diff options
Diffstat (limited to '42746-0.txt')
| -rw-r--r-- | 42746-0.txt | 7836 |
1 files changed, 7836 insertions, 0 deletions
diff --git a/42746-0.txt b/42746-0.txt new file mode 100644 index 0000000..72409b8 --- /dev/null +++ b/42746-0.txt @@ -0,0 +1,7836 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42746 *** + + P.C. HOOFT'S GRANIDA + + Uitgegeven door + J.H. van den Bosch + + Vierde druk + + Zwolle--W.E.J. Tjeenk Willink--1922 + + + + ZWOLSCHE HERDRUKKEN + + Onder redactie van + J.H. van den Bosch en Dr. F. Buitenrust Hettema + + + No. 2 + + HOOFT'S GRANIDA + + + + + + + +VOORBERICHT. + + +Rekenschap omtrent den tekst vindt men achter de Inleiding. + +De oude Inleiding van 1890 bleef nog; van nieuwe vondsten en meeningen +werd gewag gemaakt. + +De asterisken wijzen voornamelijk aan, die woorden die in de +tegenwoordige taal nog bestaan maar in min of meer afwijkende +beteekenis of met andere kracht. De plaats van den asterisk voor of +achter het leesteeken zegt of men met woordverklaring te doen heeft +(in het glossarium te zoeken!) dan wel met een Aanteekening. + +De Aanteekeningen zijn over 't algemeen dezelfde gebleven. + + + + + + + +INLEIDING [1] + + +I. + +De Italiaansche Renaissance was even radicaal onzedelijk als +ongodsdienstig. Een maatschappij zonder godsdienst is altijd een +maatschappij zonder zedelijk bewustzijn, eindigt altijd met een +afkeer van haar bestaan en ontvlucht dan haar eigen wereld, om in +de oorden der phantazie het verbeuzeld geluk en den weggesmeten +vrede te zoeken. Zoo is het het Romeinsche Keizerrijk gegaan, +zoo ging het in de XVde en de XVIde eeuw in Italië. De Litteratuur +der Renaissance was een litteratuur der hoogere standen, en, gelijk +altijd, hierin spiegelde het leven zich met kleur en licht en schaduw +af. Ongodsdienstig en onzedelijk als zij was, getuigde ze ook van de +heerschende zatheid. Gelijk in de negentiende eeuw de dorpsvertelling +natuur en eenvoud is gaan prediken, zoo de Herders- en Visscherszang, +het Herders- en Visschersdrama en de Herdersroman toenmaals, sinds +het laatst der vijftiende eeuw vooral. Vol sentimenteel heimwee goot +het dichterlijk gemoed zich uit in klachten over verloren eenvoud, +oprechtheid en onschuld. De phantazie van den kunstenaar begaf +zich buiten de paleizen, buiten de steden; hij schiep zich, op het +tooneel der onveranderlijke natuur, een verdichten natuurmensch. De +tijdgenooten nu vonden in den dichter een tolk: die overprikkelde +kinderen van weelderige overbeschaving. Zij hadden alles genoten; +slechts het contrast kon hen bevredigen. + +Hier handelen wij enkel over de Pastorale (Herdersdrama). + +De Renaissance-litteratuur was een reproductie van de Romeinsche +Letteren hoofdzakelijk, zelf navolging van Grieksche modellen. Ook +de Pastorale is van antieken bodem. THEOCRITUS (± 270 v. Chr.) had +den beurtzang der Siciliaansche Herders een plaats verschaft in de +Grieksche kunstpoëzie. Meestal dialoogsgewijze, schilderde hij daarin +Idyllen d.i. Tafereeltjes uit het leven van herders, van landlieden, +visschers en kleine burgers. Eerst naar den vorm, daarna ook omdat +de stof aan het leven der lagere standen ontleend was, heetten deze +Idyllen Bukolische poëzie (boukolos = herder). + +In de Litteratuur van Rome ging zij over. + +Omtrent 40 v. Chr. dichtte VERGILIUS een tiental Idyllen, die +bij de Romeinen weldra als "Eclogae" d.i. "Uitgelezen Gedichten" +bekend stonden. De term Ecloga kreeg zelfs de vaste beteekenis van +Idylle. Vergilius en Theocritus, zijn voorbeeld, onderscheiden zich +echter eigenaardig. Tijdens den laatste reeds was de bloeitijd der +Grieksche Letteren goed en wel voorbij. Maar, ondanks zijn liefde voor +de schildering van stille, rustige landschappen (Idylle VII, XXII) en +zijn teederheid, het sentimenteele kent hij niet. Zijn herders, zijn +burgervrouwen zijn niet meer of minder dan lieden uit het volk. Het is +hem om de werkelijkheid te doen. Hij wordt met eenig recht als Realist +geprezen. De samenleving te ontvluchten, daarvan is bij hem weinig +sprake. Aan de echtheid der herders van Vergilius moet éér getwijfeld +worden. Hij en zijn tijdgenooten hulden zich hier in een masker van +landelijken eenvoud. Tityrus (Idylle I), ook Menalcas (Idylle V, IX) +is de dichter-zelve. Er wordt niet herdersch, maar hoofsch gesproken; +over de aangelegenheden der voorname wereld niet zelden. Hier bekoort +ons het Realisme van den voorganger niet. VERGILIUS is de voorganger +dier latere dichters, welke hun eigen gewaarwordingen in den mond +van natuurmenschen leggen. + +Van den aanvang af heeft de Renaissance behagen geschept in de Ecloga +der Romeinen. Reeds de geleerden aan het hof van KAREL DEN GROOTE had +zij tot navolging uitgelokt. Nu werd zij een der meest geliefkoosde en +meest beoefende genres. Als Vergilius was de Renaissance hoofsch. En +juist dat mommespel, die Allegorie viel toenmaals in den smaak, werd +kunst bij uitnemendheid geacht. Zelfs de voorloopers van het nieuwe +geestesleven, waarin de middeleeuwen overgingen, hebben zich met de +Ecloga bezig gehouden; ook DANTE liet zich niet onbetuigd: met den naam +Tityrus treedt hij, over zijn Commedia handelend, in den herdersdialoog +op. PETRARCA († 1374) en BOCCACCIO († 1375) volgden. Het is merkwaardig +dat de realistische schrijver der Decamerone van zoo groote beteekenis +werd voor de verdere ontwikkeling der herderspoëzie. Boccaccio verbond +de Ecloga met het prozaverhaal. In zijn Ninfale d'Ameto schilderen +zeven Nymphen voor den jager Ameto de lotgevallen hunner liefde en +elk zingt haar Ecloga. Eigenaardig is het Platonisch karakter van dit +werk. De Nymphe Fiametta verpersoonlijkt er de Platonische liefde, +Ameto's ideaal. Herders echter zijn niet platonisch. Maar in de XVde +eeuw wijdde men zich, 't meest in Florentijnsche kringen en te Rome, +met ernst aan Plato's philosophie: zij tint ook de Litteratuur van +die dagen en later. De Eclogen van BENIVIENI en BONINSEGNI getuigen +ervan. Doch zuiverder dan elders wordt die boven 't louter zinnelijke +verheven liefde in SANNAZARO'S Arcadia van 1504 gevierd. Deze Arcadia, +navolging van Ameto, is het tweede meer uitgebreide prozawerk der +Herderslitteratuur en wellicht het volkomenste. Idyllische mono- +en dialogen besluiten zijn twaalf hoofdstukken. Sannazaro zelf +treedt er als Sincero in op, zijn geliefde Carmosina Bonifacia als +Amaranta. Groote vlijt is er aan de schildering van het landschap +besteed. Zestig drukken in honderd jaren spreken duidelijk van den +invloed dien de Arcadia, twee eeuwen lang, in Italië en daarbuiten, +op de Idyllische poëzie heeft uitgeoefend. Zij is een overgang tot +den Herdersroman geweest. + +Tegen het laatst der XVde eeuw begon het Bukolische drama. De +dialogische Ecloge was ietwat dramatisch. Een dramatisch tafereel +is Theocritus' XVde Idylle: De Syracusische vrouwen op het +Adonisfeest. Het ligt in den aard der zaak, dat de Herders het +tooneel eenmaal betreden zouden. De oudste bekende Pastorale is +POLIZIANO'S Orfeo ± 1480. Dat deze Orpheus tevens het eerste zangspel +is, is niet maar toevallig. Het Bukolisme was een uitvloeisel van +een hoogst subjectief gemoedsleven. De geheele Renaissance vertoont +een sterk individualistisch karakter. Daarom heeft zij, hoewel het +Epos als de hoogste kunst vereerend, toch geen eigenlijk Epos voort +kunnen brengen. En ook in het Drama is zij niet gelukkig geweest, +behalve--dat zij de vinder van twee nieuwe genres werd, beide lyrisch +en muzikaal van aard: de Opera en de Pastorale. Pastorale en Opera +nu vallen in hun oorsprong samen. Want de eerste Pastorale ± 1480 is +een soort Opera en de eerste Opera, RINUCCINI'S Dafne, 1597 is een +soort Pastorale: gedurende de XVIde eeuw was het Herdersspel een der +voorloopers van het Dramma per Musica. Opmerkelijk dat in Spanje de +eerste proef met muziek in het Drama genomen werd met LOPE DE VEGA'S +gedramatiseerde Ecloge Selva sin amor. + +In Orpheus speelt alleen het eerste bedrijf, een drietal kleine scenes, +tusschen herders. Slechts los samenhangend met de voorgestelde mythe +vormt het een spel op zichzelve,--deelt echter tevens zijn koloriet +mede aan het geheel. Van dit eenvoudig begin af, ziet men de fabel +steeds ingewikkelder worden. In de XVIde eeuw geraakte de Pastorale +tot zelfstandig bestaan en allengskens tot hooge volkomenheid. De +Poëzie vierde een harer schoonste triomphen in TORQUATO TASSO'S +Aminta, 1573. Minder poëtisch, maar als drama, indien al geen +volmaakt meesterstuk dan toch het beste wat de Bukolische Litteratuur +heeft opgeleverd, is GUARINI'S Il Pastor fido van 1583. Met groote +vrijmoedigheid gingen andere dichters bij Guarini en Tasso vrijbuiten: +vooral gedurende de XVIIde eeuw, toen de Herder zijn rol ijverig +bleef doorspelen. Geen geringe plaats beslaat dit drama in de +Letterkundige Geschiedenis van Italië [2]. Over 't algemeen vertoont +het eenzelfde karakter. Zijn oorsprong uit het gemoed verraadt +het niet alleen in menigvuldig Koorgezang, in Canzonen, Eclogen en +andere liederen: de taal in haar geheel is er muzikaal-lyrisch. Het +zijn valsche herders en valsche herderinnen: het hofleven is er naar +de vrije natuur verplaatst: de hoflieden met hun gewaarwordingen, +gedachten en overleggingen, met hun zeden, hun glanzende en blinkende +onzedelijkheid, hun epicuristische verfijning en onverholen zin voor +en in het naakte, kleeden er zich in het eenvoudige gewaad van den +herder. Tasso meldde in het werk zijner jeugd, zijn eigen edel, rein +hart [3], en toch herkent men bij hem van bedrijf tot bedrijf de sfeer +van het hof: ook hij was een kind van zijn tijd. Het allegorische +van Vergilius' Ecloge bleef bewaard. Niet slechts schildert Tasso +de omstreken van Ferrara. Sannazaro had zijne liefde in de Arcadia +beschreven. Dit persoonlijke, dat de groote aantrekkelijkheid van den +herdersroman der XVIde en XVIIde eeuw uitmaken zou, is ook eigen aan +Aminta en Il Pastor fido. Carino is Guarini; Tirsis Tasso zelve. En +toch was het Herdersspel een verheerlijking van dien Gouden Tijd, +waarvan de Oude Wereld gedroomd had: toen men vrijwillig, zonder +wet, het goede deed. Toch koos de Idyllendichter, zoo hij niet bij +Theocritus op Sicilië, of in Italië bleef, tot zijn tooneel veelal +dat oude landschap, bij de Grieken zelve vermaard om den eenvoud +zijner zeden: dat landschap zonder geschiedenis, zonder wetenschap +en zonder kunst behalve die der Muziek: Arkadië. + + + + +II. + +Overal elders in het litterarisch Europa werd in de XVIIde eeuw het +galante Herderdom door de hoogere standen met open armen ontvangen. Het +verhaal dezer ontvangst is even pikant als dwaas. Vorsten en +vorstinnen, gravinnen en graven vertoonden het Arkadisch bedrijf, +op groote schaal, in het leven-zelf. Doch in Nederland heeft het +Bukolisme niet tot bloei kunnen komen. Het was hier toenmaals +een tijd van groote kracht: de tijd onzer manlijke rijpheid: een +tijd van groote doeleinden, van durven en wagen. Wij stonden als +mannen in ons Kalvinisme: ook wij hadden onze zege's op Spitskop. De +natie was burgerlijk. Hecht was de grondslag van burgerlijke zeden, +waarop het gebouw der Zeven Provinciën verrees. In zijn Houwelick +(1625) heeft de veel gesmade, door slechts weinigen gekende CATS den +codex neergelegd van het toenmalig huisgezin: het huisgezin, dat de +maatschappij-zelve draagt. Een vonnis over Cats uit te spreken, is +de XVIIde eeuw, de natie in haar besten tijd veroordeelen [4]. De +samenleving nu, waar de wijsgeerige waarnemer zulk een wetboek +uit putten kon, is noch zat, noch sentimenteel geweest. Zatheid +en sentimenteelheid is willoosheid en verveling. Natuurlijke +gezondheid is handelende kracht. Al heeft echter de Herderspoëzie +bij ons niet willen tieren, toch neemt zij in onze Letteren een +plaats in: de Renaissanceletteren waren internationaal, ondanks hun +individualisme. Doch juist de geschiedenis der Bukolische Idylle te +onzent bewijst, dat de Idyllische stemming ons in het Gouden Tijdperk +vreemd was. Een Bukolische kleur draagt onze Litteratuur in de eerste +dertig jaren der XVIIIde eeuw: hoe weinig heeft zij toen voortgebracht, +dat, zich boven 't middelmatige verheffende, van genie getuigt, van +oorspronkelijk, persoonlijk leven. Vóór 1650 heeft de Italiaansche +smaak eigenlijk geen vat op onze dichters kunnen krijgen. Eerst in de +tweede helft der eeuw begon men zich er mee in te laten: het nationaal +karakter was toen aan het verzwakken. Zoo de Pastorale in de dagen van +krachtigen bloei zelfs door een van Vondel's uitstekendste gewrochten +vertegenwoordigd wordt,--de Leeuwendalers van 1647 is ook het meest +nationale en meest realistische zijner drama's: de onvervalschte +Pastorale echter is realistisch noch Hollandsch. En hoe was VONDEL +tot het plàn van zijn Landspel gekomen? De Pastorale was overal +elders ook allegorische Feest-vertooning geworden en een Landelijke +Allegorie leek den Dichter de beste vorm om, heugelijk, dramatisch +te vieren den vrede, die het glorierijk einde was van de rampzalige +en beroerlijke tijden waarin het burgerlijke en landelijke Nederland +zoolang gedompeld was geweest. Ook was RODENBURG er hem in voorgegaan +de Pastorale op vaderlandsche zaken toe te passen, en dat beide stukken +de personen en namen van Heereman en Vrederijck gemeen hebben, bewijst +voldoende, dat Vondel deze proefneming gekend heeft [5]. Heel iets +anders dan zijn landtooneel was ten jare 1634 de vertooning in KRUL'S +Amsterdamsche Muziekkamer: de tijdgenooten hebben op het Romantisch +Pastorel-Musgck-Spel. dat men hier opera-achtig opvoeren zag, weinig +of geen acht geslagen. Eigenaardige beteekenis heeft de Angeniet van +BREDERO, vijf jaren na zijn dood, in 1623 verschenen. Men mag dit stuk +een zónderling soort van Pastorale noemen,--een Pastorale is het. De +tegenstelling van oprechten eenvoud en verdorven beschaafdheid is er +het thema. Een ongelukkige liefde had den realistischen schilder van +het lagere volksleven indachtig gemaakt, hoe elders in Europa vele +dichters hun teleurstellingen, hun liefdesmart in herdersdrama en +herdersroman gewoon waren uit te klagen. Zoo stortte ook hij zijn +hart uit over de practische lieden die penningen boven degelijkheid +en talenten stellen, en geeselde er de ontrouwe coquette. Reeds +in 1617 had de Trouwen Batavier van Rodenburg het licht gezien. De +Leeuwendalers was ten deele aan Guarini's Pastor fido, voor een ander +deel aan Tasso's Aminta ontleend. De Batavier is een navolging van den +Pastor. Vondel's stuk echter speelt in Arcadië: Rodenburg kiest zijn +tooneel in Batavia en stelt den tijd in den tachtigjarigen oorlog, +omtrent 1595 kan men zeggen misschien. Wij vinden er ons in den Haag +en te Leiden verplaatst. Desniettemin is Heereman hoogepriester van +Diana en afstammeling van Hercules gelijk Zeegheer van God Pan. Het +is mogelijk dat de dichter (men kent hem er voor) de ongepolijste +klucht langs dezen weg wou tegenwerken. Dit was dan een misrekening: +het stuk is al te zonderling. + +Wij handelen nu niet over vertalingen van Herdersromans en van +Theocritus' en Vergilius' Eclogae, niet over HEEMSKERK'S didactische +Arcadia of over gedichten als HUYGHEN'S Uytlandige Herder, waarin +hij-zelve bespiegelingen over zijn vaderland houdt, noch over het +liedboek en de Herderszangen bij Heinsius, Hooft, Cats, Beaumont, +Starter, Vondel en anderen. 't Eene noch 't andere zou de stelling +omver stooten, dat onze Letteren in hun besten tijd alles behalve +Bukolisch geweest zijn. + +Als Cats' Pastorale van de Koningklijcke Harderin Aspasia wordt +meegeteld, dan ontbreekt op onze boedellijst, wellicht, nog slechts +de Granida. Zij is van 1605 maar werd in 1615 gedrukt, en juist dit +jaartal is voor ons betoog van belang. Granida is uit de jaren van +onze litterarische voorbereiding en wordt met recht een vrucht van +HOOFT'S liefde voor Italië genoemd. Rodenburg noemt den Batavier een +"zestien-jaren-verleden-tijd-verdrijf" en dit voert ons almede naar +het begin der eeuw terug: ook hij had vroegtijdig in het buitenland, +toen aan het Hof van Elizabeth in Engeland, verkeerd. Een kleine +halve eeuw ligt tusschen de Leeuwendalers en deze oefeningen. Wat +bracht Hooft echter tot de ùitgave van zijn stuk? Daarvan legt hij +rekenschap af in het in handschrift gebleven voorbericht [6], dat hij +er eerst aan toe had willen voegen. Buiten des auteurs weten had men +zijn Achilles en zijn Ariadne voor den dag gehaald en krielend van +fouten in 't licht gezonden. Hetzelfde lot dreigde het herdersspel. En +dit dwong hem "om te gedooghen, dat men 't liever wtgaeve soo slecht +als 't was, dan heel bedorven; hoe seer het hem ook tegens de borst +stiet". Zoo is het schijn, dat in 1615 het onnationale genre in den +smaak kwam. Of is het niet opmerkelijk dat juist vlak na Granida +Rodenburg zijn Batavier weer ter hand neemt en uitgeeft (1617), zijn +half-vergeten proeve [7], Bredero den Angeniet opzet [8] en in 1618 +de eerste vertaling eener Italiaansche Pastorale, door Mr. G. VAN DER +EEMBD verschijnt en wel juist van Guarini's Getrouwen Herder, waarmee +de Granida annex was [9], dien de Batavier nagevolgd had? In drie +jaren op eenmaal vier stukken. Tot 1647 duurt het dan niettemin met +Vondel's Landspel (Krul's stukken zal niemand hier mee laten doen): +men was dus niet voortgegaan op den ingeslagen weg. Alleen in 1646 +een tweede vertaling van den Pastor [10]: de vier nog volgende vallen +later, en met Tasso's Aminta duurde het tot 1660, later door nog drie +vertalingen gevolgd. Blijkbaar is Rodenburg door het voorbeeld van +Hooft indachtig geworden, dat ook hij nog iets in de lade had: hij +gaf gaarne uit. Beider voortbrengselen dateerden van een vroegeren +tijd en waren aan het verblijf der dichters in Italië en Engeland +te danken. Bredero liet zijn wraak weer varen en de uitvoering +van zijn plan verbleef aan zijn vriend Starter. Zijn Angeniet is +niet uit letterkundige liefde tot het genre-zelf ontstaan. [11] +En de Leeuwendalers? Wat Vondel op het denkbeeld bracht, hebben wij +aangeduid en zijn drama viel niet Italiaansch maar Hollandsch uit. + + + + +III. + +Het handschrift der Granida draagt den datum 1 Maart 1605. Om dit +vroege jaar moet het stuk met groote belangstelling worden begroet. Er +was toen eigenlijk nog geen Nieuw-nederlandsche Litteratuur; zij +verkeerde in hare voorbereiding. Geen der andere mannen van onze +Letteren kon nog toonen, wat hij worden zoude. Vondel was achttien, +Huygens nog geen negen jaar. Maar reeds had Hooft (geb. 1581) +zich gezet tot het bewerken van het eerste drama dat, los van +alle Rederijkerij, inderdaad modern mocht heeten. Hij opende de +toekomst van het drama. Reeds waren liederen uit zijn pen gevloeid, +die wedijveren met het beste dat eenig volk ooit gezien heeft. Het +Herdersspel moet nog voleindigd worden, als de dichter begint met zich +een gedenkteeken op te richten, duurzamer dan metaal: een gedenkteeken +van zijn vroege rijpheid en de manlijke kracht van zijn talent. Vóór +de Eeuw van FREDERIK HENDRIK daar was, had hij in zijn Lyrische Poëzie +al van het hoogste bereikt, dat de kunst daarna bereiken mocht: een +onwaardeerbare schat, waarin het vroegste waardig nevens het latere +prijkt. In zijn eerste gedichten gaf Hooft niet slechts beloften: +hij was van die weinigen, welken het, met veel stillen, ernstigen +geestesarbeid, gegund is zoo jong een meester te zijn. [12] + +Hoofts letterkundige arbeid onderscheidt zich eigenaardig en scherp, +ondanks wezenlijke punten van overeenkomst, niet enkel van Huygens, ook +van Vondel. Vondel en Huygens, ook Cats in een aantal opzichten, zijn +vertegenwoordigers van de nieuwe beschaving die op de middeleeuwen +gevolgd is en in Italië begon, voortgekomen ten deele uit de +herleving van de Klassieke Litteratuur en haar geest. De Nederlandsche +Letteren der XVIIde eeuw zijn in veel opzichten echt nationaal. De +ijverig Katholieke Vondel en de gematigd Calvinistische Huygens zijn +noch Italiaansch, noch copieën van de Ouden. Het is Nederlandsche +Renaissance. Maar Hooft heeft een kleine Litteratuur opzich-zelve +voortgebracht. Daarin uit zich een gemoeds- en geestesleven, +dat veelszins vreemd was aan de natie. Hooft alleen geeft ons een +denkbeeld van de Italiaansche Renaissance, van een Renaissance tevens, +die in veel wezenlijk Antiek is. [13] Hij is, hoezeer tegelijkertijd +een degelijke Hollander, een type van een Renaissancemensch; bijna, +denkend aan de ondegelijkheid van zijn zuidelijke geestverwanten, +zeiden wij: een model--om zich aan te spiegelen. Het is, in zijn +algemeen Humanisme, symbolisch voor hem, dat hij, zoomin als zijn +vader, tot een kerkelijke gemeenschap behoord heeft. Het Calvinisme +noch de Schrift, als levensboek, trok hem aan. Hij gevoelde zich beter +thuis in het gezelschap van Petrarca en Ronsard. Hij was minstens +even zedelijk als wij; voor 't overige had hij Italië lief en was op +zijn wijze Italiaansch. Dit was hij zonder tegen zijn natuur in te +gaan. Hij deed dit ook niet in zijn geschriften. Hij bootste niet +na. Het Zuiden heeft hem aan zichzelf ontdekt, hem opgewekt, hem +sterk gemaakt en gevormd. Ook aan Frankrijk heeft hij verplichtingen, +maar in de Italiaansche Letterkunde zag hij het ideaal bereikt--een +Letterkunde de Oudheid waardig gesticht in de taal van de eigen +natie. Italië was zijn eigenlijke school. [14] + +Het is Hooft, die te onzent, gelijk het in Italië geschied was, naar +de modellen der Oudheid, een nieuwe Geschiedbeschrijving toepast, +die de schoonheid met de waarheid vereenigen wil en pragmatischen +samenhang verlangt. Latijnsche schrijvers hadden op uitstekende +wijze den Brief beoefend. De eerste geesten van Italië vatten die +Epistolographie wederom ijverig op. Hooft is het, die bij ons, +met hen, zijn Hollandsche brieven den eisch stelt van kunstwerken +te zijn. Als de Renaissancemannen van den goeden tijd streeft hij +bovenal naar de preciese en aanschouwelijke voorstelling zijner +gedachten en gewaarwordingen. Hem spreekt het van zelf, dat zijn +Lied, als zijn Sonnet, rijk van gedachte moet zijn en de eenheid +van aanschouwelijkheid en juistheid de schoonheid-zelve is. Al zijn +Lyrische poëzie verraadt de edele eerzucht van den geroepen kunstenaar, +die scheppen wilde, en scheppen kon. + +Maar, zooals aan den vorm, ook aan den geest van zijn minnedicht heeft +Italië deel,--ook van zijne geschriften in 't algemeen. Wat hij met +de leermeesteressse gemeen heeft, onteert hem gelukkig niet en bewijst +zijn soliditeit en zijn zelfstandig en stoutmoedig oordeel. Het maakt +tevens dat lieden van moderne denkwijze hem verstaan en behagen in +zijn omgang scheppen. Hij is zoo sceptisch aangaande de verhouding der +onzienlijke en zienlijke dingen, dat men met recht beweren mag: Hooft +is strikt genomen geen "Christen" geweest. De macht die het zichtbaar +beloop van het aardsche regeert of stuurt, noemt hij bij voorkeur +"Geluk", "Fortuin". Met de Oude Godheden, die hij in zijn gedichten +zoo natuurlijk huldigt alsof het zijn voorouderlijke godheden waren, +is ook de Antieke Fortuna tot hem ingekeerd. Maar de Ouden bracht +zij veelal heil en zegen. Hooft stelt haar vaker als de vijandin der +menschheid voor: de Grieksche Moira heeft den Romeinschen naam bij hem +aangenomen. Het onverbiddelijk Determinisme, dat Hooft later belijdt, +is buiten kijf reeds van ouden datum bij hem. Al met zijn eerste +Latijn en Grieksch had hij het ingezogen. Het laat zich van vroeg af +wel vermoeden, dat dit philosophisch hoofd eenmaal weigeren zal de +noodwendigheid van al wat is, oordeel Gods in Christelijken zin te +noemen. Fransche philosophie werkte er krachtig toe mee. Prediken doet +hij zijn: "Wat weet ik?" niet. Het gevoelen dat de maatschappij met +onchristelijken twijfel gebaat zou zijn, is hij niet toegedaan. Hij +acht het nergens dienstig toe, er de rust van zijn kalm leven mee te +verstoren. Ieder mag op eigen manier zalig worden. Geen belijdenis +sluit het goede uit en dit vindt hij veel. Een goede Katholiek is +niet slechts. Hooft is indifferent: niet tegen den godsdienst is hij, +maar zelf (behoudens zijn eerbied voor het mysterie dat hem omgeeft +en zijn vereering van het Goede), zonder uitgewerkt geloof en vurige +aanbidding. Verdraagzaamheid vloeit hier uit voort. Niet Vondel's +Roomsch-zijn, maar zijn onnationale gevolgtrekkingen in 't politieke +veroorzaakten een omkeer in de gezindheid van den Drost. Doch--ook +Vondel's ijveren was hem tegen de borst. Hij was niet vrij van Egoïsme, +hij was verzot op het aangename, hij was Epicuristisch van aanleg en +door studie. Het ideaal van een verstandig man achtte hij in volkomen +rust gelegen. In zijn jeugd mag hij dit wel reeds van zijn ouden vriend +Hendrik Spieghel vernomen hebben, en geen van beiden heeft Epicurus +schande aangedaan. Noch in overvloed en rijkdom, noch in eer en macht +stelt hij zijn geluk. Alle zinlijke genoegens en genietingen bemint +hij, maar nadrukkelijk waarschuwt hij zich-zelven en anderen voor +het Te Veel. Geestelijk genot gaat boven alles. En de middelen, die +ons de vriendschap der gelijken en het goede aandenken der minderen +verwerven, zijn, met een wel ingericht huis, onder de voorwaarden +eener eerlijke gemoedsrust. Hij voor zich rekent nog een uitnemend +echtgenoot daartoe.--Zijne denkbeelden over de Liefde zijn niet minder +karakteristiek dan zijn vrije blik op de wereld. De Renaissance had +over de Alpen een hoogeren stand in het leven geroepen, die zich, +anders dan in de Middeleeuwen, door schitterende geestesbeschaving ver +boven het gros verheven mocht rekenen. Zij had er de vrouw uit haar +staat van afzondering en onmondigheid ontslagen, om haar voortaan te +doen huldigen als richteres en handhaafster der schoone vormen. Hooft +wederom zou zich op het Muiderslot de verfijning en veredeling +van het gezellige leven ter harte nemen en van den beginne af ziet +men hem boven het achtenswaardig Vaderlandsch Realisme verheven, +dat in de wederhelft weinig meer dan de beminlijke moeder der +kinderen en de aangename bestierster der huishouding behoeft. Want +den vierentwintig-jarigen dichter van Granida was dit te weinig. In +Florence had hij de kunst der Galanterie geleerd en zij was meer bij +hem dan vernissen van in hartelijkheid of reinheid te kort schietende +gezindheid en neiging. Zoo er conventie en manier in steekt, zij staan +hier in dienst der echte poëzie. De uitheemsche taal der vereering +werd hem het natuurlijke middel om zijn eigen vereering van de begaafde +vrouw te uiten: bewonderenswaardig is de gemakkelijkheid waarmede hij +zich deze taal heeft eigen gemaakt. Hij aanbidt in de Geliefde de +Bella Donna der Italiaansche sonnetisten: het volkomene Ideaal der +Goedheid in Schoonheid zichtbaar geworden, de zuiverste openbaring +van het Goddelijke. Ongeveinsd is zijn deelnemen aan hun eeredienst +van het Hoogste Schoon, waarin de stoffelijke vorm zinnebeeld is +van koninklijke eigenschappen. Uit echte verwondering komt zijn +religieus-getinte natuurverheerlijking voort, maar het is voor zijn +"Vrouw" dat de vergode Zon schijnt. Ongedwongen neemt zijn spreken +den toon aan van het gebed, wanneer hij haar Godin noemt en knielt +voor haar altaar. Alle kleinheid en zwakheid is haar vreemd. Zij +vereenigt goedheid met waardigheid, met beraden wijsheid teedere +lieflijkheid. Heilig zijn haar leden, heilig de gunsten die zij uit +Goddelijke genade schenkt. Zoo Platonisch is Hooft wel niet, dat hij +het zinlijke minacht. Integendeel. Maar hij wil geadelde zinlijkheid, +die, wortelend in de betrekking der geslachten, uitloopt in Ideale +Vriendschap: + + + Het lijf-omhelsen moet bij 't sielvermengen swichten; + Voor overst ken jck Liefd', acht Mins vermeugen cleen. [15] + + +Men heeft Hooft, in zijn Minneliederen, van onhartelijkheid en +gebrek aan hartstocht beschuldigd. Niemand echter die op de bepaalde +en juiste uitdrukking zijner denkbeelden en op de vastheid zijner +gevoelens let, met onverzwakten nadruk telkens weer uitgesproken, +zal van onnatuur en onwaarheid spreken. In hooge mate bezat de dichter +de gave der waardeering en het is niet te ontkennen, dat zijn verzen +de zeer persoonlijke uiting zijn eener oprechte bewondering van het +vrouwenkarakter. + + +Had de auteur der Granida van 1605 ons zijn naam onthouden, wij zouden +dien zonder mistasten bepalen. Zelfs met den datum stonden wij niet +verlegen. Duidelijk draagt het werk den stempel van zijn talent. Wij +kennen hem aan zijn taal. En ondersteld dat Hooft een vreemd drama +navolgde,--er ware grond voor het vermoeden, dat het den invloed van +zijn eigen denken heeft ondergaan. Bleek het dat die invloed minder +sterk was dan men geneigd was te onderstellen.--de keuze zou getuigenis +van den vertaler afleggen. Zoo al de overeenkomst van ideeën tusschen +Hooft's Liederen en zijn herdersspel nog niet de oorspronkelijkheid +van het laatste kon bewijzen, uit den klauw zouden wij den leeuw toch +kennen. Met zekerheid zouden wij zeggen: dit drama moet uit dien +tijd dagteekenen, naar luid van zijn taal; van die taal de kracht +nog daargelaten, van die liederen het accent niet eens meegerekend, +kan niemand dan Hooft toenmaals zich met zooveel ingenomenheid +en zoo gelukkigen uitslag aan de overbrenging hebben gezet. Een +toevalligerwijze niet, had de zanger van Weet yemant beter saus als +honger tot de spijsen [16] zijn hand dan op Granida gelegd. Het was +voorkeur--en dit te gevoelen is een voorwaarde van genieten. De kenner +van Hooft's Liederen vindt in zijn Pastorale een bekoring meer, die +anderen moeten missen. Hij ontmoet er den wijsgeerigen minnezanger +in levenden lijve. Het geestig pleidooi voor de rechten der jeugd +herinnert hem aan de Ritornelles voor Diana. [17] Galathea uit het +lied Vluchtige Nimph [18] heeft in Granida haar naam met Dorilea +verwisseld; in den dialoog voor Ida Quekel [19], heet zij Amaryllis en +koestert tegen Cephalus (d. i. Hooft--Daifilo niet ongelijk) hetzelfde +wantrouwen reeds. De Epicuristische leer van 't vergenoegen, met woord +en daad door de princes gepredikt, die lage rust boven verdrietige +hoogheid kiest, brengt ons telkens het aantrekkelijk gedicht op den +rijkdom [20] te binnen, waarvan het Herdersspel soms de illustratie wel +schijnt. Hooft's fijne zinnelijkheid schijnt in de Reien der Iofferen, +van de twee eerste bedrijven, door te stralen. Onmiskenbaar is in +Granida ook zijn natuurzin. [21] Zelfs de tegenstelling van Kunst en +Natuur ontbreekt er niet. [22] Dat de blinde Fortuin er een eerste +viool speelt, heeft de dichter ongetwijfeld in orde gevonden. De +philosophie over den Staat [23] komt hem die Geeraerdt van Velsen +(1612 of 1613) of Baeto (1616 en 1617) heeft gelezen, niet vreemd voor: +daar vond hij ook de tyrannenhaat van den Republikein uitgesproken +en zijn opvatting van de taak der vorsten. [24] Eindelijk is in +Granida als in de Liederen als in den Baeto de liefde een de geheele +schepping doodringende, levenwekkende macht, [25] die in den mensch +zich met het edelst menschelijke verbindt en hem tot dienaar van het +Schoone bestemt. Beide Daifilo en Pieter Cornelisz. klimmen op van de +begeerlijkheid die schoonheids lichaam meer dan lichaams schoonheid +mint, tot vereering van vorstelijke vrouwendeugd. [26] + +Ondanks al deze overeenstemming zou men toch kunnen probeeren, het +waarschijnlijk te maken, dat Hooft niet de oorspronkelijke auteur +van Granida is. Laten we het drama op den keper beschouwen. Niet de +stelling dat alle menschen voor de rechtbank der Liefde gelijk zijn +[27], maar de tegenstelling van Natuur en Onnatuur is er het thema. En +dit thema wordt er in behandeld op een wijze, wordt er zoodanig +in veraanschouwelijkt, als wij het nauwelijks van Hooft verwachten +kunnen. Hem kan men de wijsgeerige gedachte, die aan het geheel ten +grondslag ligt, niet toeëigenen: in de samenleving van Italië is zij +opgekomen en was zij thuis; welk alleenloopend pessimist haar in de +Hollandsche maatschappij gevoed mag hebben, Hooft zoomin als Cats, +zoomin als Vondel of Huygens. Dit on-Hollandsche goed in 't oog +vattende, ziet men het stuk in belangrijkheid verdubbelen. + +Wat wordt er in Granida geschilderd? Een door en door bedorven +aristocratie; een wereld, voor het oog nog pralend en pronkend, +maar kracht- en vreugdeloos in al de zedelijke verdorvenheid +en de ellende van haar ijdel, nietig bestaan. Te midden van deze +samenleving, die heden nog staat, doch morgen in elkaar zal storten, +treedt een dichter voor ons op, die naar bevrijding smacht, een +pessimistisch dichter, die met de kracht der verontwaardiging den +geesel zwaait. Zonder verschooning ontdekt hij de leugen waarop het +wankelend gebouw rust. Zonder verschooning legt hij de innerlijke +tweespalt bloot van dit leven zonder God noch gebod. Geen kunst +vermag de ledige plaats te vervullen, nu natuur en eenvoud geweken, +verjaagd zijn. Een minnelijk gelaat is het masker van een hart vol +haat en nijd. Valschheid regeert hier. Geweken en verjaagd zijn +alle menschelijke deugden. Er is godsvrucht noch vriendschap meer, +oprechtheid noch trouw. Waar is de vergenoegde levenslust? Zoo zang +en muziek nog weerklinken, het is niet van vreugde. In den roes van +het vermaak, zoekt men zijn verdriet te vergeten,--vergeefs: + + + Wat 's al des werelts lust + Als 't hart niet is gherust? + + +Men vergete niet dat de Hoveling hier een gansche aristocratie +met haar aanhang omvat. Het Pessimisme van den dichter gaat +verder. Maatschappelijke ontevredenheid kwelt hem. De geheele wereld is +slecht; zij ligt geheel in het Booze, zonder goddelijke ordening. Men +spreekt van recht en van wet, doch is dit rechtvaardigheid, is dit +orde, dat de slechtaard in overvloed zwelgt en de deugdzame zich moet +behelpen, gebrek lijdt? Aan allen gemeenschappelijk heeft de Natuur +de aarde als een erfgoed nagelaten. + + + O rechten sonder reên! o wetten sonder weten! + + +De boosheid en snoodheid der menschen hebben u voortgebracht! Een +blind en redeloos toeval beschikt over u. Er is een tijd geweest, +de dagen van het menschdom in zijn vroege jeugd, dat niemand veel +en niemand weinig, dat ieder zijn toereikend deel had. Wat wist men +toen van recht en wet? Toen kende men geen eigendom, men kende dienen +noch gebieden. Alles was allen gemeen. O, was een lust naar meer dan +nooddruft, de winzucht niet ontwaakt! De gemeenschap werd verbroken: +het eigendom, de diefstal kwam. Recht en wet gingen in haar gevolg: +noodzakelijk kwaad helaas! om boozer te verhoeden [28]. + +Het is een gewoon verschijnsel, dat beschouwingen als deze opkomen in +tijden als het Italië der XVIde eeuw beleefde. De verbeelding vormt +zich een tegenbeeld van het bestaande. Uit een dichterlijk brein +rijst een Utopia, een Nergenshuizen, bevolkt met ideale wezens, +die de verpersoonlijking zijn van 't geen de dichter als goed en +heilig vereert, van zijn wenschen en verlangens. Hij droomt van de +voorbijgevloden eeuw, + + + Doen 's werelts kindtsheyt soet niet deed, dan sliep of loech, [29] + + +toen de Natuur-zelve, met volmaakte wijsheid de menschelijke behoeften +bepaalde en ieder haar in ongestoorde gelukzaligheid volgde. Hij +gelooft in een heilige menschheid, onbesmet van misdaad, rein van +leven, die oorlogswapenen noch straffen kende; in een eeuwigen vrede, +waarin eer- noch hebzucht op het leed van den naaste peinsde en de +koningen als wijze patriarchen slechts herders hunner volken waren. De +Renaissance had deze voorstellingen aan de mythologie en de poëzie +der Oudheid ontleend. Ook elders in Europa aanvaardde men ze als +geboekstaafde geschiedenis: de verhalen der Heilige Schrift werkten +tot hun aannemelijkheid mede. In Italië was het, dat deze phantasieën +deel gingen uitmaken van het innerlijk leven; poëtische gemoederen, +die de werkelijkheid afstootte, spraken er van als van een Verloren +Paradijs, waartoe men terug moest. + +Zoo ook de dichter van Granida. Hij schept nieuwe menschen. In +overeenstemming met zijn tijd, is hem de herder en de herdersstand de +vertegenwoordiger van den oorspronkelijken "staat der Rechtheid". Die +oude volken waren herdersvolken geweest: het land, niet de woelige +steden, het tooneel huns levens. Blijde leefden zij als aan den boezem +der groote, onveranderlijke Moeder Natuur, die steeds is die zij is +en in schoonheid en onuitputtelijke goedheid zich openbaart. Maar +de enkele persoon van Daifilo stelt des dichters Moraal nog niet +voldoende in 't licht. Ook Granida is een belichaming van zijn +Ideaal. Ook de Koning en Tisiphernes. Hij wil zijn tijdgenooten +een spiegel voorhouden: zijn drama is half ontboezeming, half +tendensstuk. Hij heeft een gewichtige waarheid, méér dan eene, te +prediken. Doch hij spreekt tot dikke ooren en verharde harten. Hij +roept de kunst te hulpe en plaatst de onbekeerlijken voor het +levende toonbeeld. Hij overdrijft zelfs en vervalt tot de caricatuur, +gelijk dit zoo dikwijls gebeurt met hem die de kunst in dienst der +leering stelt. Typen te schilderen is zijn doel en dit is hem al te +goed gelukt. Typen waarvan? Van oprechte vriendschap en Godsvrucht, +van onbevlekte trouw en oprechtheid, van veilige onnoozelheid, van +koninklijke zachtmoedigheid [30]: van die deugden, welke de voorwaarden +van een aangenaam menschelijk samenleven zijn en door de toongevende +hoogere menschheid als uitingen van bekrompen kleinzieligheid worden +veracht. Tegenover het Hof staat Tisiphernes, staat de Koning-zelve, +staat naast Daifilo Granida-zelve. Niet met den Herder kon de +Hoveling zich meten, alleen met zijn gelijke Tisiphernes; de vorst +en de prinses der werkelijkheid alleen met den Koning en zijn dochter. + +Als de Renaissanceletteren in 't algemeen, als de Pastorale in 't +bijzonder, is Granida door en door Hoflitteratuur. Men bemerkt niet, +dat er buiten het Hof en de verdichte herders nog een volk