summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/43704-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '43704-0.txt')
-rw-r--r--43704-0.txt8879
1 files changed, 8879 insertions, 0 deletions
diff --git a/43704-0.txt b/43704-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..eda7b23
--- /dev/null
+++ b/43704-0.txt
@@ -0,0 +1,8879 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 43704 ***
+
+Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this
+ file which includes the original lovely illustrations.
+ See 43704-h.htm or 43704-h.zip:
+ (http://www.gutenberg.org/files/43704/43704-h/43704-h.htm)
+ or
+ (http://www.gutenberg.org/files/43704/43704-h.zip)
+
+
+ Images of the original pages are available through
+ Internet Archive/Canadian Libraries. See
+ http://archive.org/details/janmaatindeoosto00louw
+
+
+OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER.
+
+ _Cursieve tekst_ is in deze tekst weergegeven met _een laag
+ streepje_.
+
+ =Gespatieerde tekst= is in deze tekst weergegeven met =een
+ isgelijkteken=.
+
+ ~Vette tekst~ is in deze tekst weergegeven met ~een tilde~.
+
+ Kleinkapitalen (small caps) zijn in deze tekst vervangen door
+ gewone hoofdletters.
+
+ Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan
+ het eind van dit bestand.
+
+
+
+
+
+[Illustratie: P. Louwerse-book cover]
+
+
+JANMAAT IN DE OOST.
+
+
+[Illustratie]
+
+
+JANMAAT IN DE OOST
+
+OF
+
+VESTIGING VAN HET NEDERLANDSCH GEZAG OP CELEBES.
+
+GESCHIEDKUNDIG VERHAAL VOOR OUD EN JONG NEDERLAND,
+
+DOOR
+
+P. LOUWERSE.
+
+Tweede, veel verbeterde Druk.
+
+
+
+
+
+
+
+LEIDEN. -- A. W. SIJTHOFF.
+
+
+
+
+ "Rap van leden, vroom van zeden,
+ Dat was Hollandsch -- lang verleden!"
+
+ Dr. HEYE'S _Volksdichten_.
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+"Ver van honk" is voor menig lezer, die zijne reisjes bij voorkeur nog
+in het hoekje van den haard maakt, wel aantrekkelijk. Daarom koos ik een
+onderwerp uit de geschiedenis onzer Oost-Indische Compagnie, en daar ik
+in "=Mannen van Sta-vast=" den tijd van Gouverneur-Generaal Jan
+Pietersz. Coen geschetst heb, zoo meende ik niet beter te kunnen doen
+dan nu een tafereel te nemen uit het leven zijner opvolgers Joan
+Maetsuyker, niet zoozeer omdat ik dezen beschouw als de evenknie van
+Coen, maar wel omdat er onder zijn langdurig bestuur van 1653 tot 1678
+genoeg voorviel dat vermelding verdient, en ook, omdat de sprong niet te
+groot is om dit werkje te beschouwen als een soort van vervolg op
+"=Mannen van Sta-vast=". Aan de hand der geschiedenis wenschte ik u te
+schetsen de vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes. De namen
+van de mannen, die daarbij als Admiraals, Bevelhebbers of Opperhoofden
+genoemd worden zijn historisch, doch de helden van mijn verhaal zijn
+kinderen mijner verbeelding. Ik achtte noodig dit te zeggen omdat
+sommigen, en jeugdige lezers vooral, zoo lichtelijk gelooven dat alles,
+wat daar staat, van het begin tot het einde waar is. Natuurlijk zijn ook
+de gevechten, die we schetsten, en de gebeurtenissen, die er bij
+voorvielen, niet verzonnen, maar werkelijk geleverd en gebeurd.
+
+Zoo schreef ik in het voorbericht van den eersten druk van dit werkje.
+Nu bij den tweeden staat op den titel, dat het werkje veel verbeterd is,
+en dat dit iets meer is dan eene geijkte uitdrukking, durf ik gerust te
+verklaren, omdat verreweg de meeste verbeteringen aangebracht werden
+door mijn' vriend, den Heer J. F. W. WINTERBERG, die ook mijn "=Mannen
+van Stavast=" vóór het ter perse ging voor mij met het potlood in de
+hand doorliep. Zijn langdurig verblijf in verschillende deelen van onze
+O.-I. bezittingen, stelde hem in de gelegenheid om uit den eersten druk
+tal van die fouten te halen, welke maar al te dikwijls het gevolg zijn
+van plaatselijke onbekendheid. Gaarne breng ik mijn' vriend voor dit
+werk mijn' hartelijken dank. Mocht "=Janmaat in de Oost=" op zijne
+nieuwe rondreis in ons land, weer vele huizen vinden waar hij, als
+verteller, welkom is.
+
+ DEN HAAG. P. LOUWERSE.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Blz.
+
+ ~Eerste Hoofdstuk.~
+ Het volk van de "Leerdam" 1
+
+ ~Tweede Hoofdstuk.~
+ De ontsnapte galei-boef 15
+
+ ~Derde Hoofdstuk.~
+ Den dans ontsnapt 32
+
+ ~Vierde Hoofdstuk.~
+ Opgedirkte waarheid 46
+
+ ~Vijfde Hoofdstuk.~
+ Een groot man 60
+
+ ~Zesde Hoofdstuk.~
+ Alével ferme kerels 81
+
+ ~Zevende Hoofdstuk.~
+ Een Koningsmiddel 99
+
+ ~Achtste Hoofdstuk.~
+ Een zeer voornaam bezoek 112
+
+ ~Negende Hoofdstuk.~
+ Zeevolk, vreemd volk 124
+
+ ~Tiende Hoofdstuk.~
+ Eene Joffer om een' Barbier 140
+
+ ~Elfde Hoofdstuk.~
+ Een slechte ruil 152
+
+ ~Twaalfde Hoofdstuk.~
+ De Hollandsche Remedie 165
+
+ ~Dertiende Hoofdstuk.~
+ Toch niet alleen 180
+
+ ~Veertiende Hoofdstuk.~
+ Getuchtigd, niet verslagen 195
+
+ ~Vijftiende Hoofdstuk.~
+ Janmaat 212
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+Het volk van de "Leerdam."
+
+
+"Ei wat, allemaal gekheid! Ik zeg maar: liever met eene oude schuit op
+zee dan met een' nieuwen wagen op het land. Wat zeg jij ervan, Hoepel?"
+
+Hij, die dit zoo zeide, was een kloek gebouwde zeeman, die voor een
+tafeltje in eene zeemans-herberg stond. Aan dat tafeltje zaten nog drie
+andere varensgezellen hun bier te drinken. Twee opgeschoten jongens
+stonden er bij te luisteren, terwijl nog een ander jong mensch achter de
+jongens een plaatsje bij de luisteraars had ingenomen.
+
+De zeemans herberg heette "De nieuwe Fluyte" en stond dicht bij den
+IJkant te Amsterdam.
+
+De man, die met den naam van "Hoepel" aangesproken was, omdat hij
+gewoonlijk wat gebogen liep, was bezig zijn pijpje aan te steken, en
+nauwelijks hoorde hij, dat men het woord tot hem richtte, of hij keek op
+en zei: "Ja, Henri-Quatre, gelijk heb je, -- pfoem -- pfoem -- pfoem, --
+gemeene toeback, zoo nat, alsof ze een jaar te weeken gelegen heeft, --
+pfoem -- pfoem -- pfoem! Ik zeg ook, gelijk heb je! Geen beter en vrijer
+leven dan van een' zeeman, -- pfoem -- pfoem, -- pfoem. Ik zou -- pfoem
+-- pfoem...."
+
+"Gooi dat ding toch weg! Je zit al te "pfoemen" en nog eens te
+"pfoemen" tot vervelens toe. Rook straks, als er geen mensch meer is,
+die je wat vraagt! En doe nu je woord!"
+
+Dit zeide een ander, die aan de linkerhand van den zoogenaamden
+"Henri-Quatre" stond. Dezen bijnaam had hij van de matrozen gekregen
+naar zijn' baard en knevel, dien hij beide droeg in den vorm, zooals de
+beroemde Hendrik IV, Koning van Frankrijk, ze gewoon was te dragen.
+
+"Klets dan, daar ligt de heele geschiedenis," riep Hoepel. "Is me dat
+spul, dat ze hier voor goede waar en veel geld verkoopen! Ik zet geen
+voet meer in "De nieuwe Fluyte," zoolang ze daar zulk bocht aan den man
+willen brengen. Het is schande!"
+
+"Nu, ik wil wel gelooven, dat je er vooreerst geen' voet meer in zet,
+Hoepeltje! Morgen avond om dezen tijd...."
+
+"Morgen avond om dezen tijd, is het de zestiende April van het jaar
+1658. Dag, ouwe jongen! Hoe gaat het?"
+
+Met deze woorden werd Henri Quatre in de rede gevallen door een niet
+heel groot, doch erg gezet manneke, dat binnentrad en zonder
+plichtplegingen te maken bij het gezelschap plaats nam. Hij was ook
+zeeman van beroep, doch inplaats van in den mast te klimmen, smeerde hij
+pleisters, knipte hij de haren en schoor hij de baarden der bemanning.
+Dan had hij ook nog eene medicijn-kist met allerlei medicamenten. Hij
+droeg den naam van scheeps-barbier, doch het zee volk noemde hem "Troost
+der Armen," omdat hij alle wonden en ziekten met den balsem, die dezen
+naam draagt, trachtte te genezen.
+
+"Wat is dat? Troost der Armen, jij hier?" riep Henri Quatre.
+
+"Jij hier?" riepen al de anderen.
+
+"Ik hier! En wat zou dat?" klonk de vraag, die dadelijk aangevuld werd
+met het geroep: "Hei, baas van de Fluyte, bier en toeback!"
+
+"Welja, ik dacht dat je in de Oostzee op een van onze oorlogsschepen
+was," zei Hoepel.
+
+"Geweest, man, geweest! 's Lands dienst, geen dienst! Ik houd het met
+de Compagnie! Ik ben met een schip van de vloot gisteren avond hier
+aangekomen. Van morgen ontmoette ik den Schipper van de fluit
+"Leerdam," en eer de klok van tienen koud was, was ik aangemonsterd,
+als scheeps-barbier op de "Leerdam." Wat zeg je ervan, Hoepel?"
+
+"Wat ik hiervan zeg? Dit. Ik hoop hartelijk op reis niet ziek te worden.
+Ik ben bang van je...."
+
+"Troost der Armen, wil je zeggen, Hoepel?"
+
+"Ja, juist! Je hebt er menigeen een reisje mee bezorgd naar den kelder,
+man!"
+
+"Gekheid," riep een andere matroos schaterlachend uit, "Meester
+Troost der Armen zet ons zoo rondom in het vet, dat we drijven als
+kurk."
+
+"Goed, goed," zeide Hoepel, die niet zoo gauw uit het veld geslagen
+was, "ik zeg dat hij met zijn "troost" een heel zoodje den weg van de
+doode visschen heeft laten wandelen."
+
+"Geen wonder," zeide de barbier. "Ze konden niet genezen vanwege hun
+ongeloof. Troost der armen is het heilzaamste medicament, dat er geweest
+is, dat er is, of dat er ooit komen zal, en daarmede uit. Als ik vragen
+mag, allemaal van de "Leerdam"?"
+
+"Allemaal!"
+
+"Gansbloed, een kostelijk gezelschap! Beter dan op het fluitschip de
+"Nieuwpoort"."
+
+"Zoo, is dat zoo'n opgeraapt zoodje?"
+
+"Nu, opgeraapt, opgeraapt, dat zal ik niet zeggen; maar aan twee kwaden
+heeft men al genoeg!"
+
+"Jawel, maar wij met ons zevenen maken niet de heele bemanning uit,"
+zeide Henri Quatre. "Wie waarborgt je, dat er onder de anderen,
+die...."
+
+"Hier niet zijn, ook niet één of twee zich bevinden, die tot het zoodje
+behooren, wil je zeggen?"
+
+"Precies!"
+
+"Nu, ik zeg je, dat is eene klare onmogelijkheid. Daar heb je vooreerst
+den scheeps-barbier van de "Nieuwpoort." Kent ge dommer kerel?"
+
+"Is dat niet Meester Jonas?"
+
+"Ja, ja, precies! Jonas heet hij, maar "Sul" moest hij heeten."
+
+"Die alle ziekten wil genezen met rabarber?"
+
+"Juist, juist! Met rabarber! Wie heeft ooit zoo iets doms geloofd? De
+man is niet op de hoogte van zijn' tijd. Hij had maar eens als ik eenige
+keeren op een compagnie-schip moeten dienen, ze zouden hem daar zoo
+gerabarberd hebben, dat hij geen pap meer kon zeggen!"
+
+"Of ze gelijk hadden! Maar de tweede van dat zoodje, wie is dat?" vroeg
+Hoepel. "Ook al een barbier?"
+
+"Neen, dat is de kok! Verbeeld je, daar hebben ze me gisteren een'
+kerel laten aanmonsteren...."
+
+"Ze, wie zijn die ze?" vroeg Henri Quatre's linker buurman.
+
+"Dat zal ik je zeggen. Midden in Holland woonde een heer, die zoo wat
+boeren wilde. Ongelukkig had de man meer verstand van kolven, kaatsen,
+wijndrinken, uitgaan en pretmaken dan van ploegen en zaaien. Hij reed in
+een mooi koetsje met een paar prachtige paardjes ervoor iederen dag naar
+Den Haag, en hij deed dat zoolang tot hofstede, huis, schuur, koeien,
+paarden, gereedschappen en meubelen voor schuld moesten verkocht worden.
+Nu heeft de familie van zijne vrouw dat levend schandaal naar Amsterdam
+geloodst en hem daar verronseld aan den Schipper van de "Nieuwpoort,"
+die er nu een soort kok van maken zal. Eet smakelijk! Ik...."
+
+Hier werd de spreker in de rede gevallen door het vroolijk gezang van
+eenige binnentredenden, die allen met de "Leerdam" mede moesten.
+
+ "Gaan varen, gaan varen!
+ Gaan varen naar de Oost
+ al voor je plezier!
+ Gaan varen, gaan varen
+ gaan varen
+ voor geld en voor bier.
+ En wie er geen geld gebruiken kan,
+ En wie geen bier lust, wat heb je er an?
+ Die worde, die worde,
+ die worde geen varensman!
+
+ Gaan zwerven, gaan zwerven,
+ Gaan zwerven naar de Oost
+ en al naar de West,
+ Gaan zwerven, gaan zwerven,
+ gaan zwerven,
+ dat lijkt ons het best.
+ Jan Salie zoek' moeders pappot op,
+ Janmaat verkiest er het ruime sop,
+ En hale, en hale
+ de vlaggen maar hoog in top!
+
+ Laat gieren, laat gieren,
+ Laat gieren den wind
+ zoo hard als hij kan.
+ Wij staan hem, wij staan hem,
+ wij staan hem
+ kordaat, als een man!
+ En slaat in flarden het heele want,
+ En dreigt gevaar ons aan alle kant,
+ Wij kiezen, wij kiezen,
+ wij kiezen de zee toch voor 't land!
+
+ Staan beven, staan beven,
+ Staan beven dat komt
+ geen mensch in den zin!
+ Het hoofd op, het hoofd op,
+ het hoofd op
+ den kelder zelfs in!
+ Tempeest en storm te midden op zee,
+ Jan Compagnie die lacht er wat mee,
+ En roept nog, en roept nog,
+ en roept nog stervend: Hoezee!"
+
+Het heele gezelschap had zich bij de vroolijke zangers aangesloten en nu
+het lied uit was, scheen het, alsof onder het telkens en telkens
+terugkeerend gejuich en geroep van "Hoezee!" de heele taveerne
+instorten zou. Het was een oorverdoovend leven.
+
+Bierglazen, bierkannen en bierkruiken klonken en vielen rinkinkelend in
+scherven op de roode plavuizen[1] van den vloer. De eene pijp na de
+andere werd gebroken en menige test met glimmend turfkooltje zocht een
+plaatsje tusschen de stukken glas en aardewerk.
+
+De herbergier bleef onder dat alles vrij bedaard. De man had dergelijke
+tooneeltjes al zoo dikwijls bijgewoond, dat hij geen oogenblik zijne
+kalmte verloor. Hij liet breken, vernielen, stukslaan, drinken, rooken,
+zingen, schreeuwen zoo lang tot men moede werd, en dan zou hij de
+rekening opmaken.
+
+Het scheen evenwel lang te duren eer deze dollemans-hoop tot bedaren
+kwam, en reeds stond hij gereed er een einde aan te maken, toen de deur
+der groote gelagkamer opengesmeten werd en eene krachtige stem klonk:
+"Ophouden! Het is tijd van vertrek!"
+
+De man, die dit riep was de Eerste Stuurman, Londenaar, van de
+"Leerdam", een kerel als een eikeboom, zachtzinnig als een lam, zoo
+lang men zijn gezag erkende en in orde en rust leefde, maar moedig als
+een leeuw en sterk als een olifant, als men het waagde oproerig te zijn,
+of als de nood aan den man kwam. Hij was onder het zeevolk algemeen
+bekend en bemind. Dat de matrozen hem "IJzeren Neptunus" noemden, dat
+wist hij, maar het hinderde hem niemendal.
+
+Op het geluid van zijne stem was alles opeens stil.
+
+"Afrekenen, mannen! Goddeloos, wat een huishouden hier! Daar zal wat te
+betalen vallen," zeide hij lachend.
+
+De herbergier naderde nu beleefd en onder allerlei buigingen en
+strijkages, wist hij te vertellen hoeveel hij van ieder kreeg. De
+meesten keken vreemd op, dat ze zooveel bier gedronken en zooveel
+glazen, kannen en pijpen gebroken hadden. Ze hadden onder het vertellen,
+zingen en dansen wel niet geteld, maar toch wel zoo wat eene kleine
+begrooting gemaakt van hetgeen er gebruikt en gebroken was.
+
+"Jij hebt krijt met drie puntjes, geloof ik," zeide Hoepel, doch
+betaalde, wat hij zoogenaamd te betalen had.
+
+Toen de herbergier zijn "eerlijk verdiend geld," zooals hij telkens
+zei, binnen had, beval de Stuurman het volk hem te volgen, omdat het
+meer dan tijd was om naar het schip te gaan.
+
+"Goede reis, mannen! Ik wil hartelijk hopen, tot wederziens," riep de
+herbergier hen in de deur na.
+
+"Als het schip niet zinkt, komt het, omdat je onze beurzen zooveel
+lichter gemaakt hebt, haai van een kerel," zeide Henri Quatre. "Wat mij
+betreft, je schiet me niet meer, oude jongen, al hadt ge elf en dertig
+pijlen op je boog!"
+
+"Eerlijk verdiend geld, bootsman," grinnikte de herbergier, sloot de
+deur en ging toen bij het walmend licht van eene vetkaars zijne winst
+berekenen.
+
+En onderwijl hij dit met blijkbaar genoegen deed, daar hij dien avond
+eene buitengewoon groote winst gemaakt had, eene winst, die hij steeds
+"eerlijk verdiend geld" beliefde te noemen, stapte het zeevolk in eene
+schuit en -- voort ging het.
+
+De wind was ongemeen gunstig en reeds den anderen middag kwam men voor
+Texel, waar de Kapitein van de "Leerdam" met ongeduld op het overige
+volk wachtte om de groote reis te aanvaarden.
+
+Zoodra dus het volk aanboord en alles in orde was, werden terstond de
+ankers gelicht en ging men het zeegat uit. Nog twee andere schepen de
+"Nieuwpoort" en de "Dolfijn" gingen gelijk met hen onder zeil.
+
+Onder de varensgezellen, die we in de herberg "De nieuwe Fluyte"
+bijeenvonden, waren ook twee opgeschoten jongens. Ze waren twee broeders
+en beiden Haarlemsche weezen. Dirk, de oudste, was zestien en Garrit
+was vijftien jaar. Ze hadden beiden al verscheidene reizen op de Oostzee
+en de Levant gedaan, doch naar de Oost waren ze nog nooit geweest. Hunne
+Ouders waren reeds lang dood, doch hun oom, bij wien ze als wees in huis
+waren gekomen, was maar een arme schoenlapper, die met groote moeite het
+dagelijksch brood verdiende voor zijn gezin, dat behalve uit de twee
+weezen, nog uit acht man bestond. Zoo spoedig ze maar konden hadden Dirk
+en Garrit besloten, den last van hun' oom te verminderen, door naar zee
+te gaan.
+
+"Hoort eens, jongens," had oom gezegd toen hij het besluit zijner neven
+vernam, "het doet mij leed, dat ik niet beter voor u zorgen kan! Wilt ge
+eerlijk met ons allen deelen, blijft dan! Hebt ge niet genoeg, welnu,
+gaat dan het zeegat uit! De zee geeft een moeielijk, maar goed stuk
+brood! Maar -- oppassen is de boodschap, jongens!"
+
+"Hoor eens, oom," zeide Dirk, "het is niet genoeg, dat wij tevreden
+zijn, als we zien, dat er gelijk op gedeeld wordt. We zien al te goed,
+dat we daardoor geen van allen genoeg hebben. En dat behoeft niet; wij
+kunnen den kost op zee verdienen, dat kunnen we!"
+
+"En dan hebben al de anderen wat meer, oom," sprak Garrit.
+
+Oom keek de beide knapen aan en zeide: "Jongens, jongens had ik zooveel
+gerande gouden dukaten over, als ik nu duiten te kort kom, ik zou je
+niet naar zee laten gaan. Het doet me leed, werkelijk leed, dat ik niet
+meer kan doen dan ik doe. Ik zou je zoo graag het beste gunnen!"
+
+"Dat weten wij wel, oom," hernam Dirk. "Maar de zee en het zeeleven
+zijn zoo erg niet. Oppassen zullen we, en kunnen we gerande dukaten,
+och, al waren het maar scheepjes-schellingen, meebrengen bij onze
+terugkomst, we zullen het niet nalaten."
+
+"Ja, en dan óók eerlijk deelen, oom," riep Garrit. "En wat oppassen
+betreft, nu dat zullen we. Wij beloven u geene schande, maar wel eer te
+zullen aandoen."
+
+Oom haalde evenwel de schouders op en hernam: "Beloven is gemakkelijk,
+doen is moeielijk, jongens! Och, er zijn aanboord van onze schepen
+zooveel ruwe gasten, die een leven van vroolijk Fransje leiden, om God
+noch zijn verbod geven, en ten leste, als een berooid man, om eene
+aalmoes door den lande loopen! En wie weet, hoevelen er onder die
+berooide lieden zijn, die ook beloofd hebben goed op te passen! Hoort
+jongens, geld of goed kan ik u niet medegeven; maar een' raad wel. Bij
+al wat gij doet, moet gij u verbeelden, dat uwe brave Ouders bij u
+staan, en, gelooven moet ge, dat de Heer alles ziet. Als ge dien raad
+nooit vergeet, dan alleen kan er wat goeds uit u groeien!"
+
+Zoo had oom gesproken toen de twee knapen hunne eerste reize naar de
+Oostzee gingen maken. Sedert hadden ze verscheidene malen dien tocht
+gedaan. Met allerlei slag van volk waren ze in aanraking gekomen, doch
+hoe dikwijls ze ook op het punt gestaan hadden, den goeden raad van hun'
+oom te vergeten, telkens had het beeld van hunne Moeder hen voor de
+oogen gestaan en hen voor alles, wat laag en gemeen is bewaard.
+
+Ja, het beeld hunner Moeder!
+
+Och, Tanneke Woutersd. was zulk eene eenvoudige vrouw geweest! Ze kon
+zelfs niet lezen of schrijven. Maar vroom en braaf was ze, als er maar
+weinig menschen gevonden worden. En al kon zij ook niet lezen of
+schrijven, verstandiger was ze dan menige rijke koopmansvrouw of andere
+voorname dame, die het Fransch, Italiaansch en Engelsch zoo gemakkelijk
+las als het Nederlandsch uit haar' Bijbel of liederenboek.
+
+Toen zij stierf was Dirk elf en Garrit tien jaar oud; maar hoe jong ze
+ook waren, toen ze hunne goede Moeder verloren, toch konden ze zich nog
+al de lessen herinneren, welke zij hun, telkens als het maar te pas
+kwam, gegeven had.
+
+Oom wist dan ook wel, wat hij zeide toen hij sprak van: "Bij al wat gij
+doet, moet gij u verbeelden, dat uwe brave Ouders bij u staan."
+
+Door hun ingetogen leven kregen zij van de matrozen den bijnaam van de
+"Twee Vromen."
+
+Intusschen maakten ze toch niet veel vorderingen, hoewel er geen
+Kapitein was, die Dirk en Garrit niet graag hebben wilde. Als een vol
+matroos, die reis op reis gemaakt had naar alle deelen van de wereld,
+eens niet maar zoo dadelijk vaart kon krijgen en soms wel drie of vier
+weken rondliep eer hij weer aangemonsterd werd, Dirk en Garrit konden,
+als zij den eenen dag aankwamen den anderen dag weer weg, als ze wilden.
+
+En toch de oude knecht blijven, als men zoo goed oppast?
+
+Ja, dat kwam, omdat ze maar heel kort school gegaan hadden en, zooals
+men zeî, ook wat hardleersch waren. Men had moeite die twee wat aan het
+verstand te brengen, maar als ze het ook eenmaal begrepen hadden, dan
+vergaten zij het nooit meer, en zoo waren ze, maar het was op den langen
+weg, niet ónwetender dan andere matrozen.
+
+De twee knapen stonden toen de zon onderging over de verschansing naar
+de blinkerds te kijken.
+
+De matrozen noemen vaak de duinen van ons land zoo, omdat die uit zee
+gezien, vooral bij avondzon, door hunne witte kleur, die het licht der
+zon weerkaatst, reeds verre in zee te zien zijn. De beroemde duinhoogte
+dicht bij Haarlem, ook Blinkerd geheeten, is dus meer een algemeene naam
+voor alles, wat duin is.
+
+"Nog een oogenblik, Garrit, dan zijn ze uit onze oogen verdwenen en
+weg," zeide Dirk.
+
+Garrit, die blijkbaar aan heel wat anders dan de blinkerds dacht,
+schrikte op en vroeg: "Wie weg?"
+
+"Wie weg? Wel, de duinen!"
+
+"O, bedoel je de duinen? Ja, dat zie ik," antwoordde Garrit en verviel
+weer in zijn vorig gepeins.
+
+"Waaraan denk je toch?" vroeg Dirk. "Je staat te suffen!"
+
+"Wat belief je?"
+
+"Wel, heb ik van mijn leven! Ik vraag waaraan je denkt?"
+
+"Aan Moeder," was het antwoord.
+
+"Zoo, aan Moeder!" sprak Dirk met een' zucht. "Wat ze in angst
+zitten zou, als ze nog leefde, en wij beiden gingen, zooals nu, naar de
+Oost, omdat we hier niet aan den kost kunnen komen."
+
+"Ze zou zeker niet gerust zijn!"
+
+"Nu, daartoe is wel reden ook; want het is in de Oost nu niet overal
+botertje tot den boôm!"
+
+"Wáár is het geen botertje tot op den boôm, jongens?" vroeg op
+eenmaal Henri Quatre, die ongemerkt genaderd was.
+
+"In de Oost niet, bootsman!"
+
+"Ha, ha, daarvan weet jelui me ook heel wat te vertellen, ja! Nooit
+anders gevaren dan op de Oostzee!"
+
+"En op de Levant, bootsman!"
+
+"Is al zoo wat hetzelfde! Neen, dan zou ik je een ander boekje kunnen
+openleggen! Dit is mijne vijfde reize al!"
+
+"Uwe vijfde? En ge zijt nog zoo jong!" riep Dirk.
+
+"Jong! Maak dat de haaien wijs! Ik ben de vierenveertig al gepasseerd!
+Heel wat ondervonden! Maar zeg, heb je ook toeback in de doos of in je
+kist?"
+
+"Neen, bootsman, wij drinken geen toeback!"
+
+"Verdraaid, wat leef jelui dan op een koopje! Ik wil wel gelooven, dat
+je de oude knechten blijft!"
+
+"Door toeback drinken komt men toch niet vooruit, bootsman?" vroeg Dirk
+verwonderd.
+
+"Halskoppen, die ge nog zijt, wat zijt gij nog nuchter! Weet ge wel wat
+onze Starter ervan zegt?"
+
+"Ha, de student hangt zijne wijsheid weer te luchten," riep de
+scheeps-barbier, die zeer goed wist, dat Henri Quatre van eene rijke
+familie was en vroeger te Leuven gestudeerd had. Dat wisten ook velen
+der matrozen en menigmaal vermaakte hij de manschap met grappen uit zijn
+studenten-leven te vertellen. Had dan evenwel één het ongeluk, hem te
+vragen hoe hij van student zeeman geworden was, dan betrok zijn gelaat
+en hij zweeg oogenblikkelijk. Soms liep hij dan dagen lang zonder bijna
+een woord te spreken. Door dat vreemde gedrag was het vooral, dat Henri
+Quatre voor de matrozen iets aantrekkelijks had. Gewoonlijk was hij
+vroolijk en gezellig en een allemans-vrind. Maar hij kon ook
+oogenblikken hebben, dat niemand het waagde hem aan te spreken. En als
+een van de lieden het hem wat al te lastig maakte en een loopje met hem
+wilde nemen, dan kon hij hem aankijken met een paar oogen om er bang van
+te worden. Neep het gevaar en ging het er langs het kantje af, dat men
+het leven behield, was dan dikwijls heel de bemanning wanhopig en
+radeloos, Henri Quatre wist van geene vrees. Naarmate het gevaar toenam
+verhief zich zijne flinke gestalte, zijne oogen straalden vuur en zijne
+hand bleef vast. Dan keek de bemanning meer naar hem dan naar den
+Kapitein, en als het op stuk van zaken aangekomen was, dan had iedereen
+den Kapitein laten loopen en zou Henri Quatre gehoorzaamd hebben. De
+Kapiteins hadden het dan ook niet heel erg op hem begrepen, ofschoon hij
+nog nooit getoond had, dat hij den verkeerden weg op wilde. Had het
+evenwel aan hen gelegen, dan zouden ze hem wel nooit als bootsman op hun
+schip aangemonsterd hebben. Maar meestal kwam een der Heeren van de
+Compagnie den Schipper mededeelen: "Voor een' bootsman hebben wij
+gezorgd!" en als dat gezegd was, dan wist men ook wel wie de bootsman
+zijn zou. Henri Quatre scheen derhalve zeer vermogende vrienden te
+hebben.
+
+Wij weten dus nu ook eenigszins wie Henri Quatre was, en in den loop van
+het verhaal zullen we hem nog wel nader leeren kennen.
+
+Zoodra de scheeps-barbier gevraagd had of de bootsman weer als student
+zijne wijsheid te luchten hing, vroeg deze hem: "Welnu, "Troost der
+Armen", zeg jij dan wie Starter was!"
+
+"Misschien wel zoo'n lapzalver als Meester Jonas van de
+"Nieuwpoort", bootsman!"
+
+"Dacht ik het niet? Neen, man, hij had met je pleisters en zalfjes
+niemendal uit staan, hoor! Hij was een Friesch dichter, en als ge wilt
+weten, wat hij van de toeback zegt, zoo luister dan:
+
+ "O prijselycke kruyd, in alder wijzen oordeel!
+ Want haere assche zelfs veroorsaekt groote voordeel:
+ De swarte tanden maeckt sij suyver ende wit,
+ Het tand-vleys heel ghesond, en krachtig het ghebit,
+ De scheurbuyk drijftse wegh, en veelderlei ghebreken;
+ Waer vind men sulcken kruyd in Hoven of Aptheeken?
+ Laeckt s' eenige Doctoor, dat doet hij dan ghewis
+ Omdat sij sulcken dief in sijne nering is.
+ 't Gheneest onkostelijck, men hoeft haer niet te halen,
+ Noch Doctoor noch Barbier haer gangen te betalen;
+ Dies segh ick, spijt al die haer werpen op een lack,
+ Daer 's gheen ghesonder kruyd, als d' edele toeback.
+ Komt, helpt mij dan Toeback haer loff en eere geven,
+ Ghij...."
+
+"Och, zwijg toch, man, gij raast wat! Ik zeg je dat de man, die het
+"toeback-suygen" uitgevonden heeft, verdiend heeft gehangen te worden.
+Piet Hein, onze beroemde Vlot-voogd, zaliger gedachte, wist wel, wat hij
+deed, toen hij het rooken of "toeback-drinken" op de vloot verbood. En
+wat zegt de geleerde Scriverius?
+
+ "'t Is meer fenijn
+ Als...."
+
+"Och, houd op met je gezwets, Meester Troost der Armen," riep Henri
+Quatre. "Scriverius zeide:
+
+ Sonticus est morbus...."
+
+"Dat is Latijn, student! Dat mag jij en ik verstaan, maar deze jongelui
+verstaan het niet, en daarom zeg ik het maar, zooals Samuel Ampzing die
+gedichten verdietschte:
+
+ "'t Is meer fenijn
+ Als medicijn.
+ Toeback is sulcken siekt, die 't lichaam doet verderven
+ En haere medicijn baet weynig tegens 't sterven.
+ Het is meer quaed dan goed. 'k Verlang dan wie hij sij,
+ Die ons van dit vergift en deze pest bevrij."
+
+"Nu, Meester, gij kunt er van zeggen wat gij wilt, maar ik houd vol, dat
+eene pijp toeback te drinken niet zooveel kwaad kan. Iedereen,
+Geestelijke en Magistraat, heeft indertijd de toeback den oorlog
+verklaard, en toch is ze algemeen geworden. Liggen de zolders te
+Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht niet vol met toeback, die uit Amerika
+aangebracht is? Hebben niet Gelderland, Overijsel en het Sticht groote
+toebacks-velden? Leven te Nijkerk, Wageningen, Barneveld en Elburg niet
+honderden ervan? Neen, Meester, de toeback moet niet weg, maar als de
+joffers eens minder fijne neusjes hadden en manlief toelieten te huis
+zijn pijpje te smoken, dat zou helpen. Nu mag de man het te huis niet
+doen en daarom zoekt hij de toebacks-huizen op. Begrepen? Doch nu ga ik
+ter kooi; ik heb de hondenwacht."[2]
+
+De beide mannen verwijderden zich en lieten Dirk en Garrit, die met nog
+eenige anderen de eerste wacht hadden, aan hun lot over.
+
+Het was prachtig weer voor een landrat, want al stonden alle zeilen bij,
+toch vorderde het schip, uit gebrek aan wind, al heel weinig. Zoo iets
+ziet en ondervindt Janmaat niet graag. Hij heeft het liefst eene stevige
+bries, die het schip eene goede vaart geeft. Toch teekende de lucht
+verandering en het volk klaagde dus niet erg. Het wist, dat er des
+nachts wel wind komen zou.
+
+
+VOETNOTEN.
+
+[1] Plavuizen zijn roode of grijze baksteenen, die gebruikt worden om
+een gemetselden vloer te maken.
+
+[2] Aanboord der schepen houdt men aldus wacht. De wacht van 8 uur des
+avonds tot middernacht heet =eerste wacht=. Dan volgt de =hondenwacht=,
+die duurt van middernacht tot des morgens 4 uren. -- De wacht van 4 tot
+8 uren heet =dagwacht=, die van 8 tot 12 uren =voormiddagwacht=, die van
+12 tot 4 uren =namiddagwacht=, en eindelijk, die van 4 tot 8 uren
+=platvoetwacht=.
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+De ontsnapte galei-boef.
+
+
+Toen al het volk, dat geene wacht had, naar beneden gegaan was, zochten
+de wachtmannen onder hunne kennissen hen op met wie ze praten konden.
+Dirk en Garrit bleven dus ook bij elkander.
+
+"Een vreemde man, die Henri Quatre," zeide Garrit. "Hoe zou hij
+eigenlijk toch heeten?"
+
+"Ja, op de scheepsrol staat hij ingeschreven als Willem de Stichtenaar,
+maar ik houd het ervoor, dat hij wel een' anderen naam heeft. Ik geloof
+dat wij heel voorzichtig met hem moeten zijn, en als ik het ronduit
+zeggen mag, dan zeg ik, dat ik hem geen ziertje vertrouw".
+
+"Weet je wat Hoepel mij gisteren avond vertelde?"
+
+"Dat Henri Quatre eigenlijk zijn vriend niet is, al speelt hij: aap wat
+heb je mooie jongen!"
+
+"Dat heeft hij me niet gezegd. Hij zei alleen dat hij familie moet zijn
+van onzen Gouverneur-Generaal!"
+
+"Van Joan Maetsuycker?"
+
+"Dat is toch vragen naar den bekenden weg? We hebben immers geen'
+anderen?"
+
+"Maar die is een Amsterdammer van geboorte, en als Henri Quatre nu
+familie van hem was, dan zou hij op de scheepsrol wel als Willem de
+Hollander, maar niet als Willem de Stichtenaar geboekt staan! Sssst!"
+
+Dat "sssst" hetwelk Dirk liet hooren, was omdat "IJzeren Neptunes"
+op hen afkwam.
+
+"Al meer de reis naar de Oost gemaakt, jongens?" vroeg hij.
+
+"Neen, Stuurman! Dit is onze eerste reis!"
+
+"Zoo, dus zooveel als doopgoedje van Neptunus?"
+
+"Doopen ze aanboord van de "Leerdam" ook, Stuurman?"
+
+"Wel jongens, dat verzuimen ze op geen enkel schip! Maar stil, wat is
+dat daar aan stuurboord?"
+
+Ze keken over de verschansing en zagen daar een heel klein bootje
+liggen.
+
+"Wie is daar?" vroeg de Stuurman.
+
+"Een ontvluchte galei-boef," antwoordde iemand beneden in zuiver
+Nederlandsch.
+
+"En wat zoek je hier?"
+
+"Hulp, en gauw ook; want ze zijn me op de hielen!"
+
+"Denk je dat we boeven aanboord nemen?" antwoordde de Stuurman. "Zoek
+je fortuin maar ergens anders, maat! Wij nemen dat soort van volkje niet
+op!"
+
+"Geene Nederlanders ook, als ze zonder schuld op de galeien gekomen
+zijn? Help me, help me! Het is over een paar minuten te laat. Ben ik
+eenmaal aanboord dan zal ik wel opbiechten hoe ik op de galeien kwam."
+
+"Ik zal het den Kapitein gaan vragen," sprak de Stuurman en beval aan
+de achterblijvenden, dat niemand den gevluchten boef aanboord halen zou.
+
+Daar hoorde men riemslagen nader komen, en weldra lag er eene gewapende
+barkas tegen stuurboord.
+
+"Halloh, hoi!" riep een.
+
+"Wat zullen we nu alweer te weten komen?" bromde de Stuurman, die met
+de boodschap van den Kapitein terugkwam, dat men geene boeven wilde
+opnemen.
+
+"Er is hier een ontvluchte galei-boef aanboord gekomen," klonk het in
+de Fransche taal.
+
+"Toegang gevraagd, toegang geweigerd," sprak de Stuurman kortaf en ook
+in het Fransch.
+
+"We willen onderzoek doen," zeiden de Franschen.
+
+De Kapitein, die er bij gekomen was, beval den valreep neer te laten, en
+de Franschen op het dek te doen komen. Hij moest die luî wel niet
+gehoorzamen, maar om alle moeite te voorkomen, stond hij het toe.
+
+Twaalf gewapende zee-soldaten klauterden nu tegen den valreep op en
+stonden weldra op het dek.
+
+"Wilt ge wachten tot het dag is, of het onderzoek terstond een' aanvang
+doen nemen?" vroeg de Kapitein.
+
+De Bevelhebber van de Fransche sloep scheen achterdocht te koesteren en
+zeide, dat hij zeker wist, dat de vluchteling hier aanboord was, want
+dat het bootje, waarin hij gevlucht was, beneden tegen het schip lag.
+
+"Laat alleman op het dek komen," beval de Kapitein.
+
+De manschap, in den eersten slaap gestoord, was vrij knorrig, en toen
+men hoorde, wat er aan de hand was, werd men nog meer ontevreden en de
+Franschen werden met allerlei Hollandsche woorden, die we liever maar
+niet weergeven, niet weinig verwenscht.
+
+Zoodra allen op het dek waren sprak de Kapitein: "Er moet hier een
+ontvluchte galei-boef aanboord gekomen zijn. Ik begeer niet met zulk
+uitschot van eene vracht de reis voort te zetten en beveel dus ieder,
+die wat van den vluchteling gezien of gehoord heeft, te spreken!"
+
+De mannen stieten in het donker elkander aan, dat zooveel wilde zeggen
+als: "Weet je er wat van? Zwijgen, hoor!"
+
+Maar niemand had iets van een' galei-boef of dat er op geleek, gezien of
+gehoord, zoodat men die stille afspraak van zwijgen vrijelijk achterwege
+had kunnen laten.
+
+Toen er nu geen antwoord op de vraag van den Kapitein gegeven werd,
+herhaalde deze nog eens dezelfde woorden, doch op zulk een' kalmen toon,
+dat ieder begreep, dat het hem ernst was.
+
+Natuurlijk gaf weer niemand antwoord.
+
+"Ten derden male," sprak de Kapitein, "herhaal ik mijne vraag: Wie
+uwer heeft iets van den gevluchten boef gehoord of gezien? Ik eisch een
+antwoord, ja of neen! en dan voeg ik erbij: wie wat van de zaak weet en
+het niet vertelt, dien zal ik als rebel behandelen en laten straffen. Je
+weet dus, wat er op staat. Komaan, spreekt op!"
+
+Weer geen antwoord.
+
+Eindelijk trad Henri Quatre voor het front en zeide op beleefden, doch
+scherpen toon: "Een woordje, Kapitein!"
+
+De Kapitein had erg het land, dat juist deze man het woord vroeg en
+zeide daarom zoo kortaf mogelijk: "Spreek, bootsman! Wij zullen hooren,
+wat je te vertellen hebt."
+
+"Ik wilde u wel vragen wie een Franschman het recht geeft aanboord van
+een schip der Compagnie te komen?"
+
+Deze vraag werd niet in de Nederlandsche, maar in de Fransche taal
+gedaan en wel zóó zuiver, dat de Franschen elkander verstomd aankeken,
+dat zulk een eenvoudig varens-gezel hunne taal zoo goed sprak.
+
+De Kapitein, die met het Fransch zichzelven wel behelpen kon, doch het
+toch minder goed sprak, werd boos en gaf daardoor in zeer slecht Fransch
+ten antwoord: "Wie, bootsman? Wie? Dat recht heb ik gegeven, ik, als
+Kapitein van het schip."
+
+"Ieder moet weten wat hij doet, Kapitein," hervatte de bootsman op
+denzelfden scherpen toon. "Hadde het van mij afgehangen, dan zoude de
+Franschman geen' voet op het dek van de "Leerdam" gezet hebben, al
+waren er honderd gevluchte galei-boeven aanboord!"
+
+"Bootsman, zwijg!"
+
+"U heeft aan ieder van het volk het recht gegeven te spreken, Kapitein,
+en ik ben niet onbescheiden!"
+
+"Dat zijt gij wel! Gij maakt inbreuk op mijn gezag!"
+
+"Volstrekt niet, Kapitein! Ik heb gezegd, dat ieder weten moet, wat hij
+doet en wat ik zou doen. Ik wil evenwel nog meer zeggen, en dat is: Zoo
+ik iets van den vluchteling gezien of gehoord had, ik zou mij liever de
+heele reis krom in de boeien laten sluiten, dan voor verklikker te
+spelen ten believe van een' Franschman, die hier niemendal te zeggen
+heeft. Ik geloof, dat er nog meer zijn, die er zoo over denken!"
+
+"Gij zoudt mij dus willen verbieden den Franschman vrijheid te geven,
+het heele schip te laten doorzoeken?"
+
+"U heeft te gebieden, Kapitein, en ik heb niets te verbieden. Maar ik
+meen zoo, dat de Heeren der Compagnie er anders over denken dan u. En al
+dachten zij ook al zoo, ik verzeker u dat het volk er heel anders over
+denkt."
+
+"Als gij voor verklikker bij de Heeren wilt spelen, ga je gang! Ik zal
+mijn gezag handhaven. Het heele schip zal door deze lieden doorzocht
+worden, en wee den man, die den vluchteling verborgen houdt!"
+
+De matrozen, aangemoedigd door hetgeen de bootsman gezegd had, begonnen
+te morren en hier en daar hoorde men er een roepen: "We zijn geen
+dienaars van den Fransoos! Weg met den Fransoos! Wij zullen hem wel van
+tusschendeks houden! Opdringen, mannen! Wij zijn hier op vrijen bodem!"
+
+"Halt, mannen," riep de bootsman nu in het Nederlandsch. "Dat zou
+rebellie zijn! Het voegt ons thans den Kapitein te gehoorzamen. Ik geef
+het voorbeeld! Weest wijs en volgt mij na. Gij trekt aan het kortste
+eind, als gij anders doet! Late men het schip doorzoeken en
+gehoorzaamt!"
+
+Hierop nam hij eene brandende lantaarn uit de hand van een' matroos en
+zich beleefd tot den Franschen Officier wendend, zeide hij in vloeiend
+Fransch: "Volg mij, Monsieur! Ik zal u overal brengen waar gij zijn
+wilt."
+
+Na dit gezegd te hebben verdeelden de Franschen zich in troepjes en
+onder geleide van den Kapitein, de stuurlieden, den bootsman en de
+konstabels doorzochten ze het heele schip van onder tot boven. Men vond
+evenwel niemand. Eenigen der rapste Franschen klommen in de masten,
+onderzochten daar alles nauwkeurig, doch ontdekten daar ook niets,
+zoodat ze onverrichter zake op het dek kwamen.
+
+Eindelijk waren alle Franschen weer bij elkander.
+
+"Ge ziet het nu duidelijk, Luitenant," zeide de Kapitein in zijn slecht
+Fransch, "de vluchteling is hier niet."
+
+"Hij moet hier zijn," was het antwoord, "het kan niet anders. En ik
+blijf hier tot de dag aanbreekt, dan kunnen wij beter zoeken. Intusschen
+verzoek ik u te zorgen, dat ge niet verder dan Calais gaat, opdat wij,
+zonder nog eens zulk een' gevaarlijken tocht te maken, veilig met onze
+boot terug kunnen keeren."
+
+Op deze woorden van den Franschen Officier was de Kapitein vrij
+besluiteloos omtrent hetgeen hij doen moest. De wind was spoediger
+aangewakkerd dan men vermoed had, en ook zeer uitmuntend. En om nu ten
+pleiziere van een' Franschman, die een' vluchteling nazat, de
+voordeelen van eene voorspoedige reis prijs te geven, dat was toch wat
+al te veel van zijne toegeeflijkheid gevergd. In allerijl belegde de
+Kapitein scheepsraad en daarin werd besloten den Franschman niet den
+zin te geven. Wilde hij den tocht mede maken dan zou men hem en zijne
+manschappen te Hâvre aan wal laten gaan.
+
+Er zat nu voor den Officier niets anders op dan te kiezen of te deelen,
+en na eenig nadenken nam hij het aanbod aan mede te gaan naar Hâvre,
+welke plaats men zoo dicht naderen zou, dat men met de kleine sloep,
+waarmede men gekomen was, ook zonder gevaar zou kunnen vertrekken.
+
+De Franschen zochten nu een plaatsje boven op het dek, waar ze tegen de
+kouden voorjaarswind wat beschut waren, en wachtten zoo het aanbreken
+van den dag af.
+
+Eindelijk kwam deze en kort daarna was al het scheeps-volk weer op het
+dek of elders in beweging. Op den bepaalden tijd kregen ze hunne portie
+van gort met spek. De arme Fransche soldaten, die stijf waren van de
+koude, hadden er natuurlijk niet op gerekend mondkost mede te nemen,
+zoodat ze met begeerige oogen de bakken met gort, die de manschappen
+weghaalden, nakeken.
+
+Geen mensch dacht eraan, die arme drommels te laten mede-eten, hoewel er
+overvloed van spijs was.
+
+Geen mensch? Ei, hoe we ons vergissen!
+
+Zie, daar nadert Henri Quatre met zijne portie gort den Officier, en
+zegt op beleefde wijze en weer in een Fransch waarop de Kapitein wel
+twintigmaal jaloersch wilde worden: "Mijnheer de Luitenant, mag ik u de
+helft van mijn ontbijt aanbieden? Mij dunkt, u zal, na zulk een' kouden
+nacht, wel wat warms en stevigs kunnen gebruiken."
+
+De Officier keek den bootsman met een paar groote oogen aan, want die
+gulle goedhartigheid scheen hem toe in strijd te zijn met de woorden,
+die hij des avonds gesproken had. Het was dus te begrijpen, dat de
+Officier niet terstond het vriendelijke voorstel aannam, en dat hij
+zeide: "Maar, mijnheer, hoe kunt gij dat nu meenen? Gij wilt immers
+niets van de Franschen weten? Gij hebt dat gisteren avond gezegd in een
+Fransch, dat Koning Lodewijk niet beter spreekt, zoodat wij het allen
+zeer goed verstaan hebben."
+
+"Luitenant," sprak Henri Quatre, "als gij met een Fransch schip langs
+de kusten van Holland kruistet en een Fransche vluchteling kwam bij u
+aanboord, zoudt gij dan Hollandsche soldaten toestaan, dat ze uw schip
+van onder tot boven doorsnuffelden om dien vluchteling te zoeken?"
+
+De Luitenant bedacht zich even en zeide: "Neen!"
+
+"Ferm zoo, Luitenant," hernam Henri Quatre. "En indien men u het
+bevel niet gegeven had, den galei-boef na te jagen en aanboord van een
+schip der Oost-Indische Compagnie te zoeken, zoudt gij het dan uit
+uzelven gedaan hebben?"
+
+"Neen," was weer het antwoord.
+
+"Heer Luitenant, neem dan de helft van mijn ontbijt. Ik heb het niet
+tegen u, ik heb het tegen de daad. Eet smakelijk!"
+
+Nauwelijks hadden de matrozen gezien, wat Henri Quatre deed, of allen
+volgden zijn voorbeeld, zoodat de arme kerels een ontbijt kregen zóó
+volop, als ze in hun' eigen dienst niet zouden gehad hebben. Ja, toen
+kort daarop het gewone oorlam[3] onder het volk uitgedeeld werd, kreeg
+iedere Franschman er ook een, en het bleek duidelijk, dat al die
+verkleumde mannen hiermede wat in hun' schik waren.
+
+Door die hartelijke behandeling had de Luitenant niet veel lust het
+onderzoek naar den vluchteling nauwgezet te herhalen, zoodat hij, toen
+ze op de hoogte van Dieppe waren, maar verzocht hier aan wal te mogen
+gaan. Ze hadden gezien, dat de vluchteling niet aanboord was.
+
+Het afscheid der Franschen was zeer vriendelijk, en de bootsman kreeg
+van den Luitenant nog een' handdruk meer dan al de anderen. Zelfs de
+Kapitein vond dit zeer natuurlijk.
+
+Zoodra de vreemden weer vanboord waren, werd de tocht voortgezet en --
+niemand dacht meer aan den ontsnapten galei-boef. Wel vroeg in het eerst
+de een aan den ander of hij begreep waar die kerel gevlogen was, doch,
+daar niemand er iets van wist, zweeg men er ten laatste over.
+
+De tocht vorderde buitengewoon goed. Door den wind voortgejaagd vloog
+het fluitschip, dat, voor een' Oostindie-vaarder altijd, nog al vrij
+rank gebouwd was, over de golven, doch men hield meer den Engelschen dan
+den Franschen wal, zoodat men moeielijk zien kon of ze Hâvre al voorbij
+waren.
+
+Eer de volgende morgen kwam begreep evenwel iedereen, dat men de
+Fransche kust geheel voorbij was en dat men weldra in den Oceaan zou
+zijn.
+
+Dirk en Henri Quatre, die de dagwacht hadden, liepen samen op het
+voorschip diep in hunne kragen gedoken en met de wollen muts over de
+ooren, heen en weer; want het was vinnig koud en de wind blies stijf uit
+het noordoost. Nu en dan trokken donkere wolken over, die sneeuw en
+hagel medebrachten.
+
+"De Maartsche buien komen van het jaar laat aanzetten, bootsman," zeide
+Dirk. "Hu, hoe koud is het! De wind snijdt iemand door al de kleeren
+heen."
+
+"Ik zal er den brand nog maar eens injagen," sprak de bootsman.
+"Misschien dat me het rooken wat helpt!"
+
+Hij stopte nu zijn pijpje en zeide: "Ja, ja, het is toch maar zooals
+onze goede Vader Cats kortelings schreef:
+
+ "Wat magh' er eenig volck speck, vlees of hammen wenschen,
+ Al dat maeckt drabbigh bloet en onvermeuge menschen[4]
+ Voor mij ick weet een spijs die ick al beter hou,
+ Die draegh ick in mijn sack of in mijn wijde mou.
+ Kom, let op mijn bedrijf, 't en zijn geen slechte saken,
+ De koek, dien ick gebruyck, dat sijn mijn eygen kaken;
+ Mijn keuken is een pijp, een doos mijn schapperae,[5]
+ Die draeg ick even staeg waer dat ick henen gae;
+ Een blat is mijn gebraet: van hier, o grage monden!
+ De schoorsteen is mijn neus, is dat niet wel gevonden?"
+
+Terwijl hij dat gedichtje zoo binnensmonds opzegde, had hij de kleine
+koperen doos waarin zwam was, genomen en met behulp van een stuk staal
+en een vuursteen, het zwam vonkende gemaakt. De pijp werd nu in dat
+ronde doosje boven het brandende zwam gehouden en weldra werd het hoofd
+van den bootsman nu en dan onzichtbaar achter wolken van rook.
+
+Dirk stond den damper met open mond aan te gapen, en juist wilde hij
+iets zeggen, toen hij naar den boeg wees en riep: "Een hoofd!"
+
+"Wat Zaterdag, wat is dat?" zei de bootsman.
+
+De Eerste Stuurman, die bij het roer stond, wenkte hem en zeide, toen ze
+bij hem gekomen waren: "Terwijl jelui stondt te praten, heb ik daar een
+paar keer bij den boegspriet het hoofd van een' man gezien. Gaat eens
+kijken wie dat is! Als het de gevluchte boef eens ware!"
+
+"Dan zou ik het land hebben, dat hij onder mijne wacht gevonden werd. De
+Ouwe zal dan nog veel meer gelooven, dat ik er alles van geweten
+heb."[6]
+
+"Ik ben je getuige, bootsman," zeide de Stuurman. "Gij kunt gerust
+zijn. De Kapitein zal mij toch wel gelooven, vertrouw ik. Doch ga thans
+naar den boeg en onderzoek, wat daar is."
+
+De bootsman en Dirk begaven zich nu naar het voorschip en bij den
+boegspriet gekomen, kwam het hoofd juist weder te voorschijn.
+
+"Drommels, dat is.... dat is...." riep Henri Quatre.
+
+Dirk was hem vooruitgeloopen en vond nu onder den boegspriet, achter het
+wapen van Leerdam, dat den boeg van het fluitschip versierde, in den
+zoogenaamden boegsprietsoven[7] een man, die zich daar tusschen
+gewrongen had, en er allerakeligst uit zag.
+
+"Wie ben je?" vroeg Dirk.
+
+"De ontvluchte galei-boef," klonk het zwakke antwoord. "Och, help
+mij! Ik heb mij hier tusschen gewrongen en kan nu niet terug of ik val
+in zee!"
+
+Henri Quatre was nu ook naderbij gekomen.
+
+Hij keek over de verschansing, zag den vluchteling aan en....
+
+"Dolf, jij?" riep hij.
+
+De vluchteling keek Henri Quatre aan en na hem eenige oogenblikken
+aangestaard te hebben, zeide hij op vragenden toon: "Wat?! Zie ik nog
+goed? Droom ik niet? Ben je Willem...."
+
+"Halt! Geen woord meer! Ja! Die ben ik! Ik zal u helpen! Hier, Dirk,
+houd dat touw aan dezen kant."
+
+Dirk greep een touw, sloeg dat om de beenen van den man en met behulp
+van Henri Quatre's sterke armen, haalde men den armen kerel, die daar
+twee dagen verborgen had gezeten zonder iets te eten of te drinken, op
+het dek.
+
+"Hij is dood," zeide Dirk.
+
+"Nog niet! Blijf bij hem, ik zal wat halen," zeide de bootsman en
+verwijderde zich schielijk.
+
+Gaandeweg kwam de een na de ander bij den vluchteling, die nu, zonder
+teekenen van leven te geven, daar op het dek lag. Ook de scheepsbarbier
+kwam er bij en deze begon al dadelijk met te zeggen: "Ik zal hem
+pleisters met troost der armen op de kuiten en in den nek leggen."
+
+Ook de Kapitein kwam en vroeg, wat er gaande was.
+
+"De Fransche vluchteling, Kapitein!" gaf Dirk ten antwoord. "Wij
+hebben hem uit den boegsprietsoven gehaald."
+
+Juist wilde de Kapitein er het zijne van zeggen toen de bootsman aankwam
+met een klein fleschje echten, Franschen en onvervalschten brandewijn.
+Hij liet hiervan eenige druppels tusschen de half geopende lippen van
+den man vallen en zag toen bedaard welk eene uitwerking dit had.
+
+De arme man scheen uit zijne bedwelming, waarin honger en koude hem
+gebracht hadden, te ontwaken, en de oogen openend, sloeg hij ze vol
+dankbaarheid op den man, die hem nog juist bijtijds uit zijn'
+gevaarlijken toestand verlost had.
+
+De geheele bemanning keek den armen vluchteling medelijdend aan, en niet
+één onder hen, den Kapitein uitgezonderd, of hij was verheugd te zien,
+dat de stumperd weer bijkwam.
+
+Opeens evenwel liet de Kapitein zich hooren.
+
+"Bootsman, ik moet u als rebel behandelen."
+
+"Als ge meent, dat ge zulks doen moet, ga dan uw' gang, Kapitein! Maar,
+ik wensch dan door den vollen scheepsraad mijn vonnis te hooren
+uitspreken," zeide Henri Quatre bedaard. "Dat is een recht, dat zelfs
+een' pluimgraaf toekomt."
+
+De Kapitein knarste van woede op de tanden, en sprak: "Gij hebt den boef
+eene schuilplaats gegeven, en als de Luitenant hem gevonden had, dan
+waren wij in Calais opgebracht en zou men beslag op ons schip gelegd
+hebben."
+
+"Door wien opgebracht, Kapitein?" vroeg de Eerste Stuurman. "Door
+wien, als ik vragen mag?"
+
+"Door wien? Wel, door wien anders dan door den Luitenant en zijne
+onderhebbende manschappen!"
+
+"Meent u dat?"
+
+"Zeker meen ik dat! Ik zou wel willen vragen waarom gij denkt, dat ik
+het niet meen?"
+
+"Nu, dan vergist gij u, Kapitein! Hij zou ons niet te Calais, maar wij
+zouden hem te Batavia gebracht hebben, en wat netjes ook," sprak nu één
+der omstanders.
+
+De Kapitein zag grimmig om en wist nu dat die woorden gezegd waren door
+Mijnheer Melters, die in dienst der Oost-Indische Compagnie was, en als
+Opper-koopman of Super-carga de reis mede maakte met de "Leerdam".
+
+"In alle gevallen, Mijnheer de Super-carga, heeft de bootsman gezondigd
+tegen de wetten en bevelen, en ik eisch, dat hij hiervoor gestraft zal
+worden", zeide de Kapitein.
+
+Tot hiertoe had de vluchteling nog geen woord gesproken. Hij richtte
+zich evenwel thans een weinig op en zeide in het Nederlandsch en met
+zwakke stem: "Niemand heeft mij geholpen of verborgen, Kapitein! Ik heb
+mijzelven in den uitersten nood eene schuilplaats verschaft achter het
+scheepswapen in den boegsprietsoven. En zoo ik oorzaak zal zijn, dat
+iemand om mij onschuldig gestraft wordt, laat mij dan liever overboord
+smijten. Te verdrinken is nog beter dan te leven als galei-boef!"
+
+De Kapitein zag hem nijdig aan en beval op hoogen toon: "Men brenge den
+vluchteling in de ziekenhut en den bootsman...."
+
+"Overijl u niet, Kapitein," sprak de "IJzeren Neptunus." "Laten
+wij den Raad beleggen en laat den bootsman met ons gaan. U zal zien, dat
+hij geen rebel mag genoemd worden."
+
+"Stuurman, gij begint ook?" riep de Kapitein driftig.
