diff options
Diffstat (limited to '44811-0.txt')
| -rw-r--r-- | 44811-0.txt | 12276 |
1 files changed, 12276 insertions, 0 deletions
diff --git a/44811-0.txt b/44811-0.txt new file mode 100644 index 0000000..27be510 --- /dev/null +++ b/44811-0.txt @@ -0,0 +1,12276 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44811 *** + + Het Leven der Dieren + + Door + A. E. Brehm. + + Naar den tweeden druk der volksuitgaaf voor Nederland Bewerkt + Door + S. P. Huizinga. + + + + Tweede druk--met ongeveer 1200 fraaie afbeeldingen. + + Derde Deel. + + Kruipende Dieren.--Visschen.--Insecten.--Lagere Dieren. + + + Zutphen.--P. van Belkum Az. + + + + + + + + + + +ALGEMEENE BESCHOUWINGEN OVER DEN BOUW EN DE LEVENSWIJZE DER KRUIPENDE +DIEREN. + + +De naam Amphibia ("aan weerszijden"--zoowel in 't water als op het +land--"levende") of Tweeslachtigen werd door Linnaeus, den grondlegger +van de hedendaagsche wetenschappelijke dierkunde, gekozen tot +aanduiding van een groep van Gewervelde Dieren, die men vroeger deels +tot de "Viervoetigen", deels tot de "Wormen" rekende. Cuvier verving +den naam Amphibia door dien van "Kruipende Dieren"--"Reptilia". Latere +onderzoekers hechtten aan de verschillen van vorm, van lichaamsbouw +en vooral van ontwikkelingsgang, die bij deze wezens voorkomen, +grootere waarde dan hieraan tot dusver was toegekend en verdeelden +hen in twee klassen, die zij met de reeds vroeger uitgedachte namen +"Reptiliën" of "Kruipende Dieren" en "Amphibiën" of "Tweeslachtige +Dieren" bestempelden. Deze verdeeling wordt tegenwoordig algemeen +aangenomen. De scheiding tusschen beide groepen is zelfs scherper +geworden: de klasse van de Kruipende Dieren wordt nog tot de Hoogst +ontwikkelde Gewervelde Dieren gerekend, terwijl de Amphibiën met de +Visschen als de Laagst ontwikkelde groep van de eerste en belangrijkste +hoofdafdeeling van het dierenrijk worden beschouwd. + +De Kruipende Dieren (Reptilia) zijn "koudbloedige" Gewervelde +Dieren, die in alle levenstijdperken door longen ademen, dus geen +gedaantewisseling ondergaan, een hart bezitten, waarvan de voorkamers +of boezems meestal volledig, de kamers daarentegen meestal onvolledig +gescheiden zijn en welker lichaam bekleed is met door de huid gevormde +schubben en platen van hoorn of van hoorn en been. Met de uitdrukking +"koudbloedig" wordt bedoeld, dat de temperatuur van het bloed steeds +afhangt van die der omgeving en slechts weinig hooger is dan deze; +men zou ze dus eigenlijk "dieren met veranderlijke temperatuur" +moeten noemen. De gestalte der Kruipende Dieren is zeer verschillend; +sommige hebben een rondachtig of schijfvormig afgeplat lichaam, +bij andere is het in de lengte gerekt en wormvormig; bij gene wordt +het gesteund door pooten, bij deze niet; pooten vindt men ook bij +die, welke den overgang vormen tusschen de genoemde uitersten. De +hals is bij sommige zeer kort en onbeweeglijk, bij andere lang en +buigzaam. Zij, die met pooten voorzien zijn, hebben er gewoonlijk vier. + +Het geraamte van de Kruipende Dieren is bijna geheel verbeend; +het biedt echter, wat de samenstelling der deelen betreft, zooveel +verscheidenheid aan, dat er weinig in 't algemeen van gezegd kan +worden. De schedel is min of meer afgeplat; veel sterker ontwikkeld +dan deze afdeeling van het skelet is dat van 't aangezicht en meer +bepaaldelijk dat van de kaken. + +De wervelkolom is bij allen verbeend en duidelijk in wervels +gescheiden; hun aantal wisselt in verband met de lichaamslengte +buitengewoon sterk af; bij de Schildpadden bedraagt het weinig meer +dan 30, bij sommige Slangen daarentegen meer dan 400. Het aantal ribben +varieert eveneens zeer sterk; deze beenderen zijn steeds zeer volkomen +ontwikkeld, bij de Slangen zelfs tot op zekere hoogte volkomener +dan bij de overige dieren daar zij in alle richtingen bewogen kunnen +worden, bij de Schildpadden daarentegen vergroeien zij onderling en +maken een hoofdbestanddeel uit van het beenig rugpantser. + +De mond is op zeer verschillende wijzen gewapend. De Schildpadden +hebben geen tanden: scherpe hoornlijsten bekleeden bij haar de randen +der kaken; bij de overige leden der klasse is het aantal tanden meestal +aanzienlijk en zijn niet slechts de kaakbeenderen, maar soms ook de +gehemeltebeenderen, vleugelbeenderen (zelfstandig geworden deelen van +het wiggebeen) en het ploegschaarbeen er mede bezet. Bijna algemeen +dienen de tanden uitsluitend voor het grijpen en vasthouden, zelden +voor het fijnmaken van het voedsel. + +Ook de spijsverteringsorganen zijn zeer ongelijk. Bij enkele Reptiliën, +b.v. bij de Krokodillen, is de tong eenvoudig een vlakke verhevenheid +op het midden van de onderkaak; bij andere, b.v. bij de Schildpadden, +is zij vleezig, kort en dik; bij nog andere, de Hagedissen, nu +eens eivormig plat, dan weer in een scheede besloten, soms geschikt +om met kracht te worden uitgestoken, of, evenals die der Slangen, +gevorkt, in 2 lange, draadvormige punten gesplitst. De Schildpadden +onderscheiden zich door het bezit van een ondertongsklier, tal van +Hagedissen en Slangen door de aanwezigheid van lipklieren. Vele +Slangen hebben bovendien nog in de slaapstreek een groote klier, die +bij de leden van verscheidene familiën gif afscheidt, dat door een +buis aan een groeve op of aan een kanaal in de giftanden toegevoerd +wordt. De wijde slokdarm kan zich bij eenige verbazend sterk uitzetten +en gaat dan zonder scherpe begrenzing in de ruime, dikwandige maag +over, die door een plooi of klep van den darm gescheiden is. Deze +is wijd, weinig gekronkeld en kort; bij de Landschildpadden, die +van plantaardige stoffen leven, is hij het langst, n.l. 6 à 8 maal +zoo lang als het lichaam. De einddarm leidt, evenals bij de Vogels, +naar een kloak, die, behalve het afval van 't spijsverteringsproces, +ook de inhoud van de urineleiders en van de eileiders in zich opneemt +en deze--hetzij door een ronde opening (Krokodillen en Schildpadden) +of door een dwarse spleet (Slangen en Hagedissen)--naar buiten voert. + +Het hart heeft twee volledig gescheiden voorkamers; de twee kamers +staan bij de Krokodillen niet met elkander in gemeenschap; bij alle +overige Reptiliën zijn zij door een meer of minder groote opening +verbonden, waardoor het bloed van de linkerkamer zich met dat van de +rechter vermengt. + +De hersenen zijn veel minder volkomen dan die der Zoogdieren en Vogels, +maar veel beter ontwikkeld dan die der Amphibiën en Visschen. Onder +de zintuigen neemt het oog steeds den eersten rang in, hoewel +het bij eenige zeer klein is en soms geheel door de huid overdekt +wordt. Verscheidene familiën en groepen van familiën onderscheiden +zich door een eigenaardige wijze van beschutting van het oog. Het +eenvoudigst is zij bij de Slangen, waar de oogleden schijnbaar geheel +ontbreken, in werkelijkheid echter met elkander vergroeid zijn; het +vóór de pupil gelegen deel van de huid, dat de lichtstralen doorlaat, +gelijkt op een horlogeglas, dat in een plooi van de omringende huid +is gevat. Bij nagenoeg alle overige Kruipende Dieren is het bovenste +ooglid weinig ontwikkeld; gewoonlijk bestaat het eenvoudig uit een +stijve, half-kraakbeenige huidplooi. Het onderste ooglid daarentegen +is veel grooter en beweeglijker en kan de geheele vrije voorvlakte +van het oog bedekken; soms is het deel, dat voor de pupil komt te +liggen, doorzichtig en glad. Bovendien hebben de meeste Hagedissen, +de Schildpadden en Krokodillen een derde ooglid, het "wenkvlies", +dat, van den voorsten of binnensten ooghoek uitgaande, meer of minder +ver over het oog kan worden geschoven. Geheel op zichzelf staan onder +de Kruipende Dieren de Kameleons, die een kringvormig ooglid hebben, +dat tegen het uitpuilende gedeelte van het oog nauwsluitend aanligt +en slechts een kleine opening overlaat. + +Een van de merkwaardigste gebeurtenissen, die in het laatste +vijftiental jaren op wetenschappelijk gebied hebben plaats gehad, is +de ontdekking van een overblijfsel van een zintuig, dat pineaal oog +of pariëtaal oog wordt genoemd. Het is midden op de kruin gelegen en +wordt bedekt door de huid, die zich hier door vorm en kleur dikwijls +duidelijk onderscheidt van haar omgeving. Sommige onderzoekers zijn +van oordeel, dat dit oog bij de Hagedissen en bij de Snavelhagedis ook +thans nog, hoewel in beperkte mate als gezichtsorgaan dienst doet; +anderen beschouwen het als een orgaan voor temperatuurwaarneming, +nog anderen meenen, dat het zijn vroegere beteekenis als zintuig +geheel verloren heeft. + +Het gehoor van de Reptiliën is duidelijk lager ontwikkeld dan dat van +de Zoogdieren en Vogels: de gehoorschelp ontbreekt en de bestanddeelen +van het middenoor en het binnenoor zijn veel eenvoudiger dan bij de +warmbloedige dieren. Dat de huid van de Reptiliën gevoelig is, blijkt +uit hun voorliefde voor een ligplaats, waar zij aan de zonnestralen +blootgesteld zijn; daarentegen toonen zij in andere gevallen een +gevoelloosheid, die te recht verbazing wekt. De tastzin bereikt bij +sommige een zeer hoogen trap van ontwikkeling. Het hiervoor dienende +werktuig is vooral de tong, die, naarmate zij geschikter is voor 't +tasten, haar beteekenis als smaakzintuig meer en meer verliest. Ook +de reukzin is bij de Reptiliën niet bijzonder scherp, althans niet +tot waarnemingen op eenigen afstand in staat. + +De meeste Kruipende Dieren ontstaan uit eieren, welke in de meeste +opzichten op die der Vogels gelijken, doordat zij een grooten, +vetrijken dooier en een meer of minder aanzienlijke laag eiwit +bevatten, omgeven door een lederachtige, dikwijls rekbare schaal, +waarop zich een zekere hoeveelheid kalk afzet. De ontwikkeling der +eieren begint meestal reeds vóór het leggen, in den eileider der +moeder; bij enkele wordt zij hier ook ten einde gebracht: het jong +verlaat dan reeds in den eileider de eischaal en wordt dus levend +geboren. + +De Kruipende Dieren hebben hun bloeitijd achter den rug. Uit hetgeen +thans van de dieren der voorwereld bekend is, blijkt, dat geheele orden +van deze klasse uitgestorven zijn. Slechts vier orden--de Geschubde +Reptiliën, de Krokodillen, de Schildpadden en de Brughagedissen--zijn +tot in den tegenwoordigen tijd blijven bestaan. De versteende +overblijfselen van vroeger levende leden dezer klasse, die tot in +onzen tijd bewaard zijn gebleven, maken ons bekend met eene lange +reeks van zeer verschillende, buitengewoon merkwaardige dieren, die +door hun lichaamsbouw en hun uitwendig voorkomen gedeeltelijk aan de +Zoogdieren, gedeeltelijk aan de Vogels, gedeeltelijk aan de Amphibiën +en Visschen herinneren. + +Toch bedraagt het aantal verschillende soorten van levende Kruipende +dieren nog omstreeks 3500, waarbij ongeveer 1645 Hagedissen, 55 +Kameleons, omstreeks 1575 Slangen, 23 Krokodillen, 201 Schildpadden +en 1 Snavelhagedis; geen jaar gaat er voorbij, zonder dat, vooral +aan de groepen der Hagedissen en Slangen, vormen worden toegevoegd, +die tot dusver onbekend waren. + +Verreweg de meeste Reptiliën bewonen de vlakten der keerkringsgewesten, +want meer dan van alle overige klassen van Gewervelde Dieren, neemt van +deze het aantal soorten af, naarmate men de polen nadert. Hetzelfde +verschijnsel merkt men op bij het vergelijken van de verschillende +hoogtegordels. Warmte is voor de Kruipende Dieren onmisbaar: zij zijn +des te talrijker in een gewest vertegenwoordigd, naarmate het heeter +is; hoe kouder het land, des te minder soorten van Reptiliën worden +er gevonden. Zeer weinige overschrijden den poolcirkel. Behalve +warmte verlangen vele soorten een vochtig klimaat. Afrika is +betrekkelijk arm aan Kruipende Dieren; Zuid-Azië daarentegen en +(in nog meerdere mate) Amerika vertoonen den grootsten rijkdom +van vormen en waarschijnlijk ook het grootste aantal leden van +dezelfde soort. Tusschen het sterk vertegenwoordigd zijn der klasse +en de grootte van de individuen bestaat in zooverre verband, dat de +grootste soorten de keerkringsgewesten bewonen, terwijl in de gematigde +aardgordels bijna geen andere dan kleine soorten gevonden worden. + +Alle soorten dezer klasse zijn in meerdere of mindere mate aan +een zelfde terrein gebonden; bij geen enkel Kruipend Dier, de +Zeeschildpadden misschien alleen uitgezonderd, kan van "trekken" sprake +zijn in de beteekenis, die dit woord bij de Vogels heeft. Ofschoon +de Schildpadden van het stroomgebied, waarover zij verbreid zijn, ook +wel naar naburige wateren kunnen verhuizen, is toch een uitgestrekte, +waterlooze landstreek tusschen het door haar bewoonde gebied en een +anderen stroom voor haar onoverkomelijke hinderpaal. Hetzelfde geldt +van de soorten, die op het droge leven: reeds door een smalle zeeëngte +wordt haar verdere verbreiding tegengegaan. Toch komt het voor, dat +Reptiliën van dezelfde soort in nagenoeg gelijken getale aangetroffen +worden op terreinen, die door hindernissen van dezen of dergelijken +aard vaneengescheiden zijn; in dit geval is men wel genoopt aan te +nemen, dat de grenzen, die thans een scheiding teweegbrengen, in +vroegere tijden niet bestonden. Tot op zekere hoogte bevordert de zee +natuurlijk ook de verspreiding van deze dieren en stelt hen zelfs in +staat tot reizen, die men met het "trekken" der Vogels kan vergelijken. + +De verblijfplaatsen der Reptiliën zijn zeer verschillend; over 't +geheel genomen kan men ze echter landdieren noemen. Slechts eenige +Schildpadden en Slangen bewonen voortdurend de zee; de overige leven op +het land, bij voorkeur in vochtige gewesten. Van de vele in zoetwater +voorkomende soorten, verlaten de meeste op bepaalde tijden het natte +element om zonnewarmte en rust te zoeken op het droge; slechts weinige +slapen in het water. Veelvuldiger nog dan in moerassen en rivieren +ontmoet men de Reptiliën in bosschen. Hier leven zij op en onder den +grond, tusschen struiken en wortels, op stammen, takken en twijgen van +boomen. Enkele eindelijk vestigen zich in droge, zonnige of rotsachtige +gewesten: vele Hagedissen en Slangen ontmoet men alleen in de steppe; +onbegrijpelijk is het, hoe sommige op de dorre plekken van de woestijn, +die zij tot woonplaats kozen, aan den kost kunnen komen. + +De kloof, die de Kruipende Dieren van de Zoogdieren en Vogels +scheidt, is zoo buitengewoon diep, dat men de handelingen van deze +ternauwernood met die van gene vergelijken kan. In verband met de +geringe ontwikkeling hunner hersenen en de onvolkomenheid van hun +bloedsomloop leiden zij om zoo te zeggen maar een half leven. De +Reptiliën kruipen, loopen, klauteren, springen en zwemmen; enkele +soorten kunnen zelfs een weinig zweven, d. w. z., met behulp van een +vlieghuid, die als een valscherm wordt gebruikt, over groote afstanden +heenspringen; dit orgaan is echter niet in staat om hen omhoog te +heffen, altijd bewegen zij zich in benedenwaartsche richting. De +Kruipende Dieren verdienen hun naam, want zelfs hun gaan en loopen +is eigenlijk niets anders dan kruipen. De meeste laten den buik over +den grond sleepen; juist bij die, welke zich het vlugst bewegen, valt +dit het duidelijkst in 't oog. Het is niet waarschijnlijk, dat een +van hen gedood zou kunnen worden door hem in 't water te werpen. De +geringe behoefte aan lucht voor de ademhaling maakt zelfs voor hen, +die aanhoudend op het droge leven, een voortdurend verblijf in 't +water mogelijk. Zelfs de logge Landschildpadden, die als steenen naar +den bodem zinken, kunnen hier geruimen tijd in het leven blijven. + +Vele Reptiliën kunnen behendig klauteren. Sommige Hagedissen loopen +even snel bij gladde boomen en rotsen omhoog, als andere zich op den +bodem bewegen. Niet weinige Hagedissen bezitten hoogst doelmatige +werktuigen om zich aan allerlei voorwerpen vast te hechten of er +aan vast te kleven; vele hebben voor dit doel spitse, sikkelvormig +gekromde klauwen, sommige schijfvormig verbreede, van onderen met +bladvormige dwarslijsten uitgeruste teenen, waarmede zij zelfs even +veilig als Vliegen langs den onderkant van horizontale takken of +rotswanden kunnen loopen. + +Alle Kruipende Dieren ademen langzaam en kunnen gedurende zeer langen +tijd versche lucht ontberen; hun ademhaling geschiedt op een meer +willekeurige wijze dan bij de warmbloedige dieren: zij pompen hunne +groote longen vol lucht, wanneer zij hiertoe in de gelegenheid zijn +en verbruiken dezen voorraad bij kleine hoeveelheden te gelijk. Een +echte stem hebben de Krokodillen, de Gekko's en eenige Hagedissen; +alle overigen Reptiliën brengen geene andere dan blazende of sissende +geluiden voort. Het hart zendt slechts een klein deel van het bloed +naar de haarvaten van de longen, om daar van koolzuur gezuiverd en met +zuurstof voorzien te worden; het zuurstofrijke bloed wordt op zeer +verschillende wijzen vermengd met het koolzuurhoudende; een gevolg +hiervan is, dat de temperatuur van 't lichaam niet aanmerkelijk boven +die van de omgeving verhoogd wordt. Hierbij komt nog, dat de werking +van het ruggemerg in betrekkelijk hooge mate onafhankelijk is van die +der hersenen; met de hieruit voortvloeiende ongevoeligheid staat een +buitengewone taaiheid van 't leven in verband. Een Ringslang bleef in +een luchtledige ruimte nog meer dan 11 uren in leven. Schildpadden, +dien men den kop had afgesneden, bewogen nog na 11 dagen de pooten. Bij +Hagedissen groeit in plaats van den afgehouwen staart een nieuwe. Bij +Reptiliën genezen wonden, die voor hoogere dieren stellig doodelijk +zouden zijn. + +Alle levensverrichtingen van de Reptiliën geschieden des te krachtiger, +naarmate de temperatuur van de omgeving hooger is, mits zij een +zekere grens niet overschrijdt; daarom gedraagt een Slang op een +warmen zomerdag zich op geheel andere wijze dan bij koel weer. Daar +de ademhalings- en bloedsomloopsorganen niet in staat zijn om de +temperatuur van haar lichaam aanmerkelijk te verhoogen, is deze min of +meer afhankelijk van die der omgeving. Hierin is de verklaring gelegen +van het feit, dat alle soorten, die koude gewesten bewonen, om niet +van koude te sterven, gedurende de wintermaanden een schuilplaats +moeten opzoeken, waar zij in winterslaap vervallen. + +Dat de geestvermogens van de Reptiliën buitengewoon gering zijn, +staat in nauw verband met de reeds genoemde feiten. Van alle hoogere +eigenschappen zijn bij hen in 't gunstige geval slechts flauwe sporen +voorhanden; zij zelve zijn in meerdere of mindere mate machines +zonder wil. Vele leden van deze klasse openbaren ternauwernood eenig +onderscheidingsvermogen. De werkzaamheid van hun geest bepaalt zich +tot een zekere plaatszin, tot een beperkte geschiktheid om eetbare +voorwerpen, of ook vijandige wezens, te herkennen en tot zinnelijken +hartstocht. Behoudens het uitkrabben van gaten voor het bergen der +eieren, of het bijeenbrengen van bladen voor hetzelfde doel, worden +bij hen geenerlei bewijzen waargenomen van de kunstvaardigheid, die +aan hoogere dieren eigen is. Gebruik makend van de gelegenheden tot +huisvesting, die de door hen bewoonde streek aanbiedt, bijvoorbeeld +van gaten, spleten of andere holen, kiezen zij deze tot woning of +rustplaats; zij geraken aan een bepaalden schuilhoek gewoon en keeren +hierin na hunne rooftochten telkens weder terug; deze hebbelijkheid +is echter van veel lager allooi dan de gehechtheid van de Zoogdieren +en Vogels aan hunne opzettelijk naar eigen inzichten en behoeften +vervaardigde woningen. Evenmin kan men de voorzorgsmaatregelen, +die de Kruipende Dieren met het oog op hun nakomelingschap nemen, +op één lijn stellen met de werkzaamheden, die de Zoogdieren en Vogels +in het belang van hun kroost verrichten. Hoewel ook het Kruipend Dier +in oorden, waar het vervolgingen te verduren heeft, mettertijd schuw +en angstvallig wordt, leert het zelden of nooit een onderscheid maken +tusschen werkelijke en denkbeeldige gevaren. Zelfs hoog ontwikkelde +Reptiliën letten ternauwernood op een mensch, die zich volkomen stil +houdt; zij herkennen hem eerst dan als een vijand, zoodra hij zich +beweegt of gedruisch veroorzaakt. De hooger ontwikkelde dieren wijzigen +hun aard in verband met de omstandigheden; uitwendige prikkels brengen +verandering in hun gedragslijn en gemoedstoestand, maken hen vroolijk, +opgeruimd, opgewekt, geneigd tot schertsen en spelen, of stemmen hen +treurig, verdrietig en knorrig. Niets van dit alles vindt men bij de +Kruipende Dieren: zij spelen en stoeien niet, vinden geen behagen en +vermaak in de werkingen van hun eigen geest, en kennen hoogstens het +genot, dat hun door het verzwelgen van een overvloed van voedsel of +door het liggen op een zonnig plekje ten deel valt. + +Van een geestelijk leven kan dus bij de Reptiliën ternauwernood +sprake zijn, eerder nog van een zinnelijk leven; een zekere +geschiktheid tot het opdoen en gebruik maken van ervaringen kan +men hun echter niet ontzeggen. De Vergiftige Slang, wel bekend met +de werking van haar doodelijk wapen, wacht rustig de gevolgen van +haar beet af; de Niet-vergiftige Slang, de Schildpad, de Krokodil, +de Hagedis nadert sluipend den buit, na dezen opgespoord of in een +hinderlaag afgewacht te hebben, schiet dan plotseling voor den dag en +tracht hem te grijpen. Ieder Kruipend Dier eindelijk kan in zoover +getemd worden, dat het langzamerhand gewoon geraakt aan den mensch, +van wien het voedsel ontvangt; waarschijnlijk ziet het echter geen +onderscheid tusschen zijn verzorger en een anderen persoon; het kent +dezen slechts in zijn kwaliteit van voedsel-leverancier. Kruipende +Dieren, die het vermogen bezitten om hun verzorger kwaad te doen, +blijven altijd gevaarlijk, zelfs wanneer zij getemd heeten te +zijn; men kan in 't geheel geen gehechtheid van hen verwachten, +maar moet eerder op valschheid en boosaardigheid dan op vriendschap +rekenen. Vriendschap sluit het Reptiel zoomin met de andere leden +zijner klasse als met eenig ander dier; hoogstens kan men het zoo +ver brengen, dat het geen vrees meer gevoelt of ophoudt jegens een +ander schepsel onverschillig te zijn. Niet eens echte gezelligheid +merkt men bij deze laag georganiseerde wezens op: Schildpadden ziet +men bij honderden te zamen zwemmen, Krokodillen met hun twintigen of +dertigen naast elkander in de zon liggen; elk van deze dieren denkt +echter slechts aan zichzelf, zoolang de aandrift tot paring niet in het +spel komt; eigenbelang is de eenige drijfveer van zijne handelingen; +het bekommert zich niet om zijne buren; het geheele gezelschap treedt +niet op als beschermer van een der leden. + +Het dagelijksche, huiselijke en gemeenschappelijke leven der Reptiliën +is buitengewoon eentonig. Onder de Schildpadden zijn die, welke op +het land leven, over dag, de meeste Zoetwaterschildpadden echter bij +voorkeur 's nachts werkzaam; de Krokodillen jagen hoofdzakelijk in de +duisternis, ofschoon zij ook over dag een gunstige gelegenheid om een +buit te verkrijgen, niet laten voorbijgaan. Alleen de Hagedissen en een +groot aantal Niet-vergiftige Slangen kunnen als dagdieren aangemerkt +worden, terwijl de Gekko's en bijna alle Vergiftige Slangen benevens +een even groot aantal Niet-vergiftige Slangen na zonsondergang op roof +uitgaan. Ook voor de Reptiliën geldt de regel, dat de waterbewoners +niet zoo veel verschil maken tusschen dag en nacht als de dieren, +die op het land verblijf houden, hoewel ook zij voor 't meerendeel +'s nachts de meeste opgewektheid toonen. + +Met uitzondering van de Landschildpadden, eenige Zoetwaterschildpadden +en een Zeeschildpad moet men alle Reptiliën Roofdieren noemen; enkele +kunnen zelfs met de vreeselijkste leden van dit gilde wedijveren. Zij +ontleenen hun prooi aan nagenoeg alle klassen van het dierenrijk. De +Krokodillen vallen alle Zoogdieren aan, die kleiner of niet grooter +zijn dan Honden of Zwijnen, en verschoonen den mensch evenmin als +de kleine Roofdieren, die aan den waterkant komen; zij maken echter +hoofdzakelijk jacht op waterdieren en vooral op Visschen. Ook de +Schildpadden vervolgen Visschen en bovendien kleine Zoogdieren, Vogels, +andere Kruipende Dieren, Amphibiën, Koppootige Weekdieren, Slakken, +Insecten, Schaaldieren, Wormen en Kwallen. De Hagedissen voeden zich +met Zoogdieren, Vogels, leden van haar eigen orde, Amphibiën, Visschen, +Gelede dieren en allerlei larven en Wormen. De Slangen zoeken haar buit +voornamelijk onder de Gewervelde Dieren, hoewel geheele familiën van +deze orde uitsluitend van Wormen en Gelede Dieren leven. Bijna alle +verslinden hun buit in zijn geheel; weinige, vooral Schildpadden en +Krokodillen, verdeelen hem vooraf in grove stukken, gelijk ook de +planteneters dezer klasse doen. Voor het doorslikken wordt daarom +niet zelden een aanmerkelijke krachtsinspanning vereischt. De meeste +Kruipende Dieren drinken. Naarmate de temperatuur hooger wordt, neemt +ook hun eetlust toe; gedurende het warme jaargetijde verzamelen zij als +'t ware voorraadstoffen voor het geheele overige jaar. In verhouding +tot hun grootte vreten zij echter veel minder dan de Zoogdieren en de +Vogels. Zij verzwelgen kolossale brokken te gelijk en blijven daarna, +totdat de spijsvertering afgeloopen is, dagen lang in trage rust +nagenoeg op dezelfde plaats liggen; desnoods kunnen zij maanden lang +zonder voedsel leven. Als zij een overvloed van voedsel gebruiken, +worden zij eenigszins gezet, enkele werkelijk vet; dit geschiedt +echter in veel geringere mate dan bij de Zoogdieren en Vogels. + +Bij de Schildpadden en Krokodillen schilfert de opperhuid op de zelfde +wijze af als bij de Zoogdieren en Vogels; de overige Kruipende Dieren +vervellen, d. w. z. het verhoornde gedeelte van de opperhuid geraakt +bij lappen (of min of meer als een geheel) los en wordt afgestroopt; +bij eenige geschiedt dit zoo volledig, dat het volk terecht van +"slangenhemden" spreekt. Na het vervellen jagen zij bijzonder ijverig +en zijn zeer vraatzuchtig, daar zij het door hen geleden verlies +moeten aanvullen. + +Met het begin van de lente ontwaakt ook bij de Kruipende Dieren de +aandrift tot voortplanting. De bewoners van noordelijke landen komen +in de eerste warme dagen van de lente uit hunne winterkwartieren te +voorschijn; die, welke in de gematigde luchtstreek of in de tropische +gewesten verblijf houden en zich gedurende den drogen tijd in den +grond begraven, worden door de eerste regenbui naar buiten gelokt. De +hartstocht vervoert ook hen soms tot hevigen strijd. Ter geschikter +tijd zoekt het wijfje, tenzij het hare jongen levend ter wereld +brengt, een geschikte bergplaats voor de eieren, welker aantal +afwisselt van 2 tot 150. Deze hebben soms een perkamentachtige, +soms een harde, kalkachtige schaal. De meeste Reptiliën leggen ze +in reeds aanwezige of door hen zelf gegraven gaten in den grond of +tusschen mos en bladen op vochtige, warme plaatsen, bekommeren zich +er verder niet om, maar laten ze uitbroeden door de zon of door de +warmte, welke bij de rotting der omgevende plantaardige stoffen vrij +wordt. Enkele Slangen en Krokodillen vormen een uitzondering op dezen +regel. De jongen ontwikkelen zich betrekkelijk snel, gewoonlijk reeds +na weinige weken of maanden en volgen, zoodra zij het ei verlaten +hebben, de levenswijze hunner ouders. + +Wanneer de winter nadert, in de dorre streken der keerkringsgewesten +in het begin van het droge jaargetijde, begraven de Kruipende Dieren +zich in den grond of verbergen zich in diepe holen en vervallen hier +in een op den dood gelijkende verstijving, die met den winterslaap van +sommige Zoogdieren overeenstemt. Alle Reptiliën, die de noordelijke +en de zuidelijke grensstreken bewonen, beveiligen zich op deze wijze +tegen den nadeeligen invloed van het ongunstige jaargetijde; in de +warmste gedeelten van de gematigde gordels en in de keerkringsgewesten +komt dit alleen voor bij die soorten, welke zich aan de wisseling der +jaargetijden niet kunnen onttrekken. In het vochtige Brazilië blijven +de Landschildpadden het geheele jaar door in beweging; die, welke in +het gebied van den Orinoko leven, verbergen zich daarentegen, naar +A. von Humboldt heeft opgemerkt, in den tijd van groote zonnehitte +en droogte onder steenen of in gaten, die zij zelf gegraven hebben; +uit deze schuilplaatsen komen zij eerst te voorschijn, wanneer +zij bespeuren, dat de lucht in hun omgeving of de grond onder hen +vochtig wordt. In waterrijke stroomen houden de Krokodillen geen +winterslaap, wel echter in rivieren, die gedurende het ongunstige +jaargetijde uitdrogen; hier wachten zij, onder het slijk verborgen, +den terugkeer van het water af. + +Enkele Kruipende Dieren leven gedurende den winterslaap als 't ware in +een droom en behouden op zekere hoogte het vermogen om zich te bewegen +of herkrijgen het schielijk, zoodra de omstandigheden veranderen; +andere daarentegen zijn geheel verstijfd en blijven zonder eenige +beweging liggen. Ratelslangen, die in dezen toestand opgeraapt +en in den weitasch gestoken worden, ontwaken binnen korten tijd +door de warmte van het vuur, waarbij de jager zich neerzet, maar +vervallen spoedig weer in hun verstijfden toestand, na gebracht te +zijn in een ruimte, waar een lage temperatuur heerscht. Door een al +te strenge en langdurige koude worden de Reptiliën gedood. Uit de +gewichtsvermindering, die zij gedurende den winterslaap ondergaan +en die bij een Schildpad nagenoeg een vierde gedeelte van haar +oorspronkelijk gewicht bedroeg, valt af te leiden, dat er bij het +schijndoode dier wel degelijk stofverbruik plaats vindt. Het is bij +zijn ontwaken volstrekt niet krachteloos, maar in tegendeel levendiger +dan gewoonlijk. + +Alle Reptiliën zonder eenige uitzondering groeien zeer langzaam; +ook hieruit blijkt de traagheid van hunne levensverrichtingen. Zij +kunnen een zeer hoogen ouderdom bereiken. In de gevangenschap +hebben Schildpadden omstreeks honderd jaar en volgens sommige +berichten nog langer geleefd. Krokodillen, die aan de een of de +andere eigenaardigheid kenbaar waren, vertoonden zich volgens het +getuigenis van Afrikaansche inboorlingen, zoolang het hun heugde, +steeds op dezelfde plaats. Waarschijnlijk worden ook de groote +soorten van Slangen zeer oud. Ziekten schijnen onder deze dieren +zeer zeldzaam te zijn, maar zijn toch soms bij gevangen exemplaren +opgemerkt; het is nog niet gebleken, dat zij aan ouderdomszwakte, +en verval van krachten, bezwijken; de meeste sterven door toedoen +van roofdieren of althans ten gevolge van uitwendige invloeden. + +De meest geschikte wijze om bekend te worden met de levenswijze van +Kruipende Dieren, die men in de vrije natuur moeielijk kan nagaan, +is, ze te plaatsen in terrariën, in kleine serres, waaruit zij niet +kunnen ontsnappen. Een doelmatig ingericht, goed onderhouden terrarium +kan voor den eigenaar en voor alle andere toeschouwers een rijke bron +van leering en tijdverdrijf opleveren en bovendien een sieraad zijn +van het vertrek en zelfs van het geheele huis, waarin het geplaatst +is. De onderzoeker vindt hier een schoone gelegenheid tot aanvulling +van de kennis, die hij verkreeg door een vluchtige beschouwing +van opgestopte of in spiritus bewaarde Reptiliën. De verbleekte en +daardoor van hun grootste aantrekkelijkheid beroofde exemplaren uit +het naturaliën-kabinet ziet men hier in hun volle pracht, in levenden +lijve voor zich, zoodat men in de gelegenheid is hunne handelingen +te bespieden, hun aard en hunne gewoonten na te gaan. + +In vergelijking met het voordeel, dat de Gewervelde Dieren van andere +klassen ons verschaffen, is het nut der Kruipende Dieren buitengewoon +gering. Van de Alligators gebruikt men de huid voor het bekleeden en +versieren van verschillende voorwerpen. Een belangrijk handelsartikel +is het schildpad, dat uit de hoornplaten van het pantser van sommige +dieren van dien naam bestaat en de grondstof is voor een industrie, +die aan vele handen werk verschaft; bovendien gebruikt men het +vleesch en de eieren van eenige dezer wezens. Indirect nuttig zijn +de Reptiliën en meer bepaaldelijk vele Hagedissen door het verslinden +van schadelijke Insecten en dergelijk gedierte. Dit geringe voordeel +wordt echter verre overtroffen door de schade, die de Kruipende Dieren +ons veroorzaken. Wij herinneren slechts terloops aan de rooverijen, +waaraan zelfs kleine Schildpadden en ook verscheidene Slangen zich +schuldig maken en waarvan de Visschen en hun gebroed de slachtoffers +zijn; maar willen vooral de aandacht vestigen op het ontzaglijk aantal +menschen en huisdieren, die ieder jaar gedood worden door Vergiftige +Slangen en Krokodillen. Een aansporing tot het sparen van het leven +dezer dieren zou een misdaad zijn, een zonde jegens ons zelf. Toch +mogen en moeten wij ten gunste van de groote menigte onschuldigen, +die zoo dikwijls voor de fouten van een klein aantal schuldigen hebben +te boeten, een woordje in 't midden brengen. Het is onze bedoeling +niet, en 't staat trouwens ook niet in onze macht, te verlangen, +dat de in warme gewesten voorkomende Reptiliën met welwillendheid +behandeld zullen worden. Wel willen wij de sierlijke Hagedissen, +Hazelwormen en Moerasschildpadden, die ons door hare bewegingen, +haar opgewektheid en zorgeloosheid bekoren,--die velden, bosschen en +eenzame meren verlevendigen, in uw gunst aanbevelen. Raadzaam achten +wij het, aan te dringen op het dooden van de Slangen, die men niet +met zekerheid als onschadelijk herkent; wenschelijk is het echter om, +bij wijze van boete voor dezen moord, het gedoode dier steeds mede +te nemen en in spiritus te bewaren, om het bij gelegenheid aan een +deskundige te laten zien en van hem inlichtingen over de vergiftigheid +of onschadelijkheid van het bedoelde exemplaar te vragen. + +In overoude tijden bewezen de menschen goddelijke eer aan de Kruipende +Dieren, die door hen gevreesd werden. De oude Egyptenaars hielden +tamme Krokodillen in de nabijheid van hunne tempels en balsemden met +zorg de lijken van deze dieren. De bewoners van Oost-Azië, vooral de +Chineezen en Japaneezen, stelden hunne goden voor in de gedaante van +Hagedissen en Slangen. De Grieken en Romeinen hechtten aan de Slangen +een zinnebeeldige beteekenis en schreven haar in fabels en gedichten +list en schranderheid, profetische gaven en andere eigenschappen +toe. Ook in onze overleveringen spelen zij een zeer belangrijke +rol. Tot in den tegenwoordigen tijd worden Krokodillen en Slangen +door onbeschaafde volken vereerd en aangebeden. + + + + + + + +EERSTE ORDE. + +DE GESCHUBDE REPTILIËN (Squamata). + + + +Eerste Onderorde: HAGEDISSEN (Lacertilia). + + +De bevallige Zandhagedis, die ieder waarschijnlijk wel door eigen +aanschouwing zal kennen, kan als type van alle Hagedissen aangemerkt +worden. In den regel kan men bij de leden dezer onderorde duidelijk +kop, hals, romp en ledematen onderscheiden; de pooten kunnen echter +rudimentair zijn of geheel ontbreken, in welk geval de bedoelde +dieren op Slangen gelijken; deze overeenkomst is evenwel slechts +oppervlakkig en verdwijnt bij nader onderzoek. Kenmerkend voor alle +Hagedissen is haar kleed, dat uit hoornachtige schubben bestaat met +of zonder beenplaten er onder; voorts hebben zij een beweeglijke tong +en tanden, die nooit in tandkassen bevestigd, maar aan den bovenrand +van de kaakbeenderen of aan de binnenzijde van een daar aanwezige, +beenige lijst vastgegroeid zijn. De oorschelp, bij de Krokodillen +vertegenwoordigd door een klep, die het trommelvlies kan bedekken, +is hier geheel afwezig; het trommelvlies is op gelijke hoogte met de +omringende huid of op den bodem van een zeer korte gehoorgang gelegen, +bij uitzondering ook wel door de gewone huid overdekt; de oogleden +zijn meestal beweeglijk, de neusgaten gescheiden. + +De tong komt in velerlei vormen voor, die voor de onderscheiding +der familiën van belang zijn: zij is met schubjes of met dradige +wratjes bedekt, dik gevleescht, bijna niet uitgesneden of afgerond, +kort en aan den wortel verdikt, dunner uitloopend en van voren meer +of minder ver gespleten, enz. + +De Hagedissen, die de soortenrijkste groep van de geheele klasse +vormen, zijn over alle deelen der wereld verbreid met uitzondering van +den kouden aardgordel; zij hebben de meest verschillende woonplaatsen; +haar bij het zeestrand beginnend gebied strekt zich uit tot aan de +grenzen van de eeuwigdurende sneeuw, omvat vruchtbare landauwen zoowel +als wildernissen en woestijnen, waterrijke oorden zoowel als gewesten, +die geheel van water verstoken zijn. In de koudste gedeelten van den +gematigden aardgordel leven slechts weinige leden van deze onderorde; +bij 't naderen van den evenaar neemt het aantal soorten en tevens de +verscheidenheid van vormen en hun kleurenpracht op verrassende wijze +en in klimmende mate toe. Weinige soorten zijn waterdieren, die op de +wijze der Krokodillen, alleen dan aan land gaan, als zij kans zien +een daar aanwezigen buit te grijpen of als zij slapen en zich in de +zon koesteren willen. De meeste zijn landbewoners in de strengste +beteekenis van 't woord en mijden zelfs vochtige terreinen. Niet +weinige leven op boomen, verreweg de meeste echter op den vasten +grond of op rotswanden. Uit de gedaante van haar lichaam kan men +reeds van te voren afleiden, waar zij zich ophouden. De van boven +naar onderen platgedrukte vormen bewonen meestal zandige vlakten en +zoeken onder steenen, tegen muren of in holen een schuilplaats; die, +welker romp zijdelings samengedrukt is, leven in het struikgewas of +tusschen de twijgen; die met een rolrond lichaam eindelijk houden +verblijf in gaten van den grond, of van boomen. De pootlooze, op +Slangen gelijkende Hagedissen ontmoet men op den grond, de wormvormige +onder de oppervlakte der aarde. Ook op dezen regel zijn echter vele +uitzonderingen. + +De mensch is vriendschappelijk gezind jegens de Hagedissen en zij +verdienen deze voorkeur. Zonder eenig voorbehoud mag men ze tot de +meest begaafde leden harer klasse rekenen. In geen enkel opzicht staan +zij, wat hare talenten betreft, bij hare verwanten uit andere groepen +achter. Hare bewegingen zijn veelzijdig, behendig, doelmatig en meestal +zeer vlug. De meeste laten bij 't gaan den romp bijna over den bodem +slepen, loopen zeer snel, hoewel met slangsgewijze kronkelingen. Door +den staart met kracht tegen den grond te drukken, kunnen zij zich ook +boven de oppervlakte verheffen en tamelijk groote sprongen doen. De +weinige soorten, die in het water leven, zwemmen en duiken uitmuntend, +hoewel hare voeten niet met zwemvliezen voorzien zijn; ook andere, die +het water angstvallig mijden, weten, wanneer zij toevallig in dit haar +vijandige element geraken, zich hier vrij goed te redden; zij die op +rotswanden en muren rondklauteren of zich in boomen bewegen, doen dit +meestal met een waarlijk verrassende behendigheid. De Boomhagedissen +gebruiken haar langen staart met goed gevolg tot het behouden van het +evenwicht; zij kunnen bijna met dezelfde snelheid, als hare verwanten +op den bodem ten toon spreiden, over de takken loopen of van de eene +twijg op de andere springen. Andere worden door hare schijfvormig +verbreede, van onderen met een oneffene huid bekleede teenen in +staat gesteld om in alle mogelijke houdingen, met den kop naar boven +of naar onderen, even veilig op de boven- als op de onderzijde der +twijgen te loopen. Enkele eindelijk hebben aan de huid van de zijden +van den romp, die door beweging van de ribben kan worden uitgespreid, +het vermogen te danken om als 't ware vliegend te springen, d. w. z., +van hoog gelegen takken op lagere neer te schieten. De Hagedissen met +rudimentaire of geheel ontbrekende ledematen bewegen zich meestal op +dezelfde wijze als de Slangen, hoewel in dit geval de ribben bij deze +een belangrijker rol spelen dan bij gene. + +Een echte stem komt slechts bij weinige Hagedissen voor. De meeste +laten, als zij toornig zijn, hoogstens een blazend gesis hooren; enkele +soorten echter, vooral die, welke een nachtelijke levenswijze hebben, +brengen afgeronde, klinkende tonen voort, geluiden, die niets gemeen +hebben met het gebrul van de Krokodillen, maar veeleer aan de stem +van Kikvorschen of aan die van Sprinkhanen en Krekels herinneren; +men kan bij haar spreken van "piepen" of "klokken", minder dikwijls +van "ratelen" of "sjirpen". + +Bij alle zonder uitzondering neemt het gezichtsorgaan den eersten +rang in onder de zintuigen. Dan volgt het gehoor, dat bij verreweg +de meeste fijn mag heeten. Meer bepaaldelijk letten alle soorten, die +een stem bezitten, op geluiden, die zoowel onmiddellijk door de lucht +als door trillingen van den bodem tot hen komen. Minder ontwikkeld +is de reukzin en nog minder de tastzin. Gelijk de Slangen gebruiken +vele Hagedissen haar tong meer als tast- dan als smaakorgaan. + +Waarschijnlijk staan de Hagedissen, wat verstand betreft, bij geen +enkel ander Kruipend Dier achter. Zij doen ervaringen op en toonen +dit door hare handelingen. De inheemsche soorten beschouwen ieder +wezen, dat haar in grootte overtreft, en vooral den mensch, als een +gevaarlijken vijand. In de meer zuidwaarts gelegen landen gaan zij +gemeenzamer met den mensch om, komen driest tot in zijn onmiddellijke +nabijheid, noodigen zich als 't ware te gast in zijn woning en worden +eindelijk echte huisdieren, hoewel zij ook op deze plaats voor andere +vijanden in de hoogste mate bevreesd zijn. Alle dierenliefhebbers, +die deze bevallige schepsels in de kooi houden, zijn van oordeel, dat +hunne voedsterlingen hen leeren kennen; hoewel dit niet beteekent, +dat zij haar verzorger van andere menschen onderscheiden, blijkt +hieruit toch, dat zij tot een wijziging van haar oorspronkelijk gedrag +genoopt worden door de ervaring, die zij opdoen. Zij behagen ons door +haar voorkomen; grootendeels te recht beschouwt men ze als beelden +van onschuldige vroolijkheid en opgewektheid; zij zijn levendig, +bedrijvig, voorzichtig en in verhouding tot haar grootte buitengewoon +moedig. Als roofdieren maken zij zich soms schuldig aan handelingen, +die wij van ons eenzijdig standpunt veroordeelen: o. a. zien zij er +volstrekt geen bezwaar in, hare eigene jongen op te eten, en verslinden +de leden van groote soorten hunne kleinere verwanten. Ondanks dit +alles kan men bij haar altijd nog eerder dan bij andere Reptiliën van +gezelligheid spreken: wanneer men ze in grooten getale bijeen vindt, +hetwelk dikwijls voorkomt, kan men opmerken, dat tusschen de leden +van dit gezelschap gedurende geruimen tijd een zekere betrekking +blijft bestaan. + +Eenige Hagedissen voeden zich met plantaardige stoffen, zonder evenwel +afkeerig te zijn van een buit uit het dierenrijk; alle overige zijn +roofdieren, die aan verschillende klassen van dieren haar voedsel +ontleenen. De grootste soorten maken jacht op allerlei Gewervelde +Dieren, overvallen kleine Zoogdieren en Vogels en worden, naar men +zegt, soms zelfs voor betrekkelijk groote exemplaren gevaarlijk; zij +plunderen nesten en vervolgen allerlei Reptiliën, minder dikwijls ook +Amphibiën en Visschen; bovendien verslinden zij alle ongewervelde +Dieren, die zij kunnen vangen. De kleine Hagedissen voeden zich +hoofdzakelijk met de laatstgenoemde wezens: vele bij voorkeur met +Gelede Dieren, andere met Wormen en Slakken. + +Het dagelijksch leven van de Hagedissen biedt meer afwisseling aan dan +dat van de andere leden harer klasse; over 't geheel genomen is het +echter eentonig. Het bedrijvigst zijn zij in de heete landen onder +de keerkringen, vooral daar, waar alle jaargetijden in hoofdzaak op +elkander gelijken en zij dus niet door ongunstige weersgesteldheid +genoodzaakt worden om voor een tijd een schuilplaats op te zoeken. Hier +beginnen zij reeds in de vroege morgenuren hun dagwerk, blijven +tot omstreeks zonsondergang ijverig bezig en ruimen daarna tot +aan den volgenden ochtend het veld voor hare bij nacht werkzame +verwanten. De eerste en de laatste uren van den dag worden aan de +jacht, de voor- en namiddaguren aan ontspanning, d. w. z. aan het +gezellig samenzijn gewijd; gedurende den heetsten tijd verkeeren zij +in een half-sluimerenden toestand, daar zij het felle branden van de +zon evenzeer schuwen als de koude. In gematigde gewesten ziet men ze +in de middaguren behagelijk uitgestrekt liggen op plaatsen, die voor +de zonnestralen toegankelijk zijn; in de keerkringsgewesten geven zij +op dezen tijd van den dag in den regel aan beschaduwde plaatsen de +voorkeur. Iedere Hagedis vestigt zich in een bepaald gebied en kiest +er een voor haar geschikten schuilhoek uit, of richt dezen naar hare +behoeften in. Van deze plek, die men als de woning van de Hagedis kan +aanmerken, verwijdert zij zich nooit ver en keert bij dreigend gevaar +zoo schielijk mogelijk daarheen terug. Ook die, welke in het water of +op boomen leven, vormen hierop geen uitzondering. Naar het schijnt, +toont iedere Hagedis, bij het kiezen van haar woonplaats, een zeker +overleg, door er voor te zorgen, dat de kleur van de omgeving met de +hare overeenstemt. Hier loert zij op haar prooi, iedere soort op een +eigenaardige wijze. Alle vatten het door haar gekozen slachtoffer +scherp in 't oog, schieten er, zoo noodig met een grooten sprong, +op toe, pakken het, kneuzen het tusschen de tanden en zwelgen het +door, waarbij zoo mogelijk de kop voorgaat. Na een overvloedigen +maaltijd worden ook de Hagedissen traag; nooit echter vervallen +zij, als de Slangen, in een toestand van volkomen afmatting en +onverschilligheid. Met zonsondergang keeren de Daghagedissen geregeld +in hare schuilhoeken terug; bij ongunstige weersgesteldheid blijven +zij hier dikwijls dagen, ja zelfs weken lang. Alle soorten, die niet in +de landen, waar een eeuwige lente heerscht, op boomen of in het water +leven, brengen het ongunstige jaargetijde door in een toestand, die in +hoofdzaak gelijkt op den winterslaap der Zoogdieren. Alle inheemsche +Hagedissen verbergen zich in den herfst in diepe gaten onder den grond, +verslapen hier den winter en ontwaken weer in 't begin van de lente; +dezelfde soorten echter, die bij ons 5 maanden slapend doorbrengen, +bleven in Noord-Europa of in hooge bergstreken 6 à 8 maanden lang in +dezen toestand van verstijving. Dat een dergelijk verschijnsel ook in +de keerkringsgewesten voorkomt, valt af te leiden uit de tot dusver +nog niet zeer talrijke, maar volkomen overeenstemmende waarnemingen +van kundige reizigers. + +Kort na haar ontwaken in de lente vangt voor de Hagedissen de +voortplantingstijd aan. Eenige weken later zijn de 2 à 30 eieren, +die het wijfje ter wereld brengt, voor 't leggen gereed. De moeder +heeft intusschen, niet zonder moeite en zorgvuldig overleg, een nest +ingericht, door in den lossen grond of in het mos, in het vermolmde +hout van oude boomstammen, in woningen van Mieren of Termieten, +enz. een gat te graven; de hierin gelegde eieren worden met een lichte +bedekking voorzien. De eieren zelve verschillen weinig van die van +andere Reptiliën; zij hebben, evenals deze, een taaie, weinig kalk +bevattende, lederachtige, buigzame schaal, een grooten, vetrijken +dooier en een zeer vloeibaar eiwit. Weinige weken of maanden nadat de +eieren gelegd zijn, komen de jongen er uit, zonder eenige hulp van +den kant hunner ouders, welker levenswijze zij van den eersten dag +af volgen. Op den zooeven genoemden regel vormen sommige Hagedissen +een uitzondering, door levende jongen ter wereld te brengen; bij haar +blijven de eieren in het lichaam van de moeder, totdat de ontwikkeling +van de kiem afgeloopen en deze tot een geheel zelfstandig leven in +staat is; het jong verbreekt de eischaal, terwijl het zich nog in den +eileider bevindt en verlaat dezen kort daarna. In de noordelijke landen +vervellen de jongen, die in den nazomer ter wereld komen nog eenmaal, +voordat zij een geschikte plaats voor den winterslaap opzoeken. + +Meer dan alle overige Kruipende Dieren hebben de Hagedissen last +van vijanden. Tal van roofdieren van allerlei aard maken jacht +op haar. Door spierkracht en moed zijn de groote soorten tamelijk +veilig tegen de aanvallen van andere dieren; de kleine echter vallen +Civetkatten, Marters en Stinkdieren, Gieren, Arenden, Valken en +Buizerden, Uilen, Raven, Hoenderen, moeras- en watervogels, Slangen +en de sterkste leden van haar eigen soort ten buit, zoodat men +zich er eigenlijk over verwonderen moet, dat zij ondanks zoovele +vervolgingen kunnen blijven bestaan. Ook de mensch treedt hier en +daar als tegenstander en vervolger van deze onschadelijke dieren +op, dikwijls slechts uit baldadigheid, uit ruwe moordlust. Eenige +worden ten onrechte voor giftig gehouden, andere voor Slangen +aangezien. Er bestaat maar één giftige Hagedis, n.l. het Dzjila-dier +van Noord-Amerika, en ook deze is voor menschen slechts in beperkte +mate gevaarlijk. Een voordeel, dat iets te beteekenen heeft, brengen de +Hagedissen ons niet; maar zij richten ook geen schade aan. Het vleesch +van eenige groote soorten wordt gegeten en valt zelfs bij Europeanen +in den smaak; andere bekoren ons door haar sierlijke behendigheid +in de vrije natuur of door de bevalligheid van hare bewegingen in de +kooi. Bovendien voeden de meeste zich met dieren, die ons onaangenaam +zijn; slechts weinige worden lastig, doordat haar roofzucht de tamme +Vogels en hunne eieren niet verschoont; anderen jagen schrikachtige +menschen vrees aan door haar overeenkomst met Slangen en door het +verdachte ritselen van de bladen bij haar beweging. Redenen om haar +te vervolgen bestaan er dus niet. + + + +Weinige Kruipende Dieren hebben aanleiding gegeven tot zoovele +fabelachtige verhalen als de Hechtvingers of Gekko's, nachtelijk +levende, hagedisachtige dieren van eigenaardige gedaante, die +in de warme gewesten van alle werelddeelen gevonden worden. Door +de ouden werden zij "Stellio" genoemd, omdat hun rug met kleine, +stervormige vlekken geteekend is. Aristoteles bericht, dat de Stellio +zich in vensters, kamers en grafgewelven ophoudt, langs de muren +klautert, dikwijls naar beneden op de tafel en in het eten valt, in de +voerkribben slaapt, in de neusholten van de Ezels kruipt, hen hindert, +terwijl zij eten en hen door zijn beet vergiftigt, gedurende de vier +koude maanden van het jaar in een schuilhoek verborgen ligt en geen +voedsel gebruikt, in het voor- en najaar echter vervelt en daarna zijn +eigen vel opeet. Tot in den laatsten tijd werden dergelijke sprookjes +verhaald. Zoowel uit Indië als uit Egypte, Peru en Zuid-Europa wordt +bericht, dat uit de platte teenen der Gekko's een vergiftige stof +vloeit. Overal wekken de Gekko's wantrouwen en afschuw, hoewel zij +deze in 't geheel niet verdienen. Wegens hun onbevallig voorkomen en +hun nachtelijke levenswijze gaat van hen dit kwaad gerucht; zij zijn +echter volkomen onschadelijk. + +De Hechtvingers (Geckonidae) zijn voor 't meerendeel kleine, +plomp gebouwde Hagedissen van sombere kleur. Hun kop, die van +voren eindigt in een langwerpige, onder het voorhoofd een weinig +ingedrukten, verderop ronden, afgeplatten snoekensnuit met ver zich +uitstrekkende mondspleet, trekt onmiddellijk de aandacht door de +groote, een nachtelijke levenswijze verradende oogen, welker pupil +zich bij blootstelling aan 't licht tot een lijnvormige, vertikale +spleet vernauwt en waaraan de oogleden schijnen te ontbreken. Echte +oogleden komen slechts bij enkele geslachten van deze familie voor; +bij de overige breidt, evenals bij de Slangen, de huid zich over de +oogen uit. Voor zoover zij het oog bedekt, is de huid doorzichtig en +door een ringvormige plooi begrensd, die aan onontwikkelde oogleden +doet denken. Het trommelvlies is aan het einde van een korten, +uitwendigen gehoorgang gelegen. De tanden zijn met de binnenzijde van +de kaakbeenderen vergroeid. De tong is met haar achterste gedeelte +aan den bodem der mondholte vastgehecht, kort, vleezig, afgerond, +van voren met een ondiepe insnijding voorzien. De hals is zeer kort +en dik, de romp gedrongen, afgerond, maar van boven naar onderen als +'t ware platgedrukt, soms aan de zijden franjeachtig ingekorven, de +zeer brooze staart middelmatig lang, dik, aan den wortel afgerond of +eveneens platgedrukt, soms aan weerszijden met een huidzoom voorzien; +de pooten onderscheiden zich door hun kortheid, de teenen door hun +zeer vreemdsoortig maaksel, dat als het hoofdkenmerk van de familie +moet worden beschouwd. Bij de meeste soorten zijn zij betrekkelijk +kort en verschillen onderling weinig in lengte; zeer dikwijls zijn zij +door een vlies vereenigd, dat zich meer of minder ver uitstrekt. Aan +de onderzijde is iedere teen voorzien met een hechtkussen, een +zijwaartsche uitbreiding van de huid, met dwars gerichte, vliezige +plaatjes van verschillende grootte, vorm en stand bezet, waardoor +het dier in staat gesteld wordt, langs zeer gladde wanden te loopen, +onverschillig welke richting zij hebben. De huid, die het overige +lichaam bekleedt, vertoont aan haar oppervlakte zeer klein, naast +elkander geplaatste korreltjes of schubjes, waartusschen dikwijls +grootere schubben gelegen zijn. + +De familie der Hechtvingers bestaat uit ongeveer 50 geslachten. Voor +ons doel zal een korte beschrijving van drie soorten, die ieder een +geslacht vertegenwoordigen, voldoende zijn. + + + +Halfvingers (Hemidactylus) heeten die soorten, welker hechtkussen +met twee rijen van dwarsplaatjes voorzien is en zich slechts over +de wortelhelft der teenen uitstrekt, zoodat het voorlaatste en het +laatste teenlid er buiten uitsteken. + +In Zuid-Europa wordt dit geslacht vertegenwoordigd door den +Schijfvinger (Hemidactylus turcicus), een Gekko van slechts 9 of +10 cM. lengte. Boven de overigens fijnkorrelige huid van den rug +verheffen zich onduidelijk driehoekige, op 14 à 16 overlangsche reeksen +geplaatste wratjes, die deels wit, deels zwartachtig zijn. Ook door +de grijsachtig bruin gevlekte, vleeschroode kleur der bovendeelen +onderscheidt hij zich van zijne overige Europeesche verwanten; +de onderdeelen zijn wit. Men merkt bij dit dier eigenaardige +kleurveranderingen op: in het donker is het bijna melkwit en +doorschijnend; aan 't licht blootgesteld gaat de kleur van den rug +door lichtbruin in donkerbruin over. Het bewoont dezelfde landen +als de Muurgekko; zuidoostwaarts strekt zijn verbreidingsgebied zich +evenwel uit tot aan de oevers van de Roode Zee. + +De Huidplooigekko's (Ptychozoon) zijn gekenmerkt door een breede +huidplooi aan weerszijden van het lichaam, die zich ook langs de +staart als een gelobden zoom uitstrekt en doordat de teenen over hun +geheele lengte door een vlies vereenigd zijn. + +De eenige bekende soort, de Huidplooigekko (Ptychozoon homalocephalon), +een van de vreemdsoortigste leden der geheele familie, is ongeveer 18 +of 20 cM. lang. De bovenzijde is op geelgroenachtig olijfkleurigen, +aan de zijden in roodbruin overgaanden grond met bruine of zwarte +dwarsbanden geteekend, die figuren vormen of zigzagswijs loopen. + +Behalve op Java komt deze soort ook voor op Sumatra, Borneo en het +Maleische schiereiland, alsmede op de Ljoe-kjoe-eilanden. + + + +Bij het geslacht der Breedvingers (Tarentola) strekt het hechtkussen +zich over de geheele ondervlakte der teenen uit en is met doorloopende, +niet in tweeën verdeelde dwarsplaatjes voorzien. + +Hiertoe behoort de Muurgekko, in Italië Tarantola, in Spanje Carapata, +door de oude Grieken Ascalobotes, door de oude Romeinen Stellio genoemd +(Tarentola mauritanica), een diertje van slechts 12 à 16 cM. lengte, +waarvan de helft op den staart komt. De onderzijde is vuil geelachtig +wit; de kleur van de bovendeelen wisselt af van lichtgeelachtig grijs +door grijs, bruin en zwartbruin tot dofzwart. De kop is zeer oneffen, +de rug met wratten bezaaid, de buikzijde daarentegen met schubben +bekleed en glad. Het verbreidingsgebied van deze soort omvat de +landen, die de Middellandsche Zee omgeven; bijzonder veelvuldig is +zij in Spanje, op de eilanden van Italië en in Noord-Afrika. + + + +Alle Gekko's