summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/42746-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '42746-0.txt')
-rw-r--r--42746-0.txt7836
1 files changed, 7836 insertions, 0 deletions
diff --git a/42746-0.txt b/42746-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..72409b8
--- /dev/null
+++ b/42746-0.txt
@@ -0,0 +1,7836 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42746 ***
+
+ P.C. HOOFT'S GRANIDA
+
+ Uitgegeven door
+ J.H. van den Bosch
+
+ Vierde druk
+
+ Zwolle--W.E.J. Tjeenk Willink--1922
+
+
+
+ ZWOLSCHE HERDRUKKEN
+
+ Onder redactie van
+ J.H. van den Bosch en Dr. F. Buitenrust Hettema
+
+
+ No. 2
+
+ HOOFT'S GRANIDA
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+Rekenschap omtrent den tekst vindt men achter de Inleiding.
+
+De oude Inleiding van 1890 bleef nog; van nieuwe vondsten en meeningen
+werd gewag gemaakt.
+
+De asterisken wijzen voornamelijk aan, die woorden die in de
+tegenwoordige taal nog bestaan maar in min of meer afwijkende
+beteekenis of met andere kracht. De plaats van den asterisk voor of
+achter het leesteeken zegt of men met woordverklaring te doen heeft
+(in het glossarium te zoeken!) dan wel met een Aanteekening.
+
+De Aanteekeningen zijn over 't algemeen dezelfde gebleven.
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING [1]
+
+
+I.
+
+De Italiaansche Renaissance was even radicaal onzedelijk als
+ongodsdienstig. Een maatschappij zonder godsdienst is altijd een
+maatschappij zonder zedelijk bewustzijn, eindigt altijd met een
+afkeer van haar bestaan en ontvlucht dan haar eigen wereld, om in
+de oorden der phantazie het verbeuzeld geluk en den weggesmeten
+vrede te zoeken. Zoo is het het Romeinsche Keizerrijk gegaan,
+zoo ging het in de XVde en de XVIde eeuw in Italië. De Litteratuur
+der Renaissance was een litteratuur der hoogere standen, en, gelijk
+altijd, hierin spiegelde het leven zich met kleur en licht en schaduw
+af. Ongodsdienstig en onzedelijk als zij was, getuigde ze ook van de
+heerschende zatheid. Gelijk in de negentiende eeuw de dorpsvertelling
+natuur en eenvoud is gaan prediken, zoo de Herders- en Visscherszang,
+het Herders- en Visschersdrama en de Herdersroman toenmaals, sinds
+het laatst der vijftiende eeuw vooral. Vol sentimenteel heimwee goot
+het dichterlijk gemoed zich uit in klachten over verloren eenvoud,
+oprechtheid en onschuld. De phantazie van den kunstenaar begaf
+zich buiten de paleizen, buiten de steden; hij schiep zich, op het
+tooneel der onveranderlijke natuur, een verdichten natuurmensch. De
+tijdgenooten nu vonden in den dichter een tolk: die overprikkelde
+kinderen van weelderige overbeschaving. Zij hadden alles genoten;
+slechts het contrast kon hen bevredigen.
+
+Hier handelen wij enkel over de Pastorale (Herdersdrama).
+
+De Renaissance-litteratuur was een reproductie van de Romeinsche
+Letteren hoofdzakelijk, zelf navolging van Grieksche modellen. Ook
+de Pastorale is van antieken bodem. THEOCRITUS (± 270 v. Chr.) had
+den beurtzang der Siciliaansche Herders een plaats verschaft in de
+Grieksche kunstpoëzie. Meestal dialoogsgewijze, schilderde hij daarin
+Idyllen d.i. Tafereeltjes uit het leven van herders, van landlieden,
+visschers en kleine burgers. Eerst naar den vorm, daarna ook omdat
+de stof aan het leven der lagere standen ontleend was, heetten deze
+Idyllen Bukolische poëzie (boukolos = herder).
+
+In de Litteratuur van Rome ging zij over.
+
+Omtrent 40 v. Chr. dichtte VERGILIUS een tiental Idyllen, die
+bij de Romeinen weldra als "Eclogae" d.i. "Uitgelezen Gedichten"
+bekend stonden. De term Ecloga kreeg zelfs de vaste beteekenis van
+Idylle. Vergilius en Theocritus, zijn voorbeeld, onderscheiden zich
+echter eigenaardig. Tijdens den laatste reeds was de bloeitijd der
+Grieksche Letteren goed en wel voorbij. Maar, ondanks zijn liefde voor
+de schildering van stille, rustige landschappen (Idylle VII, XXII) en
+zijn teederheid, het sentimenteele kent hij niet. Zijn herders, zijn
+burgervrouwen zijn niet meer of minder dan lieden uit het volk. Het is
+hem om de werkelijkheid te doen. Hij wordt met eenig recht als Realist
+geprezen. De samenleving te ontvluchten, daarvan is bij hem weinig
+sprake. Aan de echtheid der herders van Vergilius moet éér getwijfeld
+worden. Hij en zijn tijdgenooten hulden zich hier in een masker van
+landelijken eenvoud. Tityrus (Idylle I), ook Menalcas (Idylle V, IX)
+is de dichter-zelve. Er wordt niet herdersch, maar hoofsch gesproken;
+over de aangelegenheden der voorname wereld niet zelden. Hier bekoort
+ons het Realisme van den voorganger niet. VERGILIUS is de voorganger
+dier latere dichters, welke hun eigen gewaarwordingen in den mond
+van natuurmenschen leggen.
+
+Van den aanvang af heeft de Renaissance behagen geschept in de Ecloga
+der Romeinen. Reeds de geleerden aan het hof van KAREL DEN GROOTE had
+zij tot navolging uitgelokt. Nu werd zij een der meest geliefkoosde en
+meest beoefende genres. Als Vergilius was de Renaissance hoofsch. En
+juist dat mommespel, die Allegorie viel toenmaals in den smaak, werd
+kunst bij uitnemendheid geacht. Zelfs de voorloopers van het nieuwe
+geestesleven, waarin de middeleeuwen overgingen, hebben zich met de
+Ecloga bezig gehouden; ook DANTE liet zich niet onbetuigd: met den naam
+Tityrus treedt hij, over zijn Commedia handelend, in den herdersdialoog
+op. PETRARCA († 1374) en BOCCACCIO († 1375) volgden. Het is merkwaardig
+dat de realistische schrijver der Decamerone van zoo groote beteekenis
+werd voor de verdere ontwikkeling der herderspoëzie. Boccaccio verbond
+de Ecloga met het prozaverhaal. In zijn Ninfale d'Ameto schilderen
+zeven Nymphen voor den jager Ameto de lotgevallen hunner liefde en
+elk zingt haar Ecloga. Eigenaardig is het Platonisch karakter van dit
+werk. De Nymphe Fiametta verpersoonlijkt er de Platonische liefde,
+Ameto's ideaal. Herders echter zijn niet platonisch. Maar in de XVde
+eeuw wijdde men zich, 't meest in Florentijnsche kringen en te Rome,
+met ernst aan Plato's philosophie: zij tint ook de Litteratuur van
+die dagen en later. De Eclogen van BENIVIENI en BONINSEGNI getuigen
+ervan. Doch zuiverder dan elders wordt die boven 't louter zinnelijke
+verheven liefde in SANNAZARO'S Arcadia van 1504 gevierd. Deze Arcadia,
+navolging van Ameto, is het tweede meer uitgebreide prozawerk der
+Herderslitteratuur en wellicht het volkomenste. Idyllische mono-
+en dialogen besluiten zijn twaalf hoofdstukken. Sannazaro zelf
+treedt er als Sincero in op, zijn geliefde Carmosina Bonifacia als
+Amaranta. Groote vlijt is er aan de schildering van het landschap
+besteed. Zestig drukken in honderd jaren spreken duidelijk van den
+invloed dien de Arcadia, twee eeuwen lang, in Italië en daarbuiten,
+op de Idyllische poëzie heeft uitgeoefend. Zij is een overgang tot
+den Herdersroman geweest.
+
+Tegen het laatst der XVde eeuw begon het Bukolische drama. De
+dialogische Ecloge was ietwat dramatisch. Een dramatisch tafereel
+is Theocritus' XVde Idylle: De Syracusische vrouwen op het
+Adonisfeest. Het ligt in den aard der zaak, dat de Herders het
+tooneel eenmaal betreden zouden. De oudste bekende Pastorale is
+POLIZIANO'S Orfeo ± 1480. Dat deze Orpheus tevens het eerste zangspel
+is, is niet maar toevallig. Het Bukolisme was een uitvloeisel van
+een hoogst subjectief gemoedsleven. De geheele Renaissance vertoont
+een sterk individualistisch karakter. Daarom heeft zij, hoewel het
+Epos als de hoogste kunst vereerend, toch geen eigenlijk Epos voort
+kunnen brengen. En ook in het Drama is zij niet gelukkig geweest,
+behalve--dat zij de vinder van twee nieuwe genres werd, beide lyrisch
+en muzikaal van aard: de Opera en de Pastorale. Pastorale en Opera
+nu vallen in hun oorsprong samen. Want de eerste Pastorale ± 1480 is
+een soort Opera en de eerste Opera, RINUCCINI'S Dafne, 1597 is een
+soort Pastorale: gedurende de XVIde eeuw was het Herdersspel een der
+voorloopers van het Dramma per Musica. Opmerkelijk dat in Spanje de
+eerste proef met muziek in het Drama genomen werd met LOPE DE VEGA'S
+gedramatiseerde Ecloge Selva sin amor.
+
+In Orpheus speelt alleen het eerste bedrijf, een drietal kleine scenes,
+tusschen herders. Slechts los samenhangend met de voorgestelde mythe
+vormt het een spel op zichzelve,--deelt echter tevens zijn koloriet
+mede aan het geheel. Van dit eenvoudig begin af, ziet men de fabel
+steeds ingewikkelder worden. In de XVIde eeuw geraakte de Pastorale
+tot zelfstandig bestaan en allengskens tot hooge volkomenheid. De
+Poëzie vierde een harer schoonste triomphen in TORQUATO TASSO'S
+Aminta, 1573. Minder poëtisch, maar als drama, indien al geen
+volmaakt meesterstuk dan toch het beste wat de Bukolische Litteratuur
+heeft opgeleverd, is GUARINI'S Il Pastor fido van 1583. Met groote
+vrijmoedigheid gingen andere dichters bij Guarini en Tasso vrijbuiten:
+vooral gedurende de XVIIde eeuw, toen de Herder zijn rol ijverig
+bleef doorspelen. Geen geringe plaats beslaat dit drama in de
+Letterkundige Geschiedenis van Italië [2]. Over 't algemeen vertoont
+het eenzelfde karakter. Zijn oorsprong uit het gemoed verraadt
+het niet alleen in menigvuldig Koorgezang, in Canzonen, Eclogen en
+andere liederen: de taal in haar geheel is er muzikaal-lyrisch. Het
+zijn valsche herders en valsche herderinnen: het hofleven is er naar
+de vrije natuur verplaatst: de hoflieden met hun gewaarwordingen,
+gedachten en overleggingen, met hun zeden, hun glanzende en blinkende
+onzedelijkheid, hun epicuristische verfijning en onverholen zin voor
+en in het naakte, kleeden er zich in het eenvoudige gewaad van den
+herder. Tasso meldde in het werk zijner jeugd, zijn eigen edel, rein
+hart [3], en toch herkent men bij hem van bedrijf tot bedrijf de sfeer
+van het hof: ook hij was een kind van zijn tijd. Het allegorische
+van Vergilius' Ecloge bleef bewaard. Niet slechts schildert Tasso
+de omstreken van Ferrara. Sannazaro had zijne liefde in de Arcadia
+beschreven. Dit persoonlijke, dat de groote aantrekkelijkheid van den
+herdersroman der XVIde en XVIIde eeuw uitmaken zou, is ook eigen aan
+Aminta en Il Pastor fido. Carino is Guarini; Tirsis Tasso zelve. En
+toch was het Herdersspel een verheerlijking van dien Gouden Tijd,
+waarvan de Oude Wereld gedroomd had: toen men vrijwillig, zonder
+wet, het goede deed. Toch koos de Idyllendichter, zoo hij niet bij
+Theocritus op Sicilië, of in Italië bleef, tot zijn tooneel veelal
+dat oude landschap, bij de Grieken zelve vermaard om den eenvoud
+zijner zeden: dat landschap zonder geschiedenis, zonder wetenschap
+en zonder kunst behalve die der Muziek: Arkadië.
+
+
+
+
+II.
+
+Overal elders in het litterarisch Europa werd in de XVIIde eeuw het
+galante Herderdom door de hoogere standen met open armen ontvangen. Het
+verhaal dezer ontvangst is even pikant als dwaas. Vorsten en
+vorstinnen, gravinnen en graven vertoonden het Arkadisch bedrijf,
+op groote schaal, in het leven-zelf. Doch in Nederland heeft het
+Bukolisme niet tot bloei kunnen komen. Het was hier toenmaals
+een tijd van groote kracht: de tijd onzer manlijke rijpheid: een
+tijd van groote doeleinden, van durven en wagen. Wij stonden als
+mannen in ons Kalvinisme: ook wij hadden onze zege's op Spitskop. De
+natie was burgerlijk. Hecht was de grondslag van burgerlijke zeden,
+waarop het gebouw der Zeven Provinciën verrees. In zijn Houwelick
+(1625) heeft de veel gesmade, door slechts weinigen gekende CATS den
+codex neergelegd van het toenmalig huisgezin: het huisgezin, dat de
+maatschappij-zelve draagt. Een vonnis over Cats uit te spreken, is
+de XVIIde eeuw, de natie in haar besten tijd veroordeelen [4]. De
+samenleving nu, waar de wijsgeerige waarnemer zulk een wetboek
+uit putten kon, is noch zat, noch sentimenteel geweest. Zatheid
+en sentimenteelheid is willoosheid en verveling. Natuurlijke
+gezondheid is handelende kracht. Al heeft echter de Herderspoëzie
+bij ons niet willen tieren, toch neemt zij in onze Letteren een
+plaats in: de Renaissanceletteren waren internationaal, ondanks hun
+individualisme. Doch juist de geschiedenis der Bukolische Idylle te
+onzent bewijst, dat de Idyllische stemming ons in het Gouden Tijdperk
+vreemd was. Een Bukolische kleur draagt onze Litteratuur in de eerste
+dertig jaren der XVIIIde eeuw: hoe weinig heeft zij toen voortgebracht,
+dat, zich boven 't middelmatige verheffende, van genie getuigt, van
+oorspronkelijk, persoonlijk leven. Vóór 1650 heeft de Italiaansche
+smaak eigenlijk geen vat op onze dichters kunnen krijgen. Eerst in de
+tweede helft der eeuw begon men zich er mee in te laten: het nationaal
+karakter was toen aan het verzwakken. Zoo de Pastorale in de dagen van
+krachtigen bloei zelfs door een van Vondel's uitstekendste gewrochten
+vertegenwoordigd wordt,--de Leeuwendalers van 1647 is ook het meest
+nationale en meest realistische zijner drama's: de onvervalschte
+Pastorale echter is realistisch noch Hollandsch. En hoe was VONDEL
+tot het plàn van zijn Landspel gekomen? De Pastorale was overal
+elders ook allegorische Feest-vertooning geworden en een Landelijke
+Allegorie leek den Dichter de beste vorm om, heugelijk, dramatisch
+te vieren den vrede, die het glorierijk einde was van de rampzalige
+en beroerlijke tijden waarin het burgerlijke en landelijke Nederland
+zoolang gedompeld was geweest. Ook was RODENBURG er hem in voorgegaan
+de Pastorale op vaderlandsche zaken toe te passen, en dat beide stukken
+de personen en namen van Heereman en Vrederijck gemeen hebben, bewijst
+voldoende, dat Vondel deze proefneming gekend heeft [5]. Heel iets
+anders dan zijn landtooneel was ten jare 1634 de vertooning in KRUL'S
+Amsterdamsche Muziekkamer: de tijdgenooten hebben op het Romantisch
+Pastorel-Musgck-Spel. dat men hier opera-achtig opvoeren zag, weinig
+of geen acht geslagen. Eigenaardige beteekenis heeft de Angeniet van
+BREDERO, vijf jaren na zijn dood, in 1623 verschenen. Men mag dit stuk
+een zónderling soort van Pastorale noemen,--een Pastorale is het. De
+tegenstelling van oprechten eenvoud en verdorven beschaafdheid is er
+het thema. Een ongelukkige liefde had den realistischen schilder van
+het lagere volksleven indachtig gemaakt, hoe elders in Europa vele
+dichters hun teleurstellingen, hun liefdesmart in herdersdrama en
+herdersroman gewoon waren uit te klagen. Zoo stortte ook hij zijn
+hart uit over de practische lieden die penningen boven degelijkheid
+en talenten stellen, en geeselde er de ontrouwe coquette. Reeds
+in 1617 had de Trouwen Batavier van Rodenburg het licht gezien. De
+Leeuwendalers was ten deele aan Guarini's Pastor fido, voor een ander
+deel aan Tasso's Aminta ontleend. De Batavier is een navolging van den
+Pastor. Vondel's stuk echter speelt in Arcadië: Rodenburg kiest zijn
+tooneel in Batavia en stelt den tijd in den tachtigjarigen oorlog,
+omtrent 1595 kan men zeggen misschien. Wij vinden er ons in den Haag
+en te Leiden verplaatst. Desniettemin is Heereman hoogepriester van
+Diana en afstammeling van Hercules gelijk Zeegheer van God Pan. Het
+is mogelijk dat de dichter (men kent hem er voor) de ongepolijste
+klucht langs dezen weg wou tegenwerken. Dit was dan een misrekening:
+het stuk is al te zonderling.
+
+Wij handelen nu niet over vertalingen van Herdersromans en van
+Theocritus' en Vergilius' Eclogae, niet over HEEMSKERK'S didactische
+Arcadia of over gedichten als HUYGHEN'S Uytlandige Herder, waarin
+hij-zelve bespiegelingen over zijn vaderland houdt, noch over het
+liedboek en de Herderszangen bij Heinsius, Hooft, Cats, Beaumont,
+Starter, Vondel en anderen. 't Eene noch 't andere zou de stelling
+omver stooten, dat onze Letteren in hun besten tijd alles behalve
+Bukolisch geweest zijn.
+
+Als Cats' Pastorale van de Koningklijcke Harderin Aspasia wordt
+meegeteld, dan ontbreekt op onze boedellijst, wellicht, nog slechts
+de Granida. Zij is van 1605 maar werd in 1615 gedrukt, en juist dit
+jaartal is voor ons betoog van belang. Granida is uit de jaren van
+onze litterarische voorbereiding en wordt met recht een vrucht van
+HOOFT'S liefde voor Italië genoemd. Rodenburg noemt den Batavier een
+"zestien-jaren-verleden-tijd-verdrijf" en dit voert ons almede naar
+het begin der eeuw terug: ook hij had vroegtijdig in het buitenland,
+toen aan het Hof van Elizabeth in Engeland, verkeerd. Een kleine
+halve eeuw ligt tusschen de Leeuwendalers en deze oefeningen. Wat
+bracht Hooft echter tot de ùitgave van zijn stuk? Daarvan legt hij
+rekenschap af in het in handschrift gebleven voorbericht [6], dat hij
+er eerst aan toe had willen voegen. Buiten des auteurs weten had men
+zijn Achilles en zijn Ariadne voor den dag gehaald en krielend van
+fouten in 't licht gezonden. Hetzelfde lot dreigde het herdersspel. En
+dit dwong hem "om te gedooghen, dat men 't liever wtgaeve soo slecht
+als 't was, dan heel bedorven; hoe seer het hem ook tegens de borst
+stiet". Zoo is het schijn, dat in 1615 het onnationale genre in den
+smaak kwam. Of is het niet opmerkelijk dat juist vlak na Granida
+Rodenburg zijn Batavier weer ter hand neemt en uitgeeft (1617), zijn
+half-vergeten proeve [7], Bredero den Angeniet opzet [8] en in 1618
+de eerste vertaling eener Italiaansche Pastorale, door Mr. G. VAN DER
+EEMBD verschijnt en wel juist van Guarini's Getrouwen Herder, waarmee
+de Granida annex was [9], dien de Batavier nagevolgd had? In drie
+jaren op eenmaal vier stukken. Tot 1647 duurt het dan niettemin met
+Vondel's Landspel (Krul's stukken zal niemand hier mee laten doen):
+men was dus niet voortgegaan op den ingeslagen weg. Alleen in 1646
+een tweede vertaling van den Pastor [10]: de vier nog volgende vallen
+later, en met Tasso's Aminta duurde het tot 1660, later door nog drie
+vertalingen gevolgd. Blijkbaar is Rodenburg door het voorbeeld van
+Hooft indachtig geworden, dat ook hij nog iets in de lade had: hij
+gaf gaarne uit. Beider voortbrengselen dateerden van een vroegeren
+tijd en waren aan het verblijf der dichters in Italië en Engeland
+te danken. Bredero liet zijn wraak weer varen en de uitvoering
+van zijn plan verbleef aan zijn vriend Starter. Zijn Angeniet is
+niet uit letterkundige liefde tot het genre-zelf ontstaan. [11]
+En de Leeuwendalers? Wat Vondel op het denkbeeld bracht, hebben wij
+aangeduid en zijn drama viel niet Italiaansch maar Hollandsch uit.
+
+
+
+
+III.
+
+Het handschrift der Granida draagt den datum 1 Maart 1605. Om dit
+vroege jaar moet het stuk met groote belangstelling worden begroet. Er
+was toen eigenlijk nog geen Nieuw-nederlandsche Litteratuur; zij
+verkeerde in hare voorbereiding. Geen der andere mannen van onze
+Letteren kon nog toonen, wat hij worden zoude. Vondel was achttien,
+Huygens nog geen negen jaar. Maar reeds had Hooft (geb. 1581)
+zich gezet tot het bewerken van het eerste drama dat, los van
+alle Rederijkerij, inderdaad modern mocht heeten. Hij opende de
+toekomst van het drama. Reeds waren liederen uit zijn pen gevloeid,
+die wedijveren met het beste dat eenig volk ooit gezien heeft. Het
+Herdersspel moet nog voleindigd worden, als de dichter begint met zich
+een gedenkteeken op te richten, duurzamer dan metaal: een gedenkteeken
+van zijn vroege rijpheid en de manlijke kracht van zijn talent. Vóór
+de Eeuw van FREDERIK HENDRIK daar was, had hij in zijn Lyrische Poëzie
+al van het hoogste bereikt, dat de kunst daarna bereiken mocht: een
+onwaardeerbare schat, waarin het vroegste waardig nevens het latere
+prijkt. In zijn eerste gedichten gaf Hooft niet slechts beloften:
+hij was van die weinigen, welken het, met veel stillen, ernstigen
+geestesarbeid, gegund is zoo jong een meester te zijn. [12]
+
+Hoofts letterkundige arbeid onderscheidt zich eigenaardig en scherp,
+ondanks wezenlijke punten van overeenkomst, niet enkel van Huygens, ook
+van Vondel. Vondel en Huygens, ook Cats in een aantal opzichten, zijn
+vertegenwoordigers van de nieuwe beschaving die op de middeleeuwen
+gevolgd is en in Italië begon, voortgekomen ten deele uit de
+herleving van de Klassieke Litteratuur en haar geest. De Nederlandsche
+Letteren der XVIIde eeuw zijn in veel opzichten echt nationaal. De
+ijverig Katholieke Vondel en de gematigd Calvinistische Huygens zijn
+noch Italiaansch, noch copieën van de Ouden. Het is Nederlandsche
+Renaissance. Maar Hooft heeft een kleine Litteratuur opzich-zelve
+voortgebracht. Daarin uit zich een gemoeds- en geestesleven,
+dat veelszins vreemd was aan de natie. Hooft alleen geeft ons een
+denkbeeld van de Italiaansche Renaissance, van een Renaissance tevens,
+die in veel wezenlijk Antiek is. [13] Hij is, hoezeer tegelijkertijd
+een degelijke Hollander, een type van een Renaissancemensch; bijna,
+denkend aan de ondegelijkheid van zijn zuidelijke geestverwanten,
+zeiden wij: een model--om zich aan te spiegelen. Het is, in zijn
+algemeen Humanisme, symbolisch voor hem, dat hij, zoomin als zijn
+vader, tot een kerkelijke gemeenschap behoord heeft. Het Calvinisme
+noch de Schrift, als levensboek, trok hem aan. Hij gevoelde zich beter
+thuis in het gezelschap van Petrarca en Ronsard. Hij was minstens
+even zedelijk als wij; voor 't overige had hij Italië lief en was op
+zijn wijze Italiaansch. Dit was hij zonder tegen zijn natuur in te
+gaan. Hij deed dit ook niet in zijn geschriften. Hij bootste niet
+na. Het Zuiden heeft hem aan zichzelf ontdekt, hem opgewekt, hem
+sterk gemaakt en gevormd. Ook aan Frankrijk heeft hij verplichtingen,
+maar in de Italiaansche Letterkunde zag hij het ideaal bereikt--een
+Letterkunde de Oudheid waardig gesticht in de taal van de eigen
+natie. Italië was zijn eigenlijke school. [14]
+
+Het is Hooft, die te onzent, gelijk het in Italië geschied was, naar
+de modellen der Oudheid, een nieuwe Geschiedbeschrijving toepast,
+die de schoonheid met de waarheid vereenigen wil en pragmatischen
+samenhang verlangt. Latijnsche schrijvers hadden op uitstekende
+wijze den Brief beoefend. De eerste geesten van Italië vatten die
+Epistolographie wederom ijverig op. Hooft is het, die bij ons,
+met hen, zijn Hollandsche brieven den eisch stelt van kunstwerken
+te zijn. Als de Renaissancemannen van den goeden tijd streeft hij
+bovenal naar de preciese en aanschouwelijke voorstelling zijner
+gedachten en gewaarwordingen. Hem spreekt het van zelf, dat zijn
+Lied, als zijn Sonnet, rijk van gedachte moet zijn en de eenheid
+van aanschouwelijkheid en juistheid de schoonheid-zelve is. Al zijn
+Lyrische poëzie verraadt de edele eerzucht van den geroepen kunstenaar,
+die scheppen wilde, en scheppen kon.
+
+Maar, zooals aan den vorm, ook aan den geest van zijn minnedicht heeft
+Italië deel,--ook van zijne geschriften in 't algemeen. Wat hij met
+de leermeesteressse gemeen heeft, onteert hem gelukkig niet en bewijst
+zijn soliditeit en zijn zelfstandig en stoutmoedig oordeel. Het maakt
+tevens dat lieden van moderne denkwijze hem verstaan en behagen in
+zijn omgang scheppen. Hij is zoo sceptisch aangaande de verhouding der
+onzienlijke en zienlijke dingen, dat men met recht beweren mag: Hooft
+is strikt genomen geen "Christen" geweest. De macht die het zichtbaar
+beloop van het aardsche regeert of stuurt, noemt hij bij voorkeur
+"Geluk", "Fortuin". Met de Oude Godheden, die hij in zijn gedichten
+zoo natuurlijk huldigt alsof het zijn voorouderlijke godheden waren,
+is ook de Antieke Fortuna tot hem ingekeerd. Maar de Ouden bracht
+zij veelal heil en zegen. Hooft stelt haar vaker als de vijandin der
+menschheid voor: de Grieksche Moira heeft den Romeinschen naam bij hem
+aangenomen. Het onverbiddelijk Determinisme, dat Hooft later belijdt,
+is buiten kijf reeds van ouden datum bij hem. Al met zijn eerste
+Latijn en Grieksch had hij het ingezogen. Het laat zich van vroeg af
+wel vermoeden, dat dit philosophisch hoofd eenmaal weigeren zal de
+noodwendigheid van al wat is, oordeel Gods in Christelijken zin te
+noemen. Fransche philosophie werkte er krachtig toe mee. Prediken doet
+hij zijn: "Wat weet ik?" niet. Het gevoelen dat de maatschappij met
+onchristelijken twijfel gebaat zou zijn, is hij niet toegedaan. Hij
+acht het nergens dienstig toe, er de rust van zijn kalm leven mee te
+verstoren. Ieder mag op eigen manier zalig worden. Geen belijdenis
+sluit het goede uit en dit vindt hij veel. Een goede Katholiek is
+niet slechts. Hooft is indifferent: niet tegen den godsdienst is hij,
+maar zelf (behoudens zijn eerbied voor het mysterie dat hem omgeeft
+en zijn vereering van het Goede), zonder uitgewerkt geloof en vurige
+aanbidding. Verdraagzaamheid vloeit hier uit voort. Niet Vondel's
+Roomsch-zijn, maar zijn onnationale gevolgtrekkingen in 't politieke
+veroorzaakten een omkeer in de gezindheid van den Drost. Doch--ook
+Vondel's ijveren was hem tegen de borst. Hij was niet vrij van Egoïsme,
+hij was verzot op het aangename, hij was Epicuristisch van aanleg en
+door studie. Het ideaal van een verstandig man achtte hij in volkomen
+rust gelegen. In zijn jeugd mag hij dit wel reeds van zijn ouden vriend
+Hendrik Spieghel vernomen hebben, en geen van beiden heeft Epicurus
+schande aangedaan. Noch in overvloed en rijkdom, noch in eer en macht
+stelt hij zijn geluk. Alle zinlijke genoegens en genietingen bemint
+hij, maar nadrukkelijk waarschuwt hij zich-zelven en anderen voor
+het Te Veel. Geestelijk genot gaat boven alles. En de middelen, die
+ons de vriendschap der gelijken en het goede aandenken der minderen
+verwerven, zijn, met een wel ingericht huis, onder de voorwaarden
+eener eerlijke gemoedsrust. Hij voor zich rekent nog een uitnemend
+echtgenoot daartoe.--Zijne denkbeelden over de Liefde zijn niet minder
+karakteristiek dan zijn vrije blik op de wereld. De Renaissance had
+over de Alpen een hoogeren stand in het leven geroepen, die zich,
+anders dan in de Middeleeuwen, door schitterende geestesbeschaving ver
+boven het gros verheven mocht rekenen. Zij had er de vrouw uit haar
+staat van afzondering en onmondigheid ontslagen, om haar voortaan te
+doen huldigen als richteres en handhaafster der schoone vormen. Hooft
+wederom zou zich op het Muiderslot de verfijning en veredeling
+van het gezellige leven ter harte nemen en van den beginne af ziet
+men hem boven het achtenswaardig Vaderlandsch Realisme verheven,
+dat in de wederhelft weinig meer dan de beminlijke moeder der
+kinderen en de aangename bestierster der huishouding behoeft. Want
+den vierentwintig-jarigen dichter van Granida was dit te weinig. In
+Florence had hij de kunst der Galanterie geleerd en zij was meer bij
+hem dan vernissen van in hartelijkheid of reinheid te kort schietende
+gezindheid en neiging. Zoo er conventie en manier in steekt, zij staan
+hier in dienst der echte poëzie. De uitheemsche taal der vereering
+werd hem het natuurlijke middel om zijn eigen vereering van de begaafde
+vrouw te uiten: bewonderenswaardig is de gemakkelijkheid waarmede hij
+zich deze taal heeft eigen gemaakt. Hij aanbidt in de Geliefde de
+Bella Donna der Italiaansche sonnetisten: het volkomene Ideaal der
+Goedheid in Schoonheid zichtbaar geworden, de zuiverste openbaring
+van het Goddelijke. Ongeveinsd is zijn deelnemen aan hun eeredienst
+van het Hoogste Schoon, waarin de stoffelijke vorm zinnebeeld is
+van koninklijke eigenschappen. Uit echte verwondering komt zijn
+religieus-getinte natuurverheerlijking voort, maar het is voor zijn
+"Vrouw" dat de vergode Zon schijnt. Ongedwongen neemt zijn spreken
+den toon aan van het gebed, wanneer hij haar Godin noemt en knielt
+voor haar altaar. Alle kleinheid en zwakheid is haar vreemd. Zij
+vereenigt goedheid met waardigheid, met beraden wijsheid teedere
+lieflijkheid. Heilig zijn haar leden, heilig de gunsten die zij uit
+Goddelijke genade schenkt. Zoo Platonisch is Hooft wel niet, dat hij
+het zinlijke minacht. Integendeel. Maar hij wil geadelde zinlijkheid,
+die, wortelend in de betrekking der geslachten, uitloopt in Ideale
+Vriendschap:
+
+
+ Het lijf-omhelsen moet bij 't sielvermengen swichten;
+ Voor overst ken jck Liefd', acht Mins vermeugen cleen. [15]
+
+
+Men heeft Hooft, in zijn Minneliederen, van onhartelijkheid en
+gebrek aan hartstocht beschuldigd. Niemand echter die op de bepaalde
+en juiste uitdrukking zijner denkbeelden en op de vastheid zijner
+gevoelens let, met onverzwakten nadruk telkens weer uitgesproken,
+zal van onnatuur en onwaarheid spreken. In hooge mate bezat de dichter
+de gave der waardeering en het is niet te ontkennen, dat zijn verzen
+de zeer persoonlijke uiting zijn eener oprechte bewondering van het
+vrouwenkarakter.
+
+
+Had de auteur der Granida van 1605 ons zijn naam onthouden, wij zouden
+dien zonder mistasten bepalen. Zelfs met den datum stonden wij niet
+verlegen. Duidelijk draagt het werk den stempel van zijn talent. Wij
+kennen hem aan zijn taal. En ondersteld dat Hooft een vreemd drama
+navolgde,--er ware grond voor het vermoeden, dat het den invloed van
+zijn eigen denken heeft ondergaan. Bleek het dat die invloed minder
+sterk was dan men geneigd was te onderstellen.--de keuze zou getuigenis
+van den vertaler afleggen. Zoo al de overeenkomst van ideeën tusschen
+Hooft's Liederen en zijn herdersspel nog niet de oorspronkelijkheid
+van het laatste kon bewijzen, uit den klauw zouden wij den leeuw toch
+kennen. Met zekerheid zouden wij zeggen: dit drama moet uit dien
+tijd dagteekenen, naar luid van zijn taal; van die taal de kracht
+nog daargelaten, van die liederen het accent niet eens meegerekend,
+kan niemand dan Hooft toenmaals zich met zooveel ingenomenheid
+en zoo gelukkigen uitslag aan de overbrenging hebben gezet. Een
+toevalligerwijze niet, had de zanger van Weet yemant beter saus als
+honger tot de spijsen [16] zijn hand dan op Granida gelegd. Het was
+voorkeur--en dit te gevoelen is een voorwaarde van genieten. De kenner
+van Hooft's Liederen vindt in zijn Pastorale een bekoring meer, die
+anderen moeten missen. Hij ontmoet er den wijsgeerigen minnezanger
+in levenden lijve. Het geestig pleidooi voor de rechten der jeugd
+herinnert hem aan de Ritornelles voor Diana. [17] Galathea uit het
+lied Vluchtige Nimph [18] heeft in Granida haar naam met Dorilea
+verwisseld; in den dialoog voor Ida Quekel [19], heet zij Amaryllis en
+koestert tegen Cephalus (d. i. Hooft--Daifilo niet ongelijk) hetzelfde
+wantrouwen reeds. De Epicuristische leer van 't vergenoegen, met woord
+en daad door de princes gepredikt, die lage rust boven verdrietige
+hoogheid kiest, brengt ons telkens het aantrekkelijk gedicht op den
+rijkdom [20] te binnen, waarvan het Herdersspel soms de illustratie wel
+schijnt. Hooft's fijne zinnelijkheid schijnt in de Reien der Iofferen,
+van de twee eerste bedrijven, door te stralen. Onmiskenbaar is in
+Granida ook zijn natuurzin. [21] Zelfs de tegenstelling van Kunst en
+Natuur ontbreekt er niet. [22] Dat de blinde Fortuin er een eerste
+viool speelt, heeft de dichter ongetwijfeld in orde gevonden. De
+philosophie over den Staat [23] komt hem die Geeraerdt van Velsen
+(1612 of 1613) of Baeto (1616 en 1617) heeft gelezen, niet vreemd voor:
+daar vond hij ook de tyrannenhaat van den Republikein uitgesproken
+en zijn opvatting van de taak der vorsten. [24] Eindelijk is in
+Granida als in de Liederen als in den Baeto de liefde een de geheele
+schepping doodringende, levenwekkende macht, [25] die in den mensch
+zich met het edelst menschelijke verbindt en hem tot dienaar van het
+Schoone bestemt. Beide Daifilo en Pieter Cornelisz. klimmen op van de
+begeerlijkheid die schoonheids lichaam meer dan lichaams schoonheid
+mint, tot vereering van vorstelijke vrouwendeugd. [26]
+
+Ondanks al deze overeenstemming zou men toch kunnen probeeren, het
+waarschijnlijk te maken, dat Hooft niet de oorspronkelijke auteur
+van Granida is. Laten we het drama op den keper beschouwen. Niet de
+stelling dat alle menschen voor de rechtbank der Liefde gelijk zijn
+[27], maar de tegenstelling van Natuur en Onnatuur is er het thema. En
+dit thema wordt er in behandeld op een wijze, wordt er zoodanig
+in veraanschouwelijkt, als wij het nauwelijks van Hooft verwachten
+kunnen. Hem kan men de wijsgeerige gedachte, die aan het geheel ten
+grondslag ligt, niet toeëigenen: in de samenleving van Italië is zij
+opgekomen en was zij thuis; welk alleenloopend pessimist haar in de
+Hollandsche maatschappij gevoed mag hebben, Hooft zoomin als Cats,
+zoomin als Vondel of Huygens. Dit on-Hollandsche goed in 't oog
+vattende, ziet men het stuk in belangrijkheid verdubbelen.
+
+Wat wordt er in Granida geschilderd? Een door en door bedorven
+aristocratie; een wereld, voor het oog nog pralend en pronkend,
+maar kracht- en vreugdeloos in al de zedelijke verdorvenheid
+en de ellende van haar ijdel, nietig bestaan. Te midden van deze
+samenleving, die heden nog staat, doch morgen in elkaar zal storten,
+treedt een dichter voor ons op, die naar bevrijding smacht, een
+pessimistisch dichter, die met de kracht der verontwaardiging den
+geesel zwaait. Zonder verschooning ontdekt hij de leugen waarop het
+wankelend gebouw rust. Zonder verschooning legt hij de innerlijke
+tweespalt bloot van dit leven zonder God noch gebod. Geen kunst
+vermag de ledige plaats te vervullen, nu natuur en eenvoud geweken,
+verjaagd zijn. Een minnelijk gelaat is het masker van een hart vol
+haat en nijd. Valschheid regeert hier. Geweken en verjaagd zijn
+alle menschelijke deugden. Er is godsvrucht noch vriendschap meer,
+oprechtheid noch trouw. Waar is de vergenoegde levenslust? Zoo zang
+en muziek nog weerklinken, het is niet van vreugde. In den roes van
+het vermaak, zoekt men zijn verdriet te vergeten,--vergeefs:
+
+
+ Wat 's al des werelts lust
+ Als 't hart niet is gherust?
+
+
+Men vergete niet dat de Hoveling hier een gansche aristocratie
+met haar aanhang omvat. Het Pessimisme van den dichter gaat
+verder. Maatschappelijke ontevredenheid kwelt hem. De geheele wereld is
+slecht; zij ligt geheel in het Booze, zonder goddelijke ordening. Men
+spreekt van recht en van wet, doch is dit rechtvaardigheid, is dit
+orde, dat de slechtaard in overvloed zwelgt en de deugdzame zich moet
+behelpen, gebrek lijdt? Aan allen gemeenschappelijk heeft de Natuur
+de aarde als een erfgoed nagelaten.
+
+
+ O rechten sonder reên! o wetten sonder weten!
+
+
+De boosheid en snoodheid der menschen hebben u voortgebracht! Een
+blind en redeloos toeval beschikt over u. Er is een tijd geweest,
+de dagen van het menschdom in zijn vroege jeugd, dat niemand veel
+en niemand weinig, dat ieder zijn toereikend deel had. Wat wist men
+toen van recht en wet? Toen kende men geen eigendom, men kende dienen
+noch gebieden. Alles was allen gemeen. O, was een lust naar meer dan
+nooddruft, de winzucht niet ontwaakt! De gemeenschap werd verbroken:
+het eigendom, de diefstal kwam. Recht en wet gingen in haar gevolg:
+noodzakelijk kwaad helaas! om boozer te verhoeden [28].
+
+Het is een gewoon verschijnsel, dat beschouwingen als deze opkomen in
+tijden als het Italië der XVIde eeuw beleefde. De verbeelding vormt
+zich een tegenbeeld van het bestaande. Uit een dichterlijk brein
+rijst een Utopia, een Nergenshuizen, bevolkt met ideale wezens,
+die de verpersoonlijking zijn van 't geen de dichter als goed en
+heilig vereert, van zijn wenschen en verlangens. Hij droomt van de
+voorbijgevloden eeuw,
+
+
+ Doen 's werelts kindtsheyt soet niet deed, dan sliep of loech, [29]
+
+
+toen de Natuur-zelve, met volmaakte wijsheid de menschelijke behoeften
+bepaalde en ieder haar in ongestoorde gelukzaligheid volgde. Hij
+gelooft in een heilige menschheid, onbesmet van misdaad, rein van
+leven, die oorlogswapenen noch straffen kende; in een eeuwigen vrede,
+waarin eer- noch hebzucht op het leed van den naaste peinsde en de
+koningen als wijze patriarchen slechts herders hunner volken waren. De
+Renaissance had deze voorstellingen aan de mythologie en de poëzie
+der Oudheid ontleend. Ook elders in Europa aanvaardde men ze als
+geboekstaafde geschiedenis: de verhalen der Heilige Schrift werkten
+tot hun aannemelijkheid mede. In Italië was het, dat deze phantasieën
+deel gingen uitmaken van het innerlijk leven; poëtische gemoederen,
+die de werkelijkheid afstootte, spraken er van als van een Verloren
+Paradijs, waartoe men terug moest.
+
+Zoo ook de dichter van Granida. Hij schept nieuwe menschen. In
+overeenstemming met zijn tijd, is hem de herder en de herdersstand de
+vertegenwoordiger van den oorspronkelijken "staat der Rechtheid". Die
+oude volken waren herdersvolken geweest: het land, niet de woelige
+steden, het tooneel huns levens. Blijde leefden zij als aan den boezem
+der groote, onveranderlijke Moeder Natuur, die steeds is die zij is
+en in schoonheid en onuitputtelijke goedheid zich openbaart. Maar
+de enkele persoon van Daifilo stelt des dichters Moraal nog niet
+voldoende in 't licht. Ook Granida is een belichaming van zijn
+Ideaal. Ook de Koning en Tisiphernes. Hij wil zijn tijdgenooten
+een spiegel voorhouden: zijn drama is half ontboezeming, half
+tendensstuk. Hij heeft een gewichtige waarheid, méér dan eene, te
+prediken. Doch hij spreekt tot dikke ooren en verharde harten. Hij
+roept de kunst te hulpe en plaatst de onbekeerlijken voor het
+levende toonbeeld. Hij overdrijft zelfs en vervalt tot de caricatuur,
+gelijk dit zoo dikwijls gebeurt met hem die de kunst in dienst der
+leering stelt. Typen te schilderen is zijn doel en dit is hem al te
+goed gelukt. Typen waarvan? Van oprechte vriendschap en Godsvrucht,
+van onbevlekte trouw en oprechtheid, van veilige onnoozelheid, van
+koninklijke zachtmoedigheid [30]: van die deugden, welke de voorwaarden
+van een aangenaam menschelijk samenleven zijn en door de toongevende
+hoogere menschheid als uitingen van bekrompen kleinzieligheid worden
+veracht. Tegenover het Hof staat Tisiphernes, staat de Koning-zelve,
+staat naast Daifilo Granida-zelve. Niet met den Herder kon de
+Hoveling zich meten, alleen met zijn gelijke Tisiphernes; de vorst
+en de prinses der werkelijkheid alleen met den Koning en zijn dochter.
+
+Als de Renaissanceletteren in 't algemeen, als de Pastorale in 't
+bijzonder, is Granida door en door Hoflitteratuur. Men bemerkt niet,
+dat er buiten het Hof en de verdichte herders nog een volk is. Dit
+is door de herders vervangen: doch toonbaar gemaakt, geschikt om
+op de hoftheaters te figureeren; of, het wordt slechts nominaal,
+zonder nadere aanduiding vermeld. En evenwel is dit herdersspel een
+vorstenspiegel. Nooit is in Europa de vrijheid en het recht van den
+onderdaan zoo menschonteerend met voeten getreden als toenmaals in
+de Italiaansche staten. De schandelijkste tyrannie gaf het land
+aan de meest gewetenlooze politiek prijs. Italië was een chaos,
+ééne zee van onbeschrijflijke verwarring: het was de schuld van
+haar vorsten. Alles scheen overgeleverd aan een booze macht, aan de
+woeste Fortuin als aan den Tyran der Tyrannen. Die Fortuin heet de
+dichter: Geluk! het speelzieke, het redelooze en blinde, het dolle,
+bulderende Geluk! De vorsten zijn haar speelballen en zij vervolgt
+zelfs den geringe. Wel krijgt men in Granida, evenals bij de Ouden, nù
+den indruk dat de Goden en het Geluk samen regeeren, dan weer dat zij
+afhankelijk zijn, óf het Geluk van de Goden, óf de Goden van het Geluk,
+maar het is toch wel zeker dat de maker meer de Bulderende gevreesd
+dan op de Onsterfelijken vertrouwd heeft. Ostrobas is de Tyran: de
+Coningh is de monarch van echt koninklijke roeping, dien de dichter
+tegenover hem stelt, de dienaar van zijn volk. [31] De overdrijving
+in de karakteristiek des eenen is de satire, de onwaarheid in die des
+anderen is de tendens. De zachtmoedigheid, het geheele stuk door als
+vorstelijke eigenschap bij uitnemendheid geprezen, moet in den koning
+het toppunt bereiken: wreedheid kenmerkte de Italiaansche grooten. Ook
+is hij het type van vroomheid; met het gebed en den deemoed van een
+Christelijken Job, draagt hij zijn lot, als de troost van zijn ouderdom
+hem ontnomen is, en blijmoedig ontvangt hij den schoonzoon, die de wil
+der Goden hem toezendt [32]. Zeg niet, dat hij een idioot is: hij is
+de goedheid-zelve. In Daifilo heeft hij den natuurmensch zonder ondeugd
+ontdekt, dien hij-zelf ook voorstelt. Hij is het eens met de Voedster,
+dat een edel hart alle andere edele harten beminnen moet [33]; hij
+vraagt wat de mensch is, niet naar zijn afkomst en zijn bezittingen:
+
+
+ Dàts Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren. [34]
+
+
+Geheel anders dan de Koning, braveert en tergt Ostrobas, de goddelooze
+geweldenaar, den nijd der Fortuin. [35] Hij is een verachter der
+Godheid. In zijn verwaten snorken (de geïdealiseerde Pyrgopolinices
+uit het blijspel van PLAUTUS) [36] verraadt zich de grenzenlooze
+ijdelheid van de menschen der Renaissance. Daifilo (die als een edel
+ridder de Goden vóór den strijd aanroept, wien zijn ideale liefde
+krachten verleent), is in zijn rustigen moed de aangewezen man om
+hem te vernederen: David en Goliath. [37]
+
+Tegenstelling van den Parth is ook Tisiphernes. Hij is de Coningh
+dertig jaar jonger. Al de deugden die onze auteur tevergeefs in zijn
+tijd zoekt, heeft hij in hem willen doen schitteren. Tisiphernes
+is de menseh, in wien geen bedrog gevonden wordt. Ridderlijke en
+menschelijke volkomenheid hebben elkander in hem ontmoet en de
+bescheidenheid is toegetreden. Ondanks zijn heldendaden is hij de
+zachtzinnigste aller stervelingen. Zijn vijanden vergeeft hij. [38] De
+Renaissance leed aan manlijke ondeugden. De reactie vertoont zich in
+Tisiphernes' vrouwenaard. De diepe smart waarin zijn verloren liefde
+hem dompelt, de melancholie van zijn "peinsachtig gemoed" misstaan
+hem niet. Als de toedracht van het verdwijnen der bruid bekend wordt,
+onderwerpt hij zich met gelijke Christelijke gevoelens als de Koning
+[39], en doorstaat koninklijk mild de proef van het Noblesse oblige:
+hij zal niet scheiden het echtste paar. Zijn droefheid duurt voort,
+maar hij zal het gewis ondervinden:
+
+
+ Wie sal u deese deucht loonen, als uw ghemoedt?
