de laatste onder honderden die boven hem gesteld +<p>Toch moest hij het leeren begrijpen. »Hier,” sprak Ameni bij +zichzelf, »als de laatste onder honderden die boven hem gesteld zijn, wordt de zucht tot verzet in deze hoogdravende ziel gewekt. In den tempel van Hatasoe zal hij te gebieden hebben over beneden hem staande priesters, die de offers moeten slachten en het wierookvat zwaaien. Door gehoorzaamheid van anderen te eischen, zal hij de noodzakelijkheid er van voor zichzelf leeren -inzien. De rebel, wien een troon ten deel valt, wordt een tyran!” — »Pentaoer’s +inzien. De rebel, wien een troon ten deel valt, wordt een tyran!” — »Pentaoer’s dichterlijke ziel,” zoo dacht hij verder, -»heeft zich snel doen kluisteren door de schoonheid van Bent-Anat. +»heeft zich snel doen kluisteren door de schoonheid van Bent-Anat. En welke vrouw zou weerstand kunnen bieden aan dezen hoog begaafde, die schittert met de schoonheid van Ra Harmachis, en van wiens lippen de zoete taal vloeit van Techoeti<a name="FNanchor_71" id="FNanchor_71"></a><a href="#Footnote_71" class="fnanchor">71)</a>! @@ -4480,7 +4441,7 @@ Zij mogen elkander niet wederzien, want geen band mag hem verbinden aan het huis van Ramses.”</p> <p>Wederom wandelde hij op en neder, zijne alleenspraak dus -voorzettende: »Wat mag dit zijn!? Gelijk palmen de lagere +voorzettende: »Wat mag dit zijn!? Gelijk palmen de lagere struiken, zoo overtroffen twee mijner leerlingen in geest en begaafdheden al hunne metgezellen. Ik voedde hen op tot mijne opvolgers, tot de erfgenamen van mijne hoop en mijn streven. — Mesoe<a name="FNanchor_72" id="FNanchor_72"></a><a href="#Footnote_72" class="fnanchor">72)</a> @@ -4495,8 +4456,8 @@ stroom en verf dien met mijne kleur.”</p> <p>Aan het eind van den loop zijner gedachten bleef Ameni staan. Toen riep hij een der zoogenaamde heilige vaders, zijn geheimschrijver, -en zeide: »Stel oogenblikkelijk een zendbrief op aan alle -priestercollegiën van het land. Deel hun mede, dat de dochter van +en zeide: »Stel oogenblikkelijk een zendbrief op aan alle +priestercollegiën van het land. Deel hun mede, dat de dochter van Ramses zich zwaar vergrepen heeft tegen de wet door zich te verontreinigen, en schrijf hun voor, dat men openlijke — versta mij goed: openlijke! — gebeden uitspreke voor hare reiniging @@ -4506,14 +4467,14 @@ ik zal de verordening <em>zelf</em> opstellen!”</p> <p>De heilige vader overhandigde hem het schrijfgereedschap en trad terug naar den achtergrond van het vertrek. Ameni -prevelde: »De koning wil ons ongehoord geweld aandoen. Best! +prevelde: »De koning wil ons ongehoord geweld aandoen. Best! Dit schrijven zij de eerste pijl in antwoord op zijn lansworp.”</p> <div class="footnotes"> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_65" id="Footnote_65"></a><a href="#FNanchor_65"><span class="label">65)</span></a> Een beroemd reukwerk van de Egyptenaren. Recepten om het te bereiden -zijn bewaard gebleven in den papyrus-Ebers, in de laboratoriën van +zijn bewaard gebleven in den papyrus-Ebers, in de laboratoriën van de tempels, bij Dioskorides, Plutarchus, Galenus e.a. Parthey heeft door den apotheker L. Voigt te Berlijn drie soorten laten namaken. Het kyphi volgens het voorschrift van Dioskorides, was het beste. Voigt bereidde het @@ -4523,7 +4484,7 @@ asphalt, mastik, myrrhe, Bourgondische hars en honig.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_66" id="Footnote_66"></a><a href="#FNanchor_66"><span class="label">66)</span></a> Een muziekinstrument, dat bij de godsdienstplechtigheden der Egyptenaars -wordt gebruikt en waarvan nog vele exemplaren in de museën +wordt gebruikt en waarvan nog vele exemplaren in de museën worden bewaard. Plutarchus beschrijft het met juistheid aldus: „Het sistrum is van boven rond gebogen, en de gebogen plaat omvat de vier staven, die in beweging worden gebracht. Op de ronding, boven, bevestigen @@ -4554,8 +4515,8 @@ met een ramskop.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_68" id="Footnote_68"></a><a href="#FNanchor_68"><span class="label">68)</span></a> Oorspronkelijk de zonnegod. Zijn naam werd later in de pantheïstische -leer der mysteriën gebruikt voor dien van den god die <em>het Al</em> is.</p> +<p><a name="Footnote_68" id="Footnote_68"></a><a href="#FNanchor_68"><span class="label">68)</span></a> Oorspronkelijk de zonnegod. Zijn naam werd later in de pantheïstische +leer der mysteriën gebruikt voor dien van den god die <em>het Al</em> is.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -4612,7 +4573,7 @@ langs den Nijloever uitstrekten, waren de laatste tonen der avondliederen weggestorven, maar in de stad scheen nu het leven eerst recht te ontwaken. De weldadige koelte die op de hitte van den zomerdag volgde, lokte de burgers naar buiten, -vóor de deuren, op de daken en torens hunner huizen of aan +vóor de deuren, op de daken en torens hunner huizen of aan de schenktafels, waar zij onder het drinken van bier of wijn of frisch vruchtennat luisterden naar de verhalen van een sprookjesverteller. Vele der meer eenvoudige lieden hurkten in kringvormige @@ -4623,7 +4584,7 @@ klank eener handtrommel en de tonen der fluit.</p> <p>Ten zuiden van den tempel van Amon lag het koninklijk paleis en in de nabijheid verhieven zich, te midden van meer of minder groote tuinen, de huizen der rijksgrooten waaronder zich -éen vooral door pracht en omvang onderscheidde. Paäker, de +éen vooral door pracht en omvang onderscheidde. Paäker, de koninklijke gids, had het door een der bekwaamste bouwmeesters, na den dood zijns vaders, doen optrekken op de plaats waar het vervallen huis zijner voorouders stond, in de hoop van @@ -4631,7 +4592,7 @@ zijn nichtje Nefert er binnen te kunnen leiden als zijne echtgenoote. Weinige schreden verder oostwaarts lag een ander, niet minder deftig gebouw, maar dat er ouder en niet zoo sierlijk uitzag. De koninklijke wagenmenner Mena had het van zijn -vader geërfd. Terwijl hijzelf in het verre Syrische land in de +vader geërfd. Terwijl hijzelf in het verre Syrische land in de tent des konings als diens lijfwacht verblijf hield, werd het bewoond door zijne gemalin Nefert en hare moeder Katoeti. Voor de poorten van beide huizen stonden dienaars met brandende @@ -4640,7 +4601,7 @@ gebieders.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_96" id="Page_96">[96]</a></span></p> -<p>De poort die toegang verleende tot Paäkers terrein, dat rondom +<p>De poort die toegang verleende tot Paäkers terrein, dat rondom door een muur werd omgeven, was buiten verhouding tot de overige gebouwen pronkerig hoog en met allerlei bont schilderwerk bedekt. Ter linker- en rechterzijde rezen twee cederstammen @@ -4660,7 +4621,7 @@ in den tuin kwam. Deze was beplant met rijen goed onderhouden boomen en wijnstokken langs latwerk geleid, met boschjes van verschillende heestergewassen, bloem- en groentebedden. Palmen, sykomoren en acacia’s, de vijg, de granaat, de jasmijn, ja alles -tierde hier welig, want Setchem, Paäkers moeder, hield het toezicht +tierde hier welig, want Setchem, Paäkers moeder, hield het toezicht op het werk van den hovenier. Bovendien was er in den grooten vijver midden in dezen aanleg nooit gebrek aan water om de bedden en boomwortels te begieten, want hij werd gevoed door @@ -4668,7 +4629,7 @@ twee kanalen, waarin de door ossen in beweging gebrachte schepraderen, dag en nacht het water uit den Nijl opvoerden.</p> <p>Aan de rechterzijde van dezen tuin zag men het woonhuis. -Het was maar éene verdieping hoog, maar onafzienbaar lang en +Het was maar éene verdieping hoog, maar onafzienbaar lang en bestond uit eene enkele rij van vertrekken en kamers. Bijna elk vertrek had zijne eigene deur, die op eene door dunne houten zuilen gedragen veranda uitkwam, welke langs de geheele tuinzijde @@ -4678,13 +4639,13 @@ die uit den tuin werden ingezameld, de wijnkruiken, de geweven stoffen, dierenhuiden, leder, en andere bezittingen van dien aard werden geborgen. In een afzonderlijk vertrek, waarvan de muren uit stevig gehouwen steenen waren opgetrokken, werd -de schat zorgvuldig bewaard, die Paäkers voorvaderen en hijzelf +de schat zorgvuldig bewaard, die Paäkers voorvaderen en hijzelf in den krijg hadden verworven, bestaande in gouden en zilveren ringen, dierenbeelden en vaatwerk. Het ontbrak hier ook niet aan baren koper en edelgesteenten, vooral lazuursteen en stukken malachiet. — Midden in den tuin was eene rijke versierde kiosk aangebracht en eene kapel met godenbeelden. In de -laatste stonden op den achtergrond de beeltenissen van Paäkers +laatste stonden op den achtergrond de beeltenissen van Paäkers voorvaderen, in de gedaante van een als mummie ingewikkelden Osiris<a name="FNanchor_75" id="FNanchor_75"></a><a href="#Footnote_75" class="fnanchor">75)</a>. Het eene beeld verschilde slechts van het ander, doordat de aangezichten portretten van de overledenen voorstelden.</p> @@ -4696,7 +4657,7 @@ waren de slaven van den gids, die in groepjes van vijf of zes op den grond hurkten, of op dunne matten van palmbast, hunne vrij harde bedden naast elkaar lagen. Op eenige afstand van de poort, aan de rechterzijde van den hof, brandden eenige lampen; -zij beschenen een groep bruine mannen, Paäkers huisbedienden, +zij beschenen een groep bruine mannen, Paäkers huisbedienden, die korte witte rokken droegen in den vorm van hemden, en op een tapijt waren neergehurkt rondom een nauwelijks<span class="pagenum"><a name="Page_98" id="Page_98">[98]</a></span> twee voet hooge tafel. Zij gebruikten hun avondmaal, @@ -4704,29 +4665,29 @@ bestaande in eene gebradene antiloop en groote platte broodkoeken. Zij werden bediend door slaven, die bekers van gebakken aarde vulden met geelachtig bier. De hofmeester sneed het groote gebraad op tafel, reikte den tuinman een stuk van een -antilopenbout toe en zeide<a name="FNanchor_76" id="FNanchor_76"></a><a href="#Footnote_76" class="fnanchor">76)</a>: »De armen doen mij zeer; dat +antilopenbout toe en zeide<a name="FNanchor_76" id="FNanchor_76"></a><a href="#Footnote_76" class="fnanchor">76)</a>: »De armen doen mij zeer; dat slavengespuis wordt van dag tot dag luier en brutaler.”</p> -<p>»Ik zie het aan de palmen,” zeide de tuinman. »Gij hebt +<p>»Ik zie het aan de palmen,” zeide de tuinman. »Gij hebt zooveel stokken noodig, dat hunne bladerkronen zoo kaal worden als ruiende vogels.”</p> -<p>»Wij moeten doen als onze meester,” zeide de stalmeester, -»en ons staven van ebbenhout aanschaffen. Die houden het +<p>»Wij moeten doen als onze meester,” zeide de stalmeester, +»en ons staven van ebbenhout aanschaffen. Die houden het wel honderd jaren uit!”</p> -<p>»In elk geval langer dan de beenderen van menschen,” zeide -lachend de opperste veehoeder, die van Paäker’s landgoed +<p>»In elk geval langer dan de beenderen van menschen,” zeide +lachend de opperste veehoeder, die van Paäker’s landgoed in de stad was gekomen om offervee, boter en kaas af te leveren. -»Wanneer wij onzen heer in alles wilden nadoen, dan hadden +»Wanneer wij onzen heer in alles wilden nadoen, dan hadden wij eerlang niet anders dan lammen en kreupelen in huis.”</p> -<p>»Daar boven ligt de jongen, dien hij gisteren het sleutelbeen -heeft stuk geslagen,” zeide de hofmeester. »’t Spijt me van +<p>»Daar boven ligt de jongen, dien hij gisteren het sleutelbeen +heeft stuk geslagen,” zeide de hofmeester. »’t Spijt me van hem, want hij was een knap mattenvlechter. De oude heer sloeg zachter.”</p> -<p>»Dat zult gij wel weten!” riep een fijn stemmetje, dat zich +<p>»Dat zult gij wel weten!” riep een fijn stemmetje, dat zich spottend achter de schransende bedienden liet hooren.</p> <p>Zoodra zij omkeken barstten zij in lachen uit, toen zij den @@ -4740,103 +4701,103 @@ Mena dienen. Men noemde hem Nemoe, d. i. dwerg, ontzag hem wegens zijne scherpe tong, maar zag hem toch gaarne, want hij werd voor zeer verstandig gehouden en kon aardig vertellen.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_99" id="Page_99">[99]</a></span></p> -<p>»Gunt mij een plaatsje, mijne heeren,” zeide de kleine; »ik +<p>»Gunt mij een plaatsje, mijne heeren,” zeide de kleine; »ik neem niet veel ruimte in. Voor uw bier en uw gebraad hebt gij niet te vreezen, want mijn maagje is zoo klein als een vliegekop.”</p> -<p>»Maar uw gal is zoo groot als van een Nijlpaard,” riep de kok.</p> +<p>»Maar uw gal is zoo groot als van een Nijlpaard,” riep de kok.</p> -<p>»Zij zwelt,” hernam de dwerg ondeugend, »wanneer zij geroerd +<p>»Zij zwelt,” hernam de dwerg ondeugend, »wanneer zij geroerd wordt door een roerstokdraaier en een lepelzwaaier van uw soort, ja dat zeg ik!”</p> -<p>»Wees ons dan welkom,” sprak de hofmeester. »Wat brengt +<p>»Wees ons dan welkom,” sprak de hofmeester. »Wat brengt ge mede?”</p> -<p>»Mijzelf.”</p> +<p>»Mijzelf.”</p> -<p>»Dan brengt gij niet veel groots.”</p> +<p>»Dan brengt gij niet veel groots.”</p> -<p>»Anders zou ik ook niet goed bij ulieden passen,” antwoordde -de dwerg. »Maar in ernst, de moeder van mijne meesteres, Katoeti, +<p>»Anders zou ik ook niet goed bij ulieden passen,” antwoordde +de dwerg. »Maar in ernst, de moeder van mijne meesteres, Katoeti, en de stadhouder, die ons zooeven bezocht, hebben mij uitgezonden -om te vernemen, of Paäker nog niet weder terug is. +om te vernemen, of Paäker nog niet weder terug is. Hij begeleidde de prinses en Nefert naar de doodenstad en de vrouwen zijn nog niet wedergekeerd. Wij beginnen ongerust te worden, want het is reeds laat.”</p> -<p>De hofmeester zag op naar den sterrenhemel en zeide: »De -maan staat reeds tamelijk hoog en onze meester wilde vóor zonsondergang +<p>De hofmeester zag op naar den sterrenhemel en zeide: »De +maan staat reeds tamelijk hoog en onze meester wilde vóor zonsondergang te huis zijn.”</p> -<p>»De maaltijd was gereed,” zuchtte de kok; »ik zal nog eens +<p>»De maaltijd was gereed,” zuchtte de kok; »ik zal nog eens aan den arbeid moeten gaan, wanneer hij ten minste den ganschen nacht niet uitblijft.”</p> -<p>»Maar dat zal hij niet,” verzekerde de hofmeester. »Hij begeleidt +<p>»Maar dat zal hij niet,” verzekerde de hofmeester. »Hij begeleidt immers de prinses Bent-Anat.”</p> -<p>»En mijne meesteres,” voegde de dwerg er bij.</p> +<p>»En mijne meesteres,” voegde de dwerg er bij.</p> -<p>»Wat ze elkaar veel te vertellen zullen hebben,” zeide de -tuinman lachend, »uw opper-draagstoel-drager beweerde, dat zij +<p>»Wat ze elkaar veel te vertellen zullen hebben,” zeide de +tuinman lachend, »uw opper-draagstoel-drager beweerde, dat zij gisteren op hun weg in de doodenstad geen woord gewisseld hebben.”</p> -<p>»Kunt gij het den meester ten kwade duiden, wanneer hij boos +<p>»Kunt gij het den meester ten kwade duiden, wanneer hij boos is op de vrouw, die met hem verloofd was en een ander tot man heeft genomen? Wanneer ik aan de ure denk, waarin hij vernam hoe Nefert hare trouwbelofte had verbroken, wordt ik nog heet en koud tegelijk.”</p> -<p>»Zorg tenminste hiervoor,” spotte de dwerg, »dat gij ’t in +<p>»Zorg tenminste hiervoor,” spotte de dwerg, »dat gij ’t in den winter warm en in den zomer koud hebt.”</p> -<p>»Aller dagen avond is nog niet gekomen,” riep de stalmeester. -»Paäker vergeet geene beleediging, en wij zullen het nog beleven, +<p>»Aller dagen avond is nog niet gekomen,” riep de stalmeester. +»Paäker vergeet geene beleediging, en wij zullen het nog beleven, dat hij Mena, hoe hoog hij ook staat, den schimp hem aangedaan dubbel betaalt....”</p> -<p>»Mijne meesteres Katoeti,” viel Nemoe den stalmeester in de -rede, »is thans bezig de uitstaande gelden van haar schoonzoon<span class="pagenum"><a name="Page_100" id="Page_100">[100]</a></span> +<p>»Mijne meesteres Katoeti,” viel Nemoe den stalmeester in de +rede, »is thans bezig de uitstaande gelden van haar schoonzoon<span class="pagenum"><a name="Page_100" id="Page_100">[100]</a></span> te incasseeren. Overigens wenscht zij reeds sedert lang de oude vriendschap met uw huis op nieuw aan te knoopen, en ook de stadhouder spreekt van verzoening. — Geef mij een stuk gebraad, hofmeester, ik heb honger.”</p> -<p>»De buidel, waarin Mena’s inkomsten vloeien,” zeide de kok -lachend, »schijnt mager te zijn.”</p> +<p>»De buidel, waarin Mena’s inkomsten vloeien,” zeide de kok +lachend, »schijnt mager te zijn.”</p> -<p>»Mager! Mager!” hernam de dwerg, »ja, ongeveer als uwe +<p>»Mager! Mager!” hernam de dwerg, »ja, ongeveer als uwe geestigheid. Geef mij nog een stuk gebraad, hofmeester. Hier, slaaf, schenk mij een dronk bier in!”</p> -<p>»Zeidet ge zoo even niet, dat uw maag zoo klein was als een -vliegekop?” riep de kok, »en nu verslindt ge het vleesch als de +<p>»Zeidet ge zoo even niet, dat uw maag zoo klein was als een +vliegekop?” riep de kok, »en nu verslindt ge het vleesch als de krokodillen in den heiligen vijver van het zeeland<a name="FNanchor_77" id="FNanchor_77"></a><a href="#Footnote_77" class="fnanchor">77)</a>. Ge schijnt me afkomstig te zijn uit de verkeerde wereld, waar de menschen zoo klein zijn als de vliegen en de vliegen zoo groot als de reuzen uit den voortijd!”</p> -<p>»Ik wenschte dat ik nog veel grooter was,” meesmuilde de -dwerg, terwijl hij onvermoeid verder kauwde, »zoo wat als uw -afgunst, die mij niet eens een derde stuk vleesch gunt, — ja dát, +<p>»Ik wenschte dat ik nog veel grooter was,” meesmuilde de +dwerg, terwijl hij onvermoeid verder kauwde, »zoo wat als uw +afgunst, die mij niet eens een derde stuk vleesch gunt, — ja dát, meen ik, wat de hofmeester, dien Zefa<a name="FNanchor_78" id="FNanchor_78"></a><a href="#Footnote_78" class="fnanchor">78)</a> zegene met rijke bezittingen! daar juist van den rug der antiloop snijdt.”</p> -<p>»Daar neem ’t, veelvraat, maar ge moogt uw gordel wel losmaken!” -sprak de hofmeester vroolijk. »Ik had het stukje voor +<p>»Daar neem ’t, veelvraat, maar ge moogt uw gordel wel losmaken!” +sprak de hofmeester vroolijk. »Ik had het stukje voor mijzelf bestemd, en bewonder uw fijnen neus.”</p> -<p>»Ja die neuzen,” zeide de dwerg, »zij leeren een kenner beter +<p>»Ja die neuzen,” zeide de dwerg, »zij leeren een kenner beter dan een Horoskoop wat er in een mensch zit.”</p> -<p>»Dat is wat fraais!” riep de tuinman.</p> +<p>»Dat is wat fraais!” riep de tuinman.</p> -<p>»Kraam je wijsheid maar uit,” zeide de hofmeester weder. -»Als ge wat te zeggen hebt, zult ge wel eindelijk met eten ophouden.”</p> +<p>»Kraam je wijsheid maar uit,” zeide de hofmeester weder. +»Als ge wat te zeggen hebt, zult ge wel eindelijk met eten ophouden.”</p> -<p>»Dat kan samen gaan,” hernam de dwerg. »Luister dan! +<p>»Dat kan samen gaan,” hernam de dwerg. »Luister dan! Een kromme neus, dien ik vergelijk met den snavel van een gier, gaat nooit gepaard met onderdanigheid. Denk aan den pharao en geheel zijn trotsch geslacht. De stadhouder daarentegen heeft een @@ -4847,51 +4808,51 @@ maar juist zooals recht is. Hij houdt het niet met de grootsten en niet met de kleinsten, maar met lieden van ons slag. Dat ware een koning voor ons!”</p> -<p>»Een neuzenkoning!” riep de kok. »Dan geef ik de voorkeur<span class="pagenum"><a name="Page_101" id="Page_101">[101]</a></span> +<p>»Een neuzenkoning!” riep de kok. »Dan geef ik de voorkeur<span class="pagenum"><a name="Page_101" id="Page_101">[101]</a></span> aan den adelaar Ramses. Maar, wat zegt ge van den neus uwer meesteres Nefert?”</p> -<p>»Deze is teeder en fijn. Elke gedachte brengt haar in beweging, +<p>»Deze is teeder en fijn. Elke gedachte brengt haar in beweging, gelijk een tochtje de bloemblaadjes. Met haar hart is het evenzoo gesteld.”</p> -<p>»En Paäker?” vroeg de stalmeester.</p> +<p>»En Paäker?” vroeg de stalmeester.</p> -<p>»Deze heeft een stevigen stompen neus, met ronde wijd openstaande +<p>»Deze heeft een stevigen stompen neus, met ronde wijd openstaande neusvleugels. Wanner Seth het zand doet opstuiven en er een stofje in blaast, dat hem kittelt, dan wordt hij nijdig, en -zoo draagt Paäkers neus en niets anders de schuld van uwe +zoo draagt Paäkers neus en niets anders de schuld van uwe blauwe plekken. Zijne moeder Setchem, de zuster mijner meesteres Katoeti, heeft een kleinen, ronden, zachten....”</p> -<p>»Jou dreumes!” viel de hofmeester hem op eens in de rede, -»wij hebben je gevoerd en naar hartelust laten lasteren; maar +<p>»Jou dreumes!” viel de hofmeester hem op eens in de rede, +»wij hebben je gevoerd en naar hartelust laten lasteren; maar als je spitse tong het waagt onze huisvrouw aan te raken, dan grijp ik je bij den gordel en slinger je naar het firmament, dat de sterren op je krommen bult blijven kleven.”</p> <p>Bij deze woorden stond de dwerg op, ging een paar passen -achteruit en zeide heel bedaard: »Ik zou die sterren zorgvuldig +achteruit en zeide heel bedaard: »Ik zou die sterren zorgvuldig van mijn rug bij elkaar zoeken en u de schoonste planeet schenken, uit dankbaarheid voor uw malsch gebraad. — Maar daar komen de wagens aan! Vaartwel, mijne heeren, wanneer de snavel van een gier een uwer soms pakt en medesleept naar den krijg -in Syrië, denkt dan aan het woord van den kleinen Nemoe, die +in Syrië, denkt dan aan het woord van den kleinen Nemoe, die de menschen en de neuzen kent!”</p> <hr class="l3" /> -<p>De wagen van den gids rolde door de hooge poort vóor zijn +<p>De wagen van den gids rolde door de hooge poort vóor zijn huis den hof binnen. De honden in hunne hokken begonnen -vroolijk te blaffen. De stalmeester vloog Paäker te gemoet en +vroolijk te blaffen. De stalmeester vloog Paäker te gemoet en nam de teugels over, de hofmeester geleidde hem en de kok spoedde zich naar de keuken, om een nieuw maal gereed te maken. -Eer Paäker nog aan de tuindeur gekomen was, deed zich van +Eer Paäker nog aan de tuindeur gekomen was, deed zich van de pylonen van den reusachtigen Amon-tempel eerst het wijd in ’t rond klinkend geluid van hard geslagen metalen platen vernemen, dat gevolgd werd door het veelstemmig gezang van eene statige hymne. De Mohar bleef stilstaan, zag op naar den hemel, -riep zijne dienaars toe: »de goddelijke Sothis-ster is opgegaan!” +riep zijne dienaars toe: »de goddelijke Sothis-ster is opgegaan!” wierp zich ter aarde en hief biddend zijne armen naar het gesternte omhoog. De slaven en beambten volgden terstond zijn voorbeeld.</p> @@ -4902,38 +4863,38 @@ op aarde en aan den sterrenhemel begroetten zij als de<span class="pagenum"><a n openbaring eener godheid, en zij omsponnen het leven der bewoners van het Nijldal van den morgen tot den avond, van het begin van den overstroomingstijd tot aan de dagen der droogte, -met een net van gezangen en offeranden, van processiën en +met een net van gezangen en offeranden, van processiën en feesten, dat alle menschelijke wezens onverbrekelijk vast aan de godheid en hare vertegenwoordigers verbond.</p> <p>Gedurende eenige minuten lag de meester met zijne dienaars -zwijgend op de knieën, met de oogen onafgebroken op het heilig +zwijgend op de knieën, met de oogen onafgebroken op het heilig gesternte gericht en luisterende naar de vrome gezangen der -priesters. Zoodra de laatsten verstomden stond Paäker op. Alles +priesters. Zoodra de laatsten verstomden stond Paäker op. Alles rondom hem lag ter aarde; alleen bij de woningen der slaven stond eene door het maanlicht helder beschenen naakte gestalte roerloos tegen een pijler. De gids gaf een wenk en de dienaars rezen op; hijzelf echter ging met rasse schreden naar den persoon, die de godsdienstoefening, door hem met zooveel gestrengheid -gehandhaafd, scheen te minachten, en riep: »Hofmeester, +gehandhaafd, scheen te minachten, en riep: »Hofmeester, honderd slagen op de voetzolen van den verachter der godheid!”</p> -<p>De aangesprokene boog zich en zeide: »Meester, de arts heeft den +<p>De aangesprokene boog zich en zeide: »Meester, de arts heeft den mattenvlechter bevolen zich niet te verroeren, en hij kan zijn arm niet opheffen. Hij lijdt zeer veel pijn. Gij hebt hem gisteren het sleutelbeen verbrijzeld.”</p> -<p>»Hem is recht geschied,” antwoordde Paäker, daarbij zijn stem +<p>»Hem is recht geschied,” antwoordde Paäker, daarbij zijn stem zoo luid verheffende, dat de verwonde hem hooren moest. Daarop keerde hij hem den rug toe en liep den tuin in. Hier riep hij den -keldermeester en zeide: »Geef den slaven heden bier als nachtdronk, +keldermeester en zeide: »Geef den slaven heden bier als nachtdronk, allen, en rijkelijk!”</p> <p>Weinige oogenblikken later stond hij voor zijne moeder, die hij vond op het met breede bladplanten versierde dak van haar woning. Zij had zooeven haar tweejarig kleindochtertje een spruit van haar jongeren zoon, in de armen van de kindermeid -gelegd, om het naar bed te brengen. Paäker groette de waardige +gelegd, om het naar bed te brengen. Paäker groette de waardige matrone eerbiedig. Zij zag er zeer vriendelijk uit. Een aantal jonge honden, de lievelingen der weduwe, die zoo vaak tot lange eenzaamheid was veroordeeld, lag stoeiend hare voeten te @@ -4941,68 +4902,68 @@ liefkozen. Haar zoon weerde de dadelijk op hem toespringende beestjes af en ging naar de kleine, die hij uit de armen van de meid in de zijne overnam. Maar het kind verzette zich hiertegen; het begon hevig te schreien, en toen het zich niet tot bedaren -liet brengen, zette Paäker het op den grond, knorrig zeggende: -»Jou ondeugend ding!”</p> +liet brengen, zette Paäker het op den grond, knorrig zeggende: +»Jou ondeugend ding!”</p> -<p>»Zij was den geheelen achtermiddag zoo lief en aardig,” zeide -moeder Setchem. »Zij ziet u ook zoo zelden!”</p> +<p>»Zij was den geheelen achtermiddag zoo lief en aardig,” zeide +moeder Setchem. »Zij ziet u ook zoo zelden!”</p> -<p>»’t Kan zijn,” antwoordde Paäker. »Doch ik weet het wel: +<p>»’t Kan zijn,” antwoordde Paäker. »Doch ik weet het wel: de honden mogen mij wel lijden, maar geen kind laat zich door mij liefkozen.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_103" id="Page_103">[103]</a></span></p> -<p>»Gij hebt ook zulke harde handen.”</p> +<p>»Gij hebt ook zulke harde handen.”</p> -<p>»Breng den schreeuwleelijk weg!” riep Paäker de meid toe. -»Ik heb met u te spreken, moeder!”</p> +<p>»Breng den schreeuwleelijk weg!” riep Paäker de meid toe. +»Ik heb met u te spreken, moeder!”</p> <p>Setchem bracht de kleine tot rust, gaf haar vele kussen en zond haar toen naar bed. Daarop ging zij naar haar zoon toe, -streelde zijne wangen en zeide: »Als dit kind het uwe was, +streelde zijne wangen en zeide: »Als dit kind het uwe was, dan zou het zeker tot u komen, en u leeren, dat een kind de grootste is van alle schatten, welke de goden aan menschen toevertrouwen!”</p> -<p>Paäker lachte even en zeide: »Ik weet waarop gij zinspeelt; +<p>Paäker lachte even en zeide: »Ik weet waarop gij zinspeelt; maar laat dit thans rusten, want ik heb u wat gewichtigers mede te deelen.”</p> -<p>»Welnu?” vroeg Setchem.</p> +<p>»Welnu?” vroeg Setchem.</p> -<p>»Ik heb heden voor het eerst sedert toen, gij begrijpt mij, +<p>»Ik heb heden voor het eerst sedert toen, gij begrijpt mij, met Nefert gesproken. Al wat sedert gebeurd is mogen wij vergeten! Gij verlangt zoo zeer naar uwe zuster: welnu, ga haar bezoeken, ik heb er niets meer tegen.”</p> <p>Setchem zag haar zoon met ongeveinsde verwondering aan; hare oogen, waarin spoedig een traan welde, vloeiden nu over, -en aarzelend vroeg zij: »Kan ik mijne ooren vertrouwen, kind, +en aarzelend vroeg zij: »Kan ik mijne ooren vertrouwen, kind, hebt gij....”</p> -<p>»Het is mijne bepaalde wensch,” zeide Paäker op beslissenden -toon, »dat gij den ouden hartelijken band met uwe bloedverwanten +<p>»Het is mijne bepaalde wensch,” zeide Paäker op beslissenden +toon, »dat gij den ouden hartelijken band met uwe bloedverwanten weder aanknoopt. De vervreemding heeft lang genoeg geduurd.”</p> -<p>»Veel te lang!” riep Setchem.</p> +<p>»Veel te lang!” riep Setchem.</p> <p>De gids zag zwijgend naar den grond, en voldeed aan het verlangen zijner moeder, door zich naast haar neder te zetten.</p> -<p>»Ik wist het wel,” zeide zij, zijne hand in de hare nemende, -»dat deze dag ons vreugde zou brengen, want ik heb van uw +<p>»Ik wist het wel,” zeide zij, zijne hand in de hare nemende, +»dat deze dag ons vreugde zou brengen, want ik heb van uw Osirischen vader gedroomd, en toen ik mij naar den tempel liet dragen, ontmoette ik eerst eene witte koe en daarna een bruidsoptocht. De heilige ram van Amon raakte ook den tarwekoek aan, dien ik hem aanbood”<a name="FNanchor_79" id="FNanchor_79"></a><a href="#Footnote_79" class="fnanchor">79)</a>.</p> -<p>»Dat zijn gelukkige voorteekenen,” zeide Paäker ernstig en +<p>»Dat zijn gelukkige voorteekenen,” zeide Paäker ernstig en op een toon van stellige overtuiging.</p> -<p>»Haasten wij ons dankbaar aan te grijpen wat de goden ons -willen toezeggen,” riep Setchem vol vreugde. »Morgen ga ik +<p>»Haasten wij ons dankbaar aan te grijpen wat de goden ons +willen toezeggen,” riep Setchem vol vreugde. »Morgen ga ik naar mijne zuster en zeg haar, dat wij weder met dezelfde liefde van weleer bij elkander willen wonen, en het goede zoowel als het kwade samen deelen. Wij behooren immers tot hetzelfde geslacht,<span class="pagenum"><a name="Page_104" id="Page_104">[104]</a></span> @@ -5014,17 +4975,17 @@ vergeten! Er zijn behalve Nefert nog vele vrouwen in Thebe, en honderd aanzienlijken des lands zouden zich gelukkig achten, u tot schoonzoon te krijgen.”</p> -<p>Paäker stond op en begon peinzend de groote ruimte op en +<p>Paäker stond op en begon peinzend de groote ruimte op en neer te wandelen, terwijl Setchem verder sprak:</p> -<p>»Ik weet,” zeide zij, »dat ik eene pijnlijke wond in uw hart +<p>»Ik weet,” zeide zij, »dat ik eene pijnlijke wond in uw hart heb aangeraakt, maar zij is reeds half gesloten en zal wel genezen, wanneer gij gelukkiger zult zijn dan de wagenmenner Mena, en hem daarom niet meer zult behoeven te haten. Nefert is teer en onervaren; zij zou niet opgewassen zijn tegen eene zoo groote huishouding als de onze. Eerlang zal men ook mij wikkelen in de mummie-windsels, en wanneer dan uw plicht u -naar Syrië roept, moet eene omzichtige huisvrouw in mijne plaats +naar Syrië roept, moet eene omzichtige huisvrouw in mijne plaats alles bestieren. Dat is waarlijk geen kleinigheid! Uw grootvader Assa heeft dikwijls gezegd: een huis waar overal goede orde heerscht is het beeld van een gezin, dat prijs stelt op een @@ -5035,37 +4996,37 @@ vervullen, en zeker kan zijn dat zijne rechten zullen worden gehandhaafd. Hoe dikwijls heb ik tot de Hathors gebeden, dat zij u eene gade mochten schenken naar mijn hart!”</p> -<p>»Eene Setchem zal ik wel niet vinden,” zeide Paäker, terwijl -hij zijne moeder op het voorhoofd kuste, »want de vrouwen +<p>»Eene Setchem zal ik wel niet vinden,” zeide Paäker, terwijl +hij zijne moeder op het voorhoofd kuste, »want de vrouwen zooals gij zijt sterven uit.”</p> -<p>»Gij vleier!” zeide Setchem met een lach, terwijl zij haar -zoon met den vinger dreigde. »Maar het is waar! Het opkomend +<p>»Gij vleier!” zeide Setchem met een lach, terwijl zij haar +zoon met den vinger dreigde. »Maar het is waar! Het opkomend geslacht pronkt en siert zich op met stoffen uit Kaft<a name="FNanchor_80" id="FNanchor_80"></a><a href="#Footnote_80" class="fnanchor">80)</a>, het kruidt zijne gesprekken met Syrische woorden en laat den hofmeester en de kokkin de handen vrij, waar men zelf gebieden moest. Ook mijne zuster Katoeti en Nefert...”</p> -<p>»Nefert is anders dan de overige vrouwen,” viel Paäker zijne -moeder in de rede. »Ware zij door u opgevoed, dan zou zij de +<p>»Nefert is anders dan de overige vrouwen,” viel Paäker zijne +moeder in de rede. »Ware zij door u opgevoed, dan zou zij de kunst verstaan om niet alleen een huis sierlijk in te richten, maar ook het te besturen.”</p> <p>Setchem zag haar zoon verwonderd aan; daarop zeide zij -half in zichzelve: »Ja, ja, zij is een lief kind, waarop men niet +half in zichzelve: »Ja, ja, zij is een lief kind, waarop men niet boos kan worden, wanneer men haar in de oogen ziet. En toch was ik boos op haar, omdat gij het waart, en omdat.... nu ja,<span class="pagenum"><a name="Page_105" id="Page_105">[105]</a></span> gij weet het wel! — Doch nu gij haar vergeven hebt, vergeef ook ik gaarne, haar en haar echtgenoot.”</p> -<p>Er kwam een wolk op Paäker’s voorhoofd, en terwijl hij voor +<p>Er kwam een wolk op Paäker’s voorhoofd, en terwijl hij voor zijne moeder bleef staan, zeide hij met zijne gewone schrille stem: -»Hij moge in de woestijn versmachten, en de hyena’s van het +»Hij moge in de woestijn versmachten, en de hyena’s van het Noorderland mogen zijn onbegraven lichaam verslinden!”</p> <p>Setchem trok, toen zij deze taal hoorde, den sluier voor haar aangezicht, en klemde de aan haar hals hangende amuletten vast -in hare handen. Daarop zeide zij zacht: »Wat kunt gij toch vreeselijk +in hare handen. Daarop zeide zij zacht: »Wat kunt gij toch vreeselijk zijn! Ik weet wel dat gij den wagenmenner haat, want ik heb de zeven pijlen boven uw legerstede wel gezien, waarop geschreven staat: Dood aan Mena! Het is een Syrisch toovermiddel, @@ -5077,7 +5038,7 @@ te eeren. Laat het aan hen over den misdadiger te treffen, want Osiris ontzegt hen zijne bescherming, die zich den booze tot bondgenoot kiezen.”</p> -<p>»Mijne offers,” antwoordde Paäker, »verzekeren mij de hulp +<p>»Mijne offers,” antwoordde Paäker, »verzekeren mij de hulp der goden. Wat Mena aangaat, die als een gevloekte roover jegens mij gehandeld heeft, ik lever hem over aan den booze, wien hij toebehoort. Genoeg hiervan! Wanneer gij mij liefhebt, spreek @@ -5085,20 +5046,20 @@ dan den naam van mijn vijand niet meer in mijne tegenwoordigheid uit! Nefert en hare moeder heb ik vergiffenis geschonken; dit zij u genoeg!”</p> -<p>Setchem schudde het hoofd en riep: »Waar moet dat op uitloopen! +<p>Setchem schudde het hoofd en riep: »Waar moet dat op uitloopen! De krijg kan toch niet eeuwig duren, en wanneer Mena terugkeert, dan zal de verzoening van heden in des te erger vijandschap -overslaan. Ik zie maar éen redmiddel! Volg mijn raad en +overslaan. Ik zie maar éen redmiddel! Volg mijn raad en laat mij eene vrouw zoeken uwer waardig.”</p> -<p>»Thans niet,” antwoordde Paäker ongeduldig. »Binnen weinige +<p>»Thans niet,” antwoordde Paäker ongeduldig. »Binnen weinige dagen vertrek ik weder naar het land van den vijand, en ik wensch niet even als Mena, mijne vrouw terwijl ik leef, als eene weduwe achter te laten. Waarom wilt gij daarop aandringen? De vrouw van mijn broeder en hare kinderen zijn immers bij u? Wees daarmede tevreden!”</p> -<p>»De goden weten hoe ik ze liefheb,” hernam Setchem, »maar +<p>»De goden weten hoe ik ze liefheb,” hernam Setchem, »maar uw broeder Horus is de jongste, gij zijt de oudste zoon, wien het erfdeel toekomt. Uw nichtje is voor mij een aangenaam tijdverdrijf. Maar hadt gij een zoon, dan kon ik dezen opvoeden @@ -5108,7 +5069,7 @@ echtgenoot wenschte. Hij verheugde zich er over, dat gij zoo vroeg reeds verloofd waart met Nefert, en hoopte dat een<span class="pagenum"><a name="Page_106" id="Page_106">[106]</a></span> zoon van zijn oudsten zoon Assa’s geslacht in stand zou houden.”</p> -<p>»Het zal mijne schuld niet zijn,” zeide Paäker, »wanneer een +<p>»Het zal mijne schuld niet zijn,” zeide Paäker, »wanneer een zijner wenschen onvervuld blijft! De sterren staan reeds hoog. Slaap wel, moeder, en wanneer gij morgen Nefert en uwe zuster bezoekt, zeg hen dan, dat de poort van mijn huis voor @@ -5117,14 +5078,14 @@ onzen eene kudde te koop aangeboden, niettegenstaande de veestapel op Mena’s landgoed zeer klein moet zijn. Wat heeft dat te beteekenen?”</p> -<p>»Gij kent mijne zuster,” antwoordde Setchem. »Zij bestuurt +<p>»Gij kent mijne zuster,” antwoordde Setchem. »Zij bestuurt Mena’s bezittingen, heeft groote behoeften, zoekt door uiterlijk vertoon de grooten te overtreffen, ziet den stadhouder dikwijls bij zich aan huis, en heeft bovendien een zoon, die nog al verkwistend is. Zoo kan er nu en dan wel eens gebrek zijn aan het noodigste.”</p> -<p>Paäker haalde de schouders, op, groette andermaal en verliet +<p>Paäker haalde de schouders, op, groette andermaal en verliet zijne moeder.</p> <hr class="l3" /> @@ -5132,7 +5093,7 @@ zijne moeder.</p> <p>Niet lang daarna stond hij in het ruime vertrek, dat hem tot woon- en slaapkamer diende, wanneer hij in Thebe was. De wanden waren wit bepleisterd en rondom de deuren en vensteropeningen -van de tuinzijde met eenige vrome spreuken in hiëroglyphen +van de tuinzijde met eenige vrome spreuken in hiëroglyphen beschilderd. Midden tegen den achtergrond stond een bed, in de gedaante van een leeuw; het hoofdeinde stelde de kop en het voeteneinde de staart voor. Over het bed was eene fijn gelooide @@ -5141,7 +5102,7 @@ hoofdsteunsel van ebbenhout stond op eene trapvormige hooge voetbank gereed, wanneer hij slapen wilde. Boven het bed waren kostbare wapenen en zweepen van allerlei soort in keurige orde opgehangen, en daaronder ook de zeven pijlen, -waarop Setchem de woorden: »Dood aan Mena!” had gelezen. +waarop Setchem de woorden: »Dood aan Mena!” had gelezen. Zij kruisten juist de letters eener spreuk, die beval de hongerigen te spijzigen, de dorstigen te drenken, de naakten te kleeden, en barmhartig te zijn jegens grooten en kleinen<a name="FNanchor_81" id="FNanchor_81"></a><a href="#Footnote_81" class="fnanchor">81)</a>. Aan @@ -5149,7 +5110,7 @@ het hoofdeinde van het bed kon men in de muur nog eene nis opmerken, die zorgvuldig door een purperen gordijn werd gesloten. Voorts stonden in alle hoeken van het vertrek beelden, waarvan drie de trias van Thebe: Amon, Moeth en Choensoe<span class="pagenum"><a name="Page_107" id="Page_107">[107]</a></span> -voorstelden, en de vierde Paäkers gestorven vader. Voor elk +voorstelden, en de vierde Paäkers gestorven vader. Voor elk was een klein offeraltaar geplaatst met holten, die met fijne reukwerken waren gevuld. Op een houten toestel vond men kleine godenbeeldjes en amuletten in overvloed. Een aantal bont @@ -5158,24 +5119,24 @@ sieraden en de papieren van den gids. Midden in de kamer stond eene tafel, omringd door eenige stoelen in den vorm van tabouretten.</p> -<p>Toen Paäker dit vertrek binnentrad, vond hij het door lampen +<p>Toen Paäker dit vertrek binnentrad, vond hij het door lampen verlicht en een groote hond vloog dadelijk kwispelstaartend naar hem toe. Hij liet toe dat het beest tegen zijne schouders opsprong, wierp het op den grond, vergunde het andermaal op hem aan te stormen, en gaf het toen een kus op zijn verstandigen -kop. Vóor zijn bed lag een kolossale oude neger te ronken. -Paäker gaf hem een schop met zijn voet en riep hem -toe, toen hij wakker werd: »Ik heb honger!” waarop de zwarte +kop. Vóor zijn bed lag een kolossale oude neger te ronken. +Paäker gaf hem een schop met zijn voet en riep hem +toe, toen hij wakker werd: »Ik heb honger!” waarop de zwarte grijskop langzaam oprees en het vertrek verliet.</p> <p>Zoodra de gids alleen was, haalde hij het fleschje met den liefdedrank uit zijn gordel, beschouwde het met teedere blikken en legde het in eene kist, die verschillende fleschjes met heilige -offeroliën bevatte. Hij was gewoon elken avond de holten der -altaren op nieuw met zulke vluchtige reukoliën te vullen en zich +offeroliën bevatte. Hij was gewoon elken avond de holten der +altaren op nieuw met zulke vluchtige reukoliën te vullen en zich biddend voor de godenbeelden neer te werpen. Heden plaatste hij zich alleen voor de beeltenis zijns vaders, en kuste de voeten ervan, -prevelende: »Uw wil zal geschieden! De vrouw, die gij voor mij +prevelende: »Uw wil zal geschieden! De vrouw, die gij voor mij bestemd hebt, zal uw oudsten zoon toebehooren!”</p> <p>Hierna liep hij op en neder, en overdacht alles wat dezen dag @@ -5184,37 +5145,37 @@ en zag daarbij de godenbeelden uit de hoogte aan, als een wandelaar, die een slechten gids wegjaagt en voornemens is zelf den weg te zoeken. Zijn blik viel op de pijlen boven zijn bed. Hij lachte, en terwijl hij met de vuist op de breede borst sloeg, riep -hij: »Ik, ik, ik —!” De dog, die meende dat zijn meester hem -riep, sprong naar hem toe, doch Paäker weerde het dier af, en -sprak: »Als gij eene hyena in de woestijn tegen komt, valt gij +hij: »Ik, ik, ik —!” De dog, die meende dat zijn meester hem +riep, sprong naar hem toe, doch Paäker weerde het dier af, en +sprak: »Als gij eene hyena in de woestijn tegen komt, valt gij het ondier aan, en wacht niet af tot mijne lans het bereikt heeft, en daar de goden, mijne meesters, talmen, zoo zal ik mijzelf recht verschaffen. Gij echter,” ging hij voort, terwijl hij zich tot het -beeld zijns vaders richtte, »zult mij bijstaan.”</p> +beeld zijns vaders richtte, »zult mij bijstaan.”</p> <p>Deze alleenspraak werd afgebroken door de slaven, die zijn -maaltijd brachten. Paäker liet zijn oog gaan over de verschillende +maaltijd brachten. Paäker liet zijn oog gaan over de verschillende spijzen, die de kok voor hem had gereed gemaakt, en vroeg -knorrig: »Hoe dikwijls moet ik bevelen, voor mij niet allerlei -klaar te maken, maar slechts éen groot krachtig gerecht? En +knorrig: »Hoe dikwijls moet ik bevelen, voor mij niet allerlei +klaar te maken, maar slechts éen groot krachtig gerecht? En waar is de wijn?”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_108" id="Page_108">[108]</a></span></p> -<p>»Gij zijt gewoon deze niet aan te raken,” antwoordde de oude +<p>»Gij zijt gewoon deze niet aan te raken,” antwoordde de oude neger.</p> -<p>»Maar heden heb ik trek in een dronk,” riep de gids. »Breng +<p>»Maar heden heb ik trek in een dronk,” riep de gids. »Breng een van die oude kruiken met rooden wijn van Kakem”<a name="FNanchor_82" id="FNanchor_82"></a><a href="#Footnote_82" class="fnanchor">82)</a>!</p> <p>De slaven keken elkander verbaasd aan. De wijn werd gebracht -en Paäker dronk den eenen beker na den anderen ledig. Toen de +en Paäker dronk den eenen beker na den anderen ledig. Toen de bedienden de hielen hadden gelicht, zeide een hunner, die het meest -durfde: »Anders vreet de meester als een leeuw en zuipt hij als +durfde: »Anders vreet de meester als een leeuw en zuipt hij als een mug; maar heden....”</p> -<p>»Hou je mond!” riep zijn metgezel, »en kom in den hof want -Paäker laat ons heden bier schenken. Hij heeft zeker de Hathors +<p>»Hou je mond!” riep zijn metgezel, »en kom in den hof want +Paäker laat ons heden bier schenken. Hij heeft zeker de Hathors ontmoet!”</p> <p>De gebeurtenissen van dezen dag moesten wel diep in het @@ -5231,7 +5192,7 @@ de attributen van de godin Hathor. Haar gelaat vertoonde de trekken van de vrouw van Mena. Vier jaren geleden had de koning bevolen een beeld der godheid te vervaardigen, met de aanminnige trekken der jonge vrouw van zijn wagenmenner, en -het was Paäker gelukt zich er eene kopie van te verschaffen. +het was Paäker gelukt zich er eene kopie van te verschaffen. Hij knielde nu op zijn bed neder, beschouwde het beeld met vochtige oogen, sloeg een onderzoekenden blik in het rond, om zich te verzekeren dat hij alleen was, boog zich daarop voorover @@ -5242,13 +5203,13 @@ vertrek te doen uitblusschen.</p> <p>Onrustige droomen benauwden zijn gemoed. Toen de morgen begon te schemeren gaf hij, door een akelig droombeeld beangstigd, zulk een rauwen gil, dat de oude neger, die zich naast den -hond vóor zijn bed had neergelegd, verschrikt opsprong en hem +hond vóor zijn bed had neergelegd, verschrikt opsprong en hem bij zijn naam riep om hem wakker te maken, terwijl de dog -luid begon te huilen. Paäker werd wakker met zware hoofdpijn. +luid begon te huilen. Paäker werd wakker met zware hoofdpijn. Het droomgezicht, dat hem zoo beangstigd had, stond hem levendig<span class="pagenum"><a name="Page_109" id="Page_109">[109]</a></span> voor den geest, en hij trachtte het vast te houden, tot hij een Horoscoop zou hebben doen ontbieden om het uit te leggen. -Na de phantasieën van den vorigen avond, die hem het uitzicht +Na de phantasieën van den vorigen avond, die hem het uitzicht hadden geopend op de vervulling zijner wenschen, gevoelde hij zich neerslachtig en bedrukt. De morgenhymnen uit den Amonstempel drongen als eene vermanende stem tot zijn vertrek door, @@ -5280,10 +5241,10 @@ hij eene wandeltocht was begonnen.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_74" id="Footnote_74"></a><a href="#FNanchor_74"><span class="label">74)</span></a> Dit erfdeel van den Mohar is beschreven naar de voortreffelijke voorstellingen van tuinen en huizen van Egyptische grootte in de groeven -van Tel-el-Amarna, afgebeeld door Lepsius in zijne <cite>Denkmäler aus +van Tel-el-Amarna, afgebeeld door Lepsius in zijne <cite>Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien</cite>. Abth. III. Het werd voor een bijzonder voorrecht gehouden, een tuin te bezitten. In den papyrus IV uit het -museum van Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, wil de schrijver aantoonen, +museum van Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, wil de schrijver aantoonen, dat elke aardsche bezitting tot verzadiging leidt, en hij kiest tot voorbeeld het huis met een tuin. „Gij hebt voor u,” zegt hij, „een stuk land aangelegd met water doorsneden. Gij hebt uw tuingrond omheind; sykomoren @@ -5347,7 +5308,7 @@ dood, toen de Apis weigerde uit zijne hand te eten.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_80" id="Footnote_80"></a><a href="#FNanchor_80"><span class="label">80)</span></a> Phoenicië.</p> +<p><a name="Footnote_80" id="Footnote_80"></a><a href="#FNanchor_80"><span class="label">80)</span></a> Phoenicië.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -5390,7 +5351,7 @@ want als een loopend vuur, door een stormwind aangeblazen, had zich een gerucht verbreid, dat de hutten der armen zoowel als de paleizen der aanzienlijken met hoop en vrees vervulde. Vroeg in den morgen waren drie boden te paard met zwaar -beladen briefzakken<a name="FNanchor_83" id="FNanchor_83"></a><a href="#Footnote_83" class="fnanchor">83)</a> uit het leger des konings gekomen, en vóor +beladen briefzakken<a name="FNanchor_83" id="FNanchor_83"></a><a href="#Footnote_83" class="fnanchor">83)</a> uit het leger des konings gekomen, en vóor het paleis van den stadhouder afgestegen. Evenals de dorpsbewoners na lange droogte naar de zwarte onweerswolken zien, die zich boven hun hoofd samenpakken, waaruit verkwikkende regen, @@ -5438,7 +5399,7 @@ geweven, scheen het grootste deel van die hierheen gekomen waren te verbinden. Hier stonden weeklagende mannen, die stof over hun hoofd wierpen, daar scheurden vrouwen hare kleederen, terwijl zij bitter schreiden en onder het zwaaien met den sluier -uitkreten: »Ach mijn man!” »Ach mijn vader!” »Ach mijn broeder!” — Ouders, +uitkreten: »Ach mijn man!” »Ach mijn vader!” »Ach mijn broeder!” — Ouders, die het bericht ontvingen van den dood van hun zoon, vielen elkander weenend om den hals; grijsaards rukten zich de baard- en hoofdharen uit; jonge vrouwen sloegen @@ -5454,22 +5415,22 @@ vertoonde zich een mannetje, dat rusteloos van de eene groep naar de andere liep. Het was Nemoe, de dwerg van Katoeti, dien wij reeds kennen. Hij stond nu naast eene vrouw uit den aanzienlijken stand, die baadde in haar tranen, omdat haar echtgenoot -in den laatsten slag gesneuveld was. »Kunt gij lezen?” -vroeg hij haar. »Daar boven aan de architraaf staat de naam +in den laatsten slag gesneuveld was. »Kunt gij lezen?” +vroeg hij haar. »Daar boven aan de architraaf staat de naam van Ramses, met al zijne titels. Schenker des levens noemt hij zich! Nu ja! hij weet wat nieuws te maken: weduwen bedoel ik, wier mannen hij laat slachten.”</p> <p>Eer de verbaasde vrouw hem antwoorden kon, stond hij bij een diep bedroefd man, en zeide, terwijl hij hem aan zijn kleed trok: -»Flinker jongen dan uw gevallen zoon heeft men nooit in Thebe +»Flinker jongen dan uw gevallen zoon heeft men nooit in Thebe gezien. Laat uw jongste verhongeren of sla hem kreupel, anders -slepen ze hem ook naar Syrië, want Ramses heeft veel gezond +slepen ze hem ook naar Syrië, want Ramses heeft veel gezond Egyptisch vleesch noodig voor de Syrische gieren.”</p> <p>De oude, die tot dusver daar had gestaan in stille berusting, balde de vuist; maar de dwerg vervolgde, terwijl hij op den stadhouder -wees: »Wanneer die dáar den schepter zwaaide, zouden +wees: »Wanneer die dáar den schepter zwaaide, zouden er geene weezen en bedelaars meer zijn aan den Nijl. Heden is het heilige water van den stroom nog zoet, maar weldra zal het ziltig smaken als de noordelijke zee, van al de tranen, die aan @@ -5493,7 +5454,7 @@ gesproten uit een Semitisch geslacht, dat na de verdrijving der Hyksos<a name="FNanchor_84" id="FNanchor_84"></a><a href="#Footnote_84" class="fnanchor">84)</a> in Egypte was gebleven, en onder Thotmes en Amenophis<span class="pagenum"><a name="Page_113" id="Page_113">[113]</a></span> zich door dapperheid had onderscheiden. Na zijn dood volgde zijn zoon Seti hem op, die zich het wettig recht op den troon zocht -te verzekeren door Toeaä, de kleindochter van Amenophis III, +te verzekeren door Toeaä, de kleindochter van Amenophis III, tot vrouw te nemen. Zij schonk hem een eenigen zoon, dien hij naar zijn vader Ramses heette. Deze prins kon zich met alle reden op de legitimiteit beroepen, omdat zijne moeder aldus uit @@ -5501,13 +5462,13 @@ het rechtmatig koningshuis afstamde; want in Egypte kon een adellijk geslacht, zelfs dat der pharao’s, in vrouwelijke linie voortbestaan. Seti benoemde Ramses tot zijn mederegent<a name="FNanchor_85" id="FNanchor_85"></a><a href="#Footnote_85" class="fnanchor">85)</a>, om daardoor allen twijfel aan de rechtmatigheid zijner heerschappij -weg te nemen. Den jongen neef zijner gemalin Toeaä, den stadhouder +weg te nemen. Den jongen neef zijner gemalin Toeaä, den stadhouder Ani, die weinige jaren jonger was dan Ramses, liet hij in het Seti-huis opvoeden; hij beschouwde hem als zijn eigen zoon, terwijl andere leden van het onttroonde koningshuis uit den weg geruimd of van hunne goederen beroofd werden.</p> -<p>Ani toonde zich een getrouw dienaar én van Seti én van diens +<p>Ani toonde zich een getrouw dienaar én van Seti én van diens zoon. De oorlogzuchtige en grootmoedige Ramses vertrouwde hem als een broeder, hoewel hij zich niet ontveinzen kon, dat in zijne eigene aderen minder zuiver koningsbloed vloeide, dan @@ -5526,7 +5487,7 @@ stadhouder van het rijk.</p> <p>Iemand van een sanguinisch temperament overschat vaak den man van een kalmer natuur, in wiens karakter hij zich niet verplaatsen en wiens voortreffelijke hoedanigheden hij zich niet<span class="pagenum"><a name="Page_114" id="Page_114">[114]</a></span> -toeëigenen kan. Vandaar dat de neef, die zeer matig was in zijne +toeëigenen kan. Vandaar dat de neef, die zeer matig was in zijne eischen en geen hartstocht bleek te kennen, op den oorlogzuchtigen vurigen Ramses zulk een indruk maakte. Ani scheen vrij te zijn van alle eerzucht en ondernemingsgeest. Hij nam de hem @@ -5549,7 +5510,7 @@ was weggehaald, en hem beloofd deze zaak te zullen onderzoeken. De berooide man verwijderde zich vol hoop; toen echter de schrijver, die aan de voeten van den stadhouder zat, vroeg, aan wien het onderzoek van deze daad der beambten moest -worden toevertrouwd, zeide Ani: »ieder heeft voor den krijg zijn +worden toevertrouwd, zeide Ani: »ieder heeft voor den krijg zijn offer te brengen; het blijft bij het gebeurde.”</p> <p>De nomarch<a name="FNanchor_87" id="FNanchor_87"></a><a href="#Footnote_87" class="fnanchor">87)</a> van Soean, in het zuidelijk gedeelte des rijks, @@ -5571,7 +5532,7 @@ weten, dat hij ook deel nam in de verliezen die hun aangingen.</p> <p>Reeds had de zon hare middaghoogte overschreden, toen men zekere onrust bespeurde onder de volksgroepen rondom de schrijvers op het plein, waarbij het geschreeuw van allerlei stemmen<span class="pagenum"><a name="Page_115" id="Page_115">[115]</a></span> -werd gehoord. Vele mannen en vrouwen stroomden naar éen +werd gehoord. Vele mannen en vrouwen stroomden naar éen punt samen, en ook de opmerkzaamheid der minst beweeglijke bewoners van Thebe werd getrokken door een op deze plaats gansch ongewoon voorval. Een soldaat van de wacht dreef de @@ -5585,14 +5546,14 @@ een klein mannetje, het dwergje van vrouwe Katoeti, reeds uren lang in den hof had rondgeloopen, overal de gemoederen der burgers vergiftigende met zijne oproerige taal.</p> -<p>Ani beval »den verblinde” in den kerker te werpen. Zoodra +<p>Ani beval »den verblinde” in den kerker te werpen. Zoodra de overste echter weg was, gebood hij zijn schrijver den dwerg -vóor zonsondergang bij hem te brengen.</p> +vóor zonsondergang bij hem te brengen.</p> <p>Terwijl hij deze bevelen gaf, ontstond er weder eene beweging van gansch anderen aard onder de saamgevloeide menigte. Evenals de zee, naar het oud verhaal, ter rechter- en ter linkerzijde -voor de Hebreën week, opdat geen golf den voet der +voor de Hebreën week, opdat geen golf den voet der vervolgden zou bevochtigen, zoo trad het verzamelde volk, vrijwillig maar als op hooger last, onder eerbiedige buiging uiteen, en vormde een breeden doorgang voor den opperpriester van het @@ -5601,29 +5562,29 @@ recht op den stadhouder toeging, terwijl hij de menigte zegende. Ani kwam hem te gemoet, boog zich voor hem en zonderde zich terstond met hem af op den achtergrond van de zuilengaanderij.</p> -<p>»Zoo is dan het ondenkbare toch gebeurd,” zeide Ameni. -»Onze onderhoorigen moeten den heerban volgen.”</p> +<p>»Zoo is dan het ondenkbare toch gebeurd,” zeide Ameni. +»Onze onderhoorigen moeten den heerban volgen.”</p> -<p>»Ramses heeft soldaten noodig om te kunnen overwinnen,” gaf +<p>»Ramses heeft soldaten noodig om te kunnen overwinnen,” gaf de stadhouder ten antwoord.</p> -<p>»En wij brood om te leven,” riep de priester.</p> +<p>»En wij brood om te leven,” riep de priester.</p> -<p>»Nochtans werd mij bevolen terstond, dus nog vóor den +<p>»Nochtans werd mij bevolen terstond, dus nog vóor den zaaitijd, de tempelboeren te lichten. Ik betreur dit bevel, maar de koning wil het, en ik ben de hand die moet uitvoeren.”</p> -<p>»De hand, waarvan hij zich bedient om te spotten met eeuwenoude +<p>»De hand, waarvan hij zich bedient om te spotten met eeuwenoude rechten, om voor de woestijn den weg te banen tot het bouwland”<a name="FNanchor_88" id="FNanchor_88"></a><a href="#Footnote_88" class="fnanchor">88)</a>.</p> -<p>»Uwe akkers zullen niet lang onbebouwd blijven. Ramses +<p>»Uwe akkers zullen niet lang onbebouwd blijven. Ramses zal nieuwe overwinningen behalen door de uitbreiding van het leger en met de hulp der goden.”</p> -<p>»Der goden, die hij beleedigt!”</p> +<p>»Der goden, die hij beleedigt!”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_116" id="Page_116">[116]</a></span></p> -<p>»Als de vrede gesloten is, verzoent hij de hemelsche goden +<p>»Als de vrede gesloten is, verzoent hij de hemelsche goden ongetwijfeld met driedubbel rijke gaven. Hij verwacht stellig, dat de oorlog spoedig ten einde zal zijn, en hij schrijft mij, dat hij voornemens is, na den eersten slag dien hij wint, den Cheta een @@ -5634,46 +5595,46 @@ en wel met de dochter van Chetasar den koning Cheta.”</p> <p>Tot hiertoe had de stadhouder zijne oogen naar beneden gericht, thans sloeg hij ze op, met een glimlach, als wilde hij zich wijden aan de vreugde, die deze berichten bij Ameni moesten -verwekken. »Wat,” vroeg hij, »zegt gij van deze plannen?”</p> +verwekken. »Wat,” vroeg hij, »zegt gij van deze plannen?”</p> -<p>»Ik zeg,” gaf Ameni ten antwoord, en er lag iets schalksch in -zijne anders zoo ernstige stem, »ik zeg dat Ramses het bloed +<p>»Ik zeg,” gaf Ameni ten antwoord, en er lag iets schalksch in +zijne anders zoo ernstige stem, »ik zeg dat Ramses het bloed van uwe tante en zijne moeder, dat hem recht geeft op den troon van dit land, voor onveranderlijk rein schijnt te houden.”</p> -<p>»’t Is het bloed van den zonnegod!”</p> +<p>»’t Is het bloed van den zonnegod!”</p> -<p>»Dat echter <em>half</em> in zijne en <em>geheel</em> in uwe aderen stroomt.”</p> +<p>»Dat echter <em>half</em> in zijne en <em>geheel</em> in uwe aderen stroomt.”</p> <p>De stadhouder maakte eene afkeurende beweging, en zeide -zacht, met een lachje als op het gelaat van een doode: »Wij +zacht, met een lachje als op het gelaat van een doode: »Wij zijn niet alleen.”</p> -<p>»Hier is niemand, die ons hooren kan,” hernam Ameni, »en +<p>»Hier is niemand, die ons hooren kan,” hernam Ameni, »en wat ik zeide weet zelfs ieder kind.”</p> -<p>»Doch zoo het den koning ter oore kwam,” fluisterde Ani, -»dan....”</p> +<p>»Doch zoo het den koning ter oore kwam,” fluisterde Ani, +»dan....”</p> -<p>»Dan zou hij ondervinden hoe onverstandig het is, de oude +<p>»Dan zou hij ondervinden hoe onverstandig het is, de oude rechten dergenen te minachten, aan wie het vrijstaat de reinheid van het bloed der beheerschers van dit land te onderzoeken.”</p> -<p>»Nog zit Ramses op den troon van Ra; hem bloeie leven, +<p>»Nog zit Ramses op den troon van Ra; hem bloeie leven, heil en kracht”<a name="FNanchor_89" id="FNanchor_89"></a><a href="#Footnote_89" class="fnanchor">89)</a>!</p> -<p>De stadhouder boog en vroeg dan: »Denkt gij aan het verlangen +<p>De stadhouder boog en vroeg dan: »Denkt gij aan het verlangen van den pharao gehoor te geven?”</p> -<p>»Hij is de koning. Onze Raad, die binnen weinige dagen +<p>»Hij is de koning. Onze Raad, die binnen weinige dagen vergadert, kan alleen beslissen hoe, niet of wij dit bevel ten uitvoer zullen leggen.”</p> -<p>»Gij wilt met het afzenden der onderhoorigen nog toeven, en +<p>»Gij wilt met het afzenden der onderhoorigen nog toeven, en toch heeft Ramses ze terstond noodig. Het bloedige handwerk van den krijg vordert nieuwe werktuigen.”</p> -<p>»En de vrede wellicht een nieuwen meester, die de zonen +<p>»En de vrede wellicht een nieuwen meester, die de zonen van dit land weet te gebruiken ten beste van het land zelf, een echten zoon van Ra!”</p> @@ -5684,19 +5645,19 @@ daarop naar den voorgrond van de galerij. Om Ani’s mond speelde het gewone glimlachje, toen hij hem volgde en zich weder vol waardigheid op den troon nederzette.</p> -<p>»Zijt gij aan het einde uwer mededeelingen?” vroeg hij den +<p>»Zijt gij aan het einde uwer mededeelingen?” vroeg hij den opperpriester.</p> -<p>»Mij blijft alleen nog te berichten,” antwoordde deze met luider +<p>»Mij blijft alleen nog te berichten,” antwoordde deze met luider stem, zoodat hij door al de hier verzamelde grootwaardigheidsbekleeders -verstaan kon worden, »dat de dochter des konings Bent-Anat, +verstaan kon worden, »dat de dochter des konings Bent-Anat, zich gisteren zwaar bezondigd heeft, en de goden in alle tempels van dit land met offers zullen worden aangeroepen, om de onreinheid van haar weg te nemen.”</p> <p>Wederom trok eene schaduw heen over den zonneschijn op het gelaat van den stadhouder. Nadenkend zag hij voor zich, en zeide: -»Morgen zal ik het Seti-huis bezoeken, tot zoolang bid ik u deze +»Morgen zal ik het Seti-huis bezoeken, tot zoolang bid ik u deze aangelegenheid te laten rusten.”</p> <p>Ameni boog en de stadhouder verliet de galerij, om zich @@ -5712,7 +5673,7 @@ de papyrus-rollen, die zijn meester hem overgaf, en een beambte teekende kort de hoofdpunten op, die Ani hem toeriep en straks moesten dienen voor de verschillende antwoorden. Op een teeken van den stadhouder verliet de beambte het vertrek, waarna Ani -langzaam een brief des konings opende. Uit het opschrift: »Aan +langzaam een brief des konings opende. Uit het opschrift: »Aan mijn broeder Ani,” bleek, dat hij over geene algemeene maar private aangelegenheden handelde. Van deze regels, dit wist de stadhouder, hing het af, welke richting zijn leven in de toekomst @@ -5721,7 +5682,7 @@ voor hemzelf scheen te moeten verbergen, maakte hij het zegelwas los, waarmede de brief, met ’s konings eigene hand geschreven, was gesloten.</p> -<p>»Wat Egypte betreft,” dus schreef de pharao, »en de zorg +<p>»Wat Egypte betreft,” dus schreef de pharao, »en de zorg voor mijn land, en de hoop op een gelukkig einde van den krijg, dienaangaande liet ik u door mijn schrijver onderrichten. Maar deze woorden gelden den broeder, die verlangt mijn zoon te @@ -5756,10 +5717,10 @@ van kleur veranderd. Schouderophalend legde hij dien thans op de tafel, stond op, plaatste zich met de armen op den rug tegen een der zuilen, die de zolderbalken van het vertrek schraagden, en keek peinzend naar den grond. Hoe langer hij nadacht, des te -minder vriendelijk werden zijne trekken. »Eene pil met honig +minder vriendelijk werden zijne trekken. »Eene pil met honig zoet gemaakt, zooals men die aan vrouwen geeft”<a name="FNanchor_90" id="FNanchor_90"></a><a href="#Footnote_90" class="fnanchor">90)</a>, prevelde hij in zich zelf. Wederom ging hij naar de tafel, doorlas den koninklijken -brief andermaal en zeide: »Men kan van hem leeren, hoe +brief andermaal en zeide: »Men kan van hem leeren, hoe men weigert onder den schijn van toe te stemmen, en daarbij niet vergeet zijne edelmoedigheid te doen uitkomen. Ramses kent zijne dochter; zij is een meisje als alle andere, en zal er zich wel voor @@ -5773,7 +5734,7 @@ dat hij er overheen gleed op den grond. De stomme slaaf nam hem op en legde hem weder voorzichtig op tafel. Zijn meester<span class="pagenum"><a name="Page_119" id="Page_119">[119]</a></span> wierp intusschen een kogel in een zilveren bekken. Verschillende beambten stoven naar binnen, wien Ani beval den gevangen dwerg -van vrouwe Katoeti vóor hem te brengen. In zijne ziel was hij +van vrouwe Katoeti vóor hem te brengen. In zijne ziel was hij boos op den koning, die daar ginds in zijn legertent waande, hem door een bewijs zijner hoogste gunst gelukkig gemaakt te hebben. Wien men zelf kwalijk gezind is, dien is men geneigd voor zijn @@ -5783,48 +5744,48 @@ geur, maar om haar doornen.</p> <p>De dwerg Nemoe werd voor den stadhouder gebracht en wierp zich voor hem ter aarde. Nadat Ani den beambte had bevolen -heen te gaan, riep hij den kleine toe: »Gij hebt mij gedwongen +heen te gaan, riep hij den kleine toe: »Gij hebt mij gedwongen u in de gevangenis te laten werpen; sta op.”</p> -<p>De dwerg stond op en zeide: »Heb dank, ook daarvoor dat gij +<p>De dwerg stond op en zeide: »Heb dank, ook daarvoor dat gij mij liet opsluiten!”</p> <p>De stadhouder keek hem verwonderd aan; Nemoe ging echter -half ondeugend, half deemoedig voort: »Ik werd benauwd voor +half ondeugend, half deemoedig voort: »Ik werd benauwd voor mijn leven. Gij hebt het echter niet alleen niet verkort maar verlengd, want in dien eenzamen kerker is de tijd mij lang gevallen en zijn de minuten uren voor mij geworden.”</p> -<p>»Spaar uwe aardigheden voor de vrouwen,” hernam de stadhouder. -»Als ik niet wist, dat gij het goed meendet en handeldet +<p>»Spaar uwe aardigheden voor de vrouwen,” hernam de stadhouder. +»Als ik niet wist, dat gij het goed meendet en handeldet in den geest van uwe meesteres Katoeti, dan zou ik u naar de steengroeve zenden.”</p> -<p>»Mijne handen,” zeide de dwerg al meesmuilende, »zouden toch +<p>»Mijne handen,” zeide de dwerg al meesmuilende, »zouden toch niet veel meer dan steenen voor het damspel kunnen breken. Doch mijne tong is als water, dat den eenen boer rijk maken en den anderen zijne akkers wegspoelen kan.”</p> -<p>»Men zal haar weten te beteugelen.”</p> +<p>»Men zal haar weten te beteugelen.”</p> -<p>»Voor mijne meesteres en voor u volgt zij toch den goeden -weg,” zeide de dwerg. »Ik bracht de klagende burgers aan het +<p>»Voor mijne meesteres en voor u volgt zij toch den goeden +weg,” zeide de dwerg. »Ik bracht de klagende burgers aan het verstand, wie hun vleesch en bloed naar de slachtbank voert, en van wien zij vrede en geluk hebben te verwachten. Ik goot loog in de wonde en prees den arts.”</p> -<p>»Maar ongeroepen en onvoorzichtig!” viel de stadhouder hem -in de rede. »Overigens hebt gij getoond, dat ge bruikbaar zijt, en +<p>»Maar ongeroepen en onvoorzichtig!” viel de stadhouder hem +in de rede. »Overigens hebt gij getoond, dat ge bruikbaar zijt, en ik zal u voor later tijd sparen. Al te ijverige vrienden zijn waarlijk schadelijker dan verklaarde vijanden. Als ik u noodig heb, zal ik u roepen. Vermijd tot zoo lang alle praatjes. Ga nu naar uwe meesteres en breng haar dezen brief, die voor haar is aangekomen.”</p> -<p>»Heil den zoon van den zonnegod, Ani!” riep de dwerg, terwijl -hij den voet van den stadhouder kuste. »Heb ik geen brief over +<p>»Heil den zoon van den zonnegod, Ani!” riep de dwerg, terwijl +hij den voet van den stadhouder kuste. »Heb ik geen brief over te brengen aan mijne meesteres Nefert?”</p> -<p>»Breng haar mijn groet,” antwoordde de stadhouder. »Zeg +<p>»Breng haar mijn groet,” antwoordde de stadhouder. »Zeg Katoeti, dat ik haar na den maaltijd een bezoek zal brengen. De<span class="pagenum"><a name="Page_120" id="Page_120">[120]</a></span> wagenmenner des konings heeft niet geschreven, toch is hij welvarend, zoo ik hoor. Pak je nu weg en bedwing je tong!”</p> @@ -5877,9 +5838,9 @@ en haar deed ondervinden.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_83" id="Footnote_83"></a><a href="#FNanchor_83"><span class="label">83)</span></a> De schrijflustige Egyptenaars schreven vele brieven, waarvan er een groot aantal voor ons bewaard bleven. Zij kenden ook eene vereeniging van -briefbestellers en hadden daarvoor in hunne taal het woord „faï sjaat.” -Vgl. het voortreffelijk geschrift van Maspero, <cite>Du genre épistolaire -chez les anciens Egyptiens de l’époque pharaonique</cite>.</p> +briefbestellers en hadden daarvoor in hunne taal het woord „faï sjaat.” +Vgl. het voortreffelijk geschrift van Maspero, <cite>Du genre épistolaire +chez les anciens Egyptiens de l’époque pharaonique</cite>.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -5892,7 +5853,7 @@ verjaagd werden.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_85" id="Footnote_85"></a><a href="#FNanchor_85"><span class="label">85)</span></a> Reeds bij zijne geboorte. In een opschrift te Abydus, door Mariëtte +<p><a name="Footnote_85" id="Footnote_85"></a><a href="#FNanchor_85"><span class="label">85)</span></a> Reeds bij zijne geboorte. In een opschrift te Abydus, door Mariëtte uitgegeven en door Maspero verklaard, beroemt Ramses zich, „dat hij reeds koning was in het ei.” Hij is de Sesostris der Grieken. Zijn bijnaam Seseroe-Ra is op de gedenkteekenen bewaard gebleven. Wanneer de @@ -5901,7 +5862,7 @@ Seti en Ramses te zamen hebben verricht.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_86" id="Footnote_86"></a><a href="#FNanchor_86"><span class="label">86)</span></a> Ethiopië.</p> +<p><a name="Footnote_86" id="Footnote_86"></a><a href="#FNanchor_86"><span class="label">86)</span></a> Ethiopië.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -5919,7 +5880,7 @@ achter den naam van den pharao voorkomt.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_90" id="Footnote_90"></a><a href="#FNanchor_90"><span class="label">90)</span></a> In de medische papyrussen zijn tweeërlei recepten voor pillen bewaard, +<p><a name="Footnote_90" id="Footnote_90"></a><a href="#FNanchor_90"><span class="label">90)</span></a> In de medische papyrussen zijn tweeërlei recepten voor pillen bewaard, zonder honig voor mannen, met honig voor vrouwen.</p> </div></div> @@ -5934,7 +5895,7 @@ zonder honig voor mannen, met honig voor vrouwen.</p> <p>Terwijl dit alles gebeurde, had het niet stil gestaan van bezoekers in het huis van den wagenmenner Mena. Uitwendig -geleek het op Paäkers belendend erfgoed, maar de gebouwen waren +geleek het op Paäkers belendend erfgoed, maar de gebouwen waren hier wat ouder, de kleuren van het schilderwerk op zuilen en wanden waren verbleekt, en de groote tuin werd blijkbaar niet met zooveel zorg onderhouden. Alleen in de nabijheid van het @@ -5956,18 +5917,18 @@ van bekoorlijkheid, iets onbeschrijfelijk lieflijks.</p> met eene witte zachtharige kat. Een negerinnetje was bezig haar met een waaier af te koelen, terwijl hare moeder Katoeti nog een afscheidsgroet gaf aan hare zuster Setchem en diens -zoon Paäker, die de galerij verlieten. Beide hadden voor het eerst +zoon Paäker, die de galerij verlieten. Beide hadden voor het eerst sedert vier jaren, dat was sedert Mena’s huwelijk met de schoone Nefert, dezen drempel overschreden, en het scheen dat de oude vijandschap zou plaats maken voor eene nieuwe hartelijke verstandhouding en samenleving. Nadat de gids met zijne moeder<span class="pagenum"><a name="Page_122" id="Page_122">[122]</a></span> verdwenen waren achter de granaatstruiken aan den ingang van den tuin, wendde Katoeti zich tot hare dochter en zeide: -»Wie had dat gisteren gedacht? Ik geloof dat Paäker u nog +»Wie had dat gisteren gedacht? Ik geloof dat Paäker u nog altijd liefheeft.”</p> <p>Nefert bloosde en sprak zacht, terwijl zij haar zijden katje -met den waaier sloeg: »Moeder!”</p> +met den waaier sloeg: »Moeder!”</p> <p>Katoeti lachte even. — Zij was eene flinke vrouw van edele houding, die met hare scherpe maar toch fijne gelaatstrekken en @@ -5997,12 +5958,12 @@ navolgen.</p> oogenblik waarop wij haar leeren kennen, kon zij weinig haar eigendom noemen. Immers zij leefde op het goed van haar schoonzoon als zijn gast en bestuurderes van zijne bezittingen, terwijl -zij vóor het huwelijk van hare dochter, met hare kinderen had +zij vóor het huwelijk van hare dochter, met hare kinderen had gewoond in een huis, dat aan hare zuster Setchem toebehoorde. Zij was de gade geweest van haar eigen jong gestorven broeder<a name="FNanchor_91" id="FNanchor_91"></a><a href="#Footnote_91" class="fnanchor">91)</a>, die door zijne toomelooze praalzucht het gansche vermogen had verkwist, dat het nieuwe koningsgeslacht hem gelaten had. Als<span class="pagenum"><a name="Page_123" id="Page_123">[123]</a></span> -weduwe was zij met hare kinderen door Paäkers vader, haar +weduwe was zij met hare kinderen door Paäkers vader, haar zwager, als eene zuster opgenomen. Zij bewoonde een eigen huis, genoot de inkomsten van een landgoed, dat de oudere Mohar haar had geschonken, en liet aan haar zwager de zorg over voor @@ -6031,7 +5992,7 @@ wien wij het goede, dat hij ons gedaan heeft, niet vergelden kunnen.</p> <p>Nochtans, toen haar zwager voor zijn zoon aanzoek deed om de hand harer dochter, gaf zij gaarne hare toestemming. Nefert -en Paäker waren te zamen opgegroeid, en door deze verbintenis +en Paäker waren te zamen opgegroeid, en door deze verbintenis werd hare eigene toekomst en die harer kinderen, verzekerd. Kort na den dood van den ouden Mohar, vroeg de wagenmenner Mena Nefert ten huwelijk. Zij zou hem echter hebben afgewezen, wanneer @@ -6054,7 +6015,7 @@ was van hetgeen zij wilde, wist zich bij den besluiteloozen man eerst aangenaam; eindelijk onontbeerlijk te maken. Zij maakte behendig gebruik van de omstandigheid, dat zij evenals hij gesproten was uit het oude koningshuis, ten einde zijne eerzucht -te prikkelen en hem uitzichten te openen, waaraan hij, vóor +te prikkelen en hem uitzichten te openen, waaraan hij, vóor zijn vertrouwelijken omgang met haar, zelfs niet gedacht zou hebben, zonder zich als misdadig te beschouwen. Dat Ani pogingen in het werk stelde om de hand der prinses Bent-Anat @@ -6075,150 +6036,150 @@ maar hem veeleer besturen. — </p> <p>Katoeti had het blosje van hare dochter niet opgemerkt, want zij keek in gespannen verwachting naar de tuindeur, en zeide: -»Waar blijft Nemoe? Er zullen toch voor ons wel tijdingen uit +»Waar blijft Nemoe? Er zullen toch voor ons wel tijdingen uit het leger zijn gekomen?”</p> -<p>»Mena heeft in zoolang niet geschreven,” zeide Nefert. »Ha, +<p>»Mena heeft in zoolang niet geschreven,” zeide Nefert. »Ha, daar is de hofmeester!”</p> <p>Katoeti richtte zich tot den beambte, die door een zijdeur -der veranda was binnengekomen, met de vraag: »Wat nieuws +der veranda was binnengekomen, met de vraag: »Wat nieuws brengt gij?”</p> -<p>»De koopman Abscha,” luidde het antwoord, »dringt op betaling +<p>»De koopman Abscha,” luidde het antwoord, »dringt op betaling aan. De nieuwe Syrische wagen en de purperstof....”</p> -<p>»Verkoop koren!” beval Katoeti.</p> +<p>»Verkoop koren!” beval Katoeti.</p> -<p>»Onmogelijk, want de belastingen voor den tempel zijn nog +<p>»Onmogelijk, want de belastingen voor den tempel zijn nog niet voldaan, en er is reeds zooveel aan de kooplieden geleverd, dat er ter nauwernood genoeg overblijft voor de huishouding en den zaaitijd.”</p> -<p>»Betaal dan met runderen.”</p> +<p>»Betaal dan met runderen.”</p> -<p>»Maar meesteres,” gaf de hofmeester angstig ten antwoord, »wij +<p>»Maar meesteres,” gaf de hofmeester angstig ten antwoord, »wij hebben eerst heden weder een kudde aan den Mohar verkocht, en de schepraderen moeten in beweging gehouden, het koren moet gedorscht worden; voorts hebben wij offervee noodig, en melk, boter en kaas voor het huishouden en mest om te stoken”<a name="FNanchor_92" id="FNanchor_92"></a><a href="#Footnote_92" class="fnanchor">92)</a>.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_125" id="Page_125">[125]</a></span></p> -<p>Katoeti zag nadenkend vóor zich, en zeide toen: »Er moet toch +<p>Katoeti zag nadenkend vóor zich, en zeide toen: »Er moet toch geld zijn. Rijd naar Hermonthis, en zeg den opzichter van de stoeterij, dat hij tien van Mena’s geelvossen hierheen laat brengen.”</p> -<p>»Ik heb reeds met hem gesproken,” hernam de hofmeester; »hij +<p>»Ik heb reeds met hem gesproken,” hernam de hofmeester; »hij zegt echter dat Mena hem streng verboden heeft een enkel van zijne paarden, op welk ras hij zeer trotsch is, prijs te geven. Alleen voor den wagen van onze meesteres Nefert...”</p> -<p>»Ik verlang gehoorzaamheid,” sprak Katoeti op beslissenden -toon, terwijl zij den beambte belette verder te spreken, »en verwacht +<p>»Ik verlang gehoorzaamheid,” sprak Katoeti op beslissenden +toon, terwijl zij den beambte belette verder te spreken, »en verwacht morgen de paarden!”</p> -<p>»Maar de opzichter van de stoeterij is een koppig man, dien +<p>»Maar de opzichter van de stoeterij is een koppig man, dien Mena voor onontbeerlijk houdt, en die...”</p> <p>Nefert was onder dit gesprek uit hare gemakkelijke houding opgerezen. Op de laatste woorden van Katoeti verliet zij het rustbed -en zeide zóo bepaald, dat zelfs hare moeder er van schrikte: -»Men moet de bevelen van mijn echtgenoot gehoorzamen. De +en zeide zóo bepaald, dat zelfs hare moeder er van schrikte: +»Men moet de bevelen van mijn echtgenoot gehoorzamen. De paarden, die Mena lief heeft, blijven in hunne stallen. Neem dezen armband, die de koning mij schonk, hij is meer waard dan twintig paarden.”</p> <p>De hofmeester monsterde het met edelgesteenten rijk bezette kleinood en zag Katoeti vragend aan. Zij haalde de schouders -op, gaf met een knikje hare toestemming en zeide: »Abscha +op, gaf met een knikje hare toestemming en zeide: »Abscha mag dit sieraad als onderpand bewaren tot Mena’s buit hier zal zijn aangekomen. Sedert een jaar zond uw man niets van eenige beteekenis.”</p> <p>Zoodra de beambte zich verwijderd had, strekte Nefert zich -weder op haar rustbed uit en zeide vermoeid: »Ik dacht dat wij +weder op haar rustbed uit en zeide vermoeid: »Ik dacht dat wij rijk waren.”</p> -<p>»Wij zouden het kunnen zijn,” antwoordde Katoeti bitter. +<p>»Wij zouden het kunnen zijn,” antwoordde Katoeti bitter. Toen zij echter bespeurde, dat Nefert’s wangen op nieuw begonnen -te gloeien, vervolgde zij vriendelijk: »Onze hooge rang legt +te gloeien, vervolgde zij vriendelijk: »Onze hooge rang legt ons groote plichten op. In onze aderen vloeit vorstelijk bloed en de oogen des volks zijn gericht op de gemalin van den roemrijksten held in ’s konings leger. Men mag niet zeggen, dat gij door uw echtgenoot veronachtzaamd wordt. — Wat blijft die Nemoe toch lang uit!”</p> -<p>»Ik hoor gerucht in den hof,” zeide Nefert. »De stadhouder +<p>»Ik hoor gerucht in den hof,” zeide Nefert. »De stadhouder zal komen.”</p> <p>Katoeti zag weder naar den tuin. Daar zag zij een slaaf, die buiten adem kwam aanloopen met de tijding, dat Bent-Anat, de, -dochter des konings, vóor de poort van het huis uit haar wagen +dochter des konings, vóor de poort van het huis uit haar wagen gestegen en in aantocht was met prins Rameri. Nefert verliet<span class="pagenum"><a name="Page_126" id="Page_126">[126]</a></span> het rustbed, en ging met Katoeti de hooge gasten in den tuin tegemoet. Zoodra moeder en dochter zich neerbogen, om het kleed -der prinses te kussen, weerde Bent-Anat haar af en zeide: »Blijft +der prinses te kussen, weerde Bent-Anat haar af en zeide: »Blijft op een afstand van mij; de priesters hebben de onreinheid nog niet geheel van mij weggenomen.”</p> -<p>»In weerwil hiervan zijt gij rein als het oog van Ra,” riep +<p>»In weerwil hiervan zijt gij rein als het oog van Ra,” riep de prins, die haar begeleidde, terwijl hij haar kuste, eer zij het beletten kon. Het was haar zeventienjarige broeder, die in het Seti-huis werd opgevoed, dat hij echter binnen weinige weken verlaten zou.</p> -<p>»Ik zal den wildzang bij Ameni aanklagen,” zeide Bent-Anat -lachend. »Hij wilde mij volstrekt begeleiden. Uw gemaal heeft +<p>»Ik zal den wildzang bij Ameni aanklagen,” zeide Bent-Anat +lachend. »Hij wilde mij volstrekt begeleiden. Uw gemaal heeft hij zich ten voorbeeld genomen, Nefert. Maar ook ik had te huis geen rust, want wij komen om u eene goede boodschap te brengen.”</p> -<p>»Van Mena?” vroeg de jonge vrouw, de hand tegen haar hart +<p>»Van Mena?” vroeg de jonge vrouw, de hand tegen haar hart drukkende.</p> -<p>»Van hem!” antwoordde Bent-Anat. »Mijn vader prijst zijne -dapperheid en schrijft, dat hij bij de verdeeling van den buit vóor +<p>»Van hem!” antwoordde Bent-Anat. »Mijn vader prijst zijne +dapperheid en schrijft, dat hij bij de verdeeling van den buit vóor allen zal mogen kiezen.”</p> <p>Nefert sloeg op hare moeder een zegevierenden blik, en Katoeti haalde ruimer adem. Bent-Anat streelde Nefert’s wangen, alsof zij een kind was. Toen wendde zij zich tot Katoeti, nam haar mede in den tuin en bad haar, die zoo vroeg hare moeder had moeten -missen, in eene gewichtige aangelegenheid te willen raden. »Mijn -vader,” zeide zij, na eenige inleidende woorden, »deelt mij mede, +missen, in eene gewichtige aangelegenheid te willen raden. »Mijn +vader,” zeide zij, na eenige inleidende woorden, »deelt mij mede, dat de stadhouder Ani mij tot vrouw vraagt, en raadt mij de trouw van den waardigen man met mijne hand te beloonen. Hij raadt, versta mij wel, hij beveelt niet.”</p> -<p>»En gij?” vroeg Katoeti.</p> +<p>»En gij?” vroeg Katoeti.</p> -<p>»En ik,” antwoordde Bent-Anat beslist, »moet hem afwijzen.”</p> +<p>»En ik,” antwoordde Bent-Anat beslist, »moet hem afwijzen.”</p> -<p>»Moet gij dat?”</p> +<p>»Moet gij dat?”</p> <p>Bent-Anat gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: -»Ik ben mij volkomen bewust van hetgeen ik doe. Ik kan niet +»Ik ben mij volkomen bewust van hetgeen ik doe. Ik kan niet anders.”</p> -<p>»Dan hebt gij mijn raad niet meer noodig, want ik weet dat +<p>»Dan hebt gij mijn raad niet meer noodig, want ik weet dat niemand, zelfs niet uw vader, u van een besluit kan afbrengen.”</p> -<p>»Zelfs geene godheid,” zeide Bent-Anat op vasten toon. »Maar +<p>»Zelfs geene godheid,” zeide Bent-Anat op vasten toon. »Maar gij zijt Ani’s vriendin, en daar ik hem hoogacht, wil ik trachten hem eene vernedering te besparen. Beproef of gij hem bewegen kunt van zijn aanzoek af te zien. Wanneer ik hem ontmoet, wil ik mij houden als wist ik niets van zijn brief aan mijn vader.”</p> <p>Katoeti zag weder peinzend naar den grond. Daarna zeide zij: -»De stadhouder brengt zijne uren van uitspanning gaarne bij +»De stadhouder brengt zijne uren van uitspanning gaarne bij mij door, pratende of aan het dambord: doch ik weet niet of<span class="pagenum"><a name="Page_127" id="Page_127">[127]</a></span> ik het durf wagen over zulke gewichtige zaken met hem te spreken.”</p> -<p>»Huwelijksplannen zijn vrouwenzaken,” hernam Bent-Anat met +<p>»Huwelijksplannen zijn vrouwenzaken,” hernam Bent-Anat met een lachje.</p> -<p>»Doch het huwelijk van eene prinses is eene staatsaangelegenheid,” -zeide de weduwe op haar beurt. »En in dit geval +<p>»Doch het huwelijk van eene prinses is eene staatsaangelegenheid,” +zeide de weduwe op haar beurt. »En in dit geval vraagt een neef de hand zijner nicht, die hem dierbaar is, en hem, gelijk hij hoopt, de tweede meest gevreesde helft zijns levens tot de schoonste kan maken. Ani is goed en niet hard. @@ -6227,7 +6188,7 @@ elk uwer wenken zal letten en zich gaarne voegen naar uw vasten wil.”</p> <p>Bent-Anat’s oogen helderden op en vol vuur riep zij uit: -»Dat is het juist wat mij een beslist en onveranderlijk <em>neen</em> +»Dat is het juist wat mij een beslist en onveranderlijk <em>neen</em> op de lippen legt. Omdat ik fier ben als mijne moeder, en weet wat ik wil, gelijk mijn vader, meent gij misschien dat ik een echtgenoot begeer, dien ik beheerschen en in alles leiden kan? @@ -6247,18 +6208,18 @@ prijzen.”</p> <p>Katoeti hoorde de jonkvrouw aan met het goedig lachje, waardoor de man van ervaring zoo gaarne den dweper zijne meerderheid -doet gevoelen, en zeide: »In vroeger eeuwen mag er +doet gevoelen, en zeide: »In vroeger eeuwen mag er zulk een man geleefd hebben, maar zoo gij in onze dagen op hem wachten wilt, moet gij de lok der jeugd<a name="FNanchor_93" id="FNanchor_93"></a><a href="#Footnote_93" class="fnanchor">93)</a> dragen tot zij grijs wordt. Onze denkers zijn geen helden en onze helden geen wijzen. — Daar komt uw broeder aan met mijne Nefert.”</p> -<p>»Wilt gij Ani bewegen zijn plan te laten varen?” vroeg de +<p>»Wilt gij Ani bewegen zijn plan te laten varen?” vroeg de prinses dringend.</p> -<p>»U ten gevalle wil ik het beproeven,” gaf Katoeti ten antwoord. +<p>»U ten gevalle wil ik het beproeven,” gaf Katoeti ten antwoord. Daarop keerde zij zich half tot den jongen Rameri half<span class="pagenum"><a name="Page_128" id="Page_128">[128]</a></span> -tot zijne zuster en zeide: »De man die aan het hoofd staat van +tot zijne zuster en zeide: »De man die aan het hoofd staat van het Seti-huis, Ameni, was in zijn jeugd juist gelijk gij hem hebt geschilderd, Bent-Anat. — Zeg ons, gij zoon van Ramses, die onder de jonge sykomoren opwast, bestemd om eens dit land te @@ -6267,22 +6228,22 @@ Is er iemand onder hen, die alle anderen verre overtreft in edelen zin en geestkracht?”</p> <p>De jonge Rameri zag de vraagster aan met levendige oogen en -antwoordde lachend: »Wij zijn allen zooals wij zijn, en doen meer +antwoordde lachend: »Wij zijn allen zooals wij zijn, en doen meer of minder gaarne wat wij doen moeten, en liefst alles wat wij niet doen mogen.”</p> -<p>»Kent gij dan in het Seti-huis,” vroeg de weduwe verder, »geen +<p>»Kent gij dan in het Seti-huis,” vroeg de weduwe verder, »geen jongeling met een grootschen aanleg, die een Snefroe<a name="FNanchor_94" id="FNanchor_94"></a><a href="#Footnote_94" class="fnanchor">94)</a>, een Thotmes, of ook maar een Ameni belooft te worden?”</p> -<p>»Voorzeker!” riep Rameri dadelijk, zonder aarzelen.</p> +<p>»Voorzeker!” riep Rameri dadelijk, zonder aarzelen.</p> -<p>»En die is?” vroeg Katoeti.</p> +<p>»En die is?” vroeg Katoeti.</p> -<p>»Pentaoer, de dichter!” hernam de jongeling.</p> +<p>»Pentaoer, de dichter!” hernam de jongeling.</p> <p>Bent-Anat’s wangen werden hoog rood, terwijl haar broeder -zijne woorden nader toelichtte: »Hij is edel, verheven van geest, +zijne woorden nader toelichtte: »Hij is edel, verheven van geest, en alle goden wonen in hem als hij spreekt. Dikwijls gevoelen wij veel lust om in de schoolhoven te slapen, maar zijne woorden slepen ons mede, en al vatten wij niet altijd wat er in zijne verhevene @@ -6292,7 +6253,7 @@ zijn en grootsch.”</p> <p>Bent-Anat haalde bij deze woorden sneller adem, en hare oogen hingen aan de lippen haars broeders.</p> -<p>»Gij kent hem, Bent-Anat,” sprak Rameri verder. »Hij was met +<p>»Gij kent hem, Bent-Anat,” sprak Rameri verder. »Hij was met u bij den Paraschiet en in den voorhof des tempels toen Ameni u onrein verklaarde. Zijn uiterlijk is schoon en indrukwekkend als dat van den god Menth<a name="FNanchor_95" id="FNanchor_95"></a><a href="#Footnote_95" class="fnanchor">95)</a>, en ik geloof dat hij behoort tot @@ -6308,27 +6269,27 @@ Hij moet u niet streng genoeg de les gelezen hebben, Bent-Anat, en daarom zal hij uit het Seti-huis gebannen zijn. Wij hebben echter besloten gezamenlijk zijne terugroeping te verzoeken. De jonge Anana schrijft aan den opperpriester een brief, dien wij -allen zullen onderteekenen. Als éen het alleen deed, zou hem dit +allen zullen onderteekenen. Als éen het alleen deed, zou hem dit slecht bekomen, maar als we allen tegelijk opkomen, kunnen zij niets doen. Mogelijk zijn zij ook wel zoo verstandig om hem terug te roepen. Zoo niet, dan beklagen wij ons allen bij onze vaders, die tot de eersten des lands behooren!”</p> -<p>»Dat heeft iets van een volledigen opstand,” zeide Katoeti. -»Heertjes, neemt u in acht! Ameni en de andere profeten laten +<p>»Dat heeft iets van een volledigen opstand,” zeide Katoeti. +»Heertjes, neemt u in acht! Ameni en de andere profeten laten niet met zich spotten.”</p> -<p>»Wij ook niet,” antwoordde Rameri lachend. »Blijft Pentaoer +<p>»Wij ook niet,” antwoordde Rameri lachend. »Blijft Pentaoer gebannen, dan vraag ik mijn vader, of hij mij naar de school van Heliopolis of Chennoe wil verplaatsen en de anderen zullen -mijn voorbeeld volgen. — Kom, Bent-Anat! Ik moet vóor zonsondergang +mijn voorbeeld volgen. — Kom, Bent-Anat! Ik moet vóor zonsondergang weder in den val zijn. Vergeving, Katoeti, zoo noemen wij de school. — Daar komt ook uw kleine Nemoe aan!”</p> <p>Broeder en zuster verlieten den tuin. Zoodra de vrouwen, die hen uitgeleide deden, haar den rug hadden toegekeerd, drukte Bent-Anat de hand haars broeders met buitengewone warmte en -zeide: »Pas op, dat ge niet onvoorzichtig handelt! Maar uw eisch +zeide: »Pas op, dat ge niet onvoorzichtig handelt! Maar uw eisch is billijk, en gaarne help ik u.”</p> <div class="footnotes"> @@ -6336,8 +6297,8 @@ is billijk, en gaarne help ik u.”</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_91" id="Footnote_91"></a><a href="#FNanchor_91"><span class="label">91)</span></a> Huwelijken tusschen broeders en zusters waren in het oude Egypte geoorloofd. Ofschoon dit in strijd was met de Macedonische zeden, namen -Ptolemaeën deze gewoonten toch over. Toen Ptolemaeus II Philadelphus, -zijne zuster Arsinoë huwde, schijnt men het echter noodig geacht te hebben +Ptolemaeën deze gewoonten toch over. Toen Ptolemaeus II Philadelphus, +zijne zuster Arsinoë huwde, schijnt men het echter noodig geacht te hebben dit te verontschuldigen door den stand van de planeet Venus met betrekking tot Saturnus en den onvermijdelijken invloed van deze constellatie.</p> </div> @@ -6355,7 +6316,7 @@ vorstelijke huizen droegen. Ook de jeugdige Horus wordt er mede afgebeeld.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_94" id="Footnote_94"></a><a href="#FNanchor_94"><span class="label">94)</span></a> De eerste koning van de 4e dynastie, die ook in later tijd nog in eere -werd gehouden. Van hem heet het op meer dan ééne plaats: „een dergelijke +werd gehouden. Van hem heet het op meer dan ééne plaats: „een dergelijke is niet gezien sedert de dagen van Snefroe.” Voor de vereering zijner nagedachtenis waren ook later priesters aangewezen. De gedenkteekenen van zijn tijd zijn de oudste van alle die tot ons kwamen.</p> @@ -6380,16 +6341,16 @@ eene komische manier al wat hem was wedervaren, dat de beide vrouwen wel moesten lachen, en Katoeti met zekere uitgelatene vroolijkheid, die haar anders vreemd was, zijne bekwaamheid prees, hoewel zij hem tevens waarschuwde wat voorzichtiger te -zijn. »Dat was een kostelijke dag, die groote dingen bracht en +zijn. »Dat was een kostelijke dag, die groote dingen bracht en nog grootere in de toekomst doet verwachten,” zeide zij, terwijl zij het zegel van den brief beschouwde.</p> <p>Nefert ging zoo dicht mogelijk naast haar staan en vroeg: -»Open toch den brief, en zie of er niets in staat over hem?”</p> +»Open toch den brief, en zie of er niets in staat over hem?”</p> <p>Katoeti maakte het was los, doorliep het schrijven met een vluchtigen blik, streelde de wangen harer dochter en zeide troostend: -»Wellicht heeft uw broeder voor hem geschreven; ik zie +»Wellicht heeft uw broeder voor hem geschreven; ik zie geen regel van zijne hand.”</p> <p>Nefert keek nu ook eens in den brief, niet zoozeer om te lezen, @@ -6401,10 +6362,10 @@ zich te verwonderen en toch te verheugen over de gebrekkige letters, die de ijzeren hand van den wagenmenner op den papyrus had gekrabbeld voor haar, die met hare teedere vingers vast en zeker het schrijfriet wist te hanteeren. Opmerkzaam gluurde zij -in den brief en zeide eindelijk, met tranen in de oogen: »Niets! — Ik +in den brief en zeide eindelijk, met tranen in de oogen: »Niets! — Ik ga naar mijne kamer, moeder!”</p> -<p>Katoeti kuste haar en zeide: »Hoor toch eens wat uw broeder +<p>Katoeti kuste haar en zeide: »Hoor toch eens wat uw broeder schrijft.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_131" id="Page_131">[131]</a></span></p> @@ -6445,26 +6406,26 @@ die door merg en been drong, en haar voorhoofd drukte tegen een ruwen palmstam, kroop hij naar haar toe, kuste hare voeten, en riep zoo hartelijk, dat het Katoeti zelfs verraste, zij die enkel gewoon was jolige of scherpe woorden uit den mond van haar -dwerg te vernemen: »Meesteres, meesteres! Wat is er toch gebeurd?”</p> +dwerg te vernemen: »Meesteres, meesteres! Wat is er toch gebeurd?”</p> <p>Katoeti kwam weer tot zich zelve, keerde zich om en trachtte te spreken; maar haar doodsbleeke lippen bleven gesloten, en hare oogen staarden zoo dof in de ruimte, als ware zij door doodskramp overvallen.</p> -<p>»Meesteres, meesteres!” sprak de dwerg op nieuw, en steeds -hartelijker. »Wat deert u toch? Zal ik uwe dochter roepen?”</p> +<p>»Meesteres, meesteres!” sprak de dwerg op nieuw, en steeds +hartelijker. »Wat deert u toch? Zal ik uwe dochter roepen?”</p> <p>Katoeti maakte eene ontkennende beweging met de hand en -riep halffluisterend uit: »Die ellendigen, die laaghartigen!”</p> +riep halffluisterend uit: »Die ellendigen, die laaghartigen!”</p> <p>Haar adem begon sneller te gaan; het bloed steeg haar naar<span class="pagenum"><a name="Page_132" id="Page_132">[132]</a></span> wangen en oogen. Zij vertrapte den brief, en snikte zoo luid en hevig, dat de dwerg, die nog nooit tranen in hare oogen had gezien, -angstig opstond en zacht berispend durfde zeggen: »Katoeti!”</p> +angstig opstond en zacht berispend durfde zeggen: »Katoeti!”</p> <p>Zij begon hierop bitter te lachen en sprak met bevende stem: -»Waarom roept gij dezen naam zoo luid? Hij is onteerd, geschandvlekt. +»Waarom roept gij dezen naam zoo luid? Hij is onteerd, geschandvlekt. Hoe zullen de heeren en vrouwen zich nu verheugen! Nu kan de nijd zijn geliefd kind, den spot, tegen ons in ’t harnas jagen. En ik heb dezen dag zooeven nog geprezen! Men zegt: @@ -6475,23 +6436,23 @@ hebben vermaak in ons leed.”</p> <p>Andermaal liet zij haar hoofd tegen den palmboom rusten.</p> -<p>»Gij spreekt van schande en niet van dood,” zeide Nemoe, »en +<p>»Gij spreekt van schande en niet van dood,” zeide Nemoe, »en toch heb ik van u geleerd, dat men niets verloren moet achten, behalve de afgestorvenen.”</p> <p>Deze woorden misten hare krachtige uitwerking niet op de vrouw, die bijna vertwijfelde. Driftig en onstuimig wendde zij zich -tot den dwerg en sprak: »Gij zijt verstandig en zeker wel te vertrouwen. +tot den dwerg en sprak: »Gij zijt verstandig en zeker wel te vertrouwen. Hoor dan! Doch al waart gij Amon zelf, er is geene redding meer mogelijk; neen, geene!”</p> -<p>»Toch moet men een middel trachten uit te denken,” hernam +<p>»Toch moet men een middel trachten uit te denken,” hernam Nemoe, en zijne slimme oogen ontmoetten die van zijne meesteres. -»Spreek toch! en geef mij uw vertrouwen. Mogelijk kan ik u +»Spreek toch! en geef mij uw vertrouwen. Mogelijk kan ik u helpen. Gij weet dat ik de kunst versta om te zwijgen.”</p> -<p>»Weldra zullen de kinderen elkaar op straat vertellen, wat deze -brief mij heeft gemeld,” zeide Katoeti met bittere ironie. »Nefert +<p>»Weldra zullen de kinderen elkaar op straat vertellen, wat deze +brief mij heeft gemeld,” zeide Katoeti met bittere ironie. »Nefert alleen mag van het gebeurde niets weten, niets, hoort gij! — Wat is dat? De stadhouder komt! Ga dadelijk tot hem! Zeg hem dat ik plotseling ongesteld ben geworden, zeer erg! Ik kan hem @@ -6500,31 +6461,31 @@ niemand! Verstaat ge?”</p> <p>De dwerg verdween terstond. Toen hij zijn last had volbracht en terugkwam, vond hij zijne meesteres nog altijd in koortsachtige -overspanning. »Hoor dan,” zeide zij. »Eerst wat van +overspanning. »Hoor dan,” zeide zij. »Eerst wat van minder beteekenis is, dan het verschrikkelijke, het onuitsprekelijke. Ramses overlaadt Mena met gunstbewijzen. Men is overgegaan tot de verdeeling van den krijgsbuit van dit jaar. Voor elken aanvoerder lagen groote schatten gereed, en de wagenmenner mocht -vóor allen kiezen.”</p> +vóor allen kiezen.”</p> -<p>»Welnu?” vroeg de dwerg.</p> +<p>»Welnu?” vroeg de dwerg.</p> -<p>»Welnu?” herhaalde Katoeti. »Welnu? Hoe zorgde de waardige +<p>»Welnu?” herhaalde Katoeti. »Welnu? Hoe zorgde de waardige huisheer voor de zijnen in het vaderland; hoe eerde hij zijne arme verlatene vrouw; hoe zocht hij zijn bezwaard erfdeel van schulden te ontheffen? Het is schandelijk, afschuwelijk! Het<span class="pagenum"><a name="Page_133" id="Page_133">[133]</a></span> zilver, het goud, de edelgesteenten ging hij met een glimlach voorbij, en hij nam de schoone krijgsgevangene dochter van den -vorst der Danaërs en voerde haar naar zijne tent.”</p> +vorst der Danaërs en voerde haar naar zijne tent.”</p> -<p>»’t Is schandelijk!” prevelde de dwerg.</p> +<p>»’t Is schandelijk!” prevelde de dwerg.</p> -<p>»Arme, arme Nefert!” riep Katoeti, en zij verborg haar aangezicht +<p>»Arme, arme Nefert!” riep Katoeti, en zij verborg haar aangezicht met beide handen.</p> -<p>»En het andere?” vroeg Nemoe somber.</p> +<p>»En het andere?” vroeg Nemoe somber.</p> -<p>»Dat,” zeide Katoeti, »dat is... Maar ik wil kalm blijven, +<p>»Dat,” zeide Katoeti, »dat is... Maar ik wil kalm blijven, dood bedaard en koel. Gij kent mijn zoon. Hij is lichtzinnig, maar hij heeft mij lief en zijne zuster meer dan alles in de wereld. Dwaze die ik was! Om hem tot spaarzaamheid te bewegen, @@ -6537,42 +6498,42 @@ te winnen. Alles verloor hij, alles! Eindelijk — het is afgrijselijk, schier niet om uit te spreken — eindelijk zette hij tegenover eene ongehoorde som, altijd aan ons denkende en aan ons alleen, de mummie van zijn afgestorven vader<a name="FNanchor_96" id="FNanchor_96"></a><a href="#Footnote_96" class="fnanchor">96)</a>. Hij verloor! Lost hij dit -heilig onderpand niet in vóor het einde van de derde nieuwe +heilig onderpand niet in vóor het einde van de derde nieuwe maan, dan wordt hij eerloos verklaard<a name="FNanchor_97" id="FNanchor_97"></a><a href="#Footnote_97" class="fnanchor">97)</a>, en de mummie valt den winner ten deel. Verachting en verbanning uit de samenleving zullen dan zijn en mijn deel zijn.”</p> <p>Katoeti drukte de handen stijf tegen het gelaat. De dwerg -prevelde echter bij zichzelf: »Die speler en huichelaar!” Toen -zijne meesteres wat bedaarde, zeide hij overluid: »Dat is ontzettend; +prevelde echter bij zichzelf: »Die speler en huichelaar!” Toen +zijne meesteres wat bedaarde, zeide hij overluid: »Dat is ontzettend; maar toch is alles nog niet verloren. Hoeveel bedraagt de schuld?”</p> -<p>Het klonk als een zware vloek, toen Katoeti antwoordde: »Dertig +<p>Het klonk als een zware vloek, toen Katoeti antwoordde: »Dertig Babylonische talenten”<a name="FNanchor_98" id="FNanchor_98"></a><a href="#Footnote_98" class="fnanchor">98)</a>!</p> <p>De dwerg sprong op met een gil, als had hem een adder gebeten, -en vroeg: »Wie waagde het tegen zulk een waanzinnigen +en vroeg: »Wie waagde het tegen zulk een waanzinnigen inzet?”</p> -<p>»Antef, de zoon van vrouw Hathor,” antwoordde Katoeti,<span class="pagenum"><a name="Page_134" id="Page_134">[134]</a></span> -»die reeds in Thebe het erfgoed zijns vaders heeft verspeeld.”</p> +<p>»Antef, de zoon van vrouw Hathor,” antwoordde Katoeti,<span class="pagenum"><a name="Page_134" id="Page_134">[134]</a></span> +»die reeds in Thebe het erfgoed zijns vaders heeft verspeeld.”</p> -<p>»Die laat geen graankorrel van zijne vordering vallen!” riep -de dwerg. »En Mena?”</p> +<p>»Die laat geen graankorrel van zijne vordering vallen!” riep +de dwerg. »En Mena?”</p> -<p>»Hoe kon mijn zoon, na al het gebeurde, zich tot hem wenden? +<p>»Hoe kon mijn zoon, na al het gebeurde, zich tot hem wenden? Het arme kind smeekt mij de hulp van den stadhouder in te roepen.”</p> -<p>»Van den stadhouder?” vroeg de dwerg, terwijl hij zijn groot -hoofd schudde. »Onmogelijk!”</p> +<p>»Van den stadhouder?” vroeg de dwerg, terwijl hij zijn groot +hoofd schudde. »Onmogelijk!”</p> -<p>»Ik weet hoe het met hem gesteld is; maar zijn stand, zijn +<p>»Ik weet hoe het met hem gesteld is; maar zijn stand, zijn naam!”</p> -<p>»Meesteres!” sprak de dwerg, en in zijne woorden lag hooge -ernst, »bederf de toekomst niet ter wille van het tegenwoordige. +<p>»Meesteres!” sprak de dwerg, en in zijne woorden lag hooge +ernst, »bederf de toekomst niet ter wille van het tegenwoordige. Wanneer uw zoon zijne eer verliest onder koning Ramses, kan zij hem door den toekomstigen pharao Ani teruggegeven worden! Bewijst de stadhouder u thans zulk een ongehoorden dienst, dan @@ -6587,14 +6548,14 @@ trekken, naarmate het hem moeielijker vallen zal zulk eene groote som in korten tijd bijeen te brengen. Gij weet toch in welke omstandigheden hij verkeert.”</p> -<p>»Hij steekt in schulden,” zeide Katoeti, »dat weet ik.”</p> +<p>»Hij steekt in schulden,” zeide Katoeti, »dat weet ik.”</p> -<p>»Dat moet gij ook weten,” ging de dwerg voort, »want gij +<p>»Dat moet gij ook weten,” ging de dwerg voort, »want gij zelve drijft hem tot ongehoorde uitgaven. Door schitterende feesten aan te richten, heeft hij de bevolking van Thebe voor zich gewonnen; als verzorger van den heiligen Apis heeft hij te Memphis schatten uitgegeven<a name="FNanchor_99" id="FNanchor_99"></a><a href="#Footnote_99" class="fnanchor">99)</a>; de aanvoerders der door hem uitgeruste -troepen, die naar Ethiopië bestemd zijn, heeft hij met duizenden +troepen, die naar Ethiopië bestemd zijn, heeft hij met duizenden begiftigd; en gijzelve weet wat zijne geheime agenten kosten in het koninklijk leger. Van de meeste rijken hier te lande heeft hij sommen geleend, en dat is goed, want zoovele schuldeischers zijn @@ -6603,15 +6564,15 @@ berekening een slecht schuldenaar, maar koning Ani zal een dankbaar betaler zijn.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_135" id="Page_135">[135]</a></span></p> <p>Katoeti zag den dwerg verbaasd aan en kon niet nalaten te -zeggen: »Gij kent de menschen.”</p> +zeggen: »Gij kent de menschen.”</p> -<p>»Helaas, ja!” antwoordde de dwerg. »Wend u niet tot den +<p>»Helaas, ja!” antwoordde de dwerg. »Wend u niet tot den stadhouder. Eer gij het werk van jaren afbreekt en de toekomstige grootheid van u en de uwen opoffert, moet gij liever de eer van uw zoon prijsgeven.”</p> -<p>»En die van mijn gemaal en mijne eigene?” vroeg Katoeti. -»Maar gij weet niet wat dat beteekent! <em>Eer</em> is een woord dat +<p>»En die van mijn gemaal en mijne eigene?” vroeg Katoeti. +»Maar gij weet niet wat dat beteekent! <em>Eer</em> is een woord dat de onvrije wel kan nastamelen maar nimmer begrijpen. Gij wrijft de eeltplekken die men u geslagen heeft; mij zal elke vinger, die met minachting op mij wijst, verwonden als eene @@ -6620,7 +6581,7 @@ eeuwige goden, wie kan hier helpen?!”</p> <p>De gefolterde vrouw bedekte hare oogen weder met de handen, als wilde zij hare eigene smaadheid niet aanschouwen. De dwerg -zag haar medelijdend aan en zeide op zachter toon: »Herinnert +zag haar medelijdend aan en zeide op zachter toon: »Herinnert ge u den diamant, die uit Nefert’s schoonsten ring was gevallen? Wij zochten dien maar vonden hem niet. Den volgenden dag liep ik door de kamer en trapte op iets hards. Ik bukte en @@ -6630,54 +6591,54 @@ Wellicht gelukt het den onvrijen kleinen Nemoe, die niet weet wat eer is, een redmiddel uit te denken, dat zich aan den verheven geest zijner meesteres niet voordoet.”</p> -<p>»Waaraan denkt gij dan?” vroeg Katoeti.</p> +<p>»Waaraan denkt gij dan?” vroeg Katoeti.</p> -<p>»Aan redding!” antwoordde de dwerg. »Is het waar dat uwe +<p>»Aan redding!” antwoordde de dwerg. »Is het waar dat uwe zuster Setchem u heeft bezocht en dat gij u met elkander hebt verzoend?”</p> -<p>»Zij bood mij de hand, en ik nam haar aan.”</p> +<p>»Zij bood mij de hand, en ik nam haar aan.”</p> -<p>»Ga dan tot haar. De menschen zijn nooit dienstvaardiger +<p>»Ga dan tot haar. De menschen zijn nooit dienstvaardiger dan na eene verzoening. De vijandschap die werd uitgedelgd beschouwen zij als eene pas geheelde wond, die men met voorzichtigheid moet aanraken. Setchem is van uw bloed en zij heeft een gevoelig hart.”</p> -<p>»Zij is niet rijk,” gaf Katoeti ten antwoord. »Elke palm in +<p>»Zij is niet rijk,” gaf Katoeti ten antwoord. »Elke palm in haar tuin komt van haar echtgenoot en behoort aan hare kinderen.”</p> -<p>»Was ook Paäker niet bij u?”</p> +<p>»Was ook Paäker niet bij u?”</p> -<p>»O ja, maar op verlangen zijner moeder,” zeide Katoeti. »Gij +<p>»O ja, maar op verlangen zijner moeder,” zeide Katoeti. »Gij weet, hij haat mijn schoonzoon.”</p> -<p>»Ik weet het,” zeide de dwerg, half binnen ’s monds; »doch +<p>»Ik weet het,” zeide de dwerg, half binnen ’s monds; »doch als Nefert hem wilde verbidden....”</p> <p>De trotsche weduwe schrikte. Zij gevoelde dat zij den dwerg te veel vrijheid had gegeven, en beval haar alleen te laten.</p> -<p>Nemoe kuste haar gewaad en vroeg schuchter: »Zal ik vergeten<span class="pagenum"><a name="Page_136" id="Page_136">[136]</a></span> +<p>Nemoe kuste haar gewaad en vroeg schuchter: »Zal ik vergeten<span class="pagenum"><a name="Page_136" id="Page_136">[136]</a></span> wat ge mij hebt toevertrouwd, of veroorlooft ge mij, dat ik verder over middelen peins om uw zoon te redden?”</p> <p>Katoeti bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan, en zeide -toen: »Gij hebt zeer verstandig uiteengezet wat ik laten moet: +toen: »Gij hebt zeer verstandig uiteengezet wat ik laten moet: mogelijk openbaart eene godheid u wat ik doen zal. Laat mij nu alleen!”</p> -<p>»Hebt ge mij morgen vroeg ook noodig?” vroeg het manneke.</p> +<p>»Hebt ge mij morgen vroeg ook noodig?” vroeg het manneke.</p> -<p>»Neen!”</p> +<p>»Neen!”</p> -<p>»Dan rijd ik naar de Nekropolis om te offeren.”</p> +<p>»Dan rijd ik naar de Nekropolis om te offeren.”</p> -<p>»Ga,” zeide Katoeti, en ging met den noodlottigen brief het +<p>»Ga,” zeide Katoeti, en ging met den noodlottigen brief het huis binnen.</p> <p>Nemoe bleef alleen staan. Peinzend keek hij voor zich en -prevelde: »Zij mogen niet tot eerloosheid vervallen, nu ten +prevelde: »Zij mogen niet tot eerloosheid vervallen, nu ten minste niet, want anders is alles verloren. Wat is toch die <em>eer</em>! Alle menschen komen zonder haar ter wereld, en de meeste onzer dalen als goede lieden ten grave, zonder haar ooit @@ -6695,7 +6656,7 @@ dan twintig profeten.”</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_96" id="Footnote_96"></a><a href="#FNanchor_96"><span class="label">96)</span></a> De koning, dien Herodotus Asychis noemt, en die waarschijnlijk tot de 4e dynastie gebracht moet worden, zal het eerst hebben toegelaten de -mummiën der voorvaderen te verpanden. „Wie dit onderpand gaf, en de +mummiën der voorvaderen te verpanden. „Wie dit onderpand gaf, en de schuld niet had willen terugbetalen, dien zou na zijn dood noch in zijn vaderlijk, noch in eenig ander graf eene plaats worden ingeruimd. Ook aan zijne nakomelingen zou de begrafenis worden geweigerd.” Herodotus II, 136.</p> @@ -6719,7 +6680,7 @@ Apis-verzorger voor hetzelfde doel 100 talenten, d. i. 270,000 gulden uit.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_100" id="Footnote_100"></a><a href="#FNanchor_100"><span class="label">100)</span></a> Ethiopiërs.</p> +<p><a name="Footnote_100" id="Footnote_100"></a><a href="#FNanchor_100"><span class="label">100)</span></a> Ethiopiërs.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -6745,7 +6706,7 @@ wijselijk gebruik van de morgenkoelte, die de verschijning der dagvorstin voorafgaat. Goed bekend met alle wegen en paden, vermeed hij met opzet de straat, die naar de plaats voerde waar hij zijn wilde. Hij draafde voort in de richting van den berg, -die het dal der koningsgraven van de Nijlvlakte scheidt. Vóór +die het dal der koningsgraven van de Nijlvlakte scheidt. Vóór zich zag hij hemelhooge kalkrotsen indrukwekkend in een halfrond oprijzen; zij maakten den achtergrond uit van den statigen op terrassen gebouwden tempel, die de groote Hatasoe, de trotsche @@ -6754,7 +6715,7 @@ haar eigen aandenken en ter eere van de godin Hathor had opgericht. Nemoe liet het heiligdom links liggen en reed het steile bergpad op, den naasten weg van de vlakte naar het dal der koningsgraven. Weldra kon hij den terrasvormigen Hatasoe-tempel -in alle zijne onderdeelen beneden zich zien; en vóor zich +in alle zijne onderdeelen beneden zich zien; en vóor zich de Nekropolis met hare gebouwen, tempels en kolossen, nog sluimerende in de koele ochtendschemering; en daarachter den breeden zilveren stroom, half gesluierd door de witte zeilen en @@ -6772,10 +6733,10 @@ boven klom, had hem weldra ingehaald, en bracht hem een morgengroet. Het bergpad was smal, en zoodra de dwerg had opgemerkt, dat de persoon die achter hem liep een priester was, hield hij op een minder steil gedeelte van den weg zijn ezeltje stil -en zeide eerbiedig: »Wandel voorbij, heilige vader, want uw +en zeide eerbiedig: »Wandel voorbij, heilige vader, want uw beide voeten loopen harder dan mijne vier hoeven.”</p> -<p>»Eene lijdende heeft mijne hulp noodig,” antwoordde de arts +<p>»Eene lijdende heeft mijne hulp noodig,” antwoordde de arts Nebsecht, Pentaoer’s vriend, dien wij in het Seti-huis en bij het gewonde Paraschieten-meisje hebben leeren kennen; en hij versnelde zijn stap, om den tragen ruiter vooruit te komen.</p> @@ -6792,23 +6753,23 @@ handen daalde onopgemerkt neder, en greep naar eene zeldzame versteende schelp die op den weg lag. Eenige oogenblikken later stond Nebsecht op, door Nemoe gevolgd.</p> -<p>»Een schoone morgen,” zeide de dwerg. »De heilige vaders +<p>»Een schoone morgen,” zeide de dwerg. »De heilige vaders daar beneden zijn heden vroeger op dan gewoonlijk.”</p> -<p>De arts lachte toestemmend en vroeg: »Behoort gij in de Nekropolis +<p>De arts lachte toestemmend en vroeg: »Behoort gij in de Nekropolis te huis? Wie houdt er hier dwergen op na?”</p> -<p>»Niemand,” antwoordde het manneke. »Maar vergun mij eene +<p>»Niemand,” antwoordde het manneke. »Maar vergun mij eene wedervraag. Welk aanzienlijk persoon woont er hier achter de bergen, dat een priester uit het Seti-huis zijne nachtrust voor hem opoffert.”</p> -<p>»Mijn bezoek geldt iemand uit den geringeren stand. Maar +<p>»Mijn bezoek geldt iemand uit den geringeren stand. Maar zij lijdt veel,” zeide Nebsecht.</p> -<p>Nemoe zag hem verwonderd aan en zeide: »Dat is edel, dat +<p>Nemoe zag hem verwonderd aan en zeide: »Dat is edel, dat is....” Maar hij voltooide den volzin niet, hij sloeg zich opeens -tegen het voorhoofd en zeide: »Gij gaat, ingevolge eene last van +tegen het voorhoofd en zeide: »Gij gaat, ingevolge eene last van de prinses Bent-Anat, naar het overreden Paraschieten-kind; ja, ik begreep het wel. De spijs waarvoor de heeren zoo vroeg opstaan, moet toch een voornamen bijsmaak hebben. Hoe gaat het met @@ -6816,9 +6777,9 @@ het arme kind?”</p> <p>In de laatste woorden lag zooveel warme deelneming, dat de arts, die de opmerking van den dwerg niet zoo onnatuurlijk vond, -vriendelijk antwoordde: »Niet slecht; zij kan behouden worden.”</p> +vriendelijk antwoordde: »Niet slecht; zij kan behouden worden.”</p> -<p>»Den goden zij dank!” riep Nemoe, terwijl de priester hem +<p>»Den goden zij dank!” riep Nemoe, terwijl de priester hem voorbijging.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_139" id="Page_139">[139]</a></span></p> @@ -6827,7 +6788,7 @@ voorbijging.</p> af, en hij had reeds lang in de hut van den Paraschiet naast het leger van de gewonde Warda plaats genomen, toen Nemoe de woning naderde van zijne moeder Hekt, de tooveres, van wie -Paäker den liefdedrank had ontvangen. De oude vrouw zat weder +Paäker den liefdedrank had ontvangen. De oude vrouw zat weder voor de deur van haar hol. Naast haar lag eene plank met dwarshouten, waartusschen een kleine knaap lag uitgestrekt, zoodat de houten juist zijn hoofd en zijne voetzolen raakten. Hekt verstond @@ -6838,56 +6799,56 @@ artikel te worden.</p> <p>Zoodra de tooveres bemerkte dat er iemand naderde, boog zij zich over het knaapje, nam het met plank en al in de armen, -droeg het in haar hol en zeide streng: »Verroer je niet jongen, +droeg het in haar hol en zeide streng: »Verroer je niet jongen, anders krijg je slagen! Laat je nu binden.”</p> -<p>»Niet binden!” smeekte het kind. »Ik zal stil zijn en rustig +<p>»Niet binden!” smeekte het kind. »Ik zal stil zijn en rustig blijven liggen.”</p> -<p>»Strek je uit!” beval de oude, en sjorde het schreiende kind -met een touw aan de plank vast. »Als je stil bent, geef ik je +<p>»Strek je uit!” beval de oude, en sjorde het schreiende kind +met een touw aan de plank vast. »Als je stil bent, geef ik je later een honigkoek en mag je met de jonge hoenders spelen.”</p> <p>Het jongske kwam tot bedaren; een lachje speelde om zijn mond en zijne lieve oogjes straalden van vreugde en hoop. Het greep met beide handen het kleed van de oude en zeide op dien zoet vleienden toon, dien de godheid in eene aanvallige kinderstem -heeft gelegd. »Ik zal als een muisje zoo stil zijn, en niemand zal +heeft gelegd. »Ik zal als een muisje zoo stil zijn, en niemand zal weten dat ik er ben. Doch als ge mij een honigkoek geeft, toe, laat mij dan vrij en naar Warda gaan hierover.”</p> -<p>»Warda is ziek; wat wilt ge hierover doen?” vroeg de oude.</p> +<p>»Warda is ziek; wat wilt ge hierover doen?” vroeg de oude.</p> -<p>»Ik zou haar den koek willen brengen,” zeide het knaapje +<p>»Ik zou haar den koek willen brengen,” zeide het knaapje zacht, en tranen glinsterden in zijne oogen.</p> <p>De oude streelde het kind met den vinger om zijn kin, en eene geheimzinnige macht trok haar naar omlaag, om het te kussen. -Doch vóor hare lippen zijn gezichtje vonden, keerde zij zich af -en zeide streng: »Blijf rustig. Straks zullen wij zien!” Zij raapte +Doch vóor hare lippen zijn gezichtje vonden, keerde zij zich af +en zeide streng: »Blijf rustig. Straks zullen wij zien!” Zij raapte een bruinen zak van den grond op en wierp dien over den knaap. Daarop ging zij weder naar buiten begroette Nemoe, zette hem melk, brood en honig voor, gaf hem op zijn verlangen inlichtingen aangaande het overreden meisje, wier ongeluk hem zeer -ter harte scheen te gaan, en vroeg eindelijk: »Wat voert u hierheen? +ter harte scheen te gaan, en vroeg eindelijk: »Wat voert u hierheen? De Nijl stond nog laag, toen ge mij de laatste maal een bezoek hebt gebracht, en thans is hij reeds lang beginnen te vallen<a name="FNanchor_102" id="FNanchor_102"></a><a href="#Footnote_102" class="fnanchor">102)</a>. Zendt uwe meesteres u hierheen, of begeert gij zelf mijne<span class="pagenum"><a name="Page_140" id="Page_140">[140]</a></span> hulp? Al dat gespuis blijft zich toch gelijk. Niemand gaat tot een ander, als hij hem niet noodig heeft. Wat zal ik je geven?”