is. Dit +is door de herders vervangen: doch toonbaar gemaakt, geschikt om +op de hoftheaters te figureeren; of, het wordt slechts nominaal, +zonder nadere aanduiding vermeld. En evenwel is dit herdersspel een +vorstenspiegel. Nooit is in Europa de vrijheid en het recht van den +onderdaan zoo menschonteerend met voeten getreden als toenmaals in +de Italiaansche staten. De schandelijkste tyrannie gaf het land +aan de meest gewetenlooze politiek prijs. Italië was een chaos, +ééne zee van onbeschrijflijke verwarring: het was de schuld van +haar vorsten. Alles scheen overgeleverd aan een booze macht, aan de +woeste Fortuin als aan den Tyran der Tyrannen. Die Fortuin heet de +dichter: Geluk! het speelzieke, het redelooze en blinde, het dolle, +bulderende Geluk! De vorsten zijn haar speelballen en zij vervolgt +zelfs den geringe. Wel krijgt men in Granida, evenals bij de Ouden, nù +den indruk dat de Goden en het Geluk samen regeeren, dan weer dat zij +afhankelijk zijn, óf het Geluk van de Goden, óf de Goden van het Geluk, +maar het is toch wel zeker dat de maker meer de Bulderende gevreesd +dan op de Onsterfelijken vertrouwd heeft. Ostrobas is de Tyran: de +Coningh is de monarch van echt koninklijke roeping, dien de dichter +tegenover hem stelt, de dienaar van zijn volk. [31] De overdrijving +in de karakteristiek des eenen is de satire, de onwaarheid in die des +anderen is de tendens. De zachtmoedigheid, het geheele stuk door als +vorstelijke eigenschap bij uitnemendheid geprezen, moet in den koning +het toppunt bereiken: wreedheid kenmerkte de Italiaansche grooten. Ook +is hij het type van vroomheid; met het gebed en den deemoed van een +Christelijken Job, draagt hij zijn lot, als de troost van zijn ouderdom +hem ontnomen is, en blijmoedig ontvangt hij den schoonzoon, die de wil +der Goden hem toezendt [32]. Zeg niet, dat hij een idioot is: hij is +de goedheid-zelve. In Daifilo heeft hij den natuurmensch zonder ondeugd +ontdekt, dien hij-zelf ook voorstelt. Hij is het eens met de Voedster, +dat een edel hart alle andere edele harten beminnen moet [33]; hij +vraagt wat de mensch is, niet naar zijn afkomst en zijn bezittingen: + + + Dàts Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren. [34] + + +Geheel anders dan de Koning, braveert en tergt Ostrobas, de goddelooze +geweldenaar, den nijd der Fortuin. [35] Hij is een verachter der +Godheid. In zijn verwaten snorken (de geïdealiseerde Pyrgopolinices +uit het blijspel van PLAUTUS) [36] verraadt zich de grenzenlooze +ijdelheid van de menschen der Renaissance. Daifilo (die als een edel +ridder de Goden vóór den strijd aanroept, wien zijn ideale liefde +krachten verleent), is in zijn rustigen moed de aangewezen man om +hem te vernederen: David en Goliath. [37] + +Tegenstelling van den Parth is ook Tisiphernes. Hij is de Coningh +dertig jaar jonger. Al de deugden die onze auteur tevergeefs in zijn +tijd zoekt, heeft hij in hem willen doen schitteren. Tisiphernes +is de menseh, in wien geen bedrog gevonden wordt. Ridderlijke en +menschelijke volkomenheid hebben elkander in hem ontmoet en de +bescheidenheid is toegetreden. Ondanks zijn heldendaden is hij de +zachtzinnigste aller stervelingen. Zijn vijanden vergeeft hij. [38] De +Renaissance leed aan manlijke ondeugden. De reactie vertoont zich in +Tisiphernes' vrouwenaard. De diepe smart waarin zijn verloren liefde +hem dompelt, de melancholie van zijn "peinsachtig gemoed" misstaan +hem niet. Als de toedracht van het verdwijnen der bruid bekend wordt, +onderwerpt hij zich met gelijke Christelijke gevoelens als de Koning +[39], en doorstaat koninklijk mild de proef van het Noblesse oblige: +hij zal niet scheiden het echtste paar. Zijn droefheid duurt voort, +maar hij zal het gewis ondervinden: + + + Wie sal u deese deucht loonen, als uw ghemoedt? + Dat sal u lof en loon nae deuchts waardije geven. [40] + + +"Recht Prinselijk, edel bloed!" roept Granida en daarmede spreekt +zij de meening des dichters uit. + +Granida en Daifilo! Met de beschaafde vrouwen van het tijdvak dat +het herdersspel zag geboren worden, behoort de Princes tot de sekte +der geëmancipeerden. Zij doet haar zin en bekommert zich niet om het +oordeel der wereld. Zij is het kind eener eeuw, die met de overlevering +heeft gebroken en ieder het recht geeft, op eigen hand naar het nieuwe +te zoeken. Granida weet, wat vooroordeelen zijn, hun aard en oorsprong: + + + Dat inghesoghen waen, die 't merch en 't hart soo naer leyt, + Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant, + Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt, + Die de natuyre prent in 't redelijck verstandt. [41] + + +Zij beroept zich op de natuur. Hare natuur echter eischt geen +afschaffing van den ernst des levens, zij ziet een lager en een hooger +leven en kiest het hoogere. Zij is, idealistisch, de wijsgeerige +overtuigingen van haar vader, van Tisiphernes,--van den schrijver +toegedaan. In den oorspronkelijken aanleg des menschen erkent zij een +onbedriegelijk onderscheidingsvermogen voor waar en onwaar, goed en +slecht. Klare, naakte waarheid is het, dat het geluk niet in de hoogte +gezocht moet worden. O, schijn in goud en zijde gehuld! Slavernij +die heerschappij en heerlijkheid heet! [42] Ontbering is overvloed, +van 't alleronontbeerlijkste! [43] Wat weet de Herder van "'t gezwind +ramps overrompelen", van het speelzieke Geluk, dat met vorstengrootheid +lacht? [44] Granida's scherp oordeel hangt een welsprekend tafereel +van het hofleven op. Met de aangenaamste kleuren maalt haar gevoelig +hart de zaligheid van het herdersbestaan [45]. Reeds lang heeft de +lezer opgemerkt, welk een overeenkomst er is tusschen de ideeën die +het thema van Hooft's Pastorale blijken en de denkbeelden die zich +in de achttiende eeuw in Rousseau concentreerden. Gij verwondert u +niet meer de stelling te vernemen: + + + 'K en acht geen beuseling van onderscheyd der stammen, [46] + De deucht maeckt eedel. [47] + + +Gij hoort haar uit den mond van 's Konings dochter. De Princessen +van vleesch en bloed hebben zoo niet gedacht. De dichter schept ze +als een hoogere werkelijkheid: vermaning en voorbeeld! Hier staan +wij nu midden in de nieuwe, ideale wereld. Leg haar niet aan, den +maatstaf van mogelijkheid waarmee wij gewoon zijn te meten. Hier is +het natuurlijk, dat een "groote Coninginne", aan de inspraak des +harten gehoor gevend, als de stem van een zèkere leidsvrouw, haar +staat verwisselt en Harderinne wordt. Het is hier niet ongerijmd, +dat de koning den herder, die om harentwille den prinselijken staat +dien men hem aanbiedt, weigert, aanneemt als pair. Tisiphernes, +die hem zijn landen òverlaat, behoort inderdaad tot deze wereld. + +Die beweert, dat Granida zich in haar keus bedriegen zal, vergist +zich. Daifilo zal een voortreffelijk vorst zijn en als echtgenoot +de hooggestemde verwachtingen der gade niet teleurstellen. Zij zijn +waarlijk de schoonste tempels die de Liefde zich verkiezen kon, +om zijn heerlijkheid te ontvouwen. [48] Wederom heeft de dichter +zijne opvatting der betrekking van man en vrouw in de Pastorale +veraanschouwelijkt. Die opvatting maakt niet slechts deel uit van +het stelsel zijner gedachten--zij kroont het; zonder haar is het meer +dan onvolledig,--het is onvoltooid. Goed komt de mensch uit de hand +des Scheppers, doch hij is nog niet wat hij worden zal. Hij is het +in beginsel, maar hij moet worden òpgevoed, gròòt gebracht. Zoo hij +gelukkig kan zijn in de betamelijke voldoening zijner begeerten,--er is +zaligheid voor hem weggelegd in de kennis en het genot der Goddelijke +Schoonheid. De Liefde nu is in ons drama de paedagogische kracht, die +opleidt tot het Hoogste. Zij is er niet vleeschelijke begeerlijkheid, +maar de onzelfzuchtige drang, met het Schoone en Goddelijke zich te +vereenigen en één te zijn. Het is er mede als in den Godsdienst met +de Liefde tot God. Als Daifilo door de stralen der Goedheid en der +Schoonheid is getroffen, dan heeft er een plotselinge ommekeer plaats: +hij ontdekt zich-zelven, de herderlijke deugden verdwijnen niet, +maar met hen ontwikkelt zich de geheele rijkdom van zijn aanleg; +dan openbaart het zich, dat hij Koning geboren is. Over geheel zijn +zieleleven heerscht Granida. Voortaan wijdt hij zich aan den dienst +van het Ideaal. In mystieke Platonische termen wordt deze verandering, +het nieuwe leven en die eenheid uitgedrukt. [49] Het is een overgang +van duisternis tot het licht, van droombeeld en afschaduwing tot +aanschouwen. Het is een opgeven van zich-zelven, een versmelten, +een opgaan van den een in den ander, mogelijk door de verwantschap +der zielen: verwantschap die werkt in den geheimzinnigen trek die hen +tezamenvoegt, in het zekere vinden, het snelle kennen: zeker en snel +als een herkenning: + + + Recht of die sielen met elckander onderlinghen + Ghepaert hadden gheweest, al eer zij lijf [50] ontfinghen. [51] + + +In dit soort taal heeft men in de XVde en XVIde eeuw in het Zuiden +tot de vrouwen gesproken, òf om edele voorstellingen en gevoelens +in passende vormen te hullen, òf om galant en verheven te zijn. Van +Daifilo gelooft Granida, moeten ook wij gelooven, dat zijn verhevenheid +niet volslagen zinledig is, en haar offervaardigheid, zonder haar +schande aan te doen, de zijne evenaren mag. [52] + +Wij hebben thans het thema onzer Pastorale uiteengezet. Doch, nog +van een andere zijde eischt zij toelichting. Negatief hebben wij +den tijd van haar ontstaan gezien. Ook het positieve beeld ontbreekt +niet; wij gaan het opmaken uit de handelingen der personen. Is zijn +omgeving zóó verdorven geweest, hoe zal de auteur zichzelven onbesmet +bewaard hebben! De Renaissance was bodemloos subjectief. Er was geen +bewustzijn van goed en kwaad. Genot en bevrediging der ijdelheid +stonden aan het einde van alle streven. Zijn doel te bereiken was +deugd. Hieraan toetste men de waarde van doen en laten, aan géén +zedelijk beginsel. Evenzeer subjectief en gevaarlijk echter, hoewel +dan in tegengestelde richting werkend, was de leer der "Klare, naakte +waarheid, door de Natuur in 't redelijk verstand geprent". Tasso sprak +haar uit met het woord: Wat behaagt is geoorloofd, [53] en dit is de +zin van den leefregel waarom de Rey van Iofferen de Nymphen benijdt in +het eerste bedrijf van Granida: "Ons lusten is ons als een wet". [54] +Doch wijsgeeren hebben geoordeeld, dat de verwezenlijking van dezen +droom de eindpaal der geschiedenis is en Daifilo en Granida, als +anticipatie's van deze toekomst, hebben den strijd van lust en plicht +niet gekend. Met wat zekerheid besluiten zij, voor de gewichtigste +beslissing. Zwakheid mag de Princes, de overweging van haar best +den Herder een oogenblik hebben doen aarzelen,--geen twijfel aan +de wettigheid hunner keuze. Zij is wettig, want--het hart beveelt; +anders: "als het meest gegrondt in reden." [55] Op zich-zelve, moet de +lezer, met hen, de schaking van hun standpunt billijken. Evenwel,--de +schaakpartij is, als zedelijk feit, zeer samengesteld. Laten wij +kortweg vragen: bevalt u die herder? Het antwoord mag als "bekend" +verondersteld worden. Vanwaar dat wij tusschen ons en Daifilo geen +gemeenschap wenschen, terwijl wij hem toch voor den edelsten en +beminlijksten der menschen dienen te nemen? Er steekt in Daifilo, +behalve de edelste en beminlijkste der menschen, nog iemand anders: +hij weet het zelf niet, hij zou zich ontzetten, wanneer hij het wist, +en toch, hij is een gewetenlooze schelm, een geveinsde huichelaar en +verrader. Of is hij het niet? Want voor hem, voor Granida, valt het +verbrijzelen van het ouderhart, valt het verderven van het levensgeluk +van een edelen Tisiphernes, valt hem verraden niet onder de zedelijke +beoordeeling. Zij kunnen niet dan goed zijn. Hem en haar mag men het +niet aanwrijven: wel weten ze dat zij leed berokkenen: zoo dit in +tegenspraak is met hun aangeboren goedheid, deze ongerijmde schepselen +hebben zich-zelve niet gemaakt, het is de schuld van hun Schepper, den +dichter. Hun Schepper drage de schuld. Hij is de schelm: het kind van +zijn tijd. Hij laat de Voester, in wijsheid en deugd grijs geworden, +liegen en bedriegen en de Goden onteeren. Hij emancipeert Granida van +haar onbesproken dochterliefde. Het is prijselijke voorzichtigheid, +die aan Daifilo de woorden in den mond legt: + + + Liefde ghy haer, mijn Heer, 't geen dat u is gheschiedt, + Soud u, om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet. + + +Dat hij met deze verzekering in de waarheid blijft, eert Tisiphernes +zelf. Immers de waarheid van dit zeggen wordt door den afloop +bewezen. En toch blikt ons de listige reservatio mentalis [56] +van een verraderlijke politiek hier aan. In de verantwoording van +het ontdekte paar tegenover den bedrogene, ontdekt men zelfs geen +flauw besef van schuld, geen spoor van berouw. [57] De wraak wordt er +volmondig als een natuurlijk recht erkend, de gedachte aan zedelijke +schuld komt bij geen der partijen op. Dit kan niet door den beugel. Men +vergrijpt zich echter, met het op hun kerfstok te schrijven. Zullen +wij Daifilo's zonden breed uitmeten? Maar hij is eerlijk terwijl hij +zijn onbaatzuchtigheid betuigt en zich in de zuiverheid verheugt van +zijn liefde. Met recht kan hij zeggen: + + + Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf van zijn grondt gewaegen! + + +Wij meenen hem te zien meesmuilen, wanneer de "Coningh" zegt: +"Daifilo, mijn Dochter is gheschaeckt van wijsheyt en versocht [58] +verstandt". Meesmuilen, als het verzocht verstand den edelen armen +Tisiphernes op zij komt met: "Mijnheer, u lust de deucht." Ja, het +is uit de comedie gestolen, het is daar onbetaalbaar geweest. Daifilo +echter hèèft niet gemeesmuild. Hij hàd niets te meesmuilen. Wij kunnen +hem nog verwijten dat hij, de eenvoudige herder, van den beginne af +een volleerd hoveling geweest is. Maar gij weet de oorzaak, lezer, +gij weet dat het geheele herderdom der Pastorale een mommevolk is, +en het is er u, voor de historie, te belangrijker om. + +Hard en duidelijk wordt in Granida de stem des tijds vernomen. Er is +noch wezenlijke Moraal, noch waardige Philosophie in. Het kind des +tijds schept zijn nieuwen mensch in de eerste plaats om zichzelven, +den mensch van wien hij niets te vreezen heeft. Als de zwaarste +aanklacht tegen hem zal in den dag des oordeels de onderstelling +der volkomenheid zijner helden gelden. De dichter en zijn werk zijn +doodelijk krank van dezelfde verdeelde beginselloosheid. De dichter +is een chaos. Zijn werk strijdt tegen zich-zelf, heft zich-zelve +op. Beide zweven ze boven den afgrond. + + + +Is Hooft die dichter? Wij meenen de vraag ontkennend te kunnen +beantwoorden. Granida is een historische les. Het is het type van +het herdersspel. Wel had Hooft een assimileerende natuur, maar wij +kunnen moeielijk gelooven, dat HOOFT de Hollander een dichtstuk zou +hebben voortgebracht, dat zoozeer de kenmerken der overbeschaving +vertoont. Nabootsing kan het ver brengen. Wij twijfelen dan ook niet +om allerlei kleine eigenaardigheden. Niet om het "Carpe diem!" [59], +dat de herder Dorilea voorhoudt, niet om hun Zuidelijk sensualisme, +noch om het schitterend vernuft hunner Hoofsche dialectiek, al +de elegance eener hofconversatie, die roemen mocht op de fijnste +geestesbeschaving: dit eerste bedrijf is trouwens grootendeels +ontleend, maar Hooft heeft zich in die conversatie ook altijd zelf +een meester getoond. Niet om kleine trekken als de reismanie van +Tisiphernes, die aan het zenuwachtig Italië toen eigen was, ook niet +om een bijzonderheid als de niet antieke, merkwaardige voorstelling +der liefde als persoon in het verhaal der voedster, die aan Dante's +Vita Nuova, aan zijn Canzones en Sonnetten herinnert. Dit alles en +veel meer zou in een stuk van een belezen dichter als Hooft voor +kunnen komen. Twijfelen doen we om het geraffineerd Italiaansche van +de moraal en de philosophie--om het typische van de karakters. Kan +Daifilo, vragen wij, de geestelijke zoon van Pieter Cornelisz wel zijn? + + + +Het door Leendertsz. uitgegeven handschrift stelt Granida in 1605. Toen +althans werd het voltooid, want het is mogelijk, dat het grootste +gedeelte in 1602 en 1603 ligt. Hooft was toen nog kort uit Italië terug +(1601) en er schijnt ons niet onbelangrijke overeenkomst van gedachten +met de Liederen dier jaren te bestaan (vgl. XXII, XXIII boven). Granida +valt dan samen met zijne liefde voor W.B. en Ida Quekel [60]. In het +handschrift is het stuk 1 Maart gedateerd. Den 15den Januari 1605 +was Brechje Spiegel gestorven. Tusschen 15 Januari en 3 April ligt, +behalve het grafdicht, geen enkel vers. Naar allen schijn [61] heeft +de Dichter afleiding gezocht in 't arbeiden aan zijn Pastorale. Dat +Hooft zich veel met Herderspoëzie had ingelaten, blijkt uit zijn +kennis aan MONTEMAYOR'S roman Diana, uit Don Diegoos clacht, [62] +uit de namen van zijn schoonen. Zijn Galathea [63] is zonder twijfel +de Galatea van den roman van CERVANTES, Chariclea [64] de heldin van +HELIODORUS' Chariklea en Theagenes. W.B. heet Diana. Juliette [64] +mag iets hebben uit te staan met MONTREUX' Bergeries de Juliette, +navolging van de Diana. Deze alle liggen van 1601-1603. Dan kiest hij +andere namen. Maar Brechje heet, in 1604, wederom Charife, de Xarifa +uit de schoonste episode van Montemayor. Den "vondt-baren Montemayor" +noemde Hooft hem in 1605, toen hij Felicia, de priesteres van den +Dianatempel, liet optreden in een sonnet aan Electra, de zuster der +gestorven geliefde. Het vermoeden dat het herdersspel iets aan den +vermaarden Spaanschen roman kon te danken hebben, bevestigde zich +echter niet [65]. In 1609 doet Granida zelve dienst. Mithra Granida +wordt dan voor goed de zondagsnaam van Christina, de echtgenoote +in spe. Een jaar te voren had Hooft reeds voor W. Dia een dialoog +tusschen Granida en Daifilo gedicht. [66] + +De Italiaansche Granida, die wij geneigd zijn te onderstellen dat +bestaat, is tot nu toe niet voor den dag gehaald. + +Ook den oorsprong van de fabel hebben wij niet kunnen vinden. + + + +Ondertusschen [67] heeft Dr. Joh. Bolte Tieck's vertaling van het +(in eersten druk waarschijnlijk tusschen 1590 en 1598 verschenen) +Engelsche drama Mucedorus in 't licht gegeven. [68] Tusschen dit stuk +en Granida vindt hij, bij alle verschil, zoo treffende overeenkomst, +dat hij niet aarzelt het eene voor afhankelijk van het andere te +verklaren. Dat Granida in zijn geheel een eigen werk van Hooft is, +spreekt voor den Uitgever van Mucedorus van-zelf. Hooft moet den +Mucedorus dus gekend hebben en hij kan hem hebben leeren kennen door de +Engelsche Komedianten, die het vasteland aan zooveel dramastof geholpen +hebben. Men zou anders aan een gemeenschappelijken oorsprong kunnen +denken. Maar deze onderstelling zou buitendien toch vervallen, omdat +Mucedòrus (zooals Bolte aanwijst) uit een episode in Philip Sidney's +roman Arcadia (1590) ontstaan is, en Granida meer annex met Mucedorus +is dan met de Arcadia [69]. De episode in de Arcadia is aldus: De +Thessalische prins Musidorus is verliefd op de prinses Pamela. Hij +wil haar in herderskleeren trachten te naderen. De herder-prins nu +redt haar van een beer, terwijl de herder Dametas, aan wier zorg ze is +toevertrouwd, haar in den steek liet. Musidorus biedt de prinses een +bereklauw aan en van den Koning, haar vader, vraagt hij als gunst, dat +hij bij Dametas in dienst mag treden, om altijd bij de prinses te zijn. + +Het drama Mucedorus komt hierop neer: Mucedorus, prins van Valencia, +heeft vernomen van de schoonheid van Amadine, prinses van Aragon, en +gaat in herderskleeren zich daarvan overtuigen. Amadine is verloofd +aan den edelman Segasto en het huwelijk is aanstaande. + +Mucedorus, de herder-prins, komt Amadine redden van een beer, terwijl +Segasto, die een groote lafaard is, is weggeloopen. Hij biedt haar den +kop van den beer aan. Amadine maakt zich als de prinses en Segasto als +haar bruidegom bekend, betuigt den herder haar dankbaarheid en verzoekt +hem haar naar 't hof te volgen om zijn belooning daar te ontvangen. + +Segasto zendt den kapitein Tremelio af om den herder te +dooden. Tremelio zoekt Mucedorus op, maar Mucedorus doodt hèm. Segasto +heeft het gevecht gezien en klaagt den herder bij den Koning aan. + +Mucedorus wordt voor den Koning gebracht, die hem nog niet kent als den +redder van zijn dochter. Amadine bepleit zijn zaak tegen Segasto. De +Koning schenkt genade omtrent Tremelio en beloont hem met goud en +zilver. Maar daarnà weet Segasto toch nog zijn verbanning te bewerken. + +De herder-prins begeeft zich buiten het Hof. Amadine zoekt hem op. Zij +bekend hem haar liefde; ook hij verklaart zich. Zij wil zijn verbanning +met hem deelen en hij neemt dit aan. Een plaats van samenkomst wordt +afgesproken. Dan keert zij naar het Hof terug om haar maatregelen +te nemen. + +Amadine is straks op de afgesproken plaats Mucedorus wachtende. Nu +treedt de Wildeman Bremo op (hij heeft zich al eerder in het stuk +vertoond) en maakt zich van Amadine meester. Hij wil haar dooden +en opeten, maar haar schoonheid betoovert hem en hij spaart haar; +zij moet zijn vrouw worden. + +Mucedorus komt op; hij is te vergeefs wachtende. In het gewaad van +een kluizenaar wil hij in het bosch blijven vertoeven, tot zij komen +zal. Dwalende daar, ontmoet hij Bremo met Amadine, die hem in zijn +vermomming niet herkent. Hij weet den Wildeman te belezen, dat hij +hem in dienst neemt. Het eind van 't lied is, dat Mucedorus, die zich +door den Wildeman in 't vechten laat onderrichten, hem daarbij van +'t leven berooft. Dan maakt hij zich aan Amadine bekend. + +Ondertusschen is Segasto met zijn dienaar het paar gaan zoeken, +en zij worden gevonden. Mucedorus laat nu Amadine alsnog de keus, +en zij kiest hèm. Hij laat nu zijn incognito varen: hij is de zoon +des Konings van Valencia. Segasto begrijpt dat zijn kans verloren is +en doet afstand van zijn bruid. + +Gezamenlijk begeven ze zich naar den Koning, die vol droefheid over +zijn dochter is, en die ook vernomen heeft, dat de prins van Valencia +om haar hand dingt. Alles komt nu ten besten uit. Segasto doet, op +'s Konings verzoek, andermaal edelmoedig afstand. + + + +Wat de verhouding van de fabels betreft--moet men het ongetwijfeld met +den Uitgever van Mucedorus eens zijn. Tusschen Granida en Mucedorus +is een groot verschil. Ostrobas, de vreemde prins en mededinger +van Tisiphemes (Segasto), is in Mucedorus zelf de herder en dit +maakt het geheele verhaal tot een ander. Maar dit neemt niet weg, +dat de overeenkomsten zoo treffend zijn, dat het verband onmogelijk +is te loochenen. Blijkbaar nu is Mucedòrus uit de Arcàdia-episode +ontstaan. Voor de Granida zijn wij dus gedwongen onmiddellijke +afhankelijkheid van de Mucedorus-fabel aan te nemen. De prins heeft +zich gesplitst: hij wordt een wezenlijke herder, maar hij blijft +ook prins en mèdeminnaar in de figuur van Ostrobas, die aan Bremo +herinnert, zooals Tisiphernes min of meer aan Segasto. Nu treedt de +herder bij Segasto in dienst en verslaat niet Bremo, die immers ook +een soort medeminnaar was, maar Ostrobas. + +De fabel van Granida is een wijziging van de +Mucedorus-fabel. Hemelsbreed verschillend zijn de stukken als +drama's. Een heel andere is de karakteristiek. In Mucedorus ìs +nauwelijks karakteristiek. Moraal en philosophie, in Granida zòò hoogst +opmerkelijk, dat de twijfel van den een òf 't wel van Hooft zou zijn, +door een ander misschien beantwoord wordt met een "'t Is juist van +Hooft den philosoof!"--moraal en philosophie ontbreken er geheel: +het is eenvoudig een tooneel-stuk,--een dichterziel, eens menschen +geloof en zielsbegeerte is er niet in. + +De twijfel aan Hooft's auteurschap van Granida is dus met het vinden +van den oorsprong van de fabel niet opgelost. Voor den Uitgever van +Mucedorus spreekt het van zelf, dat Hooft de auteur is van het stuk +zooals het daar ligt (natuurlijk onder invloed van zijn lectuur van +herders-drama's en herders-romans [70]; en Hooft is het, volgens hem, +die de fabel van Mucedorus wijzigde. Wij voor ons gelooven alsnog +in een, indien niet Italiaansch dan Engelsch of Fransch drama--uit +den Mucedòrus ontstaan maar tegelijkertijd origineel van het drama +Granida. [71] + +Leendertz, de Uitgever van Hooft's Gedichten, heeft in den Navorscher +van 1874 trachten aan te toonen, dat de Granida een bijzondere +persoonlijke beteekenis voor Hooft heeft gehad. In het handschrift, +waarnaar hij heeft uitgegeven, staat in vers 1081 voor Daer gaet +Daifilo, treedt eens uyt: Daer gaet Cephalo. Hij houdt het er voor, dat +oorspronkelijk de herder niet Daifilo maar Cephalo heeft geheeten. Het +handschrift namelijk is een door den dichter zelf, waarschijnlijk +niet lang na de voltooiing van 't stuk, vervaardigd afschrift. Bij 't +overschrijven heeft Hooft dan dat Cephalo vervangen, maar op die eene +plaats is 't bij ongeluk blijven staan. Met "Cephalo" nu duidt hij +tweemaal in zijn Erotische Gedichten zichzelven aan: in den dialoog +Ach Amarillis en in het daarmee annexe Amaryl de deken sacht [72]: +Cephalo is zijn eigen naam in 't Grieksch. Beide die Zangen zijn aan +zijn geliefde Ida Quekels. Wanneer zijn vrijerij met haar aanving en +eindigde, zegt Leendertz (en wij gebruiken nu veel zijn eigen woorden), +weten wij niet. Het eenige gedicht aan haar met een datum is van 23 +Nov. 1603. Voor deze liefde (en na de terugkomst uit Italië, 8 Mei +1601) vallen nog de gedichten aan Galatea, Chariclea en Diana. De +kennismaking met Brechje Spiegels begon na 16 Maart 1604. Wij zullen +zeker niet verre van de waarheid zijn, indien wij het poëtisch vieren +van Ida stellen in de laatste helft van 1603 en de eerste helft van +1604. In dezen tijd zal dan ook Granida grootendeels gedicht zijn en +zooals "Cephalo" op hèm zag zoo zag, de naam Granida op Ida. Granida +werd voltooid 1 Maart 1605. Die liefde was toen goed en wel voorbij +en Ida Quekels ging in Juni 1605 met zijn neef Willem Jansz. Hooft +trouwen: de naam Cephalo was nu al te duidelijk geworden, er moest een +andere bedacht. En nu veranderde hij "ptalo" in "filo" (het Grieksche +philos) en voor de eerste lettergreep zette hij "Ida" om in "Dai" +en kreeg zoo "Daiphilo" d.i., naar dezen uitleg. "Ida's Vriend", een +naam die in het rhythme van de verzen "Cephalo" overal kon vervangen +en, voor hem zelven, zijn betrekking tot Ida aan bleef duiden. + +Moet hieruit volgen, dat Granida wèl in zijn geheel het eigen werk +van Hooft is? Leendertz zelf maakt bezwaar, dat Hooft zich geheel +met den persoon van Daifilo zou vereenzelvigd hebben en ook hij +verwondert zich over deze door en door immoreele schepping. [73] Hij +besluit, dat niet het gansche drama, maar alleen het Eerste Bedrijf +in dat intieme verband met 's dichters eigen leven staat. Dorilea +is dan het meisje, dat hij voor Ida vaarwel zei. Misschien is ook +deze naam oorspronkelijk een andere, misschien is het "Chariclea" +geweest (een naam van even-veel lettergrepen, met gelijken klemtoon +en ook eindigend op -lea), de naam waaronder Jafvrouw M.V.S. door +Hooft in verzen gevierd is geworden. [74] Is dit vermoeden juist, +dan verhaalt dit Eerste Bedrijf van Granida, hoe M.V.S. door Pieter +Cornelisz. voor Ida Quekels verlaten werd. Het eigenlijke drama, +in de vier volgende Bedrijven, blijft dan iets op zich-zelf staands. + +Ons dunkt, dat die bijzonderheid in het handschrift inderdaad +zeer bijzonder is en Leendertz zijn verklaring in hoofdzaak heel +waarschijnlijk. Hoezeer het spelen met namen toen mode was, is algemeen +uit de Litteratuur bekend. En om in Pastorale poëzie van zijn eigen +lotgeval te dichten, was almee mode [75]. Op te merken valt nog, dat de +dialoog van Cephalo en Amaryllis in argumentatie en in woorden met die +van Daifilo en Dorilea zoo overeenkomt. Zoo zouden wij dan in Granida +te onderscheiden en te scheiden hebben het hoofdzakelijk aan den Pastor +fido ontleende Eerste Bedrijf en de gedramatiseerde Mucedorus-fabel, +die in dat Eerste Bedrijf maar even zijn begin neemt. Om den dialoog +van Daifilo en Dorilea, als vrije navolging van Guarini, dan geheel +op Hoofts eigen rekening te zetten, daar kan niets tegen zijn. + + + + +IV. + +De Lyrische poëzie der Renaissance schittert voor altijd. Het Epos kon +haar bodem niet voortbrengen. Wel een Hoofsch kunstepos, niet het epos +der middeleeuwen, dat uit het volk voortkomt. Ook voor het Drama zijn +haar dichters bezweken. Zij volgden modellen die drama's heetten zonder +drama te zijn, en zij waren Renaissance-menschen, die niets wisten van +de zedelijke natuurwetten waarvan, voor individuen en maatschappijen, +de uitkomst van den strijd om het bestaan afhangt. Het wezenlijke +drama echter heeft een zedelijken grondslag, het is de voorstelling +van de zedewet in het menschenleven, eener hoofdgedachte des +dichters. Italië heeft nieuwe dramatische genres geschapen: de Opera, +de Pastorale. Juist zij bewijzen haar onvermogen. Het ondramatische +gaat er vergeefs in het lyrische schuil en de scheur door het hart van +Hooft's Pastorale hebben wij aangewezen. In het Herdersspel maakt het +Italiaansche drama zich los van het verkeerd klassiek model, en dit is +aan de samenstelling van het geheel niet onvoordeelig geweest. Het +schema van Velsen en Baeto, op die leest van Seneca geschoeid, +ziet er wat anders uit dan dat van Granida. Inderdaad moet men de +verdeeling der stof in bedrijven, der bedrijven in tooneelen hier +prijzen: om het vroege jaar 1605, trekt men er zelfs nieuw wantrouwen +uit tegen de oorspronkelijkheid. Maar het echte kunstwerk geraakt +er niet door tot stand. De kranke hoofdgedachte, de nieuwe mensch, +heft zich in dien mensch weer op. Het is alles zonder beginsel en +innerlijke eenheid. Ook is er bij niemand een spoor van strijd. Men +kende geen zedelijke conflicten. Alleen,--Tisiphernes aarzelt een +oogenblik zijn helm te leenen: een punt van Eer! In overeenstemming +met den tijd-zelven. En wat beslist het? Spitsvondige berekening. Ook +Gij Tisiphernes! [76] Niet uit elkander, maar op elkander volgen +de gemoedstoestanden der helden; zonder geschiedenis zijn hunne +handelingen. Dit raakt het dramatische en de karakteristiek. Al de +personen zijn onveranderlijke typen. Daifilo is de gewelddadige +samenvoeging van den herder en den hoveling, de vaste figuur der +Pastorale. Zullen wij een scherpe kritiek gaan oefenen? Zich boos op +hen maken leidt niet tot de vruchtbare beoordeeling en de verzoenende +verklaring van hun bestaan. Granida is van A tot Z zulk een typisch +herdersdrama, dat het juist hierdoor genietbaar is. Alles werkt er in +samen tot het volledig karakter der soort en dit behaagt ons. Voor +elk der personen afzonderlijk geldt dit oordeel weer. Zij spreken +verstaanbaar van hun geboorte-eeuw. Zij verklaren, hoe zij geworden +zijn en hoe bij elkander gekomen. Daarbuiten merken wij nog op, +dat Granida zich onderscheidt door een kloekheid, die al de mannen +beschaamd maakt. Zij wint het zelfs van Daifilo. Zij en haar herder +brengen de handeling te weeg. Granida is, Dorilea niet meegeteld, de +bestgeslaagde. Dit teekent den poëet, die meer verstand van vrouwen +dan van mannen had. Zwakke mannen behoeven krachtige vrouwen. Maar ook +"Granida Schoon" is, helaas! niet volmaakt. Beter dan kritiek is het, +te letten op het pathos en de innigheid waarmee de gelieven hun liefde +vertolken. Hierop heeft de Renaissance zich inzonderheid verstaan en +men sla b.v. BOCCACCIO'S Amorosa Fiametta. (De verliefde Fiametta. Tot +Amsterdam, voor Abraham Latham, 1661) slechts op, om de verwantschap te +gevoelen. Dit plaatst ons op het rechte standpunt. Zoo zich ontboezemen +als de prinses en de herder, die nooit in 't gebruik der woorden te +kort schieten; zoo als Tisiphernes nadrukkelijk, en toch niet onwaar, +zijn smart en droefheid klagen; zoo echt snoeven als Ostrobas wien elk +woord heilige ernst is, dàt verlangden de liefhebbers van litteraire +kunst toenmaals. Zij waren hoegenaamd niet realistisch, ten minste niet +als er in verzen of door herders gesproken werd. De vorm, de beoefende +vorm die het bewijs der overwonnen moeielijkheid zelf was, die alles +volledig zeide en toch gemakkelijk en sierlijk, dat heeft Hooft met +zijn tijdgenooten in De Rojas' Celestina, Montemayor's Diana, in de +Fiametta. in Sannazaro's Arcadia, in Granida bewonderd. In Granida +praten allen goed. Ook de Voedster is van de partij. Zij verstaan +het, het juiste, werkende woord op een goede plaats te zetten. Hoe +de dichter zijn taal meester is, dat bewijzen de zangen en reien, die +met de menigvuldige monologen het lyrische in den dialoog versterken; +Dorilea's lied is een juweel onzer poëzie: er is geen woord te veel +en alles is er in gezegd. Zijn er moeielijke plaatsen, men bedenke +dat litterarische kunst niet als gesneden kòèk behoort genuttigd te +worden. Ook Muziek en Schilderkunst bestudeert men, vooral als de +kunstenaar boven ons staat, of ons, met of zonder tijd, vreemd is. Elk +dichter van beteekenis, in verzen of proza, heeft het natuurlijk recht, +niet voor iedereen en bij de eerste kennismaking amicaal te zijn. Elk +vervlogen tijdvak eischt studie. + +Studie der taal is de eerste eisch, dien Granida ons overal +stelt. Wij mogen niet eindigen voor de lezer het standpunt betreedt, +dat hij hierbij heeft in te nemen. De historie weder moet ons +leiden. Wij moeten ons herinneren, dat door de Renaissance de +moderne schrijftalen ontstaan zijn der natiën, die toen deelnamen +aan de moderne beschaving. In de middeleeuwen is er geen eigenlijke +algemeene schrijf-, noch omgangstaal, die, in wijden kring, boven +de dialecten staat. Al waren er voor enger kring toongevende centra +(Brugge; Antwerpen). De dialekten waren nog talen. De Renaissance, die +de samenleving in de twee klassen der ontwikkelden en on-ontwikkelden +scheidde, scheidde daardoor de taal. In Nederland geschiedde dit in +de laatste helft der XVIde, in den loop der XVIIde eeuw. Wel werden de +dialektische verschillen nog niet uitgewischt, wel hangt de taal onzer +groote auteurs op allerwijze met de volkstaal samen, wel zet Cats de +overlevering der middeleeuwen voort en schrijft de taal des volks, +maar ten zelfden dage als onze voorouders de onafhankelijke Republiek +met haar wereldhandel stichten, vormt zich ook het Nederlandsch. Het +verschijnsel wacht, bij de verschillende natiën, nog op nauwkeurig +onderzoek; ook bij ons moet nog ontzaglijk veel arbeid voorafgaan, +voor aan de geschiedenis van de wording onzer Litteratuurtaal gedacht +kan worden. Met enkele voor de hand liggende punten hebben wij ons +nu bezig te houden. + +De Oudheid verwekte bij het Patriotisme een naijver, om in de +moedertaal te doen, wat de Romeinen in het Latijn gedaan hadden: een +letterkunde in 't leven te roepen, die zich met de Oude vergelijken +mocht. De Romeinsche Letteren, die men als model beschouwde, kenmerken +zich door buitengewone zorg aan den "stijl" besteed: deels door +juistheid van observatie der gedachte en daardoor volkomenheid van +vorm, deels door fijn oor voor rhythme, deels door overdrijving, spel +met uiterlijke fraaiigheid. Doch zij vertegenwoordigen daarin niet +de volkstaal: hier is zulk een kunsttaal, schepping van talentrijke +geesten uit ruwe stof. De navolging der Klassieken werd dus van-zelve +taalschepping in ruimen zin. Men vormde nieuwe woorden, nieuwe +vormen, een nieuwen zinsbouw, nieuwe figuren, nieuwe tropen, nieuwe +stijlversieringen. Het Latijn oefende hierop grooten invloed. Vooral +ook door haar Rhetorische kunst had Rome geschitterd en heel haar +Letteren droegen een rhetorisch karakter. Dit voerde de Renaissance +tot de vlijtigste studie van figuren, tropen en epitheta. Men beeldde +zich verkeerde begrippen omtrent den kunstvorm in. Deze moet één zijn +met den inhoud. De Renaissance nam den vorm voor iets zelfstandigs. Het +genie hield de groote dichters op den goeden weg. Doch er is ontzettend +gezondigd. Dit formalisme had nog andere oorzaken. Het taalscheppen +werd verleidelijk. Men ging scheppen om het genot van het scheppen. Zoo +ontstond de Vernuftspoëzie, een internationaal verschijnsel. Naarmate +de oorspronkelijke kracht uitgeput raakte, ontaarde dat spelen +met de taal; het werd een krankheidssymptoom. In den goeden tijd +echter was het de liefde, die overdreef, die vertroetelde, die +uitspatte. Het was geen aardigheid, geen zoutelooze mode, het was de +eigenaardigheid van het karakter des tijds. Dat karakter nu ook van +die zijde te kennen, is de eerste voorwaarde, waarvan het genieten +onzer vroeg-XVIIde-eeuwsche schrijvers afhangt. Wij moeten dat +"taalgenot" kunnen meegevoelen. Men vindt het beeld soms leelijk, +dat Vondel den tragedie-, den hekeldichter voorstelt aan het diner +van het vaderlandsch idioom te gast gaand, met den hartstochtelijken +eetlust van den gastronoom. [77] Maar het kan niet juister. Als wij +den smaak eenmaal weg hebben, zullen wij uit ons-zelven van "lekker" +gaan spreken. Men vergete niet, dat ons hedendaagsch Nederlandsch +naar de driehonderd jaar gaat en toen geworden is: wat nu oud wordt, +was toen jong, wat men nu napraat, werd toen gezegd omdat het juist, +aanschouwelijk, weergeven van een aandoening was, wat nu gebondenheid +is, was toen vrijheid. Eerst wanneer men in de taal dier groote eeuw +de Republiek der Zeven Provinciën gaat voelen, zal men het rechte +behagen scheppen in het treurspel van Vondel en Hooft. Dan worden +wij een orgaan rijker, trekt een nieuwe werkelijkheid ons oog en +gemoed binnen. Dan hooren wij den krachtigen, nationalen harteslag +in de "Nederlandsche Klassieken". Wij zullen de bladzijden met genie +geschreven zien. In Granida zult gij de worsteling vernemen, de ééne +groote worsteling, hier om Geestelijk Eigendom d.i. de Taal, gelijk +ginds om de Vrijheid, het Recht en de Eer. + + + Zwolle, 1890. + + + + + + + +In 1916 deed Prof. Dr. A. Kluyver, in het tijdschrift Neophilologus, +in meesterlijk betoog een zeer belangwekkende studie over Granida het +licht zien. Om te beginnen toont de Schrijver aan dat men op grond van +de naamvormen reeds (Tisiphernes, Ostrobas, Daifilo) 't waarschijnlijk +zou kunnen achten, dat het stuk teruggaat op een ander waarin ook naast +een minnaar Daifilo, een minnaar Tisiphernes en een minnaar Ostrobas +optreden; ook de voorstelling dat gelijktijdig in Perzië en in 't +Parthenrijk een machtig Koning regeert zou op onoorspronkelijkheid +kunnen wijzen. [78] Eigenaardig is nu dat in Granida, in strijd +met de in de Litteratuur der XVIe eeuw heersende opvattingen, +een Koning zich en zijn geslacht gaat vernederen met zijn dochter +te geven aan een gewonen Herder. [79] Mucedorus (men zie hiervóór +pag. XXXVII-XXXVIII) is een herder in schijn, hij blijkt een prins +te zijn. Indien Granida ontleend is, dan zou in het oorspronkelijke +Daifilo wel eens een vermomde herder en man van hoogen staat geweest +kunnen zijn. In de dramatische dialoog Diphilo and Granida (men zie +hiervóór pag. XL de noot) is de herder inderdaad van vorstelijke +afkomst. Ook Dr. Kluyver acht dezen dialoog gekonstrueerd uit het +drama dat voorbeeld was voor Hooft's Granida. Er is geen reden dan nog +een verband met de Mucedorus voor dit stuk aan te nemen. Mucedorus is +anders dan Daifilo. Tisiphernes anders dan Segasto, Ostrobas anders dan +de Wildeman. Wat in het eene stuk gebeurt, gelijkt maar zeer in het +algemeen op de gebeurtenissen in het andere. "Men kan alleen zeggen, +dat eenzelfde algemeen thema in twee Engelsche drama's op twee zeer +verschillende manieren is uitgewerkt en dat thema is: de redding van +een vrouw door iemand anders dan door haar aangewezen beschermer." + +Van biezonder belang zijn het derde en het vierde Bedrijf. Dr. Kluyver +toont aan (Neophilologus 129-131), dat indien Hooft het drama Mucedorus +of een zeer daaropgelijkend stuk als voorbeeld heeft gehad, zijn +derde Bedrijf dan in elk geval oorspronkelijk zijn moet; het kan, +in karakteristiek en gebeuren, niet worden teruggebracht tot een +Mucedorus-drama. Hooft's voorbeeld moet een ander geweest zijn. Het +is niet waarschijnlijk dat hij-zelf recht heeft op dat dramatisch zoo +uitnemende bedrijf. Het volgende vierde staat ver er bij ten achter +en bederft den indruk van 't voorafgegane (Neophilologus 131-132). Nu +is er aanleiding om te denken dat juist dit vierde Bedrijf eigen werk +is. "Hij wilde hebben een drama in vijf bedrijven, met koren, van een +classieke eenvoudigheid, zonder de heterogene bijmengselen zooals die +in het zoogenaamde romantische drama voorkomen." Voor vijf bedrijven +was de stof van zijn gegeven wel wat klein. Het eerste bedrijf geeft de +ontmoeting van Daifilo en Granida; in het tweede is Daifilo aan het hof +in dienst gekomen en ziet men de twee minnaars Ostrobas en Tisiphernes +tegenover elkaar gesteld; in het derde heeft het gevecht plaats waarin +Ostrobas wordt verslagen, en waarin ten slotte het plan van de vlucht +wordt bepaald; in het vijfde ziet men de vlucht, de achterhaling en +den afloop. Dit waren nu echter maar vier bedrijven, hij had er vijf +noodig. Hoe is hij gekomen aan de hemelvaart van de Prinses? "Mij +dunkt", zegt Dr. Kluyver, "hij heeft die ontleend aan zijn eigen +drama Ariadne, dat een paar jaar vroeger geschreven is. Daarin komt +Bacchus, volgens het mythologisch verhaal, op aarde om Ariadne naar +den hemel weg te voeren; en de beschrijving van zulk een hemelvaart, +voorgedragen door een nutrix in den stijl van Seneca kon in Granida +een groot deel van een vierde Bedrijf vullen. Hooft heeft, dunkt mij, +niet genoeg beseft, dat wat in het spel van Ariadne op zijn plaats was, +in het spel van Granida volstrekt niet paste. De rest van het vierde +Bedrijf is besteed aan de onnoodige en ongelukkige redeneeringen van +Daifilo en Tisiphernes." Zooals Hooft hier het karakter van Daifilo +verdraaide, zoo deed hij te voren in Achilles en Polyxena het karakter +van Polyxena. Men zou nu mogen onderstellen, dat onze Dichter een drama +gekend heeft dat in hoofdzaak bevatte wat hij geeft in het eerste, +tweede, derde, en vijfde Bedrijf (Neophilologus, 131-134). Dat daarin +een eenvoudig herder de gemaal der Prinses zou zijn geworden, dit is +niet waarschijnlijk. "Kan men nu nagaan, vanwaar die tekst gekomen +is?" Dr. Kluyver oordeelt dat het origineel ontstaan zal zijn uit een +verhaal in den geest der Amadisromans (Neophilologus, 135). En nu +herinnert hij nog eens aan den Dialoog Diphilo and Granida, waarin +Diphilo een als herder vermomde Prins is. Dit kan restant zijn van +dat oorspronkelik drama. Er is een stuk van Massinger van 1636, The +bashful Lover, dat (pag. 136-137 Neophilologus) op verrassende wijze +op Granida gelijkt. Men zou kunnen gissen, dat zoowel Massinger als +Hooft op dat oudere drama van Diphilo and Granida teruggaan. Hooft +heeft dan den Prins tot een werkelijken herder gemaakt. Zoo had hij +gelegenheid om motieven van pastorale poëzie te pas te brengen, als +de onschuld van het landleven en den lof van de vervlogen gulden eeuw +der menschheid; hij kon nu ook in het eerste bedrijf het tooneel met +Dorilea er bij maken, dat zoo geheel in zijn stijl is, en waarin hij +zooveel aan Guarini heeft ontleend". + + + + + + + +De herdruk is de tekst van 1615, met de varianten van 1605 (H.S., naar +Ed. Leendertz) en 1636. A is 1605, B is 1615, C is 1636 [80]. Andere +varianten zijn er niet (zie Leendertz, Inleiding).