+
+"Laat al de Officieren van het schip in de kajuit komen, Kapitein, en
+dan zal ik vertellen, wat ik van de zaak gezien heb," luidde het
+antwoord van den "IJzeren Neptunus", die zeer kalm bleef[8].
+
+De Kapitein voldeed daaraan en toen al de Officieren bij elkander waren,
+en de bootsman, als beschuldigde, tegenover hen stond, deelde de
+Stuurman mede, wat hij gezien had vóór de bootsman en Dirk het zagen.
+Verder zeide hij ook dat de bootsman zijne spijt had te kennen gegeven,
+dat de vluchteling nu juist moest gevonden worden op zijne wacht, omdat
+men dan lichtelijk vermoeden zou, dat het eene doorgestoken kaart was en
+hij al lang, ja, van het begin af, geweten had, waar de ontsnapte boef
+was. Na dit alles gezegd te hebben eindigde hij met het voorstel te doen
+om den vluchteling in deze ook te hooren, tenminste indien hij instaat
+was om verhoord te worden.
+
+"Als hij er nog niet instaat toe is, zal hij er weldra instaat toe zijn,
+want ik heb hem drie pleisters met troost der armen gelegd, in de
+linker- en rechterzijde en in den nek," zeide de scheepsbarbier.
+
+"Och, jij met je pleisters! Als het maar in je macht was, dan zou je de
+maan aan de sterretjes plakken," sprak de kok. "Ik heb hem eene maat
+warme gort gegeven."
+
+"Dat laatste middel zal heilzamer werken dan het eerste," meende de
+Opper-koopman. "De man was letterlijk uitgehongerd."
+
+De Kapitein scheen in te zien, dat zijne vrees voor den bootsman hem
+leelijke parten gespeeld had. Hij gaf dus toe en zeide, dat de gewezen
+boef, als hij kon, voor den scheepsraad verschijnen moest.
+
+Dit scheen den bootsman niet te bevallen, en reeds stond hij op het punt
+er iets tegen in te brengen, toen de Stuurman zich al verwijderd had om
+bevel te geven den vreemdeling in de kajuit te laten komen.
+
+In gespannen verwachting bleven allen zitten, en toen de man aan den
+ingang der kajuit verscheen, keken ze hem zoo vreemd aan, alsof hij een
+buitengewoon wezen was.
+
+Nu buitengewoon was hij niet, maar gewoon toch ook niet.
+
+Hij was vreeselijk mager, lang en breedgeschouderd. Zijn gelaat was
+zeker in langen tijd niet geschoren of gewasschen en zijn koolzwart haar
+was, naar het gebruik op de galeien, even als bij misdadigers, kort bij
+het hoofd afgeknipt. Hij had ivoorwitte tanden en donkere oogen, die
+akelig diep in de kassen weggezonken waren. Alles sprak bij hem van
+armoede, ellende en lijden, en misschien, dat hij later, als hij geheel
+hersteld zou zijn, een knap man zou worden, maar nu was hij vreeselijk
+leelijk en terugstootend.
+
+Hij hield zich aan de stijlen der deur vast en eer nog iemand wat gezegd
+had, sprak hij: "Ik zou wel willen zitten, Kapitein! Ik ben te zwak om
+te staan!"
+
+"Dat ziet men u waarlijk wel aan," zeide de Opper-koopman en opstaande
+bood hij den man een' stoel aan.
+
+"Wie zijt gij?" vroeg de Kapitein.
+
+"Een Antwerpenaar van geboorte en een Geldersman door opvoeding,
+Kapitein!"
+
+"Uw naam?"
+
+"Jonker Adolf van Backerswerve!"
+
+"Uw beroep?"
+
+"Laatstelijk galei-boef, Kapitein! Nu een man, die u om een plaatsje,
+als matroos, op uw schip vraagt."
+
+"Ik heb geene matrozen noodig! Volk genoeg," sprak de Kapitein, die
+weer in zijne onvriendelijke bui verviel. "Wat waart ge en waar woondet
+gij vóór men u naar de galeien bracht?"
+
+"Ik ben begonnen als student te Leuven, en als ge dat niet gelooven
+wilt, vraag dat dan aan Jonker Willem van Aspervelde, die...."
+
+De bootsman sprong op.
+
+"Wie is die Jonker Willem van Aspervelde? Wij kennen hem niet," zeide
+de Kapitein, die evenwel nu vermoedde, dat de geheimzinnige bootsman
+eigenlijk zoo heette.
+
+"Dat ben ik, Kapitein," zeide de bootsman. "En nu mij zoo geheel
+tegen mijn' zin en wil en zoo onschuldig het doopceêl gelicht wordt,
+zal ik spreken en kan hij een oogenblik zwijgen. U ziet dat zelfs
+zittend spreken hem afmat."
+
+De Officieren keken den bootsman met verbazing aan.
+
+"Ik ben Jonker Willem van Aspervelde en was twintig jaar geleden student
+aan de Hoogeschool te Leuven. Mijne Ouders wilden een' Advocaat van mij
+maken en ik wilde in dienst van de Zeven Geünieerde Provinciën gaan. Ik
+wilde deelnemen aan de roemrijke zeetochten, die door haar gemaakt
+werden en dienst nemen onder den grooten Tromp. Maar mijne Ouders waren
+te zeer Spaanschgezind en wilden dat niet hebben. Toen sloeg ik, zeker
+verkeerd genoeg, het hoofd in den wind. Ik studeerde gemakkelijk,
+promoveerde tot Doctor in de Rechtsgeleerdheid, maar bleef te Leuven,
+als een gewoon student leven, zonder wat anders te doen dan een lui,
+lekker leven te leiden en zoo nu en dan eens te vechten."
+
+"Vocht u?" vroeg de Kapitein.
+
+"Ja, en wel met hem, die daar staat. Hij was ook Doctor in de Rechten en
+leefde op dezelfde wijze als ik achter de bierkan en de wijnflesch. Op
+een' avond, dat we vol zoeten wijns waren, kregen we twist en -- eene
+flesch kwam zóó op het hoofd van mijn' vriend neer, dat hij nederviel
+en voor dood weggedragen werd. Ik vluchtte, kwam in Holland en--nam
+dienst als gemeen matroos. Toen neef Joan Maetsuycker evenwel
+Gouverneur-Generaal werd, trad ik in dienst der Compagnie en werd, trots
+alle Kapiteins, bootsman door zijn toedoen. Hij daar," -- de bootsman
+wees op den gevluchten boef, -- "was evenwel niet aan de gevolgen der
+wonde gestorven. Ja, hij scheen in te zien, dat de drank de oorzaak van
+alles geweest was, en daarom herstelde hij uit zichzelven de oude
+vriendschapsbetrekkingen. Later kreeg ik eenige brieven van hem en toen
+was hij Luitenant op de Fransche vloot!"
+
+"Is dat waar? En hoe zijt gij dan op de galeien gekomen?" vroeg de
+Kapitein aan Jonker Adolf van Backerswerve.
+
+"Dat alles is waar, Kapitein! In onze dronkenmans-bui begonnen we de
+dwaasheid met elkander te vechten. En dat was wel eene groote
+dwaasheid, want we waren boezemvrienden. De toegebrachte slag was
+gelukkig niet doodelijk en ik herstelde. Maar nu mijn vriend weg was,
+wilde ik ook niet blijven. Ik liep naar Frankrijk en kwam daar op een
+oorlogsschip, waar ik, geholpen door kennissen, weldra Luitenant werd.
+Eens op een' dag evenwel begon de Kapitein van het schip te smalen op de
+Vlamingen, en hij zeide dat deze lafbekken waren, en den moed niet gehad
+hadden, het voorbeeld van de Noordelijke Nederlanden te volgen om den
+Spanjaard zijn afscheid te geven. Dat kon ik niet verdragen, ik gaf hem
+eene muilpeer en beet hem sarrend toe: "Hoe bekomt u zoo'n kitteling
+van een lafbek, Kapitein?" De gevolgen bleven niet uit, doch door
+voorspraak mijner vrienden werd ik nog niet tot de galeien verwezen en
+alleen gemeen matroos gemaakt. Dat ik mij hierin niet al te best
+schikken kon, dat spreekt, en daardoor maakte ik het weldra zoo bont,
+dat ik met de welwillende (?) medewerking van mijn voormaligen Kapitein
+op de galeien kwam. Ik ben daar twaalf jaren lang geweest. Twaalf jaren
+lang heb ik geleden. Twaalf jaren lang heb ik de kluisters gedragen.
+Twaalf jaren lang heb ik naar eene gunstige gelegenheid uitgezien om te
+ontsnappen. Eindelijk gelukte het mij. Nu ben ik hier en vraag een
+plaatsje als gemeen matroos aanboord van het schip, waarop mijn oude
+vriend de betrekking van bootsman bekleedt. De waarheid heb ik gezegd."
+
+De Kapitein en al de anderen hadden aandachtig geluisterd naar het
+verhaal van de twee mannen en hij vroeg thans, wat er te doen stond.
+
+"In de eerste plaats uitmaken of de bootsman zich vergrepen heeft aan de
+bevelen van den Kapitein," zeide de Opper-koopman. "En daartoe weten
+wij nog niet genoeg. De gewezen Luitenant Jonker Adolf van Backerswerve
+zal dus wel zoo goed willen zijn te zeggen, hoe hij zich voor het
+zoekend oog van den Franschen Officier en zijne manschappen verborgen
+heeft weten te houden."
+
+"Wilt gij dat zeggen?" vroeg de Kapitein.
+
+"Zeker, wil ik dat," luidde het antwoord. "Toen ik vanwege den
+Kapitein hoorde zeggen, dat men geene ontvluchte galei-boeven aanboord
+nam, hoorde ik de riemslagen van de boot, die mij achterna zat. Liever
+verdrinken dan weer naar de galeien, dacht ik, sprong in zee en zwom
+naar den anderen kant van het schip, dat op het oogenblik eene streek
+wendde en dus weinig vaart had. Ik hoorde mijne achtervolgers aanboord
+komen en op het punt van te zinken zag ik van den boeg een touw hangen.
+Met de kracht der wanhoop greep ik dat aan en hield mij er eenige
+seconden mede boven, doch ik voelde, dat ik de zuiging van het water
+voor den boeg niet langer wederstaan kon. Ik klom derhalve naar boven en
+in het halfduister wrong ik mij in den boegsprietsoven en achter het
+wapen of beeld bij den boegspriet. Hoe ik daartusschen gekomen ben, weet
+ik niet. Hier bracht ik in duizend angsten eenige oogenblikken door en
+toen schijn ik buiten westen geraakt te zijn. Hoe lang ik in dien
+toestand verkeerd heb, weet ik niet. Toen ik weer tot mijzelven kwam was
+het schemerdonker en ik hoorde stemmen. Ik greep moed en het gelukte mij
+met veel inspanning een keer of wat over de verschansing te kijken. Ik
+zag dat de man bij het roer mij ontdekt had, doch mij ontbrak de kracht
+om eenig geluid te geven. Hoe ik verder aanboord ben gekomen zal de
+bootsman of Stuurman wel zeggen kunnen. Ik weet het niet."
+
+"Mij dunkt, dat we nu genoeg gehoord hebben," zeide de Opper-koopman,
+"en ik meen zoo, dat het verstandig zijn zal, zoo de twee voormalige
+vrienden zich thans verwijderen. We kunnen dan beter onze meening
+zeggen."
+
+Dit werd goed gevonden en het gevolg van hunne beraadslagingen was, dat
+de bootsman natuurlijk van alle beschuldigingen vrijgesproken werd. De
+Opper-koopman verklaarde dat hij den anderen gewezen student aan zijn
+dienst verbinden wilde. Een Doctor in de Rechten kon hem in vele
+gevallen behulpzaam zijn. Ook wilde Mijnheer Melters den anderen wel
+hebben, als klerk of wat ook, want het ging toch niet aan dat een
+Jonker, die nog al Doctor was, dienst deed als bootsman.
+
+Henri Quatre echter verklaarde, dat hij voorloopig liever bleef, wat hij
+was en dat hij later, als hij in de Oost kwam, altijd nog zou kunnen
+zien, wat hij deed.
+
+Zoo was op eene bijzondere wijze de bemanning der "Leerdam" met één
+persoon vermeerderd, en later zou het blijken, dat al wat boef heet
+daarom nog geen boef is.
+
+
+VOETNOTEN.
+
+[3] Een oorlam is het rantsoen van jenever, dat op vele Nederlandsche
+schepen de matrozen iederen dag krijgen.
+
+[4] =Onvermeuge menschen= = onmachtige menschen.
+
+[5] =Schapperae.= Dit is een verouderd woord, dat nog wel in Vlaanderen
+gebruikt wordt. Men bedoelt er eene spijskast mede en zegt =schapraai=
+of =schaprade=.
+
+[6] Aanboord van een schip wordt de Kapitein door de bemanning meestal
+"Ouwe" genoemd.
+
+[7] De boegspriets-oven of het boegsprietspoor zijn twee staande stukken
+hout, die het ondereinde van den boegspriet steunen.
+
+[8] Aanboord van een koopvaardijschip is ieder Officier, die eenige
+betrekking bekleedt.
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+Den dans ontsnapt.
+
+
+De wind, die bij het uitzeilen zoo gunstig was geweest, blies, toen ze
+goed en wel in den Atlantischen Oceaan gekomen waren, stijf uit het
+Noordoosten en nog altijd waren de schepen, waarmede de "Leerdam"
+uitgezeild was, de "Nieuwpoort" en de "Dolfijn" elkander in het
+gezicht.
+
+Op het laatst van Mei kwam men dicht bij de Linie en reeds hoorde men
+onder de matrozen praten van de pret, die men hebben zou, als aanboord
+het doopfeest van Neptunus zou gevierd worden. Men had onder elkander de
+rollen reeds verdeeld, en Hoepel zou Neptunus zijn.
+
+Weinig kon men vermoeden, dat er van het heele feest niets komen zou.
+
+Op zekeren dag kwam de Eerste Stuurman in de kajuit bij den Kapitein,
+die een uitstekend zeeman was. Hoewel buitengewoon streng en dikwijls
+zelfs bar en onbillijk, hield het volk wel van hem, want het wist, dat
+er op hem te rekenen viel, als de nood aan den man kwam. Die
+onaangename geschiedenis met de twee Jonkers had hij vergeten, en zoo
+nu en dan toonde hij door een gesprek met één van die twee aan te
+knoopen, dat hij niet haatdragend was ook en liefst alles maar vergeven
+en vergeten wilde. De ongemeen voorspoedige reis had hem ook in eene
+pleizierige stemming gebracht, zoodat hij, toen de Stuurman binnentrad,
+hem lachend ontving en dadelijk de vraag deed: "Wel, Londenaar, wanneer
+zullen we de Linie passeeren, denkt ge? Naar mijne berekening kan dat
+best over twee dagen zijn. Nog nooit zulk eene voorspoedige vaart gehad.
+Maar, heb je me soms wat te zeggen?"
+
+"Ja, Kapitein! U wordt door den Kapitein aanboord van de "Nieuwpoort"
+geseind."
+
+Het voorhoofd van den Kapitein betrok.
+
+"Hij heeft mij niet te seinen. Ik ben zijn knecht niet! Of meent hij
+soms, dat hij zooveel als Bevelhebber over de drie schepen is? Dan is
+hij glad bezijden de plank."
+
+"De "Dolfijn" zal ons weldra verlaten, Kapitein! U weet dat ze naar
+de Goudkust moet. En Bevelhebber der twee schepen is hij niet; maar, hij
+is de oudste en heeft veel voornaam volk aanboord!"
+
+"Voornaam volk, ha, ha! Ik heb twee adellijke Heeren, die Advocaat zijn!
+Die tellen ook mee! En ouder! Misschien een jaar of drie!"
+
+"Minstens twintig, Kapitein!"
+
+"Nu, laat het twintig zijn! Al was het veertig, ik heb met den ouderdom
+niemendal te maken. Ik ben Kapitein op de "Leerdam" en hang van niemand
+af. Ik ga niet vanboord!"
+
+"Zullen we dan beproeven elkander te naderen?"
+
+"Mij goed! Maar verbeeld je niet, dat ik me maar eenigszins de wetten
+laat voorschrijven. Ik heb een' kop, als het er op aankomt, en
+allerminst ben ik genegen mij te onderwerpen aan eenige bevelen van den
+Kapitein van een ander schip."
+
+De Stuurman verwijderde zich, doch bromde binnensmonds: "Jammer, dat
+zulk een Kapitein van het bovenste plankje, zoo oploopend en licht
+geraakt is. Ik vrees, dat het den een' of anderen keer nog eens
+misloopt."
+
+Bij het roer gekomen gaf hij de noodige bevelen op de "Nieuwpoort" aan
+te houden, doch als men daar gebelgd was geweest over de wijze van doen
+van den Kapitein der "Leerdam", dan had er eene zware wijs op gegaan
+bij elkander te komen; want de "Nieuwpoort" was wat vooruit en nog wat
+beter bezeild dan de "Leerdam".
+
+Na verloop van een paar uren was men dan door de gewilligheid en
+toegevendheid van den Kapitein der "Nieuwpoort" zoo ver gekomen, dat de
+twee Gezagvoerders met elkander spreken konden. Die van de "Nieuwpoort"
+stelde voor denzelfden koers te blijven houden, dien men tot op dit
+oogenblik gevolgd was. Naar zijne inzichten liep men dan minder gevaar
+om onder de Linie door vervelende en dikwijls zeer gevaarlijke
+windstilte te worden opgehouden.
+
+Deze meening deed hij van zulke deugdelijke gronden vergezeld gaan, dat
+de "IJzeren Neptunus" zeide: "Dat is zoo helder als glas!"
+
+"Ik geloof niet, dat ons dit geraden is, en dat we beter doen met twee
+streken westelijker te houden. We snappen dan spoediger den
+Braziliaanschen Stroom en we zullen zulk eene korte reis maken, dat ze
+eenig is en blijft in de geschiedenis der Compagnie-schepen," zeide de
+Kapitein der "Leerdam".
+
+IJzeren Neptunus schudde het hoofd en ook de Kapitein der "Nieuwpoort"
+trok de redeneering van den ander in twijfel en meende, dat de
+verkorting der reis wel eens op eene verlenging kon uitdraaien, doch
+toen hij zag dat de ander bij zijne meening bleef, zeide hij: "Nu, gij
+moet het zelf weten. Wij zijn niet aan elkander getrouwd. Goede reis!"
+
+"Hetzelfde!" klonk het uit den mond van den stuggen Kapitein. De
+"Leerdam" stuurde twee streken westelijker en eer de avond viel waren
+de beide schepen geheel uit elkanders gezicht.
+
+"Dat wordt heelemaal mis, Londenaar," sprak de bootsman tot den
+Stuurman. "Zoo komen we ten achteren en heel leelijk ook. Jammer dat de
+Ouwe zulke vlagen van een' betweter heeft."
+
+"Als we nu maar niet al te lang onder de Linie moeten blijven," bromde
+de bottelier. "Er is veel kans op."
+
+"Toch geen gebrek aan water, hoop ik?" vroeg de Stuurman.
+
+"Nu, wat zal ik ervan zeggen? Gebrek aan water is er niet, maar er
+begint een luchtje aan te komen! Daar straks waren er al een paar
+matrozen, die zeiden, dat ze er van walgden, en dat het water nog te
+slecht was om ratten te vergeven."
+
+"We willen hopen, dat de Ouwe het bij het rechte einde heeft gehad,"
+mompelde de bootsman.
+
+Er kwam dien avond niet veel van naar kooi gaan. Het was tusschendeks in
+de hangmatten niet uit te houden zoo heet als het was. Al het volk bleef
+aan dek en zocht het daar met wat zeilen op de harde planken zich zoo
+gemakkelijk te maken, als het maar eenigszins kon.
+
+Op het voorschip had zich een groot deel van de manschappen verzameld.
+Ze lagen daar half uitgekleed op het dek en wisten, door hitte bevangen,
+niet wat ze doen moesten.
+
+De wind ging meer en meer liggen en toen de hondenwacht betrokken werd,
+bromde de Tweede Stuurman: "Verwenschte windstilte! Daar hebben we de
+poppen al aan het dansen. Ik wilde voor ik weet niet wat, dat de Ouwe de
+"Nieuwpoort" gevolgd was."
+
+De zeilen, die anders door den wind bol geblazen werden, hingen er thans
+als natte vaatdoeken bij, en gaven nu en dan alleen door een zwak,
+klapperend geluid te hooren, dat nog niet alle wind weg was.
+
+"Ik wilde dat ik wat slapen kon," zeide Hoepel.
+
+"Het bed is wel wat hard, maar het is het bed niet, dat me den slaap uit
+de oogen houdt; het is die ondragelijke hitte," sprak Dirk. "Het is
+voor een' mensch niet om uit te staan. Oef!"
+
+"Ja, man, zoo heet stoken ze in de Middellandsche Zee den oven niet,"
+spotte een matroos, die zich zoo even eene puts zeewater over het lijf
+gegoten had om zich te verfrisschen, hoewel hij verklaarde, dat zelfs
+het zeewater wel over het vuur scheen te hangen.
+
+"Let op, het heele Neptunus-feest zal er bij inschieten, Hoepeltje,"
+zeide een ander.
+
+"Vraag eens aan den Ouwe of hij niet eens een deuntje fluiten wil, ik
+heb me de mondklem al bezorgd door het fluiten," liet een oud matroos
+zich hooren.
+
+"Jij met je fluiten! Als dat hielp, dan zou ik zeggen, laten we allemaal
+fluiten. Ik geloof er niemendal van," sprak Hoepel. "Dat is alles
+bijgeloof, niets anders. Dat zeg ik."
+
+"Je bent een ongeloovige Thomas," herhaalde de oude matroos. "Ik zeg
+je dat het meermalen gebleken is, dat de wind zich door fluiten laat
+lokken."
+
+"Och, loop heen! Verkoop zulke praatjes aan oude vrouwen en kleine
+kinderen," spotte Hoepel.
+
+"Je kunt zeggen wat je wilt, Hoepel! Het is zoo! Ik heb het immers zelf
+bijgewoond! Ik deed toen mijne tiende Indische voyage!"
+
+"Je tiende? Is dit dan je elfde?" vroeg Garrit.
+
+"Mijne zestiende, jonge brasem! Mijne zestiende! Ik kan meepraten, als
+het er op aankomt."
+
+"Maar wat heb je dan bijgewoond, ouwentje?" klonk het van een'
+anderen kant. "Toe, vertel ons 'reis een en ander. Een varensman is
+zóó niet, of hij wil graag nog meer hooren."
+
+"Ja," bromde een andere oude matroos, "om dan te kunnen vertellen,
+dat men alles zelf ondervonden en bijgewoond heeft. Maar ieder moet
+weten, wat hij er mee doet, dat zeg ik, en daarom, ouwe maat, toon dat
+je tong losser zit, dan je rug, want die zegt al krik-krak, als je
+bukt."
+
+"Ei, is het waar ook," antwoordde de verteller lachend. "Maar als we
+over ruggen en beenen gaan spreken, die krik-krak zeggen, dan komen we
+niet verder. Ik zal je vertellen van mijne reizen, maar eerst vooral hoe
+we door fluiten wind kregen en niet zuinig ook. Het werd een orkaan en
+er haperde niet veel aan of van de heele "Het Huys ter Horst", zoo
+heette het schip, kwam geen stuk terecht!"
+
+"Fluitjes in den zak! Liever windstilte dan een orkaan," riep een jonge
+matroos, die misschien zijne tweede reize maakte en altijd nog griezelig
+werd, als hij van vreeselijke gebeurtenissen hoorde spreken.
+
+"Kunt gij van een' orkaan medepraten?" vroeg de oude.
+
+"Niet zuinig! Op de Oost heb ik maar weinig gevaren en ik ben er bekend
+als een snoek op zolder. Maar naar de West deed ik heel wat voyage's en
+daar heb ik een storm bijgewoond, die zoo even raak was. De West is het
+rijk van Koning Storm, en die is me zoo even een bulderbast!"
+
+"Dat behoef je me niet te vertellen! Dat weet ik bij ondervinding. Maar
+kan je ook meepraten van windstilte?"
+
+"Ook al! Dat was in '53. Toen hebben we onder de Linie bijna drie volle
+dagen doodstil gelegen. Een schip, dat voor anker lag kon niet rustiger
+en kalmer liggen."
+
+"Drie dagen! Neen, dan kan ik er wat anders van vertellen. Drie dagen
+windstilte! Neen, maat, drie dagen tel ik niet."
+
+De matrozen kwamen nader bij den ouden man om geen woord van zijn
+verhaal te missen. Zelfs enkele Officieren, benevens "Dolf de Boef",
+zooals de Fransche vluchteling genoemd werd, de bootsman, de
+scheepsbarbier, de Opper-koopman en IJzeren Neptunus behoorden onder
+zijn gehoor.
+
+Intusschen bleef de oude man een' geruimen tijd zwijgen.
+
+"Nu, ouwe Joost, begin! Wij luisteren!" zeide de Opper-koopman. "Je
+bent toch niet verlegen, als je zooveel toehoorders hebt? Je moet maar
+denken, dat we allemaal turven zijn!"
+
+"Al zacht, al zacht, Sinjeur! Ik moet de rommelkamer van mijn geheugen
+eerst eens wat opknappen, anders smijt ik het een door het ander. Maar
+nu ben ik er.
+
+Het was in '29 en ik deed mijne vierde reize naar de Oost met de fluit
+"Het Huys ter Horst". Het was een stevig, mooi en groot schip en we
+hadden op de heenreis over de honderdvijftig man aanboord. Natuurlijk
+niet allemaal varensgasten waren het. Er bevonden zich vele voorname
+Heeren bij met hunne bedienden, die niet allen plaats hadden kunnen
+vinden op de "Hollandia", die den Ordinaris Raad van Indië, Jacques
+Specx, aanboord had. Er was in die dagen in de Oost, waar Jan Pietersz.
+Coen Gouverneur-Generaal was, nog heel wat te doen en -- Coen werd niet
+door ieder vertrouwd...."
+
+"Nu, met recht meen ik," viel de Opper-koopman den verteller in de
+rede. "Die Gouverneur-Generaal Coen was...."
+
+"Met uw verlof, Sinjeur! Ik heb Coen gekend en beter dan menigeen. Ik
+heb aan zijne zijde gevochten, ik heb hem eene pooze als knecht bediend
+en hem gadegeslagen. Hij was een groot man. Hij was in de handen van den
+Heer het werktuig om de Oost-Indische Compagnie groot en vermogend te
+maken. Hij was in den oorlog dapper, maar nooit onberaden. Nooit heeft
+hij met slinksche middelen eene overwinning behaald, en rechtvaardig was
+hij, als er misschien geen enkel mensch geweest is. En dat zeide niet ik
+alleen, dat erkende ieder, die ooit met hem in aanraking gekomen was."
+
+"Nu, rechtvaardig, rechtvaardig, Joost, zeg dat maar niet zoo hard op!
+Hiervan konden de ongelukkige dochter van Specx en haar minnaar Pieter
+Jacobsz. Cortenhoeff u wat anders vertellen. Of was het niet meer dan
+schande om een dertienjarig meisje in het openbaar te laten geeselen en
+een zeventienjarig jongeling te laten onthoofden, omdat die twee in het
+huis van den Gouverneur-Generaal een verboden minnehandel hadden? Geen
+wonder, dat Coen op het bericht, dat de Vader van dat arme meisje, als
+Ordinaris Raad van Indië, dus in rang slechts ééne plaats beneden hem,
+aangekomen was, van schrik stierf. Iedereen sprak er schande van, dat
+hij zóó iets had durven doen."
+
+"Ja, Sinjeur, die geschiedenis heb ik natuurlijk ook hooren vertellen,
+maar alweer op eene heel andere manier dan u dat doet. Ik heb ze ook nog
+heel anders hooren vertellen, en als ééne en dezelfde gebeurtenis op
+drie of vier verschillende manieren verteld wordt, zie, dan zegt mijn
+dom verstand: "Geloof er niet al te veel van." Waar is het, dat Coen
+buitengewoon streng en zedelijk was. Hij stond er op, dat wij,
+Hollanders, die dan toch voor beschaafder moesten doorgaan dan de
+Javanen, in alles een voorbeeld van beschaving gaven ook. Hij was
+Christen en vertelde aan iederen Javaan, als het zoo gelegen kwam, dat
+de Christelijke leer veel beter was dan die van de Mohammedanen, maar
+hij trachtte ook te zorgen, dat wij Hollanders, dat door onze daden niet
+tegenspraken. En praat me nu niets ten voordeele van dien Cortenhoeff,
+want ik heb dat heerschap gekend. Wat hij onder den neus had, wol of
+mollenhaar, dat wist hij zelf niet. Zóó jong was hij nog. Maar als het
+op liederlijke stukjes aankwam, dan was hij ons allemaal te glad af. Er
+leefden toen heel wat jonge losbollen en lichtmissen in de Oost, maar
+hij spande de kroon. En hoe de vertellingen nu ook uit mekaêr loopen,
+hierin stemmen ze alle overeen, dat hij de Javaansche bedienden van
+Coens huis omgekocht had, om hem des nachts stilletjes in Coens woning
+te laten. Dat gelukte den schelm maar al te goed, en nu vraag ik je in
+gemoede, Sinjeur, wat zou u met zoo'n liederlijken jongen doen, die des
+nachts zóó in uw huis kwam? En wat Saartje Specx aangaat, half
+Javaansche en half Nederlandsche, nu daarover willen we liefst zwijgen.
+Jammer is het evenwel, dat Coen in dit opzicht niet meer met bedaarde
+zinnen handelde, maar hij was buiten zichzelven van woede en wat doet
+een mensch dan niet? Ik zeg maar: die staat, zie toe, dat hij niet
+valle. En als zelfs de Predikanten en Kerkeraad van Batavia schreven:
+"Het scheen een plage van God den Heere te zijn, dat hij, die altijd
+zulk een rechtvaardig man geweest was, nu hierin zóó ver afdwaalde",
+ben ik het met die menschen volkomen eens, maar als Sinjeur de
+Opperkoopman nu vertelt, dat Coen van schrik stierf toen hij hoorde, dat
+de Vader van Sara Specx, als "Ordinaris Raad van Indië", was
+aangekomen, dan vergist hij zich zeer. De Gouverneur-Generaal, Coen,
+stierf aan eene vreeselijke ingewandsziekte, eene ziekte, die te Mecca
+soms duizenden doet sterven, als de Mohammedanen daarheen trekken om op
+het graf van hun' Profeet Mohammed te bidden. Maar we dwaalden te ver af
+en daarom dan, om op mijne vertelling terug te komen: De Ordinaris Raad
+Specx dan stond aan het hoofd van acht schepen, waarvan het onze er een
+was. Maar was "Het Huys ter Horst" een mooi en groot schip, luier
+zeiler was er bij de geheele vloot niet, zoodat het niet lang duurde of
+onze Kapitein kreeg de noodige bevelen, die hij zou na te komen hebben,
+als we soms bij de andere zeven moesten achterblijven. Dat dit vandaag
+of morgen gebeuren zou, was wel te voorzien. Op zekeren morgen althans
+kwam de wachthebbende Officier berichten, dat van de zeven andere
+schepen alleen nog maar de "Hollandia" te zien was, en eer we allen
+op het dek aan onze gewone bezigheden waren, was ook de "Hollandia"
+ons uit het gezicht. Velen onder ons, en niet het minst de groote
+Heeren, zagen dat met leedwezen en angst. En geen wonder! Admiraal Piet
+Hein toch had ten vorigen jare den Spanjaarden hunne Zilvervloot
+ontkaapt en de Spanjaarden waren nu zóó niet, of ze vonden dat minder
+pleizierig, dat spreekt. Zoo'n elf millioen gulden is dan ook vrij wat
+meer dan een knoop van een wambuis. Ze lagen daarom op den loer om ons
+eene poets te bakken en een eenzaam zeilend schip liep altijd groot
+gevaar in handen van den vijand te vallen."
+
+"Valsch volk die Spanjolen! Echte beesten!" bromde een uit den hoop.
+
+"Nu, maat, prijzen zal ik de Spanjaarden ook niet en
+"broertje-spelen" met die luî nog minder. Maar ik meen zoo, heb ik
+het mis, dan vergeve men het mij, ik ben maar een dom matroos, maar ik
+meen zoo, dat de Spanjaarden zoo ongeveer hetzelfde van ons dachten. Ik
+zeg maar, je moet een engel wezen om je een elf millioen te laten
+ontfutselen en dan nog te zeggen: "Die Hollanders zijn veel te brave
+luî om ze kwaad te doen. We zullen ze maar stilletjes laten begaan."
+Als ze jou eens je buidel ontnamen, Evert, wat zou je doen?"
+
+Evert, die vond dat de Spanjaarden een valsch volk waren, aarzelde niet
+lang met antwoord te geven en zeide, terwijl hij de groote vuist balde:
+"Ik zou ze met interest terughalen, Ouwentje! En niet zuinig ook, dat
+geef ik je op een briefje!"
+
+"Scheld dan niet meer op de Spanjaarden, Evert," vervolgde Joost en
+zette zijn verhaal weer voort. "Met krabbelen en nog eens krabbelen
+hadden we eindelijk de Kaapverdische Eilanden achter den rug en toen we
+des middags poolshoogte namen, bevonden we ons op zestien graden
+benoorden de Linie. Wij waren nog altijd in den noordoostpassaat en
+maakten er zoo goed mogelijk gebruik van om onze logge kast te laten
+voortkruipen. Ja, het was om van nijd zijne nagels als koek te eten, om
+te zien hoe wij altijd maar ten achteren kwamen. De bouwmeesters van ons
+schip hadden, zeker voor de aardigheid, eens willen laten zien, voor
+hoeveel geld er in één schip kan. Ze hadden het prachtig gewonnen, wat
+de ladingruimte betreft, maar schandelijk verloren, als het op "uit de
+voeten maken" aankwam. Dat zag zelfs de pluimgraaf, die eens zeî:
+"Dikke heeren zwemmen slecht." De bengel had gelijk, want het was om
+zich dood te ergeren, zoo weinig als we vorderden. Tegen een uur of vijf
+riep de wacht, dat er ten Zuiden van ons een schip te zien was."
+
+"Dat zal de "Hollandia" zijn," meende de Kapitein. "Men zal
+ons komen opzoeken! Laat maar gauw de Prinsenvlag waaien, dan zien ze
+wie we zijn!"
+
+"Een schip in het gezicht en het zal de "Hollandia" zijn," dat was
+een prettig bericht. Alle gezichten fleurden op, als bloempjes na den
+verkwikkenden zomerregen. Maar de prettige gezichten betrokken al heel
+gauw toen de Kapitein met behulp van zijn' scheepskijker het schip eens
+goed opgenomen had, en nu tot heel andere gedachten gekomen was, dan dat
+we daar zoo opeens een onzer schepen waarmede we uitgezeild waren, in
+het gezicht gekregen hadden.
+
+"Het is een Portugeesch oorlogs-vaartuig," mompelde hij, en hij liet er
+luid genoeg op volgen om door iedereen verstaan te worden: "Dat belooft
+nu nog eens eene fraaie geschiedenis te worden. Men moet iemand met zulk
+eene kast maar aan zijn lot overlaten, dan komt er wat moois van!"
+
+Dat bracht wat eene ontsteltenis teweeg. Gekerm hier, geklaag daar,
+gezucht ginds, gemopper overal.
+
+"Ja, hoort eens, vrienden," zei de Kapitein, toen we allen om hem heen
+stonden, als kinderen om een' straatkunstenaar, "ja, hoort eens,
+vrienden, ik ben niet van plan mijn schip zoo maar klakkeloos over te
+geven."
+
+"We zullen toch niet gaan vechten, Kapitein!" riep een piepjong
+heertje, dat zoo van de Hoogeschool te Leiden gekomen was en nu naar
+Batavia ging, om daar de Compagnie te dienen, en zichzelven meteen.
+
+Het manneke verschoot van kleur en het kippenvel kwam door zijn dun
+kneveltje heengluren.
+
+De Kapitein zag den held eens aan en zeide lachend: "Bij mijne trouw,
+heer Jurdens, wij zullen van uwe dapperheid geen gebruik behoeven te
+maken. Het zal u wel leed doen, maar u is gewoon het zwaard aan den wal
+te hanteeren om den driesten vijand uw voorhoofd te laten zien en op
+eene schandelijke vlucht te jagen. Eén geluk evenwel, Mijnheer! Ik kan
+het met mijn volkje alleen wel af, nietwaar, mannen?"
+
+Deze laatste woorden waren tot ons gericht en nu de Kapitein ons zoo in
+het oogloopend een pluimpje gaf, was er niet een van ons, die hem
+afviel.
+
+De Eerste Stuurman deed voor ons het woord en zeide: "Niets vaster dan
+dat, Kapitein! Gij kunt op ons rekenen!"
+
+"Welnu," hernam de Kapitein en wendde zich hierop tot de passagiers,
+"gij hebt het gehoord, Heeren, dat wij het met ons volkje best af
+kunnen. Weest dus zoo goed naar uwe hutten te gaan, dan hebben we het
+dek vrij en kunnen we ons naar hartelust bewegen. Uzelf zal wel
+begrijpen, dat we, als het tot een gevecht moet komen, soms wel eens ruw
+te werk moeten gaan."
+
+Er was evenwel niemand, die naar zijne hut ging en allen bleven waar ze
+waren. Ze gevoelden het maar al te goed, dat de Kapitein eigenlijk
+meende, dat het hun aan den noodigen moed ontbrak om te vechten.
+
+"Moeten we, Kapitein?" vroeg een der Heeren, die tot het gevolg van den
+Ordinaris Raad behoorde.
+
+De Kapitein zag hem even aan en zeide: "Nu, moeten, moeten! Ik dwing u
+nu nog niet!"
+
+"Als we niet =moeten=, Kapitein, zou ik u wel willen voorstellen ook van
+onze handen gebruik te willen maken. Wij zijn ook geen mannekens van
+moppendeeg, Kapitein!"
+
+"Nu, wie, als het er op aankomt, wil mee bakkeleien, die mag, en graag
+ook. Maar op ééne voorwaarde!"
+
+"En die is, Kapitein?"
+
+"Dat gij u onder mijne bevelen stelt, al neem ik voor en na het gevecht
+voor u, als mijne meerderen, de muts af. Zoo lang het gevecht duurt, heb
+ik te commandeeren en geen mensch anders, tenminste, als het onze wil is
+om het niet te verliezen."
+
+"Ge kunt op mij rekenen, Kapitein," sprak de kordate heer en schaarde
+zich tusschen ons. Zijn voorbeeld werd door allen gevolgd, zelfs door
+het heertje met het kippenvel.
+
+Dat beviel den Kapitein niet; want hij wist vooruit, dat zulke helden
+meer kwaad dan goed doen. Hij kon echter moeielijk zeggen, dat zij zich
+verwijderen moesten en daarom verzon hij er wat op, dat naar zijne
+meening bij velen den moed wegblazen zou, zoo als de stormwind een'
+ouden schoorsteen neerslaat.
+
+"Bootsman," sprak hij nu, "ga gij naar beneden en breng daar in het
+ruim alles in orde om de gekwetsten te kunnen verzorgen. De
+scheepsbarbier zal u daarbij behulpzaam zijn. Reken maar op heel veel
+dooden en gewonden."
+
+De bootsman en de scheepsbarbier verwijderden zich.
+
+"Maar den bootsman heb ik bij het gevecht op het dek noodig," hervatte
+de Kapitein, "en daar het zich laat aanzien, dat het er warm langs zal
+gaan, zoo zullen er wel veel gekwetsten vallen en zal de barbier wel
+hulp noodig hebben. Wie van de Heeren meent nu, dat hij beter beneden
+helpen kan? Het verplegen van gewonden zonder armen of beenen is
+eigenlijk het werk niet van Janmaat. Die is er te hardhandig voor!"
+
+Het heertje met het kippenvel trad vooruit en zeide: "Ik, Kapitein! Als
+student heb ik ook wel enkele lessen in het verbandleggen bijgewoond, en
+ik vertrouw dat ik, als het er op aankwam, ook een arm of been zou
+kunnen zetten. En akelig bij het zien van bloed word ik ook al niet. Ik
+zag, toen ik nog op de armen van de kindermeid zat, zelfs heel graag
+varkens slachten, zoodat die meid dikwijls tegen hare kameraad zeide:
+"De jongeheer wordt nog een beroemd held. Dat zal je zien." Intusschen
+heb ik veel te veel tijd noodig gehad om te studeeren, zoodat ik nooit
+vecht, maar in mijn woordenboek staat het woordje =bang= niet!"
+
+"Welnu, ga dan naar beneden en stel u onder de bevelen van den
+barbier," sprak de Kapitein bijna lachend.
+
+De jonge held, gevolgd door nog een tiental van zijn slag, ging naar
+het ruim om daar te wachten op de arme gekwetsten.
+
+"Nog meer mannen, die een verband kunnen leggen soms?" vroeg de
+Kapitein met een fijn lachje, en toen er niemand zich meer voor die
+betrekking aanbood, begon de Kapitein alles gereed te maken om den
+vijand af te wachten. De kanonnen werden gesteld, kruitvaatjes en kogels
+werden op het dek gebracht, wapenen werden uitgedeeld.
+
+De Portugees kwam steeds nader, doch bleef op eerbiedigen afstand.
+Blijkbaar vertrouwde hij de zaak niet en zag wel dat de "Het Huys ter
+Horst" geen kwâjongen was, die men om boodschappen uitgestuurd had.
+
+"Hij schijnt te dralen, mannen," sprak de Kapitein. "Laten wij nu de
+stoute schoenen aantrekken en het eerste schot lossen. Wie brutaal is,
+krijgt de halve wereld!"
+
+Men vond dien raad goed. Eén der stukken werd gelost en we zagen den
+fokkemast van den Portugees al heel raar doen. Het was duidelijk, dat we
+dien getroffen hadden.
+
+De Portugees gaf van zijn' kant geen krimp en schoot vier stukken achter
+elkander af, doch zonder ons te raken.
+
+"Hoezee! Hoezee!" juichten wij, en alsof we de overwinning al behaald
+hadden, zoo brandden wij het tweede stuk los. Ook dat was raak en sloeg
+een stuk van zijn bakboord weg.
+
+Opeens evenwel kwam "Held Kippenvel" op het dek stormen; maar pas was
+hij er op, of hij struikelde over eene vreeselijk lange sabel, die hem
+bijna voor den buik hing.
+
+"Wat nu?" vroeg de Kapitein.
+
+Onze held krabbelde, doch met heel veel moeite, op, en stamelde:
+"Hoe--hoe--hoe--veel...."
+
+"Hoeveel dappere helden?" vroeg de Kapitein lachend.
+
+"Hoe--hoeveel--doo--dooden en ge--gekwetsten?" klonk het met eene
+benauwde stem.
+
+Wij proestten van het lachen toen de man daar met zijn gezicht, zoo wit
+als een beddelaken, en met knikkende knieën het antwoord stond af te
+wachten.
+
+"Gij hebt zeker de koorts, Mijnheer," zeide de Kapitein. "Ik zou u
+aanraden naar de kooi te gaan!"
+
+"Ja, ja, u heeft gelijk! Ik heb de koorts! De koorts! Ik zal uw' raad
+volgen. De koude koorts, die met beven en klappertanden begint!"
+
+De held sukkelde nu naar beneden en kroop gekleed en al, ja, zonder
+zijne sleepsabel af te leggen, diep onder het dek.
+
+Inmiddels was de avond geheel gevallen en verloren we in het donker den
+Portugees uit het gezicht. Wij bleven evenwel goede wacht houden, doch
+toen de dag aanbrak was er van den vijand niets meer te zien. Hij durfde
+het katje zeker niet aan.
+
+Voor dit oogenblik waren we aan den dans ontsnapt, doch de Kapitein
+bromde tot den Eersten Stuurman: "Het was ons geluk, dat de vijand een
+groote lafaard was, want als hij het gewaagd had ons aan te vallen, dan
+hadden we het stellig moeten verliezen. Zag je wel, welk een vlug zeiler
+hij was? Maar, het is voorbij en laten we maar niet klagen over hetgeen
+achter den rug is, en hopen dat we ook nooit anders dan zulke
+hazenharten voor den boeg krijgen. Laat nu alweer maar alles bergen,
+Stuur!"
+
+Met ijver werd aan dat bevel voldaan, want voor een koopvaardij-matroos
+zag het dek er al te rommelig uit om er pleizier in te hebben.
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+Opgedirkte waarheid.
+
+
+Zoodra het overal aanboord bekend was, dat de vijand ons verlaten had,
+kwam "Held Kippenvel", we noemden hem niet anders meer, gewapend en wel
+te voorschijn.
+
+[Illustratie]
+
+"Tot uwe bevelen, Kapitein!" zeide hij. "De koorts is over."
+
+Hij stampte met de sabel op het dek en deed alle mogelijke pogingen zijn
+kneveltje op te strijken, doch dat gelukte hem niet; want het was nog
+maar in aanbouw.
+
+Zij, die dat kereltje zoo hoorden spreken en zagen doen, barstten bijna
+van het lachen, doch de Kapitein hield zich leuk en verzocht hem
+beleefd, of hij wel zoo goed wilde zijn, gedurende een uur of drie de
+wacht te houden bij de vaten, die op het voorschip stonden.
+
+"Welzeker, welzeker! En het wachtwoord, Kapitein?"
+
+"Orang daging babi!"[9] zeide de Kapitein, die moeite had nu ook niet
+in den lach te schieten.
+
+Het heertje hield alles voor ernst en ging met uitgetrokken sabel en een
+dapper gezicht bij de vaatjes staan, en ieder, die in de nabijheid kwam,
+hield hij de sabel dwars voor het lijf en voegde hem toe: "Het
+wachtwoord!"
+
+"Orang daging babi!" zeiden we dan, doch daar de meesten er bij
+lachten, begreep hij ten laatste toch, dat hij daar voor gek stond, en
+zoodra de Kapitein in zijne nabijheid kwam vroeg hij: "Maar, Kapitein,
+is het niet gevaarlijk die kruitvaten daar maar te laten staan?"
+
+"Ik weet van geene kruitvaten. Welke vaten bedoelt ge?" vroeg de
+Kapitein met het onnoozelste gezicht.
+
+"Wel, deze, waarbij ik op wacht sta!"
+
+"Dat zijn geene vaten met kruit, Meneer! De vaten met kruit zijn al
+...."
+
+"Wat is er dan in?"
+
+"Het zijn eenige vaten met ransig spek, die straks over boord moeten
+gesmeten worden!"
+
+"En waarom moest ik daar op wacht staan?"
+
+"Wel, Mijnheer, ik wist geene andere plaats voor u," sprak de Kapitein
+en liet den held den rug zien.
+
+Deze was woedend en toen wij een luid gelach lieten hooren, stak hij de
+vuist op en schreeuwde: "De Goeverneur-Generaal zal alles weten hoe het
+hier aanboord toegaat. Rekent er op! En berouwen zal het u allen, dat
+gij het gewaagd hebt mij als een' straatbengel te behandelen! Weet gij
+wel, Meneer de Kapitein, dat ik Juridisch Doctor ben?"
+
+"Juridisch doctor, Meneer? Is dat een baantje bij het eene of andere
+gilde?" vroeg de Kapitein. "Ik moet eerlijk zeggen, dat ik er nooit van
+gehoord heb."
+
+"Neen, neen, het is geen baantje! Het is een graad in de Rechten,"
+luidde het antwoord.
+
+"O, maar een graad! Als het nu nog eens een been was, dan was het wat
+anders!"
+
+"Kapitein, u maakt mij woedend," schreeuwde het kereltje en kwam met
+dreigende houding nader terwijl hij heel fier de rechterhand op den
+greep der sabel sloeg.
+
+"Ga vlier en kamillen drinken, kerel!" zeide de Kapitein en liet het
+manneke staan.
+
+De held stampte, omdat éénmaal kinderachtig en tweetal flauw was, drie
+keeren ferm met zijne sabel op het dek, streek den knevel in aanbouw op
+en marcheerde naar zijne hut, waar hij, zonder zich ergens te laten
+zien, zich den heelen dag opsloot.
+
+Wij hadden, dat spreekt vanzelf, de grootste pret van de wereld en
+nauwelijks had één onzer eventjes het deuntje laten hooren:
+
+ Drink vlier en kamillen,
+ O mensch, je krijgt er heldenbloed van!
+ Drink vlier en kamillen
+ Zooveel maar als je kan!
+
+of bijna den heelen dag zongen we dat zoo luid mogelijk, en stellig zal
+hij het gehoord en van puren heldenmoed nog wel eens gestampt hebben.
+
+Maar met dat al waren wij door die ontmoeting met den Portugees een
+heel eind uit den koers geraakt, en het duurde niet lang of de wind ging
+geheel liggen.
+
+Het was brandend heet en wij hadden dorst om eene heele zee ledig te
+drinken.
+
+"Spaarzaam zijn met het water," klonk het bevel, en opdat niemand zich
+in stilte aan het water zou te goed doen, hield een der Officieren er
+bestendig de wacht bij; want de manschappen zelven waren niet te
+vertrouwen.
+
+Om de brandende zonnehitte te keeren maakten we zonne-tenten op het
+voorschip, waar we nu alweer ruimte hadden.
+
+Het baatte niet; de zon brandde er door heen.
+
+Wij gooiden om ons zelven te verfrisschen elkander putsen zeewater over
+het lijf.
+
+Wat baatte het? Het water was niet koud en wij werkten ons in het zweet.
+
+De zee was, zoo ver we zien konden, effen, en tot vervelens toe klotste
+het water tegen de wanden van het stilliggende schip, dat wel aan de
+zonnestralen gemeerd leek.
+
+Zoo ging de eene, zoo ging de andere dag voorbij.
+
+Wij keken en staarden in de verte of we niet een enkel wolkje zagen
+aankomen.
+
+Te vergeefs! De lucht bleef helder en scheen van gloeiend metaal te
+zijn.
+
+Aan den morgen van den zestienden dag stonden we bij de watervaten om de
+eerste van onze drie portie's water te ontvangen. Sedert drie dagen
+waren we op dat rantsoen gesteld.
+
+De bottelier moest aan een nieuw vat beginnen; maar nauwelijks was het
+open of....
+
+"Bah!" riep hij en sprong achteruit. "Dat water is bedorven! Wat een
+stank!"
+
+Hij opende het tweede vat, en alweer hetzelfde.
+
+Wij stonden er sprakeloos bij.
+
+"Nu nog het derde vat, mannen! Dat is het laatste!" zei hij. "We
+willen hopen, dat dit nog goed is!"
+
+Hij sloeg het open, en alsof er iets heel bijzonders zou te zien zijn,
+schaarden wij er ons omheen, maar -- onze neuzen vertelden al heel gauw,
+dat ook dit derde of laatste vat bedorven was.
+
+Daar stonden we nu zonder ander dan bedorven water.
+
+Wel proefden er sommigen van; maar met walging spuwden ze het weer uit.
+
+En hooger steeg de zon en feller werd de hitte.
+
+"De scheepsbarbier heeft daar zoo even gelukkig in zijn
+medicamenten-boek een uitmuntend middel gevonden om bedorven water zoo
+smakelijk en frisch als versch te maken," werd er verteld en weldra
+hoopte de heele bemanning, dat die proef gelukken mocht.
+
+Daar kwam hij aan met een' ijzeren aschlepel vol glimmende houtskolen.
+Hij wierp die in het water, en vol ongeduld wachtten wij de uitkomst van
+zijne proef af.
+
+Tegen den middag zouden we te weten kunnen komen of het middel zoo
+uitstekend was, als in het medicamenten-boek verteld werd.
+
+Hoe we naar den middag verlangden!
+
+En toen die gekomen was....
+
+"Het heeft niet geholpen, mannen," sprak de bottelier. "Het water is
+en blijft bedorven! De toekomst ziet er donker voor ons allen uit,
+vrienden! Ik vrees het ergste! God moge den armen zeeman genadig zijn!"
+
+"Beter slecht water dan van dorst sterven," riep een der matrozen en
+naar het vat loopend begon hij daar te drinken, alsof er geen verzadigen
+aan zijn' dorst was.
+
+Zijn voorbeeld werkte bijna op al het volk aanstekelijk. Men verdrong
+tierend en razend, elkander aan de vaten, ja, menige vuistslag werd
+gegeven en ontvangen voor één' dronk slecht water.
+
+"Houdt op! Houdt op, mannen! Gij drinkt de pest in uw lijf!" schreeuwde
+de Kapitein, die uit zijne hut kwam aanloopen. "Houdt op, zeg ik! Zijt
+gij dan allen bezetenen geworden?"
+
+"Pest of geene pest! We willen drinken, en we zullen drinken!"
+schreeuwde één uit den hoop.
+
+"Mannen, dorst lijden, zooals we nu doen is vreeselijk, ik erken het,"
+sprak de Kapitein. "Maar dàt water, gelooft me, het is nog erger dan
+vergif. Ik verbied het u te drinken."
+
+"Jij kunt gemakkelijk verbieden, als je den buik vol wijn of bier hebt!
+Ik stoor mij aan geene pest en aan geen' Kapitein! Drinken zal ik!"
+brulde een matroos, die wel krankzinnig van dorstwoede scheen, want hij
+was mogelijk wel de beste van heel de bemanning, altijd beleefd, altijd
+bij de hand, steeds opgeruimd en steeds bij de zaak, dag of nacht, weer
+of geen weer. En nu zóó! Wij stonden als van verbazing geslagen toen we
+hem dat hoorden schreeuwen. Het was niet meer of minder dan verzet tegen
+het wettige gezag. Het was oproer maken. Hij voegde de daad bij het
+woord, schepte eene blikken maat vol van dat water en bracht ze aan den
+mond.
+
+Pats, daar vloog die maat de hoogte in. De Kapitein sloeg ze hem uit de
+handen.
+
+"Drinken! Drinken zal ik!" klonk op akeligen toon de stem van den
+ongelukkige.
+
+"Stuurman, neem dien man gevangen!" beval de Kapitein. "Hij maakt
+oproer! Slaat hem in de boeien!"
+
+"Dat nooit!" riep thans de arme kerel, die door dorst het verstand
+scheen verloren te hebben. "Drinken zal ik! Ik lust dat vatwater niet!
+Toch zal ik drinken! Drinken! Drinken, de zee leeg! Ha, heerlijk!
+Heerlijk! De heele zee leeg!"
+
+Eensklaps wrong hij zich uit de handen van hen, die hem vasthielden en
+sprong in zee.
+
+Wij allen liepen naar de verschansing om hem tegen te houden, maar hij
+was ons te vlug af en overboord eer iemand hem bij de kleeren kon
+grijpen. Wij tuurden in de zee, en....
+
+"Help, help!" klonk eene stem uit de diepte.
+
+De man kwam boven en zwom eenige slagen verwoed voort. Wilde hij zich
+nu zwemmend bovenhouden tot we eene boot neergelaten hadden om hem te
+redden, of had hij thans een ander plan? Was het alleen maar eene
+bedreiging geweest en was hij zulk een goed zwemmer, dat hij wel wist,
+dat hij toch niet verdrinken zou?
+
+Of....
+
+"Hu," schreeuwde een matroos. "Ik zie wat, mannen, en dat zag de arme
+kerel daar beneden ook!"
+
+Zoodra hij dit gezegd had, kwam het water in eene heftige beweging en
+een monsterachtig groote haai verhief zich boven de oppervlakte.
+
+"Help! Help!" klonk het nog eenmaal.
+
+Van schrik deden we de oogen even toe en ze weer openend, zagen we de
+staartvin van den haai in de diepte verdwijnen en -- alles was weer
+stil.
+
+Dat was een vreeselijk oogenblik geweest!
+
+Vol ontzetting keken we elkander aan!
+
+Heere, Heere, wat zou ons lot zijn?
+
+Als we hier toch eens altijd moesten blijven liggen! Er is immers eene
+plek op zee waar men nooit vandaan komt, zooals een oude
+zeemansvertelling luidt? Eene plek waar het schip niet meer voortdrijft,
+maar blijft liggen, alsof het tusschen schoren op de helling staat? Eene
+plek waar het groene zeemos aan den buitenkant der schuit wast en aan de
+arme varensmannen een groen graf geeft, alsof ze aan den wal begraven
+waren. Daar wonen booze geesten, die het schip bij de kiel grijpen en
+het voortgaan beletten ....!"
+
+"Die plek is nergens op zee te vinden, Ouwe Joost," sprak Henri Quatre.
+"Het is niets anders dan eene fabel!"
+
+"De een gelooft het en de ander niet! Dat gaat met alle vertellingen
+zoo! En nu mag je het hoofd bedenkelijk schudden of er mee knikken, ik
+zeg je: ik geloof het wel, bootsman!" antwoordde Ouwe Joost en zette
+zijn somber en droevig verhaal aldus voort.
+
+"Toen die arme kerel dan voor onze oogen door een' haai verslonden was,
+keerden we ons van die akelige plek af, en, onverschillig voor alles,
+slenterden we op het dek, zonder een woord met elkander te spreken, op
+en neer, of we lieten ons neervallen op een plekje waar de zon niet
+scheen en nog een soort van koeltje te voelen was.
+
+De kok schafte het eten op; maar we raakten het niet aan.
+
+"Zwarte Jan" heeft verteld, dat hij nog één middel weet, en een goed
+ook," hoorden we opeens fluisteren.
+
+"Zwarte Jan" was een matroos met wien niemand omging. Elkeen ontweek
+hem; want we geloofden, dat hij meester was in de zwarte konst en omgang
+met den booze had.
+
+En daar kwam "Zwarte Jan."
+
+Hij nam een rood lapje, legde dat op het deksel van een der vaten, trok
+er met krijt drie kringen om, mompelde eenige woorden en -- het water
+bleef zooals het was.
+
+"Duivelskunsten," riep Antwerper-Hein, die Roomsch was.
+"Duivelskunsten! Dit moet helpen!"
+
+Hij maakte het teeken des kruises over het vat.
+
+Het hielp niet; het water bleef bedorven.
+
+"Bidden! Bidden!" riep een ander, wierp zich op de knieën en smeekte
+God om uitkomst.
+
+Maar het water bleef onbruikbaar.
+
+"Ik krijg de koorts," zeide er een, en hoe ondragelijk heet het ook
+was, de man liep te klappertanden van koude.
+
+Kort daarop volgde een ander, die ook de koorts kreeg.
+
+Na dien tweeden kwamen een derde, een vierde, een vijfde, een zesde! En
+het was zulk eene vreemde koorts!
+
+"De pest," mompelde men.
+
+De sterksten onzer werden aangetast en waren soms binnen dertig of
+veertig uren al bezweken. En te midden van onze ziekte liepen we, als
+woedenden, over het dek. Eenigen sprongen in het ijlen der koorts
+overboord.
+
+De scheepsbarbier bezweek; de Eerste Stuurman volgde en daarna het
+arme heertje, dat den Kapitein en heel de bemanning bij den
+Gouverneur-Generaal zou aanklagen, omdat men hem zoo beleedigd had.
+
+Alleen "Zwarte Jan" liep onverschillig tusschen al de zieken rond en
+belas enkelen van ons, die er den moed toe hadden om het te laten doen.
+Ik geloof anders niet, dat het veel helpt; ik liet me ook belezen en
+werd beter, maar zes anderen stierven nog denzelfden dag."
+
+"De koorts belezen, nooit van gehoord," bromde de Opper-koopman. "Wat
+is dat nu weer?"
+
+"Met uw verlof, sinjeur, u heeft van zooveel nog niet gehoord. Ik zal u
+zeggen, wat "Zwarte Jan" deed. Hij kwam bij me staan, streek zijne
+handen over heel mijn lichaam, deed toen, alsof hij wat overboord gooide
+en zeide:
+
+ "Olde marolde!
+ Ik heb de kolde!
+ Ik hebbe ze noe,
+ Ik geve ze oe.
+ Ik bind ze hier neer,
+ Ik krijg ze niet weer."
+
+"Wat eene gekheid toch! Dat is God verzoeken!" riep Hoepel. "Niets
+anders! Het verdient ravallen en kielhalen!"
+
+"Het kan zijn, Hoepel, maar ik genas toch! En nu wil ik wel aannemen,
+dat ik genezen zou zijn ook, al had ik mij niet laten belezen, zooals
+met den bottelier het geval was geweest, ik zie toch niet in, dat het
+zoo strafbaar zou zijn. Wij zaten in benauwdheid, en je weet: eene kat,
+die in de benauwdheid zit, doet vreemde sprongen. Eindelijk toen er meer
+dan vijftig aan die akelige ziekte gestorven waren, kwam er beterschap.