hebben ongeveer dezelfde verblijfplaats en dezelfde +levenswijze. Zij bewonen rotswanden en boomen, gruishoopen en muren, +zeer gaarne ook menschelijke woningen van den kelder tot aan het +dak. De soorten, die een groene kleur hebben, houden zich uitsluitend +in boomen op; andere worden zoowel hier als op muren en in huizen +gevonden. Zij komen op deze plaatsen in den regel in grooten getale +voor en verraden haar aanwezigheid door geluiden, hetgeen merkwaardig +is, daar zij nagenoeg de eenige Hagedissen zijn, die een stem bezitten. + +Verreweg de meeste Gekko's zijn nachtdieren en vallen over dag +weinig in 't oog. Reeds bij zonsopgang zoeken zij een schuilhoek op, +die hen zooveel mogelijk aan de waarneming onttrekt, kruipen weg +onder steenen of losgeschilferde boomschors, in spleten en reten; +slechts dan blijven zij kleven aan een muur of aan een boomstam, +wanneer deze in kleur met hen overeenkomt, of wanneer de ervaring hun +de goede gezindheid heeft leeren kennen van de bewoners der huizen, +waarin zij zich ophouden. Toch worden ook zij, evenals alle Kruipende +Dieren, aangelokt door de verwarmende stralen der middagzon; op muren, +die er slechts tijdelijk aan blootgesteld zijn, bewegen zij zich met +de voortschrijdende schaduw verder. In gewesten, waar hun geen leed +wordt gedaan, ziet men ze bij honderden op een muur, bij dozijnen op +denzelfden boom. Hoewel niet bijzonder vredelievend gezind jegens +soortgenooten, houden zij van gezelligheid, leeren langzamerhand +de meest geschikte woonplaatsen in hun gebied kennen en verzamelen +zich hier in groote menigte. Met het invallen van den nacht worden +zij wakker; dan begint hun jacht op allerlei kleine dieren; vooral +Vliegen, Muggen, Spinnen, Kevers, kleine rupsen, enz. weten zij met +verrassende snelheid te vangen. Het begin van hun werkzaamheid kondigen +zij gewoonlijk aan door een luid, in ieder geval goed hoorbaar, +kort geschreeuw, dat door de woorden "zjekko" of "tokkie" ongeveer +nagebootst kan worden. Hoewel alle overige Gekko's keelgeluiden +maken, heeft de in Middel-Azië levende Wonder-gekko (Teratoscinus) +de zonderlinge gewoonte te sjirpen met den staart, welks bekleeding +uit platen bestaat, die elkander dakpansgewijs bedekken, ongeveer op +dezelfde wijze als een Boktor door het wrijven van den kop langs het +borstschild geluid maakt. A. Strauch meent, dat dit dier hierdoor de +Sprinkhanen kan lokken, waarmede het zich voedt. + +De meeste Gekko's blijven gedurende den geheelen nacht aan 't werk; +hun bedrijf is wel geschikt om de aandacht te trekken. Een merkwaardig +schouwspel levert dit dier, wanneer het met bewonderenswaardige +behendigheid, zonder ooit een misstap te doen, omhoog klautert bij +loodrechte, gladde wanden, die het plotseling verlaat om langs den +zolder te loopen met even groote zekerheid, als bevond het zich op den +vloer. Minuten lang blijft het soms op dezelfde plaats en schiet dan +weer haastig vooruit, waarbij het den dikken staart onbeholpen heen en +weer slingert en met slangachtige kronkelingen van het lichaam zich +voortbeweegt. Intusschen merkt het alles op, wat er in de nabijheid +voorvalt en kijkt met de nu groote en schitterende oogen om zich heen, +of het niet ergens een buit bespeurt. Te verwonderen is het niet, dat +het onooglijke dier, waarvan de reiziger overal kwaad hoort spreken, +bij hem aanvankelijk een onaangenamen indruk wekt en zelfs een gevoel +van walging doet ontstaan: dit gevoel behouden echter alleen zij, die +zich de moeite niet geven om de werkzaamheid van het dier na te gaan. + +Weken en maanden heb ik huizen bewoond, waarin de Gekko's zich +in grooten getale ophielden; de eerste exemplaren, die ik zag, +heb ik met verwondering waargenomen; weldra echter hield ik veel +van deze eigenaardige en onschadelijke dieren; menigmaal hebben +zij mij op aangename wijze den tijd gekort. Huisdieren zijn zij +in de rechte beteekenis van het woord, trouwer nog dan de Muizen +en stellig nuttiger. Over dag zijn hunne bewegingen echter niet +vrij van onhandigheid, vooral wanneer men hen bedreigt en zij zoo +schielijk mogelijk naar hunne schuilhoeken vluchten; bovendien maakt +het op den toeschouwer geen aangenamen indruk, als hij ziet, hoe de +Gekko's zich in hun angst plotseling, op gelijke wijze als sommige +Kevers, op den grond laten vallen en daarbij gewoonlijk den staart +verliezen. Zoodra echter hun werktijd aanvangt, d. w. z. wanneer +de duisternis ingevallen is, zullen zij, naar ik vertrouw, iederen +onderzoeker zoo niet bekoren, dan toch boeien. Het was ons steeds +een groot genoegen 's nachts te Kaïro, Dongola, Khartoem of elders +in het Nijlland, in het donkere van leem gebouwde huis, zoowel als +in de stroohut, het eerste geschreeuw van de Gekko's te hooren en +daarna hun werkelijk spookachtige bewegingen te bespieden, te letten +op hunne met den grootsten ijver ondernomen jachttochten, kortom van +al hunne handelingen getuige te zijn. + +Tallooze malen heb ik Gekko's gevangen, ze in de hand gehad +om hen en hunne hechtschijven te bekijken, nooit echter heb ik +eenig nadeel ondervonden van het aanraken en hanteeren dezer ten +onrechte vergiftig genoemde dieren; het was trouwens niet mogelijk +eenige stof, die vergiftig zou kunnen wezen, waar te nemen; +daar het "kleverige vocht", waaraan sommige het hechtvermogen +der vingers toeschrijven, in 't geheel niet bestaat. Reeds Home, +die de hechtorganen grondig onderzocht, is tot de slotsom gekomen, +dat de Gekko daaronder een luchtledige ruimte doet ontstaan en zich +op deze wijze vasthecht. Dit is dan ook werkelijk het geval. Hoewel +de aanraking van de hechtschijven de gewaarwording van kleverigheid +veroorzaakt, werd van de aanwezigheid van een lijmachtigen stof, die +dan een vergiftige werking zou kunnen uitoefenen, stellig nog nooit +door een onderzoeker, die zijne persoonlijke ervaringen mededeelt, +melding gemaakt. Als zulk een lijm voorhanden was, zou de Gekko zijne +voeten weldra niet meer voor het aanhechten kunnen gebruiken, daar +zij eerder met stof en vuil bedekt zouden worden, dan aan den muur +kleven. Het is eenvoudig de drukking der lucht, die het dier doet +kleven aan de voorwerpen, waarbij het opklautert; het kan zelfs bij +het gladste spiegelglas, bij marmeren platen enz. omhoog klimmen. + +Om andere Reptiliën of Gewervelde Dieren in 't algemeen bekommert +de Gekko zich slechts in zoover, dat hij in ieder sterker wezen een +vijand vermoedt. In Zuid-Europa is het niet gemakkelijk Gekko's waar +te nemen, waarschijnlijk omdat zij hier bijna overal op noodelooze +wijze vervolgd en schuw gemaakt worden; in Afrika daarentegen gedragen +zij zich dikwijls vriendschappelijk jegens den mensch, d. w. z., +toonen een gemeenzaamheid en een goed vertrouwen, dat zeer innemend +is. Zoo goed echter, als de herinnering aan doorgestane vervolgingen +hun bijblijft, zoo goed geraken zij aan andere dieren en zelfs aan +den mensch gewoon: men kan ze eenigermate temmen. "In de kamer, +waarin de vrouwen van mijn gezin den avond doorbrachten," verhaalt +Tennent, "had eens een van deze tamme en gezellige diertjes de ruimte +achter een schilderijlijst tot rustplaats gekozen. Zoodra de kaarsen +aangestoken waren, verscheen de Gekko aan den muur om het voedsel, +dat men hem gaf, in ontvangst te nemen. Wanneer men hem vergat, liet +hij nooit na door een schel, luid klinkend "tsjiek tsjiek tsjiek" de +aandacht van de aanwezigen op zich te vestigen. In een officierswoning +van de vesting Colombo had men een anderen Gekko gewend dagelijks +aan het souper deel te nemen. Hij verscheen precies op zijn tijd, +zoodra de schotels op tafel werden gezet. De familie verliet haar +woning voor eenige maanden en gedurende haar afwezigheid werd het +geheele huis in orde gebracht. De muren werden opnieuw aangestreken, +de plafonds gewit, het dak vernieuwd, enz. Iedereen dacht natuurlijk, +dat de kleine bewoner door deze ingrijpende verandering verdreven zou +zijn; dit bleek echter niet het geval te zijn. Bij de terugkomst van +zijne oude vrienden verscheen hij met zijn gewone stiptheid, zoodra +de tafel gedekt was, en bedelde als naar gewoonte om voedsel." + +Men zou op grond van feiten als de zooeven genoemde kunnen verwachten, +dat de Gekko overal een gewilde gast zal zijn; het tegendeel is echter +waar; het volkomen noodelooze vervolgen en dooden van dit onschadelijke +dier levert, gelijk Prins Lucien Bonaparte zeer te recht opmerkt, +"een duidelijk voorbeeld van de ondankbaarheid der wereld. De Gekko +heeft geen ander doel dan de woning, die hij tegelijk met ons bewoont, +van Spinnen, Muggen en andere lastige Gelede Dieren te bevrijden; voor +deze weldaad krijgt hij geen ander loon dan lasterlijke beschuldiging +en vervolging!" + +Het is ongelukkig zeer moeielijk om Gekko's in een kooi te houden +en ze vooral hier te lande door den winter te brengen. Zij zijn +buitengewoon teer; dit blijkt reeds, als men ze vangen wil; bij een +eenigszins ruwe aanraking breekt de staart dadelijk af, alsof hij +uit glas bestond. Dit is echter geen groot verlies; want reeds na +weinige dagen komt aan het overgebleven stompje een uitspruitsel, +dat zich tot een nieuwen staart ontwikkelt en reeds na verloop van +een maand het gewone uitzicht heeft verkregen, met dit verschil, dat +de huid glad blijft, geen doornachtige knobbels vertoont en dat het +nieuwe gedeelte op de plaats, waar het aan het oude vastzit, verdikt +is. In een beperkte ruimte blijft de Gekko steeds vreesachtig en +schuw; voordat hij getemd is, breekt de voor hem meestal noodlottige +winter aan. Daarom ziet men bij liefhebbers van dieren zoo zelden +levende Gekko's. + + + +In het zuiden en oosten van de Oude Wereld leeft de talrijke familie +van de Agamen (Agamidae), die uit Hagedissen van zeer verschillenden +vorm bestaat: de romp is bij sommige gedrongen, bij andere langwerpig, +nu eens van boven naar onderen, dan weer van weerszijden samengedrukt, +over 't algemeen echter krachtig gebouwd; de kop is kort en breed, +de staart bij eenige soorten kort, bij andere lang en spits, in +geen geval echter zoo broos als bij de leden der vorige familie; +de ledematen zijn goed ontwikkeld. De tanden zijn aan den bovenrand +der kaakbeenderen vastgegroeid; in den regel steekt een van hen bij +wijze van een hondstand voorbij de overige uit. De vleezige tong, +die hoogstens aan den top een ondiepe insnijding vertoont, is over +haar geheele lengte met den bodem der mondholte vergroeid en kan dus +niet uitgestoken worden. + + + +"Naar mij gezegd werd," verhaalt Herodotus, "is bij de stad +Butus in Arabië een oord gelegen, waar men vliegende Slangen +aantreft. Ik bezocht dit oord en zag er een ongeloofelijk groote +hoeveelheid beenderen en graten tot tallooze groote en kleine hoopen +opeengestapeld. Het ligt in een door bergen ingesloten dal, dat met +de uitgestrekte Egyptische vlakte in gemeenschap staat. Ik vernam, +dat de gevleugelde Slangen in de lente van Arabië naar Egypte vliegen, +maar, bij den uitgang van het dal Ibissen ontmoetend, door deze om 't +leven worden gebracht, om welke reden de Ibissen bij de Egyptenaren +in hoog aanzien staan. De gedaante dezer Slangen is als die der +Waterslangen; hare vleugels hebben geen veeren, maar komen in maaksel +met Vleermuis-vleugels overeen." + +Welke dieren de "vader der geschiedenis" hier op het oog heeft, kan nu +niet meer uitgemaakt worden. Misschien zou men uit hetgeen hem verteld +werd, kunnen afleiden, dat zijn zegsman had hooren spreken over de +kleine Oost-Indische Boom-agamen, die onder den naam van Draken (Draco) +bekend zijn, daar deze, zij het dan ook geen vleugels, een valscherm +bezitten. Deze onschadelijke diertjes hebben met hunne peten, de Draken +en Lintwormen van de fabelleer, die men in de gedaante van gevleugelde +Reuzenslangen of Krokodillen voorstelde, niets dan den naam gemeen. + +De meest in 't oog loopende eigenaardigheid van de Draken is +ongetwijfeld hun valscherm, dat door de ribben wordt gesteund. Op +eenige ware ribben (die zich van de wervelkolom tot aan het borstbeen +uitstrekken) volgens 5 of 6 paar valsche ribben, die niet naar de +borst gekromd, maar zijwaarts verlengd en recht zijn. Als baleinen +van een parapluie spannen zij de huid van de zijden van den romp +tot een halfkringvormige schijf uit, die aan weerszijden tusschen +de pooten uitsteekt, doch deze geheel vrij laat en niet door hen +gesteund wordt, zooals het voor 't zelfde doel dienende orgaan der +Vliegende Eekhoorns. In den toestand van rust wordt het valscherm +door het achterwaarts richten der ribben opgevouwen. + + + +De meest bekende soort van dit geslacht is de Vliegende Draak (Draco +volans). Dit bekoorlijke dier bereikt een totale lengte van niet +meer dan 20 cM. Door een beschrijving kan men van zijn schoonheid +slechts een zeer onvoldoende voorstelling geven. De kop van het +levende dier is metaalachtig bruin of groen van kleur en prijkt met +een zwarte vlek tusschen de oogen; de rug en de binnenste helft van +het valscherm zijn deels donkerbruin met metaalachtigen weerschijn, +deels rozerood, welke beide kleuren bij enkele exemplaren onderling +afwisselen en dwarsbanden vormen, die met talrijke zwarte vlekken +en korte lijnen van onregelmatigen vorm geteekend zijn. De keelzak +heeft bij het mannetje een levendig oranjegele, bij 't wijfje een +blauwachtige kleur; de borst heeft zwarte stippels op gelen grond. + +Alle Draken zijn Boomhagedissen in de volste beteekenis van 't woord; +zonder er toe gedwongen te zijn, komen zij waarschijnlijk nooit op +den grond; meestal leven zij in de boomkronen. Hunne prachtige kleuren +vallen daarom volstrekt niet in het oog. Men merkt deze dieren, terwijl +zij in de schaduw der bladen liggen of tegen den stam aangeplakt zijn, +eerst op, als men zeer dicht bij hen komt en ziet ook dan niets anders +dan een mengelmoes van bruin en grijs, dat zeer veel op boomschors +gelijkt. In deze omstandigheden wordt zelfs bij nauwkeurige beschouwing +geen ander bewijs van leven opgemerkt dan het rusteloos rondwaren der +oogen, die voorbijvliegende Insecten beloeren. Als een dergelijke prooi +dicht bij den Draak komt, breidt hij plotseling zijn valscherm uit, +maakt, hierdoor gedragen, een grooten luchtsprong, grijpt met bijna +onfeilbare gewisheid den buit en zet zich weder op een andere twijg +neer. De op deze wijze afgelegde weg is steeds schuins van boven naar +beneden gericht en bedraagt soms 6 à 10 Meter. Daar de Draken met hun +"vlieghuid" slechts weinig kunnen stijgen, moeten zij hooger gelegen +punten klimmend langs de takken bereiken; zij doen dit niet, zooals +de andere Boomhagedissen, rennend, met snel opeenvolgende passen, +maar door een aantal meer of minder groote sprongen. + + + +Echte boomdieren zijn ook de Galeoten (Calotes), van welk geslacht +19 soorten het vaste land van Zuid-Azië en zijne groote en kleine +eilanden bewonen. Over 't algemeen zijn zij slank gebouwd; de romp +is zijdelings samengedrukt, de kop heeft den vorm van een korte, +vierzijdige piramide, de staart is lang en rond, de pooten zijn slank +en de voeten hebben zeer lange teenen. De schubben van den rug zijn +regelmatig op schuine rijen geplaatst en vormen in 't midden een kam. + +Als de meest bekende soort noemen wij den Bloedzuiger der Singalezen +(Calotes versicolor). Zijn lengte bedraagt 41 cM., waarvan bijna drie +vierde op den staart komt. Het dier onderscheidt zich door zijschubben, +die achter- en bovenwaarts gericht zijn, door twee groepen van stekels +boven iederen gehoorgang en door een matig hoogen kam op den hals en +het voorste deel van den rug, veel meer echter nog door de plotselinge +kleursveranderingen, die een groot deel van zijn huid ondergaat. Soms +heeft het geheele dier een glinsterend roode kleur met zwarte vlekken; +in enkele gevallen blijft de kleursverandering tot den kop beperkt, +in andere strekt zij zich ook over den romp en den staart uit. + +De Bloedzuiger is een van de algemeenste Zuid-Aziatische Hagedissen, +want zijn verbreidingsgebied strekt zich van Afghanistan over geheel +Voor- en Achter-Indië tot Zuid-China uit. Op heete, zonnige dagen ziet +men hem met geopenden bek, gewoonlijk eenzaam, op een twijg, soms ook +wel op een muur, in de zon zitten. Na een regenbui echter wijdt hij +zich met den grootsten ijver aan de jacht op allerlei Gelede Dieren; +bij zulk een weersgesteldheid komt hij ook dikwijls op den grond, +waar hij zich anders gewoonlijk niet vertoont. Het wijfje legt 5 à +16 eieren van gewonen vorm, doch met zachte schaal, in holle boomen +of in gaten, die zij zelf in den zachten grond graaft; na acht of +negen weken komen de jongen uit. + + + +Op den grond leven de Slingerstaarten (Stellio), die zich van de +overige Agamen onderscheiden door hun gordelvormig met stekelige +schubben bekleeden staart. De nagenoeg driehoekige kop is plat, in de +teugelstreek uitgehold, in de wangstreek flauw gezwollen; de romp is +nu eens meer dan weer minder forsch ontwikkeld, van boven naar onderen +afgeplat, de tamelijk korte hals met onregelmatige plooien voorzien en +dunner dan de achterkop, de middelmatige lange staart aan den wortel +afgeplat, overigens echter rond; de pooten zijn betrekkelijk lang en +forsch gebouwd. + +Van de 5 tot dusver bekende soorten van dit geslacht is de Doornhagedis +of Hardoen (Steltio vulgaris), voor ons de belangrijkste, omdat zij +ook nog in Europa aangetroffen wordt, n.l. in Europeesch Turkije +en op eenige eilanden van de Egeïsche Zee. Bovendien is zij over +het grootste deel van Klein-Azië, Syrië, Noord-Arabië en Egypte +verbreid. In volwassen toestand bedraagt haar lengte 28 cM., waarvan +17 cM. op den staart komen. Haar kleur en teekening zijn, evenals +bij vele andere Hagedissen, tamelijk uiteenloopend. De bruingele +kleur van de bovenzijde kan verdonkeren tot zwartachtig grijs of +verbleeken tot isabel; de teekening bestaat uit groote, lichtgele +plekken op het midden van den rug en zwarte stippels. De onderzijde +is op geelachtigen grond donker gevlekt en geteekend, de onderzijde +van den staart evenwel effenkleurig: vuiloranje of okergeel. + +Veel talrijker dan in Europa ontmoet men deze Hagedis in +Noordoost-Afrika. De "Hardoen", gelijk de Arabieren haar noemen, +is een algemeen bekend dier. Hem ziet men bijna overal, dikwijls +bij dozijnen te gelijk of in nog grooter aantal op steenen, rotsen, +muren en in huizen, bij welker wanden hij even behendig op en neer +klautert als bij hellende steenmassa's. Hoewel hij een eenigszins +plomp voorkomen heeft, staat hij, wat vlugheid van beweging betreft, +nagenoeg niet achter bij onze Hagedissen. + +Het voedsel van den Hardoen bestaat hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend +uit groote Insecten, vooral Vliegen, Vlinders en verschillende soorten +van Vliesvleugeligen. Zoo verdienstelijk hij zich maakt door het vangen +van gene, zoo schadelijk blijkt hij te zijn door het verslinden van +Bijen, gelijk o.a. op de Grieksche eilanden herhaaldelijk gebleken is. + +In Egypte wordt de Hardoen, evenals alle groote soorten van Hagedissen, +door de Slangenbezweerders gevangen en aan het publiek vertoond. + + + +De Doornstaarten (Uromastix) zijn groote, plompe Agamen, die woeste +landstreken van Noord-Afrika en Zuid-Azië bewonen. De driezijdige, +platte kop, welks korte snuit stomp afgerond is, herinnert aan +dien van een Schildpad; talrijke, gekronkelde huidplooien omgeven +den hals; de korte, plompe, breede en lage romp is met kleine, +gelijkvormige, afgerond vierzijdige schubjes bedekt; de schubben +van den eveneens afgeplatten staart zijn vooral aan de bovenzijde +gordelsgewijs gerangschikt en eindigen van achteren in een doorn. De +korte, krachtige pooten hebben tamelijk lange teenen, die met sterk +gekromde klauwen gewapend zijn. + +De Doornstaart of Dabb der Arabieren (Uromastix spinipes) kan +een lengte van 46 cM. bereiken, waarvan ongeveer 19 cM. op den +staart komen; zijn kleur is tamelijk effen, van boven grijsbruin +of olijfkleurig met onregelmatige, bruine vlekken, van onderen +geelachtig, gedurende den paartijd van boven glanzig grasgroen, +van onderen groenachtig geel. + +De Doornstaart is minder plomp van beweging dan van uitzicht; +naar het schijnt, toont hij dit vooral gedurende de schemering. Hij +bewoont woeste, steenachtige gewesten, zonder evenwel de nabijheid +van de door menschen bewoonde plaatsen te vermijden. In de echte +zandwoestijn komt hij niet voor; geregeld ontmoet men hem echter +in alle vlakten, die door den nu en dan vallenden regen met een, +zij het dan ook zeer armoedig, plantenkleed bedekt zijn. Over dag +ziet men hem soms onbeschut op de rotsen zitten, blootgesteld aan de +verwarmende zonnestralen; gewoonlijk echter is hij half verborgen in +de breede spleten van het gesteente. In zeer gunstig gelegen oorden, +dus in zulke, die hem ontoegankelijke schuilplaatsen verschaffen, +merkt men deze dieren soms in aanzienlijken getale op: ik herinner mij, +ze bij dozijnen in één rotsspleet te hebben gezien. Waar dergelijke +toevluchtsoorden ontbreken, graaft hij holen in 't zand, die hij +over dag slechts dan verlaat, als hij zich in de zon wil koesteren, +in de heete middaguren echter weer opzoekt. + +Bij het ontmoeten van een mensch snelt de Doornstaart met +vreemdsoortige, slangsgewijze kronkelingen van den korten en plompen +romp en den stijven staart naar zijn hol. Zoolang hij den mensch nog +niet heeft opgemerkt, begeeft hij zich langzaam met waggelende schreden +daarheen, intusschen den kop nu eens naar de eene, dan weer naar de +andere zijde wendend, als om de grootst mogelijke voorzichtigheid +te betrachten. In zijn schuilhoek houdt hij zich na het bereiken +van een zekere diepte volkomen stil; daar hij schijnt te weten, +dat men hem hier niet volgen kan. Als men hem toevallig opzettelijk +den weg naar zijn woning afsnijdt, blijft hij staan, laat een dof +geblaas hooren en maakt zich tot den aanval gereed. Zijn voornaamste +wapen is de staart, waarmede hij krachtige en gevoelige slagen kan +toebrengen. Zelden maakt hij van zijn gebit gebruik; wanneer dit +geschiedt, laat hij het gegrepen voorwerp niet licht weer los, al +zou men hem de kaken stukbreken. + +Alle Doornstaarten zijn planteneters, die zich met allerlei bladen +en bloemen, graszaden en andere droge vruchten voeden en slechts bij +uitzondering dierlijke stoffen gebruiken. Bij de Arabieren ziet men den +Dabb nu en dan in gevangenschap, omdat zijn tegenwoordigheid beschouwd +wordt als zegenrijk voor het huis; bovendien worden de 21 ringen +van zijn staart in verband gebracht met de een of andere legende, +waarin het genoemde getal een rol speelt. De Bedoeïnen echter maken +jacht op den Doornstaart, dien zij vetmesten en vervolgens opeten. + + + +Tot de Agamen behoort ook nog een van de vreemdsoortigste Hagedissen, +die men kent, n.l. den Moloch (Moloch horridus), een bewoner van +Zuid- en West-Australië. De kop is zeer klein en smal, de romp forsch +gebouwd, plat, aan dien van een Pad herinnerend; de afgeronde staart +is iets korter dan de romp, aan het einde afgeknot. De pooten zijn +tamelijk stevig, de teenen buitengewoon kort en dik en met lange +klauwen gewapend. Op het midden van den hals komt een langwerpige +bult voor, met groote, zijwaarts gerichte doornen. De kop, de hals +en de romp zijn met schilden van onregelmatigen vorm bekleed, ieder +eindigend in een stekel, die op een rozendoorn gelijkt. De lengte +en de kromming van deze stekels is verschillend. De onderzijde +is oneffen, maar niet stekelig. De kleur van dit dier maakt een +aangenamen indruk, van boven kastanjebruin met drie streepvormige, +overlangsche vlekken. Totale lengte 18 à 22 cM. + +Eerst in den laatsten tijd is men bekend geworden met de levenswijze +van dit dier, dat door de kolonisten "Stekelhagedis" of "Doornduivel" +wordt genoemd. Het bewoont zeer zandige terreinen. Uit de kleinheid +en verborgen ligging van zijne oogen, zoowel als uit zijn geheele +uiterlijk, kan men afleiden, dat het over dag werkzaam is en misschien +nooit, althans zeer zelden, 's nachts zijn rustplaats verlaat. Het kan, +gelijk gebleken is, vlug loopen, maar beweegt zich in den regel zeer +langzaam. Zijn voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Mieren te bestaan, +nu en dan ook wel uit plantaardige stoffen. + +De Moloch verdient zijn naam, die aan de sombere godenleer van de +Kanaänieten ontleend is, slechts ten halve; ondanks zijn schrikwekkend +uiterlijk, is hij zachtzinnig van aard. Hij heeft geen andere +verweermiddelen dan zijne stekels en ook deze zijn zoo zwak, dat een +behendige vanger zich niet licht er aan kwetsen zal. Hij kan niet +bijten, zooals reeds uit de kleinheid van zijn bek valt af te leiden. + + + +De familie van de Legoeanen (Iguanidae) neemt in Amerika de plaats +in van de tot de Oude Wereld beperkte Agamen, maar omvat een veel +grooter aantal soorten; bovendien vertoonen deze meer verscheidenheid +van vorm. Van de Agamen verschillen zij vooral, doordat hunne aan +den wortel ronde, nader bij de spits breedere en meer samengedrukte +tanden bevestigd zijn aan de binnenzijde van een beenige lijst, +die den rand van de kaak vormt. + +De Legoeanen zijn in hooge mate karakteristiek voor Zuid- +en Midden-Amerika en worden hier overal in zeer grooten getale +aangetroffen; hun verbreidingsgebied strekt zich ook over de warmste +gedeelten van Noord-Amerika uit. Verscheidene soorten zijn belangrijk +wegens haar vleesch en hare eieren, die gaarne door den mensch +gegeten worden. + + + +In alle warme gewesten van Amerika wordt in wouden, bosschen en +tuinen een talrijk geslacht van allerliefste Hagedissen gevonden, die +den naam Anolis (Anolis), welke zij op de Antillen dragen, in onze +taal behouden hebben. Een belangrijk kenmerk van deze dieren is het +maaksel van den voet. De voorpooten zijn korter dan de achterpooten, +doch overigens even goed ontwikkeld als deze. De groote voet heeft vijf +teenen van zeer ongelijke lengte, welker middelste leden, evenals bij +de Gekko's, verbreed en op de zool van fijne dwarsplooien voorzien +zijn. De huid van deze dieren prijkt met prachtige kleuren en bezit +(in veel hoogere mate dan die van den meer algemeen bekenden Kameleon) +de eigenschap om van kleur te veranderen. + +Iedere wetenschappelijk ontwikkelde reiziger, die een deel van Zuid- +of Midden-Amerika doorzoekt, voegt eenige vroeger niet beschreven +leden toe aan deze groep, die thans reeds uit meer dan 100 soorten +bestaat. Anolis vindt men overal, in ieder woud, in ieder bosch, +in ieder plantsoen; soms verlaten zij de boomen en verschijnen op +en in de huizen, in de galerijen en zelfs in de kamers; zij trekken +dus zeer de aandacht en kunnen hoogstens alleen in de dichte wouden +onopgemerkt blijven. Het is wel mogelijk, dat men in 't donkere +oerwoud slechts bij toeval een van deze dieren te zien krijgt, +terwijl het stil en bewegingloos op een tak zit; in de nabijheid +van bewoonde plaatsen is de mensch in zekeren zin gedwongen om op +hen te letten. Buitengewoon levendig, behendig, vlug en vaardig, +maken zij jacht op allerlei Gelede Dieren, vangen hier een Mug, +een Vlinder, een Kever, onderzoeken ginds een spleet, die aan een +Spin tot schuilplaats dient, en maken zich meester van dit dier; als +roofdieren loeren zij op hun prooi, schieten er bliksemsnel op toe, +als een Kat die een Muis vervolgt, en grijpen haar met nagenoeg nimmer +falende zekerheid. Aanhoudend leven zij op voet van oorlog met hunne +soortgenooten. "Zoodra een Anolis", verhaalt Nicolson, "een ander +dier van zijn soort bemerkt, spoedt hij zich naar dezen concurrent, +die hem als een dappere held afwacht. De beide duellanten keeren en +wenden zich vóór den strijd bijna als hanen, bewegen snel en hevig den +kop op en neer, blazen de keel op en kijken elkander met fonkelende +blikken aan. Door een onverhoedschen, woedenden aanval tracht de een +den anderen te overrompelen. Als beide tegenstanders even sterk zijn, +komt er aan den strijd, die meestal in de boomen uitgevochten wordt, +niet spoedig een einde". + +Daar deze dieren onschadelijk zijn en een vriendelijken indruk maken, +beschouwt men ze nergens met tegenzin, op sommige plaatsen zelfs +met welwillendheid, misschien wel uit erkentelijkheid voor de goede +diensten, die zij door het vangen van Insecten bewijzen. Alle soorten +kunnen, als zij goed behandeld worden, de gevangenschap geruimen tijd +verdragen; het is niet moeilijk ze levend naar Europa te brengen. + + + +Als vertegenwoordiger van dit geslacht zullen wij den Roodkeeligen +Anolis (Anolis carolinensis) beschrijven. Bij het levende dier is de +bovenzijde glanzig groen, de onderzijde zilverwit, de vuurroode keelzak +met witte schubben bedekt, de slaapstreek zwart, een groote oogvlek +boven de okselholte blauw en de staartstreek met zwarte stippels +geteekend. Het groen heeft echter dikwijls een min of meer bruinachtige +tint of is door bruin vervangen; ook andere kleurswijzigingen komen +veelvuldig voor. De lengte, die bij de mannetjes en wijfjes verschilt, +bedraagt 14 à 22 cM., waarvan twee derde op den staart komt. + +In Louisiana, Carolina en op Cuba is de Roodkeelige Anolis een van de +meest gewone Hagedissen; men vindt hem hier op boomen, omheiningen +van tuinen, aan den buitenkant van woonhuizen en niet zelden ook +daarbinnen. Op de boomen beweegt hij zich verwonderlijk snel en vlug, +met sprongen twaalfmaal zoover als zijn lichaam lang is, van den +eenen tak of boom op den anderen. Ieder blad, dat hij aanraakt, kan +hem een voldoenden steun verschaffen; daar zijne breede vingers zich, +evenals die der Gekko's, oogenblikkelijk hechten aan de voorwerpen, +waartegen zij aangedrukt worden, hoe glad deze ook zijn, glad gewreven +hout en glas niet uitgezonderd; zelfs kan hij langs den zolder van +een vertrek loopen. Gevangen exemplaren worden na zeer korten tijd +tam en komen daarom zelfs bij lieden, die overigens geen groote +liefhebbers van Kruipende Dieren zijn, dikwijls voor. Niet zelden +worden zij levend naar Europa gebracht. + +Basiliscus noemden de oude Grieken en Romeinen een fabelachtig monster, +dat op een Slang geleek, met bovennatuurlijke krachten begaafd was, een +zeer afschrikwekkend voorkomen had, op onnatuurlijke wijze ontstaan was +en onheil bracht over allerlei levende wezens, zelfs over menschen. De +huishaan, de Slang en de Pad speelden een rol bij het voortbrengen +van dit monster. Wanstaltige eieren, door een haan gelegd, werden +door Slangen en Padden medegenomen en uitgebroed. De Basiliscus had +vleugels aan den romp, een kroon op den kop, vier pooten als die van +een haan en een staart als een Slang; de vergiftige blikken van zijne +fonkelende oogen hadden een nog schadelijker werking dan het "booze +oog", waarvoor de hedendaagsche bewoners van Zuid-Europa en van het +Oosten zoo bevreesd zijn. Het van hem uitgaande gif verspreidde zich, +naar gezegd werd, door de lucht en doodde alle levende wezens, die er +mede in aanraking kwamen; de vruchten vielen verrot van de boomen, +gras en kruiden verschroeiden, de Vogels tuimelden dood ter aarde, +paard en ruiter bezweken. Slechts één dier was in staat om den +Basiliscus te verjagen en onschadelijk te maken: een van de dieren, +waardoor hij werd voortgebracht, n.l. de huishaan. Zijn gekraai, dat +de spoken verjaagt, noopte ook de Basilisken om naar het binnenste +van de aarde de wijk te nemen. + +Met den naam van dit monster wordt door de dierkundigen een geslacht +van Legoeanen aangeduid. Het mannetje is gekenmerkt door het bezit +van een hoogen, vliezigen helm op den achterkop en van een vliezigen +kam, die door de doornuitsteeksels van de wervels gesteund wordt, +op den rug en op het begin van den staart. + +De Helmbasiliscus (Basiliscus americanus), heeft op den kop een +spits toeloopende kap, van buiten met gekielde schubben bekleed en +van binnen door een kraakbeenige lijst gesteund. Het levende dier +heeft waarschijnlijk een groene kleur; bij de in spiritus bewaarde +exemplaren is de bovenzijde roodachtig bruin, de onderzijde vuilwit; +onregelmatige, afgebroken dwarsstrepen loopen van den rug langs de +zijden; achter het oog en bij den mondhoek komt een witte streep +voor. Totale lengte 80 cM., staartlengte 56 cM. Het vaderland van +deze soort is Panama en Costarica. Haar voedsel bestaat, voorzoover +men weet, uitsluitend uit plantaardige stoffen. + + + +De Galapagos-eilanden hebben een zeer eigenaardige fauna en flora: de +daar levende planten en dieren worden voor 't meerendeel nergens anders +gevonden. Men vindt er o. a. vier soorten van Hagedissen, die tot de +Legoeanen behooren, waarbij twee, die hoogst merkwaardige afwijkingen +vertoonen. Geen van beide is vlug van beweging; haar voedsel bestaat +uit planten; de eene leeft op het land, de andere behoort in 't water +thuis en is de eenige Hagedis, die recht heeft op den naam van zeedier, +de eenige, die uitsluitend van waterplanten leeft. + + + +De Zeehagedis (Amblyrhynchus cristatus), een zeer groote Legoeaan, +met een totale lengte van 135 cM., waarvan 80 cM. op den staart +komen, kan een gewicht van 12 KG. bereiken. De geheele bovenzijde van +den kop is bekleed met een mozaïek van schilden van veelhoekigen, +meestal 4- à 6-zijdigen vorm en van ongelijke grootte. Het lichaam +is grootendeels zeer krachtig gebouwd en op hals, nek en rug voorzien +van een zijdelings samengedrukten kam, die zich tot aan de spits van +den staart uitstrekt. + +De kleur en de teekening veranderen met den leeftijd. Op den rug +wisselen vuilgrijze en zwarte vlekken, die meer of minder regelmatige, +dwarse strepen of reeksen vormen, met elkander af. De kop is van +onderen donker vuilgrijs, de keelstreek zwart, de buikzijde overigens +vuil geelbruin, de kam op den rug met afwisselende, gele en zwarte, +of grijze en zwarte strepen geteekend. Bij uitzondering ontmoet men +zuiver zwarte exemplaren. + +Op de Galapagos-eilanden is het aantal Zeehagedissen zeer groot. Op +het land houden zij zich steeds aan de rotsachtige kust op; nooit +ziet men ze meer dan tien schreden van de zee verwijderd. + +Zij zwemmen zeer snel en zonder inspanning met slangsgewijze +kronkelingen van den romp en den afgeplatten staart; de voeten +worden bij deze beweging niet gebruikt, maar tegen de zijden van den +romp aangedrukt. Een matroos liet een Zeehagedis, die met een groot +gewicht bezwaard was, in de zee zakken, in de meening haar op deze +wijze oogenblikkelijk te zullen dooden; tot zijn verwondering had +het dier niets geleden, toen hij het na verloop van een uur weer +boven water bracht. De ledematen zijn met sterke klauwen gewapend +en hierdoor uitmuntend geschikt voor het kruipen over de oneffene +oppervlakte der verbrokkelde lavamassa, waaruit de kust bestaat. Op +zulke plaatsen, eenige meters boven de branding ziet men deze niet +fraaie Reptiliën bij troepjes van 6 of 7 op de zwarte rotsen zitten, +waar zij zich met wijd uitgestrekte pooten in de zon koesteren. + +Opmerkelijk is het, dat dit dier niet in het water vlucht, wanneer +het beangst wordt gemaakt. Men kan het licht op een in de zee +vooruitstekende plaats drijven; hier evenwel laat het zich eerder bij +den staart grijpen, dan dat het in 't water springt. Het verdedigt +zich niet tegen den mensch. + + + +De andere vreemdsoortige Hagedis van de Galapagos-eilanden, die wij +Klierenkop (Conolophus subcristatus) zullen noemen, is zoo mogelijk +nog plomper en logger van beweging dan de vorige. Zij is even leelijk +als deze en heeft wegens den kleinen gelaatshoek een buitengewoon +dom voorkomen. De meer of minder helder citroengele kleur van den +kop gaat op den rug naast den kam in steenrood of roestrood, verder +zijwaarts door roodbruin in vuil donkerbruin over. Dit dier bereikt +een lengte van 107 cM., waarvan 54 cM. op den staart komen. Zijne +bewegingen zijn traag en slaperig. Het bewoont holen, die het soms in +hoopen lavagruis, vaker evenwel op vlakke plaatsen van het zachte, +vulkanische gesteente graaft. Het zoekt zijn voedsel over dag en +verwijdert zich niet ver van zijn woning. Als men het bevreesd maakt, +zoekt het op zeer linksche wijze zijn schuilhoek weer op. Wegens den +steilen stand zijner pooten kan het zich niet snel bewegen, tenzij bij +een helling naar beneden. Het toont geen vrees, als men het nadert, +maar kromt den staart omhoog, richt het voorste deel van het lichaam +op door het strekken van de voorpooten, maakt met den kop snelle, +knikkende bewegingen in loodrechte richting en trekt een zeer boos +gezicht, hierover behoeft men zich echter niet veel te bekommeren, +daar het voldoende is met den voet op den grond te stampen om dezen +planteneter te nopen den staart te laten zakken en zoo snel mogelijk +het hazenpad te kiezen. + + + +"Twee soorten van bloeiende ingas" (Amerikaansche boomen van +de familie der mimosaceën) "hadden een buitengewoon groot aantal +Legoeanen aangelokt. Telkens als onze roeiriemen in het water plonsden, +stortten 3 of 4 van deze groote dieren zich uit de boomen in 't water, +of verdwenen, merkwaardig vlug van de eene twijg op de andere sluipend, +in het dichte gebladerte van de kroon, welk toevluchtsoord hen echter +niet tegen het scherpziende oog van de Indianen en hunne wis treffende +pijlen beschutten kon. Er volgde een tooneel vol leven en beweging, +waarbij ieder zich beijverde om van dit kostelijke wild de grootst +mogelijke hoeveelheid te verkrijgen. De jacht met geweren leverde +minder goede uitkomsten dan die met pijlen; de met hagel geschoten +Legoeanen storten zich oogenblikkelijk in 't water, voor zoover zij +niet doodelijk gewond waren, en kwamen niet weder te voorschijn; door +de lange pijlen werd dit echter verhinderd. Wij schoten verscheidene +exemplaren van 2 M. lengte en 30 cM. dikte. In weerwil van het +schrikwekkend voorkomen dezer dieren is hun vleesch uitmuntend en +zijn hunne eieren zeer smakelijk. Dat zij steeds zeldzamer worden, +is voor een groot deel toe te schrijven aan hun eetbaarheid; vooral +is dit het geval in de kuststreken, waar niet alleen inboorlingen, +maar ook Europeanen, kleurlingen en zwarten jacht op hen maken." + +Met deze woorden beschrijft Schomburgk een ontmoeting met den Legoeaan +(Iguana tuberculata), de meest bekende vertegenwoordiger van het +uit twee soorten bestaande geslacht en in zekeren zin het type +van de familie van dien naam. Het geslacht kenmerkt zich door den +langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, den grooten vierzijdigen +kop, met korten hals, de stevig ontwikkelde pooten, de zeer lange +teenen en den zeer langen staart, die zijdelings samengedrukt en +met gelijkvormige, gekielde schubben bedekt is; het voorste deel van +den grooten, hangenden keelzak draagt een stekeligen kam; de rugkam, +die uit lange, op zaagtanden gelijkende schubben bestaat, reikt van +den nek tot aan de spits van den staart. + +De Legoeaan bereikt een lengte van 1.4 à 1.6 M., waarvan 1 M. of +meer voor den staart. De fraaie bladgroene kleur van zijn huid gaat +op sommige plaatsen in blauw, donkergroen, bruin en grijs over; de +onderzijde en de pooten zijn gestreept; de staart is met verscheidene +duidelijke, breede, donkere banden omgeven. De kleur kan trouwens +zeer verschillen, te meer, omdat de huid van den Legoeaan, evenals +die van den Kameleon, chromatophoren bevat. + +Alle Legoeanen bewonen het tropische deel van Zuid-Amerika en de +landen om en in de Golf van Mexico, dus ook de Antillen; alle leven +op boomen, bij voorkeur op die, welke aan den waterkant staan. Hier +bewegen zij zich met groote behendigheid, springend en klimmend van +de eene twijg op de andere. Zeer goed weten zij zich tusschen de +bladeren te verbergen en onzichtbaar te maken voor het ongeoefende +oog. Tegen den avond dalen zij niet zelden op den bodem af en zoeken +hier voedsel. Een gevaar ontvluchten zij, indien dit mogelijk is, +in de kroon van een hoogen boom, of, zooals hierboven reeds gezegd +werd, op den bodem van het water, waar zij even goed thuis zijn, als +de Waranen. Hoewel men hen in de vrije natuur en in de gevangenschap +nu en dan Insecten heeft zien eten, lijdt het geen twijfel, dat +plantaardige stoffen hun hoofdvoedsel zijn. + +Gewoonlijk vluchten zij bij 't zien van den mensch, hun gevaarlijksten +vijand; in 't nauw gebracht stellen zij zich evenwel moedig te weer, +blazen den keelzak op om een schrikwekkend voorkomen te verkrijgen, +sissen, blazen, springen op hun tegenstander toe, trachten hem te +bijten en laten hetgeen zij eens met hun krachtig gebit gegrepen +hebben, zoo licht niet meer los. Bovendien kunnen zij met den +krachtigen staart hevige en pijnlijke, ja zelfs gevaarlijke slagen +toebrengen. + +Hoewel in West-Indië vrij algemeen beweerd wordt, dat het vleesch +van de Legoeanen ongezond is, en meer bepaaldelijk, dat het sommige +ziekten verergert, stoort niemand zich aan deze meening en tracht ieder +integendeel zich dit smakelijk gerecht te verschaffen. Catesby zegt, +dat de Legoeanen een courant handelsartikel zijn en op het vasteland +door voorname lieden voor hooge prijzen gekocht worden. Het vleesch +wordt gemakkelijk verteerbaar, voedzaam en smakelijk genoemd; men +eet het gebraden, maar vaker nog gekookt. De eieren, die bijna geen +eiwit bevatten en bij het koken niet hard worden, dienen gewoonlijk +voor het bereiden van soep. Het opsporen van dit eigenaardige wild is +het werk van een bepaald soort van jagers, die verschillende wijzen +van vangst in praktijk brengen. Gewoonlijk gebruiken zij Honden, +die voor deze jacht zijn afgericht. + +Gevangen Legoeanen zijn aanvankelijk onhandelbaar en zeer valsch, +trachten hun meester te bijten en bedreigen ieder dier, dat in hun +nabijheid komt; niet zelden dooden zij kleine huisdieren of hunne +medegevangenen. Langzamerhand vermindert hun woede: na verloop van +eenige weken laten zij zich aanraken. Zij kunnen zoo tam worden, +dat men ze vrij in den tuin of in huis kan laten loopen. In Europa +ziet men ze soms in diergaarden. + + + +Tot de Legoeanen rekent men tegenwoordig ook de Padhagedissen +(Phrynosoma), die zich kenmerken door een korten, dikken, platten romp, +een zeer korten kop en een platten staart, die korter dan het overige +lichaam, en vooral bij den wortel zeer breed is. Zeer vallen zij in +'t oog door de gedoornde schubben, die aan den achterkop en aan de +zijden van den romp tusschen de overige, kleinere opperhuidsvormingen +gelegen zijn. + +De bekendste vertegenwoordiger van dit geslacht, de Tapayaxye +(Phrynosoma cornutum), een plomp, leelijk dier van 10 cM. lengte +(waarbij 3.8 cM. voor den staart), bewoont Mexico en de zuidwestelijke +Vereenigde Staten. Het wordt tegenwoordig vaak levend naar Europa +gebracht en in terrariën gehouden, waar het vooral bij felle +zomerwarmte zeer bedrijvig wordt. Men voedt het met levende Insecten, +daar het doode dieren versmaadt. + + + +De Gordelhagedissen (Zonuridae) zijn o.a. kenbaar aan een diepe, met +kleine schubben bekleede huidplooi, die achter de voorste ledematen +begint, zich tot aan de achterpooten uitstrekt en een scheiding vormt +tusschen de rug- en de buikzijde van den romp. Haar lichaam is met +dikke schildjes en schubben bedekt. Deze vormen een soort van pantser, +welks beweeglijkheid bevorderd wordt door de genoemde groeve en door +de regelmatige plaatsing van de harde huidbekleedselen op dwarse +reeksen of gordels. + +Sommige leden van deze familie komen in vorm en levenswijze met de +Hagedissen overeen; andere gelijken door de groote lengte van den +romp, de geringe ontwikkeling of het ontbreken der ledematen en de +bewegingswijze op Slangen. Zij bewonen de tropische gewesten van +Afrika tot Kaapland en Madagaskar. Hunne bewegingen zijn verrassend +snel; die, welker ledematen rudimentair zijn, kronkelen hun lichaam op +hoogst bevallige wijze, misschien iets langzamer dan onze Ringslang, +maar toch vlug en behendig; evenals hunne familieverwanten in 't +algemeen, maken zij een aangenamen indruk. Eenige komen uitsluitend +op den vlakken grond voor, of kunnen zich hoogstens langs hellende +vlakken naar boven bewegen; andere daarentegen zijn rotsbewoners en +ervaren klimmers. Hun voedsel ontleenen zij aan het dierenrijk. Van +hun voortplanting is nog niet veel bekend; men weet echter, dat zij +niet veel van die der Hagedissen verschilt. + + + +De tot deze groep behoorende Gordelstaarten (Zonurus), gelijken +door hun kort ineengedrongen gestalte op de Slingerstaarten; zij +hebben vier pooten, een platten, driezijdigen kop en een dikken, +middelmatig langen staart. De bovenhals en de rug zijn bekleed met +groote, vierzijdige, schilden of schubben, die dwarse reeksen vormen, +de onderdeelen met groote, plaatvormige schilden, de ledematen aan de +bovenzijde met gekielde schubben, die elkander dakpansgewijs bedekken; +kransgewijs geplaatste stekelschubben beschutten den staart. + +Het door den Gordelstaart (Zonurus cordylus) bewoonde gebied strekt +zich van het Kaapland noordwaarts tot aan de Kunene-rivier uit. Dit +dier is 18 cM. lang en zeer ongelijk van kleur. Bij de meeste +exemplaren zijn de rug en de staart vuil oranjegeel, de kop en de +pooten lichter geel, de onderdeelen wit; andere hebben zwartbruine +bovendeelen; bij nog andere zijn deze op bruinen grond donkerder +gestreept, enz. Alle Gordelstaarten bewonen rotsachtige gewesten, bij +voorkeur steile, moeielijk toegankelijke hellingen. Hier loopen zij +tamelijk langzaam rond en zoeken voedsel of warmte, totdat het een of +ander gevaar hen opschrikt en noopt hun schuilplaats op te zoeken. Zij +zijn niet gemakkelijk te vangen, zelfs wanneer men hun woonplaatsen +kan bereiken; zij klemmen zich buitengewoon stevig vast; als men ze +losrukken wil, houdt men vaker den staart dan het dier in de hand. + + + +Nauw verwant aan de leden der vorige groep zijn de Slanghagedissen +(Anguidae), die zich van de Gordelhagedissen hoofdzakelijk +onderscheiden, doordat haar huid beenplaten bevat, waarin +onregelmatige, vertakte of straalsgewijs gerangschikte kanalen +voorkomen en doordat zij het voorste deel van de tong in een scheede +van het achterste deel terugtrekken kunnen. Alle leden van deze +familie leven op den grond, slechts weinige soorten beklimmen ook +wel lage struiken en scheefstaande boomen. + + + +In schaduwrijke dalen van de steppen Nazyn en Koeman aan den Wolga, +later ook bij de rivieren Terek en Sarpa, ontdekte Pallas een groote +Slanghagedis; de Russen noemen haar Scheltopoesik, evenals alle op +Slangen gelijkende dieren. Andere onderzoekers vonden deze soort in +Hongarije, Istrië, Dalmatië, Griekenland, Klein-Azië, Syrië, Perzië, +Transkaukasië, Transkaspië en Toerkestan. Erber ontmoette haar het +veelvuldigst in de nabijheid van het Lago di Bocagnazzo bij Zara in +Dalmatië, maar ook elders bijna in het geheele land. Hare liefste +verblijfplaatsen zijn dalen, die dicht begroeid zijn met struikgewas; +deze verschaffen haar zulke uitmuntende schuilhoeken, dat zij, ondanks +haar aanzienlijke grootte, niet licht wordt opgemerkt, vooral omdat +zij, bewust van haar weerloosheid, bij de nadering van den mensch +geregeld vlucht. Allen, die de levenswijze van deze Hagedis hebben +nagegaan, prijzen haar als een van de nuttigste Reptiliën, daar zij +zich hoofdzakelijk met schadelijke dieren voedt. Haar gewone buit +bestaat uit Muizen en Slakken; de laatstgenoemde worden met schelp +en al verzwolgen; zij maakt echter ook jacht op Adders, die zij doodt +en verslindt, zonder zich te bekommeren om de voor andere Hagedissen +noodlottige giftanden. Toen Erber eens een Scheltopoesik in het hok van +een Adder plaatste, nam zoowel deze als gene onmiddellijk een dreigende +houding aan, hoewel beide de tegenwoordigheid van andere Slangen met +onverschilligheid hadden gadegeslagen. Daar de genoemde onderzoeker +slechts één Scheltopoesik bezat, wilde hij dezen niet in gevaar brengen +en nam hem weer weg. Toch wordt, waarschijnlijk op grond van latere +proeven, de Scheltopoesik door Erber een der bedrijvigste verdelgers +van Adders genoemd. Ondanks zijn geschiktheid voor 't rooversbedrijf +komt het niet in hem op tegen den mensch zijne wapenen te gebruiken; +hij bijt nooit, laat zonder vrees toe, dat men hem in de handen +neemt en schijnt zelfs mettertijd een zekere genegenheid voor zijn +verzorger op te vatten. Van andere Hagedissen onderscheidt hij zich +zeer gunstig door zijn bedrijvigheid. Hij is aanhoudend in beweging, +kruipt met bevallige kronkelingen voortdurend in zijn kooi rond, +beweegt tastend de tong heen en weer en onderzoekt zeer zorgvuldig +iedere holte, iedere spleet tusschen de steenen en het mos. Als men +hem in de kamer vrij laat rondkruipen, begint hij onmiddellijk jacht +te maken op allerlei ongedierte; de leelijke Kakkerlakken, die in +zoovele woningen voorkomen, zoekt hij in al hunne schuilhoeken op en +vervolgt ze zelfs in den schoorsteen. + +Merkwaardig is de wijze, waarop de Scheltopoesik een Muis, een Mol +of dergelijk dier vangt en doodt. Direct na het grijpen van den buit +begint hij zich met ongeloofelijke snelheid rond te wentelen; deze +beweging wordt voortgezet, totdat het slachtoffer zoo suf en duizelig +is, dat het zijn vijand niet meer ontkomen kan. Nu eerst verbrijzelt +de Scheltopoesik den kop van zijn buit en begint hem te verslinden; +hiervoor wordt een geruimen tijd vereischt, daar hij zijn prooi +steeds stuksgewijs verzwelgt en zijn gebit niet scherp genoeg is om +de huid en de pezen door te snijden. Voor Hagedissen is hij een zeer +lastige buurman, daar hij haar den staart afbijt en dezen verslindt; +van het overige lichaam schijnt hij niet te houden. + +De Scheltopoesik (Ophisaurus apus, Pseudopus Pallasii) vertegenwoordigt +het geslacht der Gepantserde Slanghagedissen, dat zich door de volgende +kenmerken onderscheidt: De romp, welke op dien van een Slang gelijkt, +is lang, rolvormig, een weinig zijdelings samengedrukt en bijna even +dik als de hals; de duidelijk begrensde, vierhoekige kop eindigt in +een spitsen snuit en is bijna even lang als hoog; de dunne, in een +punt uitloopende staart is iets langer dan het overige lichaam. Van +de voorpooten is geen spoor aanwezig; de achterste ledematen zijn +door knobbeltjes aan weerszijden van de kloakopening aangeduid. De +oogen hebben een ronde pupil en volkomen leden; de gehooropeningen +zijn als kleine, overlangsche spleten duidelijk zichtbaar.