--De volgende +drukfouten zijn verbeterd: 356 uatuyre; 734 straten; 868 gansljck; +1373 das' er; 1385 raetstse; 1823 verheueht. Veranderd is ook 1072: de +punt achter "regenen" werd een komma; 1101: de punt achter "beswaer" +werd een komma; 1180: achter "proeven" kwam een punt; 1196: achter +"wat" een komma; 1260: de komma achter "weet" werd een punt; 1463 +verdween de komma achter "besindt"; 1628: de punt achter "krenckt" +werd een komma; 616: "nae staet" voor "naestaet"; 773: "uyt rijsen" +voor "uytrijsen"; 1287: "aenhoore" voor "aen hoore"; 1628: "toe +ghesellen" voor "toeghesellen". Veranderd is ook in 1625: "grondloose" +in "grondeloose": in 929 werd "is" ingelascht, en in 1653 "een"; +in 934 kwam een komma achter ver' (= Leendertz I, 174; vgl. 1636: +punt achter niet en ver'. Niet veranderd: 1398 dancbaerlijck; 1418 +goddeliicke; 1545 (ay spijt! (en cundy slapen?). 1593 vrooliicke. Ook +bleef "welckeen" in 345; en de punt achter 627, die C ook heeft +met een komma achter 629. Aan het teeken ' (Daifilo' u, 't, t', 't' +etc.), het teeken ^ en het teeken ,, werd nergens geroerd; ook +Daifiló voor Daifilo' bleef. Verbeterd werd: 183 'teedre; 270 u; +667 verheft'; 1497 wallecht'; 1745 ulie. 1173-1174 is in den tekst +één doorloopende regel met hoofdletter in 't midden. Gelijk aan den +tekst is 155, hoewel zeker wel voor "een groot"; 925 hoogh ('T = Et?), +vgl. 1605, 1636. In 1450 is schoonprachtich veranderd in +"schoonpratich" (zie varianten). In 221 plaatste ik voor; dubbele-punt; +in 292 werd de punt een komma, in 1685 eveneens. Moet in 737 "hoopt" +staan? + +In 1615 en 1636 vormen 802-808 een enkele strofe met van het vorige +afwijkend rijmschema. In het H.S. (Leendertz I, 170) zijn het er +twee, waarvan de laatste met het rijmschema aansluit bij de volgende +vierregelige; de drieregelige eerste een overgang vormt. + + + +De asterisk achter 1463 en de Aanteekening daarbij moet vervallen. + + + +De varianten in de leesteekens van 1636, in den eersten en tweeden +druk te vinden, zijn daar-na niet weer opgenomen. + + + + + + + + P. C. HOOFT'S + + GRANIDA + + SPEL + + * * * * * + + Tot AMSTERDAM, + + By WILLEM IANSZ. op 't water, inde vergulde Sonnewyser. + + Anno M D CXV. + + * * * * * + + + + In den tweeden druk, 1644, van HOOFTS Gedichten, uitgegeven door + VAN DER BURGH, leest men: Tooneelspel. Behelzende de vryaadje + van Tisiphernes en Daifilo. + + + + + + + +INHOUDT + + + Granida eenighe dochter, en erf-Princesse van Persia, + op de Iacht afgedwaelt van haren sleep*, komt + ter plaetsen daer sy Daifilo Harder, met Dorilea die + hy op minne vervolght, vindt koutende; de welcke +5. haer niet en kunnende onderrechten van het spoor + der voorghereden Iagers, van haer ghevraeght worden + nae eenige Fonteyne om den dorst te lesschen. + Daifilo biedt de Princesse te drincken uyt een Schulp, + met soo heussche ghenegenheydt*, dat de selve* +10. gehulpen van soo wel te passe dienst, oock nae haer + verscheyden van daer, der Princesse welgevallende + naulijcx uyt den sinne gaet. Daifilo ter ander zijden + besluyt sich ten Hove te begeven, om de teghenwoordicheyt, + en diensten wille van so waerdige +15. Prinssesse. + + Daifilo sich ghegeven hebbende in dienst van Tisiphernes [81], + op hoope, dat* die als een Prince van + groote verdienste by de croon van Persia, bekomende + het huwelijck van Granida, hy door dat middel aen +20. haeren dienst mocht geraken, quyt hem soo, dat + sijn Heer hem grootlijcx vertrouwende, hem seyndt + aen de Princesse om haer jonste te hebben, int eyndelijck + versoeck, dat hy nae so langh vervolch* om + haer ging doen aen haeren Vader: alwaer hy +25. ontseydt* wordt van sijn teghen-Vryer Ostrobas, Sone + van den Koningh der Parthen, teghens de welcke hy + aenneemt des anderen daechs te vechten. De Prinssesse + soo bekommert over 't aenstaende huwelijck, als + beweecht door het nieu sien van Daifilo, komt dien +30. avondt aen de venster, op gheluck oft [82] eenighe passerende + Musijcke haer quellage wat versachten mochte, + onder de welcke* sy door 't glas siende, sonder ghesien + te wesen hem passeren, en hoorende versuchten, + neemt het selve op voor [83] teecken van waerachtighe +35. liefde, haer daeromme beklaghende over d'onghelijckheydt + der staten* des Werelts. + + Daifilo verklaert aen sijn Heer zijn liefde, en d'oorsake + waerom hy in sijnen dienst ghekomen is, hem + biddende te lijden dat hy in zijn stede, ende met zijn +40. wapenen* bedeckt teghens den Parth moghe strijden, + tot het welcke hy hem met redenen beweecht. Daifilo + verwint en verslaet Ostrobas. Tisiphernes besluyt des + anderen daechs de Princesse te besoecken: Maer Daifilo + noch dien avondt onder haer venster passerende, wordt door +45. haer bevel gheroepen van haer Voester. Sy ontdecken + elckander haer onderlinge liefde. Granida seydt gereedt + om met hem te vertrecken, en een Harderinnen + staet ghetroost* te zijn: welcke aenbiedinge hy, nae + dat hy haer de swaericheden van sulcx voorgehouden +50. heeft, en verstaen de selve van haer al te voren overwoghen + te zijn, met groote danckbaerheydt + aenneemt. + + De Voester van Granida, op haer sijde gewonnen + zijnde, komt verklaren voor den Koning, ende Tisiphernes, +55. dat de Prinssesse met groot spoock*, voor + eenen Godt gheschaeckt is. Tisiphernes siende op 't + schoonste zijn hoop te leur ghestelt, is om rasende + te worden: Maar Daifilo, die haestich ten Hoof wedergekeert + was, om quaet vermoeden voor te komen, +60. hem onderrechtende*, doet zijn ghemoedt wat bedaeren. + Hy nochtans, walghende van de werelt, besluyt + met luttel gheselschaps voortaen door 't Landt te reysen, + en verklaerende Daifilo waerachtighe verwinner van + Ostrobas te wesen, levert hem sijnen staet over, de +65. welcke hy eerbiedelijck weygherende, belooft gaede* + te slaen, totter tijdt toe, dat 's Prinssen ghemoedt wat + besaedighe. + + De Gheest van Ostrobas verschijnt aen sijnen vriendt + Artabanus, die met hem in Persia was ghekomen, +70. hem opstutsende*, om wrake te nemen op Daifilo, + de welcke den eersten morghen-stondt op 't Landt + met de Prinssesse sprekende, van hem ende sijn volck, + beyde gevangen worden,* om [84] opgheoffert te zijn aen + het graf van Ostrobas; Maer Daifilo siende d'overlast +75. van banden diemen de Prinssesse aendede, breeckt + de sijne, te weere rakende teghens sijn vyanden; op + welck gherucht Tisiphernes, die by gheval niet verre + van daer sijnen wech volchde, de Gelieven komt ontsetten, + de welcke bekent* zijnde, beklaghen haer deerlijck +80. dat d'eene ramp d'ander jaghende, het gheluck + wel hardneckelijck scheen besloten te zijn tot haer + bederf. Maer d'eedelhartige Prinsse, [85] in plaets van hem + tegens haer te verbitteren, verwondert sich over haer + selsame liefde, en ghebiedende haer goeden moedt te +85. hebben, belooft* en vercrijcht haer haeren [86] soen van + den Koningh, diese beyde met blijen wellekoom + onthaelende*, te samen huwt. + + + + +PERSONAGIEN. + + + GRANIDA. + DAIFILO. + TISIPHERNES. + DORILEA. + KONINGH. + OSTROBAS. + ARTABANUS. + VOESTER. + Rey van Ioffrouwen. + Rey van Harderinnen. + + + + + + + +GRANIDA + +SPEL + + +EERSTE DEEL + + +DORILEA. + + Het vinnich stralen van de Son + Ontschuyl ick in't Bosschage; + Indien dit Bosje klappen kon, + Wat melde't al vryage*! + +5 Vryage? neen. vryage jae, + Vryage sonder meenen; + Van hondert Harders (ist niet schae*?) + Vindtm'er ghetrouw niet eenen. + +9 Een wullepsch Knaepjen altijdt stuyrt + Nae nieuwe lust sijn sinnen, + Niet langher als het weygheren duyrt, + Niet langher duyrt het minnen. + +13 Mijn hartje treckt my wel soo seer, + Soo seer, dorst ick [87] het waeghen, + Maer neen, ick waeg' het nemmermeer*, + Haer minnen* zijn maer vlaeghen. + +17 Maer vlaeghen, die t'hans* overgaen, + En op een ander vallen; + Nochtans ick sie mijn Vryer aen, + Voor trouste van haer allen. + +21 Maer oft't u miste* domme maeght, + Ghy siet hem niet van binnen. + Dan 'tschijnt wel die gheen rust en waeght, + Kan qualijck lust ghewinnen. + +25 Oft ick hem oock lichtvaerdich von,* + En 'tbleef in dit Bosschage, + Indien dit Bosje klappen kon, + Wat melde't* al boelage!* + +DORILEA. DAIFILO. + +DORILEA. + +Daer is hy. och hoe ben ick inde saeck beladen*! +Best dat ick my versteeck onder de bruyne* bladen +In't diepste van [88] het Bosch, al eer dat hy my siet. +Best is het, best ist jae, maer vondt hy my dan niet?* +Weet ick wel wat ick wil? ick ben vervaert voor't minnen, +Ontschuyl mijn lief, en vrees dat hy my niet sal vinnen. +Neen, beter blijfdy hier dan of ghy verder gingt, +Hier komt hy doch voorby; maar luyster wat hy singt. + +DAIFILO. + + Die gheboden dienst versmaet, + Wenscht'er wel om als 't is te laat. + +39 Windeken daer het Bosch af drilt*, + Weest mijn Brack, doet op* het Wilt + Dat ick jaghe, + Spreyt de haghen, [89] + En de telghen van elckaêr, + Moghelijck schuylt mijn Nymphe daer. + +45 Nymphe soo ras als ghy vermoedt, + Dat mijn gangh tot uwaerts spoedt, + Loopt ghy schuylen, + Inde Kuylen, + En het diepste van het Woudt, + Daer ghy met rêen vervaert zijn soudt. + +51 Vreesdy [90] niet dat de Satyrs, daer + V eens mochten nemen waer*, + En beknellen, + 'T zijn ghesellen, + Die wel nemen t'uwer spijt* + 'T geen daer een Harder langh om vrijt, + +57 Sonder te dencken, dat in't kruydt, + Dickwils Slanghen gladt van huydt, + Zijn verholen, + Loopt ghy dolen, + Maer nochtans hoe seer ghy vliedt, + Dat ghy mijn haet, en dunckt my niet. + +63 Want doe wy laest van 's avonts laet + Songhen tot den dagheraet, + Met elck-ander, + En uyt d'ander,* + Tot den dans ick u verkoos, + Bloosden u wanghen als een roos. + +69 Mompelen hoord' ick op dat pas, + Dat dat gheen quaedt teecken was, + En wanneer ,,ick + Heel begeerlijck + Kussen quam u mondtje teer, + Repten u lipges, dochtme, weer. + +75 'T weygheren, en d'afkeericheydt, + Voecht soo wel niet, alsmen seydt, + Voor de Vrouwen, + 'T kan haer rouwen, + Die gheboden dienst versmaet, + Wenschter wel om als 't is te laet. + +Sus, sus, wat of ick daer mach hooren +Ritselen inde haghedooren? +Is zy't, zij sal my niet ontvlien. +Neen Dorilea, al ghesien. + +Nu suldy [91] hier met gheen een kusjen of ,,raken.* + +DORILEA + +Daifilo seg ick, ghy sult het te grof ,,maken. [92] +Daifilo, laet my staen. +Daifilo, laet my gaen. [93] + +DAIFILO. + +Maer Dorilea, moochdy* soo afkeerich ,,zijn + +Van 't gheen daer alle menschen nae begeerich ,,zijn? +En vlieden stuyrs van sin? + +DORILEA. + + Wat doch? + +DAIFILO. + + De soete Min. + +DORILEA. + +Ghy noemt het soete Min, en segt dat gene lieden +Behalven ick alleen, de soete Minne vlieden, +Voort* hoor ick van de Min soo veel quaets, dat ick gruw +Van yder een, en die gheloof ick bet als u. +Dus Daifilo, van nu, +Laet my voortaen te vreden*. + +DAIFILO. + +Ach suldy dan dus schuw* +U groene* jeucht besteden? [94] +Dees teeder schoone leden +En zijn u niet ghegunt*, +Dat ghyse sonder vrundt +Afgunstich* soudt verslijten, +En eens te laet bekrijten, +Dat ghy, om niemandt jonst, of wellust* te doen aen, +Versuymelijcken* hebt u selfs te kort ghedaen. +Wilt rekeninghe maken, +Dat dese roose-kaken. +En dese lippen varsch, +Die gloeyen als een Kars, +Die nu een yder wenscht te kussen en te stroocken, +Sullen van ouderdom verwelcken, en verschroocken*. [95] +Dit effen voorhooft net, [96] +De diepe rimpels met +Ter tijdt sullen ontslechten*; +En dees welighe vlechten, +Die met veel strickjens gail*, soo dertel zijn vertuyt*, +Sullen haer gouden rock allensgens trecken uyt; +En 'tgeen ghy voor fijn goudt moghelijck hielt voor desen, [97] +Suldy bevinden maer silver vergult te wesen. [98] +Dees wacker ooghen bly,* +Veileeren sullen zy +Haer lodderlijcke* treken, +Die soo veel brandts ontsteken. +Dees vlugghe gauwicheydt*, +Daer grijse' aelwaricheydt*, +Gaet sonder reên op gnorten*, +Dien sal den ouderdoom [99] +Die't al maeckt suf, en loom*, +Zijn vleughels dapper korten. [100] +Dan compt onnut berouw, als betrens tijdt ontbreeckt. + +DORILEA. + +Daifilo ick weet niet van wiens schoonheydt dat ghy spreeckt.* [101] +Nae dat ick kan bevijnen* [102] +En ist niet vande mijnen, [103] +Want onlanghs heb ick dien [104] +Inde Fonteyn* ghesien; +En't beelt in't water stil, my op dat pas verscheenen, [105] +Quam met u segghen niet al te wel over eenen. +Maer siedy 't groene woudt, hoe lustich dat het staet, +Hoordy de Vogeltjens die voor den dageraet +Danckbaerder zijnd'als d'onvernoechelijcke menschen, +De wellekome Son met sang goe morgen wenschen. +Siedy dees heuvels blondt,* en het begraesde* dal [106] +Met Bloempjes veelerley ghemarmort over al, +'T wellustighe banket* van de ruyschende Bijen? [107] +Hoe vrolijck lacht het al in dese Somer-tijen? +Maer als den guyren Herfst komt met zijn buyen aen, +Sal dese dinghen al haer vrolijckheyt vergaen, +En dees bloeyende jeucht des Werelts, sal verkeeren +In dorren ouderdom, en haer cieraet ontbeeren. +Nochtans, indien dat al +De Bouwliên* spanden t'samen*, +En met [108] groot gheschal*, +De Goden bidden quamen, +Dat Donder, Blixem, Windt, en Haghels groot gheweldt +Mocht komen metter yl vrybuyten over 't veldt, +Beroven d'Aerde van haer ghespickelde [109] rocken*, +De Berghen van haer cruyn, de Boomen van haer locken, +Om dies wil*, dat doch eens d'aenstaende Winter wreedt +Het Aertrijck plaghen sou met dierghelijcken leedt; +Soudy niet segghen, 'twas haer nutter dat zy baden +Om redelijck verstandt? + +DAIFILO. + + +165 Iae, trouwen + +DORILEA. + + + Soudy raden +Dat ick door Min een buy met sonne-schijn vermomt, +Die lichtelijck vernielt, wie dat zy overkomt, +Dan krencken sou mijn jeucht, om dies wil dat de jaren +Dese schoonheden mijn (ghenomen [110] datse waren +Ghelijck als ghyse maeckt) my souden maken quijt? +Soud' ick de schae des tijdts gaen soecken voor de tijdt? + +DAIFILO. + +Dit doedy vast*, want ick, o Dorilea, reken +De leelickheyt soo goedt als schoonheyt onbekeken; +En al bekeken onbelonckt*; en al belonckt +Noch onghenoten van den Minnaer dien zy' ontfonckt. +Wat's jeughde sonder Min vol onbeweechde coutheyt +Doch beter als versufte' en stijfbevrosen oudtheyt? [111] +En dat de soete Min van u beschuldicht wort, +Als die de schoonheydt krenckt, daer doedy hem te kort: +Want noyt en sachmen hem het suyvere besmetten, +Maar wel recht anders, 't geen dat saluw* was, blanketten, +En legghen blosend' root op teedre* wanghen bleeck, [112] +En 't hayr vergulden, dat te vooren vael gheleeck: +En geene sachmen oyt, het geen dat zy beminden, [113] +Leelijcker dan [114] het was, maer wel veel schoonder vinden. +Maer segdy yder een +Beklaecht hem met gheween, +Over de Min vol swaerheydt*? [115] +Sy spreken buyten waerheydt, +Al wordt de Min bescheldt*, +'T is Onmin die haer [116] quelt, +Onmin van Lief verkoren,* +Want quam haer [117] Min te vooren* +Van haer bemindes zy [118], +Sy wierden't eens met my, +En souden ras bekennen +Dat Minne niet kan schennen, +Maer dat ghebreck van Min alleen den Minnaer krenckt, +Die minnes honich soet [119] met bittre galle mengt. +Dus Dorilea, denckt +Dat Min van beyde zijen, +Niet anders voort en brengt +Als wellust* en verblijen. +Daerom in dese tijen, +Schijnt dat de Werelt dus blygeestich opghepronckt +In't harte Min ghevoelt, en t'eenemael verjongt. +Den Hemel schijnt verlieft; de Visschen in de stroomen, +De Dieren in het kruydt, 't ghevogelt in de boomen, +De Nymphen in het bosch, natuyren* van de Min. +Dat Vogeltjen, dat nu vliecht uyt den Dennen, in +Den Boecke-boom, en schijnt onmoghelijck om vermacken*, +Dan uyt de Boecke-boom weer inde Myrte-tacken, +En hippelt quelende soo licht soo wilt soo wuft*, +Waer't van natuyr begaeft met menschelijck vernuft, +Het soud' segghen ick brand' van Min, ick brand' van minnen, [120] +Tjilpende door het Woudt; maer wel brandt het van binnen,* [121] +En singt in sijne tael op lieffelijcke maet, +Dat* het zijn soete Lief, zijn lieve lust verstaet. +En luyster, juyst of zy't om u te leeren dede, +Antwoordt zijn lieve lust: van minnen brand ick mede. +De Min het al verwint, +Hemel en Aerde mint, [122] +Sal Dorileaes siel Mins krachten groot van waerden +Alleene weder staen, in Hemel en op Aerden? [123] +Neen; want een yder mensch wordt van de Min gheraeckt, +En diese jongh ontgaet, bejaert zijn krachten [124] smaeckt*: +De minne wil doch eens doen blijcken in ons harten +Hoe veel dat hy vermach: dus vreest hem vry te tarten, +En weet dat grooter smart noyt yemand overquam, +Als jeuckeringh van Min [125] in oude leden stram. [126] +Het jonck hart, dat hy quetst, gheneest de minne weder, +En hoop hellept [127] het op, als 't leydt van pijne neder: +Maer d'oude Minnaer is gheplaecht met dobble rouw, +Die willend niet en mach*, en mogend* niet en wouw. +Drooch hout ontsteken*, brandt feller als groene spruyten. [128] + +DORILEA. + +Ghy ander* Vryers kent dees praetjens al van buyten, +En brengt'er veel in't net; +Maer ick heb wel ghelet +Op 't geene dat ghy seyde, +Dat als de Min van beyde +De zijden is gheplant, +Soo valt* het soeten brandt. +Of ick dat schoon* toestonde, +Verklaert my met wat vonde* [129] +Soud'ick doch kennen my +Versekeren, dat dy +De vlammen t'harte blaecken, +Die ghy my diets wilt maecken? +Of als dat alsoo was, +Dat ghy niet soudt, soo ras +Ghy weer-mins jonst mocht voelen, +Verkeeren, of verkoelen? +Ghelijck wy Vrouwen slecht* [130] +Vaeck worden uytgherecht*, +Dewijl gheveynsde min, en lichte* wispeltuyricheyt +Ons troonen met het soet, en loonen met de suyricheyt. + +DAIFILO. GRANIDA. DORILEA. + +DAIFILO. + + Nymphe, maer. [131] + +GRANIDA. + + Schoone Nymph' en hebdy niet ghesien +Met breydeloose ren, hier eenighe Edelliên +Vervolghen een wildt Swijn? weet ghy niet of zy't vinghen? +Of werwaerts rêên sy op? + +DAIFILO. + + Iaghers, noch Hovelinghen [132] +En hebben wy ghesien, maar wel ghehoort gherucht: +Dan 'tscheen soo ver van hier te wesen dat ick ducht, +Edele [133] Maeght ghy sult haer swaerlijck rijden inne*, +Zijdy een aertsche Maecht, en anders* geen Godinne, +U aenschijn noch u stem geensins de menschen slacht. [134] + +GRANIDA. + +Soo grooten eer voorwaer [135] ick my niet waerdich acht. +Ick ben Granida' indien't u liên bekent is, hoemen +Ten Hove' hoort de Princes des Conings dochter noemen. +Dewijl 's gheselschaps spoor u niet en is bekent, +Soo bid' ick, wijst my doch waer dat ick hier ontrent +Om 's heeten middachs brandt een weynich te verfresschen, +Wt koele Beeck, of Bron, mijn drooghe dorst mach lesschen, +Dat Ceres u ghewas, en Pan u Vee behoe. + +DAIFILO. + +Het bidden* laet voor ons, t'ghebieden komt u toe, +Alderheuste Princes, siet [136] hier om u t'ontladen*: +Diana moe-ghejaecht, en soude niet versmaden +Dees suyvere Fonteyns cristallinighe vloedt. [137] +Al zijn wy Harders slecht, eenvoudich opghevoedt,* +Noch* onse sorghen laech, door hoogher vlucht te kiesen, [138] +Ons aengheboren bosch uyt haer ghesicht verliesen:* +Wy weten lijckewel* dat wy dees groene laen, +Dat wy de schaduw koel van dees dienstighe blaen, [139] +Dees vrolijcke heuvels, dit heldere [140] waters vlieten, +En al ons levens lust van 's Conings handt ghenieten. +'Ten waer die 't wijsselijck al te versorghen wist,* +'Tverwoeste* [141] metter haest, door verquistende* twist. +'Tis hy, die de begeerten van sijn Ondersaten +Maticht* bescheydelijck* in soo* verscheyden maten, [142] +Dat niemandts minders list zijn meerder yet ontruck,* +Dat niemandts meerders [143] macht zijn minder en verdruck. +'T is hy die sorghe draecht alleene voor ons allen, [144] +Dat Vreemdelinghen wreedt ons niet en overvallen +Met vernielende krijgh, [145] en schennen* in een uyr +De dracht* van menich jaer, door 't yser en het vuyr. +Danckbaer [146] behoortmen voor een aertschen Godt te eeren +Dien 't lust om anders lust zijn eyghen lust t'ontbeeren: +Maer ons eerbieden* is te laech nae zijn waerdy. + +GRANIDA. + +Beleefden* Harder, noyt eenighe Wijnen my +Boven den frisschen dauw van dees Fonteyn ghevielen. [147] +Ach gheluckighe [148] rust van licht-vernoechde sielen, +Die nijt noch spijt des Hoofs versteurt haer soete vree! +Wiens* sorghen wijder niet en weyden dan haer Vee. +De lusten daer sich 't Hof met moeyten om beslommert, +Werpt u nature toe en is voor u bekommert.* +Ghy treckt door hongher, en door dorst uyt dranck, en spijs, +De lust van 't Hof ghelockt door soo veel leckernijs; +Het Hof door drincken dorst, en hongher soeckt door 't eeten +En jaecht de lusten voor*, u zijnse toeghesmeten; +'T lustsoeckend Hof ontvliên de lusten daer 't om slóóft; +Ghy vollicht de natuyr, wy sien haer over 'thóóft. +Eer sal dit lichaem in een duyster graf vernachten +Beleefden Harder, als my gaen uyt de ghedachten +U weltepasse dienst, en oft ghebeurde, dat +Mijn hulp u nut mocht zijn in 't Hof, of inde stadt, +Vertrout dat my geen saeck soo wichtich sal verletten*, +Of ick en salse' om u wel aen een sijde setten. +Nu voecht my wederom te keeren, daer* ick acht +Dat my 't gheselschap van mijn staet-dochters [149] verwacht, +Welck ick ghebood, van haer vermoeyde Tellen*, neder +Te sitten in het gras, tot dat ick keerde weder; +Dewijl my niemandt van haer allen volghen mocht*, +En my de lust des jachts niet te versuymen docht. +Den hemel die bedauw u jaren menichvuldich +Met gheduyrighe* [150] rust. + +DAIFILO. + + Wy zijn't u alle schuldich +Alwaerdighe Princes. helaes! hoe leedt is my +Dat ons vermoghen min als ons begeerte zy! +Den Hemel wil u staet in eeuwicheyt behouwen. + +GRANIDA. + + Vaert eeuwelijcken wel. + +DAIFILO. + + Is onder d'aertsche Vrouwen +Dan een, die waerdich is dat om haer dienst alleen +Al d'ander men versweer*? + +DORILEA. + + Hoe koel gaet hy daer heen, +Sonder dat hy van my zijn afscheydt heeft ghenomen; +Best volghe ick hem, en sie [151] wat hem mach overkomen. + +GRANIDA. + +Hoe vrolijck is den geen die danckbaerlijcken leeft +By d'ondanckbare [152] mensch die geen vernoegingh heeft! +Dees Harder toont meer dancks voor not* van bosch, en boomen +Als menich Eelman voor gheschoncken Vorstendoomen, +Die vaeck zijn Prince* danckt met oproer oft verraet, +En acht maer elcke staet, een trap tot hoogher staet. +Met welckeen yver komt my dees zijn dienste bieden? [153] +Al de dienstwillicheyt gheveynst der Edellieden [154] +Is my soo veel niet waert; want dese die betoont +Sijn heusheyt, niet uyt hoop van die te sien beloont: +Ten Hoof op hoop van loon is 't aenschijn vol ghenegenheyt, +Maer het onheus ghemoet vol onwillighe [155] tegenheyt. +Ghy grootsche Princen, die door u uytheemsche* pracht +Verwonderingh soeckt by 't volck, om van het hooch geslacht +Der Goden afghedaelt te schijnen, u cieraden, +U Scepters, Croonen, en u purpere ghewaden, +En maken u niet soo grootachtbaer aenghesien*, +Als de natuyre maeckt een laech-gheboren, dien- +'T haer lust, om lieffelijck de Werelt te verbasen,* +Een edel geest in 't hart en in 't ghesicht te blasen: +En cieren het aenschijn vol vrolijckheden soet +Met defticheyt* ghemengt, van hoofde tot de voet +Besprengend' over al de welghemaeckte leden +Met goddelijcker glans als princelijcke kleden. +Ghelijck d'eerwaerde* Son is by ons aertsche vuyr, +Sulcx is by d'arme kunst, de kunst-rijcke natuyr. +Wat handt heeft oyt haer soo vernuftich mercken* laten, +Dat zy, bootserende de Conincklijcke vaten, +Vormde 'tghewrochte [156] goudt in aerdigher* manier, +Als de natuyr de Schulp, daer ick uyt dronck alhier? +Dan* 't Hof en siet niet* schoons in dinghen licht verkreghen, +Natuyrs gheboden dienst is hen onwaert* en teghen; +Maer ghy eenvoudich volck ontfangt haer gaven rijck [157] +Met open armen, en ghebruycktse [158] danckbaerlijck. + +REY VAN IOFFEREN. + +373 Ghy lodderlijcke* Nymphen soet, [159] + Die nauwelijcx een roosen-hoedt* + Om gouwe kroon soudt geven, + Hoe wel lust u uw leven? + +377 Uw lusten is u als een wet, + Uw loncken is een ty-gheset,* + Uw kouten is vryage, + Uw minnen is boelage. + +381 De schaduw die de kuylen heelt, + Waerin ghy u ghenoechjens steelt, + En soudt ghy niet verwinssen*, + Om schaduthroons van Prinssen.* + +385 Wanneer ghy aen de reye gaet, + En dat* het schalcke Lietje raedt [160] + Het diepst van u ghepeynsen, + Hoe qualijck kundt ghy veynsen. + +389 Maar soo* 't u lief niet beter kan, + En toont u dat sijn harte, [161] van- + Uw hartjen is [162] ghedreven, + Wat isser om te geven?* + +393 Soo* ruylden ghy dat deuntjen niet + Om avondt-spel*, of morge-liedt*, + Dat voor Princessen deuren, + Haer dunne* slaep komt steuren. + +397 Een appel, die met jonste groot + U boeltje werrept in u schoot,* + Daerom soudt ghy versmaden + 'S Hofs tafel-overdaden. + +401 Als van u Lief ghemeldet* wert, [163] + Zijn 'tuwaerts* overgeven hart, + Soo zijt ghy bet te vreden, + Als Prinssen aenghebeden. + +405 'T eenvoudich leven haylich*, leydt + Ghyliên in vreed' en vaylicheydt, + Uw vryheyt gaet te boven + De schijn-wellust der Hoven. + +REY. GRANIDA. + +REY. + +Mijn Vrouw, God zy ghedanckt dat ghy ons hier ontmoet. +'T gheselschap is een deel te paerd, een deel te voet, +Verstroyt om soecken naer u op [164] bysond're* straten*, +En haer by-eenkomst is daer ghy ons hadt ghelaten, +In 't naeste dal, en zijn in 't keeren al misschien. + +GRANIDA. + +En 't Wilt? + +REY. + + +415 Ghevanghen is 't, mijn Vrouw*, en sult het sien. + +DORILEA. DAIFILO. + +DORILEA. + +Daifilo, beydt wat, hoe? +'Ten gaet ten Hoof niet toe +Ghelijck ghy u laet veurstaen*. +En wilt soo licht niet deurgaen +Met dat u wel ghevalt; +Hoort hoe Palemon kalt,* +Die seydt dat hy verdoorde*, +Doen hem de lust bekoorde +Van 't Hof te volghen; hy +Meende, ghelijck [165] als ghy, +Dat heusheyt soet van zede,* +Vrientschap, en weelde* [166] mede +Daer was in overvloedt, +Ghelijck de rijckdom doet. + +DAIFILO. + +En als hy't quam te proeven? + +DORILEA. + +Doe vandt hy met bedroeven, +Dat daer die dinghen zijn +Niet anders als in schijn. +Wat sneuvel* (seyt hy) och wast voor mijn groene jaeren, +Als ick mijn soete buyrt*, en vryheyt liete [167] vaeren!* +En dienen ghingh ten Hoof; ick meende 't was al klaer- +Goudt datter blonck, maer 't is een momme-vollick daer; +Het aenschijn vol sachtmoedicheyts, +'Tghemoedt [168] vol felle woedicheyts, +Een minnelijck ghelaet*, +'T hart vol van nijdt en [169] haet: +Saechdy de Visschers oyt* om lichst de visch te trecken +Den scharpen Angel-hoeck met lockend' aes bedecken? +Recht gaet het soo ten Hoof. De dienstbaerheyt, die zy +Soo mildt u bieden aen, is lockbedriegery; +Haer dienst, en hullep streckt maer om u te verrassen +Met onvermoede slach, en door u val te wassen. +Oprechte vrientschap, Godtsvrucht, onbevleckte trouw, +Veylighe' onnoselheyt*, [170] rechtuytheyt sonder vouw, +Waerheyt van woorden, goedicheyt*, [171] +Worden daer [172] voor kleynmoedicheyt*, +Voor slechtheyt* yl* veracht, [173] +Beguychelt*, en belacht. +'T is al geveynst ten Hoof watmen'er [174] siet vertoogen*, +Gheveynst is haer ghelaet *, gheveynst haer mondt, haer oogen, [175] +Geveynst haer Godsvrucht, [176] jonst, haer vrientschap en haer vree, +En g'lijck haer deuchden zijn, soo is haer weelde* mee. +Wanneer de Hovelinghen +Een vrolijck Liedtjen singhen, +'T en is van vreuchde niet, +Maer 't is, om het verdriet +Daer 't hart af wordt verbeten, +Een weynich te vergeten. +Haer lachen is van spijt, +Of 't duyrt de korte tijdt +Eens ogenblix, tot dat 's ghemoedts staedige [177] plaghen, +Die 't weeren uyt het hart, 't oock uyt het aensicht jaeghen. +Wat's al des werelts lust +Als 't hart niet is gherust? +Hierom, Daifilo, staeckt u opset voorghenomen, [178] +Ghy weet waer dat ghy zijt, maer niet waer ghy sult komen. +Die wel is, blijf. + +DAIFILO. + + Iae, maer +Of* ick niet wel en waer, +Of of [179] ick beter winste? + +DORILEA. + +Soo soudy doch ten minste +Het Hof niet volghen, dan +Slaet yet wat anders an* +Sonder het groene Woudt en dees Landouw' te laten. [180] + +DAIFILO. + +Iae Dorilea, ghy noch al Palemons praten, +En sult my meer sijn raedt doen volghen dan sijn daedt. + +DORILEA. + +Soo mocht het u wel gaen ghelijck het hem nu gaet, +Die nae 't verdrach* van soo veel slaverny en [181] snóótheyt, +Als hy verwachte 't lóón van inghebeelde gróótheyt, +Is wijs gheworden dat sijn hoop niet was dan windt; +En klaecht, nu 't ommekomt*, dat hy sich selven vindt +In plaets van een jonck Hoveling +Gheworden een oudt schoveling*. + + + + + + + +TWEEDE DEEL + + +DAIFILO. + +Hoe aenghenaem is in een schoon lichaem de deucht! [182] +Hoe lieflijck heusheyt in die geen die mach ghebieden! +En ghy die 't goedt doen lust, daer ghy wel quaet doen meucht*, +Hoe heerlijck is den strael des goetheyts in u lieden!* [183] +Hoe veel schoonheden heeft de schoonheyt 'tsaem gheveucht, +Eer s'haer vernoeghen liet aen [184] 'tschoon van een Granide! +O schoone Son, [185] als ghy verscheent in mijn ghedacht,* +Doe leerde my den dach dat ick in duystre nacht, +Met vliesen overschaeuwt zijnde mijn ooghen beyde, [186] +By 't rookrich licht eens [187] lamps mijn dromich* leven leyde. +Want als begeerlijckheyt in eyghen lust verblindt, +Die schoonheyts lichaem meer als lichaems schoonheyt mindt,* +My tot vereenigingh van aertsch met aertsch dee póóghen, +Doen suyverde'uwe glans de [188] dickheyt* van mijn óóghen, +Optreckende' haer ghesicht tot uwaerts, waer door mijn +Siel kennende'* haer waerdy, poocht met haer een te zijn; +Al* sou zy kleene mug, om in glans te verwanderen, +Vliend' in de Son met die vereenen door 't veranderen. [189] +Maer belcht u schoone siel haer dat mijn siele kleen +Al te vermetel poocht met u [190] te wesen een, +Soo sal de wil mijns siels in als* met d'uw ghemeen ,,zijn. [191] +Behalven in (dat sy niet kan) niet willen een ,,zijn. +Sy wil al willen dat ghy wilt, dat kan zy niet,* +Sonder haer eyghen doodt, [192] soo langh ghy't haer verbiedt: +Maer gaefdy haer verlof, en wilde ghy dat mede, +Soo maeckten liefd, en weerliefd ons vereende vrede, +Dat sou de vrientschap zijn waer nae mijn liefde tracht, +Dan vingh ick dat ick jaegh; doch alhoewel mijn jacht +Is sonder hoop van vangst, nochtans my lust te talen ,,van-* [193] +Naeby te volghen 't geen dat ick niet achternalen ,,kan. +Hoe qualijck vat ick selfs mijn eyghen siels beroer! +Ick heb de waerheyt, maer ick heb haer aen een snoer, +En sy vliecht om end'om met haer snorrende vlerken, +Toonende'een [194] ander zijde, eer ick wel d'een kan merken*. + +TISIPHERNES. DAIFILO. + +DAIFILO. + +Houdt Daifilo te hooch.* maer siet hier komt mijn Heer. +Hoe onbekent voor my was dese naem wel eer!* +Maer om aen 'tgeen dat my behaecht weer te behaghen, +Moet ickse leeren, met dienstbaerheyt te verdraghen. [195] +Een ander soeckt om winst te dienen, en ick ly +Om gaerne* dienst te doen ongaerne [196] slaverny. +Ick soeck geen ander loon van dienst, als dienst; mijn leven +Granide, tot u dienst ick over heb ghegeven: +Dees Prins te dienen schijnt om daer te raken an +Het naeste middel, want [197] wort hy u echte-man, +Ick word' u staeghe slaef, en krijgh mijn hoop door desen; +En mach ick u niet zijn, ick sal dan d'uwe wesen.* [198] + +TISIPHERNES. + +Siet hier de dienaer daer ick my best op vertrouw. +Daifiló hoort [199] hier. + +DAIFILO. + + Mijn Heer. + +TISIPHERNES. + + Gaet knielen voor mijn Vrouw +Wt mijnen naem, en meldt, dat ick door't vier ghedreven +'Twelck staech hoochaerdich* klimt, en wallecht vanden dael, +In dese borst ontfonckt van haere [200] schoonheyts strael* +De croon van Persen* eysch voor my, om haer te geven +Indien dat zy, dewijl* ick eyndelijck* bescheyt +Op mijn versoeck* verbid, van 's Conings mogentheyt,* +Een windeken van jonst liet in haer harte waeyen +Tot mywaerts, 't waer een wenck voor 's hemels Goden bly*, +Waerop zy passende* souden 't gheluck tot my [201] +Van duysent aenghesichten 't lachenste doen draeyen.* +Bidt haer ootmoedelijck, dat zy daer't al aen staet, +Van mijn vernedert* hart haer dit ontsmeken laet. +Gaet heen, ick gae ten Hoof terstont de Coningh spreecken + +DAIFILO. + +Aen mijn dienstwillicheyt mijn Heer sal't niet ghebreecken. + +TISIPHERNES. + +Mijn yverighe* moedt*, door moeyelijcke* quel +Van lang vertoef, is sadt van uytstel op uytstel; +En mijn ghedachten, die ten top van eeren strecken, +Kunnen uyt ydel hoop niet langher voetsel trecken; [202] +Dat dese dach den draet mijns hoops in [203] stucken kort, +Of my vergelde't bloedt met ruymte [204] uytghestort +In dienste van het rijck; voor soo veel swaricheden, +Voor arbeydt*, lijfs ghevaer, voor hoogh en laegh gheleden,* +My loonende (naer eysch van saken uytgherecht) +Met 's Conings hoochste jonst, en de Prinsses ten echt; +Op dat de Persen sien, wie, als des Conings daghen +Verloopen sullen zijn, de groote croon sal draghen. +De Raedt is al vergaert, 't is tijdt om in te trêên. + +DAIFILO. + +Ayme wat soeticheyt vloeyt my door al mijn lêen! +Mijn voorbarighe siel haer wentelt in't verheughen, +Al eer de sinnen haer dat mededeelen meughen, +En loopt haer bôon voorby onlijdsaem* van vertoef,* +Waer door ick vreuchd' gheniet al eer dat ickse proef. +Hemelsche Venus,* [205] drijft mijn tong door uwe goedicheyt*, +Dat ick uytdrucken mach [206] het minst van mijn ootmoedicheyt,* +Van d'overgevenheyt mijns harts tot haer, en van +D'eerbiedicheyt, die niet als haer verwondren kan.