diff options
Diffstat (limited to '43704-0.txt')
| -rw-r--r-- | 43704-0.txt | 8879 |
1 files changed, 8879 insertions, 0 deletions
diff --git a/43704-0.txt b/43704-0.txt new file mode 100644 index 0000000..eda7b23 --- /dev/null +++ b/43704-0.txt @@ -0,0 +1,8879 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 43704 *** + +Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this + file which includes the original lovely illustrations. + See 43704-h.htm or 43704-h.zip: + (http://www.gutenberg.org/files/43704/43704-h/43704-h.htm) + or + (http://www.gutenberg.org/files/43704/43704-h.zip) + + + Images of the original pages are available through + Internet Archive/Canadian Libraries. See + http://archive.org/details/janmaatindeoosto00louw + + +OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER. + + _Cursieve tekst_ is in deze tekst weergegeven met _een laag + streepje_. + + =Gespatieerde tekst= is in deze tekst weergegeven met =een + isgelijkteken=. + + ~Vette tekst~ is in deze tekst weergegeven met ~een tilde~. + + Kleinkapitalen (small caps) zijn in deze tekst vervangen door + gewone hoofdletters. + + Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan + het eind van dit bestand. + + + + + +[Illustratie: P. Louwerse-book cover] + + +JANMAAT IN DE OOST. + + +[Illustratie] + + +JANMAAT IN DE OOST + +OF + +VESTIGING VAN HET NEDERLANDSCH GEZAG OP CELEBES. + +GESCHIEDKUNDIG VERHAAL VOOR OUD EN JONG NEDERLAND, + +DOOR + +P. LOUWERSE. + +Tweede, veel verbeterde Druk. + + + + + + + +LEIDEN. -- A. W. SIJTHOFF. + + + + + "Rap van leden, vroom van zeden, + Dat was Hollandsch -- lang verleden!" + + Dr. HEYE'S _Volksdichten_. + + + + +VOORBERICHT. + + +"Ver van honk" is voor menig lezer, die zijne reisjes bij voorkeur nog +in het hoekje van den haard maakt, wel aantrekkelijk. Daarom koos ik een +onderwerp uit de geschiedenis onzer Oost-Indische Compagnie, en daar ik +in "=Mannen van Sta-vast=" den tijd van Gouverneur-Generaal Jan +Pietersz. Coen geschetst heb, zoo meende ik niet beter te kunnen doen +dan nu een tafereel te nemen uit het leven zijner opvolgers Joan +Maetsuyker, niet zoozeer omdat ik dezen beschouw als de evenknie van +Coen, maar wel omdat er onder zijn langdurig bestuur van 1653 tot 1678 +genoeg voorviel dat vermelding verdient, en ook, omdat de sprong niet te +groot is om dit werkje te beschouwen als een soort van vervolg op +"=Mannen van Sta-vast=". Aan de hand der geschiedenis wenschte ik u te +schetsen de vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes. De namen +van de mannen, die daarbij als Admiraals, Bevelhebbers of Opperhoofden +genoemd worden zijn historisch, doch de helden van mijn verhaal zijn +kinderen mijner verbeelding. Ik achtte noodig dit te zeggen omdat +sommigen, en jeugdige lezers vooral, zoo lichtelijk gelooven dat alles, +wat daar staat, van het begin tot het einde waar is. Natuurlijk zijn ook +de gevechten, die we schetsten, en de gebeurtenissen, die er bij +voorvielen, niet verzonnen, maar werkelijk geleverd en gebeurd. + +Zoo schreef ik in het voorbericht van den eersten druk van dit werkje. +Nu bij den tweeden staat op den titel, dat het werkje veel verbeterd is, +en dat dit iets meer is dan eene geijkte uitdrukking, durf ik gerust te +verklaren, omdat verreweg de meeste verbeteringen aangebracht werden +door mijn' vriend, den Heer J. F. W. WINTERBERG, die ook mijn "=Mannen +van Stavast=" vóór het ter perse ging voor mij met het potlood in de +hand doorliep. Zijn langdurig verblijf in verschillende deelen van onze +O.-I. bezittingen, stelde hem in de gelegenheid om uit den eersten druk +tal van die fouten te halen, welke maar al te dikwijls het gevolg zijn +van plaatselijke onbekendheid. Gaarne breng ik mijn' vriend voor dit +werk mijn' hartelijken dank. Mocht "=Janmaat in de Oost=" op zijne +nieuwe rondreis in ons land, weer vele huizen vinden waar hij, als +verteller, welkom is. + + DEN HAAG. P. LOUWERSE. + + + + +INHOUD. + + + Blz. + + ~Eerste Hoofdstuk.~ + Het volk van de "Leerdam" 1 + + ~Tweede Hoofdstuk.~ + De ontsnapte galei-boef 15 + + ~Derde Hoofdstuk.~ + Den dans ontsnapt 32 + + ~Vierde Hoofdstuk.~ + Opgedirkte waarheid 46 + + ~Vijfde Hoofdstuk.~ + Een groot man 60 + + ~Zesde Hoofdstuk.~ + Alével ferme kerels 81 + + ~Zevende Hoofdstuk.~ + Een Koningsmiddel 99 + + ~Achtste Hoofdstuk.~ + Een zeer voornaam bezoek 112 + + ~Negende Hoofdstuk.~ + Zeevolk, vreemd volk 124 + + ~Tiende Hoofdstuk.~ + Eene Joffer om een' Barbier 140 + + ~Elfde Hoofdstuk.~ + Een slechte ruil 152 + + ~Twaalfde Hoofdstuk.~ + De Hollandsche Remedie 165 + + ~Dertiende Hoofdstuk.~ + Toch niet alleen 180 + + ~Veertiende Hoofdstuk.~ + Getuchtigd, niet verslagen 195 + + ~Vijftiende Hoofdstuk.~ + Janmaat 212 + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +Het volk van de "Leerdam." + + +"Ei wat, allemaal gekheid! Ik zeg maar: liever met eene oude schuit op +zee dan met een' nieuwen wagen op het land. Wat zeg jij ervan, Hoepel?" + +Hij, die dit zoo zeide, was een kloek gebouwde zeeman, die voor een +tafeltje in eene zeemans-herberg stond. Aan dat tafeltje zaten nog drie +andere varensgezellen hun bier te drinken. Twee opgeschoten jongens +stonden er bij te luisteren, terwijl nog een ander jong mensch achter de +jongens een plaatsje bij de luisteraars had ingenomen. + +De zeemans herberg heette "De nieuwe Fluyte" en stond dicht bij den +IJkant te Amsterdam. + +De man, die met den naam van "Hoepel" aangesproken was, omdat hij +gewoonlijk wat gebogen liep, was bezig zijn pijpje aan te steken, en +nauwelijks hoorde hij, dat men het woord tot hem richtte, of hij keek op +en zei: "Ja, Henri-Quatre, gelijk heb je, -- pfoem -- pfoem -- pfoem, -- +gemeene toeback, zoo nat, alsof ze een jaar te weeken gelegen heeft, -- +pfoem -- pfoem -- pfoem! Ik zeg ook, gelijk heb je! Geen beter en vrijer +leven dan van een' zeeman, -- pfoem -- pfoem, -- pfoem. Ik zou -- pfoem +-- pfoem...." + +"Gooi dat ding toch weg! Je zit al te "pfoemen" en nog eens te +"pfoemen" tot vervelens toe. Rook straks, als er geen mensch meer is, +die je wat vraagt! En doe nu je woord!" + +Dit zeide een ander, die aan de linkerhand van den zoogenaamden +"Henri-Quatre" stond. Dezen bijnaam had hij van de matrozen gekregen +naar zijn' baard en knevel, dien hij beide droeg in den vorm, zooals de +beroemde Hendrik IV, Koning van Frankrijk, ze gewoon was te dragen. + +"Klets dan, daar ligt de heele geschiedenis," riep Hoepel. "Is me dat +spul, dat ze hier voor goede waar en veel geld verkoopen! Ik zet geen +voet meer in "De nieuwe Fluyte," zoolang ze daar zulk bocht aan den man +willen brengen. Het is schande!" + +"Nu, ik wil wel gelooven, dat je er vooreerst geen' voet meer in zet, +Hoepeltje! Morgen avond om dezen tijd...." + +"Morgen avond om dezen tijd, is het de zestiende April van het jaar +1658. Dag, ouwe jongen! Hoe gaat het?" + +Met deze woorden werd Henri Quatre in de rede gevallen door een niet +heel groot, doch erg gezet manneke, dat binnentrad en zonder +plichtplegingen te maken bij het gezelschap plaats nam. Hij was ook +zeeman van beroep, doch inplaats van in den mast te klimmen, smeerde hij +pleisters, knipte hij de haren en schoor hij de baarden der bemanning. +Dan had hij ook nog eene medicijn-kist met allerlei medicamenten. Hij +droeg den naam van scheeps-barbier, doch het zee volk noemde hem "Troost +der Armen," omdat hij alle wonden en ziekten met den balsem, die dezen +naam draagt, trachtte te genezen. + +"Wat is dat? Troost der Armen, jij hier?" riep Henri Quatre. + +"Jij hier?" riepen al de anderen. + +"Ik hier! En wat zou dat?" klonk de vraag, die dadelijk aangevuld werd +met het geroep: "Hei, baas van de Fluyte, bier en toeback!" + +"Welja, ik dacht dat je in de Oostzee op een van onze oorlogsschepen +was," zei Hoepel. + +"Geweest, man, geweest! 's Lands dienst, geen dienst! Ik houd het met +de Compagnie! Ik ben met een schip van de vloot gisteren avond hier +aangekomen. Van morgen ontmoette ik den Schipper van de fluit +"Leerdam," en eer de klok van tienen koud was, was ik aangemonsterd, +als scheeps-barbier op de "Leerdam." Wat zeg je ervan, Hoepel?" + +"Wat ik hiervan zeg? Dit. Ik hoop hartelijk op reis niet ziek te worden. +Ik ben bang van je...." + +"Troost der Armen, wil je zeggen, Hoepel?" + +"Ja, juist! Je hebt er menigeen een reisje mee bezorgd naar den kelder, +man!" + +"Gekheid," riep een andere matroos schaterlachend uit, "Meester +Troost der Armen zet ons zoo rondom in het vet, dat we drijven als +kurk." + +"Goed, goed," zeide Hoepel, die niet zoo gauw uit het veld geslagen +was, "ik zeg dat hij met zijn "troost" een heel zoodje den weg van de +doode visschen heeft laten wandelen." + +"Geen wonder," zeide de barbier. "Ze konden niet genezen vanwege hun +ongeloof. Troost der armen is het heilzaamste medicament, dat er geweest +is, dat er is, of dat er ooit komen zal, en daarmede uit. Als ik vragen +mag, allemaal van de "Leerdam"?" + +"Allemaal!" + +"Gansbloed, een kostelijk gezelschap! Beter dan op het fluitschip de +"Nieuwpoort"." + +"Zoo, is dat zoo'n opgeraapt zoodje?" + +"Nu, opgeraapt, opgeraapt, dat zal ik niet zeggen; maar aan twee kwaden +heeft men al genoeg!" + +"Jawel, maar wij met ons zevenen maken niet de heele bemanning uit," +zeide Henri Quatre. "Wie waarborgt je, dat er onder de anderen, +die...." + +"Hier niet zijn, ook niet één of twee zich bevinden, die tot het zoodje +behooren, wil je zeggen?" + +"Precies!" + +"Nu, ik zeg je, dat is eene klare onmogelijkheid. Daar heb je vooreerst +den scheeps-barbier van de "Nieuwpoort." Kent ge dommer kerel?" + +"Is dat niet Meester Jonas?" + +"Ja, ja, precies! Jonas heet hij, maar "Sul" moest hij heeten." + +"Die alle ziekten wil genezen met rabarber?" + +"Juist, juist! Met rabarber! Wie heeft ooit zoo iets doms geloofd? De +man is niet op de hoogte van zijn' tijd. Hij had maar eens als ik eenige +keeren op een compagnie-schip moeten dienen, ze zouden hem daar zoo +gerabarberd hebben, dat hij geen pap meer kon zeggen!" + +"Of ze gelijk hadden! Maar de tweede van dat zoodje, wie is dat?" vroeg +Hoepel. "Ook al een barbier?" + +"Neen, dat is de kok! Verbeeld je, daar hebben ze me gisteren een' +kerel laten aanmonsteren...." + +"Ze, wie zijn die ze?" vroeg Henri Quatre's linker buurman. + +"Dat zal ik je zeggen. Midden in Holland woonde een heer, die zoo wat +boeren wilde. Ongelukkig had de man meer verstand van kolven, kaatsen, +wijndrinken, uitgaan en pretmaken dan van ploegen en zaaien. Hij reed in +een mooi koetsje met een paar prachtige paardjes ervoor iederen dag naar +Den Haag, en hij deed dat zoolang tot hofstede, huis, schuur, koeien, +paarden, gereedschappen en meubelen voor schuld moesten verkocht worden. +Nu heeft de familie van zijne vrouw dat levend schandaal naar Amsterdam +geloodst en hem daar verronseld aan den Schipper van de "Nieuwpoort," +die er nu een soort kok van maken zal. Eet smakelijk! Ik...." + +Hier werd de spreker in de rede gevallen door het vroolijk gezang van +eenige binnentredenden, die allen met de "Leerdam" mede moesten. + + "Gaan varen, gaan varen! + Gaan varen naar de Oost + al voor je plezier! + Gaan varen, gaan varen + gaan varen + voor geld en voor bier. + En wie er geen geld gebruiken kan, + En wie geen bier lust, wat heb je er an? + Die worde, die worde, + die worde geen varensman! + + Gaan zwerven, gaan zwerven, + Gaan zwerven naar de Oost + en al naar de West, + Gaan zwerven, gaan zwerven, + gaan zwerven, + dat lijkt ons het best. + Jan Salie zoek' moeders pappot op, + Janmaat verkiest er het ruime sop, + En hale, en hale + de vlaggen maar hoog in top! + + Laat gieren, laat gieren, + Laat gieren den wind + zoo hard als hij kan. + Wij staan hem, wij staan hem, + wij staan hem + kordaat, als een man! + En slaat in flarden het heele want, + En dreigt gevaar ons aan alle kant, + Wij kiezen, wij kiezen, + wij kiezen de zee toch voor 't land! + + Staan beven, staan beven, + Staan beven dat komt + geen mensch in den zin! + Het hoofd op, het hoofd op, + het hoofd op + den kelder zelfs in! + Tempeest en storm te midden op zee, + Jan Compagnie die lacht er wat mee, + En roept nog, en roept nog, + en roept nog stervend: Hoezee!" + +Het heele gezelschap had zich bij de vroolijke zangers aangesloten en nu +het lied uit was, scheen het, alsof onder het telkens en telkens +terugkeerend gejuich en geroep van "Hoezee!" de heele taveerne +instorten zou. Het was een oorverdoovend leven. + +Bierglazen, bierkannen en bierkruiken klonken en vielen rinkinkelend in +scherven op de roode plavuizen[1] van den vloer. De eene pijp na de +andere werd gebroken en menige test met glimmend turfkooltje zocht een +plaatsje tusschen de stukken glas en aardewerk. + +De herbergier bleef onder dat alles vrij bedaard. De man had dergelijke +tooneeltjes al zoo dikwijls bijgewoond, dat hij geen oogenblik zijne +kalmte verloor. Hij liet breken, vernielen, stukslaan, drinken, rooken, +zingen, schreeuwen zoo lang tot men moede werd, en dan zou hij de +rekening opmaken. + +Het scheen evenwel lang te duren eer deze dollemans-hoop tot bedaren +kwam, en reeds stond hij gereed er een einde aan te maken, toen de deur +der groote gelagkamer opengesmeten werd en eene krachtige stem klonk: +"Ophouden! Het is tijd van vertrek!" + +De man, die dit riep was de Eerste Stuurman, Londenaar, van de +"Leerdam", een kerel als een eikeboom, zachtzinnig als een lam, zoo +lang men zijn gezag erkende en in orde en rust leefde, maar moedig als +een leeuw en sterk als een olifant, als men het waagde oproerig te zijn, +of als de nood aan den man kwam. Hij was onder het zeevolk algemeen +bekend en bemind. Dat de matrozen hem "IJzeren Neptunus" noemden, dat +wist hij, maar het hinderde hem niemendal. + +Op het geluid van zijne stem was alles opeens stil. + +"Afrekenen, mannen! Goddeloos, wat een huishouden hier! Daar zal wat te +betalen vallen," zeide hij lachend. + +De herbergier naderde nu beleefd en onder allerlei buigingen en +strijkages, wist hij te vertellen hoeveel hij van ieder kreeg. De +meesten keken vreemd op, dat ze zooveel bier gedronken en zooveel +glazen, kannen en pijpen gebroken hadden. Ze hadden onder het vertellen, +zingen en dansen wel niet geteld, maar toch wel zoo wat eene kleine +begrooting gemaakt van hetgeen er gebruikt en gebroken was. + +"Jij hebt krijt met drie puntjes, geloof ik," zeide Hoepel, doch +betaalde, wat hij zoogenaamd te betalen had. + +Toen de herbergier zijn "eerlijk verdiend geld," zooals hij telkens +zei, binnen had, beval de Stuurman het volk hem te volgen, omdat het +meer dan tijd was om naar het schip te gaan. + +"Goede reis, mannen! Ik wil hartelijk hopen, tot wederziens," riep de +herbergier hen in de deur na. + +"Als het schip niet zinkt, komt het, omdat je onze beurzen zooveel +lichter gemaakt hebt, haai van een kerel," zeide Henri Quatre. "Wat mij +betreft, je schiet me niet meer, oude jongen, al hadt ge elf en dertig +pijlen op je boog!" + +"Eerlijk verdiend geld, bootsman," grinnikte de herbergier, sloot de +deur en ging toen bij het walmend licht van eene vetkaars zijne winst +berekenen. + +En onderwijl hij dit met blijkbaar genoegen deed, daar hij dien avond +eene buitengewoon groote winst gemaakt had, eene winst, die hij steeds +"eerlijk verdiend geld" beliefde te noemen, stapte het zeevolk in eene +schuit en -- voort ging het. + +De wind was ongemeen gunstig en reeds den anderen middag kwam men voor +Texel, waar de Kapitein van de "Leerdam" met ongeduld op het overige +volk wachtte om de groote reis te aanvaarden. + +Zoodra dus het volk aanboord en alles in orde was, werden terstond de +ankers gelicht en ging men het zeegat uit. Nog twee andere schepen de +"Nieuwpoort" en de "Dolfijn" gingen gelijk met hen onder zeil. + +Onder de varensgezellen, die we in de herberg "De nieuwe Fluyte" +bijeenvonden, waren ook twee opgeschoten jongens. Ze waren twee broeders +en beiden Haarlemsche weezen. Dirk, de oudste, was zestien en Garrit +was vijftien jaar. Ze hadden beiden al verscheidene reizen op de Oostzee +en de Levant gedaan, doch naar de Oost waren ze nog nooit geweest. Hunne +Ouders waren reeds lang dood, doch hun oom, bij wien ze als wees in huis +waren gekomen, was maar een arme schoenlapper, die met groote moeite het +dagelijksch brood verdiende voor zijn gezin, dat behalve uit de twee +weezen, nog uit acht man bestond. Zoo spoedig ze maar konden hadden Dirk +en Garrit besloten, den last van hun' oom te verminderen, door naar zee +te gaan. + +"Hoort eens, jongens," had oom gezegd toen hij het besluit zijner neven +vernam, "het doet mij leed, dat ik niet beter voor u zorgen kan! Wilt ge +eerlijk met ons allen deelen, blijft dan! Hebt ge niet genoeg, welnu, +gaat dan het zeegat uit! De zee geeft een moeielijk, maar goed stuk +brood! Maar -- oppassen is de boodschap, jongens!" + +"Hoor eens, oom," zeide Dirk, "het is niet genoeg, dat wij tevreden +zijn, als we zien, dat er gelijk op gedeeld wordt. We zien al te goed, +dat we daardoor geen van allen genoeg hebben. En dat behoeft niet; wij +kunnen den kost op zee verdienen, dat kunnen we!" + +"En dan hebben al de anderen wat meer, oom," sprak Garrit. + +Oom keek de beide knapen aan en zeide: "Jongens, jongens had ik zooveel +gerande gouden dukaten over, als ik nu duiten te kort kom, ik zou je +niet naar zee laten gaan. Het doet me leed, werkelijk leed, dat ik niet +meer kan doen dan ik doe. Ik zou je zoo graag het beste gunnen!" + +"Dat weten wij wel, oom," hernam Dirk. "Maar de zee en het zeeleven +zijn zoo erg niet. Oppassen zullen we, en kunnen we gerande dukaten, +och, al waren het maar scheepjes-schellingen, meebrengen bij onze +terugkomst, we zullen het niet nalaten." + +"Ja, en dan óók eerlijk deelen, oom," riep Garrit. "En wat oppassen +betreft, nu dat zullen we. Wij beloven u geene schande, maar wel eer te +zullen aandoen." + +Oom haalde evenwel de schouders op en hernam: "Beloven is gemakkelijk, +doen is moeielijk, jongens! Och, er zijn aanboord van onze schepen +zooveel ruwe gasten, die een leven van vroolijk Fransje leiden, om God +noch zijn verbod geven, en ten leste, als een berooid man, om eene +aalmoes door den lande loopen! En wie weet, hoevelen er onder die +berooide lieden zijn, die ook beloofd hebben goed op te passen! Hoort +jongens, geld of goed kan ik u niet medegeven; maar een' raad wel. Bij +al wat gij doet, moet gij u verbeelden, dat uwe brave Ouders bij u +staan, en, gelooven moet ge, dat de Heer alles ziet. Als ge dien raad +nooit vergeet, dan alleen kan er wat goeds uit u groeien!" + +Zoo had oom gesproken toen de twee knapen hunne eerste reize naar de +Oostzee gingen maken. Sedert hadden ze verscheidene malen dien tocht +gedaan. Met allerlei slag van volk waren ze in aanraking gekomen, doch +hoe dikwijls ze ook op het punt gestaan hadden, den goeden raad van hun' +oom te vergeten, telkens had het beeld van hunne Moeder hen voor de +oogen gestaan en hen voor alles, wat laag en gemeen is bewaard. + +Ja, het beeld hunner Moeder! + +Och, Tanneke Woutersd. was zulk eene eenvoudige vrouw geweest! Ze kon +zelfs niet lezen of schrijven. Maar vroom en braaf was ze, als er maar +weinig menschen gevonden worden. En al kon zij ook niet lezen of +schrijven, verstandiger was ze dan menige rijke koopmansvrouw of andere +voorname dame, die het Fransch, Italiaansch en Engelsch zoo gemakkelijk +las als het Nederlandsch uit haar' Bijbel of liederenboek. + +Toen zij stierf was Dirk elf en Garrit tien jaar oud; maar hoe jong ze +ook waren, toen ze hunne goede Moeder verloren, toch konden ze zich nog +al de lessen herinneren, welke zij hun, telkens als het maar te pas +kwam, gegeven had. + +Oom wist dan ook wel, wat hij zeide toen hij sprak van: "Bij al wat gij +doet, moet gij u verbeelden, dat uwe brave Ouders bij u staan." + +Door hun ingetogen leven kregen zij van de matrozen den bijnaam van de +"Twee Vromen." + +Intusschen maakten ze toch niet veel vorderingen, hoewel er geen +Kapitein was, die Dirk en Garrit niet graag hebben wilde. Als een vol +matroos, die reis op reis gemaakt had naar alle deelen van de wereld, +eens niet maar zoo dadelijk vaart kon krijgen en soms wel drie of vier +weken rondliep eer hij weer aangemonsterd werd, Dirk en Garrit konden, +als zij den eenen dag aankwamen den anderen dag weer weg, als ze wilden. + +En toch de oude knecht blijven, als men zoo goed oppast? + +Ja, dat kwam, omdat ze maar heel kort school gegaan hadden en, zooals +men zeî, ook wat hardleersch waren. Men had moeite die twee wat aan het +verstand te brengen, maar als ze het ook eenmaal begrepen hadden, dan +vergaten zij het nooit meer, en zoo waren ze, maar het was op den langen +weg, niet ónwetender dan andere matrozen. + +De twee knapen stonden toen de zon onderging over de verschansing naar +de blinkerds te kijken. + +De matrozen noemen vaak de duinen van ons land zoo, omdat die uit zee +gezien, vooral bij avondzon, door hunne witte kleur, die het licht der +zon weerkaatst, reeds verre in zee te zien zijn. De beroemde duinhoogte +dicht bij Haarlem, ook Blinkerd geheeten, is dus meer een algemeene naam +voor alles, wat duin is. + +"Nog een oogenblik, Garrit, dan zijn ze uit onze oogen verdwenen en +weg," zeide Dirk. + +Garrit, die blijkbaar aan heel wat anders dan de blinkerds dacht, +schrikte op en vroeg: "Wie weg?" + +"Wie weg? Wel, de duinen!" + +"O, bedoel je de duinen? Ja, dat zie ik," antwoordde Garrit en verviel +weer in zijn vorig gepeins. + +"Waaraan denk je toch?" vroeg Dirk. "Je staat te suffen!" + +"Wat belief je?" + +"Wel, heb ik van mijn leven! Ik vraag waaraan je denkt?" + +"Aan Moeder," was het antwoord. + +"Zoo, aan Moeder!" sprak Dirk met een' zucht. "Wat ze in angst +zitten zou, als ze nog leefde, en wij beiden gingen, zooals nu, naar de +Oost, omdat we hier niet aan den kost kunnen komen." + +"Ze zou zeker niet gerust zijn!" + +"Nu, daartoe is wel reden ook; want het is in de Oost nu niet overal +botertje tot den boôm!" + +"Wáár is het geen botertje tot op den boôm, jongens?" vroeg op +eenmaal Henri Quatre, die ongemerkt genaderd was. + +"In de Oost niet, bootsman!" + +"Ha, ha, daarvan weet jelui me ook heel wat te vertellen, ja! Nooit +anders gevaren dan op de Oostzee!" + +"En op de Levant, bootsman!" + +"Is al zoo wat hetzelfde! Neen, dan zou ik je een ander boekje kunnen +openleggen! Dit is mijne vijfde reize al!" + +"Uwe vijfde? En ge zijt nog zoo jong!" riep Dirk. + +"Jong! Maak dat de haaien wijs! Ik ben de vierenveertig al gepasseerd! +Heel wat ondervonden! Maar zeg, heb je ook toeback in de doos of in je +kist?" + +"Neen, bootsman, wij drinken geen toeback!" + +"Verdraaid, wat leef jelui dan op een koopje! Ik wil wel gelooven, dat +je de oude knechten blijft!" + +"Door toeback drinken komt men toch niet vooruit, bootsman?" vroeg Dirk +verwonderd. + +"Halskoppen, die ge nog zijt, wat zijt gij nog nuchter! Weet ge wel wat +onze Starter ervan zegt?" + +"Ha, de student hangt zijne wijsheid weer te luchten," riep de +scheeps-barbier, die zeer goed wist, dat Henri Quatre van eene rijke +familie was en vroeger te Leuven gestudeerd had. Dat wisten ook velen +der matrozen en menigmaal vermaakte hij de manschap met grappen uit zijn +studenten-leven te vertellen. Had dan evenwel één het ongeluk, hem te +vragen hoe hij van student zeeman geworden was, dan betrok zijn gelaat +en hij zweeg oogenblikkelijk. Soms liep hij dan dagen lang zonder bijna +een woord te spreken. Door dat vreemde gedrag was het vooral, dat Henri +Quatre voor de matrozen iets aantrekkelijks had. Gewoonlijk was hij +vroolijk en gezellig en een allemans-vrind. Maar hij kon ook +oogenblikken hebben, dat niemand het waagde hem aan te spreken. En als +een van de lieden het hem wat al te lastig maakte en een loopje met hem +wilde nemen, dan kon hij hem aankijken met een paar oogen om er bang van +te worden. Neep het gevaar en ging het er langs het kantje af, dat men +het leven behield, was dan dikwijls heel de bemanning wanhopig en +radeloos, Henri Quatre wist van geene vrees. Naarmate het gevaar toenam +verhief zich zijne flinke gestalte, zijne oogen straalden vuur en zijne +hand bleef vast. Dan keek de bemanning meer naar hem dan naar den +Kapitein, en als het op stuk van zaken aangekomen was, dan had iedereen +den Kapitein laten loopen en zou Henri Quatre gehoorzaamd hebben. De +Kapiteins hadden het dan ook niet heel erg op hem begrepen, ofschoon hij +nog nooit getoond had, dat hij den verkeerden weg op wilde. Had het +evenwel aan hen gelegen, dan zouden ze hem wel nooit als bootsman op hun +schip aangemonsterd hebben. Maar meestal kwam een der Heeren van de +Compagnie den Schipper mededeelen: "Voor een' bootsman hebben wij +gezorgd!" en als dat gezegd was, dan wist men ook wel wie de bootsman +zijn zou. Henri Quatre scheen derhalve zeer vermogende vrienden te +hebben. + +Wij weten dus nu ook eenigszins wie Henri Quatre was, en in den loop van +het verhaal zullen we hem nog wel nader leeren kennen. + +Zoodra de scheeps-barbier gevraagd had of de bootsman weer als student +zijne wijsheid te luchten hing, vroeg deze hem: "Welnu, "Troost der +Armen", zeg jij dan wie Starter was!" + +"Misschien wel zoo'n lapzalver als Meester Jonas van de +"Nieuwpoort", bootsman!" + +"Dacht ik het niet? Neen, man, hij had met je pleisters en zalfjes +niemendal uit staan, hoor! Hij was een Friesch dichter, en als ge wilt +weten, wat hij van de toeback zegt, zoo luister dan: + + "O prijselycke kruyd, in alder wijzen oordeel! + Want haere assche zelfs veroorsaekt groote voordeel: + De swarte tanden maeckt sij suyver ende wit, + Het tand-vleys heel ghesond, en krachtig het ghebit, + De scheurbuyk drijftse wegh, en veelderlei ghebreken; + Waer vind men sulcken kruyd in Hoven of Aptheeken? + Laeckt s' eenige Doctoor, dat doet hij dan ghewis + Omdat sij sulcken dief in sijne nering is. + 't Gheneest onkostelijck, men hoeft haer niet te halen, + Noch Doctoor noch Barbier haer gangen te betalen; + Dies segh ick, spijt al die haer werpen op een lack, + Daer 's gheen ghesonder kruyd, als d' edele toeback. + Komt, helpt mij dan Toeback haer loff en eere geven, + Ghij...." + +"Och, zwijg toch, man, gij raast wat! Ik zeg je dat de man, die het +"toeback-suygen" uitgevonden heeft, verdiend heeft gehangen te worden. +Piet Hein, onze beroemde Vlot-voogd, zaliger gedachte, wist wel, wat hij +deed, toen hij het rooken of "toeback-drinken" op de vloot verbood. En +wat zegt de geleerde Scriverius? + + "'t Is meer fenijn + Als...." + +"Och, houd op met je gezwets, Meester Troost der Armen," riep Henri +Quatre. "Scriverius zeide: + + Sonticus est morbus...." + +"Dat is Latijn, student! Dat mag jij en ik verstaan, maar deze jongelui +verstaan het niet, en daarom zeg ik het maar, zooals Samuel Ampzing die +gedichten verdietschte: + + "'t Is meer fenijn + Als medicijn. + Toeback is sulcken siekt, die 't lichaam doet verderven + En haere medicijn baet weynig tegens 't sterven. + Het is meer quaed dan goed. 'k Verlang dan wie hij sij, + Die ons van dit vergift en deze pest bevrij." + +"Nu, Meester, gij kunt er van zeggen wat gij wilt, maar ik houd vol, dat +eene pijp toeback te drinken niet zooveel kwaad kan. Iedereen, +Geestelijke en Magistraat, heeft indertijd de toeback den oorlog +verklaard, en toch is ze algemeen geworden. Liggen de zolders te +Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht niet vol met toeback, die uit Amerika +aangebracht is? Hebben niet Gelderland, Overijsel en het Sticht groote +toebacks-velden? Leven te Nijkerk, Wageningen, Barneveld en Elburg niet +honderden ervan? Neen, Meester, de toeback moet niet weg, maar als de +joffers eens minder fijne neusjes hadden en manlief toelieten te huis +zijn pijpje te smoken, dat zou helpen. Nu mag de man het te huis niet +doen en daarom zoekt hij de toebacks-huizen op. Begrepen? Doch nu ga ik +ter kooi; ik heb de hondenwacht."[2] + +De beide mannen verwijderden zich en lieten Dirk en Garrit, die met nog +eenige anderen de eerste wacht hadden, aan hun lot over. + +Het was prachtig weer voor een landrat, want al stonden alle zeilen bij, +toch vorderde het schip, uit gebrek aan wind, al heel weinig. Zoo iets +ziet en ondervindt Janmaat niet graag. Hij heeft het liefst eene stevige +bries, die het schip eene goede vaart geeft. Toch teekende de lucht +verandering en het volk klaagde dus niet erg. Het wist, dat er des +nachts wel wind komen zou. + + +VOETNOTEN. + +[1] Plavuizen zijn roode of grijze baksteenen, die gebruikt worden om +een gemetselden vloer te maken. + +[2] Aanboord der schepen houdt men aldus wacht. De wacht van 8 uur des +avonds tot middernacht heet =eerste wacht=. Dan volgt de =hondenwacht=, +die duurt van middernacht tot des morgens 4 uren. -- De wacht van 4 tot +8 uren heet =dagwacht=, die van 8 tot 12 uren =voormiddagwacht=, die van +12 tot 4 uren =namiddagwacht=, en eindelijk, die van 4 tot 8 uren +=platvoetwacht=. + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +De ontsnapte galei-boef. + + +Toen al het volk, dat geene wacht had, naar beneden gegaan was, zochten +de wachtmannen onder hunne kennissen hen op met wie ze praten konden. +Dirk en Garrit bleven dus ook bij elkander. + +"Een vreemde man, die Henri Quatre," zeide Garrit. "Hoe zou hij +eigenlijk toch heeten?" + +"Ja, op de scheepsrol staat hij ingeschreven als Willem de Stichtenaar, +maar ik houd het ervoor, dat hij wel een' anderen naam heeft. Ik geloof +dat wij heel voorzichtig met hem moeten zijn, en als ik het ronduit +zeggen mag, dan zeg ik, dat ik hem geen ziertje vertrouw". + +"Weet je wat Hoepel mij gisteren avond vertelde?" + +"Dat Henri Quatre eigenlijk zijn vriend niet is, al speelt hij: aap wat +heb je mooie jongen!" + +"Dat heeft hij me niet gezegd. Hij zei alleen dat hij familie moet zijn +van onzen Gouverneur-Generaal!" + +"Van Joan Maetsuycker?" + +"Dat is toch vragen naar den bekenden weg? We hebben immers geen' +anderen?" + +"Maar die is een Amsterdammer van geboorte, en als Henri Quatre nu +familie van hem was, dan zou hij op de scheepsrol wel als Willem de +Hollander, maar niet als Willem de Stichtenaar geboekt staan! Sssst!" + +Dat "sssst" hetwelk Dirk liet hooren, was omdat "IJzeren Neptunes" +op hen afkwam. + +"Al meer de reis naar de Oost gemaakt, jongens?" vroeg hij. + +"Neen, Stuurman! Dit is onze eerste reis!" + +"Zoo, dus zooveel als doopgoedje van Neptunus?" + +"Doopen ze aanboord van de "Leerdam" ook, Stuurman?" + +"Wel jongens, dat verzuimen ze op geen enkel schip! Maar stil, wat is +dat daar aan stuurboord?" + +Ze keken over de verschansing en zagen daar een heel klein bootje +liggen. + +"Wie is daar?" vroeg de Stuurman. + +"Een ontvluchte galei-boef," antwoordde iemand beneden in zuiver +Nederlandsch. + +"En wat zoek je hier?" + +"Hulp, en gauw ook; want ze zijn me op de hielen!" + +"Denk je dat we boeven aanboord nemen?" antwoordde de Stuurman. "Zoek +je fortuin maar ergens anders, maat! Wij nemen dat soort van volkje niet +op!" + +"Geene Nederlanders ook, als ze zonder schuld op de galeien gekomen +zijn? Help me, help me! Het is over een paar minuten te laat. Ben ik +eenmaal aanboord dan zal ik wel opbiechten hoe ik op de galeien kwam." + +"Ik zal het den Kapitein gaan vragen," sprak de Stuurman en beval aan +de achterblijvenden, dat niemand den gevluchten boef aanboord halen zou. + +Daar hoorde men riemslagen nader komen, en weldra lag er eene gewapende +barkas tegen stuurboord. + +"Halloh, hoi!" riep een. + +"Wat zullen we nu alweer te weten komen?" bromde de Stuurman, die met +de boodschap van den Kapitein terugkwam, dat men geene boeven wilde +opnemen. + +"Er is hier een ontvluchte galei-boef aanboord gekomen," klonk het in +de Fransche taal. + +"Toegang gevraagd, toegang geweigerd," sprak de Stuurman kortaf en ook +in het Fransch. + +"We willen onderzoek doen," zeiden de Franschen. + +De Kapitein, die er bij gekomen was, beval den valreep neer te laten, en +de Franschen op het dek te doen komen. Hij moest die luî wel niet +gehoorzamen, maar om alle moeite te voorkomen, stond hij het toe. + +Twaalf gewapende zee-soldaten klauterden nu tegen den valreep op en +stonden weldra op het dek. + +"Wilt ge wachten tot het dag is, of het onderzoek terstond een' aanvang +doen nemen?" vroeg de Kapitein. + +De Bevelhebber van de Fransche sloep scheen achterdocht te koesteren en +zeide, dat hij zeker wist, dat de vluchteling hier aanboord was, want +dat het bootje, waarin hij gevlucht was, beneden tegen het schip lag. + +"Laat alleman op het dek komen," beval de Kapitein. + +De manschap, in den eersten slaap gestoord, was vrij knorrig, en toen +men hoorde, wat er aan de hand was, werd men nog meer ontevreden en de +Franschen werden met allerlei Hollandsche woorden, die we liever maar +niet weergeven, niet weinig verwenscht. + +Zoodra allen op het dek waren sprak de Kapitein: "Er moet hier een +ontvluchte galei-boef aanboord gekomen zijn. Ik begeer niet met zulk +uitschot van eene vracht de reis voort te zetten en beveel dus ieder, +die wat van den vluchteling gezien of gehoord heeft, te spreken!" + +De mannen stieten in het donker elkander aan, dat zooveel wilde zeggen +als: "Weet je er wat van? Zwijgen, hoor!" + +Maar niemand had iets van een' galei-boef of dat er op geleek, gezien of +gehoord, zoodat men die stille afspraak van zwijgen vrijelijk achterwege +had kunnen laten. + +Toen er nu geen antwoord op de vraag van den Kapitein gegeven werd, +herhaalde deze nog eens dezelfde woorden, doch op zulk een' kalmen toon, +dat ieder begreep, dat het hem ernst was. + +Natuurlijk gaf weer niemand antwoord. + +"Ten derden male," sprak de Kapitein, "herhaal ik mijne vraag: Wie +uwer heeft iets van den gevluchten boef gehoord of gezien? Ik eisch een +antwoord, ja of neen! en dan voeg ik erbij: wie wat van de zaak weet en +het niet vertelt, dien zal ik als rebel behandelen en laten straffen. Je +weet dus, wat er op staat. Komaan, spreekt op!" + +Weer geen antwoord. + +Eindelijk trad Henri Quatre voor het front en zeide op beleefden, doch +scherpen toon: "Een woordje, Kapitein!" + +De Kapitein had erg het land, dat juist deze man het woord vroeg en +zeide daarom zoo kortaf mogelijk: "Spreek, bootsman! Wij zullen hooren, +wat je te vertellen hebt." + +"Ik wilde u wel vragen wie een Franschman het recht geeft aanboord van +een schip der Compagnie te komen?" + +Deze vraag werd niet in de Nederlandsche, maar in de Fransche taal +gedaan en wel zóó zuiver, dat de Franschen elkander verstomd aankeken, +dat zulk een eenvoudig varens-gezel hunne taal zoo goed sprak. + +De Kapitein, die met het Fransch zichzelven wel behelpen kon, doch het +toch minder goed sprak, werd boos en gaf daardoor in zeer slecht Fransch +ten antwoord: "Wie, bootsman? Wie? Dat recht heb ik gegeven, ik, als +Kapitein van het schip." + +"Ieder moet weten wat hij doet, Kapitein," hervatte de bootsman op +denzelfden scherpen toon. "Hadde het van mij afgehangen, dan zoude de +Franschman geen' voet op het dek van de "Leerdam" gezet hebben, al +waren er honderd gevluchte galei-boeven aanboord!" + +"Bootsman, zwijg!" + +"U heeft aan ieder van het volk het recht gegeven te spreken, Kapitein, +en ik ben niet onbescheiden!" + +"Dat zijt gij wel! Gij maakt inbreuk op mijn gezag!" + +"Volstrekt niet, Kapitein! Ik heb gezegd, dat ieder weten moet, wat hij +doet en wat ik zou doen. Ik wil evenwel nog meer zeggen, en dat is: Zoo +ik iets van den vluchteling gezien of gehoord had, ik zou mij liever de +heele reis krom in de boeien laten sluiten, dan voor verklikker te +spelen ten believe van een' Franschman, die hier niemendal te zeggen +heeft. Ik geloof, dat er nog meer zijn, die er zoo over denken!" + +"Gij zoudt mij dus willen verbieden den Franschman vrijheid te geven, +het heele schip te laten doorzoeken?" + +"U heeft te gebieden, Kapitein, en ik heb niets te verbieden. Maar ik +meen zoo, dat de Heeren der Compagnie er anders over denken dan u. En al +dachten zij ook al zoo, ik verzeker u dat het volk er heel anders over +denkt." + +"Als gij voor verklikker bij de Heeren wilt spelen, ga je gang! Ik zal +mijn gezag handhaven. Het heele schip zal door deze lieden doorzocht +worden, en wee den man, die den vluchteling verborgen houdt!" + +De matrozen, aangemoedigd door hetgeen de bootsman gezegd had, begonnen +te morren en hier en daar hoorde men er een roepen: "We zijn geen +dienaars van den Fransoos! Weg met den Fransoos! Wij zullen hem wel van +tusschendeks houden! Opdringen, mannen! Wij zijn hier op vrijen bodem!" + +"Halt, mannen," riep de bootsman nu in het Nederlandsch. "Dat zou +rebellie zijn! Het voegt ons thans den Kapitein te gehoorzamen. Ik geef +het voorbeeld! Weest wijs en volgt mij na. Gij trekt aan het kortste +eind, als gij anders doet! Late men het schip doorzoeken en +gehoorzaamt!" + +Hierop nam hij eene brandende lantaarn uit de hand van een' matroos en +zich beleefd tot den Franschen Officier wendend, zeide hij in vloeiend +Fransch: "Volg mij, Monsieur! Ik zal u overal brengen waar gij zijn +wilt." + +Na dit gezegd te hebben verdeelden de Franschen zich in troepjes en +onder geleide van den Kapitein, de stuurlieden, den bootsman en de +konstabels doorzochten ze het heele schip van onder tot boven. Men vond +evenwel niemand. Eenigen der rapste Franschen klommen in de masten, +onderzochten daar alles nauwkeurig, doch ontdekten daar ook niets, +zoodat ze onverrichter zake op het dek kwamen. + +Eindelijk waren alle Franschen weer bij elkander. + +"Ge ziet het nu duidelijk, Luitenant," zeide de Kapitein in zijn slecht +Fransch, "de vluchteling is hier niet." + +"Hij moet hier zijn," was het antwoord, "het kan niet anders. En ik +blijf hier tot de dag aanbreekt, dan kunnen wij beter zoeken. Intusschen +verzoek ik u te zorgen, dat ge niet verder dan Calais gaat, opdat wij, +zonder nog eens zulk een' gevaarlijken tocht te maken, veilig met onze +boot terug kunnen keeren." + +Op deze woorden van den Franschen Officier was de Kapitein vrij +besluiteloos omtrent hetgeen hij doen moest. De wind was spoediger +aangewakkerd dan men vermoed had, en ook zeer uitmuntend. En om nu ten +pleiziere van een' Franschman, die een' vluchteling nazat, de +voordeelen van eene voorspoedige reis prijs te geven, dat was toch wat +al te veel van zijne toegeeflijkheid gevergd. In allerijl belegde de +Kapitein scheepsraad en daarin werd besloten den Franschman niet den +zin te geven. Wilde hij den tocht mede maken dan zou men hem en zijne +manschappen te Hâvre aan wal laten gaan. + +Er zat nu voor den Officier niets anders op dan te kiezen of te deelen, +en na eenig nadenken nam hij het aanbod aan mede te gaan naar Hâvre, +welke plaats men zoo dicht naderen zou, dat men met de kleine sloep, +waarmede men gekomen was, ook zonder gevaar zou kunnen vertrekken. + +De Franschen zochten nu een plaatsje boven op het dek, waar ze tegen de +kouden voorjaarswind wat beschut waren, en wachtten zoo het aanbreken +van den dag af. + +Eindelijk kwam deze en kort daarna was al het scheeps-volk weer op het +dek of elders in beweging. Op den bepaalden tijd kregen ze hunne portie +van gort met spek. De arme Fransche soldaten, die stijf waren van de +koude, hadden er natuurlijk niet op gerekend mondkost mede te nemen, +zoodat ze met begeerige oogen de bakken met gort, die de manschappen +weghaalden, nakeken. + +Geen mensch dacht eraan, die arme drommels te laten mede-eten, hoewel er +overvloed van spijs was. + +Geen mensch? Ei, hoe we ons vergissen! + +Zie, daar nadert Henri Quatre met zijne portie gort den Officier, en +zegt op beleefde wijze en weer in een Fransch waarop de Kapitein wel +twintigmaal jaloersch wilde worden: "Mijnheer de Luitenant, mag ik u de +helft van mijn ontbijt aanbieden? Mij dunkt, u zal, na zulk een' kouden +nacht, wel wat warms en stevigs kunnen gebruiken." + +De Officier keek den bootsman met een paar groote oogen aan, want die +gulle goedhartigheid scheen hem toe in strijd te zijn met de woorden, +die hij des avonds gesproken had. Het was dus te begrijpen, dat de +Officier niet terstond het vriendelijke voorstel aannam, en dat hij +zeide: "Maar, mijnheer, hoe kunt gij dat nu meenen? Gij wilt immers +niets van de Franschen weten? Gij hebt dat gisteren avond gezegd in een +Fransch, dat Koning Lodewijk niet beter spreekt, zoodat wij het allen +zeer goed verstaan hebben." + +"Luitenant," sprak Henri Quatre, "als gij met een Fransch schip langs +de kusten van Holland kruistet en een Fransche vluchteling kwam bij u +aanboord, zoudt gij dan Hollandsche soldaten toestaan, dat ze uw schip +van onder tot boven doorsnuffelden om dien vluchteling te zoeken?" + +De Luitenant bedacht zich even en zeide: "Neen!" + +"Ferm zoo, Luitenant," hernam Henri Quatre. "En indien men u het +bevel niet gegeven had, den galei-boef na te jagen en aanboord van een +schip der Oost-Indische Compagnie te zoeken, zoudt gij het dan uit +uzelven gedaan hebben?" + +"Neen," was weer het antwoord. + +"Heer Luitenant, neem dan de helft van mijn ontbijt. Ik heb het niet +tegen u, ik heb het tegen de daad. Eet smakelijk!" + +Nauwelijks hadden de matrozen gezien, wat Henri Quatre deed, of allen +volgden zijn voorbeeld, zoodat de arme kerels een ontbijt kregen zóó +volop, als ze in hun' eigen dienst niet zouden gehad hebben. Ja, toen +kort daarop het gewone oorlam[3] onder het volk uitgedeeld werd, kreeg +iedere Franschman er ook een, en het bleek duidelijk, dat al die +verkleumde mannen hiermede wat in hun' schik waren. + +Door die hartelijke behandeling had de Luitenant niet veel lust het +onderzoek naar den vluchteling nauwgezet te herhalen, zoodat hij, toen +ze op de hoogte van Dieppe waren, maar verzocht hier aan wal te mogen +gaan. Ze hadden gezien, dat de vluchteling niet aanboord was. + +Het afscheid der Franschen was zeer vriendelijk, en de bootsman kreeg +van den Luitenant nog een' handdruk meer dan al de anderen. Zelfs de +Kapitein vond dit zeer natuurlijk. + +Zoodra de vreemden weer vanboord waren, werd de tocht voortgezet en -- +niemand dacht meer aan den ontsnapten galei-boef. Wel vroeg in het eerst +de een aan den ander of hij begreep waar die kerel gevlogen was, doch, +daar niemand er iets van wist, zweeg men er ten laatste over. + +De tocht vorderde buitengewoon goed. Door den wind voortgejaagd vloog +het fluitschip, dat, voor een' Oostindie-vaarder altijd, nog al vrij +rank gebouwd was, over de golven, doch men hield meer den Engelschen dan +den Franschen wal, zoodat men moeielijk zien kon of ze Hâvre al voorbij +waren. + +Eer de volgende morgen kwam begreep evenwel iedereen, dat men de +Fransche kust geheel voorbij was en dat men weldra in den Oceaan zou +zijn. + +Dirk en Henri Quatre, die de dagwacht hadden, liepen samen op het +voorschip diep in hunne kragen gedoken en met de wollen muts over de +ooren, heen en weer; want het was vinnig koud en de wind blies stijf uit +het noordoost. Nu en dan trokken donkere wolken over, die sneeuw en +hagel medebrachten. + +"De Maartsche buien komen van het jaar laat aanzetten, bootsman," zeide +Dirk. "Hu, hoe koud is het! De wind snijdt iemand door al de kleeren +heen." + +"Ik zal er den brand nog maar eens injagen," sprak de bootsman. +"Misschien dat me het rooken wat helpt!" + +Hij stopte nu zijn pijpje en zeide: "Ja, ja, het is toch maar zooals +onze goede Vader Cats kortelings schreef: + + "Wat magh' er eenig volck speck, vlees of hammen wenschen, + Al dat maeckt drabbigh bloet en onvermeuge menschen[4] + Voor mij ick weet een spijs die ick al beter hou, + Die draegh ick in mijn sack of in mijn wijde mou. + Kom, let op mijn bedrijf, 't en zijn geen slechte saken, + De koek, dien ick gebruyck, dat sijn mijn eygen kaken; + Mijn keuken is een pijp, een doos mijn schapperae,[5] + Die draeg ick even staeg waer dat ick henen gae; + Een blat is mijn gebraet: van hier, o grage monden! + De schoorsteen is mijn neus, is dat niet wel gevonden?" + +Terwijl hij dat gedichtje zoo binnensmonds opzegde, had hij de kleine +koperen doos waarin zwam was, genomen en met behulp van een stuk staal +en een vuursteen, het zwam vonkende gemaakt. De pijp werd nu in dat +ronde doosje boven het brandende zwam gehouden en weldra werd het hoofd +van den bootsman nu en dan onzichtbaar achter wolken van rook. + +Dirk stond den damper met open mond aan te gapen, en juist wilde hij +iets zeggen, toen hij naar den boeg wees en riep: "Een hoofd!" + +"Wat Zaterdag, wat is dat?" zei de bootsman. + +De Eerste Stuurman, die bij het roer stond, wenkte hem en zeide, toen ze +bij hem gekomen waren: "Terwijl jelui stondt te praten, heb ik daar een +paar keer bij den boegspriet het hoofd van een' man gezien. Gaat eens +kijken wie dat is! Als het de gevluchte boef eens ware!" + +"Dan zou ik het land hebben, dat hij onder mijne wacht gevonden werd. De +Ouwe zal dan nog veel meer gelooven, dat ik er alles van geweten +heb."