+Slechts acht waren geheel vrij gebleven en de overigen waren zoogenaamd
+hersteld. Maar hoe kon iemand geheel beter worden zonder drinken? We
+waggelden langs het dek, als beschonken mannen.
+
+En de zon bleef branden; de lucht onbewolkt; het schip stil,
+onbewegelijk stil, vier weken lang.
+
+Onze toestand was akelig; wij dronken zelfs zeewater en, als rantsoen,
+één mutsje bier per dag. De wijn was voor de zieken, of voor de zwakken,
+die ziek geweest waren en toch maar niet op krachten konden komen.
+
+Daar ging "Zwarte Jan" naar den Kapitein en vroeg of het hem vergund
+was den wind te fluiten.
+
+De Kapitein lachte ongeloovig en zeide: "Ga je gang, meester der zwarte
+konst!"
+
+De matroos ging nu op den boegspriet zitten en begon op eene zonderlinge
+manier te fluiten.[10]
+
+Brrr, te midden van die stilte klonk het akelig.
+
+De zon ging onder; het werd donker en -- alsof hij nooit gebrek aan adem
+krijgen kon, ging de man voort met fluiten. We rilden en keken angstig
+rond of we den booze niet zagen. Geen onzer durfde, ronduit gezegd, naar
+kooi gaan.
+
+Eindelijk tegen middernacht hield hij op en kwam naar den Kapitein, die
+moedeloos tegen de deur van zijne hut leunde.
+
+"Kapitein!" zeide hij, "laat alle zeilen bergen. De storm-fok is meer
+dan voldoende! De wind komt!"
+
+Onwillekeurig volgde de Kapitein het bevel op van den vreemden man, die
+zich weer naar den boegspriet begaf en zijn akelig gefluit opnieuw liet
+klinken.
+
+Het weerlichtte in het Zuiden en kort daarop in het Noorden. Met
+ontzettende snelheid naderde een onweder. Er kwam beweging in de zee, en
+het was of het schip door eene onzichtbare reuzenkracht eenigszins in de
+hoogte geheven werd en zuchtte.
+
+Maar wind? Neen! Het bleef kalm, vreeselijk kalm!
+
+"Hoor, hoor, wat is dat?" vroeg een man, die naast me stond. "Wat een
+vreemd geluid is dat!"
+
+We hoorden beiden een gedruisch.
+
+Het fluiten hield op en werd vervangen door een lied, waarvan ik de
+woorden nooit vergeten zal. Het luidde:
+
+ Wind, wind!
+ Kom gezwind!
+ Kom, orkaan,
+ Vliegend aan.
+ De heksen vieren feesten
+ Te midden der tempeesten!
+ Rommel, rommel, rommel, donder,
+ 'T moet er op of 't moet er onder!
+ Daar komt hij!
+ Hoor, hoor, hoe bromt hij!
+ Hoe gromt hij!
+ Op, op!
+ Hals over kop
+ In vreeselijke vlucht,
+ Als een pijl in de lucht!
+ Wind, wind!
+ Kom gezwind!
+ Ha, de orkaan
+ Komt aan!
+ Ha -- ha!
+
+Wij rilden en beefden van angst! Hu, wie kon er nu zingen? Zingen te
+midden van die akelige duisternis!
+
+Neen, zingen niet meer! Hij floot alweer!
+
+Opeens flikkerde een vreeselijke bliksemstraal door het donkere zwerk en
+een ratelende slag volgde.
+
+De storm schoot door de spleten der wolken en -- voort, voort ging het,
+eerst kalm, maar daarna sneller, steeds sneller.
+
+De regen plaste neer en te midden van die ontzettende verschijnselen der
+natuur kropen we op onzen buik langs het dek om het regenwater op te
+likken.
+
+Het waren geene druppels, die vielen, het waren stralen! Wij dronken ons
+zad en kropen toen naar masten en touwen om ons vast te houden. Het
+onweder was ontzettend en de storm nam in kracht toe! Ons schip draaide
+soms in het rond als een tol, om dan weer met woeste vaart vooruit te
+schieten langs de golven van den fel bewogen Oceaan.
+
+"Zwarte Jan" bleef fluiten; maar te midden van die vreeselijke geluiden
+hoorden we er niet veel van.
+
+En donker als het was, men kon op enkele oogenblikken letterlijk geene
+hand voor de oogen zien!
+
+De zon scheen ons te vergeten, of was het nog geen morgen?
+
+O, al lang, al heel lang!
+
+En waar waren we nu?
+
+Gelukkig, het werd wat helderder! Er brak een straaltje daglicht door de
+dichte wolken; maar nauwelijks hadden wij het gezien, of weg was het.
+
+En voort, zonder ophouden, altijd maar voort, vlogen we met gezwichte
+fok langs de geweldige golven!
+
+Was dat nu dat luie schip, die nare achterblijver?
+
+ Op, op!
+ Hals over kop!
+ In vreeselijke vlucht,
+ Als een pijl door de lucht!
+ Voort, voort, voort!
+ Ongestoord,
+ Al maar voort!
+ Naar het Zuid, naar het Noord,
+ Naar het Oost, naar het West!
+ Naar de Pool op het lest!
+ Ha -- ha!"
+
+Zoo zong "Zwarte Jan" op den boegspriet, waar hij zich aan de touwen
+vasthield om niet in zee gesmeten te worden.
+
+Eindelijk scheen hij genoeg gezongen en gefloten te hebben. Met heel
+veel inspanning kwam hij weer op het dek en bij mij staan. De man zag er
+vreeselijk ontdaan uit.
+
+"Dat zet nog eens aarde aan den dijk, ouwe jongen," schreeuwde hij mij
+toe.
+
+Ik keek hem even aan, doch gaf geen antwoord, want ik was werkelijk bang
+voor dien zonderling en had hem wel willen ontloopen, als ik maar
+geweten had waarheen.
+
+Toch scheen het grootste gevaar voorbij te zijn; want de storm bleef uit
+één' hoek waaien, zoodat het schip één koers ging en we niet meer zoo
+naar alle kanten rondgeslagen werden. Dat bracht ons wat tot bedaren, en
+gaandeweg kwamen wij er toe, een en ander met overleg te doen.
+
+De watervaten, die we niet vastgesjord hadden, waren over het dek
+gesmeten en ledig geloopen. Zoo goed en kwaad, als we konden zetten wij
+er twee overeind en sjorden ze aan den mast. Toen de storm wat ging
+liggen, gelukte het ons een zeil zóó gespannen te krijgen, dat het een
+soort van dak vormde, en het water, dat er afliep, wisten we in de vaten
+op te vangen. In een oogenblik waren beide vaten vol, en we waren
+gelukkig in het vooruitzicht, althans in de eerste dagen versch water te
+hebben. Onder al die bedrijven door kwam de een na den ander er ook toe
+een stuk beschuit met spek te gebruiken, en eindelijk, volle zes
+etmalen, nadat de storm begonnen was, konden we des namiddags
+waarnemingen doen omtrent de lengte en breedte waarop we ons bevonden.
+Zelden of nooit misschien was een schip zoo uit den koers geslagen als
+wij, en toen we eindelijk Kaap de Goede Hoop aandeden, vernamen we daar,
+dat de andere schepen reeds meer dan acht weken geleden vertrokken
+waren. Men had het er voor gehouden, dat we met man en muis vergaan
+waren.
+
+En dat is nu een stukje geschiedenis van mijne vierde reize naar de
+Oost. Het is te hopen, dat de "Leerdam" beter over de Linie komt dan de
+"Het Huys ter Horst."
+
+"Maar hoe is het toch afgeloopen met "Zwarten Jan?" vroeg Dirk, die
+aandachtig had staan luisteren.
+
+"Ja, jongen, droevig genoeg. Toen alles na de windstilte en den storm
+weer tot orde gekomen was, begon de man heel vreemd te doen. Het was,
+alsof hij maalde, en eindelijk liep hij als een wezenlooze over het dek.
+Hij voerde niemendal uit. Hij at bijna niets en dronk heel weinig. Tegen
+niemand sprak hij, en als hij maar den een of ander op hem zag afkomen,
+maakte hij zich uit de voeten. Zijne krachten namen zichtbaar af en één
+der Heeren, die wij aanboord hadden, en die naar de Oost ging om daar
+zijn geluk als Medicijnmeester te zoeken, verklaarde dat de man aan de
+zenuwen leed en het niet lang meer zou maken. Dat kwam zoo uit ook. Wij
+dachten, dat hij zich met lijf en ziel aan den booze verkocht had, doch
+toen hij, drie dagen vóór dat we aan de Kaap aankwamen, des morgens dood
+in zijne hangmat lag, vonden we op zijne borst een boekje met
+Christelijke gebeden. Daaruit bleek het duidelijk, dat de booze geen vat
+op hem gehad had, en dat de arme man zich maar verbeeld had, dat hij de
+zwarte konst verstond."
+
+Onder het spreken der laatste woorden was Ouwe Joost opgestaan en met
+een: "Maar de jaren blijven den zeeman niet in den pijjakker zitten. Ik
+ga mijn matje in! Wel te rusten," verdween hij in het matrozen-logies.
+
+Enkelen der anderen volgden zijn voorbeeld, doch verreweg de meesten
+bleven op het dek en trachtten daar den slaap te vatten, hetgeen hun
+eindelijk ook gelukte.
+
+Dirk en Garrit, die beiden de hondenwacht hadden, stonden zwijgend bij
+elkander, doch toen ze zoo eene poos gestaan hadden, vatte Garrit de
+hand zijns broeders en zeî: "De Ouwe Joost heeft me bang gemaakt. Wat
+begon zijn verhaal prettig en wat eindigde het treurig! O, Dirk, als
+wij, eer wij de Linie passeeren, ook eens zulke vreeselijke dagen moeten
+doorbrengen als de "Het Huys ter Horst," wat dan?"
+
+"Moeder zou zeggen: "Wij zijn in de hand des Heeren," Garrit! Laten
+we daarom getroost zijn en hopen, dat de "Leerdam" met de heele
+bemanning behouden te Batavia zal aankomen. Je moet je niet zoo ongerust
+maken!"
+
+"Je hebt mooi spreken, Dirk! Maar je bent zelf toch ook niet gerust. Dat
+zag ik wel toen je aan Ouwe Joost vroeg hoe het met dien regenfluiter
+afgeloopen was."
+
+"Geen wonder ook. Al die oude varensgezellen kunnen wat mooi vertellen,
+maar geen van allen zooals Ouwe Joost dat kan, vooral niet, zooals hij
+het nu deed. Ze moesten allemaal luisteren, of ze wilden of niet!"
+
+"Ja, Ouwe Joost was in zijne kracht!"
+
+"Dat was hij zeker, maar nu we hem niet meer hooren en zien, nu hebben
+we tijd om over zijne vertellingen na te denken, en hoe meer we dat
+doen, hoe meer we er achter komen zullen, dat een ander met dezelfde
+vertelling ons niet zoo akelig zou gemaakt hebben. Als de "IJzeren
+Neptunus" ze verteld had, dan ...."
+
+"Dan waren we er mogelijk bij in slaap gevallen."
+
+"Dat geloof ik ook; maar hoe zou dat gekomen zijn? Het was dan toch
+dezelfde geschiedenis!"
+
+"Weet ik het?"
+
+"Dan zal ik het zeggen: Ouwe Joost maakt zijne vertellingen mooi, door
+ze, door ze, ik zal maar zeggen, door ze met allerlei kleursel op te
+dirken. Dat zou IJzeren Neptunus niet gedaan hebben."
+
+"Ouwe Joost heeft ons toch geene leugens wijs gemaakt?"
+
+"Dat niet, wel wat anders."
+
+"Wat dan?"
+
+"Het was opgedirkte waarheid, dat was het!"
+
+
+VOETNOTEN.
+
+[9] =Orang= = =mensch=; =daging= = =vleesch=; =babi= = =spek= of
+=varken=--dus zooveel als =spekmensch=.
+
+[10] Over het algemeen zijn de zeelieden nog al bijgeloovig, en vooral
+in vroegeren tijd waren zij het nog veel meer dan tegenwoordig. Dat men
+door gefluit den wind lokken kon, werd algemeen geloofd. Later zullen u
+nog meer staaltjes van bijgeloof medegedeeld worden, doch ik vertrouw,
+dat ge zoo verstandig zult zijn, er geen geloof aan te hechten.
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+Een groot man.
+
+
+"Kapitein," sprak twee dagen later de bottelier, "het water in de
+leggers[11] is geheel bedorven."
+
+"Kan ik dat helpen, man?"
+
+"Neen, Kapitein! Maar ik wilde u nu vragen wat het volk dan drinken zal?
+Alleman heeft dorst."
+
+"Wel, natuurlijk van dat water!"
+
+"Ze lusten het niet, Kapitein!"
+
+"Dan laten ze het maar staan. Wie niet lust is dood! Had je nóg wat?"
+
+"Ja, Kapitein!"
+
+"Nu, gauw dan wat! Ik heb geen' tijd om naar allerlei beuzelarijen en
+onzinnige vragen te luisteren."
+
+"Het volk wordt oproerig, Kapitein! Ze zeggen, dat als ze achter[12]
+volop wijn en bier drinken, zij niet verkiezen de pest te drinken aan
+bedorven water uit de leggers."
+
+"De pest? Wie heeft die zotteklap uitgekraamd? De bootsman zeker? Hij is
+er precies de man toe."
+
+"Neen, Kapitein! Ouwe Joost heeft onlangs verteld, dat ...."
+
+"Dat hij een babbelaar is, die niet weet, wat hij zegt. Hij babbelt den
+grooten mast nog onderstboven. Ik vaar toch ook niet als jonge brasem
+uit, zou ik denken, en ik heb er nog nooit van gehoord."
+
+"Met uw verlof, Kapitein," sprak thans de Eerste Stuurman. "Ik heb er
+wel van gehoord, en ik kan u verzekeren, dat het water, zooals het nu
+is, onmogelijk kan gedronken worden. Het is geen kost, men walgt, als
+men het maar ruikt en .... Maar wat zullen we nu weten? Wat voeren ze nu
+toch in vredesnaam met het water uit?"
+
+Nadat hij deze laatste woorden had uitgesproken, begaf hij zich met den
+bottelier naar de plaats waar men bezig was een' legger ledig te maken
+in allerlei vaten en bakken. Met lepels roerde men het dan duchtig om en
+liet het uit den vollen lepel van eene zekere hoogte weer in de bakken
+en vaten vallen. Dit hielp zeker om den stank minder te maken, wel wat,
+doch niet genoeg. Het was op raad van Dolf de Boef, dat de kok, geholpen
+door enkele matrozen, hiermede begonnen was, en nadat men meer dan een
+half uur het water telkens overgegoten had, proefde de kok er eens van
+en zeide "De stank is minder, maar de smaak nog even ellendig!"
+
+"We hebben nog niet alles gedaan, wat we kunnen," zeide Dolf. "Hebt
+ge ook ijzeren of looden buizen aanboord?"
+
+"Neen," zeide de timmerman. "Wij hebben wel rollen lood waarvan
+desnoods buizen gemaakt kunnen worden."
+
+"We moeten ons weten te behelpen," hernam Dolf. "Ik heb wel eens
+gehoord, dat bedorven water beter wordt, als het door ijzeren of looden
+pijpen, waarin gaatjes zijn, loopt. Als we nu eene lange reep lood nemen
+en die vouwen tot eene goot, dan kunnen wij er wel gaatjes in slaan,
+zoodat het water er door druppelen kan."
+
+"Zeg eens even: kan jij water in eene vergiettest dragen? Het loopt
+immers door de gaatjes over land weg? Dat zal met die looden pijp of
+goot immers ook gebeuren?"
+
+"In zee, wilt ge zeggen," zeide Dolf tot den timmerman die hem in de
+rede gevallen was. "Dat zou waar zijn, als men onder die looden goot met
+gaatjes geene tweede zonder gaatjes hield. In die onderste kan het
+opgevangen en in schoone vaten gebracht worden."
+
+"Met een dood kalf is het goed sollen," liet de Eerste Stuurman zich
+hooren. "Maar nu heb ik ook nog een voorstel, en dat is dat we dien
+ledigen legger met zeewater en potasch eerst eens terdege schoonmaken.
+Het bederf zit in het hout ook en is er niet zoo gauw uit."
+
+Aan een en ander werd gevolg gegeven, en daar niemand der manschappen
+aanboord iets te doen had, omdat het schip zich bijna niet voortbewoog,
+zoo begon iedereen te werken aan de waterverversching.
+
+Met veel moeite werd het toestel tot stand gebracht en de proef begon.
+Men ving het doorgedruppelde water uit de onderste goot op, alsof het
+levens-elixer was.
+
+Verscheidene ledige leggers waren schoongemaakt en men liet het water
+maar telkens van het eene vat in het andere loopen. Het was eene
+algemeene bezigheid.
+
+Eindelijk werd er van geproefd en, waarlijk, het had wel niet veel, maar
+toch wàt geholpen.
+
+"Nu weet ik nóg wat!" riep Dolf eensklaps uit, "en dat kan ook
+helpen. We nemen een ledig vat en maken in den bodem kleine gaatjes. Op
+dien bodem legt men dan een stuk linnen en op dat linnen doen we schoon
+zand, waardoor fijne houtskool geroerd is. We moeten alles probeeren!"
+
+"Maar dan sijpelt het water door de gaatjes van den bodem weer op het
+dek," meende de timmerman.
+
+"Kunnen we dan dat zuiveringsvat niet boven een' ledigen legger
+zetten?" vroeg Dolf.
+
+"Je bent vindingrijk, Dolf!" zeide de bootsman vriendelijk.
+
+"Nu, ik heb op de hoogeschool niet al mijn' tijd verboemeld, zoo min
+als jij!" hernam Dolf.
+
+Weldra was men in de weer om ook nog deze proef te beginnen, hoewel
+velen ongeloovig de schouders ophaalden.
+
+"Ze krijgen er de pest toch niet uit," bromde Ouwe Joost.
+
+Reeds begon de avond te vallen eer men den toestel in orde had. Het volk
+had dien dag zijn maal gedaan met beschuit en een weinig bier, dat de
+Opperkoopman uit zijn' eigen voorraad uitgedeeld had. De Kapitein, wiens
+geweten zeker begon te spreken, liet zich zoo weinig mogelijk zien.
+
+Nieuwsgierig hoe het zou afloopen bleven de meesten van het volk op het
+dek en keken naar de vaten met een paar oogen, alsof hunne Grootmoeders
+er kousen in zaten te breiden, en zóó voor den dag komen zouden.
+
+Het was beneden in het matrozen-logies of in het ruim ook haast niet om
+uit te houden van de vreeselijke en afmattende warmte en het groote
+gebrek aan versche lucht.
+
+Wel werd de vloer dikwijls opgedweild met zeewater en azijn, maar de
+vunzige lucht liet zich niet zoo gemakkelijk verdrijven. Daar is een
+koeltje voor noodig, die ze wegblaast, ver zee in. Daarom werd alles
+tegen elkander over opengezet om tocht door te laten; maar bij de groote
+windstilte hielp dat zooveel als niemendal. Velen van het volk begonnen
+bovendien last te krijgen van koortsen en allerlei andere
+ongesteldheden, die een gevolg waren van het ledigloopen en niets doen,
+maar vooral van de warmte en het slechte drinken.
+
+Een spreekwoord zegt: Ledigheid is des duivels oorkussen.
+
+Zoo de Kapitein daaraan wat meer gedacht had, zoo hij voor het volk wel
+werk gezocht hebben.
+
+Maar de Kapitein, die anders wakker genoeg was, had de bokkepruik op, en
+als er één was, die wist waarom, dan was het wel onze IJzeren Neptunus,
+de Eerste Stuurman.
+
+"Wat hapert er toch aan den Ouwe, Stuurman?" vroeg eenigen tijd later
+de bootsman, die met zijn vriend Dolf bij den grooten mast stond te
+praten over oude gebeurtenissen.
+
+"Laten we eerst vragen, Willem," zei Dolf, "wat er onzen IJzeren
+Neptunus in den weg zit. Terwijl we hier staan, is hij ons al een keer
+of wat voorbij geloopen met de vingers in den mond, of liever met den
+nagel tusschen de tanden."
+
+De Stuurman bleef stil staan en zeide somber en half zuchtend: "Och, ik
+liep zoo maar wat te denken. Een mensch moet toch iets verzinnen om
+zichzelven niet ziek van verveling te maken. Dat zal jelui toch ook wel
+eens overkomen niet?"
+
+"Zeker," zeide Dolf, "uit gebrek aan andere stof praatten Willem
+en ik al over ons vroeger studenten-leven. Maar zeg, liep je soms te
+denken over het mislukken van mijne waterverversching-proef?"
+
+"Neen, ik dacht aan heel wat anders. Maar is de laatste proef dan ook
+niet geheel gelukt?"
+
+"Dat zal nog moeten blijken, Stuurman! Maar ik vrees er wel voor. Ouwe
+Joost is zoo gek niet, als zijne muts wel staat, en die heeft gezegd:
+"Ze krijgen er de pest toch niet uit." En ik geloof het met hem. Om de
+waarheid te zeggen: het water was al veel te ver weg."
+
+"Nu, raar water heb ik wel eens meer gedronken," zeide de Stuurman,
+"maar zulk water nooit. Ik geloof eigenlijk dat de vaten niet goed
+schoon gemaakt waren toen men het water er in deed."
+
+"Of gevuld met dat ongelukkige Maaswater," sprak Henri Quatre. "Neen,
+dan hebben wij op onze hooge gronden in het Geldersche ander water. Als
+men het daar uit den grond pompt, dan kraalt het als bier in een glas."
+
+"Het is geen Maaswater, maar zuiver bronwater geweest, dat er in kwam,
+dat weet je ook wel. We namen op Madeira water in."
+
+"Je hebt gelijk," begon nu Dolf, "maar nu we toch zoo bij elkander
+staan, moesten we eens even over het water zwijgen. Al dat praten er
+over maakt den dorst maar erger. Zeg ons liever maar eens waarover je
+toch zoo dacht!"
+
+"Och, dat kan ik moeielijk zeggen, mannen! Als kind speelde ik dikwijls
+met gekleurd zand, dat ik door een' trechter liet loopen. In het eerst
+kon ik zeggen, als het er uitliep: Zwart zand, wit zand, rood zand,
+groen zand, rood zand, maar op het laatst liepen de kleuren door mekaêr
+en kon men ze niet meer onderscheiden. Zoo gaat het met de gedachten van
+een' zeeman, die zich loopt vervelen ook. In het begin houdt men alles
+netjes bij elkaêr, maar het duurt niet lang of al die mooi uit mekaêr
+gehouden gedachten, doen als de droge blâren op den hoek van eene
+straat, als het waait. Alleen een baas van een blad kan men dan nog
+onderscheiden."
+
+Henri Quatre ging nu vertrouwelijk naast hem staan, legde hem eene hand
+op den schouder, en zeide: "Precies, Stuur, precies! Bij u dwarrelen
+die gedachten nu ook als die droge blâren, maar .... dat groote blad,
+dat er bij is, houd je in het gezicht. En wil ik je nu eens vertellen,
+wat er op dat groote blad geschreven staat?"
+
+"Wel, Sinjeur de goochelaar, vertel me dat even, als je kunt," zeide de
+Stuurman met een lachje, dat hem niet van harte afging.
+
+Henri Quatre boog zich dichter tot zijn oor en fluisterde: "Op dat
+groote blad staat geschreven: "Wat moeten we aanvangen zonder
+drinkwater?" Kan ik goed gedachten lezen?"
+
+"Gebrekkig, man, gebrekkig!"
+
+"Stil maar, we zijn er nog niet. Op datzelfde blad staat met
+koeienkoppen van letters te lezen: "Waarom liet de Ouwe, tegen beter
+weten in, twee streken westelijker sturen?" Ben ik er nu, man?"
+
+"Dat is zoo, bootsman! Die hooghartige bui van ...."
+
+Hij zweeg op eenmaal.
+
+"Nu, waarom gaat ge niet voort?" vroeg Dolf.
+
+De Stuurman keek voorzichtig rond of er niemand was, die hem beluisteren
+kon en zeide toen: "Die hooghartige bui van den Kapitein zal ons duur te
+staan komen, vrees ik."
+
+"En de Ouwe ziet dat ook in, en vandaar de bokkepruik, die hij op heeft.
+Als een mensch wat verkeerds gedaan heeft, tracht hij altijd zichzelven
+zooveel mogelijk te verontschuldigen. Dan is hij knorrig op iedereen,
+omdat hij te trotsch is, knorrig op zichzelven te zijn! Is het niet zoo,
+Stuurman?"
+
+"Zoo is het, Dolf! En, als ik je nu de gulle waarheid zeggen moet, dan
+zit ik erg in angst."
+
+"Waarom, Stuurman? Enkel en alleen om het bedorven water?"
+
+"Neen! Het volk is ontevreden, en de nare manier van doen van den
+Kapitein maakt, dat er een oproerige geest komt. Ik heb mijne ooren en
+oogen niet in den zak zitten; ik hoor en zie meer dan me lief is, rekent
+er op. Het lijntje zal gauw genoeg breken."
+
+"Maar niet allen zijn oproerig. Er zijn er nog wel, die te vertrouwen
+zijn," meende Henri Quatre.
+
+"Bootsman, ik heb de vertelling gehoord van Joost en ik weet, dat hij
+niet gefabeld heeft, het is er toen zóó en niet anders toe gegaan. Maar
+als we in dien vreeselijken toestand moeten komen, wel, ik weet het zoo
+niet, maar ik geloof, dat ik dan voor mijzelven niet zou instaan."
+
+"Maar, Stuurman!?"
+
+"Het is zoo, bootsman! Zie, ik weet hoe we in dit perykel gekomen zijn.
+Jelui weet het en, weest ervan verzekerd, dat er onder het volk ook
+genoeg zijn, die het weten, en zij, die het weten, zullen, als pitje bij
+paaltje komt, wel zorgen dat allen op de hoogte zijn. En nu kan er op
+een schip veel gebeuren. De eene ramp na de andere kan bezoek komen
+brengen, als het volk den Ouwe vertrouwt, dan blijft alles toch goed
+gaan. Een flinke Ouwe is in die gevaarlijke oogenblikken en in die
+moeielijke uren en dagen de God van Janmaat. Naar hem ziet iedereen;
+naar hem luistert alles; op hem hopen en vertrouwen Stuurman en
+pluimgraaf, Opperkoopman en kajuits-wachter. Maar wee, wee, als men den
+Ouwe niet vertrouwt. Dan mag hij bevelen, zij dreigen; dan mag hij
+bidden, zij lachen hem uit; dan mag hij op zijne knieën smeeken hem
+gehoorzaam te zijn, ze trappen hem opzijde. Ik ga de toekomst donker in,
+mannen!"
+
+Dolf en Willem keken elkander aan, en alsof ze mekaêr in de ziel konden
+lezen, zoo zeiden ze, als uit één' mond: "IJzeren Neptunus, wees gij
+onze Kapitein! Word het op staanden voet eer het te laat is. Het volk
+zal u gehoorzamen, dat weet je wel. Jij, en jij hebt bij het volk meer
+vertrouwen in je pink, dan de Kapitein in zijn heele lichaam."
+
+"Mannen, mannen, wat zijt gij onvoorzichtig in uwe voorstellen! De
+wetten verbieden het mij te doen, al wilde ik."
+
+"Daar gaat wat boven de wet, Stuurman!"
+
+"Wat dan?"
+
+"Redding uit nood, Stuurman!" sprak de bootsman.
+
+Londenaar bedacht zich een oogenblik en zeide toen: "Neen, neen, nu
+zeker nog niet! Maar, wat anders! Gij kent het volk misschien beter dan
+ik, want ge gaat er meer rechtstreeks mede om. Wie zijn het minst
+genegen oproer te maken?"
+
+"Die zijn gauw opgenoemd, Stuurman! In de eerste plaats u niet en wij
+ook niet. Meester Troost der Armen is ook geen oproermaker en Hoepel
+denkt er niet aan. Dirk en Garrit, de zoogenaamde "Twee Vromen," en de
+timmerman zijn ook te vertrouwen!"
+
+"Dat zijn er acht! Ga verder!"
+
+"Er zijn er, naar ik berekenen kan, al zoo veel niet meer, Stuurman! De
+ontevredenheid is algemeen!"
+
+"Och kom! de kok, de bottelier en de Tweede Stuurman dan? Die zullen
+toch geen oproer maken?"
+
+"Zijn als de rest. Ze behooren tot dat slag van volk, dat in den Ouwe
+een' God ziet waarvoor hij knielt of een kwâjongen, dien hij ringelooren
+zal, al naarmate de Ouwe is. Begrepen?"
+
+Een oorverdoovend gelach liet zich op dat oogenblik op het voorschip
+hooren. De drie vrienden liepen er heen in de stille meening, dat die
+laatste proef met het zuiveren van het water goed gelukt was, en dat
+daardoor de aanleiding tot die luidruchtige vroolijkheid was ontstaan.
+
+Spoedig echter zag men dat het wat anders was.
+
+Tusschen vier verkleede matrozen, die zich het aangezicht met gebrande
+kurk ingewreven hadden om er als negers uit te zien en die vier
+baliemanden met kruiken en flesschen droegen, liep iemand, die zich
+zooveel mogelijk verkleed en veranderd had om op den Kapitein te
+gelijken. Hieraan zou men echter niet zoo gauw gezien hebben, wien de
+verkleede man voorstelde, maar de Kapitein had eenige dagen geleden met
+den linkervoet in een' spijker getrapt, en daar Troost der Armen nog
+niet veel baat gebracht had, zoo liep hij een weinig te trekkebeenen.
+Dit nu deed de verkleede ook, en daardoor wist iedereen, wie er bedoeld
+werd.
+
+"Het is de kok!" fluisterde Dolf zijn vriend in het oor.
+
+"Ja, en die anderen?"
+
+"Dat zie ik zoo gauw niet. Wacht, de konstabel is er bij!"
+
+"Ja, en -- en -- Hoepel! Hoepel werkelijk ook. Dat valt me dan
+vreeselijk tegen, want, zie je, het is heel wat anders dan een grapje,
+bedacht om de verveling te verdrijven."
+
+"Je hebt gelijk! En die andere twee gelijken wel wat op den Tweeden
+Stuurman en "Kreeft."
+
+Kreeft was een matroos, wiens bovenlijf naar de linkerzijde wat
+overhing. Daarom had hij ook van het andere zeevolk, dat altijd heel
+vindingrijk is in het geven van bijnamen, den naam van "Kreeft"
+gekregen.
+
+"Wat zijn die toch van plan?" vroeg IJzeren Neptunus. "Ik zie er een
+heel gevaarlijk spelletje in."
+
+"Dat zullen we zien en hooren," antwoordde Henri Quatre.
+
+De stoet hield eensklaps stil.
+
+"Au! Au! Verdraaide horlevoet, wat doe je me eene pijn! Ellendige
+spijker! Wie was de ezel, die hem heeft laten vallen en laten liggen?
+Hij moet gebritst, gekielhaald, ja, hij moet gehangen worden," riep hij,
+die voor Kapitein speelde en nu allerlei bewegingen maakte, alsof de
+wonde aan den voet hem veel pijn veroorzaakte.
+
+"Joris Kopstuk, Kapitein Pompernikkel!" luidde het antwoord van een der
+lachende matrozen.
+
+"Wie is die Joris Kopstuk?" klonk de vraag.
+
+"Ja, Kapitein Pompernikkel," hernam dezelfde spreker, "Joris
+Kopstuk is een bijnaam, dien we hem gegeven hebben. Zijn eigenlijke
+naam is Tweestrekenverkeerdwest!"
+
+"Wat? Hoor ik goed? Maar wat naam is dat? Zulk een naam is er in heel de
+Republiek der Vereenigde Nederlanden niet! Twee-streken-verkeerd-west!
+Zelfs de Boschjesmannen en Hottentotten hebben zulke malle namen niet!"
+
+"Hij is ook geen Boschjesman of Hottentot, Kapitein! Zijn Vader was een
+sausneger, een echte sausneger, van komaf. Hij liet zijn zoontje in den
+broek doen en bestelde hem aanboord van een schip der Compagnie. Daar
+bofte dat sausnegerszoontje zoo, dat hij Kapitein op eene mooie fluit
+werd."
+
+"Ik weet er niemendal van!"
+
+"Dan zal u het weten! En eens op een' keer wilde het ei wijzer zijn dan
+het hoen, en toen stuurde hij zijn schip dicht bij de Linie twee streken
+westelijker dan alle andere christenmenschen zouden gedaan hebben, en
+zooals hem ook afgeraden werd te doen. Maar de baas had een hard vel
+voor het voorhoofd zitten en dat kwam, omdat hij maar een sausneger was.
+En weet u, wat er toen gebeurd is?"
+
+"Ik wil me geene raadseltjes laten opgeven! Ik vaar toch niet als jonge
+brasem uit!"
+
+"Neen, Kapitein Pompernikkel, ik zou zoo zeggen: u vaart als oude brasem
+uit!"
+
+"Nu, wat vlugger! Je vertelt, alsof je jezelven een spijker in je tong
+gebabbeld hebt, zooals ik er een' in mijn' voet trapte!"
+
+"En door dat twee streken westelijker sturen kwam het schip zes
+weken onder de Linie te liggen en stierf de helft van het volk aan
+allerlei akelige ziekten. Toch kwam het schip, wonder boven wonder
+om aan den balk te schrijven, behouden aan, en nu vaart datzelfde
+sausnegers-zoontje aanboord van de "Heukelom"."
+
+"Heukelom? Heukelom? Maar wat babbelt gij toch voor onzin? Heukelom ligt
+in de buurt van Asperen en van Leerdam, van =Leeeerdaaam=!"
+
+"Juist, juist, jawel, Kapitein Pompernikkel! En die sausnegers-zoon nu
+heeft een' spijker laten vallen en laten liggen."
+
+"Dan moet hij gestraft worden! Op staanden voet! Een vijftig voor de
+brits over een' ledigen legger!"
+
+"Over een' ledigen legger, misschien nog wel een' schoongemaakten? Je
+bent niet recht frisch! Neen, als hij over een' legger moet, dan over
+een' opengemaakten vollen, nergens anders over. Dan heeft hij pijn van
+achter en reuk van voor!" riep een ander, en dit voorstel vond zooveel
+bijval, dat men het met een allergeweldigst gejuich en geschreeuw
+ontving.
+
+"Dat loopt daar mis, Stuurman!" zeide opeens Ouwe Joost, die met
+Dirk en Garrit zich van het luidruchtige troepje afgezonderd hadden.
+
+IJzeren Neptunus verstond en begreep hem. Maar wat was er aan te doen?
+Het was immers nog maar een grapje? Men wist wel wie er met dat
+sausnegers-zoontje of Joris Tweestrekenverkeerdwest bedoeld werd, maar
+men kon er zich nog altijd afmaken met te zeggen: "Die man of die
+Kapitein bestaat immers niet?"
+
+"Vooralsnog niets aan te doen, Joost," sprak de Stuurman.
+
+Ouwe Joost haalde de schouders op, zuchtte en verwijderde zich met zijne
+twee jonge vrienden.
+
+Toen het gelach een weinig bedaard was, begon de man, die zich "Kapitein
+Pompernikkel" noemen liet, alweer zijne stem te laten hooren, en goed
+ook, alsjeblief!
+
+"Stilte! Stilte!" schreeuwde hij. "Je spraakt daar om Joris Kopstuk
+over een' vollen legger te britsen, opdat hij pijn van achter en reuk
+van voor zou hebben! Is er dan een luchtje aan het water?"
+
+"Kom en ruik, Kapitein Pompernikkel," zeiden een paar uit den hoop en
+brachten den trekkebeenenden vriend bij een' vollen legger, die open was
+blijven staan om er de akelige, bedorven lucht uit te krijgen.
+
+Kapitein Pompernikkel boog zich, onder het maken van allerlei dwaze
+bewegingen, over het geopende vat, maar pas had hij dat gedaan, of hij
+liet zich achterover vallen en gilde uit: "O, benauwd! benauwd! De
+stank is op mijn hart geslagen en dat klopt nu twee streken westelijker!
+Benauwd! Dat is bedorven duivelsdrek![13] Help, help! Ik kan niet meer!"
+
+Gedienstige handen schoten toe en brachten den man weer bij de manden.
+Hij nam eene kruik, haalde er de stop af, rook eens en zeide toen: "Ha,
+ha! Ik bekom! Dat is heel wat anders! Dat is drank, dien de Goden hebben
+uitgevonden!"
+
+"Wat is het dan, Kapitein Pompernikkel?"
+
+"Bier, jongen, best bier! Ik heb er voor mijzelven en voor de Officieren
+achter een' kelder vol! Het is echte faro, zoo rechtstreeks uit de
+Brusselsche brouwerijen ontvangen. Daar achter is het een kapitaal
+leven."
+
+"Waar achter?"
+
+"In de kajuit van de "Heukelom," mannen!"
+
+"Dan kunnen de Officieren zich zad drinken, Kapitein!"
+
+"Ja, maar ze krijgen geen bier! Ik heb den sleutel weggestopt, want ze
+zijn niet zoet! Ze moeten ook maar bedorven water drinken of van dorst
+sterven! Maar ik ben om geld verlegen en kom hier mijn bier verkoopen.
+Ga je gang, Slungel, mijn jongen! Ik ben Notaris en verkoop faro, zoo
+uit Brussel. Jij bent mijn afslager of crieerder! Begin!"
+
+Slungel was een van de zoogenaamde knechts van Kapitein Pompernikkel,
+die nu opeens alweer Notaris geworden was. Hij hief eene kruik in de
+hoogte en begon: "Bij afslag, mannen, bij afslag!"
+
+"Neen, bij opbod!" liet een zich hooren.
+
+"Dat duurt te lang! Bij afslag! Het zijn duiten, hoort ge! Wie geeft
+zestig, vijftig, veertig, twintig, tien, negen, acht, zeven, zes...."
+
+"Mijn!" riep een.
+
+De kruik werd hem met de noodige grappen overgereikt en het verkoopen
+van eene tweede begon.
+
+Ieder, die eene kruik gekocht had, haalde er de stop af en deed, alsof
+hij naar hartelust dronk.
+
+"Ik geloof stellig, dat ze drinken," zeide Dolf.
+
+"Dat behoeft ge niet te gelooven, dat kunt ge wel voor zeker houden. Ik
+heb er zoo even alles van gezien en gehoord," sprak Ouwe Joost. "De
+bottelier heeft de biervaten aangesproken!"
+
+"Kom, hoe zou hij dat durven?"
+
+"Durven? Hij heeft nog meer gedurfd! Ze hebben wijn, jenever en
+brandewijn ook!"
+
+De Eerste Stuurman, die dat gehoord had, begaf zich terstond naar de
+kajuit. Hij klopte aan de deur, doch ontving geen antwoord. Hij klopte
+nog eens en nog eens, maar alles bleef stil, doodstil. Het scheen wel,
+dat de kajuit geheel verlaten was. Stil, alles stil!
+
+Stil bij de deur van de kajuit en in de kajuit, ja, maar op het
+voorschip niet! Hoor, hoor toch eens wat een dronkemansgezang!
+
+Kapitein Pompernikkel is voorzanger!
+
+ "Excellent is 't druivenatje!
+ Laburdon, tierelieron!
+ Als 't zoo koel komt uit het vatje!
+ Laburette,
+ Tierelierette!
+ Laburdon, tierelieron!
+
+ Siet het uit den roemer springen,
+ Laburdon, tierelieron!
+ Heysa, lustig, laet ons zingen!
+ Laburette,
+ Tierelierette!
+ Laburdon, tierelieron!
+
+ Onzen wijngod fraei ter eeren
+ Labu...."
+
+"Neen, neen, een ander lied, Kapitein Pompernikkel! Een ander lied!"
+schreeuwde de Tweede Stuurman, en onderwijl nog een deel van het volk
+zong:
+
+ "Laburette, tierelieron!
+ Laet ons Bacchus vrij waerdeeren,"[14]
+
+brulde hij, want zingen kon men het waarlijk niet noemen:
+
+ Wie wilt opgeschreven worden?
+ Bacchus neemt soldaten aan.
+ Op de bierbanck is 't slagh-orden
+ Daer wij moeten vechten gaen.
+ d' Herberg is de =rendez-vous=,[15]
+ Het woord is: ='k breng het u=, of =avous=.
+ Vecht knecht, doot kaes en broot!
+ Schenckt! Drinckt!
+ 't Glaesen trompet dat klinkt!"
+
+Langzamerhand kreeg het lied, dat de Tweede Stuurman liet hooren,
+bijval, en met het tweede couplet zongen reeds allen mede:
+
+ "Bacchus tonneken is de trommel,
+ Die men in den oorlogh slaet!
+ Want men suypt daar als de drommel.
+ Dat de buyk gespannen staet.
+ Als een trommeltje zoo brou,
+ Dat het daer op klincken zou!
+ Vecht knecht, doot kaes en broot!
+ Schenckt! Drinckt!
+ 't Glaesen trompet dat klinckt!
+
+ Bierbuyck hout drie compagniën
+ Louter drinckboers in het velt,
+ Om den oreloogh te bieën,
+ Aen den dorst, die 't keelgat quelt.
+ Dikke Pier is kolonel!
+ Hij brenght de drinckbroer elckeen snel.
+ Vecht knecht, doot kaes en broot!
+ Schenckt! Drinckt!
+ 't Glaesen trompet dat klinckt.
+
+ Hei, coraedje! Jan Potaedje
+ Drinckt dat syne neus wordt root,
+ 't Is een teycken van coraedje,
+ Van coraedje die es groot!"
+
+Verder hoorde IJzeren Neptunus niet meer naar dat gebrul; want zijn
+geduld was ten einde en na vruchteloos beproefd te hebben de deur, die
+van binnen gesloten was, te openen, trapte hij ze in.
+
+Bij het walmend licht van eene vetkaars, die reeds in de pijp brandde,
+zag hij den Kapitein onder de rustbank op den vloer liggen. Hij lag er
+stil, doodstil, en sliep.
+
+Eene sterke lucht van brandewijn en een beker, die nog half vol met dit
+vocht was, zeiden hem genoeg, wat er gebeurd was.
+
+De man, die zichzelven te hoog geschat had om den raad, van een' veel
+ouderen Scheepskapitein op te volgen, had nu geen' moed genoeg gehad om
+het gevaar, waarin hij manschap en schip gebracht had, het hoofd te
+bieden.
+
+Hij had zich dronken gemaakt en lag als een lijk op den grond, om in den
+slaap te vergeten, dat hij niets anders was dan een hooghartige lafaard.
+
+Zonder goed na te denken, wat hij deed, snelde de Stuurman nu naar de
+hut van den Opperkoopman, die sinds den vorigen dag ziek in de kooi lag
+om dezen te vertellen in welken toestand hij den Kapitein gevonden had.
+Er moest, het mocht kosten, wat het wilde, raad geschaft worden. In
+zijne haast vergat hij echter de deur der kajuit te sluiten.
+
+Terwijl de brave Stuurman nu met den Opperkoopman middelen beraamde om
+het oproer, en misschien allerlei ongelukken te voorkomen, schreeuwde
+Kapitein Pompernikkel in dronkemanstaal en met echten dronkemansmoed:
+"Halloh, mannen, frisch op! Naar Joris Kopstuk! Hij zal naar onze pijpen
+dansen zoo mooi of zoo leelijk, als je het nog nooit gezien hebt."
+
+"Ja, ja, Joris Kopstuk zal dansen," riepen er een paar. "We
+moeten bij al onze ellende toch een beetje verzet hebben ook!"
+
+Zwaaiende, gierende, zingende en schreeuwende kwam de menigte bij de
+kajuit en....
+
+"De baas heeft een graantje gepikt! Hoezee! Jongens, de Ouwe heeft de
+hoogte en ligt nu heelemaal Noord! Zijn kompas wijst glad mis,"
+schreeuwde de Tweede Stuurman.
+
+"Terug! Terug!" klonk op eenmaal eene stem.
+
+Het was Henri Quatre, die, gevolgd door Dolf, Joost, Dirk en Garrit,
+zich voor den woesten hoop plaatste.
+
+"Verloopen student, commandeer den hond en blaf zelf," schreeuwde de
+bottelier en greep den bootsman aan, doch deze, die voor geen klein
+geruchtje vervaard was, smeet den aanvaller in een oogenblik zóó
+hardhandig neer, dat alle beenderen en ribben in zijn lijf "krak"
+zeiden.
+
+"W--w--wat moet, zal, wat moet dat--dat hier?" klonk thans de
+dronkemans-stem van den Kapitein, die door al het geweld een weinig tot
+zichzelven kwam.
+
+"Dronken varken, geef ons goed water," riep de Tweede Stuurman.
+"Hoort ge waarachtig nog, ja?"
+
+"Maak ijzeren bouten--bouten--gloeiend--gloeiend, en
+stop--stop--die--dan--dan--in--in--het--w--wa--water," zeide de Kapitein
+met dubbelslaande tong.
+
+"Hoort ge het wel, mannen? De Kapitein geeft een' goeden raad, en het
+zal verstandig zijn dien op te volgen," zeide de Opperkoopman, die half
+gekleed in de kajuit kwam.
+
+"Jij met je goeden raad!" riep een der ruwste matrozen. "Wat weet me
+zoo'n kruidenier, die peperhuiskens plakken en kaneel afwegen kan, van
+een' goeden raad! Loop voor mijn part naar de maan!"
+
+"Ga jij eens mee maat, dan zal ik je 'reis vertellen waar je de maan
+kunt zien ondergaan," sprak IJzeren Neptunus op kalmen toon en hij droeg
+den oproerigen matroos zoo gemakkelijk de kajuitstrap op, alsof hij een
+bakerkind in de armen had.
+
+"Naar boven, mannen, naar boven!" liet zich nu de Tweede Stuurman
+hooren. "Die IJzeren Neptunus zal een ongeluk aan Maaikenneef begaan!
+Mee! Mee!"
+
+In een oogenblik was nu de dolle menigte op het dek.
+
+IJzeren Neptunus stond heel bedaard met Maaikenneef in de handen bij de
+verschansing.
+
+"Als je één' stap nader komt gaat hij overboord voor de haaien, zoo
+waar als ik hier voor je sta, lafhartige schreeuwers," sprak de sterke
+man, en met eene onbegrijpelijke kracht hief hij met de linkerhand
+Maaikenneef op en hield hem half overboord.
+
+Toen de anderen dat zagen, stonden ze een oogenblik ontzet stil. Dat was
+eene kracht, die boven hunne bevatting ging.
+
+"Hij durft niet, mannen!" schreeuwde de Tweede Stuurman en naderde den
+reus. Deze evenwel stak plotseling de vrije rechterhand uit en greep
+dezen tweeden belhamel ook zoo beet, dat deze zich niet verroeren kon.
+
+"Nog eenmaal, terug, mannen, of er gaan er twee overboord," zeide de
+sterke man op zulk een' ijzingwekkenden, kalmen toon, alsof er niets
+bijzonders aan de hand was.
+
+Zijne oogen straalden vuur, en even als bij een hollend paard, waren
+zijne neusgaten wijd geopend. Hij geleek een reus uit de fabelleer, en
+nooit had hij zijn' bijnaam van "IJzeren Neptunus" meer eer aangedaan
+dan in dit vreeselijke oogenblik. De matroos en de Tweede Stuurman
+konden letterlijk niets doen; ze waren als poppekens in de handen van
+een' grooten schooljongen.
+
+Zij, die niet tot de oproermakers behoorden, schaarden zich om hun'
+Aanvoerder en eindelijk kwam ook de Kapitein op het dek aanzwaaien.
+
+"Sm--smijt ze--over--overb--boo--boord, stuur--Stuurman!" beval hij.
+"Smijt ze voor--voor--voor-- doe ze--smijt ze...."
+
+"Brengt dat dronken schandaal weg, mannen! Ik neem het bevel van het
+schip op me," sprak de Eerste Stuurman. "Als we te Batavia komen,
+leveren we hem uit."
+
+"Of hij levert ons uit, als oproermakers! Wij weten immers bij
+ondervinding, dat de Heeren een' matroos niet zoo gauw gelooven, en
+vooral hier niet, want de Kapitein staat hoog aangeschreven bij de
+Compagnie! Wij loopen dus gevaar een' put voor onszelven te graven,"
+sprak meester Troost der Armen, die zoo wat tusschen de beide partijen
+stond.
+
+"Hiervoor sta ik u borg," dus liet de Opperkoopman zich hooren. "Ik
+zal een stuk schrijven en daarin alles uit elkander zetten waarom wij
+hem niet langer als onzen Gezagvoerder erkennen en onzen Eersten
+Stuurman tot Kapitein aanstellen. Het kan niet langer zoo gaan. Die man
+zal ons anders allen aan de golven prijsgeven. Hij is totaal
+waanzinnig."
+
+"Ja, en als hij dan verhoord wordt, zal hij zeggen, dat we oproer
+gemaakt hebben," zeide nu de Tweede Stuurman, die door "IJzeren
+Neptunus" losgelaten was. Ook Maaikenneef was weer vrij en heelemaal
+binnenboord.
+
+"Hij was dronken toen dat gebeurde," meende Henri Quatre, "en
+bovendien het was zijne schuld. Tegen den raad in van den Kapitein
+van de "Nieuwpoort" heeft hij twee streken westelijker laten sturen
+en ons daardoor in deze perykelen gebracht. Hij was dus de oorzaak van
+het oproer."
+
+"Nu als het zóó is en zóó kan, laat dan het stuk geschreven worden.
+Wij zullen het allen onderteekenen. IJzeren Neptunus, ziehier mijn
+knuist, je bent een kerel! Jij bent onze Kapitein! Was je het altijd
+geweest, deze heele geschiedenis zou niet gebeurd zijn! Voor jou heb ik
+respect, dat heb ik, dat hebben wij allemaal! Mannen, de hekken zijn
+verhangen! Nu hebben we een' Kapitein, die waard is, dat we dorst
+lijden! Alles in orde en geen vuiltje aan de lucht! Leve IJzeren
+Neptunus, onze Kapitein!" riep Maaikenneef.
+
+Wonderlijk volkje, die varensmannen. Zóó zijn ze als tijgers en zóó zijn
+ze als kinderkens. Velen hadden tranen in de oogen en allen riepen:
+"Leve onze nieuwe Kapitein!"
+
+"Hoezee!" juichte de Tweede Stuurman en meende inderdaad wat hij zoo
+luid liet hooren.
+
+"Dolf, ga dadelijk mede om het stuk op te stellen," beval de
+Opperkoopman.
+
+Er scheen dus een einde aan de zaak gekomen te zijn.
+
+Maar....
+
+Het drinkwater, het drinkwater!
+
+Men proefde het, en het was nog even bedorven.
+
+"Volgt dan den raad van onzen gewezen Kapitein, mannen! Maakt ijzeren
+bouten gloeiend en steekt die in het water," sprak Kreeft. "We moeten
+geen middel onbeproefd laten."
+
+Alleman was terstond in de weer om dien raad op te volgen.
+
+De smeêkolen werden in de kombuis gebracht en weldra had men eenige
+staven witgloeiend.
+
+"Hier, hier, in dit vat," riep Hoepel.
+
+Het werd geopend, de staven gingen er in, en --
+
+Een vreeselijke vlam sloeg uit het vat naar buiten.
+
+Men had de witgloeiende ijzers in een vol vat Franschen brandewijn
+gestoken. De oproermakers hadden het met behulp van den bottelier, die
+de sleutels had, boven op het dek gebracht en nu dacht niemand er aan,
+dat het er nog altijd stond. De drank was in den man en de wijsheid in
+de kan gekomen.
+
+Het vat sprong en het brandende vocht stroomde langs het dek en bereikte
+een' hoop touwen, die pas geteerd waren. Ook deze vatt'en vuur.
+
+Iedereen deed, wat hij kon, om de vlammen te blusschen. Ook de kok, die
+voor het vuur in de kombuis te zorgen had, verliet zijn' haard en de
+ijzeren bouten, die er nog in lagen. Door de vreeselijke hitte smolten
+deze en het vloeibare ijzer lekte op den grond en veroorzaakte brand,
+waar niemand dien op dat oogenblik zocht. Eene pan vet vatte vuur en
+weldra sloegen ook daar de vlammen uit.
+
+"Brand! Brand!" riep de kok, die het nieuwe, dreigende gevaar het eerst
+ontdekte. "Brand in de kombuis!"
+
+"Vlucht! Vlucht!" riep een uit den hoop. "De booten in!"
+
+"Wie het waagt eene boot los te maken, schiet ik als een' hond neer,"
+liet IJzeren Neptunus zich hooren.
+
+Op dit oogenblik kwam Hoepel aansnellen en riep: "De vlammen zijn al
+door de scheuren der beschotten in het ruim geslagen! Nog een oogenblik
+en ze zijn bij het kruit!"
+
+"Vluchten! Vluchten!" klonken reeds meerdere stemmen.
+
+De oude oproermakers-geest, zoo even onderdrukt, kwam weer met kracht
+boven.
+
+"Ik laat me niet verbranden, mannen! De booten in!" riep Kreeft.
+"Vooruit! Wie zijn leven lief heeft, die volge mij!"
+
+Het baatte niet of IJzeren Neptunus er nu twee beetpakte en dreigde
+overboord te smijten.
+
+Het hielp niet, dat Henri Quatre, Dolf, Ouwe Joost, Hoepel, de
+Opperkoopman, de Scheepsbarbier, Dirk en Garrit zich bij hun' nieuwen
+Kapitein aansloten. De oproermakers waren te ver in de overmacht, niet
+alleen door getal, maar ook door wapenen; want de konstabel en zijn
+maat, die mede tot de rebellen behoorden, hadden geladen musketten,
+pistolen, kruit en lood uitgedeeld, waarna ze den sleutel van het
+wapen- en kruitmagazijn in zee gesmeten hadden.
+
+Inmiddels nam de brand overal toe en de booten werden neergelaten en wie
+geen' moed had om te blijven, vluchtte.
+
+Ook Garrit, de Scheepsbarbier en de Opperkoopman kwamen in eene boot
+terecht.
+
+Op dat oogenblik stak er een zuchtje wind op, het fluitschip kwam in
+beweging, en brandende passeerde het in dien nacht de Linie.
+
+Maar geen was er, die er aan dacht.
+
+Zonder iets aan het voortwoekeren der vlammen te kunnen doen, stonden
+IJzeren Neptunus, Henri Quatre, Joost, Hoepel, de Tweede Stuurman en
+Dolf bij elkander op het achterschip.
+
+"De "Leerdam" komt er slechter af dan de "Het Huys ter Horst","
+bromde Joost. "We zijn voor de haaien, mannen! Als het kruit vuur vat
+dan...."
+
+Daar viel de groote mast overboord en bijna op hetzelfde oogenblik
+volgde de fokkemast.
+
+"Mannen," sprak de nieuwe Kapitein, "de booten zijn alle weg. Over
+een klein kwartier vat het kruit vuur en dan zijn we allen verloren. Ons
+eenig behoud is om overboord te springen en te trachten op de masten te
+komen. Komt, het kan niet anders!"
+
+De trouwe mannen begrepen dat ook. De een na den ander sprong overboord
+in zee, doch IJzeren Neptunus bleef achter.
+
+Eindelijk kwam hij ook met .... den dronken Kapitein.
+
+Hij sloeg den linkerarm om hem heen en onder het korte gebed: "Goede
+God, sta ons bij!" plofte hij ook in zee.
+
+Wat een held was die man in dat oogenblik!
+
+De Opperkoopman zag het aan en mompelde: "Dat is nu eerst nog eens eene
+schoone en edele daad! Die eenvoudige stuurman, hij is een groot man!"
+
+
+VOETNOTEN.
+
+[11] Leggers zijn geteerde watervaten.
+
+[12] Met het "volk achter" bedoelt men aanboord der schepen den
+Kapitein, zijne Officieren en passagiers eerste klasse. Met het "volk
+voor" worden de ondergeschikten bedoeld.
+
+[13] Duivelsdrek is een soort van hars, dat in de apotheken gevonden
+wordt. Het verspreidt een' zeer onaangenamen geur.
+
+[14] Bacchus was bij de oude Grieken de God van den wijn.
+
+[15] Een =rendez-vous= is een afgesproken plaats van bijeenkomst.
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+Alével ferme kerels.
+
+
+"Zoo, Dirk, jongen, ben je ook boven water?" vroeg Henri Quatre, die
+gelukkig post gevat had op den grooten mast, aan Dirk, die op een ander
+stuk hout kwam aandrijven.
+
+"Ja, bootsman, ja! Maar hebt ge onzen nieuwen ouwe in zee zien springen
+met den ouden ouwe?"
+
+Het was eene malle vraag en dat nog wel in een oogenblik, dat men aan
+het grootste gevaar bloot gesteld was. Toch schoot Henri Quatre
+onwillekeurig in den lach en zeide: "Jij met je nieuwen en ouden ouwe,
+je doet een mensch nog lachen, als hij ieder moment gevaar loopt van in
+zee te duikelen en door haaien verslonden te worden. Maar gezien, ja, ik
+heb het gezien! Wat een kerel! Kijk, kijk, daar komt hij aanzwemmen!"
+
+"Konden we hem maar helpen en wat toegooien, een touw of zoo iets,"
+zeide Dirk. "Maar ik zie niets."
+
+"Gooi maar niemendal, maat, en houd je liever maar vast. Het is wel
+hardvochtig zijn' medemensen misschien zoo maar voor zijne oogen te zien
+verdrinken, maar het hemd is nader dan de rok, mijn jongen," sprak de
+bootsman.
+
+"Och, Heere, hij kan niet meer," riep Dirk.
+
+Plof!
+
+Wat was dat?
+
+Op hetzelfde oogenblik dat Dirk riep: "Hij kan niet meer," vergat Henri
+Quatre, dat het hemd nader was dan de rok en zwom naar IJzeren Neptunus
+om dien te helpen. Met vereenigde pogingen kwamen de twee wakkere kerels
+met den Kapitein, die nu heelemaal ontnuchterd was, op den grooten mast.
+Wat verder zwommen Joost en Hoepel terwijl Dolf zich wanhopig aan een
+stuk waarloos hout, dat overboord gevallen was, vastklampte.[16]
+
+Gelukkig waren de twee booten niet zoo ver van het schip, of ze konden
+de rondzwalkende achterblijvers hulp komen bieden, en zóó waren ze nu
+niet, om dat na te laten. Ze zeilden en roeiden met alle macht naar de
+arme mannen en mochten het geluk smaken allen te redden. Alleen de
+Tweede Stuurman werd niet gevonden en daar men vreesde in de nabijheid
+van het brandende schip te blijven, zoo gaf men het zoeken spoedig op en
+verwijderde zich zoo schielijk mogelijk.
+
+Intusschen was het geheel dag geworden, en juist toen de zon boven de
+kimmen rees, vloog de "Leerdam" met een' vreeselijken slag in de
+lucht. De beweging daardoor in het water veroorzaakt was zoo sterk, dat
+de twee vol geladen booten bijna omsloegen. Men kwam dit gevaar evenwel
+gelukkig te boven; een ander echter, neen, vele andere gevaren ging men
+te gemoet.
+
+De twee booten toch, waarvan slechts de eene zeil voerde en de andere
+moest geroeid worden, waren overvol; men kon zich amper bewegen. Dan had
+men geen' druppel drinken en geen stuk eten aanboord. Een kompas om naar
+te sturen had men niet. De wind was op het oogenblik flauw, maar hij kon
+opsteken en tot storm aangroeien. En wat zou men in een' storm met twee
+zulke wrakke vaartuigen op het midden van den Oceaan beginnen?
+
+Wie weet, als men de stormen misliep, hoeveel dagen men zonder eten of
+drinken zou moeten doorbrengen! En dan onder de Linie met zulk eene
+hitte!
+
+"Weet je wat, mannen," dus sprak IJzeren Neptunus toen de twee booten
+tegen elkander lagen, "er moet raad geschaft worden! Zoo kunnen we niet
+blijven!"
+
+"Mag ik spreken?" vroeg de gewezen Kapitein, terwijl hij vreemde
+pogingen aanwendde om op te staan.
+
+"Daartoe heeft ieder het recht, die meent dat hij een' goeden raad weet
+te geven," zeide de Eerste Stuurman. "Niemand zal zich daar tegen
+verzetten!"