--De gewone +kleur van de genoemde soort is vuil roodbruin of donker stroogeel: de +kop is een weinig lichter, de benedenzijde van den romp bruinachtig +vleeschrood. Oude exemplaren zijn na de vervelling van boven donker +koperrood, op den kop roodachtig groen. De jongen zijn op grijzen +grond donkerbruin gevlekt en met dwarsbanden geteekend; soortgelijke, +donkere, dwarse strepen bevinden zich aan de zijden van den kop. Van +de totale lengte, die 1.1 M. bedraagt, komen 65 cM. op den staart; +de rudimentaire achterpooten zijn ongeveer 1 cM. lang. + + + +Niet slechts van de voorste, maar ook van de achterste pooten is +uitwendig geen spoor meer te zien bij een soort, die de oostelijk +Vereenigde Staten en Mexico bewoont en door de Anglo-Amerikanen +Glasslang (Glasssnake) wordt genoemd (Ophisaurus ventalis); aan +het geraamte merkt men echter een weinig ontwikkelden schouder- +en heupgordel op. Als Hagedis is dit dier uitwendig kenbaar +aan de oogleden, die voor beweging geschikt zijn, en aan het +trommelvlies. Zijn kleur is zeer verschillend. Enkele exemplaren +zijn helder groen met zwarte en gele vlekken, andere bruinachtig met +donkerbruine strepen op de zijden, nog andere hebben oogvlekken op +bruinen grond. De lengte bedraagt ongeveer 80 cM. + +De Glasslang bewoont bij voorkeur zeer droge terreinen, maar steeds +zulke, die haar geschikte schuilplaatsen aanbieden. De wortels van een +ouden boom of stronk, holen in heuvelhellingen, enz. verschaffen haar +een toevluchtsoord, waarin zij na elke storing zoo spoedig mogelijk de +wijk neemt. Zij komt zeer vroeg in 't voorjaar, vroeger dan de Slangen, +te voorschijn en houdt zich reeds ijverig met de jacht bezig, terwijl +deze nog in winterslaap verkeeren. Haar voedsel bestaat uit Insecten +en kleine Reptiliën, vooral jonge Hagedissen en dergelijke dieren. + +Deze door fraaie teekening en zachtzinnigen aard aanbevelenswaardige +soort kan niet gemakkelijk in onbeschadigden toestand gevangen worden, +omdat zij bij aanraking buitengewoon licht breekt en dus haar naam +met volle recht draagt. Dit zal wel de reden zijn, waarom men haar +zoo zelden in een terrarium te zien krijgt. + + + +Aan het ontbreken van de groeve aan weerszijden van den romp, het gemis +van voorste en achterste ledematen, de kleine en meestal verborgen +gehooropening en de lichaamsbekleeding, die uit kleine zeszijdige, +gladde, glanzige schubben bestaat, welke overlangsche reeksen, aan de +zijden van 't lichaam echter dwarse rijen vormen, zijn de Hazelwormen +(Anguis) uitwendig kenbaar. Een algemeen bekende vertegenwoordiger van +dit geslacht is de Hazelworm, die in Gelderland ook wel Blindslang +wordt genoemd (Anguis fragilis). Bij ons treft men deze soort in de +zandstreken van alle oostelijke provinciën aan, niet in de duinstreken +(Ritzema Bos). + +De bovendeelen zijn gewoonlijk fraai loodkleurig grijs, de zijden +roodachtig bruin; de buik is blauwachtig zwart en prijkt dikwijls met +geelwitte stippels; het zal echter moeielijk zijn twee Hazelwormen te +vinden, die volkomen gelijke kleur hebben. O. Lenz verhaalt, dat er +bij de 33 exemplaren, die hij eens in den tijd van een halfuur op een +terrein van ongeveer 600 schreden omvang buit maakte, geen twee waren, +die in kleur en teekening volkomen overeenstemden. Zeer oude exemplaren +hebben op de bovenzijde dikwijls groote of kleine, op overlangsche +reeksen geplaatste, fraaie, blauwe vlekken en stippels. De jongen +zijn aan de rugzijde zilverwit, aan de buikzijde zwart en van boven +met één breede of twee smalle, donkerzwarte strepen geteekend. Het +mannetje en het wijfje verschillen niet in kleur; beide zijn echter +in staat van kleur te veranderen. De iris is geelrood. Het volwassen +dier heeft een lengte van 43 cM., met inbegrip van den staart, die +ruim 23 cM. lang is. + +De Hazelworm bewoont bijna geheel Europa, van 't zuiden van Zweden +tot Griekenland en Spanje, voorts Kaukasië en Georgië, ja zelfs +bijna geheel West-Azië. Hij wordt overal gevonden, in vlakten en in +bergstreken, zelfs nog op bergen van 1450 M. hoogte, op vochtigen +grond echter meer dan op drogen. Hoewel hij de meest verschillende +terreinen tot woonplaats kiest, houdt hij zich het liefst op in +beukenbosschen, vooral daar, waar dicht struikgewas en hoog gras, +of desnoods losse steenen, den bodem bedekken. In verband met de +gesteldheid van het terrein zijn de plaatsen, waar hij rust en zich +verschuilt, verschillend. In den lossen grond graaft hij een meer of +minder diep gat; in streken, die dicht begroeid zijn met mos of gras, +verbergt hij zich tusschen deze planten in het struikgewas onder +wortels op glooiende rotsachtige terreinen onder waterpas liggende, +platte steenen. Vooral de laatstgenoemde ruimten zoekt hij gaarne op; +dikwijls is hij er de commensaal van Mieren, welker gezelschap hij +zoo weinig schuwt, dat hij soms in mierenhoopen zijn intrek neemt. + +In het midden of in het einde van October kruipen de Hazelwormen in +reeds aanwezige of door hen zelf gegraven holen om hier winterslaap +te houden. Het graven geschiedt door borende bewegingen met den +kop. Soms is het winterverblijf een zeer nauw gat en slechts 7 tot +30 cM. diep, soms een gebogen gang van ongeveer 1 M. lengte, welker +opening van binnen met gras en aarde gesloten is. Hier zijn zij +soms met hun twintigen of dertigen bijeen, alle geheel verstijfd, +sommige met half opgerold lichaam, andere dooreengekronkeld of +recht uitgestrekt. Het dichtst bij den uitgang liggen de jongen; +daarop volgen al grootere exemplaren; in het achterste deel van het +hol hebben een oud wijfje en een oud mannetje hun winterbed. Welken +invloed verlaging van temperatuur op hen heeft, blijkt uit de door +Lenz genomen proeven. Bij 1.4 à 2° boven nul waren zij tamelijk stijf, +maar verroerden zich nog, als men ze opnam; ook bleven zij eenigen +tijd langzaam rondkruipen, nadat men ze in de kist met zemels, die hun +tot winterverblijf diende, teruggebracht had. Alle hielden de oogen +stijf dicht; slechts twee openden ze een weinig, toen zij in de hand +genomen werden; de overige sloten ze onmiddellijk weer, nadat men ze +met geweld geopend had. Toen de temperatuur gedaald was tot 3° onder +nul, lagen alle verstijfd in de zemelen; geen enkele bevroor echter, +hoewel verscheidene echte Slangen, die met de Hazelwormen dezelfde +kist bewoonden, door de koude bezweken. Tegen een nog strengere koude +zijn ook zij echter niet bestand. In de lente komen zij bij gunstig +weder reeds in 't midden van Maart weer voor den dag. + +Het voedsel van den Hazelworm bestaat bijna uitsluitend uit Naakte +Slakken en Regenwormen; bovendien eet hij onbehaarde rupsen; het is hem +niet mogelijk dieren buit te maken, die zich sneller bewegen. De door +Lenz verzorgde exemplaren naderden zonder eenigen haast de Wormen, +die hij hun toewierp, betastten deze meestal vooraf met de tong, +sperden dan langzaam den bek open en hapten eindelijk toe. De roover +wachtte nu tot zijn prooi, die zich aanvankelijk zoo krachtig mogelijk +kronkelde, eenigszins afgemat was en verzwolg haar vervolgens zonder +overhaasting; dit geschiedde met afwisselende bewegingen van den kop +naar rechts en naar links, waarbij telkens de tanden een eind verder +in den buit geslagen werden. Het doorslikken van een Regenworm duurde +5 à 6 minuten; één of twee exemplaren van middelmatige grootte zijn +trouwens voldoende voor een maaltijd. Water drinkt de Hazelworm even +dikwijls en op dezelfde wijze als de Hagedissen. + +Het is mogelijk, dat de Hazelworm ook wel over dag een buit, die +hem voor den bek komt, grijpt en verzwelgt, in den regel echter gaat +hij eerst in de schemering op de jacht. Over dag ligt hij, evenals +andere Reptiliën, uren lang in den zonneschijn en houdt gewoonlijk +den kop naar den grond gericht. V. Gredler noemt den Hazelworm een +betrouwbaren weerprofeet, wiens verschijning onmiddellijk vóór en +gedurende een weersverandering in verband zou kunnen staan met het +gelijktijdig omhoogstijgen van de Regenwormen. + +De bewegingen van den Hazelworm zijn langzaam en gelijken zoo min op +die van de Hagedissen als op die van de Slangen. Bij een helling naar +beneden kruipt hij tamelijk snel, op den vlakken bodem zoo langzaam, +dat men, gewoon stappend, hem gemakkelijk bijhouden kan; naar boven +beweegt hij zich nog minder vlug. Op een stuk vensterglas kost het +hem zeer veel moeite vooruit te komen; langzamerhand gelukt hem dit +echter door zijwaartsche kronkelingen van het lichaam. Op dezelfde +wijze redt hij zich vrij goed uit den nood, als men hem in het +water werpt, dat hij vrijwillig nooit bezoekt. Gewoonlijk houdt het +dier den kop boven water en richt soms ook de buikzijde naar boven; +altijd echter tracht het zoo schielijk mogelijk weer op het droge te +komen. Hoewel de Hazelworm soms "Blindslang" wordt genoemd, is zijn +gezichtsorgaan goed ontwikkeld en neemt zonder eenigen twijfel onder +zijne zintuigen den eersten rang in. Moeielijk is het over het gehoor +een bepaald oordeel uit te spreken, hoewel proeven bij gevangen +dieren schijnen te bewijzen, dat de Hazelworm ook in dit opzicht +niet misdeeld is. Hij laat geen schuwheid blijken; nog minder kan +men list bij hem opmerken. Gewoonlijk ontkomt hij aan zijne meeste +vijanden door zich, wanneer hij gegrepen wordt, buitengewoon heftig +te bewegen; in den regel heeft dit het afbreken van een stuk van den +staart ten gevolge. "Terwijl het afgebroken stuk", zegt Lenz, "nog vol +leven ronddanst en door den vijand gegrepen wordt, maakt het verminkte +dier van de gelegenheid gebruik om te vluchten. Dit feit zal men vaak +opmerken bij de voedering van allerlei dieren met Hazelwormen." Het +heeft aanleiding gegeven tot hun wetenschappelijken naam (= Brooze +Slang). Gewoonlijk laten zij zich vangen zonder zich op eenigerlei +wijze te verdedigen; slechts bij uitzondering maken zij in dit geval +als verweermiddel gebruik van hun gebit, hoewel zij hiermede geen +hunner vijanden kunnen afschrikken. Mettertijd schikken zij zich in de +gewijzigde omstandigheden van het leven in de gevangenschap. Dat zij in +de kooi verdraagzaam zijn jegens Slangen, Vorschen en Hagedissen, is +licht te begrijpen. Zelfs volwassen exemplaren laten zich gewoonlijk +niet lang nooden, wanneer men hun voedsel aanbiedt; zij verduren +bij doelmatige behandeling jaren lang het leven in de kooi. Wanneer +deze voor een deel met aarde gevuld en bovendien met steenen en mos +voorzien is, voldoet zij aan alle eischen, die de Hazelwormen aan een +dergelijke verblijfplaats stellen. Het houden van deze dieren is wel +aan te bevelen; zij zullen den dierenvriend veel genoegen verschaffen. + +Bij den Hazelworm is de volledige ontwikkeling van de kiem in de +eischaal reeds tot stand gekomen, voordat deze het lichaam van de +moeder verlaat. De geboorte van de jongen heeft plaats in de tweede +helft van Augustus of in de eerste helft van September; de eieren +worden met tusschenpoozen van verscheidene minuten gelegd; onmiddellijk +daarna verlaten de jongen de vliezige, dunne, doorzichtige eischaal. + +Ook thans nog ziet het groote publiek in den Hazelworm een Slang +en "dus" een hoogst vergiftig dier, dat daarom fel vervolgd en +zonder mededoogen gedood wordt, waar het zich ook vertoont. Het +zou verstandiger zijn deze Hagedis te sparen. Zelfs verdient het +aanbeveling haar in den tuin te houden en te beschermen. + + + +Een Hagedis, die door het maaksel van hare tanden overeenkomt met +de Groeftandige Slangen en, evenals deze, haar prooi vergiftigt, +was reeds aan Hernandez, den lijfarts van Philips II, bekend. Zoowel +aan de bovenkaak als aan de onderkaak heeft zij tanden, die aan de +voorzijde een groeve vertoonen; alleen die van de onderkaak staan +aan haar wortel in gemeenschap met de afvoerbuis van een gifklier, +overeenstemmend met de ondertongsklier van onze Hagedissen. Volgens +Sumichrast (1825) gaat dit dier op den rug liggen, voordat het bijt +en worden op deze wijze misschien ook de bovenkaakstanden met gif +voorzien. De ervaring heeft de juistheid aangetoond van de meening +der inboorlingen, dat de beet van deze Hagedis ook voor den mensch +doodelijke gevolgen kan hebben. Zij is het eenige bekende lid van +haar onderorde, dat deze eigenschap bezit. + +Het Dzjila-dier (Heloderma horridum) ontleent zijn naam aan een der +landstreken, waar het voorkomt, het stroomgebied van de Rio Gila +(spreekt uit: Dzjila), een bijrivier van den Colorado in Arizona. Het +wordt tot een afzonderlijke familie, die der Korsthagedissen +(Helodermatidae), gebracht welke slechts één geslacht met twee +soorten omvat, die Mexico en de aangrenzende deelen van de Vereenigde +Staten bewonen. De kleur van dit merkwaardige dier herinnert aan die +van onzen Landsalamander. De huid van de bovendeelen is donker- of +aardbruin en met kleine vlekken bezaaid, welker kleur van geelachtig +wit, door oranjegeel tot roodachtig geel afwisselt; de staart is met +verscheidene gele ringen geteekend; de onderzijde heeft op vuilbruinen +grond geelachtige vlekken. + +Men ontmoet het Dzjila-dier uitsluitend aan de westzijde van de +Cordillera en niet anders dan in droge gewesten. Het heeft een +nachtelijke levenswijze, beweegt zich langzaam en plomp, maakt jacht +op allerlei kleine dieren--ongevleugelde Insecten, Regenwormen, +Duizendpooten, kleine Kikkers enz.--, die het hoofdzakelijk op +boschpaden vangt; ook graaft het soms de eieren van de Legoeanen op +en versmaadt zelfs rottende stoffen niet. + +Sumichrast heeft eenige proeven genomen, die de vergiftige werking van +den beet van dit Reptiel boven allen twijfel verheffen. Hij liet door +een zeer jong en slecht gevoed Dzjila-dier een Hoen in de zijde bijten; +de Vogel stierf onder duidelijke vergiftigings-verschijnselen. Een +groote Kat, die in den achterpoot gebeten werd, verviel, na hevige +pijn geleden te hebben, in een toestand van uitputting, waarvan zij +weer herstelde, hoewel zij ook daarna uiterst mager en stompzinnig +bleef. Deze bij Vogels en Zoogdieren verkregen uitkomsten werden +aangevuld door een ervaring, die J. Stein persoonlijk betrof. Hij +werd bij het overbrengen van een Dzjila-dier in een andere kooi in +den vinger gebeten. Dit lichaamsdeel en de geheele arm zwollen sterk +op onder de hevigste pijnen, hetgeen met een belangrijke verstoring +van den gezondheidstoestand gepaard ging. Nog lang daarna was de huid +van den gekwetsten arm geel en perkamentachtig. + + + +De Waranen (Varanidae) ontleenen hun naam aan het Arabische woord +"waran", dat "Hagedis" beteekent en waarmede eenige van de meest +bekende Egyptische soorten dezer familie aangeduid worden. Met +de overige Hagedissen stemmen zij overeen, door den langgerekten +vorm van het lichaam, den breeden rug zonder kiel (of overlangsche +verhevenheid) en de volkomen ontwikkelde voor- en achterpooten, welker +vijf teenen met krachtige nagels gewapend zijn. Zij verschillen +van hunne verwanten o. a. door hun lange tong, die, evenals bij +de Slangen, in twee draadvormige spitsen uitloopt en in een scheede +teruggetrokken wordt. Ook de kop is niet ongelijk aan dien der Slangen, +naar verhouding langer dan bij de overige Hagedissen; de hals, de +romp en vooral de staart zijn eveneens slanker. De tanden zijn groot, +kegelvormig, aan de binnenzijde van den bovenrand der kaakbeenderen +vastgegroeid en tamelijk ver van elkander verwijderd. De bovenzijde +van den kop is met kleine schilden bekleed, het overige lichaam met +vierhoekige, op regelmatige dwarsreeksen gerangschikte plaatschubben, +die op den rug klein en knopvormig, op den buik weinig grooter zijn. + +De Waranen bewonen het oostelijk halfrond, vooral Afrika, Zuid-Azië, +Australië en Oceanië. Eenige soorten zijn volslagen landdieren en zelfs +woestijndieren, die een voor hen geschikt hol tot schuilplaats kiezen, +in welks nabijheid sommige zich over dag, andere meer in de schemering +of zelfs des nachts met de jacht bezig houden. Verscheidene Waranen +moeten waterdieren genoemd worden; daar zij zich uitsluitend in de +nabijheid van 't water, in moerassen of aan rivieroevers ophouden +en bij gevaar steeds zoo schielijk mogelijk in het water hun heil +zoeken. Alle zijn buitengewoon vlug van beweging. Over den vasten bodem +loopen zij met groote, slangsgewijze kronkelingen van het lichaam snel +genoeg, om kleine Zoogdieren of zelfs Vogels in te halen; ondanks +hun grootte klimmen zij uitmuntend. Die, welke in 't water thuis +behooren, zwemmen en duiken behendig en lang achtereen, hoewel zij geen +zwemvliezen bezitten. Hoewel de Waranen, wat voorkomen, bewegingen, +aard en gewoonten betreft, niet aan de Krokodillen, maar aan de +Hagedissen herinneren, zijn zij, in overeenstemming met hun meerdere +grootte en lichaamskracht, roofzuchtiger, moediger en strijdlustiger +dan hunne kleinere verwanten. Voor den mensch, en waarschijnlijk +ook voor andere groote dieren, nemen zij steeds de vlucht, voor +zoo ver dit mogelijk is: de landbewoners trachten bliksemsnel hunne +holen te bereiken, de waterbewoners zoeken even haastig hun gewone +verblijfplaats op. Wanneer de weg daarheen hun wordt afgesneden, +stellen zij zich zonder aarzeling te weer; de pooten en de krachtige +staart stellen hen in staat hoog boven den grond op te springen om +een fellen aanval te doen op het gelaat en de handen van hun vijand. + +De Waranen gebruiken allerlei dieren als voedsel. De Nijlwaraan, die +reeds aan de oude Egyptenaren bekend was, zooals uit afbeeldingen van +dit dier op oude gedenkteekenen blijkt, werd vroeger beschouwd als +een der gevaarlijkste vijanden van den Krokodil, wiens eieren en pas +geboren jongen hij, naar men onderstelde, opzoekt en verslindt. Hoewel +men als zeker mag aannemen, dat de Waranen bij voorkomende gelegenheden +werkelijk de jongen van den Krokodil verslinden en evenmin de eieren +van dit reusachtig Reptiel sparen, valt een dergelijke buit hun +slechts zelden ten deel. Die, welke op den vasten grond leven, maken +jacht op Muizen, Vorschen, Gelede Dieren en Wormen; de waterlievende +leden der familie voeden zich waarschijnlijk vooral met Vorschen, +maar versmaden stellig geen zwak Zoogdier, dat, aan den waterkant +loopend, de voorzichtigheid uit het oog verliest,--geen Vogel, +die de behendigheid mist om aan de aanslagen der in 't water op hem +loerende vijanden te ontkomen. Op plaatsen waar men geen jacht op +hen maakt, of waar het hun niet moeielijk valt zich te verbergen, +worden de Waranen algemeen gevreesd en gehaat wegens de opruiming, +die zij houden onder de hoendereieren en kuikens. + +De eieren der Waranen worden, naar het schijnt, in vrij groot +aantal te gelijk in den grond gelegd; soms vindt men ze in een +Termieten-nest. Ze zijn omstreeks 5 cM. lang, rolvormig, aan beide +einden afgerond en vuilwit van kleur. Zij smaken zeer goed; hetzelfde +geldt van het vleesch van den Waraan, dat met kalfsvleesch vergeleken +wordt. Zoowel wegens het voordeel, dat zij op deze wijze opleveren, +als wegens de door hen aangerichte schade spelen de Waranen in hun +vaderland geen onbelangrijke rol in de huishouding van den mensch. + + + +De Nijlwaraan (Varanus niloticus) onderscheidt zich van de overige +leden zijner familie door den zijdelings samengedrukten staart, die aan +de bovenzijde een duidelijke kiel vertoont, door den vorm der tanden, +die voor in den bek kegelvormig zijn, verder achterwaarts een stompe +kroon hebben, voorts door de plaatsing der ronde neusgaten. Een +volwassen exemplaar is 1.7 M. lang, waarvan 1 M. op den staart +komt. De grondkleur is geelgroen; de teekening bestaat uit zwarte +vlekken, uit hoefijzervormig gerangschikte, gele stippels tusschen de +schouders en de flanken en uit reeksen van groenachtig gele punten; +vóór iederen schouder ziet men een zwartachtigen, halfcirkelvormigen +band; op het eerste derde deel van den staart komen geelgroene, op +het overige stuk geelachtige ringen voor. De onderzijde is geel met +meer of minder duidelijke, zwarte dwarsbanden. + +Naar het schijnt, komt de Nijlwaraan in alle rivieren van Afrika voor, +met uitzondering van het noordwestelijke deel. In Egypte vindt men +deze Hagedissen veel meer dan in Nubië; in Oost-Soedan worden zij +op sommige plaatsen in aanzienlijken getale aangetroffen, maar dan +steeds eenzaam, niet in troepen. In den regel wordt de aanwezigheid +van het dier opgemerkt, wanneer het zich begint te bewegen en naar de +rivier snelt: in het water houdt het zich meestal verborgen; op het +land ligt het gewoonlijk bewegingloos in de zon. In tegenstelling met +den Krokodil kiest het tot rust- en slaapplaats een bij een waterplas +vooruitstekend deel van den steil afhellenden oever, bij voorkeur +een rotsterras, dat aan dezen eisch voldoet; soms ontmoet men het +in het struikgewas langs den oever, zelden op aanmerkelijken afstand +van het water, waarin het woont. + +Het is wel mogelijk, dat de oude Egyptenaren den Waraan hebben leeren +kennen als verdelger van de door hen als goden vereerde Krokodillen +en hem daarom op hunne gedenkteekenen een eereplaats waardig keurden; +in den tegenwoordigen tijd echter weet dit dier zich ook zonder jonge +Krokodillen zeer goed te redden. Het maakt jacht op kleine Zoogdieren +en Vogels, die in Egypte overal, en dus ook in de onmiddellijke +nabijheid van den stroom, in groote getale voorkomen, misschien ook +op jonge, weekhuidige Schildpadden, hoofdzakelijk echter op Visschen; +het plundert nesten van strandvogels, bezoekt zelfs duiventillen +en hoenderhokken en vangt tevens Insecten. De gevangene Waranen, +waarvan Geoffroy Saint-Hilaire melding maakt, waren zeer roofzuchtig +en overvielen met moorddadige bedoelingen alle kleinere dieren, +die men in hun kooi bracht. + +Daar de Waraan, evenals de meeste Hagedissen, zich zeer goed schikt in +gewijzigde omstandigheden, is het niet moeilijk gevangen exemplaren in +'t leven te houden. Wanneer het hok op doelmatige wijze ingericht is, +zullen de handelingen van den bewoner, die zich zoowel op 't droge +als in 't water uitmuntend thuis gevoelt, zoo niet een aantrekkelijk, +dan toch een opmerkelijk schouwspel opleveren. + + + +Op het vasteland van Indië, in het zuiden van China en op alle +eilanden tot aan de noordkust van Australië, vooral echter op de drie +groote Soenda-eilanden, ontmoet men den Dubbelgestreepten Waraan, +de Kabaragoya der Singalezen (Varanus salvator, V. bivittatus). De +bovenzijde vertoont op zwarten of bruinen grond dwarse reeksen van +gele stippels of oogvlekken; de onderzijde is effen geel, een zwarte +band strekt zich langs de slapen uit, aan weerszijden van den hals ziet +men een geelachtig witte, overlangsche streep, die aanleiding gegeven +heeft tot den soortnaam van het dier. Het kan 2.2 M. lang worden. + +"Men vindt het allerwege in eenigszins wilde streken", schrijft +S. Müller, "met uitzondering echter van de hoogere gedeelten der +groote bergen en over het geheel van de groote bergbosschen, welke +het zelden tot verblijf kiest. Bij voorkeur houdt het zich op in meer +bewoonde gedeelten van het land, en wel het liefst in de nabijheid +van het water, het moge zoet zijn of zout, en in zulke streken, +die met wild struikgewas begroeid zijn, waarin het evenzeer een +geschikte hinderlaag als, bij vervolging, een veilige schuilplaats +vindt. Deze Waraan is waakzaam, schuw en behendig in de vlucht; +zijn loop is eenigszins waggelend. Ontbreekt hem op het land de +gelegenheid zich aan het oog van een naderenden vijand te onttrekken, +en vindt hij een rivier, een meer, moeras of zoetwaterplas in zijn +nabijheid, dan richt hij zijn loop dadelijk derwaarts, stort zich +in den vloed of de dras en verdwijnt. Minder gaarne werpt hij zich +in zeewater, hetwelk alleen in den hoogsten nood zijn toevlucht +schijnt te zijn. Hij zwemt en duikt zeer goed en daar hij tevens +eenige kromstammige boomen met gelijk gemak beklimt, vereenigt hij +in zijn levenswijze alle kenmerken in zich van een waar zoogenaamd +tweeslachtig dier. Somwijlen strekt hij zich vrij langs de takken +uit en vlijt zich ter ruste, doch, wordt hij onverhoeds door den +mensch verrast, dan verlaat hij onmiddellijk zijn rustplaats en +springt ter aarde. Hij zoekt steeds gedurende den dag naar voedsel, +bestaande in allerlei Insecten, vooral Sprinkhanen, Kevers enz. en +hunne larven, zooals ook Schaaldieren, Visschen, Kikvorschen en andere +Hagedisachtige dieren, Vogels en kleine Zoogdieren, en het vleesch van +krengen en andere overblijfselen van dierlijke zelfstandigheden. Op +zekeren tijd schoten wij aan het zeestrand ter westkust van Sumatra +een voorwerp van ruim zes voet lengte, waarover zich eenige Maleiers +uit de nabijheid zeer verheugd toonden, vermits dit dier hun reeds +meer dan een dozijn Hoenders had ontroofd en zij reeds dikwijls +tevergeefs getracht hadden het te dooden. Wij vonden de maag van dit +voorwerp gevuld met pas verslonden kleine Visschen, voornamelijk van +het geslacht Equula, die door de visschers bij duizendtallen op het +zand worden uitgelegd om hen later gedroogd te verkoopen. De jacht op +Vogels, Hoenders, Muizen enz. wordt door dezen Waraan uitgeoefend, door +deze dieren op de wijze der Katten eerst te bekruipen en vervolgens +plotseling te bespringen. De volwassen voorwerpen van den "Biejwakh" +zijn meestal rijkelijk van vet voorzien, hetwelk door de inlanders, +gelijk dat der Krokodillen, als zeer heilzaam wordt beschouwd voor +allerlei huidziekten, rheumatieke aandoeningen enz., tot welk einde +zij de ziekelijke deelen daarmede inwrijven. Geen der inlanders, +welke Mahomedanen zijn, gebruiken het vleesch van deze dieren tot +voedsel; doch sommige heidensche volken en bepaaldelijk de inwoners +van de eilanden Nias en Batoe bewesten Sumatra, mitsgaders sommige +Dajakkers op Borneo en onderscheidene Alfoersche volksstammen in +de Molukken, toonen zich in meerdere of mindere mate liefhebbers +daarvan. Deze Waraan is, evenmin als een der overige soorten van het +geslacht, waartoe hij behoort, eigenlijk valsch of boos van aard. In +gevangenschap zal hij dan alleen naar iemand bijten, wanneer hij +getergd en verontrust wordt. Komt men hem te na, dan opent hij wel +den scherp getanden bek en keert zijn grooten muil den mensch dreigend +tegen, maar een aanval waagt hij zelden. Voor het overige speelt hij, +gelijk men het noemt, onophoudelijk met zijn tong, welke als die der +Slangen, lang is en in twee punten uitloopt, door haar in gedurige +beweging ver buiten den mond uit te steken en dan weder in te trekken." + +De leden van de lagere kasten in Indië maken zich van dezen Waraan +gewoonlijk meester door hem op te graven uit zijn hol; zij eten daarna +met smaak het vleesch van den dus verkregen buit. Veel belangrijker +echter is voor de Indiërs de rol, die hij speelt bij de bereiding +van de doodelijke vergiften, die de Singaleezen, zelfs in den +tegenwoordigen tijd, maar al te vaak gebruiken en waarvan slangengif +en arsenikum de werkzame bestanddeelen zijn. De onschuldige Hagedis +is tengevolge van dit hokuspokus der gifmengers in zulk een kwaden +naam gekomen, dat men voor haar tegenwoordig algemeen een belachelijke +vrees koestert. + + + +In Amerika worden de echte Hagedissen (en, zoo men wil, ook de Waranen) +vertegenwoordigd en in zekeren zin vervangen door de Tejuhagedissen +(Tejidae). Ten deele evenaren deze hare verwanten in de Oude +Wereld wat grootte betreft, ook komen zij met hen in lichaamsbouw +overeen; belangrijk echter is het verschil in schedelvorm, gebit +en schubbenkleed. De vorm van de hoogst ontwikkelde leden dezer +familie herinnert duidelijk aan die onzer inheemsche Hagedissen. Bij +andere is het aantal teenen tot vier verminderd. Ook zijn er, welker +ledematen rudimentair zijn. Enkele, die uitwendig geen spoor van +achterste ledematen vertoonen, herinneren door haar voorkomen aan +de Wormhagedissen. + +Alle soorten leven in de warme gewesten van Amerika, de grootste +natuurlijk tusschen de keerkringen. Enkele komen slechts op heete +zandvlakten voor, andere tusschen de hooge grassen der weidegronden, +nog andere in wouden, enkele hebben een half-onderaardsche +levenswijze. Haar woning is een door de natuur gevormd of door haar +zelf gegraven hol, waarin zij bij dreigend gevaar haar toevlucht +zoeken. Door aard en bewegingen herinneren zij zoowel aan de +Waranen als aan de echte Hagedissen, sommige ook aan de Woel- en +Wormhagedissen. Zij zijn zeer vlug en levendig; de grootste voor +'t rooven zeer geschikte soorten maken niet slechts op Gelede Dieren, +Wormen en Slakken, maar ook op kleine Gewervelde Dieren jacht, soms tot +schade voor den mensch. Hoewel zij groote vijanden en meer bepaaldelijk +den mensch zoo lang mogelijk ontwijken, gaan zij echter, na in 't nauw +gebracht en tot toorn vervoerd te zijn, moedig op hare aanvallers los +en kunnen dan zelfs aan groote Honden moeite veroorzaken. De eieren +worden in holle boomstammen gelegd. Eenige soorten, vooral de grootste, +worden als smakelijk wild beschouwd en althans in sommige oorden, +geregeld gejaagd; de overige laat men met vrede. + + + +De Teju's (Tupinambis) kenmerken zich door den ronden, voorbij het +midden eenigszins samengedrukten staart en de talrijke huidplooien +van den hals. + +De meest bekende soort van dit geslacht, die door de Indianen van +de zeekust Tejuixin of bij verkorting Teju, door de Portugeesch +sprekende Brazilianen Lagardo, in Suriname Salompenter wordt genoemd +(Tupinambis teguixin), heeft een lengte van 92 cM., waarvan trouwens +bijna drie vijfde op den staart komt, en is tamelijk bont van kleur. De +grondkleur is bruinachtig zwart met zwakken, blauwachtigen weerschijn; +de teekening bestaat op den nek uit witachtig gele, op de zijden van +hals en kop uit reeksen van witachtige vlekken; de rug vertoont 9 à 10 +dwarse, uit ronde, gele vlekken samengestelde strepen; op den staart +merkt men onregelmatig verspreide, gele vlekken en enkele reeksen +van vlekken op; de pooten zijn aan de buitenzijde met geelachtige +stippels bezaaid; op de roodachtig gele onderdeelen komen afgebrokene, +zwarte dwarsbanden voor; ook op de keel en den onderhals vindt men +dwarsstrepen; deze zijn hier echter geel met zwartachtigen rand. + +De Teju is over het grootste deel van Zuid-Amerika, van Guyana tot +Uruguay, verbreid, bewoont ook de West-Indische eilanden en is in de +meeste dezer landen zeer veelvuldig, meer echter, naar het schijnt, +in de kuststreken dan in het binnenland. In bebouwde streken zoekt +hij bij voorkeur de suikerplantages en de hieraan palende wouden +op; in Brazilië bewoont hij droge, uit zand- of kleigrond bestaande +gewesten en leeft hier in het struikgewas, in voorwouden of zelfs in +de groote oerwouden van het binnenland. Elk dezer dieren gebruikt +als woning een gat in den grond, dat het onder boomwortels graaft +en met een wijde opening voorziet. Naar dit hol neemt het de wijk, +zoodra het vervolgd of door een ongewoon verschijnsel verschrikt wordt. + +De Teju is sterk en zeer vlug, maar buitengewoon schuw; in bewoonde +gewesten kan men hem zelden tot op korten afstand naderen; hij bijt +uiterst fel, zelfs door dikke laarzen heen en tracht de Honden, +die hem aanvallen, met zijn stevigen, gespierden staart geweldige +slagen toe te brengen. Zittend, houdt hij den kop hoog, hetwelk hem +een eigenaardig voorkomen verschaft en zeer goed staat, een indruk, +die nog versterkt wordt door het vurige oog; loopend, ijlt hij pijlsnel +voor zich uit, waarbij de romp en de lange, over den grond sleepende +staart slangsgewijs bewogen worden. De tong is aanhoudend in beweging; +zij wordt uitgestoken en ingetrokken, zelfs wanneer hiervoor volstrekt +geen reden schijnt te bestaan. + +Het voedsel van den Teju bestaat uit alle levende wezens, die in +grootte bij hem achterstaan, vooral uit Muizen, Vorschen, Wormen, +Gelede Dieren, maar ook uit eieren en dergelijke spijzen. + +Over de voortplanting van dit dier geeft Schomburgk eenige +inlichtingen. "De eieren", zegt hij, "vond ik dikwijls in de groote, +kegelvormige nesten, die een soort van Termieten, niet slechts in de +wouden, maar ook in plantages, in stompen van afgehouwen boomen aanlegt +en tot op een diepte van 1 M. onder de aardoppervlakte uitbouwt. De +Salompenter holt deze nesten uit, verslindt de bewoners en legt zijne +eieren ten getale van 50 à 60 in de dus gevormde ruimte, in welker +wand hij een groote, ronde opening heeft gemaakt, zoodat hij, bij den +boomstam opklimmend, er gemakkelijk kan binnensluipen. De witte eieren +hebben een zeer harde schaal; die van groote, oude wijfjes zijn bijna +zoo lang als duiveneieren, maar dunner en aan beide einden stomp." + +De Teju behoort tot de schadelijke dieren wegens zijn driestheid +en roofzucht; dikwijls komt hij dicht bij menschelijke woningen en +plundert de hoenderhokken. De schade, die hij aanricht, maar meer nog +de smakelijkheid van zijn vleesch, geeft aanleiding tot een algemeene +en felle vervolging; met Honden, die voor deze jacht afgericht zijn, +wordt dit wild in het woud opgezocht en in zijn hol gedreven, waarna +men het uitgraaft en doodslaat of met hagel schiet, indien het den +jager er den tijd toe laat. Het vleesch komt na een goede bereiding +het meest met dat van Hoenderen overeen, is wit van kleur, lekker +van smaak en daarom zeer gezocht. + + + +De Ameiven (Ameiva) zijn Teju-hagedissen met ronden staart zonder kam +en kleine, kegelvormige, zijdelings samengedrukte tanden met twee- +of driespitsige kroon. Zij nemen in Midden- en Zuid-Amerika de plaats +in van onze Hagedissen, hebben in hoofdzaak dezelfde levenswijze en +dragen in Brazilië denzelfden naam. + +De algemeenste en meest bekende soort--de Ameive (Ameive +surinamensis)--wordt 38 à 53 cM. lang. Haar rug is grasgroen; de +zijden van den romp zijn op groenen of bruinachtigen grond met zwart +en geel gevlekte dwarsstreepen geteekend. + +De Ameive komt in geheel Zuid-Amerika voor, noordwaarts tot Nicaragua; +zij is in de meeste landen zeer algemeen en bewoont er ongeveer +dezelfde plaatsen als de Teju; met deze stemt zij door gewoonten, +levenswijze, voeding en voortplanting overeen: om kort te gaan, zij is +een Teju in miniatuur. Al hare bewegingen zijn bevallig en vlug. Als +zij zich vrij beweegt, maakt haar romp elegante kronkelingen; door +schrik bevangen, vlucht zij zoo merkwaardig snel, dat de toeschouwer +haar eerder voor een Vogel dan voor een Hagedis zou houden. + + + +Sommige leden van de vorige familie zijn met rudimentaire pooten +uitgerust. Aan deze zijn de Ringhagedissen (Amphisbaenidae) het +naast verwant. Door haar lichaamsbouw tot graven geschikt, leiden +zij gedeeltelijk een onderaardsch leven. + +Op Wormen gelijken deze dieren door hun lang, rolvormig lichaam, dat +overal nagenoeg dezelfde dikte heeft en niet met schubben bekleed +is, maar met een taaie, lederachtige huid, die door ringvormige en +overlangsche groeven, welke elkander rechthoekig snijden, in een +groot aantal kleine, langwerpige vierhoekjes is verdeeld. Zelden +zijn tusschen deze vierhoekige huidafdeelingen grootere, veelhoekige +schilden geplaatst; geregeld vindt men echter op den kop grootere +huidplaten. Eén geslacht kenmerkt zich door de aanwezigheid van voorste +ledematen: bij andere merkt men onder de huid sporen van een schouder- +en een heupgordel op. Alle missen een uitwendig zichtbaar gehoororgaan; +de oogen zijn bijna geheel naar boven gericht, hebben geen leden en +zijn hoogst onvolkomen; hoogstens schemeren zij als donkere vlekjes +door de lichaamshuid, die zich ook over hen uitstrekt, heen. + +Alle Ringhagedissen zonder uitzondering zijn gravende dieren; de +meesten houden zich bijna voortdurend in Termieten-woningen op. Bij +vele soorten kan de staart als grijporgaan dienst doen. Haar voedsel +bestaat uit kleine Insecten, vooral Mieren en Termieten, ook uit +Wormen. + + + +De Chiroten (Chirotes) onderscheiden zich van alle overige +Ringhagedissen door het bezit van voorpooten met vier teenen, die, +hoewel rudimentair, toch klauwen dragen. Een duidelijke zijdestreep +strekt zich aan weerszijden van den romp, van den schouder tot aan +den aars uit. + +De eenige soort van dit geslacht, de Chirote (Chirotes canaliculatus), +die Mexico, Californië en het gebied van de Platte rivier (Wyoming, +Colorado, Nebraska) bewoont, wordt ongeveer 20 cM. lang, is aan de +bovenzijde bruinachtig vleeschkleurig, aan de onderzijde witachtig. + + + +Van het geslacht der Wormhagedissen (Amphisbaena) zijn tegenwoordig +27 soorten bekend, die in de tropische gewesten van Afrika en Amerika +leven. Een der meest bekende, de Ibijara der Brazilianen (Amphisbaena +alba), heeft een lengte van 52 cM., waarvan 2 cM. op den kop en 5 +cM. op den staart komen. De bovendeelen zijn glanzig geelbruin, de +zijden lichtgeel, de onderdeelen geelachtig wit; de kop is lichter +gekleurd dan de rug. Haar wetenschappelijke naam alba (= wit) kreeg +deze soort naar de verbleekte exemplaren onzer musea. + +De Wormhagedissen leven in den grond en vertoonen zich uitsluitend +'s nachts en bij donker weer aan de oppervlakte. Hare gewone +verblijfplaatsen zijn de nesten van Termieten en Mieren, welker +larven zij verslinden. In Suriname heeten zij daarom "Mierenkoningen", +aan den Amazonenstroom "Mierenmoeders", terwijl men ze in de overige +landen van Amerika "Tweekoppige Slangen" noemt. In sommige oorden, +vooral in het binnenland van Zuid-Amerika, schijnen zij veelvuldig +te zijn; wegens haar vreemdsoortige levenswijze blijven zij echter +licht onopgemerkt, zoodat men van haar aantal, haar aard en hare +werkzaamheden geen juiste voorstelling verkrijgt. De bewoners van +de oeverlanden van den Amazonenstroom en ook andere Zuid-Amerikanen +zeggen, dat de Wormhagedissen door de Mieren verzorgd en gevoederd, +kortom met de meeste voorkomendheid behandeld worden. Volgens +hun meening zouden, zoodra de bedoelde Hagedissen een mierennest +verlaten, ook de bouwmeesters van deze woning uittrekken en zich in +alle richtingen verstrooien. Waarschijnlijk is het er net andersom +mede gesteld: de Wormhagedissen volgen vermoedelijk de Mieren, +wanneer deze zich genoopt zien haar nest prijs te geven. + +De bewegingen van deze dieren zijn vreemd; dit zal wel aanleiding +gegeven hebben tot de in Zuid-Amerika algemeen heerschende meening, +dat zij voor- en achteruit kunnen kruipen. "De exemplaren, die ik +gevonden heb," zegt de Prins Von Wied, "bewogen zich nagenoeg niet, +tenzij men ze aanstootte, en kropen dan ongeveer als Wormen over den +grond, hetgeen als een bewijs voor de zwakheid van hun gezichtsvermogen +kan gelden." Het langzaam kruipen belet hen niet, behendig in den +grond door te dringen, waarbij het groote snuitschild hun belangrijke +diensten schijnt te bewijzen. + + + +Van de familie der Ringhagedissen werden tot dusver op het oostelijk +halfrond weinige vertegenwoordigers aangetroffen. Een daarvan, de +Grauwe Networmhagedis (Blanus cinereus), wordt 22 cM. lang en heeft +een grijsbruinachtige kleur; zij kenmerkt zich door den vorm van +de schilden op den kop en den betrekkelijk langen, kegelvormigen +staart. Zij werd in Spanje, Portugal, Marokko en Algerië gevonden +en leeft onder de aardoppervlakte, vooral onder steenen en in +mierenhoopen. Aanvankelijk zou men dit dier licht voor een Regenworm +kunnen houden; zijn ware aard blijkt, wanneer het zich beweegt, daar +dit niet door samentrekking en uitzetting van het lichaam, maar door +zijdelingsche kronkelingen geschiedt. Het voedt zich hoofdzakelijk +met kleine Duizendpooten. + + + +De Echte Hagedissen (Lacertidae) hebben een langwerpig rolvormigen +romp; de grenzen tusschen kop en hals vallen duidelijk in 't oog; +de spits eindigende, brooze staart is zeer lang; de vier ledematen +zijn alle met vijf teenen voorzien. Het trommelvlies is uitwendig +zichtbaar; de oogleden zijn goed ontwikkeld en kunnen meestal bewogen +worden. De opperhuid vormt op den kop beenharde, veelhoekige schilden, +op den rug en de zijden korrelige schubben (nooit gesteund door +in de lederhuid gevormde beenplaten), op den buik overlangsche en +dwarse reeksen van vierhoekige schilden. Kegelvormige, holle tanden +met twee- of driespitsige kroon zijn in een groeve van de boven- +en onderkaaksbeenderen vastgegroeid; de tong is plat en gevorkt, +d. w. z., loopt in twee spitsen uit. + +Alle echte Hagedissen zijn bewoners van de Oude Wereld; ook in Europa +worden zij door vele soorten vertegenwoordigd. Met uitzondering +van den Hazelworm, behooren alle inheemsche Hagedissen tot deze +familie. In Zuid-Europa is het aantal soorten veel grooter; vooral +Afrika is er rijk aan. De weinige soorten, die Oost-Azië bewonen, +munten uit boven hare verwanten door haar merkwaardige snelheid van +beweging en de buitengewone lengte van den staart, welke het vier- +of vijfvoud is van de lichaamslengte. In 't geheel heeft men ongeveer +100 soorten beschreven, die over 17 geslachten verdeeld zijn. Voor +ons doel zal een beschrijving van de drie inheemsche en van twee +Zuid-Europeesche soorten voldoende zijn. + + + +De inheemsche Hagedissen kiezen hellingen van zonnige heuvels, +muren, steenhoopen, ruimten onder boomwortels, heggen, omheiningen +en struikgewas, zonnige weiden, enz. tot verblijfplaats, graven hier +een hol of maken gebruik van een reeds in den grond aanwezig gat; +zelden verwijderen zij zich ver van dit middelpunt van hun gebied. "Een +eigenaardigheid, die de Hagedissen met zeer veel lagere dieren gemeen +hebben," zegt Leydig, "is haar innige gehechtheid aan het plekje +grond, waar zij ter wereld kwamen. Men zal in streken, die men door +herhaald bezoek goed kent, opmerken, dat de Hagedissen zich jaar +op jaar aan bepaalde oorden houden, zonder zich te verbreiden over +omgevende terreinen, die oogenschijnlijk even goed voor haar geschikt +zijn. Verhuizingen komen eerst dan voor, als het geboorte-oord geen +ruimte genoeg meer aanbiedt." + +Bij warm weder vindt men de Hagedissen buiten haar woning; bij +voorkeur liggen zij op een zonnige plek op de loer; hare fonkelende +oogen waren rond naar allerlei buit, vooral vliegende Insecten; +op koele en regenachtige dagen houden zij zich verborgen in hare +holen. Zij zijn in de ware beteekenis van 't woord afhankelijk van +de zon, vertoonen zich, als deze aan den hemel staat en verdwijnen, +zoodra zij zich verbergt. Om zich in de zon te koesteren zoeken zij +steeds de plaatsen uit, die het best toegankelijk zijn voor de warmte +en klimmen daarom bij boomstammen, palen en dergelijke voorwerpen +omhoog. Door de ribben op te lichten en hiermede de huid uit te +spannen, verbreeden zij den romp en maken hem zoo plat mogelijk, als +om geen enkele straal van het levenwekkende hemellichaam verloren te +laten gaan. Hoe feller de zon schijnt, des te duidelijker openbaren +zich haar bedrijvigheid en haar moed. In de morgen- en avonduren zijn +zij soms traag en bijzonder zachtmoedig; op het midden van den dag +merkt men bij haar niet slechts een buitengewone levendigheid, maar +dikwijls ook moed op; soms zelfs zoeken zij ruzie. Hoe meer het einde +van den herfst nadert, des te langer blijven zij in hare holen. Hier +te lande betrekken zij in het begin van October hare winterkwartieren, +die zij niet voor den aanvang van de lente verlaten. + +De tijd, waarin zij haar winterslaapplaats opzoeken, hangt niet +slechts af van de door haar bewoonde landstreek, maar is ook voor +verschillende soorten ongelijk en loopt ook uiteen in verband met +leeftijd en sekse: de oude mannetjes verdwijnen in den herfst eerder +dan de oude wijfjes en deze weer eerder dan de jongen. Daarentegen +verschijnen in 't voorjaar de laatstgenoemde het eerst; op hen volgen +de mannetjes, zoodat de wijfjes het laatst voor den dag komen. In +het winterkwartier zijn zij meestal gezellig bijeen; zij liggen er +bewegingloos, met gesloten oogen, doch met geopenden bek, herleven +echter, zoodra men ze verwarmt, beginnen zich te bewegen, te ademen, +openen de oogen en worden langzamerhand geheel wakker. + +Bijna alle Hagedissen dragen aanmerkelijk bij tot verfraaiing van +de landstreek, die zij bewonen. In ons vaderland bemerkt men hiervan +niet veel, reeds in Zuid-Europa echter spelen zij in het landschap een +niet onbelangrijke rol. Haar talrijkheid blijkt uit het geschuifel en +geritsel, dat men hier overal hoort; zij verlevendigen iederen muur, +iedere straat, bijna iederen weg. Een werkelijk schitterende pracht +bekoort het oog, wanneer het deze fraai gekleurde, glinsterende dieren +in de middaguren, als haar levenswerkzaamheid de grootste hoogte +heeft bereikt, schijnbaar spelend ziet ronddartelen. Als een snoer +van edelgesteenten kronkelt zich, volgens Erhard, het slangvormige +lichaam van de Smaragdhagedis, dat met de kleur en den glans van +koper, brons en goud prijkt, door de tusschenruimten der twijgen en +bladen van de vijgen- en karoebenboomen der overigens zoo stille +en eentonige Cycladen. In welk ander oord van het zuiden men ook +vertoeft, overal flikkert van het sierlijke schubbenkleed der daar +levende soorten van Hagedissen de glans van juweelen den bezoeker te +gemoet. In welwillendheid en bewondering verandert weldra het angstige +gevoel, dat aanvankelijk door het geritsel en geschuifel dezer dieren +bij vreesachtige personen werd opgewekt. Zelfs wanneer men nog geen +kennis heeft gemaakt met de aantrekkelijke inborst en verrichtingen +dezer Reptiliën, zal men genegenheid voor hen opvatten. + +Alle Echte Hagedissen zijn vlugge, wakkere, levendige, met fijne +zintuigen begaafde en betrekkelijk schrandere dieren. Als zij zich +niet in de zon koesteren, doorkruisen zij gaarne het door haar +bewoonde gebied, kortom zij zijn steeds bezig. Duidelijk openbaren +zij dan de veelzijdigheid van haar bewegingsvermogen. Alle kunnen +uiterst vlug loopen, behendig klimmen en, zoo noodig, ook zonder +merkbare inspanning zwemmen; de vaardigheid, welke zij bij ieder +van deze verrichtingen toonen, is echter bij de eene soort en +de andere zeer verschillend. Zoo lenig hare gewrichten zijn, zoo +voortreffelijk ontwikkeld zijn hare zintuigen. De levendigheid van +de oogen getuigt van een scherp gezicht; het vermogen om te hooren +is zoo goed, dat reeds het geringste gedruisch haar aandacht trekt; +een fijn gevoel blijkt uit haar voorkeur voor een warm plekje, een +uitmuntend tastvermogen uit het voortdurend uitsteken en terugtrekken +van de tong. Dit orgaan schijnt echter bovendien nog gevoelig voor +smaakprikkels; alle Echte Hagedissen zonder uitzondering houden +veel van zoete vruchtensappen, honig of suiker en onderscheiden +deze lekkernijen zeer goed van ander voedsel; hierbij bewijst echter +ook de reukzin goede diensten. Geëvenredigd aan de volkomenheid van +hare zintuigen is ook de ontwikkeling van hare geestvermogens. Wat +het verstand betreft, staan zij stellig bij geen ander lid van haar +klasse ten achter; maar overtreffen ook in dit opzicht de meeste van +hare verwanten. + +De Hagedissen zijn flinke roovers. Zij maken ijverig jacht op Insecten, +Regenwormen en Landslakken, overvallen soms kleine Gewervelde Dieren, +plunderen nesten uit en verslinden o.a. ook eieren van andere Kruipende +Dieren. Spinnen lusten zij gaarne; gretig verslinden zij Naakte +Tuinslakken; minder begeerig zijn zij naar Regenwormen. Vlinders, +Krekels, Sprinkhanen, Kevers en hunne larven schijnen haar +lievelingskost te zijn. Zij maken echter wel degelijk verschil +tusschen de eene soort en de andere, al gelijken beide zooveel op +elkander, dat een ongeoefend mensch het onderscheid niet opmerkt. In +den gevangen staat geraken de meeste soorten gewend aan rauw vleesch, +mierenpoppen en ei, sommige ook aan vruchten; ook dan echter geven +zij aan levende dieren de voorkeur boven ieder ander voedsel. Zij +vatten haar slachtoffer plotseling aan, dikwijls na een grooten sprong, +kneuzen het met de tanden en slikken het daarna langzaam door. Groote +Insecten grijpen zij met den bek en bedwelmen hen door langdurig heen +en weer schudden; soms laten zij haar prooi dan een oogenblik los, +kijken er naar en vallen er op nieuw op aan. Naar Reptiliën-aard +vervolgen, dooden en verslinden zij ook hare eigene jongen zonder +mededoogen. Op warme, zonnige dagen drinken zij veel; dit geschiedt +door de tong langzaam, maar vele malen achtereen in de vloeistof te +doopen. Gretig en met blijkbaar genot slikken zij honig en suiker op +en verorberen het sap van zoete vruchten, waaruit misschien valt af +te leiden, dat zij in de vrije natuur vruchten niet geheel versmaden. + +In de lente, kort na het verlaten van het winterverblijf, ontwaakt in +haar de aandrift tot voortplanting; de mannetjes zijn dan buitengewoon +strijdlustig; vol woede vervolgt het sterkere dier het zwakkere, heft +den romp zoo hoog mogelijk op door het strekken der stijf gehouden +pooten en doet met naar onderen gerichten kop een aanval op zijn +tegenpartij; deze ziet den vijand een tijdlang aan, om vervolgens, +zoodra hij zich overtuigd heeft van diens meerdere sterkte, zijn +heil in de vlucht te zoeken. De aanvaller snelt den vluchteling met +den grootst mogelijken spoed na en is soms zoo toornig, dat zelfs +het wijfje, wanneer het hem in den weg komt, gevaar loopt gebeten +te worden. Den vluchteling tracht hij bij den staart te pakken; een +verminking van dit lichaamsdeel wordt bij de Hagedissen dikwijls +opgemerkt. Ongeveer 4 weken na de eerste paring, gewoonlijk des +nachts, legt het wijfje 6 à 12 eieren; deze hebben de grootte van +boonen, zijn langwerpig rond en vuilwit van kleur. De wijze waarop de +eieren verborgen worden, hangt van de plaatselijke omstandigheden af; +dikwijls dient hiervoor een zonnig plekje in het zand of tusschen de +steenen; soms worden de eieren in het mos gelegd of in de woningen +van de groote zwarte Mieren, die het haar toevertrouwde pand niet +aanraken. De jongen komen in het midden van den zomer uit de eischaal +te voorschijn, zijn dadelijk even vlug van beweging als hunne ouders, +vervellen nog in den herfst van het eerste levensjaar en zoeken daarna +een schuilplaats op voor hun winterslaap. + +De oude dieren vervellen in den loop van den zomer herhaaldelijk; dit +geschiedt op onbepaalde tijden; hoe dikker, grooter en beter gevoed +zij zijn, des te vaker heeft de vernieuwing van de opperhuid plaats. + +Van Hagedissen in de kooi kan men veel genoegen smaken; ieder die +zich met deze dieren bemoeit, wint reeds na weinige dagen, wel is +waar niet hun genegenheid, maar toch hun vertrouwen. Aanvankelijk +vluchten zij bij de komst van hun verzorger angstig naar den meest +verborgen hoek van hun kooi; later steken zij nieuwsgierig het +kopje buiten hun toevluchtsoord en kijken naar den verstoorder +van hun rust; eindelijk gaan zij bij diens komst niet meer op den +loop, laten toe, dat hij hen aanraakt en streelt, en nemen hem het +hun voorgehouden voedsel behendig en netjes tusschen de vingers +weg. Sommige exemplaren, die op gevorderden leeftijd gevangen zijn, +worden trouwens nooit tam. Een vermakelijk schouwspel verschaft men +zich door aan verscheidene Hagedissen slechts één enkelen, langen Worm +te geven; zij trachten dan elkaar den buit te ontstelen, vatten dezen +op verscheidene plaatsen te gelijk aan en scheuren hem heen en weer, +totdat hij breekt, of de eene hem de andere uit den bek rukt. + + + +Het typische geslacht der Halsbandhagedissen (Lacerta) heeft de +volgende kenmerken: De meer of minder slanke romp is rolvormig of een +weinig van boven naar onderen samengedrukt; de piramidevormige kop +heeft loodrecht benedenwaarts gerichte zijvlakken; de hals is ongeveer +zoo lang als de kop en niet zeer duidelijk begrensd; de staart is +steeds langer dan de romp, slank kegelvorming, dikwijls zeer lang, dun +en spits. De bekleeding bestaat op den kop en den buik uit schilden, +overigens uit schubben, die op den romp ringsgewijs gerangschikt zijn, +aan den staart kransen vormen, aan den hals zich door buitengewone +grootte onderscheiden en tot een ringkraag vereenigd zijn. De vijf +teenen zijn zeer verschillend van lengte en dragen sikkelvormige +zijdelings samengedrukte klauwen, die aan de onderzijde een groeve +vertoonen. + + + +In het zuidwesten van Europa leeft de grootste soort, tevens een +van de prachtigste leden der geheele orde: de Parelhagedis (Lacerta +ocellata). Zij bereikt een lengte van 41 à 61 cM. De schubben zijn +bij haar aanmerkelijk kleiner dan bij de overige leden van haar +geslacht. De kop is van boven bruinachtig en met schilden bedekt; de +zijden van den kop zijn groen; de rug is op donkeren grond zoo dicht +bezaaid met groene of geelachtige, dooreengekronkelde lijnen, dat de +lichte kleur dikwijls de overhand heeft; iedere zijde is bovendien met +ongeveer 25 blauwe, zwart gezoomde vlekken geteekend, hieraan dankt +deze soort haar naam; het onderlijf is effen licht geelachtig groen; +alle overige lichaamsdeelen zijn meer of minder levendig groen of +groengrijs. De jonge dieren verschillen van de oude door hun somber +olijfbruine kleur en de talrijkheid van de witte of blauwachtige, +zwart gezoomde oogvlekken. + +De Parelhagedis bewoont het Iberische schiereiland, maar komt ook +voor in het zuiden van Frankrijk en aan de noordwestkust van Afrika; +haar verbreidingsgebied strekt zich noordwaarts even ver uit als dat +van den olijfboom. In Zuid- en Middel-Spanje is zij overal gemeen. + +Haar voedsel stemt nagenoeg overeen met dat der inheemsche Hagedissen; +wegens haar aanzienlijke grootte maakt zij echter bij voorkeur jacht +op grootere dieren, vooral op andere Hagedissen, jonge Slangen en +Muizen; bovendien eet zij druiven, versche vijgen en andere zoete +vruchten. "Als zij een buit bemerkt", zegt Schinz, "blijven hare +vurige blikken onafgebroken gericht op het slachtoffer, dat met +groote snelheid besprongen, met de tanden gegrepen en vervolgens door +het hevig schudden van den kop eenige malen heen en weer geslingerd +wordt; daarna glijdt het gevangen en gekneusde dier langzaam door den +slokdarm. Vervolgens lekt zij zich in hoogst genoegelijke stemming den +bek af met de tong, gelijk een Kat doet na het drinken van melk". Duges +heeft haar ook Vogels en Kruipende Dieren, ja zelfs leden van haar +eigen soort zien verslinden. + +De Parelhagedis wordt, daar zij zich goed verweren kan, door minder +vijanden bedreigd dan hare kleinere verwanten. Hare gevaarlijkste +tegenstanders zijn de Roofvogels, vooral de Slangenarend en de +Buizerden, die bij dit bedrijf ook de Raaf tot concurrent hebben. De +Spanjaarden houden de Parelhagedis voor vergiftig, zijn bespottelijk +bang voor dit dier en toonen vaker dan wenschelijk is, hun vrees door +het te dooden. + + + +De Smaragdhagedis of Groene Hagedis, de Grüneder der Duitsche +wijnbouwers, de Gruenz der Tirolers (Lacerta viridis), komt in ons +vaderland niet voor, maar neemt onder de in Duitschland levende +soorten den eersten rang in door haar grootte en schoonheid. Zij +bereikt bij onze buren een lengte van 30, in Zuid-Europa van 43 cM. De +levendige, dikwijls iriseerende, groene kleur van het mannetje vertoont +verschillende tinten, die van blauwachtig groen door smaragdgroen tot +seladongroen afwisselen, en gaat op de onderdeelen in groenachtig +geel over. Zwarte stippels, die zich op den kop soms tot vlekken +vergrooten, versieren de bovenzijde; de onderzijde daarentegen is +(met uitzondering van de keel en de onderkaak, die dikwijls blauw +zijn) steeds effenkleurig. Het wijfje komt niet zelden in kleur +met het mannetje overeen, heeft dikwijls ook een blauwe keel, maar +overigens in den regel een meer of minder naar bruin zweemend kleed, +dat aan de zijden met geelachtige, zwart gezoomde, op overlangsche +reeksen geplaatste vlekken prijkt. + +De landen ten oosten en ten noorden van de Middellandsche zee moeten +als het vaderland van de Smaragdhagedis beschouwd worden. Zij is +in Portugal en Spanje veelvuldig, komt in Frankrijk voor tot bij +Parijs, bewoont Italië, met uitzondering van het eiland Sardinië, +voorts het zuiden en westen van Zwitserland en het zuiden van Tirol; +zij is op het Balkan-schiereiland een van de algemeenste soorten, +bewoont eveneens het Donaugebied en Zuid-Rusland, Perzië zoowel als +Kaukasië, Klein-Azië, Syrië en Palestina; in geringen getale vindt +men haar bovendien hier en daar in Duitschland en Oostenrijk. + + + +De eenige soort, die algemeen in ons land voorkomt en daarom Gewone +Hagedis wordt genoemd (Lacerta agilis), bereikt een lengte van +hoogstens 25, meestal slechts van 20 of 21 cM., waarvan ongeveer de +helft op den staart komt. Haar kleur kan zeer uiteenloopen. "Het +mannetje is gewoonlijk aan de rugzijde bruinachtig met twee +lichtgele strepen en eenige rijen zwarte vlekken, aan de buikzijde +groenachtig. De rug van het wijfje is gewoonlijk ook bruinachtig, +maar deze kleur gaat op de zijden in blauwgrijs over, terwijl de +buikzijde groengeel of zelfs zuiver geel is. Ook bij 't wijfje is de +rugzijde met zwarte vlekken geteekend; over 't midden van den rug +loopt een zwarte streep, die zich voortzet op den staart, waar zij +aan weerskanten vergezeld wordt door twee andere zwarte strepen" +(Ritzema Bos). Bij sommige exemplaren is de kleur met meer groen +gemengd; in Duitschland heeft men mannetjes van deze soort gevonden, +die, wat kleur en teekening betreft, op de Smaragdhagedis geleken. + +De gewone Hagedis (die soms ook Zandhagedis, in de Hollandsche +duinstreken Eidas, in Gelderland en Overijsel meestal Everdas, +in het land van Kuik Egetis wordt genoemd) bewoont Noord-, Middel- +en Oost-Europa, van de Alpen tot het zuiden van Engeland en Zweden, +van den Kaukasus tot aan de Finsche Golf en westwaarts tot aan het +midden van Frankrijk. Hellingen van zonnige heuvels, vooral als +zij met kreupelhout begroeid zijn, heiden, steenglooiïngen, heggen, +woudzoomen, randen van wegen en vooral spoordammen zijn hare meest +geliefde verblijfplaatsen; zij ontbreekt echter ook niet op schrale +weiden en in niet al te vochtige moerassen; zij vestigt zich overal, +waar zij op buit kan rekenen. Bij ons vindt men haar in alle droge, +zandige streken, zoowel op diluvialen zandgrond als in de duinen, +het meest daar, waar kreupelhout groeit. + +Met graagte verslinden deze Hagedissen Vlinders, vooral Witjes; zij +bewijzen hierdoor den tuinman een dienst. Boettger verhaalt, dat zijne +tamme Hagedissen, terwijl hij voor haar Witjes ving in den tuin, hem +met hare blikken volgden en alle met opgeheven kop, aan de naar hem +toegekeerde zijde van de kooi, om voedsel bedelden. Om de Vlinders +te grijpen, die hij haar toestak door de mazen van het draadnet, +waarmede de kooi bedekt was, sprongen zij omhoog als Honden. De +Gewone en Kleine Hagedis bewonen nooit hetzelfde oord, zooals licht +verklaarbaar is voor ieder, die waargenomen heeft, hoe fel gene op +de jongen van deze jacht maakt. + +Onder de bijna tallooze vijanden van de Gewone Hagedis en van hare +kleinere verwanten verdienen de Gladde Slang en de Adder misschien +wel den voorrang. Verscheidene soorten van Marters, Valken, Raven, +Eksters, Vlaamsche Gaaien, Klauwieren, Huishoenderen, Kalkoenen, +Pauwen, Ooievaars en Eenden maken eveneens jacht op haar en verslinden +haar, oogenschijnlijk met smaak. + +De Kleine Hagedis (Lacerta vivipara) komt in ons vaderland zelden +voor. Zooals reeds gezegd werd, ontmoet men haar nooit in oorden, +waar de Gewone Hagedis zich ophoudt. Bij Arnhem, bij Leiden en bij +Nijmegen werd zij in bosschen onder droge bladen gevonden. Haar lengte +bedraagt 15 à 18 cM., waarvan 10 à 11 cM. op den staart komen. De kop, +de romp en de teenen zijn bij haar een weinig tengerder en fijner +gebouwd dan bij de Gewone Hagedis. De donkerbruine grondkleur van de +rugzijde kan in leikleur overgaan, doch vormt steeds donkerder strepen +op het midden van den rug en op iedere zijde. De onderzijde is op +bruinachtig of blauwachtig grijzen, geelachtig witten, safraangelen of +steenrooden grond zwart gestippeld of gevlekt; de keel is blauwachtig, +niet zelden echter rozerood. + +Het verbreidingsgebied van de Kleine Hagedis omvat verreweg het +grootste deel van Noord- en Middel-Europa en strekt zich bovendien uit +over geheel Noord-Azië tot aan den Amoer en het eiland Sachalin. Bij +voorkeur houdt zij zich op in de nabijheid van water, in bergstreken +daarom in vochtige kloven, bij bergbeken, bij of in kanalen tot +het afleiden van het water, in dalen echter op vochtige weiden, +in moerassen en bij dammen. + +Den naam vivipara (levendbarend) ontleent deze soort aan de plaats waar +hare jongen zich soms ontwikkelen; soms n.l. verlaten zij de eischaal +reeds vóór de geboorte, meestal echter kort daarna. In Zuid-Duitschland +geschiedt dit gemiddeld in het einde van Juli en altijd 's nachts; +het aantal jongen bedraagt 8, hoogstens 10; nog door de eischaal +omgeven komen zij met tusschenpoozen van 2 minuten ter wereld en +zijn een half uur later er in geslaagd zich te bevrijden. De moeder +bekommert zich volstrekt niet om hen, maar loopt weg, zoodra zij het +laatste ei gelegd heeft. De jongen groeien schielijk; die, welke bij +de geboorte 15 mM. lang waren, hadden na 20 dagen reeds een lengte van +27 mM. Leydig voedde ze met Bladluizen, die gretig verslonden werden. + +Nog zeldzamer dan de vorige soort is bij ons de even sierlijke als +behendige Muurhagedis (Lacerta muralis), die op droge, steenachtige, +zonnige plaatsen leeft en enkele malen nabij Nijmegen aan den voet +der walmuren, aan de