+ Dat sal u lof en loon nae deuchts waardije geven. [40]
+
+
+"Recht Prinselijk, edel bloed!" roept Granida en daarmede spreekt
+zij de meening des dichters uit.
+
+Granida en Daifilo! Met de beschaafde vrouwen van het tijdvak dat
+het herdersspel zag geboren worden, behoort de Princes tot de sekte
+der geëmancipeerden. Zij doet haar zin en bekommert zich niet om het
+oordeel der wereld. Zij is het kind eener eeuw, die met de overlevering
+heeft gebroken en ieder het recht geeft, op eigen hand naar het nieuwe
+te zoeken. Granida weet, wat vooroordeelen zijn, hun aard en oorsprong:
+
+
+ Dat inghesoghen waen, die 't merch en 't hart soo naer leyt,
+ Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant,
+ Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt,
+ Die de natuyre prent in 't redelijck verstandt. [41]
+
+
+Zij beroept zich op de natuur. Hare natuur echter eischt geen
+afschaffing van den ernst des levens, zij ziet een lager en een hooger
+leven en kiest het hoogere. Zij is, idealistisch, de wijsgeerige
+overtuigingen van haar vader, van Tisiphernes,--van den schrijver
+toegedaan. In den oorspronkelijken aanleg des menschen erkent zij een
+onbedriegelijk onderscheidingsvermogen voor waar en onwaar, goed en
+slecht. Klare, naakte waarheid is het, dat het geluk niet in de hoogte
+gezocht moet worden. O, schijn in goud en zijde gehuld! Slavernij
+die heerschappij en heerlijkheid heet! [42] Ontbering is overvloed,
+van 't alleronontbeerlijkste! [43] Wat weet de Herder van "'t gezwind
+ramps overrompelen", van het speelzieke Geluk, dat met vorstengrootheid
+lacht? [44] Granida's scherp oordeel hangt een welsprekend tafereel
+van het hofleven op. Met de aangenaamste kleuren maalt haar gevoelig
+hart de zaligheid van het herdersbestaan [45]. Reeds lang heeft de
+lezer opgemerkt, welk een overeenkomst er is tusschen de ideeën die
+het thema van Hooft's Pastorale blijken en de denkbeelden die zich
+in de achttiende eeuw in Rousseau concentreerden. Gij verwondert u
+niet meer de stelling te vernemen:
+
+
+ 'K en acht geen beuseling van onderscheyd der stammen, [46]
+ De deucht maeckt eedel. [47]
+
+
+Gij hoort haar uit den mond van 's Konings dochter. De Princessen
+van vleesch en bloed hebben zoo niet gedacht. De dichter schept ze
+als een hoogere werkelijkheid: vermaning en voorbeeld! Hier staan
+wij nu midden in de nieuwe, ideale wereld. Leg haar niet aan, den
+maatstaf van mogelijkheid waarmee wij gewoon zijn te meten. Hier is
+het natuurlijk, dat een "groote Coninginne", aan de inspraak des
+harten gehoor gevend, als de stem van een zèkere leidsvrouw, haar
+staat verwisselt en Harderinne wordt. Het is hier niet ongerijmd,
+dat de koning den herder, die om harentwille den prinselijken staat
+dien men hem aanbiedt, weigert, aanneemt als pair. Tisiphernes,
+die hem zijn landen òverlaat, behoort inderdaad tot deze wereld.
+
+Die beweert, dat Granida zich in haar keus bedriegen zal, vergist
+zich. Daifilo zal een voortreffelijk vorst zijn en als echtgenoot
+de hooggestemde verwachtingen der gade niet teleurstellen. Zij zijn
+waarlijk de schoonste tempels die de Liefde zich verkiezen kon,
+om zijn heerlijkheid te ontvouwen. [48] Wederom heeft de dichter
+zijne opvatting der betrekking van man en vrouw in de Pastorale
+veraanschouwelijkt. Die opvatting maakt niet slechts deel uit van
+het stelsel zijner gedachten--zij kroont het; zonder haar is het meer
+dan onvolledig,--het is onvoltooid. Goed komt de mensch uit de hand
+des Scheppers, doch hij is nog niet wat hij worden zal. Hij is het
+in beginsel, maar hij moet worden òpgevoed, gròòt gebracht. Zoo hij
+gelukkig kan zijn in de betamelijke voldoening zijner begeerten,--er is
+zaligheid voor hem weggelegd in de kennis en het genot der Goddelijke
+Schoonheid. De Liefde nu is in ons drama de paedagogische kracht, die
+opleidt tot het Hoogste. Zij is er niet vleeschelijke begeerlijkheid,
+maar de onzelfzuchtige drang, met het Schoone en Goddelijke zich te
+vereenigen en één te zijn. Het is er mede als in den Godsdienst met
+de Liefde tot God. Als Daifilo door de stralen der Goedheid en der
+Schoonheid is getroffen, dan heeft er een plotselinge ommekeer plaats:
+hij ontdekt zich-zelven, de herderlijke deugden verdwijnen niet,
+maar met hen ontwikkelt zich de geheele rijkdom van zijn aanleg;
+dan openbaart het zich, dat hij Koning geboren is. Over geheel zijn
+zieleleven heerscht Granida. Voortaan wijdt hij zich aan den dienst
+van het Ideaal. In mystieke Platonische termen wordt deze verandering,
+het nieuwe leven en die eenheid uitgedrukt. [49] Het is een overgang
+van duisternis tot het licht, van droombeeld en afschaduwing tot
+aanschouwen. Het is een opgeven van zich-zelven, een versmelten,
+een opgaan van den een in den ander, mogelijk door de verwantschap
+der zielen: verwantschap die werkt in den geheimzinnigen trek die hen
+tezamenvoegt, in het zekere vinden, het snelle kennen: zeker en snel
+als een herkenning:
+
+
+ Recht of die sielen met elckander onderlinghen
+ Ghepaert hadden gheweest, al eer zij lijf [50] ontfinghen. [51]
+
+
+In dit soort taal heeft men in de XVde en XVIde eeuw in het Zuiden
+tot de vrouwen gesproken, òf om edele voorstellingen en gevoelens
+in passende vormen te hullen, òf om galant en verheven te zijn. Van
+Daifilo gelooft Granida, moeten ook wij gelooven, dat zijn verhevenheid
+niet volslagen zinledig is, en haar offervaardigheid, zonder haar
+schande aan te doen, de zijne evenaren mag. [52]
+
+Wij hebben thans het thema onzer Pastorale uiteengezet. Doch, nog
+van een andere zijde eischt zij toelichting. Negatief hebben wij
+den tijd van haar ontstaan gezien. Ook het positieve beeld ontbreekt
+niet; wij gaan het opmaken uit de handelingen der personen. Is zijn
+omgeving zóó verdorven geweest, hoe zal de auteur zichzelven onbesmet
+bewaard hebben! De Renaissance was bodemloos subjectief. Er was geen
+bewustzijn van goed en kwaad. Genot en bevrediging der ijdelheid
+stonden aan het einde van alle streven. Zijn doel te bereiken was
+deugd. Hieraan toetste men de waarde van doen en laten, aan géén
+zedelijk beginsel. Evenzeer subjectief en gevaarlijk echter, hoewel
+dan in tegengestelde richting werkend, was de leer der "Klare, naakte
+waarheid, door de Natuur in 't redelijk verstand geprent". Tasso sprak
+haar uit met het woord: Wat behaagt is geoorloofd, [53] en dit is de
+zin van den leefregel waarom de Rey van Iofferen de Nymphen benijdt in
+het eerste bedrijf van Granida: "Ons lusten is ons als een wet". [54]
+Doch wijsgeeren hebben geoordeeld, dat de verwezenlijking van dezen
+droom de eindpaal der geschiedenis is en Daifilo en Granida, als
+anticipatie's van deze toekomst, hebben den strijd van lust en plicht
+niet gekend. Met wat zekerheid besluiten zij, voor de gewichtigste
+beslissing. Zwakheid mag de Princes, de overweging van haar best
+den Herder een oogenblik hebben doen aarzelen,--geen twijfel aan
+de wettigheid hunner keuze. Zij is wettig, want--het hart beveelt;
+anders: "als het meest gegrondt in reden." [55] Op zich-zelve, moet de
+lezer, met hen, de schaking van hun standpunt billijken. Evenwel,--de
+schaakpartij is, als zedelijk feit, zeer samengesteld. Laten wij
+kortweg vragen: bevalt u die herder? Het antwoord mag als "bekend"
+verondersteld worden. Vanwaar dat wij tusschen ons en Daifilo geen
+gemeenschap wenschen, terwijl wij hem toch voor den edelsten en
+beminlijksten der menschen dienen te nemen? Er steekt in Daifilo,
+behalve de edelste en beminlijkste der menschen, nog iemand anders:
+hij weet het zelf niet, hij zou zich ontzetten, wanneer hij het wist,
+en toch, hij is een gewetenlooze schelm, een geveinsde huichelaar en
+verrader. Of is hij het niet? Want voor hem, voor Granida, valt het
+verbrijzelen van het ouderhart, valt het verderven van het levensgeluk
+van een edelen Tisiphernes, valt hem verraden niet onder de zedelijke
+beoordeeling. Zij kunnen niet dan goed zijn. Hem en haar mag men het
+niet aanwrijven: wel weten ze dat zij leed berokkenen: zoo dit in
+tegenspraak is met hun aangeboren goedheid, deze ongerijmde schepselen
+hebben zich-zelve niet gemaakt, het is de schuld van hun Schepper, den
+dichter. Hun Schepper drage de schuld. Hij is de schelm: het kind van
+zijn tijd. Hij laat de Voester, in wijsheid en deugd grijs geworden,
+liegen en bedriegen en de Goden onteeren. Hij emancipeert Granida van
+haar onbesproken dochterliefde. Het is prijselijke voorzichtigheid,
+die aan Daifilo de woorden in den mond legt:
+
+
+ Liefde ghy haer, mijn Heer, 't geen dat u is gheschiedt,
+ Soud u, om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet.
+
+
+Dat hij met deze verzekering in de waarheid blijft, eert Tisiphernes
+zelf. Immers de waarheid van dit zeggen wordt door den afloop
+bewezen. En toch blikt ons de listige reservatio mentalis [56]
+van een verraderlijke politiek hier aan. In de verantwoording van
+het ontdekte paar tegenover den bedrogene, ontdekt men zelfs geen
+flauw besef van schuld, geen spoor van berouw. [57] De wraak wordt er
+volmondig als een natuurlijk recht erkend, de gedachte aan zedelijke
+schuld komt bij geen der partijen op. Dit kan niet door den beugel. Men
+vergrijpt zich echter, met het op hun kerfstok te schrijven. Zullen
+wij Daifilo's zonden breed uitmeten? Maar hij is eerlijk terwijl hij
+zijn onbaatzuchtigheid betuigt en zich in de zuiverheid verheugt van
+zijn liefde. Met recht kan hij zeggen:
+
+
+ Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf van zijn grondt gewaegen!
+
+
+Wij meenen hem te zien meesmuilen, wanneer de "Coningh" zegt:
+"Daifilo, mijn Dochter is gheschaeckt van wijsheyt en versocht [58]
+verstandt". Meesmuilen, als het verzocht verstand den edelen armen
+Tisiphernes op zij komt met: "Mijnheer, u lust de deucht." Ja, het
+is uit de comedie gestolen, het is daar onbetaalbaar geweest. Daifilo
+echter hèèft niet gemeesmuild. Hij hàd niets te meesmuilen. Wij kunnen
+hem nog verwijten dat hij, de eenvoudige herder, van den beginne af
+een volleerd hoveling geweest is. Maar gij weet de oorzaak, lezer,
+gij weet dat het geheele herderdom der Pastorale een mommevolk is,
+en het is er u, voor de historie, te belangrijker om.
+
+Hard en duidelijk wordt in Granida de stem des tijds vernomen. Er is
+noch wezenlijke Moraal, noch waardige Philosophie in. Het kind des
+tijds schept zijn nieuwen mensch in de eerste plaats om zichzelven,
+den mensch van wien hij niets te vreezen heeft. Als de zwaarste
+aanklacht tegen hem zal in den dag des oordeels de onderstelling
+der volkomenheid zijner helden gelden. De dichter en zijn werk zijn
+doodelijk krank van dezelfde verdeelde beginselloosheid. De dichter
+is een chaos. Zijn werk strijdt tegen zich-zelf, heft zich-zelve
+op. Beide zweven ze boven den afgrond.
+
+
+
+Is Hooft die dichter? Wij meenen de vraag ontkennend te kunnen
+beantwoorden. Granida is een historische les. Het is het type van
+het herdersspel. Wel had Hooft een assimileerende natuur, maar wij
+kunnen moeielijk gelooven, dat HOOFT de Hollander een dichtstuk zou
+hebben voortgebracht, dat zoozeer de kenmerken der overbeschaving
+vertoont. Nabootsing kan het ver brengen. Wij twijfelen dan ook niet
+om allerlei kleine eigenaardigheden. Niet om het "Carpe diem!" [59],
+dat de herder Dorilea voorhoudt, niet om hun Zuidelijk sensualisme,
+noch om het schitterend vernuft hunner Hoofsche dialectiek, al
+de elegance eener hofconversatie, die roemen mocht op de fijnste
+geestesbeschaving: dit eerste bedrijf is trouwens grootendeels
+ontleend, maar Hooft heeft zich in die conversatie ook altijd zelf
+een meester getoond. Niet om kleine trekken als de reismanie van
+Tisiphernes, die aan het zenuwachtig Italië toen eigen was, ook niet
+om een bijzonderheid als de niet antieke, merkwaardige voorstelling
+der liefde als persoon in het verhaal der voedster, die aan Dante's
+Vita Nuova, aan zijn Canzones en Sonnetten herinnert. Dit alles en
+veel meer zou in een stuk van een belezen dichter als Hooft voor
+kunnen komen. Twijfelen doen we om het geraffineerd Italiaansche van
+de moraal en de philosophie--om het typische van de karakters. Kan
+Daifilo, vragen wij, de geestelijke zoon van Pieter Cornelisz wel zijn?
+
+
+
+Het door Leendertsz. uitgegeven handschrift stelt Granida in 1605. Toen
+althans werd het voltooid, want het is mogelijk, dat het grootste
+gedeelte in 1602 en 1603 ligt. Hooft was toen nog kort uit Italië terug
+(1601) en er schijnt ons niet onbelangrijke overeenkomst van gedachten
+met de Liederen dier jaren te bestaan (vgl. XXII, XXIII boven). Granida
+valt dan samen met zijne liefde voor W.B. en Ida Quekel [60]. In het
+handschrift is het stuk 1 Maart gedateerd. Den 15den Januari 1605
+was Brechje Spiegel gestorven. Tusschen 15 Januari en 3 April ligt,
+behalve het grafdicht, geen enkel vers. Naar allen schijn [61] heeft
+de Dichter afleiding gezocht in 't arbeiden aan zijn Pastorale. Dat
+Hooft zich veel met Herderspoëzie had ingelaten, blijkt uit zijn
+kennis aan MONTEMAYOR'S roman Diana, uit Don Diegoos clacht, [62]
+uit de namen van zijn schoonen. Zijn Galathea [63] is zonder twijfel
+de Galatea van den roman van CERVANTES, Chariclea [64] de heldin van
+HELIODORUS' Chariklea en Theagenes. W.B. heet Diana. Juliette [64]
+mag iets hebben uit te staan met MONTREUX' Bergeries de Juliette,
+navolging van de Diana. Deze alle liggen van 1601-1603. Dan kiest hij
+andere namen. Maar Brechje heet, in 1604, wederom Charife, de Xarifa
+uit de schoonste episode van Montemayor. Den "vondt-baren Montemayor"
+noemde Hooft hem in 1605, toen hij Felicia, de priesteres van den
+Dianatempel, liet optreden in een sonnet aan Electra, de zuster der
+gestorven geliefde. Het vermoeden dat het herdersspel iets aan den
+vermaarden Spaanschen roman kon te danken hebben, bevestigde zich
+echter niet [65]. In 1609 doet Granida zelve dienst. Mithra Granida
+wordt dan voor goed de zondagsnaam van Christina, de echtgenoote
+in spe. Een jaar te voren had Hooft reeds voor W. Dia een dialoog
+tusschen Granida en Daifilo gedicht. [66]
+
+De Italiaansche Granida, die wij geneigd zijn te onderstellen dat
+bestaat, is tot nu toe niet voor den dag gehaald.
+
+Ook den oorsprong van de fabel hebben wij niet kunnen vinden.
+
+
+
+Ondertusschen [67] heeft Dr. Joh. Bolte Tieck's vertaling van het
+(in eersten druk waarschijnlijk tusschen 1590 en 1598 verschenen)
+Engelsche drama Mucedorus in 't licht gegeven. [68] Tusschen dit stuk
+en Granida vindt hij, bij alle verschil, zoo treffende overeenkomst,
+dat hij niet aarzelt het eene voor afhankelijk van het andere te
+verklaren. Dat Granida in zijn geheel een eigen werk van Hooft is,
+spreekt voor den Uitgever van Mucedorus van-zelf. Hooft moet den
+Mucedorus dus gekend hebben en hij kan hem hebben leeren kennen door de
+Engelsche Komedianten, die het vasteland aan zooveel dramastof geholpen
+hebben. Men zou anders aan een gemeenschappelijken oorsprong kunnen
+denken. Maar deze onderstelling zou buitendien toch vervallen, omdat
+Mucedòrus (zooals Bolte aanwijst) uit een episode in Philip Sidney's
+roman Arcadia (1590) ontstaan is, en Granida meer annex met Mucedorus
+is dan met de Arcadia [69]. De episode in de Arcadia is aldus: De
+Thessalische prins Musidorus is verliefd op de prinses Pamela. Hij
+wil haar in herderskleeren trachten te naderen. De herder-prins nu
+redt haar van een beer, terwijl de herder Dametas, aan wier zorg ze is
+toevertrouwd, haar in den steek liet. Musidorus biedt de prinses een
+bereklauw aan en van den Koning, haar vader, vraagt hij als gunst, dat
+hij bij Dametas in dienst mag treden, om altijd bij de prinses te zijn.
+
+Het drama Mucedorus komt hierop neer: Mucedorus, prins van Valencia,
+heeft vernomen van de schoonheid van Amadine, prinses van Aragon, en
+gaat in herderskleeren zich daarvan overtuigen. Amadine is verloofd
+aan den edelman Segasto en het huwelijk is aanstaande.
+
+Mucedorus, de herder-prins, komt Amadine redden van een beer, terwijl
+Segasto, die een groote lafaard is, is weggeloopen. Hij biedt haar den
+kop van den beer aan. Amadine maakt zich als de prinses en Segasto als
+haar bruidegom bekend, betuigt den herder haar dankbaarheid en verzoekt
+hem haar naar 't hof te volgen om zijn belooning daar te ontvangen.
+
+Segasto zendt den kapitein Tremelio af om den herder te
+dooden. Tremelio zoekt Mucedorus op, maar Mucedorus doodt hèm. Segasto
+heeft het gevecht gezien en klaagt den herder bij den Koning aan.
+
+Mucedorus wordt voor den Koning gebracht, die hem nog niet kent als den
+redder van zijn dochter. Amadine bepleit zijn zaak tegen Segasto. De
+Koning schenkt genade omtrent Tremelio en beloont hem met goud en
+zilver. Maar daarnà weet Segasto toch nog zijn verbanning te bewerken.
+
+De herder-prins begeeft zich buiten het Hof. Amadine zoekt hem op. Zij
+bekend hem haar liefde; ook hij verklaart zich. Zij wil zijn verbanning
+met hem deelen en hij neemt dit aan. Een plaats van samenkomst wordt
+afgesproken. Dan keert zij naar het Hof terug om haar maatregelen
+te nemen.
+
+Amadine is straks op de afgesproken plaats Mucedorus wachtende. Nu
+treedt de Wildeman Bremo op (hij heeft zich al eerder in het stuk
+vertoond) en maakt zich van Amadine meester. Hij wil haar dooden
+en opeten, maar haar schoonheid betoovert hem en hij spaart haar;
+zij moet zijn vrouw worden.
+
+Mucedorus komt op; hij is te vergeefs wachtende. In het gewaad van
+een kluizenaar wil hij in het bosch blijven vertoeven, tot zij komen
+zal. Dwalende daar, ontmoet hij Bremo met Amadine, die hem in zijn
+vermomming niet herkent. Hij weet den Wildeman te belezen, dat hij
+hem in dienst neemt. Het eind van 't lied is, dat Mucedorus, die zich
+door den Wildeman in 't vechten laat onderrichten, hem daarbij van
+'t leven berooft. Dan maakt hij zich aan Amadine bekend.
+
+Ondertusschen is Segasto met zijn dienaar het paar gaan zoeken,
+en zij worden gevonden. Mucedorus laat nu Amadine alsnog de keus,
+en zij kiest hèm. Hij laat nu zijn incognito varen: hij is de zoon
+des Konings van Valencia. Segasto begrijpt dat zijn kans verloren is
+en doet afstand van zijn bruid.
+
+Gezamenlijk begeven ze zich naar den Koning, die vol droefheid over
+zijn dochter is, en die ook vernomen heeft, dat de prins van Valencia
+om haar hand dingt. Alles komt nu ten besten uit. Segasto doet, op
+'s Konings verzoek, andermaal edelmoedig afstand.
+
+
+
+Wat de verhouding van de fabels betreft--moet men het ongetwijfeld met
+den Uitgever van Mucedorus eens zijn. Tusschen Granida en Mucedorus
+is een groot verschil. Ostrobas, de vreemde prins en mededinger
+van Tisiphemes (Segasto), is in Mucedorus zelf de herder en dit
+maakt het geheele verhaal tot een ander. Maar dit neemt niet weg,
+dat de overeenkomsten zoo treffend zijn, dat het verband onmogelijk
+is te loochenen. Blijkbaar nu is Mucedòrus uit de Arcàdia-episode
+ontstaan. Voor de Granida zijn wij dus gedwongen onmiddellijke
+afhankelijkheid van de Mucedorus-fabel aan te nemen. De prins heeft
+zich gesplitst: hij wordt een wezenlijke herder, maar hij blijft
+ook prins en mèdeminnaar in de figuur van Ostrobas, die aan Bremo
+herinnert, zooals Tisiphernes min of meer aan Segasto. Nu treedt de
+herder bij Segasto in dienst en verslaat niet Bremo, die immers ook
+een soort medeminnaar was, maar Ostrobas.
+
+De fabel van Granida is een wijziging van de
+Mucedorus-fabel. Hemelsbreed verschillend zijn de stukken als
+drama's. Een heel andere is de karakteristiek. In Mucedorus ìs
+nauwelijks karakteristiek. Moraal en philosophie, in Granida zòò hoogst
+opmerkelijk, dat de twijfel van den een òf 't wel van Hooft zou zijn,
+door een ander misschien beantwoord wordt met een "'t Is juist van
+Hooft den philosoof!"--moraal en philosophie ontbreken er geheel:
+het is eenvoudig een tooneel-stuk,--een dichterziel, eens menschen
+geloof en zielsbegeerte is er niet in.
+
+De twijfel aan Hooft's auteurschap van Granida is dus met het vinden
+van den oorsprong van de fabel niet opgelost. Voor den Uitgever van
+Mucedorus spreekt het van zelf, dat Hooft de auteur is van het stuk
+zooals het daar ligt (natuurlijk onder invloed van zijn lectuur van
+herders-drama's en herders-romans [70]; en Hooft is het, volgens hem,
+die de fabel van Mucedorus wijzigde. Wij voor ons gelooven alsnog
+in een, indien niet Italiaansch dan Engelsch of Fransch drama--uit
+den Mucedòrus ontstaan maar tegelijkertijd origineel van het drama
+Granida. [71]
+
+Leendertz, de Uitgever van Hooft's Gedichten, heeft in den Navorscher
+van 1874 trachten aan te toonen, dat de Granida een bijzondere
+persoonlijke beteekenis voor Hooft heeft gehad. In het handschrift,
+waarnaar hij heeft uitgegeven, staat in vers 1081 voor Daer gaet
+Daifilo, treedt eens uyt: Daer gaet Cephalo. Hij houdt het er voor, dat
+oorspronkelijk de herder niet Daifilo maar Cephalo heeft geheeten. Het
+handschrift namelijk is een door den dichter zelf, waarschijnlijk
+niet lang na de voltooiing van 't stuk, vervaardigd afschrift. Bij 't
+overschrijven heeft Hooft dan dat Cephalo vervangen, maar op die eene
+plaats is 't bij ongeluk blijven staan. Met "Cephalo" nu duidt hij
+tweemaal in zijn Erotische Gedichten zichzelven aan: in den dialoog
+Ach Amarillis en in het daarmee annexe Amaryl de deken sacht [72]:
+Cephalo is zijn eigen naam in 't Grieksch. Beide die Zangen zijn aan
+zijn geliefde Ida Quekels. Wanneer zijn vrijerij met haar aanving en
+eindigde, zegt Leendertz (en wij gebruiken nu veel zijn eigen woorden),
+weten wij niet. Het eenige gedicht aan haar met een datum is van 23
+Nov. 1603. Voor deze liefde (en na de terugkomst uit Italië, 8 Mei
+1601) vallen nog de gedichten aan Galatea, Chariclea en Diana. De
+kennismaking met Brechje Spiegels begon na 16 Maart 1604. Wij zullen
+zeker niet verre van de waarheid zijn, indien wij het poëtisch vieren
+van Ida stellen in de laatste helft van 1603 en de eerste helft van
+1604. In dezen tijd zal dan ook Granida grootendeels gedicht zijn en
+zooals "Cephalo" op hèm zag zoo zag, de naam Granida op Ida. Granida
+werd voltooid 1 Maart 1605. Die liefde was toen goed en wel voorbij
+en Ida Quekels ging in Juni 1605 met zijn neef Willem Jansz. Hooft
+trouwen: de naam Cephalo was nu al te duidelijk geworden, er moest een
+andere bedacht. En nu veranderde hij "ptalo" in "filo" (het Grieksche
+philos) en voor de eerste lettergreep zette hij "Ida" om in "Dai"
+en kreeg zoo "Daiphilo" d.i., naar dezen uitleg. "Ida's Vriend", een
+naam die in het rhythme van de verzen "Cephalo" overal kon vervangen
+en, voor hem zelven, zijn betrekking tot Ida aan bleef duiden.
+
+Moet hieruit volgen, dat Granida wèl in zijn geheel het eigen werk
+van Hooft is? Leendertz zelf maakt bezwaar, dat Hooft zich geheel
+met den persoon van Daifilo zou vereenzelvigd hebben en ook hij
+verwondert zich over deze door en door immoreele schepping. [73] Hij
+besluit, dat niet het gansche drama, maar alleen het Eerste Bedrijf
+in dat intieme verband met 's dichters eigen leven staat. Dorilea
+is dan het meisje, dat hij voor Ida vaarwel zei. Misschien is ook
+deze naam oorspronkelijk een andere, misschien is het "Chariclea"
+geweest (een naam van even-veel lettergrepen, met gelijken klemtoon
+en ook eindigend op -lea), de naam waaronder Jafvrouw M.V.S. door
+Hooft in verzen gevierd is geworden. [74] Is dit vermoeden juist,
+dan verhaalt dit Eerste Bedrijf van Granida, hoe M.V.S. door Pieter
+Cornelisz. voor Ida Quekels verlaten werd. Het eigenlijke drama,
+in de vier volgende Bedrijven, blijft dan iets op zich-zelf staands.
+
+Ons dunkt, dat die bijzonderheid in het handschrift inderdaad
+zeer bijzonder is en Leendertz zijn verklaring in hoofdzaak heel
+waarschijnlijk. Hoezeer het spelen met namen toen mode was, is algemeen
+uit de Litteratuur bekend. En om in Pastorale poëzie van zijn eigen
+lotgeval te dichten, was almee mode [75]. Op te merken valt nog, dat de
+dialoog van Cephalo en Amaryllis in argumentatie en in woorden met die
+van Daifilo en Dorilea zoo overeenkomt. Zoo zouden wij dan in Granida
+te onderscheiden en te scheiden hebben het hoofdzakelijk aan den Pastor
+fido ontleende Eerste Bedrijf en de gedramatiseerde Mucedorus-fabel,
+die in dat Eerste Bedrijf maar even zijn begin neemt. Om den dialoog
+van Daifilo en Dorilea, als vrije navolging van Guarini, dan geheel
+op Hoofts eigen rekening te zetten, daar kan niets tegen zijn.
+
+
+
+
+IV.
+
+De Lyrische poëzie der Renaissance schittert voor altijd. Het Epos kon
+haar bodem niet voortbrengen. Wel een Hoofsch kunstepos, niet het epos
+der middeleeuwen, dat uit het volk voortkomt. Ook voor het Drama zijn
+haar dichters bezweken. Zij volgden modellen die drama's heetten zonder
+drama te zijn, en zij waren Renaissance-menschen, die niets wisten van
+de zedelijke natuurwetten waarvan, voor individuen en maatschappijen,
+de uitkomst van den strijd om het bestaan afhangt. Het wezenlijke
+drama echter heeft een zedelijken grondslag, het is de voorstelling
+van de zedewet in het menschenleven, eener hoofdgedachte des
+dichters. Italië heeft nieuwe dramatische genres geschapen: de Opera,
+de Pastorale. Juist zij bewijzen haar onvermogen. Het ondramatische
+gaat er vergeefs in het lyrische schuil en de scheur door het hart van
+Hooft's Pastorale hebben wij aangewezen. In het Herdersspel maakt het
+Italiaansche drama zich los van het verkeerd klassiek model, en dit is
+aan de samenstelling van het geheel niet onvoordeelig geweest. Het
+schema van Velsen en Baeto, op die leest van Seneca geschoeid,
+ziet er wat anders uit dan dat van Granida. Inderdaad moet men de
+verdeeling der stof in bedrijven, der bedrijven in tooneelen hier
+prijzen: om het vroege jaar 1605, trekt men er zelfs nieuw wantrouwen
+uit tegen de oorspronkelijkheid. Maar het echte kunstwerk geraakt
+er niet door tot stand. De kranke hoofdgedachte, de nieuwe mensch,
+heft zich in dien mensch weer op. Het is alles zonder beginsel en
+innerlijke eenheid. Ook is er bij niemand een spoor van strijd. Men
+kende geen zedelijke conflicten. Alleen,--Tisiphernes aarzelt een
+oogenblik zijn helm te leenen: een punt van Eer! In overeenstemming
+met den tijd-zelven. En wat beslist het? Spitsvondige berekening. Ook
+Gij Tisiphernes! [76] Niet uit elkander, maar op elkander volgen
+de gemoedstoestanden der helden; zonder geschiedenis zijn hunne
+handelingen. Dit raakt het dramatische en de karakteristiek. Al de
+personen zijn onveranderlijke typen. Daifilo is de gewelddadige
+samenvoeging van den herder en den hoveling, de vaste figuur der
+Pastorale. Zullen wij een scherpe kritiek gaan oefenen? Zich boos op
+hen maken leidt niet tot de vruchtbare beoordeeling en de verzoenende
+verklaring van hun bestaan. Granida is van A tot Z zulk een typisch
+herdersdrama, dat het juist hierdoor genietbaar is. Alles werkt er in
+samen tot het volledig karakter der soort en dit behaagt ons. Voor
+elk der personen afzonderlijk geldt dit oordeel weer. Zij spreken
+verstaanbaar van hun geboorte-eeuw. Zij verklaren, hoe zij geworden
+zijn en hoe bij elkander gekomen. Daarbuiten merken wij nog op,
+dat Granida zich onderscheidt door een kloekheid, die al de mannen
+beschaamd maakt. Zij wint het zelfs van Daifilo. Zij en haar herder
+brengen de handeling te weeg. Granida is, Dorilea niet meegeteld, de
+bestgeslaagde. Dit teekent den poëet, die meer verstand van vrouwen
+dan van mannen had. Zwakke mannen behoeven krachtige vrouwen. Maar ook
+"Granida Schoon" is, helaas! niet volmaakt. Beter dan kritiek is het,
+te letten op het pathos en de innigheid waarmee de gelieven hun liefde
+vertolken. Hierop heeft de Renaissance zich inzonderheid verstaan en
+men sla b.v. BOCCACCIO'S Amorosa Fiametta. (De verliefde Fiametta. Tot
+Amsterdam, voor Abraham Latham, 1661) slechts op, om de verwantschap te
+gevoelen. Dit plaatst ons op het rechte standpunt. Zoo zich ontboezemen
+als de prinses en de herder, die nooit in 't gebruik der woorden te
+kort schieten; zoo als Tisiphernes nadrukkelijk, en toch niet onwaar,
+zijn smart en droefheid klagen; zoo echt snoeven als Ostrobas wien elk
+woord heilige ernst is, dàt verlangden de liefhebbers van litteraire
+kunst toenmaals. Zij waren hoegenaamd niet realistisch, ten minste niet
+als er in verzen of door herders gesproken werd. De vorm, de beoefende
+vorm die het bewijs der overwonnen moeielijkheid zelf was, die alles
+volledig zeide en toch gemakkelijk en sierlijk, dat heeft Hooft met
+zijn tijdgenooten in De Rojas' Celestina, Montemayor's Diana, in de
+Fiametta. in Sannazaro's Arcadia, in Granida bewonderd. In Granida
+praten allen goed. Ook de Voedster is van de partij. Zij verstaan
+het, het juiste, werkende woord op een goede plaats te zetten. Hoe
+de dichter zijn taal meester is, dat bewijzen de zangen en reien, die
+met de menigvuldige monologen het lyrische in den dialoog versterken;
+Dorilea's lied is een juweel onzer poëzie: er is geen woord te veel
+en alles is er in gezegd. Zijn er moeielijke plaatsen, men bedenke
+dat litterarische kunst niet als gesneden kòèk behoort genuttigd te
+worden. Ook Muziek en Schilderkunst bestudeert men, vooral als de
+kunstenaar boven ons staat, of ons, met of zonder tijd, vreemd is. Elk
+dichter van beteekenis, in verzen of proza, heeft het natuurlijk recht,
+niet voor iedereen en bij de eerste kennismaking amicaal te zijn. Elk
+vervlogen tijdvak eischt studie.
+
+Studie der taal is de eerste eisch, dien Granida ons overal
+stelt. Wij mogen niet eindigen voor de lezer het standpunt betreedt,
+dat hij hierbij heeft in te nemen. De historie weder moet ons
+leiden. Wij moeten ons herinneren, dat door de Renaissance de
+moderne schrijftalen ontstaan zijn der natiën, die toen deelnamen
+aan de moderne beschaving. In de middeleeuwen is er geen eigenlijke
+algemeene schrijf-, noch omgangstaal, die, in wijden kring, boven
+de dialecten staat. Al waren er voor enger kring toongevende centra
+(Brugge; Antwerpen). De dialekten waren nog talen. De Renaissance, die
+de samenleving in de twee klassen der ontwikkelden en on-ontwikkelden
+scheidde, scheidde daardoor de taal. In Nederland geschiedde dit in
+de laatste helft der XVIde, in den loop der XVIIde eeuw. Wel werden de
+dialektische verschillen nog niet uitgewischt, wel hangt de taal onzer
+groote auteurs op allerwijze met de volkstaal samen, wel zet Cats de
+overlevering der middeleeuwen voort en schrijft de taal des volks,
+maar ten zelfden dage als onze voorouders de onafhankelijke Republiek
+met haar wereldhandel stichten, vormt zich ook het Nederlandsch. Het
+verschijnsel wacht, bij de verschillende natiën, nog op nauwkeurig
+onderzoek; ook bij ons moet nog ontzaglijk veel arbeid voorafgaan,
+voor aan de geschiedenis van de wording onzer Litteratuurtaal gedacht
+kan worden. Met enkele voor de hand liggende punten hebben wij ons
+nu bezig te houden.
+
+De Oudheid verwekte bij het Patriotisme een naijver, om in de
+moedertaal te doen, wat de Romeinen in het Latijn gedaan hadden: een
+letterkunde in 't leven te roepen, die zich met de Oude vergelijken
+mocht. De Romeinsche Letteren, die men als model beschouwde, kenmerken
+zich door buitengewone zorg aan den "stijl" besteed: deels door
+juistheid van observatie der gedachte en daardoor volkomenheid van
+vorm, deels door fijn oor voor rhythme, deels door overdrijving, spel
+met uiterlijke fraaiigheid. Doch zij vertegenwoordigen daarin niet
+de volkstaal: hier is zulk een kunsttaal, schepping van talentrijke
+geesten uit ruwe stof. De navolging der Klassieken werd dus van-zelve
+taalschepping in ruimen zin. Men vormde nieuwe woorden, nieuwe
+vormen, een nieuwen zinsbouw, nieuwe figuren, nieuwe tropen, nieuwe
+stijlversieringen. Het Latijn oefende hierop grooten invloed. Vooral
+ook door haar Rhetorische kunst had Rome geschitterd en heel haar
+Letteren droegen een rhetorisch karakter. Dit voerde de Renaissance
+tot de vlijtigste studie van figuren, tropen en epitheta. Men beeldde
+zich verkeerde begrippen omtrent den kunstvorm in. Deze moet één zijn
+met den inhoud. De Renaissance nam den vorm voor iets zelfstandigs. Het
+genie hield de groote dichters op den goeden weg. Doch er is ontzettend
+gezondigd. Dit formalisme had nog andere oorzaken. Het taalscheppen
+werd verleidelijk. Men ging scheppen om het genot van het scheppen. Zoo
+ontstond de Vernuftspoëzie, een internationaal verschijnsel. Naarmate
+de oorspronkelijke kracht uitgeput raakte, ontaarde dat spelen
+met de taal; het werd een krankheidssymptoom. In den goeden tijd
+echter was het de liefde, die overdreef, die vertroetelde, die
+uitspatte. Het was geen aardigheid, geen zoutelooze mode, het was de
+eigenaardigheid van het karakter des tijds. Dat karakter nu ook van
+die zijde te kennen, is de eerste voorwaarde, waarvan het genieten
+onzer vroeg-XVIIde-eeuwsche schrijvers afhangt. Wij moeten dat
+"taalgenot" kunnen meegevoelen. Men vindt het beeld soms leelijk,
+dat Vondel den tragedie-, den hekeldichter voorstelt aan het diner
+van het vaderlandsch idioom te gast gaand, met den hartstochtelijken
+eetlust van den gastronoom. [77] Maar het kan niet juister. Als wij
+den smaak eenmaal weg hebben, zullen wij uit ons-zelven van "lekker"
+gaan spreken. Men vergete niet, dat ons hedendaagsch Nederlandsch
+naar de driehonderd jaar gaat en toen geworden is: wat nu oud wordt,
+was toen jong, wat men nu napraat, werd toen gezegd omdat het juist,
+aanschouwelijk, weergeven van een aandoening was, wat nu gebondenheid
+is, was toen vrijheid. Eerst wanneer men in de taal dier groote eeuw
+de Republiek der Zeven Provinciën gaat voelen, zal men het rechte
+behagen scheppen in het treurspel van Vondel en Hooft. Dan worden
+wij een orgaan rijker, trekt een nieuwe werkelijkheid ons oog en
+gemoed binnen. Dan hooren wij den krachtigen, nationalen harteslag
+in de "Nederlandsche Klassieken". Wij zullen de bladzijden met genie
+geschreven zien. In Granida zult gij de worsteling vernemen, de ééne
+groote worsteling, hier om Geestelijk Eigendom d.i. de Taal, gelijk
+ginds om de Vrijheid, het Recht en de Eer.
+
+
+ Zwolle, 1890.
+
+
+
+
+
+
+
+In 1916 deed Prof. Dr. A. Kluyver, in het tijdschrift Neophilologus,
+in meesterlijk betoog een zeer belangwekkende studie over Granida het
+licht zien. Om te beginnen toont de Schrijver aan dat men op grond van
+de naamvormen reeds (Tisiphernes, Ostrobas, Daifilo) 't waarschijnlijk
+zou kunnen achten, dat het stuk teruggaat op een ander waarin ook naast
+een minnaar Daifilo, een minnaar Tisiphernes en een minnaar Ostrobas
+optreden; ook de voorstelling dat gelijktijdig in Perzië en in 't
+Parthenrijk een machtig Koning regeert zou op onoorspronkelijkheid
+kunnen wijzen. [78] Eigenaardig is nu dat in Granida, in strijd
+met de in de Litteratuur der XVIe eeuw heersende opvattingen,
+een Koning zich en zijn geslacht gaat vernederen met zijn dochter
+te geven aan een gewonen Herder. [79] Mucedorus (men zie hiervóór
+pag. XXXVII-XXXVIII) is een herder in schijn, hij blijkt een prins
+te zijn. Indien Granida ontleend is, dan zou in het oorspronkelijke
+Daifilo wel eens een vermomde herder en man van hoogen staat geweest
+kunnen zijn. In de dramatische dialoog Diphilo and Granida (men zie
+hiervóór pag. XL de noot) is de herder inderdaad van vorstelijke
+afkomst. Ook Dr. Kluyver acht dezen dialoog gekonstrueerd uit het
+drama dat voorbeeld was voor Hooft's Granida. Er is geen reden dan nog
+een verband met de Mucedorus voor dit stuk aan te nemen. Mucedorus is
+anders dan Daifilo. Tisiphernes anders dan Segasto, Ostrobas anders dan
+de Wildeman. Wat in het eene stuk gebeurt, gelijkt maar zeer in het
+algemeen op de gebeurtenissen in het andere. "Men kan alleen zeggen,
+dat eenzelfde algemeen thema in twee Engelsche drama's op twee zeer
+verschillende manieren is uitgewerkt en dat thema is: de redding van
+een vrouw door iemand anders dan door haar aangewezen beschermer."
+
+Van biezonder belang zijn het derde en het vierde Bedrijf. Dr. Kluyver
+toont aan (Neophilologus 129-131), dat indien Hooft het drama Mucedorus
+of een zeer daaropgelijkend stuk als voorbeeld heeft gehad, zijn
+derde Bedrijf dan in elk geval oorspronkelijk zijn moet; het kan,
+in karakteristiek en gebeuren, niet worden teruggebracht tot een
+Mucedorus-drama. Hooft's voorbeeld moet een ander geweest zijn. Het
+is niet waarschijnlijk dat hij-zelf recht heeft op dat dramatisch zoo
+uitnemende bedrijf. Het volgende vierde staat ver er bij ten achter
+en bederft den indruk van 't voorafgegane (Neophilologus 131-132). Nu
+is er aanleiding om te denken dat juist dit vierde Bedrijf eigen werk
+is. "Hij wilde hebben een drama in vijf bedrijven, met koren, van een
+classieke eenvoudigheid, zonder de heterogene bijmengselen zooals die
+in het zoogenaamde romantische drama voorkomen." Voor vijf bedrijven
+was de stof van zijn gegeven wel wat klein. Het eerste bedrijf geeft de
+ontmoeting van Daifilo en Granida; in het tweede is Daifilo aan het hof
+in dienst gekomen en ziet men de twee minnaars Ostrobas en Tisiphernes
+tegenover elkaar gesteld; in het derde heeft het gevecht plaats waarin
+Ostrobas wordt verslagen, en waarin ten slotte het plan van de vlucht
+wordt bepaald; in het vijfde ziet men de vlucht, de achterhaling en
+den afloop. Dit waren nu echter maar vier bedrijven, hij had er vijf
+noodig. Hoe is hij gekomen aan de hemelvaart van de Prinses? "Mij
+dunkt", zegt Dr. Kluyver, "hij heeft die ontleend aan zijn eigen
+drama Ariadne, dat een paar jaar vroeger geschreven is. Daarin komt
+Bacchus, volgens het mythologisch verhaal, op aarde om Ariadne naar
+den hemel weg te voeren; en de beschrijving van zulk een hemelvaart,
+voorgedragen door een nutrix in den stijl van Seneca kon in Granida
+een groot deel van een vierde Bedrijf vullen. Hooft heeft, dunkt mij,
+niet genoeg beseft, dat wat in het spel van Ariadne op zijn plaats was,
+in het spel van Granida volstrekt niet paste. De rest van het vierde
+Bedrijf is besteed aan de onnoodige en ongelukkige redeneeringen van
+Daifilo en Tisiphernes." Zooals Hooft hier het karakter van Daifilo
+verdraaide, zoo deed hij te voren in Achilles en Polyxena het karakter
+van Polyxena. Men zou nu mogen onderstellen, dat onze Dichter een drama
+gekend heeft dat in hoofdzaak bevatte wat hij geeft in het eerste,
+tweede, derde, en vijfde Bedrijf (Neophilologus, 131-134). Dat daarin
+een eenvoudig herder de gemaal der Prinses zou zijn geworden, dit is
+niet waarschijnlijk. "Kan men nu nagaan, vanwaar die tekst gekomen
+is?" Dr. Kluyver oordeelt dat het origineel ontstaan zal zijn uit een
+verhaal in den geest der Amadisromans (Neophilologus, 135). En nu
+herinnert hij nog eens aan den Dialoog Diphilo and Granida, waarin
+Diphilo een als herder vermomde Prins is. Dit kan restant zijn van
+dat oorspronkelik drama. Er is een stuk van Massinger van 1636, The
+bashful Lover, dat (pag. 136-137 Neophilologus) op verrassende wijze
+op Granida gelijkt. Men zou kunnen gissen, dat zoowel Massinger als
+Hooft op dat oudere drama van Diphilo and Granida teruggaan. Hooft
+heeft dan den Prins tot een werkelijken herder gemaakt. Zoo had hij
+gelegenheid om motieven van pastorale poëzie te pas te brengen, als
+de onschuld van het landleven en den lof van de vervlogen gulden eeuw
+der menschheid; hij kon nu ook in het eerste bedrijf het tooneel met
+Dorilea er bij maken, dat zoo geheel in zijn stijl is, en waarin hij
+zooveel aan Guarini heeft ontleend".
+
+
+
+
+
+
+
+De herdruk is de tekst van 1615, met de varianten van 1605 (H.S., naar
+Ed. Leendertz) en 1636. A is 1605, B is 1615, C is 1636 [80]. Andere
+varianten zijn er niet (zie Leendertz, Inleiding).--De volgende
+drukfouten zijn verbeterd: 356 uatuyre; 734 straten; 868 gansljck;
+1373 das' er; 1385 raetstse; 1823 verheueht. Veranderd is ook 1072: de
+punt achter "regenen" werd een komma; 1101: de punt achter "beswaer"
+werd een komma; 1180: achter "proeven" kwam een punt; 1196: achter
+"wat" een komma; 1260: de komma achter "weet" werd een punt; 1463
+verdween de komma achter "besindt"; 1628: de punt achter "krenckt"
+werd een komma; 616: "nae staet" voor "naestaet"; 773: "uyt rijsen"
+voor "uytrijsen"; 1287: "aenhoore" voor "aen hoore"; 1628: "toe
+ghesellen" voor "toeghesellen". Veranderd is ook in 1625: "grondloose"
+in "grondeloose": in 929 werd "is" ingelascht, en in 1653 "een";
+in 934 kwam een komma achter ver' (= Leendertz I, 174; vgl. 1636:
+punt achter niet en ver'. Niet veranderd: 1398 dancbaerlijck; 1418
+goddeliicke; 1545 (ay spijt! (en cundy slapen?). 1593 vrooliicke. Ook
+bleef "welckeen" in 345; en de punt achter 627, die C ook heeft
+met een komma achter 629. Aan het teeken ' (Daifilo' u, 't, t', 't'
+etc.), het teeken ^ en het teeken ,, werd nergens geroerd; ook
+Daifiló voor Daifilo' bleef. Verbeterd werd: 183 'teedre; 270 u;
+667 verheft'; 1497 wallecht'; 1745 ulie. 1173-1174 is in den tekst
+één doorloopende regel met hoofdletter in 't midden. Gelijk aan den
+tekst is 155, hoewel zeker wel voor "een groot"; 925 hoogh ('T = Et?),
+vgl. 1605, 1636. In 1450 is schoonprachtich veranderd in
+"schoonpratich" (zie varianten). In 221 plaatste ik voor; dubbele-punt;
+in 292 werd de punt een komma, in 1685 eveneens. Moet in 737 "hoopt"
+staan?