[6] + +"Ik ben je getuige, bootsman," zeide de Stuurman. "Gij kunt gerust +zijn. De Kapitein zal mij toch wel gelooven, vertrouw ik. Doch ga thans +naar den boeg en onderzoek, wat daar is." + +De bootsman en Dirk begaven zich nu naar het voorschip en bij den +boegspriet gekomen, kwam het hoofd juist weder te voorschijn. + +"Drommels, dat is.... dat is...." riep Henri Quatre. + +Dirk was hem vooruitgeloopen en vond nu onder den boegspriet, achter het +wapen van Leerdam, dat den boeg van het fluitschip versierde, in den +zoogenaamden boegsprietsoven[7] een man, die zich daar tusschen +gewrongen had, en er allerakeligst uit zag. + +"Wie ben je?" vroeg Dirk. + +"De ontvluchte galei-boef," klonk het zwakke antwoord. "Och, help +mij! Ik heb mij hier tusschen gewrongen en kan nu niet terug of ik val +in zee!" + +Henri Quatre was nu ook naderbij gekomen. + +Hij keek over de verschansing, zag den vluchteling aan en.... + +"Dolf, jij?" riep hij. + +De vluchteling keek Henri Quatre aan en na hem eenige oogenblikken +aangestaard te hebben, zeide hij op vragenden toon: "Wat?! Zie ik nog +goed? Droom ik niet? Ben je Willem...." + +"Halt! Geen woord meer! Ja! Die ben ik! Ik zal u helpen! Hier, Dirk, +houd dat touw aan dezen kant." + +Dirk greep een touw, sloeg dat om de beenen van den man en met behulp +van Henri Quatre's sterke armen, haalde men den armen kerel, die daar +twee dagen verborgen had gezeten zonder iets te eten of te drinken, op +het dek. + +"Hij is dood," zeide Dirk. + +"Nog niet! Blijf bij hem, ik zal wat halen," zeide de bootsman en +verwijderde zich schielijk. + +Gaandeweg kwam de een na de ander bij den vluchteling, die nu, zonder +teekenen van leven te geven, daar op het dek lag. Ook de scheepsbarbier +kwam er bij en deze begon al dadelijk met te zeggen: "Ik zal hem +pleisters met troost der armen op de kuiten en in den nek leggen." + +Ook de Kapitein kwam en vroeg, wat er gaande was. + +"De Fransche vluchteling, Kapitein!" gaf Dirk ten antwoord. "Wij +hebben hem uit den boegsprietsoven gehaald." + +Juist wilde de Kapitein er het zijne van zeggen toen de bootsman aankwam +met een klein fleschje echten, Franschen en onvervalschten brandewijn. +Hij liet hiervan eenige druppels tusschen de half geopende lippen van +den man vallen en zag toen bedaard welk eene uitwerking dit had. + +De arme man scheen uit zijne bedwelming, waarin honger en koude hem +gebracht hadden, te ontwaken, en de oogen openend, sloeg hij ze vol +dankbaarheid op den man, die hem nog juist bijtijds uit zijn' +gevaarlijken toestand verlost had. + +De geheele bemanning keek den armen vluchteling medelijdend aan, en niet +één onder hen, den Kapitein uitgezonderd, of hij was verheugd te zien, +dat de stumperd weer bijkwam. + +Opeens evenwel liet de Kapitein zich hooren. + +"Bootsman, ik moet u als rebel behandelen." + +"Als ge meent, dat ge zulks doen moet, ga dan uw' gang, Kapitein! Maar, +ik wensch dan door den vollen scheepsraad mijn vonnis te hooren +uitspreken," zeide Henri Quatre bedaard. "Dat is een recht, dat zelfs +een' pluimgraaf toekomt." + +De Kapitein knarste van woede op de tanden, en sprak: "Gij hebt den boef +eene schuilplaats gegeven, en als de Luitenant hem gevonden had, dan +waren wij in Calais opgebracht en zou men beslag op ons schip gelegd +hebben." + +"Door wien opgebracht, Kapitein?" vroeg de Eerste Stuurman. "Door +wien, als ik vragen mag?" + +"Door wien? Wel, door wien anders dan door den Luitenant en zijne +onderhebbende manschappen!" + +"Meent u dat?" + +"Zeker meen ik dat! Ik zou wel willen vragen waarom gij denkt, dat ik +het niet meen?" + +"Nu, dan vergist gij u, Kapitein! Hij zou ons niet te Calais, maar wij +zouden hem te Batavia gebracht hebben, en wat netjes ook," sprak nu één +der omstanders. + +De Kapitein zag grimmig om en wist nu dat die woorden gezegd waren door +Mijnheer Melters, die in dienst der Oost-Indische Compagnie was, en als +Opper-koopman of Super-carga de reis mede maakte met de "Leerdam". + +"In alle gevallen, Mijnheer de Super-carga, heeft de bootsman gezondigd +tegen de wetten en bevelen, en ik eisch, dat hij hiervoor gestraft zal +worden", zeide de Kapitein. + +Tot hiertoe had de vluchteling nog geen woord gesproken. Hij richtte +zich evenwel thans een weinig op en zeide in het Nederlandsch en met +zwakke stem: "Niemand heeft mij geholpen of verborgen, Kapitein! Ik heb +mijzelven in den uitersten nood eene schuilplaats verschaft achter het +scheepswapen in den boegsprietsoven. En zoo ik oorzaak zal zijn, dat +iemand om mij onschuldig gestraft wordt, laat mij dan liever overboord +smijten. Te verdrinken is nog beter dan te leven als galei-boef!" + +De Kapitein zag hem nijdig aan en beval op hoogen toon: "Men brenge den +vluchteling in de ziekenhut en den bootsman...." + +"Overijl u niet, Kapitein," sprak de "IJzeren Neptunus." "Laten +wij den Raad beleggen en laat den bootsman met ons gaan. U zal zien, dat +hij geen rebel mag genoemd worden." + +"Stuurman, gij begint ook?" riep de Kapitein driftig. + +"Laat al de Officieren van het schip in de kajuit komen, Kapitein, en +dan zal ik vertellen, wat ik van de zaak gezien heb," luidde het +antwoord van den "IJzeren Neptunus", die zeer kalm bleef[8]. + +De Kapitein voldeed daaraan en toen al de Officieren bij elkander waren, +en de bootsman, als beschuldigde, tegenover hen stond, deelde de +Stuurman mede, wat hij gezien had vóór de bootsman en Dirk het zagen. +Verder zeide hij ook dat de bootsman zijne spijt had te kennen gegeven, +dat de vluchteling nu juist moest gevonden worden op zijne wacht, omdat +men dan lichtelijk vermoeden zou, dat het eene doorgestoken kaart was en +hij al lang, ja, van het begin af, geweten had, waar de ontsnapte boef +was. Na dit alles gezegd te hebben eindigde hij met het voorstel te doen +om den vluchteling in deze ook te hooren, tenminste indien hij instaat +was om verhoord te worden. + +"Als hij er nog niet instaat toe is, zal hij er weldra instaat toe zijn, +want ik heb hem drie pleisters met troost der armen gelegd, in de +linker- en rechterzijde en in den nek," zeide de scheepsbarbier. + +"Och, jij met je pleisters! Als het maar in je macht was, dan zou je de +maan aan de sterretjes plakken," sprak de kok. "Ik heb hem eene maat +warme gort gegeven." + +"Dat laatste middel zal heilzamer werken dan het eerste," meende de +Opper-koopman. "De man was letterlijk uitgehongerd." + +De Kapitein scheen in te zien, dat zijne vrees voor den bootsman hem +leelijke parten gespeeld had. Hij gaf dus toe en zeide, dat de gewezen +boef, als hij kon, voor den scheepsraad verschijnen moest. + +Dit scheen den bootsman niet te bevallen, en reeds stond hij op het punt +er iets tegen in te brengen, toen de Stuurman zich al verwijderd had om +bevel te geven den vreemdeling in de kajuit te laten komen. + +In gespannen verwachting bleven allen zitten, en toen de man aan den +ingang der kajuit verscheen, keken ze hem zoo vreemd aan, alsof hij een +buitengewoon wezen was. + +Nu buitengewoon was hij niet, maar gewoon toch ook niet. + +Hij was vreeselijk mager, lang en breedgeschouderd. Zijn gelaat was +zeker in langen tijd niet geschoren of gewasschen en zijn koolzwart haar +was, naar het gebruik op de galeien, even als bij misdadigers, kort bij +het hoofd afgeknipt. Hij had ivoorwitte tanden en donkere oogen, die +akelig diep in de kassen weggezonken waren. Alles sprak bij hem van +armoede, ellende en lijden, en misschien, dat hij later, als hij geheel +hersteld zou zijn, een knap man zou worden, maar nu was hij vreeselijk +leelijk en terugstootend. + +Hij hield zich aan de stijlen der deur vast en eer nog iemand wat gezegd +had, sprak hij: "Ik zou wel willen zitten, Kapitein! Ik ben te zwak om +te staan!" + +"Dat ziet men u waarlijk wel aan," zeide de Opper-koopman en opstaande +bood hij den man een' stoel aan. + +"Wie zijt gij?" vroeg de Kapitein. + +"Een Antwerpenaar van geboorte en een Geldersman door opvoeding, +Kapitein!" + +"Uw naam?" + +"Jonker Adolf van Backerswerve!" + +"Uw beroep?" + +"Laatstelijk galei-boef, Kapitein! Nu een man, die u om een plaatsje, +als matroos, op uw schip vraagt." + +"Ik heb geene matrozen noodig! Volk genoeg," sprak de Kapitein, die +weer in zijne onvriendelijke bui verviel. "Wat waart ge en waar woondet +gij vóór men u naar de galeien bracht?" + +"Ik ben begonnen als student te Leuven, en als ge dat niet gelooven +wilt, vraag dat dan aan Jonker Willem van Aspervelde, die...." + +De bootsman sprong op. + +"Wie is die Jonker Willem van Aspervelde? Wij kennen hem niet," zeide +de Kapitein, die evenwel nu vermoedde, dat de geheimzinnige bootsman +eigenlijk zoo heette. + +"Dat ben ik, Kapitein," zeide de bootsman. "En nu mij zoo geheel +tegen mijn' zin en wil en zoo onschuldig het doopceêl gelicht wordt, +zal ik spreken en kan hij een oogenblik zwijgen. U ziet dat zelfs +zittend spreken hem afmat." + +De Officieren keken den bootsman met verbazing aan. + +"Ik ben Jonker Willem van Aspervelde en was twintig jaar geleden student +aan de Hoogeschool te Leuven. Mijne Ouders wilden een' Advocaat van mij +maken en ik wilde in dienst van de Zeven Geünieerde Provinciën gaan. Ik +wilde deelnemen aan de roemrijke zeetochten, die door haar gemaakt +werden en dienst nemen onder den grooten Tromp. Maar mijne Ouders waren +te zeer Spaanschgezind en wilden dat niet hebben. Toen sloeg ik, zeker +verkeerd genoeg, het hoofd in den wind. Ik studeerde gemakkelijk, +promoveerde tot Doctor in de Rechtsgeleerdheid, maar bleef te Leuven, +als een gewoon student leven, zonder wat anders te doen dan een lui, +lekker leven te leiden en zoo nu en dan eens te vechten." + +"Vocht u?" vroeg de Kapitein. + +"Ja, en wel met hem, die daar staat. Hij was ook Doctor in de Rechten en +leefde op dezelfde wijze als ik achter de bierkan en de wijnflesch. Op +een' avond, dat we vol zoeten wijns waren, kregen we twist en -- eene +flesch kwam zóó op het hoofd van mijn' vriend neer, dat hij nederviel +en voor dood weggedragen werd. Ik vluchtte, kwam in Holland en--nam +dienst als gemeen matroos. Toen neef Joan Maetsuycker evenwel +Gouverneur-Generaal werd, trad ik in dienst der Compagnie en werd, trots +alle Kapiteins, bootsman door zijn toedoen. Hij daar," -- de bootsman +wees op den gevluchten boef, -- "was evenwel niet aan de gevolgen der +wonde gestorven. Ja, hij scheen in te zien, dat de drank de oorzaak van +alles geweest was, en daarom herstelde hij uit zichzelven de oude +vriendschapsbetrekkingen. Later kreeg ik eenige brieven van hem en toen +was hij Luitenant op de Fransche vloot!" + +"Is dat waar? En hoe zijt gij dan op de galeien gekomen?" vroeg de +Kapitein aan Jonker Adolf van Backerswerve. + +"Dat alles is waar, Kapitein! In onze dronkenmans-bui begonnen we de +dwaasheid met elkander te vechten. En dat was wel eene groote +dwaasheid, want we waren boezemvrienden. De toegebrachte slag was +gelukkig niet doodelijk en ik herstelde. Maar nu mijn vriend weg was, +wilde ik ook niet blijven. Ik liep naar Frankrijk en kwam daar op een +oorlogsschip, waar ik, geholpen door kennissen, weldra Luitenant werd. +Eens op een' dag evenwel begon de Kapitein van het schip te smalen op de +Vlamingen, en hij zeide dat deze lafbekken waren, en den moed niet gehad +hadden, het voorbeeld van de Noordelijke Nederlanden te volgen om den +Spanjaard zijn afscheid te geven. Dat kon ik niet verdragen, ik gaf hem +eene muilpeer en beet hem sarrend toe: "Hoe bekomt u zoo'n kitteling +van een lafbek, Kapitein?" De gevolgen bleven niet uit, doch door +voorspraak mijner vrienden werd ik nog niet tot de galeien verwezen en +alleen gemeen matroos gemaakt. Dat ik mij hierin niet al te best +schikken kon, dat spreekt, en daardoor maakte ik het weldra zoo bont, +dat ik met de welwillende (?) medewerking van mijn voormaligen Kapitein +op de galeien kwam. Ik ben daar twaalf jaren lang geweest. Twaalf jaren +lang heb ik geleden. Twaalf jaren lang heb ik de kluisters gedragen. +Twaalf jaren lang heb ik naar eene gunstige gelegenheid uitgezien om te +ontsnappen. Eindelijk gelukte het mij. Nu ben ik hier en vraag een +plaatsje als gemeen matroos aanboord van het schip, waarop mijn oude +vriend de betrekking van bootsman bekleedt. De waarheid heb ik gezegd." + +De Kapitein en al de anderen hadden aandachtig geluisterd naar het +verhaal van de twee mannen en hij vroeg thans, wat er te doen stond. + +"In de eerste plaats uitmaken of de bootsman zich vergrepen heeft aan de +bevelen van den Kapitein," zeide de Opper-koopman. "En daartoe weten +wij nog niet genoeg. De gewezen Luitenant Jonker Adolf van Backerswerve +zal dus wel zoo goed willen zijn te zeggen, hoe hij zich voor het +zoekend oog van den Franschen Officier en zijne manschappen verborgen +heeft weten te houden." + +"Wilt gij dat zeggen?" vroeg de Kapitein. + +"Zeker, wil ik dat," luidde het antwoord. "Toen ik vanwege den +Kapitein hoorde zeggen, dat men geene ontvluchte galei-boeven aanboord +nam, hoorde ik de riemslagen van de boot, die mij achterna zat. Liever +verdrinken dan weer naar de galeien, dacht ik, sprong in zee en zwom +naar den anderen kant van het schip, dat op het oogenblik eene streek +wendde en dus weinig vaart had. Ik hoorde mijne achtervolgers aanboord +komen en op het punt van te zinken zag ik van den boeg een touw hangen. +Met de kracht der wanhoop greep ik dat aan en hield mij er eenige +seconden mede boven, doch ik voelde, dat ik de zuiging van het water +voor den boeg niet langer wederstaan kon. Ik klom derhalve naar boven en +in het halfduister wrong ik mij in den boegsprietsoven en achter het +wapen of beeld bij den boegspriet. Hoe ik daartusschen gekomen ben, weet +ik niet. Hier bracht ik in duizend angsten eenige oogenblikken door en +toen schijn ik buiten westen geraakt te zijn. Hoe lang ik in dien +toestand verkeerd heb, weet ik niet. Toen ik weer tot mijzelven kwam was +het schemerdonker en ik hoorde stemmen. Ik greep moed en het gelukte mij +met veel inspanning een keer of wat over de verschansing te kijken. Ik +zag dat de man bij het roer mij ontdekt had, doch mij ontbrak de kracht +om eenig geluid te geven. Hoe ik verder aanboord ben gekomen zal de +bootsman of Stuurman wel zeggen kunnen. Ik weet het niet." + +"Mij dunkt, dat we nu genoeg gehoord hebben," zeide de Opper-koopman, +"en ik meen zoo, dat het verstandig zijn zal, zoo de twee voormalige +vrienden zich thans verwijderen. We kunnen dan beter onze meening +zeggen." + +Dit werd goed gevonden en het gevolg van hunne beraadslagingen was, dat +de bootsman natuurlijk van alle beschuldigingen vrijgesproken werd. De +Opper-koopman verklaarde dat hij den anderen gewezen student aan zijn +dienst verbinden wilde. Een Doctor in de Rechten kon hem in vele +gevallen behulpzaam zijn. Ook wilde Mijnheer Melters den anderen wel +hebben, als klerk of wat ook, want het ging toch niet aan dat een +Jonker, die nog al Doctor was, dienst deed als bootsman. + +Henri Quatre echter verklaarde, dat hij voorloopig liever bleef, wat hij +was en dat hij later, als hij in de Oost kwam, altijd nog zou kunnen +zien, wat hij deed. + +Zoo was op eene bijzondere wijze de bemanning der "Leerdam" met één +persoon vermeerderd, en later zou het blijken, dat al wat boef heet +daarom nog geen boef is. + + +VOETNOTEN. + +[3] Een oorlam is het rantsoen van jenever, dat op vele Nederlandsche +schepen de matrozen iederen dag krijgen. + +[4] =Onvermeuge menschen= = onmachtige menschen. + +[5] =Schapperae.= Dit is een verouderd woord, dat nog wel in Vlaanderen +gebruikt wordt. Men bedoelt er eene spijskast mede en zegt =schapraai= +of =schaprade=. + +[6] Aanboord van een schip wordt de Kapitein door de bemanning meestal +"Ouwe" genoemd. + +[7] De boegspriets-oven of het boegsprietspoor zijn twee staande stukken +hout, die het ondereinde van den boegspriet steunen. + +[8] Aanboord van een koopvaardijschip is ieder Officier, die eenige +betrekking bekleedt. + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +Den dans ontsnapt. + + +De wind, die bij het uitzeilen zoo gunstig was geweest, blies, toen ze +goed en wel in den Atlantischen Oceaan gekomen waren, stijf uit het +Noordoosten en nog altijd waren de schepen, waarmede de "Leerdam" +uitgezeild was, de "Nieuwpoort" en de "Dolfijn" elkander in het +gezicht. + +Op het laatst van Mei kwam men dicht bij de Linie en reeds hoorde men +onder de matrozen praten van de pret, die men hebben zou, als aanboord +het doopfeest van Neptunus zou gevierd worden. Men had onder elkander de +rollen reeds verdeeld, en Hoepel zou Neptunus zijn. + +Weinig kon men vermoeden, dat er van het heele feest niets komen zou. + +Op zekeren dag kwam de Eerste Stuurman in de kajuit bij den Kapitein, +die een uitstekend zeeman was. Hoewel buitengewoon streng en dikwijls +zelfs bar en onbillijk, hield het volk wel van hem, want het wist, dat +er op hem te rekenen viel, als de nood aan den man kwam. Die +onaangename geschiedenis met de twee Jonkers had hij vergeten, en zoo +nu en dan toonde hij door een gesprek met één van die twee aan te +knoopen, dat hij niet haatdragend was ook en liefst alles maar vergeven +en vergeten wilde. De ongemeen voorspoedige reis had hem ook in eene +pleizierige stemming gebracht, zoodat hij, toen de Stuurman binnentrad, +hem lachend ontving en dadelijk de vraag deed: "Wel, Londenaar, wanneer +zullen we de Linie passeeren, denkt ge? Naar mijne berekening kan dat +best over twee dagen zijn. Nog nooit zulk eene voorspoedige vaart gehad. +Maar, heb je me soms wat te zeggen?" + +"Ja, Kapitein! U wordt door den Kapitein aanboord van de "Nieuwpoort" +geseind." + +Het voorhoofd van den Kapitein betrok. + +"Hij heeft mij niet te seinen. Ik ben zijn knecht niet! Of meent hij +soms, dat hij zooveel als Bevelhebber over de drie schepen is? Dan is +hij glad bezijden de plank." + +"De "Dolfijn" zal ons weldra verlaten, Kapitein! U weet dat ze naar +de Goudkust moet. En Bevelhebber der twee schepen is hij niet; maar, hij +is de oudste en heeft veel voornaam volk aanboord!" + +"Voornaam volk, ha, ha! Ik heb twee adellijke Heeren, die Advocaat zijn! +Die tellen ook mee! En ouder! Misschien een jaar of drie!" + +"Minstens twintig, Kapitein!" + +"Nu, laat het twintig zijn! Al was het veertig, ik heb met den ouderdom +niemendal te maken. Ik ben Kapitein op de "Leerdam" en hang van niemand +af. Ik ga niet vanboord!" + +"Zullen we dan beproeven elkander te naderen?" + +"Mij goed! Maar verbeeld je niet, dat ik me maar eenigszins de wetten +laat voorschrijven. Ik heb een' kop, als het er op aankomt, en +allerminst ben ik genegen mij te onderwerpen aan eenige bevelen van den +Kapitein van een ander schip." + +De Stuurman verwijderde zich, doch bromde binnensmonds: "Jammer, dat +zulk een Kapitein van het bovenste plankje, zoo oploopend en licht +geraakt is. Ik vrees, dat het den een' of anderen keer nog eens +misloopt." + +Bij het roer gekomen gaf hij de noodige bevelen op de "Nieuwpoort" aan +te houden, doch als men daar gebelgd was geweest over de wijze van doen +van den Kapitein der "Leerdam", dan had er eene zware wijs op gegaan +bij elkander te komen; want de "Nieuwpoort" was wat vooruit en nog wat +beter bezeild dan de "Leerdam". + +Na verloop van een paar uren was men dan door de gewilligheid en +toegevendheid van den Kapitein der "Nieuwpoort" zoo ver gekomen, dat de +twee Gezagvoerders met elkander spreken konden. Die van de "Nieuwpoort" +stelde voor denzelfden koers te blijven houden, dien men tot op dit +oogenblik gevolgd was. Naar zijne inzichten liep men dan minder gevaar +om onder de Linie door vervelende en dikwijls zeer gevaarlijke +windstilte te worden opgehouden. + +Deze meening deed hij van zulke deugdelijke gronden vergezeld gaan, dat +de "IJzeren Neptunus" zeide: "Dat is zoo helder als glas!" + +"Ik geloof niet, dat ons dit geraden is, en dat we beter doen met twee +streken westelijker te houden. We snappen dan spoediger den +Braziliaanschen Stroom en we zullen zulk eene korte reis maken, dat ze +eenig is en blijft in de geschiedenis der Compagnie-schepen," zeide de +Kapitein der "Leerdam". + +IJzeren Neptunus schudde het hoofd en ook de Kapitein der "Nieuwpoort" +trok de redeneering van den ander in twijfel en meende, dat de +verkorting der reis wel eens op eene verlenging kon uitdraaien, doch +toen hij zag dat de ander bij zijne meening bleef, zeide hij: "Nu, gij +moet het zelf weten. Wij zijn niet aan elkander getrouwd. Goede reis!" + +"Hetzelfde!" klonk het uit den mond van den stuggen Kapitein. De +"Leerdam" stuurde twee streken westelijker en eer de avond viel waren +de beide schepen geheel uit elkanders gezicht. + +"Dat wordt heelemaal mis, Londenaar," sprak de bootsman tot den +Stuurman. "Zoo komen we ten achteren en heel leelijk ook. Jammer dat de +Ouwe zulke vlagen van een' betweter heeft." + +"Als we nu maar niet al te lang onder de Linie moeten blijven," bromde +de bottelier. "Er is veel kans op." + +"Toch geen gebrek aan water, hoop ik?" vroeg de Stuurman. + +"Nu, wat zal ik ervan zeggen? Gebrek aan water is er niet, maar er +begint een luchtje aan te komen! Daar straks waren er al een paar +matrozen, die zeiden, dat ze er van walgden, en dat het water nog te +slecht was om ratten te vergeven." + +"We willen hopen, dat de Ouwe het bij het rechte einde heeft gehad," +mompelde de bootsman. + +Er kwam dien avond niet veel van naar kooi gaan. Het was tusschendeks in +de hangmatten niet uit te houden zoo heet als het was. Al het volk bleef +aan dek en zocht het daar met wat zeilen op de harde planken zich zoo +gemakkelijk te maken, als het maar eenigszins kon. + +Op het voorschip had zich een groot deel van de manschappen verzameld. +Ze lagen daar half uitgekleed op het dek en wisten, door hitte bevangen, +niet wat ze doen moesten. + +De wind ging meer en meer liggen en toen de hondenwacht betrokken werd, +bromde de Tweede Stuurman: "Verwenschte windstilte! Daar hebben we de +poppen al aan het dansen. Ik wilde voor ik weet niet wat, dat de Ouwe de +"Nieuwpoort" gevolgd was." + +De zeilen, die anders door den wind bol geblazen werden, hingen er thans +als natte vaatdoeken bij, en gaven nu en dan alleen door een zwak, +klapperend geluid te hooren, dat nog niet alle wind weg was. + +"Ik wilde dat ik wat slapen kon," zeide Hoepel. + +"Het bed is wel wat hard, maar het is het bed niet, dat me den slaap uit +de oogen houdt; het is die ondragelijke hitte," sprak Dirk. "Het is +voor een' mensch niet om uit te staan. Oef!" + +"Ja, man, zoo heet stoken ze in de Middellandsche Zee den oven niet," +spotte een matroos, die zich zoo even eene puts zeewater over het lijf +gegoten had om zich te verfrisschen, hoewel hij verklaarde, dat zelfs +het zeewater wel over het vuur scheen te hangen. + +"Let op, het heele Neptunus-feest zal er bij inschieten, Hoepeltje," +zeide een ander. + +"Vraag eens aan den Ouwe of hij niet eens een deuntje fluiten wil, ik +heb me de mondklem al bezorgd door het fluiten," liet een oud matroos +zich hooren. + +"Jij met je fluiten! Als dat hielp, dan zou ik zeggen, laten we allemaal +fluiten. Ik geloof er niemendal van," sprak Hoepel. "Dat is alles +bijgeloof, niets anders. Dat zeg ik." + +"Je bent een ongeloovige Thomas," herhaalde de oude matroos. "Ik zeg +je dat het meermalen gebleken is, dat de wind zich door fluiten laat +lokken." + +"Och, loop heen! Verkoop zulke praatjes aan oude vrouwen en kleine +kinderen," spotte Hoepel. + +"Je kunt zeggen wat je wilt, Hoepel! Het is zoo! Ik heb het immers zelf +bijgewoond! Ik deed toen mijne tiende Indische voyage!" + +"Je tiende? Is dit dan je elfde?" vroeg Garrit. + +"Mijne zestiende, jonge brasem! Mijne zestiende! Ik kan meepraten, als +het er op aankomt." + +"Maar wat heb je dan bijgewoond, ouwentje?" klonk het van een' +anderen kant. "Toe, vertel ons 'reis een en ander. Een varensman is +zóó niet, of hij wil graag nog meer hooren." + +"Ja," bromde een andere oude matroos, "om dan te kunnen vertellen, +dat men alles zelf ondervonden en bijgewoond heeft. Maar ieder moet +weten, wat hij er mee doet, dat zeg ik, en daarom, ouwe maat, toon dat +je tong losser zit, dan je rug, want die zegt al krik-krak, als je +bukt." + +"Ei, is het waar ook," antwoordde de verteller lachend. "Maar als we +over ruggen en beenen gaan spreken, die krik-krak zeggen, dan komen we +niet verder. Ik zal je vertellen van mijne reizen, maar eerst vooral hoe +we door fluiten wind kregen en niet zuinig ook. Het werd een orkaan en +er haperde niet veel aan of van de heele "Het Huys ter Horst", zoo +heette het schip, kwam geen stuk terecht!" + +"Fluitjes in den zak! Liever windstilte dan een orkaan," riep een jonge +matroos, die misschien zijne tweede reize maakte en altijd nog griezelig +werd, als hij van vreeselijke gebeurtenissen hoorde spreken. + +"Kunt gij van een' orkaan medepraten?" vroeg de oude. + +"Niet zuinig! Op de Oost heb ik maar weinig gevaren en ik ben er bekend +als een snoek op zolder. Maar naar de West deed ik heel wat voyage's en +daar heb ik een storm bijgewoond, die zoo even raak was. De West is het +rijk van Koning Storm, en die is me zoo even een bulderbast!" + +"Dat behoef je me niet te vertellen! Dat weet ik bij ondervinding. Maar +kan je ook meepraten van windstilte?" + +"Ook al! Dat was in '53. Toen hebben we onder de Linie bijna drie volle +dagen doodstil gelegen. Een schip, dat voor anker lag kon niet rustiger +en kalmer liggen." + +"Drie dagen! Neen, dan kan ik er wat anders van vertellen. Drie dagen +windstilte! Neen, maat, drie dagen tel ik niet." + +De matrozen kwamen nader bij den ouden man om geen woord van zijn +verhaal te missen. Zelfs enkele Officieren, benevens "Dolf de Boef", +zooals de Fransche vluchteling genoemd werd, de bootsman, de +scheepsbarbier, de Opper-koopman en IJzeren Neptunus behoorden onder +zijn gehoor. + +Intusschen bleef de oude man een' geruimen tijd zwijgen. + +"Nu, ouwe Joost, begin! Wij luisteren!" zeide de Opper-koopman. "Je +bent toch niet verlegen, als je zooveel toehoorders hebt? Je moet maar +denken, dat we allemaal turven zijn!" + +"Al zacht, al zacht, Sinjeur! Ik moet de rommelkamer van mijn geheugen +eerst eens wat opknappen, anders smijt ik het een door het ander. Maar +nu ben ik er. + +Het was in '29 en ik deed mijne vierde reize naar de Oost met de fluit +"Het Huys ter Horst". Het was een stevig, mooi en groot schip en we +hadden op de heenreis over de honderdvijftig man aanboord. Natuurlijk +niet allemaal varensgasten waren het. Er bevonden zich vele voorname +Heeren bij met hunne bedienden, die niet allen plaats hadden kunnen +vinden op de "Hollandia", die den Ordinaris Raad van Indië, Jacques +Specx, aanboord had. Er was in die dagen in de Oost, waar Jan Pietersz. +Coen Gouverneur-Generaal was, nog heel wat te doen en -- Coen werd niet +door ieder vertrouwd...." + +"Nu, met recht meen ik," viel de Opper-koopman den verteller in de +rede. "Die Gouverneur-Generaal Coen was...." + +"Met uw verlof, Sinjeur! Ik heb Coen gekend en beter dan menigeen. Ik +heb aan zijne zijde gevochten, ik heb hem eene pooze als knecht bediend +en hem gadegeslagen. Hij was een groot man. Hij was in de handen van den +Heer het werktuig om de Oost-Indische Compagnie groot en vermogend te +maken. Hij was in den oorlog dapper, maar nooit onberaden. Nooit heeft +hij met slinksche middelen eene overwinning behaald, en rechtvaardig was +hij, als er misschien geen enkel mensch geweest is. En dat zeide niet ik +alleen, dat erkende ieder, die ooit met hem in aanraking gekomen was." + +"Nu, rechtvaardig, rechtvaardig, Joost, zeg dat maar niet zoo hard op! +Hiervan konden de ongelukkige dochter van Specx en haar minnaar Pieter +Jacobsz. Cortenhoeff u wat anders vertellen. Of was het niet meer dan +schande om een dertienjarig meisje in het openbaar te laten geeselen en +een zeventienjarig jongeling te laten onthoofden, omdat die twee in het +huis van den Gouverneur-Generaal een verboden minnehandel hadden? Geen +wonder, dat Coen op het bericht, dat de Vader van dat arme meisje, als +Ordinaris Raad van Indië, dus in rang slechts ééne plaats beneden hem, +aangekomen was, van schrik stierf. Iedereen sprak er schande van, dat +hij zóó iets had durven doen." + +"Ja, Sinjeur, die geschiedenis heb ik natuurlijk ook hooren vertellen, +maar alweer op eene heel andere manier dan u dat doet. Ik heb ze ook nog +heel anders hooren vertellen, en als ééne en dezelfde gebeurtenis op +drie of vier verschillende manieren verteld wordt, zie, dan zegt mijn +dom verstand: "Geloof er niet al te veel van." Waar is het, dat Coen +buitengewoon streng en zedelijk was. Hij stond er op, dat wij, +Hollanders, die dan toch voor beschaafder moesten doorgaan dan de +Javanen, in alles een voorbeeld van beschaving gaven ook. Hij was +Christen en vertelde aan iederen Javaan, als het zoo gelegen kwam, dat +de Christelijke leer veel beter was dan die van de Mohammedanen, maar +hij trachtte ook te zorgen, dat wij Hollanders, dat door onze daden niet +tegenspraken. En praat me nu niets ten voordeele van dien Cortenhoeff, +want ik heb dat heerschap gekend. Wat hij onder den neus had, wol of +mollenhaar, dat wist hij zelf niet. Zóó jong was hij nog. Maar als het +op liederlijke stukjes aankwam, dan was hij ons allemaal te glad af. Er +leefden toen heel wat jonge losbollen en lichtmissen in de Oost, maar +hij spande de kroon. En hoe de vertellingen nu ook uit mekaêr loopen, +hierin stemmen ze alle overeen, dat hij de Javaansche bedienden van +Coens huis omgekocht had, om hem des nachts stilletjes in Coens woning +te laten. Dat gelukte den schelm maar al te goed, en nu vraag ik je in +gemoede, Sinjeur, wat zou u met zoo'n liederlijken jongen doen, die des +nachts zóó in uw huis kwam? En wat Saartje Specx aangaat, half +Javaansche en half Nederlandsche, nu daarover willen we liefst zwijgen. +Jammer is het evenwel, dat Coen in dit opzicht niet meer met bedaarde +zinnen handelde, maar hij was buiten zichzelven van woede en wat doet +een mensch dan niet? Ik zeg maar: die staat, zie toe, dat hij niet +valle. En als zelfs de Predikanten en Kerkeraad van Batavia schreven: +"Het scheen een plage van God den Heere te zijn, dat hij, die altijd +zulk een rechtvaardig man geweest was, nu hierin zóó ver afdwaalde", +ben ik het met die menschen volkomen eens, maar als Sinjeur de +Opperkoopman nu vertelt, dat Coen van schrik stierf toen hij hoorde, dat +de Vader van Sara Specx, als "Ordinaris Raad van Indië", was +aangekomen, dan vergist hij zich zeer. De Gouverneur-Generaal, Coen, +stierf aan eene vreeselijke ingewandsziekte, eene ziekte, die te Mecca +soms duizenden doet sterven, als de Mohammedanen daarheen trekken om op +het graf van hun' Profeet Mohammed te bidden. Maar we dwaalden te ver af +en daarom dan, om op mijne vertelling terug te komen: De Ordinaris Raad +Specx dan stond aan het hoofd van acht schepen, waarvan het onze er een +was. Maar was "Het Huys ter Horst" een mooi en groot schip, luier +zeiler was er bij de geheele vloot niet, zoodat het niet lang duurde of +onze Kapitein kreeg de noodige bevelen, die hij zou na te komen hebben, +als we soms bij de andere zeven moesten achterblijven. Dat dit vandaag +of morgen gebeuren zou, was wel te voorzien. Op zekeren morgen althans +kwam de wachthebbende Officier berichten, dat van de zeven andere +schepen alleen nog maar de "Hollandia" te zien was, en eer we allen +op het dek aan onze gewone bezigheden waren, was ook de "Hollandia" +ons uit het gezicht. Velen onder ons, en niet het minst de groote +Heeren, zagen dat met leedwezen en angst. En geen wonder! Admiraal Piet +Hein toch had ten vorigen jare den Spanjaarden hunne Zilvervloot +ontkaapt en de Spanjaarden waren nu zóó niet, of ze vonden dat minder +pleizierig, dat spreekt. Zoo'n elf millioen gulden is dan ook vrij wat +meer dan een knoop van een wambuis. Ze lagen daarom op den loer om ons +eene poets te bakken en een eenzaam zeilend schip liep altijd groot +gevaar in handen van den vijand te vallen." + +"Valsch volk die Spanjolen! Echte beesten!" bromde een uit den hoop. + +"Nu, maat, prijzen zal ik de Spanjaarden ook niet en +"broertje-spelen" met die luî nog minder. Maar ik meen zoo, heb ik +het mis, dan vergeve men het mij, ik ben maar een dom matroos, maar ik +meen zoo, dat de Spanjaarden zoo ongeveer hetzelfde van ons dachten. Ik +zeg maar, je moet een engel wezen om je een elf millioen te laten +ontfutselen en dan nog te zeggen: "Die Hollanders zijn veel te brave +luî om ze kwaad te doen. We zullen ze maar stilletjes laten begaan." +Als ze jou eens je buidel ontnamen, Evert, wat zou je doen?" + +Evert, die vond dat de Spanjaarden een valsch volk waren, aarzelde niet +lang met antwoord te geven en zeide, terwijl hij de groote vuist balde: +"Ik zou ze met interest terughalen, Ouwentje! En niet zuinig ook, dat +geef ik je op een briefje!" + +"Scheld dan niet meer op de Spanjaarden, Evert," vervolgde Joost en +zette zijn verhaal weer voort. "Met krabbelen en nog eens krabbelen +hadden we eindelijk de Kaapverdische Eilanden achter den rug en toen we +des middags poolshoogte namen, bevonden we ons op zestien graden +benoorden de Linie. Wij waren nog altijd in den noordoostpassaat en +maakten er zoo goed mogelijk gebruik van om onze logge kast te laten +voortkruipen. Ja, het was om van nijd zijne nagels als koek te eten, om +te zien hoe wij altijd maar ten achteren kwamen. De bouwmeesters van ons +schip hadden, zeker voor de aardigheid, eens willen laten zien, voor +hoeveel geld er in één schip kan. Ze hadden het prachtig gewonnen, wat +de ladingruimte betreft, maar schandelijk verloren, als het op "uit de +voeten maken" aankwam. Dat zag zelfs de pluimgraaf, die eens zeî: +"Dikke heeren zwemmen slecht." De bengel had gelijk, want het was om +zich dood te ergeren, zoo weinig als we vorderden. Tegen een uur of vijf +riep de wacht, dat er ten Zuiden van ons een schip te zien was." + +"Dat zal de "Hollandia" zijn," meende de Kapitein. "Men zal +ons komen opzoeken! Laat maar gauw de Prinsenvlag waaien, dan zien ze +wie we zijn!" + +"Een schip in het gezicht en het zal de "Hollandia" zijn," dat was +een prettig bericht. Alle gezichten fleurden op, als bloempjes na den +verkwikkenden zomerregen. Maar de prettige gezichten betrokken al heel +gauw toen de Kapitein met behulp van zijn' scheepskijker het schip eens +goed opgenomen had, en nu tot heel andere gedachten gekomen was, dan dat +we daar zoo opeens een onzer schepen waarmede we uitgezeild waren, in +het gezicht gekregen hadden. + +"Het is een Portugeesch oorlogs-vaartuig," mompelde hij, en hij liet er +luid genoeg op volgen om door iedereen verstaan te worden: "Dat belooft +nu nog eens eene fraaie geschiedenis te worden. Men moet iemand met zulk +eene kast maar aan zijn lot overlaten, dan komt er wat moois van!" + +Dat bracht wat eene ontsteltenis teweeg. Gekerm hier, geklaag daar, +gezucht ginds, gemopper overal. + +"Ja, hoort eens, vrienden," zei de Kapitein, toen we allen om hem heen +stonden, als kinderen om een' straatkunstenaar, "ja, hoort eens, +vrienden, ik ben niet van plan mijn schip zoo maar klakkeloos over te +geven." + +"We zullen toch niet gaan vechten, Kapitein!" riep een piepjong +heertje, dat zoo van de Hoogeschool te Leiden gekomen was en nu naar +Batavia ging, om daar de Compagnie te dienen, en zichzelven meteen. + +Het manneke verschoot van kleur en het kippenvel kwam door zijn dun +kneveltje heengluren. + +De Kapitein zag den held eens aan en zeide lachend: "Bij mijne trouw, +heer Jurdens, wij zullen van uwe dapperheid geen gebruik behoeven te +maken. Het zal u wel leed doen, maar u is gewoon het zwaard aan den wal +te hanteeren om den driesten vijand uw voorhoofd te laten zien en op +eene schandelijke vlucht te jagen. Eén geluk evenwel, Mijnheer! Ik kan +het met mijn volkje alleen wel af, nietwaar, mannen?" + +Deze laatste woorden waren tot ons gericht en nu de Kapitein ons zoo in +het oogloopend een pluimpje gaf, was er niet een van ons, die hem +afviel. + +De Eerste Stuurman deed voor ons het woord en zeide: "Niets vaster dan +dat, Kapitein! Gij kunt op ons rekenen!" + +"Welnu," hernam de Kapitein en wendde zich hierop tot de passagiers, +"gij hebt het gehoord, Heeren, dat wij het met ons volkje best af +kunnen. Weest dus zoo goed naar uwe hutten te gaan, dan hebben we het +dek vrij en kunnen we ons naar hartelust bewegen. Uzelf zal wel +begrijpen, dat we, als het tot een gevecht moet komen, soms wel eens ruw +te werk moeten gaan." + +Er was evenwel niemand, die naar zijne hut ging en allen bleven waar ze +waren. Ze gevoelden het maar al te goed, dat de Kapitein eigenlijk +meende, dat het hun aan den noodigen moed ontbrak om te vechten. + +"Moeten we, Kapitein?" vroeg een der Heeren, die tot het gevolg van den +Ordinaris Raad behoorde. + +De Kapitein zag hem even aan en zeide: "Nu, moeten, moeten! Ik dwing u +nu nog niet!" + +"Als we niet =moeten=, Kapitein, zou ik u wel willen voorstellen ook van +onze handen gebruik te willen maken. Wij zijn ook geen mannekens van +moppendeeg, Kapitein!" + +"Nu, wie, als het er op aankomt, wil mee bakkeleien, die mag, en graag +ook. Maar op ééne voorwaarde!" + +"En die is, Kapitein?" + +"Dat gij u onder mijne bevelen stelt, al neem ik voor en na het gevecht +voor u, als mijne meerderen, de muts af. Zoo lang het gevecht duurt, heb +ik te commandeeren en geen mensch anders, tenminste, als het onze wil is +om het niet te verliezen." + +"Ge kunt op mij rekenen, Kapitein," sprak de kordate heer en schaarde +zich tusschen ons. Zijn voorbeeld werd door allen gevolgd, zelfs door +het heertje met het kippenvel. + +Dat beviel den Kapitein niet; want hij wist vooruit, dat zulke helden +meer kwaad dan goed doen. Hij kon echter moeielijk zeggen, dat zij zich +verwijderen moesten en daarom verzon hij er wat op, dat naar zijne +meening bij velen den moed wegblazen zou, zoo als de stormwind een' +ouden schoorsteen neerslaat. + +"Bootsman," sprak hij nu, "ga gij naar beneden en breng daar in het +ruim alles in orde om de gekwetsten te kunnen verzorgen. De +scheepsbarbier zal u daarbij behulpzaam zijn. Reken maar op heel veel +dooden en gewonden." + +De bootsman en de scheepsbarbier verwijderden zich. + +"Maar den bootsman heb ik bij het gevecht op het dek noodig," hervatte +de Kapitein, "en daar het zich laat aanzien, dat het er warm langs zal +gaan, zoo zullen er wel veel gekwetsten vallen en zal de barbier wel +hulp noodig hebben. Wie van de Heeren meent nu, dat hij beter beneden +helpen kan? Het verplegen van gewonden zonder armen of beenen is +eigenlijk het werk niet van Janmaat. Die is er te hardhandig voor!" + +Het heertje met het kippenvel trad vooruit en zeide: "Ik, Kapitein! Als +student heb ik ook wel enkele lessen in het verbandleggen bijgewoond, en +ik vertrouw dat ik, als het er op aankwam, ook een arm of been zou +kunnen zetten. En akelig bij het zien van bloed word ik ook al niet. Ik +zag, toen ik nog op de armen van de kindermeid zat, zelfs heel graag +varkens slachten, zoodat die meid dikwijls tegen hare kameraad zeide: +"De jongeheer wordt nog een beroemd held. Dat zal je zien." Intusschen +heb ik veel te veel tijd noodig gehad om te studeeren, zoodat ik nooit +vecht, maar in mijn woordenboek staat het woordje =bang= niet!" + +"Welnu, ga dan naar beneden en stel u onder de bevelen van den +barbier," sprak de Kapitein bijna lachend. + +De jonge held, gevolgd door nog een tiental van zijn slag, ging naar +het ruim om daar te wachten op de arme gekwetsten. + +"Nog meer mannen, die een verband kunnen leggen soms?" vroeg de +Kapitein met een fijn lachje, en toen er niemand zich meer voor die +betrekking aanbood, begon de Kapitein alles gereed te maken om den +vijand af te wachten. De kanonnen werden gesteld, kruitvaatjes en kogels +werden op het dek gebracht, wapenen werden uitgedeeld. + +De Portugees kwam steeds nader, doch bleef op eerbiedigen afstand. +Blijkbaar vertrouwde hij de zaak niet en zag wel dat de "Het Huys ter +Horst" geen kwâjongen was, die men om boodschappen uitgestuurd had. + +"Hij schijnt te dralen, mannen," sprak de Kapitein. "Laten wij nu de +stoute schoenen aantrekken en het eerste schot lossen. Wie brutaal is, +krijgt de halve wereld!" + +Men vond dien raad goed. Eén der stukken werd gelost en we zagen den +fokkemast van den Portugees al heel raar doen. Het was duidelijk, dat we +dien getroffen hadden. + +De Portugees gaf van zijn' kant geen krimp en schoot vier stukken achter +elkander af, doch zonder ons te raken. + +"Hoezee! Hoezee!" juichten wij, en alsof we de overwinning al behaald +hadden, zoo brandden wij het tweede stuk los. Ook dat was raak en sloeg +een stuk van zijn bakboord weg. + +Opeens evenwel kwam "Held Kippenvel" op het dek stormen; maar pas was +hij er op, of hij struikelde over eene vreeselijk lange sabel, die hem +bijna voor den buik hing. + +"Wat nu?" vroeg de Kapitein. + +Onze held krabbelde, doch met heel veel moeite, op, en stamelde: +"Hoe--hoe--hoe--veel...." + +"Hoeveel dappere helden?" vroeg de Kapitein lachend. + +"Hoe--hoeveel--doo--dooden en ge--gekwetsten?" klonk het met eene +benauwde stem. + +Wij proestten van het lachen toen de man daar met zijn gezicht, zoo wit +als een beddelaken, en met knikkende knieën het antwoord stond af te +wachten. + +"Gij hebt zeker de koorts, Mijnheer," zeide de Kapitein. "Ik zou u +aanraden naar de kooi te gaan!" + +"Ja, ja, u heeft gelijk! Ik heb de koorts! De koorts! Ik zal uw' raad +volgen. De koude koorts, die met beven en klappertanden begint!" + +De held sukkelde nu naar beneden en kroop gekleed en al, ja, zonder +zijne sleepsabel af te leggen, diep onder het dek. + +Inmiddels was de avond geheel gevallen en verloren we in het donker den +Portugees uit het gezicht. Wij bleven evenwel goede wacht houden, doch +toen de dag aanbrak was er van den vijand niets meer te zien. Hij durfde +het katje zeker niet aan. + +Voor dit oogenblik waren we aan den dans ontsnapt, doch de Kapitein +bromde tot den Eersten Stuurman: "Het was ons geluk, dat de vijand een +groote lafaard was, want als hij het gewaagd had ons aan te vallen, dan +hadden we het stellig moeten verliezen. Zag je wel, welk een vlug zeiler +hij was? Maar, het is voorbij en laten we maar niet klagen over hetgeen +achter den rug is, en hopen dat we ook nooit anders dan zulke +hazenharten voor den boeg krijgen. Laat nu alweer maar alles bergen, +Stuur!" + +Met ijver werd aan dat bevel voldaan, want voor een koopvaardij-matroos +zag het dek er al te rommelig uit om er pleizier in te hebben. + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +Opgedirkte waarheid. + + +Zoodra het overal aanboord bekend was, dat de vijand ons verlaten had, +kwam "Held Kippenvel", we noemden hem niet anders meer, gewapend en wel +te voorschijn. + +[Illustratie] + +"Tot uwe bevelen, Kapitein!" zeide hij. "De koorts is over." + +Hij stampte met de sabel op het dek en deed alle mogelijke pogingen zijn +kneveltje op te strijken, doch dat gelukte hem niet; want het was nog +maar in aanbouw. + +Zij, die dat kereltje zoo hoorden spreken en zagen doen, barstten bijna +van het lachen, doch de Kapitein hield zich leuk en verzocht hem +beleefd, of hij wel zoo goed wilde zijn, gedurende een uur of drie de +wacht te houden bij de vaten, die op het voorschip stonden. + +"Welzeker, welzeker! En het wachtwoord, Kapitein?" + +"Orang daging babi!"[9] zeide de Kapitein, die moeite had nu ook niet +in den lach te schieten. + +Het heertje hield alles voor ernst en ging met uitgetrokken sabel en een +dapper gezicht bij de vaatjes staan, en ieder, die in de nabijheid kwam, +hield hij de sabel dwars voor het lijf en voegde hem toe: "Het +wachtwoord!" + +"Orang daging babi!" zeiden we dan, doch daar de meesten er bij +lachten, begreep hij ten laatste toch, dat hij daar voor gek stond, en +zoodra de Kapitein in zijne nabijheid kwam vroeg hij: "Maar, Kapitein, +is het niet gevaarlijk die kruitvaten daar maar te laten staan?" + +"Ik weet van geene kruitvaten. Welke vaten bedoelt ge?" vroeg de +Kapitein met het onnoozelste gezicht. + +"Wel, deze, waarbij ik op wacht sta!" + +"Dat zijn geene vaten met kruit, Meneer! De vaten met kruit zijn al +...." + +"Wat is er dan in?" + +"Het zijn eenige vaten met ransig spek, die straks over boord moeten +gesmeten worden!" + +"En waarom moest ik daar op wacht staan?" + +"Wel, Mijnheer, ik wist geene andere plaats voor u," sprak de Kapitein +en liet den held den rug zien. + +Deze was woedend en toen wij een luid gelach lieten hooren, stak hij de +vuist op en schreeuwde: "De Goeverneur-Generaal zal alles weten hoe het +hier aanboord toegaat. Rekent er op! En berouwen zal het u allen, dat +gij het gewaagd hebt mij als een' straatbengel te behandelen! Weet gij +wel, Meneer de Kapitein, dat ik Juridisch Doctor ben?" + +"Juridisch doctor, Meneer? Is dat een baantje bij het eene of andere +gilde?" vroeg de Kapitein. "Ik moet eerlijk zeggen, dat ik er nooit van +gehoord heb." + +"Neen, neen, het is geen baantje! Het is een graad in de Rechten," +luidde het antwoord. + +"O, maar een graad! Als het nu nog eens een been was, dan was het wat +anders!" + +"Kapitein, u maakt mij woedend," schreeuwde het kereltje en kwam met +dreigende houding nader terwijl hij heel fier de rechterhand op den +greep der sabel sloeg. + +"Ga vlier en kamillen drinken, kerel!" zeide de Kapitein en liet het +manneke staan. + +De held stampte, omdat éénmaal kinderachtig en tweetal flauw was, drie +keeren ferm met zijne sabel op het dek, streek den knevel in aanbouw op +en marcheerde naar zijne hut, waar hij, zonder zich ergens te laten +zien, zich den heelen dag opsloot. + +Wij hadden, dat spreekt vanzelf, de grootste pret van de wereld en +nauwelijks had één onzer eventjes het deuntje laten hooren: + + Drink vlier en kamillen, + O mensch, je krijgt er heldenbloed van! + Drink vlier en kamillen + Zooveel maar als je kan! + +of bijna den heelen dag zongen we dat zoo luid mogelijk, en stellig zal +hij het gehoord en van puren heldenmoed nog wel eens gestampt hebben. + +Maar met dat al waren wij door die ontmoeting met den Portugees een +heel eind uit den koers geraakt, en het duurde niet lang of de wind ging +geheel liggen. + +Het was brandend heet en wij hadden dorst om eene heele zee ledig te +drinken. + +"Spaarzaam zijn met het water," klonk het bevel, en opdat niemand zich +in stilte aan het water zou te goed doen, hield een der Officieren er +bestendig de wacht bij; want de manschappen zelven waren niet te +vertrouwen. + +Om de brandende zonnehitte te keeren maakten we zonne-tenten op het +voorschip, waar we nu alweer ruimte hadden. + +Het baatte niet; de zon brandde er door heen. + +Wij gooiden om ons zelven te verfrisschen elkander putsen zeewater over +het lijf. + +Wat baatte het? Het water was niet koud en wij werkten ons in het zweet. + +De zee was, zoo ver we zien konden, effen, en tot vervelens toe klotste +het water tegen de wanden van het stilliggende schip, dat wel aan de +zonnestralen gemeerd leek. + +Zoo ging de eene, zoo ging de andere dag voorbij. + +Wij keken en staarden in de verte of we niet een enkel wolkje zagen +aankomen. + +Te vergeefs! De lucht bleef helder en scheen van gloeiend metaal te +zijn. + +Aan den morgen van den zestienden dag stonden we bij de watervaten om de +eerste van onze drie portie's water te ontvangen. Sedert drie dagen +waren we op dat rantsoen gesteld. + +De bottelier moest aan een nieuw vat beginnen; maar nauwelijks was het +open of.... + +"Bah!" riep hij en sprong achteruit. "Dat water is bedorven! Wat een +stank!" + +Hij opende het tweede vat, en alweer hetzelfde. + +Wij stonden er sprakeloos bij. + +"Nu nog het derde vat, mannen! Dat is het laatste!" zei hij. "We +willen hopen, dat dit nog goed is!" + +Hij sloeg het open, en alsof er iets heel bijzonders zou te zien zijn, +schaarden wij er ons omheen, maar -- onze neuzen vertelden al heel gauw, +dat ook dit derde of laatste vat bedorven was. + +Daar stonden we nu zonder ander dan bedorven water. + +Wel proefden er sommigen van; maar met walging spuwden ze het weer uit. + +En hooger steeg de zon en feller werd de hitte. + +"De scheepsbarbier heeft daar zoo even gelukkig in zijn +medicamenten-boek een uitmuntend middel gevonden om bedorven water zoo +smakelijk en frisch als versch te maken," werd er verteld en weldra +hoopte de heele bemanning, dat die proef gelukken mocht. + +Daar kwam hij aan met een' ijzeren aschlepel vol glimmende houtskolen. +Hij wierp die in het water, en vol ongeduld wachtten wij de uitkomst van +zijne proef af. + +Tegen den middag zouden we te weten kunnen komen of het middel zoo +uitstekend was, als in het medicamenten-boek verteld werd. + +Hoe we naar den middag verlangden! + +En toen die gekomen was.... + +"Het heeft niet geholpen, mannen," sprak de bottelier. "Het water is +en blijft bedorven! De toekomst ziet er donker voor ons allen uit, +vrienden! Ik vrees het ergste! God moge den armen zeeman genadig zijn!" + +"Beter slecht water dan van dorst sterven," riep een der matrozen en +naar het vat loopend begon hij daar te drinken, alsof er geen verzadigen +aan zijn' dorst was. + +Zijn voorbeeld werkte bijna op al het volk aanstekelijk. Men verdrong +tierend en razend, elkander aan de vaten, ja, menige vuistslag werd +gegeven en ontvangen voor één' dronk slecht water. + +"Houdt op! Houdt op, mannen! Gij drinkt de pest in uw lijf!" schreeuwde +de Kapitein, die uit zijne hut kwam aanloopen. "Houdt op, zeg ik! Zijt +gij dan allen bezetenen geworden?" + +"Pest of geene pest! We willen drinken, en we zullen drinken!" +schreeuwde één uit den hoop. + +"Mannen, dorst lijden, zooals we nu doen is vreeselijk, ik erken het," +sprak de Kapitein. "Maar dàt water, gelooft me, het is nog erger dan +vergif. Ik verbied het u te drinken." + +"Jij kunt gemakkelijk verbieden, als je den buik vol wijn of bier hebt! +Ik stoor mij aan geene pest en aan geen' Kapitein! Drinken zal ik!" +brulde een matroos, die wel krankzinnig van dorstwoede scheen, want hij +was mogelijk wel de beste van heel de bemanning, altijd beleefd, altijd +bij de hand, steeds opgeruimd en steeds bij de zaak, dag of nacht, weer +of geen weer. En nu zóó! Wij stonden als van verbazing geslagen toen we +hem dat hoorden schreeuwen. Het was niet meer of minder dan verzet tegen +het wettige gezag. Het was oproer maken. Hij voegde de daad bij het +woord, schepte eene blikken maat vol van dat water en bracht ze aan den +mond. + +Pats, daar vloog die maat de hoogte in. De Kapitein sloeg ze hem uit de +handen. + +"Drinken! Drinken zal ik!" klonk op akeligen toon de stem van den +ongelukkige. + +"Stuurman, neem dien man gevangen!" beval de Kapitein. "Hij maakt +oproer! Slaat hem in de boeien!" + +"Dat nooit!" riep thans de arme kerel, die door dorst het verstand +scheen verloren te hebben. "Drinken zal ik! Ik lust dat vatwater niet! +Toch zal ik drinken! Drinken! Drinken, de zee leeg! Ha, heerlijk! +Heerlijk! De heele zee leeg!" + +Eensklaps wrong hij zich uit de handen van hen, die hem vasthielden en +sprong in zee. + +Wij allen liepen naar de verschansing om hem tegen te houden, maar hij +was ons te vlug af en overboord eer iemand hem bij de kleeren kon +grijpen. Wij tuurden in de zee, en.... + +"Help, help!" klonk eene stem uit de diepte. + +De man kwam boven en zwom eenige slagen verwoed voort. Wilde hij zich +nu zwemmend bovenhouden tot we eene boot neergelaten hadden om hem te +redden, of had hij thans een ander plan? Was het alleen maar eene +bedreiging geweest en was hij zulk een goed zwemmer, dat hij wel wist, +dat hij toch niet verdrinken zou? + +Of.... + +"Hu," schreeuwde een matroos. "Ik zie wat, mannen, en dat zag de arme +kerel daar beneden ook!" + +Zoodra hij dit gezegd had, kwam het water in eene heftige beweging en +een monsterachtig groote haai verhief zich boven de oppervlakte. + +"Help! Help!" klonk het nog eenmaal. + +Van schrik deden we de oogen even toe en ze weer openend, zagen we de +staartvin van den haai in de diepte verdwijnen en -- alles was weer +stil. + +Dat was een vreeselijk oogenblik geweest! + +Vol ontzetting keken we elkander aan! + +Heere, Heere, wat zou ons lot zijn? + +Als we hier toch eens altijd moesten blijven liggen! Er is immers eene +plek op zee waar men nooit vandaan komt, zooals een oude +zeemansvertelling luidt? Eene plek waar het schip niet meer voortdrijft, +maar blijft liggen, alsof het tusschen schoren op de helling staat? Eene +plek waar het groene zeemos aan den buitenkant der schuit wast en aan de +arme varensmannen een groen graf geeft, alsof ze aan den wal begraven +waren. Daar wonen booze geesten, die het schip bij de kiel grijpen en +het voortgaan beletten ....!" + +"Die plek is nergens op zee te vinden, Ouwe Joost," sprak Henri Quatre. +"Het is niets anders dan eene fabel!" + +"De een gelooft het en de ander niet! Dat gaat met alle vertellingen +zoo! En nu mag je het hoofd bedenkelijk schudden of er mee knikken, ik +zeg je: ik geloof het wel, bootsman!" antwoordde Ouwe Joost en zette +zijn somber en droevig verhaal aldus voort. + +"Toen die arme kerel dan voor onze oogen door een' haai verslonden was, +keerden we ons van die akelige plek af, en, onverschillig voor alles, +slenterden we op het dek, zonder een woord met elkander te spreken, op +en neer, of we lieten ons neervallen op een plekje waar de zon niet +scheen en nog een soort van koeltje te voelen was. + +De kok schafte het eten op; maar we raakten het niet aan. + +"Zwarte Jan" heeft verteld, dat hij nog één middel weet, en een goed +ook," hoorden we opeens fluisteren. + +"Zwarte Jan" was een matroos met wien niemand omging. Elkeen ontweek +hem; want we geloofden, dat hij meester was in de zwarte konst en omgang +met den booze had. + +En daar kwam "Zwarte Jan." + +Hij nam een rood lapje, legde dat op het deksel van een der vaten, trok +er met krijt drie kringen om, mompelde eenige woorden en -- het water +bleef zooals het was. + +"Duivelskunsten," riep Antwerper-Hein, die Roomsch was. +"Duivelskunsten! Dit moet helpen!" + +Hij maakte het teeken des kruises over het vat. + +Het hielp niet; het water bleef bedorven. + +"Bidden! Bidden!" riep een ander, wierp zich op de knieën en smeekte +God om uitkomst. + +Maar het water bleef onbruikbaar. + +"Ik krijg de koorts," zeide er een, en hoe ondragelijk heet het ook +was, de man liep te klappertanden van koude. + +Kort daarop volgde een ander, die ook de koorts kreeg. + +Na dien tweeden kwamen een derde, een vierde, een vijfde, een zesde! En +het was zulk eene vreemde koorts! + +"De pest," mompelde men. + +De sterksten onzer werden aangetast en waren soms binnen dertig of +veertig uren al bezweken. En te midden van onze ziekte liepen we, als +woedenden, over het dek. Eenigen sprongen in het ijlen der koorts +overboord. + +De scheepsbarbier bezweek; de Eerste Stuurman volgde en daarna het +arme heertje, dat den Kapitein en heel de bemanning bij den +Gouverneur-Generaal zou aanklagen, omdat men hem zoo beleedigd had. + +Alleen "Zwarte Jan" liep onverschillig tusschen al de zieken rond en +belas enkelen van ons, die er den moed toe hadden om het te laten doen. +Ik geloof anders niet, dat het veel helpt; ik liet me ook belezen en +werd beter, maar zes anderen stierven nog denzelfden dag." + +"De koorts belezen, nooit van gehoord," bromde de Opper-koopman. "Wat +is dat nu weer?" + +"Met uw verlof, sinjeur, u heeft van zooveel nog niet gehoord. Ik zal u +zeggen, wat "Zwarte Jan" deed. Hij kwam bij me staan, streek zijne +handen over heel mijn lichaam, deed toen, alsof hij wat overboord gooide +en zeide: + + "Olde marolde! + Ik heb de kolde! + Ik hebbe ze noe, + Ik geve ze oe. + Ik bind ze hier neer, + Ik krijg ze niet weer." + +"Wat eene gekheid toch! Dat is God verzoeken!" riep Hoepel. "Niets +anders! Het verdient ravallen en kielhalen!" + +"Het kan zijn, Hoepel, maar ik genas toch! En nu wil ik wel aannemen, +dat ik genezen zou zijn ook, al had ik mij niet laten belezen, zooals +met den bottelier het geval was geweest, ik zie toch niet in, dat het +zoo strafbaar zou zijn. Wij zaten in benauwdheid, en je weet: eene kat, +die in de benauwdheid zit, doet vreemde sprongen. Eindelijk toen er meer +dan vijftig aan die akelige ziekte gestorven waren, kwam er beterschap. +Slechts acht waren geheel vrij gebleven en de overigen waren zoogenaamd +hersteld. Maar hoe kon iemand geheel beter worden zonder drinken? We +waggelden langs het dek, als beschonken mannen. + +En de zon bleef branden; de lucht onbewolkt; het schip stil, +onbewegelijk stil, vier weken lang. + +Onze toestand was akelig; wij dronken zelfs zeewater en, als rantsoen, +één mutsje bier per dag. De wijn was voor de zieken, of voor de zwakken, +die ziek geweest waren en toch maar niet op krachten konden komen. + +Daar ging "Zwarte Jan" naar den Kapitein en vroeg of het hem vergund +was den wind te fluiten. + +De Kapitein lachte ongeloovig en zeide: "Ga je gang, meester der zwarte +konst!" + +De matroos ging nu op den boegspriet zitten en begon op eene zonderlinge +manier te fluiten.