+
+"Welnu dan," hernam de vernederde man, "welnu dan! Mijne trotschheid
+heeft u allen in dezen toestand gebracht. Ik wil dit niet ontkennen. Het
+is zoo!"
+
+"Eeuwig jammer dat hij het niet eene week vroeger heeft willen
+erkennen," mompelde Hoepel.
+
+"Wat die man daar zegt, doet mij meer leed dan ik u uitdrukken kan,
+mannen, want ik gevoel het, dat hij waarheid spreekt. Maar nu mijn raad.
+Gij hebt goed gedaan Stuurman Londenaar tot uw' Gezagvoerder te
+benoemen. Al was ik het nog, ik zou het niet lang meer wezen. Ik ben
+inwendig gekneusd, en ik weet zeker, dat ik vandaag of morgen aan die
+wonden sterven moet. En nu, in het aangezicht van den dood, zeg ik u
+dit: "Gehoorzaamt onvoorwaardelijk uw' nieuwen Kapitein Stuurman
+Londenaar, bijgenaamd "IJzeren Neptunus"; want als er redding mogelijk
+is, dan kan hij de man zijn, die met Gods hulp u die redding bezorgt.
+Hij is in deze streken goed bekend, en als hij raad noodig heeft, dan
+zal "Ouwe Joost" dien geven. Deze man zou ik tot uw' Kapitein
+benoemen, als Londenaar er niet was. Hij is een bevaren matroos, meer
+dan ieder uwer. Maar als ge redding wilt, dan moet ge in de eerste
+plaats naar de plek terugkeeren, waar de "Leerdam" in de lucht vloog.
+Vischt daar op, wat ge kunt, en zoekt vooral beschuit- en watervaten."
+
+"Er kan immers niets meer in de booten, Kapitein!" zeide Henri Quatre.
+"Ze zijn nu al meer dan vol!"
+
+"Ik ben uw Kapitein niet meer, bootsman! En dat er niets meer in de
+booten kan, dat zie ik. Het plekje waar ik zit, is te klein om er iets
+te bergen; vandaag of morgen zal het wel onder u allen verdeeld zijn.
+Maar beproeft nu losse balken, of welk ander houtwerk ook, met touwen
+aan elkander te binden. Sjort daarop den voorraad vast, en neemt dat
+soort vlot dan mede op sleeptouw. Als ge .... als ge...."
+
+De voormalige Kapitein zakte in elkander.
+
+"Vergeving, mannen! Genade, o, mijn God, genade -- gena...." bracht hij
+stamelend uit en gaf den geest.
+
+"Dat is de eerste doode, mannen," sprak de nieuwe Kapitein. "Wie weet
+hoe velen onzer hem volgen."
+
+"Gelukkig de slechtste," bromde Kreeft.
+
+"Hij was niet zoo slecht, mannen! Zijn laatste raad legt hiervan
+getuigenis af. Ik heb meer met hem gevaren en ik weet dat hij knap, zeer
+knap was en niet gauw uit het veld geslagen ook. Deze reis was zijne
+ongeluksreis," sprak Ouwe Joost. "Ik heb het dadelijk gedacht, dat het
+verkeerd zou uitloopen. Ja, dat heb ik; want het laatste levende wezen,
+dat ik in het Vaderland aan den wal zag, was eene zwarte kat."
+
+Niemand was er, die den bijgeloovigen zeeman tegensprak. Al geloofde
+men nu niet aan allerlei voorteekens, van zwarte katten hield men toch
+niet.
+
+"Ouwe Joost heeft gelijk, mannen! Onze ouwe was zoo kwaad niet en daarom
+laten we hem alles vergeven en een zeemansgraf geven. Barbier, wees zoo
+goed en bid," sprak Kapitein Londenaar. "Eene eerlijke begrafenis mag
+hij toch wel hebben."
+
+Het was een aandoenlijk oogenblik toen, bij gebrek aan een'
+ziekentrooster, de scheepsbarbier daar met luide stem het "Onze Vader,
+die in de Hemelen zijt," uitsprak.
+
+Zoodra hij "Amen" had gezegd, werd de doode overboord geschoven en aan
+de golven toevertrouwd.
+
+"Dat twee graden westelijker toch zooveel rampen kunnen veroorzaken,"
+fluisterde Dirk zijn' broeder in het oor.
+
+"En nu, mannen, den laatsten raad van den doode ten uitvoer gebracht,"
+sprak Kapitein Londenaar en stuurde de zeilboot naar de plaats waar de
+"Leerdam" in de lucht gevlogen was.
+
+Al spoedig had men een heel stuk van het achterdek gevonden en hoewel
+dit wel wat zwaar was om het mee op sleeptouw te nemen, begreep men
+toch, dat men op het zwaarste voorwerp ook het meeste bergen kon. Het
+was zelfs zoo groot, dat het gemakkelijk tien of twaalf man dragen kon
+zonder dat het kantelde. Van de masten sneed men zooveel touwen af, als
+men maar kon, en toen ging men aan het opvisschen van vaten. Men was zoo
+gelukkig drie tonnetjes bier en een paar vaatjes wijn te vinden. De
+leggers met water schenen stuk geslagen te zijn, althans men vond ze
+niet. Een paar vaten beschuit, een ton pekelspek en nog heel wat andere
+dingen kwamen nu op het vlot.
+
+"Daar drijft mijne medicijnkist," riep de scheepsbarbier.
+
+"Laat die maar drijven! Ze zou ons misschien meer kwaad dan goed doen,"
+zeide de Kapitein.
+
+"Maar er is een haarlok in van mijne lieve Moeder!" liet de barbier
+zich hooren.
+
+"Van zijn meisje!" spotte er een.
+
+Plomp!
+
+Daar sprong de barbier in zee, zwom naar zijne kist en bracht ze
+gelukkig op het vlot.
+
+Met een sleuteltje deed hij ze open en vol vreugde riep hij uit: "Alles
+droog, gelukkig, alles droog!"
+
+"Behalve de man zelf, die druipt!" liet dezelfde spotter zich weer
+hooren, doch toen hij nog meer wilde zeggen, hield hij zich in, want de
+barbier drukte een lok grijze haren tegen de lippen en zeide: "Dag,
+Moeder! Dag, lieve Moeder! Je jongen is er nog en hoopt u weer te zien!"
+
+Zie, dat had men nu toch van dien mallen Meester Troost der Armen niet
+kunnen denken.
+
+"En hier is wat voor u, Kapitein," hervatte de barbier.
+
+"Een potje troost soms?" vroeg deze.
+
+"Ja, wel troost, maar geen troost der armen, Kapitein! Doe het doosje
+maar open!"
+
+De Kapitein deed het en riep uit: "Goud, goud, duizendmaal meer dan
+goud! Een kompasje, mannen, een echt Amsterdamsch zeekompasje! Ha, dat
+is een schat! Dankje, dankje, hoor!"
+
+Dat was nog eerst eene mooie vondst!
+
+Hoe gebrekkig het kleine voorwerp ook was, men had in allen gevallen wat
+om er den koers naar te richten, hoewel men daarom nog niet wist waar
+men was.
+
+Zoodra men het voornaamste opgevischt en op het vlot had, liet de
+Kapitein beschuit en wat bier ronddeelen.
+
+Het was een vreemd en een gebrekkig maal; want de beschuiten waren alle
+geweekt en dan in zeewater, dat maakte ze ook niet smakelijker.
+
+De lucht stond nog even helder en het water was nog altijd kalm.
+
+"We moeten de beschuiten op het vlot te drogen leggen," zeide de
+Kapitein, "want als we dat niet doen, dan zullen ze bederven!"
+
+Aan dat bevel werd gehoorzaamd en toen Dirk, die braaf mede geholpen
+had, ze daar alle zoo netjes zag liggen, zei hij: "Precies eene groote
+poffertjes-pan!"
+
+"Maar kermis is het hier niet, mijn jongen," sprak Dolf.
+
+De tocht ging slechts langzaam voorwaarts.
+
+De zeilboot voer vooruit en was met een touw aan de roeiboot verbonden.
+Aan de roeiboot had men het vlot vastgemaakt. Om meer ruimte in de
+booten te hebben, hadden tien mannen plaats op het vlot genomen.
+
+Van tijd tot tijd werden de beschuiten gekeerd en in één dag en nacht
+waren ze kurkdroog en kon men ze weer in de vaten doen.
+
+Intusschen begon het zuchtje wind, dat hen sedert den vorigen ochtend
+wat voortgedreven had, zoo te verminderen, dat men in de zeilboot ook de
+roeispanen moest gaan gebruiken om toch wat vooruit te komen.
+
+"Het weerlicht, Dirk," zeide Garrit op den tweeden dag des avonds tot
+zijn' broeder.
+
+"Maak je daarover nog maar niet ongerust," sprak de bootsman, "dat
+gebeurt onder de Linie zoo dikwijls, zonder dat er onweder of storm op
+volgt. Maar...."
+
+"Nu, blijf niet steken! Wat wilde je nog meer zeggen?"
+
+"Ja, jongen, eerst moet ik het weer zien lichten, dan zal ik vertellen,
+wat ik geloof dat ik zie."
+
+Het was, alsof zelfs de natuur nu ook dit licht hun wilde onthouden;
+want het duurde ontzettend lang eer het andermaal lichtte.
+
+Eindelijk, ja, even, heel even en heel flauw!
+
+De bootsman liet een' lichten kreet hooren en zeide: "Een schip! Het is
+een schip, dat ik bij het licht gezien heb!"
+
+"Een schip!" als een loopend vuurtje ging die tijding van het vlot naar
+de roeiboot en van de roeiboot naar de zeilschuit waarin de Kapitein
+was.
+
+"Wie praat er van een schip?" vroeg hij.
+
+"Hoepel, die in de roeiboot is, heeft het mij gezegd," antwoordde
+Kreeft, "anders weet ik het ook niet."
+
+Hoepel werd aangeroepen en deze zeide, dat de boodschap van het vlot
+gekomen was en dat de "Twee vromen" het hem gezegd hadden.
+
+Nu werden de "Twee vromen" aangeroepen en Dirk, de holle hand voor den
+mond zettend riep: "Schip aan bakboord!"
+
+Aller oogen wendden zich nu naar de kimmen en werkelijk bij het flauwe
+weerlicht ontdekte men een schip.
+
+Welk schip was het?
+
+"Om het even," dus liet Kreeft zich uit, "al was het een Spanjool
+of een Portugees! Beter gevangen-man dan doô-man! Want dat zit er op!"
+
+De zeilboot kwam nu naar de roeiboot en het vlot werd bijgehaald. Men
+moest samen eens bespreken wat te doen.
+
+Nu, de meeningen waren zeer verschillend, maar ten laatste werd er dan
+toch besloten zooveel mogelijk in het gezicht van het schip te blijven
+en den morgen af te wachten.
+
+Wat duurde die nacht lang, vreeselijk lang!
+
+Het scheen, alsof de zon ook vergat op te komen.
+
+Maar eindelijk begonnen de sterren te verbleeken; de schemering brak
+door en....
+
+"Het is eene Portugeesche karveel!" riep Ouwe Joost. "Ik zie het aan
+heel hare tuigage!"[17]
+
+"Mannen," dus liet de Kapitein zich nu hooren, "de nood dwingt ons te
+handelen. Houdt uwe musketten gereed en brandt er op los, als ik het
+beveel! Kunnen we er op hulp rekenen, zooveel te beter; maar tracht men
+ons in den grond te boren, dan zullen we ons leven zoo duur mogelijk
+verkoopen! Dat gaat er op los!"
+
+Och arme, wat ging dat langzaam!
+
+Maar toch, men vorderde en het schip was men weldra op een
+musketschot-afstands genaderd.
+
+"Bootsman, schiet een musket in de hoogte af," beval de Kapitein. "Ze
+zullen ons hooren, als ze ons niet zien!"
+
+Een schot klonk over het water.
+
+Maar op het schip deed men, alsof men er niemendal van hoorde. Het bleef
+er doodstil.
+
+"Ze schijnen doof te zijn," meende Dirk.
+
+"Of liggen op den loer om ons, als we dichtbij genoeg zijn, ineens onze
+bekomst te geven," gaf Garrit ten antwoord.
+
+Weer naderde men een vijftig riemslagen en opnieuw gaf de Kapitein bevel
+een musket in de lucht af te schieten.
+
+Maar aanboord van den Portugees vertoonde zich geen sterveling. Het
+heele dek was ledig.
+
+Ja, ja, toch!
+
+"Ik zie wat," riep Dirk.
+
+"Ik ook! Ik ook!" klonk het van verscheidene kanten.
+
+De meeningen waren verdeeld, doch de meesten hielden het ervoor, dat ze
+een' neger gezien hadden.
+
+"In alle gevallen we moeten er haring of kuit van hebben," dus sprak de
+Kapitein, en thans roeide men uit alle macht naar het schip, dat men
+weldra langszij lag.
+
+"Hallooi! Man aanboord!" riep de bootsman op de gewone wijze van den
+zeeman, die ergens aanboord wil komen.
+
+Er werd geen antwoord gegeven, maar hooren, ja, hooren deed men toch wel
+wat. Men kon duidelijk het rammelen van een' ketting hooren.
+
+"De booze!" mompelde Ouwe Joost en zijn gelaat betrok.
+
+"Misschien wel een betooverd schip," meende Hoepel.
+
+"Of de Vliegende Hollander," bromde Kreeft.
+
+"Maar ik zal kijken wie er aanboord is," riep Henri Quatre en klom
+langs een afhangend touw naar boven.
+
+"En ik volg u," riepen Dirk en Garrit tegelijkertijd en palmden zich
+ook aanboord.
+
+Beneden bleef men in spanning tot men opeens het geroep hoorde: "Een
+aap! Een aap!"
+
+De valreep was nergens te vinden en het mooie en prachtig getimmerde
+schip scheen geheel verlaten te zijn.
+
+De bootsman gaf met de zware zeelaarzen een' stamp op het dek en
+schreeuwde: "Hallooi! Hallooi! Volk!"
+
+Onze aap klauterde van angst in het want.
+
+Nu ging de bootsman naar de kajuit, opende die en .... niemand was te
+vinden.
+
+Hij snelde naar de verschansing en riep: "Een verlaten schip! Komt!
+Komt!"
+
+Touwen werden neergelaten en eer de zon op was, stond de heele bemanning
+van de "Leerdam" voor zooverre zij althans niet omgekomen was, aanboord
+van eene groote karveel, waar geen ander levend wezen te vinden was dan
+een aap, die op de mars van den grooten mast zat en allerlei leelijke
+gezichten naar de vreemde mannen trok.
+
+"De booten zijn weg," riep Kreeft.
+
+"En de leggers zijn ledig, schoon ledig!" voegde Dirk er bij. "Geen
+druppel drinkwater is er aanboord."
+
+"Mannen," dus ving de Kapitein aan, "ik vermoed dat watergebrek de
+manschappen van dit schip met de booten heeft doen vluchten. We willen
+het vaartuig onderzoeken, maar houdt uwe musketten gereed!"
+
+Het heele schip werd nu onderzocht en men bevond dat het verlaten en
+buitengewoon goed geproviandeerd en rijk geladen was.
+
+Toen allen weer op het dek waren, sprak de Kapitein: "Hoort eens,
+mannen, recht of geen recht! Ik neem in naam van de Oost-Indische
+Compagnie bezit van dezen bodem. Wij zullen, nu we ons eigen schip
+verloren hebben, beproeven of we hiermede de Oost kunnen bereiken. Maar
+laten we eerst alles aanboord halen, wat we daar beneden hebben!"
+
+Aan dit bevel werd gevolg gegeven en men werkte zoo vroolijk, alsof men
+thans alle gevaren te boven was. Dirk en Garrit lieten zelfs een
+Wilhelmusje hooren.
+
+"Jongens, vogels die zoo vroeg zingen, zijn overdag voor de poes,"
+zeide Ouwe Joost.
+
+"Nu ben je toch niet meer bang, ouwentje?" vroeg Garrit.
+
+"Gij zijt een paar onnoozele brasems," sprak de oude man. "Ik
+vraag je: wat hebben we gewonnen?"
+
+"Een schip! En een mooi ook!"
+
+"En waarom is het verlaten?"
+
+"Omdat .... omdat...."
+
+Garrit voelde waar Ouwe Joost heen wilde en deze vulde nu zelf het
+antwoord aan en zeide op somberen toon tot de beide jongens: "Omdat ze
+van dit schip hunne doodkist niet wilden maken! Er was geen drinken
+aanboord, vat je?"
+
+Dirk en Garrit stonden verslagen en voelden dat ze verbleekten. Die
+Joost kon ook maar alles zeggen, zooals het voor zijn' mond kwam.
+
+"Zoo, is nu op eenmaal alle moed weg?"
+
+"Dat zou wel wonder zijn, als een mensch niet akelig werd van zulke
+vertellingen en zulke vreeselijke voorspellingen!"
+
+"Geene voorspelling en het is nog veel minder eene vertelling, jonge
+borst! Het is eene waarheid!"
+
+"Nu, goed, eene waarheid! Maar dan toch eene waarheid, die iemand allen
+moed ontneemt," meende Garrit.
+
+"Jong bloed bruist wel, maar koelt gauw," zeide Ouwe Joost. "Dat valt
+van het eene uiterste in het andere. Er is verschil tusschen moed en
+overmoed, jongens! Maar dat zult ge eerst later wel leeren begrijpen,
+als je even als ik, met den eenen voet op het zesde kruisje van je leven
+staat. Gaat maar mede! De ouwe heeft ons geroepen. Hij zal stellig wel
+wat te zeggen hebben waarnaar we met beide ooren luisteren mogen."
+
+De twee broeders volgden hem naar het middenschip waar Kapitein
+Londenaar bij den grooten mast had plaats genomen.
+
+"Mannen," dus begon hij, "wij zijn hier aanboord van een ander schip.
+Naar al wat ik ervan gezien heb, is het eene karveel, die de tweede
+reize naar de Oost maakt. Weet iemand uwer hoe ze heet? Heeft iemand den
+naam soms ook gezien?"
+
+"Ik zal wel eens gaan kijken, Kapitein," zeide Dolf en liet zich
+bij den hoogen achtersteven, spiegel geheeten, langs een touw afzakken.
+Spoedig kwam hij terug en nauwelijks was zijn hoofd boven den spiegel
+zichtbaar of hij riep: "Het is de "Vossa Senñora de la Victoria",
+vrienden!"
+
+"Dan verdoop ik ze in "De nieuwe Leerdam", dat is een goede naam,"
+hernam Kapitein Londenaar. "Maar die oude naam moet hoe eerder hoe beter
+met verf overdekt en door den nieuwen vervangen worden. Dat is uw werk,
+meester timmerman! Zwarte verf is hier en witte zullen we wel vinden."
+
+De timmerman zocht een paar matrozen op om hem te helpen en was weldra
+aan den arbeid. De overigen bleven staan, altijd in afwachting van
+hetgeen er verder gezegd of bevolen zou worden.
+
+"Op onzen tocht hebben we twee mannen verloren en we zijn op het
+oogenblik zonder Stuurlieden," dus sprak de Kapitein. "Naar ik meen zal
+de Opperkoopman er wel niet tegen hebben, als ik Dolf van hem afneem en
+tot Stuurman aanstel met zijn' vriend Willem de Stichtenaar. Hoepel zal
+dienst doen als bootsman en Kreeft als bootsmansmaat. Zoo zijn de rollen
+verdeeld en weet ieder, wat hij doen moet!"
+
+Ouwe Joost, schudde het hoofd en zeide: "Het zal niet gaan, Kapitein,
+het zal waarlijk niet gaan!"
+
+"Wel, waarom niet Joost?"
+
+"We hebben niet leeren varen met Latijnsche tuigage!"
+
+"Dat is waar ook, Joost!"
+
+"Zouden we nu van de windstilte, die er nog is, geen gebruik maken om de
+tuigage op Hollandsche manier in te richten, Kapitein?" vroeg de oude.
+"Ik geloof dat het verstandig zal zijn, als we dat doen."
+
+"Er is waarloos hout genoeg aanboord en zeilen hebben we genoeg op het
+vlot gehad. Komt aan, alle man aan het werk. Wie weet hoe spoedig we uit
+den nood zijn!"
+
+Op deze woorden vergat ieder voor een oogenblik zijn' dorst en begaf
+zich aan den arbeid.
+
+De aap, die rustig alles gezien had, kreeg het op de mars te kwaad en
+klom in het topje van den mast.
+
+"Wacht, beest, wat heb jij daar voor moois?" riep Garrit, die zag
+dat de aap wat blinkends in den poot hield.
+
+De jongen klom het vlugge dier na, doch toen hij meende het te grijpen,
+deed het een' reuzensprong en kwam in den anderen mast terecht.
+
+"Wel verdraaid, dat sprongetje doe ik je niet na," zeide onze
+matroos en keek eens rond. Hij zag niets, doch op het punt zich naar
+beneden te laten glijden, meende hij heel in de verte toch iets te zien.
+Het was iets, dat blonk en schitterde.
+
+"Kom naar beneden, slingeraap," schreeuwde de nieuwe bootsman. "Kom,
+Kees! Goed volk! Kom beest!"
+
+"Ik zie, ik zie," riep Garrit.
+
+"Twee apen in den mast! Kom af," liet Dolf zich hooren. "Dat
+beest daar boven zal zijn fortuin wel vinden."
+
+"Neen, ik zie een zeil in het Zuidwesten!"
+
+"Een zeil?" riep Kreeft, die in den anderen mast zat, "een zeil! De
+Hemel beware ons! Dat is eene stormwolk!"
+
+Eene stormwolk!
+
+=Bange= tijding! Hoe zou "De nieuwe Leerdam" zich houden? En niet half
+klaar!
+
+=Goede= tijding! Men had nu kans buiten den gordel der windstilte te
+komen en .... regenwater op te vangen.
+
+Kapitein Londenaar toonde voor zijne moeielijke taak volkomen berekend
+te zijn. Hij liet alle zeilen, op twee kleine na, opbergen, en toen dat
+gedaan was, zeide hij: "En nu het regenzeil!"
+
+"Het regenzeil? Wat is dat?" vroeg Henri Quatre.
+
+"Men spanne onze twee grootste zeilen gedeeltelijk tusschen de masten
+uit en make in het midden een stroomgat."
+
+"Regenzeil! Stroomgat! Nooit van gehoord!" mompelde Ouwe Joost, doch
+hielp trouw mede om de zeilen zoo te spannen, dat de komende storm er
+geen vat op kon hebben en dat ze toch water konden opvangen! Onder de
+zoogenaamde "stroomgaten" zette men twee schoone en groote leggers, die
+met klampen en touwen vastgesjord werden.
+
+"Bottelier, een oorlam!" beval de Kapitein. "Een oorlam uit den
+voorraad van den Portugees."
+
+Hierop liet de Kapitein ieder twee beschuiten geven om in den zak te
+steken, en toen dat geschied was, sprak hij: "Jongens, de groote baas
+komt! Houdt je allen goed! Gehoorzaamt je meerderen en .... vertrouwt op
+God!"
+
+Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of de wind deed de twee kleine
+zeilen zwellen!
+
+"Daar gaan we!" riep Ouwe Joost. "Te koekoek, wat vangen die
+lapjes hem! Het is eene liefhebberij om het te zien."
+
+Met den wind kwamen ook de wolken en met de wolken onweder en
+regenstroomen.
+
+In een oogenblik waren de leggers vol, doch om andere te zetten was het
+nu geen tijd. Het zou ook slecht in zijn werk gegaan hebben, want "De
+nieuwe Leerdam" vloog langs de oproerige wateren, als een hollend paard
+door de duinen, nu de hoogte op, dan de laagte in, maar steeds in snelle
+vaart vooruit.
+
+"Twee booten! Twee booten!" riep Dirk.
+
+"Ze hebben eene Portugeesche vlag op," zei Kreeft.
+
+"Het zal het volk van dit schip zijn," liet Henri Quatre zich hooren.
+"Ze zullen hun schip herkennen en aanboord willen!"
+
+De arme kerels! Ze staken de riemen en handen op! Ze wuifden met doeken
+en mutsen! Ze smeekten om hulp!
+
+Te vergeefs!
+
+De storm joeg de karveel voort en pogingen aan te wenden om den mannen
+hulp te bieden, dat ging niet! Het zou een zinneloos werk geweest zijn.
+
+Voort, voort ging het!
+
+De manschap, wel gewoon met Hollandsche schepen te varen, zou al zeer
+onbeholpen gestaan hebben op een schip als dit, dat eene heel andere
+tuigage dan de Oostindie-vaarders had, als niet Dolf, in Franschen
+dienst, eenmaal gedurende een half jaar het bevel gehad had over een
+dergelijk schip, dat als kaper door de Franschen genomen, onder storm en
+slecht weder uit de golf van Biscaye door hem naar Duinkerken was
+gebracht.
+
+Thans toonde Kapitein Londenaar, dat hij verstandiger was dan zijn
+voorganger, want hij liet het bevel geheel aan Dolf over.
+
+En te midden van de felste vlagen bleef de aap zich boven in den mast
+vastklemmen, maar hield het blinkende voorwerp tusschen de tanden.
+
+"Eene hoos! Eene hoos!" schreeuwde Henri Quatre. "Houdt je vast,
+mannen! Houdt je vast!"
+
+Eene groote, leikleurige wolk, die het voorkomen had van een'
+reuzentrechter, naderde, steeds wentelend, kronkelend en draaiend, meer
+en meer het voorthollende schip!
+
+Ze kwam al nader en nader!
+
+Het werd donker als midden in den nacht.
+
+"O!"
+
+Akelig klonk dat "O!" uit den mond van al de mannen.
+
+Ze waren onder water.
+
+Verdronken?
+
+Neen, neen! De hoos was dicht bij het schip uit elkander gebarsten en
+slechts het kleinste deel van de vreeselijke massa water, die zij
+bevatte, was op het dek nedergeploft.
+
+Gelukkig dat alle luiken dicht waren. Het water stroomde weg en .... de
+zon brak door. De storm was merkbaar bedaard. Men kwam wat tot kalmte.
+
+"Hoe heb ik het nu? Wat is ons overkomen?" riep Kapitein Londenaar.
+
+"Wel wat vreemds, Kapitein, maar daarom nog niet wat ongewoons! Dat is
+de tweede keer, dat ik zoo iets bijwoon," zeide Ouwe Joost. "En als het
+nu dezen keer gaat, als den eersten, dan zullen we een dag of drie
+regenachtig weder met een' frisschen wind hebben."
+
+"Daar ligt de aap!" riep Dirk en wees naar het regenzeil.
+
+Verscheidene handen waren nu in de weer om het dier te grijpen. Hiertoe
+was evenwel geene vlugheid noodig, want het dier was dood en vlak naast
+hem lag een gouden ring met grooten diamant.
+
+Ouwe Joost nam den ring, ging er mede naar Kapitein Londenaar en zeide:
+"Hier, Kapitein! Die is voor u!"
+
+"Hoezee!" juichte het volk toen het zag wat de oude man deed. "Flink
+zoo! Ferm zoo, Joost!"
+
+Maar Kapitein Londenaar ging met den ring naar Dolf en zeide: "Hier,
+goede vriend! Hier is eene gedachtenis van het dankbare scheepsvolk aan
+u. Hadden we u niet gehad, zeker zouden we allen met "De nieuwe
+Leerdam" naar den kelder gegaan zijn!"
+
+Kapitein Londenaar stak den ring aan Dolfs vinger en diep ontroerd
+antwoordde de flinke gezel in ronde zeemanstaal: "Dank! Dank! Voor
+Holland en de Compagnie mijn leven en mijn bloed! Hoezee!"
+
+Met een hartelijk gejuich werden deze woorden begroet en daarna begaf
+ieder zich naar de leggers om zich eens te verzadigen aan het heerlijke
+water, dat men opgevangen had, terwijl men zorg droeg om al de andere
+leggers schoon te maken en ook vol te laten loopen.
+
+Thans had men weer moed en wie die schepelingen nu gezien had, zou vol
+verbazing hebben uitgeroepen: "En zijn dat nu de mannen, die onlangs
+oproer maakten?"
+
+Maar waren er dan geene redenen voor geweest om hen toen zoo ontevreden
+te stemmen?
+
+Ja, ik weet wel, oproer mag men nooit maken, maar, een mensch is een
+mensch, en Janmaat is ook een mensch.
+
+Nu had men geene redenen meer om ontevreden te zijn.
+
+De gestadige regenbuien vulden al de leggers.
+
+Erwten, boonen, pekelvleesch en spek, alles was vol-op aanboord. Ja,
+zelfs zeer lichten tafelwijn vond men er in overvloed en de
+Opperkoopman, die maar wat blij was, dat hij met al zijne ongelukken nog
+zulk eene voordeelige reis maakte, liet iederen dag aan elk man eene
+halve flesch van dien wijn uitdeelen. Ieder kreeg bovendien nog eene
+goede portie suiker, zoodat ze zich verfrisschen konden met heerlijke
+limonade van wijn.
+
+De kok kon koken en braden zooveel hij wilde.
+
+De wind, die geregeld en zonder vlagen woei, deed "De nieuwe Leerdam"
+voortvliegen, alsof ze de manschappen de verloren schade wilde doen
+inhalen.
+
+Ziek was niemand; vroolijk waren velen; tevreden waren allen.
+
+"Wie had dát kunnen denken, dat het zóó afloopen zou, Joostje?"
+zeide de Kapitein toen ze reeds in de nabijheid van Kaap de Goede Hoop
+waren.
+
+Deze Kaap werd in vroegere jaren zoowel op de heen-, als op de terugreis
+aangedaan. Tegenwoordig geschiedt dit alleen op de terugreis.
+
+Oude Joost keek den Gezagvoerder eens aan en zeide: "Als Dolf de Boef er
+eens niet geweest ware, dan weet ik niet, of alles wel zoo goed zou
+afgeloopen zijn, Kapitein!"
+
+"Het is zooals gij zegt, Joost! "Dolf de Boef" werd met Gods hulp
+"Dolf de Redder"," zeide de Kapitein en wie die woorden hoorde,
+stemde hiermede van ganscher harte in.
+
+"Nu, Dolf," zeide Henri Quatre aan den avond van dien dag, toen ze arm
+in arm op het scheepsdek heen en weer liepen, "nu, Dolf, je kostje is
+gekocht, als we het geluk hebben te Batavia te komen."
+
+"Zult gij mij dan aan uw' neef den Gouverneur-Generaal voorstellen,
+Willem?" vroeg Dolf met een lachje.
+
+"Gij lacht terwijl ge dit vraagt, Dolf! Daaruit blijkt het, dat ge zelf
+er niet veel van gelooft. Neen, man, de Gouverneur-Generaal kent me
+zelfs niet en wil mij liever maar niet kennen ook. Ge begrijpt, een
+bootsman en een Toewan besaar passen al heel slecht bij mekaêr![18] Het
+is al mooi, dat hij er voor gezorgd heeft, dat ik altijd, hoewel ik den
+naam heb van lastig te zijn, als bootsman vaart heb. Ik moet dat al
+prijzen; want als hij me hieraan niet hielp, dan kon ik misschien wel
+geen schip als matroos krijgen. Maar met jou is het wat anders. De
+Super-carga zal wel voor je zorgen, dat je vooruit komt!"
+
+"Stil, Willem, stil! Wil hij voor ons beiden zorgen, goed; maar liever
+vaar ik als matroos uit en blijf bij jou aanboord, dan dat ik je verlaat
+om op een ander schip in rang boven je staan. We zijn nu weer bij mekaêr
+en .... we blijven bij mekaêr. Wel te rusten!"
+
+De twee vrienden zochten nu ieder hunne kooi op en Ouwe Joost, die een
+en ander van hun gesprek verstaan had, zeide in zichzelven: "Vlamingen
+zijn ze, maar, alével ferme kerels!"
+
+Dat was voor Ouwe Joost al heel veel gezegd; want bij hem ging er
+niemand boven een' Hollander, Fries of Zeeuw. Dat waren de Pieten.
+Kwamen ze uit een van de andere vier gewesten, dan was het maar zoo-zoo;
+maar vreemdelingen bleven vreemdelingen, en waren in zijn oog meestal
+geen knip voor den neus waard.
+
+
+VOETNOTEN.
+
+[16] =Waarloos hout= heet men aanboord der schepen alle houten
+voorwerpen, die ingescheept worden om op reis, als het noodig is, andere
+van dezelfde soort te vervangen.
+
+[17] Een karveel was een Portugeesch vaartuig van middelbare grootte,
+dat met driehoekige zeilen getuigd was. Deze zeilen heetten
+latijnzeilen, omdat ze in gebruik waren bij de volken, die de kusten der
+Middellandsche Zee bewoonden. Men noemt die volken ook wel eens de
+Latijnsche volken. Waar we nu wat verder van =Latijnsche tuigage=
+spreken, zullen onze lezers wel weten, wat daarmede bedoeld wordt.
+
+[18] Toewan besaar = Groote Heer. Het is de naam waarmede de Javaan den
+Gouverneur-Generaal aanspreekt. =Toewan= is =heer= en =besaar= is
+=groot=.
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+Een koningsmiddel.
+
+
+Door den overvloedig gevallen regen hadden ze de leggers thans vol met
+heerlijk regenwater. Levensmiddelen waren in overvloed aanboord en aan
+andere zaken had men geen gebrek. Daarom stelde de nieuwe Kapitein voor,
+omdat men toch al zooveel ten achteren was, de Kaap maar niet aan te
+doen, en, gebruik makende van den gunstigen wind, liever rechtuit naar
+Batavia te zeilen. Toen ieder overtuigd was, dat men terwille van water,
+levensmiddelen of wat anders niet gedwongen was eene haven op te zoeken,
+werd Londenaars voorstel aangenomen en het gevolg daarvan was, dat men,
+na zóóveel ondervonden te hebben, slechts zes weken later te Batavia
+aankwam dan de "Nieuwpoort", waarmede men uitgezeild was.
+
+De komst op de reede van Batavia van eene Portugeesche karveel onder de
+Prinsen- of Statenvlag verwekte daar groote verwondering, en eer de
+Javaansche kadraaiers[19] aanboord waren, was de Fiskaal er reeds met
+zijn gevolg om het schip en de lading te onderzoeken, en te zien of er
+ook iets te vinden was, waarvan de Compagnie den invoer had verboden.
+Het spreekt vanzelf dat Kapitein Londenaar terstond alles mededeelde van
+hetgeen er met de "Leerdam" gebeurd was, en hoe het kwam dat eene
+Portugeesche karveel den naam gekregen had van "De nieuwe Leerdam".
+
+Nadat het onderzoek natuurlijk bevredigend afgeloopen was, ging de
+Super-carga met den Fiskaal aan wal. Al de anderen moesten blijven waar
+ze waren; niemand mocht het schip verlaten.
+
+"Kijk eens, kijk eens, Garrit, wat rare luî komen daar aan in die kleine
+bootjes!" riep Dirk en wees op eenige kadraaiers, die met elkander en
+lang niet altijd op eene vreedzame manier, schenen te wedijveren wie het
+eerst bij het schip zou zijn.
+
+"Dat zijn Chineesche kadraaiers, jongens," zeide Ouwe Joost. "Als
+je nu maar een' vollen buidel hebt, dan is het goed. Dan kunt ge aan
+den koop!"
+
+"Ik ga mijne borre halen!" riep Dirk.
+
+"En ik ook," zei Garrit.
+
+Lachend zag de oude matroos de twee jongens na en zeide: "Als ik niet
+oppas en een oogje in het zeil houd, dan koopen ze zich aan allerlei
+ontuig ineens arm. Ik ken die afzetters!"
+
+Garrit en Dirk waren juist met hunne geldbuidels, of zooals zij deze
+noemden, borren, terug toen de eerste Chineezen met hunne waar beneden
+bij het schip gekomen waren.
+
+"Hoort eens, mannen," sprak nu Kapitein Londenaar, "ik zal een
+paar van deze kerels aanboord laten komen. Maar, betaalt niet wat ze
+vragen! Ze overvragen erg. Dingt gerust de helft af en koopt toch niet
+al te veel fruit; want wie dat hier veel eet, krijgt eene ziekte in de
+ingewanden en moet zijne gulzigheid meestal met den dood bekoopen!"
+
+"Meester Troost der Armen is er toch nog en die zal ons wel zóó
+inzalven, dat we er geen hinder van hebben, Kapitein," riep een matroos,
+en zoodra een der Chineezen aanboord was, liep hij er heen en haalde
+twee groote water-limoenen en vier pisangs uit zijne mand, en betaalde,
+dom genoeg, wat de slimme Chinees er voor beliefde te vragen.
+
+De kooplieden waren weldra zóó door het volk omringd, dat de Twee Vromen
+er niet bij konden komen, en terwijl ze hierover stonden te klagen,
+kwam Ouwe Joost bij hen en zei: "Hebt maar geduld, jongens! Er komt nog
+meer van dat volk, en als je mij laat koopen, dan heb je alles voor een
+bagatel en bovendien puike waar. Ik weet er mee om te springen!"
+
+Half onwillig lieten Garrit en Dirk zich overhalen, geduld te oefenen.
+Zij voelden het water in hun' mond komen, als ze zagen hoe hunne makkers
+in de heerlijke, sappige vruchten beten.
+
+Reeds drie kadraaiers hadden al hunne vruchten verkocht; want Kapitein
+Londenaar mocht waarschuwen zooveel hij wilde, de meesten sloegen zijn'
+goeden raad in den wind en verslonden de eene vrucht na de andere.
+
+Eindelijk schenen ze hunne bekomst te hebben, althans toen een vierde
+kadraaier aanboord kwam, waren er maar weinig liefhebbers meer.
+
+"Nu is het onze beurt, jongens!" zei Ouwe Joost. Hij haalde een paar
+groote limoenen uit de mand, bekeek ze eens, rook er eens aan en legde
+ze toen weer met een verachtelijk lachje neer.
+
+"Bah, wat een uitschot!" zei hij in gebroken Maleisch. "Hoeveel
+durf je nog voor die dingen vragen?"
+
+De koopman noemde eene som en Ouwe Joost bood juist het derde deel.
+
+"Je hebt goed slag van afdingen," zeide Dolf, die er bij stond en nog
+niets gekocht had, omdat hij de eenige aanboord was, die geen geld had.
+Hij wist wel, dat Kapitein Londenaar zorgen zou, dat de Compagnie hem
+betalen zou voor het werk, dat hij verricht had, als matroos en als
+Stuurman; hij begreep ook wel, dat er nog wel wat extra's op
+overschieten zou ook, maar, hij was te trotsch om voorschot te vragen op
+eene gage, die ze hem niet behoefden uit te betalen, omdat hij niet op
+de monsterrol vermeld stond. Zijn vriend de bootsman was niet aanboord,
+want die bracht den Super-carga aanwal. Hij zou spoedig terugkeeren en
+misschien dat Dolf dan hem om geld zou vragen.
+
+"Je zult zien," antwoordde Ouwe Joost, "dat ik ze voor dat geld
+krijg." Hij deed alsof hij weg wilde gaan.
+
+Zoo was het evenwel door den Chinees niet gemeend. Hij liep hem na,
+verminderde steeds den gevraagden prijs en eindigde met de twee
+heerlijke limoenen te verkoopen voor een prijsje, waarvoor de haastige
+koopers geen uitschot hadden gekregen. Ja, Joost wist het zóó aan te
+leggen, dat hij er nog twee grootere bij kocht voor nog minder geld.
+
+"Vooreerst genoeg, jongens," zei hij. "Morgen komt er weer een dag.
+Weest maar niet ongerust, dat ze vandaag uitverkocht zullen zijn."
+
+"Voor ieder maar één?" riep Garrit verwonderd. "Of is die vierde
+voor Dirk en mij?"
+
+"Neen, niet voor u en niet voor uw broêr," sprak de matroos, en de
+mooiste limoen Dolf toereikend, zei hij: "Hier, man! Gewezen boeven
+hebben geene duiten. Het geld krijg ik later."
+
+Dolf aarzelde de vrucht aan te nemen en kreeg eene kleur.
+
+"Nu, bloos maar niet als een ijdeltuitig jofferken," riep Joost
+lachend. "Denk je dan dat wij niet weten, dat je geen geld hebben kunt.
+Als de Sinjeur, de Super-carga, afrekent, zult ge ons beschaamd zetten.
+Koop er dan een voor mij, Dolf, en eet nu deze van mij op! Weinig, maar
+uit een goed hart, man!"
+
+"Je kunt en moogt veel zeggen, brave vriend," sprak Dolf, geroerd over
+den hartelijken eenvoud van den grijzen zeerob. "Ik neem deze vrucht in
+dank aan!"
+
+"Dat begreep ik ook wel," hernam de matroos, "en gij, Garritje,
+je bent bang dat je er aan één niet genoeg hebt, he? Wacht maar een
+uurken, dan zult ge blij zijn, dat ge er geen twee op hebt."
+
+"Hei, hei, nieuwe Dokter," riep Meester troost der Armen, die alles
+verstaan had. "Ik ben nu Dokter en ik mag dus een woordje mede spreken,
+maar ik zeg, dat ik er nog nooit last van gehad heb, als ik vijf of zes
+limoenen achter mekaêr opat. Ik heb er nu eens acht opgegeten en...."
+
+Meester Troost der Armen zweeg opeens, trok een pijnlijk gezicht en
+legde de hand op zijn' buik.
+
+"En nu komt het appelmanneke al om zijn geld! Gauw, meester! Ga nu maar
+als de wind zoo vlug in een vat troost der armen liggen," riep Ouwe
+Joost lachend.
+
+De scheepsbarbier hoorde niet meer, wat de matroos zeide, maar
+verwijderde zich zoo schielijk, als hij maar kon.
+
+Tusschen al die bedrijven door was Henri Quatre met de sloep
+teruggekomen. Zijne bootsgezellen kochten den kadraaier ledig en deze
+maakte zoodoende nog goede zaken.
+
+Een half uurtje later kwam een matroos naar den Kapitein loopen en riep:
+"Kapitein, de scheepsbarbier ligt op zijn uiterste. Hij leeft geen uur
+meer!"
+
+"Dadelijk naar de stad om hulp te halen," beval de Kapitein, die
+vreesde, dat er wel meer zieken zouden komen.
+
+Ouwe Joost, Dirk, Garrit en Henri Quatre, die geen van allen te veel
+gegeten hadden, roeiden naar de stad en waren zoo gelukkig Meester
+Hermanus Benedictus, den scheepsbarbier van de "Nieuwpoort", mede te
+krijgen. Deze begreep wel, wat er gaande was, en nam alvast eene goede
+hoeveelheid van een zeker medicament mede om dat de zieken in te geven.
+
+Deze Hermanus Benedictus was de zoogenaamde Meester Jonas, die bij
+Meester Troost der Armen zoo slecht aangeschreven stond, omdat men van
+den man vertelde, dat hij alles met rabarber wilde genezen. Dit nu was
+in het geheel niet waar, ja, de man moet zelfs voor zijn' tijd een zeer
+knap geneesheer geweest zijn, want zijn naam wordt met veel lof genoemd.
+
+Zoodra hij aanboord kwam en zag hoe Meester Troost der Armen zich van
+pijn in elkander wrong, zei hij: "Jawel, jawel, de pisang-poppekens zijn
+aan het dansen en de limoen-joosjes spelen de fluit erbij! Slikken
+maat!"[20]
+
+Hij zette hem eene spoelkom vol krachtige medicijnen aan den mond, doch
+de zieke weigerde ervan te gebruiken.
+
+"Och, staat me eens een oogenblik bij, mannen," sprak Meester
+Benedictus enkele matrozen toe, en dezen waren daartoe dadelijk bereid.
+De eerste hield het rechterbeen van den zieke beet, en de tweede het
+linker. Twee anderen belastten zich met zijne armen. Henri Quatre trok
+hem achterover en hield hem op den rug, en Kapitein Londenaar kneep met
+zijne fijne handjes den brullenden scheepsbarbier den neus dicht, en
+telkens, als deze gaapte, goot Meester Benedictus hem den mond vol. Zoo
+kwam de gansche inhoud van de spoelkom terecht in het lijf van den
+zieken scheeps-barbier, en dit scheen zijn behoud te zijn; want spoedig
+kwam hij tot rust en reeds twee dagen later was hij instaat zijne kooi
+te verlaten. Een paar matrozen evenwel hadden hunne gulzigheid met den
+dood moeten bekoopen.
+
+Intusschen werd het schip gelost en naar het eiland Onrust gebracht waar
+het tot nadere bevelen moest blijven liggen. Men had ook goed gevonden
+het geheel te verbouwen en het volk op een ander schip eene reis te
+laten doen. Dat schip was er echter nog niet, en tot zoo lang bleef de
+heele bemanning aanboord van "De nieuwe Leerdam".
+
+Eén enkele maal was de Gouverneur-Generaal, die toen een man was van
+ruim vijftig jaar, op het schip geweest en had bij die gelegenheid
+gezegd, dat hij van den Super-carga vernomen had, dat al het volk zich
+zoo cordaat had gehouden. Als eene belooning voor die goede diensten
+wilde hij hen allen bij elkander houden. Kapitein Londenaar zou
+Kapitein blijven en Dolf zou eene aanstelling krijgen als Stuurman. Van
+zijn' neef sprak hij niet, en alleen in het voorbijgaan keek hij hem aan
+en zei: "U is bootsman Willem van Aspervelde?"
+
+Henri Quatre boog zeer beleefd en zeide: "Om u te dienen, Heer neef! Ik
+ben jonker Willem van Aspervelde."
+
+De Gouverneur-Generaal scheen het niet prettig te vinden aldus
+aangesproken te worden, doch bemoedigend en alles behalve onvriendelijk
+zeide hij: "Laat dat "neef" voorloopig nog maar weg, bootsman! De
+Regeering heeft uitnemende rapporten van u ontvangen, en zoo ik hoop en
+vertrouw, zult ge er geen berouw van hebben andermaal in Indië
+aangekomen te zijn. Als gij er lust in hebt, zal ik zorgen dat gij als
+Kapitein een schip krijgt. Wilt ge op eene andere wijze uw geluk
+beproeven, laat mij het weten en ik zal u gaarne voorthelpen!"
+
+Zonder meer te zeggen verwijderde hij zich, doch eer het avond was, had
+Willem van Aspervelde zijne aanstelling als Opper-stuurman bij de
+Compagnie.
+
+Zoo brak de drieentwintigste Januari aan, en aan den avond van dien dag
+zeide Meester Troost der Armen, dat hij zijn' collega Meester Benedictus
+eens ging opzoeken om hem dank te zeggen voor de goede behandeling. Als
+belooning daarvoor wilde hij hem het recept geven van zijne kostbare
+zalf "troost der armen" en tegelijkertijd deed hij er twee groote
+Keulsche potten van die zalf bij. Garrit en Dirk waren wel zoo goed
+ieder een' dezer potten te dragen.
+
+Meester Troost der Armen stapte heel deftig vooruit. Hij moest hier te
+midden van al dat vreemde volk zijne waardigheid toch ophouden! Meester
+Petrus Pruymius, zijn ware naam was Pieter Pruym, moest toch toonen, dat
+hij aanboord van een schip der Compagnie geen kwâjongen was. Hij had
+zich daarom heel deftig aangekleed en voor deze gelegenheid een' degen
+aangegespt. Toevallig hing die aan zijne rechterzijde, omdat Meester
+Pruymius links was.
+
+Nadat ze reeds een heel eind waren voortgeloopen, zeide Dirk: "Meester,
+ik zou wel eens wat willen rusten! Ik word moede van mij door het
+gedrang te wringen. Hoe komt het toch dat het vandaag zoo bijster drok
+is?"
+
+"Ja, die Chineezen gelijken wel gek," meende Garrit.
+
+Meester Pruymius zocht een stil plaatsje uit en zeide: "Rust hier dan
+wat, jongens! En die drukte? Welnu, het is vandaag Nieuwjaarsdag voor de
+Chineezen."
+
+"En waar ergens woont Meester Benedictus?" vroeg Garrit. "Zou het nog
+ver loopen zijn?"
+
+"Ja, jongen, dat weet ik niet; maar een man als Meester Benedictus
+zullen ze hier toch wel kennen. Ik zal het eens aan dien vroolijken
+Chinees vragen." Hij ging hierop naar een' Chinees, die zich in een
+buffelhuid gestoken en zijn gezicht geel en groen geverfd had. Evenals
+zoovele andere Chineezen had deze man zich bij gelegenheid van
+Nieuwjaarsdag verkleed en zeker ook wel wat anders gedronken dan slappe
+thee.
+
+Meester Pruymius hield hem staande en vroeg in eene taal, die hij
+Maleisch noemde: "Mana doekoen Benedictus ajar?"
+
+De Chinees keek den man eens aan, haalde de schouders op, lachte, maakte
+een' luchtsprong en liep naar een paar andere Chineezen, die onze drie
+vrienden ook eens even aankeken en toen lachend verder gingen.
+
+"Wat heeft u toch gevraagd, Meester?" vroeg Dirk.
+
+"Wel, ik vroeg dien knul in best, heel best Maleisch, waar Dokter
+Benedictus was, maar die snoeshaan scheen alleen zijn eigen
+Koeterwaalsch te verstaan. We zullen nu maar...."
+
+"Meester, meester, kijk eens wat eene beweging! Wat zou dat zijn?" zei
+Garrit opeens.
+
+"Wat loopen ze!" riep Dirk. "Ze schijnen te vluchten!"
+
+Ons drietal ging nu op een' hoop steenen staan om te zien, wat er
+gebeurde.
+
+Gillend en schreeuwend kwamen Chineezen, Javanen en enkele Blanken
+aanloopen. Ze werden achtervolgd door een' man, die bijna geheel
+naakt was en een groot mes zwaaide.
+
+[Illustratie]
+
+Eene der vluchtende vrouwen, door hem ingehaald, stak hij koelbloedig
+dood en rende toen weer verder, achtervolgd door eene menigte
+gewapenden, die zoo luid mogelijk schreeuwden: "Amok! Amok!"
+
+"O wee!" riep Meester Pruymius, "dat is een amok-maker!" en
+hierop zijn degen losgespende ging hij aan den haal zoo hard hij
+kon.[21]
+
+Garrit volgde het voorbeeld van den dapperen Dokter en liet den
+Keulschen pot in den steek. Ook Dirk wilde op de vlucht gaan, doch het
+was, alsof zijne voeten aan den grond vastgegroeid waren. Hij kon niet
+van zijne plaats af en zag zijn' broeder en den scheepsbarbier weldra in
+de vluchtende menigte verdwijnen.
+
+Daar naderde de vreeselijke man. Het was akelig om dat verwrongen
+gezicht en die vreeselijke, dreigende bewegingen te zien. En niet zoodra
+kreeg de amok-maker den armen verslagen jongen in het oog, of hij kwam
+woedend op hem af.
+
+Dirk beproefde alweer te vluchten; maar hij kon niet.
+
+Het angstzweet liep met stralen langs zijne wangen.
+
+Nog eenige stappen en....
+
+In dat vreeselijk bange oogenblik liet Dirk een' schreeuw hooren, zoo
+akelig, dat hij zelf ervan schrikte, en niet wetend, wat hij deed, smeet
+hij met de kracht der wanhoop, den Keulschen pot met zalf op goed geluk
+af naar het hoofd van den waanzinnige.
+
+En ziet eens aan, als een tweede David trof hij dien kerel zóó goed
+tegen den linkerslaap van zijn voorhoofd, dat hij achterover sloeg en
+bewusteloos neerviel. Van dat oogenblik maakte Dirk gebruik om den
+woesteling het mes uit de hand te rukken. Doch de kerel kwam spoedig
+weer bij en reeds was hij gereed zich op te richten, toen Henri Quatre,
+Dolf en IJzeren Neptunus kwamen aansnellen en hem geheel onschadelijk
+maakten. De handdruk, dien IJzeren Neptunus dien kerel gaf, was zóó
+hartelijk, dat hij hem den pols ontwrichtte. Terstond kwam het
+vluchtende volk terug en wie gezien had, wat Dirk had gedaan, sloeg den
+opgeschoten, baardeloozen knaap met bewondering gade. Ieder meende in
+hem een' held te zien, en het scheelde niet veel, of hij werd door de
+menigte met gejuich rondgedragen. IJzeren Neptunus zag evenwel zeer
+goed, dat de knaap zich overspannen had en nam hem mede zoo gauw hij
+kon.
+
+Aanboord viel hij werkelijk in onmacht neder, doch Kapitein Londenaar
+wist hem spoedig bij te brengen en liet hem nu vertellen, wat er toch
+gebeurd was. Dirk deed dat en toen hij zijn kort verslag uitgebracht
+had, was zijne eerste vraag: "En waar is Garrit? Zouden ze hem niet
+vermoord hebben?"
+
+"Garrit vermoord?" vroeg Henri Quatre. "Waarom zouden ze dat gedaan
+hebben? Er was maar één amok-maker, hoor, en dat was al meer dan genoeg.
+Garrit zal best terecht komen. Verheug je maar, dat wij met ons drietjes
+zoo toevallig op de wandeling waren. Dat was je geluk, kereltje!"
+
+Ondertusschen werd het avond, maar wie er terugkwamen, Garrit en Meester
+Pruymius niet.
+
+"We zullen de luî gaan opzoeken," zeide Henri Quatre, en gevolgd door
+Dolf, Hoepel en Kreeft, allen goed gewapend, begaf hij zich op weg.
+
+Het was overal in de stad nog tamelijk onrustig, doch hoe meer men het
+Chineesche kwartier naderde, hoe meer de luidruchtigheid toenam.
+
+De Chineezen, die gewapende Hollanders ziende, begrepen niet, wat er
+gaande was. Zij waren toch geene amok-makers, dat wist de Regeering ook
+wel! Ze vierden maar vroolijk feest, dat was het al.
+
+Henri Quatre zag wel dat hunne verschijning daar niet gewenscht was en
+vroeg in het Maleisch, dat de Chineezen best verstonden, want velen
+hunner waren met inlandsche vrouwen getrouwd, of ze niet twee Hollanders
+gezien hadden.
+
+"Twee Hollanders?" vroeg een oude Chinees, die zich van onder tot boven
+met kleine belletjes behangen had, "ja, die zijn in ons kwartier. Gaat
+maar mede, ik zal u bij hen brengen."
+
+De Hollanders volgden den Chinees door een' doolhof van armoedige hutten
+en stonden eindelijk stil voor eene vrij groote woning waarvoor men een
+houten tooneel opgeslagen had. Op dat tooneel vertoonden de Chineezen
+allerlei zotternijen en eene groote menigte zat er om heen, en telkens
+als men de eene of andere klucht vertoonde, barstte het heele gezelschap
+in een luid gelach los.
+
+"Daar zitten ze," zeide de oude Chinees en wees Meester Pruymius en
+Garrit aan.
+
+Onze vier vrienden begaven zich er heen.
+
+"Hei, Meester Troost der Armen!" dus begon Henri Quatre, "hoe zit gij
+hier en gaapt en laat ons aanboord in angst over uw wegblijven?"
+
+Meester Pruymius keek zijne vrienden aan met een paar schelvisch-oogen
+en zeide met dubbelslaande tong: "Vanmiddag, zie je, zei ik, zie je,
+tegen Garrit, weet je, we zullen een afzakkertje nemen voor den schrik,
+zie je! En dat afzakkertje, zie je, is in onze kuiten gezakt, weet je,
+en nu rusten we hier wat uit, zie je!"
+
+"Jij met je zie-je en weet-je! Gaat allebei maar gauw mee," sprak Henri
+Quatre. "Dirk is in de grootste ongerustheid over zijn broer en ...."
+
+Krak-krak-krak! klonk het opeens.
+
+Allen keken wat er gebeurde.
+
+Nu, erg was het niet. Er was maar eene plank van het tooneel
+doorgebroken en een klein Chineesje was er doorgezakt. Men haalde het
+kind spoedig te voorschijn. Het scheen op den neus terecht gekomen te
+zijn en bloedde hevig.
+
+"Troost der armen! Troost der armen! Kwâjongen, waar is de Keulsche
+pot?" riep opeens Meester Pruymius.
+
+De Chineezen bleven doodbedaard en eene der vrouwen kwam dadelijk met
+wat zalf aanloopen. Het kleine Chineesje werd afgewasschen en toen
+geheel met die zalf ingesmeerd. Het bloeden van den neus had opgehouden.
+
+Of nu het ventje niet zoo heel hard op den neus terecht gekomen was,
+hieraan dacht meester Pruymius niet. Hij meende dat het door de zalf
+kwam en vroeg op zijn Hollandsch, dat men beter verstond dan zijn
+Maleisch, wat het was.
+
+"Dat is borreborrie," zeide de oude Chinees met bellen.
+
+"Waarvan gemaakt?" vroeg Meester Pruymius.
+
+"Van klapperolie, zaagsel van sandelhout en wat saffraan," luidde het
+antwoord.
+
+"Kom, kom, Meester Troost der Armen, mee! Verzin nu maar geen nieuwe
+medicament om ons naar de andere wereld te helpen," zeide Dolf, en met
+Kreeft, onzen barbier onder den arm nemende, sukkelden ze door de
+menigte heen en kwamen omstreeks negen uur aanboord terug. Onderweg had
+Meester Pruymius den mond vol van borreborrie, en hij zwoer, dat hij
+voortaan alleen die zalf zou gebruiken. Dat was nog eerst een heerlijk
+middel!
+
+Toen hij evenwel den volgenden morgen hoorde vertellen hoe Dirk met den
+Keulschen pot vol troost der armen den amok-maker zoo netjes suf gegooid
+had, wierp hij een der potten van de nieuwe zalf, welke hij al gemaakt
+had, overboord en zeî: "Weg met dat poespas borreborrie! Er gaat niets
+boven troost der armen!"
+
+"Jawel, Meester," sprak Kapitein Londenaar.
+
+"Wat dan, Kapitein?" vroeg Meester Pruymius.
+
+"Een tochtje naar de Molukken, Meester! Zoo even heb ik bevel gekregen,
+ons in te schepen op de "Koning van Polen", die daar ligt. Maak je
+boeltje maar gereed!"
+
+Dat gaf eene heele drukte dien dag en ook nog den volgenden, doch eer
+Januari uit was, lichtte de "Koning van Polen" het anker, en onder het
+losbranden van het geschut, zette men koers naar de nieuwe bestemming.
+
+Meester Pruymius stond over de verschansing gebogen en zag Batavia
+langzamerhand verdwijnen, en toen hij eindelijk niets meer van de stad
+zag, bleef hij toch staan.
+
+"Hei, Meester! Wat zoekt ge daar in de diepte?" vroeg Dolf, die lachend
+hem eene hand op den schouder legde. "Zoekt ge soms borreborrie?"
+
+Meester Pruymius hief zich op en zeide vol waardigheid: "Borreborrie,
+kwakzalvers-poespas, niets anders! Troost der armen is de baas! Laat
+Dirk maar spreken, die weet er alles af!"
+
+"Meer dan de amok-maker," antwoordde Dolf.
+
+"Ja, die kwam door mijn' troost heel leelijk aan zijn einde,"
+antwoordde de knappe Dokter.
+
+Dolf lachte er hartelijk om, doch Joost, die de zalf van Meester
+Pruymius niet zien of ruiken kon en toevallig voorbijkwam, zeide: "Je
+pakt uit, Meester! Maar ik houd het ervoor dat de Keulsche pot harder
+aankwam dan het vette ontuig."
+
+"Vet ontuig, Joost," riep Meester Pruymius opgewonden uit. "Heel de
+wereld zal je tegenspreken en je zeggen, dat mijne zalf juist het
+tegendeel is van vet ontuig!"
+
+"Heb ik vet ontuig gezegd?" riep Joost lachend uit.
+
+"Ja, wat anders? Ze hebben het allemaal gehoord."
+
+"Vergeving, Meester, ik versprak me en meende "mager ontuig," zie
+je," zeide de vroolijke oude, die zich lachend verwijderde.
+
+"Ze mogen mijn troost der armen vet of mager ontuig noemen," bromde
+onze barbier, ik noem het een koningsmiddel!"
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+Een zeer voornaam bezoek.