+
+In 1615 en 1636 vormen 802-808 een enkele strofe met van het vorige
+afwijkend rijmschema. In het H.S. (Leendertz I, 170) zijn het er
+twee, waarvan de laatste met het rijmschema aansluit bij de volgende
+vierregelige; de drieregelige eerste een overgang vormt.
+
+
+
+De asterisk achter 1463 en de Aanteekening daarbij moet vervallen.
+
+
+
+De varianten in de leesteekens van 1636, in den eersten en tweeden
+druk te vinden, zijn daar-na niet weer opgenomen.
+
+
+
+
+
+
+
+ P. C. HOOFT'S
+
+ GRANIDA
+
+ SPEL
+
+ * * * * *
+
+ Tot AMSTERDAM,
+
+ By WILLEM IANSZ. op 't water, inde vergulde Sonnewyser.
+
+ Anno M D CXV.
+
+ * * * * *
+
+
+
+ In den tweeden druk, 1644, van HOOFTS Gedichten, uitgegeven door
+ VAN DER BURGH, leest men: Tooneelspel. Behelzende de vryaadje
+ van Tisiphernes en Daifilo.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUDT
+
+
+ Granida eenighe dochter, en erf-Princesse van Persia,
+ op de Iacht afgedwaelt van haren sleep*, komt
+ ter plaetsen daer sy Daifilo Harder, met Dorilea die
+ hy op minne vervolght, vindt koutende; de welcke
+5. haer niet en kunnende onderrechten van het spoor
+ der voorghereden Iagers, van haer ghevraeght worden
+ nae eenige Fonteyne om den dorst te lesschen.
+ Daifilo biedt de Princesse te drincken uyt een Schulp,
+ met soo heussche ghenegenheydt*, dat de selve*
+10. gehulpen van soo wel te passe dienst, oock nae haer
+ verscheyden van daer, der Princesse welgevallende
+ naulijcx uyt den sinne gaet. Daifilo ter ander zijden
+ besluyt sich ten Hove te begeven, om de teghenwoordicheyt,
+ en diensten wille van so waerdige
+15. Prinssesse.
+
+ Daifilo sich ghegeven hebbende in dienst van Tisiphernes [81],
+ op hoope, dat* die als een Prince van
+ groote verdienste by de croon van Persia, bekomende
+ het huwelijck van Granida, hy door dat middel aen
+20. haeren dienst mocht geraken, quyt hem soo, dat
+ sijn Heer hem grootlijcx vertrouwende, hem seyndt
+ aen de Princesse om haer jonste te hebben, int eyndelijck
+ versoeck, dat hy nae so langh vervolch* om
+ haer ging doen aen haeren Vader: alwaer hy
+25. ontseydt* wordt van sijn teghen-Vryer Ostrobas, Sone
+ van den Koningh der Parthen, teghens de welcke hy
+ aenneemt des anderen daechs te vechten. De Prinssesse
+ soo bekommert over 't aenstaende huwelijck, als
+ beweecht door het nieu sien van Daifilo, komt dien
+30. avondt aen de venster, op gheluck oft [82] eenighe passerende
+ Musijcke haer quellage wat versachten mochte,
+ onder de welcke* sy door 't glas siende, sonder ghesien
+ te wesen hem passeren, en hoorende versuchten,
+ neemt het selve op voor [83] teecken van waerachtighe
+35. liefde, haer daeromme beklaghende over d'onghelijckheydt
+ der staten* des Werelts.
+
+ Daifilo verklaert aen sijn Heer zijn liefde, en d'oorsake
+ waerom hy in sijnen dienst ghekomen is, hem
+ biddende te lijden dat hy in zijn stede, ende met zijn
+40. wapenen* bedeckt teghens den Parth moghe strijden,
+ tot het welcke hy hem met redenen beweecht. Daifilo
+ verwint en verslaet Ostrobas. Tisiphernes besluyt des
+ anderen daechs de Princesse te besoecken: Maer Daifilo
+ noch dien avondt onder haer venster passerende, wordt door
+45. haer bevel gheroepen van haer Voester. Sy ontdecken
+ elckander haer onderlinge liefde. Granida seydt gereedt
+ om met hem te vertrecken, en een Harderinnen
+ staet ghetroost* te zijn: welcke aenbiedinge hy, nae
+ dat hy haer de swaericheden van sulcx voorgehouden
+50. heeft, en verstaen de selve van haer al te voren overwoghen
+ te zijn, met groote danckbaerheydt
+ aenneemt.
+
+ De Voester van Granida, op haer sijde gewonnen
+ zijnde, komt verklaren voor den Koning, ende Tisiphernes,
+55. dat de Prinssesse met groot spoock*, voor
+ eenen Godt gheschaeckt is. Tisiphernes siende op 't
+ schoonste zijn hoop te leur ghestelt, is om rasende
+ te worden: Maar Daifilo, die haestich ten Hoof wedergekeert
+ was, om quaet vermoeden voor te komen,
+60. hem onderrechtende*, doet zijn ghemoedt wat bedaeren.
+ Hy nochtans, walghende van de werelt, besluyt
+ met luttel gheselschaps voortaen door 't Landt te reysen,
+ en verklaerende Daifilo waerachtighe verwinner van
+ Ostrobas te wesen, levert hem sijnen staet over, de
+65. welcke hy eerbiedelijck weygherende, belooft gaede*
+ te slaen, totter tijdt toe, dat 's Prinssen ghemoedt wat
+ besaedighe.
+
+ De Gheest van Ostrobas verschijnt aen sijnen vriendt
+ Artabanus, die met hem in Persia was ghekomen,
+70. hem opstutsende*, om wrake te nemen op Daifilo,
+ de welcke den eersten morghen-stondt op 't Landt
+ met de Prinssesse sprekende, van hem ende sijn volck,
+ beyde gevangen worden,* om [84] opgheoffert te zijn aen
+ het graf van Ostrobas; Maer Daifilo siende d'overlast
+75. van banden diemen de Prinssesse aendede, breeckt
+ de sijne, te weere rakende teghens sijn vyanden; op
+ welck gherucht Tisiphernes, die by gheval niet verre
+ van daer sijnen wech volchde, de Gelieven komt ontsetten,
+ de welcke bekent* zijnde, beklaghen haer deerlijck
+80. dat d'eene ramp d'ander jaghende, het gheluck
+ wel hardneckelijck scheen besloten te zijn tot haer
+ bederf. Maer d'eedelhartige Prinsse, [85] in plaets van hem
+ tegens haer te verbitteren, verwondert sich over haer
+ selsame liefde, en ghebiedende haer goeden moedt te
+85. hebben, belooft* en vercrijcht haer haeren [86] soen van
+ den Koningh, diese beyde met blijen wellekoom
+ onthaelende*, te samen huwt.
+
+
+
+
+PERSONAGIEN.
+
+
+ GRANIDA.
+ DAIFILO.
+ TISIPHERNES.
+ DORILEA.
+ KONINGH.
+ OSTROBAS.
+ ARTABANUS.
+ VOESTER.
+ Rey van Ioffrouwen.
+ Rey van Harderinnen.
+
+
+
+
+
+
+
+GRANIDA
+
+SPEL
+
+
+EERSTE DEEL
+
+
+DORILEA.
+
+ Het vinnich stralen van de Son
+ Ontschuyl ick in't Bosschage;
+ Indien dit Bosje klappen kon,
+ Wat melde't al vryage*!
+
+5 Vryage? neen. vryage jae,
+ Vryage sonder meenen;
+ Van hondert Harders (ist niet schae*?)
+ Vindtm'er ghetrouw niet eenen.
+
+9 Een wullepsch Knaepjen altijdt stuyrt
+ Nae nieuwe lust sijn sinnen,
+ Niet langher als het weygheren duyrt,
+ Niet langher duyrt het minnen.
+
+13 Mijn hartje treckt my wel soo seer,
+ Soo seer, dorst ick [87] het waeghen,
+ Maer neen, ick waeg' het nemmermeer*,
+ Haer minnen* zijn maer vlaeghen.
+
+17 Maer vlaeghen, die t'hans* overgaen,
+ En op een ander vallen;
+ Nochtans ick sie mijn Vryer aen,
+ Voor trouste van haer allen.
+
+21 Maer oft't u miste* domme maeght,
+ Ghy siet hem niet van binnen.
+ Dan 'tschijnt wel die gheen rust en waeght,
+ Kan qualijck lust ghewinnen.
+
+25 Oft ick hem oock lichtvaerdich von,*
+ En 'tbleef in dit Bosschage,
+ Indien dit Bosje klappen kon,
+ Wat melde't* al boelage!*
+
+DORILEA. DAIFILO.
+
+DORILEA.
+
+Daer is hy. och hoe ben ick inde saeck beladen*!
+Best dat ick my versteeck onder de bruyne* bladen
+In't diepste van [88] het Bosch, al eer dat hy my siet.
+Best is het, best ist jae, maer vondt hy my dan niet?*
+Weet ick wel wat ick wil? ick ben vervaert voor't minnen,
+Ontschuyl mijn lief, en vrees dat hy my niet sal vinnen.
+Neen, beter blijfdy hier dan of ghy verder gingt,
+Hier komt hy doch voorby; maar luyster wat hy singt.
+
+DAIFILO.
+
+ Die gheboden dienst versmaet,
+ Wenscht'er wel om als 't is te laat.
+
+39 Windeken daer het Bosch af drilt*,
+ Weest mijn Brack, doet op* het Wilt
+ Dat ick jaghe,
+ Spreyt de haghen, [89]
+ En de telghen van elckaêr,
+ Moghelijck schuylt mijn Nymphe daer.
+
+45 Nymphe soo ras als ghy vermoedt,
+ Dat mijn gangh tot uwaerts spoedt,
+ Loopt ghy schuylen,
+ Inde Kuylen,
+ En het diepste van het Woudt,
+ Daer ghy met rêen vervaert zijn soudt.
+
+51 Vreesdy [90] niet dat de Satyrs, daer
+ V eens mochten nemen waer*,
+ En beknellen,
+ 'T zijn ghesellen,
+ Die wel nemen t'uwer spijt*
+ 'T geen daer een Harder langh om vrijt,
+
+57 Sonder te dencken, dat in't kruydt,
+ Dickwils Slanghen gladt van huydt,
+ Zijn verholen,
+ Loopt ghy dolen,
+ Maer nochtans hoe seer ghy vliedt,
+ Dat ghy mijn haet, en dunckt my niet.
+
+63 Want doe wy laest van 's avonts laet
+ Songhen tot den dagheraet,
+ Met elck-ander,
+ En uyt d'ander,*
+ Tot den dans ick u verkoos,
+ Bloosden u wanghen als een roos.
+
+69 Mompelen hoord' ick op dat pas,
+ Dat dat gheen quaedt teecken was,
+ En wanneer ,,ick
+ Heel begeerlijck
+ Kussen quam u mondtje teer,
+ Repten u lipges, dochtme, weer.
+
+75 'T weygheren, en d'afkeericheydt,
+ Voecht soo wel niet, alsmen seydt,
+ Voor de Vrouwen,
+ 'T kan haer rouwen,
+ Die gheboden dienst versmaet,
+ Wenschter wel om als 't is te laet.
+
+Sus, sus, wat of ick daer mach hooren
+Ritselen inde haghedooren?
+Is zy't, zij sal my niet ontvlien.
+Neen Dorilea, al ghesien.
+
+Nu suldy [91] hier met gheen een kusjen of ,,raken.*
+
+DORILEA
+
+Daifilo seg ick, ghy sult het te grof ,,maken. [92]
+Daifilo, laet my staen.
+Daifilo, laet my gaen. [93]
+
+DAIFILO.
+
+Maer Dorilea, moochdy* soo afkeerich ,,zijn
+
+Van 't gheen daer alle menschen nae begeerich ,,zijn?
+En vlieden stuyrs van sin?
+
+DORILEA.
+
+ Wat doch?
+
+DAIFILO.
+
+ De soete Min.
+
+DORILEA.
+
+Ghy noemt het soete Min, en segt dat gene lieden
+Behalven ick alleen, de soete Minne vlieden,
+Voort* hoor ick van de Min soo veel quaets, dat ick gruw
+Van yder een, en die gheloof ick bet als u.
+Dus Daifilo, van nu,
+Laet my voortaen te vreden*.
+
+DAIFILO.
+
+Ach suldy dan dus schuw*
+U groene* jeucht besteden? [94]
+Dees teeder schoone leden
+En zijn u niet ghegunt*,
+Dat ghyse sonder vrundt
+Afgunstich* soudt verslijten,
+En eens te laet bekrijten,
+Dat ghy, om niemandt jonst, of wellust* te doen aen,
+Versuymelijcken* hebt u selfs te kort ghedaen.
+Wilt rekeninghe maken,
+Dat dese roose-kaken.
+En dese lippen varsch,
+Die gloeyen als een Kars,
+Die nu een yder wenscht te kussen en te stroocken,
+Sullen van ouderdom verwelcken, en verschroocken*. [95]
+Dit effen voorhooft net, [96]
+De diepe rimpels met
+Ter tijdt sullen ontslechten*;
+En dees welighe vlechten,
+Die met veel strickjens gail*, soo dertel zijn vertuyt*,
+Sullen haer gouden rock allensgens trecken uyt;
+En 'tgeen ghy voor fijn goudt moghelijck hielt voor desen, [97]
+Suldy bevinden maer silver vergult te wesen. [98]
+Dees wacker ooghen bly,*
+Veileeren sullen zy
+Haer lodderlijcke* treken,
+Die soo veel brandts ontsteken.
+Dees vlugghe gauwicheydt*,
+Daer grijse' aelwaricheydt*,
+Gaet sonder reên op gnorten*,
+Dien sal den ouderdoom [99]
+Die't al maeckt suf, en loom*,
+Zijn vleughels dapper korten. [100]
+Dan compt onnut berouw, als betrens tijdt ontbreeckt.
+
+DORILEA.
+
+Daifilo ick weet niet van wiens schoonheydt dat ghy spreeckt.* [101]
+Nae dat ick kan bevijnen* [102]
+En ist niet vande mijnen, [103]
+Want onlanghs heb ick dien [104]
+Inde Fonteyn* ghesien;
+En't beelt in't water stil, my op dat pas verscheenen, [105]
+Quam met u segghen niet al te wel over eenen.
+Maer siedy 't groene woudt, hoe lustich dat het staet,
+Hoordy de Vogeltjens die voor den dageraet
+Danckbaerder zijnd'als d'onvernoechelijcke menschen,
+De wellekome Son met sang goe morgen wenschen.
+Siedy dees heuvels blondt,* en het begraesde* dal [106]
+Met Bloempjes veelerley ghemarmort over al,
+'T wellustighe banket* van de ruyschende Bijen? [107]
+Hoe vrolijck lacht het al in dese Somer-tijen?
+Maer als den guyren Herfst komt met zijn buyen aen,
+Sal dese dinghen al haer vrolijckheyt vergaen,
+En dees bloeyende jeucht des Werelts, sal verkeeren
+In dorren ouderdom, en haer cieraet ontbeeren.
+Nochtans, indien dat al
+De Bouwliên* spanden t'samen*,
+En met [108] groot gheschal*,
+De Goden bidden quamen,
+Dat Donder, Blixem, Windt, en Haghels groot gheweldt
+Mocht komen metter yl vrybuyten over 't veldt,
+Beroven d'Aerde van haer ghespickelde [109] rocken*,
+De Berghen van haer cruyn, de Boomen van haer locken,
+Om dies wil*, dat doch eens d'aenstaende Winter wreedt
+Het Aertrijck plaghen sou met dierghelijcken leedt;
+Soudy niet segghen, 'twas haer nutter dat zy baden
+Om redelijck verstandt?
+
+DAIFILO.
+
+
+165 Iae, trouwen
+
+DORILEA.
+
+
+ Soudy raden
+Dat ick door Min een buy met sonne-schijn vermomt,
+Die lichtelijck vernielt, wie dat zy overkomt,
+Dan krencken sou mijn jeucht, om dies wil dat de jaren
+Dese schoonheden mijn (ghenomen [110] datse waren
+Ghelijck als ghyse maeckt) my souden maken quijt?
+Soud' ick de schae des tijdts gaen soecken voor de tijdt?
+
+DAIFILO.
+
+Dit doedy vast*, want ick, o Dorilea, reken
+De leelickheyt soo goedt als schoonheyt onbekeken;
+En al bekeken onbelonckt*; en al belonckt
+Noch onghenoten van den Minnaer dien zy' ontfonckt.
+Wat's jeughde sonder Min vol onbeweechde coutheyt
+Doch beter als versufte' en stijfbevrosen oudtheyt? [111]
+En dat de soete Min van u beschuldicht wort,
+Als die de schoonheydt krenckt, daer doedy hem te kort:
+Want noyt en sachmen hem het suyvere besmetten,
+Maar wel recht anders, 't geen dat saluw* was, blanketten,
+En legghen blosend' root op teedre* wanghen bleeck, [112]
+En 't hayr vergulden, dat te vooren vael gheleeck:
+En geene sachmen oyt, het geen dat zy beminden, [113]
+Leelijcker dan [114] het was, maer wel veel schoonder vinden.
+Maer segdy yder een
+Beklaecht hem met gheween,
+Over de Min vol swaerheydt*? [115]
+Sy spreken buyten waerheydt,
+Al wordt de Min bescheldt*,
+'T is Onmin die haer [116] quelt,
+Onmin van Lief verkoren,*
+Want quam haer [117] Min te vooren*
+Van haer bemindes zy [118],
+Sy wierden't eens met my,
+En souden ras bekennen
+Dat Minne niet kan schennen,
+Maer dat ghebreck van Min alleen den Minnaer krenckt,
+Die minnes honich soet [119] met bittre galle mengt.
+Dus Dorilea, denckt
+Dat Min van beyde zijen,
+Niet anders voort en brengt
+Als wellust* en verblijen.
+Daerom in dese tijen,
+Schijnt dat de Werelt dus blygeestich opghepronckt
+In't harte Min ghevoelt, en t'eenemael verjongt.
+Den Hemel schijnt verlieft; de Visschen in de stroomen,
+De Dieren in het kruydt, 't ghevogelt in de boomen,
+De Nymphen in het bosch, natuyren* van de Min.
+Dat Vogeltjen, dat nu vliecht uyt den Dennen, in
+Den Boecke-boom, en schijnt onmoghelijck om vermacken*,
+Dan uyt de Boecke-boom weer inde Myrte-tacken,
+En hippelt quelende soo licht soo wilt soo wuft*,
+Waer't van natuyr begaeft met menschelijck vernuft,
+Het soud' segghen ick brand' van Min, ick brand' van minnen, [120]
+Tjilpende door het Woudt; maer wel brandt het van binnen,* [121]
+En singt in sijne tael op lieffelijcke maet,
+Dat* het zijn soete Lief, zijn lieve lust verstaet.
+En luyster, juyst of zy't om u te leeren dede,
+Antwoordt zijn lieve lust: van minnen brand ick mede.
+De Min het al verwint,
+Hemel en Aerde mint, [122]
+Sal Dorileaes siel Mins krachten groot van waerden
+Alleene weder staen, in Hemel en op Aerden? [123]
+Neen; want een yder mensch wordt van de Min gheraeckt,
+En diese jongh ontgaet, bejaert zijn krachten [124] smaeckt*:
+De minne wil doch eens doen blijcken in ons harten
+Hoe veel dat hy vermach: dus vreest hem vry te tarten,
+En weet dat grooter smart noyt yemand overquam,
+Als jeuckeringh van Min [125] in oude leden stram. [126]
+Het jonck hart, dat hy quetst, gheneest de minne weder,
+En hoop hellept [127] het op, als 't leydt van pijne neder:
+Maer d'oude Minnaer is gheplaecht met dobble rouw,
+Die willend niet en mach*, en mogend* niet en wouw.
+Drooch hout ontsteken*, brandt feller als groene spruyten. [128]
+
+DORILEA.
+
+Ghy ander* Vryers kent dees praetjens al van buyten,
+En brengt'er veel in't net;
+Maer ick heb wel ghelet
+Op 't geene dat ghy seyde,
+Dat als de Min van beyde
+De zijden is gheplant,
+Soo valt* het soeten brandt.
+Of ick dat schoon* toestonde,
+Verklaert my met wat vonde* [129]
+Soud'ick doch kennen my
+Versekeren, dat dy
+De vlammen t'harte blaecken,
+Die ghy my diets wilt maecken?
+Of als dat alsoo was,
+Dat ghy niet soudt, soo ras
+Ghy weer-mins jonst mocht voelen,
+Verkeeren, of verkoelen?
+Ghelijck wy Vrouwen slecht* [130]
+Vaeck worden uytgherecht*,
+Dewijl gheveynsde min, en lichte* wispeltuyricheyt
+Ons troonen met het soet, en loonen met de suyricheyt.
+
+DAIFILO. GRANIDA. DORILEA.
+
+DAIFILO.
+
+ Nymphe, maer. [131]
+
+GRANIDA.
+
+ Schoone Nymph' en hebdy niet ghesien
+Met breydeloose ren, hier eenighe Edelliên
+Vervolghen een wildt Swijn? weet ghy niet of zy't vinghen?
+Of werwaerts rêên sy op?
+
+DAIFILO.
+
+ Iaghers, noch Hovelinghen [132]
+En hebben wy ghesien, maar wel ghehoort gherucht:
+Dan 'tscheen soo ver van hier te wesen dat ick ducht,
+Edele [133] Maeght ghy sult haer swaerlijck rijden inne*,
+Zijdy een aertsche Maecht, en anders* geen Godinne,
+U aenschijn noch u stem geensins de menschen slacht. [134]
+
+GRANIDA.
+
+Soo grooten eer voorwaer [135] ick my niet waerdich acht.
+Ick ben Granida' indien't u liên bekent is, hoemen
+Ten Hove' hoort de Princes des Conings dochter noemen.
+Dewijl 's gheselschaps spoor u niet en is bekent,
+Soo bid' ick, wijst my doch waer dat ick hier ontrent
+Om 's heeten middachs brandt een weynich te verfresschen,
+Wt koele Beeck, of Bron, mijn drooghe dorst mach lesschen,
+Dat Ceres u ghewas, en Pan u Vee behoe.
+
+DAIFILO.
+
+Het bidden* laet voor ons, t'ghebieden komt u toe,
+Alderheuste Princes, siet [136] hier om u t'ontladen*:
+Diana moe-ghejaecht, en soude niet versmaden
+Dees suyvere Fonteyns cristallinighe vloedt. [137]
+Al zijn wy Harders slecht, eenvoudich opghevoedt,*
+Noch* onse sorghen laech, door hoogher vlucht te kiesen, [138]
+Ons aengheboren bosch uyt haer ghesicht verliesen:*
+Wy weten lijckewel* dat wy dees groene laen,
+Dat wy de schaduw koel van dees dienstighe blaen, [139]
+Dees vrolijcke heuvels, dit heldere [140] waters vlieten,
+En al ons levens lust van 's Conings handt ghenieten.
+'Ten waer die 't wijsselijck al te versorghen wist,*
+'Tverwoeste* [141] metter haest, door verquistende* twist.
+'Tis hy, die de begeerten van sijn Ondersaten
+Maticht* bescheydelijck* in soo* verscheyden maten, [142]
+Dat niemandts minders list zijn meerder yet ontruck,*
+Dat niemandts meerders [143] macht zijn minder en verdruck.
+'T is hy die sorghe draecht alleene voor ons allen, [144]
+Dat Vreemdelinghen wreedt ons niet en overvallen
+Met vernielende krijgh, [145] en schennen* in een uyr
+De dracht* van menich jaer, door 't yser en het vuyr.
+Danckbaer [146] behoortmen voor een aertschen Godt te eeren
+Dien 't lust om anders lust zijn eyghen lust t'ontbeeren:
+Maer ons eerbieden* is te laech nae zijn waerdy.
+
+GRANIDA.
+
+Beleefden* Harder, noyt eenighe Wijnen my
+Boven den frisschen dauw van dees Fonteyn ghevielen. [147]
+Ach gheluckighe [148] rust van licht-vernoechde sielen,
+Die nijt noch spijt des Hoofs versteurt haer soete vree!
+Wiens* sorghen wijder niet en weyden dan haer Vee.
+De lusten daer sich 't Hof met moeyten om beslommert,
+Werpt u nature toe en is voor u bekommert.*
+Ghy treckt door hongher, en door dorst uyt dranck, en spijs,
+De lust van 't Hof ghelockt door soo veel leckernijs;
+Het Hof door drincken dorst, en hongher soeckt door 't eeten
+En jaecht de lusten voor*, u zijnse toeghesmeten;
+'T lustsoeckend Hof ontvliên de lusten daer 't om slóóft;
+Ghy vollicht de natuyr, wy sien haer over 'thóóft.
+Eer sal dit lichaem in een duyster graf vernachten
+Beleefden Harder, als my gaen uyt de ghedachten
+U weltepasse dienst, en oft ghebeurde, dat
+Mijn hulp u nut mocht zijn in 't Hof, of inde stadt,
+Vertrout dat my geen saeck soo wichtich sal verletten*,
+Of ick en salse' om u wel aen een sijde setten.
+Nu voecht my wederom te keeren, daer* ick acht
+Dat my 't gheselschap van mijn staet-dochters [149] verwacht,
+Welck ick ghebood, van haer vermoeyde Tellen*, neder
+Te sitten in het gras, tot dat ick keerde weder;
+Dewijl my niemandt van haer allen volghen mocht*,
+En my de lust des jachts niet te versuymen docht.
+Den hemel die bedauw u jaren menichvuldich
+Met gheduyrighe* [150] rust.
+
+DAIFILO.
+
+ Wy zijn't u alle schuldich
+Alwaerdighe Princes. helaes! hoe leedt is my
+Dat ons vermoghen min als ons begeerte zy!
+Den Hemel wil u staet in eeuwicheyt behouwen.
+
+GRANIDA.
+
+ Vaert eeuwelijcken wel.
+
+DAIFILO.
+
+ Is onder d'aertsche Vrouwen
+Dan een, die waerdich is dat om haer dienst alleen
+Al d'ander men versweer*?
+
+DORILEA.
+
+ Hoe koel gaet hy daer heen,
+Sonder dat hy van my zijn afscheydt heeft ghenomen;
+Best volghe ick hem, en sie [151] wat hem mach overkomen.
+
+GRANIDA.
+
+Hoe vrolijck is den geen die danckbaerlijcken leeft
+By d'ondanckbare [152] mensch die geen vernoegingh heeft!
+Dees Harder toont meer dancks voor not* van bosch, en boomen
+Als menich Eelman voor gheschoncken Vorstendoomen,
+Die vaeck zijn Prince* danckt met oproer oft verraet,
+En acht maer elcke staet, een trap tot hoogher staet.
+Met welckeen yver komt my dees zijn dienste bieden? [153]
+Al de dienstwillicheyt gheveynst der Edellieden [154]
+Is my soo veel niet waert; want dese die betoont
+Sijn heusheyt, niet uyt hoop van die te sien beloont:
+Ten Hoof op hoop van loon is 't aenschijn vol ghenegenheyt,
+Maer het onheus ghemoet vol onwillighe [155] tegenheyt.
+Ghy grootsche Princen, die door u uytheemsche* pracht
+Verwonderingh soeckt by 't volck, om van het hooch geslacht
+Der Goden afghedaelt te schijnen, u cieraden,
+U Scepters, Croonen, en u purpere ghewaden,
+En maken u niet soo grootachtbaer aenghesien*,
+Als de natuyre maeckt een laech-gheboren, dien-
+'T haer lust, om lieffelijck de Werelt te verbasen,*
+Een edel geest in 't hart en in 't ghesicht te blasen:
+En cieren het aenschijn vol vrolijckheden soet
+Met defticheyt* ghemengt, van hoofde tot de voet
+Besprengend' over al de welghemaeckte leden
+Met goddelijcker glans als princelijcke kleden.
+Ghelijck d'eerwaerde* Son is by ons aertsche vuyr,
+Sulcx is by d'arme kunst, de kunst-rijcke natuyr.
+Wat handt heeft oyt haer soo vernuftich mercken* laten,
+Dat zy, bootserende de Conincklijcke vaten,
+Vormde 'tghewrochte [156] goudt in aerdigher* manier,
+Als de natuyr de Schulp, daer ick uyt dronck alhier?
+Dan* 't Hof en siet niet* schoons in dinghen licht verkreghen,
+Natuyrs gheboden dienst is hen onwaert* en teghen;
+Maer ghy eenvoudich volck ontfangt haer gaven rijck [157]
+Met open armen, en ghebruycktse [158] danckbaerlijck.
+
+REY VAN IOFFEREN.
+
+373 Ghy lodderlijcke* Nymphen soet, [159]
+ Die nauwelijcx een roosen-hoedt*
+ Om gouwe kroon soudt geven,
+ Hoe wel lust u uw leven?
+
+377 Uw lusten is u als een wet,
+ Uw loncken is een ty-gheset,*
+ Uw kouten is vryage,
+ Uw minnen is boelage.
+
+381 De schaduw die de kuylen heelt,
+ Waerin ghy u ghenoechjens steelt,
+ En soudt ghy niet verwinssen*,
+ Om schaduthroons van Prinssen.*
+
+385 Wanneer ghy aen de reye gaet,
+ En dat* het schalcke Lietje raedt [160]
+ Het diepst van u ghepeynsen,
+ Hoe qualijck kundt ghy veynsen.
+
+389 Maar soo* 't u lief niet beter kan,
+ En toont u dat sijn harte, [161] van-
+ Uw hartjen is [162] ghedreven,
+ Wat isser om te geven?*
+
+393 Soo* ruylden ghy dat deuntjen niet
+ Om avondt-spel*, of morge-liedt*,
+ Dat voor Princessen deuren,
+ Haer dunne* slaep komt steuren.
+
+397 Een appel, die met jonste groot
+ U boeltje werrept in u schoot,*
+ Daerom soudt ghy versmaden
+ 'S Hofs tafel-overdaden.
+
+401 Als van u Lief ghemeldet* wert, [163]
+ Zijn 'tuwaerts* overgeven hart,
+ Soo zijt ghy bet te vreden,
+ Als Prinssen aenghebeden.
+
+405 'T eenvoudich leven haylich*, leydt
+ Ghyliên in vreed' en vaylicheydt,
+ Uw vryheyt gaet te boven
+ De schijn-wellust der Hoven.
+
+REY. GRANIDA.
+
+REY.
+
+Mijn Vrouw, God zy ghedanckt dat ghy ons hier ontmoet.
+'T gheselschap is een deel te paerd, een deel te voet,
+Verstroyt om soecken naer u op [164] bysond're* straten*,
+En haer by-eenkomst is daer ghy ons hadt ghelaten,
+In 't naeste dal, en zijn in 't keeren al misschien.
+
+GRANIDA.
+
+En 't Wilt?
+
+REY.
+
+
+415 Ghevanghen is 't, mijn Vrouw*, en sult het sien.
+
+DORILEA. DAIFILO.
+
+DORILEA.
+
+Daifilo, beydt wat, hoe?
+'Ten gaet ten Hoof niet toe
+Ghelijck ghy u laet veurstaen*.
+En wilt soo licht niet deurgaen
+Met dat u wel ghevalt;
+Hoort hoe Palemon kalt,*
+Die seydt dat hy verdoorde*,
+Doen hem de lust bekoorde
+Van 't Hof te volghen; hy
+Meende, ghelijck [165] als ghy,
+Dat heusheyt soet van zede,*
+Vrientschap, en weelde* [166] mede
+Daer was in overvloedt,
+Ghelijck de rijckdom doet.
+
+DAIFILO.
+
+En als hy't quam te proeven?
+
+DORILEA.
+
+Doe vandt hy met bedroeven,
+Dat daer die dinghen zijn
+Niet anders als in schijn.
+Wat sneuvel* (seyt hy) och wast voor mijn groene jaeren,
+Als ick mijn soete buyrt*, en vryheyt liete [167] vaeren!*
+En dienen ghingh ten Hoof; ick meende 't was al klaer-
+Goudt datter blonck, maer 't is een momme-vollick daer;
+Het aenschijn vol sachtmoedicheyts,
+'Tghemoedt [168] vol felle woedicheyts,
+Een minnelijck ghelaet*,
+'T hart vol van nijdt en [169] haet:
+Saechdy de Visschers oyt* om lichst de visch te trecken
+Den scharpen Angel-hoeck met lockend' aes bedecken?
+Recht gaet het soo ten Hoof. De dienstbaerheyt, die zy
+Soo mildt u bieden aen, is lockbedriegery;
+Haer dienst, en hullep streckt maer om u te verrassen
+Met onvermoede slach, en door u val te wassen.
+Oprechte vrientschap, Godtsvrucht, onbevleckte trouw,
+Veylighe' onnoselheyt*, [170] rechtuytheyt sonder vouw,
+Waerheyt van woorden, goedicheyt*, [171]
+Worden daer [172] voor kleynmoedicheyt*,
+Voor slechtheyt* yl* veracht, [173]
+Beguychelt*, en belacht.
+'T is al geveynst ten Hoof watmen'er [174] siet vertoogen*,
+Gheveynst is haer ghelaet *, gheveynst haer mondt, haer oogen, [175]
+Geveynst haer Godsvrucht, [176] jonst, haer vrientschap en haer vree,
+En g'lijck haer deuchden zijn, soo is haer weelde* mee.
+Wanneer de Hovelinghen
+Een vrolijck Liedtjen singhen,
+'T en is van vreuchde niet,
+Maer 't is, om het verdriet
+Daer 't hart af wordt verbeten,
+Een weynich te vergeten.
+Haer lachen is van spijt,
+Of 't duyrt de korte tijdt
+Eens ogenblix, tot dat 's ghemoedts staedige [177] plaghen,
+Die 't weeren uyt het hart, 't oock uyt het aensicht jaeghen.
+Wat's al des werelts lust
+Als 't hart niet is gherust?
+Hierom, Daifilo, staeckt u opset voorghenomen, [178]
+Ghy weet waer dat ghy zijt, maer niet waer ghy sult komen.
+Die wel is, blijf.
+
+DAIFILO.
+
+ Iae, maer
+Of* ick niet wel en waer,
+Of of [179] ick beter winste?
+
+DORILEA.
+
+Soo soudy doch ten minste
+Het Hof niet volghen, dan
+Slaet yet wat anders an*
+Sonder het groene Woudt en dees Landouw' te laten. [180]
+
+DAIFILO.
+
+Iae Dorilea, ghy noch al Palemons praten,
+En sult my meer sijn raedt doen volghen dan sijn daedt.
+
+DORILEA.
+
+Soo mocht het u wel gaen ghelijck het hem nu gaet,
+Die nae 't verdrach* van soo veel slaverny en [181] snóótheyt,
+Als hy verwachte 't lóón van inghebeelde gróótheyt,
+Is wijs gheworden dat sijn hoop niet was dan windt;
+En klaecht, nu 't ommekomt*, dat hy sich selven vindt
+In plaets van een jonck Hoveling
+Gheworden een oudt schoveling*.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE DEEL
+
+
+DAIFILO.
+
+Hoe aenghenaem is in een schoon lichaem de deucht! [182]
+Hoe lieflijck heusheyt in die geen die mach ghebieden!
+En ghy die 't goedt doen lust, daer ghy wel quaet doen meucht*,
+Hoe heerlijck is den strael des goetheyts in u lieden!* [183]
+Hoe veel schoonheden heeft de schoonheyt 'tsaem gheveucht,
+Eer s'haer vernoeghen liet aen [184] 'tschoon van een Granide!
+O schoone Son, [185] als ghy verscheent in mijn ghedacht,*
+Doe leerde my den dach dat ick in duystre nacht,
+Met vliesen overschaeuwt zijnde mijn ooghen beyde, [186]
+By 't rookrich licht eens [187] lamps mijn dromich* leven leyde.
+Want als begeerlijckheyt in eyghen lust verblindt,
+Die schoonheyts lichaem meer als lichaems schoonheyt mindt,*
+My tot vereenigingh van aertsch met aertsch dee póóghen,
+Doen suyverde'uwe glans de [188] dickheyt* van mijn óóghen,
+Optreckende' haer ghesicht tot uwaerts, waer door mijn
+Siel kennende'* haer waerdy, poocht met haer een te zijn;
+Al* sou zy kleene mug, om in glans te verwanderen,
+Vliend' in de Son met die vereenen door 't veranderen. [189]
+Maer belcht u schoone siel haer dat mijn siele kleen
+Al te vermetel poocht met u [190] te wesen een,
+Soo sal de wil mijns siels in als* met d'uw ghemeen ,,zijn. [191]
+Behalven in (dat sy niet kan) niet willen een ,,zijn.
+Sy wil al willen dat ghy wilt, dat kan zy niet,*
+Sonder haer eyghen doodt, [192] soo langh ghy't haer verbiedt:
+Maer gaefdy haer verlof, en wilde ghy dat mede,
+Soo maeckten liefd, en weerliefd ons vereende vrede,
+Dat sou de vrientschap zijn waer nae mijn liefde tracht,
+Dan vingh ick dat ick jaegh; doch alhoewel mijn jacht
+Is sonder hoop van vangst, nochtans my lust te talen ,,van-* [193]
+Naeby te volghen 't geen dat ick niet achternalen ,,kan.
+Hoe qualijck vat ick selfs mijn eyghen siels beroer!
+Ick heb de waerheyt, maer ick heb haer aen een snoer,
+En sy vliecht om end'om met haer snorrende vlerken,
+Toonende'een [194] ander zijde, eer ick wel d'een kan merken*.
+
+TISIPHERNES. DAIFILO.
+
+DAIFILO.
+
+Houdt Daifilo te hooch.* maer siet hier komt mijn Heer.
+Hoe onbekent voor my was dese naem wel eer!*
+Maer om aen 'tgeen dat my behaecht weer te behaghen,
+Moet ickse leeren, met dienstbaerheyt te verdraghen. [195]
+Een ander soeckt om winst te dienen, en ick ly
+Om gaerne* dienst te doen ongaerne [196] slaverny.
+Ick soeck geen ander loon van dienst, als dienst; mijn leven
+Granide, tot u dienst ick over heb ghegeven:
+Dees Prins te dienen schijnt om daer te raken an
+Het naeste middel, want [197] wort hy u echte-man,
+Ick word' u staeghe slaef, en krijgh mijn hoop door desen;
+En mach ick u niet zijn, ick sal dan d'uwe wesen.* [198]
+
+TISIPHERNES.
+
+Siet hier de dienaer daer ick my best op vertrouw.
+Daifiló hoort [199] hier.
+
+DAIFILO.
+
+ Mijn Heer.
+
+TISIPHERNES.
+
+ Gaet knielen voor mijn Vrouw
+Wt mijnen naem, en meldt, dat ick door't vier ghedreven
+'Twelck staech hoochaerdich* klimt, en wallecht vanden dael,
+In dese borst ontfonckt van haere [200] schoonheyts strael*
+De croon van Persen* eysch voor my, om haer te geven
+Indien dat zy, dewijl* ick eyndelijck* bescheyt
+Op mijn versoeck* verbid, van 's Conings mogentheyt,*
+Een windeken van jonst liet in haer harte waeyen
+Tot mywaerts, 't waer een wenck voor 's hemels Goden bly*,
+Waerop zy passende* souden 't gheluck tot my [201]
+Van duysent aenghesichten 't lachenste doen draeyen.*
+Bidt haer ootmoedelijck, dat zy daer't al aen staet,
+Van mijn vernedert* hart haer dit ontsmeken laet.
+Gaet heen, ick gae ten Hoof terstont de Coningh spreecken
+
+DAIFILO.
+
+Aen mijn dienstwillicheyt mijn Heer sal't niet ghebreecken.
+
+TISIPHERNES.
+
+Mijn yverighe* moedt*, door moeyelijcke* quel
+Van lang vertoef, is sadt van uytstel op uytstel;
+En mijn ghedachten, die ten top van eeren strecken,
+Kunnen uyt ydel hoop niet langher voetsel trecken; [202]
+Dat dese dach den draet mijns hoops in [203] stucken kort,
+Of my vergelde't bloedt met ruymte [204] uytghestort
+In dienste van het rijck; voor soo veel swaricheden,
+Voor arbeydt*, lijfs ghevaer, voor hoogh en laegh gheleden,*
+My loonende (naer eysch van saken uytgherecht)
+Met 's Conings hoochste jonst, en de Prinsses ten echt;
+Op dat de Persen sien, wie, als des Conings daghen
+Verloopen sullen zijn, de groote croon sal draghen.
+De Raedt is al vergaert, 't is tijdt om in te trêên.
+
+DAIFILO.
+
+Ayme wat soeticheyt vloeyt my door al mijn lêen!
+Mijn voorbarighe siel haer wentelt in't verheughen,
+Al eer de sinnen haer dat mededeelen meughen,
+En loopt haer bôon voorby onlijdsaem* van vertoef,*
+Waer door ick vreuchd' gheniet al eer dat ickse proef.
+Hemelsche Venus,* [205] drijft mijn tong door uwe goedicheyt*,
+Dat ick uytdrucken mach [206] het minst van mijn ootmoedicheyt,*
+Van d'overgevenheyt mijns harts tot haer, en van
+D'eerbiedicheyt, die niet als haer verwondren kan.*
+
+CONINGH. OSTROBAS. TISIPHERNES.
+
+CONING.
+
+Loflijcke Prinssen, tot noch toe heb ick ghelaeten
+Yemandt te noemen, [207] die mijns dochters huwelijck
+Waerdt zijnd' aenvaerden mocht de breydel van dit Rijck,
+En heerschappie van soo veel verscheyden staeten;*
+Om d'ingheseten door voorsichtich* kloeck beleyt
+Teghen uytheemsch ghewelt sorchvuldich te bewaeren*, [208]
+En voor my nae't verloop van mijn slippende jaeren, [209]
+Te stieren met ontsich*, en met lieftallicheyt.
+D'oorsaeck, O Tisiphernes, dat ghy niet en troude [210]
+Te samen overlang, naer u verdienst en wins, [211]
+Is niet dat ick ontken*, mijn grootmoedighe Prins, [212]
+Hoe veel dit Coninckrijck is in u deucht ghehouden*; [213]
+Maer 't is dat Ostrobas van hooch verheven stam,
+Wiens vroomheyts* lofgeklanck verdooft al 's werelts kanten,
+Dit oock door brief op brief, Ghesanten op Ghesanten,
+Versocht heeft tot nu toe dat hy, hier selve quam.
+Ons deucht*-vruchtbare tijt, heeft, schijnt het, willen draeghen*
+Twee mannen even groot van achtbaerheyt by my,
+Den eenen in verdienst, den andren in waerdy,
+Den welcken even seer ick wensche te behaeghen;
+Maer dat en kan niet zijn; nochtans ick boven al
+Niet meer op d'eene zijd', als d'ander zijd sal hellen, [214]
+Maer ick begeer dat ghy in 't vrijen meeghesellen
+Komt overeen, wie dat den andren wijeken sal.
+Een yder doe den andren [215] blijeken sijne reden,*
+De bestgegrondste win, de swackste willich wijck,
+Of dat het lot u schey, zijn uwe rêên ghelijck;
+Soo blijft binnen het rijck in rust, buyten in [216] vreden. [217]
+
+OSTROBAS.
+
+Hoe nu? een Onderdaen, een Slaef dien de voochdy*
+Van hoogher wetten dwingt, ghelijcktmen die by my?
+By't bloedt van Arsaces?* wiens grootheyt hooch gheresen
+De Parthen 's werelts vrees alleen ontsien en vresen;
+De Prins voor wiens ghewelt*, d'opgaende Sonne swicht,
+En nau zijn vrees ontslaet* [218] als hy sijn hielen licht.
+Den donder van mijn naem sal Persen die versmaden
+Tot dat het siet en voelt, de blixem van mijn daden?
+Ick wijcken? Iae soo wijckt de Nijl wanneer hy vliet
+Met onbetoomde loop, noch* letsel aen en siet
+Wat hy vindt inde weech, versleept boschagie' en dijcken.
+Puinberghen opghehoopt van uytgheroyde [219] rijcken,
+Die sullen my den wech banen [220] tot hoocheyts top,
+Daer mijn ghemoedt* nae staet, en om te klimmen op
+Den throon van mijn opset, sullen dat zijn de [221] trappen.
+En of den Hemel viel? Ick salder overstappen,
+Eer zijn ghetuymels drang mijn strenghe* moedt verdruck:
+Hy spuw zijn krachten uyt, en 't buldrende gheluck*
+Klatre vry met [222] sijn sweep, 't sal my geen vrees in prenten;
+Ick trotse sijn ghewelt, en puf* sijn dreyghementen.
+Maer ghy o tedre* Pers, wat stady nae mijn eysch?*
+Die niet een senu taey [223] hebt aen v weecke vleysch,
+Ghy halve-vrouw, laet mans d'oefning* van 't [224] heerschen houwen.
+Maer 't is u om de vrouw: Ghy vindt wel ander vrouwen
+Waer mee ghy oeffenen* de troetel-kunste meucht.
+Daer ghy u op verstaet, en die ghy van u jeucht
+Met geyle zeden leert bedampt* van wijn en róósen.*
+Sardanapalus komt en wil Atlas [225] verpóósen,*
+O Goden wacht u hals! Ghelijck 't onedel bloedt,
+Sulck u hantering* is. Maer ick ben opghevoedt
+Onder 't ghekners van 't stael, 't gheberst van helm en swaerden,
+'T gekrijs van 't oorloochsvolck, en 't briesschen van de paerden;
+De dulle trommel,* en d'opstekende trompet [226]
+Zijn mijn dertelste spel; [227] d'hard' aerd', als 't nauwt*,
+mijn bedt.
+Aensiet u swackheyt om u selven te verschoonen:
+Ghy 't rijck van Persen? hoe? de last van soo veel croonen
+Kneusde' u het [228] beckeneel; het pack van sulck ghebiedt
+Druckte' u de schouders [229] in, gheeft u daer onder niet:
+De voorstandt* van soo veel 'tsamenghegroeyde [230] landen
+Vereyscht een kloecker borst, en klem van grover handen.
+Voorts die sich wil by my ghelijcken in waerdy
+Moet daer geen proef* van doen door lot of pratery,
+Maer door de deucht* alleen: Dat vroomheyt in het vechten
+Sich teghens vroomheyt* stel, om ons gheschil te slechten,
+Het Rijck en de Prinsses zy des verwinners prijs.
+Dan* ghy sult, mijnen raet volghende, zydy wijs, [231]
+(Hoewel een Onderdaen geen dienst soo menichvuldich
+Kan doen, of hy en blijft noch veel sijn Prinsse schuldich)
+U laten loons ghenoech voor u verdiensten zijn
+Dat u de Koningh hier gheleken heeft by mijn. [232]
+
+TISIPHERNES.
+
+Wanneer 's moeds* buyen dul des redens toom ontslippen,
+Ghelijck de storm, dien ghy blaest uyt verwaende lippen,
+Ist onbesuysde windt die vaeck het minste schaedt,
+Maer scheurt sijn eyghen kracht op onbeweechde klippen;
+Soo doet u rasery op Coning, my, en Raedt.*
+De ry van Prinssen oudt, [233] uyt welcker brave* saedt
+Ghy u ghesproten roemt, en wort hier niet versmeten;
+Maer dat ghy d'eer van mijn doorluchtich huys versmaedt,
+Om dat een Oppervoocht is boven my gheseten,
+Ick en dees Persen al u bittren ondanck* weten.
+Want onse Coning valt ons niet soo wreedt en wrang,
+Noch wy den onsen, als ghy, die trots en vermeten*
+U verblufte* Ghemeent* in slavernije strang
+Ondrachelijck verheert* met hart gheweit en dwangh: [234]
+Waer door u moed* verheft, dat* ghy 't met u braveren
+Den Goden, soo ghy waendt, des hemels maeckt te bang,
+Die, (lachens' er niet om) 't u ras sullen verleeren:
+Maer ons bysonder* volck rechtvaerdich wy verheeren*,
+En met bescheydenheyt* de Coning 't alghemeen:
+Dees deuchden houden wy op 't alderhoochst in eeren, [235]
+Die ghy verkeert*, vervreemt van alle recht en reên,
+Soo smadelijck ghewoon met voeten zijt te treên,
+En moedeloosheyt* noemt een ondeucht inde helden:
+Waer door ten aensien* van u overdwaelsche* zeên*
+Ghy my en dese, komt voor halve Vrouwen schelden
+Maer niet meer als uw dulle gramschaps yl ghewelden. [236]
+Vrees ick sonder belul* uw groove [237] lichaems kracht;
+En 't viel* licht dat ghy noyt tot uwent nae vertelde
+De troetelinghen van dees halve vrouwen sacht.