[10] + +Brrr, te midden van die stilte klonk het akelig. + +De zon ging onder; het werd donker en -- alsof hij nooit gebrek aan adem +krijgen kon, ging de man voort met fluiten. We rilden en keken angstig +rond of we den booze niet zagen. Geen onzer durfde, ronduit gezegd, naar +kooi gaan. + +Eindelijk tegen middernacht hield hij op en kwam naar den Kapitein, die +moedeloos tegen de deur van zijne hut leunde. + +"Kapitein!" zeide hij, "laat alle zeilen bergen. De storm-fok is meer +dan voldoende! De wind komt!" + +Onwillekeurig volgde de Kapitein het bevel op van den vreemden man, die +zich weer naar den boegspriet begaf en zijn akelig gefluit opnieuw liet +klinken. + +Het weerlichtte in het Zuiden en kort daarop in het Noorden. Met +ontzettende snelheid naderde een onweder. Er kwam beweging in de zee, en +het was of het schip door eene onzichtbare reuzenkracht eenigszins in de +hoogte geheven werd en zuchtte. + +Maar wind? Neen! Het bleef kalm, vreeselijk kalm! + +"Hoor, hoor, wat is dat?" vroeg een man, die naast me stond. "Wat een +vreemd geluid is dat!" + +We hoorden beiden een gedruisch. + +Het fluiten hield op en werd vervangen door een lied, waarvan ik de +woorden nooit vergeten zal. Het luidde: + + Wind, wind! + Kom gezwind! + Kom, orkaan, + Vliegend aan. + De heksen vieren feesten + Te midden der tempeesten! + Rommel, rommel, rommel, donder, + 'T moet er op of 't moet er onder! + Daar komt hij! + Hoor, hoor, hoe bromt hij! + Hoe gromt hij! + Op, op! + Hals over kop + In vreeselijke vlucht, + Als een pijl in de lucht! + Wind, wind! + Kom gezwind! + Ha, de orkaan + Komt aan! + Ha -- ha! + +Wij rilden en beefden van angst! Hu, wie kon er nu zingen? Zingen te +midden van die akelige duisternis! + +Neen, zingen niet meer! Hij floot alweer! + +Opeens flikkerde een vreeselijke bliksemstraal door het donkere zwerk en +een ratelende slag volgde. + +De storm schoot door de spleten der wolken en -- voort, voort ging het, +eerst kalm, maar daarna sneller, steeds sneller. + +De regen plaste neer en te midden van die ontzettende verschijnselen der +natuur kropen we op onzen buik langs het dek om het regenwater op te +likken. + +Het waren geene druppels, die vielen, het waren stralen! Wij dronken ons +zad en kropen toen naar masten en touwen om ons vast te houden. Het +onweder was ontzettend en de storm nam in kracht toe! Ons schip draaide +soms in het rond als een tol, om dan weer met woeste vaart vooruit te +schieten langs de golven van den fel bewogen Oceaan. + +"Zwarte Jan" bleef fluiten; maar te midden van die vreeselijke geluiden +hoorden we er niet veel van. + +En donker als het was, men kon op enkele oogenblikken letterlijk geene +hand voor de oogen zien! + +De zon scheen ons te vergeten, of was het nog geen morgen? + +O, al lang, al heel lang! + +En waar waren we nu? + +Gelukkig, het werd wat helderder! Er brak een straaltje daglicht door de +dichte wolken; maar nauwelijks hadden wij het gezien, of weg was het. + +En voort, zonder ophouden, altijd maar voort, vlogen we met gezwichte +fok langs de geweldige golven! + +Was dat nu dat luie schip, die nare achterblijver? + + Op, op! + Hals over kop! + In vreeselijke vlucht, + Als een pijl door de lucht! + Voort, voort, voort! + Ongestoord, + Al maar voort! + Naar het Zuid, naar het Noord, + Naar het Oost, naar het West! + Naar de Pool op het lest! + Ha -- ha!" + +Zoo zong "Zwarte Jan" op den boegspriet, waar hij zich aan de touwen +vasthield om niet in zee gesmeten te worden. + +Eindelijk scheen hij genoeg gezongen en gefloten te hebben. Met heel +veel inspanning kwam hij weer op het dek en bij mij staan. De man zag er +vreeselijk ontdaan uit. + +"Dat zet nog eens aarde aan den dijk, ouwe jongen," schreeuwde hij mij +toe. + +Ik keek hem even aan, doch gaf geen antwoord, want ik was werkelijk bang +voor dien zonderling en had hem wel willen ontloopen, als ik maar +geweten had waarheen. + +Toch scheen het grootste gevaar voorbij te zijn; want de storm bleef uit +één' hoek waaien, zoodat het schip één koers ging en we niet meer zoo +naar alle kanten rondgeslagen werden. Dat bracht ons wat tot bedaren, en +gaandeweg kwamen wij er toe, een en ander met overleg te doen. + +De watervaten, die we niet vastgesjord hadden, waren over het dek +gesmeten en ledig geloopen. Zoo goed en kwaad, als we konden zetten wij +er twee overeind en sjorden ze aan den mast. Toen de storm wat ging +liggen, gelukte het ons een zeil zóó gespannen te krijgen, dat het een +soort van dak vormde, en het water, dat er afliep, wisten we in de vaten +op te vangen. In een oogenblik waren beide vaten vol, en we waren +gelukkig in het vooruitzicht, althans in de eerste dagen versch water te +hebben. Onder al die bedrijven door kwam de een na den ander er ook toe +een stuk beschuit met spek te gebruiken, en eindelijk, volle zes +etmalen, nadat de storm begonnen was, konden we des namiddags +waarnemingen doen omtrent de lengte en breedte waarop we ons bevonden. +Zelden of nooit misschien was een schip zoo uit den koers geslagen als +wij, en toen we eindelijk Kaap de Goede Hoop aandeden, vernamen we daar, +dat de andere schepen reeds meer dan acht weken geleden vertrokken +waren. Men had het er voor gehouden, dat we met man en muis vergaan +waren. + +En dat is nu een stukje geschiedenis van mijne vierde reize naar de +Oost. Het is te hopen, dat de "Leerdam" beter over de Linie komt dan de +"Het Huys ter Horst." + +"Maar hoe is het toch afgeloopen met "Zwarten Jan?" vroeg Dirk, die +aandachtig had staan luisteren. + +"Ja, jongen, droevig genoeg. Toen alles na de windstilte en den storm +weer tot orde gekomen was, begon de man heel vreemd te doen. Het was, +alsof hij maalde, en eindelijk liep hij als een wezenlooze over het dek. +Hij voerde niemendal uit. Hij at bijna niets en dronk heel weinig. Tegen +niemand sprak hij, en als hij maar den een of ander op hem zag afkomen, +maakte hij zich uit de voeten. Zijne krachten namen zichtbaar af en één +der Heeren, die wij aanboord hadden, en die naar de Oost ging om daar +zijn geluk als Medicijnmeester te zoeken, verklaarde dat de man aan de +zenuwen leed en het niet lang meer zou maken. Dat kwam zoo uit ook. Wij +dachten, dat hij zich met lijf en ziel aan den booze verkocht had, doch +toen hij, drie dagen vóór dat we aan de Kaap aankwamen, des morgens dood +in zijne hangmat lag, vonden we op zijne borst een boekje met +Christelijke gebeden. Daaruit bleek het duidelijk, dat de booze geen vat +op hem gehad had, en dat de arme man zich maar verbeeld had, dat hij de +zwarte konst verstond." + +Onder het spreken der laatste woorden was Ouwe Joost opgestaan en met +een: "Maar de jaren blijven den zeeman niet in den pijjakker zitten. Ik +ga mijn matje in! Wel te rusten," verdween hij in het matrozen-logies. + +Enkelen der anderen volgden zijn voorbeeld, doch verreweg de meesten +bleven op het dek en trachtten daar den slaap te vatten, hetgeen hun +eindelijk ook gelukte. + +Dirk en Garrit, die beiden de hondenwacht hadden, stonden zwijgend bij +elkander, doch toen ze zoo eene poos gestaan hadden, vatte Garrit de +hand zijns broeders en zeî: "De Ouwe Joost heeft me bang gemaakt. Wat +begon zijn verhaal prettig en wat eindigde het treurig! O, Dirk, als +wij, eer wij de Linie passeeren, ook eens zulke vreeselijke dagen moeten +doorbrengen als de "Het Huys ter Horst," wat dan?" + +"Moeder zou zeggen: "Wij zijn in de hand des Heeren," Garrit! Laten +we daarom getroost zijn en hopen, dat de "Leerdam" met de heele +bemanning behouden te Batavia zal aankomen. Je moet je niet zoo ongerust +maken!" + +"Je hebt mooi spreken, Dirk! Maar je bent zelf toch ook niet gerust. Dat +zag ik wel toen je aan Ouwe Joost vroeg hoe het met dien regenfluiter +afgeloopen was." + +"Geen wonder ook. Al die oude varensgezellen kunnen wat mooi vertellen, +maar geen van allen zooals Ouwe Joost dat kan, vooral niet, zooals hij +het nu deed. Ze moesten allemaal luisteren, of ze wilden of niet!" + +"Ja, Ouwe Joost was in zijne kracht!" + +"Dat was hij zeker, maar nu we hem niet meer hooren en zien, nu hebben +we tijd om over zijne vertellingen na te denken, en hoe meer we dat +doen, hoe meer we er achter komen zullen, dat een ander met dezelfde +vertelling ons niet zoo akelig zou gemaakt hebben. Als de "IJzeren +Neptunus" ze verteld had, dan ...." + +"Dan waren we er mogelijk bij in slaap gevallen." + +"Dat geloof ik ook; maar hoe zou dat gekomen zijn? Het was dan toch +dezelfde geschiedenis!" + +"Weet ik het?" + +"Dan zal ik het zeggen: Ouwe Joost maakt zijne vertellingen mooi, door +ze, door ze, ik zal maar zeggen, door ze met allerlei kleursel op te +dirken. Dat zou IJzeren Neptunus niet gedaan hebben." + +"Ouwe Joost heeft ons toch geene leugens wijs gemaakt?" + +"Dat niet, wel wat anders." + +"Wat dan?" + +"Het was opgedirkte waarheid, dat was het!" + + +VOETNOTEN. + +[9] =Orang= = =mensch=; =daging= = =vleesch=; =babi= = =spek= of +=varken=--dus zooveel als =spekmensch=. + +[10] Over het algemeen zijn de zeelieden nog al bijgeloovig, en vooral +in vroegeren tijd waren zij het nog veel meer dan tegenwoordig. Dat men +door gefluit den wind lokken kon, werd algemeen geloofd. Later zullen u +nog meer staaltjes van bijgeloof medegedeeld worden, doch ik vertrouw, +dat ge zoo verstandig zult zijn, er geen geloof aan te hechten. + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +Een groot man. + + +"Kapitein," sprak twee dagen later de bottelier, "het water in de +leggers[11] is geheel bedorven." + +"Kan ik dat helpen, man?" + +"Neen, Kapitein! Maar ik wilde u nu vragen wat het volk dan drinken zal? +Alleman heeft dorst." + +"Wel, natuurlijk van dat water!" + +"Ze lusten het niet, Kapitein!" + +"Dan laten ze het maar staan. Wie niet lust is dood! Had je nóg wat?" + +"Ja, Kapitein!" + +"Nu, gauw dan wat! Ik heb geen' tijd om naar allerlei beuzelarijen en +onzinnige vragen te luisteren." + +"Het volk wordt oproerig, Kapitein! Ze zeggen, dat als ze achter[12] +volop wijn en bier drinken, zij niet verkiezen de pest te drinken aan +bedorven water uit de leggers." + +"De pest? Wie heeft die zotteklap uitgekraamd? De bootsman zeker? Hij is +er precies de man toe." + +"Neen, Kapitein! Ouwe Joost heeft onlangs verteld, dat ...." + +"Dat hij een babbelaar is, die niet weet, wat hij zegt. Hij babbelt den +grooten mast nog onderstboven. Ik vaar toch ook niet als jonge brasem +uit, zou ik denken, en ik heb er nog nooit van gehoord." + +"Met uw verlof, Kapitein," sprak thans de Eerste Stuurman. "Ik heb er +wel van gehoord, en ik kan u verzekeren, dat het water, zooals het nu +is, onmogelijk kan gedronken worden. Het is geen kost, men walgt, als +men het maar ruikt en .... Maar wat zullen we nu weten? Wat voeren ze nu +toch in vredesnaam met het water uit?" + +Nadat hij deze laatste woorden had uitgesproken, begaf hij zich met den +bottelier naar de plaats waar men bezig was een' legger ledig te maken +in allerlei vaten en bakken. Met lepels roerde men het dan duchtig om en +liet het uit den vollen lepel van eene zekere hoogte weer in de bakken +en vaten vallen. Dit hielp zeker om den stank minder te maken, wel wat, +doch niet genoeg. Het was op raad van Dolf de Boef, dat de kok, geholpen +door enkele matrozen, hiermede begonnen was, en nadat men meer dan een +half uur het water telkens overgegoten had, proefde de kok er eens van +en zeide "De stank is minder, maar de smaak nog even ellendig!" + +"We hebben nog niet alles gedaan, wat we kunnen," zeide Dolf. "Hebt +ge ook ijzeren of looden buizen aanboord?" + +"Neen," zeide de timmerman. "Wij hebben wel rollen lood waarvan +desnoods buizen gemaakt kunnen worden." + +"We moeten ons weten te behelpen," hernam Dolf. "Ik heb wel eens +gehoord, dat bedorven water beter wordt, als het door ijzeren of looden +pijpen, waarin gaatjes zijn, loopt. Als we nu eene lange reep lood nemen +en die vouwen tot eene goot, dan kunnen wij er wel gaatjes in slaan, +zoodat het water er door druppelen kan." + +"Zeg eens even: kan jij water in eene vergiettest dragen? Het loopt +immers door de gaatjes over land weg? Dat zal met die looden pijp of +goot immers ook gebeuren?" + +"In zee, wilt ge zeggen," zeide Dolf tot den timmerman die hem in de +rede gevallen was. "Dat zou waar zijn, als men onder die looden goot met +gaatjes geene tweede zonder gaatjes hield. In die onderste kan het +opgevangen en in schoone vaten gebracht worden." + +"Met een dood kalf is het goed sollen," liet de Eerste Stuurman zich +hooren. "Maar nu heb ik ook nog een voorstel, en dat is dat we dien +ledigen legger met zeewater en potasch eerst eens terdege schoonmaken. +Het bederf zit in het hout ook en is er niet zoo gauw uit." + +Aan een en ander werd gevolg gegeven, en daar niemand der manschappen +aanboord iets te doen had, omdat het schip zich bijna niet voortbewoog, +zoo begon iedereen te werken aan de waterverversching. + +Met veel moeite werd het toestel tot stand gebracht en de proef begon. +Men ving het doorgedruppelde water uit de onderste goot op, alsof het +levens-elixer was. + +Verscheidene ledige leggers waren schoongemaakt en men liet het water +maar telkens van het eene vat in het andere loopen. Het was eene +algemeene bezigheid. + +Eindelijk werd er van geproefd en, waarlijk, het had wel niet veel, maar +toch wàt geholpen. + +"Nu weet ik nóg wat!" riep Dolf eensklaps uit, "en dat kan ook +helpen. We nemen een ledig vat en maken in den bodem kleine gaatjes. Op +dien bodem legt men dan een stuk linnen en op dat linnen doen we schoon +zand, waardoor fijne houtskool geroerd is. We moeten alles probeeren!" + +"Maar dan sijpelt het water door de gaatjes van den bodem weer op het +dek," meende de timmerman. + +"Kunnen we dan dat zuiveringsvat niet boven een' ledigen legger +zetten?" vroeg Dolf. + +"Je bent vindingrijk, Dolf!" zeide de bootsman vriendelijk. + +"Nu, ik heb op de hoogeschool niet al mijn' tijd verboemeld, zoo min +als jij!" hernam Dolf. + +Weldra was men in de weer om ook nog deze proef te beginnen, hoewel +velen ongeloovig de schouders ophaalden. + +"Ze krijgen er de pest toch niet uit," bromde Ouwe Joost. + +Reeds begon de avond te vallen eer men den toestel in orde had. Het volk +had dien dag zijn maal gedaan met beschuit en een weinig bier, dat de +Opperkoopman uit zijn' eigen voorraad uitgedeeld had. De Kapitein, wiens +geweten zeker begon te spreken, liet zich zoo weinig mogelijk zien. + +Nieuwsgierig hoe het zou afloopen bleven de meesten van het volk op het +dek en keken naar de vaten met een paar oogen, alsof hunne Grootmoeders +er kousen in zaten te breiden, en zóó voor den dag komen zouden. + +Het was beneden in het matrozen-logies of in het ruim ook haast niet om +uit te houden van de vreeselijke en afmattende warmte en het groote +gebrek aan versche lucht. + +Wel werd de vloer dikwijls opgedweild met zeewater en azijn, maar de +vunzige lucht liet zich niet zoo gemakkelijk verdrijven. Daar is een +koeltje voor noodig, die ze wegblaast, ver zee in. Daarom werd alles +tegen elkander over opengezet om tocht door te laten; maar bij de groote +windstilte hielp dat zooveel als niemendal. Velen van het volk begonnen +bovendien last te krijgen van koortsen en allerlei andere +ongesteldheden, die een gevolg waren van het ledigloopen en niets doen, +maar vooral van de warmte en het slechte drinken. + +Een spreekwoord zegt: Ledigheid is des duivels oorkussen. + +Zoo de Kapitein daaraan wat meer gedacht had, zoo hij voor het volk wel +werk gezocht hebben. + +Maar de Kapitein, die anders wakker genoeg was, had de bokkepruik op, en +als er één was, die wist waarom, dan was het wel onze IJzeren Neptunus, +de Eerste Stuurman. + +"Wat hapert er toch aan den Ouwe, Stuurman?" vroeg eenigen tijd later +de bootsman, die met zijn vriend Dolf bij den grooten mast stond te +praten over oude gebeurtenissen. + +"Laten we eerst vragen, Willem," zei Dolf, "wat er onzen IJzeren +Neptunus in den weg zit. Terwijl we hier staan, is hij ons al een keer +of wat voorbij geloopen met de vingers in den mond, of liever met den +nagel tusschen de tanden." + +De Stuurman bleef stil staan en zeide somber en half zuchtend: "Och, ik +liep zoo maar wat te denken. Een mensch moet toch iets verzinnen om +zichzelven niet ziek van verveling te maken. Dat zal jelui toch ook wel +eens overkomen niet?" + +"Zeker," zeide Dolf, "uit gebrek aan andere stof praatten Willem +en ik al over ons vroeger studenten-leven. Maar zeg, liep je soms te +denken over het mislukken van mijne waterverversching-proef?" + +"Neen, ik dacht aan heel wat anders. Maar is de laatste proef dan ook +niet geheel gelukt?" + +"Dat zal nog moeten blijken, Stuurman! Maar ik vrees er wel voor. Ouwe +Joost is zoo gek niet, als zijne muts wel staat, en die heeft gezegd: +"Ze krijgen er de pest toch niet uit." En ik geloof het met hem. Om de +waarheid te zeggen: het water was al veel te ver weg." + +"Nu, raar water heb ik wel eens meer gedronken," zeide de Stuurman, +"maar zulk water nooit. Ik geloof eigenlijk dat de vaten niet goed +schoon gemaakt waren toen men het water er in deed." + +"Of gevuld met dat ongelukkige Maaswater," sprak Henri Quatre. "Neen, +dan hebben wij op onze hooge gronden in het Geldersche ander water. Als +men het daar uit den grond pompt, dan kraalt het als bier in een glas." + +"Het is geen Maaswater, maar zuiver bronwater geweest, dat er in kwam, +dat weet je ook wel. We namen op Madeira water in." + +"Je hebt gelijk," begon nu Dolf, "maar nu we toch zoo bij elkander +staan, moesten we eens even over het water zwijgen. Al dat praten er +over maakt den dorst maar erger. Zeg ons liever maar eens waarover je +toch zoo dacht!" + +"Och, dat kan ik moeielijk zeggen, mannen! Als kind speelde ik dikwijls +met gekleurd zand, dat ik door een' trechter liet loopen. In het eerst +kon ik zeggen, als het er uitliep: Zwart zand, wit zand, rood zand, +groen zand, rood zand, maar op het laatst liepen de kleuren door mekaêr +en kon men ze niet meer onderscheiden. Zoo gaat het met de gedachten van +een' zeeman, die zich loopt vervelen ook. In het begin houdt men alles +netjes bij elkaêr, maar het duurt niet lang of al die mooi uit mekaêr +gehouden gedachten, doen als de droge blâren op den hoek van eene +straat, als het waait. Alleen een baas van een blad kan men dan nog +onderscheiden." + +Henri Quatre ging nu vertrouwelijk naast hem staan, legde hem eene hand +op den schouder, en zeide: "Precies, Stuur, precies! Bij u dwarrelen +die gedachten nu ook als die droge blâren, maar .... dat groote blad, +dat er bij is, houd je in het gezicht. En wil ik je nu eens vertellen, +wat er op dat groote blad geschreven staat?" + +"Wel, Sinjeur de goochelaar, vertel me dat even, als je kunt," zeide de +Stuurman met een lachje, dat hem niet van harte afging. + +Henri Quatre boog zich dichter tot zijn oor en fluisterde: "Op dat +groote blad staat geschreven: "Wat moeten we aanvangen zonder +drinkwater?" Kan ik goed gedachten lezen?" + +"Gebrekkig, man, gebrekkig!" + +"Stil maar, we zijn er nog niet. Op datzelfde blad staat met +koeienkoppen van letters te lezen: "Waarom liet de Ouwe, tegen beter +weten in, twee streken westelijker sturen?" Ben ik er nu, man?" + +"Dat is zoo, bootsman! Die hooghartige bui van ...." + +Hij zweeg op eenmaal. + +"Nu, waarom gaat ge niet voort?" vroeg Dolf. + +De Stuurman keek voorzichtig rond of er niemand was, die hem beluisteren +kon en zeide toen: "Die hooghartige bui van den Kapitein zal ons duur te +staan komen, vrees ik." + +"En de Ouwe ziet dat ook in, en vandaar de bokkepruik, die hij op heeft. +Als een mensch wat verkeerds gedaan heeft, tracht hij altijd zichzelven +zooveel mogelijk te verontschuldigen. Dan is hij knorrig op iedereen, +omdat hij te trotsch is, knorrig op zichzelven te zijn! Is het niet zoo, +Stuurman?" + +"Zoo is het, Dolf! En, als ik je nu de gulle waarheid zeggen moet, dan +zit ik erg in angst." + +"Waarom, Stuurman? Enkel en alleen om het bedorven water?" + +"Neen! Het volk is ontevreden, en de nare manier van doen van den +Kapitein maakt, dat er een oproerige geest komt. Ik heb mijne ooren en +oogen niet in den zak zitten; ik hoor en zie meer dan me lief is, rekent +er op. Het lijntje zal gauw genoeg breken." + +"Maar niet allen zijn oproerig. Er zijn er nog wel, die te vertrouwen +zijn," meende Henri Quatre. + +"Bootsman, ik heb de vertelling gehoord van Joost en ik weet, dat hij +niet gefabeld heeft, het is er toen zóó en niet anders toe gegaan. Maar +als we in dien vreeselijken toestand moeten komen, wel, ik weet het zoo +niet, maar ik geloof, dat ik dan voor mijzelven niet zou instaan." + +"Maar, Stuurman!?" + +"Het is zoo, bootsman! Zie, ik weet hoe we in dit perykel gekomen zijn. +Jelui weet het en, weest ervan verzekerd, dat er onder het volk ook +genoeg zijn, die het weten, en zij, die het weten, zullen, als pitje bij +paaltje komt, wel zorgen dat allen op de hoogte zijn. En nu kan er op +een schip veel gebeuren. De eene ramp na de andere kan bezoek komen +brengen, als het volk den Ouwe vertrouwt, dan blijft alles toch goed +gaan. Een flinke Ouwe is in die gevaarlijke oogenblikken en in die +moeielijke uren en dagen de God van Janmaat. Naar hem ziet iedereen; +naar hem luistert alles; op hem hopen en vertrouwen Stuurman en +pluimgraaf, Opperkoopman en kajuits-wachter. Maar wee, wee, als men den +Ouwe niet vertrouwt. Dan mag hij bevelen, zij dreigen; dan mag hij +bidden, zij lachen hem uit; dan mag hij op zijne knieën smeeken hem +gehoorzaam te zijn, ze trappen hem opzijde. Ik ga de toekomst donker in, +mannen!" + +Dolf en Willem keken elkander aan, en alsof ze mekaêr in de ziel konden +lezen, zoo zeiden ze, als uit één' mond: "IJzeren Neptunus, wees gij +onze Kapitein! Word het op staanden voet eer het te laat is. Het volk +zal u gehoorzamen, dat weet je wel. Jij, en jij hebt bij het volk meer +vertrouwen in je pink, dan de Kapitein in zijn heele lichaam." + +"Mannen, mannen, wat zijt gij onvoorzichtig in uwe voorstellen! De +wetten verbieden het mij te doen, al wilde ik." + +"Daar gaat wat boven de wet, Stuurman!" + +"Wat dan?" + +"Redding uit nood, Stuurman!" sprak de bootsman. + +Londenaar bedacht zich een oogenblik en zeide toen: "Neen, neen, nu +zeker nog niet! Maar, wat anders! Gij kent het volk misschien beter dan +ik, want ge gaat er meer rechtstreeks mede om. Wie zijn het minst +genegen oproer te maken?" + +"Die zijn gauw opgenoemd, Stuurman! In de eerste plaats u niet en wij +ook niet. Meester Troost der Armen is ook geen oproermaker en Hoepel +denkt er niet aan. Dirk en Garrit, de zoogenaamde "Twee Vromen," en de +timmerman zijn ook te vertrouwen!" + +"Dat zijn er acht! Ga verder!" + +"Er zijn er, naar ik berekenen kan, al zoo veel niet meer, Stuurman! De +ontevredenheid is algemeen!" + +"Och kom! de kok, de bottelier en de Tweede Stuurman dan? Die zullen +toch geen oproer maken?" + +"Zijn als de rest. Ze behooren tot dat slag van volk, dat in den Ouwe +een' God ziet waarvoor hij knielt of een kwâjongen, dien hij ringelooren +zal, al naarmate de Ouwe is. Begrepen?" + +Een oorverdoovend gelach liet zich op dat oogenblik op het voorschip +hooren. De drie vrienden liepen er heen in de stille meening, dat die +laatste proef met het zuiveren van het water goed gelukt was, en dat +daardoor de aanleiding tot die luidruchtige vroolijkheid was ontstaan. + +Spoedig echter zag men dat het wat anders was. + +Tusschen vier verkleede matrozen, die zich het aangezicht met gebrande +kurk ingewreven hadden om er als negers uit te zien en die vier +baliemanden met kruiken en flesschen droegen, liep iemand, die zich +zooveel mogelijk verkleed en veranderd had om op den Kapitein te +gelijken. Hieraan zou men echter niet zoo gauw gezien hebben, wien de +verkleede man voorstelde, maar de Kapitein had eenige dagen geleden met +den linkervoet in een' spijker getrapt, en daar Troost der Armen nog +niet veel baat gebracht had, zoo liep hij een weinig te trekkebeenen. +Dit nu deed de verkleede ook, en daardoor wist iedereen, wie er bedoeld +werd. + +"Het is de kok!" fluisterde Dolf zijn vriend in het oor. + +"Ja, en die anderen?" + +"Dat zie ik zoo gauw niet. Wacht, de konstabel is er bij!" + +"Ja, en -- en -- Hoepel! Hoepel werkelijk ook. Dat valt me dan +vreeselijk tegen, want, zie je, het is heel wat anders dan een grapje, +bedacht om de verveling te verdrijven." + +"Je hebt gelijk! En die andere twee gelijken wel wat op den Tweeden +Stuurman en "Kreeft." + +Kreeft was een matroos, wiens bovenlijf naar de linkerzijde wat +overhing. Daarom had hij ook van het andere zeevolk, dat altijd heel +vindingrijk is in het geven van bijnamen, den naam van "Kreeft" +gekregen. + +"Wat zijn die toch van plan?" vroeg IJzeren Neptunus. "Ik zie er een +heel gevaarlijk spelletje in." + +"Dat zullen we zien en hooren," antwoordde Henri Quatre. + +De stoet hield eensklaps stil. + +"Au! Au! Verdraaide horlevoet, wat doe je me eene pijn! Ellendige +spijker! Wie was de ezel, die hem heeft laten vallen en laten liggen? +Hij moet gebritst, gekielhaald, ja, hij moet gehangen worden," riep hij, +die voor Kapitein speelde en nu allerlei bewegingen maakte, alsof de +wonde aan den voet hem veel pijn veroorzaakte. + +"Joris Kopstuk, Kapitein Pompernikkel!" luidde het antwoord van een der +lachende matrozen. + +"Wie is die Joris Kopstuk?" klonk de vraag. + +"Ja, Kapitein Pompernikkel," hernam dezelfde spreker, "Joris +Kopstuk is een bijnaam, dien we hem gegeven hebben. Zijn eigenlijke +naam is Tweestrekenverkeerdwest!" + +"Wat? Hoor ik goed? Maar wat naam is dat? Zulk een naam is er in heel de +Republiek der Vereenigde Nederlanden niet! Twee-streken-verkeerd-west! +Zelfs de Boschjesmannen en Hottentotten hebben zulke malle namen niet!" + +"Hij is ook geen Boschjesman of Hottentot, Kapitein! Zijn Vader was een +sausneger, een echte sausneger, van komaf. Hij liet zijn zoontje in den +broek doen en bestelde hem aanboord van een schip der Compagnie. Daar +bofte dat sausnegerszoontje zoo, dat hij Kapitein op eene mooie fluit +werd." + +"Ik weet er niemendal van!" + +"Dan zal u het weten! En eens op een' keer wilde het ei wijzer zijn dan +het hoen, en toen stuurde hij zijn schip dicht bij de Linie twee streken +westelijker dan alle andere christenmenschen zouden gedaan hebben, en +zooals hem ook afgeraden werd te doen. Maar de baas had een hard vel +voor het voorhoofd zitten en dat kwam, omdat hij maar een sausneger was. +En weet u, wat er toen gebeurd is?" + +"Ik wil me geene raadseltjes laten opgeven! Ik vaar toch niet als jonge +brasem uit!" + +"Neen, Kapitein Pompernikkel, ik zou zoo zeggen: u vaart als oude brasem +uit!" + +"Nu, wat vlugger! Je vertelt, alsof je jezelven een spijker in je tong +gebabbeld hebt, zooals ik er een' in mijn' voet trapte!" + +"En door dat twee streken westelijker sturen kwam het schip zes +weken onder de Linie te liggen en stierf de helft van het volk aan +allerlei akelige ziekten. Toch kwam het schip, wonder boven wonder +om aan den balk te schrijven, behouden aan, en nu vaart datzelfde +sausnegers-zoontje aanboord van de "Heukelom"." + +"Heukelom? Heukelom? Maar wat babbelt gij toch voor onzin? Heukelom ligt +in de buurt van Asperen en van Leerdam, van =Leeeerdaaam=!" + +"Juist, juist, jawel, Kapitein Pompernikkel! En die sausnegers-zoon nu +heeft een' spijker laten vallen en laten liggen." + +"Dan moet hij gestraft worden! Op staanden voet! Een vijftig voor de +brits over een' ledigen legger!" + +"Over een' ledigen legger, misschien nog wel een' schoongemaakten? Je +bent niet recht frisch! Neen, als hij over een' legger moet, dan over +een' opengemaakten vollen, nergens anders over. Dan heeft hij pijn van +achter en reuk van voor!" riep een ander, en dit voorstel vond zooveel +bijval, dat men het met een allergeweldigst gejuich en geschreeuw +ontving. + +"Dat loopt daar mis, Stuurman!" zeide opeens Ouwe Joost, die met +Dirk en Garrit zich van het luidruchtige troepje afgezonderd hadden. + +IJzeren Neptunus verstond en begreep hem. Maar wat was er aan te doen? +Het was immers nog maar een grapje? Men wist wel wie er met dat +sausnegers-zoontje of Joris Tweestrekenverkeerdwest bedoeld werd, maar +men kon er zich nog altijd afmaken met te zeggen: "Die man of die +Kapitein bestaat immers niet?" + +"Vooralsnog niets aan te doen, Joost," sprak de Stuurman. + +Ouwe Joost haalde de schouders op, zuchtte en verwijderde zich met zijne +twee jonge vrienden. + +Toen het gelach een weinig bedaard was, begon de man, die zich "Kapitein +Pompernikkel" noemen liet, alweer zijne stem te laten hooren, en goed +ook, alsjeblief! + +"Stilte! Stilte!" schreeuwde hij. "Je spraakt daar om Joris Kopstuk +over een' vollen legger te britsen, opdat hij pijn van achter en reuk +van voor zou hebben! Is er dan een luchtje aan het water?" + +"Kom en ruik, Kapitein Pompernikkel," zeiden een paar uit den hoop en +brachten den trekkebeenenden vriend bij een' vollen legger, die open was +blijven staan om er de akelige, bedorven lucht uit te krijgen. + +Kapitein Pompernikkel boog zich, onder het maken van allerlei dwaze +bewegingen, over het geopende vat, maar pas had hij dat gedaan, of hij +liet zich achterover vallen en gilde uit: "O, benauwd! benauwd! De +stank is op mijn hart geslagen en dat klopt nu twee streken westelijker! +Benauwd! Dat is bedorven duivelsdrek![13] Help, help! Ik kan niet meer!" + +Gedienstige handen schoten toe en brachten den man weer bij de manden. +Hij nam eene kruik, haalde er de stop af, rook eens en zeide toen: "Ha, +ha! Ik bekom! Dat is heel wat anders! Dat is drank, dien de Goden hebben +uitgevonden!" + +"Wat is het dan, Kapitein Pompernikkel?" + +"Bier, jongen, best bier! Ik heb er voor mijzelven en voor de Officieren +achter een' kelder vol! Het is echte faro, zoo rechtstreeks uit de +Brusselsche brouwerijen ontvangen. Daar achter is het een kapitaal +leven." + +"Waar achter?" + +"In de kajuit van de "Heukelom," mannen!" + +"Dan kunnen de Officieren zich zad drinken, Kapitein!" + +"Ja, maar ze krijgen geen bier! Ik heb den sleutel weggestopt, want ze +zijn niet zoet! Ze moeten ook maar bedorven water drinken of van dorst +sterven! Maar ik ben om geld verlegen en kom hier mijn bier verkoopen. +Ga je gang, Slungel, mijn jongen! Ik ben Notaris en verkoop faro, zoo +uit Brussel. Jij bent mijn afslager of crieerder! Begin!" + +Slungel was een van de zoogenaamde knechts van Kapitein Pompernikkel, +die nu opeens alweer Notaris geworden was. Hij hief eene kruik in de +hoogte en begon: "Bij afslag, mannen, bij afslag!" + +"Neen, bij opbod!" liet een zich hooren. + +"Dat duurt te lang! Bij afslag! Het zijn duiten, hoort ge! Wie geeft +zestig, vijftig, veertig, twintig, tien, negen, acht, zeven, zes...." + +"Mijn!" riep een. + +De kruik werd hem met de noodige grappen overgereikt en het verkoopen +van eene tweede begon. + +Ieder, die eene kruik gekocht had, haalde er de stop af en deed, alsof +hij naar hartelust dronk. + +"Ik geloof stellig, dat ze drinken," zeide Dolf. + +"Dat behoeft ge niet te gelooven, dat kunt ge wel voor zeker houden. Ik +heb er zoo even alles van gezien en gehoord," sprak Ouwe Joost. "De +bottelier heeft de biervaten aangesproken!" + +"Kom, hoe zou hij dat durven?" + +"Durven? Hij heeft nog meer gedurfd! Ze hebben wijn, jenever en +brandewijn ook!" + +De Eerste Stuurman, die dat gehoord had, begaf zich terstond naar de +kajuit. Hij klopte aan de deur, doch ontving geen antwoord. Hij klopte +nog eens en nog eens, maar alles bleef stil, doodstil. Het scheen wel, +dat de kajuit geheel verlaten was. Stil, alles stil! + +Stil bij de deur van de kajuit en in de kajuit, ja, maar op het +voorschip niet! Hoor, hoor toch eens wat een dronkemansgezang! + +Kapitein Pompernikkel is voorzanger! + + "Excellent is 't druivenatje! + Laburdon, tierelieron! + Als 't zoo koel komt uit het vatje! + Laburette, + Tierelierette! + Laburdon, tierelieron! + + Siet het uit den roemer springen, + Laburdon, tierelieron! + Heysa, lustig, laet ons zingen! + Laburette, + Tierelierette! + Laburdon, tierelieron! + + Onzen wijngod fraei ter eeren + Labu...." + +"Neen, neen, een ander lied, Kapitein Pompernikkel! Een ander lied!" +schreeuwde de Tweede Stuurman, en onderwijl nog een deel van het volk +zong: + + "Laburette, tierelieron! + Laet ons Bacchus vrij waerdeeren,"[14] + +brulde hij, want zingen kon men het waarlijk niet noemen: + + Wie wilt opgeschreven worden? + Bacchus neemt soldaten aan. + Op de bierbanck is 't slagh-orden + Daer wij moeten vechten gaen. + d' Herberg is de =rendez-vous=,[15] + Het woord is: ='k breng het u=, of =avous=. + Vecht knecht, doot kaes en broot! + Schenckt! Drinckt! + 't Glaesen trompet dat klinkt!" + +Langzamerhand kreeg het lied, dat de Tweede Stuurman liet hooren, +bijval, en met het tweede couplet zongen reeds allen mede: + + "Bacchus tonneken is de trommel, + Die men in den oorlogh slaet! + Want men suypt daar als de drommel. + Dat de buyk gespannen staet. + Als een trommeltje zoo brou, + Dat het daer op klincken zou! + Vecht knecht, doot kaes en broot! + Schenckt! Drinckt! + 't Glaesen trompet dat klinckt! + + Bierbuyck hout drie compagniën + Louter drinckboers in het velt, + Om den oreloogh te bieën, + Aen den dorst, die 't keelgat quelt. + Dikke Pier is kolonel! + Hij brenght de drinckbroer elckeen snel. + Vecht knecht, doot kaes en broot! + Schenckt! Drinckt! + 't Glaesen trompet dat klinckt. + + Hei, coraedje! Jan Potaedje + Drinckt dat syne neus wordt root, + 't Is een teycken van coraedje, + Van coraedje die es groot!" + +Verder hoorde IJzeren Neptunus niet meer naar dat gebrul; want zijn +geduld was ten einde en na vruchteloos beproefd te hebben de deur, die +van binnen gesloten was, te openen, trapte hij ze in. + +Bij het walmend licht van eene vetkaars, die reeds in de pijp brandde, +zag hij den Kapitein onder de rustbank op den vloer liggen. Hij lag er +stil, doodstil, en sliep. + +Eene sterke lucht van brandewijn en een beker, die nog half vol met dit +vocht was, zeiden hem genoeg, wat er gebeurd was. + +De man, die zichzelven te hoog geschat had om den raad, van een' veel +ouderen Scheepskapitein op te volgen, had nu geen' moed genoeg gehad om +het gevaar, waarin hij manschap en schip gebracht had, het hoofd te +bieden. + +Hij had zich dronken gemaakt en lag als een lijk op den grond, om in den +slaap te vergeten, dat hij niets anders was dan een hooghartige lafaard. + +Zonder goed na te denken, wat hij deed, snelde de Stuurman nu naar de +hut van den Opperkoopman, die sinds den vorigen dag ziek in de kooi lag +om dezen te vertellen in welken toestand hij den Kapitein gevonden had. +Er moest, het mocht kosten, wat het wilde, raad geschaft worden. In +zijne haast vergat hij echter de deur der kajuit te sluiten. + +Terwijl de brave Stuurman nu met den Opperkoopman middelen beraamde om +het oproer, en misschien allerlei ongelukken te voorkomen, schreeuwde +Kapitein Pompernikkel in dronkemanstaal en met echten dronkemansmoed: +"Halloh, mannen, frisch op! Naar Joris Kopstuk! Hij zal naar onze pijpen +dansen zoo mooi of zoo leelijk, als je het nog nooit gezien hebt." + +"Ja, ja, Joris Kopstuk zal dansen," riepen er een paar. "We +moeten bij al onze ellende toch een beetje verzet hebben ook!" + +Zwaaiende, gierende, zingende en schreeuwende kwam de menigte bij de +kajuit en.... + +"De baas heeft een graantje gepikt! Hoezee! Jongens, de Ouwe heeft de +hoogte en ligt nu heelemaal Noord! Zijn kompas wijst glad mis," +schreeuwde de Tweede Stuurman. + +"Terug! Terug!" klonk op eenmaal eene stem. + +Het was Henri Quatre, die, gevolgd door Dolf, Joost, Dirk en Garrit, +zich voor den woesten hoop plaatste. + +"Verloopen student, commandeer den hond en blaf zelf," schreeuwde de +bottelier en greep den bootsman aan, doch deze, die voor geen klein +geruchtje vervaard was, smeet den aanvaller in een oogenblik zóó +hardhandig neer, dat alle beenderen en ribben in zijn lijf "krak" +zeiden. + +"W--w--wat moet, zal, wat moet dat--dat hier?" klonk thans de +dronkemans-stem van den Kapitein, die door al het geweld een weinig tot +zichzelven kwam. + +"Dronken varken, geef ons goed water," riep de Tweede Stuurman. +"Hoort ge waarachtig nog, ja?" + +"Maak ijzeren bouten--bouten--gloeiend--gloeiend, en +stop--stop--die--dan--dan--in--in--het--w--wa--water," zeide de Kapitein +met dubbelslaande tong. + +"Hoort ge het wel, mannen? De Kapitein geeft een' goeden raad, en het +zal verstandig zijn dien op te volgen," zeide de Opperkoopman, die half +gekleed in de kajuit kwam. + +"Jij met je goeden raad!" riep een der ruwste matrozen. "Wat weet me +zoo'n kruidenier, die peperhuiskens plakken en kaneel afwegen kan, van +een' goeden raad! Loop voor mijn part naar de maan!" + +"Ga jij eens mee maat, dan zal ik je 'reis vertellen waar je de maan +kunt zien ondergaan," sprak IJzeren Neptunus op kalmen toon en hij droeg +den oproerigen matroos zoo gemakkelijk de kajuitstrap op, alsof hij een +bakerkind in de armen had. + +"Naar boven, mannen, naar boven!" liet zich nu de Tweede Stuurman +hooren. "Die IJzeren Neptunus zal een ongeluk aan Maaikenneef begaan! +Mee! Mee!" + +In een oogenblik was nu de dolle menigte op het dek. + +IJzeren Neptunus stond heel bedaard met Maaikenneef in de handen bij de +verschansing. + +"Als je één' stap nader komt gaat hij overboord voor de haaien, zoo +waar als ik hier voor je sta, lafhartige schreeuwers," sprak de sterke +man, en met eene onbegrijpelijke kracht hief hij met de linkerhand +Maaikenneef op en hield hem half overboord. + +Toen de anderen dat zagen, stonden ze een oogenblik ontzet stil. Dat was +eene kracht, die boven hunne bevatting ging. + +"Hij durft niet, mannen!" schreeuwde de Tweede Stuurman en naderde den +reus. Deze evenwel stak plotseling de vrije rechterhand uit en greep +dezen tweeden belhamel ook zoo beet, dat deze zich niet verroeren kon. + +"Nog eenmaal, terug, mannen, of er gaan er twee overboord," zeide de +sterke man op zulk een' ijzingwekkenden, kalmen toon, alsof er niets +bijzonders aan de hand was. + +Zijne oogen straalden vuur, en even als bij een hollend paard, waren +zijne neusgaten wijd geopend. Hij geleek een reus uit de fabelleer, en +nooit had hij zijn' bijnaam van "IJzeren Neptunus" meer eer aangedaan +dan in dit vreeselijke oogenblik. De matroos en de Tweede Stuurman +konden letterlijk niets doen; ze waren als poppekens in de handen van +een' grooten schooljongen. + +Zij, die niet tot de oproermakers behoorden, schaarden zich om hun' +Aanvoerder en eindelijk kwam ook de Kapitein op het dek aanzwaaien. + +"Sm--smijt ze--over--overb--boo--boord, stuur--Stuurman!" beval hij. +"Smijt ze voor--voor--voor-- doe ze--smijt ze...." + +"Brengt dat dronken schandaal weg, mannen! Ik neem het bevel van het +schip op me," sprak de Eerste Stuurman. "Als we te Batavia komen, +leveren we hem uit." + +"Of hij levert ons uit, als oproermakers! Wij weten immers bij +ondervinding, dat de Heeren een' matroos niet zoo gauw gelooven, en +vooral hier niet, want de Kapitein staat hoog aangeschreven bij de +Compagnie! Wij loopen dus gevaar een' put voor onszelven te graven," +sprak meester Troost der Armen, die zoo wat tusschen de beide partijen +stond. + +"Hiervoor sta ik u borg," dus liet de Opperkoopman zich hooren. "Ik +zal een stuk schrijven en daarin alles uit elkander zetten waarom wij +hem niet langer als onzen Gezagvoerder erkennen en onzen Eersten +Stuurman tot Kapitein aanstellen. Het kan niet langer zoo gaan. Die man +zal ons anders allen aan de golven prijsgeven. Hij is totaal +waanzinnig." + +"Ja, en als hij dan verhoord wordt, zal hij zeggen, dat we oproer +gemaakt hebben," zeide nu de Tweede Stuurman, die door "IJzeren +Neptunus" losgelaten was. Ook Maaikenneef was weer vrij en heelemaal +binnenboord. + +"Hij was dronken toen dat gebeurde," meende Henri Quatre, "en +bovendien het was zijne schuld. Tegen den raad in van den Kapitein +van de "Nieuwpoort" heeft hij twee streken westelijker laten sturen +en ons daardoor in deze perykelen gebracht. Hij was dus de oorzaak van +het oproer." + +"Nu als het zóó is en zóó kan, laat dan het stuk geschreven worden. +Wij zullen het allen onderteekenen. IJzeren Neptunus, ziehier mijn +knuist, je bent een kerel! Jij bent onze Kapitein! Was je het altijd +geweest, deze heele geschiedenis zou niet gebeurd zijn! Voor jou heb ik +respect, dat heb ik, dat hebben wij allemaal! Mannen, de hekken zijn +verhangen! Nu hebben we een' Kapitein, die waard is, dat we dorst +lijden! Alles in orde en geen vuiltje aan de lucht! Leve IJzeren +Neptunus, onze Kapitein!" riep Maaikenneef. + +Wonderlijk volkje, die varensmannen. Zóó zijn ze als tijgers en zóó zijn +ze als kinderkens. Velen hadden tranen in de oogen en allen riepen: +"Leve onze nieuwe Kapitein!" + +"Hoezee!" juichte de Tweede Stuurman en meende inderdaad wat hij zoo +luid liet hooren. + +"Dolf, ga dadelijk mede om het stuk op te stellen," beval de +Opperkoopman. + +Er scheen dus een einde aan de zaak gekomen te zijn. + +Maar.... + +Het drinkwater, het drinkwater! + +Men proefde het, en het was nog even bedorven. + +"Volgt dan den raad van onzen gewezen Kapitein, mannen! Maakt ijzeren +bouten gloeiend en steekt die in het water," sprak Kreeft. "We moeten +geen middel onbeproefd laten." + +Alleman was terstond in de weer om dien raad op te volgen. + +De smeêkolen werden in de kombuis gebracht en weldra had men eenige +staven witgloeiend. + +"Hier, hier, in dit vat," riep Hoepel. + +Het werd geopend, de staven gingen er in, en -- + +Een vreeselijke vlam sloeg uit het vat naar buiten. + +Men had de witgloeiende ijzers in een vol vat Franschen brandewijn +gestoken. De oproermakers hadden het met behulp van den bottelier, die +de sleutels had, boven op het dek gebracht en nu dacht niemand er aan, +dat het er nog altijd stond. De drank was in den man en de wijsheid in +de kan gekomen. + +Het vat sprong en het brandende vocht stroomde langs het dek en bereikte +een' hoop touwen, die pas geteerd waren. Ook deze vatt'en vuur. + +Iedereen deed, wat hij kon, om de vlammen te blusschen. Ook de kok, die +voor het vuur in de kombuis te zorgen had, verliet zijn' haard en de +ijzeren bouten, die er nog in lagen. Door de vreeselijke hitte smolten +deze en het vloeibare ijzer lekte op den grond en veroorzaakte brand, +waar niemand dien op dat oogenblik zocht. Eene pan vet vatte vuur en +weldra sloegen ook daar de vlammen uit. + +"Brand! Brand!" riep de kok, die het nieuwe, dreigende gevaar het eerst +ontdekte. "Brand in de kombuis!" + +"Vlucht! Vlucht!" riep een uit den hoop. "De booten in!" + +"Wie het waagt eene boot los te maken, schiet ik als een' hond neer," +liet IJzeren Neptunus zich hooren. + +Op dit oogenblik kwam Hoepel aansnellen en riep: "De vlammen zijn al +door de scheuren der beschotten in het ruim geslagen! Nog een oogenblik +en ze zijn bij het kruit!" + +"Vluchten! Vluchten!" klonken reeds meerdere stemmen. + +De oude oproermakers-geest, zoo even onderdrukt, kwam weer met kracht +boven. + +"Ik laat me niet verbranden, mannen! De booten in!" riep Kreeft. +"Vooruit! Wie zijn leven lief heeft, die volge mij!" + +Het baatte niet of IJzeren Neptunus er nu twee beetpakte en dreigde +overboord te smijten. + +Het hielp niet, dat Henri Quatre, Dolf, Ouwe Joost, Hoepel, de +Opperkoopman, de Scheepsbarbier, Dirk en Garrit zich bij hun' nieuwen +Kapitein aansloten. De oproermakers waren te ver in de overmacht, niet +alleen door getal, maar ook door wapenen; want de konstabel en zijn +maat, die mede tot de rebellen behoorden, hadden geladen musketten, +pistolen, kruit en lood uitgedeeld, waarna ze den sleutel van het +wapen- en kruitmagazijn in zee gesmeten hadden. + +Inmiddels nam de brand overal toe en de booten werden neergelaten en wie +geen' moed had om te blijven, vluchtte. + +Ook Garrit, de Scheepsbarbier en de Opperkoopman kwamen in eene boot +terecht. + +Op dat oogenblik stak er een zuchtje wind op, het fluitschip kwam in +beweging, en brandende passeerde het in dien nacht de Linie. + +Maar geen was er, die er aan dacht. + +Zonder iets aan het voortwoekeren der vlammen te kunnen doen, stonden +IJzeren Neptunus, Henri Quatre, Joost, Hoepel, de Tweede Stuurman en +Dolf bij elkander op het achterschip. + +"De "Leerdam" komt er slechter af dan de "Het Huys ter Horst"," +bromde Joost. "We zijn voor de haaien, mannen! Als het kruit vuur vat +dan...." + +Daar viel de groote mast overboord en bijna op hetzelfde oogenblik +volgde de fokkemast. + +"Mannen," sprak de nieuwe Kapitein, "de booten zijn alle weg. Over +een klein kwartier vat het kruit vuur en dan zijn we allen verloren. Ons +eenig behoud is om overboord te springen en te trachten op de masten te +komen. Komt, het kan niet anders!" + +De trouwe mannen begrepen dat ook. De een na den ander sprong overboord +in zee, doch IJzeren Neptunus bleef achter. + +Eindelijk kwam hij ook met .... den dronken Kapitein. + +Hij sloeg den linkerarm om hem heen en onder het korte gebed: "Goede +God, sta ons bij!" plofte hij ook in zee. + +Wat een held was die man in dat oogenblik! + +De Opperkoopman zag het aan en mompelde: "Dat is nu eerst nog eens eene +schoone en edele daad! Die eenvoudige stuurman, hij is een groot man!" + + +VOETNOTEN. + +[11] Leggers zijn geteerde watervaten. + +[12] Met het "volk achter" bedoelt men aanboord der schepen den +Kapitein, zijne Officieren en passagiers eerste klasse. Met het "volk +voor" worden de ondergeschikten bedoeld. + +[13] Duivelsdrek is een soort van hars, dat in de apotheken gevonden +wordt. Het verspreidt een' zeer onaangenamen geur. + +[14] Bacchus was bij de oude Grieken de God van den wijn. + +[15] Een =rendez-vous= is een afgesproken plaats van bijeenkomst. + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +Alével ferme kerels. + + +"Zoo, Dirk, jongen, ben je ook boven water?" vroeg Henri Quatre, die +gelukkig post gevat had op den grooten mast, aan Dirk, die op een ander +stuk hout kwam aandrijven. + +"Ja, bootsman, ja! Maar hebt ge onzen nieuwen ouwe in zee zien springen +met den ouden ouwe?" + +Het was eene malle vraag en dat nog wel in een oogenblik, dat men aan +het grootste gevaar bloot gesteld was. Toch schoot Henri Quatre +onwillekeurig in den lach en zeide: "Jij met je nieuwen en ouden ouwe, +je doet een mensch nog lachen, als hij ieder moment gevaar loopt van in +zee te duikelen en door haaien verslonden te worden. Maar gezien, ja, ik +heb het gezien! Wat een kerel! Kijk, kijk, daar komt hij aanzwemmen!" + +"Konden we hem maar helpen en wat toegooien, een touw of zoo iets," +zeide Dirk. "Maar ik zie niets." + +"Gooi maar niemendal, maat, en houd je liever maar vast. Het is wel +hardvochtig zijn' medemensen misschien zoo maar voor zijne oogen te zien +verdrinken, maar het hemd is nader dan de rok, mijn jongen," sprak de +bootsman. + +"Och, Heere, hij kan niet meer," riep Dirk. + +Plof! + +Wat was dat? + +Op hetzelfde oogenblik dat Dirk riep: "Hij kan niet meer," vergat Henri +Quatre, dat het hemd nader was dan de rok en zwom naar IJzeren Neptunus +om dien te helpen. Met vereenigde pogingen kwamen de twee wakkere kerels +met den Kapitein, die nu heelemaal ontnuchterd was, op den grooten mast. +Wat verder zwommen Joost en Hoepel terwijl Dolf zich wanhopig aan een +stuk waarloos hout, dat overboord gevallen was, vastklampte.