+
+
+Meer dan een jaar lang had de "Koning van Polen" reeds in de Molukken
+vertoefd en menigen tocht naar Amboina en Ternate gedaan. Het was nu
+April en het schip kruiste met nog twee andere Compagnie-schepen op de
+hoogte van het eiland Boeroe, een der grootste van de Molukken of
+Specerij-eilanden. Bijna het geheele eiland, dat eene grootere
+oppervlakte beslaat dan de provinciën Zuid-Holland, Noord-Holland,
+Zeeland en Utrecht samen, is omringd door koraal-riffen. Alleen aan de
+Noordoostkust kunnen groote zeeschepen het eiland aandoen. Het is zeer
+vruchtbaar, en drie jaar te voren hadden de Nederlanders het in bezit
+genomen.
+
+De "Koning van Polen" was nu hier om hout in te nemen, dat in de groote
+bosschen van dit eiland zoo maar voor het halen was.
+
+Op zekeren dag, dat het volk weinig te doen had, zeide Garrit, dat hij
+wel eens zou willen visschen, want dat hij verlangde, nog wat anders te
+eten dan het gewone scheepsvoedsel. Terstond waren verscheidene mannen
+daartoe bereid, en na van den Kapitein vergunning gekregen te hebben aan
+wal te gaan, stapten een twintig mannen in de groote boot en voeren naar
+het land.
+
+"En ik zou liever wat kennis maken met de kust," zeide Henri Quatre.
+"Het schijnt een eigenaardig eiland te zijn."
+
+"Om met het schip op de koraal-riffen te komen, zeker?" vroeg Dolf.
+"Het is er vol van!"
+
+"Neen, niet met het schip, maar met eene boot. Ga je mee, als de
+Kapitein daartoe vergunning geeft?"
+
+"Ik wel," was het antwoord, en Dirk, die aan boord gebleven was, vroeg
+of hij dan ook mede mocht.
+
+Dit werd toegestaan.
+
+De lucht stond niet naar verandering; de wind was niet hevig en de zee
+niet anders dan gewoonlijk, zoodat Kapitein Londenaar er geen bezwaar in
+zag, dat zijne twee Stuurlieden en Dirk samen een tochtje gingen maken.
+Ze kregen evenwel het bevel mede vóór vier uren terug te zijn.
+
+Zoo lang meende men niet eens weg te blijven, en Dolf, die zag, dat de
+visschers eene goede vangst maakten, verzekerde bovendien, dat hij
+aanboord zou zijn, als de visch opgedischt werd.
+
+Spoedig was ons drietal aan wal; de boot werd vastgelegd en goed
+gewapend begaven ze zich op pad.
+
+De zon scheen brandend heet en om de hitte te ontvluchten, hielden ze op
+hunne wandeling langs de kust, zooveel mogelijk de lommerrijke bosschen.
+
+Dat pad was echter niet gebaand en zeer moeielijk te betreden. Ieder
+oogenblik moesten ze zichzelven dwars door het kreupelhout en de
+slingerplanten heen met het mes een' doortocht banen en dan was het nog
+een paadje om handen en gelaat vol schrammen te krijgen.
+
+Nu en dan zagen ze ook boschjes van specerij-planten, die een'
+heerlijken geur verspreidden, en daar tusschen bevonden zich de
+armoedige hutten der inwoners, die wel zorgden voor onze drie
+onzichtbaar te blijven, en als ze per ongeluk op hun' weg kwamen, dan
+namen ze schielijk de vlucht.
+
+"Ik kan niet zeggen, dat het eiland veel afwisseling biedt," zeide
+Henri Quatre. "Het begin was als hier, en hier is het als in het
+begin. Hout en nog eens hout is alles, wat we zien. Me dunkt, we moesten
+maar terugkeeren, dan zal de visch juist gaar zijn, als we aanboord
+komen."
+
+Dirk en Dolf keurden dit voorstel goed en men nam den terugweg aan, doch
+om nu zooveel mogelijk nog wat anders te zien dan op hunne heenreis,
+besloten ze iets dieper landwaarts in te gaan. Onwillekeurig maakten ze
+nu een' langeren weg en kwamen eerst na den middag bij het kleine
+Nederlandsche fort aan.
+
+Het bootje lag er nog; maar juist toen zij wilden instappen, zeide Henri
+Quatre: "Gauw, gauw, als de wind zoo vlug! Er komt een onweder op, en
+vóór het losbreekt, wilde ik graag aanboord wezen."
+
+"Nu," zeide Dirk, "dat zal wel gaan, denk ik. Binnen een half uurtje
+zijn we aanboord. Vanmorgen hebben we het in minder dan twintig minuten
+gedaan."
+
+"Vanmorgen was vanmorgen," hernam Henri Quatre, die blijkbaar zeer
+gejaagd was. "Nu is het vloed, en er gaat hier een sterke stroom. Als we
+over een uur bij het schip zijn, mogen we blijde wezen. En vóór dien
+tijd zullen we, vrees ik, de bui op het lijf krijgen. Jij, Dirk, aan het
+roer! Dolf en ik zullen roeien!"
+
+De twee krachtige mannen sloegen de riemen in het water, en hoewel ze
+trokken, dat de riemen soms krom stonden, vorderden ze maar weinig.
+
+Intusschen kwam het onweder met ontzettende snelheid nader, en aanboord
+van de "Koning van Polen" scheen men ook iets te begrijpen van het
+naderende gevaar, want de zeilen werden met spoed geborgen, terwijl men
+door wenken en wuiven de drie, die in de boot op zee waren, tot meer
+haast aanspoorde.
+
+Uit de verte hoorde men het gerommel van den donder.
+
+"Het blijft gelukkig stil," zeide Dirk.
+
+"Stil! Was er maar wat wind," sprak Henri Quatre, wien het zweet
+tappelings langs de bruine wangen stroomde. "We komen er niet, en --"
+
+Eensklaps smeet hij zijn' riem in de boot, wierp Dirk terzijde en greep
+het roer.
+
+"Roeien, roeien! Ons leven hangt aan een zijden draadje!" riep hij.
+
+Dirk nam den riem op en trok, wat hij kon.
+
+Nog slechts eene halve mijl waren ze van het schip af.
+
+Zouden ze het halen? Zouden ze?
+
+"Gauw! Gauw!" klonk Londenaars stem door den roeper.
+
+"Daar komt de baas! God sta ons bij!" riep Henri Quatre en pas had hij
+dit gezegd, of de stormwind joeg langs de wateren en sloeg schip en boot
+van elkander af.
+
+"Voor wind en zee af! In Godsnaam!" klonk de stem van den wakkeren
+Stuurman en het kleine vaartuig vloog over de golven. Wanneer ze op den
+top van eene golf zaten, konden ze het schip zien, maar wanneer ze zich
+tusschen die ontzettende waterbergen bevonden, dan zagen ze niets dan
+het woedende element en de loodkleurige lucht. Eindelijk begon het ook
+te stortregenen. Geene bootslengte van zich af kon men zien. Het was te
+vergeefs dat de drie mannen elkander een woord toeschreeuwden. Het
+geluid van den storm, van de bruisende golven, van den suizenden regen
+en den ratelenden donder overstemde hun geroep. Maar konden ze elkander
+niet bespreken, toch zagen ze wel, dat ze iets moesten doen, wilden ze
+niet zinken, en dat was het water, dat met elke golf in het bootje kwam,
+uithoozen. Bij gebrek aan wat beters, gebruikte men daarvoor wat men
+had: mutsen en schoenen.
+
+"Land!" schreeuwde op eenmaal Henri Quatre.
+
+Pas had hij dat geroepen of de boot stootte op een rif, zoo hard en
+onverwachts, dat Dirk overboord sloeg. Eene golf nam hem op en droeg hem
+op de kust.
+
+Henri Quatre zag dat, en hij begreep, dat zijn eenig behoud ook hierin
+lag, dat hij overboord sprong, als hij eene golf zag aankomen. Hij liep
+naar Dolf en schreeuwde hem in het oor, wat hij doen moest.
+
+Dolf knikte ten teeken, dat hij zijn' vriend begrepen had.
+
+Daar naderde eene golf: een reus onder de reuzen.
+
+Bijna op hetzelfde oogenblik sprongen de mannen overboord en wat Dirk
+overkomen was, gebeurde met hen, de golf droeg beiden ongedeerd over de
+branding heen op het strand, dat maar zeer smal, en door steile rotsen
+begrensd was.
+
+"Die rotsen over en dan verder zien, wat we doen. Ik geloof, dat we nog
+altijd op Boeroe zijn, en als dat zoo is, dan zullen we, hoop ik, wel
+terecht komen," sprak Henri.
+
+De drie schipbreukelingen klauterden nu tegen de rotsen op en hadden
+weldra een uitgestrekt woud voor zich.
+
+Ook hier had de storm vreeselijk huisgehouden en ging hij voort de hooge
+reuzenstammen af te breken.
+
+De regen viel nog steeds bij stroomen neder, en het onweder scheen in
+hevigheid toe te nemen.
+
+Het ware dwaasheid geweest in dit weder verder te gaan; want daar ze
+geen tien passen voor zich uit konden zien, zouden ze misschien slechts
+afdwalen. Ze kropen daarom onder eene uitstekende rotspunt, waar ze voor
+den fellen slagregen beveiligd waren, en hier wachtten ze het einde van
+de bui af.
+
+Ze huiverden van de koude, en geen wonder.
+
+Eerst hadden ze zich doornat in het zweet gewerkt, en nu zaten ze daar,
+doornat van den regen. Het water liep met straaltjes uit hunne
+kleederen, en om nu geene koude op te loopen, besloot Henri Quatre zich
+inspanning te geven. Hij beproefde tegen de steile rotsen te klauteren
+en kreeg daardoor de gewone lichaamswarmte terug. Zijn voorbeeld werd
+door de twee anderen gevolgd, en toen ze een half uur later den top der
+rots bereikt hadden, zagen ze heel in de verte hun schip en op een
+kwartier afstands het Hollandsche fort.
+
+"Daarheen, vrienden," sprak Henri toen de bui bedaard was. "We
+zullen er gauw zijn."
+
+Dat gauw zijn bleek evenwel niet het geval te wezen.
+
+Wat vóór de bui beekjes waren, waarover men zonder stok gemakkelijk
+springen kon, dat waren nu breede stroomen geworden, welke met woeste
+snelheid hunne wateren naar zee stuwden.
+
+"Er dwars doorheen," zei Dolf en stapte in het water.
+
+"Dank je krachtig," riep Henri en trok zijn' vriend op het droge.
+"Zie je daar die lieve jongens niet? Denk je, dat ik de zee verlaten
+heb om in den buik van een' kaai-man te verhuizen? Een kaaiman is geen
+kikvorsch, hoor!"
+
+"Vriendelijk dank voor die waarschuwing," zeide Dolf. "Ik zag die
+vreeselijke dieren niet."
+
+Om nu geen gevaar te loopen aangevallen te worden door de kaailuî,
+waarvan de riviertjes wemelden, waren de drie mannen genoodzaakt, een'
+grooten omweg te maken.
+
+Die lange weg begon hun echter vreeselijk te vervelen, en daarom
+besloten ze eene rivier, die blijkbaar zeer ondiep was, te doorwaden.
+
+"Voor onze veiligheid zal ik dit wandelstokje medenemen," zeide Dolf en
+nam een stuk hout van een gestrand schip op.
+
+Zij begaven zich onbevreesd te water en zagen aan den anderen oever
+eenige Boeroeneezen nedergeknield liggen.
+
+"Die mannen schijnen ons om lijfsbehoud te bidden," sprak Dirk. "Zie
+maar hoe benauwd ze ons aankijken!"
+
+Henri Quatre lachte eens en zeide: "Nu zullen ze ons niet ontvluchten.
+Ze zien wel, dat we niet gewapend zijn. Ze zijn zeker water-aanbidders!
+Nu knielen ze ... Dolf, Dolf, pas op! Sla toe!"
+
+"Begrepen, buurman!" riep Dolf en sloeg zijn stuk hout op den harden
+kop van een' kaaiman, die op hem toegeschoten was en den vreeselijken
+muil geheel boven water had.
+
+Een vreeselijk geschreeuw liet zich aan den oever hooren.
+
+"Ze hebben medelijden met ons," zeide Dirk.
+
+"Medelijden? Mooi medelijden! Pas op, ze gaan ons nog te lijf, ja! Ik
+wed wel, om ik weet niet wat, dat ze kaaiman-aanbidders zijn,"
+antwoordde Dolf en sprong aan den oever, waar hij terstond door de
+inboorlingen met dreigende gebaren ontvangen werd.
+
+"Orang Wolanda!" riep hij.
+
+"Jan Kompanie!" schreeuwde Dirk.
+
+Beide uitroepen hielpen. De inboorlingen wisten dat "Orang Wolanda" een
+"Hollander" beteekende, en dat Jan Kompanie, zooals ze de Oost-Indische
+Compagnie noemden, niet gemakkelijk aan zijn kamizool was, als een
+zijner dienaren mishandeld werd. Het bleef dus bij bedreigingen, en
+ongedeerd zett'en de drie vrienden hun' tocht voort en bereikten twee
+uren later het fort, waar ze liefderijk opgenomen werden.
+
+Toen Dolf vertelde, wat hun onderweg overkomen was met den kaaiman,
+zeide Joan van Leipzig, de Commandant der kleine sterkte, dat ze door
+"Orang Wolanda" te roepen stellig hun leven gered hadden; want dat de
+Boeroeneezen aan de kaailuî godsdienstige eer bewezen.
+
+"Nu spelt ge ons toch wat op de mouw," meende Henri Quatre. "Wie
+zal nu zulk een dier godsdienstige eer gaan bewijzen? Dat zou toch al
+heel dom zijn!"
+
+"Neen, stellig niet," zeide van Leipzig. "Onder de Heidensche volken
+merkt men het meer op, dat ze aan booze wezens godsdienstige eer
+bewijzen in de hoop, dat die booze geesten, gedrochten of dieren hun dan
+geen kwaad zullen doen. Dit is nu onder de Boeroeneezen evenwel het
+geval niet. Zij gelooven dat eenmaal een kaaiman met eene der dochters
+van een' hunner vroegere Koningen getrouwd is. Al de kaailuî, die in
+deze buurt zich ophouden, heeten van dat vreemde paar af te stammen.
+Maar, men seint van het schip! Misschien zoeken ze ulieden?"
+
+Van Leipzig liet een klein kanon losbranden, doch alsof men aanboord van
+de "Koning van Polen" niet begreep, wat dat beduidde, ging men maar
+voort met seinen.
+
+"Weet je wat, gaat naar eene der hoogste rotsen en laat u alle drie
+zien. Het is het eenige, wat er op zit," zeide van Leipzig. "Ze zullen
+zeker willen weten, of je op zee verongelukt of behouden aanwal gekomen
+bent!"
+
+Onze vrienden vonden dien raad goed, zochten eene hooge rots op, en
+zoodra ze den top bereikt hadden, begonnen ze met hunne mutsen en
+zakdoeken te wuiven.
+
+Dat scheen te helpen; want er werd eene boot neergelaten en twee uren
+later waren ze weer aanboord terug, waar ze met gejuich ontvangen
+werden. Garrit vooral, die geloofd had, dat Dirk in den storm wel
+omgekomen zou zijn, was uitgelaten van vreugde.
+
+Thans waren de manschappen weer bij elkander en zette men koers naar
+Amboina.
+
+"Schip in 't zicht," riep de uitkijk.
+
+"De kerel kon wel roepen schepen," zei Joost. "Het is, bijlo,
+eene gansche vloot, die daar nadert. Maar het zijn allemaal
+compagnie-schepen!"
+
+Kapitein Londenaar stuurde zijn schip naar de naderende vloot, en zag
+weldra, dat van een der vaartuigen de Admiraalsvlag woei. Aanboord van
+het Admiraalsschip gekomen, vernam Londenaar uit den mond van Johan van
+Dam en Truytman, die met het bevel der vloot belast waren, dat de
+"Koning van Polen" hen te volgen had.
+
+"Mag ik ook weten waarheen de koers is, Admiraal?" vroeg Londenaar
+beleefd.
+
+"De tocht is een geheim en zal later bekend gemaakt worden. Geen enkele
+Kapitein weet het nog. Nu hebt ge alleen ons bevel te gehoorzamen en bij
+u op het schip alles tot een vinnig gevecht gereed te maken," sprak
+Truytman.
+
+"Het zal geschieden, Heer Admiraal," zeide Londenaar en liet terstond
+zich aanboord van de "Koning van Polen" terugbrengen, waar hij
+onmiddellijk alles in gereedheid liet brengen voor een mogelijk gevecht.
+
+"Wat zullen we nu weten, Kapitein?" vroeg Dolf.
+
+"Ik kan het u niet zeggen, goede vriend!" luidde het antwoord. "De
+Bevelhebbers der vloot, de Heeren van Dam en Truytman, zeggen, dat ze
+eerst op eene bepaalde hoogte ons in kennis mogen stellen met het doel
+van den tocht. Dat de onderneming belangrijk is, geloof ik te mogen
+opmaken uit de menigte welbemande vaartuigen."
+
+"Wedden, Kapitein, dat ik weet waarheen het gaat?" vroeg Oude
+Joost. "Ik geloof dat ik het weet."
+
+"Nu, waarheen dan?"
+
+"Naar Makassar, Kapitein! Ik heb er zoo een voorgevoel van. En als dat
+zoo is, sta dan vast; want de Makassaren zijn niet gemakkelijk, als ze
+beginnen. Ik weet hiervan mede te praten, en meer dan mij lief is."
+
+"Zijt ge dan al eens met die luiden slaags geweest?" vroeg Dolf, die nu
+juist geene groote studie van de geschiedenis der Oost-Indische
+Compagnie gemaakt had, wat trouwens in ons land bijna niemand deed.
+Tegenwoordig wordt ook op de scholen de aardrijkskunde van de Oost
+geleerd, maar toch is het nog zeer gering, wat wij van dien
+merkwaardigen en rijken Archipel weten. Toen leerde men van de
+aardrijkskunde van ons eigen land zelfs nog niets op de scholen en dus
+nog veel minder van de Oost.
+
+Oude Joost keek den vrager eens aan en zeide: "Hoor eens, maat, geleerd
+mag je wezen, maar of je van onze Oost wel veel weet, dat geloof ik
+niet. Je vraagt me daar of we met die van Makassar wel eens aan het
+bakkeleien geweest zijn. Nu, niet zuinig ook. Het was in de Molukken
+lang niet altijd botertje tot op den boôm. En dat kwam nu niet, omdat de
+Compagnie telkens redenen tot ontevredenheid gaf, maar wel omdat er van
+alle kanten kwaad gestookt werd. Onder de grootste stokebranden behoorde
+vooral de Sultan van Makassar."
+
+"Maar Prins Patinggaloan deed toch al, wat hij kon om ons te
+bevoordeelen," merkte Meester Troost der Armen aan.
+
+"Daaraf weet ik mee te praten," zeide Kreeft. "Hebben de Heeren
+Bewindhebbers der Compagnie hem niet eene prachtige koperen aardglobe
+ten geschenke gegeven? Ik heb dat ding helpen brengen, man, ikzelf. Het
+was je maar wat een mooi draaiding, en ik dacht zoo al bij mezelven: wat
+is de aarde toch een raar toestel, dat ze zoo tusschen een houten rand
+draait. Als we de Linie passeerden heb ik wel eens gekeken of ik dien
+houten rand niet zag!"
+
+"Ik meen ook dat Joost van den Vondel op die globe een gedicht heeft
+gemaakt," sprak Henri Quatre.
+
+"Dat ik kan opzeggen," nam Kreeft het woord. "Vondel schreef ervan:
+
+ Tot eer van Hollants waterleeuw,
+ Herschept de kunst de kopere eeuw
+ Een ronde...."
+
+"Ga maar niet verder, man, ik weet dat alles," zeide Oude Joost. "Ik
+weet ook dat diezelfde Prins Patinggaloan een zeer geleerd man was, die
+zelfs Latijn verstond. Ik weet dat hij grooten invloed op den Sultan
+had; maar hij was als de rest en had ze achter zijn' elleboog. Zijn baas
+de Sultan, Galedoella Mochahoca, had aan den Gouverneur-Generaal
+geschreven, dat hij niemendal tegen de Compagnie had, maar dat hij
+alleen de bewoners van de Molukken tegen ons opstookte om Gods wil en om
+zijne Mohammedaansche leer te beschermen. Maar dat waren maar praatjes,
+want dan had hij de Portugeezen, die dan toch ook geene Mohammedanen
+zijn, ook niet in zijn land moeten dulden."
+
+"Is zoo'n globe niet een rond ding?" vroeg Hoepel.
+
+"Ja, nog ronder dan jij bent," riep er een uit het gezelschap.
+
+Hoepel deed alsof hij die hatelijkheid niet hoorde en zeide: "Wat doen
+ze ook zulke konstige, ronde dingen te geven. Zoo iets kunnen alleen de
+groote Heeren verzinnen, maar dat zou nooit opkomen in het hoofd van
+Janmaat. Die geeft wat anders dan presentjes waarop de Poeëten gedichten
+maken!"
+
+Joost lachte eens even en zeide: "Ik begrijp je, maat! Ja, wij zouden
+die luiden op eene andere manier aanboord klampen. We zouden hun ook
+ronde dingen geven, maar dan van ijzer of lood en te grabbelen gegooid
+door Sinjeur Buspoeder. Nu, wees maar stil, ik wed dat het er nu zoo van
+langs zal gaan. En dan zal ik het dien luiden nog eens betaald zetten,
+dat ze me vier maanden lang op water en brood gehouden hebben."
+
+"Dus je bent in Makassar geweest?" vroeg Hoepel.
+
+"Dat ben ik, maar niet voor mijn pleizier. Wij lagen daar met ons schip
+de "Oude Hondt" en zouden lading innemen, toen we heel onverwachts door
+eene bende roovers overvallen werden, die ons meesleepten naar een oud
+fort van de Portugeezen en ons daar gevangen hielden tot we tegen
+ettelijke Makassaren uitgewisseld werden."
+
+"En de "Oude Hondt," waar was die?" vroeg Kreeft.
+
+"Dat zoudt ge aan de Portugeezen kunnen vragen, en ik geloof zoo, dat we
+"De nieuwe Leerdam" nog duur hebben, als we meenen, dat er eenvoudig
+geruild is."
+
+Op dat oogenblik passeerde de vloot het eiland Solor.
+
+"Kijk eens," riep Garrit nu eensklaps uit. "Kijk die luî daar
+eens aan! Zouden ze aan het hengelen zijn?"
+
+Hengelen was ook toen reeds zulk eene echt vaderlandsche bezigheid, dat
+het meerendeel van de manschappen over de verschansing ging liggen om te
+zien, wat men daar deed.
+
+Niet ver van het land af zag men verscheidene kleine bootjes, die alle
+met één persoon bemand waren, en ieder dezer personen was een hengelaar.
+Maar men hengelde niet met haakjes, dat zag men wel, doch waarmede men
+het dan wèl deed, dat kon men niet nauwkeurig zien.
+
+"Het is alsof er een bosje pluis aan het touwtje zit," zeide Dirk.
+"Kijk maar! Ik geloof dat ze peuren!"
+
+"Dat behoef je niet te gelooven, dat is werkelijk zoo. Die luî zijn
+bezig met sakkoos vangen," sprak Oude Joost. "Een sakko is een visch,
+die zeer veel op onze geep gelijkt en al even onsmakelijk is. In den bek
+heeft hij eene menigte tanden, die in haakvormige puntjes eindigen. Nu
+maken de visschers van deze streken, in plaats van een haakje, een bosje
+uitgerafeld lijnwaad of werk aan het touwtje vast. De sakkoos zien dat
+voor aas aan, bijten even en blijven dan met de haakjes hunner tanden in
+dat pluis zitten. Zoodra er een visch gehapt heeft, voelt de visscher
+dat. Hij slaat op en het is maar hoogzelden, dat er onder dat opslaan
+een visch afvalt. Maar wat gebeurt nu? Kijk me die visschers eens ruim
+baan maken!"
+
+Pas had Oude Joost dat geroepen of eene versierde prauw, door nog vele
+andere prauwen gevolgd, zette koers naar de vloot. Eene akelige,
+eentonige muziek, nu en dan afgewisseld met gezang, klonk over het
+water.
+
+"Er zit eene vrouw in," riep Garrit. "Lieve deugd, wat een leelijk
+schepsel is dat! Hoe oud! Precies eene Juffrouw Kinderschrik, die het
+heele weeshuis naar bed jagen kan."
+
+De prauwen kwamen zóó in de nabijheid van de "Koning van Polen",
+dat men al de lieden, die er in zaten, nauwkeurig onderscheiden kon.
+
+"Begrijp je er wat van?" vroeg Dirk aan zijn' broeder.
+
+"Geen steek!" luidde het antwoord.
+
+Opeens schoot eene der prauwen wat vooruit, kwam de "Koning van Polen"
+terzijde, en een man, een blauwbruine kerel, hield de hand voor den mond
+en riep de onzen wat toe.
+
+"Wat roept hij toch?" vroegen verscheidenen aan elkander.
+
+"Ik heb er maar één woord van verstaan," sprak Kreeft, "en dat is
+"laksamana", dat zooveel als Admiraal beteekent."
+
+"En ik heb het woord "Radja parampoewan" gehoord, dat wil zeggen:
+Koningin," zeide Hoepel.
+
+Oude Joost, die bij het aanleggen der prauw wat naar de plaats geloopen
+was waar ze lag, kwam nu terug en zeide: "Voornaam bezoek, jongens! De
+Koningin van Solor wenscht den Admiraal te spreken."
+
+Bijna op hetzelfde oogenblik kwam Henri Quatre, en op bevel van den
+Kapitein gelastte hij twaalf man uit den hoop, hem te volgen om naar het
+Admiraalsschip te varen en daar twee boodschappers van de Koningin
+aanboord te brengen.
+
+De groote boot werd neergelaten. Henri Quatre zette zich aan het roer,
+twee bruine Edellieden namen ook achter plaats en de twaalf mannen
+zett'en zich aan de riemen. In den tijd, dat de boot naar het
+Admiraalsschip voer, bleven de prauwen wat heen en weer drijven.
+
+
+VOETNOTEN.
+
+[19] =Kadraaiers= zijn reê- of kustwinkeliers. Wanneer een schip, dat
+blijkbaar eene groote reis achter zich heeft, ter reede van de eene of
+andere zeehaven komt, begeven deze winkeliers zich met allerlei eet- en
+drinkwaren of ververschingen naar het schip om aan het volk hunne waren
+te verkoopen.
+
+[20] Men zegt dat de Chineezen den oppersten van hunne booze geesten
+"Joosje" noemen. Onder dien naam noemen wij ook wel eens
+spottenderwijze den duivel.
+
+[21] Een amok-maker is een inboorling onzer Koloniën, die door zware
+koorts in het hoofd, uit wraakzucht, die tot razernij overslaat, of door
+het misbruik maken van opium, nog veel afschuwelijker dan het gebruik
+van jenever, dol geworden en bijna even bloeddorstig als een tijger
+geworden is. Onder het geroep van "Amok! Amok!" dat de menschen, die
+hem nazetten, onophoudelijk roepen, loopt hij dan langs straat en veld
+en doodt wien hij dooden kan. Als men zulk een' amok-maker gevangen
+heeft, wordt hij meestal ook als een wild dier afgemaakt.
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+Zeevolk, vreemd volk.
+
+
+Spoedig was de boodschap door de twee bruine Afgezanten overgebracht, en
+terstond lieten de Admiraals al de vlaggen hijschen, die ze bij de hand
+hadden. De andere schepen volgden dit voorbeeld en toen de Edellieden
+aan de Koningin gezegd hadden, dat de Admiraal haar wachtte en de
+prauwen zich daarop in beweging zett'en naar het Admiraalsschip, werd
+vandaar het sein gegeven tot een eere-saluut uit het grof geschut.
+
+"Is dat eiland Solor dan zoo groot, dat wij aan die Koningin, en dan nog
+wel aan zulk eene vogelverschrikster zooveel hulde moeten bewijzen?"
+vroeg Dirk aan Joost.
+
+"Welneen, jongen! Solor met nog eenige eilandjes erbij vormt maar een
+heel klein Koninkrijkje, dat voor de Compagnie in het jaar '13 door den
+Zeekapitein Appollonius Schot op de Portugeezen veroverd werd. Als er in
+het geheel tienduizend menschen op wonen, zal het mooi zijn. Bovendien
+is de grond niet best bebouwd, en men heeft er veel last van vulkanische
+uitbarstingen, zoodat ze ons al heel weinig voordeel opleveren. Alleen
+bij het vervallen fort Frederik Hendrik komt zoo nu en dan een
+Compagnie-scheepje om er wat zwavel en salpeter te halen. Bamboe kan men
+er krijgen zooveel men hebben wil."[22]
+
+"Maar wat hebben we er dan toch voor doel mede om aan de Koningin van
+zulk een nestig landje zooveel eer te bewijzen?" vroeg Garrit.
+
+"Wie het kleintje niet eert, is het groote niet weerd," hernam Oude
+Joost. "En al is dat land nu niet zoo heel groot, alle beetjes helpen.
+Bovendien bestaat slechts het kleinste gedeelte der bewoners uit
+Maleiers, die Mohammedanen zijn en dus heulen kunnen met dien mooien
+Sultan van Makassar. Het andere deel bestaat uit Alfoeren."
+
+"Wat zijn dat voor luî?" klonk hierop de vraag van een' der
+luisteraars. "Alfoeren, wat een naam!"
+
+"Alfoeren zijn donkerbruine, groote en sterke menschen, die niemendal
+van de Mohammedanen willen weten en Heidenen zijn. Ze zijn in den oorlog
+verbazend vlug en weten met hunne groote zwaarden vreeselijk huis te
+houden. Lafhartig is er niet één; maar van koppensnellen bij den vijand
+zijn ze groote liefhebbers. Voor het overige leven ze vreedzaam en ze
+zijn minder valsch dan Maleiers, die niet altijd te vertrouwen zijn."
+
+Nadat men op die wijze een tijdlang had staan praten, kwam Kapitein
+Londenaar, die inmiddels aanboord van het Admiraalsschip geseind was
+geworden en er natuurlijk heengebracht was, alweer terug en zeide tot
+het verzamelde volk: "Mannen, thans kan ik u mededeelen waarheen de
+tocht is."
+
+"Dat weten we al, Kapitein," zeide Meester Troost der Armen. "Onze
+vriend Oude Joost kan nog beter ruiken dan een hond. Hij heeft ons al
+eenige dagen geleden verteld, dat de tocht naar Makassar ging om daar
+den Sultan eens even te leeren, wat meer achting en eerbied voor de
+Compagnie te hebben."
+
+"Dan heeft Oude Joost goed geroken," hervatte Kapitein Londenaar.
+"Maar alles kan hij toch niet geroken hebben, daarom zal ik u een en
+ander mededeelen. De Koningin der Solor-eilanden kwam ons verzoeken weer
+eene nieuwe sterkte te bouwen of de oude te herstellen, teneinde haar
+tegen den overmoed ter Portugeezen te beschermen. Admiraal Truytman
+heeft haar beloofd hieraan te voldoen, zoodra we de Makassaren
+getuchtigd en onderworpen hebben."
+
+"Nu, dat zullen we dezen keer toch wel klaar spelen, meen ik," dus liet
+Dolf zich hooren. "Onze vloot is sterk en er is volk genoeg aanboord
+ook!"
+
+"Volk genoeg, Stuurman, daarin hebt gij gelijk! Maar niet ieder staat
+zijn' man, als het er op aankomt."
+
+Een ontevreden gemompel liet zich hooren en Kreeft, vooruit tredend,
+zeide: "Kapitein, krom ben ik; maar sedert wanneer ben ik een lafaard?"
+
+"Wij zijn ook geen lafaards," lieten zich nu een paar andere stemmen
+hooren.
+
+"En wij ook niet! Neen, wij ook niet!" klonk het in koor.
+
+Kapitein Londenaar lachte even en hernam: "Gijlieden roept haring vóór
+Sint-Jan[23]. Als ik zeg, dat niet iedereen zijn' man staat, dan bedoel
+ik er niet één van het Compagniesvolk. Maar wij hebben op de vloot
+verscheidene compagnies Amboineezen en het is de groote vraag maar, wat
+we daaraan hebben zullen, hulp of tegenstand."
+
+"Hoor eens, Kapitein," waagde Oude Joost te zeggen, "die soldaatjes
+zullen de kaas niet van hunne boterham laten halen. Er leeft in heel den
+Archipel geen moediger en dapperder volkje."
+
+"Oude Joost meent er niet één van," riep een uit het volk. "Aan
+heel zijn gezicht kan men zien, dat hij een loopje met ons neemt."
+
+"Neen, Oude Joost spreekt waarheid," liet Meester Troost der Armen zich
+hooren, doch zijne bevestiging diende alleen maar om het volk er nog
+minder aan te laten gelooven.
+
+"Het zijn zeker even groote helden als u, Meester," zeide een matroos.
+
+"Of ik een held ben weet ik niet," zeide de Scheepsbarbier kalm,
+"ik ben nog nooit bij een zeegevecht tegenwoordig geweest. Maar die
+Amboineezen hebben onze Joost en ik bezig gezien en ik verzeker je, dat
+menig Europeaansch Compagnie-soldaat er een voorbeeld aan nemen kon. Ze
+zijn dapper in den aanval, bij tegenspoed standvastig en zoo trouw aan
+hun vaandel als een Christenmensch er maar trouw aan zijn kan."
+
+"Wat onze barbier daar vertelt, Kapitein, is waar," sprak Oude Joost.
+"En als we aan den dans moeten gaan, dan zal u, ja, dan zullen allen
+zien, dat de barbier en ik u geene onwaarheden wijs maakten."
+
+"Nu, Joost, ik hoop, dat je het bij het rechte einde zult hebben,"
+zeide de Kapitein.
+
+"Ja," vervolgde Oude Joost, "en het is beter ook dat u, Kapitein
+en al de anderen dat nu al weten ook."
+
+"Waarom?" vroeg de Kapitein.
+
+"Omdat ze uiterst gevoelig zijn voor beleedigingen, Kapitein! Worden ze
+vriendelijk en voorkomend behandeld, dan vinden ze dat blijkbaar
+aangenaam, maar bemerken ze, dat ze door de Europeanen met minachting
+aangezien en behandeld worden, dan hebben ze de bokkenpruik op en, we
+hebben het op zee gezien, een mensch hoe goed anders ook, wordt een
+onding, als hij die op heeft. En om u nu nog allen te overtuigen, dat ik
+waarheid spreek, ben ik bereid een' eed te doen op hetgeen ik gezegd
+heb."[24]
+
+"En ik ook," sprak de barbier.
+
+"Nu, dan trek ik mijne beschuldigingen in," zeide de Kapitein, "en ik
+beloof je dat ik het volk zal voorgaan in het bewijzen van achting aan
+mannen, die achting verdienen. En waar ik voorga, dat weet je, daar
+volgen al de anderen."
+
+Nog maar even had Kapitein Londenaar dit gezegd toen de Amboineezen
+aanboord gebracht werden. De aanvoerder van die afdeeling trad op
+Kapitein Londenaar en vroeg hem:
+
+"Jy Kapitan?"
+
+Kapitein Londenaar knikte bevestigend.
+
+"Ik ook Kapitan," vervolgde de Officier, "en helpen maak kopje
+kleiner dat vijand."
+
+"Dat is uitnemend, Kapitein!" zeide Kapitein Londenaar, die werkelijk
+met welgevallen de flinke houding van de uitnemend gewapende Amboineezen
+opnam.
+
+Nu wilde onze Amboinees zeggen, dat hij zelfs een' eed gezworen had de
+Compagnie trouw te dienen, en hij drukte dat uit door te zeggen: "En ik
+gedaan opsteken twee vingers."
+
+De koddige manier van spreken was oorzaak, dat bijna al het scheepsvolk
+in een luid gelach uitbarstte, doch Kapitein Londenaar keek allen zóó
+ernstig aan, dat ze het niet waagden te doen.
+
+"Ik wil hopen," zeide IJzeren Neptunus nu, "dat we elkander niet
+tegenvallen. Ik zal u nu de plaats voor uwe manschappen laten aanwijzen
+en u, Meneer de Kapitein, zal, zoo lang u hier aanboord is, tot de
+Officieren gerekend worden! Joost, jij kunt nog wat van die menschen
+verstaan, wijs hun logies!"
+
+Ondertusschen kwamen de bewoners van Solor van alle kanten in hunne
+prauwen opdagen om allerlei eetwaren aan de schepelingen te verkoopen;
+doch daar de vloot meer in de nabijheid van het kleine eiland Serbiette
+het anker had laten vallen, zoo werd er besloten de schepen op dit
+eiland van water te voorzien.
+
+Niet ver van het vlek Lamahal was eene kleine rivier met heerlijk
+drinkwater, en daar werden de booten heengezonden. De manschappen namen
+ook allerlei snuisterijen mede om deze te verruilen voor dingen van
+waarde, doch de bewoners van dit eilandje waren niet rijk en bezaten
+zeer weinig kostbaarheden, zoodat er bitter weinig te ruilen viel.
+
+Een der eilanders vertelde evenwel, dat niet verre van Lamahal een put
+was met kokendheet water, dat afgekoeld, bijzonder heilzaam was voor
+allerlei wonden. Zoodra Meester Pruymius dit vernam, besloot hij van dat
+heilzame water zooveel mede te nemen, als hij maar bergen kon. Wat zou
+hij er eene eer in stellen om na het gevecht, dat denkelijk wel bloedig
+zijn zou, de gekwetsten met zijn wonderwater te genezen! Wie weet of hij
+daardoor geen kans liep lijfarts van den Gouverneur-Generaal te worden.
+Hij ging daarop naar Kapitein Londenaar en vroeg hem eene boot met
+eenige mannen om van dat wonderwater te gaan halen, en hoewel de
+Kapitein er niet veel van geloofde, zoo gaf hij hem er toch vergunning
+toe.
+
+Ik schreef daar met opzet dat de Kapitein er niet veel van geloofde, en
+dat bewijst juist, dat hij het niet tegenspreken durfde ook. De leer der
+geneesmiddelen was toen en nog zeer vele jaren daarna, al eene heel
+vreemde leer. Ze is het voor een deel nog, want hoevele onnoozele
+menschen leggen bij eene wonde er papier van een tabakszakje of spinrag
+op. Het eerste dient om de wond af te sluiten en het tweede om het
+bloeden tegen te gaan. Beide middelen zijn intusschen zeer gevaarlijk en
+veroorzaken niet zelden bloedvergiftiging. Op het platteland van
+Walcheren gebruikte men bij eene verwonding een linnen doekje,
+doortrokken met sla-olie, waarin men een paar maanden vroeger veenmollen
+geworpen had om die er in te laten aftrekken. En als men zoo iets nu nog
+in onze eeuw ziet doen, dan is het immers niet te verwonderen, dat in
+het midden der zeventiende eeuw, zelfs Scheepskapiteins geheime
+geneeskundige krachten aan sommige dingen toeschreven?
+
+Tot de matrozen, die Meester Pruymius vergezelden, behoorden ook Garrit,
+Dirk, Hoepel en Kreeft. Dolf zat aan het roer en onze goede
+scheepsbarbier zat voor in de boot tusschen een twintig groote
+stoopskruiken[25].
+
+"Wel, Meester," dus begon Dolf lachend, "als ge al die kruiken vol
+hebt, dan kunt ge wel twintig vloten bedienen."
+
+"Beter te veel dan te weinig, Stuurman," gaf Meester Troost ten
+antwoord. "Ik weet ook niet hoeveel ik moet gebruiken. Dat zal de
+ondervinding mij nog moeten leeren."
+
+"In alle gevallen, Meester, ik hoop dat ge met uw wonderwater van mijn
+lijf zult blijven, hoewel ik er geen oogenblik aan twijfel of we zullen
+eene harde noot te kraken hebben. Ik denk zoo, dat er bloed genoeg
+vloeien zal."
+
+"Meer dan roode wijn, Stuurman," zeide Meester Troost der Armen met
+een' diepen zucht; want hoewel op zee voor geen klein geruchtje
+vervaard, had hij, zooals men dat noemt, aan vechten toch een broertje
+dood.
+
+"Je zucht alsof de Makassaren allen amok-makers waren," zeide Garrit,
+en onwillekeurig dacht hij aan die geschiedenis te Batavia, waar hij met
+Meester Pruymius hard aan den haal gegaan was en waarbij Dirk, zonder
+den Keulschen pot, zeker het mannetje van de rekening zou geworden zijn.
+
+"Als we geene Keulsche potten genoeg hebben, dan kunnen we het met
+stoopskruiken probeeren," zeide Dirk, en op dat oogenblik werden de
+riemen ingehaald en stapte men aan wal, waar de kruiken voorzichtig
+neergezet werden.
+
+Dolf, Kreeft en Garrit bleven gewapend bij de boot; want hoewel de arme
+inwoners nog geen enkel teeken van vijandigheid gegeven hadden, deed men
+toch goed dien lieden niet al te veel vertrouwen te schenken. Dirk en
+Hoepel, óók gewapend, zouden den barbier vergezellen. Maar hoe twintig
+volle stoopskruiken van de bron bij de boot te krijgen, waar men met de
+twintig ledige al geen' weg wist?
+
+"Misschien dat de mannen van het eiland je wel helpen willen," zeide
+Dolf. "In alle gevallen hebt ge toch iemand noodig, die u den weg
+wijst!"
+
+"Dat is waar ook," zei Meester Pruymius en een' half naakten eilander
+terzijde tredend, zei hij tot dezen: "Bawa gindi-gindi soemoer panas
+ajer!"
+
+"Wat zeg je toch?" vroeg Dolf, toen hij zag dat de Serbietter hem niet
+verstond.
+
+"Wel, ik zeide in goed Maleisch: Draag de kruiken naar den put met warm
+water!"
+
+"Ik geloof dat je al even goed Maleisch spreekt, als ik, maat, en ik
+spreek het als een Zeeuwsche boer. Wacht maar, ik zal wel zeggen, wat we
+willen."
+
+Dolf ging hierop naar den Serbietter en klopte hem op den schouder. De
+man zag om en Dolf wenkte hem naar den waterkant te volgen. Hierop stak
+hij de handen in het water en schudde van neen. Daarop stak hij
+andermaal de handen in het water, doch trok ze er schielijk uit en deed,
+alsof hij zich gebrand had. Toen knikte hij van ja en wees op de kruiken
+en in de richting waarin die bron moest liggen.
+
+De Serbietter scheen hem te begrijpen, doch op de kruiken, wijzend en
+deze tellend, stak hij tweemaal beide handen op en schudde het hoofd.
+
+Dolf wees toen op hem en stak vijf vingers op.
+
+De Serbietter scheen zoo dom niet te zijn, als hij er uit zag, want hij
+liep naar de naaste huizen en kwam weldra met nog drie man terug. De man
+stak, ten bewijze dat hij Dolf goed begrepen had, ook de handen in het
+water, trok een afschuwelijk leelijk gezicht en schreeuwde
+allerakeligst: "Au! Au!" Daarop wees hij naar de kruiken en vervolgens
+naar het bosch, dat achter Lamahal lag.
+
+Dolf knikte hem toe en toen staken de vier mannen een' langen stok door
+de ooren van de tien kruiken en daarna een' anderen stok door de ooren
+der overige tien. De uiteinden der stokken werden op de schouders gelegd
+en daarop zett'en ze het op zoo'n aardig sukkeldrafje, dat Meester
+Pruymius, Dirk en Hoepel genoodzaakt waren mede te draven.
+
+Schuddend van het lachen zagen de achterblijvers de dravende zeven
+mannen na.
+
+In het begin ging de tocht vrij voorspoedig, doch het duurde niet lang
+of ze kwamen op een' steenachtigen bodem waar het loopen minder goed
+ging voor onze drie Hollanders, die lage zeemansschoenen aan hadden. Op
+het schip zijn die voor alle bewegingen zeer gemakkelijk, doch om er
+mede langs scherp gepunte steenen te loopen, zijn de zolen wel wat dun.
+De Serbietters liepen blootsvoets en stonden daardoor veel vaster. Nog
+nimmer hadden ze kousen of schoenen aan de voeten gehad en daardoor was
+de huid onder de voeten harder geworden dan het beste gelooide leder
+van paarden en ossen. De voeten zelve waren ook veel beter gevormd dan
+die der Europeanen, die al te dikwijls misvormd waren door het dragen
+van schoeisel, dat veel te nauw was, omdat breede voeten zoo leelijk
+stonden. Men gelooft dat, jammer genoeg, nog al te veel, en duizenden
+beschaafde Europeanen loopen met misvormde voeten. Ten laatste werd
+Meester Pruymius zóó moede, dat hij bijna niet meer voort kon. Maar hoe
+het dien wilden aan het verstand te brengen, dat ze zoo hard niet loopen
+moesten? Hij zag daartoe geen' kans, en nadat hij te vergeefs alle
+pogingen aangewend had om hen langzamer te laten loopen, dacht hij ten
+laatste: "Die luî verstaan me toch niet; ik zal hen maar laten
+begaan."
+
+Ongemerkt kwamen de vier Serbietters daardoor een heel eind vooruit en
+het duurde niet lang of, bij eene kromming van het ruwe pad, waren ze
+uit het gezicht verdwenen en toen de drie Hollanders bij dezelfde
+kromming aangekomen waren, zagen ze, dat het pad zich in drieën
+splitste.
+
+"Welk pad, Meester?" vroeg Dirk.
+
+"Links, rechts of rechtuit?" vroeg Hoepel.
+
+Meester Pruymius stampvoette van kwaadheid en zeide: "Die vier schelmen
+zijn met onze kruiken op den loop. Er zit niets anders op dan terug te
+keeren."
+
+"Maar eer we dat heele eind nu alweer terugloopen, wil ik eerst toch wel
+eens even uitblazen," zeide Hoepel en zette zich op een' omgevallen,
+hollen boom neder.
+
+De andere twee meenden juist dat voorbeeld te volgen toen Hoepel opeens
+van den boom sprong en op de vlucht ging, achtervolgd door een' zwerm
+bijen op wier nest hij was gaan zitten. Ook Dirk en Meester Pruymius
+gingen aan den haal en alle drie kwamen ze, met wonden overdekt en
+zonder kruiken, bij de boot aan.
+
+De bijen achtervolgden hare zoogenaamde vijanden niet verder; want
+zoodra men in de boot gesprongen en van wal gestoken was, keerden de
+diertjes terug. Haar instinct waarschuwde genoeg voor de gevaren, die
+haar boven het water dreigden.
+
+Zoodra ze zagen dat de bijen aftrokken, was Dolfs eerste vraag: "En de
+kruiken?"
+
+"Breng me naar de Admiraals dan vraag ik hun of ze dit eiland willen
+platschieten!" schreeuwde de barbier.
+
+Dolf en de anderen lachten.
+
+"Lacht niet, kerels! Lacht niet! Die lummels, die dieven en afzetters,
+die zakkenrollers en straatroovers, ze hebben mij bestolen, mij, Meester
+Pruymius, scheepsbarbier bij de Oost-Indische Compagnie! Bestolen voor
+twintig spik-splinternieuwe stoopskruiken. Naar het Admiraalsschip,
+Stuurman! Naar het Admiraalsschip!"
+
+"Ge begrijpt toch, Meester, dat ik zóó dwaas niet zijn zal,"
+antwoordde Dolf. "Als gij u te beklagen hebt over de behandeling der
+Serbietters, dan dient ge zulks bij onzen Kapitein te doen, en deze zal
+dan wel weten of het noodig is, dat voor twintig voddige kruiken een
+heel eiland verwoest moet worden. Komtaan, jongens, rechtuit naar de
+"Koning van Polen", en flink voortgeroerd ook; want de zon gaat
+onder!"
+
+De vier mannen sloegen de riemen in het water en bekommerden zich weinig
+om het geraas en getier van Meester Pruymius, die als een dolle tekeer
+ging.
+
+Men was evenwel nog heel dicht onder den wal toen men van den kant van
+het bosch geschreeuw vernam. Dolf keek om en zeide: "Ik geloof zoo waar,
+dat ge u zonder redenen boos gemaakt hebt en dat de vier zoogenaamde
+dieven ginder met hunne vracht komen aanloopen."
+
+"Ja, ja, dat zijn ze! Dat zijn ze!" riep de barbier, die nu weer
+uitgelaten van blijdschap was, dat hij zijne kruiken terug zou hebben en
+misschien wel gevuld bovendien. Men roeide naar den wal terug en spoedig
+kwamen de vier dragers, uitgeput van vermoeidheid, bij de boot en gaven
+de volle kruiken over. Ze waren nog zóó warm, dat men ze zonder doeken
+niet kon aanpakken. Uit dankbaarheid gaf de barbier ieder hunner een'
+tinnen lepel en hiermede waren de mannen zóó tevreden, dat ze van pure
+pret begonnen te dansen, welk voorbeeld Meester Pruymius heel graag had
+willen volgen, nu hij op zulk eene goedkoope en gemakkelijke manier aan
+die groote hoeveelheid wonderwater gekomen was.
+
+"Zoudt ge," dus begon Dolf toen ze allen met de kruiken in de boot
+waren, "nu eerst dat wonderwater maar niet op jezelven toepassen,
+Meester? Helpt dat middel tegen wonden, dan helpt het ook wel tegen de
+bulten, die de angels der bijen u bezorgden."
+
+"Hoe dom daaraan niet te denken," riep de barbier. "Zeker, ik doe het
+dadelijk."
+
+Hij haalde nu uit een lederen kokertje, dat hij steeds bij zich droeg,
+een strookje verbandlinnen, bette dat in het water, liet het boven de
+kruik afkoelen en begon er toen de bulten mede te wasschen. Hij zeide
+dat hij er soulaas, dat is baat, bij had en begon nu de bulten der
+andere twee ook te wasschen met hetzelfde gunstige gevolg. Geen wonder,
+dat de man boven de wolken van blijdschap was en verklaarde, dat hij,
+als ze weer in Batavia waren, den Gouverneur-Generaal het voorstel zou
+doen om eene heele scheepslading van dit water te halen en dan te zorgen
+dat iedere scheepsbarbier bij elke reis, vooral als er kans was, dat er
+gewonden kwamen, eene flinke hoeveelheid mede kreeg. Naar hem moest dat
+wonderwater dan heeten "Aqua Prumii".
+
+Na de wassching met dat water zette men zich aan de riemen en roeide zoo
+snel men kon om niet door de duisternis overvallen te worden, naar het
+schip terug, waar onze brave barbier, die zoo vol zorg voor het welzijn
+der schepelingen was, den kostelijken voorraad dadelijk in zijne hut
+borg. Ja, hij ging zelfs zoo ver, dat hij Dirk' een dukaat beloofde, als
+hij hem eens eene kleine wonde mocht maken om dan het genoegen te
+hebben, de deugdzaamheid van het wonderwater ook in dit opzicht op hem
+toe te passen.
+
+Natuurlijk bedankte Dirk daarvoor, zoodat Meester Pruymius niets
+overbleef dan de kruiken goed te kurken en met natte blazen te
+overdekken.
+
+Het spreekt vanzelf, dat men het op het voorschip dien avond over de
+kleine gebeurtenissen van den dag had. Als er niets bijzonders voorvalt,
+grijpt men dikwijls het minste aan om toch maar stof tot praten te
+hebben. Al heel spoedig kregen Meester Troost der Armen, Hoepel en Dirk
+van allen, op één' na, de volle laag over hunne lafhartigheid om voor
+zulke kleine diertjes, als de bijen zijn, op den loop te gaan. Ja,
+Kreeft ging zoover met te zeggen: "Hij is geen knip voor den neus waard,
+die dat doet. Wat zeg gij, Ouwe Joost?"
+
+Joost, die tot nu maar altijd gezwegen had, keek even op en vroeg zoo
+leuk mogelijk: "Wel?"
+
+"Ik zeg dat ieder, die voor bijen aan den haal gaat, geen' knip voor
+den neus waard is," hernam Kreeft. "En nu vraag ik jou of ik gelijk heb
+of niet!"
+
+"En als je dan niet eens gelijk hebt, ben jij dan wèl een' knip
+voor den neus waard?"
+
+Kreeft keek den ouden zeerob eens aan en zei toen lachend:
+
+"Als Ouwe Joost mij één' flink man weet aan te wijzen, die voor
+bijen of andere dergelijke diertjes op den loop ging, dan zal ik de
+eerste zijn, die een Makassaar, man tegen man, te woord staat."
+
+"Aangenomen! Aangenomen!" klonk het thans van verscheidene kanten.
+"En als Ouwe Joost het niet kan, dan zal hij de man zijn, die dat het
+eerst doet."
+
+"Jelui praat als een hoop gekken," hervatte Joost. "Wie het eerst een
+Makassaar man tegen man te woord zal staan, hangt niet van ons, maar in
+de eerste plaats van de Bevelhebbers der vloot en dan van onzen Kapitein
+af. Maar, evengoed, alsof het eene weddenschap gold, zal ik jelui man en
+paard noemen. Wie uwer heeft nooit gehoord van Willem IJsbrantsz.
+Bontekoe?"
+
+Willem IJsbrantsz. Bontekoe, wie zou van dien man nooit gehoord hebben?
+Was er een matroos, die lezen kon, dan had hij "Journaal ofte
+Gedenkweerdige Beschrijvinge van de Oost-Indische Reyse van Willem
+IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn", gelezen, ja, de lotgevallen van dien
+man waren reeds zóó algemeen bekend dat de uitdrukking: "Een reisje van
+Bontekoe", als men eene ongelukkige reis gemaakt had, terstond door
+ieder begrepen was. Dat boekje was onder het scheepsvolk hetzelfde, wat
+later Robinson Crusoe voor de jongens werd. Het werd gelezen en nog eens
+gelezen. Maar, men las toen ook al, zooals velen nu nog doen, zóó dat
+men vergat, wat men gelezen had. Eene vertelling, vooral als Oude Joost
+die deed, bleef veel vaster in het geheugen.
+
+Het algemeene geroep was dus: "Ja, ja, Bontekoe kennen we!" terwijl
+enkele lezers van dat boek er zelfs bijvoegden: "Maar die ging toch niet
+voor bijen op den loop?"
+
+"Neen, niet voor bijen," zeide Joost, "maar toen onze ongeluks-vogel
+van een' Kapitein eindelijk op de thuisreis was, landde hij op het
+eiland Madagascar. Hij en zijn volk werden door de inwoners zeer
+vriendelijk ontvangen, doch op Bontekoe's vraag, of ze ook rijst te
+koop hadden, liet de Koning antwoorden, dat ze geen rijst konden missen,
+omdat de heele oogst door de sprinkhanen zoo goed als vernietigd was."
+
+Garrit en Dirk lachten, en de laatste zei: "Och kom, sprinkhanen! Hoe
+zouden die kleine beestjes den heelen oogst kunnen vernietigen? Dat is
+toch immers niet waar?"
+
+"Jelui kent geene andere dan die kleine, grauwe sprinkhaantjes, die bij
+ons te lande door het gras hippen. Dat zijn geene sprinkhanen en die
+onschuldige, vlugge diertjes doen zooveel kwaad niet. Maar de echte
+sprinkhanen, wel een' mansduim lang en bijna even dik, wij noemden ze
+thuis "koolhazen", dat zijn wat schadelijke beesten. Die aan de Kaap en
+in heel Zuid-Afrika zijn nog grooter en komen soms bij duizenden en nog
+eens duizenden aanvliegen. Dan kan het op klaarlichten dag zoo donker
+worden, als midden in den nacht. Waar die dieren neerstrijken, daar
+wordt, al wat blad of gras is, kaal gegeten. En voor zulk een' zwerm
+sprinkhanen ging dezelfde Bontekoe, die voor de grootste gevaren niet
+terug gedeinsd was, op de vlucht. Ze vlogen hem op het lijf, zoo
+schrijft hij zelf, zoo dik, dat hij geen' adem halen kon. Toen hij
+eindelijk bij den Koning van dat land kwam, die hem voor zijne hut zat
+af te wachten, begon de Koning hartelijk te lachen en een' sprinkhaan
+vangende, at hij hem levend op!"
+
+"Bah! Wat een kost!" klonk het van verscheidene kanten.
+
+"Maar Ouwe Joost heeft het verloren ook," riep Kreeft. "Ik heb gezegd
+"bijen of andere dergelijke diertjes"; en wie heeft nu ooit bijen
+gezien zoo groot als heele mansduimen?"
+
+"Zoo, Kreeftje," sprak Joost, "zoo; maar ik heb liever met tien
+sprinkhanen dan met ééne bij te doen. Eene bij kan venijnig steken, en
+een sprinkhaan is zoo goed als weerloos. Maar, het komt er niet op aan,
+hoor! Als ge meent, dat ik het verloren heb, dan neem ik van ganscher
+harte, en altijd met goedvinden van den Kapitein, den eersten Makassaar,
+man tegen man, voor mijne rekening."
+
+"Als ge dat meent, dan zult ge al heel spoedig aan den slag kunnen gaan,
+want we gaan er nu rechtstreeks heen. Op het Admiraalsschip wordt het
+sein van vertrek gegeven! Komtaan, jongens aan den slag!" Dus sprak
+Henri Quatre, die het gezelschap ongemerkt genaderd was en het laatste
+gedeelte van het gesprek verstaan had. Spoedig waren de ankers gelicht
+en onder een' heerlijken sterrenhemel en een' goeden wind werd de tocht
+aangevangen.
+
+Zoodra alles op orde was en dat deel van het scheeps-volk, hetwelk
+geene wacht had, ter kooi zou gaan, zei Joost: "Hoor eens, mannen! Het
+is wellicht de laatste maal, dat we allen zoo rustig bij elkander zijn.
+Wat de dagen, die komen, geven zullen, de Heere weet het; wij weten het
+niet. Laten we daarom te zamen nog eens een stichtelijk lied zingen."
+
+"Dat is goed, Joost," zei Kreeft, "maar je haalt je toch geene
+muizenissen in het hoofd?"
+
+"Muizenissen, neen, dat niet, maar als men tegen een volkje als de
+Makassaren optrekt, dan weet men wel, dat men er heengaat, doch het
+wederkeeren is eene groote vraag. Ik verzeker je, het zal er geducht
+spannen! En daarom jongens, komtaan, het tiende vers van den
+achtenzestigsten psalm!"
+
+Hij zette zelf dadelijk in en niet één onder de mannen was er, of hij
+zong niet mede.
+
+Het was een aangrijpend schoon gezicht daar al die ruwe mannen zoo in
+ernst te hooren zingen, en nog plechtiger werd het, toen van de dicht
+bij zijnde schepen hetzelfde lied door velen mede gezongen werd. De
+Amboinneezen wisten niet hoe zij het hadden. Alleen het Opperhoofd
+mompelde angstig: "Tampik soerak!"[26]
+
+Kapitein Londenaar hoorde dat, en zeide hem dat dit der Christenen
+avond-gebed was. Dit stelde den man wat gerust en deed hem ook met meer
+aandacht naar de voortzetting van het lied luisteren.
+
+Onder den indruk van dit lied begaven de meesten zich ter ruste, doch
+Dolf, die niet mede gezongen had, omdat hij, daar hij Roomsch was, dezen
+psalm, of althans die wijs niet kende, zeide tot Henri: "Ik had niet
+gedacht, dat er onder die ruwe kerels nog zooveel vrome zielen gevonden
+werden."
+
+"Wat zal ik zeggen, mijn vriend," antwoordde Henri. "Zeevolk, vreemd
+volk!"
+
+
+VOETNOTEN.
+
+[22] Natuurlijk wordt met '13 het jaar 1613 bedoeld. Ook wij laten in
+het dagelijksche leven dikwijls het woord achttienhonderd weg.
+
+[23] Tegenwoordig begint men, vooral op de Schotsche kusten den haring
+reeds in Mei te vangen, doch in vroegere jaren bestond er eene bepaling
+waaraan de haringvisschers van alle landen de hand hielden, en die tot
+lang in deze eeuw stand hield, dat men geen haring mocht vangen vóór den
+25sten Juni en na den 1sten Januari. Men deed dit om deze visschen niet
+uit te roeien. Wanneer ge nu weet, dat men den 24sten Juni in de R. K.
+kerk het feest van Sint-Jan viert, dan begrijpt ge wel, dat de
+uitdrukking: "haring vóór St.-Jan roepen", zooveel beteekent als
+"voor zijne beurt spreken." Een ander spreekwoord: "schreeuwen
+vóór men geslagen wordt" beduidt ongeveer hetzelfde.