+Dan of 't ghebeurde, dat [238] ghy my al ommebracht,
+Soo souden u nochtans dees Persen kloeck, en moedich*
+Niet kennen* voor haer Prins (ken ick haer)* [239] maer verwacht
+Van al het Rijck, en elck bysonder wrake bloedich:
+Want syliên nemmermeer sullen het heerschen [240] woedich,
+En u uytheemsche trots lijden in [241] plaets van my,
+Noch laten wraeck te doen over een Prinsse goedich*, [242]
+Van wiens verdiensten en loflijcke [243] daden, zy
+Gunstigher oordelaers* [244] en kenners zijn als ghy.
+
+OSTROBAS.
+
+Een lecker* trotst mijn kracht (wat sal my noch ontmoeten*?)
+En hy leydt niet vertrêên aen mortel van mijn voeten?
+Ostrobas wat u beurt? [245] Ghy dreycht my met ghevaer
+Van uwe wraeck; ick tart de Persen allegaêr.
+Daer leydt den handtschoen, d'eerst van soo veel onvervaerden
+Tast sonder beven aen, en hef hem van der aerden. [246]
+Soo lang'er een sal zijn, die my darf teghenstaen*
+Van allen, en sal ick niet weygheren te slaen.
+Ghy meucht u vry met keur van wapenen versorghen.
+
+TISIPHERNES.
+
+Mijn is dan d'eerste beurt. Nu, dat dan teghen morghen
+Rechtvaerdich [247] Coning, ons een plaetse werd bestelt*,
+Op dat de bleecke doodt in een besteken* veldt,
+Een van ons beyden doe sijn stijf opset vergeten.
+
+CONINGH.
+
+Zijn u gramschappen op elckander soo ghebeten,
+Dat sachter middel niet kan eynden u krackeel,
+Soo laet ten minsten u de roof* van 't afghereten
+Harnas uws vyants, sonder hem te moorden heel, [248]
+Volle verwinning zijn, en slechting van 't verscheel. [249]
+
+GRANIDA.
+
+Wanneer het aertrijck [250] van des ruwen winters plaghen,
+En zijn ontydich* koudt omhelsen wordt ontslaghen,
+Ghevoelt zy in haer hart oprekenen* de schier
+Heel uytghedoofde kracht van haer begraven vier;
+Door dien de Lenten soet, in zijn verliefde weecken, [251]
+Haer streelt, en ondergaet* met minnelijcker treken,
+Wanneer dat hy [252] vernieuwt den outs-bekenden brandt;
+Levende ritseling* [253] doorkruypt haer 't inghewant:
+Alsoo ghevoel ick veel ghepeysen in my wecken
+Wt haren diepen slaep, en door mijn leden trecken,
+Die oorspronck namen in mijn teer-beweechde* geest,
+Als ick eerst wierd ghewaer het schoone, dat my meest
+Behacchde, van al 't gheen dat my oyt is verscheenen;
+Want nae 't verlies van dien,* allensjens zy verdweenen,
+Met de ghedaente, die my in den sinne lach,
+En nu door dien ick 't eens behaechde schoon hersach
+Met meerder hefticheyt sy op een nieu verrijsen,
+Om my de schoonheyt van een Harder aen te prijsen.
+Maer sacht Granida,* houdt op, houdt op, want waer toe dient
+Dus hooch te setten een die ghy tot Heer en Vriendt
+Geensins verkiesen meucht*? maer leyden moet u leven [254]
+Met, dien u andren keur uyt weynighe sal geven.*
+Wat leyder boodtschap,* uyt wat aenghenamer mondt
+Helas! was, Daifilo, die ick van u verstondt?
+Ayme! wat vriendtschap in u voorhooft stondt [255] gheschreven?
+Helas! het schijnt dat op de staten* [256] hooch verheven
+Wy sitten met ghebiedt, maer die't wel ondertast,
+Vindt ons verheert verdruckt onder haer overlast*. [257]
+Helas! meer droefheyt vreest mijn hart dan 't hoop [258] verblyding:
+Ick gae vernemen doch nae de verlangde tyding.
+
+REY VAN IOFFEREN.
+
+739 Wat stort al gaven groot,
+ Bewoonders vander aerden,
+ Den hemel in u schoot,
+ Als ghys' ondanckbaer snoodt
+ Niet met de voet en stoot,
+ Maer vorder* sorghen doodt,
+ Om 't aengheboôn 't aenvaerden. [259]
+
+746 Maen, Starren, 's nachts cieraet,
+ D'eerwaerde* Sonne-straelen,
+ 't Aertrijck met vloedt doorwaedt*,
+ Daer kruydt, en boom beblaedt,
+ By blye Bloemkens staet,
+ 'T schoon menschelijcke saedt
+ Met lust u 't ooch onthaelen.
+
+753 Het braef* of soet ghespeel
+ Van windt of tedre snaeren,
+ Het lieffelijck ghequeel
+ Van mensch of voghels keel,
+ Spel en sang-menging eel
+ Door 't oor met lust, gheheel
+ Ter sielen innevaeren:*
+
+760 De Wieroock, diemen met
+ De Myrrhe plach* te veughen,
+ Musc, Ambre, scharp Civet,
+ Groen kruydt, en Bloemkens net,
+ Roos, Lely, Violet
+ Met reuken onbesmet
+ Ver stercken, en verheughen.*
+
+767 Een vollen overvloedt [260]
+ Van veele dranck, en [261] spijsen,
+ Des menschen lichaem voedt
+ Als hy met lusten soet
+ Sijn graghen hongher boet;
+ Maer bruyckt hy 's meer,* daer moet
+ Ghebreck*, en last uyt rijsen.
+
+774 Van alle 's werelts lust
+ Is soete brandt van Minne
+ Voor d'heftichste bewust*,
+ Wanneer zy wordt gheblust
+ Als lief by lieve rust;
+ Daer aertsche mondt ghekust
+ Voldoet voor een Godinne.
+
+781 Dees lusten allegaer,
+ En duysent van ghelijcken,
+ Als oefnen, aesmen maer,*
+ En d'onghetelde schaer
+ Van al ons handtghebaer,
+ Voor Liefd' oprecht, en waer,
+ Nochtans in vreuchde wijcken. [262]
+
+788 Sy doet dat vreuchd' ontspring,
+ In twee verbonden harten;
+ En maeckt dat yder dingh
+ Dubbele lust in bring, [263]
+ Door haer vereeniging;
+ Iae 't draghen onderling
+ Treckt soetheyt uyt de smarten.
+
+795 Dees salighende deucht*
+ Op aerden kan doen smaken
+ Een goddelijcke vreucht,
+ Die luttel liên verheucht,
+ Want meest een yder veucht*
+ Sich omme sijn gheneucht
+ Van leur*, of niet te maken.
+
+802 Och hoe swaer ist te raken
+ Aen vrientschap onbevleckt,
+ Daer vrienden keur ontbreekt!*
+
+805 Dien lust tot staet en eeren
+ Boven de maet verheft,
+ Moet dese lust ontbeeren
+ Die 't alles overtreft.
+
+809 Want onder luttel lieden
+ Daer hy uyt kiesen gaet,
+ Can 't swaerelijck gheschieden,
+ Dat een hem annestaet.
+
+813 Wat vrientschap vol van trouwen
+ En van gheneuchten bly
+ Kan Liefd' en Minne bouwen, [264]
+ Daer gheen behaghen zy?
+
+817 De nacht komt opter aerden
+ Ghevallen met haer schim*,
+ En met haer bruyne* paerden [265]
+ Berijden onse kim.
+
+821 Morghen 't ghevecht sal maken
+ Mijns Vrouwen huwlijck klaer,
+ En in soo grooten sake [266]
+ Kiest het gheluck voor haer. [267]
+
+GRANIDA. DAIFILO.
+
+GRANIDA.
+
+Ach wat bekommeringhen [268]
+Comen mijn siel [269] bespringhen!
+De nacht, die 't al ontlast,
+Maeckt dat mijn sorghe wast.
+De swaricheyt ghenakende
+Houdt mijn ghedachten wakende:
+Villicht* dat hier voorby
+Koom sang of spel, om my
+Wat uyt den sin te stellen
+De sorghen die my quellen.
+Maer wie komt gins ghegaen
+By 't schijnen van de Maen?
+Wat soudt Daifilo [270] zijn, ick sal de venster sluyten,
+Van binnen kan ick sien door 'tglas, hy niet van buyten.
+
+DAIFILO.
+
+Kond 't lichaem als de siel vervolghen daer 't nae staet,
+'T was nu by mijn Godin, en niet hier op de straet:
+Maer 't soeckt, nae zijn vermeughen,
+Sich, volghende te veughen*
+Daer 't van sijn leydtsman 't hart
+Henen [271] ghetrocken werdt.
+Ayme [272] Granida! doel van mijn ghenegentheyden,
+Hoe nood' is liefde van haer lieve lief [273] verscheyden*?
+Maer wat vertoeve ick langh? best ist dat ick vertreck,
+Eer yemandt my ghewaer hier wordende, begeck
+Mijn lieven als verwaent, en sonder grondt verheven
+Kasteelen inde lucht.* Dan ick ben niet ghedreven [274]
+Door een begeerte van besit ghelijck als zy,
+Nae dienst is dat ick tracht, en niet naer heerschappy.
+Iuppijn, Princesse waerdich,
+Zy voor u sorrechvaerdich,
+En 't heyr van 's hemels Goôn
+De wacht van u Persoon.
+
+GRANIDA.
+
+Hoe menich klaecht van liefd' een onbeproefde smarte?*
+Dees openbaertse niet daer* hyse voedt in 't harte:
+Maer sy ontdeckt haer selfs, en ongheveynsde vlam
+Wierd noyt verborghen dat zy niet te voorschijn quam.
+O rechten sonder reên! o wetten sonder weten!
+Met recht mach 't opperst recht wel 't opperst onrecht heten:
+Besit van staet, van landt, van gelts ontelbre som,
+Dat deylt ghy nae 't gheluck, niet nae de reden om,
+Des vaeck, de slechste krijcht [275] hier van de grootste winste,
+En die het meeste waert is lijdt* hem met het minste:
+Van d'erfgoên die natuyr ons achterliet ghemeen,
+Deyldy den eenen veel den andren ganslijck geen.
+O rechten sonder reên!
+Verkeerder* menschen lust, en snoode schelmerijen,
+Hebben u [276] voortghebracht; want in de gulden tijen,
+Doen 's werelts kintsheyt soet niet deed, dan sliep, of loech,
+Doe niemandt vorder als voor noodruft* sorghe droech,
+En hadder niemandt veel, maer yder had ghenoech.
+Doe waerdy onbekent, maer nu, door boosheyts woeden.
+Zydy een noodich quaet, om quader te verhoeden.
+Doe koos men Lief nae lust, nu dwingt het onderscheydt
+Van staten*, vaken* ons te maken lief van leydt:
+En d'overvloedt die maeckt den aldermeest van machten [277]
+Behoeftich in het geen dat aldermeest is t' achten.
+Twee eyschen my tot Lief, de strijdt sal rechter zijn,
+En wie dat wint, helas! 't verlies is altoos mijn. [278]
+Want wien my 't blindt gheluck van beyden toe sal legghen
+Het kost mijns levens rust. Soo luttel heeft te segghen
+Een Coningin, in saeck, die haer soo seer betreft.
+De spits is hooch, maar eng, daer 't luck ons op verheft.
+
+
+
+
+
+
+
+DARDE DEEL
+
+
+TISIPHERNES. DAIFILO.
+
+TISIPHERNES.
+
+Ghy lieft Granidá, en hebt ten Hove dienst ghenomen
+Om haer te dienen?
+
+DAIFILO.
+
+ Iae, mijn Heer, en ben ghekomen
+In uwen dienst, op hoop, dat zy u echte Vrouw,
+En door dat middel ick haer dienaer worden souw,
+Om te besteden, in alsulcken dienst, mijn jaren,
+Daer alle menschen toe docht my, gheschapen waren; [279]
+Dat my de reden wijst, kan ick niet laten nae,
+Versuymen't anderliên haer eyghen schuit en schae;*
+Dies, dat ick voor haer stry, [280] jae sterve, dats mijn leven.
+
+TISIPHERNES.
+
+Voorwaer van edel Godt is u ghemoedt ghedreven:
+Dan* dat ghy voor my vecht, mijn eere niet en lijdt.
+
+DAIFILO.
+
+Maer wie sal weten, Heer, dat ghy het niet en zijdt?
+Wt een besloten helm sal't niemandt kunnen ramen.
+
+TISIPHERNES.
+
+Ick selfs soudt weten, en my in mijn harte schamen.
+
+DAIFILO.
+
+Men vecht hier om u Lief, en 't Rijck, en niet om eer.
+
+TISIPHERNES.
+
+Dats waer.
+
+DAIFILO.
+
+ Kiest, wijslijck, dan het sekerste mijn Heer.
+
+TISIPHERNES.
+
+Maer of hy u versloech?
+
+DAIFILO.
+
+ Dat hy dan u verbeyde. [281]
+Soo 't u belieft.
+
+TISIPHERNES.
+
+Iae: want gans Persen hy ontseyde*.
+Maer proev' ick het soo goedt dan niett en eersten?*
+
+DAIFILO.
+
+910 Neen:
+Want hy lijdt meer ghevaers van twee liên, als van een.
+En of de wreede Parth niet en was te [282] vernielen,
+Als met den onderganck van bey de Vechters sielen;
+Want kond 't u baten dat ghy hem ter hellen sondt,
+Indien ghy (God behoets*) bleeft dootelijck ghewondt?
+Maer soo dat my ghebeurt, wat isser aen gheleghen?
+De vruchten van de winst door mijne doodt verkreghen
+En sullen niet met my verrotten in het graf,
+Maer erven ghy, mijn Heer, sult het [283] ghenot daer af.
+En de Princesse, dien 't veel saligher sal wesen
+Te leven met een Prins der Persen uytghelesen,
+Als met een walscher* raeu, en overdwaels Tyran.
+
+TISIPHERNES.
+
+Daifiló u reen zijn groot, doet [284] dese wapens* an.
+De Goden willen* u en my het best verleenen.
+
+DAIFILO.
+
+'T is hooghe tijdt, [285] mijn Heer, vaert wel, ick spoey my heenen.
+Op dat my niemandt ken van die ons vechten sien.
+Soo sal ick sonder spraeck 't gheselschap eere biên*.
+
+OSTROBAS. DAIFILO. CONINGH.
+
+OSTROBAS.
+
+Waer blijft mijn vyandt? leydt hem 't hart in yle reden?*
+Heeft hy berouw? of (is) het harnas noch te smeden; [286]
+Om datter geen ghemaeckt in 't heele Persen zy
+Daer hy sich in gherust vertrouwe teghens my? [287]
+Maer al beswoer [288] 't Vulcan met dubbel hardichede,*
+Soo sal het wederstaen [289] mijn punte, noch mijn snede.
+Die sorch verlet hem niet, dacht hy soo ver', ick acht
+Veel eer dat hy sich bet sint gister heeft bedacht.*
+Dan*, soud' hy daer wel zijn? soo wilt tot bloedich teecken
+Van den aengaenden strijdt flucx de Trompette steecken.
+
+DAIFILO.
+
+Eeuwighe Goden groot, verstreckt [290] my nu de kracht,
+Waermede, doen ick noch was Harder, ommebracht
+De vreesselijckste van de wreede wilde dieren;
+Voor al Granida ghy, die my gaet herwaerts stieren,
+Verdubbelt my den moedt, en krachten onder 't slaen:
+Mijn vyandt wacht op my, daer gaet het teecken aen.
+
+CONINGH.
+
+Persen, u Prinsse wint, [291] verheucht* mijn Ondersaten,
+Den hemel vecht voor u. Ontslaeghen zijn mijn staten
+Van d'ysselijcke vrees, daer leyt de Parth ghevelt.
+Dat Tisiphernes leef; gheluck grootmoedich* helt,
+Den grooten Scepter ghy sult voeren nae mijn leven,
+En u ghewenschte Lief* ick u ten echt sal geven.
+Ontwapent u terstont en nae de ruste tracht,
+Op dat u wonden, of vermoeytheyt zy versacht.
+Laet ons de Goden gaen met danckbaerheyt vereeren,
+Die op des vyants hooft zijn dreygementen keeren.
+
+DAIFILO.
+
+Opperste Goden, en [292] ghy opperste Godin
+Granida, die u throon in 't diepst hebt van mijn sin,
+U komt de zeghe toe, oock sult gh'er 't nót af erven,
+En my ist nóts ghenoech om u nót*, nót te derven.
+Wat naeckt u blijde maer, O Tisiphernes, sal
+U siele cunnen wel de blijschap draeghen al?
+Het sal schier zijn van nood* dat ick u die verberghe,
+Op dat haer hefticheyt niet al te veel en verge
+U inghenomen hart met overighe* feest*,
+En haer omhelsen [293] strengh* verdelgh u swacke geest.*
+
+REY VAN IOFFEREN.
+
+964 Lof goedertieren
+ Goden, waert te vieren, [294]
+ Die, doen wy weenden,
+ Cracht, en moed verleenden
+ Over ons zije,
+ In het bitter strijen
+ Om d'heerschappie.* [295]
+
+971 Doen 's werelts jaeren
+ Iongh, en onervaeren
+ In boosheyts listen,
+ Van geen eyghen* wisten,
+ Kenden de lieden
+ Dienen, noch ghebieden,
+ Wat het bedieden. [296]
+
+978 Ider behoefde
+ Luttel, d'aerde proefde*,
+ Ploeghen noch delven,
+ Willich, uyt haar selven, [297]
+ Droechse de goeden*,
+ Die de menschen voeden
+ In overvloeden.
+
+985 Maer 't overtreden
+ Van nootdrufticheden,
+ Dat dompt' een yder
+ Inde sorghen wyder, [298]
+ Doende, met pijnen,
+ 'T veele luttel schijnen,
+ Hen* quam het mijnen*.
+
+992 Want, doen het vechten
+ Daers' haer eerst nae rechten*,
+ Haerlie beswaerde,
+ Sy verdeelden d'Aerde:
+ Grachten en staeken*
+ Sachmen doen eerst maeken,
+ Muyren en daken.
+
+999 Voorts met elckandren,
+ Om met krijch den andren
+ Niet meer te stooren,
+ Sy een Coningh kooren,
+ Die haere twisten
+ Met zijn oordeel* slisten,
+ Dats' oprecht* gisten: [299]
+
+1006 Die haar oock teghen
+ Volcken bygheleghen,
+ Die'r overvielen
+ Om haer te vernielen.
+ Leyde ten strijde,
+ Daer hy 't geenen tijde,*
+ Sich selven mijde*.
+
+1013 Dese rechtvaerdich*
+ Waren 't rijcke* waerdich,
+ Maer haer naesaten
+ Hebbende verlaten
+ D'oprechte [300] weghen,
+ Lust int heerschen kreghen,
+ En 't ontucht* pleghen.
+
+1020 Soo dat (daer* d'ouden
+ Liever dienen souden)
+ Een Coningh heden
+ Nauw en is te vreden [301]
+ Met sijne plecken,
+ Om 't ghebiedt te recken
+ Haer sinnen strecken*.
+
+1027 D'oude niet gaeren
+ Heerschten, daerse waeren
+ Daer toe ghebeden,*
+ Dese, niet te vreden [302]
+ Met die 't haer bieden,
+ Dwinghen oock die lieden
+ Die voor haer vlieden.
+
+1034 Wat onghelucken
+ Komen 't Landt verdrucken
+ 'T welleck moet lijen
+ Vreemde tyrannijen!
+ Nevens het plaghen
+ Des Tyrans, 't moet draghen
+ Sijns vollix* knaghen.
+
+1041 Lof goedertieren
+ Goden waert te vieren,
+ Die, doen wy weenden,
+ Kracht en moet verleenden
+ Over ons zije,
+ In het bitter strijen [303]
+ Om d'Heerschappije.
+
+DAIFILO.
+
+Al peynsend' [304] op sijn bed ick legghen vandt mijn Heer
+Ghemat van hoop, en vrees, door 't trecken heen en weer.*
+Mits* hy my wiert ghewaer, vlooch op met heftich vraeghen,
+Wats d'uytgangh van den strijdt? uw vyandt is verslaeghen
+Seyd'ick, waer op hy my omhelsend' heeft gheseydt,
+Gheen eeuw* sou wisschen uyt sijn heete danckbaerheyt;
+Noch mijn ghetrouwe dienst uyt sijn ghedachten vlieden.
+Soo langh als in syn siel Granida sou ghebieden;
+De welcke morghen hy te gaen besoecken dacht,
+Indien sijn blijschap hem liet leven dese nacht.
+Morghen dat waer te [305] langh, indien sijn ingheboren
+Gheneychtheyt 't' haerwaerts hem met aenhoudende sporen [306]
+Prickeld' als doet de mijn. [307] De naere* nacht verspreydt
+Haer schaduw over 't kruydt, en d'eedel Sonne weydt
+Sijn afgheronnen* jacht* achter de [308] steyle berghen;
+De sorghen, die des daechs het woelich vollick terghen*,
+Die slapen met de mensch; 't Ghevoghelt en het Vee
+Zijn stom, de Mane slaept, en licht Granida mee: [309]
+Maer altijt leeft mijn liefd. Een treck om te vereenen
+Drijft my nae mijn Godin, zy drijft my herwaerts [310] heenen
+Soo naer als 't lichaem kan. Dit zijn de vensters dees,
+Daer, als de Son opging, de teghen-Son verrees,
+En joech hem schaemte aen. [311] Wt dese vensters plach
+Te toghen mijn Godin haer aenschijn op den dach:
+Als op 't onwaerde volck haer jonste zij laet regenen,
+En 't haer belieft daermeed' Hemel en Aerd [312] te segenen.
+Ach salich ick die 't sie! soo salich niet misschien
+Is die 't ghenieten* sal, en niet soo wel sal sien.
+Ay my! ick vocht, ick wan, een ander sal braveeren*!
+Dats niet*; maer die 't sal zijn kan u niet vol waerdeeren.
+
+GRANIDA. VOESTER. DAIFILO.
+
+GRANIDA.
+
+Hoe nu Granida? kloeck, en vaerdichlijck besluyt.*
+Voester.
+
+VOESTER.
+
+1080 Mijn Vrouw.
+
+GRANIDA.
+
+Daer gaet Daifilo, treedt eens uyt, [313]
+Om hem te roepen, ras, want ick uyt [314] sijnen monde,
+Gaeren, de staet, waer in zijn Heer mach zijn verstonde. [315]
+
+VOESTER.
+
+Dochter ick vlie. [316]
+
+GRANIDA.
+
+Nu dan, dat swackheyt van ghemoe
+U niet het minst ghegrondt in reden kiesen doe,
+Siet dapperlijcken* toe.
+Dat inghesoghen waen, die 't merch en 't hart soo naer ,,leyt,
+Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant,
+Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt,
+Die de natuyre prent in 't redelijck verstandt. [317]
+Voorganghen* [318] overlegh met reden van ghewicht,
+En d'ondervindingh selfs heeft my wel onderricht
+Dat soeter lust en rust ghemeenlijck wordt ghenoten
+In Hutten, als ten Hoof, of op beveste* Sloten,
+Als dat al niet en waer,* maer dat een Harders staet [319]
+Was vol van arbeyt, moeyt, vol sorchs en kommers quaet, [320]
+En ick daerinne mocht soo trouwe liefd bejaghen,
+Wat vreuchde soud't my zijn, daeromme smart te draghen?
+
+VOESTER.
+
+Daifilo. Hy keert. [321]
+
+GRANIDA.
+
+ Hy keert. Ayme! Ayme! wat beswaer,*
+Cond my quetsen by u, ten waer't het uwe waer?*
+Granida dese tijdt* is jonst van Godt verkreghen,
+Dient'er u van. [322] Hy naert. Ick gae beneên hem teghen.
+Het swaerste meest moet weghen.
+
+DAIFILO.
+
+Mijn Vrouwe, siet my hier tot uwen dienst bereyt,
+Belieft u yet van my?
+
+VOESTER.
+
+ Niet anders als bescheyt,
+Daifilo, van de wel of qualijckvaert [323] uws heeren,
+Mijn vrouw komt sellefs of, en seyt dat zy begeeren
+Heeft, om uyt uwen mondt het selve te verstaen.
+
+GRANIDA.
+
+Voester 't believ' u aen [324] een zijde wat te gaen.*
+
+DAIFILO.
+
+Hooghe Prinsses ick bid den hooghen Prins* der Goden, [325]
+Dat hy u wenschen geev' de kracht van zijn gheboden.
+En danck hem [326] dat mijn dienst u yet wat komt te stae,
+
+GRANIDA.
+
+Ach Daifilo!
+
+DAIFILO.
+
+ Hoe mijn vrouw? Voester. [327]
+
+GRANIDA.
+
+Neen, laet dat nae.* [328]
+Daifilo en hadt ghy my niet [329] verre boven allen,
+Doen ick u eerstmael sach, verheucht en welbevallen,
+En u te passe dienst mijn hart gheneycht tot dy,
+Soo soud' u heusheyt [330] trouw ghepleecht ten Hoof, by my
+De jonst hebben verweckt die ick u [331] droech* te vooren,
+Nu heeftse [332] die vermeert; maer in my is ghebooren
+Een lust om weten wat het zijn mach, dat u hier
+Dus in de naere nacht ontrent mijn venster stier;
+Ontdeckt het vryelijck, en antwoordt op mijn vraeghen.
+
+DAIFILO.
+
+Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf* van zijn grondt gewaegen.
+Princesse' als my verscheen dat [333] heylsaem* aenschijn schóón,
+Dit seltsaem wesen, dat soo rijcklijck stelt ten tóón
+De grootheden uws siels, [334] haer hooge' en heussche goedicheyt*,
+Haer ernst*, oprechticheyt, bescheydenheyt*, cloeckmoedicheyt,
+Had een vierighen Godt mijn hart doe niet gheleert, [335]
+Dat u den hemel aen de werelt had vereert
+Op voorwaerde, dat al, die kenden u waerdije, [336]
+Souden voor 't hoochste goedt kiesen u [337] slavernije,*
+Soo moest ick van 't gheslacht der eycken-boomen hardt,
+Of wel een rootse* zijn, [338] die niet beweecht en werdt*.
+Grootachting* uws persoons [339] is voocht* van al mijn sinnen.
+Die dreef my van het veldt, en deed my 't hof beminnen,
+Om de ghenegenheyt mijns siels [340] te wt'ren; want
+Die soeckt haer aen het schoonst te geven dat sy vandt [341]
+En met dat een te zijn. Maer waerdste der Godinnen
+Hoe wel ick daer nae wensch, ick hoop het niet te winnen;
+Soo waerdt en acht ick niet by een Godin een mensch:
+Om mijn ootmoedighe' hoop, verschoont mijn trotse wensch.
+Ick wensch het niet, maer sou daer wenschen aen te raeken,
+Mocht ick door wenschen eerst mijn self dies waerdich maeken.
+Dit doet, mijn vrouw, dat ick op 't naest u by zijn soeck,
+En ver van u te zijn my valt de swaerste vloeck.
+
+GRANIDA.
+
+Ach Daifilo! door 't glas verstond* ick de gheruchten*
+Van u verliefde klacht, en ongheveynsde suchten:
+Noch* 't is nu d'eerstemael dat ick die heb verstaen,
+Noch 't is nu d'eerstemael dat ick bespeurdt heb aen [342]
+Uw uyterlijcke jonst, uw innerlijcke vlammen.
+'K en acht geen beuseling van onderscheydt der stammen*,
+De deucht* maeckt eedel; u en overtreffet dan
+Ter werelt, dat ick weet, geen Prins noch Edelman.
+Daifiló ick heb u lief, en [343] sal u liefd betaelen
+Het dierste dat [344] ick kan.* De tijdt verbiedt te draelen
+In 't openbaeren van mijn onghemeten vier.
+Daifilo. dits mijn raedt*, leydt my [345] terstont van hier,
+Een Harderinnen kleedt, in plaets van goudt, en zijde,
+Ben ick vrolijck ghetroost: Indien ghy u kundt lijden* [346]
+Met my in sulcken staet, soo vliên we' eer dat het daecht.
+
+DAIFILO.
+
+Ick kus d'aerde, mijn [347] Vrouw, die uwe voeten draecht.
+Een hartseer doodt my, groot, maer lieflijck boven maeten,
+Dat ick soo grooten jonst moet onvergolden laten,
+Door dien my macht ghebreeckt. Maer overlegt mijn Vrouw,
+(Want liever als uw druck* had ick mijn eyghen rouw)
+Van welcken hoocheyt ghy soudt dimmen gansch beneden:
+Een Coninginne, niet geeert, maer aenghebeden,
+Haer geven tot een staet,
+Daer niemandt acht op slaet?
+Het braef*, opsichtich*, groots, en hemel-hooch verheven,
+Van duysenden ghewenscht voor salich-makend leven,*
+Soudy verlaten, om een leven soet, en sacht,
+Maer onghesien, en laech, slecht*, nedrich*, ongheacht, [348]
+Het welck u mocht bedroeven,
+Wanneer ghy 't quaemt te proeven.
+Men raekt'er lichtlijck in, maer swaerelijcker uyt.
+
+GRANIDA.
+
+Daifiló en houdt het mijn [349] voor geen verylt besluyt.
+Eer ick met dese saeck dus ver ben voortghetoghen,
+Heb ick in juyste schael de dinghen overwoghen.
+De Prinsselijcke staet veel nutheyts innebrengt.
+Maer (Goon!) wat teghenwicht is met dat nut ghemengt!
+Ach eenvoudige rust, der Harders [350] laech gheseten,
+Die luttel van 't gheswint ramps overromplen weten!
+Ick sie nau, dat ick yet, o Daifilo, verloor,
+Indien dat ick die staet slechs om haer selven koor;
+Nu kies' icks niet alleen om 't schuwen der verdrieten,
+Die my naekende zijn, maer [351] meer, om te ghenieten*
+En te vergelden dier uw liefd, die my verwan;
+De waerdste vreuchde, die den Hemel deelen* kan:
+Om welcke' in midden 't vyer ick sou te leven dóógen*.
+Maer wat, ick doe 't alree, ghij siet de proef voor óóghen.
+Wat last? wat smarte? wat quellagie soud' op mijn
+Hart heften* connen als ick [352] een met u mocht zijn.
+Daifilo, hoe dus verbaest*? heeft u dees maer* verslaeghen? [353]
+
+DAIFILO.
+
+Verslaghen? jae, mijn Vrouw, noyt droefheyt in mijn daegen
+Vermeesterde mijn hart met sulcken overlast*,
+Ghelijck de blijschap nu dat heftich annetast.
+Wat eer? wat lof? wat danck can u de werelt geven?
+Mijn ghedacht is te cleyn. [354] Ach lief, en salich leven
+Mijns ootmoedighe siels! [355] Ach mocht mijn siel, van nu
+Eeuwelijck metter woon vaeren uyt my in u! [356]
+En, in dees wooningh schoon uws siels, altijt nae desen [357]
+Onscheydelijck, haer trouw-nechtige* dienstboo wesen!
+
+GRANIDA.
+
+Daifiló, ons corte tijdt moet zijn ghenomen waer*. [358]
+Vindy mijn voorslach goedt?
+
+DAIFILO.
+
+ Mijn Vrouwe, dat wy daer
+Niet langher op beraên. U voorsicht* heeft veel verder, [359]
+Prinsses, en bet ghesien, als uwen slechten Harder. [360]
+Wat u belief, gheschie.
+
+GRANIDA.
+
+1215 Nu Daifilo, dat wy
+Mijn Voester dan terstont gaen winnen op ons zy,
+En onderrechten haer de sake te bestellen*,
+Dat mijn verlies op 't minst mach mijn Heer vader quellen.
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE DEEL
+
+
+DAIFILO.
+
+Onder soo veel, soo veel [361] cieraden eel en braef*
+Van 't vrouwelijck gheslacht, en ist de minste gaef [362]
+Des hemels niet, dat sy schielijck [363] een raedt* versinnen,
+Die nae veel overleghs, een man, nau soude vinnen.
+Soo ras de Voester had haer teghen-reên gheseyt,
+Waerense [364] van mijn vrouw wel crachtich wederleyt.
+Soo ras de Voester sach dat van verandring spreken
+In haer voornemen, was voor steene rootsen preken
+En ons haer dienste bood, soo hadden zy om 't stick*
+Lichst uyt te voeren, in min als een oogenblick,
+Listighen raedt [365] bedacht, om soo seer te verblenden
+Coning, en heele Hof, dat sy niet eens haer wenden [366]
+Souden, om ondersoeck nae de Prinsses te doen. [367]
+De saken zijn bestelt*, en niemant sal vermoên
+Hebben op my. Neen, want [368] in 't west noch niet gedaen ,,zijn,
+De bruyne* grijnsen* van des hemels vrolijck aenschijn;
+Scharp 's uchtens gouden cruyn* in 't oosten schittert, mit
+Haer verschghevlochten krans van roosen roodt, en wit.
+Niemandt van 't hofghesin* is weet ick noch gheresen,
+En acht mijn Heer sal mee noch by sijn bedde wesen.
+Maer later diende 't niet, siet, waer hy my ontmoet,*
+De blijschap steurt de slaep meer dan de droefheyt doet.
+
+TISIPHERNES. DAIFILO.
+
+TISIPHERNES.
+
+Spoeyt u eerwaerdich licht om op my uyt te spreyden
+'T beginsel*, en 't vervul van mijn gheluckicheyden;
+O blosend' Uchtent boet* mijn onrustich ghewach*, [369]
+Voorloopster van de Son, Vroemoeder van den dach.
+En ghy glinstrende star deckt u verliefde stralen*
+Wat eer als u ghewoont, en om weer te verhalen* [370]
+U tijtverlies, soo wilt u 't' avondt liever spoên
+Wat vroegher, als u licht mijn beter dienst sal doen:
+Stelt u brageeren* uyt soete Godin tot [371] t'avondt,
+En neemt soo veel ghy nu te kort komt aen den avond;*
+Indien ick willich volch der minnen heete brandt,* [372]
+Noch Godtheyt boven d'uw verhef in mijn verstandt.
+
+DAIFILO.
+
+Ick wensch mijn Heer van daech 't hoochste geluck [373] te proeven*.
+
+TISIPHERNES.
+
+Daifilo zydy daer? [374] gaen wy ten Hoof vertoeven,
+Tot dat de Coning rijs', om dan van stonden aen,
+Ghelijck besloten is, voort nae mijn Vrouw te gaen.
+Maer siet haer Voester. Wat of haer dus vroech mach quellen?
+
+DAIFILO.
+
+Misschien, mijn Heer, ist om de staessy* te bestellen*,
+Die teghens uwe koomst moet heerlijk* zijn bereêt.
+
+TISIPHERNES.
+
+Roept haer; op dat ick yet van de Princesse weet.
+
+DAIFILO. VOESTER. TISIPHERNES.
+
+DAIFILO.
+
+Mijn Vrouw.
+
+VOESTER.
+
+ O groote Goôn!
+
+DAIFILO.
+
+ Mijn Heer soud' u yet vragen.
+
+VOESTER.
+
+Waer is de Coning?
+
+TISIPHERNES.
+
+1266 Wel? Voester, hoe dus [375] verslaghen!
+Wats van Granida? he?
+
+VOESTER.
+
+ O Goden wonderbaer!
+Waer is de Coning?
+
+TISIPHERNES.
+
+Hoe, en ist niet wel met haer?
+De saeck betreft my mee, segt wat'er mach ghebreken.
+
+VOESTER.
+
+Datmen den Coning weck, ick moest den Coning spreken.
+
+TISIPHERNES.
+
+Datmen den Coning weck. Maer geeft ons wat bescheyts,
+Ist qualijck of ist wel?
+
+VOESTER.
+
+ Qualijck, en wel, van beydts. [376]
+
+TISIPHERNES.
+
+Qualijck en wel? hoe soudmen hier bescheyt uyt mercken? [377]
+
+VOESTER.
+
+O eeuwelijcke macht? o wonderlijcke wercken,
+Die d'aertsche sinnen, en vernuft* te boven gaen?
+
+TISIPHERNES.
+
+O Goön wat sal dit zijn?
+
+DAIFILO.
+
+ Terstont suldy 't verstaen,
+Mijn Heer, de Coning is gheweckt, en voort gheresen*.
+
+TISIPHERNES.
+
+Siet of hy komt.
+
+DAIFILO.
+
+Mijn Heer, hy sal terstondt hier wesen.
+
+TISIPHERNES.
+
+Daer is de Coning, nu u bootschap, Voester, doet.
+
+CONINGH. VOESTER. TISIPHERNES.
+
+CONING.
+
+Voester wat brengdy ons dus schichtich*? quaedt of goedt? [378]
+
+VOESTER.
+
+'T believe' u Heer, uyt my te hooren de gheschiedenis*,
+En selfs te oordlen of 't voor quaet of goedt te dieden ,,is.
+De Coning met ghedult aenhoore mijn vertreck*.
+
+CONING.
+
+Spreeckt klaerlijck, niemandt en sal steuren u ghespreck*.
+
+VOESTER.
+
+Hoewel een eedel hart van uytghenomen* sinnen*
+Alle'eedel harten vroom, en deuchtsaem moet beminnen,
+Soo heeft natuyr nochtans ghehecht aen ons ghemoedt
+Een treck, die verre, d'een voor d'ander kiesen doet, [379]
+Om door vereende liefd daer mee te zijn verbonden.
+Als sulcken wederpaer* ghetreft wordt, of ghevonden,
+Wast liefd' heftich en ras, doo datse naermen vijndt*, [380]
+Geen nieuwe vrientschap, maer vrientschaps vernieuwing schijnt:
+Recht of die sielen met elckander onderlinghen [381]
+Ghepaert hadden gheweest, al eer zy lijf* ontfinghen. [382]
+Des Tisiphernes sich niet belghe, dat mijn Vrouw,
+Als sy gistr'avondt haer tot slapen geven souw,
+Om 't aenstaend'huwelijck was droevich en t'onvrede*,
+Alsoo 't aen haer [383] ghemoedt* niet ganschlijck en voldede.
+De treurighe Prinsses seer veel, en yvrich* badt
+De groote Goden, haer te jonnen 't geene dat
+Die beter dan zy selfs voor 't best en schoonste kenden,
+En konden, was het haer Godlijck believen senden. [384]
+'Twoelend ghedacht* [385] had nau van 't bidden eyndt ghemaeckt,
+Als zy, en korts daer op, ick ben in slaep gheraeckt.
+Ick lach in diepe rust, mijn leden overgoten
+Met sachten slaep, en al mijn sinnen toeghesloten,
+Mijn siel ghedompelt in een grondeloos vergeet,
+Soo dat de droomen oock, die buytens tijdts met leedt
+En daechschen arrebeyt des lichaems,* komen quellen,
+Met haer vernieuwingh niet vermochten die t'ontstellen*;
+Wanneer een groot gheluyt schielijck mijn ooren sloech, [386]
+En overklaere glans mijn vaeck uyt d'ooghen joech.
+Ick hoorde soo, en sach, (O Goden leert my segghen)
+Dat* d'opghetooghen* siel 't lijf onbeweecht liet legghen.
+Siet daer, de kamer leeft, en tsiddert op de klanck,
+En lieffelijcke maet van hemelsch spel en sanck
+Der Godinnen ghekroont met groene lauren telghen. [387]
+D'ontspronghen vensters op* en kunnen niet verswelghen
+Het helle licht waer van de volle kamer blaekt,*
+Vloer, Want, Tapissery*, het welfsel [388] vlammen braeckt
+En alles sonder brandt, niet om [389] vernielen móórdich,
+Maer tot erkentenis des Godtheyts [390] teghenwóórdich.*
+De Sangsters schicken haer int ronde, en midden in
+Den fraeyghevoechden ringh, verheft haer een Godin;
+Granid' in als ghelijck; van* welgheschickte leden,
+Van eerwaerdich* [391] ghelaet, van trony net* besneden,
+Van oly-kleurt [392] ghesicht,* van dichte vlechten blondt,*
+Van bleeckheyt des ghedaents,* en roo coralen mondt.
+Het hooft, tot teecken van haer mannelijcke luymen*,
+Dat deckt een blancken [393] helm, en blickert door de pluymen.
+Haer voorsichtighen arm [394] ghewapent schijnt te zijn
+Met eenen schilt van klaer doorsichtich cristallijn;*
+Maer dat zy 's wijslijck bruyekt, en [395] niet en soeckt door desen
+Als soete vrede, blijckt aen haer besaedicht wesen,
+En den olyventack, een [396] teghenteecken van 't
+Crijchsduyend gras,* die zy reyckt met haer rechterhandt.
+Sy wendt haer tot Granid' en goddelijcke zeden*
+Ontsluyten haeren mondt, met dusdanighe reden;
+Welck goddelijcke kracht [397]
+Diep druckt' in mijn ghedacht*. [398]
+Granidá ontwaeckt, dat rust u buyten slaepe vinde, [399]
+Siet hier Minerva die noch inde wiech u minde,* [400]
+En haer ghenaede sandt. Geen mensch valt u te lót,
+Maer in des hemels throon, de Liefd een eewich Gódt.
+Uw liefde tot de Liefd, doet Liefd in liefde blaken,
+Die kiest u tot sijn Lief; ick sal het huwlijck maken,
+Ghy sult de weerliefd zijn, sijn Bruydt, en sijn Godin,
+Een Vrouw van staeghe liefd, niet van de wulpsche Min.
+U vryer wacht 'om hooch, wy zijn u koomen haelen.
+Godinnen voert haer mee, de doorschynighe saelen
+Des hemels sullen haer niet schaemen dit cieraet.
+Nieuwe Godin, u [401] hart van aertsche last ontslaet.
+Wt hadse. mit ontsteeckt het wellustighe* speelen
+Der neghen Sangsters, daer zy lieflijck onder queelen:
+
+ Nu ontslaet u d'Aertsche last,* [402]
+1360 Beter past
+ U de Godtheyt aen te trecken*.
+ Salighe Godinne, wy
+ Voeren dy,
+ Nae des hemels hoochste plecken*,
+1365 Plecken al tij t hel en klaer,
+ Plecken, daer
+ Nemmer last kan lust bevlecken.
+
+Soo ras sy desen sanck met spelen heffen óp*,
+Ontlaskt* sich het Palays tot boven in den tóp,
+Het gulde welfsel splijt, en de ghemetste dacken.
+Granida voerens' op Olijf en Laurentacken,
+Dus singend' hemelwaerts, al hooch, en hoogher heen,
+Vervolcht van mijn ghesicht, tot dats' er uyt verdween.
+Doe voechden sich 't ghebouw en alles in sijn stede,
+Bedaerend'* als ick mee ten langen lesten deede.
+Suffe verbaestheyt van [403] mijn leên allensjens streeck,
+Ick rees' en 't geen ick wel besien* had overkeeck.
+Granidaes leeghe Coets tuycht dat der oude vrouwen
+Ghesichten niet altijt voor droomen zijn te houwen.
+Hier is mijn geest af vol, dit coom ick dienen aen,
+De Coning oordeel nu nae dat hy 't sal verstaen.
+
+CONINGH.
+
+Mijn Dienaers, gaet terstont wat'er af is bespooren*. [404]
+
+TISIPHERNES.
+
+Mijn Heer, de Vrouwe raest.
+
+CONINGH.
+
+ Soo deed zy noyt te vooren.
+
+TISIPHERNES.
+
+Voor seker raestse nu, al raesdse noyt misschien.
+
+VOESTER.
+
+Noch oyt, noch nu.
+
+CONINGH.
+
+ 'K en weet.
+
+TISIPHERNES.
+
+ Men salt haest* cunnen sien.
+Ick spoey my derwaerts heen.
+
+CONINGH.
+
+1390 Doet daer in u behaghen.
+En laet op 't rascht aen ons de tyding herwaerts draghen.
+
+CONINGH.
+
+O Goden groot, soudt ghy my wel [405] hebben ghespaert
+Tot 't alderlaetste van den ouderdoom bejaert,
+Op dat ick troosteloos daerin soude [406] versmachten*,
+Berooft van 'tgeene dat alleen haer leet kon sachten?* [407]
+Maer hoe? indien alsoo de saken zijn ghestelt,
+Als ons de Voester voor de waerheyt heeft vertelt,
+Soo loov' ick dancbaerlijck uw goedtheyt hooch van waerden*,
+Hoewel ick eensaem blijv' en mis mijn lust op aerden. [408]
+Want als ghy my onttrockt dit eenich pandt soo soet
+Door onghe val of doot, ghelijck misschien ghy doet,
+Soo soud' ick teghens u en my misdoende dwalen,
+Indien ick op u wil, en wetenschap* ging smalen,
+My steurende* dat ghy quaemt wedereysschen, 't geen,
+Dat ick soo langh van u ghenoten* had te leen:
+Recht of ick bet als ghy wat oorbaer* was verstonde,
+Recht of ick my en haer meer goets, als ghy ons, jonde.
+Men soeckt; [409] en soomen haer noch doodt noch levend vindt,
+Soo neem ick 't blijcklijcxt aen, en houd dat sy besint*
+Van een verheven Godt ten hemel is ghevaeren:
+Want de bescheyden* reên, en 't deftighe* verklaren
+Des Voesters brengen 't mee, wiens troubevonden mondt
+Noyt spreken was ghewoon versuft of onghegrondt.
+Maer siet de Vrouwen daer, die brenghen nieuwicheden.
+
+REY VAN IOFFEREN. CONINGH.
+
+REY.
+
+Grootachtbaer Heer het Slot, van boven tot beneden,
+Hebben wy [410] heel doorsocht, en omghekeert ter vlucht*,
+Granida' is nieuwers, maer een lieffelijcke lucht,
+Met goddeliicke reuck vervult haer' gansche camer.
+
+CONINGH.
+
+O gróóte Pallas, noyt was mensch u aenghenaemer*
+Als Perseus door u jonst ghesegend wonderlijck;
+En noch ter tijdt op sijn naesaeten in het rijck
+'T welck van hem naeme voert, Godinne wijs van raede,*
+Ghy duyren laet u jonst, en anhoudt u ghenaede.
+Lof seechbare* Godin, Lof hooch verheven Godt
+Eewighe liefde, die [411] van aertsche bruyloft, tót
+Een hemels huwelijck Granida comt verheffen,
+Geen danckbaerheyt, geen lof u prijs can overtreffen.*
+
+REY.
+
+1428 Lof, eewige Liefde, wy [412]
+ Geven dy,
+ Die u hooghe goetheyts straelen,
+ Door de dicke wolcken heen,
+ Al beneên,
+ Laet tot opter aerden daelen.
+
+1434 Die op uwe [413] crachten let,*
+ Ende set
+ Boven al op u het óóghe, [414]
+ Treckt u goetheyt overschoon
+ Inden throon [415]
+ Des besonden hemels hóóghe. [416]
+
+1440 Heylich, goedertieren, eel
+ Zydy heel,
+ Die in uwe vlammen blaken,
+ Cundy oock op aerden hier, [417]
+ Door uw vier,
+ Met een hemel salich maken.
+
+1446 Soo, wie dat u lieven sal,
+ Suldy al,
+ Niet alleen Granida schaeken.
+
+TISIPHERNES. DAIFILO. CONING. REY VAN IOFFEREN.
+
+TISIPHERNES.
+
+Daer leydt mijn throon in d'asch, en de beloften mildt
+Van 't schoonpratich gheluck, en [418] te vergheefs ghespilt
+Soo veel moeylijcke last, ter nauwer noot deurkroopen,
+Soo veel ghevaers, soo veel te leurghestelde hoopen,
+Soo veel anxstighe vrees en arbeyt* uytghestaen,*
+Soo veel treffende sorch, en soo veel weers ghedaen,
+Soo veel ghesochte ramps, soo veel verdriets gheleden,
+Soo veel verbeten smarts, soo veel vertwijfeltheden.
+Ay dul gheluck, ick ken u onbescheyden* cracht!
+
+DAIFILO.
+
+Maer op een vroom ghemoet, mijn Heer, heeft zy geen macht.
+
+TISIPHERNES.
+
+Niet langher dan het selfs haer overlast wil lijen.
+Dit sal [419] my 't laeste zijn. Mijn handt sal my bevrijen,
+'T is langh ghenoech gheleeft. Gaenwe. Mijn hart verstout
+U tot een kort verdrach*.