* + +CONINGH. OSTROBAS. TISIPHERNES. + +CONING. + +Loflijcke Prinssen, tot noch toe heb ick ghelaeten +Yemandt te noemen, [207] die mijns dochters huwelijck +Waerdt zijnd' aenvaerden mocht de breydel van dit Rijck, +En heerschappie van soo veel verscheyden staeten;* +Om d'ingheseten door voorsichtich* kloeck beleyt +Teghen uytheemsch ghewelt sorchvuldich te bewaeren*, [208] +En voor my nae't verloop van mijn slippende jaeren, [209] +Te stieren met ontsich*, en met lieftallicheyt. +D'oorsaeck, O Tisiphernes, dat ghy niet en troude [210] +Te samen overlang, naer u verdienst en wins, [211] +Is niet dat ick ontken*, mijn grootmoedighe Prins, [212] +Hoe veel dit Coninckrijck is in u deucht ghehouden*; [213] +Maer 't is dat Ostrobas van hooch verheven stam, +Wiens vroomheyts* lofgeklanck verdooft al 's werelts kanten, +Dit oock door brief op brief, Ghesanten op Ghesanten, +Versocht heeft tot nu toe dat hy, hier selve quam. +Ons deucht*-vruchtbare tijt, heeft, schijnt het, willen draeghen* +Twee mannen even groot van achtbaerheyt by my, +Den eenen in verdienst, den andren in waerdy, +Den welcken even seer ick wensche te behaeghen; +Maer dat en kan niet zijn; nochtans ick boven al +Niet meer op d'eene zijd', als d'ander zijd sal hellen, [214] +Maer ick begeer dat ghy in 't vrijen meeghesellen +Komt overeen, wie dat den andren wijeken sal. +Een yder doe den andren [215] blijeken sijne reden,* +De bestgegrondste win, de swackste willich wijck, +Of dat het lot u schey, zijn uwe rêên ghelijck; +Soo blijft binnen het rijck in rust, buyten in [216] vreden. [217] + +OSTROBAS. + +Hoe nu? een Onderdaen, een Slaef dien de voochdy* +Van hoogher wetten dwingt, ghelijcktmen die by my? +By't bloedt van Arsaces?* wiens grootheyt hooch gheresen +De Parthen 's werelts vrees alleen ontsien en vresen; +De Prins voor wiens ghewelt*, d'opgaende Sonne swicht, +En nau zijn vrees ontslaet* [218] als hy sijn hielen licht. +Den donder van mijn naem sal Persen die versmaden +Tot dat het siet en voelt, de blixem van mijn daden? +Ick wijcken? Iae soo wijckt de Nijl wanneer hy vliet +Met onbetoomde loop, noch* letsel aen en siet +Wat hy vindt inde weech, versleept boschagie' en dijcken. +Puinberghen opghehoopt van uytgheroyde [219] rijcken, +Die sullen my den wech banen [220] tot hoocheyts top, +Daer mijn ghemoedt* nae staet, en om te klimmen op +Den throon van mijn opset, sullen dat zijn de [221] trappen. +En of den Hemel viel? Ick salder overstappen, +Eer zijn ghetuymels drang mijn strenghe* moedt verdruck: +Hy spuw zijn krachten uyt, en 't buldrende gheluck* +Klatre vry met [222] sijn sweep, 't sal my geen vrees in prenten; +Ick trotse sijn ghewelt, en puf* sijn dreyghementen. +Maer ghy o tedre* Pers, wat stady nae mijn eysch?* +Die niet een senu taey [223] hebt aen v weecke vleysch, +Ghy halve-vrouw, laet mans d'oefning* van 't [224] heerschen houwen. +Maer 't is u om de vrouw: Ghy vindt wel ander vrouwen +Waer mee ghy oeffenen* de troetel-kunste meucht. +Daer ghy u op verstaet, en die ghy van u jeucht +Met geyle zeden leert bedampt* van wijn en róósen.* +Sardanapalus komt en wil Atlas [225] verpóósen,* +O Goden wacht u hals! Ghelijck 't onedel bloedt, +Sulck u hantering* is. Maer ick ben opghevoedt +Onder 't ghekners van 't stael, 't gheberst van helm en swaerden, +'T gekrijs van 't oorloochsvolck, en 't briesschen van de paerden; +De dulle trommel,* en d'opstekende trompet [226] +Zijn mijn dertelste spel; [227] d'hard' aerd', als 't nauwt*, +mijn bedt. +Aensiet u swackheyt om u selven te verschoonen: +Ghy 't rijck van Persen? hoe? de last van soo veel croonen +Kneusde' u het [228] beckeneel; het pack van sulck ghebiedt +Druckte' u de schouders [229] in, gheeft u daer onder niet: +De voorstandt* van soo veel 'tsamenghegroeyde [230] landen +Vereyscht een kloecker borst, en klem van grover handen. +Voorts die sich wil by my ghelijcken in waerdy +Moet daer geen proef* van doen door lot of pratery, +Maer door de deucht* alleen: Dat vroomheyt in het vechten +Sich teghens vroomheyt* stel, om ons gheschil te slechten, +Het Rijck en de Prinsses zy des verwinners prijs. +Dan* ghy sult, mijnen raet volghende, zydy wijs, [231] +(Hoewel een Onderdaen geen dienst soo menichvuldich +Kan doen, of hy en blijft noch veel sijn Prinsse schuldich) +U laten loons ghenoech voor u verdiensten zijn +Dat u de Koningh hier gheleken heeft by mijn. [232] + +TISIPHERNES. + +Wanneer 's moeds* buyen dul des redens toom ontslippen, +Ghelijck de storm, dien ghy blaest uyt verwaende lippen, +Ist onbesuysde windt die vaeck het minste schaedt, +Maer scheurt sijn eyghen kracht op onbeweechde klippen; +Soo doet u rasery op Coning, my, en Raedt.* +De ry van Prinssen oudt, [233] uyt welcker brave* saedt +Ghy u ghesproten roemt, en wort hier niet versmeten; +Maer dat ghy d'eer van mijn doorluchtich huys versmaedt, +Om dat een Oppervoocht is boven my gheseten, +Ick en dees Persen al u bittren ondanck* weten. +Want onse Coning valt ons niet soo wreedt en wrang, +Noch wy den onsen, als ghy, die trots en vermeten* +U verblufte* Ghemeent* in slavernije strang +Ondrachelijck verheert* met hart gheweit en dwangh: [234] +Waer door u moed* verheft, dat* ghy 't met u braveren +Den Goden, soo ghy waendt, des hemels maeckt te bang, +Die, (lachens' er niet om) 't u ras sullen verleeren: +Maer ons bysonder* volck rechtvaerdich wy verheeren*, +En met bescheydenheyt* de Coning 't alghemeen: +Dees deuchden houden wy op 't alderhoochst in eeren, [235] +Die ghy verkeert*, vervreemt van alle recht en reên, +Soo smadelijck ghewoon met voeten zijt te treên, +En moedeloosheyt* noemt een ondeucht inde helden: +Waer door ten aensien* van u overdwaelsche* zeên* +Ghy my en dese, komt voor halve Vrouwen schelden +Maer niet meer als uw dulle gramschaps yl ghewelden. [236] +Vrees ick sonder belul* uw groove [237] lichaems kracht; +En 't viel* licht dat ghy noyt tot uwent nae vertelde +De troetelinghen van dees halve vrouwen sacht. +Dan of 't ghebeurde, dat [238] ghy my al ommebracht, +Soo souden u nochtans dees Persen kloeck, en moedich* +Niet kennen* voor haer Prins (ken ick haer)* [239] maer verwacht +Van al het Rijck, en elck bysonder wrake bloedich: +Want syliên nemmermeer sullen het heerschen [240] woedich, +En u uytheemsche trots lijden in [241] plaets van my, +Noch laten wraeck te doen over een Prinsse goedich*, [242] +Van wiens verdiensten en loflijcke [243] daden, zy +Gunstigher oordelaers* [244] en kenners zijn als ghy. + +OSTROBAS. + +Een lecker* trotst mijn kracht (wat sal my noch ontmoeten*?) +En hy leydt niet vertrêên aen mortel van mijn voeten? +Ostrobas wat u beurt? [245] Ghy dreycht my met ghevaer +Van uwe wraeck; ick tart de Persen allegaêr. +Daer leydt den handtschoen, d'eerst van soo veel onvervaerden +Tast sonder beven aen, en hef hem van der aerden. [246] +Soo lang'er een sal zijn, die my darf teghenstaen* +Van allen, en sal ick niet weygheren te slaen. +Ghy meucht u vry met keur van wapenen versorghen. + +TISIPHERNES. + +Mijn is dan d'eerste beurt. Nu, dat dan teghen morghen +Rechtvaerdich [247] Coning, ons een plaetse werd bestelt*, +Op dat de bleecke doodt in een besteken* veldt, +Een van ons beyden doe sijn stijf opset vergeten. + +CONINGH. + +Zijn u gramschappen op elckander soo ghebeten, +Dat sachter middel niet kan eynden u krackeel, +Soo laet ten minsten u de roof* van 't afghereten +Harnas uws vyants, sonder hem te moorden heel, [248] +Volle verwinning zijn, en slechting van 't verscheel. [249] + +GRANIDA. + +Wanneer het aertrijck [250] van des ruwen winters plaghen, +En zijn ontydich* koudt omhelsen wordt ontslaghen, +Ghevoelt zy in haer hart oprekenen* de schier +Heel uytghedoofde kracht van haer begraven vier; +Door dien de Lenten soet, in zijn verliefde weecken, [251] +Haer streelt, en ondergaet* met minnelijcker treken, +Wanneer dat hy [252] vernieuwt den outs-bekenden brandt; +Levende ritseling* [253] doorkruypt haer 't inghewant: +Alsoo ghevoel ick veel ghepeysen in my wecken +Wt haren diepen slaep, en door mijn leden trecken, +Die oorspronck namen in mijn teer-beweechde* geest, +Als ick eerst wierd ghewaer het schoone, dat my meest +Behacchde, van al 't gheen dat my oyt is verscheenen; +Want nae 't verlies van dien,* allensjens zy verdweenen, +Met de ghedaente, die my in den sinne lach, +En nu door dien ick 't eens behaechde schoon hersach +Met meerder hefticheyt sy op een nieu verrijsen, +Om my de schoonheyt van een Harder aen te prijsen. +Maer sacht Granida,* houdt op, houdt op, want waer toe dient +Dus hooch te setten een die ghy tot Heer en Vriendt +Geensins verkiesen meucht*? maer leyden moet u leven [254] +Met, dien u andren keur uyt weynighe sal geven.* +Wat leyder boodtschap,* uyt wat aenghenamer mondt +Helas! was, Daifilo, die ick van u verstondt? +Ayme! wat vriendtschap in u voorhooft stondt [255] gheschreven? +Helas! het schijnt dat op de staten* [256] hooch verheven +Wy sitten met ghebiedt, maer die't wel ondertast, +Vindt ons verheert verdruckt onder haer overlast*. [257] +Helas! meer droefheyt vreest mijn hart dan 't hoop [258] verblyding: +Ick gae vernemen doch nae de verlangde tyding. + +REY VAN IOFFEREN. + +739 Wat stort al gaven groot, + Bewoonders vander aerden, + Den hemel in u schoot, + Als ghys' ondanckbaer snoodt + Niet met de voet en stoot, + Maer vorder* sorghen doodt, + Om 't aengheboôn 't aenvaerden. [259] + +746 Maen, Starren, 's nachts cieraet, + D'eerwaerde* Sonne-straelen, + 't Aertrijck met vloedt doorwaedt*, + Daer kruydt, en boom beblaedt, + By blye Bloemkens staet, + 'T schoon menschelijcke saedt + Met lust u 't ooch onthaelen. + +753 Het braef* of soet ghespeel + Van windt of tedre snaeren, + Het lieffelijck ghequeel + Van mensch of voghels keel, + Spel en sang-menging eel + Door 't oor met lust, gheheel + Ter sielen innevaeren:* + +760 De Wieroock, diemen met + De Myrrhe plach* te veughen, + Musc, Ambre, scharp Civet, + Groen kruydt, en Bloemkens net, + Roos, Lely, Violet + Met reuken onbesmet + Ver stercken, en verheughen.* + +767 Een vollen overvloedt [260] + Van veele dranck, en [261] spijsen, + Des menschen lichaem voedt + Als hy met lusten soet + Sijn graghen hongher boet; + Maer bruyckt hy 's meer,* daer moet + Ghebreck*, en last uyt rijsen. + +774 Van alle 's werelts lust + Is soete brandt van Minne + Voor d'heftichste bewust*, + Wanneer zy wordt gheblust + Als lief by lieve rust; + Daer aertsche mondt ghekust + Voldoet voor een Godinne. + +781 Dees lusten allegaer, + En duysent van ghelijcken, + Als oefnen, aesmen maer,* + En d'onghetelde schaer + Van al ons handtghebaer, + Voor Liefd' oprecht, en waer, + Nochtans in vreuchde wijcken. [262] + +788 Sy doet dat vreuchd' ontspring, + In twee verbonden harten; + En maeckt dat yder dingh + Dubbele lust in bring, [263] + Door haer vereeniging; + Iae 't draghen onderling + Treckt soetheyt uyt de smarten. + +795 Dees salighende deucht* + Op aerden kan doen smaken + Een goddelijcke vreucht, + Die luttel liên verheucht, + Want meest een yder veucht* + Sich omme sijn gheneucht + Van leur*, of niet te maken. + +802 Och hoe swaer ist te raken + Aen vrientschap onbevleckt, + Daer vrienden keur ontbreekt!* + +805 Dien lust tot staet en eeren + Boven de maet verheft, + Moet dese lust ontbeeren + Die 't alles overtreft. + +809 Want onder luttel lieden + Daer hy uyt kiesen gaet, + Can 't swaerelijck gheschieden, + Dat een hem annestaet. + +813 Wat vrientschap vol van trouwen + En van gheneuchten bly + Kan Liefd' en Minne bouwen, [264] + Daer gheen behaghen zy? + +817 De nacht komt opter aerden + Ghevallen met haer schim*, + En met haer bruyne* paerden [265] + Berijden onse kim. + +821 Morghen 't ghevecht sal maken + Mijns Vrouwen huwlijck klaer, + En in soo grooten sake [266] + Kiest het gheluck voor haer. [267] + +GRANIDA. DAIFILO. + +GRANIDA. + +Ach wat bekommeringhen [268] +Comen mijn siel [269] bespringhen! +De nacht, die 't al ontlast, +Maeckt dat mijn sorghe wast. +De swaricheyt ghenakende +Houdt mijn ghedachten wakende: +Villicht* dat hier voorby +Koom sang of spel, om my +Wat uyt den sin te stellen +De sorghen die my quellen. +Maer wie komt gins ghegaen +By 't schijnen van de Maen? +Wat soudt Daifilo [270] zijn, ick sal de venster sluyten, +Van binnen kan ick sien door 'tglas, hy niet van buyten. + +DAIFILO. + +Kond 't lichaem als de siel vervolghen daer 't nae staet, +'T was nu by mijn Godin, en niet hier op de straet: +Maer 't soeckt, nae zijn vermeughen, +Sich, volghende te veughen* +Daer 't van sijn leydtsman 't hart +Henen [271] ghetrocken werdt. +Ayme [272] Granida! doel van mijn ghenegentheyden, +Hoe nood' is liefde van haer lieve lief [273] verscheyden*? +Maer wat vertoeve ick langh? best ist dat ick vertreck, +Eer yemandt my ghewaer hier wordende, begeck +Mijn lieven als verwaent, en sonder grondt verheven +Kasteelen inde lucht.* Dan ick ben niet ghedreven [274] +Door een begeerte van besit ghelijck als zy, +Nae dienst is dat ick tracht, en niet naer heerschappy. +Iuppijn, Princesse waerdich, +Zy voor u sorrechvaerdich, +En 't heyr van 's hemels Goôn +De wacht van u Persoon. + +GRANIDA. + +Hoe menich klaecht van liefd' een onbeproefde smarte?* +Dees openbaertse niet daer* hyse voedt in 't harte: +Maer sy ontdeckt haer selfs, en ongheveynsde vlam +Wierd noyt verborghen dat zy niet te voorschijn quam. +O rechten sonder reên! o wetten sonder weten! +Met recht mach 't opperst recht wel 't opperst onrecht heten: +Besit van staet, van landt, van gelts ontelbre som, +Dat deylt ghy nae 't gheluck, niet nae de reden om, +Des vaeck, de slechste krijcht [275] hier van de grootste winste, +En die het meeste waert is lijdt* hem met het minste: +Van d'erfgoên die natuyr ons achterliet ghemeen, +Deyldy den eenen veel den andren ganslijck geen. +O rechten sonder reên! +Verkeerder* menschen lust, en snoode schelmerijen, +Hebben u [276] voortghebracht; want in de gulden tijen, +Doen 's werelts kintsheyt soet niet deed, dan sliep, of loech, +Doe niemandt vorder als voor noodruft* sorghe droech, +En hadder niemandt veel, maer yder had ghenoech. +Doe waerdy onbekent, maer nu, door boosheyts woeden. +Zydy een noodich quaet, om quader te verhoeden. +Doe koos men Lief nae lust, nu dwingt het onderscheydt +Van staten*, vaken* ons te maken lief van leydt: +En d'overvloedt die maeckt den aldermeest van machten [277] +Behoeftich in het geen dat aldermeest is t' achten. +Twee eyschen my tot Lief, de strijdt sal rechter zijn, +En wie dat wint, helas! 't verlies is altoos mijn. [278] +Want wien my 't blindt gheluck van beyden toe sal legghen +Het kost mijns levens rust. Soo luttel heeft te segghen +Een Coningin, in saeck, die haer soo seer betreft. +De spits is hooch, maar eng, daer 't luck ons op verheft. + + + + + + + +DARDE DEEL + + +TISIPHERNES. DAIFILO. + +TISIPHERNES. + +Ghy lieft Granidá, en hebt ten Hove dienst ghenomen +Om haer te dienen? + +DAIFILO. + + Iae, mijn Heer, en ben ghekomen +In uwen dienst, op hoop, dat zy u echte Vrouw, +En door dat middel ick haer dienaer worden souw, +Om te besteden, in alsulcken dienst, mijn jaren, +Daer alle menschen toe docht my, gheschapen waren; [279] +Dat my de reden wijst, kan ick niet laten nae, +Versuymen't anderliên haer eyghen schuit en schae;* +Dies, dat ick voor haer stry, [280] jae sterve, dats mijn leven. + +TISIPHERNES. + +Voorwaer van edel Godt is u ghemoedt ghedreven: +Dan* dat ghy voor my vecht, mijn eere niet en lijdt. + +DAIFILO. + +Maer wie sal weten, Heer, dat ghy het niet en zijdt? +Wt een besloten helm sal't niemandt kunnen ramen. + +TISIPHERNES. + +Ick selfs soudt weten, en my in mijn harte schamen. + +DAIFILO. + +Men vecht hier om u Lief, en 't Rijck, en niet om eer. + +TISIPHERNES. + +Dats waer. + +DAIFILO. + + Kiest, wijslijck, dan het sekerste mijn Heer. + +TISIPHERNES. + +Maer of hy u versloech? + +DAIFILO. + + Dat hy dan u verbeyde. [281] +Soo 't u belieft. + +TISIPHERNES. + +Iae: want gans Persen hy ontseyde*. +Maer proev' ick het soo goedt dan niett en eersten?* + +DAIFILO. + +910 Neen: +Want hy lijdt meer ghevaers van twee liên, als van een. +En of de wreede Parth niet en was te [282] vernielen, +Als met den onderganck van bey de Vechters sielen; +Want kond 't u baten dat ghy hem ter hellen sondt, +Indien ghy (God behoets*) bleeft dootelijck ghewondt? +Maer soo dat my ghebeurt, wat isser aen gheleghen? +De vruchten van de winst door mijne doodt verkreghen +En sullen niet met my verrotten in het graf, +Maer erven ghy, mijn Heer, sult het [283] ghenot daer af. +En de Princesse, dien 't veel saligher sal wesen +Te leven met een Prins der Persen uytghelesen, +Als met een walscher* raeu, en overdwaels Tyran. + +TISIPHERNES. + +Daifiló u reen zijn groot, doet [284] dese wapens* an. +De Goden willen* u en my het best verleenen. + +DAIFILO. + +'T is hooghe tijdt, [285] mijn Heer, vaert wel, ick spoey my heenen. +Op dat my niemandt ken van die ons vechten sien. +Soo sal ick sonder spraeck 't gheselschap eere biên*. + +OSTROBAS. DAIFILO. CONINGH. + +OSTROBAS. + +Waer blijft mijn vyandt? leydt hem 't hart in yle reden?* +Heeft hy berouw? of (is) het harnas noch te smeden; [286] +Om datter geen ghemaeckt in 't heele Persen zy +Daer hy sich in gherust vertrouwe teghens my? [287] +Maer al beswoer [288] 't Vulcan met dubbel hardichede,* +Soo sal het wederstaen [289] mijn punte, noch mijn snede. +Die sorch verlet hem niet, dacht hy soo ver', ick acht +Veel eer dat hy sich bet sint gister heeft bedacht.* +Dan*, soud' hy daer wel zijn? soo wilt tot bloedich teecken +Van den aengaenden strijdt flucx de Trompette steecken. + +DAIFILO. + +Eeuwighe Goden groot, verstreckt [290] my nu de kracht, +Waermede, doen ick noch was Harder, ommebracht +De vreesselijckste van de wreede wilde dieren; +Voor al Granida ghy, die my gaet herwaerts stieren, +Verdubbelt my den moedt, en krachten onder 't slaen: +Mijn vyandt wacht op my, daer gaet het teecken aen. + +CONINGH. + +Persen, u Prinsse wint, [291] verheucht* mijn Ondersaten, +Den hemel vecht voor u. Ontslaeghen zijn mijn staten +Van d'ysselijcke vrees, daer leyt de Parth ghevelt. +Dat Tisiphernes leef; gheluck grootmoedich* helt, +Den grooten Scepter ghy sult voeren nae mijn leven, +En u ghewenschte Lief* ick u ten echt sal geven. +Ontwapent u terstont en nae de ruste tracht, +Op dat u wonden, of vermoeytheyt zy versacht. +Laet ons de Goden gaen met danckbaerheyt vereeren, +Die op des vyants hooft zijn dreygementen keeren. + +DAIFILO. + +Opperste Goden, en [292] ghy opperste Godin +Granida, die u throon in 't diepst hebt van mijn sin, +U komt de zeghe toe, oock sult gh'er 't nót af erven, +En my ist nóts ghenoech om u nót*, nót te derven. +Wat naeckt u blijde maer, O Tisiphernes, sal +U siele cunnen wel de blijschap draeghen al? +Het sal schier zijn van nood* dat ick u die verberghe, +Op dat haer hefticheyt niet al te veel en verge +U inghenomen hart met overighe* feest*, +En haer omhelsen [293] strengh* verdelgh u swacke geest.* + +REY VAN IOFFEREN. + +964 Lof goedertieren + Goden, waert te vieren, [294] + Die, doen wy weenden, + Cracht, en moed verleenden + Over ons zije, + In het bitter strijen + Om d'heerschappie.* [295] + +971 Doen 's werelts jaeren + Iongh, en onervaeren + In boosheyts listen, + Van geen eyghen* wisten, + Kenden de lieden + Dienen, noch ghebieden, + Wat het bedieden. [296] + +978 Ider behoefde + Luttel, d'aerde proefde*, + Ploeghen noch delven, + Willich, uyt haar selven, [297] + Droechse de goeden*, + Die de menschen voeden + In overvloeden. + +985 Maer 't overtreden + Van nootdrufticheden, + Dat dompt' een yder + Inde sorghen wyder, [298] + Doende, met pijnen, + 'T veele luttel schijnen, + Hen* quam het mijnen*. + +992 Want, doen het vechten + Daers' haer eerst nae rechten*, + Haerlie beswaerde, + Sy verdeelden d'Aerde: + Grachten en staeken* + Sachmen doen eerst maeken, + Muyren en daken. + +999 Voorts met elckandren, + Om met krijch den andren + Niet meer te stooren, + Sy een Coningh kooren, + Die haere twisten + Met zijn oordeel* slisten, + Dats' oprecht* gisten: [299] + +1006 Die haar oock teghen + Volcken bygheleghen, + Die'r overvielen + Om haer te vernielen. + Leyde ten strijde, + Daer hy 't geenen tijde,* + Sich selven mijde*. + +1013 Dese rechtvaerdich* + Waren 't rijcke* waerdich, + Maer haer naesaten + Hebbende verlaten + D'oprechte [300] weghen, + Lust int heerschen kreghen, + En 't ontucht* pleghen. + +1020 Soo dat (daer* d'ouden + Liever dienen souden) + Een Coningh heden + Nauw en is te vreden [301] + Met sijne plecken, + Om 't ghebiedt te recken + Haer sinnen strecken*. + +1027 D'oude niet gaeren + Heerschten, daerse waeren + Daer toe ghebeden,* + Dese, niet te vreden [302] + Met die 't haer bieden, + Dwinghen oock die lieden + Die voor haer vlieden. + +1034 Wat onghelucken + Komen 't Landt verdrucken + 'T welleck moet lijen + Vreemde tyrannijen! + Nevens het plaghen + Des Tyrans, 't moet draghen + Sijns vollix* knaghen. + +1041 Lof goedertieren + Goden waert te vieren, + Die, doen wy weenden, + Kracht en moet verleenden + Over ons zije, + In het bitter strijen [303] + Om d'Heerschappije. + +DAIFILO. + +Al peynsend' [304] op sijn bed ick legghen vandt mijn Heer +Ghemat van hoop, en vrees, door 't trecken heen en weer.* +Mits* hy my wiert ghewaer, vlooch op met heftich vraeghen, +Wats d'uytgangh van den strijdt? uw vyandt is verslaeghen +Seyd'ick, waer op hy my omhelsend' heeft gheseydt, +Gheen eeuw* sou wisschen uyt sijn heete danckbaerheyt; +Noch mijn ghetrouwe dienst uyt sijn ghedachten vlieden. +Soo langh als in syn siel Granida sou ghebieden; +De welcke morghen hy te gaen besoecken dacht, +Indien sijn blijschap hem liet leven dese nacht. +Morghen dat waer te [305] langh, indien sijn ingheboren +Gheneychtheyt 't' haerwaerts hem met aenhoudende sporen [306] +Prickeld' als doet de mijn. [307] De naere* nacht verspreydt +Haer schaduw over 't kruydt, en d'eedel Sonne weydt +Sijn afgheronnen* jacht* achter de [308] steyle berghen; +De sorghen, die des daechs het woelich vollick terghen*, +Die slapen met de mensch; 't Ghevoghelt en het Vee +Zijn stom, de Mane slaept, en licht Granida mee: [309] +Maer altijt leeft mijn liefd. Een treck om te vereenen +Drijft my nae mijn Godin, zy drijft my herwaerts [310] heenen +Soo naer als 't lichaem kan. Dit zijn de vensters dees, +Daer, als de Son opging, de teghen-Son verrees, +En joech hem schaemte aen. [311] Wt dese vensters plach +Te toghen mijn Godin haer aenschijn op den dach: +Als op 't onwaerde volck haer jonste zij laet regenen, +En 't haer belieft daermeed' Hemel en Aerd [312] te segenen. +Ach salich ick die 't sie! soo salich niet misschien +Is die 't ghenieten* sal, en niet soo wel sal sien. +Ay my! ick vocht, ick wan, een ander sal braveeren*! +Dats niet*; maer die 't sal zijn kan u niet vol waerdeeren. + +GRANIDA. VOESTER. DAIFILO. + +GRANIDA. + +Hoe nu Granida? kloeck, en vaerdichlijck besluyt.* +Voester. + +VOESTER. + +1080 Mijn Vrouw. + +GRANIDA. + +Daer gaet Daifilo, treedt eens uyt, [313] +Om hem te roepen, ras, want ick uyt [314] sijnen monde, +Gaeren, de staet, waer in zijn Heer mach zijn verstonde. [315] + +VOESTER. + +Dochter ick vlie. [316] + +GRANIDA. + +Nu dan, dat swackheyt van ghemoe +U niet het minst ghegrondt in reden kiesen doe, +Siet dapperlijcken* toe. +Dat inghesoghen waen, die 't merch en 't hart soo naer ,,leyt, +Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant, +Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt, +Die de natuyre prent in 't redelijck verstandt. [317] +Voorganghen* [318] overlegh met reden van ghewicht, +En d'ondervindingh selfs heeft my wel onderricht +Dat soeter lust en rust ghemeenlijck wordt ghenoten +In Hutten, als ten Hoof, of op beveste* Sloten, +Als dat al niet en waer,* maer dat een Harders staet [319] +Was vol van arbeyt, moeyt, vol sorchs en kommers quaet, [320] +En ick daerinne mocht soo trouwe liefd bejaghen, +Wat vreuchde soud't my zijn, daeromme smart te draghen? + +VOESTER. + +Daifilo. Hy keert. [321] + +GRANIDA. + + Hy keert. Ayme! Ayme! wat beswaer,* +Cond my quetsen by u, ten waer't het uwe waer?* +Granida dese tijdt* is jonst van Godt verkreghen, +Dient'er u van. [322] Hy naert. Ick gae beneên hem teghen. +Het swaerste meest moet weghen. + +DAIFILO. + +Mijn Vrouwe, siet my hier tot uwen dienst bereyt, +Belieft u yet van my? + +VOESTER. + + Niet anders als bescheyt, +Daifilo, van de wel of qualijckvaert [323] uws heeren, +Mijn vrouw komt sellefs of, en seyt dat zy begeeren +Heeft, om uyt uwen mondt het selve te verstaen. + +GRANIDA. + +Voester 't believ' u aen [324] een zijde wat te gaen.* + +DAIFILO. + +Hooghe Prinsses ick bid den hooghen Prins* der Goden, [325] +Dat hy u wenschen geev' de kracht van zijn gheboden. +En danck hem [326] dat mijn dienst u yet wat komt te stae, + +GRANIDA. + +Ach Daifilo! + +DAIFILO. + + Hoe mijn vrouw? Voester. [327] + +GRANIDA. + +Neen, laet dat nae.* [328] +Daifilo en hadt ghy my niet [329] verre boven allen, +Doen ick u eerstmael sach, verheucht en welbevallen, +En u te passe dienst mijn hart gheneycht tot dy, +Soo soud' u heusheyt [330] trouw ghepleecht ten Hoof, by my +De jonst hebben verweckt die ick u [331] droech* te vooren, +Nu heeftse [332] die vermeert; maer in my is ghebooren +Een lust om weten wat het zijn mach, dat u hier +Dus in de naere nacht ontrent mijn venster stier; +Ontdeckt het vryelijck, en antwoordt op mijn vraeghen. + +DAIFILO. + +Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf* van zijn grondt gewaegen. +Princesse' als my verscheen dat [333] heylsaem* aenschijn schóón, +Dit seltsaem wesen, dat soo rijcklijck stelt ten tóón +De grootheden uws siels, [334] haer hooge' en heussche goedicheyt*, +Haer ernst*, oprechticheyt, bescheydenheyt*, cloeckmoedicheyt, +Had een vierighen Godt mijn hart doe niet gheleert, [335] +Dat u den hemel aen de werelt had vereert +Op voorwaerde, dat al, die kenden u waerdije, [336] +Souden voor 't hoochste goedt kiesen u [337] slavernije,* +Soo moest ick van 't gheslacht der eycken-boomen hardt, +Of wel een rootse* zijn, [338] die niet beweecht en werdt*. +Grootachting* uws persoons [339] is voocht* van al mijn sinnen. +Die dreef my van het veldt, en deed my 't hof beminnen, +Om de ghenegenheyt mijns siels [340] te wt'ren; want +Die soeckt haer aen het schoonst te geven dat sy vandt [341] +En met dat een te zijn. Maer waerdste der Godinnen +Hoe wel ick daer nae wensch, ick hoop het niet te winnen; +Soo waerdt en acht ick niet by een Godin een mensch: +Om mijn ootmoedighe' hoop, verschoont mijn trotse wensch. +Ick wensch het niet, maer sou daer wenschen aen te raeken, +Mocht ick door wenschen eerst mijn self dies waerdich maeken. +Dit doet, mijn vrouw, dat ick op 't naest u by zijn soeck, +En ver van u te zijn my valt de swaerste vloeck. + +GRANIDA. + +Ach Daifilo! door 't glas verstond* ick de gheruchten* +Van u verliefde klacht, en ongheveynsde suchten: +Noch* 't is nu d'eerstemael dat ick die heb verstaen, +Noch 't is nu d'eerstemael dat ick bespeurdt heb aen [342] +Uw uyterlijcke jonst, uw innerlijcke vlammen. +'K en acht geen beuseling van onderscheydt der stammen*, +De deucht* maeckt eedel; u en overtreffet dan +Ter werelt, dat ick weet, geen Prins noch Edelman. +Daifiló ick heb u lief, en [343] sal u liefd betaelen +Het dierste dat [344] ick kan.* De tijdt verbiedt te draelen +In 't openbaeren van mijn onghemeten vier. +Daifilo. dits mijn raedt*, leydt my [345] terstont van hier, +Een Harderinnen kleedt, in plaets van goudt, en zijde, +Ben ick vrolijck ghetroost: Indien ghy u kundt lijden* [346] +Met my in sulcken staet, soo vliên we' eer dat het daecht. + +DAIFILO. + +Ick kus d'aerde, mijn [347] Vrouw, die uwe voeten draecht. +Een hartseer doodt my, groot, maer lieflijck boven maeten, +Dat ick soo grooten jonst moet onvergolden laten, +Door dien my macht ghebreeckt. Maer overlegt mijn Vrouw, +(Want liever als uw druck* had ick mijn eyghen rouw) +Van welcken hoocheyt ghy soudt dimmen gansch beneden: +Een Coninginne, niet geeert, maer aenghebeden, +Haer geven tot een staet, +Daer niemandt acht op slaet? +Het braef*, opsichtich*, groots, en hemel-hooch verheven, +Van duysenden ghewenscht voor salich-makend leven,* +Soudy verlaten, om een leven soet, en sacht, +Maer onghesien, en laech, slecht*, nedrich*, ongheacht, [348] +Het welck u mocht bedroeven, +Wanneer ghy 't quaemt te proeven. +Men raekt'er lichtlijck in, maer swaerelijcker uyt. + +GRANIDA. + +Daifiló en houdt het mijn [349] voor geen verylt besluyt. +Eer ick met dese saeck dus ver ben voortghetoghen, +Heb ick in juyste schael de dinghen overwoghen. +De Prinsselijcke staet veel nutheyts innebrengt. +Maer (Goon!) wat teghenwicht is met dat nut ghemengt! +Ach eenvoudige rust, der Harders [350] laech gheseten, +Die luttel van 't gheswint ramps overromplen weten! +Ick sie nau, dat ick yet, o Daifilo, verloor, +Indien dat ick die staet slechs om haer selven koor; +Nu kies' icks niet alleen om 't schuwen der verdrieten, +Die my naekende zijn, maer [351] meer, om te ghenieten* +En te vergelden dier uw liefd, die my verwan; +De waerdste vreuchde, die den Hemel deelen* kan: +Om welcke' in midden 't vyer ick sou te leven dóógen*. +Maer wat, ick doe 't alree, ghij siet de proef voor óóghen. +Wat last? wat smarte? wat quellagie soud' op mijn +Hart heften* connen als ick [352] een met u mocht zijn. +Daifilo, hoe dus verbaest*? heeft u dees maer* verslaeghen? [353] + +DAIFILO. + +Verslaghen? jae, mijn Vrouw, noyt droefheyt in mijn daegen +Vermeesterde mijn hart met sulcken overlast*, +Ghelijck de blijschap nu dat heftich annetast. +Wat eer? wat lof? wat danck can u de werelt geven? +Mijn ghedacht is te cleyn. [354] Ach lief, en salich leven +Mijns ootmoedighe siels! [355] Ach mocht mijn siel, van nu +Eeuwelijck metter woon vaeren uyt my in u! [356] +En, in dees wooningh schoon uws siels, altijt nae desen [357] +Onscheydelijck, haer trouw-nechtige* dienstboo wesen! + +GRANIDA. + +Daifiló, ons corte tijdt moet zijn ghenomen waer*. [358] +Vindy mijn voorslach goedt? + +DAIFILO. + + Mijn Vrouwe, dat wy daer +Niet langher op beraên. U voorsicht* heeft veel verder, [359] +Prinsses, en bet ghesien, als uwen slechten Harder. [360] +Wat u belief, gheschie. + +GRANIDA. + +1215 Nu Daifilo, dat wy +Mijn Voester dan terstont gaen winnen op ons zy, +En onderrechten haer de sake te bestellen*, +Dat mijn verlies op 't minst mach mijn Heer vader quellen. + + + + + + + +VIERDE DEEL + + +DAIFILO. + +Onder soo veel, soo veel [361] cieraden eel en braef* +Van 't vrouwelijck gheslacht, en ist de minste gaef [362] +Des hemels niet, dat sy schielijck [363] een raedt* versinnen, +Die nae veel overleghs, een man, nau soude vinnen. +Soo ras de Voester had haer teghen-reên gheseyt, +Waerense [364] van mijn vrouw wel crachtich wederleyt. +Soo ras de Voester sach dat van verandring spreken +In haer voornemen, was voor steene rootsen preken +En ons haer dienste bood, soo hadden zy om 't stick* +Lichst uyt te voeren, in min als een oogenblick, +Listighen raedt [365] bedacht, om soo seer te verblenden +Coning, en heele Hof, dat sy niet eens haer wenden [366] +Souden, om ondersoeck nae de Prinsses te doen. [367] +De saken zijn bestelt*, en niemant sal vermoên +Hebben op my. Neen, want [368] in 't west noch niet gedaen ,,zijn, +De bruyne* grijnsen* van des hemels vrolijck aenschijn; +Scharp 's uchtens gouden cruyn* in 't oosten schittert, mit +Haer verschghevlochten krans van roosen roodt, en wit. +Niemandt van 't hofghesin* is weet ick noch gheresen, +En acht mijn Heer sal mee noch by sijn bedde wesen. +Maer later diende 't niet, siet, waer hy my ontmoet,* +De blijschap steurt de slaep meer dan de droefheyt doet. + +TISIPHERNES. DAIFILO. + +TISIPHERNES. + +Spoeyt u eerwaerdich licht om op my uyt te spreyden +'T beginsel*, en 't vervul van mijn gheluckicheyden; +O blosend' Uchtent boet* mijn onrustich ghewach*, [369] +Voorloopster van de Son, Vroemoeder van den dach. +En ghy glinstrende star deckt u verliefde stralen* +Wat eer als u ghewoont, en om weer te verhalen* [370] +U tijtverlies, soo wilt u 't' avondt liever spoên +Wat vroegher, als u licht mijn beter dienst sal doen: +Stelt u brageeren* uyt soete Godin tot [371] t'avondt, +En neemt soo veel ghy nu te kort komt aen den avond;* +Indien ick willich volch der minnen heete brandt,* [372] +Noch Godtheyt boven d'uw verhef in mijn verstandt. + +DAIFILO. + +Ick wensch mijn Heer van daech 't hoochste geluck [373] te proeven*. + +TISIPHERNES. + +Daifilo zydy daer? [374] gaen wy ten Hoof vertoeven, +Tot dat de Coning rijs', om dan van stonden aen, +Ghelijck besloten is, voort nae mijn Vrouw te gaen. +Maer siet haer Voester. Wat of haer dus vroech mach quellen? + +DAIFILO. + +Misschien, mijn Heer, ist om de staessy* te bestellen*, +Die teghens uwe koomst moet heerlijk* zijn bereêt. + +TISIPHERNES. + +Roept haer; op dat ick yet van de Princesse weet. + +DAIFILO. VOESTER. TISIPHERNES. + +DAIFILO. + +Mijn Vrouw. + +VOESTER. + + O groote Goôn! + +DAIFILO. + + Mijn Heer soud' u yet vragen. + +VOESTER. + +Waer is de Coning? + +TISIPHERNES. + +1266 Wel? Voester, hoe dus [375] verslaghen! +Wats van Granida? he? + +VOESTER. + + O Goden wonderbaer! +Waer is de Coning? + +TISIPHERNES. + +Hoe, en ist niet wel met haer? +De saeck betreft my mee, segt wat'er mach ghebreken. + +VOESTER. + +Datmen den Coning weck, ick moest den Coning spreken. + +TISIPHERNES. + +Datmen den Coning weck. Maer geeft ons wat bescheyts, +Ist qualijck of ist wel? + +VOESTER. + + Qualijck, en wel, van beydts. [376] + +TISIPHERNES. + +Qualijck en wel? hoe soudmen hier bescheyt uyt mercken? [377] + +VOESTER. + +O eeuwelijcke macht? o wonderlijcke wercken, +Die d'aertsche sinnen, en vernuft* te boven gaen? + +TISIPHERNES. + +O Goön wat sal dit zijn? + +DAIFILO. + + Terstont suldy 't verstaen, +Mijn Heer, de Coning is gheweckt, en voort gheresen*. + +TISIPHERNES. + +Siet of hy komt. + +DAIFILO. + +Mijn Heer, hy sal terstondt hier wesen. + +TISIPHERNES. + +Daer is de Coning, nu u bootschap, Voester, doet. + +CONINGH. VOESTER. TISIPHERNES. + +CONING. + +Voester wat brengdy ons dus schichtich*? quaedt of goedt? [378] + +VOESTER. + +'T believe' u Heer, uyt my te hooren de gheschiedenis*, +En selfs te oordlen of 't voor quaet of goedt te dieden ,,is. +De Coning met ghedult aenhoore mijn vertreck*. + +CONING. + +Spreeckt klaerlijck, niemandt en sal steuren u ghespreck*. + +VOESTER. + +Hoewel een eedel hart van uytghenomen* sinnen* +Alle'eedel harten vroom, en deuchtsaem moet beminnen, +Soo heeft natuyr nochtans ghehecht aen ons ghemoedt +Een treck, die verre, d'een voor d'ander kiesen doet, [379] +Om door vereende liefd daer mee te zijn verbonden. +Als sulcken wederpaer* ghetreft wordt, of ghevonden, +Wast liefd' heftich en ras, doo datse naermen vijndt*, [380] +Geen nieuwe vrientschap, maer vrientschaps vernieuwing schijnt: +Recht of die sielen met elckander onderlinghen [381] +Ghepaert hadden gheweest, al eer zy lijf* ontfinghen. [382] +Des Tisiphernes sich niet belghe, dat mijn Vrouw, +Als sy gistr'avondt haer tot slapen geven souw, +Om 't aenstaend'huwelijck was droevich en t'onvrede*, +Alsoo 't aen haer [383] ghemoedt* niet ganschlijck en voldede. +De treurighe Prinsses seer veel, en yvrich* badt +De groote Goden, haer te jonnen 't geene dat +Die beter dan zy selfs voor 't best en schoonste kenden, +En konden, was het haer Godlijck believen senden. [384] +'Twoelend ghedacht* [385] had nau van 't bidden eyndt ghemaeckt, +Als zy, en korts daer op, ick ben in slaep gheraeckt. +Ick lach in diepe rust, mijn leden overgoten +Met sachten slaep, en al mijn sinnen toeghesloten, +Mijn siel ghedompelt in een grondeloos vergeet, +Soo dat de droomen oock, die buytens tijdts met leedt +En daechschen arrebeyt des lichaems,* komen quellen, +Met haer vernieuwingh niet vermochten die t'ontstellen*; +Wanneer een groot gheluyt schielijck mijn ooren sloech, [386] +En overklaere glans mijn vaeck uyt d'ooghen joech. +Ick hoorde soo, en sach, (O Goden leert my segghen) +Dat* d'opghetooghen* siel 't lijf onbeweecht liet legghen. +Siet daer, de kamer leeft, en tsiddert op de klanck, +En lieffelijcke maet van hemelsch spel en sanck +Der Godinnen ghekroont met groene lauren telghen. [387] +D'ontspronghen vensters op* en kunnen niet verswelghen +Het helle licht waer van de volle kamer blaekt,* +Vloer, Want, Tapissery*, het welfsel [388] vlammen braeckt +En alles sonder brandt, niet om [389] vernielen móórdich, +Maer tot erkentenis des Godtheyts [390] teghenwóórdich.