+
+[24] Het doet me werkelijk genoegen hier eene fout te herstellen, die ik
+in de beide vorige drukken van dit verhaal beging. Ik stelde daarin de
+Amboineezen als lafaards voor, of althans als mannen, die in het geheel
+niet te vertrouwen waren. Zij, die in de Oost en met onze troepen daar
+bekend zijn, lichtten mij beter in. De Amboineezen zijn uitnemende
+soldaten, trouw, dapper en volhardend. De Regeering erkende dat ook en
+waar de Javaansche en Boegineesche soldaten altijd blootsvoets loopen,
+als bijna alle Javanen uit de mindere klassen, daar mogen de
+Amboineesche of Ambonneesche soldaten, ter onderscheiding van al de
+anderen, schoenen dragen. Ze zijn er dan ook niet weinig trotsch op.
+
+Dat ik die fout begaan kon, was wel wat dom, want het is algemeen
+bekend, dat de Ambonneesche soldaten dapper en volhardend zijn. Maar om
+dit verhaal te schrijven raadpleegde ik zeer veel boeken en in een dezer
+vond ik, -- het was de bekende Kapitein Schouten, die dit schreef: --
+"Zij waren van schrik beklemd wanneer zij Makassar hoorden noemen. Wij
+hadden eene compagnie van zulke helden op ons schip, waarvan de Kapitein
+te voren menigmaal gezwetst had, dat hij voorgenomen had geen
+pekelvleesch te nuttigen, voor hij van zijne bittere vijanden oogen en
+hersenen, over het vuur gebraden, gegeten had. Maar deze kloeke
+oorlogsheld nu ziende, dat het waarlijk op Makassar was gemunt, bezweek
+van schrik en toonde zich met al zijne helden uitnemend verslagen, niet
+anders denkende, dan dat zij gewis ter slachtbank van de wreede
+Makkassaren herwaarts waren gevoerd."
+
+Of Kapitein Schouten, wiens werken nog veel geraadpleegd worden, zich
+vergist heeft of, wat toch wel vreemd zou zijn, dat hij niets dan
+lafhartige Ambonneezen aan boord had, dat weet ik niet. Wel las ik in
+een werk van Gerlach, een' man van onzen tijd, dat in 1853 bij de
+bestorming van het fort Laäla op Klein-Ceram, 1700 Amboineezen
+sneuvelden. Dit klinkt heel wat anders dan ze als lafaards voor te
+stellen.
+
+[25] Een stoop was eene ouderwetsche vochtmaat, die omstreeks 2½ Liter
+inhoud had.
+
+[26] =Tampik soerak= beteekent krijgsgeschreeuw en het ouderwetsche
+zingen, zelfs in de kerk, geleek vaak meer op geschreeuw dan op gezang,
+en het zeevolk vooral hield van "draaien" bij het zingen.
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+Eene Joffer om een' Barbier.
+
+
+De vloot, vier en dertig zeilen sterk, vertrok den achtentwintigsten Mei
+van de eilandjes, die het Koninkrijkje Solor vormden, en zette koers
+naar het Noordwesten. De tocht moest evenwel met alle omzichtigheid
+plaats hebben, want in de nabijheid dezer eilanden zijn zeer veel blinde
+klippen, en het was er in dien tijd nog verre af, dat zelfs geleerde
+vreemdelingen onze zeekaarten prijzen konden. De meeste schippers
+zeilden met geteekende kaarten en moesten die aan het einde der reis
+weder terug geven. Men liet ze niet drukken uit vrees, dat andere
+volkeren dan ook van deze kaarten zouden gebruik maken en gemakkelijk in
+onze Koloniën komen.[27]
+
+De vloot kwam echter gelukkig buiten de gevaarlijke zeeëngte en door
+een' voorspoedigen wind geholpen, had men weldra het Saleyer-eiland, of
+zooals het nu op de kaarten heet, Silajara, ten Zuiden van Celebes, en
+niet zoo heel ver van het Rijk van Makassar, bereikt.
+
+Er woei een flinke doorstaande oostenwind, zoodat de vaart vrij snel
+ging. Vrij snel echter en ook niet meer. Bij de heele vloot was slechts
+één schip, dat niets anders was dan een oorlogsschip. Het was de
+"Mars" en de Bevelhebber van Dam was hier aanboord. De andere schepen
+waren niet veel anders dan Oostindie-vaarders, die als oorlogsschepen
+moesten dienst doen. Dat kon ook wel, want de onveiligheid niet alleen
+in de Indische wateren, maar ook door onze voortdurende oorlogen met
+Spanje, Portugal, Engeland, Zweden en Denemarken, op den Atlantischen
+Oceaan en in de Europeesche wateren, was zóó groot, dat elke
+Oostindie-vaarder zeer veel volk aanboord medenam, en ook zorgde
+kanonnen, geweren, kogels en kruit te hebben om zich te kunnen
+verdedigen, als men aangevallen werd. Zulk een Oostindie-vaarder was dus
+meestal heel wat mans, maar toch had hij veel tegen. Men had die schepen
+gewoonlijk al te zeer gebouwd met het oog op eene groote laadruimte, en
+daardoor hadden ze inplaats van een' ranken, een' loggen vorm. Zóó
+scherp bij den wind zeilen, dat de boeg het water, als het ware sneed,
+was niet mogelijk. De boeg was er veel te breed voor en moest dus het
+water wegduwen, waardoor zeer veel kracht van den wind verloren ging.
+Dezelfde logge vorm was ook oorzaak, dat het schip zich niet gemakkelijk
+wenden kon; het was traag in elke beweging en dat was in een zeegevecht
+of bij een' aanval op kust-sterkten niet weinig in het nadeel.
+
+Niettegenstaande de wind goed was en flink doorstond, had men aanboord
+tijd genoeg om alles, wat men zag, goed op te nemen. Vooral had het volk
+er veel schik in, dat er nu en dan een vliegende visch zich zien liet,
+en enkele malen was het ook gelukt er een te vangen.
+
+Terwijl Dirk en Garrit zoo naar vliegende visschen stonden uit te
+kijken, riep Garrit opeens en wees naar eene plek niet verre van hem
+af: "Kijk eens, Dirk, wat al visschen! Gauw, roep Ouwe Joost eens, dan
+kan die ons zeggen, welke visschen dat zijn."
+
+"Laat Ouwe Joost maar bij zijn werk," zeide de barbier, die daar in de
+nabijheid was, "dat kan ik ook wel zeggen. Dat zijn tonynen en boniten!
+Die visschen schijnen van gezelligheid te houden, want even als de
+haringen zwemmen ze in groote scholen. Of ze onder mekaêr wel eens ruzie
+hebben, dat zou ik niet kunnen zeggen, maar dat ze wel eens krijgertje
+met mekaêr spelen, dat zie je, want een heel troepje springt zoo nu en
+dan boven het water uit."
+
+"Maar wat is dat toch, Meester?" vroeg Dirk en hij wees op eenigen
+afstand naar een paar dingen, die boven het water uitstaken en
+voortdreven. "Het gelijken wel plankjes op den kant."
+
+"Rare plankjes, jongen," antwoordde de barbier lachend, "je zoudt er
+niet heel veel van timmeren, als je er bij waart."
+
+"Wat zijn het dan?"
+
+"Dat zijn de rugvinnen van haaien, mijn jongen! Boven water zie je hun
+lijf maar zelden, doch ze komen toch zóó dicht bij de oppervlakte, dat
+de scherpe rugvin er boven uitsteekt. Er is daar een aardig troepje van
+die vreeselijke dieren bij mekaêr. Ze hopen zeker op een' storm, die een
+schip doet vergaan, dan hebben ze alweer wat te eten."
+
+"En dat daar, Meester," riep Garrit, die nu weer in eene andere
+richting wees, "dat is net als eene fontein!"
+
+"Eene fontein is het toch niet, vriendje! Het is een walvisch!"
+
+"Och kom, Meester, de walvisschen leven immers in de Noordelijke
+zeeën," merkte Garrit aan. "Je moet ons niet wat wijs maken!"
+
+"Ik maak je niets wijs, Garrit! Het zijn werkelijk walvisschen, en wie
+je verteld heeft, dat die dieren alleen in de Noordelijke zeeën leven,
+die weet er niets van. Ze leven in de Zuidelijke zeeën ook en in heele
+scholen trekken ze soms den Atlantischen of den Stillen Oceaan door, om
+uit de Noordelijke in de Zuidelijke IJszee te komen. Op dien tocht maken
+ze bitter weinig haast en inplaats van rechtuit, rechtaan te zwemmen,
+doen ze precies als de honden op de straat, en zijn nu hier dan daar.
+Hier in de Moluksche zeeën komen ze veel voor, en het is eene bijzondere
+soort, bekend onder den naam van potvisschen."
+
+Het fluitje van den bootsman, dat nu op het oogenblik klonk, maakte aan
+het gesprek een einde, want alle man werd het want ingestuurd om zoo
+vlug, als het maar kon, alle razeilen te bergen. Men zag dat op al de
+andere schepen ook doen en nauwelijks nog waren al die zeilen in de
+lijken geslagen, of de vloot werd overvallen door een' hevigen
+noordoostenwind.
+
+"Hoe vreemd is dat nu," zeide Dolf tot Kapitein Londenaar.
+
+"Niet zoo heel vreemd, mijn vriend! Dat gebeurt in de Moluksche zeeën
+maar al te vaak. Op zijne tellen passen is hier zaak."
+
+"Hoe komt dat zoo?"
+
+"Ja, men vermoedt dat dit de oorzaak is. In de binnenlanden van het
+Makassaarsche Rijk moeten hooge gebergten zijn. Op die bergen nu heeft
+eene sterke warmte-uitstraling plaats, die eene verkoeling teweeg brengt
+op de lucht, die op deze bergen rust. Die afgekoelde lucht nu wordt
+zwaarder dan de onderste, die warm is en daalt snel naar beneden. Gij
+zijt geleerder dan ik en zult dus wel weten, dat wind niets anders is
+dan eene verplaatsing van warme en koude lucht. Doch stil, ik word
+aanboord van de "Mars" geseind. Er zal zeker algemeene scheepsraad
+gehouden moeten worden."
+
+Henri Quatre werd nu gelast eene boot neer te laten en die te bemannen,
+waarna hij Kapitein Londenaar naar het zoogenaamde Admiraalsschip
+bracht, waar weldra de heele krijgsraad vergaderd was. In het eerst ging
+het er in dien raad niet zeer ordelijk toe, wat misschien wel een gevolg
+mocht heeten van den onverstandigen maatregel, dien men genomen had om
+twee personen, beiden met hetzelfde gezag bekleed, aan het hoofd der
+scheepsmacht te plaatsen. Gelukkig waren van Dam en Truytman nog al
+inschikkelijk ten opzichte van elkander, en duurde het niet lang of de
+beraadslagingen geschiedden in orde, en de besluiten werden zonder veel
+geharrewar geregeld genomen.
+
+Nadat men alzoo het plan voor den aanval op de stad, de versterking van
+Makassar en de Portugeesche vloot ontworpen had, werd er ten slotte nog
+besloten, dat de beide Admiraals met de schepen de "Breukelen" en de
+"Mars" vooruit zouden stevenen om te trachten den Koning van Makassar
+met vriendelijke woorden over te halen voortaan der Compagnie terwille
+te zijn.
+
+"Dan weet ik toch wel, wat het einde van het lied zal zijn," sprak
+Kapitein Londenaar.
+
+"Wat dan, Kapitein?" vroeg Admiraal Truytman.
+
+"Wel, als ze dan de heele vloot daarginder ook in het gezicht krijgen,
+dan laat de Koning u bij zich aan het Hof roepen; hij overlaadt u met
+geschenken, bewijst allerlei beleefdheden en doet duizend beloften, de
+eene al fraaier dan de andere. Hij, die complotten smeedt met den
+Soesoehoenan van Java om al de Nederlanders uit den heelen Archipel te
+verdrijven, is een slimme vogel, die meer met list dan met krijgsgeweld
+gedaan krijgt."
+
+"Wij weten, Kapitein," dus begon nu Johan van Dam, "dat die Sultan of
+Koning van Makasser dat verraderlijk plan koestert en er zelfs heel veel
+verwachting van heeft. Was den Gouverneur-Generaal dat plan niet bekend
+geworden, dan zouden wij hier niet met zulk eene groote vloot zijn om
+dat rumoerige en valsche heerschap eens goed op zijn nummer te zetten. U
+begrijpt dus wel, dat wij ons door hem geene knollen voor citroenen in
+de handen zullen laten stoppen. Bovendien, als Landvoogd van Amboina,
+waar ik lang genoeg geweest ben, geloof ik, dat ik meer gelegenheid had
+om achter de schermen te kijken, dan een zeeman, die hier tamelijk
+vreemd in deze streken is."
+
+Niet uit het veld geslagen door den hoogen toon, dien van Dam aansloeg,
+zeide nu IJzeren Neptunus kalm: "Heer van Dam houde het mij ten goede,
+dat ik nog eens het woord neem. Ik verdenk u niet van domheid, maar ik
+meen zoo, dat de knapste kop van de wereld niet instaat zou zijn om uit
+te maken of het "ja" van den Koning gemeend of niet gemeend is, als hij
+dat woord uitspreekt in het gezicht van eene vloot van vierendertig
+schepen."
+
+"Hierin moet ik Kapitein Londenaar gelijk geven," zeide een der andere
+Scheepskapiteins.
+
+"En wat zoudt gij dan meenen, dat er gedaan moet worden, Kapitein
+Londenaar?" vroeg Admiraal Truytman, die wel een weinig korzelig was,
+dat een der beste Scheepskapiteins zoo uit de hoogte neergezet was
+geworden. "Ik hecht heel veel waarde aan uw' raad, want ik weet, dat
+gij een praktisch en moedig man zijt. Wij kennen den IJzeren
+Neptunus."
+
+"Als ik een' raad geven mag, dan zal het deze zijn: Heer Johan van Dam
+als Landvoogd van Amboina, en Heer Truytman als Admiraal der
+Oost-Indische Compagnie zeilen vooruit met twee of drie schepen, en...."
+
+"Is het dan Kapitein Londenaar in het hoofd geslagen?" riep een jong
+Kapitein uit, die de Gezagvoerder van de fluit "Edam" was. "Dat is
+immers al aangenomen? Ik dacht niet dat de gewezen Stuurman van de
+"Leerdam" aan het suffen was. Het blijkt evenwel dat dit toch het geval
+is, anders zou hij niet zoo onbeholpen uit den hoek komen."
+
+IJzeren Neptunus keek den jongen man aan en zeide zoo bedaard mogelijk:
+"Zoolang de Kapitein van de fluit "Edam" zich nog op de zeekaarten
+den weg moet laten wijzen door zijn' Tweeden Stuurman, zoolang moest
+dezelfde Kapitein in een' krijgsraad het niet wagen om een' gewezen
+Eersten Stuurman op hoogen toon de les te lezen, en moest hij tenminste
+zooveel weten, dat hij het woord niet neemt vóór een ander uitgesproken
+is." Hierop wendde Kapitein Londenaar zich tot de twee Bevelhebbers en
+zeide: "En als u dan met uwe schepen vooruitzeilt, dan kiezen wij zee,
+om uit het gezicht van den vijand te zijn."
+
+"En zorgen vooraf dat er nu al geene verklikkers vooruitgaan om den
+Koning te vertellen, dat we hem foppen," zei Truytman en wees door een
+raam van de kajuit, waarin de raad gehouden werd, naar buiten.
+
+"Dat zijn twee Chineesche jonken! Zij hebben ons gezien en houden nu met
+alle macht van de vloot af. Wij moeten jacht maken op die schelmen,"
+sprak van Dam.
+
+"Dat wordt al gedaan, zie ik," zeide de Kapitein van de "Breukelen"
+en wees op eenige zeilbooten, die de zware jonken met vlugheid nazaten.
+
+"Het is de vraag of men ze nog krijgen zal," meende van Dam. "De
+Chineezen zijn wakker zoowel op het land als op het water."
+
+"In alle gevallen wordt op het oogenblik het beste gedaan, wat er gedaan
+kan worden," zeide Truytman. "Halen de onzen de jonken in, dan zullen
+ze die schelmsche Chineezen wel meevoeren. Halen zij ze niet in, welnu,
+dan in vredesnaam. Maar om op het voorstel van Kapitein Londenaar terug
+te komen, mij dunkt, dat is zoo kwaad niet bedacht."
+
+"Zoo kan alleen een held als Admiraal Truytman spreken," zeide nu de
+jonge Kapitein van de "Edam" met vleiende stem. "Maar ik ben er
+tegen, en ik zal duidelijk maken waarom. Terwijl wij in zee zijn, slaan
+ze u en al de onzen dood en maken de schepen prijs."
+
+"U schijnt al heel weinig ondervinding te hebben van Makassaarsche
+zaken, Kapitein," antwoordde Truytman, die een veel te flink zeeman was
+om het niet onaangenaam te vinden, dat dit jonge kereltje, die door
+gunst van een' der Heeren Bewindhebbers Kapitein van eene fluit geworden
+was op een' leeftijd, dat een ander nauwelijks voor derden stuurman
+vaart kon krijgen, nu hier in den krijgsraad eene borst zette, alsof hij
+wijsheid en moed in pacht had. En daarom vervolgde hij snijdend scherp,
+ja, beleedigend: "U voegt het in deze zaak alleen te hooren en dan te
+doen, wat er besloten is, want raad geven kunt gij niet, daar ge nog
+nimmer in deze streken geweest zijt. Het is volkomen waar, wat Kapitein
+Londenaar zeide, dat de Koning van Makassar een uitgeslapen slimmerd is,
+die de huik heel aardig naar den wind weet te hangen. Hij weet zeer goed
+dat de tijd voor hem nog niet gekomen is om handelend tegen de Compagnie
+op te treden, en dat hij, door ons aan te vallen, zijn heele plan in
+duigen werpen zou. Wat u dus daar zegt, dat hij die twee schepen nemen
+en de onzen dooden zal, raakt kant noch wal. Zijne heele kracht en al
+zijne macht zitten in zijne slimheid. Ik weet zeker dat er voor ons geen
+gevaar bestaat. Ja, al toonden wij terstond onze tanden en gingen
+gewapenderhand te werk, dan nog zou er voor ons leven in de eerste dagen
+geen gevaar bestaan. Ik stel dus voor dat wij, Heer Johan van Dam, als
+Landvoogd van Amboina, en ik, als Admiraal der Compagnie, met de "Mars"
+en de "Breukelen" vooruitzeilen om te beproeven, wat we gedaan kunnen
+krijgen. De andere tweeëndertig zeilen kiezen zee, doch zorgen over twee
+dagen, geheel slagvaardig bij het eiland Tanah-kéké[28] te liggen. Wij
+komen dan zelven daar bericht van ons wedervaren brengen, of sturen eene
+boodschap. Wie heeft hierin nog wat te zeggen?"
+
+Niemand antwoordde.
+
+"Welnu," sprak toen Heer van Dam, "wij zullen het dan als eene
+aangenomen zaak beschouwen. Maar nu kom ik ook nog met een verzoek. De
+"Mars" waarop onze Admiraals-vlag waait, is een oorlogs-jacht en wél
+bewapend, dat is zoo. Ik zal het niet tegenspreken. Maar ik wilde toch,
+ziet ge, ik wilde...."
+
+Heer van Dam viel in eene gemaakte hoestbui en al de anderen zagen
+elkander lachend aan.
+
+"Als u soms meent dat twee schepen toch te weinig zijn, Heer van Dam,
+dan kunnen we nog altijd ons besluit intrekken en een ander nemen,"
+sprak nu Truytman, die meende dat van Dam twee schepen toch wel wat
+weinig vond, maar aarzelde om dat te zeggen, omdat men dan mogelijk aan
+zijn' moed zou twijfelen.
+
+Dat woord scheen te helpen.
+
+"U verstaat mij verkeerd, of liever, ge legt mijn stotteren verkeerd
+uit, Admiraal!" zeide nu van Dam. "Zie, ik ben wel lang op Amboina en
+heel lang uit Nederland geweest, maar de warmte van de Indische zon
+heeft er daarom den Hollandschen moed nog niet uitgebraden, en ik beloof
+u dat ik, als we van leer trekken, toonen zal dat van Dam wel groote
+woorden spreekt, maar ook groote daden verricht."
+
+Truytman bloosde en antwoordde verlegen: "Ik verdenk u niet van
+lafhartigheid, goede vriend! Maar uwe zonderlinge rede deed me denken,
+dat er iets in het besluit tegen uw' zin was. Ik bid u daarom, als ge
+wat op het gemoed hebt, dat ge dan vrij spreekt, en wat ge ook
+voorstellen moogt, niet één onzer zal u ook maar een enkel oogenblik van
+lafhartigheid verdenken. Ik bidde u, spreekt dus."
+
+"Welnu, ik ben begonnen met A te zeggen, ik zal voortgaan tot Z. Eenigen
+tijd geleden is Heer Simon Cos, Landvoogd van Ternate gestorven."
+
+"Dat weet ik," zeide Truytman. "Hij stierf te midden van het hoogste
+geluk; want hij was nog jong en pas geleden gehuwd met het liefste en
+mooiste vrouwtje, dat ik ooit gekend heb. Het leven is als eene bloeme
+des velds overal, maar hier in de Oost met die verraderlijke
+ingewandsziekten en dikwerf ook nog vele andere, is dat nog veel meer
+het geval. Heer Simon Cos was al heel schielijk uit zijn' tijd. Maar
+Heer van Dam houde het mij ten goede, dat ik hem eerlijk verklaar, dat
+ik niet weet, wat de schoone weduwe Cos met de Makassaarsche zaken te
+maken heeft."
+
+"U zal dat weten, Admiraal, en de andere Heeren zullen het nu ook
+weten," zeide van Dam, "want eigenlijk valt de zaak toch moeielijk om
+nog langer geheim gehouden te worden. De jonge weduwe van vriend Cos
+kwam op Amboina aan, Heeren! Ik leerde haar daar kennen, en ...."
+
+Hier hield hij weer een oogenblik op, alsof hij verlegen was met de zaak
+voort te gaan.
+
+"U maakt ons nieuwsgierig, Heer Landvoogd," sprak een Kapitein.
+"Hoe is het verder met haar gegaan?"
+
+"Het kwam ten laatste zoover, dat wij elkander trouw beloofden. Maar zoo
+lang ik nog Landvoogd van Amboina ben en zoo dag aan dag in allerlei
+zaken zit, kan ik aan geen huwen denken. Ik heb daarom met haar
+goedvinden besloten haar naar Batavia te zenden. De Gouverneur-Generaal
+is, zooals ge weet, een mijner beste vrienden, en ik stel haar onder
+zijne bescherming tot mijn diensttijd als Landvoogd verstreken is. Dan
+ga ik ook naar Batavia en huw haar!"
+
+"Goede vriend," zeide Truytman en stak van Dam de hand toe, "wees dan
+langer jaren gelukkig met haar dan de arme Simon Cos was. Maar u moet
+het mij niet euvel duiden, dat ik nog niet inzie, wat deze zaak met ons
+besluit te maken heeft. Wees zoo goed en leg dat eens uit."
+
+"Dat zal ik," vervolgde van Dam. "Deze weduwe is hier op de
+"Mars" aanboord en zij bewoont de hut, die anders voor mij bestemd
+was geweest."
+
+"Ha, nu begrijp ik waarom gij u met de ellendigste hut van de "Mars"
+tevreden steldet!" zeide Admiraal Truytman. "Ik wist waarlijk niet dat
+de "Mars" zulk eene eêle lading in had. Nu zou u zeker voor de
+"Mars" liever een ander schip nemen, om haar buiten alle mogelijke
+gevaren te houden en de "Mars" dadelijk naar Batavia willen zenden!"
+
+"Gij raadt het niet, Admiraal," hernam van Dam. "Neen, de
+"Mars" is, als het er op aankomt, het eenige schip, dat geheel ten
+oorlog uitgerust is. Wij kunnen het niet missen. Maar als wij nu te
+Makassar aankomen, wij, de "Mars" en de "Breukelen", en het gaat
+eens niet naar wensch, alles kan gebeuren, welnu, dan moeten we kunnen
+toonen, dat we bijten durven. Die vrouw nu zou ons misschien in onze
+bewegingen belemmeren. En daarom heb ik nog dit voorstel te doen. De
+weduwe van den Heer Cos gaat nu over aanboord van een der andere schepen
+en blijft daar, ook als het later tot een gevecht komt. Bij den
+hoofdaanval met vierendertig zeilen zal zij ons niet in den weg zijn;
+zij is eene Hollandsche vrouw. Maar waar we het er op wagen, met twee
+schepen op slimme manier ons doel te bereiken, daar kon het toch wel
+eens gebeuren, dat de overmacht ons te groot werd. Zónder die vrouw zou
+ik kunnen zeggen: "Liever de lucht in dan gevangen!" Of ik het ook
+zeggen zou mét die vrouw aanboord, dat durf ik niet verzekeren."
+
+"Heer van Dam, laat de schoone weduwe aanboord van de "Edam" komen
+en ik zal haar tegen tienduizend vijanden beschermen," riep de jonge
+Kapitein en zette bij voorbaat een gezicht, alsof er tenminste al
+vijfduizend vijanden voor hem op den loop gegaan waren. "Ik ben van
+oud-adellijke afkomst, en een mijner Stamvaders, die onder Hertog
+Godfried van Bouillon den Eersten Kruistocht mede maakte en na den
+dapperen Hertog het eerst op de muren van Jeruzalem stond, had tot
+wapenspreuk: "Trouw aan de vrouwen en het zwaard!" Hij sloeg met de
+vlakke hand tegen de borst en riep nu, bijna kraaiend van dapperheid:
+"En ik, zijn nazaat, heb dezelfde spreuk."
+
+"Zoo iets heb ik precies bij ons te Amsterdam in den schouwburg hooren
+zeggen," zeide een oud Scheepskapitein zoo leuk voor zijn' neus weg.
+"Ze gaven den Gijsbreght van Aemstel, en de Ridder, die voor van
+Egmond speelde, zag er uit, alsof hij de heele wereld aandurfde en
+zeide ook, dat kwam zoo in het stuk te pas, weet je,
+
+ "Zoo yemant streeft na eer, ick toon hem 't rechte pad."
+
+Dat was heel mooi gezegd en hij sloeg op zijn borstharnas, dat ik dacht,
+dat voel je man! Maar een held ben je! Dan, den volgenden dag langs
+straat slenterend, zag ik dienzelfden dapperen man op den loop gaan voor
+een keffend hondje! Het was grappig!"
+
+"Zulk een lafaard ben ik niet," riep het jonge Kapiteintje, "en je
+zult zien dat...."
+
+"Gij voor geen honderd honden op den loop gaat? Ik mag het lijden,"
+zeide de oude Kapitein zonder zich om den jongen man te bekommeren.
+
+"Stil, stil, geen gekibbel," sprak nu van Dam en wendde zich tot den
+jongen Kapitein met de woorden: "Vriendelijk dank voor uw aanbod,
+Kapitein! Ik heb een ander op het oog. IJzeren Neptunus, mag ik met u
+een ruiltje leggen?"
+
+"Met mij een ruiltje leggen, Heer van Dam? Ik begrijp u niet," sprak
+Kapitein Londenaar verlegen.
+
+"Ik zal het u uitleggen. Gij hebt aanboord twee gewezen studenten, die
+al lichtelijk wat van de medicijn-kist weten. Onze scheepsbarbier is
+onderweg gestorven, en nu vraag ik u de weduwe Joffer Cos te ruilen
+tegen Meester Pruymius. Wees gij haar Ridder tot de Makassaarsche zaken
+aan een' kant zijn, tenminste tot het eerste gedeelte ervan afgeloopen
+is. Dan kunnen wij opnieuw ruilen. Kunt ge in dien voorslag treden?
+Mogelijk hebt ge vermoed, dat ik iets tegen u had, doch dit is zoo niet;
+ik ben geen voorzichtig redenaar en verspreek mij wel eens. Heb ik u
+evenwel beleedigd dan wil ik het openlijk goedmaken, en daarom nog eens:
+Wilt ge Joffer Cos bij u aanboord nemen en als Ridder terzijde staan?"
+
+Kapitein Londenaar was een wakker man en zag dikwijls zeer diep. Nu
+echter liet hij zich om den tuin leiden door van Dams rondborstig woord
+en daarom zeide hij, en hij sprak zijne woorden zelfs eenigszins zoo,
+dat de oude Scheepskapitein onwillekeurig alweer aan den tooneelheld,
+van Egmond, dacht: "U zal Meester Pruymius hebben, Heer van Dam en ik
+zal Joffer Cos beschermen. Een man, een man; een woord een woord."[29]
+
+"Dat hadt ge niet gedroomd, IJzeren Neptunus, toen ge als Stuurman met
+de "Leerdam" uit het Vaderland vertrokt, dat ge op de "Koning van
+Polen", hier in de wateren van Makassar, als Ridder van eene weerlooze
+vrouw zoudt optreden. Het is met u gegaan naar de lijfspreuk van onzen
+dichter Brederoô: "Het kan verkeeren." Nu, man, de Oost-Indische
+Compagnie heeft wel Kapiteins, die met hun vieren niet tegen u alleen
+opwegen," zeide Admiraal Truytman, en zich hierop tot al de aanwezigen
+wendend, vervolgde hij: "En nu, mannen, gijlieden weet, wat er besloten
+is. Ik weet niet of we binnen een paar dagen alweer algemeenen
+krijgsraad zullen kunnen beleggen. Daarom zeg ik nu, wat ik nog op het
+hart heb. Volbrengt nauwkeurig de bevelen, die u van het Admiraalsschip
+gegeven worden. Spreekt allen uw volk moed in en toont ten allen tijde
+en in alle gevallen, dat de Oost-Indische Compagnie misschien onervaren
+Scheepskapiteins kan hebben, maar lafaards niet één! Leve de
+Oost-Indische Compagnie!"
+
+Vol geestdrift werd dat geroep beantwoord en een half uurtje later
+bevonden al de Kapiteins zich in hunne booten en lieten zich naar hunne
+schepen brengen.
+
+
+VOETNOTEN.
+
+[27] Toen later die geteekende kaarten, nog verbeterd, in druk kwamen,
+waren deze zóó goed, dat de bekende Franschman Beautemps-Beaupré eenmaal
+tegen een onzer Zee-officieren ervan zeide: "Si la Hollande n'avait
+rien fait pour sa gloire, cela suffirait." Dat is: "Indien Holland
+niets meer voor zijn' roem gedaan had, het zou voldoende zijn!"
+
+[28] Tanah-kéké of Toenah-kéké, bij verbastering ook wel Toenikik
+genoemd, beteekent: Afgescheurd land.
+
+[29] Met "Mevrouw" sprak men in dien tijd alleen nog maar de
+echtgenoote van den Gouverneur-Generaal aan. Alle andere vrouwen van
+hooge ambtenaren der Compagnie heetten eenvoudig "Joffer" of
+"Juffer".
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+Een slechte ruil.
+
+
+De laatste, die van de "Mars" afvoer, was de boot van de "Koning van
+Polen" en de daarin wachtende matrozen keken vreemd op toen Kapitein
+Londenaar heel beleefd eene jonge vrouw van de neergelaten scheepstrap
+in de boot bracht, en haar bij zich aan het roer een plaatsje gaf.
+
+Wat de matrozen elkander zoo al lachend in de ooren fluisterden, willen
+we liever maar niet vertellen, te meer niet, omdat er onder de roeiers
+toch geen enkele van onze oude kennissen was.
+
+Toen Kapitein Londenaar in de nabijheid van zijn schip kwam, zag hij dat
+er twee jonken naast lagen en nauwelijks was hij op het dek, of Henri
+Quatre trad op hem toe en zeide: "Kapitein, terwijl u den krijgsraad
+bijwoonde, zagen wij twee Chineesche jonken. Ik heb toen op eigen houtje
+gehandeld en ze laten nazetten."
+
+"Wij hebben gezien, dat het gedaan werd," sprak Londenaar. "En hoe is
+het afgeloopen?"
+
+"Dolf is zoo gelukkig geweest, de beide jonken in te halen en op zijne
+dreiging, dat ze hem te volgen hadden, of dat ze anders door de heele
+vloot in den grond zouden geschoten worden, zijn ze hem gevolgd. Daar
+liggen de jonken en het volk is beneden in het ruim. Heb ik goed
+gedaan?"
+
+"Heel goed, Stuurman, heel goed! Maar op het oogenblik heb ik andere
+zaken. Een paar minuten maar."
+
+Hij wendde zich hierop tot Joost en Kreeft en zeide: "Laat de
+scheepstrap neer!"
+
+"Goed, Kapitein," antwoordde de oude man, maar binnensmonds mompelde
+hij: "Welk een voornaam personage zullen we nu aanboord krijgen?"
+
+Onder aan het schip lag nog altijd de boot en daar er nog al zeeën
+gingen, zoo had Joffer Cos zich het hoofd en het bovenlijf geheel met
+een' mantel bedekt. Van het dek af had men dus niet gezien, dat er eene
+vrouw in de boot was.
+
+Zoodra de scheepstrap neergelaten was, daalde Kapitein Londenaar af en
+hielp Joffer Cos uit de boot op het dek. Vol verbazing zagen de mannen
+haar aan en toen ook de roeiers uit de boot op het dek waren, zeide
+Kapitein Londenaar: "Mannen, deze Joffer is de Bruid van Heer van Dam,
+den Landvoogd van Amboina, en tegelijk een onzer Bevelhebbers. Zij zal
+voor een paar dagen de gast zijn van den Kapitein en de bemanning van de
+"Koning van Polen". Ik vertrouw dat ze een' goeden dunk van ons zal
+medenemen!"
+
+"Leve de Bruid van den Landvoogd!" riep Garrit en smeet van pure
+geestdrift zijne muts zóó hoog, dat de wind haar opnam en in zee woei.
+
+Natuurlijk werd dit welkom door heel de bemanning herhaald. Alleen Oude
+Joost schudde het hoofd en bromde: "De "Koning van Polen" krijgt al
+vreemde ballast in."
+
+Kapitein Londenaar bracht Joffer Cos naar zijne hut en verzocht haar,
+het hem niet euvel te duiden, als hij haar een oogenblik alleen liet,
+daar hij zaken in orde te brengen had, die geen uitstel konden velen.
+
+"Ga uw' gang, Kapitein! Ik ben eene gemakkelijke gast! Maar als ge lang
+wegblijft, dan mag ik, als ik mij hier begin te vervelen, mij toch wel
+op het dek vertoonen?" zeide Joffer Cos met een vriendelijk lachje, en
+liet daarbij twee rijen hagelwitte tanden zien, waarmede ze wel wat
+scheen te willen pronken.
+
+"Natuurlijk, Joffer! U is zoo vrij als een vogel in de lucht. Maar ik
+zal zoo lang niet wegblijven," antwoordde Londenaar en verwijderde zich.
+
+Zoodra hij weer op het dek gekomen was, begaf hij zich naar Meester
+Pruymius, die al vast bezig was pluksel te maken en verbanddoeken in
+gereedheid te brengen. Geholpen door Dirk en Garrit zat hij voor een'
+hoop linnen tusschen twee groote kisten en een paar bamboe-manden. Hij
+zelf was gewapend met eene schaar en knipte lange reepen, waaraan Dirk
+met zeilmakers-garen, omdat men geen fijner bij de hand had, zoomen
+naaide en bandjes vastmaakte. Uit de overgebleven stukken maakte Garrit
+pluksel en hij ging hiermede zoo vlug te werk, dat hij al eene
+bamboe-mand tot het randje vol had. Onder deze bezigheid werden de
+beide knapen "opgevroolijkt" door de vertellingen van Meester Troost
+der Armen, die eigenlijk van niets anders sprak dan van allerlei akelige
+verwondingen.
+
+Op het laatst maakte hij het evenwel zóó erg, dat Garrit uitriep:
+"Meester, ik wilde wel dat ge met uw akelige vertellingen twintig
+zeemijlen van me af waart!"
+
+"Nog liever vijftig!" verbeterde Dirk.
+
+"Uw wensch zal vervuld worden, jongens," sprak op dit oogenblik de
+Kapitein, die lachend al die verbanddoeken en die mand vol pluksel
+bekeek.
+
+Meester Troost der Armen keek verwonderd op.
+
+"Ja, Meester! De wensch dezer jonge borsten zal letterlijk vervuld
+worden. Beneden licht de boot te wachten, welke u overbrengen zal naar
+het Admiraalsschip waarop de barbier gestorven is! Dolf, wilt ge zoo
+goed zijn hem er heen te brengen en dan aan den Admiraal of Heer van Dam
+te vragen, wat we met de Chineezen moeten aanvangen. Deel hun dan meteen
+mede op welke manier gij die twee jonken nagezet en genomen hebt, dan
+weten ze althans, dat die Chineezen de nadering der Hollandsche vloot
+niet aan de vijanden verraden hebben. Wij allen hadden er vrees voor."
+
+"Goed, Kapitein," sprak Dolf. "Ik zal alles mededeelen, zooals het
+gegaan is. En nu, ik ben klaar! Kom, Meester, mee!"
+
+"Maar ik heb mijne medicamenten-kist hier nog niet!"
+
+"Er is eene beste aanboord van de "Mars", goede vriend," zeide de
+Kapitein. "De barbier daar had er ook eene."
+
+"Jawel, maar mijn pluksel en mijne verbanddoeken!"
+
+"Die kunnen mede! Hier, Hoepel, deze manden en kisten in de boot. Ze
+zullen misschien wel noodig zijn."
+
+"Maar mijne potten met troost der armen!"
+
+"Garrit, hier is eene ledige mand! Haal hierin vijf of zes potten
+"troost", zei Londenaar lachend.
+
+"En dan het wonderwater van Serbiette, en de potten met die Chineesche
+zalf, die, die, die borreborrie!"
+
+"Maar, Meester, je zult daar tusschen al die potten, pannen, manden,
+kisten en flesschen zitten, als een Nassauer op de Pottenmarkt te
+Middelburg," riep Hoepel en schaterde van het lachen, alleen bij de
+gedachte dat hij den barbier daar zou zien zitten.
+
+Meester Pruymius zette eene hooge borst en zeide: "De lijfarts van de
+Bevelhebbers der vloot moet toonen, dat hij geen kwâjongen is, die alles
+op een koopje doet!"
+
+Ondertusschen had de eene matroos na den anderen een' pot, eene kruik,
+eene flesch of eene mand gehaald, en één zelfs kwam met een' versleten
+zwabber aan, gaf dien aan Meester Troost over en zeide; "Een
+wonderwasschertje, Meester!"
+
+"Nu, nu, spels genoeg! Brengt dien rommel, waar ge hem gehaald hebt! De
+Heeren zouden anders wel denken, dat we hen voor den gek hielden. En,
+vlug in de boot! De "Mars" wacht op onzen Meester om te vertrekken,"
+beval Londenaar.
+
+Hoe Meester Troost ook tegenpruttelde, hij kreeg slechts eene flesch
+wonderwater, ééne mand "troost" benevens één' pot met borreborrie mede.
+Hij wilde ook nog een welsprekend afscheid van de bemanning nemen, doch
+de Kapitein maakte er een einde aan door hem in het oor te fluisteren:
+"Wees verstandig, Meester, en zwijg liever! Het volk is te dom om uwe
+geleerdheid te begrijpen! Gij zoudt niet veel meer doen dan paarlen
+voor de zwijnen werpen. Ga maar gauw in de boot. Men wacht u."
+
+Hierdoor gevleid daalde Meester Pruymius den valreep af en kort daarop
+was hij aanboord van het Admiraalsschip, waar hij door de bemanning met
+een: "Hoezee! Meester Troost! Hoezee!" ontvangen werd.
+
+Een uur voor zons-ondergang was Dolf op de "Koning van Polen" terug.
+
+"Kapitein," zei hij, "Admiraal Truytman en Heer van Dam hebben
+gezegd, dat ge de jonken op sleeptouw medenemen moet en het volk wel
+behandelen. Wanneer we over een paar dagen bij het eiland Tanah-kéké de
+boodschap ontvangen, dat het tusschen ons en den Koning van Makassar
+botertje tot op den boôm is, dan kunt ge ze vrij laten."
+
+"En als het eens andersom is?"
+
+"Dan zal men u een nader bericht zenden. Maar vooral moest ik u op het
+gemoed drukken de mannen goed en vriendelijk te behandelen en niet op te
+sluiten. Men moest hen evenwel scherp in het oog houden en zorgen, dat
+ze des nachts niet in alle stilte de wacht overrompelen en het schip
+ontvluchten. Hij, Admiraal Truytman namelijk, zeide, dat ze er best toe
+in staat zijn om zoo iets te doen."
+
+"Ook zonder dat me dit bevolen werd, zou ik het gedaan hebben. Maar wat
+beteekenen toch al die kisten, die ze daar op dek hijschen?"
+
+"Dat zijn reiskoffers van Joffer Cos, Kapitein! Er zijn ook kisten met
+Chineesche lekkernijen bij en die zijn ook voor de Joffer. Maar ééne
+mand is voor u en het volk. Heer van Dam wilde, dat we van avond op de
+gezondheid zijner Bruid een extra-oorlam drinken zouden!"
+
+"Goed, goed! Laat al die pakken en kisten maar in de hut bij de Joffer
+brengen. Ze zal zeker.... Wacht, daar komt ze zelve reeds aan!"
+
+"Wat noemt u toch lang, Kapitein," dus begon ze met een lachje en liet
+weer hare tanden zien, "als u een klein uur niet lang noemt? Ik begon
+mij te vervelen, en daar ik door het venster der kajuit eene boot met
+mijne kisten zag naderen, dacht ik de vrijheid te mogen nemen eens op
+het dek te komen!"
+
+Dolf naderde haar en haar een briefken overreikend, zeide hij: "Met de
+groeten van Heer van Dam, Joffer!"
+
+Joffer Cos opende het briefje en in dien tijd namen de matrozen en
+Officieren de gelegenheid waar, de jonge weduwe eens goed op te nemen.
+
+Na het lezen ging ze naar den Kapitein en zeide: "Ik zal u wel niet lang
+van uwe kajuit berooven, Kapitein! Heer van Dam meldt me, dat ik over
+een' dag of drie wel weer aanboord van de "Mars" zal kunnen
+terugkeeren. Doch wil u zoo goed zijn, deze pakkage in de kajuit te
+laten brengen? Zooals ik lees, heeft Heer van Dam ook voor eene
+versnapering voor u en uw volk gezorgd. Dat is goed. Ik heb vanavond
+niets meer noodig en zou gaarne alleen met mijne gedachten zijn. U
+begrijpt wel dat eene arme weduwe, als ik ben, die alweer op het punt
+staat met een wakker dienaar der Compagnie in het huwelijk te treden,
+gaarne eens even stil droomen wil van hetgeen haar in de toekomst
+mogelijk wachten zal."
+
+Alweer lachte ze vriendelijk en begaf zich naar de kajuit, doch toen ze
+Joost voorbijliep en deze bij ongeluk met zijne ruwe, beteerde
+matrozen-hand haar' blanken arm aanraakte toen hij eene kist oplichtte,
+keek ze hem zóó nijdig en zóó uit de hoogte aan, dat de man er heelemaal
+verslagen van was.
+
+"Kan jij niet beter uit jouw oogen kijken, oude lomperd?" snauwde zij
+hem toe. "Of hebt jij jouw oogen soms ook in den zak zitten?"
+
+Joost zette de kist terstond neer en wilde heengaan.
+
+"Nou, pak op!" beet ze hem toe, en ook nu kwamen de hagelwitte
+tanden te voorschijn.
+
+Henri Quatre was de eenige, die er iets van gehoord en gezien had. Hij
+ging naar die twee en zeide: "Die kist is u te zwaar, brave kerel! Er
+wordt te veel boven op gelegd! Ik zal ze wel in de kajuit brengen!"
+
+Joost verwijderde zich en scheen met de grove vuist wat uit de oogen te
+boenen, dat uit het waterland afkomstig was. Hij zeide evenwel niets.
+
+Henri Quatre zette de kist in de kajuit neer en wilde ook heengaan, doch
+Joffer Cos hield hem tegen en vroeg: "Is u hier Eerste Stuurman
+aanboord?"
+
+"Jawel, Joffer," antwoordde Henri Quatre met eene buiging, alsof hij
+als student voor eene schoone burgemeesters-dochter stond, gereed haar
+ten dans te vragen.
+
+[Illustratie]
+
+Joffer Cos zag hieraan dadelijk, dat hij een man van beschaafde vormen
+was, en meende al een heel wit voetje bij hem te krijgen door hem weer
+lachend hare tanden te laten zien, en beleefd toe te voegen: "Wat
+bedoelde u toch om tegen dien lompen kerel te zeggen, dat er te veel op
+de kist gelegd werd? Er ligt toch niets op?"
+
+"Joffer, onverdiende scheldwoorden uit een' schoonen mond zijn
+onzichtbaar, maar wegen zwaarder dan lood! Gij hebt den braafsten man en
+misschien den dappersten kerel van de "Koning van Polen" bitter
+gegriefd. En als dat uw wil niet geweest is, maak het dan bij hem met
+een hartelijk en vriendelijk woord weer goed! Nu weet u, wat die kist
+voor den braven oude zoo zwaar maakte."
+
+"De Bruid van den Landvoogd van Amboina is de gelijke niet van een'
+zeebonk! Gij kunt gaan, Stuurman," antwoordde de Joffer geraakt en
+keerde hem den rug toe.
+
+Henri Quatre verwijderde zich, haalde minachtend de schouders op en
+bevond zich spoedig op het dek.
+
+"Een aangenaam onderhoud gehad, Willem?" vroeg Dolf.
+
+"Ik gun je er zoo een van ganscher harte, Dolf, maar dan moet je eerst
+mijn vijand worden. Zij is begonnen met onzen goeden Joost een lomperd
+te noemen en geëindigd met mij de deur te wijzen, omdat ik haar durfde
+zeggen, dat ze den braafsten kerel van heel de vloot beleedigd had. Hoe
+eer we die trotsche dame kwijt zijn, hoe liever!"
+
+"Trotsch, het is mogelijk," zeide Dolf, "maar wanneer men hier in de
+Oost niets anders ziet dan bruine mannen aanboord en leikleurige mannen
+en vrouwen aan den wal, dan is het een heel verzetje om eens zulk eene
+jonge en schoone Hollandsche vrouw te zien. Zag je wel haar mooi mondje
+met prachtige tanden? Mensen, men zou er immers de oogen op uitkijken?"
+
+
+"Kijk je oogen dan nog liever op eene oude Javaansche vrouw uit," zeide
+Henri Quatre. "En mooie tanden? Zeker! Poes is ook poezel en heeft ook
+mooie tanden! Noem haar Joffer Poes en beklaag hem, die haar tot vrouw
+krijgt."
+
+"Stuurman," sprak Kapitein Londenaar, "wapen eenige mannen en laat
+dan de Chineezen boven komen. Ik wil er inspectie over houden en hun
+zeggen, wat ze weten moeten."
+
+Dolf, tot wien dit bevel gericht was, wapende eenigen der manschappen en
+toen dit geschied was, begaf hij zich met een viertal naar het ruim,
+deed het luik open en trachtte den Chineezen door teekenen duidelijk te
+maken, dat ze op het dek moesten komen.
+
+De Chineezen begrepen hem zeer goed, en het was voor de arme kerels, die
+inderdaad zonder opzet met hunne jonken temidden van de Hollandsche
+vloot verzeild waren, een welkom bevel.
+
+De een na den ander verliet het dompige hol en op het dek gekomen,
+werden ze door Henri Quatre in twee rijen geschaard, en toen dat
+geschied was, verscheen de Kapitein door gewapend volk omringd.
+
+De Chineezen vielen dadelijk, met hunne aangezichten over de gevouwen
+handen gebogen, op de knieën, ten bewijze van hulde en onderdanigheid.
+
+IJzeren Neptunus, gekleed in de waardigheid van Scheeps-bevelhebber, met
+de sjerp om het lijf, schreed langzaam tusschen de geknielde Chineezen
+voort en toen hij de einden der twee rijen bereikt had, stond hij stil
+en had hun gaarne wat gezegd, als hij de Chineesche taal slechts machtig
+ware geweest.
+
+De Kapitein der Amboinneezen, die ook op het dek stond, scheen te
+begrijpen, wat er aan haperde. Hij ging nu naar Kapitein Londenaar en
+zeide, dat hij wel met die lieden spreken kon, zoodat hij gaarne, als
+tolk zou optreden.
+
+Met vreugde nam de Kapitein dit voorstel aan en zeide nu door middel van
+zijn' tolk tot de Chineezen:
+
+"Mannen, wij gaan den valschen Koning van Makassar beoorlogen om hem te
+dwingen de Compagnie voortaan niet meer door verraderlijke listen en
+streken te benadeelen."
+
+De Chineezen knikten, alsof ze zeggen wilden: "We begrijpen u, ga maar
+voort!"
+
+"En opdat de Makassaren niet, ons ten nadeele, van het hun dreigende
+gevaar zouden verwittigd worden, zoo hebben we ons genoodzaakt gezien u
+met uwe jonken aan te houden. Gij zijt evenwel geene gevangenen en ge
+kunt u hier aanboord vrij bewegen. Maar de eerste de beste, die pogingen
+aanwendt, te ontvluchten, wordt zonder genade op staanden voet
+doodgeschoten. Na verloop van twee of drie dagen zult ge denkelijk uwe
+vrijheid terugkrijgen en de jonken, met alles, wat er op, in en aan is,
+nemen we op sleeptouw. Gij kunt er dan mede heengaan, waar het u
+belieft. Den kost deelt ge met de manschap hier aanboord, tenzij uw
+godsdienst zulks verbiedt. In dit geval geef ik u de vergunning te eten,
+wat ge in de jonken in voorraad hebt. Onder goed geleide moogt ge dat
+halen, doch hier aanboord moet gij het eten. Uwe slaapplaats zal zoo
+goed zijn, als die van één onzer. Dat was het, wat ik u te zeggen had.
+Stuurman, wijs hun de matten, waarin ze den nacht zullen doorbrengen."
+
+De aangezichten der gevangenen zagen er na de toespraak vrij wat
+opgeruimder uit dan er voor, en toen ze een poosje later weer op het dek
+kwamen, had het al den schijn, dat er bij geen van allen plan bestond,
+te ontvluchten. Zij maakten op hunne manier praatjes met onze matrozen
+en hier en daar waren er zelfs, die zich met enkelen van het volk
+vermaakten met het leelijke gezicht, dat Joost voortdurend trok.
+
+Even voor het ondergaan der zon ging de heele vloot weer in zee en
+deelde de Kapitein van de "Koning van Polen" een extra-oorlam uit om
+dat te drinken op de gast van het schip, de Bruid van den Landvoogd van
+Amboina.
+
+Het was een kostelijke drank, doch Henri Quatre en Joost weigerden van
+den wijn te proeven.
+
+"Nu, nu," zei Hoepel, "zet maar niet zoo'n gezicht, Joostje,
+alsof er honderd oorwormen in den beker rondzwommen! Lust jij 'm niet,
+goed, geef dan je portie mij maar. Dat is nog een ander kostje dan het
+water, dat we onder de Linie dronken. Nu, hoor, je gezondheid en de
+gezondheid van de mooie Bruid!"
+
+Op dien krachtigen dronk volgde een oogenblik van dolle vreugde, doch
+weldra werd er bevel gegeven ter kooi te gaan en de wacht te betrekken.
+
+"Zeg, Dirk, wat zou er toch aan den Ouwen Joost haperen?" vroeg Garrit,
+toen ze zich gereed maakten om de wacht te betrekken. "Hij keek zoo echt
+verdrietig, maar toen de bottelier hem het extra-oorlam wilde geven,
+scheelde het maar weinig of hij sloeg het hem uit de handen. Hij was
+echt nijdig, dat zeg ik."
+
+"Och, eene oudemans-bui, jongen," luidde het antwoord.
+
+"Wat scheelt er toch aan, Joost?" vroeg nog een oogenblik later Dolf,
+die mede de wacht had. "Is er soms wat gebeurd? Zeg het dan, je weet
+wel, dat ik het goed met je meen!"
+
+"Ja, Stuurman, ja!"
+
+"Heeft die dame met die mooie tanden u soms van streek gebracht? Joost,
+Joost, ik dacht dat je die malle jaren te boven waart!"
+
+"Wat doen we met zulk een katvisch en zulk een hutspot aanboord van de
+"Koning van Polen," dat vraag ik," bromde de oude man.
+
+Dolf en Garrit barstten in lachen uit en de eerste riep: "Maar, Joost,
+jongen, die Joffer behoort dan toch niet tot dat, wat men katvisch of
+hutspot noemt?"
+
+"Ze behoort er niet bij en is er toch bij gedaan; de hutspot wordt er te
+slechter door. Een hoop Chineezen en eene Joffer, die de deur toedoet.
+Heeft een schip ooit zulk een zoodje als bemanning gehad?"
+
+Op dat oogenblik werd de deur van de kajuit geopend en trad de vrouw,
+over wie men het zoo even nog gehad had, naar de kampanje waar de
+Kapitein stond.
+
+"Er zijn ratten aanboord, Kapitein," zeide ze op vrij luiden toon.
+"Hoort u wel, er zijn ratten!"
+
+"Dat weet ik, Joffer! En dat is lastig gezelschap; maar er is al weinig
+aan te doen!"
+
+"Wat zegt u," riep de ontevreden dame op schellen toon, "is er weinig
+aan te doen? U heeft toch volk genoeg aanboord!"
+
+"Volk genoeg, maar katten te kort. Een matroos is een slecht
+rattenvanger, Joffer! Intusschen doet het me leed, dat ze u in den slaap
+gestoord hebben! Maar zou u niet naar binnen gaan? Het wordt koel op het
+dek!"
+
+"En de ratten dan, Kapitein?"
+
+Thans was het geduld van den goedigen Londenaar teneinde, en eenigszins
+boos, en zonder aan hare gewoonte te denken, zeide hij driftig: "Dan
+laat u dien beesten de tanden maar zien en roept ge: koest!"
+
+Henri Quatre, die altijd goedlachsch was, schoot in een' helderen lach,
+en dat maakte de Joffer zóó boos, dat ze uitriep: "Het volk is lomp;
+maar de Kapitein is de lompste van allen!"
+
+"Een gast kon wel anders spreken, Joffer! Thans verzoek ik u
+oogenblikkelijk heen te gaan. Als u op de "Mars" is, kan u doen en
+zeggen, wat u begeert; maar op de "Koning van Polen" ben ik Koning en u
+behoort tot mijn gevolg. Dat gevolg heeft te gehoorzamen." Hij daalde nu
+de trap van de kampanje af en vroeg: "Mag ik de Joffer ook naar binnen
+brengen?"
+
+Kapitein Londenaar bood haar zijn' arm aan, doch zij stiet hem terzijde,
+liep naar de kajuit en sloeg de deur zoo hard dicht, als ze kon.
+
+"Nu maar, ik gun Heer van Dam dat presentje," zeide Henri Quatre.
+"Als hij haar krijgt...."[30]
+
+"Dan koopt hij eene kat in den zak," vulde Joost aan, die door dit
+voorval weer geheel in zijn humeur gekomen was. "Maar met dat al heeft
+de "Koning van Polen" dan toch een vreemd gevolg, zou ik zoo zeggen."
+
+Hiermede liep het gesprek over Juffer Cos ten einde, doch den volgenden
+dag wist iedereen, wat er des avonds laat nog voorgevallen was. De
+matrozen staken er braaf den gek mede en algemeen kreeg de weduwe den
+bijnaam van Joffer Poes. Eenigen hadden zelfs afgesproken, als zij op
+het dek kwam, om dan te gaan mauwen. Zij scheen evenwel niets met het
+dek te hebben uitstaan en liet zich al den tijd, dat ze in volle zee
+waren, niet zien.
+
+Op den bepaalden dag, den tienden Juni, kwam de vloot bij het eiland
+Tanah-kéké en terstond begon men overal zich slagvaardig te maken. Al
+spoedig zagen ze eene prauw, en in het eerst dacht men, dat het volk,
+dat er in zat, de boodschap kwam brengen, dat de vrede gesloten was,
+doch toen zij zich schielijk verwijderde, begreep men, dat de zaak niet
+in den haak was. Ze stonden juist op het punt haar te achtervolgen toen
+de "Mars" en de "Breukelen" in het gezicht kwamen. De heele vloot
+zeilde deze twee schepen te gemoet en van het Admiraalsschip werd weer
+geseind om krijgsraad te houden. De boot van de "Koning van Polen"
+werd neergelaten en toen men wilde afsteken, kwam, onder het gemauw van
+al het scheepsvolk, Joffer Cos bij den valreep, klom naar beneden,
+sprong in de boot en zette, zonder een woord te spreken, maar rood van
+kwaadheid zich bij de voorplecht neer. Op hetzelfde oogenblik kwam van
+het Admiraalsschip eene andere boot en in deze zat Meester Troost der
+Armen.
+
+"Hoezee!" riep Oude Joost vroolijk uit. "Hoezee! De ruil was al te
+slecht! Hoezee!"
+
+
+VOETNOOT.
+
+[30] Joffer Cos kwam later te Batavia, waar Gouverneur-Generaal Johan
+Maetsuyker haar volgens belofte in bescherming nam, doch anders dan
+Johan van Dam gewenscht had. De Gouverneur-Generaal in 1663 weduwnaar
+geworden zijnde, trad niet lang daarna met Joffer Cos in den echt. Geen
+wonder dat Johan van Dam hierover zeer ontevreden was, en dat zijne
+vriendschap voor den Gouverneur-Generaal in eene heftige vijandschap
+veranderde.
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+De Hollandsche Remedie.
+
+
+Met gejuich werd Meester Pruymius door het volk ontvangen, en alsof hij
+twee jaar, inplaats van twee dagen weg geweest was, zoo drukte men hem
+van alle kanten de hand.
+
+"Wat kom je doen?"
+
+"Ben je weg gejaagd?"
+
+"Hij is als de katten en zoekt zijn oud huis weer op!"
+
+"Katten? Jongens, laat je hooren, allemaal: Mauw, mauw, miauw!"
+
+Zoo klonk het verward door elkander, maar het gemiauw overwon ten
+laatste toch, zoodat Meester Pruymius met een gezicht, alsof hij water
+zag branden, uitriep: "Maar houdt toch eens op met dat helsche
+geschreeuw! Je lijkt wel bezetenen! Ben ik dan hier in een dolhuis?"
+
+"Pure pret over je terugkomst, man, anders niet," zeide Henri Quatre.
+"We kunnen niet zonder onzen goeden Meester!"
+
+"En blijdschap over het vertrek van Joffer Poes," vulde Dolf aan.
+"Maar zeg, Meester, wat kom je toch doen? Je...."
+
+"Je riekt naar brand, naar--naar--naar buskruit!" riep Oude Joost.
+"Toch niet aan het bakkeleien geweest?"
+
+"Niet zuinig! Kerels, we hebben zoo van laken gegeven. Al mijn
+wonderwater is op. Een uitmuntend middel. Hadde ik er maar een
+scheepsruim vol van!"
+
+"Zijn er dan gewonden?" vroeg Henri Quatre.
+
+"Acht stuks; maar al bijna klaar! Een heerlijk middel dat wonderwater!
+Zóó gebruikt, zóó beter, tenminste, als het boeltje er niet af is, want
+er ledematen mede aanplakken, dat gaat niet."
+
+"Ja, maar dat zal dan zeker ook niet noodig geweest zijn," meende
+Hoepel. "Zulk eene vaart zal het toch wel niet geloopen hebben."
+
+"Je weet er ook heel wat van," snauwde Meester Pruymius hem toe.
+"Terwijl jelui hier bezig waart met bruidstranen drinken en hylikmaker
+eten, zijn we zoo even aan den slag geweest, en ik zeg je: niet zuinig!"
+
+"Zag je soms een paar potvisschen raken?" vroeg Kreeft.
+
+"Naar potvisschen zag ik niet, ik had meer dan genoeg te kijken naar de
+gewonden. Naar de dooden keek ik maar niet, want die konden zelfs met
+troost der armen of wonderwater niet meer tot hun verhaal gebracht
+worden."
+
+"Maar kom, dooden! Zijn er dan dooden ook gevallen?" klonk het van
+een' anderen kant.
+
+"Maar vier!"
+
+Van alle kanten omringde men nu den barbier, die op het laatst tegen de
+verschansing bijna plat gedrukt werd.
+
+"Gaat dan toch op zij! Maakt ruim baan! Ik kom om wonderwater," riep
+Meester Pruymius.