randen van grindkuilen en greppels op de heide; +bovendien in en bij Groningen aan muren gevonden werd. In Zuid-Italië +bereikt deze soort een lengte van 20 à 24 cM.; in de noordelijke landen +wordt zij slechts 18 à 19 cM. lang. Van hare verwanten onderscheidt +zij zich zoo duidelijk door de slankheid van den romp, den langen +kop met smallen snuit en den zeer spitsen staart, waarvan de lengte +meer dan de helft van de totale lengte bedraagt, dat het bijna niet +mogelijk is haar met een van deze te verwarren. Volgens Leydig is de +grondkleur van den rug bij de in Duitschland gevangen exemplaren bruin +of groen; bij goede verlichting, vooral in 't zonlicht, vertoonen zij +duidelijk een bronsgroenen weerschijn; voorts kan men er een donkerder, +reeds bij den kop beginnende zijdestreep en een uit vlekken of wolkjes +bestaande teekening aan waarnemen. De grensscheiding tusschen zijde en +buik wordt aangewezen door een overlangsche reeks van blauwe vlekken; +de kleur van den buik is meer of minder donkerbruin en wisselt af van +melkwit door geel tot koperrood; soms is zij effen, dikwijls echter +met wolkjes of vlekken geteekend. Van deze soort komen talrijke +kleurverscheidenheden voor. + +De Muurhagedis wordt in alle landen, die de Middellandsche Zee omgeven, +zoo niet veelvuldiger dan iedere andere soort van haar familie, +dan toch buitengewoon talrijk en overal gevonden. Van Zuid-Europa +uit heeft zij zich, naar 't schijnt, langzamerhand over 't midden +van ons werelddeel verbreid. + +Hare bewegingen en gewoonten, haar aard en levenswijze komen nog +het meest met die van de Smaragdhagedis overeen. Al hare bewegingen +geschieden plotseling, veel vlugger en behendiger dan die van hare +inheemsche verwanten, maar zijn toch niet onbevallig. Voor een +Reptiel is haar verstand opmerkelijk groot; zij toont dit duidelijk +bij iedere gelegenheid door een juiste beoordeeling van den mensch +en van de omstandigheden, waarin zij verkeert: inniger dan eenige +andere soort komt zij met den mensch in aanraking; de ervaring leert +haar, in welke gevallen zij den mensch vertrouwen kan, en wanneer +niet. Toch laat ook zij zich soms op een bijna onbegrijpelijke wijze +verschalken. Eimer leerde, toen hij niet naar wensch slaagde bij de +vangst van Muurhagedissen, die op Capri zeer veelvuldig, maar ook zeer +schuw zijn, van de knapen van dit eiland een bijna nimmer falend middel +om deze vlugge en behendige dieren in handen te krijgen. Hiervoor +is niets anders noodig dan een lange grashalm, welks dunste uiteinde +tot een strik wordt vervormd, die zóó met speeksel wordt bevochtigd, +dat dit als een dun plaatje de opening van de lus vult. Bij 't zien +van de Hagedis gaat de jager op den grond liggen of zitten, brengt +in deze houding zoetjes aan de strik nader bij het diertje en houdt +het eindelijk met ver uitgestrekten arm de lus vlak voor den kop. De +Hagedis blijft als betooverd staan en kijkt verwonderd naar het +onbekende voorwerp; uit nieuwsgierigheid laat zij haar beschroomdheid +varen en volgt den achteruit bewogen strik, die plotseling haar +over den kop geworpen en toegetrokken wordt. Eimer, die aanvankelijk +meende, dat het bonte kleurenspel van het speekselplaatje of het zien +van haar spiegelbeeld de Hagedis aanlokte, bemerkte later, dat het +dier zich ook wel laat verschalken door een strik zonder dergelijk +toevoegsel. Met schitterend succes werd zijn jacht bekroond, toen hij +na deze ontdekking bij latere uitstapjes gebruik maakte van de hulp +van knapen, die in deze wijze van vangst ervaren zijn. Een tot heden +gespaard, prachtig beeld uit ouden tijd (de Sauroktonos) bewijst, +dat deze verrassende kunstgreep niet nieuw is; zij was reeds voor +2000 jaar aan de Zuid-Italiaansche knapen bekend. + + + +De Skink- of Woelhagedissen (Scincidae) vormen een zeer soortenrijke +familie, waarin niet minder verscheidenheid van gestalte wordt +waargenomen dan in die der Teju- en Gordelhagedissen; ook hier vindt +men door het rudimentair worden der ledematen en de verlenging van den +romp allerlei overgangen van den typischen Hagedis-vorm tot dien der +Slangen. De pooten zijn, voorzoover aanwezig, steeds kort. Regelmatige +schilden bekleeden den kop, gelijksoortige schubben den rug, den buik +en de zijden. Een zijdegroeve is hier niet aanwezig. + +De Skinkhagedissen bewonen alle werelddeelen van de uiterste grenzen +van den gematigden gordel tot aan den evenaar; zij zijn vooral in +Australië, op de Zuidzee-eilanden, in Oost-Indië en in Afrika talrijk, +in Europa en Amerika daarentegen schaars vertegenwoordigd. + + + +Kleine Woelhagedissen, welker doorzichtige oogleden onbeweeglijk en +met elkander vergroeid zijn, zoodat zij, als die der Slangen, bij +wijze van een horlogeglas het oog bedekken, vormen het geslacht der +Naaktoogigen (Ablepharus), welks vertegenwoordigers in de tropische en +zuidelijke landen van Afrika, Australië en Zuidwest-Azië, maar ook in +Zuidoost-Europa leven; één soort heeft een zeer ongewone verspreiding, +daar zij de tropische gewesten van beide halfronden bewoont. + +Vermelding verdient vooral de Sint-Jans-hagedis (Ablepharus +pannonicus), omdat zij tot in Hongarije aangetroffen wordt. Dit +aardige diertje heeft een langwerpig rolvormigen romp, die zoomin van +den hals als van den langen, ronden, langzamerhand dunner wordenden +staart duidelijk gescheiden is; de voorste ledematen zijn ver van +de achterste verwijderd en korter dan deze; het kleed bestaat uit +tamelijk gelijksoortige, gladde schubben. De bovenzijde is grootendeels +bronskleurig olijfbruin, op 't midden van den rug dikwijls met twee +zwarte, overlangsche lijnen geteekend; de zijden van het lichaam zijn +iets donkerder; een zwartachtige, aan weerszijden lichter gezoomde +streep begint bij het neusgat, loopt door tot achter het oog en +zet zich achterwaarts voort als een langzamerhand flauwer wordende, +donkere zijdestreep; de onderzijde is groenachtig zilverkleurig. Van +de lengte, die 9 à 11 cM. bedraagt, komt juist de helft op den staart. + +De Sint-Jans-hagedis wordt vooral in Hongarije en hier meer +bepaaldelijk op met kort gras begroeide hellingen gevonden; zij komt +echter ook in andere landen van Zuidoost-Europa, bijvoorbeeld in +Griekenland en Turkije, voorts in Klein-Azië, Syrië en Noord-Arabië +voor, zeer zeker veelvuldiger dan men gewoonlijk veronderstelt. In +het Stadsboschje te Pest en aan de hellingen van de Vestingbergen +van Ofen moet zij niet zeldzaam zijn. + + + +Eén Woelhagedis--de Skink (Scinus officinalis), de Adda der +Arabieren--heeft zich in den ouden tijd een grooten roem verworven +en heeft dezen lang weten te behouden. Bijna alle lichaamsdeelen van +dit dier werden als wonderdadige geneesmiddelen beschouwd, die bij +alle mogelijke ziekten een gunstige werking heetten te oefenen. Als +natuurlijk gevolg van deze meening, die thans ook nog bij enkele +Mahomedanen bestaat, werden de bedoelde diertjes zoo ijverig mogelijk +vervolgd en bij duizenden gevangen. Een drukke handel werd gedreven met +hunne gedroogde of tot asch verbrande lichamen. Met dat al weten wij +slechts weinig van hun levenswijze. Terwijl de andere leden van dit +geslacht over de steppen en woestijnachtige Gewesten van Senegambië, +Noord-Afrika, Arabië, Perzië en Sind verbreid zijn, bewoont de gewone +Skink de Sahara en de woeste gewesten langs de oevers van de Roode +Zee. In Egypte en Nubië is hij niet zeldzaam, in de Algerijnsche en +Tripolitaansche Sahara zeer veelvuldig. Ondanks zijn snellen gang zal +hij zich bij dreigend gevaar niet loopend trachten te redden, maar +onder het zand kruipen; dit geschiedt zoo wonderbaarlijk vlug, dat +hij reeds na weinige oogenblikken een afstand van verscheidene meters +onder den grond heeft afgelegd. Volgens de berichten der Arabieren +verslindt hij, behalve allerlei Insecten, niet zelden ook Schorpioenen. + +De Skink heeft een zeer gedrongen lichaamsbouw en korte ledematen. Alle +vier pooten dragen vijf ongelijk lange, van boven naar onderen plat +gedrukte teenen, die aan de zijden als 't ware met franjes bezet en tot +aan den oorsprong vaneengescheiden zijn. De bovenzijde is grijsgeel en +dikwijls met verscheidene dwarsbanden geteekend, die bij het levende +dier paars, na den dood bruin zijn. De onderdeelen zijn effen wit met +paarlmoerglans. In geheel volwassen toestand is deze Skink 21 cM. lang. + +In lengte en dikte komt de Koperslang, de Chalcis der Grieksche, de +Seps der latere Romeinsche schrijvers (Chalcides tridactylus), ongeveer +overeen met onzen Hazelworm; op eenigen afstand gezien gelijkt zij +er ook wel eenigszins op; bij nadere beschouwing kan men haar echter +onmiddellijk herkennen aan hare vier rudimentaire pootjes. De kop +wordt naar voren smaller en lager en eindigt in een stompen snuit; +de romp is rolvormig en zeer langwerpig; de staart neemt tot aan +zijn zeer fijne spits gelijkmatig in dikte af. Het lichaam is bedekt +met kleine, tegen de huid aangedrukte, glanzige schubben van fraaien +vorm, die op den kop door groote schilden vervangen worden en hier +een tamelijk groot middelschild omgeven. De bovendeelen zijn glanzig +bronskleurig bruin of zilverkleurig grijs, de onderdeelen witachtig +en paarlmoerglanzig. Volwassen exemplaren kunnen een lengte van 42 +cM. bereiken. + +De kustlanden van de Middellandsche zee, die door de Koperslang bewoond +worden, zijn Italië, Sicilië, Sardinië, Tunis en Algerië. In sommige +gewesten komt zij zoo talrijk voor, "als het verdroogde gras op het +land," naar Cetti zegt. Bij voorkeur houdt zij zich in vochtige +weilanden op, omdat zij hier het gemakkelijkst haar voedsel kan +verkrijgen, dat uit Gelede Dieren, kleine Naakte Slakken en Wormen +bestaat. + +Het volk beschouwt dit dier als een Slang, daar het op gelijke wijze +zich beweegt en om te rusten ineenkronkelt. De kleine pootjes, die +in dit geval onopgemerkt blijven, zijn echter niet nutteloos; bij +het kruipen zijn zij voortdurend in beweging. Meer dan hare verwanten +schuwt zij de koude; nog eerder dan de Schildpadden begeeft zij zich +naar haar winterkwartier; na het begin van October krijgt men haar +niet meer te zien; men kan haar dan alleen vinden door ter rechter +plaatse diep in den grond te graven. Niet voordat het werkelijk lente +geworden is, komt zij weder voor den dag en vangt haar zomerleven +aan. Zij brengt levende jongen ter wereld. + +Evenals onze Hazelworm heeft de Koperslang vele vijanden. Allerlei +Zoogdieren, Vogels en Reptiliën maken jacht op haar. Bij de talrijke +schaar van belagers, die haar verslinden, voegt zich uit vrees de +mensch, die ook thans nog deze onschuldige dieren voor zeer vergiftig +houdt en zich verplicht acht er zooveel mogelijk van te dooden. + + + + + +Tweede Onderorde: WORMTONGIGEN (Rhiptoglossa). + + +De onderorde van de Wormtongigen (Rhiptoglossa) omvat slechts één +enkele familie, die der Kameleons (Chamaeleontidae). Door den bouw +van den schedel verschillen zij aanmerkelijk van de leden der vorige +onderorde. Ook hun uiterlijk wijkt in belangrijke opzichten af van dat +der Hagedissen. Hun romp is smal, zijdelings zeer sterk samengedrukt, +het midden van den sterk gebogen rug verheft zich tot een scherpen, +overlangschen kam. De kop is piramidevormig naar boven uitgegroeid +of platgedrukt en draagt gewoonlijk een met kammen versierden +helm; de snuit is dikwijls door vreemdsoortige, beenige spitsen en +vliezige lobben verlengd. De hals is zoo kort, dat de groote kop +onmiddellijk op den romp schijnt te volgen. De pooten zijn lang, +mager, rolvormig en alle nagenoeg even lang; de korte teenen, ten +getale van vijf aan iederen poot, zijn tot aan het voorlaatste lid +door een gemeenschappelijke huid bedekt en zóó geplaatst, dat er +steeds twee tegenover de drie andere komen te staan; zij vormen dus +een soort van tang, die aan de binnenste oppervlakte met een korrelige +huid bekleed is en derhalve vast en stevig de twijg omklemt. De overal +even krachtige bevestiging van het lichaam aan de standplaats wordt +zeer bevorderd, doordat de teenen niet uitsluitend aan de buitenzijde +of alleen aan de binnenzijde, maar afwisselend aan deze en aan gene +zijde met hun drieën aan elkander verbonden zijn; aan de achterpooten +vormen de drie buitenste, aan de voorpooten de drie binnenste het +krachtigste blad van de tang. De pooten van de Kameleons zijn in +dit opzicht eenig in hun soort. De rolvormige, stevige staart is +een grijporgaan, neemt naar de spits zeer gelijkmatig in breedte en +dikte af en kan, van daar te beginnen, slakkehuisvormig ineengerold +worden. De buitenste huidlaag draagt, in plaats van schubben, kleine +korrelige verhevenheden, die door fijne plooien vaneengescheiden zijn; +deze inrichting laat een aanzienlijke uitzetting van de huid toe. + +Nog opmerkelijker dan de genoemde lichaamsdeelen schijnen, zelfs bij +oppervlakkige beschouwing, de oogen van den Kameleon. Zij worden +door dikke oogleden als door een doos omhuld en laten slechts een +zeer kleine, ronde opening voor de pupil vrij. Beide oogen zijn +in hunne bewegingen volkomen onafhankelijk van elkander, zoodat +b.v. het rechteroog naar voren of naar boven, het linker te gelijker +tijd naar achteren of naar beneden kan kijken. Door deze, bij geen +ander Reptiel voorkomende beweeglijkheid is de Kameleon in staat om, +ook zonder dat hij zich beweegt, den geheelen omtrek te overzien en +zijn buit op te sporen. + +Het inwendige samenstel van dit dier is niet minder merkwaardig dan +zijn uitwendig voorkomen en herinnert in vele opzichten aan dat van +de voorwereldlijke Dinosauriërs en van de Vogels. De zonderlinge, +voor de levenswijze van dit dier buitengewoon belangrijke tong +verdient een afzonderlijke beschrijving. In den toestand van rust +ligt zij teruggetrokken in de keelholte; bij het gebruik kan zij 10 +cM. ver en verder, althans over een grooteren afstand dan een halve +lichaamslengte, uitgestoken worden. Zoodra dit geschied is, heeft zij +de dikte van een ganzeschacht, blijkt bij het betasten elastisch te +zijn, laat zich slechts weinig samendrukken en ziet er in het midden +rood uit; een witte band bevindt zich aan weerszijden op ongeveer 2 +cM. afstand van de spits, nader bij deze ziet men voorts eenige aders, +die met bloed overvuld zijn. Door negen paar spieren, die zich van de +borstkas tot aan de hoornen van het tongbeen uitstrekken, wordt de tong +teruggetrokken. Uitgestoken wordt zij door de drukking van het bloed, +dat in hare vaten doordringt, maar niet door het inpersen van lucht, +gelijk men vroeger onderstelde. Deze bloedvaten vullen zich ongeveer +even snel als die van de wangen van een blozend mensch; de tong kan +dus onverwijld dienst doen. + +De zonderlinge gestalte en het ernstig voorkomen van den Kameleon, +die langzaam op hooge pooten komt aanstappen en plotseling met zijn +vreemdsoortig werktuig een prooi overmeestert, zijn wel geschikt om +de aandacht te trekken; zij hebben misschien aanleiding gegeven tot +den naam "Chamai-leoon" (= Kleine Leeuw) dien het dier reeds ten +tijde van Aristoteles droeg. Eerder dan aan deze eigenaardigheden +herinnert de naam Kameleon ons echter aan een ander verschijnsel, +dat reeds in overouden tijd de belangstelling van geleerden en leeken +wekte en hen ook thans nog boeit, n.l. aan de kleursveranderingen, +die dit dier ondergaat. Vroeger meende men, dat het zich iedere kleur +kon geven, die het verkoos, en o.a. overal die van zijn omgeving +aannam om zich voor zijne vijanden te verbergen. "Kameleon" noemt +men daarom een mensch, die door eigenbelang gedreven van meening +verandert; de Kameleon is het zinnebeeld geworden van oogendienst, +van de slaafsche onderworpenheid van vleiers en hovelingen. + +De kleur van het dier hangt af van tweeërlei cellen met gekleurden +inhoud (pigmentcellen), die in zijn huid voorkomen. Die van de eene +soort vormen de onderste lagen van de opperhuid en zijn grootendeels +wit, aan de buitenzijde echter meer of minder duidelijk geel. De +andere pigmentcellen, ook wel "chromatophoren" genoemd, komen over de +geheele dikte van de huid verspreid voor; zij zijn vertakt, wandloos +en sterk samentrekbaar; in den rusttoestand zijn zij ingekrompen en +worden wegens haar kleinheid niet opgemerkt. Onder den invloed van +de eerstgenoemde pigmentcellen vertoont de huid in dit geval een +witte of lichtgele kleur. Daar uiterst fijne zenuwvezeltjes met +de chromatophoren in gemeenschap staan en haar beweging regelen, +breiden deze cellen zich bij prikkeling van de huidzenuwen uit +en overdekken als 't ware met haar donkere kleurstof den lichteren +ondergrond. Al naar de graad van verwijding, die de cellen ondergaan, +en de eigenaardigheden van de haar bedekkende huidlagen is de tint, +die de huid op deze wijze verkrijgt, verschillend. Door opeenvolgende +verwijding en inkrimping der chromatophoren wisselt de kleur van +de huid af: sommige tinten komen te voorschijn, terwijl andere +verdwijnen. De kleur van den Kameleon kan varieeren van stroogeel tot +lichtgroen, donkergroen, olijfkleur, violet, donkerblauw en zwart. De +kleur van beide zijden kan gelijk zijn of ongelijk; er kunnen vlekken +optreden, rond of hoekig, dicht opeengedrongen of meer verstrooid, +al of niet tot dwarse of overlangsche reeksen vereenigd, donker op +lichten grond of licht op donkeren grond, kortom, het uitzicht van +het dier is aan groote afwisseling onderhevig. + +Men onderscheidt ongeveer 55 soorten van Kameleons, die alle het +oostelijk halfrond bewonen. Meer dan de helft van deze behooren thuis +op Madagaskar en de naburige eilanden, de andere helft in de heete en +gematigde gewesten van Afrika. Slechts één soort ontmoet men in het +gebied van de Middellandsche zee, een tweede op het eiland Socotora, +een derde in Zuid-Arabië en een vierde in Indië en op Ceylon. Voor ons +doel is het voldoende de soort, die o.a. ook in Europa aangetroffen +wordt, te beschrijven. + + + +De Gewone Kameleon (Chameleon vulgaris) kenmerkt zich door een +slechts voor de helft getanden, overigens gaafrandigen rugkam, door +het ontbreken van een (bij andere soorten van de kin tot den aars +reikenden) buikkam en door den driezijdigen, stomp piramidevormigen +helm op den achterkop; gelijksoortige, kleine schubben bekleeden +den romp, die van den kop zijn grooter. Van de totale lengte (24 +à 28 cM.) komt de helft op den staart. Het verbreidingsgebied van +deze soort strekt zich van Zuid-Spanje over een groot deel van het +kustgebied der Middellandsche zee uit: zij bewoont Andalusië, alle +landen van Noord-Afrika, van Marokko tot Egypte, voorts Arabië, Syrië, +Cyprus, Samos, Chios en Klein-Azië. + +Alle Kameleons houden zich uitsluitend op in gewesten, waar het van +tijd tot tijd regent, of iederen nacht sterk dauwt, zoodat zij te allen +tijde een hunner dringendste behoeften, die van water te drinken, +kunnen bevredigen. Hoog opschietende planten, boomen of struiken, +kunnen zij evenmin ontberen, want zij zijn volslagen boomdieren, die +slechts bij uitzondering op den bodem afdalen. Men ziet hen, gewoonlijk +in kleine troepen van 3 à 6 stuks, op een struik of in de kroon van een +boom zitten, zonder beweging, als waren zij aan den tak vastgegroeid; +met de vier klemvoeten en den staart houden zij zich aan een of meer +twijgen vast. Dagen achtereen bepaalt hun beweging zich tot het gaan +liggen op den tak, dien zij tot rustplaats kozen en het opstaan door +het strekken van de pooten; er moet iets bijzonders gebeuren om hen +te nopen niet slechts van stand, maar ook van plaats te veranderen. + +De Luiaard en ieder ander op boomen levend dier beweegt zich meer +en vaker dan de Kameleons, wanneer men de oogen en de tong buiten +rekening laat, want gene veranderen onophoudelijk van richting en deze +wordt uitgestoken, zoodra een buit binnen haar bereik komt. Geen der +overige Gewervelde Dieren loert met zooveel volharding op zijn buit +als de Kameleon; men zou hem in dit opzicht kunnen vergelijken met +de laagst ontwikkelde Ongewervelde Dieren, die als het ware aan de +rotsen vastgegroeid zijn. Ieder, die het geluk heeft, een van deze +dieren, welke zoo licht onopgemerkt kunnen blijven, te vinden, zal +zien, dat de beide oogen voortdurend, bij rukken en onafhankelijk +van elkander, in allerlei richtingen gedraaid worden. De Kameleon +behoudt, wanneer zijn zeer krachtige eetlust niet aangewakkerd is +door langdurig vasten, ook bij het zien van Insecten zijn gewonen +stand en blijft rustig wachten, tot een dezer diertjes zich op een +twijg of een blad heeft neergezet. Zoodra dit het geval is, wordt de +kop naar het Insect gedraaid, beide oogen richten zich naar voren, de +mond wordt langzaam geopend, de tong schiet soms wel 20 cM. ver naar +buiten, treft den buit, die er aan vastkleeft, en wordt in den bek +teruggetrokken; een oogenblik slechts merkt men een snelle kauwende +beweging van de kaken op en het Reptiel is weer in zijn vroegeren, +bewegingloozen toestand teruggekeerd. Een Kameleon, die in lang geen +voedsel heeft genoten, zal wel het Insect, dat in zijn nabijheid komt, +over een afstand van eenige meters vervolgen, maar in geen geval den +struik verlaten, waarop hij zich op dat oogenblik bevindt. + +Dikwijls wordt beweerd, dat een Kameleon, zelfs wanneer hij zijn best +doet, in den loop van een dag slechts weinige schreden vooruit kan +komen. Dit is echter volstrekt niet het geval. Als hij wil, kan hij +reeds in den tijd van een uur een betrekkelijk grooten weg afleggen. + +Van de kleursverandering van de huid maakt men zich dikwijls een +verkeerde voorstelling. Men meent, dat het dier plotseling de meest +verschillende tinten en nuances van alle denkbare kleuren op zijn huid +te voorschijn kan brengen, dat het zonder eenige beperking zijn kleur +in overeenstemming kan brengen met die van het voorwerp, waarop het +zich toevallig bevindt, dat het in staat is willekeurig iedere kleur, +welke dan ook, aan te nemen. Dit alles is echter in meerdere of mindere +mate onjuist. Hoewel het dier in den regel groenachtig is en dus bij de +bladen weinig afsteekt, kan het zijn kleur volstrekt niet gelijk maken +aan die van ieder voorwerp, waarop men het zou willen plaatsen. Van der +Hoeven heeft dit verschijnsel zeer nauwgezet nagegaan en Kameleons na +allerlei kleurswijzigingen laten schilderen. Steeds ziet men op deze +afbeeldingen twee breede, lichte, overlangsche strepen en daartusschen +donkere, roode stippels, die zich van den kop tot aan den staart en +van den rug tot aan den buik uitstrekken en meer dan andere plaatsen +aan kleurswisseling onderhevig zijn. + +Des morgens, als het dier zich stil houdt, is de huid gewoonlijk +geelachtig en zijn de beide strepen roodachtig; men ziet dan van +de stippels weinig of niets. Later op den dag heeft de huid nog +weinig verandering ondergaan; de strepen zijn echter witachtig en +de stippels donkergroen geworden; bovendien komen langs den rugkam +donkere schaduwen te voorschijn. Als men het dier 's morgens in de +handen neemt, ziet men de groene vlekken eveneens verschijnen. In +geprikkelden toestand wordt de rug groenachtig, de buik blauwachtig, +terwijl de strepen een witachtige, de vlekken een zwarte kleur +aannemen. Dikwijls is het dier roodachtig bruin met heldere strepen en +zijn de stippels en schaduwen bijna geheel afwezig. Bovendien kunnen +nog allerlei andere kleurswisselingen bij deze dieren voorkomen. Bij +hevige aandoeningen heeft men ze melkwit, en ook wel bijna geheel zwart +zien worden; andere exemplaren worden lichtrood met purperkleurige en +violette stippels. Over 't algemeen loopen de kleur en de teekening +des te duidelijker in 't oog, naarmate het dier gezonder en meer +opgewonden is. Ook op dezen regel komen echter uitzonderingen +voor. Dat licht en warmte op de kleursverandering een belangrijken +invloed oefenen, blijkt o. a., wanneer men slapende Kameleons met een +brandende kaars nadert tot op een afstand van 6 à 10 cM. Na eenige +minuten ziet men, uitsluitend aan de verlichte zijde van het dier, +op de geelachtige, ongevlekte huid lichtbruine vlekken ontstaan, die +allengs donkerder, ten slotte bijna zwart worden en na het wegnemen +van het licht langzamerhand verdwijnen. Jegens zijne soortgenooten is +de Kameleon niet verdraagzamer dan andere Reptiliën, zooals blijkt, +wanneer een enkele keer zijn onverschilligheid jegens ieder wezen, +dat niet als buit kan dienen, plaats maakt voor een ander gevoel. Iets +dergelijks geldt van zijn verhouding tot andere dieren. Zoowel bij +de nadering van een vijand als bij een ontmoeting met een niets +kwaads bedoelenden Vogel is hij gewoon zich op te blazen, zoodat +zijn romp bijna cirkelrond wordt, en vervolgens een sissend geblaas +te laten hooren. De Kameleon hapt soms naar de hand, waarmede men +hem omvat; hij kan met zijn gebit onze huid een weinig knijpen, +maar niet doorboren. Intusschen ondergaat de Kameleon allerlei +kleursveranderingen en verkrijgt zijn lichaam door het opblazen een +geheel anderen vorm; alle ribben puilen uit en de romp wordt min of +meer doorzichtig, zoodat men soms de takken of de staven van de kooi +als donkere strepen er doorheen ziet schemeren. + +Evenals de meeste Kruipende Dieren, kan de Kameleon weken en misschien +maanden lang zonder voedsel in 't leven blijven; tegen dorst is hij +minder goed bestand. + +Herhaaldelijk is men getuige geweest van het eierleggen van den +Gewonen Kameleon, voor zoover mij bekend echter steeds bij gevangen +exemplaren. "Een van mijne Kameleons", verhaalt Vallisnieri, "toonde +een buitengewone onrust en begaf zich eindelijk langzaam, zonder af +te wijken van zijne gewone luiheid, uit het boompje in zijn hok naar +den bodem, liep hier besluiteloos rond, bleef ten slotte staan in een +hoek, waar geen zand of stof, maar niets dan harde aarde lag en begon +met één voorpoot te graven. De harde grond bood zooveel weerstand, +dat het dier twee dagen achtereen werken moest om een gat te graven +van 10 cM. middellijn en 15 cM. diepte. In dezen kuil afgedaald, +legde het, naar mij bij onderzoek bleek, meer dan 30 eieren. Nadat +deze arbeid met de grootst mogelijke zorgvuldigheid verricht was, +krabde het de kuil met één achterpoot weer vol zand, juist zooals de +Katten doen, als zij hun drek verbergen willen. Hiermede nog niet +tevreden, sleepte het droge bladen, stroo en dorre rijsjes aan en +bedekte hiermede het reeds gevormde heuveltje." De 25 à 35 eieren van +den Kameleon zijn eirond en effen wit; hun schaal is perkamentachtig. + +"Een Kameleon, die gezien wordt, is een verloren Kameleon", beweert +een Spaansch spreekwoord zeer te recht, want het beschuttingsmiddel +van dit dier tegen het tallooze heir van vijanden, die het vervolgen, +is de kleur, die, ondanks alle veranderingen, waaraan zij onderhevig +is, weinig in 't oog valt. Niet slechts alle kleine viervoetige +roofdieren en de meeste Roofvogels, maar ook Raven en Hoornvogels, +Reigers en Ooievaars, benevens de groote soorten van Slangen zijn +vijanden van deze weerlooze dieren. De mensch wijdt hun overal een +grootere aandacht dan goed voor hen is. Vermoedelijk worden zij +nergens vergiftig of gevaarlijk geacht; maar hun vreemdsoortige +gestalte valt overal zoozeer in 't oog, dat ieder zich beijvert om +het dier te vangen. + +Aanvankelijk toonen de gevangen Kameleons zich zeer prikkelbaar: +zij sissen en blazen als men hen nadert, trachten zelfs te bijten, +kortom, willen van hun verzorger niets weten; weldra echter verandert +hun gedrag: zij zijn aan den mensch gewend geraakt en laten zich nu +zeer veel welgevallen. Bij doelmatige behandeling kan men ze maanden +lang in den gevangen staat in 't leven houden. In de eerste plaats +hebben zij een gelijkmatige temperatuur noodig. Het best blijven +zij gezond in broeikassen, welker standvastige warmtegraad hen +zelfs in staat stelt een langdurigen vastentijd te verduren. Aan een +voldoenden voorraad voedsel mag het hun nooit ontbreken: zij hebben +voor hun onderhoud een aanmerkelijke hoeveelheid Vliegen, Meelwormen, +Spinnen, Sprinkhanen en dergelijke dieren noodig. Nooit nemen zij een +dood Insect aan, hoe smakelijk het er ook moge uitzien. Geen andere +levende wezens worden door hen verslonden. Bovendien zijn een vochtige +lucht en gelegenheid om te drinken hoofdvereischten voor hun welvaren. + +In 't zuiden van Spanje houdt men den Kameleon geenszins tot +tijdverdrijf in de kamer, maar trekt partij van zijne eigenaardige +talenten. Men hangt een pot met honig op aan den zitstok van dit dier, +dat nu als kamerjager dienst doet en op onverbeterlijke wijze werkzaam +is tot het verdelgen van de zoo lastige Vliegen. + + + + + +Derde Onderorde: SLANGEN (Ophidia). + +Het belangrijkste kenmerk van de Slangen is de merkwaardige +beweeglijkheid der aangezichtsbeenderen, die het buitengewoon sterk +verwijden van den bek mogelijk maakt. Verscheidene andere Kruipende +Dieren komen, zooals reeds gebleken is, met haar in vorm overeen; +eerst nadat men deze heeft buitengesloten, mag men als kenmerk +eenige waarde hechten aan den langwerpigen, wormvormigen, door een +stevig, zoogenaamd schubbenkleed omsloten romp, die zoomin van voren, +bij den kop, als van achteren, bij den staart, eenige bijzonder in +'t oog loopende begrenzing vertoont. Volgens de overtuiging van de +hedendaagsche dierkundigen is de groep der Slangen een eigenaardig +ontwikkelde zijtak van de orde der Geschubde Reptiliën; het verschil +tusschen haar en de tot dusver behandelde Kruipende Dieren wettigt +geen scherpere scheiding, dan die, welke in de plaatsing dezer wezens +in verschillende onderorden opgesloten ligt. + +De kop van de Slangen is nooit zeer groot, in den regel echter +breeder dan het daarop volgende deel van den romp, van dezen slechts +bij weinige soorten zeer scherp gescheiden, maar toch duidelijk +herkenbaar, van boven gezien eivormig of driehoekig, gewoonlijk in +verticale richting samengedrukt, d. i. van boven en van onderen +afgeplat. De mondspleet strekt zich dikwijls zoover uit, dat de +mondholte zich nog achter de uiterste grenzen van den kop schijnt +voort te zetten. De gehooropeningen zijn steeds afwezig. De oogen zijn +ongeveer boven het midden van de mondspleet, aan de zijden van den +kop en dicht bij den rand van de bovenkaak gelegen. De neusopeningen +zijn steeds vooraan, dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van de +spits van den snuit geplaatst. De bekleeding van den kop verschilt in +meerdere of mindere mate van die van den romp. Een eigenlijke hals +is niet aanwezig; de romp begint bijna onmiddellijk achter den kop +en gaat eveneens op een van buiten bijna onmerkbare wijze in den min +of meer verlengden en hierdoor spits- of stomp-kegelvormigen staart +over. De gezamenlijke lengte van romp en staart is het twintig- +à negentigvoud van de dikte. De kop, de romp en de staart zijn +met een stevige huid bekleed, die een samenhangend geheel vormt; +men kan er duidelijk een lederhuid en een deze bedekkende opperhuid +aan onderscheiden. De lederhuid is niet overal even dik; ook is zij +niet effen; maar met verhevenheden bezaaid met vrij uitstekenden +achterrand, zoodat plooien ontstaan in den vorm van schubben, +die elkander dakpansgewijze bedekken. Daar de opperhuid ook deze +verdubbelingen van de lederhuid volgt, zich op de naar buiten gerichte +oppervlakte verdikt en daarentegen dunner wordt daar, waar zij in de +plooien doordringt, komen de schubben duidelijker uit. Naar den vorm +onderscheidt men: "schubben," welker lengte de breedte overtreft, +dikwijls in 't midden een overlangsche kiel bezitten en vooral aan de +rugzijde van het dier voorkomen;--voorts "schilden," die meestal een +zes- of vierhoekige gedaante hebben, dikwijls breeder zijn dan lang +en vooral op den kop en aan den buik waargenomen worden. Eigenaardig +voor de slangen zijn de "groefschilden", die gewoonlijk ten getale van +twee paar achter elkander aan de "kingroeve" gelegen zijn en de twee +"onderlipsschilden", die meestal in het midden achter het "kinschild" +liggen, en, aan weerszijden vóór de groefschilden geplaatst, de +begrenzing van de kingroeve van voren voltooien. + +De kleur en de teekening van de huid bieden een buitengewoon groote +verscheidenheid aan, zoodat hiervan niets in 't algemeen gezegd +kan worden. Er zijn effen gekleurde en bont gevlekte, met ringen, +traliën, strepen, banden, stippels en wolken geteekende Slangen. Enkele +soorten hebben een zeer bescheiden voorkomen, andere prijken met de +prachtigste tinten. Altijd echter harmonieeren teekening en kleur min +of meer met het terrein, dat door de Slang als verblijfplaats wordt +gekozen. Hoewel de kleur en de teekening niet willekeurig veranderd +kunnen worden, zijn zij toch slechts binnen zekere grenzen bestendig, +want, wel beschouwd, vertoonen beide veelvuldige variaties, bij enkele +soorten meer, bij andere minder. Zoo draagt onze Adder bv. wel een +dozijn namen, omdat vroegere onderzoekers de verscheidenheden, die +zij opmerkten, als afzonderlijke soorten meenden te moeten beschouwen +en benoemen. In vele gevallen hebben leeftijd en geslacht hierop meer +invloed, dan men gewoonlijk aanneemt. + +De eenvoudigheid en gelijkmatigheid van den lichaamsbouw is in +overeenstemming met den bouw van het beenderenstelsel. Dit bestaat +n.l. alleen uit schedel, wervelkolom en ribben, want de rudimentaire +heupbeenderen en voetstompjes, die bij enkele familiën voorkomen +en de achterste ledematen der overige Reptiliën vervangen, zijn er +slechts onduidelijke sporen van. Toch verdienen zij onze aandacht, +wijl hieruit blijkt, dat de Slangen in vroegere tijdperken uit +vierpootige, hagedisachtige dieren ontstaan moeten zijn. Het +belangrijkste deel van het skelet en tevens dat, waarvan de bouw en +de vorm het eigenaardigst zijn, is de schedel. De tusschenkaaks- en +de neusbeenderen zijn onbeweeglijk met elkander verbonden, daarentegen +zijn de bovenkaaks-, de vleugel- en de gehemeltebeenderen bij de meeste +Slangen zeer beweeglijk en kunnen zoowel naar de zijden als naar +voren verschoven worden. Een niet minder groote verschuiving kunnen +de bestanddeelen van de onderkaak ondergaan. Het tepelbeen hangt +slechts door banden en spieren met den schedel samen en draagt aan +zijn uiteinde het staafvormige vierkantsbeen, waaraan de onderkaak +door een gewricht verbonden is. Deze bestaat gewoonlijk uit twee +volledig vaneengescheiden, staafvormige helften, die van voren slechts +door rekbare, losse vezels onderling vereenigd zijn. Deze inrichting +stelt de Slang in staat haar bek aanmerkelijk te verwijden en een +veel grooteren buit te verzwelgen dan met oog op de grootte van de +mondopening bij gesloten bek mogelijk schijnt. Op den schedel volgt +onmiddellijk de romp, daar er bij de Slangen geen onderscheid tusschen +hals-, borst-, lende- en heiligbeenwervels bestaat. Reeds de 2e, 3e of +4e wervel achter den schedel draagt, evenals iedere volgende wervel van +den romp, een paar ribben, die zich van de verder achterwaarts gelegen +paren slechts door een iets geringere grootte onderscheiden. Bij den +schedel te beginnen, hebben alle wervels ongeveer denzelfden bouw. De +ribben bewijzen aan de Slangen een eigenaardigen en buitengewoon +belangrijken dienst, daar zij tot op zekere hoogte de ontbrekende +ledematen vervangen. Zij eindigen aan de buikzijde in een spierlaag, +die met de groote buikschilden samenhangt, en drukken, als zij van +voren naar achteren bewogen worden, de vrij uitstekende achterranden +dezer schilden tegen de oppervlakte, waarover het dier zich beweegt; +men vindt hier dus een zeer groot aantal hefboomen, die, hoewel zij +geen pooten zijn, toch een soortgelijken arbeid verrichten. De ribben +worden aan den staart al kleiner en kleiner en komen aan de laatste +wervels in 't geheel niet meer voor. Het aantal wervels loopt bij +Slangen van verschillende soort en ongelijke grootte zeer uiteen; +het schijnt slechts bij uitzonderingen minder dan 200 te bedragen +en stijgt bij enkele soorten tot boven 430. Alle Slangen missen het +borstbeen; men bemerkt bij haar geen spoor van een schoudergordel of +van voorste ledematen. + +Niet minder opmerkelijk dan het geraamte is het gebit. De +tanden kunnen een belangrijk verschil in maaksel vertoonen, +hetwelk aanleiding geeft tot de onderscheiding van familiën +en onderfamiliën. Tanden vindt men niet alleen aan de boven- +en onder-, maar dikwijls ook aan de tusschenkaaks-, meestal ook +aan de gehemelte- en vleugelbeenderen. Steeds zijn zij aan het hen +dragende been vastgegroeid en worden vervangen, zoodra het noodig is, +doordat een nieuwe tand zich achter of naast den ouden ontwikkelt. Men +onderscheidt drieërlei soort van tanden: massieve, gevoorde, (die aan +de convex gekromde voorzijde voorzien zijn met een diepe, gootvormige +groeve, welke zich van den wortel tot aan de spits uitstrekt) en holle +(die aan de voorzijde bij den oorsprong een gat en vóór de spits een +spleetvormige opening vertoonen, met elkander in gemeenschap staande +door een "giftkanaal", dat den geheelen tand doorboort). Alle zijn +haakvormig naar achteren gekromd en zeer spits, kunnen slechts voor +het bijten en vasthouden van den buit dienen en zijn ongeschikt om +een prooi te verscheuren of om voedsel te kauwen. De massieve tanden +zijn kegelvormig; het harde tandbeen, waaruit zij bestaan, is met +een dunne emaillaag bedekt; de gevoorde tanden zijn te beschouwen +als onvoltooide doorboorde tanden, daar het gifkanaal ontstaan is +door de vereeniging der randen van een vroeger aanwezige groeve. + +Voor de levenswijze der Slangen zijn de klieren in den kop van zeer +groot belang; bij de giftige soorten der onderorde kunnen zij een +buitengewoon sterke ontwikkeling bereiken. In 't geheel heeft men +zes paar klieren en één onparige klier opgemerkt. Hoewel zij bij +hetzelfde dier niet altijd voltallig aanwezig zijn, heeft iedere +Slang er toch steeds verscheidene: de voorste ondertongsklieren, +de achterste ondertongsklieren, de neusklier, de traanklieren, +de onderste en de bovenste wang- of lipklieren en eindelijk de +gifklieren. De laatstgenoemde, die zich bijna altijd achter en onder de +oogen en boven de bovenkaak bevinden, zijn langwerpig en zeer groot; +bij enkele soorten strekken zij zich zoover naar achteren uit, dat +zij voor een deel op de ribben rusten. Zij bestaan uit een bladerig +weefsel en bevatten een groote holte. Bovendien onderscheiden zij +zich van alle overige genoemde klieren door haar lange afvoerbuis, +die langs de buitenste oppervlakte van de bovenkaak naar voren loopt, +om hier vóór en boven den giftand uit te monden in de vliezige scheede, +die deze tand omgeeft, zoodat het gif door het in den tand aanwezige +kanaal kan afvloeien. De gifklier is omhuld door een zeer dikke +spierlaag, die (met de kauwspier) dient om haar samen te drukken. Zulke +gifklieren komen voor bij alle Slangen met doorboorde tanden; die +van de Groeftandigen zijn niet met een dichte spierlaag bedekt; zij +kunnen hoogstens door de voorste slaapspier een weinig samengedrukt +worden en zijn dus minder geschikt om het gif in de wonde te brengen. + +Onder de zintuigelijke organen staan ongetwijfeld die van het +gevoel, en meer bepaaldelijk de tastzintuigen, bovenaan. De van +oudsher gevreesde tong, die door onkundigen ook thans nog voor het +aanvalswapen van de Slangen wordt gehouden, dient niet als smaakorgaan, +maar uitsluitend voor het tasten en is hierdoor juist van buitengewoon +groot belang voor het dier. Zij is zeer lang en dun, van voren in twee +draadvormige, spitse helften gespleten en met een hoornachtig laagje +bedekt. Zij ligt verborgen in een onder de luchtpijp voorkomende, +gespierde scheede, die op korten afstand vóór deze, dicht bij de spits +van de onderkaak, zich opent. De tong kan geheel in deze scheede +teruggetrokken, maar ook ver buiten den bek uitgestoken worden en +onderscheidt zich door een buitengewone beweeglijkheid. Door een inham +van de bovenkaak, die zelfs bij gesloten mond nog als een opening +zichtbaar is, kan de tong zich gemakkelijk en snel afwisselend naar +buiten en naar binnen begeven. Het oog is, na de voor 't tasten zoo +uitstekend geschikte tong, het bruikbaarste orgaan voor het doen +van waarnemingen, hoewel het zeer zeker minder volkomen is dan bij +de overige Reptiliën. Een belangrijke eigenaardigheid van dit orgaan +is zijn schijnbare onbeweeglijkheid, waardoor het een glazig uitzicht +verkrijgt. Een doorzichtig vliesje neemt de plaats van de beweeglijke +oogleden in en is bij wijze van een horlogeglas in een plooi van den +rand der ronde oogholte vastgehecht; de hierdoor begrensde doos bevat +den oogbol en staat aan haar binnenzijde door het wijde traankanaal in +gemeenschap met de neusholte. De buitenste laag van dit doorzichtig +vliesje, het verhoornde deel van de opperhuid, wordt verwijderd, +als het geheele lichaam vervelt; gedurende het tijdperk tusschen de +eene vervelling en de andere neemt de doorzichtigheid van de huid, +die het oog bedekt, allengs af. De pupil is bij de dagslangen rond, +bij de Nachtslangen langwerpig: soms dwars, soms verticaal geplaatst. + +De eigenaardige bewegingswijze van de Slangen is een gevolg van haar +lichaamsbouw, die, gelijk licht te begrijpen is, tot op zekere hoogte +ook een verklaring levert van haar levenswijze; daar de begaafdheden +der dieren, indirect althans, uit hun lichaamsbouw voortvloeien. Hoewel +de Slangen meer dan de meeste overige leden harer klasse den naam +"Kruipende" Dieren verdienen, is haar bewegingsvermogen veelzijdiger +dan menigeen meent. Het kruipen geschiedt niet uitsluitend op een +vlakken bodem, maar ook bij een helling naar boven en naar beneden, +bij de stammen der boomen omhoog en naar alle richtingen in de +kroon, voorts over den waterspiegel, op den bodem van het water en +tusschen beide door; zij kruipen, klimmen, zwemmen en duiken dus, +en doen dit alles nagenoeg even vlug en behendig. Het kruipen gaat +niet met verticale krommingen, maar met horizontale golvingen van +het lichaam gepaard. Het klimmen is eigenlijk niets anders dan een +opkruipen bij loodrechte vlakken. Een boomstam, die door een Slang +omstrengeld kan worden, levert voor haar volstrekt geen moeielijkheden +op, tenzij de schors zeer glad is: zij schuifelt naar boven met +schroefvormige windingen van het lichaam, dat natuurlijk voortdurend +slangsgewijze bewogen wordt, en doet dit zeer snel, daar zij het +naar beneden glijden met de scherpe achterranden der buikschilden +voorkomen kan. Op de takken kronkelt zij zich bijna even veilig +en snel voort als op den vlakken bodem, vooral wanneer de twijgen +talrijk zijn. Geheel op dezelfde wijze gaat zij bij het zwemmen te +werk, hoewel in dit geval ongetwijfeld de staart de belangrijkste +rol vervult. Vermoedelijk kunnen alle soorten van Slangen zwemmen; +zij, die niet in 't water leven en het gewoonlijk niet opzoeken, +worden echter door de beweging in deze voor haar vreemde middenstof, +naar het schijnt, spoedig vermoeid. + +De snelheid van de Slangen werd dikwijls overdreven voorgesteld en +schijnt door het telkens wisselen der kronkelingen grooter dan zij is; +slechts weinige menschen geven zich de moeite de zaak nauwkeuriger te +onderzoeken. Lenz zegt: "Geen slang beweegt zich zoo vlug, dat men haar +niet met een flinken pas, zonder hard te loopen, kan bijhouden. Zij +komt naar verhouding langzamer vooruit dan Hagedissen, Vorschen, +Muizen en dergelijke dieren. Het snelst is haar beweging op mos en +korte heide, waar de veerende onderlaag medehelpt, minder snel op +den naakten grond. Het kruipen over een stuk vensterglas kost haar +zeer veel moeite. Langs steile bergwanden schiet zij vliegensvlug +naar beneden, soms zoo snel, dat het niet mogelijk is te bepalen, +tot welke soort zij behoort en hoe groot zij is." + +Bij de ademhaling van de Slangen, die geregeld, zonder tusschenpoozing, +geschiedt, merkt men duidelijk de beweging van de ribben op, die +beurtelings opgeheven worden en dalen. Toch is zij over 't geheel +genomen niet zeer krachtig en wordt eerst bij toenemenden toorn +versneld. Een heesch, lang aanhoudend gesis, dat de ontbrekende +stem vervangt, verraadt deze gemoedstoestand. In verband met den +langwerpigen vorm van het lichaam is slechts één van de longen goed +ontwikkeld, de andere is zeer klein of ontbreekt geheel. + +Behalve de tastzin (en bij enkele soorten het gezicht) zijn alle zinnen +van de Slangen zwak. Het orgaan voor den tastzin is de tong. Hoewel +deze een geheel andere rol speelt dan de ouden zich voorstelden, is +zij van 't hoogste belang, zoo zelfs, dat een Slang, die de tong mist, +geen voedsel meer gebruikt, niet in 't leven gehouden kan worden. Een +feit is het, dat iedere Slang, die niet rust, onophoudelijk en in +alle richtingen de tong beweegt om de voorwerpen in haar nabijheid +te onderzoeken, dat zij nooit drinkt of zich te water begeeft, +zonder vooraf den waterspiegel met de tong aan te raken; op dezelfde +wijze onderzoekt zij den reeds gedooden buit vóór het verzwelgen, +en zoo mogelijk ook haar slachtoffer, vóórdat zij het dooddrukt of +vergiftigt. Wanneer er reden bestaat voor de vrees, dat de prooi, +die zij op het oog heeft, haar zal ontsnappen, geeft zij toch vóór +den aanval, door vele malen achtereen de tong uit te steken en weer +terug te trekken, de bedoeling te kennen om de gewone onderzoekingen +te verrichten. Het telkens weer terugtrekken van de tong geschiedt +blijkbaar met het doel om haar door bevochtiging gevoeliger te maken. + +De ervaring leert, dat de Slangen, ondanks haar dikke huid, zelfs voor +een zwakke aanraking gevoelig zijn. Evenals andere Reptiliën, vinden +zij warmte aangenaam, daar zelfs die, welke 's nachts werkzaam zijn, +over dag haar schuilplaats verlaten om zich het genot te verschaffen +van door de zon beschenen te worden. + +Toch mag men zeggen, dat er over 't algemeen sterke prikkels noodig +zijn om bij de Slangen gevoel te wekken. Eerder dan van gevoeligheid +kan men bij haar van gevoelloosheid spreken. De Slangen zijn even taai +van leven als de andere Reptiliën en verdragen martelingen, die hooger +ontwikkelde wezens schielijk zouden dooden. De bewegingen van Slangen, +die gewond of zelfs aan stukken gehouwen zijn, wekken de verbazing +van den onderzoeker: een afgehouwen kop van een Adder beweegt de tong +op de gewone wijze en kan ook bijten en het gebeten dier vergiftigen. + +Uit alle bekend geworden feiten kan men afleiden, dat het gezicht +bij alle Slangen, met uitzondering van eenige Boomslangen, zwak +en onbeduidend is, hoewel de glans en de grootte van het oog het +tegendeel doen vermoeden. Woedende Slangen, zoowel vergiftige als +niet-vergiftige, bijten zelfs naar een schaduw, en missen dikwijls +het voorwerp, waarop zij doelen, indien het niet groot is. + +Van de uitdrukking van het slangenoog heeft men meer ophef gemaakt dan +de zaak verdient. "Sprekend, zooals weinige oogen van dieren zijn," +meent Linck, "spiegelt zich in 't oog van de Slang niet slechts haar +inborst af, maar ook de gemoedsstemming, waarin zij op een gegeven +oogenblik verkeert. Rustig en zacht, doch niet zonder glans, is +het bij de vreedzame leden der onderorde, onheilspellend bij die, +welker wapens wonden, doch niet dooden kunnen; dreigend is het bij +het woedende dier; vreeswekkend is de gloed van het oog der Adder, +die met de spits van hare tanden den dood veroorzaakt. Iets vreemds +verkrijgt echter het oog, zelfs van de zachtaardigste Slang, door +de glasachtige huid, die zich er over heen welft en ook door de +geringe veranderlijkheid van de pupil, die zich slechts moeielijk en +met zichtbare, plotselinge rukken vergroot en vernauwt." De laatste +opmerking is volkomen juist, de eerste laat ik geheel voor rekening +van den aangehaalden schrijver, die zooals meermalen geschiedt, +in het oog iets waarneemt, wat hij er zelf in heeft gelegd. Het oog +van de Slang heeft niets bijzonders, behalve het glazige uitzicht; +de dreigende en onheilspellende uitdrukking is minder een eigenschap +van het oog zelf dan een gevolg van zijn ligging onder de schubben +en schilden, die het overschaduwen; deze zijn bij de Slangen, die +'s nachts werkzaam zijn, bijzonder ontwikkeld, steken een weinig +vooruit en brengen denzelfden indruk teweeg als b.v. de vooruitstekende +wenkbrauwbeenderen van een Roofvogel. + +Voor zoover wij er over kunnen oordeelen, is de scherpte van het +gehoor nog geringer dan die van het gezicht; uitwendig is er van het +gehoororgaan der Slangen niets te zien; eerst na het verwijderen +van de schubben aan de zijden van den kop bemerkt men er iets +van, daar de korte gehoorgangen geheel onder de huid verborgen +liggen. Het trommelvlies, de trommelholte en de Eustachiaansche +buis ontbreken. Proefnemingen hebben geleerd, dat de Slangen zich +om verschillende muzikale tonen weinig bekommeren, tenzij deze in de +lucht of in den bodem sterke trillingen teweeg brengen. + +Niet minder moeielijk is het, zekerheid te verkrijgen over de mate van +ontwikkeling van den reukzin. Boettger, die vele Slangen met ether- +of chloroformdamp verdoofde, voordat hij ze in den spiritus bracht, nam +onmiddellijk na het werpen van het propje watten, waarop de vluchtige +vloeistof gedroppeld was, in de glazen flesch, onder de hierin +aanwezige Slangen een hevige opgewondenheid waar. Zelfs de traagste +Adder begon zich krachtig te bewegen en zocht naar een uitweg om aan +den bedwelmenden damp te ontkomen. Dit doet vermoeden, dat de reukzin +bij de Slangen niet geheel ontbreekt. Een duidelijker bewijs voor deze +stelling is gelegen in het door Fr. Werner waargenomen feit, dat een +Ringslang te midden van een groot aantal soorten van Amphibiën, zelfs +in een donkere ruimte, zonder zich te vergissen steeds die soorten +van Kikvorschen koos, welke haar lievelingsvoedsel uitmaken. Daar +de smaakzin hierbij niet in 't spel kan komen, moet deze verrassende +uitkomst wel aan de werking van den reukzin toegeschreven worden. + +Gemakkelijker dan over alle andere verrichtingen van zintuigen, +behalve die van het tastzintuig, kunnen wij een denkbeeld verkrijgen +van den omvang van den smaakzin, omdat wij met zekerheid kunnen +beweren, dat dit vermogen zoo goed als geheel ontbreekt. Dit blijkt +zoowel uit het maaksel van de tong als uit proeven, die met levende +dieren genomen zijn. Aristoteles, overigens zulk een uitmuntend +waarnemer, had ongelijk, toen hij beweerde, dat de Slangen de +grootste lekkerbekken zijn onder de dieren; even onjuist is zijn +mededeeling, dat zij bij 't gebruik van wijn geen maat houden en +zich bedrinken. Waarschijnlijk doet men de Slangen geen onrecht aan +door aan te nemen, dat zij onder de zoo laag ontwikkelde Reptiliën +de laagst ontwikkelde zijn. Hoewel zij bij haar jacht een zekere list +toonen, jegens vijanden zich soms schijnbaar verstandig, jegens haar +verzorger eenigszins voorkomend gedragen, openbaren zij echter in +geen enkele omstandigheid meer verstand dan andere Kruipende Dieren: +zij zijn niet slechts stompzinnig, maar ook stomp van geest. + +In alle werelddeelen komen Slangen voor, in het eene echter veel +meer dan in het andere. De wetten, volgens welke de verbreiding der +overige Reptiliën plaats heeft, gelden ook voor haar: hoe hooger de +breedtegraad is, des te schielijker neemt zoowel het aantal soorten als +het aantal individuen af; deze getallen zijn echter voor verschillende +plaatsen, die op denzelfden breedtegraad liggen, volstrekt niet gelijk. + +Van de 635 soorten van Slangen, die Günther in het jaar 1858 +opnoemde, leven 40 in het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld, 80 in +'t Ethiopische Rijk, 240 in het Oostersche, 50 in het Australische, +75 in het Noord-Amerikaansche en 150 in het Zuid-Amerikaansche Rijk. + +Behalve een rijkelijke voeding, verlangen de Slangen geschikte rust- +en schuilplaatsen en vermijden daarom gewesten, waar zij deze niet +vinden. Over 't algemeen kan men ook van de Slangen zeggen, dat zij +des te talrijker zijn in een streek, naarmate deze meer afwisseling +aanbiedt. Zelden komt het voor, dat zij in een gewest geheel ontbreken; +zij bewonen de woestijn zoowel als het woud, bergstreken zoowel als +vlakten. Een vochtige warmte bevalt haar beter dan droge hitte; toch +bieden zij ook hieraan beter weerstand dan men zou verwachten. Het +gemis van pooten belet haar niet een geschikte verblijfplaats te +bereiken: deze op den vlakken grond, gene op steile hellingen, sommige +in moerassen, andere in het water van meren en rivieren, eenige in de +zee, enkele zelfs onder den grond, niet weinige in boomkronen. Het +oord, waar zij zich eens gevestigd hebben, verlaten zij niet licht, +met andere woorden, hare omzwervingen blijven tot een zeer klein +gebied beperkt. Wel doen ook zij soms kleine reizen, trekken over +rivieren en andere wateren om zich aan den tegenovergestelden oever of +op eilanden te vestigen, begeven zich uit het woud of uit de steppe +naar dorpen en steden, over 't algemeen echter houden zij niet van +omzwerven, maar kiezen zich een standplaats, bij voorkeur zulk een, +die een geschikte schuilplaats bevat; in den omtrek loeren zij op +buit. Er is eenige reden om aan te nemen, dat zij alleen gedurende den +paartijd en bij 't naderen van den winter zich vrijwillig van haar +standplaats verwijderen. Tot het verlaten van de door haar bewoonde +streek worden zij gedwongen, wanneer hier veranderingen plaats vinden, +waardoor zij hare schuilhoeken verliezen of de gelegenheid om te +jagen of de mogelijkheid om zich door de zon te laten verwarmen. In +den regel houden ook zij zich ver van menschelijke woningen op; +dit geschiedt echter alleen, omdat de mensch haar door vervolging +uit de nabijheid van de door hem bewoonde oorden verdrijft; want, +wel verre van de nabuurschap van haar aartsvijand te vreezen, dringen +zij zich dikwijls op zeer ongewenschte wijze aan hem op. Ook bij ons +ontmoet men niet zelden Slangen in tuinen midden in steden; dikwijls +is het moeielijk te verklaren, hoe zij er gekomen zijn; misschien zijn +zij ontgleden aan Ooievaars op weg naar hun nest, of met een lading +brandhout overgebracht. In zuidelijke streken brengen zij zeer tegen +den zin van de bewoners soms bezoek aan de huizen. Vooral de Slangen, +die een nachtelijke levenswijze hebben, dus juist de gevaarlijkste, +zijn hierdoor dikwijls buitengewoon lastig. + +In landstreken, die het geheele jaar nagenoeg hetzelfde uitzicht +vertoonen, kunnen de Slangen voortdurend ongeveer op dezelfde wijze +hare behoeften bevredigen; deze oorden moeten haar een voldoende +hoeveelheid voedsel, een prettige temperatuur en water om te baden +leveren. Een natuurlijk gevolg hiervan is, dat zij het geheele jaar +door ongeveer dezelfde levenswijze hebben. Deze zal daarentegen +afwisseling vertoonen overal, waar een merkbaar verschil tusschen de +jaargetijden bestaat. In alle gewesten, die een kouden winter of een +heet en droog seizoen hebben, zijn de Slangen genoodzaakt zich tegen +den invloed van de koude of van de droogte te beschutten. Alle Slangen, +die het noordelijk deel van onzen gematigden gordel bewonen, zoeken +vóór den aanvang van den winter diepe schuilhoeken op en brengen hier +het ongunstig jaargetijde in verstijfden toestand door. Hetzelfde +verschijnsel komt voor in de landen onder den keerkring, misschien +alleen bij die soorten, welke, zoo niet in 't water, dan toch in +vochtige oorden leven en last hebben van de droogte. Enkele soorten +komen bijeen om in elkanders gezelschap winterslaap te houden; +misschien geschiedt dit alleen, omdat geschikte schuilhoeken schaars +en moeielijk te vinden zijn, zoodat eenige weinige slaapplaatsen +voor verscheidene, over een bepaald gebied verstrooide Slangen +moeten dienen. + +Bij warm, stil weder ziet men op onze breedte in Maart weder Slangen, +die haar winterkwartier verlaten hebben om zich door de zon te laten +verwarmen en