+
+DAIFILO.
+
+ Mijn Heer, besindt u, houdt.*
+
+CONINHG.
+
+Houdt Tisiphernes.
+
+REY.
+
+1465 Ach.
+
+DAIFILO.
+
+ Heer geeft de reden plaetse.
+
+TISIPHERNES.
+
+'T gheluck en gheeft haer geen.*
+
+DAIFILO.
+
+ Iae 't.
+
+CONINHG.
+
+ Hoe?
+
+DAIFILO.
+
+Bedaert, en vaetse.*
+
+CONINGH.
+
+Hoe nu toe* brave Prins?
+
+TISIPHERNES.
+
+ Ghelijck mijn ramp my jaecht.
+
+CONINGH.
+
+Is dit de liefde die ghy tot Granida draecht?
+
+TISIPHERNES.
+
+Ick liefde' haer niet, ten waer ick my 't verlies liet rouwen. [420]
+
+CONINGH.
+
+Niet haer verlies, maer 't uw, want sy is hooch behouwen. [421]
+
+TISIPHERNES.
+
+Soo spuwt het wreedt gheluck op my haer crachten uyt.
+
+DAIFILO
+
+'T gheluck en steurt* u niet, maer dat ghy 't qualijck duydt*.
+
+CONINGH.
+
+Misjondy aen u lief Granid' een hemels houwelijck?
+
+TISIPHERNES.
+
+Neen, maer ick vlie de smert van mijn misvallen* grouwelijck.
+
+DAIFILO.
+
+Liefde ghy haer, mijn Heer, 't geen dat u is gheschiedt, [422]
+Soud u om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet.
+
+TISIPHERNES.
+
+Haer ben ick quijt, en sie voort* al mijn toelegh slechten*.
+
+DAIFILO.
+
+De Goden vinden 't goet, wie sal haer onderrechten?
+
+TISIPHERNES.
+
+Sy vinden 't goedt; maer dat ick doof het sterven my
+Bevry, dat sullen oock geensins beletten zy. [423]
+
+DAIFILO.
+
+Ghy kundt leven dat u 't gheluck soo [424] seer niet hinder.
+
+TISIPHERNES.
+
+Het is te wanckelbaer, en licht*.
+
+DAIFILO.
+
+ Vertrouwt het minder.
+
+TISIPHERNES.
+
+Vertrouwen? ick vertrout nae desen nemmermeer.
+Ick sie wel 't en verheft maer,* om van boven neêr,
+Met ysselijcker slach 't verhevene te smijten;
+Ghelijck den Arent trots, die [425] niet in stucken rijten
+Den Schiltpad yserhardt met felle claeuwen kor,
+Hem strenghelijck* om hooch, schier voert tot in de Son,
+Van waer zijn scharp ghesicht kennende berch en [426] dallen,
+Hy dan op rootsen hardt, hem laet [427] te berste vallen.
+My wallecht van de werlt; en sal ick nu voortaen [428]
+Leven, soo sal ick my [429] die levendich ontslaen.
+De last, en het ghebiedt* van mijn beseten Landen,*
+Daifilo, lever ick van nu af in u handen. [430]
+Zijt ghy [431] voortaen de Prins. Ick levers' u, door dien
+Daermede niemandt can waerdigher zijn versien. [432]
+U trouwe dienst is meer dan yemandt can versinnen;
+'T heeft u belieft voor my [433] uw eyghen lief te winnen.
+Dese versloech den Parth, en [434] gaf hem in ghevaer
+Des vreesselijcke doodts, willich om my en haer. [435]
+Grootachtbaer Heer, wilt hem in mijnen staet * bevesten.
+
+CONINGH.
+
+O wonderlijck beleydt! maer 't is beleydt * ten besten
+
+TISIPHERNES.
+
+Voor my, * ick ben terstont het Hof te laten, ree,
+Mijn peynsachtich [436] ghemoedt wil geen blijvende stee;
+Maer mijn voorneemen is van d'eene tot den anderen, [437]
+Met eensaem selschap cleyn te reysen en te wanderen.
+Ick bid om oorlof voorts, want hier vertoev' ick niet
+
+DAIFILO.
+
+Ick danck mijn Heer, die my soo grooten eere biedt.
+Een hooch en waerde* gaef wordt my van hem ghegeven;
+Maer hy weet tot wat eyndt ick coos' het hoofsche leven,
+Te weten om de dienst van de Prinsses, geensins
+Op hoop van voordeel, min van selfs* te worden Prins,
+Welck pack voor mijnen hals zijnde te swaer om draghen,* [438]
+Een laghen Harders rust my beter doet behaghen.*
+Maer wel sal ick, mijn Heer, blijvend' uw trouwe knecht, [439]
+Uw dinghen gaede slaen, nae mijn bequaemheyt slecht*,
+Tot dat ghy wat ontlast van 't schielijcke* beswaeren,
+Met hulpe vanden tijt sult comen te bedaeren*,
+Om met vernoeging weer te keeren tot den staet,
+Die 't lusteloos ghemoedt door tegenheyt* verlaet:
+Mijn Heer soeck het, ghelijck hy 't goedt vindt, te besadigen*.
+
+CONINGH.
+
+Ach luttel wenschend hart! luttel can u [440] beschadighen*.
+Ach wat onttreckt ghy, met begeerlijckheyts verhoên,*
+Het speelsiecke gheluck al stofs om quaet te doen?
+Dats Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren.
+
+TISIPHERNES.
+
+Ick bid u oorlof, Heer, om tot mijn reys te keeren.
+
+CONINGH.
+
+Vaert wel mijn Prins, vaert wel, en [441] zijt ghetroost*.
+
+TISIPHERNES.
+
+ Ick ty
+Van stonden aen op reys; Vaert wel mijn Heer, en [442] ghy
+Daifilo wel. [443]
+
+DAIFILO.
+
+ Ick sal mijn Heer tot huys versellen,
+Om t'reddeloos* ghesin* verbaest* in rust te stellen.
+
+
+
+
+
+
+
+VIIFDE DEEL
+
+
+OSTROBAS. ARTABANUS.*
+
+OSTROBAS.
+
+Artabanus, siet hier uw Prins soo braef* vernaemt*,
+Maer, hey, geweest! met wien ghy hier in Persen quaemt,
+Wien, doen hy leefde, ghy ghetrouw pleecht* aen te cleven,
+En nu versuymt sijn wraeck te nemen nae sijn leven.
+Artabanus siet hier uw Prins soo braef wel eer
+Vernaemt, wiens hooghe roem nu leydt ghevelt ter neer,
+Ghevelt, niet van den Prins, (ay spijt! (en cundy slapen?)
+Maer van een Harder slecht vervalscht in Prinssen waepen*.
+Hey laster*! hey! flux rijst Artabanus, en boet
+Mijn wraeckrasenden dorst, [444] ten minsten met sijn bloedt.
+
+ARTABANUS.
+
+Wapen*! Ick volch mijn Prins, [445] 't ghebodt dat ghy verclaerde*,
+Ick volgh, mijn Prins, ick volgh, al waer't tot inde aerde, [446]
+Ghy zijt vertrocken,* maer inwendich ick aenschouw
+Uw beeldt, en vast gheprent in mijn ghedachten houw
+U hayr 't samen ghegroeyt met bloedt, u bleeckgheschonden [447]
+Trony, u cranck* ghesicht, en u gapende wonden. [448]
+Hey wapen! wapen hey! mijn Prinsse roept [449] om wraeck.
+Flux op Artabanus verhaelt terstondt de saeck
+Aen u gheselschap, en ontsteeckt haer [450] met uw woorden,
+Om op gheleghen plaets den moorder te vermoorden.
+
+DAIFILO.
+
+Lang over middernacht ick 't al te wesen gis,
+Het licht dwerrelt ghemengt onder de duysternis, [451]
+De blonde dageraet [452] met haer blosende kaeken,
+En d'uyr dat mijn Godin mijn coomst verwacht, ghenaken.
+Want, doen icks' op het Landt ghebracht had, liet ick haer
+In het gheselschap van mijn trouwe suster daer,
+En soo* de korte tijdt ons haestich dwongh te scheyden,
+Besloten wy, dat sy mijn weercoomst souw verbeyden,
+Eer dat de tweede Son soud' aen den hemel staen.
+Siet hier de naesten wech, dit dient my in te slaen.
+
+GRANIDA.
+
+1569 Vaert wel scepters, vaert wel, vaert wel verheven thróónen, [453]
+Verheven soo, dat my van uwe steylheyt yst,
+Vaert wel dwingend* ghewaedt, en al te sware [454] cróónen,
+Afgoden die met windt uw ydle dienaers spijst.
+
+1573 Uw ydle dienaers ghy duysenderleye noot, breyt*, [455]
+Door uw beloften loos* die ghy soo qualijck houdt,
+Want zy, besietmen 't wel, verkleenen inde grootheyt,
+Slaven in d'heerschappy, verarmen in het goudt. [456]
+
+1577 Een laegh'en diepe rust my beter mach verquicken
+Die my te saemen smelt met een lief ander-ick;
+Ick laet u warrich Hof, en kies voor soo veel stricken,
+Een al veel strengher*, maer och hoe veel soeter strick!
+
+1581 Bedauwde bloemkens versch, en ghy bloosende [457] róósen
+Die uwen mantel groen nu effen open doet,
+Welcoom, en danck dat ghy verquickt mijn amelóósen,
+En afgepijnden* geest, met uwen aesem soet.
+
+1585 Nu biggelt op het gras, en cruydtjens onbetreden,
+Mijn laeuwe traentjens die den dauw soo wel ghelijckt;
+Traentjens niet meer [458] van smart, niet meer van bitterheden,
+Maer van een teêr ghemoedt, dat schier van vreucht beswijckt.
+
+1589 O boomen schaduw-mildt, ootmoedelijck laet daelen
+Uw nygend' hooft, als ghy 't eerwaerdich aenschijn siet,
+Leydstar* en Morgenstar met weerlichtende* straelen, [459]
+Indien mijn blijschap slaept, waerom weckt ghy hem niet?
+
+1593 Vroliicke Vogeltjens die nu [460] 't begint te daeghen,
+Met uytghelaeten sangh het stille woudt ontrust*,
+Ghy Nachtegael voor heen,* vlied [461] uyt de bootschap draeghen,
+Dat hy sich haest, ick wacht alhier mijn lieve lust.
+
+DAIFILO. GRANIDA.
+
+DAIFILO.
+
+Ach! om mijn vlieghend hart snellijcker [462] te doen spoeyen,
+Hoeftmen geen Vogeltjens noch nieuwe boôn te moeyen,
+De liefde port dat staech, en drijft tot sijn Godin
+Mijn eerwaerdighe Vrouw.
+
+GRANIDA.
+
+ Uw dienstmaecht, uw slavin,
+Die 't nemmermeer * aen u te slaven* [463] sal verdrieten,
+Die om uw minste dienst haer leven souw vergieten,*
+Handelt en leeft met my naer uw sin, hoe ghy doet, [464]
+Vercoopt my, doodt me', ick wil't.
+
+DAIFILO.
+
+ Mijn Vrouw, en al mijn goedt.
+Hoe onlangs noch soud' ick niet hebben derven dencken
+De vreucht die 't u belieft ghenadelijck te schencken
+Aen die's onwaerdich was, die niet en had verdient
+Uw dienst, ik swyghe uw ionst.
+
+GRANIDA.
+
+ Ayme, mijn groote vriendt,
+D'onwaerdeerlijcke [465] prijs, en uytghenomen* crachten
+Van uwe deuchden deên, dat noyt uyt mijn ghedachten
+O Daifilo' u ghedaent van siel en lichaem ghingh,
+T'sint ick door 's hemels ionst daer kennis af ontfing.
+Het sal voor uw waerdy altyt te luttel vallen,
+Wat ick u geven can.
+
+DAIFILO.
+
+ En ick u niet met allen,
+Al 't mijn van recht en reên u toegheeygent wart.*
+Ach mijn Godinne' hoe vol is van u al mijn hart!
+
+GRANIDA.
+
+Mijns hartsen* bloedt.
+
+DAIFILO.
+
+ Mijn Son die boven
+ d'ander claer ,,is,
+Ick houd' u in mijn arm, in twyfel of het waer ,,is.
+Mijn siel is soo beroert (ayme!)* dat ick daer van [466]
+De grond(e)loose vreuchd niet [467] vol ghenieten can.
+Ick en gheloove nauw mijn staet dus hooch gheresen,
+En denck vast* of ick wel Daifilo niet [468] sou wesen.*
+
+ARTABANUS. GRANIDA. DAIFILO.
+
+ARTABANUS.
+
+Nu toe ghesellen,* maer dat ghy niet dootlijck krenckt,
+Den valschen Moordenaer, die noch op boelen* denckt;
+Val aen ghelijck, en crijcht hem levendich in handen,
+Ghy zijt ghevanghen. Stae. knoopt hem in vaste banden.
+
+GRANIDA.
+
+Ach, ach!
+
+DAIFILO.
+
+Hoe nu toe*? wat wort'er vereyscht op my?
+
+ARTABANUS.
+
+Het leven.
+
+GRANIDA.
+
+1635 'T leven? och! dat het geen onrecht zy. [469]
+Draecht beter kennis* van uw vyandt, eer gh'u verder [470]
+Vergrijpt.
+
+ARTABANUS.
+
+ Kennis ghenoech, [471] het is de valschen Harder,
+De moorder van de Prins der Parthen wijt vermaerdt.
+
+DAIFILO.
+
+Verwinner.
+
+GRANIDA.
+
+ De Tyran was sulcken straffe waerdt.
+
+DAIFILO.
+
+Wie eyscht mijn leven? dat hy coom alleen en maeck ,,strijdt.
+
+ARTABANUS.
+
+Dats Ostrobas, wiens bloet, en bleecke schim om wraeck ,,krijt.
+Wy sullen, hem voldoende' u offren aen* sijn graf.
+
+GRANIDA.
+
+Laet hem, hy heeft geen schuit, en keert op my de straf
+Siet hier Granide', om wien de Prinsse leyt verslaghen, [472]
+Dees Godt heeft my gheschaeckt, en willich wech ghedraghen*.
+Verschoont hem, woedt op my den oorspronck van het quaet.
+
+ARTABANUS.
+
+Granida? jae Granidá. O wonderlijck verraet!
+Wy sullen (wilt haer oock met banden vast belaeden)
+De Princelijcke siel met beyder bloedt versaeden.
+
+DAIFILO.
+
+Daifilo wat ghy siet, [473] Granida lijdt, zy lijdt,
+En staet het aen (een) koordt dat ghy haer niet bevrijdt?
+Dat's stucken. Goden nu, nu crachten, nu cloeckmoedicheyt.
+Nu arbey* al wat mach*.
+
+GRANIDA.
+
+ Och 't is vergeefsche woedicheyt!
+
+ARTABANUS.
+
+Gef* hem maer, gef hem maer, doot beter als ontvloôn.
+
+GRANIDA.
+
+Och laet my voorgaen!
+
+TISIPHERNES. ARTABANUS. GRANIDA. DAIFILO.
+
+TISIPHERNES.
+
+ Houdt, houdt op wert u gheboôn,
+Houdt op, houdt op 't ghekrijs, vechters, en scheydt u drangen*. [474]
+
+ARTABANUS.
+
+Vlienwe, zy zijn ontset, vlienwe. [475]
+
+TISIPHERNES.
+
+ Ghy zijt ghevanghen.
+Artabanus met wien ist dat ghy twistich zijt?
+Zijdt ghy hier Daifilo? hebdy alleen den strijdt
+Teghen soo veel? [476]
+
+ARTABANUS.
+
+ Verstaet, Prinsse de [477] valsche treken
+En wilt u onghelijck nevens het onse [478] wreken.
+
+TISIPHERNES.
+
+Hoe dat?
+
+DAIFILO.
+
+ Ach ramp op ramp! uyt d'een in d'ander last!
+
+GRANIDA.
+
+Och 't scheen ontset, maer las*!
+
+DAIFILO.
+
+ Een meerder vyant wast.
+
+GRANIDA.
+
+Ach hard ghelucx besluyt!
+
+ARTABANUS.
+
+ Prinsse ghy [479] zijt bedroghen,
+Siet hier Granida', en al des Voesters reden loghen.
+Siet hier den valschen Godt, van wien zy is gheschaeckt,
+En trouwheyt daer ghy soo veel wercks af hebt ghemaeckt.*
+Sy kiest een Boer voor u, tot haer en uw verminderen*,
+Een Boer den Adel hoont, en schaeckt der Prinssen kinderen.
+Ick quam om Ostrobas te wreken, wreeckt ghy nu,
+Op beyde, beyder leet van onsen Prins en u.
+
+TISIPHERNES.
+
+Wats dit?
+
+DAIFILO.
+
+ Ach wilt u leet op my alleen vergelden!
+
+GRANIDA.
+
+Sijn trouw is onbevleckt, hem canmen niet beschelden*;
+Maer u op my verhaelt, en koelt uw gramme moedt,
+Met wraeke, niet van 't quaet dat u Granida doet,
+Maer van het welck, op dat de doot haer 't ooch souw luycken,
+Den Goden 't heeft belieft tot oorsaeck haer te bruycken.
+
+TISIPHERNES.
+
+O liefde! O vreemt beloop! Daifilo segt my hoe [480]
+De dinghen wonderlijck dus zijn ghecomen toe;
+Mijn geest en can 't beleyt noch het vervolch* niet vaten.
+
+DAIFILO.
+
+Mijn Heer, den laesten nacht, passeerd' ick by der straten
+Onder de venster [481] van mijn Vrouw, ghelijck ghy weet,
+Dat ver van haer te zijn my was het meeste leedt,
+En om haer by zijn, ick ten Hove was ghecomen,
+En om haer dienst, van u ick hadde dienst ghenomen:
+Mijn Vrouwe stondt voor 't glas, en soo* sy my sach gaen,
+Sondt zy haer Voester af, om my te roepen aen.
+Mijn Vrouw vernederde' haer, en [482] quam* my selve vraeghen,
+Wat oorsaeck inder nacht my daer ontrent mocht jaeghen;
+Ghevraeght heb ick ontdeckt [483] van mijn ghemoedt de grondt,
+Waer op, o mijn Godin, ghy blijcken liet terstondt
+De jonst die ghy my droecht, door dien ghy van te veuren
+De róóck van mijne vlam wel hadt cunnen [484] bespeuren.
+Te laten, boodse my haer Conincklijcke staet,
+Om met my naer het landt [485] te trecken op ter daet*;
+Onwaerdich kend' ick's my, en hiel de swaricheden
+Van sulck bestaen, haer voor: maer haer ghegronde reden
+Vertoochden* my haer liefd', en dat zy bet met mijn
+Soo cleenen staet, als met een Prins vernoecht souw zijn. [486]
+Den Hemel zy ghetuygh van 't gheen dat ick oorkonde*, [487]
+Dat ick, tot die tijdt toe, Granid' aen niemant jonde, [488]
+Als u, mijn Heer, want mijn ghedacht dus hóóch niet steegh.
+Maer, doen ick onderrecht van haer, 't ghevoelen creech
+Dat dit haer best sou zijn, bestond ick het ten lesten,
+(De Goden weten 't) meer om haer, als mijnen besten. [489]
+Maer, ach verblende mensch, hoe luttel kundy sien
+Of uwe wijste raedt* tot schaed' of voordeel dien!
+
+GRANIDA.
+
+Prinsse dus ist mijn schult, straft my 't wert* u ghebeden.
+
+DAIFILO.
+
+Neen eedel Prins, maer zijdt met my alleen te vreden. [490]
+
+TISIPHERNES.
+
+O wonderlijck beloop! o raedt* der Goden rijck*! [491]
+O liefde gansch volmaeckt, en sonder zijns ghelijck! [492]
+Om haer ghetrouwe lief een groote Coninginne
+Verwisselt haeren staet, en wordt een Harderinne.
+Een Harder weyghert, om sijn Lief te laten niet,
+Een Prinsselijcke staet diemen hem annebiedt,
+'T geen om elckanders wil ghy zijt t'ontbeeren vaerdich*,
+Bet met elckander ghy zijt te besitten waerdich.*
+'T is recht dat ghy gheniet*, Daifilo, dat ghy wont, [493]
+En ghy Granid', uw Lief die ghy de waerdste vondt.
+Den hemel u vereent, den hemel deed bereyden
+Den wech tot u gheluck. Neen ick en sal niet scheyden
+Het echste paer dat oyt ter werelt is ghesien.
+Ghelieven zijt ghetroost*, u sal geen leet gheschien.
+Prinssesse rijst, en ghy Daifilo van [494] der aerden.
+
+GRANIDA.
+
+Ach eedele ghemoedt!
+
+DAIFILO.
+
+ Ach heusheyt hooch van waerden! [495]
+
+GRANIDA.
+
+Ach onverwachte troost! recht Prinslijck, eedel bloedt,
+Wie sal u dese deucht* loonen, als uw ghemoedt? [496]
+Dat sal u lof en loon nae deuchts waerdije geven.
+
+TISIPHERNES.
+
+Dits niet ghenoech, dat ick u hier behoude 't leven,
+Maer ick begeere dat de Coning selfs volvoer
+U lieden huwelijck, nae dien 't den hemel swoer.
+En op dat hy daer toe sich lichtelijcker leyde*, [497]
+Soo schenck ick u noch eens de staet die ghy ontseyde. [498]
+Ick weet ick sal van hem verwerven ulie vree,
+En dat hy u verhef tot swagher* in mijn stee.
+Mijn vollick wilt voor heen* u gangh nae 't Hof versnellen,
+En aen den Coningh al dit vreemt beloop vertellen.
+En mijn begeerte mee; want valt het my niet swaer.
+Ick acht het min voor hem sal zijn een droeve maer;
+Dat mijn ghemoedt beweecht, sal sijn ghemoedt beweghen.
+Wy volghen sachtelijck.
+
+GRANIDA.
+
+ Ach groote troost! vercreghen
+Op 't aldertroosteloost! lof Prince die 't [499] dus veucht.
+
+TISIPHERNES.
+
+Het lust my dus te doen.
+
+DAIFILO.
+
+ Mijn Heer, u lust de deucht.
+Maer al verheft ghy my boven uw eyghen [500] saken,
+Ghy sult my nemmermeer meer als uw dienaer maken.
+
+REY VAN HARDERINNEN.
+
+1759 Groote Goden, niet om raken*
+ Is de grondt van uw besluyt,
+ 'T was uw lust dit [501] huwlijck maken,*
+ Comt en voert de Bruyloft uyt*.
+
+1763 Harder die in lasten druckich*,
+ Van 's ghelucx ghenae bestort,
+ O gheluckich! overluckich!
+ Hemel-hooch verheven wort!
+
+1767 Niet dat u een staf van gouwe*
+ Soeter voorstaet* als een bloem,
+ Maer dat ghy vereent in trouwe*,
+ Met u waerdich hartsen roem.*
+
+1771 Liefd koos, doen ghy wiert ghebooren,
+ U voor eyghen uytghesocht,* [502]
+ En den hemel, al te vooren,
+ Had zijn jonst u toeghedocht.
+
+1775 Alsmen by u wiech quam queelen,
+ Soo bevallijck, loecht gh'er in,
+ Dat u, vaeck, om mee te speelen,
+ Staelen watr'en bosgodin.
+
+1779 Corts daer nae begon te blijcken,
+ (Want de tijdt haest* henen vaert)
+ Dat ghy van uw tijts-ghelijcken
+ Meester, gheen ghelijck en waert.
+
+1783 T'hans* als d'eerste wol u kaeken
+ Vanden baert beschaeuwen dee,
+ Harderinnen en ontstaeken
+ Niet alleen, maer Nymphen mee.
+
+1787 Duysent wenschten om uw paeren
+ Duysent quijnden om uw min,
+ Maer den Hemel wild' u spaeren,
+ Voor een groote Coningin.
+
+1791 Groote Goden, niet om raken
+ Is de grondt van u besluyt,
+ Lusten 't u dit huwlijck maken?
+ Voerdt met jonst de bruyloft uyt.
+
+REY VAN IOFFEREN.
+
+1795 Liefd en Min aen een vertuyt*,
+ Beyde siel en lichaem-menghers,
+ Heylighe' oppervriendtschap strenghers*
+ Salicht Bruydegoom en Bruydt.
+
+1799 Boven de ghemeene maeten
+ Wild' by sien een lievend paer,
+ Des den hemel keurich*, haer [503]
+ Las uyt soo verscheyen staeten*.
+
+1803 Dat ghy twee vereenicht blijft
+ Blijckt de Goden te begeeren,*
+ En de Coningh wil niet keeren
+ 'Tgeen den hemel mercklijck drijft.
+
+1807 Lang, al lang ghenoech gheleden,*
+ Blijcx ghenoech van vaste tróuw;
+ Dat uw overleden* róuw [504]
+ Dien tot meerder vrolijckheden.
+
+1811 O gheluck zijdt eenmael sadt,
+ Van ellenden op ellenden,
+ En ten laesten moe van wenden,
+ Schut* de loop hier van uw radt.*
+
+1815 God en Coning willen* staeken
+ Der ghelieven teghenspoedt,
+ Liefd' en Minne lof u gloedt,
+ Die nu sonder smart sal blaeken.
+
+1819 Liefd' en Min aen een vertuyt
+ Beyde siel en lichaem-menghers,
+ Heylighe' oppervrientschap-strenghers
+ Salicht Bruydegoom en Bruydt.
+
+TISIPHERNES. GRANIDA. DAIFILO. CONINGH. REY VAN IOFFEREN. REY VAN
+HARDERINNEN.
+
+TISIPHERNES.
+
+Verheucht, met bly ghelaet* comt ons het Hof te moet.
+Siet daer den Coningh selfs.
+
+GRANIDA.
+
+1825 Dat ick hem val te voet.
+Ach Vader!
+
+CONINGH.
+
+ Wellekoom mijn Dochter, staeckt u vresen;
+En ghy die my voortaen een waerde Soon sult wesen;
+Der Goden wille volch ick. [505]
+
+TISIPHERNES.
+
+1830 Heer, [506] houdt dese voor
+De schoonste tempels, die de liefde sich verkoor,
+Om eens voor al ten toon sijn [507] heerlijckheyt te stellen.
+Gunt, Heer, dat eewelijck elckander sy versellen,
+En dat den hemel bindt, mijn Coningh, niet en scheydt.
+Dit loon eysch ick alleen van uw grootachtbaerheydt*,
+Voor al de diensten die mijn leven haer oyt dede.
+
+DAIFILO.
+
+Ach eedel Prinsse! [508]
+
+CONINGH.
+
+ Nu stelt u ghemoedt in [509] vrede,
+Ach twijfelt langher niet, mijn kindren! niet soo blindt
+En ben ick. of ick sie, dat sonderlingh* bewindt*
+Der Goden besich is met u te samen hechten.
+
+GRANIDA.
+
+Ach onverdiende troost!
+
+CONINGH.
+
+ Dochter, u op wilt rechten, [510]
+En ghy Daifilo rijst. [511]
+
+DAIFILO.
+
+1845 Laet, Goden, het gheluck,
+In teghendeel van dit,* met den voorgaenden druck
+Vernoeghen*, oft, en ist daermee niet te betaelen,
+Laet het de rest op my, niet op mijn Lief verhaelen;
+Soo 't zijn can dat ick smaeck* het geen sy niet en smaeckt.
+Ach Coningh!
+
+CONINGH.
+
+ Daifilo, mijn Dochter is gheschaeckt
+Van wijsheyt en versocht* verstandt, die haer bereyden
+Den alderhoochsten wech, en tot de Liefde leyden.
+Sy liet om uwent wil het overladend* rijck,
+Besit het nu met haer voortaen min commerlijck*;
+Dits mijne, dits de wil der Goden wijs van rade.
+
+DAIFILO.
+
+Cleen souw de danckbaerheyt, en lof van u ghenade
+O Coningh by my zijn, indien dat ick verstondt*
+Datse verclaerbaer* waei met menschelijcke mondt.
+Des ick het minste niet bestaen* mach uyt te spreken.
+
+CONINGH.
+
+Een soon van Persen* can 't aen genen staet* ghebreken,
+Des, Tisiphernes, niet u heerschappij verlaet.
+Wy dancken u, dat ghy u selven, noch uw staet
+Verschoont en hebt, om dees ghelieven 't saem te veughen:
+Ghy hiellept int verdriet, nu hellept int verheughen.
+En ghy ghelieven comt, verquickt u van u moeyt*.
+
+TISIPHERNES.
+
+Ick sie mijn wensch. Den Parth ghevanghen, en gheboeyt
+Vergeeve' ick sijn misdaet, wil [512] 't Daifilo vergeven.
+
+DAIFILO.
+
+Sijn voorghenomen moordt ons diende tot het leven,
+Iae trouwen*, ick vergeeft; en Prinsse doet u sin. [513]
+
+GRANIDA.
+
+Lof Goden wonderwijs!
+
+DAIFILO.
+
+ Lof groote Liefd en Min!
+
+REY VAN IOFFBREN.
+
+1873 Godt en Coningh willen staeken
+ Der ghelieven teghenspoet,
+ Liefd en Minne lof u gloedt
+ Die zy sonder smarte smaeken!
+
+REY VAN HARDERINNEN.
+
+1877 Groote Goden, niet om raeken
+ Is de grondt van uw besluyt,
+ 'T was uw lust dit huwlijck maken,
+ Voert met jonst de bruyloft uyt.
+
+REY VAN IOFFEREN.
+
+1881 Liefd en Min aen een vertuyt,
+ Beyde siel en lichaem-menghers,
+ Heylighe' opper-vriendtschap-strenghers
+ Salicht Bruydegoom, en Bruydt.
+
+
+
+EYNDE.
+
+
+
+
+
+
+
+BIJLAGE.
+
+
+In het door LEENDERTZ uitgegeven handschrift van Granida (Gedichten
+van T.C. Hooft, Eerste volledige uitgave II, 1875) vindt men nog het
+volgend bericht, [514]
+
+
+
+DE DRUCKER GROET DEN LESER.
+
+Dit spel Leser geschaepen om maer over een toonneel getrocken te
+werden en was niet vroom genoech stal te houden onder d'ooghen des
+werelds. Die 't gedicht heeft had' er dat niet mede voor. Maer men
+heeft bujten sijn weten bestaen Achilles en Ariadne voor den dach te
+haelen met scheuren en breecken, gelijck men sejdt, soo verkrepelt
+dat het eene niet soo veel als eenen regel tot sijn wil heeft, en
+'t ander oock van sijn voornaemste leden verlooren: sulx dat hijse
+niet en ken voor de sijne, al geven haer de druckers sijnen naem
+recht oft dat genoech waer om haer afcoomst te bewijsen. Stonden
+sij onder hem sij voeren voor al niet beter als de misdrachten onder
+Lycurgus. D'ellende dien hij aen haer siet scheen het teghenwoordighe
+[515] ook te naecken. Dese deernisse [516] heeft hem gedwongen om
+te gedooghen dat men 't liever wtgaeve soo slecht als 't was, dan
+heel bedorven; hoe seer het hem oock tegens de borst stiet, maer dat
+eens aen rollen wtgegeven wordt heeft men echter in sijn geweldt
+niet. Soo ver ist 'er af dat hij 't verdaedighen wil als oft het
+wat besonders waere. Jae hij geeft het der betweterije ten besten,
+sij spring' er mede om naer haer goedtduncken. En op dat 'er die met
+ruimer gewisse eigendom aen rekene soo wil hij niet dat het eenich
+kenteecken draeghe van hem toe te behooren ende heeft het sijnen naem
+verboden. Verwacht geen ordre vanden ouwden tijdt: sij is willens
+naegelaeten den volcke deses tijds te geval. De gesangen hier in
+gebracht gaen op haer wijsen oft sulcken maet datmen 'er lichtlijck
+wijsen op stellen kan. De maet der doorgaende regelen is die van
+d'Italiaenen ende Franchoijsen, voornaemste tongen der Christenen in
+sprekens gebrujck: dewelcke de lanckheit der silben naer de bijclanck
+nemen: ende sijn tot een voorbeeldt wt de voornaemste Poëten hier
+bij gestelt etlijcke stucken van regelen, sulx als genoech is; want
+de rest gaet op gelijcken voet. De lange silben zijn dus geteeckent
+-- de corte dus \_/.
+
+
+
+
+MAET DER DICHTEN.
+
+Gemeene maet.
+
+ -- \_/ -- \_/ --
+ PETRARCHA. Al mond' e breve sogno
+ TASSO. Col senn' et con la mano
+ ARIOSTO. Finir quant' ho promesso
+ BERTAS. Mais tout cela n'est rien
+ RONSARD. Mortellement blessé.
+
+
+Eerste verandering.
+
+ -- \_/\_/ -- \_/ --
+ PETRARCHA. Favola fuj gran tempo
+ TASSO. Et l'angelo gl'appari
+ ARIOSTO. Imperator Romano
+ BERTAS. Porte de son ovrier
+ RONSARD. Une jeunesse promte.
+
+
+Tweede verandering.
+
+ \_/ -- -- \_/\_/ --
+ PETRARCHA. Et non me ne guardaj
+ TASSO. Che fa l'arme cessar
+ ARIOSTO. Di quel giovan' infido
+ BERTAS. Tout beau Muse tout beau
+ RONSARD. De cent graces nouvelles.
+
+
+Derde verandering.
+
+ --\_/ -- \_/ \_/--
+ PETRARCHA. Sotto biondi capei
+ TASSO. Canto l'arme pietose
+ ARIOSTO. Senza spad' ad oprar
+ BERTAS. Tire l'ir' a l'iré
+ RONSARD. Une belle prison.
+
+
+Wat buiten dese maeten is lujdt quaelyck, gelijck
+
+
+ -- \_/ -- \_/ -- --
+ Que le clair soleil darde.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN. [517]
+
+
+A. is = Aanteekening.
+
+I. 9. de selve: n.l. die genegenheid; "gehulpen van soo wel te passe
+dienst" is een bepaling van de Princesse: blijkbaar heeft Hooft bij
+"de selve" eerst aan de Prinses gedacht en een constructie bedoeld,
+waarin de genegenheid voorwerp was.
+
+I. 17. dat; na "dat" leze men een komma: de zin "die als--het
+huwelijck van Granida" staat, als een zoogen. absolute constructie,
+op zich-zelve: op hope dat hij door dat middel aan haren dienst mocht
+geraken, wanneer T. met Gr. kwam te trouwen.
+
+I. 32. de welcke: slaat op venster; "passeren" hangt af van "siende"
+als "versuchten" van "hoorende". Zonderlinge relatieve constr.:
+gewoon XVIIde-eeuwsch is: sy (door 't glas siende hem passeren
+en hoorende versuchten) neemt het selve op etc.; de bepaling bij
+"passeren" nl. "onder het venster" zouden wij b.v. achter "hem"
+verwachten; Hooft echter tracht door een relatief den zin nauw aan den
+voorafgaanden te verbinden en veroorlooft zich daartoe deze bepaling
+("onder de welcke") vòòr het subject van den geheelen zin te plaatsen.
+
+I. 73. "de welcke den eersten--gevangen worden, om opgheoffert te
+zijn": dooreenloopen van twee constructies; vgl. de variant.
+
+25. Dorilea's eerste en voornaamste gedachte is het mingenot:
+Gesteld al dat Daifilo eens onstandvastig bleek, van wat zoete
+minne zou dit boschje later kunnen klappen: zij heeft het er voor
+over. "Kon" en "melde" zien beide op de toekomst. De "hoofdzin" bii
+25 en 26 ontbreekt. 27-28 is echter zoo min de "strikt logische"
+als de "grammatische" voortzetting van 25-26. Immers in 25 is
+"oft" onderstellend, in 26 voorwaardelijk ("en zoo het dan maar
+niet uitlekte"), alzoo een dichterlijke samentrekking van twee
+ongelijksoortige zinnen: de "logische" voortzetting ware b.v. "dan
+was het nog niet zoo héél erg, want wat een genot zou ik er voor
+gehad hebben--van wat genot zou dit boschje dan kùnnen vertèllen".
+
+28. boelage: vgl. 4-6, en 380 in de Rey van Iofferen. Vergelijking
+dezer plaatsen voert ons tot dit resultaat: het onderscheid
+tusschen "vryage" en "boelage" in Granida is niet = geoorloofde
+en ongeoorloofde liefde: vrijage kan wel te ver gaan, boelage kan
+wel binnen de perken blijven: Maar vrijage rust op een overeenkomst
+waarbij men zich tot standvastige trouw verplicht houdt: boelage is
+"vryage sonder meenen". Boelage echter gaat licht te ver en daarom
+zoekt D. geestig in 4-6 haar minnespel als vrijage te definieeren:
+zij is minder lichtvaardig. Het algemeene begrip van het zinnelijke in
+de liefde ligt in "minne", terwijl "liefde" in Granida op het ideëele
+in den omgang der geslachten ziet: een volkomen liefde bestaat er in
+'t ineenvloeien van minne en liefde. Vrijage en boelage nu zijn beide
+"minne"; vrijage is ernstiger gemeend, boelage is spel, schuldig of
+onschuldig; boelage heeft haar doel in zich zelve; vrijage sluit een
+"trachten naar iets" in, naar inniger genegenheid, langduriger trouw
+of een vaste verbintenis. Dit trachten treedt in vrijage soms meer
+op den voorgrond, zooals 379; uw kouten is plagen en schertsen
+om minne te verkrijgen; vgl. 56. Soms is vrijen = minnen; wij
+kennen het nog in beide beteekenissen.--Vgl. 398 en Aant. 1629. Zie
+Bilderdijk. Vgl. Tijdschrift XI, 263.--Met varianten vindt men dit
+liedje in het Tweede Nieuw Amoureus Liedtboeck 1605, bladz. 134. (Op
+de Voyse, De mey die ons de groente etc.)
+
+30. bruyn: in de XVIIde eeuw veelal "donker", zelfs "bij zwart
+af". Kil: fuscus, aquilus, subniger, nigricans. Zie Verdam, Mnl. Wdb.,
+op "bruun" en "brunet". Huygens, Korenbl., II, 41 (Ed. 1672),
+Sneldicht op een inktpot: Veel' bruyne Kindertjens zijn uyt myn' Buyck
+geboren. Vergilius, Ecloga X, 39-40: quid tum, si fuscus Amyntas? Et
+nigrae violae sunt, et vaccinia nigra--is in H. Bruno's Harderskouten
+weergegeven met: Sijn bruyn zy niet mis-presen, Kraeck-bezien zijn
+bruyn, vioolen mede. Bato (in Hoofts treurspel) spreekt (Leendertz
+II, 389) de lijkbaar aan met: o baer bekleedt met bruine doecken. Ook
+bij R. Garnier: Juifves, 1536 brunissantes soirees; 1788 Vous verrez
+un orage Nous embrunir le jour. Nog heden: à la brune = au déclin du
+jour.--Vgl. de variant, 819, 1234. Vgl. Bilderdijk.
+
+32b. maar zoo hij mij dan eens niet vond.
+
+80. Met een aantal varianten vindt men dit lied in het H.S. dat
+vermeld wordt Le Jeune, Proeven v.d. Nederl. Volksz. 1828, bladz. 37,
+J. Tideman, Gedichten van S. van Beaumont, Inl. XXXVIII, Kalff, Lied
+in de Middeleeuwen, 653: nu op de Koninkl. Bibliotheek. Le Jeune deelt
+het mede, blz. 133, maar vol fouten--zoo onbetrouwbaar mogelijk; hij
+maakt b.v. "Wijst mijn brak toch op het wild" van "Weest mijn brack,
+doet op het wilt". Sommige bladen van dit H.S., dat de amoureuze
+ontboezemingen van H. Beaumont bevat en verder poëzie-album is (ook
+b.v. Hoofts Vluchtighe nimph en het Liedeken van Tobias in Van Manders
+Gulde Harpe en het Tweede Amoureus Liedtboeck 1605, 111-113 komen er
+beide met varianten in voor)--hebben een jaartal: b.v. 32 r: 1593;
+35 v: 1604; 74 r: 1593; 147 r: 1606; 153 v: 1601; voor de chronologie
+van de gedichten van Hooft is hier niets uit op te maken. Er is meer
+dan eene hand in. Met dezelfde hand geschreven zijn fol. 117-118
+Vluchtighe nimph, 118-119 Windeken daer dit bos af drilt, 119-121
+Snelle gedachten staet wat stil dat à la Hooft ook is; nog de drie
+liedekens die er op volgen, en het lied fol. 100-103. Met deze hand
+heeft veel overeenkomst die van fol. 152-153, gedateerd 1601. Noch
+uit schrift noch uit zinspreuken ook is iets te concludeeren. Le
+Jeune dateert het "Windeken" zoo maar met 1593 (zie boven).
+
+85. Nú súldy hier met ghéén een kúsjen óf rákèn: een soort chooljámbe
+(d.i. hinkende jambe), 't helsch makende jambische spotvers van 12
+syllaben uitloopend op trochee of spondee.
+
+'t Schema: \=/ -- \_/ -- | \=/ -- \_/ -- | \=/ -- -- \=/).
+
+Men stelle zich voor 't gebaar van Daifilo of hoe een moderne Daifilo
+dat zeggen zou, ook in zijn gewoon, ons aller proza: in niet te vlugge,
+eer langzame kadans, vinger-dreigend, hoofd-nikkend, eindigend in
+langzaam: óf-rá-kèn; kèn met bij-toon. Hooft kende de chooljambe uit
+zijn studie en lektuur van de Klassieken (Hipponax, Horatius!). In
+de Duitsche Litteratuur zijn er bekende aardige voorbeelden van
+(bij Rückert).
+
+100. schuw = schu, in rijm op nu, 98. De echte Hollandsche vorm nog
+altijd: u vader, zwalu, ru. Vgl. 96-97.
+
+101. groen: Kil. recens; juvenis; groen visch recens
+piscis fluviatilis, groen vleesch caro recens; non salita,
+Lat. viridis. Fr. la verte jeunesse: vert se dit du jeune âge que
+l'on compare à la verdure du printemps. (Littré.)
+
+129. gnorten: Noord-Hollandsche, eigenlijk Westfriesche woordvorm
+(gn!) als gnap (netjes, mooi; = knap) e.d. Noord-Hollandsche tongval
+(de taal van 't oude Noorderkwartier, boven 't IJ) is een element
+van de taal van Hooft en andere schrijvers.
+
+134. In 't volgende, ook elders in Granida, mooie verzen met
+trochaeïsche en daktylische elementen.--In het rythme verdwijnt
+meermalen de laatste syllabe van Daifilo en Granida, maar de apostrofe
+die de elisie (uitstooting) van den klinker aanduidt, is dikwijls
+vergeten: Daifilo ick is = Daifil'ick. Vgl. 270: Ick ben Granida
+indien. Verder: 727, 887, 932.
+
+135. bevijnen: eig. na ervaring, na overlegging of onderzoek tot een
+uitkomst geraken, een opvatting, beschouwing, overtuiging. Vgl. vonnis
+(oordeel) uit vondnisse; ondervinden (Gloss. op Cats, Spaens
+Heydinnetje, Zw. Herdr. I), bevinden, bevinding, en ons gebruik van
+"vinden", waarin het voorafgaand zoeken ook op den achtergrond treedt
+gelijk in Gr. 135 het vinden.
+
+145. heuvels blondt: vgl. de variant. In 't voorjaar is de natuur
+in den blonden. Maar zoo vind ik het in de XVIIde eeuw niet gebruikt
+(daarvoor bij Spieghel, Hartsp. II, 10: Vrolikbleek; bij Sannazario,
+Arcadia, heet de olijf zoowel "bleek" als "blond"; zie Vlamings
+vertaling, 1730, passim, en ze heet bij Vergilius zoowel "flava"
+Aeneis V, 309 als "pallens" Ecloga V). Het landschap van de Granida is
+een Zuidelijk, het Italiaansche, en hetzelfde als dat van Vergilius'
+Eclogae en Sannazario's Arcadia. Zouden we hier dan niet aan de olijf
+moeten denken? of aan den wijnstok, die in de litteratuur ook wel
+blond heet? Toch wel niet aan rijpend koren hier. Men zie, voor een
+aantal gegevens, het, overigens mislukte, betoog in Noord en Zuid 1890.
+
+193. Afkeerigheid van de zijde van den verkoren beminde.
+
+210. natuyren: "Ze begint al te natuure; ze moet na'er Bruigom
+toe, ja ze gaat" wordt van een jongedochter gezegd in de klucht De
+Besteedster van meisjes en minnemoers, of School voor de Dienstmeiden,
+1692, Amst., bladz. 27; de natuur (-drift bij uitnemendheid) in zich
+voelen werken, die aan den dag leggen, en daar "tierig" en dartel van
+worden. Vgl. Bilderdijk, Leendertz, Kollewijn, Slothouwer. Vgl. nature
+(Mnl. Wdb., IV, 2202) in den zin van geslachtsdrift: "Die man
+verliest [door onmatigheid] sine nature"; en nature in den zin van
+"de genitaliën" (nog in de volkstaal).
+
+217. maar wel: al kan het niet uitspreken, hoezeer het verlangt.
+
+237. Een gebruik van "ander" dat wel aan de Romaansche talen
+ontleend is.
+
+283. "Noch" 282 is = "en ook niet", Lat. neque: en al strekken onze
+zorgen zich niet uit buiten den kring van het landelijk leven, waarin
+wij geboren zijn. Zie het Glossarium.
+
+288. Zoo hij alles niet met wijsheid wist te verborgen, dan ...
+
+292. De genitief "minders" hangt af van list: genitief "niemandts"
+van minder. Niet = geen minders list, maar = niemands mindere ontruck
+hem, zijn meerdere, iets door list.
+
+301. "Beleefd" zegt in XVIde-en XVIIde-eeuwsch meer dan
+tegenwoordig. Het beteekent vaak die echte wellevendheid die uit
+een fijn opmerkend en onderscheidend en edel hart voortkomt. Het
+is dan = fair, gentlemanlike. Daifilo is, voor Granida, als een
+gentleman. Vgl. b.v. uit van Manders Gulden Harpe (Ed. 1607,
+bladz. 369): "Al wat wij hebben, 't is--Van Godt, die seer
+beleeft--Sonder verwijten gheeft". Het kan voorts op velerlei manier
+omschreven: vriendelijk, minzaam, goed, billijk, royaal, netjes,
+humaan etc. Beleefd is ook het echt oud-Hollandsche woord voor
+"beschaafd". Tegenover de "courtosy", de Zuidelijke Hofbeschaving,
+stelt Roemer Visscher de volksaardige "beleefdheid".
+
+305. wiens = wier; slaat op sielen 303. Wiens als 2de n. val
+enkelv. vrouwl. en als meerv. is niet ongewoon: vgl. 1412.
+
+306. om beslommert: "met moeyten" is voorzetselbepaling bij
+beslommeren: zich met iets beslommeren.
+
+307. is voor u bekommert: bekommert is partic. van "hem bekommeren",
+zich met iets bezig houden. Voor heeft hier, zooals ook uit het
+verband met 306 blijkt, de nuance van "in de plaats van".
+
+355. als grootachtbaar geëerd.
+
+357. om lieffelijck de Werelt te verbasen: tegenstelling tot 351-352.
+
+365. heeft zich ooit zoo vernuftig getoond.
+
+373. lodderlijck: vgl. bij Vondel in 't gedicht op Konstantijntje
+lodderoog (lodder oog?) van 't lieve kinderoog. Lodderlijk kan ook,
+min gunstig, verleidelijk beteekenen.
+
+378. "ty" is getij, seizoen "gheset" is het vastgestelde, het
+gezette, de wet (vgl. 't groote Wdb., Verdam, Mnl. Wdb., Kiliaen de
+Woordenboeken op Hooft): "tygheset" is wat afhangt van het seizoen,
+"Uw loncken" behoeft niet opgevat als derde naamval: Uw lonken is een
+van het seizoen afhankelijk iets (en dat seizoen is de Lente, vgl. in
+den dialoog van Daifilo en Dorilea, 205 en vervolgens), terwijl de
+menschen die eenmaal buiten de natuur gegaan zijn, ten allen tijde
+door verliefdheid gekweld worden: dààrom ook mag hun lusten hun een
+wet zijn: de natuur zelf regelt al hun behoeften nog (zie 313).