</p> -<p>»Ik heb niets noodig,” antwoordde de dwerg, »maar....”</p> +<p>»Ik heb niets noodig,” antwoordde de dwerg, »maar....”</p> -<p>»Maar gij komt op last van een derde,” sprak de heks lachend. -»’t Is alles één en ’t zelfde! Wie iets voor een ander verlangt, +<p>»Maar gij komt op last van een derde,” sprak de heks lachend. +»’t Is alles één en ’t zelfde! Wie iets voor een ander verlangt, denkt toch aan zichzelf alleen.”</p> -<p>»’t Kan zijn,” hernam de kleine man. »Uwe woorden bewijzen +<p>»’t Kan zijn,” hernam de kleine man. »Uwe woorden bewijzen in elk geval, dat gij, sedert ik u het laatst zag, niet minder wijs zijt geworden, en dat doet mij genoegen, want ik heb uw raad noodig.”</p> -<p>»Die is goedkoop te krijgen. Wat is er dan gaande aan de +<p>»Die is goedkoop te krijgen. Wat is er dan gaande aan de overzijde?”</p> <p>Nemoe vertelde zijne moeder kort, duidelijk en zonder terughouding, @@ -6896,46 +6857,46 @@ zijner meesteres, en van de verschrikkelijke schande, waarmede zij door haar zoon werd bedreigd. De oude schudde bij herhaling bedenkelijk het grijze hoofd, maar zij liet den dwerg uitspreken, zonder hem in de rede te vallen. Daarop vroeg zij, met bliksemende -oogen: »En gelooft gij werkelijk, dat het u gelukken zal +oogen: »En gelooft gij werkelijk, dat het u gelukken zal een adelaar door een musch te vervangen, een Ani te plaatsen op den troon van een Ramses?”</p> -<p>»De troepen die in Ethiopië strijden zijn aan onze zijde,” riep -Nemoe; »de priesters verklaren zich tegen den koning en erkennen +<p>»De troepen die in Ethiopië strijden zijn aan onze zijde,” riep +Nemoe; »de priesters verklaren zich tegen den koning en erkennen in Ani het echte bloed van Ra.”</p> -<p>»Dat zegt veel,” hernam de oude.</p> +<p>»Dat zegt veel,” hernam de oude.</p> -<p>»En vele honden zijn de dood eener gazel,” voegde Nemoe +<p>»En vele honden zijn de dood eener gazel,” voegde Nemoe er lachend bij.</p> -<p>»Doch Ramses is geen vluchtend wild, maar een leeuw,” sprak -de heks weder ernstig. »Inderdaad, gijlieden speelt hoog spel.”</p> +<p>»Doch Ramses is geen vluchtend wild, maar een leeuw,” sprak +de heks weder ernstig. »Inderdaad, gijlieden speelt hoog spel.”</p> -<p>»Dat weten we,” antwoordde Nemoe, »maar daar is ook iets +<p>»Dat weten we,” antwoordde Nemoe, »maar daar is ook iets groots mede te winnen.”</p> -<p>»Of alles mede te verliezen,” mompelde de oude, terwijl zij +<p>»Of alles mede te verliezen,” mompelde de oude, terwijl zij met de vingers over de dikke spieren van haar hals wreef. -»Doe echter wat ge wilt; mij kan ’t niet schelen wie het +»Doe echter wat ge wilt; mij kan ’t niet schelen wie het jonger geslacht naar het slagveld stuurt, en het vee der ouderen van het veld laat drijven. Wat wilt ge van mij?”</p> -<p>»Mij zendt niemand,” antwoordde de dwerg. »Ik kom uit<span class="pagenum"><a name="Page_141" id="Page_141">[141]</a></span> +<p>»Mij zendt niemand,” antwoordde de dwerg. »Ik kom uit<span class="pagenum"><a name="Page_141" id="Page_141">[141]</a></span> eigen beweging, om u te vragen wat Katoeti doen moet ten einde haar zoon en haar huis voor eerloosheid te bewaren.”</p> -<p>»Hm,” bromde de heks, en zij zag Nemoe met beide oogen +<p>»Hm,” bromde de heks, en zij zag Nemoe met beide oogen vragend aan, terwijl zij zich aan het stokje in haar hand zoo hoog -mogelijk oprichtte. »Wat is er dan toch met je gebeurd dat ge -het lot der grooten zóo ter harte neemt, alsof het je eigen was?”</p> +mogelijk oprichtte. »Wat is er dan toch met je gebeurd dat ge +het lot der grooten zóo ter harte neemt, alsof het je eigen was?”</p> -<p>De dwerg kreeg een kleur en antwoordde aarzelend: »Katoeti +<p>De dwerg kreeg een kleur en antwoordde aarzelend: »Katoeti is eene goede meesteres, en als het haar welgaat, kan er voor u en voor mij nog al wat afvallen.”</p> <p>De heks schudde ongeloovig het hoofd en zeide met schamperen -lach: »Misschien een brood voor u en voor mij een kruimel! — Gij +lach: »Misschien een brood voor u en voor mij een kruimel! — Gij voert ook nog iets anders in het schild, en ik lees in uw hart alsof ge deze opengesneden raaf waart. Gij behoort tot het soort van lieden, die hunne vingers niet stil kunnen houden en dag aan @@ -6946,7 +6907,7 @@ Hoog wilt ge vliegen en hoog zult ge ook eindigen, als vriend van een koning of — aan de galg!”</p> <p>De oude lachte weder, maar Nemoe beet zich op de lippen en -zeide: »Hadt ge mij naar de school gezonden, ware ik niet de +zeide: »Hadt ge mij naar de school gezonden, ware ik niet de zoon van een heks en geen dwerg, dan speelde ik met de menschen, gelijk gij met mij hebt gespeeld. Want ik ben slimmer dan zij allen, en geen hunner drijfveeren blijft mij verborgen. @@ -6954,23 +6915,23 @@ Honderd wegen liggen voor mij open, als zij heg noch steg weten, en waar zij zorgeloos voortjagen, zie ik den afgrond waarin zij onvermijdelijk zullen nederstorten.”</p> -<p>»En toch komt ge bij mij?” hernam de oude spottend.</p> +<p>»En toch komt ge bij mij?” hernam de oude spottend.</p> -<p>»Ik verlang uw raad,” antwoordde Nemoe ernstig, »omdat +<p>»Ik verlang uw raad,” antwoordde Nemoe ernstig, »omdat vier oogen meer opmerken dan twee; omdat de belangelooze toeschouwer helderder ziet dan de speler, en omdat gij verplicht zijt mij te helpen.”</p> -<p>De heks keek verwonderd op en vroeg: »Ik? Verplicht? En +<p>De heks keek verwonderd op en vroeg: »Ik? Verplicht? En waartoe dan?”</p> -<p>»Mij te helpen,” herhaalde de dwerg half smeekend. »Gij hebt +<p>»Mij te helpen,” herhaalde de dwerg half smeekend. »Gij hebt mijn groei belemmerd en mij tot een wangedrocht gemaakt.”</p> -<p>»Eenvoudig omdat niemand het in de wereld beter heeft +<p>»Eenvoudig omdat niemand het in de wereld beter heeft dan gij dwergen,” haastte de oude zich te zeggen.</p> -<p>Nemoe schudde het hoofd en vervolgde droefgeestig: »Dat hebt +<p>Nemoe schudde het hoofd en vervolgde droefgeestig: »Dat hebt ge mij reeds zoo dikwijls verteld. Ten aanzien van menig ander, die als ik in ellende werd geboren, moogt gij gelijk hebben. Doch gij hebt mij het leven bedorven; ge hebt mij niet alleen @@ -6982,10 +6943,10 @@ te beschrijven.”</p> <p>Het groote hoofd van den dwerg zonk neder op zijn borst, en hij drukte zijne linkerhand tegen zijn snelkloppend hart. De oude -naderde hem daarop en vroeg wat vriendelijker: »Wat hebt gij +naderde hem daarop en vroeg wat vriendelijker: »Wat hebt gij dan toch? Ik dacht dat het u goed ging in Mena’s huis.”</p> -<p>»Dat denkt ge,” sprak de kleine, »gij, die mij zooeven als +<p>»Dat denkt ge,” sprak de kleine, »gij, die mij zooeven als in een spiegelbeeld toondet, wie ik ben, en hoe geheimzinnige krachten mij dringen en drijven! Kunstmatig hebt ge mij gemaakt tot hetgeen ik ben. Gij hebt mij verkocht aan den schatmeester @@ -7029,7 +6990,7 @@ vergiftigd heeft.”</p> <p>De oude had onder deze woorden zwijgend tegenover den dwerg gestaan. Zij zette zich thans op haar ruwen houten zetel -neer en zeide, terwijl zij eene hoppe begon te plukken: »Nu +neer en zeide, terwijl zij eene hoppe begon te plukken: »Nu begrijp ik u. Gij verlangt u te wreken. Gij wenscht hoog te stijgen, en ik zal uw mes wetten en de ladder voor u vasthouden. Arme kleine! Kom, zet je neder; drink om tot bedaren te @@ -7039,61 +7000,61 @@ maar op te nemen, want het ligt voor haar deur.”</p> <p>De dwerg zag de heks met verbazing aan.</p> -<p>»De Mohar Paäker,” vervolgde zij, »is de zoon van hare zuster +<p>»De Mohar Paäker,” vervolgde zij, »is de zoon van hare zuster Setchem, niet waar?”</p> -<p>»Zoo als gij zegt.”</p> +<p>»Zoo als gij zegt.”</p> -<p>»Katoeti’s dochter Nefert is de vrouw van uw meester Mena +<p>»Katoeti’s dochter Nefert is de vrouw van uw meester Mena en ik geloof dat een ander dit verlaten hoentje gaarne in zijn hof zou lokken.”</p> -<p>»Gij doelt op Paäker, die met Nefert verloofd was, voor zij +<p>»Gij doelt op Paäker, die met Nefert verloofd was, voor zij Mena volgde.”</p> -<p>»Paäker was eergisteren bij mij.”</p> +<p>»Paäker was eergisteren bij mij.”</p> -<p>»Bij u?”</p> +<p>»Bij u?”</p> -<p>»Ja, bij mij, de oude Hekt, en wel om een liefdedrank te koopen. +<p>»Ja, bij mij, de oude Hekt, en wel om een liefdedrank te koopen. Ik gaf hem zoo iets, en daar ik nieuwsgierig ben, liep ik hem achterna, zag hoe hij het vrouwtje het water aanbood, en vorschte uit hoe zij heette.”</p> -<p>»En Nefert dronk den tooverdrank?” vroeg de dwerg met +<p>»En Nefert dronk den tooverdrank?” vroeg de dwerg met ontzetting.</p> -<p>»Azijn en wortelsap!” spotte de oude. »Een groot heer, die tot +<p>»Azijn en wortelsap!” spotte de oude. »Een groot heer, die tot mij komt om eene vrouw te winnen, is tot alles in staat. Laat -Nefert Paäker om het geld smeeken, en de schulden van den +Nefert Paäker om het geld smeeken, en de schulden van den lichtzinnigen jonkman zijn betaald.”</p> -<p>»Katoeti is trotsch en heeft mij streng afgewezen, toen ik zoo +<p>»Katoeti is trotsch en heeft mij streng afgewezen, toen ik zoo iets durfde voorslaan.”</p> -<p>»Dan moet Paäker zelf haar het geld aanbieden. Ga tot hem, +<p>»Dan moet Paäker zelf haar het geld aanbieden. Ga tot hem, wek in hem de hoop op Nefert’s genegenheid, vertel hem wat de vrouwen beangstigt, en laat hem, als hij weigert, maar ook dan eerst, merken dat gij iets van het drankje weet.”</p> <p>De dwerg zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en sprak toen, terwijl hij de oude vol bewondering aanstaarde: -»Juist, dat is de rechte weg.”</p> +»Juist, dat is de rechte weg.”</p> -<p>»Den verkeerden vindt ge ook wel zonder mij,” prevelde de<span class="pagenum"><a name="Page_144" id="Page_144">[144]</a></span> -heks. »Uw zaak is misschien toch nog zoo slecht niet, als ze mij +<p>»Den verkeerden vindt ge ook wel zonder mij,” prevelde de<span class="pagenum"><a name="Page_144" id="Page_144">[144]</a></span> +heks. »Uw zaak is misschien toch nog zoo slecht niet, als ze mij in den beginne wel toescheen. Katoeti mag den deugniet, die zijns vaders mummie verspeelde, danken. — Begrijpt ge mij niet! Nu, als gij van allen daarginds de slimste heet, wat moeten de anderen dan wel zijn?!”</p> -<p>»Gij meent dat men mijne meesteres roemen zal,” zeide de -dwerg, »dat zij er zulk eene groote som voor overheeft, om den +<p>»Gij meent dat men mijne meesteres roemen zal,” zeide de +dwerg, »dat zij er zulk eene groote som voor overheeft, om den naam....”</p> -<p>»Wat naam, wat roemen!” riep de oude ongeduldig. »Wij -hebben met andere, met werkelijke dingen te doen! Dáar staat -Paäker, dàar de vrouw van Mena. Wanneer de Mohar voor de +<p>»Wat naam, wat roemen!” riep de oude ongeduldig. »Wij +hebben met andere, met werkelijke dingen te doen! Dáar staat +Paäker, dà ar de vrouw van Mena. Wanneer de Mohar voor de jonge vrouw een geheel vermogen weggeeft, dan wil hij haar bezitten, en Katoeti zal hem niet in den weg staan. Zij weet toch, waarvoor hij haar schuld betaalt. Maar een ander verspert @@ -7111,9 +7072,9 @@ een handje helpen. — Zie, daar zit ge nu met open mond te luisteren, en ik heb u toch niets geraden, wat gij zelf niet hadt kunnen vinden.”</p> -<p>»Gij zijt een vat vol wijsheid!” riep Nemoe.</p> +<p>»Gij zijt een vat vol wijsheid!” riep Nemoe.</p> -<p>»En nu zult gij heengaan,” vervolgde Hekt, »en uwe meesteres +<p>»En nu zult gij heengaan,” vervolgde Hekt, »en uwe meesteres en den stadhouder uwe plannen onthullen, opdat zij uwe slimheid bewonderen. Heden weet gij nog, wat ik u aan het verstand hebt gebracht en wat u te doen staat; morgen zult gij @@ -7121,26 +7082,26 @@ het weder vergeten zijn, en overmorgen beeldt ge u in, dat de geest der negen groote goden u bezielt. Ik ken dat. Maar ik kan niets geven om niet. Gij leeft van uwe kleinheid; een ander voedt zich door zijne sterke handen; ik verdien mijn schamel -brood door wat hier in mijn hoofd omgaat. Hoor! Als gij Paäker +brood door wat hier in mijn hoofd omgaat. Hoor! Als gij Paäker half gewonnen hebt en Ani blijkt genegen te zijn om zich te laten gebruiken, dan kunt ge den stadhouder zeggen, dat ik een geheim weet — en ik weet er een, ik alleen! — een geheim, dat den Mohar tot zijn speelbal maakt. Ik ben bereid mij dit geheim te laten afkoopen.”</p> -<p>»Dat zal geschieden! ja stellig moeder!” riep de dwerg. »Wat +<p>»Dat zal geschieden! ja stellig moeder!” riep de dwerg. »Wat verlangt gij?”</p> -<p>»Weinig,” zeide de oude. »Alleen een vrijbrief, die mij waarborgt<span class="pagenum"><a name="Page_145" id="Page_145">[145]</a></span> +<p>»Weinig,” zeide de oude. »Alleen een vrijbrief, die mij waarborgt<span class="pagenum"><a name="Page_145" id="Page_145">[145]</a></span> ongehinderd, ook van de zijde der priesters, te mogen doen en laten wat mij lust, en die mij verzekert, dat ik na mijn dood eene eerlijke begrafenis zal hebben.”</p> -<p>»De stadhouder zal zich daar niet gemakkelijk toe laten overhalen, +<p>»De stadhouder zal zich daar niet gemakkelijk toe laten overhalen, want hij moet alles vermijden, wat de dienaars der godheid kwetsen kan.”</p> -<p>»En alles doen,” ging de oude voort, »wat Ramses in hunne +<p>»En alles doen,” ging de oude voort, »wat Ramses in hunne oogen vernedert. Ani, hoort ge, behoeft mij geen nieuwen vrijbrief te schrijven, hij kan volstaan met den ouden te hernieuwen, dien Ramses mij verleende, nadat ik zijn ziek lievelingspaard had @@ -7150,7 +7111,7 @@ al mijn huisraad typhonisch verklaarden. Wat de begrafenis aangaat, dat heeft voorloopig nog den tijd. Ik verlang den vrijbrief van Ramses, meer niet.”</p> -<p>»Gij zult dien hebben,” zeide de dwerg. »Vaarwel! Ik heb in +<p>»Gij zult dien hebben,” zeide de dwerg. »Vaarwel! Ik heb in last in het familiegraf mijner meesteres te onderzoeken, of de doodenoffers naar behooren geplaatst zijn, verder nieuwe reukwerken te plengen, en nog andere dingen te laten vernieuwen. @@ -7172,7 +7133,7 @@ Spoedig daarop neemt het, eerst langzaam, vervolgens steeds sneller af.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_103" id="Footnote_103"></a><a href="#FNanchor_103"><span class="label">103)</span></a> Poppen worden in verschillende museën bewaard, o.a. een ledepop +<p><a name="Footnote_103" id="Footnote_103"></a><a href="#FNanchor_103"><span class="label">103)</span></a> Poppen worden in verschillende museën bewaard, o.a. een ledepop te Leiden.</p> </div> @@ -7201,71 +7162,71 @@ beiden op den grond zitten met het gezicht naar de hut, waarvoor de arts Nebsecht zich had nedergezet, wachtende op het ontwaken van de sluimerende kranke.</p> -<p>»Wie is die man?” vroeg de heelmeester den oude, doelende +<p>»Wie is die man?” vroeg de heelmeester den oude, doelende op diens jongeren metgezel, een stevig bruinkleurig soldaat, met dikken ronden baard.</p> -<p>»Mijn zoon,” antwoordde de Paraschiet, »die uit Syrië is +<p>»Mijn zoon,” antwoordde de Paraschiet, »die uit Syrië is teruggekeerd.”</p> -<p>»Warda’s vader?” vroeg de arts.</p> +<p>»Warda’s vader?” vroeg de arts.</p> <p>De soldaat knikte toestemmend en zeide met een ruwe stem, -maar toch op trouwhartigen toon: »Men kan het mij wel niet +maar toch op trouwhartigen toon: »Men kan het mij wel niet aanzien, want zij is zoo blank en blozend. Doch hare moeder was eene vreemdelinge, en zij is ook zoo teer geworden als deze was. Ik was schier te bevreesd haar met mijn pink aan te raken, en daar rijdt me nu een wagen over het tengere popje, en zij houdt het uit en blijft leven.”</p> -<p>»Zonder de hulp van dezen heiligen vader,” zeide de Paraschiet, -terwijl hij den arts naderde en diens gewaad kuste, »zoudt gij +<p>»Zonder de hulp van dezen heiligen vader,” zeide de Paraschiet, +terwijl hij den arts naderde en diens gewaad kuste, »zoudt gij haar niet levend hebben weergezien. De goden mogen u loonen voor hetgeen gij aan ons armen gedaan hebt.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_147" id="Page_147">[147]</a></span></p> -<p>»En wij kunnen ook betalen,” riep de soldaat, slaande op den -vollen buidel die aan zijn gordel hing. »Wij hebben in Syrië +<p>»En wij kunnen ook betalen,” riep de soldaat, slaande op den +vollen buidel die aan zijn gordel hing. »Wij hebben in Syrië buit gemaakt, en ik zal een kalf koopen om het uw tempel te wijden.”</p> -<p>»Offer liever een dier van deeg,”<a name="FNanchor_105" id="FNanchor_105"></a><a href="#Footnote_105" class="fnanchor">105)</a> zeide de arts, »en wanneer +<p>»Offer liever een dier van deeg,”<a name="FNanchor_105" id="FNanchor_105"></a><a href="#Footnote_105" class="fnanchor">105)</a> zeide de arts, »en wanneer gij u dankbaar wilt toonen, geeft dan uw vader het geld, opdat hij uw zwak dochtertje volgens mijn voorschrift voede en verplege.”</p> -<p>»Hm,” bromde de soldaat, nam den buidel van zijn gordel, +<p>»Hm,” bromde de soldaat, nam den buidel van zijn gordel, woog dien met de hand en zeide, terwijl hij hem den Paraschiet -overhandigde: »Ik zou het toch verbrassen! Daar vader, neem +overhandigde: »Ik zou het toch verbrassen! Daar vader, neem het geld voor de kleine en voor moeder.”</p> <p>Terwijl de oude aarzelend de hand uitstak naar het kostelijk geschenk, bezon de soldaat zich en zeide, den buidel openende: -»Laat mij er toch eenige ringen uitnemen, want heden kan ik +»Laat mij er toch eenige ringen uitnemen, want heden kan ik nog niet op een droogje liggen. Ik heb een paar kameraden besteld in den Rooden kroeg. Dat is ook voldoende voor morgen en overmorgen. Zoo zal het goed zijn. Daar, neem het andere bagatel!”</p> <p>Nebsecht gaf den soldaat een teeken van goedkeuring; deze riep echter, toen de Paraschiet uit dankbaarheid den arts de hand kuste: -»Maak me die kleine gezond, heilige vader! Met geschenken en +»Maak me die kleine gezond, heilige vader! Met geschenken en offers is het nu uit, want ik heb niets meer, maar hier zijn een paar ijzeren vuisten en een borst als een vestingmuur! Als gij eens hulp noodig hebt, laat mij dan roepen, en ik zal u tegen twintig vijanden beschermen. Gij hebt mijn kind gered. Goed! Leven om leven! Ik verklaar met mijn eigen bloed dat ik uw -schuldenaar ben. Dáar!”</p> +schuldenaar ben. Dáar!”</p> <p>Onder het uitspreken dezer woorden had hij een dolkmes uit zijn gordel getrokken. Hij gaf zich eene snede in den arm en liet eenige droppels van zijn bloed vallen op een steen voor de voeten -van den arts. »Ziedaar,” vervolgde hij, »dit is mijne schuldbekentenis! +van den arts. »Ziedaar,” vervolgde hij, »dit is mijne schuldbekentenis! Kaschta heeft zich tot uw schuldenaar verklaard en gij kunt over zijn leven beschikken als over het uwe. Wat ik gezegd heb, dat heb ik gezegd!”</p> -<p>»Ik ben een man des vredes,” stamelde Nebsecht, »en mijn +<p>»Ik ben een man des vredes,” stamelde Nebsecht, »en mijn wit gewaad beschermt mij. Maar — ik geloof dat onze kranke ontwaakt is.”</p> @@ -7273,62 +7234,62 @@ ontwaakt is.”</p> lag in den schoot harer grootmoeder, en hare groote blauwe oogen keerden zich rustig naar den priester.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_148" id="Page_148">[148]</a></span></p> -<p>»Zij zou nu wel mogen opstaan en buiten komen,” zeide de -oude. »Zij heeft lang en zacht geslapen.”</p> +<p>»Zij zou nu wel mogen opstaan en buiten komen,” zeide de +oude. »Zij heeft lang en zacht geslapen.”</p> <p>De arts onderzocht haar pols en de wond, waarop groene bladeren -lagen, en zeide: »Voortreffelijk! Wie heeft u toch dit kruid +lagen, en zeide: »Voortreffelijk! Wie heeft u toch dit kruid gegeven dat zulk eene genezende kracht bezit?”</p> <p>De Paraschiet werd verlegen en draalde met het antwoord. -Warda zeide echter zonder schroom: »De oude Hekt, die daar +Warda zeide echter zonder schroom: »De oude Hekt, die daar ginds woont in het zwarte hol.”</p> -<p>»De tooveres!” prevelde de arts. »Wij zullen de bladeren toch +<p>»De tooveres!” prevelde de arts. »Wij zullen de bladeren toch maar laten liggen; daar zij helpen, komt het er niet op aan vanwaar zij komen.”</p> -<p>»Hekt heeft ook de druppels geproefd, die gij haar geeft,” zeide -de oude vrouw, »en toegestemd dat zij goed waren.”</p> +<p>»Hekt heeft ook de druppels geproefd, die gij haar geeft,” zeide +de oude vrouw, »en toegestemd dat zij goed waren.”</p> -<p>»Dan zijn wij over elkaar tevreden,” gaf Nebsecht met een -schalksch lachje ten antwoord. »Meisje, wij zullen u nu naar +<p>»Dan zijn wij over elkaar tevreden,” gaf Nebsecht met een +schalksch lachje ten antwoord. »Meisje, wij zullen u nu naar buiten dragen, want de lucht hier binnen is zoo zwaar als lood, en uwe teedere longen hebben lichter voedsel noodig.”</p> -<p>»Ja, laat mij in frisscher lucht,” smeekte de kranke. »Het is +<p>»Ja, laat mij in frisscher lucht,” smeekte de kranke. »Het is goed, dat gij dien andere niet weder hebt medegebracht, die mij met zijne bezweringen zoo bang maakte.”</p> -<p>»Gij meent den blinden Teta?” hernam Nebsecht. »Die zal niet +<p>»Gij meent den blinden Teta?” hernam Nebsecht. »Die zal niet terugkomen. Maar de jonge priester, die uw grootvader tot bedaren bracht, toen hij de prinses terugwees, hij zal u bezoeken. Hij is zoo vriendelijk, en gij moest, moest....”</p> -<p>»Zal Pentaoer komen?” vroeg het meisje levendig.</p> +<p>»Zal Pentaoer komen?” vroeg het meisje levendig.</p> -<p>»Voor den middag. Maar hoe kent gij zijn naam?”</p> +<p>»Voor den middag. Maar hoe kent gij zijn naam?”</p> -<p>»Ik ken hem,” zeide Warda op een toon die geen twijfel +<p>»Ik ken hem,” zeide Warda op een toon die geen twijfel overliet.</p> -<p>De arts zag haar verwonderd aan en zeide: »Gij moogt niet +<p>De arts zag haar verwonderd aan en zeide: »Gij moogt niet meer spreken, want uwe wangen gloeien, en de koorts mag niet wederkeeren. Wij hebben eene tent voor u gereed gemaakt en zullen u naar buiten dragen.”</p> -<p>»Nog niet,” bad het meisje. »Grootmoeder, maak mijn haar +<p>»Nog niet,” bad het meisje. »Grootmoeder, maak mijn haar wat op; het hangt zoo zwaar.”</p> <p>Dit zeggende greep zij zelve hare dikke roodblonde haren, en trachtte ze met hare kleine handen te scheiden en te ontdoen van de stroohalmen, die er in vast geraakt waren.</p> -<p>»Houd u toch stil,” vermaande de arts.</p> +<p>»Houd u toch stil,” vermaande de arts.</p> -<p>»Het is zoo zwaar,” zeide het meisje lachend, en toonde Nebsecht +<p>»Het is zoo zwaar,” zeide het meisje lachend, en toonde Nebsecht den weelderigen rijkdom harer goudgele haren, als ware -zij met zulk een last verlegen. »Kom grootmoeder, help mij +zij met zulk een last verlegen. »Kom grootmoeder, help mij toch!”</p> <p>De oude vrouw boog zich over het hoofd der kranke en haalde @@ -7344,21 +7305,21 @@ elke beweging harer handen.</p> <p>Zij gaf op hem echter geen acht. Toen de oude vrouw den kam uit de hand legde, haalde Warda diep adem en vroeg: -»Grootmoeder, de spiegel!”</p> +»Grootmoeder, de spiegel!”</p> <p>De grijze pleegmoeder bracht een scherf van donker verglaasd aardewerk. De kranke draaide de glanzige binnenzijde naar het licht, staarde een oogenblik het onduidelijk spiegelbeeld aan en -zeide: »Ik heb in zoolang geen bloem gezien, grootmoeder!”</p> +zeide: »Ik heb in zoolang geen bloem gezien, grootmoeder!”</p> -<p>»Wacht, mijn kind!” zeide de oude, nam uit eene kan de roos +<p>»Wacht, mijn kind!” zeide de oude, nam uit eene kan de roos die de prinses Bent-Anat op de borst harer kleindochter had gelegd, en stak haar die toe. Doch alvorens Warda haar grijpen kon, vielen de verdorde bloemblaadjes uit elkander en op haar neder. De arts bukte, raapte ze bij elkaar en gaf ze de kranke in de hand.</p> -<p>»Wat zijt ge toch goed,” zeide zij. »Ik heet Warda als deze +<p>»Wat zijt ge toch goed,” zeide zij. »Ik heet Warda als deze bloem, en ik houd zooveel van de rozen en van frissche lucht. Kom, draag mij naar buiten.”</p> @@ -7369,7 +7330,7 @@ soldaat knikten, toen hij den lichten last van zijn dochtertje in zijne sterke handen hield, en hij haalde weder adem, zoodra zij op de mat rustte.</p> -<p>»Wat is de hemel heerlijk blauw!” zeide Warda. »En grootvader +<p>»Wat is de hemel heerlijk blauw!” zeide Warda. »En grootvader heeft mijne granaatstruik begoten. Ja, dat dacht ik wel! — Ach, daar zijn mijne duifjes ook, daar komen ze! Geef mij wat graan in de hand, grootmoeder! — Wat zijn ze blijde!”</p> @@ -7387,13 +7348,13 @@ in het zand.</p> <p>Alles bleef stil in den omtrek, ook toen de duifjes de kranke verlaten en het dak van de hut weder opgezocht hadden. Op eens sloeg de hond van den Paraschiet aan; men hoorde voetstappen<span class="pagenum"><a name="Page_150" id="Page_150">[150]</a></span> -naderen. Warda richtte zich op en zeide: »Grootmoeder, de priester +naderen. Warda richtte zich op en zeide: »Grootmoeder, de priester Pentaoer!”</p> -<p>»Wie zegt u dat?” vroeg de oude.</p> +<p>»Wie zegt u dat?” vroeg de oude.</p> -<p>»Ik weet het,” antwoordde het meisje op stelligen toon. Weinige -oogenblikken later riep een heldere stem: »Heil u! Hoe gaat het +<p>»Ik weet het,” antwoordde het meisje op stelligen toon. Weinige +oogenblikken later riep een heldere stem: »Heil u! Hoe gaat het uwe kranke?”</p> <p>Weldra stond Pentaoer naast Warda, zich verheugende over @@ -7403,8 +7364,8 @@ gelukkige jonkvrouw gelegd op het altaar der godin Hathor, die hij sedert gisteren als priester diende. Hij overhandigde ze de kranke, die ze blozend aannam en in de gevouwen handen vasthield.</p> -<p>»Dat zendt u de hooge godin, die ik thans dien,” zeide Pentaoer, -»en zij zal u genezing schenken. Blijf haar gelijk! Gij +<p>»Dat zendt u de hooge godin, die ik thans dien,” zeide Pentaoer, +»en zij zal u genezing schenken. Blijf haar gelijk! Gij zijt als zij rein en lieflijk; moge ook verder uw handel met den haren overeenstemmen. Gelijk de zon leven geeft aan den nevelachtigen horizont, zoo brengt gij vreugde in deze donkere @@ -7415,43 +7376,43 @@ op u!”</p> <p>Hij had de laatste woorden half tot het Paraschieten-paar, half tot Warda gericht. Reeds maakte hij zich gereed om terug te keeren, -toen zich achter het maïs-stroo, dat dicht bij de tent van de +toen zich achter het maïs-stroo, dat dicht bij de tent van de kranke lag, eene angstige kreet van een kind deed hooren. Spoedig daarop kwam een knaapje te voorschijn, dat in de hoogopgeheven hand een koek hield, door den hond, die het kind overigens wel scheen te kennen, voor de helft afgebeten.</p> -<p>»Hoe komt gij hierheen, Scheraoe?” vroeg de Paraschiet aan +<p>»Hoe komt gij hierheen, Scheraoe?” vroeg de Paraschiet aan het pruilende ongelukkige kind, dat door de oude Hekt tot een dwerg werd misvormd.</p> -<p>»Ik wilde,” zeide de kleine al snikkende, »ik wilde Warda de +<p>»Ik wilde,” zeide de kleine al snikkende, »ik wilde Warda de koek brengen. Zij is ziek en ik had zooveel....”</p> -<p>»Arm kind,” haastte de Paraschiet zich te zeggen, terwijl hij -het haar van den kleine streelde. »Daar, geef het aan Warda.” +<p>»Arm kind,” haastte de Paraschiet zich te zeggen, terwijl hij +het haar van den kleine streelde. »Daar, geef het aan Warda.” Scheraoe naderde de lijderes, knielde naast haar neer en fluisterde -met van blijdschap stralende oogen: »Toe neem het! De koek is +met van blijdschap stralende oogen: »Toe neem het! De koek is goed en zeer zoet, en wanneer ik er weder een krijg en Hekt laat mij vrij, dan breng ik die naar u.”</p> -<p>»Ik dank u beste Scheraoe,” antwoordde Warda en gaf den<span class="pagenum"><a name="Page_151" id="Page_151">[151]</a></span> -knaap een kus. Toen richtte zij zich tot Pentaoer en zeide: »Sedert +<p>»Ik dank u beste Scheraoe,” antwoordde Warda en gaf den<span class="pagenum"><a name="Page_151" id="Page_151">[151]</a></span> +knaap een kus. Toen richtte zij zich tot Pentaoer en zeide: »Sedert weken heeft hij niets gehad dan papyrus-merg<a name="FNanchor_107" id="FNanchor_107"></a><a href="#Footnote_107" class="fnanchor">107)</a> en lotus-brood<a name="FNanchor_108" id="FNanchor_108"></a><a href="#Footnote_108" class="fnanchor">108)</a>, en nu brengt hij mij den koek, die moeder gisteren de oude Hekt mede naar huis gaf.”</p> -<p>Het knaapje bloosde tot over de ooren en stamelde: »Hij is +<p>Het knaapje bloosde tot over de ooren en stamelde: »Hij is nog maar half, en toch heb ik hem niet aangeroerd; uw hond -beet dit stuk hier af, en dáar.” Het kind raakte even met zijn -vinger de honig aan en bracht dien aan zijne lippen. »Ik zat +beet dit stuk hier af, en dáar.” Het kind raakte even met zijn +vinger de honig aan en bracht dien aan zijne lippen. »Ik zat reeds lang achter het stroo te wachten, want ik durfde niet voor die vreemde heeren daar.” Hij wees daarbij op den arts en -Pentaoer, en zeide daarop: »Maar nu moet ik naar huis.”</p> +Pentaoer, en zeide daarop: »Maar nu moet ik naar huis.”</p> <p>Toen het kind wilde heengaan, hield Pentaoer het tegen, pakte het op, wiegde het op zijne armen en zeide, zich daarbij -tot den arts wendende: »Zij waren wel wijs, die Horus, den god +tot den arts wendende: »Zij waren wel wijs, die Horus, den god die het goede doet zegepralen over het kwade en het reine over het onreine, de gestalte van een kind hebben gegeven. Wees gezegend, mijn kleine vriend, blijf goed en geef maar altijd het @@ -7464,7 +7425,7 @@ streelen. Een ongekend gevoel van teederheid welde in hem op, en het was hem al moest hij zijne armpjes om ’s dichters hals slaan en aan diens borst uitweenen. Pentaoer zette hem weer op den grond en hij trippelde het dal in. Daar bleef hij staan. -De zon had bijna haar middaghoogte bereikt en vóor dien tijd +De zon had bijna haar middaghoogte bereikt en vóor dien tijd moest hij weder in het hol van de tooveres en tusschen de planken terug. Hij had zoo gaarne verder gegaan tot aan het graf, dat voor den koning werd aangelegd. Dicht bij de poort @@ -7472,7 +7433,7 @@ ervan stond een schutdak van palmtakken, waaronder de beeldhouwer Bataoe, een hoogbejaarde grijsaard, gewoonlijk rustte. De oude man was doof, maar hij werd te recht voor den eersten kunstenaar van zijn tijd gehouden. Hij was de ontwerper van -de voortreffelijke afbeeldingen en de rijen hiëroglyphen op de<span class="pagenum"><a name="Page_152" id="Page_152">[152]</a></span> +de voortreffelijke afbeeldingen en de rijen hiëroglyphen op de<span class="pagenum"><a name="Page_152" id="Page_152">[152]</a></span> praalgebouwen van Seti te Abydus en te Thebe, alsmede van die in het graf van genoemden vorst. Thans hield hij zich bezig met de versiering van de wanden van Ramses’ groeve.</p> @@ -7533,7 +7494,7 @@ de papyrus-struiken aan den Nijloever wiesen, is de opteekening van Diodorus dat, namelijk een kind, tot het volwassen is, zijne ouders niet meer dan 20 drachmen (ongeveer 9 gulden) heeft gekost, wel te gelooven. Het is zeker vreemd, dat ondanks de nuttigheid van beide planten, met name van -den papyrus, de eene zoowel als de andere in Egypte niet meer vóorkomen.</p> +den papyrus, de eene zoowel als de andere in Egypte niet meer vóorkomen.</p> </div></div> <hr class="l1" /> @@ -7553,10 +7514,10 @@ aan zijne zorg toevertrouwd, was door koningin Hatasoe<a name="FNanchor_110" id= tot de onttroonde dynastie behoorde, gewijd aan hare eigene nagedachtenis en aan de godin Hathor. De priesters die het bedienden, waren in het bezit van bijzondere, bij gezegelde oorkonden -gewaarborgde privilegiën, die tot hiertoe streng ontzien werden. +gewaarborgde privilegiën, die tot hiertoe streng ontzien werden. Hunne waardigheid was erfelijk, en ging dus over van den vader op den zoon; ook mochten zij uit hun eigen midden een hoofd -kiezen. Roeï, die thans deze waardigheid bekleedde, was doodelijk +kiezen. Roeï, die thans deze waardigheid bekleedde, was doodelijk ziek, en Ameni, wien het oppertoezicht over deze priesters toekwam, had, zonder hen te raadplegen, hun den jongen Pentaoer als plaatsvervanger toegezonden. Zij ontvingen den indringer met @@ -7597,7 +7558,7 @@ om geschenken af te persen ten behoeve van hun eigen zak en hun eigen buik.</p> <p>Thans naderde hij weder het tooneel zijner nieuwe werkzaamheid. -Dáar lag het eerwaardig heiligdom, uit het dal in +Dáar lag het eerwaardig heiligdom, uit het dal in vier terrassen statig oprijzende, aan de westzijde geleund tegen den halfronden hemelhoogen wand van het steile geelachtige kalkgebergte; daar lag het zoo regelmatig en eigenaardig afgedeeld. Op @@ -7610,10 +7571,10 @@ het oosten geopende overdekte ruimte, elk met twee en twintig zuilen in ouden stijl<a name="FNanchor_111" id="FNanchor_111"></a><a href="#Footnote_111" class="fnanchor">111)</a>. De schoone schilderwerken en opschriften<span class="pagenum"><a name="Page_155" id="Page_155">[155]</a></span> in fijn beeldhouwwerk op de achterwanden, verkondigde aan de nakomelingschap wat groote dingen Hatasoe met hulp der goden -van Thebe had gedaan. Dáar zag men de schepen, die zij naar +van Thebe had gedaan. Dáar zag men de schepen, die zij naar Poent<a name="FNanchor_112" id="FNanchor_112"></a><a href="#Footnote_112" class="fnanchor">112)</a> had gezonden, om Egypte te verrijken met de schatten -van het oosten. Dáar waren de naar Thebe overgebrachte wonderen -van Arabië te zien. Dáar kon men de afbeeldingen vinden +van het oosten. Dáar waren de naar Thebe overgebrachte wonderen +van Arabië te zien. Dáar kon men de afbeeldingen vinden van de huizen<a name="FNanchor_113" id="FNanchor_113"></a><a href="#Footnote_113" class="fnanchor">113)</a> der bewoners van het wierookland, en alle visschen van de Roode zee in scherpe en karakteristieke omtrekken<a name="FNanchor_114" id="FNanchor_114"></a><a href="#Footnote_114" class="fnanchor">114)</a>. Op het derde en vierde terras bevonden zich kleinere @@ -7630,62 +7591,62 @@ was gekomen, moest hij getuige zijn van een schouwspel, dat hem met verontwaardiging vervulde. Eene vrouw wenschte den voorhof binnengelaten te worden, om aan het altaar der godin te bidden voor haar man, die ernstig ziek was. Doch de dikke -portier wees haar met ruwe woorden af. »Daar staat het,” zeide -hij, wijzende op het opschrift boven de poort; »de reine alleen +portier wees haar met ruwe woorden af. »Daar staat het,” zeide +hij, wijzende op het opschrift boven de poort; »de reine alleen mag zijn voet over dezen drempel zetten, en men kan slechts rein worden door het bewierooken.”</p> -<p>»Slinger dan het wierookvat,” bad de vrouw, »en neem daarvoor +<p>»Slinger dan het wierookvat,” bad de vrouw, »en neem daarvoor dezen zilverring. Ik heb niet meer.”</p> -<p>»Eén zilverring?” riep de portier verbaasd. »Zal de godin om +<p>»Eén zilverring?” riep de portier verbaasd. »Zal de godin om uwentwil armoe lijden? de anta-korrels<a name="FNanchor_115" id="FNanchor_115"></a><a href="#Footnote_115" class="fnanchor">115)</a>, die wij voor de reiniging noodig hebben, kosten wel tienmaal meer.”</p> -<p>»Maar ik bezit niets meer,” herhaalde de vrouw. »Mijn man, +<p>»Maar ik bezit niets meer,” herhaalde de vrouw. »Mijn man, waarvoor ik kom bidden, is ziek. Hij kan niet werken, en mijne kinderen....”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_156" id="Page_156">[156]</a></span></p> -<p>»Die wilt gij zeker vetmesten, en daarom der godin onthouden -wat haar toekomt,” sprak de portier. »Komaan, drie ringen, +<p>»Die wilt gij zeker vetmesten, en daarom der godin onthouden +wat haar toekomt,” sprak de portier. »Komaan, drie ringen, of ik sluit de poort.”</p> -<p>»Wees barmhartig!” hernam de vrouw weenend. »Wat moet +<p>»Wees barmhartig!” hernam de vrouw weenend. »Wat moet er van ons worden, wanneer Hathor mijn man niet bijstaat?”</p> -<p>»Moet onze godin hem een geneesmiddel geven?” vroeg de -portier. »Waarlijk zij heeft wel wat anders te doen dan kranke +<p>»Moet onze godin hem een geneesmiddel geven?” vroeg de +portier. »Waarlijk zij heeft wel wat anders te doen dan kranke hongerlijders beter te maken. Dat behoort ook niet tot haar ambt. Ga naar Imhotep<a name="FNanchor_116" id="FNanchor_116"></a><a href="#Footnote_116" class="fnanchor">116)</a>, of naar Choensoe den plannenmaker<a name="FNanchor_117" id="FNanchor_117"></a><a href="#Footnote_117" class="fnanchor">117)</a> of tot den grooten Techoeti zelven; zij zijn het die kranken helpen. Hier houdt men zich niet op met kwakzalverij.”</p> -<p>»Ik verlang niet anders dan troost in mijn kommer,” snikte +<p>»Ik verlang niet anders dan troost in mijn kommer,” snikte de vrouw.</p> -<p>»Troost?” zeide de portier lachend, terwijl hij de vrouw, die -er nog jong en frisch uitzag, met zijne blikken opnam. »Die +<p>»Troost?” zeide de portier lachend, terwijl hij de vrouw, die +er nog jong en frisch uitzag, met zijne blikken opnam. »Die kunt gij goedkooper krijgen!”</p> <p>De vrouw werd doodsbleek en sloeg den portier, die zijn hand naar haar uitstrekte, terug. Op dit oogenblik trad Pentaoer gloeiend van verontwaardiging tusschen beiden. Zegenend breidde hij zijne handen uit over het hoofd der vrouw, die zich diep -voor hem boog en zeide: »Wie de godheid uit den diepsten +voor hem boog en zeide: »Wie de godheid uit den diepsten grond des harten aanroept, dien is zij nabij. Gij zijt rein. Treedt den voorhof binnen!”</p> <p>Zoodra zij in den tempel verdwenen was, richtte de priester -zich tot den portier en zeide: »Zóo dient gij de godheid dus; -maakt gij zóo misbruik van den nood der beklemde gemoederen? +zich tot den portier en zeide: »Zóo dient gij de godheid dus; +maakt gij zóo misbruik van den nood der beklemde gemoederen? Geef over de sleutels van deze poort! Dit ambt is u ontnomen, en morgen reeds gaat gij naar buiten op de weide, om de ganzen van Hathor te hoeden.”</p> <p>De portier wierp zich onder een vreeselijk misbaar op de -knieën, maar Pentaoer keerde hem den rug toe, trad het heiligdom<span class="pagenum"><a name="Page_157" id="Page_157">[157]</a></span> +knieën, maar Pentaoer keerde hem den rug toe, trad het heiligdom<span class="pagenum"><a name="Page_157" id="Page_157">[157]</a></span> binnen en ging den trap op, die naar zijne op het hoogste terras gelegene woning leidde. Eenige priesters, die hij tegenkwam, draaiden zich om; anderen keken voor zich, hoorbaar @@ -7701,11 +7662,11 @@ hem gedoemd! Hier vond hij niet anders dan stompheid en weerzin, waarheen hij ook de blikken richtte, terwijl honderd knapen hem tegemoet ijlden en uit genegenheid aan zijn kleed hingen, wanneer hij door de hoven van het Seti-huis wandelde. -Door grooten en kleinen geëerd, vond daar elk zijner woorden +Door grooten en kleinen geëerd, vond daar elk zijner woorden een plaats, en wanneer hij dag aan dag zijne denkbeelden uitsprak, ontving hij ze in ernstige gesprekken met zijne metgezellen en kweekelingen gelouterd terug, en legde zoo schatten op voor zijn -innerlijk leven. »Het vreemde,” zeide hij tot zichzelf, »is vaak het +innerlijk leven. »Het vreemde,” zeide hij tot zichzelf, »is vaak het aantrekkelijkste. En toch: hoe zwaar valt het te missen, waaraan men gewoon is.”</p> @@ -7715,18 +7676,18 @@ levendig voor den geest, en nam steeds duidelijker en bekoorlijker vormen aan. Zijn hart begon harder te kloppen en het bloed stroomde sneller door zijne aderen. Hij verborg zijn aangezicht in zijne handen en herdacht elk harer blikken en ieder -woord van hare lippen. »U volg ik gaarne,” had zij hem -vóor de hut van den Paraschiet gezegd. Nu vroeg hij zichzelven +woord van hare lippen. »U volg ik gaarne,” had zij hem +vóor de hut van den Paraschiet gezegd. Nu vroeg hij zichzelven af, of hij nog waardig was haar leidsman te zijn. Wel is waar was hij alle perken te buiten gegaan, maar niet om het huis, dat hem dierbaar was, te benadeelen, maar om nieuw -licht binnen te laten in zijne sombere ruimte. »Te doen, wat +licht binnen te laten in zijne sombere ruimte. »Te doen, wat wij na ernstig nadenken als recht beschouwen,” zeide hij tot -zichzelf, »kan strafbaar schijnen voor de menschen, maar is het +zichzelf, »kan strafbaar schijnen voor de menschen, maar is het niet voor God.” Hij voelde zijn borst verruimd en trad naar buiten op het terras, met opgeheven hoofd en den vasten wil, hier niet alleen zelf te doen wat recht is, maar ook voor recht en billijkheid -een zetel op te richten. »Wij menschen,” dacht hij, »veroorzaken +een zetel op te richten. »Wij menschen,” dacht hij, »veroorzaken reeds smart bij onze intrede in de wereld, en wederom droefheid wanneer wij haar verlaten. Derhalve zijn wij verplicht in den tijd die daar tusschen ligt het lijden te onderdrukken en @@ -7739,26 +7700,26 @@ aan ’t werk.”</p> terrassen. Alle priesters waren vereenigd in den tempelvoorhof, en luisterden naar het verhaal van den portier, in wiens wrok zij deelden. Hij wist op wien zij het gemunt hadden. Daarom ging -hij met vasten tred naar hen toe en zeide: »Ik heb dezen man +hij met vasten tred naar hen toe en zeide: »Ik heb dezen man uit ons midden gebannen, omdat hij ons tot schande maakt. Morgen verlaat hij den tempel.”</p> -<p>»Ik ga dadelijk,” antwoordde de portier op hoogen toon, »en +<p>»Ik ga dadelijk,” antwoordde de portier op hoogen toon, »en zal overeenkomstig den last dezer heilige vaders,” — en de blik dien hij daarbij op de priesters sloeg, toonde duidelijk dat -zij het eens waren, »den opperpriester Ameni vragen, of het +zij het eens waren, »den opperpriester Ameni vragen, of het in het vervolg ook onreinen zal vrijstaan dit heiligdom te betreden.”</p> <p>Reeds naderde hij de poort; Pentaoer trad hem echter in den -weg en zeide op beslisten toon: »Gij blijft hier en zult morgen, +weg en zeide op beslisten toon: »Gij blijft hier en zult morgen, overmorgen en altijd de ganzen hoeden, tot het mij zal goeddunken u vergiffenis te schenken.”</p> <p>De portier zag de priesters aan, maar geen hunner bewoog -zich. »Ga terug in uw vertrek!” riep de dichter op hem toetredende.</p> +zich. »Ga terug in uw vertrek!” riep de dichter op hem toetredende.</p> <p>De portier gehoorzaamde. Pentaoer sloot de deur van de kleine -kamer, gaf den sleutel aan een tempeldienaar en zeide: »Gij verricht +kamer, gaf den sleutel aan een tempeldienaar en zeide: »Gij verricht zijn dienst, bewaakt den man, wanneer hij ontvlucht dan volgt gij hem morgen achter de ganzen. Ziet mijne vrienden, hoevele biddende daar voor onze altaren knielen; gaat heen en doet @@ -7787,7 +7748,7 @@ had bevonden. Ameni had zelfs de voornaamste onder de grootwaardigheidsbekleeders aan hem overgelaten, wanneer zij zich naar het Seti-huis begaven, om daar hunne droomen te doen uitleggen. Eene hooge vrouwengestalte betrad het -stille koele steenen vertrek, zonk op de knieën neder en bad +stille koele steenen vertrek, zonk op de knieën neder en bad lang en geheel in zichzelve gekeerd voor het beeld van Hathor. Ook Pentaoer hief, zonder door iemand gezien te worden, zijne handen op, en richtte zich met geestdrift tot den geest die het @@ -7801,9 +7762,9 @@ op en liet haar sluier vallen.</p> <p>Zij had in de onrust harer ziel de godin Hathor opgezocht, die den harteslag der vrouwen regelde en de draden weefde, -die man en vrouw verbonden. »Hooge vorstin des hemels, veelnamige +die man en vrouw verbonden. »Hooge vorstin des hemels, veelnamige en schoone van aangezicht,” begon zij overluid te bidden, -»gouden Hathor, gij die de smart kent en de vreugde, het +»gouden Hathor, gij die de smart kent en de vreugde, het tegenwoordige en de toekomst, nader tot uw kind en leid den geest uws dienaars, dat hij mij rade! — Ik ben de dochter eens vaders, die groot is en edel en waarachtig als een der goden. @@ -7815,18 +7776,18 @@ en gaven....”</p> <p>Tot hiertoe had Pentaoer, niet in staat een woord te spreken, de prinses aangehoord. Zou hij verborgen blijven en haar geheim afluisteren, of zou hij te voorschijn komen en zich aan haar vertoonen? -Zijn trots riep luide in zijn binnenste: »Thans noemt +Zijn trots riep luide in zijn binnenste: »Thans noemt zij uw naam, gij zijt de uitverkorene boven alle schoonen en grooten.” Maar eene andere stem, waarnaar hij zich door menige zelfbeproeving gewend had te luisteren, verhief zich en zeide: -»Laat de onwetende niets zeggen, waarover de wetende zich zou +»Laat de onwetende niets zeggen, waarover de wetende zich zou moeten schamen.” Blozende voor die stem, schoof hij het voorhangsel open en trad Bent-Anat te gemoet.</p> -<p>De prinses week verschrikt terug en vroeg: »Zijt gij Pentaoer, +<p>De prinses week verschrikt terug en vroeg: »Zijt gij Pentaoer, of een der hemelsche goden!”</p> -<p>»Ik ben Pentaoer,” zeide hij met vaste stem, »een mensch met +<p>»Ik ben Pentaoer,” zeide hij met vaste stem, »een mensch met al de zwakheden van mijn geslacht, maar met den wil om het<span class="pagenum"><a name="Page_160" id="Page_160">[160]</a></span> goede te doen. Verwijl hier en stort uw hart uit voor onze godin; mijn gansche leven zal een gebed zijn voor u!”</p> @@ -7835,22 +7796,22 @@ godin; mijn gansche leven zal een gebed zijn voor u!”</p> daarop, zoo snel alsof hij een gevaar te ontwijken had, naar den uitgang van het biecht vertrek.</p> -<p>Bent-Anat riep hem bij zijn naam, en hij stond stil. »De -dochter van Ramses,” zeide zij, »behoeft hare verschijning aan +<p>Bent-Anat riep hem bij zijn naam, en hij stond stil. »De +dochter van Ramses,” zeide zij, »behoeft hare verschijning aan deze plaats niet te rechtvaardigen. Maar de jonkvrouw Bent-Anat,” -en bij deze woorden bloosde zij, »vermoedde in plaats -van u, den ouden Roeï hier te vinden, en zij verlangde zijn +en bij deze woorden bloosde zij, »vermoedde in plaats +van u, den ouden Roeï hier te vinden, en zij verlangde zijn raad. Laat mij thans bidden!”</p> -<p>Bent-Anat zonk op de knieën en Pentaoer trad naar buiten. +<p>Bent-Anat zonk op de knieën en Pentaoer trad naar buiten. Toen ook de prinses de biechtkamer weder verlaten had, lieten zich aan de zuidzijde van het terras waarop zij stond, luide -stemmen hooren. Zij vloog naar de borstwering. »Heil Pentaoer!” +stemmen hooren. Zij vloog naar de borstwering. »Heil Pentaoer!” klonk het van beneden. De dichter liep insgelijks toe en plaatste zich naast de koningsdochter. Beiden zagen neder in het dal en werden door allen gezien.</p> -<p>»Heil Pentaoer!” klonk het nu nog eens zoo luide. »Heil onzen +<p>»Heil Pentaoer!” klonk het nu nog eens zoo luide. »Heil onzen leermeester! Keer terug in het Seti-huis. Weg met de vervolgers van Pentaoer! Weg met onze onderdrukkers!”</p> @@ -7871,7 +7832,7 @@ ten einde had gebracht, viel hij hem in de rede met ernstige woorden. Eerst wees hij den lof hem toegebracht af, daarna sprak hij zijn ongenoegen uit over hunne daad. Doch hoe luide hij ook zijne stem verhief, er lag in zijne taal geen -toorn maar veeleer smart. »Waarlijk,” zoo besloot hij, »ik zou +toorn maar veeleer smart. »Waarlijk,” zoo besloot hij, »ik zou mij beklagen over elk woord, weleer tot u gesproken, wanneer het uw moed versterkte tot zulk eene onbezonnen daad. Gij zijt in paleizen geboren; leert gehoorzamen, opdat gij later zult @@ -7915,7 +7876,7 @@ getuigen van een pijnlijk tooneel, zooals zich sedert jaren in dit stille heiligdom niet had voorgedaan.</p> <p>De eerste der Horoscopen van het Seti-huis was een der -ergste tegenstanders van den zoo vroeg in de mysteriën ingewijden +ergste tegenstanders van den zoo vroeg in de mysteriën ingewijden dichter, wiens vermetele geest niet zelden aan de oude inzettingen tornde, terwijl de ijverige grijsaard van der jeugd af aan uit overtuiging had gearbeid om ze te bevestigen. De ergerlijke @@ -7923,8 +7884,8 @@ gebeurtenissen, waarvan hij in het Seti-huis en weinige oogenblikken geleden hier getuige was geweest, hield hij voor de gevolgen van de teugelloosheid van een verdoolden fantast, en onder harde woorden stelde hij Pentaoer verantwoordelijk voor -den opstand der kweekelingen. »Gelijk onze knapen,” riep hij, -»hebt gij ook de dochter van Ramses verleid. De onreinheid is +den opstand der kweekelingen. »Gelijk onze knapen,” riep hij, +»hebt gij ook de dochter van Ramses verleid. De onreinheid is nog niet van haar weggenomen, en toch lokt gij haar tot eene samenkomst, niet in het vreemdenkwartier, maar in het heilige huis dezer reine godin!”</p> @@ -7971,11 +7932,11 @@ zal leveren.</p> <div class="footnotes"> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_109" id="Footnote_109"></a><a href="#FNanchor_109"><span class="label">109)</span></a> Deze tempel is betrekkelijk goed bewaard gebleven. In Dümichen’s -<cite>Flotte einer aegyptischen Königin</cite> zijn de belangrijkste voorstellingen, +<p><a name="Footnote_109" id="Footnote_109"></a><a href="#FNanchor_109"><span class="label">109)</span></a> Deze tempel is betrekkelijk goed bewaard gebleven. In Dümichen’s +<cite>Flotte einer aegyptischen Königin</cite> zijn de belangrijkste voorstellingen, die men daar gevonden heeft, afgebeeld. De platte grond, door -Lepsius gegeven in zijne <cite>Denkmäler aus Aegypten und -Aethiopien</cite> kan aangevuld worden, na de uitgravingen van Mariëtte.</p> +Lepsius gegeven in zijne <cite>Denkmäler aus Aegypten und +Aethiopien</cite> kan aangevuld worden, na de uitgravingen van Mariëtte.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -7994,9 +7955,9 @@ komen zij niet meer voor.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_112" id="Footnote_112"></a><a href="#FNanchor_112"><span class="label">112)</span></a> Arabië, waarschijnlijk ook het kustland van Oost-Afrika ten zuiden +<p><a name="Footnote_112" id="Footnote_112"></a><a href="#FNanchor_112"><span class="label">112)</span></a> Arabië, waarschijnlijk ook het kustland van Oost-Afrika ten zuiden van Egypte, tot aan het Somali-land. Hiervoor pleiten namelijk de onlangs -door Mariëtte uitgegeven lijsten der zuidelijke volken, die Thotmes III +door Mariëtte uitgegeven lijsten der zuidelijke volken, die Thotmes III onderwierp, en die op de pylonen van den tempel van Karnak waren uitgehouwen.</p> </div> @@ -8018,9 +7979,9 @@ Dr. Donitz gelukt aan vele de juiste naam te geven.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_116" id="Footnote_116"></a><a href="#FNanchor_116"><span class="label">116)</span></a> Zoon van Ptah. De Grieken noemden hem Asklepios (Aesculapius). Memphis was de hoofdplaats zijner vereering. Gewoonlijk wordt hij afgebeeld -met een kap over het hoofd en een boek op de knieën. Men vindt +met een kap over het hoofd en een boek op de knieën. Men vindt van hem zeer schoone standbeelden te Berlijn, in het Louvre, te Boelaq -en in andere museën. Een bronzen beeldje van buitengewone schoonheid +en in andere museën. Een bronzen beeldje van buitengewone schoonheid is in het bezit van den predikant Haken te Riga.</p> </div> @@ -8030,8 +7991,8 @@ der jeugd getooid, is de zoon van Amon en Moeth; hij wordt bovendien met Toth vereenzelvigd en aangeroepen als goeden raad gevende bij genezing van kranken. Zijn groote tempel te Thebe (Karnak) is goed bewaard gebleven. Onder de 20ste dynastie (1273-1095 v. Chr.) werd, -gelijk E. de Rougé heeft aangetoond uit een voortreffelijk verklaarden -papyrus op de bibliotheek van Parijs, zijn standbeeld naar Azië gezonden, +gelijk E. de Rougé heeft aangetoond uit een voortreffelijk verklaarden +papyrus op de bibliotheek van Parijs, zijn standbeeld naar Azië gezonden, om de door demonen bezetene zuster der vrouw van Ramses XII, eene Aziatische vorstendochter, te genezen.</p> </div> @@ -8061,39 +8022,39 @@ de hoogere graden van kennis werden toegelaten.</p> <p>De namiddagschaduwen begonnen reeds langer te worden, toen een prachtige wagen de poort van den terrassentempel naderde. De -koninklijke gids Paäker stond er op, en bestuurde zijne vurige +koninklijke gids Paäker stond er op, en bestuurde zijne vurige Syrische rossen. Zijn oude Ethiopische slaaf stond achter hem, en zijn groote dog volgde het harddravende tweespan, met de tong uit den bek. Niet verre van de tempelpoort werd hij aangeroepen en hield hij zijne paarden in. Een klein mannetje ijlde hem tegemoet, en toen hij daarin den dwerg Nemoe herkende, -riep hij onwillig: »Moet ik om uwentwil stilhouden, dreumes? +riep hij onwillig: »Moet ik om uwentwil stilhouden, dreumes? Wat wilt ge?”</p> -<p>»U smeeken,” zeide de kleine, terwijl hij zich deemoedig boog, -»mij, als gij uwe zaken in de doodenstad hebt afgedaan, mede te +<p>»U smeeken,” zeide de kleine, terwijl hij zich deemoedig boog, +»mij, als gij uwe zaken in de doodenstad hebt afgedaan, mede te nemen naar de overzijde van Thebe.”</p> -<p>»Gij zijt de dwerg van den wagenmenner Mena?” vroeg de gids.</p> +<p>»Gij zijt de dwerg van den wagenmenner Mena?” vroeg de gids.</p> -<p>»In het geheel niet,” antwoordde Nemoe. »Ik behoor aan +<p>»In het geheel niet,” antwoordde Nemoe. »Ik behoor aan zijne verlatene vrouw, aan mijne meesteres Nefert. Ik kan met mijne kleine beenen den weg maar langzaam verteren, terwijl de hoeven uwer paarden dien verslinden, als een krokodil zijn buit.”</p> -<p>»Sta op,” beval Paäker. »Zijt gij te voet in de doodenstad +<p>»Sta op,” beval Paäker. »Zijt gij te voet in de doodenstad gekomen?”</p> -<p>»Neen heer,” antwoordde Nemoe, »op een ezel, maar een demon +<p>»Neen heer,” antwoordde Nemoe, »op een ezel, maar een demon is in dat beest gevaren en heeft het met krankheid geslagen. Ik moest het midden op den weg laten liggen. De dieren van Anubis<a name="FNanchor_121" id="FNanchor_121"></a><a href="#Footnote_121" class="fnanchor">121)</a> zullen het hedenavond beter hebben dan wij.”</p> -<p>»Gaat het dan bij uwe meesteres niet altijd rijkelijk toe?” +<p>»Gaat het dan bij uwe meesteres niet altijd rijkelijk toe?” vroeg de gids.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_164" id="Page_164">[164]</a></span></p> -<p>»Brood hebben wij nog,” antwoordde Nemoe, »en de Nijl is +<p>»Brood hebben wij nog,” antwoordde Nemoe, »en de Nijl is vol water. Voor vrouwen en dwergen is niet veel vleesch noodig; maar ons laatste vee begint er uit te zien, dat het voor menschentanden te hard wordt om te vermalen.”</p> @@ -8101,65 +8062,65 @@ te hard wordt om te vermalen.”</p> <p>De gids begreep de aardigheid van den dwerg niet, en zag hem vragend aan.</p> -<p>»Het wordt geld,” zeide de dwerg, »en dat laat zich niet +<p>»Het wordt geld,” zeide de dwerg, »en dat laat zich niet kauwen. Weldra zal ook dat op zijn, en dan is de vraag hoe wij een recept uitvinden, om uit aarde, water en palmbladen voedzame koeken te bakken. ’t Kan mij niet veel schelen, een dwerg heeft niet veel noodig; maar mijne arme, teedere meesteres!”</p> -<p>Paäker zette zijne paarden aan met zulk een geweldigen zweepslag, +<p>Paäker zette zijne paarden aan met zulk een geweldigen zweepslag, dat zij begonnen te steigeren en hij al zijn kracht noodig had om hun vuur te beteugelen.</p> -<p>»Gij zult de kaken der paarden verbrijzelen,” waarschuwde de -oude slaaf achter den gids. »’t Zou jammer zijn van die schoone +<p>»Gij zult de kaken der paarden verbrijzelen,” waarschuwde de +oude slaaf achter den gids. »’t Zou jammer zijn van die schoone dieren.”</p> -<p>»Moet gij ze betalen?” vroeg Paäker op hoogen toon. Daarop -wendde hij zich weder tot Nemoe en vroeg verstoord: »Waarom +<p>»Moet gij ze betalen?” vroeg Paäker op hoogen toon. Daarop +wendde hij zich weder tot Nemoe en vroeg verstoord: »Waarom laat Mena de vrouwen gebrek lijden?”</p> -<p>»Hij heeft zijne gade niet meer lief,” antwoordde de dwerg, -terwijl hij de oogen droevig nedersloeg. »Bij de laatste buitverdeeling +<p>»Hij heeft zijne gade niet meer lief,” antwoordde de dwerg, +terwijl hij de oogen droevig nedersloeg. »Bij de laatste buitverdeeling versmaadde hij goud en zilver, en haalde in plaats daarvan vreemde vrouwen in zijne tent. Booze geesten hebben hem verblind, want waar ter wereld leefde eene vrouw schooner dan Nefert?”</p> -<p>»Gij hebt uwe meesteres lief?”</p> +<p>»Gij hebt uwe meesteres lief?”</p> -<p>»Als mijne oogen.”</p> +<p>»Als mijne oogen.”</p> <p>Onder dit gesprek waren zij bij den terrassentempel gekomen. -Paäker wierp zijn slaaf de teugels toe en beval hem met Nemoe +Paäker wierp zijn slaaf de teugels toe en beval hem met Nemoe te wachten. Hij meldde zich aan bij den portier met het verzoek, dat door een handvol geld werd ondersteund, hem bij Pentaoer, het opperhoofd van den tempel, te brengen. Na met eene vluchtige beweging van de hand het wierookbekken voor den gids heen en weder geslingerd te hebben, liet de deurwachter hem in het heiligdom, -zeggende: »Gij zult hem op het derde terras vinden. Maar +zeggende: »Gij zult hem op het derde terras vinden. Maar hij is onze overste niet.”</p> -<p>»Zoo noemde men hem toch in het Seti-huis, vanwaar ik kom,” -antwoordde Paäker.</p> +<p>»Zoo noemde men hem toch in het Seti-huis, vanwaar ik kom,” +antwoordde Paäker.</p> <p>De portier haalde onder een spottend lachje de schouders op, -en met de woorden: »Een palmboom beklimt men snel, maar +en met de woorden: »Een palmboom beklimt men snel, maar men valt nog sneller naar beneden,” liet hij den bezoeker door een tempeldienaar naar Pentaoer brengen. Deze herkende den Mohar terstond, vroeg wat hij verlangde, en vernam dat hij gekomen<span class="pagenum"><a name="Page_165" id="Page_165">[165]</a></span> was om een zonderling droomgezicht door hem te laten -verklaren. Vóor hij begon te vertellen, betuigde Paäker dat hij +verklaren. Vóor hij begon te vertellen, betuigde Paäker dat hij dezen dienst niet om niet verlangde; toen hij echter bespeurde, dat er eene donkere wolk kwam op het aangezicht van den priester, -voegde hij er bij: »ik zal uwe godin een kostelijk offerdier +voegde hij er bij: »ik zal uwe godin een kostelijk offerdier zenden, als hare uitlegging mij iets gunstigs voorspelt.”</p> -<p>»En in het tegenovergesteld geval?” vroeg de dichter, die in +<p>»En in het tegenovergesteld geval?” vroeg de dichter, die in het Seti-huis nooit zelfs het minste had te doen gehad met de betaling der smeekelingen en de gaven der vromen.</p> -<p>»Dan stuur ik een hamel,” antwoordde Paäker, wien de fijne +<p>»Dan stuur ik een hamel,” antwoordde Paäker, wien de fijne spot in ’s dichters woorden was ontgaan, en bovendien aan de godheid de gaven, naar de waarde die zij voor hem persoonlijk hadden, gewoon was te betalen.</p> @@ -8167,23 +8128,23 @@ hadden, gewoon was te betalen.</p> <p>Pentaoer dacht aan het oordeel, dat de oude Gagaboe een paar avonden geleden over den Mohar had geveld, en hij gevoelde lust eens te onderzoeken, hoever de verblinding van dezen man wel -ging. Daarom vroeg hij, zijn lachlust bedwingende: »En wanneer +ging. Daarom vroeg hij, zijn lachlust bedwingende: »En wanneer ik u nu eens niets wat bepaald slecht, maar ook niets dat in alle opzichten goed is, voorspellen kan?”</p> -<p>»Eene antiloop en vier ganzen,” antwoordde Paäker haastig.</p> +<p>»Eene antiloop en vier ganzen,” antwoordde Paäker haastig.</p> -<p>»Doch gesteld dat ik u nu eens niet genegen was van dienst -te zijn?” vroeg Pentaoer. »Als ik bijvoorbeeld eens dacht, dat +<p>»Doch gesteld dat ik u nu eens niet genegen was van dienst +te zijn?” vroeg Pentaoer. »Als ik bijvoorbeeld eens dacht, dat het beneden de waardigheid van een priester is, de goden, elk naar den graad hunner gunst jegens den enkelen mensch, gelijk omkoopbare beambten te laten betalen? Als ik u — en ik ken u van de schoolbanken — en juist u eens aan het verstand -mocht brengen, dat er dingen zijn, die zich niet voor geërfde +mocht brengen, dat er dingen zijn, die zich niet voor geërfde rijkdommen laten koopen.”</p> <p>De gids deed verrast en spijtig een paar stappen achterwaarts. -Pentaoer ging echter met dezelfde bedaardheid voort: »Ik sta +Pentaoer ging echter met dezelfde bedaardheid voort: »Ik sta hier als een dienaar van de godheid, en toch, ik lees het op uw aangezicht, scheelt het niet veel, of gij wilt ook tot uw eigen schade op mij de proef nemen, hoever gij het brengen kunt door @@ -8196,18 +8157,18 @@ ontvangen, en met beide winst te doen voor ons innerlijk leven. — Ik wil uw droomen niet uitleggen! Kom weder zonder gaven, maar met een deemoedig hart en een innig verlangen naar inwendige loutering, en ik zal de goden bidden dat zij mij verlichten, -en ook den kwaden droom voor u zóo uitleggen, dat hij u ten +en ook den kwaden droom voor u zóo uitleggen, dat hij u ten zegen zal zijn. — Verlaat mij en dezen tempel!”</p> -<p>Paäker knarsetandde van boosheid, doch hij bedwong zich en<span class="pagenum"><a name="Page_166" id="Page_166">[166]</a></span> -zeide alleen, terwijl hij zich langzaam verwijderde: »Als men +<p>Paäker knarsetandde van boosheid, doch hij bedwong zich en<span class="pagenum"><a name="Page_166" id="Page_166">[166]</a></span> +zeide alleen, terwijl hij zich langzaam verwijderde: »Als men u niet reeds van uw ambt had ontzet, dan zoudt gij het toch wellicht verbeurd hebben door de onbeschaamdheid, waarmede ge mij afwijst. Wij ontmoeten elkander weder, en dan zult gij -ondervinden, dat geërfd geld, in de hand die het weet te +ondervinden, dat geërfd geld, in de hand die het weet te gebruiken, meer vermag dan u lief is.”</p> -<p>»Nog een vijand te meer!” dacht de dichter, toen hij alleen +<p>»Nog een vijand te meer!” dacht de dichter, toen hij alleen was, en hij richtte zich op in al zijne lengte, met het blijmoedig gevoel, dat hij het recht diende.</p> @@ -8215,17 +8176,17 @@ gevoel, dat hij het recht diende.</p> <p>Gedurende het onderhoud van den gids met Pentaoer, had de dwerg een praatje aangeknoopt met den deurwaarder des tempels, -en van dezen vernomen wat er was voorgevallen. Paäker besteeg +en van dezen vernomen wat er was voorgevallen. Paäker besteeg bleek van woede den wagen, en legde de zweep op zijne rossen, -vóor Nemoe de treeplank had kunnen opklauteren. Gelukkig dat +vóor Nemoe de treeplank had kunnen opklauteren. Gelukkig dat de Ethiopische slaaf het manneke nog tijdig greep en voorzichtig achter zijn meester op de been bracht.</p> -<p>»Die schurk! die ellendeling! Daar zal hij voor boeten. Pentaoer +<p>»Die schurk! die ellendeling! Daar zal hij voor boeten. Pentaoer heet hij, die hond!” zoo raasde de gids in zichzelf.</p> <p>Den dwerg ontging geen woord, en zoodra hij den naam van -den dichter vernomen had, sprak hij Paäker aan, zeggende: »Ze +den dichter vernomen had, sprak hij Paäker aan, zeggende: »Ze hebben een gemeenen vent tot overste van dezen tempel aangesteld. Hij heet Pentaoer. Hij is wegens zijn zedeloos gedrag uit het Seti-huis verbannen, en nu moet hij de leerlingen in opstand @@ -8236,51 +8197,51 @@ het Seti-huis hem betrapt heeft bij eene samenkomst met Bent-Anat, de dochter des konings, en hem onmiddellijk van zijn ambt heeft ontzet.”</p> -<p>Paäker herhaalde vragend: »Met Bent-Anat?” en prevelde, -nog vóor de dwerg tijd kon vinden tot een antwoord: »Ja +<p>Paäker herhaalde vragend: »Met Bent-Anat?” en prevelde, +nog vóor de dwerg tijd kon vinden tot een antwoord: »Ja met Bent-Anat!” Want hij dacht aan eergisteren en hoe lang de prinses met den priester in de hut van den Paraschiet was gebleven, terwijl hij met Nefert gesproken en de tooveres opgezocht had.</p> -<p>»Ik zou niet gaarne in het vel van dien priester steken,” -zeide Nemoe; »want al is Ramses ver af, de stadhouder Ani +<p>»Ik zou niet gaarne in het vel van dien priester steken,” +zeide Nemoe; »want al is Ramses ver af, de stadhouder Ani is toch nabij genoeg. Dit is echter een heer, die zelden flink doortast. Maar zelfs de doffer laat zich niet grijpen in zijn eigen nest.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_167" id="Page_167">[167]</a></span></p> -<p>Paäker zag hem vragend aan.</p> +<p>Paäker zag hem vragend aan.</p> -<p>»Ik weet het,” sprak de dwerg op stelligen toon. »De stadhouder +<p>»Ik weet het,” sprak de dwerg op stelligen toon. »De stadhouder doet bij Ramses aanzoek om de hand zijner dochter. — Ja hij heeft dat reeds gedaan,” verzekerde Nemoe, toen de gids -ongeloovig lachte; »en de koning is niet ongenegen zijne toestemming +ongeloovig lachte; »en de koning is niet ongenegen zijne toestemming te geven. Hij sluit gaarne huwelijken, dat weet gij het best.”</p> -<p>»Ik?” vroeg de gids verbaasd.</p> +<p>»Ik?” vroeg de gids verbaasd.</p> -<p>»Hij heeft immers Katoeti gedwongen hare dochter Nefert +<p>»Hij heeft immers Katoeti gedwongen hare dochter Nefert aan zijn wagenmenner tot vrouw te geven? Dat weet ik van haar zelve. Zij kan het u bevestigen.”</p> -<p>Paäker schudde ontkennend het hoofd, de dwerg herhaalde -echter met nadruk: »Ja toch, zoo is het! Katoeti wilde u en u +<p>Paäker schudde ontkennend het hoofd, de dwerg herhaalde +echter met nadruk: »Ja toch, zoo is het! Katoeti wilde u en u alleen tot schoonzoon, en de koning, niet zij, heeft de verloving verbroken. Gij waart toen zeker slecht aangeschreven bij het Groote Huis, want Ramses moet harde woorden over u gesproken hebben. Lieden van ons slag zijn als de muizen achter het gordijn, die ongemerkt veel te weten komen.”</p> -<p>Eensklaps hield Paäker zijne rossen staande, sprong van den +<p>Eensklaps hield Paäker zijne rossen staande, sprong van den wagen, wierp den slaaf de teugels in de hand, riep den dwerg -terzijde en sprak: »Wij wandelen van hier tot aan den stroom -en gij zegt mij wat gij weet. Doch wanneer éen leugenachtig +terzijde en sprak: »Wij wandelen van hier tot aan den stroom +en gij zegt mij wat gij weet. Doch wanneer éen leugenachtig woord over uwe lippen komt, dan laat ik u door mijne honden verscheuren.”</p> -<p>»Ik weet dat gij woord zult houden,” zuchtte de kleine. »Maar +<p>»Ik weet dat gij woord zult houden,” zuchtte de kleine. »Maar loop wat minder hard, als het u belieft, opdat ik niet buiten adem gerake. Laat u door Katoeti zelve verhalen, hoe alles zoo gelopen is. Ramses heeft haar gedwongen Nefert aan den @@ -8289,7 +8250,7 @@ heeft, maar vleiend is het zeker niet geweest. Mijne arme meesteres! Zij liet zich door den laffen vrouwenheld verlokken, en nu klaagt en weent zij.”</p> -<p>»Als ik met Katoeti de hooge poort van uw huis voorbijga, +<p>»Als ik met Katoeti de hooge poort van uw huis voorbijga, dan zucht zij dikwijls bitter en klaagt met reden want weldra zal het met onze heerlijkheid gedaan zijn, en zullen wij onder de Amoe<a name="FNanchor_122" id="FNanchor_122"></a><a href="#Footnote_122" class="fnanchor">122)</a> in het noordelijke laagland eene bescheidene vrijplaats @@ -8298,48 +8259,48 @@ vermijden. Gij moogt blijde zijn, dat gij uw lot niet aan het onze hebt verbonden. Doch ik ben trouwhartig en volg mijne meesteres in hare ellende.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_168" id="Page_168">[168]</a></span></p> -<p>»Gij spreekt in raadselen,” hernam Paäker. »Wat hebt gij +<p>»Gij spreekt in raadselen,” hernam Paäker. »Wat hebt gij te vreezen?”</p> <p>De dwerg vertelde nu, dat Nefert’s broeder de mummie zijns vaders had verspeeld, hoe kolossaal de verloren som was, en dat -Katoeti met hare dochter tot eerloosheid waren vervallen. »Wie -zal hen redden?” jammerde hij. »Haar schandelijke echtgenoot +Katoeti met hare dochter tot eerloosheid waren vervallen. »Wie +zal hen redden?” jammerde hij. »Haar schandelijke echtgenoot verbrast zijn erfgoed en zijn buit. Katoeti is arm en het woordje <em>geef mij</em> jaagt de vrienden op de vlucht, evenals het gekras van een havik de hoenders. Mijne arme meesteres!”</p> -<p>»De som is groot!” prevelde Paäker in zichzelf.</p> +<p>»De som is groot!” prevelde Paäker in zichzelf.</p> -<p>»Verschrikkelijk groot is zij,” zuchtte de dwerg, »en waar +<p>»Verschrikkelijk groot is zij,” zuchtte de dwerg, »en waar kan men haar vinden in dezen benarden tijd? Hoe anders was het met ons gesteld, toen, ja toen....en daarbij — het is om dol te worden! — daarbij geloof ik niet, dat Nefert iets meer om dien praalhans geeft. Zij denkt althans zooveel aan u, als aan hem!”</p> -<p>Paäker zag den dwerg deels ongeloovig, deels dreigend aan.</p> +<p>Paäker zag den dwerg deels ongeloovig, deels dreigend aan.</p> -<p>»Ja aan u,” verzekerde Nemoe. »Sedert uw tocht naar de +<p>»Ja aan u,” verzekerde Nemoe. »Sedert uw tocht naar de doodenstad, eergisteren meen ik, spreekt zij alleen over u, en prijst zij uwe degelijkheid en uw streng mannelijk karakter. Het is alsof eene zekere tooverkracht haar dringt aan u te denken.”</p> <p>De gids begon zoo hard te stappen, dat de dwerg hem opnieuw moest verzoeken, zijne schreden te matigen. Zwijgend kwamen -zij aan den Nijl, waar Paäkers rijke bark wachtte, die ook zijn +zij aan den Nijl, waar Paäkers rijke bark wachtte, die ook zijn tweespan innam. Hij vleide zich neder in de kajuit, riep den -dwerg ter zijde en sprak: »Ik ben Katoeti’s naaste bloedverwant. +dwerg ter zijde en sprak: »Ik ben Katoeti’s naaste bloedverwant. Wij hebben ons verzoend, waarom wendt zij zich in haar nood niet tot mij?”</p> -<p>»Omdat zij te fier is en uw bloed ook in hare aderen vloeit. +<p>»Omdat zij te fier is en uw bloed ook in hare aderen vloeit. Liever wilde zij met haar kind sterven, heeft zij gezegd, dan u, tegen wien zij gezondigd heeft, om een aalmoes te smeeken.”</p> -<p>»Zoo, heeft zij aan mij gedacht?”</p> +<p>»Zoo, heeft zij aan mij gedacht?”</p> -<p>»Voorzeker, en ook geen oogenblik getwijfeld aan uwe edelmoedigheid. +<p>»Voorzeker, en ook geen oogenblik getwijfeld aan uwe edelmoedigheid. Zij acht u hoog, en wanneer Mena getroffen mocht worden door een pijl der Cheta of de wraak der goden, dan voerde zij haar kind met blijdschap in uwe armen. Nefert, geloof @@ -8349,20 +8310,20 @@ brieven uit het leger ons in handen waren gekomen was zij geheel van u vervuld<a name="FNanchor_123" id="FNanchor_123"></a><a href="#Footnote_123" class="fnanchor">123)</a>. Ja, zij heeft uw naam in den droom uitgeroepen, dat weet ik van Kandake, hare zwarte kamenier.”</p> -<p>De gids keek voor zich en zeide: »Zonderling! in dien zelfden<span class="pagenum"><a name="Page_169" id="Page_169">[169]</a></span> +<p>De gids keek voor zich en zeide: »Zonderling! in dien zelfden<span class="pagenum"><a name="Page_169" id="Page_169">[169]</a></span> nacht had ik ook een droomgezicht, waarin uwe meesteres mij verscheen. Die onbeschaamde priester in den Hathor-tempel moest het mij uitleggen....”</p> -<p>»En hij weigerde u dit, die gek? Maar daar zijn nog wel +<p>»En hij weigerde u dit, die gek? Maar daar zijn nog wel andere lieden, die deze kunst verstaan, en ik ben niet de minste onder hen. Vraag het uw dienaar maar! Negen en negentig maal van de honderd komen mijne uitleggingen uit. Wat was het voor een gezicht?”</p> -<p>»Ik stond aan den Nijl,” zeide Paäker, de oogen neerslaande +<p>»Ik stond aan den Nijl,” zeide Paäker, de oogen neerslaande en met zijne zweep lijnen trekkende in de wol van het veelkleurig -tapijt, dat in de kajuit lag. »Het water was stil en ik zag Nefert +tapijt, dat in de kajuit lag. »Het water was stil en ik zag Nefert aan den anderen oever mij staan wenken. Ik riep haar, en zij wandelde op het water dat haar droeg, als ware het dit tapijt. Zij schreed droogvoets over de golfjes heen, als over steenen @@ -8373,14 +8334,14 @@ haar te ontvangen, en toen zij weder naar boven steeg, omvatte ik haar met mijne armen. Doch wat daarop gebeurde was nog zonderlinger. Zij vervloeide; zij smolt weg als de sneeuw in de Syrische bergen, wanneer men die in de hand neemt. Maar toch -op eene andere manier, want uit hare haren werden waterleliën, +op eene andere manier, want uit hare haren werden waterleliën, uit hare oogen twee blanke visschen, die dartelend wegzwommen, uit hare lippen twee koraaltakken, die dadelijk wegzonken, en haar lichaam veranderde in een krokodil met den kop van Mena, die mij schaterlachend aangrijnsde. Blinde woede greep mij aan. Ik stormde met opgetogen zwaard op hem in. Hij sloeg zijne tanden in mijn vleesch; ik stiet mijn wapen in zijn muil. De -Nijl werd donder gekleurd door onze bloedstroomen. En zóo +Nijl werd donder gekleurd door onze bloedstroomen. En zóo worstelden wij met elkander, en streden voort — ’t was of het eene eeuwigheid duurde — tot ik ontwaakte.”</p> @@ -8388,7 +8349,7 @@ eene eeuwigheid duurde — tot ik ontwaakte.”</p> het scheen als beangstigde hem die wilde droom opnieuw.</p> <p>De dwerg had met gespannen opmerkzaamheid geluisterd. Er -verliepen echter enkele minuten, eer hij begon te zeggen: »Een +verliepen echter enkele minuten, eer hij begon te zeggen: »Een vreemde droom, gewis! Doch de beteekenis kan niet moeilijk te gissen zijn voor wie zich op deze kunst verstaat. Nefert komt u tegemoet, zij wil de uwe worden. Maar al waant gij ook, dat gij @@ -8397,51 +8358,51 @@ hoop zal als ijs versmelten en als zand verwaaien, wanneer gij den krokodil niet uit den weg weet te ruimen.”</p> <p>Op dit oogenblik kwam de boot aan de landingsbrug. De -gids rees op, zeggende: »Wij zijn er.”</p> +gids rees op, zeggende: »Wij zijn er.”</p> -<p>»Wij zijn er!” herhaalde het manneke met nadruk. »Alleen +<p>»Wij zijn er!” herhaalde het manneke met nadruk. »Alleen moeten wij nog die smalle brug daar over.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_170" id="Page_170">[170]</a></span></p> -<p>Toen beiden op den oever stonden, zeide de dwerg: »Heb dank +<p>Toen beiden op den oever stonden, zeide de dwerg: »Heb dank voor uwe gastvrijheid, en als ik u dienen kan, hebt gij slechts te bevelen.”</p> -<p>»Kom hierheen,” riep de gids, en hij trok Nemoe met zich +<p>»Kom hierheen,” riep de gids, en hij trok Nemoe met zich mede onder de schaduw van eene sykomoor, die zich baadde in het schemerlicht der ondergaande zon.</p> -<p>»Wat bedoeldet gij met de brug, die wij nog over moesten! Ik +<p>»Wat bedoeldet gij met de brug, die wij nog over moesten! Ik versta die verbloemde taal slecht en verlang duidelijke woorden.”</p> -<p>De dwerg bezon zich een oogenblik en zeide toen: »Mag ik +<p>De dwerg bezon zich een oogenblik en zeide toen: »Mag ik onverbloemd, naakt en open zeggen, wat ik meen, en zult gij niet boos op mij zijn?”</p> -<p>»Spreek!”</p> +<p>»Spreek!”</p> -<p>»Mena is de krokodil. Maak dat hij uit de wereld komt, en +<p>»Mena is de krokodil. Maak dat hij uit de wereld komt, en gij hebt de brug overschreden; want Nefert zal de uwe zijn — als ge mijn raad volgt.”</p> -<p>»Wat moet ik doen?”</p> +<p>»Wat moet ik doen?”</p> -<p>»Zorg dat de wagenmenner uit de wereld komt!”</p> +<p>»Zorg dat de wagenmenner uit de wereld komt!”</p> -<p>Paäker maakte eene beweging als wilde hij zeggen, dat dit +<p>Paäker maakte eene beweging als wilde hij zeggen, dat dit reeds lang bij hem besloten was. Hij wendde nu, ter wille van -het goede voorteeken, zijn aangezicht zóo, dat de opgaande maan +het goede voorteeken, zijn aangezicht zóo, dat de opgaande maan aan zijne rechterhand stond.</p> -<p>»Verzeker u van Nefert,” ging de dwerg intusschen voort, -»opdat zij niet voor u vervloeie als uw droombeeld, vóor gij het +<p>»Verzeker u van Nefert,” ging de dwerg intusschen voort, +»opdat zij niet voor u vervloeie als uw droombeeld, vóor gij het doel hebt bereikt. Dat wil zeggen: red de eer van uwe toekomstige moeder en vrouw, want gij zult toch geene gebrandmerkte uw huis willen binnenleiden?”</p> -<p>Paäker bleef nadenkend staan, met de oogen naar den grond -geslagen. Nemoe vervolgde dus: »Mag ik mijne meesteres gaan +<p>Paäker bleef nadenkend staan, met de oogen naar den grond +geslagen. Nemoe vervolgde dus: »Mag ik mijne meesteres gaan melden, dat gij haar redden wilt? Ik mag, niet waar?! Nu, dan komt alles te recht, want wie voor zijne liefde een vermogen overheeft, die zal ook niet aarzelen voor zijne liefde en zijn @@ -8455,7 +8416,7 @@ haat tegelijk een koperen spits en een rietschacht te offeren!”</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_122" id="Footnote_122"></a><a href="#FNanchor_122"><span class="label">122)</span></a> Semieten, die in den tijd van ons verhaal het oostelijk Delta-land -bewoonden. Zie Ebers, <cite>Aegypten und die Bücher Mose’s</cite>, +bewoonden. Zie Ebers, <cite>Aegypten und die Bücher Mose’s</cite>, alsmede het hoofdstuk: „Le Semitisme en Egypte” in de 2de uitgaaf van Brugsch, <cite>Histoire d’Egypte</cite>. Uit den ouden Amoe-naam is later die van Bi-amiten voortgekomen.</p> @@ -8496,7 +8457,7 @@ de diepe stilte van den nacht.</p> <p>Het scheen dat ook de mensch nog niet tot rust was gekomen in het dal der graven. Uit het hol der tooveres Hekt schemerde -een mat licht en vóor de hut van den Paraschiet brandde een +een mat licht en vóor de hut van den Paraschiet brandde een vuur, dat Warda’s grootmoeder nu en dan met een stukje gedroogde koemest aanhield. Daarbij zaten twee mannen; zij tuurden zwijgend in de kwijnende vlammen, wier doffe gloed @@ -8504,23 +8465,23 @@ door het schitterend maanlicht werd overtroffen, terwijl een derde, Warda’s vader, bezig was een grooten hamel, waarvan hij den kop had afgesneden, te ontweien.</p> -<p>»Wat janken de jakhalzen!” zeide de oude Paraschiet, terwijl +<p>»Wat janken de jakhalzen!” zeide de oude Paraschiet, terwijl hij den gescheurden bruinen katoenen lap, dien hij tegen de koude en den nachtdauw had omgeslagen, steviger om zijne naakte schouders trok.</p> -<p>»Ze ruiken het versche vleesch,” antwoordde de arts Nebsecht. -»Werp ze straks de ingewanden toe. De schenkels en den rug +<p>»Ze ruiken het versche vleesch,” antwoordde de arts Nebsecht. +»Werp ze straks de ingewanden toe. De schenkels en den rug kunt gij braden. Snijd het hart, ja het hart zeer voorzichtig uit, soldaat. Daar is het. Wat een groot dier was het!”</p> <p>Nebsecht nam het hart van den hamel in zijne hand en<span class="pagenum"><a name="Page_174" id="Page_174">[174]</a></span> beschouwde het met groote opmerkzaamheid. De oude Paraschiet -zag hem daarbij angstig aan en zeide: »Ik heb beloofd voor u +zag hem daarbij angstig aan en zeide: »Ik heb beloofd voor u alles te zullen doen wat gij verlangt, als gij de kleine weder beter maakt. Maar gij vordert wat onmogelijk is.”</p> -<p>»Wat onmogelijk is?” vroeg de arts. »Waarom onmogelijk? +<p>»Wat onmogelijk is?” vroeg de arts. »Waarom onmogelijk? Gij opent lijken, en bij de balsemers loopt gij uit en in. Gij hebt juist met de kanopen<a name="FNanchor_124" id="FNanchor_124"></a><a href="#Footnote_124" class="fnanchor">124)</a> te maken. Welnu, gij legt dit hart in de vaas en neemt in de plaats ervan het menschenhart er @@ -8531,19 +8492,19 @@ geld een hamel koopen en slachten, tot het u gelukken zal. Uw kleindochtertje zal spoedig in kracht toenemen door het gebruik van vleeschspijs. Houdt maar moed!”</p> -<p>»Voor het gevaar ben ik niet bang,” zeide de oude, »maar +<p>»Voor het gevaar ben ik niet bang,” zeide de oude, »maar mag ik een gestorvene het leven ontstelen aan gene zijde des grafs? En dan!.... In ellende en schande heb ik mijne dagen doorgebracht, en gedurende zoovele jaren — niemand heeft ze voor mij geteld — de geboden opgevolgd, opdat ik in de andere wereld rechtvaardig bevonden zal worden, en in de velden van -Aäloe<a name="FNanchor_125" id="FNanchor_125"></a><a href="#Footnote_125" class="fnanchor">125)</a> en in de zonneschuit vergoeding mag vinden voor alles +Aäloe<a name="FNanchor_125" id="FNanchor_125"></a><a href="#Footnote_125" class="fnanchor">125)</a> en in de zonneschuit vergoeding mag vinden voor alles wat ik hier ontberen moest. Gij zijt goed en vriendelijk. Hoe kunt gij aan een luim de zaligheid van een man opofferen, die zoolang hij leefde geen geluk gekend en u nimmer leed gedaan heeft.”</p> -<p>»Wat ik met dat hart voorheb,” hernam de arts, »kunt gij +<p>»Wat ik met dat hart voorheb,” hernam de arts, »kunt gij niet begrijpen, doch wanneer gij het mij bezorgt, dan bevordert gij eene groote en nuttige zaak. Gij weet wel dat het geen luim van mij is, want ik ben geen leeglooper. En wat uwe zaligheid @@ -8557,7 +8518,7 @@ antwoord: ‚Wijl Nebsecht, de priester, het mij beval, en beloofde de verantwoordelijkheid van deze daad geheel op zich te nemen.’”</p> <p>De oude keek peinzend naar den grond, de arts ging echter -met te meer aandrang voort: »En wanneer gij mijn wensch +met te meer aandrang voort: »En wanneer gij mijn wensch vervult, dan-dan, dat zweer ik u, dan zal ik zorg dragen, dat men bij uw dood uwe mummie met alle amuletten bekleedt, en ikzelf zal voor u een ‚Boek van den uitgang in den dag’<a name="FNanchor_126" id="FNanchor_126"></a><a href="#Footnote_126" class="fnanchor">126)</a>, @@ -8567,11 +8528,11 @@ alle boozen geesten, en u zal toegang worden verleend in den hof<span class="pag der beide gerechtigheden, de beloonende en de straffende, en men zal u zalig spreken.”</p> -<p>»Maar de roof van een menschenhart zal den last mijner +<p>»Maar de roof van een menschenhart zal den last mijner zonden verzwaren, wanneer mijn eigen hart wordt gewogen,” zuchtte de oude man.</p> -<p>Nebsecht dacht een oogenblik na, waarop hij vervolgde: »Ik +<p>Nebsecht dacht een oogenblik na, waarop hij vervolgde: »Ik wil u een schriftelijk bewijs geven, waarin ik verklaren zal, dat de roof van dat hart u door mij werd bevolen. Dat moet gij in een zakje laten naaien, altijd op uw borst dragen en met u doen @@ -8580,19 +8541,19 @@ uwe rechtvaardiging voor Osiris en de doodenrechters<a name="FNanchor_129" id="F neemt, overhandig hem dan dit geschrift. Hij zal het voorlezen en gij zult rechtvaardig bevonden worden.”</p> -<p>»Ik ben niet ervaren in het lezen en beoordeelen van geschriften,” +<p>»Ik ben niet ervaren in het lezen en beoordeelen van geschriften,” zeide de oude half verstaanbaar, en in den toon zijner stem lag eenig mistrouwen.</p> -<p>»Doch bij de negen groote goden zweer ik u, dat ik niets op +<p>»Doch bij de negen groote goden zweer ik u, dat ik niets op den papyrus zal schrijven, dan wat ik u beloofde. Ik zal verklaren dat ik, de priester Nebsecht, u geboden heb het hart te nemen, dat uwe schuld de mijne is.”</p> -<p>»Nu, breng mij het schrift dan,” prevelde de oude.</p> +<p>»Nu, breng mij het schrift dan,” prevelde de oude.</p> <p>De arts veegde het zweet van zijn voorhoofd, reikte den Paraschiet -de hand en zeide: »Morgen zult gij het hebben, en ik verzeker +de hand en zeide: »Morgen zult gij het hebben, en ik verzeker u, dat ik uwe kleindochter niet verlaten zal, tot zij gezond is.”</p> <p>De soldaat had, terwijl hij den hamel ontleedde, van dit gesprek @@ -8609,13 +8570,13 @@ maal met dierlijke vraatzucht. Men hoorde hem kauwen als een paard aan de kribbe.</p> <p>Geen wonder dat dit tooneel den priester met weerzin vervulde. -»Zinnelijke menschen,” sprak hij in zichzelf; »dieren met +»Zinnelijke menschen,” sprak hij in zichzelf; »dieren met bewustzijn! En toch menschen! Zonderling! Zij smachten in de banden der zinnelijkheid, waarvan zij zich nog niet los konden maken; en toch, hoeveel vuriger verlangen zij naar het bovenzinnelijke dan wij, hoeveel gemakkelijker maken zij er zich gemeenzaam mede!”</p> -<p>»Wilt gij vleesch?” vroeg de soldaat, die had opgemerkt dat +<p>»Wilt gij vleesch?” vroeg de soldaat, die had opgemerkt dat de lippen van den arts zich bewogen. Tegelijk scheurde hij een stuk gebraad van den bout, waaraan hij zat te kluiven, en hield het den heelmeester voor.</p> @@ -8624,9 +8585,9 @@ het den heelmeester voor.</p> glinsterende tanden en de ruwe donkere trekken van den man deden hem schrikken. Daarbij dacht hij aan de teedere blanke zieke daarbinnen op de mat, en als vanzelf kwam de vraag op -zijne lippen: »Is dat meisje, is Warda uw eigen kind?”</p> +zijne lippen: »Is dat meisje, is Warda uw eigen kind?”</p> -<p>De soldaat sloeg zich op de borst en zeide: »Zoo waarachtig +<p>De soldaat sloeg zich op de borst en zeide: »Zoo waarachtig als koning Ramses een zoon van Seti is.”</p> <p>Toen de mannen met hun maal gereed en de platte broodkoeken, @@ -8634,32 +8595,32 @@ die de Paraschieten-vrouw hun had gegeven en waarmede zij tevens hunne handen van het vet gereinigd hadden, opgegeten waren, zeide de soldaat, wiens langzaam werkende hersenen zich nog altijd met de vraag bezighielden, diep zuchtende: -»Haar moeder was een vreemde. Zij heeft het witte +»Haar moeder was een vreemde. Zij heeft het witte duifje in het ravennest gelegd.”</p> -<p>»Uit welk land was uwe vrouw afkomstig?” vroeg de arts.</p> +<p>»Uit welk land was uwe vrouw afkomstig?” vroeg de arts.</p> -<p>»Dat weet ik niet,” gaf de soldaat ten antwoord.</p> +<p>»Dat weet ik niet,” gaf de soldaat ten antwoord.</p> -<p>»Hebt gij haar dan niet gevraagd, van waar zij kwam? Zij +<p>»Hebt gij haar dan niet gevraagd, van waar zij kwam? Zij was toch uwe vrouw.”</p> -<p>»Wel zeker. Maar hoe kon zij mij een antwoord geven? — Dat +<p>»Wel zeker. Maar hoe kon zij mij een antwoord geven? — Dat is eene lange, vreemde geschiedenis.”</p> -<p>»Kom, vertel mij de geschiedenis,” vroeg Nebsecht. »De +<p>»Kom, vertel mij de geschiedenis,” vroeg Nebsecht. »De nacht is lang, en hooren is mij liever dan spreken. Maar ik wil eerst eens naar onze kranke gaan zien.”</p> <p>Nadat de arts zich overtuigd had, dat Warda rustig sliep en regelmatig ademhaalde, zette hij zich weder bij vader en zoon -neder. De laatste begon nu het volgende te vertellen: »Het is +neder. De laatste begon nu het volgende te vertellen: »Het is al heel lang geleden. Koning Seti leefde nog, maar Ramses regeerde reeds in zijn plaats. In dien tijd kwam ik terug uit het Noorderland. Zij hadden mij naar de werklieden gestuurd, die de vestingwerken van Zoan, de Ramses-stad<a name="FNanchor_130" id="FNanchor_130"></a><a href="#Footnote_130" class="fnanchor">130)</a>, moesten<span class="pagenum"><a name="Page_178" id="Page_178">[178]</a></span> bouwen. Ik was over zes man gesteld, uitsluitend Amoe<a name="FNanchor_131" id="FNanchor_131"></a><a href="#Footnote_131" class="fnanchor">131)</a>, -van den stam der Hebreën<a name="FNanchor_132" id="FNanchor_132"></a><a href="#Footnote_132" class="fnanchor">132)</a>, die Ramses streng onder den +van den stam der Hebreën<a name="FNanchor_132" id="FNanchor_132"></a><a href="#Footnote_132" class="fnanchor">132)</a>, die Ramses streng onder den duim hield. Onder de arbeiders waren de zonen van lieden, die rijke kudden bezaten. Bij de lichting van werkvolk werd echter niet gevraagd: wat bezit gij? maar alleen: tot welken @@ -8673,14 +8634,14 @@ het land is schoon en men vindt er overvloed van gras, groenten, visch en gevogelte. Het ontbrak mij dus niet aan het beste wat ik verlangen kon, want onder mijne zes lieden waren twee troetelkinderen, wier ouders mij menig stuk zilver -gaven. Ieder heeft zijne kinderen lief, maar de Hebreën beminnen +gaven. Ieder heeft zijne kinderen lief, maar de Hebreën beminnen ze toch teederder dan andere menschen. Wij moesten dagelijks het bepaalde getal tegels leveren<a name="FNanchor_134" id="FNanchor_134"></a><a href="#Footnote_134" class="fnanchor">134)</a>; ik hielp dan de -jongens, als de zon zoo stak, en bracht in éen uur alleen meer +jongens, als de zon zoo stak, en bracht in éen uur alleen meer stuks samen, dan zij in drie. Want ik ben sterk, en was het toen nog meer dan nu.</p> -<p>»Toen het tijdstip kwam, waarop ik door een ander werd +<p>»Toen het tijdstip kwam, waarop ik door een ander werd afgelost, moest ik naar Thebe terug, ten einde opzicht te houden over de krijgsgevangenen, die als werklieden werden gebruikt om den grooten Amon-tempel aan de overzijde te bouwen. Daar ik @@ -8699,7 +8660,7 @@ versmolt mijn geld, want in de vrije uren, die op den bouwtijd volgden, leefden wij er vroolijk van. Aan danseressen was in het vreemden-kwartier zeker geen gebrek.</p> -<p>»Op zekeren dag kwam er een nieuw transport krijgsgevangenen. +<p>»Op zekeren dag kwam er een nieuw transport krijgsgevangenen. Het was juist in den tijd van het heilige feest van den trap<a name="FNanchor_136" id="FNanchor_136"></a><a href="#Footnote_136" class="fnanchor">136)</a>. Er waren vele vrouwen onder, die bij de groote haven aan den meestbiedende verkocht werden. Voor haar die er werkelijk @@ -8722,7 +8683,7 @@ de handen hingen mat naar beneden, en hielden de kleine. Als er een windvlaag opsteekt, dacht ik, waait zij nog weg met kind en al.</p> -<p>»De afslager verlangde een bod, doch alles zweeg. Natuurlijk, +<p>»De afslager verlangde een bod, doch alles zweeg. Natuurlijk, want die stomme schim was voor den arbeid niet bruikbaar. Ze was reeds half dood en eene begrafenis is duur. Zoo verliepen er eenige oogenblikken. De afslager liep eindelijk op haar toe @@ -8746,7 +8707,7 @@ Nijl, laadde mijn jammerlijk eigendom op een steenwagen en trok zelf het schepsel als een blok kalksteen hierheen naar den oude.</p> -<p>»Moeder schudde bedenkelijk het hoofd, en vader keek mij +<p>»Moeder schudde bedenkelijk het hoofd, en vader keek mij aan of ik krankzinnig was; zij zeiden echter geen van beiden een woord. Men spreidde haar een leger, en ik bouwde in mijne vrije nachten het vervallen ding hiernaast, dat eens eene fatsoenlijke @@ -8772,7 +8733,7 @@ en bracht mij aan het verstand, dat het krijten niet anders was dan lieflijk gezang. Pennoe schreide werkelijk lieflijker dan alle andere kinderen, en hij had zulke kleine poezelige blanke vingertjes.</p> -<p>»Eens had hij een tijd lang geschreeuwd. Toen boog ik mij +<p>»Eens had hij een tijd lang geschreeuwd. Toen boog ik mij over het jongske neder en wilde hem toespreken; maar hij greep mij in den baard. Dat was wat! Sedert moest hij mij telkens plukharen en zijne moeder merkte dat het mij pleizier deed. @@ -8795,7 +8756,7 @@ een kind mijn ruwen baard, en daarbij zag ze mij zoo dankbaar aan, dat ik te moede was alsof de pharao mij Opper- en Neder-Egypte op eens ten geschenke had gegeven.</p> -<p>»Zoodra het muisje begraven was, werd zij weder zwakker, +<p>»Zoodra het muisje begraven was, werd zij weder zwakker, maar moeder zorgde voor hare verpleging, zoodat zij gezond bleef. Ik leefde met haar als een vader met zijn kind. Zij was zoo vriendelijk! Doch zoodra ik haar naderen wilde en haar mijne @@ -8815,7 +8776,7 @@ als de menschen van de overzijde de doodenstad hadden verlaten, wandelde zij hier in het dal op en neer in gepeins, nu en dan eens opziende naar de maan, die zij zeer liefhad.</p> -<p>»Eens, het was in den wintertijd, kwam ik naar huis. Het +<p>»Eens, het was in den wintertijd, kwam ik naar huis. Het was reeds donker en ik dacht haar als naar gewoonte voor de deur te vinden. Daar hoor ik, zoowat honderd schreden achter het hol van de oude Hekt, een troep jakhalzen zoo geweldig @@ -8831,23 +8792,23 @@ een kind van vreugde, dat ik haar gered had. Zij liet zich door<span class="page mij kussen, en — toen is zij mijne vrouw geworden, drie jaren nadat ik haar gekocht had.</p> -<p>»Zij heeft mij een meisje geschonken, dat zij zelve Warda +<p>»Zij heeft mij een meisje geschonken, dat zij zelve Warda noemde. Want zij toonde mij eene roos en wees op het kind, en wij begrepen haar, ook al sprak zij niet. — Niet lang daarna is zij gestorven.</p> -<p>»Gij zijt een priester, maar ik verzeker u, wanneer ik ooit voor +<p>»Gij zijt een priester, maar ik verzeker u, wanneer ik ooit voor Osiris word geroepen en mij toegang wordt verleend tot de gezaligden, dan wil ik vragen of ik die vrouw daar ook weder vinden zal. Als de portier mij dan een ontkennend antwoord geeft, mag hij mij gerust naar de verdoemden verwijzen, wanneer ik haar daar terugvind.”</p> -<p>»En heeft zij door geen enkel teeken verraden, welke hare +<p>»En heeft zij door geen enkel teeken verraden, welke hare afkomst was?” vroeg de arts.</p> <p>De soldaat bedekte zijn aangezicht met beide handen, weende -luide en hoorde hem niet. Doch de Paraschiet zeide: »Zij was de +luide en hoorde hem niet. Doch de Paraschiet zeide: »Zij was de dochter van een hooggeplaatst man, want wij vonden in haar kleed een gouden kleinood met een edelsteen, waarop vreemde teekens zijn gegraveerd. Het is zeer kostbaar, en mijne vrouw bewaart @@ -8858,7 +8819,7 @@ het zorgvuldig voor de kleine.”</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_124" id="Footnote_124"></a><a href="#FNanchor_124"><span class="label">124)</span></a> Vazen van gebakken klei, kalksteen of albast, die gebruikt werden voor het bewaren der ingewanden van gebalsemde Egyptenaars. Zij -moesten de vier geniën van den dood voorstellen: Amset, Hapi, Toeamoetef +moesten de vier geniën van den dood voorstellen: Amset, Hapi, Toeamoetef en Khebsennoef. In plaats van met een deksel, werd elke kanope gesloten met den kop van den genius, waaraan zij gewijd was. Amset (onder bescherming van Isis) had het hoofd van een mensch, Hapi (beschermd @@ -8876,17 +8837,17 @@ deze vier kanopen-goden, de vier aartsengelen aangeroepen.</p> <p><a name="Footnote_126" id="Footnote_126"></a><a href="#FNanchor_126"><span class="label">126)</span></a> Dit is de titel van het eerste hoofdstuk van het zoogenaamde Doodenboek. Het begint: Ha em re’ em per em hroe, welke woorden de Grieken later aanleiding gaven te spreken van een boek der Egyptenaars, „De heilige -Ambres” geheeten, dat bij Horappollo (Hiërogl. I, 38) voorkomt. +Ambres” geheeten, dat bij Horappollo (Hiërogl. I, 38) voorkomt. </p> <p> -Het Doodenboek, door Champollion minder juist „Rituel funéraire” genoemd, +Het Doodenboek, door Champollion minder juist „Rituel funéraire” genoemd, bevat eene reeks van opstellen of hoofdstukken, die onder elkander niet onmiddellijk samenhangen, of een aaneengesloten doorloopend geheel vormen. Het is eene verzameling van heilige teksten, alle op een hoofdonderwerp: de verrijzenis, het doodengericht en het leven aan gene zijde van het graf, betrekkelijk, en uit verschillende tijden afkomstig. Het behoorde tot de heilige schriften, die aan Toth of Hermes worden toegekend, -en kan zoo al niet tot de door Clemens van Alexandrië vermelde 42 Hermetische +en kan zoo al niet tot de door Clemens van Alexandrië vermelde 42 Hermetische boeken, dan toch tot de andere geschriften van dezelfde afkomst (Jamblichus gewaagt zelfs van 20000) gebracht worden. Het Doodenboek bevat alles wat men weten moet, om op aarde zich reeds voor zijn dood @@ -8901,9 +8862,9 @@ waarheen hij gaat, wat hij doet, hoort en ziet en wie hij is. Eigenlijk is de overledene reeds voor de begrafenis, of de plaatsing van zijn gebalsemd lijk in de grafkamer, door zijn leven gerechtvaardigd, als de door Toth tegen zijne vijanden gerechtvaardigde Osiris, in de gemeenschap der zalige geesten -en vereenzelvigd met Ra. Een volledige tekst in hiëroglyphisch schrift is, +en vereenzelvigd met Ra. Een volledige tekst in hiëroglyphisch schrift is, naar het oorspronkelijke in het Egyptisch museum te Turyn, in 1842 -door Lepsius, een ander insgelijks volledige tekst, doch in hiëratisch +door Lepsius, een ander insgelijks volledige tekst, doch in hiëratisch schrift, in het vorige jaar naar een papyrus van het museum te Leiden door Dr. Leemans in het licht gegeven. Laatstgemelde hield in eene vergadering van de Afdeeling Letterkunde der Kon. Academie van wetenschappen @@ -8931,7 +8892,7 @@ bestuurt den evenaar. Op de eene schaal staat het hart van den afgestorvene, op de andere het beeld van de godin der waarheid, die de ziel in de rechtszaal binnenleidt. — Toth schrijft het protokol. De ziel verklaart zich niet schuldig te hebben gemaakt aan de twee en veertig -doodzonden, en wordt, wanneer zij geloof heeft gevonden, „maä cheroe,” +doodzonden, en wordt, wanneer zij geloof heeft gevonden, „maä cheroe,” d. i. „waarheid sprekende” genoemd en alzoo zalig gesproken. Zij krijgt nu haar hart terug en gaat over tot een nieuw goddelijk leven.</p> </div> @@ -8946,8 +8907,8 @@ nu haar hart terug en gaat over tot een nieuw goddelijk leven.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_132" id="Footnote_132"></a><a href="#FNanchor_132"><span class="label">132)</span></a> Zie over hetgeen men van het verblijf der Joden in Egypte op de -monumenten en in de papyrussen heeft gevonden: Chabas, <cite>Mélanges -égyptologiques II</cite>, en Ebers, <cite>Aegypten und die Bücher +monumenten en in de papyrussen heeft gevonden: Chabas, <cite>Mélanges +égyptologiques II</cite>, en Ebers, <cite>Aegypten und die Bücher Mose’s</cite>.</p> </div> @@ -8997,15 +8958,15 @@ slaperig de poort.</p> <p>Nebsecht vroeg naar den tempelopziener.</p> -<p>»Die is dezen nacht gestorven,” geeuwde de man.</p> +<p>»Die is dezen nacht gestorven,” geeuwde de man.</p> -<p>»Wat zegt ge?” riep de arts, hevig ontroerd. »Wie is gestorven?”</p> +<p>»Wat zegt ge?” riep de arts, hevig ontroerd. »Wie is gestorven?”</p> -<p>»Onze oude opziener Roeï, die brave man.”</p> +<p>»Onze oude opziener Roeï, die brave man.”</p> <p>Nebsecht haalde vrijer adem en vroeg naar Pentaoer.</p> -<p>»Gij zijt uit het Seti-huis,” sprak de portier, »en weet gij +<p>»Gij zijt uit het Seti-huis,” sprak de portier, »en weet gij dan niet, dat men hem van zijn ambt heeft ontzet? De heilige vaders hebben geweigerd met hem de wedergeboorte van Ra te begroeten. Misschien zingt hij voor zich alleen boven op de @@ -9017,25 +8978,25 @@ doch hij gaf geen acht op hen. Hij vond zijn vriend op het bovenste terras bezig met schrijven.</p> <p>Weldra wist hij wat er gebeurd was, en toornig riep hij: -»Gij zijt die slimme heeren in het Seti-huis te oprecht en te +»Gij zijt die slimme heeren in het Seti-huis te oprecht en te waarheidlievend, en dit vee hier te ijverig en te rein. Ik begreep<span class="pagenum"><a name="Page_184" id="Page_184">[184]</a></span> -wel dat het hierop uitloopen zou, toen zij u in de mysteriën +wel dat het hierop uitloopen zou, toen zij u in de mysteriën inleidden. Wij ingewijden hebben slechts te kiezen tusschen liegen of zwijgen.”</p> -<p>»Al weder de oude dwaling!” zeide Pentaoer. »Wij weten -dat de godheid éen is; wij noemen hem het Al<a name="FNanchor_138" id="FNanchor_138"></a><a href="#Footnote_138" class="fnanchor">138)</a>, het omhulsel +<p>»Al weder de oude dwaling!” zeide Pentaoer. »Wij weten +dat de godheid éen is; wij noemen hem het Al<a name="FNanchor_138" id="FNanchor_138"></a><a href="#Footnote_138" class="fnanchor">138)</a>, het omhulsel van het Al<a name="FNanchor_139" id="FNanchor_139"></a><a href="#Footnote_139" class="fnanchor">139)</a> of kortweg Ra. Maar onder Ra verstaan wij wat anders dan de zinnelijke menschen, want voor ons is het heelal de godheid, en in elk zijner deelen erkennen wij een openbaringsvorm van het hoogste wezen, buiten hetwelk er niets is in de hoogte en in de diepte.”</p> -<p>»Dat alles moogt gij mij alleen zeggen, een mede-ingewijde,” +<p>»Dat alles moogt gij mij alleen zeggen, een mede-ingewijde,” viel Nebsecht hem in de rede.</p> -<p>»Maar ik ontwikkel het ook niet geheel voor de leeken,” haastte -Pentaoer zich te zeggen: »alleen toon ik hen, die alles nog niet +<p>»Maar ik ontwikkel het ook niet geheel voor de leeken,” haastte +Pentaoer zich te zeggen: »alleen toon ik hen, die alles nog niet begrijpen kunnen, enkele deelen. Ben ik een leugenaar, wanneer ik bijvoorbeeld niet zeg: ‚ik spreek,’ maar: ‚mijn mond spreekt,’ wanneer ik beweer dat uw oog ziet, hoewel gijzelf het @@ -9059,11 +9020,11 @@ zijner openbaring, waarin hij zijn zelfbewustzijn heeft gelegd. De kring der voorstellingen, waarin de groote menigte zich beweegt is klein....”</p> -<p>»En zoo geven wij als leeuwen het volk de beten, die wij in +<p>»En zoo geven wij als leeuwen het volk de beten, die wij in eens verslinden<a name="FNanchor_142" id="FNanchor_142"></a><a href="#Footnote_142" class="fnanchor">142)</a>, in fijn gesneden brokjes, met saus overgoten gelijk een kranke met eene zwakke maag.”</p> -<p>»Neen, niet alzoo. Wij achten ons verplicht den sterk werkenden +<p>»Neen, niet alzoo. Wij achten ons verplicht den sterk werkenden drank, die zelfs mannen kan neerwerpen, te verzachten en te verzoeten, eer wij dien aan kinderen, de geestelijke onmondigen toedienen. De wijzen uit den voortijd hebben de verhevenste @@ -9071,16 +9032,16 @@ waarheden in allegorische beelden en symbolen, en eindelijk in schoone en veelkleurige mythen omsluierd, maar haar op deze wijze verstaanbaar tot de menigte gebracht”<a name="FNanchor_143" id="FNanchor_143"></a><a href="#Footnote_143" class="fnanchor">143)</a>.</p> -<p>»Verstaanbaar?” vroeg de arts. »Verstaanbaar? Waartoe dan +<p>»Verstaanbaar?” vroeg de arts. »Verstaanbaar? Waartoe dan de sluier?”</p> -<p>»Meent gij dat het volk de naakte waarheid in het aangezicht +<p>»Meent gij dat het volk de naakte waarheid in het aangezicht zou kunnen zien<a name="FNanchor_144" id="FNanchor_144"></a><a href="#Footnote_144" class="fnanchor">144)</a>, zonder te vertwijfelen?”</p> -<p>»Kan ik het dan? Kan een ander het, al ziet hij recht voor +<p>»Kan ik het dan? Kan een ander het, al ziet hij recht voor zich uit, en al is het hem om niets en volstrekt niets anders -dan waarheid te doen?” riep de arts. »Wij beiden weten toch, -dat de dingen alleen zóo zijn, als zij zich vertoonen in den spiegel +dan waarheid te doen?” riep de arts. »Wij beiden weten toch, +dat de dingen alleen zóo zijn, als zij zich vertoonen in den spiegel onzer ziel, al naarmate deze op eene of andere wijze is gepolijst. Wat grijs is zie ik grijs, en wat wit is wit, en ik heb mij gewend, wanneer ik iets tracht te weten te komen, er niet @@ -9093,22 +9054,22 @@ weten bij te zetten, en het indrukwekkende in een schoon gewaad kunnen kleeden. Gij zijt een dichter, een kunstenaar, en ik maar eenvoudig iemand die naar waarheid zoekt.”</p> -<p>»Juist,” hernam Pentaoer, »om dit uw streven alleen acht +<p>»Juist,” hernam Pentaoer, »om dit uw streven alleen acht ik u hoog, en gij weet het wel, ook ik verlang niets dan waarheid.”</p> <p>De arts boog het hoofd ten teeken van toestemming en zeide -weder: »Ik weet het, ik weet het! Maar onze wegen loopen +weder: »Ik weet het, ik weet het! Maar onze wegen loopen naast elkander, zonder elkander te raken. Ons beider einddoel is de oplossing van een raadsel, waarvan velerlei verklaringen te geven zijn. Gij meent in het bezit te zijn van de ware, en misschien bestaat er in ’t geheel geene.”</p> -<p>»Dan willen wij ons tevreden stellen met die het meest beantwoordt +<p>»Dan willen wij ons tevreden stellen met die het meest beantwoordt aan onze behoeften en tevens de schoonste is,” zeide Pentaoer.</p> -<p>»De schoonste!” riep Nebsecht onwillig. »Wilt gij dat wangedrocht +<p>»De schoonste!” riep Nebsecht onwillig. »Wilt gij dat wangedrocht schoon noemen, dat gij God heet, dat reuzenlichaam, dat eeuwig zichzelf doet geboren worden en zichzelf weder verslindt? God is het Al, zegt gij, dat zichzelf genoeg is. Hij moet @@ -9123,15 +9084,15 @@ achter een ondoordringbaren sluier, dien ik hem zou willen afrukken als ik kon. Zie, zoo beschouw ik dat ding, hetwelk gij God noemt!”</p> -<p>»Zeker een walgelijk beeld,” hernam Pentaoer, »omdat gij +<p>»Zeker een walgelijk beeld,” hernam Pentaoer, »omdat gij vergeet, dat wij de rede erkend hebben als het wezen van het Al, als de kracht, die het gansche heelal doordringt en beweegt, de rede, die in de harmonie der samenwerking van alle deelen, en in ons zelven, gevormd uit zijn stof en bezield met zijne ziel, zich openbaart.”</p> -<p>»Is er iets redelijks in dat worstelspel des levens?” vroeg -Nebsecht. »Is dat eeuwig nederwerpen om weder te laten opstaan +<p>»Is er iets redelijks in dat worstelspel des levens?” vroeg +Nebsecht. »Is dat eeuwig nederwerpen om weder te laten opstaan zoo bijzonder wijs, en heeft het zulk een verheven doel? En terwijl gij aan de verschijnselen van het Al zulk eene rede ten grondslag legt, paait gij uzelven met een opperheer van uw @@ -9140,24 +9101,24 @@ meesteressen, waarvoor gij het volk laat nederknielen.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_187" id="Page_187">[187]</a></span></p> -<p>»Slechts schijnbaar,” antwoordde Pentaoer. »Het is een noodzakelijk +<p>»Slechts schijnbaar,” antwoordde Pentaoer. »Het is een noodzakelijk gevolg van de omstandigheid, dat het bovenzinnelijke alleen in zinnelijken vorm kan worden medegedeeld. Daar God zich aan ons doet kennen als de wereldrede, noemen wij hem ‚het woord’. ‚Die zijne leden met namen bekleedt’<a name="FNanchor_145" id="FNanchor_145"></a><a href="#Footnote_145" class="fnanchor">145)</a>, zooals de heilige teksten zich uitdrukken, beteekent zooveel als de kracht, die aan de dingen hunne eigenaardige vormen verleent, waardoor -zij zich van elkander onderscheiden. De scarabeüs-kever<a name="FNanchor_146" id="FNanchor_146"></a><a href="#Footnote_146" class="fnanchor">146)</a>, +zij zich van elkander onderscheiden. De scarabeüs-kever<a name="FNanchor_146" id="FNanchor_146"></a><a href="#Footnote_146" class="fnanchor">146)</a>, die ‚als zijn eigen zoon in het leven treedt’, wijst ons op de zich altijd verjongende scheppingskracht in de natuur. En wilt gij daarom onzen goeden God een wangedrocht noemen? Gij kunt het bestaan van zulk een kracht niet loochenen, en evenmin ontkennen, dat wij daarvoor een gelukkig beeld hebben gekozen. -Immers gij weet, dat er alleen mannelijke scarabeën zijn, en +Immers gij weet, dat er alleen mannelijke scarabeën zijn, en dat deze dieren zichzelven voorttelen”<a name="FNanchor_147" id="FNanchor_147"></a><a href="#Footnote_147" class="fnanchor">147)</a>.</p> -<p>Nebsecht kon niet nalaten te glimlachen en zeide: »Als alle -leerstellingen der mysteriën zoo waar zijn, als dit beeld gelukkig +<p>Nebsecht kon niet nalaten te glimlachen en zeide: »Als alle +leerstellingen der mysteriën zoo waar zijn, als dit beeld gelukkig heet gekozen te zijn, dan ziet het er met ulieden treurig uit. De mestkevers zijn sedert jaren mijne vrienden, die met mij dezelfde kamer bewonen. Ik ken hun familieleven en geef @@ -9170,8 +9131,8 @@ Al werkelijk god; is God, zooals de schriften leeren, inderdaad de goedheid zelve, en is er niets buiten hem, waar is dan nog plaats voor het kwade?”</p> -<p>»Gij spreekt als een schooljongen,” zeide Pentaoer onwillig. -»Goed en redelijk op zichzelf is al wat bestaat, maar de Eene, +<p>»Gij spreekt als een schooljongen,” zeide Pentaoer onwillig. +»Goed en redelijk op zichzelf is al wat bestaat, maar de Eene, die oneindig is, die zichzelf de wet voorschrijft en de wegen van zijne werkzaamheid aanwijst, verleent aan het eindige zijn bestaan door altijddurende vernieuwing, en gaat zonder ophouden @@ -9183,7 +9144,7 @@ doel niet kennen, enkel de op zichzelf staande dingen waarnemen en het geheel niet overzien kunnen. Evenals gij berispen<span class="pagenum"><a name="Page_188" id="Page_188">[188]</a></span> oppervlakkige hoorders de muziek, waarin zij een wanklank hooren, die de harpspeler echter opzettelijk aan zijne snaren -ontlokte, om zijne hoorders de reinheid der volgende harmonieën +ontlokte, om zijne hoorders de reinheid der volgende harmonieën dieper te doen gevoelen. Zoo bedilt een gek den schilder, die zijn paneel zwart maakt, zonder te wachten tot het beeld voltooid is, dat juist op dien donkeren grond helderder zal uitkomen. @@ -9195,8 +9156,8 @@ levens, gelijk het avondrood door den nacht oversluierd wordt, om weldra weder te voorschijn te komen als morgengloed, die den rijzenden dag aankondigt.”</p> -<p>»Inderdaad, dat klinkt zeer overtuigend,” hernam Nebsecht. -»Alles, zelfs het afschrikwekkendste, wordt bekoorlijk op uwe +<p>»Inderdaad, dat klinkt zeer overtuigend,” hernam Nebsecht. +»Alles, zelfs het afschrikwekkendste, wordt bekoorlijk op uwe lippen. Doch ik zou uwe stelling kunnen omkeeren en zeggen: het kwaad regeert de wereld, slechts nu en dan wordt ons een enkel drupje zalig genot te proeven gegeven, om ons @@ -9206,11 +9167,11 @@ het leven door den hartstocht wordt gewekt, dat ons gansche bestaan een strijd is, en dat het eene schepsel bestemd is het andere op te eten.”</p> -<p>»En bemerkt gij dan niets van de schoonheid der zichtbare +<p>»En bemerkt gij dan niets van de schoonheid der zichtbare dingen? Vervult die onveranderlijke orde van het heelal u niet met deemoedige bewondering?”</p> -<p>»Naar schoonheid,” antwoordde de arts, »heb ik nooit gezocht; +<p>»Naar schoonheid,” antwoordde de arts, »heb ik nooit gezocht; mogelijk mis ik ook wel het orgaan, om haar zelfstandig waar te nemen, hoewel ik mij gaarne door u er op laat wijzen. Aan de orde in de natuur laat ik ten volle recht wedervaren, want @@ -9222,8 +9183,8 @@ richtingen het leven zich bewegen moet, zijn nauwkeurig berekend volgens maat en getal, maar zonder dat daarbij van goed of schoon sprake kan zijn.”</p> -<p>»Zulke opvattingen,” zeide Pentaoer, die bezorgd werd over -zijn vriend, »zijn de gevolgen uwer zonderlinge bezigheden. +<p>»Zulke opvattingen,” zeide Pentaoer, die bezorgd werd over +zijn vriend, »zijn de gevolgen uwer zonderlinge bezigheden. Gij doodt en vernielt om, zooals gij dat noemt, het geheim des levens op te sporen. Beschouw het worden der dingen in de natuur: open het orgaan, dat u ontbreekt zoo gij meent, namelijk @@ -9231,12 +9192,12 @@ uwe oogen en de schoonheid van de zichtbare wereld zal u<span class="pagenum"><a ook zonder mijne hulp leeren, dat het een valsche god is, dien gij aanbidt.”</p> -<p>»Ik bid in het geheel niet,” zeide Nebsecht, »want de wet, die +<p>»Ik bid in het geheel niet,” zeide Nebsecht, »want de wet, die de wereld in beweging brengt, laat zich evenmin als uwe regelmatig afloopende zandloopers door bidden vermurwen. Maar wie zegt u toch, dat ik het worden der dingen niet op het spoor tracht te komen? Ik zeide u reeds, dat ik beter dan gij weet, -hoe de scarabeën ontstaan. Ja, ik heb menig dier van kant gemaakt, +hoe de scarabeën ontstaan. Ja, ik heb menig dier van kant gemaakt, en dat niet alleen om zijn organisme te leeren kennen, maar ook om uit te vorschen, hoe het zich gevormd had. Doch juist bij dezen arbeid heeft zich mijn orgaan voor het schoone @@ -9246,7 +9207,7 @@ dingen na te gaan.”</p> <p>Pentaoer zag den heelmeester vragend aan.</p> -<p>»Ik wil ook eens,” ging de laatste voort, »in beelden spreken. +<p>»Ik wil ook eens,” ging de laatste voort, »in beelden spreken. Daar, zie dezen wijn! Wat is hij klaar en geurig! En toch hebben de wijngaardeniers hem met hunne eeltachtige voeten uit de druiven geperst. Ziehier deze volle aar! Welk eene goudgele @@ -9266,48 +9227,48 @@ zouden. Vooreerst hebben wij genoeg te doen met het bestaande waar te nemen, en de wetten op te sporen, waardoor alles in beweging wordt gebracht.”</p> -<p>»Ik heb uw streven nooit geheel kunnen verstaan, en het +<p>»Ik heb uw streven nooit geheel kunnen verstaan, en het heeft mij altijd moeite gekost te begrijpen, waarom gij u toch eigenlijk niet op de wetenschap der Horoscopen hebt toegelegd,” -zeide Pentaoer. »Gelooft gij dan, dat het leven van planten en +zeide Pentaoer. »Gelooft gij dan, dat het leven van planten en dieren in zijne oneindige afwisseling, dat zoo geheel afhankelijk is van zijne omgeving, waardoor het bepaald wordt, zich tot<span class="pagenum"><a name="Page_190" id="Page_190">[190]</a></span> wetten, getallen en afmetingen laat terugbrengen, evenals de beweging der sterren?”</p> -<p>»Vraagt gij dit? Zou de ontzaglijk sterke reuzenhand, die de +<p>»Vraagt gij dit? Zou de ontzaglijk sterke reuzenhand, die de lichten daarboven dwingt zich voort te bewegen in hun nauwkeurige afgebakende banen, ook niet fijn genoeg ontwikkeld zijn, om aan de vlucht der vogels en den slag van het menschelijk hart bepaalde wetten voor te schrijven?”</p> -<p>»Daar zijn wij weder bij de harten,” zeide de dichter lachend. -»Zijt gij uw doel al wat nader gekomen?”</p> +<p>»Daar zijn wij weder bij de harten,” zeide de dichter lachend. +»Zijt gij uw doel al wat nader gekomen?”