+
+"We willen weten, wat er gebeurd is!" schreeuwden eenigen.
+
+"Ja, wat gebeurd is, dat vertel zal!" riep de Kapitein der Amboineezen.
+
+"Maakt dan ruimte, dan zal ik mededeelen, wat er geschied is,"
+antwoordde Meester Pruymius.
+
+Met behulp van Dolf en Hoepel kwam de barbier in benauwdheid vrij, en op
+een kanon springend en zich aan het want vasthoudend, begon hij op
+luiden toon het volgende mede te deelen.
+
+"Zooals gij weet zouden die van Makassar al lang en breed zoete broodjes
+bij de Compagnie gebakken hebben, als...."
+
+"De Portugeezen er niet waren," schreeuwde een.
+
+"Die trotsche Doms moeten de Oost uit!" riep een ander.
+
+"Als ge mij in de rede valt moet ik ophouden," zeide Meester Pruymius.
+"We kunnen wel allemaal tegelijk zingen, maar niet allemaal tegelijk
+praten!"
+
+"Wie het nog één keer waagt, wordt tot scheeps-rattenvanger
+aangesteld," liet één uit den hoop zich hooren.
+
+Men lachte, doch kwam spoedig weer tot bedaren.
+
+"Het is zoo, de Portugeezen zijn te Makassar onze ergste vijanden, en ze
+hebben daar een kwartier opgeslagen, dat met tal van kanonnen verdedigd
+kan worden. Om nu te maken, dat de Makassaren niet naar de Compagnie
+overloopen, hebben ze al tal van jaren uitgestrooid, dat de Hollanders
+maar laffe zeeroovers zijn, te arm om er een' Vorst op na te houden. Het
+spreekt dus vanzelf, dat wij daar te Makassar ook met de Portugeezen een
+appeltje te schillen hebben.
+
+Zoodra wij nu de vestiging in het gezicht konden krijgen stonden we
+allen over de verschansing te turen.
+
+Opeens riep de uitkijk in den mast: "Zes zeilen vooruit!"
+
+De bevelhebbers wapenden zich met hunne kijkers en Heer Johan van Dam
+was de eerste, die zeide: "Dat zijn zes Portugeesche karveelen, die
+gereed liggen om te vertrekken!"
+
+Zes karveelen! En wij waren met ons tweeën!
+
+Geen wonder, dat bij velen de moed in de schoenen zonk, en dat er
+algemeen gemompeld werd, maar te vertrekken en de hoofdvloot weer op te
+zoeken.
+
+"Hoort eens, jongens," dus begon nu Admiraal Truytman, "wij zijn hier
+niet gekomen om uit de verte een kijkje te nemen en dan weg te loopen.
+Dan zouden de Portugeezen ons met de vingers nawijzen en tot de
+Makassaren zeggen: "Ziet gij wel, dat wij gelijk hebben gehad en dat de
+Hollanders laffe zeeschuimers zijn, die het dadelijk op een loopen
+zetten, als er gevaar van klappen deelen is?" Neen, mannen, we moeten
+toonen, dat we geene lafaards zijn, maar kerels, die durven, als het er
+op aankomt. Ze gaan hunne tegenstanders niet eerst tellen om nauwkeurig
+te becijferen of de kansen wel gelijk staan; ze laten Chineezen tellen,
+die houden ervan, maar inplaats van te gaan cijferen, vallen ze aan!"
+
+"Niemand zal mij ooit van lafhartigheid beschuldigen," sprak nu de
+Kapitein van de "Breukelen", die met eenigen zijner Officieren bij ons
+aanboord was, "maar ik zou den Admiraal toch wel willen vragen, hoe er
+eenige mogelijkheid bestaat, dat wij er niet slecht afkomen?"
+
+"Wel, Kapitein, dat wil ik niet alleen u, maar allen zeggen. Die
+karveelen zijn zwaar geladen en log gebouwd, zoodat ze zich heel
+moeielijk bewegen kunnen. De "Mars" is een vlug schip, en de
+"Breukelen" ligt als eene veêr op het water. Wat we in talrijkheid
+verliezen, dat winnen we meer dan dubbel uit door de vlugheid van onze
+bewegingen."
+
+"Toegegeven, Admiraal! Maar zullen de kanonnen van het Portugeesche
+kwartier ons niet deerlijk toetakelen? En zullen de Makassaren niet
+wakker mede helpen? Na al wat ik er van gezien en gehoord heb, zijn ze
+daartoe wel gedwongen. De overmacht wordt dus zóó groot, dat ik vragen
+durf: Zijn wij wel lafaards, als we nu toch eerst eens gaan tellen?"
+
+Op deze laatste vraag van den Kapitein zeide Heer Johan van Dam, die
+werkelijk een man is, die durft: "Kapitein, ik ken die van Makassar een
+weinig, want ik kwam er menigmaal mede in aanraking. En als ik nu
+ronduit zeggen moet, wat ik denk, dan is het dit: Ik houd het er voor,
+dat de Koning van Makassar stilletjes toekijken zal om te zien hoe de
+zaak afloopt. Met een oud Hollandsch spreekwoord gezegd: De slimmerd zal
+heel eenvoudig de kat uit den boom kijken."
+
+"En wat de kanonnen van het Portugeesche kwartier betreft, ook daarvoor
+ben ik zoo bang niet," hernam Admiraal Truytman op geruststellenden
+toon, "wij overrompelen de luiden, en bij den vijand zal alles wel niet
+tot eene onverwachte verdediging gereed zijn. Vooral hier niet, waar ze
+meenen volkomen veilig te zijn. Ik ben dus voor een' flinken aanval, en
+gelukt het ons, de karveelen te overwinnen, wie weet welk een' rijken
+buit wij dan vinden, want hoogstwaarschijnlijk komen zij van Macao en
+liggen ze gereed om naar Goa te vertrekken. Ziet, ziet, ze maken al
+aanstalten om ons te ontwijken!"
+
+"Dan er maar op los!" riep de Kapitein van de "Breukelen" nu
+uit. "En hoe eer hoe liever!"
+
+"Toch zullen we genoodzaakt zijn den volgenden dag af te wachten,"
+zeide de Admiraal. "Zoo op het oogenblik valt de nacht in en het
+vaarwater is hier voor ons onveilig, omdat we er nog geene kaarten van
+hebben. Als we omhoog kwamen te zitten, waren we verloren. In de vrije
+vaart moet onze kracht liggen."
+
+"Maar als die schoone buit ons nu van nacht ontsnapt," liet een der
+Officieren zich ontvallen.
+
+"Hiervoor kunnen wij zorgen, man," antwoordde Truytman. "Als ze
+ontvluchten willen, moeten ze hier voorbij, en zoo donker is de nacht
+niet, of we zullen dat zien!"
+
+Algemeen begreep men, dat de Admiraal den besten voorslag deed, die
+gedaan kon worden en daarom besloot men dien aan te nemen.
+
+Er kwam dien nacht natuurlijk niet veel van slapen. Iedereen was in de
+weer en nauwelijks begon het licht der starren wat te verbleeken, of men
+riep al het volk op het dek bij elkander tot het gebed. Dit gebeurde ook
+op de "Breukelen", dat zagen we, want we lagen zóó dicht bij
+elkander, dat we zonder te schreeuwen heel gemakkelijk met elkander
+spreken konden.
+
+Na alzoo in den gebede moed verzameld te hebben, begaf ieder zich op
+zijn' post en de morgenschemering was pas begonnen of de Admiraal gaf
+het teeken tot den aanval.
+
+Zoodra men de karveelen genoeg genaderd was, zeide de Admiraal tot de
+lieden, die het geschut bedienden: "Mannen, wenscht den luiden op die
+logge karveelen eens zoo hartelijk mogelijk met een paar flinke kogels,
+op Oud-Hollandsche manier, goeden morgen! Vuur!"
+
+Wat de uitwerking van dien barren morgengroet was, kon niemand
+ontdekken; want de rook van de laag aan stuurboord was nog niet eens
+opgetrokken of de laag van bakboordszijde werd dadelijk daarop
+losgebrand. De "Mars" had zich als een vogel zoo vlug gewend. Het is
+een prachtig schip, die "Mars". Men kan er mede doen wat men wil.
+
+Ook de "Breukelen" had ons voorbeeld gevolgd.
+
+Maar opeens zagen we verscheidene lichten op de karveelen; spaanders
+vlogen van de masten; het water werd door zware, ronde dingen, waarvan
+ik je den naam niet behoef te zeggen, felbruisend doorploegd en een
+vreeselijk gedreun volgde.
+
+"Ei, de Dom is wakker," riep Truytman. "Houdt hem aan de praat,
+mannen! Vuur!"
+
+Ik stond bij den grooten mast te midden van mijne medicamenten en
+verbandmiddelen, en ik wil eerlijk bekennen, dat ik niet erg op mijn
+gemak was. Ik heb ook nog nooit een echt zeegevecht bijgewoond, want in
+de Oostzee was het kloppen juist gedaan toen ik er aankwam, en zou het
+weer beginnen toen ik vertrok. Wat ik dus van zeegevechten wist, had ik
+van aanhooren, zelf wist ik er niets van, maar nu ben ik door de wol
+geverfd en weet ik het. Als men er maar eenmaal door heen is, dan valt
+het nog al mee. Maar het duurt nog al een poosje eer men zoo ver is, ten
+minste bij mij was dat het geval. Nog nooit had ik zulk een leven
+gehoord, dat wil ik wel zeggen. Van met elkander eens een woordje
+spreken, geene sprake van. Een had een kogel in zijne borst gekregen en
+toen ze hem bij me brachten, zei de arme kerel: "Dat is mijn dood,
+Meester!" Ik verstond hem niet goed en vroeg: "Wat? Vraag je om brood?
+Vraag liever om troost der armen!" Toen zette de man de hand voor zijne
+mond en schreeuwde: "Ik ga dood!" -- De stumperd! Het roepen was boven
+zijne krachten geweest want oogenblikkelijk was hij dood ook. Ik zag dat
+alles heel kalm aan en om de waarheid te zeggen, ik begreep mezelven
+niet. Dat kwam zeker van de kruitlucht. Ik stond al gereed om ook eens
+even een kanon te helpen afsteken, toen er opeens een vreeselijk
+gerinkinkel bij me gehoord werd.
+
+Eilacie! Een kogel was dwars door mijne medicamenten gevlogen en had al
+mijne potten met troost der armen en borreborrie aan gruizels gesmeten.
+Aan een gat op het dek kon ik zien, dat die leelijke kogel tusschen
+mijne voeten doorgevlogen was. Ik stond te kijken als een haan voor eene
+krijtstreep en zei tot mijzelven: "Meester Pruymius hoe is het mogelijk,
+dat door zulk eene nauwe opening nog zoo'n baas van een' kogel kan! Pas
+maar op, anders heeft de Admiraal straks geen lijfarts meer. Zoek een
+beter plaatsje, maat!"
+
+Dat was een verstandige raad, dien ik mijzelven gaf en daarom maakte ik
+maar dadelijk aanstalten om mijne flesschen wonderwater en overgebleven
+brokken "troost" naar beneden te brengen, toen men juist met een'
+matroos kwam aandragen.
+
+"De tweede, Meester," zeide men.
+
+Men legde den gekwetste bij me neer! Deze deed even de oogen open,
+stamelde nog flauw: "Dag, Moeder!" en, de arme jongen was dood. Hij had
+een' matten kogel tegen de hartstreek gekregen, en dat had hem den dood
+gedaan.
+
+Ondertusschen nam het kanongebulder nog in hevigheid toe.
+
+"Daar komt de Portugeesche Admiraal op ons af," klonk het hier, daar en
+overal. "Het is niet te houden!"
+
+"Vluchten! Vluchten!" schreeuwde de kok.
+
+"Men voert ons naar de slachtbank!" bulkte de koksmaat.
+
+"Heer Admiraal, de overmacht is werkelijk toch te groot," zeide een
+Officier.
+
+Zoo verhieven zich van alle kanten stemmen van luî, die liever aan een'
+schotel opgewarmde spinazie zaten, doch de meesten hielden zich cordaat
+en bleven pal staan. Dat kwam misschien wel, omdat Admiraal Truytman
+zulk een goed voorbeeld op de "Breukelen" gaf, want Sinjeur van Dam
+riep nu: "Vluchten? Nooit! Vuur! Vuur!" en hij stak zelf een
+kanon af.
+
+Ondertusschen kwam de Portugeesche Bevelhebber, die heel wat mans was,
+onze beide schepen al dichter en dichter bij.
+
+"Vuur!" hoorde ik Admiraal Truytman door zijn' roeper schreeuwen en
+"Vuur!" riep Sinjeur van Dam.
+
+De konstabels, zwart als schoorsteenvegers, stonden weer gereed, den
+Portugees de volle laag te geven, toen....
+
+"Bom, daar lag ik!" --
+
+Een vreeselijk gelach werd nu aanboord van de "Koning van Polen"
+gehoord; want Meester Pruymius vertelde zoo vol vuur, dat hij vergat
+zich aan het want vast te houden en op het dek neertuimelde. Hij stond
+evenwel spoedig weder op en vervolgde zijn verhaal.
+
+"Bom, daar lag ik!
+
+Wat was er gebeurd?
+
+Er volgde een slag, zoo hevig, zoo ontzettend, alsof er een heel
+kruitmagazijn in de lucht vloog.
+
+Ons schip werd op en neer, en heen en weer gesmeten.
+
+Stukken hout, ijzer, kogels, vaten, geweren, sabels, hoeden, menschen,
+potten, pannen, ja, van alles zoo wat, plofte op ons dek neer. Het lag
+in een omzien bezaaid met een' rommel, zooals je dien in heel Amsterdam
+bij geen' enkelen uitdrager vindt.
+
+Ik stond op en schreeuwde: "Wat is er gebeurd? Wat is er gebeurd?"
+
+"De Portugeesche Admiraal is in de lucht gevlogen, Meester," zeide
+Sinjeur van Dam. "En dat wij behouden zijn gebleven is een wonder! Op,
+op, mannen! Van de verwarring gebruik gemaakt. Leve de Oost-Indische
+Compagnie! Vuur! Vuur!" riep hij met donderende stem. De man scheen niet
+heesch te kunnen worden en zette alle kersenwachters in Zeeland en in de
+Betuwe beschaamd.
+
+"Een doode en drie zwaar gekwetsten, Meester! Wij brengen werk aan den
+winkel," zeiden eenige matrozen, die met een' gesneuvelde en drie
+anderen, die wonden ontvangen hadden, kwamen aandragen.
+
+Gelukkig waren de twee kruiken met wonderwater heel gebleven. Ik
+onderzocht de wonden, wiesch ze met schoon regenwater en na een compres
+met wonderwater er op gelegd te hebben, deed ik er verbanddoeken om. De
+arme kerels bekwamen er heelemaal van en zeiden, dat het dadelijk
+vermindering van pijn gaf.
+
+Na zoo drie gekwetsten geholpen te hebben, werden ze beneden gebracht,
+waar ze geruster konden liggen. Een half uur lang had ik niets te doen
+dan rondkijken, en ik gaf mijne oogen den kost, want er was heel wat
+meer te kijken dan in eene verloopen bakkerij waar de oven afgebroken
+is.
+
+Maar op eens, daar stond ik blootshoofds; mijne muts vloog zoo netjes
+van mijn hoofd, alsof de wind die er afgeblazen had. Voor kouvatten ben
+ik altijd bang geweest, vooral na den tijd, dat de maan door mijne haren
+schijnt. Ik ging dus aan het zoeken en eindelijk vond ik mijne muts. Ik
+bekeek ze en zag nu, dat er een musketkogel dwars doorheen gegaan was.
+Kijk, hier zijn de gaten! Je begrijpt dat ik die muts, als eene
+gedachtenis, bewaar. Eene nieuwe zullen de Makassaren mij geven. Maar
+laat ik verder vertellen. Ik gaf dan mijne oogen goed den kost en zag
+het heele strand bezaaid met bruine, halfnaakte menschen, die verbaasd
+schenen te kijken, dat de twee zoogenaamde laffe zeeroovers den strijd
+dorsten wagen tegen zes dapperen, die onderdanen van een' Koning waren.
+Dat scheen hun begrip te boven te gaan. Hoe kon men geen' Koning hebben
+en toch dapper zijn?"
+
+"Meester Jan telt wel voor vier Koningen! Leve Meester Jan!" riep een
+Dordtenaar, die op zijne manier een aanhanger of vriend van de
+gebroeders de Witt was.
+
+"Vivat, Oranje boven!" klonk het van een' anderen kant.
+
+"Heila, geen Meester Jan en geen Prins van Oranje hier!" riep Henri
+Quatre. "Leve Jan Compagnie! Dat is hier =onze= Koning of Koningin, al
+naar ge wilt!"
+
+Enkelen riepen: "Leve Jan Compagnie!" doch de meesten zwegen of drongen
+er bij Meester Pruymius op aan, dat hij verder zou gaan met zijne
+vertelling.
+
+Na zich met een' teug waters de keel gelaafd te hebben, vervolgde onze
+scheepsbarbier weer even opgeruimd:
+
+"Zoodra de rook van het in de lucht gevlogen Portugeesche Admiraalsschip
+wat opgetrokken was, zag ik, dat door dit ongeval nog twee andere
+karveelen in brand geraakt waren. De schepen brandden als pek, en het
+volk sprong in zijne radeloosheid overboord.
+
+Met dat al gaven de drie andere karveelen nog zoo gauw geen krimp, en
+uit het Portugeesche kwartier schoten ze als dollen; maar juist daardoor
+raakten ze zeker meer lucht dan schepen; want bijna geen enkel schot was
+raak."
+
+"En de Makassaren? Hadden die geene prauwen? Konden die niets doen?"
+
+"Wel lieve zielen, ze deden wat!
+
+Ze liepen als mieren, wier nest men verstoord heeft, door mekaêr van hot
+naar haar. Ze sloegen op de gong-gong als bezetenen, en op de
+oorlogstrommels als dronken nachtwakers. Overal zag men de bloedvlaggen
+uitsteken, maar vechten, ja, dat konden de Portugeezen aan hun hart
+voelen.[31]
+
+"Meester, Meester, berg je!" riep op eenmaal de bottelier van de
+"Mars." Ik keek gek op en -- plof -- daar kreeg me de sukkel zulk
+een stuk hout tegen zijn hoofd, dat duizend potten borreborrie en
+duizend kruiken wonderwater hem niet meer genezen konden; want de man
+was opeens dood, en eer ik nog recht wist, uit welken hoek de wind nu
+woei, hoorde ik weer een' vreeselijken slag en geen twee tellens later
+nog een!
+
+De twee brandende karveelen waren ook in de lucht gevlogen.
+
+"Mannen," riep nu Sinjeur van Dam uit, "de "Breukelen" heeft
+hare partij gevonden en klampt ginder eene karveel aanboord. Eéne van de
+overige twee is voor ons! Vooruit! Vuur!"
+
+Van dat losbranden der kanonnen had ik geen' last meer; ik stond zoo
+vast op mijne beenen als een reiger in een moeras, en ik hielp hard
+meeschreeuwen: "Vooruit! Vooruit!"
+
+"Hei, jij daar met je "vooruit", hier heb je weer een, dien je met je
+"troost" pleizier kan doen," zeide de Tweede Stuurman, die met een
+gewonden arm bij me kwam.
+
+"Maar, mensch!" schreeuwde ik.
+
+"Ik ben niet doof," zei hij. "Bind er maar een' heelen
+ellenwinkel vol lappen om, dan kan ik weer aan den slag."
+
+Hierop stak hij mij den arm toe en ik zag, dat er gelukkig maar een
+musketkogel dwars door het vleesch gegaan was. Ik verbond hem dus gauw,
+en gebruikte daarbij weer maar een' plas wonderwater, en kijk eens aan,
+pas had hij de doeken om, of hij riep: "Vooruit, Mina! Nu weer met
+frisschen moed aan den slag! Verdraaid, wat kunnen die dikke Portugeezen
+nog loopen, als ze bang zijn voor klapper-olie op hun baaitje!"
+
+Met nieuwen moed ging de wakkere man weer op zijn' post bij het roer;
+maar hoe handig hij wist te sturen, de twee karveelen zett'en het met
+volle zeilen op het strand aan, en het duurde niet lang, of ze lagen
+daar zoo mooi omhoog, als eene turf op eene aschvaalt.
+
+"Nog verder, Admiraal?" vroeg de Stuurman.
+
+"Neen, vriend, het is ver genoeg, anders geraken wij ook omhoog!
+Afhouden! Maar eerst nog eens van beide kanten de volle laag!"
+
+Nu, dat deden de konstabels met het grootste genoegen, en andermaal
+werden met verwonderlijke snelheid de batterijen afgeschoten.
+
+"De "Breukelen" heeft die karveel overmeesterd! Kijk maar, de
+Hollandsche vlag wordt er geheschen!" riep de Eerste Stuurman, die mee
+had geholpen, het geschut te bedienen en er nu door buskruit en rook nog
+zwarter uitzag dan de zwartste Moor uit het Moorenland.
+
+"Gij hebt gelijk, Stuurman," antwoordde Heer van Dam. "De
+"Breukelen" is gelukkiger dan de "Mars." Voor een oorlogsjacht,
+als wij hebben, is zulks te bejammeren."
+
+"Ho, ho, Heer van Dam," dus viel de Kapitein hem in de rede. "Mij
+dunkt zoo, dat de Portugees zelf wel zeggen zal, dat de "Mars" haar'
+naam geene schande heeft aangedaan. Weet ge wel hoeveel kruit we op het
+oogenblik nog hebben?"
+
+"Ik weet niet eens hoeveel de "Mars" aanboord heeft gehad, Kapitein!
+Maar aardig wat verschoten is er!"
+
+"Er was veel meer kruit dan we noodig hadden, en als we nu nog twee keer
+losbranden dan is alles op!"
+
+Na het veroveren van de Portugeesche karveel kwam Admiraal Truytman ook
+bij ons aanboord en daar hij gehoord had, wat de Kapitein van de "Mars"
+zeide, zoo vroeg Sinjeur van Dam hem: "Zou het dan geene zaak zijn, het
+voor vandaag hierbij te laten en de andere schepen op te zoeken?"
+
+"Ik meen zoo, dat we zulks zonder schande kunnen doen. En hoe denkt u
+dan te handelen?" was het antwoord.
+
+"Wel, morgen aan den dag het kasteel Panakoke vermeesteren, een groot
+deel van de stad met het paleis van den Koning in brand steken en het
+Portugeesche kwartier plat schieten! Vindt ge dat plan niet uitmuntend,
+Admiraal?"
+
+"Ja, Heer van Dam, en als we kans willen hebben, dat plan ook te
+volvoeren, dan moet zulks morgen aan den dag gebeuren, eer de vijand
+zich geheel met den Portugees verstaat. Deze laatste heeft zich kranig
+gehouden. Maar komaan, laten wij nu samen eens gaan zien, wat de
+"Breukelen" veroverd heeft; ik kwam u daartoe uitnoodigen."
+
+Wij zett'en nu koers naar onze makkers en zagen dat de veroverde karveel
+"Nostra Signora de Remedia" heette, en weldra vernamen we, dat ze eene
+kostbare lading in had van zijden stoffen, sandelhout, lakwerk,
+porselein en andere Chineesche waren. Wij namen het schip op sleeptouw
+mede, doch lieten de Portugeezen aan land gaan, om bij hunne kameraads
+de boodschap te brengen, dat hunne boontjes nog in de week lagen, en dat
+dit alles nog maar een begin van al de ellende was. En hiermede heb ik
+alles verteld. Morgen, bij leven en welzijn, beleven we samen de rest."
+
+"En wat zal er met die karveel gebeuren?" vroeg Henri Quatre. "Ze
+zullen zulk een schip toch wel houden?"
+
+"Die zal met Hollandsch volk bemand en verdoopt worden in de
+"Hollandsche Remedie". Is er beter naam mogelijk?"
+
+"Als het met ons dan maar niet gaat, zooals het rijmken luidt:
+
+ "Pleun wil sich hangen, vind een schat:
+ Hy laet den strick en kiest het padt;
+ Maer, die 't begroef, die vind den strick,
+ Dies hy sich hanght aen eene mick."
+
+dat wil zeggen: Als de "Nostra Signora de Remedia" ten laatste de strik
+maar niet wordt, waarin wij ons verhangen," zeide Hoepel. "Ik zou er
+althans voor passen alweer op zoo'n karveel te dienen. Met zoo een
+gevalletje vaart een fatsoenlijk Hollander zich in den kelder."
+
+"Als Dolf er dan als Kapitein op dient, dan zal "de Nieuwe Leerdam"
+in het niet verzinken bij de "Hollandsche Remedie", Hoepeltje!"
+sprak Meester Troost, en thans voor goed van het kanon springende, zei
+hij: "En nu mijn wonderwater, alsjeblief, dan ga ik jelui weer voor
+tijd en wijl groeten."
+
+Daar er onder de matrozen niemand was, die aan de kracht van dat
+wonderwater twijfelde, zoo wilden ze niet hebben, dat Meester Pruymius
+alles medenam.
+
+"Het zijn toch mijne spulletjes zou ik meenen," bromde de goedige man.
+"En wie zal me nu willen beletten ze mede te nemen?"
+
+"Dat is waar; maar jij met je spulletjes behoort tot de "Koning van
+Polen". Als wij aan den slag gaan en er vallen hier aanboord gekwetsten,
+waarmede zullen wij ons dan laten genezen? Wij gunnen een ander ook wel
+wat; maar, het hemd is nader dan de rok, begrepen? Dus, de helft blijft
+hier; de andere helft kunt gij medenemen," sprak Hoepel.
+
+Meester Pruymius moest er zich in schikken of hij wilde of niet, doch
+toen hij de helft van zijn' voorraad al in de boot had en zelf gereed
+stond heen te gaan, kwam Kapitein Londenaar van den krijgsraad terug.
+
+Hij zag er niet vroolijk uit en het scheen wel, dat het in dien raad
+niet naar zijn' zin was afgeloopen. Later vernam men dat Joffer Cos
+eigenlijk de oorzaak was geweest van Londenaars ontevredenheid. Dat
+mensch had Heer Johan van Dam zooveel leelijks van "IJzeren Neptunus"
+en zijn volk verteld, dat de Landvoogd onmogelijk alles voor verzinsels
+kon houden. Het gevolg was geweest, dat hij den braven Kapitein
+grof bejegend had, en deze had op zijne beurt toen ook een woordje
+gesproken, dat raak was, zoodat Admiraal Truytman genoodzaakt was
+geweest, hem te zeggen, dat Heer Johan van Dam, als Landvoogd van
+Amboina en Mede-bevelhebber der vloot, te hoog in rang stond om zich in
+den vollen krijgsraad door een' Kapitein van de Compagnie de waarheid
+te laten zeggen.
+
+Dit had onzen wakkeren Kapitein niet weinig gegriefd, en hij begreep
+bovendien, dat de groote Heeren het hem wel inpeperen zouden.
+
+"Gij blijft bij ons aanboord, Meester," dus was Londenaars eerste
+woord, en zich hierop tot eenige matrozen wendend, gaf hij dezen bevel
+de koffers en kisten van Joffer Cos gereed te zetten, want men zou ze
+zoo op het oogenblik halen. De matrozen deden het, en nauwelijks hadden
+zij ze op het dek gebracht, of eene boot van de "Mars" kwam er al om.
+
+"Kapitein," zeide de Stuurman van dit vaartuig, "hier heeft u een
+briefke van onzen Admiraal, waarin hij u zeker zal zeggen, wat ge ons
+moet medegeven."
+
+Kapitein Londenaar opende het briefje en las:
+
+"Goede vriend! Zend de kofferen van Joffer Cos met deze boot mede.
+Gedenk mijn woord in den krijgsraad niet langer, en geloof dat ik alleen
+zoo sprak om erger te voorkomen. Die Joffer heeft al meer op hare
+rekening, ook tusschen mij en den Landvoogd. Edoch, moed gehouden. Deze
+week verlaat ze met de "Hollandsche Remedie" de vloot. Uw vriend
+Truytman."
+
+Dat vriendelijke briefke bracht Londenaar weer geheel op dreef en toen
+de kisten vanboord en de mannen van de "Mars" vertrokken waren, zei
+hij: "Ziezoo, nu zijn we weer met ons eigen volkje. Roep de Chineezen,
+Stuurman!"
+
+Dolf riep de Chineezen, die meestal op een hoopje bij elkander zaten en
+zoodra ze voor Kapitein Londenaar verschenen waren, zeide hij, alweer
+met behulp van den tolk natuurlijk: "Mannen, de twist, dien wij met den
+Koning van Makassar hebben, heeft ons gedwongen u eenige dagen van uwe
+vrijheid te berooven. Thans kunt ge gaan waar ge wilt. Stapt in uwe
+jonken over, ziet of er wat uitgenomen is, en als ge aan het een of
+ander gebrek hebt, zoo zegt het mij, en als ik kan, zal ik het u geven."
+
+Deze woorden werden met gejuich begroet. De Chineezen stapten op hunne
+jonken over en vonden alles in denzelfden toestand. Er werd niets
+vermist. Alleen hadden ze behoefte aan musketten, kruit en lood en een
+der twee Chineesche Gezagvoerders was zoo vrij, hier om te vragen.
+
+Kapitein Londenaar zag hem lachend aan en zeide: "Zou het niet wat erg
+zijn, als wij ons met onze eigen wapenen lieten beoorlogen?"
+
+"De Compagnie zal ons van meer voordeel zijn dan de Portugees of de
+Makassaar, Kapitein! Wij zullen de wapenen niet tegen u of tegen de
+Hollanders keeren. Ons belang verbiedt ons dat ten zeerste."
+
+"Zult gij ons dan helpen?"
+
+"Ook dat niet. Als we zulks deden, brachten we onze broeders, die te
+Makassar zijn, in groot gevaar. Wij gaan naar ons land terug, doch
+wenschten ons onderweg, als het noodig was, voortaan te kunnen
+verdedigen."
+
+"Welnu, ik wil aannemen dat ik met eerlijke lieden en geene schelmen te
+doen heb," sprak Kapitein Londenaar en liet iedere jonk van tien
+musketten en een' goeden voorraad van kruit en lood voorzien.
+
+Hierop namen de Chineezen dankbaar afscheid en -- ze hielden woord. Ze
+dienden den vijand niet.
+
+
+VOETNOOT.
+
+[31] =Van hot naar haar loopen= beteekent: =van rechts naar links
+loopen= en dat =kon hij aan zijn hart voelen= is eene volks-uitdrukking
+voor: =dat kon hij begrijpen=.
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Toch niet alleen.
+
+
+Den volgenden morgen, heel vroeg, werd er nog eens krijgsraad belegd om
+het plan van aanval te regelen. Toen al de Kapiteins bij elkander waren,
+zeide Admiraal Truytman: "Mijne waarde vrienden, deze nacht is niet
+voorbijgegaan zonder mij een plan te doen beramen. Ik zal het u
+mededeelen. Wij zeilen met de heele vloot naar Makassar. De wind is
+zeer flauw en zal ons naar alle waarschijnlijkheid al niet veel verder
+brengen dan tot het kasteel Panakoké. Hier zullen we dan gedurende den
+nacht blijven liggen, doch van de duisternis gebruik makend, zullen de
+landingstroepen van de elf grootste schepen op de jachten en fluiten
+overgaan. Als dan de morgenstond weer aanbreekt beginnen die elf schepen
+een hevig kanonvuur op Panakoké te openen, en als ze dat kasteel eenigen
+tijd beschoten hebben, dan zeilen ze verder. Ofschoon de Heer van Dam en
+ik bij de landingstroepen zullen blijven, moet de "Mars" toch de
+Admiraalsvlag blijven voeren, even alsof wij nog aanboord waren. Na het
+kasteel beschoten te hebben, blijven wij met onze vierentwintig kleinere
+schepen met de zeilen bij den mast liggen, en nemen den schijn aan van
+niets te kunnen doen. Zijn de elf groote schepen voor de stad zelve
+gekomen, dan moeten ze het Koninklijke kasteel Samboupo zoo hevig
+mogelijk gaan beschieten en zich houden, alsof ze hier eene landing
+willen beproeven. Zoodra de Makassaarsche bezetting van het kasteel
+Panakoké dat ziet, zal ze, denkend van de vierentwintig kleine schepen
+niets te vreezen te hebben, de bezetting van het Koninklijke slot te
+hulp komen. Zoodra die bezetting afgetrokken is, landen wij en nemen dan
+waarschijnlijk met zeer veel gemak dat kasteel Panakoké in en brengen
+den vijand zóó tusschen twee vuren, dat hij zich niet weet te bewegen en
+zich op genade of ongenade moet overgeven. Mocht door wind of door iets
+anders dit plan niet volvoerd kunnen worden, dan zullen we opnieuw
+trachten een' krijgsraad te beleggen. Maar ik meen zoo, dat het gelukken
+moet, als de wind ons geene leelijke parten speelt."
+
+Geen der leden van den Raad had iets tegen dit plan in te brengen en de
+Kapiteins van de Amboineesche landingstroepen waren er zelfs wàt mede in
+hun' schik. Ze hadden behoefte, naar het scheen, om te toonen, dat ze in
+moed en dapperheid voor de Europeanen niet onderdeden.
+
+Kort daarop verliet men de plaats van bijeenkomst en stelde de vloot
+zich in beweging.
+
+De wind was zeer flauw, zoodat de schepen langzaam vorderden. Zij, die
+nog nooit in deze streken geweest waren, hadden nu vol-op gelegenheid om
+dat heerlijke land van zeer nabij te bekijken.
+
+Eerst tegen den middag kwam eene stevige koelte uit zee opzetten, en
+nauwelijks had men de stad en de versterkingen in het gezicht gekregen,
+of van al de schepen begon men het grof geschut te lossen. Men deed dit
+evenwel meer om indruk te maken en de stukken nu met schroot te kunnen
+laden.
+
+Het strand was bezaaid met krijgsvolk en uit alles bleek, dat de
+Makassaren niet van plan waren, om zich zoo maar klakkeloos te
+onderwerpen, doch eer ze het tot een gevecht lieten komen, waarvan de
+uitslag toch altijd twijfelachtig was, besloten ze list te gebruiken.
+
+Onverwachts vertoonde zich eene prachtig versierde prauw, die op ons
+Admiraalsschip afkwam. Zij had Afgezanten van den Koning aanboord en
+dezen vroegen gehoor bij den Admiraal. Dit werd hun natuurlijk
+toegestaan. Tusschen twee rijen sterk gewapend volk stapten de
+Afgezanten naar de kajuit, waar de twee Bevelhebbers hen wachtten.
+
+"Gij hebt verlangd ons te spreken; wat is er van uw begeeren?" vroeg
+Heer van Dam, nadat de wederzijdsche begroetingen, die met heel veel
+deftigheid plaats hadden, waren afgeloopen.
+
+De voornaamste der Afgezanten nam nu het woord en zeide: "Wij zijn allen
+Edellieden van Makassar en uit naam van onzen Grootmachtigen Gebieder,
+den Grooten Koning Hassanopdin, onzen Heer, komen wij u vragen waarom
+zulk eene groote vloot der Oost-Indische Compagnie naar Makassar is
+gekomen en de stad met schoten uit grof geschut begroet heeft. Indien
+het zwaard tegen dit Koninkrijk gekeerd is, dan weet onze Grootmachtige
+Gebieder niet, waaraan hij zulks toeschrijven moet, daar het ten allen
+tijde zijn streven geweest is met de Compagnie op een' goeden voet van
+vriendschap te leven. En dit zal zijn streven blijven ook. De Heer
+Bevelhebber dezer vloot hebbe dus de goedheid te zeggen, waarom zijne
+komst alhier niet vredelievend is. Stellig en zeker, onze Grootmachtige
+Gebieder, wien Allah een lang leven schenke, wil van zijne zijde niets
+liever dan goede vriendschap."
+
+Toen de Afgezant dit gezegd had ging hij achterwaarts bij zijn gevolg en
+wachtte, in onderdanige houding, het antwoord der Bevelhebbers af.
+
+Dat antwoord liet zich niet lang wachten. Admiraal Truytman stond op en
+zeide nu: "De Afgezanten van den Grootmachtigen Gebieder van Makassar
+kunnen met hun gevolg wel heengaan, en hun' verraderlijken meester
+vertellen, dat de machtige Oost-Indische Compagnie thans lang genoeg
+geduld gehad heeft. Wij laten ons niet langer met kluitkens in het riet
+sturen en zijn gekomen om de Portugeezen te verjagen, Makassar plat te
+schieten en den Koning zóó te tuchtigen, dat hij geen' anderen uitweg
+meer weet dan zich geheel aan de Compagnie over te geven. Gaat! Gij weet
+uwe boodschap!"
+
+De Makassaarsche Edellieden vertrokken en daar inmiddels de avond begon
+te vallen, zoo ankerde de heele vloot op eene halve mijl afstands van
+het sterke kasteel Panakoké, waar blijkbaar alles in gereedheid gebracht
+werd voor eene moedige verdediging. Gedurende den nacht verlieten de
+Bevelhebbers en de landingstroepen de groote schepen en verborgen zich
+op de fluiten en jachten, die bedaard voor anker bleven liggen.
+
+Met het aanbreken van den dageraad lichtten de elf grootste schepen de
+ankers. De "Mars", met de Admiraalsvlag in top, zeilde vooruit en
+nauwelijks waren zij voor Panakoké gekomen, of zij begonnen dat fort
+allerhevigst te beschieten. De Makassaren, die daar ten getale van vier-
+of vijfduizend man in bezetting lagen, waren nu zóó niet, of ze
+beantwoordden die beleefdheid der Hollanders, en lieten ook de
+bloedvlaggen waaien. Daar het fort echter hooger lag dan het dek onzer
+schepen deden de kogels der vijanden niet veel kwaad. Na alzoo het
+kasteel een tijdlang beschoten te hebben zeilde de vloot onder gedurig
+schieten steeds verder tot ze recht voor het Koninklijke slot lag. Dit
+was eene zeer belangrijke sterkte en blijkbaar was het ook van eene
+buitengewoon groote bezetting voorzien.
+
+Het gedonder van ons geschut werd niet weinig vermeerderd door dat van
+de Makassaren, die door de Portugeezen wakker geholpen werden, en dat
+deze laatsten het geschut bedienden, bleek uit het groot aantal goed
+gerichte schoten, die aan onze vloot niet weinig nadeel toebrachten. Dit
+nadeel en deze tegenstand verbitterden Janmaat niet weinig, en de
+kanonnen werden aanboord der schepen met zulk eene snelheid gelost en
+met zooveel nauwkeurigheid gericht, dat men in het slot bevreesd begon
+te worden en hulp vroeg aan de bezetting van Panakoké. De Bevelhebber
+dier sterkte, in den waan, dat de vierentwintig Compagnie-schepen, die
+daar lagen, niets konden uitrichten, snelde met een aanzienlijk deel der
+bezetting het bedreigde Koninklijke slot te hulp.
+
+Wij weten dat dit juist door de Heeren Truytman en van Dam gehoopt werd,
+en zoodra was Panakoké dan ook niet door het grootste deel van zijne
+bezetting verlaten, of het landingsleger der onzen liet zich met eenig
+klein veldgeschut naar den wal brengen.
+
+"Voorwaarts, mannen!" riep Truytman. "De sterkte bestormd, en ineens
+genomen!"
+
+Moedig rukten de onzen voorwaarts en de kleine bezetting den
+onverwachten vijand ziende naderen, besloot haar leven niet in eene
+wanhopige verdediging te laten, maar op de vlucht te gaan. Met dit doel
+opende zij twee poorten, doch juist op het oogenblik, dat zij door deze
+poorten ontvluchten wilden, naderde eene bende piekeniers van de onzen
+in storm-pas. De Makassaren vloden in de vesting terug en begonnen zich
+nu wanhopig te verdedigen. Maar de macht der onzen was te groot; de
+meesten werden in de pan gehakt en in een' betrekkelijk korten tijd was
+men van het kasteel meester, waar men dadelijk de Hollandsche vlag
+heesch en de Makassaarsche vlaggen neerhaalde.
+
+Toen Garrit en Dirk, die aanboord van de "Koning van Polen" het
+bombardement van het Koninklijke slot hielpen mede maken, op Panakoké de
+vlag der Compagnie zagen wapperen, schreeuwden ze uit alle macht:
+"Victorie! Victorie!"
+
+"Wat is er gaande, jongens?" vroeg Henri Quatre.
+
+"Panakoké is ingenomen, Stuurman! Kijk maar onze vlag waait daar!"
+
+"Daar gaat de vijand op Panakoké los!" schreeuwde Hoepel. "Als
+ze het nu maar houden daar ginder."
+
+"Er zal eene zware wijs op gaan, maat!" zeide Joost. "Wat een
+ontzettend leger heeft die Koning van Makassar! Dat is een machtige
+vijand!"
+
+"Maar eer het een paar dagen verder is, een machtige bondgenoot,"
+meende Dolf.
+
+"Zulke bondgenooten helpen de Compagnie van den wal in de sloot,"
+hernam Joost met wat bitters in de stem.
+
+"Vuur! Vuur, mannen! Belet aan die Makassaren dat ze het fort
+terugnemen. Onze kogels moeten hun den pas afsnijden," riep Kapitein
+Londenaar. "Daar gaat de groote stag van de "Mars". Die daar op
+Samboupo hebben leeren mikken."[32]
+
+"Dat lappen ons die verdraaide Portugeezen, die...."
+
+Het was Hoepel, die deze woorden sprak, doch den zin niet kon voltooien.
+Een kogel vloog hem tegen de borst en hij tuimelde achterover.
+
+Dolf snelde toe om den gevallene op te helpen en naar Meester Pruymius,
+die de handen meer dan vol had, te brengen.
+
+"Laat maar, Stuurman! Laat maar! Het is gedaan met mij! En toch...."
+
+Hij richtte zich nog even op, haalde met bovenmenschelijke inspanning de
+muts van het hoofd, wierp die in de hoogte en riep: "Victorie! Vic...."
+
+Thans zakte hij ineen en was dood.
+
+"De zevende vandaag," bromde Kreeft. "Ze houden hier groote
+opruiming!"
+
+Na dit gezegd te hebben begaf hij zich naar zijn kanon, maar eer hij
+daar plaats genomen had, sloeg een vijandelijke kogel den grooten mast
+in splinters en een dik stuk hout trof hem en Dirk tegelijk. Kreeft was
+oogenblikkelijk dood, doch Dirk had alleen eene hevige wonde aan het
+hoofd bekomen en werd ook bij Meester Pruymius gebracht, die al zijn
+wonderwater al verbruikt had en nu de gewonden met borreborrie trachtte
+te genezen.
+
+Terwijl dit alles aanboord van de "Koning van Polen" voorviel,
+ondernamen de Makassaren de sterkte Panakoké weder te hernemen.
+
+Met een ijselijk geschreeuw vielen ze aan.
+
+Het geschut hadden de onzen gelukkig in een' uitmuntenden staat
+gevonden; het moest alleen maar beter op de affuiten gesteld worden.
+Kruit was er in overvloed en het was van eene uitmuntende hoedanigheid.
+Kogels, steenen, schroot en handgranaten had men vol-op.
+
+"Wij zullen ze staan!" riep van Dam toen hij de duizenden naderen zag.
+"Ze krijgen ons er niet uit."
+
+"Ik vertrouw dat we nog wat meer zullen doen dan dit fort behouden,"
+zeide Admiraal Truytman. "We zullen die luî verjagen ook. De jongens van
+Amboina hebben zich dapper geweerd en dorsten er naar om te toonen, dat
+ze nog meer kunnen doen."
+
+De aanvallers naderden intusschen in dichtgesloten gelederen. Ze
+schenen er niet aan te denken, dat het geschut van het fort, wanneer het
+losgebrand werd in dien opeengepakten hoop, eene verschrikkelijke
+uitwerking zou hebben en er honderden zou doen vallen.
+
+"Vuur!" commandeerde van Dam nu toen de Makassaren juist tegenover de
+batterijen gekomen waren.
+
+De gevolgen van die losbranding waren verschrikkelijk, maar, met ware
+doodsverachting en onder het aanheffen van wilde krijgskreten stormden
+ze voorwaarts tegen de batterijen in. Geene nieuwe losbrandingen konden
+die dapperen doen wijken. Langzaam, maar zeker, naderden zij de wallen,
+en toen ze daar waren werden duizenden pijlen en lansen, die voor het
+meerendeel vergiftigd waren, naar de onzen geworpen.
+
+Eindelijk werden de gelederen van den vijand door de vreeselijke
+uitwerking van ons geschut, dat grootendeels met schroot geladen werd,
+zóó gedund, dat de onverschrokken vijand den moed liet zinken en in
+wilde wanorde op de vlucht sloeg.
+
+"Zet den vijand na! Zet den vijand na!" riepen van Dam en Truytman.
+"Nu moeten we van ons voordeel gebruik maken."
+
+Het werd nu geen gevecht meer, maar eene slachting en toen men ten
+laatste geene vijanden meer te dooden vond, werden, op bevel van van
+Dam, alle tempels, paleizen, landhuizen, pakhuizen, woonhuizen en
+scheepstimmerwerven inbrand gestoken.
+
+Het arme Makassar, dat een paar dagen geleden, daar nog zoo rustig en
+vredig in al zijne heerlijkheid lag, was nu ééne brandende massa, ééne
+groote vuurzee, waaruit de vlammen wapperend en klapperend opstegen.
+
+Intusschen waren de elf schepen van de vloot nog verder gegaan en
+bombardeerden nu het kwartier der Portugeezen, die evenwel toonden, dat
+ze even koen in het hanteeren der wapenen waren, als de Hollanders.
+
+Nu, de Portugeesche zeevaarders waren door hunne onverschrokken
+zeetochten reeds wereldberoemd toen de eerste Nederlander, die een'
+tocht naar de Oost zou maken, nog niet eens geboren was. Wij hadden dus
+met geene lafaards te doen, die bij een eerste kanonschot op de vlucht
+gingen of zich overgaven.
+
+De Bevelhebber der Portugeezen was Dom Francisco Vigero, en deze scheen
+besloten te hebben de Hollanders, het mocht kosten wat het wilde, uit
+Makassar te houden.
+
+Zijn geschut werd op uitstekende wijze bediend en bracht onze vloot
+groote nadeelen toe.
+
+Doch de onzen gaven het ook niet gauw op en schoten, alsof hun voorraad
+van kruit en lood onuitputtelijk was.
+
+Daar ging de "Mars" weer verder.
+
+Aan de noordzijde van Makassar lag nog het fort Joupandan en dat had nog
+geene kennis met onze kogels gemaakt.
+
+"Jongens, dat kan niet," had de Kapitein van de "Mars" gezegd.
+"De een alles en de ander niemendal, dat is niet eerlijk! Vooruit! Die
+daar op Joupandan moeten onze blauwe boonen ook eens proeven!"
+
+Nadat ook dit fort deerlijk toegetakeld was, keerde de "Mars" terug en
+zoodra het voor het kwartier der Portugeezen kwam, begon het lieve leven
+opnieuw.
+
+"Ik wilde wel dat de "Breukelen" wat ruimte maakte." zeide Kapitein
+Londenaar tot Henri Quatre.
+
+"Kunnen we het dan niet wat meer langs den wal houden," vroeg deze.
+"Zoo gaat het niet langer."
+
+"Dat moet dan maar," sprak Londenaar, "maar oppassen is de boodschap,
+anders varen we omhoog."
+
+Dolf bracht daarop de "Koning van Polen" wat meer naar het strand, doch
+opeens kwam de Kapitein aanloopen en schreeuwde: "Roer op! Roer op!"
+
+Ja, het was mooi gezegd: "Roer op!" maar het roer zat als een muur zoo
+vast.
+
+"Wat is dat?" riep Dolf.
+
+"Wij zijn boven de plaats waar gisteren de Portugeesche Admiraal in de
+lucht gevlogen is. Het roer zit vast aan het ankertouw van het wrak!"
+
+Bom -- bom -- bom!
+
+"Lieve schepsel, dat is nu om ons te doen!" riep Joost. "Nog niet
+genoeg dooden en gekwetsten?"
+
+"Vuur, voor den drommel, vuur! Geef ze van laken!" riep Kapitein
+Londenaar. "Wij moeten van ons blijven afbijten."
+
+Dat kon echter nu maar van bakboordszijde gebeuren; want van wenden of
+keeren was geene sprake.
+
+"Dag, Kapitein! Dag jongens!" riep op eenmaal Joost, die door een'
+musketkogel getroffen was, uit.
+
+"Drommels, Ouwe Joost, laat je het er bij liggen?" riep Dolf, die den
+man ophielp.
+
+"Die -- Por -- Portugeezen -- zijn -- zijn -- kerels! Laat me -- laat me
+-- sterven in de armen -- armen van een' Hollander, mijn -- vriend! Laat
+-- IJzeren -- Nep -- tunus -- komen."
+
+IJzeren Neptunus trad nader.
+
+"Wel, Joost," zeî hij, "wat is dát?"
+
+"Houd--uwe--hand--hand onder mijn hoofd--IJzeren--Nep--Neptunus!"
+stamelde hij.
+
+Kapitein Londenaar deed het.
+
+"Doe--de--groeten thuis--aan--vrouw en kin--kinderen! Vaar--wel,
+ka--me--raad! Ad--adjuus!"
+
+Kapitein Londenaar hield een lijk in de armen.
+
+Joost was in dienst der Compagnie gestorven.
+
+Bom! bom! bom! klonken de kanonschoten der Portugeezen, en bijna ieder
+schot was raak.
+
+"Sein om hulp!" riep Kapitein Londenaar.
+
+"Hoezee! Hoezee!" riep op hetzelfde oogenblik Henri Quatre, en het
+schip was vrij.
+
+Een vijandelijke kogel had het ankertouw, waarin het roer verward was,
+middendoor geschoten.
+
+In een oogenblik had men het schip gewend en was de batterij aan
+stuurboord afgevuurd.
+
+"Het is genoeg, Stuurman!" sprak Kapitein Londenaar. "Wij moeten
+afhouden. De "Koning van Polen" zal een' zwaren dobber hebben om de
+andere tien bij te houden! Hoeveel water zouden we in het ruim hebben?"
+
+"Niet veel, Kapitein! De scheepstimmerlui hebben wonderen gedaan! U
+heeft volk aanboord zoo goed als de Heeren Truytman en van Dam niet
+hebben," zeide Dolf.
+
+Wijselijk hield men van den wal af en liet men het geschut zwijgen. Het
+werd tijd, dat men ophield en zich verzamelde, om opnieuw krijgsraad te
+houden.
+
+Toen de avond gevallen was lag de heele vloot weer voor Panakoké op
+dezelfde plaats van den voorgaanden nacht ten anker. De gezonden rustten
+uit van de vermoeienissen van den dag.
+
+In den scheepsraad, die nog dien eigen avond aanboord van de "Mars"
+gehouden werd, bleek het, dat de "Koning van Polen" bijna alleen
+zooveel dooden en gekwetsten had, als al de andere schepen samen. Er
+waren dus bij het bombardement van de forten en de stad niet veel
+Hollandsche menschenlevens te betreuren. Ook bij de landingstroepen
+had men alleen een paar, die niet eens zwaar gewond waren en slechts
+één' doode. Omtrent de plannen van den volgenden dag werd niet gerept.
+De Heer van Dam meende wel, dat de Koning van Makassar het niet wagen
+zou, na zulk eene ontzettende nederlaag, waarbij de keur van zijne
+oorlogsbenden omgekomen was, den strijd voort te zetten. Naar zijne
+gedachten zou er den volgenden morgen wel een nieuw Gezantschap komen
+om de voorwaarden te hooren, waarop de Compagnie vrede wilde sluiten.
+Er werd alleen maar aangenomen, dat men het kasteel Panakoké zou
+blijven bezetten en daar scherpe wacht houden. Men kon dan altijd den
+volgenden dag zien, wat er gedaan moest worden.
+
+Natuurlijk was met het aanbreken van den dag weer alles op de been, en
+het eerste werk der Hollanders was, hunne dooden aan den wal te begraven
+en de gekwetsten over de vloot te verdeelen. De groote menigte lijken
+van Makassaren, die men vond, liet men, onbarmhartig genoeg, maar
+liggen. Zoodra men hiermede geheel klaar was, begon men alles weer
+gereed te maken om den Koning van Makassar en zijn' vrienden de
+Portugeezen van hetzelfde laken een pak te geven als den vorigen dag.
+Men had nog krijgsvoorraad genoeg en door den ijver der matrozen was
+veel van het beschadigde weer hersteld. Eer men echter er toe kon
+overgaan, kwam er des morgens om negen uren al een prachtig versierd
+vaartuig met den voornaamsten Makassaarschen Prins en groot gevolg
+aanboord. Hij werd weer tot de Bevelhebbers der vloot toegelaten en
+thans kwam het uit, dat de Makassaren geen' trek hadden nog een tweede
+pak van dat laken te ontvangen. Ze meenden zoo, dat ze met dat eene pak
+best voor den dag konden komen en begonnen met alvast een'
+wapenstilstand te verzoeken. Verder kregen de Hollanders een pluimpje,
+dat ze zich zoo wakker geweerd hadden.
+
+Onze Bevelhebbers hielden zich evenwel groot en vertelden, dat ze niet
+vanplan waren, het ditmaal met een' sisser te laten afloopen. De vloot,
+die nu voor de stad lag, zeiden ze, bestond maar uit eenige
+koopvaarders, die opweg waren naar Batavia en besloten hadden meteen dat
+spelletje hier te spelen. Over eenigen tijd zouden de Koning en zijne
+vrienden nog wat anders zien. Dan kwam de eigenlijke oorlogsvloot, en al
+wat er nu gebeurd was, zou niemendal te beteekenen hebben bij hetgeen er
+dan gebeuren zou.
+
+De Afgezant was ook door eenige Priesters vergezeld en nauwelijks
+hoorden deze die vreeselijke bedreiging, of één hunner schreeuwde
+luidkeels: "O, groote Profeet, is er dan nog niet genoeg bloed
+vergoten!"
+
+"Of er nog niet genoeg bloed vergoten is," zeide Admiraal Truytman,
+"dat hangt alleen van uw' Koning af. Als deze zijne voornaamste
+Edellieden naar Batavia zendt om daar met den Grooten Heer een
+verbond van vriendschap en onderwerping te sluiten, dan heeft het
+bloedvergieten een einde genomen. Kan hij hiertoe niet overgaan,
+voorwaar, eer de zon ter kimmen daalt, zullen wij opnieuw getoond
+hebben, dat we na zoo lang gesard, geplaagd en bedrogen te zijn,
+eindelijk ons goed hart het zwijgen hebben opgelegd, en wraak willen
+nemen over zooveel onwil en trouweloosheid. Zeg dat aan uw' Koning! En
+nog wat. Geruimen tijd geleden is op deze kusten een klein schip van de
+Compagnie gestrand en het volk gevangen genomen. Nog vandaag eischen
+we die gevangenen in ons midden. Verder geven wij een' wapenstilstand
+van tweemaal vierentwintig uren en in dien tijd moet alles naar ons
+genoegen afgeloopen zijn. De Afgezant weet thans zijne boodschap en kan
+gaan."
+
+De Prins vertrok met hangende pootjes en zeker had hij zich wel niet
+voorgesteld dat die "kwade" Nederlanders zooveel noten op hun' zang
+zouden hebben.
+
+Spoedig daarop kwamen de Afgezanten weer terug met de boodschap, dat de
+Koning begon met de eischen van de Nederlanders aan te nemen, en dat hij
+hun zelfs het vrije verkeer aan den wal toeliet. Als een bewijs zijner
+hoogachting gaf hij den Bevelhebbers eene magere karbouw, doch de onzen
+gaven dat beestje dadelijk de vrijheid. Zij wilden den schijn niet
+aannemen, aan het een of ander gebrek te hebben.
+
+Overal werden nu de roode vlaggen neergehaald en door witte vervangen.
+Dit geschiedde ook aanboord van onze schepen en nauwelijks was het
+bekend, dat het vrije verkeer aan den wal toegelaten was, of
+verscheidene matrozen en Officieren vroegen verlof van dit aanbod
+gebruik te maken.
+
+"Hoort eens, mannen," zeide Truytman, "ik vertrouw den Makassaar niet
+verder dan mijn neus lang is. Om hem te toonen, dat we aan wal durven
+komen, zullen we het doen ook; maar ieder neme de noodige maatregelen
+van voorzichtigheid in acht en zorge, dat hij goed gewapend zij en zich
+in geene hinderlaag late lokken. De elf groote schepen, die zich
+gisteren zoo kloek geweerd hebben, moeten vlak voor de stad komen liggen
+en terwijl het eene deel der manschappen zich wat ontspant, moet het
+andere deel zich gereed houden om mogelijk verraad oogenblikkelijk en op
+eene vreeselijke wijze te straffen. De Amboineezen zal ik gebruiken om
+de grachten om het fort Panakoké te laten verbeteren en uitdiepen; want,
+als de vloot vertrekt, moet dat fort bezet worden, en zóó sterk zijn,
+dat het, bij goede waakzaamheid, onmogelijk kan ingenomen worden."
+
+De wonde, welke Dirk den vorigen dag ontvangen had, was gelukkig niet
+erger, doch Meester Pruymius vond het beter, dat hij aanboord bleef en
+rust hield, omdat er mogelijk eene wondkoorts bij kon komen.
+
+Dat viel Dirk tegen, want hij zou zoo gaarne met Garrit en den barbier
+eens naar den wal gegaan zijn om wat afleiding te hebben.
+
+En afleiding had de knaap wel noodig. Als hij daar zoo eenzaam lag en
+Garrit niet bij zich had om wat met dezen te praten, dan dacht hij aan
+den goeden Ouden Joost, dien braven vriend, die altijd zoo hartelijk en
+vriendelijk voor hem was geweest als de andere matrozen hem en zijn'
+broeder voor de "Twee Vromen" scholden. Vanmorgen hadden ze hem een
+eerlijk zeemans-graf aan den wal gegeven. Hem, ja, en Hoepel en Kreeft
+ook. Met wien moesten ze nu omgaan? Wie zou hun een' riem onder het hart
+steken?
+
+Henri Quatre? Ja, dat was een nobel man, maar -- hij was Eerste Stuurman
+en zou nu wel gauw Kapitein worden. Dan ging hij over op een ander
+schip.
+
+Dolf? Ja, die was ook goed, door en door goed zelfs; maar die was ook
+Stuurman, en aanboord van een schip ziet de Kapitein niet graag, dat de
+meerdere met den mindere zoo vriendschappelijk omgaat. Soort moet zich
+bij soort houden.
+
+IJzeren Neptunus? Hij zou hun geen kwaad doen, neen, stellig niet! Hij
+was een braaf en goed man, maar om eens even het volle hart uit te
+storten, zooals ze dat bij Ouden Joost, bij Hoepel of bij Kreeft wel
+eens gedaan hadden, zie, dat konden ze nog minder.
+
+Meester Pruymius? Och, die was wel goed; maar zoo vreemd! Ze hielden hem
+allemaal voor den gek met zijn troost der armen! En een verstandig woord
+spreken of een' goeden raad geven, dat kon hij wel, maar zoo goed als de
+anderen dat konden, neen, dat in het geheel niet.
+
+Onderwijl de arme Dirk zoo dacht begon hij zich zeer verlaten te
+gevoelen. Zijn hart werd al voller en voller en op het laatst barstte
+hij in tranen uit, sloeg de armen om de leuning van de trap en kermde:
+"o Lief, lief, goed Moedertje! Brave, beste Vader! Garrit en ik zijn zoo
+verlaten! Zoo verlaten en alleen!"
+
+In zijne droefheid had hij niet gehoord, dat hem iemand genaderd was.
+
+Eene hand werd op zijn' schouder gelegd en een vriendelijk gefluister
+klonk aan zijn oor: "Ben ik er dan niet meer, jongen? Toe, kijk eens
+even op en zie me eens aan!"
+
+Dirk schrikte, keek om en...."
+
+IJzeren Neptunus zag hem aan.
+
+En die man, die groote, sterke man, die zeebonk als een boom, -- hij had
+tranen in de donkere oogen en nogmaals klonk het: "Ben ik er dan niet
+meer, jongen?"
+
+"Kapitein! Kapitein!" riep Dirk. Maar meer kon hij niet zeggen en
+snikkend boog hij het kloppende hoofd aan de breede borst van den reus,
+waarin een hart zat zoo edel, zoo groot, zoo goed, dat Dirk zich ten
+laatste vermande en met diep bewogen stem vroeg: "Kapitein, wil u dan in
+de plaats van onze lieve Ouders komen? Wil u dat?"