waarschijnlijk 's avonds weer naar denzelfden schuilhoek +terugkeeren. Aan jacht en voortplanting denken zij dan echter nog +niet, want hun eigenlijk zomerleven vangt eerst in het begin van April +aan. Toen zij zich in den herfst ter ruste begaven, waren zij vet; +als zij in de lente weer te voorschijn komen, is ongeveer de helft +van haar vet verbruikt. + +Verreweg de meeste niet-vergiftige Slangen zijn dagdieren, vele van de +verdachte Groeftandige Slangen en nagenoeg alle Gifslangen daarentegen +nachtdieren. De eerstgenoemde zoeken, zoodra de duisternis invalt, +hare schuilhoeken op, brengen hier in trage rust den nacht door en +komen eerst geruimen tijd na zonsopgang weer voor den dag. Hoewel de +Gifslangen zich over dag dikwijls vertoonen, verkeeren zij dan steeds +in een toestand van slaperige rust; zij beginnen hare werkzaamheden +eerst, als de avondschemering aanvangt. Wanneer men op plaatsen, +waar Gifslangen veelvuldig voorkomen, des nachts een vuur aansteekt, +zal het spoedig blijken, dat het adderengebroedsel tot de nachtdieren +behoort. Van alle kanten komt het op het schijnsel van 't vuur af, +zoodat de jager, die zich over dag te vergeefs beijverde om op deze +plaats een enkele Adder, Aspis of Zandadder te vangen, 's nachts een +rijken buit kan verkrijgen. Ieder, die Gifslangen in gevangenschap +houdt, ondervindt, dat deze dieren, zoo niet uitsluitend, dan toch +in den regel 's nachts eten, dat zij vrijwillig niet anders dan +'s nachts werkzaam zijn en op roof uitgaan. + +Zonder eenige uitzondering voeden alle Slangen, welker levenswijze +men heeft leeren kennen, zich met andere dieren, hoofdzakelijk, +maar niet uitsluitend, met die, welke door henzelf gevangen of +gedood zijn. De wijze, waarop zij haar buit overmeesteren, is zeer +verschillend. Sommige, waarschijnlijk wel de meeste, gaan op de loer +liggen en overvallen plotseling het slachtoffer, dat in de nabijheid +komt; zij brengen het een doodelijken beet toe en wachten, totdat de +werking van het gif zich openbaart, of vatten de prooi en verslinden +haar, soms dadelijk, soms nadat zij haar vooraf hebben doodgedrukt. + +Al naar de soort en de grootte der Slangen zijn de dieren, waarop zij +jacht maken, zeer verschillend. Naar men zegt, kunnen de reuzen uit +deze onderorde werkelijk dieren ter grootte van een Ree verzwelgen: +Falkenstein en Pechuel-Loesche b.v. haalden uit het lichaam van een +door hen geschoten Python een nagenoeg volwassen Draaihoorn-antilope, +die wel is waar, tot ieders bevreemding, den kop miste, maar waarvan +overigens geen enkel been gebroken was. De overige Slangen zijn met +een kleineren buit tevreden en verslinden vooral Knaagdieren, kleine +Vogels, allerlei Reptiliën (de Schildpadden misschien uitgezonderd) +en Visschen; de lagere dieren dienen waarschijnlijk alleen tot voedsel +aan de Worm-, Dwerg- en Dikkopslangen en misschien aan de jongen van +verscheidene soorten, die op lateren leeftijd op Gewervelde dieren +jacht maken. Hoewel het aantal gegevens over de voeding der Slangen +nog zeer onvoldoende is, mag men het er voor houden, dat iedere +soort in meerdere of mindere mate de voorkeur geeft aan een bepaalde +diersoort en zich, zoo mogelijk, geheel tot deze bepaalt. Dat enkele +Slangen vogeleieren eten, wordt reeds bericht door Plinius, wiens +mededeelingen door later waargenomen feiten gedeeltelijk bevestigd +worden. Hieruit blijkt ten duidelijkste, dat sommige Slangen werkelijk +eieren stelen, wegvoeren, verzwelgen, in hun lichaam stukdrukken +en verteren. Vooral de Afrikaansche Keeltandslangen, de Eiervreters +van de Nederlandsch sprekende kolonisten (Dasypeltis scaber), en de +leden van het Indische geslacht Elachistodon zijn, naar het schijnt, +geheel voor het gebruiken van dit voedsel ingericht. Hare tanden zijn +rudimentair, maar de onderste doornuitsteeksels van de voorste wervels +hebben een merkwaardige wijziging ondergaan. Bij beide geslachten +zijn deze uitsteeksels buitengewoon sterk verlengd en eindigen in +een naar voren gericht, met email overtrokken, tandvormig haakje, +welke haakjes ten getale van omstreeks zeven het met hen vergroeiende +deel van den slokdarm doorboren en zoodoende een rij van echte +slokdarmtanden vormen, die bij geen ander dier voorkomen. Zoodra het +ei in dit deel van het spijskanaal doorgedrongen is, verkeert de bek +reeds weer in gesloten toestand, zoodat van den vloeibaren inhoud van +den nu verbrijzelden dop niets verloren kan gaan. Behalve Gewervelde +Dieren, eten sommige Slangen ook ongewervelde, enkele misschien zelfs +Weekdieren en Schaaldieren. + +Tot in den laatsten tijd hebben zelfs natuuronderzoekers niet +geschroomd de uitdrukking "betoovering" te gebruiken voor de wijze, +waarop de Slangen een buit bemachtigen. Men heeft n.l. opgemerkt, +dat sommige dieren, b.v. Muizen en Vogels, geen vrees toonen, als zij +Slangen naderen en hierdoor gemakkelijk gevangen worden; ook heeft +men gezien, dat Vogels met kenteekenen van den grootsten schrik om +Slangen fladderden, die hun kroost of henzelf bedreigden, ten slotte +een verkeerde beweging deden en eveneens gegrepen werden. Daar nu, +zoo schijnt men geredeneerd te hebben, het instinct, waardoor het +dier gewaarschuwd wordt tegen de gevaren, die het bedreigen, in +beide gevallen gefaald heeft, moet het genoemde verschijnsel aan de +werking van een bovennatuurlijke kracht toegeschreven worden. Deze +onderstelling heeft in 't geheel geen reden van bestaan; wel zijn +de feiten op zich zelf beschouwd juist, maar de daaruit afgeleide +gevolgtrekkingen deugen niet. Uit mijne tallooze herhaalde waarnemingen +blijkt de ware toedracht van de zaak; zij komt eenvoudig hierop neer, +dat de dieren het groote gevaar, waarmede de Slang hen bedreigt, niet +kennen. Niet ieder Zoogdier--zij het een onnoozel Konijn of een oude +geslepen Rat--, niet iedere Vogel--zelfs niet altijd de wantrouwige, +door vele ervaringen wijs geworden Musch--weet wat een Slang is. Indien +zij al op haar letten, naderen zij haar plomp nieuwsgierig, bekijken +of besnuffelen haar, laten toe, dat de Slang haar met de tong betast +en deinzen eerst dan een weinig terug, als dit orgaan haar op de een +of andere gevoelige plaats krieuwelt. Oude sterke Ratten, die men +bij groote Slangen brengt, toonen volstrekt geen vrees, maar geven +soms een bewijs van driestheid, dat men van haar niet verwacht zou +hebben. Een Rat, die ik aan een gevangen Ratelslang als slachtoffer +aanbood, bekommerde zich in 't geheel niet om het dreigende geratel en +gesis van de Slang, maar vrat, toen zij honger kreeg, een gat in het +lichaam van het vergiftige dier, dat hierdoor ellendig om 't leven +kwam. Een andere, even ongedwongen verklaring kan gegeven worden van +het angstig fladderen van verscheidene Vogels om hun nest, wanneer +zij een Slang zien naderen. Iedere natuuronderzoeker weet, dat zwakke +Vogels in zulke gevallen dikwijls gebreken veinzen en hiermede in den +regel iederen niet bijzonder ervaren vijand, zelfs den verstandigen +mensch, om den tuin leiden. Het zullen verschijnselen van dezen aard +zijn geweest, die men aan "betoovering" heeft toegeschreven. + +Daar de Slangen haar voedsel niet verscheuren en soms dieren +verslinden, die tweemaal zoo dik zijn als haar kop, wordt voor het +verzwelgen van den buit een aanzienlijke krachtsinspanning vereischt +en heeft deze verrichting langzaam plaats. Bijna altijd pakken zij +den buit bij den kop aan, houden hem met de tanden vast, schuiven +de eene zijde van den kop vooruit, slaan de haakvormig naar achteren +gekromde tanden een eind verder weer in de prooi, handelen vervolgens +op dezelfde wijze met de zooeven voor het vasthouden dienende helft +van den kop, welker taak intusschen door de andere wordt vervuld +en halen op deze wijze, beurtelings met de linker en met de rechter +tandenreeksen, haar buit verder naar binnen, totdat deze geheel en al +door het keelgat gestuwd is. De buitengewoon groote drukking brengt een +zeer overvloedige afscheiding van speeksel teweeg; dit vergemakkelijkt +de beweging van de prooi door de mondholte, die allengs tot de uiterste +grenzen van rekbaarheid wordt uitgezet. Gedurende het verzwelgen van +een zeer grooten buit wordt de kop op wanstaltige wijze uitgezet en +ieder been van het kaakskelet zoo ver mogelijk verschoven; zoodra +echter de prooi er door is, herkrijgt de kop spoedig zijn gewonen +vorm. Het gebeurt wel eens, dat Slangen dieren grijpen en trachten te +verslinden, welker omvang voor haar ongeloofelijk rekbaar kaakskelet +te groot is; in dit geval liggen zij uren lang op dezelfde plaats +met den buit in den bek, de luchtpijp zoover naar voren bewogen, +dat de ademhaling ongehinderd kan plaats hebben. Soms zijn al hare +pogingen vruchteloos en gelukt het haar niet de prooi door te slikken; +dan verwijderen zij de tanden weer uit haar slachtoffer en werpen +dit weg door den kop te schudden. Geheel onjuist is de bewering, +dat de Slang den eens gegrepen en verzwolgen buit niet meer kan +uitspuwen en soms aan een te groot stuk stikt.--De Gifslangen pakken +haar slachtoffer eerst, nadat het bezweken is, met de kaken aan; zij +doen dit dan met een zekere voorzichtigheid, men zou bijna geneigd +zijn van teederheid te spreken. Bij het doorslikken gebruiken zij +hare giftanden niet, maar leggen deze zooveel mogelijk tegen het +gehemelte aan, door de bovenkaaksbeenderen, die de giftanden dragen, +naar achteren te draaien; de onderkaakshelften spelen in dit geval bij +het doorslikken de hoofdrol.--De spijsvertering geschiedt langzaam, +maar is zeer krachtig. De onverteerbare overblijfselen van de prooi, +vooral veeren en haren, worden door de kloak verwijderd, slechts in +enkele omstandigheden, waarschijnlijk alleen door zwakke of ziekelijke +Slangen, als ballen uitgespuwd. De Slangen verzwelgen een groote +hoeveelheid voedsel te gelijk, maar kunnen daarna weken en zelfs +maanden lang vasten. + +Duméril, die zijn geheele leven aan de studie van de Slangen wijdde, +greep eens op een wandeling een Adder, in de meening dat hij een +onschadelijke Adderkleurige Zwemslang (Tropidonotus viperinus) +voor zich had; hij werd gebeten en verkeerde verscheidene +dagen in levensgevaar. Dit feit kan niet genoeg in herinnering +gebracht worden, omdat het duidelijk bewijst, hoe onbetrouwbaar de +uitwendig waarneembare kenmerken ter onderscheiding van vergiftige en +niet-vergiftige Slangen kunnen zijn. Het is onmogelijk, door uitwendig +onderzoek iedere Gifslang, zonder kans op vergissing, als zoodanig te +herkennen. Dit geldt echter niet voor alle soorten of familiën; daar de +Zeeslangen, Ratelslangen en Adders ook uitwendig tot op zekere hoogte +kenbaar zijn; maar juist de Gewone Adder, die het geoefende oog van +een onderzoeker als Duméril bedroog, behoort tot het laatstgenoemde +geslacht! Deze opmerking moet noodzakelijk aan een beschrijving van +de Slangen voorafgaan, om hen, die zich met de studie van de Slangen +willen bezighouden, tegen het roekeloos aanvatten van deze gevaarlijke +dieren te waarschuwen. + +Als men bedenkt, hoe groot het aantal menschen is, die ieder jaar door +Gifslangen hun leven verliezen, hoe vele, zelfs, in onze streken, +aan haar een langdurige ziekte te wijten hebben, begrijpt men +den schrik, dien ieder onervaren mensch bij het zien van een Slang +bevangt; dan worden ook de over Slangen handelende verhalen, sagen en +fabels, die bij volken uit vroegeren en lateren tijd voorkomen, ons +duidelijk. Vooral uit tropische gewesten komen dikwijls schrikbarende +berichten over sterfgevallen tengevolge van slangenbeten. Volgens +statistische bescheiden verliezen alleen in Indië ieder jaar nagenoeg +20.000 menschen door deze Reptiliën het leven. Deze groote getallen +schijnen evenwel geloofwaardiger dan zij zijn. In werkelijkheid zijn +zij het uitvloeisel van een mystificatie op groote schaal. Mannen, die +als onderzoekers en jagers een grondige bekendheid met Indië hebben +opgedaan, weten geen mededeelingen te doen, die eenige bevestiging, +hoe onvolledig dan ook, van de bedoelde officieele opgaven leveren +kunnen. R. Garbe verhaalt, dat er, nadat hij in de eerste dagen +van zijn verblijf in Indië eenige Gifslangen had gezien, meer dan +een jaar voorbijging, voordat hij op zijne tochten er weer eens een +ontmoette, die hij met een stokslag doodde. Van de gevreesde dieren +in Indië in 't algemeen sprekend, zegt hij eenvoudig: "Al deze dieren +zijn in de werkelijkheid niet zoo boosaardig als in de boeken over +natuurlijke geschiedenis." Geloofwaardige geneeskundigen op Java, +Sumatra en Hongkong, waarheidslievende planters en reizigers in +Nederlandsch-Indië, Cochinchina, Kambodsja en op Ceylon hebben +schriftelijk en mondeling verklaard, dat de genoemde statistieke +opgaven onjuist zijn en dat daaraan niet de geringste bewijskracht +kan worden toegekend. + +Waarschijnlijk zal men in andere landen, waar de Gifslangen talrijk +zijn, door dergelijke nasporingen, als op Java verricht werden, +zoo niet tot gelijke, dan toch tot weinig afwijkende uitkomsten +geraken. Dit blijkt o.a. uit hetgeen door Tschudi van Brazilië, +door Hasse, Büttikofer, Pechuel-Loesche en anderen van Afrika, door +Mackleay van Australië bericht wordt. Allen verklaren eenstemmig, +dat het gevaar van door vergiftige Slangen gebeten te worden in deze +deelen van haar verbreidingsgebied betrekkelijk gering is. + +Bij alle verscheidenheid van vorm, lichaamsbouw en levenswijze +hebben de Gifslangen in hare giforganen een kenmerk, waaraan zij +zonder fout--en door eenigermate geoefende onderzoekers ook met vrij +geringe moeite--van de niet-vergiftige Slangen onderscheiden kunnen +worden. Alle hebben n.l. aan de bovenkaak groote, doorboorde tanden, +die bij sommige alleenstaan, bij andere van kleinere, massieve +tanden vergezeld zijn. Bij de over dag werkzame Gifslangen is deze +giftand steviger aan het bovenkaaksbeen bevestigd, dan bij die, welke +'s nachts wakker zijn; bij deze, zoowel als bij gene is hij echter +niet met een wortel, maar slechts door verbeenend bindweefsel met het +bovenkaaksbeen verbonden. De giftand zelf kan eigenlijk niet bewogen +worden: dat de Adders hem tegen het gehemelte aanleggen kunnen, is +een gevolg van de beweeglijkheid van het bovenkaaksbeen, dat stevig +aan den tand is vastgehecht. In den regel is aan iedere zijde van de +bovenkaak slechts één giftand volkomen ontwikkeld. Daar er echter aan +elk bovenkaaksbeen steeds verscheidene (1 à 6) meer of min volledig +ontwikkelde reserve-tanden gevonden worden, kan het voorkomen, dat +twee van deze, in elke groeve één, op denzelfden trap van ontwikkeling +verkeerend, te gelijker tijd in functie treden. De reserve-tanden +zijn niet stevig aan het been gehecht; de meest ontwikkelde is altijd +het naast bij en achter den giftand geplaatst. Aan weerszijden van +den giftand merkt men een vliezige plooi van het tandvleesch op, +waardoor een scheede wordt gevormd, welke den tand omsluit, wanneer +de kaken in den toestand van rust verkeeren. Van alle overige tanden +onderscheiden de giftanden zich door hun aanzienlijker grootte +en duidelijk priemvormige gedaante; bij alle Gifslangen zijn zij +volgens hetzelfde grondplan gebouwd. Behalve een bij den oorsprong +aanwezige, aanvankelijk met een bloedrijk weefsel gevulde holte, die +voor de voeding van den tand dient en bij alle slangentanden zonder +uitzondering voorkomt, bevat iedere giftand nog een overlangsch kanaal, +dat steeds aan de bolle voorzijde van den tand gelegen is en hier twee +openingen vertoont. De eene opening, die een afgeronden vorm heeft, +bevindt zich dicht bij de basis van den tand. Wanneer bij het openen +van den bek het bovenkaaksbeen, en hierdoor ook de giftand, opgericht +wordt, komt de bedoelde opening van het gifkanaal tegenover het einde +van de afvoerbuis van de gifklier te liggen, waardoor het gif in den +hollen tand zal doordringen; de onderste opening, die boven de spits +van den giftand ligt, is spleetvormig. Bij de meeste Gifslangen zijn +deze beide openingen door een fijne spleet met elkaar verbonden en +is het gifkanaal van voren dus niet geheel gesloten; bij de overige +soorten is het gifkanaal volkomen gesloten en wordt de spleet hoogstens +door een fijne lijn vervangen. Hiernaar onderscheidt men "gevoorde" en +"gladde" giftanden. Deze wapens hebben, al naar de soort en de grootte +van het individu, een verschillende lengte; alle Gifslangen, die over +dag jagen, bezitten betrekkelijk kleine, alle, die een nachtelijke +levenswijze hebben, betrekkelijk groote giftanden. Bij onze Adder +bereiken de giftanden een lengte van 3 à 4, hoogstens van 5 mM., bij +de Lanskopslang worden zij 25 mM. lang. Zij zijn zoo hard en broos +als glas, maar buitengewoon spits, en dringen daarom even gemakkelijk +als een scherpe naald in zachte voorwerpen, zelfs in zacht leer door; +van harde glijden zij daarentegen dikwijls af, of breken, wanneer de +stoot, die de Slang er mee toebrengt, krachtig is. Als een van deze +tanden verloren is gegaan, komt de onmiddellijk daarachter gelegen +reserve-tand er voor in de plaats; zulk een wisseling schijnt echter +ook zonder eenige uitwendige oorzaak met een zekere regelmatigheid +plaats te vinden, ieder jaar éénmaal, misschien vaker. + +Iedere gifklier scheidt een betrekkelijk geringe hoeveelheid vocht +af: die van een bijna 2 M. lange Ratelslang hoogstens 4 à 6 druppels; +een klein gedeelte van zulk een druppel is trouwens voldoende om in +het bloed van een groot Zoogdier binnen weinige minuten een noodlottige +verandering teweeg te brengen. De gifklier is overvuld met gif, wanneer +de Slang in geruimen tijd niet gebeten heeft; het gif heeft in dit +geval een krachtiger werking dan wanneer de voorraad gif gering is; +het vernieuwen van den verbruikten voorraad heeft echter zeer schielijk +plaats; ook het versch bereide gif is in de hoogste mate schadelijk. + +Het gif zelf kan met speeksel vergeleken worden, of verdient dezen +naam geheel; het is zoo helder als water, dun, doorzichtig, licht +geelachtig of groenachtig van kleur; het zakt naar den bodem, wanneer +het bij water wordt gevoegd, maar vermengt zich er ook wel mede tot een +zwak troebele vloeistof; het kleurt blauw lakmoespapier rood en heeft +dus een zure reactie. Het bevat, volgens Mitchell's onderzoekingen, +een eiwitachtige stof (het werkzame bestanddeel), een dergelijke stof +van gecompliceerder samenstelling, die geen werking uitoefent, een +gele kleurstof en een niet nader te bepalen bestanddeel, voorts vet en +vrij zuur en eindelijk zouten, waarin een zeker gehalte aan chloor en +phosphorus. Het gif verdroogt gemakkelijk; het vormt een vaste korst, +wanneer het op een voorwerp wordt gestreken en gelijkt dan op een +glanzig vernis; jaren lang behoudt het zijne noodlottige eigenschappen. + +In de laatste jaren hebben Weir Mitchell en E. Reichert talrijke +proeven met slangengif genomen. Volgens hen is de behandeling van de +wonde met overmangaanzure kali de beste geneeswijze; in mindere mate +zijn voor dit doel ijzerchloride en jodiumtinctuur aan te bevelen; +ook door het gebruik van bromiumpreparaten werden goede uitkomsten +verkregen. De plaatselijke verschijnselen na den beet zijn meestal +buitengewoon hevig: in de eerste plaats heeft een sterke zwelling +plaats door het uittreden van vocht of bloed uit de haarvaten; hierop +volgen ettering en koudvuur. Bij een langzamer verloop zijn ook aan +andere lichaamsdeelen zeer duidelijk vergiftigings-verschijnselen waar +te nemen; de overgang van bloed uit de haarvaten in het celweefsel +strekt zich zeer ver over het geheele lichaam uit en gelijkt op dien, +welke in sommige gevallen van bloedvergiftiging optreedt. Men heeft +opgemerkt, dat dit bloed de eigenschap van te stollen verloren heeft +en dat de roode bloedlichaampjes eigenaardige veranderingen ondergaan +hebben. + +De dood door slangengif kan volgens de bedoelde onderzoekers op +verschillende wijzen verklaard worden; de oorzaak kan zijn een +verlamming van die deelen der hersenen, welke de ademhaling regelen, +of een hartverlamming, of bloeduitstorting in het verlengde merg, +misschien ook wel een groote verandering van de roode bloedlichaampjes. + +Slechts wanneer de maag ledig is, wordt het ingeslikt gif in het +bloed opgenomen; gedurende de spijsvertering evenwel wordt het door +de werking van het maagsap onschadelijk gemaakt. + +Welke bloedontledende stof eigenlijk in het slangengif aanwezig is, +weet men nog niet, hoewel hierover verscheidene onderzoekingen zijn +ingesteld; onze kennis van het gif bepaalt zich tot zijn uitwendig +voorkomen en zijn werking. + +In 't algemeen kan hiervan nog gezegd worden, dat de +vergiftigings-verschijnselen des te heviger zijn, naarmate de Slang +grooter en de temperatuur van de omgeving hooger is; bovendien bestaat +er eenig onderscheid tusschen de werking van het gif van verschillende +Slangen. Hoe sneller en volkomener de bloedsomloop van het gebeten +dier is, des te schielijker openbaren zich de gevolgen van den beet; +warmbloedige dieren blijven na zulk een verwonding minder dikwijls +gespaard en sterven na een korter tijdsverloop dan Reptiliën, +Amphibiën of Visschen; de ongewervelde dieren schijnen er minder +nadeel van te ondervinden. Twee Gifslangen van dezelfde soort kunnen +elkander bijten, zonder dat er vergiftiging plaats vindt. Woedende +Slangen bijten dikwijls zichzelf in den staart, zonder hierdoor te +lijden. De uitslag is geheel anders, wanneer de vergiftige Slangen, +die elkander bijten, tot verschillende soorten behooren; in een +dergelijk geval heeft het gif op de slachtoffers in vele gevallen +dezelfde uitwerking als op andere dieren. + +Naar men beweert, zijn enkele Zoogdieren en Vogels tegen de werking +van het slangengif op een voor ons onbegrijpelijke wijze bestand; +o.a. wordt dit van den Mol, den Bunzing en den Egel bericht. Het is +echter zeer de vraag, of de gevolgtrekkingen, die uit de talrijke +proeven van den slangenkenner Lenz afgeleid worden, werkelijk op +goede gronden berusten; daar nieuwere proeven--b.v. die, welke +door C. Struck bij Egels genomen zijn--lijnrecht tegenovergestelde +uitkomsten opleverden. Een Egel, die door een Gifslang aan de lip +gebeten werd, bezweek. De Mungo, die ook tegen slangengif bestand heet +te zijn, zal wel degelijk sterven aan de gevolgen van een flinken beet. + +Over 't algemeen openbaart de werking van het slangengif zich bij alle +dieren min of meer op dezelfde wijze, hoewel de verschijnselen, die +op den beet volgen, verschillen kunnen of althans ongelijk schijnen +te zijn. Daar ook in onzen tijd ongelukkig maar al te vaak gevallen +van vergiftiging van menschen door Slangen voorkomen, zijn wij niet +alleen met de zichtbare gevolgen van den beet, maar ook met het lijden +en de gewaarwordingen van den vergiftigde nauwkeurig bekend. Op het +oogenblik van de verwonding gevoelt het slachtoffer gewoonlijk een +hevige, onvergelijkelijke pijn, die snel als een elektrische schok +door het geheele lichaam trekt; in vele gevallen echter komt in +zoover het tegendeel voor, dat de gebetene een gewaarwording krijgt, +alsof hij zich aan een doorn geprikt heeft. De onmiddellijk daarop +volgende vermoeidheid in alle lichaamsdeelen, een buitengewoon snelle +krachtsvermindering, aanvallen van duizeligheid en telkens herhaalde +flauwten zijn de eerste onbedriegelijke kenteekenen van de plaats +hebbende verandering van het bloed; zeer dikwijls komen brakingen voor +(ook van bloed), bijna even dikwijls diarrhee, soms bloedingen uit +mond, neus en ooren. De krachtsvermindering openbaart zich verder +door een bijna onweerstaanbare slaperigheid en het merkbaar afnemen +van de hersenwerkzaamheid; vooral de verrichtingen van de zintuigen +worden veel zwakker, zoodat b.v. volslagen blindheid en doofheid +kunnen optreden. Naarmate de krachten afnemen, vermindert het gevoel +van pijn, zoodat, wanneer het einde van den vergiftigde nadert, deze +geen pijn meer schijnt te gevoelen, maar in een doffe bewusteloosheid +verzonken is. Niet altijd echter lijdt de patiënt op deze wijze: +dikwijls wordt hij uren achtereen door de hevigste pijnen gekweld +en is zijn zenuwstelsel zoo overprikkeld, dat iedere beweging, ieder +gedruisch in zijn omgeving hem onverdragelijke smarten veroorzaakt. Op +het erbarmelijk gejammer van den gebeten mensch, op het uren lang +aanhoudend, klagend gehuil van den gebeten Hond, volgt ook dan een +toestand van bewusteloosheid, waarin de lijder betrekkelijk kalm den +laatsten adem uitblaast. + +Geen der tallooze geneesmiddelen, waarvan men bij vergiftiging +door slangenbeten gebruik maakt of maakte, kan de veranderingen +tegengaan, die het gif, wanneer het eens in den bloedstroom is +opgenomen, in het bloed en in de centrale deelen van het zenuwstelsel +teweegbrengt. Gerust kan men de talrijke tegengiften, waarop men +vroeger vertrouwde, terzijdestellen. Volgens Weir Mitchell's zeer +nauwgezette onderzoekingen geldt dit ook voor den alcohol. "Het +eerste uitwerksel van het slangengif, de plotselinge vermindering van +de hartwerking, gaf aanleiding den patiënt het gebruik van groote +hoeveelheden alcoholische dranken aan te bevelen, hoewel door dit +middel geen der overige, veel schadelijker gevolgen van het venijn +worden tegengegaan. Ondanks de algemeen heerschende meening, dat +alcohol bij personen, die door Slangen gebeten zijn, een gunstigen +invloed oefent, is het thans vrij wel uitgemaakt, dat vele van deze +patiënten bezweken zijn door de werking van den alcohol, die hun +als geneesmiddel gegeven werd. Er zijn gevallen bekend van menschen, +die terwijl zij smoordronken waren door het gebruik van brandewijn, +door vergiftige Slangen gebeten werden, en toch door de werking van +het gif bezweken." "Van groot nut bij de behandeling van dergelijke +verwondingen zijn alle maatregelen, waardoor de verspreiding van +het gif door het geheele lichaam wordt tegengegaan of althans +vertraagd. Uit vele gevallen van genezing blijkt, dat er in het +organisme werkingen plaats vinden, die het vergiftigde bloed vernieuwen +en de beschadigde weefsels herstellen. Dikwijls is mij gevraagd, +wat ik zou doen, indien ik door een vergiftige Slang gebeten werd en +niet onmiddellijk hulp kon krijgen. In bepaalde gevallen, b.v. als +de verwonding aan den vingertop plaats had, zou ik niet aarzelen +mij van het vergiftigde lichaamsdeel te ontdoen door amputatie of +de wonde met een gloeiend ijzer uitbranden. Indien dit niet kan +geschieden, is het raadzaam om, terwijl er hulp gezocht wordt, het +gif tot het gebeten lichaamsdeel te beperken, door boven de wonde, +dus op een nader bij den romp gelegen plaats, twee banden aan te +brengen, die stijf genoeg aangehaald worden, om de circulatie van het +bloed te verhinderen. Om de verzwakking van de hartwerking tegen te +gaan en den patiënt in staat te stellen, naar huis terug te keeren, +kan het op dit tijdstip nuttig zijn van een alcoholischen prikkel +gebruik te maken. Ten spoedigste moet de wonde behandeld worden +met middelen, die het venijn vernietigen, waarvoor een oplossing +van overmangaanzure kali in water aanbeveling verdient. Door de +weefsels te drukken en te kneeden, wordt het in aanraking komen +van het venijn met het tegengif bevorderd. Tevens is het noodig, +de banden losser te maken om het koudvuur te voorkomen. Natuurlijk +zal dan eenig venijn in den bloedstroom kunnen geraken; maar na +weinige oogenblikken zal men opnieuw de banden kunnen toehalen en +moet men nogmaals het plaatselijk werkend tegengif aanwenden. Als een +dergelijk middel niet of eerst na geruimen tijd beschikbaar is en de +wonde een groote hoeveelheid venijn bevat, kunnen alleen het mes en +het gloeiend ijzer afdoende hulp verschaffen. Bemoedigend is echter +de herinnering, dat in Amerika een slangenbeet zelden doodelijke +gevolgen heeft. Van 9 Honden, die door 9 verschillende Gifslangen +gebeten werden, bezweken slechts 2." Het uitzuigen van de wonde heeft +dit voordeel, dat het onmiddellijk kan geschieden; de lijder of ieder +ander, die deze bewerking verricht, moet echter zeker zijn van de +afwezigheid van wondjes, hoe onbeduidend ook, in de mondholte; daar +hierdoor het gif in het bloed zou kunnen doordringen. Te sterk zuigen +kan bloeding van het tandvleesch veroorzaken en op deze wijze voor den +helper gevaarlijk worden. Volgens Kaufmann verdient bij adderbeten het +inspuiten van een 1-percents oplossing van chroomzuur in de wonde de +voorkeur boven de (door Lacerda Filho te Rio de Janeiro aanbevolen) +1-percents oplossing van overmangaanzure kali, ofschoon ook deze een +nuttige werking scheen te hebben. Op Braziliaansche plantages wordt +van het laatstgenoemde middel tegen slangenbeten een dosis van 1 1/2 +à 4 cM3 ingespoten, al naar het geval meer of minder ernstig schijnt, +naar men zegt, met goed gevolg. In den laatsten tijd wordt voor de +behandeling van adderbeten, behalve een oplossing van overmangaanzure +kali (2 percent), ook carbol (5 percent) aanbevolen. + +Alle Slangen drinken, sommige zuigend, met volle teugen, onder +duidelijk zichtbare bewegingen der kaken, andere door met de tong +water of dauwdroppels op te nemen, of althans de tong er mede te +bevochtigen. Verscheidene soorten verkwijnen zichtbaar en bezwijken +ten slotte, wanneer zij geen water krijgen; andere daarentegen schijnen +de behoefte aan vocht dagen, ja zelfs maanden lang met eenige weinige +druppels te kunnen bevredigen. Belangrijker nog dan het ruien voor +het leven der Vogels, is voor het leven der Slangen de vervelling; +deze werkzaamheid is een van de eerste, welke het jong na het verlaten +van het ei verricht; door het volwassen dier wordt zij ieder jaar +verscheidene malen herhaald. De vervelling neemt een aanvang met +het losraken van de fijne, doorzichtige opperhuid van de lippen, +waardoor een groote opening ontstaat. In de vrije natuur maken de +Slangen gebruik van mos, heide en andere planten of van oneffenheden +in 't algemeen om haar "hemd" uit te trekken en loopt de vervelling +zeer spoedig af; in de kooi moeten zij zich dikwijls lang tevergeefs +inspannen, voordat zij haar doel bereikt hebben en komt het zelden +voor, dat zij haar huid afwerpen, zonder deze te scheuren. + +Volgens de nasporingen van Lenz heeft de eerste vervelling van de +inheemsche Slangen tegen het einde van April of in het begin van +Mei plaats, de tweede in 't laatst van Mei en het begin van Juni, +de derde in het laatst van Juni, de vierde in het einde van Juli en +het begin van Augustus, de vijfde eindelijk van het einde van Augustus +tot het begin van September. Iets dergelijks wordt van de Slangen in +tropische gewesten bericht.--Weinige dagen na de eerste vervelling in +de lente begint de voortplanting. Na ongeveer 4 maanden zijn de eieren, +waarvan het aantal in den regel 6 à 40 bedraagt (bij de Reuzenslangen +echter soms wel 100), voor 't leggen geschikt; de moeder laat ze op +een vochtige, warme plaats achter. Bij enkele soorten ontwikkelen +de jongen zich in den eileider zoover, dat zij onmiddellijk na het +leggen van het ei of reeds in het lichaam van de moeder de eischaal +verbreken. Slechts van eenige Reuzenslangen is het bekend, dat zij +hare eieren uitbroeden. Bij het verlaten van de eischaal worden de +jongen niet door hun moeder geholpen; deze bekommert zich trouwens +ook overigens weinig of niet om haar kroost. De Slangen groeien zeer +langzaam, maar misschien wel gedurende geheel haar leven, op lateren +leeftijd natuurlijk veel minder sterk dan in de jeugd. Waarschijnlijk +kunnen zij zeer oud worden. + +De Slangen spelen in de dierenwereld een zeer ondergeschikte +rol. Eenige zijn ons nuttig door het vangen van Muizen en andere +schadelijke Knaagdieren. Het voordeel, dat zij den mensch op deze +wijze verschaffen, wordt ruimschoots opgewogen door de schade, die zij, +althans de Gifslangen, aanrichten: voor den haat, waaronder de geheele +onderorde te lijden heeft, bestaan zeer gegronde redenen. Het is te +prijzen, wanneer men de onschadelijke Slangen niet met de vergiftige +veroordeelt, vervolgt en doodt; de onderscheiding van de Gifslangen van +hare niet-vergiftige verwanten vereischt echter zulk een nauwkeurige +bekendheid met de geheele groep, dat het moeilijk te verdedigen zou +zijn, niet-deskundigen aan te raden sommige Slangen te sparen. Wel is +het geen moeielijke zaak de eenige inheemsche Gifslang van de beide, +ons vaderland bewonende, onschadelijke Slangen te onderscheiden; in +andere landen van West-Europa wordt echter een Slang aangetroffen, +die zooveel op onze Adder gelijkt, dat zelfs de op dit gebied zeer +ervaren Duméril, zich in de herkenning van de soort kon vergissen. In +alle andere werelddeelen komen Slangen voor, waarvan men ook thans +nog niet weet, of zij al dan niet vergiftig zijn. Ieder, die voor de +onschadelijke Slangen in de bres wil springen, moet duidelijk doen +uitkomen, dat het verzoek om deze dieren te sparen, geen andere dan +inheemsche soorten betreft, daar het anders verkeerde gevolgen zou +kunnen hebben. + +De Slangen spelen een belangrijke rol in de sagen en bovenzinnelijke +voorstellingen der volken. Niet slechts in de joodsch-christelijke +overlevering, maar in de mythen van ieder volk treden zij op en wekken +soms vrees en afschuw, soms liefde en vereering. De Slang gold als +zinnebeeld van snelheid, van sluwheid, van de geneeskunde en zelfs +van den tijd. Voorheen werd aan Slangen goddelijke eer bewezen en +ook thans nog ontmoet men deze eeredienst bij eenige onbeschaafde +volken. De Indiërs vereerden haar als zinnebeeld van wijsheid; +voor andere volken waren valschheid, list en verleiding in haar +belichaamd; nog andere beschouwden de Slangen als vertegenwoordigers +van Goden. Daar haar goede en ook wel slechte eigenschappen werden +toegedicht, stelde zij soms een god, soms een duivel voor. Men dichtte +haar niet slechts eigenschappen toe, die zij niet bezitten, maar ook +vleugels, pooten en andere haar ontbrekende lichaamsdeelen, een kroon +op den kop en dergelijke tot tooi dienende aanhangselen; de phantasie +hield zich meer met haar bezig dan het waarnemingsvermogen. Daar +Slangen een buitengewonen indruk maken op de lichtgeloovige menigte, +gaven kwakzalvers en ook geneeskundigen zich veel met deze dieren +af. Plinius en andere Romeinsche (ook Grieksche) schrijvers vermelden +verscheidene geneesmiddelen, tooverdranken en dergelijke artsenijen, +waarvoor het lichaam of enkele lichaamsdeelen van verschillende +Slangen de grondstoffen leverden. Aan de Grieken en Romeinen danken +wij de uit Adders bereide pharmaceutische mengsels, die nog lang na +de Middeleeuwen in gebruik zijn gebleven. Nog in de laatstverloopen +eeuwen werden de tot het Addergeslacht behoorende Slangen bij +honderdduizenden in Europa, vooral in Italië en Frankrijk, voor de +apotheken ingezameld. Daar Europa niet genoeg Slangen kon leveren om +aan de vraag naar dit artikel te voldoen, werden zelfs uit Egypte +Gifslangen in zeer grooten getale aangevoerd. Reeds Antonius Musa, +een beroemde arts ten tijde van Keizer Octavianus Augustus, gebruikte +Adders als geneesmiddel. Andromachus van Kreta, de lijfarts van +dezen keizer, vond het "theriacum" uit, dat nog in de vorige eeuw +in bijna alle Europeesche apotheken bereid werd onder toezicht van +pharmaceuten en geneeskundigen, die de talrijke, daarin voorkomende +stoffen onderzoeken moesten. Vooral Venetië was wegens haar theriacum +beroemd. Nog in den tegenwoordigen tijd wordt aan de geneeskracht +van het addervet geloof geslagen; goede gevolgen had dit geloof in +zoover, als het aanleiding gaf tot een ijverige jacht op Adders en +veel bijdroeg tot vermindering van haar aantal. + +Tot geruststelling van ieder, die voor Slangen bevreesd is, kan +dienen, dat zij een zeer groot aantal vijanden hebben. Hier te lande +maken Katten, Vossen, Marters, Bunzingen, Wezels, Egels en Zwijnen +jacht op haar, in zuidelijker gewesten de Civetkatten, vooral de +Mangoesten, in Zuid-Afrika ook sommige Hagedissen. Even krachtdadig +worden zij vervolgd door Slangenarenden en Schreeuwarenden, Buizerden, +Raven, Eksters en Gaaien, Ooievaars en andere Moerasvogels benevens +hunne plaatsvervangers uit de Vogelklasse in warme landen. Als +de uitmuntendste van alle slangenverdelgers wordt de Secretaris of +Kraangier beschouwd; ook andere leden zijner orde ontwikkelen echter in +deze richting een grooten ijver; vooral geldt dit van de Edel-, Tand-, +Zing- en Slangenhaviken, van de Sperwerarenden, Berghanen, Giervalken, +Koningsgieren en Raafgieren. Bovendien zijn vele Hoendervogels en +Stapvogels niet gering te schatten als bondgenooten in den strijd tegen +de Slangen. Zij alle verdienen de waardeering en de bescherming van +den mensch; want voor 't meerendeel verslinden zij, behalve Slangen, +ook de door haar vervolgde schadelijke dieren; het nuttige deel van +den arbeid der Reptiliën, die zij buiten staat stellen om kwaad te +doen, wordt dus door hen overgenomen. + +De meeste Slangen gewennen licht aan het leven in gevangenschap; vele +verdragen dit jaren, andere althans maanden lang. Voor het welzijn is +warmte, en meer bepaaldelijk vochtige warmte, een volstrekt vereischte; +vooral mag in haar hok een bak met water, die als badinrichting +dienst kan doen, niet ontbreken. In den eersten tijd moet men haar +levende dieren als voedsel geven; als zij er zich aan gewend hebben +deze te grijpen en te verslinden, gelukt het dikwijls ook wel, haar +te leeren zich met doode dieren te behelpen, en zijn zij later zelfs +met stukken vleesch tevreden. + +Langzamerhand ontstaat er tusschen de Slangen en haar verzorger een +zekere vriendschappelijke verhouding; zij nemen het voedsel aan, +dat hij haar met de handen of met een tang voorhoudt, laten zich +aanraken, opnemen, ronddragen en zelfs eenigermate africhten. Van +werkelijke gehechtheid aan haar meester blijkt echter niets; eerder +zou men nog van het tegengestelde gevoel kunnen spreken bij soorten, +die sterk, of althans door het bezit van giftanden weerbaar, zijn. De +verhouding van den mensch tot de prikkelbare, kwaadaardige Gifslangen, +die hij gevangen houdt, wordt slechts bij uitzondering langzamerhand +iets minder gespannen. Toch bijten deze dieren soms ook dan nog, +als zij reeds maanden lang voor getemd werden gehouden; in ieder +geval blijft de omgang met hen steeds gevaarlijk en vereischt zooveel +voorzichtigheid, dat ik, op mijn ervaring afgaande, niemand aanraden +mag, zich met hen in te laten. + + + +De Wormslangen, zoo genoemd wegens haar vorm en levenswijze, wijken +even sterk af van de overige Slangen als de Ringhagedissen van +de overige Hagedissen; vroeger werden zij bij de laatstgenoemde +onderorde gevoegd. Haar belangrijkste kenmerk is het bezit van +tanden in slechts één van beide kaken--hetzij in de onderste, bij de +Smalmuiligen (Stenostomidae), of in de bovenste, bij de Hagedisslangen +(Typhlopidae)--en de ongeschiktheid van haar bek om verwijding te +ondergaan. Steeds zijn bij haar overblijfselen van den heupgordel +aanwezig. Men verdeelt ze in twee familiën (hierboven genoemd). + + + +Bij de Hagedisslangen is de grens tusschen romp en kop onduidelijk, +de staart kort, het oog klein, door een doorzichtig schildje overdekt, +de tong duidelijk gevorkt. Kleine, rondachtige, gladde, dakpansgewijs +geplaatste schubben bekleeden het lichaam, met uitzondering van het +voorste deel van den kop, dat grootere schilden draagt. Deze familie is +over de keerkrings-gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld verbreid; +in het Noordelijke Rijk van de Oude wereld wordt zij door een gering +aantal soorten vertegenwoordigd, die, naar het schijnt, uitsluitend, +Zuidoost-Europa, West-Azië en Japan bewonen. Alle leven onder den +grond als de Wormen, waarmede zij zich voeden en planten zich voort +door betrekkelijk zeer groote, langwerpige eieren, welker aantal +gewoonlijk gering is. De grootste soort, die men kent, wordt ongeveer +70 cM. lang en heeft een middellijn van 3 cM. + + + +Bij het Zwakoog (Typhlops vermicularis), den eenigen Europeeschen +vertegenwoordiger van zijn familie, hebben beide einden van het +lichaam gelijke dikte; het onderscheiden van den snuit en den staart +kost werkelijk moeite; daar men den mond voor de kloakopening zou +kunnen houden, tenzij men acht geeft op de grootere schilden, die +den afgeronden snuit bekleeden. Het oog schemert als een nauwelijks +zichtbaar stipje door het oogschild heen. De kleur is meer of minder +glanzig geelbruin, van boven donkerder, van onderen lichter; op den rug +en den staart komt een teekening voor, bestaande uit een donkerbruin +stipje op iedere schub bij de spits. Lengte hoogstens 33, dikte 0.8 cM. + +Van de levenswijze van dit dier, dat in Griekenland en op verscheidene +Grieksche eilanden, in Klein-Azië, Syrië, Steenachtig Arabië en de +Kaukasuslanden aangetroffen werd, zijn tot dusver geen bijzonderheden +van eenig belang bekend. + + + +Sterk vertegenwoordigd is dit geslacht in het Oostersche en +Australische Rijk. Als voorbeeld noemen wij Typhlops nigro-albus, +een op de Soenda-eilanden levende soort, die door de Maleiers +Oelar-balang (Bonte Slang) wordt genoemd. Snelleman noemt haar: +"een klein, zeer beweeglijk Slangetje, dat op den grond voorkomt, +maar ook opgerold ligt op de bladen van pisangboomen en andere laag +bij den grond staande struiken. In Indië wordt deze soort algemeen +als zeer schadelijk beschouwd en haar beet voor gevaarlijk gehouden, +hoewel zij inderdaad zeer onschuldig is en zich met Insecten voedt." + + + +Zonder eenigen twijfel hebben de ouden met hunne Draken onze +tegenwoordige Reuzenslangen bedoeld. De opmerkelijke grootte van +deze dieren, hun spierkracht en de algemeen heerschende vrees +voor iedere Slang maakt de overdrijving, waaraan de schrijvers der +oudheid zich schuldig hebben gemaakt, verklaarbaar. Van een mensch, +die zich bedreigd acht door verschrikkelijke monsters en zich te +zwak gevoelt om hen te weerstaan, kan het ons niet bevreemden, dat +hij aan de bedoelde wezens een veel aanzienlijker grootte toedicht +dan zij werkelijk hebben, en zelfs ledematen, die niet bestaan. De +zoogenaamde "aarsklauwen" der Reuzenslangen, die men thans als +sporen van achterpooten heeft leeren kennen, werden door de ouden +niet opgemerkt; daarentegen begiftigde de phantasie deze door hen +zoo gevaarlijk geachte schepselen met vreemdsoortige pooten en +wonderbaarlijke vleugels. Het wondergeloof der middeleeuwen breidde +de attributen der Draken hoe langer hoe meer uit. In dien tijd was +de herinnering aan de Reuzenslangen zoo goed als geheel verloren +gegaan en ontwikkelden de onbepaalde voorstellingen der Oostersche +sprookjes zich allengs tot gestalten, waarin het oorspronkelijk type +bijna geheel onkenbaar is geworden. + +Tot overdrijving waren echter niet alleen de ouden geneigd, ook bij +hedendaagsche berichtgevers vindt men er vele bewijzen van. Ook +thans nog wordt gesproken van Reuzenslangen van 15 M. lengte en +schroomt men niet te verhalen van Paarden, Runderen en dergelijke +dieren, die door deze monsters aangevallen, gedood en verzwolgen +zouden zijn. Hoewel men de mogelijkheid kan onderstellen, dat de +Reuzenslangen vroeger een aanzienlijker grootte bereikten dan thans, +nu de mensch beter uitgerust is voor den strijd met zijne vijanden en +met zijne vreeselijke wapens hun leven verkort, is het aan geen twijfel +onderhevig, dat zulke Slangen, als door de ouden beschreven worden, +nooit bestaan hebben. Uit eigen ervaring weet ik, hoe buitengewoon +moeielijk het is de lengte van Slangen zonder meting bij benadering te +bepalen. Niet zelden geschiedt dit reeds foutief bij kleine Slangen, +die men rustend voor zich ziet liggen en dus goed kan opnemen. Maar +al te vaak zal het bij nader onderzoek blijken, dat een lengte +van b.v. één meter ruim een derde hooger was geschat; bij Slangen +van 3 M. lengte is de moeielijkheid twee- of driemaal zoo groot en +bestaat er nog veel grooter verschil tusschen de werkelijkheid en +de schatting. Deze is zelfs gladweg onmogelijk, zoodra het dier zich +beweegt. Het kan dus geen verwondering wekken, dat de inboorlingen van +zuidelijker landen, met hun levendige phantasie veel verder gaande in +overdrijving, afmetingen opgeven, die twee- of driemaal zoo groot zijn +als de ware. Dezelfde Indiër of Zuid-Amerikaan, die met den schijn van +volkomen betrouwbaarheid over een ongeveer 15 M. lange Reuzenslang +spreekt, welke hij beweert zelf gezien of geschoten te hebben, zal +den nauwkeurig metenden onderzoeker, die een dier van 6 M. doodde, +verzekeren, dat dit exemplaar alle wezens van dezelfde soort, die +hij vroeger heeft gezien, in grootte ver overtreft. + + + +De familie der Aarsklauwslangen (Boidae), die de "Reuzenslangen" +onder hare leden telt, is kenbaar aan de volgende eigenschappen: De +platte van achteren meer of minder duidelijk begrensde, driehoekig +of langwerpig eivormige kop heeft meestal een zeer grooten muil; +de krachtig gespierde romp is zijdelings samengedrukt, de staart +betrekkelijk kort; sporen van achterste ledematen zijn aanwezig: +aan weerszijden van de kloakopening komt meestal een hoornachtige +aarsklauw voor. De bekleeding van den kop bestaat uit schilden, +soms uit schubben; de rugzijde van den romp is bedekt met kleine, +zeshoekige schubben, de buikzijde met korte, maar breede schilden, +die aan den staart soms een enkele, soms een dubbele reeks vormen. Bij +zorgvuldige ontleding van het dier merkt men duidelijke overblijfselen +van een uit vier beenderen samengestelden heupgordel op. Massieve +tanden komen voor aan beide kaakbogen en aan de gehemeltebeenderen. Het +oog is betrekkelijk klein en heeft een vertikaal gerichte pupil. + +Met uitzondering van de Woel-boa's (Erycinae)--een uit 6 soorten van +middelmatige grootte bestaande onderfamilie, welker verbreidingsgebied +zich van Zuid-Europa over Noord- en West-Afrika en in Azië tot Sikhim +uitstrekt en die wij verder buiten rekening zullen laten om alleen +de Reuzenslangen te bespreken--behooren alle Aarsklauwslangen in de +tropische gewesten thuis, overschrijden althans de keerkringen niet +ver. Tegenwoordig bewonen zij alle heete en waterrijke landen van +de Oude en de Nieuwe Wereld, bij voorkeur groote wouden; veelvuldig +zijn zij vooral in boschrijke gewesten, die veel water bevatten; +enkele soorten komen echter ook in droge streken voor. Er zijn +echte waterdieren bij, die met geen ander doel dan om zich in de +zon te koesteren en te slapen de door haar bewoonde rivieren, meren +en moerassen verlaten; maar steeds in het water, of althans aan den +waterkant, jagen; andere schijnen het water te mijden. De inrichting +van de oogen verraadt een nachtelijke levenswijze. Wel ziet men de +Reuzenslangen in hare wouden ook over dag zich bewegen en soms jagen; +haar eigenlijke werkzaamheid begint echter eerst, als de schemering +invalt, en eindigt bij 't krieken van den morgen. Des daags liggen +zij, op de meest verschillende wijzen ineengekronkeld, bij voorkeur +op een zonnige plek te rusten. Enkele kiezen als ligplaats een +rotsblok, een zandbank of een boven het water uitstekenden tak; +andere beklimmen een boom, hechten zich met haar grijpstaart aan +den tak, waarop het lichaam als een kluwen ineengekronkeld is of +waarvan het als een touw naar beneden hangt; nog andere zoeken een +open plek in het woud, een rotsterras of een helling op en strekken +haar lichaam geheel of gedeeltelijk lang uit of kronkelen het tot +een vlakke spiraal ineen. Alle bewegen zich niet meer dan noodig is, +eigenlijk alleen dan, wanneer zij een gevaar duchten of dit trachten +te ontwijken, of wanneer zij lang tevergeefs gejaagd hebben en nu +een buit opmerken. Plotseling ontrolt zich dan het kolossale dier, +om zich met inspanning van al zijn kracht op het begeerde slachtoffer +te werpen, dat, door de stevige tanden gegrepen en door het gespierde +lichaam omstrengeld, spoedig den laatsten adem uitblaast. + +Hoewel de Reuzenslang in staat is een buitengewoon groote prooi te +verzwelgen, is de rekbaarheid van hare kaken toch volstrekt niet +onbegrensd. De vreeselijke geschiedenissen, die van haar verhaald +en geloofd worden, zijn onwaar: geen enkele Reuzenslang kan een +volwassen mensch, een Rund, een Paard, een groot Hert door haar +slokdarm stuwen; reeds het doorslikken van een dier ter grootte van +een Ree is, zelfs voor de grootste leden dezer familie, een zeer +moeielijke arbeid. Geheel uit de lucht gegrepen is het praatje, dat +een Reuzenslang bij het verzwelgen van groote dieren wacht, totdat +het deel, dat zij niet kan inslikken, door ontbinding verweekt is, +en de daarbij gevoegde opmerking, dat het speeksel van de Slangen +de rotting zeer bespoedigt. Zeker is het, dat deze dieren, evenals +alle overige Slangen, na een overvloedig maal in een toestand van +traagheid vervallen, welke aanhoudt, totdat de vertering grootendeels +afgeloopen is. + +De wijze waarop een Reuzenslang een prooi beloert, besluipt, doodt +en verzwelgt, wordt door verschillende afbeeldingen, die Mützel +naar de natuur geteekend heeft, aanschouwelijk voorgesteld. Tot +toelichting diene de volgende op eigen waarneming berustende +beschrijving: Zoodra een Reuzenslang, die meestal 's nachts, doch +ook wel over dag of in de schemering jaagt, gedurende haar rust een +onbezorgd naderenden buit opmerkt, verheft zich haar kop boven den +stompen kegel, die door de spiraalwindingen van haar lichaam gevormd +wordt. De pupil, die onder den invloed van 't licht tot een smalle +spleet was ingekrompen, verwijdt zich, de tong geraakt in beweging, +wordt beurtelings uitgestoken en teruggetrokken, nu eens naar deze, +dan weer naar een andere zijde gericht; ook uit de beweging van het +puntje van den staart blijkt, evenals bij loerende Katten, dat het +verlangen naar een prooi in de Slang levendig is geworden. Mützel +heeft een Boa constrictor in dezen toestand voorgesteld. Zorgvuldig +bespiedt de Slang haar slachtoffer. Nadat dit eenigen tijd, soms +lang, soms kort geduurd heeft, ontrolt zij zich en begint haar +prooi te besluipen, zooals men in de afbeelding van den Anakonda +kan zien. Langzaam wordt het voorste deel van het lichaam voorbij +de kronkelingen geschoven, die gedurende den rusttoestand naast en +boven elkander liggen; langzaam, doch aanhoudend volgen andere deelen +van den wormvormigen romp. Alle spieren zijn in werking, alle ribben +zijn tegen den grond gedrukt om de zware massa vooruit te schuiven: +tastend onderzoekt de nooit rustende tong het te volgen pad, terwijl +de oogen voortdurend op den buit gericht zijn; meer en meer nadert +het roofdier zijn doel. Het slachtoffer is onbewust van het dreigende +gevaar; daar het de steeds dichterbijkomende Slang niet herkent, als de +vreeselijke vijand, die eenige oogenblikken later de oorzaak zal worden +van zijn dood. Verbluft door het nog nimmer voorgekomen schouwspel, +dat waarschijnlijk zijn nieuwsgierigheid prikkelt, blijft het zitten +en doet hoogstens eenige stappen of maakt eenige sprongen, als 't ware +om de Slang niet te hinderen bij het vervolgen van haar weg. Het komt +weer tot rust en blijft kalm, terwijl de roover, wiens opgewondenheid +meer en meer toeneemt, in de onmiddellijke nabijheid van den begeerden +buit door het bijtrekken van den romp den hals in kronkels legt om +dezen de noodige lengte voor den aanval te geven. Niet zelden blijft +het slachtoffer zelfs dan nog zitten, als de spitsen van de gevorkte +tong zijn lichaam aanraken. Dikwijls heb ik gezien, dat Konijnen, +als 't ware om deze begroeting te beantwoorden, ook van hun zijde +nieuwsgierig de Slang besnuffelden. Eensklaps schiet de slangekop +vooruit; eerst dan wordt de bek geopend; voordat het slachtoffer +weet, in welk gevaar het verkeert, is het gegrepen en door één of +twee ringen van de Slang omstrengeld. Dit geschiedt zoo bliksemsnel, +dat de toeschouwer vaak geen juiste voorstelling kan verkrijgen van +de ware toedracht der gebeurtenis. De Slang grijpt het dier en rolt in +'t zelfde oogenblik het voorste gedeelte van haar lichaam op, door den +kop met den buit naar voren te richten en met beide zoovele kringen te +beschrijven, als zij kronkelingen om haar slachtoffer wil leggen. Vóór +het einde van de seconde, bij welker aanvang de stoot plaats had, is +de doodelijke omstrengeling van den gegrepen buit reeds een voldongen +feit. Zelden hoort men hem schreeuwen; zoo dit voorkomt, wordt het +geluid waarschijnlijk op geheel passieve wijze voortgebracht door de +lucht, die tengevolge van de vreeselijke drukking op de longen uit +de luchtpijp ontwijkt. Hoe onweerstaanbaar deze drukking is, blijkt +uit de gelaatstrekken van het omstrengelde dier. De oogen treden +uit hunne kassen, een pijnlijke trek verwringt de lip, krampachtig +trillen de (toevallig niet omstrengelde) achterpooten. Reeds na +weinige oogenblikken echter verliest het slachtoffer zijn bewustzijn; +al naar het een meer of minder taai leven heeft, begint de verflauwing +van den hartslag vroeger of later; ten slotte staat het hart stil en +is het einde daar. Nadat de Slang zich overtuigd heeft van den dood +van haar slachtoffer, ontwikkelt zij langzaam hare kronkelingen en +onderzoekt nu met de tong den buit, in den regel zonder hem geheel +los te laten. Nooit heb ik gezien, dat zij vóór het verzwelgen met +de prooi speelde, zooals de ouden beweerd en enkele berichtgevers +uit lateren tijd herhaald hebben. Het kwam mij altijd voor, dat het +betasten met de tong ten doel had de geschiktste aanvangsplaats voor +het verzwelgen van de prooi te zoeken. De bedoelde plaats is de kop; +wanneer deze het eerst in den bek komt, zal het groote stuk, dat +onverdeeld doorgeslikt moet worden, den geringsten weerstand bieden. Na +een langdurige onderzoeking met de tong, wordt het geworgde dier op +nieuw gegrepen en met zoo wijd mogelijk opengesperden bek neemt de +moeitevolle arbeid van het verzwelgen een aanvang. Beurtelings wordt de +eene en de andere kaakhelft vooruitgeschoven, de reeks van achterwaarts +gekromde tanden telkens op nieuw in de prooi gedrukt om haar vast te +houden, die van den anderen kant vervolgens door een voorwaartsche +beweging van de kaakhelft losgemaakt en verderop weer ingehaakt. Door +deze vele malen herhaalde, kleine rukken wordt langzamerhand het lijk +naar binnen gewerkt. Men ziet intusschen de beide onderkaaksbeenderen +eerst van achteren, later ook van voren meer en meer uiteenwijken, +waarbij de hen vereenigende banden sterk uitgerekt worden. Van den +vroeger slanken vorm van den kop bemerkt men niets meer, slechts +het bovenste deel behoudt ongeveer zijn oorspronkelijke gedaante: +de huid van onderkaak en keel zet zich verbazend uit, en vormt ten +slotte, zoo als door de afbeelding van bladz. 