[16] + +Gelukkig waren de twee booten niet zoo ver van het schip, of ze konden +de rondzwalkende achterblijvers hulp komen bieden, en zóó waren ze nu +niet, om dat na te laten. Ze zeilden en roeiden met alle macht naar de +arme mannen en mochten het geluk smaken allen te redden. Alleen de +Tweede Stuurman werd niet gevonden en daar men vreesde in de nabijheid +van het brandende schip te blijven, zoo gaf men het zoeken spoedig op en +verwijderde zich zoo schielijk mogelijk. + +Intusschen was het geheel dag geworden, en juist toen de zon boven de +kimmen rees, vloog de "Leerdam" met een' vreeselijken slag in de +lucht. De beweging daardoor in het water veroorzaakt was zoo sterk, dat +de twee vol geladen booten bijna omsloegen. Men kwam dit gevaar evenwel +gelukkig te boven; een ander echter, neen, vele andere gevaren ging men +te gemoet. + +De twee booten toch, waarvan slechts de eene zeil voerde en de andere +moest geroeid worden, waren overvol; men kon zich amper bewegen. Dan had +men geen' druppel drinken en geen stuk eten aanboord. Een kompas om naar +te sturen had men niet. De wind was op het oogenblik flauw, maar hij kon +opsteken en tot storm aangroeien. En wat zou men in een' storm met twee +zulke wrakke vaartuigen op het midden van den Oceaan beginnen? + +Wie weet, als men de stormen misliep, hoeveel dagen men zonder eten of +drinken zou moeten doorbrengen! En dan onder de Linie met zulk eene +hitte! + +"Weet je wat, mannen," dus sprak IJzeren Neptunus toen de twee booten +tegen elkander lagen, "er moet raad geschaft worden! Zoo kunnen we niet +blijven!" + +"Mag ik spreken?" vroeg de gewezen Kapitein, terwijl hij vreemde +pogingen aanwendde om op te staan. + +"Daartoe heeft ieder het recht, die meent dat hij een' goeden raad weet +te geven," zeide de Eerste Stuurman. "Niemand zal zich daar tegen +verzetten!" + +"Welnu dan," hernam de vernederde man, "welnu dan! Mijne trotschheid +heeft u allen in dezen toestand gebracht. Ik wil dit niet ontkennen. Het +is zoo!" + +"Eeuwig jammer dat hij het niet eene week vroeger heeft willen +erkennen," mompelde Hoepel. + +"Wat die man daar zegt, doet mij meer leed dan ik u uitdrukken kan, +mannen, want ik gevoel het, dat hij waarheid spreekt. Maar nu mijn raad. +Gij hebt goed gedaan Stuurman Londenaar tot uw' Gezagvoerder te +benoemen. Al was ik het nog, ik zou het niet lang meer wezen. Ik ben +inwendig gekneusd, en ik weet zeker, dat ik vandaag of morgen aan die +wonden sterven moet. En nu, in het aangezicht van den dood, zeg ik u +dit: "Gehoorzaamt onvoorwaardelijk uw' nieuwen Kapitein Stuurman +Londenaar, bijgenaamd "IJzeren Neptunus"; want als er redding mogelijk +is, dan kan hij de man zijn, die met Gods hulp u die redding bezorgt. +Hij is in deze streken goed bekend, en als hij raad noodig heeft, dan +zal "Ouwe Joost" dien geven. Deze man zou ik tot uw' Kapitein +benoemen, als Londenaar er niet was. Hij is een bevaren matroos, meer +dan ieder uwer. Maar als ge redding wilt, dan moet ge in de eerste +plaats naar de plek terugkeeren, waar de "Leerdam" in de lucht vloog. +Vischt daar op, wat ge kunt, en zoekt vooral beschuit- en watervaten." + +"Er kan immers niets meer in de booten, Kapitein!" zeide Henri Quatre. +"Ze zijn nu al meer dan vol!" + +"Ik ben uw Kapitein niet meer, bootsman! En dat er niets meer in de +booten kan, dat zie ik. Het plekje waar ik zit, is te klein om er iets +te bergen; vandaag of morgen zal het wel onder u allen verdeeld zijn. +Maar beproeft nu losse balken, of welk ander houtwerk ook, met touwen +aan elkander te binden. Sjort daarop den voorraad vast, en neemt dat +soort vlot dan mede op sleeptouw. Als ge .... als ge...." + +De voormalige Kapitein zakte in elkander. + +"Vergeving, mannen! Genade, o, mijn God, genade -- gena...." bracht hij +stamelend uit en gaf den geest. + +"Dat is de eerste doode, mannen," sprak de nieuwe Kapitein. "Wie weet +hoe velen onzer hem volgen." + +"Gelukkig de slechtste," bromde Kreeft. + +"Hij was niet zoo slecht, mannen! Zijn laatste raad legt hiervan +getuigenis af. Ik heb meer met hem gevaren en ik weet dat hij knap, zeer +knap was en niet gauw uit het veld geslagen ook. Deze reis was zijne +ongeluksreis," sprak Ouwe Joost. "Ik heb het dadelijk gedacht, dat het +verkeerd zou uitloopen. Ja, dat heb ik; want het laatste levende wezen, +dat ik in het Vaderland aan den wal zag, was eene zwarte kat." + +Niemand was er, die den bijgeloovigen zeeman tegensprak. Al geloofde +men nu niet aan allerlei voorteekens, van zwarte katten hield men toch +niet. + +"Ouwe Joost heeft gelijk, mannen! Onze ouwe was zoo kwaad niet en daarom +laten we hem alles vergeven en een zeemansgraf geven. Barbier, wees zoo +goed en bid," sprak Kapitein Londenaar. "Eene eerlijke begrafenis mag +hij toch wel hebben." + +Het was een aandoenlijk oogenblik toen, bij gebrek aan een' +ziekentrooster, de scheepsbarbier daar met luide stem het "Onze Vader, +die in de Hemelen zijt," uitsprak. + +Zoodra hij "Amen" had gezegd, werd de doode overboord geschoven en aan +de golven toevertrouwd. + +"Dat twee graden westelijker toch zooveel rampen kunnen veroorzaken," +fluisterde Dirk zijn' broeder in het oor. + +"En nu, mannen, den laatsten raad van den doode ten uitvoer gebracht," +sprak Kapitein Londenaar en stuurde de zeilboot naar de plaats waar de +"Leerdam" in de lucht gevlogen was. + +Al spoedig had men een heel stuk van het achterdek gevonden en hoewel +dit wel wat zwaar was om het mee op sleeptouw te nemen, begreep men +toch, dat men op het zwaarste voorwerp ook het meeste bergen kon. Het +was zelfs zoo groot, dat het gemakkelijk tien of twaalf man dragen kon +zonder dat het kantelde. Van de masten sneed men zooveel touwen af, als +men maar kon, en toen ging men aan het opvisschen van vaten. Men was zoo +gelukkig drie tonnetjes bier en een paar vaatjes wijn te vinden. De +leggers met water schenen stuk geslagen te zijn, althans men vond ze +niet. Een paar vaten beschuit, een ton pekelspek en nog heel wat andere +dingen kwamen nu op het vlot. + +"Daar drijft mijne medicijnkist," riep de scheepsbarbier. + +"Laat die maar drijven! Ze zou ons misschien meer kwaad dan goed doen," +zeide de Kapitein. + +"Maar er is een haarlok in van mijne lieve Moeder!" liet de barbier +zich hooren. + +"Van zijn meisje!" spotte er een. + +Plomp! + +Daar sprong de barbier in zee, zwom naar zijne kist en bracht ze +gelukkig op het vlot. + +Met een sleuteltje deed hij ze open en vol vreugde riep hij uit: "Alles +droog, gelukkig, alles droog!" + +"Behalve de man zelf, die druipt!" liet dezelfde spotter zich weer +hooren, doch toen hij nog meer wilde zeggen, hield hij zich in, want de +barbier drukte een lok grijze haren tegen de lippen en zeide: "Dag, +Moeder! Dag, lieve Moeder! Je jongen is er nog en hoopt u weer te zien!" + +Zie, dat had men nu toch van dien mallen Meester Troost der Armen niet +kunnen denken. + +"En hier is wat voor u, Kapitein," hervatte de barbier. + +"Een potje troost soms?" vroeg deze. + +"Ja, wel troost, maar geen troost der armen, Kapitein! Doe het doosje +maar open!" + +De Kapitein deed het en riep uit: "Goud, goud, duizendmaal meer dan +goud! Een kompasje, mannen, een echt Amsterdamsch zeekompasje! Ha, dat +is een schat! Dankje, dankje, hoor!" + +Dat was nog eerst eene mooie vondst! + +Hoe gebrekkig het kleine voorwerp ook was, men had in allen gevallen wat +om er den koers naar te richten, hoewel men daarom nog niet wist waar +men was. + +Zoodra men het voornaamste opgevischt en op het vlot had, liet de +Kapitein beschuit en wat bier ronddeelen. + +Het was een vreemd en een gebrekkig maal; want de beschuiten waren alle +geweekt en dan in zeewater, dat maakte ze ook niet smakelijker. + +De lucht stond nog even helder en het water was nog altijd kalm. + +"We moeten de beschuiten op het vlot te drogen leggen," zeide de +Kapitein, "want als we dat niet doen, dan zullen ze bederven!" + +Aan dat bevel werd gehoorzaamd en toen Dirk, die braaf mede geholpen +had, ze daar alle zoo netjes zag liggen, zei hij: "Precies eene groote +poffertjes-pan!" + +"Maar kermis is het hier niet, mijn jongen," sprak Dolf. + +De tocht ging slechts langzaam voorwaarts. + +De zeilboot voer vooruit en was met een touw aan de roeiboot verbonden. +Aan de roeiboot had men het vlot vastgemaakt. Om meer ruimte in de +booten te hebben, hadden tien mannen plaats op het vlot genomen. + +Van tijd tot tijd werden de beschuiten gekeerd en in één dag en nacht +waren ze kurkdroog en kon men ze weer in de vaten doen. + +Intusschen begon het zuchtje wind, dat hen sedert den vorigen ochtend +wat voortgedreven had, zoo te verminderen, dat men in de zeilboot ook de +roeispanen moest gaan gebruiken om toch wat vooruit te komen. + +"Het weerlicht, Dirk," zeide Garrit op den tweeden dag des avonds tot +zijn' broeder. + +"Maak je daarover nog maar niet ongerust," sprak de bootsman, "dat +gebeurt onder de Linie zoo dikwijls, zonder dat er onweder of storm op +volgt. Maar...." + +"Nu, blijf niet steken! Wat wilde je nog meer zeggen?" + +"Ja, jongen, eerst moet ik het weer zien lichten, dan zal ik vertellen, +wat ik geloof dat ik zie." + +Het was, alsof zelfs de natuur nu ook dit licht hun wilde onthouden; +want het duurde ontzettend lang eer het andermaal lichtte. + +Eindelijk, ja, even, heel even en heel flauw! + +De bootsman liet een' lichten kreet hooren en zeide: "Een schip! Het is +een schip, dat ik bij het licht gezien heb!" + +"Een schip!" als een loopend vuurtje ging die tijding van het vlot naar +de roeiboot en van de roeiboot naar de zeilschuit waarin de Kapitein +was. + +"Wie praat er van een schip?" vroeg hij. + +"Hoepel, die in de roeiboot is, heeft het mij gezegd," antwoordde +Kreeft, "anders weet ik het ook niet." + +Hoepel werd aangeroepen en deze zeide, dat de boodschap van het vlot +gekomen was en dat de "Twee vromen" het hem gezegd hadden. + +Nu werden de "Twee vromen" aangeroepen en Dirk, de holle hand voor den +mond zettend riep: "Schip aan bakboord!" + +Aller oogen wendden zich nu naar de kimmen en werkelijk bij het flauwe +weerlicht ontdekte men een schip. + +Welk schip was het? + +"Om het even," dus liet Kreeft zich uit, "al was het een Spanjool +of een Portugees! Beter gevangen-man dan doô-man! Want dat zit er op!" + +De zeilboot kwam nu naar de roeiboot en het vlot werd bijgehaald. Men +moest samen eens bespreken wat te doen. + +Nu, de meeningen waren zeer verschillend, maar ten laatste werd er dan +toch besloten zooveel mogelijk in het gezicht van het schip te blijven +en den morgen af te wachten. + +Wat duurde die nacht lang, vreeselijk lang! + +Het scheen, alsof de zon ook vergat op te komen. + +Maar eindelijk begonnen de sterren te verbleeken; de schemering brak +door en.... + +"Het is eene Portugeesche karveel!" riep Ouwe Joost. "Ik zie het aan +heel hare tuigage!"[17] + +"Mannen," dus liet de Kapitein zich nu hooren, "de nood dwingt ons te +handelen. Houdt uwe musketten gereed en brandt er op los, als ik het +beveel! Kunnen we er op hulp rekenen, zooveel te beter; maar tracht men +ons in den grond te boren, dan zullen we ons leven zoo duur mogelijk +verkoopen! Dat gaat er op los!" + +Och arme, wat ging dat langzaam! + +Maar toch, men vorderde en het schip was men weldra op een +musketschot-afstands genaderd. + +"Bootsman, schiet een musket in de hoogte af," beval de Kapitein. "Ze +zullen ons hooren, als ze ons niet zien!" + +Een schot klonk over het water. + +Maar op het schip deed men, alsof men er niemendal van hoorde. Het bleef +er doodstil. + +"Ze schijnen doof te zijn," meende Dirk. + +"Of liggen op den loer om ons, als we dichtbij genoeg zijn, ineens onze +bekomst te geven," gaf Garrit ten antwoord. + +Weer naderde men een vijftig riemslagen en opnieuw gaf de Kapitein bevel +een musket in de lucht af te schieten. + +Maar aanboord van den Portugees vertoonde zich geen sterveling. Het +heele dek was ledig. + +Ja, ja, toch! + +"Ik zie wat," riep Dirk. + +"Ik ook! Ik ook!" klonk het van verscheidene kanten. + +De meeningen waren verdeeld, doch de meesten hielden het ervoor, dat ze +een' neger gezien hadden. + +"In alle gevallen we moeten er haring of kuit van hebben," dus sprak de +Kapitein, en thans roeide men uit alle macht naar het schip, dat men +weldra langszij lag. + +"Hallooi! Man aanboord!" riep de bootsman op de gewone wijze van den +zeeman, die ergens aanboord wil komen. + +Er werd geen antwoord gegeven, maar hooren, ja, hooren deed men toch wel +wat. Men kon duidelijk het rammelen van een' ketting hooren. + +"De booze!" mompelde Ouwe Joost en zijn gelaat betrok. + +"Misschien wel een betooverd schip," meende Hoepel. + +"Of de Vliegende Hollander," bromde Kreeft. + +"Maar ik zal kijken wie er aanboord is," riep Henri Quatre en klom +langs een afhangend touw naar boven. + +"En ik volg u," riepen Dirk en Garrit tegelijkertijd en palmden zich +ook aanboord. + +Beneden bleef men in spanning tot men opeens het geroep hoorde: "Een +aap! Een aap!" + +De valreep was nergens te vinden en het mooie en prachtig getimmerde +schip scheen geheel verlaten te zijn. + +De bootsman gaf met de zware zeelaarzen een' stamp op het dek en +schreeuwde: "Hallooi! Hallooi! Volk!" + +Onze aap klauterde van angst in het want. + +Nu ging de bootsman naar de kajuit, opende die en .... niemand was te +vinden. + +Hij snelde naar de verschansing en riep: "Een verlaten schip! Komt! +Komt!" + +Touwen werden neergelaten en eer de zon op was, stond de heele bemanning +van de "Leerdam" voor zooverre zij althans niet omgekomen was, aanboord +van eene groote karveel, waar geen ander levend wezen te vinden was dan +een aap, die op de mars van den grooten mast zat en allerlei leelijke +gezichten naar de vreemde mannen trok. + +"De booten zijn weg," riep Kreeft. + +"En de leggers zijn ledig, schoon ledig!" voegde Dirk er bij. "Geen +druppel drinkwater is er aanboord." + +"Mannen," dus ving de Kapitein aan, "ik vermoed dat watergebrek de +manschappen van dit schip met de booten heeft doen vluchten. We willen +het vaartuig onderzoeken, maar houdt uwe musketten gereed!" + +Het heele schip werd nu onderzocht en men bevond dat het verlaten en +buitengewoon goed geproviandeerd en rijk geladen was. + +Toen allen weer op het dek waren, sprak de Kapitein: "Hoort eens, +mannen, recht of geen recht! Ik neem in naam van de Oost-Indische +Compagnie bezit van dezen bodem. Wij zullen, nu we ons eigen schip +verloren hebben, beproeven of we hiermede de Oost kunnen bereiken. Maar +laten we eerst alles aanboord halen, wat we daar beneden hebben!" + +Aan dit bevel werd gevolg gegeven en men werkte zoo vroolijk, alsof men +thans alle gevaren te boven was. Dirk en Garrit lieten zelfs een +Wilhelmusje hooren. + +"Jongens, vogels die zoo vroeg zingen, zijn overdag voor de poes," +zeide Ouwe Joost. + +"Nu ben je toch niet meer bang, ouwentje?" vroeg Garrit. + +"Gij zijt een paar onnoozele brasems," sprak de oude man. "Ik +vraag je: wat hebben we gewonnen?" + +"Een schip! En een mooi ook!" + +"En waarom is het verlaten?" + +"Omdat .... omdat...." + +Garrit voelde waar Ouwe Joost heen wilde en deze vulde nu zelf het +antwoord aan en zeide op somberen toon tot de beide jongens: "Omdat ze +van dit schip hunne doodkist niet wilden maken! Er was geen drinken +aanboord, vat je?" + +Dirk en Garrit stonden verslagen en voelden dat ze verbleekten. Die +Joost kon ook maar alles zeggen, zooals het voor zijn' mond kwam. + +"Zoo, is nu op eenmaal alle moed weg?" + +"Dat zou wel wonder zijn, als een mensch niet akelig werd van zulke +vertellingen en zulke vreeselijke voorspellingen!" + +"Geene voorspelling en het is nog veel minder eene vertelling, jonge +borst! Het is eene waarheid!" + +"Nu, goed, eene waarheid! Maar dan toch eene waarheid, die iemand allen +moed ontneemt," meende Garrit. + +"Jong bloed bruist wel, maar koelt gauw," zeide Ouwe Joost. "Dat valt +van het eene uiterste in het andere. Er is verschil tusschen moed en +overmoed, jongens! Maar dat zult ge eerst later wel leeren begrijpen, +als je even als ik, met den eenen voet op het zesde kruisje van je leven +staat. Gaat maar mede! De ouwe heeft ons geroepen. Hij zal stellig wel +wat te zeggen hebben waarnaar we met beide ooren luisteren mogen." + +De twee broeders volgden hem naar het middenschip waar Kapitein +Londenaar bij den grooten mast had plaats genomen. + +"Mannen," dus begon hij, "wij zijn hier aanboord van een ander schip. +Naar al wat ik ervan gezien heb, is het eene karveel, die de tweede +reize naar de Oost maakt. Weet iemand uwer hoe ze heet? Heeft iemand den +naam soms ook gezien?" + +"Ik zal wel eens gaan kijken, Kapitein," zeide Dolf en liet zich +bij den hoogen achtersteven, spiegel geheeten, langs een touw afzakken. +Spoedig kwam hij terug en nauwelijks was zijn hoofd boven den spiegel +zichtbaar of hij riep: "Het is de "Vossa Senñora de la Victoria", +vrienden!" + +"Dan verdoop ik ze in "De nieuwe Leerdam", dat is een goede naam," +hernam Kapitein Londenaar. "Maar die oude naam moet hoe eerder hoe beter +met verf overdekt en door den nieuwen vervangen worden. Dat is uw werk, +meester timmerman! Zwarte verf is hier en witte zullen we wel vinden." + +De timmerman zocht een paar matrozen op om hem te helpen en was weldra +aan den arbeid. De overigen bleven staan, altijd in afwachting van +hetgeen er verder gezegd of bevolen zou worden. + +"Op onzen tocht hebben we twee mannen verloren en we zijn op het +oogenblik zonder Stuurlieden," dus sprak de Kapitein. "Naar ik meen zal +de Opperkoopman er wel niet tegen hebben, als ik Dolf van hem afneem en +tot Stuurman aanstel met zijn' vriend Willem de Stichtenaar. Hoepel zal +dienst doen als bootsman en Kreeft als bootsmansmaat. Zoo zijn de rollen +verdeeld en weet ieder, wat hij doen moet!" + +Ouwe Joost, schudde het hoofd en zeide: "Het zal niet gaan, Kapitein, +het zal waarlijk niet gaan!" + +"Wel, waarom niet Joost?" + +"We hebben niet leeren varen met Latijnsche tuigage!" + +"Dat is waar ook, Joost!" + +"Zouden we nu van de windstilte, die er nog is, geen gebruik maken om de +tuigage op Hollandsche manier in te richten, Kapitein?" vroeg de oude. +"Ik geloof dat het verstandig zal zijn, als we dat doen." + +"Er is waarloos hout genoeg aanboord en zeilen hebben we genoeg op het +vlot gehad. Komt aan, alle man aan het werk. Wie weet hoe spoedig we uit +den nood zijn!" + +Op deze woorden vergat ieder voor een oogenblik zijn' dorst en begaf +zich aan den arbeid. + +De aap, die rustig alles gezien had, kreeg het op de mars te kwaad en +klom in het topje van den mast. + +"Wacht, beest, wat heb jij daar voor moois?" riep Garrit, die zag +dat de aap wat blinkends in den poot hield. + +De jongen klom het vlugge dier na, doch toen hij meende het te grijpen, +deed het een' reuzensprong en kwam in den anderen mast terecht. + +"Wel verdraaid, dat sprongetje doe ik je niet na," zeide onze +matroos en keek eens rond. Hij zag niets, doch op het punt zich naar +beneden te laten glijden, meende hij heel in de verte toch iets te zien. +Het was iets, dat blonk en schitterde. + +"Kom naar beneden, slingeraap," schreeuwde de nieuwe bootsman. "Kom, +Kees! Goed volk! Kom beest!" + +"Ik zie, ik zie," riep Garrit. + +"Twee apen in den mast! Kom af," liet Dolf zich hooren. "Dat +beest daar boven zal zijn fortuin wel vinden." + +"Neen, ik zie een zeil in het Zuidwesten!" + +"Een zeil?" riep Kreeft, die in den anderen mast zat, "een zeil! De +Hemel beware ons! Dat is eene stormwolk!" + +Eene stormwolk! + +=Bange= tijding! Hoe zou "De nieuwe Leerdam" zich houden? En niet half +klaar! + +=Goede= tijding! Men had nu kans buiten den gordel der windstilte te +komen en .... regenwater op te vangen. + +Kapitein Londenaar toonde voor zijne moeielijke taak volkomen berekend +te zijn. Hij liet alle zeilen, op twee kleine na, opbergen, en toen dat +gedaan was, zeide hij: "En nu het regenzeil!" + +"Het regenzeil? Wat is dat?" vroeg Henri Quatre. + +"Men spanne onze twee grootste zeilen gedeeltelijk tusschen de masten +uit en make in het midden een stroomgat." + +"Regenzeil! Stroomgat! Nooit van gehoord!" mompelde Ouwe Joost, doch +hielp trouw mede om de zeilen zoo te spannen, dat de komende storm er +geen vat op kon hebben en dat ze toch water konden opvangen! Onder de +zoogenaamde "stroomgaten" zette men twee schoone en groote leggers, die +met klampen en touwen vastgesjord werden. + +"Bottelier, een oorlam!" beval de Kapitein. "Een oorlam uit den +voorraad van den Portugees." + +Hierop liet de Kapitein ieder twee beschuiten geven om in den zak te +steken, en toen dat geschied was, sprak hij: "Jongens, de groote baas +komt! Houdt je allen goed! Gehoorzaamt je meerderen en .... vertrouwt op +God!" + +Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of de wind deed de twee kleine +zeilen zwellen! + +"Daar gaan we!" riep Ouwe Joost. "Te koekoek, wat vangen die +lapjes hem! Het is eene liefhebberij om het te zien." + +Met den wind kwamen ook de wolken en met de wolken onweder en +regenstroomen. + +In een oogenblik waren de leggers vol, doch om andere te zetten was het +nu geen tijd. Het zou ook slecht in zijn werk gegaan hebben, want "De +nieuwe Leerdam" vloog langs de oproerige wateren, als een hollend paard +door de duinen, nu de hoogte op, dan de laagte in, maar steeds in snelle +vaart vooruit. + +"Twee booten! Twee booten!" riep Dirk. + +"Ze hebben eene Portugeesche vlag op," zei Kreeft. + +"Het zal het volk van dit schip zijn," liet Henri Quatre zich hooren. +"Ze zullen hun schip herkennen en aanboord willen!" + +De arme kerels! Ze staken de riemen en handen op! Ze wuifden met doeken +en mutsen! Ze smeekten om hulp! + +Te vergeefs! + +De storm joeg de karveel voort en pogingen aan te wenden om den mannen +hulp te bieden, dat ging niet! Het zou een zinneloos werk geweest zijn. + +Voort, voort ging het! + +De manschap, wel gewoon met Hollandsche schepen te varen, zou al zeer +onbeholpen gestaan hebben op een schip als dit, dat eene heel andere +tuigage dan de Oostindie-vaarders had, als niet Dolf, in Franschen +dienst, eenmaal gedurende een half jaar het bevel gehad had over een +dergelijk schip, dat als kaper door de Franschen genomen, onder storm en +slecht weder uit de golf van Biscaye door hem naar Duinkerken was +gebracht. + +Thans toonde Kapitein Londenaar, dat hij verstandiger was dan zijn +voorganger, want hij liet het bevel geheel aan Dolf over. + +En te midden van de felste vlagen bleef de aap zich boven in den mast +vastklemmen, maar hield het blinkende voorwerp tusschen de tanden. + +"Eene hoos! Eene hoos!" schreeuwde Henri Quatre. "Houdt je vast, +mannen! Houdt je vast!" + +Eene groote, leikleurige wolk, die het voorkomen had van een' +reuzentrechter, naderde, steeds wentelend, kronkelend en draaiend, meer +en meer het voorthollende schip! + +Ze kwam al nader en nader! + +Het werd donker als midden in den nacht. + +"O!" + +Akelig klonk dat "O!" uit den mond van al de mannen. + +Ze waren onder water. + +Verdronken? + +Neen, neen! De hoos was dicht bij het schip uit elkander gebarsten en +slechts het kleinste deel van de vreeselijke massa water, die zij +bevatte, was op het dek nedergeploft. + +Gelukkig dat alle luiken dicht waren. Het water stroomde weg en .... de +zon brak door. De storm was merkbaar bedaard. Men kwam wat tot kalmte. + +"Hoe heb ik het nu? Wat is ons overkomen?" riep Kapitein Londenaar. + +"Wel wat vreemds, Kapitein, maar daarom nog niet wat ongewoons! Dat is +de tweede keer, dat ik zoo iets bijwoon," zeide Ouwe Joost. "En als het +nu dezen keer gaat, als den eersten, dan zullen we een dag of drie +regenachtig weder met een' frisschen wind hebben." + +"Daar ligt de aap!" riep Dirk en wees naar het regenzeil. + +Verscheidene handen waren nu in de weer om het dier te grijpen. Hiertoe +was evenwel geene vlugheid noodig, want het dier was dood en vlak naast +hem lag een gouden ring met grooten diamant. + +Ouwe Joost nam den ring, ging er mede naar Kapitein Londenaar en zeide: +"Hier, Kapitein! Die is voor u!" + +"Hoezee!" juichte het volk toen het zag wat de oude man deed. "Flink +zoo! Ferm zoo, Joost!" + +Maar Kapitein Londenaar ging met den ring naar Dolf en zeide: "Hier, +goede vriend! Hier is eene gedachtenis van het dankbare scheepsvolk aan +u. Hadden we u niet gehad, zeker zouden we allen met "De nieuwe +Leerdam" naar den kelder gegaan zijn!" + +Kapitein Londenaar stak den ring aan Dolfs vinger en diep ontroerd +antwoordde de flinke gezel in ronde zeemanstaal: "Dank! Dank! Voor +Holland en de Compagnie mijn leven en mijn bloed! Hoezee!" + +Met een hartelijk gejuich werden deze woorden begroet en daarna begaf +ieder zich naar de leggers om zich eens te verzadigen aan het heerlijke +water, dat men opgevangen had, terwijl men zorg droeg om al de andere +leggers schoon te maken en ook vol te laten loopen. + +Thans had men weer moed en wie die schepelingen nu gezien had, zou vol +verbazing hebben uitgeroepen: "En zijn dat nu de mannen, die onlangs +oproer maakten?" + +Maar waren er dan geene redenen voor geweest om hen toen zoo ontevreden +te stemmen? + +Ja, ik weet wel, oproer mag men nooit maken, maar, een mensch is een +mensch, en Janmaat is ook een mensch. + +Nu had men geene redenen meer om ontevreden te zijn. + +De gestadige regenbuien vulden al de leggers. + +Erwten, boonen, pekelvleesch en spek, alles was vol-op aanboord. Ja, +zelfs zeer lichten tafelwijn vond men er in overvloed en de +Opperkoopman, die maar wat blij was, dat hij met al zijne ongelukken nog +zulk eene voordeelige reis maakte, liet iederen dag aan elk man eene +halve flesch van dien wijn uitdeelen. Ieder kreeg bovendien nog eene +goede portie suiker, zoodat ze zich verfrisschen konden met heerlijke +limonade van wijn. + +De kok kon koken en braden zooveel hij wilde. + +De wind, die geregeld en zonder vlagen woei, deed "De nieuwe Leerdam" +voortvliegen, alsof ze de manschappen de verloren schade wilde doen +inhalen. + +Ziek was niemand; vroolijk waren velen; tevreden waren allen. + +"Wie had dát kunnen denken, dat het zóó afloopen zou, Joostje?" +zeide de Kapitein toen ze reeds in de nabijheid van Kaap de Goede Hoop +waren. + +Deze Kaap werd in vroegere jaren zoowel op de heen-, als op de terugreis +aangedaan. Tegenwoordig geschiedt dit alleen op de terugreis. + +Oude Joost keek den Gezagvoerder eens aan en zeide: "Als Dolf de Boef er +eens niet geweest ware, dan weet ik niet, of alles wel zoo goed zou +afgeloopen zijn, Kapitein!" + +"Het is zooals gij zegt, Joost! "Dolf de Boef" werd met Gods hulp +"Dolf de Redder"," zeide de Kapitein en wie die woorden hoorde, +stemde hiermede van ganscher harte in. + +"Nu, Dolf," zeide Henri Quatre aan den avond van dien dag, toen ze arm +in arm op het scheepsdek heen en weer liepen, "nu, Dolf, je kostje is +gekocht, als we het geluk hebben te Batavia te komen." + +"Zult gij mij dan aan uw' neef den Gouverneur-Generaal voorstellen, +Willem?" vroeg Dolf met een lachje. + +"Gij lacht terwijl ge dit vraagt, Dolf! Daaruit blijkt het, dat ge zelf +er niet veel van gelooft. Neen, man, de Gouverneur-Generaal kent me +zelfs niet en wil mij liever maar niet kennen ook. Ge begrijpt, een +bootsman en een Toewan besaar passen al heel slecht bij mekaêr![18] Het +is al mooi, dat hij er voor gezorgd heeft, dat ik altijd, hoewel ik den +naam heb van lastig te zijn, als bootsman vaart heb. Ik moet dat al +prijzen; want als hij me hieraan niet hielp, dan kon ik misschien wel +geen schip als matroos krijgen. Maar met jou is het wat anders. De +Super-carga zal wel voor je zorgen, dat je vooruit komt!" + +"Stil, Willem, stil! Wil hij voor ons beiden zorgen, goed; maar liever +vaar ik als matroos uit en blijf bij jou aanboord, dan dat ik je verlaat +om op een ander schip in rang boven je staan. We zijn nu weer bij mekaêr +en .... we blijven bij mekaêr. Wel te rusten!" + +De twee vrienden zochten nu ieder hunne kooi op en Ouwe Joost, die een +en ander van hun gesprek verstaan had, zeide in zichzelven: "Vlamingen +zijn ze, maar, alével ferme kerels!" + +Dat was voor Ouwe Joost al heel veel gezegd; want bij hem ging er +niemand boven een' Hollander, Fries of Zeeuw. Dat waren de Pieten. +Kwamen ze uit een van de andere vier gewesten, dan was het maar zoo-zoo; +maar vreemdelingen bleven vreemdelingen, en waren in zijn oog meestal +geen knip voor den neus waard. + + +VOETNOTEN. + +[16] =Waarloos hout= heet men aanboord der schepen alle houten +voorwerpen, die ingescheept worden om op reis, als het noodig is, andere +van dezelfde soort te vervangen. + +[17] Een karveel was een Portugeesch vaartuig van middelbare grootte, +dat met driehoekige zeilen getuigd was. Deze zeilen heetten +latijnzeilen, omdat ze in gebruik waren bij de volken, die de kusten der +Middellandsche Zee bewoonden. Men noemt die volken ook wel eens de +Latijnsche volken. Waar we nu wat verder van =Latijnsche tuigage= +spreken, zullen onze lezers wel weten, wat daarmede bedoeld wordt. + +[18] Toewan besaar = Groote Heer. Het is de naam waarmede de Javaan den +Gouverneur-Generaal aanspreekt. =Toewan= is =heer= en =besaar= is +=groot=. + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +Een koningsmiddel. + + +Door den overvloedig gevallen regen hadden ze de leggers thans vol met +heerlijk regenwater. Levensmiddelen waren in overvloed aanboord en aan +andere zaken had men geen gebrek. Daarom stelde de nieuwe Kapitein voor, +omdat men toch al zooveel ten achteren was, de Kaap maar niet aan te +doen, en, gebruik makende van den gunstigen wind, liever rechtuit naar +Batavia te zeilen. Toen ieder overtuigd was, dat men terwille van water, +levensmiddelen of wat anders niet gedwongen was eene haven op te zoeken, +werd Londenaars voorstel aangenomen en het gevolg daarvan was, dat men, +na zóóveel ondervonden te hebben, slechts zes weken later te Batavia +aankwam dan de "Nieuwpoort", waarmede men uitgezeild was. + +De komst op de reede van Batavia van eene Portugeesche karveel onder de +Prinsen- of Statenvlag verwekte daar groote verwondering, en eer de +Javaansche kadraaiers[19] aanboord waren, was de Fiskaal er reeds met +zijn gevolg om het schip en de lading te onderzoeken, en te zien of er +ook iets te vinden was, waarvan de Compagnie den invoer had verboden. +Het spreekt vanzelf dat Kapitein Londenaar terstond alles mededeelde van +hetgeen er met de "Leerdam" gebeurd was, en hoe het kwam dat eene +Portugeesche karveel den naam gekregen had van "De nieuwe Leerdam". + +Nadat het onderzoek natuurlijk bevredigend afgeloopen was, ging de +Super-carga met den Fiskaal aan wal. Al de anderen moesten blijven waar +ze waren; niemand mocht het schip verlaten. + +"Kijk eens, kijk eens, Garrit, wat rare luî komen daar aan in die kleine +bootjes!" riep Dirk en wees op eenige kadraaiers, die met elkander en +lang niet altijd op eene vreedzame manier, schenen te wedijveren wie het +eerst bij het schip zou zijn. + +"Dat zijn Chineesche kadraaiers, jongens," zeide Ouwe Joost. "Als +je nu maar een' vollen buidel hebt, dan is het goed. Dan kunt ge aan +den koop!" + +"Ik ga mijne borre halen!" riep Dirk. + +"En ik ook," zei Garrit. + +Lachend zag de oude matroos de twee jongens na en zeide: "Als ik niet +oppas en een oogje in het zeil houd, dan koopen ze zich aan allerlei +ontuig ineens arm. Ik ken die afzetters!" + +Garrit en Dirk waren juist met hunne geldbuidels, of zooals zij deze +noemden, borren, terug toen de eerste Chineezen met hunne waar beneden +bij het schip gekomen waren. + +"Hoort eens, mannen," sprak nu Kapitein Londenaar, "ik zal een +paar van deze kerels aanboord laten komen. Maar, betaalt niet wat ze +vragen! Ze overvragen erg. Dingt gerust de helft af en koopt toch niet +al te veel fruit; want wie dat hier veel eet, krijgt eene ziekte in de +ingewanden en moet zijne gulzigheid meestal met den dood bekoopen!" + +"Meester Troost der Armen is er toch nog en die zal ons wel zóó +inzalven, dat we er geen hinder van hebben, Kapitein," riep een matroos, +en zoodra een der Chineezen aanboord was, liep hij er heen en haalde +twee groote water-limoenen en vier pisangs uit zijne mand, en betaalde, +dom genoeg, wat de slimme Chinees er voor beliefde te vragen. + +De kooplieden waren weldra zóó door het volk omringd, dat de Twee Vromen +er niet bij konden komen, en terwijl ze hierover stonden te klagen, +kwam Ouwe Joost bij hen en zei: "Hebt maar geduld, jongens! Er komt nog +meer van dat volk, en als je mij laat koopen, dan heb je alles voor een +bagatel en bovendien puike waar. Ik weet er mee om te springen!" + +Half onwillig lieten Garrit en Dirk zich overhalen, geduld te oefenen. +Zij voelden het water in hun' mond komen, als ze zagen hoe hunne makkers +in de heerlijke, sappige vruchten beten. + +Reeds drie kadraaiers hadden al hunne vruchten verkocht; want Kapitein +Londenaar mocht waarschuwen zooveel hij wilde, de meesten sloegen zijn' +goeden raad in den wind en verslonden de eene vrucht na de andere. + +Eindelijk schenen ze hunne bekomst te hebben, althans toen een vierde +kadraaier aanboord kwam, waren er maar weinig liefhebbers meer. + +"Nu is het onze beurt, jongens!" zei Ouwe Joost. Hij haalde een paar +groote limoenen uit de mand, bekeek ze eens, rook er eens aan en legde +ze toen weer met een verachtelijk lachje neer. + +"Bah, wat een uitschot!" zei hij in gebroken Maleisch. "Hoeveel +durf je nog voor die dingen vragen?" + +De koopman noemde eene som en Ouwe Joost bood juist het derde deel. + +"Je hebt goed slag van afdingen," zeide Dolf, die er bij stond en nog +niets gekocht had, omdat hij de eenige aanboord was, die geen geld had. +Hij wist wel, dat Kapitein Londenaar zorgen zou, dat de Compagnie hem +betalen zou voor het werk, dat hij verricht had, als matroos en als +Stuurman; hij begreep ook wel, dat er nog wel wat extra's op +overschieten zou ook, maar, hij was te trotsch om voorschot te vragen op +eene gage, die ze hem niet behoefden uit te betalen, omdat hij niet op +de monsterrol vermeld stond. Zijn vriend de bootsman was niet aanboord, +want die bracht den Super-carga aanwal. Hij zou spoedig terugkeeren en +misschien dat Dolf dan hem om geld zou vragen. + +"Je zult zien," antwoordde Ouwe Joost, "dat ik ze voor dat geld +krijg." Hij deed alsof hij weg wilde gaan. + +Zoo was het evenwel door den Chinees niet gemeend. Hij liep hem na, +verminderde steeds den gevraagden prijs en eindigde met de twee +heerlijke limoenen te verkoopen voor een prijsje, waarvoor de haastige +koopers geen uitschot hadden gekregen. Ja, Joost wist het zóó aan te +leggen, dat hij er nog twee grootere bij kocht voor nog minder geld. + +"Vooreerst genoeg, jongens," zei hij. "Morgen komt er weer een dag. +Weest maar niet ongerust, dat ze vandaag uitverkocht zullen zijn." + +"Voor ieder maar één?" riep Garrit verwonderd. "Of is die vierde +voor Dirk en mij?" + +"Neen, niet voor u en niet voor uw broêr," sprak de matroos, en de +mooiste limoen Dolf toereikend, zei hij: "Hier, man! Gewezen boeven +hebben geene duiten. Het geld krijg ik later." + +Dolf aarzelde de vrucht aan te nemen en kreeg eene kleur. + +"Nu, bloos maar niet als een ijdeltuitig jofferken," riep Joost +lachend. "Denk je dan dat wij niet weten, dat je geen geld hebben kunt. +Als de Sinjeur, de Super-carga, afrekent, zult ge ons beschaamd zetten. +Koop er dan een voor mij, Dolf, en eet nu deze van mij op! Weinig, maar +uit een goed hart, man!" + +"Je kunt en moogt veel zeggen, brave vriend," sprak Dolf, geroerd over +den hartelijken eenvoud van den grijzen zeerob. "Ik neem deze vrucht in +dank aan!" + +"Dat begreep ik ook wel," hernam de matroos, "en gij, Garritje, +je bent bang dat je er aan één niet genoeg hebt, he? Wacht maar een +uurken, dan zult ge blij zijn, dat ge er geen twee op hebt." + +"Hei, hei, nieuwe Dokter," riep Meester troost der Armen, die alles +verstaan had. "Ik ben nu Dokter en ik mag dus een woordje mede spreken, +maar ik zeg, dat ik er nog nooit last van gehad heb, als ik vijf of zes +limoenen achter mekaêr opat. Ik heb er nu eens acht opgegeten en...." + +Meester Troost der Armen zweeg opeens, trok een pijnlijk gezicht en +legde de hand op zijn' buik. + +"En nu komt het appelmanneke al om zijn geld! Gauw, meester! Ga nu maar +als de wind zoo vlug in een vat troost der armen liggen," riep Ouwe +Joost lachend. + +De scheepsbarbier hoorde niet meer, wat de matroos zeide, maar +verwijderde zich zoo schielijk, als hij maar kon. + +Tusschen al die bedrijven door was Henri Quatre met de sloep +teruggekomen. Zijne bootsgezellen kochten den kadraaier ledig en deze +maakte zoodoende nog goede zaken. + +Een half uurtje later kwam een matroos naar den Kapitein loopen en riep: +"Kapitein, de scheepsbarbier ligt op zijn uiterste. Hij leeft geen uur +meer!" + +"Dadelijk naar de stad om hulp te halen," beval de Kapitein, die +vreesde, dat er wel meer zieken zouden komen. + +Ouwe Joost, Dirk, Garrit en Henri Quatre, die geen van allen te veel +gegeten hadden, roeiden naar de stad en waren zoo gelukkig Meester +Hermanus Benedictus, den scheepsbarbier van de "Nieuwpoort", mede te +krijgen. Deze begreep wel, wat er gaande was, en nam alvast eene goede +hoeveelheid van een zeker medicament mede om dat de zieken in te geven. + +Deze Hermanus Benedictus was de zoogenaamde Meester Jonas, die bij +Meester Troost der Armen zoo slecht aangeschreven stond, omdat men van +den man vertelde, dat hij alles met rabarber wilde genezen. Dit nu was +in het geheel niet waar, ja, de man moet zelfs voor zijn' tijd een zeer +knap geneesheer geweest zijn, want zijn naam wordt met veel lof genoemd. + +Zoodra hij aanboord kwam en zag hoe Meester Troost der Armen zich van +pijn in elkander wrong, zei hij: "Jawel, jawel, de pisang-poppekens zijn +aan het dansen en de limoen-joosjes spelen de fluit erbij! Slikken +maat!"[20] + +Hij zette hem eene spoelkom vol krachtige medicijnen aan den mond, doch +de zieke weigerde ervan te gebruiken. + +"Och, staat me eens een oogenblik bij, mannen," sprak Meester +Benedictus enkele matrozen toe, en dezen waren daartoe dadelijk bereid. +De eerste hield het rechterbeen van den zieke beet, en de tweede het +linker. Twee anderen belastten zich met zijne armen. Henri Quatre trok +hem achterover en hield hem op den rug, en Kapitein Londenaar kneep met +zijne fijne handjes den brullenden scheepsbarbier den neus dicht, en +telkens, als deze gaapte, goot Meester Benedictus hem den mond vol. Zoo +kwam de gansche inhoud van de spoelkom terecht in het lijf van den +zieken scheeps-barbier, en dit scheen zijn behoud te zijn; want spoedig +kwam hij tot rust en reeds twee dagen later was hij instaat zijne kooi +te verlaten. Een paar matrozen evenwel hadden hunne gulzigheid met den +dood moeten bekoopen. + +Intusschen werd het schip gelost en naar het eiland Onrust gebracht waar +het tot nadere bevelen moest blijven liggen. Men had ook goed gevonden +het geheel te verbouwen en het volk op een ander schip eene reis te +laten doen. Dat schip was er echter nog niet, en tot zoo lang bleef de +heele bemanning aanboord van "De nieuwe Leerdam". + +Eén enkele maal was de Gouverneur-Generaal, die toen een man was van +ruim vijftig jaar, op het schip geweest en had bij die gelegenheid +gezegd, dat hij van den Super-carga vernomen had, dat al het volk zich +zoo cordaat had gehouden. Als eene belooning voor die goede diensten +wilde hij hen allen bij elkander houden. Kapitein Londenaar zou +Kapitein blijven en Dolf zou eene aanstelling krijgen als Stuurman. Van +zijn' neef sprak hij niet, en alleen in het voorbijgaan keek hij hem aan +en zei: "U is bootsman Willem van Aspervelde?" + +Henri Quatre boog zeer beleefd en zeide: "Om u te dienen, Heer neef! Ik +ben jonker Willem van Aspervelde." + +De Gouverneur-Generaal scheen het niet prettig te vinden aldus +aangesproken te worden, doch bemoedigend en alles behalve onvriendelijk +zeide hij: "Laat dat "neef" voorloopig nog maar weg, bootsman! De +Regeering heeft uitnemende rapporten van u ontvangen, en zoo ik hoop en +vertrouw, zult ge er geen berouw van hebben andermaal in Indië +aangekomen te zijn. Als gij er lust in hebt, zal ik zorgen dat gij als +Kapitein een schip krijgt. Wilt ge op eene andere wijze uw geluk +beproeven, laat mij het weten en ik zal u gaarne voorthelpen!" + +Zonder meer te zeggen verwijderde hij zich, doch eer het avond was, had +Willem van Aspervelde zijne aanstelling als Opper-stuurman bij de +Compagnie. + +Zoo brak de drieentwintigste Januari aan, en aan den avond van dien dag +zeide Meester Troost der Armen, dat hij zijn' collega Meester Benedictus +eens ging opzoeken om hem dank te zeggen voor de goede behandeling. Als +belooning daarvoor wilde hij hem het recept geven van zijne kostbare +zalf "troost der armen" en tegelijkertijd deed hij er twee groote +Keulsche potten van die zalf bij. Garrit en Dirk waren wel zoo goed +ieder een' dezer potten te dragen. + +Meester Troost der Armen stapte heel deftig vooruit. Hij moest hier te +midden van al dat vreemde volk zijne waardigheid toch ophouden! Meester +Petrus Pruymius, zijn ware naam was Pieter Pruym, moest toch toonen, dat +hij aanboord van een schip der Compagnie geen kwâjongen was. Hij had +zich daarom heel deftig aangekleed en voor deze gelegenheid een' degen +aangegespt. Toevallig hing die aan zijne rechterzijde, omdat Meester +Pruymius links was. + +Nadat ze reeds een heel eind waren voortgeloopen, zeide Dirk: "Meester, +ik zou wel eens wat willen rusten! Ik word moede van mij door het +gedrang te wringen. Hoe komt het toch dat het vandaag zoo bijster drok +is?" + +"Ja, die Chineezen gelijken wel gek," meende Garrit. + +Meester Pruymius zocht een stil plaatsje uit en zeide: "Rust hier dan +wat, jongens! En die drukte? Welnu, het is vandaag Nieuwjaarsdag voor de +Chineezen." + +"En waar ergens woont Meester Benedictus?" vroeg Garrit. "Zou het nog +ver loopen zijn?" + +"Ja, jongen, dat weet ik niet; maar een man als Meester Benedictus +zullen ze hier toch wel kennen. Ik zal het eens aan dien vroolijken +Chinees vragen." Hij ging hierop naar een' Chinees, die zich in een +buffelhuid gestoken en zijn gezicht geel en groen geverfd had. Evenals +zoovele andere Chineezen had deze man zich bij gelegenheid van +Nieuwjaarsdag verkleed en zeker ook wel wat anders gedronken dan slappe +thee. + +Meester Pruymius hield hem staande en vroeg in eene taal, die hij +Maleisch noemde: "Mana doekoen Benedictus ajar?" + +De Chinees keek den man eens aan, haalde de schouders op, lachte, maakte +een' luchtsprong en liep naar een paar andere Chineezen, die onze drie +vrienden ook eens even aankeken en toen lachend verder gingen. + +"Wat heeft u toch gevraagd, Meester?" vroeg Dirk. + +"Wel, ik vroeg dien knul in best, heel best Maleisch, waar Dokter +Benedictus was, maar die snoeshaan scheen alleen zijn eigen +Koeterwaalsch te verstaan. We zullen nu maar...." + +"Meester, meester, kijk eens wat eene beweging! Wat zou dat zijn?" zei +Garrit opeens. + +"Wat loopen ze!" riep Dirk. "Ze schijnen te vluchten!" + +Ons drietal ging nu op een' hoop steenen staan om te zien, wat er +gebeurde. + +Gillend en schreeuwend kwamen Chineezen, Javanen en enkele Blanken +aanloopen. Ze werden achtervolgd door een' man, die bijna geheel +naakt was en een groot mes zwaaide. + +[Illustratie] + +Eene der vluchtende vrouwen, door hem ingehaald, stak hij koelbloedig +dood en rende toen weer verder, achtervolgd door eene menigte +gewapenden, die zoo luid mogelijk schreeuwden: "Amok! Amok!" + +"O wee!" riep Meester Pruymius, "dat is een amok-maker!" en +hierop zijn degen losgespende ging hij aan den haal zoo hard hij +kon.[21] + +Garrit volgde het voorbeeld van den dapperen Dokter en liet den +Keulschen pot in den steek. Ook Dirk wilde op de vlucht gaan, doch het +was, alsof zijne voeten aan den grond vastgegroeid waren. Hij kon niet +van zijne plaats af en zag zijn' broeder en den scheepsbarbier weldra in +de vluchtende menigte verdwijnen. + +Daar naderde de vreeselijke man. Het was akelig om dat verwrongen +gezicht en die vreeselijke, dreigende bewegingen te zien. En niet zoodra +kreeg de amok-maker den armen verslagen jongen in het oog, of hij kwam +woedend op hem af. + +Dirk beproefde alweer te vluchten; maar hij kon niet. + +Het angstzweet liep met stralen langs zijne wangen. + +Nog eenige stappen en.... + +In dat vreeselijk bange oogenblik liet Dirk een' schreeuw hooren, zoo +akelig, dat hij zelf ervan schrikte, en niet wetend, wat hij deed, smeet +hij met de kracht der wanhoop, den Keulschen pot met zalf op goed geluk +af naar het hoofd van den waanzinnige. + +En ziet eens aan, als een tweede David trof hij dien kerel zóó goed +tegen den linkerslaap van zijn voorhoofd, dat hij achterover sloeg en +bewusteloos neerviel. Van dat oogenblik maakte Dirk gebruik om den +woesteling het mes uit de hand te rukken. Doch de kerel kwam spoedig +weer bij en reeds was hij gereed zich op te richten, toen Henri Quatre, +Dolf en IJzeren Neptunus kwamen aansnellen en hem geheel onschadelijk +maakten. De handdruk, dien IJzeren Neptunus dien kerel gaf, was zóó +hartelijk, dat hij hem den pols ontwrichtte. Terstond kwam het +vluchtende volk terug en wie gezien had, wat Dirk had gedaan, sloeg den +opgeschoten, baardeloozen knaap met bewondering gade. Ieder meende in +hem een' held te zien, en het scheelde niet veel, of hij werd door de +menigte met gejuich rondgedragen. IJzeren Neptunus zag evenwel zeer +goed, dat de knaap zich overspannen had en nam hem mede zoo gauw hij +kon. + +Aanboord viel hij werkelijk in onmacht neder, doch Kapitein Londenaar +wist hem spoedig bij te brengen en liet hem nu vertellen, wat er toch +gebeurd was. Dirk deed dat en toen hij zijn kort verslag uitgebracht +had, was zijne eerste vraag: "En waar is Garrit? Zouden ze hem niet +vermoord hebben?" + +"Garrit vermoord?" vroeg Henri Quatre. "Waarom zouden ze dat gedaan +hebben? Er was maar één amok-maker, hoor, en dat was al meer dan genoeg. +Garrit zal best terecht komen. Verheug je maar, dat wij met ons drietjes +zoo toevallig op de wandeling waren. Dat was je geluk, kereltje!" + +Ondertusschen werd het avond, maar wie er terugkwamen, Garrit en Meester +Pruymius niet. + +"We zullen de luî gaan opzoeken," zeide Henri Quatre, en gevolgd door +Dolf, Hoepel en Kreeft, allen goed gewapend, begaf hij zich op weg. + +Het was overal in de stad nog tamelijk onrustig, doch hoe meer men het +Chineesche kwartier naderde, hoe meer de luidruchtigheid toenam. + +De Chineezen, die gewapende Hollanders ziende, begrepen niet, wat er +gaande was. Zij waren toch geene amok-makers, dat wist de Regeering ook +wel! Ze vierden maar vroolijk feest, dat was het al. + +Henri Quatre zag wel dat hunne verschijning daar niet gewenscht was en +vroeg in het Maleisch, dat de Chineezen best verstonden, want velen +hunner waren met inlandsche vrouwen getrouwd, of ze niet twee Hollanders +gezien hadden. + +"Twee Hollanders?" vroeg een oude Chinees, die zich van onder tot boven +met kleine belletjes behangen had, "ja, die zijn in ons kwartier. Gaat +maar mede, ik zal u bij hen brengen." + +De Hollanders volgden den Chinees door een' doolhof van armoedige hutten +en stonden eindelijk stil voor eene vrij groote woning waarvoor men een +houten tooneel opgeslagen had. Op dat tooneel vertoonden de Chineezen +allerlei zotternijen en eene groote menigte zat er om heen, en telkens +als men de eene of andere klucht vertoonde, barstte het heele gezelschap +in een luid gelach los. + +"Daar zitten ze," zeide de oude Chinees en wees Meester Pruymius en +Garrit aan. + +Onze vier vrienden begaven zich er heen. + +"Hei, Meester Troost der Armen!" dus begon Henri Quatre, "hoe zit gij +hier en gaapt en laat ons aanboord in angst over uw wegblijven?" + +Meester Pruymius keek zijne vrienden aan met een paar schelvisch-oogen +en zeide met dubbelslaande tong: "Vanmiddag, zie je, zei ik, zie je, +tegen Garrit, weet je, we zullen een afzakkertje nemen voor den schrik, +zie je! En dat afzakkertje, zie je, is in onze kuiten gezakt, weet je, +en nu rusten we hier wat uit, zie je!" + +"Jij met je zie-je en weet-je! Gaat allebei maar gauw mee," sprak Henri +Quatre. "Dirk is in de grootste ongerustheid over zijn broer en ...." + +Krak-krak-krak! klonk het opeens. + +Allen keken wat er gebeurde. + +Nu, erg was het niet. Er was maar eene plank van het tooneel +doorgebroken en een klein Chineesje was er doorgezakt. Men haalde het +kind spoedig te voorschijn. Het scheen op den neus terecht gekomen te +zijn en bloedde hevig. + +"Troost der armen! Troost der armen! Kwâjongen, waar is de Keulsche +pot?" riep opeens Meester Pruymius. + +De Chineezen bleven doodbedaard en eene der vrouwen kwam dadelijk met +wat zalf aanloopen. Het kleine Chineesje werd afgewasschen en toen +geheel met die zalf ingesmeerd. Het bloeden van den neus had opgehouden. + +Of nu het ventje niet zoo heel hard op den neus terecht gekomen was, +hieraan dacht meester Pruymius niet. Hij meende dat het door de zalf +kwam en vroeg op zijn Hollandsch, dat men beter verstond dan zijn +Maleisch, wat het was. + +"Dat is borreborrie," zeide de oude Chinees met bellen. + +"Waarvan gemaakt?" vroeg Meester Pruymius. + +"Van klapperolie, zaagsel van sandelhout en wat saffraan," luidde het +antwoord. + +"Kom, kom, Meester Troost der Armen, mee! Verzin nu maar geen nieuwe +medicament om ons naar de andere wereld te helpen," zeide Dolf, en met +Kreeft, onzen barbier onder den arm nemende, sukkelden ze door de +menigte heen en kwamen omstreeks negen uur aanboord terug. Onderweg had +Meester Pruymius den mond vol van borreborrie, en hij zwoer, dat hij +voortaan alleen die zalf zou gebruiken. Dat was nog eerst een heerlijk +middel! + +Toen hij evenwel den volgenden morgen hoorde vertellen hoe Dirk met den +Keulschen pot vol troost der armen den amok-maker zoo netjes suf gegooid +had, wierp hij een der potten van de nieuwe zalf, welke hij al gemaakt +had, overboord en zeî: "Weg met dat poespas borreborrie! Er gaat niets +boven troost der armen!" + +"Jawel, Meester," sprak Kapitein Londenaar. + +"Wat dan, Kapitein?" vroeg Meester Pruymius. + +"Een tochtje naar de Molukken, Meester! Zoo even heb ik bevel gekregen, +ons in te schepen op de "Koning van Polen", die daar ligt. Maak je +boeltje maar gereed!" + +Dat gaf eene heele drukte dien dag en ook nog den volgenden, doch eer +Januari uit was, lichtte de "Koning van Polen" het anker, en onder het +losbranden van het geschut, zette men koers naar de nieuwe bestemming. + +Meester Pruymius stond over de verschansing gebogen en zag Batavia +langzamerhand verdwijnen, en toen hij eindelijk niets meer van de stad +zag, bleef hij toch staan. + +"Hei, Meester! Wat zoekt ge daar in de diepte?" vroeg Dolf, die lachend +hem eene hand op den schouder legde. "Zoekt ge soms borreborrie?" + +Meester Pruymius hief zich op en zeide vol waardigheid: "Borreborrie, +kwakzalvers-poespas, niets anders! Troost der armen is de baas! Laat +Dirk maar spreken, die weet er alles af!" + +"Meer dan de amok-maker," antwoordde Dolf. + +"Ja, die kwam door mijn' troost heel leelijk aan zijn einde," +antwoordde de knappe Dokter. + +Dolf lachte er hartelijk om, doch Joost, die de zalf van Meester +Pruymius niet zien of ruiken kon en toevallig voorbijkwam, zeide: "Je +pakt uit, Meester! Maar ik houd het ervoor dat de Keulsche pot harder +aankwam dan het vette ontuig." + +"Vet ontuig, Joost," riep Meester Pruymius opgewonden uit. "Heel de +wereld zal je tegenspreken en je zeggen, dat mijne zalf juist het +tegendeel is van vet ontuig!" + +"Heb ik vet ontuig gezegd?" riep Joost lachend uit. + +"Ja, wat anders? Ze hebben het allemaal gehoord." + +"Vergeving, Meester, ik versprak me en meende "mager ontuig," zie +je," zeide de vroolijke oude, die zich lachend verwijderde. + +"Ze mogen mijn troost der armen vet of mager ontuig noemen," bromde +onze barbier, ik noem het een koningsmiddel!" + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +Een zeer voornaam bezoek. + + +Meer dan een jaar lang had de "Koning van Polen" reeds in de Molukken +vertoefd en menigen tocht naar Amboina en Ternate gedaan. Het was nu +April en het schip kruiste met nog twee andere Compagnie-schepen op de +hoogte van het eiland Boeroe, een der grootste van de Molukken of +Specerij-eilanden. Bijna het geheele eiland, dat eene grootere +oppervlakte beslaat dan de provinciën Zuid-Holland, Noord-Holland, +Zeeland en Utrecht samen, is omringd door koraal-riffen. Alleen aan de +Noordoostkust kunnen groote zeeschepen het eiland aandoen. Het is zeer +vruchtbaar, en drie jaar te voren hadden de Nederlanders het in bezit +genomen. + +De "Koning van Polen" was nu hier om hout in te nemen, dat in de groote +bosschen van dit eiland zoo maar voor het halen was. + +Op zekeren dag, dat het volk weinig te doen had, zeide Garrit, dat hij +wel eens zou willen visschen, want dat hij verlangde, nog wat anders te +eten dan het gewone scheepsvoedsel. Terstond waren verscheidene mannen +daartoe bereid, en na van den Kapitein vergunning gekregen te hebben aan +wal te gaan, stapten een twintig mannen in de groote boot en voeren naar +het land. + +"En ik zou liever wat kennis maken met de kust," zeide Henri Quatre. +"Het schijnt een eigenaardig eiland te zijn." + +"Om met het