+
+384. schaduthroons: Woordspel--het woord moet hier ongetwijfeld
+in dubbele beteekenis genomen uit het verband van vers 384 tot 381
+volgt de beteekenis baldakijn, maar de dichter denkt er bij aan de
+tegenstelling die geschilderd is in 436-467: "schaduwtroon" is ook =
+"troon die geen wezenlijke waarde heeft", "geen geluk waarborgt". Tn
+dezen zin is het een woord van Spieghel (van wien Hooft mogelijk
+ook de menigvuldigheid van adjectieven met -rijk en -ziek heeft),
+die in zijn beschrijving van het Hol van Plato, Hertspieghel III,
+70-118, de aardsche dingen, omdat ze niet dan de schaduwbeelden
+van werkelijkheid (zie de voorstelling op zijn prent van het "Antrum
+Platonicum" van 1604, te vinden in de uitgaven van den Hertspieghel van
+H. Wetstein 1694 en Pieter Vlaming 1723) en dus ijdel, onreëel zijn,
+schaduw-dingen, "schaduw-goed" noemt en de liefde tot deze dingen
+"schaduw-min": zoo zegt hij van den gastronoom, dat hij "ghuwt
+na schaduw-taart en vla met open mond": de overdrachtelijke en de
+eigenlijke beteekenis zijn hier één, en de prent geeft de etymologie
+van het woord: men ziet de schaduwen op den muur. Het begrip van de
+onwaarde van dingen die maar vleien met wezenlijkheid, wordt elders,
+ook bij Spieghel, uitgedrukt met woorden als "valsch", "ijdel",
+"schijn", "waan". Let voor de beteekenis van "schaduthroon" in 384
+op de tegenstellingen in de vier laatste koepletten van het lied.
+
+392. In het gezongen minnelied vindt de Herderin haar eigen
+gewaarwordingen, het "schalcke Lietje" treft de waarheid, en zij
+bloost: maar wat kan dit schelen, wanneer ook de beminde bloost en
+zijn wederkeerige liefde verraadt? vgl. 401. 393 is het antwoord op
+deze vraag. Zie A. 397.
+
+396. dunne slaep: vgl. b.v. Palamedes 407; nog in Drente dun-slaoperig:
+die onrustig en ieder oogenblik wakker is; Kil. dun-slaepigh,
+levisomnus.
+
+397. Bij vele volken (Slaven, Germanen, Grieken en Romeinen) is de
+appel een symbool van liefde. Appels schenken, met appels werpen,
+een appel met elkaar eten was liefdesbetuiging; van appelen droomen,
+liefdesgeluk. Verliefde vrouwen zenden, volgens Lucianus, aangebeten
+appels aan hun beminden. Bij de Atheners beval een wet van Solon de
+pasgehuwde vóór den bruidsnacht een kweeappel te eten. Aphrodite
+werd wel met een appel op de hand voorgesteld. In de Idyllen van
+Theocritus is dikwijls van de gebruiken sprake, die Hooft in zijn
+lied te pas brengt; vgl. vooral Ecl. III, 64.
+
+402. 't uwaerts: voor t'uwaerts. De drukfout (schrijffout) 't voor t'
+(te), en t' voor 't (onzijdig lidw.) komt veel voor in deze tijd:
+maar t' kan ook wel aanduiden proklisis van 't lidwoord: t'onderste,
+t'arme kind, dus de nauwe verbinding. Vgl. 493, 1011.
+
+411b. Elk een anderen kant uit.
+
+421. Palemon: herdersnaam uit de Eclogae van Vergilius.
+
+425. d.i. zoete heuschheid van zede. Heusheid = humane welwillendheid.
+
+435. Liete voor liet: als wierde, werde voor werd, hielde, krege,
+grepe, stonde, scholde etc.: Indicatieven; waarover, bij de oudere
+schrijvers als in hedendaagsche tongvallen, van Helten, Vondel's Taal
+I, 45-47.--Men vergelijke in Granida 1377 ick rees', 1516 ick coos'.
+
+449a. Argeloosheid die niemand belaagt, bij wie het veilig is.
+
+488. Als zoo menige andere plaats in Granida is ook deze proverbiaal:
+zie de Litteratuur bij Harrebomée, Spreekwdb i.v. hoveling. Bij Roemer
+Visscher, Sinnepoppen 1614, LIX van het Tweede Schock, wordt onder
+het opschrift "Jong Hoveling, out schoveling" door een prentje met
+een weggeworpen ruiker naast een ruiknr in zijn vaas, aangewezen hoe
+'t met oude dienaars pleegt te gaan.
+
+493. Deze en de voorgaande regel zijn platonisch op te vatten:
+"goetheyt" en "schoonheyt" als de hoogste schoonheid en goedheid,
+nl. God.
+
+495. Daifilo vergelijkt zijn leven bij een slaap, waarin de
+droombeelden de dingen rondom hem en zijn eigen handelen zijn; wat
+ons dag schijnt is een nacht; de zon aan den hemel is slechts een
+somber nachtlicht. Doch in de ideale verschijning van Granida heeft
+het Goddelijk licht hem toegeschenen en heeft het Hoogste zich aan hem
+geopenbaard. Voortaan leeft hij een hooger, het eenig ware leven. De
+Liefde wordt hier voor Daifilo godsdienst. Hier en ook verder is Hooft
+platonisch en in den geest van Spieghel. Ook in beelden en woorden
+is er overeenkomst met het derde Boek van den Hertspieghel, waarin
+het hol geschilderd wordt: vgl. b.v. de "lamplichts schaduw-beelds"
+Hertsp. III, 111 met Gran. 498; "van die schaduwbeelden moet de
+mensch bij Spieghel zich in het Godlick Zonnen-licht" laten leiden;
+zie ook Aant. 502.
+
+500. De "schoonheyt' is in Granida het ideale in de verschijning der
+vrouw, de afspiegeling van den edelen geest in het uiterlijk, die niet
+slechts als het stoffelijk lichaam waarin de schoonheid zich vertoont
+(d.i. schoonheyts lichaam), op de zinnen werkt, maar den geest verheft.
+
+501-502. De accenten die men in Granida hier en daar nog aantreft op
+de teekens oo en o (zie b.v. nog 1347-48, 1368-69, 483-84, 629-30,
+1569-71, 1581-83) herinneren aan de manier om een bestaand verschil
+in de o-klanken ook in de letters aan te geven: 't klinkergeluid van
+ooghe, droom (uit au) zweemde (als nog in b.v. Zeeuwsche tongvallen)
+eenigszins naar donker aa-geluid en deed eenigszins aan als tweeklank;
+'t geluid van koning, komen had dat niet (niet uit au). Nu gaf men in
+'t eerste geval het o-teeken een accent. En zoo deed men ook bij 't nog
+bekende, in Holland (overal?), verdwenen; in 't Oosten welbewaarde en
+door de dichters meest gehandhaafde verschil dat bij op - top, vol -
+tol, wol - mol zich voordoet, dat vroeger evengoed Hollandsch was en
+van zeer ouden oorsprong is. Bij top, tol, mol gaat de mond verder
+open (de kaakhoek is grooter), 't geluid is anders dan bij op, vol,
+wol, (Hollanders hebben altijd den klank van op, vol, ze hooren het
+verschil niet). Rondom 1600 nu duidden sommige schrijvers 't geluid
+van tol, top aan met het accent. Spieghel had zoo te doen vóórgesteld,
+maar 't werd geen algemeen gebruik. Nu en dan komt het in Hooft's
+schrijven nog te voorschijn. Zie over die verschillende o-klinkers en
+die onderscheiding het voortreffelijke proefschrift van Dr. K. Kooiman,
+De Twe-spraeck vande Nederduitsche Letterkunst uitgegeven en toegelicht
+1913, alwaar de verdere litteratuur opgegeven; 130-135)
+
+502. dickheyt der ooghen: vgl. 497: eigenlijk grauwe staar? Vgl. iemand
+"de schillen van de oogen lichten"; de "schellen vallen" iemand "van
+de oogen". Kil: Schelle in d'ooghe: nervosa quaedam in oculis adnatae
+membrane excrescentia: onyx, albugo. Vgl. Hertsp. III, 48: "dwaalbaar
+ewigh blijven zij, die sporen ..., in laat-dunks schaduw-licht,
+Zo uyt als hoogh te zien, met perl (Kil. perle in d'oogge = argema,
+albugo) of schil-gezicht".
+
+511. 511-512 bevat de toelichting tot "dat sy niet kan" in 510. "Dat"
+in "dat kan zy niet" 511b slaat op "sy wil al willen dat ghy
+wilt". 511a; "het" in "soo langh ghy 't haer verbiedt" 512b slaat op
+het één willen zijn, waarvan in deze regels sprake is: "dat sy niet
+kan" 510 is dus aan te vullen met: zonder te sterven. Vgl. Kollewijn,
+Slothouwer.
+
+517-518. vgl. voor rijm en rythme 256-57.--Iets anders 177-78 483-84.
+
+523. Gij vliegt te hoog met uw gedachten.--Houdt = halt! zie 1463. Halt
+is de later Nederlandsch geworden Duitsche vorm.
+
+524. Namelijk de naam van Heer: "want vroeger was ik een vrij
+man". Vgl. 526 (se: dien naam; "met dienstbaarheid": tegelijk met
+de dienstbaarheid)'
+
+534. "U" is accusatiefvorm in Nominativo. Vgl. "als ik hem was". Zin:
+kan ik niet één zijn met u, dan zal ik tenminste uw eigendom
+zijn. Vgl. 504, 507-508.
+
+541. 't Rythme is niet: van haere schóónheytsstrael, alsof we hier met
+de samenstelling schoonheidsstraal te doen hadden. Hare schoonheyts
+is hier vooropgebrachte tweede naamval: dus = van den straal van
+hare schoonheid; 't rythme is dus: van haere schóónheyts stráél,
+gelijk accent op schoonheid en straal. Vgl. 913: niet: van bey de,
+Véchterssielen, maar: van bey de Véchters sielen. En 679 waar in Uw
+groove lichaems kracht niet het woord lichaamskracht bedoeld is:
+'t rythme is: Uw gróóve líchaems krácht, evenzwaar accent op de drie
+syllaben. In 803 is niet te lezen Vriéndenkeur, maar: Vriénden kéúr;
+vrienden is de vooropgebrachte tweede naamval van 't meervoud.
+
+543. eyndelijck bescheyt: afdoend (definitief) antwoord.
+
+644. Van 's Conings mogentheyt: evenals in de titels Zijne Majesteit,
+Zijne Hoogheid (vgl. hoogh in 't Gloss.), Zijne Edelheid, Uwe
+Genade e.d. wordt hier de essentieele eigenschap voor den persoon
+genomen. Vgl. 1835.
+
+546. Blijde Goden: vgl. theoi makaoes rheia zoontes, bij Homerus; vgl.
+Schiller, Das Ideal und das Leben, strophe I.
+
+548. De Wispelturige Fortuin, uitdeelster van geluk en ongeluk is
+hier voorgesteld met duizend aangezichten. De Goden zullen bewerken
+dat zij haar lachendst aangezicht tot hem keert.
+
+560. Dat ik voor aanzienlijk en onaanzienlijk, het gansche volk,
+heb doorstaan.
+
+561. Zoo als de dingen, die ik verricht heb, het eischen: "uytgherecht"
+behoort bij "saken": vgl. "ghenakende" 829, "uytghestaan" 1453,
+"ghedaen" 1454, "gheleden" 1455 en verder passim; "opghehoopt" 614
+kan op twee wijzen worden opgevat.
+
+653. Een zeer merkwaardige afwijking in het rijm begint hier,
+loopend tot 691, waarmee Tisiphernes rede een kunstig cachet krijgt:
+aaba--bbcb. Hierover is te lezen Dr. A. Zijderveld in Nieuwe Taalgids
+XII, 1913.
+
+569. De boden der ziel zijn de zinnen, zintuigen 568. De zinnen zendt
+zij uit om voor haar te zien en te hooren; het vernomene deelen de
+zintuigen haar mede. "Dat" in 568 slaat op het "verheughen" 567.
+
+571. Hemelsche Venus: Hooft denkt hier waarschijnlijk aan de Aphrodite
+Ourania, die Grieksche wijsbegeerte later als de zuivere, geestelijke
+liefde tegenover de zinnelijke stelde. Vgl. 501-505, 774-794,
+1428-1445.
+
+574. haer verwonderen: zich verwonderen, met sterker en vaak edeler
+beteekenis dan nu: een en al genietende bewondering zijn.--572. het
+minst: iets, al is het ook nog maar zoo weinig.
+
+578. heerschappie: viersilbig, 't zij heerschappië, 't zij heer
+schappije waarover Aant. 970.
+
+605. Arsaces, grondvester van het Parthisch rijk.--Wiens slaat terug
+op mij. 's Werelts vrees is bijstelling bij Parthen.
+
+623b. Wat staat gij naar 't geen ik eisch voor mij?
+
+629. roosen: kransen van mirte en rozen waren onafscheidelijk van de
+gastmalen der Ouden. Bij hun drinkgelagen bestrooide men ook vloer
+en rustbedden met rozen.
+
+630. Wilt gij den koning vervangen? Het is alsof S. (de verwijfde
+laatste koning van Assyrië) A. (den geweldigen titan der Grieksche
+Mythologie die den hemel op zijn schouders torst) wil aflossen.--631:
+"Goden past op uw hals, straks stort heel uw Hemel in!"
+
+635a. Dul staat hier met de kracht van "dol makend" d.i. aanvurend;
+vgl. Baeto (Leendertz 360): "de woestmaeckende trom, d'aenschennende
+trompet"; vgl. droge dorst 275: die droog maakt; bleeke dood 702;
+"gezonde kost" e.d. "Opstekend" is eveneens aanwakkerend; zie de
+varianten.
+
+657. De buien van de hartstocht (653) zijn als de wind, die zijn
+kracht breekt op de klippen; zoo breekt uw razernij haar kracht op
+den koning en ons, die u niet vreezen.
+
+665. verbluft: Herman van Woerden vraagt in den Geeraert van
+Velsen (IIde Bedr., 3de Toon.: "Daer toe gheboren wy,--Dat wy, in
+dienstbaerheidt verbluffet, zouden teelen Voor beulen onze zoons,
+onz' dochters voor bordeelen?": hier in de sterke beteekenis die
+verbluffen nog in Overijselsch heeft: nl. een kind, een jongen, een
+jongmensch voortdurend zoodanig slecht behandelen, dat alle besef van
+zelfstandigheid, gevoel v. eigenwaarde en behoefte aan vrijheid en
+daarmee alle lust en wakkerheid weggaat; van een zoodanig onderdrukt
+en geestelijk uitgedoofd schepsel zegt men, dat het "verbluft",
+"totaal verbluft" is, dat ze 't heelemaal "verbluft hebben".--Maakt
+het in de oudere taal zooveel sterkere verbazen, in Lucifer 847
+(vgl. de Aant. in de Editie van Cramer, Zw. Herdr. IV) niet een
+dergelijken overgang van beteekenis als verbluffen? Hier een ander
+etymon voor aan te nemen is wel onnoodig; Overijs. verbluffen is een
+sterk woord! Vgl. hiertoe Hooft Ed. Leendertz, I 38 koepl. 2, I 187;
+Lucifer 784; en verder vele plaatsen; Asselijn, Stiefmoer 1684,
+bladz. 13: "Ik laat my zo licht niet oversnorken en verbaasen" =
+overdonderen; vgl. Noah 47-50 IIde Bedr., en Gulden Harpe (1607) 125,
+"Ghy die Christum bemint, Ghesint, hem nae te volghen, Bedroeft u
+niet verbaest, Al schijnt by naest Dat op u raest De werelt etc.
+
+670. De volken, waar wij als stadhouder, ieder in 't bijzonder over
+gesteld zijn.
+
+679. sonder belul: behoort bij kracht; "groove" bij lichaam.
+
+684. ken ick haer: met eenigen klemtoon op "ick" en mèèr klemtoon op
+"haer" (let op het woordspel)'
+
+690. oordelaers: de tweede syllabe is toonloos, evenals in "oordlen"
+1286 en Hgd. urthel en urtheln. Vgl. vordel, leisel, achtel e.a.
+
+697. my is datief; teghenstaen heeft hier zijn oorspr. beteekenis:
+"die zich tegenover mij durft stellen".
+
+722. van dien: "dien" is datief van dat; slaat op "het schoone" 720.
+
+727-30. Constructie, daaruit ontstaan dat twèè constructies door
+elkaar gedacht worden (contaminatie): maer leyden moet etc." doet
+onderstellen een voorafgaand: waartoe dient het den Herder zoo hoog
+te staan, daar gij hem toch niet tot Heer moogt kiezen (--maar uw
+leven leiden moet etc). Met dien u etc.: met een dien anderen voor u
+kiezen zullen, uit de weinigen die men voor u geschikt acht.--andren is
+vooropgebrachte tweede naamval, vgl. de Aant. bij 541.--Voor Granida,
+houdt zie Aant. 134.
+
+731. wat leyder boodtschap: deze adjectiefvorm (evenals aenghenamer in
+dit vers) is van oorsprong een genitief na wat, in de Middeleeuwen
+reeds niet meer als zoodanig gevoeld: v. Helten, Vondel's Taal
+131-135. In het oud-Germaansch staat na wat de genitief meervoud en in
+de latere taal komt die constructie nog voor: in gevallen als wat manne
+dat hi es is manne meervoud maar de genitief kan niet blijken, in
+gevallen als wat feldere manne dat Bave was (met adjektief!) is er nog
+een genitief-vorm maar de verbinding werd zeker niet meer als genitief
+gevoeld. Later kwam na wat het enkelvoud waarbij dan het adjektief nog
+in den vorm met -er (van oorsprong de meervoudsvorm) kon staan, ook
+bij manlijke en onzijdige woorden: wat sonderlingher volck (Spaensche
+Brab.), wat aerdiger quant (Geestige Liedekens, in Kuisheidskamp);
+wat schoonder Hoy hebt gy gewonnen (Paschier de Fijne). Leyder in
+Granida 731 is genitief van 't adjektief leid, leed. In dialekten zijn
+van dit gebruik nog sporen: in 't boeren-Overijselsch wat schoonder
+kind. Vgl. in Starings Hoofdige Boer: "Wat raarder kuur!"--
+
+753. Het braef --ghespeel van windt: het krachtig geluid
+der blaas-instrumenten in tegenstelling met de zachte tonen
+der teedere d.i. gevoelige, licht bewogen snaren van het
+strijk-instrument. Vgl. Pels, Horatius' Dichtkunst (Ed. van de Werken
+van N. V. A. 1707, bladz. 17): De plicht der Reije was, het zy ze zong,
+óf speelde Op wind-, of snaartuig.
+
+757. In regel 757 vormt spel en sang-menging één enkel woord:
+spel-en-sang-menging == 't edele mengen van spel-en-sang. Spel en sang
+zijn samen het eerste lid van de samenstelling.--Eenigszins anders is
+het met 756. Gerythmeerd moet: Van ménsch of vógels kéél; niet: Van
+mensch of vógelskeel. Fr is hier niet een samengesteld woord; mensch
+of vogels is vooropgeplaatste tweede naamval, vgl. Aant. 541. Rondom
+1600 kon mensch wel gelden als genitief, zooals ook vleesch (des
+vleesch). gras ("een bloem des gras"), maar waarschijnlijker is
+misschien dat de tweede naamvals-s hier bij mensch of vogel sámen
+behoort (naar Hooft's bedoelen), m. of v. als eenheid genomen; of is
+hier vrijwel gelijkwaardig met en.
+
+761. plach heeft hier zooals meermalen, vooral bij Cats, duratieve
+functie == ons pleegt: zie Spaens Heydinnetje, Zw. Herdr. I, Aant. 94
+en Gloss.
+
+766. In de Rey zijn de genietingen bezongen, die de wereld 's menschen
+vijf zinnen biedt, de "gaven" van strophe I: str. II aan het gezicht;
+str. III aan het gehoor; str. IV aan den reuk; str. V aan den smaak;
+str. VI aan het gevoel. Str. IV noemt de voornaamste reukwerken:
+W. Myrrhe en A. zijn welriekende harsen; C. en Musc dierlijke
+stoffen met scherpen reuk. De ambre is hier de "grijze amber", wel
+te onderscheiden van den "gelen amber" == barnsteen, en den "witten
+amber" == spermaceti. Zie Verdam, Mnl. Wdb. i. v. "ammer". "Onbesmet"
+behoort bij "reucken".
+
+772. Maar gebruikt hij er meer van, dan de honger eischt.
+
+783. "Dees lusten" slaat op str. 2-6; "al deze lusten en duizend
+dergelijke, zooveel er zich maar werkzaam toonen en (a.) bevrediging
+vragen (of, b.: zich zòèken te bevredigen), de tallooze manieren
+waarop wij ons trachten te vermaken en ons eenig geluk trachten te
+verzekeren--dat alles moet wijken voor de ideale liefde",--die nu
+beschreven wordt. De zin met "als" is hier relatief genomen (==
+"die er maar etc"). "Aesmen", ademen, is wel of == suspirare,
+sterk verlangen (vgl. stenen in Vondels Olyftack, koepl. 1),
+zie in de paraphrase boven, a.; of == aspirare [518], zie in de
+paraphrase boven. b.;--gesteund wordt deze opvatting wel door
+de navolgende plaats uit Paludanus' (Friesch dominee) Konst van
+Goddelijke Vernoeginge (Haringhouck, Bolsward, 1659) bladz. 63:
+"Jongelingen, nu amegtig door gulle loop, waar toese door hun
+ongeteugelde hartstochten aan geport worden, haken na meerder
+ruste, en beasemen de neersettinge door enig vorderlik beroep":
+dit is blijkbaar == trachten te bespoedigen == aspirare. "Oefenen"
+is hier zeker ook te vergelijken met en staat mogelijk onder den
+invloed v. Lat. exerceri; de overgang van het objectieve "zich
+druk maken met", "zich inspannen om" tot een subjectief "werkzaam,
+druk bezig, doende wezen", is zeker niet vreemd. Vgl. bij Cats,
+Twee-en-tachtigjarig Leven (Volksuitg. 745 kol. 2, onderaan), waar
+hij spreekt van zijn landbedijken in "Brittenland", oeffeningh,
+als blijkbaar synoniem van ongemak, met de beteekenis "inspanning",
+"moeite" (vgl. de oude beteekenissen van arbeid, die van moeien,
+bemoeien, van winnen, van labor en chamno). Vgl. nog Verdam,
+Mnl. Wdb. op oefenen. "Handtgebaer" is "bezigheid", "doen"; zóó
+vindt men het meermalen in de Nederl. Hist. en Hendrik de Grote; zie
+Oudemans, Wdb. op Hooft. Het is boven weergegeven als: bezig zijn
+(om zich te amuseeren). De kracht van "nochtans" 787 is: hoe te
+waardeeren onze genietingen ook zijn, toch etc.--Vgl. Bilderdijk,
+Kollewijn; Oudemans, Wdb. op Hooft ibid. Leendertz en Slothouwer
+verklaren niet.--Stoett in de nieuwe uitgaaf van Leendertz stelt
+oefenen == "operari", asemen = "leven" en geeft den regel aldus weer:
+"als er maar in ons mogen werken, leven".
+
+803. Vrienden als vooropgebrachte tweede naamval. Niet te lezen:
+daer vriéndenkeur maar daer vriénden kéúr.--Vgl. hiervóór Aant. 541.
+
+824. gheluck: de toevallige uitslag van het tweegevecht.
+
+850. Kasteelen, zonder fundament in de lucht opgetrokken.
+
+857. Achter "liefde" leze men een komma (vgl. 675) en vulle aldus
+aan: een onbeproefde smarte voor hem: hij heeft de liefdesmart nooit
+ondervonden: "daer hyse voedt in 't harte", 858, staat hiermede in
+tegenstelling, gelijk, "openbaert--niet" met "klaecht", waarop de
+nadruk valt. In 859 heeft "selfs" den nadruk.
+
+895. Indien andere lieden het verzuimen, het is, etc.
+
+909. Maar zoo ik nu, in geval hij u verslaat, toch tegen hem op zal
+treden, kan ik het dan niet evengoed het eerst ondernemen? Daifilo's
+antwoord is: neen, want die strijd tegen mij zal hem dan afgemat hebben
+en zoo lijdt hij meer gevaars van twee dan van een. "bey de vechters"
+913: Ostrobas en zijn tegenpartij.
+
+915. bleeft: Verdam, Mnl. Wdb., I, 1305-1306.
+
+928b. leydt etc.: "ligt de moed voor hem in" = meent hij dat de moed
+in ijdele redeneeringen is gelegen?
+
+932. Al verleende Vulcanus het door zijn tooverkunst dubbele hardheid.
+
+934. Het is niet de zorg voor zijn wapenrusting, die hem ophoudt. Dàcht
+hij zoover (nl. aan zijn wapenrusting, om werkelijk tegen mij op te
+treden): als hij maar zoo ver dacht! maar dat dòèt hij niet: Ik acht
+veeleer etc.
+
+949. ghewenscht: vgl. Lat. optatus, Fr. désiré, Hd. erwünscht.
+
+963. 't Zal noodig zijn, dat ik u de blijde maar verberge, opdat de
+heftigheid der blijdschap niet te veel verge van uw, door overmatige
+vreugd ingenomen hart en uw verteederd gemoed niet te sterk
+aantaste. "Van nood" 960 = noodig. "Swack" = sterk aangedaan, week.
+
+970. heerschappie: d.i. heerschappië, viersilbig, blijkens al de
+volgende vijfsilbige laatste regels. Dit heerschappie stelt de vraag
+aan de orde of het teeken ij in Granida de waarde ie heeft, wat het
+oorspronkelijk had. Regel 1045-1047 keeren zije--strijen--Heerschappije
+als rijmwoorden terug maar 't laatste staat hier met ij, derhalve
+zou 970 i drukfout kunnen zijn voor ij, maar blijkens het Handschrift
+(Leendertz II, 175) was het schrijf-afwijking, ouder nog niet verdwenen
+schrijfwijs; in 't toenmalige schrijven kan i voor ij staan. In
+de i van 970 hebben we geen steun voor de meening dat we zi-je,
+stri-je zouden te lezen hebben. Maar, ook ij hád eenmaal de waarde i
+(ie). Of echter rondom 1600 in Amsterdam nog met ie-klank gesproken
+werden de woorden die in 't schrijven ij hadden, dan wel reeds een
+ei-klank gehoord werd (de waarde van 't oude ij-teeken was dan metéén
+veranderd), daarover zijn de meeningen verdeeld, uitgemaakt is dit
+niet. In 't laatste geval zou 't eerste heerschappie, 970, eenvoudig
+gelijk 1047 en dus i = ei zijn; in 't eerste zou Hooft's ij-teeken de
+waarde hebben van i, ie.--Men zie hierover het Aant. 501 aangehaalde
+proefschrift van Dr. K. Kooiman, 120-130, en de daar aangehaalde
+litteratuur.--In het Handschrift staat volgens Leendertz II 177 ook
+in 1047 heerschappie, wat de oudere schrijfwijs bevestigt, terwijl
+de zaak dezelfde blijft. Regel 1135-36 staat ook bij Leendertz 180
+waerdije, slavernije.
+
+1013. Dese: nl. die eerste koningen, "d'ouden" van 1020. Vgl. van
+de constructie 1026 waar de plur. "haer" ook op een voorafgaand
+sing. slaat. "rechtvaerdich" is hier rechtschapen.
+
+1029. De oude koningen beschouwden zich als de dienaren van het volk,
+het regeeren als een plicht (1020), waarvan zij zich gaarne ontheven
+zagen, hoewel de stem des volks hun die opgelegd had.--daer, 1028,
+= wanneer; in 't geval dat.
+
+1049b. Het "trecken" van hoop en vrees: zij trekken hem a.h.w. elk
+naar een anderen kant.
+
+1078. besluyt: Imperatief: Granida spreekt tot zich zelve, evenals
+1085-1099, 1101-1104.
+
+1096a. En al was dat niet zoo.
+
+1100. Dit vers te lèzen: Daifil'. Hij keert.--Hy keert. Aym' Ayme! Wat
+beswaer: "Ayme" met toonlooze e.--Toch wel = ai mij.
+
+1102. Geen leed zou mij dan kunnen krenken; tenzij het ook u trof.
+
+1112. Oud-Hollandsch is aan 'n zijde gaan, met het lidw. van
+onbepaaldheid; wij zeggen het met het bepalende lidwoord: aan de kant
+gaan. Alzoo een niet = één.
+
+1118. Daifilo roept de voester om bijstand: hij begrijpt niet wat
+haar scheelt; in haar uitroep is iets dat hem beangst maakt.
+
+1136. u slavernije: u ootmoedig te dienen. Vgl. 1603, 1610.
+
+1144a. Hoe wel: mogelijk niet te lezen als ons, "hoewel", maar hòè
+wèl = hòè zeer.
+
+1160a. Zoo duur mogelijk.
+
+1176. Dat door duizenden, als een zaligmakend leven gewenscht wordt.
+
+1235. Vgl. 1243-1244: de Uchtend, Eos of Aurora, de godes van den
+dageraad bij de Ouden, de voorloopster van haar broeder Helios, de zon;
+hier voorgesteld met "gouden cruyn", d. i. het bovenste gedeelte van
+het blondgelokte hoofd komt uit--omkranst met rozen.
+
+1239b. Zie, hoe hij mij daar reeds ontmoet.--[Heeft de Hollandsche
+jagers-uitroep (bij 't ontdekken van de haas) "waar'k'em
+weet!". ("werkenweet") 't zelfde gebruik van waar en zelfde zinsvorm?]
+
+1245. Reeds de Ouden hielden morgenster (Lucifer) en avondster
+(Hesperus) voor één en dezelfde en noemden haar de ster van
+Venus. Hesperus werd in den Griekschen bruilofszang gevierd, als de
+geleider van den optocht, die de bruid 's avonds naar het huis van den
+bruidegom voerde; vgl. Vergilius, Ecloga VIII, 29, 30: vgl. 1247-1252:
+Zie vooral: Bruiloftsang op het Huwelijck v. W.J. Hooft en J.C. Quekels
+(Leendertz I, 49) evenals de Granida van 1605 (ook in den vertaalden
+Misogamos Leendertz I, 321, vers 23-25; vgl. Huygens Ed. Worp I, 189,
+14-15); in den Bloemhof van de Nederl. Jeught, 1608, staat pag. 7
+kol. II: Als die clare Maen gaet rusten Eer den rooden dach verschijnt,
+Staet soo schoonen sterr', en blinckt, Die de Goden al doet lusten,
+Nimphe laet ons met gheneught Slijten onse jonghe jeught.--1252
+"d'uw" nl. Venus: de ster zelf heet dan 1249 "Godin". Doch mogelijk
+identificeert Hooft hier de ster met Venus zelf, en dan is "Godtheyt"
+op te vatten als in Aant. 1251 is uitgelegd.
+
+1250. aen den avondt: òf "a. d. a." is "van avondt"; òf "aent" behoort
+bij nemen = "nemen van"; (de ww. van nemen, ontvangen, verzoeken,
+hebben Mnl. "aan" = "bij": nog in "ontleenen aan", "een voorbeeld
+nemen aan" e. d.; vgl. Mnl. Wdb. I, 68-69).
+
+1251. Indien ick etc.: Tisiphernes bidt de morgenster, haar
+heerschappij nu te eindigen, opdat Granida spoedig rijze. Dezen
+dag zal het huwelijk voltrokken worden en hij verlangt reeds naar
+den avond. Keer dan van avond des te vroeger weer: de avond, waarop
+(wanneer) ik (met Gr.) mij willig onder uw heerschappij zal stellen
+en geen Godheid vuriger dan de uwe zal vereeren. Vgl. vooral den
+Bruiloftsang voor W.J. Hooft, waarin de Avondstar de Gelieven "te
+bedt comt wijsen", naar Oud-Grieksche opvatting.--"Godtheyt" is hier
+misschien = de eigenschappen van den God, i. d. beteekenis van de
+Godin zelve. Vgl. A. 1245.
+
+1289b. van wythgenomen sinnen: van niet alledaagsche enigingen.
+
+1313. 's Nachts rust het lichaam van de vermoeienissen van den dag:
+toch komen de droomen dan, buitentijds, den gèèst kwellen met het
+leed en de moeite (arbeid), die over dag het lichaam plagen.
+
+1323. de volle kamer: waar de kamer vol van is en geheel blaakt.
+
+1326. Maar opdat de tegenwoordigheid van de Godheid daaraan gekend
+mocht worden.
+
+1331a. Oly-kleurt ghesicht: oogen met den glans der olijf; zie
+variant.--H. geeft met dit epitheton het glaukopis (Athene)
+van Homerus weer: welches einen eigenthümlichen leuchtenden Glanz
+der Augen ausdrückt, einen ahnlichen Glanz wie den des Mondes, der
+schimmernden Meeresflache, der Blätter des Oelbaums (Preller, I, 154;
+vgl. ald. de schildering van het uilenoog 155). Dit laatste helpt
+op weg: Inderdaad geldt glaukos ook van de elaa, den olijfboom en
+zijn vrucht en van het elaion, de olijvenolie. Glaukos staat ook bij
+chloe, oporha thalatta; de maan is bij Empedocles, Euripides e.a.
+glaukopis: de variant schijnt dus minder vreemd, groen en geel liggen
+dicht bij elkaar: echter treedt de voorstelling van het "schimmernde"
+"leuchtende" op den voorgrond. In den Brief aan de Kamer In
+Liefde Bloeiende 1600 spreekt Hooft van Thalia's "groen lieflijck
+ooch". Dat de Dichter juist op olijfkleurig komt, is begrijpelijk:
+Athene staat in de nauwste betrekking tot den olijfboom: op niet
+ongewone wijze wordt het attribuut der godes hier, per metonymiam,
+in verband gebracht met haar oogen. De jambische maat deed oly-kleurt
+voor olijf-kleurt kiezen; vgl. Six van Chandelier, Poësy 1657: Daar
+vaart Messias van de oliheuvels top (12); Het zy ontrent het dal van
+Josafat,--Of langs den bergh, naa 't blad--Van d'olipruim genoemt,
+(104); Hoe springht de bergh en 't olibosch? (Hemelvaartssangh 496);
+(God)--sondt synen vreedeboo, van booven,--Greep Engelands, en Hollands
+hand,--En bondt se, met den oliplant, (488): Tijdschr. III, 263.
+
+1331b. vlechten blondt: blonde en rossige haren vinden wij door
+de Ouden op hoogen prijs gesteld, zoowel bij Goden en vrouwen
+als bij slaven en paarden. De dichters van den Renaissancetijd
+namen deze voorkeur over: blond haar was toen, internationaal,
+onafscheidelijk van de schoonheid der jeugd. Bij de Ouden zijn
+blond. Apollo, Demeter (Ceres), Bacchus, de Chariten, Ganymedes,
+Rhadamanthys, Hylas, Odysseus, Menelaus, Achilles xanthos, flavus),
+e.a., vgl. Verg. Aen. XII, 605; Hor. Carm. I, 5, 4; II, 4, 14; III,
+9, 19; Theokr. Eid. II, 16, 78; Catull. LXIV, 98. Bij Hooft heeten
+blond: Apollo, Venus, Aurora, Thalia (Leendertz I, 7), Ganymedes,
+Ariadne, Helena; vgl. Leend. I, 15, 21, 31, 42, 45, 54, 65, e. e.);
+de Vrouw "Italia" in den Br. a.d. Kamer In L. Bl.; ook Granida: 1329a;
+vgl. 120, 184. Bij Vondel: Apollo, Venus, de Minne-goodjes en Urania
+in de Geboortklock, Joseph, Ifis, Hageroos, Ursula en Aethereus en
+de jongeling die Ursula verschijnt, e.a.
+
+1332. bleeckheyt des ghedaents: Uit het verband blijkt wel, dat men
+aan de gelaatskleur moet denken. Vgl. in het Claechleidt van 1608
+(Leendertz I, 66): "haer gedaente bleeck", van "bestorven wangen"
+gezegd; Geeraert van Velsen V begin (Leendertz II, 257): "bleeck
+ghedaene flaeuwt". "Ghedaente" is hier = uitzien, bepaaldelijk van de
+kleur. Vgl. Mnl. gedane, Nat. Bl. VII, 463, VIII, 224, Mor. 3563. Wat
+is bleeck nu? Bij Hooft noch bij andere dichters is bleek = blank. De
+Godin is Granida in alles gelijk (1329) en wat Granida betreft,
+moeten wij aan bleekheid door hartstochtelijke liefde (voor Daifilo)
+denken. Bleek is de kleur van het minnewee. Horae Belgicae X, No 48:
+"Dijn scone verwe is bleec gheworden-- Van overgroter minnen tot mi";
+Cats, Spiegel v.d. Ouden en Nieuwen tijdt, deel I, Liefdes Kortsprake,
+staat van de jonge maagd: "Isse teer, swack, en bleyck? denckt datse
+bequamer is om het pack der liefden, als om meulesteenen te dragen;
+gelooft de Medecijnen en Natuyr-meesters, die hier in klaer spreken, en
+zijn gewoon te seggen: Pasles couleurs, désirs mal accomplis: Vrysters,
+'t bleyck van uwe wangen Koomt van eenigh soet verlangen; Fille pasle,
+Demande le masle: Pleycke verwen, Paren of sterven. Zie nog Taal en
+Letteren VII, 209. Granida verkeert in uiterste verliefdheid, Minerva
+vertoont zich "Granid'in als ghelijck", wat dan geschilderd wordt.
+
+1335. Voorsichtigh: want "die den vrede wil, moet zich bereid houden
+voor den oorlog".
+
+1340. Crijchsduyend gras: de speer van Minerva. Minerva is zoowel
+godes van den oorlog als des vredes. Hier echter is de Minerva
+Pacifica geschilderd. De olijftak is als zoodanig haar symbool en
+dus het tegenteeken van den bamboesstaf (die met of zonder spits een
+krijgswapen beteekent), waarmede zij anders wel werd voorgesteld:
+"die" slaat op "olyventack"; de Ouden hadden speren en lansen van
+bamboesriet.--Een gras dat oorlog beduidde, is er niet. Bilderdijk
+raadt: "glas" voor "gras", t.w. het kristallen schild. Maar 1605,
+1615, 1636 hebben alle drie "gras". Buitendien, conjectuur is
+overbodig. "Gras" is hier = riet en een vertaling van "gramen" of van
+"graminea hasta". Facciolati-Forcellini (ed. 1831): Gramineae hastae
+sunt ex arudine Indica, Itali dicunt canna d'India, qua utebantur
+veteres pro hastis: de quibus ita Plinius 16, 36, 65. Arundini quidem
+Indicae arborea amplitudo, quales vulgo in templis videmus, h.i. in
+manibus simulacrorum, quemadmodum de Minerva Atheniensi ita refert
+Ampelius 8. Ipsa autem Dea habet hastam de gramine. Niet op deze plaats
+kan Hooft zijn "gras" geplukt hebben, daar Ampelius' Liber memorialis
+eerst in 1638 door Salmasius werd uitgegeven. Prof. J.C.G. Boot deed
+ons aan de hand Cicero, In Verr. act. sec. L. IV, 56, 125, ook bij
+Forcellini vermeld, en hier moeten we zeker wezen. Cicero spreekt
+hier van den Minervatempel te Syracuse, door Verres geplunderd, non
+ut ab hoste aliquo, qui tamen in bello religionem et consuetudinis
+iura retineret, sed ut a barbaris praedonibus vexata (LV, 122). Na de
+beschrijving der geroofde kostbaarheden volgt er: Etiamne gramineas
+hastas--vidi enim vos in hoc nomine, quum testis diceret, commoveri:
+quod erant eius modi, ut semel vidisse satis esset: in quibus neque
+manu factum quidquam neque pulcritudo erat ulla, sed tantum magnitudo
+incredibilis, de qua vel audire satis esset, nimium videre plus quam
+semel: etiamne id concupisti?
+
+1345. rust: nl. de rust, die u nu bij de goden bereid is.
+
+1346. Die u reeds minde, toen gij nog in de wieg laagt.
+
+1351. de weerliefd: Gelijk anders de liefde in 't algemeen, is hier ook
+de "weermin" (252, 514) vernuftig gepersonificeerd en vergoddelijkt.
+
+1359. ontslaet: Imperatief. Vgl. 1585.
+
+1361. aentrekken: evenals "aandoen" van eigenschappen, waardigheden,
+het treden in een toestand; vgl. Rom. XIII, 14, Eph. IV, 24, 1 Cor. XV,
+53, 54. Gr. endyomai, lat. induo.
+
+1375. Moeten wij aan bedaren hier niet misschien toekennen de
+beteekenis die zich schijnt voor te doen in Vondel's Kranke
+troost, strofe III: Die het zwaert--grimmigh ruckten uit der
+scheide--Nu bedaert [nu weer in de scheede teruggekeerd] Wat dan de
+oorspr. beteekenis van bedaren zou kunnen geweest zijn. In 't Friesch
+ook: "terecht komen" immers: "waar is dat bedaard?"
+
+1395. wel geeft den zin de kracht van: 't Is toch niet mogelijk,
+dát kan toch niet, dat Gij mij zoo oud hebt laten worden om....
+
+1411. bescheiden reên: duidelijk verslag.
+
+1419-1422. mensch = eenig mensch.--In de mythologische geschiedenis
+van Perseus komt ook Pallas Athene voor; en Perseus werd ook met het
+Perzenrijk in verband gebracht.
+
+1427. u prijs: vgl. 1603 uw minste dienst, 1695 haer dienst: "u", "uw",
+"haer" noemen het object in het werk woordelijk begrip, zooals Spagnens
+haet in Huygens Aan de vrije Nederlanden = haat tègen Spanje. In
+1542 kàn sijn wraeck ook ànders opgevat. Vgl. Spaens Heidinnetje,
+Zw. Herdr. I, Aant. 918 en 625.
+
+1434. crachten: de Liefde wordt hier voorgesteld als een god en
+"crachten" zijn de daden van dien god, als openbaringen en teekenen
+van die krachten. Vgl. 1612.
+
+1453-1454. Vgl. Aant. 561. Arbeyt heeft ook hier wel de ruimere
+beteekenis van "moeite", "inspanning", "zware arbeid": vgl. 560:
+een beteekenis die weer in 1454 misschien ook heeft (vgl. ons in
+de weer zijn, zich weren). Treffende sorch: zorg die iemand niet in
+de kleeren gaat zitten, waarvan lichaam en geest afneemt en slijt,
+die je aanpakt? of = "treffelijk" d.i. "buitengewoon", "uitstekend",
+maar dan meer etymologisch = "waarvan iemand zich getroffen voelt",
+"verwonderd staat", "waar hij respect voor heeft"?
+
+1463. Lees: besind u, houdt (halt!). Maar zie Leendertz noot.
+
+1467. 't Geluk, de Fortuin (als Godin, vgl. 1476: haer!) is onredelijk,
+niet ik.
+
+1470. Vaetse: d.i. vatse (vaten is vatten): nl. de reden waarom
+de Fortuin zoo handelt: zie 1466-1470; vgl. ook 1477: "gij duidt
+(legt uit) het doen van het Geluk verkeerd, wilt niet naar reden
+luisteren". In 1466-1470 wordt reden dan in tweeërlei zin genomen,
+in 1466 nl. is het = ons rede, verstand, redelijkheid, vervolgens
+ons reden grond, beteekenissen die beide aan reden eigen waren in de
+oudere taal. Bij Hooft, als bij Vondel (vgl. v. Helten Vondel's Taal,
+I, 82) is het singulare reden meestal = verstand, rede, billijkheid,
+redeneering, reden, grond (plur. redenen en reên) en het plurale reden
+meestal = woorden, redeneering (sing, rede; 't staat bijna altijd in
+'t meerv., dat ook reên luidt). Vgl. nu het Gloss. op rede en reden,
+de plaatsen aldaar. Toch vindt men 't wel eens andersom. En somtijds
+kan men niet eens zeggen met welk van de beide woorden men te doen
+heeft, wat z'n oorzaak o.a. ook hierin heeft, dat zoowel reden als
+rede de beteekenis van "redeneering" hebben kan, zooals ook wij bij
+redeneering dàn meer aan de woorden, dàn meer aan het redebeleid
+denken, dàn weer niet eigenlijk onderscheiden,--waardoor ook de
+pluralis reden = den singularis reden kan worden. (vgl. 1707). Soms
+kan men te doen hebben met den Infinitief reden (vgl. 1674). Reên 861
+is wel plur. v. reden, grond. Reden 599 kan ook plur. van rede zijn,
+dat dan hier de beteekenis van "grond", "aanspraak" = reden heeft.
+
+1471. Hoe nu toe?: XVIIde-eeuwsche uitdrukking (ook hoe dàn toe?) met
+de kracht van "wat nu?" ("wat dàn?"), "hoe nu?" ("hoe dàn?") [zie
+1633], "wat moet ik nu?", "wat zal er nu gebeuren?". Hier, 1471,
+is men geneigd, met het oog op het antwoord (vgl. ook 1509-1513, te
+omschrijven: "waar moet dat naar toe?", "waar moet dat heen?" en met
+dit soort van vragen komt de uitdrukking oorspronkelijk wel overeen:
+toe is = "verder" en geeft richting aan; vgl. ons "hoe nu verder?" en
+Aant. 1628.
+
+1490a. Vgl. voor de constructie: Cats, Spaansch Heydinnetje 47:
+en wie het maer en sagh; 484: van die haer maer en sagh.
+
+1495. Lees een komma achter "Van waer": "zijn scharp--dallen" is een
+absolute constructie: daar zijn scherp etc. A. I. 17, 1519.
+
+1499. beseten landen: mijn eigen landen, tegenover die welke hij van
+den koning bestuurt; vgl. 1507.
+
+1509. Wat mij aangaat. Vgl.: ik voor mij.
+
+1519. Welck pack--om draghen: absolute constructie; zie
+Aant. 1495. Eigenaardig is voorts de nauwe verbinding van 1519-1520
+met den voorafgaanden zin door het relativum: En daar dit pak
+voor mij te zwaar is, behaagt het herdersleven mij beter (zie
+A. 1520.) Vgl. A. I. 32.
+
+1520. doet behaghen = behaagt; subjekt is "Een lagen harders
+rust". Vgl. Mnl. Wdb. i.v. doen (II 234-235). Gewoon in Duitsche
+dialekten; vandaar in het volksaardige lied; en bij Heine:
+"Sie--Thät nochmals durch das Fenster sehn"--; bij Zach. Werner:
+"Das grosse, das ich that vom Vater erben"--; Doch war's, als ob
+sein Geist sich zwischen uns that schieben". Er is iets voor te
+zeggen, dat ook 1730 zoo is op te vatten. Denk aan 't gebruik van
+do in t' Engelsch. Vgl. voor het recht verstand van deze vervoeging
+'t gebruik van "doen" in 429, 657, 1060, 1240, dat wij nog kennen:
+"Regent het?" "Dat doet het", "Vergissen doet hij zich zeker."
+
+1529b. Objects-genitief. Vgl. 1136, 1603, 1610.
+
+Begin Vijfde Bedrijf: De geest van Ostrobas verschijnt aan Artabanus
+in den droom. Dit soort verschijning komt ook voor in Hooft's Geraerdt
+van Velsen en Bato en in vele stukken van de XVIIde eeuw, ook bij
+Vondel. Vgl. ook Vondel's Sonnet vòòr de Palamedes ('t En leed geen
+zeven jaar, etc.)
+
+1561. Vgl. A. 1235, 1331 b.
+
+1573. breijen: vgl. Gr. hyphaino, Lat. texo, ons "brouwen", "smeden",
+"rokken, berokkenen" (eig. de wol op 't spinrokken winden).
+
+1591. Leydstar: als ster van Venus, de "poolster" wanneer zij zich
+richt; vgl. in het Sonnet aan de oogen van de geliefde: "Leitsterren
+van mijn hoop". Vgl. A. 1245. Bij Roemer Visscher, Brabbelingh, 't
+Eerste Boeck, IVC, heet het van een liefje: "Ghy zijt mijn leytster,
+rechtsnoer, compas en clock".--De gewone beteekenis van Leidster is
+al in 't Mnl. "de poolster" (vgl. Eng. loadstar), de bekende ster van
+den Kleinen Beer, "cynosura", "tramontane" (vgl. Mnl. Wdb. en Kil.);
+overdrachtelijk b.v. van Maria (de Stella maris!): "die leedsterre,
+die ter havenen der salicheden alle menschen wel can leden" (Sevende
+Bliscap van Maria); bij Willems Oudvl. Liederen, 463, heet ze:
+O noordersterre klaer.