* +De Sangsters schicken haer int ronde, en midden in +Den fraeyghevoechden ringh, verheft haer een Godin; +Granid' in als ghelijck; van* welgheschickte leden, +Van eerwaerdich* [391] ghelaet, van trony net* besneden, +Van oly-kleurt [392] ghesicht,* van dichte vlechten blondt,* +Van bleeckheyt des ghedaents,* en roo coralen mondt. +Het hooft, tot teecken van haer mannelijcke luymen*, +Dat deckt een blancken [393] helm, en blickert door de pluymen. +Haer voorsichtighen arm [394] ghewapent schijnt te zijn +Met eenen schilt van klaer doorsichtich cristallijn;* +Maer dat zy 's wijslijck bruyekt, en [395] niet en soeckt door desen +Als soete vrede, blijckt aen haer besaedicht wesen, +En den olyventack, een [396] teghenteecken van 't +Crijchsduyend gras,* die zy reyckt met haer rechterhandt. +Sy wendt haer tot Granid' en goddelijcke zeden* +Ontsluyten haeren mondt, met dusdanighe reden; +Welck goddelijcke kracht [397] +Diep druckt' in mijn ghedacht*. [398] +Granidá ontwaeckt, dat rust u buyten slaepe vinde, [399] +Siet hier Minerva die noch inde wiech u minde,* [400] +En haer ghenaede sandt. Geen mensch valt u te lót, +Maer in des hemels throon, de Liefd een eewich Gódt. +Uw liefde tot de Liefd, doet Liefd in liefde blaken, +Die kiest u tot sijn Lief; ick sal het huwlijck maken, +Ghy sult de weerliefd zijn, sijn Bruydt, en sijn Godin, +Een Vrouw van staeghe liefd, niet van de wulpsche Min. +U vryer wacht 'om hooch, wy zijn u koomen haelen. +Godinnen voert haer mee, de doorschynighe saelen +Des hemels sullen haer niet schaemen dit cieraet. +Nieuwe Godin, u [401] hart van aertsche last ontslaet. +Wt hadse. mit ontsteeckt het wellustighe* speelen +Der neghen Sangsters, daer zy lieflijck onder queelen: + + Nu ontslaet u d'Aertsche last,* [402] +1360 Beter past + U de Godtheyt aen te trecken*. + Salighe Godinne, wy + Voeren dy, + Nae des hemels hoochste plecken*, +1365 Plecken al tij t hel en klaer, + Plecken, daer + Nemmer last kan lust bevlecken. + +Soo ras sy desen sanck met spelen heffen óp*, +Ontlaskt* sich het Palays tot boven in den tóp, +Het gulde welfsel splijt, en de ghemetste dacken. +Granida voerens' op Olijf en Laurentacken, +Dus singend' hemelwaerts, al hooch, en hoogher heen, +Vervolcht van mijn ghesicht, tot dats' er uyt verdween. +Doe voechden sich 't ghebouw en alles in sijn stede, +Bedaerend'* als ick mee ten langen lesten deede. +Suffe verbaestheyt van [403] mijn leên allensjens streeck, +Ick rees' en 't geen ick wel besien* had overkeeck. +Granidaes leeghe Coets tuycht dat der oude vrouwen +Ghesichten niet altijt voor droomen zijn te houwen. +Hier is mijn geest af vol, dit coom ick dienen aen, +De Coning oordeel nu nae dat hy 't sal verstaen. + +CONINGH. + +Mijn Dienaers, gaet terstont wat'er af is bespooren*. [404] + +TISIPHERNES. + +Mijn Heer, de Vrouwe raest. + +CONINGH. + + Soo deed zy noyt te vooren. + +TISIPHERNES. + +Voor seker raestse nu, al raesdse noyt misschien. + +VOESTER. + +Noch oyt, noch nu. + +CONINGH. + + 'K en weet. + +TISIPHERNES. + + Men salt haest* cunnen sien. +Ick spoey my derwaerts heen. + +CONINGH. + +1390 Doet daer in u behaghen. +En laet op 't rascht aen ons de tyding herwaerts draghen. + +CONINGH. + +O Goden groot, soudt ghy my wel [405] hebben ghespaert +Tot 't alderlaetste van den ouderdoom bejaert, +Op dat ick troosteloos daerin soude [406] versmachten*, +Berooft van 'tgeene dat alleen haer leet kon sachten?* [407] +Maer hoe? indien alsoo de saken zijn ghestelt, +Als ons de Voester voor de waerheyt heeft vertelt, +Soo loov' ick dancbaerlijck uw goedtheyt hooch van waerden*, +Hoewel ick eensaem blijv' en mis mijn lust op aerden. [408] +Want als ghy my onttrockt dit eenich pandt soo soet +Door onghe val of doot, ghelijck misschien ghy doet, +Soo soud' ick teghens u en my misdoende dwalen, +Indien ick op u wil, en wetenschap* ging smalen, +My steurende* dat ghy quaemt wedereysschen, 't geen, +Dat ick soo langh van u ghenoten* had te leen: +Recht of ick bet als ghy wat oorbaer* was verstonde, +Recht of ick my en haer meer goets, als ghy ons, jonde. +Men soeckt; [409] en soomen haer noch doodt noch levend vindt, +Soo neem ick 't blijcklijcxt aen, en houd dat sy besint* +Van een verheven Godt ten hemel is ghevaeren: +Want de bescheyden* reên, en 't deftighe* verklaren +Des Voesters brengen 't mee, wiens troubevonden mondt +Noyt spreken was ghewoon versuft of onghegrondt. +Maer siet de Vrouwen daer, die brenghen nieuwicheden. + +REY VAN IOFFEREN. CONINGH. + +REY. + +Grootachtbaer Heer het Slot, van boven tot beneden, +Hebben wy [410] heel doorsocht, en omghekeert ter vlucht*, +Granida' is nieuwers, maer een lieffelijcke lucht, +Met goddeliicke reuck vervult haer' gansche camer. + +CONINGH. + +O gróóte Pallas, noyt was mensch u aenghenaemer* +Als Perseus door u jonst ghesegend wonderlijck; +En noch ter tijdt op sijn naesaeten in het rijck +'T welck van hem naeme voert, Godinne wijs van raede,* +Ghy duyren laet u jonst, en anhoudt u ghenaede. +Lof seechbare* Godin, Lof hooch verheven Godt +Eewighe liefde, die [411] van aertsche bruyloft, tót +Een hemels huwelijck Granida comt verheffen, +Geen danckbaerheyt, geen lof u prijs can overtreffen.* + +REY. + +1428 Lof, eewige Liefde, wy [412] + Geven dy, + Die u hooghe goetheyts straelen, + Door de dicke wolcken heen, + Al beneên, + Laet tot opter aerden daelen. + +1434 Die op uwe [413] crachten let,* + Ende set + Boven al op u het óóghe, [414] + Treckt u goetheyt overschoon + Inden throon [415] + Des besonden hemels hóóghe. [416] + +1440 Heylich, goedertieren, eel + Zydy heel, + Die in uwe vlammen blaken, + Cundy oock op aerden hier, [417] + Door uw vier, + Met een hemel salich maken. + +1446 Soo, wie dat u lieven sal, + Suldy al, + Niet alleen Granida schaeken. + +TISIPHERNES. DAIFILO. CONING. REY VAN IOFFEREN. + +TISIPHERNES. + +Daer leydt mijn throon in d'asch, en de beloften mildt +Van 't schoonpratich gheluck, en [418] te vergheefs ghespilt +Soo veel moeylijcke last, ter nauwer noot deurkroopen, +Soo veel ghevaers, soo veel te leurghestelde hoopen, +Soo veel anxstighe vrees en arbeyt* uytghestaen,* +Soo veel treffende sorch, en soo veel weers ghedaen, +Soo veel ghesochte ramps, soo veel verdriets gheleden, +Soo veel verbeten smarts, soo veel vertwijfeltheden. +Ay dul gheluck, ick ken u onbescheyden* cracht! + +DAIFILO. + +Maer op een vroom ghemoet, mijn Heer, heeft zy geen macht. + +TISIPHERNES. + +Niet langher dan het selfs haer overlast wil lijen. +Dit sal [419] my 't laeste zijn. Mijn handt sal my bevrijen, +'T is langh ghenoech gheleeft. Gaenwe. Mijn hart verstout +U tot een kort verdrach*. + +DAIFILO. + + Mijn Heer, besindt u, houdt.* + +CONINHG. + +Houdt Tisiphernes. + +REY. + +1465 Ach. + +DAIFILO. + + Heer geeft de reden plaetse. + +TISIPHERNES. + +'T gheluck en gheeft haer geen.* + +DAIFILO. + + Iae 't. + +CONINHG. + + Hoe? + +DAIFILO. + +Bedaert, en vaetse.* + +CONINGH. + +Hoe nu toe* brave Prins? + +TISIPHERNES. + + Ghelijck mijn ramp my jaecht. + +CONINGH. + +Is dit de liefde die ghy tot Granida draecht? + +TISIPHERNES. + +Ick liefde' haer niet, ten waer ick my 't verlies liet rouwen. [420] + +CONINGH. + +Niet haer verlies, maer 't uw, want sy is hooch behouwen. [421] + +TISIPHERNES. + +Soo spuwt het wreedt gheluck op my haer crachten uyt. + +DAIFILO + +'T gheluck en steurt* u niet, maer dat ghy 't qualijck duydt*. + +CONINGH. + +Misjondy aen u lief Granid' een hemels houwelijck? + +TISIPHERNES. + +Neen, maer ick vlie de smert van mijn misvallen* grouwelijck. + +DAIFILO. + +Liefde ghy haer, mijn Heer, 't geen dat u is gheschiedt, [422] +Soud u om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet. + +TISIPHERNES. + +Haer ben ick quijt, en sie voort* al mijn toelegh slechten*. + +DAIFILO. + +De Goden vinden 't goet, wie sal haer onderrechten? + +TISIPHERNES. + +Sy vinden 't goedt; maer dat ick doof het sterven my +Bevry, dat sullen oock geensins beletten zy. [423] + +DAIFILO. + +Ghy kundt leven dat u 't gheluck soo [424] seer niet hinder. + +TISIPHERNES. + +Het is te wanckelbaer, en licht*. + +DAIFILO. + + Vertrouwt het minder. + +TISIPHERNES. + +Vertrouwen? ick vertrout nae desen nemmermeer. +Ick sie wel 't en verheft maer,* om van boven neêr, +Met ysselijcker slach 't verhevene te smijten; +Ghelijck den Arent trots, die [425] niet in stucken rijten +Den Schiltpad yserhardt met felle claeuwen kor, +Hem strenghelijck* om hooch, schier voert tot in de Son, +Van waer zijn scharp ghesicht kennende berch en [426] dallen, +Hy dan op rootsen hardt, hem laet [427] te berste vallen. +My wallecht van de werlt; en sal ick nu voortaen [428] +Leven, soo sal ick my [429] die levendich ontslaen. +De last, en het ghebiedt* van mijn beseten Landen,* +Daifilo, lever ick van nu af in u handen. [430] +Zijt ghy [431] voortaen de Prins. Ick levers' u, door dien +Daermede niemandt can waerdigher zijn versien. [432] +U trouwe dienst is meer dan yemandt can versinnen; +'T heeft u belieft voor my [433] uw eyghen lief te winnen. +Dese versloech den Parth, en [434] gaf hem in ghevaer +Des vreesselijcke doodts, willich om my en haer. [435] +Grootachtbaer Heer, wilt hem in mijnen staet * bevesten. + +CONINGH. + +O wonderlijck beleydt! maer 't is beleydt * ten besten + +TISIPHERNES. + +Voor my, * ick ben terstont het Hof te laten, ree, +Mijn peynsachtich [436] ghemoedt wil geen blijvende stee; +Maer mijn voorneemen is van d'eene tot den anderen, [437] +Met eensaem selschap cleyn te reysen en te wanderen. +Ick bid om oorlof voorts, want hier vertoev' ick niet + +DAIFILO. + +Ick danck mijn Heer, die my soo grooten eere biedt. +Een hooch en waerde* gaef wordt my van hem ghegeven; +Maer hy weet tot wat eyndt ick coos' het hoofsche leven, +Te weten om de dienst van de Prinsses, geensins +Op hoop van voordeel, min van selfs* te worden Prins, +Welck pack voor mijnen hals zijnde te swaer om draghen,* [438] +Een laghen Harders rust my beter doet behaghen.* +Maer wel sal ick, mijn Heer, blijvend' uw trouwe knecht, [439] +Uw dinghen gaede slaen, nae mijn bequaemheyt slecht*, +Tot dat ghy wat ontlast van 't schielijcke* beswaeren, +Met hulpe vanden tijt sult comen te bedaeren*, +Om met vernoeging weer te keeren tot den staet, +Die 't lusteloos ghemoedt door tegenheyt* verlaet: +Mijn Heer soeck het, ghelijck hy 't goedt vindt, te besadigen*. + +CONINGH. + +Ach luttel wenschend hart! luttel can u [440] beschadighen*. +Ach wat onttreckt ghy, met begeerlijckheyts verhoên,* +Het speelsiecke gheluck al stofs om quaet te doen? +Dats Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren. + +TISIPHERNES. + +Ick bid u oorlof, Heer, om tot mijn reys te keeren. + +CONINGH. + +Vaert wel mijn Prins, vaert wel, en [441] zijt ghetroost*. + +TISIPHERNES. + + Ick ty +Van stonden aen op reys; Vaert wel mijn Heer, en [442] ghy +Daifilo wel. [443] + +DAIFILO. + + Ick sal mijn Heer tot huys versellen, +Om t'reddeloos* ghesin* verbaest* in rust te stellen. + + + + + + + +VIIFDE DEEL + + +OSTROBAS. ARTABANUS.* + +OSTROBAS. + +Artabanus, siet hier uw Prins soo braef* vernaemt*, +Maer, hey, geweest! met wien ghy hier in Persen quaemt, +Wien, doen hy leefde, ghy ghetrouw pleecht* aen te cleven, +En nu versuymt sijn wraeck te nemen nae sijn leven. +Artabanus siet hier uw Prins soo braef wel eer +Vernaemt, wiens hooghe roem nu leydt ghevelt ter neer, +Ghevelt, niet van den Prins, (ay spijt! (en cundy slapen?) +Maer van een Harder slecht vervalscht in Prinssen waepen*. +Hey laster*! hey! flux rijst Artabanus, en boet +Mijn wraeckrasenden dorst, [444] ten minsten met sijn bloedt. + +ARTABANUS. + +Wapen*! Ick volch mijn Prins, [445] 't ghebodt dat ghy verclaerde*, +Ick volgh, mijn Prins, ick volgh, al waer't tot inde aerde, [446] +Ghy zijt vertrocken,* maer inwendich ick aenschouw +Uw beeldt, en vast gheprent in mijn ghedachten houw +U hayr 't samen ghegroeyt met bloedt, u bleeckgheschonden [447] +Trony, u cranck* ghesicht, en u gapende wonden. [448] +Hey wapen! wapen hey! mijn Prinsse roept [449] om wraeck. +Flux op Artabanus verhaelt terstondt de saeck +Aen u gheselschap, en ontsteeckt haer [450] met uw woorden, +Om op gheleghen plaets den moorder te vermoorden. + +DAIFILO. + +Lang over middernacht ick 't al te wesen gis, +Het licht dwerrelt ghemengt onder de duysternis, [451] +De blonde dageraet [452] met haer blosende kaeken, +En d'uyr dat mijn Godin mijn coomst verwacht, ghenaken. +Want, doen icks' op het Landt ghebracht had, liet ick haer +In het gheselschap van mijn trouwe suster daer, +En soo* de korte tijdt ons haestich dwongh te scheyden, +Besloten wy, dat sy mijn weercoomst souw verbeyden, +Eer dat de tweede Son soud' aen den hemel staen. +Siet hier de naesten wech, dit dient my in te slaen. + +GRANIDA. + +1569 Vaert wel scepters, vaert wel, vaert wel verheven thróónen, [453] +Verheven soo, dat my van uwe steylheyt yst, +Vaert wel dwingend* ghewaedt, en al te sware [454] cróónen, +Afgoden die met windt uw ydle dienaers spijst. + +1573 Uw ydle dienaers ghy duysenderleye noot, breyt*, [455] +Door uw beloften loos* die ghy soo qualijck houdt, +Want zy, besietmen 't wel, verkleenen inde grootheyt, +Slaven in d'heerschappy, verarmen in het goudt. [456] + +1577 Een laegh'en diepe rust my beter mach verquicken +Die my te saemen smelt met een lief ander-ick; +Ick laet u warrich Hof, en kies voor soo veel stricken, +Een al veel strengher*, maer och hoe veel soeter strick! + +1581 Bedauwde bloemkens versch, en ghy bloosende [457] róósen +Die uwen mantel groen nu effen open doet, +Welcoom, en danck dat ghy verquickt mijn amelóósen, +En afgepijnden* geest, met uwen aesem soet. + +1585 Nu biggelt op het gras, en cruydtjens onbetreden, +Mijn laeuwe traentjens die den dauw soo wel ghelijckt; +Traentjens niet meer [458] van smart, niet meer van bitterheden, +Maer van een teêr ghemoedt, dat schier van vreucht beswijckt. + +1589 O boomen schaduw-mildt, ootmoedelijck laet daelen +Uw nygend' hooft, als ghy 't eerwaerdich aenschijn siet, +Leydstar* en Morgenstar met weerlichtende* straelen, [459] +Indien mijn blijschap slaept, waerom weckt ghy hem niet? + +1593 Vroliicke Vogeltjens die nu [460] 't begint te daeghen, +Met uytghelaeten sangh het stille woudt ontrust*, +Ghy Nachtegael voor heen,* vlied [461] uyt de bootschap draeghen, +Dat hy sich haest, ick wacht alhier mijn lieve lust. + +DAIFILO. GRANIDA. + +DAIFILO. + +Ach! om mijn vlieghend hart snellijcker [462] te doen spoeyen, +Hoeftmen geen Vogeltjens noch nieuwe boôn te moeyen, +De liefde port dat staech, en drijft tot sijn Godin +Mijn eerwaerdighe Vrouw. + +GRANIDA. + + Uw dienstmaecht, uw slavin, +Die 't nemmermeer * aen u te slaven* [463] sal verdrieten, +Die om uw minste dienst haer leven souw vergieten,* +Handelt en leeft met my naer uw sin, hoe ghy doet, [464] +Vercoopt my, doodt me', ick wil't. + +DAIFILO. + + Mijn Vrouw, en al mijn goedt. +Hoe onlangs noch soud' ick niet hebben derven dencken +De vreucht die 't u belieft ghenadelijck te schencken +Aen die's onwaerdich was, die niet en had verdient +Uw dienst, ik swyghe uw ionst. + +GRANIDA. + + Ayme, mijn groote vriendt, +D'onwaerdeerlijcke [465] prijs, en uytghenomen* crachten +Van uwe deuchden deên, dat noyt uyt mijn ghedachten +O Daifilo' u ghedaent van siel en lichaem ghingh, +T'sint ick door 's hemels ionst daer kennis af ontfing. +Het sal voor uw waerdy altyt te luttel vallen, +Wat ick u geven can. + +DAIFILO. + + En ick u niet met allen, +Al 't mijn van recht en reên u toegheeygent wart.* +Ach mijn Godinne' hoe vol is van u al mijn hart! + +GRANIDA. + +Mijns hartsen* bloedt. + +DAIFILO. + + Mijn Son die boven + d'ander claer ,,is, +Ick houd' u in mijn arm, in twyfel of het waer ,,is. +Mijn siel is soo beroert (ayme!)* dat ick daer van [466] +De grond(e)loose vreuchd niet [467] vol ghenieten can. +Ick en gheloove nauw mijn staet dus hooch gheresen, +En denck vast* of ick wel Daifilo niet [468] sou wesen.* + +ARTABANUS. GRANIDA. DAIFILO. + +ARTABANUS. + +Nu toe ghesellen,* maer dat ghy niet dootlijck krenckt, +Den valschen Moordenaer, die noch op boelen* denckt; +Val aen ghelijck, en crijcht hem levendich in handen, +Ghy zijt ghevanghen. Stae. knoopt hem in vaste banden. + +GRANIDA. + +Ach, ach! + +DAIFILO. + +Hoe nu toe*? wat wort'er vereyscht op my? + +ARTABANUS. + +Het leven. + +GRANIDA. + +1635 'T leven? och! dat het geen onrecht zy. [469] +Draecht beter kennis* van uw vyandt, eer gh'u verder [470] +Vergrijpt. + +ARTABANUS. + + Kennis ghenoech, [471] het is de valschen Harder, +De moorder van de Prins der Parthen wijt vermaerdt. + +DAIFILO. + +Verwinner. + +GRANIDA. + + De Tyran was sulcken straffe waerdt. + +DAIFILO. + +Wie eyscht mijn leven? dat hy coom alleen en maeck ,,strijdt. + +ARTABANUS. + +Dats Ostrobas, wiens bloet, en bleecke schim om wraeck ,,krijt. +Wy sullen, hem voldoende' u offren aen* sijn graf. + +GRANIDA. + +Laet hem, hy heeft geen schuit, en keert op my de straf +Siet hier Granide', om wien de Prinsse leyt verslaghen, [472] +Dees Godt heeft my gheschaeckt, en willich wech ghedraghen*. +Verschoont hem, woedt op my den oorspronck van het quaet. + +ARTABANUS. + +Granida? jae Granidá. O wonderlijck verraet! +Wy sullen (wilt haer oock met banden vast belaeden) +De Princelijcke siel met beyder bloedt versaeden. + +DAIFILO. + +Daifilo wat ghy siet, [473] Granida lijdt, zy lijdt, +En staet het aen (een) koordt dat ghy haer niet bevrijdt? +Dat's stucken. Goden nu, nu crachten, nu cloeckmoedicheyt. +Nu arbey* al wat mach*. + +GRANIDA. + + Och 't is vergeefsche woedicheyt! + +ARTABANUS. + +Gef* hem maer, gef hem maer, doot beter als ontvloôn. + +GRANIDA. + +Och laet my voorgaen! + +TISIPHERNES. ARTABANUS. GRANIDA. DAIFILO. + +TISIPHERNES. + + Houdt, houdt op wert u gheboôn, +Houdt op, houdt op 't ghekrijs, vechters, en scheydt u drangen*. [474] + +ARTABANUS. + +Vlienwe, zy zijn ontset, vlienwe. [475] + +TISIPHERNES. + + Ghy zijt ghevanghen. +Artabanus met wien ist dat ghy twistich zijt? +Zijdt ghy hier Daifilo? hebdy alleen den strijdt +Teghen soo veel? [476] + +ARTABANUS. + + Verstaet, Prinsse de [477] valsche treken +En wilt u onghelijck nevens het onse [478] wreken. + +TISIPHERNES. + +Hoe dat? + +DAIFILO. + + Ach ramp op ramp! uyt d'een in d'ander last! + +GRANIDA. + +Och 't scheen ontset, maer las*! + +DAIFILO. + + Een meerder vyant wast. + +GRANIDA. + +Ach hard ghelucx besluyt! + +ARTABANUS. + + Prinsse ghy [479] zijt bedroghen, +Siet hier Granida', en al des Voesters reden loghen. +Siet hier den valschen Godt, van wien zy is gheschaeckt, +En trouwheyt daer ghy soo veel wercks af hebt ghemaeckt.* +Sy kiest een Boer voor u, tot haer en uw verminderen*, +Een Boer den Adel hoont, en schaeckt der Prinssen kinderen. +Ick quam om Ostrobas te wreken, wreeckt ghy nu, +Op beyde, beyder leet van onsen Prins en u. + +TISIPHERNES. + +Wats dit? + +DAIFILO. + + Ach wilt u leet op my alleen vergelden! + +GRANIDA. + +Sijn trouw is onbevleckt, hem canmen niet beschelden*; +Maer u op my verhaelt, en koelt uw gramme moedt, +Met wraeke, niet van 't quaet dat u Granida doet, +Maer van het welck, op dat de doot haer 't ooch souw luycken, +Den Goden 't heeft belieft tot oorsaeck haer te bruycken. + +TISIPHERNES. + +O liefde! O vreemt beloop! Daifilo segt my hoe [480] +De dinghen wonderlijck dus zijn ghecomen toe; +Mijn geest en can 't beleyt noch het vervolch* niet vaten. + +DAIFILO. + +Mijn Heer, den laesten nacht, passeerd' ick by der straten +Onder de venster [481] van mijn Vrouw, ghelijck ghy weet, +Dat ver van haer te zijn my was het meeste leedt, +En om haer by zijn, ick ten Hove was ghecomen, +En om haer dienst, van u ick hadde dienst ghenomen: +Mijn Vrouwe stondt voor 't glas, en soo* sy my sach gaen, +Sondt zy haer Voester af, om my te roepen aen. +Mijn Vrouw vernederde' haer, en [482] quam* my selve vraeghen, +Wat oorsaeck inder nacht my daer ontrent mocht jaeghen; +Ghevraeght heb ick ontdeckt [483] van mijn ghemoedt de grondt, +Waer op, o mijn Godin, ghy blijcken liet terstondt +De jonst die ghy my droecht, door dien ghy van te veuren +De róóck van mijne vlam wel hadt cunnen [484] bespeuren. +Te laten, boodse my haer Conincklijcke staet, +Om met my naer het landt [485] te trecken op ter daet*; +Onwaerdich kend' ick's my, en hiel de swaricheden +Van sulck bestaen, haer voor: maer haer ghegronde reden +Vertoochden* my haer liefd', en dat zy bet met mijn +Soo cleenen staet, als met een Prins vernoecht souw zijn. [486] +Den Hemel zy ghetuygh van 't gheen dat ick oorkonde*, [487] +Dat ick, tot die tijdt toe, Granid' aen niemant jonde, [488] +Als u, mijn Heer, want mijn ghedacht dus hóóch niet steegh. +Maer, doen ick onderrecht van haer, 't ghevoelen creech +Dat dit haer best sou zijn, bestond ick het ten lesten, +(De Goden weten 't) meer om haer, als mijnen besten. [489] +Maer, ach verblende mensch, hoe luttel kundy sien +Of uwe wijste raedt* tot schaed' of voordeel dien! + +GRANIDA. + +Prinsse dus ist mijn schult, straft my 't wert* u ghebeden. + +DAIFILO. + +Neen eedel Prins, maer zijdt met my alleen te vreden. [490] + +TISIPHERNES. + +O wonderlijck beloop! o raedt* der Goden rijck*! [491] +O liefde gansch volmaeckt, en sonder zijns ghelijck! [492] +Om haer ghetrouwe lief een groote Coninginne +Verwisselt haeren staet, en wordt een Harderinne. +Een Harder weyghert, om sijn Lief te laten niet, +Een Prinsselijcke staet diemen hem annebiedt, +'T geen om elckanders wil ghy zijt t'ontbeeren vaerdich*, +Bet met elckander ghy zijt te besitten waerdich.* +'T is recht dat ghy gheniet*, Daifilo, dat ghy wont, [493] +En ghy Granid', uw Lief die ghy de waerdste vondt. +Den hemel u vereent, den hemel deed bereyden +Den wech tot u gheluck. Neen ick en sal niet scheyden +Het echste paer dat oyt ter werelt is ghesien. +Ghelieven zijt ghetroost*, u sal geen leet gheschien. +Prinssesse rijst, en ghy Daifilo van [494] der aerden. + +GRANIDA. + +Ach eedele ghemoedt! + +DAIFILO. + + Ach heusheyt hooch van waerden! [495] + +GRANIDA. + +Ach onverwachte troost! recht Prinslijck, eedel bloedt, +Wie sal u dese deucht* loonen, als uw ghemoedt? [496] +Dat sal u lof en loon nae deuchts waerdije geven. + +TISIPHERNES. + +Dits niet ghenoech, dat ick u hier behoude 't leven, +Maer ick begeere dat de Coning selfs volvoer +U lieden huwelijck, nae dien 't den hemel swoer. +En op dat hy daer toe sich lichtelijcker leyde*, [497] +Soo schenck ick u noch eens de staet die ghy ontseyde. [498] +Ick weet ick sal van hem verwerven ulie vree, +En dat hy u verhef tot swagher* in mijn stee. +Mijn vollick wilt voor heen* u gangh nae 't Hof versnellen, +En aen den Coningh al dit vreemt beloop vertellen. +En mijn begeerte mee; want valt het my niet swaer. +Ick acht het min voor hem sal zijn een droeve maer; +Dat mijn ghemoedt beweecht, sal sijn ghemoedt beweghen. +Wy volghen sachtelijck. + +GRANIDA. + + Ach groote troost! vercreghen +Op 't aldertroosteloost! lof Prince die 't [499] dus veucht. + +TISIPHERNES. + +Het lust my dus te doen. + +DAIFILO. + + Mijn Heer, u lust de deucht. +Maer al verheft ghy my boven uw eyghen [500] saken, +Ghy sult my nemmermeer meer als uw dienaer maken. + +REY VAN HARDERINNEN. + +1759 Groote Goden, niet om raken* + Is de grondt van uw besluyt, + 'T was uw lust dit [501] huwlijck maken,* + Comt en voert de Bruyloft uyt*. + +1763 Harder die in lasten druckich*, + Van 's ghelucx ghenae bestort, + O gheluckich! overluckich! + Hemel-hooch verheven wort! + +1767 Niet dat u een staf van gouwe* + Soeter voorstaet* als een bloem, + Maer dat ghy vereent in trouwe*, + Met u waerdich hartsen roem.* + +1771 Liefd koos, doen ghy wiert ghebooren, + U voor eyghen uytghesocht,* [502] + En den hemel, al te vooren, + Had zijn jonst u toeghedocht. + +1775 Alsmen by u wiech quam queelen, + Soo bevallijck, loecht gh'er in, + Dat u, vaeck, om mee te speelen, + Staelen watr'en bosgodin. + +1779 Corts daer nae begon te blijcken, + (Want de tijdt haest* henen vaert) + Dat ghy van uw tijts-ghelijcken + Meester, gheen ghelijck en waert. + +1783 T'hans* als d'eerste wol u kaeken + Vanden baert beschaeuwen dee, + Harderinnen en ontstaeken + Niet alleen, maer Nymphen mee. + +1787 Duysent wenschten om uw paeren + Duysent quijnden om uw min, + Maer den Hemel wild' u spaeren, + Voor een groote Coningin. + +1791 Groote Goden, niet om raken + Is de grondt van u besluyt, + Lusten 't u dit huwlijck maken? + Voerdt met jonst de bruyloft uyt. + +REY VAN IOFFEREN. + +1795 Liefd en Min aen een vertuyt*, + Beyde siel en lichaem-menghers, + Heylighe' oppervriendtschap strenghers* + Salicht Bruydegoom en Bruydt. + +1799 Boven de ghemeene maeten + Wild' by sien een lievend paer, + Des den hemel keurich*, haer [503] + Las uyt soo verscheyen staeten*. + +1803 Dat ghy twee vereenicht blijft + Blijckt de Goden te begeeren,* + En de Coningh wil niet keeren + 'Tgeen den hemel mercklijck drijft. + +1807 Lang, al lang ghenoech gheleden,* + Blijcx ghenoech van vaste tróuw; + Dat uw overleden* róuw [504] + Dien tot meerder vrolijckheden. + +1811 O gheluck zijdt eenmael sadt, + Van ellenden op ellenden, + En ten laesten moe van wenden, + Schut* de loop hier van uw radt.* + +1815 God en Coning willen* staeken + Der ghelieven teghenspoedt, + Liefd' en Minne lof u gloedt, + Die nu sonder smart sal blaeken. + +1819 Liefd' en Min aen een vertuyt + Beyde siel en lichaem-menghers, + Heylighe' oppervrientschap-strenghers + Salicht Bruydegoom en Bruydt. + +TISIPHERNES. GRANIDA. DAIFILO. CONINGH. REY VAN IOFFEREN. REY VAN +HARDERINNEN. + +TISIPHERNES. + +Verheucht, met bly ghelaet* comt ons het Hof te moet. +Siet daer den Coningh selfs. + +GRANIDA. + +1825 Dat ick hem val te voet. +Ach Vader! + +CONINGH. + + Wellekoom mijn Dochter, staeckt u vresen; +En ghy die my voortaen een waerde Soon sult wesen; +Der Goden wille volch ick. [505] + +TISIPHERNES. + +1830 Heer, [506] houdt dese voor +De schoonste tempels, die de liefde sich verkoor, +Om eens voor al ten toon sijn [507] heerlijckheyt te stellen. +Gunt, Heer, dat eewelijck elckander sy versellen, +En dat den hemel bindt, mijn Coningh, niet en scheydt. +Dit loon eysch ick alleen van uw grootachtbaerheydt*, +Voor al de diensten die mijn leven haer oyt dede. + +DAIFILO. + +Ach eedel Prinsse! [508] + +CONINGH. + + Nu stelt u ghemoedt in [509] vrede, +Ach twijfelt langher niet, mijn kindren! niet soo blindt +En ben ick. of ick sie, dat sonderlingh* bewindt* +Der Goden besich is met u te samen hechten. + +GRANIDA. + +Ach onverdiende troost! + +CONINGH. + + Dochter, u op wilt rechten, [510] +En ghy Daifilo rijst. [511] + +DAIFILO. + +1845 Laet, Goden, het gheluck, +In teghendeel van dit,* met den voorgaenden druck +Vernoeghen*, oft, en ist daermee niet te betaelen, +Laet het de rest op my, niet op mijn Lief verhaelen; +Soo 't zijn can dat ick smaeck* het geen sy niet en smaeckt. +Ach Coningh! + +CONINGH. + + Daifilo, mijn Dochter is gheschaeckt +Van wijsheyt en versocht* verstandt, die haer bereyden +Den alderhoochsten wech, en tot de Liefde leyden. +Sy liet om uwent wil het overladend* rijck, +Besit het nu met haer voortaen min commerlijck*; +Dits mijne, dits de wil der Goden wijs van rade. + +DAIFILO. + +Cleen souw de danckbaerheyt, en lof van u ghenade +O Coningh by my zijn, indien dat ick verstondt* +Datse verclaerbaer* waei met menschelijcke mondt. +Des ick het minste niet bestaen* mach uyt te spreken. + +CONINGH. + +Een soon van Persen* can 't aen genen staet* ghebreken, +Des, Tisiphernes, niet u heerschappij verlaet. +Wy dancken u, dat ghy u selven, noch uw staet +Verschoont en hebt, om dees ghelieven 't saem te veughen: +Ghy hiellept int verdriet, nu hellept int verheughen. +En ghy ghelieven comt, verquickt u van u moeyt*. + +TISIPHERNES. + +Ick sie mijn wensch. Den Parth ghevanghen, en gheboeyt +Vergeeve' ick sijn misdaet, wil [512] 't Daifilo vergeven. + +DAIFILO. + +Sijn voorghenomen moordt ons diende tot het leven, +Iae trouwen*, ick vergeeft; en Prinsse doet u sin. [513] + +GRANIDA. + +Lof Goden wonderwijs! + +DAIFILO. + + Lof groote Liefd en Min! + +REY VAN IOFFBREN. + +1873 Godt en Coningh willen staeken + Der ghelieven teghenspoet, + Liefd en Minne lof u gloedt + Die zy sonder smarte smaeken! + +REY VAN HARDERINNEN. + +1877 Groote Goden, niet om raeken + Is de grondt van uw besluyt, + 'T was uw lust dit huwlijck maken, + Voert met jonst de bruyloft uyt. + +REY VAN IOFFEREN. + +1881 Liefd en Min aen een vertuyt, + Beyde siel en lichaem-menghers, + Heylighe' opper-vriendtschap-strenghers + Salicht Bruydegoom, en Bruydt. + + + +EYNDE. + + + + + + + +BIJLAGE. + + +In het door LEENDERTZ uitgegeven handschrift van Granida (Gedichten +van T.C. Hooft, Eerste volledige uitgave II, 1875) vindt men nog het +volgend bericht, [514] + + + +DE DRUCKER GROET DEN LESER. + +Dit spel Leser geschaepen om maer over een toonneel getrocken te +werden en was niet vroom genoech stal te houden onder d'ooghen des +werelds. Die 't gedicht heeft had' er dat niet mede voor. Maer men +heeft bujten sijn weten bestaen Achilles en Ariadne voor den dach te +haelen met scheuren en breecken, gelijck men sejdt, soo verkrepelt +dat het eene niet soo veel als eenen regel tot sijn wil heeft, en +'t ander oock van sijn voornaemste leden verlooren: sulx dat hijse +niet en ken voor de sijne, al geven haer de druckers sijnen naem +recht oft dat genoech waer om haer afcoomst te bewijsen. Stonden +sij onder hem sij voeren voor al niet beter als de misdrachten onder +Lycurgus. D'ellende dien hij aen haer siet scheen het teghenwoordighe +[515] ook te naecken. Dese deernisse [516] heeft hem gedwongen om +te gedooghen dat men 't liever wtgaeve soo slecht als 't was, dan +heel bedorven; hoe seer het hem oock tegens de borst stiet, maer dat +eens aen rollen wtgegeven wordt heeft men echter in sijn geweldt +niet. Soo ver ist 'er af dat hij 't verdaedighen wil als oft het +wat besonders waere. Jae hij geeft het der betweterije ten besten, +sij spring' er mede om naer haer goedtduncken. En op dat 'er die met +ruimer gewisse eigendom aen rekene soo wil hij niet dat het eenich +kenteecken draeghe van hem toe te behooren ende heeft het sijnen naem +verboden. Verwacht geen ordre vanden ouwden tijdt: sij is willens +naegelaeten den volcke deses tijds te geval. De gesangen hier in +gebracht gaen op haer wijsen oft sulcken maet datmen 'er lichtlijck +wijsen op stellen kan. De maet der doorgaende regelen is die van +d'Italiaenen ende Franchoijsen, voornaemste tongen der Christenen in +sprekens gebrujck: dewelcke de lanckheit der silben naer de bijclanck +nemen: ende sijn tot een voorbeeldt wt de voornaemste Poëten hier +bij gestelt etlijcke stucken van regelen, sulx als genoech is; want +de rest gaet op gelijcken voet. De lange silben zijn dus geteeckent +-- de corte dus \_/. + + + + +MAET DER DICHTEN. + +Gemeene maet. + + -- \_/ -- \_/ -- + PETRARCHA. Al mond' e breve sogno + TASSO. Col senn' et con la mano + ARIOSTO. Finir quant' ho promesso + BERTAS. Mais tout cela n'est rien + RONSARD. Mortellement blessé. + + +Eerste verandering. + + -- \_/\_/ -- \_/ -- + PETRARCHA. Favola fuj gran tempo + TASSO. Et l'angelo gl'appari + ARIOSTO. Imperator Romano + BERTAS. Porte de son ovrier + RONSARD. Une jeunesse promte. + + +Tweede verandering. + + \_/ -- -- \_/\_/ -- + PETRARCHA. Et non me ne guardaj + TASSO. Che fa l'arme cessar + ARIOSTO. Di quel giovan' infido + BERTAS. Tout beau Muse tout beau + RONSARD. De cent graces nouvelles. + + +Derde verandering. + + --\_/ -- \_/ \_/-- + PETRARCHA. Sotto biondi capei + TASSO. Canto l'arme pietose + ARIOSTO. Senza spad' ad oprar + BERTAS. Tire l'ir' a l'iré + RONSARD. Une belle prison. + + +Wat buiten dese maeten is lujdt quaelyck, gelijck + + + -- \_/ -- \_/ -- -- + Que le clair soleil darde. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN. [517] + + +A. is = Aanteekening. + +I. 9. de selve: n.l. die genegenheid; "gehulpen van soo wel te passe +dienst" is een bepaling van de Princesse: blijkbaar heeft Hooft bij +"de selve" eerst aan de Prinses gedacht en een constructie bedoeld, +waarin de genegenheid voorwerp was. + +I. 17. dat; na "dat" leze men een komma: de zin "die als--het +huwelijck van Granida" staat, als een zoogen. absolute constructie, +op zich-zelve: op hope dat hij door dat middel aan haren dienst mocht +geraken, wanneer T. met Gr. kwam te trouwen. + +I. 32. de welcke: slaat op venster; "passeren" hangt af van "siende" +als "versuchten" van "hoorende". Zonderlinge relatieve constr.: +gewoon XVIIde-eeuwsch is: sy (door 't glas siende hem passeren +en hoorende versuchten) neemt het selve op etc.; de bepaling bij +"passeren" nl. "onder het venster" zouden wij b.v. achter "hem" +verwachten; Hooft echter tracht door een relatief den zin nauw aan den +voorafgaanden te verbinden en veroorlooft zich daartoe deze bepaling +("onder de welcke") vòòr het subject van den geheelen zin te plaatsen. + +I. 73. "de welcke den eersten--gevangen worden, om opgheoffert te +zijn": dooreenloopen van twee constructies; vgl. de variant. + +25. Dorilea's eerste en voornaamste gedachte is het mingenot: +Gesteld al dat Daifilo eens onstandvastig bleek, van wat zoete +minne zou dit boschje later kunnen klappen: zij heeft het er voor +over. "Kon" en "melde" zien beide op de toekomst. De "hoofdzin" bii +25 en 26 ontbreekt. 27-28 is echter zoo min de "strikt logische" +als de "grammatische" voortzetting van 25-26. Immers in 25 is +"oft" onderstellend, in 26 voorwaardelijk ("en zoo het dan maar +niet uitlekte"), alzoo een dichterlijke samentrekking van twee +ongelijksoortige zinnen: de "logische" voortzetting ware b.v. "dan +was het nog niet zoo héél erg, want wat een genot zou ik er voor +gehad hebben--van wat genot zou dit boschje dan kùnnen vertèllen". + +28. boelage: vgl. 4-6, en 380 in de Rey van Iofferen. Vergelijking +dezer plaatsen voert ons tot dit resultaat: het onderscheid +tusschen "vryage" en "boelage" in Granida is niet = geoorloofde +en ongeoorloofde liefde: vrijage kan wel te ver gaan, boelage kan +wel binnen de perken blijven: Maar vrijage rust op een overeenkomst +waarbij men zich tot standvastige trouw verplicht houdt: boelage is +"vryage sonder meenen". Boelage echter gaat licht te ver en daarom +zoekt D. geestig in 4-6 haar minnespel als vrijage te definieeren: +zij is minder lichtvaardig. Het algemeene begrip van het zinnelijke in +de liefde ligt in "minne", terwijl "liefde" in Granida op het ideëele +in den omgang der geslachten ziet: een volkomen liefde bestaat er in +'t ineenvloeien van minne en liefde. Vrijage en boelage nu zijn beide +"minne"; vrijage is ernstiger gemeend, boelage is spel, schuldig of +onschuldig; boelage heeft haar doel in zich zelve; vrijage sluit een +"trachten naar iets" in, naar inniger genegenheid, langduriger trouw +of een vaste verbintenis. Dit trachten treedt in vrijage soms meer +op den voorgrond, zooals 379; uw kouten is plagen en schertsen +om minne te verkrijgen; vgl. 56. Soms is vrijen = minnen; wij +kennen het nog in beide beteekenissen.--Vgl. 398 en Aant. 1629. Zie +Bilderdijk. Vgl. Tijdschrift XI, 263.--Met varianten vindt men dit +liedje in het Tweede Nieuw Amoureus Liedtboeck 1605, bladz. 134. (Op +de Voyse, De mey die ons de groente etc.) + +30. bruyn: in de XVIIde eeuw veelal "donker", zelfs "bij zwart +af". Kil: fuscus, aquilus, subniger, nigricans. Zie Verdam, Mnl. Wdb., +op "bruun" en "brunet". Huygens, Korenbl., II, 41 (Ed. 1672), +Sneldicht op een inktpot: Veel' bruyne Kindertjens zijn uyt myn' Buyck +geboren. Vergilius, Ecloga X, 39-40: quid tum, si fuscus Amyntas? Et +nigrae violae sunt, et vaccinia nigra--is in H. Bruno's Harderskouten +weergegeven met: Sijn bruyn zy niet mis-presen, Kraeck-bezien zijn +bruyn, vioolen mede. Bato (in Hoofts treurspel) spreekt (Leendertz +II, 389) de lijkbaar aan met: o baer bekleedt met bruine doecken. Ook +bij R. Garnier: Juifves, 1536 brunissantes soirees; 1788 Vous verrez +un orage Nous embrunir le jour. Nog heden: à la brune = au déclin du +jour.--Vgl. de variant, 819, 1234. Vgl. Bilderdijk. + +32b. maar zoo hij mij dan eens niet vond. + +80. Met een aantal varianten vindt men dit lied in het H.S. dat +vermeld wordt Le Jeune, Proeven v.d. Nederl. Volksz. 1828, bladz. 37, +J. Tideman, Gedichten van S. van Beaumont, Inl. XXXVIII, Kalff, Lied +in de Middeleeuwen, 653: nu op de Koninkl. Bibliotheek. Le Jeune deelt +het mede, blz. 133, maar vol fouten--zoo onbetrouwbaar mogelijk; hij +maakt b.v. "Wijst mijn brak toch op het wild" van "Weest mijn brack, +doet op het wilt". Sommige bladen van dit H.S., dat de amoureuze +ontboezemingen van H. Beaumont bevat en verder poëzie-album is (ook +b.v. Hoofts Vluchtighe nimph en het Liedeken van Tobias in Van Manders +Gulde Harpe en het Tweede Amoureus Liedtboeck 1605, 111-113 komen er +beide met varianten in voor)--hebben een jaartal: b.v. 32 r: 1593; +35 v: 1604; 74 r: 1593; 147 r: 1606; 153 v: 1601; voor de chronologie +van de gedichten van Hooft is hier niets uit op te maken. Er is meer +dan eene hand in. Met dezelfde hand geschreven zijn fol. 117-118 +Vluchtighe nimph, 118-119 Windeken daer dit bos af drilt, 119-121 +Snelle gedachten staet wat stil dat à la Hooft ook is; nog de drie +liedekens die er op volgen, en het lied fol. 100-103. Met deze hand +heeft veel overeenkomst die van fol. 152-153, gedateerd 1601. Noch +uit schrift noch uit zinspreuken ook is iets te concludeeren. Le +Jeune dateert het "Windeken" zoo maar met 1593 (zie boven). + +85. Nú súldy hier met ghéén een kúsjen óf rákèn: een soort chooljámbe +(d.i. hinkende jambe), 't helsch makende jambische spotvers van 12 +syllaben uitloopend op trochee of spondee. + +'t Schema: \=/ -- \_/ -- | \=/ -- \_/ -- | \=/ -- -- \=/). + +Men stelle zich voor 't gebaar van Daifilo of hoe een moderne Daifilo +dat zeggen zou, ook in zijn gewoon, ons aller proza: in niet te vlugge, +eer langzame kadans, vinger-dreigend, hoofd-nikkend, eindigend in +langzaam: óf-rá-kèn; kèn met bij-toon. Hooft kende de chooljambe uit +zijn studie en lektuur van de Klassieken (Hipponax, Horatius!). In +de Duitsche Litteratuur zijn er bekende aardige voorbeelden van +(bij Rückert). + +100. schuw = schu, in rijm op nu, 98. De echte Hollandsche vorm nog +altijd: u vader, zwalu, ru. Vgl. 96-97. + +101. groen: Kil. recens; juvenis; groen visch recens +piscis fluviatilis, groen vleesch caro recens; non salita, +Lat. viridis. Fr. la verte jeunesse: vert se dit du jeune âge que +l'on compare à la verdure du printemps. (Littré.) + +129. gnorten: Noord-Hollandsche, eigenlijk Westfriesche woordvorm +(gn!) als gnap (netjes, mooi; = knap) e.d. Noord-Hollandsche tongval +(de taal van 't oude Noorderkwartier, boven 't IJ) is een element +van de taal van Hooft en andere schrijvers. + +134. In 't volgende, ook elders in Granida, mooie verzen met +trochaeïsche en daktylische elementen.