schip op de koraal-riffen te komen, zeker?" vroeg Dolf. +"Het is er vol van!" + +"Neen, niet met het schip, maar met eene boot. Ga je mee, als de +Kapitein daartoe vergunning geeft?" + +"Ik wel," was het antwoord, en Dirk, die aan boord gebleven was, vroeg +of hij dan ook mede mocht. + +Dit werd toegestaan. + +De lucht stond niet naar verandering; de wind was niet hevig en de zee +niet anders dan gewoonlijk, zoodat Kapitein Londenaar er geen bezwaar in +zag, dat zijne twee Stuurlieden en Dirk samen een tochtje gingen maken. +Ze kregen evenwel het bevel mede vóór vier uren terug te zijn. + +Zoo lang meende men niet eens weg te blijven, en Dolf, die zag, dat de +visschers eene goede vangst maakten, verzekerde bovendien, dat hij +aanboord zou zijn, als de visch opgedischt werd. + +Spoedig was ons drietal aan wal; de boot werd vastgelegd en goed +gewapend begaven ze zich op pad. + +De zon scheen brandend heet en om de hitte te ontvluchten, hielden ze op +hunne wandeling langs de kust, zooveel mogelijk de lommerrijke bosschen. + +Dat pad was echter niet gebaand en zeer moeielijk te betreden. Ieder +oogenblik moesten ze zichzelven dwars door het kreupelhout en de +slingerplanten heen met het mes een' doortocht banen en dan was het nog +een paadje om handen en gelaat vol schrammen te krijgen. + +Nu en dan zagen ze ook boschjes van specerij-planten, die een' +heerlijken geur verspreidden, en daar tusschen bevonden zich de +armoedige hutten der inwoners, die wel zorgden voor onze drie +onzichtbaar te blijven, en als ze per ongeluk op hun' weg kwamen, dan +namen ze schielijk de vlucht. + +"Ik kan niet zeggen, dat het eiland veel afwisseling biedt," zeide +Henri Quatre. "Het begin was als hier, en hier is het als in het +begin. Hout en nog eens hout is alles, wat we zien. Me dunkt, we moesten +maar terugkeeren, dan zal de visch juist gaar zijn, als we aanboord +komen." + +Dirk en Dolf keurden dit voorstel goed en men nam den terugweg aan, doch +om nu zooveel mogelijk nog wat anders te zien dan op hunne heenreis, +besloten ze iets dieper landwaarts in te gaan. Onwillekeurig maakten ze +nu een' langeren weg en kwamen eerst na den middag bij het kleine +Nederlandsche fort aan. + +Het bootje lag er nog; maar juist toen zij wilden instappen, zeide Henri +Quatre: "Gauw, gauw, als de wind zoo vlug! Er komt een onweder op, en +vóór het losbreekt, wilde ik graag aanboord wezen." + +"Nu," zeide Dirk, "dat zal wel gaan, denk ik. Binnen een half uurtje +zijn we aanboord. Vanmorgen hebben we het in minder dan twintig minuten +gedaan." + +"Vanmorgen was vanmorgen," hernam Henri Quatre, die blijkbaar zeer +gejaagd was. "Nu is het vloed, en er gaat hier een sterke stroom. Als we +over een uur bij het schip zijn, mogen we blijde wezen. En vóór dien +tijd zullen we, vrees ik, de bui op het lijf krijgen. Jij, Dirk, aan het +roer! Dolf en ik zullen roeien!" + +De twee krachtige mannen sloegen de riemen in het water, en hoewel ze +trokken, dat de riemen soms krom stonden, vorderden ze maar weinig. + +Intusschen kwam het onweder met ontzettende snelheid nader, en aanboord +van de "Koning van Polen" scheen men ook iets te begrijpen van het +naderende gevaar, want de zeilen werden met spoed geborgen, terwijl men +door wenken en wuiven de drie, die in de boot op zee waren, tot meer +haast aanspoorde. + +Uit de verte hoorde men het gerommel van den donder. + +"Het blijft gelukkig stil," zeide Dirk. + +"Stil! Was er maar wat wind," sprak Henri Quatre, wien het zweet +tappelings langs de bruine wangen stroomde. "We komen er niet, en --" + +Eensklaps smeet hij zijn' riem in de boot, wierp Dirk terzijde en greep +het roer. + +"Roeien, roeien! Ons leven hangt aan een zijden draadje!" riep hij. + +Dirk nam den riem op en trok, wat hij kon. + +Nog slechts eene halve mijl waren ze van het schip af. + +Zouden ze het halen? Zouden ze? + +"Gauw! Gauw!" klonk Londenaars stem door den roeper. + +"Daar komt de baas! God sta ons bij!" riep Henri Quatre en pas had hij +dit gezegd, of de stormwind joeg langs de wateren en sloeg schip en boot +van elkander af. + +"Voor wind en zee af! In Godsnaam!" klonk de stem van den wakkeren +Stuurman en het kleine vaartuig vloog over de golven. Wanneer ze op den +top van eene golf zaten, konden ze het schip zien, maar wanneer ze zich +tusschen die ontzettende waterbergen bevonden, dan zagen ze niets dan +het woedende element en de loodkleurige lucht. Eindelijk begon het ook +te stortregenen. Geene bootslengte van zich af kon men zien. Het was te +vergeefs dat de drie mannen elkander een woord toeschreeuwden. Het +geluid van den storm, van de bruisende golven, van den suizenden regen +en den ratelenden donder overstemde hun geroep. Maar konden ze elkander +niet bespreken, toch zagen ze wel, dat ze iets moesten doen, wilden ze +niet zinken, en dat was het water, dat met elke golf in het bootje kwam, +uithoozen. Bij gebrek aan wat beters, gebruikte men daarvoor wat men +had: mutsen en schoenen. + +"Land!" schreeuwde op eenmaal Henri Quatre. + +Pas had hij dat geroepen of de boot stootte op een rif, zoo hard en +onverwachts, dat Dirk overboord sloeg. Eene golf nam hem op en droeg hem +op de kust. + +Henri Quatre zag dat, en hij begreep, dat zijn eenig behoud ook hierin +lag, dat hij overboord sprong, als hij eene golf zag aankomen. Hij liep +naar Dolf en schreeuwde hem in het oor, wat hij doen moest. + +Dolf knikte ten teeken, dat hij zijn' vriend begrepen had. + +Daar naderde eene golf: een reus onder de reuzen. + +Bijna op hetzelfde oogenblik sprongen de mannen overboord en wat Dirk +overkomen was, gebeurde met hen, de golf droeg beiden ongedeerd over de +branding heen op het strand, dat maar zeer smal, en door steile rotsen +begrensd was. + +"Die rotsen over en dan verder zien, wat we doen. Ik geloof, dat we nog +altijd op Boeroe zijn, en als dat zoo is, dan zullen we, hoop ik, wel +terecht komen," sprak Henri. + +De drie schipbreukelingen klauterden nu tegen de rotsen op en hadden +weldra een uitgestrekt woud voor zich. + +Ook hier had de storm vreeselijk huisgehouden en ging hij voort de hooge +reuzenstammen af te breken. + +De regen viel nog steeds bij stroomen neder, en het onweder scheen in +hevigheid toe te nemen. + +Het ware dwaasheid geweest in dit weder verder te gaan; want daar ze +geen tien passen voor zich uit konden zien, zouden ze misschien slechts +afdwalen. Ze kropen daarom onder eene uitstekende rotspunt, waar ze voor +den fellen slagregen beveiligd waren, en hier wachtten ze het einde van +de bui af. + +Ze huiverden van de koude, en geen wonder. + +Eerst hadden ze zich doornat in het zweet gewerkt, en nu zaten ze daar, +doornat van den regen. Het water liep met straaltjes uit hunne +kleederen, en om nu geene koude op te loopen, besloot Henri Quatre zich +inspanning te geven. Hij beproefde tegen de steile rotsen te klauteren +en kreeg daardoor de gewone lichaamswarmte terug. Zijn voorbeeld werd +door de twee anderen gevolgd, en toen ze een half uur later den top der +rots bereikt hadden, zagen ze heel in de verte hun schip en op een +kwartier afstands het Hollandsche fort. + +"Daarheen, vrienden," sprak Henri toen de bui bedaard was. "We +zullen er gauw zijn." + +Dat gauw zijn bleek evenwel niet het geval te wezen. + +Wat vóór de bui beekjes waren, waarover men zonder stok gemakkelijk +springen kon, dat waren nu breede stroomen geworden, welke met woeste +snelheid hunne wateren naar zee stuwden. + +"Er dwars doorheen," zei Dolf en stapte in het water. + +"Dank je krachtig," riep Henri en trok zijn' vriend op het droge. +"Zie je daar die lieve jongens niet? Denk je, dat ik de zee verlaten +heb om in den buik van een' kaai-man te verhuizen? Een kaaiman is geen +kikvorsch, hoor!" + +"Vriendelijk dank voor die waarschuwing," zeide Dolf. "Ik zag die +vreeselijke dieren niet." + +Om nu geen gevaar te loopen aangevallen te worden door de kaailuî, +waarvan de riviertjes wemelden, waren de drie mannen genoodzaakt, een' +grooten omweg te maken. + +Die lange weg begon hun echter vreeselijk te vervelen, en daarom +besloten ze eene rivier, die blijkbaar zeer ondiep was, te doorwaden. + +"Voor onze veiligheid zal ik dit wandelstokje medenemen," zeide Dolf en +nam een stuk hout van een gestrand schip op. + +Zij begaven zich onbevreesd te water en zagen aan den anderen oever +eenige Boeroeneezen nedergeknield liggen. + +"Die mannen schijnen ons om lijfsbehoud te bidden," sprak Dirk. "Zie +maar hoe benauwd ze ons aankijken!" + +Henri Quatre lachte eens en zeide: "Nu zullen ze ons niet ontvluchten. +Ze zien wel, dat we niet gewapend zijn. Ze zijn zeker water-aanbidders! +Nu knielen ze ... Dolf, Dolf, pas op! Sla toe!" + +"Begrepen, buurman!" riep Dolf en sloeg zijn stuk hout op den harden +kop van een' kaaiman, die op hem toegeschoten was en den vreeselijken +muil geheel boven water had. + +Een vreeselijk geschreeuw liet zich aan den oever hooren. + +"Ze hebben medelijden met ons," zeide Dirk. + +"Medelijden? Mooi medelijden! Pas op, ze gaan ons nog te lijf, ja! Ik +wed wel, om ik weet niet wat, dat ze kaaiman-aanbidders zijn," +antwoordde Dolf en sprong aan den oever, waar hij terstond door de +inboorlingen met dreigende gebaren ontvangen werd. + +"Orang Wolanda!" riep hij. + +"Jan Kompanie!" schreeuwde Dirk. + +Beide uitroepen hielpen. De inboorlingen wisten dat "Orang Wolanda" een +"Hollander" beteekende, en dat Jan Kompanie, zooals ze de Oost-Indische +Compagnie noemden, niet gemakkelijk aan zijn kamizool was, als een +zijner dienaren mishandeld werd. Het bleef dus bij bedreigingen, en +ongedeerd zett'en de drie vrienden hun' tocht voort en bereikten twee +uren later het fort, waar ze liefderijk opgenomen werden. + +Toen Dolf vertelde, wat hun onderweg overkomen was met den kaaiman, +zeide Joan van Leipzig, de Commandant der kleine sterkte, dat ze door +"Orang Wolanda" te roepen stellig hun leven gered hadden; want dat de +Boeroeneezen aan de kaailuî godsdienstige eer bewezen. + +"Nu spelt ge ons toch wat op de mouw," meende Henri Quatre. "Wie +zal nu zulk een dier godsdienstige eer gaan bewijzen? Dat zou toch al +heel dom zijn!" + +"Neen, stellig niet," zeide van Leipzig. "Onder de Heidensche volken +merkt men het meer op, dat ze aan booze wezens godsdienstige eer +bewijzen in de hoop, dat die booze geesten, gedrochten of dieren hun dan +geen kwaad zullen doen. Dit is nu onder de Boeroeneezen evenwel het +geval niet. Zij gelooven dat eenmaal een kaaiman met eene der dochters +van een' hunner vroegere Koningen getrouwd is. Al de kaailuî, die in +deze buurt zich ophouden, heeten van dat vreemde paar af te stammen. +Maar, men seint van het schip! Misschien zoeken ze ulieden?" + +Van Leipzig liet een klein kanon losbranden, doch alsof men aanboord van +de "Koning van Polen" niet begreep, wat dat beduidde, ging men maar +voort met seinen. + +"Weet je wat, gaat naar eene der hoogste rotsen en laat u alle drie +zien. Het is het eenige, wat er op zit," zeide van Leipzig. "Ze zullen +zeker willen weten, of je op zee verongelukt of behouden aanwal gekomen +bent!" + +Onze vrienden vonden dien raad goed, zochten eene hooge rots op, en +zoodra ze den top bereikt hadden, begonnen ze met hunne mutsen en +zakdoeken te wuiven. + +Dat scheen te helpen; want er werd eene boot neergelaten en twee uren +later waren ze weer aanboord terug, waar ze met gejuich ontvangen +werden. Garrit vooral, die geloofd had, dat Dirk in den storm wel +omgekomen zou zijn, was uitgelaten van vreugde. + +Thans waren de manschappen weer bij elkander en zette men koers naar +Amboina. + +"Schip in 't zicht," riep de uitkijk. + +"De kerel kon wel roepen schepen," zei Joost. "Het is, bijlo, +eene gansche vloot, die daar nadert. Maar het zijn allemaal +compagnie-schepen!" + +Kapitein Londenaar stuurde zijn schip naar de naderende vloot, en zag +weldra, dat van een der vaartuigen de Admiraalsvlag woei. Aanboord van +het Admiraalsschip gekomen, vernam Londenaar uit den mond van Johan van +Dam en Truytman, die met het bevel der vloot belast waren, dat de +"Koning van Polen" hen te volgen had. + +"Mag ik ook weten waarheen de koers is, Admiraal?" vroeg Londenaar +beleefd. + +"De tocht is een geheim en zal later bekend gemaakt worden. Geen enkele +Kapitein weet het nog. Nu hebt ge alleen ons bevel te gehoorzamen en bij +u op het schip alles tot een vinnig gevecht gereed te maken," sprak +Truytman. + +"Het zal geschieden, Heer Admiraal," zeide Londenaar en liet terstond +zich aanboord van de "Koning van Polen" terugbrengen, waar hij +onmiddellijk alles in gereedheid liet brengen voor een mogelijk gevecht. + +"Wat zullen we nu weten, Kapitein?" vroeg Dolf. + +"Ik kan het u niet zeggen, goede vriend!" luidde het antwoord. "De +Bevelhebbers der vloot, de Heeren van Dam en Truytman, zeggen, dat ze +eerst op eene bepaalde hoogte ons in kennis mogen stellen met het doel +van den tocht. Dat de onderneming belangrijk is, geloof ik te mogen +opmaken uit de menigte welbemande vaartuigen." + +"Wedden, Kapitein, dat ik weet waarheen het gaat?" vroeg Oude +Joost. "Ik geloof dat ik het weet." + +"Nu, waarheen dan?" + +"Naar Makassar, Kapitein! Ik heb er zoo een voorgevoel van. En als dat +zoo is, sta dan vast; want de Makassaren zijn niet gemakkelijk, als ze +beginnen. Ik weet hiervan mede te praten, en meer dan mij lief is." + +"Zijt ge dan al eens met die luiden slaags geweest?" vroeg Dolf, die nu +juist geene groote studie van de geschiedenis der Oost-Indische +Compagnie gemaakt had, wat trouwens in ons land bijna niemand deed. +Tegenwoordig wordt ook op de scholen de aardrijkskunde van de Oost +geleerd, maar toch is het nog zeer gering, wat wij van dien +merkwaardigen en rijken Archipel weten. Toen leerde men van de +aardrijkskunde van ons eigen land zelfs nog niets op de scholen en dus +nog veel minder van de Oost. + +Oude Joost keek den vrager eens aan en zeide: "Hoor eens, maat, geleerd +mag je wezen, maar of je van onze Oost wel veel weet, dat geloof ik +niet. Je vraagt me daar of we met die van Makassar wel eens aan het +bakkeleien geweest zijn. Nu, niet zuinig ook. Het was in de Molukken +lang niet altijd botertje tot op den boôm. En dat kwam nu niet, omdat de +Compagnie telkens redenen tot ontevredenheid gaf, maar wel omdat er van +alle kanten kwaad gestookt werd. Onder de grootste stokebranden behoorde +vooral de Sultan van Makassar." + +"Maar Prins Patinggaloan deed toch al, wat hij kon om ons te +bevoordeelen," merkte Meester Troost der Armen aan. + +"Daaraf weet ik mee te praten," zeide Kreeft. "Hebben de Heeren +Bewindhebbers der Compagnie hem niet eene prachtige koperen aardglobe +ten geschenke gegeven? Ik heb dat ding helpen brengen, man, ikzelf. Het +was je maar wat een mooi draaiding, en ik dacht zoo al bij mezelven: wat +is de aarde toch een raar toestel, dat ze zoo tusschen een houten rand +draait. Als we de Linie passeerden heb ik wel eens gekeken of ik dien +houten rand niet zag!" + +"Ik meen ook dat Joost van den Vondel op die globe een gedicht heeft +gemaakt," sprak Henri Quatre. + +"Dat ik kan opzeggen," nam Kreeft het woord. "Vondel schreef ervan: + + Tot eer van Hollants waterleeuw, + Herschept de kunst de kopere eeuw + Een ronde...." + +"Ga maar niet verder, man, ik weet dat alles," zeide Oude Joost. "Ik +weet ook dat diezelfde Prins Patinggaloan een zeer geleerd man was, die +zelfs Latijn verstond. Ik weet dat hij grooten invloed op den Sultan +had; maar hij was als de rest en had ze achter zijn' elleboog. Zijn baas +de Sultan, Galedoella Mochahoca, had aan den Gouverneur-Generaal +geschreven, dat hij niemendal tegen de Compagnie had, maar dat hij +alleen de bewoners van de Molukken tegen ons opstookte om Gods wil en om +zijne Mohammedaansche leer te beschermen. Maar dat waren maar praatjes, +want dan had hij de Portugeezen, die dan toch ook geene Mohammedanen +zijn, ook niet in zijn land moeten dulden." + +"Is zoo'n globe niet een rond ding?" vroeg Hoepel. + +"Ja, nog ronder dan jij bent," riep er een uit het gezelschap. + +Hoepel deed alsof hij die hatelijkheid niet hoorde en zeide: "Wat doen +ze ook zulke konstige, ronde dingen te geven. Zoo iets kunnen alleen de +groote Heeren verzinnen, maar dat zou nooit opkomen in het hoofd van +Janmaat. Die geeft wat anders dan presentjes waarop de Poeëten gedichten +maken!" + +Joost lachte eens even en zeide: "Ik begrijp je, maat! Ja, wij zouden +die luiden op eene andere manier aanboord klampen. We zouden hun ook +ronde dingen geven, maar dan van ijzer of lood en te grabbelen gegooid +door Sinjeur Buspoeder. Nu, wees maar stil, ik wed dat het er nu zoo van +langs zal gaan. En dan zal ik het dien luiden nog eens betaald zetten, +dat ze me vier maanden lang op water en brood gehouden hebben." + +"Dus je bent in Makassar geweest?" vroeg Hoepel. + +"Dat ben ik, maar niet voor mijn pleizier. Wij lagen daar met ons schip +de "Oude Hondt" en zouden lading innemen, toen we heel onverwachts door +eene bende roovers overvallen werden, die ons meesleepten naar een oud +fort van de Portugeezen en ons daar gevangen hielden tot we tegen +ettelijke Makassaren uitgewisseld werden." + +"En de "Oude Hondt," waar was die?" vroeg Kreeft. + +"Dat zoudt ge aan de Portugeezen kunnen vragen, en ik geloof zoo, dat we +"De nieuwe Leerdam" nog duur hebben, als we meenen, dat er eenvoudig +geruild is." + +Op dat oogenblik passeerde de vloot het eiland Solor. + +"Kijk eens," riep Garrit nu eensklaps uit. "Kijk die luî daar +eens aan! Zouden ze aan het hengelen zijn?" + +Hengelen was ook toen reeds zulk eene echt vaderlandsche bezigheid, dat +het meerendeel van de manschappen over de verschansing ging liggen om te +zien, wat men daar deed. + +Niet ver van het land af zag men verscheidene kleine bootjes, die alle +met één persoon bemand waren, en ieder dezer personen was een hengelaar. +Maar men hengelde niet met haakjes, dat zag men wel, doch waarmede men +het dan wèl deed, dat kon men niet nauwkeurig zien. + +"Het is alsof er een bosje pluis aan het touwtje zit," zeide Dirk. +"Kijk maar! Ik geloof dat ze peuren!" + +"Dat behoef je niet te gelooven, dat is werkelijk zoo. Die luî zijn +bezig met sakkoos vangen," sprak Oude Joost. "Een sakko is een visch, +die zeer veel op onze geep gelijkt en al even onsmakelijk is. In den bek +heeft hij eene menigte tanden, die in haakvormige puntjes eindigen. Nu +maken de visschers van deze streken, in plaats van een haakje, een bosje +uitgerafeld lijnwaad of werk aan het touwtje vast. De sakkoos zien dat +voor aas aan, bijten even en blijven dan met de haakjes hunner tanden in +dat pluis zitten. Zoodra er een visch gehapt heeft, voelt de visscher +dat. Hij slaat op en het is maar hoogzelden, dat er onder dat opslaan +een visch afvalt. Maar wat gebeurt nu? Kijk me die visschers eens ruim +baan maken!" + +Pas had Oude Joost dat geroepen of eene versierde prauw, door nog vele +andere prauwen gevolgd, zette koers naar de vloot. Eene akelige, +eentonige muziek, nu en dan afgewisseld met gezang, klonk over het +water. + +"Er zit eene vrouw in," riep Garrit. "Lieve deugd, wat een leelijk +schepsel is dat! Hoe oud! Precies eene Juffrouw Kinderschrik, die het +heele weeshuis naar bed jagen kan." + +De prauwen kwamen zóó in de nabijheid van de "Koning van Polen", +dat men al de lieden, die er in zaten, nauwkeurig onderscheiden kon. + +"Begrijp je er wat van?" vroeg Dirk aan zijn' broeder. + +"Geen steek!" luidde het antwoord. + +Opeens schoot eene der prauwen wat vooruit, kwam de "Koning van Polen" +terzijde, en een man, een blauwbruine kerel, hield de hand voor den mond +en riep de onzen wat toe. + +"Wat roept hij toch?" vroegen verscheidenen aan elkander. + +"Ik heb er maar één woord van verstaan," sprak Kreeft, "en dat is +"laksamana", dat zooveel als Admiraal beteekent." + +"En ik heb het woord "Radja parampoewan" gehoord, dat wil zeggen: +Koningin," zeide Hoepel. + +Oude Joost, die bij het aanleggen der prauw wat naar de plaats geloopen +was waar ze lag, kwam nu terug en zeide: "Voornaam bezoek, jongens! De +Koningin van Solor wenscht den Admiraal te spreken." + +Bijna op hetzelfde oogenblik kwam Henri Quatre, en op bevel van den +Kapitein gelastte hij twaalf man uit den hoop, hem te volgen om naar het +Admiraalsschip te varen en daar twee boodschappers van de Koningin +aanboord te brengen. + +De groote boot werd neergelaten. Henri Quatre zette zich aan het roer, +twee bruine Edellieden namen ook achter plaats en de twaalf mannen +zett'en zich aan de riemen. In den tijd, dat de boot naar het +Admiraalsschip voer, bleven de prauwen wat heen en weer drijven. + + +VOETNOTEN. + +[19] =Kadraaiers= zijn reê- of kustwinkeliers. Wanneer een schip, dat +blijkbaar eene groote reis achter zich heeft, ter reede van de eene of +andere zeehaven komt, begeven deze winkeliers zich met allerlei eet- en +drinkwaren of ververschingen naar het schip om aan het volk hunne waren +te verkoopen. + +[20] Men zegt dat de Chineezen den oppersten van hunne booze geesten +"Joosje" noemen. Onder dien naam noemen wij ook wel eens +spottenderwijze den duivel. + +[21] Een amok-maker is een inboorling onzer Koloniën, die door zware +koorts in het hoofd, uit wraakzucht, die tot razernij overslaat, of door +het misbruik maken van opium, nog veel afschuwelijker dan het gebruik +van jenever, dol geworden en bijna even bloeddorstig als een tijger +geworden is. Onder het geroep van "Amok! Amok!" dat de menschen, die +hem nazetten, onophoudelijk roepen, loopt hij dan langs straat en veld +en doodt wien hij dooden kan. Als men zulk een' amok-maker gevangen +heeft, wordt hij meestal ook als een wild dier afgemaakt. + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +Zeevolk, vreemd volk. + + +Spoedig was de boodschap door de twee bruine Afgezanten overgebracht, en +terstond lieten de Admiraals al de vlaggen hijschen, die ze bij de hand +hadden. De andere schepen volgden dit voorbeeld en toen de Edellieden +aan de Koningin gezegd hadden, dat de Admiraal haar wachtte en de +prauwen zich daarop in beweging zett'en naar het Admiraalsschip, werd +vandaar het sein gegeven tot een eere-saluut uit het grof geschut. + +"Is dat eiland Solor dan zoo groot, dat wij aan die Koningin, en dan nog +wel aan zulk eene vogelverschrikster zooveel hulde moeten bewijzen?" +vroeg Dirk aan Joost. + +"Welneen, jongen! Solor met nog eenige eilandjes erbij vormt maar een +heel klein Koninkrijkje, dat voor de Compagnie in het jaar '13 door den +Zeekapitein Appollonius Schot op de Portugeezen veroverd werd. Als er in +het geheel tienduizend menschen op wonen, zal het mooi zijn. Bovendien +is de grond niet best bebouwd, en men heeft er veel last van vulkanische +uitbarstingen, zoodat ze ons al heel weinig voordeel opleveren. Alleen +bij het vervallen fort Frederik Hendrik komt zoo nu en dan een +Compagnie-scheepje om er wat zwavel en salpeter te halen. Bamboe kan men +er krijgen zooveel men hebben wil."[22] + +"Maar wat hebben we er dan toch voor doel mede om aan de Koningin van +zulk een nestig landje zooveel eer te bewijzen?" vroeg Garrit. + +"Wie het kleintje niet eert, is het groote niet weerd," hernam Oude +Joost. "En al is dat land nu niet zoo heel groot, alle beetjes helpen. +Bovendien bestaat slechts het kleinste gedeelte der bewoners uit +Maleiers, die Mohammedanen zijn en dus heulen kunnen met dien mooien +Sultan van Makassar. Het andere deel bestaat uit Alfoeren." + +"Wat zijn dat voor luî?" klonk hierop de vraag van een' der +luisteraars. "Alfoeren, wat een naam!" + +"Alfoeren zijn donkerbruine, groote en sterke menschen, die niemendal +van de Mohammedanen willen weten en Heidenen zijn. Ze zijn in den oorlog +verbazend vlug en weten met hunne groote zwaarden vreeselijk huis te +houden. Lafhartig is er niet één; maar van koppensnellen bij den vijand +zijn ze groote liefhebbers. Voor het overige leven ze vreedzaam en ze +zijn minder valsch dan Maleiers, die niet altijd te vertrouwen zijn." + +Nadat men op die wijze een tijdlang had staan praten, kwam Kapitein +Londenaar, die inmiddels aanboord van het Admiraalsschip geseind was +geworden en er natuurlijk heengebracht was, alweer terug en zeide tot +het verzamelde volk: "Mannen, thans kan ik u mededeelen waarheen de +tocht is." + +"Dat weten we al, Kapitein," zeide Meester Troost der Armen. "Onze +vriend Oude Joost kan nog beter ruiken dan een hond. Hij heeft ons al +eenige dagen geleden verteld, dat de tocht naar Makassar ging om daar +den Sultan eens even te leeren, wat meer achting en eerbied voor de +Compagnie te hebben." + +"Dan heeft Oude Joost goed geroken," hervatte Kapitein Londenaar. +"Maar alles kan hij toch niet geroken hebben, daarom zal ik u een en +ander mededeelen. De Koningin der Solor-eilanden kwam ons verzoeken weer +eene nieuwe sterkte te bouwen of de oude te herstellen, teneinde haar +tegen den overmoed ter Portugeezen te beschermen. Admiraal Truytman +heeft haar beloofd hieraan te voldoen, zoodra we de Makassaren +getuchtigd en onderworpen hebben." + +"Nu, dat zullen we dezen keer toch wel klaar spelen, meen ik," dus liet +Dolf zich hooren. "Onze vloot is sterk en er is volk genoeg aanboord +ook!" + +"Volk genoeg, Stuurman, daarin hebt gij gelijk! Maar niet ieder staat +zijn' man, als het er op aankomt." + +Een ontevreden gemompel liet zich hooren en Kreeft, vooruit tredend, +zeide: "Kapitein, krom ben ik; maar sedert wanneer ben ik een lafaard?" + +"Wij zijn ook geen lafaards," lieten zich nu een paar andere stemmen +hooren. + +"En wij ook niet! Neen, wij ook niet!" klonk het in koor. + +Kapitein Londenaar lachte even en hernam: "Gijlieden roept haring vóór +Sint-Jan[23]. Als ik zeg, dat niet iedereen zijn' man staat, dan bedoel +ik er niet één van het Compagniesvolk. Maar wij hebben op de vloot +verscheidene compagnies Amboineezen en het is de groote vraag maar, wat +we daaraan hebben zullen, hulp of tegenstand." + +"Hoor eens, Kapitein," waagde Oude Joost te zeggen, "die soldaatjes +zullen de kaas niet van hunne boterham laten halen. Er leeft in heel den +Archipel geen moediger en dapperder volkje." + +"Oude Joost meent er niet één van," riep een uit het volk. "Aan +heel zijn gezicht kan men zien, dat hij een loopje met ons neemt." + +"Neen, Oude Joost spreekt waarheid," liet Meester Troost der Armen zich +hooren, doch zijne bevestiging diende alleen maar om het volk er nog +minder aan te laten gelooven. + +"Het zijn zeker even groote helden als u, Meester," zeide een matroos. + +"Of ik een held ben weet ik niet," zeide de Scheepsbarbier kalm, +"ik ben nog nooit bij een zeegevecht tegenwoordig geweest. Maar die +Amboineezen hebben onze Joost en ik bezig gezien en ik verzeker je, dat +menig Europeaansch Compagnie-soldaat er een voorbeeld aan nemen kon. Ze +zijn dapper in den aanval, bij tegenspoed standvastig en zoo trouw aan +hun vaandel als een Christenmensch er maar trouw aan zijn kan." + +"Wat onze barbier daar vertelt, Kapitein, is waar," sprak Oude Joost. +"En als we aan den dans moeten gaan, dan zal u, ja, dan zullen allen +zien, dat de barbier en ik u geene onwaarheden wijs maakten." + +"Nu, Joost, ik hoop, dat je het bij het rechte einde zult hebben," +zeide de Kapitein. + +"Ja," vervolgde Oude Joost, "en het is beter ook dat u, Kapitein +en al de anderen dat nu al weten ook." + +"Waarom?" vroeg de Kapitein. + +"Omdat ze uiterst gevoelig zijn voor beleedigingen, Kapitein! Worden ze +vriendelijk en voorkomend behandeld, dan vinden ze dat blijkbaar +aangenaam, maar bemerken ze, dat ze door de Europeanen met minachting +aangezien en behandeld worden, dan hebben ze de bokkenpruik op en, we +hebben het op zee gezien, een mensch hoe goed anders ook, wordt een +onding, als hij die op heeft. En om u nu nog allen te overtuigen, dat ik +waarheid spreek, ben ik bereid een' eed te doen op hetgeen ik gezegd +heb."[24] + +"En ik ook," sprak de barbier. + +"Nu, dan trek ik mijne beschuldigingen in," zeide de Kapitein, "en ik +beloof je dat ik het volk zal voorgaan in het bewijzen van achting aan +mannen, die achting verdienen. En waar ik voorga, dat weet je, daar +volgen al de anderen." + +Nog maar even had Kapitein Londenaar dit gezegd toen de Amboineezen +aanboord gebracht werden. De aanvoerder van die afdeeling trad op +Kapitein Londenaar en vroeg hem: + +"Jy Kapitan?" + +Kapitein Londenaar knikte bevestigend. + +"Ik ook Kapitan," vervolgde de Officier, "en helpen maak kopje +kleiner dat vijand." + +"Dat is uitnemend, Kapitein!" zeide Kapitein Londenaar, die werkelijk +met welgevallen de flinke houding van de uitnemend gewapende Amboineezen +opnam. + +Nu wilde onze Amboinees zeggen, dat hij zelfs een' eed gezworen had de +Compagnie trouw te dienen, en hij drukte dat uit door te zeggen: "En ik +gedaan opsteken twee vingers." + +De koddige manier van spreken was oorzaak, dat bijna al het scheepsvolk +in een luid gelach uitbarstte, doch Kapitein Londenaar keek allen zóó +ernstig aan, dat ze het niet waagden te doen. + +"Ik wil hopen," zeide IJzeren Neptunus nu, "dat we elkander niet +tegenvallen. Ik zal u nu de plaats voor uwe manschappen laten aanwijzen +en u, Meneer de Kapitein, zal, zoo lang u hier aanboord is, tot de +Officieren gerekend worden! Joost, jij kunt nog wat van die menschen +verstaan, wijs hun logies!" + +Ondertusschen kwamen de bewoners van Solor van alle kanten in hunne +prauwen opdagen om allerlei eetwaren aan de schepelingen te verkoopen; +doch daar de vloot meer in de nabijheid van het kleine eiland Serbiette +het anker had laten vallen, zoo werd er besloten de schepen op dit +eiland van water te voorzien. + +Niet ver van het vlek Lamahal was eene kleine rivier met heerlijk +drinkwater, en daar werden de booten heengezonden. De manschappen namen +ook allerlei snuisterijen mede om deze te verruilen voor dingen van +waarde, doch de bewoners van dit eilandje waren niet rijk en bezaten +zeer weinig kostbaarheden, zoodat er bitter weinig te ruilen viel. + +Een der eilanders vertelde evenwel, dat niet verre van Lamahal een put +was met kokendheet water, dat afgekoeld, bijzonder heilzaam was voor +allerlei wonden. Zoodra Meester Pruymius dit vernam, besloot hij van dat +heilzame water zooveel mede te nemen, als hij maar bergen kon. Wat zou +hij er eene eer in stellen om na het gevecht, dat denkelijk wel bloedig +zijn zou, de gekwetsten met zijn wonderwater te genezen! Wie weet of hij +daardoor geen kans liep lijfarts van den Gouverneur-Generaal te worden. +Hij ging daarop naar Kapitein Londenaar en vroeg hem eene boot met +eenige mannen om van dat wonderwater te gaan halen, en hoewel de +Kapitein er niet veel van geloofde, zoo gaf hij hem er toch vergunning +toe. + +Ik schreef daar met opzet dat de Kapitein er niet veel van geloofde, en +dat bewijst juist, dat hij het niet tegenspreken durfde ook. De leer der +geneesmiddelen was toen en nog zeer vele jaren daarna, al eene heel +vreemde leer. Ze is het voor een deel nog, want hoevele onnoozele +menschen leggen bij eene wonde er papier van een tabakszakje of spinrag +op. Het eerste dient om de wond af te sluiten en het tweede om het +bloeden tegen te gaan. Beide middelen zijn intusschen zeer gevaarlijk en +veroorzaken niet zelden bloedvergiftiging. Op het platteland van +Walcheren gebruikte men bij eene verwonding een linnen doekje, +doortrokken met sla-olie, waarin men een paar maanden vroeger veenmollen +geworpen had om die er in te laten aftrekken. En als men zoo iets nu nog +in onze eeuw ziet doen, dan is het immers niet te verwonderen, dat in +het midden der zeventiende eeuw, zelfs Scheepskapiteins geheime +geneeskundige krachten aan sommige dingen toeschreven? + +Tot de matrozen, die Meester Pruymius vergezelden, behoorden ook Garrit, +Dirk, Hoepel en Kreeft. Dolf zat aan het roer en onze goede +scheepsbarbier zat voor in de boot tusschen een twintig groote +stoopskruiken[25]. + +"Wel, Meester," dus begon Dolf lachend, "als ge al die kruiken vol +hebt, dan kunt ge wel twintig vloten bedienen." + +"Beter te veel dan te weinig, Stuurman," gaf Meester Troost ten +antwoord. "Ik weet ook niet hoeveel ik moet gebruiken. Dat zal de +ondervinding mij nog moeten leeren." + +"In alle gevallen, Meester, ik hoop dat ge met uw wonderwater van mijn +lijf zult blijven, hoewel ik er geen oogenblik aan twijfel of we zullen +eene harde noot te kraken hebben. Ik denk zoo, dat er bloed genoeg +vloeien zal." + +"Meer dan roode wijn, Stuurman," zeide Meester Troost der Armen met +een' diepen zucht; want hoewel op zee voor geen klein geruchtje +vervaard, had hij, zooals men dat noemt, aan vechten toch een broertje +dood. + +"Je zucht alsof de Makassaren allen amok-makers waren," zeide Garrit, +en onwillekeurig dacht hij aan die geschiedenis te Batavia, waar hij met +Meester Pruymius hard aan den haal gegaan was en waarbij Dirk, zonder +den Keulschen pot, zeker het mannetje van de rekening zou geworden zijn. + +"Als we geene Keulsche potten genoeg hebben, dan kunnen we het met +stoopskruiken probeeren," zeide Dirk, en op dat oogenblik werden de +riemen ingehaald en stapte men aan wal, waar de kruiken voorzichtig +neergezet werden. + +Dolf, Kreeft en Garrit bleven gewapend bij de boot; want hoewel de arme +inwoners nog geen enkel teeken van vijandigheid gegeven hadden, deed men +toch goed dien lieden niet al te veel vertrouwen te schenken. Dirk en +Hoepel, óók gewapend, zouden den barbier vergezellen. Maar hoe twintig +volle stoopskruiken van de bron bij de boot te krijgen, waar men met de +twintig ledige al geen' weg wist? + +"Misschien dat de mannen van het eiland je wel helpen willen," zeide +Dolf. "In alle gevallen hebt ge toch iemand noodig, die u den weg +wijst!" + +"Dat is waar ook," zei Meester Pruymius en een' half naakten eilander +terzijde tredend, zei hij tot dezen: "Bawa gindi-gindi soemoer panas +ajer!" + +"Wat zeg je toch?" vroeg Dolf, toen hij zag dat de Serbietter hem niet +verstond. + +"Wel, ik zeide in goed Maleisch: Draag de kruiken naar den put met warm +water!" + +"Ik geloof dat je al even goed Maleisch spreekt, als ik, maat, en ik +spreek het als een Zeeuwsche boer. Wacht maar, ik zal wel zeggen, wat we +willen." + +Dolf ging hierop naar den Serbietter en klopte hem op den schouder. De +man zag om en Dolf wenkte hem naar den waterkant te volgen. Hierop stak +hij de handen in het water en schudde van neen. Daarop stak hij +andermaal de handen in het water, doch trok ze er schielijk uit en deed, +alsof hij zich gebrand had. Toen knikte hij van ja en wees op de kruiken +en in de richting waarin die bron moest liggen. + +De Serbietter scheen hem te begrijpen, doch op de kruiken, wijzend en +deze tellend, stak hij tweemaal beide handen op en schudde het hoofd. + +Dolf wees toen op hem en stak vijf vingers op. + +De Serbietter scheen zoo dom niet te zijn, als hij er uit zag, want hij +liep naar de naaste huizen en kwam weldra met nog drie man terug. De man +stak, ten bewijze dat hij Dolf goed begrepen had, ook de handen in het +water, trok een afschuwelijk leelijk gezicht en schreeuwde +allerakeligst: "Au! Au!" Daarop wees hij naar de kruiken en vervolgens +naar het bosch, dat achter Lamahal lag. + +Dolf knikte hem toe en toen staken de vier mannen een' langen stok door +de ooren van de tien kruiken en daarna een' anderen stok door de ooren +der overige tien. De uiteinden der stokken werden op de schouders gelegd +en daarop zett'en ze het op zoo'n aardig sukkeldrafje, dat Meester +Pruymius, Dirk en Hoepel genoodzaakt waren mede te draven. + +Schuddend van het lachen zagen de achterblijvers de dravende zeven +mannen na. + +In het begin ging de tocht vrij voorspoedig, doch het duurde niet lang +of ze kwamen op een' steenachtigen bodem waar het loopen minder goed +ging voor onze drie Hollanders, die lage zeemansschoenen aan hadden. Op +het schip zijn die voor alle bewegingen zeer gemakkelijk, doch om er +mede langs scherp gepunte steenen te loopen, zijn de zolen wel wat dun. +De Serbietters liepen blootsvoets en stonden daardoor veel vaster. Nog +nimmer hadden ze kousen of schoenen aan de voeten gehad en daardoor was +de huid onder de voeten harder geworden dan het beste gelooide leder +van paarden en ossen. De voeten zelve waren ook veel beter gevormd dan +die der Europeanen, die al te dikwijls misvormd waren door het dragen +van schoeisel, dat veel te nauw was, omdat breede voeten zoo leelijk +stonden. Men gelooft dat, jammer genoeg, nog al te veel, en duizenden +beschaafde Europeanen loopen met misvormde voeten. Ten laatste werd +Meester Pruymius zóó moede, dat hij bijna niet meer voort kon. Maar hoe +het dien wilden aan het verstand te brengen, dat ze zoo hard niet loopen +moesten? Hij zag daartoe geen' kans, en nadat hij te vergeefs alle +pogingen aangewend had om hen langzamer te laten loopen, dacht hij ten +laatste: "Die luî verstaan me toch niet; ik zal hen maar laten +begaan." + +Ongemerkt kwamen de vier Serbietters daardoor een heel eind vooruit en +het duurde niet lang of, bij eene kromming van het ruwe pad, waren ze +uit het gezicht verdwenen en toen de drie Hollanders bij dezelfde +kromming aangekomen waren, zagen ze, dat het pad zich in drieën +splitste. + +"Welk pad, Meester?" vroeg Dirk. + +"Links, rechts of rechtuit?" vroeg Hoepel. + +Meester Pruymius stampvoette van kwaadheid en zeide: "Die vier schelmen +zijn met onze kruiken op den loop. Er zit niets anders op dan terug te +keeren." + +"Maar eer we dat heele eind nu alweer terugloopen, wil ik eerst toch wel +eens even uitblazen," zeide Hoepel en zette zich op een' omgevallen, +hollen boom neder. + +De andere twee meenden juist dat voorbeeld te volgen toen Hoepel opeens +van den boom sprong en op de vlucht ging, achtervolgd door een' zwerm +bijen op wier nest hij was gaan zitten. Ook Dirk en Meester Pruymius +gingen aan den haal en alle drie kwamen ze, met wonden overdekt en +zonder kruiken, bij de boot aan. + +De bijen achtervolgden hare zoogenaamde vijanden niet verder; want +zoodra men in de boot gesprongen en van wal gestoken was, keerden de +diertjes terug. Haar instinct waarschuwde genoeg voor de gevaren, die +haar boven het water dreigden. + +Zoodra ze zagen dat de bijen aftrokken, was Dolfs eerste vraag: "En de +kruiken?" + +"Breng me naar de Admiraals dan vraag ik hun of ze dit eiland willen +platschieten!" schreeuwde de barbier. + +Dolf en de anderen lachten. + +"Lacht niet, kerels! Lacht niet! Die lummels, die dieven en afzetters, +die zakkenrollers en straatroovers, ze hebben mij bestolen, mij, Meester +Pruymius, scheepsbarbier bij de Oost-Indische Compagnie! Bestolen voor +twintig spik-splinternieuwe stoopskruiken. Naar het Admiraalsschip, +Stuurman! Naar het Admiraalsschip!" + +"Ge begrijpt toch, Meester, dat ik zóó dwaas niet zijn zal," +antwoordde Dolf. "Als gij u te beklagen hebt over de behandeling der +Serbietters, dan dient ge zulks bij onzen Kapitein te doen, en deze zal +dan wel weten of het noodig is, dat voor twintig voddige kruiken een +heel eiland verwoest moet worden. Komtaan, jongens, rechtuit naar de +"Koning van Polen", en flink voortgeroerd ook; want de zon gaat +onder!" + +De vier mannen sloegen de riemen in het water en bekommerden zich weinig +om het geraas en getier van Meester Pruymius, die als een dolle tekeer +ging. + +Men was evenwel nog heel dicht onder den wal toen men van den kant van +het bosch geschreeuw vernam. Dolf keek om en zeide: "Ik geloof zoo waar, +dat ge u zonder redenen boos gemaakt hebt en dat de vier zoogenaamde +dieven ginder met hunne vracht komen aanloopen." + +"Ja, ja, dat zijn ze! Dat zijn ze!" riep de barbier, die nu weer +uitgelaten van blijdschap was, dat hij zijne kruiken terug zou hebben en +misschien wel gevuld bovendien. Men roeide naar den wal terug en spoedig +kwamen de vier dragers, uitgeput van vermoeidheid, bij de boot en gaven +de volle kruiken over. Ze waren nog zóó warm, dat men ze zonder doeken +niet kon aanpakken. Uit dankbaarheid gaf de barbier ieder hunner een' +tinnen lepel en hiermede waren de mannen zóó tevreden, dat ze van pure +pret begonnen te dansen, welk voorbeeld Meester Pruymius heel graag had +willen volgen, nu hij op zulk eene goedkoope en gemakkelijke manier aan +die groote hoeveelheid wonderwater gekomen was. + +"Zoudt ge," dus begon Dolf toen ze allen met de kruiken in de boot +waren, "nu eerst dat wonderwater maar niet op jezelven toepassen, +Meester? Helpt dat middel tegen wonden, dan helpt het ook wel tegen de +bulten, die de angels der bijen u bezorgden." + +"Hoe dom daaraan niet te denken," riep de barbier. "Zeker, ik doe het +dadelijk." + +Hij haalde nu uit een lederen kokertje, dat hij steeds bij zich droeg, +een strookje verbandlinnen, bette dat in het water, liet het boven de +kruik afkoelen en begon er toen de bulten mede te wasschen. Hij zeide +dat hij er soulaas, dat is baat, bij had en begon nu de bulten der +andere twee ook te wasschen met hetzelfde gunstige gevolg. Geen wonder, +dat de man boven de wolken van blijdschap was en verklaarde, dat hij, +als ze weer in Batavia waren, den Gouverneur-Generaal het voorstel zou +doen om eene heele scheepslading van dit water te halen en dan te zorgen +dat iedere scheepsbarbier bij elke reis, vooral als er kans was, dat er +gewonden kwamen, eene flinke hoeveelheid mede kreeg. Naar hem moest dat +wonderwater dan heeten "Aqua Prumii". + +Na de wassching met dat water zette men zich aan de riemen en roeide zoo +snel men kon om niet door de duisternis overvallen te worden, naar het +schip terug, waar onze brave barbier, die zoo vol zorg voor het welzijn +der schepelingen was, den kostelijken voorraad dadelijk in zijne hut +borg. Ja, hij ging zelfs zoo ver, dat hij Dirk' een dukaat beloofde, als +hij hem eens eene kleine wonde mocht maken om dan het genoegen te +hebben, de deugdzaamheid van het wonderwater ook in dit opzicht op hem +toe te passen. + +Natuurlijk bedankte Dirk daarvoor, zoodat Meester Pruymius niets +overbleef dan de kruiken goed te kurken en met natte blazen te +overdekken. + +Het spreekt vanzelf, dat men het op het voorschip dien avond over de +kleine gebeurtenissen van den dag had. Als er niets bijzonders voorvalt, +grijpt men dikwijls het minste aan om toch maar stof tot praten te +hebben. Al heel spoedig kregen Meester Troost der Armen, Hoepel en Dirk +van allen, op één' na, de volle laag over hunne lafhartigheid om voor +zulke kleine diertjes, als de bijen zijn, op den loop te gaan. Ja, +Kreeft ging zoover met te zeggen: "Hij is geen knip voor den neus waard, +die dat doet. Wat zeg gij, Ouwe Joost?" + +Joost, die tot nu maar altijd gezwegen had, keek even op en vroeg zoo +leuk mogelijk: "Wel?" + +"Ik zeg dat ieder, die voor bijen aan den haal gaat, geen' knip voor +den neus waard is," hernam Kreeft. "En nu vraag ik jou of ik gelijk heb +of niet!" + +"En als je dan niet eens gelijk hebt, ben jij dan wèl een' knip +voor den neus waard?" + +Kreeft keek den ouden zeerob eens aan en zei toen lachend: + +"Als Ouwe Joost mij één' flink man weet aan te wijzen, die voor +bijen of andere dergelijke diertjes op den loop ging, dan zal ik de +eerste zijn, die een Makassaar, man tegen man, te woord staat." + +"Aangenomen! Aangenomen!" klonk het thans van verscheidene kanten. +"En als Ouwe Joost het niet kan, dan zal hij de man zijn, die dat het +eerst doet." + +"Jelui praat als een hoop gekken," hervatte Joost. "Wie het eerst een +Makassaar man tegen man te woord zal staan, hangt niet van ons, maar in +de eerste plaats van de Bevelhebbers der vloot en dan van onzen Kapitein +af. Maar, evengoed, alsof het eene weddenschap gold, zal ik jelui man en +paard noemen. Wie uwer heeft nooit gehoord van Willem IJsbrantsz. +Bontekoe?" + +Willem IJsbrantsz. Bontekoe, wie zou van dien man nooit gehoord hebben? +Was er een matroos, die lezen kon, dan had hij "Journaal ofte +Gedenkweerdige Beschrijvinge van de Oost-Indische Reyse van Willem +IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn", gelezen, ja, de lotgevallen van dien +man waren reeds zóó algemeen bekend dat de uitdrukking: "Een reisje van +Bontekoe", als men eene ongelukkige reis gemaakt had, terstond door +ieder begrepen was. Dat boekje was onder het scheepsvolk hetzelfde, wat +later Robinson Crusoe voor de jongens werd. Het werd gelezen en nog eens +gelezen. Maar, men las toen ook al, zooals velen nu nog doen, zóó dat +men vergat, wat men gelezen had. Eene vertelling, vooral als Oude Joost +die deed, bleef veel vaster in het geheugen. + +Het algemeene geroep was dus: "Ja, ja, Bontekoe kennen we!" terwijl +enkele lezers van dat boek er zelfs bijvoegden: "Maar die ging toch niet +voor bijen op den loop?" + +"Neen, niet voor bijen," zeide Joost, "maar toen onze ongeluks-vogel +van een' Kapitein eindelijk op de thuisreis was, landde hij op het +eiland Madagascar. Hij en zijn volk werden door de inwoners zeer +vriendelijk ontvangen, doch op Bontekoe's vraag, of ze ook rijst te +koop hadden, liet de Koning antwoorden, dat ze geen rijst konden missen, +omdat de heele oogst door de sprinkhanen zoo goed als vernietigd was." + +Garrit en Dirk lachten, en de laatste zei: "Och kom, sprinkhanen! Hoe +zouden die kleine beestjes den heelen oogst kunnen vernietigen? Dat is +toch immers niet waar?" + +"Jelui kent geene andere dan die kleine, grauwe sprinkhaantjes, die bij +ons te lande door het gras hippen. Dat zijn geene sprinkhanen en die +onschuldige, vlugge diertjes doen zooveel kwaad niet. Maar de echte +sprinkhanen, wel een' mansduim lang en bijna even dik, wij noemden ze +thuis "koolhazen", dat zijn wat schadelijke beesten. Die aan de Kaap en +in heel Zuid-Afrika zijn nog grooter en komen soms bij duizenden en nog +eens duizenden aanvliegen. Dan kan het op klaarlichten dag zoo donker +worden, als midden in den nacht. Waar die dieren neerstrijken, daar +wordt, al wat blad of gras is, kaal gegeten. En voor zulk een' zwerm +sprinkhanen ging dezelfde Bontekoe, die voor de grootste gevaren niet +terug gedeinsd was, op de vlucht. Ze vlogen hem op het lijf, zoo +schrijft hij zelf, zoo dik, dat hij geen' adem halen kon. Toen hij +eindelijk bij den Koning van dat land kwam, die hem voor zijne hut zat +af te wachten, begon de Koning hartelijk te lachen en een' sprinkhaan +vangende, at hij hem levend op!" + +"Bah! Wat een kost!" klonk het van verscheidene kanten. + +"Maar Ouwe Joost heeft het verloren ook," riep Kreeft. "Ik heb gezegd +"bijen of andere dergelijke diertjes"; en wie heeft nu ooit bijen +gezien zoo groot als heele mansduimen?" + +"Zoo, Kreeftje," sprak Joost, "zoo; maar ik heb liever met tien +sprinkhanen dan met ééne bij te doen. Eene bij kan venijnig steken, en +een sprinkhaan is zoo goed als weerloos. Maar, het komt er niet op aan, +hoor! Als ge meent, dat ik het verloren heb, dan neem ik van ganscher +harte, en altijd met goedvinden van den Kapitein, den eersten Makassaar, +man tegen man, voor mijne rekening." + +"Als ge dat meent, dan zult ge al heel spoedig aan den slag kunnen gaan, +want we gaan er nu rechtstreeks heen. Op het Admiraalsschip wordt het +sein van vertrek gegeven! Komtaan, jongens aan den slag!" Dus sprak +Henri Quatre, die het gezelschap ongemerkt genaderd was en het laatste +gedeelte van het gesprek verstaan had. Spoedig waren de ankers gelicht +en onder een' heerlijken sterrenhemel en een' goeden wind werd de tocht +aangevangen. + +Zoodra alles op orde was en dat deel van het scheeps-volk, hetwelk +geene wacht had, ter kooi zou gaan, zei Joost: "Hoor eens, mannen! Het +is wellicht de laatste maal, dat we allen zoo rustig bij elkander zijn. +Wat de dagen, die komen, geven zullen, de Heere weet het; wij weten het +niet. Laten we daarom te zamen nog eens een stichtelijk lied zingen." + +"Dat is goed, Joost," zei Kreeft, "maar je haalt je toch geene +muizenissen in het hoofd?" + +"Muizenissen, neen, dat niet, maar als men tegen een volkje als de +Makassaren optrekt, dan weet men wel, dat men er heengaat, doch het +wederkeeren is eene groote vraag. Ik verzeker je, het zal er geducht +spannen! En daarom jongens, komtaan, het tiende vers van den +achtenzestigsten psalm!" + +Hij zette zelf dadelijk in en niet één onder de mannen was er, of hij +zong niet mede. + +Het was een aangrijpend schoon gezicht daar al die ruwe mannen zoo in +ernst te hooren zingen, en nog plechtiger werd het, toen van de dicht +bij zijnde schepen hetzelfde lied door velen mede gezongen werd. De +Amboinneezen wisten niet hoe zij het hadden. Alleen het Opperhoofd +mompelde angstig: "Tampik soerak!"[26] + +Kapitein Londenaar hoorde dat, en zeide hem dat dit der Christenen +avond-gebed was. Dit stelde den man wat gerust en deed hem ook met meer +aandacht naar de voortzetting van het lied luisteren. + +Onder den indruk van dit lied begaven de meesten zich ter ruste, doch +Dolf, die niet mede gezongen had, omdat hij, daar hij Roomsch was, dezen +psalm, of althans die wijs niet kende, zeide tot Henri: "Ik had niet +gedacht, dat er onder die ruwe kerels nog zooveel vrome zielen gevonden +werden." + +"Wat zal ik zeggen, mijn vriend," antwoordde Henri. "Zeevolk, vreemd +volk!" + + +VOETNOTEN. + +[22] Natuurlijk wordt met '13 het jaar 1613 bedoeld. Ook wij laten in +het dagelijksche leven dikwijls het woord achttienhonderd weg. + +[23] Tegenwoordig begint men, vooral op de Schotsche kusten den haring +reeds in Mei te vangen, doch in vroegere jaren bestond er eene bepaling +waaraan de haringvisschers van alle landen de hand hielden, en die tot +lang in deze eeuw stand hield, dat men geen haring mocht vangen vóór den +25sten Juni en na den 1sten Januari. Men deed dit om deze visschen niet +uit te roeien. Wanneer ge nu weet, dat men den 24sten Juni in de R. K. +kerk het feest van Sint-Jan viert, dan begrijpt ge wel, dat de +uitdrukking: "haring vóór St.