53 wordt toegelicht, +een wijden zak met een stijven ring aan zijn bovensten rand, welke aan +den totebel van den Pelikaan herinnert. Naarmate de onderkaak zich +uitzet, treedt de luchtpijp verder naar voren. Alle speekselklieren +scheiden een overvloed van vocht af en bevochtigen de haren of veeren +van het slachtoffer, voor zoover dit reeds in het achterste deel van +de mondholte is doorgedrongen. Bij het verzwelgen van groote dieren +vereischt de doorgang van de schouderbladen of van de vleugels een +sterk vermeerderde inspanning. Zoodra de Slang deze moeielijkheid +overwonnen heeft, gaan de overige lichaamsdeelen van de prooi +opmerkelijk snel door 't keelgat naar binnen. Nu herkrijgt de kop zijn +gewonen vorm. De uiteengerukte gewrichtsvlakten komen weer bij elkaar +en nadat de Slang eenige malen den muil geopend en gesloten heeft, +als om te gapen, is alles weer in orde. Van buiten kan men duidelijk +zien, hoe opeenvolgende spierwerkingen de prooi intusschen verder en +verder door den slokdarm stuwen, totdat zij in de maag is aangekomen. + +Hoe buitengewoon schielijk de spijsvertering plaats heeft, kan men bij +gevangen exemplaren waarnemen. Niet langer dan vier dagen duurt het, +vóór het grootste Zoogdier, dat men hun als voedsel gewoon is te geven, +op de haren na, die met den drek verwijderd worden, volkomen in het +bloed van de Slang is opgenomen. Hoewel zij dan weer eetlust toont, +kan zij zonder bezwaar weken en zelfs maanden lang honger lijden, +althans indien een onachtzame verzorger haar niet reeds vóór dien +tijd te lang heeft laten vasten. + +Sommige Reuzenslangen zijn levendbarend; andere leggen eieren, waaruit +de jongen eerst na verloop van geruimen tijd te voorschijn komen. De +moeder bevordert de ontwikkeling van de kiem op een wijze, die bij +geen ander Kruipend Dier werd opgemerkt. Bij gevangen exemplaren +heeft men herhaaldelijk waargenomen, dat het wijfje de eieren met +haar lichaam bedekt en in zekeren zin uitbroedt. De levendbarende +soorten bekommeren zich om het kroost, dat zij ter wereld brengen, +even weinig als de andere Reptiliën om hunne eieren. De jongen +die bij de geboorte bijna 1 M. lang zijn en zoo dik als een duim, +beginnen onmiddellijk de levenswijze hunner ouders, hoewel zij +aanvankelijk tot kleine troepen vereenigd blijven, die nog geruimen +tijd een gemeenschappelijke woonplaats behouden, hetzij op den +grond of in de boomen. Bij gevangen Pythons, heeft men opgemerkt, +dat de groei gedurende de 4 eerste levensjaren het snelst is, daarna +langzamer en na het 14e jaar onmerkbaar wordt; hieruit leidt men af, +dat Reuzenslangen van 6 à 7 M. lengte minstens 28 jaar oud zijn. + +De Reuzenslangen zijn, naar bij gevangen exemplaren niet zelden +gebleken is, wel bewust van hun sterkte en laten zich eerder dan vele +andere Slangen, tot drift vervoeren. Toch ontwijken zij in den regel +den mensch en vallen hem slechts bij uitzondering aan. Hoewel zulk een +aanval misschien af en toe in de vrije natuur voorkomt, blijkt echter +uit geen enkel volkomen betrouwbaar bericht, dat Reuzenslangen menschen +kunnen verslinden. Geen Zuid-Amerikaansche jager, geen schrandere, +in de jacht ervaren inboorling van Afrika is ernstig bevreesd voor +deze dieren, die ijverig vervolgd worden, omdat men hun vleesch, +hun vet en hun huid op velerlei wijzen gebruikt. Het vleesch wordt +alleen door de inboorlingen gegeten; aan het vet schrijft men algemeen +geneeskracht toe; de huid wordt tot allerlei versierselen verwerkt. De +jager doodt de Reuzenslang meestal met het geweer. Een schot hagel +in den kop is hiervoor overvloedig voldoende; daar deze Slangen veel +minder taai van leven zijn dan men van deze dieren van haar grootte +en lichaamskracht zou verwachten. + +De Reuzenslangen, die reeds eenigen tijd in gevangenschap hebben +verkeerd, zijn beter geschikt om naar Europa verzonden te worden, +dan de sinds kort van hun vrijheid beroofde exemplaren. De +eerstgenoemde kunnen bij behoorlijke verzorging jaren lang in 't +leven blijven. Zoowel in Europa als in Noord-Amerika vinden zij altijd +willige koopers in de eigenaars van menagerieën; daar een beestenspel +zonder Reuzenslang een van zijne grootste aantrekkelijkheden zou +missen. Met angst en beving zien "boeren, burgers en buitenlui" den +"dierentemmer", nadat hij een van zijne onovertrefbare voordrachten +over de geheele dierenwereld heeft gehouden en het onvermijdelijke +drinkgeld ingezameld heeft, een lange kist openen en hieruit de in +wollen dekens gehulde Boa voor den dag halen, haar over zijn schouder +hangen, om zijn hals slingeren, kortom, met dit monster op zulk een +wijze omgaan, dat enkele toeschouwers er kippenvel van krijgen. + + + +Wanneer men de minder belangrijke groep der Woelboa's (Erycinae) +buiten rekening laat, kan men de familie van Aarsklauwslangen +in twee onderfamiliën splitsen: de Python-slangen (Pythoninae) +en de Boa-slangen (Boinae). De eerstgenoemde zijn kenbaar aan +hare met tanden gewapende, bij alle overige Slangen tandelooze +tusschenkaaksbeenderen. Evenals de Boa-slangen hebben zij een +grijpstaart (deze komt bij de Woelboa's niet voor). Van de Erycinae +en Boinae verschillen zij door het bezit van een dubbele reeks van +schilden aan de onderzijde van den staart, die men ook bij nagenoeg +alle overige leden der onderorde aantreft. De Python-slangen +zijn geheel tot de Oude Wereld beperkt en vooral op de Molukken, +Nieuw-Guinea en Australië sterk vertegenwoordigd. + +Het grootste deel van Indië wordt bewoond door de Peddapoda der +Bengaleezen, die ook wel Tijgerslang wordt genoemd (Python molurus); +zij vertegenwoordigt het geslacht der Rotsslangen, welks leden +slechts de voorste helft van den bovenkop met regelmatige schilden, +de achterste helft daarentegen met schubben bedekt hebben. De staart +is een echte grijpstaart. + +Men heeft Tijgerslangen gemeten, die 6 M. lang waren; grootere +exemplaren zullen, zoo zij al bestaan, waarschijnlijk buitengewoon +zelden voorkomen; de meeste gaan een lengte van 3 1/2 M. niet te +boven. De kop is grijsachtig vleeschkleurig, op de kruin en het +voorhoofd licht olijfbruin, de rug lichtbruin, op het midden met +geelachtig grijze tint, de onderzijde witachtig; een olijfbruine +streep loopt van het neusgat door het oog en achter den mondhoek naar +beneden; een vlek van dezelfde kleur en van driehoekigen vorm bevindt +zich onder het oog, een groote, donkere, Y-vormige of (in plaats +van deze) een onvertakte, langwerpige vlek op den achterkop en den +nek. De rug prijkt met een reeks van groote, langwerpig vierzijdige, +roodachtig bruine vlekken, die zwart gezoomd zijn en een getanden +of rechtlijnigen rand hebben; sommige zijn in het midden hooggeel; +langs de zijden komen kleinere, overlangsche vlekken voor. + +Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich over het geheele +Voor-Indische schiereiland tot aan den Himalaja uit. Op Java wordt +zij vervangen door den Dubbelgestreepten Python (Python bivittatus) +en de Netslang (Python reticulatis), die beide ook wel Oelar-sawa of +Rijstvelden-slang worden genoemd. + +Onder de bewoners van Indië zijn ook thans nog verhalen over deze +Slangen in omloop, die aan de sprookjes der ouden herinneren. Uit +de nog altijd onvolledige berichten van de natuuronderzoekers en +reizigers, die zich beijverd hebben om volkomen betrouwbare feiten +mede te deelen, blijkt voldoende, dat de Zuid-Aziatische "Draken" +volstrekt niet gevaarlijker zijn dan hunne Amerikaansche verwanten, +nagenoeg dezelfde levenswijze hebben, duidelijk de voorkeur geven +aan het verblijf in moerassige gewesten, op overstroomde rijstvelden, +kortom, in de nabijheid van het water, hoewel zij droge, rotsachtige +oorden niet vermijden en hier zoowel als daar jacht maken op kleine +Zoogdieren en Vogels. Zeer groote exemplaren vergrijpen zich, +naar men zegt, soms aan jonge Muntsjaks en Zwijnsherten, hetgeen +waarschijnlijk aanleiding gegeven heeft tot de verhalen, die ons +willen doen gelooven, dat de Slangen dieren van de grootte onzer +Edelherten verzwelgen. Wel behooren de genoemde Herkauwers tot de +familie van de Herten, maar zij bereiken nog niet eens de afmetingen +van een Ree. Bovendien moet men hierbij in 't oog houden, dat de in +Zuid-Azië levende Dwergmuscusdieren niet slechts door de inboorlingen, +maar ook door de Europeanen gewoonlijk "Herten" worden genoemd. Kleine +Zoogdieren maken het hoofdvoedsel van deze Slangen uit en slechts +oude, volwassen exemplaren vergrijpen zich nu en dan aan biggen +of aan de jongen van kleine soorten van Herten. Groote Zoogdieren +en menschen loopen nooit gevaar door haar verslonden te worden en +zelfs de inboorlingen verzekeren, dat de Pythons niet eens kinderen +bedreigen. Mijns inziens hebben de soms voorkomende aanvallen van deze +Slangen op menschen nooit opzettelijk, maar bij vergissing plaats. Een +dergelijk avontuur is den oppasser Cop in den Londenschen dierentuin +overkomen. Hij hield een van zijne hongerige Pythons een Hoen voor, +zooals hij bij het voederen dezer dieren gewoon was te doen; de Slang +wilde het grijpen, miste het, waarschijnlijk doordat zij weldra +zou vervellen en de doorzichtigheid van de huid vóór hare oogen, +gelijk in dergelijke gevallen regel is, grootelijks was afgenomen; +zij greep daarentegen den linkerduim van den oppasser en wikkelde +zich in 't volgende oogenblik om zijn arm en hals. Cop was alleen, +maar verloor zijn tegenwoordigheid van geest niet; hij trachtte met +de andere hand het dier bij den kop te vatten om het tot loslaten te +nopen; ongelukkig had de Slang het hoofd van den oppasser omstrengeld, +zoodat deze zijn doel niet kon bereiken en genoodzaakt was op den +vloer van het hok te gaan liggen, in de hoop hier krachtiger met zijn +aanvaller te kunnen worstelen. Gelukkig schoten toen, nog juist te +rechter tijd, twee oppassers den man te hulp, dien zij niet zonder +inspanning bevrijdden van het volhardende dier, dat zijn slachtoffer +anders misschien het lot van Laokoon had doen ondergaan. + +De voortplanting van de Zuid-Aziatische Pythons heeft men bij gevangen +exemplaren voor het eerst kunnen nagaan in den "Jardin des Plantes" +te Parijs. Daar legde een Pythonwijfje op 6 Mei 1841 achtereenvolgens +15 eieren in 3 1/2 uur en vereenigde ze tot een hoop, waarover zij +zich op zulk een wijze ineenrolde, dat de windingen van haar lichaam +gezamenlijk een plat gewelf vormden, welks hoogste punt door den kop +werd ingenomen. De Slang bleef bijna twee maanden in deze houding; +den 3en Juni kwamen 8 jongen van ongeveer 50 cM. lengte te voorschijn; +deze bereikten, zonder eenig voedsel te gebruiken, in de eerstvolgende +16 dagen een lengte van ongeveer 80 cM., vervelden voor de eerste maal +tusschen 13 en 18 Juli, deden dit nog viermaal tot December van genoemd +jaar en begonnen na de eerste vervelling te eten. In 't eerst gaf men +haar Musschen, die zij op de gewone wijze dooddrukten; later kregen +zij rauw vleesch en kleine Konijnen. Daar haar zooveel voedsel werd +gegeven, als zij verlangden, ontwikkelden zij zich zeer voorspoedig; +reeds in December van haar geboortejaar was haar lengte 1.50 à 1.55, +van één zelfs 2 M. Het laatstgenoemde exemplaar was op den leeftijd +van 20 maanden 2.34 M. lang en had in de 6 eerste levensmaanden ruim +13, gedurende het tweede levensjaar 22 KG. voedsel gebruikt. + +De Pythons worden dikwijls gevangen en zijn bij sommige volken +van Zuid-Azië, o.a. bij de Chineezen, geen onwelkome gasten; op de +vaartuigen en in de huizen, waar men ze laat begaan, houden zij zich +ijverig met de vangst van Ratten bezig. + + + +Van de vier Afrikaansche Pythonslangen zullen wij er twee beschrijven. + +De Natalsche Python (Python natalensis) is tot het oostelijke deel +van Zuid-Afrika beperkt. De grondkleur van de bovenzijde is op het +voorste derde gedeelte van het lichaam fraai geelbruin, overigens +donker olijfbruin; de onderzijde heeft een bevallige, roodachtig +witte kleur; een groot deel van den bovenkop wordt ingenomen door een +zwartbruine vlek; een reeks van kettingvormig met elkander verbonden, +langwerpig vierhoekige, ongelijkmatig gerangschikte vlekken van +zwartbruine kleur strekt zich over de geheele bovenzijde uit en zet +zich (als een donkere streep tusschen twee gele, overlangsche banden) +ook over den staart voort. + + + +Bij de Assala, Tenne of Hieroglyphenslang (Python sebae), die over +geheel West- en Middel-Afrika verbreid is, beslaat een donkerbruine +of zwartachtige pijlvlek bijna den geheelen bovenkop, zoodat er aan +weerszijden slechts een smalle, geelachtig witte streep overblijft. De +romp vertoont op geelachtig grijzen grond bruinachtige vlekken, +ook dwarsbanden, die, evenals de vlekken, uitgaan van de donkere, +overlangsche streep, waardoor het lichtgele veld, dat de onderzijde +inneemt, begrensd wordt. + +De naam "Afgodslang", die gewoonlijk dient tot aanduiding van +de Boa constrictor, komt--zooals reeds door Bosmann opgemerkt en +door reizigers uit lateren tijd bevestigd werd--eigenlijk aan de +Assala toe. Eenige volksstammen aan de kust van Guinea bewijzen haar +goddelijke eer; volgens sommigen is dit de reden van een dergelijk +huldebetoon aan de Reuzenslangen in Zuid-Amerika door de hier levende +afstammelingen van Afrikaansche negers. In de Nieuwe Wereld zou dus +de aanbidding van een Slang vroeger niet bestaan hebben, maar met +het volk, dat haar vergoodt, ingevoerd zijn. + +Naar het schijnt, worden de Natalsche Python en de Assala in het +door hen bewoonde gebied nergens veelvuldig aangetroffen, hoewel +zij er evenmin tot de zeldzaamheden behooren; uit de door menschen +bewoonde streken hebben zij de wijk genomen naar veiliger oorden. Oude +exemplaren van 6 of meer M. lengte komen zeer zelden voor. Het zou +kunnen zijn, dat het aantal dezer Slangen grooter is dan men meent, +daar zij zich meestal schuil houden in moeielijk toegankelijke, +met hoogopschietende kruiden en struiken begroeide terreinen en, +evenals hare verwanten, in den regel eerst na zonsondergang +op roof uitgaan. Gewoonlijk stilt de Assala haar honger met +Hazen, Aardeekhoorntjes, Ratten en andere op den bodem levende +Knaagdieren. Waarschijnlijk zijn, behalve deze Zoogdieren, verscheidene +op den grond verkeerende Vogels het meest aan hare vervolgingen +blootgesteld. In de maag van een Assala vond ik een Parelhoen. Drayson +bericht iets dergelijks van de Natalsche Reuzenslang. Eens zag hij een +kleinen Trap herhaaldelijk opvliegen en bemerkte, toen hij dien kant +uitreed, dat de Vogel hardnekkig vervolgd werd door een Python, die +het echter geraden achtte zich zoo schielijk mogelijk te verwijderen, +toen de Trap door een schot werd neergeveld. De ijverige jager, +die reeds lang gewenscht had een Reptiel van deze soort te vangen, +achterhaalde het na een kortstondige jacht en slaagde er in het met +een stokslag te dooden of althans te verdooven. + +De Soedaneezen weten zeer goed, dat de Assala niet gevaarlijk is en +gebruiken bij de jacht op dit dier geen ander wapen dan een knuppel; +een enkele, krachtige slag op den kop van het dier is voldoende om +het te dooden. Zijn vleesch wordt in Oost-Soedan met evenveel smaak +gegeten als dat van den Krokodil; men kruidt het met zout en roode +peper; het is sneeuwwit van kleur, maar na het koken nog zoo taai, +dat wij het bijna niet konden kauwen; het smaakt goed, min of meer als +het vleesch van Hoenderen. Naar het schijnt, stellen de Soedaneezen +nog meer prijs op de bonte huid; deze wordt door hen en door de negers +uit het gebied van den Witten en den Blauwen Nijl op zeer smaakvolle +wijze tot allerlei versierselen verwerkt, die vooral tot verfraaiïng +van messcheeden, amuletrollen, brieftasschen, geldzakjes en dergelijke +voorwerpen dienen. Het Python-vet wordt door sommige volken, door +de Hottentotten e.a., zeer heilzaam geacht en zorgvuldig bewaard; +de zieken, die het innemen, vertrouwen vast op de geneeskracht van +dit middel en ondervinden er daarom dikwijls gunstige gevolgen van. + +In de dierentuinen en beestenspellen krijgt men de Afrikaansche +Reuzenslangen, vooral de Assala, weinig minder vaak te zien dan hare +Amerikaansche verwanten. Naar het schijnt, geraken zij even licht als +deze aan haar verzorger gewoon, die haar bij doelmatige behandeling +niet minder lang in 't leven kan houden. + + + +De meeste eigenlijke Reuzenslangen behooren tot de reeds vroeger +omschreven onderfamilie der Boa-slangen (Boinae); deze omvat niet +minder dan 20 geslachten met 52 soorten, die voor 't meerendeel de +Nieuwe Wereld bewonen; de overige soorten worden op Madagaskar en +Mauritius, Australië, Nieuw-Guinea en de Molukken, enkele in dorre +zandstreken van de Oude Wereld aangetroffen. + + + +Geen der Reuzenslangen is meer algemeen bekend (althans bij name) +dan de Koning- of Afgodslang (Boa constrictor), een der fraaiste +leden van de geheele onderorde. Hoewel op haar huid slechts weinige, +eenvoudige kleuren voorkomen, vormen deze een zeer sierlijke en +bevallige teekening. De grondkleur is fraai roodachtig grijs; over +den rug loopt een breede, hoekige, overlangsche streep, bestaande +uit groote, bruine vlekken, die een twintigtal geelachtig grijze, +eironde velden insluiten; de kop vertoont drie donkere, overlangsche +strepen. Dit dier kan een lengte van 6 M. bereiken en, volgens sommige +berichtgevers, nog wel langer worden. "Eertijds," zegt de Prins Von +Wied, "hebben exemplaren van 20 à 30 voet en misschien nog wel grootere +bestaan; in geheel onbewoonde streken worden zij thans nog" (1825) +"gevonden. Zij zijn zoo dik als een mansdij en kunnen een Ree vangen +en dooddrukken." Ook Schomburgk spreekt van Reuzenslangen van 6 à 10 +M. Geen der genoemde onderzoekers heeft echter zulk een exemplaar +gemeten: beide gronden hun meening blijkbaar geheel op berichten +van inboorlingen, welker geloofwaardigheid niet boven allen twijfel +verheven is. + +Het niet goed onderscheiden van verwante soorten heeft dikwijls +aanleiding gegeven tot een onjuiste omschrijving van het +verbreidingsgebied der Koningslang, dat een geringere uitgebreidheid +schijnt te hebben dan er gewoonlijk aan toegekend wordt. Het strekt +zich ten noorden van Rio de Janeiro en Cabo Frio, over het midden en +noorden van Brazilië, geheel Guyana, Venezuela en eenige der kleine +Antillen uit; westwaarts omvat het de bovenste gedeelten van het +Amazonas-gebied tot aan de Andes van Peru en Ecuador. Volgens den +Prins Von Wied en Schomburgk houdt deze Slang zich uitsluitend op in +droge, heete gewesten, in wouden en kreupelhoutbosschen. Zij bewoont +holen in den grond en rotskloven, schuilhoeken tusschen boomwortels en +dergelijke verblijfplaatsen. Niet zelden wordt zulk een woning door 4, +5 of meer van deze dieren gemeenschappelijk gebruikt. Soms beklimmen +zij boomen en beloeren van hier hun prooi. In tegenstelling met hunne +verwanten, die zich bij voorkeur in 't water ophouden, blijven zij +altijd op het droge. + +Indien men de Koningslang gedurende den nacht kon bespieden, zou +men waarschijnlijk van haar aard en levenswijze een geheel andere +voorstelling verkrijgen dan wij er nu van geven. Hoewel zij ook over +dag een goede gelegenheid om buit te behalen niet ongebruikt laat, +begint haar eigenlijke jachttijd ongetwijfeld eerst, als de schemering +valt. Dit blijkt duidelijk genoeg uit de wijze, waarop zoowel vrije +als gevangen exemplaren zich gedragen. Alle reizigers, die bij het +doortrekken van de Zuid-Amerikaansche wouden Koningslangen ontmoetten, +verklaren eenstemmig, dat deze dieren op dezelfde plaats bleven of, +indien zij zich bewogen, dit zeer traag deden; zij vluchtten eerst, +als hun vijand zoo dicht bij hen was, dat hij hen met een knuppel +had kunnen doodslaan. Schomburgk ontdekte op een van zijne tochten +een groote Afgodslang, die, hoewel zij hem en zijn Indiaanschen gids +stellig reeds sinds eenigen tijd had gezien, toch niet gevlucht, +maar onbeweeglijk op dezelfde plaats gebleven was. "Indien dit +voorwerp vroeger mijn aandacht had getrokken", zegt de reiziger, +"zou ik het voor het uiteinde van een vooruitstekenden tak gehouden +hebben. Ondanks de tegenwerpingen en de vrees van mijn begeleider en +den onwil van mijn Hond, was ik snel besloten om althans een poging +te doen tot het bemachtigen van dit dier. Een flinke stok, die als +aanvalswapen moest dienen, was spoedig gevonden. Nog altijd verhief +de kop van de Slang zich boven de struiken: voorzichtig trachtte ik +dicht genoeg bij haar te komen om met mijn wapen een bedwelmenden slag +te kunnen toebrengen; juist toen ik dit doen wilde, verdween het dier +tusschen het groene loover en kon ik uit het eigenaardige geritsel en +de beweging der varens opmaken, dat het de vlucht had genomen. Wegens +de dicht opeengegroeide planten was het vervolgen van de Slang niet +mogelijk; ik kon echter zien, welke richting zij nam; spoedig kwam +zij weer bij den rand van de wildernis, waarlangs ik liep, om in haar +nabijheid te blijven. Eensklaps hield de ritselende beweging van het +varenkruid op en kwam de kop van de Slang, die waarschijnlijk naar +zijn vervolger uitkeek, boven het groene gebladerte te voorschijn. Een +goed gemikte slag trof den kop van de Slang met zooveel kracht, dat zij +bedwelmd neerstortte; ik liet haar den tijd niet om weer tot bewustzijn +te komen, maar sloeg nog verscheidene malen. Als een Roofvogel op een +Duif schoot ik toe, ging met de knieën op mijn buit liggen en kneep +hem, met beide handen den hals omvattend, de luchtpijp dicht. Op +mijn geroep kwam, nu het gevaar geweken was, de Indiaan mij te hulp, +hij gebruikte een van mijne bretels om er een strik van te maken, +die hij boven mijn hand om den hals van het dier legde en vervolgens +zoo stijf mogelijk dichttrok. De krampachtige kronkelingen van de +Slang werden door het dichte struikgewas gestuit, zoodat zij het +overmeesteren van den buit niet zoo sterk bemoeielijkten, als anders +het geval had kunnen zijn". + +De Prins Von Wied zegt, dat men in Brazilië de Koningslang gewoonlijk +met een knuppel doodslaat, of door een schot hagel neervelt. Ervaren +jagers in Brazilië lachen, wanneer men hun vraagt, of deze Slang +ook gevaarlijk is voor den mensch; dit praatje wordt alleen door +het onwetende volk verhaald en geloofd. Haar voedsel bestaat uit +allerlei kleine Zoogdieren en Vogels, vooral Agoetis, Pakas, Ratten en +Muizen. Dat zij eieren niet versmaadt, kan men afleiden uit het feit, +dat gevangen exemplaren er verlekkerd op zijn. Oude dieren durven, +naar men zegt, ook wel dieren aanvallen van de grootte van een Hond +of een Ree. De Prins Von Wied sprak een Braziliaanschen jager, wiens +Hond het slachtoffer werd van een Afgodslang. Op het geschreeuw van +dit dier afgaande, zag hij het in den poot gebeten en omstrengeld +door een groote Slang, die het zoo sterk samendrukte, dat het uit +den hals bloedde. + +In de vrije natuur verslinden de Koningslangen ongetwijfeld geen +andere dieren dan die, welke zij zelf gevangen en gedood hebben, +doch geen aas; gevangen exemplaren kunnen echter langzamerhand ook +aan het laatstgenoemde voedsel gewend worden. Zoo voederde Effeldt +zijne Boa's steeds met doode Ratten, omdat de levende te veel last +veroorzaakten. Deze spijs werd door de Slangen nooit versmaad en +scheen haar zelfs nog beter te smaken, wanneer zij reeds eenigszins +tot ontbinding was overgegaan. Hieruit zou men kunnen afleiden, +dat deze dieren voor reukprikkels ongevoelig zijn. + +Dat de Koningslangen zich soms ook in de gevangenschap voortplanten, +is o. a. in "Artis" gebleken. Hier heeft Westerman een zijner Boa's +achtereenvolgens verscheidene levende jongen en verscheidene eieren +ter wereld zien brengen. + +In de oostelijke gewesten van Zuid-Amerika wordt van de gedoode Boa's +op velerlei wijze partij getrokken. Het vleesch wordt, naar men zegt, +door de negers gegeten, het vet als een beproefd geneesmiddel bij +vele ziekten gebruikt; de gelooide huid dient voor het vervaardigen +van laarzen, zadelbekleedingen en dergelijke artikels; ook wikkelen +de negers een boa-huid als middel tot het afweren van verschillende +ziekten om hun lichaam. + +De naar Europa vervoerde, levende Afgodslangen worden gewoonlijk in +strikken gevangen, die men voor hare schuilplaatsen aanbrengt. Men kan +zien, dat een hol bewoond is, aan de gladheid van den ingang, waar het +dikke, zware lichaam steeds sporen achterlaat; voor deze opening wordt +een strik gezet. Het gevangen dier doet geweldige pogingen om zich +te bevrijden en kronkelt zich sterk; zelden loopt het echter gevaar +van zich te worgen, daar het tegen drukking en stooten tamelijk goed +bestand is, hoewel verwondingen dikwijls zijn dood veroorzaken. Dit +bleek o.a. bij de door Schomburgk gevangen Afgodslang, die, uit haar +bezwijming ontwaakt, den volgenden morgen vergeefsche pogingen deed +om de banden te verscheuren, waarmede zij voorzichtigheidshalve aan +de palen van de hut was bevestigd. Een schot maakte een einde aan +deze worsteling. + +In de pakhuizen van de Braziliaansche planters en kooplieden bewijst +de Afgodslang goede diensten door het verslinden van Muizen en Ratten; +zij wordt hier bijna als een huisdier beschouwd en zoo weinig gevreesd, +dat men niet schroomt met haar in dezelfde ruimte te verkeeren en, +zoo noodig, zelfs den nacht door te brengen. Daar zij met weinig +voedsel tevreden is en maanden lang zonder bezwaar kan vasten, is +het niet moeielijk haar te verzenden; zij wordt eenvoudig in een +groote kist gepakt, die men dichtspijkert en met eenige luchtgaten +voorziet; onderweg wordt naar haar niet omgezien. Het dier is ten +gevolge van deze onheusche behandeling en van den honger, dien het +heeft moeten lijden, gewoonlijk zeer slecht geluimd, wanneer het na +aankomst op de plaats van bestemming eindelijk zijn nauwe gevangenis +verlaat. Het toont dan veel neiging tot bijten; soms blijft het een +geruimen tijd pruilen en het voedsel weigeren. In den regel vermindert +echter zijn prikkelbaarheid weldra. Nadat het begonnen is te eten, +geraakt het langzamerhand aan zijn oppasser gewend en laat zich ten +slotte diens behandeling welgevallen. Om gezond te blijven heeft +het een ruim en warm hok noodig met stammen en takken om er in te +klimmen en een in den vloer bevestigden, grooten waterbak, waarin +het kan baden. De kisten, die in de beestenspellen als woningen voor +Reuzenslangen dienst doen, zijn hiervoor volstrekt niet geschikt; de +wollen dekens, waarin men ze wikkelt, met het doel om ze te verwarmen, +brengen soms meer nadeel dan voordeel te weeg. Meer dan eens heeft men +n.l. opgemerkt, dat gevangen Reuzenslangen, misschien wel door honger +gedreven, haar deken inslikten. Een Afgodslang van den Berlijnschen +dierentuin behield de ingezwolgen wolmassa 5 weken en 1 dag in haar +maag; zij dronk in dezen tijd zeer veel en gaf duidelijke blijken van +onpasselijkheid; eindelijk begon zij 's nachts tusschen 11 en 12 uur +het onverteerbare weefsel uit te spuwen; de oppasser hielp haar bij +dezen arbeid, die voorspoedig ten einde werd gebracht. + + + +In dezelfde landen als de Afgodslang ontmoet men ook de beroemde +Anakonda (Eunectes murinus), die een geheel andere levenswijze +heeft dan de genoemde "Landboa" en het geslacht der Waterboa's +vertegenwoordigt. Zij heeft een zeer eigenaardige kleur, waarvan +weinige afwijkingen voorkomen. De bovendeelen zijn donker olijfkleurig +zwart en van den kop tot aan het einde van den staart bezet met +twee reeksen van ronde of rondachtige, zwartbruine vlekken; op +den hals en bij het begin van den staart staan zij paarsgewijs, +overigens afwisselend, soms zeer dicht bij elkander; zelfs vloeien +enkele ineen. De zijden van den kop zijn olijfkleurig grijs, de +benedenranden van de kaken meer geelachtig; van boven de oogen tot +aan den achterkop reikt een breede, vuil geelroode, aan de bovenzijde +zwart begrensde streep; hierbij steekt een zwartbruine streep, die, +van het oog uitgaande, over den mondhoek scheef naar beneden loopt en +vervolgens weer eenigszins naar boven gebogen is, duidelijk af. De +onderdeelen van het dier zijn op lichtgelen grond met zwartachtige +vlekken bezaaid, die op sommige plaatsen twee afgebrokene, overlangsche +lijnen vormen. Aan weerszijden van het lichaam komen twee reeksen +van ringvormige oogvlekken voor; deze zijn geel met zwarten rand. + +De Anakonda is de grootste van alle Reuzenslangen der Nieuwe +Wereld. Een door Günther gemeten Slang van deze soort was 29 voet +(8.29 M.) lang. I. von Fischer heeft exemplaren van 7.13 en 7.58 +M. lengte gemeten. Kappler zegt, dat een door hemzelf geschoten +en gemeten Anakonda, zonder kop en staart 26 Rijnlandsche voeten, +in 't geheel dus bijna 30 voet lang was en een man van middelmatige +statuur in dikte evenaarde. Zooveel is zeker, dat de Anakonda kolossale +afmetingen kan bereiken en in dit opzicht, met de Indische Netslang, +alle overige leden van haar onderorde overtreft. + +"Deze Slang," bericht de Prins Von Wied, "leeft meestal in het water +en kan het in de diepte zeer lang uithouden; zij komt echter dikwijls +aan den oever om zich door de zon te laten verwarmen en haar buit +te verteren. Met den stroom drijft zij de rivier af, houdt zich +met visschen bezig of vleit zich op een rotsblok neder, vanwaar zij +op Waterzwijnen, Agoetis, Pakas en dergelijke dieren loert. In de +Belmonte-rivier zagen mijne jagers de vier pooten van een Zoogdier, +dat zij voor een dood Zwijn hielden, boven den waterspiegel uitsteken; +toen zij naderbij gekomen waren, merkten zij een reusachtige Slang +op, die een groot Waterzwijn met verscheidene windingen van haar +lichaam omstrengeld en gedood had. Oogenblikkelijk losten zij twee +schoten op het monster en kreeg het van den Botokoede een pijl in +het lichaam. Nu liet de Slang haar prooi los en vluchtte; ondanks +hare wonden, geschiedde dit zoo snel, alsof haar niets overkomen +was. Mijne lieden vischten het nog versche, pas gedoode Waterzwijn op +en keerden terug om mij kennis te geven van het voorgevallene. Daar +ik zeer gesteld was op het bezit van de merkwaardige Slang, zond +ik de jagers onmiddellijk weer uit om haar te zoeken; alle moeite +was echter vruchteloos. De hagelkorrels hadden door het water hun +kracht verloren; de pijl werd gebroken teruggevonden aan den oever, +waar de Slang hem had losgeschuurd." + +De Anakonda verkeert dikwijls op den bodem van 't water, waar zij ligt +te rusten of hoogstens den kop boven den waterspiegel verheft, om te +zien, wat er aan den oever voorvalt; soms zwemt zij met den stroom +mede de rivier af en loert op iedere soort van buit. De oeverbewoners +haten haar zeer wegens hare rooverijen: Schomburgk schoot er een, +die kort te voren een groote, tamme Muscuseend gegrepen en deze reeds +doodgedrukt had; op een plantage vernam hij, dat de Anakonda soms ook +viervoetige huisdieren, b.v. Zwijnen buitmaakt. Andere onderzoekers +bevestigen deze mededeelingen. "Terwijl wij," verhaalt Bates, "in de +haven van Antonio Malagueita voor anker lagen, werd ons een onwelkom +bezoek gebracht. Omstreeks middernacht werd ik gewekt door een hevigen +slag tegen de zijde van mijn boot, gevolgd door het gedruisch van +een in 't water vallend, zwaar lichaam. Zoo spoedig mogelijk stond +ik op, om te zien wat er gebeurd was; alles was echter reeds weer +rustig geworden; alleen de Hoenderen in onze voorraadskorf, die aan +de eene zijde van het schip, ongeveer 2 voet boven het water hing, +waren onrustig en kakelden. Ik kon niet gewaarworden, wat hiervan de +oorzaak was. Daar mijne manschappen aan den oever waren, keerde ik +naar de kajuit terug en sliep tot aan den volgenden morgen. Toen ik +ontwaakte, zag ik alle Hoenderen op het dek rondloopen en vond bij +nader onderzoek in de korf een groote opening. Een paar Hoenderen +ontbraken. Senhor Antonio verdacht van den diefstal een Anakonda, +die, naar hij zeide, eenige maanden geleden in dit deel van de +rivier gejaagd en een groot aantal Eenden en Hoenderen geroofd +had. Aanvankelijk was ik geneigd de juistheid van zijn verklaring +te betwijfelen en aan een Kaaiman te denken, hoewel wij er sedert +eenigen tijd geen meer in den stroom gezien hadden; eenige dagen later +kwam echter de juistheid van Antonio's verklaring aan het licht. De +jonge lieden van de naburige volksplantingen kwamen bijeen om op het +roofdier jacht te maken, begonnen het op geregelde wijze te vervolgen, +onderzochten alle kleine eilandjes aan beide zijden van den stroom +en vonden ten slotte de Slang bij de uitmonding van een slijkerig +riviertje in de zonneschijn liggen. Nadat zij haar met werpspiesen +gedood hadden, kreeg ik haar den volgenden dag te zien en vond, +na meting, dat het niet eens een buitengewoon groot exemplaar was, +daar het bij een lengte van 6 M. slechts een omvang van 40 cM. had." + +Juist van de Anakonda wordt bericht, dat zij soms menschen +aanvalt. Schomburgk doet hierover het volgende verhaal: "Te Morokko +(een zendingspost in Guyana) had iedereen den mond vol van den +aanval van een Reuzenslang op twee bewoners van deze plaats. Een +daar woonachtige Indiaan was weinige dagen geleden met zijn vrouw den +stroom opgevaren om jacht te maken op Vogels. Een opgevlogen Eend was, +door een schot getroffen, op den oever neergevallen. Toen de jager zijn +buit wilde opzoeken, werd hij plotseling door een groote Komoeti-slang +(Anakonda) aangevallen. Daar hij geen enkel wapen had om zich te +verdedigen (het geweer had hij in de schuit achtergelaten), riep hij +zijn vrouw toe, hem zijn groot mes te brengen. Nauwelijks was de vrouw +hem te hulp gesneld, of ook zij werd door het monster aangegrepen en +omstrengeld; hierdoor kreeg de Indiaan echter gelukkig zooveel ruimte, +dat hij den eenen arm gebruiken en de Slang verscheidene wonden +toebrengen kon. Het hierdoor verzwakte dier liet zijne slachtoffers +varen en nam de vlucht. Dit is het eenige, mij bekende voorbeeld van +een aanval van de Anakonda op een mensch." Hoogst waarschijnlijk +was het de bedoeling van de Slang de Eend te grijpen en niet de +Indiaan, waarop zij, door roofzucht verblind, aanviel. Ik acht het +echter niet onmogelijk, dat er ook voorvallen te noemen zijn, die de +tegenovergestelde meening wettigen. + +Wanneer het water, waarin de Anakonda verblijf houdt, uitdroogt, +begraaft hij zich onder het slijk en gaat in een toestand van +verstijving over. De eerste natuuronderzoeker, die van dit feit +melding maakte, was Humboldt. "Dikwijls," zegt hij, "vinden de +Indianen kolossaal groote Reuzenslangen in dezen toestand, die zij, +naar verhaald wordt, door plagerij of begieting met water trachten te +wekken." Zulk een winterslaap komt trouwens slechts in sommige deelen +van Zuid-Amerika voor, niet in die streken, welke zoomin door koude +als door onverdragelijke hitte en droogte voor verscheidene Reptiliën +tijdelijk onbewoonbaar worden. + +Schomburgk zegt, dat de jongen van de Anakonda reeds in den eileider +de eischaal verlaten en dat hun aantal dikwijls ongeveer honderd +bedraagt. Kappler vond in het lichaam van de door hem gedoode Anakonda +"78 vliezige, 6 duim. (ruim 12 cM.) lange blazen; elke blaas bevatte +een Slang van 1 1/2 voet lengte en ter dikte van eens menschen +duim." Het schijnt, dat de jongen zich onmiddellijk na de geboorte +te water begeven, maar toch nog langen tijd gezellig bijeenblijven en +op de boomen van den naburigen oever gemeenschappelijk verblijf houden. + +Het dooden van het groote exemplaar, welks afmetingen hierboven +opgegeven zijn, wordt door Kappler op de volgende wijze beschreven: +"Toen ik in November 1818 in een groot vaartuig, waarmede wij +het drinkwater hadden gehaald, dat voor de bezetting van den post +Nickerie noodig was, naar dezen post terugvoer, vestigden de roeiers +mijn aandacht op een groote Slang, die op den oever lag. Ik zag +aanvankelijk niets anders dan een met modder en aangespoelde bladen +bedekte verhevenheid; eerst toen de stuurman er met den roeiriem +in stak, kon men de gevlekte huid van het dier onderscheiden. Een +stoot, zoo krachtig als die, welke het dier ontving, zou voldoende +zijn geweest om een mensch de ribben te breken; het monster scheen +er niets van gevoeld te hebben. Eerst toen ik het een schot lichten +hagel toezond, hief het den kop, die in het midden van de tot een +kegel opeengestapelde spiraalwindingen gelegen was, een weinig op, +maar liet hem dadelijk weer zakken. Wij lagen vlak bij den wal en +waren slechts ongeveer 6 voet van de Slang verwijderd, toen ik voor +de tweede maal vuurde. Nu echter schoot de Slang, met een snelheid, +die men van zulk een traag dier niet verwacht zou hebben, wel 12 +voet omhoog en met opengesperden muil op mij toe, waardoor wij van +top tot teen met modder bespat werden. De aanval kwam zoo onverwacht, +dat ik hals over kop in het vaartuig tuimelde. De stuurman, een neger +zoo sterk als een boom, verweerde zich met een roeiriem; het woedende +dier kronkelde zich om dit wapen en beet in het harde hout. Ik was +intusschen van den schrik bekomen, had mijn geweer opnieuw geladen, +schoot de Slang in den kop en doodde haar onmiddellijk. Met vereenigde +krachten trokken wij haar in het vaartuig, waar ik, omdat de negers +het dier anders niet medenemen wilden, wel genoodzaakt was het den +kop en den staart af te houwen en deze in 't water te werpen." + +De Anakonda wordt zonder genade gedood, waar men haar ontmoet. Haar +groote, dikke huid wordt gelooid en dient dan ter vervaardiging van +paardedekken, laarzen en mantelzakken. Het witte vet, waarvan het +dier in bepaalde tijden van 't jaar een groote hoeveelheid bevat, +wordt veelvuldig gebruikt; de Botokoeden eten het vleesch, wanneer +het toeval hun zulk een dier in de handen voert. + +In beestenspellen of in diergaarden ziet men levende Anakondas even +dikwijls als Afgodslangen. + + + +Aan haar zijdelings samengedrukt lichaam danken vier soorten van +Reuzenslangen den naam Zwaardboa's (Xiphosoma); haar kenmerkt de +diepe groeve, die op ieder lipschild voorkomt. + +De Hondskopslang (Xiphosoma canina) kan een lengte van 3 à 4 +M. bereiken; exemplaren van deze grootte zijn echter zeldzaam. De +bovendeelen hebben een fraaie, bladgroene kleur, die op het midden een +donkerder tint vertoont, op de zijden met sterk in 't oog vallende, +zuiver witte dubbelvlekken of halve ringen geteekend is en op de +onderdeelen in geelachtig groen overgaat. Het veelvuldigst schijnt zij +te zijn in het gebied van den Amazonenstroom; noordwaarts is zij tot +in Guyana, zuidwaarts over het noorden van Brazilië verbreid. Haar +levenswijze komt vermoedelijk overeen met die van de in Suriname +algemeene, lichtbruine, donkerbruin gevlekte Tuin-boa (Xiphosoma +hortulana), welke zich op boomen, zelfs van plantsoenen, ophoudt en +voornamelijk jacht maakt op Vogels. Van de Hondskopslang werd echter +ook opgemerkt, dat zij uitmuntend zwemt, niet slechts in zoetwater, +maar ook in de zee. Zoo ontmoette Von Spix er een, die over de Rio +Negro zwom; een zeeofficier verzekerde aan Duméril, dat hij een Slang +van deze soort op de reede van Rio de Janeiro had zien zwemmen. + + + +De Glimslangen (Ilysidae) herinneren door haar vorm aan de +Wormslangen; haar kop is klein en afgerond; de grens tusschen kop +en romp is uitwendig nagenoeg onmerkbaar; de staart is kort en +eindigt in een stompe spits; de mondopening is nauw, de bek (ook +het tusschenkaaksbeen) met stevige, onderling gelijke grijptanden +gewapend. De kleine oogen hebben een ronde pupil. Evenals bij de vorige +familie, zijn ook bij deze kleine, uitwendig zichtbare overblijfselen +van achterste ledematen aanwezig. Hare schubben zijn groot en glad. + + + +Een van de veelvuldigst voorkomende leden dezer kleine familie is +de Koraalroode Rolslang (Ilysia scytale). Zij heeft een prachtige, +koraalroode kleur, waarop een groot aantal, langs den rand getande, +zwarte ringen of ringvormige dwarsstreepen zeer goed uitkomen. Haar +lengte bedraagt 60 à 70 cM. + +Dit in Suriname menigvuldig voorkomend slangetje is langzaam van +beweging, verwijdert zich nooit ver van haar schuilplaats, die het +onder wortels van oude boomen, in gaten van den grond en dergelijke +holen vindt. Het maakt jacht op kleine Kruipende Dieren, o.a. op +Wormslangen, en brengt jongen ter wereld, die de eischaal reeds +verbroken hebben. + +Men moet dit dier levend gezien hebben om in te kunnen stemmen met +de bewondering door zijn prachtige kleur gewekt; bij de in spiritus +geconserveerde exemplaren is zij verbleekt. + + + +De Cilinderslangen (Cylindrophis) verschillen van de Rolslangen +door het gemis van tanden in het tusschenkaaksbeen en doordat de +lichaamshuid zich niet over hare oogen uitstrekt. + +Gewoonlijk wordt de Roode Slang, de Oelar-riboe der Maleiers +(Cylindrophis rufa), als voorbeeld van dit geslacht gekozen. Deze van +Birma tot Cochin-China over het Maleische Schiereiland en den geheelen +Oost-Indischen archipel verbreide, vooral op Java veelvuldige, 78 à +83 cM. lange Glimslang heeft een bruine of zwarte kleur. Een band +om den hals is, evenals de onderzijde van den staart, koraalrood; +overigens is de onderzijde wit met onregelmatige, zwarte dwarsbanden. + +De leden van dit geslacht leven onderaardsch, graven gangen, komen +slechts nu en dan aan de oppervlakte en voeden zich met Insecten, +Wormen en Wormslangen. Ook zij brengen hunne jongen levend ter wereld. + + + +Linnaeus verdeelde alle hem bekende Slangen over de geslachten Boa, +Coluber en Crotalus; tot het eerste bracht hij de Reuzenslangen, tot +het derde de Adders en de Ratelslangen, tot het tweede de overige +Slangen. Onze indeeling komt in vele opzichten met die van den +grondlegger der wetenschappelijke dierkunde overeen; wij vereenigen +in één familie (Colubridae) alle Echte Slangen, de vergiftige zoowel +als de onschadelijke. + +Een volle eeuw is noodig geweest om de natuuronderzoekers tot +het inzicht te voeren, dat een rangschikking, waarbij in de eerste +plaats gelet wordt op de giftigheid of onschadelijkheid der Slangen, +onnatuurlijk en onwetenschappelijk is. Een consequente toepassing +van dit middel tot indeeling is trouwens niet mogelijk, daar er vele +overgangsvormen bestaan, Slangen over welker giftige eigenschappen +men in het onzekere verkeert. Alle Groeftandigen n.l. komen wel is +waar door den bouw van haar lichaam met de Gladtandigen overeen, maar +gelijken door het maaksel en de verrichtingen harer tanden in zoover op +de Echte Gifslangen, dat de door haar toegebrachte wonden voor kleine +dieren bepaald doodelijk, voor menschen en groote Zoogdieren echter +niet gevaarlijk zijn. De gegroefde tanden verschillen van de doorboorde +alleen door hun minder ver voortgeschreden ontwikkeling en de hieruit +voortvloeiende geringere geschiktheid voor het vergiftigen van de +prooi. Van beide is de grondvorm volkomen gelijk; zij volgen denzelfden +ontwikkelingsgang; hun werking berust op hetzelfde beginsel. Ook aan +de zoogenaamde gifklier kunnen wij als klassificatie-kenmerk geen +waarde toekennen, nu het gebleken is, dat de gifklier van de Adder +en de achterste bovenlipklier van de Ringslang en hare verwanten, +wat plaatsing en bouw betreft, overeenstemmen. + +Om een gemakkelijk overzicht te geven van de familie der Colubriden, +die alle overige familiën van Slangen in omvang verre overtreft en de +kern van de geheele onderorde uitmaakt, verdeelen wij haar in drie +onderling evenwijdige reeksen: de Gladtandigen, de Groeftandigen +en de Giftandigen. De Gladtandigen (Aglypha) hebben slechts één +soort van tanden, die zoomin een groeve vertoonen, als een kanaal +bevatten. Bij de Groeftandigen (Opisthoglypha) is minstens één van de +achterste bovenkaakstanden aan de voorzijde met een overlangsche groeve +voorzien; zij mogen als "verdachte" Slangen aangemerkt worden; van +eenige leden dezer groep is het reeds gebleken, dat zij in geringe +mate vergiftig zijn. Van de Giftandigen (Proteroglypha) hebben de +voorste bovenkaakstanden een gifgroeve of gifkanaal; alle hiertoe +behoorende Slangen zijn giftig; haar beet is meestal ook voor den +mensch gevaarlijk. Bij vergelijking van deze drie reeksen, valt +een merkwaardige overeenstemming tusschen de haar samenstellende +geslachten in 't oog, zoodat men deze in iedere reeks naar de +levenswijze harer leden splitsen kan in een groep van landbewoners +en een van waterdieren; deze groepen worden voor 't meerendeel als +onderfamiliën beschouwd. + + + +De Gladtandigen, die gezamenlijk één onderfamilie uitmaken +(Colubrinae), kenmerken zich door een slanken romp, die in alle +richtingen even buigzaam is, een meer of minder duidelijk begrensden, +kleinen, langwerpigen, goed gevormden kop en een spits eindigenden +staart; de buitenste laag van de opperhuid bestaat uit gladde +of gekielde schubben, die dakpansgewijs de rugzijde van den romp +bedekken, en uit groote schilden aan de buikzijde. Boven vele andere +Slangen munten zij uit door vlugheid en opgewektheid. Men merkt bij +haar een voor dit slag van dieren betrekkelijk groote schranderheid +op. Misschien mag men haar in dit opzicht den hoogsten rang in de +onderorde toekennen; in alle gevallen behoeven zij bij de Reuzenslangen +niet veel achter te staan. + +De leden dezer onderfamilie, die een duizendtal soorten omvat, zijn +over de geheele wereld verbreid, daar zij, hoewel in geringen getale, +zelfs dicht bij den poolcirkel gevonden worden en ook in Australië, +met inbegrip van de eilanden in den Stillen Oceaan, althans door +eenige soorten vertegenwoordigd zijn. Hunne verblijfplaatsen zijn zeer +verschillend. Vele soorten houden van vochtige streken en van water, +andere daarentegen geven aan droge terreinen de voorkeur. De meeste +zijn, zooals hun ronde pupil reeds doet vermoeden, hoofdzakelijk +dagdieren, die zich, als de nacht aanbreekt, naar hunne schuilplaatsen +begeven. Niet weinige echter gaan in de schemering op roof uit, of +zoeken, hiertoe in staat gesteld door hun spleetvormige, verticale +pupil, de hun tot voedsel dienende Hagedissen, gedurende den nacht +in hare schuilhoeken op. Tusschen vele soorten bestaat een niet +onbelangrijk verschil in levenswijze, zooals reeds af te leiden valt +uit de ongelijkheid van de terreinen, waarop zij jagen; ook zij hebben +echter vele eigenaardigheden gemeen. Zij kunnen zich op verschillende +wijzen flink bewegen; betrekkelijk snel kronkelen zij zich over den +bodem voort; alle kunnen zwemmen, sommige zelfs merkwaardig vlug; +ook in 't klimmen zijn zij meer of minder goed ervaren, enkele doen +dit zelfs uitmuntend. + +De Gladtandigen voeden zich hoofdzakelijk met kleine vertegenwoordigers +van alle klassen van Gewervelde Dieren. Vooral de Reptiliën en +Amphibiën verschaffen haar een buit; enkele maken ook jacht op kleine +Zoogdieren, andere op Vogeltjes; verscheidene houden zich ijverig +met de vischvangst bezig en kunnen betrekkelijk groote exemplaren +overmeesteren. Sommige kleine soorten verslinden Wormen en Insecten, +de volwassen dieren zoowel als de larven. + +In de koudste gedeelten van haar verbreidingsgebied zoeken de +Gladtandigen in 't najaar hare winterkwartieren op, vervallen hier in +een toestand van verstijving en komen eerst nadat de lente werkelijk +aangevangen is, weer voor den dag, vervellen en wijden zich daarna aan +de voortplanting. Het wijfje legt hare 10 à 30 eieren op vochtige, +warme plaatsen; de zon brengt de kiemen tot ontwikkeling; soms zijn +deze in 't lichaam van de moeder zoo ver gevorderd, dat de jongen +onmiddellijk vóór of kort na het leggen de eischaal verbreken en dus +levend geboren worden. In den eersten tijd van hun leven voeden deze +zich met kleine, tot verschillende klassen behoorende, ongewervelde +dieren, maar volgen weldra de levenswijze hunner ouders. + +De Gladtandigen verschaffen den mensch geen voordeel, eerder nog +schade; ieder, die deze dieren gespaard wil hebben, mag niet uit het +oog verliezen, dat voor het aanprijzen van zulk een maatregel een +nauwkeurige bekendheid met de bedoelde soort een volstrekt vereischte +is. Vele soorten houden zich in de gevangenschap jaren lang goed, nemen +zonder aarzeling de gevangeniskost in ontvangst, geraken langzamerhand +aan hare verzorgers gewoon en kunnen zelfs eenigermate getemd worden. + + + +De Glansslangen (Coronella) zijn betrekkelijk kleine of middelmatig +groote Gladtandigen met een krachtigen, eenigszins gedrongen, +rolvormigen, in het midden niet samengedrukten romp en middelmatig +langen staart; de korte, tamelijk platte kop eindigt in een afgeronden +snuit en is van achteren niet scherp begrensd; de tamelijk kleine +oogen hebben een ronde pupil. + + + +In geheel Europa, van 't noorden van Noorwegen tot aan het zuiden, +ontmoet men op geschikte plaatsen, hier en daar zeer overvloedig de +Gladde Slang (Coronella austriaca, C. laevis), een van de sierlijkste, +flinkste Slangen van ons vaderland. Haar lengte bedraagt hoogstens +65 cM., waarvan 10 cM. op den staart komen. De grondkleur van de +bovenzijde is gewoonlijk bruin; de teekening bestaat uit een groote, +donkere vlek in den nek, die dikwijls van achteren in breede strepen +uitloopt, en uit twee reeksen van donkerbruine, soms paarsgewijs +verbonden vlekken bij het midden van den rug; een donkerbruine streep +is door het oog gericht en loopt langs de zijde van den hals naar +beneden. De onderdeelen zijn staalkleurig blauw of geelachtig rood +en witachtig; dikwijls komen ook hier donkere vlekken voor. Evenals +bij de meeste Slangen vertoonen de kleur en de teekening menigvuldige +afwijkingen; de kleur van de variëteiten, die men heeft leeren kennen, +wisselt af van grijs tot roodbruin. + +Van de Adder, waarmede de Gladde Slang door onkundigen zoo dikwijls +verward wordt, is zij op het eerste gezicht te onderscheiden. Hare +schubben zijn glad en glanzig zonder eenig spoor van een overlangsche +kiel op het midden; bij de Adder zijn zij gekield. Haar kop is +zeer regelmatig met groote schilden bekleed; bij de Adder zijn de +kopschilden klein en zeer onregelmatig van vorm en schikking. Het +aarsschild is in het midden gespleten, bij de Adder onverdeeld. De +pupil is rond en niet, zooals bij de Adder, een vertikale spleet. + +Hier te lande wordt de Gladde Slang op diluviale zandgronden +gevonden. In Noorwegen en Zweden komt zij, evenals alle leden harer +orde, uitsluitend op buitengewoon gunstig gelegen plaatsen en ook hier +in geringen getale voor; in het zuiden van Engeland ontmoet men haar +slechts op kalksteengebergten, waar de Hagedissen veelvuldig zijn; +in Duitschland is zij niet zeldzaam in de Hartz en het Thuringer Woud, +en evenmin in de verder zuidwaarts gelegen middelgebergten; hetzelfde +geldt van Oostenrijk, vooral van de Alpenstreken. Noord-Griekenland, +Italië, Noord-Frankrijk, Noord-Spanje en Portugal bewoont zij eveneens, +bovendien Koerland, Lijfland en Polen en bijna alle gouvernementen +van het midden en zuiden van Rusland. In de Duitsche Alpen vindt men +haar nog op een hoogte van 1200 M. + +Zij vestigt haar verblijf op droge terreinen, zonnige, steenachtige +hellingen, verlaten steengroeven, bergterrassen, glooiingen, die met +dicht struikgewas begroeid zijn; bij uitzondering komt zij ook wel eens +in het laagland op veengrond voor. Volgens Lenz kruipt zij veel vaker +dan de Adder of de Ringslang onder gladde steenen; soms verschuilt +zij zich zoo onder het mos, dat alleen haar kopje er boven uitsteekt. + +Over den aard van de Gladde Slang zijn de meeningen der waarnemers +verdeeld. Eenigen noemen haar zachtzinnig en goedaardig, terwijl +anderen juist het tegendeel beweren. "Dit opvliegend en boosaardig +diertje," zegt Lenz, "bijt niet slechts kort na de vangst vol woede om +zich heen, maar doet dit soms nog verscheidene weken, ja zelfs maanden +daarna. Als men haar een handschoen, een slip van een jas of zoo iets +voorhoudt, slaat zij er in den regel hare tandjes zoo stevig in, dat +zij wel eens 8 minuten of langer aan het voorwerp blijft hangen. Deze +tandjes zijn zoo klein en verheffen zich zoo weinig boven het weeke +tandvleesch, dat men ze bij levende exemplaren bijna niet zien kan; +toch haken hunne scherpe puntjes zich onmiddellijk vast. Hoewel de +Slang licht zoo toornig wordt, dat zij zich zelf, hare soortgenooten, +andere Slangen, enz. bijt, beproeft zij hare tanden niet gaarne +op steenen, ijzer of dergelijke voorwerpen. Als zij geplaagd wordt, +stelt zij zich bijna te weer als een Adder, kronkelt zich ineen, buigt +den hals terug, verbreedt den achterkop en spert bij 't bijten den +bek zoo wijd mogelijk open." Deze bewijzen van boosaardigheid hebben +haar een slechten naam verschaft; zij wordt voor vergiftig gehouden +en zeer gevreesd; inderdaad zou men haar in een dergelijk oogenblik +van drift licht voor een wijfjes-adder kunnen aanzien. De Gladde +Slang is echter niet altijd zoo slecht geluimd. "Soms," zegt Lenz, +"vooral bij nat en koud weder, laat zij zich vangen zonder tegenstand +te bieden; meestal echter tracht zij vlug te ontsnappen en beweegt +zich zeer flink, in allen gevalle veel behendiger dan de Adder en +de Ringslang; op den vlakken bodem kan men haar echter gemakkelijk +inhalen. Wanneer men haar bij de punt van den staart vasthoudt, +kan zij zeer gemakkelijk den kop tot aan de hand opheffen." + +Soms ontmoet men haar met andere Slangen, b.v. met Ringslangen, +minder dikwijls met Adders, in denzelfden schuilhoek; ook in de +gevangenschap leeft zij geruimen tijd in vrede met deze dieren; de +goede verstandhouding wordt echter licht verstoord, vooral wanneer +de honger in 't spel komt. Aan de Kleine Hagedis geeft zij de +voorkeur boven iedere andere prooi; ook andere Hagedissen en kleine +Slangen vallen haar niet zelden ten buit; zelfs verslindt zij jonge +Adders, zonder zich aan hare giftanden te storen. De Gladde Slang is +levendbarend, d.w.z., uit de eieren, die in het laatst van Augustus +of het begin van September rijp zijn, komen onmiddellijk na het leggen +3 à 12 jongen te voorschijn; deze zijn 15 cM. lang en zoo dik als een +potlood, trachten bij gunstige weersgesteldheid nog eenig voedsel te +verkrijgen, maar verbergen zich weldra in een schuilhoek, waar zij +geen hinder hebben van de winterkoude. + +In de gevangenschap wordt de Gladde Slang in den regel reeds na weinige +dagen zoo tam, dat zij haar verzorger niet meer bijt, als deze haar +in de hand neemt of tegen zijn lichaam houdt om haar te verwarmen; +enkele exemplaren echter blijven, zooals reeds opgemerkt werd, +geruimen tijd ongenegen om met haar verzorger vriendschappelijk om te +gaan. Aanvankelijk bijten alle; ofschoon zij met hare kaken slechts +een geringe drukking kunnen uitoefenen, dringen de scherpe tandjes +toch ver genoeg in en door de huid om bloeding te veroorzaken. Men +kan er echter staat op maken, dat zij, de eene vroeger, de andere +later, de lust om te bijten verliezen. Een andere goede eigenschap +van deze fraaie, vlugge en bevallige diertjes is, dat zij zeer goed +de gevangenschap verdragen, wanneer men ze behoorlijk verzorgt. + + + +Bij de Bijtslangen (Zamenis) overtreffen de beide achterste +bovenkaakstanden de overige in lengte en zijn van deze door een +iets grootere tusschenruimte gescheiden; overigens gelijken zij +veel op de Gladde Slang. Dit geslacht wordt in Zuid-Europa door +verscheidene soorten vertegenwoordigd. Van de veelvuldigst voorkomende +soort--de Pijlslang (Zamenis acontistes)--kent men twee standvastige +verscheidenheden, die vroeger als soorten werden beschouwd. De eene--de +Geelgroene Pijlslang (Zamenis gemonensis)--bewoont het westelijke, +de andere--de Balkanslang (Zamenis trabalis)--het oostelijke deel +van het verbreidingsgebied der soort. + + + +De geelgroene Pijlslang wordt, naar 't schijnt, hoogstens 1.9 +M. lang, maar is gewoonlijk kleiner. De kop en de nek vertoonen op +grijsgelen, de rug en de staart op groenachtigen grond onregelmatige, +de onderdeelen op gelen grond regelmatigere, zwarte dwarsbanden; op +het achterste deel van het lichaam wordt deze uit vlekken bestaande +teekening door fijne, overlangsche strepen vervangen, die zich +onderling evenwijdig tot aan de spits van den staart uitstrekken. Bij +andere exemplaren heeft op de bovendeelen (in plaats van de groene) +een fraaie, groengele kleur de overhand, de onderdeelen zijn dan +kanariegeel. Bij nog andere is de bovenzijde olijfbruin en ongevlekt, +bij één variëteit (carbonaria) bijna geheel zwart, de buik grijs, +de geheele onderzijde, evenals de flanken, met staalblauwen glans. + +De Balkanslang, die 2.3 M. lang wordt, is van boven op blauwachtig +of bruinachtig grijzen grond met vele, meer of minder duidelijke, +overlangsche strepen geteekend. De bovenzijde van den kop is +steeds bruinachtig en met gele en zwartachtige strepen en stippels +gemarmerd. De bovenlipschilden en de schilden voor en achter de oogen +zijn altijd licht van kleur, bruinachtig of geel, de eerstgenoemde met +smalle, donkere randen gezoomd; de onderdeelen zijn effen bruinachtig +geel of steenrood, een deel van den achterrand