</p> -<p>De arts werd ernstig en zeide: »Misschien zal ik morgen +<p>De arts werd ernstig en zeide: »Misschien zal ik morgen reeds in het bezit zijn van hetgeen ik noodig heb. Daar ligt uw palet met roode en zwarte verf, papyrus en schrijfriet; mag ik een blad gebruiken?”</p> -<p>»Natuurlijk; maar vertel mij eerst.....”</p> +<p>»Natuurlijk; maar vertel mij eerst.....”</p> -<p>»Vraag maar niets; gij zoudt mijn voornemen niet billijken, +<p>»Vraag maar niets; gij zoudt mijn voornemen niet billijken, en het zou aanleiding geven tot nieuw verschil.”</p> -<p>»Ik denk,” hernam de dichter, terwijl hij zijn hand op den -schouder van den arts legde, »dat wij den strijd niet behoeven +<p>»Ik denk,” hernam de dichter, terwijl hij zijn hand op den +schouder van den arts legde, »dat wij den strijd niet behoeven te vreezen. Hij is tot hiertoe het cement en de verfrisschende dauw van onze vriendschap geweest.”</p> -<p>»Zoolang de strijd ten minste liep over meeningen en opvattingen, +<p>»Zoolang de strijd ten minste liep over meeningen en opvattingen, en niet over daden.”</p> -<p>»Gij wilt u toch niet meester maken van een menschenhart?” -riep de dichter. »Bedenk wel wat gij doet! Het hart is +<p>»Gij wilt u toch niet meester maken van een menschenhart?” +riep de dichter. »Bedenk wel wat gij doet! Het hart is de woning van het in ons levend uitvloeisel der wereldziel.”</p> -<p>»Weet gij dat zoo zeker?” vroeg de heelmeester gevoelig. -»Lever mij dan het bewijs! Hebt gij ooit een hart onderzocht; +<p>»Weet gij dat zoo zeker?” vroeg de heelmeester gevoelig. +»Lever mij dan het bewijs! Hebt gij ooit een hart onderzocht; heeft een mijner ambtgenooten het gedaan? Zij verklaren zelfs het hart van een boosdoener, een krijgsgevangene onaantastbaar. Wanneer wij ten einde raad naast een kranke staan, en onze @@ -9326,7 +9287,7 @@ veroordeelde ziel van een mensch, die, eer zij tot den Eenen mag terugkeeren, den louteringsweg moet voleindigen door de lichamen van dieren. Ik liet mij door deze tegenwerping niet uit het veld slaan, en verklaarde hem, dat mijn overgrootvader Nebsecht, -vóor hij zijne verhandeling over het hart schreef<a name="FNanchor_153" id="FNanchor_153"></a><a href="#Footnote_153" class="fnanchor">153)</a>, ongetwijfeld +vóor hij zijne verhandeling over het hart schreef<a name="FNanchor_153" id="FNanchor_153"></a><a href="#Footnote_153" class="fnanchor">153)</a>, ongetwijfeld zulk een orgaan onderzocht had. Toen gaf hij het antwoord, dat de godheid hem zeker had geopenbaard wat hij geschreven had, waarom dan ook zijn werk onder de heilige @@ -9343,13 +9304,13 @@ die vandaar uitgaan. ’t Is waar, ik weet nu slechts weinig meer dan te voren, maar ik moet achter de waarheid komen en het hart van een mensch hebben.”</p> -<p>»Wat zal u dat geven?” vroeg Pentaoer. »Verwacht ge dan +<p>»Wat zal u dat geven?” vroeg Pentaoer. »Verwacht ge dan dat gij het onzichtbare en oneindige met uwe menschelijke oogen zult waarnemen?”</p> -<p>»Kent gij de verhandeling van mijn grootvader?”</p> +<p>»Kent gij de verhandeling van mijn grootvader?”</p> -<p>»Zoowat,” gaf de dichter ten antwoord. »Hij zegt dat, waar +<p>»Zoowat,” gaf de dichter ten antwoord. »Hij zegt dat, waar men ook den vinger legt, hetzij op het hoofd, hetzij op de handen of de maag, overal het hart wordt gevonden, daar zijne bloedvaten naar alle leden uitgaan, en dat het hart het uitgangspunt @@ -9359,26 +9320,26 @@ zoo? — hoe de verschillende zielstoestanden, als toorn, verdriet, afschuw, ja ook het gebruik van het woord hart, in het algemeen voor zijne opvatting getuigen.”</p> -<p>»Juist, wij hebben daarover reeds gesproken, en ik geloof dat +<p>»Juist, wij hebben daarover reeds gesproken, en ik geloof dat hij gelijk heeft, wat het bloed en de dierlijke gewaarwordingen betreft. Maar het rein en helder verstand in ons heeft een anderen zetel,” en de arts sloeg bij deze woorden met de hand -op zijn breed maar laag voorhoofd. »Koppen heb ik bij honderden<span class="pagenum"><a name="Page_192" id="Page_192">[192]</a></span> +op zijn breed maar laag voorhoofd. »Koppen heb ik bij honderden<span class="pagenum"><a name="Page_192" id="Page_192">[192]</a></span> bestudeerd, daarginds bij het hooggerechtshof; ook lichtte ik de hersenpan van levende dieren<a name="FNanchor_155" id="FNanchor_155"></a><a href="#Footnote_155" class="fnanchor">155)</a>. — Doch laat mij nu schrijven, voor wij gestoord worden.”</p> <p>De arts nam het schrijfriet, lengde de zwarte uit verkoolden -papyrus bereide verfkleur aan, en schreef in sierlijke hiëratische +papyrus bereide verfkleur aan, en schreef in sierlijke hiëratische letters<a name="FNanchor_156" id="FNanchor_156"></a><a href="#Footnote_156" class="fnanchor">156)</a> het document voor den Paraschiet, waarbij hij bekende -voor hem geëischt te hebben, dat hij het hart van een mensch +voor hem geëischt te hebben, dat hij het hart van een mensch zou stelen, en kort en bondig verklaarde voor Osiris en de doodenrechters de schuld van den oude op zich te willen nemen. Toen hij gereed was, strekte Pentaoer zijne hand uit naar het geschreven stuk, maar Nebsecht vouwde het samen, stak het in een taschje, waarin zich de amulet bevond, die zijne stervende moeder hem om den hals had gehangen, en zeide, na eene diepe ademhaling: -»Daarmede zijn we klaar. Vaarwel Pentaoer!”</p> +»Daarmede zijn we klaar. Vaarwel Pentaoer!”</p> <p>De dichter hield zijn vriend staande, sprak hem met ernst en warmte toe, en smeekte hem toch van zijn voornemen af te zien. @@ -9387,55 +9348,55 @@ vingers los te rukken uit de verbazend sterke handen van Pentaoer, die ze als met ijzeren klemmen vasthielden. De dichter vermoedde in zijne vervoering niet, dat hij zijn vriend pijn deed, tot deze, na eene vruchtelooze poging om vrij te komen, -uitriep: »Gij verwringt mijne vingers!”</p> +uitriep: »Gij verwringt mijne vingers!”</p> <p>Er kwam een glimlach op het gelaat van den dichter. Hij liet den heelmeester los en zeide, terwijl hij diens vuurroode<span class="pagenum"><a name="Page_193" id="Page_193">[193]</a></span> handen streelde als eene moeder, die de pijn van haar kind -weg wil strijken: »Wees niet boos op mij, Nebsecht; gij kent +weg wil strijken: »Wees niet boos op mij, Nebsecht; gij kent mijne ongelukkige vuisten. Heden moesten ze u inderdaad vasthouden, want wat gij voorhebt is al te dolzinnig.”</p> -<p>»Dolzinnig?” vroeg de arts, terwijl hij op zijn beurt lachte. -»Mij goed, maar weet gij dan niet, dat wij Egyptenaars met +<p>»Dolzinnig?” vroeg de arts, terwijl hij op zijn beurt lachte. +»Mij goed, maar weet gij dan niet, dat wij Egyptenaars met bijzondere angstvalligheid aan onze dwaasheden hangen, en zelfs ons niet ontzien er huis en hof voor op te offeren?”</p> -<p>»Ja <em>eigen</em> huis en <em>eigen</em> hof!” riep de dichter, en voegde -er daarna bij: »maar niet het leven, niet het welzijn van een +<p>»Ja <em>eigen</em> huis en <em>eigen</em> hof!” riep de dichter, en voegde +er daarna bij: »maar niet het leven, niet het welzijn van een ander.”</p> -<p>»Heb ik u dan niet reeds gezegd, dat ik het hart niet voor +<p>»Heb ik u dan niet reeds gezegd, dat ik het hart niet voor den zetel van het verstand kan houden? Wat mij betreft, het is mij om ’t even, of ik met het hart van een hamel of met mijn eigen hart begraven zal worden.”</p> -<p>»Ik spreek niet van den doode, die van dit lichaamsdeel +<p>»Ik spreek niet van den doode, die van dit lichaamsdeel beroofd zal zijn, maar van den levende,” hernam Pentaoer. -»Wanneer de daad van den Paraschiet ontdekt wordt, dan is +»Wanneer de daad van den Paraschiet ontdekt wordt, dan is hij verloren, en het lieve kind daarginds in de hut zoudt gij alleen gered hebben, om het in de diepste ellende te storten.”</p> <p>Nebsecht zag zijn vriend zoo verbluft en onthutst aan, alsof hij door een ongeluksbode opeens uit den slaap was gewekt. Na -een oogenblik zeide hij echter: »Ik zou met den oude en Warda +een oogenblik zeide hij echter: »Ik zou met den oude en Warda deelen al wat ik heb.”</p> -<p>»En wie zal u beschermen?”</p> +<p>»En wie zal u beschermen?”</p> -<p>»Haar vader.”</p> +<p>»Haar vader.”</p> -<p>»Die ruwe dronkaard, dien zij morgen of overmorgen wie weet +<p>»Die ruwe dronkaard, dien zij morgen of overmorgen wie weet waarheen zullen zenden....!”</p> -<p>»Hij is een braaf man,” viel de arts zijn vriend in de rede, -terwijl hij merkbaar ontroerd was en heel erg stotterde. »Maar +<p>»Hij is een braaf man,” viel de arts zijn vriend in de rede, +terwijl hij merkbaar ontroerd was en heel erg stotterde. »Maar wie zou het wagen het meisje iets te doen? Zij is zoo.... zoo.... Zij is zoo lieftallig, zoo schoon en heeft zoo iets eigenaardigs!”</p> <p>Bij de laatste woorden sloeg hij de oogen neder en bloosde -als een meisje. »Gij begrijpt dat beter dan ik,” ging hij voort, -»ja, gij vindt haar ook schoon! Zonderling! — Gij moet niet +als een meisje. »Gij begrijpt dat beter dan ik,” ging hij voort, +»ja, gij vindt haar ook schoon! Zonderling! — Gij moet niet lachen, wanneer ik erken — ik ben immers ook een mensch als ieder ander? — wanneer ik erken, dat ik het orgaan, het mij ontbrekende orgaan voor de schoonheid der vormen toch @@ -9452,7 +9413,7 @@ dagen en nachten heb ik mij van den arbeid laten afhouden door dit kind! Dacht ik als de leeken, die gij u aantrekt, dan zou ik zeggen: demonen hebben mij betooverd. Maar dat is het niet” — en bij deze woorden was het alsof zijne oogen vlammen -schoten — »dat is het niet! Het dierlijke in mij, de lage +schoten — »dat is het niet! Het dierlijke in mij, de lage natuurdriften, waarvan het hart de zetel is, deze dreigden mijne borst aan haar ziekbed te doen bersten; zij hebben de andere fijnere en reine opwellingen hier, hier in deze hersens overmeesterd. @@ -9465,7 +9426,7 @@ mijn god noem.”</p> naar den grond gezien, en niet eens op den dichter gelet, die verbaasd en vol deelneming naar hem luisterde. Beiden zwegen eene poos, tot Pentaoer zijne hand op die van zijn vriend legde -en met aandoening zeide: »Waarlijk, mijne ziel is niet vreemd +en met aandoening zeide: »Waarlijk, mijne ziel is niet vreemd aan hetgeen gij thans gevoelt. Het heeft bij mij, als ik u naspreken mag, hoofd en hart tegelijk aangedaan. Maar ik weet dat hetgeen wij voelen wel is waar vreemd is, aan onze gewone @@ -9481,7 +9442,7 @@ blijmoediger en met grooter zelfverloochening zoudt geven, dan aan vader en moeder en uwe oudste vrienden?”</p> <p>Nebsecht boog zijn hoofd ten teeken van toestemming; Pentaoer -vervolgde echter: »Welaan dan! Volg de nieuwe goddelijke +vervolgde echter: »Welaan dan! Volg de nieuwe goddelijke stem in u, heb Warda lief en offer haar niet op aan uwe ijdele wenschen. Arme vriend! Bij al uw zoeken naar de verborgenheden van het leven, hebt gij nog nooit naar het leven zelf @@ -9505,10 +9466,10 @@ maar langzaam. Nadenkend en met loome schreden ging hij heen, en zonder te letten op den brandenden gloed van de middagzon, daalde hij over den berg af in het dal der koningsgraven, in de richting van de Paraschieten-hut. Hier vond hij den soldaat bij -zijne dochter en vroeg met nadruk: »Waar is de oude?”</p> +zijne dochter en vroeg met nadruk: »Waar is de oude?”</p> -<p>»Hij ging naar den arbeid in het huis van de balsemers,” -luidde het antwoord. »Hij laat u weten dat, als hem iets overkomt, +<p>»Hij ging naar den arbeid in het huis van de balsemers,” +luidde het antwoord. »Hij laat u weten dat, als hem iets overkomt, gij de schriftelijke verklaring niet moogt vergeten, noch het boek. Hij was als gek, toen hij ons verliet, en heeft het hart van den hamel bij zich gestoken en medegenomen. Blijft gij wat @@ -9519,19 +9480,19 @@ naar Hermonthis<a name="FNanchor_157" id="FNanchor_157"></a><a href="#Footnote_1 <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_138" id="Footnote_138"></a><a href="#FNanchor_138"><span class="label">138)</span></a> De heilige teksten noemen God dikwijls den Eenen en den Eenigen. -De pantheïstische leer der mysteriën wordt het duidelijkst uitgesproken in +De pantheïstische leer der mysteriën wordt het duidelijkst uitgesproken in de teksten, die men in bijna alle koningsgraven te Thebe op de wanden van de ingangszalen vindt. Men heeft ze verzameld en bevonden, dat zij lofverheffingen van Ra bevatten, wiens vijf en zeventig voornaamste openbaringsvormen -worden aangeroepen. Deze teksten, en het pantheïsme in de +worden aangeroepen. Deze teksten, en het pantheïsme in de esoterische leer van de Egyptenaars heeft E. Naville in zijn werk „<cite>La litanie du soleil</cite>” grondig en voortreffelijk behandeld. De voornaamste bronnen voor de kennis van de geheime leer der Egyptische priesters zijn: de tekst van het Doodenboek; de hymne aan de zon, die te Boelaq wordt bewaard en door Stern en door Grebaut is verklaard en uitgegeven; de opschriften op de sarkophagen en aan de wanden van de tempels uit den tijd -der Ptolemaeën; en in de tweede plaats: Plutarchus’ verhandeling over Isis -en Osiris: Jamblichus’ Egyptische mysteriën en de toespraak van Hermes +der Ptolemaeën; en in de tweede plaats: Plutarchus’ verhandeling over Isis +en Osiris: Jamblichus’ Egyptische mysteriën en de toespraak van Hermes Trismegistos aan de menschelijke ziel. De meer geavanceerde beschouwingen, die in dit gesprek voorkomen, schijnen eerst in het nieuwe rijk tot ontwikkeling te zijn gekomen. De Egyptische godsdienst is oorspronkelijk uitgegaan @@ -9553,8 +9514,8 @@ vorm van een Grieksche Theta (Θ) toe.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_142" id="Footnote_142"></a><a href="#FNanchor_142"><span class="label">142)</span></a> „De priesters,” zegt de kerkvader Clemens van Alexandrië, „zorgen -dat niemand in hunne mysteriën wordt ingewijd, behalve de koningen, +<p><a name="Footnote_142" id="Footnote_142"></a><a href="#FNanchor_142"><span class="label">142)</span></a> „De priesters,” zegt de kerkvader Clemens van Alexandrië, „zorgen +dat niemand in hunne mysteriën wordt ingewijd, behalve de koningen, en de zoodanigen onder hen, die door deugd en wijsheid uitmunten.” De gedenkteekenen leeren ons hetzelfde op vele plaatsen.</p> </div> @@ -9564,7 +9525,7 @@ De gedenkteekenen leeren ons hetzelfde op vele plaatsen.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_144" id="Footnote_144"></a><a href="#FNanchor_144"><span class="label">144)</span></a> Te Saïs had het standbeeld van Neith het volgend opschrift: „Ik +<p><a name="Footnote_144" id="Footnote_144"></a><a href="#FNanchor_144"><span class="label">144)</span></a> Te Saïs had het standbeeld van Neith het volgend opschrift: „Ik ben het Al, het verledene, het tegenwoordige en het toekomstige. Geen sterveling heeft nog mijn sluier opgelicht.” Plutarchus, <cite>Isis en Osiris</cite>, c. 9. Het opschrift wordt met dezelfde woorden medegedeeld door @@ -9581,7 +9542,7 @@ Biban el Moeloek.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_147" id="Footnote_147"></a><a href="#FNanchor_147"><span class="label">147)</span></a> Naar Horapollo, die zegt: „De scarabeüs-kever wordt geboren uit +<p><a name="Footnote_147" id="Footnote_147"></a><a href="#FNanchor_147"><span class="label">147)</span></a> Naar Horapollo, die zegt: „De scarabeüs-kever wordt geboren uit het mannetje alleen.”</p> </div> @@ -9605,7 +9566,7 @@ dertig zuilen zijn zonder wederga.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_152" id="Footnote_152"></a><a href="#FNanchor_152"><span class="label">152)</span></a> Naar den tekst bij de beroemde voorstellingen van de vier volken -(Egyptenaars, Semieten, Libiërs en Ethiopiërs) in het graf van Seti I.</p> +(Egyptenaars, Semieten, Libiërs en Ethiopiërs) in het graf van Seti I.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -9615,7 +9576,7 @@ papyrus-Ebers, uitgegeven bij W. Engelmann te Leipzig.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_154" id="Footnote_154"></a><a href="#FNanchor_154"><span class="label">154)</span></a> Door de Grieken „Hermetische boeken” genoemd. De papyrus-Ebers -is, volgens den uitgever, het geschrift, dat door Clemens van Alexandrië: +is, volgens den uitgever, het geschrift, dat door Clemens van Alexandrië: „Het boek van de artsenijen” wordt genoemd. Vrt.</p> </div> @@ -9629,22 +9590,22 @@ de menschelijke hersenen de zetel was der ziel.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_156" id="Footnote_156"></a><a href="#FNanchor_156"><span class="label">156)</span></a> In den tijd van dit verhaal hadden de Egyptenaars tweeërlei soort van -schrift: het hiëroglyphische en het hiëratische. In het eerste bestonden de +<p><a name="Footnote_156" id="Footnote_156"></a><a href="#FNanchor_156"><span class="label">156)</span></a> In den tijd van dit verhaal hadden de Egyptenaars tweeërlei soort van +schrift: het hiëroglyphische en het hiëratische. In het eerste bestonden de letters uit concrete voorwerpen, mathematische of vrij uitgedachte figuren. Het werd gewoonlijk op de gedenkteekenen gebruikt. Met het laatste schreef -men meestal op papyrus. In dit schrift zijn de afbeeldingen der hiëroglyphen +men meestal op papyrus. In dit schrift zijn de afbeeldingen der hiëroglyphen zoo gewijzigd en afgekort, om des te sneller te kunnen schrijven, dat men de oorspronkelijke teekens er slechts onduidelijk in herkennen kan. In -de achtste eeuw ontstond eene nog verdere verkorting van het hiëratisch +de achtste eeuw ontstond eene nog verdere verkorting van het hiëratisch schrift, die men het demotisch of volksschrift noemde. Terwijl het -hiëroglyphen- en het hiëratisch schrift in het oude heilige dialect werd +hiëroglyphen- en het hiëratisch schrift in het oude heilige dialect werd geschreven, bezigde men de demotische letterteekens alleen om de taal -te schrijven, die door het volk werd geschreven. Zie Em. de Rougé, -<cite>Chrestomathie égyptienne</cite>; H. Brugsch <cite>Hieroglyphische +te schrijven, die door het volk werd geschreven. Zie Em. de Rougé, +<cite>Chrestomathie égyptienne</cite>; H. Brugsch <cite>Hieroglyphische Grammatik</cite>; Le Page Renouf, <cite>Hieroglyphicial grammar</cite>; Ebers, <cite>Ueber das hieroglyphische Schriftsystem</cite>, -2 Aufl. 1875 in de <cite>Vorträge</cite>, door Virchow en Holtzendorf +2 Aufl. 1875 in de <cite>Vorträge</cite>, door Virchow en Holtzendorf uitgegeven.</p> </div> @@ -9674,51 +9635,51 @@ thans had neergezet. Hij was bijzonder op dat plaatsje gesteld, omdat het hem van die hoogte alleen mogelijk was zijne meesteres en andere volwassene menschen in de oogen te zien.</p> -<p>»O wanneer gij mij bedrogen, mij misleid hebt!” zeide Katoeti +<p>»O wanneer gij mij bedrogen, mij misleid hebt!” zeide Katoeti met dreigende gebaren, toen zij zijn zetel voorbijkwam.</p> -<p>»Sla mij dan aan een haak en hengel met mij naar een +<p>»Sla mij dan aan een haak en hengel met mij naar een krokodil. Ik voor mij ben alleen nieuwsgierig, hoe hij u het geld zal aanbieden.”</p> -<p>»Wilt gij mij andermaal zweren,” ging zijne meesteres voort, -met koortsachtige gejaagdheid, »dat ge Paäker niet in mijn naam +<p>»Wilt gij mij andermaal zweren,” ging zijne meesteres voort, +met koortsachtige gejaagdheid, »dat ge Paäker niet in mijn naam verzocht hebt ons te redden?”</p> -<p>»Ik zweer u duizend eeden!” zeide de kleine man. »Moet ik +<p>»Ik zweer u duizend eeden!” zeide de kleine man. »Moet ik u ons gesprek van gisteren nog eens vertellen? Ik zeg u dat hij zelfs zijne landerijen en zijn huis met de hooge poort zou geven, -voor éen vriendelijken blik uit Nefert’s oogen.”</p> +voor éen vriendelijken blik uit Nefert’s oogen.”</p> -<p>»Indien Mena haar wilde lief hebben als hij!” zuchtte Katoeti, +<p>»Indien Mena haar wilde lief hebben als hij!” zuchtte Katoeti, en zwijgend zette zij hare wandeling voort, terwijl de dwerg naar den ingang van den tuin zat te kijken. Plotseling bleef zij voor Nemoe staan, en zeide op zulk een somberen toon, dat Nemoe -eene koude rilling door de leden voer: »Ik wenschte dat zij +eene koude rilling door de leden voer: »Ik wenschte dat zij weduwe was.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_197" id="Page_197">[197]</a></span></p> <p>De dwerg maakte eene beweging met zijne hand, als moest hij zich verbergen voor een boozen blik. Doch gelijktijdig liet hij zich -van zijn voetstuk op den grond zakken, roepende: »Daar houdt +van zijn voetstuk op den grond zakken, roepende: »Daar houdt een wagen stil, en ik hoor het zwaar geblaf van zijn dog. Hij is het! Zal ik Nefert roepen?”</p> -<p>»Neen!” zeide Katoeti zacht, en greep de leuning van een +<p>»Neen!” zeide Katoeti zacht, en greep de leuning van een stoel, als had zij een steun noodig.</p> <p>De dwerg haalde de schouders op en kroop achter een groep -bladplanten weg. Eenige minuten later stond Paäker voor zijne +bladplanten weg. Eenige minuten later stond Paäker voor zijne meesteres, die den Mohar kalm en zich bewust van hare waardigheid ontving. Geen trek op haar fijnbesneden gelaat verried de onrust van haar binnenste. Nadat de gids haar begroet had, zeide -zij met neerbuigende vriendelijkheid: »Ik dacht wel dat gij komen +zij met neerbuigende vriendelijkheid: »Ik dacht wel dat gij komen zoudt. Neem plaats! Uw hart is gelijk aan dat uws vaders. Nu gij u weder verzoend hebt met ons, toont gij geheel en al een vriend te zijn.”</p> -<p>Paäker was gekomen, om zijne tante de geldsom aan te bieden, +<p>Paäker was gekomen, om zijne tante de geldsom aan te bieden, die zij noodig had tot lossing van de mummie haars mans. Hij was lang met zichzelf in strijd geweest, of hij dit niet liever aan zijne moeder zou overlaten. Maar deels een inwendige @@ -9757,26 +9718,26 @@ ontvangen. De schoone vrouw van Mena was echter afwezig, en Katoeti liet haar niet roepen, ook niet nadat hij naar haar welstand had gevraagd. De weduwe ging hem geen schrede te gemoet, en er verliep een geruime tijd met onverschillige gesprekken, -tot Paäker haar op eens mededeelde: dat hij van de +tot Paäker haar op eens mededeelde: dat hij van de onverantwoordelijke daad haars zoons gehoord en besloten had, haar en haar huis, als de naaste bloedverwanten zijner moeder, voor eerloosheid te bewaren.</p> -<p>Katoeti hield deze lompheid voor oprechtheid, vergaf Paäker +<p>Katoeti hield deze lompheid voor oprechtheid, vergaf Paäker zijne thans al zeer weinig gepaste pronkzucht, en dankte hem in waardige, maar toch hartelijke woorden, meer nog om den wil harer kinderen dan om haar zelve, want van genen begon het leven pas, gelijk zij zeide, dat voor haar reeds was afgesloten.</p> -<p>»Gij zijt nog in uwe goede jaren,” zeide Paäker.</p> +<p>»Gij zijt nog in uwe goede jaren,” zeide Paäker.</p> -<p>»Misschien in de beste,” antwoordde de weduwe, »ten minste +<p>»Misschien in de beste,” antwoordde de weduwe, »ten minste voor mij, die het leven als eene taak, eene zware taak beschouw.”</p> -<p>»Het besturen van een goed, met zooveel schulden bezwaard, +<p>»Het besturen van een goed, met zooveel schulden bezwaard, zal u zorgvolle uren geven, dat geloof ik wel.”</p> -<p>Katoeti boog toestemmend het hoofd en zeide treurig: »Dat +<p>Katoeti boog toestemmend het hoofd en zeide treurig: »Dat alles zou nog wel te dragen zijn, wanneer ik niet gedoemd ware het arme kind jammerlijk te zien verkwijnen, zonder het te kunnen helpen of raden. Er was een tijd, dat gij haar gaarne @@ -9792,7 +9753,7 @@ hebt gij de verloving verbroken?’ En uw oprechte zin antwoordt: dat gij haar een beter lot zoudt hebben bereid.”</p> <p>Bij deze woorden vatte de weduwe de hand van haar neef en -ging met klimmende warmte voort: »Heden hebben wij u leeren +ging met klimmende warmte voort: »Heden hebben wij u leeren kennen als den grootmoedigsten man in Thebe, want het onvergeeflijk onrecht u aangedaan, hebt gij met ongehoorde weldaden vergolden. Als knaap reeds waart gij ons lief en waard. @@ -9801,15 +9762,15 @@ gehandeld heeft zoolang hij leefde, is mij heilig en dierbaar geweest,<span clas en liever had ik mijzelve dan uwe goede moeder, mijne zuster, smarten veroorzaakt. Ik bewaarde mijn kind en voedde het op met alle zorgvuldigheid voor den jongen held, die in -het verre Azië zijne dapperheid toonde, voor u en u alleen. +het verre Azië zijne dapperheid toonde, voor u en u alleen. Daar stierf uw vader, en ik verloor in hem mijn raadsman, mijn beschermer.”</p> -<p>»Ik weet alles,” viel Paäker haar in de rede en zag somber +<p>»Ik weet alles,” viel Paäker haar in de rede en zag somber naar den grond.</p> -<p>»Wie kan het u dan verteld hebben?” vroeg de weduwe. -»Want uwe moeder heeft, nadat gebeurd was wat niemand +<p>»Wie kan het u dan verteld hebben?” vroeg de weduwe. +»Want uwe moeder heeft, nadat gebeurd was wat niemand had kunnen gelooven, mij haar huis verboden en haar oor voor mij gesloten. De koning zelf deed aanzoek voor Mena, die hem nader aan het hart ligt dan zijn zoon. Toen ik sprak van uwe @@ -9821,47 +9782,47 @@ hoevele wonden werden hem geslagen in zijn dienst! Om den wil uws vaders had hij u zulk een smaad, zulk een leed moeten sparen.”</p> -<p>»En heb ikzelf hem ook gediend, of niet?” vroeg Paäker, en +<p>»En heb ikzelf hem ook gediend, of niet?” vroeg Paäker, en zijne wangen kleurden zich donkerrood.</p> -<p>»Hij kende u nog weinig,” antwoordde Katoeti op verontschuldigenden +<p>»Hij kende u nog weinig,” antwoordde Katoeti op verontschuldigenden toon. Daarop gaf zij weder eene andere buiging aan -haar stem, en vroeg deelnemend: »Waarmede hebt gij in die +haar stem, en vroeg deelnemend: »Waarmede hebt gij in die dagen, — gij waart nog zoo jong, — toch zijne ontevredenheid gaande gemaakt, zijn afkeer, ja zijne....”</p> -<p>»Wat?” vroeg de gids, en hij beefde over al zijne leden.</p> +<p>»Wat?” vroeg de gids, en hij beefde over al zijne leden.</p> -<p>»Zwijgen wij daarover,” ging de weduwe voort, om het zooeven -gezegde te vergoeilijken. »De genade en ongenade eens +<p>»Zwijgen wij daarover,” ging de weduwe voort, om het zooeven +gezegde te vergoeilijken. »De genade en ongenade eens konings zijn gelijk aan die der godheid. Men mag er zich in verheugen of men moet er zich voor buigen.”</p> -<p>»Waardoor dan toch heb ik Ramses reden gegeven tot ontevredenheid -en afkeer? Ik wil het weten!” riep Paäker, met +<p>»Waardoor dan toch heb ik Ramses reden gegeven tot ontevredenheid +en afkeer? Ik wil het weten!” riep Paäker, met klimmende heftigheid.</p> -<p>»Gij maakt mij bang,” zeide de weduwe, trachtende hem neer -te zetten. »Misschien stelde hij zich met uwe vernedering wel +<p>»Gij maakt mij bang,” zeide de weduwe, trachtende hem neer +te zetten. »Misschien stelde hij zich met uwe vernedering wel ten doel zijn gunsteling in Nefert’s oogen te verheffen.”</p> -<p>»Wat heeft hij gezegd?” riep de gids weder, en het klamme +<p>»Wat heeft hij gezegd?” riep de gids weder, en het klamme zweet droop hem van het bruine voorhoofd. Men zag niet anders dan het wit zijner rollende oogen.</p> <p>Katoeti week voor hem terug, maar hij achtervolgde haar, -greep haar aan en vroeg met heesche stem: »Wat heeft hij +greep haar aan en vroeg met heesche stem: »Wat heeft hij gezegd?”</p> -<p>»Paäker,” zeide de weduwe op klagenden en verwijtenden toon,<span class="pagenum"><a name="Page_200" id="Page_200">[200]</a></span> -»laat mij los! Het is in uw eigen belang, dat ik de woorden +<p>»Paäker,” zeide de weduwe op klagenden en verwijtenden toon,<span class="pagenum"><a name="Page_200" id="Page_200">[200]</a></span> +»laat mij los! Het is in uw eigen belang, dat ik de woorden verzwijg, waarmede Ramses trachtte Nefert’s hart van u afkeerig te maken. Laat mij los, en bedenkt met wie gij spreekt!”</p> -<p>Doch Paäker omklemde haar arm te vaster met zijn hand, +<p>Doch Paäker omklemde haar arm te vaster met zijn hand, en herhaalde zijne vraag telkens dringender.</p> -<p>»Schaam u!” riep Katoeti. »Gij doet mij pijn. Laat mij los! — Gij +<p>»Schaam u!” riep Katoeti. »Gij doet mij pijn. Laat mij los! — Gij wilt niet, voor dat gij weet wat hij zeide! Welaan uw wil zal geschieden. Maar enkel gedwongen komen deze woorden over mijne lippen. Hij zeide dat, indien hij niet wist dat uwe @@ -9869,10 +9830,10 @@ moeder Setchem eene brave vrouw was, hij u niet voor een zoon uws vader zou houden, daar gij hem zoo weinig gelijkt als een uil een adelaar.”</p> -<p>Paäker liet oogenblikkelijk de hand van de arme weduwe los, -en zijne bleeke lippen prevelden: »Zoo — zoo — — — ”</p> +<p>Paäker liet oogenblikkelijk de hand van de arme weduwe los, +en zijne bleeke lippen prevelden: »Zoo — zoo — — — ”</p> -<p>»Nefert heeft u verdedigd, en ik deed het met haar, doch +<p>»Nefert heeft u verdedigd, en ik deed het met haar, doch vruchteloos. Weeg dat harde woord niet te zwaar. Uw vader was een man zonder wederga, en Ramses vergeet niet, dat wij verwant zijn aan het oude koningshuis. Zijn grootvader, zijn @@ -9880,10 +9841,10 @@ vader en hij zijn parvenu’s en er leeft nog iemand, die beter aanspraak kan doen gelden op den troon der pharao’s dan hij.”</p> -<p>»De stadhouder Ani!” zeide Paäker met vaste stem.</p> +<p>»De stadhouder Ani!” zeide Paäker met vaste stem.</p> <p>Katoeti gaf een teeken van toestemming, naderde den gids en -zeide zacht: »Ik geef mij in uwe handen, ofschoon ik weet dat +zeide zacht: »Ik geef mij in uwe handen, ofschoon ik weet dat gij ze tegen mij opheffen kunt. Gij zijt echter mijn natuurlijke bondgenoot; want dezelfde daad van Ramses, die u onteerde, heeft mij deelgenoote gemaakt van de plannen des stadhouders. @@ -9898,20 +9859,20 @@ waarvoor de goden hem bestemd hebben. De dienaars der hemelsche goden, de priesters, zijn ons genegen. Wij hebben...”</p> <p>Op dit oogenblik kwam er beweging in den tuin. Een slaaf -stoof buiten adem den voorhof binnen en riep: »De stadhouder +stoof buiten adem den voorhof binnen en riep: »De stadhouder houdt stil voor de poort!”</p> -<p>Paäker stond als bedwelmd, doch spoedig kwam hij tot bezinning +<p>Paäker stond als bedwelmd, doch spoedig kwam hij tot bezinning en wilde zich verwijderen. Katoeti hield hem echter terug, -zeggende: »Ik ga Ani te gemoet; hij zal zich verblijden u te zien, +zeggende: »Ik ga Ani te gemoet; hij zal zich verblijden u te zien, want hij acht u hoog en was een vriend uws vaders.”</p> <p>Nauwelijks had Katoeti de galerij verlaten, of de dwerg Nemoe -trad achter de bladplanten te voorschijn, ging vlak voor Paäker<span class="pagenum"><a name="Page_201" id="Page_201">[201]</a></span> -staan en vroeg onbeschaamd: »Welnu, heb ik u gisteren goed +trad achter de bladplanten te voorschijn, ging vlak voor Paäker<span class="pagenum"><a name="Page_201" id="Page_201">[201]</a></span> +staan en vroeg onbeschaamd: »Welnu, heb ik u gisteren goed ingelicht, of niet?”</p> -<p>Doch Paäker antwoordde niet; hij schoof het manneke met zijn +<p>Doch Paäker antwoordde niet; hij schoof het manneke met zijn voet op zij, en liep peinzend op en neer.</p> <hr class="l3" /> @@ -9922,124 +9883,124 @@ van verre met eene beweging van de andere, waaruit genoeg bleek, dat hij eene blijde tijding kwam brengen. De weduwe beschouwde haar vriend met bewondering; het kwam haar voor dat hij kloeker en jeugdiger was geworden, sedert zij hem het laatst -had gezien. »Heil u,” riep zij hem half vertrouwelijk, half eerbiedig +had gezien. »Heil u,” riep zij hem half vertrouwelijk, half eerbiedig toe, waarbij zij hare handen met ontzag voor hem ophief, als droeg hij reeds de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte. -»Hebt gij het negental goden ontmoet<a name="FNanchor_158" id="FNanchor_158"></a><a href="#Footnote_158" class="fnanchor">158)</a> of hebben de +»Hebt gij het negental goden ontmoet<a name="FNanchor_158" id="FNanchor_158"></a><a href="#Footnote_158" class="fnanchor">158)</a> of hebben de Hathors u in den slaap gekust? Dit is een heldere, een geluksdag; dat lees ik in uwe trekken.”</p> -<p>»Gij verstaat u op het uitleggen van schrift en teekenen!” -gaf Ani vroolijk maar tevens waardig ten antwoord. »Nu, lees +<p>»Gij verstaat u op het uitleggen van schrift en teekenen!” +gaf Ani vroolijk maar tevens waardig ten antwoord. »Nu, lees dan ook deze boodschap!”</p> <p>Katoeti nam de papyrus-rol, die hij haar toereikte, doorlas den -inhoud, en gaf haar daarna terug, zeggende: »De door u uitgeruste +inhoud, en gaf haar daarna terug, zeggende: »De door u uitgeruste troepen hebben de legerscharen der verbondene Koeschiten<a name="FNanchor_159" id="FNanchor_159"></a><a href="#Footnote_159" class="fnanchor">159)</a> geslagen, en brengen hunne gevangen vorsten met onmetelijke schatten en wel tienduizend krijgsgevangenen naar Thebe! Den goden zij dank!”</p> -<p>»En bovenal dank,” voegde Ani er bij, »omdat de veldheer +<p>»En bovenal dank,” voegde Ani er bij, »omdat de veldheer Scheschenk, mijn zoogbroeder en vriend, behouden en ongewond onze krijgers terugvoert. Ik geloof, Katoeti, dat onze droombeelden heden vleesch en bloed beginnen te krijgen.”</p> -<p>»Zij wassen op tot helden!” riep de weduwe. »En uzelven, +<p>»Zij wassen op tot helden!” riep de weduwe. »En uzelven, mijn gebieder, heeft de adem der godheid aangeblazen. Als een echte zoon van Ra wandelt gij hier naast mij. De moed van<span class="pagenum"><a name="Page_202" id="Page_202">[202]</a></span> Menth<a name="FNanchor_160" id="FNanchor_160"></a><a href="#Footnote_160" class="fnanchor">160)</a> straalt uit uwe oogen, en om uw mond zweeft het lachje van den overwinnenden Horus<a name="FNanchor_161" id="FNanchor_161"></a><a href="#Footnote_161" class="fnanchor">161)</a>.”</p> -<p>»Geduld, geduld, mijne vriendin!” sprak Ani, ten einde den -ijver der weduwe wat te matigen. »Thans is het meer dan ooit +<p>»Geduld, geduld, mijne vriendin!” sprak Ani, ten einde den +ijver der weduwe wat te matigen. »Thans is het meer dan ooit noodig vast te houden aan mijne oude grondstelling, om de kracht van mijne tegenpartij hooger en mijne eigene geringer te schatten, dan zij het verdienen. Nooit is mij iets gelukt, als -ik de uitkomst zeker verwachtte, veel daarentegen wèl, waarvan +ik de uitkomst zeker verwachtte, veel daarentegen wèl, waarvan ik vreesde dat het stellig mislukken zou. Wij zijn nog ter nauwernood aan het begin van hetgeen wij hopen.”</p> -<p>»Maar evenals een ongeluk, zoo komt ook het goede nooit +<p>»Maar evenals een ongeluk, zoo komt ook het goede nooit alleen,” voegde Katoeti er bij.</p> -<p>»Dat ben ik volmaakt met u eens,” zeide Ani. »Ik meen opgemerkt +<p>»Dat ben ik volmaakt met u eens,” zeide Ani. »Ik meen opgemerkt te hebben, dat de gebeurtenissen in het leven altijd paarsgewijze optreden. Elk ongeluk heeft zijn metgezel, evenals elk geluk. Kunt gij mij eene tweede overwinning berichten?”</p> -<p>»Vrouwen winnen geen veldslagen,” hernam de weduwe -lachend, »maar zij werven vrienden, en ik heb een machtig +<p>»Vrouwen winnen geen veldslagen,” hernam de weduwe +lachend, »maar zij werven vrienden, en ik heb een machtig bondgenoot gewonnen!”</p> -<p>»Eene godheid of een leger?” vroeg de stadhouder.</p> +<p>»Eene godheid of een leger?” vroeg de stadhouder.</p> -<p>»Iets tusschen beiden,” gaf zij ten antwoord. »Paäker, de +<p>»Iets tusschen beiden,” gaf zij ten antwoord. »Paäker, de koninklijke gids, heeft zich aan onze zijde geschaard. Hoor!” En hierop vertelde zij den stadhouder de geschiedenis van de liefde en den haat van haar neef.</p> <p>Ani luisterde zwijgend toe en zeide toen met eene uitdrukking -van onrust en bezorgdheid: »Deze man is een dienaar van +van onrust en bezorgdheid: »Deze man is een dienaar van Ramses en zal weldra weder tot hem in het leger terugkeeren. Menigeen mag onze plannen vermoeden, maar deze nieuwe deelgenoot van ons geheim zou een verrader kunnen worden. Gij dringt en drijft mij ontijdig voorwaarts! Duizend weltoegeruste vijanden zijn minder gevaarlijk, dan een onzekere bondgenoot...”</p> -<p>»Van Paäker kunnen wij zeker zijn,” zeide Katoeti op stelligen +<p>»Van Paäker kunnen wij zeker zijn,” zeide Katoeti op stelligen toon.</p> -<p>»Wie staat u voor hem borg?” vroeg de stadhouder.</p> +<p>»Wie staat u voor hem borg?” vroeg de stadhouder.</p> -<p>»Hij zal geheel in uwe handen worden overgeleverd,” antwoordde -Katoeti ernstig. »Mijn slimme dwerg Nemoe weet, dat +<p>»Hij zal geheel in uwe handen worden overgeleverd,” antwoordde +Katoeti ernstig. »Mijn slimme dwerg Nemoe weet, dat hij in het geheim een misdaad heeft gepleegd, waarop bij de wet de doodstraf is gesteld.”</p> <p>Het gelaat van den stadhouder klaarde op, nu hij op deze -wijze werd gerustgesteld. »Dat verandert de zaak,” zeide hij. -»Heeft hij een moord begaan?”</p> +wijze werd gerustgesteld. »Dat verandert de zaak,” zeide hij. +»Heeft hij een moord begaan?”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_203" id="Page_203">[203]</a></span></p> -<p>»Neen,” antwoordde Katoeti. »De dwerg heeft mij bezworen, +<p>»Neen,” antwoordde Katoeti. »De dwerg heeft mij bezworen, dat hij u en u alleen zou mededeelen wat hij weet. Gij kunt gerust op hem staatmaken.”</p> -<p>»Goed goed,” zeide Ani, bedenkelijk het hoofd schuddende; -»maar hij is onvoorzichtig, veel te onvoorzichtig! Gij zijt als de +<p>»Goed goed,” zeide Ani, bedenkelijk het hoofd schuddende; +»maar hij is onvoorzichtig, veel te onvoorzichtig! Gij zijt als de ruiters, die om eene weddenschap te winnen hun paard een sprong over lansen laten doen. Valt het in de scherpe punten, zoo wordt dit dier het slachtoffer! Gij laat het liggen en vervolgt uwen weg te voet.”</p> -<p>»Of wij worden tegelijk met het edele ros door de lansen doorboord,” -zeide Katoeti ernstig. »Gij hebt meer te winnen en daarom +<p>»Of wij worden tegelijk met het edele ros door de lansen doorboord,” +zeide Katoeti ernstig. »Gij hebt meer te winnen en daarom ook meer te verliezen dan wij; maar ook de kleinste heeft zijn leven lief. Behoef ik u verder te zeggen, Ani, dat ik niet voor u werk, om door u iets te winnen, maar alleen omdat ge mij dierbaar zijt als een broeder, en ik in u den vertegenwoordiger zie van de vertreden rechten mijner voorvaderen?”</p> -<p>Ani reikte haar de hand en zeide: »Gij hebt ook met Bent-Anat +<p>Ani reikte haar de hand en zeide: »Gij hebt ook met Bent-Anat als mijne vriendin gesproken? — Begrijp ik uw zwijgen goed?”</p> <p>Katoeti boog met het hoofd, terwijl haar gelaat eene smartelijke -uitdrukking aannam. Ani zeide echter: »Gisteren zou mij dit bewogen +uitdrukking aannam. Ani zeide echter: »Gisteren zou mij dit bewogen hebben van haar af te zien, maar heden heb ik weder moed gekregen. Als de Hathors mij bijstaan, zal ik haar nog wel voor mij kunnen winnen!”</p> <p>Na deze woorden liep hij de weduwe vooruit naar de galerij, -waar Paäker nog steeds onrustig op en neder wandelde. De +waar Paäker nog steeds onrustig op en neder wandelde. De gids boog zich diep voor den stadhouder, die zijn groet met eene deels trotsche, deels vriendelijke beweging van zijne hand beantwoordde. Toen hij zich op een leuningstoel had nedergevleid, -heette hij Paäker welkom, als den zoon van een gestorven vriend -en een bloedverwant van zijn huis. »De geheele wereld,” zeide -hij, »roemt uwe onverschrokken dapperheid. Mannen gelijk gij +heette hij Paäker welkom, als den zoon van een gestorven vriend +en een bloedverwant van zijn huis. »De geheele wereld,” zeide +hij, »roemt uwe onverschrokken dapperheid. Mannen gelijk gij zijn er niet veel, en mij ontbreken zij geheel. Ik wenschte wel dat ge mij nader stondt. Maar Ramses zal u niet willen missen ofschoon — ofschoon —. Evenwel, uw ambt is tweeledig; het @@ -10050,49 +10011,49 @@ eene stevige vuist, maar het laatste teedere vingers. De koning had vroeger op uwe berichten nog al wat aan te merken; is hij thans beter over u tevreden?”</p> -<p>»Ik wil het hopen,” antwoordde de gids. »Mijn broeder +<p>»Ik wil het hopen,” antwoordde de gids. »Mijn broeder Horus is een geoefend schrijver en vergezelt mij op mijne tochten.”</p> -<p>»Dat is het ware!” zeide de stadhouder. »Als ik te bevelen<span class="pagenum"><a name="Page_204" id="Page_204">[204]</a></span> +<p>»Dat is het ware!” zeide de stadhouder. »Als ik te bevelen<span class="pagenum"><a name="Page_204" id="Page_204">[204]</a></span> had, dan zou ik uwe manschappen driemaal verdubbelen: dan gaf ik u vier, vijf, zes schrijvers mede, waarover gij onbepaald zoudt kunnen bevelen. Aan dezen zoudt gij overvloedig stof kunnen leveren voor de berichten, die moeten worden ingezonden. Uw ambt vordert moed en omzichtigheid, en men vindt -deze eigenschappen zelden in éen persoon vereenigd. Schrijfhelden +deze eigenschappen zelden in éen persoon vereenigd. Schrijfhelden zijn er bij honderden in de tempels te vinden.”</p> -<p>»Dat denk ik ook wel,” zeide Paäker.</p> +<p>»Dat denk ik ook wel,” zeide Paäker.</p> <p>Ani staarde peinzend naar den grond, en zeide vervolgens: -»Ramses schijnt er bijzonder op gesteld u altijd met uw vader +»Ramses schijnt er bijzonder op gesteld u altijd met uw vader te vergelijken. Dat is onbillijk, want de gezaligde was eenig in zijn soort, de dapperste held en tegelijkertijd de fijnste schrijver. Gij wordt valsch beoordeeld, en dat doet mij leed, ja meer dan dat, want door uwe moeder zijt gij verwant aan mijne wel is waar arme, maar toch hoog aanzienlijke familie. Wij zullen zien, of ik u kan stellen op de plaats, die juist voor u het meest geschikt -is. Voorloopig heeft men u in Syrië nog noodig, later trekt gij +is. Voorloopig heeft men u in Syrië nog noodig, later trekt gij u, omdat het niet anders zijn kan naar den wil der eeuwige goden, op uw erfgoed terug. Gij hebt getoond een man te zijn, die den dood niet vreest en weet te dienen, en moogt uw rijkdom met uwe vrouw dus veilig genieten.”</p> -<p>»Ik heb echter geene vrouw,” zeide Paäker.</p> +<p>»Ik heb echter geene vrouw,” zeide Paäker.</p> -<p>»Laat dan Katoeti,” hernam de stadhouder met een glimlach, -»wanneer gij terugkeert, het schoonste meisje in het land voor +<p>»Laat dan Katoeti,” hernam de stadhouder met een glimlach, +»wanneer gij terugkeert, het schoonste meisje in het land voor u uitzoeken. Zij ziet dagelijks in den spiegel, en heeft dus een scherp oog voor vrouwelijke bekoorlijkheid.”</p> -<p>Dit gezegd hebbende stond Ani op, groette Paäker met buitengewone +<p>Dit gezegd hebbende stond Ani op, groette Paäker met buitengewone vriendelijkheid, gaf de weduwe zijne hand en zeide, terwijl -hij de galerij verliet: »Zend mij heden nog het.... ja het doek +hij de galerij verliet: »Zend mij heden nog het.... ja het doek door den dwerg Nemoe!”</p> <p>Toen hij al in den tuin was, keerde hij zich nog eens om en -riep Paäker toe: »Heden avond komen eenige vrienden bij mij +riep Paäker toe: »Heden avond komen eenige vrienden bij mij eten, ik noodig u uit van de partij te zijn!”</p> <p>De gids boog. Hij had een duister vermoeden, dat hij door @@ -10114,7 +10075,7 @@ voor de stilzwijgendheid van een tweede. Toen zijn broeder Horus groot was geworden, volgde deze hem als zijn gehoorzame dienaar, ook nog nadat hij eene vrouw had genomen, die in Thebe bij hunne moeder Setchem met haar kindje achterbleef. Op -dit oogenblik bekleedde hij in Syrië Paäkers plaats, slecht zooals +dit oogenblik bekleedde hij in Syrië Paäkers plaats, slecht zooals de gids meende, ofschoon hij vele bewijzen van goedkeuring ontving. Want hoe onbeduidend overigens, wist hij gladde taal vaardig te schrijven.</p> @@ -10132,7 +10093,7 @@ door geen twijfel geschokte zekerheid, hoopte hij op het bezit van Nefert. De goden stonden diep bij hem in schuld! Hoeveel opoffering had hij zich niet voor hen getroost, en hoe luttel waren de weldaden, die zij hem bewezen hadden! Hij kende maar -éene vergoeding voor zijn verwoest levensgeluk, en daarop meende +éene vergoeding voor zijn verwoest levensgeluk, en daarop meende hij zoo zeker te kunnen rekenen, als op een kapitaal, dat hij tegen goede schuldbekentenissen had uitgezet. In deze ure vergalden bittere ervaringen de zoete hoop, waarmede hij zich had gevleid, @@ -10146,32 +10107,32 @@ gedachte te vinden, geen aanslag te verzinnen.</p> deed hem ontwaken uit zijn somber gepeins. Op eens herinnerde hij zich waar hij zich bevond, en zoowel het gesprek dat hij met de moeder zijner geliefde gevoerd, als het woord dat zij tot hem -gezegd had. Zeker, zij verstond de kunst mannen te leiden. »Zoo -moge zij dan voor mij denken,” prevelde hij in zichzelf; »de uitvoering +gezegd had. Zeker, zij verstond de kunst mannen te leiden. »Zoo +moge zij dan voor mij denken,” prevelde hij in zichzelf; »de uitvoering is mijne zaak.”</p> -<p>Langzaam ging hij naar haar toe en zeide: »Het blijft daarbij: +<p>Langzaam ging hij naar haar toe en zeide: »Het blijft daarbij: wij zijn bondgenooten.”</p> -<p>»Tegen Ramses en voor Ani,” antwoordde zij, hem hare tengere +<p>»Tegen Ramses en voor Ani,” antwoordde zij, hem hare tengere rechterhand toestekende.</p> -<p>»Binnen weinige dagen breek ik op naar Syrië; gij kunt onderwijl<span class="pagenum"><a name="Page_206" id="Page_206">[206]</a></span> +<p>»Binnen weinige dagen breek ik op naar Syrië; gij kunt onderwijl<span class="pagenum"><a name="Page_206" id="Page_206">[206]</a></span> overleggen welken last gij mij hebt op te dragen. Het geld voor uw zoon zal heden nog na zonsondergang bij u nedergelegd worden. Kan ik Nefert mijn groet brengen?”</p> -<p>»Op dit oogenblik niet, want zij is in den tempel om te +<p>»Op dit oogenblik niet, want zij is in den tempel om te bidden.”</p> -<p>»Morgen dan?”</p> +<p>»Morgen dan?”</p> -<p>»Gaarne, mijn lieve vriend! Het zal haar verblijden u te zien +<p>»Gaarne, mijn lieve vriend! Het zal haar verblijden u te zien en u te danken.”</p> -<p>»Vaarwel Katoeti!”</p> +<p>»Vaarwel Katoeti!”</p> -<p>»Noem mij moeder,” zeide de weduwe, en zond den vertrekkende +<p>»Noem mij moeder,” zeide de weduwe, en zond den vertrekkende nog een groet met haar sluier achterna.</p> <div class="footnotes"> @@ -10184,7 +10145,7 @@ goden aan den eenzamen Batoe, en scheppen hem eene vrouw.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_159" id="Footnote_159"></a><a href="#FNanchor_159"><span class="label">159)</span></a> Ethiopiërs.</p> +<p><a name="Footnote_159" id="Footnote_159"></a><a href="#FNanchor_159"><span class="label">159)</span></a> Ethiopiërs.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -10204,32 +10165,32 @@ goden aan den eenzamen Batoe, en scheppen hem eene vrouw.</p> <hr class="l4" /> -<p>Zoodra Paäker achter de struiken verdwenen was, sloeg Katoeti +<p>Zoodra Paäker achter de struiken verdwenen was, sloeg Katoeti op eene metalen schijf. Dadelijk verscheen er eene slavin, aan welke zij vroeg, of Nefert al uit den tempel was teruggekeerd.</p> -<p>»Haar draagstoel hield zooeven stil bij de achterpoort,” luidde +<p>»Haar draagstoel hield zooeven stil bij de achterpoort,” luidde het antwoord.</p> -<p>»Ik wacht haar hier,” beval de weduwe.</p> +<p>»Ik wacht haar hier,” beval de weduwe.</p> <p>De slavin verwijderde zich en eenige minuten later kwam Nefert de galerij binnen.</p> -<p>»Gij hebt mij geroepen,” zeide zij, na hare moeder gegroet en -zich op haar rustbed nedergevlijd te hebben. »Ik ben moede. +<p>»Gij hebt mij geroepen,” zeide zij, na hare moeder gegroet en +zich op haar rustbed nedergevlijd te hebben. »Ik ben moede. Neem den waaier, Nemoe, en weer de vliegen van mij af!”</p> <p>De dwerg zette zich voor haar op een kussen neder en begon den waaier, gevormd door struisvederen in een halvemaan gerangschikt, op en neder te bewegen. Doch Katoeti belette hem -voort te gaan, zeggende: »Laat dat nu, wij hebben elkaar +voort te gaan, zeggende: »Laat dat nu, wij hebben elkaar alleen te spreken.”</p> <p>Nemoe haalde de schouders op en stond weder op. Nefert zag echter hare moeder aan met een blik, waaraan deze geen weerstand kon bieden, en zeide op zulk een weeken toon, als hing -er haar geluk of ongeluk van af: »Laat hem begaan. De vliegen +er haar geluk of ongeluk van af: »Laat hem begaan. De vliegen hinderen mij zoo. Nemoe kan toch zwijgen.” Daarbij vatte zij het groote hoofd van den kleinen man tusschen hare handen, alsof het de kop van een schoothondje was. Toen riep zij de witte @@ -10238,32 +10199,32 @@ daar met gekromden rug bleef staan, om zich door hare zachte vingers te laten streelen.</p> <p>De dwerg zag zijne meesteres vragend aan; maar deze richtte -zich tot hare dochter en zeide met nadruk: »Ik heb hoogernstige +zich tot hare dochter en zeide met nadruk: »Ik heb hoogernstige dingen met u te bespreken.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_208" id="Page_208">[208]</a></span></p> -<p>»Zoo?” vroeg de vrouw van Mena. »Maar ik kan mij toch +<p>»Zoo?” vroeg de vrouw van Mena. »Maar ik kan mij toch niet door de vliegen laten steken. Nu dan, wanneer gij het verlangt....”</p> -<p>»Laat Nemoe dan blijven,” zeide Katoeti, en er lag in haar +<p>»Laat Nemoe dan blijven,” zeide Katoeti, en er lag in haar stem iets van den toon, waarop eene kindermeid een ongezeglijk -kind zijn zin geeft. »Hij weet bovendien waarover wij te spreken +kind zijn zin geeft. »Hij weet bovendien waarover wij te spreken hebben.”</p> -<p>»Ziet gij wel!” hernam Nefert, terwijl zij den kop van haar +<p>»Ziet gij wel!” hernam Nefert, terwijl zij den kop van haar wit katje kuste en den dwerg den waaier weder in de hand gaf.</p> <p>De weduwe zag hare dochter met oprecht medelijden aan, kwam hare eene schrede nader, en gevoelde zich voor de duizendste maal verrast door den indruk van hare buitengewone bekoorlijkheid. -»Arm kind,” zuchtte zij, »hoe gaarne zou ik u het +»Arm kind,” zuchtte zij, »hoe gaarne zou ik u het schrikkelijke besparen, dat gij toch eens hooren, eens ondervinden moet. Laat nu dat kinderachtige spel met die kat; ik heb u dingen mede te deelen van vreeselijken ernst.”</p> -<p>»Spreek het maar uit,” antwoordde Nefert; »heden vrees ik +<p>»Spreek het maar uit,” antwoordde Nefert; »heden vrees ik ook het ergste niet. Mena’s gesternte, heeft de Horoscoop mij gezegd, stond midden onder het geluksteeken. In den Besa-tempel<a name="FNanchor_162" id="FNanchor_162"></a><a href="#Footnote_162" class="fnanchor">162)</a> raadpleegde ik het orakel en vernam, dat het mijn man goed @@ -10273,17 +10234,17 @@ leger behelsde niets goeds. Eergisteren avond hebt gij geweend, en gisteren zaagt ge er zoo slecht uit. Zelfs de granaten in uw haar stonden u niet.”</p> -<p>»Uw broeder,” sprak Katoeti al zuchtend, »veroorzaakt mij +<p>»Uw broeder,” sprak Katoeti al zuchtend, »veroorzaakt mij bitter verdriet, en wij zouden door hem tot eerloosheid zijn vervallen....”</p> -<p>»Wij? Tot eerloosheid?” vroeg Nefert en greep angstig naar +<p>»Wij? Tot eerloosheid?” vroeg Nefert en greep angstig naar haar katje.</p> -<p>»Uw broeder verloor bij het spel ongehoorde sommen; om ze +<p>»Uw broeder verloor bij het spel ongehoorde sommen; om ze terug te winnen, verpandde hij de mummie zijns vaders....”</p> -<p>»Verschrikkelijk!” riep Nefert. »Dan zullen wij ons tot den +<p>»Verschrikkelijk!” riep Nefert. »Dan zullen wij ons tot den koning moeten wenden! Ik zelve zal hem schrijven, en om Mena’s wil zal hij mij hooren. Ramses is groot en edel, en hij zal eene geheele familie, die hem zoo trouw aanhangt, niet tot @@ -10297,64 +10258,64 @@ waaier wat sneller te bewegen.</p> <p>Verbazing en ontevredenheid over de onnatuurlijke kalmte van hare dochter, voerden strijd in het hart van Katoeti. Doch zij<span class="pagenum"><a name="Page_209" id="Page_209">[209]</a></span> hield eene berisping op hare lippen terug, en zeide gelaten: -»Wij zijn reeds geholpen, want mijn neef Paäker, zoodra hij +»Wij zijn reeds geholpen, want mijn neef Paäker, zoodra hij vernomen had welk gevaar ons dreigde, bood zijne hulp aan, vrijwillig, zonder daartoe aangezocht te zijn, uit de goedheid van zijn hart en uit trouwe gehechtheid.”</p> -<p>»Die goede Paäker!” riep Nefert. »Hij had mij zoo lief, en gij +<p>»Die goede Paäker!” riep Nefert. »Hij had mij zoo lief, en gij weet het, moeder, hoe ik hem altijd verdedigd heb. Ongetwijfeld heeft hij thans om mijnentwil zoo grootmoedig gehandeld.”</p> <p>De jonge vrouw zeide dit lachend, en vatte haar katje weder bij den kop. Zij hield het koele snoetje van het beest tegen haar neus, liet zich door zijne groene oogen aanstaren en zeide, de -spraak van een kind nadoende: »Ziet gij wel, Miauwtje<a name="FNanchor_163" id="FNanchor_163"></a><a href="#Footnote_163" class="fnanchor">163)</a>, hoe +spraak van een kind nadoende: »Ziet gij wel, Miauwtje<a name="FNanchor_163" id="FNanchor_163"></a><a href="#Footnote_163" class="fnanchor">163)</a>, hoe goed men is voor uwe kleine meesteres?”</p> <p>Katoeti voelde zich opnieuw beleedigd door dat kinderlijk spel -harer dochter en zeide: »Ik dacht dat gij niet zoudt spelen en +harer dochter en zeide: »Ik dacht dat gij niet zoudt spelen en gekheid maken, wanneer ik zulke ernstige dingen met u bespreek. Ik heb reeds lang opgemerkt, dat het lot van het huis, waartoe gij van vaders- en moederszijde behoort, u onverschillig is geworden, en toch zult gij onder mijn dak bescherming en liefde moeten zoeken, wanneer uw echtgenoot u....”</p> -<p>»Welnu, moeder?” vroeg Nefert, terwijl zij zich oprichtte +<p>»Welnu, moeder?” vroeg Nefert, terwijl zij zich oprichtte en sneller begon adem te halen.</p> <p>Zoodra Katoeti bespeurde dat haar kind in beweging werd gebracht, gevoelde zij er berouw over, dat zij hare mededeeling niet voorzichtiger had ingeleid. Want zij had hare dochter lief en wist dat zij haar hart zou wonden. Daarom ging zij voort, op een toon -van innige deelneming: »Al schertsend hebt ge u zoo even beroemd, +van innige deelneming: »Al schertsend hebt ge u zoo even beroemd, dat de menschen goed voor u waren, en dat is waar. Gij verovert de harten geheel door uw persoon, alleen door te zijn zoo als gij zijt. Mena heeft u zeker ook hartelijk lief gehad, maar de scheiding, zegt het spreekwoord, is de vijandin van de trouw, en Mena heeft....”</p> -<p>»Wat heeft Mena?” viel Nefert andermaal hare moeder in de +<p>»Wat heeft Mena?” viel Nefert andermaal hare moeder in de rede, en daarbij trilden de vleugels van haar fijnen neus.</p> -<p>»Mena heeft,” ging Katoeti op vasten en verontwaardigden -toon voort, »de trouw en achting, die hij u verschuldigd was, +<p>»Mena heeft,” ging Katoeti op vasten en verontwaardigden +toon voort, »de trouw en achting, die hij u verschuldigd was, geschonden en met voeten getreden....”</p> -<p>»Mena?” vroeg de jonge vrouw met vlammende oogen. Zij +<p>»Mena?” vroeg de jonge vrouw met vlammende oogen. Zij wierp de kat vrij onzacht op den grond, en sprong van haar rustbed op.</p> -<p>»Ja, hij!” zeide Katoeti, zonder te aarzelen. »Uw broeder +<p>»Ja, hij!” zeide Katoeti, zonder te aarzelen. »Uw broeder schrijft, dat hij als aandeel in den buit geen zilver of goud, maar<span class="pagenum"><a name="Page_210" id="Page_210">[210]</a></span> -de schoone dochter van den vorst der Danaërs in zijne tent +de schoone dochter van den vorst der Danaërs in zijne tent heeft genomen; die eerlooze schelm!”</p> -<p>»Die eerlooze schelm!” riep Nefert, terwijl zij nog eens de +<p>»Die eerlooze schelm!” riep Nefert, terwijl zij nog eens de laatste woorden harer moeder herhaalde.</p> <p>Katoeti ging met schrik een paar schreden achteruit, want -haar zacht, lijdelijk, kinderachtig dochtertje stond daar vóor haar +haar zacht, lijdelijk, kinderachtig dochtertje stond daar vóor haar bijkans onkenbaar veranderd. Zij zag er uit als een wonderschoone wraakgodin. Hare oogen fonkelden, haar adem was gejaagd, hare leden beefden, en met buitengewone kracht en behendigheid @@ -10364,17 +10325,17 @@ rukte haar open, duwde den dwerg over den drempel, wierp de deur achter hem in ’t slot, en trad daarop met doodsbleeke lippen hare moeder tegemoet.</p> -<p>»Een eerloozen schelm hebt gij hem genoemd?” riep zij, buiten -zichzelve van toorn, met eene gedempte heesche stem. »Een +<p>»Een eerloozen schelm hebt gij hem genoemd?” riep zij, buiten +zichzelve van toorn, met eene gedempte heesche stem. »Een eerlooze schelm! Neem dat woord terug, moeder! Neem het terug, of....”</p> <p>Katoeti werd al bleeker en bleeker, en zeide, om het wat goed -te maken: »Dat woord mag hard klinken, maar hij heeft toch +te maken: »Dat woord mag hard klinken, maar hij heeft toch zijne trouwbelofte jegens u verbroken en u openlijk beschimpt.”</p> -<p>»En dat zal ik gelooven?” hernam Nefert met een honenden -lach. »Dat zal ik gelooven, omdat de schandelijke jongen dat geschreven +<p>»En dat zal ik gelooven?” hernam Nefert met een honenden +lach. »Dat zal ik gelooven, omdat de schandelijke jongen dat geschreven heeft, die zijns vaders mummie en de eer zijner familie verdobbelde; gelooven, nu de ware echte schelm het vertelt, dien een oorveeg van mijn man zou dooden? Zie mij aan, moeder! @@ -10389,20 +10350,20 @@ en Mena is oprecht. Osiris is Isis ontrouw geworden<a name="FNanchor_164" id="FN Mena mag de gunsteling zijn van duizend vrouwen, in zijne tent zal hij geen andere nemen dan mij.”</p> -<p>»Blijf dan bij deze uwe overtuiging, zoo gij wilt,” antwoordde -Katoeti bitter, »maar laat mij de mijne.”</p> +<p>»Blijf dan bij deze uwe overtuiging, zoo gij wilt,” antwoordde +Katoeti bitter, »maar laat mij de mijne.”</p> -<p>»De uwe?” vroeg Nefert, en haar wangen, zooeven rood van -verontwaardiging, werden weder bleek. »Wat gelooft gij dan? Van +<p>»De uwe?” vroeg Nefert, en haar wangen, zooeven rood van +verontwaardiging, werden weder bleek. »Wat gelooft gij dan? Van den man, die u met weldaden heeft overladen, hoort gij allerliefst het slechtste en gemeenste! Hij zou een schurk zijn? Foei,<span class="pagenum"><a name="Page_211" id="Page_211">[211]</a></span> moeder! Hoe kunt gij hem een eerloozen schelm noemen, die u met zijn goed naar welgevallen laat handelen!”</p> -<p>»Nefert!” riep Katoeti gejaagd. »Ik zal....”</p> +<p>»Nefert!” riep Katoeti gejaagd. »Ik zal....”</p> -<p>»Doe wat gij wilt,” viel de beleedigde vrouw hare moeder in -de rede, »maar werp geen smet op den grootmoedigen man, die +<p>»Doe wat gij wilt,” viel de beleedigde vrouw hare moeder in +de rede, »maar werp geen smet op den grootmoedigen man, die u niet belette zijn erfdeel ter wille van uw zoon en uwe eerzucht met schulden te bezwaren. Sedert eergisteren weet ik, dat wij niet rijk zijn. Ik heb er over nagedacht en mij afgevraagd, waar @@ -10415,24 +10376,24 @@ blijf er bij; doch weet dat dan een van ons beiden dit huis moet verlaten, gij of ik....”</p> <p>Bij deze laatste woorden barstte Nefert in hevig snikken uit. -Zij wierp zich voor haar rustbed op de knieën, verborg haar +Zij wierp zich voor haar rustbed op de knieën, verborg haar aangezicht in de kussens en snikte zonder te kunnen ophouden.</p> <p>Katoeti stond achter haar als verpletterd en radeloos. Eene huivering voer door al hare leden. Was dat haar zacht en droomerig -kind? Had ooit eene dochter gewaagd zóo tegen hare moeder +kind? Had ooit eene dochter gewaagd zóo tegen hare moeder te spreken? Was zij of was Nefert in haar recht: Deze vraag drong haar als met onweerstaanbare kracht naar het rustbed. Zij knielde naast de jonge vrouw neder, sloeg den arm om haar hals, drukte haar hoofd tegen dat van Nefert en fluisterde -smeekend: »Kind, wat zijt gij hard en wreed! Vergeef +smeekend: »Kind, wat zijt gij hard en wreed! Vergeef uwe arme beklagenswaardige moeder, en doe de maat harer ellende niet overvloeien.”</p> <p>Nefert stond op, kuste hare hand en ging zwijgend naar haar vertrek. Katoeti bleef alleen staan. Het was haar alsof de ijskoude vingers van eene doode hand haar hart omklemden, en -zij fluisterde zacht in zichzelve: »Ani heeft gelijk! Alleen dat +zij fluisterde zacht in zichzelve: »Ani heeft gelijk! Alleen dat keert zich ten goede, waarvan men zich het ergste heeft voorgesteld!”</p> <p>Zij bracht de hand aan het voorhoofd, als kon zij niet gelooven, @@ -10441,9 +10402,9 @@ in haar binnenste zeide, dat zij hare dochter volgen moest. Doch in plaats van dit te doen verzamelde zij al haar moed, om nog eens alles, wat Nefert haar voor de voeten had geworpen, in haar geheugen terug te roepen. Geen enkel woord liet zij zich ontgaan, -en toen zij ten einde was, prevelde zij: »Zij kan alles verijdelen. +en toen zij ten einde was, prevelde zij: »Zij kan alles verijdelen. Ter wille van Mena offert zij mij en de geheele wereld op. Mena -en Ramses zijn éen, en als zij bemerkt wat wij in het schild +en Ramses zijn éen, en als zij bemerkt wat wij in het schild voeren, dan verraadt zij ons ongetwijfeld. Tot hiertoe geschiedde alles onder haar oog, zonder dat zij er iets van gewaar werd,<span class="pagenum"><a name="Page_212" id="Page_212">[212]</a></span> maar heden is haar een licht opgegaan; een oog, een mond, een @@ -10456,39 +10417,39 @@ bewaakster worden en mijn rechter.”</p> binnenste vernam ze. Omdat zij de stem, die haar dit toefluisterde, vreesde en de eenzaamheid haar beangstigde, riep zij den dwerg, en beval hem den draagstoel gereed te laten maken, daar zij den -tempel wilde bezoeken en de gewonden, die uit Syrië herwaarts +tempel wilde bezoeken en de gewonden, die uit Syrië herwaarts waren gezonden.</p> -<p>»En het doek van den stadhouder?” vroeg Nemoe.</p> +<p>»En het doek van den stadhouder?” vroeg Nemoe.</p> -<p>»Was een voorwendsel” antwoordde Katoeti. »Hij verlangt u -te spreken over hetgeen gij zegt omtrent Paäker te weten gekomen +<p>»Was een voorwendsel” antwoordde Katoeti. »Hij verlangt u +te spreken over hetgeen gij zegt omtrent Paäker te weten gekomen te zijn. Wat is dat?”</p> -<p>»Vraag het mij niet,” bad de kleine man; »ik mag het waarlijk +<p>»Vraag het mij niet,” bad de kleine man; »ik mag het waarlijk niet verraden. Bij Besa, die ons dwergen beschermt<a name="FNanchor_165" id="FNanchor_165"></a><a href="#Footnote_165" class="fnanchor">165)</a>, het is beter als gij het nog niet te weten komt.”</p> -<p>»Ik heb heden al nieuws genoeg vernomen,” hernam Katoeti. -»Ga nu tot Ani, en wanneer het u gelukt hem Paäker geheel +<p>»Ik heb heden al nieuws genoeg vernomen,” hernam Katoeti. +»Ga nu tot Ani, en wanneer het u gelukt hem Paäker geheel over te leveren, zoo.... zoo —, maar ach wat heb ik nog weg te geven, — zoo zal ik u dankbaar zijn. En wanneer wij ons doel bereikt hebben, dan laat ik u vrij en maak u rijk.”</p> -<p>Nemoe kuste haar gewaad en vroeg fluisterend: »En wat zal +<p>Nemoe kuste haar gewaad en vroeg fluisterend: »En wat zal het doel zijn?”</p> -<p>»Gij weet wat Ani najaagt,” antwoordde de weduwe. »Wat -mij betreft, ik heb maar éen wensch.”</p> +<p>»Gij weet wat Ani najaagt,” antwoordde de weduwe. »Wat +mij betreft, ik heb maar éen wensch.”</p> -<p>»En die is?”</p> +<p>»En die is?”</p> -<p>»Paäker in Mena’s plaats te zien.”</p> +<p>»Paäker in Mena’s plaats te zien.”</p> -<p>»Aldus ontmoeten onze wenschen elkander,” sprak de dwerg, +<p>»Aldus ontmoeten onze wenschen elkander,” sprak de dwerg, en verliet de galerij.</p> -<p>Katoeti zag hem na en prevelde: »Het moet zoo zijn! Want +<p>Katoeti zag hem na en prevelde: »Het moet zoo zijn! Want als alles bij het oude blijft, en Mena terugkeert en rekenschap vraagt, dan.... dan. — Neen de gedachte is niet uit te staan; het mag niet gebeuren!”</p> @@ -10508,7 +10469,7 @@ het mag niet gebeuren!”</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_165" id="Footnote_165"></a><a href="#FNanchor_165"><span class="label">165)</span></a> Misschien om zijne pygmeën-gestalte.</p> +<p><a name="Footnote_165" id="Footnote_165"></a><a href="#FNanchor_165"><span class="label">165)</span></a> Misschien om zijne pygmeën-gestalte.</p> </div></div> <hr class="l1" /> @@ -10545,7 +10506,7 @@ tevreden.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_214" id="Page_214">[214]</a></span></p> <p>De stadhouder had hem te woord gestaan, en het was den slimmen dwerg weldra gelukt diens oor te boeien. Bij zijne schildering -van Paäker’s waanzinnigen hartstocht hadden Ani van +van Paäker’s waanzinnigen hartstocht hadden Ani van lachen de tranen langs de wangen gebiggeld. In zijne overige berichten en vorderingen had het manneke zich zeer ernstig en hulpvaardig getoond. Nemoe had het gevoel van eene op het @@ -10565,7 +10526,7 @@ om het door iets meer uitvoerbaars en minder gevaarlijks te vervangen, had de kleine staatsman geen oog voor het druk gewoel dat hem omgaf<a name="FNanchor_167" id="FNanchor_167"></a><a href="#Footnote_167" class="fnanchor">167)</a>. Bij den tempel, waarin de lieden uit Kaft<a name="FNanchor_168" id="FNanchor_168"></a><a href="#Footnote_168" class="fnanchor">168)</a> hunne Astarte<a name="FNanchor_169" id="FNanchor_169"></a><a href="#Footnote_169" class="fnanchor">169)</a> vereerden, en het heiligdom van Seth, -waarbij zij aan hun Baäls<a name="FNanchor_170" id="FNanchor_170"></a><a href="#Footnote_170" class="fnanchor">170)</a> offerden, was hij voorbijgegaan, zonder<span class="pagenum"><a name="Page_215" id="Page_215">[215]</a></span> +waarbij zij aan hun Baäls<a name="FNanchor_170" id="FNanchor_170"></a><a href="#Footnote_170" class="fnanchor">170)</a> offerden, was hij voorbijgegaan, zonder<span class="pagenum"><a name="Page_215" id="Page_215">[215]</a></span> zich te laten storen door het geroep der dansende aanbidders, of door het luitspel en het geklank der cymbalen, dat van achter hunne ringmuren tot zijn oor doordrong. Ook de tenten en de @@ -10578,7 +10539,7 @@ hemel gloeide. Alleen in de speelhuizen ging het ook over dag levendig toe, en de politie-agenten hadden moeite den hartstocht der soldaten, die hun geheele aandeel in den buit verloren, of de woede der matrozen, die zich bedrogen waanden, in toom te -houden en bloedige tooneelen te voorkomen. Vóor de kroegen +houden en bloedige tooneelen te voorkomen. Vóor de kroegen lagen eenige beschonkenen, terwijl anderen druk bezig waren, om onophoudelijk de bekers te vullen en te ledigen, zich geheel overleverende aan den geest van wijn of bier. Van de velerlei muzikanten, @@ -10597,8 +10558,8 @@ integendeel, nu en dan ging hij uit eigen beweging er heen omdat hij behagen schepte in woordentwist, en zich overtuigd hield dat er niemand in Thebe leefde, die tegenover hem het laatst aan het woord kon blijven. Vele vreemdelingen waren dit -geheel met hem eens, en nog kort geleden had Paäker’s hofmeester -van Nemoe gezegd: »Onze tongen zijn stokken, maar +geheel met hem eens, en nog kort geleden had Paäker’s hofmeester +van Nemoe gezegd: »Onze tongen zijn stokken, maar die van den kleine is een dolk.”</p> <p>Het doel waarop de dwerg regelrecht afging was eene groote @@ -10637,23 +10598,23 @@ blijven staan of liggen.</p> <p>De oude Hekt zat ver van deze deernen op eene bontbeschilderde kist. Zij haalde een pakje uit hare tasch en riep de dienstmaagd -toe: »Daar, neem dit reukwerk en verbrand ervan zes +toe: »Daar, neem dit reukwerk en verbrand ervan zes korrels, dan zal het ongedierte” — zij wees op de vliegen, die -om het bord in hare hand gonsden — »wel verdwijnen. Als gij +om het bord in hare hand gonsden — »wel verdwijnen. Als gij het verlangt, verjaag ik ook muizen en lok de slangen uit hunne gaten, veel beter dan eenig priesterlijk arts.”<a name="FNanchor_173" id="FNanchor_173"></a><a href="#Footnote_173" class="fnanchor">173)</a></p> -<p>»Houd uwe toovermiddelen voor u zelve,” zeide een der meisjes -met heesche stem. »Sedert gij de tooverwoorden over mij gesproken +<p>»Houd uwe toovermiddelen voor u zelve,” zeide een der meisjes +met heesche stem. »Sedert gij de tooverwoorden over mij gesproken en mij dien drank ingegeven hebt, om mij weder slank te doen worden en lenig, kan ik ’s nachts niet slapen van het hoesten, en word ik door vermoeidheid overvallen, zoo vaak ik dans.”</p> -<p>»Maar ge zijt toch slank geworden,” antwoordde Hekt, »en +<p>»Maar ge zijt toch slank geworden,” antwoordde Hekt, »en eerlang zult gij ook niet meer hoesten.”</p> -<p>»Omdat zij dood zal zijn,” fluisterde de negerin de tooveres -toe. »Ik weet dat, zoo eindigen de meesten.”</p> +<p>»Omdat zij dood zal zijn,” fluisterde de negerin de tooveres +toe. »Ik weet dat, zoo eindigen de meesten.”</p> <p>Nemoe’s moeder haalde de schouders op. Zoodra zij den dwerg de tent zag binnensluipen, verhief zij zich van haren @@ -10664,74 +10625,74 @@ plegen uit te stooten<a name="FNanchor_174" id="FNanchor_174"></a><a href="#Foot <p>De dwerg was voor de meisjes geen onbekende, want in hare tent hield zijne moeder zich op, zoo vaak zij in Thebe kwam. -Een van de vroolijkste riep daarom: »Ge zijt grooter geworden +Een van de vroolijkste riep daarom: »Ge zijt grooter geworden sedert uw laatste bezoek, kleintje!”</p> -<p>»Gij ook,” haastte Nemoe zich te antwoorden, »maar alleen +<p>»Gij ook,” haastte Nemoe zich te antwoorden, »maar alleen wat je mond aangaat.”</p> -<p>»En je zijt zoo ondeugend als je klein zijt,” zeide het meisje +<p>»En je zijt zoo ondeugend als je klein zijt,” zeide het meisje op haar beurt.</p> -<p>»Dan beteekent mijne boosheid niet veel,” hernam de dwerg -lachend, »want ik ben bijzonder klein en laag bij den grond. +<p>»Dan beteekent mijne boosheid niet veel,” hernam de dwerg +lachend, »want ik ben bijzonder klein en laag bij den grond. Heil u, meisjes! Besa helpe u bij uw toilet! Wees gegroet, moeder. Gij hebt mij laten roepen?”</p> <p>De oude knikte; de dwerg ging naast haar op de kist zitten en zij begonnen zamen te fluisteren.</p> -<p>»Wat ziet ge er stoffig en vermoeid uit,” zeide Hekt. »Ik +<p>»Wat ziet ge er stoffig en vermoeid uit,” zeide Hekt. »Ik begin waarlijk te gelooven, dat ge in de brandende zonnehitte te voet zijt uitgegaan.”</p> -<p>»Mijn ezel is dood,” antwoordde Nemoe, »en ik heb geen +<p>»Mijn ezel is dood,” antwoordde Nemoe, »en ik heb geen geld om zulk een rijdier te huren.”</p> -<p>»Een fraai begin voor uwe toekomstige heerlijkheid,” grinnikte -de oude. »Wat hebt gij nu gedaan?”</p> +<p>»Een fraai begin voor uwe toekomstige heerlijkheid,” grinnikte +de oude. »Wat hebt gij nu gedaan?”</p> -<p>»Paäker heeft ons gered,” antwoordde de dwerg, »en ik kom +<p>»Paäker heeft ons gered,” antwoordde de dwerg, »en ik kom juist terug van een lang gesprek met den stadhouder.”</p> -<p>»Welnu?”</p> +<p>»Welnu?”</p> -<p>»Hij zal uw vrijbrief vernieuwen, wanneer gij den gids in +<p>»Hij zal uw vrijbrief vernieuwen, wanneer gij den gids in zijne handen levert.”</p> -<p>»Goed, heel goed! Ik zou wel wenschen dat hij besloot mij +<p>»Goed, heel goed! Ik zou wel wenschen dat hij besloot mij op te zoeken, natuurlijk verkleed; ik kon dan....”</p> -<p>»Hij is bang, en wanneer ik hem zoo iets onuitvoerbaars wilde +<p>»Hij is bang, en wanneer ik hem zoo iets onuitvoerbaars wilde aanraden, zou hij het niet slim overleggen.”</p> -<p>»Hm,” bromde de oude, »ge kunt misschien gelijk hebben; +<p>»Hm,” bromde de oude, »ge kunt misschien gelijk hebben; want wie dikwijls wat te vragen heeft, mag niet meer vorderen dan men geven kan. Een onbeschaamd verlangen beneemt een goedgunstig gever dikwijls den lust om een verzoek in te willigen. Nu, we zullen zien, we zullen zien. Wat is er verder gebeurd?”</p> -<p>»Het leger van den stadhouder heeft de Ethiopiërs geslagen +<p>»Het leger van den stadhouder heeft de Ethiopiërs geslagen en brengt rijke schatten naar Thebe.”</p> -<p>»Daar kan men de lieden mede koopen,” prevelde de oude. -»Goed, goed!”</p> +<p>»Daar kan men de lieden mede koopen,” prevelde de oude. +»Goed, goed!”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_218" id="Page_218">[218]</a></span></p> -<p>»Paäkers zwaard is geslepen. Ik geef voor het leven van mijn +<p>»Paäkers zwaard is geslepen. Ik geef voor het leven van mijn meester niet meer dan ik in mijn zak heb, en ge weet waarom ik te voet door het stof hierheen gekomen ben.”</p> -<p>»Nu kunt gij ten minste terugrijden,” antwoordde Hekt, terwijl -ze den kleine een zilveren ringetje gaf. »Heeft de gids uwe +<p>»Nu kunt gij ten minste terugrijden,” antwoordde Hekt, terwijl +ze den kleine een zilveren ringetje gaf. »Heeft de gids uwe meesteres Nefert wedergezien?”</p> -<p>»Er zijn zonderlinge dingen gebeurd,” zeide de dwerg, die +<p>»Er zijn zonderlinge dingen gebeurd,” zeide de dwerg, die hierop aan zijne moeder vertelde, wat er tusschen Katoeti en Nefert was voorgevallen. Nemoe was een goede luistervink, want van het gehoorde had hij geen woord vergeten.</p> -<p>De oude luisterde met gespannen opmerkzaamheid. »Zie, zie!” -prevelde zij, toen Nemoe zweeg. »Dat is dan toch ook eens iets +<p>De oude luisterde met gespannen opmerkzaamheid. »Zie, zie!” +prevelde zij, toen Nemoe zweeg. »Dat is dan toch ook eens iets ongewoons. Wat er soms in een mensch omgaat ziet er even walgelijk uit, hetzij hij in een paleis of in eene hut woont. De moeders zijn allen als de apen, zij laten zich met welgevallen @@ -10741,24 +10702,24 @@ te openen, wanneer men haar van het slechte leven harer echtgenooten vertelt. Doch met uwe meesteressen is het iets anders!”</p> <p>Hekt zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en vervolgde: -»Wel beschouwd laat zich ook dit zeer eenvoudig verklaren, +»Wel beschouwd laat zich ook dit zeer eenvoudig verklaren, en het is niet vreemder dan het gapen der vermoeide deernen daarginds. Gij hebt mij eens verteld, dat het zoo’n trotsch gezicht was, moeder en dochter naast elkander op den -wagen te zien staan, wanneer zij naar feesten en panegyriën<a name="FNanchor_175" id="FNanchor_175"></a><a href="#Footnote_175" class="fnanchor">175)</a> +wagen te zien staan, wanneer zij naar feesten en panegyriën<a name="FNanchor_175" id="FNanchor_175"></a><a href="#Footnote_175" class="fnanchor">175)</a> rijden. Katoeti, zeidet ge, droeg dan ook zorg, dat er overeenstemming was tusschen de kleuren van haar gewaad en de bloemen in haar kapsel. Voor welke van beide wordt bij zulke gelegenheden de kleeding het eerst gekozen?”</p> -<p>»Altijd voor meesteres Katoeti, die niet afgaat van zekere +<p>»Altijd voor meesteres Katoeti, die niet afgaat van zekere bepaalde kleuren,” antwoordde Nemoe haastig.</p> -<p>»Ziet gij,” zeide de heks met een lachje, »dat moet zoo zijn. +<p>»Ziet gij,” zeide de heks met een lachje, »dat moet zoo zijn. Deze moeder denkt altijd het eerst aan zichzelve, en aan dingen die zij zich ter bereiking heeft voorgesteld. Doch die hangen hoog, en dan treedt zij op alles wat zij bij de hand heeft, zelfs -op haar kind, om ze te kunnen grijpen. Zij stuurt Paäker op +op haar kind, om ze te kunnen grijpen. Zij stuurt Paäker op den hals van Mena, zoo waarachtig als mijn oor suist. Want die vrouw zou in staat zijn voor de oogen harer dochter mora-spel te spelen<a name="FNanchor_176" id="FNanchor_176"></a><a href="#Footnote_176" class="fnanchor">176)</a>, en haar aan dien lammen hazewind daar uit @@ -10767,43 +10728,43 @@ bereiken kon.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_219" id="Page_219">[219]</a></span></p> -<p>»Maar Nefert?” vroeg de kleine. »O, gij hadt haar moeten +<p>»Maar Nefert?” vroeg de kleine. »O, gij hadt haar moeten zien. Het duifje was eene leeuwin geworden.”</p> -<p>»Omdat zij Mena liefheeft, gelijk haar moeder zichzelve,” antwoordde -de oude. »De dichters zouden zeggen: ‚zij is vol van +<p>»Omdat zij Mena liefheeft, gelijk haar moeder zichzelve,” antwoordde +de oude. »De dichters zouden zeggen: ‚zij is vol van hem.’ Dat is op haar volkomen van toepassing. Er blijft geen -plaats over voor iets anders. Zij wil maar éen ding bezitten, en +plaats over voor iets anders. Zij wil maar éen ding bezitten, en wee hem die het durft aan te tasten!”</p> -<p>»Ik heb ook wel verliefde vrouwen gezien,” zeide Nemoe, -»maar....”</p> +<p>»Ik heb ook wel verliefde vrouwen gezien,” zeide Nemoe, +»maar....”</p> -<p>»Maar,” herhaalde de oude, en lachte daarbij zoo hard, dat de -deernen zich omkeerden. »Maar die zetten een heel ander gezicht +<p>»Maar,” herhaalde de oude, en lachte daarbij zoo hard, dat de +deernen zich omkeerden. »Maar die zetten een heel ander gezicht dan uwe meesteres Nefert, niet waar? Dat wil ik wel gelooven, -en onder duizenden is er niet éene zoo door deze ziekte aangegrepen, +en onder duizenden is er niet éene zoo door deze ziekte aangegrepen, die vlijmender smarten veroorzaakt dan Koeschitisch pijlenvergif in eene opene wond, die sneller om zich grijpt dan de vlam, en moeielijker te genezen is dan de tering, waaraan dat hoestende meisje ginds sterven zal. Hij wien deze kweldemon beheerscht is ellendiger dan een verdoemde, of ook....” en bij deze -woorden daalde haar stem — »gelukzaliger dan de goden, zooveel +woorden daalde haar stem — »gelukzaliger dan de goden, zooveel er maar zijn. Ik weet dat alles — alles, want ook ik was eene bezetene onder de duizend. En nu, heden....”</p> -<p>»Nu?” vroeg de dwerg.</p> +<p>»Nu?” vroeg de dwerg.</p> -<p>»Gekheid!” mompelde de heks, en zij rekte zich uit, alsof zij -uit den slaap ontwaakte. »Onzin! Hij, op wien ik doel, is sedert +<p>»Gekheid!” mompelde de heks, en zij rekte zich uit, alsof zij +uit den slaap ontwaakte. »Onzin! Hij, op wien ik doel, is sedert lang gestorven. En al ware het niet zoo, het is mij onverschillig. Alle mannen gelijken op elkander, en Mena zal wel niet verschillen van de overigen.”</p> -<p>»De gids Paäker wordt toch zeker door den demon beheerscht, +<p>»De gids Paäker wordt toch zeker door den demon beheerscht, dien gij daar geschilderd hebt?” vroeg de kleine.</p> -<p>»’t Kan zijn,” antwoordde de oude; »maar hij zal eigenzinnig +<p>»’t Kan zijn,” antwoordde de oude; »maar hij zal eigenzinnig blijven, op gevaar af van krankzinnig te worden. Op dit oogenblik zou hij zijn leven wagen, om te bereiken wat hem ontzegd is. Als uwe meesteres Nefert zijne vrouw was, mogelijk zou hij @@ -10812,10 +10773,10 @@ moet nog daarginds in de gouden tent zijn, waar thans alles bijeen is wat geld in den buidel heeft, om met de waardin te spreken....”</p> -<p>»Wat wilt gij van haar?” vroeg Nemoe.</p> +<p>»Wat wilt gij van haar?” vroeg Nemoe.</p> -<p>»De kleine Warda aan de overzijde,” luidde het antwoord, -»zal weldra geheel hersteld zijn. Gij hebt haar ook weer gezien. +<p>»De kleine Warda aan de overzijde,” luidde het antwoord, +»zal weldra geheel hersteld zijn. Gij hebt haar ook weer gezien. Is zij niet schoon geworden, buitengewoon schoon? Nu wil ik zien wat de waardin mij biedt, wanneer ik haar dat kind lever. Zij is met de voeten zoo vlug als eene gazel, en @@ -10824,20 +10785,20 @@ weken leeren.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_220" id="Page_220">[220]</a></span></p> -<p>Nemoe verbleekte, en zeide zonder aarzelen: »Dat zult gij +<p>Nemoe verbleekte, en zeide zonder aarzelen: »Dat zult gij niet doen!”</p> -<p>»Waarom niet,” vroeg de oude; »wanneer er goed wat mede +<p>»Waarom niet,” vroeg de oude; »wanneer er goed wat mede te verdienen is?”</p> -<p>»Wijl ik het u verbied,” fluisterde de dwerg met heesche stem.</p> +<p>»Wijl ik het u verbied,” fluisterde de dwerg met heesche stem.</p> -<p>»Kijk nu eens aan!” sprak de tooveres lachend. »Gij moest +<p>»Kijk nu eens aan!” sprak de tooveres lachend. »Gij moest mijne Nefert zijn, dan zou ik voor hare moeder Katoeti spelen! Maar in ernst gesproken; hebt gij de kleine weergezien en begeert gij haar voor uzelven?”</p> -<p>»Ja,” antwoordde Nemoe. »Als wij ons doel bereiken, laat +<p>»Ja,” antwoordde Nemoe. »Als wij ons doel bereiken, laat Katoeti mij vrij en maakt ze mij rijk. Dan koop ik van buurman Pinem zijne kleindochter en neem haar tot vrouw. Ik bouw een huisje voor ons in de nabijheid van het gerechtshof, en sta den @@ -10845,24 +10806,24 @@ aanklagers en aangeklaagden met mijn raad ter zijde, gelijk de gebochelde Sent, die thans op zijn eigen wagen door de straten rijdt.”</p> -<p>»Hm,” zeide de oude. »Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, +<p>»Hm,” zeide de oude. »Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, maar misschien is het te laat. Het meisje sprak in hare ijlende koorts van den priester uit het Seti-huis, die haar op bevel van Ameni bezocht. Dat is een deftig jongman, die zeker veel belang in haar stelt. Hij is de zoon van een hovenier, zij noemen hem Pentaoer.”</p> -<p>»Pentaoer?” vroeg de kleine, »Pentaoer? Deze heeft geheel de +<p>»Pentaoer?” vroeg de kleine, »Pentaoer? Deze heeft geheel de trotsche houding en het aangezicht van den gestorven Mohar en wil de hoogte in. Maar zij zullen hem spoedig den hoogmoedigen nek breken.”</p> -<p>»Des te beter,” hernam de oude. »Warda zou eene beste vrouw +<p>»Des te beter,” hernam de oude. »Warda zou eene beste vrouw voor je zijn. Zij is goed en bescheiden; en men kan niet weten....”</p> -<p>»Wat?” vroeg de dwerg.</p> +<p>»Wat?” vroeg de dwerg.</p> -<p>»Wie hare moeder is geweest. Want zij is geene van de onze. +<p>»Wie hare moeder is geweest. Want zij is geene van de onze. Zij is uit den vreemde hierheen gekomen, en men heeft een edelgesteente bij haar gevonden met zonderling schrift. Zoodra zij de uwe is, moeten wij het aan de krijgsgevangenen laten zien, @@ -10888,11 +10849,11 @@ tellen in hunne graven, reeds in vroeger tijd, hun bezit aan ezels op, dat vaak zeer groot is. Er is ook eene voorstelling uit het oude rijk bewaard gebleven, die ons een voornaam Egyptenaar vertoond, zittende op een draagstoel, op de ruggen van twee ezels bevestigd. Lepsius, -<cite>Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien</cite>. Abth. II, 126.</p> +<cite>Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien</cite>. Abth. II, 126.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_167" id="Footnote_167"></a><a href="#FNanchor_167"><span class="label">167)</span></a> Herodotus (II, 112) maakt gewag van een kwartier der Tyriërs te +<p><a name="Footnote_167" id="Footnote_167"></a><a href="#FNanchor_167"><span class="label">167)</span></a> Herodotus (II, 112) maakt gewag van een kwartier der Tyriërs te Memphis, dat ten zuiden van den tempel van Ptah gelegen was, en waarin de „Aphrodite der vreemdelingen” vereerd werd. Brugsch heeft dit bericht op het kwartier „auch ta”, d. i. de wereld des levens, van de Menes-stad @@ -10900,7 +10861,7 @@ toegepast.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_168" id="Footnote_168"></a><a href="#FNanchor_168"><span class="label">168)</span></a> Phoenicië.</p> +<p><a name="Footnote_168" id="Footnote_168"></a><a href="#FNanchor_168"><span class="label">168)</span></a> Phoenicië.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -10914,16 +10875,16 @@ ook aan een zijner lievelingspaarden en aan een hond gaf, niet zelden voor.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_170" id="Footnote_170"></a><a href="#FNanchor_170"><span class="label">170)</span></a> Volgens den papyrus-Sallier I, koos de Hyksoskoning Apepi (Apophis) „Seth tot heer, en hij diende geen anderen god, die in Egypte was.” Later -werd aan de Baäls der Semieten door de Egyptenaars zelve de naam van +werd aan de Baäls der Semieten door de Egyptenaars zelve de naam van Seth gegeven, gelijk blijkt uit het te Karnak wedergevonden vredesverdrag van Ramses II met de Cheta, waarin van de eene zijde de verschillende Seth’s der Cheta, Astarte, enz. en van de andere zijde de Egyptische godheden aangeroepen worden. Naast den vorm Seth komt ook die van Soetech voor. Over Seth-Typhon raadplege men, behalve het oude geschrift van -Diestel, Pleyte, <cite>Etudes égyptologiques</cite>; Chabas, <cite>Voyage d’un -Egyptien</cite>; Ebers, <cite>Aegypten und die Bücher Mose</cite>; Brugsch, +Diestel, Pleyte, <cite>Etudes égyptologiques</cite>; Chabas, <cite>Voyage d’un +Egyptien</cite>; Ebers, <cite>Aegypten und die Bücher Mose</cite>; Brugsch, <cite>Geogr. Inschriften</cite>; E. Meyer in zijne dissertatie over Seth. De -godsvereering der Phoeniciërs wordt het grondigst behandeld in het +godsvereering der Phoeniciërs wordt het grondigst behandeld in het beroemde werk van Movers. — Vgl. Tiele, Vergelijkende gesch. der Egypt. en Mesopotamische godsdiensten, St. 3.</p> </div> @@ -10975,7 +10936,7 @@ de gebouwen daarentegen, die de koning met zijne familie bewoonde, waren naar de zijden van den stroom gekeerd. Voor den schipper, die de woonplaats der pharao’s voorbij voer, zag zij er schitterend en tegelijk vriendelijk uit, want het gebouw verhief -zich niet als éen ontzaglijk lichaam midden uit groote tuinen, +zich niet als éen ontzaglijk lichaam midden uit groote tuinen, maar het bestond uit velerlei geledingen van allerlei vormen. Aan het grootste gebouw, waarin zich de pronk- en feestzalen bevonden, sloten zich onder dezelfde afmetingen aan beide zijden drie @@ -11031,7 +10992,7 @@ menig voorrecht, dat anders alleen aan koninginnen werd toegestaan.</p> den stroom gekeerd. Eene deuropening, die enkel door een dun voorhangsel was gesloten, gaf toegang tot een lang balkon met eene kunstig uit verguld koper vervaardigde balustrade, omslingerd -door leirozen met bleekroode bloemen. Even vóor de vrouw +door leirozen met bleekroode bloemen. Even vóor de vrouw van Mena den drempel overschreed, liet de prinses door eenige slavinnen het ruischend gordijn openschuiven. Want de zon neigde naar het westen; het begon koeler te worden, en Bent-Anat zat @@ -11063,7 +11024,7 @@ der wanden was met koele tegeltjes van fijn wit en violet porselein belegd, van welke elk eene ster voorstelde, en die te zamen smaakvolle figuren vormden. Verder naar boven waren de muren met dezelfde schoone donkergroene stof van -Saïs behangen, waaruit ook de overtrekken der lange divans aan +Saïs behangen, waaruit ook de overtrekken der lange divans aan de wanden bestonden. Midden in dit vertrek stonden rieten stoelen en tabouretten rondom eene zeer groote tafel. De verschillende andere kamers, die zich bij dit middenvertrek aansloten, @@ -11080,7 +11041,7 @@ reukwerken; bovendien schreven de artsen voor daarmede de woningen te berooken. Haar eenvoudig slaapvertrek zou een koningszoon, die veel hield van bloemen te kweeken, als verblijf zeker evenzeer hebben aangestaan als eene vorstelijke jonkvrouw. -Bent-Anat verlangde vóor alles lucht en licht. Alleen als de stand +Bent-Anat verlangde vóor alles lucht en licht. Alleen als de stand van de zon het dringend vorderde, werden de voorhangsels van venster- en deuropeningen gesloten, terwijl Nefert’s woning van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in een schemerachtig halfdonker @@ -11089,7 +11050,7 @@ verkeeren moest.</p> <p>De prinses ging de vrouw van Mena, die aan den drempel der kamer diep voor haar boog, met hartelijkheid te gemoet, nam haar met de rechterhand bij de kin, drukte eene kus op haar -fijn smal voorhoofd en zeide: »Komt gij, mijne beste, nu +fijn smal voorhoofd en zeide: »Komt gij, mijne beste, nu eindelijk eens ongenoodigd tot mij in mijne eenzaamheid? Dat is waarlijk voor het eerst, sedert de mannen weder ten krijg trokken. Als de dochter van Ramses u laat roepen, en gij niet @@ -11098,17 +11059,17 @@ weigeren moogt, ja dan verschijnt gij; maar vrijwillig....”</p> <p>Nefert sloeg hare groote, door tranen bevochtigde oogen smeekend op, en haar blik was zoo onweerstaanbaar, dat Bent-Anat hare toespraak afbrak, en terwijl zij Nefert’s beide handen greep, -uitriep: »Weet gij, wie juist zulke oogen moet gehad hebben als +uitriep: »Weet gij, wie juist zulke oogen moet gehad hebben als gij? De godheid, naar ik meen, uit wier op aarde nedergevallen tranen de bloemen zijn ontstaan.”</p> <p>De vrouw van Mena sloeg de oogen weder neder, zag blozend -naar den grond en lispelde: »Ik wenschte wel, dat ik +naar den grond en lispelde: »Ik wenschte wel, dat ik deze oogen voor altijd sluiten kon, want ik voel mij recht ongelukkig.” Onder deze woorden biggelden twee groote tranen over hare wangen.</p> -<p>»Wat is u toch overkomen, mijne liefste?” vroeg de prinses +<p>»Wat is u toch overkomen, mijne liefste?” vroeg de prinses met deelneming, terwijl zij haar als een ziek kind met de rechterhand nader tot zich trok.</p> @@ -11116,21 +11077,21 @@ rechterhand nader tot zich trok.</p> van den hofstoet, die het vertrek met haar betreden hadden. Bent-Anat begreep dezen wenk, en verzocht allen, die op hare bevelen stonden te wachten, haar te verlaten. Toen zij met hare -vriendin alleen was, zeide zij: »Spreek nu vrij! Wat maakt uw +vriendin alleen was, zeide zij: »Spreek nu vrij! Wat maakt uw hart zoo bekommerd? Hoe komt deze smartelijke trek op uw lief kinderlijk gelaat? Zeg het mij en ik wil u troosten, en gij zult weder mijn vroolijk zorgeloos popje worden!”</p> -<p>»Uw popje!” herhaalde Nefert, en er was onwil in hare oogen<span class="pagenum"><a name="Page_225" id="Page_225">[225]</a></span> -te lezen. »Maar gij hebt recht mij zoo vernederend te noemen, +<p>»Uw popje!” herhaalde Nefert, en er was onwil in hare oogen<span class="pagenum"><a name="Page_225" id="Page_225">[225]</a></span> +te lezen. »Maar gij hebt recht mij zoo vernederend te noemen, want ik verdien geen beteren naam. Zoolang ik toch leef heb ik mij laten welgevallen, niet anders dan een speelgoed van de mijnen te zijn.”</p> -<p>»Maar Nefert, ik herken u niet meer!” riep Bent-Anat. »Is +<p>»Maar Nefert, ik herken u niet meer!” riep Bent-Anat. »Is dat mijne zachte vriendelijke droomster?”</p> -<p>»Dat is het woord wat ik zocht,” zeide Nefert zacht. »Ik heb +<p>»Dat is het woord wat ik zocht,” zeide Nefert zacht. »Ik heb geslapen en gedroomd, en altijd maar voortgedroomd, tot Mena mij wekte, en toen hij mij verliet ben ik weder ingeslapen. Nu lag ik reeds twee jaren te droomen, doch ik ben uit den slaap @@ -11155,13 +11116,13 @@ ruwe werkelijkheid aan hem opdringen, beangstigen en pijnigen hem. Heden voor het eerst had zij zich afgevraagd, waarom toch het bestuur van het huis, waarvan zij de meesteres heette<a name="FNanchor_180" id="FNanchor_180"></a><a href="#Footnote_180" class="fnanchor">180)</a>, aan hare moeder en niet aan haar was opgedragen. Het antwoord -luidde: »Omdat Mena u niet in staat acht te denken en te handelen.” +luidde: »Omdat Mena u niet in staat acht te denken en te handelen.” Menigmaal had hij haar zijn roosje genoemd, en nu gevoelde zij, dat zij niet meer en niet beter was dan eene bloem, die bloeit en verwelkt, en alleen door hare bonte blaadjes de oogen verkwikt.</p> -<p>»Mijne moeder,” zeide zij tot Bent-Anat, »heeft mij ongetwijfeld +<p>»Mijne moeder,” zeide zij tot Bent-Anat, »heeft mij ongetwijfeld lief, maar zij heeft het goed van mijn echtgenoot slecht bestuurd, zeer slecht zelfs, en ik ellendige sliep en droomde van Mena, en zag noch hoorde wat er met zijn, met ons erfdeel geschiedde. @@ -11179,7 +11140,7 @@ de vurige liefde van mijn echtgenoot beleedigt en schandvlekt.”</p> <p>Bent-Anat had haar aangehoord, zonder haar in de rede te vallen. Een tijd lang bleef zij zwijgend naast haar zitten. Eindelijk -sprak zij: »Kom buiten op het balkon: daar wil ik u zeggen, +sprak zij: »Kom buiten op het balkon: daar wil ik u zeggen, hoe ik erover denk, en misschien geeft Toth mij een raad in het hart, die u helpen kan. Ik heb u lief en ken u door en door. Ben ik al niet wijs, zoo heb ik toch opene oogen en eene krachtige @@ -11207,7 +11168,7 @@ grootte, vorm en kleur. De grond van het weefsel bestond overal uit schoone oppervlakten van zachtgroene grasperken, waarop de volle bontkleurige bloembedden en heestergroepen in gelijkmatige orde waren aangebracht, terwijl de oude hooge en vreemde boomen, -van welke Hatasoe’s schepen er vele uit Arabië naar Egypte +van welke Hatasoe’s schepen er vele uit Arabië naar Egypte hadden gebracht<a name="FNanchor_181" id="FNanchor_181"></a><a href="#Footnote_181" class="fnanchor">181)</a>, aan het geheel een zekeren ernst en deftigheid gaven. Op de bladeren der boomen, de bloesems en grashalmen vonkelden thans heldere druppels, want even te voren had men @@ -11233,7 +11194,7 @@ zij achter het gebergte weg. Terwijl de hemel schitterde met allerlei kleurschakeeringen van helder goud, van vonkelende robijnen, aan gesmolten granaten en amethisten gelijk, weerklonken uit alle tempels weldra de avondliederen. De beide -vriendinnen zonken op hare knieën, verborgen haar aangezicht +vriendinnen zonken op hare knieën, verborgen haar aangezicht in de rozenguirlandes, die zich door de balustrade slingerden, en baden uit den diepsten grond harer harten. Toen zij weder opstonden, breidde de nacht reeds zijne vleugelen uit. Want in @@ -11241,21 +11202,21 @@ Thebe duurt de schemering kort. Slechts hier en daar dreef nog een roodachtig wolkje aan den al donkerder wordenden hemel, dat geheel verbleekte toen de avondster opging.</p> -<p>»Ik ben wel te moede,” zeide Bent-Anat, diep ademhalende. -»Is ook in uwe ziel de vrede teruggekeerd?”</p> +<p>»Ik ben wel te moede,” zeide Bent-Anat, diep ademhalende. +»Is ook in uwe ziel de vrede teruggekeerd?”</p> <p>Nefert schudde ontkennend het hoofd.</p> <p>De prinses deed haar op een rustbank plaats nemen, vlijde -zich naast haar neder en begon opnieuw: »Uw arm hart is +zich naast haar neder en begon opnieuw: »Uw arm hart is gewond. Men heeft uw verleden verbitterd, en met angst ziet gij de toekomst tegen. Laat mij openhartig zijn, ook wanneer hetgeen ik u zeggen zal u leed doet. Gij zijt ziek en ik wil trachten u te genezen. Wilt gij naar mij luisteren?”</p> -<p>»Spreek vrij,” zeide Nefert.</p> +<p>»Spreek vrij,” zeide Nefert.</p> -<p>»Het spreken,” hernam Bent-Anat, »is niet mijne zaak, maar +<p>»Het spreken,” hernam Bent-Anat, »is niet mijne zaak, maar het handelen. Ik geloof dat ik weet wat u ontbreekt, en dat ik u helpen kan. Gij hebt uw man lief; zijn plicht riep hem van u weg en gij gevoelt u eenzaam en verlaten. Dat is natuurlijk! @@ -11268,19 +11229,19 @@ is. Wie van ons beiden kan men eenzamer noemen, u of mij?”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_228" id="Page_228">[228]</a></span></p> -<p>»Mij,” zeide Nefert. »Want niemand is zoo verlaten als de +<p>»Mij,” zeide Nefert. »Want niemand is zoo verlaten als de vrouw, die gescheiden van haar echtgenoot verkwijnt van heimwee.”</p> -<p>»Maar gij gelooft in Mena’s liefde?” vroeg Bent-Anat.</p> +<p>»Maar gij gelooft in Mena’s liefde?” vroeg Bent-Anat.</p> <p>Nefert knikte toestemmend, terwijl zij de hand tegen haar hart drukte.</p> -<p>»En hij zal terugkeeren, en met hem uw geluk!”</p> +<p>»En hij zal terugkeeren, en met hem uw geluk!”</p> -<p>»Ik hoop het,” antwoordde Nefert met zachte stem.</p> +<p>»Ik hoop het,” antwoordde Nefert met zachte stem.</p> -<p>»En wie hoopt,” vervolgde Bent-Anat, »bezit het geluk der +<p>»En wie hoopt,” vervolgde Bent-Anat, »bezit het geluk der toekomst. Zeg mij, zoudt gij met de goden hebben willen ruilen, zoo lang Mena bij u was? Neen! Welnu, dan zijt gij dubbel rijk, want de zaligste herinnering, het geluk van het verleden, @@ -11289,32 +11250,32 @@ ik spreek is het reeds niet meer! Nu vraag ik u, aan welke zaligheid kan <em>ik</em> denken, en op welk zeker geluk mag <em>ik</em> met grond hopen?”</p> -<p>»Gij hebt niet lief,” zeide Nefert. »Gij gaat als de maan koel +<p>»Gij hebt niet lief,” zeide Nefert. »Gij gaat als de maan koel en onbeweeglijk daarheen op uwe baan. Het hoogste geluk is u tot hiertoe vreemd gebleven, maar daarom kent gij dan ook niet het bitterste leed.”</p> -<p>»Welk leed?” vroeg Bent-Anat.</p> +<p>»Welk leed?” vroeg Bent-Anat.</p> -<p>»De smart van het heimwee, van een door de vlammen van +<p>»De smart van het heimwee, van een door de vlammen van Sechet verteerd hart,” antwoordde Nefert.</p> <p>De prinses staarde een poos nadenkend op den grond; eindelijk -sloeg zij de oogen op tot hare vriendin en zeide: »Gij dwaalt! +sloeg zij de oogen op tot hare vriendin en zeide: »Gij dwaalt! Ik ken de liefde en het heimwee. Maar wanneer gij op den hoogen feestdag wacht, om het sieraad, dat uw eigendom is, weder te dragen, dan heb ik even weinig recht om mijn kleinood het mijne te noemen, als de parel die ik op den bodem der diepe zee zie glinsteren.”</p> -<p>»Gij hebt lief?” riep Nefert vol vreugde. »O, zoo dank ik +<p>»Gij hebt lief?” riep Nefert vol vreugde. »O, zoo dank ik Hathor, dat zij eindelijk uw hart heeft getroffen. De dochter van Ramses behoeft niet eerst de duikers te roepen, om het kleinood voor zich uit zee te visschen. Zij wenkt, en de parel stijgt tot haar op, en legt zich in het zand aan hare slanke voeten neder.”</p> -<p>Bent-Anat kuste lachend Nefert’s voorhoofd en zeide: »Treft u +<p>Bent-Anat kuste lachend Nefert’s voorhoofd en zeide: »Treft u dit zoo, dat het op eens uw geest en uwe tong in beweging brengt? Wanneer twee snaren gelijk gestemd zijn en men slaat de eene aan, dan klinkt de andere noodzakelijk mede, zegt mijn @@ -11327,9 +11288,9 @@ uit het Seti-huis bange uren, en toch ontzinkt mij het vertrouwen,<span class="p de levensmoed niet; toch verheug ik mij in mijn bestaan. Hoe kunt gij dat verklaren?”</p> -<p>»Gij zijt van eene zoo geheel andere natuur,” zeide Nefert.</p> +<p>»Gij zijt van eene zoo geheel andere natuur,” zeide Nefert.</p> -<p>»Toegegeven,” antwoordde Bent-Anat; »maar we zijn beiden +<p>»Toegegeven,” antwoordde Bent-Anat; »maar we zijn beiden jong, wij zijn vrouwen en willen het goede. Mij is reeds zoo vroeg eene moeder ontvallen en niemand heeft mijne jeugdige schreden gericht; want men gehoorzaamde mij reeds, toen ik @@ -11356,7 +11317,7 @@ grond, waar alles zoo verbazend snel wast, weldra zoo hoog opschieten, dat hij mijne deur en vensters bedekte, zoodat ik in het donker zou zitten.</p> -<p>»Sla dezen doek om uwe schouders, want met de koelte valt +<p>»Sla dezen doek om uwe schouders, want met de koelte valt ook de dauw neer. — Hoor mij nu verder! Het heerlijk gevoel van liefde en trouw is in uw droomerig gemoed onbeteugeld en onbelemmerd als in het wilde opgeschoten, en verduistert thans @@ -11372,10 +11333,10 @@ in paarden en valken<a name="FNanchor_182" id="FNanchor_182"></a><a href="#Footn een jongenshart had. O, ik zou ook zoo gaarne een jongen zijn geweest.”</p> -<p>»Ik nooit,” lispelde Nefert.</p> +<p>»Ik nooit,” lispelde Nefert.</p> -<p>»Gij, mijne liefste, zijt gelijk aan het roosje,” ging Bent-Anat -voort. »Hoe dikwijls was ik, als vijftienjarig meisje, verdrietig, +<p>»Gij, mijne liefste, zijt gelijk aan het roosje,” ging Bent-Anat +voort. »Hoe dikwijls was ik, als vijftienjarig meisje, verdrietig, ontevreden bij al mijne wildheid, onvergenoegd, niettegenstaande men mij overlaadde met bewijzen van liefde en hartelijkheid. Toen gebeurde het eens, vier jaren geleden, juist kort na uw @@ -11392,13 +11353,13 @@ gullen lach gaf hij mij ten antwoord: ‚Dikwijls zijn ook de hemelsche vrouwen de heeren des hemels te slim, en Necheb<a name="FNanchor_185" id="FNanchor_185"></a><a href="#Footnote_185" class="fnanchor">185)</a>, onze godin der overwinning, is eene vrouw.’ Daarop werd hij weder ernstig en sprak: ‚Gij noemt mij een god, mijn kind, -maar slechts in éen opzicht gevoel ik waarlijk iets goddelijks +maar slechts in éen opzicht gevoel ik waarlijk iets goddelijks in mij, namelijk: dat ik in staat ben te ieder ure met mijn arbeid het meest mogelijk nut te stichten, door hier iets goeds te bevorderen, daar het kwade tegen te houden<a name="FNanchor_186" id="FNanchor_186"></a><a href="#Footnote_186" class="fnanchor">186)</a>. Ik ben alleen aan de godheid gelijk wanneer ik iets groots uitdenk en voortbreng.’</p> -<p>»Deze woorden, Nefert, vielen als zaadkorrels in mijne ziel. Ik +<p>»Deze woorden, Nefert, vielen als zaadkorrels in mijne ziel. Ik wist op eenmaal wat mij ontbrak; en toen de koning, weinige weken later, met uw echtgenoot en honderdduizend krijgers ten strijd trok, besloot ik mijn goddelijken vader waardig te @@ -11427,7 +11388,7 @@ omdat ik nu mijn grooten vader eenigermate gelijk. Als de koning om mij denkt, dan, dit weet ik, verheugt hij zich over hetgeen zijn kind verricht.”</p> -<p>»Nu ben ik echter aan het einde, Nefert. Het eenige wat ik +<p>»Nu ben ik echter aan het einde, Nefert. Het eenige wat ik u nog te zeggen heb is: Sluit u bij mij aan; wees werkzaam evenals ik; toon dat gij nuttig zijt, en dwing Mena, niet alleen met liefde maar ook met zekeren trots aan zijn vrouwtje te @@ -11436,9 +11397,9 @@ denken.”</p> <p>Nefert liet haar hoofd langzaam op Bent-Anat’s borst zinken, sloeg hare beide armen om den hals der prinses, en weende als een kind. Eindelijk verzamelde zij hare krachten en zeide smeekend: -»Neem mij in de school en leer mij nuttig te zijn.”</p> +»Neem mij in de school en leer mij nuttig te zijn.”</p> -<p>»Ik wist wel,” zeide Bent-Anat met een glimlach, »dat gij +<p>»Ik wist wel,” zeide Bent-Anat met een glimlach, »dat gij slechts eene hand noodig had om u te leiden. Geloof mij, weldra zult ook gij aan uw heimwee tevredenheid weten te paren. Laat ik u dit nog zeggen. Keer nu terug naar uwe moeder, want het @@ -11464,7 +11425,7 @@ dan deze. Zie boven blz. <a href="#Page_96">90</a>.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_178" id="Footnote_178"></a><a href="#FNanchor_178"><span class="label">178)</span></a> Volgens een, voor het eerst door Dümichen medegedeeld opschrift te +<p><a name="Footnote_178" id="Footnote_178"></a><a href="#FNanchor_178"><span class="label">178)</span></a> Volgens een, voor het eerst door Dümichen medegedeeld opschrift te Dendera.</p> </div> @@ -11546,25 +11507,25 @@ haar naderde om haar pols te voelen, of haar toe te spreken, keerde zij opzettelijk haar aangezicht van hem af.</p> <p>Zoodra de zon achter de bergen was weggedoken, boog hij zich -opnieuw over haar heen en zeide: »Het begint koel te worden; +opnieuw over haar heen en zeide: »Het begint koel te worden; wil ik u niet in de hut dragen?”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_233" id="Page_233">[233]</a></span></p> -<p>»Laat mij,” zeide zij verdrietig. »Ik heb het warm genoeg; +<p>»Laat mij,” zeide zij verdrietig. »Ik heb het warm genoeg; ga wat verder van mij af! Ik ben niet meer ziek, en zou wel alleen in de hut kunnen gaan, als ik maar wilde. Maar mijne grootouders zullen wel dadelijk komen.”</p> <p>Nebsecht stond op, zette zich op een hoenderkorf neder, die -eenige schreden van Warda afstond, en vroeg stotterend: »Moet +eenige schreden van Warda afstond, en vroeg stotterend: »Moet ik nog verder achteruit gaan?”</p> -<p>»Doe wat gij wilt,” gaf zij ten antwoord.</p> +<p>»Doe wat gij wilt,” gaf zij ten antwoord.</p> -<p>»Gij zijt onvriendelijk,” sprak hij droefgeestig.</p> +<p>»Gij zijt onvriendelijk,” sprak hij droefgeestig.</p> -<p>»Gij ziet mij ook altijd door aan,” zeide Warda, »dat kan ik +<p>»Gij ziet mij ook altijd door aan,” zeide Warda, »dat kan ik niet lijden. Ik ben zeer ongerust, want grootvader was heden morgen anders dan gewoonlijk, en sprak over allerlei vreemde dingen, over dood en den hoogen prijs, die van hem voor mijne @@ -11583,16 +11544,16 @@ giftbeker te drinken, wanneer men hem op den roof van een menschenhart betrapte.</p> <p>Het werd donker. Warda hield op te weenen en vroeg den arts: -»Zou hij misschien ook naar de stad zijn gegaan, om de groote +»Zou hij misschien ook naar de stad zijn gegaan, om de groote som te borgen, die gij of uw tempel voor de artsenijen vordert? Doch daar hebt gij den gouden band van de prinses en den -halven buit mijns vaders, en in die kist dáar ligt, nog onaangeroerd, +halven buit mijns vaders, en in die kist dáar ligt, nog onaangeroerd, het loon, dat grootmoeder in twee jaren als rouwklaagster verdiend heeft. Is dat alles u nog niet genoeg?”</p> <p>Het meisje deed de laatste vraag op knorrigen en verwijtenden toon, en de arts, die zich tot levensregel had gesteld streng -aan de waarheid te houden, zweeg omdat hij begreep geen »ja” +aan de waarheid te houden, zweeg omdat hij begreep geen »ja” te kunnen zeggen. Meer dan goud en zilver had hij voor zijne hulp verlangt. Op dit oogenblik dacht hij aan Pentaoer’s waarschuwing, en toen de jakhalzen begonnen te blaffen, greep hij @@ -11606,11 +11567,11 @@ of balsemers, die hem om zijne bekwaamheid moeielijk konden afwijzen, verzoeken hem in hun gilde<a name="FNanchor_188" id="FNanchor_188"></a><a href="#Footnote_188" class="fnanchor">188)</a> op te nemen. Vervolgens wilde hij Warda tot zijne vrouw nemen, en met haar, afgescheiden van de wereld, voor zijn nieuw beroep, waarin hij -veel hoopte te leeren, en zijne studiën leven. Wat vroeg hij naar +veel hoopte te leeren, en zijne studiën leven. Wat vroeg hij naar het gemak en het genot des levens; wat gaf hij om eer bij zijne medemenschen en eene bevoorrechte maatschappelijke positie! Op dit nieuwe steenachtige pad hoopte hij sneller vooruit te -komen, dan op den ouden zoo keurig geëffenden weg. Hij gevoelde +komen, dan op den ouden zoo keurig geëffenden weg. Hij gevoelde ook geen behoefte om zich uit te spreken en de resultaten van zijn onderzoek aan anderen mede te deelen; hij had aan het weten op zichzelf volkomen genoeg. Aan zijne verplichtingen @@ -11626,17 +11587,17 @@ zoo kwam hij met Warda op dezelfde lijn, en zij, die daar met haar verwarde haren, ziekelijk en gejaagd naast hem lag, paste juist in de toekomst, die hij zich voor zijne verbeelding teekende.</p> -<p>»Hoordet gij niets?” vroeg het meisje op eens.</p> +<p>»Hoordet gij niets?” vroeg het meisje op eens.</p> <p>Hij luisterde met haar, of hij ook eenig geluid vernam uit het dal. Werkelijk sloegen de honden aan, en weldra stond de Paraschiet met zijne vrouw voor de hut. Daar namen zij afscheid van de oude Hekt, die zij op haar terugweg uit Thebe ontmoet hadden.</p> -<p>»Gij zijt lang weggebleven,” riep Warda, toen de grootouders -eindelijk voor haar stonden. »Ik heb mij zoo beangst gemaakt.”</p> +<p>»Gij zijt lang weggebleven,” riep Warda, toen de grootouders +eindelijk voor haar stonden. »Ik heb mij zoo beangst gemaakt.”</p> -<p>»De arts was toch bij u,” zeide de oude vrouw, en ging de +<p>»De arts was toch bij u,” zeide de oude vrouw, en ging de hut in, om een eenvoudig maal gereed te maken, terwijl de Paraschiet naast zijne kleindochter nederknielde, en haar innig, maar toch met zooveel onderscheiding liefkoosde, als ware hij niet @@ -11645,14 +11606,14 @@ haar bloedverwant maar slechts haar trouwe dienaar.</p> <p>Toen hij was opgestaan, overhandigde hij Nebsecht, die van spanning over al zijne leden beefde, den groven linnen zak, dien hij gewoon was aan een smallen draagband mede te nemen. -»Daar ligt het hart in,” fluisterde hij den arts toe: »neem het<span class="pagenum"><a name="Page_235" id="Page_235">[235]</a></span> +»Daar ligt het hart in,” fluisterde hij den arts toe: »neem het<span class="pagenum"><a name="Page_235" id="Page_235">[235]</a></span> er uit en geef mij den zak terug; want mijne messen liggen er nog in, en die heb ik noodig.”</p> <p>Nebsecht greep met bevende vingers het hart uit den buidel, nam eenige doosjes uit zijn artsenijkast en legde het er voorzichtig in. Daarop tastte hij in zijn borstzak, ging weder tot den -Paraschiet en fluisterde hem toe: »Daar neem deze verklaring; +Paraschiet en fluisterde hem toe: »Daar neem deze verklaring; hang hem om uw hals, en wanneer gij sterft laat ik voor u als voor een aanzienlijke een ‚Boek van den uitgang in den dag’<a name="FNanchor_189" id="FNanchor_189"></a><a href="#Footnote_189" class="fnanchor">189)</a> in de windsels wikkelen. Maar dit is mij niet genoeg. Mijn broeder, @@ -11664,15 +11625,15 @@ vrouw een onbekommerden ouden dag hebben.”</p> <p>De Paraschiet had het zakje met de papyrus-strook aangenomen, en den arts tot het einde aangehoord. Maar na de laatste woorden keerde hij zich van hem af, en zeide bedaard, hoewel -op stelligen toon: »Behoud uw geld: wij zijn van elkander af. -Dat wil zeggen,” voegde hij er smeekend bij, »als het meisje +op stelligen toon: »Behoud uw geld: wij zijn van elkander af. +Dat wil zeggen,” voegde hij er smeekend bij, »als het meisje gezond wordt.”</p> -<p>»Zij is reeds half genezen,” stotterde de arts. »Waarom +<p>»Zij is reeds half genezen,” stotterde de arts. »Waarom wilt... wilt gij echter mijn geschenk...”</p> -<p>»Omdat ik tot heden nooit geborgd of gebedeld heb,” viel de -Paraschiet hem in de rede, »en ik niet voornemens ben daarmede +<p>»Omdat ik tot heden nooit geborgd of gebedeld heb,” viel de +Paraschiet hem in de rede, »en ik niet voornemens ben daarmede in mijn ouderdom te beginnen. Leven om leven! Doch wat ik heden heb gedaan, dat kan Ramses zelf mij met al zijn schatten niet betalen!”</p> @@ -11689,34 +11650,34 @@ gaarne aan dit verzoek, want sedert gisteren avond had hij geen bete broods geproefd.</p> <p>Zoodra de grootmoeder weder in de hut was verdwenen, -vroeg Nebsecht den Paraschiet: »Wiens hart hebt gij mij gebracht, +vroeg Nebsecht den Paraschiet: »Wiens hart hebt gij mij gebracht, en hoe is het in uwe handen gekomen?”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_236" id="Page_236">[236]</a></span></p> -<p>»Zeg mij eerst,” vroeg de oude op zijn beurt, »waarom liet +<p>»Zeg mij eerst,” vroeg de oude op zijn beurt, »waarom liet ge mij zulk eene groote zonde begaan!”</p> -<p>»Omdat ik mij van de gesteldheid van het menschelijk hart -overtuigen wil,” gaf Nebsecht ten antwoord, »opdat ik zieke +<p>»Omdat ik mij van de gesteldheid van het menschelijk hart +overtuigen wil,” gaf Nebsecht ten antwoord, »opdat ik zieke harten, zoo dikwijls ik ze ontmoet, zal kunnen genezen.”</p> <p>De Paraschiet zag een poos zwijgend naar den grond en vroeg -toen: »Spreekt gij waarheid?”</p> +toen: »Spreekt gij waarheid?”</p> -<p>»Ja,” antwoordde de arts, op zulk een overtuigenden toon, zoo +<p>»Ja,” antwoordde de arts, op zulk een overtuigenden toon, zoo dat er geen twijfel kon overblijven.</p> -<p>»Dat verheugt mij,” zeide de oude, »want ook aan armen +<p>»Dat verheugt mij,” zeide de oude, »want ook aan armen verleent gij uwe hulp.”</p> -<p>»Even gaarne als aan rijken! Maar zeg mij nu wiens hart gij +<p>»Even gaarne als aan rijken! Maar zeg mij nu wiens hart gij hebt weggenomen.”</p> -<p>»Ik kwam in het huis van de balsemers,” begon de grijsaard +<p>»Ik kwam in het huis van de balsemers,” begon de grijsaard te vertellen, nadat hij eenige groote vuursteenen voor zich had gelegd, teneinde deze volgens de regelen der kunst zoo af te -hakken en te slijpen, tot zij als messen konden dienen. »Ik +hakken en te slijpen, tot zij als messen konden dienen. »Ik kwam dan in het huis van de balsemers en vond er drie lijken, waarin ik met mijne steenen messen de acht voorgeschreven insnijdingen moest maken. Als de lijken daar zoo naakt liggen @@ -11724,16 +11685,16 @@ op de houten tafel, dan gelijken ze allen op elkander, en de bedelaar zwijgt voor mij zoo goed als de eigen zoon des konings.</p> -<p>»Maar ik wist wel wie daar voor mij lagen. Het stevige oude +<p>»Maar ik wist wel wie daar voor mij lagen. Het stevige oude lichaam midden op tafel was van den gestorven profeet uit den Hatasoe-tempel. Een eind verder lagen, dicht bij elkander, de lijken van een steenhouwer uit de Nekropolis en een meisje uit het vreemden-kwartier, dat aan de longtering was gestorven; twee ellendige uitgeteerde gestalten. Den profeet had ik wel gekend, want honderdmaal was ik hem tegengekomen in zijn gouden -draagstoel. Ze noemden hem altijd den rijken Roeï.</p> +draagstoel. Ze noemden hem altijd den rijken Roeï.</p> -<p>»Ik deed mijn plicht aan alle drie. Men verdreef mij met de +<p>»Ik deed mijn plicht aan alle drie. Men verdreef mij met de gewone steenworpen, en ik bracht daarna met mijne gezellen het inwendige der lijken in orde. Het hart en de overige ingewanden van den profeet moesten later in kostbare albasten kanopen<a name="FNanchor_191" id="FNanchor_191"></a><a href="#Footnote_191" class="fnanchor">191)</a> @@ -11749,26 +11710,26 @@ andere wereld, wanneer gij ze haar niet moedwillig ontrooft! Toen ik bij het magere lijk van den steenhouwer kwam, en zijne handen zag, die nog meer vereelt waren dan de mijne, fluisterde de demon mij hetzelfde toe. Nu plaatste ik mij voor het -goed doorvoede lichaam van den profeet Roeï, die aan eene beroerte +goed doorvoede lichaam van den profeet Roeï, die aan eene beroerte was gestorven, en ik dacht aan de eer en den rijkdom, die hij op aarde had genoten. Hij had ten minste eens overvloed van geluk en vreugde gesmaakt. Toen greep ik, zoodra ik alleen was, snel in mijne buidel en verwisselde het hart van den hamel met het zijne.