-Jan roepen", zooveel beteekent als +"voor zijne beurt spreken." Een ander spreekwoord: "schreeuwen +vóór men geslagen wordt" beduidt ongeveer hetzelfde. + +[24] Het doet me werkelijk genoegen hier eene fout te herstellen, die ik +in de beide vorige drukken van dit verhaal beging. Ik stelde daarin de +Amboineezen als lafaards voor, of althans als mannen, die in het geheel +niet te vertrouwen waren. Zij, die in de Oost en met onze troepen daar +bekend zijn, lichtten mij beter in. De Amboineezen zijn uitnemende +soldaten, trouw, dapper en volhardend. De Regeering erkende dat ook en +waar de Javaansche en Boegineesche soldaten altijd blootsvoets loopen, +als bijna alle Javanen uit de mindere klassen, daar mogen de +Amboineesche of Ambonneesche soldaten, ter onderscheiding van al de +anderen, schoenen dragen. Ze zijn er dan ook niet weinig trotsch op. + +Dat ik die fout begaan kon, was wel wat dom, want het is algemeen +bekend, dat de Ambonneesche soldaten dapper en volhardend zijn. Maar om +dit verhaal te schrijven raadpleegde ik zeer veel boeken en in een dezer +vond ik, -- het was de bekende Kapitein Schouten, die dit schreef: -- +"Zij waren van schrik beklemd wanneer zij Makassar hoorden noemen. Wij +hadden eene compagnie van zulke helden op ons schip, waarvan de Kapitein +te voren menigmaal gezwetst had, dat hij voorgenomen had geen +pekelvleesch te nuttigen, voor hij van zijne bittere vijanden oogen en +hersenen, over het vuur gebraden, gegeten had. Maar deze kloeke +oorlogsheld nu ziende, dat het waarlijk op Makassar was gemunt, bezweek +van schrik en toonde zich met al zijne helden uitnemend verslagen, niet +anders denkende, dan dat zij gewis ter slachtbank van de wreede +Makkassaren herwaarts waren gevoerd." + +Of Kapitein Schouten, wiens werken nog veel geraadpleegd worden, zich +vergist heeft of, wat toch wel vreemd zou zijn, dat hij niets dan +lafhartige Ambonneezen aan boord had, dat weet ik niet. Wel las ik in +een werk van Gerlach, een' man van onzen tijd, dat in 1853 bij de +bestorming van het fort Laäla op Klein-Ceram, 1700 Amboineezen +sneuvelden. Dit klinkt heel wat anders dan ze als lafaards voor te +stellen. + +[25] Een stoop was eene ouderwetsche vochtmaat, die omstreeks 2½ Liter +inhoud had. + +[26] =Tampik soerak= beteekent krijgsgeschreeuw en het ouderwetsche +zingen, zelfs in de kerk, geleek vaak meer op geschreeuw dan op gezang, +en het zeevolk vooral hield van "draaien" bij het zingen. + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +Eene Joffer om een' Barbier. + + +De vloot, vier en dertig zeilen sterk, vertrok den achtentwintigsten Mei +van de eilandjes, die het Koninkrijkje Solor vormden, en zette koers +naar het Noordwesten. De tocht moest evenwel met alle omzichtigheid +plaats hebben, want in de nabijheid dezer eilanden zijn zeer veel blinde +klippen, en het was er in dien tijd nog verre af, dat zelfs geleerde +vreemdelingen onze zeekaarten prijzen konden. De meeste schippers +zeilden met geteekende kaarten en moesten die aan het einde der reis +weder terug geven. Men liet ze niet drukken uit vrees, dat andere +volkeren dan ook van deze kaarten zouden gebruik maken en gemakkelijk in +onze Koloniën komen.[27] + +De vloot kwam echter gelukkig buiten de gevaarlijke zeeëngte en door +een' voorspoedigen wind geholpen, had men weldra het Saleyer-eiland, of +zooals het nu op de kaarten heet, Silajara, ten Zuiden van Celebes, en +niet zoo heel ver van het Rijk van Makassar, bereikt. + +Er woei een flinke doorstaande oostenwind, zoodat de vaart vrij snel +ging. Vrij snel echter en ook niet meer. Bij de heele vloot was slechts +één schip, dat niets anders was dan een oorlogsschip. Het was de +"Mars" en de Bevelhebber van Dam was hier aanboord. De andere schepen +waren niet veel anders dan Oostindie-vaarders, die als oorlogsschepen +moesten dienst doen. Dat kon ook wel, want de onveiligheid niet alleen +in de Indische wateren, maar ook door onze voortdurende oorlogen met +Spanje, Portugal, Engeland, Zweden en Denemarken, op den Atlantischen +Oceaan en in de Europeesche wateren, was zóó groot, dat elke +Oostindie-vaarder zeer veel volk aanboord medenam, en ook zorgde +kanonnen, geweren, kogels en kruit te hebben om zich te kunnen +verdedigen, als men aangevallen werd. Zulk een Oostindie-vaarder was dus +meestal heel wat mans, maar toch had hij veel tegen. Men had die schepen +gewoonlijk al te zeer gebouwd met het oog op eene groote laadruimte, en +daardoor hadden ze inplaats van een' ranken, een' loggen vorm. Zóó +scherp bij den wind zeilen, dat de boeg het water, als het ware sneed, +was niet mogelijk. De boeg was er veel te breed voor en moest dus het +water wegduwen, waardoor zeer veel kracht van den wind verloren ging. +Dezelfde logge vorm was ook oorzaak, dat het schip zich niet gemakkelijk +wenden kon; het was traag in elke beweging en dat was in een zeegevecht +of bij een' aanval op kust-sterkten niet weinig in het nadeel. + +Niettegenstaande de wind goed was en flink doorstond, had men aanboord +tijd genoeg om alles, wat men zag, goed op te nemen. Vooral had het volk +er veel schik in, dat er nu en dan een vliegende visch zich zien liet, +en enkele malen was het ook gelukt er een te vangen. + +Terwijl Dirk en Garrit zoo naar vliegende visschen stonden uit te +kijken, riep Garrit opeens en wees naar eene plek niet verre van hem +af: "Kijk eens, Dirk, wat al visschen! Gauw, roep Ouwe Joost eens, dan +kan die ons zeggen, welke visschen dat zijn." + +"Laat Ouwe Joost maar bij zijn werk," zeide de barbier, die daar in de +nabijheid was, "dat kan ik ook wel zeggen. Dat zijn tonynen en boniten! +Die visschen schijnen van gezelligheid te houden, want even als de +haringen zwemmen ze in groote scholen. Of ze onder mekaêr wel eens ruzie +hebben, dat zou ik niet kunnen zeggen, maar dat ze wel eens krijgertje +met mekaêr spelen, dat zie je, want een heel troepje springt zoo nu en +dan boven het water uit." + +"Maar wat is dat toch, Meester?" vroeg Dirk en hij wees op eenigen +afstand naar een paar dingen, die boven het water uitstaken en +voortdreven. "Het gelijken wel plankjes op den kant." + +"Rare plankjes, jongen," antwoordde de barbier lachend, "je zoudt er +niet heel veel van timmeren, als je er bij waart." + +"Wat zijn het dan?" + +"Dat zijn de rugvinnen van haaien, mijn jongen! Boven water zie je hun +lijf maar zelden, doch ze komen toch zóó dicht bij de oppervlakte, dat +de scherpe rugvin er boven uitsteekt. Er is daar een aardig troepje van +die vreeselijke dieren bij mekaêr. Ze hopen zeker op een' storm, die een +schip doet vergaan, dan hebben ze alweer wat te eten." + +"En dat daar, Meester," riep Garrit, die nu weer in eene andere +richting wees, "dat is net als eene fontein!" + +"Eene fontein is het toch niet, vriendje! Het is een walvisch!" + +"Och kom, Meester, de walvisschen leven immers in de Noordelijke +zeeën," merkte Garrit aan. "Je moet ons niet wat wijs maken!" + +"Ik maak je niets wijs, Garrit! Het zijn werkelijk walvisschen, en wie +je verteld heeft, dat die dieren alleen in de Noordelijke zeeën leven, +die weet er niets van. Ze leven in de Zuidelijke zeeën ook en in heele +scholen trekken ze soms den Atlantischen of den Stillen Oceaan door, om +uit de Noordelijke in de Zuidelijke IJszee te komen. Op dien tocht maken +ze bitter weinig haast en inplaats van rechtuit, rechtaan te zwemmen, +doen ze precies als de honden op de straat, en zijn nu hier dan daar. +Hier in de Moluksche zeeën komen ze veel voor, en het is eene bijzondere +soort, bekend onder den naam van potvisschen." + +Het fluitje van den bootsman, dat nu op het oogenblik klonk, maakte aan +het gesprek een einde, want alle man werd het want ingestuurd om zoo +vlug, als het maar kon, alle razeilen te bergen. Men zag dat op al de +andere schepen ook doen en nauwelijks nog waren al die zeilen in de +lijken geslagen, of de vloot werd overvallen door een' hevigen +noordoostenwind. + +"Hoe vreemd is dat nu," zeide Dolf tot Kapitein Londenaar. + +"Niet zoo heel vreemd, mijn vriend! Dat gebeurt in de Moluksche zeeën +maar al te vaak. Op zijne tellen passen is hier zaak." + +"Hoe komt dat zoo?" + +"Ja, men vermoedt dat dit de oorzaak is. In de binnenlanden van het +Makassaarsche Rijk moeten hooge gebergten zijn. Op die bergen nu heeft +eene sterke warmte-uitstraling plaats, die eene verkoeling teweeg brengt +op de lucht, die op deze bergen rust. Die afgekoelde lucht nu wordt +zwaarder dan de onderste, die warm is en daalt snel naar beneden. Gij +zijt geleerder dan ik en zult dus wel weten, dat wind niets anders is +dan eene verplaatsing van warme en koude lucht. Doch stil, ik word +aanboord van de "Mars" geseind. Er zal zeker algemeene scheepsraad +gehouden moeten worden." + +Henri Quatre werd nu gelast eene boot neer te laten en die te bemannen, +waarna hij Kapitein Londenaar naar het zoogenaamde Admiraalsschip +bracht, waar weldra de heele krijgsraad vergaderd was. In het eerst ging +het er in dien raad niet zeer ordelijk toe, wat misschien wel een gevolg +mocht heeten van den onverstandigen maatregel, dien men genomen had om +twee personen, beiden met hetzelfde gezag bekleed, aan het hoofd der +scheepsmacht te plaatsen. Gelukkig waren van Dam en Truytman nog al +inschikkelijk ten opzichte van elkander, en duurde het niet lang of de +beraadslagingen geschiedden in orde, en de besluiten werden zonder veel +geharrewar geregeld genomen. + +Nadat men alzoo het plan voor den aanval op de stad, de versterking van +Makassar en de Portugeesche vloot ontworpen had, werd er ten slotte nog +besloten, dat de beide Admiraals met de schepen de "Breukelen" en de +"Mars" vooruit zouden stevenen om te trachten den Koning van Makassar +met vriendelijke woorden over te halen voortaan der Compagnie terwille +te zijn. + +"Dan weet ik toch wel, wat het einde van het lied zal zijn," sprak +Kapitein Londenaar. + +"Wat dan, Kapitein?" vroeg Admiraal Truytman. + +"Wel, als ze dan de heele vloot daarginder ook in het gezicht krijgen, +dan laat de Koning u bij zich aan het Hof roepen; hij overlaadt u met +geschenken, bewijst allerlei beleefdheden en doet duizend beloften, de +eene al fraaier dan de andere. Hij, die complotten smeedt met den +Soesoehoenan van Java om al de Nederlanders uit den heelen Archipel te +verdrijven, is een slimme vogel, die meer met list dan met krijgsgeweld +gedaan krijgt." + +"Wij weten, Kapitein," dus begon nu Johan van Dam, "dat die Sultan of +Koning van Makasser dat verraderlijk plan koestert en er zelfs heel veel +verwachting van heeft. Was den Gouverneur-Generaal dat plan niet bekend +geworden, dan zouden wij hier niet met zulk eene groote vloot zijn om +dat rumoerige en valsche heerschap eens goed op zijn nummer te zetten. U +begrijpt dus wel, dat wij ons door hem geene knollen voor citroenen in +de handen zullen laten stoppen. Bovendien, als Landvoogd van Amboina, +waar ik lang genoeg geweest ben, geloof ik, dat ik meer gelegenheid had +om achter de schermen te kijken, dan een zeeman, die hier tamelijk +vreemd in deze streken is." + +Niet uit het veld geslagen door den hoogen toon, dien van Dam aansloeg, +zeide nu IJzeren Neptunus kalm: "Heer van Dam houde het mij ten goede, +dat ik nog eens het woord neem. Ik verdenk u niet van domheid, maar ik +meen zoo, dat de knapste kop van de wereld niet instaat zou zijn om uit +te maken of het "ja" van den Koning gemeend of niet gemeend is, als hij +dat woord uitspreekt in het gezicht van eene vloot van vierendertig +schepen." + +"Hierin moet ik Kapitein Londenaar gelijk geven," zeide een der andere +Scheepskapiteins. + +"En wat zoudt gij dan meenen, dat er gedaan moet worden, Kapitein +Londenaar?" vroeg Admiraal Truytman, die wel een weinig korzelig was, +dat een der beste Scheepskapiteins zoo uit de hoogte neergezet was +geworden. "Ik hecht heel veel waarde aan uw' raad, want ik weet, dat +gij een praktisch en moedig man zijt. Wij kennen den IJzeren +Neptunus." + +"Als ik een' raad geven mag, dan zal het deze zijn: Heer Johan van Dam +als Landvoogd van Amboina, en Heer Truytman als Admiraal der +Oost-Indische Compagnie zeilen vooruit met twee of drie schepen, en...." + +"Is het dan Kapitein Londenaar in het hoofd geslagen?" riep een jong +Kapitein uit, die de Gezagvoerder van de fluit "Edam" was. "Dat is +immers al aangenomen? Ik dacht niet dat de gewezen Stuurman van de +"Leerdam" aan het suffen was. Het blijkt evenwel dat dit toch het geval +is, anders zou hij niet zoo onbeholpen uit den hoek komen." + +IJzeren Neptunus keek den jongen man aan en zeide zoo bedaard mogelijk: +"Zoolang de Kapitein van de fluit "Edam" zich nog op de zeekaarten +den weg moet laten wijzen door zijn' Tweeden Stuurman, zoolang moest +dezelfde Kapitein in een' krijgsraad het niet wagen om een' gewezen +Eersten Stuurman op hoogen toon de les te lezen, en moest hij tenminste +zooveel weten, dat hij het woord niet neemt vóór een ander uitgesproken +is." Hierop wendde Kapitein Londenaar zich tot de twee Bevelhebbers en +zeide: "En als u dan met uwe schepen vooruitzeilt, dan kiezen wij zee, +om uit het gezicht van den vijand te zijn." + +"En zorgen vooraf dat er nu al geene verklikkers vooruitgaan om den +Koning te vertellen, dat we hem foppen," zei Truytman en wees door een +raam van de kajuit, waarin de raad gehouden werd, naar buiten. + +"Dat zijn twee Chineesche jonken! Zij hebben ons gezien en houden nu met +alle macht van de vloot af. Wij moeten jacht maken op die schelmen," +sprak van Dam. + +"Dat wordt al gedaan, zie ik," zeide de Kapitein van de "Breukelen" +en wees op eenige zeilbooten, die de zware jonken met vlugheid nazaten. + +"Het is de vraag of men ze nog krijgen zal," meende van Dam. "De +Chineezen zijn wakker zoowel op het land als op het water." + +"In alle gevallen wordt op het oogenblik het beste gedaan, wat er gedaan +kan worden," zeide Truytman. "Halen de onzen de jonken in, dan zullen +ze die schelmsche Chineezen wel meevoeren. Halen zij ze niet in, welnu, +dan in vredesnaam. Maar om op het voorstel van Kapitein Londenaar terug +te komen, mij dunkt, dat is zoo kwaad niet bedacht." + +"Zoo kan alleen een held als Admiraal Truytman spreken," zeide nu de +jonge Kapitein van de "Edam" met vleiende stem. "Maar ik ben er +tegen, en ik zal duidelijk maken waarom. Terwijl wij in zee zijn, slaan +ze u en al de onzen dood en maken de schepen prijs." + +"U schijnt al heel weinig ondervinding te hebben van Makassaarsche +zaken, Kapitein," antwoordde Truytman, die een veel te flink zeeman was +om het niet onaangenaam te vinden, dat dit jonge kereltje, die door +gunst van een' der Heeren Bewindhebbers Kapitein van eene fluit geworden +was op een' leeftijd, dat een ander nauwelijks voor derden stuurman +vaart kon krijgen, nu hier in den krijgsraad eene borst zette, alsof hij +wijsheid en moed in pacht had. En daarom vervolgde hij snijdend scherp, +ja, beleedigend: "U voegt het in deze zaak alleen te hooren en dan te +doen, wat er besloten is, want raad geven kunt gij niet, daar ge nog +nimmer in deze streken geweest zijt. Het is volkomen waar, wat Kapitein +Londenaar zeide, dat de Koning van Makassar een uitgeslapen slimmerd is, +die de huik heel aardig naar den wind weet te hangen. Hij weet zeer goed +dat de tijd voor hem nog niet gekomen is om handelend tegen de Compagnie +op te treden, en dat hij, door ons aan te vallen, zijn heele plan in +duigen werpen zou. Wat u dus daar zegt, dat hij die twee schepen nemen +en de onzen dooden zal, raakt kant noch wal. Zijne heele kracht en al +zijne macht zitten in zijne slimheid. Ik weet zeker dat er voor ons geen +gevaar bestaat. Ja, al toonden wij terstond onze tanden en gingen +gewapenderhand te werk, dan nog zou er voor ons leven in de eerste dagen +geen gevaar bestaan. Ik stel dus voor dat wij, Heer Johan van Dam, als +Landvoogd van Amboina, en ik, als Admiraal der Compagnie, met de "Mars" +en de "Breukelen" vooruitzeilen om te beproeven, wat we gedaan kunnen +krijgen. De andere tweeëndertig zeilen kiezen zee, doch zorgen over twee +dagen, geheel slagvaardig bij het eiland Tanah-kéké[28] te liggen. Wij +komen dan zelven daar bericht van ons wedervaren brengen, of sturen eene +boodschap. Wie heeft hierin nog wat te zeggen?" + +Niemand antwoordde. + +"Welnu," sprak toen Heer van Dam, "wij zullen het dan als eene +aangenomen zaak beschouwen. Maar nu kom ik ook nog met een verzoek. De +"Mars" waarop onze Admiraals-vlag waait, is een oorlogs-jacht en wél +bewapend, dat is zoo. Ik zal het niet tegenspreken. Maar ik wilde toch, +ziet ge, ik wilde...." + +Heer van Dam viel in eene gemaakte hoestbui en al de anderen zagen +elkander lachend aan. + +"Als u soms meent dat twee schepen toch te weinig zijn, Heer van Dam, +dan kunnen we nog altijd ons besluit intrekken en een ander nemen," +sprak nu Truytman, die meende dat van Dam twee schepen toch wel wat +weinig vond, maar aarzelde om dat te zeggen, omdat men dan mogelijk aan +zijn' moed zou twijfelen. + +Dat woord scheen te helpen. + +"U verstaat mij verkeerd, of liever, ge legt mijn stotteren verkeerd +uit, Admiraal!" zeide nu van Dam. "Zie, ik ben wel lang op Amboina en +heel lang uit Nederland geweest, maar de warmte van de Indische zon +heeft er daarom den Hollandschen moed nog niet uitgebraden, en ik beloof +u dat ik, als we van leer trekken, toonen zal dat van Dam wel groote +woorden spreekt, maar ook groote daden verricht." + +Truytman bloosde en antwoordde verlegen: "Ik verdenk u niet van +lafhartigheid, goede vriend! Maar uwe zonderlinge rede deed me denken, +dat er iets in het besluit tegen uw' zin was. Ik bid u daarom, als ge +wat op het gemoed hebt, dat ge dan vrij spreekt, en wat ge ook +voorstellen moogt, niet één onzer zal u ook maar een enkel oogenblik van +lafhartigheid verdenken. Ik bidde u, spreekt dus." + +"Welnu, ik ben begonnen met A te zeggen, ik zal voortgaan tot Z. Eenigen +tijd geleden is Heer Simon Cos, Landvoogd van Ternate gestorven." + +"Dat weet ik," zeide Truytman. "Hij stierf te midden van het hoogste +geluk; want hij was nog jong en pas geleden gehuwd met het liefste en +mooiste vrouwtje, dat ik ooit gekend heb. Het leven is als eene bloeme +des velds overal, maar hier in de Oost met die verraderlijke +ingewandsziekten en dikwerf ook nog vele andere, is dat nog veel meer +het geval. Heer Simon Cos was al heel schielijk uit zijn' tijd. Maar +Heer van Dam houde het mij ten goede, dat ik hem eerlijk verklaar, dat +ik niet weet, wat de schoone weduwe Cos met de Makassaarsche zaken te +maken heeft." + +"U zal dat weten, Admiraal, en de andere Heeren zullen het nu ook +weten," zeide van Dam, "want eigenlijk valt de zaak toch moeielijk om +nog langer geheim gehouden te worden. De jonge weduwe van vriend Cos +kwam op Amboina aan, Heeren! Ik leerde haar daar kennen, en ...." + +Hier hield hij weer een oogenblik op, alsof hij verlegen was met de zaak +voort te gaan. + +"U maakt ons nieuwsgierig, Heer Landvoogd," sprak een Kapitein. +"Hoe is het verder met haar gegaan?" + +"Het kwam ten laatste zoover, dat wij elkander trouw beloofden. Maar zoo +lang ik nog Landvoogd van Amboina ben en zoo dag aan dag in allerlei +zaken zit, kan ik aan geen huwen denken. Ik heb daarom met haar +goedvinden besloten haar naar Batavia te zenden. De Gouverneur-Generaal +is, zooals ge weet, een mijner beste vrienden, en ik stel haar onder +zijne bescherming tot mijn diensttijd als Landvoogd verstreken is. Dan +ga ik ook naar Batavia en huw haar!" + +"Goede vriend," zeide Truytman en stak van Dam de hand toe, "wees dan +langer jaren gelukkig met haar dan de arme Simon Cos was. Maar u moet +het mij niet euvel duiden, dat ik nog niet inzie, wat deze zaak met ons +besluit te maken heeft. Wees zoo goed en leg dat eens uit." + +"Dat zal ik," vervolgde van Dam. "Deze weduwe is hier op de +"Mars" aanboord en zij bewoont de hut, die anders voor mij bestemd +was geweest." + +"Ha, nu begrijp ik waarom gij u met de ellendigste hut van de "Mars" +tevreden steldet!" zeide Admiraal Truytman. "Ik wist waarlijk niet dat +de "Mars" zulk eene eêle lading in had. Nu zou u zeker voor de +"Mars" liever een ander schip nemen, om haar buiten alle mogelijke +gevaren te houden en de "Mars" dadelijk naar Batavia willen zenden!" + +"Gij raadt het niet, Admiraal," hernam van Dam. "Neen, de +"Mars" is, als het er op aankomt, het eenige schip, dat geheel ten +oorlog uitgerust is. Wij kunnen het niet missen. Maar als wij nu te +Makassar aankomen, wij, de "Mars" en de "Breukelen", en het gaat +eens niet naar wensch, alles kan gebeuren, welnu, dan moeten we kunnen +toonen, dat we bijten durven. Die vrouw nu zou ons misschien in onze +bewegingen belemmeren. En daarom heb ik nog dit voorstel te doen. De +weduwe van den Heer Cos gaat nu over aanboord van een der andere schepen +en blijft daar, ook als het later tot een gevecht komt. Bij den +hoofdaanval met vierendertig zeilen zal zij ons niet in den weg zijn; +zij is eene Hollandsche vrouw. Maar waar we het er op wagen, met twee +schepen op slimme manier ons doel te bereiken, daar kon het toch wel +eens gebeuren, dat de overmacht ons te groot werd. Zónder die vrouw zou +ik kunnen zeggen: "Liever de lucht in dan gevangen!" Of ik het ook +zeggen zou mét die vrouw aanboord, dat durf ik niet verzekeren." + +"Heer van Dam, laat de schoone weduwe aanboord van de "Edam" komen +en ik zal haar tegen tienduizend vijanden beschermen," riep de jonge +Kapitein en zette bij voorbaat een gezicht, alsof er tenminste al +vijfduizend vijanden voor hem op den loop gegaan waren. "Ik ben van +oud-adellijke afkomst, en een mijner Stamvaders, die onder Hertog +Godfried van Bouillon den Eersten Kruistocht mede maakte en na den +dapperen Hertog het eerst op de muren van Jeruzalem stond, had tot +wapenspreuk: "Trouw aan de vrouwen en het zwaard!" Hij sloeg met de +vlakke hand tegen de borst en riep nu, bijna kraaiend van dapperheid: +"En ik, zijn nazaat, heb dezelfde spreuk." + +"Zoo iets heb ik precies bij ons te Amsterdam in den schouwburg hooren +zeggen," zeide een oud Scheepskapitein zoo leuk voor zijn' neus weg. +"Ze gaven den Gijsbreght van Aemstel, en de Ridder, die voor van +Egmond speelde, zag er uit, alsof hij de heele wereld aandurfde en +zeide ook, dat kwam zoo in het stuk te pas, weet je, + + "Zoo yemant streeft na eer, ick toon hem 't rechte pad." + +Dat was heel mooi gezegd en hij sloeg op zijn borstharnas, dat ik dacht, +dat voel je man! Maar een held ben je! Dan, den volgenden dag langs +straat slenterend, zag ik dienzelfden dapperen man op den loop gaan voor +een keffend hondje! Het was grappig!" + +"Zulk een lafaard ben ik niet," riep het jonge Kapiteintje, "en je +zult zien dat...." + +"Gij voor geen honderd honden op den loop gaat? Ik mag het lijden," +zeide de oude Kapitein zonder zich om den jongen man te bekommeren. + +"Stil, stil, geen gekibbel," sprak nu van Dam en wendde zich tot den +jongen Kapitein met de woorden: "Vriendelijk dank voor uw aanbod, +Kapitein! Ik heb een ander op het oog. IJzeren Neptunus, mag ik met u +een ruiltje leggen?" + +"Met mij een ruiltje leggen, Heer van Dam? Ik begrijp u niet," sprak +Kapitein Londenaar verlegen. + +"Ik zal het u uitleggen. Gij hebt aanboord twee gewezen studenten, die +al lichtelijk wat van de medicijn-kist weten. Onze scheepsbarbier is +onderweg gestorven, en nu vraag ik u de weduwe Joffer Cos te ruilen +tegen Meester Pruymius. Wees gij haar Ridder tot de Makassaarsche zaken +aan een' kant zijn, tenminste tot het eerste gedeelte ervan afgeloopen +is. Dan kunnen wij opnieuw ruilen. Kunt ge in dien voorslag treden? +Mogelijk hebt ge vermoed, dat ik iets tegen u had, doch dit is zoo niet; +ik ben geen voorzichtig redenaar en verspreek mij wel eens. Heb ik u +evenwel beleedigd dan wil ik het openlijk goedmaken, en daarom nog eens: +Wilt ge Joffer Cos bij u aanboord nemen en als Ridder terzijde staan?" + +Kapitein Londenaar was een wakker man en zag dikwijls zeer diep. Nu +echter liet hij zich om den tuin leiden door van Dams rondborstig woord +en daarom zeide hij, en hij sprak zijne woorden zelfs eenigszins zoo, +dat de oude Scheepskapitein onwillekeurig alweer aan den tooneelheld, +van Egmond, dacht: "U zal Meester Pruymius hebben, Heer van Dam en ik +zal Joffer Cos beschermen. Een man, een man; een woord een woord."[29] + +"Dat hadt ge niet gedroomd, IJzeren Neptunus, toen ge als Stuurman met +de "Leerdam" uit het Vaderland vertrokt, dat ge op de "Koning van +Polen", hier in de wateren van Makassar, als Ridder van eene weerlooze +vrouw zoudt optreden. Het is met u gegaan naar de lijfspreuk van onzen +dichter Brederoô: "Het kan verkeeren." Nu, man, de Oost-Indische +Compagnie heeft wel Kapiteins, die met hun vieren niet tegen u alleen +opwegen," zeide Admiraal Truytman, en zich hierop tot al de aanwezigen +wendend, vervolgde hij: "En nu, mannen, gijlieden weet, wat er besloten +is. Ik weet niet of we binnen een paar dagen alweer algemeenen +krijgsraad zullen kunnen beleggen. Daarom zeg ik nu, wat ik nog op het +hart heb. Volbrengt nauwkeurig de bevelen, die u van het Admiraalsschip +gegeven worden. Spreekt allen uw volk moed in en toont ten allen tijde +en in alle gevallen, dat de Oost-Indische Compagnie misschien onervaren +Scheepskapiteins kan hebben, maar lafaards niet één! Leve de +Oost-Indische Compagnie!" + +Vol geestdrift werd dat geroep beantwoord en een half uurtje later +bevonden al de Kapiteins zich in hunne booten en lieten zich naar hunne +schepen brengen. + + +VOETNOTEN. + +[27] Toen later die geteekende kaarten, nog verbeterd, in druk kwamen, +waren deze zóó goed, dat de bekende Franschman Beautemps-Beaupré eenmaal +tegen een onzer Zee-officieren ervan zeide: "Si la Hollande n'avait +rien fait pour sa gloire, cela suffirait." Dat is: "Indien Holland +niets meer voor zijn' roem gedaan had, het zou voldoende zijn!" + +[28] Tanah-kéké of Toenah-kéké, bij verbastering ook wel Toenikik +genoemd, beteekent: Afgescheurd land. + +[29] Met "Mevrouw" sprak men in dien tijd alleen nog maar de +echtgenoote van den Gouverneur-Generaal aan. Alle andere vrouwen van +hooge ambtenaren der Compagnie heetten eenvoudig "Joffer" of +"Juffer". + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +Een slechte ruil. + + +De laatste, die van de "Mars" afvoer, was de boot van de "Koning van +Polen" en de daarin wachtende matrozen keken vreemd op toen Kapitein +Londenaar heel beleefd eene jonge vrouw van de neergelaten scheepstrap +in de boot bracht, en haar bij zich aan het roer een plaatsje gaf. + +Wat de matrozen elkander zoo al lachend in de ooren fluisterden, willen +we liever maar niet vertellen, te meer niet, omdat er onder de roeiers +toch geen enkele van onze oude kennissen was. + +Toen Kapitein Londenaar in de nabijheid van zijn schip kwam, zag hij dat +er twee jonken naast lagen en nauwelijks was hij op het dek, of Henri +Quatre trad op hem toe en zeide: "Kapitein, terwijl u den krijgsraad +bijwoonde, zagen wij twee Chineesche jonken. Ik heb toen op eigen houtje +gehandeld en ze laten nazetten." + +"Wij hebben gezien, dat het gedaan werd," sprak Londenaar. "En hoe is +het afgeloopen?" + +"Dolf is zoo gelukkig geweest, de beide jonken in te halen en op zijne +dreiging, dat ze hem te volgen hadden, of dat ze anders door de heele +vloot in den grond zouden geschoten worden, zijn ze hem gevolgd. Daar +liggen de jonken en het volk is beneden in het ruim. Heb ik goed +gedaan?" + +"Heel goed, Stuurman, heel goed! Maar op het oogenblik heb ik andere +zaken. Een paar minuten maar." + +Hij wendde zich hierop tot Joost en Kreeft en zeide: "Laat de +scheepstrap neer!" + +"Goed, Kapitein," antwoordde de oude man, maar binnensmonds mompelde +hij: "Welk een voornaam personage zullen we nu aanboord krijgen?" + +Onder aan het schip lag nog altijd de boot en daar er nog al zeeën +gingen, zoo had Joffer Cos zich het hoofd en het bovenlijf geheel met +een' mantel bedekt. Van het dek af had men dus niet gezien, dat er eene +vrouw in de boot was. + +Zoodra de scheepstrap neergelaten was, daalde Kapitein Londenaar af en +hielp Joffer Cos uit de boot op het dek. Vol verbazing zagen de mannen +haar aan en toen ook de roeiers uit de boot op het dek waren, zeide +Kapitein Londenaar: "Mannen, deze Joffer is de Bruid van Heer van Dam, +den Landvoogd van Amboina, en tegelijk een onzer Bevelhebbers. Zij zal +voor een paar dagen de gast zijn van den Kapitein en de bemanning van de +"Koning van Polen". Ik vertrouw dat ze een' goeden dunk van ons zal +medenemen!" + +"Leve de Bruid van den Landvoogd!" riep Garrit en smeet van pure +geestdrift zijne muts zóó hoog, dat de wind haar opnam en in zee woei. + +Natuurlijk werd dit welkom door heel de bemanning herhaald. Alleen Oude +Joost schudde het hoofd en bromde: "De "Koning van Polen" krijgt al +vreemde ballast in." + +Kapitein Londenaar bracht Joffer Cos naar zijne hut en verzocht haar, +het hem niet euvel te duiden, als hij haar een oogenblik alleen liet, +daar hij zaken in orde te brengen had, die geen uitstel konden velen. + +"Ga uw' gang, Kapitein! Ik ben eene gemakkelijke gast! Maar als ge lang +wegblijft, dan mag ik, als ik mij hier begin te vervelen, mij toch wel +op het dek vertoonen?" zeide Joffer Cos met een vriendelijk lachje, en +liet daarbij twee rijen hagelwitte tanden zien, waarmede ze wel wat +scheen te willen pronken. + +"Natuurlijk, Joffer! U is zoo vrij als een vogel in de lucht. Maar ik +zal zoo lang niet wegblijven," antwoordde Londenaar en verwijderde zich. + +Zoodra hij weer op het dek gekomen was, begaf hij zich naar Meester +Pruymius, die al vast bezig was pluksel te maken en verbanddoeken in +gereedheid te brengen. Geholpen door Dirk en Garrit zat hij voor een' +hoop linnen tusschen twee groote kisten en een paar bamboe-manden. Hij +zelf was gewapend met eene schaar en knipte lange reepen, waaraan Dirk +met zeilmakers-garen, omdat men geen fijner bij de hand had, zoomen +naaide en bandjes vastmaakte. Uit de overgebleven stukken maakte Garrit +pluksel en hij ging hiermede zoo vlug te werk, dat hij al eene +bamboe-mand tot het randje vol had. Onder deze bezigheid werden de +beide knapen "opgevroolijkt" door de vertellingen van Meester Troost +der Armen, die eigenlijk van niets anders sprak dan van allerlei akelige +verwondingen. + +Op het laatst maakte hij het evenwel zóó erg, dat Garrit uitriep: +"Meester, ik wilde wel dat ge met uw akelige vertellingen twintig +zeemijlen van me af waart!" + +"Nog liever vijftig!" verbeterde Dirk. + +"Uw wensch zal vervuld worden, jongens," sprak op dit oogenblik de +Kapitein, die lachend al die verbanddoeken en die mand vol pluksel +bekeek. + +Meester Troost der Armen keek verwonderd op. + +"Ja, Meester! De wensch dezer jonge borsten zal letterlijk vervuld +worden. Beneden licht de boot te wachten, welke u overbrengen zal naar +het Admiraalsschip waarop de barbier gestorven is! Dolf, wilt ge zoo +goed zijn hem er heen te brengen en dan aan den Admiraal of Heer van Dam +te vragen, wat we met de Chineezen moeten aanvangen. Deel hun dan meteen +mede op welke manier gij die twee jonken nagezet en genomen hebt, dan +weten ze althans, dat die Chineezen de nadering der Hollandsche vloot +niet aan de vijanden verraden hebben. Wij allen hadden er vrees voor." + +"Goed, Kapitein," sprak Dolf. "Ik zal alles mededeelen, zooals het +gegaan is. En nu, ik ben klaar! Kom, Meester, mee!" + +"Maar ik heb mijne medicamenten-kist hier nog niet!" + +"Er is eene beste aanboord van de "Mars", goede vriend," zeide de +Kapitein. "De barbier daar had er ook eene." + +"Jawel, maar mijn pluksel en mijne verbanddoeken!" + +"Die kunnen mede! Hier, Hoepel, deze manden en kisten in de boot. Ze +zullen misschien wel noodig zijn." + +"Maar mijne potten met troost der armen!" + +"Garrit, hier is eene ledige mand! Haal hierin vijf of zes potten +"troost", zei Londenaar lachend. + +"En dan het wonderwater van Serbiette, en de potten met die Chineesche +zalf, die, die, die borreborrie!" + +"Maar, Meester, je zult daar tusschen al die potten, pannen, manden, +kisten en flesschen zitten, als een Nassauer op de Pottenmarkt te +Middelburg," riep Hoepel en schaterde van het lachen, alleen bij de +gedachte dat hij den barbier daar zou zien zitten. + +Meester Pruymius zette eene hooge borst en zeide: "De lijfarts van de +Bevelhebbers der vloot moet toonen, dat hij geen kwâjongen is, die alles +op een koopje doet!" + +Ondertusschen had de eene matroos na den anderen een' pot, eene kruik, +eene flesch of eene mand gehaald, en één zelfs kwam met een' versleten +zwabber aan, gaf dien aan Meester Troost over en zeide; "Een +wonderwasschertje, Meester!" + +"Nu, nu, spels genoeg! Brengt dien rommel, waar ge hem gehaald hebt! De +Heeren zouden anders wel denken, dat we hen voor den gek hielden. En, +vlug in de boot! De "Mars" wacht op onzen Meester om te vertrekken," +beval Londenaar. + +Hoe Meester Troost ook tegenpruttelde, hij kreeg slechts eene flesch +wonderwater, ééne mand "troost" benevens één' pot met borreborrie mede. +Hij wilde ook nog een welsprekend afscheid van de bemanning nemen, doch +de Kapitein maakte er een einde aan door hem in het oor te fluisteren: +"Wees verstandig, Meester, en zwijg liever! Het volk is te dom om uwe +geleerdheid te begrijpen! Gij zoudt niet veel meer doen dan paarlen +voor de zwijnen werpen. Ga maar gauw in de boot. Men wacht u." + +Hierdoor gevleid daalde Meester Pruymius den valreep af en kort daarop +was hij aanboord van het Admiraalsschip, waar hij door de bemanning met +een: "Hoezee! Meester Troost! Hoezee!" ontvangen werd. + +Een uur voor zons-ondergang was Dolf op de "Koning van Polen" terug. + +"Kapitein," zei hij, "Admiraal Truytman en Heer van Dam hebben +gezegd, dat ge de jonken op sleeptouw medenemen moet en het volk wel +behandelen. Wanneer we over een paar dagen bij het eiland Tanah-kéké de +boodschap ontvangen, dat het tusschen ons en den Koning van Makassar +botertje tot op den boôm is, dan kunt ge ze vrij laten." + +"En als het eens andersom is?" + +"Dan zal men u een nader bericht zenden. Maar vooral moest ik u op het +gemoed drukken de mannen goed en vriendelijk te behandelen en niet op te +sluiten. Men moest hen evenwel scherp in het oog houden en zorgen, dat +ze des nachts niet in alle stilte de wacht overrompelen en het schip +ontvluchten. Hij, Admiraal Truytman namelijk, zeide, dat ze er best toe +in staat zijn om zoo iets te doen." + +"Ook zonder dat me dit bevolen werd, zou ik het gedaan hebben. Maar wat +beteekenen toch al die kisten, die ze daar op dek hijschen?" + +"Dat zijn reiskoffers van Joffer Cos, Kapitein! Er zijn ook kisten met +Chineesche lekkernijen bij en die zijn ook voor de Joffer. Maar ééne +mand is voor u en het volk. Heer van Dam wilde, dat we van avond op de +gezondheid zijner Bruid een extra-oorlam drinken zouden!" + +"Goed, goed! Laat al die pakken en kisten maar in de hut bij de Joffer +brengen. Ze zal zeker.... Wacht, daar komt ze zelve reeds aan!" + +"Wat noemt u toch lang, Kapitein," dus begon ze met een lachje en liet +weer hare tanden zien, "als u een klein uur niet lang noemt? Ik begon +mij te vervelen, en daar ik door het venster der kajuit eene boot met +mijne kisten zag naderen, dacht ik de vrijheid te mogen nemen eens op +het dek te komen!" + +Dolf naderde haar en haar een briefken overreikend, zeide hij: "Met de +groeten van Heer van Dam, Joffer!" + +Joffer Cos opende het briefje en in dien tijd namen de matrozen en +Officieren de gelegenheid waar, de jonge weduwe eens goed op te nemen. + +Na het lezen ging ze naar den Kapitein en zeide: "Ik zal u wel niet lang +van uwe kajuit berooven, Kapitein! Heer van Dam meldt me, dat ik over +een' dag of drie wel weer aanboord van de "Mars" zal kunnen +terugkeeren. Doch wil u zoo goed zijn, deze pakkage in de kajuit te +laten brengen? Zooals ik lees, heeft Heer van Dam ook voor eene +versnapering voor u en uw volk gezorgd. Dat is goed. Ik heb vanavond +niets meer noodig en zou gaarne alleen met mijne gedachten zijn. U +begrijpt wel dat eene arme weduwe, als ik ben, die alweer op het punt +staat met een wakker dienaar der Compagnie in het huwelijk te treden, +gaarne eens even stil droomen wil van hetgeen haar in de toekomst +mogelijk wachten zal." + +Alweer lachte ze vriendelijk en begaf zich naar de kajuit, doch toen ze +Joost voorbijliep en deze bij ongeluk met zijne ruwe, beteerde +matrozen-hand haar' blanken arm aanraakte toen hij eene kist oplichtte, +keek ze hem zóó nijdig en zóó uit de hoogte aan, dat de man er heelemaal +verslagen van was. + +"Kan jij niet beter uit jouw oogen kijken, oude lomperd?" snauwde zij +hem toe. "Of hebt jij jouw oogen soms ook in den zak zitten?" + +Joost zette de kist terstond neer en wilde heengaan. + +"Nou, pak op!" beet ze hem toe, en ook nu kwamen de hagelwitte +tanden te voorschijn. + +Henri Quatre was de eenige, die er iets van gehoord en gezien had. Hij +ging naar die twee en zeide: "Die kist is u te zwaar, brave kerel! Er +wordt te veel boven op gelegd! Ik zal ze wel in de kajuit brengen!" + +Joost verwijderde zich en scheen met de grove vuist wat uit de oogen te +boenen, dat uit het waterland afkomstig was. Hij zeide evenwel niets. + +Henri Quatre zette de kist in de kajuit neer en wilde ook heengaan, doch +Joffer Cos hield hem tegen en vroeg: "Is u hier Eerste Stuurman +aanboord?" + +"Jawel, Joffer," antwoordde Henri Quatre met eene buiging, alsof hij +als student voor eene schoone burgemeesters-dochter stond, gereed haar +ten dans te vragen. + +[Illustratie] + +Joffer Cos zag hieraan dadelijk, dat hij een man van beschaafde vormen +was, en meende al een heel wit voetje bij hem te krijgen door hem weer +lachend hare tanden te laten zien, en beleefd toe te voegen: "Wat +bedoelde u toch om tegen dien lompen kerel te zeggen, dat er te veel op +de kist gelegd werd? Er ligt toch niets op?" + +"Joffer, onverdiende scheldwoorden uit een' schoonen mond zijn +onzichtbaar, maar wegen zwaarder dan lood! Gij hebt den braafsten man en +misschien den dappersten kerel van de "Koning van Polen" bitter +gegriefd. En als dat uw wil niet geweest is, maak het dan bij hem met +een hartelijk en vriendelijk woord weer goed! Nu weet u, wat die kist +voor den braven oude zoo zwaar maakte." + +"De Bruid van den Landvoogd van Amboina is de gelijke niet van een' +zeebonk! Gij kunt gaan, Stuurman," antwoordde de Joffer geraakt en +keerde hem den rug toe. + +Henri Quatre verwijderde zich, haalde minachtend de schouders op en +bevond zich spoedig op het dek. + +"Een aangenaam onderhoud gehad, Willem?" vroeg Dolf. + +"Ik gun je er zoo een van ganscher harte, Dolf, maar dan moet je eerst +mijn vijand worden. Zij is begonnen met onzen goeden Joost een lomperd +te noemen en geëindigd met mij de deur te wijzen, omdat ik haar durfde +zeggen, dat ze den braafsten kerel van heel de vloot beleedigd had. Hoe +eer we die trotsche dame kwijt zijn, hoe liever!" + +"Trotsch, het is mogelijk," zeide Dolf, "maar wanneer men hier in de +Oost niets anders ziet dan bruine mannen aanboord en leikleurige mannen +en vrouwen aan den wal, dan is het een heel verzetje om eens zulk eene +jonge en schoone Hollandsche vrouw te zien. Zag je wel haar mooi mondje +met prachtige tanden? Mensen, men zou er immers de oogen op uitkijken?" + + +"Kijk je oogen dan nog liever op eene oude Javaansche vrouw uit," zeide +Henri Quatre. "En mooie tanden? Zeker! Poes is ook poezel en heeft ook +mooie tanden! Noem haar Joffer Poes en beklaag hem, die haar tot vrouw +krijgt." + +"Stuurman," sprak Kapitein Londenaar, "wapen eenige mannen en laat +dan de Chineezen boven komen. Ik wil er inspectie over houden en hun +zeggen, wat ze weten moeten." + +Dolf, tot wien dit bevel gericht was, wapende eenigen der manschappen en +toen dit geschied was, begaf hij zich met een viertal naar het ruim, +deed het luik open en trachtte den Chineezen door teekenen duidelijk te +maken, dat ze op het dek moesten komen. + +De Chineezen begrepen hem zeer goed, en het was voor de arme kerels, die +inderdaad zonder opzet met hunne jonken temidden van de Hollandsche +vloot verzeild waren, een welkom bevel. + +De een na den ander verliet het dompige hol en op het dek gekomen, +werden ze door Henri Quatre in twee rijen geschaard, en toen dat +geschied was, verscheen de Kapitein door gewapend volk omringd. + +De Chineezen vielen dadelijk, met hunne aangezichten over de gevouwen +handen gebogen, op de knieën, ten bewijze van hulde en onderdanigheid. + +IJzeren Neptunus, gekleed in de waardigheid van Scheeps-bevelhebber, met +de sjerp om het lijf, schreed langzaam tusschen de geknielde Chineezen +voort en toen hij de einden der twee rijen bereikt had, stond hij stil +en had hun gaarne wat gezegd, als hij de Chineesche taal slechts machtig +ware geweest. + +De Kapitein der Amboinneezen, die ook op het dek stond, scheen te +begrijpen, wat er aan haperde. Hij ging nu naar Kapitein Londenaar en +zeide, dat hij wel met die lieden spreken kon, zoodat hij gaarne, als +tolk zou optreden. + +Met vreugde nam de Kapitein dit voorstel aan en zeide nu door middel van +zijn' tolk tot de Chineezen: + +"Mannen, wij gaan den valschen Koning van Makassar beoorlogen om hem te +dwingen de Compagnie voortaan niet meer door verraderlijke listen en +streken te benadeelen." + +De Chineezen knikten, alsof ze zeggen wilden: "We begrijpen u, ga maar +voort!" + +"En opdat de Makassaren niet, ons ten nadeele, van het hun dreigende +gevaar zouden verwittigd worden, zoo hebben we ons genoodzaakt gezien u +met uwe jonken aan te houden. Gij zijt evenwel geene gevangenen en ge +kunt u hier aanboord vrij bewegen. Maar de eerste de beste, die pogingen +aanwendt, te ontvluchten, wordt zonder genade op staanden voet +doodgeschoten. Na verloop van twee of drie dagen zult ge denkelijk uwe +vrijheid terugkrijgen en de jonken, met alles, wat er op, in en aan is, +nemen we op sleeptouw. Gij kunt er dan mede heengaan, waar het u +belieft. Den kost deelt ge met de manschap hier aanboord, tenzij uw +godsdienst zulks verbiedt. In dit geval geef ik u de vergunning te eten, +wat ge in de jonken in voorraad hebt. Onder goed geleide moogt ge dat +halen, doch hier aanboord moet gij het eten. Uwe slaapplaats zal zoo +goed zijn, als die van één onzer. Dat was het, wat ik u te zeggen had. +Stuurman, wijs hun de matten, waarin ze den nacht zullen doorbrengen." + +De aangezichten der gevangenen zagen er na de toespraak vrij wat +opgeruimder uit dan er voor, en toen ze een poosje later weer op het dek +kwamen, had het al den schijn, dat er bij geen van allen plan bestond, +te ontvluchten. Zij maakten op hunne manier praatjes met onze matrozen +en hier en daar waren er zelfs, die zich met enkelen van het volk +vermaakten met het leelijke gezicht, dat Joost voortdurend trok. + +Even voor het ondergaan der zon ging de heele vloot weer in zee en +deelde de Kapitein van de "Koning van Polen" een extra-oorlam uit om +dat te drinken op de gast van het schip, de Bruid van den Landvoogd van +Amboina. + +Het was een kostelijke drank, doch Henri Quatre en Joost weigerden van +den wijn te proeven. + +"Nu, nu," zei Hoepel, "zet maar niet zoo'n gezicht, Joostje, +alsof er honderd oorwormen in den beker rondzwommen! Lust jij 'm niet, +goed, geef dan je portie mij maar. Dat is nog een ander kostje dan het +water, dat we onder de Linie dronken. Nu, hoor, je gezondheid en de +gezondheid van de mooie Bruid!" + +Op dien krachtigen dronk volgde een oogenblik van dolle vreugde, doch +weldra werd er bevel gegeven ter kooi te gaan en de wacht te betrekken. + +"Zeg, Dirk, wat zou er toch aan den Ouwen Joost haperen?" vroeg Garrit, +toen ze zich gereed maakten om de wacht te betrekken. "Hij keek zoo echt +verdrietig, maar toen de bottelier hem het extra-oorlam wilde geven, +scheelde het maar weinig of hij sloeg het hem uit de handen. Hij was +echt nijdig, dat zeg ik." + +"Och, eene oudemans-bui, jongen," luidde het antwoord. + +"Wat scheelt er toch aan, Joost?" vroeg nog een oogenblik later Dolf, +die mede de wacht had. "Is er soms wat gebeurd? Zeg het dan, je weet +wel, dat ik het goed met je meen!" + +"Ja, Stuurman, ja!" + +"Heeft die dame met die mooie tanden u soms van streek gebracht? Joost, +Joost, ik dacht dat je die malle jaren te boven waart!" + +"Wat doen we met zulk een katvisch en zulk een hutspot aanboord van de +"Koning van Polen," dat vraag ik," bromde de oude man. + +Dolf en Garrit barstten in lachen uit en de eerste riep: "Maar, Joost, +jongen, die Joffer behoort dan toch niet tot dat, wat men katvisch of +hutspot noemt?" + +"Ze behoort er niet bij en is er toch bij gedaan; de hutspot wordt er te +slechter door. Een hoop Chineezen en eene Joffer, die de deur toedoet. +Heeft een schip ooit zulk een zoodje als bemanning gehad?" + +Op dat oogenblik werd de deur van de kajuit geopend en trad de vrouw, +over wie men het zoo even nog gehad had, naar de kampanje waar de +Kapitein stond. + +"Er zijn ratten aanboord, Kapitein," zeide ze op vrij luiden toon. +"Hoort u wel, er zijn ratten!" + +"Dat weet ik, Joffer! En dat is lastig gezelschap; maar er is al weinig +aan te doen!" + +"Wat zegt u," riep de ontevreden dame op schellen toon, "is er weinig +aan te doen? U heeft toch volk genoeg aanboord!" + +"Volk genoeg, maar katten te kort. Een matroos is een slecht +rattenvanger, Joffer! Intusschen doet het me leed, dat ze u in den slaap +gestoord hebben! Maar zou u niet naar binnen gaan? Het wordt koel op het +dek!" + +"En de ratten dan, Kapitein?" + +Thans was het geduld van den goedigen Londenaar teneinde, en eenigszins +boos, en zonder aan hare gewoonte te denken, zeide hij driftig: "Dan +laat u dien beesten de tanden maar zien en roept ge: koest!" + +Henri Quatre, die altijd goedlachsch was, schoot in een' helderen lach, +en dat maakte de Joffer zóó boos, dat ze uitriep: "Het volk is lomp; +maar de Kapitein is de lompste van allen!" + +"Een gast kon wel anders spreken, Joffer! Thans verzoek ik u +oogenblikkelijk heen te gaan. Als u op de "Mars" is, kan u doen en +zeggen, wat u begeert; maar op de "Koning van Polen" ben ik Koning en u +behoort tot mijn gevolg. Dat gevolg heeft te gehoorzamen." Hij daalde nu +de trap van de kampanje af en vroeg: "Mag ik de Joffer ook naar binnen +brengen?" + +Kapitein Londenaar bood haar zijn' arm aan, doch zij stiet hem terzijde, +liep naar de kajuit en sloeg de deur zoo hard dicht, als ze kon. + +"Nu maar, ik gun Heer van Dam dat presentje," zeide Henri Quatre. +"Als hij haar krijgt...."