--In het rythme verdwijnt +meermalen de laatste syllabe van Daifilo en Granida, maar de apostrofe +die de elisie (uitstooting) van den klinker aanduidt, is dikwijls +vergeten: Daifilo ick is = Daifil'ick. Vgl. 270: Ick ben Granida +indien. Verder: 727, 887, 932. + +135. bevijnen: eig. na ervaring, na overlegging of onderzoek tot een +uitkomst geraken, een opvatting, beschouwing, overtuiging. Vgl. vonnis +(oordeel) uit vondnisse; ondervinden (Gloss. op Cats, Spaens +Heydinnetje, Zw. Herdr. I), bevinden, bevinding, en ons gebruik van +"vinden", waarin het voorafgaand zoeken ook op den achtergrond treedt +gelijk in Gr. 135 het vinden. + +145. heuvels blondt: vgl. de variant. In 't voorjaar is de natuur +in den blonden. Maar zoo vind ik het in de XVIIde eeuw niet gebruikt +(daarvoor bij Spieghel, Hartsp. II, 10: Vrolikbleek; bij Sannazario, +Arcadia, heet de olijf zoowel "bleek" als "blond"; zie Vlamings +vertaling, 1730, passim, en ze heet bij Vergilius zoowel "flava" +Aeneis V, 309 als "pallens" Ecloga V). Het landschap van de Granida is +een Zuidelijk, het Italiaansche, en hetzelfde als dat van Vergilius' +Eclogae en Sannazario's Arcadia. Zouden we hier dan niet aan de olijf +moeten denken? of aan den wijnstok, die in de litteratuur ook wel +blond heet? Toch wel niet aan rijpend koren hier. Men zie, voor een +aantal gegevens, het, overigens mislukte, betoog in Noord en Zuid 1890. + +193. Afkeerigheid van de zijde van den verkoren beminde. + +210. natuyren: "Ze begint al te natuure; ze moet na'er Bruigom +toe, ja ze gaat" wordt van een jongedochter gezegd in de klucht De +Besteedster van meisjes en minnemoers, of School voor de Dienstmeiden, +1692, Amst., bladz. 27; de natuur (-drift bij uitnemendheid) in zich +voelen werken, die aan den dag leggen, en daar "tierig" en dartel van +worden. Vgl. Bilderdijk, Leendertz, Kollewijn, Slothouwer. Vgl. nature +(Mnl. Wdb., IV, 2202) in den zin van geslachtsdrift: "Die man +verliest [door onmatigheid] sine nature"; en nature in den zin van +"de genitaliën" (nog in de volkstaal). + +217. maar wel: al kan het niet uitspreken, hoezeer het verlangt. + +237. Een gebruik van "ander" dat wel aan de Romaansche talen +ontleend is. + +283. "Noch" 282 is = "en ook niet", Lat. neque: en al strekken onze +zorgen zich niet uit buiten den kring van het landelijk leven, waarin +wij geboren zijn. Zie het Glossarium. + +288. Zoo hij alles niet met wijsheid wist te verborgen, dan ... + +292. De genitief "minders" hangt af van list: genitief "niemandts" +van minder. Niet = geen minders list, maar = niemands mindere ontruck +hem, zijn meerdere, iets door list. + +301. "Beleefd" zegt in XVIde-en XVIIde-eeuwsch meer dan +tegenwoordig. Het beteekent vaak die echte wellevendheid die uit +een fijn opmerkend en onderscheidend en edel hart voortkomt. Het +is dan = fair, gentlemanlike. Daifilo is, voor Granida, als een +gentleman. Vgl. b.v. uit van Manders Gulden Harpe (Ed. 1607, +bladz. 369): "Al wat wij hebben, 't is--Van Godt, die seer +beleeft--Sonder verwijten gheeft". Het kan voorts op velerlei manier +omschreven: vriendelijk, minzaam, goed, billijk, royaal, netjes, +humaan etc. Beleefd is ook het echt oud-Hollandsche woord voor +"beschaafd". Tegenover de "courtosy", de Zuidelijke Hofbeschaving, +stelt Roemer Visscher de volksaardige "beleefdheid". + +305. wiens = wier; slaat op sielen 303. Wiens als 2de n. val +enkelv. vrouwl. en als meerv. is niet ongewoon: vgl. 1412. + +306. om beslommert: "met moeyten" is voorzetselbepaling bij +beslommeren: zich met iets beslommeren. + +307. is voor u bekommert: bekommert is partic. van "hem bekommeren", +zich met iets bezig houden. Voor heeft hier, zooals ook uit het +verband met 306 blijkt, de nuance van "in de plaats van". + +355. als grootachtbaar geëerd. + +357. om lieffelijck de Werelt te verbasen: tegenstelling tot 351-352. + +365. heeft zich ooit zoo vernuftig getoond. + +373. lodderlijck: vgl. bij Vondel in 't gedicht op Konstantijntje +lodderoog (lodder oog?) van 't lieve kinderoog. Lodderlijk kan ook, +min gunstig, verleidelijk beteekenen. + +378. "ty" is getij, seizoen "gheset" is het vastgestelde, het +gezette, de wet (vgl. 't groote Wdb., Verdam, Mnl. Wdb., Kiliaen de +Woordenboeken op Hooft): "tygheset" is wat afhangt van het seizoen, +"Uw loncken" behoeft niet opgevat als derde naamval: Uw lonken is een +van het seizoen afhankelijk iets (en dat seizoen is de Lente, vgl. in +den dialoog van Daifilo en Dorilea, 205 en vervolgens), terwijl de +menschen die eenmaal buiten de natuur gegaan zijn, ten allen tijde +door verliefdheid gekweld worden: dààrom ook mag hun lusten hun een +wet zijn: de natuur zelf regelt al hun behoeften nog (zie 313). + +384. schaduthroons: Woordspel--het woord moet hier ongetwijfeld +in dubbele beteekenis genomen uit het verband van vers 384 tot 381 +volgt de beteekenis baldakijn, maar de dichter denkt er bij aan de +tegenstelling die geschilderd is in 436-467: "schaduwtroon" is ook = +"troon die geen wezenlijke waarde heeft", "geen geluk waarborgt". Tn +dezen zin is het een woord van Spieghel (van wien Hooft mogelijk +ook de menigvuldigheid van adjectieven met -rijk en -ziek heeft), +die in zijn beschrijving van het Hol van Plato, Hertspieghel III, +70-118, de aardsche dingen, omdat ze niet dan de schaduwbeelden +van werkelijkheid (zie de voorstelling op zijn prent van het "Antrum +Platonicum" van 1604, te vinden in de uitgaven van den Hertspieghel van +H. Wetstein 1694 en Pieter Vlaming 1723) en dus ijdel, onreëel zijn, +schaduw-dingen, "schaduw-goed" noemt en de liefde tot deze dingen +"schaduw-min": zoo zegt hij van den gastronoom, dat hij "ghuwt +na schaduw-taart en vla met open mond": de overdrachtelijke en de +eigenlijke beteekenis zijn hier één, en de prent geeft de etymologie +van het woord: men ziet de schaduwen op den muur. Het begrip van de +onwaarde van dingen die maar vleien met wezenlijkheid, wordt elders, +ook bij Spieghel, uitgedrukt met woorden als "valsch", "ijdel", +"schijn", "waan". Let voor de beteekenis van "schaduthroon" in 384 +op de tegenstellingen in de vier laatste koepletten van het lied. + +392. In het gezongen minnelied vindt de Herderin haar eigen +gewaarwordingen, het "schalcke Lietje" treft de waarheid, en zij +bloost: maar wat kan dit schelen, wanneer ook de beminde bloost en +zijn wederkeerige liefde verraadt? vgl. 401. 393 is het antwoord op +deze vraag. Zie A. 397. + +396. dunne slaep: vgl. b.v. Palamedes 407; nog in Drente dun-slaoperig: +die onrustig en ieder oogenblik wakker is; Kil. dun-slaepigh, +levisomnus. + +397. Bij vele volken (Slaven, Germanen, Grieken en Romeinen) is de +appel een symbool van liefde. Appels schenken, met appels werpen, +een appel met elkaar eten was liefdesbetuiging; van appelen droomen, +liefdesgeluk. Verliefde vrouwen zenden, volgens Lucianus, aangebeten +appels aan hun beminden. Bij de Atheners beval een wet van Solon de +pasgehuwde vóór den bruidsnacht een kweeappel te eten. Aphrodite +werd wel met een appel op de hand voorgesteld. In de Idyllen van +Theocritus is dikwijls van de gebruiken sprake, die Hooft in zijn +lied te pas brengt; vgl. vooral Ecl. III, 64. + +402. 't uwaerts: voor t'uwaerts. De drukfout (schrijffout) 't voor t' +(te), en t' voor 't (onzijdig lidw.) komt veel voor in deze tijd: +maar t' kan ook wel aanduiden proklisis van 't lidwoord: t'onderste, +t'arme kind, dus de nauwe verbinding. Vgl. 493, 1011. + +411b. Elk een anderen kant uit. + +421. Palemon: herdersnaam uit de Eclogae van Vergilius. + +425. d.i. zoete heuschheid van zede. Heusheid = humane welwillendheid. + +435. Liete voor liet: als wierde, werde voor werd, hielde, krege, +grepe, stonde, scholde etc.: Indicatieven; waarover, bij de oudere +schrijvers als in hedendaagsche tongvallen, van Helten, Vondel's Taal +I, 45-47.--Men vergelijke in Granida 1377 ick rees', 1516 ick coos'. + +449a. Argeloosheid die niemand belaagt, bij wie het veilig is. + +488. Als zoo menige andere plaats in Granida is ook deze proverbiaal: +zie de Litteratuur bij Harrebomée, Spreekwdb i.v. hoveling. Bij Roemer +Visscher, Sinnepoppen 1614, LIX van het Tweede Schock, wordt onder +het opschrift "Jong Hoveling, out schoveling" door een prentje met +een weggeworpen ruiker naast een ruiknr in zijn vaas, aangewezen hoe +'t met oude dienaars pleegt te gaan. + +493. Deze en de voorgaande regel zijn platonisch op te vatten: +"goetheyt" en "schoonheyt" als de hoogste schoonheid en goedheid, +nl. God. + +495. Daifilo vergelijkt zijn leven bij een slaap, waarin de +droombeelden de dingen rondom hem en zijn eigen handelen zijn; wat +ons dag schijnt is een nacht; de zon aan den hemel is slechts een +somber nachtlicht. Doch in de ideale verschijning van Granida heeft +het Goddelijk licht hem toegeschenen en heeft het Hoogste zich aan hem +geopenbaard. Voortaan leeft hij een hooger, het eenig ware leven. De +Liefde wordt hier voor Daifilo godsdienst. Hier en ook verder is Hooft +platonisch en in den geest van Spieghel. Ook in beelden en woorden +is er overeenkomst met het derde Boek van den Hertspieghel, waarin +het hol geschilderd wordt: vgl. b.v. de "lamplichts schaduw-beelds" +Hertsp. III, 111 met Gran. 498; "van die schaduwbeelden moet de +mensch bij Spieghel zich in het Godlick Zonnen-licht" laten leiden; +zie ook Aant. 502. + +500. De "schoonheyt' is in Granida het ideale in de verschijning der +vrouw, de afspiegeling van den edelen geest in het uiterlijk, die niet +slechts als het stoffelijk lichaam waarin de schoonheid zich vertoont +(d.i. schoonheyts lichaam), op de zinnen werkt, maar den geest verheft. + +501-502. De accenten die men in Granida hier en daar nog aantreft op +de teekens oo en o (zie b.v. nog 1347-48, 1368-69, 483-84, 629-30, +1569-71, 1581-83) herinneren aan de manier om een bestaand verschil +in de o-klanken ook in de letters aan te geven: 't klinkergeluid van +ooghe, droom (uit au) zweemde (als nog in b.v. Zeeuwsche tongvallen) +eenigszins naar donker aa-geluid en deed eenigszins aan als tweeklank; +'t geluid van koning, komen had dat niet (niet uit au). Nu gaf men in +'t eerste geval het o-teeken een accent. En zoo deed men ook bij 't nog +bekende, in Holland (overal?), verdwenen; in 't Oosten welbewaarde en +door de dichters meest gehandhaafde verschil dat bij op - top, vol - +tol, wol - mol zich voordoet, dat vroeger evengoed Hollandsch was en +van zeer ouden oorsprong is. Bij top, tol, mol gaat de mond verder +open (de kaakhoek is grooter), 't geluid is anders dan bij op, vol, +wol, (Hollanders hebben altijd den klank van op, vol, ze hooren het +verschil niet). Rondom 1600 nu duidden sommige schrijvers 't geluid +van tol, top aan met het accent. Spieghel had zoo te doen vóórgesteld, +maar 't werd geen algemeen gebruik. Nu en dan komt het in Hooft's +schrijven nog te voorschijn. Zie over die verschillende o-klinkers en +die onderscheiding het voortreffelijke proefschrift van Dr. K. Kooiman, +De Twe-spraeck vande Nederduitsche Letterkunst uitgegeven en toegelicht +1913, alwaar de verdere litteratuur opgegeven; 130-135) + +502. dickheyt der ooghen: vgl. 497: eigenlijk grauwe staar? Vgl. iemand +"de schillen van de oogen lichten"; de "schellen vallen" iemand "van +de oogen". Kil: Schelle in d'ooghe: nervosa quaedam in oculis adnatae +membrane excrescentia: onyx, albugo. Vgl. Hertsp. III, 48: "dwaalbaar +ewigh blijven zij, die sporen ..., in laat-dunks schaduw-licht, +Zo uyt als hoogh te zien, met perl (Kil. perle in d'oogge = argema, +albugo) of schil-gezicht". + +511. 511-512 bevat de toelichting tot "dat sy niet kan" in 510. "Dat" +in "dat kan zy niet" 511b slaat op "sy wil al willen dat ghy +wilt". 511a; "het" in "soo langh ghy 't haer verbiedt" 512b slaat op +het één willen zijn, waarvan in deze regels sprake is: "dat sy niet +kan" 510 is dus aan te vullen met: zonder te sterven. Vgl. Kollewijn, +Slothouwer. + +517-518. vgl. voor rijm en rythme 256-57.--Iets anders 177-78 483-84. + +523. Gij vliegt te hoog met uw gedachten.--Houdt = halt! zie 1463. Halt +is de later Nederlandsch geworden Duitsche vorm. + +524. Namelijk de naam van Heer: "want vroeger was ik een vrij +man". Vgl. 526 (se: dien naam; "met dienstbaarheid": tegelijk met +de dienstbaarheid)' + +534. "U" is accusatiefvorm in Nominativo. Vgl. "als ik hem was". Zin: +kan ik niet één zijn met u, dan zal ik tenminste uw eigendom +zijn. Vgl. 504, 507-508. + +541. 't Rythme is niet: van haere schóónheytsstrael, alsof we hier met +de samenstelling schoonheidsstraal te doen hadden. Hare schoonheyts +is hier vooropgebrachte tweede naamval: dus = van den straal van +hare schoonheid; 't rythme is dus: van haere schóónheyts stráél, +gelijk accent op schoonheid en straal. Vgl. 913: niet: van bey de, +Véchterssielen, maar: van bey de Véchters sielen. En 679 waar in Uw +groove lichaems kracht niet het woord lichaamskracht bedoeld is: +'t rythme is: Uw gróóve líchaems krácht, evenzwaar accent op de drie +syllaben. In 803 is niet te lezen Vriéndenkeur, maar: Vriénden kéúr; +vrienden is de vooropgebrachte tweede naamval van 't meervoud. + +543. eyndelijck bescheyt: afdoend (definitief) antwoord. + +644. Van 's Conings mogentheyt: evenals in de titels Zijne Majesteit, +Zijne Hoogheid (vgl. hoogh in 't Gloss.), Zijne Edelheid, Uwe +Genade e.d. wordt hier de essentieele eigenschap voor den persoon +genomen. Vgl. 1835. + +546. Blijde Goden: vgl. theoi makaoes rheia zoontes, bij Homerus; vgl. +Schiller, Das Ideal und das Leben, strophe I. + +548. De Wispelturige Fortuin, uitdeelster van geluk en ongeluk is +hier voorgesteld met duizend aangezichten. De Goden zullen bewerken +dat zij haar lachendst aangezicht tot hem keert. + +560. Dat ik voor aanzienlijk en onaanzienlijk, het gansche volk, +heb doorstaan. + +561. Zoo als de dingen, die ik verricht heb, het eischen: "uytgherecht" +behoort bij "saken": vgl. "ghenakende" 829, "uytghestaan" 1453, +"ghedaen" 1454, "gheleden" 1455 en verder passim; "opghehoopt" 614 +kan op twee wijzen worden opgevat. + +653. Een zeer merkwaardige afwijking in het rijm begint hier, +loopend tot 691, waarmee Tisiphernes rede een kunstig cachet krijgt: +aaba--bbcb. Hierover is te lezen Dr. A. Zijderveld in Nieuwe Taalgids +XII, 1913. + +569. De boden der ziel zijn de zinnen, zintuigen 568. De zinnen zendt +zij uit om voor haar te zien en te hooren; het vernomene deelen de +zintuigen haar mede. "Dat" in 568 slaat op het "verheughen" 567. + +571. Hemelsche Venus: Hooft denkt hier waarschijnlijk aan de Aphrodite +Ourania, die Grieksche wijsbegeerte later als de zuivere, geestelijke +liefde tegenover de zinnelijke stelde. Vgl. 501-505, 774-794, +1428-1445. + +574. haer verwonderen: zich verwonderen, met sterker en vaak edeler +beteekenis dan nu: een en al genietende bewondering zijn.--572. het +minst: iets, al is het ook nog maar zoo weinig. + +578. heerschappie: viersilbig, 't zij heerschappië, 't zij heer +schappije waarover Aant. 970. + +605. Arsaces, grondvester van het Parthisch rijk.--Wiens slaat terug +op mij. 's Werelts vrees is bijstelling bij Parthen. + +623b. Wat staat gij naar 't geen ik eisch voor mij? + +629. roosen: kransen van mirte en rozen waren onafscheidelijk van de +gastmalen der Ouden. Bij hun drinkgelagen bestrooide men ook vloer +en rustbedden met rozen. + +630. Wilt gij den koning vervangen? Het is alsof S. (de verwijfde +laatste koning van Assyrië) A. (den geweldigen titan der Grieksche +Mythologie die den hemel op zijn schouders torst) wil aflossen.--631: +"Goden past op uw hals, straks stort heel uw Hemel in!" + +635a. Dul staat hier met de kracht van "dol makend" d.i. aanvurend; +vgl. Baeto (Leendertz 360): "de woestmaeckende trom, d'aenschennende +trompet"; vgl. droge dorst 275: die droog maakt; bleeke dood 702; +"gezonde kost" e.d. "Opstekend" is eveneens aanwakkerend; zie de +varianten. + +657. De buien van de hartstocht (653) zijn als de wind, die zijn +kracht breekt op de klippen; zoo breekt uw razernij haar kracht op +den koning en ons, die u niet vreezen. + +665. verbluft: Herman van Woerden vraagt in den Geeraert van +Velsen (IIde Bedr., 3de Toon.: "Daer toe gheboren wy,--Dat wy, in +dienstbaerheidt verbluffet, zouden teelen Voor beulen onze zoons, +onz' dochters voor bordeelen?": hier in de sterke beteekenis die +verbluffen nog in Overijselsch heeft: nl. een kind, een jongen, een +jongmensch voortdurend zoodanig slecht behandelen, dat alle besef van +zelfstandigheid, gevoel v. eigenwaarde en behoefte aan vrijheid en +daarmee alle lust en wakkerheid weggaat; van een zoodanig onderdrukt +en geestelijk uitgedoofd schepsel zegt men, dat het "verbluft", +"totaal verbluft" is, dat ze 't heelemaal "verbluft hebben".--Maakt +het in de oudere taal zooveel sterkere verbazen, in Lucifer 847 +(vgl. de Aant. in de Editie van Cramer, Zw. Herdr. IV) niet een +dergelijken overgang van beteekenis als verbluffen? Hier een ander +etymon voor aan te nemen is wel onnoodig; Overijs. verbluffen is een +sterk woord! Vgl. hiertoe Hooft Ed. Leendertz, I 38 koepl. 2, I 187; +Lucifer 784; en verder vele plaatsen; Asselijn, Stiefmoer 1684, +bladz. 13: "Ik laat my zo licht niet oversnorken en verbaasen" = +overdonderen; vgl. Noah 47-50 IIde Bedr., en Gulden Harpe (1607) 125, +"Ghy die Christum bemint, Ghesint, hem nae te volghen, Bedroeft u +niet verbaest, Al schijnt by naest Dat op u raest De werelt etc. + +670. De volken, waar wij als stadhouder, ieder in 't bijzonder over +gesteld zijn. + +679. sonder belul: behoort bij kracht; "groove" bij lichaam. + +684. ken ick haer: met eenigen klemtoon op "ick" en mèèr klemtoon op +"haer" (let op het woordspel)' + +690. oordelaers: de tweede syllabe is toonloos, evenals in "oordlen" +1286 en Hgd. urthel en urtheln. Vgl. vordel, leisel, achtel e.a. + +697. my is datief; teghenstaen heeft hier zijn oorspr. beteekenis: +"die zich tegenover mij durft stellen". + +722. van dien: "dien" is datief van dat; slaat op "het schoone" 720. + +727-30. Constructie, daaruit ontstaan dat twèè constructies door +elkaar gedacht worden (contaminatie): maer leyden moet etc." doet +onderstellen een voorafgaand: waartoe dient het den Herder zoo hoog +te staan, daar gij hem toch niet tot Heer moogt kiezen (--maar uw +leven leiden moet etc). Met dien u etc.: met een dien anderen voor u +kiezen zullen, uit de weinigen die men voor u geschikt acht.--andren is +vooropgebrachte tweede naamval, vgl. de Aant. bij 541.--Voor Granida, +houdt zie Aant. 134. + +731. wat leyder boodtschap: deze adjectiefvorm (evenals aenghenamer in +dit vers) is van oorsprong een genitief na wat, in de Middeleeuwen +reeds niet meer als zoodanig gevoeld: v. Helten, Vondel's Taal +131-135. In het oud-Germaansch staat na wat de genitief meervoud en in +de latere taal komt die constructie nog voor: in gevallen als wat manne +dat hi es is manne meervoud maar de genitief kan niet blijken, in +gevallen als wat feldere manne dat Bave was (met adjektief!) is er nog +een genitief-vorm maar de verbinding werd zeker niet meer als genitief +gevoeld. Later kwam na wat het enkelvoud waarbij dan het adjektief nog +in den vorm met -er (van oorsprong de meervoudsvorm) kon staan, ook +bij manlijke en onzijdige woorden: wat sonderlingher volck (Spaensche +Brab.), wat aerdiger quant (Geestige Liedekens, in Kuisheidskamp); +wat schoonder Hoy hebt gy gewonnen (Paschier de Fijne). Leyder in +Granida 731 is genitief van 't adjektief leid, leed. In dialekten zijn +van dit gebruik nog sporen: in 't boeren-Overijselsch wat schoonder +kind. Vgl. in Starings Hoofdige Boer: "Wat raarder kuur!"-- + +753. Het braef --ghespeel van windt: het krachtig geluid +der blaas-instrumenten in tegenstelling met de zachte tonen +der teedere d.i. gevoelige, licht bewogen snaren van het +strijk-instrument. Vgl. Pels, Horatius' Dichtkunst (Ed. van de Werken +van N. V. A. 1707, bladz. 17): De plicht der Reije was, het zy ze zong, +óf speelde Op wind-, of snaartuig. + +757. In regel 757 vormt spel en sang-menging één enkel woord: +spel-en-sang-menging == 't edele mengen van spel-en-sang. Spel en sang +zijn samen het eerste lid van de samenstelling.--Eenigszins anders is +het met 756. Gerythmeerd moet: Van ménsch of vógels kéél; niet: Van +mensch of vógelskeel. Fr is hier niet een samengesteld woord; mensch +of vogels is vooropgeplaatste tweede naamval, vgl. Aant. 541. Rondom +1600 kon mensch wel gelden als genitief, zooals ook vleesch (des +vleesch). gras ("een bloem des gras"), maar waarschijnlijker is +misschien dat de tweede naamvals-s hier bij mensch of vogel sámen +behoort (naar Hooft's bedoelen), m. of v. als eenheid genomen; of is +hier vrijwel gelijkwaardig met en. + +761. plach heeft hier zooals meermalen, vooral bij Cats, duratieve +functie == ons pleegt: zie Spaens Heydinnetje, Zw. Herdr. I, Aant. 94 +en Gloss. + +766. In de Rey zijn de genietingen bezongen, die de wereld 's menschen +vijf zinnen biedt, de "gaven" van strophe I: str. II aan het gezicht; +str. III aan het gehoor; str. IV aan den reuk; str. V aan den smaak; +str. VI aan het gevoel. Str. IV noemt de voornaamste reukwerken: +W. Myrrhe en A. zijn welriekende harsen; C. en Musc dierlijke +stoffen met scherpen reuk. De ambre is hier de "grijze amber", wel +te onderscheiden van den "gelen amber" == barnsteen, en den "witten +amber" == spermaceti. Zie Verdam, Mnl. Wdb. i. v. "ammer". "Onbesmet" +behoort bij "reucken". + +772. Maar gebruikt hij er meer van, dan de honger eischt. + +783. "Dees lusten" slaat op str. 2-6; "al deze lusten en duizend +dergelijke, zooveel er zich maar werkzaam toonen en (a.) bevrediging +vragen (of, b.: zich zòèken te bevredigen), de tallooze manieren +waarop wij ons trachten te vermaken en ons eenig geluk trachten te +verzekeren--dat alles moet wijken voor de ideale liefde",--die nu +beschreven wordt. De zin met "als" is hier relatief genomen (== +"die er maar etc"). "Aesmen", ademen, is wel of == suspirare, +sterk verlangen (vgl. stenen in Vondels Olyftack, koepl. 1), +zie in de paraphrase boven, a.; of == aspirare [518], zie in de +paraphrase boven. b.;--gesteund wordt deze opvatting wel door +de navolgende plaats uit Paludanus' (Friesch dominee) Konst van +Goddelijke Vernoeginge (Haringhouck, Bolsward, 1659) bladz. 63: +"Jongelingen, nu amegtig door gulle loop, waar toese door hun +ongeteugelde hartstochten aan geport worden, haken na meerder +ruste, en beasemen de neersettinge door enig vorderlik beroep": +dit is blijkbaar == trachten te bespoedigen == aspirare. "Oefenen" +is hier zeker ook te vergelijken met en staat mogelijk onder den +invloed v. Lat. exerceri; de overgang van het objectieve "zich +druk maken met", "zich inspannen om" tot een subjectief "werkzaam, +druk bezig, doende wezen", is zeker niet vreemd. Vgl. bij Cats, +Twee-en-tachtigjarig Leven (Volksuitg. 745 kol. 2, onderaan), waar +hij spreekt van zijn landbedijken in "Brittenland", oeffeningh, +als blijkbaar synoniem van ongemak, met de beteekenis "inspanning", +"moeite" (vgl. de oude beteekenissen van arbeid, die van moeien, +bemoeien, van winnen, van labor en chamno). Vgl. nog Verdam, +Mnl. Wdb. op oefenen. "Handtgebaer" is "bezigheid", "doen"; zóó +vindt men het meermalen in de Nederl. Hist. en Hendrik de Grote; zie +Oudemans, Wdb. op Hooft. Het is boven weergegeven als: bezig zijn +(om zich te amuseeren). De kracht van "nochtans" 787 is: hoe te +waardeeren onze genietingen ook zijn, toch etc.--Vgl. Bilderdijk, +Kollewijn; Oudemans, Wdb. op Hooft ibid. Leendertz en Slothouwer +verklaren niet.--Stoett in de nieuwe uitgaaf van Leendertz stelt +oefenen == "operari", asemen = "leven" en geeft den regel aldus weer: +"als er maar in ons mogen werken, leven". + +803. Vrienden als vooropgebrachte tweede naamval. Niet te lezen: +daer vriéndenkeur maar daer vriénden kéúr.--Vgl. hiervóór Aant. 541. + +824. gheluck: de toevallige uitslag van het tweegevecht. + +850. Kasteelen, zonder fundament in de lucht opgetrokken. + +857. Achter "liefde" leze men een komma (vgl. 675) en vulle aldus +aan: een onbeproefde smarte voor hem: hij heeft de liefdesmart nooit +ondervonden: "daer hyse voedt in 't harte", 858, staat hiermede in +tegenstelling, gelijk, "openbaert--niet" met "klaecht", waarop de +nadruk valt. In 859 heeft "selfs" den nadruk. + +895. Indien andere lieden het verzuimen, het is, etc. + +909. Maar zoo ik nu, in geval hij u verslaat, toch tegen hem op zal +treden, kan ik het dan niet evengoed het eerst ondernemen? Daifilo's +antwoord is: neen, want die strijd tegen mij zal hem dan afgemat hebben +en zoo lijdt hij meer gevaars van twee dan van een. "bey de vechters" +913: Ostrobas en zijn tegenpartij. + +915. bleeft: Verdam, Mnl. Wdb., I, 1305-1306. + +928b. leydt etc.: "ligt de moed voor hem in" = meent hij dat de moed +in ijdele redeneeringen is gelegen? + +932. Al verleende Vulcanus het door zijn tooverkunst dubbele hardheid. + +934. Het is niet de zorg voor zijn wapenrusting, die hem ophoudt. Dàcht +hij zoover (nl. aan zijn wapenrusting, om werkelijk tegen mij op te +treden): als hij maar zoo ver dacht! maar dat dòèt hij niet: Ik acht +veeleer etc. + +949. ghewenscht: vgl. Lat. optatus, Fr. désiré, Hd. erwünscht. + +963. 't Zal noodig zijn, dat ik u de blijde maar verberge, opdat de +heftigheid der blijdschap niet te veel verge van uw, door overmatige +vreugd ingenomen hart en uw verteederd gemoed niet te sterk +aantaste. "Van nood" 960 = noodig. "Swack" = sterk aangedaan, week. + +970. heerschappie: d.i. heerschappië, viersilbig, blijkens al de +volgende vijfsilbige laatste regels. Dit heerschappie stelt de vraag +aan de orde of het teeken ij in Granida de waarde ie heeft, wat het +oorspronkelijk had. Regel 1045-1047 keeren zije--strijen--Heerschappije +als rijmwoorden terug maar 't laatste staat hier met ij, derhalve +zou 970 i drukfout kunnen zijn voor ij, maar blijkens het Handschrift +(Leendertz II, 175) was het schrijf-afwijking, ouder nog niet verdwenen +schrijfwijs; in 't toenmalige schrijven kan i voor ij staan. In +de i van 970 hebben we geen steun voor de meening dat we zi-je, +stri-je zouden te lezen hebben. Maar, ook ij hád eenmaal de waarde i +(ie). Of echter rondom 1600 in Amsterdam nog met ie-klank gesproken +werden de woorden die in 't schrijven ij hadden, dan wel reeds een +ei-klank gehoord werd (de waarde van 't oude ij-teeken was dan metéén +veranderd), daarover zijn de meeningen verdeeld, uitgemaakt is dit +niet. In 't laatste geval zou 't eerste heerschappie, 970, eenvoudig +gelijk 1047 en dus i = ei zijn; in 't eerste zou Hooft's ij-teeken de +waarde hebben van i, ie.--Men zie hierover het Aant. 501 aangehaalde +proefschrift van Dr. K. Kooiman, 120-130, en de daar aangehaalde +litteratuur.--In het Handschrift staat volgens Leendertz II 177 ook +in 1047 heerschappie, wat de oudere schrijfwijs bevestigt, terwijl +de zaak dezelfde blijft. Regel 1135-36 staat ook bij Leendertz 180 +waerdije, slavernije. + +1013. Dese: nl. die eerste koningen, "d'ouden" van 1020. Vgl. van +de constructie 1026 waar de plur. "haer" ook op een voorafgaand +sing. slaat. "rechtvaerdich" is hier rechtschapen. + +1029. De oude koningen beschouwden zich als de dienaren van het volk, +het regeeren als een plicht (1020), waarvan zij zich gaarne ontheven +zagen, hoewel de stem des volks hun die opgelegd had.--daer, 1028, += wanneer; in 't geval dat. + +1049b. Het "trecken" van hoop en vrees: zij trekken hem a.h.w. elk +naar een anderen kant. + +1078. besluyt: Imperatief: Granida spreekt tot zich zelve, evenals +1085-1099, 1101-1104. + +1096a. En al was dat niet zoo. + +1100. Dit vers te lèzen: Daifil'. Hij keert.--Hy keert. Aym' Ayme! Wat +beswaer: "Ayme" met toonlooze e.--Toch wel = ai mij. + +1102. Geen leed zou mij dan kunnen krenken; tenzij het ook u trof. + +1112. Oud-Hollandsch is aan 'n zijde gaan, met het lidw. van +onbepaaldheid; wij zeggen het met het bepalende lidwoord: aan de kant +gaan. Alzoo een niet = één. + +1118. Daifilo roept de voester om bijstand: hij begrijpt niet wat +haar scheelt; in haar uitroep is iets dat hem beangst maakt. + +1136. u slavernije: u ootmoedig te dienen. Vgl. 1603, 1610. + +1144a. Hoe wel: mogelijk niet te lezen als ons, "hoewel", maar hòè +wèl = hòè zeer. + +1160a. Zoo duur mogelijk. + +1176. Dat door duizenden, als een zaligmakend leven gewenscht wordt. + +1235. Vgl. 1243-1244: de Uchtend, Eos of Aurora, de godes van den +dageraad bij de Ouden, de voorloopster van haar broeder Helios, de zon; +hier voorgesteld met "gouden cruyn", d. i. het bovenste gedeelte van +het blondgelokte hoofd komt uit--omkranst met rozen. + +1239b. Zie, hoe hij mij daar reeds ontmoet.--[Heeft de Hollandsche +jagers-uitroep (bij 't ontdekken van de haas) "waar'k'em +weet!". ("werkenweet") 't zelfde gebruik van waar en zelfde zinsvorm?] + +1245. Reeds de Ouden hielden morgenster (Lucifer) en avondster +(Hesperus) voor één en dezelfde en noemden haar de ster van +Venus. Hesperus werd in den Griekschen bruilofszang gevierd, als de +geleider van den optocht, die de bruid 's avonds naar het huis van den +bruidegom voerde; vgl. Vergilius, Ecloga VIII, 29, 30: vgl. 1247-1252: +Zie vooral: Bruiloftsang op het Huwelijck v. W.J. Hooft en J.C. Quekels +(Leendertz I, 49) evenals de Granida van 1605 (ook in den vertaalden +Misogamos Leendertz I, 321, vers 23-25; vgl. Huygens Ed. Worp I, 189, +14-15); in den Bloemhof van de Nederl. Jeught, 1608, staat pag. 7 +kol. II: Als die clare Maen gaet rusten Eer den rooden dach verschijnt, +Staet soo schoonen sterr', en blinckt, Die de Goden al doet lusten, +Nimphe laet ons met gheneught Slijten onse jonghe jeught.--1252 +"d'uw" nl. Venus: de ster zelf heet dan 1249 "Godin". Doch mogelijk +identificeert Hooft hier de ster met Venus zelf, en dan is "Godtheyt" +op te vatten als in Aant. 1251 is uitgelegd. + +1250. aen den avondt: òf "a. d. a." is "van avondt"; òf "aent" behoort +bij nemen = "nemen van"; (de ww. van nemen, ontvangen, verzoeken, +hebben Mnl. "aan" = "bij": nog in "ontleenen aan", "een voorbeeld +nemen aan" e. d.; vgl. Mnl. Wdb. I, 68-69). + +1251. Indien ick etc.: Tisiphernes bidt de morgenster, haar +heerschappij nu te eindigen, opdat Granida spoedig rijze. Dezen +dag zal het huwelijk voltrokken worden en hij verlangt reeds naar +den avond. Keer dan van avond des te vroeger weer: de avond, waarop +(wanneer) ik (met Gr.) mij willig onder uw heerschappij zal stellen +en geen Godheid vuriger dan de uwe zal vereeren. Vgl. vooral den +Bruiloftsang voor W.J. Hooft, waarin de Avondstar de Gelieven "te +bedt comt wijsen", naar Oud-Grieksche opvatting.--"Godtheyt" is hier +misschien = de eigenschappen van den God, i. d. beteekenis van de +Godin zelve. Vgl. A. 1245. + +1289b. van wythgenomen sinnen: van niet alledaagsche enigingen. + +1313. 's Nachts rust het lichaam van de vermoeienissen van den dag: +toch komen de droomen dan, buitentijds, den gèèst kwellen met het +leed en de moeite (arbeid), die over dag het lichaam plagen. + +1323. de volle kamer: waar de kamer vol van is en geheel blaakt. + +1326. Maar opdat de tegenwoordigheid van de Godheid daaraan gekend +mocht worden. + +1331a. Oly-kleurt ghesicht: oogen met den glans der olijf; zie +variant.--H. geeft met dit epitheton het glaukopis (Athene) +van Homerus weer: welches einen eigenthümlichen leuchtenden Glanz +der Augen ausdrückt, einen ahnlichen Glanz wie den des Mondes, der +schimmernden Meeresflache, der Blätter des Oelbaums (Preller, I, 154; +vgl. ald. de schildering van het uilenoog 155). Dit laatste helpt +op weg: Inderdaad geldt glaukos ook van de elaa, den olijfboom en +zijn vrucht en van het elaion, de olijvenolie. Glaukos staat ook bij +chloe, oporha thalatta; de maan is bij Empedocles, Euripides e.a. +glaukopis: de variant schijnt dus minder vreemd, groen en geel liggen +dicht bij elkaar: echter treedt de voorstelling van het "schimmernde" +"leuchtende" op den voorgrond. In den Brief aan de Kamer In +Liefde Bloeiende 1600 spreekt Hooft van Thalia's "groen lieflijck +ooch". Dat de Dichter juist op olijfkleurig komt, is begrijpelijk: +Athene staat in de nauwste betrekking tot den olijfboom: op niet +ongewone wijze wordt het attribuut der godes hier, per metonymiam, +in verband gebracht met haar oogen. De jambische maat deed oly-kleurt +voor olijf-kleurt kiezen; vgl. Six van Chandelier, Poësy 1657: Daar +vaart Messias van de oliheuvels top (12); Het zy ontrent het dal van +Josafat,--Of langs den bergh, naa 't blad--Van d'olipruim genoemt, +(104); Hoe springht de bergh en 't olibosch? (Hemelvaartssangh 496); +(God)--sondt synen vreedeboo, van booven,--Greep Engelands, en Hollands +hand,--En bondt se, met den oliplant, (488): Tijdschr. III, 263. + +1331b. vlechten blondt: blonde en rossige haren vinden wij door +de Ouden op hoogen prijs gesteld, zoowel bij Goden en vrouwen +als bij slaven en paarden. De dichters van den Renaissancetijd +namen deze voorkeur over: blond haar was toen, internationaal, +onafscheidelijk van de schoonheid der jeugd. Bij de Ouden zijn +blond. Apollo, Demeter (Ceres), Bacchus, de Chariten, Ganymedes, +Rhadamanthys, Hylas, Odysseus, Menelaus, Achilles xanthos, flavus), +e.a., vgl. Verg. Aen. XII, 605; Hor. Carm. I, 5, 4; II, 4, 14; III, +9, 19; Theokr. Eid. II, 16, 78; Catull. LXIV, 98. Bij Hooft heeten +blond: Apollo, Venus, Aurora, Thalia (Leendertz I, 7), Ganymedes, +Ariadne, Helena; vgl. Leend. I, 15, 21, 31, 42, 45, 54, 65, e. e.); +de Vrouw "Italia" in den Br. a.d. Kamer In L. Bl.; ook Granida: 1329a; +vgl. 120, 184. Bij Vondel: Apollo, Venus, de Minne-goodjes en Urania +in de Geboortklock, Joseph, Ifis, Hageroos, Ursula en Aethereus en +de jongeling die Ursula verschijnt, e.a. + +1332. bleeckheyt des ghedaents: Uit het verband blijkt wel, dat men +aan de gelaatskleur moet denken. Vgl. in het Claechleidt van 1608 +(Leendertz I, 66): "haer gedaente bleeck", van "bestorven wangen" +gezegd; Geeraert van Velsen V begin (Leendertz II, 257): "bleeck +ghedaene flaeuwt". "Ghedaente" is hier = uitzien, bepaaldelijk van de +kleur. Vgl. Mnl. gedane, Nat. Bl. VII, 463, VIII, 224, Mor. 3563. Wat +is bleeck nu? Bij Hooft noch bij andere dichters is bleek = blank. De +Godin is Granida in alles gelijk (1329) en wat Granida betreft, +moeten wij aan bleekheid door hartstochtelijke liefde (voor Daifilo) +denken. Bleek is de kleur van het minnewee. Horae Belgicae X, No 48: +"Dijn scone verwe is bleec gheworden-- Van overgroter minnen tot mi"; +Cats, Spiegel v.d. Ouden en Nieuwen tijdt, deel I, Liefdes Kortsprake, +staat van de jonge maagd: "Isse teer, swack, en bleyck? denckt datse +bequamer is om het pack der liefden, als om meulesteenen te dragen; +gelooft de Medecijnen en Natuyr-meesters, die hier in klaer spreken, en +zijn gewoon te seggen: Pasles couleurs, désirs mal accomplis: Vrysters, +'t bleyck van uwe wangen Koomt van eenigh soet verlangen; Fille pasle, +Demande le masle: Pleycke verwen, Paren of sterven. Zie nog Taal en +Letteren VII, 209. Granida verkeert in uiterste verliefdheid, Minerva +vertoont zich "Granid'in als ghelijck", wat dan geschilderd wordt. + +1335. Voorsichtigh: want "die den vrede wil, moet zich bereid houden +voor den oorlog". + +1340. Crijchsduyend gras: de speer van Minerva. Minerva is zoowel +godes van den oorlog als des vredes. Hier echter is de Minerva +Pacifica geschilderd. De olijftak is als zoodanig haar symbool en +dus het tegenteeken van den bamboesstaf (die met of zonder spits een +krijgswapen beteekent), waarmede zij anders wel werd voorgesteld: +"die" slaat op "olyventack"; de Ouden hadden speren en lansen van +bamboesriet.--Een gras dat oorlog beduidde, is er niet. Bilderdijk +raadt: "glas" voor "gras", t.w. het kristallen schild. Maar 1605, +1615, 1636 hebben alle drie "gras". Buitendien, conjectuur is +overbodig. "Gras" is hier = riet en een vertaling van "gramen" of van +"graminea hasta". Facciolati-Forcellini (ed. 1831): Gramineae hastae +sunt ex arudine Indica, Itali dicunt canna d'India, qua utebantur +veteres pro hastis: de quibus ita Plinius 16, 36, 65. Arundini quidem +Indicae arborea amplitudo, quales vulgo in templis videmus, h.i. in +manibus simulacrorum, quemadmodum de Minerva Atheniensi ita refert +Ampelius 8. Ipsa autem Dea habet hastam de gramine. Niet op deze plaats +kan Hooft zijn "gras" geplukt hebben, daar Ampelius' Liber memorialis +eerst in 1638 door Salmasius werd uitgegeven. Prof. J.C.G. Boot deed +ons aan de hand Cicero, In Verr. act. sec. L. IV, 56, 125, ook bij +Forcellini vermeld, en hier moeten we zeker wezen. Cicero spreekt +hier van den Minervatempel te Syracuse, door Verres geplunderd, non +ut ab hoste aliquo, qui tamen in bello religionem et consuetudinis +iura retineret, sed ut a barbaris praedonibus vexata (LV, 122). Na de +beschrijving der geroofde kostbaarheden volgt er: Etiamne gramineas +hastas--vidi enim vos in hoc nomine, quum testis diceret, commoveri: +quod erant eius modi, ut semel vidisse satis esset: in quibus neque +manu factum quidquam neque pulcritudo erat ulla, sed tantum magnitudo +incredibilis, de qua vel audire satis esset, nimium videre plus quam +semel: etiamne id concupisti? + +1345. rust: nl. de rust, die u nu bij de goden bereid is. + +1346. Die u reeds minde, toen gij nog in de wieg laagt. + +1351. de weerliefd: Gelijk anders de liefde in 't algemeen, is hier ook +de "weermin" (252, 514) vernuftig gepersonificeerd en vergoddelijkt. + +1359. ontslaet: Imperatief. Vgl. 1585. + +1361. aentrekken: evenals "aandoen" van eigenschappen, waardigheden, +het treden in een toestand; vgl. Rom. XIII, 14, Eph. IV, 24, 1 Cor. XV, +53, 54. Gr. endyomai, lat. induo. + +1375. Moeten wij aan bedaren hier niet misschien toekennen de +beteekenis die zich schijnt voor te doen in Vondel's Kranke +troost, strofe III: Die het zwaert--grimmigh ruckten uit der +scheide--Nu bedaert [nu weer in de scheede teruggekeerd] Wat dan de +oorspr. beteekenis van bedaren zou kunnen geweest zijn. In 't Friesch +ook: "terecht komen" immers: "waar is dat bedaard?" + +1395. wel geeft den zin de kracht van: 't Is toch niet mogelijk, +dát kan toch niet, dat Gij mij zoo oud hebt laten worden om.... + +1411. bescheiden reên: duidelijk verslag. + +1419-1422. mensch = eenig mensch.