+
+1595. De nachtegaal was in de middeleeuwen de vogel der liefde,
+die het samenzijn der minnenden vervroolijkt met zijn gezang,
+hun geheimen kent en hun plannen begunstigt. Dikwijls is hij de
+bode in het volkslied. Vgl. Kalff, Lied in de Middeleeuwen 355-363,
+370.--vlied uyt geldt de vogeltjens van 1593 zoowel als den nachtegaal,
+maar hij moet vooruit vliegen, de eerste zijn.
+
+1602. aen u te slaven: Hooft denkt aan lat. servire, van
+servus = slaven van slaaf, en construeert dus = servire cui, met
+datief.--Vgl. echter Mnl. dienen; en overeenkomende oud-Germaansche
+werkwoorden met den datief.
+
+1603. Vgl. Aant. 1427.
+
+1612. crachten: A. 1434.
+
+1621. hartsen: tweede naamval van Duitschen oorsprong, afkomstig
+uit onder Duitschen invloed staande liederen, zeker wel de heele
+uitdrukking mijns hertsen bloed, die Hooft hier teeder vindt, goed om
+'t gevoel van Granida te vertolken.
+
+1627. wesen heeft den klemtoon, niet Daifílo: of ik 't mogelijk zelf
+niet bèn.
+
+1628. Nu toe = pak aan nu, flink: het zelfde aansporende en aanzettende
+toe, als dat wij nog hebben in: toe nu, toe dan, toe, toe toe;
+vgl. Aant. 1471 (vgl. Mnl. Wdb. II, 875 onderaan). Aangaande het
+nadrukkelijk vooropkomen van nu, vgl. 1359 en 1585.
+
+1629. boelen: ook in goeden zin = minnen. Het is niet noodzakelijk het
+woord hier in onedelen zin op te vatten, tenzij "boelen" er plur. van
+"boel" is, dat anders, evenzeer, van geoorloofde en ongeoorloofde
+liefde beide geldt.
+
+1676. Ziedaar nu zijn getrouwheid, waarvan gij den mond zoo vol hebt
+gehad.--Zie het Gloss. op werck maeken van.
+
+1690. beleyt--vervolch: ik begrijp noch hoe men dit overlegd heeft
+(het oorspronkelijke plan), noch hoe het zich verder heeft toegedragen
+(de uitvoering van het plan).
+
+1727. Bet--waerdich = waardiger: de zin is aan te vullen met "dan
+iemand": gij zijt waardiger dan iemand (dan ik zelf ook!) met elkander
+te bezitten, dat wat gij bereid zijt, òm elkander, te ontberen:
+'t is recht dat etc. Vgl. 1502.
+
+1761. dit huwelijck maken: Inifinitief zonder "te". Vgl. 212, 411,
+1125, 1325, 1595, 1759. 1694, 1841 kunnen ook anders opgevat worden.
+
+1767. van gouwe. Vgl. Nieuwe verbeterde Lusthof 1607, pag. 20: Gheen
+croon soo schoon van Gouwe; ibid. 50: Met zijnen pijl van gouwe.
+
+1770. "Waerdich" is dierbaar en hoort bij "roem"; de dierbare,
+waar uw hart op roemt. (1636 heeft: uw waerdigh'.) De staf van goud
+1767 is de scepter. 1767-1770 slaat op 1765-1766. De Rey prijst
+hem gelukkig om zijn verheffing: doch niet daarom prijzen zij hem
+gelukkig, dat een koninklijke staat hem te beurt valt, zij weten te
+goed, dat ook Daifilo zelve niet daarin het hemelhoog verheven zoekt
+(1767-1768 voorkomt een tegenwerping: wij weten zeer goed dat gij u
+den scepter niet aangenamer dan etc.): maar dìt is het, dat gij in
+onverbrekelijke trouw één wordt met etc.
+
+1772. Uitverkoren eigendom.
+
+1804. Constr.: (Het) blijckt, de Goden te begeeren dat ghy twee
+vereenicht blijft = het blijkt, dat de G. begeeren, dat: accusatief
+cum infinitivo als subject.
+
+1807. Reeds genoeg doorgestaan.
+
+1814. De Ouden reeds kenden het rad als teeken van het wisselvallig,
+het omslaande geluk (zie voor plaatsen Dr. Montijn, Spreekw. en
+spreekw. uitdr. der Romeinen) en de middeleeuwen namen deze
+voorstelling over (zie voor de Litteratuur daarover 't Leidsche
+Tijdschrift XIV, 136), die juist door de plaats bij Hooft voldoende
+wordt toegelicht.
+
+1846a. In teghendeel van dit: van zijn kant en in overeenstemming
+hier-mede: alles is nu ten goede beschikt, dat nu ook het
+geluk etc. Vgl. uit Cats: Daar staat de jongelingh en biet zijn
+rechterhant,--En krijght in tegendeel een gunstigh wederpant.
+
+1861a. Soon v. Persen: Jacoba v. Beieren noemt zich, tijdens het leven
+van haar eersten man, Jan v. Touraine, den zoon van Karel VI, Koning
+v. Frankrijk: "Dochter van Vrancryck" (v. Mieris, Charterboek van H. en
+Z., IV, 394: charter v. 24 Dec. 1416). In een charter v. 13 Febr. 1418
+heet Jan v. Beieren: Sone v. Henegouwe, v. Hollandt, ende v. Zeeland
+(v. Mieris, IV, 521; e.a.). "Sone" is Mnl. prins; vgl. Infante.
+
+
+
+
+
+
+
+GLOSSARIUM.
+
+
+A. verwijst naar de aantekeningen. I. = inhoudt.
+
+
+Achtbaer, 592.
+aelwaricheyt, gemelijkheid, 128.
+aen, op, 1644.--nemen aen, 1250.
+aenbieden, 445.
+aendienen, 1380.
+aendoen, 107.
+aengaen, beginnen, 937, 943.
+aengheboren, 283.
+aenghesien, 355, A.
+aenhòren, 1287.
+aenhouden, 1423.
+aencleven, 1541.
+aenprijsen, 726.
+aenroepen, 1697.
+aenschijn, het geheele uiterlijke voorkomen, 349, 438, 1071.
+aensien voor, 19.
+aensien (ten--van). 676: ten opzichte van, vergeleken bij.
+aenslaen, bij de hand nemen, beginnen, 478.
+aenstaend, 161, 1301.
+aentasten, 696, 1202.
+aentrecken, aannemen, 1361.
+aerdigh, sierlijk, elegant, smaakvol, 367.
+aesemen, verlangen of streven, 783, A. aspiro, suspiro. 1584.
+afgheronnen, 1062: moegeloopen.
+afgunstich, vijandig, 105.
+afkeerich, 75, 89.
+afkomen, 1110.
+afpijnen (hem), zich afsloven, afzwoegen, 1584.
+afscheydt (zijn--) nemen, 337.
+ayme, 556, 843, 733, 1610, 1100, A.--ay my, 1076.
+ay spijt, 1545.
+al, geheel, 1432; wel, 1580. als; alsof 505, 672, 685, 1748;
+allegaer, 781, 694.
+allensjens, 1376.
+als, na comp. passim: 186 etc.
+als, alles, 1329.
+als die, 180.
+alwaerdigh, 329.
+ameloos, 1583.
+ander, 237: Vgl. Fr. vous autres. A.
+ander-ick, 1578.
+anders, althans, 267.
+angelhoeck, 443.
+arbeyden, zich inspannen, 1655.
+arbeydt, moeite, 560, 1453. A.
+armen (m. open-), 372.
+asch (in d'-) leggen, 1449.
+avondtspel, serenade, 394.
+
+Banket, 147: maaltijd.
+beblaedt, 748.
+bedaeren, tot den vorigen staat, den normalen toestand terugkomen,
+ 1375, 1524, 60. I.
+bedampt, bedwelmd, 629.
+bedaren, 1375, A.
+bedauwen, 326.
+begeeren, hebben, 1110.
+begeerte, 1749.
+beginsel, begin, 1242.
+begraesd, grazig, 145.
+beguychelen, bespotten, 453.
+behaecht = (mij) behaagd hebbend, 724.
+behaghen, 724, 816.
+behaghen (zijn-) doen, 1390.
+behoeden, c. gen.: verhoeden, 915.
+behoeven, 978.
+behouwen, 331, 1475.
+beydts (van-) 1272.
+bejaghen, 1098.
+bekennen, herkennen, 79. I
+beknellen, 53.
+bekomen, komen tot? 18. I.
+bekommert, steeds druk bezig, 307. 28.
+bekoren, 423.
+bekrijten, 106.
+beladen, 1650.
+beladen in, verlegen met, 29.
+beleefd, 301. A.
+beleydt, beschikking, 1508. 1690. A.
+beleydt 1508: partic. van "beleiden", besturen.
+belonken, verliefd v. ter zij aankijken, 175.
+beloop, 1698.
+beloven, verzekeren, I. 85.
+belul, verstand, oordeel, 679. A.
+beraeden, 1211.
+bereden, gereedmaken, 1259.
+bereyden (den wech-), 1730.
+bereyt tot, 1106.
+berijden, 820.
+beroer, 519.
+beroert: in oorspr. beteekenis: in beweging raken, 1624.
+berste (te-) vallen, 1496.
+besadighen, tot rust brengen, 1527. 67, I. 1338.
+besaedicht, kalm, rustig, 338.
+beschadighen, krenken, leed doen, 1528.
+beschaeuwen, 1784.
+bescheydelijck, verstandig, "wijs en goed", 291.
+bescheyden, duidelijk, 1411. A.
+bescheydenheyt, wijze goedheid, 671; tact, fijngevoeligheid, 1132.
+bescheyt, antwoord, 543.
+beschelden, beschuldigen, 191, 1683.
+beseten landen, 1499. A.
+besich zijn, 1840.
+besien, zien, waarnemen, 1377.
+besinnen, beminnen, 1409.
+beslommeren (sich-) om, 306. A.
+besloten zijn, 81, I.
+besloten helm, 900.
+besneden, 1330.
+besond, van de zon bestraald, 1439.
+bespeuren, 1703.
+bespooren, onderzoeken, 1382.
+best dat, 30.
+bestaen, beproeven, 1860. 1707, 1714.
+besteden, 101, 892.
+besteken, afgepaald 702.
+bestellen, gereed maken, in orde brengen, 701, 1217, 1232, 1258.
+bestorten, 1764.
+beswaer, 1101.
+beswaeren, 994, 1523.
+besweren met, door tooverkracht voorzien met, 932.
+bet, eer, beter, meer, 97, 935, 1213, 1708; veeleer, 1727.
+betaelen, 1159, 1847.
+bevest, vast, met muren en grachten, 1095.
+bevinden, 122.
+bevynen, nagaan, 135. A.
+beweghen, 1751.
+bewaeren, beschermen, 580.
+bewindt, besturing, 1840.
+bewust, bekend, 776.
+bidden, verzoeken, 277, 1029, 1513.
+bieden, 345, 370, 1031.
+biggelen, 1585.
+bijen (ruischende-), 147.
+bij zijn bedde, 1238.
+binden, 1834.
+bitter, 969.
+bitterheden, 1587.
+bygheleghen, 1007.
+bysonder, afzonderlijk, verschillend, 411, A. 685, 670.
+blaecken, 248, 1323, 1349.
+blasen, 358.
+bleeck, 183.
+bleeck-gheschonden, 1553.
+bleeckheyt, 1332, A.
+blickeren, 1334.
+blijcken, 599.
+blijcklijck, 1409.
+blijschap, concr., 1592. gaudium, deliciae.
+blijven, het leven laten, 915. Mnl. Wb. I, 1305-1306.
+bly, zalig, 546, A.--123, 750.
+blygeestich, 206.
+blindt, 1839.
+blondt, 145, A.--A. 1331b.
+boelage, minnespel, 28. A.
+boelen, minnen 1629. A.
+boeten, stillen, 771, 1243; lesschen, 1547.
+boôn, A. 569.
+bootseren, 366.
+bouwen, 815.
+bouwliên, landlieden, 154.
+boven (te-) gaan, 1277.
+braecken, 1324.
+braef, krachtig, 753, A.: vol groote gebeurtenissen, 1175; strijdbaar,
+ 1539; voortreffelijk, 658, 1219.
+brageeren, pralen, 1249.
+brandt, 274, 243, 715.
+braveeren, zich verheffen op, 1076; snorken, trotsen 667.
+breydeloos, 260, 577.
+breyen, veroorzaken, berokkenen, 1573. A.
+bruycken, 1337, 1687.
+bruydegoom, 1798.
+bruyn, donker, zwartachtig, 30, 819, 1234, 30. A.
+buyrt, buurtschap, 435.
+buyten (van-) kennen, 237.
+
+Dael, 540.
+
+daer, waar, 320, 804; terwijl, 491, 858, 1020; wanneer? 810; =
+ daarin 180.
+daet (opter-), dadelijk, terstond, 1705.
+dagh, plur. 1200.
+dan, maar 265, 369: passim.
+dapperlijcken, 1087: wèl goed.
+dat, zóó, dat, 219, 667, 1318; wanneer dat, 386.
+deel (een-), gedeeltelijk, 410.
+deelen, toedeelen, schenken, 1194.
+deftich, waardig, imponeerend door overtuiging, 1411.
+defticheyt, distinctie, 360.
+delven, 980.
+dencken, 57, 201, 1056.
+dencken op, 1629.
+dertel, 119.
+derven, durven, 1607; 697, 1128; darf. derf: praet., praes.
+deucht, alle voortreffelijke, met name manlijke eigenschappen, niet
+ in uitsluitend moreelen zin, 591; weldadige kracht, 795; innerlijke
+ waardij, gehalte, 1157; goede en schoone daden, 1738.
+deucht-vruchtbaer, 591.
+deurgaen met, 419.
+deurkruipen, 1451.
+dewijl, terwijl, 543.
+dieden, uitleggen, verklaren, 1286, 1477.
+dienen, 1568, 1810, 1869.
+dienen (sich-) van, 1104.
+dienst nemen van, 1695
+dienst (gheboden--), 37.
+dienstboo, 1208.
+dienstigh, 285.
+dier, 1160, 1193.
+diets maecken, 249.
+dickheyt der ooghen, 502. A.
+dickwils, 58.
+dinghen, 1522.
+dobbel, 234, 791, 932.
+doe, doen, passim: 872-873, 875: 966, 971, 1120 etc.
+doen, maken, 788, 1149, 1613; 1520. A.
+dom, 21.
+dompen, 987.
+doogen, verdragen, 1195.
+-doom, 130.
+doorschynigh, 1354.
+doorwaden, doorstróómen, 748. Kil. waeden, vetus. Fland. fluere,
+ effluere.
+draelen, 1160.
+draghen, toedragen, 1123, 1473; voortbrengen, 591, 294, 873, 959,
+ 982, 1099, 1391, 1595, 1636.
+dracht, opbrengst van 't land, 297.
+drang, plur., 't gedrang v. 't handgemeen zijn; of drom? 1660. 619.
+dreyghement, 622.
+drijven, 391, 539, 571; willen en bewerken, 1806.
+drillen, trillen, 39.
+dromich, in droombeelden bestaande, 498.
+druck, verdriet, 1170.
+drucken in, 1344.
+druckich, droef, 1763.
+duyden, zie dieden.
+dul, zonder verstand, blind, 1457; dol, 635, A., 653.
+dun, 396. A.
+dwerrelen, 1560: spelen.
+dwingen, 604.
+dwingend, knellend, belemmerend, 1571.
+
+Echt, 1732.
+echte-man, 532.
+echte-vrouw, 890.
+eedel, 1061.
+eedelhartig, 82. I.
+eelman, 342.
+eenemael (t'-), 207.
+eensaem, 1512.
+eerbieden, eer bewijzen, 300.
+eere biên, salueeren, 927.
+eere (hoog in-) houden, 672.
+eerst, 720.
+eerstmael, de eerste maal, 1120.
+eerwaerd (-ich), vereerenswaard, aanbiddelijk, 363, 747, 1600; edel,
+ 1330, 1590. (vgl. eedel).
+eeuw, tijd, 1053.
+eeuwelijck, 1277, 1205.
+effen, 115, 1582.
+eyghen, eigendom, 974, 1772.
+eyndelijck, bijvnw., 22, I. 543
+eynden, 705.
+eyndt, 1516.
+eyndt maecken, 1307.
+eyst (my-) van, 1570.
+eng, smal, 886.
+erkentenis, 1326.
+ernst, hoogheid? 1132.
+erven, 919, 956.
+
+Feest, vreugde, 962.
+fijn goudt, 121.
+flucx, 937.
+fontein, bron, 138.
+fresch, 274.
+
+Gaede slaen, zorg dragen voor, 66. I.
+gaerne, 528: bijw. als bijvnw.
+gail, vroolijk, zwierig, 119.
+gangh, 46, 1747.
+gans, 868, 908.
+gapend, 1554.
+gauwicheydt, schalksche bij-de-handheid, 127.
+gave, 1515.
+ghebeten, 704.
+ghebieden, 84. I.
+ghebiedt, macht, gezag, 639. 735, 1499.
+gheboren zijn, 1124.
+ghebreck, ongemak, 773.
+ghebreken, ontbreken, niet in orde zijn, 1270.
+ghedacht, n., de gedachten, geest, 495, 723, 1204, 1307, 1344,
+ 1712, 1552.
+ghedaent, 1332. A.--723, 1614.
+gheduyrich, altoosdurend, onafgebroken, 327.
+ghedult, 1287.
+gheen, 85.
+gef, imperat. v. geven, 1657.
+ghegrondt, 600, 1086.
+ghehouden in, verplicht aan, 586.
+ghekrijs, 1660.
+ghelaet, de wijze waarop men zich voordoet, 440, 455;--waarop men
+ uiterlijk het innerlijke openbaart, 1823.
+gheleghen (een-) plaats, 1558.
+gheluck, noodlot en toeval, de Fortuin, 620, 824, 1467, 1486, 1530,
+ 1672, 1764.
+gheluckicheyden, 1242.
+ghemeen, 1799.
+ghemeente, volk, 666.
+ghemetst, gemetseld, 1370
+ghemoe (van-), 1085.--uit gemoede.
+ghemoedt, zin, verlangen, wensch, 616, 1302. 350, 439, 466, 897,
+ 1085, 1291, 1700, 1735, 1738, 1751.
+ghenadelijck, 1608.
+ghenegenheyt, bereidwilligheid, gedienstigh. 9, I. 349. plur., 845.
+gheneychtheyt, 1061.
+ghenieten, bezitten, 1075, 1192, 1405, 1728. Vgl. Gloss. Sp.
+ Heydinn. 176, 287.
+ghenoechjens, 382.
+ghenot, 919.
+gheraeckt worden, 226.
+gheraken, 20. I.
+gherucht, pl., 1151,
+gheschal, rumoer, lawaai, 155.
+gheschiedenis, gebeurtenis, 1285.
+ghesicht, de oogen, 1331, 1554. 503, 1373.
+ghesin, de hovelingen, 1237, 1538.
+ghespickelt, 159.
+ghespreck, het spreken, 1288.
+ghestelt zijn, 1396.
+ghetroost, goedsmoeds, gelaten, 1533, 1733; tevreden met, 48, I. 1164.
+gheswint, 1188.
+ghevelt liggen, 1544.
+geven (sich-), 16, I.
+ghevoecht (fraey-), 1328.
+ghevoelen, meening, 1713.
+ghewach, gemoedsbeweging, 1243.
+gewaegen, 1128.
+gheweldt (groot-), 157; macht, 607.
+ghewenscht, uitverkoren, dierbaar, 949.
+ghewinnen, 24.
+ghewrocht, bewerkt, 367.
+gissen, oordeelen, 1005.
+glas (het-), 1151, 1696.
+gloeyen, 112.
+gnorten, knorren, 129.
+godt, 897, 1133. Vgl. Ovid. Fasti VI, 5.
+godtheyt, 1252. Vgl. A. 1245.
+goed, n. pl., vruchten, 982. Kil. fruges, fructus terrae, annona.
+goedich, zachtmoedig, 688.
+goedicheyt, minzaamheid, 1131; meegevendheid, 450; genade, 571.
+gouwe (van-), 1767. A.
+gram, 1684.
+gras, 1340. A.
+grijns, masker, 1234.
+groen, jong, frisch, 101. A.; onervaren, 434.
+grof, 642.
+grof (te-) maken, 86.
+grondeloos, 1311, 1625.
+grondt, het diepste van het hart, 1128, passim,
+groot, 923;--(van geluid) 1315; 1611.
+grootachtbaerheyt, 1835; A. 544. 355.
+grootachting, eerbied, 1139.
+grootmoedich, edel, van verheven aard, 585, 947.
+grootsch, 351.
+grouwelijck, 1479.
+guyr, 149.
+gulde, 871, 1370.
+gunnen, schenken, 103.
+
+Haest, spoedig, 1388, 1780.
+haghen, pl., 42.
+haylich, rein, onschuldig, "integer", 405; ook "gelukkig"?
+halve-vrouw, 625.
+hantering, het doen, 632.
+handtghebaer, dat waarmee men zich bezig houdt, 785. A.
+hardicheydt, plur., 932.
+harte (in zijn-), 901.
+hartje, 13.
+hartseer, 1167.
+hartsen, genit. v. hart, 1621, 1770.
+heerlijck, prachtig, feestelijk, 1259. 493.
+heerschappie, A. 578. 1862.
+heet, 1053.
+heften op, vat krijgen op, 1198.
+hei, 1540, 1547, 1555.
+heylsaem, heilaanbrengend, 1129.
+hel, 1323, 1365.
+helas, 732, 734, 882. 1670: las.
+helen, verbergen, 381.
+hellen, 596.
+hen, van hier, 991.
+henenvaren, 1780.
+hersien, 724.
+het = er, 243.
+heusheyt, edelmoedigheid, 1736: minzaamheid, 490, 278;--(van zede):
+ humane wellevendheid, 426. 348, 350.
+hielen (de-) lichten, 608.
+hippelen, 214.
+hoe wel, 1144 A.
+hoofsch, 1516.
+hooft (op iemants-) iets keeren, 953;--(over 't-) sien, 313.
+hooch, aanzienlijk, hooggezeten, 1113, 1544.
+hooch setten, 728.
+hoochaerdich, stout, fier, 540.
+hoonen, 1678.
+hoop, plur., 1452.
+houden, 1409.
+houdt, halt! 523, 1463, 1464.
+houwelijck, 1478.
+huwlijck (het-) maken, 1350.
+
+Indien, 1251, A.--1592.
+ingheboren, 1058.
+inghesoghen, 1088.
+in midden, 1195.
+innebrengen, opleveren, 792, 1185.
+innemen met, 962.
+innerijden, inhalen, 266.
+innerlijck, 1155.
+inplanten, 1089.
+inprenten, 621.
+
+yder (: wyder), ieder, 987.
+yet wat, 1115.
+yl, ijdel: nietswaardig, 452, 678, 1928.
+yverich, vurig, 553, 1303.
+
+Jacht, span, 1062.
+jaer, plur., 971.
+jaghen, 80. I.
+jeughde, 177.
+jeuckeringh, 231.
+jonst, 252, 397, 1155. 1478: jonnen.
+Juppijn, 853: Juppiter.
+
+Kallen, praten, 421.
+kanten ('s werelts-), 588.
+kars, 112.
+keeren, 953, 1532, 1805; (de straf-) op, 1645.
+kennen, leeren kennen, 504; erkennen, 684; onderkennen, 1495.
+kenner, 690.
+kennis draeghen, ingelicht zijn, 1636;--ontfangen van, 1615.
+keur van wapenen, 699.
+keurich, met zorg kiezend, 1801.
+klaer, 1316, 1336, 1365;--goudt, 436.
+klaer (een huwelijck-) maken, 822.
+klateren, 621.
+kleen, 505, 507, 1709, 1857.
+kleynmoedicheyt, kleingeestigheid, bekrompenh., 451.
+klem, 642.
+cloeckmoedigh, 1132, 1654.
+knaghen, 1040.
+knoopen, 1631.
+koelen (zijn moedt-), 1684.
+coets, slaapstede, 1378.
+komen, c. Inf., 73, 156.
+komen (over eenen-), 141.
+komen (te vooren-), ontmoeten, te beurt vallen, 194.
+commerlijck, bezwarend, drukkend, 1855.
+kort (te-), doen, 108.
+korten (in stukken-), 557;--: de vleugels, 132.
+corts daer op, 1308;--nae, 1779.
+crachten, A. 1434, 1612.
+crachtich, 1224.
+krackeel, 705.
+cranck, krachteloos: gebroken (v.h. oog), 1554.
+krencken, letsel toebrengen, 1628. 169, 180.
+cristallinigh, 280.
+croon, 18; de groote--, 564.
+kroonen, 1321.
+kruydt, 1061.
+quaedt, 59, I., 70.
+qualijck, 388, 519.
+qualijckvaert, 1109.
+quam = ging, 1698.
+queelen, 214, 1775.
+quel, 553.
+quellen, 1218.
+quetsen, 1101.
+
+Lachen (er om-), 669.
+laech, 282, 300, 1520, 1577;--gheboren, 356;--gheseten, 1187.
+laeuw, 1586.
+land (op 't-), 62, 71. I.
+las, helaas, 1670.
+last, moeielijkheid, nood, 1669, 1763.
+laster, schande, 1547.
+laten, verlaten, 1509, 1724; nalaten, 688. 1704.
+laurentack, 1321, 1371.
+leedt, 162.
+leedt zijn, 329.
+leyd, onaangenaam, 731. A; 878.
+leyden (hem), zich laten leiden, 1743.
+leyden (ten strijde-), 1011.
+leydstar, poolster, 1591. A.
+lecker, kwajongen, 691.
+lenten, 713.
+lesen, uitzoeken, 1802.
+leur, beuzelingen, 801. Vgl. Bilderd., Oudem.
+leur (te-) stellen, 57, I. 1452.
+leven, 1319.
+leven, (met iemand-), 1604.
+levend, 716.
+levendich, 1498, 1630.
+leveren, 1500, 1501.
+licht, wuft, lichtvaardig, 255. 1487.
+lichtvaerdich, onstandvastig, 25.
+lieftallicheyt, 582.
+lieven, 887, 1446, 1480, 1800.
+lijden, 39, I.
+lijden (hem), genoegen nemen met, 866, 1164.
+lijf, lichaam, 1298.
+lijckewel, evenwel, 284.
+lodderlijck, verleidelijk, 125; aanvallïg, 373.
+lofgeklanck, 588.
+loflijck, 575.
+lock, 160.
+loncken, 378.
+loom, langzaam, 131.
+loopen, c. Inf., 47, 60.
+loos, ijdel, 1574.
+lot, deel, 1347.
+luycken ('t ooch), 1686.
+luym, plur., neigingen, aard, 1333.
+lusteloos, 1526.
+lustigh, 141.
+
+Machten (van-), 879.
+maeght, 21.
+maecken, 171; strijdt-, 1624*: huwlijck-, 1350; rekeninghe-, 109.
+maer, 1199; blijde-, 958.
+maer, 258.
+maet, plur., 1799.
+matighen, op de juiste maat brengen. 291.
+matten, 1049.
+meebrengen, 1412.
+meeghesel, 597.
+meenen (sonder-), 5.
+meerder, 725, 1671.
+melden, verraden, 4, 28, 401.
+menghen, 360, 757, 1796.
+merch, 't binnenste, 1088.
+mercken, goed zien, 522; opmaken, 1275; 365. A.
+mercklijck, klaarblijkelijk, 1806.
+middel (door wat-), 19. I.
+midden in, 1327.
+mijden (sich), zich ontzien, sparen, 1012.
+mijnen, zich toeëigenen, 991.
+mild, 1449.
+min, 1518, 1750: nog minder.
+min (in-) als een oogenblick, 1228.
+minnen, 16: plur. van min.
+minste (niet de-), 1220.
+missen, 21: het mist mij: ik vergis mij.
+misvallen, 1479: plur. van "misval", ramp, of Infinit.
+mits, met dat, zoodra als, 1050.
+moedich, fier, 683.
+moedt, hartstocht, 653; verlangen, 553; overmoedige gezindheid,
+ 667. 1684.
+moedeloosheyt, gebrek aan zelfgevoel, 675.
+moeyelijck, afmattend, 553.
+moeyen, lastig vallen ergens mee, 1598.
+moeyte, verdriet, lijden, 1866.
+moeten: ik moest: 1271.
+moghen, kunnen, 81, 89, 235, 324, 490, 729, 1577, 1860.
+moghentheyt, 544. A.
+momme-vollick, 437.
+moordich, 1325.
+morgeliedt, aubade, 394.
+mortel, gruis, 692.
+
+Naecken, 958, 1192.
+naeckt, 1090.
+naer, somber, donker, zwart, 1060, 1126.
+naer en nae, passim: 852, 1067, 1068, 1088 (naer ligghen), 1144.
+naeren, 1104.
+naesaet, 1015.
+naest, adj., 532.
+naevertellen (iets niet-), 680.
+natuyre, 307, 313, 356.
+natuyren, 210, A.
+nauilijcx, bijna nooit, 12, I.
+nauw, 1023.
+nauwt (als 't-), 636: desnoods.
+nechtig, ijverig, 1208.
+nederich, 1178: laech gheseten (1187).
+neyghen, 1121.
+nemen aen = nemen van, 1250.
+nemmermeer, nooit, 15, 1602. 1758; nooit meer, 1489.
+net, zuiver gevormd, 115, 763, 1330.
+nevens, 1038.
+niet, niets, 369, 574, 801, 1077.
+nieu, 29, I., 1356.
+nieuwers, nergens, 1417.
+nieuwicheydt, plur., 1414.
+nijt noch spijt, 304.
+nygend, 1590.
+nymphe, 54.
+noch, en niet, 282, 612, 1153, 1154, 1252. 1054?
+noemen (hooren-), 271.
+nood (van-), noodig, 960.
+noodich, 876.
+nooddruft, 't noodigste, 873.
+nootdrufticheydt, plur., 986.
+nu (hoe-)?, 1078.
+nut, 163.
+nutheydt, 1185.
+
+Oeffenen, bedrijven, uitoefenen, 627; zich inspannen, 783, A.
+oefening, uitoefening, 625.
+of, indien: passim;--schoon, 244.
+of, af, 85.
+offeren, 1644.
+oft, 21, 25.
+oyt, wel eens, 442.
+olykleurt, olijfkleurig, 1331. A.
+omkeeren, 1416.
+ommekomen, 486: nu 't omme komt: nu het te laat is.
+onbeproefd, 857.
+onbescheyden, redeloos, 1457.
+onbesuyst, 655.
+onbevleckt, 448, 803, 1683.
+onbeweecht, 177, 656.
+ondanck weten, euvel duiden, 662.
+ondergaen, vleiend overhalen, 714.
+onderling, 794.
+onderrechten, met verstandige redenen troosten, 60, I.--1217, 1483,
+ 1713.
+ondersoeck doen, 1231.
+ondertasten, onderzoeken, 735.
+ongaerne, 528. Zie gaarne.
+onghelijck, 1667.
+ongheluck, plur., 1034.
+onghemeten, 1161.
+onlijdsaem van, ongeduldig, 569. Impatiens c. gen.
+onnoselheyt, argeloosheid, 449. A.
+onnut, 133.
+ontbeeren, 152, 1726.
+ontdecken, 1127, 1700.
+onthaelen, inhalen, 87, I.--752.
+ontydich, buitensporig, onmatig, 710. Kil. intemperans, intemperatus,
+ immoderatus.
+ontkennen, niet weten? 585.
+ontladen, bevrijden, 278.
+ontlasken (sich), van elkaar gaan, zich openen, 1369.
+ontmoeten, gebeuren, 691.
+ontrusten, 1594.
+ontsegghen, uitdagen, 25, I. 908; weigeren, 1744.
+ontsich, ontzag, 582.
+ontsmeken, 550.
+ontslaen, laten varen, 608; verlossen, 945.
+ontslaen (hem), c. accus., zich bevrijden van, 1359, 1498.
+ontslechten, van gladheid berooven, 117.
+ontspringhen, op-, losspringen, 1322; (: vreugde), 788.
+ontsteken, aanvangen, 1357. 236.
+ontsteken, part. v. ontsteken, 236.
+ontstellen, buiten den normalen toestand brengen, 1314.
+ontucht, buitensporige handelingen, 1019.
+ontwapenen (sich-), 950.
+onvernoechelijck, 143.
+onvrede (t'-), in onrust, 1301.
+onwaert, verachtelijk, 370.
+oorbaer, nuttig, dienstig, 1406.
+oordeel, uitspraak, 1004.
+oordelaers, 690. A.
+oord'len, 1286.
+oorkonden, verklaren, 1710.
+oorloochsvolck, 634.
+oorlof, verlof om te vertrekken, 1513.
+oorsake, 38. I.
+op, open, 1322; 4, 17, 30, I.
+opdoen, voor den dag brengen, opsporen, 40.
+opghetooghen, 1318.
+opheffen, aanheffen, 1368.
+opofferen, 73, I.
+oppervoocht, 661.
+oppervriendtschap, 1797.
+oprecht, goed, juist, 1005, 1017; 1128: òprecht?
+oprekenen, oprakelen, 711.
+opset, voornemen, plan, 470, 703.
+opsichtich, wat de oogen tot zich trekt, schitterend, 1175.
+opsteken, aanwakkeren, 635. Vgl. opstoken.
+opstutsen, aanporren, 70. I.
+ouderdom (dorre-), 152.
+oudtheyt, 178.
+outs-bekent, 715.
+overdaad, plur., 400.
+overdwaelsch, buitensporig, verwaten, 676, 922.
+overeenkomen, 598.
+overgaen, 17.
+overgevenheyt tot, 573.
+overgoten (: v.d. slaap), 1309.
+overigh, overmatig, 962.
+overkijcken, 1377.
+overkomen, 168.
+overladend, met zorgen overstelpend, 1854.
+overlast, geweld, heftigheid, 1201; te zware last, 736. 74, I. 1459.
+overleden, gepasseerd, 1809.
+overleveren, 64, I.
+overvloed, plur.?, 984.
+overweghen, 1184.
+
+Pack, 639.
+passen op, letten, acht slaan, op, 547.
+peynsachtich, 1510.
+Persen, Perzië, 1861, passim.
+persoon: pronominaal: 856.
+pijn, plur., 989.
+plaats geven, 1466.
+plach, pleegt, 761, A; vgl. 1070.
+plaghen, 162, 1038.
+pleecht, praet., placht, 1541.
+pleghen, 1122.
+pleck, pl., 1024; plaats, 1364.
+porren, 1599.
+praetjens, 237.
+pratery, 644.
+preken, 1226.
+prenten, 1091.
+prijs, 1427, 1612.
+prins, vorst, 1113, 1501.
+prinslijck, vorstelijk, 1531, 1651.
+proef, bewijs, 644, 1196.
+proeven, ondervinden, smaken, 430, 1180, 1253; ondergaan, 979;
+ ondernemen, 909.
+puffen, lachen om, niet geven om, 622.
+puinbergh, 614.
+
+Raedt, besluit, 1422, 1720; overleg, plan, overleggingen, 1162, 1221,
+ 1229, 1717.
+raeu, ruw, 922.
+raken, 1759: peilen. 226;--aan, 531, 1147.
+ramen, vermoeden, 900.
+ras, 197, 251.
+rasen, krankzinnig zijn, 1383.
+rasery, 657.
+recht, 444, 1297;--anders, 182.
+rechten (hem), zich regelen, 993.
+rechtuytheyt, 449.
+rechtvaardich, rechtschapen, 1013.
+reddeloos, verward, ontsteld, 1538.
+rede, plur., reden: de woorden, redeneering, 923, 928, 1342, 1411,
+ 1674;--1707; aanspraak, 599? Vgl. Aant. 1470.
+redelijck, 165, 1091.
+reden, 653, 864, 894, 1086, 1466;--599, 861. 1707. Vgl. Aant. 1470.
+ree, 1509.
+regenen (: jonste), 1072.
+rekeninghe maken dat, 109.
+recken, 1026.
+reppen, 74.
+rest, 1848.
+--rijck, 364.
+rijck, machtig, 1720.
+rijcke, 1014.
+rijcklijck, 1130.
+rijsen, opstaan ('s morgens), 1237, 1255.
+ritseling, minnedrift, 716.
+rock, kleed, gewaad, 120, 159.
+roo corale, 1332.
+roof, het buit maken, nemen, 706.
+roosenhoedt, rozenkrans, 374.
+rootse, rots, 1138, 1226.
+rouw, verdriet, 1809.
+rouwen (laten-) 1474.
+ruymte, (met-), 558.
+
+Sachten, 1395.
+sadt, 1811.
+saken, 1757.
+salich-makend, 1176.
+salighen, 795, 1798.
+saluw, taankleurig, leelijk, 182.
+samenghegroeyt, 641, 1553. concretus.
+samenspannen (sich-), vereenigen, 154.
+schael (in juste-). 1184.
+schade, jammer, 7.
+schaduw-mildt, 1589.
+schaduthroon, 384: zie Aant.
+schalck, 386.
+scharp, 1235.
+scheyden, 1660.
+schennen, bederven, 296.
+scheuren, 656.
+schichtich, overhaast, 1284.
+schielijck, op eens, 1315; plotseling, 1523.
+schim, schaduw, 818.
+schoon, al, ook, 244.
+schoonpratich, 1450.
+schoveling, verschoveling, 488. A.
+schulp, 368.
+schutten, tegenhouden, 1814.
+schuwen, 1191.
+zede, 426.
+seechbaer, de overwinning verleenend, 1424. nikephoros.
+zeên, de wijze van spreken en handelen, manier v. zijn, gezindheid,
+ karakter, 676, 1341. mores.
+segghen (te-) hebben in, 884.
+selfs, zelf, 1518: passim.
+selsaem, 84, I. 1130.
+selschap, 1512.
+senden (ter hellen-), 914.
+seynden aen, 21. I.
+setten (het ooghe-) op, 1435.
+-sieck, 1530.
+siel, 913.
+sien (van binnen-), 22.
+sin, plur., verstand. 1277; neiging, 1289: zintuigen, 1310. 1026,
+ 1139, 955.
+sin (uyt den) stellen, 833;--(in den-) ligghen, 723.
+sint, 935.
+slachten, 268.
+slaen, vechten, 698, 942; treffen, 1315.
+slaepen (v.d. maan), 1065.
+slaven, slaaf zijn, 1576;--aen: dienen, 1602, A.
+slecht, gering, 1522, 1546; eenvoudig, 281; onnoozel, 254.
+slechten, verijdelen, 1482.
+slechtheyt, ordinairheid, 452.
+sleep, gevolg, 2. I.
+slippen, 581, 653.
+slissen, 1004.
+slooven om, 312.
+smaecken, ondervinden, 227. 1849.
+smalen, 1403.
+smijten, 1491.
+sneuvel, ongeluk, 434.
+soen, 86.
+soet, lief, 435; aangenaam, 426; 1338, 1584 etc.
+sonderlingh, bijzonder, 1840.
+soo, als--dan, 389-393, A.; toen, 1696: conj. temp.; zoodanig, 291,
+ daar, 1565.
+sorgh draghen, 873.
+sorghvaerdich, 854.
+sorgvuldich, 580.
+spaeren, 1392.
+speelsieck, 1530.
+spijsen, 1572.
+spijt, verdriet, 55.
+spoeyen (sich-), 925, 1241.
+spook, collect., 55, I.: geheimzinnige, buitengewone vertooningen.
+spraeck (sonder-), 927.
+spreecken, c. acc., 551.
+spreken met, 72, I.
+staedich, 466.
+staegh, 533. 540, 1852.
+staek, grenspaal, 996.
+staeken, een eind maken aan, 1815, 1827.
+staen (lustich-), 141.
+staen aen, 549.
+staessy, feestpraal, 1258.
+staet, toestand, 1626; maatschappelijke stand, 36, I. 1802;
+ waardigheid, rang, stand, 1725, 1861; ambt, post, 1507, 1714 331,
+ 344.
+staetdochters, 321.
+stam, afkomst, 1156.
+stee (blijvend-), 1510.
+steecken (de trompette-), 937.
+stellen (in rust-), 1538; (in vrede-), 1838; (ten toon-), 1130, 1832.
+steuren, dwarsboomen, 1477. 1001.
+steuren (hem), 1404; ontevreden morren.
+stieren, 582, 1126.
+stijf, 703.
+stick, stuk, ontwerp, plan, 1227.
+stil, 139.
+stof, 1530.
+stom, 1065.
+stonden (van-) aen, 1255.
+straet, weg, 411.
+stram, 231.
+strang, hard, drukkend, 665
+strecken, zich uitstrekken (naar), 555, 1026. tendere.
+strengh, strak, 1580; onwrikbaar, 619: hartstochtelijk, 963.
+strenghelijck, met geweld: regelrecht, 1494.
+strengher, strengelaar, 1797.
+strijdt (den-) alleen hebben, 1664:--maecken, 1642.
+strijcken, weggaan, wegtrekken, 1376.
+strick, 1579, 1580.
+stroocken, 113.
+stucken zijn, 1654.
+suf, 131.
+sulck, 639, 632.
+sulcx, 364.
+sus, sus, 81.
+suur, 257.
+swack, sterk aangedaan. 963.
+swaer, 559, 802, 811.
+swaerheydt, kommer, 189.
+swaeger, schoonzoon, 1746.
+swichten, 607.
+swijghen, 1616.
+
+Talen, trachten, 517.
+tapissery, behangsel, 1324. Vgl. Palamedes, III, Rei, 81-83.
+te pas (wel-), adj. 1121.
+teder, verwijfd, 623; niet fleurig, 183; gevoelig, 754, A. 1588.
+teerbeweecht, lichtbewogen, 719.
+teghendeel (in-) van, 1846.
+teghen-reên, 1223: -sen, 1069; -teecken, 1339; -vryer, 25 I.;
+ -wicht, 1186.
+tegenheyt, tegenzin, 1526. 350.
+teghenstaen, 697, A.
+telgh, 43.
+telle, telganger, 322.
+tempel, 1831.
+terghen, met geen rust laten, 1063.
+t'hans, zoodra als, 1783; terstond, dadelijk, 17.
+ty-gheset, 378: Zie de Aant.
+tijdt ('t is hoogh), 925;--, gelegenheid (tempus), 1103.
+tijdt (noch ter-), 1421.
+tijen, plur. = getijde, 205.
+tijts-ghelijcke, gelijke in leeftijd, "evenouder", 1781.
+tijtverlies, 1247.
+tyen, 1534.
+tyrannije, plur., 1037.
+toe (hoe nu-), wat nu? hoe nu? 1471 A., 1633.
+toe (nu-), 1628. A.
+toedenken, 1774.
+toeëyghenen, 1619.
+toeghesloten (v.d. zinnen), 1310.
+toekomen, 1689.
+toelegh, collect.: voornemens, 1482;
+toelegghen, 883.
+toghen, toonen, 1071.
+treden, (m. voeten-), 674.
+treffend, 1454 A.
+trecken uyt, 794;--(voetsel), 556.
+treken, plur., 714.
+troetel-kunste, 627.
+trony, 1330, 1554.
+throon des hemels, 1348, 1438.
+troonen, 257.
+troost, 1737, 1842.
+trouwe, echt, 1769.
+trouwen, 583.
+trouwen, waarlijk, zeker, 1870.
+tsamen, 641.
+tsidderen, 1319.
+t'sint, 1615.
+
+vond, middel 245.
+voochdy, macht, 603.
+voocht, meester, heer, 1139.
+voor, 1509. A.
+voorganghen, voorafgegaan, 1092.
+voor heen, vooruit, 1595; vooruitgaande, 1747.
+voorhouden, 1706.
+voorjaghen, wegjagen, 311.
+voorsicht, wijsheid, 1212.
+voorsichtich, wijs, 579; met wijsh. vooruitziende, 1335, A.
+voorstaen, c. dat. pers., toelijken, 1768. vgl. 418.
+voorstandt, verdediging, handhaving, 641.
+voort, voorts, verder, 1482; aanstonds, 96, 1256.
+vorder, verder: 744: "die verder gaan", vgl. 873.
+vouw (sonder-), 449.
+vrede, genade, 1745.
+vreden (te-), met vree, 99.
+vreemdelingh, 295.
+vrees ('s werelts-), 606.
+vry, wel. versterk. partikel.
+vryage, 28, A.
+vrybuyten, 158.
+vryer, 1353.
+vroemoeder, vroedvrouw, 1244.
+vrolijck, 148, 150, 286, 339, 459.
+vrolijckheyt, plur., 359.
+vroom, rechtschapen, 1290; standvastig, 1458.
+vroomheyt, dapperheid, 645, 646.
+vrouw, gebiedster. 1256, 1299, 1600; mijn--, 415.
+vrundt, 104.
+
+Waerd, kostbaar, 1515. 1143, 1194, 1729.
+waerden (hooch van-), onwaardeerbaar, 1398, 1736.
+waerdy, 643.
+waerheydt (buyten-), 190.
+waerheydt van woorden, 450
+waernemen, belagen, 52; gebruiken, 1209.
+wachten, 631.
+wacker, 123.
+walghen van, 1497.
+walscher, buitenlander, 922.
+wanckelbaer, 1487.
+wanderen, reizen, trekken, 1512.
+wapen, interject.: wee! 1549.
+wapenen, harnas, "arma", 40, I. 923; collect., 1546.
+warrich, verdeeld, oneenig, 1579.
+wederpaer, gelijke. 1294. Kil. compar, consors.
+weeck, plur., 713.
+weeck, 624.
+weelde, genot, 427.
+weer, tegenstand, 1454: A.
+weere (te-) raken, 76, I.
+weg (zijn-) volghen, 78.
+weerlichten, schitteren, 1591.
+weerliefde, 514, 1351, A.
+wechdraghen, wegvoeren, 1647.
+weyden, 305
+wel ongetwijfeld, 319, 376, 472, 474.
+wel, 1392, A,
+welfsel, 1324.
+weligh, 118.
+welcoom, 1583; wellekom, 144; wellekoom, 86, I.
+wellust, genoegen, genot, 107, 204, 408. Vgl. 376.
+wel lusten, 376.
+wellustich, heerlijk, 147; verrukkelijk, 1357.
+welvaert: ruimer dan nu, 1109: vgl. qualijckvaert.
+wel zijn, 473, 474.
+wenden (hem) om, 1230; -tot, 1341.
+wenschen (goe morgen-), 144.
+wenschen om, 38.
+wentelen (hem) in, 567.
+werelt, 151, 206.--werlt, 1497.
+werck maeken van, ophef maken van, 1676. A. Kil. magnifacere,
+ magnipendere rem aliquam; Gheen werck maecken van parvifacere,
+ parvipendere, nihilpendere, floccipendere, negligere rem aliquam.
+weten, wijsheid, 861, 1497.
+weten (ondanck-), 662.
+wetenschap, wijsheid, 1403.
+wijs worden, c. obj., 485.
+wijslijck, met wijsheid, 904, 1337.
+wil (om dies-), daarom, 161, 169.
+willen, 331, 924: conjunctief.
+willich, 1506, 1647.
+winnen, 53. I., 1144, 1216.
+wins, 584.
+winste, aandeel, 865.
+winter (de wreede-), 161.
+wispeltuyricheyt, 256.
+woeden op, 1648.
+woedich, 686, 439, 1656.
+woelend, 1307.
+wol, 1783.
+woon (metter-), 1206.
+worden: hij wordt 530, 1094, 1515, 1633, 1723, 1766 = hij wert 701,
+ 844 (rijm), 1137 (rijm), 1718 = hij wart (: hart), 1618.
+worden (om rasende te-) zijn, 57. I.
+woudt ('t groene-), 141.
+wraeckrasende dorst, 1548.
+wrang, 664.
+wreedt, 161, 664.
+wrochten, 367.
+wuft, bewegelijk, 214.
+wullepsch, dartel, 9.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Geschreven 1890.--Opmerking: Waar in het volgende de uitgaaf
+van Hooft's Gedichten door Leendertz wordt aangehaald, is de
+oorspronkelijke, niet de tweede, door Dr. F.A. Stoett herziene,
+druk bedoeld.