[30] + +"Dan koopt hij eene kat in den zak," vulde Joost aan, die door dit +voorval weer geheel in zijn humeur gekomen was. "Maar met dat al heeft +de "Koning van Polen" dan toch een vreemd gevolg, zou ik zoo zeggen." + +Hiermede liep het gesprek over Juffer Cos ten einde, doch den volgenden +dag wist iedereen, wat er des avonds laat nog voorgevallen was. De +matrozen staken er braaf den gek mede en algemeen kreeg de weduwe den +bijnaam van Joffer Poes. Eenigen hadden zelfs afgesproken, als zij op +het dek kwam, om dan te gaan mauwen. Zij scheen evenwel niets met het +dek te hebben uitstaan en liet zich al den tijd, dat ze in volle zee +waren, niet zien. + +Op den bepaalden dag, den tienden Juni, kwam de vloot bij het eiland +Tanah-kéké en terstond begon men overal zich slagvaardig te maken. Al +spoedig zagen ze eene prauw, en in het eerst dacht men, dat het volk, +dat er in zat, de boodschap kwam brengen, dat de vrede gesloten was, +doch toen zij zich schielijk verwijderde, begreep men, dat de zaak niet +in den haak was. Ze stonden juist op het punt haar te achtervolgen toen +de "Mars" en de "Breukelen" in het gezicht kwamen. De heele vloot +zeilde deze twee schepen te gemoet en van het Admiraalsschip werd weer +geseind om krijgsraad te houden. De boot van de "Koning van Polen" +werd neergelaten en toen men wilde afsteken, kwam, onder het gemauw van +al het scheepsvolk, Joffer Cos bij den valreep, klom naar beneden, +sprong in de boot en zette, zonder een woord te spreken, maar rood van +kwaadheid zich bij de voorplecht neer. Op hetzelfde oogenblik kwam van +het Admiraalsschip eene andere boot en in deze zat Meester Troost der +Armen. + +"Hoezee!" riep Oude Joost vroolijk uit. "Hoezee! De ruil was al te +slecht! Hoezee!" + + +VOETNOOT. + +[30] Joffer Cos kwam later te Batavia, waar Gouverneur-Generaal Johan +Maetsuyker haar volgens belofte in bescherming nam, doch anders dan +Johan van Dam gewenscht had. De Gouverneur-Generaal in 1663 weduwnaar +geworden zijnde, trad niet lang daarna met Joffer Cos in den echt. Geen +wonder dat Johan van Dam hierover zeer ontevreden was, en dat zijne +vriendschap voor den Gouverneur-Generaal in eene heftige vijandschap +veranderde. + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +De Hollandsche Remedie. + + +Met gejuich werd Meester Pruymius door het volk ontvangen, en alsof hij +twee jaar, inplaats van twee dagen weg geweest was, zoo drukte men hem +van alle kanten de hand. + +"Wat kom je doen?" + +"Ben je weg gejaagd?" + +"Hij is als de katten en zoekt zijn oud huis weer op!" + +"Katten? Jongens, laat je hooren, allemaal: Mauw, mauw, miauw!" + +Zoo klonk het verward door elkander, maar het gemiauw overwon ten +laatste toch, zoodat Meester Pruymius met een gezicht, alsof hij water +zag branden, uitriep: "Maar houdt toch eens op met dat helsche +geschreeuw! Je lijkt wel bezetenen! Ben ik dan hier in een dolhuis?" + +"Pure pret over je terugkomst, man, anders niet," zeide Henri Quatre. +"We kunnen niet zonder onzen goeden Meester!" + +"En blijdschap over het vertrek van Joffer Poes," vulde Dolf aan. +"Maar zeg, Meester, wat kom je toch doen? Je...." + +"Je riekt naar brand, naar--naar--naar buskruit!" riep Oude Joost. +"Toch niet aan het bakkeleien geweest?" + +"Niet zuinig! Kerels, we hebben zoo van laken gegeven. Al mijn +wonderwater is op. Een uitmuntend middel. Hadde ik er maar een +scheepsruim vol van!" + +"Zijn er dan gewonden?" vroeg Henri Quatre. + +"Acht stuks; maar al bijna klaar! Een heerlijk middel dat wonderwater! +Zóó gebruikt, zóó beter, tenminste, als het boeltje er niet af is, want +er ledematen mede aanplakken, dat gaat niet." + +"Ja, maar dat zal dan zeker ook niet noodig geweest zijn," meende +Hoepel. "Zulk eene vaart zal het toch wel niet geloopen hebben." + +"Je weet er ook heel wat van," snauwde Meester Pruymius hem toe. +"Terwijl jelui hier bezig waart met bruidstranen drinken en hylikmaker +eten, zijn we zoo even aan den slag geweest, en ik zeg je: niet zuinig!" + +"Zag je soms een paar potvisschen raken?" vroeg Kreeft. + +"Naar potvisschen zag ik niet, ik had meer dan genoeg te kijken naar de +gewonden. Naar de dooden keek ik maar niet, want die konden zelfs met +troost der armen of wonderwater niet meer tot hun verhaal gebracht +worden." + +"Maar kom, dooden! Zijn er dan dooden ook gevallen?" klonk het van +een' anderen kant. + +"Maar vier!" + +Van alle kanten omringde men nu den barbier, die op het laatst tegen de +verschansing bijna plat gedrukt werd. + +"Gaat dan toch op zij! Maakt ruim baan! Ik kom om wonderwater," riep +Meester Pruymius. + +"We willen weten, wat er gebeurd is!" schreeuwden eenigen. + +"Ja, wat gebeurd is, dat vertel zal!" riep de Kapitein der Amboineezen. + +"Maakt dan ruimte, dan zal ik mededeelen, wat er geschied is," +antwoordde Meester Pruymius. + +Met behulp van Dolf en Hoepel kwam de barbier in benauwdheid vrij, en op +een kanon springend en zich aan het want vasthoudend, begon hij op +luiden toon het volgende mede te deelen. + +"Zooals gij weet zouden die van Makassar al lang en breed zoete broodjes +bij de Compagnie gebakken hebben, als...." + +"De Portugeezen er niet waren," schreeuwde een. + +"Die trotsche Doms moeten de Oost uit!" riep een ander. + +"Als ge mij in de rede valt moet ik ophouden," zeide Meester Pruymius. +"We kunnen wel allemaal tegelijk zingen, maar niet allemaal tegelijk +praten!" + +"Wie het nog één keer waagt, wordt tot scheeps-rattenvanger +aangesteld," liet één uit den hoop zich hooren. + +Men lachte, doch kwam spoedig weer tot bedaren. + +"Het is zoo, de Portugeezen zijn te Makassar onze ergste vijanden, en ze +hebben daar een kwartier opgeslagen, dat met tal van kanonnen verdedigd +kan worden. Om nu te maken, dat de Makassaren niet naar de Compagnie +overloopen, hebben ze al tal van jaren uitgestrooid, dat de Hollanders +maar laffe zeeroovers zijn, te arm om er een' Vorst op na te houden. Het +spreekt dus vanzelf, dat wij daar te Makassar ook met de Portugeezen een +appeltje te schillen hebben. + +Zoodra wij nu de vestiging in het gezicht konden krijgen stonden we +allen over de verschansing te turen. + +Opeens riep de uitkijk in den mast: "Zes zeilen vooruit!" + +De bevelhebbers wapenden zich met hunne kijkers en Heer Johan van Dam +was de eerste, die zeide: "Dat zijn zes Portugeesche karveelen, die +gereed liggen om te vertrekken!" + +Zes karveelen! En wij waren met ons tweeën! + +Geen wonder, dat bij velen de moed in de schoenen zonk, en dat er +algemeen gemompeld werd, maar te vertrekken en de hoofdvloot weer op te +zoeken. + +"Hoort eens, jongens," dus begon nu Admiraal Truytman, "wij zijn hier +niet gekomen om uit de verte een kijkje te nemen en dan weg te loopen. +Dan zouden de Portugeezen ons met de vingers nawijzen en tot de +Makassaren zeggen: "Ziet gij wel, dat wij gelijk hebben gehad en dat de +Hollanders laffe zeeschuimers zijn, die het dadelijk op een loopen +zetten, als er gevaar van klappen deelen is?" Neen, mannen, we moeten +toonen, dat we geene lafaards zijn, maar kerels, die durven, als het er +op aankomt. Ze gaan hunne tegenstanders niet eerst tellen om nauwkeurig +te becijferen of de kansen wel gelijk staan; ze laten Chineezen tellen, +die houden ervan, maar inplaats van te gaan cijferen, vallen ze aan!" + +"Niemand zal mij ooit van lafhartigheid beschuldigen," sprak nu de +Kapitein van de "Breukelen", die met eenigen zijner Officieren bij ons +aanboord was, "maar ik zou den Admiraal toch wel willen vragen, hoe er +eenige mogelijkheid bestaat, dat wij er niet slecht afkomen?" + +"Wel, Kapitein, dat wil ik niet alleen u, maar allen zeggen. Die +karveelen zijn zwaar geladen en log gebouwd, zoodat ze zich heel +moeielijk bewegen kunnen. De "Mars" is een vlug schip, en de +"Breukelen" ligt als eene veêr op het water. Wat we in talrijkheid +verliezen, dat winnen we meer dan dubbel uit door de vlugheid van onze +bewegingen." + +"Toegegeven, Admiraal! Maar zullen de kanonnen van het Portugeesche +kwartier ons niet deerlijk toetakelen? En zullen de Makassaren niet +wakker mede helpen? Na al wat ik er van gezien en gehoord heb, zijn ze +daartoe wel gedwongen. De overmacht wordt dus zóó groot, dat ik vragen +durf: Zijn wij wel lafaards, als we nu toch eerst eens gaan tellen?" + +Op deze laatste vraag van den Kapitein zeide Heer Johan van Dam, die +werkelijk een man is, die durft: "Kapitein, ik ken die van Makassar een +weinig, want ik kwam er menigmaal mede in aanraking. En als ik nu +ronduit zeggen moet, wat ik denk, dan is het dit: Ik houd het er voor, +dat de Koning van Makassar stilletjes toekijken zal om te zien hoe de +zaak afloopt. Met een oud Hollandsch spreekwoord gezegd: De slimmerd zal +heel eenvoudig de kat uit den boom kijken." + +"En wat de kanonnen van het Portugeesche kwartier betreft, ook daarvoor +ben ik zoo bang niet," hernam Admiraal Truytman op geruststellenden +toon, "wij overrompelen de luiden, en bij den vijand zal alles wel niet +tot eene onverwachte verdediging gereed zijn. Vooral hier niet, waar ze +meenen volkomen veilig te zijn. Ik ben dus voor een' flinken aanval, en +gelukt het ons, de karveelen te overwinnen, wie weet welk een' rijken +buit wij dan vinden, want hoogstwaarschijnlijk komen zij van Macao en +liggen ze gereed om naar Goa te vertrekken. Ziet, ziet, ze maken al +aanstalten om ons te ontwijken!" + +"Dan er maar op los!" riep de Kapitein van de "Breukelen" nu +uit. "En hoe eer hoe liever!" + +"Toch zullen we genoodzaakt zijn den volgenden dag af te wachten," +zeide de Admiraal. "Zoo op het oogenblik valt de nacht in en het +vaarwater is hier voor ons onveilig, omdat we er nog geene kaarten van +hebben. Als we omhoog kwamen te zitten, waren we verloren. In de vrije +vaart moet onze kracht liggen." + +"Maar als die schoone buit ons nu van nacht ontsnapt," liet een der +Officieren zich ontvallen. + +"Hiervoor kunnen wij zorgen, man," antwoordde Truytman. "Als ze +ontvluchten willen, moeten ze hier voorbij, en zoo donker is de nacht +niet, of we zullen dat zien!" + +Algemeen begreep men, dat de Admiraal den besten voorslag deed, die +gedaan kon worden en daarom besloot men dien aan te nemen. + +Er kwam dien nacht natuurlijk niet veel van slapen. Iedereen was in de +weer en nauwelijks begon het licht der starren wat te verbleeken, of men +riep al het volk op het dek bij elkander tot het gebed. Dit gebeurde ook +op de "Breukelen", dat zagen we, want we lagen zóó dicht bij +elkander, dat we zonder te schreeuwen heel gemakkelijk met elkander +spreken konden. + +Na alzoo in den gebede moed verzameld te hebben, begaf ieder zich op +zijn' post en de morgenschemering was pas begonnen of de Admiraal gaf +het teeken tot den aanval. + +Zoodra men de karveelen genoeg genaderd was, zeide de Admiraal tot de +lieden, die het geschut bedienden: "Mannen, wenscht den luiden op die +logge karveelen eens zoo hartelijk mogelijk met een paar flinke kogels, +op Oud-Hollandsche manier, goeden morgen! Vuur!" + +Wat de uitwerking van dien barren morgengroet was, kon niemand +ontdekken; want de rook van de laag aan stuurboord was nog niet eens +opgetrokken of de laag van bakboordszijde werd dadelijk daarop +losgebrand. De "Mars" had zich als een vogel zoo vlug gewend. Het is +een prachtig schip, die "Mars". Men kan er mede doen wat men wil. + +Ook de "Breukelen" had ons voorbeeld gevolgd. + +Maar opeens zagen we verscheidene lichten op de karveelen; spaanders +vlogen van de masten; het water werd door zware, ronde dingen, waarvan +ik je den naam niet behoef te zeggen, felbruisend doorploegd en een +vreeselijk gedreun volgde. + +"Ei, de Dom is wakker," riep Truytman. "Houdt hem aan de praat, +mannen! Vuur!" + +Ik stond bij den grooten mast te midden van mijne medicamenten en +verbandmiddelen, en ik wil eerlijk bekennen, dat ik niet erg op mijn +gemak was. Ik heb ook nog nooit een echt zeegevecht bijgewoond, want in +de Oostzee was het kloppen juist gedaan toen ik er aankwam, en zou het +weer beginnen toen ik vertrok. Wat ik dus van zeegevechten wist, had ik +van aanhooren, zelf wist ik er niets van, maar nu ben ik door de wol +geverfd en weet ik het. Als men er maar eenmaal door heen is, dan valt +het nog al mee. Maar het duurt nog al een poosje eer men zoo ver is, ten +minste bij mij was dat het geval. Nog nooit had ik zulk een leven +gehoord, dat wil ik wel zeggen. Van met elkander eens een woordje +spreken, geene sprake van. Een had een kogel in zijne borst gekregen en +toen ze hem bij me brachten, zei de arme kerel: "Dat is mijn dood, +Meester!" Ik verstond hem niet goed en vroeg: "Wat? Vraag je om brood? +Vraag liever om troost der armen!" Toen zette de man de hand voor zijne +mond en schreeuwde: "Ik ga dood!" -- De stumperd! Het roepen was boven +zijne krachten geweest want oogenblikkelijk was hij dood ook. Ik zag dat +alles heel kalm aan en om de waarheid te zeggen, ik begreep mezelven +niet. Dat kwam zeker van de kruitlucht. Ik stond al gereed om ook eens +even een kanon te helpen afsteken, toen er opeens een vreeselijk +gerinkinkel bij me gehoord werd. + +Eilacie! Een kogel was dwars door mijne medicamenten gevlogen en had al +mijne potten met troost der armen en borreborrie aan gruizels gesmeten. +Aan een gat op het dek kon ik zien, dat die leelijke kogel tusschen +mijne voeten doorgevlogen was. Ik stond te kijken als een haan voor eene +krijtstreep en zei tot mijzelven: "Meester Pruymius hoe is het mogelijk, +dat door zulk eene nauwe opening nog zoo'n baas van een' kogel kan! Pas +maar op, anders heeft de Admiraal straks geen lijfarts meer. Zoek een +beter plaatsje, maat!" + +Dat was een verstandige raad, dien ik mijzelven gaf en daarom maakte ik +maar dadelijk aanstalten om mijne flesschen wonderwater en overgebleven +brokken "troost" naar beneden te brengen, toen men juist met een' +matroos kwam aandragen. + +"De tweede, Meester," zeide men. + +Men legde den gekwetste bij me neer! Deze deed even de oogen open, +stamelde nog flauw: "Dag, Moeder!" en, de arme jongen was dood. Hij had +een' matten kogel tegen de hartstreek gekregen, en dat had hem den dood +gedaan. + +Ondertusschen nam het kanongebulder nog in hevigheid toe. + +"Daar komt de Portugeesche Admiraal op ons af," klonk het hier, daar en +overal. "Het is niet te houden!" + +"Vluchten! Vluchten!" schreeuwde de kok. + +"Men voert ons naar de slachtbank!" bulkte de koksmaat. + +"Heer Admiraal, de overmacht is werkelijk toch te groot," zeide een +Officier. + +Zoo verhieven zich van alle kanten stemmen van luî, die liever aan een' +schotel opgewarmde spinazie zaten, doch de meesten hielden zich cordaat +en bleven pal staan. Dat kwam misschien wel, omdat Admiraal Truytman +zulk een goed voorbeeld op de "Breukelen" gaf, want Sinjeur van Dam +riep nu: "Vluchten? Nooit! Vuur! Vuur!" en hij stak zelf een +kanon af. + +Ondertusschen kwam de Portugeesche Bevelhebber, die heel wat mans was, +onze beide schepen al dichter en dichter bij. + +"Vuur!" hoorde ik Admiraal Truytman door zijn' roeper schreeuwen en +"Vuur!" riep Sinjeur van Dam. + +De konstabels, zwart als schoorsteenvegers, stonden weer gereed, den +Portugees de volle laag te geven, toen.... + +"Bom, daar lag ik!" -- + +Een vreeselijk gelach werd nu aanboord van de "Koning van Polen" +gehoord; want Meester Pruymius vertelde zoo vol vuur, dat hij vergat +zich aan het want vast te houden en op het dek neertuimelde. Hij stond +evenwel spoedig weder op en vervolgde zijn verhaal. + +"Bom, daar lag ik! + +Wat was er gebeurd? + +Er volgde een slag, zoo hevig, zoo ontzettend, alsof er een heel +kruitmagazijn in de lucht vloog. + +Ons schip werd op en neer, en heen en weer gesmeten. + +Stukken hout, ijzer, kogels, vaten, geweren, sabels, hoeden, menschen, +potten, pannen, ja, van alles zoo wat, plofte op ons dek neer. Het lag +in een omzien bezaaid met een' rommel, zooals je dien in heel Amsterdam +bij geen' enkelen uitdrager vindt. + +Ik stond op en schreeuwde: "Wat is er gebeurd? Wat is er gebeurd?" + +"De Portugeesche Admiraal is in de lucht gevlogen, Meester," zeide +Sinjeur van Dam. "En dat wij behouden zijn gebleven is een wonder! Op, +op, mannen! Van de verwarring gebruik gemaakt. Leve de Oost-Indische +Compagnie! Vuur! Vuur!" riep hij met donderende stem. De man scheen niet +heesch te kunnen worden en zette alle kersenwachters in Zeeland en in de +Betuwe beschaamd. + +"Een doode en drie zwaar gekwetsten, Meester! Wij brengen werk aan den +winkel," zeiden eenige matrozen, die met een' gesneuvelde en drie +anderen, die wonden ontvangen hadden, kwamen aandragen. + +Gelukkig waren de twee kruiken met wonderwater heel gebleven. Ik +onderzocht de wonden, wiesch ze met schoon regenwater en na een compres +met wonderwater er op gelegd te hebben, deed ik er verbanddoeken om. De +arme kerels bekwamen er heelemaal van en zeiden, dat het dadelijk +vermindering van pijn gaf. + +Na zoo drie gekwetsten geholpen te hebben, werden ze beneden gebracht, +waar ze geruster konden liggen. Een half uur lang had ik niets te doen +dan rondkijken, en ik gaf mijne oogen den kost, want er was heel wat +meer te kijken dan in eene verloopen bakkerij waar de oven afgebroken +is. + +Maar op eens, daar stond ik blootshoofds; mijne muts vloog zoo netjes +van mijn hoofd, alsof de wind die er afgeblazen had. Voor kouvatten ben +ik altijd bang geweest, vooral na den tijd, dat de maan door mijne haren +schijnt. Ik ging dus aan het zoeken en eindelijk vond ik mijne muts. Ik +bekeek ze en zag nu, dat er een musketkogel dwars doorheen gegaan was. +Kijk, hier zijn de gaten! Je begrijpt dat ik die muts, als eene +gedachtenis, bewaar. Eene nieuwe zullen de Makassaren mij geven. Maar +laat ik verder vertellen. Ik gaf dan mijne oogen goed den kost en zag +het heele strand bezaaid met bruine, halfnaakte menschen, die verbaasd +schenen te kijken, dat de twee zoogenaamde laffe zeeroovers den strijd +dorsten wagen tegen zes dapperen, die onderdanen van een' Koning waren. +Dat scheen hun begrip te boven te gaan. Hoe kon men geen' Koning hebben +en toch dapper zijn?" + +"Meester Jan telt wel voor vier Koningen! Leve Meester Jan!" riep een +Dordtenaar, die op zijne manier een aanhanger of vriend van de +gebroeders de Witt was. + +"Vivat, Oranje boven!" klonk het van een' anderen kant. + +"Heila, geen Meester Jan en geen Prins van Oranje hier!" riep Henri +Quatre. "Leve Jan Compagnie! Dat is hier =onze= Koning of Koningin, al +naar ge wilt!" + +Enkelen riepen: "Leve Jan Compagnie!" doch de meesten zwegen of drongen +er bij Meester Pruymius op aan, dat hij verder zou gaan met zijne +vertelling. + +Na zich met een' teug waters de keel gelaafd te hebben, vervolgde onze +scheepsbarbier weer even opgeruimd: + +"Zoodra de rook van het in de lucht gevlogen Portugeesche Admiraalsschip +wat opgetrokken was, zag ik, dat door dit ongeval nog twee andere +karveelen in brand geraakt waren. De schepen brandden als pek, en het +volk sprong in zijne radeloosheid overboord. + +Met dat al gaven de drie andere karveelen nog zoo gauw geen krimp, en +uit het Portugeesche kwartier schoten ze als dollen; maar juist daardoor +raakten ze zeker meer lucht dan schepen; want bijna geen enkel schot was +raak." + +"En de Makassaren? Hadden die geene prauwen? Konden die niets doen?" + +"Wel lieve zielen, ze deden wat! + +Ze liepen als mieren, wier nest men verstoord heeft, door mekaêr van hot +naar haar. Ze sloegen op de gong-gong als bezetenen, en op de +oorlogstrommels als dronken nachtwakers. Overal zag men de bloedvlaggen +uitsteken, maar vechten, ja, dat konden de Portugeezen aan hun hart +voelen.[31] + +"Meester, Meester, berg je!" riep op eenmaal de bottelier van de +"Mars." Ik keek gek op en -- plof -- daar kreeg me de sukkel zulk +een stuk hout tegen zijn hoofd, dat duizend potten borreborrie en +duizend kruiken wonderwater hem niet meer genezen konden; want de man +was opeens dood, en eer ik nog recht wist, uit welken hoek de wind nu +woei, hoorde ik weer een' vreeselijken slag en geen twee tellens later +nog een! + +De twee brandende karveelen waren ook in de lucht gevlogen. + +"Mannen," riep nu Sinjeur van Dam uit, "de "Breukelen" heeft +hare partij gevonden en klampt ginder eene karveel aanboord. Eéne van de +overige twee is voor ons! Vooruit! Vuur!" + +Van dat losbranden der kanonnen had ik geen' last meer; ik stond zoo +vast op mijne beenen als een reiger in een moeras, en ik hielp hard +meeschreeuwen: "Vooruit! Vooruit!" + +"Hei, jij daar met je "vooruit", hier heb je weer een, dien je met je +"troost" pleizier kan doen," zeide de Tweede Stuurman, die met een +gewonden arm bij me kwam. + +"Maar, mensch!" schreeuwde ik. + +"Ik ben niet doof," zei hij. "Bind er maar een' heelen +ellenwinkel vol lappen om, dan kan ik weer aan den slag." + +Hierop stak hij mij den arm toe en ik zag, dat er gelukkig maar een +musketkogel dwars door het vleesch gegaan was. Ik verbond hem dus gauw, +en gebruikte daarbij weer maar een' plas wonderwater, en kijk eens aan, +pas had hij de doeken om, of hij riep: "Vooruit, Mina! Nu weer met +frisschen moed aan den slag! Verdraaid, wat kunnen die dikke Portugeezen +nog loopen, als ze bang zijn voor klapper-olie op hun baaitje!" + +Met nieuwen moed ging de wakkere man weer op zijn' post bij het roer; +maar hoe handig hij wist te sturen, de twee karveelen zett'en het met +volle zeilen op het strand aan, en het duurde niet lang, of ze lagen +daar zoo mooi omhoog, als eene turf op eene aschvaalt. + +"Nog verder, Admiraal?" vroeg de Stuurman. + +"Neen, vriend, het is ver genoeg, anders geraken wij ook omhoog! +Afhouden! Maar eerst nog eens van beide kanten de volle laag!" + +Nu, dat deden de konstabels met het grootste genoegen, en andermaal +werden met verwonderlijke snelheid de batterijen afgeschoten. + +"De "Breukelen" heeft die karveel overmeesterd! Kijk maar, de +Hollandsche vlag wordt er geheschen!" riep de Eerste Stuurman, die mee +had geholpen, het geschut te bedienen en er nu door buskruit en rook nog +zwarter uitzag dan de zwartste Moor uit het Moorenland. + +"Gij hebt gelijk, Stuurman," antwoordde Heer van Dam. "De +"Breukelen" is gelukkiger dan de "Mars." Voor een oorlogsjacht, +als wij hebben, is zulks te bejammeren." + +"Ho, ho, Heer van Dam," dus viel de Kapitein hem in de rede. "Mij +dunkt zoo, dat de Portugees zelf wel zeggen zal, dat de "Mars" haar' +naam geene schande heeft aangedaan. Weet ge wel hoeveel kruit we op het +oogenblik nog hebben?" + +"Ik weet niet eens hoeveel de "Mars" aanboord heeft gehad, Kapitein! +Maar aardig wat verschoten is er!" + +"Er was veel meer kruit dan we noodig hadden, en als we nu nog twee keer +losbranden dan is alles op!" + +Na het veroveren van de Portugeesche karveel kwam Admiraal Truytman ook +bij ons aanboord en daar hij gehoord had, wat de Kapitein van de "Mars" +zeide, zoo vroeg Sinjeur van Dam hem: "Zou het dan geene zaak zijn, het +voor vandaag hierbij te laten en de andere schepen op te zoeken?" + +"Ik meen zoo, dat we zulks zonder schande kunnen doen. En hoe denkt u +dan te handelen?" was het antwoord. + +"Wel, morgen aan den dag het kasteel Panakoke vermeesteren, een groot +deel van de stad met het paleis van den Koning in brand steken en het +Portugeesche kwartier plat schieten! Vindt ge dat plan niet uitmuntend, +Admiraal?" + +"Ja, Heer van Dam, en als we kans willen hebben, dat plan ook te +volvoeren, dan moet zulks morgen aan den dag gebeuren, eer de vijand +zich geheel met den Portugees verstaat. Deze laatste heeft zich kranig +gehouden. Maar komaan, laten wij nu samen eens gaan zien, wat de +"Breukelen" veroverd heeft; ik kwam u daartoe uitnoodigen." + +Wij zett'en nu koers naar onze makkers en zagen dat de veroverde karveel +"Nostra Signora de Remedia" heette, en weldra vernamen we, dat ze eene +kostbare lading in had van zijden stoffen, sandelhout, lakwerk, +porselein en andere Chineesche waren. Wij namen het schip op sleeptouw +mede, doch lieten de Portugeezen aan land gaan, om bij hunne kameraads +de boodschap te brengen, dat hunne boontjes nog in de week lagen, en dat +dit alles nog maar een begin van al de ellende was. En hiermede heb ik +alles verteld. Morgen, bij leven en welzijn, beleven we samen de rest." + +"En wat zal er met die karveel gebeuren?" vroeg Henri Quatre. "Ze +zullen zulk een schip toch wel houden?" + +"Die zal met Hollandsch volk bemand en verdoopt worden in de +"Hollandsche Remedie". Is er beter naam mogelijk?" + +"Als het met ons dan maar niet gaat, zooals het rijmken luidt: + + "Pleun wil sich hangen, vind een schat: + Hy laet den strick en kiest het padt; + Maer, die 't begroef, die vind den strick, + Dies hy sich hanght aen eene mick." + +dat wil zeggen: Als de "Nostra Signora de Remedia" ten laatste de strik +maar niet wordt, waarin wij ons verhangen," zeide Hoepel. "Ik zou er +althans voor passen alweer op zoo'n karveel te dienen. Met zoo een +gevalletje vaart een fatsoenlijk Hollander zich in den kelder." + +"Als Dolf er dan als Kapitein op dient, dan zal "de Nieuwe Leerdam" +in het niet verzinken bij de "Hollandsche Remedie", Hoepeltje!" +sprak Meester Troost, en thans voor goed van het kanon springende, zei +hij: "En nu mijn wonderwater, alsjeblief, dan ga ik jelui weer voor +tijd en wijl groeten." + +Daar er onder de matrozen niemand was, die aan de kracht van dat +wonderwater twijfelde, zoo wilden ze niet hebben, dat Meester Pruymius +alles medenam. + +"Het zijn toch mijne spulletjes zou ik meenen," bromde de goedige man. +"En wie zal me nu willen beletten ze mede te nemen?" + +"Dat is waar; maar jij met je spulletjes behoort tot de "Koning van +Polen". Als wij aan den slag gaan en er vallen hier aanboord gekwetsten, +waarmede zullen wij ons dan laten genezen? Wij gunnen een ander ook wel +wat; maar, het hemd is nader dan de rok, begrepen? Dus, de helft blijft +hier; de andere helft kunt gij medenemen," sprak Hoepel. + +Meester Pruymius moest er zich in schikken of hij wilde of niet, doch +toen hij de helft van zijn' voorraad al in de boot had en zelf gereed +stond heen te gaan, kwam Kapitein Londenaar van den krijgsraad terug. + +Hij zag er niet vroolijk uit en het scheen wel, dat het in dien raad +niet naar zijn' zin was afgeloopen. Later vernam men dat Joffer Cos +eigenlijk de oorzaak was geweest van Londenaars ontevredenheid. Dat +mensch had Heer Johan van Dam zooveel leelijks van "IJzeren Neptunus" +en zijn volk verteld, dat de Landvoogd onmogelijk alles voor verzinsels +kon houden. Het gevolg was geweest, dat hij den braven Kapitein +grof bejegend had, en deze had op zijne beurt toen ook een woordje +gesproken, dat raak was, zoodat Admiraal Truytman genoodzaakt was +geweest, hem te zeggen, dat Heer Johan van Dam, als Landvoogd van +Amboina en Mede-bevelhebber der vloot, te hoog in rang stond om zich in +den vollen krijgsraad door een' Kapitein van de Compagnie de waarheid +te laten zeggen. + +Dit had onzen wakkeren Kapitein niet weinig gegriefd, en hij begreep +bovendien, dat de groote Heeren het hem wel inpeperen zouden. + +"Gij blijft bij ons aanboord, Meester," dus was Londenaars eerste +woord, en zich hierop tot eenige matrozen wendend, gaf hij dezen bevel +de koffers en kisten van Joffer Cos gereed te zetten, want men zou ze +zoo op het oogenblik halen. De matrozen deden het, en nauwelijks hadden +zij ze op het dek gebracht, of eene boot van de "Mars" kwam er al om. + +"Kapitein," zeide de Stuurman van dit vaartuig, "hier heeft u een +briefke van onzen Admiraal, waarin hij u zeker zal zeggen, wat ge ons +moet medegeven." + +Kapitein Londenaar opende het briefje en las: + +"Goede vriend! Zend de kofferen van Joffer Cos met deze boot mede. +Gedenk mijn woord in den krijgsraad niet langer, en geloof dat ik alleen +zoo sprak om erger te voorkomen. Die Joffer heeft al meer op hare +rekening, ook tusschen mij en den Landvoogd. Edoch, moed gehouden. Deze +week verlaat ze met de "Hollandsche Remedie" de vloot. Uw vriend +Truytman." + +Dat vriendelijke briefke bracht Londenaar weer geheel op dreef en toen +de kisten vanboord en de mannen van de "Mars" vertrokken waren, zei +hij: "Ziezoo, nu zijn we weer met ons eigen volkje. Roep de Chineezen, +Stuurman!" + +Dolf riep de Chineezen, die meestal op een hoopje bij elkander zaten en +zoodra ze voor Kapitein Londenaar verschenen waren, zeide hij, alweer +met behulp van den tolk natuurlijk: "Mannen, de twist, dien wij met den +Koning van Makassar hebben, heeft ons gedwongen u eenige dagen van uwe +vrijheid te berooven. Thans kunt ge gaan waar ge wilt. Stapt in uwe +jonken over, ziet of er wat uitgenomen is, en als ge aan het een of +ander gebrek hebt, zoo zegt het mij, en als ik kan, zal ik het u geven." + +Deze woorden werden met gejuich begroet. De Chineezen stapten op hunne +jonken over en vonden alles in denzelfden toestand. Er werd niets +vermist. Alleen hadden ze behoefte aan musketten, kruit en lood en een +der twee Chineesche Gezagvoerders was zoo vrij, hier om te vragen. + +Kapitein Londenaar zag hem lachend aan en zeide: "Zou het niet wat erg +zijn, als wij ons met onze eigen wapenen lieten beoorlogen?" + +"De Compagnie zal ons van meer voordeel zijn dan de Portugees of de +Makassaar, Kapitein! Wij zullen de wapenen niet tegen u of tegen de +Hollanders keeren. Ons belang verbiedt ons dat ten zeerste." + +"Zult gij ons dan helpen?" + +"Ook dat niet. Als we zulks deden, brachten we onze broeders, die te +Makassar zijn, in groot gevaar. Wij gaan naar ons land terug, doch +wenschten ons onderweg, als het noodig was, voortaan te kunnen +verdedigen." + +"Welnu, ik wil aannemen dat ik met eerlijke lieden en geene schelmen te +doen heb," sprak Kapitein Londenaar en liet iedere jonk van tien +musketten en een' goeden voorraad van kruit en lood voorzien. + +Hierop namen de Chineezen dankbaar afscheid en -- ze hielden woord. Ze +dienden den vijand niet. + + +VOETNOOT. + +[31] =Van hot naar haar loopen= beteekent: =van rechts naar links +loopen= en dat =kon hij aan zijn hart voelen= is eene volks-uitdrukking +voor: =dat kon hij begrijpen=. + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +Toch niet alleen. + + +Den volgenden morgen, heel vroeg, werd er nog eens krijgsraad belegd om +het plan van aanval te regelen. Toen al de Kapiteins bij elkander waren, +zeide Admiraal Truytman: "Mijne waarde vrienden, deze nacht is niet +voorbijgegaan zonder mij een plan te doen beramen. Ik zal het u +mededeelen. Wij zeilen met de heele vloot naar Makassar. De wind is +zeer flauw en zal ons naar alle waarschijnlijkheid al niet veel verder +brengen dan tot het kasteel Panakoké. Hier zullen we dan gedurende den +nacht blijven liggen, doch van de duisternis gebruik makend, zullen de +landingstroepen van de elf grootste schepen op de jachten en fluiten +overgaan. Als dan de morgenstond weer aanbreekt beginnen die elf schepen +een hevig kanonvuur op Panakoké te openen, en als ze dat kasteel eenigen +tijd beschoten hebben, dan zeilen ze verder. Ofschoon de Heer van Dam en +ik bij de landingstroepen zullen blijven, moet de "Mars" toch de +Admiraalsvlag blijven voeren, even alsof wij nog aanboord waren. Na het +kasteel beschoten te hebben, blijven wij met onze vierentwintig kleinere +schepen met de zeilen bij den mast liggen, en nemen den schijn aan van +niets te kunnen doen. Zijn de elf groote schepen voor de stad zelve +gekomen, dan moeten ze het Koninklijke kasteel Samboupo zoo hevig +mogelijk gaan beschieten en zich houden, alsof ze hier eene landing +willen beproeven. Zoodra de Makassaarsche bezetting van het kasteel +Panakoké dat ziet, zal ze, denkend van de vierentwintig kleine schepen +niets te vreezen te hebben, de bezetting van het Koninklijke slot te +hulp komen. Zoodra die bezetting afgetrokken is, landen wij en nemen dan +waarschijnlijk met zeer veel gemak dat kasteel Panakoké in en brengen +den vijand zóó tusschen twee vuren, dat hij zich niet weet te bewegen en +zich op genade of ongenade moet overgeven. Mocht door wind of door iets +anders dit plan niet volvoerd kunnen worden, dan zullen we opnieuw +trachten een' krijgsraad te beleggen. Maar ik meen zoo, dat het gelukken +moet, als de wind ons geene leelijke parten speelt." + +Geen der leden van den Raad had iets tegen dit plan in te brengen en de +Kapiteins van de Amboineesche landingstroepen waren er zelfs wàt mede in +hun' schik. Ze hadden behoefte, naar het scheen, om te toonen, dat ze in +moed en dapperheid voor de Europeanen niet onderdeden. + +Kort daarop verliet men de plaats van bijeenkomst en stelde de vloot +zich in beweging. + +De wind was zeer flauw, zoodat de schepen langzaam vorderden. Zij, die +nog nooit in deze streken geweest waren, hadden nu vol-op gelegenheid om +dat heerlijke land van zeer nabij te bekijken. + +Eerst tegen den middag kwam eene stevige koelte uit zee opzetten, en +nauwelijks had men de stad en de versterkingen in het gezicht gekregen, +of van al de schepen begon men het grof geschut te lossen. Men deed dit +evenwel meer om indruk te maken en de stukken nu met schroot te kunnen +laden. + +Het strand was bezaaid met krijgsvolk en uit alles bleek, dat de +Makassaren niet van plan waren, om zich zoo maar klakkeloos te +onderwerpen, doch eer ze het tot een gevecht lieten komen, waarvan de +uitslag toch altijd twijfelachtig was, besloten ze list te gebruiken. + +Onverwachts vertoonde zich eene prachtig versierde prauw, die op ons +Admiraalsschip afkwam. Zij had Afgezanten van den Koning aanboord en +dezen vroegen gehoor bij den Admiraal. Dit werd hun natuurlijk +toegestaan. Tusschen twee rijen sterk gewapend volk stapten de +Afgezanten naar de kajuit, waar de twee Bevelhebbers hen wachtten. + +"Gij hebt verlangd ons te spreken; wat is er van uw begeeren?" vroeg +Heer van Dam, nadat de wederzijdsche begroetingen, die met heel veel +deftigheid plaats hadden, waren afgeloopen. + +De voornaamste der Afgezanten nam nu het woord en zeide: "Wij zijn allen +Edellieden van Makassar en uit naam van onzen Grootmachtigen Gebieder, +den Grooten Koning Hassanopdin, onzen Heer, komen wij u vragen waarom +zulk eene groote vloot der Oost-Indische Compagnie naar Makassar is +gekomen en de stad met schoten uit grof geschut begroet heeft. Indien +het zwaard tegen dit Koninkrijk gekeerd is, dan weet onze Grootmachtige +Gebieder niet, waaraan hij zulks toeschrijven moet, daar het ten allen +tijde zijn streven geweest is met de Compagnie op een' goeden voet van +vriendschap te leven. En dit zal zijn streven blijven ook. De Heer +Bevelhebber dezer vloot hebbe dus de goedheid te zeggen, waarom zijne +komst alhier niet vredelievend is. Stellig en zeker, onze Grootmachtige +Gebieder, wien Allah een lang leven schenke, wil van zijne zijde niets +liever dan goede vriendschap." + +Toen de Afgezant dit gezegd had ging hij achterwaarts bij zijn gevolg en +wachtte, in onderdanige houding, het antwoord der Bevelhebbers af. + +Dat antwoord liet zich niet lang wachten. Admiraal Truytman stond op en +zeide nu: "De Afgezanten van den Grootmachtigen Gebieder van Makassar +kunnen met hun gevolg wel heengaan, en hun' verraderlijken meester +vertellen, dat de machtige Oost-Indische Compagnie thans lang genoeg +geduld gehad heeft. Wij laten ons niet langer met kluitkens in het riet +sturen en zijn gekomen om de Portugeezen te verjagen, Makassar plat te +schieten en den Koning zóó te tuchtigen, dat hij geen' anderen uitweg +meer weet dan zich geheel aan de Compagnie over te geven. Gaat! Gij weet +uwe boodschap!" + +De Makassaarsche Edellieden vertrokken en daar inmiddels de avond begon +te vallen, zoo ankerde de heele vloot op eene halve mijl afstands van +het sterke kasteel Panakoké, waar blijkbaar alles in gereedheid gebracht +werd voor eene moedige verdediging. Gedurende den nacht verlieten de +Bevelhebbers en de landingstroepen de groote schepen en verborgen zich +op de fluiten en jachten, die bedaard voor anker bleven liggen. + +Met het aanbreken van den dageraad lichtten de elf grootste schepen de +ankers. De "Mars", met de Admiraalsvlag in top, zeilde vooruit en +nauwelijks waren zij voor Panakoké gekomen, of zij begonnen dat fort +allerhevigst te beschieten. De Makassaren, die daar ten getale van vier- +of vijfduizend man in bezetting lagen, waren nu zóó niet, of ze +beantwoordden die beleefdheid der Hollanders, en lieten ook de +bloedvlaggen waaien. Daar het fort echter hooger lag dan het dek onzer +schepen deden de kogels der vijanden niet veel kwaad. Na alzoo het +kasteel een tijdlang beschoten te hebben zeilde de vloot onder gedurig +schieten steeds verder tot ze recht voor het Koninklijke slot lag. Dit +was eene zeer belangrijke sterkte en blijkbaar was het ook van eene +buitengewoon groote bezetting voorzien. + +Het gedonder van ons geschut werd niet weinig vermeerderd door dat van +de Makassaren, die door de Portugeezen wakker geholpen werden, en dat +deze laatsten het geschut bedienden, bleek uit het groot aantal goed +gerichte schoten, die aan onze vloot niet weinig nadeel toebrachten. Dit +nadeel en deze tegenstand verbitterden Janmaat niet weinig, en de +kanonnen werden aanboord der schepen met zulk eene snelheid gelost en +met zooveel nauwkeurigheid gericht, dat men in het slot bevreesd begon +te worden en hulp vroeg aan de bezetting van Panakoké. De Bevelhebber +dier sterkte, in den waan, dat de vierentwintig Compagnie-schepen, die +daar lagen, niets konden uitrichten, snelde met een aanzienlijk deel der +bezetting het bedreigde Koninklijke slot te hulp. + +Wij weten dat dit juist door de Heeren Truytman en van Dam gehoopt werd, +en zoodra was Panakoké dan ook niet door het grootste deel van zijne +bezetting verlaten, of het landingsleger der onzen liet zich met eenig +klein veldgeschut naar den wal brengen. + +"Voorwaarts, mannen!" riep Truytman. "De sterkte bestormd, en ineens +genomen!" + +Moedig rukten de onzen voorwaarts en de kleine bezetting den +onverwachten vijand ziende naderen, besloot haar leven niet in eene +wanhopige verdediging te laten, maar op de vlucht te gaan. Met dit doel +opende zij twee poorten, doch juist op het oogenblik, dat zij door deze +poorten ontvluchten wilden, naderde eene bende piekeniers van de onzen +in storm-pas. De Makassaren vloden in de vesting terug en begonnen zich +nu wanhopig te verdedigen. Maar de macht der onzen was te groot; de +meesten werden in de pan gehakt en in een' betrekkelijk korten tijd was +men van het kasteel meester, waar men dadelijk de Hollandsche vlag +heesch en de Makassaarsche vlaggen neerhaalde. + +Toen Garrit en Dirk, die aanboord van de "Koning van Polen" het +bombardement van het Koninklijke slot hielpen mede maken, op Panakoké de +vlag der Compagnie zagen wapperen, schreeuwden ze uit alle macht: +"Victorie! Victorie!" + +"Wat is er gaande, jongens?" vroeg Henri Quatre. + +"Panakoké is ingenomen, Stuurman! Kijk maar onze vlag waait daar!" + +"Daar gaat de vijand op Panakoké los!" schreeuwde Hoepel. "Als +ze het nu maar houden daar ginder." + +"Er zal eene zware wijs op gaan, maat!" zeide Joost. "Wat een +ontzettend leger heeft die Koning van Makassar! Dat is een machtige +vijand!" + +"Maar eer het een paar dagen verder is, een machtige bondgenoot," +meende Dolf. + +"Zulke bondgenooten helpen de Compagnie van den wal in de sloot," +hernam Joost met wat bitters in de stem. + +"Vuur! Vuur, mannen! Belet aan die Makassaren dat ze het fort +terugnemen. Onze kogels moeten hun den pas afsnijden," riep Kapitein +Londenaar. "Daar gaat de groote stag van de "Mars". Die daar op +Samboupo hebben leeren mikken."[32] + +"Dat lappen ons die verdraaide Portugeezen, die...." + +Het was Hoepel, die deze woorden sprak, doch den zin niet kon voltooien. +Een kogel vloog hem tegen de borst en hij tuimelde achterover. + +Dolf snelde toe om den gevallene op te helpen en naar Meester Pruymius, +die de handen meer dan vol had, te brengen. + +"Laat maar, Stuurman! Laat maar! Het is gedaan met mij! En toch...." + +Hij richtte zich nog even op, haalde met bovenmenschelijke inspanning de +muts van het hoofd, wierp die in de hoogte en riep: "Victorie! Vic...." + +Thans zakte hij ineen en was dood. + +"De zevende vandaag," bromde Kreeft. "Ze houden hier groote +opruiming!" + +Na dit gezegd te hebben begaf hij zich naar zijn kanon, maar eer hij +daar plaats genomen had, sloeg een vijandelijke kogel den grooten mast +in splinters en een dik stuk hout trof hem en Dirk tegelijk. Kreeft was +oogenblikkelijk dood, doch Dirk had alleen eene hevige wonde aan het +hoofd bekomen en werd ook bij Meester Pruymius gebracht, die al zijn +wonderwater al verbruikt had en nu de gewonden met borreborrie trachtte +te genezen. + +Terwijl dit alles aanboord van de "Koning van Polen" voorviel, +ondernamen de Makassaren de sterkte Panakoké weder te hernemen. + +Met een ijselijk geschreeuw vielen ze aan. + +Het geschut hadden de onzen gelukkig in een' uitmuntenden staat +gevonden; het moest alleen maar beter op de affuiten gesteld worden. +Kruit was er in overvloed en het was van eene uitmuntende hoedanigheid. +Kogels, steenen, schroot en handgranaten had men vol-op. + +"Wij zullen ze staan!" riep van Dam toen hij de duizenden naderen zag. +"Ze krijgen ons er niet uit." + +"Ik vertrouw dat we nog wat meer zullen doen dan dit fort behouden," +zeide Admiraal Truytman. "We zullen die luî verjagen ook. De jongens van +Amboina hebben zich dapper geweerd en dorsten er naar om te toonen, dat +ze nog meer kunnen doen." + +De aanvallers naderden intusschen in dichtgesloten gelederen. Ze +schenen er niet aan te denken, dat het geschut van het fort, wanneer het +losgebrand werd in dien opeengepakten hoop, eene verschrikkelijke +uitwerking zou hebben en er honderden zou doen vallen. + +"Vuur!" commandeerde van Dam nu toen de Makassaren juist tegenover de +batterijen gekomen waren. + +De gevolgen van die losbranding waren verschrikkelijk, maar, met ware +doodsverachting en onder het aanheffen van wilde krijgskreten stormden +ze voorwaarts tegen de batterijen in. Geene nieuwe losbrandingen konden +die dapperen doen wijken. Langzaam, maar zeker, naderden zij de wallen, +en toen ze daar waren werden duizenden pijlen en lansen, die voor het +meerendeel vergiftigd waren, naar de onzen geworpen. + +Eindelijk werden de gelederen van den vijand door de vreeselijke +uitwerking van ons geschut, dat grootendeels met schroot geladen werd, +zóó gedund, dat de onverschrokken vijand den moed liet zinken en in +wilde wanorde op de vlucht sloeg. + +"Zet den vijand na! Zet den vijand na!" riepen van Dam en Truytman. +"Nu moeten we van ons voordeel gebruik maken." + +Het werd nu geen gevecht meer, maar eene slachting en toen men ten +laatste geene vijanden meer te dooden vond, werden, op bevel van van +Dam, alle tempels, paleizen, landhuizen, pakhuizen, woonhuizen en +scheepstimmerwerven inbrand gestoken. + +Het arme Makassar, dat een paar dagen geleden, daar nog zoo rustig en +vredig in al zijne heerlijkheid lag, was nu ééne brandende massa, ééne +groote vuurzee, waaruit de vlammen wapperend en klapperend opstegen. + +Intusschen waren de elf schepen van de vloot nog verder gegaan en +bombardeerden nu het kwartier der Portugeezen, die evenwel toonden, dat +ze even koen in het hanteeren der wapenen waren, als de Hollanders. + +Nu, de Portugeesche zeevaarders waren door hunne onverschrokken +zeetochten reeds wereldberoemd toen de eerste Nederlander, die een' +tocht naar de Oost zou maken, nog niet eens geboren was. Wij hadden dus +met geene lafaards te doen, die bij een eerste kanonschot op de vlucht +gingen of zich overgaven. + +De Bevelhebber der Portugeezen was Dom Francisco Vigero, en deze scheen +besloten te hebben de Hollanders, het mocht kosten wat het wilde, uit +Makassar te houden. + +Zijn geschut werd op uitstekende wijze bediend en bracht onze vloot +groote nadeelen toe. + +Doch de onzen gaven het ook niet gauw op en schoten, alsof hun voorraad +van kruit en lood onuitputtelijk was. + +Daar ging de "Mars" weer verder. + +Aan de noordzijde van Makassar lag nog het fort Joupandan en dat had nog +geene kennis met onze kogels gemaakt. + +"Jongens, dat kan niet," had de Kapitein van de "Mars" gezegd. +"De een alles en de ander niemendal, dat is niet eerlijk! Vooruit! Die +daar op Joupandan moeten onze blauwe boonen ook eens proeven!" + +Nadat ook dit fort deerlijk toegetakeld was, keerde de "Mars" terug en +zoodra het voor het kwartier der Portugeezen kwam, begon het lieve leven +opnieuw. + +"Ik wilde wel dat de "Breukelen" wat ruimte maakte." zeide Kapitein +Londenaar tot Henri Quatre. + +"Kunnen we het dan niet wat meer langs den wal houden," vroeg deze. +"Zoo gaat het niet langer." + +"Dat moet dan maar," sprak Londenaar, "maar oppassen is de boodschap, +anders varen we omhoog." + +Dolf bracht daarop de "Koning van Polen" wat meer naar het strand, doch +opeens kwam de Kapitein aanloopen en schreeuwde: "Roer op! Roer op!" + +Ja, het was mooi gezegd: "Roer op!" maar het roer zat als een muur zoo +vast. + +"Wat is dat?" riep Dolf. + +"Wij zijn boven de plaats waar gisteren de Portugeesche Admiraal in de +lucht gevlogen is. Het roer zit vast aan het ankertouw van het wrak!" + +Bom -- bom -- bom! + +"Lieve schepsel, dat is nu om ons te doen!" riep Joost. "Nog niet +genoeg dooden en gekwetsten?" + +"Vuur, voor den drommel, vuur! Geef ze van laken!" riep Kapitein +Londenaar. "Wij moeten van ons blijven afbijten." + +Dat kon echter nu maar van bakboordszijde gebeuren; want van wenden of +keeren was geene sprake. + +"Dag, Kapitein! Dag jongens!" riep op eenmaal Joost, die door een' +musketkogel getroffen was, uit. + +"Drommels, Ouwe Joost, laat je het er bij liggen?" riep Dolf, die den +man ophielp. + +"Die -- Por -- Portugeezen -- zijn -- zijn -- kerels! Laat me -- laat me +-- sterven in de armen -- armen van een' Hollander, mijn -- vriend! Laat +-- IJzeren -- Nep -- tunus -- komen." + +IJzeren Neptunus trad nader. + +"Wel, Joost," zeî hij, "wat is dát?" + +"Houd--uwe--hand--hand onder mijn hoofd--IJzeren--Nep--Neptunus!" +stamelde hij. + +Kapitein Londenaar deed het. + +"Doe--de--groeten thuis--aan--vrouw en kin--kinderen! Vaar--wel, +ka--me--raad! Ad--adjuus!" + +Kapitein Londenaar hield een lijk in de armen. + +Joost was in dienst der Compagnie gestorven. + +Bom! bom! bom! klonken de kanonschoten der Portugeezen, en bijna ieder +schot was raak. + +"Sein om hulp!" riep Kapitein Londenaar. + +"Hoezee! Hoezee!" riep op hetzelfde oogenblik Henri Quatre, en het +schip was vrij. + +Een vijandelijke kogel had het ankertouw, waarin het roer verward was, +middendoor geschoten. + +In een oogenblik had men het schip gewend en was de batterij aan +stuurboord afgevuurd. + +"Het is genoeg, Stuurman!" sprak Kapitein Londenaar. "Wij moeten +afhouden. De "Koning van Polen" zal een' zwaren dobber hebben om de +andere tien bij te houden! Hoeveel water zouden we in het ruim hebben?" + +"Niet veel, Kapitein! De scheepstimmerlui hebben wonderen gedaan! U +heeft volk aanboord zoo goed als de Heeren Truytman en van Dam niet +hebben," zeide Dolf. + +Wijselijk hield men van den wal af en liet men het geschut zwijgen. Het +werd tijd, dat men ophield en zich verzamelde, om opnieuw krijgsraad te +houden. + +Toen de avond gevallen was lag de heele vloot weer voor Panakoké op +dezelfde plaats van den voorgaanden nacht ten anker. De gezonden rustten +uit van de vermoeienissen van den dag. + +In den scheepsraad, die nog dien eigen avond aanboord van de "Mars" +gehouden werd, bleek het, dat de "Koning van Polen" bijna alleen +zooveel dooden en gekwetsten had, als al de andere schepen samen. Er +waren dus bij het bombardement van de forten en de stad niet veel +Hollandsche menschenlevens te betreuren. Ook bij de landingstroepen +had men alleen een paar, die niet eens zwaar gewond waren en slechts +één' doode. Omtrent de plannen van den volgenden dag werd niet gerept. +De Heer van Dam meende wel, dat de Koning van Makassar het niet wagen +zou, na zulk eene ontzettende nederlaag, waarbij de keur van zijne +oorlogsbenden omgekomen was, den strijd voort te zetten. Naar zijne +gedachten zou er den volgenden morgen wel een nieuw Gezantschap komen +om de voorwaarden te hooren, waarop de Compagnie vrede wilde sluiten. +Er werd alleen maar aangenomen, dat men het kasteel Panakoké zou +blijven bezetten en daar scherpe wacht houden. Men kon dan altijd den +volgenden dag zien, wat er gedaan moest worden. + +Natuurlijk was met het aanbreken van den dag weer alles op de been, en +het eerste werk der Hollanders was, hunne dooden aan den wal te begraven +en de gekwetsten over de vloot te verdeelen. De groote menigte lijken +van Makassaren, die men vond, liet men, onbarmhartig genoeg, maar +liggen. Zoodra men hiermede geheel klaar was, begon men alles weer +gereed te maken om den Koning van Makassar en zijn' vrienden de +Portugeezen van hetzelfde laken een pak te geven als den vorigen dag. +Men had nog krijgsvoorraad genoeg en door den ijver der matrozen was +veel van het beschadigde weer hersteld. Eer men echter er toe kon +overgaan, kwam er des morgens om negen uren al een prachtig versierd +vaartuig met den voornaamsten Makassaarschen Prins en groot gevolg +aanboord. Hij werd weer tot de Bevelhebbers der vloot toegelaten en +thans kwam het uit, dat de Makassaren geen' trek hadden nog een tweede +pak van dat laken te ontvangen. Ze meenden zoo, dat ze met dat eene pak +best voor den dag konden komen en begonnen met alvast een' +wapenstilstand te verzoeken. Verder kregen de Hollanders een pluimpje, +dat ze zich zoo wakker geweerd hadden. + +Onze Bevelhebbers hielden zich evenwel groot en vertelden, dat ze niet +vanplan waren, het ditmaal met een' sisser te laten afloopen. De vloot, +die nu voor de stad lag, zeiden ze, bestond maar uit eenige +koopvaarders, die opweg waren naar Batavia en besloten hadden meteen dat +spelletje hier te spelen. Over eenigen tijd zouden de Koning en zijne +vrienden nog wat anders zien. Dan kwam de eigenlijke oorlogsvloot, en al +wat er nu gebeurd was, zou niemendal te beteekenen hebben bij hetgeen er +dan gebeuren zou. + +De Afgezant was ook door eenige Priesters vergezeld en nauwelijks +hoorden deze die vreeselijke bedreiging, of één hunner schreeuwde +luidkeels: "O, groote Profeet, is er dan nog niet genoeg bloed +vergoten!" + +"Of er nog niet genoeg bloed vergoten is," zeide Admiraal Truytman, +"dat hangt alleen van uw' Koning af. Als deze zijne voornaamste +Edellieden naar Batavia zendt om daar met den Grooten Heer een +verbond van vriendschap en onderwerping te sluiten, dan heeft het +bloedvergieten een einde genomen. Kan hij hiertoe niet overgaan, +voorwaar, eer de zon ter kimmen daalt, zullen wij opnieuw getoond +hebben, dat we na zoo lang gesard, geplaagd en bedrogen te zijn, +eindelijk ons goed hart het zwijgen hebben opgelegd, en wraak willen +nemen over zooveel onwil en trouweloosheid. Zeg dat aan uw' Koning! En +nog wat. Geruimen tijd geleden is op deze kusten een klein schip van de +Compagnie gestrand en het volk gevangen genomen. Nog vandaag eischen +we die gevangenen in ons midden. Verder geven wij een' wapenstilstand +van tweemaal vierentwintig uren en in dien tijd moet alles naar ons +genoegen afgeloopen zijn. De Afgezant weet thans zijne boodschap en kan +gaan." + +De Prins vertrok met hangende pootjes en zeker had hij zich wel niet +voorgesteld dat die "kwade" Nederlanders zooveel noten op hun' zang +zouden hebben. + +Spoedig daarop kwamen de Afgezanten weer terug met de boodschap, dat de +Koning begon met de eischen van de Nederlanders aan te nemen, en dat hij +hun zelfs het vrije verkeer aan den wal toeliet. Als een bewijs zijner +hoogachting gaf hij den Bevelhebbers eene magere karbouw, doch de onzen +gaven dat beestje dadelijk de vrijheid. Zij wilden den schijn niet +aannemen, aan het een of ander gebrek te hebben. + +Overal werden nu de roode vlaggen neergehaald en door witte vervangen. +Dit geschiedde ook aanboord van onze schepen en nauwelijks was het +bekend, dat het vrije verkeer aan den wal toegelaten was, of +verscheidene matrozen en Officieren vroegen verlof van dit aanbod +gebruik te maken. + +"Hoort eens, mannen," zeide Truytman, "ik vertrouw den Makassaar niet +verder dan mijn neus lang is. Om hem te toonen, dat we aan wal durven +komen, zullen we het doen ook; maar ieder neme de noodige maatregelen +van voorzichtigheid in acht en zorge, dat hij goed gewapend zij en zich +in geene hinderlaag late lokken. De elf groote schepen, die zich +gisteren zoo kloek geweerd hebben, moeten vlak voor de stad komen liggen +en terwijl het eene deel der manschappen zich wat ontspant, moet het +andere deel zich gereed houden om mogelijk verraad oogenblikkelijk en op +eene vreeselijke wijze te straffen. De Amboineezen zal ik gebruiken om +de grachten om het fort Panakoké te laten verbeteren en uitdiepen; want, +als de vloot vertrekt, moet dat fort bezet worden, en zóó sterk zijn, +dat het, bij goede waakzaamheid, onmogelijk kan ingenomen worden." + +De wonde, welke Dirk den vorigen dag ontvangen had, was gelukkig niet +erger, doch Meester Pruymius vond het beter, dat hij aanboord bleef en +rust hield, omdat er mogelijk eene wondkoorts bij kon komen. + +Dat viel Dirk tegen, want hij zou zoo gaarne met Garrit en den barbier +eens naar den wal gegaan zijn om wat afleiding te hebben. + +En afleiding had de knaap wel noodig. Als hij daar zoo eenzaam lag en +Garrit niet bij zich had om wat met dezen te praten, dan dacht hij aan +den goeden Ouden Joost, dien braven vriend, die altijd zoo hartelijk en +vriendelijk voor hem was geweest als de andere matrozen hem en zijn' +broeder voor de "Twee Vromen" scholden. Vanmorgen hadden ze hem een +eerlijk zeemans-graf aan den wal gegeven. Hem, ja, en Hoepel en Kreeft +ook. Met wien moesten ze nu omgaan? Wie zou hun een' riem onder het hart +steken? + +Henri Quatre? Ja, dat was een nobel man, maar -- hij was Eerste Stuurman +en zou nu wel gauw Kapitein worden. Dan ging hij over op een ander +schip. + +Dolf? Ja, die was ook goed, door en door goed zelfs; maar die was ook +Stuurman, en aanboord van een schip ziet de Kapitein niet graag, dat de +meerdere met den mindere zoo vriendschappelijk omgaat. Soort moet zich +bij soort houden. + +IJzeren Neptunus? Hij zou hun geen kwaad doen, neen, stellig niet! Hij +was een braaf en goed man, maar om eens even het volle hart uit te +storten, zooals ze dat bij Ouden Joost, bij Hoepel of bij Kreeft wel +eens gedaan hadden, zie, dat konden ze nog minder. + +Meester Pruymius? Och, die was wel goed; maar zoo vreemd! Ze hielden hem +allemaal voor den gek met zijn troost der armen! En een verstandig woord +spreken of een' goeden raad geven, dat kon hij wel, maar zoo goed als de +anderen dat konden, neen, dat in het geheel niet. + +Onderwijl de arme Dirk zoo dacht begon hij zich zeer verlaten te +gevoelen. Zijn hart werd al voller en voller en op het laatst barstte +hij in tranen uit, sloeg de armen om de leuning van de trap en kermde: +"o Lief, lief, goed Moedertje! Brave, beste Vader! Garrit en ik zijn zoo +verlaten! Zoo verlaten en alleen!" + +In zijne droefheid had hij niet gehoord, dat hem iemand genaderd was. + +Eene hand werd op zijn' schouder gelegd en een vriendelijk gefluister +klonk aan zijn oor: "Ben ik er dan niet meer, jongen? Toe, kijk eens +even op en zie me eens aan!" + +Dirk schrikte, keek om en...." + +IJzeren Neptunus zag hem aan. + +En die man, die groote, sterke man, die zeebonk als een boom, -- hij had +tranen in de donkere oogen en nogmaals klonk het: "Ben ik er dan niet +meer, jongen?" + +"Kapitein! Kapitein!" riep Dirk. Maar meer kon hij niet zeggen en +snikkend boog hij het kloppende hoofd aan de breede borst van den reus, +waarin een hart zat zoo edel, zoo groot, zoo goed, dat Dirk zich ten +laatste vermande en met diep bewogen stem vroeg: "Kapitein, wil u dan in +de plaats van onze lieve Ouders komen? Wil u dat?" + +"Of ik wil, jongen? Of ik wil? Ja, ja, van ganscher harte. Hier heb je +mijne hand er op. Blijft gij allebei oppassen als tot nu, ik zal je +helpen, troosten en bijstaan! De Almachtige hoort me spreken, en -- een +man, een man; een woord, een woord!" -- + +Was het wel te verwonderen, dat de arme jongen op Garrits vraag: "Dirk, +ga je met mij en Meester Pruymius mede naar den wal? Als je maar kalm +blijft, zal het je geen kwaad doen, zei Meester," met een' vroolijken +lach op het gelaat uitriep: "Ja, Garrit, graag, graag!" + +Er ligt voor menschen en kinderen, die zich op aarde verlaten wanen, +zulk een groote troost in, te ervaren, dat men zich bedroog en hier op +aarde toch niet alleen staat. + + +VOETNOOT. + +[32] Een =stag= is een staand touw, dat dient om den mast te steunen en +te beletten achterover te slaan. De =groote stag= steunt den grooten +mast. + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +Getuchtigd, niet verslagen. + + +De tocht onzer drie gezellen was, zooals men lichtelijk begrijpen kan, +naar het kasteel Panakoké. Ze wilden wel eens zien hoe sterk dat was en +op welke wijze de Makassaren hunne forten bouwden. + +Op weg daarheen zagen ze eenige soldaten der Makassaren aankomen. Zij +waren sterk gewapend en hadden drie zwaar geboeide mannen in hun midden. + +"Dat gelijken wel drie der onzen," zeide Garrit. "Dat zullen toch die +arme schipbreukelingen niet zijn, die ze ons zoo uitleveren?" + +"Wel neen, jongen," antwoordde Meester Pruymius. "Na het lesje, +dat ze ontvangen hebben zullen ze zoo iets niet meer wagen. Kom, we +zullen eens gaan kijken wat het is." + +Ons drietal verhaastte de schreden, doch lang vóór ze bij de hoofdpoort +van Panakoké kwamen, waren de Makassaren er al met hunne gevangenen, die +aan den Hollandschen Bevelhebber overgegeven werden. + +De Makassaren keerden terug en de drie geboeide mannen werden op +staanden voet en zonder eenigen vorm van proces, naast elkander, aan den +diksten tak van een' hoogen boom opgehangen. + +De drie vrienden wendden hun hoofd van dat akelig gezicht af en zett'en, +wel wat ontdaan over dit voorval, hun' tocht voort. Spoedig waren ze nu +bij de poort van het kasteel waar Meester Pruymius aan een' Vaandrig der +landingstroepen vroeg, waartoe die wreedheid toch diende. + +"Wreedheid, sinjeur!" riep de Vaandrig. "Ik zou u raden een toontje +lager te zingen. Er is recht, niets meer dan recht gedaan. Gij behoort +toch niet tot de Doms of Makassaren?" + +"Ik ben zoo goed een Hollander, als gij er een zijt, man," zeide de +barbier. "Ik ben Meester Pruymius van de "Koning van Polen." Maar zoo +iets, als hier gebeurt...." + +"Gebeurt in de Vereenigde Nederlanden immers ook dikwijls genoeg? Of +heeft niet iedere stad zijn galgenveld? En wordt dat galgenveld wel +gebruikt om er doperwtjes en peultjes te telen?" + +"Alles behalve, man! Maar ik heb er nooit aardigheid in gevonden om eens +te gaan kijken of al de zeven pennen wel vol waren. Waren die drie ook +moordenaars?" + +"Erger, erger!" luidde het antwoord. + +"Amok-makers dan?" vroeg Dirk en hij dacht terstond aan het vreeselijk +oogenblik, dat hij te Batavia beleefd had en eene huivering liep bij die +gedachte door al zijne leden. + +"Nog erger, veel erger!" sprak de Vaandrig. + +Geene moordenaars, maar erger dan deze! + +Geen amok-makers, maar nog veel erger dan deze! + +Welke vreeselijke menschen waren die drie dan toch? + +Dat vroeg ook eindelijk Meester Pruymius. + +"Het zijn drie overloopers," antwoordde de Vaandrig. "Twee +Franschen en een Portugees! Ze wilden zeker hun geluk eens bij den +vijand beproeven en daar alles van onze aangelegenheden aan de groote +klok hangen. Zoodra het echter bekend was, dat die drie weggeloopen +waren, eischte onze Bevelhebber hen dadelijk van den Koning op en deze, +nog niet bekomen van den schrik, heeft hen onmiddellijk uitgeleverd. Om +een goed voorbeeld te stellen zijn ze bij de uitlevering, zonder verhoor +zelfs, opgehangen. Dat komt ervan!"