+
+"Of ik wil, jongen? Of ik wil? Ja, ja, van ganscher harte. Hier heb je
+mijne hand er op. Blijft gij allebei oppassen als tot nu, ik zal je
+helpen, troosten en bijstaan! De Almachtige hoort me spreken, en -- een
+man, een man; een woord, een woord!" --
+
+Was het wel te verwonderen, dat de arme jongen op Garrits vraag: "Dirk,
+ga je met mij en Meester Pruymius mede naar den wal? Als je maar kalm
+blijft, zal het je geen kwaad doen, zei Meester," met een' vroolijken
+lach op het gelaat uitriep: "Ja, Garrit, graag, graag!"
+
+Er ligt voor menschen en kinderen, die zich op aarde verlaten wanen,
+zulk een groote troost in, te ervaren, dat men zich bedroog en hier op
+aarde toch niet alleen staat.
+
+
+VOETNOOT.
+
+[32] Een =stag= is een staand touw, dat dient om den mast te steunen en
+te beletten achterover te slaan. De =groote stag= steunt den grooten
+mast.
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Getuchtigd, niet verslagen.
+
+
+De tocht onzer drie gezellen was, zooals men lichtelijk begrijpen kan,
+naar het kasteel Panakoké. Ze wilden wel eens zien hoe sterk dat was en
+op welke wijze de Makassaren hunne forten bouwden.
+
+Op weg daarheen zagen ze eenige soldaten der Makassaren aankomen. Zij
+waren sterk gewapend en hadden drie zwaar geboeide mannen in hun midden.
+
+"Dat gelijken wel drie der onzen," zeide Garrit. "Dat zullen toch die
+arme schipbreukelingen niet zijn, die ze ons zoo uitleveren?"
+
+"Wel neen, jongen," antwoordde Meester Pruymius. "Na het lesje,
+dat ze ontvangen hebben zullen ze zoo iets niet meer wagen. Kom, we
+zullen eens gaan kijken wat het is."
+
+Ons drietal verhaastte de schreden, doch lang vóór ze bij de hoofdpoort
+van Panakoké kwamen, waren de Makassaren er al met hunne gevangenen, die
+aan den Hollandschen Bevelhebber overgegeven werden.
+
+De Makassaren keerden terug en de drie geboeide mannen werden op
+staanden voet en zonder eenigen vorm van proces, naast elkander, aan den
+diksten tak van een' hoogen boom opgehangen.
+
+De drie vrienden wendden hun hoofd van dat akelig gezicht af en zett'en,
+wel wat ontdaan over dit voorval, hun' tocht voort. Spoedig waren ze nu
+bij de poort van het kasteel waar Meester Pruymius aan een' Vaandrig der
+landingstroepen vroeg, waartoe die wreedheid toch diende.
+
+"Wreedheid, sinjeur!" riep de Vaandrig. "Ik zou u raden een toontje
+lager te zingen. Er is recht, niets meer dan recht gedaan. Gij behoort
+toch niet tot de Doms of Makassaren?"
+
+"Ik ben zoo goed een Hollander, als gij er een zijt, man," zeide de
+barbier. "Ik ben Meester Pruymius van de "Koning van Polen." Maar zoo
+iets, als hier gebeurt...."
+
+"Gebeurt in de Vereenigde Nederlanden immers ook dikwijls genoeg? Of
+heeft niet iedere stad zijn galgenveld? En wordt dat galgenveld wel
+gebruikt om er doperwtjes en peultjes te telen?"
+
+"Alles behalve, man! Maar ik heb er nooit aardigheid in gevonden om eens
+te gaan kijken of al de zeven pennen wel vol waren. Waren die drie ook
+moordenaars?"
+
+"Erger, erger!" luidde het antwoord.
+
+"Amok-makers dan?" vroeg Dirk en hij dacht terstond aan het vreeselijk
+oogenblik, dat hij te Batavia beleefd had en eene huivering liep bij die
+gedachte door al zijne leden.
+
+"Nog erger, veel erger!" sprak de Vaandrig.
+
+Geene moordenaars, maar erger dan deze!
+
+Geen amok-makers, maar nog veel erger dan deze!
+
+Welke vreeselijke menschen waren die drie dan toch?
+
+Dat vroeg ook eindelijk Meester Pruymius.
+
+"Het zijn drie overloopers," antwoordde de Vaandrig. "Twee
+Franschen en een Portugees! Ze wilden zeker hun geluk eens bij den
+vijand beproeven en daar alles van onze aangelegenheden aan de groote
+klok hangen. Zoodra het echter bekend was, dat die drie weggeloopen
+waren, eischte onze Bevelhebber hen dadelijk van den Koning op en deze,
+nog niet bekomen van den schrik, heeft hen onmiddellijk uitgeleverd. Om
+een goed voorbeeld te stellen zijn ze bij de uitlevering, zonder verhoor
+zelfs, opgehangen. Dat komt ervan!"[33]
+
+De drie gezellen lieten den wijzen Vaandrig, die zoo van korte metten
+maken hield, staan en gingen het fort binnen.
+
+Men was druk bezig om binnen de ruimte, die tusschen de muren was,
+allerlei woningen voor de bezetting en magazijnen voor den levens- en
+krijgsvoorraad te bouwen.
+
+De vier ronde punten aan de hoeken der muren waren voorzien met nieuwe
+en zware metalen kanonnen.
+
+De muren zelve waren zeer dik en goed onderhouden en op de borstwering
+lagen stapels met gekloofde stammen van klapperboomen, om hiermede den
+vijand bij eene bestorming naar het hoofd te smijten.
+
+De gracht om het fort werd overal uitgediept en met scherp gepunte
+schanspalen, zoogenaamde palissaden, voorzien en de voetangels en
+klemmen, die in dezen tijd bij eene versterkte plaats niet schenen
+gemist te kunnen worden, waren in overvloed neergelegd.
+
+Het liet zich dus aanzien, dat de Makassaren, ook als de vloot
+vertrokken was, er niet gauw toe zouden overgaan om deze sterkte met
+geweld te bemachtigen. Wat ze door list zouden beproeven, moest men nog
+afwachten, zoodat hij, die hier Bevelhebber werd, een zeer waakzaam man
+en bovendien een dapper soldaat moest zijn.
+
+Nadat ze zoo alles goed bekeken hadden, wilden ze de sterkte weer
+verlaten toen ze eenige uitgehongerde bedelaars aan de poort met den
+Vaandrig in gesprek zagen.
+
+"Wie zouden die mannen zijn?" vroeg Garrit.
+
+"Misschien ook wel overloopers," meende Dirk en hij spoorde Meester
+Pruymius al aan om toch wat meer haast te maken, anders zouden ze
+mogelijk weer van zulk eene akelige terechtstelling getuigen moeten
+zijn.
+
+In het eerst scheen de goedige Dokter, die zoo iets liever ook niet zou
+willen zien, aan het verzoek van Dirk gehoor te geven, doch hoe meer hij
+de poort, den Vaandrig en de bedelaars naderde, hoe langzamer hij liep.
+
+Ten laatste stond hij zelfs stil en scheen het met zichzelven niet eens
+te zijn.
+
+"Kom dan toch, Meester," smeekten de jongens.
+
+Onafgebroken hield Meester Pruymius het oog op den voorsten bedelaar
+gewend.
+
+"Wat henker," bromde hij, "dien man ken ik!"
+
+"Kom, Meester, meê! meê!" riep Dirk.
+
+"Jongen," zei Meester Pruymius op eenmaal, en hij keek Garrit vlak in
+de oogen, "waar ligt uw Vader begraven?"
+
+Garrit schrikte bij deze onverwachte vraag niet weinig en zeide: "Moeder
+ligt bij de smalle gemeente te Haarlem begraven. Waarom vraagt gij dat
+toch zoo opeens?"[34]
+
+"Ik vraag niet naar je Moeder! Ik vraag naar je Vader," hernam Meester
+Pruymius op driftigen toon.
+
+"Dat heeft Moeder nooit willen zeggen," sprak thans Dirk. "Maar
+waarom vraagt gij dat?"
+
+"Zoo maar! Wanneer is je Vader gestorven?"
+
+"Ook dat heeft Moeder nooit gezegd. Ik was drie jaar, meen ik, toen ik
+des avonds een' man aan Moeder hoorde vertellen, maar op fluisterenden
+toon: "Verdronken!" Toen zeide hij nog wat; maar dat verstond ik niet.
+Zoodra die man weg was, barstte Moeder in luid geween uit. Garrit, die
+een jaar jonger is dan ik, huilde mede, maar wist niet waarom. Ik
+huilde, omdat ik het Moeder zag doen, en mijne armpjes om haar' hals
+slaande, vroeg ik: "Wat is het, Moetje?" en snikkend klonk haar
+antwoord: "Kindertjes, gij hebt geen Vadertje meer!" Later heeft ze
+nooit meer over dezen avond gesproken. Dat is alles, wat ik ervan weet,
+en Garrit weet er zoo goed als niets van."
+
+"Zoo, zoo!" zeide Meester Pruymius nadenkend met het hoofd knikkend en
+ging weer langzaam verder.
+
+De zoogenaamde bedelaars werden door den Vaandrig in het wachthuis
+gelaten en weldra ging Admiraal Truytman met eenigen zijner Officieren,
+van buiten gekomen, ook binnen.
+
+Onze drie verlieten nu het kasteel, doch zoodra ze bij eene plaats
+kwamen waar juist eene boot van de "Koning van Polen" zou afvaren, riep
+Meester Pruymius het volk toe, dat het wachten moest, want dat zij mede
+wilden. Het volk wachtte en onder het gaan naar de boot vroeg de Dokter
+aan Dirk: "Hoe heette je Vader?"
+
+"Cornelis Dirksz., Meester!" gaf Dirk ten antwoord.
+
+"Haast je wat! Een uur en is geen kinderstoel en men kan het niet
+achteruit rijden!" riep Dolf, die de boot zou sturen en blijkbaar wat
+veel haast scheen te hebben.
+
+"We zijn er," sprak Meester Pruymius en liet de jongens vóór zich in
+de boot stappen, doch toen hij hen heette te willen volgen, trok hij
+zich terug en zei: "Gaat maar zonder mij! Ik heb in het kasteel wat
+vergeten en zal straks wel met eene andere boot aanboord komen."
+
+Na dit gezegd te hebben liep hij op een drafje terug.
+
+"Wat doet Meester Troost der Armen toch gek," zeide een der matrozen.
+"Hij schijnt erg zenuwachtig te zijn."
+
+"Och, hij zal een nieuw geneesmiddel voor Dirks hoofdwonde gevonden
+hebben en dat gaan halen!" spotte een andere matroos. "Wie weet welk
+een' vreemden poespas hij nu weer opgedoken heeft."
+
+"Neen," zeide Garrit, "hij heeft geen geneesmiddel gevonden, maar ik
+geloof dat hij akelig geworden is door het ophangen van die drie
+overloopers. Wij waren er juist bij toen dat gebeurde."
+
+"Ja, en toen hij die arme bedelaars in het fort zag komen, begon hij
+dadelijk heel raar te doen en naar Vader en Moeder te vragen," zeide
+Dirk. "Ik geloof stellig dat hij er kennissen onder had."
+
+"Nu, nu, we zullen er later wel meer van hooren," sprak Dolf.
+"Als onze Meester wat bijzonders heeft kan hij dat toch niet zwijgen!
+Vooruit, mannen!"
+
+De riemen plasten in het water en een kwartier later was weer al het
+volk aanboord op den Kapitein en den scheepsbarbier na. Van den Kapitein
+was men dat gewoon, omdat deze nu telkens voor allerlei zaken aan den
+wal moest zijn, maar dat Meester Pruymius daar nu alleen achtergebleven
+was, zie, dat vond men toch vreemd, en allen meenden dat hij vast en
+stellig alweer met een nieuw wonderwatertje of een vreemd zalfje zou
+terugkeeren.
+
+Natuurlijk zijn wij, die met den goedigen Meester ook aan wal gingen
+wel wat nieuwsgierig om te weten, wat hem bewoog terug te keeren.
+Daarom verlaten we ook de "Koning van Polen" en spoeden ons om Meester
+Pruymius in te halen. Onze beenen zijn nog heel wat jonger dan de
+zijne, zoodat hij ons wel niet uit het gezicht loopen zal. Zie, daar is
+hij al. Hij staat bij het wachthuis aan de poort van het fort en wij
+zijn er ook.
+
+"Alweer terug, Meester?" vroeg de Vaandrig.
+
+"Ja, dat ziet ge. Zijn die bedelaars daar nog binnen?"
+
+"Bedelaars? Ik weet van geene bedelaars!"
+
+"Dat slecht gekleede magere volk van daar straks!"
+
+"O, meen je dat? Dat waren de Stuurman en de matrozen van het
+Hollandsche schip, dat hier eenige jaren geleden gestrand en geplunderd
+is! De Koning van Makassar heeft die lieden moeten uitleveren. Maar wat
+zien ze er uit! De zielen hebben wat geleden, hoor!"
+
+"Ja, ja, dat zal wel! En zijn ze nog binnen?"
+
+"Ja! De Admiraal en eenige Kapiteins willen zeker hunne lotgevallen
+vernemen. Stil, daar komen ze!"
+
+De Bevelhebber, gevolgd door de meeste Kapiteins, trad nu buiten het
+wachthuis en ging de vesting van binnen met al hare versterkingen en
+voorraad-magazijnen in oogenschouw nemen.
+
+"Mag ik binnengaan?" vroeg Meester Pruymius aan den Vaandrig. "Ik zou
+die arme slokkerds wel eens willen zien."
+
+De Vaandrig knikte toestemmend en zei: "Uwe medicamenten hebben ze
+vooreerst niet noodig, Meester! Ze zijn nu bezig den inwendigen mensch
+te versterken met pekelvleesch en beschuit, en dat schijnt hun goed te
+smaken ook, want ze rammelden van den honger."
+
+Meester Pruymius hoorde die laatste woorden niet eens en trad in het
+groote vertrek, waar acht mannen bezig waren met flink toe te tasten.
+Hij keek hen eens aan, en eindelijk zijn' man gevonden hebbende, trad
+hij op hem toe, klopte hem op den schouder en vroeg botweg: "Wel,
+Cornelis Dirksz., smaakt het, ouwentje? Mij dunkt zoo dat je dit in
+langen tijd niet gehad hebt."
+
+"Ja, ja, best," antwoordde de gevraagde met vollen mond. "Best,
+Sinjeur!" -- Hij deed een' slok en nog een'. Toen was de mond ledig.
+-- "Maar mag ik weten wie u is?"
+
+"Jij bent dus Cornelis Dirksz.? Is dat zoo?"
+
+"Ja, ja, die ben ik! Maar ik ken u niet!"
+
+"Ja man, dan staan we al even na. Ik ken u ook niet," sprak Meester
+Pruymius verward.
+
+"Och, Stuurman, laat die man u niet van het maal houden! Tast toe!"
+zeide thans een der etende en smullende matrozen en schoof Cornelis
+Dirksz. een' schotel met vleesch toe. "Je weet, als het schaapje blaat
+verliest het zijn beetje."
+
+"Goed! Eet man, eet je genoegen! En als je den buik vol hebt, moet ik u
+een en ander vertellen," sprak Meester Pruymius en ging toen, van pret
+in de handen wrijvend, het vertrek eenige keeren op en neer.
+
+"Tot uw' dienst, Sinjeur," sprak na een poosje de man, die werkelijk
+Cornelis Dirksz. heette en die Stuurman bleek te zijn.
+
+"Ik ken u niet, maar ik ken uwe jongens! Ik ken Garrit! En, al zie je er
+ook erg lijdend en vermagerd uit, toch lijkt je sprekend op dien
+jongen," zeide Meester Pruymius.
+
+"Garrit!" riep de man en greep de handen van den Dokter. "Garrit?
+Kent u hem? Hij moet al een heele kerel wezen. En Dirk ook al. Kent u
+Dirk ook? En mijne vrouw?"
+
+"Uwe vrouw heb ik nooit gekend, goede vriend! Wie weet of de ziel al
+niet lang en breed dood is, ik geloof het haast. En Garrit, ja, een
+heele kerel! Hij is zeventien! Dirk is achttien. Ze dienen bij ons op
+het schip en omdat ze altijd zoo ingetogen en stil zijn, worden ze door
+het volk de "Twee Vromen" genoemd. Maar nu ik mij wel herinner, de
+jongens hebben me gezegd dat ze weezen waren, zoodat uwe vrouw stellig
+dood is."
+
+Dat alles was er uit eer Meester Pruymius er aan dacht, dat hij toch dom
+deed, dat alles zoo opeens te vertellen. Die man had zooveel geleden en
+zou dus misschien niet sterk genoeg zijn, om....
+
+Daar ging hij al.
+
+Gelukkig had Meester Pruymius het zien aankomen, en eer de man voorover
+sloeg, had hij hem in de armen opgevangen en droeg hem naar eene bank.
+Uit eene groote doos, die hij altijd bij zich droeg, haalde hij nu een
+fleschje, waarin een scherp riekend vocht was. Hij hield hem dat onder
+den neus en -- de man kwam weer bij. Uit een ander fleschje, dat veel
+grooter was, en dat gevuld was met arak, liet hij hem nu een' teug
+drinken.[35]
+
+"Men sterft niet van blijdschap, Stuurman," zeide nu Meester Pruymius.
+"Luister, wat ik u te vertellen heb."
+
+De twee mannen zett'en zich nu buiten het gebouw op eene bank neder en
+daar deelde de vriendelijke Dokter hem alles mede. Hij verzweeg ook
+niet, dat Dirk in het laatste gevecht gewond was geworden. En juist toen
+hij alles verteld had, kwam Kapitein Londenaar met Admiraal Truytman
+aan. Meester Pruymius ging naar die twee toe en zeide op beleefden toon,
+wat er gebeurd was en wien hij gevonden had.
+
+"Weet je wat, Kapitein," zeide de Admiraal. "Bij u aanboord zijn
+in het gevecht nog al dooden gevallen. Neem gij den Stuurman mede, dan
+is de Vader bij zijne zoons!"
+
+"Ik heb geene Stuurlieden noodig, Admiraal!"
+
+"Vanmiddag nog niet; vanavond wel. Uw Stuurman Adolf van Backerswerve
+zal, met Willem van Aspervelde als Kapitein, "de Hollandsche Remedie"
+naar Batavia brengen!"
+
+"Mijne beste mannen," riep Kapitein Londenaar.
+
+"Heer Johan van Dam wil het zoo," zeide Truytman en hierop klonk het
+nog half fluisterend: "Een soort van wraak, Kapitein! "De Hollandsche
+Remedie" zal Joffer Cos overbrengen. Laat Cornelis Dirksz. nu uw Eerste
+Stuurman zijn en de oudste zijner zoons de tweede. Ik stel beiden aan
+en maak zooveel goed als ik kan."
+
+Cornelis Dirksz., die alles, behalve het gefluister, verstaan had, kwam
+nu nader en zeide: "Admiraal, mijn innigen dank daarvoor! Kapitein, ik
+beloof u een goed Stuurman te zullen zijn, al ben ik het ook bij ongeluk
+geworden."
+
+"Ga dan maar gauw mede aanboord," zeide IJzeren Neptunus, "dan kunnen
+Henri Quatre en Dolf de Boef nog aan een vreugdemaal deelnemen!"
+
+Na afscheid van den Admiraal genomen te hebben wilde Kapitein Londenaar
+heengaan; maar zijn nieuwe Stuurman hield hem staande en zeide: "Ik moet
+mijn volk nog goeden dag zeggen en hun alles mededeelen. Ik mag immers
+wel? We hebben samen zooveel geleden en we deelden zoo hartelijk in
+elkanders lot!"
+
+"Zeker moogt ge! En zoo is het beter ook. Meester Pruymius en ik gaan
+vooruit om uwe jongens op het heugelijke nieuws voor te bereiden. Over
+een half uur laat ik u halen. Tot straks!"
+
+Zoodra Kapitein Londenaar op het dek van de "Koning van Polen" stond,
+kwam Henri Quatre op hem af en zeide: "Hier is een brief voor u van den
+Heer Johan van Dam. Ik-zelf heb er ook een ontvangen en Dolf ook een. En
+zonder dien van u gelezen te hebben, kunnen we haast raden wat de Heer
+van Dam u meldt. Wij gaan u verlaten, Kapitein! Dat doet ons beiden zeer
+veel leed; want wij konden het zoo goed met u vinden."
+
+"Dat gij mij verlaten zoudt, wist ik reeds van Admiraal Truytman, doch
+dat de Heer van Dam u reeds kennis van uwe bevordering gegeven had, kon
+ik niet vermoeden. Intusschen wensch ik u en Dolf van harte met de
+benoeming geluk. Wij hebben eene gelukkige reize gemaakt. En zeker weet
+gij al, dat ge aanboord van "de Hollandsche Remedie" een passagier zult
+hebben?"
+
+"Neen," riep Dolf. "Hiervan weten wij niets. Een der Afgezanten
+van den Koning van Makassar soms?"
+
+"Die reizen op eigen gelegenheid met hunne eigen vaartuigen naar
+Batavia. Tenminste, als het er van komt; want we zijn nog zoo verre
+niet. De Makassaren zoeken telkens uitvluchten. Neen, Joffer Cos komt
+bij u aanboord en vanavond nog zult ge met haar vertrekken. Als er nu
+maar katten zijn op "de Hollandsche Remedie" of geene ratten!"
+
+Daar stond wat van in toen de twee vrienden hoorden welk een gezelschap
+ze kregen. In het eerst waren ze zelfs instaat om voor de aangeboden
+betrekkingen te bedanken, doch Kapitein Londenaar beduidde hun' dat ze
+wel dwaas zouden zijn, terwille van die lastige dame, hun geluk met
+voeten te treden. De overtocht was immers in eenige dagen volbracht?
+Weigerden ze het te doen, dan konden ze er ook wel op rekenen, dat ze
+nimmer bevorderd werden.
+
+"Ondertusschen," zeide de Kapitein, "zou ik nog vergeten u te zeggen,
+dat ik al een' Eersten en een' Tweeden Stuurman heb. Dat is heel
+gauw in zijn werk gegaan, he?"
+
+Toen de beide vrienden, op het vernemen van dit bericht, ongeloovig met
+het hoofd schudd'en en bijna gelijktijdig: "Och, kom!" riepen,
+vertelde Kapitein Londenaar hun zijne ontmoeting aan den wal, en
+eindigde met te zeggen: "Haalt gij beiden hem nu af en -- laat Garrit
+ook mee gaan. Meester Pruymius is op het oogenblik bezig om Dirk op het
+aangename bericht voor te bereiden."
+
+Een half uurtje later roeiden eenige mannen, waarbij ook Garrit, met de
+groote boot naar den wal om den nieuwen Stuurman aanboord te brengen.
+Garrit wist niet beter dan dat ze aan den wal een' Eersten Stuurman
+gingen halen, en het volk, dat ook niet wist, wie die nieuwe Eerste
+Stuurman was, toonde zich met dien ruil in het geheel niet ingenomen,
+want Henri Quatre en Dolf hadden zich bij het volk zeer bemind weten te
+maken. Garrit zeide, dat hij, als Kapitein Londenaar en Meester Pruymius
+er niet waren, met zijn' broer zou willen wegloopen.
+
+"Ik wed om een' zilveren duit, dat Garrit en zijn broer de eersten
+zullen zijn om blijde te wezen, dat ze een' nieuwen Eersten Stuurman
+krijgen in den persoon, die daar aan den wal staat," zeide Meester
+Pruymius en wees naar een' man die blijkbaar op eene boot stond te
+wachten, en zag dat de boot, die naderde die was, welke hem kwam
+afhalen. Meester Pruymius was ver genoeg te herkennen.
+
+De matrozen keken in de aangewezen richting en zoodra Garrit dat ook
+gedaan had, riep hij: "Dat is een halve Makassaar, een kwart Portugees
+en een kwart Hollander! Een mooie jongen, ja! Moet hij bij ons aanboord
+Eerste Stuurman worden? Ha! Ha!"
+
+Zoo snappend over den "mooien jongen" roeiden de matrozen voort en
+hadden den wachtenden man weldra in hunne boot opgenomen. Van den vrijen
+tijd, dien men hem gelaten had, had hij niet alleen gebruik gemaakt om
+van zijne manschappen afscheid te nemen, maar ook om voor het geld, dat
+Admiraal Truytman hem en de andere mannen gegeven had, zich eens flink
+te reinigen, en inplaats van zijn bedelaars-pak andere kleederen te
+koopen. Hierop was evenwel eene zware wijs gegaan; want er waren in
+Makassar geene winkels waar men kleederen voor een' Hollandschen zeeman
+koopen kon. Na lang zoeken was het hem eindelijk gelukt bij een' Chinees
+het pak te koopen, dat hij aan had.
+
+Op weg naar het schip had Henri Quatre den nieuwen Stuurman vlak naast
+Garrit gezet en daar deze hierover een weinig geraakt was, trok hij, om
+zijne boosheid te verzetten, aan zijn' riem, alsof hij alleen de boot
+moest roeien.
+
+"Daar zit kracht in je handen, jonge maat," zeide Stuurman Dirksz., den
+knaap met welgevallen aanziende, doch niet vermoedende dat die jonge
+matroos zijn zoon was.
+
+"Doet me pleizier, Stuurman," antwoordde Garrit korzelig en trok toen
+nog veel sterker.
+
+"Zeker al lang gevaren, al ben je nog jong!"
+
+"Vijf jaar gevaren," antwoordde Garrit nog nijdiger.
+
+"We zijn er!" klonk op dit oogenblik Henri Quatre's stem. De boot
+legde bij den valreep aan. Meester Pruymius repte zich om het eerst op
+het dek te zijn en daarna volgden de anderen.
+
+"Welkom, Stuurman, op het dek van de "Koning van Polen"," zeide
+Kapitein Londenaar. "Ik vertrouw, dat...."
+
+"Vader! Vader! Waar is Vader?" schreeuwde opeens Dirk, die naar boven
+kwam loopen, tegengehouden door Meester Pruymius, die niets deed dan
+roepen: "Jongen, je hoofd! Denk aan je hoofd!"
+
+"Waar is Vader? Waar is Vader?" schreeuwde Dirk maar steeds voort.
+
+"Hier, jongen, hier!" riep Stuurman Dirksz. en snelde zijn' zoon te
+gemoet. "Wie ben je?"
+
+"Vader! Vader! Goede Vader! Ik ben Dirk! Hier, hier ben ik, ik,
+ik ...." snikte Dirk en sloeg zijne armen om den hals van den mageren,
+bruinen Stuurman.
+
+"Wat is -- wat is dat toch -- dat toch?" vroeg Garrit, geweldig bevend
+en opgewonden.
+
+"Dat is uw Vader, Garrit," zeide Londenaar.
+
+"Hier is Garrit! Hier, hier, hier is Garrit, hier, hier!" schreeuwde nu
+de knaap en viel op zijne beurt ook zijn' Vader om den hals.
+
+Het was een treffend gezicht, die drie mannen daar in ééne omarming te
+zien staan en toen Meester Pruymius dat ook zag, schoot zijn gemoed vol
+en met bevende stem begon hij te zingen:
+
+ "Dancket Godt nu opentlick,
+ Hy is doch seer vriendelick;
+ Want Syn groote goedigheyt,
+ Geduert inder eeuwigheyt."
+
+En weer zou hij, die geloofd had, dat Janmaat alleen maar een ruwe,
+onbehouwen kerel is, uitgeroepen hebben, als hij dat heerlijk tooneel
+had mogen aanschouwen en dat gezang hooren: "Daar zit veel mensch onder
+dat ruwe kleed."
+
+Een uur later zat de Kapitein met zijne gasten aan den disch en toen het
+maal afgeloopen was, vertelde de nieuwe Stuurman zijne lotgevallen, die
+in het kort hierop neerkwamen:
+
+Hij was indertijd schoenlapper te Haarlem en leefde met vrouw en
+kinderen zeer gelukkig. Maar veertien jaren geleden was hij op een'
+avond naar eene herberg medegetroond, waar wervers van de Compagnie hem
+dronken hadden gemaakt en in zijne dronkenschap dienst hadden laten
+nemen, als soldaat naar de Oost. Nog dien eigen avond had men hem te
+Amsterdam scheep gebracht en een paar dagen later was hij reeds
+vertrokken. Uit Amsterdam had hij nog gelegenheid gehad zijne vrouw eene
+boodschap te sturen, dat men hem dronken had gemaakt en dat hij nu naar
+de Oost moest. Dat woord =dronken= had Dirk verstaan en er =verdronken=
+van gemaakt. In de Oost gekomen leerde men hem weldra, als een goed
+matroos kennen, zoodat hij gebruikt werd om op de landsschepen dienst te
+doen, en hij het eindelijk zoover bracht, dat men hem tot Stuurman
+aanstelde op het jacht "De goede Harder". Op dit jacht deed hij
+verscheidene tochten en daardoor leerde hij de Indische wateren
+uitmuntend kennen, zoodat men hem bijna altijd in dienst had. Hierdoor
+kwam het, dat hij maar zelden met matrozen of ander scheepsvolk kon
+spreken, die weer naar het Vaderland terugkeerden. Tweemaal had hij
+echter een' brief aan zijne vrouw medegegeven; maar deze waren beide
+keeren niet terecht gekomen. Hij troostte zich met de gedachte, dat hij
+maar een half jaar meer te dienen had en dan weer naar huis kon gaan,
+toen "De goede Harder" op de kust van Makassar schipbreuk leed.
+Inplaats van de arme schipbreukelingen te helpen, had men hen
+uitgeplunderd en mishandeld. Zeven mannen, waaronder de Kapitein, waren
+aan de gevolgen der mishandeling gestorven, en de overige acht had men
+in het binnenland op de velden van een Hoofd laten werken. Toen dat
+Hoofd stierf, had men hen als bedelaars laten ronddwalen, en eens waren
+zij zóó verhongerd, dat zij eene doode slang den buik openden om zich te
+verzadigen met het dier, dat deze slang ingeslokt had, en dat zóó groot
+was geweest, dat het vraatzuchtige beest er in gestikt was. Kort daarop
+waren ze opnieuw gevangen genomen en hadden ze aan de wreedste
+mishandelingen blootgestaan.
+
+Toen Stuurman Dirksz. uitgesproken had, zeide Kapitein Londenaar:
+"Dergelijke schandalen zullen nu niet meer plaats grijpen, goede vriend!
+De les, die de Makassaren nu ontvangen hebben, zullen ze wel zóó goed
+onthouden, dat ze het niet meer wagen zullen om op eenige manier, hetzij
+door list of met geweld, der Oost-Indische Compagnie den voet dwars te
+zetten!"
+
+"Dat ware te wenschen, Kapitein, maar het zal niet zoo zijn," zeide
+Stuurman Dirksz. "Ik heb, eilaci, ruimschoots de gelegenheid gehad, om
+dit volk van haver tot gort te leeren kennen. De Makassaren zijn mannen,
+die durven. Zonder onderscheid haten ze allen de Europeanen, en als men
+hen in hun dagelijksch doen en laten gadeslaat, dan verzeker ik u, dat
+de gedachte bij ieder opkomt: Hier in Makassar heeft de Compagnie haar'
+gevaarlijksten vijand. Ik voorspel, dat deze tuchtiging heel gauw
+vergeten zal zijn!"
+
+"Maar, Stuurman," riep Kapitein Londenaar, "kunnen de luiden dan nog
+zwaarder getuchtigd worden?"
+
+"Heel Makassar moet het onderstboven gekeerd worden; de landhuizen
+moeten verbrand en de woningen der minderen onder den voet gehaald
+worden. Hunne velden en bosschen moet men vernielen en de Makassaren te
+vuur en te zwaard in hun' laatsten schuilhoek jagen, waar ze zich op
+genade of ongenade moeten overgeven, Kapitein!"
+
+"Maar dat is onmenschelijk, Stuurman," riep Henri Quatre en allen
+stemden met dien uitroep in. Dolf voegde er zelfs bij: "De ellende, die
+gij en de uwen geleden hebt, maakt u wreed, vriend! Bedenk, dat de
+Makassaren toch ook menschen zijn, en hun land en hunne vrijheid niet
+gaarne prijsgeven!"
+
+"Juist, daar zit de knoop, mijne vrienden! Eerst beproeft men het door
+geweld aan de Compagnie te ontkomen, en als dat niet gelukt, neemt men
+list en verraad te baat. Er zit dus voor de Compagnie niets anders op,
+wanneer ze landen aan haar gebied wil toevoegen, dan de inwoners zóó
+zwak en klein te maken, dat ze door list en verraad zelfs niets meer
+kunnen uitrichten."
+
+"Ik vertrouw altijd nog, dat gij een slecht profeet zijt, Stuurman,"
+zeide Kapitein Londenaar en bracht het gesprek op andere onderwerpen.
+
+Tegen het vallen van den avond waren Henri Quatre en Dolf naar hun
+nieuw schip vertrokken en nog denzelfden nacht zette "de Hollandsche
+Remedie", met Joffer Cos aanboord, koers naar Batavia.
+
+Eenige dagen later kwam ook de zaak met den Koning van Makassar zoover
+in orde, dat er besloten werd een deftig Gezantschap naar Batavia te
+zenden om daar over den vrede te onderhandelen. In het fort Panakoké
+liet men vijfhonderd man als bezetting achter, en vier schepen bleven
+daar om toezicht, en den vijand in bedwang te houden.
+
+Het hoofd van het Gezantschap was een zekere Kraëng Papowa, die in eene
+prachtig versierde prauw plaats nam en nog van drie prauwen vol Edelen
+vergezeld was.
+
+Intusschen zouden, behalve de vier schepen, die voor Makassar bleven,
+slechts enkele onder bevel van Heer Johan van Dam het gezantschap naar
+Batavia vergezellen. Admiraal Truytman kreeg in last met het grootste
+deel der vloot naar Bima te gaan, om daar rijst te laden, en als hij de
+lading in had, moest hij naar Solor om daar eene sterkte te bouwen en
+verder naar Timor om de Portugeezen te bevechten. Tot de schepen, die
+naar Batavia gingen, behoorde ook de "Koning van Polen."
+
+Zonder veel ongeval kwam de kleine vloot te Batavia aan, waar de
+Makassaarsche Edelen met Vorstelijke eerbewijzen ontvangen werden.
+Buiten de stad werden ze in een prachtig landhuis geherbergd en kort
+daarop begonnen de onderhandelingen, welke zóó goed vlott'en, dat ze
+weldra gevolgd werden door het sluiten van een' eeuwig-durenden vrede,
+zeer ten voordeele der Oost-Indische Compagnie, naar men meende.
+
+Dien eigen avond ook vertrok de "Koning van Polen" met eene rijke
+lading en in gezelschap van nog twaalf andere schepen naar het
+Vaderland.
+
+"Wel, Stuurman," zeide Kapitein Londenaar, toen ze onderzeil waren,
+"weet ge het al, dat de vrede tusschen de Compagnie en Makassar gesloten
+is?"
+
+"Ik heb er van gehoord, Kapitein! Ik heb er van gehoord," antwoordde
+Dirksz.
+
+"En ziet ge nu wel, dat ge al een zeer slecht profeet geweest zijt. Men
+heeft zwart op wit, en wat wil men nog meer?"
+
+"Daarover hoop ik, bij leven en welzijn, nog wel eens later met u te
+spreken, Kapitein," klonk het uit den mond van den Stuurman, die de
+schouders ophaalde, "doch laat ik u zeggen dat al dat mooie "zwart op
+wit" geen' duit waard is."
+
+"Onverbeterlijk!" bromde Kapitein Londenaar.
+
+"Wie onverbeterlijk, Kapitein?"
+
+"Gij zijt onverbeterlijk, goede vriend!"
+
+"U meent de Makassaar, Kapitein! Maar, zooals gezegd is, wij zullen het
+er later nog wel eens over hebben," sprak Stuurman Dirksz. en aan zijn
+werk gaande, liet hij Kapitein Londenaar wel wat ontevreden staan.
+
+"Een ongeluks-profeet," bromde de Kapitein en ging in de kajuit.
+"Maar -- de man heeft het er Spaansch gehad, en dat zegt alles."
+
+De retour-vloot kwam ongehinderd in het Vaderland aan, en toen men de
+lading uit de "Koning van Polen" genomen had, zag men dat dit schip te
+oud geworden was om nogmaals eene Indische reis te doen. Het volk werd
+dus voorloopig ontslagen en kwam later op verschillende schepen
+terecht.[36]
+
+Bij het afscheidnemen had Kapitein Londenaar van zijn' Stuurman en diens
+beide zoons, benevens Meester Pruymius de belofte ontvangen, dat zij op
+zijn nieuw schip weer de nieuwe reis wilden aanvaarden.
+
+
+VOETNOTEN.
+
+[33] Ook in dien tijd reeds bestond het leger der Compagnie in
+Oost-Indië uit een samenraapsel van alle natiën in Europa, Afrika
+en Azië. En evenals nu nog, sommigen van die vreemdelingen naar den
+Atjeher overloopen en daar den vijand van veel dienst zijn, omdat ze
+alles van de Nederlanders verklikken en hem de behandeling van de
+Europeesche wapenen leeren, zoo ook deden in dien tijd die overloopers
+aan de belangen der Compagnie groote schade. Tegenwoordig schijnt
+men echter die overloopers, als ze per ongeluk! weer in onze handen
+komen, niet zonder hen verscheidene keeren verhoord te hebben, te
+veroordeelen. -- En even als, helaas, nu dikwijls nog het geval is, dat
+men van een "koloniaal" niet mooi spreekt, en hem onder de minste soort
+van menschen plaatst, zoo ook had men in dien tijd al heel weinig met
+dat volkje op! -- Of het toen jammer was, weet ik niet; maar dat het
+nu jammer is, dat weet ik wel. Onder onze kolonialen zijn tegenwoordig
+veel brave, flinke en dappere jongens, en dat niet alleen onder de
+geboren Hollanders, maar ook onder de buitenlanders, die daar bij ons
+leger dienen.
+
+[34] Bij de =smalle gemeente= beteekent: =op het kerkhof der bedeelde
+armen=.
+
+[35] =Arak= is een geestrijke drank, die uit rijst, suiker en sap van
+kokosnoten bereid wordt.
+
+[36] Het was maar een hoogst zeldzaam geval, dat een schip uit de Oost
+heel alleen de thuis-reis aannam. Men vereenigde zich meestal, omdat de
+zee toen zeer onveilig was door allerlei zeeroovers en men te zamen niet
+zooveel gevaar liep aangevallen te worden. Het is natuurlijk, dat de
+Portugeezen, wien wij het leven in de Oost zoo zuur maakten, ons op zee
+ook niet als vrienden beschouwden. Zulk eene verzameling van
+terugkeerende schepen noemde men de retour-vloot.
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+Janmaat.
+
+
+"Zeg, Dirk, kijk eens! Wat ziet dat schip er uit!"
+
+Zoo sprak op zekeren middag in het begin van Juli in het jaar 1669
+Garrit tot zijn' broeder Dirk, die nu Kapitein op het fluitschip "De
+Haey" was. Garrit was zijn Eerste Stuurman. Met de "Beverwijck" --
+Kapitein Cornelis Dirksz. en de "Alblas" -- Kapitein Londenaar, waren
+ze een paar dagen geleden uit Nederland weer te Batavia aangekomen.
+
+"Die schijnt in den slag geweest te zijn," antwoordde Dirk. "En kijk,
+die daar achter komt heeft bijna geen lapje zeil heel. Nu maar, ze
+schijnen hier ook zoo'n soort van Chattam gespeeld te hebben!"
+
+"Daar ginder komen er nog meer," zeide Meester Pruymius, die zijne
+beide jonge vrienden niet had willen verlaten. "En een er van heeft de
+Admiraals-vlag in top. We moeten straks toch eens zien te vernemen waar
+ergens zij, zoo gehavend zijn geworden. Ja, ja, de Compagnie is hier
+niet altijd met den neus in het vet gevallen, en krijgt wel eens eene
+harde noot te kraken."
+
+Terwijl deze drie mannen, want Garrit en Dirk waren nu geene knapen
+meer, zoo met elkander in gesprek waren werden de aankomende schepen van
+het fort met kanonschoten begroet. Dit voorbeeld werd ook gevolgd door
+de koopvaarders en enkele oorlogsschepen, die op de reede lagen.
+
+"Nu, als het aan ons ligt, wij zullen niet onderdoen om eerbewijzen te
+leveren," zeide Dirk en gaf bevel ook van "De Haey" het geschut
+los te branden.
+
+Van de naderende vloot werd deze groet natuurlijk beantwoord, zoodat
+hooren en zien een mensch verging.
+
+Ondertusschen was men aanboord van "De Haey" nog niets wijzer geworden.
+Men had het eere-saluut gegeven, ja, maar wien het gold, wist men niet.
+
+Zoo ging de middag voorbij en reeds wilde Dirk zich tot zijn' Vader
+begeven om dezen opheldering te vragen, toen de Stuurman van de
+"Alblas" met de boodschap kwam, dat Kapitein Londenaar, Dirk, Garrit
+en Meester Pruymius uitnoodigde bij hem aanboord te komen; want hij
+had bezoek gekregen. Kapitein Dirksz. van de "Beverwijck" had hij ook
+moeten uitnoodigen.
+
+"Bezoek bij IJzeren Neptunus? Wie zou daar gekomen zijn?" vroeg Dirk.
+"Wij kennen hier immers zoogoed als niemand?"
+
+"Joffer Cos, broertje," spotte Garrit.
+
+"Ho, ho, geene Joffer Cos meer, maar wel Mevrouw Maetsuycker! Eere wie
+eere toekomt! Joffer Poes heeft het ver gebracht," zeide Meester
+Pruymius lachend. "Maar van dat bezoek gesproken, zou het Admiraal
+Truytman niet zijn, of Henri Quatre of zijn vriend Dolf de Boef? Ze
+leven, meen ik, nog alle drie!"
+
+"Ja, en die Henri Quatre moet bij den Gouverneur-Generaal een wit voetje
+hebben, zegt men. Nu, hij verdient het ook; want hij is een kerel van
+stavast," zeide Garrit.
+
+"Laten we maar niet langer raden en nu naar de "Alblas" gaan. Als we
+daar zijn, zullen we het weten," sprak Dirk en stapte, gevolgd door
+zijn' broeder en den scheepsbarbier, in de boot.
+
+Ze werden door IJzeren Neptunus hartelijk ontvangen. Nog altijd was deze
+even stevig en sterk, en als zijne haren niet wat grijs geworden waren,
+dan zou men zoo gedacht hebben, dat die man niet veranderde. Naast
+Kapitein Londenaar stond een man, wiens bruin gelaat verscheidene
+litteekenen droeg. Hoofdhaar, baard en knevel waren ook niet zwart meer,
+doch, zooals men dat wel eens noemt "peper en zout." Zijne donkere,
+zwarte oogen alleen toonden, dat hij niet zoo oud was, als hij wel
+geleek. Verder droeg hij den linkerarm in een' draagband, en als hij
+iets vooruit trad, zag men dat hij hinkte. Achter dien man stond een
+ander man, ook al niet jong meer en zijn gelaat was nog meer dan dat van
+den anderen, doorploegd met litteekenen. Maar ook zijne oogen toonden,
+dat er jongelingsvuur in dat lichaam woonde.
+
+Juist toen Dirk, Garrit en Meester Pruymius door Kapitein Londenaar
+begroet waren, trad Kapitein Dirksz. ook op het dek, en na de begroeting
+vroeg deze: "En hebt ge zoo gasten gekregen?"
+
+"Ja, deze twee," zeide Kapitein Londenaar met een lachje.
+
+"Niet de eer de Heeren te kennen," sprak Dirksz.
+
+De twee gasten lachten en....
+
+"Ik laat me in een vol vat borreborrie kuipen, als dat Henri Quatre niet
+is," riep Meester Pruymius, en den ander aanziend, zeî hij: "En dat is
+Dolf! Geraden, nietwaar? Wel, wel, hoe veranderd! Bruin als roet en
+gekorven als een droge schol! Hoe maak je het? Goed, ja?"
+
+"Goed, goed, Meester!" riepen Henri Quatre en Dolf tegelijk; want zij
+waren het. "Goed, goed! Alleen wat stram, mank en -- nu ja, de ouderdom
+komt met gebreken! Kent ge ons nu, profeet?"
+
+Deze laatste vraag werd gedaan aan Kapitein Dirksz., en deze, van zijne
+vroegere profetie op het oogenblik zich niets meer herinnerend, vroeg
+vroolijk lachend: "Profeet!? Profeet!? Ik een profeet? Ik begrijp er
+niets van! Waarom ben ik zulk een voornaam man?"
+
+"Ja, ja," hernam Dolf. "Weet ge niet meer, dat ge op ons afscheids-
+en welkomstmaal geprofeteerd hebt in de Makassaarsche zaken? Is je
+geheugen zoo kort?"
+
+"Ja, ja, en?"
+
+"Letterlijk uitgekomen, Dirksz.! Letterlijk! Wij komen met de vloot zoo
+terug; maar ditmaal hadden we een' Speelman aanboord, die den Makassaren
+een deuntje voorgespeeld heeft, waarbij ze zich doodgedanst hebben! Nu
+zijn hunne sprongen voor goed uit! Wij hebben uw' raad gevolgd en
+vreeselijk huis gehouden. Er is bijna geen steen op den anderen
+gebleven. De rijstvelden zijn verwoest, de bosschen verbrand, de schepen
+in den grond gehakt, de paleizen vernield, de woningen omvergehaald, de
+inwoners doodgeschoten of door het zwaard en den honger terdood
+gebracht. Wij hebben vreeselijk huis gehouden, en thans zullen ze wel
+voor goed hunne streken afgeleerd hebben!"
+
+"Hoor eens, goede vriend," dus sprak nu Kapitein Londenaar, "wij
+hebben indertijd op onze manier daar ook zoo goed huis gehouden, en wij
+allen zijn er zoo goed bekend, dat ik u voorstel in mijne kajuit een
+glas wijn te drinken en eene pijp tabak te rooken. In dien tijd kunnen
+we nog een en ander van de geschiedenis te weten komen."
+
+"Tabak, echte tabak en eene Hollandsche pijp, Kapitein, ik ben je man!
+De tabak hier smaakt mij niet. Maar als ik vragen mag, wie zijn deze
+twee?" vroeg Henri Quatre.
+
+Dit zeggende wees hij op Dirk en Garrit.
+
+Dirk trad vooruit en zei: "Henri Quatre, deze zijn de "Twee
+Vromen". Ik ben Dirk, Kapitein op "De Haey" en dit is mijn broêr Garrit,
+die mijn Eerste Stuurman is. Er zit een hard vel voor ons voorhoofd en
+we hebben moeielijk geleerd, maar we hebben volgehouden en -- de
+aanhouder wint. Het geluk is ons, nadat we Vader teruggevonden hebben,
+als het ware op den voet gevolgd."
+
+Henri Quatre en Dolf drukten de twee jonge mannen hartelijk de hand en
+spoedig zat nu het gezelschap in de kajuit van Kapitein Londenaar onder
+het genot van een goed glas wijn en eene pijp echte Westindische tabak.
+
+Nadat men op elkanders gezondheid gedronken had, zeide Kapitein
+Londenaar: "Maar zeg mij nu eens, hoe zijn daar in Makassar de poppen
+weer aan het dansen gegaan?"
+
+"Dat is gauw gezegd, goede vriend," sprak nu Dolf. "Nauwelijks
+waren in '60 de Afgezanten van den Makassaarschen Koning uit Batavia
+vertrokken, of wij kregen bericht, dat de zeerooverijen der Makassaren
+alvast niet geëindigd waren. De Koning evenwel verontschuldigde zich
+steeds met te zeggen, dat het buiten zijn weten geschied was, en hij
+beloofde altijd die roovers te zullen straffen. Van dat straffen werd
+evenwel nooit veel vernomen, doch zoolang er geene grootere
+vijandelijkheden gepleegd werden, besloot men wat door de vingers te
+zien. In '65 evenwel zond de Koning van Makassar tienduizend man naar
+het eiland Boeton, ten Zuidoosten van Celebes gelegen, om daar de
+Hollanders te verdrijven. Inmiddels leden op zijne kusten de
+Compagnie-schepen de "Walvisch" en de "Leeuwin" schipbreuk.
+Inplaats van de bemanning te helpen, plunderden de Makassaren beide
+schepen en mishandelden zij het Nederlandsche volk. Zoodra men dat te
+Batavia vernam, besloot de Gouverneur-Generaal aan dit alles voor goed
+een einde te maken, en zond Cornelis Speelman, Gouverneur van de kust
+van Koromandel, eene boodschap, onverwijld naar Batavia te komen. Maar
+eer deze er nog was, kwam het Hollandsche Opperhoofd van het kantoor
+van Makassar aan, en vertelde dat een der Rijksgrooten van den Koning
+hem een' slag in het aangezicht gegeven had, omdat hij den Koning
+eenige verwijten had durven doen omtrent het plunderen der schepen. Dat
+Hollandsche Opperhoofd bracht evenwel goede hulp mede, en deze bestond
+uit een' Makassaarschen Prins met een klein gevolg. Het was Radja
+Palakka, die in vijandschap leefde met den Koning van Makassar, omdat
+deze Palakka's Grootvader en Vader had laten terdood brengen. Deze
+wraakzuchtige, jonge Vorst werd terstond door den Gouverneur-Generaal in
+den armen genomen en toen Speelman eindelijk ook te Batavia verscheen en
+zich liet overhalen om Bevelhebber te worden van de vloot, die Makassar
+tuchtigen zou, was deze met Radja Palakka's hulp zeer ingenomen, en hij
+beloofde er zich zeer veel goeds van."
+
+"En zeker wel weer verkeerd uitgekomen?" vroeg Kapitein Dirksz. "Geen
+enkele Makassaar is te vertrouwen."
+
+"Tot heden nog niet," antwoordde Henri Quatre. "Hij heeft ons trouw
+geholpen, dat moet gezegd worden. En het was noodig ook; want die
+Makassaren mogen trouweloos zijn, buitengewoon dapper zijn ze ook, en de
+kunst van op onze wijze oorlog te voeren, hebben ze goed afgekeken."
+
+"En gij beiden hebt zeker den heelen tocht medegemaakt?" vroeg Meester
+Pruymius. "Ten minste, dat zou ik zoo aan de vele litteekenen en aan uwe
+vergrijsde haren zeggen!"
+
+"Van het begin tot het einde, Meester! En vier zulke levensjaren
+tellen er wel voor twaalf, dat kan ik u verzekeren," zeide Dolf. "Tot
+driemalen toe zijn we in handen van den vijand gevallen, doch telkens
+den dans ontsnapt, hoewel niet zonder kleerscheuren, dat ziet ge wel
+aan onze aangezichten. Bij de laatste bestorming van het Koninklijke
+paleis, dat we voor een deel in de lucht hadden laten springen, kreeg
+mijn vriend een' stam van een' klapperboom op den linkerarm,
+die ...."
+
+"Zeker nog niet genezen is, omdat gij geen troost der armen hadt," riep
+Meester Pruymius.
+
+"Een gebroken arm zet men, maar geneest men toch niet met zalf,
+Meester," zeide Henri Quatre lachend. "Intusschen die laatste
+bestorming heeft de deur toe gedaan en nu zijn we hier met zulk een
+aanzienlijk Gezantschap, als wellicht nog nimmer binnen Batavia geweest
+is."
+
+"En zult ge nog niet welhaast naar Nederland terugkeeren?" vroeg
+Garrit, die trouw geluisterd had.
+
+"Dolf en ik hebben plan om den dienst der Compagnie te verlaten en ons
+te Amsterdam te vestigen. Wij hebben genoeg buit behaald en loon
+bespaard om nog eenige jaren in rust te kunnen leven," sprak Henri
+Quatre.
+
+"Nu, die rust hebt gijlieden wel verdiend," meende Kapitein Londenaar.
+"Wie had ooit iets van deze ontmoeting kunnen droomen?"
+
+Henri Quatre stond thans van zijne plaats op en sprak: "Wij, Kapitein,
+wij? Als ge met wij bedoelt iedereen, van Admiraal Speelman af tot den
+minsten kajuitsjongen, dan heeft u gelijk. Wij allen hebben ons meer dan
+wakker geweerd. En waar men in Holland de kooplieden ziet leven, als
+Koningen en Prinsen, daar zal men wél doen ook eens te denken aan hen,
+die het goud uit het Oosten in de schatkisten der Westerlingen doen
+rollen tot ze overloopen, maar dat doen ten koste van hunne beste
+lichaamskrachten, ten koste van hunne gezondheid, ja, vaak ten koste van
+hun leven. En vraagt ge wie dezen zijn, dan noem ik maar één naam, en
+met dien naam bedoel ik allen, die hier de Compagnie dienen. Het is
+Janmaat! Vrienden, dit volle glas geledigd op den roem van Nederland, op
+den trouwhartigen, eerlijken, ruwen en dapperen Janmaat!"
+
+"Leve Janmaat op alle zeeën!" riep Meester Pruymius.
+
+"Leve Janmaat in de Oost!" riep Dirk.
+
+"Maar zijn er dan weer Afgezanten met de vloot mede gekomen?" vroeg
+IJzeren Neptunus toen men weer na al dat gejuich tot kalmte gekomen was.
+
+"Of er Afgezanten mede gekomen zijn!?" riep Henri Quatre. "Wel, man,
+heel Batavia is vol Makassaren. Alleen de Koningen van Tello en van
+Linques met hunne vrouwen en hun gevolg tellen meer dan vierdehalf
+honderd personen. Die Heeren Bondgenooten van den Koning van Makassar
+betalen hunne hulp met eene dure vernedering."
+
+"Voor bijna vierhonderd menschen is in Batavia toch wel plaats, meen
+ik," zeide Meester Pruymius.
+
+"Zeker, maar bij die vierhonderd blijft het niet," nam Dolf nu het
+woord. "Behalve die twee Koningen heeft men nog den zoon van den Koning
+en nog zes andere Rijksgrooten te zamen met een gevolg van meer dan
+vijfhonderd man."
+
+"Heel Makassar is leeggeloopen, geloof ik," zeide Dirk.
+
+"En dan zijn we er nog niet," sprak Henri Quatre. "Nog vele andere
+Rijksgrooten zijn er ook bij, onder anderen Radja Palakka, die ons zoo
+goed geholpen heeft, met heel zijn aanhang. Hij is eigenlijk de held van
+den dag, en zijne hulp zal vorstelijk beloond worden."
+
+"Ik zal me nu maar aan geene tweede voorspelling wagen," zeide Kapitein
+Dirksz. "anders lacht men mij weer uit."
+
+"Ge moogt het anders gerust doen," sprak Henri Quatre. "Kom voor den
+dag met uwe profetie!"
+
+"Welnu dan," hernam Dirksz. "Ik voorzie, dat men dien man te veel eer
+bewijst. Hij moge ons goed geholpen hebben, dat bracht zijn belang mede,
+maar voor het overige is en blijft hij een Makassaar en is niet verder
+te vertrouwen dan zijn neus lang is! Wat zegt gij ervan, Kapitein
+Londenaar?"
+
+"Och, ik weet het niet; maar mij komt het zoo voor dat de Compagnie wel
+wat te veel hooi op hare vork neemt. Hoe zullen we, als de zaken eens
+gaan tegenslaan, al die volken en landen in bedwang houden?"
+
+"Ja, man, daarover heb ik ook wel eens gedacht," zeide Henri Quatre.
+"Maar ik houd het ervoor, dat de Compagnie nu en dan wel tegen haar'
+zin zich zoo uitbreidt, en dat zij gedwongen wordt haar' gebied telkens
+te vergrooten, wil ze behouden, wat ze heeft. Maar ik heb geene vrees,
+dat wij hare dagen van tegenspoed zullen beleven. De Compagnie is nog
+in al hare kracht, en de oorlogen, die men telkens in Europa te voeren
+heeft tegen de Engelschen, maken dat ze daar ginder in het Vaderland
+wakker blijven, en wie wakker is, kijkt naar alle kanten uit. De
+kwaadste tijd zal eerst aankomen, als de Geüniëerde Provinciën vrede in
+Europa hebben."
+
+"Me dunkt, dat we nu nog wel eens over wat anders praten konden, dan
+over hetgeen eenmaal zal kunnen gebeuren," zeide Dolf. "Vertelt ons
+liever eens een en ander van hetgeen in Europa gebeurd is, bijvoorbeeld
+van Meester Jan, Bestevaêr Michiel en Chattam. Wij weten wel wat, maar
+lang niet alles."
+
+Aan dat verlangen werd door de anderen graag voldaan en toen eindelijk
+ieder voor het vallen van het avondschot weer naar zijn schip
+terugkeerde, deed hij dat, na Kapitein Londenaar betuigd te hebben, dat
+hij een' vroolijken avond doorgebracht had.
+
+En na nog, als terloops, gezegd te hebben, dat er van de voorspellingen
+van Kapitein Dirksz., IJzeren Neptunus en Henri Quatre, ongelukkig
+genoeg, veel bewaarheid werd, sluiten wij ook ons verhaal, dat, zoo ik
+vertrouw, mijne lezers wel eens zal hebben doen denken aan Atjeh.
+Mochten ze ook nu maar evenzeer overtuigd zijn, dat de mannen, die daar
+strijden ter zee en te land, nog even kranige en flinke kerels zijn, als
+zij, die van 1660 tot '69 den trouweloozen, maar dapperen Makassaar
+zoodanig de les lazen. -- Maar mocht het vooral niet waar zijn, wat eens
+een onzer dichters, A. J. De Bull, zong van een afgeleefd matroos aan
+den IJkant te Amsterdam:
+
+ "Ieder muisjen heeft zijn gaatjen --
+ Maar wat heeft een oud matroos?"
+
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER.
+
+De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde
+spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
+
+Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend
+hersteld.
+
+Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd.
+
+Variaties in spelling (met of zonder accent, met of zonder koppelteken,
+met of zonder extra spatie) zijn behouden.
+
+Ontbrekende aanhalingstekens zijn toegevoegd, tenzij het onduidelijk is
+waar het aanhalingsteken moet komen.
+
+De voetnoten zijn verplaatst naar het einde van het hoofdstuk, om de
+tekst zo weinig mogelijk te breken.
+
+
+CORRECTIES.
+
+ aanhalingsteken toegevoegd of verwijderd
+ komma verwijderd
+ puntkomma verwijderd (babi[;] = spek of varken)
+ 'als er' verwijderd (zijne Officieren en [als er] passagiers)
+ 'er' verwijderd (alsof hunne Grootmoeders er kousen [er] in zaten te)
+ 'niet' toegevoegd (of hij zong niet mede.)
+ 'en' toegevoegd (leikleurige mannen en vrouwen aan den wal)
+
+ Fransch-sche => Fransche (Holland kruistet en een Fransche)
+ . => , (van het jaar laat aanzetten,)
+ boogspriet => boegspriet (van den boegspriet steunen.)
+ bechaving => beschaving (een voorbeeld van beschaving)
+ proesten => proestten (Wij proestten van het lachen)
+ plastte => plaste (De regen plaste neer)
+ Schenkt => Schenckt (Schenckt! Drinckt!)
+ Kapiten => Kapitein (want de Kapitein staat hoog)
+ ' => " (hij is een groot man!")
+ bootman => bootsman (U is bootsman Willem van Aspervelde?)
+ Bootman => Bootsman (Bootsman, schiet een musket)
+ ergers => ergens (En waar ergens woont)
+ zon => zou (dat hij aanboord zou zijn,)
+ als => al (Zijt ge dan al eens met die luiden)
+ lachtten => lachten (Garrit en Dirk lachten)
+ , => . (allen zoo rustig bij elkander zijn.)
+ Sint.-Jan => Sint-Jan (het feest van Sint-Jan viert)
+ . => , (Truytman, "dat hangt alleen)
+ vrienschappelijk => vriendschappelijk (zoo vriendschappelijk omgaat)
+ Dircksz. => Dirksz. (Laat Cornelis Dirksz. nu)
+ Dircksz. => Dirksz. (Kapitein Dirksz. van de "Beverwijck")
+ Qaatre => Quatre (riep Henri Quatre)
+ haar, => haar' (zij gedwongen wordt haar' gebied)
+ Dirksz => Dirksz. (voorspellingen van Kapitein Dirksz.,)
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 43704 ***