der buikschilden aan +de voorste helft van den romp is bij enkele exemplaren zwart gezoomd; +de schilden zelve zijn bovendien met grijze, nevelachtige vlekken +geteekend. + + + +De Geelgroene Bijtslang is, van Hongarije te beginnen, westwaarts +over alle kustlanden van de Middellandsche Zee verbreid, alleen +in Frankrijk dringt zij tot benoorden de Alpen door. In Kroatië, +Krain, Zuid-Karinthië en Zuid-Tirol komt zij veelvuldig, in het +zuiden van Zwitserland daarentegen zelden voor; in vele gewesten +van Zuid-Frankrijk is zij niet ongemeen. In Italië ontmoet men haar +overal, in de omstreken van Rome zeer veelvuldig. Ten oosten van +Hongarije treedt de Balkanslang in haar plaats; deze is van hier +over geheel Zuid-Rusland, voorts van Griekenland over Klein-Azië, +Syrië en Perzië verbreid. + +Al naar het door haar bewoonde terrein houdt de Geelgroene Bijtslang +zich op in struiken of langs omheiningen en wegen, in oude muren en in +steenhoopen, zoowel in vlakke als in heuvelachtige gewesten; bovendien +klimt zij in de boomen. Haar voedsel bestaat uit Hagedissen en Muizen, +waarschijnlijk echter ook uit andere Slangen, daar deze, naar bij +gevangen exemplaren gebleken is, door haar aangevallen worden. In allen +gevalle houdt zij, naar 't schijnt, meer van Reptiliën dan van Muizen. + +Te recht beschouwt men haar als een van de bijtlustigste en +beweeglijkste der onschadelijke Europeesche Slangen. De geelgroene +verscheidenheid tracht steeds den persoon, die haar wil vangen, te +bijten. Hoewel de grootere Balkanslang bij de nadering van een mensch +gewoonlijk vlucht, is zij zelfs voor een Paard en diens berijder niet +bang; wanneer een ruiter haar onverhoeds aanvalt, aanvaardt zij zonder +aarzeling den strijd. Naar Pallas bericht, rolt zij zich in dit geval +tot een schijfvormige spiraal op, laat den tegenpartij tot op korten +afstand naderen en steekt dan plotseling den kop uit om te bijten, +soms klemt zij zich met de tanden aan de lippen der Paarden vast. Niet +te verwonderen is het daarom, dat deze dieren overal gevreesd worden. + +Wegens haar neiging tot bijten kan men de Bijtslang niet gemakkelijk +levend vangen. Erber noemt haar bovendien listig en voorzichtig en +geeft deze eigenschap op als een van de redenen, waarom men haar +zoo zelden vangt. Hij zegt, dat de gevangen exemplaren altijd schuw +blijven. + + + +De Panterslang (Ptyas pantherinus), die het Amerikaansche geslacht +der Renslangen vertegenwoordigt, bereikt een lengte van ongeveer +2 M. en kenmerkt zich door een weinig varieerende teekening. Bleek +vaalgeelachtig grijs is haar grondkleur; drie donkere dwarsbanden staan +op den voorkop, twee breede, overlangsche strepen op den achterkop en +den nek; de teekening van den rug bestaat uit een reeks van groote, +grijsbruine vlekken met zwarten rand; op den hals zijn zij ruitvormig, +overigens onregelmatig en ieder met twee zijdevlekken verbonden; +de geelachtig witte schilden van de kaakranden zijn zwart gezoomd; +een zwartbruine streep loopt achter ieder oog naar den mondhoek. + +De Panterslang bewoont Guyana benevens de tropische en gematigde +gewesten van Brazilië tot Rio Grande do Sul. Zij houdt zich bij +voorkeur op in moerassen en drassige, met struiken begroeide +vlakten. Zij beweegt zich met matige snelheid en is op verre na +niet zoo behendig als andere soorten. Het kost daarom geen moeite +haar tot op korten afstand te naderen; zelfs dan geeft zij nagenoeg +geen blijken van onrust. Haar voedsel bestaat uit Padden en Vorschen; +naar het schijnt, komt haar levenswijze dus in hoofdzaak overeen met +die van onze Ringslang. + + + +Tot hetzelfde geslacht rekent men de Zwarte Slang (Ptyas constrictor); +deze in de zuidelijke helft der Vereenigde Staten algemeen bekende +soort wordt 2 M. lang en dankt haar naam aan de blauwglanzige, zwarte +kleur der bovendeelen, die op de onderzijde in licht aschgrauw en op +de borst in witachtig grijs overgaat. + +Ook zij geeft de voorkeur aan waterrijke oorden en houdt zich gaarne +op aan de oevers van stroomen, vijvers of meren, vooral daar, waar +het struikgewas meer of minder direct in het water groeit; soms +echter onderneemt zij reizen over het droge land en wordt bij deze +gelegenheid op de meest verschillende terreinen waargenomen. Naar +bericht wordt, munt zij boven al hare verwanten uit door geschiktheid +tot beweging. Zij kronkelt zich even behendig over moerassige, als +over droge en steenachtige terreinen, klimt zeer goed en beweegt +zich daarom gaarne op de takken van struiken en boomen; bovendien +is zij in het zwemmen en duiken zeer ervaren. Haar voedsel bestaat +uit Visschen, Amphibiën, Slangen, Vogels en kleine Zoogdieren; zij +maakt vooral jacht op jonge Ratelslangen en ook op Muizen en Ratten, +maar plundert tevens vele nesten van nuttige Vogels. In sommige +gewesten wordt zij beschouwd als een der werkzaamste verdelgers van +hare gevreesde verwanten, vooral van jonge Ratelslangen. Hoewel men +haar om deze reden nuttig acht, wordt zij op vele plaatsen niet gaarne +gezien, omdat haar roofzucht tamme Vogels niet verschoont, hier en daar +zelfs gevreesd, omdat zij, naar men zegt, buitengewoon strijdvaardig +is. Of zij, zooals men beweert, hierdoor voor menschen lastig wordt, +zullen wij in 't midden laten; dat zij den naam "Renslang" terecht +draagt, wegens de snelheid, waarmede zij zich op haar prooi werpt, +is wel mogelijk. + +De Zwarte Slang schikt zich even goed in de gevangenschap als eenige +andere soort van haar familie en kan bij behoorlijke verzorging jaren +lang in 't leven blijven. Met andere Slangen houdt zij geen vrede; +op kleinere dieren past zij zonder eenig zelfbedwang het recht van +den sterkste toe, o. a. door nu en dan een van hare medegevangenen +te dooden en te verslinden. + + + +De Klimslangen of Landslangen i. e. z. (Coluber) hebben een +langen, zijdelings sterk samengedrukten romp; de grens tusschen +den langwerpigen kop en den hals is duidelijk waarneembaar. Het +middelmatig groote oog heeft een ronde pupil. Dit soortenrijke geslacht +is over het grootste deel van Europa, Azië, Noord-Amerika en tropisch +Zuid-Amerika verbreid; het bestaat uit stevige, krachtige dieren, +die niet zoozeer op den grond als wel in boomen en struiken leven +en zich hoofdzakelijk voeden met kleine Zoogdieren en Vogels. Vele +houden zich gaarne in de nabijheid van water op en zwemmen uitmuntend. + + + +Asklepios, de god van de geneeskunde, draagt, zooals men weet, ten +teeken van zijn werkzaamheid, een staf in den hand, die door een Slang +omstrengeld wordt. Welke soort de oude Grieken en Romeinen hiermede +bedoeld hebben, valt thans niet meer uit te maken; tamelijk algemeen +neemt men echter aan, dat het bedoelde dier een vertegenwoordiger van +het geslacht der Klimslangen is geweest en dat de Romeinen er veel toe +bijgedragen hebben om het te verbreiden. Dit zou de reden zijn van de +aanwezigheid van de Esculapius-slang in de nabijheid van badplaatsen +van landen, waar men deze soort overigens niet aantreft. Zoo ontmoet +men haar in Duitschland bij Schlangenbad, in Oostenrijk bij Baden +in de buurt van Weenen, in de Zwitsersche kantons Tessino en Wallis +bijna uitsluitend tusschen de puinhoopen van Romeinsche baden. Het +eigenlijke vaderland van deze Slang is Zuid-Europa, van de Pyreneën +tot aan den westelijken oever van de Kaspische Zee. + +De Esculapius-slang, Geelachtige of Schlangenbader Slang (Coluber +aesculapius) is gemakkelijk te herkennen aan den kleinen, van +achteren niet duidelijk begrensden kop met afgeronden snuit, +den krachtigen romp, den langen, slanken staart en het eenvoudig +gekleurde kleed, dat aan de buikzijde en op den kop uit regelmatige +schilden, overigens uit gladde (aan de achterste lichaamshelft soms +onduidelijk gekielde) schubben bestaat. De bovendeelen zijn gewoonlijk +bruinachtig grijsgeel, de onderdeelen witachtig; op den achterkop +bevindt zich aan iedere zijde een geelachtige vlek, op den rug en +aan de zijden komen kleine, witachtige, x-vormige stippels voor. De +kleur vertoont trouwens vele afwijkingen: er zijn zeer lichte en bijna +zwarte Esculapius-slangen. Zij kunnen een lengte van 1.5 M. bereiken; +exemplaren van deze grootte ontmoet men echter alleen in Zuid-Europa. + +Ieder, die dit dier in de vrije natuur of in gevangenschap heeft +nagegaan, zegt, dat het niet alleen door zijn uiterlijk, maar ook +door zijn aard bevallig is. + +In Zuid-Europa houdt het bij voorkeur verblijf op een rotsachtig +of althans steenachtig, schaarsch met struikgewas begroeid terrein +en ontbreekt daarom in streken met een andere grondgesteldheid +dikwijls geheel. Bij Schlangenbad, de eenige woonplaats van dit dier +in Duitschland komt het veelvuldig voor en wordt het meestal op oude +muren aangetroffen. Op den bodem beweegt het zich niet bijzonder vlug +of behendig, misschien zelfs minder snel dan zijne verwanten; des te +beter is het in 't klimmen ervaren. In dit opzicht evenaart het bijna +de Boomslangen, die het grootste deel van haar leven in de boomen +doorbrengen. Gewoonlijk tracht de Esculapius-slang zich bij dunne +boomstammen, die zij omstrengelen kan, omhoog te kronkelen, totdat +zij de takken bereikt heeft, waarlangs en waartusschen zij daarna +haar weg vervolgt. In een dicht woud gaat zij van den eenen boom op +den anderen over en kan zich op deze wijze over een grooten afstand +verplaatsen. Bij een muur klautert zij onbegrijpelijk vlug omhoog, +daar ieder uitsteeksel, hoe klein het ook zij, haar een voldoenden +steun verschaft en zij op een waarlijk kunstige wijze van iedere +oneffenheid van het gesteente partij weet te trekken. + +Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Muizen te bestaan, bovendien +maakt zij echter jacht op Hagedissen en vangt, als de gelegenheid +gunstig is, Vogels of plundert nesten uit. Toch kan het wel zijn, +dat zij te recht door hare vrienden wegens het verdelgen van Muizen +als zeer nuttig wordt beschouwd. + +"Van alle Duitsche Slangen", zegt Linck, "brengt die van +Schlangenbad het geringste aantal nakomelingen voort. Met de +Ringslang is zij de eenige, welker kiemen na het leggen der +eieren nog een ontwikkelingstijdperk van verscheidene weken moeten +doorloopen. Gewoonlijk legt zij omstreeks 5 eieren, meestal in vermolmd +hout, soms ook in een dikke, droge moslaag en laat ze daarna aan hun +lot over. De eieren zijn langwerpig, doch een weinig minder buikig +dan die van Duiven en gelijken eenigszins op mierenpoppen in 't groot". + +Geen enkele Duitsche Slang wordt zoo dikwijls gevangen als de +Esculapius-slang. In Schlangenbad is de vangst van dit dier een bron +van inkomsten voor arme lieden. Zij zoeken het op, zoodra het ontwaakt +is uit den winterslaap, temmen het en vermaken er de badgasten mede; +soms verkoopen zij ook wel een enkel exemplaar aan een liefhebber. Als +het badseizoen afgeloopen is, worden de gevangenen weer vrijgelaten, +daar zij in de kooi slechts zelden voedsel gebruiken; in Schlangenbad +althans houdt men het er algemeen voor, dat zij het nooit doen. Erber +verhaalt echter, dat twee Esculapius-slangen, die hij lang in de +kooi hield, gezamenlijk in den loop van een zomer 108 Muizen en 2 +Hagedissen verslonden. Een exemplaar, dat 14 maanden achtereen geen +voedsel had gebruikt, intusschen echter geregeld vervelde en ondanks +deze hongerkuur niet merkbaar vermagerde, was ten slotte toch weer aan +'t eten geraakt; kort daarna lag het dood in zijn hok; "dit was het +eerste dier van deze soort, dat ik door den dood verloor." + +In het eerst is de gevangen Esculapius-slang zeer boosaardig en bijt +vol woede naar de hand van haar meester of naar Muizen, die in haar +hok gebracht worden. Soms duurt haar boosheid lang, of keert terug, +wanneer de schijnbaar getemde Slang in haar behagelijke rust gestoord +of na een langdurig uitstapje weer in haar hok teruggebracht wordt; +na eenige weken echter wordt de gevangene, wanneer men zich veel met +haar bemoeit, zoo tam en goedaardig, dat men werkelijk bij haar van +vriendschap voor haar verzorger kan spreken; nooit tracht zij dezen te +bijten, zelfs wanneer hij haar plaagt. Naar men beweert, keert zij, na +het herkrijgen van haar vrijheid, soms vrijwillig naar haar hok terug. + +Van haar bekwaamheid in 't klimmen, lenigheid en neiging om uit haar +kooi te ontsnappen, verhalen Lenz en Linck aardige staaltjes. Linck +kreeg in 't begin van Juni een paar van deze dieren uit Schlangenbad, +nam ze uit de met mos en kruiden goed gevoerde kist en liet ze wegens +dringende bezigheden in een groote, goed gesloten kamer aan hun lot +over. Na verloop van een uur keerde hij naar zijne gasten terug, +maar vond ze niet meer. Alle hoeken werden doorzocht, alle mogelijke +schuilplaatsen doorsnuffeld,--vergeefsche moeite! Eindelijk ontdekte +hij het mannetje 3 M. boven den grond lang uitgestrekt op een stok +van een gordijn, in welks plooien hij zich van den grond af omhoog +heeft moeten werken; van hier keek hij rustig neer op wat er onder +hem voorviel. Naar het nog ontbrekende wijfje werd verder gezocht, +wederom lang vruchteloos, totdat eindelijk aan de zitting van een +stoel een onbeduidende beweging werd opgemerkt. Bij het omkeeren +van dit meubel zag men de vluchtelinge, die zich om de springveeren +van de zitting had gekronkeld en vast besloten was om zich in den +veroverden schuilhoek te handhaven, zooals uit verscheidene pogingen +om te bijten bleek. Het kostte veel moeite het dier los te wikkelen. + + + +De Gestreepte Slang (Coluber quaterradiatus), een van de grootste +Europeesche Slangen, bereikt een lengte van 1.8 à 2 M. Van boven is +zij op olijfbruinachtigen, naar vleeschkleur zweemenden grond, aan +weerszijden met twee zwartbruine, overlangsche strepen geteekend, +van onderen daarentegen eenvoudig stroogeel. Van 't oog naar den +mondhoek loopt een zwarte streep. Van deze kleursverdeeling komen vele +afwijkingen voor. Erber ving enkele zuiver zwarte exemplaren. Andere +onderzoekers merkten op, dat de jongen regelmatige, zwarte dwarsstrepen +op den kop, aan de bovenzijde van den romp echter drie reeksen van +groote, bruine vlekken hebben, aan de zijden eveneens gevlekt zijn en +aan de onderzijde zwartachtig staalgrijze, vierkante velden vertoonen. + +Het verbreidingsgebied van de Gestreepte Slang omvat een deel van +Zuid- en Zuidoost-Europa, het strekt zich van Onder-Italië en Dalmatië +minstens tot aan het binnenland van Klein-Azië uit. Behalve misschien +in de omstreken van Napels en op eenige Grieksche eilanden is deze +soort nergens veelvuldig; ongetwijfeld komt dit van de voortdurende +vervolging, die zij in de meeste landen te verduren heeft. + +Volgens alle onderzoekers is zij een onschadelijk en zeer nuttig +dier; zelfs wanneer men haar vangt, bijt zij niet; in zeer korten +tijd geraakt zij aan haar verzorger gewoon. Verdienstelijk maakt +zij zich door het verslinden van Ratten, Muizen en kleine Slangen, +daarentegen vormen ook de nuttige Mollen, kleine Vogels en Hagedissen +een deel van haar buit. Erber zag een Gestreepte Slang achtereenvolgens +zeven kippeneieren uit een nest halen; nadat zij deze in hun geheel +verzwolgen had, brak zij ze, door haar lichaam tegen een boompje +te drukken. Toen hij daarna de Slang gevangen en in zijn stevig +dichtgeknoopten rokzak geborgen had, wreekte zij zich over het verlies +van haar vrijheid door het uitspuwen van de geheele eierenstruif. + + + +Terwijl de tot dusver genoemde Colubriden zich slechts tijdelijk +in de boomen begeven om er voedsel te zoeken, zijn de Woudslangen +(Herpetodryas) reeds nagenoeg volslagen boomdieren. Hare oogen zijn +grooter dan die van de Klimslangen, dikwijls zeer groot, haar romp +is een weinig sterker zijdelings samengedrukt. Olijfgroene kleuren +hebben bij haar de overhand. + + + +In de wouden van geheel Brazilië, Guyana en Venezuela en ook op +de Kleine Antillen leeft een tot dit geslacht behoorende soort, de +Sipo (Herpetodryas carinatus), die 2.3 M. lang wordt en een prachtig +voorkomen heeft. Volgens de beschrijving van den Prins Von Wied hebben +de bovendeelen een fraaie, zachte, meer of minder donkere, geelgroene +of olijfgroene kleur, die op den rug een bruinachtige tint vertoont; +de onderdeelen zijn deels groenachtig, deels hooggeel; de eerstgenoemde +kleur heeft gewoonlijk op den buik, de laatstgenoemde aan de onderzijde +van kop, keel, hals en staart de overhand. Tot metaalglanzig bruin +wisselen de tinten van de groen gekleurde lichaamsdeelen af; op het +midden van den rug bevindt zich een lichtere, overlangsche streep, +die dikwijls aan weerszijden door een donkerder rand begrensd wordt. + +De Sipo is in Suriname en Brazilië een van de meest gewone Slangen; +zij bewoont vooral het op zandgrond groeiende struikgewas op korten +afstand van de zee. Van zandgrond schijnen deze Slangen veel te houden +en ook van vochtige en moerassige terreinen in de nabijheid van de +zee, die met biezen, riet en andere moerasplanten begroeid zijn en aan +onze weilanden herinneren. Hier vindt men ze veel in kreupelbosschen, +waarvan de recht opschietende, witbloeiende trompetboomen (Tecoma) +en de stijve, breedbladige Clusia's deel uitmaken; gewoonlijk +liggen zij op de bladen of op dikke takken, niet zelden echter op +den grond. Bij de nadering van een mensch vluchten zij zoo snel, +dat men haar ternauwernood volgen kan; het vlugst bewegen zij zich in +'t gras, iets langzamer over het naakte zand. De Prins Von Wied vond +den slanken hals van deze Slang dikwijls buitengewoon sterk uitgezet +door de groote Padden, die haar slokdarm vulden; het schijnt, dat +zij zich hoofdzakelijk met Amphibiën voedt. + +Men kan de Sipo met de handen grijpen; in tijd van nood stelt zij +zich echter ook tegen menschen te weer, gelijk uit het volgende +jachtavontuur van Schomburgk blijkt: "Op een van mijne jachttochten +zie ik een Slang van 2 M. lengte langzaam op mij afkomen; de +afstand is echter te groot om te onderscheiden, of zij giftig dan +wel onschadelijk is. De beide loopen van mijn geweer zijn geladen; +ik leg aan, schiet en zie het dier met krampachtige kronkelingen +in een kring ronddraaien. Door een gedruisch van vleugelslagen +in de twijgen van den boom, waaronder ik sta, wordt mijn aandacht +afgeleid, ik kijk op en zie twee fraaie, mij onbekende Papegaaien, +die hier in de schaduw hadden gezeten, en, na bekomen te zijn van +den door het schot veroorzaakten schrik, spoedig weer post vatten +op den uitersten top van een twijg. Daar de Slang doodelijk gewond +schijnt, laat ik door het tweede schot van mijn geweer een der beide +Vogels naar beneden tuimelen. Terwijl ik mijn geweer op nieuw laad, +zie ik de Slang met moeite naar een dichten struik kruipen en er +in verdwijnen. Na haar tevergeefs gezocht te hebben met het geladen +geweer in de hand, moest ik wel naderbij komen en voel nu plotseling +tegen den schouder een stoot van het gewonde dier, dat mijn nadering +bemerkt en zich tot een sprong voorbereid had; ik stuif met geweld +achteruit en blijf verstijfd van schrik staan, niet wetend of een +vergiftige Slang mij gewond heeft of niet; ik zie het dier nogmaals +zich gereed maken voor een sprong en voorkom dezen nog te rechter +tijd door een gelukkig schot. Bij nader onderzoek blijkt het, dat +ik in 't geheel niet gewond ben en herken ik mijn woedenden vijand, +niet als een vergiftige Slang, maar als een onschadelijke Sipo." + + + +Het best bewerktuigd voor het leven in de boomen zijn waarschijnlijk +de Boomslangen (Dendrophis), welker langgerekte, dunne romp zijdelings +samengedrukt en dus hoekig is; de buikschilden (die, zooals gewoonlijk, +een enkele reeks vormen) vertoonen aan weerszijden een lijstvormige +verhevenheid of kiel. Daar zij om op haar prooi te loeren, zich +verschuilen tusschen de bladen van de boomen, die haar tot woonplaats +dienen, noemt men ze ook wel Bladslangen. Zij komen veelvuldig voor in +Zuid-Amerika, Middel-Afrika en Oost-Indië, zijn zeldzaam in Australië +en ontbreken geheel in de beide Noordelijke Faunistische Rijken. + + + +Een zeer bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de Glansslang, +de Sjokari van de Hindoes (Dendrophis pictus), een prachtige Boomslang +van 1.14 M. lengte, waarvan niet recht een derde gedeelte op den +staart komt. De kleur van de bovendeelen is glanzig bronskleurig +bruin, welke kleur soms door een gele, overlangsche streep op het +midden van het voorste derde gedeelte van den rug beter uitkomt; +de zijden prijken met een gelen band; de effen gekleurde onderzijde +heeft een min of meer gele of lichtgroene tint. + +Deze wijd en zijd verbreide soort komt in geheel Voor- en Achter-Indië +en op alle Indische eilanden voor. Snelleman zegt van haar "wellicht +de meest algemeene soort in Indië en den Archipel" en verder: "Het +fraaist gekleurd zijn voorzeker de Boomslangen; jammer slechts, dat +men haar te midden van zooveel boomen zoo zelden ziet! Haar groene +kleur in allerlei tinten is daaraan ongetwijfeld grootendeels schuld, +maar behalve dat hebben sommige soorten een eigenaardige wijze van +rusten, door namelijk met de punt van den staart een paar malen om een +boomtak geslagen met den kop naar beneden in het gras te hangen. Zulk +een houding is, in een land, waar vele boomen met luchtwortels groeien, +zeer bedriegelijk." + +"Tot de Boomslangen behoort de soort of de soorten, die de Maleiers +"Oelar-poenei" noemen, en waarvan zij vertellen, dat zij zich +moeielijk bewegen en meestal opgerold op een boomstam liggen. Zij +zijn onschadelijk, zeggen zij, eten geen Vogels of andere dieren, +maar alleen het voedsel, dat haar gebracht wordt door de Duif, die in +het Maleisch "Poenei" heet en waaraan deze dieren haar inlandschen +naam ontleenen. Het exemplaar, dat men mij bracht, was op een zeer +bijzondere wijze gevangen, n.l. door het een bamboestok voor te houden +en te wachten, tot het dier zijn rustplaats verkoos te verlaten, +om zich om den stok te kronkelen." + + + +De Zwemslangen (Tropidonotus) houden zich bij voorkeur in de nabijheid +van het water op en jagen zoowel in het vochtige element als op het +droge; haar voedsel bestaat grootendeels uit Visschen, Salamanders +en Vorschen; in tegenstelling met verscheidene Glansslangen en +Klimslangen verzwelgen zij haar prooi, zonder deze vooraf dood te +drukken. Haar wetenschappelijken naam danken zij aan de duidelijke +gekielde rugschubben, die elkander dakpansgewijs bedekken. Aan den +ronden, in een tamelijk langen staart eindigenden romp is door een +dunnen hals de platte kop verbonden, welks achterste grens duidelijk +kenbaar is en die zich onderscheidt door den wijdgespleten muil, de +zeer groote of middelmatig groote oogen met ronde pupil, de zijdelings +tusschen twee schilden gelegen neusgaten en de regelmatige bedekking +met schilden. + + + +Een algemeen bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de Ringslang +of Heiaal (Tropidonotis natrix) "de Slang bij uitnemendheid voor ons +volk, de soort, die aanleiding heeft gegeven tot zijne oude sagen en +nieuwe wondersprookjes, het onschuldig slachtoffer van zijn vrees, +van zijn haat, van zijn verdelgingszucht", de meest verbreide van alle +inheemsche Slangen. In al onze landprovinciën komt zij voor, hier en +daar in tamelijk grooten getale; ook in Zuid- en Noord-Holland zijn nu +en dan exemplaren gevonden, doch deze waren er hoogst waarschijnlijk +(volgens Schlegel) met hooi gebracht; in de kuststreken komt zij niet +voor. Zij bewoont veelal zandige gronden, doch houdt zich steeds op +in de nabijheid van stilstaand water, waarin zij dikwijls zwemt. Zij +kan 1.58 M. lang worden, maar blijft, althans hier te lande, gewoonlijk +voluit een derde deel korter; de mannetjes zijn bovendien steeds korter +dan de wijfjes. Twee witte of gele (bij variëteiten uit zuidelijker +streken dikwijls levendig roodgele) maanvlekken achter de slapen--de +"kroon", waarvan de sagen en sprookjes gewagen--kenmerken haar +zoo duidelijk, dat zij nooit met andere inheemsche Slangen verward +kan worden. Voorts is zij op grijzen grond met 4 à 6 langs den rug +loopende reeksen van zwarte vlekken geteekend, verder benedenwaarts, +op de zijden, wit gevlekt en langs het midden van den buik zwart. De +kleur van den rug zweemt soms naar bruin, soms naar groen, soms naar +blauwgrijs; ook ontmoet men wel eens nagenoeg zwarte exemplaren, +waarop de donkere vlekken bijna geheel onzichtbaar zijn. De mannetjes, +wijfjes en jongen verschillen zeer weinig in kleur. + +In het Zwitsersche heuvelland worden, volgens Tschudi, 2 of 3 +verschillende, standvastige variëteiten waargenomen: een olijfkleurig +grijze, een meer roodachtig grijze en een gevlekte, die het midden +houdt tusschen deze beide. In het zuidoosten en oosten van Europa +ontmoet men bovendien nog: de Rouwringslang (T. natrix var. atra) uit +het Wolgagebied, die over het geheele lichaam donkerzwart is, behalve +aan de onderzijde van den kop, waar enkele lichte vlekken verspreid +staan, voorts de Gestreepte Ringslang (T. natrix var. persa), die +zich onderscheidt door twee smalle, in den nek beginnende en langs +den geheelen rug tot aan den staart reikende, overlangsche strepen +van gele of geelachtig witte kleur. + +Het verbreidingsgebied van de Ringslang omvat geheel Europa (met +uitzondering van het hoogste noorden), voorts een zeer aanzienlijk deel +van Vóór-Azië en in Noord-Afrika Algerië. Met struiken begroeide oevers +van moerassen en broeklanden, langzaam stroomende beken en rivieren, +verwaarloosde dammen van vijvers, vochtige wouden, met biezen en +riet begroeide terreinen en het moeras zelf zijn de meest geliefde +verblijfplaatsen van de Ringslang, omdat zij hier haar meest gewenschte +voedsel vindt. Men ontmoet haar echter ook op tamelijk hooge bergen, +ver van ieder water; zij komt hier, volgens Lenz, volstrekt niet +toevallig, maar in elken tijd van 't jaar voor, zoodat er reden is +om aan te nemen, dat zij deze woonplaats niet verlaat. Niet zelden +komt zij dicht bij menschelijke woningen om zich te vestigen in +gaten, die zij in hoopen mest en afval zelf graaft, of in holen van +Muizen en Mollen of ook wel in kelders en stallen. Struck zag haar in +Mecklenburg de voorkeur geven aan eenden- en kippenhokken: vooral in de +eendenhokken vond hij oude en jonge Ringslangen bij dozijnen. In den +herfst ziet men de Ringslang bij goed en warm weer nog in November op +een zonnige plek liggen. Haar winterkwartier verlaat zij in het laatst +van Maart of in April, aanvankelijk, naar het schijnt, met geen ander +doel dan om zich aan de verkwikkende warmte der zonnestralen bloot +te stellen; zij doet dit gedurende eenige weken zonder zich met de +jacht bezig te houden en begint eerst daarna haar zomerleven. + +Ieder, die de zeer algemeen heerschende, kinderachtige vrees voor +Slangen van zich afgeschud heeft, zal, als hij de Ringslang heeft +leeren kennen, haar lief en bevallig noemen. Zij maakt zelfs bij +vergelijking met de vlugste en beweeglijkste van hare verwanten +een goed figuur. Ook voor haar is het een groot genot zich in den +zonneschijn uit te strekken en uren lang in deze houding te blijven, +hetgeen echter niet belet, dat zij dikwijls rondzwerft, veel vaker +althans dan de arglistig loerende, trage Adder, die zelfs des nachts +hare uitstapjes tot het kleinst mogelijke gebied beperkt. Wanneer +men haar op den met struikgewas begroeiden oever van een stil +water bespiedt, zal men getroffen worden door haar levendigheid +en beweeglijkheid. Van den oever, aan welks rand zij zooeven in 't +zonnetje lag, laat zij zich zonder gedruisch in 't water glijden, +om zich met zwemmen te vermaken of een bad te nemen. Gewoonlijk +blijft zij zoo dicht bij de oppervlakte, dat haar kopje er boven +uitsteekt en beweegt zich met zijwaartsche kronkelingen, voortdurend +met de tong tastend, vooruit. Ook zwemt zij dikwijls tusschen den +waterspiegel en den bodem, werpt intusschen voortdurend luchtbellen +uit en onderzoekt met de tong de voorwerpen in welker nabijheid +zij komt. Wanneer men haar verschrikt en bevreesd maakt, vlucht zij +geregeld naar de diepte en zwemt hier, hetzij op, of althans dicht +bij den bodem, een goed stuk verder, totdat zij meent veilig weer +naar de oppervlakte te kunnen stijgen. Soms gaat zij op den bodem van +'t water liggen en blijft hier geruimen tijd; uren lang kan zij zich +zonder bezwaar onder water ophouden. + +Wanneer de Ringslang in 't water een grooten weg heeft af te leggen, +b.v. over een breeden stroom of over een meer moet zwemmen, vult zij +haar groote long zoo sterk mogelijk met lucht en vermindert hierdoor +aanmerkelijk haar soortelijk gewicht; telkens als zij onderduikt, +ledigt zij hare ademhalingsorganen. Dat zij werkelijk door groote +wateren haar weg neemt, is duidelijk genoeg gebleken. Schinz zag haar +bij stil weer midden in het Zurichermeer vlug rondzwemmen; Engelsche +onderzoekers hebben haar herhaaldelijk ontmoet in de zee tusschen +Wales en Anglesea. De Deensche scheepsgezagvoerder Irminger vond +er zelfs één in volle zee op een afstand van 23 KM. van de naastbij +gelegen kust, n.l. van het eiland Rugen. Daar zij pogingen deed om +aan boord te komen, liet hij een boot strijken, ving het dier en zond +het naar Eschricht te Kopenhagen, die het als een Ringslang herkende. + +Op den bodem kruipt de Ringslang tamelijk snel; in de vlakte echter +kan men haar altijd wel inhalen, zonder zich buitengewoon in te +spannen. Langs hellingen schiet zij soms met zoo groote snelheid +naar beneden, dat men haar zeer goed met een voortgeschoten pijl +kan vergelijken. Ook in 't klimmen is zij volstrekt niet onervaren; +soms bereikt zij op deze wijze de kroon van tamelijk hooge boomen. + +Men noemt de Ringslang een zachtzinnig dier, omdat zij tegen den mensch +slechts uiterst zelden haar gebit gebruikt en met andere Slangen (of +met Reptiliën in 't algemeen) en ook met Amphibiën in de vrije natuur +en in de gevangenschap in vrede leeft, met de Amphibiën althans zoolang +de honger haar niet kwelt. Als roovende Zoogdieren of Roofvogels haar +aanvallen, stelt zij zich sissend te weer; zij tracht hen te bijten, +maar raakt slechts zelden haar vijand; zoo mogelijk vlucht zij echter +voor wezens, die zij gevaarlijk acht, vooral voor die, welke haar +vervolgen om haar te verslinden. Tegen menschen gebruikt zij geen +ander verdedigingsmiddel dan haar buitengewoon stinkenden drek. + +Aan Vorschen geeft de Ringslang de voorkeur boven iederen anderen +buit; vooral op den Landkikvorsch maakt zij ijverig jacht. Uit de +ervaringen van Lenz en Boettger blijkt, dat zij het meest houdt van +Boomkikvorschen, althans, dat men pas gevangen Ringslangen, die andere +Vorschen weigerden, gemakkelijk aan 't eten kan krijgen door haar +Boomkikvorschen te geven. In de vrije natuur kunnen zij zich deze +lekkernij slechts gedurende den paartijd van de bedoelde Amphibiën +verschaffen, daar deze zich dan naar den bodem begeven; gewoonlijk +zullen Land- of Waterkikvorschen wel haar hoofdvoedsel uitmaken. + +Het is een opmerkelijk feit, dat de Ringslang, zelfs in 't donker, +de verschillende soorten van Vorschen en Padden goed herkennen en +er een keuze uit doen kan; waarschijnlijk wordt zij hierbij door de +reukzin geleid. Zonder fout onderscheidt zij de Zuid-Europeesche +Springkikvorsch (Rana agilis) van den ook bij ons inheemschen +Landkikvorsch (Rana temporaria), hoewel deze beide soorten zelfs door +kenners van Amphibiën niet gemakkelijk uit elkander gehouden kunnen +worden. Als zij niet genoeg Vorschen kan krijgen, behelpt zij zich +ook wel met Padden. Watersalamanders schijnt zij bijzonder graag te +eten; alle bij ons voorkomende soorten weet zij zoowel op het land +als in het water te vangen. Bovendien valt op te merken, dat zij, +evenals hare verwanten, met grooten ijver op kleine Visschen jacht +maakt en hierdoor werkelijk nu en dan schade veroorzaken kan. + +De wijze, waarop de Ringslang haar buit verslindt, wekt den afkeer van +den toeschouwer, omdat zij zich niet de moeite geeft, haar slachtoffer +vooraf te dooden, maar het nog levend in haar maag begraaft. Wel +is waar tracht zij gewoonlijk den Kikvorsch bij den kop te pakken; +wanneer dit haar echter niet gelukt, grijpt zij het dier aan, +waar zij kan, b.v. bij de achterpooten en trekt het langzaam in +haar keel. Natuurlijk spartelt de Kikvorsch hevig tegen en kwaakt +erbarmelijk, zoolang zij den bek nog kan openen. Het vasthouden van +dit beweeglijk wild is voor de Slang geen gemakkelijk werk; toch +gelukt het den Kikvorsch slechts zelden zich aan haar onverbiddelijke +vijandin te ontworstelen, daar deze, als er niets tusschenbeide komt, +de ontsnapte prooi onmiddellijk achtervolgt en opnieuw aangrijpt. Het +verzwelgen van een grooten Kikvorsch is een zeer vermoeiende arbeid, +die soms vele uren vereischt. Kleine Kikvorschen worden met veel +minder moeite doorgeslikt; dikwijls pakt en verslindt de Ringslang, +als zij een flinke eetlust heeft, er wel een half dozijn, zonder af +en toe te rusten. Als de honger haar zeer kwelt, neemt zij in korten +tijd wel 100 kikvorschlarven of wel 50 kleine Kikvorschen, welker +gedaanteverwisseling juist is afgeloopen, voor haar maal. Wanneer +zij verschrikt wordt of angst gevoelt, spuwt zij, evenals andere +Slangen, het kort te voren doorgeslikte voedsel in den regel weer +uit, waarbij zij, als het in haar maag aanwezige dier zeer groot +is, den bek zeer wijd moet opensperren. Het verslinden van kleine +Zoogdieren of Vogels is voor haar waarschijnlijk een zeer ongewoon +werk; gevangen exemplaren althans versmaden in den regel Muizen of +Vogels en vogeleieren; dooiers van gebroken eieren daarentegen slikken +zij met blijkbaar welgevallen op. Het kan wel zijn, dat zij zich in +haar jeugd nu en dan met Gelede Dieren en Weekdieren moeten behelpen. + +Lang heeft men gemeend, dat de Ringslang niet drinkt. Lenz heeft in +de maag van geen der door hem onderzochte exemplaren water gevonden, +hoewel hij kort voor het ontleden water in het hok had gebracht van het +dier, dat bij heet weer geruimen tijd zonder water was gelaten. Toch is +de hieruit afgeleide gevolgtrekking onjuist: een vriend van den zooeven +genoemden onderzoeker zag een van zijne gevangenen, die midden in den +zomer 14 dagen lang dorst geleden had, een bakje vol water schoon +leeg drinken; ook andere slangenvrienden hebben dezelfde ervaring +opgedaan. Behalve van water maken sommige exemplaren ook wel gebruik +van melk, althans wanneer zij geen ander vocht kunnen krijgen; het kan +wel zijn, dat die, welke eens aan deze vloeistof gewoon geraakt zijn, +er veel van beginnen te houden. Misschien berust hierop de algemeen +verbreide meening, dat de Ringslang aan de uiers van koeien en andere +melkgevende huisdieren zuigt om zich een voor haar leven noodzakelijk +genot te verschaffen. + +Hoewel de Ringslang in gunstige jaren tegen het einde van Maart of in +het begin van April haar winterherberg verlaat en kort daarna voor het +eerst vervelt, paart zij zelden voor het einde van Mei of het begin +van Juni. Op het rijpen van de eieren schijnt de weersgesteldheid +niet zonder invloed te zijn; daar men versch gelegde eieren in +verschillende jaargetijden aantreft, de eerste in het einde van +Juli, de laatste in Augustus en September. Jonge wijfjes leggen +15 à 20, oudere 25 à 36 eieren. Deze komen in vorm en grootte met +die van de Huisduif overeen, maar verschillen er van, doordat zij, +evenals alle eieren van Reptiliën, een zachte, buigzame, dus weinig +kalkhoudende schaal hebben, die een geringe hoeveelheid eiwit bevat, +dat slechts een dunne laag vormt om den dooier. Aan de open lucht +drogen zij langzamerhand uit en vergaan; in het water bederven zij +evenzeer; beide verschijnselen komen voor tot groote schade voor de +vermenigvuldiging, die trouwens buitengewoon sterk zou zijn, indien +alle kiemen tot ontwikkeling kwamen. Gewoonlijk kiest het wijfje +met veel overleg de geschiktste plaatsen voor het bergen van hare +eieren: mestvaalten, hoopen bladen, run of zaagsel, losse aarde, +vermolmd hout, vochtig mos, enz.; op deze wijze zijn de eieren aan +de warmte blootgesteld en behouden toch geruimen tijd een matigen +graad van vochtigheid. Het eene ei volgt bij het leggen onmiddellijk +op het andere; alle eieren zijn bij wijze van een snoer kralen door +een geleiachtige massa verbonden. Zij hebben aanleiding gegeven tot +het sprookje van de "haneneieren", die volgens bijgeloovige lieden +tooverkracht bezitten. Drie weken na het leggen is de ontwikkeling van +de kiem afgeloopen; het jong boort een gat in de eischaal en begint +dadelijk de levenswijze van zijne ouders, tenzij een vroeg invallende +koude het dwingt om onverwijld beschutting te zoeken tegen het weder, +door zich te verschuilen in het voor winterherberg dienende gat. Bij +het verlaten van de eischaal zijn de jonge Ringslangen ongeveer 15 +cM. lang; hare tandjes zijn echter reeds voor 't grijpen geschikt, +zij zelf dus voor een zelfstandig leven voldoende uitgerust. Als de +weersgesteldheid haar vóór den aanvang van den winterslaap het jagen +en buitmaken van voedsel belet, worden zij door het vet, dat zij uit +den kiemtoestand overhielden, en door haar aangeboren levenstaaiheid +tot aan het volgende voorjaar voor den hongerdood behoed. De moeder +bekommert zich na het leggen der eieren in 't geheel niet meer om +haar kroost. + +Men kan de Ringslang gemakkelijk in gevangenschap houden, wijl zij +zonder bezwaar gebruik maakt van het voedsel, dat men haar biedt. Daar +zij hoogst zelden bijt, kan men haar gerust laten verzorgen door +kinderen, die van dieren houden. Mij zijn voorbeelden bekend van +Ringslangen, die drie of vier jaren in de gevangenschap leefden, +hoewel haar geen bijzondere behandeling ten deel viel. + + + +De Zuid-Europeesche Dambordslang (Tropidonotus tesselatus) komt in +grootte en vorm vrijwel overeen met de Ringslang; alleen de vorm +van den kop, de rangschikking der hierop voorkomende schilden en de +teekening verschillen. De meer of minder donkere, olijfkleurig grijze +grondkleur is op den kop nagenoeg onbevlekt; de bovenlipschilden +zijn echter geelachtig met zwarte randen. Op den romp ziet men vijf +overlangsche reeksen van zwarte, meestal vierhoekige, zelden afgeronde +vlekken, die als de velden van een dambord met elkander afwisselen. De +onderzijde heeft op witten, geelachtigen of oranjekleurigen grond +zwarte vlekken, die eveneens bij wijze van een dambord gerangschikt +zijn; soms heeft hier de lichte, soms de donkere kleur de overhand. Bij +een lengte van 1.2 M. bedraagt de middellijn van het dier 5 cM. + +De Dambordslang bewoont een groot deel van het gebied van haar +inheemsche verwant, maar blijft meer tot het zuiden en oosten van +ons werelddeel beperkt en dringt niet verder noordwaarts door dan +Middel-Europa, waar zij slechts op enkele plaatsen aangetroffen +wordt; over 't algemeen is zij niet veelvuldig. Met uitzondering +van de eilanden ontmoet men haar in geheel Italië; van hier strekt +haar verbreidingsgebied zich oostwaarts uit tot Klein-Azië, Syrië, +de Kaukasus-landen en de kuststreken van de Zwarte, Asowsche en +Kaspische zeeën. Zij houdt zich veel in en bij het water op; haar +voedsel bestaat uit Visschen en Salamanders. Gevangen exemplaren +worden spoedig tam en kunnen lang in 't leven blijven, als zij hun +liefste voedsel in voldoende hoeveelheid ontvangen. + + + +De Adderkleurige Zwemslang (Tropidonotus viperinus) heet zoo, +omdat op haar donkergrijze, geelachtig of bruin getinte huid een +duidelijk uitkomende, zwartbruine teekening voorkomt, welke dikwijls +een merkwaardige overeenkomst heeft met die van de Gewone Adder en +van de Aspis. De teekening begint met twee donkere, scheefhoekig +vierzijdige vlekken achter den kop, waarop een over den geheelen rug +voortloopenden zigzagband volgt, die zich op het laatste deel van +den staart in afzonderlijke vlekken verdeelt en hier snel in breedte +afneemt. Op elke zijde komt een reeks van ronde, donkere vlekken voor +met een kleine, witte of geelachtig witte stip in 't midden; deze +oogvlekken laten nagenoeg gelijke tusschenruimten over, maar vloeien +soms ineen en vormen dan figuren, die op een liggende 8 gelijken. De +onderzijde is geel, bij het midden van den buik donkergeel, verder +naar achteren wisselen zwarte, vierkante vlekken met roodachtig gele +vlekken van anderen vorm af; de onderkaak is witachtig geel. + +Deze soort vervangt de vorige in het westelijke deel van +Zuid-Europa. Zij wordt op Sicilië en Sardinië en in het noordwesten +van Italië gevonden, bovendien in enkele oorden van 't Zuiden van +Zwitserland, in de Fransche kuststreken van den Middellandsche Zee, +voorts in nagenoeg geheel Spanje en Portugal en op de Balearen. Vooral +in het noordwesten van Afrika komt zij veelvuldig voor. + +Deze Slangen maken slechts terloops jacht op Kikvorschen, maar voeden +zich hoofdzakelijk met Visschen, waaronder zij eene groote slachting +aanrichten. + + + +Door haar uitwendigen vorm en de gekielde schubben stemmen de +Keeltandslangen (Dasypeltis)--welker eigenaardige, bij geen ander +dier voorkomende slokdarmtanden reeds vroeger ter sprake kwamen--met +de Zwemslangen overeen; over haar plaats in 't stelsel heerscht +echter verschil van meening. Hare zwakke kaken zijn slechts aan het +achtereinde met een gering aantal (4) kleine tanden gewapend. Dit +geslacht wordt door slechts twee soorten vertegenwoordigd, waarvan de +eene (Dasypeltis abyssinica) West-Afrika, de andere--bij de Kapenaars +onder den naam van Eiervreter (Dasypeltis scabra) bekend--Zuid-Afrika +bewoont. + + + +Een tweede groep van Colubriden is met gegroefde tanden uitgerust. Bij +al hare leden zijn de achterste tanden van de bovenkaak grooter en +krachtiger dan de overige en aan hun voorste oppervlakte voorzien +met een diepe, gootvormige groeve. Alle mogen derhalve "verdacht" +genoemd worden; van verscheidene is reeds proefondervindelijk gebleken, +dat haar beet op de Gewervelde Dieren van alle klassen, die haar tot +buit dienen, in weinige minuten een doodelijke werking uitoefent. Deze +Groeftandigen (Opisthoglypha) kunnen over twee onderfamiliën verdeeld +worden: de Land-Groeftandigen (Dipsadinae) en de Water-Groeftandigen +(Homalopsinae). + + + +Een van de weinig talrijke, Europeesche soorten van Landgroeftandigen, +de Katslang (Tarbophis vivax), is de eenige vertegenwoordiger van een +gelijknamig geslacht. Haar romp is cilindervormig, de kop eenigszins +afgeplat en van achteren duidelijk begrensd, de staart betrekkelijk +kort. De kleine oogen hebben een spleetvormige pupil. Op vuil +bruinachtig gelen of grijzen grond is zij met uiterst kleine, zwarte +stipjes geteekend; op de kopschilden komen bovendien kastanjebruine, +op den rug reeksen van zwart- of roodbruine vlekken voor, beginnende +met een groote vlek van dezelfde kleur in den nek. Een donkere streep +strekt zich van het oog naar den mondhoek uit, een reeks van kleine +vlekken over iedere zijde van den romp; de onderdeelen zijn geelachtig +wit en bruin gemarmerd. De lengte van deze Slang bedraagt hoogstens +1.08 M. + +De Katslang is verbreid over verscheidene van de landen, die de +Middellandsche Zee omgeven. Men heeft haar aangetroffen in Istrië, +Dalmatië, Albanië, Turkije en Griekenland, maar ook in Egypte, +Palestina, Klein-Azië, de bergstreken aan de Zwarte Zee en verder tot +aan de Kaspische Zee. Rotswanden, met losse steenen bedekte hellingen, +zonnige glooiïngen en oude muren verschaffen haar verblijfplaatsen; zij +schuwt echter groote hitte zoowel als gevoelige koude en komt daarom +gedurende de heete maanden niet anders dan in de morgen- en avonduren +uit haar schuilhoek te voorschijn. Hare bewegingen zijn vlugger dan +die van de Adders, maar langzamer en trager dan die van de Gladtandige +Slangen. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit Hagedissen. Duméril vond +in de maag van een door hem ontlede Katslang een half verteerde Gekko. + +Wegens haar bijtlust wordt zij in de landen, waar zij voorkomt, +dikwijls voor een Adder gehouden, als zeer vergiftig beschouwd en zoo +ijverig vervolgd, dat zij tegenwoordig in Dalmatië reeds tamelijk +zeldzaam is geworden. Gevangen exemplaren gewennen zich schielijk +aan hun verzorger, maken zonder pruilen gebruik van het voedsel, +dat hun wordt aangeboden en blijven daarom bij doelmatige verzorging +verscheidene jaren leven. Hare bewegingen hebben veel overeenkomst met +die van de Gladde Slang. Zij is zeer ervaren in het klimmen en houdt +zich zoo stevig vast aan de takken, die zij eens omstrengeld heeft, +dat men haar niet losmaken kan, hoe zeer men haar ook plaagt en tot +toorn prikkelt. Haar buit doodt zij door zich er om heen te kronkelen, +geheel op dezelfde wijze als de Gladde Slang. + +O. E. Eiffe heeft de giftige werking van den beet van de Katslang +waargenomen bij een kleine Hagedis, die na verloop van 1 1/2 minuut +bezweek. Deze uitkomst kon echter slechts éénmaal verkregen worden, +daar andere proeven van dezen aard een negatief resultaat opleverden. + + + +Als vertegenwoordiger van de Nachtboomslangen of Takslangen (Dipsas) +kiezen wij de prachtig gekleurde en geteekende Dipsas dendrophila, +de Oelar-boerong der Maleiers. Bij de glinsterend zwarte grondkleur +steken 40 à 90 smalle, naar onderen breeder wordende, lichtgele, +ringvormige banden af; de lip- en keelschilden zijn eveneens geel, +maar hebben breede, zwarte randen; de buik is effen zwart of geel +gemarmerd. Volwassen exemplaren bereiken een lengte van 2 M., waarvan +ongeveer een vierde op den staart komt. + +De Oelar-boerong is een bewoner van alle Nederlandsch-Indische +eilanden, maar komt ook voor op het Maleische Schiereiland en +Singapore. Op Java ontmoet men haar in alle wouden (hoewel niet in +grooten getale) en zelfs in den plantentuin te Buitenzorg. Bijtlustig +als al hare verwanten, maakt zij zich bij de nadering van een +vijand onmiddellijk tot den aanval gereed, kronkelt zich, gelijk de +Gifslangen, tot een schijf ineen, beweegt trillend den staart heen en +weer, buigt den kop zoo ver mogelijk naar achteren, zwaait hem naar +links en naar rechts onder aanhoudend uitsteken en terugtrekken van +de tong, ontrolt eindelijk eensklaps het voorste deel van den romp, +doet in scheve richting een stoot naar voren, maar mist, door het +licht verblind, zeer dikwijls haar doel. Op Java vreest niemand haar, +daar ieder weet, dat haar beet niet gevaarlijk is; daarentegen wordt +een van hare verwanten voor uiterst vergiftig gehouden. + + + +De Holschubbigen (Coelopeltis) zijn Groeftandigen van gerekten, +krachtigen lichaamsbouw, welker rolronde romp bekleed is met schubben, +die ieder een overlangsche groeve vertoonen. De duidelijk begrensde, +groote en hooge kop is in de teugelstreek met een diepe groeve +voorzien; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil. + +De eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht is +de Hagedissenslang (Coelopeltis lacertina), die een lengte van +1.58 M. bereikt, waarvan 35 cM. op den staart komt. De olijfbruine +grondkleur van de bovendeelen zweemt bij jonge dieren min of meer naar +roodbruin; donkerbruine, geel gezoomde figuren van zeer verschillenden +vorm versieren den kop, kleine, langwerpige, zwartachtige vlekken met +gele randen de bovenzijde van den romp en den staart; de laatstbedoelde +vlekken vormen gewoonlijk vijf overlangsche reeksen en zijn op zulk +een wijze gerangschikt, dat iedere reeks met de naburige reeksen +afwisselt. Op de schubben van de beide buitenste, overlangsche reeksen +van iedere zijde vindt men bovendien een meer of minder groot aantal +witachtige of geelachtige vlekken; deze vereenigen zich soms tot een +onafgebroken golflijn; bij andere exemplaren is er slechts een smalle +zoom van over. De onderzijde van romp en staart is geelachtig wit of +bruinachtig geel. Bij deze soort komen vele kleurverscheidenheden voor. + +Alle kustlanden van de Middellandsche Zee benevens Portugal, Arabië +en Perzië worden door de Hagedissenslang bewoond. Erber vond haar +in geheel Dalmatië overal tamelijk veelvuldig. "In de vrije natuur, +waar zij onder struiken op Muizen, Hagedissen of Vogels loert, +zou men haar dikwijls niet opmerken, als zij haar aanwezigheid niet +door een krachtig gesis verried. In de nabijheid van Zara ving ik het +grootste dier van deze soort, dat eveneens door een hevig gesnuif mijn +aandacht had getrokken. Ik vervolgde het van den eenen struik naar +den anderen en kon het gelukkig nog bij den staart vatten, toen het +in een gat van den grond sloop. Beschadigen wilde ik de Slang niet; +haar onbeschadigd uit den grond trekken was niet mogelijk, daar zij +altijd naar beneden trok. Het ging ook niet aan, haar los te laten +en vervolgens uit te graven, daar dit in den steenachtigen bodem +geen gemakkelijk werk zou zijn geweest. Zoo bleef ik dan, de Slang +voortdurend stijf bij den staart trekkend en haar in onrust houdend, +twee volle uren zitten. Duim voor duim liet het dier zich terugtrekken, +totdat het zich eindelijk snel naar buiten kronkelde. Zijn eerste +werk was, onder hevig gesis mij in 't gelaat te springen, waartegen +ik mij natuurlijk verweerde; onmiddellijk daarna ledigde het zijn +maag, waaruit een sinds kort verzwolgen Wielewaal, vier Muizen en +twee Smaragdhagedissen te voorschijn kwamen; weinige uren na deze +vermoeiende bezigheid stierf het." + +Volgens Fischer bewoont de Hagedissenslang woeste, dorre streken en +voedt zich met kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren en zelfs +Sprinkhanen. Het gif van deze Slang doodt binnen 3 of 4 minuten +Hagedissen, Vogels en Vorschen; het werkt in de eerste plaats op +de ademhaling, daarna op de hartwerking en brengt ten slotte een +volslagen verlamming teweeg. Voor grootere dieren, Honden b.v., bleek +de beet niet gevaarlijk te zijn; de mensch heeft er nog minder last +van, omdat de werking van het gif zich eerst na verscheidene minuten +begint te openbaren; bovendien bijt de Slang slechts zelden. + + + +Boomslangen, welker achterste bovenkaakstanden gegroefd zijn, komen +in de warme landen van beide halfronden in voor hen geschikte oorden +zeer talrijk voor. Bijna alle worden door de inboorlingen voor zeer +vergiftig gehouden en daarom gevreesd en geschuwd; de ervaring en +een zorgvuldig onderzoek van haar gebit hebben echter bewezen, dat +haar beet den mensch volstrekt niet schaadt. Deze Slangen wekken +door haar schoone gedaante en bevallige bewegingen in hooge mate de +belangstelling van den onbevooroordeelden onderzoeker, ook van de +Siameezen, zooals blijkt uit den dichterlijken naam "Zonnestraal", +dien zij aan een dezer Slangen geven. + +De buit der Boomslangen schijnt uit zeer verschillende dieren te +bestaan. Zij eten Hazelmuizen, kleine Vogels, bij voorkeur echter +allerlei Hagedissen en Amphibiën, die met haar hetzelfde terrein +bewonen. + +Tot de Groeftandige Boomslangen behoort het in Zuid-Amerika levende, +maar ook in West-Indië en op Madagaskar vertegenwoordigde geslacht +der Groene Slangen (Philodryas); een der meest verbreide soorten is +de 82 cM. lange Groene Slang (Philodryas viridissimus), die in Guyana +en het tropische gedeelte van Brazilië overal gevonden wordt. Dit +dier heeft een middelmatig grooten, platten kop, een zijdelings +samengedrukten romp en een langen staart. Schitterend is het effen +groen van de bovenzijde, iets doffer dat van de onderdeelen. + +"In het midden van den zomer," schrijft Günther, "werden twee +Zuid-Amerikaansche Groene Slangen aan den Zoölogischen Tuin te Londen +te koop aangeboden. Hun levenswerkzaamheid was ondanks de destijds +zeer hooge temperatuur zeer gering; zij hielden zich zoo stijf, dat +men ze met eenigen schroom aanraakte om het slanke lichaam niet te +breken. In haar hok bewogen zij zich langzaam naar een hoek, hieven +hier het voorste deel van haar lichaam omhoog en bleven bewegingloos +in deze houding liggen. "Groene Slangen kan men niet in 't leven +houden", was het oordeel van den oppasser, die, naar het scheen, reeds +vele leden van verwante Indische soorten had verzorgd. De takken en +twijgen, waarmede hij steeds haar hok had voorzien, wilden zij niet +als rustplaats gebruiken. Daar het groene kleed van deze Slangen recht +gaf tot het vermoeden, dat zij zich alleen op levende en bebladerde +planten op haar gemak zouden gevoelen, werden twee flink ontwikkelde +hortensia's in haar hok geplaatst. Nauwelijks was dit geschied, +of een van de Slangen wendde haar kop naar de planten en scheen +achtereenvolgens iederen tak, ieder blad te onderzoeken. Plotseling, +zoodat men haar beweging nauwelijks met het oog kon volgen, schoot +zij op een van de heesters toe, kronkelde zich eenige malen door +de twijgen en rolde zich ten slotte ineen op een plaats, waar haar +lichaam bijna geheel op groene plantendeelen kon rusten. Dit alles was +zoo snel gebeurd, dat ik, naar de eene Slang kijkend, niet bemerkt +had, dat haar gezellin op dezelfde wijze in den anderen heester een +schuilplaats had gevonden; hoe klein de ruimte ook was, kon ik haar +eerst na eenig zoeken te midden van de bladen onderscheiden. Sedertdien +tijd verkeeren beide exemplaren in blakenden welstand; men heeft +ze nooit meer op den bodem gezien; slechts nu en dan steekt een der +Slangen het voorste deel van 't lichaam boven de plant uit en gelijkt +dan veel op een groenen, onbebladerden tak." + + + +Nog duidelijker zijn de Zweepslangen of Snuffelslangen (Dryophis) +voor het leven te midden van de boomen ingericht. De romp en de staart +zijn buiten verhouding lang en slank; de zeer lange en smalle kop +eindigt in een spitsen, niet zelden slurfvormig verlengden snuit; de +mondspleet strekt zich tot ver achter de oogen uit; deze zijn groot +en hebben een horizontale, spleetvormige pupil; de kleine neusgaten +zijn zijdelings geplaatst. Alle bekende soorten van dit geslacht +bewonen de keerkringsgewesten van Azië. + +De Zweepslangen dragen haar naam niet ten onrechte; zij kunnen +werkelijk het best vergeleken worden met het koord van een zweep, +zóó slank, zóó buitengewoon lang is haar romp. In verband met dezen +lichaamsbouw houden zij zich steeds te midden van de groene deelen +der boomen op en gevoelen zich nergens anders op haar plaats. Op den +bodem zijn hare bewegingen onbeholpen en langzaam, in de boomkroon +even bevallig als behendig. Zij maken jacht op Vogels, Hagedissen +en Boomvorschen, in haar jeugd ook op Insecten; haar vraatzucht en +bijtlust zijn buitengewoon groot; onverwachts schieten zij toe op +ieder wezen, dat in haar nabijheid komt en bijten in ieder voorwerp, +dat haar voorgehouden wordt; toch geeft men ze hier en daar als +speelgoed aan kinderen. + + + +De Donkere Zweepslang (Dryophis pulverulentus), die op Ceylon en op de +Anaimalai-bergen van Zuid-Indië op ongeveer 570 M. hoogte leeft, is op +bruingrijzen grond van boven en van onderen purperkleurig gemarmerd +en met donkerbruine stippels geteekend. Daar de huid tusschen de +schubben deels wit, deels zwart is, zal het dier, als het zich strekt, +met onderling afwisselende ringbanden van deze kleuren geteekend zijn; +een bruine teugelstreep reikt tot aan het oog. Van de totale lengte, +die 1.67 M. kan bedragen, komt twee vijfde op den staart. + + + +De Watergroeftandigen (Homalopsinae) verschillen van hare op het +land levende verwanten door de plaatsing der neusgaten, die naar +de bovenzijde van den snuit verschoven zijn, en door den vertikalen +stand van de spleetvormige pupil hare kleine oogen. Zij bewonen het +zuiden van China, Oost-Indië, de Molukken, Nieuw-Guinea en het noorden +van Australië en leven nagenoeg voortdurend in het water; slechts +nu en dan vindt men een enkel exemplaar op vlakke gedeelten van den +oever liggen. Verscheidene Indische soorten zwemmen de rivieren af +tot in zee en gedragen zich hier als echte Zeeslangen. Haar voedsel +bestaat uitsluitend uit Visschen en zwemmende Schaaldieren