</p> -<p>»Misschien ben ik dubbel schuldig, omdat ik een zoo dolzinnig +<p>»Misschien ben ik dubbel schuldig, omdat ik een zoo dolzinnig spel heb gespeeld met het hart van een profeet. Maar zij zullen -het lijk van den rijken Roeï met honderd amuletten behangen, -scarabeën<a name="FNanchor_193" id="FNanchor_193"></a><a href="#Footnote_193" class="fnanchor">193)</a> in zijn lijf leggen op de plaats van het hart, en +het lijk van den rijken Roeï met honderd amuletten behangen, +scarabeën<a name="FNanchor_193" id="FNanchor_193"></a><a href="#Footnote_193" class="fnanchor">193)</a> in zijn lijf leggen op de plaats van het hart, en hem met heilige olie en voortreffelijke schriften tegen alle vijanden op den weg in de Amenti<a name="FNanchor_194" id="FNanchor_194"></a><a href="#Footnote_194" class="fnanchor">194)</a> beschutten, terwijl niemand aan die armen helpende talismans zal medegeven. Bovendien, gij hebt mij gezworen in de andere wereld in de zaal van het doodengericht, mijne schuld op u te nemen.”</p> -<p>Nebsecht stak den oude de hand toe en zeide: »Dat heb ik +<p>Nebsecht stak den oude de hand toe en zeide: »Dat heb ik gedaan, en ik zou gekozen hebben als gij. — Neem nu dit water, -verdeel het in vier deelen en geef Warda telkens éen daarvan, +verdeel het in vier deelen en geef Warda telkens éen daarvan, vier avonden achtereen<a name="FNanchor_195" id="FNanchor_195"></a><a href="#Footnote_195" class="fnanchor">195)</a>. Begin heden dadelijk, en reeds overmorgen zal zij, denk ik, gezond zijn. Ik kom weldra terug om naar haar te zien. Ga nu rusten en gun mij hier buiten een @@ -11782,7 +11743,7 @@ de arts verdwenen, maar een bij het vuur liggende doek met<span class="pagenum"> een groote bloedvlek zeide den ouden man, dat de ongeduldige Nebsecht in den afgeloopen nacht het hart van den profeet onderzocht en waarschijnlijk geheel uit elkaar gesneden had. Hij -huiverde, en met grooten zielsangst wierp hij zich op de knieën, +huiverde, en met grooten zielsangst wierp hij zich op de knieën, toen de zonnegod in zijne gouden schuit aan den hemel verscheen. Hij bad recht innig, eerst voor Warda en daarna voor het heil zijner in gevaar verkeerende ziel. Bemoedigd stond hij op, @@ -11816,18 +11777,18 @@ om hier inkoopen te doen, of aan de beambten die hier bezig waren onderscheidene bestellingen op te dragen. De doodenbazar was goed genoeg voorzien, want men vond er lijkkisten in alle vormen, van de eenvoudigste tot de kostbaarste, die, in de -gedaante van mummiën, rijk verguld en beschilderd waren. Ze +gedaante van mummiën, rijk verguld en beschilderd waren. Ze stonden alle tegen de wanden overeind. Op houten rekken lagen ontelbare rollen van grof en fijn lijnwaad, waarmede de ledematen -der mummiën omwonden werden. Dit lijnwaad was door het personeel +der mummiën omwonden werden. Dit lijnwaad was door het personeel van deze inrichting voor het balsemen vervaardigd, onder de bescherming van de godinnen van het weefgetouw, Neith, -Isis en Nephtys, of men had het van elders, met name uit Saïs +Isis en Nephtys, of men had het van elders, met name uit Saïs ontboden.</p> <p>De bezoekers van deze modelkamers mochten uit de lijkkisten en windsels vrij hunne keuze doen. Ditzelfde gold van de halsbanden, -scarabeën, zuiltjes, Oeza-oogen, banden, hoofdsteunsels, +scarabeën, zuiltjes, Oeza-oogen, banden, hoofdsteunsels, driehoeken, rechthoeken, gespleten ringen, trapjes en andere symbolische figuren<a name="FNanchor_201" id="FNanchor_201"></a><a href="#Footnote_201" class="fnanchor">201)</a>, die men gewoon was de dooden als heilige amuletten op het lichaam te hechten, of in de windsels te wikkelen. @@ -11845,7 +11806,7 @@ schouders werden gelegd, de afgestorvenen zouden bijstaan in hun arbeid op den akker der gelukzaligen<a name="FNanchor_204" id="FNanchor_204"></a><a href="#Footnote_204" class="fnanchor">204)</a>.</p> <p>De weduwe en de hofmeester van den overleden rijken profeet -van den Hatasoe-tempel Roeï, en een voornaam priester, die hen +van den Hatasoe-tempel Roeï, en een voornaam priester, die hen begeleidde, waren thans in een levendig gesprek met de beambten van het huis der balseming, en kozen uit de voorhanden modellen<span class="pagenum"><a name="Page_240" id="Page_240">[240]</a></span> de kostbaarste kisten. De mummie moest, besloten in een omhulsel @@ -11867,7 +11828,7 @@ die tevens eene lijst moest opmaken van de rijke doodenoffers, die de achterblijvenden zouden stichten. Deze lijst kon echter eerst later worden opgegeven, wanneer na de deeling van de erfenis over den omvang van het nagelaten vermogen kon worden -geoordeeld. Het balsemen alleen met de fijnste oliën en +geoordeeld. Het balsemen alleen met de fijnste oliën en reukwerken, daarbij gerekend de windsels, amuletten en de lijkkisten, zou, behalve de steenen sarkophaag, een last zilver kosten<a name="FNanchor_207" id="FNanchor_207"></a><a href="#Footnote_207" class="fnanchor">207)</a>.</p> @@ -11902,7 +11863,7 @@ ging. Op de Paraschieten alleen, die de lijken moesten openen, rustte de vloek der onreinheid in al zijne zwaarte. De plaats hunner werkzaamheid zag er inderdaad zeer akelig uit. De steenen zaal, waarin men de lijken opende, en de hallen waarin ze gezalfd -werden, waren verbonden met laboratoriën, bewaarplaatsen +werden, waren verbonden met laboratoriën, bewaarplaatsen van specerijen en nog verschillende andere vertrekken tot het gereedmaken van allerlei benoodigdheden. In eene ruimte, die tegen de zonnestralen alleen beschut was door een dak van palmtakken, @@ -11933,7 +11894,7 @@ stonden dezen ter zijde, en aan het hoofd- zoowel als aan het voeteinde van elke mummie, zag men eene vrouw, staande of neergehurkt, de laatste met de zinnebeelden van Nephthys, de eerste met die van Isis op het hoofd. Ieder lid van den gestorvene -op zichzelf werd met behulp van heilige oliën, amuletten en tooverspreuken +op zichzelf werd met behulp van heilige oliën, amuletten en tooverspreuken aan een bepaalden god gewijd. Voor het omwinden van elke spier was een bijzonder toebereid stuk lijnwaad bestemd. Elke drogerij, ieder windsel moest zijn oorsprong aan eene @@ -11956,14 +11917,14 @@ van burgers uit Thebe rondom enkele personen geschaard, waaraan zij hunne deelneming betuigden. Iemand die pas was aangekomen, de overste der offerpriesters van den tempel van Amon, die voor velen een bekende scheen te zijn en met eerbied werd -begroet, berichtte, alvorens aan de weduwe van den profeet Roeï +begroet, berichtte, alvorens aan de weduwe van den profeet Roeï zijn rouwbeklag te doen, dat hij vervuld was van eene schrikkelijke gebeurtenis. Er had zich toch aan de overzijde in Thebe een onheilspellend teeken voorgedaan, en wel in den tempel van den koning der goden zelven<a name="FNanchor_209" id="FNanchor_209"></a><a href="#Footnote_209" class="fnanchor">209)</a>. Vele nieuwsgierige hoorders verdrongen zich om hem, toen hij vertelde, dat de stadhouder Ani, uit blijdschap over de overwinning van zijne naar -Ethiopië gezonden troepen, onder het garnizoen van Thebe, +Ethiopië gezonden troepen, onder het garnizoen van Thebe, en dus ook onder de wachters van den Amon-tempel, wijn in overvloed had laten uitdeelen, en dat, terwijl de soldaten aan het feestvieren waren geweest, wolven<a name="FNanchor_210" id="FNanchor_210"></a><a href="#Footnote_210" class="fnanchor">210)</a> waren ingebroken in<span class="pagenum"><a name="Page_243" id="Page_243">[243]</a></span> @@ -11979,7 +11940,7 @@ dat de heilige Apis-stier gestorven was.</p> <p>De burgers, die zich verzameld hadden rondom den overste der offerpriesters, hieven terstond luide jammerkreten aan, die wijd en zijd in het rond werden gehoord. De opziener zelf en -de weduwe van den profeet Roeï stemden er levendig mede in. +de weduwe van den profeet Roeï stemden er levendig mede in. Uit het modellenhuis kwamen de verkoopers en beambten, uit de hallen der balsemers de Taricheuten, Paraschieten en hunne handlangers, uit de weverijen de werklieden en spinsters met @@ -11993,21 +11954,21 @@ het gejammer van de bewoners der Nekropolis, ja zelfs van de burgers van Thebe hooren, dat door den oostenwind werd overgedragen.</p> -<p>»Nu zullen zich,” zeide de overste der offerpriesters, »de slechte +<p>»Nu zullen zich,” zeide de overste der offerpriesters, »de slechte tijdingen omtrent den koning en het leger wel niet lang laten wachten! De dood van den ram, waaraan wij Ramses’ naam gaven, zal door den pharao nog meer worden betreurd, dan het sterven van den Apis. Inderdaad een veeg, zeer veeg teeken!”</p> -<p>»Mijn gestorven echtgenoot, de Osiris Roeï,” zeide de weduwe, -»heeft dat alles vooruit gezien. Als ik maar durfde spreken, zou +<p>»Mijn gestorven echtgenoot, de Osiris Roeï,” zeide de weduwe, +»heeft dat alles vooruit gezien. Als ik maar durfde spreken, zou ik veel kunnen openbaren, wat velen niet aangenaam zou zijn.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_244" id="Page_244">[244]</a></span></p> <p>De overste der offerpriesters glimlachte, want hij wist dat de profeet van den Hatasoe-tempel een aanhanger was geweest van -het oude koningshuis. Daarom gaf hij ten antwoord: »Ramses’ +het oude koningshuis. Daarom gaf hij ten antwoord: »Ramses’ zon kan wel voor een oogenblik door de wolken worden bedekt, maar haar ondergang zullen noch zij aanschouwen, die er voor vreezen, noch zij die hem vurig wenschen.”</p> @@ -12067,7 +12028,7 @@ hij haar aan de hemelsche goden toonen, en tot de goden der onderwereld bad hij, inzonderheid tot de rechters in de zaal der waarheid en gerechtigheid, dat zij hem toch niet mochten toerekenen, wat hij voor anderen, niet voor zichzelven had misdreven, -en dat zij Roeï, hoewel van zijn hart beroofd, de rechtvaardiging +en dat zij Roeï, hoewel van zijn hart beroofd, de rechtvaardiging niet mochten onthouden.</p> <p>Terwijl zijne ziel aldus in overpeinzing en gebed was verzonken, @@ -12079,9 +12040,9 @@ die beval hem te volgen.</p> <p>Voor de van harslucht en andere welriekende geuren geheel vervulde zaal, waarin de eigenlijke balseming plaats had, stonden vele Taricheuten zeker voorwerp opmerkzaam te beschouwen, -dat in eene albasten schaal lag. De knieën van den oude begonnen +dat in eene albasten schaal lag. De knieën van den oude begonnen te knikken, toen hij het dierenhart herkende, dat hij -bij de overige inwendige lichaamsdeelen van den profeet Roeï +bij de overige inwendige lichaamsdeelen van den profeet Roeï gelegd had.</p> <p>De overste der Taricheuten vroeg hem, of hij den gestorven @@ -12089,7 +12050,7 @@ profeet had behandeld.</p> <p>Pinem stamelde een toestemmend antwoord.</p> -<p>Of dit dan het hart van Roeï was?</p> +<p>Of dit dan het hart van Roeï was?</p> <p>De oude knikte bevestigend.</p> @@ -12099,38 +12060,38 @@ een hunner, om weldra terug te keeren met den overste der offerpriesters uit den Amon-tempel in Thebe, dien hij nog in het wevershuis had aangetroffen, en den overste aller Kolchyten.</p> -<p>»Laat mij dat hart zien,” zeide de overste der offerpriesters, -terwijl hij bij de Taricheuten kwam. »Ik kan in het donker wel +<p>»Laat mij dat hart zien,” zeide de overste der offerpriesters, +terwijl hij bij de Taricheuten kwam. »Ik kan in het donker wel onderscheiden of gij goed hebt gezien. Dagelijks onderzoek ik wel honderd dierenharten. Geeft hier! — Bij alle goden van hemel en onderwereld, dit is het hart van een ram.”</p> -<p>»En het werd in de borst van Roeï gevonden,” luidde de<span class="pagenum"><a name="Page_246" id="Page_246">[246]</a></span> -stellige verzekering van een der Taricheuten. »Gisteren werd +<p>»En het werd in de borst van Roeï gevonden,” luidde de<span class="pagenum"><a name="Page_246" id="Page_246">[246]</a></span> +stellige verzekering van een der Taricheuten. »Gisteren werd hij in onze tegenwoordigheid door dezen ouden Paraschiet geopend.”</p> -<p>»Zonderling!” zeide de Amon-priester, »en ongelooflijk! Maar +<p>»Zonderling!” zeide de Amon-priester, »en ongelooflijk! Maar misschien heeft er eene onwillekeurige verwisseling plaats gehad. Hebt gij ook hierboven ergens geslacht, en....”</p> -<p>»Wij reinigen ons,” viel de overste Kolchyt den offerpriester -in de rede, »voor het feest van het dal, en sedert tien dagen +<p>»Wij reinigen ons,” viel de overste Kolchyt den offerpriester +in de rede, »voor het feest van het dal, en sedert tien dagen is bij ons geen dier tot spijziging geslacht. Bovendien liggen de stallen en slachthuizen ver van hier, aan gene zijde van de weverijen.”</p> -<p>»Vreemd!” herhaalde de priester. »Bewaar dit hart zeer zorgvuldig, +<p>»Vreemd!” herhaalde de priester. »Bewaar dit hart zeer zorgvuldig, Kolchyt! Of nog beter: Laat het in eene bus doen. Wij zullen het naar den eersten profeet van Amon brengen. Het schijnt inderdaad, dat hier een wonder is geschied.”</p> -<p>»Het hart behoort in de Nekropolis,” bracht de overste Kolchyt -hiertegen in, »weshalve het geschikter zou zijn, als wij het +<p>»Het hart behoort in de Nekropolis,” bracht de overste Kolchyt +hiertegen in, »weshalve het geschikter zou zijn, als wij het aan den eersten profeet van het Seti-huis, den grooten Ameni ter hand stelden.”</p> -<p>»Gij hebt hier te bevelen,” was het antwoord van den ander. -»Laat ons dan heengaan!”</p> +<p>»Gij hebt hier te bevelen,” was het antwoord van den ander. +»Laat ons dan heengaan!”</p> <p>Weinige oogenblikken later werden de offerpriester en de overste Kolchyt in hunne draagstoelen het dal ingedragen, op den voet @@ -12150,7 +12111,7 @@ hem alsof hij geheel tot leugen en ongerechtigheid was vervallen, als keerde de godin der waarheid, die hij levenslang had gediend, hem verwijtend den rug toe. Na het gebeurde kon hij toch nimmer hopen door de doodenrechters zalig gesproken -te zullen worden, als »een die der waarheid getuigenis +te zullen worden, als »een die der waarheid getuigenis gaf<a name="FNanchor_214" id="FNanchor_214"></a><a href="#Footnote_214" class="fnanchor">214)</a>.” Verloren, verspeeld was het doel van een lang leven, zoo rijk aan gebeden en ontberingen! Zijne ziel weende bloedige tranen, het suisde zoo hevig in zijne ooren, dat zijne zinnen<span class="pagenum"><a name="Page_247" id="Page_247">[247]</a></span> @@ -12161,7 +12122,7 @@ handen zoo hevig, dat hij niet in staat was het mes te gebruiken.</p> <div class="footnotes"> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_187" id="Footnote_187"></a><a href="#FNanchor_187"><span class="label">187)</span></a> De hiëroglief „sam” schijnt zulk een voorwerp aan te duiden.</p> +<p><a name="Footnote_187" id="Footnote_187"></a><a href="#FNanchor_187"><span class="label">187)</span></a> De hiëroglief „sam” schijnt zulk een voorwerp aan te duiden.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -12188,13 +12149,13 @@ voor 1600 talenten, ongeveer 4,320,000 gulden, verbruikt zijn.</p> <p><a name="Footnote_192" id="Footnote_192"></a><a href="#FNanchor_192"><span class="label">192)</span></a> De aarde. Plutarchus noemt Seb, die op de gedenkteekenen dikwijls „de vader der goden” heet, Kronos. Hij is de god van den tijd, en daar de Egyptenaars de materie voor eeuwig hielden, zoo is het niet toevallig, -dat in het hiëroglyphen-schrift voor de eeuwigheid het teeken werd +dat in het hiëroglyphen-schrift voor de eeuwigheid het teeken werd gebruikt, dat de aarde voorstelde.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_193" id="Footnote_193"></a><a href="#FNanchor_193"><span class="label">193)</span></a> Afbeeldingen van den heiligen scarabeüs-kever, uit allerlei stoffen -vervaardigd, werden op de plaats van het hart in de mummiën gelegd. +<p><a name="Footnote_193" id="Footnote_193"></a><a href="#FNanchor_193"><span class="label">193)</span></a> Afbeeldingen van den heiligen scarabeüs-kever, uit allerlei stoffen +vervaardigd, werden op de plaats van het hart in de mummiën gelegd. Op grootere exemplaren leest men dikwijls de hoofdstukken 26 tot 30 en 64 van het Doodenboek, die over het hart handelen.</p> </div> @@ -12214,7 +12175,7 @@ en 64 van het Doodenboek, die over het hart handelen.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_197" id="Footnote_197"></a><a href="#FNanchor_197"><span class="label">197)</span></a> Volgens Herodotus (II, 87) werden de hersenen der lijken met een haak door den neus uit het hoofd gehaald. Czermak vond, bij de ontleding -van twee mummiën te Praag, het zeefbeen verbrijzeld.</p> +van twee mummiën te Praag, het zeefbeen verbrijzeld.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -12228,22 +12189,22 @@ van twee mummiën te Praag, het zeefbeen verbrijzeld.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_200" id="Footnote_200"></a><a href="#FNanchor_200"><span class="label">200)</span></a> Naar de bekende plaatsen bij Herodotus (II, 85-90) en Diodorus (I, 91), die door eenige handschriften uit het oude Egypte aanmerkelijk worden -aangevuld, bij name door den papyrus III uit Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, +aangevuld, bij name door den papyrus III uit Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, en door den papyrus 5158 van het Louvre, uitmuntend toegelicht -door Maspero: <cite>Mémoire sur quelques papyrus du Louvre, +door Maspero: <cite>Mémoire sur quelques papyrus du Louvre, II. Le rituel de l’embaumement</cite>. — Uit dit ritueel van de balseming hebben wij vele tot hiertoe onbekende bijzonderheden leeren kennen -over het gereed maken der mummiën en de gebruiken die daarbij +over het gereed maken der mummiën en de gebruiken die daarbij werden in acht genomen. Leerrijk zijn ook in dit opzicht de papyrus-Rind in twee talen, en andere teksten, die op de begrafenis betrekking hebben. Hoe wonderlijk zelfs de fijnste weefsels van het menschelijk lichaam door de balsemers werden bewaard, weten wij door het physiologisch -onderzoek van Czermak van de twee mummiën te Praag.</p> +onderzoek van Czermak van de twee mummiën te Praag.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_201" id="Footnote_201"></a><a href="#FNanchor_201"><span class="label">201)</span></a> Altemaal amuletten, die in groot aantal bij de mummiën worden aangetroffen. -Men kan ze in alle Egyptische museën zien. De dikwijls zeer +<p><a name="Footnote_201" id="Footnote_201"></a><a href="#FNanchor_201"><span class="label">201)</span></a> Altemaal amuletten, die in groot aantal bij de mummiën worden aangetroffen. +Men kan ze in alle Egyptische museën zien. De dikwijls zeer zonderlinge beteekenis van de meesten is ons bekend, want bijna aan elke is een hoofdstuk van het Doodenboek gewijd.</p> </div> @@ -12254,7 +12215,7 @@ is een hoofdstuk van het Doodenboek gewijd.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_203" id="Footnote_203"></a><a href="#FNanchor_203"><span class="label">203)</span></a> Dikwijls in verbazende menigte in het zand gevonden; zoo als bij de -opdelvingen van Mariëtte.</p> +opdelvingen van Mariëtte.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -12293,7 +12254,7 @@ mummie-kisten vindt men het masker van den afgestorvene. <span class="vert">Vert <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_210" id="Footnote_210"></a><a href="#FNanchor_210"><span class="label">210)</span></a> De wolven zijn thans uit Egypte verdwenen; zij behoorden echter tot de heilige dieren en werden te Lykopolis (Wolfstad), het tegenwoordige -Sioet, vereerd en begraven. Daar heeft men ook mummiën van wolven gevonden. +Sioet, vereerd en begraven. Daar heeft men ook mummiën van wolven gevonden. Volgens Herodotus (II, 67) begroef men de wolven, waar men ze dood vond liggen, en Aelianus (De natura animalium IX, 18) verhaalt, dat zeker kruid, Lykoktonon, hetwelk voor de wolven doodelijk was, niet @@ -12323,7 +12284,7 @@ dieren hield men voor aardsche openbaringsvormen van de ziel van Ra.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_215" id="Footnote_215"></a><a href="#FNanchor_215"><span class="label">215)</span></a> Czermak ontdekte bij zijn onderzoek van twee mummiën te Praag, +<p><a name="Footnote_215" id="Footnote_215"></a><a href="#FNanchor_215"><span class="label">215)</span></a> Czermak ontdekte bij zijn onderzoek van twee mummiën te Praag, dat men de voetzolen bij eene had afgesneden en in de borst gestoken. Het 125e hoofdstuk van het Doodenboek behelst eene plaats, waaruit is af te leiden dat dit geschiedde, opdat de voet van hem die voor Osiris @@ -12370,41 +12331,41 @@ hem een weinig den spot gedreven, en zich daarbij nog veel overmoediger getoond, dan zij gewoonlijk waren, doch heden lieten zij het hoofd hangen. De jonge Anana, Pentaoer’s geliefdste leerling, zat in een hoek van den hof met de ellebogen -op de knieën, en verborg zijn aangezicht in zijne handen.</p> +op de knieën, en verborg zijn aangezicht in zijne handen.</p> -<p>»Wij hebben deze streek nu eenmaal begaan,” zeide Rameri, +<p>»Wij hebben deze streek nu eenmaal begaan,” zeide Rameri, terwijl hij naar Anana toeging en zijne hand op diens schouder<span class="pagenum"><a name="Page_249" id="Page_249">[249]</a></span> -legde, »en wij moeten goedschiks of kwaadschiks de gevolgen +legde, »en wij moeten goedschiks of kwaadschiks de gevolgen ervan dragen. Maar schaamt ge u niet, oude jongen! Uwe oogen zijn vochtig en de druppels hier op uwe handen komen zeker niet uit de wolken. Dat heet een zeventienjarige, en wil binnen weinige maanden een schrijver, een volwassen man zijn!”</p> <p>Anana zag tot den koningszoon op, veegde snel zijne tranen -weg en zeide: »Ik was uw aanvoerder. Ameni zal mij uit deze +weg en zeide: »Ik was uw aanvoerder. Ameni zal mij uit deze inrichting bannen, en dan moet ik met schande tot mijne arme moeder terugkeeren, die in de wereld niets anders heeft behalve mij.”</p> -<p>»Arme kerel!” sprak Rameri deelnemend. »Het is ook om +<p>»Arme kerel!” sprak Rameri deelnemend. »Het is ook om uit je vel te springen! En wanneer onze streek Pentaoer ten minste nog maar gebaat had!”</p> -<p>»We hebben hem kwaad berokkend,” hernam Anana levendig, -»en als onzinnigen gehandeld.”</p> +<p>»We hebben hem kwaad berokkend,” hernam Anana levendig, +»en als onzinnigen gehandeld.”</p> <p>Rameri knikte toestemmend, zag eenige oogenblikken nadenkend -voor zich, en sprak toen: »Weet ge wel, Anana, dat gij +voor zich, en sprak toen: »Weet ge wel, Anana, dat gij eigenlijk onzen aanvoerder niet geweest zijt? In dit hoofd is het dolzinnige plan opgekomen, en gij hebt het mij slechts helpen uitvoeren. Ik neem alles voor mijne rekening. Ik ben de zoon van Ramses, en Ameni zal zachter met mij handelen dan met ulieden!”</p> -<p>»Hij zal ons in het verhoor nemen,” zeide Anana, »en liever +<p>»Hij zal ons in het verhoor nemen,” zeide Anana, »en liever laat ik mij straffen, dan dat ik liegen zou.”</p> -<p>Rameri kreeg eene kleur en riep: »Hebt ge mijne tong ooit +<p>Rameri kreeg eene kleur en riep: »Hebt ge mijne tong ooit hooren zondigen tegen de lichtdochter van Ra? Heidaar! Antef, Hapi, Sent en gij overigen, geeft antwoord! Heb ik ulieden opgehitst of niet? Wie anders dan ik heeft u aangeraden Pentaoer @@ -12418,28 +12379,28 @@ Anana noemen, niemand, hoort ge! Al slaan ze ulieden met stokken en al laten ze ons honger lijden, wij blijven er bij, dat ik van al het gebeurde oorzaak ben?”</p> -<p>»Gij zijt een brave jongen,” zeide de zoon van den eersten +<p>»Gij zijt een brave jongen,” zeide de zoon van den eersten profeet van Amon in Thebe, en drukte daarbij Rameri’s rechterhand, terwijl Anana zijn linker schudde.</p> <p>De prins maakte lachend zijne handen uit die zijner vrienden -los, zeggende: »Laat nu den oude maar komen, we zijn er op +los, zeggende: »Laat nu den oude maar komen, we zijn er op voorbereid. Maar ik blijf er bij: ik vraag mijn vader zoo waarachtig als ik Rameri heet, mij naar Chennoe te zenden, als zij Pentaoer niet terugroepen.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_250" id="Page_250">[250]</a></span></p> -<p>»Hij heeft ons als schooljongens behandeld,” zeide de grootste +<p>»Hij heeft ons als schooljongens behandeld,” zeide de grootste onder de jeugdige misdadigers.</p> -<p>»En met recht,” antwoordde Rameri. »Ik acht hem daarom te +<p>»En met recht,” antwoordde Rameri. »Ik acht hem daarom te hooger. Gij ziet mij aan voor een lichtzinnigen knaap; doch ik heb mijne eigene gedachten en zal u mijne wijsheid doen kennen.”</p> <p>Bij deze woorden zag hij zijne makkers aan met komischen ernst en vervolgde, terwijl hij de stem van Ameni nabootste: -»De groote mensch onderscheidt zich hierdoor van den kleine, +»De groote mensch onderscheidt zich hierdoor van den kleine, dat hij hetgeen zijn ijdelheid streelt, en hem voor het oogenblik wenschelijk, zelfs nuttig schijnt, versmaadt en onopgemerkt voorbijgaat, wanneer het niet is overeen te brengen met door hem @@ -12450,13 +12411,13 @@ uit den mond mijns vaders opgevangen, deels zelfs bedacht, en nu vraag ik u: kon Pentaoer, als die grootere mensch, ons beter behandelen?”</p> -<p>»Gij spreekt uit,” zeide Anana, »wat mijn hart mij reeds +<p>»Gij spreekt uit,” zeide Anana, »wat mijn hart mij reeds sedert gisteren zeide. Wij hebben gehandeld als kleine kinderen, en in plaats van onzen wil door te zetten, ons zelven en Pentaoer kwaad gedaan.”</p> <p>Men hoorde het ratelen van een naderenden wagen. Rameri -viel Anana in de rede en riep: »Daar is hij! Moed, jongens! +viel Anana in de rede en riep: »Daar is hij! Moed, jongens! Ik ben de schuldige. Hij durft mij niet met den stok te laten slaan, maar hij zal mij met zijne oogen wel raken!”</p> @@ -12464,7 +12425,7 @@ slaan, maar hij zal mij met zijne oogen wel raken!”</p> mede, dat de eerste Kolchyt en de overste der offerpriesters van den Amon-tempel te Thebe hem verlangden te spreken.</p> -<p>»Zij kunnen wachten,” antwoordde de profeet kortaf. »Breng +<p>»Zij kunnen wachten,” antwoordde de profeet kortaf. »Breng ze voorloopig in de tuinzaal. Waar is de eerste der Horoscopen?”</p> <p>Hij had nog niet uitgesproken, toen de grijsaard naar wien hij @@ -12476,7 +12437,7 @@ de oude man hem verlangde mede te deelen.</p> <p>Ameni liet zich, zoo vaak hij het Seti-huis verliet, elken morgen getrouw berichten wat er zich had voorgedaan. Toen nu de Horoscoop met zijn verslag begon, brak hij diens hartstochtelijke -aanklacht af met te zeggen: »Ik weet alles! De leerlingen hangen +aanklacht af met te zeggen: »Ik weet alles! De leerlingen hangen Pentaoer aan en hebben om zijnentwil eene dwaasheid begaan, en gij hebt de prinses Bent-Anat bij hem ontmoet in den Hatasoe-tempel, tot welken hij eene geringe vrouw toegang verleende, @@ -12498,10 +12459,10 @@ wagen te bestijgen, die nog aan de poort wachtte, ten einde Pentaoer in zijn naam te bevelen in het Seti-huis terug te keeren.</p> <p>Hoewel innerlijk teleurgesteld, schikte de Horoscoop zich naar -den wil van den offerpriester en vroeg alleen: »Zullen nu de +den wil van den offerpriester en vroeg alleen: »Zullen nu de misdadige knapen ook ongestraft blijven?”</p> -<p>»Zoo min als Pentaoer,” antwoordde Ameni. »Doch hoe kunt +<p>»Zoo min als Pentaoer,” antwoordde Ameni. »Doch hoe kunt gij dezen jongensstreek eene misdaad noemen? Laat jongens toch vroolijk zijn en overmoedig! Een opvoeder die zijne oogen altijd openhoudt en ze niet ter rechter tijd weet te sluiten, zal hen @@ -12522,7 +12483,7 @@ bewegingen zoo ernstig waren als heden, er iets gewichtigs op til was.</p> <p>De offerpriester, bespeurende wat er in den Horoscoop omging, -zeide: »Thans verstaat gij mij niet, maar heden avond zult gij +zeide: »Thans verstaat gij mij niet, maar heden avond zult gij in de vergadering der ingewijden alles vernemen. Er zijn belangrijke dingen aan de orde. De priesters in den Amon-tempel aan den anderen oever, worden afvallig van hetgeen ons allen @@ -12541,11 +12502,11 @@ zal die onbezonnen knapen terstond in het verhoor nemen. De zoon van Ramses, Rameri, was mede onder deze weerspannigen niet waar?”</p> -<p>»Hij schijnt een der raddraaiers geweest te zijn,” antwoordde +<p>»Hij schijnt een der raddraaiers geweest te zijn,” antwoordde de Horoscoop.</p> <p>Ameni zag den oude aan met een lachje, waarin een diepe zin -lag, en zeide: »De naaste bloedverwanten des konings bedekken +lag, en zeide: »De naaste bloedverwanten des konings bedekken zich met eer! Zijn oudste dochter moet, als eene verontreinigde en weerspannige, op verren afstand worden gehouden van de vromen in den tempel, en wij zullen wel genoodzaakt zijn, zijn @@ -12557,31 +12518,31 @@ Amon tot u gekomen? Ja? Ramses zelf schonk het dier aan de godheid, en ze hadden het zijn naam gegeven. Een slecht voorteeken!”</p> -<p>»Ook de Apis is gestorven,” zeide de Horoscoop, en hief +<p>»Ook de Apis is gestorven,” zeide de Horoscoop, en hief klagend zijne armen omhoog.</p> -<p>»Zijne goddelijke ziel keerde tot de godheid terug,” antwoordde -Ameni. »Wij hebben nu veel te doen, voor alles te +<p>»Zijne goddelijke ziel keerde tot de godheid terug,” antwoordde +Ameni. »Wij hebben nu veel te doen, voor alles te toonen, dat wij de priesters van de overzijde staan kunnen, en Thebe voor ons te winnen. De panegyrie, die wij tegen morgen in gereedheid brengen, moet alles wat men tot hiertoe gezien heeft overtreffen. De stadhouder Ani schonk mij rijke bijdragen, en....”</p> -<p>»En,” viel de Horoscoop hem in de rede, »onze wonderdoeners +<p>»En,” viel de Horoscoop hem in de rede, »onze wonderdoeners kunnen vrij wat beter dingen voor den dag brengen, dan die van het Amon-huis, die zitten te slempen, als wij ons oefenen.”</p> -<p>Ameni knikte toestemmend, en zeide lachend: »Wij zijn voor +<p>Ameni knikte toestemmend, en zeide lachend: »Wij zijn voor het volk ook onontbeerlijker dan zij. De priesters van de overzijde besturen de levenden, maar wij effenen den doodsweg, en in het licht kan men gemakkelijker zonder gids wandelen dan in de duisternis. Wij zijn tegen de priesters van Amon wel opgewassen.”</p> -<p>»Zoolang gij ons aanvoert, zeker!” riep de Horoscoop.</p> +<p>»Zoolang gij ons aanvoert, zeker!” riep de Horoscoop.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_253" id="Page_253">[253]</a></span></p> -<p>»En zoolang het dit huis niet aan mannen ontbreekt van uw +<p>»En zoolang het dit huis niet aan mannen ontbreekt van uw geest,” voegde Ameni er bij. Hij richtte zich daarbij half tot den Horoscoop, half tot den tweeden profeet van het Seti-huis, den ouden maar krachtigen Gagaboe, die juist was binnengetreden. @@ -12595,10 +12556,10 @@ alles bericht geven, beschouwde met den Horoscoop en Gagaboe het hart in ’t kastje, nam het angstvallig tusschen zijne lange dunne vingers, bekeek met aandacht het orgaan, dat met specerijen verzadigd, een aangenamen geur rondom zich verspreidde, -en zeide ernstig: »Als dit, gelijk gij beweert, Kolchyt, geen +en zeide ernstig: »Als dit, gelijk gij beweert, Kolchyt, geen menschenhart, maar zooals gij, mijn broeder uit het Amon-huis, verzekert, het hart van een ram is, dat gevonden werd in de -borst van den Osiris Roeï, dan staan wij hier voor een raadsel, +borst van den Osiris Roeï, dan staan wij hier voor een raadsel, dat de godheid alleen kan oplossen. Volgt mij in het groote voorhof! Laat het bekken slaan, Gagaboe, viermaal, want ik wensch alle tempelbewoners saam te roepen.”</p> @@ -12619,7 +12580,7 @@ in rangorde zouden scharen. Hij deelde zijnen verbaasden hoorders mede, dat er in de borst van den gestorven vromen overste van den Hatasoe-tempel, het hart van een ram en niet dat van een mensch was gevonden, en verlangde dat zij hem volgen zouden. -Hij gebood allen op de knieën neder te zinken en te bidden, +Hij gebood allen op de knieën neder te zinken en te bidden, terwijl hij in het Allerheiligste zou gaan, om de goden te vragen, wat dit wonder voor hunne getrouwen te beteekenen had. Hij ging, met het hart in de hand, aan het hoofd van den langen @@ -12648,24 +12609,24 @@ het hart werd neergezet. Zij luisterden naar de woorden van den opperpriester, die plechtig, met afgemeten woorden en zoo luide dat allen het hooren konden, het volgende verkondigde:</p> -<p>»Zinkt andermaal op uwe knieën neder! Bewondert, aanbidt, +<p>»Zinkt andermaal op uwe knieën neder! Bewondert, aanbidt, en dankt! De achtbare overste der offerpriesters uit den Amon-tempel te Thebe heeft zich in zijne kunst niet bedrogen, want het hart van een ram werd inderdaad gevonden in de vrome borst -van onzen Roeï. In het allerheiligste heb ik duidelijk de stem +van onzen Roeï. In het allerheiligste heb ik duidelijk de stem der godheid vernomen, en wonderbare woorden drongen door tot mijn oor. Wolven verscheurden den heiligen ram van Amon in zijn heiligdom aan den anderen oever van den stroom; maar het hart van het goddelijk dier vond zijn weg naar de borst van -den vromen Roeï. Een groot wonder is er geschied, en de goden +den vromen Roeï. Een groot wonder is er geschied, en de goden geven ons een zeldzaam teeken te aanschouwen. De ziel van den Allerhoogste gevoelde zich niet te huis in het lichaam van den niet volmaakt heiligen ram, en zij zocht en vond een reiner -verblijf in de borst van onzen achtenswaardigen Roeï, en in +verblijf in de borst van onzen achtenswaardigen Roeï, en in deze gewijde vaas. Het hart zal daarin bewaard blijven, tot een nieuwe ram, door eene waardige hand geschonken, in het perk van Amon heeft plaats genomen. Dit hart wordt onder de heiligste -reliquieën gerekend; het bezit de kracht velerlei krankheden +reliquieën gerekend; het bezit de kracht velerlei krankheden te genezen. Ook schijnt de voorspellende spreuk, die in wierookdamp stond geschreven, gunstig te zijn. Hoort haar van woord tot woord: ‚Wat hoog is, stijgt hooger, en wat zich verhoogde @@ -12679,13 +12640,13 @@ waarmede de godheid ons heeft begenadigd!”</p> <p>Nadat de processie een tempelomgang gedaan en zich ontbonden<span class="pagenum"><a name="Page_255" id="Page_255">[255]</a></span> had, nam de overste der offerpriesters van Ameni afscheid, boog zich voor hem diep en volgens de voorgeschreven vormen, -en zeide met bijkans vijandige koelte: »Wij zullen in den Amon-tempel +en zeide met bijkans vijandige koelte: »Wij zullen in den Amon-tempel weten te waardeeren, wat gij in het Allerheiligste hebt gehoord. Het wonder is geschied; ook de koning zal vernemen, hoe het beloop er van is geweest en met welke woorden gij het hebt aangekondigd.”</p> -<p>»Met de woorden van den Allerhoogste!” antwoordde de opperpriester +<p>»Met de woorden van den Allerhoogste!” antwoordde de opperpriester met waardigheid, boog zich voor den ander en wendde zich tot eenige priesters, die elkander over de groote gebeurtenis van dezen dag onderhielden. Ameni deed eenige vragen @@ -12700,7 +12661,7 @@ van lachen, toen prins Rameri voorstelde, als zij soms veroordeeld mochten worden op erwten te knielen, deze eerst te laten koken.</p> -<p>»Er zijn niet alleen erwten, maar ook lange asperges”<a name="FNanchor_217" id="FNanchor_217"></a><a href="#Footnote_217" class="fnanchor">217)</a>, +<p>»Er zijn niet alleen erwten, maar ook lange asperges”<a name="FNanchor_217" id="FNanchor_217"></a><a href="#Footnote_217" class="fnanchor">217)</a>, zeide een ander scholier, daarbij eene beweging makende alsof hij sloeg, en op zijn rug wijzende.</p> @@ -12717,10 +12678,10 @@ vriendelijk toe, hij prees den beweeggrond van hetgeen zij gedaan hadden, hunne gehechtheid aan een hoogbegaafden leermeester, maar bracht hun daarna duidelijk en bedaard aan het verstand, door welke dwaze middelen en tegen welken prijs zij getracht -hadden hun doel te bereiken. »Stel u eens voor,” zeide hij meer -bepaald tot den prins, »dat uw hooggeëerde vader een generaal +hadden hun doel te bereiken. »Stel u eens voor,” zeide hij meer +bepaald tot den prins, »dat uw hooggeëerde vader een generaal verplaatste, die naar zijn oordeel hem elders beter zou kunnen -dienen, van Syrië naar Koesch bij voorbeeld, en dat zijne troepen<span class="pagenum"><a name="Page_256" id="Page_256">[256]</a></span> +dienen, van Syrië naar Koesch bij voorbeeld, en dat zijne troepen<span class="pagenum"><a name="Page_256" id="Page_256">[256]</a></span> daarom tot den vijand wilden overloopen! Hoe zou u dat bevallen?”</p> @@ -12734,14 +12695,14 @@ vroeg hijzelf, wie hen tot deze daad had opgezet. Deze en deze alleen moest de straf lijden.</p> <p>Nauwelijks had hij uitgesproken, of prins Rameri trad op den -voorgrond en zeide met bescheidenheid: »Wij zien nu in, heilige +voorgrond en zeide met bescheidenheid: »Wij zien nu in, heilige vader, dat wij een dommen streek hebben begaan, en ik betreur dien dubbel, omdat ik hem heb verzonnen en de anderen heb verleid mij te volgen. Ik heb Pentaoer innig lief, en na u is er niemand in het Seti-huis, die hem nabij komt.”</p> <p>Er kwam eene wolk op het gelaat van Ameni, en onwillig -antwoordde hij: »Scholieren staat het niet vrij over hunne leermeesters +antwoordde hij: »Scholieren staat het niet vrij over hunne leermeesters te oordeelen, ook u niet. Waart gij niet de zoon des konings, die als Ra over Egypte heerscht, zoo zou ik uwe onbezonnenheid met slagen doen straffen. Tegenover u zijn de handen @@ -12749,21 +12710,21 @@ mij gebonden, en toch moet ik ze overal en te ieder ure kunnen uitstrekken, opdat de honderden die mij zijn toevertrouwd geen schade lijden.”</p> -<p>»Straf mij dan!” riep Rameri. »Als ik eene dwaasheid bega, +<p>»Straf mij dan!” riep Rameri. »Als ik eene dwaasheid bega, ben ik ook bereid er de gevolgen van te dragen.”</p> <p>Ameni zag den levendigen jongeling weder met welgevallen aan, en zou hem gaarne de hand geschud en zijn kroeskop gestreeld hebben. Maar de straf Rameri toegedacht, moest een groot doel helpen bevorderen, en Ameni kende ook aan geene opwelling -van zijn gemoed het recht toe, hem in de uitvoering van een wél +van zijn gemoed het recht toe, hem in de uitvoering van een wél overwogen plan te verhinderen. Daarom antwoordde hij den prins -met strengen ernst: »Ik moet en zal u straffen, en doe het met +met strengen ernst: »Ik moet en zal u straffen, en doe het met u te verzoeken nog heden het Seti-huis te verlaten.”</p> <p>De prins verbleekte; Ameni ging echter vergoelijkend voort:</p> -<p>»Ik verjaag u niet met schande uit ons midden, maar zeg u +<p>»Ik verjaag u niet met schande uit ons midden, maar zeg u vriendelijk vaarwel. Binnen weinige weken zoudt gij deze inrichting toch verlaten, en overeenkomstig het bevel des konings, wiens leven, heil en kracht bloeie! het oefeningskamp der wagenstrijders @@ -12773,9 +12734,9 @@ een degelijk man en misschien een groot krijgsheld worden.”</p> <p>Overbluft bleef Rameri tegenover Ameni staan, zonder zijne hem aangebodene rechterhand aan te nemen. Toen naderde de -priester hem en zeide: »Gij zeidet mij, dat gij bereid waart de<span class="pagenum"><a name="Page_257" id="Page_257">[257]</a></span> +priester hem en zeide: »Gij zeidet mij, dat gij bereid waart de<span class="pagenum"><a name="Page_257" id="Page_257">[257]</a></span> gevolgen uwer dwaasheid op u te nemen, en het woord van -een koningszoon is onwankelbaar. Vóor zonsondergang geleiden +een koningszoon is onwankelbaar. Vóor zonsondergang geleiden wij u uit den tempel.”</p> <p>De opperpriester keerde daarop den kweekelingen den rug toe @@ -12788,15 +12749,15 @@ verstoord. Niemand sprak een woord, maar allen zagen op hem.</p> <p>Zoodra Rameri dit bespeurde, trachtte hij zich te beheerschen en zeide op een toon, die zijne aandoeningen verried, terwijl hij -Anana en een anderen vriend zijne handen toestak: »Ben ik dan +Anana en een anderen vriend zijne handen toestak: »Ben ik dan zoo slecht, dat men mij aldus uit uw midden verstooten en mijn vader zulk een leed berokkenen moet?”</p> -<p>»Gij hebt Ameni uw hand geweigerd,” zeide Anana. »Ga heen, +<p>»Gij hebt Ameni uw hand geweigerd,” zeide Anana. »Ga heen, reik hem de uwe, smeek hem, dat hij wat minder streng zij, mogelijk laat hij u dan nog in deze inrichting.”</p> -<p>Rameri antwoordde enkel »neen!” Maar dat <em>neen</em> klonk zoo +<p>Rameri antwoordde enkel »neen!” Maar dat <em>neen</em> klonk zoo bepaald, dat allen die hem kenden wel wisten, dat er niets aan te veranderen was.</p> @@ -12810,14 +12771,14 @@ hartelijk afscheid van hem aan de tempelpoort.</p> zijne vergulde bark, gevoelde hij dat zijne oogen zwommen in tranen.</p> -<p>»Mijn prins weent toch niet?” vroeg de beambte.</p> +<p>»Mijn prins weent toch niet?” vroeg de beambte.</p> -<p>»Waarom?” gaf de koningszoon barsch ten antwoord.</p> +<p>»Waarom?” gaf de koningszoon barsch ten antwoord.</p> -<p>»Ik meende op de wangen van mijn prins tranen te hebben +<p>»Ik meende op de wangen van mijn prins tranen te hebben opgemerkt,” hernam de ander.</p> -<p>»Tranen van vreugde, omdat ik uit den val ben,” riep Rameri +<p>»Tranen van vreugde, omdat ik uit den val ben,” riep Rameri sprong aan land en was weinige minuten later in het paleis der pharao’s bij zijne zuster Bent-Anat.</p> @@ -12854,7 +12815,7 @@ hoe Bent-Anat haar geruimen tijd had opgehouden. Vriendelijk was zij heengegaan, nadat Katoeti haar een nachtkus op het voorhoofd had gedrukt. Toen de weduwe zich in haar slaapvertrek wilde terugtrekken en Nemoe de pit van hare lamp aanstak, -kwam haar het geheim weder in de gedachte, dat Paäker geheel +kwam haar het geheim weder in de gedachte, dat Paäker geheel in de handen van den stadhouder zou overleveren. Zij beval den dwerg haar mede te deelen wat hij wist, en de kleine vertelde haar eindelijk, hoewel met ongeveinsden tegenzin, want hij was @@ -12868,12 +12829,12 @@ van den Mohar ook wel af, maar zij vroeg toch met belangstelling, of zulk een drank werkelijk eenige uitwerking kon hebben.</p> -<p>»Zeker wel,” antwoordde de dwerg, »wanneer de geheele +<p>»Zeker wel,” antwoordde de dwerg, »wanneer de geheele inhoud van het fleschje wordt gebruikt; doch Nefert kreeg maar de helft te drinken.”</p> <p>Laat in den avond begaf Katoeti zich naar haar slaapvertrek, -geheel vervuld met de gedachte aan Paäker’s waanzinnige liefde, +geheel vervuld met de gedachte aan Paäker’s waanzinnige liefde, Mena’s trouwbreuk en de groote verandering, die er met Nefert had plaats gegrepen. Toen zij op haar rustbed lag, werd zij gekweld<span class="pagenum"><a name="Page_259" id="Page_259">[259]</a></span> door duizend angsten, vermoedens en vreezen. Niet het @@ -12904,13 +12865,13 @@ zich veel vroeger dan andere dagen naar den tempel had laten dragen.</p> <p>Zij haalde vrijer adem, toen zij in de veranda terugkwam, om -haar neef Paäker te ontvangen, die inmiddels gekomen was om +haar neef Paäker te ontvangen, die inmiddels gekomen was om naar de gezondheid zijner betrekkingen te vernemen. Hij liet zich twee prachtige bloemruikers<a name="FNanchor_218" id="FNanchor_218"></a><a href="#Footnote_218" class="fnanchor">218)</a> door een slaaf nadragen, en had den grooten hond bij zich, die reeds aan zijn vader had behoord. Den eenen ruiker, zeide hij, had hij voor Nefert, den anderen voor hare moeder laten snijden. Katoeti stelde nog te meer belang -in Paäker, sedert zij wist, dat hij zich van den liefdedrank +in Paäker, sedert zij wist, dat hij zich van den liefdedrank had bediend. Maar zelden liet een jongeling uit den stand waartoe hij behoorde, zich zoo door hartstochtelijke liefde voor eene vrouw beheerschen als deze man, die met taai geduld en vaste @@ -12928,8 +12889,8 @@ uiterlijk zoo weinig geleek op zijn vader, die slank en schoon gebouwd was. Dikwijls had zij de fijne handen van haar overleden zwager bewonderd, die toch ook den greep van het zwaard zoo vast wisten te omklemmen; maar de handen van zijn zoon -waren breed en lomp. Terwijl Paäker vertelde, dat hij weldra zou -opbreken om naar Syrië te vertrekken, volgde zij onwillekeurig +waren breed en lomp. Terwijl Paäker vertelde, dat hij weldra zou +opbreken om naar Syrië te vertrekken, volgde zij onwillekeurig de beweging van zijne hand, die telkens naar den gordel greep, als had hij daar een zeker iets te verbergen. Dat zeker iets was niets anders dan het langwerpige albasten fleschje met den liefdedrank. @@ -12937,7 +12898,7 @@ Katoeti bemerkte het, en hare wangen verbleekten; want zij begon te vermoeden wat het inhield.</p> <p>Den gids kon de ontroering van zijne nicht niet ontgaan, en -daarom zeide hij deelnemend: »Ik kan het u aanzien, dat gij +daarom zeide hij deelnemend: »Ik kan het u aanzien, dat gij lijdt. De opzichter van Mena’s stoeterij in Hermonthis is zeker bij u geweest. — Niet? Gisteren kwam hij mij vragen, of ik hem wilde vergunnen zich bij mijne troepenafdeeling aan te sluiten. @@ -12948,37 +12909,37 @@ te openen, zoo als hij zegt. — Ga toch zitten, nicht; gij zijt zoo bleek!”</p> <p>Katoeti voldeed echter volstrekt niet aan dit verzoek; integendeel, -zij glimlachte en zeide half onwillig half medelijdend: »Die +zij glimlachte en zeide half onwillig half medelijdend: »Die oude gek gelooft waarlijk, dat ons wel en wee aan die geelvossen hangt. Zult gij hem medenemen? — Hij wil Mena’s oogen openen? Maar niemand heeft ze hem nog doen sluiten!”</p> <p>De laatste woorden werden zachter door haar uitgesproken, -terwijl zij hare oogen nedersloeg. Ook Paäker zag vóor zich en -zweeg. Weldra herstelde hij zich echter en zeide: »Als Nefert +terwijl zij hare oogen nedersloeg. Ook Paäker zag vóor zich en +zweeg. Weldra herstelde hij zich echter en zeide: »Als Nefert nog lang uitblijft, dan ga ik heen.”</p> -<p>»Neen, neen! Blijf!” sprak de weduwe haastig. »Zij verlangt +<p>»Neen, neen! Blijf!” sprak de weduwe haastig. »Zij verlangt u te zien en kan ieder oogenblik terugkomen. Zie, daar staat haar broodkoek en haar wijn nog onaangeroerd.”</p> <p>Bij deze woorden nam zij het doekje van de onbijttafel, hief het zilveren bekertje even op en vervolgde toen, het doekje in de -hand houdende: »Ik moet u een oogenblik alleen laten, om te +hand houdende: »Ik moet u een oogenblik alleen laten, om te onderzoeken of zij misschien niet reeds terug is.”</p> -<p>Nauwelijks had zij de veranda verlaten, of Paäker, na zich +<p>Nauwelijks had zij de veranda verlaten, of Paäker, na zich overtuigd te hebben dat hij door niemand gezien kon worden, greep driftig het fleschje uit zijn gordel, hield het onder aanroeping<span class="pagenum"><a name="Page_261" id="Page_261">[261]</a></span> van zijn Osirischen vader in de hoogte, en goot het ledig in het bekertje, dat nu boordevol was.</p> <p>Een oogenblik later verscheen Nefert, en onmiddellijk achter -haar Katoeti, in de veranda. Paäker greep naar den ruiker, dien +haar Katoeti, in de veranda. Paäker greep naar den ruiker, dien zijn slaaf op een stoel had gelegd, en naderde met aarzelende schreden de jonge vrouw, die heden met zulk een vasten stap vooruittrad en zoo helder en fier de oogen opsloeg, dat zelfs -hare moeder haar met verbazing aanzag. Paäker zeide tot zichzelven, +hare moeder haar met verbazing aanzag. Paäker zeide tot zichzelven, dat hij haar nog nooit zoo schoon en levenslustig had gezien. Kon zij haar echtgenoot wel liefhebben, wanneer zij zich diens trouwbreuk zoo weinig aantrok? Behoorde haar hart @@ -12987,15 +12948,15 @@ plaats hebben gesteld? Ja waarlijk! want hoe begroette zij hem! Reeds van verre reikte zij hem de hand, en liet haar lang in de zijne rusten. Zij dankte hem in hartelijke woorden en prees zijne trouw en grootmoedigheid. Daarna ging zij naar de ontbijttafel, -verzocht Paäker zich bij haar neder te zetten, brak haar koek +verzocht Paäker zich bij haar neder te zetten, brak haar koek door en vroeg belangstellend naar hare tante Setchem, zijne moeder.</p> -<p>Katoeti zoowel als Paäker volgden met een kloppend hart elke +<p>Katoeti zoowel als Paäker volgden met een kloppend hart elke harer bewegingen. Nu greep zij naar den beker, bracht dien aan de lippen, maar zette hem terstond weder neder, toen de Mohar opmerkte, dat zij haar ontbijt zoo laat gebruikte. Want terwijl -een blosje hare wangen kleurde, antwoordde zij: »Tot hiertoe +een blosje hare wangen kleurde, antwoordde zij: »Tot hiertoe was ik recht lui, maar heden ben ik vroeg opgestaan, om nog in de morgenkoelte naar den tempel te gaan en te bidden. Gij weet zeker, wat er met den heiligen ram van Amon gebeurd @@ -13003,40 +12964,40 @@ is. Een vreeselijk ongeluk! De priesters waren geweldig ontsteld. Doch de edele Bek-en-Choensoe ontving mij en verklaarde mijn droom, en nu gevoel ik mij verlicht en recht vroolijk gestemd.”</p> -<p>»En dat alles zonder mij?” vroeg Katoeti, op zacht verwijtenden +<p>»En dat alles zonder mij?” vroeg Katoeti, op zacht verwijtenden toon.</p> -<p>»Ik wilde u niet storen,” antwoordde Nefert. »En ’s morgens,” -voegde zij er bij, op nieuw blozende, »neemt ge mij toch nooit +<p>»Ik wilde u niet storen,” antwoordde Nefert. »En ’s morgens,” +voegde zij er bij, op nieuw blozende, »neemt ge mij toch nooit mede naar de stad en den tempel.”</p> <p>Wederom greep zij naar het bekertje, bekeek den wijn en zeide, -zonder nog te drinken: »Wilt gij hooren wat ik gedroomd heb, -Paäker? Het was een wonderbaar gezicht!”</p> +zonder nog te drinken: »Wilt gij hooren wat ik gedroomd heb, +Paäker? Het was een wonderbaar gezicht!”</p> <p>De gids verkeerde in zulk eene spanning, dat hij bijna geen adem durfde halen. Toch verzocht hij haar te willen vertellen.</p> -<p>»Verbeeld u,” begon Nefert, en zij schoof het bekertje op het +<p>»Verbeeld u,” begon Nefert, en zij schoof het bekertje op het gladde voetje, dat reeds bevochtigd was door eenige overgestorte -droppels, heen en weer. »Verbeeld u, Paäker, ik droomde van<span class="pagenum"><a name="Page_262" id="Page_262">[262]</a></span> +droppels, heen en weer. »Verbeeld u, Paäker, ik droomde van<span class="pagenum"><a name="Page_262" id="Page_262">[262]</a></span> den Neha-boom<a name="FNanchor_219" id="FNanchor_219"></a><a href="#Footnote_219" class="fnanchor">219)</a> daarginds in die groote kuip, die uw vader voor mij, toen ik nog een kind was, uit Poent heeft medegebracht, en die sedert zoo heerlijk is opgegroeid. Geen boom in den tuin is mij zoo lief als deze, want hij herinnert mij altijd aan uw onvergetelijken vader, die zooveel van mij hield.”</p> -<p>Paäker knikte toestemmend.</p> +<p>Paäker knikte toestemmend.</p> <p>Nefert zag hem aan, brak haar verhaal af en zeide, toen zij -zag dat zijne wangen gloeiden: »Het wordt heet. Wilt gij ook +zag dat zijne wangen gloeiden: »Het wordt heet. Wilt gij ook een dronk wijn of water?”</p> <p>Terwijl zij dit zeide, nam zijzelve het bekertje op en dronk het half leeg. Eene rilling voer haar door de leden, en terwijl zij haar schoon gelaat tot een komisch lachje plooide, keerde zij zich om naar Katoeti, die achter haar stoel stond, en reikte haar den -beker toe, zeggende: »Heden is de wijn toch wat al te zuur. +beker toe, zeggende: »Heden is de wijn toch wat al te zuur. Proef maar eens, moeder!”</p> <p>De weduwe nam het zilveren bekertje in de hand, en bracht @@ -13044,17 +13005,17 @@ het werkelijk aan hare lippen, zonder die echter te bevochtigen. Toen zij den beker van den mond nam, zweefde er een lachje over haar gezicht, terwijl zij hare oogen richtte op den gids, die haar verschrikt aanstaarde. Bliksemsnel schoot de gedachte door -haar brein: »Ik smachtend verliefd op hem, en hij vol angst voor +haar brein: »Ik smachtend verliefd op hem, en hij vol angst voor zulk eene neiging!” — Hoe zelfzuchtig hare ziel ook was, hoe vol listen en lagen, zij was niet ruw, en toch had zij hartelijk in lachen kunnen uitbarsten, terwijl zij de schandelijkste daad haars levens beging. In goede luim gaf zij Nefert den wijn terug, en -zeide: »Ik heb dien wel eens zoeter gedronken, maar de zure +zeide: »Ik heb dien wel eens zoeter gedronken, maar de zure verfrischt meer in de hitte.”</p> -<p>»Dat is ook waar,” antwoordde de vrouw van Mena, ledigde +<p>»Dat is ook waar,” antwoordde de vrouw van Mena, ledigde den beker tot den bodem, en zeide, alsof het haar verkwikt -had: »Nu wil ik ook mijn droom ten einde vertellen. Ik zag +had: »Nu wil ik ook mijn droom ten einde vertellen. Ik zag dan den Neha-boom, het geschenk uws vaders, fraai en duidelijk voor mij staan. Ja, ik meen zelfs zijn geur te hebben opgevangen, ofschoon de droomuitlegger zeide, dat dit niet mogelijk @@ -13082,24 +13043,24 @@ te zingen. Ach, mijn hart zong bij dit gezicht nog luider dan de vogels, en ik zeide tot mij zelve: dat die boom zonder mij gestorven zou zijn, en aan mij zijn leven te danken had.”</p> -<p>»Een schoone droom,” zeide Katoeti, »die mij den tijd herinnert, +<p>»Een schoone droom,” zeide Katoeti, »die mij den tijd herinnert, toen gij nog een jong meisje waart, en halve nachten lang wakker kondt liggen, terwijl gij allerlei wonderlijke sprookjes bedacht. Welke verklaring gaf de priester u?”</p> -<p>»O, hij beloofde mij van alles,” zeide Nefert, »en gaf mij de +<p>»O, hij beloofde mij van alles,” zeide Nefert, »en gaf mij de verzekering, dat het voor mij bestemde geluk, na gewelddadige stoornissen, eindelijk als het frissche groen zou ontluiken.”</p> -<p>»En Paäker’s vader schonk u den Neha-boom?” vroeg Katoeti, +<p>»En Paäker’s vader schonk u den Neha-boom?” vroeg Katoeti, terwijl zij de veranda verliet, en naar buiten trad in den tuin.</p> -<p>»Mijn vader bracht hem voor u van de oostelijke grenzen +<p>»Mijn vader bracht hem voor u van de oostelijke grenzen naar Thebe,” zeide de gids, de laatste woorden van de weduwe bevestigende.</p> -<p>»Dat is het juist wat mij zoo hartelijk verheugt,” hernam -Nefert. »Want ik had uw vader zoo lief; hij was mij zoo dierbaar, +<p>»Dat is het juist wat mij zoo hartelijk verheugt,” hernam +Nefert. »Want ik had uw vader zoo lief; hij was mij zoo dierbaar, als ware hij mijn eigen vader geweest. Weet gij nog hoe wij samen den vijver omzeilden, hoe de boot toen omsloeg, en gij mij bewusteloos uit het water hebt gedragen? Nooit zal ik den blik @@ -13107,11 +13068,11 @@ vergeten, waarmede de kloeke man mij aanzag, toen ik in zijne armen weder bijkwam. Zulke verstandige en trouwhartige oogen als hij, heeft niemand ooit gehad.”</p> -<p>»Hij was goed en had u innig lief,” zeide Paäker, insgelijks +<p>»Hij was goed en had u innig lief,” zeide Paäker, insgelijks de ure gedenkende, waarin hij het voor ’t eerst gewaagd had, het schoone bewustelooze kind een kus op de lippen te drukken.</p> -<p>»Hoe verheug ik mij,” riep Nefert, »dat de dag eindelijk gekomen +<p>»Hoe verheug ik mij,” riep Nefert, »dat de dag eindelijk gekomen is, waarop wij te zamen over hem kunnen spreken; dat de oude boosheid, die mijn hart zoo bezwaarde, eindelijk vergeten is! Ik heb nu ondervonden, hoe goed gij zijt! Mijn gemoed schiet @@ -13122,16 +13083,16 @@ Descher, tegen mij aandringt. Hij wil mij toonen, dat hij mij<span class="pagenu nog niet vergeten heeft! Al wat uit uw huis komt wekt in mij zulke vriendelijke herinneringen!”</p> -<p>»Wij hadden u allen ook zoo lief,” zeide Paäker, en zag haar +<p>»Wij hadden u allen ook zoo lief,” zeide Paäker, en zag haar daarbij met teederheid aan.</p> -<p>»En wat zag het er mooi uit in uw tuin!” vervolgde Nefert. -»Deze bloemen, die ge mij gebracht hebt, moeten in het water +<p>»En wat zag het er mooi uit in uw tuin!” vervolgde Nefert. +»Deze bloemen, die ge mij gebracht hebt, moeten in het water gezet en lang bewaard worden, als een groet van de plek, waar ik zoo gelukkig en zorgeloos spelen en droomen kon!”</p> <p>Bij deze woorden drukte zij hare lippen op de veelkleurige -bloemen. Doch Paäker stond op, greep hare rechterhand en +bloemen. Doch Paäker stond op, greep hare rechterhand en bedekte haar met vurige kussen.</p> <p>Nefert schrikte, en trok haar hand snel terug. Hij strekte echter @@ -13142,13 +13103,13 @@ galerij binnenvloog om te berichten, dat de prinses Bent-Anat gekomen was. Op hetzelfde oogenblik verscheen Katoeti en weinige oogenblikken later de lievelingsdochter van Ramses.</p> -<p>Paäker trad terug en nam afscheid, alvorens Nefert tijd had +<p>Paäker trad terug en nam afscheid, alvorens Nefert tijd had gevonden aan hare ontroering woorden te geven. Van vreugde dronken bereikte hij zijn wagen. Hij hield zich zeker overtuigd, dat de vrouw van den wagenmenner hem liefhad. Zijn hart jubelde en hij nam zich voor, de oude Hekt met goud te beloonen. Onverwijld reed hij naar het paleis, om den stadhouder Ani -te verzoeken hem naar Syrië te laten trekken. Daar zou het +te verzoeken hem naar Syrië te laten trekken. Daar zou het gelden: hem of Mena!.....</p> <div class="footnotes"> @@ -13181,10 +13142,10 @@ hare aanzienlijke vriendin was opengevallen. Heden nog, zoo beval zij, moet de vrouw van Mena in het paleis haar intrek nemen.</p> -<p>Zóo had de prinses nog nooit tot Katoeti gesproken, en het +<p>Zóo had de prinses nog nooit tot Katoeti gesproken, en het kon de weduwe niet ontgaan, dat Bent-Anat met voordacht thans -niet sprak op den ouden vertrouwelijken toon. »Nefert,” zeide zij -tot zichzelve, »heeft mij bij haar aangeklaagd, en zij acht mij +niet sprak op den ouden vertrouwelijken toon. »Nefert,” zeide zij +tot zichzelve, »heeft mij bij haar aangeklaagd, en zij acht mij voortaan de vriendschap en goedheid, waarmede zij mij vroeger bejegende, onwaardig.”</p> @@ -13194,7 +13155,7 @@ bedreigd werd, nu de oogen van hare dochter geopend waren, werd haar hart toch pijnlijk aangedaan door de gedachte haar kind te zullen verliezen. De tranen die in haar oogen welden, en de weemoed die er lag in hare bevende stem, waren daarom -oprecht gemeend, toen zij de prinses antwoordde: »Gij vordert +oprecht gemeend, toen zij de prinses antwoordde: »Gij vordert de betere helft van mijn leven! Doch gij hebt te bevelen en ik te gehoorzamen.”</p> @@ -13209,24 +13170,24 @@ verzocht de weduwe al de kleederen en sieraden harer dochter ter hand te stellen aan de dienstmaagden en huisslaven, die zij zenden zou.</p> -<p>»Vergeet toch niet de doos met gedroogde bloemen, en mijn -godenbeeldjes en de amuletten,” vroeg Nefert. »Ook den Neha-boom, +<p>»Vergeet toch niet de doos met gedroogde bloemen, en mijn +godenbeeldjes en de amuletten,” vroeg Nefert. »Ook den Neha-boom, dien oom mij schonk, zou ik gaarne hebben.”</p> <p>Aan hare voeten speelde haar wit katje met den op den grond -gevallen bloemruiker van Paäker. Zoodra zij het beestje opmerkte, +gevallen bloemruiker van Paäker. Zoodra zij het beestje opmerkte, nam zij het op en gaf het een kus.</p> -<p>»Neem ook dat diertje mede,” zeide de prinses. »Gij speeldet +<p>»Neem ook dat diertje mede,” zeide de prinses. »Gij speeldet er zoo gaarne mede.”</p> -<p>»Neen,” antwoordde Nefert, terwijl zij bloosde.</p> +<p>»Neen,” antwoordde Nefert, terwijl zij bloosde.</p> <p>De prinses begreep haar, drukte hare hand en vroeg, terwijl -zij op Nemoe wees: »De dwerg is immers ook uw eigendom? +zij op Nemoe wees: »De dwerg is immers ook uw eigendom? Zal hij u volgen?”</p> -<p>»Ik geef hem mijne moeder ten geschenke,” antwoordde Nefert. +<p>»Ik geef hem mijne moeder ten geschenke,” antwoordde Nefert. Daarop liet zij door den kleine haar kleed en hare voeten kussen, omarmde Katoeti nog eens en verliet den tuin met hare vorstelijke vriendin.</p> @@ -13269,16 +13230,16 @@ neder, vertelde hem dat Bent-Anat hare dochter had medegenomen, en herhaalde alles, wat zij in de laatste uren overwogen en vastgesteld had.</p> -<p>»Gij hebt met mannelijke kloekheid alles overlegd,” zeide Ani, -»en ditmaal zult gij mij niet tevergeefs aanzetten. Ameni is bereid -te handelen en Paäker verzamelt reeds zijne strijdbare +<p>»Gij hebt met mannelijke kloekheid alles overlegd,” zeide Ani, +»en ditmaal zult gij mij niet tevergeefs aanzetten. Ameni is bereid +te handelen en Paäker verzamelt reeds zijne strijdbare lieden. Hij wil morgen nog het feest van het dal bijwonen, en -overmorgen trekt hij naar Syrië.”</p> +overmorgen trekt hij naar Syrië.”</p> -<p>»Is hij dan bij u geweest?” vroeg Katoeti.</p> +<p>»Is hij dan bij u geweest?” vroeg Katoeti.</p> -<p>»Uit uw huis kwam hij regelrecht naar het paleis,” antwoordde -Ani. »Zijne wangen gloeiden. Hij is tot het uiterste besloten, +<p>»Uit uw huis kwam hij regelrecht naar het paleis,” antwoordde +Ani. »Zijne wangen gloeiden. Hij is tot het uiterste besloten, hoewel hij nog niet vermoedt, dat ik hem in mijne macht heb.”</p> <p>Zoo voortpratende kwamen zij aan de veranda, waar Nemoe @@ -13292,21 +13253,21 @@ van den liefdedrank vernam, dat de stadhouder haar tot kalmte moest brengen door te verzekeren, dat de werking van zulke dranken maar eene inbeelding was.</p> -<p>»Nu versta, nu begrijp ik mijne dochter eerst,” zeide Katoeti -echter. »Paäker moet den drank in haren wijn hebben gegoten, +<p>»Nu versta, nu begrijp ik mijne dochter eerst,” zeide Katoeti +echter. »Paäker moet den drank in haren wijn hebben gegoten, want zoodra Nefert heden morgen haar beker geledigd had, was -zij als veranderd. Zij richtte tot Paäker de teederste woorden, en +zij als veranderd. Zij richtte tot Paäker de teederste woorden, en wanneer hij straks zich zoo blijmoedig ter uwer beschikking heeft gesteld, dan deed hij dit ongetwijfeld, omdat hij zeker meent te zijn van de liefde mijner dochter. De artsenij van de oude tooveres heeft waarlijk gewerkt!”</p> -<p>»Mogelijk zijn er toch wel zulke dranken,” zeide Ani nadenkend. -»Maar zij zullen alleen de harten van jonge mannen kunnen +<p>»Mogelijk zijn er toch wel zulke dranken,” zeide Ani nadenkend. +»Maar zij zullen alleen de harten van jonge mannen kunnen doen winnen. Is dit het geval, dan maakt die oude slechte zaken, want de jeugd is op zichzelve wel in staat door hare betoovering liefde te wekken. Ja, als ik nog zoo jong was als -Paäker! — Gij lacht om deze mijne verzuchting? Laat ik het +Paäker! — Gij lacht om deze mijne verzuchting? Laat ik het maar uitspreken: ik ben een zuchtend oud man! Ja, waarlijk, een oud man, want de middag mijns levens ligt reeds achter<span class="pagenum"><a name="Page_268" id="Page_268">[268]</a></span> mij. En toch, Katoeti, vriendin, verstandigste der vrouwen, verklaar @@ -13318,19 +13279,19 @@ jonkvrouw, wier vader ik zou kunnen zijn, niet om mij in haar bezit te verheugen, maar om haar dienstbaar te maken aan mijne plannen. En nu zij mij versmaadt, gevoel ik mij zoo verontrust, zoo zwaar als... ja, het verschilt niet veel of ik -gelijk Paäker, die een liefdedrank kocht.”</p> +gelijk Paäker, die een liefdedrank kocht.”</p> -<p>»Hebt gij met Bent-Anat gesproken?” vroeg de weduwe.</p> +<p>»Hebt gij met Bent-Anat gesproken?” vroeg de weduwe.</p> -<p>»Ik was zoo onnoozel,” antwoordde Ani, »om de prinses hare +<p>»Ik was zoo onnoozel,” antwoordde Ani, »om de prinses hare afwijzing, die zij mij door u had laten overbrengen, met eigen mond te doen herhalen. Gij ziet het, mijn verstand heeft geleden.”</p> -<p>»En onder welke voorwendsels wees zij uw hand af?” vroeg +<p>»En onder welke voorwendsels wees zij uw hand af?” vroeg de weduwe.</p> -<p>»Voorwendsels?” riep Ani. »Bent-Anat en voorwendsels! Dit +<p>»Voorwendsels?” riep Ani. »Bent-Anat en voorwendsels! Dit moet erkend worden: deze vrouw bezit koninklijken trots en de groote Ma<a name="FNanchor_220" id="FNanchor_220"></a><a href="#Footnote_220" class="fnanchor">220)</a> in eigen persoon is niet waarachtiger dan zij. Ik kom er rond voor uit: tegenover haar scheen mij alles wat wij @@ -13350,11 +13311,11 @@ en terwijl ik mij voordoe als bevestigde ik den grondslag zijner heerschappij, ben ik ijverig bezig om dien te ondermijnen. Mijn geheele bestaan is een leugen!”</p> -<p>»Maar het zal waarheid worden,” sprak Katoeti, »zoodra de +<p>»Maar het zal waarheid worden,” sprak Katoeti, »zoodra de goden u vergunnen te worden wat gij zijt, de echte koning van het land.”</p> -<p>»Zonderling,” zeide de stadhouder glimlachend. »De opperpriester +<p>»Zonderling,” zeide de stadhouder glimlachend. »De opperpriester Ameni bediende zich heden bijna van dezelfde woorden. De slimheid van priesters en vrouwen heeft veel overeenkomst;<span class="pagenum"><a name="Page_269" id="Page_269">[269]</a></span> gij strijdt dan ook met gelijksoortige wapenen. In plaats van @@ -13362,11 +13323,11 @@ zwaarden bedient gij u van woorden, in plaats van lansen gebruikt gij strikken, die gij ons niet om het lichaam maar om de ziel werpt.”</p> -<p>»Wilt gij ons hiermede berispen of prijzen?” vroeg de weduwe. -»In elk geval zijn wij niet onmachtig, en daarom bruikbare bondgenooten, +<p>»Wilt gij ons hiermede berispen of prijzen?” vroeg de weduwe. +»In elk geval zijn wij niet onmachtig, en daarom bruikbare bondgenooten, zou ik meenen.”</p> -<p>»Dat zijt gij,” zeide Ani, wederom lachend. »Er vloeit toch +<p>»Dat zijt gij,” zeide Ani, wederom lachend. »Er vloeit toch in dit land geen traan, hetzij uit smart hetzij uit vreugde geweend, waarvan niet ten slotte een priester of eene vrouw de oorzaak is. In ernst, Katoeti, van tien groote gebeurtenissen @@ -13377,7 +13338,7 @@ succes, mijne aanspraken op den troon zou hebben laten varen, indien de jonkvrouw Bent-Anat in plaats van <em>neen</em>, ja had gezegd.”</p> -<p>»Gij wilt mij wijs maken,” hernam Katoeti, »dat het zwakker +<p>»Gij wilt mij wijs maken,” hernam Katoeti, »dat het zwakker geslacht met een krachtiger wil is begaafd dan het sterkere. Gij noemt ons dan in het huwelijk ook: ‚de meesteressen van het huis,’ en wanneer de ouders der burgers zwak worden, dan is het @@ -13386,7 +13347,7 @@ hen onderhouden. Maar wij vrouwen hebben ook onze zwakheden, en daaronder in de eerste plaats de nieuwsgierigheid. Mag ik vragen op welke gronden Bent-Anat u afwees?”</p> -<p>»Gij weet zoo veel,” antwoordde Ani, »dat gij alles wel moogt +<p>»Gij weet zoo veel,” antwoordde Ani, »dat gij alles wel moogt weten. Zij vergunde mij dan haar alleen te spreken. Het was nog vroeg en zij kwam juist uit den tempel, waar haar de oude en zwakke eerste profeet de reinheid teruggegeven had. In al hare @@ -13404,9 +13365,9 @@ werd ontroofd. — Ik begon met mijn aanzoek, maar zij nam mij het woord uit den mond, noemde mij een edel man, een waardig minnaar...”</p> -<p>»Doch nu kwam het <em>maar</em>,” viel Katoeti in de rede.</p> +<p>»Doch nu kwam het <em>maar</em>,” viel Katoeti in de rede.</p> -<p>»Het kwam,” hernam Ani bevestigend, »en wel in den vorm +<p>»Het kwam,” hernam Ani bevestigend, »en wel in den vorm van een openhartig <em>neen</em>! Ik vroeg naar de gronden dezer weigering.<span class="pagenum"><a name="Page_270" id="Page_270">[270]</a></span> Zij bad, dat ik mij met dit ‚neen’ tevreden zou stellen. Toen begon ik met meer kracht aan te dringen, tot zij mij in @@ -13418,20 +13379,20 @@ naar haar nog grooter te worden. Toch moest ik haar verlaten, afgewezen zonder hoop, en met een nieuw brandend gif in het hart.”</p> -<p>»Gij zijt ijverzuchtig,” zeide Katoeti. »En weet gij op wien?”</p> +<p>»Gij zijt ijverzuchtig,” zeide Katoeti. »En weet gij op wien?”</p> -<p>»Neen,” antwoordde Ani. »Maar ik hoop het door u te weten +<p>»Neen,” antwoordde Ani. »Maar ik hoop het door u te weten te komen. Wat hier in mijn binnenste woelt, weet ik geen -naam te geven. Eén ding echter weet ik, en dat is, dat ik weifelde +naam te geven. Eén ding echter weet ik, en dat is, dat ik weifelde toen ik het paleis betrad, maar dat ik vast besloten was toen ik het verliet. Ik storm nu voorwaarts, om niet meer op mijne schreden terug te kunnen keeren. Van nu aan zult ge mij niet meer behoeven voort te drijven, maar veeleer tegen te houden. Als hadden de goden mij willen toonen, dat zij genegen zijn mij bij te staan, vond ik bij mijne tehuiskomst den opperpriester -Ameni en den gids Paäker op mij wachten. Ameni -zal voor mij in Egypte, Paäker in Syrië handelen. Mijne zegevierend -uit Ethiopië teruggekeerde troepen, trekken morgen +Ameni en den gids Paäker op mij wachten. Ameni +zal voor mij in Egypte, Paäker in Syrië handelen. Mijne zegevierend +uit Ethiopië teruggekeerde troepen, trekken morgen vroeg in triumf Thebe binnen, als had de koning aan hun hoofd gevochten. Zij zullen ook deelnemen aan het feest van het dal. Later zenden wij ze in het noorderland, en leggen ze @@ -13442,7 +13403,7 @@ priesters geoefend, en hem als hulptroepen nagezonden zullen worden. Welnu, ik zend hem de helft der lijfeigenen, de andere helft zal mij dienen bij de uitvoering mijner plannen. De bezetting van Memphis, die Ramses geheel is toegedaan, wordt naar -Nubië gezonden, en vervangen door troepen die op mijne hand +Nubië gezonden, en vervangen door troepen die op mijne hand zijn. Het volk van Thebe laat zich door de priesters leiden, en morgen zal Ameni het toonen, wie zijn ware koning is, wie aan den krijg een einde maken en de burgers van hunne drukkende @@ -13454,61 +13415,61 @@ eerste profeet van Amon in Thebe gezegd heeft, verklaart Ameni<span class="pagen de prinses Bent-Anat voor onrein. De jonge Rameri heeft een misdrijf begaan, en Ameni, die nog andere grootere dingen in den zin heeft, zal hem uit het Seti-huis verbannen. Dat werkt -op de menigte. Hoe de zaken in Syrië staan, weet gij. Ramses +op de menigte. Hoe de zaken in Syrië staan, weet gij. Ramses heeft veel te lijden van de Cheta en de met hen verbonden volken. De soldaten zijn bij duizenden te tellen, die dat eeuwigdurende in ’t veld liggen moede zijn, en als het er op aankomt, zullen zij ons aanhangen. Misschien zullen wij overwinnen, zonder dat het tot eene worsteling komt, ten minste wanneer -Paäker zijn plicht doet. Thans is vóor alles noodig met spoed +Paäker zijn plicht doet. Thans is vóor alles noodig met spoed te handelen.”</p> -<p>»Ik herken den wikkenden en wegenden, den altijd behoedzamen +<p>»Ik herken den wikkenden en wegenden, den altijd behoedzamen talmer niet meer,” zeide Katoeti.</p> -<p>»Omdat voorzichtig overleg thans onvoorzichtigheid zou zijn,” +<p>»Omdat voorzichtig overleg thans onvoorzichtigheid zou zijn,” antwoordde Ani.</p> -<p>»En wanneer nu de koning eens te vroeg bericht kreeg van +<p>»En wanneer nu de koning eens te vroeg bericht kreeg van alles wat hier omgaat?” vroeg Katoeti.</p> -<p>»Ik zeide het u reeds,” hernam Ani. »Wij hebben onze rollen +<p>»Ik zeide het u reeds,” hernam Ani. »Wij hebben onze rollen verwisseld.”</p> -<p>»Gij dwaalt,” antwoordde de weduwe. »Ik dring ook thans op +<p>»Gij dwaalt,” antwoordde de weduwe. »Ik dring ook thans op handelen aan. Maar ik mag u toch wel herinneren aan een maatregel van voorzorg, die volstrekt dient genomen te worden. Uwe brieven alleen en geene andere mogen in de eerste weken het leger bereiken.”</p> -<p>»Ook hierin stemt gij met den priester overeen,” zeide de -stadhouder lachend, »want Ameni heeft mij denzelfden raad +<p>»Ook hierin stemt gij met den priester overeen,” zeide de +stadhouder lachend, »want Ameni heeft mij denzelfden raad gegeven. Alle brieven, die de vestinglinie tusschen Pelusium en de Schelfzee willen passeeren, zullen worden aangehouden. Mijn schrijven alleen, waarin ik klagen wil over roovers uit de woestijn, die onze boden overvallen, mag den koning in handen komen.”</p> -<p>»Wijs gehandeld!” zeide de weduwe. »Laat ook de havens +<p>»Wijs gehandeld!” zeide de weduwe. »Laat ook de havens van de Schelfzee bewaken en toezicht houden op de schrijvers. Wanneer gij koning zijt, zult gij weten wie hunner u wel, en wie u kwalijk gezind was.”</p> <p>Ani schudde ontkennend het hoofd en zeide, in antwoord op -deze laatste opmerking: »Dat zou mij in groote moeielijkheden +deze laatste opmerking: »Dat zou mij in groote moeielijkheden brengen, want wilde ik hen, die thans hun koning aanhangen, bestraffen en de anderen verheffen, zoo zou ik de trouwe dienaars moeten verstooten en met de ontrouwe regeeren. Gij behoeft niet -te blozen, mijne vriendin, want wij zijn van éenen bloede, en +te blozen, mijne vriendin, want wij zijn van éenen bloede, en uw belang is ook het mijne.”</p> -<p>Katoeti greep de haar toegestoken hand en zeide: »Dat is zoo. +<p>Katoeti greep de haar toegestoken hand en zeide: »Dat is zoo. Ook verlang ik geen ander loon, dan het huis mijner vaderen op nieuw te zien oprichten.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_272" id="Page_272">[272]</a></span></p> -<p>»Misschien zal het gelukken,” hernam Ani, »maar voor hoe +<p>»Misschien zal het gelukken,” hernam Ani, »maar voor hoe korten tijd, wanneer niet — wanneer niet.... Denk eens na, Katoeti, tracht eens uit te vorschen, waartoe gij de hulp van uwe dochter kunt inroepen. — Wie is hij toch dien zij — Gij @@ -13519,28 +13480,28 @@ in strijd was met zijne gewone hoffelijkheid, had Ani de laatste woorden uitgeroepen. Maar spoedig plooide haar gelaat zich weder tot een glimlach, terwijl zij voor den stadhouder de weinige jonge edelen optelde, die den koning niet in het leger -gevolgd maar te Thebe gebleven waren. »Zou het haar broeder -Chamoes zijn?” vroeg zij eindelijk. »Deze is wel-is-waar in het +gevolgd maar te Thebe gebleven waren. »Zou het haar broeder +Chamoes zijn?” vroeg zij eindelijk. »Deze is wel-is-waar in het leger; intusschen....”</p> <p>Op dit oogenblik liep Nemoe, wien geen woord van het gehouden gesprek ontgaan was, de open zaal binnen, als kwam -hij zoo juist uit den tuin, en zeide: »Vergeef mij, meesteres, +hij zoo juist uit den tuin, en zeide: »Vergeef mij, meesteres, maar ik heb daar wonderlijke dingen gehoord.”</p> -<p>»Spreek!” zeide Katoeti met een wenk.</p> +<p>»Spreek!” zeide Katoeti met een wenk.</p> -<p>»De edele prinses Bent-Anat, de goddelijke dochter van +<p>»De edele prinses Bent-Anat, de goddelijke dochter van Ramses, moet openlijk in eene liefdesbetrekking staan met een priester van het Seti-huis.”</p> -<p>»Onbeschaamde!” riep Ani, en het was of zijn toornige blik -den dwerg wilde doorboren. »Bewijs wat gij zegt, of ik laat je +<p>»Onbeschaamde!” riep Ani, en het was of zijn toornige blik +den dwerg wilde doorboren. »Bewijs wat gij zegt, of ik laat je de tong uit den mond halen!”</p> -<p>»Ben ik een lasteraar en verrader van den staat, dan moogt +<p>»Ben ik een lasteraar en verrader van den staat, dan moogt ge mij volgens de wet de tong laten uitsnijden,” zei de kleine -onderworpen, hoewel met een ondeugend lachje. »Maar ditmaal +onderworpen, hoewel met een ondeugend lachje. »Maar ditmaal mag ik haar zeker behouden, want wat ik zeg kan ik bewijzen. Gij weet dat Bent-Anat onrein is verklaard, omdat zij een uur of langer in het huis van een Paraschiet vertoefde. Daar had @@ -13548,28 +13509,28 @@ zij eene samenkomst met den priester. Bij eene tweede in den Hathor-tempel van Hatasoe, werd zij overvallen door Septah, den eersten Horoscoop van het Seti-huis.”</p> -<p>»Wie is die priester?” vroeg Ani, schijnbaar bedaard.</p> +<p>»Wie is die priester?” vroeg Ani, schijnbaar bedaard.</p> -<p>»Een man van lage afkomst,” antwoordde Nemoe, »dien men +<p>»Een man van lage afkomst,” antwoordde Nemoe, »dien men kosteloos in het Seti-huis heeft laten opvoeden, en die zich thans als droomuitlegger en verzenmaker bekend heeft gemaakt. Hij heet Pentaoer, en men moet erkennen, dat hij er schoon en deftig uitziet. Hij gelijkt op een haar den overleden vader -van den gids Paäker. — Hebt gij hem wel eens gezien, mijn +van den gids Paäker. — Hebt gij hem wel eens gezien, mijn vorst?”</p> <p>De stadhouder gaf een teeken van toestemming, fronste zijn voorhoofd en zag naar den grond. Doch Katoeti vervolgde:</p> -<p>»Dwaze die ik ben! De dwerg heeft gelijk! Ik zag hoe hare wangen +<p>»Dwaze die ik ben! De dwerg heeft gelijk! Ik zag hoe hare wangen zich kleurden, toen haar broeder de verzekering gaf, dat alle<span class="pagenum"><a name="Page_273" id="Page_273">[273]</a></span> knapen om zijnentwil tegen Ameni zouden opstaan. Zeker, zij denkt aan Pentaoer en aan geen ander.”</p> -<p>»Het is goed,” zeide Ani, »wij zullen zien!”</p> +<p>»Het is goed,” zeide Ani, »wij zullen zien!”</p> <p>Met deze woorden nam hij afscheid van de weduwe, die, terwijl -hij in den tuin verdween, in zichzelve prevelde: »Hij was heden +hij in den tuin verdween, in zichzelve prevelde: »Hij was heden zoo beslist en zoo helder, als ik dat niet van hem gewoon ben. Maar de ijverzucht begint hem reeds te verblinden en zal hem weldra doen gevoelen, dat hij mijne scherpe oogen niet @@ -13577,21 +13538,21 @@ missen kan.”</p> <p>Nemoe was den stadhouder nageloopen. Achter het vijgenboschje riep hij hem aan en fluisterde snel, terwijl hij zich -eerbiedig boog: »Mijne moeder weet zeer veel, edele heer! De +eerbiedig boog: »Mijne moeder weet zeer veel, edele heer! De heilige Ibis<a name="FNanchor_222" id="FNanchor_222"></a><a href="#Footnote_222" class="fnanchor">222)</a> schroomt niet het moeras te doorwaden, wanneer zij op buit uitgaat; waarom zoudt gij ook niet eens goud in het stof gaan zoeken? Ik weet wel hoe ge de oude ongemerkt spreken kunt.”</p> -<p>»Spreek op,” bromde Ani.</p> +<p>»Spreek op,” bromde Ani.</p> -<p>»Werp haar voor éen dag in de gevangenis, verhoor haar en +<p>»Werp haar voor éen dag in de gevangenis, verhoor haar en laat haar dan loopen, met een geschenk, als zij u gediend heeft, in het tegenovergesteld geval met een pak slagen. Maar gij zult iets onuitsprekelijk gewichtigs vernemen, dat zij zelfs voor mij hardnekkig verzwijgt.”</p> -<p>»Wij zullen zien,” antwoordde de stadhouder, wierp den +<p>»Wij zullen zien,” antwoordde de stadhouder, wierp den kleinen man eenige gouden ringen toe en besteeg zijn wagen.</p> <p>In de nabijheid van zijn paleis had zich zulk eene dichte @@ -13605,7 +13566,7 @@ uit het Seti-huis, dat hem en heel het volk op last van Ameni het bericht kwam brengen van een groot wonder. Want het hart van den door wilde dieren verscheurden ram van<span class="pagenum"><a name="Page_274" id="Page_274">[274]</a></span> Amon was teruggevonden in de borst van den vromen, gestorven -profeet Roeï.</p> +profeet Roeï.</p> <p>Ani steeg dadelijk van zijn wagen, knielde neder voor het aangezicht der menigte, die zijn voorbeeld volgde, hief biddend @@ -13614,43 +13575,43 @@ hij na eenige oogenblikken weder was opgestaan en het paleis was binnengetreden, kwamen eenige slaven naar buiten, die op last van Ani brood onder de menigte verdeelden.</p> -<p>»De stadhouder heeft toch eene milde hand,” zeide een +<p>»De stadhouder heeft toch eene milde hand,” zeide een schrijnwerker uit Thebe tot eene vrouw, die bij hem stond. -»Zie eens hoe wit dit brood is. Ik steek het bij mij en breng +»Zie eens hoe wit dit brood is. Ik steek het bij mij en breng het aan mijne kinderen.”</p> -<p>»Geef mij een stukje,” riep een naakte jongen, greep den +<p>»Geef mij een stukje,” riep een naakte jongen, greep den schrijnwerker het broodje uit de hand en liep weg, terwijl hij zeer behendig tusschen de beenen der menschen doorsloop.</p> -<p>»Krokodillengebroed!” schreeuwde de man, die zijn deel verloren -had. »De onbeschaamdheid dier jongens wordt met den +<p>»Krokodillengebroed!” schreeuwde de man, die zijn deel verloren +had. »De onbeschaamdheid dier jongens wordt met den dag erger.”</p> -<p>»Ze zijn hongerig,” zeide de vrouw, om den knaap te verontschuldigen. -»Hun vaders zijn te velde en hunne moeders hebben +<p>»Ze zijn hongerig,” zeide de vrouw, om den knaap te verontschuldigen. +»Hun vaders zijn te velde en hunne moeders hebben niet anders voor hen dan papyrus-merg en lotuskorrels”<a name="FNanchor_223" id="FNanchor_223"></a><a href="#Footnote_223" class="fnanchor">223)</a>.</p> -<p>»’t Moge hem goed bekomen,” zeide de schrijnwerker. »Dringen +<p>»’t Moge hem goed bekomen,” zeide de schrijnwerker. »Dringen wij wat naar de linker zijde. Daar komt een dienaar met nieuwe brooden.”</p> -<p>»De stadhouder moet zich bijzonder verblijden over dit wonder,” -zeide een schoenmaker. »Hij spaart er geen geld voor.”</p> +<p>»De stadhouder moet zich bijzonder verblijden over dit wonder,” +zeide een schoenmaker. »Hij spaart er geen geld voor.”</p> -<p>»Er is ook in lang niets dergelijks gebeurd,” sprak een mandenmaker, -zich in het gesprek mengende, »en Ani verheugt het -zeker uitermate, dat juist Roeï met dat heilige hart werd begenadigd. — Gij +<p>»Er is ook in lang niets dergelijks gebeurd,” sprak een mandenmaker, +zich in het gesprek mengende, »en Ani verheugt het +zeker uitermate, dat juist Roeï met dat heilige hart werd begenadigd. — Gij vraagt waarom? Domkop, die ge zijt! Hatasoe is Ani’s grootmoeder.”</p> -<p>»En Roeï was profeet in den Hatasoe-tempel,” zeide de +<p>»En Roeï was profeet in den Hatasoe-tempel,” zeide de schrijnwerker.</p> -<p>»De priesters aan de overzijde zijn aanhangers van het oude -koningshuis,” verzekerde een bakker. »Dat weet ik.”</p> +<p>»De priesters aan de overzijde zijn aanhangers van het oude +koningshuis,” verzekerde een bakker. »Dat weet ik.”</p> -<p>»Alsof dat een geheim was!” zeide de schoenmaker. »De oude +<p>»Alsof dat een geheim was!” zeide de schoenmaker. »De oude tijden waren ook beter dan de tegenwoordige. De krijg verslindt alles, en zeer fatsoenlijke lieden loopen nu barrevoets, omdat zij het leder niet betalen kunnen. Met den buit ziet het er ook @@ -13661,18 +13622,18 @@ Waarom anders zoekt het heilige hart van den ram zich eene<span class="pagenum"> nieuwe woning in de Nekropolis, en wel in de borst van een aanhanger van het oude....”</p> -<p>»Houd je mond,” waarschuwde de mandenmaker, »daar komt +<p>»Houd je mond,” waarschuwde de mandenmaker, »daar komt de politie-wacht.”</p> -<p>»Ik moet ook aan mijn werk,” zeide de bakker, »want ik heb +<p>»Ik moet ook aan mijn werk,” zeide de bakker, »want ik heb voor het feest van morgen mijne handen vol.”</p> -<p>»Ik ook,” zuchtte de schoenmaker, »want wie kan den koning +<p>»Ik ook,” zuchtte de schoenmaker, »want wie kan den koning der goden barrevoets in de Nekropolis volgen?”</p> -<p>»Gij zult mooi geld verdienen,” hernam de mandenmaker.</p> +<p>»Gij zult mooi geld verdienen,” hernam de mandenmaker.</p> -<p>»Het zou nog al wat zijn,” antwoordde de schoenmaker, »als +<p>»Het zou nog al wat zijn,” antwoordde de schoenmaker, »als men beter hulp had; maar de gezellen zijn allen in den krijg. Men moet zich behelpen met onhandige jongens. En dan die vrouwen! De mijne heeft zich voor de processie een nieuw kleed @@ -13682,8 +13643,8 @@ het ons ook dikwijls door hun bijstand, maar wat die offers mij kosten is niet te zeggen. Nog meer dan de helft van mijne verdienste gaat daarmee heen.”</p> -<p>»In mijne eerste droefheid over mijne overledene vrouw,” -zeide de bakker, »heb ik mij verbonden elke nieuwe maan een +<p>»In mijne eerste droefheid over mijne overledene vrouw,” +zeide de bakker, »heb ik mij verbonden elke nieuwe maan een kleiner en elk jaar een grooter offer te brengen. De priesters schelden niets kwijt van eene gelofte, en de tijden worden steeds slechter. Bovendien is de afgestorvene mij kwalijk gezind, en @@ -13691,47 +13652,47 @@ even ondankbaar als bij haar leven. Want verschijnt ze mij in den droom, dan heeft zij geen goed woord voor mij en kwelt mij als altijd.”</p> -<p>»Zij is thans een lichtende en alwetende geest,” zeide de -vrouw van den mandenmaker, »en ge zijt haar zeker ontrouw +<p>»Zij is thans een lichtende en alwetende geest,” zeide de +vrouw van den mandenmaker, »en ge zijt haar zeker ontrouw geweest. De verheerlijkten weten alles wat op aarde gebeurt en gebeurd is.”</p> <p>De bakker kreeg toevallig eene hoestbui, doch de schoenmaker -riep: »Bij Anubis, den heer der onderwereld, ik wensch vóor +riep: »Bij Anubis, den heer der onderwereld, ik wensch vóor mijn oudje te sterven, want wanneer zij bij Osiris te weten komt wat ik hier op aarde al zoo gedaan heb, en zij in staat zal zijn zich in elke gedaante te veranderen, waarin zij maar wil, dan verschijnt ze mij zeker elken nacht, om mij als kreeft te knijpen, of als eene zware nachtmerrie mij te benauwen.”</p> -<p>»Als gij ’t eerst sterft,” hernam de vrouw, »dan komt zij toch +<p>»Als gij ’t eerst sterft,” hernam de vrouw, »dan komt zij toch later bij je in de onderwereld, waar zij je ook zal doorzien.”</p> -<p>»Dat is minder gevaarlijk,” sprak de schoenmaker lachend, -»want dan ben ik zelf een verheerlijkte, en ligt ook haar verleden +<p>»Dat is minder gevaarlijk,” sprak de schoenmaker lachend, +»want dan ben ik zelf een verheerlijkte, en ligt ook haar verleden voor mij open. Dat zal ook wel zoo voortreffelijk niet zijn. En werpt ze mij met den schoen, dan werp ik haar met de leest.”</p> -<p>»Kom mede naar huis,” zeide de mandenmakersvrouw, terwijl -zij haar man met zich voorttrok. »Ge hoort hier niets goeds.”</p> +<p>»Kom mede naar huis,” zeide de mandenmakersvrouw, terwijl +zij haar man met zich voorttrok. »Ge hoort hier niets goeds.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_276" id="Page_276">[276]</a></span></p> -<p>De omstanders lachten, doch de bakker sprak: »Het is meer -dan tijd om heen te gaan; ik moet in de Nekropolis zijn vóor +<p>De omstanders lachten, doch de bakker sprak: »Het is meer +dan tijd om heen te gaan; ik moet in de Nekropolis zijn vóor het donker wordt, en mijne tafel laten opslaan voor het feest van morgen. Mijne waren staan dicht bij den smallen ingang van het dal. Breng je kleinen maar bij mij, schoenmaker, dan zal ik ze wat zoetigheid geven. — Vaart gij met mij naar de overzijde?”</p> -<p>»Mijn jongere broeder,” antwoordde de schoenmaker, »is reeds +<p>»Mijn jongere broeder,” antwoordde de schoenmaker, »is reeds met de waren aan den overkant. We hebben nog werk voor onze klanten in Thebe, en nu sta ik hier mijn tijd te verbabbelen! — Zoudt ge denken dat het wonderhart van den heiligen ram morgen vertoond zal worden?”</p> -<p>»Wel zeker,” zeide de bakker. »Vaarwel! Daar zijn mijne +<p>»Wel zeker,” zeide de bakker. »Vaarwel! Daar zijn mijne kisten.”</p> <div class="footnotes"> @@ -13743,13 +13704,13 @@ kisten.”</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_221" id="Footnote_221"></a><a href="#FNanchor_221"><span class="label">221)</span></a> Over de vestinglinie, die Egypte moest verdedigen tegen de invallen der Aziaten, is breedvoerig gehandeld in mijn boek: <cite>Aegypten und -die Bücher Mose</cite>. Bd. II, s, 78 ff.</p> +die Bücher Mose</cite>. Bd. II, s, 78 ff.</p> </div> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_222" id="Footnote_222"></a><a href="#FNanchor_222"><span class="label">222)</span></a> De Ibis religiosa, thans uit Egypte verdwenen. Er waren twee soorten van dit aan Toth geheiligde dier, waarvan men op vele plaatsen -mummiën heeft gevonden. Volgens Aelianus toonde men in Hermopolis +mummiën heeft gevonden. Volgens Aelianus toonde men in Hermopolis een onsterfelijken Ibis. „De Ibis,” zegt Plutarchus (Isis en Osiris c. 75) „verdelgt de giftige kruipende dieren, en heeft het eerst getoond, hoe men door middel van inwendige reiniging kranken kan genezen, daar men @@ -13785,7 +13746,7 @@ Thebe afvaren, die de bedevaartgangers voor de groote processie, mannen, vrouwen en kinderen, burgers en vreemdelingen naar gindschen oever hadden over te voeren.</p> -<p>In de zalen en laboratoriën van het Seti-huis was insgelijks +<p>In de zalen en laboratoriën van het Seti-huis was insgelijks meer drukte dan gewoonlijk. De heiligverklaring van het wonderhart had de toebereidselen tot het feest voor korten tijd afgebroken. Thans werden weder hier de koren geoefend, daar @@ -13800,7 +13761,7 @@ die bij de processie moest worden rondgedragen. De jongere kweekelingen vlochten, onder toezicht van de tempelhoveniers, in het heilige bosch van het Seti-huis guirlanden en kransen, om de landingsplaats, de sphinxen, den tempel en de godenbeelden te -versieren. Aan de met koper beslagene masten<a name="FNanchor_227" id="FNanchor_227"></a><a href="#Footnote_227" class="fnanchor">227)</a> vóor de pylonen +versieren. Aan de met koper beslagene masten<a name="FNanchor_227" id="FNanchor_227"></a><a href="#Footnote_227" class="fnanchor">227)</a> vóor de pylonen werden de vanen geheschen, en purperkleurige zeilen gespannen over het midden van het groote voorhof, om straks de brandende zonnestralen te weren.</p> @@ -13818,7 +13779,7 @@ stonden den priester bij dit werk ter zijde.</p> die voor het volk verrassende gedaanteverwisselingen moesten vertoonen. Pas had hij zijne bevelen gegeven aan de Neokoren, die den troon en de zetels voor den stadhouder, de -gezanten van de andere priestercollegiën des lands<a name="FNanchor_228" id="FNanchor_228"></a><a href="#Footnote_228" class="fnanchor">228)</a> en de profeten +gezanten van de andere priestercollegiën des lands<a name="FNanchor_228" id="FNanchor_228"></a><a href="#Footnote_228" class="fnanchor">228)</a> en de profeten van Thebe opsloegen, of hij begaf zich weder naar de priesters, die de reukwerken in orde brachten, en naar de dienaars, die de duizende lampen voor den feestnacht gereed maakten en @@ -13840,7 +13801,7 @@ waren verhongerd; zijne slangen hadden zich weten vrij te maken; ook zijn aap was, misschien wel uit angst voor de gevaarlijke dieren, losgebroken.</p> -<p>»Dat beest, dat monster!” riep hij toornig, »heeft de potten +<p>»Dat beest, dat monster!” riep hij toornig, »heeft de potten met kevers omgeworpen, de kist met het meel, dat ik mijne vogels en wormen te eten geef, opengemaakt en zich daarin rondgewenteld. Het heeft mijne messen, naalden, tangen, mijne stiften, @@ -13848,7 +13809,7 @@ cirkels en rietpennen het venster uitgeworpen. Toen ik de kamer inkwam, zat hij zoo wit als een Ethiopische slaaf die dag en nacht den molen draait, daarboven op de kast. Hij hield de rol, die mijne aanteekeningen bevat over den bouw van het -dierlijk lichaam, de resultaten van jarenlange studiën, in zijne +dierlijk lichaam, de resultaten van jarenlange studiën, in zijne voorpooten, en zat er met zijn scheeven kop ernstig in te kijken. Ik wil hem het geschrift afnemen, ja wel: hij springt met de rol het venster uit, zet zich neer op den rand van den put, plukt @@ -13858,64 +13819,64 @@ zich, terwijl hij mij spottend aangrijnst, in den put naar beneden. Ik trek hem naar boven, maar hij springt met de rest van mijn geschrift er weer in.”</p> -<p>»Is het arme beest verdronken?” vroeg Pentaoer.</p> +<p>»Is het arme beest verdronken?” vroeg Pentaoer.</p> -<p>»Ik heb hem met den emmer er weer uitgevischt en in de zon +<p>»Ik heb hem met den emmer er weer uitgevischt en in de zon te drogen gelegd. Maar het hielp niet; hij had ook allerlei artsenijen gedronken en is heden middag gestorven. Mijne aanteekeningen zijn ook verloren. Veel heb ik nog overgehouden, maar over het geheel kan ik toch weer van voren aan beginnen. Gij ziet het, de apen hebben het zoowel als de wijzen op mijne -studiën voorzien. Daar in de lade ligt het beest!”</p> +studiën voorzien. Daar in de lade ligt het beest!”</p> <p>Pentaoer had bij het verhaal van zijn vriend eerst gelachen, en toen zijn verlies betreurd. Thans vroeg hij met eenige bezorgdheid: -»Ligt het dier dáar? Gij vergeet toch niet, dat het in den +»Ligt het dier dáar? Gij vergeet toch niet, dat het in den tempel van Toth bij de boekerij verpleegd moest worden? Het behoorde tot de heilige soort van hondskop-apen<a name="FNanchor_229" id="FNanchor_229"></a><a href="#Footnote_229" class="fnanchor">229)</a> en alle goede kenteekenen werden er aan gevonden. De bibliothecaris heeft het u toevertrouwd om zijn ziek oog te genezen.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_280" id="Page_280">[280]</a></span></p> -<p>»Nu, dat is weer gezond geworden,” antwoordde Nebsecht losweg.</p> +<p>»Nu, dat is weer gezond geworden,” antwoordde Nebsecht losweg.</p> -<p>»Maar zij zullen het lijk ongeschonden van u verlangen, om +<p>»Maar zij zullen het lijk ongeschonden van u verlangen, om het te balsemen,” hernam Pentaoer.</p> -<p>»Zullen zij?” prevelde Nebsecht, en hij zag daarbij zijn vriend +<p>»Zullen zij?” prevelde Nebsecht, en hij zag daarbij zijn vriend aan als een knaap, van wien men een appel terugvraagt, dien hij sedert lang heeft opgegeten.</p> -<p>»Ge hebt zeker weer wat heel fraais uitgevoerd!” riep Pentaoer, +<p>»Ge hebt zeker weer wat heel fraais uitgevoerd!” riep Pentaoer, met een vriendelijke bedreiging.</p> -<p>De arts knikte en zeide: »Ik heb het beest geopend en zijn +<p>De arts knikte en zeide: »Ik heb het beest geopend en zijn hart onderzocht.”</p> -<p>»Gij zijt toch op harten verzot, als waart gij een behaagziek -meisje!” riep de dichter. »Wat is er toch van het menschenhart +<p>»Gij zijt toch op harten verzot, als waart gij een behaagziek +meisje!” riep de dichter. »Wat is er toch van het menschenhart geworden, dat de oude Paraschiet u zou bezorgen?”</p> <p>Nebsecht vertelde nu zonder terughouding, wat Warda’s grootvader voor hem had gedaan; dat hij het hart van een mensch had onderzocht maar daarin niets gevonden, wat ook niet in -het hart van een dier te vinden was. »Maar ik moet het zien +het hart van een dier te vinden was. »Maar ik moet het zien werken in samenhang met de overige organen van een mensch,” -riep hij opgewekt, »en mijn besluit staat vast. Ik verlaat het +riep hij opgewekt, »en mijn besluit staat vast. Ik verlaat het Seti-huis, en zal de Kolchyten vragen mij in hun gild op te nemen. Als het niet anders zijn kan, verricht ik aanvankelijk den dienst der laagste Paraschieten.”</p> <p>Pentaoer deed den arts opmerken, welk een slechten ruil hij zou doen, en zeide eindelijk, toen Nebsecht hem met vuur -tegensprak: »Dat opensnijden van harten keur ik af. Gij zelf +tegensprak: »Dat opensnijden van harten keur ik af. Gij zelf zegt dat gij er niets door geleerd hebt. Keurt gij het goed, schoon, of ook maar nuttig op zichzelf?”</p> -<p>»Wat geef ik er om,” antwoordde Nebsecht, »of dat wat ik +<p>»Wat geef ik er om,” antwoordde Nebsecht, »of dat wat ik onderzoek goed of slecht, schoon of leelijk, nuttig of ijdel schijnt. Ik wil weten hoe het is, verder niets!”</p> -<p>»Alzoo uit bloote nieuwsgierigheid,” riep Pentaoer, »wilt gij +<p>»Alzoo uit bloote nieuwsgierigheid,” riep Pentaoer, »wilt gij de zaligheid van duizenden in gevaar brengen, het ellendigste handwerk bij de hand nemen, en deze edele werkplaats verlaten, waar wij streven naar verlichting, naar inwendige loutering en @@ -13925,7 +13886,7 @@ waarheid!”</p> <p>Maar nu zwollen ook van verontwaardiging de aderen op het voorhoofd van Pentaoer, en dreigend klonk zijn stem, toen hij, -vroeg: »Gelooft gij waarlijk, dat uwe vingers en oogen de waarheid +vroeg: »Gelooft gij waarlijk, dat uwe vingers en oogen de waarheid hebben gevonden, waarnaar edele geesten sedert duizende jaren zoeken, met inspanning van al hunne krachten? Met uw onverstandig wroeten in het stof daalt gij af tot den zinnelijken @@ -13935,12 +13896,12 @@ ellendige dwaling!”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_281" id="Page_281">[281]</a></span></p> -<p>»Zoudt gij denken dat, indien ik meende werkelijk de waarheid +<p>»Zoudt gij denken dat, indien ik meende werkelijk de waarheid te bezitten, ik nog naar haar zoeken zou?” vroeg Nebsecht. -»Hoe rijker ik word in ervaring en in wetenschap, des te dieper +»Hoe rijker ik word in ervaring en in wetenschap, des te dieper gevoel ik, wat er aan ons kunnen en weten ontbreekt.”</p> -<p>»Dat klinkt zeer bescheiden,” hernam de dichter, »doch ik +<p>»Dat klinkt zeer bescheiden,” hernam de dichter, »doch ik weet maar al te wel, hoe uw onderzoek u er toe brengt, de waarde er van te overschatten. Alles wat gij met uwe oogen zien en met uwe vingers tasten kunt, schijnt u boven allen twijfel @@ -13949,10 +13910,10 @@ alles onwaar, wat met uwe ervaring in strijd is. Maar uwe ervaringen reiken niet verder dan de zinnelijke wereld, en gij vergeet dat er dingen zijn, die tot een ander gebied behooren.”</p> -<p>»Van deze dingen draag ik geen kennis,” antwoordde Nebsecht +<p>»Van deze dingen draag ik geen kennis,” antwoordde Nebsecht bedaard.</p> -<p>»Wij ingewijden,” vervolgde de dichter, »schenken ook daaraan +<p>»Wij ingewijden,” vervolgde de dichter, »schenken ook daaraan onze opmerkzaamheid. Voor eeuwen zijn er onder ons volk reeds vermoedens uitgesproken over hun wezen en hunne werkzaamheid; ontelbare geslachten hebben die vermoedens getoetst, goedgekeurd, @@ -13971,9 +13932,9 @@ bovennatuurlijke werken niet alleen over menschelijke krachten te beschikken, maar ook over de geheel onbeperkte goddelijke kracht, dat is de almacht.”</p> -<p>»Loop heen met uwe profeten en wonderen!” riep de arts.</p> +<p>»Loop heen met uwe profeten en wonderen!” riep de arts.</p> -<p>»Ik dacht,” antwoordde Pentaoer, »dat toch ook de orde in +<p>»Ik dacht,” antwoordde Pentaoer, »dat toch ook de orde in de natuur, die gij niet loochent, u dagelijks de heerlijkste wonderen doet aanschouwen. Ja, de Eenige wijkt van tijd tot tijd opzettelijk van de gewone orde der dingen af, ten einde dat deel @@ -13981,16 +13942,16 @@ van zijn wezen, hetwelk wij onze ziel noemen, op het verheven geheel te richten, waartoe zij behoort. Heden weder hebt gij gezien, hoe het hart van den heiligen ram....”</p> -<p>»Maar man!” viel Nebsecht zijn vriend opeens in de rede. -»Het heilige hart is niet anders dan het armzalige hart van een +<p>»Maar man!” viel Nebsecht zijn vriend opeens in de rede. +»Het heilige hart is niet anders dan het armzalige hart van een hamel, dat een beschonken soldaat voor eene kleine som heeft gekocht van een vetweider, en dat bij eene onreine op het erf geslacht -is. Een gevloekte Paraschiet stak het in de borst van Roeï<span class="pagenum"><a name="Page_282" id="Page_282">[282]</a></span> +is. Een gevloekte Paraschiet stak het in de borst van Roeï<span class="pagenum"><a name="Page_282" id="Page_282">[282]</a></span> en...en.” Bij deze woorden trok hij de lade open, wierp den dooden aap en eenige kleedingstukken op den grond, en haalde eindelijk een albasten schaaltje te voorschijn, dat hij den dichter -voorhield — »en de spieren in deze zoutoplossing, dat orgaan -hier, heeft eens in de borst van den profeet Roeï geklopt. Mijn +voorhield — »en de spieren in deze zoutoplossing, dat orgaan +hier, heeft eens in de borst van den profeet Roeï geklopt. Mijn hamelhart zullen zij morgen in processie ronddragen! — Ik zou het u wel dadelijk verteld hebben, indien ik mijzelven niet het stilzwijgen had opgelegd, terwille van dien ouden man, en dan... @@ -14007,7 +13968,7 @@ hij achter hem staan, en waagde het niet hem aan te spreken. Zoo verliepen er eenige oogenblikken.</p> <p>Plotseling verhief Pentaoer zich in zijn volle lengte, strekte -de handen hemelwaarts en riep: »Gij Eenige, al laat gij in den +de handen hemelwaarts en riep: »Gij Eenige, al laat gij in den zomernacht ook sterren van den hemel vallen, zoo houdt toch uwe eeuwige onveranderlijke wet, in schoone harmonie, de nimmer rustenden<a name="FNanchor_230" id="FNanchor_230"></a><a href="#Footnote_230" class="fnanchor">230)</a> in hunne banen. Gij heldere geest, die de @@ -14020,7 +13981,7 @@ Waarheid, — ja steeds als Waarheid!”</p> Nebsecht hoorde ze aan, als waren het de toonen uit een verre schoone wereld. Liefderijk naderde hij den vriend en bood hem de hand. Pentaoer greep haar aan, drukte haar stevig en zeide: -»Dat was een bange worsteling! Gij weet niet wat Ameni voor +»Dat was een bange worsteling! Gij weet niet wat Ameni voor mij geweest is, en nu, nu....”</p> <p>Hij had nog niet uitgesproken, toen voetstappen werden gehoord, @@ -14064,8 +14025,8 @@ priesters. Zij waren van oordeel, dat het zeer bedenkelijk was, de beide kinderen van Ramses, die in Thebe vertoefden, van de deelneming aan de feestviering uit te sluiten.</p> -<p>Toen Ameni dit hoorde, stond hij op. »Wij hebben,” zeide hij, -»den knaap Rameri uit dit huis moeten verbannen, en Bent-Anat +<p>Toen Ameni dit hoorde, stond hij op. »Wij hebben,” zeide hij, +»den knaap Rameri uit dit huis moeten verbannen, en Bent-Anat voor onrein verklaard. Al hebben de meer toegevende bestuurders van den Amon-tempel te Thebe haar ook vrijgesproken, zoo mag zij voor rein gehouden worden aan de overzijde, waar @@ -14074,7 +14035,7 @@ rust de taak de zielen op den dood voor te bereiden. De stadhouder, de kleinzoon van den grooten koning dien men onttroond heeft, zal bij de processie verschijnen in al den glans van zijn hoogen rang. Ik zie, mijne vrienden, dat ge u hierover verbaast! -Weet voor heden slechts dit éene. Groote dingen worden voorbereid, +Weet voor heden slechts dit éene. Groote dingen worden voorbereid, en het kan gebeuren, dat weldra eene nieuwe, lieflijk schijnende zon des vredes zal opgaan over ons door den krijg verarmd volk. — Er gebeuren wonderen en ik aanschouwde in @@ -14085,14 +14046,14 @@ naar het leger gezondene onderhoorigen op onze akkers terug;<span class="pagenum hij wierp de altaren der buitenlandsche goden omver en verjoeg onreine vreemdelingen van onzen heiligen bodem.”</p> -<p>»Gij zinspeelt op den stadhouder Ani!” riep de eerste der +<p>»Gij zinspeelt op den stadhouder Ani!” riep de eerste der Horoscopen.</p> <p>Er ontstond eene levendige beweging in de vergadering. Ameni -ging echter voort: »Misschien was de persoon, dien ik in den +ging echter voort: »Misschien was de persoon, dien ik in den droom zag, hem niet ongelijk. In elk geval is dit zeker: hij had de trekken van den echten en rechtmatigen afstammeling van Ra, -dien Roeï aanhing, in wiens borst het heilige hart van den ram +dien Roeï aanhing, in wiens borst het heilige hart van den ram een toevlucht zocht. Morgen zal dit onderpand der goddelijke genade den volke getoond worden, en nog een ander wonder zal het worden kenbaar gemaakt. Hoort en looft de beschikkingen van @@ -14102,7 +14063,7 @@ dragende al de heilige teekenen.”</p> <p>Andermaal ontstond er eene groote beroering onder de luisterende schare. Ameni liet aan de uitingen van verrassing onder -de priesters den vrijen loop. Eindelijk sprak hij: »Gaan wij +de priesters den vrijen loop. Eindelijk sprak hij: »Gaan wij thans over tot het afdoen van de laatste vraag! Aan den priester Pentaoer, hier tegenwoordig, werd het ambt van feestredenaar opgedragen. Hij heeft zwaar misdreven, doch ik meen dat @@ -14113,20 +14074,20 @@ niemand zijn stem hiertegen? — Treed dan vooruit, gij jongste van allen, wien deze heilige vereeniging zulk eene groote taak toevertrouwt!”</p> -<p>Pentaoer stond op en plaatste zich eerst vóor Ameni, ten +<p>Pentaoer stond op en plaatste zich eerst vóor Ameni, ten einde op diens verlangen een schets te ontwerpen, in breede en scherpe omtrekken, van hetgeen hij tot het volk en de aanzienlijken dacht te spreken. De vergadering, en zelfs zijne tegenstanders, luisterden naar hem met welgevallen. Ook Ameni prees -hem en zeide daarop: »Ik mis maar éen onderwerp, waarbij +hem en zeide daarop: »Ik mis maar éen onderwerp, waarbij gij langer moet stilstaan en dat gij met bijzondere warmte moet behandelen. Ik bedoel het wonder, dat heden ons zoo getroffen heeft. Het komt er op aan te toonen, dat de goden het heilige hart....”</p> -<p>»Veroorloof mij,” viel Pentaoer den opperpriester in de rede, +<p>»Veroorloof mij,” viel Pentaoer den opperpriester in de rede, en zag hem ernstig in zijne doordringende, nog kort geleden -door hemzelve bezongene oogen. »Veroorloof mij u dringend te +door hemzelve bezongene oogen. »Veroorloof mij u dringend te verzoeken, mij niet tot verkondiger van het nieuwe wonder te verkiezen.”</p> @@ -14135,12 +14096,12 @@ te lezen. Menigeen zag eerst zijne buren, dan den dichter, eindelijk Ameni vragend aan. De laatste kende Pentaoer en wist<span class="pagenum"><a name="Page_285" id="Page_285">[285]</a></span> dat geen luim van het oogenblik maar ernstige overwegingen hem hadden moeten doen weigeren. Was het niet geweest alsof zijne -heldere stem aarzelend, ja met tegenzin de woorden: »het nieuwe +heldere stem aarzelend, ja met tegenzin de woorden: »het nieuwe wonder” had uitgesproken? Hij twijfelde derhalve aan de echtheid van het goddelijk teeken!</p> <p>De profeet nam Pentaoer bedaard en onderzoekend met zijne -oogen op, en zeide toen: »Gij hebt gelijk, mijn vriend. Alvorens +oogen op, en zeide toen: »Gij hebt gelijk, mijn vriend. Alvorens het oordeel over u is uitgesproken, en gij weder voor ons staat in dezelfde reinheid, die wij bij u zoo hoog waardeeren, is uw mond niet waardig het goddelijk wonder den volke te verkondigen. @@ -14156,44 +14117,44 @@ het verhandelde, inzonderheid over den meegedeelden droom te hebben bevolen, sloot hij deze bijeenkomst. Alleen den ouden Gagaboe en Pentaoer verzocht hij te blijven.</p> -<p>Zoodra zij alleen waren vroeg Ameni den dichter: »Waarom +<p>Zoodra zij alleen waren vroeg Ameni den dichter: »Waarom hebt gij geweigerd aan het volk het wonder te verkondigen, dat alle priesters uit de Nekropolis met vreugde vervult?”</p> -<p>»Omdat gij mij geleerd hebt,” antwoordde de dichter, »dat +<p>»Omdat gij mij geleerd hebt,” antwoordde de dichter, »dat waarheid de hoogste trap is, die men bereiken kan, en dat er geen hoogere is.”</p> -<p>»Dit leer ik u andermaal in deze ure,” hernam Ameni. »En +<p>»Dit leer ik u andermaal in deze ure,” hernam Ameni. »En daar gij deze leer belijdt, zoo vraag ik u, in den naam van de lichtdochter van Ra: twijfelt gij aan de echtheid van het wonder, dat tastbaar duidelijk voor onze oogen is geschied?”</p> -<p>»Ja, ik twijfel,” antwoordde Pentaoer.</p> +<p>»Ja, ik twijfel,” antwoordde Pentaoer.</p> -<p>»Blijf volharden op den hoogen trap der waarheid,” ging Ameni -voort, »en zeg ons verder, opdat ook wij het weten mogen, welke +<p>»Blijf volharden op den hoogen trap der waarheid,” ging Ameni +voort, »en zeg ons verder, opdat ook wij het weten mogen, welke bedenkingen u beletten te gelooven.”</p> -<p>»Ik weet,” antwoordde de dichter, somber vóor zich ziende, -»dat het hart, aan hetwelk de menigte goddelijke eer zal bewijzen, +<p>»Ik weet,” antwoordde de dichter, somber vóor zich ziende, +»dat het hart, aan hetwelk de menigte goddelijke eer zal bewijzen, waarvoor zelfs ingewijden zich nederbuigen, als ware het een tempel voor de ziel van Ra, gescheurd is uit de bloedende borst van een gemeen stuk vee, en dat het heimelijk in de kanopen -is gelegd, die de ingewanden van den profeet Roeï bevatten.”</p> +is gelegd, die de ingewanden van den profeet Roeï bevatten.”</p> <p>Ameni deed van schrik eene schrede achterwaarts, en Gagaboe -riep: »Wie heeft dat gezegd? Wie kan dat bewijzen? ’t Is of +riep: »Wie heeft dat gezegd? Wie kan dat bewijzen? ’t Is of men oud moet worden, om van dag tot dag schrikkelijker dingen te hooren!”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_286" id="Page_286">[286]</a></span></p> -<p>»Ik weet het,” zeide Pentaoer op stelligen toon, »maar ik +<p>»Ik weet het,” zeide Pentaoer op stelligen toon, »maar ik moet den naam verzwijgen van hem, die het mij heeft medegedeeld.”</p> -<p>»Dan gelooven wij dat gij dwaalt, en dat een bedrieger den draak -met u stak,” zeide Ameni. »Wij zullen onderzoeken, wie zulk +<p>»Dan gelooven wij dat gij dwaalt, en dat een bedrieger den draak +met u stak,” zeide Ameni. »Wij zullen onderzoeken, wie zulk een leugen uitstrooit, en hem niet ongestraft laten! Het is zondig de stem der godheid te hoonen, en ieder die gewillig zijn oor leent aan de leugen, is ver van de waarheid. Heilig, ja driemaal @@ -14220,56 +14181,56 @@ de ziel!”</p> <p>Ameni had met groote gemoedsbeweging gesproken. Toen Pentaoer zich zwijgend verwijderd had, en hij met Gagaboe alleen -was, riep hij uit: »Waar moet het nu heen? Wie bezoedelt +was, riep hij uit: »Waar moet het nu heen? Wie bezoedelt toch den reinen kinderlijken zin van dezen hoogbegenadigden jongeling?”</p> -<p>»Hij bederft zichzelven,” zeide Gagaboe. »Hij schuift de oude<span class="pagenum"><a name="Page_287" id="Page_287">[287]</a></span> +<p>»Hij bederft zichzelven,” zeide Gagaboe. »Hij schuift de oude<span class="pagenum"><a name="Page_287" id="Page_287">[287]</a></span> wet op zij, daar hij voelt, dat er eene nieuwe wet in zijn scheppenden geest is ontwaakt!”</p> -<p>»Doch wetten,” hernam Ameni, »ontstaan vanzelf en groeien +<p>»Doch wetten,” hernam Ameni, »ontstaan vanzelf en groeien als schaduwrijke wouden; er is nooit iemand, die ze maakt! Ik had den dichter lief, maar ik moet hem toch inbinden, anders wast hij als de hooggezwollen Nijl, die de dammen doorbreekt. En wat hij daar zegt van het wonder....”</p> -<p>»Hebt gij daar aanleiding toe gegeven?” vroeg Gagaboe.</p> +<p>»Hebt gij daar aanleiding toe gegeven?” vroeg Gagaboe.</p> -<p>»Bij den Eenen, neen!” zeide Ameni.</p> +<p>»Bij den Eenen, neen!” zeide Ameni.</p> -<p>»Doch Pentaoer is waarheidlievend, en geneigd te gelooven,” +<p>»Doch Pentaoer is waarheidlievend, en geneigd te gelooven,” hernam de oude bedenkelijk.</p> -<p>»Ik begrijp het,” hernam Ameni. »Wat hij zeide zal geschied +<p>»Ik begrijp het,” hernam Ameni. »Wat hij zeide zal geschied zijn. Doch wie heeft het gedaan, en hem in deze misdaad ingewijd?”</p> -<p>Beide priesters zagen nadenkend vóor zich. Ameni brak het -eerst het stilzwijgen af, zeggende: »Pentaoer trad met Nebsecht +<p>Beide priesters zagen nadenkend vóor zich. Ameni brak het +eerst het stilzwijgen af, zeggende: »Pentaoer trad met Nebsecht hier binnen, en beiden zijn boezemvrienden. Waar was de arts, terwijl ik in Thebe vertoefde?”</p> -<p>»Hij verpleegde het door Bent-Anat verwonde kind van den +<p>»Hij verpleegde het door Bent-Anat verwonde kind van den Paraschiet Pinem, en bleef daar drie dagen lang,” antwoordde Gagaboe.</p> -<p>»En het was Pinem,” sprak de opperpriester, »die de borst -van Roeï geopend heeft. Nu weet ik wie Pentaoer’s geloof aan +<p>»En het was Pinem,” sprak de opperpriester, »die de borst +van Roeï geopend heeft. Nu weet ik wie Pentaoer’s geloof aan het wankelen heeft gebracht. Het was die wroetende stamelaar. Hij zal het mij boeten. — Denken wij nu aan het feest van morgen, maar overmorgen neem ik dien zonderlingen kwant in ’t verhoor, en ik zal onverbiddelijk streng zijn!”</p> -<p>»Laat ons liever den natuuronderzoeker rustig verhooren,” -zeide Gagaboe. »Hij is een sieraad van onzen tempel, want hij +<p>»Laat ons liever den natuuronderzoeker rustig verhooren,” +zeide Gagaboe. »Hij is een sieraad van onzen tempel, want hij doorgrondt vele dingen, en is een man van buitengewone bekwaamheid.”</p> -<p>»Dat alles kunnen wij overwegen na het feest,” viel Ameni den -ouden profeet in de rede. »Er is nu nog veel gereed te maken.”</p> +<p>»Dat alles kunnen wij overwegen na het feest,” viel Ameni den +ouden profeet in de rede. »Er is nu nog veel gereed te maken.”</p> -<p>»En later nog meer te overleggen,” hernam Gagaboe. »Wij +<p>»En later nog meer te overleggen,” hernam Gagaboe. »Wij zijn een gevaarlijken weg ingeslagen. Gij weet het, ik blijf een stormlooper, niettegenstaande ik, wat mijne jaren betreft een grijsaard ben. Helaas, ik was nooit te schroomvallig! Maar @@ -14277,8 +14238,8 @@ Ramses is een geweldig man en mijn plicht gebiedt mij u te vragen: Verleidt uw haat u niet tot een al te haastig en al te onvoorzichtig optreden tegen den koning?”</p> -<p>»Ik gevoel geen haat tegen Ramses,” antwoordde Ameni ernstig. -»Als hij de kroon niet droeg, zou ik hem kunnen liefhebben. +<p>»Ik gevoel geen haat tegen Ramses,” antwoordde Ameni ernstig. +»Als hij de kroon niet droeg, zou ik hem kunnen liefhebben. Ik ken hem alsof ik zijn broeder was, en weet in hem alles wat groot is te waardeeren, wat meer zegt: ik wil gaarne erkennen, dat hem niets ontsiert wat klein moet heeten. Als ik<span class="pagenum"><a name="Page_288" id="Page_288">[288]</a></span> @@ -14306,7 +14267,7 @@ konings vernederd worden.”