[33] + +De drie gezellen lieten den wijzen Vaandrig, die zoo van korte metten +maken hield, staan en gingen het fort binnen. + +Men was druk bezig om binnen de ruimte, die tusschen de muren was, +allerlei woningen voor de bezetting en magazijnen voor den levens- en +krijgsvoorraad te bouwen. + +De vier ronde punten aan de hoeken der muren waren voorzien met nieuwe +en zware metalen kanonnen. + +De muren zelve waren zeer dik en goed onderhouden en op de borstwering +lagen stapels met gekloofde stammen van klapperboomen, om hiermede den +vijand bij eene bestorming naar het hoofd te smijten. + +De gracht om het fort werd overal uitgediept en met scherp gepunte +schanspalen, zoogenaamde palissaden, voorzien en de voetangels en +klemmen, die in dezen tijd bij eene versterkte plaats niet schenen +gemist te kunnen worden, waren in overvloed neergelegd. + +Het liet zich dus aanzien, dat de Makassaren, ook als de vloot +vertrokken was, er niet gauw toe zouden overgaan om deze sterkte met +geweld te bemachtigen. Wat ze door list zouden beproeven, moest men nog +afwachten, zoodat hij, die hier Bevelhebber werd, een zeer waakzaam man +en bovendien een dapper soldaat moest zijn. + +Nadat ze zoo alles goed bekeken hadden, wilden ze de sterkte weer +verlaten toen ze eenige uitgehongerde bedelaars aan de poort met den +Vaandrig in gesprek zagen. + +"Wie zouden die mannen zijn?" vroeg Garrit. + +"Misschien ook wel overloopers," meende Dirk en hij spoorde Meester +Pruymius al aan om toch wat meer haast te maken, anders zouden ze +mogelijk weer van zulk eene akelige terechtstelling getuigen moeten +zijn. + +In het eerst scheen de goedige Dokter, die zoo iets liever ook niet zou +willen zien, aan het verzoek van Dirk gehoor te geven, doch hoe meer hij +de poort, den Vaandrig en de bedelaars naderde, hoe langzamer hij liep. + +Ten laatste stond hij zelfs stil en scheen het met zichzelven niet eens +te zijn. + +"Kom dan toch, Meester," smeekten de jongens. + +Onafgebroken hield Meester Pruymius het oog op den voorsten bedelaar +gewend. + +"Wat henker," bromde hij, "dien man ken ik!" + +"Kom, Meester, meê! meê!" riep Dirk. + +"Jongen," zei Meester Pruymius op eenmaal, en hij keek Garrit vlak in +de oogen, "waar ligt uw Vader begraven?" + +Garrit schrikte bij deze onverwachte vraag niet weinig en zeide: "Moeder +ligt bij de smalle gemeente te Haarlem begraven. Waarom vraagt gij dat +toch zoo opeens?"[34] + +"Ik vraag niet naar je Moeder! Ik vraag naar je Vader," hernam Meester +Pruymius op driftigen toon. + +"Dat heeft Moeder nooit willen zeggen," sprak thans Dirk. "Maar +waarom vraagt gij dat?" + +"Zoo maar! Wanneer is je Vader gestorven?" + +"Ook dat heeft Moeder nooit gezegd. Ik was drie jaar, meen ik, toen ik +des avonds een' man aan Moeder hoorde vertellen, maar op fluisterenden +toon: "Verdronken!" Toen zeide hij nog wat; maar dat verstond ik niet. +Zoodra die man weg was, barstte Moeder in luid geween uit. Garrit, die +een jaar jonger is dan ik, huilde mede, maar wist niet waarom. Ik +huilde, omdat ik het Moeder zag doen, en mijne armpjes om haar' hals +slaande, vroeg ik: "Wat is het, Moetje?" en snikkend klonk haar +antwoord: "Kindertjes, gij hebt geen Vadertje meer!" Later heeft ze +nooit meer over dezen avond gesproken. Dat is alles, wat ik ervan weet, +en Garrit weet er zoo goed als niets van." + +"Zoo, zoo!" zeide Meester Pruymius nadenkend met het hoofd knikkend en +ging weer langzaam verder. + +De zoogenaamde bedelaars werden door den Vaandrig in het wachthuis +gelaten en weldra ging Admiraal Truytman met eenigen zijner Officieren, +van buiten gekomen, ook binnen. + +Onze drie verlieten nu het kasteel, doch zoodra ze bij eene plaats +kwamen waar juist eene boot van de "Koning van Polen" zou afvaren, riep +Meester Pruymius het volk toe, dat het wachten moest, want dat zij mede +wilden. Het volk wachtte en onder het gaan naar de boot vroeg de Dokter +aan Dirk: "Hoe heette je Vader?" + +"Cornelis Dirksz., Meester!" gaf Dirk ten antwoord. + +"Haast je wat! Een uur en is geen kinderstoel en men kan het niet +achteruit rijden!" riep Dolf, die de boot zou sturen en blijkbaar wat +veel haast scheen te hebben. + +"We zijn er," sprak Meester Pruymius en liet de jongens vóór zich in +de boot stappen, doch toen hij hen heette te willen volgen, trok hij +zich terug en zei: "Gaat maar zonder mij! Ik heb in het kasteel wat +vergeten en zal straks wel met eene andere boot aanboord komen." + +Na dit gezegd te hebben liep hij op een drafje terug. + +"Wat doet Meester Troost der Armen toch gek," zeide een der matrozen. +"Hij schijnt erg zenuwachtig te zijn." + +"Och, hij zal een nieuw geneesmiddel voor Dirks hoofdwonde gevonden +hebben en dat gaan halen!" spotte een andere matroos. "Wie weet welk +een' vreemden poespas hij nu weer opgedoken heeft." + +"Neen," zeide Garrit, "hij heeft geen geneesmiddel gevonden, maar ik +geloof dat hij akelig geworden is door het ophangen van die drie +overloopers. Wij waren er juist bij toen dat gebeurde." + +"Ja, en toen hij die arme bedelaars in het fort zag komen, begon hij +dadelijk heel raar te doen en naar Vader en Moeder te vragen," zeide +Dirk. "Ik geloof stellig dat hij er kennissen onder had." + +"Nu, nu, we zullen er later wel meer van hooren," sprak Dolf. +"Als onze Meester wat bijzonders heeft kan hij dat toch niet zwijgen! +Vooruit, mannen!" + +De riemen plasten in het water en een kwartier later was weer al het +volk aanboord op den Kapitein en den scheepsbarbier na. Van den Kapitein +was men dat gewoon, omdat deze nu telkens voor allerlei zaken aan den +wal moest zijn, maar dat Meester Pruymius daar nu alleen achtergebleven +was, zie, dat vond men toch vreemd, en allen meenden dat hij vast en +stellig alweer met een nieuw wonderwatertje of een vreemd zalfje zou +terugkeeren. + +Natuurlijk zijn wij, die met den goedigen Meester ook aan wal gingen +wel wat nieuwsgierig om te weten, wat hem bewoog terug te keeren. +Daarom verlaten we ook de "Koning van Polen" en spoeden ons om Meester +Pruymius in te halen. Onze beenen zijn nog heel wat jonger dan de +zijne, zoodat hij ons wel niet uit het gezicht loopen zal. Zie, daar is +hij al. Hij staat bij het wachthuis aan de poort van het fort en wij +zijn er ook. + +"Alweer terug, Meester?" vroeg de Vaandrig. + +"Ja, dat ziet ge. Zijn die bedelaars daar nog binnen?" + +"Bedelaars? Ik weet van geene bedelaars!" + +"Dat slecht gekleede magere volk van daar straks!" + +"O, meen je dat? Dat waren de Stuurman en de matrozen van het +Hollandsche schip, dat hier eenige jaren geleden gestrand en geplunderd +is! De Koning van Makassar heeft die lieden moeten uitleveren. Maar wat +zien ze er uit! De zielen hebben wat geleden, hoor!" + +"Ja, ja, dat zal wel! En zijn ze nog binnen?" + +"Ja! De Admiraal en eenige Kapiteins willen zeker hunne lotgevallen +vernemen. Stil, daar komen ze!" + +De Bevelhebber, gevolgd door de meeste Kapiteins, trad nu buiten het +wachthuis en ging de vesting van binnen met al hare versterkingen en +voorraad-magazijnen in oogenschouw nemen. + +"Mag ik binnengaan?" vroeg Meester Pruymius aan den Vaandrig. "Ik zou +die arme slokkerds wel eens willen zien." + +De Vaandrig knikte toestemmend en zei: "Uwe medicamenten hebben ze +vooreerst niet noodig, Meester! Ze zijn nu bezig den inwendigen mensch +te versterken met pekelvleesch en beschuit, en dat schijnt hun goed te +smaken ook, want ze rammelden van den honger." + +Meester Pruymius hoorde die laatste woorden niet eens en trad in het +groote vertrek, waar acht mannen bezig waren met flink toe te tasten. +Hij keek hen eens aan, en eindelijk zijn' man gevonden hebbende, trad +hij op hem toe, klopte hem op den schouder en vroeg botweg: "Wel, +Cornelis Dirksz., smaakt het, ouwentje? Mij dunkt zoo dat je dit in +langen tijd niet gehad hebt." + +"Ja, ja, best," antwoordde de gevraagde met vollen mond. "Best, +Sinjeur!" -- Hij deed een' slok en nog een'. Toen was de mond ledig. +-- "Maar mag ik weten wie u is?" + +"Jij bent dus Cornelis Dirksz.? Is dat zoo?" + +"Ja, ja, die ben ik! Maar ik ken u niet!" + +"Ja man, dan staan we al even na. Ik ken u ook niet," sprak Meester +Pruymius verward. + +"Och, Stuurman, laat die man u niet van het maal houden! Tast toe!" +zeide thans een der etende en smullende matrozen en schoof Cornelis +Dirksz. een' schotel met vleesch toe. "Je weet, als het schaapje blaat +verliest het zijn beetje." + +"Goed! Eet man, eet je genoegen! En als je den buik vol hebt, moet ik u +een en ander vertellen," sprak Meester Pruymius en ging toen, van pret +in de handen wrijvend, het vertrek eenige keeren op en neer. + +"Tot uw' dienst, Sinjeur," sprak na een poosje de man, die werkelijk +Cornelis Dirksz. heette en die Stuurman bleek te zijn. + +"Ik ken u niet, maar ik ken uwe jongens! Ik ken Garrit! En, al zie je er +ook erg lijdend en vermagerd uit, toch lijkt je sprekend op dien +jongen," zeide Meester Pruymius. + +"Garrit!" riep de man en greep de handen van den Dokter. "Garrit? +Kent u hem? Hij moet al een heele kerel wezen. En Dirk ook al. Kent u +Dirk ook? En mijne vrouw?" + +"Uwe vrouw heb ik nooit gekend, goede vriend! Wie weet of de ziel al +niet lang en breed dood is, ik geloof het haast. En Garrit, ja, een +heele kerel! Hij is zeventien! Dirk is achttien. Ze dienen bij ons op +het schip en omdat ze altijd zoo ingetogen en stil zijn, worden ze door +het volk de "Twee Vromen" genoemd. Maar nu ik mij wel herinner, de +jongens hebben me gezegd dat ze weezen waren, zoodat uwe vrouw stellig +dood is." + +Dat alles was er uit eer Meester Pruymius er aan dacht, dat hij toch dom +deed, dat alles zoo opeens te vertellen. Die man had zooveel geleden en +zou dus misschien niet sterk genoeg zijn, om.... + +Daar ging hij al. + +Gelukkig had Meester Pruymius het zien aankomen, en eer de man voorover +sloeg, had hij hem in de armen opgevangen en droeg hem naar eene bank. +Uit eene groote doos, die hij altijd bij zich droeg, haalde hij nu een +fleschje, waarin een scherp riekend vocht was. Hij hield hem dat onder +den neus en -- de man kwam weer bij. Uit een ander fleschje, dat veel +grooter was, en dat gevuld was met arak, liet hij hem nu een' teug +drinken.[35] + +"Men sterft niet van blijdschap, Stuurman," zeide nu Meester Pruymius. +"Luister, wat ik u te vertellen heb." + +De twee mannen zett'en zich nu buiten het gebouw op eene bank neder en +daar deelde de vriendelijke Dokter hem alles mede. Hij verzweeg ook +niet, dat Dirk in het laatste gevecht gewond was geworden. En juist toen +hij alles verteld had, kwam Kapitein Londenaar met Admiraal Truytman +aan. Meester Pruymius ging naar die twee toe en zeide op beleefden toon, +wat er gebeurd was en wien hij gevonden had. + +"Weet je wat, Kapitein," zeide de Admiraal. "Bij u aanboord zijn +in het gevecht nog al dooden gevallen. Neem gij den Stuurman mede, dan +is de Vader bij zijne zoons!" + +"Ik heb geene Stuurlieden noodig, Admiraal!" + +"Vanmiddag nog niet; vanavond wel. Uw Stuurman Adolf van Backerswerve +zal, met Willem van Aspervelde als Kapitein, "de Hollandsche Remedie" +naar Batavia brengen!" + +"Mijne beste mannen," riep Kapitein Londenaar. + +"Heer Johan van Dam wil het zoo," zeide Truytman en hierop klonk het +nog half fluisterend: "Een soort van wraak, Kapitein! "De Hollandsche +Remedie" zal Joffer Cos overbrengen. Laat Cornelis Dirksz. nu uw Eerste +Stuurman zijn en de oudste zijner zoons de tweede. Ik stel beiden aan +en maak zooveel goed als ik kan." + +Cornelis Dirksz., die alles, behalve het gefluister, verstaan had, kwam +nu nader en zeide: "Admiraal, mijn innigen dank daarvoor! Kapitein, ik +beloof u een goed Stuurman te zullen zijn, al ben ik het ook bij ongeluk +geworden." + +"Ga dan maar gauw mede aanboord," zeide IJzeren Neptunus, "dan kunnen +Henri Quatre en Dolf de Boef nog aan een vreugdemaal deelnemen!" + +Na afscheid van den Admiraal genomen te hebben wilde Kapitein Londenaar +heengaan; maar zijn nieuwe Stuurman hield hem staande en zeide: "Ik moet +mijn volk nog goeden dag zeggen en hun alles mededeelen. Ik mag immers +wel? We hebben samen zooveel geleden en we deelden zoo hartelijk in +elkanders lot!" + +"Zeker moogt ge! En zoo is het beter ook. Meester Pruymius en ik gaan +vooruit om uwe jongens op het heugelijke nieuws voor te bereiden. Over +een half uur laat ik u halen. Tot straks!" + +Zoodra Kapitein Londenaar op het dek van de "Koning van Polen" stond, +kwam Henri Quatre op hem af en zeide: "Hier is een brief voor u van den +Heer Johan van Dam. Ik-zelf heb er ook een ontvangen en Dolf ook een. En +zonder dien van u gelezen te hebben, kunnen we haast raden wat de Heer +van Dam u meldt. Wij gaan u verlaten, Kapitein! Dat doet ons beiden zeer +veel leed; want wij konden het zoo goed met u vinden." + +"Dat gij mij verlaten zoudt, wist ik reeds van Admiraal Truytman, doch +dat de Heer van Dam u reeds kennis van uwe bevordering gegeven had, kon +ik niet vermoeden. Intusschen wensch ik u en Dolf van harte met de +benoeming geluk. Wij hebben eene gelukkige reize gemaakt. En zeker weet +gij al, dat ge aanboord van "de Hollandsche Remedie" een passagier zult +hebben?" + +"Neen," riep Dolf. "Hiervan weten wij niets. Een der Afgezanten +van den Koning van Makassar soms?" + +"Die reizen op eigen gelegenheid met hunne eigen vaartuigen naar +Batavia. Tenminste, als het er van komt; want we zijn nog zoo verre +niet. De Makassaren zoeken telkens uitvluchten. Neen, Joffer Cos komt +bij u aanboord en vanavond nog zult ge met haar vertrekken. Als er nu +maar katten zijn op "de Hollandsche Remedie" of geene ratten!" + +Daar stond wat van in toen de twee vrienden hoorden welk een gezelschap +ze kregen. In het eerst waren ze zelfs instaat om voor de aangeboden +betrekkingen te bedanken, doch Kapitein Londenaar beduidde hun' dat ze +wel dwaas zouden zijn, terwille van die lastige dame, hun geluk met +voeten te treden. De overtocht was immers in eenige dagen volbracht? +Weigerden ze het te doen, dan konden ze er ook wel op rekenen, dat ze +nimmer bevorderd werden. + +"Ondertusschen," zeide de Kapitein, "zou ik nog vergeten u te zeggen, +dat ik al een' Eersten en een' Tweeden Stuurman heb. Dat is heel +gauw in zijn werk gegaan, he?" + +Toen de beide vrienden, op het vernemen van dit bericht, ongeloovig met +het hoofd schudd'en en bijna gelijktijdig: "Och, kom!" riepen, +vertelde Kapitein Londenaar hun zijne ontmoeting aan den wal, en +eindigde met te zeggen: "Haalt gij beiden hem nu af en -- laat Garrit +ook mee gaan. Meester Pruymius is op het oogenblik bezig om Dirk op het +aangename bericht voor te bereiden." + +Een half uurtje later roeiden eenige mannen, waarbij ook Garrit, met de +groote boot naar den wal om den nieuwen Stuurman aanboord te brengen. +Garrit wist niet beter dan dat ze aan den wal een' Eersten Stuurman +gingen halen, en het volk, dat ook niet wist, wie die nieuwe Eerste +Stuurman was, toonde zich met dien ruil in het geheel niet ingenomen, +want Henri Quatre en Dolf hadden zich bij het volk zeer bemind weten te +maken. Garrit zeide, dat hij, als Kapitein Londenaar en Meester Pruymius +er niet waren, met zijn' broer zou willen wegloopen. + +"Ik wed om een' zilveren duit, dat Garrit en zijn broer de eersten +zullen zijn om blijde te wezen, dat ze een' nieuwen Eersten Stuurman +krijgen in den persoon, die daar aan den wal staat," zeide Meester +Pruymius en wees naar een' man die blijkbaar op eene boot stond te +wachten, en zag dat de boot, die naderde die was, welke hem kwam +afhalen. Meester Pruymius was ver genoeg te herkennen. + +De matrozen keken in de aangewezen richting en zoodra Garrit dat ook +gedaan had, riep hij: "Dat is een halve Makassaar, een kwart Portugees +en een kwart Hollander! Een mooie jongen, ja! Moet hij bij ons aanboord +Eerste Stuurman worden? Ha! Ha!" + +Zoo snappend over den "mooien jongen" roeiden de matrozen voort en +hadden den wachtenden man weldra in hunne boot opgenomen. Van den vrijen +tijd, dien men hem gelaten had, had hij niet alleen gebruik gemaakt om +van zijne manschappen afscheid te nemen, maar ook om voor het geld, dat +Admiraal Truytman hem en de andere mannen gegeven had, zich eens flink +te reinigen, en inplaats van zijn bedelaars-pak andere kleederen te +koopen. Hierop was evenwel eene zware wijs gegaan; want er waren in +Makassar geene winkels waar men kleederen voor een' Hollandschen zeeman +koopen kon. Na lang zoeken was het hem eindelijk gelukt bij een' Chinees +het pak te koopen, dat hij aan had. + +Op weg naar het schip had Henri Quatre den nieuwen Stuurman vlak naast +Garrit gezet en daar deze hierover een weinig geraakt was, trok hij, om +zijne boosheid te verzetten, aan zijn' riem, alsof hij alleen de boot +moest roeien. + +"Daar zit kracht in je handen, jonge maat," zeide Stuurman Dirksz., den +knaap met welgevallen aanziende, doch niet vermoedende dat die jonge +matroos zijn zoon was. + +"Doet me pleizier, Stuurman," antwoordde Garrit korzelig en trok toen +nog veel sterker. + +"Zeker al lang gevaren, al ben je nog jong!" + +"Vijf jaar gevaren," antwoordde Garrit nog nijdiger. + +"We zijn er!" klonk op dit oogenblik Henri Quatre's stem. De boot +legde bij den valreep aan. Meester Pruymius repte zich om het eerst op +het dek te zijn en daarna volgden de anderen. + +"Welkom, Stuurman, op het dek van de "Koning van Polen"," zeide +Kapitein Londenaar. "Ik vertrouw, dat...." + +"Vader! Vader! Waar is Vader?" schreeuwde opeens Dirk, die naar boven +kwam loopen, tegengehouden door Meester Pruymius, die niets deed dan +roepen: "Jongen, je hoofd! Denk aan je hoofd!" + +"Waar is Vader? Waar is Vader?" schreeuwde Dirk maar steeds voort. + +"Hier, jongen, hier!" riep Stuurman Dirksz. en snelde zijn' zoon te +gemoet. "Wie ben je?" + +"Vader! Vader! Goede Vader! Ik ben Dirk! Hier, hier ben ik, ik, +ik ...." snikte Dirk en sloeg zijne armen om den hals van den mageren, +bruinen Stuurman. + +"Wat is -- wat is dat toch -- dat toch?" vroeg Garrit, geweldig bevend +en opgewonden. + +"Dat is uw Vader, Garrit," zeide Londenaar. + +"Hier is Garrit! Hier, hier, hier is Garrit, hier, hier!" schreeuwde nu +de knaap en viel op zijne beurt ook zijn' Vader om den hals. + +Het was een treffend gezicht, die drie mannen daar in ééne omarming te +zien staan en toen Meester Pruymius dat ook zag, schoot zijn gemoed vol +en met bevende stem begon hij te zingen: + + "Dancket Godt nu opentlick, + Hy is doch seer vriendelick; + Want Syn groote goedigheyt, + Geduert inder eeuwigheyt." + +En weer zou hij, die geloofd had, dat Janmaat alleen maar een ruwe, +onbehouwen kerel is, uitgeroepen hebben, als hij dat heerlijk tooneel +had mogen aanschouwen en dat gezang hooren: "Daar zit veel mensch onder +dat ruwe kleed." + +Een uur later zat de Kapitein met zijne gasten aan den disch en toen het +maal afgeloopen was, vertelde de nieuwe Stuurman zijne lotgevallen, die +in het kort hierop neerkwamen: + +Hij was indertijd schoenlapper te Haarlem en leefde met vrouw en +kinderen zeer gelukkig. Maar veertien jaren geleden was hij op een' +avond naar eene herberg medegetroond, waar wervers van de Compagnie hem +dronken hadden gemaakt en in zijne dronkenschap dienst hadden laten +nemen, als soldaat naar de Oost. Nog dien eigen avond had men hem te +Amsterdam scheep gebracht en een paar dagen later was hij reeds +vertrokken. Uit Amsterdam had hij nog gelegenheid gehad zijne vrouw eene +boodschap te sturen, dat men hem dronken had gemaakt en dat hij nu naar +de Oost moest. Dat woord =dronken= had Dirk verstaan en er =verdronken= +van gemaakt. In de Oost gekomen leerde men hem weldra, als een goed +matroos kennen, zoodat hij gebruikt werd om op de landsschepen dienst te +doen, en hij het eindelijk zoover bracht, dat men hem tot Stuurman +aanstelde op het jacht "De goede Harder". Op dit jacht deed hij +verscheidene tochten en daardoor leerde hij de Indische wateren +uitmuntend kennen, zoodat men hem bijna altijd in dienst had. Hierdoor +kwam het, dat hij maar zelden met matrozen of ander scheepsvolk kon +spreken, die weer naar het Vaderland terugkeerden. Tweemaal had hij +echter een' brief aan zijne vrouw medegegeven; maar deze waren beide +keeren niet terecht gekomen. Hij troostte zich met de gedachte, dat hij +maar een half jaar meer te dienen had en dan weer naar huis kon gaan, +toen "De goede Harder" op de kust van Makassar schipbreuk leed. +Inplaats van de arme schipbreukelingen te helpen, had men hen +uitgeplunderd en mishandeld. Zeven mannen, waaronder de Kapitein, waren +aan de gevolgen der mishandeling gestorven, en de overige acht had men +in het binnenland op de velden van een Hoofd laten werken. Toen dat +Hoofd stierf, had men hen als bedelaars laten ronddwalen, en eens waren +zij zóó verhongerd, dat zij eene doode slang den buik openden om zich te +verzadigen met het dier, dat deze slang ingeslokt had, en dat zóó groot +was geweest, dat het vraatzuchtige beest er in gestikt was. Kort daarop +waren ze opnieuw gevangen genomen en hadden ze aan de wreedste +mishandelingen blootgestaan. + +Toen Stuurman Dirksz. uitgesproken had, zeide Kapitein Londenaar: +"Dergelijke schandalen zullen nu niet meer plaats grijpen, goede vriend! +De les, die de Makassaren nu ontvangen hebben, zullen ze wel zóó goed +onthouden, dat ze het niet meer wagen zullen om op eenige manier, hetzij +door list of met geweld, der Oost-Indische Compagnie den voet dwars te +zetten!" + +"Dat ware te wenschen, Kapitein, maar het zal niet zoo zijn," zeide +Stuurman Dirksz. "Ik heb, eilaci, ruimschoots de gelegenheid gehad, om +dit volk van haver tot gort te leeren kennen. De Makassaren zijn mannen, +die durven. Zonder onderscheid haten ze allen de Europeanen, en als men +hen in hun dagelijksch doen en laten gadeslaat, dan verzeker ik u, dat +de gedachte bij ieder opkomt: Hier in Makassar heeft de Compagnie haar' +gevaarlijksten vijand. Ik voorspel, dat deze tuchtiging heel gauw +vergeten zal zijn!" + +"Maar, Stuurman," riep Kapitein Londenaar, "kunnen de luiden dan nog +zwaarder getuchtigd worden?" + +"Heel Makassar moet het onderstboven gekeerd worden; de landhuizen +moeten verbrand en de woningen der minderen onder den voet gehaald +worden. Hunne velden en bosschen moet men vernielen en de Makassaren te +vuur en te zwaard in hun' laatsten schuilhoek jagen, waar ze zich op +genade of ongenade moeten overgeven, Kapitein!" + +"Maar dat is onmenschelijk, Stuurman," riep Henri Quatre en allen +stemden met dien uitroep in. Dolf voegde er zelfs bij: "De ellende, die +gij en de uwen geleden hebt, maakt u wreed, vriend! Bedenk, dat de +Makassaren toch ook menschen zijn, en hun land en hunne vrijheid niet +gaarne prijsgeven!" + +"Juist, daar zit de knoop, mijne vrienden! Eerst beproeft men het door +geweld aan de Compagnie te ontkomen, en als dat niet gelukt, neemt men +list en verraad te baat. Er zit dus voor de Compagnie niets anders op, +wanneer ze landen aan haar gebied wil toevoegen, dan de inwoners zóó +zwak en klein te maken, dat ze door list en verraad zelfs niets meer +kunnen uitrichten." + +"Ik vertrouw altijd nog, dat gij een slecht profeet zijt, Stuurman," +zeide Kapitein Londenaar en bracht het gesprek op andere onderwerpen. + +Tegen het vallen van den avond waren Henri Quatre en Dolf naar hun +nieuw schip vertrokken en nog denzelfden nacht zette "de Hollandsche +Remedie", met Joffer Cos aanboord, koers naar Batavia. + +Eenige dagen later kwam ook de zaak met den Koning van Makassar zoover +in orde, dat er besloten werd een deftig Gezantschap naar Batavia te +zenden om daar over den vrede te onderhandelen. In het fort Panakoké +liet men vijfhonderd man als bezetting achter, en vier schepen bleven +daar om toezicht, en den vijand in bedwang te houden. + +Het hoofd van het Gezantschap was een zekere Kraëng Papowa, die in eene +prachtig versierde prauw plaats nam en nog van drie prauwen vol Edelen +vergezeld was. + +Intusschen zouden, behalve de vier schepen, die voor Makassar bleven, +slechts enkele onder bevel van Heer Johan van Dam het gezantschap naar +Batavia vergezellen. Admiraal Truytman kreeg in last met het grootste +deel der vloot naar Bima te gaan, om daar rijst te laden, en als hij de +lading in had, moest hij naar Solor om daar eene sterkte te bouwen en +verder naar Timor om de Portugeezen te bevechten. Tot de schepen, die +naar Batavia gingen, behoorde ook de "Koning van Polen." + +Zonder veel ongeval kwam de kleine vloot te Batavia aan, waar de +Makassaarsche Edelen met Vorstelijke eerbewijzen ontvangen werden. +Buiten de stad werden ze in een prachtig landhuis geherbergd en kort +daarop begonnen de onderhandelingen, welke zóó goed vlott'en, dat ze +weldra gevolgd werden door het sluiten van een' eeuwig-durenden vrede, +zeer ten voordeele der Oost-Indische Compagnie, naar men meende. + +Dien eigen avond ook vertrok de "Koning van Polen" met eene rijke +lading en in gezelschap van nog twaalf andere schepen naar het +Vaderland. + +"Wel, Stuurman," zeide Kapitein Londenaar, toen ze onderzeil waren, +"weet ge het al, dat de vrede tusschen de Compagnie en Makassar gesloten +is?" + +"Ik heb er van gehoord, Kapitein! Ik heb er van gehoord," antwoordde +Dirksz. + +"En ziet ge nu wel, dat ge al een zeer slecht profeet geweest zijt. Men +heeft zwart op wit, en wat wil men nog meer?" + +"Daarover hoop ik, bij leven en welzijn, nog wel eens later met u te +spreken, Kapitein," klonk het uit den mond van den Stuurman, die de +schouders ophaalde, "doch laat ik u zeggen dat al dat mooie "zwart op +wit" geen' duit waard is." + +"Onverbeterlijk!" bromde Kapitein Londenaar. + +"Wie onverbeterlijk, Kapitein?" + +"Gij zijt onverbeterlijk, goede vriend!" + +"U meent de Makassaar, Kapitein! Maar, zooals gezegd is, wij zullen het +er later nog wel eens over hebben," sprak Stuurman Dirksz. en aan zijn +werk gaande, liet hij Kapitein Londenaar wel wat ontevreden staan. + +"Een ongeluks-profeet," bromde de Kapitein en ging in de kajuit. +"Maar -- de man heeft het er Spaansch gehad, en dat zegt alles." + +De retour-vloot kwam ongehinderd in het Vaderland aan, en toen men de +lading uit de "Koning van Polen" genomen had, zag men dat dit schip te +oud geworden was om nogmaals eene Indische reis te doen. Het volk werd +dus voorloopig ontslagen en kwam later op verschillende schepen +terecht.[36] + +Bij het afscheidnemen had Kapitein Londenaar van zijn' Stuurman en diens +beide zoons, benevens Meester Pruymius de belofte ontvangen, dat zij op +zijn nieuw schip weer de nieuwe reis wilden aanvaarden. + + +VOETNOTEN. + +[33] Ook in dien tijd reeds bestond het leger der Compagnie in +Oost-Indië uit een samenraapsel van alle natiën in Europa, Afrika +en Azië. En evenals nu nog, sommigen van die vreemdelingen naar den +Atjeher overloopen en daar den vijand van veel dienst zijn, omdat ze +alles van de Nederlanders verklikken en hem de behandeling van de +Europeesche wapenen leeren, zoo ook deden in dien tijd die overloopers +aan de belangen der Compagnie groote schade. Tegenwoordig schijnt +men echter die overloopers, als ze per ongeluk! weer in onze handen +komen, niet zonder hen verscheidene keeren verhoord te hebben, te +veroordeelen. -- En even als, helaas, nu dikwijls nog het geval is, dat +men van een "koloniaal" niet mooi spreekt, en hem onder de minste soort +van menschen plaatst, zoo ook had men in dien tijd al heel weinig met +dat volkje op! -- Of het toen jammer was, weet ik niet; maar dat het +nu jammer is, dat weet ik wel. Onder onze kolonialen zijn tegenwoordig +veel brave, flinke en dappere jongens, en dat niet alleen onder de +geboren Hollanders, maar ook onder de buitenlanders, die daar bij ons +leger dienen. + +[34] Bij de =smalle gemeente= beteekent: =op het kerkhof der bedeelde +armen=. + +[35] =Arak= is een geestrijke drank, die uit rijst, suiker en sap van +kokosnoten bereid wordt. + +[36] Het was maar een hoogst zeldzaam geval, dat een schip uit de Oost +heel alleen de thuis-reis aannam. Men vereenigde zich meestal, omdat de +zee toen zeer onveilig was door allerlei zeeroovers en men te zamen niet +zooveel gevaar liep aangevallen te worden. Het is natuurlijk, dat de +Portugeezen, wien wij het leven in de Oost zoo zuur maakten, ons op zee +ook niet als vrienden beschouwden. Zulk eene verzameling van +terugkeerende schepen noemde men de retour-vloot. + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +Janmaat. + + +"Zeg, Dirk, kijk eens! Wat ziet dat schip er uit!" + +Zoo sprak op zekeren middag in het begin van Juli in het jaar 1669 +Garrit tot zijn' broeder Dirk, die nu Kapitein op het fluitschip "De +Haey" was. Garrit was zijn Eerste Stuurman. Met de "Beverwijck" -- +Kapitein Cornelis Dirksz. en de "Alblas" -- Kapitein Londenaar, waren +ze een paar dagen geleden uit Nederland weer te Batavia aangekomen. + +"Die schijnt in den slag geweest te zijn," antwoordde Dirk. "En kijk, +die daar achter komt heeft bijna geen lapje zeil heel. Nu maar, ze +schijnen hier ook zoo'n soort van Chattam gespeeld te hebben!" + +"Daar ginder komen er nog meer," zeide Meester Pruymius, die zijne +beide jonge vrienden niet had willen verlaten. "En een er van heeft de +Admiraals-vlag in top. We moeten straks toch eens zien te vernemen waar +ergens zij, zoo gehavend zijn geworden. Ja, ja, de Compagnie is hier +niet altijd met den neus in het vet gevallen, en krijgt wel eens eene +harde noot te kraken." + +Terwijl deze drie mannen, want Garrit en Dirk waren nu geene knapen +meer, zoo met elkander in gesprek waren werden de aankomende schepen van +het fort met kanonschoten begroet. Dit voorbeeld werd ook gevolgd door +de koopvaarders en enkele oorlogsschepen, die op de reede lagen. + +"Nu, als het aan ons ligt, wij zullen niet onderdoen om eerbewijzen te +leveren," zeide Dirk en gaf bevel ook van "De Haey" het geschut +los te branden. + +Van de naderende vloot werd deze groet natuurlijk beantwoord, zoodat +hooren en zien een mensch verging. + +Ondertusschen was men aanboord van "De Haey" nog niets wijzer geworden. +Men had het eere-saluut gegeven, ja, maar wien het gold, wist men niet. + +Zoo ging de middag voorbij en reeds wilde Dirk zich tot zijn' Vader +begeven om dezen opheldering te vragen, toen de Stuurman van de +"Alblas" met de boodschap kwam, dat Kapitein Londenaar, Dirk, Garrit +en Meester Pruymius uitnoodigde bij hem aanboord te komen; want hij +had bezoek gekregen. Kapitein Dirksz. van de "Beverwijck" had hij ook +moeten uitnoodigen. + +"Bezoek bij IJzeren Neptunus? Wie zou daar gekomen zijn?" vroeg Dirk. +"Wij kennen hier immers zoogoed als niemand?" + +"Joffer Cos, broertje," spotte Garrit. + +"Ho, ho, geene Joffer Cos meer, maar wel Mevrouw Maetsuycker! Eere wie +eere toekomt! Joffer Poes heeft het ver gebracht," zeide Meester +Pruymius lachend. "Maar van dat bezoek gesproken, zou het Admiraal +Truytman niet zijn, of Henri Quatre of zijn vriend Dolf de Boef? Ze +leven, meen ik, nog alle drie!" + +"Ja, en die Henri Quatre moet bij den Gouverneur-Generaal een wit voetje +hebben, zegt men. Nu, hij verdient het ook; want hij is een kerel van +stavast," zeide Garrit. + +"Laten we maar niet langer raden en nu naar de "Alblas" gaan. Als we +daar zijn, zullen we het weten," sprak Dirk en stapte, gevolgd door +zijn' broeder en den scheepsbarbier, in de boot. + +Ze werden door IJzeren Neptunus hartelijk ontvangen. Nog altijd was deze +even stevig en sterk, en als zijne haren niet wat grijs geworden waren, +dan zou men zoo gedacht hebben, dat die man niet veranderde. Naast +Kapitein Londenaar stond een man, wiens bruin gelaat verscheidene +litteekenen droeg. Hoofdhaar, baard en knevel waren ook niet zwart meer, +doch, zooals men dat wel eens noemt "peper en zout." Zijne donkere, +zwarte oogen alleen toonden, dat hij niet zoo oud was, als hij wel +geleek. Verder droeg hij den linkerarm in een' draagband, en als hij +iets vooruit trad, zag men dat hij hinkte. Achter dien man stond een +ander man, ook al niet jong meer en zijn gelaat was nog meer dan dat van +den anderen, doorploegd met litteekenen. Maar ook zijne oogen toonden, +dat er jongelingsvuur in dat lichaam woonde. + +Juist toen Dirk, Garrit en Meester Pruymius door Kapitein Londenaar +begroet waren, trad Kapitein Dirksz. ook op het dek, en na de begroeting +vroeg deze: "En hebt ge zoo gasten gekregen?" + +"Ja, deze twee," zeide Kapitein Londenaar met een lachje. + +"Niet de eer de Heeren te kennen," sprak Dirksz. + +De twee gasten lachten en.... + +"Ik laat me in een vol vat borreborrie kuipen, als dat Henri Quatre niet +is," riep Meester Pruymius, en den ander aanziend, zeî hij: "En dat is +Dolf! Geraden, nietwaar? Wel, wel, hoe veranderd! Bruin als roet en +gekorven als een droge schol! Hoe maak je het? Goed, ja?" + +"Goed, goed, Meester!" riepen Henri Quatre en Dolf tegelijk; want zij +waren het. "Goed, goed! Alleen wat stram, mank en -- nu ja, de ouderdom +komt met gebreken! Kent ge ons nu, profeet?" + +Deze laatste vraag werd gedaan aan Kapitein Dirksz., en deze, van zijne +vroegere profetie op het oogenblik zich niets meer herinnerend, vroeg +vroolijk lachend: "Profeet!? Profeet!? Ik een profeet? Ik begrijp er +niets van! Waarom ben ik zulk een voornaam man?" + +"Ja, ja," hernam Dolf. "Weet ge niet meer, dat ge op ons afscheids- +en welkomstmaal geprofeteerd hebt in de Makassaarsche zaken? Is je +geheugen zoo kort?" + +"Ja, ja, en?" + +"Letterlijk uitgekomen, Dirksz.! Letterlijk! Wij komen met de vloot zoo +terug; maar ditmaal hadden we een' Speelman aanboord, die den Makassaren +een deuntje voorgespeeld heeft, waarbij ze zich doodgedanst hebben! Nu +zijn hunne sprongen voor goed uit! Wij hebben uw' raad gevolgd en +vreeselijk huis gehouden. Er is bijna geen steen op den anderen +gebleven. De rijstvelden zijn verwoest, de bosschen verbrand, de schepen +in den grond gehakt, de paleizen vernield, de woningen omvergehaald, de +inwoners doodgeschoten of door het zwaard en den honger terdood +gebracht. Wij hebben vreeselijk huis gehouden, en thans zullen ze wel +voor goed hunne streken afgeleerd hebben!" + +"Hoor eens, goede vriend," dus sprak nu Kapitein Londenaar, "wij +hebben indertijd op onze manier daar ook zoo goed huis gehouden, en wij +allen zijn er zoo goed bekend, dat ik u voorstel in mijne kajuit een +glas wijn te drinken en eene pijp tabak te rooken. In dien tijd kunnen +we nog een en ander van de geschiedenis te weten komen." + +"Tabak, echte tabak en eene Hollandsche pijp, Kapitein, ik ben je man! +De tabak hier smaakt mij niet. Maar als ik vragen mag, wie zijn deze +twee?" vroeg Henri Quatre. + +Dit zeggende wees hij op Dirk en Garrit. + +Dirk trad vooruit en zei: "Henri Quatre, deze zijn de "Twee +Vromen". Ik ben Dirk, Kapitein op "De Haey" en dit is mijn broêr Garrit, +die mijn Eerste Stuurman is. Er zit een hard vel voor ons voorhoofd en +we hebben moeielijk geleerd, maar we hebben volgehouden en -- de +aanhouder wint. Het geluk is ons, nadat we Vader teruggevonden hebben, +als het ware op den voet gevolgd." + +Henri Quatre en Dolf drukten de twee jonge mannen hartelijk de hand en +spoedig zat nu het gezelschap in de kajuit van Kapitein Londenaar onder +het genot van een goed glas wijn en eene pijp echte Westindische tabak. + +Nadat men op elkanders gezondheid gedronken had, zeide Kapitein +Londenaar: "Maar zeg mij nu eens, hoe zijn daar in Makassar de poppen +weer aan het dansen gegaan?" + +"Dat is gauw gezegd, goede vriend," sprak nu Dolf. "Nauwelijks +waren in '60 de Afgezanten van den Makassaarschen Koning uit Batavia +vertrokken, of wij kregen bericht, dat de zeerooverijen der Makassaren +alvast niet geëindigd waren. De Koning evenwel verontschuldigde zich +steeds met te zeggen, dat het buiten zijn weten geschied was, en hij +beloofde altijd die roovers te zullen straffen. Van dat straffen werd +evenwel nooit veel vernomen, doch zoolang er geene grootere +vijandelijkheden gepleegd werden, besloot men wat door de vingers te +zien. In '65 evenwel zond de Koning van Makassar tienduizend man naar +het eiland Boeton, ten Zuidoosten van Celebes gelegen, om daar de +Hollanders te verdrijven. Inmiddels leden op zijne kusten de +Compagnie-schepen de "Walvisch" en de "Leeuwin" schipbreuk. +Inplaats van de bemanning te helpen, plunderden de Makassaren beide +schepen en mishandelden zij het Nederlandsche volk. Zoodra men dat te +Batavia vernam, besloot de Gouverneur-Generaal aan dit alles voor goed +een einde te maken, en zond Cornelis Speelman, Gouverneur van de kust +van Koromandel, eene boodschap, onverwijld naar Batavia te komen. Maar +eer deze er nog was, kwam het Hollandsche Opperhoofd van het kantoor +van Makassar aan, en vertelde dat een der Rijksgrooten van den Koning +hem een' slag in het aangezicht gegeven had, omdat hij den Koning +eenige verwijten had durven doen omtrent het plunderen der schepen. Dat +Hollandsche Opperhoofd bracht evenwel goede hulp mede, en deze bestond +uit een' Makassaarschen Prins met een klein gevolg. Het was Radja +Palakka, die in vijandschap leefde met den Koning van Makassar, omdat +deze Palakka's Grootvader en Vader had laten terdood brengen. Deze +wraakzuchtige, jonge Vorst werd terstond door den Gouverneur-Generaal in +den armen genomen en toen Speelman eindelijk ook te Batavia verscheen en +zich liet overhalen om Bevelhebber te worden van de vloot, die Makassar +tuchtigen zou, was deze met Radja Palakka's hulp zeer ingenomen, en hij +beloofde er zich zeer veel goeds van." + +"En zeker wel weer verkeerd uitgekomen?" vroeg Kapitein Dirksz. "Geen +enkele Makassaar is te vertrouwen." + +"Tot heden nog niet," antwoordde Henri Quatre. "Hij heeft ons trouw +geholpen, dat moet gezegd worden. En het was noodig ook; want die +Makassaren mogen trouweloos zijn, buitengewoon dapper zijn ze ook, en de +kunst van op onze wijze oorlog te voeren, hebben ze goed afgekeken." + +"En gij beiden hebt zeker den heelen tocht medegemaakt?" vroeg Meester +Pruymius. "Ten minste, dat zou ik zoo aan de vele litteekenen en aan uwe +vergrijsde haren zeggen!" + +"Van het begin tot het einde, Meester! En vier zulke levensjaren +tellen er wel voor twaalf, dat kan ik u verzekeren," zeide Dolf. "Tot +driemalen toe zijn we in handen van den vijand gevallen, doch telkens +den dans ontsnapt, hoewel niet zonder kleerscheuren, dat ziet ge wel +aan onze aangezichten. Bij de laatste bestorming van het Koninklijke +paleis, dat we voor een deel in de lucht hadden laten springen, kreeg +mijn vriend een' stam van een' klapperboom op den linkerarm, +die ...." + +"Zeker nog niet genezen is, omdat gij geen troost der armen hadt," riep +Meester Pruymius. + +"Een gebroken arm zet men, maar geneest men toch niet met zalf, +Meester," zeide Henri Quatre lachend. "Intusschen die laatste +bestorming heeft de deur toe gedaan en nu zijn we hier met zulk een +aanzienlijk Gezantschap, als wellicht nog nimmer binnen Batavia geweest +is." + +"En zult ge nog niet welhaast naar Nederland terugkeeren?" vroeg +Garrit, die trouw geluisterd had. + +"Dolf en ik hebben plan om den dienst der Compagnie te verlaten en ons +te Amsterdam te vestigen. Wij hebben genoeg buit behaald en loon +bespaard om nog eenige jaren in rust te kunnen leven," sprak Henri +Quatre. + +"Nu, die rust hebt gijlieden wel verdiend," meende Kapitein Londenaar. +"Wie had ooit iets van deze ontmoeting kunnen droomen?" + +Henri Quatre stond thans van zijne plaats op en sprak: "Wij, Kapitein, +wij? Als ge met wij bedoelt iedereen, van Admiraal Speelman af tot den +minsten kajuitsjongen, dan heeft u gelijk. Wij allen hebben ons meer dan +wakker geweerd. En waar men in Holland de kooplieden ziet leven, als +Koningen en Prinsen, daar zal men wél doen ook eens te denken aan hen, +die het goud uit het Oosten in de schatkisten der Westerlingen doen +rollen tot ze overloopen, maar dat doen ten koste van hunne beste +lichaamskrachten, ten koste van hunne gezondheid, ja, vaak ten koste van +hun leven. En vraagt ge wie dezen zijn, dan noem ik maar één naam, en +met dien naam bedoel ik allen, die hier de Compagnie dienen. Het is +Janmaat! Vrienden, dit volle glas geledigd op den roem van Nederland, op +den trouwhartigen, eerlijken, ruwen en dapperen Janmaat!" + +"Leve Janmaat op alle zeeën!" riep Meester Pruymius. + +"Leve Janmaat in de Oost!" riep Dirk. + +"Maar zijn er dan weer Afgezanten met de vloot mede gekomen?" vroeg +IJzeren Neptunus toen men weer na al dat gejuich tot kalmte gekomen was. + +"Of er Afgezanten mede gekomen zijn!?" riep Henri Quatre. "Wel, man, +heel Batavia is vol Makassaren. Alleen de Koningen van Tello en van +Linques met hunne vrouwen en hun gevolg tellen meer dan vierdehalf +honderd personen. Die Heeren Bondgenooten van den Koning van Makassar +betalen hunne hulp met eene dure vernedering." + +"Voor bijna vierhonderd menschen is in Batavia toch wel plaats, meen +ik," zeide Meester Pruymius. + +"Zeker, maar bij die vierhonderd blijft het niet," nam Dolf nu het +woord. "Behalve die twee Koningen heeft men nog den zoon van den Koning +en nog zes andere Rijksgrooten te zamen met een gevolg van meer dan +vijfhonderd man." + +"Heel Makassar is leeggeloopen, geloof ik," zeide Dirk. + +"En dan zijn we er nog niet," sprak Henri Quatre. "Nog vele andere +Rijksgrooten zijn er ook bij, onder anderen Radja Palakka, die ons zoo +goed geholpen heeft, met heel zijn aanhang. Hij is eigenlijk de held van +den dag, en zijne hulp zal vorstelijk beloond worden." + +"Ik zal me nu maar aan geene tweede voorspelling wagen," zeide Kapitein +Dirksz. "anders lacht men mij weer uit." + +"Ge moogt het anders gerust doen," sprak Henri Quatre. "Kom voor den +dag met uwe profetie!" + +"Welnu dan," hernam Dirksz. "Ik voorzie, dat men dien man te veel eer +bewijst. Hij moge ons goed geholpen hebben, dat bracht zijn belang mede, +maar voor het overige is en blijft hij een Makassaar en is niet verder +te vertrouwen dan zijn neus lang is! Wat zegt gij ervan, Kapitein +Londenaar?" + +"Och, ik weet het niet; maar mij komt het zoo voor dat de Compagnie wel +wat te veel hooi op hare vork neemt. Hoe zullen we, als de zaken eens +gaan tegenslaan, al die volken en landen in bedwang houden?" + +"Ja, man, daarover heb ik ook wel eens gedacht," zeide Henri Quatre. +"Maar ik houd het ervoor, dat de Compagnie nu en dan wel tegen haar' +zin zich zoo uitbreidt, en dat zij gedwongen wordt haar' gebied telkens +te vergrooten, wil ze behouden, wat ze heeft. Maar ik heb geene vrees, +dat wij hare dagen van tegenspoed zullen beleven. De Compagnie is nog +in al hare kracht, en de oorlogen, die men telkens in Europa te voeren +heeft tegen de Engelschen, maken dat ze daar ginder in het Vaderland +wakker blijven, en wie wakker is, kijkt naar alle kanten uit. De +kwaadste tijd zal eerst aankomen, als de Geüniëerde Provinciën vrede in +Europa hebben." + +"Me dunkt, dat we nu nog wel eens over wat anders praten konden, dan +over hetgeen eenmaal zal kunnen gebeuren," zeide Dolf. "Vertelt ons +liever eens een en ander van hetgeen in Europa gebeurd is, bijvoorbeeld +van Meester Jan, Bestevaêr Michiel en Chattam. Wij weten wel wat, maar +lang niet alles." + +Aan dat verlangen werd door de anderen graag voldaan en toen eindelijk +ieder voor het vallen van het avondschot weer naar zijn schip +terugkeerde, deed hij dat, na Kapitein Londenaar betuigd te hebben, dat +hij een' vroolijken avond doorgebracht had. + +En na nog, als terloops, gezegd te hebben, dat er van de voorspellingen +van Kapitein Dirksz., IJzeren Neptunus en Henri Quatre, ongelukkig +genoeg, veel bewaarheid werd, sluiten wij ook ons verhaal, dat, zoo ik +vertrouw, mijne lezers wel eens zal hebben doen denken aan Atjeh. +Mochten ze ook nu maar evenzeer overtuigd zijn, dat de mannen, die daar +strijden ter zee en te land, nog even kranige en flinke kerels zijn, als +zij, die van 1660 tot '69 den trouweloozen, maar dapperen Makassaar +zoodanig de les lazen. -- Maar mocht het vooral niet waar zijn, wat eens +een onzer dichters, A. J. De Bull, zong van een afgeleefd matroos aan +den IJkant te Amsterdam: + + "Ieder muisjen heeft zijn gaatjen -- + Maar wat heeft een oud matroos?" + + + + + * * * * * + + + + +OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER. + +De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde +spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. + +Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend +hersteld. + +Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. + +Variaties in spelling (met of zonder accent, met of zonder koppelteken, +met of zonder extra spatie) zijn behouden. + +Ontbrekende aanhalingstekens zijn toegevoegd, tenzij het onduidelijk is +waar het aanhalingsteken moet komen. + +De voetnoten zijn verplaatst naar het einde van het hoofdstuk, om de +tekst zo weinig mogelijk te breken. + + +CORRECTIES. + + aanhalingsteken toegevoegd of verwijderd + komma verwijderd + puntkomma verwijderd (babi[;] = spek of varken) + 'als er' verwijderd (zijne Officieren en [als er] passagiers) + 'er' verwijderd (alsof hunne Grootmoeders er kousen [er] in zaten te) + 'niet' toegevoegd (of hij zong niet mede.) + 'en' toegevoegd (leikleurige mannen en vrouwen aan den wal) + + Fransch-sche => Fransche (Holland kruistet en een Fransche) + . => , (van het jaar laat aanzetten,) + boogspriet => boegspriet (van den boegspriet steunen.) + bechaving => beschaving (een voorbeeld van beschaving) + proesten => proestten (Wij proestten van het lachen) + plastte => plaste (De regen plaste neer) + Schenkt => Schenckt (Schenckt! Drinckt!) + Kapiten => Kapitein (want de Kapitein staat hoog) + ' => " (hij is een groot man!") + bootman => bootsman (U is bootsman Willem van Aspervelde?) + Bootman => Bootsman (Bootsman, schiet een musket) + ergers => ergens (En waar ergens woont) + zon => zou (dat hij aanboord zou zijn,) + als => al (Zijt ge dan al eens met die luiden) + lachtten => lachten (Garrit en Dirk lachten) + , => . (allen zoo rustig bij elkander zijn.) + Sint.-Jan => Sint-Jan (het feest van Sint-Jan viert) + . => , (Truytman, "dat hangt alleen) + vrienschappelijk => vriendschappelijk (zoo vriendschappelijk omgaat) + Dircksz. => Dirksz. (Laat Cornelis Dirksz. nu) + Dircksz. => Dirksz. (Kapitein Dirksz. van de "Beverwijck") + Qaatre => Quatre (riep Henri Quatre) + haar, => haar' (zij gedwongen wordt haar' gebied) + Dirksz => Dirksz. (voorspellingen van Kapitein Dirksz.,) + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 43704 *** |