--In de mythologische geschiedenis +van Perseus komt ook Pallas Athene voor; en Perseus werd ook met het +Perzenrijk in verband gebracht. + +1427. u prijs: vgl. 1603 uw minste dienst, 1695 haer dienst: "u", "uw", +"haer" noemen het object in het werk woordelijk begrip, zooals Spagnens +haet in Huygens Aan de vrije Nederlanden = haat tègen Spanje. In +1542 kàn sijn wraeck ook ànders opgevat. Vgl. Spaens Heidinnetje, +Zw. Herdr. I, Aant. 918 en 625. + +1434. crachten: de Liefde wordt hier voorgesteld als een god en +"crachten" zijn de daden van dien god, als openbaringen en teekenen +van die krachten. Vgl. 1612. + +1453-1454. Vgl. Aant. 561. Arbeyt heeft ook hier wel de ruimere +beteekenis van "moeite", "inspanning", "zware arbeid": vgl. 560: +een beteekenis die weer in 1454 misschien ook heeft (vgl. ons in +de weer zijn, zich weren). Treffende sorch: zorg die iemand niet in +de kleeren gaat zitten, waarvan lichaam en geest afneemt en slijt, +die je aanpakt? of = "treffelijk" d.i. "buitengewoon", "uitstekend", +maar dan meer etymologisch = "waarvan iemand zich getroffen voelt", +"verwonderd staat", "waar hij respect voor heeft"? + +1463. Lees: besind u, houdt (halt!). Maar zie Leendertz noot. + +1467. 't Geluk, de Fortuin (als Godin, vgl. 1476: haer!) is onredelijk, +niet ik. + +1470. Vaetse: d.i. vatse (vaten is vatten): nl. de reden waarom +de Fortuin zoo handelt: zie 1466-1470; vgl. ook 1477: "gij duidt +(legt uit) het doen van het Geluk verkeerd, wilt niet naar reden +luisteren". In 1466-1470 wordt reden dan in tweeërlei zin genomen, +in 1466 nl. is het = ons rede, verstand, redelijkheid, vervolgens +ons reden grond, beteekenissen die beide aan reden eigen waren in de +oudere taal. Bij Hooft, als bij Vondel (vgl. v. Helten Vondel's Taal, +I, 82) is het singulare reden meestal = verstand, rede, billijkheid, +redeneering, reden, grond (plur. redenen en reên) en het plurale reden +meestal = woorden, redeneering (sing, rede; 't staat bijna altijd in +'t meerv., dat ook reên luidt). Vgl. nu het Gloss. op rede en reden, +de plaatsen aldaar. Toch vindt men 't wel eens andersom. En somtijds +kan men niet eens zeggen met welk van de beide woorden men te doen +heeft, wat z'n oorzaak o.a. ook hierin heeft, dat zoowel reden als +rede de beteekenis van "redeneering" hebben kan, zooals ook wij bij +redeneering dàn meer aan de woorden, dàn meer aan het redebeleid +denken, dàn weer niet eigenlijk onderscheiden,--waardoor ook de +pluralis reden = den singularis reden kan worden. (vgl. 1707). Soms +kan men te doen hebben met den Infinitief reden (vgl. 1674). Reên 861 +is wel plur. v. reden, grond. Reden 599 kan ook plur. van rede zijn, +dat dan hier de beteekenis van "grond", "aanspraak" = reden heeft. + +1471. Hoe nu toe?: XVIIde-eeuwsche uitdrukking (ook hoe dàn toe?) met +de kracht van "wat nu?" ("wat dàn?"), "hoe nu?" ("hoe dàn?") [zie +1633], "wat moet ik nu?", "wat zal er nu gebeuren?". Hier, 1471, +is men geneigd, met het oog op het antwoord (vgl. ook 1509-1513, te +omschrijven: "waar moet dat naar toe?", "waar moet dat heen?" en met +dit soort van vragen komt de uitdrukking oorspronkelijk wel overeen: +toe is = "verder" en geeft richting aan; vgl. ons "hoe nu verder?" en +Aant. 1628. + +1490a. Vgl. voor de constructie: Cats, Spaansch Heydinnetje 47: +en wie het maer en sagh; 484: van die haer maer en sagh. + +1495. Lees een komma achter "Van waer": "zijn scharp--dallen" is een +absolute constructie: daar zijn scherp etc. A. I. 17, 1519. + +1499. beseten landen: mijn eigen landen, tegenover die welke hij van +den koning bestuurt; vgl. 1507. + +1509. Wat mij aangaat. Vgl.: ik voor mij. + +1519. Welck pack--om draghen: absolute constructie; zie +Aant. 1495. Eigenaardig is voorts de nauwe verbinding van 1519-1520 +met den voorafgaanden zin door het relativum: En daar dit pak +voor mij te zwaar is, behaagt het herdersleven mij beter (zie +A. 1520.) Vgl. A. I. 32. + +1520. doet behaghen = behaagt; subjekt is "Een lagen harders +rust". Vgl. Mnl. Wdb. i.v. doen (II 234-235). Gewoon in Duitsche +dialekten; vandaar in het volksaardige lied; en bij Heine: +"Sie--Thät nochmals durch das Fenster sehn"--; bij Zach. Werner: +"Das grosse, das ich that vom Vater erben"--; Doch war's, als ob +sein Geist sich zwischen uns that schieben". Er is iets voor te +zeggen, dat ook 1730 zoo is op te vatten. Denk aan 't gebruik van +do in t' Engelsch. Vgl. voor het recht verstand van deze vervoeging +'t gebruik van "doen" in 429, 657, 1060, 1240, dat wij nog kennen: +"Regent het?" "Dat doet het", "Vergissen doet hij zich zeker." + +1529b. Objects-genitief. Vgl. 1136, 1603, 1610. + +Begin Vijfde Bedrijf: De geest van Ostrobas verschijnt aan Artabanus +in den droom. Dit soort verschijning komt ook voor in Hooft's Geraerdt +van Velsen en Bato en in vele stukken van de XVIIde eeuw, ook bij +Vondel. Vgl. ook Vondel's Sonnet vòòr de Palamedes ('t En leed geen +zeven jaar, etc.) + +1561. Vgl. A. 1235, 1331 b. + +1573. breijen: vgl. Gr. hyphaino, Lat. texo, ons "brouwen", "smeden", +"rokken, berokkenen" (eig. de wol op 't spinrokken winden). + +1591. Leydstar: als ster van Venus, de "poolster" wanneer zij zich +richt; vgl. in het Sonnet aan de oogen van de geliefde: "Leitsterren +van mijn hoop". Vgl. A. 1245. Bij Roemer Visscher, Brabbelingh, 't +Eerste Boeck, IVC, heet het van een liefje: "Ghy zijt mijn leytster, +rechtsnoer, compas en clock".--De gewone beteekenis van Leidster is +al in 't Mnl. "de poolster" (vgl. Eng. loadstar), de bekende ster van +den Kleinen Beer, "cynosura", "tramontane" (vgl. Mnl. Wdb. en Kil.); +overdrachtelijk b.v. van Maria (de Stella maris!): "die leedsterre, +die ter havenen der salicheden alle menschen wel can leden" (Sevende +Bliscap van Maria); bij Willems Oudvl. Liederen, 463, heet ze: +O noordersterre klaer. + +1595. De nachtegaal was in de middeleeuwen de vogel der liefde, +die het samenzijn der minnenden vervroolijkt met zijn gezang, +hun geheimen kent en hun plannen begunstigt. Dikwijls is hij de +bode in het volkslied. Vgl. Kalff, Lied in de Middeleeuwen 355-363, +370.--vlied uyt geldt de vogeltjens van 1593 zoowel als den nachtegaal, +maar hij moet vooruit vliegen, de eerste zijn. + +1602. aen u te slaven: Hooft denkt aan lat. servire, van +servus = slaven van slaaf, en construeert dus = servire cui, met +datief.--Vgl. echter Mnl. dienen; en overeenkomende oud-Germaansche +werkwoorden met den datief. + +1603. Vgl. Aant. 1427. + +1612. crachten: A. 1434. + +1621. hartsen: tweede naamval van Duitschen oorsprong, afkomstig +uit onder Duitschen invloed staande liederen, zeker wel de heele +uitdrukking mijns hertsen bloed, die Hooft hier teeder vindt, goed om +'t gevoel van Granida te vertolken. + +1627. wesen heeft den klemtoon, niet Daifílo: of ik 't mogelijk zelf +niet bèn. + +1628. Nu toe = pak aan nu, flink: het zelfde aansporende en aanzettende +toe, als dat wij nog hebben in: toe nu, toe dan, toe, toe toe; +vgl. Aant. 1471 (vgl. Mnl. Wdb. II, 875 onderaan). Aangaande het +nadrukkelijk vooropkomen van nu, vgl. 1359 en 1585. + +1629. boelen: ook in goeden zin = minnen. Het is niet noodzakelijk het +woord hier in onedelen zin op te vatten, tenzij "boelen" er plur. van +"boel" is, dat anders, evenzeer, van geoorloofde en ongeoorloofde +liefde beide geldt. + +1676. Ziedaar nu zijn getrouwheid, waarvan gij den mond zoo vol hebt +gehad.--Zie het Gloss. op werck maeken van. + +1690. beleyt--vervolch: ik begrijp noch hoe men dit overlegd heeft +(het oorspronkelijke plan), noch hoe het zich verder heeft toegedragen +(de uitvoering van het plan). + +1727. Bet--waerdich = waardiger: de zin is aan te vullen met "dan +iemand": gij zijt waardiger dan iemand (dan ik zelf ook!) met elkander +te bezitten, dat wat gij bereid zijt, òm elkander, te ontberen: +'t is recht dat etc. Vgl. 1502. + +1761. dit huwelijck maken: Inifinitief zonder "te". Vgl. 212, 411, +1125, 1325, 1595, 1759. 1694, 1841 kunnen ook anders opgevat worden. + +1767. van gouwe. Vgl. Nieuwe verbeterde Lusthof 1607, pag. 20: Gheen +croon soo schoon van Gouwe; ibid. 50: Met zijnen pijl van gouwe. + +1770. "Waerdich" is dierbaar en hoort bij "roem"; de dierbare, +waar uw hart op roemt. (1636 heeft: uw waerdigh'.) De staf van goud +1767 is de scepter. 1767-1770 slaat op 1765-1766. De Rey prijst +hem gelukkig om zijn verheffing: doch niet daarom prijzen zij hem +gelukkig, dat een koninklijke staat hem te beurt valt, zij weten te +goed, dat ook Daifilo zelve niet daarin het hemelhoog verheven zoekt +(1767-1768 voorkomt een tegenwerping: wij weten zeer goed dat gij u +den scepter niet aangenamer dan etc.): maar dìt is het, dat gij in +onverbrekelijke trouw één wordt met etc. + +1772. Uitverkoren eigendom. + +1804. Constr.: (Het) blijckt, de Goden te begeeren dat ghy twee +vereenicht blijft = het blijkt, dat de G. begeeren, dat: accusatief +cum infinitivo als subject. + +1807. Reeds genoeg doorgestaan. + +1814. De Ouden reeds kenden het rad als teeken van het wisselvallig, +het omslaande geluk (zie voor plaatsen Dr. Montijn, Spreekw. en +spreekw. uitdr. der Romeinen) en de middeleeuwen namen deze +voorstelling over (zie voor de Litteratuur daarover 't Leidsche +Tijdschrift XIV, 136), die juist door de plaats bij Hooft voldoende +wordt toegelicht. + +1846a. In teghendeel van dit: van zijn kant en in overeenstemming +hier-mede: alles is nu ten goede beschikt, dat nu ook het +geluk etc. Vgl. uit Cats: Daar staat de jongelingh en biet zijn +rechterhant,--En krijght in tegendeel een gunstigh wederpant. + +1861a. Soon v. Persen: Jacoba v. Beieren noemt zich, tijdens het leven +van haar eersten man, Jan v. Touraine, den zoon van Karel VI, Koning +v. Frankrijk: "Dochter van Vrancryck" (v. Mieris, Charterboek van H. en +Z., IV, 394: charter v. 24 Dec. 1416). In een charter v. 13 Febr. 1418 +heet Jan v. Beieren: Sone v. Henegouwe, v. Hollandt, ende v. Zeeland +(v. Mieris, IV, 521; e.a.). "Sone" is Mnl. prins; vgl. Infante. + + + + + + + +GLOSSARIUM. + + +A. verwijst naar de aantekeningen. I. = inhoudt. + + +Achtbaer, 592. +aelwaricheyt, gemelijkheid, 128. +aen, op, 1644.--nemen aen, 1250. +aenbieden, 445. +aendienen, 1380. +aendoen, 107. +aengaen, beginnen, 937, 943. +aengheboren, 283. +aenghesien, 355, A. +aenhòren, 1287. +aenhouden, 1423. +aencleven, 1541. +aenprijsen, 726. +aenroepen, 1697. +aenschijn, het geheele uiterlijke voorkomen, 349, 438, 1071. +aensien voor, 19. +aensien (ten--van). 676: ten opzichte van, vergeleken bij. +aenslaen, bij de hand nemen, beginnen, 478. +aenstaend, 161, 1301. +aentasten, 696, 1202. +aentrecken, aannemen, 1361. +aerdigh, sierlijk, elegant, smaakvol, 367. +aesemen, verlangen of streven, 783, A. aspiro, suspiro. 1584. +afgheronnen, 1062: moegeloopen. +afgunstich, vijandig, 105. +afkeerich, 75, 89. +afkomen, 1110. +afpijnen (hem), zich afsloven, afzwoegen, 1584. +afscheydt (zijn--) nemen, 337. +ayme, 556, 843, 733, 1610, 1100, A.--ay my, 1076. +ay spijt, 1545. +al, geheel, 1432; wel, 1580. als; alsof 505, 672, 685, 1748; +allegaer, 781, 694. +allensjens, 1376. +als, na comp. passim: 186 etc. +als, alles, 1329. +als die, 180. +alwaerdigh, 329. +ameloos, 1583. +ander, 237: Vgl. Fr. vous autres. A. +ander-ick, 1578. +anders, althans, 267. +angelhoeck, 443. +arbeyden, zich inspannen, 1655. +arbeydt, moeite, 560, 1453. A. +armen (m. open-), 372. +asch (in d'-) leggen, 1449. +avondtspel, serenade, 394. + +Banket, 147: maaltijd. +beblaedt, 748. +bedaeren, tot den vorigen staat, den normalen toestand terugkomen, + 1375, 1524, 60. I. +bedampt, bedwelmd, 629. +bedaren, 1375, A. +bedauwen, 326. +begeeren, hebben, 1110. +begeerte, 1749. +beginsel, begin, 1242. +begraesd, grazig, 145. +beguychelen, bespotten, 453. +behaecht = (mij) behaagd hebbend, 724. +behaghen, 724, 816. +behaghen (zijn-) doen, 1390. +behoeden, c. gen.: verhoeden, 915. +behoeven, 978. +behouwen, 331, 1475. +beydts (van-) 1272. +bejaghen, 1098. +bekennen, herkennen, 79. I +beknellen, 53. +bekomen, komen tot? 18. I. +bekommert, steeds druk bezig, 307. 28. +bekoren, 423. +bekrijten, 106. +beladen, 1650. +beladen in, verlegen met, 29. +beleefd, 301. A. +beleydt, beschikking, 1508. 1690. A. +beleydt 1508: partic. van "beleiden", besturen. +belonken, verliefd v. ter zij aankijken, 175. +beloop, 1698. +beloven, verzekeren, I. 85. +belul, verstand, oordeel, 679. A. +beraeden, 1211. +bereden, gereedmaken, 1259. +bereyden (den wech-), 1730. +bereyt tot, 1106. +berijden, 820. +beroer, 519. +beroert: in oorspr. beteekenis: in beweging raken, 1624. +berste (te-) vallen, 1496. +besadighen, tot rust brengen, 1527. 67, I. 1338. +besaedicht, kalm, rustig, 338. +beschadighen, krenken, leed doen, 1528. +beschaeuwen, 1784. +bescheydelijck, verstandig, "wijs en goed", 291. +bescheyden, duidelijk, 1411. A. +bescheydenheyt, wijze goedheid, 671; tact, fijngevoeligheid, 1132. +bescheyt, antwoord, 543. +beschelden, beschuldigen, 191, 1683. +beseten landen, 1499. A. +besich zijn, 1840. +besien, zien, waarnemen, 1377. +besinnen, beminnen, 1409. +beslommeren (sich-) om, 306. A. +besloten zijn, 81, I. +besloten helm, 900. +besneden, 1330. +besond, van de zon bestraald, 1439. +bespeuren, 1703. +bespooren, onderzoeken, 1382. +best dat, 30. +bestaen, beproeven, 1860. 1707, 1714. +besteden, 101, 892. +besteken, afgepaald 702. +bestellen, gereed maken, in orde brengen, 701, 1217, 1232, 1258. +bestorten, 1764. +beswaer, 1101. +beswaeren, 994, 1523. +besweren met, door tooverkracht voorzien met, 932. +bet, eer, beter, meer, 97, 935, 1213, 1708; veeleer, 1727. +betaelen, 1159, 1847. +bevest, vast, met muren en grachten, 1095. +bevinden, 122. +bevynen, nagaan, 135. A. +beweghen, 1751. +bewaeren, beschermen, 580. +bewindt, besturing, 1840. +bewust, bekend, 776. +bidden, verzoeken, 277, 1029, 1513. +bieden, 345, 370, 1031. +biggelen, 1585. +bijen (ruischende-), 147. +bij zijn bedde, 1238. +binden, 1834. +bitter, 969. +bitterheden, 1587. +bygheleghen, 1007. +bysonder, afzonderlijk, verschillend, 411, A. 685, 670. +blaecken, 248, 1323, 1349. +blasen, 358. +bleeck, 183. +bleeck-gheschonden, 1553. +bleeckheyt, 1332, A. +blickeren, 1334. +blijcken, 599. +blijcklijck, 1409. +blijschap, concr., 1592. gaudium, deliciae. +blijven, het leven laten, 915. Mnl. Wb. I, 1305-1306. +bly, zalig, 546, A.--123, 750. +blygeestich, 206. +blindt, 1839. +blondt, 145, A.--A. 1331b. +boelage, minnespel, 28. A. +boelen, minnen 1629. A. +boeten, stillen, 771, 1243; lesschen, 1547. +boôn, A. 569. +bootseren, 366. +bouwen, 815. +bouwliên, landlieden, 154. +boven (te-) gaan, 1277. +braecken, 1324. +braef, krachtig, 753, A.: vol groote gebeurtenissen, 1175; strijdbaar, + 1539; voortreffelijk, 658, 1219. +brageeren, pralen, 1249. +brandt, 274, 243, 715. +braveeren, zich verheffen op, 1076; snorken, trotsen 667. +breydeloos, 260, 577. +breyen, veroorzaken, berokkenen, 1573. A. +bruycken, 1337, 1687. +bruydegoom, 1798. +bruyn, donker, zwartachtig, 30, 819, 1234, 30. A. +buyrt, buurtschap, 435. +buyten (van-) kennen, 237. + +Dael, 540. + +daer, waar, 320, 804; terwijl, 491, 858, 1020; wanneer? 810; = + daarin 180. +daet (opter-), dadelijk, terstond, 1705. +dagh, plur. 1200. +dan, maar 265, 369: passim. +dapperlijcken, 1087: wèl goed. +dat, zóó, dat, 219, 667, 1318; wanneer dat, 386. +deel (een-), gedeeltelijk, 410. +deelen, toedeelen, schenken, 1194. +deftich, waardig, imponeerend door overtuiging, 1411. +defticheyt, distinctie, 360. +delven, 980. +dencken, 57, 201, 1056. +dencken op, 1629. +dertel, 119. +derven, durven, 1607; 697, 1128; darf. derf: praet., praes. +deucht, alle voortreffelijke, met name manlijke eigenschappen, niet + in uitsluitend moreelen zin, 591; weldadige kracht, 795; innerlijke + waardij, gehalte, 1157; goede en schoone daden, 1738. +deucht-vruchtbaer, 591. +deurgaen met, 419. +deurkruipen, 1451. +dewijl, terwijl, 543. +dieden, uitleggen, verklaren, 1286, 1477. +dienen, 1568, 1810, 1869. +dienen (sich-) van, 1104. +dienst nemen van, 1695 +dienst (gheboden--), 37. +dienstboo, 1208. +dienstigh, 285. +dier, 1160, 1193. +diets maecken, 249. +dickheyt der ooghen, 502. A. +dickwils, 58. +dinghen, 1522. +dobbel, 234, 791, 932. +doe, doen, passim: 872-873, 875: 966, 971, 1120 etc. +doen, maken, 788, 1149, 1613; 1520. A. +dom, 21. +dompen, 987. +doogen, verdragen, 1195. +-doom, 130. +doorschynigh, 1354. +doorwaden, doorstróómen, 748. Kil. waeden, vetus. Fland. fluere, + effluere. +draelen, 1160. +draghen, toedragen, 1123, 1473; voortbrengen, 591, 294, 873, 959, + 982, 1099, 1391, 1595, 1636. +dracht, opbrengst van 't land, 297. +drang, plur., 't gedrang v. 't handgemeen zijn; of drom? 1660. 619. +dreyghement, 622. +drijven, 391, 539, 571; willen en bewerken, 1806. +drillen, trillen, 39. +dromich, in droombeelden bestaande, 498. +druck, verdriet, 1170. +drucken in, 1344. +druckich, droef, 1763. +duyden, zie dieden. +dul, zonder verstand, blind, 1457; dol, 635, A., 653. +dun, 396. A. +dwerrelen, 1560: spelen. +dwingen, 604. +dwingend, knellend, belemmerend, 1571. + +Echt, 1732. +echte-man, 532. +echte-vrouw, 890. +eedel, 1061. +eedelhartig, 82. I. +eelman, 342. +eenemael (t'-), 207. +eensaem, 1512. +eerbieden, eer bewijzen, 300. +eere biên, salueeren, 927. +eere (hoog in-) houden, 672. +eerst, 720. +eerstmael, de eerste maal, 1120. +eerwaerd (-ich), vereerenswaard, aanbiddelijk, 363, 747, 1600; edel, + 1330, 1590. (vgl. eedel). +eeuw, tijd, 1053. +eeuwelijck, 1277, 1205. +effen, 115, 1582. +eyghen, eigendom, 974, 1772. +eyndelijck, bijvnw., 22, I. 543 +eynden, 705. +eyndt, 1516. +eyndt maecken, 1307. +eyst (my-) van, 1570. +eng, smal, 886. +erkentenis, 1326. +ernst, hoogheid? 1132. +erven, 919, 956. + +Feest, vreugde, 962. +fijn goudt, 121. +flucx, 937. +fontein, bron, 138. +fresch, 274. + +Gaede slaen, zorg dragen voor, 66. I. +gaerne, 528: bijw. als bijvnw. +gail, vroolijk, zwierig, 119. +gangh, 46, 1747. +gans, 868, 908. +gapend, 1554. +gauwicheydt, schalksche bij-de-handheid, 127. +gave, 1515. +ghebeten, 704. +ghebieden, 84. I. +ghebiedt, macht, gezag, 639. 735, 1499. +gheboren zijn, 1124. +ghebreck, ongemak, 773. +ghebreken, ontbreken, niet in orde zijn, 1270. +ghedacht, n., de gedachten, geest, 495, 723, 1204, 1307, 1344, + 1712, 1552. +ghedaent, 1332. A.--723, 1614. +gheduyrich, altoosdurend, onafgebroken, 327. +ghedult, 1287. +gheen, 85. +gef, imperat. v. geven, 1657. +ghegrondt, 600, 1086. +ghehouden in, verplicht aan, 586. +ghekrijs, 1660. +ghelaet, de wijze waarop men zich voordoet, 440, 455;--waarop men + uiterlijk het innerlijke openbaart, 1823. +gheleghen (een-) plaats, 1558. +gheluck, noodlot en toeval, de Fortuin, 620, 824, 1467, 1486, 1530, + 1672, 1764. +gheluckicheyden, 1242. +ghemeen, 1799. +ghemeente, volk, 666. +ghemetst, gemetseld, 1370 +ghemoe (van-), 1085.--uit gemoede. +ghemoedt, zin, verlangen, wensch, 616, 1302. 350, 439, 466, 897, + 1085, 1291, 1700, 1735, 1738, 1751. +ghenadelijck, 1608. +ghenegenheyt, bereidwilligheid, gedienstigh. 9, I. 349. plur., 845. +gheneychtheyt, 1061. +ghenieten, bezitten, 1075, 1192, 1405, 1728. Vgl. Gloss. Sp. + Heydinn. 176, 287. +ghenoechjens, 382. +ghenot, 919. +gheraeckt worden, 226. +gheraken, 20. I. +gherucht, pl., 1151, +gheschal, rumoer, lawaai, 155. +gheschiedenis, gebeurtenis, 1285. +ghesicht, de oogen, 1331, 1554. 503, 1373. +ghesin, de hovelingen, 1237, 1538. +ghespickelt, 159. +ghespreck, het spreken, 1288. +ghestelt zijn, 1396. +ghetroost, goedsmoeds, gelaten, 1533, 1733; tevreden met, 48, I. 1164. +gheswint, 1188. +ghevelt liggen, 1544. +geven (sich-), 16, I. +ghevoecht (fraey-), 1328. +ghevoelen, meening, 1713. +ghewach, gemoedsbeweging, 1243. +gewaegen, 1128. +gheweldt (groot-), 157; macht, 607. +ghewenscht, uitverkoren, dierbaar, 949. +ghewinnen, 24. +ghewrocht, bewerkt, 367. +gissen, oordeelen, 1005. +glas (het-), 1151, 1696. +gloeyen, 112. +gnorten, knorren, 129. +godt, 897, 1133. Vgl. Ovid. Fasti VI, 5. +godtheyt, 1252. Vgl. A. 1245. +goed, n. pl., vruchten, 982. Kil. fruges, fructus terrae, annona. +goedich, zachtmoedig, 688. +goedicheyt, minzaamheid, 1131; meegevendheid, 450; genade, 571. +gouwe (van-), 1767. A. +gram, 1684. +gras, 1340. A. +grijns, masker, 1234. +groen, jong, frisch, 101. A.; onervaren, 434. +grof, 642. +grof (te-) maken, 86. +grondeloos, 1311, 1625. +grondt, het diepste van het hart, 1128, passim, +groot, 923;--(van geluid) 1315; 1611. +grootachtbaerheyt, 1835; A. 544. 355. +grootachting, eerbied, 1139. +grootmoedich, edel, van verheven aard, 585, 947. +grootsch, 351. +grouwelijck, 1479. +guyr, 149. +gulde, 871, 1370. +gunnen, schenken, 103. + +Haest, spoedig, 1388, 1780. +haghen, pl., 42. +haylich, rein, onschuldig, "integer", 405; ook "gelukkig"? +halve-vrouw, 625. +hantering, het doen, 632. +handtghebaer, dat waarmee men zich bezig houdt, 785. A. +hardicheydt, plur., 932. +harte (in zijn-), 901. +hartje, 13. +hartseer, 1167. +hartsen, genit. v. hart, 1621, 1770. +heerlijck, prachtig, feestelijk, 1259. 493. +heerschappie, A. 578. 1862. +heet, 1053. +heften op, vat krijgen op, 1198. +hei, 1540, 1547, 1555. +heylsaem, heilaanbrengend, 1129. +hel, 1323, 1365. +helas, 732, 734, 882. 1670: las. +helen, verbergen, 381. +hellen, 596. +hen, van hier, 991. +henenvaren, 1780. +hersien, 724. +het = er, 243. +heusheyt, edelmoedigheid, 1736: minzaamheid, 490, 278;--(van zede): + humane wellevendheid, 426. 348, 350. +hielen (de-) lichten, 608. +hippelen, 214. +hoe wel, 1144 A. +hoofsch, 1516. +hooft (op iemants-) iets keeren, 953;--(over 't-) sien, 313. +hooch, aanzienlijk, hooggezeten, 1113, 1544. +hooch setten, 728. +hoochaerdich, stout, fier, 540. +hoonen, 1678. +hoop, plur., 1452. +houden, 1409. +houdt, halt! 523, 1463, 1464. +houwelijck, 1478. +huwlijck (het-) maken, 1350. + +Indien, 1251, A.--1592. +ingheboren, 1058. +inghesoghen, 1088. +in midden, 1195. +innebrengen, opleveren, 792, 1185. +innemen met, 962. +innerijden, inhalen, 266. +innerlijck, 1155. +inplanten, 1089. +inprenten, 621. + +yder (: wyder), ieder, 987. +yet wat, 1115. +yl, ijdel: nietswaardig, 452, 678, 1928. +yverich, vurig, 553, 1303. + +Jacht, span, 1062. +jaer, plur., 971. +jaghen, 80. I. +jeughde, 177. +jeuckeringh, 231. +jonst, 252, 397, 1155. 1478: jonnen. +Juppijn, 853: Juppiter. + +Kallen, praten, 421. +kanten ('s werelts-), 588. +kars, 112. +keeren, 953, 1532, 1805; (de straf-) op, 1645. +kennen, leeren kennen, 504; erkennen, 684; onderkennen, 1495. +kenner, 690. +kennis draeghen, ingelicht zijn, 1636;--ontfangen van, 1615. +keur van wapenen, 699. +keurich, met zorg kiezend, 1801. +klaer, 1316, 1336, 1365;--goudt, 436. +klaer (een huwelijck-) maken, 822. +klateren, 621. +kleen, 505, 507, 1709, 1857. +kleynmoedicheyt, kleingeestigheid, bekrompenh., 451. +klem, 642. +cloeckmoedigh, 1132, 1654. +knaghen, 1040. +knoopen, 1631. +koelen (zijn moedt-), 1684. +coets, slaapstede, 1378. +komen, c. Inf., 73, 156. +komen (over eenen-), 141. +komen (te vooren-), ontmoeten, te beurt vallen, 194. +commerlijck, bezwarend, drukkend, 1855. +kort (te-), doen, 108. +korten (in stukken-), 557;--: de vleugels, 132. +corts daer op, 1308;--nae, 1779. +crachten, A. 1434, 1612. +crachtich, 1224. +krackeel, 705. +cranck, krachteloos: gebroken (v.h. oog), 1554. +krencken, letsel toebrengen, 1628. 169, 180. +cristallinigh, 280. +croon, 18; de groote--, 564. +kroonen, 1321. +kruydt, 1061. +quaedt, 59, I., 70. +qualijck, 388, 519. +qualijckvaert, 1109. +quam = ging, 1698. +queelen, 214, 1775. +quel, 553. +quellen, 1218. +quetsen, 1101. + +Lachen (er om-), 669. +laech, 282, 300, 1520, 1577;--gheboren, 356;--gheseten, 1187. +laeuw, 1586. +land (op 't-), 62, 71. I. +las, helaas, 1670. +last, moeielijkheid, nood, 1669, 1763. +laster, schande, 1547. +laten, verlaten, 1509, 1724; nalaten, 688. 1704. +laurentack, 1321, 1371. +leedt, 162. +leedt zijn, 329. +leyd, onaangenaam, 731. A; 878. +leyden (hem), zich laten leiden, 1743. +leyden (ten strijde-), 1011. +leydstar, poolster, 1591. A. +lecker, kwajongen, 691. +lenten, 713. +lesen, uitzoeken, 1802. +leur, beuzelingen, 801. Vgl. Bilderd., Oudem. +leur (te-) stellen, 57, I. 1452. +leven, 1319. +leven, (met iemand-), 1604. +levend, 716. +levendich, 1498, 1630. +leveren, 1500, 1501. +licht, wuft, lichtvaardig, 255. 1487. +lichtvaerdich, onstandvastig, 25. +lieftallicheyt, 582. +lieven, 887, 1446, 1480, 1800. +lijden, 39, I. +lijden (hem), genoegen nemen met, 866, 1164. +lijf, lichaam, 1298. +lijckewel, evenwel, 284. +lodderlijck, verleidelijk, 125; aanvallïg, 373. +lofgeklanck, 588. +loflijck, 575. +lock, 160. +loncken, 378. +loom, langzaam, 131. +loopen, c. Inf., 47, 60. +loos, ijdel, 1574. +lot, deel, 1347. +luycken ('t ooch), 1686. +luym, plur., neigingen, aard, 1333. +lusteloos, 1526. +lustigh, 141. + +Machten (van-), 879. +maeght, 21. +maecken, 171; strijdt-, 1624*: huwlijck-, 1350; rekeninghe-, 109. +maer, 1199; blijde-, 958. +maer, 258. +maet, plur., 1799. +matighen, op de juiste maat brengen. 291. +matten, 1049. +meebrengen, 1412. +meeghesel, 597. +meenen (sonder-), 5. +meerder, 725, 1671. +melden, verraden, 4, 28, 401. +menghen, 360, 757, 1796. +merch, 't binnenste, 1088. +mercken, goed zien, 522; opmaken, 1275; 365. A. +mercklijck, klaarblijkelijk, 1806. +middel (door wat-), 19. I. +midden in, 1327. +mijden (sich), zich ontzien, sparen, 1012. +mijnen, zich toeëigenen, 991. +mild, 1449. +min, 1518, 1750: nog minder. +min (in-) als een oogenblick, 1228. +minnen, 16: plur. van min. +minste (niet de-), 1220. +missen, 21: het mist mij: ik vergis mij. +misvallen, 1479: plur. van "misval", ramp, of Infinit. +mits, met dat, zoodra als, 1050. +moedich, fier, 683. +moedt, hartstocht, 653; verlangen, 553; overmoedige gezindheid, + 667. 1684. +moedeloosheyt, gebrek aan zelfgevoel, 675. +moeyelijck, afmattend, 553. +moeyen, lastig vallen ergens mee, 1598. +moeyte, verdriet, lijden, 1866. +moeten: ik moest: 1271. +moghen, kunnen, 81, 89, 235, 324, 490, 729, 1577, 1860. +moghentheyt, 544. A. +momme-vollick, 437. +moordich, 1325. +morgeliedt, aubade, 394. +mortel, gruis, 692. + +Naecken, 958, 1192. +naeckt, 1090. +naer, somber, donker, zwart, 1060, 1126. +naer en nae, passim: 852, 1067, 1068, 1088 (naer ligghen), 1144. +naeren, 1104. +naesaet, 1015. +naest, adj., 532. +naevertellen (iets niet-), 680. +natuyre, 307, 313, 356. +natuyren, 210, A. +nauilijcx, bijna nooit, 12, I. +nauw, 1023. +nauwt (als 't-), 636: desnoods. +nechtig, ijverig, 1208. +nederich, 1178: laech gheseten (1187). +neyghen, 1121. +nemen aen = nemen van, 1250. +nemmermeer, nooit, 15, 1602. 1758; nooit meer, 1489. +net, zuiver gevormd, 115, 763, 1330. +nevens, 1038. +niet, niets, 369, 574, 801, 1077. +nieu, 29, I., 1356. +nieuwers, nergens, 1417. +nieuwicheydt, plur., 1414. +nijt noch spijt, 304. +nygend, 1590. +nymphe, 54. +noch, en niet, 282, 612, 1153, 1154, 1252. 1054? +noemen (hooren-), 271. +nood (van-), noodig, 960. +noodich, 876. +nooddruft, 't noodigste, 873. +nootdrufticheydt, plur., 986. +nu (hoe-)?, 1078. +nut, 163. +nutheydt, 1185. + +Oeffenen, bedrijven, uitoefenen, 627; zich inspannen, 783, A. +oefening, uitoefening, 625. +of, indien: passim;--schoon, 244. +of, af, 85. +offeren, 1644. +oft, 21, 25. +oyt, wel eens, 442. +olykleurt, olijfkleurig, 1331. A. +omkeeren, 1416. +ommekomen, 486: nu 't omme komt: nu het te laat is. +onbeproefd, 857. +onbescheyden, redeloos, 1457. +onbesuyst, 655. +onbevleckt, 448, 803, 1683. +onbeweecht, 177, 656. +ondanck weten, euvel duiden, 662. +ondergaen, vleiend overhalen, 714. +onderling, 794. +onderrechten, met verstandige redenen troosten, 60, I.--1217, 1483, + 1713. +ondersoeck doen, 1231. +ondertasten, onderzoeken, 735. +ongaerne, 528. Zie gaarne. +onghelijck, 1667. +ongheluck, plur., 1034. +onghemeten, 1161. +onlijdsaem van, ongeduldig, 569. Impatiens c. gen. +onnoselheyt, argeloosheid, 449. A. +onnut, 133. +ontbeeren, 152, 1726. +ontdecken, 1127, 1700. +onthaelen, inhalen, 87, I.--752. +ontydich, buitensporig, onmatig, 710. Kil. intemperans, intemperatus, + immoderatus. +ontkennen, niet weten? 585. +ontladen, bevrijden, 278. +ontlasken (sich), van elkaar gaan, zich openen, 1369. +ontmoeten, gebeuren, 691. +ontrusten, 1594. +ontsegghen, uitdagen, 25, I. 908; weigeren, 1744. +ontsich, ontzag, 582. +ontsmeken, 550. +ontslaen, laten varen, 608; verlossen, 945. +ontslaen (hem), c. accus., zich bevrijden van, 1359, 1498. +ontslechten, van gladheid berooven, 117. +ontspringhen, op-, losspringen, 1322; (: vreugde), 788. +ontsteken, aanvangen, 1357. 236. +ontsteken, part. v. ontsteken, 236. +ontstellen, buiten den normalen toestand brengen, 1314. +ontucht, buitensporige handelingen, 1019. +ontwapenen (sich-), 950. +onvernoechelijck, 143. +onvrede (t'-), in onrust, 1301. +onwaert, verachtelijk, 370. +oorbaer, nuttig, dienstig, 1406. +oordeel, uitspraak, 1004. +oordelaers, 690. A. +oord'len, 1286. +oorkonden, verklaren, 1710. +oorloochsvolck, 634. +oorlof, verlof om te vertrekken, 1513. +oorsake, 38. I. +op, open, 1322; 4, 17, 30, I. +opdoen, voor den dag brengen, opsporen, 40. +opghetooghen, 1318. +opheffen, aanheffen, 1368. +opofferen, 73, I. +oppervoocht, 661. +oppervriendtschap, 1797. +oprecht, goed, juist, 1005, 1017; 1128: òprecht? +oprekenen, oprakelen, 711. +opset, voornemen, plan, 470, 703. +opsichtich, wat de oogen tot zich trekt, schitterend, 1175. +opsteken, aanwakkeren, 635. Vgl. opstoken. +opstutsen, aanporren, 70. I. +ouderdom (dorre-), 152. +oudtheyt, 178. +outs-bekent, 715. +overdaad, plur., 400. +overdwaelsch, buitensporig, verwaten, 676, 922. +overeenkomen, 598. +overgaen, 17. +overgevenheyt tot, 573. +overgoten (: v.d. slaap), 1309. +overigh, overmatig, 962. +overkijcken, 1377. +overkomen, 168. +overladend, met zorgen overstelpend, 1854. +overlast, geweld, heftigheid, 1201; te zware last, 736. 74, I. 1459. +overleden, gepasseerd, 1809. +overleveren, 64, I. +overvloed, plur.?, 984. +overweghen, 1184. + +Pack, 639. +passen op, letten, acht slaan, op, 547. +peynsachtich, 1510. +Persen, Perzië, 1861, passim. +persoon: pronominaal: 856. +pijn, plur., 989. +plaats geven, 1466. +plach, pleegt, 761, A; vgl. 1070. +plaghen, 162, 1038. +pleecht, praet., placht, 1541. +pleghen, 1122. +pleck, pl., 1024; plaats, 1364. +porren, 1599. +praetjens, 237. +pratery, 644. +preken, 1226. +prenten, 1091. +prijs, 1427, 1612. +prins, vorst, 1113, 1501. +prinslijck, vorstelijk, 1531, 1651. +proef, bewijs, 644, 1196. +proeven, ondervinden, smaken, 430, 1180, 1253; ondergaan, 979; + ondernemen, 909. +puffen, lachen om, niet geven om, 622. +puinbergh, 614. + +Raedt, besluit, 1422, 1720; overleg, plan, overleggingen, 1162, 1221, + 1229, 1717. +raeu, ruw, 922. +raken, 1759: peilen. 226;--aan, 531, 1147. +ramen, vermoeden, 900. +ras, 197, 251. +rasen, krankzinnig zijn, 1383. +rasery, 657. +recht, 444, 1297;--anders, 182. +rechten (hem), zich regelen, 993. +rechtuytheyt, 449. +rechtvaardich, rechtschapen, 1013. +reddeloos, verward, ontsteld, 1538. +rede, plur., reden: de woorden, redeneering, 923, 928, 1342, 1411, + 1674;--1707; aanspraak, 599? Vgl. Aant. 1470. +redelijck, 165, 1091. +reden, 653, 864, 894, 1086, 1466;--599, 861. 1707. Vgl. Aant. 1470. +ree, 1509. +regenen (: jonste), 1072. +rekeninghe maken dat, 109. +recken, 1026. +reppen, 74. +rest, 1848. +--rijck, 364. +rijck, machtig, 1720. +rijcke, 1014. +rijcklijck, 1130. +rijsen, opstaan ('s morgens), 1237, 1255. +ritseling, minnedrift, 716. +rock, kleed, gewaad, 120, 159. +roo corale, 1332. +roof, het buit maken, nemen, 706. +roosenhoedt, rozenkrans, 374. +rootse, rots, 1138, 1226. +rouw, verdriet, 1809. +rouwen (laten-) 1474. +ruymte, (met-), 558. + +Sachten, 1395. +sadt, 1811. +saken, 1757. +salich-makend, 1176. +salighen, 795, 1798. +saluw, taankleurig, leelijk, 182. +samenghegroeyt, 641, 1553. concretus. +samenspannen (sich-), vereenigen, 154. +schael (in juste-). 1184. +schade, jammer, 7. +schaduw-mildt, 1589. +schaduthroon, 384: zie Aant. +schalck, 386. +scharp, 1235. +scheyden, 1660. +schennen, bederven, 296. +scheuren, 656. +schichtich, overhaast, 1284. +schielijck, op eens, 1315; plotseling, 1523. +schim, schaduw, 818. +schoon, al, ook, 244. +schoonpratich, 1450. +schoveling, verschoveling, 488. A. +schulp, 368. +schutten, tegenhouden, 1814. +schuwen, 1191. +zede, 426. +seechbaer, de overwinning verleenend, 1424. nikephoros. +zeên, de wijze van spreken en handelen, manier v. zijn, gezindheid, + karakter, 676, 1341. mores. +segghen (te-) hebben in, 884. +selfs, zelf, 1518: passim. +selsaem, 84, I. 1130. +selschap, 1512. +senden (ter hellen-), 914. +seynden aen, 21. I. +setten (het ooghe-) op, 1435. +-sieck, 1530. +siel, 913. +sien (van binnen-), 22. +sin, plur., verstand. 1277; neiging, 1289: zintuigen, 1310. 1026, + 1139, 955. +sin (uyt den) stellen, 833;--(in den-) ligghen, 723. +sint, 935. +slachten, 268. +slaen, vechten, 698, 942; treffen, 1315. +slaepen (v.d. maan), 1065. +slaven, slaaf zijn, 1576;--aen: dienen, 1602, A. +slecht, gering, 1522, 1546; eenvoudig, 281; onnoozel, 254. +slechten, verijdelen, 1482. +slechtheyt, ordinairheid, 452. +sleep, gevolg, 2. I. +slippen, 581, 653. +slissen, 1004. +slooven om, 312. +smaecken, ondervinden, 227. 1849. +smalen, 1403. +smijten, 1491. +sneuvel, ongeluk, 434. +soen, 86. +soet, lief, 435; aangenaam, 426; 1338, 1584 etc. +sonderlingh, bijzonder, 1840. +soo, als--dan, 389-393, A.; toen, 1696: conj. temp.; zoodanig, 291, + daar, 1565. +sorgh draghen, 873. +sorghvaerdich, 854. +sorgvuldich, 580. +spaeren, 1392. +speelsieck, 1530. +spijsen, 1572. +spijt, verdriet, 55. +spoeyen (sich-), 925, 1241. +spook, collect., 55, I.: geheimzinnige, buitengewone vertooningen. +spraeck (sonder-), 927. +spreecken, c. acc., 551. +spreken met, 72, I. +staedich, 466. +staegh, 533. 540, 1852. +staek, grenspaal, 996. +staeken, een eind maken aan, 1815, 1827. +staen (lustich-), 141. +staen aen, 549. +staessy, feestpraal, 1258. +staet, toestand, 1626; maatschappelijke stand, 36, I. 1802; + waardigheid, rang, stand, 1725, 1861; ambt, post, 1507, 1714 331, + 344. +staetdochters, 321. +stam, afkomst, 1156. +stee (blijvend-), 1510. +steecken (de trompette-), 937. +stellen (in rust-), 1538; (in vrede-), 1838; (ten toon-), 1130, 1832. +steuren, dwarsboomen, 1477. 1001. +steuren (hem), 1404; ontevreden morren. +stieren, 582, 1126. +stijf, 703. +stick, stuk, ontwerp, plan, 1227. +stil, 139. +stof, 1530. +stom, 1065. +stonden (van-) aen, 1255. +straet, weg, 411. +stram, 231. +strang, hard, drukkend, 665 +strecken, zich uitstrekken (naar), 555, 1026. tendere. +strengh, strak, 1580; onwrikbaar, 619: hartstochtelijk, 963. +strenghelijck, met geweld: regelrecht, 1494. +strengher, strengelaar, 1797. +strijdt (den-) alleen hebben, 1664:--maecken, 1642. +strijcken, weggaan, wegtrekken, 1376. +strick, 1579, 1580. +stroocken, 113. +stucken zijn, 1654. +suf, 131. +sulck, 639, 632. +sulcx, 364. +sus, sus, 81. +suur, 257. +swack, sterk aangedaan. 963. +swaer, 559, 802, 811. +swaerheydt, kommer, 189. +swaeger, schoonzoon, 1746. +swichten, 607. +swijghen, 1616. + +Talen, trachten, 517. +tapissery, behangsel, 1324. Vgl. Palamedes, III, Rei, 81-83. +te pas (wel-), adj. 1121. +teder, verwijfd, 623; niet fleurig, 183; gevoelig, 754, A. 1588. +teerbeweecht, lichtbewogen, 719. +teghendeel (in-) van, 1846. +teghen-reên, 1223: -sen, 1069; -teecken, 1339; -vryer, 25 I.; + -wicht, 1186. +tegenheyt, tegenzin, 1526. 350. +teghenstaen, 697, A. +telgh, 43. +telle, telganger, 322. +tempel, 1831. +terghen, met geen rust laten, 1063. +t'hans, zoodra als, 1783; terstond, dadelijk, 17. +ty-gheset, 378: Zie de Aant. +tijdt ('t is hoogh), 925;--, gelegenheid (tempus), 1103. +tijdt (noch ter-), 1421. +tijen, plur. = getijde, 205. +tijts-ghelijcke, gelijke in leeftijd, "evenouder", 1781. +tijtverlies, 1247. +tyen, 1534. +tyrannije, plur., 1037. +toe (hoe nu-), wat nu? hoe nu? 1471 A., 1633. +toe (nu-), 1628. A. +toedenken, 1774. +toeëyghenen, 1619. +toeghesloten (v.d. zinnen), 1310. +toekomen, 1689. +toelegh, collect.: voornemens, 1482; +toelegghen, 883. +toghen, toonen, 1071. +treden, (m. voeten-), 674. +treffend, 1454 A. +trecken uyt, 794;--(voetsel), 556. +treken, plur., 714. +troetel-kunste, 627. +trony, 1330, 1554. +throon des hemels, 1348, 1438. +troonen, 257. +troost, 1737, 1842. +trouwe, echt, 1769. +trouwen, 583. +trouwen, waarlijk, zeker, 1870. +tsamen, 641. +tsidderen, 1319. +t'sint, 1615. + +vond, middel 245. +voochdy, macht, 603. +voocht, meester, heer, 1139. +voor, 1509. A. +voorganghen, voorafgegaan, 1092. +voor heen, vooruit, 1595; vooruitgaande, 1747. +voorhouden, 1706. +voorjaghen, wegjagen, 311. +voorsicht, wijsheid, 1212. +voorsichtich, wijs, 579; met wijsh. vooruitziende, 1335, A. +voorstaen, c. dat. pers., toelijken, 1768. vgl. 418. +voorstandt, verdediging, handhaving, 641. +voort, voorts, verder, 1482; aanstonds, 96, 1256. +vorder, verder: 744: "die verder gaan", vgl. 873. +vouw (sonder-), 449. +vrede, genade, 1745. +vreden (te-), met vree, 99. +vreemdelingh, 295. +vrees ('s werelts-), 606. +vry, wel. versterk. partikel. +vryage, 28, A. +vrybuyten, 158. +vryer, 1353. +vroemoeder, vroedvrouw, 1244. +vrolijck, 148, 150, 286, 339, 459. +vrolijckheyt, plur., 359. +vroom, rechtschapen, 1290; standvastig, 1458. +vroomheyt, dapperheid, 645, 646. +vrouw, gebiedster. 1256, 1299, 1600; mijn--, 415. +vrundt, 104. + +Waerd, kostbaar, 1515. 1143, 1194, 1729. +waerden (hooch van-), onwaardeerbaar, 1398, 1736. +waerdy, 643. +waerheydt (buyten-), 190. +waerheydt van woorden, 450 +waernemen, belagen, 52; gebruiken, 1209. +wachten, 631. +wacker, 123. +walghen van, 1497. +walscher, buitenlander, 922. +wanckelbaer, 1487. +wanderen, reizen, trekken, 1512. +wapen, interject.: wee! 1549. +wapenen, harnas, "arma", 40, I. 923; collect., 1546. +warrich, verdeeld, oneenig, 1579. +wederpaer, gelijke. 