</p> <p>Gagaboe gaf een teeken van instemming. Ameni vervolgde echter met klimmende warmte, sprekende in rhytmische volzinnen, waarin hij de bevelen der godheid placht te verkondigen, -zoo vaak hij uit het Allerheiligste kwam: »Gij waart mijn meester, +zoo vaak hij uit het Allerheiligste kwam: »Gij waart mijn meester, ik acht u zeer hoog, daarom moogt gij nu alles vernemen, wat mij beweegt en vast doet besluiten, den vreeslijken kamp te aanvaarden. Dit huis zoo gij weet, was voor mij gelijk ook @@ -14325,7 +14286,7 @@ volken wierp hij ter aarde; en door de stroomen bloeds zijner burgers verhief hij den glans van d’ Egyptischen naam tot duizelingwekkende hoogte.</p> -<p>»Ik sleet mijn leven in ijverig werken, ik leerde de jeugd en +<p>»Ik sleet mijn leven in ijverig werken, ik leerde de jeugd en bewaakte de inzetting, die het samenwonen der menschen regelt en het volk met de godheid verbindt. Met ijver doorzocht ik de schriften der oudheid, en menig heerlijk woord heb ik van haar<span class="pagenum"><a name="Page_289" id="Page_289">[289]</a></span> @@ -14339,7 +14300,7 @@ goden dienen. Want de menigte zoekt een hand die haar leidt, waarvoor zij kan beven, als voor de vuist van het overmachtige noodlot. Gaarne dienden wij den god op zijn troon, die als de Eene naar eeuwige wetten, naar <em>onze</em> wet gebood en heerschte. Uit ons -midden koos hij zijn raadsliên, wat tot heil is voor ’t land dat +midden koos hij zijn raadsliên, wat tot heil is voor ’t land dat deden wij hem weten. Hij hoorde ons gewillig aan en voerde het uit. De oude koningen waren de handen, wij, de priesters, wij waren het hoofd. En nu, mijn vader! Wat zijn wij geworden? @@ -14368,14 +14329,14 @@ niet alleen, maar ook in het oude eerwaardige Memphis en hier in het vreemden-kwartier in Thebe, altaren en statige<span class="pagenum"><a name="Page_290" id="Page_290">[290]</a></span> heiligdommen voor de bloedige leugengoden<a name="FNanchor_234" id="FNanchor_234"></a><a href="#Footnote_234" class="fnanchor">234)</a> van ’t oosten.”</p> -<p>»Gij spreekt als een ziener,” riep de oude Gagaboe. »En wat +<p>»Gij spreekt als een ziener,” riep de oude Gagaboe. »En wat gij zegt is in alle opzichten waar! Wij heeten nog priesters, maar zelden wordt onze raad gevraagd. ‚Gij hebt de menschen in eene andere wereld een heerlijke toekomst te bereiden’, heeft Ramses gezegd, ‚maar hun lot op aarde bestuur ik alleen’!”</p> -<p>»Zoo sprak hij,” ging Ameni voort. »En al had hij niet anders -gezegd dan dát, hij zou reeds daardoor zijn geoordeeld! Hij en +<p>»Zoo sprak hij,” ging Ameni voort. »En al had hij niet anders +gezegd dan dát, hij zou reeds daardoor zijn geoordeeld! Hij en zijn huis zijn onzen rechten vijandig, en vijanden mee, van dit ons edel land. Behoef ik u te zeggen, wat pharao’s stamboom is? Eens noemden wij de van ’t oosten komende scharen, die ons @@ -14431,10 +14392,10 @@ geest zij, wat waarachtig hem goed is zal hij nimmer begrijpen. Hij luistert naar raad niet, hij benadeelt Egypte; dus zeg ik: naar beneden met hem van den troon!”</p> -<p>»Naar beneden met hem!” herhaalde Gagaboe in geestdrift.</p> +<p>»Naar beneden met hem!” herhaalde Gagaboe in geestdrift.</p> <p>Ameni reikte den grijsaard zijne van opgewondenheid bevende -hand, en ging kalmer voort: »De stadhouder Ani is van vaders +hand, en ging kalmer voort: »De stadhouder Ani is van vaders en moeders zijde een echte zoon van het land. Ik ken hem door en door, en weet dat hij wel is waar verstandig maar angstvallig voorzichtig is, en dat hij ons in ons voormalig, ons rechtmatig @@ -14442,18 +14403,18 @@ toekomend erfdeel weder herstellen zal. Hier valt de keus niet zwaar. Ik heb gekozen en ben gewoon door te zetten, wat ik eens begonnen ben. Gij weet nu alles en zult mij helpen!”</p> -<p>»Met lijf en ziel!” riep Gagaboe.</p> +<p>»Met lijf en ziel!” riep Gagaboe.</p> -<p>»Versterk dan ook de harten onzer medepriesters,” zeide Ameni, -afscheid nemende. »Ieder ingewijde mag vermoeden wat er eigenlijk +<p>»Versterk dan ook de harten onzer medepriesters,” zeide Ameni, +afscheid nemende. »Ieder ingewijde mag vermoeden wat er eigenlijk gebeurt, maar het mag volstrekt niet uitgesproken worden.”</p> <div class="footnotes"> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_224" id="Footnote_224"></a><a href="#FNanchor_224"><span class="label">224)</span></a> Aan elken tempel was een heilig meer verbonden. Herodotus (II 171) -spreekt van de voorstellingen, die op het heilig meer van Neith te Saïs, -bij nacht werden gegeven. „Men noemt ze mysteriën,” zegt hij, „maar +spreekt van de voorstellingen, die op het heilig meer van Neith te Saïs, +bij nacht werden gegeven. „Men noemt ze mysteriën,” zegt hij, „maar ofschoon ik er veel van weet, zwijg ik daarover uit eerbied.” Men stelde er de mythe van Isis, Osiris en Seth-Typhon voor. — Vgl. Ebers, <cite>Eene Egyptische koningsdochter</cite>, B. III.</p> @@ -14464,7 +14425,7 @@ Egyptische koningsdochter</cite>, B. III.</p> worden nog de haken gevonden, waaraan de kleedingstukken werden bevestigd. Het uit- en aankleeden dier godenbeelden moest bij de godsdienstoefening volgens eene vastgestelde orde geschieden. De door A. -Mariëtte uitgegeven opschriften in de zeven sanctuariën van Abydus, zijn +Mariëtte uitgegeven opschriften in de zeven sanctuariën van Abydus, zijn voor deze handelingen, die allen eene bepaalde beteekenis hadden, bijzonder leerrijk.</p> </div> @@ -14487,7 +14448,7 @@ Seti-huis werden gezonden.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_229" id="Footnote_229"></a><a href="#FNanchor_229"><span class="label">229)</span></a> De hondskop-apen (cynocephali) waren geheiligd aan Toth-Hermes, den maangod. Men heeft van dit dier te Thebe en bij het oude Hermopolis -mummiën gevonden. Dikwijls werden er treffende afbeeldingen gemaakt +mummiën gevonden. Dikwijls werden er treffende afbeeldingen gemaakt van zulke hondskop-apen, die met schijnbaren ernst in een boek verdiept zijn. Ook is er een groot aantal beelden van dit beest gevonden. In het bibliotheekvertrek van den Isis-tempel te Philae is op den linkerwand @@ -14505,7 +14466,7 @@ in de teksten „van hetgeen zich in de diepte (onderwereld) bevindt,” stelt symbolisch de kronkelingen voor, die de zon op haar weg bij nacht door de onderwereld heeft af te leggen. Slangvormige mythologische figuren hebben even dikwijls eene gunstige als eene vijandige beteekenis. In elken -tempel werden heilige slangen onderhouden. In Thebe zijn slangenmummiën +tempel werden heilige slangen onderhouden. In Thebe zijn slangenmummiën gevonden en wel van de vipera cetastes. Plutarchus (Isis en Osiris c. 74) zegt, dat de slang voor heilig werd gehouden, omdat zij niet veroudert, en zich zonder ledematen al schuifelend gemakkelijk kon voortbewegen op @@ -14514,8 +14475,8 @@ eene wijze als de sterren.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_232" id="Footnote_232"></a><a href="#FNanchor_232"><span class="label">232)</span></a> De havens aan de Schelf- of Roode zee waren in handen van -Phoeniciërs, die van hier naar het zuiden zeilden om de reukwerken uit -Arabië en de schatten van Ophir te halen.</p> +Phoeniciërs, die van hier naar het zuiden zeilden om de reukwerken uit +Arabië en de schatten van Ophir te halen.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -14527,11 +14488,11 @@ zouden trekken.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_234" id="Footnote_234"></a><a href="#FNanchor_234"><span class="label">234)</span></a> Door de Egyptenaars werden de menschenoffers, zooals er nog in -later tijd door de Phoeniciërs aan Moloch werden gebracht, afgeschaft.</p> +later tijd door de Phoeniciërs aan Moloch werden gebracht, afgeschaft.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_235" id="Footnote_235"></a><a href="#FNanchor_235"><span class="label">235)</span></a> De Bedoeïenen noemen thans nog de landbouwende bevolking van +<p><a name="Footnote_235" id="Footnote_235"></a><a href="#FNanchor_235"><span class="label">235)</span></a> De Bedoeïenen noemen thans nog de landbouwende bevolking van Egypte met minachting Fellah, meerv. Fellahin, of ploegers.</p> </div></div> @@ -14567,8 +14528,8 @@ uit den nacht verrijzende. Het verjongde licht, zeiden de priesters, vergeet het uitgebluschte niet, waaruit het geworden is; het brengt als Amon daaraan zijne hulde, om de vromen te herinneren, dat zij de afgestorvenen niet mogen vergeten, waaraan zij<span class="pagenum"><a name="Page_293" id="Page_293">[293]</a></span> -hun leven hadden te danken. »Breng offers,” zoo luidde eene -godsdienstige spreuk, »aan uw vader en uwe moeder, die in het +hun leven hadden te danken. »Breng offers,” zoo luidde eene +godsdienstige spreuk, »aan uw vader en uwe moeder, die in het dal der graven rusten, want dit is den goden welgevallig, die deze gaven willen aannemen, als waren ze aan henzelven gebracht. Bezoek uwe ontslapenen dikwijls, opdat uw zoon voor u @@ -14580,7 +14541,7 @@ gevierd. Het was integendeel een vroolijk feest, gewijd aan de liefdevolle nagedachtenis van de zoodanigen, die men ook na den dood nog bleef liefhebben. Men verhief het geluk dier gezaligden en herdacht hen vriendschappelijk, terwijl men, -gezellig in de grafkapel of vóor hunne groeve gezeten, offers +gezellig in de grafkapel of vóor hunne groeve gezeten, offers bracht en maaltijd hield. Ouders en kinderen sloten zich bij elkander aan. De huisslaven volgden hen met voorraad van spijzen en fakkels, om het donkere graf te verlichten, of ze @@ -14657,23 +14618,23 @@ Toen zij van het balkon het volk zag samenstroomen, en de booten wemelden op den stroom, ging zij in haar vertrek terug. Zij riep Rameri tot zich, die in woede losbrak over de onbeschaamdheid van Ameni, vatte zijne beide handen en zeide:<span class="pagenum"><a name="Page_295" id="Page_295">[295]</a></span> -»Wij hebben beiden misdreven, broeder! Laten wij de gevolgen +»Wij hebben beiden misdreven, broeder! Laten wij de gevolgen van onze schuld geduldig dragen, en handelen alsof onze vader bij ons was.”</p> -<p>»Hij zou den overmoedigen priester het panthervel van de -schouders scheuren,” riep de prins, »wanneer deze het waagde +<p>»Hij zou den overmoedigen priester het panthervel van de +schouders scheuren,” riep de prins, »wanneer deze het waagde in zijne tegenwoordigheid u zoo te vernederen.” En bij deze woorden rolden tranen van boosheid langs zijne jeugdige wangen.</p> -<p>»Wees nu niet langer toornig,” antwoordde Bent-Anat. »Gij +<p>»Wees nu niet langer toornig,” antwoordde Bent-Anat. »Gij waart nog klein, toen vader voor de laatste maal aan dit feest deelnam.”</p> -<p>»O, ik herinner mij dien morgen zeer goed,” riep Rameri, -»en ik zal dien nooit vergeten.”</p> +<p>»O, ik herinner mij dien morgen zeer goed,” riep Rameri, +»en ik zal dien nooit vergeten.”</p> -<p>»Ik dacht het wel,” zeide Bent-Anat. — »Blijf gerust, Nefert; +<p>»Ik dacht het wel,” zeide Bent-Anat. — »Blijf gerust, Nefert; gij zijt immers nu mijne zuster! Hoor! het was op een heerlijken morgen. Wij, kinderen, waren feestelijk uitgedost verzameld in de groote zaal des konings. Toen liet hij ons roepen in deze @@ -14696,7 +14657,7 @@ in staat was het gemis eener moeder te vergoeden. Toen hing hij ons een schoon tafereel op van de zelfverloochenende liefde, waarmede de afgestorvene zich geheel aan ons had gewijd, en noodigde ons uit aan hare rustplaats met hem te bidden en te -offeren. Dáar moesten wij beloven harer waardig te leven, niet +offeren. Dáar moesten wij beloven harer waardig te leven, niet enkel in het groote, maar ook in het kleine. Want juist dat kleine vormde het leven, gelijk de uren den dag en het jaar. — Wij grooteren drukten toen elkander de handen, en nooit ben ik @@ -14704,18 +14665,18 @@ zeker beter geweest dan in die ure, en aan het graf mijner moeder!”</p> <p>Nefert sloeg hare oogen op, waarin tranen blonken, en zeide: -»Als men zulk een vader heeft, moet het gemakkelijk vallen +»Als men zulk een vader heeft, moet het gemakkelijk vallen goed te blijven.”</p> -<p>»Heeft uw moeder ook niet altijd aan den morgen van dezen<span class="pagenum"><a name="Page_296" id="Page_296">[296]</a></span> +<p>»Heeft uw moeder ook niet altijd aan den morgen van dezen<span class="pagenum"><a name="Page_296" id="Page_296">[296]</a></span> feestdag goede woorden in uw hart gelegd?” vroeg Bent-Anat.</p> -<p>Nefert bloosde en zeide: »Het werd altijd laat met ons toilet, +<p>Nefert bloosde en zeide: »Het werd altijd laat met ons toilet, en dan moesten wij ons haasten, om ter rechter tijd in den tempel te komen.”</p> -<p>»Kom, laat mij dan heden uwe moeder zijn!” sprak Bent-Anat. -»En ook de uwe, Rameri. Weet gij ook nog, hoe vader +<p>»Kom, laat mij dan heden uwe moeder zijn!” sprak Bent-Anat. +»En ook de uwe, Rameri. Weet gij ook nog, hoe vader aan de hofbeambten en dienaars vergeving schonk, en hoe hij hun zoowel als ons op het hart drukte, op dien dag elke opwelling van toorn in onze borst te onderdrukken? ‚Bij dit feest,’ zeide @@ -14728,9 +14689,9 @@ gij, broeder! Ik ga thans in mijne kapel, waar de beelden der voorvaderen staan, om aan mijne moeder te denken en aan de zalige geesten onzer geliefden, waaraan ik heden niet offeren mag.”</p> -<p>»Ik ga met u,” zeide Rameri.</p> +<p>»Ik ga met u,” zeide Rameri.</p> -<p>»Nefert,” sprak Bent-Anat, »blijf gij hier en snijd zoo vele van +<p>»Nefert,” sprak Bent-Anat, »blijf gij hier en snijd zoo vele van mijne bloemen, als gij wilt. De schoonste moogt gij nemen! Vlecht daarvan een krans, en wanneer die gereed is, laten wij hem door een bode met andere gaven naar de overzijde brengen, die zorgen @@ -14738,26 +14699,26 @@ moet dat hij in het graf van Mena’s moeder gelegd wordt.”</p> <p>Toen broeder en zuster na een half uur tot de jonge vrouw terugkeerden, hield Nefert twee sierlijke kransen in de hand, -éen voor de gestorvene koningin, en éen voor Mena’s moeder.</p> +éen voor de gestorvene koningin, en éen voor Mena’s moeder.</p> -<p>»Ik zal de kransen overbrengen,” riep Rameri, »en in de +<p>»Ik zal de kransen overbrengen,” riep Rameri, »en in de graven nederleggen.”</p> -<p>»Ani meent, dat het beter zal zijn, wanneer wij ons niet -aan het volk vertoonen,” zeide Bent-Anat waarschuwend. »Men +<p>»Ani meent, dat het beter zal zijn, wanneer wij ons niet +aan het volk vertoonen,” zeide Bent-Anat waarschuwend. »Men merkt ter nauwernood op, dat gij onder de scholieren wordt gemist, maar....”</p> -<p>»Maar ik wil mij niet als zoon van Ramses, maar als een +<p>»Maar ik wil mij niet als zoon van Ramses, maar als een tuinmansjongen laten overzetten,” viel de prins haar in de rede. -»Hoort gij het bazuingeschal? Thans dragen zij den god naar +»Hoort gij het bazuingeschal? Thans dragen zij den god naar buiten!”</p> <p>Rameri betrad het balkon, de beide vrouwen volgden hem en richtten hare blikken naar de plaats, waar de stoet zou scheep gaan. Met hare scherpe oogen konden zij alles overzien.</p> -<p>»Ik troost mij met de gedachte,” zeide Rameri, »dat het een +<p>»Ik troost mij met de gedachte,” zeide Rameri, »dat het een magere en armzalige optocht<a name="FNanchor_239" id="FNanchor_239"></a><a href="#Footnote_239" class="fnanchor">239)</a> zal zijn, zonder mijn vader en<span class="pagenum"><a name="Page_297" id="Page_297">[297]</a></span> ons. Hoe statig rollen de tonen der muziek! Nu komen de vederdragers<a name="FNanchor_240" id="FNanchor_240"></a><a href="#Footnote_240" class="fnanchor">240)</a> en zangers. Daar is de eerste profeet van den rijkstempel, @@ -14765,7 +14726,7 @@ de oude Bek-en-Choensoe. Wat ziet hij er eerwaardig uit! Maar het loopen begint hem moeielijk te vallen. Nu nadert de godheid; reeds vang ik de wierookgeuren op....”</p> -<p>Bij deze woorden wierp de prins zich op de knieën, en de +<p>Bij deze woorden wierp de prins zich op de knieën, en de vrouwen volgden zijn voorbeeld, toen zich ten eerste een prachtige stier vertoonde, in wiens helder gladde huid de zon zich spiegelde. Hij droeg eene gouden, met glanzend witte struisvederen @@ -14783,35 +14744,35 @@ priesters bedekte, die den god op zijn troon langzaam en met gelijkmatige schreden voortdroegen.</p> <p>Zoodra de godheid in het feestschip eene plaats had gevonden -stonden broeder en zuster benevens Nefert van hunne knieën +stonden broeder en zuster benevens Nefert van hunne knieën op. Er kwamen nu priesters te voorschijn, die een kist droegen met de altijd groene heilige boomen van Amon, en toen op nieuw het gezang der liederen en de geur van den wierook ooren en oogen bereikten van hen, die van het feest waren -uitgesloten, prevelde Bent-Anat: »Nu zou mijn vader zijn +uitgesloten, prevelde Bent-Anat: »Nu zou mijn vader zijn gekomen.”</p> -<p>»En gij!” riep Rameri, »en onmiddellijk daarachter Nefert’s +<p>»En gij!” riep Rameri, »en onmiddellijk daarachter Nefert’s gemaal met de garde. Neef Ani gaat te voet. Hoe zonderling heeft hij zich gekleed; juist het tegengestelde van een sphinx<a name="FNanchor_241" id="FNanchor_241"></a><a href="#Footnote_241" class="fnanchor">241)</a>!”</p> -<p>»Hoe zoo?” vroeg Nefert.</p> +<p>»Hoe zoo?” vroeg Nefert.</p> -<p>»Een sphinx,” antwoordde Rameri lachend, »heeft het lichaam +<p>»Een sphinx,” antwoordde Rameri lachend, »heeft het lichaam van een leeuw en het hoofd van een mensch, en neef draagt om zijn lichaam een vreedzaam priesterlijk gewaad en op zijn hoofd den helm van een krijgsman.”</p> -<p>»Ware de koning hier, de leven schenkende,” zeide Nefert, -»gij zoudt onder zijne dragers niet worden gemist, Rameri.”</p> +<p>»Ware de koning hier, de leven schenkende,” zeide Nefert, +»gij zoudt onder zijne dragers niet worden gemist, Rameri.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_298" id="Page_298">[298]</a></span></p> -<p>»Zeker niet!” gaf de prins ten antwoord. »Het zou er ook +<p>»Zeker niet!” gaf de prins ten antwoord. »Het zou er ook anders uitzien als de heldengestalte van onzen vader op zijn gouden troon was gezeten; achter hem zou het beeld van waarheid en gerechtigheid beschermend zijne vleugelen over hem uitspreiden, -vóor hem zou zijn geweldige metgezel in den slag, de leeuw, +vóor hem zou zijn geweldige metgezel in den slag, de leeuw, nederliggen, en boven hem zou een troonhemel versierd met Uraeus-slangen zich welven. — De Horoscopen en de Pastophoren met de standaarden en godenbeelden en kudden van @@ -14824,7 +14785,7 @@ de eerste Ahmes, de verdrijver der Hyksos, waarvan onze grootmoeder afstamt, en niet grootvader Seti, die den stoet opende, zooals het toch behoorde te zijn. — Daar komen de krijgslieden! Het zijn de regimenten die Ani heeft uitgerust, en die eerst -heden nacht als overwinnaars uit Ethiopië terugkeerden. Hoort +heden nacht als overwinnaars uit Ethiopië terugkeerden. Hoort hoe het volk hen toejuicht! Zij hebben zich ook dapper gedragen. — Denkt eens, Bent-Anat en Nefert, wat dat zijn zal, als onze vader terugkeert met wel honderd gevangen vorsten, die @@ -14832,7 +14793,7 @@ zijn tweespan, door uwen Mena bestuurt, deemoedig volgen, met al onze broeders, de edelen des lands, en de garden op hunne prachtige wagens!” — </p> -<p>»Helaas,” zuchtte Nefert, »zij denken nog niet aan hunne +<p>»Helaas,” zuchtte Nefert, »zij denken nog niet aan hunne terugkomst!”</p> <p>Terwijl telkens nieuwe regimenten van den stadhouder, muziekkoren @@ -14843,7 +14804,7 @@ met goud ingelegd hout. De boorden prijkten met versiersels van gesmolten glas, alsof het zoovele smaragden of robijnen waren<a name="FNanchor_244" id="FNanchor_244"></a><a href="#Footnote_244" class="fnanchor">244)</a>. De masten en de raas waren verguld, en van de laatste hingen purperen zeilen af. Rondom het schip, zijne masten en zijn touwwerk -slingerden zich guirlanders van leliën, doorvlochten met +slingerden zich guirlanders van leliën, doorvlochten met rozen. De priesters zaten op elpenbeenen zetels. — De Nijlboot van den stadhouder was niet minder rijk. Het houtwerk blonk van al het verguldsel. Het kajuithuisje was bekleed met veelkleurige @@ -14858,36 +14819,36 @@ de geheele lengte van Thebe en in zijn gansche breedte zoo bedekten, dat de zon maar hier en daar een plekje vond, om zich in het geelachtige water te spiegelen.</p> -<p>»Nu ga ik toch het pak van een hovenier leenen,” riep -Rameri, »en laat ik mij met de kransen overzetten.”</p> +<p>»Nu ga ik toch het pak van een hovenier leenen,” riep +Rameri, »en laat ik mij met de kransen overzetten.”</p> -<p>»Wilt gij ons dan alleen laten?” vroeg Bent-Anat.</p> +<p>»Wilt gij ons dan alleen laten?” vroeg Bent-Anat.</p> -<p>»Maak het mij niet te moeielijk, zuster,” smeekte Rameri.</p> +<p>»Maak het mij niet te moeielijk, zuster,” smeekte Rameri.</p> -<p>»Ga dan,” zeide de prinses. »Als onze vader hier was, hoe +<p>»Ga dan,” zeide de prinses. »Als onze vader hier was, hoe gaarne voer ik dan met u naar de overzijde!”</p> -<p>»Waag het met mij!” hernam de jongeling. »Mogelijk is er +<p>»Waag het met mij!” hernam de jongeling. »Mogelijk is er voor u ook wel eene vermomming te vinden.”</p> -<p>»Dwaasheid!” antwoordde Bent-Anat, en zag Nefert vragend -aan, die de schouders ophaalde, als wilde zij zeggen: »Wat gij +<p>»Dwaasheid!” antwoordde Bent-Anat, en zag Nefert vragend +aan, die de schouders ophaalde, als wilde zij zeggen: »Wat gij wilt is mij goed.”</p> <p>Die oogentaal der vriendinnen was den slimmen Rameri niet -ontgaan, en met levendigheid riep hij uit: »Gij zult met mij gaan, +ontgaan, en met levendigheid riep hij uit: »Gij zult met mij gaan, dat kon ik u wel aanzien. Iedere bedelaarsknaap werpt heden zijne bloemen in het algemeene graf, dat de mummie zijns vaders bevat, en de kinderen van Ramses en de vrouw van zijn wagenmenner zouden uitgesloten zijn en hunne afgestorvenen geen krans mogen brengen?”</p> -<p>»Ik zou het graf door mijne tegenwoordigheid bezoedelen,” +<p>»Ik zou het graf door mijne tegenwoordigheid bezoedelen,” zeide Bent-Anat blozend.</p> -<p>»Gij, gij!” riep de prins terwijl hij zijne zuster omhelsde en -kuste. »Gij, het beste en grootmoedigste schepsel dat er leeft;<span class="pagenum"><a name="Page_300" id="Page_300">[300]</a></span> +<p>»Gij, gij!” riep de prins terwijl hij zijne zuster omhelsde en +kuste. »Gij, het beste en grootmoedigste schepsel dat er leeft;<span class="pagenum"><a name="Page_300" id="Page_300">[300]</a></span> gij, die altijd gereed zijt om smarten te lenigen en tranen te drogen; gij het schoone evenbeeld van onzen vader, zoudt onrein zijn! Eer geloof ik, dat de zwanen onder ons zoo zwart zijn als @@ -14895,19 +14856,19 @@ de kraaien, en de rozenranken hier aan het balkon scheerlingstruiken. Bek-en-Choensoe heeft u de reinheid teruggegeven, en wanneer Ameni....”</p> -<p>»Ameni is echter in zijn recht,” zeide Bent-Anat vriendelijk, -»en gij weet, wat wij beloofd hebben. Ik wil heden geen +<p>»Ameni is echter in zijn recht,” zeide Bent-Anat vriendelijk, +»en gij weet, wat wij beloofd hebben. Ik wil heden geen kwaad woord over hem hooren.”</p> -<p>»Goed dan! Hij heeft zich goed en genadig jegens ons betoond,” +<p>»Goed dan! Hij heeft zich goed en genadig jegens ons betoond,” hernam Rameri spottend, terwijl hij zich diep boog met het -aangezicht naar de Nekropolis gekeerd, »en gij zijt onrein! +aangezicht naar de Nekropolis gekeerd, »en gij zijt onrein! Betreed dan, wat mij betreft, het graf en den tempel niet, maar -blijf met ons onder het volk. De wegen dáar aan de overzijde +blijf met ons onder het volk. De wegen dáar aan de overzijde zijn zoo teergevoelig niet; zij worden toch dagelijks door onreine Paraschieten en huns gelijken betreden. Wees verstandig, Bent-Anat, en kom mede! Wij verkleeden ons, ik geleid u, ik leg de -kransen op hunne plaats, wij bidden te zamen vóor de groeve, +kransen op hunne plaats, wij bidden te zamen vóor de groeve, wij zien den heiligen optocht, en de werken der wonderdoeners, en hooren de feestrede. Bedenkt eens dat Pentaoer, niettegenstaande alles wat zij tegen hem hebben, haar houden mag. Het @@ -14916,19 +14877,19 @@ Pentaoer, als hij den mond opent, dieper indruk te weeg brengt, dan alle wijze heeren, wanneer zij te zamen zingen in het heilige koor! Kom dan mede, zuster!”</p> -<p>»Het zij zoo!” sprak Bent-Anat, opeens besloten.</p> +<p>»Het zij zoo!” sprak Bent-Anat, opeens besloten.</p> <p>Rameri schrikte, toen hij dit haastig gesproken woord vernam, dat hem echter verblijdde. Nefert zag Bent-Anat vragend aan, om echter hare groote oogen weldra weder neder te slaan. Zij toch wist wie de uitverkorene was van hare vriendin, en in haar -binnenste rees de angstige vraag: »Waar zal dit op uitloopen?”</p> +binnenste rees de angstige vraag: »Waar zal dit op uitloopen?”</p> <div class="footnotes"> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_236" id="Footnote_236"></a><a href="#FNanchor_236"><span class="label">236)</span></a> Den 29sten Paophi. De Egyptenaars hadden drie jaargetijden of -Tetrameniën, elk van vier maanden. Het waren de jaargetijden der +Tetrameniën, elk van vier maanden. Het waren de jaargetijden der overstrooming, van zaaiing en oogst (“Scha”, „per” en „schemoe”). De tweede overstroomingsmaand heet Paophi en de 29ste Paophi, waarop het feest van het dal gevierd werd, kwam overeen met den 8sten November @@ -14936,14 +14897,14 @@ volgens onze tijdrekening.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_237" id="Footnote_237"></a><a href="#FNanchor_237"><span class="label">237)</span></a> Maspero, <cite>Mémoire sur quelques Papyrus de Louvre</cite>, +<p><a name="Footnote_237" id="Footnote_237"></a><a href="#FNanchor_237"><span class="label">237)</span></a> Maspero, <cite>Mémoire sur quelques Papyrus de Louvre</cite>, p. 75 Pap. 3. Boulaq, T. 3, p. 22, 23.</p> </div> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_238" id="Footnote_238"></a><a href="#FNanchor_238"><span class="label">238)</span></a> Uit den te Boulaq bewaarden Papyrus IV, die zedelijke voorschriften -behelst. Hij werd door Mariëtte uitgegeven, en vertaald door -Brugsch, E. de Rougé, en ten laatste op voortreffelijke wijze analytisch +behelst. Hij werd door Mariëtte uitgegeven, en vertaald door +Brugsch, E. de Rougé, en ten laatste op voortreffelijke wijze analytisch verklaard en toegelicht door Chabas in zijn tijdschrift <cite>l’Egyptologie</cite>.</p> </div> @@ -14960,8 +14921,8 @@ door twee vederen op hun hoofd. <span class="vert">Vert.</span><br /></p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_241" id="Footnote_241"></a><a href="#FNanchor_241"><span class="label">241)</span></a> Er waren in Egypte geene vrouwelijke sphinxen. De sphinx heet -Neb, d. i. de heer. De liggende leeuwengestalten dragen òf het hoofd -van een man, òf den kop van een ram.</p> +Neb, d. i. de heer. De liggende leeuwengestalten dragen òf het hoofd +van een man, òf den kop van een ram.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -14969,10 +14930,10 @@ van een man, òf den kop van een ram.</p> een soort van wapen, dat bij feestelijke optochten op banieren werd rondgedragen. Volledige lijsten werden reeds in den tijd van Seti I op de muren van den tempel te Abydus uitgebeiteld. Op de tempels uit den -tijd der Ptolemaeën, te Philae, Edfoe en Dendera, leeren de teksten, die -aan de lijsten der provinciën zijn toegevoegd, ons vele belangrijke bijzonderheden +tijd der Ptolemaeën, te Philae, Edfoe en Dendera, leeren de teksten, die +aan de lijsten der provinciën zijn toegevoegd, ons vele belangrijke bijzonderheden kennen, vooral betreffende het godsdienstig leven in elke -nomos. Harris, Brugsch, Dümichen en J. de Rougé hebben zich in het +nomos. Harris, Brugsch, Dümichen en J. de Rougé hebben zich in het bijzonder bezig gehouden met de geografische indeeling van het Nijldal.</p> </div> @@ -14989,7 +14950,7 @@ van Rechma-Ra (18e dynastie) en in andere groeven.</p> <p><a name="Footnote_244" id="Footnote_244"></a><a href="#FNanchor_244"><span class="label">244)</span></a> De Egyptenaars wisten met groote kunstvaardigheid zulke edelgesteenten na te maken. Er zijn exemplaren van verschillenden vorm en kleur bewaard gebleven. In de verzameling van Minutoli en in andere, -met name die te Boelaq, zijn mozaïek-paarlen, die onze tegenwoordige +met name die te Boelaq, zijn mozaïek-paarlen, die onze tegenwoordige kunstenaars op dit gebied bezwaarlijk zullen kunnen namaken.</p> </div></div> @@ -15033,7 +14994,7 @@ was bezet. Dertig Pastophoren namen het kostbaar vaartuig op hunne schouders en droegen het door de sphinxenlaan, die de haven met den tempel verbond, in het allerheiligste van het Seti-huis, waar Amon vertoefde, terwijl de feestgezanten uit -alle provinciën des lands hunne offergaven in het voorhof van +alle provinciën des lands hunne offergaven in het voorhof van het heiligdom nederlegden. Op weg naar den tempel liepen Kolchyten vooruit, om naar oud gebruik zand voor den god te strooien<a name="FNanchor_246" id="FNanchor_246"></a><a href="#Footnote_246" class="fnanchor">246)</a>.</p> @@ -15054,7 +15015,7 @@ Seti was aangelegd<a name="FNanchor_250" id="FNanchor_250"></a><a href="#Footnot dwarsdalen eenige groeven bevonden van pharao’s uit het onttroonde koningshuis. Men was gewoon dit gedeelte van de Nekropolis bij het licht der lampen en het schijnsel der fakkels -te bezoeken, voordat de god terugkeerde, en vóor de tegen middernacht +te bezoeken, voordat de god terugkeerde, en vóor de tegen middernacht aanvangende feestspelen op het heilige meer in het zuidelijkste gedeelte van de doodenstad. Achter den god werd in eene vaas van doorzichtig kristal, die op een hoogen staak @@ -15085,7 +15046,7 @@ dooden. Zij luisterde nu met die haar vergezelden naar den harpspeler, die zong<a name="FNanchor_251" id="FNanchor_251"></a><a href="#Footnote_251" class="fnanchor">251)</a>:</p> <div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> -<span class="i0">»Ruste in vrede deze groote!<br /></span> +<span class="i0">»Ruste in vrede deze groote!<br /></span> <span class="i0">Schenker van de schoonste gaven!<br /></span> <span class="i2">Sinds de heerschappij der goden,<br /></span> <span class="i2">Moet het kroost der menschen sterven.<br /></span> @@ -15174,24 +15135,24 @@ zegen van den opperpriester.</p> <p>Ook Pentaoer had zijne rede reeds uitgesproken, toen Bent-Anat met die haar vergezelden op het feestterrein kwam. Zij -hoorde hoe een grijsaard tot zijn zoon zeide: »Het leven is niet +hoorde hoe een grijsaard tot zijn zoon zeide: »Het leven is niet gemakkelijk. Dikwijls kwam het mij voor als een last, die onbarmhartige goden ons op de schouders leggen. Maar toen ik den jongen priester uit het Seti-huis hoorde, gevoelde ik toch dat de hemelsche goden goed zijn, en dat wij hen voor veel te danken hebben.”</p> -<p>Elders zeide de vrouw van een priester tot haar jongske: »Hebt +<p>Elders zeide de vrouw van een priester tot haar jongske: »Hebt ge dien Pentaoer wel eens goed in ’t aangezicht gezien, Hor-oeza? Hij is van lage afkomst, maar hij overtreft de grootsten in geest en gaven, en zal het ver brengen.”</p> -<p>Twee meisjes stonden ginds met elkander te praten. »Die feestredenaar +<p>Twee meisjes stonden ginds met elkander te praten. »Die feestredenaar is de schoonste man, dien ik ooit gezien heb,” zeide de -eene tegen de andere; »en zijne stem klonk als welluidend gezang.”</p> +eene tegen de andere; »en zijne stem klonk als welluidend gezang.”</p> -<p>»En hoe vol vuur waren zijne oogen, toen hij de waarheid -prees als de hoogste deugd,” antwoordde het andere meisje. »Ik +<p>»En hoe vol vuur waren zijne oogen, toen hij de waarheid +prees als de hoogste deugd,” antwoordde het andere meisje. »Ik zou denken dat alle goden in hem woonden.”</p> <p>Bent-Anat bloosde, toen zij deze woorden opving. Zij wilde @@ -15220,63 +15181,63 @@ te blijven staan, want veiligheidswachters drongen het volk met hunne staven rechts en links uit den weg te gaan, ten einde ruimte te maken voor de naderende processie.</p> -<p>»Zie, Rameri,” zeide Bent-Anat, terwijl zij wees naar den tuin +<p>»Zie, Rameri,” zeide Bent-Anat, terwijl zij wees naar den tuin van den Paraschiet, die slechts enkele schreden van haar verwijderd -was, »daar woont het blanke meisje, dat ik overreden heb. -Zij wordt toch beter. Keer u eens om: dáar, achter de doornheg +was, »daar woont het blanke meisje, dat ik overreden heb. +Zij wordt toch beter. Keer u eens om: dáar, achter de doornheg bij het kleine vuurtje, dat haar juist in het gezicht schijnt, zit zij naast haar grootvader.”</p> <p>De prins ging op de teenen staan, wierp een blik in den armoedigen -hof, en zeide daarop met zachte stem: »Is dat nu zulk +hof, en zeide daarop met zachte stem: »Is dat nu zulk een mooi meisje? — Maar wat doet zij toch met den oude? Die schijnt te bidden, en zij houdt hem het eene oogenblik een doek voor den mond, en dan weder wrijft zij zijne slapen. En wat ziet zij er angstig uit!”</p> -<p>»De Paraschiet zal ziek zijn,” antwoordde Bent-Anat.</p> +<p>»De Paraschiet zal ziek zijn,” antwoordde Bent-Anat.</p> -<p>»Misschien heeft hij op het feestterrein wel een kan wijn te -veel gedronken,” zeide de prins lachend. »O zeker! Zie eens hoe +<p>»Misschien heeft hij op het feestterrein wel een kan wijn te +veel gedronken,” zeide de prins lachend. »O zeker! Zie eens hoe krampachtig zijne lippen zich bewegen, hoe zijne oogen rollen. Akelig! Hij ziet er uit als een bezetene.”</p> -<p>»Hij is een onreine,” zeide Nefert.</p> +<p>»Hij is een onreine,” zeide Nefert.</p> -<p>»Maar toch een goed en braaf man, met een teergevoelig hart,” -antwoordde de prinses levendig. »Ik heb naar hem onderzoek gedaan. +<p>»Maar toch een goed en braaf man, met een teergevoelig hart,” +antwoordde de prinses levendig. »Ik heb naar hem onderzoek gedaan. Hij moet zeer rechtschapen zijn en altijd nuchter. Hij is dus zeker ziek en niet dronken.”</p> -<p>»Nu staat het meisje op,” riep Rameri, terwijl hij de papieren +<p>»Nu staat het meisje op,” riep Rameri, terwijl hij de papieren lantaarn, die hij op het feestterrein gekocht had, wat lager hield. -»Ga wat opzij, Bent-Anat; zij schijnt iemand te wachten. Hebt +»Ga wat opzij, Bent-Anat; zij schijnt iemand te wachten. Hebt ge ooit zulk een blank menschenkind gezien, en zulk een aanvallig kopje? Zelfs die typhonische haren staan haar buitengewoon schoon. Maar zij zelve waggelt. Zij moet zeker nog heel zwak zijn! — Daar zit zij weer bij den oude en wrijft hem het voorhoofd. Het arme schepsel! Zie eens hoe zij snikt. Ik wil haar mijn beurs toewerpen!”</p> -<p>»Doe het niet,” zeide Bent-Anat. »Ik heb haar een rijk geschenk +<p>»Doe het niet,” zeide Bent-Anat. »Ik heb haar een rijk geschenk gegeven, en de tranen die daar worden gestort schijnen van dien aard, dat zij met geen goud kunnen worden gedroogd. Ik zal morgen de oude Anath hierheen zenden en laten vragen, of ik -ook ergens mee helpen kan. — Zie nu vóór u, Nefert, daar komt +ook ergens mee helpen kan. — Zie nu vóór u, Nefert, daar komt de processie. Foei, hoe onfatsoenlijk dringt dat volk! — Als de god voorbij is, gaan wij naar huis!”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_307" id="Page_307">[307]</a></span></p> -<p>»Ach,” zeide Nefert, »ik ben zoo beangst!” Bij deze woorden +<p>»Ach,” zeide Nefert, »ik ben zoo beangst!” Bij deze woorden klemde zij bevend zich zoo vast mogelijk aan de prinses.</p> -<p>»Ik wenschte ook wel, dat wij te huis waren,” antwoordde +<p>»Ik wenschte ook wel, dat wij te huis waren,” antwoordde Bent-Anat.</p> -<p>»Zie toch eens,” riep Rameri. »Daar zijn zij! Niet waar, dat +<p>»Zie toch eens,” riep Rameri. »Daar zijn zij! Niet waar, dat is heerlijk. Ziet hoe dat hart licht, alsof het eene ster was!”</p> -<p>Al het volk en ook onze vrienden wierpen zich op de knieën.</p> +<p>Al het volk en ook onze vrienden wierpen zich op de knieën.</p> <p>Vlak voor hen hield de processie een oogenblik stil. Dit geschiedde telkens, wanneer men duizend schreden had afgelegd. Een heraut @@ -15304,12 +15265,12 @@ krankheid wel kunnen verjagen.</p> <p>Toen de door duizende fakkels en lampions verlichte processie stilhield voor de hut van den Paraschiet, die echter geheel in de duisternis was weggedoken, en een burger zijn buurman -toeriep: »Het heilige ramshart komt!” verschrikte de oude +toeriep: »Het heilige ramshart komt!” verschrikte de oude en richtte hij zich op. Zijne oogen staarden onafgebroken op het flikkerende wonderhart in zijne kristallen vaas. Langzaam rees hij overeind, met uitgerekten hals en bevende over zijn gansche lichaam. — De heraut verkondigde den lof van het -wonder. Daar vloog, vóor hij nog geëindigd had, terwijl het +wonder. Daar vloog, vóor hij nog geëindigd had, terwijl het volk eerbiedig geknield lag en onder diepe stilte luisterde naar de woorden van den spreker, de Paraschiet de deur van zijn huis uit, sloeg met vuisten tegen zijn voorhoofd en brak weder @@ -15319,7 +15280,7 @@ het dal weerkaatste.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_308" id="Page_308">[308]</a></span></p> -<p>Vol ontzetting rees de menigte van de knieën op. Ook Ameni, +<p>Vol ontzetting rees de menigte van de knieën op. Ook Ameni, die dicht achter het hart liep, verschrikte, en zag rond naar de persoon, die zoo afgrijselijk had gelachen. Hij had den Paraschiet nooit gezien, maar hij ontwaarde door stof en duisternis heen @@ -15339,13 +15300,13 @@ naar de deur van zijn hut. Daar zonk hij ineen, en Warda wierp zich op den grijsaard, die onkenbaar op den grond lag te midden van stof en duisternis.</p> -<p>»Vertrapt den spotter!”</p> +<p>»Vertrapt den spotter!”</p> -<p>»Scheurt hem in stukken!”</p> +<p>»Scheurt hem in stukken!”</p> -<p>»Verbrandt dat onreine nest!”</p> +<p>»Verbrandt dat onreine nest!”</p> -<p>»Werpt hem met de deerne in de vlammen!”</p> +<p>»Werpt hem met de deerne in de vlammen!”</p> <p>Zoo brulde het in zijne aanbidding gestoorde volk in dolle woede. Twee oude vrouwen rukten de lantaarnen van hare @@ -15380,12 +15341,12 @@ dit wapen alsof het een rietstaf was, met onbegrijpelijke snelheid rondom zijn hoofd, joeg de menigte terug, en riep Warda toe, dat zij zich aan hem moest vastklemmen.</p> -<p>»Die dat meisje durft aanraken,” schreeuwde hij, »is een kind +<p>»Die dat meisje durft aanraken,” schreeuwde hij, »is een kind des doods. Is het geen schande dat gij een zwakken grijsaard en een hulpeloos kind dus aanvalt op dit heilige feest!”</p> <p>De menigte zweeg een oogenblik, maar om dadelijk weder op -te dringen, en nog wilder dan zoo even te brullen: »Verscheurt +te dringen, en nog wilder dan zoo even te brullen: »Verscheurt die onreinen! Steekt het nest in brand!”</p> <p>Eenige handwerkslieden uit Thebe gingen op den dichter af, in @@ -15429,8 +15390,8 @@ dat hij velde, willen verjagen, stond hij daar, en een oogenblik weken zijne tegenstanders terug. Want ook zijn bondgenoot, de jonge Rameri, had dreigend zijn bijl opgeheven.</p> -<p>»Die laffe moordenaars werpen met vuur,” riep de prins. -»Kom hier, meisje! Laat ik het brandend pek op uw kleedje +<p>»Die laffe moordenaars werpen met vuur,” riep de prins. +»Kom hier, meisje! Laat ik het brandend pek op uw kleedje uitdooven.”</p> <p>Bij deze woorden greep hij Warda’s hand, trok haar naar @@ -15442,8 +15403,8 @@ rug gestaan, toen een steen het hoofd van den laatsten trof. Pentaoer wankelde, en reeds drong de tierende menigte naar voren, toen de omheining van den kleinen tuin door krachtige handen werd omvergehaald, en eene vrouw lang van gestalte, -op het tooneel van de worsteling verscheen. »Laat dezen met -rust!” riep zij het verbaasde volk toe. »Ik beveel het! Ik ben +op het tooneel van de worsteling verscheen. »Laat dezen met +rust!” riep zij het verbaasde volk toe. »Ik beveel het! Ik ben Bent-Anat, de dochter van Ramses!”</p> <p>Als door den bliksem getroffen, week de woedende menigte @@ -15455,7 +15416,7 @@ meende hij een hemelschen droom te droomen. Het kwam hem voor, dat hij zich moest nederwerpen voor den dochter van Ramses. Maar met de vlugheid van geest, die hij in de school van Ameni had geleerd, overzag hij op eens Bent-Anat’s toestand. -In plaats van de knie te buigen, riep hij: »Menschen, +In plaats van de knie te buigen, riep hij: »Menschen, wie deze vrouw ook zijn mag, al gelijkt zij misschien ook op de dochter van Ramses, zij is Bent-Anat niet. Maar ik ben, al draag ik het witte kleed niet, een priester uit het Seti-huis. Ik @@ -15469,42 +15430,42 @@ ambt!”</p> begon te bekomen; toen zij, die door hem verwond waren, en hunne metgezellen zich opnieuw tegen hem verhieven; toen een opgeschoten jongen, wiens hand hij verbrijzeld had, in woede -schreeuwde: »Hij is een vechter, maar geen heilige vader! -Verscheurt den bedrieger!” riep eene stem uit het volk: »Maak +schreeuwde: »Hij is een vechter, maar geen heilige vader! +Verscheurt den bedrieger!” riep eene stem uit het volk: »Maak plaats voor mijn wit gewaad, en blijft met uwe handen van den feestredenaar Pentaoer, die mijn vriend is. — Velen uwer zullen mij kennen!”</p> -<p>»Gij zijt de arts Nebsecht, die mijn gebroken been hebt +<p>»Gij zijt de arts Nebsecht, die mijn gebroken been hebt genezen,” riep een matroos.</p> -<p>»En mijn ziek oog,” zeide een wever.</p> +<p>»En mijn ziek oog,” zeide een wever.</p> -<p>»Die schoone groote man is de redenaar. Ja, ik herken hem +<p>»Die schoone groote man is de redenaar. Ja, ik herken hem wel,” riep een der meisjes, wier oordeel over Pentaoer, Bent-Anat op het feestterrein had opgevangen.</p> -<p>»Redenaar of niet!” schreeuwde de jongen en drong naar +<p>»Redenaar of niet!” schreeuwde de jongen en drong naar voren. — Maar het volk hield hem tegen en ging eerbiedig op zij, toen Nebsecht verzocht plaats voor hem te maken, om naar de gewonden onderzoek te doen.</p> <p>Allereerst boog hij zich heen over den ouden Paraschiet, en -riep vol ontzetting: »Schande over u; gij hebt den ouden man +riep vol ontzetting: »Schande over u; gij hebt den ouden man doodgeslagen!”</p> -<p>»En ik,” zeide Pentaoer »moest mijne vreedzame handen +<p>»En ik,” zeide Pentaoer »moest mijne vreedzame handen met bloed bevlekken, om zijn onschuldig ziek kleinkind voor hetzelfde lot te bewaren.”</p> -<p>»Gij giftharten, addergebroed, schorpioenen, uitvaagsel van het +<p>»Gij giftharten, addergebroed, schorpioenen, uitvaagsel van het menschdom!” schreeuwde Nebsecht de menigte toe, en sprong driftig overeind om Warda met zijne oogen te zoeken. Toen hij haar behouden zag zitten aan de voeten van de tooveres Hekt, die den tuin was binnengedrongen, haalde hij weder vrij adem, en begon zich met de gewonden bezig te houden.</p> -<p>»Hebt gij deze allen, die hier rondom liggen, in het stof doen +<p>»Hebt gij deze allen, die hier rondom liggen, in het stof doen bijten?” vroeg hij zijn vriend fluisterend.</p> <p>Pentaoer knikte toestemmend en lachte: doch niet zegevierend, @@ -15512,15 +15473,15 @@ maar beschaamd als een knaap, die het vogeltje dat hij ving, tegen zijn wil, in zijne hand verstikte.</p> <p>Nebsecht zag hem aan met verwondering en bezorgdheid, en -vroeg: »Waarom hebt gij u niet dadelijk kenbaar gemaakt?”</p> +vroeg: »Waarom hebt gij u niet dadelijk kenbaar gemaakt?”</p> -<p>»Omdat de geest van den krijgsgod Menth mij had aangegrepen,” -antwoordde Pentaoer, »toen ik zag hoe die verwenschte -schurk dáar het meisje bij de haren sleurde. Ik zag, ik hoorde +<p>»Omdat de geest van den krijgsgod Menth mij had aangegrepen,” +antwoordde Pentaoer, »toen ik zag hoe die verwenschte +schurk dáar het meisje bij de haren sleurde. Ik zag, ik hoorde niets meer; ik.....”</p> -<p>»Gij hebt recht gehandeld,” viel Nebsecht hem in de rede. -»Maar waar moet dit op uitloopen?”</p> +<p>»Gij hebt recht gehandeld,” viel Nebsecht hem in de rede. +»Maar waar moet dit op uitloopen?”</p> <p>Op dit oogenblik klonk het geschetter van trompetten. De<span class="pagenum"><a name="Page_312" id="Page_312">[312]</a></span> hoofdman, die door Ameni was afgezonden om den Paraschiet @@ -15538,7 +15499,7 @@ haar op en droegen haar voor de prinses en haar broeder uit. Geen van het drietal sprak een woord, zelfs Rameri niet, want hij kon Warda niet vergeten, noch den dankbaren blik, waarmede zij hem had nageoogd. Maar opeens brak Bent-Anat het zwijgen -af, om te zeggen: »De Paraschieten-hut brandt nog altijd. Waar +af, om te zeggen: »De Paraschieten-hut brandt nog altijd. Waar zullen de armen nu slapen?”</p> <p>Nadat het dal van volk gezuiverd was, verscheen de officier @@ -15547,35 +15508,35 @@ ook den dichter en Nebsecht, die bezig was met het verbinden der gewonden. Pentaoer lichtte den hoofdman kortelijk omtrent het gebeurde in, en noemde hem zijn naam.</p> -<p>Deze reikte hem de hand en zeide: »Waren er vele krijgers +<p>Deze reikte hem de hand en zeide: »Waren er vele krijgers van uw slag, heilige vader, in het leger van Ramses, de Cheta-oorlog -zou spoedig geëindigd zijn! Maar gij hebt geen Aziaten, +zou spoedig geëindigd zijn! Maar gij hebt geen Aziaten, gij hebt burgers uit Thebe geveld, en hoeveel leed het mij ook doet, ik moet u als mijn gevangene voor Ameni brengen.”</p> -<p>»Doe wat uw plicht vordert,” antwoordde Pentaoer, zich buigende +<p>»Doe wat uw plicht vordert,” antwoordde Pentaoer, zich buigende voor den hoofdman, die zijne lieden intusschen beval het lijk van den Paraschiet op te nemen en naar het Seti-huis te dragen.</p> -<p>»Ik moet het meisje ook gevangen nemen,” zeide de officier +<p>»Ik moet het meisje ook gevangen nemen,” zeide de officier zich tot Pentaoer richtende.</p> -<p>»Zij is krank,” antwoordde de dichter.</p> +<p>»Zij is krank,” antwoordde de dichter.</p> -<p>»En wanneer zij niet spoedig tot rust komt,” voegde de arts +<p>»En wanneer zij niet spoedig tot rust komt,” voegde de arts er bij, „dan is het met haar gedaan. Laat haar; zij is de bijzondere beschermeling van de prinses Bent-Anat, die haar onlangs heeft overreden.”</p> -<p>»Ik zal haar in mijn verblijf nemen,” zeide de tooveres, »en -wil voor haar zorgen. Dáar ligt haar grootmoeder reeds; zij is +<p>»Ik zal haar in mijn verblijf nemen,” zeide de tooveres, »en +wil voor haar zorgen. Dáar ligt haar grootmoeder reeds; zij is half gestikt in de vlammen, maar komt weer bij. Ik heb plaats voor beiden.”</p> -<p>»Tot morgen dan,” antwoordde de arts, »dan zal ik haar een +<p>»Tot morgen dan,” antwoordde de arts, »dan zal ik haar een ander tehuis bezorgen.”</p> -<p>De oude lachte hem onopgemerkt uit, prevelende: »Daar zullen +<p>De oude lachte hem onopgemerkt uit, prevelende: »Daar zullen ook nog wel anderen voor haar willen zorgen!”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_313" id="Page_313">[313]</a></span></p> @@ -15608,8 +15569,8 @@ roeispaan toesteken, en trok zoo het vaartuig dichter bij de landingstrap.</p> <p>Juist op dit oogenblik verscheen de overste der veiligheidswachten, -en riep: »Deze boot is de laatste die van wal mag -steken, vóor den overtocht van den god.”</p> +en riep: »Deze boot is de laatste die van wal mag +steken, vóor den overtocht van den god.”</p> <p>Zoo haastig als de zwakke Nefert zulks toeliet, die zoo zwaar aan haar arm hing, liep Bent-Anat de trappen af, die nog maar @@ -15617,15 +15578,15 @@ spaarzaam verlicht waren door het matte schijnsel van enkele lantaarns. Straks als de godheid naderde, en de pekpannen en fakkels ontstoken zouden worden, zou het hier daghelder zijn. Maar eer zij de laatste trede bereikt had, voelde zij eene harde -hand op haar schouder, en de ruwe stem van den gids Paäker -riep: »Terug vee! Wij eerst!”</p> +hand op haar schouder, en de ruwe stem van den gids Paäker +riep: »Terug vee! Wij eerst!”</p> <p>De veiligheidswachten hielden hem niet tegen, want zij kenden -den gids en zijne onbesuisde manier van handelen. Paäker stak -dadelijk de vingers in den mond en floot, zóo schel, dat het +den gids en zijne onbesuisde manier van handelen. Paäker stak +dadelijk de vingers in den mond en floot, zóo schel, dat het door de lucht suisde. Terstond daarop hoorde men riemslagen.</p> -<p>»Stoot die boot hier op zij! Dat volk kan wachten!” riep de +<p>»Stoot die boot hier op zij! Dat volk kan wachten!” riep de Mohar zijn scheepsvolk toe.</p> <p>Het vaartuig van den gids was grooter en sterker bemand, @@ -15633,12 +15594,12 @@ dan dat der koningskinderen.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_314" id="Page_314">[314]</a></span></p> -<p>»Snel in de boot!” riep echter Rameri.</p> +<p>»Snel in de boot!” riep echter Rameri.</p> <p>Bent-Anat ging weder zwijgend vooruit, want zij durfde zich hier om der wille van het volk en van Nefert niet andermaal -kenbaar maken. Doch Paäker trad haar in den weg, en riep: -»Heb je ’t niet gehoord, schorremorrie, dat je wachten zult tot +kenbaar maken. Doch Paäker trad haar in den weg, en riep: +»Heb je ’t niet gehoord, schorremorrie, dat je wachten zult tot wij weg zijn? Mannen, haalt de boot van dat volk in den stroom terug!”</p> @@ -15646,7 +15607,7 @@ terug!”</p> hierop eene luide woordenwisseling beneden aan de landingstrap vernam. Rameri’s stem werd boven alle anderen uitgehoord.</p> -<p>»Die schooiers durven weerstand bieden!” riep de gids. »Ik +<p>»Die schooiers durven weerstand bieden!” riep de gids. »Ik zal ze leeren! Hola, hier, Descher! Pak dat wijf en dien jongen!”</p> <p>Op dien stem sprong de groote roodharige dog, die reeds aan @@ -15657,32 +15618,32 @@ angst. Doch de hond herkende haar terstond, drong tegen haar aan, en scheen met zijn gewoon gehuil zijne blijdschap te kennen te geven.</p> -<p>Paäker, die de booten reeds genaderd was, keerde zich verbaasd +<p>Paäker, die de booten reeds genaderd was, keerde zich verbaasd om, zag hoe het dier kwispelstaartend rondom Nefert liep, die in haar jongensgewaad voor hem onherkenbaar was, sprong -terug en riep: »Ik zal je leeren, vlegel, mijn hond door gif of +terug en riep: »Ik zal je leeren, vlegel, mijn hond door gif of tooverij te bederven.” Daarbij hief hij zijn zweep op en sloeg naar de schouders van Mena’s vrouw, die met een gillenden angstkreet bewusteloos ineenzonk.</p> <p>De snoeren van de zweep waren vlak langs de wangen der teedere vrouw gegaan, dank zij Bent-Anat’s tegenwoordigheid van -geest. Want zij had met een krachtigen greep Paäkers arm tegengehouden. +geest. Want zij had met een krachtigen greep Paäkers arm tegengehouden. Ontzetting, afschuw en toorn beletten haar een woord te spreken. Doch Rameri had Nefert’s gil gehoord en was met een paar sprongen bij de vrouwen.</p> -<p>»Laffe schurk!” riep hij, terwijl hij den roeiriem ophief, dien -hij in de hand hield. Paäker, aan den strijd gewoon, behield +<p>»Laffe schurk!” riep hij, terwijl hij den roeiriem ophief, dien +hij in de hand hield. Paäker, aan den strijd gewoon, behield zijne bedaardheid, en riep alleen zijn hond met een eigenaardig -gesis van zijne lippen toe: »Pak hem beet, Descher!”</p> +gesis van zijne lippen toe: »Pak hem beet, Descher!”</p> <p>De hond sprong op den prins los. Rameri echter, die zijn vader reeds als kind op menige jacht vergezelde, gaf het woedende dier met den zwaren riem zulk een geweldigen slag op zijn kop, dat hij rochelend neerstortte.</p> -<p>Paäker meende in de gansche wereld geen warmer vriend te +<p>Paäker meende in de gansche wereld geen warmer vriend te bezitten dan dit dier, zijn trouwen metgezel op al zijne tochten door de woestijn en door vijandige landstreken. Toen hij het daar stuiptrekkend zag neerzinken, geraakte hij buiten zichzelven @@ -15699,18 +15660,18 @@ naar den dolk in zijn gordel greep.</p> <p>Op dit oogenblik wierp Bent-Anat zich tusschen den man en den jongeling, die nauwelijks den kinderleeftijd was ontwassen, noemde andermaal haar eigen en ook haars broeders naam, beval -Paäker zijne matrozen tot bedaren te brengen, geleidde Nefert, die +Paäker zijne matrozen tot bedaren te brengen, geleidde Nefert, die onbekend was gebleven, naar het bootje, steeg erin met die haar geleidden, en landde in weinig tijd aan het paleis.</p> -<p>Paäker en zijne moeder Setchem, voor welke hij zijne Nijlboot +<p>Paäker en zijne moeder Setchem, voor welke hij zijne Nijlboot had voorgeroepen, en die boven aan de landingstrap uit haar draagstoel den strijd had gezien, zonder echter de oorzaak te begrijpen en de personen te herkennen, moesten nog eenigen tijd op de trap blijven wachten. Zijn hond was dood, zijne hand deed hem gevoelig pijn en in zijn gemoed kookte het van -nieuwe woede. »Dat Ramses-gebroed!” bromde hij in zichzelf; -»die gelukzoekers! Zij zullen mij leeren kennen! Mena en Ramses +nieuwe woede. »Dat Ramses-gebroed!” bromde hij in zichzelf; +»die gelukzoekers! Zij zullen mij leeren kennen! Mena en Ramses staan dicht genoeg bij elkaar! Ik offer hen beiden op!”</p> <div class="footnotes"> @@ -15729,7 +15690,7 @@ staan dicht genoeg bij elkaar! Ik offer hen beiden op!”</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_248" id="Footnote_248"></a><a href="#FNanchor_248"><span class="label">248)</span></a> Het tegenwoordige Qoernet Moerraï Ald el Qoernah.</p> +<p><a name="Footnote_248" id="Footnote_248"></a><a href="#FNanchor_248"><span class="label">248)</span></a> Het tegenwoordige Qoernet Moerraï Ald el Qoernah.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -15742,8 +15703,8 @@ staan dicht genoeg bij elkaar! Ik offer hen beiden op!”</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_251" id="Footnote_251"></a><a href="#FNanchor_251"><span class="label">251)</span></a> Het graf van Neferhotep bleef voortreffelijk bewaard, alsmede de tekst -van het lied, dat het eerst door Dümichen (<cite>Historische Inschriften</cite>, -II) werd uitgegeven, daarna door L. Stern (<cite>Zeitschr. für ägyptische +van het lied, dat het eerst door Dümichen (<cite>Historische Inschriften</cite>, +II) werd uitgegeven, daarna door L. Stern (<cite>Zeitschr. für ägyptische Sprache</cite>, 1873) werd verklaard. De volgende regels zijn daaruit vertaald.</p> </div> @@ -15753,7 +15714,7 @@ Sprache</cite>, 1873) werd verklaard. De volgende regels zijn daaruit vertaald.< <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_253" id="Footnote_253"></a><a href="#FNanchor_253"><span class="label">253)</span></a> Men geloofde dat waanzinnigen door demonen bezeten waren. De -beroemde stêle in de bibliotheek van Parijs, die door E. de Rougé uitnemend +beroemde stêle in de bibliotheek van Parijs, die door E. de Rougé uitnemend is verklaard, verhaalt ons van de door demonen bezetene schoonzuster van Ramses XII, dat de booze geesten, waardoor zij bevangen was, uitgedreven waren door het beeld van Choensoe, dat naar haar Aziatisch @@ -15803,7 +15764,7 @@ wijdde zich ook geheel aan zijn beroep. Doch zijne levensgewoonten verschilden hemelsbreed van die dergenen, in wier kring hij was opgewassen, en waarvan zijn schoone, dappere en grootmoedige vader het sieraad was geweest. Hij was niet als een gierigaard -gehecht aan het vermogen, dat hij geërfd had; integendeel, +gehecht aan het vermogen, dat hij geërfd had; integendeel, de edele deugd der vrijgevigheid scheen hem niet vreemd te zijn. Hij liet echter de ongevoeligheid van zijn hart juist het meest blijken als hij gaf. Want behalve dat hij van zijne geschenken @@ -15815,7 +15776,7 @@ welgevallen ruw en onbeschaamd te mogen bejegenen. Ziedaar, waarom zelfs zijne beste daden hem meer vijanden dan vrienden bezorgden.</p> -<p>Paäker was derhalve een man van een onedel, of liever van +<p>Paäker was derhalve een man van een onedel, of liever van een uiterst zelfzuchtig karakter. Als hij langs een korter weg zijn doel bereiken kon, was het hem volmaakt onverschillig, of hij op bloemen trad, dan op het zand der woestijn. Deze zijn gemoedsgesteldheid @@ -15851,17 +15812,17 @@ tegen den rijkstempel te Thebe, door den pharao zoozeer begunstigd<a name="FNanchor_256" id="FNanchor_256"></a><a href="#Footnote_256" class="fnanchor">256)</a>.</p> <p>De Mohar ging naar de tafel, aan welke de bevelhebber der -als overwinnaars uit Ethiopië teruggekeerde troepen, met andere +als overwinnaars uit Ethiopië teruggekeerde troepen, met andere officieren van hoogen rang was gezeten. Naast eerstgenoemde was -een plaats open. Paäker wilde er regelrecht op afgaan; toen hij +een plaats open. Paäker wilde er regelrecht op afgaan; toen hij echter bemerkte, dat de generaal zijn buurman een wenk gaf om aan te sluiten, begreep de gids dat deze hem beletten wilde aan zijne zijde plaats te nemen. Hij keerde dus met spijtigen blik aan de tafel der krijgslieden den rug toe. De Mohar was hem -geen welkom feestgenoot. »Het is of de wijn mij zuur smaakt, +geen welkom feestgenoot. »Het is of de wijn mij zuur smaakt, als die lomperd er in ziet,” zeide de bevelhebber.</p> -<p>De oogen aller gasten richtten zich op Paäker, die naar eene +<p>De oogen aller gasten richtten zich op Paäker, die naar eene plaats uitzag. Toen niemand hem een wenk gaf om bij hem te komen, begon zijn bloed weder te koken. Het liefst zou hij terstond met een vloek de feestzaal verlaten hebben. Reeds keerde @@ -15871,7 +15832,7 @@ te nemen, die voor hem bestemd was, daarbij wijzende op den stoel aan zijne zijde, die voor den eersten profeet van den rijkstempel was bestemd geweest.</p> -<p>Paäker zette zich onder eene diepe buiging op deze eereplaats +<p>Paäker zette zich onder eene diepe buiging op deze eereplaats neder, doch hij durfde niet van de tafel op te zien, want hij vreesde verwonderde en spottende gezichten te ontmoeten. En toch had hij zich kunnen voorstellen, hoe zijn grootvader Assa en zijn vader<span class="pagenum"><a name="Page_319" id="Page_319">[319]</a></span> @@ -15888,10 +15849,10 @@ oogen van den tweeden profeet Gagaboe, die tegenover hem zat. Hij begon weder op de tafel te staren. Toen sprak de stadhouder hem aan en vertelde, zich daarbij half wendend tot die in zijne nabijheid waren gezeten, dat de Mohar morgen naar -Syrië dacht te trekken, ten einde zijne zware taak weder op zich +Syrië dacht te trekken, ten einde zijne zware taak weder op zich te nemen.</p> -<p>Het klonk Paäker in de ooren, als had Ani zich bij de aanwezigen +<p>Het klonk Paäker in de ooren, als had Ani zich bij de aanwezigen willen verontschuldigen, dat hij hem zulk eene eereplaats had gegeven. Eindelijk hief de stadhouder den beker op, en dronk op den goeden uitslag der verkenningstochten en het @@ -15903,38 +15864,38 @@ vereerd<a name="FNanchor_257" id="FNanchor_257"></a><a href="#Footnote_257" clas vernomen, en eerst nu begon het gevoel van onzekerheid den gids te verlaten.</p> -<p>»Zijt gij gewond?” vroeg de stadhouder. Want Paäker had +<p>»Zijt gij gewond?” vroeg de stadhouder. Want Paäker had nog altijd zijne hand, die hem hevig pijn deed, in de zwachtels, die zijne moeder er omgelegd had.</p> -<p>»Het heeft niets te beteekenen,” antwoordde de gids. »Toen ik +<p>»Het heeft niets te beteekenen,” antwoordde de gids. »Toen ik mijne moeder naar de boot bracht, viel er....”</p> -<p>»Er viel,” haastte zich een zijner vroegere medescholieren, de +<p>»Er viel,” haastte zich een zijner vroegere medescholieren, de opperbevelhebber van de wachtsoldaten in Thebe, die zeer hoog -aan tafel geplaatst was, lachende te zeggen: »er viel een stok +aan tafel geplaatst was, lachende te zeggen: »er viel een stok of roeiriem op zijne vingers.”</p> -<p>»Dat is wat te zeggen,” riep de stadhouder.</p> +<p>»Dat is wat te zeggen,” riep de stadhouder.</p> -<p>»Een nog zeer jonge knaap heeft zich tegen hem durven verzetten,” -ging de bevelhebber voort. »Mijne lieden hebben mij +<p>»Een nog zeer jonge knaap heeft zich tegen hem durven verzetten,” +ging de bevelhebber voort. »Mijne lieden hebben mij alles haarfijn bericht. De jongen sloeg eerst zijn hond dood....”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_320" id="Page_320">[320]</a></span></p> -<p>»Den fraaien Descher?” vroeg de grijze opperjachtmeester, met -innig leedwezen. »Uw vader stond dikwijls met dit dier mij ter +<p>»Den fraaien Descher?” vroeg de grijze opperjachtmeester, met +innig leedwezen. »Uw vader stond dikwijls met dit dier mij ter zijde, wanneer wij jacht maakten op everzwijnen.”</p> -<p>Paäker knikte. De bevelhebber echter, in het trotsch gevoel +<p>Paäker knikte. De bevelhebber echter, in het trotsch gevoel van zijne positie en waardigheid, begon opnieuw, zonder erop te letten dat het bloed den gids naar het hoofd steeg en zijne wangen -kleurde: »Toen de hond op den grond lag, sloeg de waaghals +kleurde: »Toen de hond op den grond lag, sloeg de waaghals u de zweep uit de hand.”</p> -<p>»De strijd heeft toch geene aanleiding gegeven tot rustverstoring?” +<p>»De strijd heeft toch geene aanleiding gegeven tot rustverstoring?” vroeg Ameni ernstig.</p> -<p>»Neen,” zeide de bevelhebber. »Het feest van heden is overigens +<p>»Neen,” zeide de bevelhebber. »Het feest van heden is overigens bijzonder rustig afgeloopen. Als niet het ongelukkig interval met dien waanzinnige Paraschiet de processie had gestoord, dan zouden wij de volksmenigte over hare houding slechts kunnen @@ -15942,18 +15903,18 @@ prijzen. Behalve den vechtlustigen priester, dien wij u hebben uitgeleverd, zijn er enkel een paar dieven opgebracht. Zij behoorden allen tot de caste<a name="FNanchor_258" id="FNanchor_258"></a><a href="#Footnote_258" class="fnanchor">258)</a>, daarom ontnamen wij hun alleen het geroofde, en lieten ze verder loopen. — Maar zeg mij toch eens, -Paäker, welke vriendelijke geesten zijn er in u gevaren dat gij +Paäker, welke vriendelijke geesten zijn er in u gevaren dat gij dien vlegel ongestraft de wijk liet nemen?”</p> -<p>»Hebt gij dat waarlijk gedaan?” riep de oude Gagaboe. »Gewoonlijk +<p>»Hebt gij dat waarlijk gedaan?” riep de oude Gagaboe. »Gewoonlijk toch is haat uw handwerk....”</p> <p>Ameni wierp den grijsaard zulk een verwijtenden blik toe, dat -hij zweeg. Hij vroeg daarop den Mohar: »Hoe ontstond deze +hij zweeg. Hij vroeg daarop den Mohar: »Hoe ontstond deze strijd, en wie was die jongen?”</p> -<p>»Onbeschaamd volk,” antwoordde Paäker, »wilde zijn schuitje -met geweld aan de landingsplaats brengen, vóor de boot waarop +<p>»Onbeschaamd volk,” antwoordde Paäker, »wilde zijn schuitje +met geweld aan de landingsplaats brengen, vóor de boot waarop mijne moeder wachtte. Ik verdedigde mijn recht. Toen viel die knaap mij aan, en sloeg mijn hond dood. Ja, bij mijn Osirischen vader, die het dier liefhad, de krokodillen zouden hem al lang @@ -15963,53 +15924,53 @@ de dochter van Ramses. Zij was het in eigen persoon, en de knaap de jonge prins Rameri, dien gij gisteren uit dit huis hebt gebannen.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_321" id="Page_321">[321]</a></span></p> -<p>»Oho,” riep de oude jachtmeester, »oho, mijnheer de Mohar, +<p>»Oho,” riep de oude jachtmeester, »oho, mijnheer de Mohar, spreekt men zoo van de kinderen des konings?”</p> <p>Ook andere beambten, die den pharao aanhingen, gaven duidelijk hun ongenoegen te kennen. Doch Ameni fluisterde den gids -toe: »Zwijg voor het oogenblik!” Daarop zeide hij overluid: -»Het wegen van woorden, mijn vriend, was nooit uw zaak en +toe: »Zwijg voor het oogenblik!” Daarop zeide hij overluid: +»Het wegen van woorden, mijn vriend, was nooit uw zaak en heden spreekt gij naar ’t mij toeschijnt, als iemand die de koorts -heeft. Kom hier Gagaboe, onderzoek Paäkers wond, waarover +heeft. Kom hier Gagaboe, onderzoek Paäkers wond, waarover hij zich niet behoeft te schamen, want een koningszoon heeft hem geslagen.”</p> <p>De grijsaard maakte de zwachtels los, die de sterk gezwollen -hand van den Mohar omgaven, en riep: »Die slag is duchtig +hand van den Mohar omgaven, en riep: »Die slag is duchtig aangekomen! Drie vingers zijn gebroken, en bovendien, zie maar, de smaragd van uw zegelring.”</p> -<p>Paäker zag naar zijne pijnlijke vingers en haalde weder vrij +<p>Paäker zag naar zijne pijnlijke vingers en haalde weder vrij adem, want niet zijn orakelring met den naam van Thotmes III was verbrijzeld, maar de kostbare ring, dien de regeerende koning eens aan zijn vader had geschonken. In de gouden kast hingen nog maar enkele splinters van den vlak geslepen zegelsteen. De naam des konings was met de ontbrekende stukken op den grond -gevallen en verdwenen. Paäkers bleeke lippen bewogen zich weer -en eene stem in zijn binnenste riep hem toe: »De goden wijzen +gevallen en verdwenen. Paäkers bleeke lippen bewogen zich weer +en eene stem in zijn binnenste riep hem toe: »De goden wijzen u den weg! De naam is vernietigd; hij die hem droeg moet volgen!”</p> -<p>»Jammer van den ring,” zeide Gagaboe; »en als de hand niet +<p>»Jammer van den ring,” zeide Gagaboe; »en als de hand niet denzelfden weg op zal gaan, — gelukkig is het maar de linker — raad ik u niet meer te drinken en u naar den arts Nebsecht te laten brengen, met verzoek de gebrokene beentjes te zetten en te verbinden.”</p> -<p>Paäker stond op en nam afscheid, nadat Ameni hem den volgenden +<p>Paäker stond op en nam afscheid, nadat Ameni hem den volgenden dag in het Seti-huis en de stadhouder hem in het paleis had genoodigd.</p> <p>Zoodra de deur zich achter den gids had gesloten, zeide de -schatmeester van het Seti-huis: »Dat was een kwade dag voor +schatmeester van het Seti-huis: »Dat was een kwade dag voor den Mohar, die hem misschien leeren zal, dat men er hier in Thebe niet op los kan trekken, gelijk in het veld. Er is heden nog wat anders met hem gebeurd. Wilt gij het hooren?”</p> -<p>»Vertel het ons,” riep een zijner dischgenooten.</p> +<p>»Vertel het ons,” riep een zijner dischgenooten.</p> -<p>»Gij kent den ouden Seni,” zoo begon de schatmeester. »Hij +<p>»Gij kent den ouden Seni,” zoo begon de schatmeester. »Hij was een rijk man, maar gaf al wat hij bezat aan de armen, toen hij zijne zeven bloeiende zonen, den een na den ander, in den krijg of door ziekten verloren had. Hij behield voor zich niet @@ -16024,11 +15985,11 @@ gevierd, bedelende voor zijne aangenomen kinderen, de armen. Wij hebben hem allen wat gegeven, want ieder weet voor wie hij zich vernedert en de hand houdt uitgestrekt. Heden trok hij weder met zijn zakje rond, en smeekte met zijne goedige oogen -om een aalmoes. Paäker heeft ons op dit feest een kostelijk +om een aalmoes. Paäker heeft ons op dit feest een kostelijk stuk land gegeven, en meent nu, misschien te recht, dat hij het zijne heeft gedaan.”</p> -<p>»Toen Seni hem aansprak, beval hij hem heen te gaan. De oude +<p>»Toen Seni hem aansprak, beval hij hem heen te gaan. De oude man hield echter niet op te smeeken, en volgde hem onafgebroken tot aan het graf zijns vaders, terwijl vele lieden hen naliepen. Daar voer de gids hevig tegen hem uit, wees hem nog @@ -16039,7 +16000,7 @@ man hield zich geduldig en bedaard, en zeide, terwijl hij zijn zakje opendeed, met betraande oogen: ‚Mijn deel heb ik dus ontvangen; maar nu mijne armen!’”</p> -<p>»Ik stond er bij, toen dit plaats had, en zag hoe Paäker zich +<p>»Ik stond er bij, toen dit plaats had, en zag hoe Paäker zich ijlings in het graf terugtrok, en hoe zijne moeder Setchem aan Seni haar vollen buidel toewierp. Haar voorbeeld werd door anderen gevolgd, en de oude heeft nooit zoo’n rijken oogst gehad @@ -16054,38 +16015,38 @@ hij die de nederlaag kan vertellen van een overmoedige, dien men niet liefheeft. Intusschen hadden de stadhouder en de opperpriester druk met elkander gefluisterd.</p> -<p>»Het is derhalve aan geen twijfel onderhevig,” zeide Ameni, -»dat Bent-Anat het feest heeft bijgewoond.”</p> +<p>»Het is derhalve aan geen twijfel onderhevig,” zeide Ameni, +»dat Bent-Anat het feest heeft bijgewoond.”</p> -<p>»En zij liet zich opnieuw in met den priester, dien gij altijd +<p>»En zij liet zich opnieuw in met den priester, dien gij altijd zoo warm verdedigt,” fluisterde de ander.</p> -<p>»Pentaoer zal nog dezen nacht verhoord worden,” antwoordde -de opperpriester. »Reeds worden de schotels weggenomen en +<p>»Pentaoer zal nog dezen nacht verhoord worden,” antwoordde +de opperpriester. »Reeds worden de schotels weggenomen en het drinkgelag begint. Laten wij opbreken en den dichter een bezoek brengen.”</p> -<p>»Wij missen thans getuigen,” hernam Ani.</p> +<p>»Wij missen thans getuigen,” hernam Ani.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_323" id="Page_323">[323]</a></span></p> -<p>»Die hebben wij niet noodig,” verzekerde Ameni. »Hij kan +<p>»Die hebben wij niet noodig,” verzekerde Ameni. »Hij kan niet liegen.”</p> -<p>»Nu, breek dan op,” zeide de stadhouder lachend, »want ik +<p>»Nu, breek dan op,” zeide de stadhouder lachend, »want ik ben waarlijk ook nieuwsgierig naar dezen blanken neger, en wil wel eens weten hoe hij met de waarheid zal omspringen. Gij vergeet echter, dat hier eene vrouw in het spel is.”</p> -<p>»Dat is altijd het geval,” antwoordde Ameni. Hij riep Gagaboe +<p>»Dat is altijd het geval,” antwoordde Ameni. Hij riep Gagaboe bij zich, droeg zijn zetel aan hem over, en verzocht hem om aan het gesprek eene vroolijke wending te geven, de gasten aan te moedigen om duchtig te drinken, en elk onderhoud over den -koning, den staat en den krijg af te snijden. »Gij weet,” zoo -besloot hij, »dat wij heden niet onder ons zijn. Wat heeft de +koning, den staat en den krijg af te snijden. »Gij weet,” zoo +besloot hij, »dat wij heden niet onder ons zijn. Wat heeft de wijn niet reeds doen verraden! Wees daaraan indachtig! Zich aan anderen te spiegelen, leert voorzichtigheid!”</p> <p>De stadhouder Ani klopte den oude op den schouder en zeide: -»Er zal heden een bres gemaakt worden in uwe wijnschuren. +»Er zal heden een bres gemaakt worden in uwe wijnschuren. Men zegt van u, dat gij nooit een leeg glas, en ook geen vol kunt zien! Welnu, vier heden aan uw tegenzin tegen beiden den vrijen teugel, en wanneer gij meent dat het tijd is, wenk @@ -16110,7 +16071,7 @@ elkander de loef af te steken in dartele scherts.</p> <p>Nu wenkte de grijsaard, en dadelijk verscheen een jeugdig, met kransen getooid tempeldienaar, die een rijk verguld mummiebeeldje -bracht. Hij gaf het rond in den kring en riep: »Ziet dit +bracht. Hij gaf het rond in den kring en riep: »Ziet dit beeld! Weest vroolijk en drinkt, zoolang gij op aarde wandelt, want eerlang zult gij aan deze mummie gelijk zijn”<a name="FNanchor_261" id="FNanchor_261"></a><a href="#Footnote_261" class="fnanchor">261)</a>.</p> @@ -16121,62 +16082,62 @@ den stadhouder den edelen wijn van Byblos. Men prees den milden gever, Ani, en roemde den geurigen smaak van dezen kostelijken drank.</p> -<p>»Zulke wijn,” riep de anders zoo bijzonder ernstige overste -der Pastophoren, »is als de zeep”<a name="FNanchor_262" id="FNanchor_262"></a><a href="#Footnote_262" class="fnanchor">262)</a>.</p> +<p>»Zulke wijn,” riep de anders zoo bijzonder ernstige overste +der Pastophoren, »is als de zeep”<a name="FNanchor_262" id="FNanchor_262"></a><a href="#Footnote_262" class="fnanchor">262)</a>.</p> -<p>»Welk eene wonderlijke vergelijking!” zeide Gagaboe, hartelijk -lachende. »Dat moet gij nader verklaren!”</p> +<p>»Welk eene wonderlijke vergelijking!” zeide Gagaboe, hartelijk +lachende. »Dat moet gij nader verklaren!”</p> -<p>»Wel,” hernam de ander, »hij wascht de zorgen der ziel weg.”</p> +<p>»Wel,” hernam de ander, »hij wascht de zorgen der ziel weg.”</p> -<p>»Bravo, mijn vriend!” riep de oude. »Nu moet ook ieder den +<p>»Bravo, mijn vriend!” riep de oude. »Nu moet ook ieder den roem van dit heerlijk druivensap met een woord prijzen. Kom gij, eerste profeet van den Amenophis-tempel, maak maar een begin.”</p> -<p>»De zorg is vergif,” sprak hij, »en de wijn is het tegengif +<p>»De zorg is vergif,” sprak hij, »en de wijn is het tegengif tegen het gif der zorg.”</p> -<p>»Heel goed! Nu verder! De beurt is aan u, geheimraad des +<p>»Heel goed! Nu verder! De beurt is aan u, geheimraad des konings!”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_325" id="Page_325">[325]</a></span></p> -<p>»Elk ding heeft zijn geheim,” sprak de beambte, »en het +<p>»Elk ding heeft zijn geheim,” sprak de beambte, »en het geheim van dezen wijn is de vreugde.”</p> -<p>»Nu aan u, zegelbewaarder!”</p> +<p>»Nu aan u, zegelbewaarder!”</p> -<p>»De wijn grendelt de deuren der droefheid, en sluit de poorten +<p>»De wijn grendelt de deuren der droefheid, en sluit de poorten der zorgen!”</p> -<p>»Ja, dat doet hij, dat doet hij zeker! Nu gij, eerwaarde gouverneur +<p>»Ja, dat doet hij, dat doet hij zeker! Nu gij, eerwaarde gouverneur van Hermonthis, die van ons allen de oudste zijt!”</p> -<p>»De wijn rijpt eigenlijk alleen voor ons oudjes, en niet voor +<p>»De wijn rijpt eigenlijk alleen voor ons oudjes, en niet voor u, jong volk!”</p> -<p>»Dat zult ge ons nader verklaren,” klonk een stem van de +<p>»Dat zult ge ons nader verklaren,” klonk een stem van de tafel der krijgslieden.</p> -<p>»Hij maakt,” zeide de tachtigjarige lachend, »van grijsaards +<p>»Hij maakt,” zeide de tachtigjarige lachend, »van grijsaards jongelingen, maar van jongelingen kinderen.”</p> -<p>»Die kaatst moet den bal verwachten, gij jongens!” riep Gagaboe. -»Uw spreuk, overste der Horoscopen!”</p> +<p>»Die kaatst moet den bal verwachten, gij jongens!” riep Gagaboe. +»Uw spreuk, overste der Horoscopen!”</p> -<p>»De wijn is vergif,” sprak de knorrige priester, »want hij +<p>»De wijn is vergif,” sprak de knorrige priester, »want hij maakt wijzen tot gekken.”</p> -<p>»Dan hebt gij, helaas, weinig van hem te vreezen,” antwoordde -Gagaboe ondeugend. »Verder, jachtmeester!”</p> +<p>»Dan hebt gij, helaas, weinig van hem te vreezen,” antwoordde +Gagaboe ondeugend. »Verder, jachtmeester!”</p> -<p>»De rand van den beker,” sprak deze, »is als de lippen onzer +<p>»De rand van den beker,” sprak deze, »is als de lippen onzer geliefde. Raakt men hem aan, en bevochtigt de wijn onze tong, dan kust ons de bruid.”</p> -<p>»Veldoverste, de beurt is thans aan u!”</p> +<p>»Veldoverste, de beurt is thans aan u!”</p> -<p>»Ik wenschte dat de Nijl in plaats van water zulk een wijn -inhield,” riep de krijgsman, »en dat ik zoo groot was als de +<p>»Ik wenschte dat de Nijl in plaats van water zulk een wijn +inhield,” riep de krijgsman, »en dat ik zoo groot was als de kolos van Amenophis, en dat Hatasoe’s grootste obelisk<a name="FNanchor_263" id="FNanchor_263"></a><a href="#Footnote_263" class="fnanchor">263)</a> mijn drinkglas was, en dat ik drinken mocht zooveel ik maar wilde. Laat ons nu, eerwaarde Gagaboe, ook uw spreuk hooren tot lof @@ -16184,21 +16145,21 @@ van den wijn.”</p> <p>De tweede profeet hief zijn beker omhoog, bekeek met welgevallen het gulden vocht, slurpte het langzaam op, en zeide -toen met ten hemel geslagene oogen: »Ik vrees dat ik te nietig +toen met ten hemel geslagene oogen: »Ik vrees dat ik te nietig ben om de verheven goden voor zulk eene weldaad te danken.”</p> -<p>»Goed gesproken!” riep de stadhouder Ani, die tot de gasten -was teruggekeerd, zonder dat ze hem opgemerkt hadden. »Wanneer +<p>»Goed gesproken!” riep de stadhouder Ani, die tot de gasten +was teruggekeerd, zonder dat ze hem opgemerkt hadden. »Wanneer mijn wijn spreken kon, dan zou hij u danken, voor hetgeen gij van hem gezegd hebt.”</p> -<p>»Heil den stadhouder Ani!” riepen de drinkers, en hieven +<p>»Heil den stadhouder Ani!” riepen de drinkers, en hieven hunne schalen omhoog, die met zijn edel vocht gevuld waren.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_326" id="Page_326">[326]</a></span></p> -<p>Hij beantwoordde dien dronk, stond daarna op en riep: »Wie +<p>Hij beantwoordde dien dronk, stond daarna op en riep: »Wie uwer deze wijn heeft geproefd, dien noodig ik morgen aan mijne -tafel. Dáar zal hij hem wedervinden, en blijft dit druivennat hem +tafel. Dáar zal hij hem wedervinden, en blijft dit druivennat hem dan nog altijd smaken, zoo zal hij mij als gast elken avond recht welkom zijn! Goeden nacht thans mijne vrienden!”</p> @@ -16249,7 +16210,7 @@ gevoelen in het stille, beperkte en vreedzame leven van weleer.</p> <p>Hij bad tot den Eenen, en tot den verheerlijkten geest van de eenvoudige vrome vrouw, die hij zijne moeder had genoemd, om zielsrust en tevredenheid met zijn lot. Maar te vergeefs; want -hoe langer hij op de knieën lag, en de armen smeekend omhoog +hoe langer hij op de knieën lag, en de armen smeekend omhoog hief, des te stouter werden zijne wenschen, des te minder gelukte het hem zijn schuld te erkennen en berouw te gevoelen. De roepstem van Ameni scheen hem daarom eene verlossing toe, @@ -16264,23 +16225,23 @@ bezeten was, en hoe hij om een meisje te redden, dat het volk mishandelen wilde, zijne hand had opgeheven en daarbij harde slagen had uitgedeeld.</p> -<p>»Gij hebt vier menschen gedood en wel tweemaal zoovelen -zwaar gewond,” zeide Ameni. »Waarom deedt ge u niet als +<p>»Gij hebt vier menschen gedood en wel tweemaal zoovelen +zwaar gewond,” zeide Ameni. »Waarom deedt ge u niet als priester kennen, en als de de feestredenaar van dezen dag? Waarom hebt gij geene poging gedaan om het volk, in plaats van door geweld, door vermanende woorden tot rust te brengen?”</p> -<p>»Ik droeg geen priesterlijk gewaad,” antwoordde Pentaoer.</p> +<p>»Ik droeg geen priesterlijk gewaad,” antwoordde Pentaoer.</p> -<p>»Ook daarin hebt gij misdreven,” zeide Ameni, »want gij weet +<p>»Ook daarin hebt gij misdreven,” zeide Ameni, »want gij weet dat de wet ieder onzer verbiedt zonder het witte kleed dit huis te verlaten. En gij zoudt de macht van uwe stem niet kennen? Durft ge mij tegenspreken, wanneer ik beweer, dat gij ook in het eenvoudig arbeiderskleed in staat geweest zoudt zijn met woorden hetzelfde uit te werken als met doodelijke slagen?”</p> -<p>»Het zou mij misschien gelukt zijn,” gaf Pentaoer ten antwoord. -»Maar eene dierlijke woede had zich van de menigte +<p>»Het zou mij misschien gelukt zijn,” gaf Pentaoer ten antwoord. +»Maar eene dierlijke woede had zich van de menigte meester gemaakt. Ik vond geen tijd tot kalm overleg, en toen ik den booswicht, die het onschuldige kind bij de haren sleurde, als een gifslang had weggeslingerd, werd er een strijdlustige @@ -16288,13 +16249,13 @@ geest in mij wakker. Mijn leven was mij niets meer waard, en ik zou duizenden hebben verslagen, om dat arme kind te redden.”</p> -<p>»Uwe oogen vonkelen,” zeide Ameni, »als hadt gij een heldendaad +<p>»Uwe oogen vonkelen,” zeide Ameni, »als hadt gij een heldendaad verricht. Toch hebt gij slechts weerlooze en vrome burgers verslagen, die vol ontzetting waren over eene schandelijke misdaad. Ik begrijp niet hoe in den tuinmanszoon, den dienaar der godheid, de geest van een krijgsman is gevaren.”</p> -<p>»Ja,” hernam Pentaoer, »toen de menigte op mij indrong, en +<p>»Ja,” hernam Pentaoer, »toen de menigte op mij indrong, en ik haar met inspanning van al mijne krachten van mij afweerde,<span class="pagenum"><a name="Page_328" id="Page_328">[328]</a></span> toen heb ik iets gevoeld van den wellust van den krijgsman, die het hem toevertrouwde krijgsteeken verdedigt tegen het @@ -16302,8 +16263,8 @@ geweld van den aandringenden vijand. In een priester is dit zeker zondig, en ik wil er voor boeten, maar het is niet anders, ik heb het gevoeld.”</p> -<p>»Gij hebt het gevoeld en gij zult er voor boeten,” sprak Ameni -ernstig. »Bovendien was uw bericht niet geheel overeenkomstig +<p>»Gij hebt het gevoeld en gij zult er voor boeten,” sprak Ameni +ernstig. »Bovendien was uw bericht niet geheel overeenkomstig de waarheid. Waarom hebt gij verzwegen, dat Bent-Anat, de dochter van Ramses, zich in den strijd gemengd en u gered heeft, door zich aan de menigte te doen kennen en haar te bevelen u @@ -16314,115 +16275,115 @@ altijd omhoog heft, geef antwoord!”</p> <p>Pentaoer was onder deze woorden zijns meesters al bleeker en bleeker geworden, Zijn antwoord luidde, terwijl hij met zijn -oog op den stadhouder: »Wij zijn niet alleen.”</p> +oog op den stadhouder: »Wij zijn niet alleen.”</p> -<p>»Daar is maar éene waarheid,” zeide Ameni koeltjes. »Wat gij +<p>»Daar is maar éene waarheid,” zeide Ameni koeltjes. »Wat gij geneigd zijt mij toe te vertrouwen, dat mag deze hoogverheven heer, de vertegenwoordiger des konings, ook vernemen. Nu dan, hebt gij Bent-Anat herkend, ja of neen?”</p> -<p>»Zij die mij redde geleek haar, en zij geleek haar toch niet,” +<p>»Zij die mij redde geleek haar, en zij geleek haar toch niet,” antwoordde de dichter, wien de fijne spot in de woorden des meesters -opnieuw het bloed deed koken. »En al had ik ook even zeker +opnieuw het bloed deed koken. »En al had ik ook even zeker geweten dat zij de prinses was, als ik weet dat gij, die mij eerst zoo hoog hebt gewaardeerd, mij nu tracht te vernederen, dan zou ik toch gehandeld hebben gelijk ik deed, om eene jonkvrouw booze uren te besparen, die meer godin is dan vrouw, en die om mij ongelukkige te redden, van den troon steeg in het stof.”</p> -<p>»Altijd nog de feestredenaar,” zeide Ameni spottend. Daarop -vervolgde hij streng: »Ik bid u mij korte en duidelijke antwoorden +<p>»Altijd nog de feestredenaar,” zeide Ameni spottend. Daarop +vervolgde hij streng: »Ik bid u mij korte en duidelijke antwoorden te geven. Wij weten zeker dat Bent-Anat — zij heeft zich aan den koninklijken gids kenbaar gemaakt — in het gewaad van eene burgervrouw aan het feest heeft deel genomen; dat niemand anders dan zij u gered heeft. Wist gij, dat zij den Nijl zou over steken?”</p> -<p>»Hoe zou ik het geweten hebben?” was Pentaoer’s wedervraag.</p> +<p>»Hoe zou ik het geweten hebben?” was Pentaoer’s wedervraag.</p> -<p>»Gij geloofdet toch Bent-Anat voor u te zien, toen zij zich +<p>»Gij geloofdet toch Bent-Anat voor u te zien, toen zij zich op de kampplaats waagde?”</p> -<p>»Ik geloofde het,” antwoordde Pentaoer aarzelend, met neergeslagen +<p>»Ik geloofde het,” antwoordde Pentaoer aarzelend, met neergeslagen oogen.</p> -<p>»Dan was het zeer stout van u, de dochter des konings als +<p>»Dan was het zeer stout van u, de dochter des konings als eene bedriegster weg te jagen.”</p> -<p>»Dat was het ook,” gaf Pentaoer ten antwoord, »maar om<span class="pagenum"><a name="Page_329" id="Page_329">[329]</a></span> +<p>»Dat was het ook,” gaf Pentaoer ten antwoord, »maar om<span class="pagenum"><a name="Page_329" id="Page_329">[329]</a></span> mijnentwil bracht zij de eer van haar naam en die van haar voortreffelijken vader in gevaar, en zou ik dan niet mijne vrijheid en mijn leven hebben gewaagd om....”</p> -<p>»Wij hebben genoeg gehoord,” viel Ameni hem in de rede.</p> +<p>»Wij hebben genoeg gehoord,” viel Ameni hem in de rede.</p> -<p>»Nog niet,” zoo begon nu de stadhouder te spreken. »Wat is +<p>»Nog niet,” zoo begon nu de stadhouder te spreken. »Wat is er geworden van het meisje, dat gij gered hebt?”</p> -<p>»Eene oude tooveres, Hekt geheeten, die in de nabijheid van +<p>»Eene oude tooveres, Hekt geheeten, die in de nabijheid van den Paraschiet woont, nam haar met hare grootmoeder bij zich in haar hol,” antwoordde de dichter. — Hierna werd hij op bevel van den opperpriester in de gevangenis van het Seti-huis teruggebracht.</p> -<p>Nauwelijks was hij verdwenen, of de stadhouder riep uit: »Een +<p>Nauwelijks was hij verdwenen, of de stadhouder riep uit: »Een gevaarlijk mensch! Een dweeper! Een vurig vereerder van Ramses!”</p> -<p>»En van zijne dochter,” zeide Ameni lachend. »Maar ook slechts +<p>»En van zijne dochter,” zeide Ameni lachend. »Maar ook slechts een vereerder. Gij hebt niets van hem te vreezen, want ik sta u borg voor de reinheid zijner bedoelingen.”</p> -<p>»Maar hij is schoon, en vermag veel door zijne groote welsprekendheid,” -hernam Ani. »Ik verlang hem als mijn gevangene, +<p>»Maar hij is schoon, en vermag veel door zijne groote welsprekendheid,” +hernam Ani. »Ik verlang hem als mijn gevangene, want hij heeft een soldaat van mijne troepen gedood.”</p> <p>Ameni’s voorhoofd rimpelde zich, zijn gelaat nam eene sombere -uitdrukking aan, en met hoogen ernst sprak hij: »Het komt, +uitdrukking aan, en met hoogen ernst sprak hij: »Het komt, volgens onzen vrijbrief, enkel den raad onzer priesters toe, over de leden van dit huis te richten. Gij zelf, de toekomstige koning, hebt ons, de verdedigers van uw eigen oud en heilig recht, vrijwillig -toegezegd, dat ook onze rechten geëerbiedigd zouden +toegezegd, dat ook onze rechten geëerbiedigd zouden worden.”</p> -<p>»Dat zal ook geschieden,” zeide Ani, met een lachje, dat den -toorn van den opperpriester moest bezweren. »Maar deze man is +<p>»Dat zal ook geschieden,” zeide Ani, met een lachje, dat den +toorn van den opperpriester moest bezweren. »Maar deze man is gevaarlijk, en gij zult hem toch niet ongestraft willen laten?”</p> -<p>»Hij zal streng gevonnist worden,” zeide Ameni, »maar door +<p>»Hij zal streng gevonnist worden,” zeide Ameni, »maar door ons en in dit huis.”</p> -<p>»Hij heeft een, ja meer dan éen moord begaan,” hernam Ani, -»Hij is des doods schuldig!”</p> +<p>»Hij heeft een, ja meer dan éen moord begaan,” hernam Ani, +»Hij is des doods schuldig!”</p> -<p>»Hij handelde door den nood gedrongen, om zich te verdedigen,” -antwoordde Ameni, »en een door de godheid begenadigd +<p>»Hij handelde door den nood gedrongen, om zich te verdedigen,” +antwoordde Ameni, »en een door de godheid begenadigd man als deze geeft men niet op, al verleidde ook eene zeer ontijdige edelmoedigheid hem tot ergerlijke daden. Ik weet, ik zie het u bovendien aan, dat gij hem kwalijk zijt gezind. Zoo ge mij als bondgenoot waardeert, beloof mij dan hem niet naar het leven te zullen staan.”</p> -<p>»Gaarne!” antwoordde Ani met zijn gewone lachje, terwijl hij +<p>»Gaarne!” antwoordde Ani met zijn gewone lachje, terwijl hij den opperpriester zijne hand reikte.</p> -<p>»Wees overtuigd van mijn dank,” zeide Ameni. »Pentaoer was +<p>»Wees overtuigd van mijn dank,” zeide Ameni. »Pentaoer was de meest belovende van mijne kweekelingen, en ondanks menige<span class="pagenum"><a name="Page_330" id="Page_330">[330]</a></span> afdwaling is hij mij nog altijd dierbaar. Toen hij van den strijdlust gewaagde, die hem heden overviel, zag hij er toen niet uit als de groote Assa, of zijn zoon, de ontslapen Mohar, de Osirische -vader van den gids Paäker?”</p> +vader van den gids Paäker?”</p> -<p>»Deze gelijkenis is inderdaad treffend,” gaf de ander ten antwoord. -»En toch moet hij van lage afkomst zijn. Wie was zijne +<p>»Deze gelijkenis is inderdaad treffend,” gaf de ander ten antwoord. +»En toch moet hij van lage afkomst zijn. Wie was zijne moeder?”</p> -<p>»De dochter van onzen poortwachter, eene stille en vrome ziel, +<p>»De dochter van onzen poortwachter, eene stille en vrome ziel, maar die niet door schoonheid uitmuntte.”</p> -<p>»Ik keer nu tot het drinkgelag terug,” zeide de stadhouder, na -zich een oogenblik bezonnen te hebben. »Doch ik zou u nog wel +<p>»Ik keer nu tot het drinkgelag terug,” zeide de stadhouder, na +zich een oogenblik bezonnen te hebben. »Doch ik zou u nog wel een verzoek willen doen. Ik vertelde u van het geheim, dat den -gids Paäker geheel tot ons werktuig kan maken. De tooveres +gids Paäker geheel tot ons werktuig kan maken. De tooveres Hekt, die de Paraschieten-vrouw tot zich nam, moet er van weten. Zend politie-wachters tot haar, en laat haar gevangen hierheen brengen. Ikzelf neem haar in het verhoor, en kan haar op deze @@ -16459,7 +16420,7 @@ Karnak verbonden tempel van Loeqsor, onder de 18e dynastie aangelegd, werd door Ramses II met grootere gebouwen voltooid. Aan de oostzijde van Karnak werden nieuwe gedeelten aangebracht, en onnoemelijk vele koninklijke geschenken, in de schatkamers van dit heiligdom samengebracht. -Mariëtte heeft onlangs in zijn Karnak, voortreffelijke teekeningen +Mariëtte heeft onlangs in zijn Karnak, voortreffelijke teekeningen van alle deelen en onderdeelen van dezen tempel in het licht gegeven.</p> </div> @@ -16482,7 +16443,7 @@ inleveren van de hem ontvreemde voorwerpen, met opgave van dag en uur waarop hij ze vermist had. Op deze wijze vond men het gestolene gemakkelijk bij den hoofdman weder, die het aan den bezitter uitleverde, tegen betaling van het vierde deel der waarde, ten voordeele van de dieven. Eene -soortgelijke inrichting moet nog betrekkelijk kort geleden te Kaïro hebben +soortgelijke inrichting moet nog betrekkelijk kort geleden te Kaïro hebben bestaan.</p> </div> @@ -16491,13 +16452,13 @@ bestaan.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_260" id="Footnote_260"></a><a href="#FNanchor_260"><span class="label">260)</span></a> Gebal-Byblos in Phoenicië. Daar wies eene wijnsoort, die ook onder +<p><a name="Footnote_260" id="Footnote_260"></a><a href="#FNanchor_260"><span class="label">260)</span></a> Gebal-Byblos in Phoenicië. Daar wies eene wijnsoort, die ook onder de Grieken zeer beroemd was.</p> </div> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_261" id="Footnote_261"></a><a href="#FNanchor_261"><span class="label">261)</span></a> Eene gewoonte, waarvan Herodotus (II 78) gewag maakt. Lucianus -was ooggetuige dat zulke mummiën bij een gastmaal werden rondgegeven. +was ooggetuige dat zulke mummiën bij een gastmaal werden rondgegeven. De Grieken namen deze zede over, maar gewoon om aan alles zekere bekoorlijkheid bij te zetten, stelden zij een gevleugelden genius des doods in de plaats van de mummie. Men herinnere zich hierbij ook de „larva” @@ -16505,11 +16466,11 @@ der Romeinen.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_262" id="Footnote_262"></a><a href="#FNanchor_262"><span class="label">262)</span></a> Deze vergelijking is zuiver Oostersch. Kisrâ noemde den wijn „de +<p><a name="Footnote_262" id="Footnote_262"></a><a href="#FNanchor_262"><span class="label">262)</span></a> Deze vergelijking is zuiver Oostersch. Kisrâ noemde den wijn „de zeep der zorg.” Ofschoon den Mohamedanen de wijn verboden was, hebben zij toch de heerlijkheid van het druivennat, niet minder dan de gasten van -het Seti-huis, geroemd. Zoo zegt Abdelmâlik ibn Sâlih Hâschimî: „Het -uitnemendste waarmede de wereld zich verheugt, is de wijn.” Gâhiz zegt: +het Seti-huis, geroemd. Zoo zegt Abdelmâlik ibn Sâlih Hâschimî: „Het +uitnemendste waarmede de wereld zich verheugt, is de wijn.” Gâhiz zegt: „De wijn, wanneer hij in uwe beenderen dringt en door uwe leden vloeit, verleent u de waarheid van het gevoel en de volmaking der ziel; hij maakt uw geest buigzaam, neemt alle beklemdheid weg, veredelt uwe stemming;” @@ -16558,7 +16519,7 @@ Hij zweepte den anders zoo gladden waterspiegel van den Nijl, tot zijne geelachtige wateren zich verhieven en de golven sloegen als op de onrustige Zoutzee.</p> -<p>Paäker had zijne bevende matrozen gedwongen hem over den +<p>Paäker had zijne bevende matrozen gedwongen hem over den stroom te zetten. De boot was meer dan eens op het punt van om te slaan, maar met zijne ongedeerde rechterhand had hij zelf vast en zeker het roer gestuurd, hoewel hem, bij het onophoudelijk @@ -16585,17 +16546,17 @@ sneed den gids door de ziel, want hij dacht aan zijn verslagen Descher, wiens zware stem hij miste. In zijne vertrekken heette zijn oude Ethiopische slaaf hem welkom met een luiden jammerkreet, die den hond gold; want de man had hem voor -Paäker’s vader grootgebracht en zeer liefgehad. De gids wierp +Paäker’s vader grootgebracht en zeer liefgehad. De gids wierp zich in een stoel neder en beval, dat men hem water zou brengen, om zijne pijnlijke hand daarin af te koelen, naar het voorschrift van den arts Nebsecht.</p> <p>Zoodra de oude slaaf de gebroken vingers zag, barstte hij andermaal -in jammerkreten uit. Toen Paäker hem gebood stil te -zijn, vroeg hij: »Is de onverlaat nog in leven, die dit gedaan en +in jammerkreten uit. Toen Paäker hem gebood stil te +zijn, vroeg hij: »Is de onverlaat nog in leven, die dit gedaan en Descher geveld heeft?”</p> -<p>Paäker knikte toestemmend en staarde op den grond, terwijl +<p>Paäker knikte toestemmend en staarde op den grond, terwijl zijne hand in het koele water lag. Hij gevoelde zich ellendig en vroeg zichzelven, waarom de storm toch zijn boot niet omgeslagen en de Nijl hem niet verzwolgen had? Eene naamlooze verbittering @@ -16606,8 +16567,8 @@ weder op en neder, en zijne oogen straalden met een akeligen glans. Hij dacht niet meer aan zijne liefde, maar alleen aan zijne wraak, die hem thans zoeter scheen dan gene.</p> -<p>»Dat Ramses-gebroed!” prevelde hij in zichzelf, terwijl hij -zijn gebalde vuist dreigend omhoog hief. »Ik offer ze allen te +<p>»Dat Ramses-gebroed!” prevelde hij in zichzelf, terwijl hij +zijn gebalde vuist dreigend omhoog hief. »Ik offer ze allen te zamen, den koning en Mena, ook die trotsche prinses en nog veel meer van dat geslacht. Ik weet wel hoe! Wacht maar, wacht!”</p> @@ -16618,22 +16579,22 @@ Setchem had gehoord. Zij naderde haren wraakgierigen zoon, en riep hem bij zijn naam, toen zij vol ontzetting de wilde trekken zag, die zijn gelaat verwrongen.</p> -<p>Paäker kromp van schrik ineen, maar zeide met schijnbare -kalmte: »Zijt gij het moeder? De morgen nadert, en op dit uur +<p>Paäker kromp van schrik ineen, maar zeide met schijnbare +kalmte: »Zijt gij het moeder? De morgen nadert, en op dit uur is het beter te slapen dan te waken.”</p> -<p>»Ik had geen rust in mijn vertrek,” antwoordde Setchem. »De +<p>»Ik had geen rust in mijn vertrek,” antwoordde Setchem. »De storm huilt ijselijk en ik ben zoo beangst, zoo vreeselijk gejaagd, -evenals vóor den dood uws vaders.”</p> +evenals vóor den dood uws vaders.”</p> -<p>»Blijf dan bij mij,” zeide Paäker vriendelijk, »en leg u op mijn +<p>»Blijf dan bij mij,” zeide Paäker vriendelijk, »en leg u op mijn bed ter ruste.”</p> -<p>»Ik kwam niet hierheen om te slapen,” hernam Setchem.</p> +<p>»Ik kwam niet hierheen om te slapen,” hernam Setchem.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_333" id="Page_333">[333]</a></span></p> -<p>»Wat u aan de landingstrap overkwam is zoo verschrikkelijk +<p>»Wat u aan de landingstrap overkwam is zoo verschrikkelijk en beklemt mijn hart! — Neen, neen, mijn zoon, het is niet om den verslagen hond, niet omdat gij pijn lijdt; hoe innig leed mij dit ook doet, maar het is om den koning en zijne verbolgenheid, @@ -16643,7 +16604,7 @@ Uw wilde lach, uw geheele uiterlijk, toen ik binnenkwam, dat is mij door merg en been gegaan!”</p> <p>Beiden zwegen een tijdlang en luisterden naar den storm, die -steeds razender woedde. Eindelijk zeide Setchem: »Daar is ook +steeds razender woedde. Eindelijk zeide Setchem: »Daar is ook nog iets anders, dat mij geheel en al in verwarring brengt. Ik kan den feestredenaar van heden, den jongen Pentaoer, niet vergeten. Zijn voorkomen, zijn aangezicht, zijne bewegingen, ja zijne @@ -16652,44 +16613,44 @@ hand vroeg. Het is als wilden de goden den besten man, dien zij van hier hebben weggenomen, andermaal voor hunne oogen zien wandelen.”</p> -<p>»Ja meesteres,” riep de oude Ethiopische slaaf, »zulk eene +<p>»Ja meesteres,” riep de oude Ethiopische slaaf, »zulk eene gelijkenis heeft nog geen sterfelijk oog gezien. Ik zag hem vechten voor de hut van den Paraschiet, en ook daar was hij het sprekend evenbeeld van den gestorvene. Hij zwaaide met een paal, gelijk mijn heer met zijn strijdbijl in den slag.”</p> -<p>»Zwijg!” riep Paäker. »Maak dat je wegkomt, domkop! — De +<p>»Zwijg!” riep Paäker. »Maak dat je wegkomt, domkop! — De priester, moeder, lijkt op mijn vader, dat geef ik toe, maar hij is een onbeschaamde kerel, die mij schandelijk heeft beleedigd, en met wien ik moet afrekenen, gelijk met zoo menig ander.”</p> -<p>»Wat zijt gij wild,” viel Setchem hem in de rede, »en vol +<p>»Wat zijt gij wild,” viel Setchem hem in de rede, »en vol bitteren haat! Uw vader was zoo vriendelijk gezind en had de menschen lief.”</p> -<p>»Hebben zij mij lief?” vroeg de gids met een pijnlijken lach. -»Zelfs de hemelsche goden zijn mij niet genegen en werpen +<p>»Hebben zij mij lief?” vroeg de gids met een pijnlijken lach. +»Zelfs de hemelsche goden zijn mij niet genegen en werpen doornen op mijn weg. Maar ik ruim ze op met eigene hand, en ik zal mij ook zonder de hulp van die daarboven wel verwerven wat ik begeer, en nederwerpen, wat zich tegen mij durft verzetten!”</p> -<p>»Wij kunnen geen veertje omhoog blazen, zonder de hulp -der hemelsche goden,” zeide Setchem. »Zoo sprak uw vader, die +<p>»Wij kunnen geen veertje omhoog blazen, zonder de hulp +der hemelsche goden,” zeide Setchem. »Zoo sprak uw vader, die naar lichaam en ziel een ander man was dan gij zijt! Ik gruw van u sedert dezen avond, en den vloek dien gij hebt uitgestooten tegen de kinderen van uw heer en koning, den vriend uws vaders!”</p> -<p>»Maar mijn vijand!” schreeuwde Paäker. »Gij zult nog wel +<p>»Maar mijn vijand!” schreeuwde Paäker. »Gij zult nog wel andere dingen van mij moeten hooren dan vloeken. En het Ramses-gebroed zal ondervinden, of de zoon van uw echtgenoot zich<span class="pagenum"><a name="Page_334" id="Page_334">[334]</a></span> laat verachten en mishandelen zonder wraak. Ik zal ze in den afgrond stooten en schaterlachen, als zij onder mij in het zand liggen te rochelen.”</p> -<p>»Jongen!” riep Setchem buiten zichzelve. »Ik ben maar +<p>»Jongen!” riep Setchem buiten zichzelve. »Ik ben maar eene vrouw, en dikwijls hebt gij gescholden op mijne weekelijkheid en zwakheid. Maar zoo waarachtig als ik uw gestorven vader, wien gij juist zooveel gelijkt als een doornstruik een palmboom, @@ -16706,13 +16667,13 @@ dreigde te tuchtigen wegens zijne ondeugendheid. Doch zij volgde hem, greep hem bij den gordel en herhaalde haar vraag met heesche stem.</p> -<p>Onwillig trok Paäker zich terug, rukte haar hand van zijn -gordel los en zeide trotsch: »Ik heb ze in mijn pijlkoker gestoken, +<p>Onwillig trok Paäker zich terug, rukte haar hand van zijn +gordel los en zeide trotsch: »Ik heb ze in mijn pijlkoker gestoken, en dat niet voor eene aardigheid. Nu weet gij ’t!”</p> <p>Niet meer in staat een woord uit te brengen, hief de beleedigde moeder nog eens hare hand op tegen den ontaarden zoon; maar -hij stiet haar arm terug, zeggende: »Ik ben geen kind meer, +hij stiet haar arm terug, zeggende: »Ik ben geen kind meer, en meester van dit huis. Wat ik wil dat doe ik, al trachtten honderd vrouwen mij tegen te houden!”</p> @@ -16722,25 +16683,25 @@ van zijne kamer gekomen, zag zij nog eenmaal naar hem om. Hij was gaan zitten en lag met zijn voorhoofd op de tafel, waarop het koele water stond. Setchem had een zwaren strijd te strijden. Eindelijk noemde zij nog eens onder tranen zijn naam, -breidde hare armen uit en zeide: »Daar ben ik, daar ben ik +breidde hare armen uit en zeide: »Daar ben ik, daar ben ik weder! Kom hier aan mijn hart! Laat toch die afgrijselijke gedachte aan wraak varen!”</p> -<p>Paäker bleef aan de tafel zitten, zag haar niet aan, zweeg en +<p>Paäker bleef aan de tafel zitten, zag haar niet aan, zweeg en schudde ontkennend het hoofd.</p> -<p>Setchem liet de handen weder zinken en sprak zacht: »Wat +<p>Setchem liet de handen weder zinken en sprak zacht: »Wat heeft uw vader u geleerd uit de schriften? Uw hoogste lof, zoo luidt het, moet daarin bestaan, dat gij uwe moeder vergeldt, wat zij voor u gedaan heeft, toen zij u opvoedde; opdat hare handen zich niet opheffen tot God, en hij hare klachten niet verhoore”<a name="FNanchor_264" id="FNanchor_264"></a><a href="#Footnote_264" class="fnanchor">264)</a>.<span class="pagenum"><a name="Page_335" id="Page_335">[335]</a></span> -Paäker begon bij deze woorden hoorbaar te snikken, maar hij +Paäker begon bij deze woorden hoorbaar te snikken, maar hij zag niet op naar Zijne moeder. Zij riep hem met teederheid bij zijn naam, maar hij verroerde zich niet.</p> <p>Opeens vielen hare oogen op den pijlkoker, die met andere wapenen op eene rustbank lag. Haar hart kromp ineen, en met -bevende hand riep zij: »Ik verbied u deze onzinnige wraak, hoort +bevende hand riep zij: »Ik verbied u deze onzinnige wraak, hoort gij? Wilt gij er afstand van doen? — Gij verroert u niet. — Neen? — Niet? — Eeuwige goden, wat zal ik doen!”</p> @@ -16748,7 +16709,7 @@ goden, wat zal ik doen!”</p> haar besluit genomen. Zij liep naar den koker, greep er een pijl uit en beproefde dien te breken.</p> -<p>Plotseling sprong Paäker van zijn zetel op en rukte haar het +<p>Plotseling sprong Paäker van zijn zetel op en rukte haar het wapen uit de hand. De scherpe punt drong even in haar vleesch, zoodat enkele donkere bloeddruppels te voorschijn kwamen en op den steenen vloer van het vertrek neervielen.</p> @@ -16757,7 +16718,7 @@ op den steenen vloer van het vertrek neervielen.</p> Setchem, die doodsbleek was geworden, omdat zij, week van aard, geen bloed kon zien, noch van haar zelve noch van een ander, wees hem terug. Op een doffen toon, die vreemd -was aan hare anders zoo vriendelijke stem, zeide zij: »Deze +was aan hare anders zoo vriendelijke stem, zeide zij: »Deze bloedende moederhand zal de uwe niet eer omvatten, voordat gij daarin met een duren eed hebt gezworen, alle gedachten aan wraak en moord te zullen afwijzen en den naam uws vaders @@ -16765,7 +16726,7 @@ niet te zullen onteeren! Ik heb het gezegd; de verheerlijkte geest uws vaders geve mij kracht dit vol te houden, en zij mijn getuige!”</p> -<p>Paäker was op de knieën gezonken, en voerde een geweldigen +<p>Paäker was op de knieën gezonken, en voerde een geweldigen strijd met zichzelven, terwijl zij naar de deur ging. Daar bleef zij nog eenige oogenblikken staan. Hare lippen zwegen, maar hare oogen riepen hem tot haar. — </p> @@ -16773,8 +16734,8 @@ hare oogen riepen hem tot haar. — </p> <p>Te vergeefs. Eindelijk verliet zij het vertrek. De stormwind wierp de deur met kracht achter haar dicht.</p> -<p>Paäker steunde, terwijl hij met de rechterhand zijne oogen -bedekte! »Moeder! Moeder! Ik kan niet terug, ik kan niet!”</p> +<p>Paäker steunde, terwijl hij met de rechterhand zijne oogen +bedekte! »Moeder! Moeder! Ik kan niet terug, ik kan niet!”</p> <p>Een vreeselijke windvlaag overstemde zijne klacht. Te gelijkertijd hoorde men twee heftige slagen, als waren er rotsblokken @@ -16782,17 +16743,17 @@ van den hemel gevallen. Hij schrikte op en liep naar het venster, waardoor de schemering grauwde van den somberen morgen, ten einde zijne slaven te roepen. Zij kwamen weldra aanloopen, en de hofmeester riep hem reeds van verre buiten -adem toe: »De storm heeft de masten aan de hooge poort +adem toe: »De storm heeft de masten aan de hooge poort van het huis omvergeworpen!”</p> -<p>»Onmogelijk!” riep Paäker.</p> +<p>»Onmogelijk!” riep Paäker.</p> -<p>»Toch is het zoo,” antwoordde de beambte. »Zij zijn gedeeltelijk +<p>»Toch is het zoo,” antwoordde de beambte. »Zij zijn gedeeltelijk boven den grond afgezaagd. Dat heeft de mattenvlechter<span class="pagenum"><a name="Page_336" id="Page_336">[336]</a></span> zeker gedaan, wiens sleutelbeen gij half verbrijzeld hebt. Hij is in dezen schrikkelijken nacht weggeloopen!”</p> -<p>»De honden los!” riep de Mohar woedend. »Alles wat beenen +<p>»De honden los!” riep de Mohar woedend. »Alles wat beenen heeft jage den ellendeling achterna. De vrijheid en vijf handen vol goud voor den man die hem terug brengt!”</p> @@ -16804,18 +16765,18 @@ dat de tooveres Hekt was gekomen. Hij begaf zich dadelijk naar de zaal, waar de stadhouder op de heks zat te wachten.</p> <p>Ani schrikte op uit diep gepeins, zoodra hij de voetstappen -van den opperpriester hoorde, en vroeg gejaagd: »Is zij gekomen?” +van den opperpriester hoorde, en vroeg gejaagd: »Is zij gekomen?” Toen Ameni een bevestigend antwoord had gegeven, vervolgde hij, terwijl hij de lange lokken van zijn pruik, die tamelijk in verwarring waren geraakt, zorgvuldig in orde bracht, -en zijn breeden halsband recht schoof: »Die heks moet nog al +en zijn breeden halsband recht schoof: »Die heks moet nog al veel macht hebben. Wilt gij niet uw zegen over mij uitspreken om mij voor betoovering te bewaren? Wel is waar draag ik dit Horus-oog en dit Isis-bloed<a name="FNanchor_265" id="FNanchor_265"></a><a href="#Footnote_265" class="fnanchor">265)</a> bij mij, maar men kan toch niet weten....”</p> -<p>»Mijne tegenwoordigheid zou u kunnen beschermen,” antwoordde -Ameni. »Maar.... neen, neen, ik weet dat gij haar +<p>»Mijne tegenwoordigheid zou u kunnen beschermen,” antwoordde +Ameni. »Maar.... neen, neen, ik weet dat gij haar alleen wenscht te spreken! Men zal u daarom in een vertrek brengen, waar heilige spreuken u voor alle betoovering bewaren. Vaarwel, ik ga ter ruste. — Heilige vader, laat de heks in een @@ -16842,7 +16803,7 @@ hyena, en eene koude rilling voer Ani door de leden, toen zij hare heesche stem verhief om hem te begroeten en tegelijk te verwijten, dat hij zulk een buitengewoon tijdstip had gekozen om haar te spreken. Toen zij hem hierop dank had gezegd voor -het vernieuwen van den vrijbrief, en bevestigd had dat Paäker +het vernieuwen van den vrijbrief, en bevestigd had dat Paäker een liefdedrank van haar had ontvangen, streek zij de haren wat uit haar gezicht. Het viel haar opeens in, dat zij eene vrouw was.</p> @@ -16859,7 +16820,7 @@ wenk, en hurkte daar op de vloertegels neer.</p> <p>Nadat hij haar bevolen had met haar verhaal te beginnen, staarde zij langen tijd zwijgend op den grond. Eindelijk sprak -zij, half voor zich: »Ik zal het vertellen, want ik wil rust hebben. +zij, half voor zich: »Ik zal het vertellen, want ik wil rust hebben. Ik mag niet ongebalsemd blijven, als de dood komt. Men kan het niet weten, er is misschien in gene wereld nog wat te verkrijgen, en dat wil ik niet missen. Ik mocht hem eens wederzien aan de @@ -16871,21 +16832,21 @@ Anders zwijg ik.”</p> <p>Ani knikte toestemmend.</p> -<p>»Neen, neen,” zeide de oude, »zoo niet! Ik zal u den eed +<p>»Neen, neen,” zeide de oude, »zoo niet! Ik zal u den eed voorzeggen: ‚Als ik aan Hekt, wanneer zij den Mohar in mijne handen overlevert, mijn woord niet gestand doe, dan zullen de -geesten, waarover zij te gebieden heeft, mij laten vallen vóor ik +geesten, waarover zij te gebieden heeft, mij laten vallen vóor ik den troon bestijg!’ — Wees niet onwillig, heer, gij hebt niet anders te zeggen dan ‚ja’. Wat gij in deze ure zult vernemen, is meer waard dan een armzalig woord!”</p> -<p>»Nu dan, ja!” riep de stadhouder, die in de grootste spanning +<p>»Nu dan, ja!” riep de stadhouder, die in de grootste spanning verkeerde omtrent de gewichtige ontdekkingen.</p> <p>De oude prevelde eenige onverstaanbare woorden. Daarop zette zij zich in postuur, rekte haar mageren hals zoo lang mogelijk uit, en vroeg, terwijl zij den man die tegenover haar zat<span class="pagenum"><a name="Page_338" id="Page_338">[338]</a></span> -met vonkelende oogen aanzag »Hebt gij ook, toen gij nog jong +met vonkelende oogen aanzag »Hebt gij ook, toen gij nog jong waart, van de zangeres Beki gehoord? He? — Nu, zie mij slechts aan: zij zit voor u!”</p> @@ -16893,7 +16854,7 @@ slechts aan: zij zit voor u!”</p> flarden van haar kleed over haar dorren boezem samen, als schaamde zij zich over haar afzichtelijk uiterlijk.</p> -<p>»Ja,” ging zij voort, »met welgevallen beschouwt men de +<p>»Ja,” ging zij voort, »met welgevallen beschouwt men de druiven en perst ze uit, en als men den most gedronken heeft, werpt men de schillen op den mesthoop. Zulk eene schil ben ik! Zie mij maar zoo medelijdend niet aan! Eens was ik toch @@ -16911,7 +16872,7 @@ aanzienlijksten strekten naar de schoonsten de handen uit, en er is een tijd geweest, waarin ik lieden van uw stand aan mijn koord leidde.</p> -<p>»Zal ik van den aanvang beginnen? Nu goed! Ik ben heden +<p>»Zal ik van den aanvang beginnen? Nu goed! Ik ben heden zoo wonderlijk te moede. Vijftig jaren geleden heb ik in deze zelfde stemming een lied gezongen, ja een lied! Ik, eene zwarte kraai, en zingen! — Nu dan: Mijn vader was een aanzienlijk @@ -16931,14 +16892,14 @@ smaakt. Geen van de jonge zonen van vorsten en grooten, die mij voor zich begeerden, durfde ook slechts mijne hand aanraken! Maar ook mijne ure kwam! De jonge Assa, de vader van den ouderen Mohar, de grootvader van den dichter Pentaoer, ik wil -zeggen van Paäker, den gids, zag er schooner en statiger uit dan +zeggen van Paäker, den gids, zag er schooner en statiger uit dan alle anderen. Gij hebt hem toch nog gekend? Waar ik zong,<span class="pagenum"><a name="Page_339" id="Page_339">[339]</a></span> daar zat hij tegenover mij en zag mij aan. En ik kon de blikken niet van hem afgewend houden. Het overige moogt gij er bij denken. Doch neen, dat kunt gij niet. Want zoo als ik blaakte -voor Assa, heeft nooit, noch vóor noch na mij, eene vrouw liefgehad. — </p> +voor Assa, heeft nooit, noch vóor noch na mij, eene vrouw liefgehad. — </p> -<p>»Waarom lacht gij niet? Mij dunkt het is toch nog al grappig, +<p>»Waarom lacht gij niet? Mij dunkt het is toch nog al grappig, zoo iets uit den tandeloozen mond van eene heks te hooren! Hij is sedert lang gestorven. Zeker haat ik hem, maar hoe waanzinnig het ook klinkt, toch geloof ik dat ik hem nog liefheb. @@ -16960,7 +16921,7 @@ meer zeer gedaan, dan het gloeiend staal, hetwelk men misdadigers in de oogholte stoot, om ze blind te maken! Heden nog wanneer ik aan die ure denk, dan....</p> -<p>»Maar wat weet gij mannen, gij voorname heeren, van hetgeen +<p>»Maar wat weet gij mannen, gij voorname heeren, van hetgeen een hart kan lijden. Wanneer twee of drie van u bij elkander zitten, en gij vertelt deze geschiedenis, dan zal zelfs de waardigste met eene deftige stem zeggen: ‚Voorwaar, die man @@ -16969,7 +16930,7 @@ vrouw met booze woorden zijn bejegend, wanneer hij tot de zangeres was gegaan’. — Heb ik gelijk of ongelijk? Ja, ik weet het wel, geen hunner zal denken, dat andere schepsel had toch ook menschelijk gevoel, was toch ook eene vrouw; geen hunner -zal zeggen, dat zijne handelwijze dáar, in zijn huis, eene booze +zal zeggen, dat zijne handelwijze dáar, in zijn huis, eene booze ure heeft voorkomen, maar hier eene halve eeuw van vertwijfeling heeft doen aanbreken! Assa heeft zich gevrijwaard voor de booze woorden van zijne vrouw, maar daarvoor zijn duizende @@ -16992,7 +16953,7 @@ eene waanzinnige gezeten, en onwillekeurig schoof hij zijn stoel achteruit.</p> <p>De heks merkte het op. Na een oogenblik rust ging zij voort: -»Gij heeren, die op de hoogten wandelt, weet niet hoe het er +»Gij heeren, die op de hoogten wandelt, weet niet hoe het er in de afgronden en diepten uitziet, en gij wilt het ook niet weten. Laat mij kort zijn! Ik genas, maar vermagerd en zonder mijne welluidende stem, stond ik van het ziekbed op. Goud @@ -17003,7 +16964,7 @@ ik bezweringen uitspreken en toovermiddelen gereed maken, om hem in het verderf te storten. Ik trachtte ook mijne stem terug te krijgen, maar de dranken die ik daarvoor gebruikte, maakten mijn geluid eer rauwer dan zachter. Een uitgeworpen priester, -de beroemdste onder de magiërs, nam mij in zijn huis op, en +de beroemdste onder de magiërs, nam mij in zijn huis op, en van hem heb ik veel geleerd. Toen zijne voormalige standgenooten aan de overzijde hem vervolgden, trok hij zich hier in de Nekropolis terug en ik vergezelde hem. Toen zij hem gevangen @@ -17011,10 +16972,10 @@ namen en ophingen, bleef ik in zijn hol en werd zelve eene heks. De kinderen wijzen mij met den vinger na; eerlijke mannen en vrouwen gaan voor mij uit den weg. De menschen zijn mij een gruwel en ik veracht mij zelve. Van dit alles is maar -éen de schuld, de eerwaardigste burger van Thebe, de vrome +éen de schuld, de eerwaardigste burger van Thebe, de vrome Assa!</p> -<p>»Gedurende vele jaren had ik mij met tooverij bezig gehouden, +<p>»Gedurende vele jaren had ik mij met tooverij bezig gehouden, en ik was ervaren geworden in allerlei kunsten. Toen bracht mij op zekeren dag de hovenier Sent, van wien ik sedert lang planten kocht voor mijne dranken — hij had een stuk grond van @@ -17023,7 +16984,7 @@ ter wereld gekomen was. Hij verlangde, dat ik het overtollige lid door mijne kunst zou wegnemen. De vrome moeder van den kleine lag in de koorts, zij zou het anders nooit hebben toegestaan. Ik hield het schreeuwertje bij mij, want zoo iets laat -zich wel genezen. Den volgenden morgen, kort vóor zonsopgang, +zich wel genezen. Den volgenden morgen, kort vóor zonsopgang, hoorde ik beweging voor mijn hol. De dienstmaagd van eene aanzienlijke familie kwam mij roepen. Hare meesteres, zeide de maagd, had zich met haar naar het graf van haren vader begeven,<span class="pagenum"><a name="Page_341" id="Page_341">[341]</a></span> @@ -17069,7 +17030,7 @@ werd Assa’s kleinzoon, de zoon van den Mohar, als het kind van den hovenier grootgebracht. Het ontving den naam van Pentaoer, werd in het Seti-huis opgevoed, en geleek volmaakt op Assa. Het zesteenig kind van den hovenier is niemand anders -dan de gids Paäker. Ziedaar het geheim.”