+
+[2] Enkele namen althans mogen wij den lezer niet onthouden. Uit de
+XVe eeuw kennen wij enkel nog CORREGGIO'S Cefalo. In 1545 voerde
+CINTHIO, de schrijver van het beroemde novellenboek Hecatommithi
+zijn satyrdrama Egle op, dat niet ten onrechte èn als Land-, èn
+als Satyrspel tot de soort gerekend wordt. Tien jaar later volgde
+BECCARI'S Il Sagrifizio. Wederom na tien jaar verscheen LOLLIO'S
+L'Aretusa, daarop Lo Sfortunato van ARGENTI. ONGARO vormde Aminta
+tot een Visschersdrama: Alceo om. Tusschen Aminta en den Pastor fido
+liggen o.a. Il Pentimento amoroso van LUIGI GROTO en INGEGNERI'S La
+Danza di Venere. De XVIIe eeuw laten wij hier onaangeroerd. Alleen
+dit nog: in 1615 waren er al een 80 en voor het jaar 1700 al
+meer dan 200 herdersspelen ("aussi absurdes pour la plupart qu'
+insipides". Meegedeeld door Vict. Cherbuliez in zijn artikel Le Tasse,
+son centenaire et sa légende, [Revue des deux Mondes, 15 Mei 1895],
+uit Carducci, Teatro di Torgu. Tasso, edizione critica, 1895).
+
+[3] Maar zie Cherbuliez in zijn aangehaald artikel (naar aanleiding
+van de (toen) nieuwste onderzoekingen omtrent Tasso): Aucun poète
+n'a mieux chanté l'amour idéal, tragique et souverain--; mais ce
+dévot n'était pas pratiquant. Les poètes de sa sorte sont ainsi
+faits que les passions qu'ils peignent le mieux, sont celles qu'ils
+ressentent le moins, et qu'ils voudraient pouvoir ressentir. Ce rêve
+les tourmente; ils s'en delivrent en le mettant en vers.--Le Tasse
+est convenu lui-même que sa jeunesse se passa tout entière dans les
+servitudes amoureuses; mais il a dit aussi que, "prompt à s'enflammer,
+excessif dans ses désirs, il était le plus changeant, le plus divers,
+le plus versatile des hommes". En zoo voorts. "Ce poète idéaliste
+n'a connu en réalité d'autre amour que celui qui est l'étoffe de la
+nature, brodée par l'imagination."
+
+[4] Een eigenaardig verschijnsel in de Literatuurbeschouwing der
+XIXde eeuw is het onvermogen om Cats te begrijpen, te zien, te
+waardeeren. Hoe moeten wij dit beoordeelen bij Potgieter? Anders
+was het bij een man en letterkenner als wijlen J.A.F.L. Baron van
+Heeckeren, die 20 jaar geleden Cats zag en beoordeelde als men zien
+kan in zijn opstel Vader Cats, meegedeeld in Taal en Letteren V,
+73-106. Een eigen oordeel, tègen Potgieter en Jonckbloet, handhaafde
+ook een ander man die meetelt: J.T. Oosterman in zijn Lezing Jacob Cats
+als Volksdichter verdedigd, 1877. En Halbertsma! Zie ook Dr. A. Kuyper,
+Het Calvinisme en de Kunst 31-39, 83-87. Duidelijk merkbaar is het,
+dat de opinie omtrent Cats verandert.--1890.--1906: Zie nu de opstellen
+over Cats van Koopmans, Kalff en Buitenrust Hettema.
+
+[5] Jonckbl.
+
+[6] Zie onze Bijlage.
+
+[7] Maar vgl. Dr. Worp, Een onbekend Lofdichtje van Bredero in
+'t Leidsche Tijdschr. IX: uit C. Kina's opdracht van Heliodorus'
+Moorenlandsche Geschiedenissen aan Rodenburg, gedat. 22 Dec. 1609,
+blijkt, dat de Trouwe Batavier toen "onlangs", dus zeker nog in 1609
+ten tooneele geweest is. Naar Kina's oordeel is er niemand geweest,
+"of hy en heeft de gedachtenis van dien met groote vernoegingh int
+binnenste van zijn herte behouden" etc.
+
+[8] Men mag aannemen dat BREDERO'S vierde liefde, waartoe de Angeniet
+in betrekking staat, in 1616 en 1617 valt. In den winter van 1617 zette
+hij zijn hart op Madalena Stockmans, zijn vijfde. Dat de Angeniet
+een groot aantal plaatsen herhaalt uit de Lof vande Ryckdom (1613,
+26 October) en de Lof vande Armoede (1614, 4 Januari), voorkomende
+in de Nederduytsche Rijmen, (door Dr. J. te Winkel aangewezen),
+kan wel geen reden zijn om het hekeldrama vroeger te stellen.
+
+[9] Veel in het eerste bedrijf van Granida is ontleend aan den Pastor
+Fido,--een en ander aangewezen bij Leendertz.
+
+[10] Huygens vertaalde 1623 een groot gedeelte van 't eerste
+Bedrijf. Dit was zijn bijdrage tot de komplete vertaling, die hij,
+met behulp van eenige "van onse kloeckste Jonge letterluyden", van
+plan was tot stand te brengen: zie bij Worp de oorspronkelijke en
+de latere "Voormaning" tot het fragment, I, 284-285. Vgl. Jorissen,
+Huygens, 153-156.
+
+[11] Bredero's ingenomenheid met Granida bewijzen anders niet slechts
+zijn liederen op de wijze van "Windeken daer het Bosch af drilt" en
+"Ghy lodderlijcke Nymphen soet", maar ook een lied in De Groote Bron
+der Minnen, waar hij zijn beminde als Granida aanspreekt en zich-zelf
+als "slaaf en pagie" stelt. De inhoud en de toon van dit Amoreus
+Liedeken herinneren aan Hooft's spel. Zeker staat het in verband met
+zijn liefde voor Madalena Stockmans (1617 en 1618).
+
+[12] Evenwel, Hooft is niet zoo'n uit den hemel gevallen wonder, als
+hij, bij onze gebrekkige historiekennis vroeger scheen. Verwey bracht
+(1895) Jonker Jan van der Noot aan 't licht en--"zonder hèm was er geen
+Hooft geweest": "Gedichten van Jonker Jan van der Noot, met Inleiding
+en Aanteekeningen. Vgl. Kalff in Gesch. v. d. Nederl. Letteren in
+de XVIe eeuw, II.--1906: Vermeylen, Leven en Werken van Jonker Jan
+van der Noot, 1899. Over den Nederduytschen Heticon van 1610: het
+voorloopige bij Kalff, XVIe Eeuw, II, en te Winkel's opstel in het
+Leidsche Tijdschrift, XVIII (1899).
+
+[13] Het beste over Hooft als vertegenwoordiger der Renaissance,
+en over het karakter der Renaissanceletteren is Huet's Hooft's
+Poëzie (Litt. Fantasiën en Kritieken XVIII); Land van Rembrand II,
+2; 3, XXX-XXXV; H.C. Poot (Litt. F. en Kr. I). Verder, Kalff,
+Gesch. v.d. Nederl. Letteren in de XVIe eeuw; J. te Winkel's
+Bladzijden; A.S. Kok, P.C. Hooft in Venetië en Florence; Verwey in de
+drie boekjes Hooft, Bredero, R. Visscher-Feitama en in zijn Inleiding
+tot Vondel en Gedichten van J. van der Noot; goede opmerkingen in
+Moltzer's opstel in Studiën en Schetsen.--1906: Kalff's Studiën
+over Nederlandsche dichters der 17e eeuw, Koopman's opstellen
+over Hooft, Vondel e.a. in Taal en Letteren, ten deele verzameld
+in zijn Letterkundige Studiën (Hooft als Allegorist; Vondel als
+Christen-synbolist), 1906; Vermeylen's Jan van der Noot; Kalff's
+opstellen over Vondel in het Leidsche Tijdschrift, en zijn Literatuur
+en Tooneel te Amsterdam in de XVIIe eeuw.
+
+[14] Over den invloed van Italië op Hooft zie A. S. Kok, P.C. Hooft
+in Venetië en Florence, in Elsevier's Maandschr. 1893.
+
+[15] Uit: Toeëigening aan mijn Vrouw. 1605. Leendertz, I 54.
+
+[16] 1603.
+
+[17] Leendertz I, 30: aan W. B. 1602 of 1603.
+
+[18] Leendertz I, 21: aan C. B. 1602?
+
+[19] Leendertz I, 37: 1603 of 1604.
+
+[20] Leendertz I, 35: Weet yemant beter saus als honger tot de
+spijsen. Voor Ida Quekel 23 Nov. 1603. Vgl. Leendertz, I, 34: Voor
+Ida Quekel, strophe I, II. Vgl. met Granida 298-299, str. X van liet
+Lied op den Rijkdom.
+
+[21] Vgl. vooral Granida's zang in bedrijf V.
+
+[22] Vgl. Granida 363-368 met str. IX in het Lied op den Rijkdom,
+LEENDERTZ I, 36.
+
+[23] Rey van Iofferen, bedrijf III; vers 279-300; etc.
+
+[24] Zie Velsen en Baeto passim, met name den Rey van Iofferen in
+het IVe bedrijf van het eerste, en dien in het tweede bedrijf van
+het andere.
+
+[25] Leendertz I, 53: aan A. S. 1605; Baeto, Rey van Nonnen, IIe
+bedrijf.
+
+[26] Leendertz I, 54: Sang, aan A. J. S 1605; 58: Sang, aan
+A. J. S. 1606; 46-48: Op Brechje vande Spiegels graf, 1605. Vgl. ook
+de Liederen voor Ida Quekel, Leendertz, 34, 35: 1603.
+
+[27] Huet.
+
+[28] Vers 861-876, te vergelijken met den Rey van Iofferen, bedrijf
+III.
+
+[29] Vs. 872.
+
+[30] Vers 448-453, e.e.
+
+[31] Zie de beschrijving van de taak des vorsten: vers 284-300;
+Reizang van de Gouden Eeuw, Bedrijf III.
+
+[32] Vers 1392-1407; 1829.
+
+[33] Vers 1289-1290.
+
+[34] Vers 1531.
+
+[35] Vers 618-622; 932-933.
+
+[36] Miles gloriosus. Maar vlg. Graf, Der Miles gloriosus im Englischen
+Drama bis zur Zeit des Bürgerkrieges, 1892.
+
+[37] I Samuel XVII. Vgl. ook aldaar 34-38 met Granida 938-940.
+
+[38] Slot van het laatste tooneel.
+
+[39] Vers 1730; 1834.
+
+[40] Vers 1738-1739: Grandia.
+
+[41] Vers 1088-1091.
+
+[42] Vers 734-736.
+
+[43] Vers 877-880; 802-824.
+
+[44] 1187-1188; 1528-1530.
+
+[45] 301-313; 339-372.
+
+[46] = afkomst.
+
+[47] Vers 1156-1157.
+
+[48] Vers 1830-1833.
+
+[49] Vers 489-515; 717-726; 1141-1142; 1205-1208; 1289-1298.
+
+[50] lichaam.
+
+[51] 1294-1298.
+
+[52] 1600-1605.
+
+[53] Herderskoor van de Gouden Eeuw, bedrijf 1 van Tasso's Aminta.
+
+[54] Vers 377.
+
+[55] Vers 1085-1087. Reden = de Rede.
+
+[56] geheim voorbehoud.
+
+[57] Vgl. vers 1718 met 1683-1687.
+
+[58] beproefd, ervaren.
+
+[59] Geniet het oogenblik.
+
+[60] Zie hierna XLI-XLIII.
+
+[61] Vgl. Kollewijn's Hooft en de meisjes Spiegel in Taal en Letteren,
+XIII (1903).
+
+[62] Leendertz I, 16.--13-14.
+
+[63] C.B.--M.V.S.--L.W.
+
+[64] C.B.--M.V.S.--L.W.
+
+[65] Wij lazen het boek-zelve niet, maar kennen het o.a. uit de
+dissertatie van SCHÖNHEER, Jorge de Montemayor und sein Schäferroman
+Die "Siete Libros de la Diana", 1886.
+
+[66] Steunt hierop Leendertz vermoeden Dia =
+Chr. v. Erp? Vgl. Jonckbl. III, 348 noot--350.
+
+In later tijd liet Hooft zich soms nog met het genre in. Zie Leendertz,
+Inleid. XXI. In 1625 de Harderskout van Bosman (Hooft) en Haeghenaer
+(Huygens) over Gloorroos (Suzanna v. Baerle). Het fragment uit den
+Pastor fido van Huygens (zie hiervoor XVI, noot) wordt door Jorissen
+(153-154) in verband gebracht met Machteld van Campen.
+
+[67] De eerste druk van dezen Zwolschen Herdruk is van 1890.
+
+[68] Mucedorus, ein englisches Drama aus Shaksperes Zeit, übersetzt
+von Ludwig Tieck, herausgeg. von Johannes Bolte, Berlin, 1893. In
+zijn oudsten vorm is het nog niet bekend. Er zijn 16 uitgaven, maar
+de oudste daarvan, van 1598, is niet de eerste.
+
+[69] Zie Bolte, Inleiding V, X, XI.
+
+[70] En in het uitgaafje van de Mucedorus-vertaling, èn in het
+Leidsche Tijdschrift X, 286 noemt Dr. Joh. Bolte de Spaansche
+Celestina (met den Pastor fido) als voorbeeld, wat den stijl betreft,
+van Granida. Dr. G. Kalff heeft Gesch. v. d. Nederl. Letteren in de
+XVIe eeuw, I doen opmerken, dat het lied van Granida in 't begin van
+'t Vijfde Bedrijf door stemming en schildering nauw annex is met
+het lied in een van de laatste boeken van de Celestina. Nog kan men
+Granida 825 en vervolgens aan den mooien maneschijn in Celestina en
+door Granida's onderworpenheid (1601-1605) aan Mellibea, de heldin
+in de Celestina herinnerd worden. Maar met de bewering van Dr. Bolte
+kunnen wij 't volstrekt niet eens zijn. Wat Mucedorus aangaat, kan
+nog opgemerkt, dat men hier en daar eenigen "ànklang" met Granida
+zou kunnen vinden. Niet, waar van Fortuna wordt gesproken of in 't
+beschrijven van de Gouden Eeuw (bladz. 44), want 't eene als 't andere
+is in Renaissance-poëzie zeer algemeen. Maar op bladz. 32 de monoloog
+van Amadine, op bladz. 34 die van Mucedorus (vgl. Granida 1716-1717),
+ook in het laatste tooneel (Segasto's optreden) van 't Vierde Bedrijf.
+
+[71] Door Dr. Joh. Bolte is in het Leidsche Tijdschrift X (1891),
+286-289 gepubliceerd een Engelschen dialoog van een vijftigtal verzen,
+die gevonden wordt in het, meestal aan Robert Cox toegeschreven,
+tweede deel van de door Francis Kirkman in 1672 uitgegeven
+dramatische collectie The Wits, or Sport upon Sport: een dialoog
+tusschen Diphilo and Granida, die ook door de situatie annex is met
+het laatste gedeelte van 't Eerste Bedrijf van ons drama. Diphilo, de
+herder, heeft zijn herderin verlaten, om zich in de eenzaamheid over
+te geven aan zijn zwaar verdriet. De oorzaak van zijn melancholie,
+die hij pathetisch genoeg uitspreekt, vernemen wij niet, maar wel
+dat hij geen gewone herder is, maar van prinselijke afkomst,--wat
+aan Mucedorus en de Arcadia herinnert. Nu verschijnt de herderin
+Granida. Zij is verdwaald en versmacht van dorst. Diphilo, die dadelijk
+geheel overmeesterd is door haar buitengewone schoonheid, verschaft
+haar water en betuigt zijn overgegeven dienstwilligheid. Granida is
+eveneens al in liefde ontbrand; zij verklaart hem dit en geeft ook te
+kennen dat zij Prinses is. Als Diphilo te verstaan geeft, dat ook hij
+niet is die hij schijnt, dan zegt zij, dat zij hem wil toebehooren,
+wie hij ook zijn mag. Dan verloven ze zich en Diphilo schenkt haar een
+ring. Granida eindigt met: Then lead on forwards to my fathers court,
+We'l grace our nuptials with some princely sport. Dit documentje lijkt
+ons nog al merkwaardig. Is het aan Hooft's Granida ontleend, dan is het
+niet meer dan een bijdrage tot de geschiedenis van de litterarische
+relaties tusschen Engeland en Nederland. Maar is 't niet iets heel
+bijzonders (ten zij het toeval hier zijn rol speelt en die scène uit
+het Hollandsche drama, toen het herdertje spelen onder de Engelsche
+grootheid zoo mode was, eenvoudig voor een of andere vorstelijke
+bruiloft àldus bewerkt is), dat, terwijl de nàmen van 't stuk van
+Hòòft zijn, de herder net als in Mucedòrus een vermomde prins is? Nu
+is The wits, or Sport upon Sport, een "zweibändige Sammlung von kurzen
+Theaterstücken oder vielmehr Einzelscenen aus beliebten Dramen". Aan
+zulk een Einzelzcene of aan een soort excerpt doet ook deze dialoog
+denken door 't geheel ongemotiveerd vreemd doen van Diphilo. Ziehier
+hoe het spel begint: "I once a shepherd was upon the plains, Courting
+my shepherdess among the swains. But now that courtly life I bid
+adieu And here a melancholy life pursue. This shade's my Covering,
+this bank my bed, These flowers my pillow, where I lay my head, My
+food the fruit, which grows about the field, My drink those tears, my
+eyes with sorrows yield. Though I was once a shepherd princely born,
+Yet now I take this course, and life forlorn". Denkt men hier niet
+onwillekeurig aan een fragment? aan een fragment van een stuk dat
+wel Granida is, maar niet Hòòfts Granida? En dan zou dit het stuk
+zijn, dat in staat tusschen den Mucedorus en Hooft.--Vgl.: Granida,
+uitgeg. door H. Beckering Vinckers (Nederl. Klass., Gulden-editie,
+Zaltbommel, Van de Garde en Co.), 1903, de Inleiding XII-XIII. 1906:
+Niets nieuws levert voor deze kwestie Josephine Laidler's A History
+of Pastoral Drama in England until 1700 in Englische Studien, 1905.
+
+[72] Leendertz I, 37 en 39.
+
+[73] Navorscher, 130-131.
+
+[74] Leendertz, I, 22-27.--Leendertz merkt hier bij op, dat indien
+zijn betoog juist is, de chronologie van zijn editie onjuist is:
+want dan gaan de gedichten aan Diana vòòr die aan Chariclea.
+
+[75] Vgl. hiervoor, Inleiding VIII, IX, XI, XIV, XXXVI tweede noot.
+
+[76] Zie het soptasme 901-903;--dan 904-922.
+
+[77] Hij heeft er het mes in gezet, dat het sap van alle zijden uit
+het roodgebraden rundvleesch stroomde; den malschen kalkoen heeft
+hij getroffen tusschen de vleugels en de borst; in breede strooken
+is onder zijne hand de schil gegleden der peer en der perzik; de
+droppelen van hun geurig nat hebben hem langs den baard gestroomd."
+
+[78] Vgl. nog 1 Neophilologus 134, 135.
+
+[79] Overtuigend toont de Schrijver aan, dat een voorstelling als
+deze in een drama van rondom 1600 "iets vreemds" genoemd moet worden.
+
+[80] Een nieuw handschrift van eenige van Hooft's vroegste werken,
+daaronder van Granida, werd in Berlijn ontdekt. Zie hierover
+Dr. Kalff in het Leidsche Tijdschrift XI, 261. Iets nieuws levert
+dit voor Granida niet op, behalve dat het stuk daar onderteekend
+is met: Verandren Candt; maar deze spreuk gebruikt de dichter
+meermalen.--Zie over de beide H.S. in 't Leidsche Tijdschrift van
+1917 Dr. F. Kossmann's verhandeling De varianten van Hoofts Granida.
+
+[81] 16. A Tisaphernes. (alleen in den Inhoudt.)
+
+[82] 30. A op avontuir of.
+
+[83] 31-34. C verzachten moghte, ziende, zonder gezien te worden,
+door 't glas, ende hoorende hem verzuchten, neemt zy 't zelve op, voor.
+
+[84] 72. C sprekende, van hem ende zyn volk, met haer gevangen
+ wordt, om.
+
+[85] 82. A den gentilen prince.
+
+[86] 83-85. C. hen--hunne--haer--hun--hunne.
+
+[87] 14. C dard'ik.
+
+[88] 30. C Best dat ik my versteek in 't schemeren der blaeden,--En
+diepste van.
+
+[89] 42. C haghe',
+
+[90] 51. C Vreesje.
+
+[91] 85. C zult ghy.
+
+[92] 86. C Houdt, Daifilo, ghy zult het veel te.
+
+[93] 87, 88, C Laet, Daifilo, my staen. Laet, Daifilo, my gaen.
+
+[94] 99, 101. C te vrede.--bestede'?
+
+[95] 114. C Van outheidt zullen eens verwelken, en.
+
+[96] 115-120. C De diepe rimpel, met--Der tijdt, dit voorhoofdt
+net--En gladt heel zal ontslechten,--Deez' weelderighe vlechten,--Die
+met veel' strickjens nu zoo dartel zyn vertuyt,--Die zullen 't gulden
+kleedt allensjens trekken uit.
+
+[97] 121. C hieldt, moghelijk, voor.
+
+[98] 122. C Zal zilver blijken, en alleen verguldt te.
+
+[99] 130. C (Helas!) zal ouderdoom.
+
+[100] 132. C Haer'.
+
+[101] 134. C'K weet, Daifilo, niet van wat schoonheidt.
+
+[102] 135, 136. C beyyne'--mijne',
+
+[103] 136. A mijne,
+
+[104] 137-140. C Want onlangs, naer ik kon--Verneemen uit de bron--Die
+ongeroert was, quam het beeldt daer in verscheene,--Met dit uw'
+zeggen niet al te wel over eene.
+
+[105] 139. A En 't beelt dat mij in 't stille water is verschenen,
+
+[106] 145. C Ziet ghy dat blondt gewas om hoogh, en 't graezigh dal.
+
+[107] 147. C der ruissend' honighbyen?
+
+[108] 155. A En met een.--C En met een.
+
+[109] 159. C spikkelrijke.
+
+[110] 170. C Deez' mijne schoonigheên, (genomen.
+
+[111] 178. A als versuft verstockt vervrosen outheit?
+
+[112] 183. C op wangen deeluwbleek,
+
+[113] 185. A En niemant sachmen oyt, het geen dat hij beminden,
+
+[114] 186 C Afzichtigher dan.
+
+[115] 189. C Van minnens bijstre swaerheit.
+
+[116] 192. C hen.
+
+[117] 194. C hun'.
+
+[118] 195. C huns.
+
+[119] 200. C minuens honighzoet.
+
+[120] 216. C 'T zouw zeggen; ach! ik brand' van Min, ik brand'
+van minne,
+
+[121] 217. C binne,
+
+[122] 223. C Ach! aerd' en hemel mint.
+
+[123] 224, 225. C waerde, Alleene--aerde,
+
+[124] 227. C haer' krachten.
+
+[125] 228, 232. C De Mingodt.
+
+[126] 231. C in leden oudt en stram.
+
+[127] 232. C En hoope helpt.
+
+[128] 236. C Veel feller vat droogh hout de vlam, dan groene spruiten.
+
+[129] 245. C Verklaert met welken vonde.
+
+[130] 254. C Gelijk wy meiskens, die eenvoudigh zijn en slecht,--'T
+en zy wy stoppen 't oor, vaek worden uitgerecht;
+
+[131] 257. C O Nimf', maer.
+
+[132] 263. C Gerit, nocht hovelingen.
+
+[133] 266. C O Eed'le.
+
+[134] 268. C Uw' stem nocht aenschijn sweemt geen menschelijk geslacht.
+
+[135] 269. C Voorwaer, alzulker eer'.
+
+[136] 278. C Grootachtbare Prinses. Ziet.
+
+[137] 280. C Van deze zuyvre bron de kristallijne vloedt.
+
+[138] 282. C En onze zorghen noyt, door hoogher vluchts verkiezen,
+
+[139] 285. C de koele schaeuw van deze bruyne blaên.
+
+[140] 286. C Deez' heuvels vrolijk, en dit heldre.
+
+[141] 289. C woedigheit der.
+
+[142] 290. 291. C Die de begeerlijkheên der woelend'
+onderzaeten--Bescheilijk matight in zoo veel' versckeide maeten;
+
+[143] 293. A meerder. C meerder.
+
+[144] 294. C 'T is hy, hy is 't alleen, die zorgh draeght.
+
+[145] 295. C Dat wreede vreemdeling ons niet koom' overvallen--Met
+ysselijken krijgh,
+
+[146] 298. C Met dank.
+
+[147] 301, 302 C de beste wijnen my--Zoo zeer als deze dauw der frisse
+bron, bevielen.
+
+[148] 303. C Ach wellukzaelghe.
+
+[149] 321. C der staetdochteren.
+
+[150] 327. C eindelooze.
+
+[151] 337, 338. C En zonder afscheidt in het minst van my
+genomen?--Best volgh ik, en bezie.
+
+[152] 340. C By ondankbaren.
+
+[153] 345. C. dienst aenbieden?
+
+[154] 346. C Al het geveinst gelaet der dienstigh' edellieden.
+
+[155] 350. C vol van onwilghe.
+
+[156] 367. C Vormd' het.
+
+[157] 371. C haer miltheitsblijk.
+
+[158] 372. C gebruykt des.
+
+[159] 373. C Ghy Nimfen pril en lodderzoet,
+
+[160] 386. C Lietje slaet.
+
+[161] 390. C hartje,
+
+[162] 391. C wordt.
+
+[163] 401 C wardt,
+
+[164] 411. A Verstroyt om u te soecken op.
+
+[165] 425. C Meend' eeveneens.
+
+[166] 427. C Dat vrundschap, weelde.
+
+[167] 435. C. zoo liet.
+
+[168] 439. A Het hart
+
+[169] 441. Een hart vol nijdt en.
+
+[170] 449. C De veilgh' onnoozelheidt,
+
+[171] 450. C Waerwoordigheydt en g.
+
+[172] 451. C Daer worden,
+
+[173] 452. C Voor slechtigheidt, veracht.
+
+[174] 454. C Ten hoov' is 't al geveinst, wat men daer.
+
+[175] 455. C en ooghen,
+
+[176] 456. C Godsdienst,
+
+[177] 466. C geduyrghe.
+
+[178] 470. C Dus staekt, o Daifilo, 't geen ghy hadt voorghenomen,
+
+[179] 475. C En of.
+
+[180] 479. C En wilt dit groene--niet laten.
+
+[181] 483. A van slavernij, en soo veel.
+
+[182] 489. C Hoe haeghlijk is--ook de deughdt?
+
+[183] 490, 492. C ghebiede!--liede'!
+
+[184] 494. A Eer sij vernoechden aen het. C Eer zy ghenoeghen kon.
+
+[185] 495. C zuyvre Zon,
+
+[186] 497. C En onder vliezen op mijn ooghen alle beyde,
+
+[187] 498. C By róókrigh lampenlicht, het.
+
+[188] 502. A Suiverden uwe glans de.
+
+[189] 505, 506, C verwandren,--verandren.
+
+[190] 508. C met haer.
+
+[191] 509. A Soo sal mijn siel van wil in. C Zoo zal mijn ziel haer
+wil, in all's.
+
+[192] 512. C ('T en ware dat zy storf).
+
+[193] 517 A, C talen van.
+
+[194] 522. C En toont een.
+
+[195] 526. C Zoo moet ik leeren hem, met--verdraghen.
+
+[196] 528. C Om wilghe--, onwilghe.
+
+[197] 531, 532. C Het naeste middel schijnt, om--Deez' Prins te
+dienen, want.
+
+[198] 534. A sal den uwen wesen.
+
+[199] 536. C Hoort Daifilo.
+
+[200] 541. C door hare.
+
+[201] 546, 547. A 't soud--Goden sijn,--Waerop--tot mijn. C 's hemels
+heerschappy,--zoud' het.
+
+[202] 556. C Uit ydle hoop voortaen geen voedsel meer en trekken.
+
+[203] 557. C der hoop' aen.
+
+[204] 558. C zoo ruymlijk.
+
+[205] 571. C O hooghe Venus,
+
+[206] 572. C uytdrukken moogh'
+
+[207] 575. C Grootachtbre Vorsten, ik heb tot noch toe--Te noemen
+yemant,
+
+[208] 580. C Van het.
+
+[209] 581. C der haest ontslipte.
+
+[210] 583. C De oorzaek dat ghy niet, o Tisiphernes, trouwde'.
+
+[211] 584. A Granida' al overlang,--C Met haer al.
+
+[212] 585. C braev' en welwaerde Prins,
+
+[213] 586. C gehoude'.
+
+[214] 596. C zy, dan d'andere zal.
+
+[215] 599. C blijken doe den andren.
+
+[216] 602. C inwendigh en uytwendigh 't rijk in.
+
+[217] 599, 602. C rede.--vreede.
+
+[218] 608. C vreez' verwerpt.
+
+[219] 614. C uytgheroeyde.
+
+[220] 615. C zullen baenen my.
+
+[221] 617. C zy zullen zijn de.
+
+[222] 621. C Vry klatre met.
+
+[223] 624. C een' taeye peez'.
+
+[224] 625 C 't gebruyk van 't.
+
+[225] 630. C om Atlas te.
+
+[226] 635. A d'opstokende trompet. C d'opstookende.
+
+[227] 636. C Zijn 't dartelst van mijn spel;
+
+[228] 639. A Kneusden u 't.
+
+[229] 640. A Druckten u schouders.
+
+[230] 641. C te zaem' ghegroeyde.
+
+[231] 648. C Dan, volghende mijn' raedt, zoo zult ghy, zijt.
+
+[232] 652. C Dat haer--heeft geleeken by de mijn'.
+
+[233] 658. C Der Vorsten lange ry,
+
+[234] 665. 666. C Uw volk, met slaeverny ondraghelijken strang,
+Verdrukt, en overheert.
+
+[235] 667, 669, 670, 672. C bravere'--verleere':--regeere':--in eere',
+
+[236] 678. C Maer uwe gramschaps dull' en ydele gewelde',
+
+[237] 679. C En vreez' ik meer niet, dan uw lompe.
+
+[238] 682. C Dan oft het beurde, dat.
+
+[239] 684. C (ken ik hen).
+
+[240] 686. C Want nemmer zullen zy het heerschen fel en.
+
+[241] 687. C Van een uitheemsch gebiedt staen toe in.
+
+[242] 688. C Maer wreeken bitterlijk een' vorst hun allen.
+
+[243] 689. C lofwaerde.
+
+[244] 690. C Oprechter oordeelaers.
+
+[245] 693. C Wat beurt u, Ostrobas?
+
+[246] 695, 696. C onvervaerde',--aerde.
+
+[247] 701. C Hooghachtbre.
+
+[248] 707. C Uws vyandts harnas, al vermoordt ghy hem niet.
+
+[249] 708. C Voll' overwinning.
+
+[250] 709. C Wanneer als' d'aerde.
+
+[251] 713. C de soete Lent' in haer'.
+
+[252] 715. C dat die.
+
+[253] 716. C Een leefbre ritseling.
+
+[254] 729. C ghy, las! moet leyden 't leeven.
+
+[255] 733. C Ay my!--stondt, in 't voorhooft, u.
+
+[256] 734. B op de straten.
+
+[257] 736. C van hunnen overlast.
+
+[258] 737. A C hoopt.
+
+[259] 740, 745. C aerde',--aenvaerde'.
+
+[260] 767. C Een heel voll' overvloedt.
+
+[261] 768. C veele drank', en.
+
+[262] 782, 787. C ghelijke',--wijke'.
+
+[263] 791. C Een' dubble lust.
+
+[264] 813, 815. C trouwe'--bouwe',
+
+[265] 817, 819. C aerde'--Paerde'
+
+[266] 821, 823. C 'T gevecht zal morghen maeke'--een' zake,
+
+[267] 822. C Mê vrouw haer.
+
+[268] 825. C Van wat bekommeringen,
+
+[269] 826. C Voel ik mijn' ziel.
+
+[270] 837. C Zoud 't Daifilo wel.
+
+[271] 844. C Nae toe.
+
+[272] 845. C Ay my!
+
+[273] 846. A sijn lieve lief.
+
+[274] 849, 850. C verheve'--ghedreve'.
+
+[275] 865. A vaeck den slechsten heeft.
+
+[276] 871. C U hebben.
+
+[277] 879. C maekt, den meesten mensch van maghten,
+
+[278] 882 A het is verlies voor mijn.
+
+[279] 893. C menschen, docht my, toe gheschapen.
+
+[280] 896. A vecht,
+
+[281] 906. A Dan moet hij u verbeyden.
+
+[282] 912 C niet waere te.
+
+[283] 919. C Maer ghy zult erven, Heer, al het.
+
+[284] 923. C Uw' reên zijn groot. Ik ken 't. Doet.
+
+[285] 925 A 'T is hooge tijt, C Het is hoogh tijdt,
+
+[286] 929 A of sijn de wapens noch te smeden,
+
+[287] 930, 931. A sijn--mijn?
+
+[288] 932. A al beswoers'.
+
+[289] 933. A Sij sullen wederstaen.
+
+[290] 938. C Onsterfelijke Goon, versterkt.
+
+[291] 944. C Uw Prins, o Persen, wint.
+
+[292] 954. C O opper Goden, en.
+
+[293] 963. A sijn omhelsen.
+
+[294] 964, 965. C goedertiere--te viere',
+
+[295] 969, 970. C strye'--heerschappye.
+
+[296] 975, 976, 977. C liede',--ghebiede',--bediede.
+
+[297] 980, 981. C delve',--zelve',
+
+[298] 987, 988. A Dompten een ijder--wijder
+
+[299] 1003, 1004, 1005. C twiste'--sliste,--giste':
+
+[300] 1017. C Deughdige.
+
+[301] 1022, 1023. C hede'--vrede'.
+
+[302] 1029, 1030. C ghebede',--vrede'.
+
+[303] 1046. C strye'.
+
+[304] 1048. C peyzend'.
+
+[305] 1058. C Tot morghen waer te.
+
+[306] 1058, 1059. C inghebore'--Gheneyghtheidt t'haerewaerts, met
+aenhoudende spore'
+
+[307] 1060. A Prickelden als de mijn. C Hem prikkeld' als de mijn'
+
+[308] 1062. C ter westzijd van de.
+
+[309] 1065. A de maen slaept, en misschien Granida mee:--C slaept,
+Granida lichtlijk mee,
+
+[310] 1067. C. en dwingt my herwaerts.'
+
+[311] 1070. A En maekten hem beschaemt.--C En maekt' haer roodt
+van schaemt.
+
+[312] 1073. C daermee beyd' heeml' en aerd.
+
+[313] 1079, 1080, 1081. C: O Voester.--Dochter.--treedt uit,
+
+[314] 1082. C want geirn', uit.
+
+[315] 1083. C Ik, in wat staet zijn heer zich vinden magh, verstonde.
+
+[316] 1084. C Ik vliegh, mê vrouw.
+
+[317] 1091. A in onse siels verstandt.
+
+[318] 1092. A Voorgaenden.
+
+[319] 1096. C maer harders staet, gewis.
+
+[320] 1097. C Waer--, en zorgh, en kommernis,
+
+[321] 1100. C Keert Daifilo.
+
+[322] 1104. C Dient u daer af.
+
+[323] 1109. C En kundschap van de wel.
+
+[324] 1112. C 'T geliev' u, Voester, aen.
+
+[325] 1113. C Hooghmoghende Prinsses,--den Prins der Goden,
+
+[326] 1115. A danck haer.
+
+[327] 1117. C: O voester.
+
+[328] 1118. C laet dat nae.
+
+[329] 1119. C Hadt ghy my, Daifilo, niet.
+
+[330] 1122. C Zoo moest uw heussche dienst.
+
+[331] 1123. C De gonst verwekken, die ik u al.
+
+[332] 1124. G Nu heeft hy.
+
+[333] 1129. A dit.
+
+[334] 1131. C De groothêen uwer ziel',
+
+[335] 1133 C Had toen een vierigh Godt mijn hart noch.
+
+[336] 1135. C Op voorwaerdt, dat elkeen, die kend' eens uw' waerdye.
+
+[337] 1136. C Zich willigh geven moest, aen u, in.
+
+[338] 1138. C steenklip--wardt.
+
+[339] 1139. C uwer deughd.
+
+[340] 1141. C mijns harts.
+
+[341] 1142. C Dat--dat het vandt,
+
+[342] 1154 A dat ick bespeurden aen.
+
+[343] 1159. C Ik liev' u Daifilo, en.
+
+[344] 1160. C Ten diersten dat.
+
+[345] 1162. C Dit's, Daifilo, mijn raedt. leydt my.
+
+[346] 1164. C Ik vrolijk ben.--kunt lijde'.
+
+[347] 1166, C Ik kus de aerd, mijn'.
+
+[348] 1178. C Maer heel afzightigh, slecht en needrigh, ongeacht.
+
+[349] 1182. C Houdt, Daifilo, het mijn'.
+
+[350] 1187. C Ach, ach, eenvouwde rust der hardren.
+
+[351] 1192. C Die my genaeken, las! maer.
+
+[352] 1198. A Dan yet vermeugen als ick.
+
+[353] 1199. C Hoe dus verbaest, mijn vriendt?
+
+[354] 1204 C Te klein is mijn gedacht.
+
+[355] 1205. C Van mijn' ootmoêghe ziel!
+
+[356] 1206. C Doch vaeren eeuw'lijk met der woon' uit my in d'uw!
+
+[357] 1207. C En in een' wooning van die zuyverheidt, nae dezen.
+
+[358] 1209. C O Daifilo, de tijdt moet zijn.
+
+[359] 1212. C. varder,
+
+[360] 1213. C dan uw te slecht een.
+
+[361] 1219. C 'T Is onder zoo zeer veel'.
+
+[362] 1220. C geenzins de.
+
+[363] 1221. C Des hemels, dat zy licht ter yl.
+
+[364] 1224. C Zy waeren.
+
+[365] 1229. C Een' loozen raedt.
+
+[366] 1230. C Den konink en al 't hof, dat zy zich zullen wenden.
+
+[367] 1231. C Niet eens om.
+
+[368] 1233. C Het minst op my. Neen, want.
+
+[369] 1243. A Blosenden Uchtent. C ongerust.
+
+[370] 1246. C eer dan nae.
+
+[371] 1249. C Stelt, heldere Godin, uw brallen uyt, tot.
+
+[372] 1251. C uw overzoeten brandt,
+
+[373] 1253. C het hooghste luk.
+
+[374] 1254. C Zijt ghy daer, Daifilo?
+
+[375] 1265. C Wel? hoe, voester, dus.
+
+[376] 1274. C Ach arme! 't is van beyds.
+
+[377] 1275. C Van beyds? hoe soud.
+
+[378] 1284. C Wat brengt ghy, voester.
+
+[379] 1292. C die ver den een' voor andren.
+
+[380] 1295. C Dan wast de liefd' geswindt:
+
+[381] 1297. C Recht oft gepaert geweest al waeren onderlinge.
+
+[382] 1298. C Die zielen eer zy lijf, en 't wereldsch licht ontfinge'.
+
+[383] 1302. C Om dat het haer
+
+[384] 1306. C was het hun' geliefte, t'haerwaert zenden.
+
+[385] 1307. C 'T woelziek ghedacht.
+
+[386] 1315. C heel schielijk d'ooren.
+
+[387] 1321. C Der neghen zusteren--met lauwertelghen.
+
+[388] 1324. A en welfsel.
+
+[389] 1325. A Die niet en branden, niet om te.
+
+[390] 1326. C der Godheidt.
+
+[391] 1330. C eere-waerdt.
+
+[392] 1331. C olygroen.
+
+[393] 1334. A Deckt eenen blancken.
+
+[394] 1335. C Maer haer voorzichtigh' arm.
+
+[395] 1337. C En dat zy 's wijslijk bruykt, en.
+
+[396] 1339. A En aen d'olijventack, een.
+
+[397] 1343. C Die goddelijke kracht,
+
+[398] 1344. A Druckten in mijn gedacht.
+
+[399] 1345. A want rust ghij buiten slaep sult vinden,
+
+[400] 1346. A minden.
+
+[401] 1356. C Voortaen Godin, uw.
+
+[402] 1359. C U ontslaet van d'.
+
+[403] 1376. C Verbaesde sufheidt, van.
+
+[404] 1382. C hier af zy,
+
+[405] 1392. C O groote Goôn,--my hebben wel.
+
+[406] 1394. C daer inne zouw.
+
+[407] 1395. A leedt versachten?
+
+[408] 1398, 1399. C waerde, --aerde.
+
+[409] 1408. C Men zoek';
+
+[410] 1416. C Wy hebben.
+
+[411] 1425. C O eeuw'ghe liefde, die.
+
+[412] 1428. C Lof, o eeuwghe liefde, wy.
+
+[413] 1434. C Hem, die op uw'.
+
+[414] 1436. C op u de zinnen,
+
+[415] 1438. C. Nae den throon.
+
+[416] 1439. C Ten bezonden hemel binnen.
+
+[417] 1443. C op aerdrijk hier.
+
+[418] 1450. A Van 't schoonpratich. C Van het schoonpraetendt luk, en.
+
+[419] 1460. C Deez zal.
+
+[420] 1474. A Ick liefden haer niet, soo mijn haer verlies niet
+rouwden.
+
+[421] 1475. A behouden.
+
+[422] 1480. C Indien ghy, heer, haer liefd', het gheen u is gheschiedt,
+
+[423] 1484, 1485. A door het sterven, mijn--Bevrij, sij sullen daer
+oock geensins tegen sijn.
+
+[424] 1486. C Ghy kundt wel leven, dat u 't luk zoo.
+
+[425] 1492. C Ghelijk als d'Arendt trots, die.
+
+[426] 1495. C met kund van bergh en.
+
+[427] 1496. Haer op een harde roots, dan laet.
+
+[428] 1497. C en leev' ick nu voortaen,
+
+[429] 1498. C Zoo zal ik haerder my al.
+
+[430] 1500. C Ik leever, Daifilo,--, u in.
+
+[431] 1501. C Weest ghy.
+
+[432] 1502. C kan zijn waerdigher verzien. A voorsien.
+
+[433] 1504. A 'T beliefden u voor mij.
+
+[434] 1505. C Deez man versloegh den Parth, en.
+
+[435] 1506. C om mijnent wil. en haer.
+
+[436] 1510. C peinzerigh.
+
+[437] 1511. C van eenen tot den anderen,
+
+[438] 1519. C ook veel te swaer om draghen,
+
+[439] 1521. A blijven u trouwe. C als uw getrouwe knecht,
+
+[440] 1528. C u, luttel kan.
+
+[441] 1533. A Adieu, mijn Prins, vaert wel, en.
+
+[442] 1535. A adieu mijn heer, en.
+
+[443] 1536. A Daifilo' adieu. C Wel, Daifilo.
+
+[444] 1548. C Mijn' dorst, die raest nae wraek.
+
+[445] 1549. C Hey waepen! Prins ik volgh.
+
+[446] 1549, 1550. A verclaerden,--aerden,
+
+[447] 1553. C Uw hayr te zaem geklist met bloedt, uw' gantsch
+gheschonde.
+
+[448] 1554. C En bleeke troony, krank gezicht, gaepende wonde'.
+
+[449] 1555. C mijn Prins die roept.
+
+[450] 1557. C ontsteekt het.
+
+[451] 1560. C Het licht dat dwerrelt vast, gemengt met duysternis.
+
+[452] 1561. C morghestondt.
+
+[453] 1569. A Adieu scepters, adieu, adieu. C Vaert schepters wel,
+
+[454] 1571. C Ghy dwingende gewaedt ook, en te zware.
+
+[455] 1573. C Uw' ydlen dien'ren ghy.
+
+[456] 1576, C. In 't heerschen slooven, en.
+
+[457] 1581. C gebloosde.
+
+[458] 1587. C Geen' traentjens meer.
+
+[459] 1591. C Ghy ley en morgenstar.
+
+[460] 1593. C Ghy blijde vogoltjens, die, nu.
+
+[461] 1595. C vlieght.'
+
+[462] 1597. C noch sneller.
+
+[463] 1602. C om u te slooven.
+
+[464] 1604. A vindij 't goet,--C Leeft, handelt, naer uw' zin, met my:
+hoe dat.
+
+[465] 1612. C D'onschattelijke.
+
+[466] 1624. C dat ik haer, van.
+
+[467] 1625. C De grondelooze vreughd, niet.
+
+[468] 1627. C of ik wel zouw Daifilo niet.
+
+[469] 1633, 1635. A op mijn?--het sal een onrecht sijn,
+
+[470] 1636. C varder.
+
+[471] 1638. C. Genoegh bekent.
+
+[472] 1646. C uw Prins leyt neêrgheslaegen.
+
+[473] 1562. C Wat ziet ghy Daifilo?
+
+[474] 1660. C Houd op, houd op 't gekrijgh, ghy vechters, scheyd.
+
+[475] 1661. C Aen 't vliên,--ontzet. Aen 't vliên.
+
+[476] 1665. C Met all' dien hoop!
+
+[477] 1666. C o Prins, de.
+
+[478] 1667. C benevens 't onze.
+
+[479] 1673. C. O prins, ghy.
+
+[480] 1688. C zegt, Daifilo, my, hoe.
+
+[481] 1692. C En onder 't venster.
+
+[482] 1698. C vernêerde zich, en
+
+[483] 1700. A Gevraecht, ontdeckten ick.
+
+[484] 1703. C hadt kunnen wel.
+
+[485] 1705. A met mijn op het landt.
+
+[486] 1709. A In cleenen staet, als.
+
+[487] 1710. A De Goden tot getuich neem ick van mijn oorconden,
+
+[488] 1711. A jonden,
+
+[489] 1715. C dan my ten besten.
+
+[490] 1718, 1719. C ghebede'.--vrede.
+
+[491] 1720. C o raedt van hemelrijk.
+
+[492] 1721. C haers ghelijk!
+
+[493] 1728. C Recht, Daifil', is 't, dat ghy geniet het geen.
+
+[494] 1734. C en ghy haer bruygoôm, van.
+
+[495] 1734, 1736. C aerde.--waerde, (sic).
+
+[496] 1738. C doch loonen, dan 't.
+
+[497] 1743. A sich lichteljjck laet leyden,
+
+[498] 1744. A ghij ontseyden.
+
+[499] 1754. C lof Prins, u die 't.
+
+[500] 1757. C ver boven eyghe.
+
+[501] 1761. A 'T lusten u dit.
+
+[502] 1772. A U sijn eygen wtgesocht,
+
+[503] 1801. C hemel u en haer.
+
+[504] 1809. A u gepasseerde rouw.
+
+[505] 1829. C Ik volgh der Goden wil.
+
+[506] 1830. C O Heer,
+
+[507] 1832, C haer'.
+
+[508] 1837. C Ach overeedle Prins.
+
+[509] 1838. C Stelt-uw' ghemoedt in.
+
+[510] 1843. C Mijn Dochter, wilt u rechten,
+
+[511] 1844. C. En ryst mêe Daifilo.
+
+[512] 1868. O misdrijf, wil.
+
+[513] 1870. C In trouwe, jae. 'k vergeeft. En doet, o Prins, uw' zin.
+
+[514] "Dit berigt is geschreven nadat de Achilles en Polyxena en
+Theseus en Ariadne waren uitgegeven (de voorreden voor het laatste
+stuk is van 30 Julij 1614) en voor dat de Granida voor het eerst in
+het licht kwam (1615)." LEENDERTZ, II 141.
+
+[515] Het teghenwoordighe "Later veranderd in: den tegenwoordighen
+spelen. HOOFT dacht er toen over om te gelijk met de Granida den
+Warenar uit te geven." ALDAAR.
+
+[516] Dese deernisse. "Deze woorden hebben betrekking op hetgeen eerst
+aan het einde van den voorgaanden zin stond, maar later is doorgehaald;
+"en 't docht hem al te luttel medogenheits geen tegenweer met allen
+te doen." ALDAAR.
+
+[517] Waar in het volgende de uitgaaf van HOOFT'S Gedichten door
+LEENDERTZ wordt aangehaald, is de oorspronkelijke, niet de tweede,
+door Dr. F.A. STOETT herziene, druk bedoeld.
+
+[518] aspirare: saepissime sumitur pro accedere; inest
+tamen vis quaedam major, quam in accedo, et voluntatem, vel
+coaatum quendam, seu cupiditatem significat tendentis ad rem
+aliquam. Facciol.-Forcell. 1831.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Granida, by P. C. Hooft
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 42746 ***