1294. Kil. compar, consors. +weeck, plur., 713. +weeck, 624. +weelde, genot, 427. +weer, tegenstand, 1454: A. +weere (te-) raken, 76, I. +weg (zijn-) volghen, 78. +weerlichten, schitteren, 1591. +weerliefde, 514, 1351, A. +wechdraghen, wegvoeren, 1647. +weyden, 305 +wel ongetwijfeld, 319, 376, 472, 474. +wel, 1392, A, +welfsel, 1324. +weligh, 118. +welcoom, 1583; wellekom, 144; wellekoom, 86, I. +wellust, genoegen, genot, 107, 204, 408. Vgl. 376. +wel lusten, 376. +wellustich, heerlijk, 147; verrukkelijk, 1357. +welvaert: ruimer dan nu, 1109: vgl. qualijckvaert. +wel zijn, 473, 474. +wenden (hem) om, 1230; -tot, 1341. +wenschen (goe morgen-), 144. +wenschen om, 38. +wentelen (hem) in, 567. +werelt, 151, 206.--werlt, 1497. +werck maeken van, ophef maken van, 1676. A. Kil. magnifacere, + magnipendere rem aliquam; Gheen werck maecken van parvifacere, + parvipendere, nihilpendere, floccipendere, negligere rem aliquam. +weten, wijsheid, 861, 1497. +weten (ondanck-), 662. +wetenschap, wijsheid, 1403. +wijs worden, c. obj., 485. +wijslijck, met wijsheid, 904, 1337. +wil (om dies-), daarom, 161, 169. +willen, 331, 924: conjunctief. +willich, 1506, 1647. +winnen, 53. I., 1144, 1216. +wins, 584. +winste, aandeel, 865. +winter (de wreede-), 161. +wispeltuyricheyt, 256. +woeden op, 1648. +woedich, 686, 439, 1656. +woelend, 1307. +wol, 1783. +woon (metter-), 1206. +worden: hij wordt 530, 1094, 1515, 1633, 1723, 1766 = hij wert 701, + 844 (rijm), 1137 (rijm), 1718 = hij wart (: hart), 1618. +worden (om rasende te-) zijn, 57. I. +woudt ('t groene-), 141. +wraeckrasende dorst, 1548. +wrang, 664. +wreedt, 161, 664. +wrochten, 367. +wuft, bewegelijk, 214. +wullepsch, dartel, 9. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Geschreven 1890.--Opmerking: Waar in het volgende de uitgaaf +van Hooft's Gedichten door Leendertz wordt aangehaald, is de +oorspronkelijke, niet de tweede, door Dr. F.A. Stoett herziene, +druk bedoeld. + +[2] Enkele namen althans mogen wij den lezer niet onthouden. Uit de +XVe eeuw kennen wij enkel nog CORREGGIO'S Cefalo. In 1545 voerde +CINTHIO, de schrijver van het beroemde novellenboek Hecatommithi +zijn satyrdrama Egle op, dat niet ten onrechte èn als Land-, èn +als Satyrspel tot de soort gerekend wordt. Tien jaar later volgde +BECCARI'S Il Sagrifizio. Wederom na tien jaar verscheen LOLLIO'S +L'Aretusa, daarop Lo Sfortunato van ARGENTI. ONGARO vormde Aminta +tot een Visschersdrama: Alceo om. Tusschen Aminta en den Pastor fido +liggen o.a. Il Pentimento amoroso van LUIGI GROTO en INGEGNERI'S La +Danza di Venere. De XVIIe eeuw laten wij hier onaangeroerd. Alleen +dit nog: in 1615 waren er al een 80 en voor het jaar 1700 al +meer dan 200 herdersspelen ("aussi absurdes pour la plupart qu' +insipides". Meegedeeld door Vict. Cherbuliez in zijn artikel Le Tasse, +son centenaire et sa légende, [Revue des deux Mondes, 15 Mei 1895], +uit Carducci, Teatro di Torgu. Tasso, edizione critica, 1895). + +[3] Maar zie Cherbuliez in zijn aangehaald artikel (naar aanleiding +van de (toen) nieuwste onderzoekingen omtrent Tasso): Aucun poète +n'a mieux chanté l'amour idéal, tragique et souverain--; mais ce +dévot n'était pas pratiquant. Les poètes de sa sorte sont ainsi +faits que les passions qu'ils peignent le mieux, sont celles qu'ils +ressentent le moins, et qu'ils voudraient pouvoir ressentir. Ce rêve +les tourmente; ils s'en delivrent en le mettant en vers.--Le Tasse +est convenu lui-même que sa jeunesse se passa tout entière dans les +servitudes amoureuses; mais il a dit aussi que, "prompt à s'enflammer, +excessif dans ses désirs, il était le plus changeant, le plus divers, +le plus versatile des hommes". En zoo voorts. "Ce poète idéaliste +n'a connu en réalité d'autre amour que celui qui est l'étoffe de la +nature, brodée par l'imagination." + +[4] Een eigenaardig verschijnsel in de Literatuurbeschouwing der +XIXde eeuw is het onvermogen om Cats te begrijpen, te zien, te +waardeeren. Hoe moeten wij dit beoordeelen bij Potgieter? Anders +was het bij een man en letterkenner als wijlen J.A.F.L. Baron van +Heeckeren, die 20 jaar geleden Cats zag en beoordeelde als men zien +kan in zijn opstel Vader Cats, meegedeeld in Taal en Letteren V, +73-106. Een eigen oordeel, tègen Potgieter en Jonckbloet, handhaafde +ook een ander man die meetelt: J.T. Oosterman in zijn Lezing Jacob Cats +als Volksdichter verdedigd, 1877. En Halbertsma! Zie ook Dr. A. Kuyper, +Het Calvinisme en de Kunst 31-39, 83-87. Duidelijk merkbaar is het, +dat de opinie omtrent Cats verandert.--1890.--1906: Zie nu de opstellen +over Cats van Koopmans, Kalff en Buitenrust Hettema. + +[5] Jonckbl. + +[6] Zie onze Bijlage. + +[7] Maar vgl. Dr. Worp, Een onbekend Lofdichtje van Bredero in +'t Leidsche Tijdschr. IX: uit C. Kina's opdracht van Heliodorus' +Moorenlandsche Geschiedenissen aan Rodenburg, gedat. 22 Dec. 1609, +blijkt, dat de Trouwe Batavier toen "onlangs", dus zeker nog in 1609 +ten tooneele geweest is. Naar Kina's oordeel is er niemand geweest, +"of hy en heeft de gedachtenis van dien met groote vernoegingh int +binnenste van zijn herte behouden" etc. + +[8] Men mag aannemen dat BREDERO'S vierde liefde, waartoe de Angeniet +in betrekking staat, in 1616 en 1617 valt. In den winter van 1617 zette +hij zijn hart op Madalena Stockmans, zijn vijfde. Dat de Angeniet +een groot aantal plaatsen herhaalt uit de Lof vande Ryckdom (1613, +26 October) en de Lof vande Armoede (1614, 4 Januari), voorkomende +in de Nederduytsche Rijmen, (door Dr. J. te Winkel aangewezen), +kan wel geen reden zijn om het hekeldrama vroeger te stellen. + +[9] Veel in het eerste bedrijf van Granida is ontleend aan den Pastor +Fido,--een en ander aangewezen bij Leendertz. + +[10] Huygens vertaalde 1623 een groot gedeelte van 't eerste +Bedrijf. Dit was zijn bijdrage tot de komplete vertaling, die hij, +met behulp van eenige "van onse kloeckste Jonge letterluyden", van +plan was tot stand te brengen: zie bij Worp de oorspronkelijke en +de latere "Voormaning" tot het fragment, I, 284-285. Vgl. Jorissen, +Huygens, 153-156. + +[11] Bredero's ingenomenheid met Granida bewijzen anders niet slechts +zijn liederen op de wijze van "Windeken daer het Bosch af drilt" en +"Ghy lodderlijcke Nymphen soet", maar ook een lied in De Groote Bron +der Minnen, waar hij zijn beminde als Granida aanspreekt en zich-zelf +als "slaaf en pagie" stelt. De inhoud en de toon van dit Amoreus +Liedeken herinneren aan Hooft's spel. Zeker staat het in verband met +zijn liefde voor Madalena Stockmans (1617 en 1618). + +[12] Evenwel, Hooft is niet zoo'n uit den hemel gevallen wonder, als +hij, bij onze gebrekkige historiekennis vroeger scheen. Verwey bracht +(1895) Jonker Jan van der Noot aan 't licht en--"zonder hèm was er geen +Hooft geweest": "Gedichten van Jonker Jan van der Noot, met Inleiding +en Aanteekeningen. Vgl. Kalff in Gesch. v. d. Nederl. Letteren in +de XVIe eeuw, II.--1906: Vermeylen, Leven en Werken van Jonker Jan +van der Noot, 1899. Over den Nederduytschen Heticon van 1610: het +voorloopige bij Kalff, XVIe Eeuw, II, en te Winkel's opstel in het +Leidsche Tijdschrift, XVIII (1899). + +[13] Het beste over Hooft als vertegenwoordiger der Renaissance, +en over het karakter der Renaissanceletteren is Huet's Hooft's +Poëzie (Litt. Fantasiën en Kritieken XVIII); Land van Rembrand II, +2; 3, XXX-XXXV; H.C. Poot (Litt. F. en Kr. I). Verder, Kalff, +Gesch. v.d. Nederl. Letteren in de XVIe eeuw; J. te Winkel's +Bladzijden; A.S. Kok, P.C. Hooft in Venetië en Florence; Verwey in de +drie boekjes Hooft, Bredero, R. Visscher-Feitama en in zijn Inleiding +tot Vondel en Gedichten van J. van der Noot; goede opmerkingen in +Moltzer's opstel in Studiën en Schetsen.--1906: Kalff's Studiën +over Nederlandsche dichters der 17e eeuw, Koopman's opstellen +over Hooft, Vondel e.a. in Taal en Letteren, ten deele verzameld +in zijn Letterkundige Studiën (Hooft als Allegorist; Vondel als +Christen-synbolist), 1906; Vermeylen's Jan van der Noot; Kalff's +opstellen over Vondel in het Leidsche Tijdschrift, en zijn Literatuur +en Tooneel te Amsterdam in de XVIIe eeuw. + +[14] Over den invloed van Italië op Hooft zie A. S. Kok, P.C. Hooft +in Venetië en Florence, in Elsevier's Maandschr. 1893. + +[15] Uit: Toeëigening aan mijn Vrouw. 1605. Leendertz, I 54. + +[16] 1603. + +[17] Leendertz I, 30: aan W. B. 1602 of 1603. + +[18] Leendertz I, 21: aan C. B. 1602? + +[19] Leendertz I, 37: 1603 of 1604. + +[20] Leendertz I, 35: Weet yemant beter saus als honger tot de +spijsen. Voor Ida Quekel 23 Nov. 1603. Vgl. Leendertz, I, 34: Voor +Ida Quekel, strophe I, II. Vgl. met Granida 298-299, str. X van liet +Lied op den Rijkdom. + +[21] Vgl. vooral Granida's zang in bedrijf V. + +[22] Vgl. Granida 363-368 met str. IX in het Lied op den Rijkdom, +LEENDERTZ I, 36. + +[23] Rey van Iofferen, bedrijf III; vers 279-300; etc. + +[24] Zie Velsen en Baeto passim, met name den Rey van Iofferen in +het IVe bedrijf van het eerste, en dien in het tweede bedrijf van +het andere. + +[25] Leendertz I, 53: aan A. S. 1605; Baeto, Rey van Nonnen, IIe +bedrijf. + +[26] Leendertz I, 54: Sang, aan A. J. S 1605; 58: Sang, aan +A. J. S. 1606; 46-48: Op Brechje vande Spiegels graf, 1605. Vgl. ook +de Liederen voor Ida Quekel, Leendertz, 34, 35: 1603. + +[27] Huet. + +[28] Vers 861-876, te vergelijken met den Rey van Iofferen, bedrijf +III. + +[29] Vs. 872. + +[30] Vers 448-453, e.e. + +[31] Zie de beschrijving van de taak des vorsten: vers 284-300; +Reizang van de Gouden Eeuw, Bedrijf III. + +[32] Vers 1392-1407; 1829. + +[33] Vers 1289-1290. + +[34] Vers 1531. + +[35] Vers 618-622; 932-933. + +[36] Miles gloriosus. Maar vlg. Graf, Der Miles gloriosus im Englischen +Drama bis zur Zeit des Bürgerkrieges, 1892. + +[37] I Samuel XVII. Vgl. ook aldaar 34-38 met Granida 938-940. + +[38] Slot van het laatste tooneel. + +[39] Vers 1730; 1834. + +[40] Vers 1738-1739: Grandia. + +[41] Vers 1088-1091. + +[42] Vers 734-736. + +[43] Vers 877-880; 802-824. + +[44] 1187-1188; 1528-1530. + +[45] 301-313; 339-372. + +[46] = afkomst. + +[47] Vers 1156-1157. + +[48] Vers 1830-1833. + +[49] Vers 489-515; 717-726; 1141-1142; 1205-1208; 1289-1298. + +[50] lichaam. + +[51] 1294-1298. + +[52] 1600-1605. + +[53] Herderskoor van de Gouden Eeuw, bedrijf 1 van Tasso's Aminta. + +[54] Vers 377. + +[55] Vers 1085-1087. Reden = de Rede. + +[56] geheim voorbehoud. + +[57] Vgl. vers 1718 met 1683-1687. + +[58] beproefd, ervaren. + +[59] Geniet het oogenblik. + +[60] Zie hierna XLI-XLIII. + +[61] Vgl. Kollewijn's Hooft en de meisjes Spiegel in Taal en Letteren, +XIII (1903). + +[62] Leendertz I, 16.--13-14. + +[63] C.B.--M.V.S.--L.W. + +[64] C.B.--M.V.S.--L.W. + +[65] Wij lazen het boek-zelve niet, maar kennen het o.a. uit de +dissertatie van SCHÖNHEER, Jorge de Montemayor und sein Schäferroman +Die "Siete Libros de la Diana", 1886. + +[66] Steunt hierop Leendertz vermoeden Dia = +Chr. v. Erp? Vgl. Jonckbl. III, 348 noot--350. + +In later tijd liet Hooft zich soms nog met het genre in. Zie Leendertz, +Inleid. XXI. In 1625 de Harderskout van Bosman (Hooft) en Haeghenaer +(Huygens) over Gloorroos (Suzanna v. Baerle). Het fragment uit den +Pastor fido van Huygens (zie hiervoor XVI, noot) wordt door Jorissen +(153-154) in verband gebracht met Machteld van Campen. + +[67] De eerste druk van dezen Zwolschen Herdruk is van 1890. + +[68] Mucedorus, ein englisches Drama aus Shaksperes Zeit, übersetzt +von Ludwig Tieck, herausgeg. von Johannes Bolte, Berlin, 1893. In +zijn oudsten vorm is het nog niet bekend. Er zijn 16 uitgaven, maar +de oudste daarvan, van 1598, is niet de eerste. + +[69] Zie Bolte, Inleiding V, X, XI. + +[70] En in het uitgaafje van de Mucedorus-vertaling, èn in het +Leidsche Tijdschrift X, 286 noemt Dr. Joh. Bolte de Spaansche +Celestina (met den Pastor fido) als voorbeeld, wat den stijl betreft, +van Granida. Dr. G. Kalff heeft Gesch. v. d. Nederl. Letteren in de +XVIe eeuw, I doen opmerken, dat het lied van Granida in 't begin van +'t Vijfde Bedrijf door stemming en schildering nauw annex is met +het lied in een van de laatste boeken van de Celestina. Nog kan men +Granida 825 en vervolgens aan den mooien maneschijn in Celestina en +door Granida's onderworpenheid (1601-1605) aan Mellibea, de heldin +in de Celestina herinnerd worden. Maar met de bewering van Dr. Bolte +kunnen wij 't volstrekt niet eens zijn. Wat Mucedorus aangaat, kan +nog opgemerkt, dat men hier en daar eenigen "ànklang" met Granida +zou kunnen vinden. Niet, waar van Fortuna wordt gesproken of in 't +beschrijven van de Gouden Eeuw (bladz. 44), want 't eene als 't andere +is in Renaissance-poëzie zeer algemeen. Maar op bladz. 32 de monoloog +van Amadine, op bladz. 34 die van Mucedorus (vgl. Granida 1716-1717), +ook in het laatste tooneel (Segasto's optreden) van 't Vierde Bedrijf. + +[71] Door Dr. Joh. Bolte is in het Leidsche Tijdschrift X (1891), +286-289 gepubliceerd een Engelschen dialoog van een vijftigtal verzen, +die gevonden wordt in het, meestal aan Robert Cox toegeschreven, +tweede deel van de door Francis Kirkman in 1672 uitgegeven +dramatische collectie The Wits, or Sport upon Sport: een dialoog +tusschen Diphilo and Granida, die ook door de situatie annex is met +het laatste gedeelte van 't Eerste Bedrijf van ons drama. Diphilo, de +herder, heeft zijn herderin verlaten, om zich in de eenzaamheid over +te geven aan zijn zwaar verdriet. De oorzaak van zijn melancholie, +die hij pathetisch genoeg uitspreekt, vernemen wij niet, maar wel +dat hij geen gewone herder is, maar van prinselijke afkomst,--wat +aan Mucedorus en de Arcadia herinnert. Nu verschijnt de herderin +Granida. Zij is verdwaald en versmacht van dorst. Diphilo, die dadelijk +geheel overmeesterd is door haar buitengewone schoonheid, verschaft +haar water en betuigt zijn overgegeven dienstwilligheid. Granida is +eveneens al in liefde ontbrand; zij verklaart hem dit en geeft ook te +kennen dat zij Prinses is. Als Diphilo te verstaan geeft, dat ook hij +niet is die hij schijnt, dan zegt zij, dat zij hem wil toebehooren, +wie hij ook zijn mag. Dan verloven ze zich en Diphilo schenkt haar een +ring. Granida eindigt met: Then lead on forwards to my fathers court, +We'l grace our nuptials with some princely sport. Dit documentje lijkt +ons nog al merkwaardig. Is het aan Hooft's Granida ontleend, dan is het +niet meer dan een bijdrage tot de geschiedenis van de litterarische +relaties tusschen Engeland en Nederland. Maar is 't niet iets heel +bijzonders (ten zij het toeval hier zijn rol speelt en die scène uit +het Hollandsche drama, toen het herdertje spelen onder de Engelsche +grootheid zoo mode was, eenvoudig voor een of andere vorstelijke +bruiloft àldus bewerkt is), dat, terwijl de nàmen van 't stuk van +Hòòft zijn, de herder net als in Mucedòrus een vermomde prins is? Nu +is The wits, or Sport upon Sport, een "zweibändige Sammlung von kurzen +Theaterstücken oder vielmehr Einzelscenen aus beliebten Dramen". Aan +zulk een Einzelzcene of aan een soort excerpt doet ook deze dialoog +denken door 't geheel ongemotiveerd vreemd doen van Diphilo. Ziehier +hoe het spel begint: "I once a shepherd was upon the plains, Courting +my shepherdess among the swains. But now that courtly life I bid +adieu And here a melancholy life pursue. This shade's my Covering, +this bank my bed, These flowers my pillow, where I lay my head, My +food the fruit, which grows about the field, My drink those tears, my +eyes with sorrows yield. Though I was once a shepherd princely born, +Yet now I take this course, and life forlorn". Denkt men hier niet +onwillekeurig aan een fragment? aan een fragment van een stuk dat +wel Granida is, maar niet Hòòfts Granida? En dan zou dit het stuk +zijn, dat in staat tusschen den Mucedorus en Hooft.--Vgl.: Granida, +uitgeg. door H. Beckering Vinckers (Nederl. Klass., Gulden-editie, +Zaltbommel, Van de Garde en Co.), 1903, de Inleiding XII-XIII. 1906: +Niets nieuws levert voor deze kwestie Josephine Laidler's A History +of Pastoral Drama in England until 1700 in Englische Studien, 1905. + +[72] Leendertz I, 37 en 39. + +[73] Navorscher, 130-131. + +[74] Leendertz, I, 22-27.--Leendertz merkt hier bij op, dat indien +zijn betoog juist is, de chronologie van zijn editie onjuist is: +want dan gaan de gedichten aan Diana vòòr die aan Chariclea. + +[75] Vgl. hiervoor, Inleiding VIII, IX, XI, XIV, XXXVI tweede noot. + +[76] Zie het soptasme 901-903;--dan 904-922. + +[77] Hij heeft er het mes in gezet, dat het sap van alle zijden uit +het roodgebraden rundvleesch stroomde; den malschen kalkoen heeft +hij getroffen tusschen de vleugels en de borst; in breede strooken +is onder zijne hand de schil gegleden der peer en der perzik; de +droppelen van hun geurig nat hebben hem langs den baard gestroomd." + +[78] Vgl. nog 1 Neophilologus 134, 135. + +[79] Overtuigend toont de Schrijver aan, dat een voorstelling als +deze in een drama van rondom 1600 "iets vreemds" genoemd moet worden. + +[80] Een nieuw handschrift van eenige van Hooft's vroegste werken, +daaronder van Granida, werd in Berlijn ontdekt. Zie hierover +Dr. Kalff in het Leidsche Tijdschrift XI, 261. Iets nieuws levert +dit voor Granida niet op, behalve dat het stuk daar onderteekend +is met: Verandren Candt; maar deze spreuk gebruikt de dichter +meermalen.--Zie over de beide H.S. in 't Leidsche Tijdschrift van +1917 Dr. F. Kossmann's verhandeling De varianten van Hoofts Granida. + +[81] 16. A Tisaphernes. (alleen in den Inhoudt.) + +[82] 30. A op avontuir of. + +[83] 31-34. C verzachten moghte, ziende, zonder gezien te worden, +door 't glas, ende hoorende hem verzuchten, neemt zy 't zelve op, voor. + +[84] 72. C sprekende, van hem ende zyn volk, met haer gevangen + wordt, om. + +[85] 82. A den gentilen prince. + +[86] 83-85. C. hen--hunne--haer--hun--hunne. + +[87] 14. C dard'ik. + +[88] 30. C Best dat ik my versteek in 't schemeren der blaeden,--En +diepste van. + +[89] 42. C haghe', + +[90] 51. C Vreesje. + +[91] 85. C zult ghy. + +[92] 86. C Houdt, Daifilo, ghy zult het veel te. + +[93] 87, 88, C Laet, Daifilo, my staen. Laet, Daifilo, my gaen. + +[94] 99, 101. C te vrede.--bestede'? + +[95] 114. C Van outheidt zullen eens verwelken, en. + +[96] 115-120. C De diepe rimpel, met--Der tijdt, dit voorhoofdt +net--En gladt heel zal ontslechten,--Deez' weelderighe vlechten,--Die +met veel' strickjens nu zoo dartel zyn vertuyt,--Die zullen 't gulden +kleedt allensjens trekken uit. + +[97] 121. C hieldt, moghelijk, voor. + +[98] 122. C Zal zilver blijken, en alleen verguldt te. + +[99] 130. C (Helas!) zal ouderdoom. + +[100] 132. C Haer'. + +[101] 134. C'K weet, Daifilo, niet van wat schoonheidt. + +[102] 135, 136. C beyyne'--mijne', + +[103] 136. A mijne, + +[104] 137-140. C Want onlangs, naer ik kon--Verneemen uit de bron--Die +ongeroert was, quam het beeldt daer in verscheene,--Met dit uw' +zeggen niet al te wel over eene. + +[105] 139. A En 't beelt dat mij in 't stille water is verschenen, + +[106] 145. C Ziet ghy dat blondt gewas om hoogh, en 't graezigh dal. + +[107] 147. C der ruissend' honighbyen? + +[108] 155. A En met een.--C En met een. + +[109] 159. C spikkelrijke. + +[110] 170. C Deez' mijne schoonigheên, (genomen. + +[111] 178. A als versuft verstockt vervrosen outheit? + +[112] 183. C op wangen deeluwbleek, + +[113] 185. A En niemant sachmen oyt, het geen dat hij beminden, + +[114] 186 C Afzichtigher dan. + +[115] 189. C Van minnens bijstre swaerheit. + +[116] 192. C hen. + +[117] 194. C hun'. + +[118] 195. C huns. + +[119] 200. C minuens honighzoet. + +[120] 216. C 'T zouw zeggen; ach! ik brand' van Min, ik brand' +van minne, + +[121] 217. C binne, + +[122] 223. C Ach! aerd' en hemel mint. + +[123] 224, 225. C waerde, Alleene--aerde, + +[124] 227. C haer' krachten. + +[125] 228, 232. C De Mingodt. + +[126] 231. C in leden oudt en stram. + +[127] 232. C En hoope helpt. + +[128] 236. C Veel feller vat droogh hout de vlam, dan groene spruiten. + +[129] 245. C Verklaert met welken vonde. + +[130] 254. C Gelijk wy meiskens, die eenvoudigh zijn en slecht,--'T +en zy wy stoppen 't oor, vaek worden uitgerecht; + +[131] 257. C O Nimf', maer. + +[132] 263. C Gerit, nocht hovelingen. + +[133] 266. C O Eed'le. + +[134] 268. C Uw' stem nocht aenschijn sweemt geen menschelijk geslacht. + +[135] 269. C Voorwaer, alzulker eer'. + +[136] 278. C Grootachtbare Prinses. Ziet. + +[137] 280. C Van deze zuyvre bron de kristallijne vloedt. + +[138] 282. C En onze zorghen noyt, door hoogher vluchts verkiezen, + +[139] 285. C de koele schaeuw van deze bruyne blaên. + +[140] 286. C Deez' heuvels vrolijk, en dit heldre. + +[141] 289. C woedigheit der. + +[142] 290. 291. C Die de begeerlijkheên der woelend' +onderzaeten--Bescheilijk matight in zoo veel' versckeide maeten; + +[143] 293. A meerder. C meerder. + +[144] 294. C 'T is hy, hy is 't alleen, die zorgh draeght. + +[145] 295. C Dat wreede vreemdeling ons niet koom' overvallen--Met +ysselijken krijgh, + +[146] 298. C Met dank. + +[147] 301, 302 C de beste wijnen my--Zoo zeer als deze dauw der frisse +bron, bevielen. + +[148] 303. C Ach wellukzaelghe. + +[149] 321. C der staetdochteren. + +[150] 327. C eindelooze. + +[151] 337, 338. C En zonder afscheidt in het minst van my +genomen?--Best volgh ik, en bezie. + +[152] 340. C By ondankbaren. + +[153] 345. C. dienst aenbieden? + +[154] 346. C Al het geveinst gelaet der dienstigh' edellieden. + +[155] 350. C vol van onwilghe. + +[156] 367. C Vormd' het. + +[157] 371. C haer miltheitsblijk. + +[158] 372. C gebruykt des. + +[159] 373. C Ghy Nimfen pril en lodderzoet, + +[160] 386. C Lietje slaet. + +[161] 390. C hartje, + +[162] 391. C wordt. + +[163] 401 C wardt, + +[164] 411. A Verstroyt om u te soecken op. + +[165] 425. C Meend' eeveneens. + +[166] 427. C Dat vrundschap, weelde. + +[167] 435. C. zoo liet. + +[168] 439. A Het hart + +[169] 441. Een hart vol nijdt en. + +[170] 449. C De veilgh' onnoozelheidt, + +[171] 450. C Waerwoordigheydt en g. + +[172] 451. C Daer worden, + +[173] 452. C Voor slechtigheidt, veracht. + +[174] 454. C Ten hoov' is 't al geveinst, wat men daer. + +[175] 455. C en ooghen, + +[176] 456. C Godsdienst, + +[177] 466. C geduyrghe. + +[178] 470. C Dus staekt, o Daifilo, 't geen ghy hadt voorghenomen, + +[179] 475. C En of. + +[180] 479. C En wilt dit groene--niet laten. + +[181] 483. A van slavernij, en soo veel. + +[182] 489. C Hoe haeghlijk is--ook de deughdt? + +[183] 490, 492. C ghebiede!--liede'! + +[184] 494. A Eer sij vernoechden aen het. C Eer zy ghenoeghen kon. + +[185] 495. C zuyvre Zon, + +[186] 497. C En onder vliezen op mijn ooghen alle beyde, + +[187] 498. C By róókrigh lampenlicht, het. + +[188] 502. A Suiverden uwe glans de. + +[189] 505, 506, C verwandren,--verandren. + +[190] 508. C met haer. + +[191] 509. A Soo sal mijn siel van wil in. C Zoo zal mijn ziel haer +wil, in all's. + +[192] 512. C ('T en ware dat zy storf). + +[193] 517 A, C talen van. + +[194] 522. C En toont een. + +[195] 526. C Zoo moet ik leeren hem, met--verdraghen. + +[196] 528. C Om wilghe--, onwilghe. + +[197] 531, 532. C Het naeste middel schijnt, om--Deez' Prins te +dienen, want. + +[198] 534. A sal den uwen wesen. + +[199] 536. C Hoort Daifilo. + +[200] 541. C door hare. + +[201] 546, 547. A 't soud--Goden sijn,--Waerop--tot mijn. C 's hemels +heerschappy,--zoud' het. + +[202] 556. C Uit ydle hoop voortaen geen voedsel meer en trekken. + +[203] 557. C der hoop' aen. + +[204] 558. C zoo ruymlijk. + +[205] 571. C O hooghe Venus, + +[206] 572. C uytdrukken moogh' + +[207] 575. C Grootachtbre Vorsten, ik heb tot noch toe--Te noemen +yemant, + +[208] 580. C Van het. + +[209] 581. C der haest ontslipte. + +[210] 583. C De oorzaek dat ghy niet, o Tisiphernes, trouwde'. + +[211] 584. A Granida' al overlang,--C Met haer al. + +[212] 585. C braev' en welwaerde Prins, + +[213] 586. C gehoude'. + +[214] 596. C zy, dan d'andere zal. + +[215] 599. C blijken doe den andren. + +[216] 602. C inwendigh en uytwendigh 't rijk in. + +[217] 599, 602. C rede.--vreede. + +[218] 608. C vreez' verwerpt. + +[219] 614. C uytgheroeyde. + +[220] 615. C zullen baenen my. + +[221] 617. C zy zullen zijn de. + +[222] 621. C Vry klatre met. + +[223] 624. C een' taeye peez'. + +[224] 625 C 't gebruyk van 't. + +[225] 630. C om Atlas te. + +[226] 635. A d'opstokende trompet. C d'opstookende. + +[227] 636. C Zijn 't dartelst van mijn spel; + +[228] 639. A Kneusden u 't. + +[229] 640. A Druckten u schouders. + +[230] 641. C te zaem' ghegroeyde. + +[231] 648. C Dan, volghende mijn' raedt, zoo zult ghy, zijt. + +[232] 652. C Dat haer--heeft geleeken by de mijn'. + +[233] 658. C Der Vorsten lange ry, + +[234] 665. 666. C Uw volk, met slaeverny ondraghelijken strang, +Verdrukt, en overheert. + +[235] 667, 669, 670, 672. C bravere'--verleere':--regeere':--in eere', + +[236] 678. C Maer uwe gramschaps dull' en ydele gewelde', + +[237] 679. C En vreez' ik meer niet, dan uw lompe. + +[238] 682. C Dan oft het beurde, dat. + +[239] 684. C (ken ik hen). + +[240] 686. C Want nemmer zullen zy het heerschen fel en. + +[241] 687. C Van een uitheemsch gebiedt staen toe in. + +[242] 688. C Maer wreeken bitterlijk een' vorst hun allen. + +[243] 689. C lofwaerde. + +[244] 690. C Oprechter oordeelaers. + +[245] 693. C Wat beurt u, Ostrobas? + +[246] 695, 696. C onvervaerde',--aerde. + +[247] 701. C Hooghachtbre. + +[248] 707. C Uws vyandts harnas, al vermoordt ghy hem niet. + +[249] 708. C Voll' overwinning. + +[250] 709. C Wanneer als' d'aerde. + +[251] 713. C de soete Lent' in haer'. + +[252] 715. C dat die. + +[253] 716. C Een leefbre ritseling. + +[254] 729. C ghy, las! moet leyden 't leeven. + +[255] 733. C Ay my!--stondt, in 't voorhooft, u. + +[256] 734. B op de straten. + +[257] 736. C van hunnen overlast. + +[258] 737. A C hoopt. + +[259] 740, 745. C aerde',--aenvaerde'. + +[260] 767. C Een heel voll' overvloedt. + +[261] 768. C veele drank', en. + +[262] 782, 787. C ghelijke',--wijke'. + +[263] 791. C Een' dubble lust. + +[264] 813, 815. C trouwe'--bouwe', + +[265] 817, 819. C aerde'--Paerde' + +[266] 821, 823. C 'T gevecht zal morghen maeke'--een' zake, + +[267] 822. C Mê vrouw haer. + +[268] 825. C Van wat bekommeringen, + +[269] 826. C Voel ik mijn' ziel. + +[270] 837. C Zoud 't Daifilo wel. + +[271] 844. C Nae toe. + +[272] 845. C Ay my! + +[273] 846. A sijn lieve lief. + +[274] 849, 850. C verheve'--ghedreve'. + +[275] 865. A vaeck den slechsten heeft. + +[276] 871. C U hebben. + +[277] 879. C maekt, den meesten mensch van maghten, + +[278] 882 A het is verlies voor mijn. + +[279] 893. C menschen, docht my, toe gheschapen. + +[280] 896. A vecht, + +[281] 906. A Dan moet hij u verbeyden. + +[282] 912 C niet waere te. + +[283] 919. C Maer ghy zult erven, Heer, al het. + +[284] 923. C Uw' reên zijn groot. Ik ken 't. Doet. + +[285] 925 A 'T is hooge tijt, C Het is hoogh tijdt, + +[286] 929 A of sijn de wapens noch te smeden, + +[287] 930, 931. A sijn--mijn? + +[288] 932. A al beswoers'. + +[289] 933. A Sij sullen wederstaen. + +[290] 938. C Onsterfelijke Goon, versterkt. + +[291] 944. C Uw Prins, o Persen, wint. + +[292] 954. C O opper Goden, en. + +[293] 963. A sijn omhelsen. + +[294] 964, 965. C goedertiere--te viere', + +[295] 969, 970. C strye'--heerschappye. + +[296] 975, 976, 977. C liede',--ghebiede',--bediede. + +[297] 980, 981. C delve',--zelve', + +[298] 987, 988. A Dompten een ijder--wijder + +[299] 1003, 1004, 1005. C twiste'--sliste,--giste': + +[300] 1017. C Deughdige. + +[301] 1022, 1023. C hede'--vrede'. + +[302] 1029, 1030. C ghebede',--vrede'. + +[303] 1046. C strye'. + +[304] 1048. C peyzend'. + +[305] 1058. C Tot morghen waer te. + +[306] 1058, 1059. C inghebore'--Gheneyghtheidt t'haerewaerts, met +aenhoudende spore' + +[307] 1060. A Prickelden als de mijn. C Hem prikkeld' als de mijn' + +[308] 1062. C ter westzijd van de. + +[309] 1065. A de maen slaept, en misschien Granida mee:--C slaept, +Granida lichtlijk mee, + +[310] 1067. C. en dwingt my herwaerts.' + +[311] 1070. A En maekten hem beschaemt.--C En maekt' haer roodt +van schaemt. + +[312] 1073. C daermee beyd' heeml' en aerd. + +[313] 1079, 1080, 1081. C: O Voester.--Dochter.--treedt uit, + +[314] 1082. C want geirn', uit. + +[315] 1083. C Ik, in wat staet zijn heer zich vinden magh, verstonde. + +[316] 1084. C Ik vliegh, mê vrouw. + +[317] 1091. A in onse siels verstandt. + +[318] 1092. A Voorgaenden. + +[319] 1096. C maer harders staet, gewis. + +[320] 1097. C Waer--, en zorgh, en kommernis, + +[321] 1100. C Keert Daifilo. + +[322] 1104. C Dient u daer af. + +[323] 1109. C En kundschap van de wel. + +[324] 1112. C 'T geliev' u, Voester, aen. + +[325] 1113. C Hooghmoghende Prinsses,--den Prins der Goden, + +[326] 1115. A danck haer. + +[327] 1117. C: O voester. + +[328] 1118. C laet dat nae. + +[329] 1119. C Hadt ghy my, Daifilo, niet. + +[330] 1122. C Zoo moest uw heussche dienst. + +[331] 1123. C De gonst verwekken, die ik u al. + +[332] 1124. G Nu heeft hy. + +[333] 1129. A dit. + +[334] 1131. C De groothêen uwer ziel', + +[335] 1133 C Had toen een vierigh Godt mijn hart noch. + +[336] 1135. C Op voorwaerdt, dat elkeen, die kend' eens uw' waerdye. + +[337] 1136. C Zich willigh geven moest, aen u, in. + +[338] 1138. C steenklip--wardt. + +[339] 1139. C uwer deughd. + +[340] 1141. C mijns harts. + +[341] 1142. C Dat--dat het vandt, + +[342] 1154 A dat ick bespeurden aen. + +[343] 1159. C Ik liev' u Daifilo, en. + +[344] 1160. C Ten diersten dat. + +[345] 1162. C Dit's, Daifilo, mijn raedt. leydt my. + +[346] 1164. C Ik vrolijk ben.--kunt lijde'. + +[347] 1166, C Ik kus de aerd, mijn'. + +[348] 1178. C Maer heel afzightigh, slecht en needrigh, ongeacht. + +[349] 1182. C Houdt, Daifilo, het mijn'. + +[350] 1187. C Ach, ach, eenvouwde rust der hardren. + +[351] 1192. C Die my genaeken, las! maer. + +[352] 1198. A Dan yet vermeugen als ick. + +[353] 1199. C Hoe dus verbaest, mijn vriendt? + +[354] 1204 C Te klein is mijn gedacht. + +[355] 1205. C Van mijn' ootmoêghe ziel! + +[356] 1206. C Doch vaeren eeuw'lijk met der woon' uit my in d'uw! + +[357] 1207. C En in een' wooning van die zuyverheidt, nae dezen. + +[358] 1209. C O Daifilo, de tijdt moet zijn. + +[359] 1212. C. varder, + +[360] 1213. C dan uw te slecht een. + +[361] 1219. C 'T Is onder zoo zeer veel'. + +[362] 1220. C geenzins de. + +[363] 1221. C Des hemels, dat zy licht ter yl. + +[364] 1224. C Zy waeren. + +[365] 1229. C Een' loozen raedt. + +[366] 1230. C Den konink en al 't hof, dat zy zich zullen wenden. + +[367] 1231. C Niet eens om. + +[368] 1233. C Het minst op my. Neen, want. + +[369] 1243. A Blosenden Uchtent. C ongerust. + +[370] 1246. C eer dan nae. + +[371] 1249. C Stelt, heldere Godin, uw brallen uyt, tot. + +[372] 1251. C uw overzoeten brandt, + +[373] 1253. C het hooghste luk. + +[374] 1254. C Zijt ghy daer, Daifilo? + +[375] 1265. C Wel? hoe, voester, dus. + +[376] 1274. C Ach arme! 't is van beyds. + +[377] 1275. C Van beyds? hoe soud. + +[378] 1284. C Wat brengt ghy, voester. + +[379] 1292. C die ver den een' voor andren. + +[380] 1295. C Dan wast de liefd' geswindt: + +[381] 1297. C Recht oft gepaert geweest al waeren onderlinge. + +[382] 1298. C Die zielen eer zy lijf, en 't wereldsch licht ontfinge'. + +[383] 1302. C Om dat het haer + +[384] 1306. C was het hun' geliefte, t'haerwaert zenden. + +[385] 1307. C 'T woelziek ghedacht. + +[386] 1315. C heel schielijk d'ooren. + +[387] 1321. C Der neghen zusteren--met lauwertelghen. + +[388] 1324. A en welfsel. + +[389] 1325. A Die niet en branden, niet om te. + +[390] 1326. C der Godheidt. + +[391] 1330. C eere-waerdt. + +[392] 1331. C olygroen. + +[393] 1334. A Deckt eenen blancken. + +[394] 1335. C Maer haer voorzichtigh' arm. + +[395] 1337. C En dat zy 's wijslijk bruykt, en. + +[396] 1339. A En aen d'olijventack, een. + +[397] 1343. C Die goddelijke kracht, + +[398] 1344. A Druckten in mijn gedacht. + +[399] 1345. A want rust ghij buiten slaep sult vinden, + +[400] 1346. A minden. + +[401] 1356. C Voortaen Godin, uw. + +[402] 1359. C U ontslaet van d'. + +[403] 1376. C Verbaesde sufheidt, van. + +[404] 1382. C hier af zy, + +[405] 1392. C O groote Goôn,--my hebben wel. + +[406] 1394. C daer inne zouw. + +[407] 1395. A leedt versachten? + +[408] 1398, 1399. C waerde, --aerde. + +[409] 1408. C Men zoek'; + +[410] 1416. C Wy hebben. + +[411] 1425. C O eeuw'ghe liefde, die. + +[412] 1428. C Lof, o eeuwghe liefde, wy. + +[413] 1434. C Hem, die op uw'. + +[414] 1436. C op u de zinnen, + +[415] 1438. C. Nae den throon. + +[416] 1439. C Ten bezonden hemel binnen. + +[417] 1443. C op aerdrijk hier. + +[418] 1450. A Van 't schoonpratich. C Van het schoonpraetendt luk, en. + +[419] 1460. C Deez zal. + +[420] 1474. A Ick liefden haer niet, soo mijn haer verlies niet +rouwden. + +[421] 1475. A behouden. + +[422] 1480. C Indien ghy, heer, haer liefd', het gheen u is gheschiedt, + +[423] 1484, 1485. A door het sterven, mijn--Bevrij, sij sullen daer +oock geensins tegen sijn. + +[424] 1486. C Ghy kundt wel leven, dat u 't luk zoo. + +[425] 1492. C Ghelijk als d'Arendt trots, die. + +[426] 1495. C met kund van bergh en. + +[427] 1496. Haer op een harde roots, dan laet. + +[428] 1497. C en leev' ick nu voortaen, + +[429] 1498. C Zoo zal ik haerder my al. + +[430] 1500. C Ik leever, Daifilo,--, u in. + +[431] 1501. C Weest ghy. + +[432] 1502. C kan zijn waerdigher verzien. A voorsien. + +[433] 1504. A 'T beliefden u voor mij. + +[434] 1505. C Deez man versloegh den Parth, en. + +[435] 1506. C om mijnent wil. en haer. + +[436] 1510. C peinzerigh. + +[437] 1511. C van eenen tot den anderen, + +[438] 1519. C ook veel te swaer om draghen, + +[439] 1521. A blijven u trouwe. C als uw getrouwe knecht, + +[440] 1528. C u, luttel kan. + +[441] 1533. A Adieu, mijn Prins, vaert wel, en. + +[442] 1535. A adieu mijn heer, en. + +[443] 1536. A Daifilo' adieu. C Wel, Daifilo. + +[444] 1548. C Mijn' dorst, die raest nae wraek. + +[445] 1549. C Hey waepen! Prins ik volgh. + +[446] 1549, 1550. A verclaerden,--aerden, + +[447] 1553. C Uw hayr te zaem geklist met bloedt, uw' gantsch +gheschonde. + +[448] 1554. C En bleeke troony, krank gezicht, gaepende wonde'. + +[449] 1555. C mijn Prins die roept. + +[450] 1557. C ontsteekt het. + +[451] 1560. C Het licht dat dwerrelt vast, gemengt met duysternis. + +[452] 1561. C morghestondt. + +[453] 1569. A Adieu scepters, adieu, adieu. C Vaert schepters wel, + +[454] 1571. C Ghy dwingende gewaedt ook, en te zware. + +[455] 1573. C Uw' ydlen dien'ren ghy. + +[456] 1576, C. In 't heerschen slooven, en. + +[457] 1581. C gebloosde. + +[458] 1587. C Geen' traentjens meer. + +[459] 1591. C Ghy ley en morgenstar. + +[460] 1593. C Ghy blijde vogoltjens, die, nu. + +[461] 1595. C vlieght.' + +[462] 1597. C noch sneller. + +[463] 1602. C om u te slooven. + +[464] 1604. A vindij 't goet,--C Leeft, handelt, naer uw' zin, met my: +hoe dat. + +[465] 1612. C D'onschattelijke. + +[466] 1624. C dat ik haer, van. + +[467] 1625. C De grondelooze vreughd, niet. + +[468] 1627. C of ik wel zouw Daifilo niet. + +[469] 1633, 1635. A op mijn?--het sal een onrecht sijn, + +[470] 1636. C varder. + +[471] 1638. C. Genoegh bekent. + +[472] 1646. C uw Prins leyt neêrgheslaegen. + +[473] 1562. C Wat ziet ghy Daifilo? + +[474] 1660. C Houd op, houd op 't gekrijgh, ghy vechters, scheyd. + +[475] 1661. C Aen 't vliên,--ontzet. Aen 't vliên. + +[476] 1665. C Met all' dien hoop! + +[477] 1666. C o Prins, de. + +[478] 1667. C benevens 't onze. + +[479] 1673. C. O prins, ghy. + +[480] 1688. C zegt, Daifilo, my, hoe. + +[481] 1692. C En onder 't venster. + +[482] 1698. C vernêerde zich, en + +[483] 1700. A Gevraecht, ontdeckten ick. + +[484] 1703. C hadt kunnen wel. + +[485] 1705. A met mijn op het landt. + +[486] 1709. A In cleenen staet, als. + +[487] 1710. A De Goden tot getuich neem ick van mijn oorconden, + +[488] 1711. A jonden, + +[489] 1715. C dan my ten besten. + +[490] 1718, 1719. C ghebede'.--vrede. + +[491] 1720. C o raedt van hemelrijk. + +[492] 1721. C haers ghelijk! + +[493] 1728. C Recht, Daifil', is 't, dat ghy geniet het geen. + +[494] 1734. C en ghy haer bruygoôm, van. + +[495] 1734, 1736. C aerde.--waerde, (sic). + +[496] 1738. C doch loonen, dan 't. + +[497] 1743. A sich lichteljjck laet leyden, + +[498] 1744. A ghij ontseyden. + +[499] 1754. C lof Prins, u die 't. + +[500] 1757. C ver boven eyghe. + +[501] 1761. A 'T lusten u dit. + +[502] 1772. A U sijn eygen wtgesocht, + +[503] 1801. C hemel u en haer. + +[504] 1809. A u gepasseerde rouw. + +[505] 1829. C Ik volgh der Goden wil. + +[506] 1830. C O Heer, + +[507] 1832, C haer'. + +[508] 1837. C Ach overeedle Prins. + +[509] 1838. C Stelt-uw' ghemoedt in. + +[510] 1843. C Mijn Dochter, wilt u rechten, + +[511] 1844. C. En ryst mêe Daifilo. + +[512] 1868. O misdrijf, wil. + +[513] 1870. C In trouwe, jae. 'k vergeeft. En doet, o Prins, uw' zin. + +[514] "Dit berigt is geschreven nadat de Achilles en Polyxena en +Theseus en Ariadne waren uitgegeven (de voorreden voor het laatste +stuk is van 30 Julij 1614) en voor dat de Granida voor het eerst in +het licht kwam (1615)." LEENDERTZ, II 141. + +[515] Het teghenwoordighe "Later veranderd in: den tegenwoordighen +spelen. HOOFT dacht er toen over om te gelijk met de Granida den +Warenar uit te geven." ALDAAR. + +[516] Dese deernisse. "Deze woorden hebben betrekking op hetgeen eerst +aan het einde van den voorgaanden zin stond, maar later is doorgehaald; +"en 't docht hem al te luttel medogenheits geen tegenweer met allen +te doen." ALDAAR. + +[517] Waar in het volgende de uitgaaf van HOOFT'S Gedichten door +LEENDERTZ wordt aangehaald, is de oorspronkelijke, niet de tweede, +door Dr. F.A. STOETT herziene, druk bedoeld. + +[518] aspirare: saepissime sumitur pro accedere; inest +tamen vis quaedam major, quam in accedo, et voluntatem, vel +coaatum quendam, seu cupiditatem significat tendentis ad rem +aliquam. Facciol.-Forcell. 1831. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Granida, by P. C. Hooft + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42746 *** |