</p> +dan de gids Paäker. Ziedaar het geheim.”</p> <p>Ani had de schrikkelijke mededeelingen van de tooveres aangehoord, zonder een woord te spreken. Men gevoelt zich onwillekeurig<span class="pagenum"><a name="Page_342" id="Page_342">[342]</a></span> @@ -17079,52 +17040,52 @@ bij hem op de euveldaad van de oude te straffen, veeleer dacht hij aan de verrukking, waarmede zijne oudere vrienden van de liederen en de schoonheid van de zangeres Beki konden vertellen. Hij zag de heks aan, en wederom liep er eene koude rilling -over zijne leden. Ten laatste zeide hij: »Gij zult in vrede wonen, +over zijne leden. Ten laatste zeide hij: »Gij zult in vrede wonen, en als gij sterft, zal ik voor uw balseming zorg dragen. Maar laat nu die tooverkunsten varen. Gij moet rijk zijn, en zijt gij het niet, zeg maar wat gij behoeft. Waarlijk, ik durf het nauwelijks wagen u goud aan te bieden, want dat wekt uw haat, zoo ik hoorde.”</p> -<p>»Het uwe kan ik gebruiken. Maar laat mij nu gaan!”</p> +<p>»Het uwe kan ik gebruiken. Maar laat mij nu gaan!”</p> <p>Zij stond van den grond op en ging naar de deur. De stadhouder -verzocht haar echter nog te blijven, en vroeg: »Is Assa +verzocht haar echter nog te blijven, en vroeg: »Is Assa de vader van uw zoon, den kleinen Nemoe, den dwerg van vrouwe Katoeti?”</p> -<p>De heks barstte uit in lachen en zeide: »Lijkt dan die dreumes +<p>De heks barstte uit in lachen en zeide: »Lijkt dan die dreumes in iets den grooten Assa of de schoone Beki? Ik heb hem opgeraapt, zooals vele andere kinderen.”</p> -<p>»Maar hij is slim,” zeide Ani.</p> +<p>»Maar hij is slim,” zeide Ani.</p> -<p>»Dat is hij! Hij steekt vol plannen, en is met hart en ziel +<p>»Dat is hij! Hij steekt vol plannen, en is met hart en ziel aan zijne meesteres Katoeti gehecht. Hij zal u helpen uw doel te bereiken, want hij zelf heeft er ook een.”</p> -<p>»En dat is?”</p> +<p>»En dat is?”</p> -<p>»Dat Katoeti groot moge worden door u en rijk door Paäker, +<p>»Dat Katoeti groot moge worden door u en rijk door Paäker, die morgen optrekt, om de vrouw, die hij voor zich begeert, tot weduwe te maken.”</p> -<p>»Gij weet veel,” zeide Ani nadenkend. »Eén ding zou ik nog +<p>»Gij weet veel,” zeide Ani nadenkend. »Eén ding zou ik nog willen vragen, ofschoon ik, na uw verhaal, mij zelven het antwoord wel geven kan. Maar misschien hebt gij thans geleerd, wat u in uw jeugd verborgen was. Zijn er werkelijk liefdedranken?”</p> -<p>»Ik wil u niet bedriegen, omdat ik niet wenschen kan, dat -ge aan mij uw woord zult breken,” antwoordde Hekt. »Een liefdedrank +<p>»Ik wil u niet bedriegen, omdat ik niet wenschen kan, dat +ge aan mij uw woord zult breken,” antwoordde Hekt. »Een liefdedrank werkt maar zelden, en dan altijd bij zulke vrouwen, die nog niet lief hebben. Geeft gij de artsenij aan eene vrouw, wier gemoed vervuld is met het beeld van een ander man, dan verhoogt gij slechts den hartstocht voor den eersten geliefde.”</p> -<p>»Dan nog iets anders,” vroeg Ani. »Zijn er middelen om een +<p>»Dan nog iets anders,” vroeg Ani. »Zijn er middelen om een vijand uit de verte in het verderf te storten?”</p> -<p>»Ongetwijfeld!” zeide Hekt. »Geringe lieden kunnen gemakkelijker +<p>»Ongetwijfeld!” zeide Hekt. »Geringe lieden kunnen gemakkelijker lasteren, en de groote zijn altijd bij machte anderen te laten uitvoeren, wat zij zelve niet kunnen doen. Mijn verhaal heeft uw gal maar weinig geprikkeld; toch komt het<span class="pagenum"><a name="Page_343" id="Page_343">[343]</a></span> @@ -17150,9 +17111,9 @@ van mijne dranken. Laat mij nu naar huis gaan.”</p> <p>Weinige uren later noodigde Ameni den stadhouder aan het ontbijt.</p> -<p>»Weet gij, wie die tooveres Hekt is?” vroeg Ani.</p> +<p>»Weet gij, wie die tooveres Hekt is?” vroeg Ani.</p> -<p>»Hoe zou ik dat niet weten? Zij is de zangeres Beki, die +<p>»Hoe zou ik dat niet weten? Zij is de zangeres Beki, die vroeger in Thebe ieders hoofd op hol bracht. — Mag ik weten wat zij u verteld heeft?”</p> @@ -17165,12 +17126,12 @@ en veranderingen, als iets wat hem sedert lang bekend was, de geschiedenis, die hij weinige uren geleden had afgeluisterd.</p> <p>De stadhouder toonde zich niet weinig verrast en was het met -den opperpriester eens, toen deze hem verzocht Paäker nog niet +den opperpriester eens, toen deze hem verzocht Paäker nog niet op de hoogte te brengen van zijn ware afkomst.</p> -<p>»Hij is een man van een zonderling karakter,” zeide Ameni, -»en het zou kunnen zijn, dat hij ons leelijk in de wielen reed, -als hij, vóor hij het zijne heeft gedaan, te weten kwam, wie hij +<p>»Hij is een man van een zonderling karakter,” zeide Ameni, +»en het zou kunnen zijn, dat hij ons leelijk in de wielen reed, +als hij, vóor hij het zijne heeft gedaan, te weten kwam, wie hij eigenlijk is.”</p> <hr class="l3" /> @@ -17186,7 +17147,7 @@ terwijl honderde lichte daken van palmtakken door den wind waren medegesleurd. De stadhouder reed thans met Ameni, die zich met eigen oogen wilde overtuigen van de verwoestingen, die de storm in zijne tuinen had aangericht, naar -Thebe. Op den Nijl ontmoetten zij Paäker’s boot. Zij riepen dien +Thebe. Op den Nijl ontmoetten zij Paäker’s boot. Zij riepen dien aan, en Ani noodigde den gids hem spoedig in zijn paleis een bezoek te brengen.</p> @@ -17194,7 +17155,7 @@ bezoek te brengen.</p> aanleg niet onder te doen voor die van den Mohar. Het erf, dat sedert onheuglijke tijden aan zijn geslacht behoorde, was zeer uitgestrekt, en zijn prachtig huis geleek wel een paleis. Hij zette -zich nu onder het schaduwrijk priëel om met zijne schoone vrouw +zich nu onder het schaduwrijk priëel om met zijne schoone vrouw en zijn jonge lieftallige dochtertjes aan het ontbijt deel te nemen. Op vriendelijken toon troostte hij zijne gemalin over menige kleine schade, die het onweder had aangericht, beloofde de meisjes in @@ -17208,14 +17169,14 @@ en bontgevederde vogels.</p> <p>Het jongste dochtertje hing aan zijn rechterarm en het oudste aan zijn linker, toen hij van de tafel opstond om met haar een bezoek te brengen aan den hoenderhof. Doch op weg daarheen, -kwam een dienaar vrouwe Setchem, de moeder van Paäker, bij +kwam een dienaar vrouwe Setchem, de moeder van Paäker, bij hem aanmelden.</p> -<p>»Breng haar bij mijne vrouw,” beval hij.</p> +<p>»Breng haar bij mijne vrouw,” beval hij.</p> <p>Toen echter de slaaf, die een rijk geschenk in geld in de hand hield, verzekerde, dat de weduwe van den Mohar hem alleen -wenschte te spreken, zeide hij onwillig: »Kan ik dan nooit als +wenschte te spreken, zeide hij onwillig: »Kan ik dan nooit als andere menschen rust genieten? De meesteres moet haar ontvangen, zij kan bij haar op mij wachten. Niet waar, meisjes, thans behoor ik aan u, en aan de hoenders, de eenden en de @@ -17228,7 +17189,7 @@ en vroolijk voerden zij hem met zich mede.</p> tuin te volgen. De diep bedroefde en beangstigde moeder had noode tot dezen gang besloten. Haar goedige oogen zwommen in tranen, toen zij den opperpriester mededeelde wat haar drukte.<span class="pagenum"><a name="Page_345" id="Page_345">[345]</a></span> -»Gij zijt de raadsman van zijn geweten,” zeide zij, »en gij weet +»Gij zijt de raadsman van zijn geweten,” zeide zij, »en gij weet ook, hoe mijn zoon de goden van het Seti-huis eert door geschenken en offers. Naar zijne moeder wil hij niet meer luisteren, maar gij bezit nog macht over zijn gemoed. Schrikkelijke dingen @@ -17236,72 +17197,72 @@ voert hij in ’t schild, en wanneer gij hem geen vrees aanjaagt met de straf der hemelsche goden, dan heft hij zijne hand op tegen Mena, en mogelijk, mogelijk ook....”</p> -<p>»Tegen den koning,” zeide Ameni ernstig. »Ik weet het, en +<p>»Tegen den koning,” zeide Ameni ernstig. »Ik weet het, en zal met hem spreken.”</p> -<p>»Neem mijn dank aan,” riep de weduwe, diep geroerd, en -greep naar het gewaad van den priester om het te kussen. »Gij +<p>»Neem mijn dank aan,” riep de weduwe, diep geroerd, en +greep naar het gewaad van den priester om het te kussen. »Gij waart het toch zelf, die na zijne geboorte mijn echtgenoot hebt aangekondigd, dat hij onder een gelukkig teeken geboren was, en dat hij tot eer van zijn huis en tot sieraad van zijn geslacht zou opwassen. En nu wil hij zich rampzalig maken voor dit leven en het toekomende!”</p> -<p>»Wat ik uw zoon heb aangekondigd,” viel Ameni haar in de -rede, »dat zal geschieden, al voeren de goden en menschen hem +<p>»Wat ik uw zoon heb aangekondigd,” viel Ameni haar in de +rede, »dat zal geschieden, al voeren de goden en menschen hem ook langs allerlei kronkelpaden.”</p> -<p>»Hoe doen die woorden mij goed!” riep Setchem. »O, als gij +<p>»Hoe doen die woorden mij goed!” riep Setchem. »O, als gij wist welk een vreeselijke angst dit hart beklemde, toen ik besloot tot u te gaan! Maar gij weet ook nog niet alles. De trotsche -masten van cederhout, die Paäker uit Syrië van den verren +masten van cederhout, die Paäker uit Syrië van den verren Libanon naar Egypte zond, om de vanen te dragen en de hooge poort van ons huis te sieren, heeft de geweldige storm tegen zonsopgang ter aarde gesmeten.”</p> -<p>»Zoo zal de trots van uw zoon gebroken worden,” zeide Ameni. -»Maar voor u zal, wanneer gij slechts geduldig wacht, een nieuw +<p>»Zoo zal de trots van uw zoon gebroken worden,” zeide Ameni. +»Maar voor u zal, wanneer gij slechts geduldig wacht, een nieuw tijdperk van vreugde geboren worden.”</p> -<p>»Nogmaals zeg ik uw dank,” hernam Setchem. »Maar ik heb +<p>»Nogmaals zeg ik uw dank,” hernam Setchem. »Maar ik heb nog iets op ’t hart. Ik weet wel hoe gierig gij zijt op de uren, die gij schenkt aan uw gezin. Ik herinner mij zeer goed, hoe gij eens aan mijn echtgenoot zeidet, dat gij u hier in Thebe gevoeldet als een vrachtpaard, dat men het zware tuig heeft afgenomen, en zich mag vermeien in de groene weide. Ik wil u ook niet langer meer ophouden, maar de goden zonden mij ook -zulk een vreemd droomgezicht. — Paäker had naar mijn moederlijken +zulk een vreemd droomgezicht. — Paäker had naar mijn moederlijken raad niet geluisterd. Vol kommer ging ik naar mijne vertrekken terug. De zon stond reeds aan den hemel, toen eene sluimering van eenige oogenblikken mijne oogleden sloot. Toen zag ik den feestredenaar Pentaoer, die zoo zonderling gelijkt op -mijn gestorven echtgenoot in gedaante en stem. Paäker trad hem +mijn gestorven echtgenoot in gedaante en stem. Paäker trad hem tegen, hij schold hem vreeselijk en ging hem met vuisten te lijf. De priester hief zijne armen op, als om te bidden, juist zooals ik het gisteren op het feestterrein heb gezien. Doch het was niet<span class="pagenum"><a name="Page_346" id="Page_346">[346]</a></span> om de goden te prijzen, maar om mijn zoon te omvatten en met hem te worstelen. De worsteling duurde maar kort, want -Paäker kromp ineen, en verloor zijne menschelijke gedaante. +Paäker kromp ineen, en verloor zijne menschelijke gedaante. Het was niet mijn kind, dat aan de voeten des dichters neerviel, maar een groot vochtig stuk klei, gelijk de pottebakkers gebruiken, om er vazen uit te vormen.”</p> -<p>»Een vreemde droom!” sprak Ameni, niet zonder ontroering. -»Een vreemde droom! Maar hij verkondigt u goede dingen. De +<p>»Een vreemde droom!” sprak Ameni, niet zonder ontroering. +»Een vreemde droom! Maar hij verkondigt u goede dingen. De klei, vrouwe Setchem, laat zich kneden. Let daarom wel op hetgeen de goden u aankondigen. De hemelsche goden willen een nieuwen, een beteren zoon, uit den ouden voor u doen geboren worden. Langs welke wegen dit geschieden zal, is mij nog verborgen. Ga nu heen en offer, en vertrouw op de wijze raadsbesluiten van hen, die het leven der wereld en der stervelingen -besturen. Nog een anderen raad moet ik u geven. Als Paäker +besturen. Nog een anderen raad moet ik u geven. Als Paäker soms berouwvol tot u komt, ontvang hem dan liefderijk en deel het mij mede. Maar blijft hij halsstarrig weigeren zijn wil te buigen, sluit dan uwe vertrekken voor hem, en laat hem zonder afscheid heengaan.”</p> <p>Toen Setchem zich met een verlicht hart verwijderd had, prevelde -Ameni: »Zij zal eene schoone vergoeding ontvangen, voor +Ameni: »Zij zal eene schoone vergoeding ontvangen, voor dien ruwen kerel; zij moet ons echter het wapen, waarmede wij onzen slag willen slaan, niet week maken. Dikwijls heb ik er aan getwijfeld, of droomen wel in staat waren ons de toekomst @@ -17315,14 +17276,14 @@ wilden elkander niet vormelijk groeten. Eerst toen de paarden de draagstoeldragers voorbij waren gerend, zag de moeder op naar den zoon, en de zoon om naar zijne moeder. Hunne blikken ontmoetten elkander en beiden gevoelden als een dolksteek in het hart. -Aan den avond van denzelfden dag vertrok de gids naar Syrië, +Aan den avond van denzelfden dag vertrok de gids naar Syrië, nadat hij met den stadhouder gesproken, in het Seti-huis Ameni’s zegen over al zijne ondernemingen ontvangen, en in het graf zijns vaders geofferd had. Juist toen hij den wagen wilde bestijgen, werd hem bericht dat de mattenvlechter, die de mastboomen -vóor zijne poort had doorgezaagd, gevangen was.</p> +vóor zijne poort had doorgezaagd, gevangen was.</p> -<p>»Laat hem de oogen uitsteken!” Dit waren de laatste woorden, +<p>»Laat hem de oogen uitsteken!” Dit waren de laatste woorden, die hij op zijn erfgoed sprak.</p> <p>Setchem zag hem lang achterna. Zij had hem een afscheidsgroet @@ -17371,10 +17332,10 @@ goede nooit van heden tot morgen moest uitstellen, en Nefert bewogen haar te volgen naar de plaatsen, waar de verschillende werkzaamheden werden verricht.</p> -<p>»Wij moeten beiden tot andere gedachten komen,” zeide zij. -»Nu en dan overvalt mij onwillekeurig eene rilling, en is het mij +<p>»Wij moeten beiden tot andere gedachten komen,” zeide zij. +»Nu en dan overvalt mij onwillekeurig eene rilling, en is het mij als droeg ik een brandmerk, als ware ik onteerd door eene vuile -vlek hier aan den schouder, waar de ruwe hand van Paäker +vlek hier aan den schouder, waar de ruwe hand van Paäker mij heeft aangeraakt.”</p> <p>Den eersten werkdag had Nefert nog veel met zichzelve te @@ -17388,7 +17349,7 @@ uit Thebe, die nog in het leger streden of reeds gevallen waren. Deze hielden zich bezig met het uitzoeken en schikken van genezende kruiden. Hare helpsters zaten in kleine kringen op den grond neergehurkt. In het midden van elke groep lag -eene groote hoop versch geplukte en gedroogde planten, en vóor<span class="pagenum"><a name="Page_350" id="Page_350">[350]</a></span> +eene groote hoop versch geplukte en gedroogde planten, en vóor<span class="pagenum"><a name="Page_350" id="Page_350">[350]</a></span> elke arbeidster zag men een groot aantal pakjes met de uitgezochte wortels, bladeren en bloemen. Een oude heelkundige was belast met de geheele leiding van dezen arbeid, en had Nefert @@ -17402,8 +17363,8 @@ uitgezocht. Het duurde niet lang, of zij wist de ijverige en zorgvuldige arbeidsters te onderkennen van de trage, of die haar taak vluchtig volbrachten.</p> -<p>»Ei, ei,” zeide zij, terwijl zij zich voorover boog tot een klein -halfnaakt meisje, met groote ovale oogen. »Gij werpt alles maar +<p>»Ei, ei,” zeide zij, terwijl zij zich voorover boog tot een klein +halfnaakt meisje, met groote ovale oogen. »Gij werpt alles maar door elkaar! Je vader is immers in het leger, zooals ge mij gezegd hebt? Denk eens, zou het niet erg treurig zijn, wanneer men, zoo een pijl hem trof, dit kruid op zijne brandende wond @@ -17414,17 +17375,17 @@ hem genezen kan?”</p> had nog eens na.</p> <p>Nefert ging nu weder naar eene andere kleine, die zat te -luieren. »Daar zit je nu weer te babbelen en niets te doen,” -zeide zij, »en toch staat je vader in ’t veld! Als hij nu eens ziek +luieren. »Daar zit je nu weer te babbelen en niets te doen,” +zeide zij, »en toch staat je vader in ’t veld! Als hij nu eens ziek is en geene geneesmiddelen heeft, en wanneer hij dan in den -nacht, van zijn dochtertje droomende, je zóo ziet zitten, dan zegt +nacht, van zijn dochtertje droomende, je zóo ziet zitten, dan zegt hij zeker tot zichzelven: Nu zou ik gezond kunnen zijn, maar mijn kind heeft mij niet meer lief, want zij legt liever de handen in den schoot, dan dat zij voor haar zieken vader geneesmiddelen klaar maakt.”</p> <p>Daarna richtte Nefert zich tot een grooteren kring van meisjes, -die kruiden zaten uit te zoeken, en sprak: »Weet gij wel, kinderen, +die kruiden zaten uit te zoeken, en sprak: »Weet gij wel, kinderen, waar al deze vriendelijke en gezegende kruiden vandaan komen? De goede Horus was ten krijg getogen tegen Seth, den moordenaar van zijn vader, en in het gevecht sloeg de woedende @@ -17439,11 +17400,11 @@ weende zij. De eene traan voor, de andere na viel op de aarde, en overal waar deze in den bodem drongen, daar wies zulk een gezegend kruidje op”<a name="FNanchor_268" id="FNanchor_268"></a><a href="#Footnote_268" class="fnanchor">268)</a>.</p> -<p>»Isis is zeer goed,” riep nu een meisje, dat tegenover haar -zat. »Moeder zegt altijd, dat Isis de kinderen ook liefheeft, +<p>»Isis is zeer goed,” riep nu een meisje, dat tegenover haar +zat. »Moeder zegt altijd, dat Isis de kinderen ook liefheeft, wanneer zij goed oppassen.”</p> -<p>»Uwe moeder heeft gelijk,” antwoordde Nefert. »Isis heeft ook +<p>»Uwe moeder heeft gelijk,” antwoordde Nefert. »Isis heeft ook zelve haar lieve Horus-kindje. En ieder mensch die sterft, wordt, als hij braaf heeft geleefd, weder een kind, en de godin neemt hem tot zich, alsof hij haar eigen kind was, en legt hem aan @@ -17453,10 +17414,10 @@ hij groot zal zijn en voor zijn vader strijden kan.”</p> <p>Nefert had opgemerkt, dat onder deze woorden eene vrouw was begonnen te weenen. Zij ging tot haar om te vragen wat haar deerde, en kwam te weten dat haar man en haar zoon, -de eerste in Syrië, de laatste op zijn terugreis naar Egypte, +de eerste in Syrië, de laatste op zijn terugreis naar Egypte, gestorven waren.</p> -<p>»Arme vrouw en moeder!” zeide Nefert. »Nu moogt gij wel +<p>»Arme vrouw en moeder!” zeide Nefert. »Nu moogt gij wel dubbel uw best doen, opdat de wonden der anderen geheeld worden! Ik wil u nog iets anders van Isis vertellen. Zij had haar gemaal Osiris zeer liefgehad, zooals gij uw gestorven echtgenoot, @@ -17475,7 +17436,7 @@ door een traan van Isis<a name="FNanchor_270" id="FNanchor_270"></a><a href="#Fo weduwe tot zegen voor vele millioenen geslachten.”</p> <p>De vrouw had opmerkzaam naar haar geluisterd, en zeide, toen -Nefert zweeg: »Maar ik heb nu ook de drie bloedjes van kinderen, +Nefert zweeg: »Maar ik heb nu ook de drie bloedjes van kinderen, die mijn zoon naliet, te onderhouden. Want zijne vrouw, eene waschvrouw, is helaas bij het verrichten van haar werk door een krokodil overvallen. Lieden van onze soort moeten in de eerste @@ -17488,23 +17449,23 @@ heb vier monden te voeden.”</p> nieuwe werkzaamheid, en verzocht Bent-Anat het loon van deze vrouw te verhoogen.</p> -<p>»Gaarne,” zeide de prinses, »Wat zou ik eene helpster als gij +<p>»Gaarne,” zeide de prinses, »Wat zou ik eene helpster als gij zijt kunnen weigeren! Kom thans eens mede in mijne keuken. Ik laat vruchten inpakken voor mijn vader en broeders. Daar mag nu toch ook wel een kistje voor Mena bij.”</p> <p>Nefert volgde hare vorstelijke vriendin, en zag hoe men juist in eene kist goudgele dadels van de oase van Amon<a name="FNanchor_271" id="FNanchor_271"></a><a href="#Footnote_271" class="fnanchor">271)</a> en in eene -andere donkere van Nubië, de lievelingssoorten van den koning, +andere donkere van Nubië, de lievelingssoorten van den koning, had gelegd.</p> -<p>»Laat mij dat pakken!” riep Nefert, beval de dienstmaagd, +<p>»Laat mij dat pakken!” riep Nefert, beval de dienstmaagd, die er mede bezig was, de kistjes weder te ledigen, en legde nu de dadels van verschillende kleuren, benevens eenige andere in suiker gekookte vruchten, in sierlijke figuren bijeen.</p> <p>Bent-Anat zag dit met welgevallen, reikte haar toen zij gereed -was de hand en zeide: »Wat uwe vingers maar aanroeren, dat +was de hand en zeide: »Wat uwe vingers maar aanroeren, dat krijgt dadelijk een vriendelijk aanzien. Geef me dat stuk papyrus! Ik zal het in dit kistje leggen en er op schrijven: Dit heeft de vlijtige medehelpster van zijne dochter Bent-Anat, de vrouw van @@ -17513,7 +17474,7 @@ Mena, voor koning Ramses ingepakt.”</p> <p>Na de rust van den middag werd de prinses weggeroepen, en Nefert bleef nog eenige uren met hare arbeidsters alleen. Toen<span class="pagenum"><a name="Page_353" id="Page_353">[353]</a></span> de zon onderging en de vlijtige schare wilde opbreken, hield Nefert -de vrouwen en meisjes nog terug en zeide: »De zonneschuit +de vrouwen en meisjes nog terug en zeide: »De zonneschuit verdwijnt ginds achter de westelijke bergen. Komt, laat ons te zamen bidden voor den koning en onze geliefden in ’t veld. Ieder denke aan de zijnen, gij kinderen aan uwe vaders, gij vrouwen @@ -17526,11 +17487,11 @@ vroeg zich opnieuw zal vertoonen.”</p> <p>Toen zij weder opstonden, liep een klein meisje naar de vrouw van Mena en zeide schuchter, terwijl zij haar kleedje frommelde: -»Gij hebt ons ook gisteren hier laten knielen, en stellig zal het +»Gij hebt ons ook gisteren hier laten knielen, en stellig zal het ook heden met mijne moeder wat beter gaan, nu ik voor haar gebeden heb.”</p> -<p>»O zeker,” zeide Nefert, en zij streelde de zwarte haren van +<p>»O zeker,” zeide Nefert, en zij streelde de zwarte haren van het kind.</p> <p>Zij vond Bent-Anat op het balkon, peinzend starende over den @@ -17538,19 +17499,19 @@ stroom naar de doodenstad, die al meer en meer in duisternis werd gehuld. Toen zij de zachte schreden harer vriendin achter zich hoorde, schrikte zij een oogenblik.</p> -<p>»Ik stoor u zeker,” zeide Nefert, en trad terug.</p> +<p>»Ik stoor u zeker,” zeide Nefert, en trad terug.</p> -<p>»Neen blijf,” smeekte Bent-Anat. »Ik dank de goden dat ik u +<p>»Neen blijf,” smeekte Bent-Anat. »Ik dank de goden dat ik u heb, want het is mij zoo wee, zoo akelig wee om ’t hart.”</p> -<p>»Ik weet waaraan gij dacht,” sprak Nefert zacht.</p> +<p>»Ik weet waaraan gij dacht,” sprak Nefert zacht.</p> -<p>»Welnu?” vroeg de prinses.</p> +<p>»Welnu?” vroeg de prinses.</p> -<p>»Aan Pentaoer.”</p> +<p>»Aan Pentaoer.”</p> -<p>»Ik denk aan hem en altijd aan hem,” antwoordde de prinses, -»en toch is er nog iets anders wat mijn gemoed beweegt. Ik ben +<p>»Ik denk aan hem en altijd aan hem,” antwoordde de prinses, +»en toch is er nog iets anders wat mijn gemoed beweegt. Ik ben mij zelve niet meer. Wat ik denk moest ik niet denken, wat ik gevoel niet gevoelen, en toch kan ik het niet van mij zetten. Ik geloof dat mijn hart zou doodbloeden, wanneer ik het er met @@ -17560,12 +17521,12 @@ schouders bijna niet kunnen dragen, iets buitengewoons, dat u misschien weder van mijne zijde wegneemt en naar uwe moeder terugvoert.”</p> -<p>»Alles wil ik met u deelen,” riep Nefert. »Maar wat verlangt +<p>»Alles wil ik met u deelen,” riep Nefert. »Maar wat verlangt men dan van u? Zijt gij dan de dochter van Ramses niet meer?”</p> -<p>»Als eene burgervrouw heb ik mij aan het volk vertoond,” -antwoordde Bent-Anat, »en nu heb ik de gevolgen van deze +<p>»Als eene burgervrouw heb ik mij aan het volk vertoond,” +antwoordde Bent-Anat, »en nu heb ik de gevolgen van deze daad te dragen. Bek-en-Choensoe, de opperpriester van Amon, was zooeven bij mij, en ik heb mij lang met hem onderhouden. De eerwaardige man is mij welgezind, dat weet ik, en mijn vader<span class="pagenum"><a name="Page_354" id="Page_354">[354]</a></span> @@ -17576,16 +17537,16 @@ tempel in de Nekropolis betreden, en nadat ik mij reeds eens had gewaagd op het erf van een Paraschiet, en mij daarover de berisping van Ameni op den hals gehaald, deed ik het toch andermaal. Zij weten aan de overzijde alles, wat ons daar bejegend -is! Nu moet ik mij laten reinigen, óf door Ameni zelven +is! Nu moet ik mij laten reinigen, óf door Ameni zelven in het Seti-huis, in tegenwoordigheid van alle priesters en rijksgrooten, -met buitengewone plechtigheid, óf door eene bedevaart +met buitengewone plechtigheid, óf door eene bedevaart te ondernemen tot de Smaragden-Hathor<a name="FNanchor_272" id="FNanchor_272"></a><a href="#Footnote_272" class="fnanchor">272)</a>, onder welker bescherming men de edelgesteenten uit de rotsen houwt, en het erts vindt, dat door smelting wordt gelouterd. De godin, die het echte van het onechte scheidt, zal, zoo zeggen zij, de onreinheid van mij nemen, gelijk zij het edel metaal van de slakken zuivert. Eene dagreize of iets verder van de steengroeven vloeit van den -heiligen berg des Heeren, den Sinaï<a name="FNanchor_273" id="FNanchor_273"></a><a href="#Footnote_273" class="fnanchor">273)</a>, zooals de Mentoe<a name="FNanchor_274" id="FNanchor_274"></a><a href="#Footnote_274" class="fnanchor">274)</a> hem +heiligen berg des Heeren, den Sinaï<a name="FNanchor_273" id="FNanchor_273"></a><a href="#Footnote_273" class="fnanchor">273)</a>, zooals de Mentoe<a name="FNanchor_274" id="FNanchor_274"></a><a href="#Footnote_274" class="fnanchor">274)</a> hem noemen, eene diepe beek<a name="FNanchor_275" id="FNanchor_275"></a><a href="#Footnote_275" class="fnanchor">275)</a>, en daarbij verheft zich het heiligdom der godin, waarin de priesters reiniging verleenen. De tocht is lang; de weg leidt door de woestijn en over de zee; maar @@ -17602,9 +17563,9 @@ Ik gevoel wel dat dit alles niet onjuist is, en toch kan ik mij moeilijk schikken naar de uitspraak van den opperpriester, omdat ik de dochter van Ramses ben!”</p> -<p>»Dat zijt gij,” sprak Nefert, »en uw vader is een god!”</p> +<p>»Dat zijt gij,” sprak Nefert, »en uw vader is een god!”</p> -<p>»Maar,” ging de prinses voort, »hij heeft mij ook altijd geleerd de +<p>»Maar,” ging de prinses voort, »hij heeft mij ook altijd geleerd de inzettingen te eeren. Ook heb ik met Bek-en-Choensoe nog wat anders besproken. Gij weet dat ik de hand van den stadhouder afwees. Hij zal in stilte boos op mij zijn. Dat nu zou mij geen @@ -17618,66 +17579,66 @@ besloten de reis te aanvaarden, wat het mij ook zal kosten zooveel hier te verlaten. — Vrees niets, lieve, gij zijt te teeder voor zulk een verren tocht; ik zou....”</p> -<p>»Neen, neen,” riep Nefert, »ik trek met u, al ging de reis +<p>»Neen, neen,” riep Nefert, »ik trek met u, al ging de reis ook tot aan de vier zuilen des hemels aan de uiteinden der aarde<a name="FNanchor_277" id="FNanchor_277"></a><a href="#Footnote_277" class="fnanchor">277)</a>. Gij hebt een nieuw leven in mij gewekt, en wat thans in mijn binnenste zoo frisch ontkiemt, zou weder verdorren, als -ik tot mijne moeder terugkeerde. Of zij, óf ik moet meesteres zijn +ik tot mijne moeder terugkeerde. Of zij, óf ik moet meesteres zijn in onze woning. Alleen met Mena wil ik haar weder betreden!”</p> -<p>»Zoo is dan besloten, ik vertrek!” zeide de prinses. »O ware +<p>»Zoo is dan besloten, ik vertrek!” zeide de prinses. »O ware mijn vader maar niet zoo ver; kon ik hem maar raad vragen en zijne stem hooren!”</p> -<p>»Ja, die krijg, die eeuwigdurende krijg!” zuchtte Nefert. -»Waarom stellen de mannen zich toch nooit tevreden met hetgeen +<p>»Ja, die krijg, die eeuwigdurende krijg!” zuchtte Nefert. +»Waarom stellen de mannen zich toch nooit tevreden met hetgeen zij hebben, en verkiezen zij een ijdelen roem boven den stillen vrede, die het leven siert!”</p> -<p>»Zouden zij dan mannen zijn? Zouden wij hen kunnen liefhebben, +<p>»Zouden zij dan mannen zijn? Zouden wij hen kunnen liefhebben, indien zij anders waren?” vroeg Bent-Anat levendig. -»Scheppen de goden ook in den strijd geen behagen? Hebt gij +»Scheppen de goden ook in den strijd geen behagen? Hebt gij ooit een verhevener beeld gezien, dan dat van Pentaoer, toen hij<span class="pagenum"><a name="Page_356" id="Page_356">[356]</a></span> dien onbehouwen paal hoog door de lucht slingerde, en zijn leven waagde om de bedreigde onschuld te beschermen?”</p> -<p>»Ik waagde maar even een blik in den hof te slaan,” antwoordde -Nefert, »want ik maakte mij zoo angstig. Maar zijn luid geroep +<p>»Ik waagde maar even een blik in den hof te slaan,” antwoordde +Nefert, »want ik maakte mij zoo angstig. Maar zijn luid geroep klinkt mij nog in de ooren.”</p> -<p>»Zoo klinkt ook het krijgsgeschreeuw der helden in den slag, +<p>»Zoo klinkt ook het krijgsgeschreeuw der helden in den slag, die de vijanden doet beven!” zeide Bent-Anat.</p> -<p>»Ja zeker, zoo klinkt het!” riep prins Rameri, die zonder door +<p>»Ja zeker, zoo klinkt het!” riep prins Rameri, die zonder door de vrouwen opgemerkt te zijn, het halfdonkere vertrek van zijne zuster was binnengetreden.</p> -<p>De prinses keerde zich naar haar broeder om, zeggende: »Wat +<p>De prinses keerde zich naar haar broeder om, zeggende: »Wat doet ge mij daar schrikken!”</p> -<p>»U?” vroeg de prins verwonderd.</p> +<p>»U?” vroeg de prins verwonderd.</p> -<p>»Ja mij. Vroeger was ik kloek van hart, maar sedert dien +<p>»Ja mij. Vroeger was ik kloek van hart, maar sedert dien avond beef ik telkens, en overvalt mij gedurig een pijnlijke angst, ik weet zelve niet waarvoor. Ik geloof dat een demon mij beheerscht.”</p> -<p>»Gij heerscht, waar gij u vertoont, en gij wordt door niets -beheerscht,” zeide Rameri. »De ontsteltenis, en het verdriet dat +<p>»Gij heerscht, waar gij u vertoont, en gij wordt door niets +beheerscht,” zeide Rameri. »De ontsteltenis, en het verdriet dat gij in het dal hebt geleden, en daarna aan de landingstrap, dat alles zit u nog in de leden. Ook ik begin te knarsetanden, als ik eraan denk, hoe zij mij uit de school hebben gebannen, en hoe -die Paäker zijn hond tegen mij aanhitste. Ik heb heden vrij wat +die Paäker zijn hond tegen mij aanhitste. Ik heb heden vrij wat ondervonden.”</p> -<p>»Waar zijt gij toch zoolang geweest?” vroeg Bent-Anat. »Neef +<p>»Waar zijt gij toch zoolang geweest?” vroeg Bent-Anat. »Neef Ani had toch bevolen, dat gij het paleis niet mocht verlaten.”</p> -<p>»Ik zal in de volgende maand mijn achttiende jaar intreden,” -antwoordde de prins, »en heb geen voogd meer noodig!”</p> +<p>»Ik zal in de volgende maand mijn achttiende jaar intreden,” +antwoordde de prins, »en heb geen voogd meer noodig!”</p> -<p>»Maar onze vader....” wilde Bent-Anat hem vermanen.</p> +<p>»Maar onze vader....” wilde Bent-Anat hem vermanen.</p> -<p>»Onze vader,” viel Rameri haar in de reden, »kent den stadhouder +<p>»Onze vader,” viel Rameri haar in de reden, »kent den stadhouder slecht. Doch ik zal hem schrijven, al wat ik heden onder het volk heb hooren vertellen. Men zegt dat zij Ani op het feest van het dal zoo goed als gehuldigd hebben, en de een vertelt den @@ -17688,25 +17649,25 @@ waar zijn.”</p> <p>Nefert verbleekte. Bent-Anat vroeg eenige nadere bijzonderheden, waarop de prins vertelde wat hij vernomen had, om dan lachend -uit te roepen: »Ani zou mijn vader doen vallen! Dat is zooveel +uit te roepen: »Ani zou mijn vader doen vallen! Dat is zooveel alsof ik de Isis-ster van den hemel wilde losrukken, om daarmede de lampen te ontsteken, die hier nog altijd ontbreken!”</p> -<p>»Ik vind het vertrouwelijker in donker te zitten,” zeide Nefert.</p> +<p>»Ik vind het vertrouwelijker in donker te zitten,” zeide Nefert.</p> -<p>»Neen, laat het licht komen,” zeide Bent-Anat. »Men kan +<p>»Neen, laat het licht komen,” zeide Bent-Anat. »Men kan beter spreken, wanneer men hen tot wie men spreekt in de<span class="pagenum"><a name="Page_357" id="Page_357">[357]</a></span> oogen kan zien. — Wat die dwaze volkspraatjes betreft, ik geloof er niet aan. Maar gij hebt gelijk, wij moeten er onzen vader kennis van geven.”</p> -<p>»In de doodenstad hoorde ik de dolzinnigste zwetserij,” zeide +<p>»In de doodenstad hoorde ik de dolzinnigste zwetserij,” zeide Rameri.</p> -<p>»Hebt gij u dan aan de overzijde gewaagd? Hoe verkeerd hebt +<p>»Hebt gij u dan aan de overzijde gewaagd? Hoe verkeerd hebt gij gedaan!”</p> -<p>»Ik had mij weder een weinig verkleed, en heb heel veel +<p>»Ik had mij weder een weinig verkleed, en heb heel veel goeds te vertellen. Het gaat met de lieve Warda veel beter. Zij heeft uwe geschenken ontvangen, en woont weder in haar eigen huis. Naast de afgebrande stond een vervallen hut, die haar @@ -17717,30 +17678,30 @@ met de andere meisjes in het paleis voor u te werken, tegen hoog loon. Maar zij wilde niet, want zij moet hare zieke grootmoeder verplegen. Ook is zij trotsch en wil niemand dienen.”</p> -<p>»Het komt mij voor, dat gij lang bij die onreine hebt vertoefd,” -zeide Bent-Anat verwijtend. »Ik had gedacht, dat hetgeen +<p>»Het komt mij voor, dat gij lang bij die onreine hebt vertoefd,” +zeide Bent-Anat verwijtend. »Ik had gedacht, dat hetgeen mij is wedervaren, u tot eene waarschuwing geweest zou zijn.”</p> -<p>»Ik wil niet beter zijn dan gij!” hernam de prins. »Bovendien +<p>»Ik wil niet beter zijn dan gij!” hernam de prins. »Bovendien is de Paraschiet dood, en Warda’s vader is een eerlijk soldaat die niemand verontreinigt. Voorts hield ik mij op een afstand van de oude vrouw. Morgen steek ik weder over; dat heb ik haar beloofd.”</p> -<p>»Aan wie?” vroeg Bent-Anat.</p> +<p>»Aan wie?” vroeg Bent-Anat.</p> -<p>»Aan wie anders dan aan Warda! Zij houdt veel van bloemen, +<p>»Aan wie anders dan aan Warda! Zij houdt veel van bloemen, en na de roos, die gij haar hebt geschonken, heeft zij er geene meer gezien. Ik heb den hovenier reeds bevolen, dat hij mij tegen morgen een korf vol rozen moet snijden, die ikzelf haar brengen zal.”</p> -<p>»Dat zult gij niet doen!” riep Bent-Anat. »Gij zijt nog half +<p>»Dat zult gij niet doen!” riep Bent-Anat. »Gij zijt nog half een kind, en al ware dit niet zoo, ook om den wil van het meisje zult gij het laten.”</p> -<p>»Wij zitten samen alleen wat te keuvelen,” zeide de prins terwijl -hij bloosde, »en niemand zal mij herkennen. Ja, als gij het +<p>»Wij zitten samen alleen wat te keuvelen,” zeide de prins terwijl +hij bloosde, »en niemand zal mij herkennen. Ja, als gij het volstrekt verlangt dan zal ik niet met dien korf vol rozen oversteken, maar alleen ga ik toch tot haar. — Neen, zuster, dat laat ik mij niet verbieden! Zij is zoo bekoorlijk, zoo blank, zoo teeder, @@ -17752,12 +17713,12 @@ eens aan, zij zegt dat Pentaoer geen kind van zijne ouders is maar een goede geest, die op aarde is gekomen, misschien wel<span class="pagenum"><a name="Page_358" id="Page_358">[358]</a></span> eene godheid. In het begin was zij zeer schuchter, maar toen ik over Pentaoer begon, werd zij spraakzaam. Zij vereert hem -bijna afgodisch, en dat juist heeft mij geërgerd.”</p> +bijna afgodisch, en dat juist heeft mij geërgerd.”</p> -<p>»Gij zoudt zeker liever willen, dat zij u zoo vereerde?” zeide +<p>»Gij zoudt zeker liever willen, dat zij u zoo vereerde?” zeide Nefert lachende.</p> -<p>»Volstrekt niet!” hernam Rameri. »Maar ik heb haar mede +<p>»Volstrekt niet!” hernam Rameri. »Maar ik heb haar mede gered en het doet mij zoo goed als ik bij haar zit. Morgen, dat heb ik stellig voorgenomen, steek ikzelf haar eene bloem in het haar. Dat is wel rood, maar zoo zwaar als het uwe, Bent-Anat, @@ -17766,13 +17727,13 @@ en streelen!”</p> <p>De vrouwen zagen elkander aan met een blik, waaruit duidelijk bleek dat zij elkander verstonden. De prinses zeide dan ook -op beslissenden toon: »Gij gaat morgen niet naar de doodenstad, +op beslissenden toon: »Gij gaat morgen niet naar de doodenstad, mijn pleegzoon.”</p> -<p>»Dat zullen wij eens zien, mijn pleegmoedertje!”</p> +<p>»Dat zullen wij eens zien, mijn pleegmoedertje!”</p> <p>Dit zeide hij schertsend. Doch hierna werd hij ernstig en vervolgde: -»Ik heb ook mijn schoolvriend Anana gesproken. In het +»Ik heb ook mijn schoolvriend Anana gesproken. In het Seti-huis heerscht thans de ongerechtigheid! Pentaoer zit in de gevangenis en gisteren avond hebben zij gericht over hem gehouden. Onze neef Ani was ook daarbij, en heeft den dichter @@ -17787,21 +17748,21 @@ Morgen ga ik weder naar de overzijde, en zal nog wel meer te weten komen, misschien wel iets verschrikkelijks, denk ik. Op zijn minst zal hij voor vele jaren worden gevangen gezet.”</p> -<p>Bent-Anat was doodsbleek geworden. »Wat zij hem aandoen,” -riep zij uit, »lijdt hij om mijnentwil! O gij almachtige goden, +<p>Bent-Anat was doodsbleek geworden. »Wat zij hem aandoen,” +riep zij uit, »lijdt hij om mijnentwil! O gij almachtige goden, helpt hem, helpt mij en weest mij genadig!”</p> <p>Zij sloeg de handen voor het aangezicht en verliet het vertrek.</p> -<p>»Wat mag mijne zuster toch wel overkomen zijn,” vroeg Rameri -aan Nefert; »zij komt mij zoo vreemd voor, en ook gij zijt +<p>»Wat mag mijne zuster toch wel overkomen zijn,” vroeg Rameri +aan Nefert; »zij komt mij zoo vreemd voor, en ook gij zijt anders dan gewoonlijk!”</p> -<p>»Wij beiden hebben ons in zekeren nieuwen toestand te verplaatsen.”</p> +<p>»Wij beiden hebben ons in zekeren nieuwen toestand te verplaatsen.”</p> -<p>»Wat bedoelt gij hiermede?”</p> +<p>»Wat bedoelt gij hiermede?”</p> -<p>»Dat kan ik u zoo niet in een paar woorden verklaren. Maar +<p>»Dat kan ik u zoo niet in een paar woorden verklaren. Maar het komt mij voor als zult gijzelf weldra iets dergelijks ondervinden. — Rameri! Ga niet weder naar de Paraschieten!”</p> @@ -17818,8 +17779,8 @@ papyrus-Ebers, geneest Isis het oog van Horus.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_268" id="Footnote_268"></a><a href="#FNanchor_268"><span class="label">268)</span></a> De Egyptenaren schreven aan het bloed en de tranen der goden scheppende -krachten toe. Hierover kan men het best raadplegen Lefébure. <cite>Le -mythe osirien</cite>. <cite>Première partie: Les yeux d’Horus</cite>. +krachten toe. Hierover kan men het best raadplegen Lefébure. <cite>Le +mythe osirien</cite>. <cite>Première partie: Les yeux d’Horus</cite>. In de door Naville uitgegeven „Lofverheffingen van Ra” wordt deze godheid in de 21ste aanroeping „Remi”, d. i. „de weenende” genoemd, en in de teksten, die gevonden worden bij de voorstelling van de vier menschenrassen, @@ -17831,7 +17792,7 @@ zijn. Want daar spreekt de godheid op de volgende wijze de volken toe: <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_269" id="Footnote_269"></a><a href="#FNanchor_269"><span class="label">269)</span></a> Gelijk Isis als moeder, zoo wordt Nephtys als zoogmoeder en opvoedster -van Horus voorgesteld. Op het eiland Philak zien wij een der Ptolemaeën +van Horus voorgesteld. Op het eiland Philak zien wij een der Ptolemaeën als een jeugdige god afgebeeld, die van Nephtys onderwijs ontvangt in het harpspel. Osiris heeft beide godinnen lief, en beiden worden afgebeeld, weeklagende aan het hoofd- en aan het voeteinde van zijne lijkbaar. @@ -17853,7 +17814,7 @@ vruchten dragen, die wijd en zijd beroemd zijn.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_272" id="Footnote_272"></a><a href="#FNanchor_272"><span class="label">272)</span></a> De Hathor van het maskat was de godin, die voornamelijk op het Sinaïtisch +<p><a name="Footnote_272" id="Footnote_272"></a><a href="#FNanchor_272"><span class="label">272)</span></a> De Hathor van het maskat was de godin, die voornamelijk op het Sinaïtisch schiereiland werd vereerd. Na de grondige verhandeling van Lepsius, over de metalen bij de oude Egyptenaars, staat het vast, dat maskat noch koper beteekent, noch de turkoois, maar een groenen steen. Wordt het maskat @@ -17865,31 +17826,31 @@ vervaardigd, dat bewaard wordt in het Japansch paleis te Dresden.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_273" id="Footnote_273"></a><a href="#FNanchor_273"><span class="label">273)</span></a> Niet de berg Sinaï, waar de monniken wonen, maar het reusachtig -gebergte, dat thans Serbal heet, houden wij voor den Sinaï van den Bijbel. +<p><a name="Footnote_273" id="Footnote_273"></a><a href="#FNanchor_273"><span class="label">273)</span></a> Niet de berg Sinaï, waar de monniken wonen, maar het reusachtig +gebergte, dat thans Serbal heet, houden wij voor den Sinaï van den Bijbel. Wij hebben deze opvatting uitvoerig verdedigd in ons werk: <cite>Durch Gosen -zum Sinaï, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek</cite>.</p> +zum Sinaï, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek</cite>.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_274" id="Footnote_274"></a><a href="#FNanchor_274"><span class="label">274)</span></a> De bergvolken van het Sinaïtisch schiereiland.</p> +<p><a name="Footnote_274" id="Footnote_274"></a><a href="#FNanchor_274"><span class="label">274)</span></a> De bergvolken van het Sinaïtisch schiereiland.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_275" id="Footnote_275"></a><a href="#FNanchor_275"><span class="label">275)</span></a> In de tegenwoordige oase Feirân.</p> +<p><a name="Footnote_275" id="Footnote_275"></a><a href="#FNanchor_275"><span class="label">275)</span></a> In de tegenwoordige oase Feirân.</p> </div> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_276" id="Footnote_276"></a><a href="#FNanchor_276"><span class="label">276)</span></a> De naam van de godin der waarheid (Ma) wordt ook geschreven met -de hiëroglyphe, die eene el voorstelt. Van de oude heilige ellematen zijn er +de hiëroglyphe, die eene el voorstelt. Van de oude heilige ellematen zijn er verschillende bewaard gebleven. Men kan alles hierover vinden in Lepsius’ -verhandeling: „Die altägyptische Elle und ihre Eintheilung” in de <cite>Abhandl. +verhandeling: „Die altägyptische Elle und ihre Eintheilung” in de <cite>Abhandl. der k. Akademie der Wissenschaften</cite>, Berlin, 1865, s. 33.</p> </div> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_277" id="Footnote_277"></a><a href="#FNanchor_277"><span class="label">277)</span></a> De zuilen des hemels (sechent pet) komen in verschillende teksten -voor. Op de schoone overwinnings-stêle van Thotmes III te Boelaq leest +voor. Op de schoone overwinnings-stêle van Thotmes III te Boelaq leest men: „Ik (Amon) verbreid ... de vrees voor u tot de vier zuilen des hemels.” Men stelde zich voor, dat deze zuilen aan de uiterste einden van het zuiden, noorden, westen en oosten werden gevonden. Daarom worden ook @@ -17913,29 +17874,29 @@ Warda’s vader weder in orde was gebracht, de hut waarin de soldaat eens met zijne vrouw had gewoond. Zij richtten hunne schreden naar het hol van de oude Hekt.</p> -<p>»Hier omlaag, edele heer,” zeide de dwerg, »verzoek ik u +<p>»Hier omlaag, edele heer,” zeide de dwerg, »verzoek ik u eenige oogenblikken te wachten, om u bij mijne moeder aan te melden.”</p> -<p>»Dat klinkt zeker heel deftig,” antwoordde de ander, »maar -het zij zoo! Nog éene voorwaarde! De oude mag mij niet bij +<p>»Dat klinkt zeker heel deftig,” antwoordde de ander, »maar +het zij zoo! Nog éene voorwaarde! De oude mag mij niet bij mijn naam noemen, noch mijn titel op hare lippen nemen. Zij noeme mij hofmeester, want men kan nooit weten... Ik meen echter, dat niemand mij in deze vermomming zal herkennen.”</p> <p>Nemoe haastte zich naar het hol te gaan, waarvoor hij zijne -moeder vond zitten, die reeds van verre hem tegenriep: »Laat +moeder vond zitten, die reeds van verre hem tegenriep: »Laat dien heer nu niet wachten, ik weet maar al te goed wie het is!”</p> -<p>De kleine man legde den vinger op den mond en zeide: »Gij +<p>De kleine man legde den vinger op den mond en zeide: »Gij moet hem als hofmeester aanspreken.”</p> -<p>»Goed,” prevelde de tooveres. »Zoo steekt ook een struisvogel +<p>»Goed,” prevelde de tooveres. »Zoo steekt ook een struisvogel zijn kop in de veeren, wanneer hij wil dat men hem niet zien zal.”</p> -<p>»Is het prinsje gisteren nog lang bij Warda geweest?”</p> +<p>»Is het prinsje gisteren nog lang bij Warda geweest?”</p> -<p>»Neen, gek!” zeide de heks lachend. »Die kinderen spelen met +<p>»Neen, gek!” zeide de heks lachend. »Die kinderen spelen met elkander. Rameri is een jonge ram, die nog geen horens heeft, maar toch de plek voelt, waar ze zullen uitgroeien, en reeds beproeft of hij ze ook gebruiken kan. Pentaoer kan u bij dat @@ -17954,13 +17915,13 @@ aan de tooveres Hekt deed denken, en bad hem plaats te nemen op den eenigen stoel, dien zij bezat.</p> <p>Toen hij door eene beweging met de hand te kennen gaf, -dat hij niet verlangde te gaan zitten, zeide zij: »Wel zeker, gij +dat hij niet verlangde te gaan zitten, zeide zij: »Wel zeker, gij moet u nederzetten! Dan kan men u uit het dal niet zien, omdat gij achter deze rots hier verborgen zijt. Maar waarom hebt gij dit uur toch voor uw bezoek gekozen?”</p> -<p>»Omdat hetgeen ik met u wensch te bespreken haast heeft,” -zeide Ani, »en ik in den avond licht door de wachters zou kunnen +<p>»Omdat hetgeen ik met u wensch te bespreken haast heeft,” +zeide Ani, »en ik in den avond licht door de wachters zou kunnen worden aangeroepen. Mijne vermomming is voldoende. Onder dit overkleed draag ik mijn gewoon gewaad. Van hier ga ik het dal in naar het graf mijner vaderen, om daar den groven rok en wat @@ -17969,8 +17930,8 @@ te wachten, die reeds besteld is. Ik zal aan de menschen zeggen, dat ik heden eene gelofte heb vervuld, om namelijk de groeve te voet en als een deemoedige te bezoeken.”</p> -<p>»Goed bedacht,” prevelde de oude. Doch Ani wees op den -dwerg en zeide op beleefden toon: »Uw leerling!”</p> +<p>»Goed bedacht,” prevelde de oude. Doch Ani wees op den +dwerg en zeide op beleefden toon: »Uw leerling!”</p> <p>Sedert de onthulling die zij gedaan had, was Hekt voor hem niet langer de gewone tooveres. De oude vrouw gevoelde het, @@ -17981,12 +17942,12 @@ zwarten snavel wijd opensperde en een gekras deed hooren. Zij wierp er een stuk kaas in, en de vogel huppelde weg, zijne geknotte vleugels naslepende, en zweeg.</p> -<p>»Ik moet u over Pentaoer spreken,” zeide Ani.</p> +<p>»Ik moet u over Pentaoer spreken,” zeide Ani.</p> <p>De oogen van de oude schoten vuur, en vol belangstelling -vroeg zij: »Wat is er dan met hem?”</p> +vroeg zij: »Wat is er dan met hem?”</p> -<p>»Ik heb allen grond,” antwoordde de stadhouder, »dezen man +<p>»Ik heb allen grond,” antwoordde de stadhouder, »dezen man voor gevaarlijk te houden. Hij staat mij in den weg. Allerlei kwaad heeft hij gedaan; wat erger is, hij heeft moorden begaan. Maar in het Seti-huis mogen zij hem gaarne lijden, en daar @@ -18003,13 +17964,13 @@ moeder alleen te bespreken!”</p> maar toch in de zekere overtuiging, dat hij later alles zou vernemen, wat tusschen die twee verhandeld werd.</p> -<p>Toen de kleine verdwenen was, vroeg Ani: »Gevoelt gij nog +<p>Toen de kleine verdwenen was, vroeg Ani: »Gevoelt gij nog iets voor het oude koningshuis, dat uwe ouders zoo met hart en ziel waren toegedaan?”</p> <p>De oude boog toestemmend het hoofd.</p> -<p>»Welnu, zoo zult gij mij uw hulp niet ontzeggen, wanneer +<p>»Welnu, zoo zult gij mij uw hulp niet ontzeggen, wanneer ik trachten wil het weder op te richten. Gij begrijpt hoezeer ik de priesters daarbij noodig heb, en ik heb Ameni gezworen Pentaoer niet naar het leven te zullen staan. Doch ik herhaal @@ -18027,30 +17988,30 @@ in de steengroeven werken, uit te kiezen tot hun eigen dienst. Het spreekt vanzelf, dat zij in het volgend jaar Pentaoer kiezen. Dan laten zij hem vrij en men lacht mij uit.”</p> -<p>»Niet kwaad verzonnen,” zeide de Heks!</p> +<p>»Niet kwaad verzonnen,” zeide de Heks!</p> -<p>»Ik heb nu met mijzelven, met Katoeti en ook met Nemoe -raad gehouden,” ging Ani voort, »maar alles wat zij bedachten<span class="pagenum"><a name="Page_362" id="Page_362">[362]</a></span> +<p>»Ik heb nu met mijzelven, met Katoeti en ook met Nemoe +raad gehouden,” ging Ani voort, »maar alles wat zij bedachten<span class="pagenum"><a name="Page_362" id="Page_362">[362]</a></span> was, ja, wel uitvoerbaar, doch onraadzaam, en zou voor het minst tot vermoedens leiden, die ik thans zorgvuldig moet trachten te vermijden. Wat is uw raad?”</p> -<p>»Assa’s stam moet ondergaan!” prevelde de oude somber. Daarna +<p>»Assa’s stam moet ondergaan!” prevelde de oude somber. Daarna staarde zij een poos nadenkend op den grond en zeide eindelijk: -»Laat een gat in het schip boren, en voor het in Chennoe aankomt, +»Laat een gat in het schip boren, en voor het in Chennoe aankomt, met de geboeide gevangenen verzinken.”</p> -<p>»Neen, neen, daaraan heb ikzelf al gedacht, en ook Nemoe -heeft het aangeraden,” zeide Ani. »Zoo iets is wel honderdmaal +<p>»Neen, neen, daaraan heb ikzelf al gedacht, en ook Nemoe +heeft het aangeraden,” zeide Ani. »Zoo iets is wel honderdmaal gebeurd. Ameni mag mij ook niet voor meineedig houden, en ik heb gezworen Pentaoer niet naar het leven te zullen staan.”</p> -<p>»O ja, dat hebt gij gezworen, en gij mannen zijt gewoon onder +<p>»O ja, dat hebt gij gezworen, en gij mannen zijt gewoon onder elkander woord te houden. Wacht eens even, hoe was het ook weer? — Gij laat het schip met de gevangenen naar Chennoe onder zeil gaan, doch gij geeft in ’t geheim aan den gezagvoerder bevel, dat hij in den nacht zoo snel mogelijk de steengroeven -voorbij moet varen, en verder koers zetten naar Ethiopië. Van +voorbij moet varen, en verder koers zetten naar Ethiopië. Van Soean<a name="FNanchor_280" id="FNanchor_280"></a><a href="#Footnote_280" class="fnanchor">280)</a> laat gij de gevangenen door de woestijn naar de goudmijnen voeren. Er kunnen vier, ja misschien wel acht weken verloopen, eer men verneemt wat er gebeurd is. Spreekt Ameni @@ -18058,18 +18019,18 @@ u dan hierover aan, dan houdt gij u alsof gij vertoornd zijt over dit misverstand, en gij kunt bij alle goden van hemel en onderwereld zweren, dat gij Pentaoer niet naar het leven hebt gestaan. Met het doen van onderzoek verloopen weder eenige -weken. Inmiddels doet Paäker het zijne en gij het uwe, en — gij +weken. Inmiddels doet Paäker het zijne en gij het uwe, en — gij zijt koning. Eene gelofte laat zich, dunkt mij, wel met een schepter verbrijzelen. En wilt gij volstrekt uw woord houden, welnu, laat Pentaoer dan in de goudmijnen. Van daar is nog nooit iemand teruggekeerd. Ook de gebeenten van mijn vader en mijne broeders zijn daar in de zon gebleekt.”</p> -<p>»Maar Ameni zal niet willen gelooven, dat het een misverstand +<p>»Maar Ameni zal niet willen gelooven, dat het een misverstand is geweest,” viel Ani de tooveres angstig in de rede.</p> -<p>»Beken dan, dat gij dien tocht hebt bevolen!” hernam Hekt. -»Verklaar dat gij te weten zijt gekomen, wat zij in Chennoe met +<p>»Beken dan, dat gij dien tocht hebt bevolen!” hernam Hekt. +»Verklaar dat gij te weten zijt gekomen, wat zij in Chennoe met Pentaoer voorhadden; dat gij uw woord hebt gehouden, maar dat gij een misdadiger niet straffeloos wildet laten. Zij zullen berichten inwinnen, en vinden zij den kleinzoon van Assa in @@ -18077,37 +18038,37 @@ het leven, dan zijt gij gerechtvaardigd. Volg mijn raad, wanneer gij waarlijk wilt toonen de belangen van uw huis ernstig te behartigen, en meester blijven van hetgeen gij bezit.”</p> -<p>»Het gaat niet,” zeide de stadhouder. »Ik heb den steun van +<p>»Het gaat niet,” zeide de stadhouder. »Ik heb den steun van Ameni niet enkel heden en morgen noodig. Ik wil geen blind<span class="pagenum"><a name="Page_363" id="Page_363">[363]</a></span> werktuig van hem worden, maar voor het oogenblik moet hij mij daarvoor houden.”</p> <p>De oude haalde de schouders op, stond op, ging haar hol -binnen, en kwam terug met een fleschje. »Neem dit mede,” -zeide zij. »Men behoeft slechts vier druppels van dit vocht in +binnen, en kwam terug met een fleschje. »Neem dit mede,” +zeide zij. »Men behoeft slechts vier druppels van dit vocht in den wijn te gieten, en het kan niet missen of die er van drinkt verliest zijn verstand. Neem de proef van dezen drank bij een slaaf, en gij zult zien dat hij uitnemend werkt.”</p> -<p>»Wat moet ik daarmede aanvangen?” vroeg Ani.</p> +<p>»Wat moet ik daarmede aanvangen?” vroeg Ani.</p> -<p>»U rechtvaardigen voor Ameni,” zeide de tooveres lachend. -»Gij beveelt den gezagvoerder van het schip dadelijk na zijn +<p>»U rechtvaardigen voor Ameni,” zeide de tooveres lachend. +»Gij beveelt den gezagvoerder van het schip dadelijk na zijn terugkeer bij u te komen. Gij onthaalt hem op wijn, en waarom zou Ameni, als hij den half waanzinnige ziet, niet gelooven, dat deze in zijne zinsverbijstering Chennoe is voorbij gevaren?”</p> -<p>»Dat is verstandig, dat is voortreffelijk!” riep Ani. »Het buitengewone +<p>»Dat is verstandig, dat is voortreffelijk!” riep Ani. »Het buitengewone daalt toch nimmer af tot het platte alledaagsche. Gij waart eens de schoonste der zangeressen, en thans zijt gij de wijste der vrouwen, vrouw Beki!”</p> -<p>»Ik ben thans Beki niet meer, ik heet Hekt,” zeide de oude +<p>»Ik ben thans Beki niet meer, ik heet Hekt,” zeide de oude op ruwen toon.</p> -<p>»Zoo als gij wilt! Inderdaad, had ik Beki’s gezang gehoord, +<p>»Zoo als gij wilt! Inderdaad, had ik Beki’s gezang gehoord, zoo zou ik mij aan haar tot grooter dank verplicht achten, dan -nu aan Hekt,” zeide Ani met een glimlach. »Doch ik mag de +nu aan Hekt,” zeide Ani met een glimlach. »Doch ik mag de verstandigste vrouw van Thebe niet verlaten, zonder eene ernstige vraag tot haar te richten. Is het u werkelijk gegeven een blik in de toekomst te slaan? Staan u middelen ten dienste, waardoor @@ -18115,7 +18076,7 @@ gij weten kunt, of het groote waagstuk — gij weet reeds wat ik bedoel, gelukken of mislukken zal?”</p> <p>Hekt zag weder naar den grond, en zeide, na een kortstondig -overleg: »Ik kan nog niets met zekerheid zeggen, maar uw +overleg: »Ik kan nog niets met zekerheid zeggen, maar uw zaak staat goed. Ziet gij daar die twee sperwers met het kettinkje aan de pooten? Zij nemen van niemand voedsel aan dan van mij. Die ruiende met zijne grauwe geslotene oogen is Ramses; @@ -18124,18 +18085,18 @@ gij! Het komt er nu maar op aan wie van beiden het langst leeft. Tot dusverre is het voordeel aan uwe zijde, gelijk gij ziet.”</p> <p>Ani sloeg een boozen blik op den ziekelijken sperwer des -konings. Hekt zeide echter: »Men moet beiden geheel gelijk +konings. Hekt zeide echter: »Men moet beiden geheel gelijk behandelen, want men kan het noodlot niet dwingen.”</p> -<p>»Voeder ze dan goed!” riep de stadhouder, terwijl hij Hekt zijne +<p>»Voeder ze dan goed!” riep de stadhouder, terwijl hij Hekt zijne beurs in den schoot wierp. Hij voegde er bij, zich gereedmakende -om te vertrekken: »Wanneer een van beide vogels iets overkomt, +om te vertrekken: »Wanneer een van beide vogels iets overkomt, laat het mij dan intijds door Nemoe weten.”</p> <p>Ani daalde van den berg af, om zijne schreden te richten naar het naastbijzijnde graf zijner vaderen. Hekt kon niet nalaten hem<span class="pagenum"><a name="Page_364" id="Page_364">[364]</a></span> -uit te lachen, terwijl zij hem nazag, »Thans,” prevelde zij in -zich zelve, »thans beschermt die gek mij, ter wille van zijn +uit te lachen, terwijl zij hem nazag, »Thans,” prevelde zij in +zich zelve, »thans beschermt die gek mij, ter wille van zijn vogeltje! Die glimlachende en moedelooze man, die te lui is om voor zichzelven te denken, wil Egypte beheerschen! Ben ik dan zooveel wijzer dan andere menschen, of komen alleen de @@ -18160,7 +18121,7 @@ hymnen bevatten aan den Nijl en de lijsten der offers, die op de Nijlfeesten moesten worden gebracht. De opschriften kunnen door onderlinge vergelijking worden aangevuld. Dit is geschied door mijn vriend Stern en ook door mij op de plaats zelve. De eerste heeft ze daarna voortreffelijk verklaard -in de <cite>Zeitschrift für ägyptische Sprache und Altertumskunde</cite>, +in de <cite>Zeitschrift für ägyptische Sprache und Altertumskunde</cite>, 1873, s. 129. Ramses de groote heeft twee Nijlfeesten ingesteld. Stern vergelijkt ze met de beide feesten, die thans nog gevierd worden, namelijk: „De nacht van den druppel,” die altijd op den 11den @@ -18233,22 +18194,22 @@ zien. Doch weldra vernam hij hare stem van binnen door de geopende deur. Zoodra zij hoorde dat de hond vijandig tegen Rameri begon te blaffen, liep zij naar buiten.</p> -<p>Op het gezicht van den prins verschrikte zij, en zeide: »Zijt +<p>Op het gezicht van den prins verschrikte zij, en zeide: »Zijt gij daar nu weder? Maar ik heb u immers gewaarschuwd? Mijne grootmoeder daarbinnen is de vrouw van een Paraschiet.”</p> -<p>»Haar breng ik ook geen bezoek,” antwoordde de prins, »maar +<p>»Haar breng ik ook geen bezoek,” antwoordde de prins, »maar u alleen. En gij behoort niet tot deze onreinen, heb ik zoo juist tot mijzelven gezegd. In de woestijn groeien geen rozen.”</p> -<p>»En toch,” hernam Warda met zekerheid, »ben ik het kind +<p>»En toch,” hernam Warda met zekerheid, »ben ik het kind van mijn vader, en de kleindochter van mijn armen verslagen grootvader. Wis-en-zeker behoor ik bij hen, en ben ik voor iemand daarom te gering, dan blijve hij verre van mij.”</p> <p>Dit zeggende maakte zij zich gereed om de hut weder binnen te gaan. Doch Rameri greep hare hand, hield haar terug en -zeide: »Wat zijt gij boos! Heb ik dan niet getracht u te redden, +zeide: »Wat zijt gij boos! Heb ik dan niet getracht u te redden, en ben ik niet tot u gekomen, eer de gedachte in mij opkwam, dat gij zoudt kunnen.... nu ja, dat gij toch zoo geheel ongelijk waart aan hen, die gij uwe bloedverwanten noemt? Gij @@ -18258,58 +18219,58 @@ mede zoudt lijden onder dien vreeselijken vloek. Iedereen, zelfs mijne meesteres Bent-Anat, wordt door u aangetrokken, en zoo kwam het mij onmogelijk voor, dat....”</p> -<p>»Dat ik tot de onreinen zou behooren. Spreek het maar uit!” +<p>»Dat ik tot de onreinen zou behooren. Spreek het maar uit!” zeide Warda zacht, terwijl zij hare oogen nedersloeg. Daarop vervolgde -zij op levendiger toon: »Maar die vloek is onrechtvaardig, +zij op levendiger toon: »Maar die vloek is onrechtvaardig, zeg ik u, want er is nooit beter mensch geweest, dan mijn arme grootvader was.” En bij deze woorden rolden de tranen haar langs de wangen.</p> -<p>»Ik wil het gaarne gelooven,” sprak Rameri, »en het moet +<p>»Ik wil het gaarne gelooven,” sprak Rameri, »en het moet zeer moeielijk vallen goed te blijven, als de menschen u verachten<span class="pagenum"><a name="Page_367" id="Page_367">[367]</a></span> en schelden. Wat mij betreft, ik laat mij door verwijten tot niets dwingen, maar door lof kan men alles goeds van mij gedaan krijgen. Doch ik moet bekennen, dat de menschen wel genoodzaakt zijn, mij en de mijnen met achting te bejegenen.”</p> -<p>»En ons met minachting,” viel Warda hem in de rede. »Doch +<p>»En ons met minachting,” viel Warda hem in de rede. »Doch ik wil u eens wat zeggen. Als men weet dat men goed is, dan is het ons onverschillig, of wij door anderen veracht worden of -geëerd. Ja, wij mogen trotscher zijn dan gijlieden, want gij, +geëerd. Ja, wij mogen trotscher zijn dan gijlieden, want gij, groote heeren, moet dikwijls voor u zelven bekennen, dat gij minder waard zijt dan de menschen u schatten, maar wij weten dat wij meer gelden.”</p> -<p>»Juist, zóo heb ik mij u voorgesteld!” riep Rameri eensklaps -uit. »En daar is toch éen, die uwe waarde erkent, en dat ben +<p>»Juist, zóo heb ik mij u voorgesteld!” riep Rameri eensklaps +uit. »En daar is toch éen, die uwe waarde erkent, en dat ben ik! Zou ik anders wel gedurig en altijd weder aan u denken?”</p> -<p>»Maar ik heb ook aan u gedacht,” zeide Warda. »Zooeven, +<p>»Maar ik heb ook aan u gedacht,” zeide Warda. »Zooeven, toen ik bij mijne zieke grootmoeder zat, kwam het voor ’t eerst in mijne ziel op, hoe heerlijk het zou zijn, wanneer ik eens een broeder had die op u geleek. Weet gij wel wat ik doen zou, als gij mijn broeder waart?”</p> -<p>»Welnu?”</p> +<p>»Welnu?”</p> -<p>»Ik zou een wagen voor u koopen en paarden, en dan zoudt +<p>»Ik zou een wagen voor u koopen en paarden, en dan zoudt gij met ’s konings dapperen moeten uittrekken.”</p> -<p>»Zijt gij dan zoo rijk?” vroeg Rameri lachend.</p> +<p>»Zijt gij dan zoo rijk?” vroeg Rameri lachend.</p> -<p>»O ja,” antwoordde Warda. »Hoewel eerst sedert een uur. +<p>»O ja,” antwoordde Warda. »Hoewel eerst sedert een uur. Kunt gij lezen?”</p> -<p>»Ja.”</p> +<p>»Ja.”</p> -<p>»Denk eens, toen ik ziek was, zonden zij mij een arts uit het +<p>»Denk eens, toen ik ziek was, zonden zij mij een arts uit het Seti-huis. Hij was zeer bekwaam, maar een wonderlijk man. Hij zag mij dikwijls zoo vreemd met zijne oogen aan, alsof hij dronken was, en als hij sprak stotterde hij.”</p> -<p>»Heet hij Nebsecht?” vroeg de prins.</p> +<p>»Heet hij Nebsecht?” vroeg de prins.</p> -<p>»Ja, Nebsecht. Hij had ook iets zonderlings voor met grootvader, +<p>»Ja, Nebsecht. Hij had ook iets zonderlings voor met grootvader, en bij dien schrikkelijken aanval op ons, sprong hij, nadat Pentaoer en gij ons hadt gered, mede voor ons in de bres. Sedert is hij niet weder gekomen; ik werd dan ook veel beter. Doch @@ -18323,9 +18284,9 @@ brief voor.”</p> <p>Rameri nam den brief van haar aan, en las:</p> -<p>»Nebsecht aan de schoone Warda!</p> +<p>»Nebsecht aan de schoone Warda!</p> -<p>»Nebsecht groet Warda en deelt haar mede, dat hij haren<span class="pagenum"><a name="Page_368" id="Page_368">[368]</a></span> +<p>»Nebsecht groet Warda en deelt haar mede, dat hij haren<span class="pagenum"><a name="Page_368" id="Page_368">[368]</a></span> Osiris geworden grootvader Pinem, wiens lijk de Kolchyten balsemen, alsof hij een der aanzienlijksten was geweest, een som van duizend gouden ringen schuldig is. Hij heeft zijn broeder @@ -18336,77 +18297,77 @@ vaak zij het noodig heeft. Het zou ’t beste zijn, wanneer zij aan mijn broeder overliet het geld voor haar te beheeren, en voor haar een huis met een stuk bouwland te koopen. Dan moet zij dat huis met hare grootmoeder betrekken, om er zonder zorgen -in te wonen. Hij wenscht dat zij nog éen jaar zal wachten, vóor +in te wonen. Hij wenscht dat zij nog éen jaar zal wachten, vóor zij een man volgt, die haar tot vrouw begeert. Nebsecht heeft Warda hartelijk lief. Is hij na verloop van dertien maanden niet bij haar geweest, zoo mag zij zich tot echtgenoot kiezen wien zij wil, maar niet voordat zij den tolk des konings het kleinood heeft getoond, dat hare moeder haar naliet.”</p> -<p>»Vreemd!” zeide Rameri. »Wie had gedacht dat die wonderlijke +<p>»Vreemd!” zeide Rameri. »Wie had gedacht dat die wonderlijke arts, die altijd vuile kleederen droeg, zoo edelmoedig kon zijn! Maar wat voor kleinood bezit gij?”</p> <p>Warda maakte haar kleedje open, en toonde den prins het schitterend juweel.</p> -<p>»Dat zijn diamanten! Inderdaad, dat is zeer kostbaar!” riep -de prins. »Daar in het midden, in dat half ovaal van onyx, +<p>»Dat zijn diamanten! Inderdaad, dat is zeer kostbaar!” riep +de prins. »Daar in het midden, in dat half ovaal van onyx, staan scherp gesneden schriftteekens. Ik kan ze niet lezen, maar ik wil ze den tolk laten zien! — Heeft uwe moeder dat kleinood gedragen?”</p> -<p>»Vader vond het bij haar, toen zij stierf,” antwoordde Warda. -»Zij kwam als krijgsgevangene naar Egypte, en was zoo blank +<p>»Vader vond het bij haar, toen zij stierf,” antwoordde Warda. +»Zij kwam als krijgsgevangene naar Egypte, en was zoo blank als ik, maar stom, zoodat zij den naam van haar vaderland niet noemen kon.”</p> -<p>»Dan behoorde zij zeker tot eene aanzienlijke familie in het buitenland, +<p>»Dan behoorde zij zeker tot eene aanzienlijke familie in het buitenland, en de moeder bepaalt de afkomst der kinderen,” hernam -Rameri levendig. »Gij zijt een prinsesje, Warda! O, ik kan u niet +Rameri levendig. »Gij zijt een prinsesje, Warda! O, ik kan u niet zeggen, hoeveel genoegen mij dit doet en hoe lief ik u heb!”</p> -<p>Het meisje glimlachte en zeide: »Dan behoeft gij nu ook niet +<p>Het meisje glimlachte en zeide: »Dan behoeft gij nu ook niet meer te vreezen het onreine meisje aan te raken.”</p> -<p>»Gij zijt hard!” gaf de prins haar ten antwoord. »Wil ik u eens +<p>»Gij zijt hard!” gaf de prins haar ten antwoord. »Wil ik u eens zeggen, wat ik gisteren voornam, wat mij heden nacht belette te slapen, en waarom ik eigenlijk hier kwam?”</p> -<p>»Nu?”</p> +<p>»Nu?”</p> <p>Rameri haalde de schoone witte roos uit zijn kleed te voorschijn, -en zeide: »Het is misschien kinderachtig, maar ik dacht +en zeide: »Het is misschien kinderachtig, maar ik dacht hoe het wel staan zou, als ik deze bloem eens met mijne eigene vingers in uw glanzend haar kon steken. Mag ik?”</p> -<p>»Die roos is kostelijk. Zoo schoon heb ik er nog nooit eene gezien!”</p> +<p>»Die roos is kostelijk. Zoo schoon heb ik er nog nooit eene gezien!”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_369" id="Page_369">[369]</a></span></p> -<p>»Zij is dan voor mijn trotsch prinsesje. Kom, laat mij u nu +<p>»Zij is dan voor mijn trotsch prinsesje. Kom, laat mij u nu eens opsieren. Als de zijde van Tyrus, als de borst van een zwaan, als de stralen der gouden sterren, zoo zacht zijn uwe glanzende haren! — Daar steekt zij vast! — Neen, laat de roos nu zoo zitten. Als de zeven Hathors u zien, moeten zij u wel benijden, want gij zijt schooner dan zij allen te zamen.”</p> -<p>»Foei, gij vleier!” zeide Warda, een weinig beschaamd en +<p>»Foei, gij vleier!” zeide Warda, een weinig beschaamd en blozend. Toch zag zij Rameri in de heldere oogen.</p> -<p>»Ach, Warda!” riep de prins, terwijl hij de hand op zijn hart -legde, »nu heb ik nog een enkele wensch. Voel maar hoe het +<p>»Ach, Warda!” riep de prins, terwijl hij de hand op zijn hart +legde, »nu heb ik nog een enkele wensch. Voel maar hoe het hier bonst en klopt. Ik geloof, dat dit niet eer tot rust zal komen, voor ge mij.... nu ja, Warda — voor ge mij veroorlooft u een kus, maar een enkelen, te geven.”</p> -<p>Het meisje ging achteruit en zeide ernstig: »Neen! Nu zie ik +<p>Het meisje ging achteruit en zeide ernstig: »Neen! Nu zie ik waar gij heen wilt. De oude Hekt kent de menschen en heeft mij gewaarschuwd.”</p> -<p>»Wie is Hekt, en wat kan zij dan van mij weten?”</p> +<p>»Wie is Hekt, en wat kan zij dan van mij weten?”</p> -<p>»Zij heeft mij gezegd, dat er een tijd zal komen, waarop een +<p>»Zij heeft mij gezegd, dat er een tijd zal komen, waarop een man mij zal naderen. Zijn oog zal het mijne zoeken, en wanneer ik zijn blik zal beantwoorden, dan zal hij naar mijne lippen verlangen. Dan moest ik, zeide zij, weigeren, want wanneer ik mij zijn @@ -18417,66 +18378,66 @@ zee uitspuwt en de hemel niet hebben wil. Ga daarom van mij weg, want ik zou u een kus niet kunnen weigeren, en wil toch niet rusteloos zonder ziel omdwalen!”</p> -<p>»Is die oude goed, die u dat geleerd heeft?” vroeg de prins.</p> +<p>»Is die oude goed, die u dat geleerd heeft?” vroeg de prins.</p> <p>Warda schudde ontkennend het hoofd.</p> -<p>»Dat kan zij ook niet zijn!” hernam Rameri, »want zij heeft +<p>»Dat kan zij ook niet zijn!” hernam Rameri, »want zij heeft onwaarheid gesproken. Ik wil uwe ziel niet wegnemen, integendeel: ik wil u de mijne bij de uwe geven, en gij zult mij de uwe geven bij de mijne, en zoo zullen wij beide niet armer maar rijker worden!”</p> -<p>»Hoe gaarne zou ik dat willen gelooven,” zeide Warda nadenkend. -»Iets dergelijks heb ikzelve ook reeds gedacht. Toen ik +<p>»Hoe gaarne zou ik dat willen gelooven,” zeide Warda nadenkend. +»Iets dergelijks heb ikzelve ook reeds gedacht. Toen ik nog gezond was, moest ik dikwijls ’s avonds laat naar den Nijl om water te scheppen bij de landingsplaats, waar het groote scheprad staat. Duizende druppels vielen er neder van den aarden emmer, en in elken spiegelde zich eene maan, en toch stond er -maar éene aan den hemel. Dan dacht ik zoo bij mij zelve: Zoo +maar éene aan den hemel. Dan dacht ik zoo bij mij zelve: Zoo zal het ook zijn met de liefde in het hart. Men heeft toch maar -éene liefde, en wij storten haar toch over in verschillende harten, +éene liefde, en wij storten haar toch over in verschillende harten, zonder dat zij vermindert in kracht of matter wordt van glans. Ik dacht aan mijne grootouders, aan vader, aan den kleinen<span class="pagenum"><a name="Page_370" id="Page_370">[370]</a></span> Scheraoe, aan den goden en aan Pentaoer. Nu kan ik ook u wel een deel ervan geven?”</p> -<p>»Maar een deel?” vroeg Rameri.</p> +<p>»Maar een deel?” vroeg Rameri.</p> -<p>»Neen,” zeide Warda, »zij zal zich geheel in u afspiegelen, +<p>»Neen,” zeide Warda, »zij zal zich geheel in u afspiegelen, zooals de geheele maan zich vertoonde in elken druppel..”</p> -<p>»Dat zal zij,” riep de koningszoon, sloeg zijn arm om het +<p>»Dat zal zij,” riep de koningszoon, sloeg zijn arm om het slanke middel van het bevende meisje, en de beide jeugdige menschenzielen, verbonden zich aan elkander door een eersten kus.</p> -<p>»Ga nu ook heen!” smeekte Warda.</p> +<p>»Ga nu ook heen!” smeekte Warda.</p> -<p>»Laat mij nog een oogenblik blijven!” vroeg de prins. »Zet u +<p>»Laat mij nog een oogenblik blijven!” vroeg de prins. »Zet u naast mij op de bank voor de hut. De heining verbergt ons voor het oog der wandelaars. Bovendien, het dal is nu eenzaam en verlaten.”</p> -<p>»Wat wij doen is niet goed,” zeide Warda nadenkend, »anders +<p>»Wat wij doen is niet goed,” zeide Warda nadenkend, »anders zouden wij niet noodig hebben ons te verbergen.”</p> -<p>»Houdt gij dan voor kwaad, wat de priester in het allerheiligste -verricht?” vroeg Rameri. »En toch wordt dit onttrokken +<p>»Houdt gij dan voor kwaad, wat de priester in het allerheiligste +verricht?” vroeg Rameri. »En toch wordt dit onttrokken aan aller oogen.”</p> -<p>»Wat zijt gij bedreven in de kunst van te overreden!” zeide -Warda lachend. »Ik begrijp het: gij kunt schrijven, en gij zijt +<p>»Wat zijt gij bedreven in de kunst van te overreden!” zeide +Warda lachend. »Ik begrijp het: gij kunt schrijven, en gij zijt zijn leerling geweest.”</p> -<p>»Zijn! zijn!” riep Rameri. »Gij bedoelt zeker Pentaoer. Van al +<p>»Zijn! zijn!” riep Rameri. »Gij bedoelt zeker Pentaoer. Van al mijne leermeesters heb ik hem altijd het meest liefgehad, maar het hindert mij toch als gij zoo over hem spreekt, als lag hij u nader aan het hart dan ik en die anderen. De dichter, zeidet gij, was een der druppels, waarin het maanlicht uwer liefde zich afspiegelde, en ik wil niet met velen deelen!”</p> -<p>»Hoe kunt gij zoo spreken!” viel Warda hem in de rede. -»Eert gij dan uw vader niet en de goden? Zooals ik u liefheb, +<p>»Hoe kunt gij zoo spreken!” viel Warda hem in de rede. +»Eert gij dan uw vader niet en de goden? Zooals ik u liefheb, bemin ik geen ander, en wat ik zooeven gevoelde, toen gij mij hebt gekust, dat was ook niet als het maanlicht, maar brandend als de zon op dit middaguur. Zoo vaak ik aan u @@ -18488,13 +18449,13 @@ ik ben zoo gelukkig! Ik zou met u van ganscher harte kunnen jubelen! Kom, wees weer vriendelijk, anders trek ik u bij de lokken!”</p> -<p>»Ga je gang maar!” hernam Rameri. »Gij kunt met uw kleine +<p>»Ga je gang maar!” hernam Rameri. »Gij kunt met uw kleine hand geen zeer doen, maar — wel met woorden. Pentaoer is zeker wijzer en beter dan ik. Gij zijt ook veel aan hem verschuldigd en ik mocht wel....”</p> -<p>»Ga niet verder!” viel Warda hem in de rede. Op ernstigen -toon ging zij voort: »Er zijn geen twee menschen geheel aan<span class="pagenum"><a name="Page_371" id="Page_371">[371]</a></span> +<p>»Ga niet verder!” viel Warda hem in de rede. Op ernstigen +toon ging zij voort: »Er zijn geen twee menschen geheel aan<span class="pagenum"><a name="Page_371" id="Page_371">[371]</a></span> elkander gelijk. Als hij mij wilde kussen, dan zou ik als stof ineen vallen, gelijk door de zon geblakerde asch, die men met den vinger aanraakt. Ik zou zijn lippen kunnen vreezen als die van @@ -18509,7 +18470,7 @@ in zijne bloemen, kreeg hij mij lief en gaf mij wat te doen. Want hij liet mij kransen vlechten en ruikers maken, en dan naar zijne klanten brengen.</p> -<p>»Als wij zoo bij elkander zaten en het eene bloempje naast het +<p>»Als wij zoo bij elkander zaten en het eene bloempje naast het andere legden, vertelde hij altijd van zijn zoon, en van zijne schoonheid, wijsheid en goedheid. Toen hij nog een kleine jongen was, kon hij reeds dichten. Hij heeft leeren lezen, zonder dat @@ -18532,7 +18493,7 @@ als gezang. Ik blijf er bij, hij is het kind eener godheid, dat de hemelsche goden in mijn nederig huis hebben neergelegd. Wie begrijpt hunne raadsbesluiten?’</p> -<p>»Menigmaal heb ik Pentaoer bij de feesten gezien, en dan +<p>»Menigmaal heb ik Pentaoer bij de feesten gezien, en dan zeide ik tot mij zelve: Welke andere priester uit het Seti-huis kan in houding en gestalte met hem vergeleken worden? Ik hield hem voor een god, en nu ik gezien heb, toen hij mijn leven @@ -18547,7 +18508,7 @@ naar boven richten. Gij zijt voor mij een frissche rozenkrans, waarmede ik mij tooi, en hij is een heilige Persaboom<a name="FNanchor_281" id="FNanchor_281"></a><a href="#Footnote_281" class="fnanchor">281)</a>, waarvoor ik mij nederbuig!”</p> -<p>Rameri had zwijgend naar haar geluisterd en zeide nu: »Ik +<p>Rameri had zwijgend naar haar geluisterd en zeide nu: »Ik ben nog jong, en heb nog geen gelegenheid gehad te toonen wie ik ben. Doch er zal een tijd komen, waarin gij ook tot mij zult opzien als tot een boom, wel niet als tot een heiligen, maar @@ -18560,14 +18521,14 @@ mij tegen.”</p> <p>De prins stond op en reikte Warda zijne rechterhand.</p> -<p>»Gij hebt eene sterke hand,” zeide het meisje. »Gij zult zeker +<p>»Gij hebt eene sterke hand,” zeide het meisje. »Gij zult zeker een voortreffelijk man worden, en deze hand gebruiken tot iets goeds en iets groots. Zie maar, mijne vingers zijn rood geworden van uw handdruk. Al zijn zij teeder, zij zijn toch niet geheel onnut. Het is zoo, zij hebben nooit zware dingen gehanteerd, maar wat zij aanraken en verzorgen, zeide grootvader dikwijls, dat gedijt, en hij noemde ze daarom ‚gelukkig.’ Zie maar eens -die schoone leliën en dien granaatstruik dáar in den hoek. +die schoone leliën en dien granaatstruik dáar in den hoek. Grootvader heeft voor mij aarde van den Nijl hierheen gedragen. Pentaoer’s vader heeft mij de zaden geschonken en elk plantje, dat waagde boven den grond als een groen scheutje zich te @@ -18599,24 +18560,24 @@ hart had. Zij sprak hem vriendelijk toe, en zeide, toen hij verlangde haar te spreken, dat Rameri haar beste vriend was, waarvoor hij niet bang behoefde te zijn.</p> -<p>»Maar het betreft niet u of mij,” antwoordde het knaapje, -»maar den goeden heiligen vader Pentaoer, die zoo vriendelijk +<p>»Maar het betreft niet u of mij,” antwoordde het knaapje, +»maar den goeden heiligen vader Pentaoer, die zoo vriendelijk voor mij was, en die u het leven heeft gered.”</p> -<p>»Ik ben Pentaoer zeer genegen,” zeide de prins. »Niet waar, +<p>»Ik ben Pentaoer zeer genegen,” zeide de prins. »Niet waar, Warda? Hij mag gerust in mijne tegenwoordigheid over hem spreken.”</p> -<p>»Mag ik?” vroeg Scheraoe. »Dan is het goed. Ik ben stillekens +<p>»Mag ik?” vroeg Scheraoe. »Dan is het goed. Ik ben stillekens weggeslopen. Hekt kan ieder oogenblik terugkomen, en wanneer zij bemerkt, dat ik van huis ben gegaan, dan krijg ik zeker slagen en geen eten.”</p> -<p>»Wie is dan toch die schandelijke Hekt?” vroeg de prins +<p>»Wie is dan toch die schandelijke Hekt?” vroeg de prins met eenige ongerustheid.</p> -<p>»Dat mag Warda u later vertellen,” zeide de kleine hijgend. -»Hoort nu naar mij. Zij had mij op mijn plank in de hut gelegd, +<p>»Dat mag Warda u later vertellen,” zeide de kleine hijgend. +»Hoort nu naar mij. Zij had mij op mijn plank in de hut gelegd, en mij met een zak verborgen. Eerst kwam Nemoe en toen een ander man, dien zij hofmeester noemde. Met dezen heeft zij veel gesproken. In den beginne luisterde ik niet, maar toen @@ -18626,15 +18587,15 @@ was, en dat hij hem in den weg stond. Hij vertelde dat de opperpriester Ameni hem naar de steengroeven van Chennoe wilde zenden, maar dat die straf veel te gering was. Toen heeft Hekt hem aangeraden, dat hij den scheepsgezagvoerder heimelijk zou -bevelen, hem voorbij Chennoe en naar Ethiopië te brengen, +bevelen, hem voorbij Chennoe en naar Ethiopië te brengen, naar die vreeselijke mijnwerken, waarvan zij mij dikwijls verteld heeft. Want haar vader en haar broeder zijn daar zoo lang gemarteld tot zij dood waren.”</p> -<p>»Van allen die daarheen gingen is nooit iemand wedergekeerd,” -riep de prins. »Maar vertel verder!”</p> +<p>»Van allen die daarheen gingen is nooit iemand wedergekeerd,” +riep de prins. »Maar vertel verder!”</p> -<p>»Ja, wat er nu kwam, dat kon ik maar half verstaan. Maar +<p>»Ja, wat er nu kwam, dat kon ik maar half verstaan. Maar zij sprak van een drank, die waanzinnig maakt. O, wat heb ik<span class="pagenum"><a name="Page_374" id="Page_374">[374]</a></span> al niet moeten zien en hooren! Ik zou liever levenslang op mijn plank willen liggen, maar dit alles is toch te afgrijselijk. @@ -18643,7 +18604,7 @@ Ik wou dat ik dood was!”</p> <p>De kleine begon bitter te weenen. Warda, die onder zijn verhaal al bleeker en bleeker was geworden, streelde hem liefderijk.</p> -<p>»Dat is vreeselijk en ongehoord,” riep Rameri echter. »Wie +<p>»Dat is vreeselijk en ongehoord,” riep Rameri echter. »Wie was dan toch die hofmeester? Hebt gij zijn naam niet verstaan? Kom wat tot u zelven, beste jongen, en houd op met weenen. Het is hier om eens menschen leven te doen. Wie was die @@ -18652,14 +18613,14 @@ schurk? Noemde hij zich niet? Bedenk u eens wel!”</p> <p>Scheraoe beet zich op de roode lippen, en deed al zijn best om tot bedaren te komen. Zijne tranen hielden op te vloeien en plotseling riep hij, terwijl hij in de borstopening van zijn -versleten kleedje greep: »Wacht even, misschien zult gij hem +versleten kleedje greep: »Wacht even, misschien zult gij hem wel herkennen. Ik heb hem nagemaakt.”</p> -<p>»Wat hebt gij?” vroeg de prins.</p> +<p>»Wat hebt gij?” vroeg de prins.</p> -<p>»Wel, ik heb hem nagemaakt,” vervolgde Scheraoe, en haalde +<p>»Wel, ik heb hem nagemaakt,” vervolgde Scheraoe, en haalde voorzichtig eene in een lapje gewikkelde massa te voorschijn. -»Ik kon zijn hoofd juist zeer scherp van terzijde zien, terwijl +»Ik kon zijn hoofd juist zeer scherp van terzijde zien, terwijl hij sprak, en mijne klei lag naast mij. Ik moet altijd boetseeren, als mijn hart zoo klopt, en ditmaal maakte ik haastig zijn gezicht na. Daar het portret niet slecht gelukt was, stak ik het @@ -18670,13 +18631,13 @@ te toonen”<a name="FNanchor_282" id="FNanchor_282"></a><a href="#Footnote_ vingers de lappen van het model afgenomen, dat hij thans aan Warda overhandigde.</p> -<p>»Ani!” riep de prins. »Hij is ’t en geen ander! Wie had +<p>»Ani!” riep de prins. »Hij is ’t en geen ander! Wie had het kunnen denken! Wat wil hij van Pentaoer? Wat heeft de priester hem in den weg gelegd?”</p> <p>Een oogenblik stond hij na te denken; toen sloeg hij zich met de hand voor het voorhoofd en riep in heftige beweging: -»Ik gek! Kind, dat ik ben! — Ja, zoo is ’t, zoo is ’t! Ik weet +»Ik gek! Kind, dat ik ben! — Ja, zoo is ’t, zoo is ’t! Ik weet alles! Ani heeft aanzoek gedaan om de hand van Bent-Anat, en zij.... Ja, nu eerst, sedert ik u liefheb, Warda, begrijp ik wat er in haar omgaat. — Weg met alle bedrog! Ik wil niet langer<span class="pagenum"><a name="Page_375" id="Page_375">[375]</a></span> @@ -18691,13 +18652,13 @@ ben. Thans is de vraag Pentaoer te redden. Vaarwel, Warda, blijf aan mij denken!”</p> <p>Hij wilde zich haastig verwijderen, doch Scheraoe hield hem -bij zijn kleed vast en sprak schuchter: »Gij zegt dat gij een +bij zijn kleed vast en sprak schuchter: »Gij zegt dat gij een zoon van Ramses zijt. Nu, ook over dezen heeft de oude Hekt met hem gesproken. Zij vergeleek hem bij onzen ruienden sperwer.”</p> -<p>»Weldra zal hij de klauwen van den koningsadelaar gevoelen,” -riep de prins. »Nog eenmaal, vaarwel!”</p> +<p>»Weldra zal hij de klauwen van den koningsadelaar gevoelen,” +riep de prins. »Nog eenmaal, vaarwel!”</p> <p>Hij reikte Warda de hand, en zij drukte hare brandende lippen erop. Doch hij trok de hand terug, kuste haar op het @@ -18708,48 +18669,48 @@ op hoe hij een man voorbij vloog, en herkende in dezen haren vader. Dadelijk ging zij hem te gemoet. De soldaat kwam om van haar afscheid te nemen, want hij moest gevangenen wegbrengen.</p> -<p>»Naar Chennoe?” vroeg Warda.</p> +<p>»Naar Chennoe?” vroeg Warda.</p> -<p>»Neen, naar het noorden,” antwoordde de roodbaard.</p> +<p>»Neen, naar het noorden,” antwoordde de roodbaard.</p> <p>Zijne dochter vertelde hem nu wat zij gehoord had, en vroeg of hij den priester, die haar leven gered had, helpen kon.</p> -<p>»Ja, als ik geld had, als ik geld had!” prevelde Kaschta +<p>»Ja, als ik geld had, als ik geld had!” prevelde Kaschta nadenkend.</p> -<p>»Dat hebben wij!” riep Warda. Zij vertelde hem wat Nebsecht -haar geschonken had en zeide: »Breng mij over den Nijl, en in +<p>»Dat hebben wij!” riep Warda. Zij vertelde hem wat Nebsecht +haar geschonken had en zeide: »Breng mij over den Nijl, en in twee uren hebt gij wat een mensch rijk kan maken<a name="FNanchor_283" id="FNanchor_283"></a><a href="#Footnote_283" class="fnanchor">283)</a>.... Doch neen, ik kan mijne zieke grootmoeder toch niet alleen laten! Neem gijzelf den ring, en vergeet niet dat zij Pentaoer straffen, omdat hij het waagde mij in zijne bescherming te nemen.”</p> -<p>»Dat zal ik wel in gedachte houden,” zeide de soldaat. »Ik -heb maar éen leven, en dat wil ik er gaarne aan wagen om<span class="pagenum"><a name="Page_376" id="Page_376">[376]</a></span> +<p>»Dat zal ik wel in gedachte houden,” zeide de soldaat. »Ik +heb maar éen leven, en dat wil ik er gaarne aan wagen om<span class="pagenum"><a name="Page_376" id="Page_376">[376]</a></span> het zijne te redden. Aanslagen kan ik niet verzinnen, maar iets weet ik toch, en wanneer mij dat gelukt, behoeft hij niet naar de goudmijnen te gaan. Ik laat mijne wijnkruik hier; geef mij een dronk water, want in de eerstvolgende uren heb ik een nuchter hoofd noodig.”</p> -<p>»Daar hebt gij het water, maar ik giet er toch een scheut +<p>»Daar hebt gij het water, maar ik giet er toch een scheut wijn bij! Komt gij weder om mij bericht te brengen?”</p> -<p>»Dat zal moeielijk gaan, want tegen middernacht breken wij +<p>»Dat zal moeielijk gaan, want tegen middernacht breken wij op. Doch wanneer iemand u den ring terugbrengt, dan is mijn voornemen gelukt.”</p> <p>Warda ging in de hut, gevolgd door haar vader, die afscheid nam van zijne zieke moeder en zijne dochter. Toen hij weer -buiten kwam, zeide hij: »Gij kunt van de geschenken der +buiten kwam, zeide hij: »Gij kunt van de geschenken der prinses leven tot ik terugkom, en ik heb maar de helft noodig van het geschenk van den arts. — Maar waar zijn uwe granaatbloemen?”</p> -<p>»Die heb ik geplukt, en op een geliefkoosd plekje bewaard.”</p> +<p>»Die heb ik geplukt, en op een geliefkoosd plekje bewaard.”</p> -<p>»Wonderlijke wezens zijn die vrouwen toch!” prevelde de +<p>»Wonderlijke wezens zijn die vrouwen toch!” prevelde de gebaarde man, kuste voorzichtig zijn kind op het voorhoofd, en keerde naar den Nijl terug, vanwaar hij gekomen was.</p> @@ -18762,7 +18723,7 @@ Chennoe bestemde vaartuig voor anker lag. Daarna liet hij zich den Nijl overzetten, en spoedde hij zich naar Bent-Anat. Hij vond haar en Nefert in buitengewone spanning, want de trouwe ceremoniemeester was door vrienden des konings in Ani’s omgeving -te weten gekomen, dat de stadhouder alle naar Syrië bestemde +te weten gekomen, dat de stadhouder alle naar Syrië bestemde brieven, en daaronder ook die van Ramses’ kinderen, in Thebe had opgehouden. Een kamerheer, die den koning geheel was toegedaan, had daarop, door den ceremoniemeester aangemoedigd, @@ -18795,7 +18756,7 @@ Hijzelf wilde, alleen vergezeld door een enkel getrouw dienaar, na zonsondergang, met vlugge paarden naar Keft<a name="FNanchor_284" id="FNanchor_284"></a><a href="#Footnote_284" class="fnanchor">284)</a> rijden, en vandaar in aller ijl door de woestijn naar de Schelfzee, ten einde daar een Phoenicisch schip te huren en naar Alia<a name="FNanchor_285" id="FNanchor_285"></a><a href="#Footnote_285" class="fnanchor">285)</a> te zeilen. Vandaar -wilde hij door het rotsgebergte van het Sinaïtisch schiereiland +wilde hij door het rotsgebergte van het Sinaïtisch schiereiland heen met versnelde marschen het Egyptisch leger en zijn vader trachten te bereiken, ten einde hem in kennis te stellen met Ani’s misdadige plannen.</p> @@ -18811,7 +18772,7 @@ gezonden, een bevel inhoudende, in naam van koning Ramses, om elk schip, dat bij nacht de stroomengte van Chennoe zou passeeren, aan te houden, alsmede om te beletten, dat de gevangenen, die tot den arbeid in de steengroeven van zijne stad -waren veroordeeld, naar Ethiopië werden gesleept.</p> +waren veroordeeld, naar Ethiopië werden gesleept.</p> <p>Rameri nam afscheid van de vrouwen, en het gelukte hem Thebe onopgemerkt te verlaten.</p> @@ -18839,10 +18800,10 @@ met geweld terug te houden. Maar de stadhouder wilde alles vermijden wat opzien kon verwekken, en Bent-Anat laten vertrekken met een gevoel van volkomene gerustheid.</p> -<p>»Wees niet bezorgd,” zeide hij; »ik zal de vrouwen eene vertrouwde +<p>»Wees niet bezorgd,” zeide hij; »ik zal de vrouwen eene vertrouwde schare medegeven, die haar bij de Smaragden-Hathor zal terughouden, tot hier alles zijn beslag heeft gekregen. Dan moogt -gij Nefert in de armen voeren van den ruwen Paäker, wanneer +gij Nefert in de armen voeren van den ruwen Paäker, wanneer hij u als schoonzoon nog aangenaam zal zijn, na alles wat ik ten uitvoer zal hebben gebracht. Wat mij betreft, mogelijk beweeg ik ten slotte mijne trotsche nicht nog wel, in plaats van naar @@ -18861,7 +18822,7 @@ honende woorden gehoord.</p> <p>Het Nijlschip waarop zich de beide bedevaartgangsters bevonden, werd gevolgd door twee andere, beladen met soldaten, die -de vrouwen moesten begeleiden »om haar te beschermen.” De +de vrouwen moesten begeleiden »om haar te beschermen.” De zuidenwind deed de zeilen zwellen en voerde het vaartuig snel stroomafwaarts. De prinses zag nu eens op naar het paleis harer vaderen, dan weder naar de graven en tempels van de Nekropolis. @@ -18874,14 +18835,14 @@ zege.</p> <p>Toen Bent-Anat zich omkeerde, om naar de kajuit te gaan, trad een gesluierd meisje haar te gemoet. Zij verwijderde het -doek, dat haar aangezicht verborgen hield, en zeide: »Vergeef<span class="pagenum"><a name="Page_379" id="Page_379">[379]</a></span> +doek, dat haar aangezicht verborgen hield, en zeide: »Vergeef<span class="pagenum"><a name="Page_379" id="Page_379">[379]</a></span> mij, prinses, ik ben Warda, die gij overreden hebt, en voor wie gij zoo goed zijt geweest. Mijne grootmoeder is gestorven, en ik ben nu geheel alleen. Ik sloop onder uwe dienstmaagden naar u toe, want ik wil u volgen en alles doen wat gij beveelt. Wijs mij nu niet terug!”</p> -<p>»Blijf, lief kind,” zeide de prinses, en bij deze woorden legde +<p>»Blijf, lief kind,” zeide de prinses, en bij deze woorden legde zij de hand op haar hoofd. Zij was getroffen over hare buitengewone lieftalligheid en dacht onwillekeurig aan haar broeder, en zijn wensch om Warda’s glanzende haarvlechten met eene @@ -18905,7 +18866,7 @@ schoeab” geheeten, is de balanites aegyptiaca.</p> die in bas-relief zijn uitgebeiteld, zijn bijzonder scherp en karakteristiek gemodelleerd. In de onvoltooide zaal van het graf van Seti I te Biban el Moeloek worden teekeningen in omtrek gevonden, die nog heden ten -dage de bewondering van onze kunstenaars wekken. In Lepsius’ <cite>Denkmäler +dage de bewondering van onze kunstenaars wekken. In Lepsius’ <cite>Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien</cite>, is eene schoone verzameling van karakteristieke portretten der pharao’s opgenomen.</p> </div> @@ -18915,8 +18876,8 @@ verzameling van karakteristieke portretten der pharao’s opgenomen.</p> vermogen konden beschikken. Hierover kan men bijv. nazien den VIIden grooten papyrus in het Louvre te Parijs. Daarin toch sluiten de dochter van een schuldenaar en de zoon van een schuldeischer eene overeenkomst. -Beiden behooren tot denzelfden kring waarin Warda leefde, want Arsiësis -is de zoon van een Kolchyt in Thebe, en Asklepias, genaamd Senîmoethis, +Beiden behooren tot denzelfden kring waarin Warda leefde, want Arsiësis +is de zoon van een Kolchyt in Thebe, en Asklepias, genaamd Senîmoethis, de vrouw of dienstmaagd van een lijkbezorger in dezelfde stad.</p> </div> @@ -18940,7 +18901,7 @@ de vrouw of dienstmaagd van een lijkbezorger in dezelfde stad.</p> <p>Twee maanden waren er sedert het vertrek van Bent-Anat uit Thebe en de gevangenneming van Pentaoer verloopen, toen een lange trein van lastdieren en menschen voorttrok door het dal, -Ant-Baba geheeten, in het westelijk deel van het Sinaïtisch +Ant-Baba geheeten, in het westelijk deel van het Sinaïtisch schiereiland<a name="FNanchor_286" id="FNanchor_286"></a><a href="#Footnote_286" class="fnanchor">286)</a>.</p> <p>Het was winter en toch schoot de middagzon brandende stralen, @@ -18974,7 +18935,7 @@ in de harten hunner drijvers welde zoo min een gevoel van medelijden op, als er een kruidje groende op de rotsen aan den weg.</p> <p>De sombere schare bewoog zich voorwaarts alsof het zoovele -schimmen waren, dàn alleen met het oor waar te nemen, wanneer +schimmen waren, dà n alleen met het oor waar te nemen, wanneer een zacht gesteun aan de borst van een der gemartelden werd ontperst. De zandige weg maakte geen geluid, als de naakte voet van den wandelaar dien betrad. De bergen weigerden schaduw @@ -19011,15 +18972,15 @@ zoo min als de kwelling der ongelukkigen.</p> <p>Sommige reusachtige rotswanden zagen er uit, als waren zij uit vierkante, rechthoekig gehouwen steenblokken laagsgewijze -opgestapeld. Doch er was maar éen onder de mijnwerkers, maar -éen die een oog had voor deze wonderbare vormen te midden +opgestapeld. Doch er was maar éen onder de mijnwerkers, maar +éen die een oog had voor deze wonderbare vormen te midden van zoovele andere, waar in de natuur zich openbaarde. De -schouders van dien éenen schenen sterker te zijn dan die zijner +schouders van dien éenen schenen sterker te zijn dan die zijner lotgenooten, en zijn last drukte maar weinig.</p> -<p>»In deze eenzame woestenij, die de menschen alle levensonderhoud +<p>»In deze eenzame woestenij, die de menschen alle levensonderhoud weigert en hen van zich weert,” dacht hij bij zichzelven, -»hebben de Chnemoe<a name="FNanchor_289" id="FNanchor_289"></a><a href="#Footnote_289" class="fnanchor">289)</a>, de werklieden die de aarde bouwden, +»hebben de Chnemoe<a name="FNanchor_289" id="FNanchor_289"></a><a href="#Footnote_289" class="fnanchor">289)</a>, de werklieden die de aarde bouwden, zich de moeite bespaard de voegen aan te vullen en de vormen behoorlijk af te ronden. Hoe komt het toch, dat men dit gruwzaam oord, waarin ook de menschenharten zonder eenig gevoel @@ -19028,7 +18989,7 @@ Hathor<a name="FNanchor_290" id="FNanchor_290"></a><a href="#Footnote_290" class heeft aan de gaven van de vriendelijke godin der liefde en der vreugde.”</p> -<p>»Blijf in het gelid, Hoeni!” riep een der drijvers op strengen +<p>»Blijf in het gelid, Hoeni!” riep een der drijvers op strengen toon.</p> <p>Hij die alzoo toegesproken werd, sloot zich dichter aan bij @@ -19044,7 +19005,7 @@ roode en zwarte steenbrokken, zoo klein alsof de menschelijke hand ze had afgeslagen. Wederom opende zich een nieuw keteldal, maar ditmaal was er geen uitweg.</p> -<p>»De last der ezels verlichten!” riep de aanvoerder van het transport +<p>»De last der ezels verlichten!” riep de aanvoerder van het transport den gevangenen toe. Daarop wendde hij zich tot de soldaten en beval hen, nadat zij de lastdieren hadden afgeladen, de mannen zwaarder te belasten. Onder de uiterste inspanning hunner krachten<span class="pagenum"><a name="Page_383" id="Page_383">[383]</a></span> @@ -19089,29 +19050,29 @@ De grijsaard en de arts Nebsecht rustten naast hem uit.</p> en bad den zegen aller goden over hem af. Doch de aanvoerder van de wachters sneed den grijsaard de gelegenheid af verder te spreken, daar hij, de rustende voorbij wandelende, riep: -»Gij hebt kracht voor drie, Hoeni; wij zullen je in het vervolg +»Gij hebt kracht voor drie, Hoeni; wij zullen je in het vervolg zwaarder belasten!”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_384" id="Page_384">[384]</a></span></p> -<p>»Hoe liefderijk verhooren toch uwe vriendelijke goden de -vrome zegenwenschen,” zeide de arts Nebsecht scherp, »en hoe +<p>»Hoe liefderijk verhooren toch uwe vriendelijke goden de +vrome zegenwenschen,” zeide de arts Nebsecht scherp, »en hoe weten zij eene goede daad te beloonen!”</p> -<p>»Ik ben genoeg beloond,” antwoordde Pentaoer, terwijl hij -den grijsaard vriendelijk aanzag. »Maar gij eeuwige spotter, hoe +<p>»Ik ben genoeg beloond,” antwoordde Pentaoer, terwijl hij +den grijsaard vriendelijk aanzag. »Maar gij eeuwige spotter, hoe gevoelt gij u? Gij ziet er zoo bleek uit.”</p> -<p>»Ik gevoel mij als een dier ezels daar,” antwoordde de natuurvorscher. -»Mijne knieën beven, evenals de hunne, en ik denk +<p>»Ik gevoel mij als een dier ezels daar,” antwoordde de natuurvorscher. +»Mijne knieën beven, evenals de hunne, en ik denk aan niets anders dan waaraan zij denken, en ik wensch niets meer of niets minder dan zij. Dat wil zeggen: ik wenschte dat wij in den stal lagen.”</p> -<p>»Nu, als gij nog denken kunt,” zeide Pentaoer lachend, »dan +<p>»Nu, als gij nog denken kunt,” zeide Pentaoer lachend, »dan ziet het er nog zoo kwaad niet uit.”</p> -<p>»Eéne wijze gedachte had ik ten minste, terwijl gij zooeven +<p>»Eéne wijze gedachte had ik ten minste, terwijl gij zooeven in de lucht tuurdet. Het verstand, zoo leeren de priesters, is een lichtende adem van den eeuwigen wereldgeest, en onze ziel is de vorm van het stuk materie, dat men mensch noemt. Ik zocht den @@ -19121,7 +19082,7 @@ bovenmatig moet vermoeien, is het gedaan met het denken. Ik ben te lui om mij met verdere bewijzen in te laten, maar zal in het vervolg mijne beenen met meer achting behandelen.”</p> -<p>»Zijt gij beiden weer aan ’t twisten? — Op mannen!” riep de +<p>»Zijt gij beiden weer aan ’t twisten? — Op mannen!” riep de drijver.</p> <p>De vermoeide ongelukkigen stonden langzaam op, de dieren @@ -19131,7 +19092,7 @@ aan te komen.</p> <p>Het einddoel van den tocht der gevangenen was een breed dal, door twee hooge en rotsachtige berghellingen ingesloten. De -Egyptenaren noemden die plaats Ta Mafka, de Hebreën Dophka<a name="FNanchor_293" id="FNanchor_293"></a><a href="#Footnote_293" class="fnanchor">293)</a>. +Egyptenaren noemden die plaats Ta Mafka, de Hebreën Dophka<a name="FNanchor_293" id="FNanchor_293"></a><a href="#Footnote_293" class="fnanchor">293)</a>. De zuidelijke rotswand bestond uit donker graniet, de noordelijke, waarin de turkoois-mijnen werden gevonden, uit ronden zandsteen. In een dwarsdal op eenigen afstand lagen de @@ -19164,7 +19125,7 @@ had hij nog maar een enkele maal gelegenheid gehad hem te naderen.</p> <p>Dadelijk, in den eersten nacht, was de zoon van den Paraschiet -bij hem gekomen, en had hem in het oor gefluisterd: »Ik zal voor +bij hem gekomen, en had hem in het oor gefluisterd: »Ik zal voor u zorgen! Gij zult den arts Nebsecht hier wedervinden. Doet alsof gij elkander vijandig zijt, indien gij niet wilt, dat men u van elkander zal scheiden.”</p> @@ -19187,14 +19148,14 @@ had, zijne rol te spelen en den dichter allerlei woorden naar het hoofd te werpen, die de drijvers voor onzinnig hielden en hun lachlust opwekten, omdat zij hun zoo zonderling in de ooren klonken, en zoo hortend en stootend over zijne stamelende lippen -kwamen. »Afgeranseld omhulsel van goddelijk zelfbewustzijn;” -»Op den bek geslagen advocaat der gerechtigheid;” »Goochelaar,<span class="pagenum"><a name="Page_386" id="Page_386">[386]</a></span> +kwamen. »Afgeranseld omhulsel van goddelijk zelfbewustzijn;” +»Op den bek geslagen advocaat der gerechtigheid;” »Goochelaar,<span class="pagenum"><a name="Page_386" id="Page_386">[386]</a></span> die deze wereld, de slechtste die men zich bij mogelijkheid denken kan, op den kop zet, om te bewijzen dat zij de beste -is;” »Bewonderaar van de schoone kleur zijner blauwe plekken!” +is;” »Bewonderaar van de schoone kleur zijner blauwe plekken!” zulke en dergelijke schimpwoorden, die alleen voor hemzelven en den gesmaden verstaanbaar waren, kon hij gedurig uitwerpen, -onuitputtelijk in nieuwe combinatiën.</p> +onuitputtelijk in nieuwe combinatiën.</p> <p>Daardoor prikkelde hij Pentaoer tot antwoorden, die altijd doel troffen, niet zelden zeer puntig waren, en door oningewijden niet @@ -19238,19 +19199,19 @@ sedert het gebeurde van dien nacht voor de hut van den Paraschiet, dat altijddurend verlangen naar worsteling en strijd?</p> -<p>De afgematte werklieden hadden zich ter ruste begeven; vóor +<p>De afgematte werklieden hadden zich ter ruste begeven; vóor het huis van den overste der bergwerkers brandde echter nog een helder vuur. De opzichters en onderbevelhebbers der soldaten waren in een kring er om neergehurkt.</p> -<p>»Doe thans de bekers weg,” zeide de overste, »want wij hebben +<p>»Doe thans de bekers weg,” zeide de overste, »want wij hebben ernstig raad te houden. Gisteren heb ik, op bevel van den stadhouder, de helft der manschappen van de wacht naar Pelusium moeten zenden. Hij heeft soldaten noodig. Maar wij zijn zoo zwak in aantal geworden, dat, als de veroordeelden het wisten, zij zelfs zonder wapenen ons te sterk zouden worden. Steenen liggen er hier beneden genoeg, en overdag hebben zij beitel<a name="FNanchor_298" id="FNanchor_298"></a><a href="#Footnote_298" class="fnanchor">298)</a> en -hamer. Het ergst ziet het er uit bij de Hebreën in de kopermijn. +hamer. Het ergst ziet het er uit bij de Hebreën in de kopermijn. Het is een zeer oproerig volk, dat men kort moet houden. Gij kent mij genoeg, om te weten dat ik waarlijk niet bang ben. Maar ik maak mij over iets bezorgd. Hier in dit vuur branden @@ -19265,7 +19226,7 @@ zeer te verzwakken?”</p> <p>Men overwoog nu eens dit, dan weder dat. Eindelijk werd besloten, dat dagelijks eene zeer kleine afdeeling, door weinige soldaten -geëscorteerd, zou opmarcheeren, om zoo van den eenen +geëscorteerd, zou opmarcheeren, om zoo van den eenen dag op den anderen in behoefte aan kolen te voorzien. Men achtte het voorts geraden, dat de gevaarlijkste dezen vrachtdienst<span class="pagenum"><a name="Page_388" id="Page_388">[388]</a></span> zouden verrichten, twee aan twee met ketens aan elkander geklonken.</p> @@ -19274,15 +19235,15 @@ zouden verrichten, twee aan twee met ketens aan elkander geklonken.</p> verbonden, dubbel gevaarlijk konden worden, wanneer zij eendrachtig handelden.</p> -<p>»Zoo verbinde men een sterken met een zwakken,” zeide de +<p>»Zoo verbinde men een sterken met een zwakken,” zeide de man die de rekening van de mijnen hield en dien men den schrijver -der metalen noemde. »Smeed ook zooveel mogelijk de zoodanigen +der metalen noemde. »Smeed ook zooveel mogelijk de zoodanigen aaneen, die elkander vijandig zijn.”</p> -<p>»Hoeni bij voorbeeld, die zoo sterk is als een boom, aan den +<p>»Hoeni bij voorbeeld, die zoo sterk is als een boom, aan den spottenden musch, den stotterenden Nebsecht,” riep een onderbevelhebber.</p> -<p>»Aan die twee dacht ik ook juist,” zeide de schrijver lachend.</p> +<p>»Aan die twee dacht ik ook juist,” zeide de schrijver lachend.</p> <p>Nog drie andere paren werden eerst al schertsend maar daarna met klimmenden ernst gekozen, en eindelijk ook Warda’s vader @@ -19309,7 +19270,7 @@ gemoet. Pentaoer zag met blijdschap naar hen op. Hoe lang had hij reeds het gezicht dezer dieren en het geluid hunner stem moeten missen!</p> -<p>»Daar zijn vogels,” sprak Nebsecht, »wij moeten dus in de +<p>»Daar zijn vogels,” sprak Nebsecht, »wij moeten dus in de nabijheid van water zijn.”</p> <p>Daar stond werkelijk de eerste palmboom. Weldra hoorde men @@ -19332,19 +19293,19 @@ van verrassing te doen hooren, daarbij eene beweging met zijne handen makende.</p> <p>Op hetzelfde oogenblik zwaaide een drijver zijn zweep over de -schouders der twee vrienden, hun lachend toeroepende: »Met je +schouders der twee vrienden, hun lachend toeroepende: »Met je tongen mag je elkaar klappen toedienen, zoo veel je wilt, maar niet met je handen!”</p> <p>Daarop keerde de soldaat zich tot een zijner metgezellen, vragende: -»Hebt ge dat mooie meisje daar bij de tent gezien?”</p> +»Hebt ge dat mooie meisje daar bij de tent gezien?”</p> -<p>»’t Geeft ons niet veel!” antwoordde de ander. »Zij behoort tot +<p>»’t Geeft ons niet veel!” antwoordde de ander. »Zij behoort tot het gevolg der prinses, die reeds sedert drie weken den tempel van de Smaragden-Hathor bezoekt.”</p> -<p>»Zij moet zware misdaden begaan hebben,” hernam de eerste -spreker. »Behoorde zij tot ons gelijken, dan zou zij bij de groeven +<p>»Zij moet zware misdaden begaan hebben,” hernam de eerste +spreker. »Behoorde zij tot ons gelijken, dan zou zij bij de groeven zand moeten spitten of kleurstoffen fijnstooten, en zeker niet hier in vergulde tenten wonen. — Waar is de roodbaard?”</p> @@ -19352,17 +19313,17 @@ in vergulde tenten wonen. — Waar is de roodbaard?”</p> want het meisje had hem gewenkt en eenige woorden met hem gewisseld.</p> -<p>»Hebt ge ook nog oogen voor de meisjes?” vroeg hem de jongste +<p>»Hebt ge ook nog oogen voor de meisjes?” vroeg hem de jongste der drijvers, toen hij zich weder bij hen had gevoegd.</p> -<p>»Zij is eene dienstmaagd der prinses,” antwoordde Kaschta, -niet zonder verlegenheid. »Wij zullen morgen van haar een brief +<p>»Zij is eene dienstmaagd der prinses,” antwoordde Kaschta, +niet zonder verlegenheid. »Wij zullen morgen van haar een brief aan den schrijver der metalen medenemen, en daarvoor wil zij ons wijn schenken, wanneer wij ons ten minste legeren in de nabijheid der tenten.”</p> -<p>»Zie me dien ouden roodbaard!” riep een der jongere drijvers. -»Hij ruikt den wijn als een vos de ganzen. Laat ons hier rusten! +<p>»Zie me dien ouden roodbaard!” riep een der jongere drijvers. +»Hij ruikt den wijn als een vos de ganzen. Laat ons hier rusten! Men weet bovendien nimmer, hoe men het met de Mentoe<a name="FNanchor_302" id="FNanchor_302"></a><a href="#Footnote_302" class="fnanchor">302)</a> heeft, en de overste heeft bevolen, dat wij buiten de oase ons nachtkwartier zullen houden. — De zakken af, mannen! Hier is frisch water, @@ -19375,7 +19336,7 @@ houdt, gij kemphanen Hoeni en Nebsecht!”</p> <p>Bent-Anat’s reis naar de Smaragden-Hathor had lang geduurd. Zij was met die haar begeleidden tot Keft<a name="FNanchor_304" id="FNanchor_304"></a><a href="#Footnote_304" class="fnanchor">304)</a> den Nijl afgezakt. Vandaar waren zij in kleine dagmarschen de woestijn dwars doorgetrokken. -Eindelijk aangekomen in de grootendeels door Phoeniciërs +Eindelijk aangekomen in de grootendeels door Phoeniciërs bewoonde havenstad aan de Schelfzee<a name="FNanchor_305" id="FNanchor_305"></a><a href="#Footnote_305" class="fnanchor">305)</a> hadden zij aldaar eene volle week moeten wachten op het schip, dat hen naar Pharon overbracht, een dorpje alleen door visschers bewoond. @@ -19387,7 +19348,7 @@ gevonden.</p> hadden de dochter van Ramses eerbiedig ontvangen. Door middel van het heldere en koele water der beek uit het gebergte, die de palmen der Amalekieten drenkte, door berookingen, vrome spreuken -en ontelbare ceremoniën, hadden zij getracht aan de prinses +en ontelbare ceremoniën, hadden zij getracht aan de prinses hare reinheid terug te geven. Ten laatste verklaarde de godin zich bevredigd, en Bent-Anat wilde nu opbreken, ten einde noordwaarts naar haren vader te trekken. Doch de bevelhebber der @@ -19456,9 +19417,9 @@ Bent-Anat kon vertroosten. Ook luisterden de vriendinnen gaarne naar hare gezangen, hoewel de weinige liederen, die het meisje kende, ernstig en zwaarmoedig waren. Zij had ze afgeluisterd van de oude Hekt, die dikwijls in ’t donker op eene luit speelde. -Toen de tooveres opmerkte, dat Warda hare melodieën nazong, +Toen de tooveres opmerkte, dat Warda hare melodieën nazong, wees zij haar op enkele gebreken, en gaf haar goede wenken. -»Zij valt toch eens in mijne handen,” dacht de heks, »en hoe +»Zij valt toch eens in mijne handen,” dacht de heks, »en hoe beter zij zingen kan, des te duurder wordt zij betaald.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_392" id="Page_392">[392]</a></span></p> @@ -19473,7 +19434,7 @@ opzag, drukte haar des te zwaarder, naarmate er meer in hare ziel omging, dan zij zou wenschen te uiten. Warda kende de oorzaak van de smart harer meesteres, en zij had haar om zijnentwil lief als eene heilige. Dikwijls vertelde zij van Pentaoer -en zijn vader al wat zij wist, en altijd zóo, dat de prinses niet +en zijn vader al wat zij wist, en altijd zóo, dat de prinses niet vermoeden kon hoezeer zij was ingewijd in het geheim harer liefde.</p> @@ -19482,39 +19443,39 @@ zat zij met Nefert daar binnen, en sprak, zooals gewoonlijk in de schemering geschiedde, over haar vader en zijn wagenmenner Mena, over Rameri en Pentaoer.</p> -<p>»Hij leeft nog,” zeide Nefert, doelende op den dichter, »al +<p>»Hij leeft nog,” zeide Nefert, doelende op den dichter, »al schrijft mijne moeder ook, dat men niet zeker weet waar hij gebleven is. Wanneer hij ontkomen is, dan tracht hij ongetwijfeld het leger van den koning te bereiken, wanneer wij daar eens zijn, dan vindt ge hem zeker bij uw vader.”</p> <p>De prinses staarde met een droef gelaat op den grond. Doch -Nefert zag haar vriendelijk aan en vroeg: »Denkt gij misschien +Nefert zag haar vriendelijk aan en vroeg: »Denkt gij misschien aan het onderscheid van stand, dat u scheidt van den uitverkorene uws harten?”</p> -<p>»Wien ik mijne hand schenk,” antwoordde Bent-Anat met -vastheid, »dien maak ik tot een vorst. Doch al kon ik Pentaoer +<p>»Wien ik mijne hand schenk,” antwoordde Bent-Anat met +vastheid, »dien maak ik tot een vorst. Doch al kon ik Pentaoer ook verheffen tot heerscher over de geheele wereld, zoo zou hij toch altijd meer zijn en beter dan ik.”</p> -<p>»Maar uw vader?” vroeg Nefert bescheiden.</p> +<p>»Maar uw vader?” vroeg Nefert bescheiden.</p> -<p>»Hij is mijn vriend; hij hoort en verstaat mij. Als ik bij hem +<p>»Hij is mijn vriend; hij hoort en verstaat mij. Als ik bij hem ben, zal hij alles vernemen. Ik ken zijn vaderlijk en koninklijk hart.”</p> <p>Beiden zwegen een geruimen tijd. Eindelijk zeide Bent-Anat: -»Ik verzoek u licht te laten brengen, want ik wil mijn weefsel +»Ik verzoek u licht te laten brengen, want ik wil mijn weefsel afmaken.”</p> <p>De vrouw van Mena stond op. Buiten de deur van de tent kwam zij Warda tegen, die dadelijk haar hand greep en haar zwijgend met zich mede trok.</p> -<p>»Wat hebt gij, meisje? Gij beeft,” zeide Nefert.</p> +<p>»Wat hebt gij, meisje? Gij beeft,” zeide Nefert.</p> -<p>»Mijn vader is hier,” antwoordde Warda gejaagd. »Hij bewaakt +<p>»Mijn vader is hier,” antwoordde Warda gejaagd. »Hij bewaakt gevangenen uit de mafkat-groeven. Onder hen zijn twee aan elkander vastgeketende mannen. Een van dezen — gij moet niet schrikken — een van dezen is de dichter Pentaoer. — Blijf!<span class="pagenum"><a name="Page_393" id="Page_393">[393]</a></span> @@ -19524,10 +19485,10 @@ hij met andere dwangarbeiders hierlangs kwam. Pentaoer moet heden bevrijd worden, maar Bent-Anat mag nog van niets weten; want wanneer mijn plan mislukt....”</p> -<p>»Kind! Meisje!” viel Nefert haar met levendigheid in de rede. -»Hoe kan ik u helpen?”</p> +<p>»Kind! Meisje!” viel Nefert haar met levendigheid in de rede. +»Hoe kan ik u helpen?”</p> -<p>»Beveel den hofmeester, dat hij aan den drijver der gevangenen, +<p>»Beveel den hofmeester, dat hij aan den drijver der gevangenen, uit naam der prinses, een vollen lederen zak wijn moet brengen. Neem dan uit Bent-Anat’s reis-apotheek<a name="FNanchor_306" id="FNanchor_306"></a><a href="#Footnote_306" class="fnanchor">306)</a> het fleschje, dat den drank tegen de slapeloosheid bevat, waarvan zij ondanks uw @@ -19538,9 +19499,9 @@ en zal er gebruik van weten te maken.”</p> een zak wijn te volgen. Daarna keerde zij tot de prinses terug en opende de reis-apotheek.</p> -<p>»Wat zoekt gij?” vroeg Bent-Anat.</p> +<p>»Wat zoekt gij?” vroeg Bent-Anat.</p> -<p>»Een middel tegen hartkloppingen,” antwoordde Nefert. Zij +<p>»Een middel tegen hartkloppingen,” antwoordde Nefert. Zij stak heimelijk het verlangde fleschje hij zich, dat eenige oogenblikken later in Warda’s handen was overgegaan. Het meisje verzocht den hofmeester den zak te willen openen, en haar den @@ -19551,7 +19512,7 @@ van Bent-Anat aan de dorstige drijvers brengen.</p> <p>Toen dit bezorgd was, ging Warda naar de keukentent, waarvoor zij een jongen Amalekiet op den grond vond zitten, te midden van de dienaars der prinses. Hij sprong op, zoodra hij -het meisje gewaar werd, en zeide: »Heden breng ik vier schoone +het meisje gewaar werd, en zeide: »Heden breng ik vier schoone patrijzen<a name="FNanchor_307" id="FNanchor_307"></a><a href="#Footnote_307" class="fnanchor">307)</a>, die ik zelf heb geschoten, en voor u dezen fraaien turkoois, dien mijn broeder bij eene rots heeft gevonden<a name="FNanchor_308" id="FNanchor_308"></a><a href="#Footnote_308" class="fnanchor">308)</a>. Deze steen brengt geluk en is goed voor de oogen. Hij schenkt @@ -19559,12 +19520,12 @@ overwinning op vijanden en verdrijft booze droomen”<a name="FNanchor_309" <p><span class="pagenum"><a name="Page_394" id="Page_394">[394]</a></span></p> -<p>»Ik dank u,” zeide Warda en vatte, terwijl zij den hemelsblauwen +<p>»Ik dank u,” zeide Warda en vatte, terwijl zij den hemelsblauwen steen aannam, den jongeling bij de hand en trok hem met zich in het donker.</p> -<p>»Hoor eens, Salich!” sprak zij zacht, zoodra zij zich ver -genoeg van de anderen meende verwijderd te hebben. »Gij zijt +<p>»Hoor eens, Salich!” sprak zij zacht, zoodra zij zich ver +genoeg van de anderen meende verwijderd te hebben. »Gij zijt een brave jongen, en de dienstmaagden hebben mij verteld, dat ge mij eene ster<a name="FNanchor_310" id="FNanchor_310"></a><a href="#Footnote_310" class="fnanchor">310)</a> hebt genoemd, die van den hemel op aarde was gevallen om eene vrouw te worden. Dat zegt men alleen @@ -19572,33 +19533,33 @@ van iemand, die men gaarne mag lijden. Dat ge mij genegen zijt en aan mij denkt, toont gij dagelijks, door de bloemen die ge mij brengt, als gij het wild, dat uw vader heeft geschoten, aan den hofmeester aflevert. Zeg mij nu eens: wilt ge mij en -tevens de prinses een grooten dienst bewijzen? Ja? En gaarne?” — »Ja! +tevens de prinses een grooten dienst bewijzen? Ja? En gaarne?” — »Ja! O, dat wist ik wel. Nu hoor dan. Een vriend van de verhevene vrouw Bent-Anat, die heden nacht hierheen zal komen, -moet éen dag, misschien wel gedurende meerdere dagen, voor +moet éen dag, misschien wel gedurende meerdere dagen, voor zijne vervolgers verborgen worden gehouden. Zou hij, of zouden zij, want het zijn er misschien twee, in het huis van uw vader, dat hoog boven aan den heiligen berg moet liggen, een onderkomen en bescherming kunnen vinden?”</p> -<p>»Wien ik mijn vader breng,” zeide de jongeling, »is hem welkom, +<p>»Wien ik mijn vader breng,” zeide de jongeling, »is hem welkom, en wij verdedigen eerst onze gasten en dan ons zelven. — Waar zijn die vreemdelingen?”</p> -<p>»Zij zullen binnen weinige uren komen. Wilt gij hier wachten +<p>»Zij zullen binnen weinige uren komen. Wilt gij hier wachten tot de maan hoog aan den hemel staat?”</p> -<p>»Totdat de laatste van al de duizende manen, die achter de +<p>»Totdat de laatste van al de duizende manen, die achter de bergen verdwijnen, ondergaat.”</p> -<p>»Goed dan. Wacht aan gene zijde van de beek, en breng hen +<p>»Goed dan. Wacht aan gene zijde van de beek, en breng hen naar uw huis, die u driemaal mijn naam noemen. Gij weet toch hoe ik heet?”</p> -<p>»Ik noem u de zilverster, maar zij noemen u met den naam +<p>»Ik noem u de zilverster, maar zij noemen u met den naam Warda.”</p> -<p>»Juist! Gij brengt de vreemdelingen naar uwe hut, en wanneer +<p>»Juist! Gij brengt de vreemdelingen naar uwe hut, en wanneer zij daar door uw vader zijn opgenomen, komt gij terug om het mij mede te deelen. Ik houd hier aan de deur van de tent de wacht. Het spijt mij dat ik arm ben en het u niet vergelden @@ -19609,30 +19570,30 @@ beloonen. Wees waakzaam, Salich.”</p> gevangenen, wenschte hen even een genotvollen avond en ijlde daarna naar Bent-Anat terug, die haar met bezorgdheid over de volle lokken streek, en vroeg waarom zij toch zoo bleek zag. -»Ga wat liggen,” zeide de prinses vriendelijk. »Gij hebt de +»Ga wat liggen,” zeide de prinses vriendelijk. »Gij hebt de koorts. Zie maar, Nefert, men kan de beweging van het bloed zien in de blauwe aderen op haar voorhoofd!”</p> <p>Intusschen waren de drijvers aan het drinken. Zij prezen den koninklijken wijn en dezen gelukkigen dag. Toen Warda’s vader voorsloeg ook de gevangenen een slokje te laten proeven, riep -een zijner gezellen: »Komaan dan, het arme vee mag zich ook +een zijner gezellen: »Komaan dan, het arme vee mag zich ook wel eens vroolijk maken.”</p> <p>De roodbaard vulde een grooten beker en reikte dezen het eerst aan een falsaris, die met den man die hem had aangegeven was saamgeklonken. Daarop naderde hij Pentaoer en -fluisterde hem in het oor: »Drink niet, maar blijf wakker!” +fluisterde hem in het oor: »Drink niet, maar blijf wakker!” Toen hij ook naar den arts wilde gaan om dezen te waarschuwen, kwam een zijner gezellen hem voor en riep, terwijl -hij Nebsecht den beker toestak: »Daar roerdomp, drink ook +hij Nebsecht den beker toestak: »Daar roerdomp, drink ook eens! — Kijk eens hoe hij slurpt! Thans kan zich zijn stotterend mondwerk vlug genoeg bewegen.”</p> <div class="footnotes"> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_286" id="Footnote_286"></a><a href="#FNanchor_286"><span class="label">286)</span></a> Over het Schiereiland van den Sinaï, zijne geschiedenis en de heilige +<p><a name="Footnote_286" id="Footnote_286"></a><a href="#FNanchor_286"><span class="label">286)</span></a> Over het Schiereiland van den Sinaï, zijne geschiedenis en de heilige plaatsen die daar gevonden worden, heb ik uitvoerig gehandeld in mijn in 1872 verschenen werk: <cite>Durch Gosen zum Sinai, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek</cite>, Leipzig, W. Engelman. Het tooneel @@ -19651,8 +19612,8 @@ de kaap van gelijken naam.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_288" id="Footnote_288"></a><a href="#FNanchor_288"><span class="label">288)</span></a> De Roode zee, in ’t Hebreeuwsch en in ’t Koptisch de Schelfzee geheeten, heeft eene heerlijke blauw-groene kleur. Volgens de schrijvers -der oudheid werd zij aldus genoemd, òf naar hare roode oevers, òf naar -de Erythraeërs, „de Rooden,” die rondom hare kusten woonden. In een +der oudheid werd zij aldus genoemd, òf naar hare roode oevers, òf naar +de Erythraeërs, „de Rooden,” die rondom hare kusten woonden. In een oud opschrift heet zij Atoer set Descher, d. i. de wateren van het Roode land. Zie Ebers <cite>Durch Gosen</cite>, u.s.w. S. 518, Anm. 37.</p> </div> @@ -19663,8 +19624,8 @@ land. Zie Ebers <cite>Durch Gosen</cite>, u.s.w. S. 518, Anm. 37.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_290" id="Footnote_290"></a><a href="#FNanchor_290"><span class="label">290)</span></a> Zie Dl. I bl. <a href="#Page_14">8</a>. De gedenkteekenen, die bij de beide voormalige steengroeven -Wadi Maghara en Sarboet el Chadem op het Sinaïtisch schiereiland -bewaard zijn gebleven, leeren, dat Hathor hier boven alle goden werd geëerd.</p> +Wadi Maghara en Sarboet el Chadem op het Sinaïtisch schiereiland +bewaard zijn gebleven, leeren, dat Hathor hier boven alle goden werd geëerd.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -19683,7 +19644,7 @@ uitgegeven bij Seitz te Wansbeck, eene zeer getrouwe voorstelling gegeven.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_294" id="Footnote_294"></a><a href="#FNanchor_294"><span class="label">294)</span></a> Palmer en Wilson hebben ze ontdekt, en wel in Wadi Oemm Themâïm. +<p><a name="Footnote_294" id="Footnote_294"></a><a href="#FNanchor_294"><span class="label">294)</span></a> Palmer en Wilson hebben ze ontdekt, en wel in Wadi Oemm Themâïm. Gaarne verwijzen wij hier naar het zeer belangrijke werk van M. A. Palmer, <cite>The desert of the Exodus</cite>, Cambridge 1871.</p> </div> @@ -19713,15 +19674,15 @@ zijn tegenwoordig geheel uitgeput.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_299" id="Footnote_299"></a><a href="#FNanchor_299"><span class="label">299)</span></a> De oase aan den voet van den berg Choreb, bij welke, volgens de bijbelsche -overlevering, de uitgetrokken Israëlieten onder aanvoering van Jozua -de Amalekieten overwonnen, terwijl Aäron en Hur de armen van den biddenden +overlevering, de uitgetrokken Israëlieten onder aanvoering van Jozua +de Amalekieten overwonnen, terwijl Aäron en Hur de armen van den biddenden Mozes ondersteunden. Exodus XVII, 8, vv.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_300" id="Footnote_300"></a><a href="#FNanchor_300"><span class="label">300)</span></a> De Bedoeïnen op het Sinaïtisch Schiereiland branden thans nog vele -kolen uit het hout van den Sejâl-boom (Acacia tortilis Hayne), en brengen -ze naar Kaïro ter markt.</p> +<p><a name="Footnote_300" id="Footnote_300"></a><a href="#FNanchor_300"><span class="label">300)</span></a> De Bedoeïnen op het Sinaïtisch Schiereiland branden thans nog vele +kolen uit het hout van den Sejâl-boom (Acacia tortilis Hayne), en brengen +ze naar Kaïro ter markt.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -19733,7 +19694,7 @@ ze naar Kaïro ter markt.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_303" id="Footnote_303"></a><a href="#FNanchor_303"><span class="label">303)</span></a> „Man” noemen heden de Bedoeïnen van het Sinaïtisch schiereiland de +<p><a name="Footnote_303" id="Footnote_303"></a><a href="#FNanchor_303"><span class="label">303)</span></a> „Man” noemen heden de Bedoeïnen van het Sinaïtisch schiereiland de zoete uitzweeting van de tamarinde (tamarix mannifera), die in de wadis of dalen hunner woonplaats groeit. De uitzweeting heeft gewoonlijk plaats in Mei. Het ‚man’ kon echter bewaard worden. Niet ten onrechte wordt @@ -19755,12 +19716,12 @@ is dan de eeuw van Ramses, wordt in het museum te Berlijn bewaard.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_307" id="Footnote_307"></a><a href="#FNanchor_307"><span class="label">307)</span></a> Op den top van den Sinaï der monniken, die Gebel Katherin wordt -genaamd, ontspringt een beekje, dat „ma’yan esch schoennâr” of patrijzenbron +<p><a name="Footnote_307" id="Footnote_307"></a><a href="#FNanchor_307"><span class="label">307)</span></a> Op den top van den Sinaï der monniken, die Gebel Katherin wordt +genaamd, ontspringt een beekje, dat „ma’yan esch schoennâr” of patrijzenbron heet, en waarvan allerlei sagen in omloop zijn. God zou het bijv. voor de patrijzen hebben doen ontspringen, die de engelen waren -gevolgd, toen deze het lichaam van de heilige Katharina van Alexandrië -naar den Sinaï brachten.</p> +gevolgd, toen deze het lichaam van de heilige Katharina van Alexandrië +naar den Sinaï brachten.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -19774,11 +19735,11 @@ toegeschreven.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_310" id="Footnote_310"></a><a href="#FNanchor_310"><span class="label">310)</span></a> De bewoners van het schiereiland van den Sinaï waren in den oudsten -tijd Cabiërs, d.i. zij vereerden de hemellichten. Dit verkondigen ons -de door Beer ontcijferde Nabatheïsche opschriften, waarvan de oudste +<p><a name="Footnote_310" id="Footnote_310"></a><a href="#FNanchor_310"><span class="label">310)</span></a> De bewoners van het schiereiland van den Sinaï waren in den oudsten +tijd Cabiërs, d.i. zij vereerden de hemellichten. Dit verkondigen ons +de door Beer ontcijferde Nabatheïsche opschriften, waarvan de oudste schrijvers zich „dienaars,” „vereerders” of „priesters” noemen van de -„zon,” de „maan,” „Baäl,” enz. De zonnegod heette bij hen Doesaris. De +„zon,” de „maan,” „Baäl,” enz. De zonnegod heette bij hen Doesaris. De oudste van deze opschriften behooren eerst tot de tweede eeuw v. Chr.</p> </div></div> @@ -19801,14 +19762,14 @@ de ringen, waarmede de ketting aan zijne en Nebsecht’s enkels bevestigd was, hoewel hij te vergeefs beproefde den arts te wekken.</p> -<p>»Volg mij,” riep hij den dichter toe, nam Nebsecht op zijne +<p>»Volg mij,” riep hij den dichter toe, nam Nebsecht op zijne schouders en haastte zich naar de plek aan de beek, die Warda hem had uitgeduid.</p> <p>Zoodra hij driemaal den naam zijner dochter had genoemd, -kwam de jonge Amalekiet te voorschijn. »Volg dezen,” riep de -soldaat den dichter toe, »voor den arts zal ik wel zorgen.” -»Hem laat ik niet achter!” zeide Pentaoer beslissend. »Mogelijk +kwam de jonge Amalekiet te voorschijn. »Volg dezen,” riep de +soldaat den dichter toe, »voor den arts zal ik wel zorgen.” +»Hem laat ik niet achter!” zeide Pentaoer beslissend. »Mogelijk kan het water hem wakker maken.”</p> <p>Zij dompelden Nebsecht in de beek, die zoowat half ontwaakte @@ -19858,7 +19819,7 @@ van bergtoppen opklom.</p> <p>Hij ontmoette een steenbok, die schuw voor hem uit den weg ging. Het beest beklauterde vluchtend met zijn wijfje een steilen -rotswand. Hij riep het echter toe: »Ik zal u niets doen, ik niet.”</p> +rotswand. Hij riep het echter toe: »Ik zal u niets doen, ik niet.”</p> <p>Toen hij op een klein plateau, aan den voet van een veeltandigen graniettop, was aangekomen, bleef hij stilstaan. Wederom @@ -19915,7 +19876,7 @@ welke van al de godheden kon hij hier de handen opheffen?</p> <p>Er verhief zich een zachte luchtstroom; de nevelen losten zich op, gelijk rustelooze schaduwen voor het woord van den bezweerder. -De kroon van den heiligen berg Sinaï met zijne vele inzinkingen +De kroon van den heiligen berg Sinaï met zijne vele inzinkingen vertoonde zich aan zijn oog in scherpe omtrekken, en beneden hem kwamen de kronkelingen der dalen en verder de donkerkleurige, zachtbewogen oppervlakte der zee steeds duidelijker<span class="pagenum"><a name="Page_399" id="Page_399">[399]</a></span> @@ -19931,11 +19892,11 @@ bezielende woorden, en die toch alleen aan de boorden van den Nijl beteekenis, een vaderland, een gebied voor hunne heerschappij bezaten, schenen hem nu zoo oneindig klein toe.</p> -<p>»Tot u,” prevelde hij, »bid ik niet! Hier, waar mijn blik als +<p>»Tot u,” prevelde hij, »bid ik niet! Hier, waar mijn blik als die eener godheid het oneindige omvat, hier voel ik den Eenen, hier is hij mij nabij, hier roep ik hem aan, hier wil ik hem danken!”</p> -<p>En wederom verhief hij zijne handen en bad overluid: »Gij +<p>En wederom verhief hij zijne handen en bad overluid: »Gij Eenige! — Gij Eenige! — Gij Eenige!”</p> <p>Meer kon hij niet uitbrengen, maar een verheven lof- en danklied @@ -19946,17 +19907,17 @@ van hooge gestalte, met doordringde oogen. Zijn uiterlijk was vol waardigheid als dat eens konings, ofschoon hij een eenvoudig herderskleed droeg.</p> -<p>»Heil u!” zeide de onbekende, op diepen en plechtigen toon. -»Gij zoekt den waren god.”</p> +<p>»Heil u!” zeide de onbekende, op diepen en plechtigen toon. +»Gij zoekt den waren god.”</p> <p>Pentaoer sloeg een onderzoekenden blik op den zwaar gebaarden -man. »Nu herken ik u,” zeide hij ten laatste. »Gij zijt +man. »Nu herken ik u,” zeide hij ten laatste. »Gij zijt Mesoe<a name="FNanchor_313" id="FNanchor_313"></a><a href="#Footnote_313" class="fnanchor">313)</a>. Ik was nog maar een knaap, toen gij het Seti-huis verliet, maar uwe trekken bleven onuitwischbaar in mijne ziel geprent. Even als u, heeft Ameni ook mij ingewijd in de leer van den Eenen.”</p> -<p>»Hij kent hem niet,” antwoordde de andere, nadenkend, en +<p>»Hij kent hem niet,” antwoordde de andere, nadenkend, en zag naar den oostelijken gezichteinder, die reeds helderder begon te lichten.</p> @@ -19973,18 +19934,18 @@ keerde zich van de zon af.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_400" id="Page_400">[400]</a></span></p> <p>Na zijn gebed voleindigd te hebben, vroeg Pentaoer hem: -»Waarom hebt gij u afgewend van de verschijning van den zonnegod? +»Waarom hebt gij u afgewend van de verschijning van den zonnegod? Ons werd toch geleerd hem tegen te zien als hij nadert.” -»Omdat ik,” antwoordde zijn metgezel ernstig, »tot een ander +»Omdat ik,” antwoordde zijn metgezel ernstig, »tot een ander bid dan gij. De zon en alle gesternten zijn in zijne hand, wat de ballen zijn voor spelende kinderen. De aarde is de voetbank zijner voeten, de stormwind is zijn adem, en de zee is in zijne oogen het drupje gelijk, dat aan dit grasscheutje hangt.”</p> -<p>»Leer mij dien machtige kennen, tot wien gij bidt,” zeide +<p>»Leer mij dien machtige kennen, tot wien gij bidt,” zeide Pentaoer.</p> -<p>»Zoek hem!” hernam de ander, »en gij zult hem vinden, +<p>»Zoek hem!” hernam de ander, »en gij zult hem vinden, want gij komt uit de school van het lijden en de beproeving. Op deze plaats, op een morgen als dezen, heeft hij zich aan mij geopenbaard.”</p> @@ -20014,7 +19975,7 @@ Doch evenals een doove, die opeens het gehoor terug ontvangt, zoo schrikte hij op, toen hij zijn naam hoorde noemen, en — van welke lippen!</p> -<p>»Pentaoer!” riep Bent-Anat andermaal. De dichter opende +<p>»Pentaoer!” riep Bent-Anat andermaal. De dichter opende zijne armen; de dochter des konings zonk aan zijne borst, en hij trok haar tot zich, als wilde hij haar vasthouden en levenslang niet meer loslaten.</p> @@ -20024,45 +19985,45 @@ niet meer loslaten.</p> <p>Intusschen rustten zij, die de prinses begeleidden, voor de hut van den jager uit.</p> -<p>»Zij vloog hem om den hals; ja dat heb ik gezien,” zeide<span class="pagenum"><a name="Page_401" id="Page_401">[401]</a></span> -Warda. »Ik zal het nooit vergeten! Het was alsof de blinkende +<p>»Zij vloog hem om den hals; ja dat heb ik gezien,” zeide<span class="pagenum"><a name="Page_401" id="Page_401">[401]</a></span> +Warda. »Ik zal het nooit vergeten! Het was alsof de blinkende zee daarginds zich had opgericht en den heiligen berg omhelsd!”</p> -<p>»Kind! Hoe komt ge toch aan zulke gedachten?” vroeg Nefert.</p> +<p>»Kind! Hoe komt ge toch aan zulke gedachten?” vroeg Nefert.</p> -<p>»Uit het hart, diep uit het hart!” zeide Warda. »Ik ben zoo +<p>»Uit het hart, diep uit het hart!” zeide Warda. »Ik ben zoo onuitsprekelijk gelukkig!”</p> -<p>»Gij hebt hem gered en zijne weldaad vergolden. Ik begrijp +<p>»Gij hebt hem gered en zijne weldaad vergolden. Ik begrijp dat u dit reden tot blijdschap geeft.”</p> -<p>»Dat is het niet alleen,” zeide Warda. »Ik vreesde reeds den +<p>»Dat is het niet alleen,” zeide Warda. »Ik vreesde reeds den moed te zullen verliezen, maar nu zie ik toch weder, dat de goden rechtvaardig zijn en goed.”</p> -<p>De vrouw van Mena knikte haar toe en zuchtte: »Deze twee +<p>De vrouw van Mena knikte haar toe en zuchtte: »Deze twee zijn gelukkig!”</p> -<p>»En zij verdienen het te zijn,” hernam het meisje. »Als +<p>»En zij verdienen het te zijn,” hernam het meisje. »Als Bent-Anat stel ik mij de godin der waarheid voor, en er is geen ander man in Egypte aan Pentaoer gelijk.”</p> -<p>Nefert zweeg een poos; toen vroeg zij zacht: »Hebt gij Mena +<p>Nefert zweeg een poos; toen vroeg zij zacht: »Hebt gij Mena ook gezien?”</p> -<p>»Hoe zou ik?” antwoordde Warda. »Wacht maar, ook uw tijd +<p>»Hoe zou ik?” antwoordde Warda. »Wacht maar, ook uw tijd zal komen. Ik geloof, dat ik heden als eene profetes een blik in de toekomst kan slaan! Maar laten wij gaan zien of de arts Nebsecht nog altijd ligt te slapen. De drank dien ik in den wijnzak heb uitgegoten, moet wel sterk zijn.”</p> -<p>»Dat is hij,” hernam Nefert, en volgde het meisje in de hut.</p> +<p>»Dat is hij,” hernam Nefert, en volgde het meisje in de hut.</p> <p>Daar lag de arts nog altijd op zijn leger en sliep met wijd-geopenden mond.</p> <p>Warda knielde bij hem neder, zag hem in het aangezicht en -zeide: »Hij is zoo verstandig en weet alles, toch ziet hij er nu +zeide: »Hij is zoo verstandig en weet alles, toch ziet hij er nu zoo onnoozel uit! Ik zal hem wekken.”</p> <p>Zij trok een grashalm uit het stroo, en zeer ondeugend begon @@ -20070,13 +20031,13 @@ zij daarmede zijn neus te streelen.</p> <p>Nebsecht hief het hoofd even op, niesde en sliep weder in. Warda schaterde het uit van lachen met haar zilver stemmetje. -Daarna bloosde zij en zeide: »Dat was toch verkeerd van mij. +Daarna bloosde zij en zeide: »Dat was toch verkeerd van mij. Hij is zoo goed en grootmoedig!”</p> <p>Nauwelijks had zij dit gezegd, of zij greep de hand van den slapende, bracht die aan hare lippen, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Nu ontwaakte hij. Hij sloeg de oogen op, en -prevelde, nog half droomend: »Warda, lieve Warda!”</p> +prevelde, nog half droomend: »Warda, lieve Warda!”</p> <p>Het meisje stond op en vloog weg, gevolgd door Nefert.</p> @@ -20117,7 +20078,7 @@ Chesschent of Lycopolis in Opper-Egypte vereerd. <span class="vert">Vert.</span> de pharao’s onderworpen, en betaalden zij hun schatting. Daarvoor was hun als een voorrecht toegestaan, dat geen Egyptisch soldaat zonder hun verlof hun grondgebied mocht betreden. De -Ethiopiërs hadden Bent-Anat’s tenten en hunne eigene legerplaats +Ethiopiërs hadden Bent-Anat’s tenten en hunne eigene legerplaats dan ook opgeslagen buiten de eigenlijke oase. Het kwam echter weldra tot allerlei vechtpartijen tusschen de soldaten, die met hun tijd geen weg wisten, en de Amalekieten. Die twisten liepen nu @@ -20129,7 +20090,7 @@ bij het waterputten overvielen.</p> was, Pentaoer en Nebsecht gemist. Hij had hierop zijne kameraden, waaronder Warda’s vader zijne plaats weder had ingenomen, dadelijk gewekt. De bewakers der dwangarbeiders snelden -woedend over het gebeurde naar den bevelhebber der Ethiopiërs. +woedend over het gebeurde naar den bevelhebber der Ethiopiërs. Zij deelden hem mede, dat twee gevangenen ontkomen waren, en dat het wel niet anders kon, of ze werden door de Amalekieten verborgen gehouden. Deze beantwoordden den eisch om de vluchtelingen, @@ -20144,7 +20105,7 @@ terug voor de gesloten gelederen der Egyptenaars, die, zich zeker wanende van de overwinning, hen vervolgden tot aan de plaats,<span class="pagenum"><a name="Page_403" id="Page_403">[403]</a></span> waar het dal wijder wordt, en zich om een rotsheuvel<a name="FNanchor_314" id="FNanchor_314"></a><a href="#Footnote_314" class="fnanchor">314)</a> heenbuigt. Hierachter stond de hoofdmacht der Amelekieten verborgen, -die, zoodra de Ethiopiërs zonder eenig kwaad vermoeden +die, zoodra de Ethiopiërs zonder eenig kwaad vermoeden den heuvel voorbij gemarcheerd waren, opeens voor den dag kwamen en hen in den rug vielen. Tegelijk keerden de vervolgden zich om, en schoten hunne pijlen en wierpen hunne lansen @@ -20163,7 +20124,7 @@ vluchten. Het dienstbaar personeel was de koningsdochter geheel toegedaan. De lieden belastten zich met hetgeen men voor dagelijksch gebruik het meest noodig had, namen draagstoelen en lastdieren mede, en terwijl het gevecht in de oase woedde, -voerde de jonge Salich hen naar de hoogten van Sinaï en de +voerde de jonge Salich hen naar de hoogten van Sinaï en de woning zijns vaders. Onderweg bereidde Warda de prinses voor op de ontmoeting, die haar bij den jager wachtte. Wij weten reeds hoe Bent-Anat den dichter vond.</p> @@ -20207,12 +20168,12 @@ de Ethiopische troepen met geweld in de oase werd teruggehouden. Nadat de vorst der woestijn, Abocharabos<a name="FNanchor_315" id="FNanchor_315"></a><a href="#Footnote_315" class="fnanchor">315)</a>, aan Pentaoer, dien hij voor een zoon des konings hield, en Bent-Anat de verzekering had gegeven, dat hij en de zijnen den pharao Ramses, die -hunne rechten steeds geëerbiedigd had, geheel waren toegedaan, -verhaalde hij niet zonder trots, dat de Ethiopiërs, op enkelen +hunne rechten steeds geëerbiedigd had, geheel waren toegedaan, +verhaalde hij niet zonder trots, dat de Ethiopiërs, op enkelen na, die door hem gevangen werden gehouden, allen door zijne manschappen waren neergeschoten.</p> -<p>»Zij zijn gewoon,” zeide hij, »tegen de zwarte hondsche lafaards +<p>»Zij zijn gewoon,” zeide hij, »tegen de zwarte hondsche lafaards van Koesch te vechten. Maar wij zijn mannen en weten ons te verweren, als de leeuwen in onze dalen. Moeten wij voor de overmacht wijken, dan weten wij ons als de steenbok in de @@ -20226,13 +20187,13 @@ wensch uit, zich onder leiding van Pentaoer, haar verloofde, zoo spoedig mogelijk naar het leger des konings te begeven.</p> <p>Het opperhoofd had Bent-Anat, terwijl zij sprak, en Pentaoer -met zijne oogen goed opgenomen, en zeide nu: »Gij, koningsdochter, +met zijne oogen goed opgenomen, en zeide nu: »Gij, koningsdochter, gelijkt de maan, en uw metgezel den zonnegod Doesaris<a name="FNanchor_316" id="FNanchor_316"></a><a href="#Footnote_316" class="fnanchor">316)</a>. -Behalve Abocharabos,” en hij sloeg op zijne borst, »en<span class="pagenum"><a name="Page_405" id="Page_405">[405]</a></span> +Behalve Abocharabos,” en hij sloeg op zijne borst, »en<span class="pagenum"><a name="Page_405" id="Page_405">[405]</a></span> zijne vrouw, ken ik geen paar menschen gelijk aan u beiden. Tot Hebron zal ikzelf u geleiden met eenige van mijne beste krijgslieden. Maar er is haast bij het werk, want ik moet terug -zijn, eer de verraderlijke man, die thans over Mitzraïm<a name="FNanchor_317" id="FNanchor_317"></a><a href="#Footnote_317" class="fnanchor">317)</a> gebied +zijn, eer de verraderlijke man, die thans over Mitzraïm<a name="FNanchor_317" id="FNanchor_317"></a><a href="#Footnote_317" class="fnanchor">317)</a> gebied voert en die u vervolgde, nieuwe troepen tegen u uitzendt. Trekt nu naar beneden. Geen hoen wordt bij uw tenten gemist! Morgen breken wij op, eer de dag aanlicht.”</p> @@ -20246,7 +20207,7 @@ dat alles opnemen?</p> <p>Nefert verheugde zich over de edele gestalte van den dichter, en gaf telkens de verzekering, dat hij als een jongere broeder -geleek op haar gestorven oom, den vader van den gids Paäker.</p> +geleek op haar gestorven oom, den vader van den gids Paäker.</p> <p>Warda werd niet moede hem en de prinses in stilte te beschouwen. Zij zag hem niet meer aan voor een hooger wezen, @@ -20257,17 +20218,17 @@ eigene liefde.</p> <p>De arts Nebsecht hield zich op een behoorlijken afstand. De hoofdpijn, die hem lang geplaagd had, was door de frissche berglucht voorbijgegaan. Toen Pentaoer hem de hand drukte, -zeide hij: »Nu is er een einde gekomen aan ons lustig schelden! +zeide hij: »Nu is er een einde gekomen aan ons lustig schelden! Het gaat toch zonderling toe met den loop van ’s menschen levenslot! Van nu aan trek ik altijd in den strijd met u aan het kortste einde, want de groote orchestmeester, tot wien gij -bidt, heeft de disharmonieën in uw leven werkelijk heel aardig +bidt, heeft de disharmonieën in uw leven werkelijk heel aardig opgelost.”</p> -<p>»Het klinkt waarlijk als deed u dit leed; maar ook voor u +<p>»Het klinkt waarlijk als deed u dit leed; maar ook voor u zal alles ten beste keeren.”</p> -<p>»Dat betwijfel ik,” antwoordde de arts, »want ik zie nu duidelijk, +<p>»Dat betwijfel ik,” antwoordde de arts, »want ik zie nu duidelijk, dat ieder mensch een instrument op zichzelf is, uit goed of slecht hout, bruikbaar of onbruikbaar, reeds voor zijne geboorte zoo gemaakt in een geheimzinnige werkplaats. Zeker iets, @@ -20288,7 +20249,7 @@ het opmerken of niet, wat doet het er toe?”</p> <p>Toen Pentaoer met Bent-Anat en haar gevolg afscheid namen van den jager, wien de koningsdochter rijkelijk met geschenken had overladen, ging de zon reeds ter ruste. De getande kroon -van den Sinaï baadde in een gloed, als bestond zij enkel uit +van den Sinaï baadde in een gloed, als bestond zij enkel uit robijnen, waarachter een brandend gedeelte van het aardrijk lag te smeulen.</p> @@ -20298,11 +20259,11 @@ de karavaan, waartoe nu ook Warda’s vader behoorde. Hij was door de bewoners der oase gevangen genomen, maar op verzoek der prinses in vrijheid gesteld. Bij het eerste halt moest Kaschta vertellen, hoe het hem gelukt was Pentaoer in plaats van naar -de steengroeven van Chennoe naar de bergwerken van het Sinaïtisch +de steengroeven van Chennoe naar de bergwerken van het Sinaïtisch schiereiland te doen brengen.</p> -<p>»Ik wist,” zoo begon de soldaat op zijne eenvoudige manier, -»door Warda, waarheen deze man gebracht moest worden, die +<p>»Ik wist,” zoo begon de soldaat op zijne eenvoudige manier, +»door Warda, waarheen deze man gebracht moest worden, die zijn leven voor ons, arme schepsels, in de waagschaal had gesteld; en ik zeide tot mijzelven, dat ik hem redden moest. Maar denken is mijne zaak niet, en ik kon nooit plannen maken. Het @@ -20311,7 +20272,7 @@ die waarschijnlijk slecht ware afgeloopen, wanneer een ander mij niet op een denkbeeld had gebracht, nog voordat Warda mij vertelde welk gevaar Pentaoer bedreigde.</p> -<p>»De zaak heeft zich aldus toegedragen. Ik zou de mannen, +<p>»De zaak heeft zich aldus toegedragen. Ik zou de mannen, die veroordeeld waren tot den dwangarbeid in de mafkat-groeven over den Nijl leiden, naar de plaats waar het schip in de Nekropolis zou afvaren. Die arme schelmen mogen hunne betrekkingen @@ -20333,13 +20294,13 @@ groote zuilenzaal moesten voltooien. Hij was bij iedereen geacht, en vervulde onberispelijk zijn plicht. Doch eens verzuimde hij dien. Het was juist in den nacht, gij zult het u nog herinneren, toen de wolven in den tempel doorbraken en den ram verscheurden -en het heilige hart in de borst van den profeet Roeï -werd overgebracht. Eén moest er voor boeten, en dit trof den +en het heilige hart in de borst van den profeet Roeï +werd overgebracht. Eén moest er voor boeten, en dit trof den ongelukkigen Hoeni, die voor zijne nalatigheid werd veroordeeld tot dwangarbeid in de mafkat-groeven. Zijne opvolgers zullen nu wel oppassen.</p> -<p>»Er was niemand die Hoeni uitgeleide deed. Toch wist ik +<p>»Er was niemand die Hoeni uitgeleide deed. Toch wist ik dat hij eene vrouw had en vele kinderen. Hij zag zoo bleek als dit doek, en was een dergenen wien de smart het hart verteert. Ik ging naar hem toe, en vroeg waarom de zijnen niet kwamen? @@ -20357,14 +20318,14 @@ part naar de goudmijnen sturen, of in stukken hakken; maar dat mijne kinderen nu honger moeten lijden, dat.... dat!’ Daarbij sloeg hij zich tegen het voorhoofd. — </p> -<p>»Ik ging heen om Warda vaarwel te zeggen, en op weg tot +<p>»Ik ging heen om Warda vaarwel te zeggen, en op weg tot haar herhaalde ik gedurig: ‚dat, dat!’ Daarbij zag ik den man -vóor mij en die acht schapen van kinderen. Als ik rijk was, +vóor mij en die acht schapen van kinderen. Als ik rijk was, dacht ik, zou ik dezen helpen! Ik kom bij mijn dochtertje, zij vertelt mij van al het geld, dat de arts Nebsecht haar geschonken had en stelt mij voor Pentaoer te redden. Daar komt ineens de gedachte bij mij op: het geld krijgen de kinderen van -Hoeni, en hijzelf laat zich daarvoor naar Ethiopië sleepen. Ik loop +Hoeni, en hijzelf laat zich daarvoor naar Ethiopië sleepen. Ik loop naar de haven, spreek met den man, vind hem volgaarne bereid, geef het geld aan de vrouw, en in den nacht bij de inscheping gelukt het mij de verwisseling te doen plaats hebben. @@ -20380,42 +20341,42 @@ in een der vuurpotten van de hel zijn afgedaald, zonder te klagen. Hij heeft dan ook vol goeden moed van mij afscheid genomen.</p> -<p>»Het overige, en hoe wij hierheen gekomen zijn, weet gij -zelve. — In Syrië zult gij in dit jaargetijde veel van den regen +<p>»Het overige, en hoe wij hierheen gekomen zijn, weet gij +zelve. — In Syrië zult gij in dit jaargetijde veel van den regen te lijden hebben. Ik ken het land, want ik heb vandaar vele krijgsgevangenen naar Egypte gebracht. Ik ben daar vijf jaren geweest onder de afdeeling van den grooten Mohar, den vader van den -gids Paäker.”</p> +gids Paäker.”</p> <p>Bent-Anat dankte den braven man. Hierop zetten Pentaoer en Nebsecht zijn verhaal voort.</p> -<p>»Gedurende de vaart,” zeide de arts, »was ik zeer bezorgd voor +<p>»Gedurende de vaart,” zeide de arts, »was ik zeer bezorgd voor Pentaoer, want ik zag dat hij innerlijk verkwijnde. Maar in de woestijn kwam hij weder bij, en als wij halt hielden fluisterde hij mij dikwijls schoone liederen in het oor, die hij op marsch had gedicht.”</p> -<p>»Vreemd!” voegde Bent-Anat er bij. »Ook ik heb mij beter +<p>»Vreemd!” voegde Bent-Anat er bij. »Ook ik heb mij beter gevoeld, sedert ik in de woestijn was.”</p> -<p>»Zeg ons het versje toch eens op van de beytherân-plant”<a name="FNanchor_318" id="FNanchor_318"></a><a href="#Footnote_318" class="fnanchor">318)</a>, +<p>»Zeg ons het versje toch eens op van de beytherân-plant”<a name="FNanchor_318" id="FNanchor_318"></a><a href="#Footnote_318" class="fnanchor">318)</a>, verzocht Nebsecht.</p> -<p>»Kent gij dat kruid?” vroeg de dichter aan de prinses. »Het +<p>»Kent gij dat kruid?” vroeg de dichter aan de prinses. »Het groeit hier op vele plaatsen. — Daar is het! Ruik maar hoe het geurt, wanneer men den vetten stengel op de blaadjes wrijft. Mijn versje is zeer eenvoudig. Het viel mij in, na vele andere liederen, waarvan gij de beste reeds kent.”</p> -<p>»Zij prezen alle dezelfde godin,” zeide Nebsecht lachend.</p> +<p>»Zij prezen alle dezelfde godin,” zeide Nebsecht lachend.</p> -<p>»Maar uw versje?” vroeg Bent-Anat.</p> +<p>»Maar uw versje?” vroeg Bent-Anat.</p> <p>De dichter sprak zacht:</p> <div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> -<span class="i0">„Vaak zag ik ’t needrig plantje beytherân<br /></span> +<span class="i0">„Vaak zag ik ’t needrig plantje beytherân<br /></span> <span class="i0">Rijk bloeiend in het dor woestijnzand staan;<br /></span> <span class="i0">Geen vezeltje, geen blad dat zich onthult<br /></span> <span class="i0">Of ’t spreidt dien zoeten geur die ’t gansch vervult,<br /></span> @@ -20425,10 +20386,10 @@ liederen, waarvan gij de beste reeds kent.”</p> <span class="i0">In ’t aaklig oord waar slechts de dood gebiedt?”<br /></span> </div></div></div> -<p>»Schrijft gij aan de woestijn niet toe, wat gij aan de liefde +<p>»Schrijft gij aan de woestijn niet toe, wat gij aan de liefde verschuldigd zijt?” vroeg Nefert.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_409" id="Page_409">[409]</a></span></p> -<p>»Ik heb beiden te danken. Maar ik moet bekennen, dat de +<p>»Ik heb beiden te danken. Maar ik moet bekennen, dat de woestijn een uitnemende arts is voor eene kranke ziel. Uit de eindelooze eentonigheid rondom ons, trekken wij ons geheel terug in ons binnenste. De zinnen rusten; ongestoord en zonder inwerking @@ -20445,13 +20406,13 @@ bescheiden op den achtergrond treedt, vindt ook de denkende geest, die zich gaarne in het oneindige verliest, geene grenzen.”</p> -<p>»Ja, in de woestijn kan men goed denken,” bevestigde Nebsecht. -»Hier is mij duidelijk geworden, wat ik in Egypte slechts +<p>»Ja, in de woestijn kan men goed denken,” bevestigde Nebsecht. +»Hier is mij duidelijk geworden, wat ik in Egypte slechts vermoedde.”</p> -<p>»En dat is?” vroeg Pentaoer.</p> +<p>»En dat is?” vroeg Pentaoer.</p> -<p>»Vooreerst,” antwoordde de arts, »dat ik en wij allen inderdaad +<p>»Vooreerst,” antwoordde de arts, »dat ik en wij allen inderdaad niets goeds weten. Vervolgens, dat de ezel de roos wel mag liefhebben, maar de roos niet den ezel. Het derde moet ik voor mij zelven houden, want dat is juist mijn geheim, en ofschoon @@ -20460,8 +20421,8 @@ Ceremoniemeester, hoe komt dat toch? Gij weet precies hoe diep de menschen zich naar hun stand voor de prinses te buigen hebben, en gij vermoedt niet hoe zoo’n ruggegraat is samengesteld!”</p> -<p>»Wat zou mij dat ook geven?” antwoordde de andere met -eene wedervraag. »Ik heb alleen op het uitwendige te letten, +<p>»Wat zou mij dat ook geven?” antwoordde de andere met +eene wedervraag. »Ik heb alleen op het uitwendige te letten, terwijl gij zeker dag en nacht het inwendige beschouwt. Anders zou uw haar wel gladder en uw kleed minder morsig zijn.”</p> @@ -20474,7 +20435,7 @@ onder het zeker geleide van Egyptische troepen.</p> <p>Hier nam Pentaoer van de prinses afscheid, en Bent-Anat zeide hem zonder eene klacht vaarwel. Warda’s vader, die in den -dienst van den ouderen Mohar alle wegen en paden in Syrië<span class="pagenum"><a name="Page_410" id="Page_410">[410]</a></span> +dienst van den ouderen Mohar alle wegen en paden in Syrië<span class="pagenum"><a name="Page_410" id="Page_410">[410]</a></span> nauwkeurig had leeren kennen, begeleidde den dichter, terwijl de arts Nebsecht bij de vrouwen terugbleef. Hun goed gesternte scheen met het vertrek van Pentaoer te zijn ondergegaan, want @@ -20532,10 +20493,10 @@ zijne gevangenschap had ontwikkeld, hing nu neder op zijne borst.</p> <p>Warda’s vader zag hem dikwijls verwonderd aan en zeide -dan: »Men zou haast denken dat de Osiris geworden Mohar, +dan: »Men zou haast denken dat de Osiris geworden Mohar, met wien ik meer dan eens langs dezen weg ben getrokken, uit de dooden is opgestaan. Evenals gij zag hij er uit en sprak -hij, evenzoo riep hij de manschappen toe, zóo zat hij te paard +hij, evenzoo riep hij de manschappen toe, zóo zat hij te paard en hield hij de teugels, als de weg al te slecht was voor zijn wagen”<a name="FNanchor_320" id="FNanchor_320"></a><a href="#Footnote_320" class="fnanchor">320)</a>.</p> @@ -20547,7 +20508,7 @@ wat zich op den weg aan hem voordeed, met een geopend oog waarnemende.</p> <p>Weldra had hij den Libanon bereikt. Tusschen dit gebergte -en den Antilibanon voert een weg door Coele-Sirië<a name="FNanchor_321" id="FNanchor_321"></a><a href="#Footnote_321" class="fnanchor">321)</a>. Hij verblijdde +en den Antilibanon voert een weg door Coele-Sirië<a name="FNanchor_321" id="FNanchor_321"></a><a href="#Footnote_321" class="fnanchor">321)</a>. Hij verblijdde zich met eigene oogen de met heldere sneeuw bedekte, wijd en zijd in den omtrek schitterende bergtoppen te zien, waarvan de krijgslieden zoo gaarne vertelden. Het land tusschen @@ -20577,7 +20538,7 @@ vruchtbare laagland begrensde, wies altijd groenend struikgewas.</p> er even frisch en saprijk uit. Pentaoer vergeleek dit land daarom met Egypte, en merkte op hoe hier andere krachten werkzaam waren, die dezelfde uitwerkingen hadden. Hij dacht aan den morgen -op den Sinaï, en zeide weder tot zichzelven: »Hier werken andere +op den Sinaï, en zeide weder tot zichzelven: »Hier werken andere dan onze goden, en de oude meesters hadden geen onrecht, die de vreemdelingen voor goddeloozen scholden, en de oningewijden, voor wie het geheim van den Eenen verborgen bleef, waarschuwden, @@ -20608,20 +20569,20 @@ hem geschonken had, dat bezat hij; dat kon geen god hem ontnemen.</p> <div class="footnotes"> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_314" id="Footnote_314"></a><a href="#FNanchor_314"><span class="label">314)</span></a> De tegenwoordige heuvel Meharret, met de ruïne der kerk van het +<p><a name="Footnote_314" id="Footnote_314"></a><a href="#FNanchor_314"><span class="label">314)</span></a> De tegenwoordige heuvel Meharret, met de ruïne der kerk van het bisdom Pharan.</p> </div> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_315" id="Footnote_315"></a><a href="#FNanchor_315"><span class="label">315)</span></a> Deze naam is echt, want volgens Procopius schonk de hoofdman der Saracenen Abocharabos, het palmbosch midden op het schiereiland van den -Sinaï aan Justinianus. De handschriften hebben Abocharagos; dit werd +Sinaï aan Justinianus. De handschriften hebben Abocharagos; dit werd echter, ongetwijfeld met recht, door Tuch in Abocharabos veranderd.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_316" id="Footnote_316"></a><a href="#FNanchor_316"><span class="label">316)</span></a> Doesares of Dysares, Grieksche vorm van de Nabatheïsche godheid -Dhû-l-shará, den god van den berg Seïr, door de Grieksche schrijvers +<p><a name="Footnote_316" id="Footnote_316"></a><a href="#FNanchor_316"><span class="label">316)</span></a> Doesares of Dysares, Grieksche vorm van de Nabatheïsche godheid +Dhû-l-shará, den god van den berg Seïr, door de Grieksche schrijvers met Dionysos vergeleken. Zie boven bl. <a href="#Page_394">388</a>. <span class="vert">Vert.</span><br /></p> </div> @@ -20630,7 +20591,7 @@ met Dionysos vergeleken. Zie boven bl. <a href="#Page_394">388</a>. <span class= </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_318" id="Footnote_318"></a><a href="#FNanchor_318"><span class="label">318)</span></a> De bussaran- of bederan- of beytherân-struik (Cantolina fragrantissima +<p><a name="Footnote_318" id="Footnote_318"></a><a href="#FNanchor_318"><span class="label">318)</span></a> De bussaran- of bederan- of beytherân-struik (Cantolina fragrantissima Forsk) is een aromatisch kruid der woestijn, dat in groote menigte voorkomt, zoodat het soms den bodem als thijm bedekt. Zie Ebers, <cite>Durch Gosen</cite> u.s.w., S. 129, 206, 224. <span class="vert">Vert.</span><br /></p> @@ -20647,11 +20608,11 @@ reeds belegeren en innemen.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_320" id="Footnote_320"></a><a href="#FNanchor_320"><span class="label">320)</span></a> De Mohars bedienden zich op reis van wagens. Dit blijkt duidelijk uit den papyrus-Anastasi I, waarin de bezwaren levendig geschilderd worden, -die het beroep van een door Syrië reizenden Mohar medebrachten.</p> +die het beroep van een door Syrië reizenden Mohar medebrachten.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_321" id="Footnote_321"></a><a href="#FNanchor_321"><span class="label">321)</span></a> Koile Syria, het holle Syrië. <span class="vert">Vert.</span><br /></p> +<p><a name="Footnote_321" id="Footnote_321"></a><a href="#FNanchor_321"><span class="label">321)</span></a> Koile Syria, het holle Syrië. <span class="vert">Vert.</span><br /></p> </div></div> <hr class="l1" /> @@ -20684,8 +20645,8 @@ een grooten slag. Deze beslissende slag kon toch sedert nog niet geleverd zijn, en geen enkel vluchteling van het Egyptische leger was hun te gemoet gekomen.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_414" id="Page_414">[414]</a></span></p> -<p>»Als wij nog maar twee uren door kunnen rijden, zonder -aangevallen te worden,” zeide Warda’s vader, »dan weet ik wel +<p>»Als wij nog maar twee uren door kunnen rijden, zonder +aangevallen te worden,” zeide Warda’s vader, »dan weet ik wel raad. Daar ginds is eene bergkloof, en vandaar uit liep vroeger een pad over hoogten en laagten naar de vlakte van Kadesch. Niemand kende dat pad, behalve de Mohar en zijne meest vertrouwde @@ -20721,8 +20682,8 @@ beken over, die door den winterregen zeer gezwollen waren. De weg werd hoe langer hoe moeielijker, want het begon donker te worden. Wolken bedekten den hemel en er vielen zware regendruppels.</p> -<p>»Spoedt u mannen, en blijft dicht bij mij!” zeide Kaschta. -»Nog een half uur, en dan zijn wij op het droge, als ik ten +<p>»Spoedt u mannen, en blijft dicht bij mij!” zeide Kaschta. +»Nog een half uur, en dan zijn wij op het droge, als ik ten minste het pad niet bijster raak.”</p> <p>Daar viel een paard neer. De ruiter die er bij liep richtte @@ -20733,8 +20694,8 @@ verloren te hebben, maar hij gaf zich geen rust, voordat hij het oude spoor weder ontdekt had. Eindelijk bleef hij staan en riep Pentaoer bij zich.</p> -<p>»Hier moet het hol zijn,” zeide hij. »Houdt u vlak achter mij. — Het -is mogelijk dat wij hier lieden vinden van den gids Paäker. +<p>»Hier moet het hol zijn,” zeide hij. »Houdt u vlak achter mij. — Het +is mogelijk dat wij hier lieden vinden van den gids Paäker. Toen zijn vader leefde, was hier altijd spijsvoorraad en een vuurboor. — Ziet gij mij? Houd u aan mijn kleed vast en buk, tot ik u toeroep dat gij u weder kunt oprichten. Houd ook uw bijl @@ -20746,7 +20707,7 @@ roepen wij u, om mede binnen te komen.”</p> kroop met hem door een lagen gang, en bleef eindelijk met hem op een rotsplateau staan.</p> -<p>»Wees toch voorzichtig,” zeide Kaschta, »houd linksaf; aan +<p>»Wees toch voorzichtig,” zeide Kaschta, »houd linksaf; aan de rechterzijde is een diepe afgrond. — Ik riek rook. — De hand aan de bijl! Er moeten menschen in het hol zijn. Wacht een oogenblik! Ik zal ook de manschappen hierheen brengen.”</p> @@ -20760,16 +20721,16 @@ verhief. Het licht werd al helderder en scheen wel door de spleet van eene deur te komen.</p> <p>De soldaat was weder bij Pentaoer gekomen. Beiden luisterden -en de laatste fluisterde zijn gids in het oor: »Zij spreken Egyptisch; +en de laatste fluisterde zijn gids in het oor: »Zij spreken Egyptisch; ik heb enkele woorden verstaan.”</p> -<p>»Des te beter,” antwoordde de soldaat. »Paäker of zijne lieden +<p>»Des te beter,” antwoordde de soldaat. »Paäker of zijne lieden zullen dan daarbinnen zijn. De deur is er nog, maar zij is gesloten. Wanneer men met vier harde en drie zachte slagen aanklopt, zal men opendoen. — Kunt gij wat verstaan?”</p> -<p>»Een smeekt, dat men hem bevrijden zal,” antwoordde Pentaoer, -»en scheldt daarbij op een verrader. De ander heeft eene ruwe +<p>»Een smeekt, dat men hem bevrijden zal,” antwoordde Pentaoer, +»en scheldt daarbij op een verrader. De ander heeft eene ruwe stem, en zegt dat hij zijn meester gehoorzamen moet. Nu kermt hij, die zooeven sprak, hoort gij wel? Thans bezweert hij den ander bij de ziel zijns vaders, zijn boeien los te maken. Hoe vertwijfelend @@ -20779,18 +20740,18 @@ wij juist ter rechter tijd komen! Klop aan, zeg ik u!”</p> <p>De roodbaard klopte eerst vier maal en daarna driemaal. Uit het hol klonk een kreet. Men hoorde hoe een zware verroeste grendel werd teruggeschoven. De ruw getimmerde deur ging open, en eene -rauwe stem vroeg: »Zijt gij het, Paäker?”</p> +rauwe stem vroeg: »Zijt gij het, Paäker?”</p> -<p>»Neen,” antwoordde de roodbaard. »Ik ben Kaschta. Kent ge +<p>»Neen,” antwoordde de roodbaard. »Ik ben Kaschta. Kent ge mij niet meer, Noebi?”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_416" id="Page_416">[416]</a></span></p> <p>De man die alzoo werd aangesproken, de ons bekende Ethiopische -slaaf van den gids, ging achteruit en vroeg: »Leeft gij nog? Wat +slaaf van den gids, ging achteruit en vroeg: »Leeft gij nog? Wat brengt gij?”</p> -<p>»Deze man zal het u zeggen,” antwoordde Kaschta, en ging +<p>»Deze man zal het u zeggen,” antwoordde Kaschta, en ging achteruit, om Pentaoer vooruit te laten komen.</p> <p>De dichter trad op den zwarte toe. Het licht van het vuur, dat @@ -20798,18 +20759,18 @@ in het hol brandde, scheen hem met vollen gloed in het aangezicht. De oude slaaf staarde hem aan, en week onder allerlei teekenen van ontzetting terug. Hij wierp zich ter aarde, huilde luid als een hond, wien zijn booze meester een schop tegen het lijf geeft en -riep uit: »Hij heeft het bevolen, geest van den Mohar, hij heeft +riep uit: »Hij heeft het bevolen, geest van den Mohar, hij heeft het bevolen!”</p> <p>Pentaoer stond als aan den grond genageld, en was niet in staat een woord te spreken. Want van het vuur kroop een jongeling, aan handen en voeten gebonden, naar hem toe, en riep met diep ontzag, maar toch met eene teederheid, die den dichter diep -ontroerde: »Red mij, ziel van den Mohar, red mij, vader!”</p> +ontroerde: »Red mij, ziel van den Mohar, red mij, vader!”</p> -<p>Toen verhief de dichter zijne stem en zeide: »Ik ben geen +<p>Toen verhief de dichter zijne stem en zeide: »Ik ben geen geest van den afgestorvene, maar de priester Pentaoer. En ik -herken u, jongeling! Gij zijt Horus, Paäkers broeder, die met mij +herken u, jongeling! Gij zijt Horus, Paäkers broeder, die met mij in het Seti-huis werd opgevoed.”</p> <p>De gevangene naderde hem bevende, zag hem scherp aan en @@ -20823,50 +20784,50 @@ waarmede de handen en de voeten van den jongeling waren omwonden.</p> <p>Wederom vrij ademhalende, en de goden overluid dankende, -rekte de verloste zijne bevrijde ledematen, en zeide: »Als gij +rekte de verloste zijne bevrijde ledematen, en zeide: »Als gij Egypte liefhebt en den koning zijt toegedaan, volg mij dan. Misschien is het nog tijd het vreeselijk plan te verhinderen, het verraad te verijdelen.”</p> -<p>»De nacht is duister,” zeide de soldaat, »en de weg naar het +<p>»De nacht is duister,” zeide de soldaat, »en de weg naar het dal gevaarlijk.”</p> -<p>»Al moest het ons het leven kosten, gij moet mij volgen!” +<p>»Al moest het ons het leven kosten, gij moet mij volgen!” riep de jongeling, greep Pentaoers hand, en nam hem mede naar buiten.</p> <p>De Ethiopische slaaf trachtte, nu hij overtuigd was dat Pentaoer niet de geest van zijn gestorven meester was, maar de priester van het Seti-huis, dien hij voor de hut van den Paraschiet had -zien worstelen, langs Paäkers broeder heen te sluipen. Doch +zien worstelen, langs Paäkers broeder heen te sluipen. Doch Horus bemerkte het, greep hem in zijn wollig haar en hield hem vast.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_417" id="Page_417">[417]</a></span></p> -<p>De slaaf begon weder luid te huilen en riep klagend: »Als gij -ontkomt, zal Paäker mij dooden! Dat heeft hij gezworen.”</p> +<p>De slaaf begon weder luid te huilen en riep klagend: »Als gij +ontkomt, zal Paäker mij dooden! Dat heeft hij gezworen.”</p> -<p>»Wacht!” riep de jongeling. Hij sleepte den slaaf met zich +<p>»Wacht!” riep de jongeling. Hij sleepte den slaaf met zich voort, wierp hem in het hol terug en sloot de deur met een zwaren balk, die voor dit doel op den grond lag.</p> <p>Nadat de manschappen den lagen rotsgang weder doorgekropen en buiten gekomen waren, woei een hevige wind hun in het -aangezicht. »Zie hoe de wolken jagen,” zeide Horus, »weldra zal +aangezicht. »Zie hoe de wolken jagen,” zeide Horus, »weldra zal een storm ze verstrooien. — Laat nu paarden brengen, Pentaoer, want wij hebben geen oogenblik te verliezen.”</p> <p>De dichter beval Kaschta, dat hij de manschappen zou doen -opbreken, maar deze zeide: »De ruiters zoowel als de paarden +opbreken, maar deze zeide: »De ruiters zoowel als de paarden zijn uitgeput, en in de duisternis kan men slechts langzaam -vooruitkomen. Geef éen uur rust, voor de paarden om gevoerd +vooruitkomen. Geef éen uur rust, voor de paarden om gevoerd te worden en voor de mannen om zich wat te versterken en te warmen. Tegen dien tijd gaat ook de maan op, en met frissche beesten halen wij op een helderen weg het verlorene driedubbel in.”</p> -<p>»De man heeft gelijk,” zeide Horus, en voerde Kaschta naar +<p>»De man heeft gelijk,” zeide Horus, en voerde Kaschta naar een hol, waarin gerst en dadels voor de paarden, en eenige zakken vol wijn werden bewaard.</p> @@ -20874,49 +20835,49 @@ vol wijn werden bewaard.</p> voor de paarden zorgden en anderen een warm maal kookten, liepen Horus en Pentaoer ongeduldig op en neder.</p> -<p>»Waart gij sedert lang gebonden, toen wij kwamen?” vroeg +<p>»Waart gij sedert lang gebonden, toen wij kwamen?” vroeg de dichter.</p> -<p>»Gisteren is mijn broeder mij op het lijf gevallen,” antwoordde -Horus. »Hij is ons onbereikbaar ver vooruit. Wanneer hij zich -naar de Cheta begeeft, en wij niet vóor het aanbreken van den +<p>»Gisteren is mijn broeder mij op het lijf gevallen,” antwoordde +Horus. »Hij is ons onbereikbaar ver vooruit. Wanneer hij zich +naar de Cheta begeeft, en wij niet vóor het aanbreken van den dag in het Egyptische leger komen, dan is alles verloren.”</p> -<p>»Denkt Paäker werkelijk aan verraad?”</p> +<p>»Denkt Paäker werkelijk aan verraad?”</p> -<p>»Aan verraad, zwart verraad!” riep de jongeling. »O mijn +<p>»Aan verraad, zwart verraad!” riep de jongeling. »O mijn Osirische vader.”</p> -<p>»Vertrouw mij,” zeide Pentaoer, bijna op smeekenden toon, +<p>»Vertrouw mij,” zeide Pentaoer, bijna op smeekenden toon, terwijl hij den jongeling naderde, die bitter klagende, zijn aangezicht -met de handen bedekte. »Wat voert Paäker toch in het +met de handen bedekte. »Wat voert Paäker toch in het schild? Hoe is uw broeder uw vijand geworden?”</p> -<p>»Hij is de oudste van ons beiden,” zeide Horus met bevende -stem. »Toen onze vader stierf, was ik eerst sedert kort uit het +<p>»Hij is de oudste van ons beiden,” zeide Horus met bevende +stem. »Toen onze vader stierf, was ik eerst sedert kort uit het Seti-huis ontslagen. Met zijne laatste woorden vermaande hij mij -dat ik Paäker als hoofd van ons huis zou eerbiedigen. Hij is +dat ik Paäker als hoofd van ons huis zou eerbiedigen. Hij is heerschzuchtig en ruw. Hij kan niet dulden dat een ander een wil heeft, die van den zijnen verschilt. Ik verdroeg alles en was hem gehoorzaam, dikwijls tegen mijne betere overtuiging. Twee jaren bleef ik bij hem; toen ging ik naar Thebe en nam daar<span class="pagenum"><a name="Page_418" id="Page_418">[418]</a></span> eene vrouw, die nu met mijn kind bij mijne moeder woont. Voor -zestien maanden ben ik naar Syrië teruggekeerd, en wij trokken +zestien maanden ben ik naar Syrië teruggekeerd, en wij trokken weder te zamen door het land. Maar nu kon ik niet langer een gedwee werktuig zijn van mijn broeder, want ik was trotscher geworden. De vader van mijn kind, dacht ik, mag geen knecht zijn, ook niet van zijn broeder. Wij doorleefden te zamen kwade -uren. Maar het leven werd mij bijna ondragelijk, toen Paäker, +uren. Maar het leven werd mij bijna ondragelijk, toen Paäker, na geruimen tijd in Thebe te hebben doorgebracht, voor acht weken terugkeerde, prikkelbaarder en wilder dan ooit te voren. Hij werd te meer verbitterd, toen de koning hem te kennen gaf, dat mijne berichten hem beter bevielen dan de zijne. Van mijne kindsheid ben ik teergevoelig geweest. Zij zeiden allen dat ik -mijne moeder geleek. Maar wat Paäker mij lijden liet met +mijne moeder geleek. Maar wat Paäker mij lijden liet met woord en daad, dat is... dat vermag...”</p> <p>De stem begaf den spreker, en Pentaoer gevoelde hoe diep hij -leed, toen hij voortging: »Wat mijn broeder in Egypte overkomen +leed, toen hij voortging: »Wat mijn broeder in Egypte overkomen is, weet ik niet. Hij is zeer gesloten en schijnt, noch onder vreugde, noch onder smart, behoefte aan deelneming te gevoelen. Maar uit los daarheen geworpen woorden, kwam ik te @@ -20926,7 +20887,7 @@ verbolgen is op den koning. Ik meende hem te moeten waarschuwen, doch maar eens; want als men hem weerstreeft, kent zijn toorn geen grenzen. En hij is toch mijn oudste broeder.</p> -<p>»Sedert eenige dagen wordt in het leger een beslissende slag +<p>»Sedert eenige dagen wordt in het leger een beslissende slag voorbereid, en wij werden gelast de sterkte en de positie van het vijandelijke leger te verkennen. De koning had mij, niet hem opgedragen het bericht op te stellen. Gisteren vroeg was ik met @@ -20939,16 +20900,16 @@ mij zijne afwezigheid ten nutte had gemaakt, om mij in des konings gunst te dringen, en eischte gehoorzaamheid als hoofd van onzen stam en in naam van onzen vader.</p> -<p>»Ik zat besluiteloos neder, toen hij het hol verliet om de paarden +<p>»Ik zat besluiteloos neder, toen hij het hol verliet om de paarden op te halen. Daar viel mijn oog op eenige zaken, die de -oude Ethiopiër van mijn vader bij elkander bond, om er het +oude Ethiopiër van mijn vader bij elkander bond, om er het lastpaard mede te beladen. Er was eene schriftrol bij, die ik voor de mijne hield. Ik zag haar in, maar — wat moest ik vinden! Met levensgevaar had ik tot het midden in de legerplaats der Cheta weten door te sluipen en bevonden, dat zij de kern van hun leger samentrokken in een door bergen gedekt dwarsdal van den Orontes, ten noord-oosten van Kadesch; doch in de rol stond, met<span class="pagenum"><a name="Page_419" id="Page_419">[419]</a></span> -Paäker’s eigene hand geschreven, dat dit dal vrij was, en de weg +Paäker’s eigene hand geschreven, dat dit dal vrij was, en de weg er door heen breed en zeer geschikt voor ’s konings strijdwagens. Ook andere opgaven waren vervalscht, en toen ik verder zijne zaken doorsnuffelde, vond ik tusschen pijlen in zijn koker, waarop @@ -20956,10 +20917,10 @@ de woorden ‚Dood aan Mena!’ te lezen stonden, een ander rolletje. Ik grijp het er uit en ik verstijfde, toen ik zag aan wien het gericht was.”</p> -<p>»Aan den koning der Cheta?” vroeg Pentaoer ontroerd.</p> +<p>»Aan den koning der Cheta?” vroeg Pentaoer ontroerd.</p> -<p>»Aan den overste van zijne dienaars, Titoere”<a name="FNanchor_324" id="FNanchor_324"></a><a href="#Footnote_324" class="fnanchor">324)</a>, ging Horus -voort. »Beide rollen hield ik in mijne hand, toen Paäker het hol +<p>»Aan den overste van zijne dienaars, Titoere”<a name="FNanchor_324" id="FNanchor_324"></a><a href="#Footnote_324" class="fnanchor">324)</a>, ging Horus +voort. »Beide rollen hield ik in mijne hand, toen Paäker het hol weder binnenkwam. Verrader! riep ik hem toe. Doch hij wierp mij snel en handig den strik, waarmede hij de paarden had opgevangen, om den hals, en toen ik half verwurgd ineenzeeg, bond @@ -20968,7 +20929,7 @@ hond. Hij liet den slaaf achter om mij te bewaken, stak de rollen bij zich en vlood heen. — Maar zie, daar vertoonen zich de sterren en weldra zal de maan opgaan.”</p> -<p>»Op, mannen!” riep Pentaoer. »De drie beste paarden voor +<p>»Op, mannen!” riep Pentaoer. »De drie beste paarden voor Horus, mij en Kaschta! Gij overigen blijft hier achter!”</p> <p>Toen de roodbaard de rossen voorbracht, kwam de maan juist @@ -20981,16 +20942,16 @@ westelijken oever zwarte massa’s, die zich heen en weer bewogen. Stofwolken verhieven zich en bliksemende lichtstralen schoten op, alsof een spiegel het zonneschijnsel weerkaatste.</p> -<p>»De slag heeft reeds een aanvang genomen,” riep Horus, en +<p>»De slag heeft reeds een aanvang genomen,” riep Horus, en wierp zich hijgend over den hals van zijn paard.</p> -<p>»Maar alles is nog niet verloren,” zeide de dichter, en zette +<p>»Maar alles is nog niet verloren,” zeide de dichter, en zette zijn paard aan, opdat het dier zijne uiterste krachten mocht inspannen. De andere twee volgden hem, maar eerst zeeg Kaschta’s paard van vermoeienis neer, daarna ook dat van Horus.</p> -<p>»Van den linkervleugel kan nog redding komen,” riep Paäker’s -broeder. »Ik weet waar die te vinden is en loop er te voet heen. +<p>»Van den linkervleugel kan nog redding komen,” riep Paäker’s +broeder. »Ik weet waar die te vinden is en loop er te voet heen. Gij zult den koning gemakkelijk vinden, wanneer gij den stroom volgt tot aan de steenen brug. In het dwarsdal, duizend schreden verder, ten noordwesten van de vesting, zal het leger uit hinderlagen @@ -21011,8 +20972,8 @@ het paard en vloog naar de kampplaats, alsof hij ter bruiloft ging.</p> <div class="footnotes"> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_322" id="Footnote_322"></a><a href="#FNanchor_322"><span class="label">322)</span></a> De hoofdstad van den koning der Cheta, dat is van de Arameërs, om -wie zich het verbond van alle volken van westelijk Azië geschaard had. Er +<p><a name="Footnote_322" id="Footnote_322"></a><a href="#FNanchor_322"><span class="label">322)</span></a> De hoofdstad van den koning der Cheta, dat is van de Arameërs, om +wie zich het verbond van alle volken van westelijk Azië geschaard had. Er waren meer plaatsen, die den naam van Kadesch droegen. Al heeft het Kadesch, dat de legers van Thotmes III dikwijls tegenhield, ook zuidelijker gelegen, zoo lag toch de Chetiten-stad Kadesch, waarbij Ramses II zulk @@ -21044,11 +21005,11 @@ Ramesseum, onder de Cheta genoemd.</p> <hr class="l4" /> <p>Terwijl onze vrienden dit nachtelijk avontuur hadden, was alles -in de koninklijke legerplaats druk in de weer. Vóor zonsopgang +in de koninklijke legerplaats druk in de weer. Vóor zonsopgang zouden de troepen opmarcheeren tot den veldslag, die reeds zoo lang was voorbereid.</p> -<p>Paäker had den koning met eigene hand zijn verkenningsrapport +<p>Paäker had den koning met eigene hand zijn verkenningsrapport overhandigd. Nadat er krijgsraad was gehouden, werd aan elke troepenafdeeling voorgeschreven, in welke richting zij het eerst moest optrekken.</p> @@ -21075,7 +21036,7 @@ Wachtpatrouilles van zwaar gewapenden, met een schild van halvemans-hoogte in de eene, een slagzwaard of een spits dolkzwaard in de andere hand, bewaakten het leger<a name="FNanchor_326" id="FNanchor_326"></a><a href="#Footnote_326" class="fnanchor">326)</a>, waar, om talrijke vuren, de rustende krijgers in kringen gezeten waren. -Hier ging de wijnzak van mond tot mond; dáar braadde men +Hier ging de wijnzak van mond tot mond; dáar braadde men vleesch aan houten spitten; elders werd reeds het lot geworpen over den nog te behalen buit, of mora gespeeld. Daarbij ging het levendig toe, en de legerwachten moesten gedurig soldaten, @@ -21105,14 +21066,14 @@ hunne woede te prikkelen.</p> door die van de garden en wagenstrijders. De hulptroepen van elk volk waren bij elkander gelegerd en tusschen hen lag telkens een legioen zwaar gewapende Egyptische soldaten en boogschutters. -Hier zag men zwarte Ethiopiërs met hunne verwarde +Hier zag men zwarte Ethiopiërs met hunne verwarde haren, waaruit enkele vederen opstaken. Daar waren de schoon -en regelmatig gebouwde »zonen des zands”, uit de Arabische +en regelmatig gebouwde »zonen des zands”, uit de Arabische woestijn, die Egypte van de Schelfzee scheidde, bezig krijgsdansen uit te voeren, de heupen krampachtig schuddende en hunne lansen zwaaiende. Ginds lagen de blanke Sarders met hunne metalen helmen en groote zwaarden. Elders kon men de helderkleurige -Libyërs opmerken, kenbaar bovendien door hunne getatoeëerde +Libyërs opmerken, kenbaar bovendien door hunne getatoeëerde armen en de struisvederen op den schedel; alsmede spitsbaardige bruine Arabieren, allen bij hunne paarden, strijdende deels met lansen, deels met pijl en boog, thans biddende tot de sterrengeesten. @@ -21125,11 +21086,11 @@ dan kon men in het midden een licht gebouwd tempeltje zien, met de beelden van de goden van Thebe en die van ’s vorsten voorvaderen. Men kon thans reeds van buiten den wierookgeur opvangen, want alle priesters waren verplicht, aan -den avond vóor een veldslag totdat hij beslist was, te offeren aan +den avond vóor een veldslag totdat hij beslist was, te offeren aan Amon, den koning der goden, aan de overwinning-gevende godin van het zuiden Necheb, en aan den krijgsgod Menth. Naast de tent waar de pharao sliep, stond het afgesloten perk zijner leeuwen. -Vóor de tent waarin de krijgsraad vergaderde, waren hooge +Vóor de tent waarin de krijgsraad vergaderde, waren hooge masten met vanen opgericht. Binnen de wijde ruimte van deze laatste was het nu stil, maar des te levendiger ging het toe in de keukententen en de daarmede verbondene wijnmagazijnen.</p> @@ -21139,15 +21100,15 @@ bedekte, waar Ramses gewoonlijk met de zijnen spijsde, was boven alle andere thans helder verlicht. Zij was van alle zijden omgeven door bontkleurige lampen. Sardische, Libysche en Egyptische lijfwachten bewaakten de ingangen met uitgetogen zwaarden, -en schenen zóo doordrongen te zijn van het gewicht hunner +en schenen zóo doordrongen te zijn van het gewicht hunner taak, dat zij zelfs geen acht gaven op de schotels en kannen, die de dienaars van den pharao, uitsluitend zonen van de voornaamste -familiën, voor de deuren van de tent in ontvangst namen +familiën, voor de deuren van de tent in ontvangst namen van keuken- en magazijnbeambten. Het schuine dak en de wanden van deze pronkzaal, die in korten tijd moest kunnen opgebouwd<span class="pagenum"><a name="Page_424" id="Page_424">[424]</a></span> en afgebroken worden, bestond uit sterk en ondoordringbaar purperkleurig tapijtwerk, dat te Memphis geweven en door -Phoeniciërs in Tanis geverfd was. Kunstenaars van Saïs hadden +Phoeniciërs in Tanis geverfd was. Kunstenaars van Saïs hadden in deze kostbare stof ontelbare malen met zilverdraad de gier van Necheb, het symbool der overwinning, gestikt. Het cederhout der pijlers waarop de tent rustte, was met goud beslagen, @@ -21182,7 +21143,7 @@ niet weinig bijdroeg.</p> <p>Thans was hij onder de zijnen gezeten, en met rechtmatigen vaderlijken trots zag hij op zijne bloeiende zonen neder. Hij was -als een leeuw in rust, maar ook zóo was hij een leeuw gelijk, en +als een leeuw in rust, maar ook zóo was hij een leeuw gelijk, en iets buitengewoons mocht men van hem verwachten, wanneer hij zou opstaan, en de reuzenhand, die nu het brood verdeelde, zich<span class="pagenum"><a name="Page_425" id="Page_425">[425]</a></span> tot een vuist zou ballen. Er was aan dezen man niets kleins, @@ -21214,8 +21175,8 @@ voor een losgeld was vrijgekocht, had, als een der jongste prinsen, naast zijn broeder Mernephtah aan het benedeneinde van de tafel plaats genomen.</p> -<p>»Hoe dreigend klinkt alles wat gijlieden vertelt!” zeide de -koning. »Elk van u, aanklagers, spreekt de waarheid, maar uwe +<p>»Hoe dreigend klinkt alles wat gijlieden vertelt!” zeide de +koning. »Elk van u, aanklagers, spreekt de waarheid, maar uwe liefde voor mij benevelt uwe oogen. Wat Rameri mij verhaalt, wat Bent-Anat mij schrijft, wat de opzichter van Mena’s stoeterij mij omtrent Ani bericht, en wat mij nu en dan uit Egypte wordt @@ -21228,13 +21189,13 @@ maar hij is zeer bruikbaar om uit te voeren, wat door anderen wordt vastgesteld en gereed gemaakt, en daarom koos ik hem tot mijn plaatsvervanger.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_426" id="Page_426">[426]</a></span></p> -<p>»Doch Ameni,” liet Chamoes zich hooren, terwijl hij eerbiedig -voor zijn vader boog, »schijnt zijne eerzucht te hebben doen +<p>»Doch Ameni,” liet Chamoes zich hooren, terwijl hij eerbiedig +voor zijn vader boog, »schijnt zijne eerzucht te hebben doen ontvlammen, en hem met raad te steunen. De leider van het Seti-huis is een stout en wijs man, en de helft der priesterschap staat achter hem.”</p> -<p>»Ik weet het,” antwoordde de koning. »Die heeren zijn boos +<p>»Ik weet het,” antwoordde de koning. »Die heeren zijn boos op mij, omdat ik hunne onderhoorigen, die hunne akkers bebouwen, onder de wapenen riep. ’t Is inderdaad kostelijk volk, dat ze mij gezonden hebben! Met den eersten pijl vliegt hun moed reeds @@ -21249,12 +21210,12 @@ kunnen toonen, dat Ramses genegen is, wat hij de dienaars der godheid met schepels ontneemt, met mudden weder te geven.”</p> -<p>»Ameni’s ontevredenheid,” hernam Chamoes, »heeft nog een +<p>»Ameni’s ontevredenheid,” hernam Chamoes, »heeft nog een dieper grond. Uw groote geest zoekt en vindt zijn eigen weg.....”</p> -<p>»Die heeren echter,” ging Ramses, hem in de rede vallende, -voort, »zijn gewoon ook den koning te leiden, en ik, ik wijs hen +<p>»Die heeren echter,” ging Ramses, hem in de rede vallende, +voort, »zijn gewoon ook den koning te leiden, en ik, ik wijs hen niet terug. Ik voer heerschappij in de plaats van den hoogsten god, maar ik ben geen god, al bewijzen zij mij ook als zoodanig eere. Met een deemoedig hart wil ik gaarne mijn verkeer met de @@ -21269,7 +21230,7 @@ enkele maal bedrogen word!”</p> <p>De koning wenkte en ledigde den gouden beker, dien Mena hem overhandigde. Een oogenblik zag hij op de blinkende bokaal; toen hief hij de oogen weer op, waarin nu strenge ernst was te -lezen, en zeide: »En ook al bedrogen ze mij, en lokten tien +lezen, en zeide: »En ook al bedrogen ze mij, en lokten tien Ameni’s en Ani’s mijn land in den strik — ik keer terug, en met mijn voetzool treed ik het gewormt in het zand!”</p> @@ -21277,7 +21238,7 @@ met mijn voetzool treed ik het gewormt in het zand!”</p> geklonken als die van een heraut, die eene groote daad verkondigt. Geene lippen, geene hand zelfs bewoog zich in de wijde ruimte, toen hij zweeg. Ramses hief nu den beker omhoog, en -riep luide en vroolijk: »Vóor den slag betaamt het ons het hart<span class="pagenum"><a name="Page_427" id="Page_427">[427]</a></span> +riep luide en vroolijk: »Vóor den slag betaamt het ons het hart<span class="pagenum"><a name="Page_427" id="Page_427">[427]</a></span> te verheffen. Roemrijke daden hebben wij volbracht. Ver verwijderde volken hebben onze hand gevoeld. Aan hunne stroomen richtten wij zegeteekenen op, en in hunne rotsen griffelden wij @@ -21288,9 +21249,9 @@ doen oogsten, en de hemelsche goden weldra dezen krijg doen eindigen! Ledigt dan met mij een beker op de overwinning en onzen blijden roemrijken terugkeer in het vaderland!”</p> -<p>»Zege! zege! Leve bloeie den pharao, kracht en heil!” riepen +<p>»Zege! zege! Leve bloeie den pharao, kracht en heil!” riepen juichend alle gasten van Ramses, die, terwijl hij de trappen van -zijn troon afdaalde, den aanwezigen toeriep: »Rust nu, tot de +zijn troon afdaalde, den aanwezigen toeriep: »Rust nu, tot de Isis-ster ondergaat. Volg mij dan in het gebed bij het altaar van Amon, daarna in den slag.”</p> @@ -21298,7 +21259,7 @@ van Amon, daarna in den slag.”</p> zonen met een opwekkend woord de hand reikte. De beide jongsten, Mernephtah en Rameri, gebood hij hem te volgen. Hij verliet daarop met hen en Mena de eetzaal en begaf zich, voorafgegaan -van garden en hofbeambten, die staven met gouden leliën +van garden en hofbeambten, die staven met gouden leliën en struisvederen in de handen droegen, naar zijn slaaptent, die door een keurbende, onder aanvoering van een zijner zonen, bewaakt werd.</p> @@ -21308,22 +21269,22 @@ geven, waarmede hij eigenhandig zijne leeuwen voederde, die zich als tamme katers door hem lieten streelen. Daarna wierp hij een blik in den stal, klopte zijne lievelingsrossen op hunne edele halzen, streek ze over de glimmende schenkels en bepaalde, -dat »Noera” en »In Thebe de zege”<a name="FNanchor_332" id="FNanchor_332"></a><a href="#Footnote_332" class="fnanchor">332)</a> hem morgen in +dat »Noera” en »In Thebe de zege”<a name="FNanchor_332" id="FNanchor_332"></a><a href="#Footnote_332" class="fnanchor">332)</a> hem morgen in den slag zouden voeren. Toen hij in zijn slaapvertrek gekomen was, beval hij de hovelingen hem te verlaten. Daarop wenkte hij Mena, liet zich door dezen zijne sieraden en wapenen afnemen, en riep eindelijk zijne jongste zonen bij zich, die eerbiedig en<span class="pagenum"><a name="Page_428" id="Page_428">[428]</a></span> met eenige bezorgdheid aan de deur der tent stonden te wachten.</p> -<p>»Waarom gebood ik u mij te volgen?” vroeg Ramses ernstig.</p> +<p>»Waarom gebood ik u mij te volgen?” vroeg Ramses ernstig.</p> <p>Beiden zwegen. Daarop herhaalde hij zijne vraag.</p> -<p>»Omdat gij hebt opgemerkt,” antwoordde Rameri nu, »dat +<p>»Omdat gij hebt opgemerkt,” antwoordde Rameri nu, »dat het tusschen ons beiden niet in alle opzichten is gelijk het wezen moest.”</p> -<p>»En omdat ik wensch,” viel de koning hem in de rede, »dat er +<p>»En omdat ik wensch,” viel de koning hem in de rede, »dat er onder mijne kinderen eensgezindheid zij. Vijanden zult gij morgen genoeg kunnen bevechten, maar vrienden vindt men zelden en verliest men maar al te dikwijls in den slag. Wie van ons @@ -21331,27 +21292,27 @@ valt mag niet boos zijn op den ander, maar moet hem vol liefde aan gene zijde des grafs kunnen wachten. Spreek Rameri wat heeft u beiden verdeeld?”</p> -<p>»Ik ben niet langer op hem vertoornd,” antwoordde de aangesprokene. -»Gij hebt mij onlangs dat zwaard geschonken, hetwelk -dáar in Mernephtah’s gordel steekt, omdat ik bij den laatsten +<p>»Ik ben niet langer op hem vertoornd,” antwoordde de aangesprokene. +»Gij hebt mij onlangs dat zwaard geschonken, hetwelk +dáar in Mernephtah’s gordel steekt, omdat ik bij den laatsten uitval der Cheta mijn plicht heb gedaan. Gij weet, wij slapen beiden in dezelfde tent, en toen ik gisteren mijn zwaard uit de scheede trok, om mij in de beschouwing van den schoonen kling te verheugen, toen bevond ik dat een vreemd, minder scherp zwaard in de scheede stak.”</p> -<p>»Ik had mijn wapen uit scherts met het zijne verwisseld,” -sprak nu Mernephtah. »Maar hij wil van geen gekheid weten +<p>»Ik had mijn wapen uit scherts met het zijne verwisseld,” +sprak nu Mernephtah. »Maar hij wil van geen gekheid weten en zeide, dat ik mij voortaan wel met dat onverdiend eere-geschenk kon blijven tooien, dat hij trachten zou in den kamp een nieuw te verdienen en, en dan....”</p> -<p>»Ik weet genoeg,” zeide de koning. »Gij hebt beiden verkeerd +<p>»Ik weet genoeg,” zeide de koning. »Gij hebt beiden verkeerd gehandeld. Ook al schertsend, Mernephtah, moogt gij elkander niet bedriegen. Ik heb het maar eens gedaan, en hoe dat afliep, wil ik u tot waarschuwing vertellen.</p> -<p>»Mijne voortreffelijke zalige moeder Toeaä bad mij, toen ik voor +<p>»Mijne voortreffelijke zalige moeder Toeaä bad mij, toen ik voor het eerst naar het land der Fenchoe<a name="FNanchor_333" id="FNanchor_333"></a><a href="#Footnote_333" class="fnanchor">333)</a> trok, dat ik haar een steen zou medebrengen van de kust bij Byblos, waar het lijk van Osiris aanspoelde<a name="FNanchor_334" id="FNanchor_334"></a><a href="#Footnote_334" class="fnanchor">334)</a>. Ongelukkig vergat ik dit geheel en al. @@ -21372,34 +21333,34 @@ ik mij zelfs niet al schertsend iets anders dan de waarheid te zeggen. Neem deze les ter harte, Mernephtah, die uw vader heeft ontvangen.</p> -<p>»Wat u aangaat, Rameri, laat u het zwaard teruggeven. Geloof +<p>»Wat u aangaat, Rameri, laat u het zwaard teruggeven. Geloof mij, er komen in het leven zooveel groote dingen voor, die onzen toorn wekken, dat men reeds vroeg moet leeren, zich zonder ontstemd te worden over de kleinigheden heen te zetten, als men geen knorrig en ontevreden schepsel wil worden gelijk de -gids Paäker. En gij, wilde waaghals, schijnt mij daarvoor allerminst +gids Paäker. En gij, wilde waaghals, schijnt mij daarvoor allerminst aanleg te hebben. Geeft elkaar nu de handen!”</p> <p>De prinsen traden op elkander toe. Rameri viel zijn broeder echter om den hals en kuste hem.</p> -<p>De koning streelde beiden de haren en zeide: »Gaat nu rusten +<p>De koning streelde beiden de haren en zeide: »Gaat nu rusten en laat ieder uwer zich morgen een nieuw eergeschenk trachten te verwerven!”</p> <p>Toen zijne zonen de tent verlaten hadden, wendde Ramses -zich tot zijn wagenmenner en zeide: »Ook met u heb ik voor +zich tot zijn wagenmenner en zeide: »Ook met u heb ik voor den strijd nog een woord te spreken. Ik zie u door de oogen in de ziel, en geloof dat het daar niet richtig is, sedert de overste uwer stoeterij hierheen kwam. Wat is er toch in Thebe geschied?”</p> <p>Mena zag den koning aan met een open oog, waarin echter -eene smartelijke uitdrukking lag, en zeide: »Mijne schoonmoeder +eene smartelijke uitdrukking lag, en zeide: »Mijne schoonmoeder Katoeti bestuurt mijn erfgoed zeer slecht; zij verpandt de akkers en verkoopt het vee.”</p> -<p>»Dat is te vergoeden,” zeide Ramses vriendelijk. »Gij weet +<p>»Dat is te vergoeden,” zeide Ramses vriendelijk. »Gij weet dat ik u nog de vervulling van een wensch schuldig ben, wanneer Nefert u zoo zeker vertrouwt als gij meent. Het komt mij echter voor, dat het met haar niet zoo is als het wezen moest, @@ -21408,20 +21369,20 @@ vrij uit; gij weet ik wil een vader voor u zijn. Vrij en onbeneveld moeten hart en oogen zijn van den man, die in den slag mijne paarden ment.”</p> -<p>Mena kuste het gewaad van den pharao en zeide: »Nefert heeft +<p>Mena kuste het gewaad van den pharao en zeide: »Nefert heeft Katoeti’s huis verlaten en is, gelijk gij weet, uwe dochter Bent-Anat -naar den heiligen berg Sinaï en naar Megiddo gevolgd.”</p> +naar den heiligen berg Sinaï en naar Megiddo gevolgd.”</p> -<p>»Ik dacht,” antwoordde Ramses, »dat zij eene goede ruiling had +<p>»Ik dacht,” antwoordde Ramses, »dat zij eene goede ruiling had gedaan. Ik laat Bent-Anat voor Bent-Anat zorgen, want zij heeft geen ander noodig die over haar waakt. En uwe vrouw kan<span class="pagenum"><a name="Page_430" id="Page_430">[430]</a></span> geene betere vinden om haar te beschermen, dan juist mijne dochter.”</p> -<p>»Zeker kan zij dit niet!” riep Mena in volle oprechtheid. -»Doch eer zij op reis ging, zijn er ergerlijke dingen gebeurd. Gij +<p>»Zeker kan zij dit niet!” riep Mena in volle oprechtheid. +»Doch eer zij op reis ging, zijn er ergerlijke dingen gebeurd. Gij weet dat zij, voordat gij hare hand voor mij hebt gevraagd, -bestemd was voor haar neef den Mohar Paäker. Deze nu ging, +bestemd was voor haar neef den Mohar Paäker. Deze nu ging, gedurende zijn oponthoud in Thebe, in mijn huis uit en in. Hij heeft Katoeti met eene ontzaglijke som bijgestaan, ten einde de schulden van mijn lichtvaardigen zwager te betalen, en heeft @@ -21430,7 +21391,7 @@ Nefert bloemen geschonken.”</p> <p>De koning glimlachte, legde zijne hand op den schouder van zijn wagenmenner en zeide, terwijl hij hem recht in het gelaat -zag: »Uwe vrouw zou u vertrouwen, niettegenstaande gij eene +zag: »Uwe vrouw zou u vertrouwen, niettegenstaande gij eene vreemde vrouw in uwe tent hebt genomen, en gij meent Nefert te mogen verdenken, omdat haar neef haar bloemen schonk! Is dat verstandig en rechtvaardig? Ik geloof dat gij ijverzuchtig @@ -21438,18 +21399,18 @@ zijt op den onbevalligen, breedgeschouderden man, dien een nijdige demon in het nest van den edelen gestorven Mohar schijnt te hebben gelegd.”</p> -<p>»IJverzuchtig ben ik niet,” antwoordde Mena, »en geen twijfel +<p>»IJverzuchtig ben ik niet,” antwoordde Mena, »en geen twijfel aan Nefert verontrust mijne ziel. Maar mij kwelt, en pijnigt, en -beleedigt reeds de gedachte alleen, dat juist die Paäker, die mij +beleedigt reeds de gedachte alleen, dat juist die Paäker, die mij tegenstaat als eene giftige spin, haar geschenken geeft en haar aanziet en dat in mijn eigen huis!”</p> -<p>»Wie vertrouwen verlangt, moet ook vertrouwen schenken!” -zeide de koning. »Moet ik het ook niet voor lief nemen, wanneer +<p>»Wie vertrouwen verlangt, moet ook vertrouwen schenken!” +zeide de koning. »Moet ik het ook niet voor lief nemen, wanneer ellendige sukkels mij en de mijnen met lofliederen prijzen? Komaan, strijk dadelijk de plooien op uw voorhoofd glad, en denk aan de naderende overwinning en den terugkeer -naar het vaderland. Vergeet daarbij niet, dat gij Paäker minder +naar het vaderland. Vergeet daarbij niet, dat gij Paäker minder te vergeven hebt, dan hij u. Ga nu naar de paarden, en stap morgen op mijn wagen, met vroolijken moed, zooals ik u het liefst zie.”</p> @@ -21461,8 +21422,8 @@ als een schitterend voorbeeld, dat hij wilde navolgen. Maar hij begon te twijfelen aan zijne huwelijkstrouw, want hij had nu eerst gehoord, dat Mena eene vreemde vrouw in zijne tent had genomen, niettegenstaande hij verbonden was aan de schoonste -en beminnenswaardigste vrouw in Thebe. »Ik heb,” zoo besloot -hij, »met haar als een broeder omgegaan en weet dat zij het besterven +en beminnenswaardigste vrouw in Thebe. »Ik heb,” zoo besloot +hij, »met haar als een broeder omgegaan en weet dat zij het besterven zou, indien zij hoorde, dat gij haar zoo diep beleedigt. Ja, beleedigt, want zulk eene openbare trouwbreuk onteert de<span class="pagenum"><a name="Page_431" id="Page_431">[431]</a></span> vrouw van een Egyptenaar! Vergeef mij mijne openhartigheid @@ -21470,22 +21431,22 @@ maar wie weet wat de dag van morgen brengt, en ik zou niet met slechte gedachten van u ten strijde willen trekken!”</p> <p>Mena liet Rameri uitspreken, zonder hem in de rede te vallen -en antwoordde: »Gij spreekt rond en open als uw vader, en +en antwoordde: »Gij spreekt rond en open als uw vader, en hebt zeker ook van hem geleerd den aangeklaagde te hooren, alvorens hem te veroordeelen. Eene vreemde vrouw, de dochter -van den koning der Danaërs<a name="FNanchor_335" id="FNanchor_335"></a><a href="#Footnote_335" class="fnanchor">335)</a>, slaapt op mijne legerstede, maar +van den koning der Danaërs<a name="FNanchor_335" id="FNanchor_335"></a><a href="#Footnote_335" class="fnanchor">335)</a>, slaapt op mijne legerstede, maar ik houd sedert maanden mijn nachtverblijf bij de deur van uws vaders tent, en heb mijne eigene niet meer betreden, sedert het meisje daarin huist. Zet u een oogenblik bij mij neer, en laat ik u vertellen, hoe dat gekomen is!”</p> -<p>»Wij hadden het leger voor Kadesch opgeslagen, en er was +<p>»Wij hadden het leger voor Kadesch opgeslagen, en er was weinig voor mij te doen, want Ramses lag nog lijdende aan zijne wonden. Dikwijls zocht ik eenig tijdverdrijf met te jagen aan de oevers van het meer. Eens ging ik, als gewoonlijk slechts met pijl en boog gewapend en vergezeld van mijne hazewinden<a name="FNanchor_336" id="FNanchor_336"></a><a href="#Footnote_336" class="fnanchor">336)</a>, naar de vlakte en vervolgde onbezorgd een haas. Daar werd ik onverwachts -door een bende Danaërs overvallen, die mij met strikken +door een bende Danaërs overvallen, die mij met strikken bonden en in hunne legerplaats voerden. Ik werd als verspieder voor hunne rechters gebracht. Reeds was het oordeel over mij geveld en een strop om mijn hals gelegd, toen hun koning daar @@ -21498,9 +21459,9 @@ behandelde mij ook als zoodanig en liet mij aan zijne eigene tafel spijzigen. Toen hij mij liet vertrekken, deed ik stilzwijgend de gelofte, dat ik hem deze grootmoedige daad zou vergelden.</p> -<p>»Een maand later gelukte het ons, de legerplaats der met de +<p>»Een maand later gelukte het ons, de legerplaats der met de Cheta verbondene volken te overrompelen, en Lybische soldaten -roofden uit de tent van den koning der Danaërs, benevens andere +roofden uit de tent van den koning der Danaërs, benevens andere schatten, ook zijne dochter. Ik had mij dapper gedragen, en toen het tot de verdeeling van den buit kwam, vergunde de koning mij het eerst te kiezen. Dadelijk legde ik de hand op de dochter @@ -21508,18 +21469,18 @@ van mijn redder en gastvriend, en voerde haar naar mijne tent, waar ik haar ongedeerd met hare dienstmaagden laat leven om haar bij het sluiten van den vrede aan haren vader terug te geven.”</p> -<p>»Vergeef mij!” riep Rameri, en reikte den wagenmenner de -hand. »Nu begrijp ik eerst, waarom de koning mij zoo met +<p>»Vergeef mij!” riep Rameri, en reikte den wagenmenner de +hand. »Nu begrijp ik eerst, waarom de koning mij zoo met nadruk vroeg, of Nefert aan uwe trouw gelooft!”</p> -<p>»En wat hebt gij hem ten antwoord gegeven?” vroeg Mena.</p> +<p>»En wat hebt gij hem ten antwoord gegeven?” vroeg Mena.</p> -<p>»Dat zij dag en nacht aan u denkt, en geen oogenblik aan u +<p>»Dat zij dag en nacht aan u denkt, en geen oogenblik aan u twijfelt. Dat scheen ook mijn vader groot genoegen te doen, en hij zeide tot Chamoes: ‚Dan heeft hij het gewonnen’!”</p> -<p>»Hij wil mij eene groote gunst bewijzen,” zeide Mena, om -het antwoord van Ramses op te helderen, »wanneer zij, na +<p>»Hij wil mij eene groote gunst bewijzen,” zeide Mena, om +het antwoord van Ramses op te helderen, »wanneer zij, na vernomen te hebben dat ik eene vreemde vrouw in mijne tent opnam, mij toch nog vertrouwt. De koning houdt dit schier voor onmogelijk, maar ik weet dat ik het winnen zal. Zij <em>moet</em> @@ -21537,12 +21498,12 @@ meermalen voor, zooals op den papyrus-Sallier III en den papyrus Raifet, waarvan helaas! slechts fragmenten in de „salle historique” van het Louvre bewaard worden. De groote katastrophe, namelijk de redding van den verlaten koning uit de handen van de duizenden, wordt met de woorden van -het epos ook op het Ramesseum (Thebe) en te Aboe Simbel (Nubië) herhaald. +het epos ook op het Ramesseum (Thebe) en te Aboe Simbel (Nubië) herhaald. De beste vertaling van het heldendicht, gevolgd naar den meesterlijk herstelden tekst, hebben wij te danken aan den grooten, te vroeg -gestorven Franschen Egyptoloog E. de Rougé. Men vindt haar in -<cite>Recueil de travaux relatifs à la philologie et à -l’archéologie Egyptiennes et Assyriennes</cite>. Fasc. I. 1870. +gestorven Franschen Egyptoloog E. de Rougé. Men vindt haar in +<cite>Recueil de travaux relatifs à la philologie et à +l’archéologie Egyptiennes et Assyriennes</cite>. Fasc. I. 1870. </p> <p> @@ -21566,7 +21527,7 @@ optrekkenden koning.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_329" id="Footnote_329"></a><a href="#FNanchor_329"><span class="label">329)</span></a> De zijde was ten minste in den tijd der Ptolemaeën aan de Egyptenaars +<p><a name="Footnote_329" id="Footnote_329"></a><a href="#FNanchor_329"><span class="label">329)</span></a> De zijde was ten minste in den tijd der Ptolemaeën aan de Egyptenaars bekend. De voor de Lagiden op het eiland Kos geweven doorzichtige bombyxstoffen waren vooral beroemd. Onder de Grieken is Aristoteles de eerste, die van zijde gewag maakt (Histor. anim. V, 17). @@ -21577,7 +21538,7 @@ uit het werk van Pariset, <cite>Histoire de la Soie</cite>, 1862.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_330" id="Footnote_330"></a><a href="#FNanchor_330"><span class="label">330)</span></a> Op de gedenkteekenen Cha-em-Oes, d.i. glans in Thebe geheeten. Hij was „Sam” of opperpriester van Memphis. Zijne mummie is bij de -Apisgraven te Saqqarah door Mariëtte, bij de uitgraving van het Serapeum +Apisgraven te Saqqarah door Mariëtte, bij de uitgraving van het Serapeum van Memphis, weergevonden.</p> </div> @@ -21587,11 +21548,11 @@ Ramses II deed beitelen in de rots van het door hem onderworpen gebied, ter nagedachtenis aan zijne daden. Twee ervan heeft hijzelf gezien. Een is nog heden bewaard, en wel op eene rots bij Beyroet. Men kan daarvan afbeeldingen vinden in Lepsius, <cite>Denkmaler aus Aegypten und -Aethiopiën</cite>, in eene verhandeling van denzelfde in de „Annali dell’ +Aethiopiën</cite>, in eene verhandeling van denzelfde in de „Annali dell’ Instituto di correspondenza archeologica,” vol. X. Roma 1838, p. 12-19, en eene beschrijving van denz. in het „Bulletino dell’ Instituto d.C.A.” 1840 p. 33-39. Vgl. het opstel van Dr. C. Leemans: „Egyptische gedenkteekens -van de krijgstochten van Sesostris in Azië” in <cite>Algem. Konst- +van de krijgstochten van Sesostris in Azië” in <cite>Algem. Konst- en Letterbode</cite>, 1854, No. 48 en 49.</p> </div> @@ -21601,7 +21562,7 @@ Kadesch voerden.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_333" id="Footnote_333"></a><a href="#FNanchor_333"><span class="label">333)</span></a> De Phoeniciërs worden reeds op gedenkteekenen uit de 18e dynastie +<p><a name="Footnote_333" id="Footnote_333"></a><a href="#FNanchor_333"><span class="label">333)</span></a> De Phoeniciërs worden reeds op gedenkteekenen uit de 18e dynastie Fenchoe genoemd.</p> </div> @@ -21613,13 +21574,13 @@ Fenchoe genoemd.</p> <p><a name="Footnote_335" id="Footnote_335"></a><a href="#FNanchor_335"><span class="label">335)</span></a> Naam van de Grieken in den tijd van den Trojaanschen oorlog. Zij komen in de opschriften uit den tijd van Ramses III voor als bondgenooten van de bewoners der eilanden in de Middellandsche zee tegen -Egypte. De Dardaniërs, bewoners van het Trojaansche landschap Dardania, +Egypte. De Dardaniërs, bewoners van het Trojaansche landschap Dardania, welker naam ook voor de Trojanen gebruikt wordt, komen naast de -volken van Pisada (Pisidië), Masa (Mysië) en Ilioena (Ilion) in het epos +volken van Pisada (Pisidië), Masa (Mysië) en Ilioena (Ilion) in het epos van Pentaoer voor als bondgenooten der Cheta. Het is zeer waarschijnlijk, dat de vorsten van de Grieksche eilanden, die nabij de kusten van -Klein-Azië gelegen waren, zich hebben aangesloten bij het groot verbond -der volken van Westelijk Azië tegen de Egyptenaars.</p> +Klein-Azië gelegen waren, zich hebben aangesloten bij het groot verbond +der volken van Westelijk Azië tegen de Egyptenaars.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -21645,10 +21606,10 @@ koningen het tot zijn troonzetel bestemde. <span class="vert">Vert.</span><br /> <hr class="l4" /> -<p>Vóor den aanvang van den slag<a name="FNanchor_337" id="FNanchor_337"></a><a href="#Footnote_337" class="fnanchor">337)</a> waren bij elke troepenafdeeling +<p>Vóor den aanvang van den slag<a name="FNanchor_337" id="FNanchor_337"></a><a href="#Footnote_337" class="fnanchor">337)</a> waren bij elke troepenafdeeling gebeden uitgesproken en offers geslacht. Men had heilige godenbeelden in feestbarken voorbij de gelederen gedragen, en -aan de soldaten wonderdoende reliquieën getoond. Herauten verkondigden, +aan de soldaten wonderdoende reliquieën getoond. Herauten verkondigden, dat de opperpriesters bij de groote offers des konings gunstige voorteekenen had gevonden, en de Horoscopen hoop hadden gegeven op eene schitterende overwinning.</p> @@ -21660,7 +21621,7 @@ ieder soldaat afzonderlijk voorzag zich van voorbehoedmiddelen en amuletten van allerlei aard. Deze droeg eene spreuk, die hulp kon verleenen, in een zakje verborgen om den hals of aan den arm, gene weder heilaanbrengende mystische oogen, en de -meesten scarabeën aan hunne vingerringen. Velen achten zich +meesten scarabeën aan hunne vingerringen. Velen achten zich het best beschermd door de haren of de vederen van een heilig dier, en niet weinigen lieten zich vrijwaren voor alle onheil door eene levende slang of kever, die zij zorgvuldig in het taschje @@ -21672,7 +21633,7 @@ en van de godin der overwinning Necheb, werden gedragen, de troepen monsterde, was hij gezeten in een draagstoel, die op de schouders van vier-en-twintig aanzienlijke jongelingen rustte. Zoodra hij naderde viel het gansche leger op de -knieën en stond niet op voordat Ramses, na van den draagstoel<span class="pagenum"><a name="Page_434" id="Page_434">[434]</a></span> +knieën en stond niet op voordat Ramses, na van den draagstoel<span class="pagenum"><a name="Page_434" id="Page_434">[434]</a></span> te zijn afgedaald, voor aller oogen aan de goden een rook- en drankoffer had gebracht, en zijn zoon Chamoes, de opperpriester van Memphis, hem in naam der hemelsche goden de symbolen @@ -21718,17 +21679,17 @@ esch opwascht, zoo stond de pharao daar naast zijn wagenmenner.</p> <p>De oostelijke horizont begon zich te kleuren met roodachtige<span class="pagenum"><a name="Page_435" id="Page_435">[435]</a></span> tinten, toen zij de omheining van de legerplaats verlieten. Daar -ter plaatse reed de gids Paäker den koning te gemoet, wierp zich -vóor hem neder en kuste den bodem. Op de vraag van Ramses, +ter plaatse reed de gids Paäker den koning te gemoet, wierp zich +vóor hem neder en kuste den bodem. Op de vraag van Ramses, waarom hij zonder zijn broeder kwam, gaf hij ten antwoord, dat deze plotseling ziek was geworden. De morgenschemering was oorzaak, dat de koning niet kon opmerken, hoe de wangen van den verrader, die niet gewoon was te liegen, nu eens rood en dan weder vaalbleek werden.</p> -<p>»Hoe staat het met den vijand?” vroeg Ramses.</p> +<p>»Hoe staat het met den vijand?” vroeg Ramses.</p> -<p>»Hij weet,” antwoordde Paäker, »dat het weldra tot een slag +<p>»Hij weet,” antwoordde Paäker, »dat het weldra tot een slag zal komen, en trekt zijne tallooze volken in de legerplaatsen ten zuiden en ten oosten van de stad bijeen. Gelukt het u Kadesch van de noordzijde van achter aan te vallen, terwijl het voetvolk @@ -21736,14 +21697,14 @@ het leger der Aziaten van de zuidzijde aangrijpt, dan zal de vesting nog heden in uwe handen zijn. De bergengte, die gij moet doortrekken, om niet ontdekt te worden, is niet slecht.”</p> -<p>»Zijt gij ziek als uw broeder?” vroeg de koning, »Uw stem +<p>»Zijt gij ziek als uw broeder?” vroeg de koning, »Uw stem beeft.”</p> -<p>»Ik ben gezonder dan ooit,” antwoordde de Mohar.</p> +<p>»Ik ben gezonder dan ooit,” antwoordde de Mohar.</p> -<p>»Wijs ons den weg!” beval Ramses.</p> +<p>»Wijs ons den weg!” beval Ramses.</p> -<p>Paäker gehoorzaamde. Zwijgend reden zij met een gevolg van +<p>Paäker gehoorzaamde. Zwijgend reden zij met een gevolg van tallooze wagenstrijders in de frissche morgenkoelte over de bedauwde vlakte, en zoo het gebergte in. Het met bogen en zwaarden gewapende korps van Ra marcheerde in de voorhoede en @@ -21751,18 +21712,18 @@ opende den weg. Nadat zij de smalle en drooge bedding van een stroom waren doorgetrokken, zagen zij voor zich een breed dal, dat links en rechts door bergen was ingesloten.</p> -<p>»De weg is goed,” zeide Ramses, terwijl hij zich tot Mena -richtte. »De Mohar heeft van zijn vader geleerd zijn ambt goed +<p>»De weg is goed,” zeide Ramses, terwijl hij zich tot Mena +richtte. »De Mohar heeft van zijn vader geleerd zijn ambt goed te vervullen. Hij heeft ook voortreffelijke paarden. Nu eens wijst hij de gidsen van onze voorhoede den weg, dan weder is hij in onze nabijheid.”</p> -<p>»Het zijn geelvossen uit mijne stoeterij,” zeide Mena, en de -aderen op zijn voorhoofd zwollen. »De opzichter zeide, dat Katoeti +<p>»Het zijn geelvossen uit mijne stoeterij,” zeide Mena, en de +aderen op zijn voorhoofd zwollen. »De opzichter zeide, dat Katoeti ze hem voor zijn vertrek heeft gezonden. Zij moeten voor Nefert’s wagen loopen, en heden ment hij ze om mij te trotseeren.”</p> -<p>»De vrouw is de uwe, laat hem de paarden,” antwoordde de +<p>»De vrouw is de uwe, laat hem de paarden,” antwoordde de koning goedig.</p> <p>Opeens werd de morgenstilte gestoord door het geluid van @@ -21771,7 +21732,7 @@ klonk het niet uit de verte.</p> <p>Ramses richtte zich op in al zijne lengte, en haalde de strijdbijl uit zijn gordel. De rossen staken de ooren op en Mena zeide: -»Dat waren trompetten der Cheta; ik ken den toon.”</p> +»Dat waren trompetten der Cheta; ik ken den toon.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_436" id="Page_436">[436]</a></span></p> @@ -21779,7 +21740,7 @@ uit zijn gordel. De rossen staken de ooren op en Mena zeide: wagen, waarin de koninklijke leeuwen naar het tooneel van den strijd werden gevoerd.</p> -<p>»De leeuwen los!” riep de koning, zoodra hij het krijgsgeschreeuw +<p>»De leeuwen los!” riep de koning, zoodra hij het krijgsgeschreeuw hoorde aanheffen, en spoedig daarop zag hij zijne door vijandelijke wagens doorbrokene voorhoede, het dal weder in en hem tegemoet vluchten. De roofdieren schudden woest de @@ -21789,7 +21750,7 @@ nu moedig tegen de vluchtenden, die door geen woorden tot stilstaan waren te brengen, en de hen vervolgende vijanden in.</p> -<p>»Waar is Paäker?” vroeg Ramses.</p> +<p>»Waar is Paäker?” vroeg Ramses.</p> <p>Doch de gids was verdwenen, als had de aarde hem plotseling met zijn wagen verslonden.</p> @@ -21808,13 +21769,13 @@ terstond daarop met verdubbele snelheid een goed heenkomen te zoeken. Want onverwachts hoorde men ook het krijgsgeschreeuw en de trompetten van den vijand achter den koning. Uit een dwarsdal, waarop Ramses geen acht had geslagen, en waarin -Paäker verdwenen was, stormden onafzienbare drommen wagenstrijders +Paäker verdwenen was, stormden onafzienbare drommen wagenstrijders te voorschijn, die voordat de koning het beletten kon, de rijen der hem volgende strijders doorbraken, en hem van zijne hoofdmacht afsneden.</p> <p>Ramses hoorde achter zich het geweldig gedruisch van den -aangevangen strijd; vóor zich zag hij de zijnen vluchten en vallen, +aangevangen strijd; vóor zich zag hij de zijnen vluchten en vallen, en den vijand, die met klimmende woede en steeds talrijker op hem aanstormde. Hij overzag het gansche gevaar en rekte zijne kolossale leden, als wilde hij beproeven, of zij opgewassen @@ -21842,7 +21803,7 @@ werd gericht.</p> <p>Thans hadden de rossen van den pharao den vijand bereikt en had zijne strijdbijl den eersten der Aziaten geveld. Rameri en drie andere zonen des konings streden aan zijne zijde op hunne wagens, -en vóor hen de leeuwen. Wild was het gedrang, vreeselijk +en vóor hen de leeuwen. Wild was het gedrang, vreeselijk de woede der strijders; zinverbijsterend het gejoel van den slag, gelijk het bulderen der branding van den oceaan, die door een fellen orkaan tegen hooge granietrotsen wordt opgezweept.</p> @@ -21861,31 +21822,31 @@ onder de drommen der vijanden.</p> <p>In het schild van den wagenmenner staken reeds drie pijlen, die op Mena, niet op den koning waren gericht, en op de schacht van den eenen zag hij toevallig in Egyptisch schrift niet onduidelijk -de woorden: »Dood aan Mena.”</p> +de woorden: »Dood aan Mena.”</p> <p>Daar snorde een vierde pijl!</p> <p>Hij volgde met de oogen de richting, van waar het wapen kwam, en terwijl een vijfde schot zijn schouder verwondde, riep -hij den koning toe: »Wij zijn verraden! Zie daar, aan de overzijde! -Paäker strijdt met de Cheta!”</p> +hij den koning toe: »Wij zijn verraden! Zie daar, aan de overzijde! +Paäker strijdt met de Cheta!”</p> <p>De gids spande juist opnieuw zijn boog en kwam den wagen van Ramses zoo nabij, dat men hem verstaan kon, toen hij de -pees aantrekkende, met krijschende stem uitriep: »Thans rekenen +pees aantrekkende, met krijschende stem uitriep: »Thans rekenen wij af, gij dief en roover! Nog is mijne bruid uwe vrouw, maar met dit schot maak ik Mena’s weduwe tot de mijne!”</p> <p>Met geweldige kracht doorkliefde de pijl de lucht en trof den helm van den wagenmenner. Deze liet zijn schild zinken en bracht de hand aan zijn hoofd, dat dreunde van den schok. Hij -hoorde Paäkers woedenden schaterlach, en voelde hoe een nieuwe +hoorde Paäkers woedenden schaterlach, en voelde hoe een nieuwe pijl van zijn vijand hem door het handgewricht sneed. Zichzelven<span class="pagenum"><a name="Page_438" id="Page_438">[438]</a></span> niet meer meester, wierp hij de teugels ver van zich weg, greep zijn strijdbijl, sprong, zijn plicht en zichzelven vergetende, van den wagen en stormde op den gids los.</p> -<p>Paäker wachtte hem af met zijn opgeheven slagzwaard. Zijne +<p>Paäker wachtte hem af met zijn opgeheven slagzwaard. Zijne lippen waren doodsbleek, zijne oogen bloedrood, zijne wijduitstaande neusvleugels bewogen zich als die van een snuivend paard, en met giftig schuim op zijn schreeuwenden mond, wierp hij zich @@ -21904,13 +21865,13 @@ strijdbijl.</p> <p>Daar zag hij hoe Rameri zich met zijn tweespan dicht bij hem aansloot. De jongeling streed heldhaftig, en Ramses riep hem toe: -»Goed zoo, gij kleinzoon van Seti!”</p> +»Goed zoo, gij kleinzoon van Seti!”</p> -<p>»Ik wil heden een nieuw zwaard verdienen!” antwoordde de +<p>»Ik wil heden een nieuw zwaard verdienen!” antwoordde de kroeskop zijn vader, en spleet een vijand den schedel.</p> <p>Doch reeds waren zij van alle zijden door vijandelijke wagens -omringd. De vader zag, hoe Danaërs de paarden van den jongeling +omringd. De vader zag, hoe Danaërs de paarden van den jongeling neerhieuwen, en hoe al zijne metgezellen, en onder hen de beste strijders, hunne paarden omwendden en op de vlucht sloegen.</p> @@ -21936,11 +21897,11 @@ sprong hij achter hem op den wagen.</p> Had Amon zijn gebed verhoord? Terwijl hij eenigszins schuw den blik richtte op zijn nieuwen wagenmenner, en op zijn gelaat de trekken van den afgestorven Mohar, den vader van<span class="pagenum"><a name="Page_439" id="Page_439">[439]</a></span> -den verrader Paäker, meende te herkennen, geloofde hij werkelijk, +den verrader Paäker, meende te herkennen, geloofde hij werkelijk, dat Amon diens gedaante had aangenomen, dat de god in eigen persoon tot hem was gekomen, om hem te redden.</p> -<p>»Er is hulp nabij!” riep zijn nieuwe wagenstrijder. »Nog maar +<p>»Er is hulp nabij!” riep zijn nieuwe wagenstrijder. »Nog maar een wijle stand gehouden, dan zijt gij gered, en voert gij de uwen ter overwinning!”</p> @@ -21990,7 +21951,7 @@ weder aanving.</p> <p>Groote moedeloosheid had zich van de Aziatische bondgenooten meester gemaakt. Zich van de overwinning zeker wanende<span class="pagenum"><a name="Page_440" id="Page_440">[440]</a></span> -waren zij naar het slagveld opgetrokken. De gids Paäker had +waren zij naar het slagveld opgetrokken. De gids Paäker had hun immers zijn koning verraden? Toen de pharao uittrok waren de beste wagenstrijders der Cheta heimelijk achter de stad geschaard en tegen Ramses afgezonden door de noordelijke opening @@ -22022,10 +21983,10 @@ Onder de laatsten had men ook Mena gevonden.</p> <p>Rameri werd vermist; in de eerstvolgende dagen werd het bekend, dat hij als gevangene in handen der vijanden was gevallen. Hij werd terstond tegen de in Mena’s tent teruggehoudene dochter -van den vorst der Danaërs uitgewisseld.</p> +van den vorst der Danaërs uitgewisseld.</p> -<p>Paäker was verdwenen, maar de geelvossen, die hem in den -strijd hadden gevoerd, werden ongedeerd vóor zijn verbrijzelden en +<p>Paäker was verdwenen, maar de geelvossen, die hem in den +strijd hadden gevoerd, werden ongedeerd vóor zijn verbrijzelden en met bloed bevlekten wagen gevonden.</p> <p>De Egyptenaars bezetten Kadesch. Chetasar, de vorst der Cheta, @@ -22048,7 +22009,7 @@ die hem te voren geheel vreemd was. Voor de eerste maal was hij aan den vijand verraden door een Egyptenaar, die hem zoo na stond.</p> -<p>De daad van Paäker had het blijmoedig vertrouwen van den +<p>De daad van Paäker had het blijmoedig vertrouwen van den pharao geschokt. Toen de vorst der Cheta om vrede smeekte, had hij niet onduidelijk laten blijken, dat Ramses in zijn eigen huis veel met geweld van wapenen zou moeten beslechten. De koning @@ -22067,7 +22028,7 @@ van zijn ambt ontzet geworden. Hijzelf had dit oordeel moeten bevestigen als rechtvaardig en zacht, want door zijn gebieder prijs te geven om eigen wraak uit te oefenen had de wagenmenner een daad gepleegd, die eigenlijk met den dood gestraft -moest worden. Sedert zijne worsteling met Paäker had de koning +moest worden. Sedert zijne worsteling met Paäker had de koning Mena niet wedergezien, maar met deelneming luisterde hij naar allen, die hem gedurig kwamen berichten, dat de zwaar gewonde in beterschap toenam.</p> @@ -22107,7 +22068,7 @@ al zijne tijdgenooten.</p> <p>Spoedig na zijne overwinning brak Ramses met de vorsten der overwonnen volken in zijn gevolg naar Egypte op, nadat alle belangrijke -bergpassen en vaste plaatsen in Syrië door zijne krijgslieden +bergpassen en vaste plaatsen in Syrië door zijne krijgslieden waren bezet. Hij zond twee zijner zonen naar Bent-Anat te Megiddo, om haar over zee naar Pelusium te brengen. Hij wist dat de bevelhebbers, die de havens der verste grondvesting in het @@ -22199,7 +22160,7 @@ zag op den blauwen grond de meest verschillende gedaanten van mosselen, visschen en waterplanten. Hier stonden rondom sierlijke tafels wel driehonderd zetels voor de grooten van het rijk en de aanvoerders van het leger. Overal hingen ontelbare lampen in -de gedaante van leliën en tulpen, en in de voorzaal stonden +de gedaante van leliën en tulpen, en in de voorzaal stonden groote korven met rozen gereed, die bij de aankomst voor den koning moesten uitgestrooid worden.</p> @@ -22221,24 +22182,24 @@ door hem aan den zonnegod waren gewijd.</p> <p>Op dit oogenblik doorwandelde de stadhouder Ani met vrouwe Katoeti deze in allerijl opgetrokken feestzalen.</p> -<p>»Mij dunkt dat alles goed geslaagd is,” zeide de weduwe.</p> +<p>»Mij dunkt dat alles goed geslaagd is,” zeide de weduwe.</p> -<p>»Eén ding alleen weet ik niet uit te maken,” antwoordde de -stadhouder. »Wat moet ik het meest bewonderen: uw vindingrijke +<p>»Eén ding alleen weet ik niet uit te maken,” antwoordde de +stadhouder. »Wat moet ik het meest bewonderen: uw vindingrijke geest, of uw smaak?”</p> -<p>»Laten wij daarover thans niet spreken,” hernam de weduwe -met een glimlach. »Indien ik in eenig opzicht lof verdien, dan is +<p>»Laten wij daarover thans niet spreken,” hernam de weduwe +met een glimlach. »Indien ik in eenig opzicht lof verdien, dan is het voor mijn ijver om u te dienen. Wat moest er in dit moerassig oord<a name="FNanchor_343" id="FNanchor_343"></a><a href="#Footnote_343" class="fnanchor">343)</a>, waar de lucht vervuld is van hinderlijke insecten, al niet wordt uitgedacht, gewaagd, geordend en afgedaan, eer dit gebouw er stond! Nu is het voltooid, maar voor hoe lang?”</p> -<p>Ani zag naar den grond, terwijl hij herhaalde: »Voor hoe -lang?” — Daarna ging hij aldus voort: »Eén groot waagstuk +<p>Ani zag naar den grond, terwijl hij herhaalde: »Voor hoe +lang?” — Daarna ging hij aldus voort: »Eén groot waagstuk is reeds mislukt. Ameni is koel geworden en verroert zich niet meer. De troepen, waarop ik reken, zijn mij misschien nog toegedaan, -maar veel te weinig in aantal. De Hebreën, die hier +maar veel te weinig in aantal. De Hebreën, die hier hunne kudden hoeden, en die ik voor mij heb gewonnen door hen van dwangarbeid te ontheffen, hebben nimmer wapenen gedragen. Bovendien, gij kent dit volk! Zij kussen de voeten van @@ -22248,9 +22209,9 @@ aan vertrouwen. En behalve dit.... het is,... er heeft zich... nu ja, de sperwer, die de oude Hekt voor mij verzorgt, is juist heden zoo ziek en afgemat....”</p> -<p>»Hij zal zich morgen des te trotscher weer oprichten, als gij +<p>»Hij zal zich morgen des te trotscher weer oprichten, als gij een man zijt,” zeide Katoeti, en hare oogen vonkelden van toorn. -»Gij kunt thans niet meer terug! Hier in Pelusium neemt +»Gij kunt thans niet meer terug! Hier in Pelusium neemt Ramses, die als een god door u ontvangen wordt, uw feest aan.<span class="pagenum"><a name="Page_446" id="Page_446">[446]</a></span> Ik ken den koning! Hij is te trotsch om wantrouwend te zijn, en zoo ingenomen met zichzelven, dat hij niets moeielijker toegeeft, @@ -22261,46 +22222,46 @@ waardigsten in het land verklaarde, ongaarne verdoemen. Heden nog behoort zijn oor aan u, morgen reeds aan uwe vijanden, en er is in Thebe te veel geschied, dan dat het zou kunnen uitgewischt worden. Gij zijt den leeuw gelijk, die tusschen zijn wachter -en de traliën staat. Laat gij thans den tijd ongebruikt voorbijgaan, +en de traliën staat. Laat gij thans den tijd ongebruikt voorbijgaan, dan zit gij in de kooi; maar voelt gij heden uw kracht en toont gij een leeuw te zijn, dan is het met hem die u temde gedaan!”</p> -<p>»Gij houdt niet op mij aan te zetten,” hernam Ani. »Maar -wanneer nu, nadat Paäker’s zoo voortreffelijk uitgevoerd plan +<p>»Gij houdt niet op mij aan te zetten,” hernam Ani. »Maar +wanneer nu, nadat Paäker’s zoo voortreffelijk uitgevoerd plan is mislukt, ook uw aanslag eens verkeerd uitvalt?”</p> -<p>»Zoo staat het met uw zaak niet slimmer dan thans,” antwoordde -Katoeti. »De goden, niet de menschen besturen de +<p>»Zoo staat het met uw zaak niet slimmer dan thans,” antwoordde +Katoeti. »De goden, niet de menschen besturen de elementen. Is het waarschijnlijk, dat gij zulk een prachtig gebouw met zooveel zorg zult hebben doen voltooien, om het te verbranden? Wij hebben en behoeven niemand, die van ons plan kennis draagt!”</p> -<p>»Maar wie zal den brand steken in de vertrekken, die door Nemoe +<p>»Maar wie zal den brand steken in de vertrekken, die door Nemoe en mijn stommen slaaf met stroo en pek zijn gevuld?” vroeg Ani.</p> -<p>»Ik,” antwoordde Katoeti vastbesloten, »en met mij nog +<p>»Ik,” antwoordde Katoeti vastbesloten, »en met mij nog iemand die van Ramses niets te verwachten heeft.”</p> -<p>»En wie zal dat zijn?”</p> +<p>»En wie zal dat zijn?”</p> -<p>»Paäker.”</p> +<p>»Paäker.”</p> -<p>»Is de Mohar dan hier?” vroeg de stadhouder verschrikt.</p> +<p>»Is de Mohar dan hier?” vroeg de stadhouder verschrikt.</p> -<p>»Gij hebt hem zelf gezien.”</p> +<p>»Gij hebt hem zelf gezien.”</p> -<p>»Gij vergist u,” zeide Ani. »Ik zou ...”</p> +<p>»Gij vergist u,” zeide Ani. »Ik zou ...”</p> -<p>»Herinnert gij u dien eenoogigen zwarte, met zijn grijs hoofd, +<p>»Herinnert gij u dien eenoogigen zwarte, met zijn grijs hoofd, die u gisteren mijn schrijven overbracht? — Dat is de zoon mijner zuster.”</p> <p>De stadhouder bracht de hand aan zijn voorhoofd, en prevelde, -terwijl eene rilling hem door de leden voer: »Die arme!”</p> +terwijl eene rilling hem door de leden voer: »Die arme!”</p> -<p>»Hij is vreeselijk veranderd,” zeide Katoeti. »Hij had zich niet +<p>»Hij is vreeselijk veranderd,” zeide Katoeti. »Hij had zich niet eens behoeven te verven, om zelfs voor zijne moeder onkenbaar te zijn. In het gevecht met Mena heeft hij een oog verloren. Een zwaardsteek van mijn schoonzoon verwondde zijne longen, @@ -22312,7 +22273,7 @@ Mijn aanslag kent hij nog niet, maar ik weet dat hij ons helpen zal, al bedreigden hem ook duizend dooden. Om der goden wil, draal en wankel nu niet langer! Wij zullen den boom voor u schudden, zorg gij slechts bij de hand te zijn, als het er morgen -op aan zal komen de vruchten op te rapen. Eén ding echter moet +op aan zal komen de vruchten op te rapen. Eén ding echter moet ik verlangen. Beveel den opzichter der wijnschuren dat hij het druivennat niet spare, opdat de garde en de Sardische wachters ons niet storen. Ik weet dat gij bevel hebt gegeven, van de vijf @@ -22323,7 +22284,7 @@ van Egypte ten minste niet zoo angstvallig spaarzaam zou zijn!”</p> <p>Om Katoeti’s lippen speelde een trek van minachting, terwijl zij deze woorden sprak.</p> -<p>Ani merkte het op en zeide: »Gij houdt mij voor schroomvallig. +<p>Ani merkte het op en zeide: »Gij houdt mij voor schroomvallig. Nu ja, ik stem het toe, het zou mij wel zoo lief zijn, wanneer ik kon maken dat vele dingen, die ik op uw aandrijven heb gedaan, niet gebeurd waren. Ik zou ook gaarne van dezen nieuwen @@ -22333,27 +22294,27 @@ wil ik er aan geven. Inderdaad, er zijn wijnkruiken bij, die nog uit den tijd van mijn vader afkomstig zijn. Doch het moet zoo zijn. Gij hebt gelijk! Er is reeds te veel gebeurd, dat ’s konings toorn gaande zal maken. Gij zijt verstandig! Doe wat gij -goed acht. Ik slaap na het feest in het kamp der Ethiopiërs.”</p> +goed acht. Ik slaap na het feest in het kamp der Ethiopiërs.”</p> -<p>»Zij zullen u tot koning uitroepen, zoodra die overweldigers -verbrand zijn,” riep Katoeti. »Als er maar eenigen schreeuwen, +<p>»Zij zullen u tot koning uitroepen, zoodra die overweldigers +verbrand zijn,” riep Katoeti. »Als er maar eenigen schreeuwen, zoo volgen de anderen vanzelf, en al hebt gij Ameni ook vertoornd, hij huldigt u altijd nog liever dan Ramses. — Daar komt hij, zie, daarboven wapperen reeds de vanen!”</p> -<p>»Zij naderen,” zeide de stadhouder. »Nu nog éen ding! Zorg +<p>»Zij naderen,” zeide de stadhouder. »Nu nog éen ding! Zorg gij er persoonlijk voor, dat de prinses Bent-Anat de voor haar bestemde vertrekken betrekt. Zij mag niet in den brand omkomen.”</p> -<p>»Nog altijd dezelfde?” vroeg Katoeti schalks en toch niet zonder -bitterheid lachende. »Wees niet bezorgd; hare vertrekken liggen +<p>»Nog altijd dezelfde?” vroeg Katoeti schalks en toch niet zonder +bitterheid lachende. »Wees niet bezorgd; hare vertrekken liggen gelijkvloers en zij zal gewaarschuwd worden.”</p> <p>Ani zeide haar vaarwel. Hij wierp nog een blik in de groote -zaal en sprak daarna zuchtende: »Mijn gemoed is beklemd; ik +zaal en sprak daarna zuchtende: »Mijn gemoed is beklemd; ik wenschte dat deze dag en nacht voorbij waren!”</p> -<p>»Het komt mij voor,” zeide Katoeti met een glimlach, »dat +<p>»Het komt mij voor,” zeide Katoeti met een glimlach, »dat er veel overeenkomst is tusschen u en deze schoon versierde feestzaal, die er thans zoo verlaten, haast huiveringwekkend uitziet. Maar dat alles zal heden avond veranderen, wanneer zij @@ -22364,7 +22325,7 @@ en schepter u toebehooren.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_448" id="Page_448">[448]</a></span></p> <p>Ani dankte haar met een lachje en verliet haar. Katoeti prevelde -echter voor zichzelve: »Bent-Anat zal met de overigen +echter voor zichzelve: »Bent-Anat zal met de overigen verbranden; ik heb geen lust de heerschappij over dezen met haar te deelen!”</p> @@ -22394,7 +22355,7 @@ van Thebe vertegenwoordigden. Maar weinige leden dezer gezantschappen droegen het eenvoudig witte kleed van de dienaars der godheid, daar de meesten getooid waren met het panthervel der profeten. Elk hield een langen staf in de hand die met rozen, -leliën en groen loof was omwonden. Velen droegen gouden armen +leliën en groen loof was omwonden. Velen droegen gouden armen met gebogene handen, in welker holte, bij de nadering des konings, kostbaar reukwerk zou worden ontstoken. Onder de afgevaardigden van de Amon-priesters van Thebe bevonden @@ -22406,12 +22367,12 @@ onder haar was opgenomen.</p> <p>De opperpriester Ameni liep nadenkend naast den profeet Gagaboe voort.</p> -<p>»Wat is toch alles gansch anders uitgekomen dan wij dachten -en wenschten!” zeide de laatste zacht. »Wij zijn boden met +<p>»Wat is toch alles gansch anders uitgekomen dan wij dachten +en wenschten!” zeide de laatste zacht. »Wij zijn boden met verzegelde brieven; wie kent den inhoud?”</p> -<p>»Ik begroet Ramses met een blijmoedig hart,” antwoordde -Ameni op beslisten toon. »Na alles wat hem voor Kadesch wedervoer, +<p>»Ik begroet Ramses met een blijmoedig hart,” antwoordde +Ameni op beslisten toon. »Na alles wat hem voor Kadesch wedervoer, keert hij niet terug, gelijk hij was toen hij te veld trok. Hij weet nu wat hij aan Amon verschuldigd is. Zijn zeer geliefden zoon heeft hij reeds in dienst gesteld van den god van @@ -22420,17 +22381,17 @@ hemelschen goden rijke geschenken te geven. En Ramses is gewoon zijne geloften beter gestand te doen, dan die lachende zwakhoofd daar op den wagen.”</p> -<p>»Ik maak mij beangst over Ani,” zeide Gagaboe.</p> +<p>»Ik maak mij beangst over Ani,” zeide Gagaboe.</p> -<p>»De pharao zal hem niet straffen, zeker niet,” verzekerde de -opperpriester. »En hij heeft niets van hem te vreezen, want dit +<p>»De pharao zal hem niet straffen, zeker niet,” verzekerde de +opperpriester. »En hij heeft niets van hem te vreezen, want dit wankelend riet is, zonder krachtigen steun, een speelbal der winden.”</p> -<p>»Wat groote dingen hebt gij toch niet van hem verwacht!”</p> +<p>»Wat groote dingen hebt gij toch niet van hem verwacht!”</p> -<p>»Niet <em>van</em> hem, maar <em>door</em> hem, als hij door ons werd geleid,” -hernam Ameni zacht, maar met nadruk. »Dat ik hem opgaf, is +<p>»Niet <em>van</em> hem, maar <em>door</em> hem, als hij door ons werd geleid,” +hernam Ameni zacht, maar met nadruk. »Dat ik hem opgaf, is geheel zijne eigene schuld. Hij heeft onzen eersten wensch, den dichter Pentaoer te sparen, in den wind geslagen; geen eedbreuk ontzien om ons te bedriegen, en een der heerlijkste werken der @@ -22460,7 +22421,7 @@ hebben, en hem die ons noodig heeft, kunnen wij leiden. Ik huldig thans met blijdschap den zoon van Seti.”</p> <p>Ameni had nog niet uitgesproken, toen de vlaggen aan de -masten vóor de eerepoorten werden geheschen. Aan gene zijde +masten vóor de eerepoorten werden geheschen. Aan gene zijde van den Nijl gingen stofwolken op, en het geklank van bazuinen liet zich hooren. Daar vertoonden zich de paarden, die Ramses naar het slagveld hadden gereden. De koning mende ze zelf @@ -22471,7 +22432,7 @@ en geestdrift ontvingen, en een regen van tallooze geurige bloemen en knoppen, van groen loof en palmtakken voor zijne voeten neder viel.</p> -<p>Ani ging allen die den pharao ontvingen vóor. Hij wierp zich +<p>Ani ging allen die den pharao ontvingen vóor. Hij wierp zich deemoedig voor de paarden in het stof, kuste de aarde, en overhandigde den koning den op een zijden kussen liggenden gouden schepter, die hem zoolang was toevertrouwd.</p> @@ -22514,7 +22475,7 @@ scheen te gelijken.</p> draagster van haar waaier. Zij knielde voor den pharao, terwijl deze zich verheugde over het wederzien van zijne dochter. Thans merkte hij ook Nefert op, en beval haar vriendelijk op te staan, -zeggende: »Wat moet ik heden al niet beleven! Ik heb ondervonden, +zeggende: »Wat moet ik heden al niet beleven! Ik heb ondervonden, dat hetgeen ik weleer voor het grootste geluk hield, toch nog overtroffen kan worden. En nu zie ik, dat ook het schoonste zich nog tot hooger schoonheid kan ontwikkelen. @@ -22529,33 +22490,33 @@ zijnen placht te verrassen. Ditmaal zag hij echter langer dan gewoonlijk naar beneden.</p> <p>Eindelijk hief hij het hoofd weder op, en liefderijk schitterden -zijne groote oogen, toen hij zijne dochter vroeg: »Wat heeft +zijne groote oogen, toen hij zijne dochter vroeg: »Wat heeft uwe vriendin wel gezegd, toen zij hoorde dat haar gemaal eene vreemde schoone in zijne tent genomen en daar maanden lang geherbergd heeft? Ik vraag de volle waarheid, Bent-Anat!”</p> -<p>»Ik ben Mena dankbaar voor deze daad,” antwoordde de -prinses, »die zeker licht te vergeven zal zijn, omdat gij er over +<p>»Ik ben Mena dankbaar voor deze daad,” antwoordde de +prinses, »die zeker licht te vergeven zal zijn, omdat gij er over spreekt met een glimlach, want zij bracht zijne vrouw tot mij. Hare moeder schold op haar echtgenoot met bittere hardheid, maar zij bleef gelooven in zijne trouw en verliet zijn huis, daar zij niet kon verdragen hem te hooren belasteren.”</p> -<p>»Is dat waar?” vroeg Ramses.</p> +<p>»Is dat waar?” vroeg Ramses.</p> <p>Nefert knikte toestemmend met het schoone hoofd, en een tweetal tranen rolde langs hare blozende wangen.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_452" id="Page_452">[452]</a></span></p> -<p>»Hoe goed moet hij zijn,” riep de koning, »wien de goden zulk +<p>»Hoe goed moet hij zijn,” riep de koning, »wien de goden zulk een geluk laten te beurt vallen! Ceremoniemeester! Beveel Mena, -dat hij mij heden aan tafel bediene, gelijk vóor den slag bij +dat hij mij heden aan tafel bediene, gelijk vóor den slag bij Kadesch. Hij wierp in het gevecht de teugels weg, toen hij zijn vijand zag; laat hij nu oppassen, dat hij met den beker niet hetzelfde doe, wanneer zijne geliefde meesteres<a name="FNanchor_349" id="FNanchor_349"></a><a href="#Footnote_349" class="fnanchor">349)</a> hem aan den maaltijd met deze beide oogen zal aanzien. Gij vrouwen zult aan het maal deelnemen.”</p> -<p>Nefert zonk dankend voor den koning op de knieën, doch hij +<p>Nefert zonk dankend voor den koning op de knieën, doch hij keerde zich van haar af, om de waardigheidsbekleeders te begroeten, die gekomen waren om hem te verwelkomen, en reed daarna naar den tempel, waar hij het slachten der offers bijwoonde, en @@ -22594,7 +22555,7 @@ opgeteld worden.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_341" id="Footnote_341"></a><a href="#FNanchor_341"><span class="label">341)</span></a> Het Abaris van Menotho is Pelusium, zooals wij in ons <cite>Aegypten -und die Bücher Mose’s</cite>, I. S. 209, bewezen hebben. Van de oude +und die Bücher Mose’s</cite>, I. S. 209, bewezen hebben. Van de oude wallen met inspringende hoeken, die aan eene vesting doen denken, zijn nog sporen bewaard gebleven. Zie Lepsius in de <cite>Sitzungsberichte der Berliner Akademie der Wissenschaften</cite>, 17 Mai 1866.</p> @@ -22621,7 +22582,7 @@ afgeleid van het Grieksche woord „pelos,” beteekenen „moerasst <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_344" id="Footnote_344"></a><a href="#FNanchor_344"><span class="label">344)</span></a> Aan den noordelijken wand van den tempel van Karnak is ons de schoonste voorstelling van zulk eene feestelijke ontvangst bewaard gebleven. -Deze gold den vader van onzen Ramses, toen ook hij uit Syrië terugkeerde.</p> +Deze gold den vader van onzen Ramses, toen ook hij uit Syrië terugkeerde.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -22642,7 +22603,7 @@ daar in ouderen tijd vele Pallakieden gehuwd waren.</p> <div class="footnote"> <p><a name="Footnote_347" id="Footnote_347"></a><a href="#FNanchor_347"><span class="label">347)</span></a> De pracht van het feest, dat wij Ani laten geven, zinkt geheel in het niet, wanneer wij het vergelijken met hetgeen Ptolemaeus Philadelphus -bij eene feestelijke gelegenheid voor de bewoners van Alexandrië ten toon +bij eene feestelijke gelegenheid voor de bewoners van Alexandrië ten toon spreidde, volgens het verhaal van een ooggetuige. Kallixenos (bij Athenaeus).</p> </div> @@ -22669,13 +22630,13 @@ door ontelbare lampen werd verlicht, bewogen zich thans in bonte mengeling de gasten, die den koning met ongeduld wachtten. Bij Ramses’ verschijning bogen zij zich, elk naar zijn rang, meer of minder diep. De pharao zette zich op zijn troon met al zijne kinderen -in een breeden halven cirkel om hem heen. Dáar gingen -zijne getrouwen vóor het begin van den maaltijd, hem een voor +in een breeden halven cirkel om hem heen. Dáar gingen +zijne getrouwen vóor het begin van den maaltijd, hem een voor een voorbij. Hij had voor elk een vriendelijk woord of ten minste een blik, waardoor hij ieder wist te eeren en voor zich te winnen, en blijde hoop wekte in aller harten.</p> -<p>»Indien er,” zeide hij tot zichzelf, »in mijne koninklijke waardigheid +<p>»Indien er,” zeide hij tot zichzelf, »in mijne koninklijke waardigheid iets is, dat stellig goddelijk mag heeten, dan is het zeker dit, dat het mij zoo gemakkelijk valt anderen gelukkig te maken. De voorvaderen kozen zich de giftige Uraeus-slang tot symbool @@ -22684,9 +22645,9 @@ dooden<a name="FNanchor_350" id="FNanchor_350"></a><a href="#Footnote_350" class eigene lippen en in onze eigene oogen, terwijl wij een werktuig noodig hebben, wanneer wij straffen moeten.”</p> -<p>»Neemt mij de Uraeus-kroon van den schedel,” zeide hij, toen +<p>»Neemt mij de Uraeus-kroon van den schedel,” zeide hij, toen hij van zijne troon afdaalde, om aan den feestdisch plaats te nemen, -»legt mij heden een bloemenkrans om het voorhoofd.”</p> +»legt mij heden een bloemenkrans om het voorhoofd.”</p> <p>Onder de plechtigheid der begroeting verwijderden zich twee mannen uit de zaal, de stadhouder Ani en de opperpriester Ameni. @@ -22719,11 +22680,11 @@ zich oprecht over het behoud en het wederzien van den meest geliefden zijner leerlingen, wiens dood hij sedert maanden had betreurd. Met vaderlijke teederheid beschouwde hij zijne mannelijke gestalte, en beval de dienaars, die zich voor zijne hooge waardigheid -bogen, »zijn vriend” op zijne verantwoording niet in de tent +bogen, »zijn vriend” op zijne verantwoording niet in de tent van Ani maar in zijne eigene te brengen.</p> <p>Pentaoer vond daar den ouden Gagaboe, die onder het herhaald -uitroepen van »Ach!” en »Helaas!” van vreugde over zijne redding +uitroepen van »Ach!” en »Helaas!” van vreugde over zijne redding weende als een kind. Alles wat Ameni den dichter zou hebben kunnen verwijten, scheen vergeten te zijn. Ameni liet hem terstond bekleeden met een nieuw wit gewaad, hield niet op hem met bewondering @@ -22733,13 +22694,13 @@ teruggevonden zoon.</p> <p>Haastig moest de dichter mededeelen al wat hij had doorleefd. Hij vertelde van zijne gevangenschap en van zijne bevrijding bij -den heiligen Sinaï, van zijne ontmoeting met Bent-Anat, en dat +den heiligen Sinaï, van zijne ontmoeting met Bent-Anat, en dat hij mede gestreden had in den slag bij Kadesch, dat hij door een pijl was gewond, maar door Warda’s vader gevonden. Hij verzweeg alleen wat hij voor Bent-Anat gevoelde, en dat niemand anders dan hij den koning had gered.</p> -<p>»Een uur geleden,” zoo besloot hij, »zat ik alleen in mijne tent +<p>»Een uur geleden,” zoo besloot hij, »zat ik alleen in mijne tent en zag naar de lichten in het paleis daarginds, toen de veiligheidsbeambten,<span class="pagenum"><a name="Page_455" id="Page_455">[455]</a></span> die daar buiten wachten, mij het bevel overbrachten, dat ik hen volgen moest naar Ani’s tent. Wat wil @@ -22755,22 +22716,22 @@ dat zijn gast tot het einde van het feest in zijne tent zou vertoeven. De soldaten voldeden hieraan, zonder zich verder over Pentaoer te bekommeren.</p> -<p>Ameni bereikte vóor hen het paleis en trad de feestzaal in, +<p>Ameni bereikte vóor hen het paleis en trad de feestzaal in, toen de stadhouder reeds aan zijne gasten hunne plaatsen had aangewezen.</p> <p>De opperpriester ging rechtstreeks op Ani toe, boog zich voor -hem en zeide: »Vergeef mij mijn langdurig uitblijven; maar +hem en zeide: »Vergeef mij mijn langdurig uitblijven; maar eene buitengewone verrassing hield mij terug. De dichter Pentaoer leeft, gelijk gij weet, en ik noodigde hem tot uw terugkeer als gast in mijne tent, om den profeet Gagaboe op te passen.”</p> <p>De stadhouder verbleekte, terwijl hij Ameni sprakeloos en met glazige oogen toelachte. Maar spoedig herstelde hij zich en zeide: -»Gij ziet, door welk eene onwaardige verdenking gij mij gekrenkt +»Gij ziet, door welk eene onwaardige verdenking gij mij gekrenkt hebt. Ik wilde morgen uw lieveling weder bij u brengen.”</p> -<p>»Vergeef ons dan, dat wij u zijn voorgekomen,” zeide Ameni +<p>»Vergeef ons dan, dat wij u zijn voorgekomen,” zeide Ameni en nam zijn plaats in, in de nabijheid van den pharao.</p> <p>Honderde slaven vlogen de zaal binnen, beladen met kostelijk @@ -22785,7 +22746,7 @@ en gezang, en van een zes el hoog gouden altaar in het midden van de zaal, steeg de geur op van kostelijk en bedwelmend reukwerk.</p> -<p>De koning, onder wiens titels die van »zoon van den zonnegod” +<p>De koning, onder wiens titels die van »zoon van den zonnegod” behoorde, straalde als ware hijzelf de zon. Zijne kinderen waren weder allen rondom hem; Mena schonk heden als in vroeger dagen den beker voor hem in. Al wat er aanzienlijk was in @@ -22803,25 +22764,25 @@ wier hand hij nog niet weder had aangeraakt.</p> <p>Al de gasten verkeerden in eene feestelijke stemming.</p> <p>Ramses verhaalde van den slag bij Kadesch, waarop de opperpriester -van Heliopolis zeide: »Nog tot in later tijd zullen de +van Heliopolis zeide: »Nog tot in later tijd zullen de zangers uwe daden prijzen.”</p> -<p>»Niet hetgeen ik verricht heb,” viel de koning hem in de -rede, »moet hun lied verheffen, maar de genade van den god, +<p>»Niet hetgeen ik verricht heb,” viel de koning hem in de +rede, »moet hun lied verheffen, maar de genade van den god, die uw gebieder wonderbaar redde en de Egyptische wapenen de zege verleende over tallooze vijanden.”</p> -<p>»Zaagt gij den god met eigene oogen, en in welke gedaante +<p>»Zaagt gij den god met eigene oogen, en in welke gedaante verscheen hij u?” vroeg Bent-Anat.</p> -<p>»Het was een wonder,” antwoordde Ramses ernstig, »maar -hij geleek den overleden vader van den verrader Paäker. Mijn +<p>»Het was een wonder,” antwoordde Ramses ernstig, »maar +hij geleek den overleden vader van den verrader Paäker. Mijn redder was hoog van gestalte en schoon van gelaat. Hij had eene zware stem die door de ziel drong, en hij slingerde de strijdbijl als een speeltuig.”</p> <p>Ameni had opmerkzaam naar ’s konings woorden geluisterd. -Onder eene diepe buiging zeide hij nu met bescheidenheid: »Indien +Onder eene diepe buiging zeide hij nu met bescheidenheid: »Indien ik jonger was, zou ikzelf misschien beproeven, gelijk het de gewoonte was bij de vaderen, deze heerlijke daad van een god en zijn verheven zoon bij het feestmaal in een lied te verheerlijken. @@ -22856,27 +22817,27 @@ doeken om de handen af te drogen<a name="FNanchor_351" id="FNanchor_351"></a><a de verwelkte kransen van het hoofd en den hals der gasten wegnamen, om ze door frissche te doen vervangen.</p> -<p>»Gij zijt bleek, mijn kind,” zeide Ramses, zich tot Bent-Anat -richtende. »Wanneer gij u vermoeid gevoelt, zal onze neef u zeker +<p>»Gij zijt bleek, mijn kind,” zeide Ramses, zich tot Bent-Anat +richtende. »Wanneer gij u vermoeid gevoelt, zal onze neef u zeker veroorloven het feest te verlaten. Maar ik dacht, gij moest toch blijven, tot de algemeen geprezen dichter zijn lied zal hebben gezongen. Wie zoo geroemd wordt als hij, heeft eene zware taak, als hij de hoorders wil bevredigen. — Doch waarlijk, mijne dochter, gij maakt mij ongerust. Wilt gij ook heengaan?”</p> -<p>De stadhouder was opgestaan en zeide dringend: »Door uwe +<p>De stadhouder was opgestaan en zeide dringend: »Door uwe tegenwoordigheid hebt gij mijn feest eer aangedaan. Daar het u echter schijnt te vermoeien, bid ik u mij te veroorloven u met de vrouwen naar de voor u bestemde vertrekken te geleiden.”</p> -<p>»Ik blijf,” antwoordde Bent-Anat zacht, maar beslist, en zag +<p>»Ik blijf,” antwoordde Bent-Anat zacht, maar beslist, en zag met een kloppend hart naar den grond, want het goedkeurend gemompel der gasten zeide haar, dat Pentaoer de zaal was binnengekomen.</p> <p>Bescheiden, maar toch in verwarring gebracht door den ongewonen glans, die hem hier omgaf, trad de dichter, door Ameni -geleid, vóor den koning. Hij droeg weder het lange witte gewaad +geleid, vóor den koning. Hij droeg weder het lange witte gewaad van de priesters van het Seti-huis, en de struisveder, die de ingewijden onderscheidde, op het voorhoofd. Eerst toen hij vlak voor den koning stond sloeg hij de oogen op, wierp zich voor @@ -22895,18 +22856,18 @@ roerloos zat, en den dichter.</p> aangezicht werd donkerrood gekleurd, toen hij Bent-Anat in zijn nabijheid aanschouwde.</p> -<p>»Gij streedt voor Kadesch?” vroeg Ramses met bewogen stem.</p> +<p>»Gij streedt voor Kadesch?” vroeg Ramses met bewogen stem.</p> -<p>»Zooals gij zegt,” antwoordde Pentaoer.</p> +<p>»Zooals gij zegt,” antwoordde Pentaoer.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_458" id="Page_458">[458]</a></span></p> -<p>»Men roemt u als dichter,” ging de koning voort, »en wij +<p>»Men roemt u als dichter,” ging de koning voort, »en wij verlangen mijne wonderbare redding in een lied te hooren verheerlijken. Wilt gij het beproeven, laat u dan een snarenspeeltuig brengen en zing.”</p> -<p>De dichter boog en zeide: »Mijne gaven zijn bescheiden, maar +<p>De dichter boog en zeide: »Mijne gaven zijn bescheiden, maar ik wil het beproeven, de schoonste daad te prijzen voor den held zelven die haar volbracht met den bijstand der goden.”</p> @@ -22930,9 +22891,9 @@ begon te bezingen. Zich hoog oprichtende luisterde de pharao, toen Pentaoer zong<a name="FNanchor_352" id="FNanchor_352"></a><a href="#Footnote_352" class="fnanchor">352)</a>.</p> <div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> -<span class="i0">»Toen verhief zich de koning met vroolijker moed,<br /></span> +<span class="i0">»Toen verhief zich de koning met vroolijker moed,<br /></span> <span class="i0">De wapenen grijpend, omgord met het pantser,<br /></span> -<span class="i0">Gelijk aan den Baäl in ’t uur van den strijd.<br /></span> +<span class="i0">Gelijk aan den Baäl in ’t uur van den strijd.<br /></span> <span class="i0">De rossen, zoo edel, bestemd hem te dragen — <br /></span> <span class="i0">„In Thebe de zege”, zoo heette het eene,<br /></span> <span class="i0">Het andere werd „Bevredigde Noera” genoemd.<br /></span> @@ -22987,7 +22948,7 @@ toen Pentaoer zong<a name="FNanchor_352" id="FNanchor_352"></a><a href="#Footnot <span class="i0">Als een zoon zijnen vader, zoo roep ik u, Amon<br /></span> <span class="i0">Zie neder op mij, wien tallooze benden<br /></span> <span class="i0">Van volken omringen, zoo vreemd aan uw harte.<br /></span> -<span class="i0">Tegen mij zijn verbonden de natiën alle,<br /></span> +<span class="i0">Tegen mij zijn verbonden de natiën alle,<br /></span> <span class="i0"><em>Ik sta hier alleen en geen ander is bij mij</em>.<br /></span> <span class="i0">Ik hen hier door al mijn voetvolk verlaten,<br /></span> <span class="i0">Mij zoekt zelfs geen ruiter met angstigen blik,<br /></span> @@ -23017,7 +22978,7 @@ toen Pentaoer zong<a name="FNanchor_352" id="FNanchor_352"></a><a href="#Footnot <span class="i0">Toen wierp hij, den krijgsgod gelijk, met zijn rechter<br /></span> <span class="i0">De gevleugelde lans, en hief op met zijn linker<br /></span> <span class="i0">De wichtige strijdbijl en velde den vijand.<br /></span> -<span class="i0">Hij sloeg hem als Baäl in ’t uur van den slag.<br /></span> +<span class="i0">Hij sloeg hem als Baäl in ’t uur van den slag.<br /></span> <span class="i0">Vijand’lijke wagens, ze vlogen in stukken;<br /></span> <span class="i0">Tweeduizend vijfhonderd. De rijders versagen;<br /></span> <span class="i0">Niet een hunner vindt meer een hand om te vechten;<br /></span> @@ -23037,11 +22998,11 @@ zijn redder stond voor hem!</p> <p>Eene oogenblikkelijke opwelling volgende, viel hij den dichter midden in het gezang, dat hem zoo diep trof, in de rede en riep -zijnen feestgenooten toe: »Eere zij dezen man, want de godheid +zijnen feestgenooten toe: »Eere zij dezen man, want de godheid koos zijne gestalte om uw koning te redden, <em>toen hij alleen stond, en de duizenden hem omringden</em>!”</p> -<p>»Heil Pentaoer!” ruischte het door de wijde zaal.</p> +<p>»Heil Pentaoer!” ruischte het door de wijde zaal.</p> <p>Daar stond Nefert op en overhandigde den dichter blozend den ruiker, dien zij op haar boezem had gedragen. Ramses gaf haar @@ -23072,7 +23033,7 @@ eerst haar, daarna haar vriend, wiens hoofd nog altijd den bloemenkrans droeg, met welgevallen aanzag.</p> <p>Eindelijk keerde Ramses zich van de twee geliefden af en riep -hij de feestgenooten toe: »Het middernachtelijk uur is reeds voorbij, +hij de feestgenooten toe: »Het middernachtelijk uur is reeds voorbij, en ik verlaat u thans. Morgenavond noodig ik u allen, en u Pentaoer in het bijzonder, als mijne gasten in deze zelfde feestzaal. Vult nog eens de bekers, wij willen ze ledigen op den langen duur @@ -23097,15 +23058,15 @@ naar hare tent.</p> <p>In de voorzaal, die tot zijn bijzondere vertrekken leidde, nam Ramses van de zijnen afscheid. Nadat zijn gevolg zich verwijderd had, wenkte hij Bent-Anat, en vroeg haar op goedigen toon: -»Wat dacht ge wel bij uzelve, toen gij uw krans den dichter op +»Wat dacht ge wel bij uzelve, toen gij uw krans den dichter op het hoofd druktet?”</p> -<p>»Wat ieder ander meisje in Egypte denkt, die hetzelfde doet,” +<p>»Wat ieder ander meisje in Egypte denkt, die hetzelfde doet,” antwoordde de prinses met vertrouwelijke openhartigheid.</p> -<p>»En uw vader?” vroeg Ramses.</p> +<p>»En uw vader?” vroeg Ramses.</p> -<p>»Mijn vader weet, dat ik hem gehoorzaam zou zijn, ook wanneer +<p>»Mijn vader weet, dat ik hem gehoorzaam zou zijn, ook wanneer hij het zwaarste van mij mocht verlangen, namelijk dat ik mijn levensgeluk aan hem ten offer zou brengen. Maar ik<span class="pagenum"><a name="Page_462" id="Page_462">[462]</a></span> geloof dat hij.... dat gij mij hartelijk liefhebt, en ik vergat de @@ -23119,8 +23080,8 @@ de hoogste eere waardig is. Maar al ware hij ook nog zoo nederig van afkomst, de hand uwer dochter zou toch macht genoeg bezitten, om hem te verheffen boven alle vorsten des lands.”</p> -<p>»Zij heeft deze macht, en gij moogt er gebruik van maken,” -sprak de koning. »Gij zijt, gedurende den tijd dat uw leidsman +<p>»Zij heeft deze macht, en gij moogt er gebruik van maken,” +sprak de koning. »Gij zijt, gedurende den tijd dat uw leidsman en vader u aan uzelve moest overlaten, trouw gebleven aan uwe beginselen en aan de waarheid. Ik heb in u het beeld uwer moeder lief, en van haar leerde ik, dat een rechtschapen vrouwenhart @@ -23204,7 +23165,7 @@ neergehurkt op den zandigen bodem van hare enge woning, die door een kegelvormig linnen-dak was bedekt. Zij haalde zwaar adem. De krampachtige aandoeningen van het hart, waaraan zij sedert lang had geleden, herhaalden zich menigvuldiger en brachten -haar leven ernstig in gevaar. Vóór haar brandde een klein +haar leven ernstig in gevaar. Vóór haar brandde een klein lampje uit roode gebakken aarde, en in haar schoot zat een zieke sperwer. Het diertje dook telkens in zijne veeren en sloot zijne witachtige oogleden, maar grimmig opende het de oogen, zoo @@ -23214,21 +23175,21 @@ af te bijten.</p> <p>De kleine Scheraoe lag aan de voeten der tooveres op eene mat te slapen. Zij gaf thans het kind een schop met den voet, en zeide, -toen het zich slaapdronken oprichtte: »Gij hebt jonge ooren. Het +toen het zich slaapdronken oprichtte: »Gij hebt jonge ooren. Het kwam mij voor dat er in Ani’s tent eene vrouw schreeuwde. Hoort ge wat?”</p> -<p>»Waarlijk,” zeide de kleine. »Dat klinkt als gehuil. — Maar -nu was het een gil. Het kwam van dáár, uit Nemoe’s tent.”</p> +<p>»Waarlijk,” zeide de kleine. »Dat klinkt als gehuil. — Maar +nu was het een gil. Het kwam van dáár, uit Nemoe’s tent.”</p> -<p>»Kruip hier door,” beval de oude, »en zie wat er gaande is?”</p> +<p>»Kruip hier door,” beval de oude, »en zie wat er gaande is?”</p> <p>Het kind gehoorzaamde. De heks hield zich inmiddels weder met den vogel bezig, die nu niet meer zat, maar op zij gevallen was, doch nog altijd zijne klauwen trachtte te gebruiken, wanneer zij hem aanpakte.</p> -<p>»Hij sterft,” prevelde de oude, »en die ik Ramses noemde +<p>»Hij sterft,” prevelde de oude, »en die ik Ramses noemde wordt steeds glanziger. Dat is nu alles onzin, en toch.... toch! Het spel van den stadhouder loopt op zijn eind en hij verliest het! Daar rekt het gedierte zich nog eens uit, daar zinkt zijn @@ -23237,11 +23198,11 @@ kleed, en — nu is het dood!”</p> <p>Een tijdlang bleef zij met den dooden sperwer in haar schoot zitten, eindelijk nam ze hem op, en wierp hem in een hoek van -de tent, daarbij roepende: »Goeden nacht, koning Ani, er komt +de tent, daarbij roepende: »Goeden nacht, koning Ani, er komt niets van je kroon!”</p> <p>De oude zag peinzend naar den grond en mompelde weder in -zichzelve: »Wat zouden ze nu nog in het schild voeren? Wel +zichzelve: »Wat zouden ze nu nog in het schild voeren? Wel twintigmaal heeft hij gevraagd, of het groote plan al of niet gelukken zou. Alsof ik dat beter wist dan hij! Ook Nemoe zinspeelt op allerlei dingen, maar voor de eerste maal wil hij niet spreken. @@ -23256,8 +23217,8 @@ ontwaakte de levensgeest weder, doch het was haar als vloeiden, in plaats van warm bloed, koude druppels haar langzaam door de aderen.</p> -<p>»Als ik voor mij een sperwer had bewaard,” zoo prevelde -zij verbitterd in zichzelve, »dan zou deze weldra den ander in +<p>»Als ik voor mij een sperwer had bewaard,” zoo prevelde +zij verbitterd in zichzelve, »dan zou deze weldra den ander in den hoek volgen! — of Ani woord zal houden en mij zal laten balsemen? Hoe zal hij dat kunnen, nu het ook met hem op het eind loopt! Zij zullen mij laten verrotten en vergaan, en @@ -23265,7 +23226,7 @@ voor mij is er geen leven na dit leven, geen wederzien van Assa.”</p> <p>Lang zweeg de oude, ten laatste begon zij weder te mompelen, -op den grond starende: »De dood brengt toch verlossing, al +op den grond starende: »De dood brengt toch verlossing, al ware het enkel van de kwelling der herinnering. — Maar er is toch een leven aan gene zijde des grafs; ik laat de hoop daarop niet varen, ik wil het niet! Alle afgestorvenen zullen daar @@ -23284,20 +23245,20 @@ gevonden, was hij naar Nemoe geloopen, om hem mede te deelen, dat zijne moeder met geslotene oogen en stervende op den grond lag.</p> -<p>Zoodra de oude den dwerg bemerkte, zeide zij: »Het is goed -dat gij komt. Ik zal wel dood zijn vóor de zon opgaat.”</p> +<p>Zoodra de oude den dwerg bemerkte, zeide zij: »Het is goed +dat gij komt. Ik zal wel dood zijn vóor de zon opgaat.”</p> -<p>»Moeder!” riep de kleine man verschrikt. »Gij zult leven, en +<p>»Moeder!” riep de kleine man verschrikt. »Gij zult leven, en een beter leven leiden als gij tot hiertoe hebt gedaan, want groote gebeurtenissen zijn er op til.”</p> -<p>»Ik weet het, ik weet het,” zeide de heks. — »Naar buiten +<p>»Ik weet het, ik weet het,” zeide de heks. — »Naar buiten Scheraoe! — Fluister mij nu in het oor wat gij voornemens zijt te doen.”</p> <p>De dwerg kon zich niet onttrekken aan den blik harer oogen, waarmede zij hem aan zich kluisterde! Hij naderde haar en -zeide zacht: »Het gebouw, waarin de koning met de zijnen +zeide zacht: »Het gebouw, waarin de koning met de zijnen slaapt, is van hout. Tusschen de wanden en onder den vloer is stroo en pek aangebracht. Zoodra zij ter ruste gegaan zullen zijn, steken wij de lont in brand. De wachters zijn smoordronken @@ -23305,32 +23266,32 @@ en slapen.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_466" id="Page_466">[466]</a></span></p> -<p>»Goed verzonnen,” prevelde Hekt. »Hebt gij dit plan uitgedacht?”</p> +<p>»Goed verzonnen,” prevelde Hekt. »Hebt gij dit plan uitgedacht?”</p> -<p>»Mijne meesteres en ik,” zeide Nemoe niet zonder trots.</p> +<p>»Mijne meesteres en ik,” zeide Nemoe niet zonder trots.</p> -<p>»Gij verstaat de kunst om aanslagen te smeden,” zeide de -oude, »maar in de uitvoering zijt gij niet zoo sterk. Bleef het +<p>»Gij verstaat de kunst om aanslagen te smeden,” zeide de +oude, »maar in de uitvoering zijt gij niet zoo sterk. Bleef het plan geheim? Hebt gij degelijke helpers?”</p> -<p>»Niemand weet er iets van,” antwoordde de dwerg, »behalve -Katoeti, Paäker en ik. Wij steken met ons drieën het gebouw +<p>»Niemand weet er iets van,” antwoordde de dwerg, »behalve +Katoeti, Paäker en ik. Wij steken met ons drieën het gebouw op de afgesproken plaatsen in brand. Ik ben bezig bij de vertrekken van Bent-Anat; Katoeti, die men overal toelaat, begeeft zich binnen in het gebouw naar de trap, die tot de hoogere verdieping leidt, en door een slag op een veer in elkander stort. -Paäker plaatst zich onder de vertrekken des konings.”</p> +Paäker plaatst zich onder de vertrekken des konings.”</p> -<p>»Goed, goed, dat kan gelukken,” zeide de oude, steunend. -»Maar wat was dat voor eene vrouwenstem, die schreeuwde in +<p>»Goed, goed, dat kan gelukken,” zeide de oude, steunend. +»Maar wat was dat voor eene vrouwenstem, die schreeuwde in je tent?”</p> <p>De dwerg draalde met zijn antwoord.</p> -<p>»Spreek zonder schroom,” zeide Hekt. »Doode vrouwen zwijgen!”</p> +<p>»Spreek zonder schroom,” zeide Hekt. »Doode vrouwen zwijgen!”</p> <p>De dwerg, die beefde van innerlijke ontroering, onderdrukte -de bedenkingen die hij nog had, en zeide haastig: »Ik heb +de bedenkingen die hij nog had, en zeide haastig: »Ik heb Warda, de verdwenen kleindochter van den Paraschiet Pinem, teruggevonden en hierheen gelokt, want zij en geene andere zal mijne vrouw worden, als Ani koning is, en Katoeti groot wordt, @@ -23340,24 +23301,24 @@ meesteres verbranden. Zij wilde volstrekt naar het paleis terug, en daar zij als eene mug in het vuur zou vliegen, en zij daarin niet mag omkomen, zoo bond ik haar vast.”</p> -<p>»Heeft zij zich niet verweerd?” vroeg de oude.</p> +<p>»Heeft zij zich niet verweerd?” vroeg de oude.</p> -<p>»Als eene waanzinnige,” antwoordde de dwerg, »maar de +<p>»Als eene waanzinnige,” antwoordde de dwerg, »maar de stomme slaaf van den stadhouder, die op bevel van zijn heer mij heden in alle dingen moet gehoorzamen, heeft mij geholpen. Wij hebben haar ook den mond dichtgebonden, opdat men haar schreien niet zou hooren.”</p> -<p>»Laat gij haar alleen, wanneer gij aan het werk gaat?” vroeg +<p>»Laat gij haar alleen, wanneer gij aan het werk gaat?” vroeg de tooveres.</p> -<p>»Haar vader blijft bij haar.”</p> +<p>»Haar vader blijft bij haar.”</p> -<p>»De roodbaard Kaschta?” vroeg de tooveres verbaasd. »Maar +<p>»De roodbaard Kaschta?” vroeg de tooveres verbaasd. »Maar heeft hij ulieden dan niet in stukken geslagen als aarden potten?”</p> -<p>»Hij verroert zich niet,” zeide Nemoe lachend, »want toen +<p>»Hij verroert zich niet,” zeide Nemoe lachend, »want toen ik hem vond, maakte ik hem met Ani’s ouden wijn zoo smoordronken, dat hij neerligt als een mummie. Door hem ben ik te weten gekomen, waar Warda zich schuil hield. Ik ging naar @@ -23372,20 +23333,20 @@ wilde zij tot hare meesteres terug, en wij moesten wel geweld gebruiken. — Wat is zij schoon geworden, moeder! Gij zoudt het nauwelijks kunnen gelooven!”</p> -<p>»O, zeker kan ik het begrijpen,” zeide Hekt. »Gij zult wel +<p>»O, zeker kan ik het begrijpen,” zeide Hekt. »Gij zult wel op haar mogen passen, wanneer zij eens de uwe is.”</p> -<p>»Ik zal haar behandelen als de vrouw van een aanzienlijke,” -sprak Nemoe, »en eigene vrouwen betalen om haar te bewaken! +<p>»Ik zal haar behandelen als de vrouw van een aanzienlijke,” +sprak Nemoe, »en eigene vrouwen betalen om haar te bewaken! Maar Katoeti is zoo even met de vrouw van Mena teruggekeerd, de sterren dalen en zoo straks.... Dat was reeds het eerste teeken! Als Katoeti ten derde male fluit, gaan wij aan ’t werk. Leen mij uwe tonderdoos, moeder, ze is beter dan de mijne.”</p> -<p>»Ziedaar,” zeide Hekt, »ik heb haar niet meer noodig. Gewis, +<p>»Ziedaar,” zeide Hekt, »ik heb haar niet meer noodig. Gewis, het is met mij gedaan! Hoe beven uwe handen! Houd de -doos goed vast, anders valt zij op den grond, vóor gij vuur +doos goed vast, anders valt zij op den grond, vóor gij vuur gemaakt hebt.”</p> <p>De dwerg zeide de oude vaarwel, en zonder zich te verroeren, @@ -23395,7 +23356,7 @@ liet zij toe, dat hij haar bij het afscheid nemen kuste.</p> de stilte van den nacht. Hare verstandige oogen vonkelden en allerlei gedachten schoten pijlsnel door haar rusteloos brein. Toen zij het tweede teeken uit het zilveren fluitje der weduwe vernam, -richtte zij zich hoog op en prevelde: »De ongeluksvogel Paäker, +richtte zij zich hoog op en prevelde: »De ongeluksvogel Paäker, zijne ijdele tante en die dreumes zijn ook tegen Ramses niet opgewassen. Ani’s sperwer is dood; hij heeft niets van de toekomst te wachten, en ik niets van hem. Maar als Ramses wilde, @@ -23416,7 +23377,7 @@ de oude uit.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_468" id="Page_468">[468]</a></span></p> -<p>»Daar, neem dit mes, jongen,” zeide de heks, »snijd de +<p>»Daar, neem dit mes, jongen,” zeide de heks, »snijd de banden door, waarmede ze dat arme ding gebonden hebben. De papyrus-touwen<a name="FNanchor_355" id="FNanchor_355"></a><a href="#Footnote_355" class="fnanchor">355)</a> zijn stevig, gebruik het lemmet als zaag!”</p> @@ -23429,7 +23390,7 @@ zich uit en nam met verbazing wat hem omringde op. Zij reikte hem water en beval hem te drinken.</p> <p>Toen Warda, van hare banden bevrijd, voor haar stond, zeide -zij: »De goden hebben u, blank meisje, tot gewichtige dingen +zij: »De goden hebben u, blank meisje, tot gewichtige dingen uitverkoren. Luister goed naar hetgeen de oude Hekt u zegt. Het leven van den koning en zijne kinderen is in groot gevaar. Ik wil u en de zijnen redden, en verlang daarvoor geen ander @@ -23437,23 +23398,23 @@ loon, dan dat hij mijn lijk laat balsemen en in Thebe begraven. Zweer mij, dat gij dat aan hem zult overbrengen, wanneer gij hem gered hebt.”</p> -<p>»Om der goden wil, wat zal er dan gebeuren?” riep Warda, +<p>»Om der goden wil, wat zal er dan gebeuren?” riep Warda, buiten zichzelve van angst.</p> -<p>»Zweer, dat gij voor mijne begrafenis zult zorgen,” herhaalde +<p>»Zweer, dat gij voor mijne begrafenis zult zorgen,” herhaalde de tooveres.</p> -<p>»Ik zweer!” schreeuwde Warda. »Maar bij uw leven....”</p> +<p>»Ik zweer!” schreeuwde Warda. »Maar bij uw leven....”</p> -<p>»Katoeti, Paäker en Nemoe zijn uitgegaan, om het paleis, +<p>»Katoeti, Paäker en Nemoe zijn uitgegaan, om het paleis, waarin Ramses slaapt, aan drie zijden in brand te steken. Hoort ge het, Kaschta? — IJlt nu beiden de brandstichters achterna! Wekt de bedienden! Tracht den koning te redden!”</p> -<p>»Voort, vader, voort!” riep het meisje, en beiden vlogen in +<p>»Voort, vader, voort!” riep het meisje, en beiden vlogen in de duisternis weg.</p> -<p>»Zij is braaf en zal woord houden,” prevelde de oude, en +<p>»Zij is braaf en zal woord houden,” prevelde de oude, en beproefde of zij zich naar haar tent terug kon slepen. Maar halverwege begaven haar de krachten. De kleine Scheraoe wilde haar ondersteunen, maar hij was te zwak om haar te helpen. @@ -23464,13 +23425,13 @@ wolk te voorschijn kwam, en vervolgens zwarte rook, hoe daarna eene heldere vlam hoog uitsloeg en een dichte regen van vonken opsteeg.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_469" id="Page_469">[469]</a></span></p> -<p>»Loop naar de legerplaats, jongen!” riep zij. »Roep ‚brand!’ +<p>»Loop naar de legerplaats, jongen!” riep zij. »Roep ‚brand!’ en wek allen die slapen!”</p> <p>Scheraoe holde luid schreeuwende weg.</p> -<p>Hekt greep op eens naar haar hart en prevelde: »Daar is het -weer!” — »Aan de andere zijde, Assa!” — En weder: »Assa!” +<p>Hekt greep op eens naar haar hart en prevelde: »Daar is het +weer!” — »Aan de andere zijde, Assa!” — En weder: »Assa!” Nog eens vertrok zij de lippen om ze voor altijd te sluiten.</p> <div class="footnotes"> @@ -23490,7 +23451,7 @@ saamgekoppeld, die Xerxes over den Hellespont liet slaan.</p> <hr class="l4" /> -<p>Katoeti had haar ongelukkigen neef Paäker verborgen gehouden +<p>Katoeti had haar ongelukkigen neef Paäker verborgen gehouden in eene der tenten van hare bedienden. De man had, na op het slagveld van Kadesch zwaar verwond te zijn, onder onlijdelijke smarten langs hem alleen bekende paden zich voortgesleept tot aan @@ -23500,11 +23461,11 @@ zoover brengen. Hier vond hij zijn trouwen Ethiopischen slaaf, die hem verpleegde, tot hij zich sterk genoeg gevoelde, om zijne reis naar Egypte te vervolgen.</p> -<p>Onder de grootste ontberingen kwam hij verkleed als een Ismaëlitisch +<p>Onder de grootste ontberingen kwam hij verkleed als een Ismaëlitisch kameeldrijver, te Pelusium. Zijne dienaren, die hem zouden kunnen verraden, had hij in het hol achtergelaten. Eer men hem de sterkten liet passeeren, op bepaalden afstanden gebouwd, -op de landengte, die de Middellandsche- en Schelfzeeën aan +op de landengte, die de Middellandsche- en Schelfzeeën aan elkander verbonden, ten einde Egypte te verdedigen tegen de invallen der nomadische Schaoe-stammen<a name="FNanchor_356" id="FNanchor_356"></a><a href="#Footnote_356" class="fnanchor">356)</a>, werd hij aan een streng verhoor onderworpen. Men vroeg hem onder anderen, of @@ -23518,10 +23479,10 @@ om het haar te verven<a name="FNanchor_357" id="FNanchor_357"></a><a href="#Foot <p><span class="pagenum"><a name="Page_471" id="Page_471">[471]</a></span></p> -<p>Katoeti was met den stadhouder Ani lang vóor hem te Pelusium +<p>Katoeti was met den stadhouder Ani lang vóor hem te Pelusium aangekomen, om toezicht te houden op den bouw van het paleis. Als een bedelende neger, met een palmtak in de hand, -waagde Paäker het haar te naderen. Zij gaf hem een aalmoes en +waagde Paäker het haar te naderen. Zij gaf hem een aalmoes en vroeg hem naar zijn vaderland; want ook den geringste zocht zij hier voor zich te winnen. Maar ofschoon zij zijn antwoord met schijnbare deelneming aanhoorde, zoo herkende zij hem toch niet. @@ -23540,19 +23501,19 @@ van de overige bedienden. Uit de minachting waarmede hij op geringe lieden neerzag, bleek, dat zijn hoogmoed nog niet gebroken was. Aan Katoeti’s dochter dacht hij maar zelden, en dan als in een droom, want de haat had de liefde geheel uit zijne -ziel gedrongen. Slechts éen ding was er dat hem het leven +ziel gedrongen. Slechts éen ding was er dat hem het leven nog waarde deed hebben, het was de hoop om te mogen medewerken tot het verderf en getuige te kunnen zijn van den dood zijner vijanden.</p> -<p>Zoo bood Paäker zich der weduwe als een welkom werktuig +<p>Zoo bood Paäker zich der weduwe als een welkom werktuig aan. De eigenaardige glans, die zijn overgebleven oog deed schitteren, toen zij hem deelgenoot maakte van het plan, om ’s konings vertrekken in brand te steken en te beletten, dat zoowel Mena als de pharao ontkwam, gaf haar te verstaan, dat zij in den gids den zekersten van alle helpers had gevonden.</p> -<p>Vóor de aankomst van Ramses had Paäker het tooneel zijner +<p>Vóor de aankomst van Ramses had Paäker het tooneel zijner werkzaamheid nauwkeurig onderzocht. Onder de vensters van de koninklijke vertrekken, die wel veertig voet boven den beganen grond verheven waren, liep eene smalle borstwering. Deze bedekte @@ -23569,14 +23530,14 @@ weinige wachters, die in de onmiddellijke nabijheid van het houten gebouw op post waren gesteld, sliepen vast, door den zwaren<span class="pagenum"><a name="Page_472" id="Page_472">[472]</a></span> wijn van den stadhouder bevangen. In den vorm van versieringen waren in het hout van de buitenzijde eenige insnijdingen aangebracht. -Met behulp hiervan klouterde Paäker naar boven tot -op eene hoogte van twee manslengten. Dáar was eene touwladder +Met behulp hiervan klouterde Paäker naar boven tot +op eene hoogte van twee manslengten. Dáar was eene touwladder vastgemaakt, langs welke hij verder klom. Weldra stond hij op de borstwering, waarboven zich de vensters der koninklijke vertrekken bevonden, en waaronder het vuur moest worden aangebracht.</p> <p>Ramses’ slaapkamer was helder verlicht. Zonder gezien te worden, -kon Paäker er een blik in slaan, en elk woord verstaan, wat +kon Paäker er een blik in slaan, en elk woord verstaan, wat daar binnen werd gesproken. De koning zat in een leuningstoel en zag naar den grond. De stadhouder Ani stond voor hem en de wagenmenner Mena naast zijne legerstede, met ’s konings @@ -23584,7 +23545,7 @@ slaaprok in de hand.</p> <p>Thans hief Ramses het peinzend hoofd op, en zeide, terwijl hij den stadhouder met oprechte hartelijkheid de hand reikte: -»Laat mij, waarde neef, dezen schoonen dag goed besluiten! +»Laat mij, waarde neef, dezen schoonen dag goed besluiten! Terwijl ik reeds op het punt was geloof te slaan aan hetgeen tot uw nadeel werd verteld, door hen die zich al te bezorgd over mij maken, heb ik u een trouw vriend bevonden. Wantrouwen @@ -23602,14 +23563,14 @@ rust hier, neem gij, wanneer ik mij ter ruste leg, plaats op het bed daartegenover!”</p> <p>Ani had Ramses de hand gereikt, thans stond hij bleek tegen -over hem. Paäker zag hem vlak in het gezicht, en het kostte +over hem. Paäker zag hem vlak in het gezicht, en het kostte hem moeite niet in een luiden schaterlach uit te barsten.</p> <p>Ramses merkte niet op in welk een onrust de stadhouder verkeerde, want hij had Mena reeds een wenk gegeven, om dichter bij hem te komen.</p> -<p>»Ook met u,” zeide hij, »wensch ik af te rekenen, voor ik +<p>»Ook met u,” zeide hij, »wensch ik af te rekenen, voor ik mij heden ten ruste begeef. Gij hebt het geloof van uwe trouwe gemalin op eene harde proef gesteld, en daar zij u oprecht liefheeft, en zelve de ontrouw niet kent, heeft zij vast op u gebouwd, @@ -23619,15 +23580,15 @@ een wensch, wanneer het blijken zou dat ik mij vergiste, toen<span class="pagenu ik meende dat Nefert na het gebeurde aan u zou twijfelen. Zeg mij nu, wat gij verlangt!”</p> -<p>Mena zonk op de knieën, kuste herhaaldelijk het gewaad van -zijn vorst en sprak: »Ik smeek om vergeving; niets anders verlang +<p>Mena zonk op de knieën, kuste herhaaldelijk het gewaad van +zijn vorst en sprak: »Ik smeek om vergeving; niets anders verlang ik dan vergiffenis! Ik heb zwaar misdreven, dat weet ik, maar hoonend werd ik uitgedaagd. Ik zag de eerlooze hand van den nijdigen verrader, dien men thans, gelijk ik weet, als eene pad verafschuwt, zich onbeschaamd uitstrekken naar mijne reine vrouw.”</p> -<p>»Wat was dat?” zeide de koning. »Het kwam mij voor dat +<p>»Wat was dat?” zeide de koning. »Het kwam mij voor dat ik buiten gesteun hoorde.”</p> <p>Hij stond op, en ging naar het venster, zag naar buiten, maar @@ -23637,13 +23598,13 @@ aan zijne boezem was ontsnapt, languit op de borstwering liggen.</p> <p>Mena knielde nog altijd, toen Ramses hem weder naderde. -»Vergeef mij!” riep hij opnieuw, »Laat mij weder aan uwe +»Vergeef mij!” riep hij opnieuw, »Laat mij weder aan uwe zijde op den wagen staan en uwe paarden mennen! Ik leef slechts en ben alleen iets waard door u en uwe genade, mijn koning, mijn heer, mijn vader!”</p> <p>Ramses gaf zijn vriend een teeken om op te staan, en zeide: -»Uwe bede was reeds vervuld, vóor zij door u werd uitgesproken. +»Uwe bede was reeds vervuld, vóor zij door u werd uitgesproken. Ik acht mij toch uw schuldenaar ter wille van uwe brave vrouw! Breng Nefert, niet mij, uw dank. En wij allen, laat ons heden met buitengewone geestdrift de hemelsche goden prijzen. Wat @@ -23652,35 +23613,35 @@ twee verloren gewaande vrienden, terugvinden, en eindelijk schonk hij mij een nieuwen zoon!”</p> <p>Een zacht gefluit drong door de nachtlucht. Het was het derde -teeken van Katoeti. Paäker blies den tonder aan, stak dien in +teeken van Katoeti. Paäker blies den tonder aan, stak dien in de opening onder de borstwering, en richtte zich daarna op om weder te luisteren, zonder te denken aan het gevaar waarin hij zichzelven bracht.</p> -<p>»Ik bid u,” zeide de stadhouder, den pharao naderende, »mij +<p>»Ik bid u,” zeide de stadhouder, den pharao naderende, »mij te vergunnen heen te gaan. Ik weet de eer die gij mij bewijst te waardeeren, maar de inspanningen der laatste dagen hebben mijne krachten uitgeput. Ik kan mij ter nauwernood op de been houden, en de eerewacht...”</p> -<p>»Zal aan Mena zijn toevertrouwd,” viel Ramses hem in de -rede. »Slaap hier gerust, waarde neef! De anderen zullen des +<p>»Zal aan Mena zijn toevertrouwd,” viel Ramses hem in de +rede. »Slaap hier gerust, waarde neef! De anderen zullen des te meer overtuigd worden, dat ik alle mistrouwen jegens u verre van mij heb gezet! — Geef mij mijn nachtgewaad, Mena! — Nog -dit éene moet ik u zeggen: De jeugd zoekt de jonkheid, +dit éene moet ik u zeggen: De jeugd zoekt de jonkheid, Ani! Bent-Anat heeft zich een echtgenoot gekozen, harer waardig,<span class="pagenum"><a name="Page_474" id="Page_474">[474]</a></span> den redder van mijn leven, den dichter Pentaoer. Hij ging door voor een man van geringe afkomst, voor een zoon van den hovenier, die in dienst staat van het Seti-huis. En wat ben ik nu te weten gekomen van den opperpriester Ameni? Hij is de echte zoon van den edelen Mohar zaliger, en die eerlooze en -boosaardige verrader Paäker is het kind van den hovenier. Eene +boosaardige verrader Paäker is het kind van den hovenier. Eene heks uit de Nekropolis heeft de kinderen verwisseld! Dat is het beste geschenk van dezen dag, want reeds is de weduwe van den Mohar, de edele vrouw Setchem, herwaarts gebracht, en ik zou gedrongen zijn geweest tusschen twee vonnissen te kiezen: of haar als moeder van den gevluchten booswicht naar de Ethiopische -steengroeven te zenden, óf haar voor de oogen van geheel +steengroeven te zenden, óf haar voor de oogen van geheel het volk te laten onthoofden. — Om der goden wil, wat was dat?”</p> @@ -23692,15 +23653,15 @@ beneden.</p> <p>Ramses en Mena vlogen naar het venster, maar verschrikt traden zij terug, want een dikke rook kwam hen tegemoet.</p> -<p>»Roept de wachters!” beval Ramses.</p> +<p>»Roept de wachters!” beval Ramses.</p> -<p>»Vlieg naar beneden, Ani!” riep Mena. »Ik verlaat mijn heer +<p>»Vlieg naar beneden, Ani!” riep Mena. »Ik verlaat mijn heer niet weder in het gevaar.”</p> <p>De stadhouder ijlde de deur uit, als een veroordeelde uit zijn kerker. Doch hij had nog maar weinige schreden voorwaarts gedaan, daar stortte de eenige trap die naar de bovenverdieping -voerde in elkaar, vóor hij dien bereiken kon. Katoeti had deze +voerde in elkaar, vóor hij dien bereiken kon. Katoeti had deze door een enkelen hamerslag doen vallen, toen zij het binnengedeelte van het paleis in brand had gestoken. Ani zag nog het fladderen van haar kleed, terwijl zij de vlucht nam. Hij balde @@ -23712,7 +23673,7 @@ door waarop de kamers van den pharao uitkwamen.</p> trap, drong den koning en zijn wagenmenner insgelijks het vertrek te verlaten.</p> -<p>»Daar ligt de trap! Dat wordt ernst!” zeide Ramses gelaten. +<p>»Daar ligt de trap! Dat wordt ernst!” zeide Ramses gelaten. Hij ging in zijne kamer terug en plaatste zich voor het venster, om vandaar het gevaar te overzien. Reeds sloegen de vlammen helder uit aan den noordelijken vleugel van het paleis, zoodat @@ -23721,14 +23682,14 @@ daghelder werd. Alleen de zuidelijke vleugel van het groote gebouw was nog ongedeerd.</p> <p>Mena vestigde zijne aandacht op de borstwering, van welke -Paäker naar beneden was gestort. Hij klom het venster uit, onderzocht<span class="pagenum"><a name="Page_475" id="Page_475">[475]</a></span> +Paäker naar beneden was gestort. Hij klom het venster uit, onderzocht<span class="pagenum"><a name="Page_475" id="Page_475">[475]</a></span> het hout onder zijne voeten en bespeurde dat het stevig genoeg was om onderscheidene personen te dragen. Hij zag overal rond en richtte zijn oog met gespannen aandacht naar den vleugel, die nog niet door de vlammen was aangetast.</p> -<p>»Het gebouw wordt met boosaardig opzet in brand gestoken,” -schreeuwde hij opeens uit. »Zie daarheen! Daar zit een man, +<p>»Het gebouw wordt met boosaardig opzet in brand gestoken,” +schreeuwde hij opeens uit. »Zie daarheen! Daar zit een man, die bezig is vuur tusschen het hout te steken.”</p> <p>In een oogwenk sprong hij weder in het vertrek, dat zich reeds @@ -23749,7 +23710,7 @@ voegen der planken heen.</p> <p>Zoowel buiten als binnen het paleis begon beweging te komen.</p> -<p>»Brand! Brand! Moord! Hulp! Redt den koning!” schreeuwde +<p>»Brand! Brand! Moord! Hulp! Redt den koning!” schreeuwde de roodbaard uit al zijne macht, gevolgd door eenige lijfwachten, die hij ijlings had gewekt.</p> @@ -23757,7 +23718,7 @@ die hij ijlings had gewekt.</p> vertrekken zij kende, te roepen.</p> <p>De koning was achter Mena het venster uitgeklommen en riep -de soldaten van de borstwering toe: »De helft van ulieden ga +de soldaten van de borstwering toe: »De helft van ulieden ga het gebouw binnen, en trachtte allereerst de prinses te redden. De andere helft zorge, dat het vuur den zuidelijken vleugel niet aantast. Ik zal beproeven daarheen te komen!”</p> @@ -23782,9 +23743,9 @@ vonken spatten over hem en Mena heen, als het kaf rondom den landman, die met zijn schudgavel de graanhalmen op een hoop werpt<a name="FNanchor_358" id="FNanchor_358"></a><a href="#Footnote_358" class="fnanchor">358)</a>.</p> -<p>»Laat hieronder stroo op een hoop brengen,” beval Ramses +<p>»Laat hieronder stroo op een hoop brengen,” beval Ramses met eene stem, die boven het geweld van den brand uit werd -gehoord. »Alleen een sprong naar beneden kan ons redden!”</p> +gehoord. »Alleen een sprong naar beneden kan ons redden!”</p> <p>Reeds sloegen de laaie vlammen uit het koninklijk vertrek. Het was onmogelijk daar weder binnen te gaan. Maar noch @@ -23793,7 +23754,7 @@ Ramses noch Mena verloren hunne tegenwoordigheid van geest.</p> <p>Toen de wagenmenner den laatsten der twaalf prinsen den grond zag bereiken, bracht hij zijne handen aan den mond en riep uit al zijn macht, als door een roeper, Rameri, den laatsten die -de reddende lijn zou gaan gebruiken, toe: »Haal de lijn in de +de reddende lijn zou gaan gebruiken, toe: »Haal de lijn in de hoogte, en pas op dat zij niet beschadige, totdat ik kom!”</p> <p>Rameri volgde het bevel, en eer Ramses het verhinderen kon, @@ -23801,7 +23762,7 @@ was Mena over den afstand gesprongen, die het eene gedeelte der borstwering van het andere scheidde. Den koning en den prinsen, die van beneden toezagen, stolde het bloed in de aderen, toen Mena ten tweede male den ontzettenden sprong waagde. Eene -enkele misstap, en het zou hem gaan als zijn doodvijand Paäker.</p> +enkele misstap, en het zou hem gaan als zijn doodvijand Paäker.</p> <p>Terwijl zij die beneden waren hem met ingehouden adem volgden, en er niet anders werd gehoord dan het sissen en @@ -23814,7 +23775,7 @@ ziel tot de reddende goden. Hare oogen volgden daarbij elken sprong van haar echtgenoot, en zij beet zich de lippen aan bloed, om toch geen kreet te slaken. Zij gevoelde dat hij grootmoedig en goed handelde, en dat hij verloren zou zijn, wanneer zijne -opmerkzaamheid ook maar voor éen oogenblik werd afgetrokken +opmerkzaamheid ook maar voor éen oogenblik werd afgetrokken van dien afgrijselijken weg.</p> <p>Daar stond hij naast Rameri. Hij bond zich het eene einde @@ -23883,7 +23844,7 @@ levens had opgeluisterd.</p> den vrijen loop, Bent-Anat zelve nam Warda uit zijne armen over, en hij ijlde naar het brandende gebouw terug. Hij had den redder van zijn kind maar al te goed herkend; het was -de priester Nebsecht, die sedert het gebeurde bij den Sinaï de +de priester Nebsecht, die sedert het gebeurde bij den Sinaï de prinses niet had verlaten, en als haar lijfarts, met haar gevolg in hare vertrekken een onderkomen had gevonden. Nu het luik weg was, kwam er een sterke luchtstroom door de opening het @@ -23895,7 +23856,7 @@ rook en vuurgloed naar buiten.</p> hem stonden zagen, dat de zolderbalken van het vertrek reeds begonnen te buigen, en waarschuwden hem. Ja, de koning zelf gebood hem terug te keeren. De roodbaard zat echter reeds op -het kozijn, en terwijl hij naar beneden riep: »Ik heb mij met +het kozijn, en terwijl hij naar beneden riep: »Ik heb mij met mijn bloed tot zijn schuldenaar verklaard. Tweemalen heeft hij mijn kind gered, thans betaal ik hem mijne schulden!” verdween hij in het brandend vertrek.</p> @@ -23965,7 +23926,7 @@ dankbaar, half onwillig, als zij dacht aan het zachte kusje, dat hij, eer de sterkere armen haars vaders haar aangrepen, op hare lippen had gedrukt.</p> -<p>»Wat is zij toch schoon!” zeide Bent-Anat. »Ik geloof dat de +<p>»Wat is zij toch schoon!” zeide Bent-Anat. »Ik geloof dat de arme Nebsecht niet dwaalde, toen hij vertelde, dat hare moeder eene aanzienlijke vrouw uit het buitenland is geweest. Zaagt gij ooit sierlijker handen en voeten? En hare huid is zoo doorzichtig @@ -23974,7 +23935,7 @@ als Phoenicisch vloeispaath.”</p> <div class="footnotes"> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_356" id="Footnote_356"></a><a href="#FNanchor_356"><span class="label">356)</span></a> Ebers, <cite>Aegypten und die Bücher Mose’s</cite>. S. 78.</p> +<p><a name="Footnote_356" id="Footnote_356"></a><a href="#FNanchor_356"><span class="label">356)</span></a> Ebers, <cite>Aegypten und die Bücher Mose’s</cite>. S. 78.</p> </div> <div class="footnote"> @@ -24010,7 +23971,7 @@ dochter gewekt. Zij vond Nefert’s rustbed verlaten, toen zij, bevende over al hare leden en met zware handen, van haar misdadig werk terugkeerde.</p> -<p>Zij zat nu vruchteloos op Nemoe en Paäker te wachten. Haar +<p>Zij zat nu vruchteloos op Nemoe en Paäker te wachten. Haar hofmeester, dien zij herhaalde malen uitzond, om te vragen of de stadhouder reeds was teruggekeerd, bracht steeds een ontkennend antwoord, en tevens het bericht, dat hij de oude Hekt midden @@ -24022,7 +23983,7 @@ blusschen, naar het tromgeroffel en de trompetsignalen van anderen, die den koning ter hulp ijlden, overvielen haar sombere vermoedens. Thans trof ook het dof gedreun van instortende balken en wanden haar oor. Een boosaardig lachje speelde er -om hare lippen, terwijl zij dacht: »Dat trof misschien den koning +om hare lippen, terwijl zij dacht: »Dat trof misschien den koning en mijn beminden schoonzoon, die het zeker niet helpen kon, dat wij niet in schande zijn omgekomen, en die zich na alles wat voor Kadesch is geschied, aan zijn geduldigen meester zal @@ -24042,7 +24003,7 @@ Misschien was Nefert reeds in deze ure weduwe, en waarom zou het haar niet gelukken Ani over te halen, haar kind, de schoonste vrouw uit Egypte, tot zijne gemalin te kiezen? Dan werd zij als koningin-moeder onschendbaar en almachtig. Sedert lang had zij -zich gewend den gids Paäker als een weggeworpen werktuig te +zich gewend den gids Paäker als een weggeworpen werktuig te beschouwen, dat weldra geheel vernietigd moest worden. Zijne bezittingen konden misschien eens op haar zoon worden overgebracht, die zich voor Kadesch zoo dapper had gedragen, en die Ani zeker @@ -24059,14 +24020,14 @@ de vlammen zweefden; dat zij verloren waren, als er geen wonder geschiedde. Brandstichters, zoo heette het, hadden het vuur aangelegd, en hij, de hofmeester, was weggevlogen om haar bericht te brengen, toen men het verpletterde lijk van den gids -Paäker, dien men aan zijne zegelring had herkend, en ook dat +Paäker, dien men aan zijne zegelring had herkend, en ook dat van den armen met een pijl doorboorden Nemoe hem voorbijgedragen had.</p> -<p>Katoeti zweeg; na eene diepe ademhaling vroeg zij: »En de +<p>Katoeti zweeg; na eene diepe ademhaling vroeg zij: »En de zonen van Ramses?”</p> -<p>»Den goden zij dank!” antwoordde de hofmeester. »Het gelukte +<p>»Den goden zij dank!” antwoordde de hofmeester. »Het gelukte hun zich aan saamgeknoopte kleedingstukken af te laten. Eenigen waren reeds gered, toen ik den brand verliet.”</p> @@ -24078,7 +24039,7 @@ alsof de angst haar laatste levenskracht uitbluschte.</p> <p>Eindelijk, lang na zonsopgang, kwam de hofmeester terug. Bleek, bevende, nauwelijks in staat een woord uit te brengen, -wierp hij zich voor de weduwe neder en riep klagend: »O, +wierp hij zich voor de weduwe neder en riep klagend: »O, welk een nacht! — Bereid u voor op het ergste, meesteres! Moge Isis, die ook haar geliefden zoon zag nederstorten in den strijd voor zijn vader en koning, u troosten, en Amon, de groote @@ -24089,14 +24050,14 @@ zoon werd door instortende balken verpletterd.”</p> <p>Katoeti vernam deze woorden strak en doodsbleek voor zich ziende, zonder dat een traan hare oogen bevochtigde. Na eenige -oogenblikken vroeg zij dof: »En Ramses?”</p> +oogenblikken vroeg zij dof: »En Ramses?”</p> -<p>»Laat ons de goden prijzen!” antwoordde de hofmeester; »hij +<p>»Laat ons de goden prijzen!” antwoordde de hofmeester; »hij is gered door uw schoonzoon Mena!”</p> -<p>»En Ani?”</p> +<p>»En Ani?”</p> -<p>»Verbrand. Zij vonden zijn lijk onkenbaar misvormd. Men +<p>»Verbrand. Zij vonden zijn lijk onkenbaar misvormd. Men herkende hem alleen aan den diadeem, dien hij op het feest had gedragen.”</p> @@ -24107,27 +24068,27 @@ tot vuisten balde, ze hoog ophief en in een luid hoonend gelach uitbarstte. Doch verschrikt over den toon van hare eigene stem, zweeg zij plotseling, en richtte haar blik strak op den grond. Zij hoorde en zag niet, dat de overste der veiligheidsbeambten, -die men »de oogen en de ooren des konings” noemde, gevolgd +die men »de oogen en de ooren des konings” noemde, gevolgd door een aantal officieren en een schrijver, door de deur der tent op haar toetrad, en haar bij name riep. Eerst toen de hofmeester haar angstig aanstootte, ontwaakte zij als uit een diepen slaap.</p> -<p>»Wat hebt gij hier in mijne tent te doen?” vroeg zij de +<p>»Wat hebt gij hier in mijne tent te doen?” vroeg zij de beambten, terwijl zij zich trotsch oprichtte.</p> -<p>»In naam van den opperrechter van Thebe,” zeide de bevelhebber -der veiligheidsbeambten plechtig, »neem ik u gevangen +<p>»In naam van den opperrechter van Thebe,” zeide de bevelhebber +der veiligheidsbeambten plechtig, »neem ik u gevangen en daag ik u voor het gerecht, om u voor het hoogste gerechtshof te rechtvaardigen tegen de zware aanklacht van hoogverraad, van poging tot koningsmoord en brandstichting, waarop de doodstraf staat.”</p> -<p>»Ik ben bereid,” antwoordde de weduwe, en een spottende +<p>»Ik ben bereid,” antwoordde de weduwe, en een spottende glimlach speelde om hare lippen.</p> <p>Daarop wees zij met de haar eigene waardigheid naar een -stoel en zeide: »Neem plaats, opdat ik mij kleede!” +stoel en zeide: »Neem plaats, opdat ik mij kleede!” De beambte boog. Hij bleef echter staan aan den ingang van de tent, terwijl zij hare zwarte haren samenbond, den diadeem op het hoofd zette, haar zalfkastje opende en daaruit haastig @@ -24135,15 +24096,15 @@ een fleschje nam met snelwerkende strychnine, dat zij zich reeds voor eenige maanden door Nemoe van de oude Hekt had weten te verschaffen.</p> -<p>»Mijn spiegel!” riep zij hare dienstmaagd toe, die in een +<p>»Mijn spiegel!” riep zij hare dienstmaagd toe, die in een hoek van de tent zat neergehurkt.</p> <p>Zij hield vervolgens de metalen schijf voor het aangezicht, zoodat de beambten niet konden zien wat zij deed, bracht het fleschje -aan hare lippen, en ledigde het in één teug. De spiegel ontviel +aan hare lippen, en ledigde het in één teug. De spiegel ontviel aan hare hand, zij wankelde en eene doodelijke kramp deed haar<span class="pagenum"><a name="Page_483" id="Page_483">[483]</a></span> het hoofd buigen. De beambte snelde op haar toe, en terwijl zij -stervende hem aanzag, zeide zij duidelijk: »Mijn spel is verloren: +stervende hem aanzag, zeide zij duidelijk: »Mijn spel is verloren: maar ook Ameni, ook Ameni zal niets winnen. Zeg hem dat!” Zij zeeg neer, prevelde Neferts naam, gaf een gil, die door merg en been drong, en was een lijk.</p> @@ -24203,7 +24164,7 @@ handen van zijn veelgeliefd kind in die van den dichter legde.</p> Assa’s kleinzoon rusten, maar zij zou zich niet minder blijmoedig hebben overgegeven aan Pentaoer, den zoon van den hovenier.</p> -<p>»Gij zijt nu een der onzen,” zeide Ramses en gebood den +<p>»Gij zijt nu een der onzen,” zeide Ramses en gebood den dichter bij hem te blijven, toen hij de herauten, boden en tolken beval de Aziatische vorsten, die aan genen oever van den Nijl in hunne tenten verwijlden, tot hem te roepen, om deugdelijke @@ -24226,14 +24187,14 @@ legioen zijner wagenstrijders, en schonk hem het versiersel der leeuwenorde voor dappere daden, dat om den hals gedragen werd<a name="FNanchor_360" id="FNanchor_360"></a><a href="#Footnote_360" class="fnanchor">360)</a>.</p> <p>De prins dankte zijn vader in geknielde houding. Deze nam -Rameri’s kroeskop tusschen zijne handen en zeide: »Door uwe +Rameri’s kroeskop tusschen zijne handen en zeide: »Door uwe voortreffelijke daden hebt gij aanspraak op lof en belooning van uw vader, die thans gered, reden heeft om over zulk een zoon tevreden te zijn. Maar als koning, die waakt over de wet<a name="FNanchor_361" id="FNanchor_361"></a><a href="#Footnote_361" class="fnanchor">361)</a> en dit<span class="pagenum"><a name="Page_485" id="Page_485">[485]</a></span> land bestuurt, moet ik toornig zijn, ja u misschien bestraffen! Het is u moeielijk gevallen u te onderwerpen aan den schooldwang, waardoor wij gehoorzaamheid moeten leeren, om later in staat te -zijn met billijkheid te bevelen. Vóor wij u riepen, hebt gij Egypte +zijn met billijkheid te bevelen. Vóor wij u riepen, hebt gij Egypte verlaten en zijt gij naar het leger opgetrokken. Gij hebt getoond in moed en kracht een man te zijn, maar een onbezonnen knaap wat betreft verstandig overleg, hetwelk de zoon van een heldenstam @@ -24243,7 +24204,7 @@ meesters in den krijg. En wat was het gevolg? Tweemaal geraaktet gij gevangen, en tweemaal moest ik u uit de handen der vijanden loskoopen.</p> -<p>»De koning der Danaërs leverde u uit tegen zijne dochter, die +<p>»De koning der Danaërs leverde u uit tegen zijne dochter, die Mena in zijne tent bewaarde. Hij verheugt zich nu reeds lang, dat hij zijn kind terug ontving. Maar met haar hebben wij het krachtigst middel uit de hand moeten geven, om eene vaste en @@ -24251,20 +24212,20 @@ duurzame vredesgelofte te verkrijgen van den vorst, die over de steeds machtiger en trotscher wordende mannen op de eilanden en aan de noordelijke kusten van de groote zee<a name="FNanchor_362" id="FNanchor_362"></a><a href="#Footnote_362" class="fnanchor">362)</a> gebied voert.</p> -<p>»Zoo wordt door de onvoorzichtige en onwillekeurige handelwijze +<p>»Zoo wordt door de onvoorzichtige en onwillekeurige handelwijze van een knaap het groote werk in gevaar gebracht, dat nu moet worden voltooid. Het doet mij heden bijzonder leed, dat ik uw gemoed, hetwelk ik door lof oprichtte, door berisping weder moet nederdrukken. Ik wil ook niet straffen, maar enkel leeren en waarschuwen. Eene staatsinrichting is gelijk aan de in elkander grijpende raderen, die eene schepmachine van den Nijl in -beweging brengen. Wanneer éen rad weigert, staat het geheel +beweging brengen. Wanneer éen rad weigert, staat het geheel stil, hoe krachtig de stieren ook zijn, die den balk ronddraaien. Ieder uwer, vergeet dit niet, is een hoofdrad in de kunstmatige inrichting van den staat, en kan dan alleen nut doen, wanneer hij zich zonder wederstand te bieden onderwerpt aan de machten die hem leiden. Sta nu op! Mogelijk zal het gelukken den koning -der Danaërs, ook zonder gijzelaars, deugdelijke waarborgen af te +der Danaërs, ook zonder gijzelaars, deugdelijke waarborgen af te dwingen.”</p> <p>Daar traden herauten de tent binnen met het bericht, dat de @@ -24279,8 +24240,8 @@ volgden.</p> <p>Ramses zette zich vol waardigheid op zijn troon. Uit zijne oogen straalde ernst en strengheid, terwijl hij de hulde der door hem -overwonnen vorsten aannam. Alle Aziaten kusten den grond vóor -zijne voeten. De koning der Danaërs alleen stelde zich met eene +overwonnen vorsten aannam. Alle Aziaten kusten den grond vóor +zijne voeten. De koning der Danaërs alleen stelde zich met eene buiging tevreden.</p> <p>De pharao zag hem met weerzin aan, en liet hem door de tolken @@ -24295,13 +24256,13 @@ begeerde?</p> <p>Ramses nam met zijne oogen de trotsche en edelgevormde gestalte op van den vorst, die zulk eene taal voerde, en zeide streng: -»Alleen met zulke tegenstanders ben ik geneigd vrede te maken, +»Alleen met zulke tegenstanders ben ik geneigd vrede te maken, die zich vrijwillig buigen voor de dubbele kroon op mijn hoofd. Blijft gij in uwe weigering volharden, dan zult gij met de uwen niet deelen in de milde verdragen, die ik met deze uwe bondgenooten verlang te sluiten.”</p> -<p>De Danaër bewaarde zijn zelfbewuste houding, die echter vrij +<p>De Danaër bewaarde zijn zelfbewuste houding, die echter vrij was van alle aanmatiging, toen deze woorden van Ramses hem werden vertolkt. Hij deed den pharao antwoorden, dat ook hij gekomen was met het plan, om tegen een hoogen prijs vrede te @@ -24314,11 +24275,11 @@ Mena zijne dochter niet als eene gevangene maar als eene zuster had behandeld, daarom koesterde Praxilla evenals hij den wensch, den edelen wagenmenner vaarwel te zeggen, en hem benevens zijne gemalin voor zulk eene groote edelmoedigheid te danken. -Hij hoopte dat Ramses hem zou toestaan vóor zijn vertrek +Hij hoopte dat Ramses hem zou toestaan vóor zijn vertrek den stroom nog eens te overschrijden en met zijne dochter, Mena op te zoeken in zijne tent.</p> -<p>De pharao willigde deze bede in. De vorst der Danaërs verliet +<p>De pharao willigde deze bede in. De vorst der Danaërs verliet daarop de tent, waarna de onderhandelingen een aanvang namen. In weinige uren was men hiermede gereed, want de Egyptische en Aziatische schrijvers waren het gedurende den langen @@ -24332,11 +24293,11 @@ zaten echter aan eene bijzondere tafel, want een Egyptenaar zou zich verontreinigd hebben, wanneer hij met vreemdelingen aan denzelfden disch at.</p> -<p>Ramses was echter niet volkomen tevreden. Wanneer de Danaër +<p>Ramses was echter niet volkomen tevreden. Wanneer de Danaër heenging, zonder zich met hem verbonden te hebben, dan was het te verwachten, dat de vrede, dien hij zoo ernstig begeerde, wederom van korten duur zou zijn. Toch gevoelde hij dat de vorst der -Danaërs, al ware het alleen met het oog op de andere overwonnen +Danaërs, al ware het alleen met het oog op de andere overwonnen vorsten, niet mocht vrijgesteld worden van de deemoediging, die hij gedwongen en, zoo hij meende, gerechtigd was hem op te leggen, al trok die mannelijke houding hem ook aan, en al moest @@ -24351,14 +24312,14 @@ een wenk, de wagenmenner naderde hem en beiden voerden eenige oogenblikken een zacht maar levendig gesprek.</p> <p>Ten laatste stond de pharao van zijn troon op, en riep Bent-Anat -toe: »Deze dag, die zoo schrikkelijk is begonnen, zal blijde +toe: »Deze dag, die zoo schrikkelijk is begonnen, zal blijde eindigen. Het lieftallig meisje, dat u heden gered heeft en bijna eene prooi der vlammen was geworden, is van hooge afkomst.”</p> -<p>»Zij is van vorstelijk bloed,” riep Rameri, zijn vader oneerbiedig +<p>»Zij is van vorstelijk bloed,” riep Rameri, zijn vader oneerbiedig in de reden vallende.</p> -<p>Ramses zag hem berispend aan en zeide: »Mijne zonen zwijgen +<p>Ramses zag hem berispend aan en zeide: »Mijne zonen zwijgen tot ik hen vraag.”</p> <p>De prins kreeg eene kleur en zag voor zich. De koning stond @@ -24386,7 +24347,7 @@ m. a. w. dat hij getrouwd is.</p> <p><a name="Footnote_360" id="Footnote_360"></a><a href="#FNanchor_360"><span class="label">360)</span></a> Deze onderscheiding, die werkelijk „de leeuwenorde” genoemd wordt, viel bijv. ten deel aan den veldoverste Amen em Heb, die onder Thotmes III leefde. Zijn zeer belangrijk grafschrift, door mij ontdekt, heb ik vertaald -en uitvoerig verklaard in <cite>Zeitschrift der deutschen morgenländischen +en uitvoerig verklaard in <cite>Zeitschrift der deutschen morgenländischen Gesellschaft</cite>, 1876.</p> </div> @@ -24417,25 +24378,25 @@ vingertoppen te drukken. Bent-Anat wees hem echter van het meisje terug. Toen bad hij haar met bewogen stem hem niet tegen te gaan, en fluisterde haar in het oor, hoe lief haar redster hem geworden was sedert die worsteling in den doodenstad. Nadat hij -uit Syrië was opgebroken, had hij dag en nacht aan haar gedacht, +uit Syrië was opgebroken, had hij dag en nacht aan haar gedacht, en niemand anders dan Warda verlangde hij tot vrouw.</p> <p>Bent-Anat schrikte, en herinnerde haren broeder aan de onreinheid, die Warda van vaderszijde aankleefde, eene onreinheid waardoor zij zelve zoo zwaar had geleden. Maar Rameri antwoordde -zijne zuster met levendigheid: »De moeder bepaalt in +zijne zuster met levendigheid: »De moeder bepaalt in Egypte de afkomst der menschen, de overledene vrouw van den braven Kaschta....”</p> -<p>»Ik weet alles,” viel Bent-Anat hem in de rede. »De arts Nebsecht +<p>»Ik weet alles,” viel Bent-Anat hem in de rede. »De arts Nebsecht vertelde ons reeds, dat zij eene stomme krijgsgevangene was geweest, en ik geloof zelfs dat Warda niet van geringe afkomst is, want zij is zoo edel gevormd.”</p> -<p>»En hare huid is zoo zacht als de weeke blaadjes eener bloem,” -vervolgde Rameri. »Hare stem klinkt als zuiver goud, en.... +<p>»En hare huid is zoo zacht als de weeke blaadjes eener bloem,” +vervolgde Rameri. »Hare stem klinkt als zuiver goud, en.... Doch zie, zij beweegt zich. — Warda, sla toch de oogen eens op, -Warda! Wanneer de éene zon opgaat, dan prijzen wij de goden. — Sla +Warda! Wanneer de éene zon opgaat, dan prijzen wij de goden. — Sla de oogen op! Hoe zal ik jubelen en danken, wanneer beide zonnen te gelijk opgaan!”</p> @@ -24451,8 +24412,8 @@ daar zij zich feestelijk moest kleeden. Warda zou na het bad, gedurende den tijd dat zij afwezig was, aan de zorg van hare vriendin Nefert worden toevertrouwd.</p> -<p>»Zij is vriendelijk en goedhartig, en kent Warda,” zeide Bent-Anat. -»De zorg voor dit lieve schepsel zal haar hart goeddoen, +<p>»Zij is vriendelijk en goedhartig, en kent Warda,” zeide Bent-Anat. +»De zorg voor dit lieve schepsel zal haar hart goeddoen, nadat het lang gedobberd heeft tusschen diepe smart en langdurig gemis van het huwelijksgeluk. Mijn vader heeft Mena voor eenige dagen verlof gegeven van zijn dienst, en ik liet haar @@ -24486,7 +24447,7 @@ van samenzweringen en aanslagen tegen de koninklijke familie.</p> <p>Rameri zorgde, dat de kleine gevangene terstond weder op vrije voeten werd gesteld, liet zich door hem vertellen, dat de<span class="pagenum"><a name="Page_490" id="Page_490">[490]</a></span> -oude Hekt, even vóor haar dood, den roodbaard Kaschta en zijne +oude Hekt, even vóor haar dood, den roodbaard Kaschta en zijne dochter had uitgezonden om den koning te redden, dat ook hij de soldaten had gewekt, dat hij nu geen tehuis meer had en bij Warda wilde zijn. De prins bracht den kleine zelf bij Nefert, en @@ -24500,9 +24461,9 @@ aan, en wekte hare krachten op door geesterijke vochten en geneesmiddelen, die men haar liet inademen en drinken. Toen zij hierna in Nefert’s tent werd gebracht, kon Mena, die haar voor de eerste maal zag, zich niet genoeg verbazen over hare treffende -en eigenaardige schoonheid. »Zij gelijkt inderdaad de dochter -van den vorst der Danaërs, die ik voor haar vader in mijne tent -heb bewaard,” zeide hij, »maar zij is jonger en ook nog schooner +en eigenaardige schoonheid. »Zij gelijkt inderdaad de dochter +van den vorst der Danaërs, die ik voor haar vader in mijne tent +heb bewaard,” zeide hij, »maar zij is jonger en ook nog schooner dan deze.”</p> <p>De kleine Scheraoe kwam om haar te begroeten en het deed @@ -24511,11 +24472,11 @@ en hoe goedig Nefert haar ook toesprak, zij bleef toch in zich zelve gekeerd, en van tijd tot tijd rolden er groote tranen langs hare wangen.</p> -<p>»Gij hebt uw vader verloren,” zeide Nefert, om haar te troosten. -»Ik verloor mijne moeder en mijn broeder op éen dag.”</p> +<p>»Gij hebt uw vader verloren,” zeide Nefert, om haar te troosten. +»Ik verloor mijne moeder en mijn broeder op éen dag.”</p> -<p>»Kaschta was wat ruw, maar goed,” gaf Warda ten antwoord. -»Ik zal hem altijd blijven liefhebben. Hij was gelijk aan de vrucht +<p>»Kaschta was wat ruw, maar goed,” gaf Warda ten antwoord. +»Ik zal hem altijd blijven liefhebben. Hij was gelijk aan de vrucht van den doem-palm<a name="FNanchor_364" id="FNanchor_364"></a><a href="#Footnote_364" class="fnanchor">364)</a>. Haar schaal is zoo hard als been, maar wie haar weet te openen, vindt daarin zoete spijs. Nu is hij dood; mijne moeder en grootouders zijn hem voorgegaan, en ik ben als @@ -24525,16 +24486,16 @@ gescheiden van alles waarop het betrekking had, dreef het op het vreemde element, waarop nooit iets groeide of gedijen kon, wat op een blad gelijkt.”</p> -<p>Nefert kuste haar op het voorhoofd en zeide: »Maar gij hebt +<p>Nefert kuste haar op het voorhoofd en zeide: »Maar gij hebt vrienden, die u niet verlaten zullen.”</p> -<p>»Dat weet ik, ja, dat weet ik,” antwoordde Warda nadenkend, -»en toch gevoel ik mij thans eerst recht alleen. Toen ik +<p>»Dat weet ik, ja, dat weet ik,” antwoordde Warda nadenkend, +»en toch gevoel ik mij thans eerst recht alleen. Toen ik nog in Thebe was, heb ik dikwijls de wilde zwanen nagestaard. Als zij trekken vliegen er eenige vooraan, dan komt de geheele zwerm en ten laatste, dikwijls op zeer grooten afstand, de eene achterblijver na den anderen. Zelfs den laatsten van deze noem<span class="pagenum"><a name="Page_491" id="Page_491">[491]</a></span> -ik nog geen eenzame, want hij ziet toch nog zijn broeder vóor +ik nog geen eenzame, want hij ziet toch nog zijn broeder vóor zich. Maar wanneer een jager de laagvliegende achterblijvers wegschiet en de laatste alleen overblijft; wanneer deze den zwerm niet meer volgen kan, omdat hij dien uit het oog verliest en @@ -24543,11 +24504,11 @@ hij eerst recht beklagenswaardig. Het is mij zoo wee om het hart als zulk een afgematten vogel, want heden heb ik hen waartoe ik behoor uit het oog verloren, en kan ze nimmer wedervinden.”</p> -<p>»Gij zult in een edeler geslacht dan dat, waartoe gij door uwe +<p>»Gij zult in een edeler geslacht dan dat, waartoe gij door uwe geboorte behoordet, worden opgenomen,” zeide Nefert troostend.</p> <p>Op eens sloeg Warda de oogen vurig op, en zeide trotsch, -bijna hoogmoedig: »Mijn geslacht is dat mijner moeder die van +bijna hoogmoedig: »Mijn geslacht is dat mijner moeder die van hooge geboorte was. Weet gij, waarom ik heden morgen weder ben omgekeerd te midden van rook en vlammen, nadat ik reeds weder de vrije goddelijke lucht had ingeademd? Weet gij wat @@ -24566,17 +24527,17 @@ is. Nu heb ik dat kleinood verloren, en daarmede mijn stamboom, mijne hoop, mijn geluk!”</p> <p>Warda snikte luide. Nefert naderde haar liefderijk en vroeg: -»Arm meisje, is uw schat een prooi der vlammen geworden?”</p> +»Arm meisje, is uw schat een prooi der vlammen geworden?”</p> -<p>»Neen, neen!” riep Warda levendig. »Ik heb het kleinood uit +<p>»Neen, neen!” riep Warda levendig. »Ik heb het kleinood uit mijne koffer genomen, en hield het in de hand toen Nebsecht mij op de armen nam. Ik had het nog toen ik, gered, daar lag tegenover het brandende gebouw, en Bent-Anat mij verpleegde -en Rameri bij mij kwam. Als in eene droom zag ik hem vóor +en Rameri bij mij kwam. Als in eene droom zag ik hem vóor mij. Half ontwaakt greep ik terstond naar het kleinood en voelde het nog tusschen mijne vingers.”</p> -<p>»Hebt gij het dan op den weg hierheen verloren?” vroeg Nefert.</p> +<p>»Hebt gij het dan op den weg hierheen verloren?” vroeg Nefert.</p> <p>Warda knikte toestemmend. De kleine Scheraoe, die naast haar op den grond neergehurkt zat, stond echter op, en sloop, @@ -24590,20 +24551,20 @@ donkere schaduwen over het geluk der wedervereenigde echtgenooten. Van de zijde waar ’s konings tent stond, werd nu en dan het blazen van trompetten gehoord, eerst toen de Aziatische vorsten hun intocht deden in de vergaderzaal, vervolgens toen -de vorst der Danaërs zich verwijderde, en eindelijk toen de +de vorst der Danaërs zich verwijderde, en eindelijk toen de pharao met de overwonnenen aan tafel ging. De wagenmenner dacht aan zijn meester, aan het eereambt, dat hij door het vertrouwen van zijne vrouw terug had gekregen, en drukte Nefert dankbaar de hand.</p> <p>Daar kwam beweging voor zijne tent. Een officier trad binnen -om Mena mede te deelen, dat de koning der Danaërs en zijne +om Mena mede te deelen, dat de koning der Danaërs en zijne dochter, door koninklijke lijfwachten begeleid, hem en Nefert verlangden te zien en te spreken. De tentdeuren werden terstond wijd geopend. Warda trad bescheiden op den achtergrond, en Mena en Nefert gingen hand in hand hunne onverwachte gasten tegemoet.</p> -<p>De vorst der Danaërs was een man van gevorderden leeftijd. +<p>De vorst der Danaërs was een man van gevorderden leeftijd. Zijn baard en zijn dik hoofdhaar waren reeds grijs, maar hoewel hij zich bezadigd en waardig toonde in zijne bewegingen, was hij nog levendig gelijk een jongeling. Zijn mannelijk evenredig gelaat @@ -24627,9 +24588,9 @@ en die hen ontvingen overbracht. Achter hem wandelden twee mannen en evenzoovele vrouwen, die geschenken voor Mena en zijne gemalin droegen.</p> -<p>De vorst der Danaërs prees de edelmoedigheid van den wagenmenner -in warme woorden. »Gij hebt mij bewezen,” zeide hij, -»dat de deugden van dankbaarheid, onthouding en trouw ook +<p>De vorst der Danaërs prees de edelmoedigheid van den wagenmenner +in warme woorden. »Gij hebt mij bewezen,” zeide hij, +»dat de deugden van dankbaarheid, onthouding en trouw ook door de Egyptenaars worden beoefend, hoewel mij, o Mena, uwe verdienste niet zoo groot schijnt, sedert ik uwe vrouw heb gezien. Want wie het schoonste reeds bezit, onthoudt zich gemakkelijk @@ -24637,7 +24598,7 @@ van den wensch het schoone voor zich te begeeren.”</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_493" id="Page_493">[493]</a></span></p> -<p>Nefert bloosde en gaf hem ten antwoord: »Uwe grootmoedigheid +<p>Nefert bloosde en gaf hem ten antwoord: »Uwe grootmoedigheid berooft uwe dochter om mij te verrijken, en de liefde voor mij bewoog wellicht mijn echtgenoot om hetzelfde onrecht te plegen, dat uwe schoone dochter u beiden en mij moge vergeven!”</p> @@ -24659,13 +24620,13 @@ voor zich in beslag had genomen, maar Mena haar de hand gereikt en in zijne hut gevoerd had, om haar daar als zijn eigen kind te behandelen. Diepe ontroering klonk er in hare stem, ja zelfs in die van den tolk, toen zij dit alles vertelde en met deze -woorden sloot: »Hoe dankbaar ik Mena ben, zult gij eerst recht +woorden sloot: »Hoe dankbaar ik Mena ben, zult gij eerst recht begrijpen, wanneer ik u mededeel, dat de voor mij bestemde echtgenoot, bij de verdediging van onze legerplaats, voor mijne oogen gewond neerzonk. Hij is thans genezen en bij mijne terugkomst wacht ons de bruiloft.”</p> -<p>»Alzoo mogen de goden het geheugen!” riep de Danaër, »want +<p>»Alzoo mogen de goden het geheugen!” riep de Danaër, »want Praxilla is de laatste telg uit mijn huis. De menschenmoordende krijg ontroofde mij vier zonen, alvorens zij zich eene vrouw hadden genomen, en de vijfde viel door Egyptische handen bij @@ -24677,18 +24638,18 @@ hebben.”</p> <p>Terwijl hij zoo sprak hoorde men de wachters roepen, en boven deze uit eene luide kinderstem. Terstond daarop stormde de kleine Scheraoe met de hand in de hoogte de tent binnen -en riep: »Ik heb het, ik heb het gevonden!”</p> +en riep: »Ik heb het, ik heb het gevonden!”</p> <p>Warda, die zich had teruggetrokken achter het gordijn, waardoor het gedeelte van de tent, dat voor slaapplaats bestemd was, werd afgescheiden, maar niettemin elk woord van den vorst der -Danaërs met spanning had afgeluisterd, en hare oogen van de +Danaërs met spanning had afgeluisterd, en hare oogen van de blanke en blonde Praxilla niet had afgewend, trad nu gejaagd en vast besloten midden in de tent. Zij nam den knaap het kleinood uit de hand, om het den vorst te laten zien. Want terwijl zij Praxilla had beschouwd, was het haar geweest alsof<span class="pagenum"><a name="Page_494" id="Page_494">[494]</a></span> zij zichzelve in den spiegel had gezien, en het vermoeden was -in haar gewekt, dat hare moeder eene vrouw der Danaërs was +in haar gewekt, dat hare moeder eene vrouw der Danaërs was geweest. Haar hart sloeg hoorbaar, toen zij bescheiden, met gebogen hoofd en in smeekende houding, den vorst naderde, terwijl zij haar kleinood omhoog hield.</p> @@ -24696,14 +24657,14 @@ terwijl zij haar kleinood omhoog hield.</p> <p>Alle aanwezigen zagen vol verbazing naar den ouden held, want zijne hooge gestalte begon te wankelen. Hij strekte zijne armen tegen Warda uit, als om haar af te weren, en riep, terwijl hij -eenige schreden achterwaarts deed: »Xanthe, Xanthe! Laat +eenige schreden achterwaarts deed: »Xanthe, Xanthe! Laat Hades<a name="FNanchor_365" id="FNanchor_365"></a><a href="#Footnote_365" class="fnanchor">365)</a>, dan zijne schimmen vrij? Wilt gij mij roepen?”</p> <p>Praxilla zag verschrikt haar vader aan, en niet minder verbaasd op Warda. Plotseling echter gaf zij een gil, die door merg en been drong. Zij rukte een keten van haar hals, vloog naar Warda toe, nam het kleinood uit hare hand en riep: -»Hier is het, hier is het, de andere helft van het sieraad mijner +»Hier is het, hier is het, de andere helft van het sieraad mijner arme zuster Xanthe!”</p> <p>Innig aandoenlijk was het den bejaarden vorst te zien, hoe hij @@ -24719,11 +24680,11 @@ precies aan elkander passende regels, de volgende raadselspreuk te lezen was:</p> <div class="centered"><div class="poem"><div class="stanza"> -<span class="i0">Eén is een nietig ding, een armelijk pronkend sieraad.<br /></span> +<span class="i0">Eén is een nietig ding, een armelijk pronkend sieraad.<br /></span> <span class="i0">Doch met de tweede vereend, wordt het een liev’ling van Zeus.<br /></span> </div></div></div> -<p>Een vluchtige blik op deze woorden bewezen den Danaër, +<p>Een vluchtige blik op deze woorden bewezen den Danaër, dat hij het sieraad in de hand hield, dat hij zijne dochter Xanthe met eigene hand bij haar huwelijk om den hals had gehangen. De andere helft droeg in die dagen hare moeder, waarvan Praxilla @@ -24739,7 +24700,7 @@ zaligste uren zijns levens te zullen opgeteekend vinden. Het meisje<span class=" toonde geen vrees, en weerde hem niet af, toen hij een kus op haar voorhoofd drukte. Zij wist toch, dat zij aan dezen man verwant was.</p> -<p>Ten laatste wenkte de Danaër den tolk. Warda werd gevraagd +<p>Ten laatste wenkte de Danaër den tolk. Warda werd gevraagd wat zij van hare moeder wist, en vertelde nu, hoe deze met een knaapje, dat spoedig gestorven was, als krijgsgevangene naar Thebe was gebracht, hoe haar vader haar gekocht en tot vrouw @@ -24762,25 +24723,25 @@ smart haar spraakvermogen verloren.</p> <p>De vorst wist geene woorden te vinden om zijne blijdschap uit te spreken, en Warda werd niet moede hem en zijne dochter te beschouwen en de hand te drukken. Zij richtte zich tot -den tolk en vroeg: »Hoe zegt men: ik ben zeer gelukkig?” -Lachend sprak zij hem na, en vroeg dan verder: »Hoe zeg ik: +den tolk en vroeg: »Hoe zegt men: ik ben zeer gelukkig?” +Lachend sprak zij hem na, en vroeg dan verder: »Hoe zeg ik: Warda wil u hartelijk liefhebben?” Ook dat herhaalde zij, en deze een weinig verminkte volzin klonk zoo innig, zoo diep gevoeld, dat haar grootvader haar aan zijn hart drukte.</p> <p>In Nefert’s oogen welden tranen van ontroering, en toen Warda -zich ook in hare armen wierp, zeide zij: »De verlaten zwaan +zich ook in hare armen wierp, zeide zij: »De verlaten zwaan heeft zijn gezelschap, het eenzame blad zijn boom weergevonden, en kan nu gelukkig zijn.”</p> <p>Zoo vloog een uur voorbij in de reinste zaligheid. Doch eindelijk -maakte de vorst der Danaërs zich gereed om te vertrekken. +maakte de vorst der Danaërs zich gereed om te vertrekken. Hij wilde Warda medenemen, maar Mena verzocht vergunning om den pharao en zijn dochter het gebeurde mede te deelen. Warda behoorde aan de prinses; zij was hem door haar toevertrouwd, en hij mocht haar toch niet aan vreemde handen overgeven, alvorens hij Bent-Anat gewaarschuwd had. Zonder zelfs -het antwoord van den Danaër af te wachten, verliet hij de tent +het antwoord van den Danaër af te wachten, verliet hij de tent en wist zich den toegang te verschaffen, tot het gastmaal des konings. Ons is reeds bekend, dat Ramses hem weldra met Bent-Anat en Rameri volgde. Mena hing onderweg met levendige @@ -24789,26 +24750,26 @@ die hij zooeven had bijgewoond.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_496" id="Page_496">[496]</a></span></p> -<p>»Zoudt gij bereid zijn,” vroeg Ramses zijn zoon, terwijl hij -Bent-Anat zijdelings aanzag, »uw misdrijf goed te maken, en -door uwe verloving met zijne kleindochter den vorst der Danaërs +<p>»Zoudt gij bereid zijn,” vroeg Ramses zijn zoon, terwijl hij +Bent-Anat zijdelings aanzag, »uw misdrijf goed te maken, en +door uwe verloving met zijne kleindochter den vorst der Danaërs voor ons te winnen?”</p> <p>De prins kon geene woorden vinden, doch hij greep de hand zijns vaders en kuste die zoo onstuimig, dat Ramses haar terugtrok, -en zeide, terwijl hij met den vinger dreigde: »Ik geloof, +en zeide, terwijl hij met den vinger dreigde: »Ik geloof, mijn vriend, dat gij ons zijt voorgekomen, en achter onzen rug staatkundige onderhandelingen hebt aangeknoopt!”</p> -<p>Ramses vond zijnen trotschen tegenstander vóor Mena’s tent, en -wilde hem de hand reiken. Maar ditmaal was de Danaër reeds +<p>Ramses vond zijnen trotschen tegenstander vóor Mena’s tent, en +wilde hem de hand reiken. Maar ditmaal was de Danaër reeds voor hem nedergezonken, evenals de andere vorsten, en zeide: -»Zie in mij niet den krijgsman en koning, maar den smeekenden +»Zie in mij niet den krijgsman en koning, maar den smeekenden vader. Laat ons vrede sluiten en veroorloof mij, dat ik dit meisje, mijne kleindochter, met mij neme naar mijn en haar vaderland.”</p> <p>De pharao hief den grijsaard op, reikte hem zijne rechterhand -en zeide goedig: »Wat gij verlangt, vermag ik slechts voor de +en zeide goedig: »Wat gij verlangt, vermag ik slechts voor de helft te vergunnen. Ik, de koning van Egypte, bied u van ganscher harte een vast verbond, een blijvende vrede aan. Wat deze schoone jonkvrouw aangaat, daarover moet gij met mijne @@ -24817,15 +24778,15 @@ tot welker vrouwen zij behoort, en vervolgens met dien door u vrijgegeven gevangene daar, mijn zoon Rameri, die Warda als vrouw begeert.”</p> -<p>»Ik draag mijne rechten op mijn broeder over,” zeide Bent-Anat, -»en vraag u, jonkvrouw, of gij genegen zijt hem als uw +<p>»Ik draag mijne rechten op mijn broeder over,” zeide Bent-Anat, +»en vraag u, jonkvrouw, of gij genegen zijt hem als uw heer te erkennen?”</p> <p>Warda knikte toestemmend en zag haar grootvader aan met een blik, dien hij ook zonder tolk verstond.</p> -<p>»Ik ken u wel,” zeide de vorst, zich tot Rameri wendende. -»Wij stonden tegenover elkander in het gevecht, en ik nam u +<p>»Ik ken u wel,” zeide de vorst, zich tot Rameri wendende. +»Wij stonden tegenover elkander in het gevecht, en ik nam u gevangen, toen gij, bedwelmd door den slag van mijn zwaard, van den wagen zijt getuimeld. Gij zijt nog wat onstuimig, maar de tijd zal dit gebrek verbeteren, wanneer men een held is van @@ -24836,7 +24797,7 @@ Maar vergun mij eerst haar, die ik zoo lang heb moeten missen, een jaar lang bij mij te houden, opdat ik mij in haar verheuge, en van hare lippen de taal hoore harer moeder, die gij mij hebt ontnomen. Zij zijn beide nog jong, naar de zeden van het land -der Danaërs, waar mannen en vrouwen later rijp zijn dan in +der Danaërs, waar mannen en vrouwen later rijp zijn dan in uw land, te jong stellig voor een ernstig echtverbond. Doch er is nog iets gewichtigs, wat ook u voor alles zal doen besluiten mijn wensch in te willigen. Deze dochter van edelen stam is in<span class="pagenum"><a name="Page_497" id="Page_497">[497]</a></span> @@ -24846,7 +24807,7 @@ zij mij volgt, dan kan de zoon van den pharao als verloofde het paleis van een vorst betreden, en koninklijk moet de bruiloft zijn, die ik hem bereiden zal.”</p> -<p>»Wat gij verlangt,” antwoordde Ramses, »is billijk en wijs. +<p>»Wat gij verlangt,” antwoordde Ramses, »is billijk en wijs. Neem uw kleinkind mede, als de verloofde bruid van mijn zoon, als onze toekomstige dochter. Reikt beiden mij de handen! Het zal er nu voor u op aankomen geduld te oefenen, want Rameri @@ -24856,10 +24817,10 @@ leger zal leeren, zal eens zijn toekomstige gemalin ten goede komen. Voor u, Rameri, zal heden over een jaar, en ik denk dat gij den dag wel niet vergeten zult, in de haven van Pelusium, een goed gebouwd, met Phoenicische matrozen bemand zeeschip -gereed liggen, dat u naar het land der Danaërs ter bruiloft mag +gereed liggen, dat u naar het land der Danaërs ter bruiloft mag voeren.”</p> -<p>»Zoo zij het!” riep de grijsaard, »en bij Zeus, die de eeden +<p>»Zoo zij het!” riep de grijsaard, »en bij Zeus, die de eeden hoort, ik zal Xanthe’s dochter uw zoon niet onthouden, als hij tot ons komt.”</p> @@ -24919,10 +24880,10 @@ kon sterven.</p> van zijn vriend en sprak hem vriendelijk toe. Doch Nebsecht glimlachte op zijne eigenaardige manier, als wilde hij zeggen dat hij ’t wel beter wist, en zeide zacht en met zichtbare inspanning: -»Nog maar enkele ademhalingen, en dan komt er rust, +»Nog maar enkele ademhalingen, en dan komt er rust, hier en hier,” daarbij wijzende op zijn hart en zijn hoofd.</p> -<p>»Wij allen komen tot rust,” zeide Pentaoer, »doch wellicht +<p>»Wij allen komen tot rust,” zeide Pentaoer, »doch wellicht alleen, om ons na de doodsure ginds rustiger en zonder inspanning te bewegen. Beloonen de goden ooit iets, dan is het een<span class="pagenum"><a name="Page_499" id="Page_499">[499]</a></span> redelijk streven naar waarheid en ernstigen arbeid. Vereenigt zich @@ -24930,33 +24891,33 @@ ooit een geest met de wereldziel, om met de oogen der godheid door den sluier te dringen, die hier voor hem het geheim des levens verborgen hield, dan zal het uw geest zijn.”</p> -<p>»Ik heb aan dien sluier getrokken en gerukt,” zuchtte Nebsecht, -»en nu mijn oog een deel der waarheid meent te hebben +<p>»Ik heb aan dien sluier getrokken en gerukt,” zuchtte Nebsecht, +»en nu mijn oog een deel der waarheid meent te hebben gevat, komt de plompe hand des doods om het te sluiten. Wat baat het mij, met het oog der godheid te zien en in hare alwetendheid te deelen? Niet het aanschouwen, maar het vinden is -zalig, zóo zalig, dat ik daarvoor nog een ander leven hier en +zalig, zóo zalig, dat ik daarvoor nog een ander leven hier en ginds op het spel zou willen zetten.”</p> <p>Hij zweeg, want de krachten begaven hem, en Pentaoer verzocht hem dringend zich rustig te houden, en de vriendelijke uren, die het leven hem geschonken had, stil te overdenken.</p> -<p>»Dat waren er maar weinige,” zeide de arts. »Als mijne moeder +<p>»Dat waren er maar weinige,” zeide de arts. »Als mijne moeder mij kuste en mij dadels schonk, als ik ongestoord alleen mocht navorschen en arbeiden; wanneer gij mij een blik deedt slaan in uwe schoone wereld, zoo rijk aan verscheidenheid, — ja, dat was schoon!”</p> -<p>»Ook hebt gij,” zeide Pentaoer, »de smarten van vele menschen +<p>»Ook hebt gij,” zeide Pentaoer, »de smarten van vele menschen gelenigd, en niemand leed veroorzaakt.”</p> -<p>Nebsecht schudde even het hoofd en prevelde: »Ik heb den +<p>Nebsecht schudde even het hoofd en prevelde: »Ik heb den ouden Paraschiet waanzinnig gemaakt en doen sterven.”</p> <p>Hij zweeg lang, toen sloeg hij de oogen plotseling op en zeide -met meer opgewektheid: »Maar toch niet om hem leed te doen; -niet te vergeefs. In Syrië, te Megiddo heb ik ongestoord gewerkt. +met meer opgewektheid: »Maar toch niet om hem leed te doen; +niet te vergeefs. In Syrië, te Megiddo heb ik ongestoord gewerkt. Thans ken ik het orgaan, met behulp waarvan wij denken. Het hart! Wat is dat hart? Het hart van een hamel en van een mensch verrichten dezelfde diensten. Beide brengen het drijfrad @@ -24973,7 +24934,7 @@ Hij reikte hem een frisschen dronk toe, terwijl twee artsen, onder het zingen van bezweringen, rondom zijn rustbed wandelden.</p> <p>Toen de kranke zich wat versterkt oprichtte, sprak de dichter: -»Het lieflijkste beeld van uw leven was zeker wel dat van het +»Het lieflijkste beeld van uw leven was zeker wel dat van het aanvallig meisje, welks aangezicht eens, zooals ge mij zeidet, het orgaan voor het schoone in u had doen ontwaken, en dat gij als een held, met opoffering van uw eigen leven, den dood uit de @@ -24983,39 +24944,39 @@ zou hem nog wel eens willen begroeten, voor zij met haar grootvader naar zijn land trekt.”</p> <p>De kranke aarzelde een oogenblik, eer hij zacht antwoordde: -»Laat haar komen. Maar alleen van verre wil ik haar aanschouwen.”</p> +»Laat haar komen. Maar alleen van verre wil ik haar aanschouwen.”</p> <p>Pentaoer ging naar buiten en keerde spoedig daarop met Warda terug, die blozend en met vochtige oogen aan de deur van de tent bleef staan.</p> -<p>De arts zag haar smeekend en liefderijk aan, en zeide: »Neem +<p>De arts zag haar smeekend en liefderijk aan, en zeide: »Neem mijn dank aan, en wees gelukkig!”</p> <p>Het meisje wilde tot hem komen, om hem de hand te reiken, maar onrustig weerde hij haar af met zijne verbonden rechterhand, -en smeekte: »Kom mij niet nader, maar blijf nog een +en smeekte: »Kom mij niet nader, maar blijf nog een oogenblik staan. Ach! Gij hebt tranen in de oogen! Gelden ze mij of alleen mijne smarten?”</p> -<p>»U, u, goede, edele man, mijn vriend en redder,” zeide Warda. -»U, beste, arme Nebsecht!”</p> +<p>»U, u, goede, edele man, mijn vriend en redder,” zeide Warda. +»U, beste, arme Nebsecht!”</p> <p>De arts sloot de oogen, terwijl zij innig bewogen deze woorden sprak. Toen hij zweeg, verhief hij nog eens den blik, zag haar lang vriendelijk en met bewondering aan, en sprak zacht:</p> -<p>»Nu is het genoeg! Thans wil ik sterven.”</p> +<p>»Nu is het genoeg! Thans wil ik sterven.”</p> <p>Warda verliet de tent; Pentaoer bleef echter bij hem, en gaf nauwkeurig acht op zijne reutelende ademhaling.</p> -<p>Plotseling richtte de kranke zich overeind, en zeide: »Vaarwel, +<p>Plotseling richtte de kranke zich overeind, en zeide: »Vaarwel, vriend! De reis begint, wie weet waarheen?”</p> -<p>»Zeker niet naar het ledig niets!” sprak Pentaoer met warmte.</p> +<p>»Zeker niet naar het ledig niets!” sprak Pentaoer met warmte.</p> -<p>De arts schudde het hoofd en zeide: »Ik was toch iets en +<p>De arts schudde het hoofd en zeide: »Ik was toch iets en uit iets kan nimmer niets worden. De natuur is spaarzaam en weet als eene zuinige vrouw huis te houden. Van het kleinste maakt zij gebruik. Ook mij zal ze verbruiken, al naardat ze mij @@ -25049,12 +25010,12 @@ naar de bergwerken te veroordeelen<a name="FNanchor_366" id="FNanchor_366"></a>< en achtenswaardige matrone ongevraagd toegestaan, onder toezicht van veiligheidsbeambten den koning te gemoet te reizen, en deze bij zijne terugkomst in Egypte een smeekschrift voor haar -zelve, niet, zooals er uitdrukkelijk werd bijgevoegd, voor Paäker +zelve, niet, zooals er uitdrukkelijk werd bijgevoegd, voor Paäker te overhandigen. Zij was echter vertrokken met het heimelijk voornemen, niet voor zichzelve, maar voor haar zoon te smeeken. Ameni had Thebe reeds verlaten, toen dit vonnis werd uitgesproken; hij zou het anders hebben teruggehouden, door den rechter -de ware afkomst van Paäker te openbaren. Nadat hij den stadhouder +de ware afkomst van Paäker te openbaren. Nadat hij den stadhouder had opgegeven, behoefde hij het geheim van de oude Hekt niet langer te bewaren.</p> @@ -25115,8 +25076,8 @@ haar voor te bereiden op de vreugde, die haar na zulk eene zware beproeving wachtte. Doch hij was te laat gekomen, want de geest der matrone was beneveld. Zij hoorde hem onverschillig aan, toen hij al zijne krachten inspande, om haar moed te verlevendigen. -Alleen viel zij hem nu en dan in de reden met de vraag: »Heeft -hij het gedaan?” of »Leeft hij nog?”</p> +Alleen viel zij hem nu en dan in de reden met de vraag: »Heeft +hij het gedaan?” of »Leeft hij nog?”</p> <p>Ten laatste noodigde Ameni haar uit hem in haar draagstoel naar de legerplaats te volgen, waar zij haar zoon zou vinden. @@ -25124,23 +25085,23 @@ Pentaoer geleek sprekend op haar gestorven echtgenoot, en het gezicht van den dichter, dacht de kenner der ziel, zou de sluimerende krachten van haar geest op nieuw wekken. In zijne tent<span class="pagenum"><a name="Page_503" id="Page_503">[503]</a></span> gekomen, verhaalde hij haar zoo omzichtig mogelijk de geschiedenis -der verwisseling van haar zoon Pentaoer met Paäker. Zij +der verwisseling van haar zoon Pentaoer met Paäker. Zij volgde hem met schijnbare opmerkzaamheid, maar toch zoo, als hoorde zij de lotgevallen van een vreemde verhalen. Toen Ameni begon te spreken over ’s dichters geest en gaven, en hoe hij geleek -op haar gestorven echtgenoot, prevelde zij: »Ik weet het, ik weet +op haar gestorven echtgenoot, prevelde zij: »Ik weet het, ik weet het; gij bedoelt den redenaar van het feest van het dal.” Daarna vroeg zij weder, ofschoon zij reeds meermalen gehoord had dat -haar zoon dood was, of Paäker nog leefde.</p> +haar zoon dood was, of Paäker nog leefde.</p> <p>De opperpriester verliet haar eindelijk om Pentaoer te roepen. -Wij weten hoe hij hem vond vóor de tent, waarin zijn vriend +Wij weten hoe hij hem vond vóor de tent, waarin zijn vriend Nebsecht de eeuwige rust was ingegaan. Toen hij met den dichter, die inmiddels was voorbereid op eene ontmoeting met zijne ware, zeer kranke moeder, zijne tent binnentrad, vond hij haar verlaten. Zijne dienaars deelden hem mede, dat vrouwe Setchem zich door den ouden Gagaboe, die gemakkelijk was om te praten, naar het -lijk van Paäker had laten brengen. Ameni werd boos, want hij +lijk van Paäker had laten brengen. Ameni werd boos, want hij vreesde dat vrouwe Setchem nu verloren zou zijn. Hij verzocht den dichter hem te volgen.</p> @@ -25152,7 +25113,7 @@ hem knielde de ongelukkige matrone.</p> <p>Daar zij de stem van den opperpriester niet hoorde, legde hij zijne hand op haar schouder en zeide, op het lijk wijzende: -»Deze was de zoon van een tuinman. Gij hebt hem trouw opgevoed, +»Deze was de zoon van een tuinman. Gij hebt hem trouw opgevoed, al ware het uw eigen kind geweest. Maar de echte erfgenaam van uw edelen echtgenoot, het kind dat gij onder uw hart hebt gedragen, is deze jongeling, is Pentaoer, dien de goden @@ -25165,30 +25126,30 @@ konings.”</p> <p>Toen stond vrouwe Setchem op, ging naar Pentaoer toe, zag hem aan met een glimlach, betastte zijne borst en zijn aangezicht, -en zeide: »Hij is het, de goden mogen hem zegenen!”</p> +en zeide: »Hij is het, de goden mogen hem zegenen!”</p> <p>Pentaoer wilde haar met zijne armen omvatten, maar zij week terug, als vreesde zij zich aan trouwbreuk schuldig te maken, -keerde zich haastig om naar het lijk en prevelde »Arme, arme -Paäker!”</p> +keerde zich haastig om naar het lijk en prevelde »Arme, arme +Paäker!”</p> -<p>»Moeder, moeder, erken toch uw zoon!” riep Pentaoer, hevig +<p>»Moeder, moeder, erken toch uw zoon!” riep Pentaoer, hevig ontroerd.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_504" id="Page_504">[504]</a></span></p> -<p>Andermaal keerde zij zich om, en zeide: »Dat is zijne stem, ja, +<p>Andermaal keerde zij zich om, en zeide: »Dat is zijne stem, ja, dat is hij!”</p> <p>Zij naderde Pentaoer weder, leunde zich tegen hem aan, greep zijn tot haar nedergebogen hoofd, kuste hem hartelijk op de -lippen, en riep nog eens: »De goden zullen u zegenen!” Toen +lippen, en riep nog eens: »De goden zullen u zegenen!” Toen vloog zij weder naar het lijk, als had zij een onrecht jegens -Paäker begaan, en zonk daar ineen.</p> +Paäker begaan, en zonk daar ineen.</p> <p>Roerloos zonder te spreken, bleef zij liggen, totdat men haar naar hare boot terugdroeg. Daar legde zij zich neder en weigerde -alle voedsel. Van tijd tot, tijd prevelde zij nog: »Arme Paäker!” +alle voedsel. Van tijd tot, tijd prevelde zij nog: »Arme Paäker!” en eer Pentaoer, die niet van hare zijde week, ofschoon zij hem niet meer kende, haar verliet, was zij haren ruwen lieveling gevolgd naar gindsche oorden.</p> @@ -25232,16 +25193,16 @@ gesloten en haar lijk naar Heliopolis gebracht had, om het daar te doen balsemen. Hare mummie zou vandaar naar Thebe gezonden en later plechtig in het familiegraf worden bijgezet. Het vervullen van dezen kinderplicht jegens eene moeder en de zorg -voor de dooden was den Egyptenaren zóo heilig, dat Pentaoer +voor de dooden was den Egyptenaren zóo heilig, dat Pentaoer noch Bent-Anat aan hunne vereeniging mochten denken, voordat hieraan was voldaan.</p> <p><span class="pagenum"><a name="Page_506" id="Page_506">[506]</a></span></p> <p>Den 21<sup>sten</sup> Tybi van het een-en-twintigste jaar der regeering van Ramses<a name="FNanchor_368" id="FNanchor_368"></a><a href="#Footnote_368" class="fnanchor">368)</a>, juist op den dag der onderteekening van het vredes-verdrag, kwam de dichter naar Tanis terug. Zijn hart was -van weemoed vervuld, want ook de hovenier, Paäker’s vader, die +van weemoed vervuld, want ook de hovenier, Paäker’s vader, die Pentaoer had lief gehad alsof het zijn eigen vader was geweest, -was, vóor hij in Egypte terugkwam, gestorven. De brave man +was, vóor hij in Egypte terugkwam, gestorven. De brave man had de valsche tijding van den dood des dichters, die hij innig liefhad en eerde, en voor een hooger wezen hield, dat hem slechts was toevertrouwd, niet lang overleefd.</p> @@ -25277,7 +25238,7 @@ De afgezaagde cederboomen aan de hooge poort van zijn huis, liet Horus door minder trotsche masten vervangen.</p> <p>De ongelukkige Hoeni, onder wiens naam Pentaoer in de -bergwerken van het Sinaïtisch schiereiland had gearbeid, werd +bergwerken van het Sinaïtisch schiereiland had gearbeid, werd door tusschenkomst van den dichter uit de steengroeven van Chennoe bevrijd, en, overladen met geschenken, aan zijne kinderen teruggegeven.</p> @@ -25315,10 +25276,10 @@ mocht haar niet weerstreven.</p> <p>Reeds gedurende zijn verblijf in Tanis liet hij Ameni en zijn aanhang gevoelen, dat hij alleen in Egypte gebood. Ondanks het -stoutmoedig verzet van de priesterpartij, die zich de »rechtgeloovige” +stoutmoedig verzet van de priesterpartij, die zich de »rechtgeloovige” noemde, liet hij voor den god Seth, dien de Semieten sedert de dagen der Hyksos boven alle andere goden vereerden, -onder wiens naam zij hun Baäl aanriepen<a name="FNanchor_369" id="FNanchor_369"></a><a href="#Footnote_369" class="fnanchor">369)</a> en voor wien men +onder wiens naam zij hun Baäl aanriepen<a name="FNanchor_369" id="FNanchor_369"></a><a href="#Footnote_369" class="fnanchor">369)</a> en voor wien men in den ouden tijd aan den Nijl geen tempel had gebouwd, omdat hij eene buitenlandsche godheid was, een prachtig heiligdom oprichten, in de Ramses-stad Tanis<a name="FNanchor_370" id="FNanchor_370"></a><a href="#Footnote_370" class="fnanchor">370)</a>, om ook aan de godsdienstige @@ -25330,7 +25291,7 @@ de plaatsen, waar vreemde goden werden vereerd, onaangetast.</p> door buitengewone vrijgevigheid te eeren. In de meeste groote steden des rijks liet hij tempels bouwen. Hij deed den Ptah-tempel te Memphis vergrooten en tot aandenken aan zijne redding -uit den brand twee kolossale beelden vóor zijne pylonen +uit den brand twee kolossale beelden vóor zijne pylonen oprichten<a name="FNanchor_371" id="FNanchor_371"></a><a href="#Footnote_371" class="fnanchor">371)</a>. In de Nekropolis van Thebe liet hij, tot herinnering aan de ure, waarin hij voor Kadesch als door een wonder aan den dood was ontkomen, het statig gebouw oprichten, dat heden @@ -25349,7 +25310,7 @@ nationale epos, de Ilias der Egyptenaren te worden.</p> <p>Pentaoer viel de vereerende opdracht ten deel, de hoogeschool van het Seti-huis over te brengen naar den nieuwen gelofte-tempel, -die den naam van het »Ramses-huis” ontving. Alles moest +die den naam van het »Ramses-huis” ontving. Alles moest door hem opnieuw geregeld worden, want de pharao gevoelde, dat het volstrekt noodzakelijk was een nieuw priestergeslacht te vormen, en de dienaars der godheid te gewennen hunne eigene @@ -25357,9 +25318,9 @@ wenschen ondergeschikt te maken aan de wetten van het land en de verordeningen van den koning, die de wet beschermt en uitvoert.</p> <p>De dichter werd aan het hoofd gesteld van de nieuwe school, -welker bibliotheek, die den naam ontving van »Gezondheidsinrichting +welker bibliotheek, die den naam ontving van »Gezondheidsinrichting der ziel”<a name="FNanchor_374" id="FNanchor_374"></a><a href="#Footnote_374" class="fnanchor">374)</a>, haars gelijke niet had. Aan deze academie, -die het model is geweest van het latere Museum van Alexandrië, +die het model is geweest van het latere Museum van Alexandrië, werden geleerden en dichters gevormd, wier werken eeuwen hebben overleefd en voor een deel tot ons gekomen zijn. De beroemdste van dezen zijn de hymnen van Pentaoer’s meest @@ -25390,7 +25351,7 @@ andere standbeelden van den grooten opperheerscher over Egypte voltooid.</p> <p>Een jaar na den brand van Pelusium vertrok Rameri naar het -land der Danaërs, vierde zijn bruiloft met Warda, en bleef vervolgens +land der Danaërs, vierde zijn bruiloft met Warda, en bleef vervolgens wonen in het vaderland van zijne gemalin, waar hij, na den dood van haar grootvader, als koning over vele eilanden van de Middellandsche zee gebied voerde, en de stamvader werd van @@ -25407,11 +25368,11 @@ groot fragment van een muur, in het zuidelijk gedeelte van den tempel van Karnak. De zilveren plaat, waarop het gegraveerd was, en die de gezant Tarthiseboe aan Ramses moest overhandigen, wordt in den vierden regel van het verdrag vermeld en afgebeeld. Zij was rechthoekig en -had van boven een oog, waaraan zij kon opgehangen worden. De hiëroglyphen-tekst +had van boven een oog, waaraan zij kon opgehangen worden. De hiëroglyphen-tekst werd uitgegeven door Burton, Lepsius en Brugsch. De beste vertaling hebben wij te danken aan F. Chabas, <cite>Voyage d’un Egyptien</cite>, p. 332 sv. Eene andere vertaling van dit verdrag vindt men in -Egger’s <cite>Etudes sur les traités publics</cite>, p. 243, maar deze +Egger’s <cite>Etudes sur les traités publics</cite>, p. 243, maar deze moet bij de latere van Chabas achterstaan.</p> </div> @@ -25429,7 +25390,7 @@ onze 29<sup>ste</sup> Januari.</p> </div> <div class="footnote"> -<p><a name="Footnote_371" id="Footnote_371"></a><a href="#FNanchor_371"><span class="label">371)</span></a> Een van deze bleef bewaard. Deze ligt onder de ruïnen van het +<p><a name="Footnote_371" id="Footnote_371"></a><a href="#FNanchor_371"><span class="label">371)</span></a> Een van deze bleef bewaard. Deze ligt onder de ruïnen van het oude Memphis op den grond.</p> </div> @@ -25521,7 +25482,7 @@ toon)<br /> 24 “onwewetend” in “onwetend” (waarlangs de menigte onwetend voorbijging.)<br /> -26 “antwoorde” in “antwoordde” (»De prinses,” +26 “antwoorde” in “antwoordde” (»De prinses,” antwoordde Pentaoer)<br /> 26 “Penim” in “Pinem” (naar het huis van Pinem den @@ -25532,13 +25493,13 @@ vertrek op en neer)<br /> 33 “grieken” in “Grieken” (De Grieken noemden hem)<br /> -35 “litaniën” in “litanieën” (aan een ziekbed zijne -litanieën prevelde)<br /> +35 “litaniën” in “litanieën” (aan een ziekbed zijne +litanieën prevelde)<br /> 38 “voveel” in “zoveel” (toch reeds zooveel nieuwigheden uit den vreemde)<br /> -43 “Paâkers” in “Paäkers” (en Paäkers vader is niet +43 “Paâkers” in “Paäkers” (en Paäkers vader is niet alleen)<br /> 46 “Heroscoop” in “Horoscoop” (hernam de Horoscoop @@ -25629,8 +25590,8 @@ mannen)<br /> 149 “eIkander” in “elkander” (vielen de verdorde bloemblaadjes uit elkander)<br /> -151 “hiëropglypen” in “hiëroglyphen” (de rijen -hiëroglyphen op de praalgebouwen)<br /> +151 “hiëropglypen” in “hiëroglyphen” (de rijen +hiëroglyphen op de praalgebouwen)<br /> 154 “te” toegevoegd (met bijzonderen ijver te velde te trekken)<br /> @@ -25685,8 +25646,8 @@ Rameri heet)<br /> 250 “Rameni” in “Rameri” (Rameri viel Anana in de rede)<br /> -254 “reliquiën” in “reliquieën” (wordt onder de -heiligste reliquieën gerekend)<br /> +254 “reliquiën” in “reliquieën” (wordt onder de +heiligste reliquieën gerekend)<br /> 265 “Bent Annat” in “Bent-Anat” (Bent-Anat gaf trotsch een wenk)<br /> @@ -25703,7 +25664,7 @@ pantherhuiden en verdere kleedingstukken)<br /> Pentaoer)<br /> 287 2x “Pinim” in “Pinem” (verwonde kind van den -Paraschiet Pinem) en (»En het was Pinem,” sprak de +Paraschiet Pinem) en (»En het was Pinem,” sprak de opperpriester)<br /> 289 “de” in “ze” (Wij kroonden de vorsten, wij @@ -25748,10 +25709,10 @@ zeggen)<br /> 365 “edelknaaap” in “edelknaap” (uitgegeven voor een edelknaap uit het gevolg)<br /> -368 “moedér” in “moeder” (de moeder bepaalt de +368 “moedér” in “moeder” (de moeder bepaalt de afkomst der kinderen)<br /> -370 “Rameni” in “Rameri” (»Maar een deel?” vroeg +370 “Rameni” in “Rameri” (»Maar een deel?” vroeg Rameri.)<br /> 376 “vertrouwste” in “vertrouwdste” (de vertrouwdste @@ -25764,14 +25725,14 @@ de goudmijnen te gaan)<br /> (den scheepsgezagvoerder te bewegen in Chennoe te landen)<br /> -380 “getróffen” in “getroffen” (Zij was getroffen +380 “getróffen” in “getroffen” (Zij was getroffen over hare buitengewone)<br /> 383 “Pentaoers’s” in “Pentaoer’s” (Pentaoer’s slapen klopten geweldig.)<br /> -391 “melodiën” in “melodieën” (dat Warda hare -melodieën nazong)<br /> +391 “melodiën” in “melodieën” (dat Warda hare +melodieën nazong)<br /> 400 “ij” in “hij” (heeft hij zich aan mij geopenbaard)<br /> @@ -25785,7 +25746,7 @@ slechts)<br /> trachtte, nu hij overtuigd was)<br /> 422 “Egygtoloog” in “Egyptoloog” (gestorven -Franschen Egyptoloog E. de Rougé)<br /> +Franschen Egyptoloog E. de Rougé)<br /> 427 “Mernepthah” in “Mernephtah” (De beide jongsten, Mernephtah en Rameri)<br /> @@ -25796,7 +25757,7 @@ land)<br /> 430 “hehben” in “hebben” (schijnt te hebben gelegd)<br /> 431 “Pidasa” in “Pisada” (volken van Pisada -(Pisidië))<br /> +(Pisidië))<br /> 443 “Hijksos” in “Hyksos” (waar vroeger de Hyksos gelegerd waren)<br /> @@ -25822,7 +25783,7 @@ elkander volkomen)<br /> 502 “Setschem” in “Setchem” (besteeg het schip van vrouwe Setchem en beproefde)<br /> -503 “af” in “of” (dat haar zoon dood was, of Paäker +503 “af” in “of” (dat haar zoon dood was, of Paäker nog leefde)<br /> 507 “steven” in “streven” (Overigens was het zijn @@ -25836,8 +25797,8 @@ ijverig streven)<br /> Mernephtah afkomstig zijn)<br /> 28) “Madinet-Haboe” in “Medinet-Haboe” en -“Dumichem” in “Dümichen” (De volledigste, van -Medinet-Haboe, werd uitgegeven door Dümichen.)<br /> +“Dumichem” in “Dümichen” (De volledigste, van +Medinet-Haboe, werd uitgegeven door Dümichen.)<br /> 50) “Ethopischen” in “Ethiopischen” (met een Ethiopischen steen zoover door)<br /> @@ -25851,23 +25812,23 @@ Hyksos door de koningen)<br /> 124) “konopen” in “kanopen” (in plaats van deze vier kanopen-goden)<br /> -126) “hiëroglypisch” in “hiëroglyphisch” (Een -volledige tekst in hiëroglyphisch schrift)<br /> +126) “hiëroglypisch” in “hiëroglyphisch” (Een +volledige tekst in hiëroglyphisch schrift)<br /> -132) “Mèlanges egyptologiques” in “Mélanges -égyptologiques” (in de papyrussen heeft gevonden: -Chabas, Mélanges égyptologiques II)<br /> +132) “Mèlanges egyptologiques” in “Mélanges +égyptologiques” (in de papyrussen heeft gevonden: +Chabas, Mélanges égyptologiques II)<br /> -138) “phanteïsme” in “pantheïsme” (het pantheïsme +138) “phanteïsme” in “pantheïsme” (het pantheïsme in de esoterische leer van de Egyptenaars)<br /> -138) “Ptolomaeën” in “Ptolemaeën” (tempels uit den -tijd der Ptolemaeën)<br /> +138) “Ptolomaeën” in “Ptolemaeën” (tempels uit den +tijd der Ptolemaeën)<br /> 151) “Vlg.” in “Vgl.” (De leeuwenkoppige godin. Vgl. bl. 61.)<br /> -151) “Etiopiërs” in “Ethiopiërs” ((en Ethiopiërs) +151) “Etiopiërs” in “Ethiopiërs” ((en Ethiopiërs) in het graf van Seti I)<br /> 170) “Gheta” in “Cheta” (met de Cheta, waarin van @@ -25875,7 +25836,7 @@ de eene zijde)<br /> 224) “Vlg.” in “Vgl.” (Vgl. Ebers)<br /> -230) “heilïge” in “heilige” (Zoo worden de planeten +230) “heilïge” in “heilige” (Zoo worden de planeten genoemd in de heilige teksten.)<br /> 243) “Ptolamceus” in “Ptolemaeus” ( dien Ptolemaeus @@ -25887,11 +25848,11 @@ godheid in de 21ste aanroeping)<br /> 269) “vau” in “van” (het voeteinde van zijne lijkbaar)<br /> -279) “ägyptsche” in “ägyptische” (Zeitschrift für -ägyptische Sprache)<br /> +279) “ägyptsche” in “ägyptische” (Zeitschrift für +ägyptische Sprache)<br /> 279) “Alterthumskunde” in “Altertumskunde” -(ägyptische Sprache und Altertumskunde)<br /> +(ägyptische Sprache und Altertumskunde)<br /> 286) “pharo’s” in “pharao’s” (heette in den tijd der pharao’s evenzoo.)<br /> @@ -25912,381 +25873,6 @@ latere van Chabas achterstaan.).</p> <p>Overigens is de originele tekst bewaard gebleven.</p> </div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Warda, by Georg Ebers - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WARDA *** - -***** This file should be named 42433-h.htm or 42433-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/4/2/4/3/42433/ - -Produced by eagkw, J.H. Berends and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License available with this file or online at - www.gutenberg.org/license. - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation information page at www.gutenberg.org - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at 809 -North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email -contact links and up to date contact information can be found at the -Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For forty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - - -</pre> - +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42433 ***</div> </body> </html> |