met zachte +huid. Deze volstrekt niet opvliegende of bijtlustige, kortom aanvallige +dieren zijn goedaardiger dan de meeste Colubriden en zouden tot sieraad +kunnen strekken voor onze aquariën, indien er kans bestond ze levend +over te brengen. Alle leden van deze onderfamilie brengen (evenals +alle overige in 't water levende Slangen) levende jongen ter wereld. + + + +Tot het geslacht der Waterslangen (Homalopsis) behoort de +Boa-waterslang (Homalopsis buccata), die door haar uiterlijk +eenigszins aan een Boa herinnert, maar slechts 1 M. lang wordt. De +rug is met kleine, gekielde schubben bekleed en prijkt met breede, +donkerbruine, zwart gezoomde dwarsbanden, die met smalle, lichtbruine +tusschenruimten afwisselen. De kop is van boven met hoekige figuren, +aan weerszijden met een donkerbruine overlangsche streep versierd; +aan weerskanten van de witachtige onderzijde van den romp komt een +overlangsche reeks van bruine vlekken voor; de onderzijde van den +staart is eveneens bruin gevlekt. Deze soort bewoont Achter-Indië, +het Maleische Schiereiland en de Groote Soenda-eilanden; zij is vooral +op Java veelvuldig, waar men haar Oelar-ajar noemt, evenals andere +in zoet water levende Slangen, onverschillig of zij tot het geslacht +Homalopsis of tot het geslacht Tropidonotus behooren. + + + +De Giftandigen (Proteroglypha) vormen de derde en laatste reeks van +de groote familie der Colubriden. Zij kenmerken zich door het bezit +van gegroefde tanden aan het voorste gedeelte van het bovenkaaksbeen; +bij sommige geslachten komen in dit been geen andere tanden voor dan +deze, bij de overige worden zij gevolgd door eenige kleinere, massieve, +ongevoorde tanden. Alle leden van deze groep, geen enkele uitgezonderd, +zijn vergiftig. Zij worden in twee onderfamiliën gerangschikt: de +Slangadders (Elapinae), die door haar lichaamsbouw voor het verblijf +op den grond of in boomen geschikt zijn, en de uitsluitend in zee +levende Zeeslangen (Hydrophiinae). + + + +De Slangadders (Elapinae), zoo genaamd, omdat zij door haar gestalte +op niet-vergiftige leden van haar familie gelijken, zijn kleinkoppige +Slangen met een korten, tamelijk spits eindigenden staart; haar +lange romp is op de dwarse doorsnede nagenoeg cirkelvormig of door +het uitpuilen van het midden van de rugzijde afgerond driehoekig. De +neusgaten zijn aan de zijden van den afgeronden snuit gelegen; de +teugelschilden ontbreken altijd; de kop is op regelmatige wijze met +groote schilden bekleed; overigens is de bedekking van het lichaam +zeer verschillend. + +Deze onderfamilie, die zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld +vertegenwoordigd is, ontwikkelt op het oostelijk halfrond de grootste +verscheidenheid van vormen. De talrijke Gifslangen van Australië +behooren alle tot deze groep. Gelukkig bewoont geen van hare leden ons +werelddeel. Zij omvat bijna de helft van alle Gifslangen en daaronder +verscheidene van de allergevaarlijkste. Op weinige uitzonderingen +na leven alle Slangadders op den grond; enkele zijn echter ook in +staat om boomen te bestijgen, hoewel zij dit, naar het schijnt, +niet dikwijls doen. Alle maken jacht op kleine gewervelde Dieren; +haar buit bestaat vooral uit onschadelijke Slangen, maar ook uit +Hagedissen. De grootste overvallen haar slachtoffer van uit een +hinderlaag, maar vervolgen het soms ook over een korten afstand, +wanneer zij het niet dadelijk kunnen grijpen; na den beet wachten +zij de uitwerking van het gif af. De kleinere Slangadders schijnen +haar prooi op te sporen, te vangen en eerst gedurende het verzwelgen +te vergiftigen. De mededeelingen over haar voortplanting zijn nog +zeer onvolledig; wat men er van weet, wettigt het vermoeden, dat de +ontwikkeling van de kiem na het leggen der eieren haar beslag krijgt. + + + +Hoewel men misschien mag aannemen, dat de Slangadders over 't +algemeen bij de niet-vergiftige leden harer familie in kleurenpracht +achterstaan, zijn er toch ook, die in dit opzicht naar den prijs kunnen +dingen. Het is zelfs niet onmogelijk, dat men de schoonheidsprijs aan +de Pronkadders (Elaps) zou moeten toekennen, al namen alle Reptiliën +aan den wedstrijd deel. + +Dit geslacht, waarvan de meeste soorten in de warmste gewesten +van Amerika thuis behooren en de weinige overige Afrika bewonen, +bestaat uit kleine, maar lang uitgerekte, eenigszins plompe Slangen +met rolronden romp, platten, van achteren niet zeer duidelijk +begrensden kop en korten staart. De mondopening is zeer klein en de +onderkaakshelften kunnen slechts weinig uiteenwijken. + +Aan het bovenkaaksbeen komen achter de groote tanden, die voor het +vergiftigen van de prooi dienen, geen massieve tanden voor. Over +de aanwezigheid van giftanden heeft langen tijd eenige twijfel +bestaan; daar bij sommige soorten geen gifkanaal of gifgroeve aan +den tand gevonden werd en bij andere soorten van hetzelfde geslacht +wel. Hoewel volgens de laatste onderzoekingen de Pronkadders niet +tot de gevaarlijkste Gifslangen gerekend moeten worden, is toch het +bewijs geleverd, dat het gif van deze dieren even krachtig werkt als +dat van andere, met gevoorde of doorboorde tanden uitgeruste Slangen +van gelijke grootte. + + + +Een van de prachtigste soorten is de Koraalroode Pronkadder (Elaps +corallinus), een Slang van 60 à 70 cM. lengte, waarvan ongeveer 10 +cM. op den staart komt. De schitterend vermiljoenroode grondkleur van +dit dier heeft een buitengewoon sterken, op den buik iets dofferen +glans. Aan den romp wordt zij op tamelijk regelmatige wijze afgebroken +door 16 à 19 zwarte, het geheele lichaam omgevende, ongeveer 10 à +14 mM. breede ringen, die nagenoeg gelijke tusschenruimten overlaten +en aan haar voor- en achterrand door een smallen, groenachtig witten +ring zeer zuiver gescheiden zijn van de rood gekleurde gedeelten. Alle +roode en groenachtig witte ringen zijn zwart gestippeld, daar iedere +schub hier een zwarte spits heeft. De voorste helft van den kop is +blauwachtig zwart; op de achterhoofdschilden begint een groenachtig +witte dwarsband, die zich achter het oog naar beneden ombuigt en de +geheele onderkaak kleurt; hierachter ligt een zwarte halsband. De +staart is gewoonlijk niet rood van kleur, maar vertoont op zwarten +grond ongeveer 8 witachtige ringen en heeft een korte, witte spits. Van +deze kleursverdeeling komen, naar het schijnt, weinig afwijkingen voor. + +De Koraalroode Pronkadder bewoont de groote wouden en +kreupelhoutbosschen bij Rio de Janeiro, Cabo Frio en aan den Parahyba; +zij komt echter evenzeer in West-Indië en Argentinië en veel verder +westwaarts in Ecuador, Bolivia en de laag gelegen gewesten van het +noordoosten van Peru voor. Op geheel opene plaatsen treft men haar +zeldzamer aan, hoewel zij soms ook hier en zelfs in de nabijheid +van woningen gevonden wordt. Het schijnt, dat zij in moerassen +niet voorkomt en boven alle andere terreinen de voorkeur geeft aan +zandgrond of aan den koelen, vochtigen bodem van wouden, waar planten, +rottende afgevallen bladen en dergelijke stoffen haar een schuilplaats +verschaffen. "De jager, die deze wouden doorkruist, welker bodem met +een dikke laag van plantaardige overblijfselen bedekt is, blijft," zegt +de Prins Von Wied, "verbaasd en verheugd staan, zoodra hij te midden +van het groen, de vuurroode ringen van deze fraaie Slang ontwaart; +alleen de onzekerheid over het gevaar, waaraan hij zich blootstelt, +doet hem aanvankelijk schroomen, zijn hand naar het fraaie dier uit +te strekken. Het bleek ons echter spoedig, dat men zonder gevaar +deze Slangen kan opnemen en levend in den zak vervoeren. Haar voedsel +bestaat uit kleine Gewervelde Dieren: de geringe wijdte van mond en +keel veroorlooft haar niet een grooteren buit te verzwelgen." + +"Vaak komt het voor, dat Brazilianen den vreemdeling op deze fraaie +Slang opmerkzaam maken, daar ook zij over den ongewonen gloed harer +kleuren verrukt zijn; evenals de meeste Slangen, wordt dit dier +door hen voor vergiftig gehouden; vele lieden meenen zelfs, dat het +een andere kleine Slang in den hals draagt, waardoor de beet wordt +toegebracht." De oorsprong van het laatstgenoemde verhaal is niet +moeielijk te raden: waarschijnlijk heeft men deze Slang dikwijls +waargenomen bij het verzwelgen van haar prooi, die uit Slangen, +Ring- en Woelhagedissen en andere kleine Reptiliën bestaat. Ook weet +men thans, dat de Brazilianen te recht de Koraalroode Pronkadder +vergiftig noemen. + +Volgens een mededeeling van Seba wordt een andere soort van +Pronkadder--de Schootslang of Meisjesslang (Elaps hygiae)--door +vrouwen en meisjes in Zuid-Afrika in het warme jaargetijde als +verkoelend middel gebruikt; zij wikkelen zich dit dier om den hals, +daar het niet bijt. Ook de Prins Von Wied schijnt iets dergelijks +gezien te hebben, daar hij opmerkt: "Als men deze fraaie Slang, nadat +zij gedood is, om den donkeren hals van een Neger of van een Indiaan +gewikkeld ziet, wordt men herinnerd aan de bonte, van vogelveeren +vervaardigde halssnoeren, die de bewoners van Hawaii droegen, toen +Kapitein Cook hen bezocht." + +Van de prachtige kleur dezer Slangen krijgt men geen juiste +voorstelling door het beschouwen van de exemplaren onzer musea. Als men +haar de huid aftrekt, verbleeken de fraaie, roode ringen zeer spoedig; +ook de in spiritus bewaarde exemplaren verliezen hun rood hoe langer +hoe meer en na verloop van eenige jaren geheel en al. Uit het feit +dat de vloeistof een lichtroode kleur aanneemt, schijnt te blijken, +dat de bedoelde huidkleurstoffen door den alcohol opgelost worden. + +Bij het Aziatische geslacht der Buikklieradders (Adeniophis) zijn de +gifklieren buitengewoon sterk ontwikkeld, aan weerszijden strekken +zij zich over een derde gedeelte van de lengte van den romp uit; +zij zijn dus in de lichaamsholte gelegen, waardoor de ligging der +overige ingewanden een belangrijke wijziging ondergaat. + +De meest bekende soort van dit geslacht, de Buikklieradder +(Adeniophis intestinalis), is 57 cM. lang en zeer bont van kleur; +zij komt in Birma, op het Maleische Schiereiland en op de eilanden +van den Oost-Indischen archipel, van Sumatra tot aan de Philippijnen, +veelvuldig voor. + + + +Boengaroem of Boengar noemen de Indiërs eenige groote en uiterst +gevaarlijke Gifslangen van hun vaderland. Deze naam, tot Bungarus +vervormd, dient in de wetenschap tot aanduiding van een 8 soorten +omvattend geslacht, welks leden Oost-Indië en Zuid-China bewonen +en de volgende eigenschappen met elkander gemeen hebben. De kleine, +eivormige kop is weinig breeder dan de hals en eindigt in een stompen +snuit, de romp is op de dwarse doorsnede cirkelvormig of afgerond +driehoekig, tot aan den staart nagenoeg gelijk van dikte; de staart +is betrekkelijk kort. De mondopening is klein, de onderkaak een +weinig korter dan de bovenkaak en met zwakkere tanden gewapend dan +deze. Achter de giftanden, die aan de bolle voorzijde een duidelijke +groeve vertoonen, maar in verhouding tot de grootte van het dier zeer +klein zijn, vindt men 1 à 3 kleine, massieve tanden. + + + +De Pama of Boengaroem-Pama der Indiërs, de Oelar-boelang der Javanen +(Bungarus fasciatus), de grootste soort van haar geslacht, bereikt +een lengte van 1.75 M.; de romp is op zwarten of blauwzwarten grond +geteekend met 25 à 35 gele ringen van ongeveer gelijke breedte, +die nagenoeg op gelijken afstand van elkander verwijderd zijn; de +blauwzwarte kop heeft een bruinen snuit; een vale streep begint op +het midden van het achterhoofdsschild en loopt aan weerszijden scheef +naar onderen en naar achteren, waardoor een halsband ontstaat. + +Een tweede soort, de Paragoeda of Pakta-poela (Bungarus caeruleus), +bereikt een lengte van hoogstens 1.29 M. Haar kleur en teekening zijn +zeer ongelijk. In den regel is de bovenzijde blauwzwart of donkerbruin +en met een meer of minder groot aantal witte dwarsbanden geteekend, +welker breedte meestal niet grooter is dan de lengte van een schub +van den rug; soms zijn zij door kleine, witte vlekken vervangen; +de onderzijde is wit. + +De Pama werd in geheel Voor-Indië, Assam, Birma, Siam, het zuiden +van China, op Sumatra en Java waargenomen; de Paragoeda schijnt +meer tot Voor-Indië beperkt te zijn en is reeds zeldzaam in Birma, +maar komt vooral in Bengalen en aan de kust van Malabar veelvuldig +voor. Beide soorten houden zich in droge streken op en maken hier +jacht op kleine Zoogdieren en Reptiliën, vooral op andere Slangen en +Hagedissen. Cantor zegt, dat zij, ondanks haar ronde pupil, zich over +dag dikwijls in hare schuilhoeken verbergen, den zonneschijn vermijden, +de schaduw opzoeken en zich op onvaste wijze bewegen; soms maken +zij zonder eenige aanleiding zeer onstuimige bewegingen. Sir Joseph +Fayrer daarentegen zegt uitdrukkelijk, dat zij dagdieren zijn. Zij +vluchten in den regel bij de nadering van een mensch, tenzij deze +haar tot toorn prikkelt; in dit geval kunnen zij even gevaarlijk +worden als iedere andere vergiftige Slang van gelijke grootte. Vóór +den aanval buigen zij, evenals de Adders, den kop ver achterover, +strekken daarna in scheeve richting den halven romp naar voren en +trachten haar vijand te bijten. De Indiërs beweren, dat de beet van +deze Slangen steeds den dood ten gevolge heeft en vreezen haar zeer; +wegens de kortheid van de giftanden is echter in dit geval de kans +op een gunstigen afloop iets grooter dan na den beet van een Brilslang. + +De gevaarlijkheid van den beet der Boengaren is door proefnemingen +duidelijk gebleken. Een Hoen, dat door een zeer afgematte Pama +gebeten werd, stierf onder stuiptrekkingen na verloop van 25 +minuten. Een groote, forsche Hond kreeg van een Paragoeda een beet +in de dij, schreeuwde luid op het oogenblik, dat hij gewond werd, +hoewel de wonde ternauwernood zichtbaar was, liep daarna echter rond, +schijnbaar zonder eenige last te ondervinden; 25 minuten na den beet +waren de beide achterpooten verlamd. Gedurende het tweede uur braakte +het gewonde dier herhaaldelijk en geraakte meer en meer in een staat +van verdooving; het viel overzijde, begon ongeregeld te ademen en +stierf voordat het uur om was. + +Hoevele van de talrijke gevallen van vergiftiging door slangenbeten, +die ieder jaar in Indië voorkomen op rekening van de Boengaren moeten +worden gesteld, is moeilijk uit te maken; waarschijnlijk tast men niet +mis door haar na de Brilslang de gevaarlijkste van alle vergiftige +Slangen van Oost-Indië te noemen. "Op Java," schrijft Schlegel, +"verschuilen zij zich in aardholen, of zelfs onder de gebouwen ter +wille van de Muizen en Ratten, die, aldaar huizende, haar tot een +gemakkelijken buit verstrekken. Dit heeft zelfs in het lage gedeelte +van Batavia plaats en daar zij ook wel eens onder de bedden kruipen, +zoo heeft men gevallen, dat menschen, daaronder tastende zonder te +zien, van zoodanige Slangen gebeten werden. Haar beet schijnt meestal +en wel in zeer korten tijd den dood ten gevolge te hebben." + + + +Toen de Portugeezen zich op Ceylon vestigden, maakten zij er kennis +met een zeer eigenaardige Slang, die door de inboorlingen Kover +Kapel werd genoemd, sanskritsche woorden, die "Koning der Slangen" +beteekenen. De bedoelde naam klonk ongeveer als Cobra de Capello of +"Slang met den hoed", bij verkorting Hoedslang, welke verbastering +meer algemeen in gebruik komend, den vroegeren naam van het dier in +vergetelheid heeft gebracht. Zij wordt ook gebezigd tot aanduiding van +verwante Slangen in Afrika. Hier had een nog zonderlinger vervorming +van den reeds verbasterden naam plaats; de Hollandsche kolonisten +in Zuid-Afrika noemden het dier naar den klank van de Portugeesche +woorden, waarmede zij het hoorden bestempelen, Koperkapel. Evenals de +Indische, waren de Afrikaansche "Hoedslangen" reeds sinds overouden +tijd bekend; meer bepaaldelijk had de in Noord- en Oost-Afrika levende +soort reeds bij de Oud-Egyptenaren grooten roem verworven.--De naam +Cobra de Capello is bovendien een zinspeling op een eigenaardigheid +van dit dier en van zijne verwanten. Het kan den hals schijfvormig +verbreeden door zijwaartsche beweging van de 8 voorste paren ribben, +die langer dan gewoonlijk en bijkans niet gekromd zijn. Dit geschiedt, +wanneer het voorste deel van het lichaam opgericht wordt; de kop is +dan steeds naar voren omgebogen, zoodat de Slang van achteren gezien +een groote, ronde hoed schijnt te dragen. Van voren beschouwd, maakt +de door ribben uitgespannen schijf veeleer den indruk van een schild; +uit dien hoofde zou de naam "Schildadder" het dier nog beter passen +dan de naam "Hoedslang". De wetenschappelijke geslachtsnaam van deze +dieren (Naja) is aan de volkstaal in Indië ontleend; op Ceylon worden +zij Negu (spreek uit: Neezjoe) genoemd. + +Stel u een Hoedslang voor, die, verschrikt en geprikkeld door het +zien van een vijand, van een mensch, soms langzaam, soms snel den +verstoorder van haar rust nadert. Het voorste derde gedeelte van +haar lichaam heeft zij opgericht, haar schild uitgebreid; in deze +fiere houding houdt zij zich tot den aanval of althans tot tegenweer +gereed. Het opgeheven lichaamsdeel blijft steeds rechtstandig; +daarachter is iedere spier in werking. Wie bij dit schouwspel bedenkt, +dat de beet van deze Slang even snel den dood veroorzaakt als die +van de Ratelslang of van de Lanskopslang, zal beseffen, waarom de +Naja te allen tijde de aandacht van den mensch getrokken heeft. + +De Cobra de Capello, ook wel eenvoudig Cobra (in Indië Tjinta-neezjoe) +genoemd (Naja tripudians), is 1.4 à 1.8 M. lang; de grondkleur van haar +kleed is rungeel en zweemt bij een bepaalde wijze van verlichting naar +aschgrauw; daar echter de tusschenruimten der schubben (en dikwijls +ook de hoeken van sommige dezer plaatjes) lichtgeel of wit zijn, is +de totale indruk van de kleur van het dier bleeker. In den nek hebben +lichtgeel of wit zoozeer de overhand, dat de donkerder gedeelten +er als vlekken uitzien; juist op deze plaats steekt een teekening, +die op een bril gelijkt, duidelijk tegen de lichtere omgeving af. Zij +wordt door twee zwarte lijnen gevormd, welke een veld omsluiten, dat, +met uitzondering van de zwarte vlekken of ringen, die de glazen van +den bril voorstellen, in den regel aanmerkelijk lichter is dan het +overige deel van den hoed- of schildvormig verbreeden hals. Aan deze +teekening dankt de Cobra den naam van Brilslang, waarmede gewoonlijk +ook de overige leden van het geheele geslacht Naja worden aangeduid, +al komt bij hen geen brilvormige teekening voor. De buikzijde van +de Cobra is vuilwit en op het voorste derde gedeelte van den romp +dikwijls met breede, zwarte dwarsbanden geteekend. Op grond van +vrij belangrijke kleurafwijkingen onderscheidt men een groot aantal +variëteiten, die ook bij de inboorlingen verschillende namen dragen. + +De Brilslang bewoont geheel Indië, het zuiden van China, Birma, +Siam, het Maleische Schiereiland, de Groote Soenda-eilanden (met +uitzondering van Celebes), de Andamanen en Ceylon; westwaarts strekt +haar verbreidingsgebied zich uit over Afghanistan, het noordoostelijke +deel van Perzië en de zuidelijke districten van Toerkmenië tot aan +de Kaspische Zee. In den Himalaja vindt men haar tot op een hoogte +van 2500 M. Evenals de meeste overige Slangen, schijnt zij zich niet +tot een bepaald terrein te bepalen, maar zich overal te vestigen, +waar zij een geschikte schuilplaats en een voldoende hoeveelheid +voedsel vindt. Hare liefste woningen zijn verlaten nestheuvels van +Termieten, oude muren, opeenhoopingen van steenen of hout, leemen +wanden, waarin gaten voorkomen en allerlei andere verhevenheden met +holen of overdekte tusschenruimten, die voor schuilhoeken kunnen +dienen. Tennent vestigt de aandacht op het feit, dat, behalve een +soort van Gladtandige Slang--de Rattenslang (Ptyas Blumenbachii)--, +zij het eenige lid van haar onderorde is, dat de nabuurschap van +menschelijke woningen niet vermijdt. Zij wordt hierheen gelokt door de +voor woonplaats geschikte riolen en misschien ook door hoop op buit, +daar Ratten, Muizen en kleine kuikens van haar gading zijn. Zoolang +niemand haar stoort, ligt zij gewoonlijk lui en traag voor den ingang +van haar schuilplaats, neemt hierin bij de komst van een mensch ten +spoedigste de wijk en gaat alleen, na in 't nauw gebracht te zijn, +haar aanvaller te lijf. + +"De zwartbruine Brilslang is," volgens Dr. S. Müller, "op de +Soenda-eilanden niet zeldzaam. De Soendaneezen op Java bestempelen +het jonge dier met den naam van Oraisindoek, d.i. Lepelslang, naar +den lepelvormig uitgezetten hals, het oude met dien van Orai-babi, +d. i. Varkenslang, naar de zwartblauwachtige kleur gelijk die van +een Chineesch Zwijn. De Maleiers in de Padangsche bovenlanden +van Sumatra kennen deze Brilslang vrij algemeen onder den haar +bijzonder kenmerkenden naam van Oelar-bieloedakh, d. i. Gifspuwende +Slang. Door de Bejadjoe Dajakkers op Borneo is ons voor haar de naam +Hantiepeh-poera, d. i. Dorpslang opgegeven, omdat men haar dikwerf +in bewoonde plaatsen en zelfs binnen de huizen aantreft. Zij kiest +bij voorkeur tuinen, velden en weilanden, de oevers van rivieren, +opene, met struiken begroeide vlakten en diergelijke tot verblijf; +gedurende den dag verbergt zij zich vaak in aardholen, onder oude, +omgevallen boomstammen en steenhoopen, in rotsholen, kelders enz., +somwijlen ook kruipt zij midden op den dag heen en weder, naar voedsel +zoekende. Wordt zij vervolgd, dan tracht zij zich met snelle sprongen +door de vlucht te redden, doch is weldra afgetobd. In dit geval richt +zij zich plotseling in schier rechtstandige houding op, waarbij haar +staart tot steunpunt dient, zet den hals breed uit, blikt met waterpas +gerichten kop op den haar bedreigenden vijand, naar wien zij onder een +vervaarlijk gesis en voorwaartsche bewegingen met het bovenlijf, een +speekselachtig schuim uitwerpt. Haar voedsel bestaat uit Kikvorschen, +kleine Hagedisachtige dieren, Muizen en Vogels." + +Alle onderzoekers noemen hare bewegingen langzaam; toch is zij +behendiger dan men gewoonlijk meent: zij kan niet slechts zwemmen, +maar ook tamelijk goed klimmen. Zoo doodde men aan boord van een +schip een Cobra, die er niet anders dan langs den ankerketting +heeft kunnen komen. Tennent bericht over een Brilslang, die gevonden +werd in de kroon van een palmboom, "aangelokt, naar men beweerde, +door het palmsap, dat juist afgetapt werd", waarschijnlijk echter, +omdat zij daarboven Vogels vangen of nesten plunderen wilde. Ook op +daken van huizen treft men haar niet zelden aan. + +De Cobra eet geen andere dan kleine dieren, naar het schijnt, vooral +Reptiliën en Amphibiën; Tennent althans zegt, dat zij jacht maakt +op Hagedissen, Vorschen en Padden; volgens Fayrer vangt zij ook +Visschen en Insecten. Dat zij voor jonge Hoenderen, Muizen en Ratten +gevaarlijk kan worden, werd reeds gezegd; volgens Fayrer plundert zij +ook vogelnesten en tracht vooral uit hoenderhokken en duiventillen +eieren te rooven. Zij bekommert zich niet veel om andere Slangen en +maakt dus waarschijnlijk geen jacht op deze dieren. Zij drinkt veel, +maar kan ook lang zonder nadeel dorst lijden, zooals gebleken is bij +gevangen exemplaren, die weken en zelfs maanden achtereen niets te +drinken kregen. + +Volgens Fayrer legt de Cobra hoogstens 18 witte, langwerpig eivormige +eieren met zachte schaal, zoo groot als die van onze Huisduif. Phipson +spreekt van 12 à 20 eieren. De Indiërs verhalen, dat men op plaatsen, +waar een Brilslang gevangen werd, na verloop van korten tijd ook een +tweede exemplaar van deze diersoort ziet verschijnen en schrijven dit +toe aan een zekere gehechtheid van het mannetje en het wijfje voor +elkander, aan een duurzamen band tusschen de leden van een paar. Iets +dergelijks berichten de schrijvers der oudheid van een verwante soort, +van de Uraeus-slang of Aspis. De Singaleezen beweren dat de jongen +vóór de eerste vervelling (die volgens hen op den 13en levensdag +plaats heeft) niet vergiftig zijn. + +De Brilslang, die ook thans nog door de Hindoes met heilig ontzag +wordt bejegend en waaraan een bijna goddelijke vereering ten deel valt, +speelt in hunne godsdienstige overleveringen een belangrijke rol. Zoo +wordt verhaald, dat eens, toen Boeddha bij een bezoek aan de aarde in +de middagzon lag te slapen, een Cobra met haar schild het goddelijk +aangezicht overschaduwde. Bij zijn ontwaken was de god hierover +zoo verheugd, dat hij de Slang een buitengewone genade beloofde; +hij vergat echter zijn belofte, zoodat de Slang zich genoodzaakt +zag hem er aan te herinneren in een tijd, toen de Wouwen een groote +slachting aanrichtten onder de leden van haar geslacht. Om de Cobra +te beveiligen schonk Boeddha haar den bril, waarvoor de Roofvogels +bang zijn. De wijze, waarop de Indische slangenbezweerders met de +Cobra omgaan, is wel geschikt om zelfs den ongeloovigen Europeaan +een hoog denkbeeld te geven van hun bekwaamheid; de kunst, die zij +vertoonen, berust op hun nauwkeurige bekendheid met den aard en +de gewoonten van de Slang. Verscheidene schrijvers hebben beweerd, +dat de Cobra, evenals haar Afrikaansche zuster, vooraf onschadelijk +wordt gemaakt door het uitbreken van de giftanden. Reeds door Davy +werd deze bewering ten stelligste tegengesproken; latere onderzoekers +scharen zich geheel aan zijn zijde. Het komt misschien wel eens voor, +dat de slangenbezweerders aan de dieren, waarmede zij hunne kunsten +verrichten, de doodelijke wapens ontnomen hebben, in den regel echter +zijn deze aanwezig en zou de Slang er dus gebruik van kunnen maken, +daar de wijze, waarop zij afgericht wordt, zeer zeker niet in staat +is om haar het bijten af te leeren. De kunstenmaker voorkomt dit +gevaar, dat hij dikwijls, doch niet altijd, op een dolkoene wijze +uitlokt, uitsluitend door zijn behendigheid en oplettendheid. Het +is trouwens geen zeldzaamheid, dat een van deze lieden door een +beet van een Brilslang het leven verliest. "De slangenbezweerder," +schrijft Davy, "prikkelt de Cobra door haar te slaan of door snelle, +dreigende bewegingen met de hand en kalmeert haar weder door zijn +stem, door met de hand langzaam kringen te beschrijven en door zachte, +streelende liefkoozingen. Als zij kwaad wordt, weet hij behendig haar +aanval te ontwijken, en wacht dan, tot zij weer bedaard genoeg is, +om met haar te spelen. Dan brengt hij den bek van het dier aan zijn +voorhoofd en strijkt zich er mede langs het gelaat. Het publiek meent, +dat de man werkelijk een toovermacht bezit, waardoor hij zonder gevaar +met de Slang kan omgaan; de ongeloovige toeschouwer steekt den draak +met deze meening en verdenkt den kunstenmaker van bedrog te plegen +met Brilslangen, die vooraf van de giftanden beroofd zijn: toch is +dit een dwaling en heeft het publiek gelijk. Ik heb zulke Slangen +onderzocht en gezien, dat hare tanden gaaf zijn. De slangenbezweerders +bezitten wel degelijk een toovermacht, al is het geen bovennatuurlijke, +n.l. zelfvertrouwen en moed. Zij kennen de gewoonten en de neigingen +van de Slang, weten, dat zij ongaarne haar doodelijk wapen gebruikt +en eerst na vele voorafgaande plagerijen zal bijten. Ieder, die even +omzichtig en vlug van beweging is als deze menschen, kan hun spel +nabootsen; ik heb het meer dan eens gedaan. Met elke Hoedslang kunnen +de slangenbezweerders hunne kunsten verrichten, om 't even of zij pas +gevangen werd of lang opgesloten is geweest; zij wagen het echter met +geen andere Vergiftige Slang". De waarheid van de mededeelingen van +Davy werd op Ceylon op een treurige wijze bevestigd door den dood van +een slangenbezweerder, die bij zijne voorstellingen met buitengewone +driestheid te werk ging; hij werd door een van zijne Slangen in de +borst gebeten en stierf nog op denzelfden dag. + +Een zeer aanschouwelijke beschrijving van de slangenbezwering gaf +Rondot: "Tegen 6 uur 's avonds komt een Indische slangenbezweerder +aan boord. Hij is armoedig gekleed, zijn tulband is tot onderscheiding +met drie pauweveeren getooid. In zijne zakken draagt hij halsbanden, +amuletten en dergelijke voorwerpen, in een plat korfje een Cobra de +Capello. Hij maakt op het voordek toebereidselen tot het geven van +een voorstelling; wij zetten ons op de banken van het achterdek neer, +de matrozen zijn in een kring geschaard. + +"Het korfje wordt neergezet en het deksel er af genomen. De +Slang ligt ineengekronkeld op den bodem. De kunstenmaker hurkt op +eenigen afstand van haar neer en begint op een soort van klarinet +een sleepend, droefgeestig, eentonig wijsje te spelen. De Slang +ontrolt zich gedeeltelijk, rekt zich uit en rijst omhoog. Zij +steunt als 't ware op den staart, die nog ineengekronkeld in het +korfje ligt. Na een poosje wordt zij eenigszins onrustig, maakt +bewegingen om, met de tong tastend, haar omgeving te onderzoeken, +ontplooit en verbreedt haar schild, geeft haar gramschap te kennen +door het voortbrengen van een meer snuivend dan sissend geluid, +door het versnellen van de tongbeweging en door zich herhaaldelijk +met kracht naar voren te krommen in de richting van haar meester, +alsof zij hem wil bijten, schiet intusschen dikwijls omhoog en +doet onbehouwen sprongen. Hoe meer zij haar schild beweegt, des te +breeder wordt het. De slangenbezweerder houdt de oogen voortdurend +op de Cobra gevestigd en kijkt haar buitengewoon strak aan. Nadat op +deze wijze ongeveer 10 of 12 minuten voorbijgegaan zijn, vermindert de +opgewondenheid van de Slang langzamerhand; eindelijk is zij tot bedaren +gekomen en wiegelt heen en weer, alsof zij onder den invloed komt van +de allengs verflauwende muziek van haar gebieder; de beweging van de +tong blijft echter nog altijd buitengewoon snel. Hoe langer hoe meer +schijnt de Cobra in een toestand van slaapdronkenheid en droomerigheid +te vervallen. Hare oogen, die aanvankelijk met onheilspellenden gloed +op den bezweerder waren gericht staren nu onbeweeglijk naar hem als +onder den indruk van een betoovering. De Hindoe, gebruik makend van +dezen toestand van wezenloosheid van de Slang, nadert haar langzaam, +zonder zijn spel te staken en drukt eerst den neus en dan de tong op +haar kop. Dit duurt niet langer dan één oogenblik; de Slang herkrijgt +onmiddellijk haar vroegere levendigheid en schiet met razende woede +op den bezweerder toe, die ternauwernood den tijd heeft om buiten +het bereik van het giftige dier te komen. + +"Nadat de man opgehouden heeft te spelen, komt een van de +scheepsofficieren bij hem met den wensch om ook te zien, hoe de Hindoe +zijne lippen op den geschubden kop van het dier drukt. De arme drommel +begint opnieuw zijn eentonig wijsje te spelen en vestigt zijn starenden +blik weder op de Cobra. Al zijn moeite is echter tevergeefs. De Slang +verkeert in een toestand van buitengewone opgewondenheid; niets is +in staat haar te kalmeeren. Zij wil zelfs de korf verlaten, zoodat +men genoodzaakt is er het deksel op te doen. + +"Het wil er niet bij ons in, dat de Cobra nog in het bezit is van +hare giftanden en dat er geen veinzerij schuilt achter de vrees, +die de Hindoe voor haar laat blijken. Wij verlangen daarom, dat +de man twee Hoenderen door het dier zal laten bijten en beloven +hem hiervoor een Spaanschen piaster. Een zwarte kip wordt de Slang +voorgehouden. Deze richt de helft van haar lichaam omhoog, bijt het +Hoen, na het een oogenblik aangestaard te hebben en trekt onmiddellijk +den kop terug. De losgelaten Vogel maakt van zijn vrijheid gebruik +door vol schrik de vlucht te nemen, braakt na verloop van 6 minuten, +strekt de pooten uit en sterft. Het tweede Hoen, dat tweemaal door +de Slang gebeten wordt, sterft na verloop van 8 minuten." + +Graaf Karl von Görtz geeft in zijn "Reis om de Wereld" een eenigszins +andere beschrijving van de bedoelde vertooning. De Cobra's, waarmede +hij de slangenbezweerders te Madras kunsten zag verrichten, lagen +eveneens in platte korven ineengerold; de hoofdman van de troep vatte +ze echter een voor een bij den kop en begon, nadat hij ze eerst vrij +op den grond neergelegd had, een oorverscheurende muziek te maken op +een wonderlijk soort van klarinet, die aan haar einde met een kleinen +pompoen voorzien was. De Slangen richtten den kop en den hals omhoog, +keken haar meester stijf in 't gelaat en breidden haar schild sterk +uit, maar gaven geen andere bewijzen van opgewondenheid. Toen de man +haar de vuist voor den kop hield, maakte deze een beweging als om te +bijten; de bek werd echter niet geopend, ook niet bij het vervangen +van de vuist door den top van den neus en het puntje van de tong. De +kunstenmaker trachtte de Slangen niet te betooveren door ze stijf +aan te kijken; daarentegen hield hij de hand dikwijls achteloos in +de nabijheid van de dieren, die hij eindelijk zelfs om zijn hals +wikkelde. Er was niets te bespeuren van een dansende beweging der +Slangen; deze toonden duidelijk, dat zij nog even boosaardig en +woedend waren als gewoonlijk, maar ook, dat zij den slangenbezweerder +vreesden. Het was gemakkelijk te raden, dat men ze afgericht had door +ze in harde of heete voorwerpen te laten bijten. "Hare giftanden +waren gebroken; ik heb mij hiervan persoonlijk overtuigd en de +slangenbezweerders erkenden het gewillig." + +"Op de Indische eilanden," zegt Dr. S. Müller, "wordt de Brilslang +volstrekt niet tot ten vermaak strekkende spelen (zoogenaamde dansen +enz.) gebruikt. De Slangen, waarmede de priesters op Java somwijlen +goochelkunsten, maar verschillend van die der Hindoe's, ten uitvoer +brengen, zijn doorgaans niet giftig. Het zijn gewoonlijk soorten van +de geslachten Python en Coluber." + +Behalve de slangenbezweerders houden zich ook de brahminen +met de vangst en de africhting van de Brilslang bezig. Volgens +de mededeelingen van Johnson onderzoeken de vangers op geschikte +plaatsen alle holen in den grond en beginnen te graven bij die met +een door het in- en uitkruipen van de Slang gladgeschuurden ingang, +daar zij weten, dat deze plaats gewoonlijk oneffen is, wanneer het +hol bewoond wordt door dieren, die pooten hebben. Het op deze wijze +ontdekte hol van de Slang wordt voorzichtig geopend, totdat men +het dier bereikt heeft; dit tracht men met de linkerhand bij den +staart te vatten, terwijl de rechter een verder naar voren gelegen +deel van het lichaam omspant. Men trekt nu de Slang met de linkerhand +zooveel mogelijk door de rechter, totdat deze den nek tusschen duim en +wijsvinger heeft. Johnson verzekert, dat hij op deze wijze ook in de +open lucht Slangen heeft zien vangen. Zij die zich met dit werk bezig +houden, gaan trouwens nooit alleen op de jacht en hebben altijd de +benoodigdheden bij zich om een slangenbeet te kunnen behandelen. Zoo +draagt een van hen gewoonlijk een vuurpot, bestemd voor het gloeiend +houden van een klein ijzeren voorwerp, zoo groot als een tand van +een gewone vork en van den vorm van een slangetand, waarmede men, +als aan iemand het ongeluk overkomt van gebeten te worden, dadelijk de +gewonde plaats uitbrandt, nadat men eerst het bloed er uitgedrukt en +uitgezogen heeft, terwijl men tevens door een band om het gekwetste +lichaamsdeel te leggen de verbreiding van het gif tegengaat. Anderen +bepalen zich tot het plaatsen van een zoogenaamden "slangensteen" op +de wonde. Inwendig gebruikt men dikwijls met goed gevolg een aftreksel +"gongea" genaamd, van wilde hennep of tabak en bezoargeest. + +Fayrer heeft gedurende drie opeenvolgende jaren een reeks van +onderzoekingen ingesteld, om de werking van het gif der Indische +Slangen en meer bepaaldelijk der Brilslang te leeren kennen. Als +proefdieren werden bij voorkeur Honden en Hoenderen, maar bovendien +Paarden, Runderen, Geiten, Zwijnen, Katten, Mungo's, Konijnen, Ratten, +Wouwen, Reigers, Hagedissen, onschadelijke en vergiftige Slangen, +Vorschen, Padden, Visschen en Slakken gebruikt. Het bleek, dat het gif +van de Brilslang op al deze dieren werkt en dat de werking buitengewoon +hevig en meestal ook merkwaardig snel is. Tegenmiddelen van den meest +verschillenden aard werden onderzocht; zij beantwoordden in 't geheel +niet of slechts in zeer geringe mate aan de verwachting. Het bleek, +dat beten, die een groot bloedvat treffen, onvoorwaardelijk den +dood ten gevolge hebben. Met volkomen zekerheid werd de onjuistheid +aangetoond van de meening, dat het slangengif alleen dan werkt, +wanneer het onmiddellijk in het bloed komt, maar dat het integendeel +ook door alle slijmvliezen opgenomen wordt en zelfs van uit de maag +in het bloed kan geraken. + +Bij menschen openbaren de gevolgen van den slangenbeet zich dikwijls +op een andere wijze dan bij dieren; terwijl b.v. de mensch in dit +geval zoo koud wordt als een lijk, heeft men bij Honden juist het +tegendeel, n.l. een koortsachtigen toestand, opgemerkt. Daar in Indië +betrekkelijk vele lieden door Brilslangen gebeten worden en hierdoor +meestal ook het leven verliezen, is men met het verloop der ziekte +bij vergiftigde menschen voldoende bekend. + +De inboorlingen van Indië, vooral de slangenvangers en bezweerders, +maken gebruik van vele geneesmiddelen bij slangenbeten. Een daarvan, +dat zeer sterk aanbevolen wordt, achten wij vermeldenswaardig, hoe +weinig baat men er ook bij zal vinden. Het is de "slangensteen," die +op Ceylon "pemboe keloe" wordt genoemd en welks gebruik de Singaleezen +waarschijnlijk overgenomen hebben van de slangenbezweerders, die van de +kust van Koromandel overkomen. "Meer dan één goed gestaafd geval van +genezing door dezen steen," zegt Tennent, "werd mij medegedeeld door +ooggetuigen. In Maart 1854 zag een mijner vrienden, terwijl hij met +een regeeringsbeambte in de buurt van Bintenne door den dsjungel reed, +een Tamil, die met een anderen persoon van den tegenovergestelden kant +kwam, plotseling in het woud springen en met een Cobra de Capello +terugkeeren, die hij met beide handen aan den kop en den staart +gegrepen had en vasthield. Hij riep zijn metgezel te hulp om de Slang +in een sluitkorfje te pakken, maar ging hierbij zoo onhandig te werk, +dat het dier hem in den vinger beet en dit lichaamsdeel eenigen tijd +met de tanden vasthield, alsof het niet in staat was den kop terug +te trekken. Het bloed vloeide uit de wonde en de gebetene scheen +onmiddellijk de hevigste pijn te lijden. Dadelijk opende de vriend +van den lijder zijn gordel en haalde er twee slangensteenen uit, +ieder ter grootte van een kleinen amandel, donkerzwart van kleur en +buitengewoon glad van oppervlakte; op iedere wonde werd een van deze +steenen gelegd; zij bleven er aan kleven en zogen al het bloed op, +dat uit de wonden vloeide; ongeveer 3 of 4 minuten bleven zij op hun +plaats, terwijl de metgezel van den lijder diens arm van den schouder +tot bij den vinger drukte en kneedde; eindelijk vielen zij vanzelf +af. Naar het scheen, was de pijn toen geweken. De patiënt bewoog +de hand, trok zich aan de vingers, totdat de gewrichten kraakten en +vervolgde zijn weg, zonder eenige bezorgdheid te toonen." + +Volgens Johnson is de bereiding van de slangensteenen een geheim van +de brahminen, die hieraan belangrijke inkomsten te danken hebben. Voor +onze scheikundigen is de samenstelling van dit geneesmiddel echter geen +geheim gebleven. Zij hebben aangetoond, dat het uit gebrande beenderen, +kalk en een verkoold hars bestaat, welke stoffen vele tusschenruimten +overlaten, die door capillaire werking vloeistoffen, en dus ook +bloed of gif, in zich kunnen opnemen. Dat zulk een voorwerp bij de +behandeling van slangenbeten een gunstigen invloed kan oefenen, valt +niet te betwijfelen; stellig is deze echter van geringere beteekenis +dan die van een laatkop; gevallen van genezing door slangenbeten zooals +het hierboven aangehaalde, kunnen derhalve slechts voorgekomen zijn +bij licht gewonde en zwak vergiftigde patiënten. + +Hoewel de berichten over het ontzettend groot aantal in Indië +voorkomende sterfgevallen door slangenbeten geen volkomen vertrouwen +verdienen, valt het niet te betwijfelen, dat ieder jaar vele menschen +door het gif van de Cobra het leven verliezen. Men zou kunnen meenen, +dat het bezit van zulk een gevaarlijk wapen het dier, dat er mede +uitgerust is, in vele gevallen vrijwaart tegen de aanvallen zijner +vijanden en hun aantal beperkt. Deze gevolgtrekking schijnt echter +onjuist te zijn. De Indiërs noemen een tamelijk groot aantal kleine +roovers uit de klasse der Zoogdieren op--waarvan de Mungo in de +eerste plaats vermelding verdient--, die, naar gezegd wordt, een +verdelgingsoorlog voeren tegen vergiftige Slangen. Bovendien wordt +bericht, dat men een belangrijke vermeerdering van het aantal Slangen +heeft opgemerkt in alle gewesten, waar veel jacht wordt gemaakt op +Pauwen en andere wilde Hoenderen en deze bijgevolg in talrijkheid +zeer afnemen. Hieruit zou dus blijken, dat deze groote en fiere +Vogels met de Brilslangen op dezelfde wijze handelen als onze tamme +Hoenderen met de Adders. Op Ceylon worden, naar men beweert, vele +Slangen verdelgd door Herten, die, met alle vier pooten te gelijk +opspringend, ze onder hunne hoeven verpletteren. + + + +Soortgelijke voorstellingen als door de Indische slangenbezweerders +gegeven worden, kan men op elken feestdag op de openbare pleinen +van Kairo zien. Doffe, maar ver hoorbare tonen, voortgebracht op een +grooten kinkhoren, vestigen de aandacht op een man, die voornemens +is aan de zonen en dochters van de "roemrijke hoofdstad en moeder +der wereld" een voor hen buitengewoon aantrekkelijk schouwspel te +verschaffen. Weldra heeft zich een kring gevormd om den "hauï" en de +vermakelijkheid neemt een aanvang. Een schunnig gekleede jongen speelt +de rol van hansworst, een Mantelbaviaan vertoont zijne kunsten en de +levensgezellin van den straatartist gaat rond om het kleine kopergeld +in te zamelen, dat het karige loon is voor hetgeen ten tooneele wordt +gevoerd. Het merkwaardigste nummer van het program moet nog worden +vertoond: het zal ieder overtuigen, dat de man, die door velen met +eenige vrees wordt beschouwd, werkelijk tooverkunsten machtig is. + +Bedrijvig loopen en springen de kunstenmaker, de hansworst en de +Aap rond: telkens moet nog het eene of andere voorwerp verschoven, +of aangebracht worden. Eindelijk neemt de "hauï" een van de lederen +zakken, waarin hij al zijne benoodigdheden bergt, werpt hem te midden +van den kring, opent de strik, die hem tot dusver gesloten hield, +neemt in plaats van den kinkhoren de "soemara", een instrument, dat +door muziekhatende demonen uitgevonden schijnt te zijn, en begint +een eentonig wijsje te spelen. Er komt leven en beweging in den zak; +deze komen al nader en nader bij de opening, ten slotte ziet men de +kleine eivormige kop van een Slang zich er boven verheffen. Op den +kop volgen de hals en het bovenlijf, die dezelfde houding aannemen +als zij bij de Brilslang hebben; vervolgens kronkelt het dier zijn +geheele lichaam uit den zak en begint dadelijk in een kring, die door +den bezweerder in zekeren zin omschreven wordt, zich langzaam op en +neer te bewegen; het kleine kopje wiegelt fier op den tot een schild +verbreeden hals, de fonkelende oogen volgen iedere beweging van den +man. Een algemeene ontzetting bevangt de toeschouwers, daar allen +weten, dat deze Slang de te recht gevreesde "Haje" is; bijna niemand +weet, dat de goochelaar zonder gevaar met de gramschap van dit dier +kan spotten, daar hij de voorzorg heeft genomen het van de giftanden +te berooven. Op soortgelijke wijze als wij dat van den dierentemmer in +het beestenspel gewoon zijn, laat de "hauï" de Slang in alle richtingen +draaien, om te toonen hoe tam zij is, vat haar bij den hals, spuwt haar +in 't aangezicht of bespat haar met water en drukt haar plotseling, +zonder dat de toeschouwer er iets van bespeurt, op een bepaald punt +in den nek. Op hetzelfde oogenblik strekt de Slang zich tot haar +volle lengte uit en wordt stijf als een stok. Door de drukking op +het ruggemerg in de nekstreek is zij in een toestand van verstijving +gebracht. Verklaarbaar wordt ons hierdoor het verhaal uit Exodus: +"En Aaron wierp zijn staf neder voor Pharao's aangezicht en voor het +aangezicht zijner knechten en hij werd tot een Slang. Pharao riep nu +ook de wijzen en de guichelaars, en de Egyptische toovenaars deden +ook alzoo met hunne bezweeringen. Want een iegelijk wierp zijnen staf +neder en zij werden tot Slangen". + +De hier bedoelde Slang was onder den naam van "Aspis" reeds bij de +Grieken en Romeinen beroemd; voor de oude Egyptenaars, die haar +"Oera" ("de rechtstandige") noemden, was zij het zinnebeeld van +waardigheid; haar beeltenis ziet men aan de tempels, in steen gehouwen +aan weerszijden van den wereldbol; een nabootsing van haar gestalte +was het versiersel, dat de koning als teeken van zijn hoogen rang +en oppermacht aan het voorhoofd droeg; van haar oud-Egyptischen naam +is de nieuwere aanduiding "Uraeus" afgeleid. Hoe het raadselachtige +Nijlvolk er eigenlijk toe gekomen is om haar zoo hoog boven alle andere +dieren te verheffen, moeten wij in 't midden laten: misschien heeft +de eigenaardige houding, die zij soms aanneemt, hiertoe aanleiding +gegeven, of de dienst, dien zij aan den landbouw bewijst door het +verdelgen van Ratten en Muizen, of anders de vreeselijke werking van +hare giftanden. Bijna iedere Romeinsche of Grieksche schrijver weet ons +iets van de Aspis mede te deelen, van hare gewoonten en levenswijze, +van de vereering, die haar ten deel viel, van het gebruik, dat van haar +werd gemaakt. Ieder van hen mengt trouwens in zijne berichten waarheden +en fabelen, persoonlijke herinneringen en verdichtselen dooreen. + +De Uraeusslang, Aspis, Haje of Egyptische Brilslang, die door de +kolonisten in Zuid-Afrika ook wel Spuwslang wordt genoemd (Naja +haje), is nog iets grooter dan haar Aziatische verwante, daar de +lengte van een volwassen exemplaar 2.25 M. kan bedragen. Van haar +kleur kan geen algemeen geldige beschrijving gegeven worden, evenmin +als van die der Brilslang. De meeste Aspiden, en meer bepaaldelijk +de Egyptische, zijn aan de bovenzijde effen stroogeel en hebben +lichtgele onderdeelen, hoewel hier in de halsstreek verscheidene +breede, donkerder dwarsbanden voorkomen, welke ieder zich over eenige +buikschilden uitstrekken. Er zijn echter tal van verscheidenheden: +de bovendeelen kunnen alle tusschen stroogeel en zwartbruin gelegen +nuances vertoonen, terwijl ook aan de onderdeelen zeer verschillende, +hoewel meestal iets lichtere kleuren waargenomen zijn. Enkele van +deze variëteiten heeft men wel als afzonderlijke soorten beschouwd; +de veranderlijkheid van de Uraeusslang is echter zoo groot, dat men, +volgens Günther, soms exemplaren ontmoet, welke men ternauwernood +van een Brilslang kan onderscheiden. Wanneer men alle Aspiden als +leden van één soort aanmerkt, omvat het verbreidingsgebied van +dit gevaarlijke dier geheel Afrika ten zuiden van den Atlas. In de +Nijllanden komt het op geschikte plaatsen zeer veelvuldig voor; in +Tunis en Zuid-Marokko ontmoet men het in kleinen getale, in geheel +Zuid-Afrika is het algemeen, aan de westkust ontbreekt het nergens; +in de binnenlanden hebben Livingstone en alle reizigers van den +nieuwsten tijd het herhaaldelijk waargenomen, of het als inheemsch +hooren aanduiden. De verblijfplaatsen van de Aspis zijn ongelijk. In +het boomlooze Egypte bewoont zij het bebouwde land en de woestijn; +zij zoekt tusschen puinhoopen en in rotsspleten een schuilplaats of +gebruikt het hol van een Renmuis of van een Springmuis tot woning; in +Soedan en in Zuid-Afrika houdt zij zich in het met struiken begroeide +land of in de steppe op, waar zij overal gelegenheid vindt om zich te +verbergen; in de gebergten (die zij volstrekt niet vermijdt) vindt zij +schuilplaatsen genoeg onder groote rotsblokken of zelfs in het dichte +struikgewas, dat hier den bodem bedekt. Zij is nergens zeldzaam, hoewel +men haar niet zoo dikwijls ontmoet, als men zou kunnen verwachten. + +De Egyptenaars vreezen de Haje zeer en dooden haar, waar hun dit +mogelijk is. Hoewel zij in den regel bij 't zien van een mensch ten +spoedigste vlucht, zal zij zich, wanneer iemand haar in 't nauw +brengt, onmiddellijk oprichten en te weer stellen; ook in andere +gevallen geeft zij zeer duidelijke bewijzen van prikkelbaarheid +en woede. Niet zelden bepaalt zij zich tot zelfverdediging; soms +echter gaat zij aanvallenderwijs te werk. "Een van mijne vrienden," +schrijft Anderson, "was bezig met het opzoeken van een zeldzame plant; +op eens schoot een Aspis op zijn hand toe. Hij had den tijd niet zich +om te draaien, maar liep achteruit zoo snel hij kon. De Slang volgde +hem echter op den voet en zou hem ingehaald hebben, indien de jacht +eenige seconden op deze wijze voortgeduurd had. In 't zelfde oogenblik +echter struikelde hij over een mierenhoop en viel ruggelings op den +grond. Terwijl hij lag, zag hij de Slang pijlsnel voorbijschieten." + +De Haje komt, naar 't schijnt, door de wijze waarop zij zich +beweegt, en haar geschiktheid hiervoor volkomen overeen met de +Brilslang. Behendig kruipt zij over den bodem, gaat dikwijls en uit +eigen beweging te water, zwemt zeer goed en klimt als haar verwante. + +De buit van de Aspis bestaat uit allerlei kleine dieren, vooral uit +Veld-, Ren- en Springmuizen, Vogels, die op den grond leven en hunne +jongen, Hagedissen, andere Slangen, Vorschen en Padden. Hoewel zij +over 't algemeen schadelijke dieren verslindt, kan de dienst, dien +zij hierdoor den mensch bewijst, bezwaarlijk van groote beteekenis +zijn, zoodat de ijverige vervolging, die zij tegenwoordig overal te +verduren heeft, volkomen gerechtvaardigd is. + +Iedere Egyptische kunstenmaker vangt zelf de Aspiden, die hij voor +zijne voorstellingen noodig heeft en doet dit op een zeer eenvoudige +wijze. Gewapend met een langen, stevigen stok van mimosa-hout, "naboet" +genaamd, begeeft hij zich naar het terrein, waar de gewenschte buit +zich ophoudt en doorzoekt alle schuilplaatsen, waarvan de Hajes +gebruik maken, totdat hij er een te zien krijgt. Aan het eene einde +van den stok is een handvol lompen vastgemaakt; dit einde houdt hij +de Slang voor, zoodra zij zich dreigend opricht en aanstalten maakt +om van de verdediging tot den aanval over te gaan. Woedend bijt zij +in de lompen, dadelijk trekt de jager met een vlugge beweging den +stok terug om het dier de tanden uit te breken. Nooit echter bepaalt +hij zich tot één dergelijke poging, maar fopt en plaagt de Slang zoo +dikwijls, totdat zij vele malen gebeten heeft, hare giftanden stellig +kwijt geraakt en tevens geheel uitgeput is. Nu drukt hij haar kop met +den stok stijf tegen den grond, komt voorzichtig nader, pakt haar bij +den hals, drukt op de hem bekende plaats van den nek (waardoor zij in +een soort van stijfkramp vervalt) en onderzoekt haar bek om te zien, +of werkelijk de giftanden afgebroken zijn. + +Over het leven van de Haje in de gevangenschap heeft Günther uitvoerige +en belangwekkende berichten gegeven, op grond van waarnemingen +door hem gedaan in den Londenschen dierentuin. "De beide prachtige +exemplaren van de zwarte variëteit van de Uraeusslang moeten, daar +zij levendig van aard en groot zijn, een vrij ruim hok bewonen. Men +heeft de glazen wanden tot op een derde van de hoogte met olieverf +ondoorzichtig gemaakt, zoowel om de Slangen, die anders wegens haar +prikkelbaarheid voortdurend in een toestand van opgewondenheid zouden +verkeeren, meer rust te verschaffen, als om haar, wanneer zij onrustig +worden, eerder te nopen zich op te richten en over het donkere deel +van het glas heen te kijken. Zij doen dit nu altijd bij de geringste +aanleiding. Wanneer zij bij zulk een gelegenheid of bij de voedering +te dicht bij elkander komen, is een gevecht onvermijdelijk: het +lichaam wordt dan hoog opgericht, de hals zoover mogelijk uitgebreid; +ieder tracht hooger te zijn dan de tegenpartij, intusschen doen +zij voortdurend haar best elkander te bijten. Verwondingen komen +opmerkelijkerwijze bij een dergelijken twist niet voor; toen echter +eenigen tijd geleden een derde exemplaar in hetzelfde hok werd +gebracht, had er een strijd plaats, waarbij de nieuweling gebeten +moet zijn, daar deze den volgenden morgen dood gevonden werd. De +dieren, die men in het hok van deze Slangen brengt, worden door +haar gedood, zelfs wanneer zij er niets van eten. De bijtbeweging +geschiedt buitengewoon snel; hoewel men de Slang met het dier in +aanraking zag komen, zou men toch kunnen meenen, dat het niet gebeten +werd, totdat men het eenige weinige seconden later na kortstondige +stuiptrekkingen ziet bezwijken. De bek wordt bij 't bijten slechts +zeer weinig geopend; de wonde is eerder een schram dan een steek. De +Hajes gaan dikwijls en gedurende geruimen tijd in 't water liggen; +'s winters kruipen zij echter geheel onder het tapijt van haar hok." + + + +Tot de Hoedslangen behoort ook nog de Zuid-Aziatische (ook op de +Soenda-eilanden voorkomende) Reuzenhoedslang (Naja bungarus), +het vreeselijkste, althans het grootste lid van haar geslacht, +die de voor een Gifslang buitengewoon groote lengte van 3.38 à +4.26 M. bereikt. Het voor verbreeding geschikte deel van den hals +is bij haar naar verhouding kleiner dan bij de overige Hoedslangen; +de kleur varieert zeer; de bovendeelen zijn in den regel olijfgroen, +de onderdeelen bleekgroen. + +Het voedsel van de Reuzenhoedslang schijnt hoofdzakelijk uit andere +Slangen te bestaan. De jacht, die zij op Slangen maakt, heeft +aanleiding gegeven tot de in sommige streken van Indië verbreide +meening, dat haar door haarsgelijken koninklijke eer wordt bewezen. + +De gevangen exemplaren, die Fayrer van slangenbezweerders kreeg, +misten hare giftanden en hadden daarom haar levendigen aard geheel +verloren; zij hadden zich, naar 't scheen, geschikt naar den wil +van haar gebieder en gedroegen zich geheel op dezelfde wijze als de +Brilslangen, waarmede de straatkunstenaar speelt. + +Het gif van dit dier werkt zeer krachtig. Een Hond sterft ongeveer +14 minuten na gebeten te zijn, een mensch soms na 3 minuten. De +Reuzenhoedslang verdraagt de gevangenschap goed; een groot exemplaar +van deze soort heeft in den Londenschen dierentuin 12 jaar en 7 +maanden geleefd en werd gedurende dezen tijd bijna uitsluitend met +Engelsche Slangen gevoederd. + + + +Een van de gevaarlijkste Slangen van Australië is de beruchte +Zwarte Adder (Pseudechis porphyriacus), van het geslacht der +Schijnadders. Haar lengte bedraagt 1.6 à 2.5 M. De bovendeelen zijn +prachtig glanzig zwart of donker olijfbruin, de onderdeelen niet +minder fraai lichtrood, de zijden helder karmijnrood. Het wijfje +wordt wegens haar kleur Bruine Slang of Bruine Adder genoemd. + +Volgens het eenstemmig getuigenis van alle deskundigen is er +geen werelddeel en zelfs geen land, dat naar verhouding zoovele +vergiftige Slangen voortbrengt als Australië. Minstens twee derde +van alle Slangen, die men tot dusver in de verschillende gedeelten +van dit vasteland gevonden heeft, zijn vergiftig; verscheidene van +deze behooren tot de gevaarlijkste leden van de geheele groep. "Waar +men zich ook bevindt", verzekert "the Old Bushman", "in het dichte +woud of op met struikgewas begroeide terreinen, in open steppen of +in broeklanden, aan de oevers van rivieren, plassen of waterkuilen, +overal kan men zeker zijn van een ontmoeting met de fel gehate vijandin +van den mensch, met de Zwarte Adder. Zij dringt tot in de tent of de +hut van den jager door en ligt ineengekronkeld onder zijn beddelaken: +nergens is men veilig tegen haar; men moet zich er over verwonderen, +dat zij niet veel meer menschen doet sneven, dan in werkelijkheid +door haar het leven verliezen." Volgens de berichten van denzelfden +opmerker, vallen alle Slangen van Zuid-Australië in winterslaap: +zij verdwijnen tegen het einde van Maart en komen in September weer +te voorschijn. De Zwarte Adder schijnt meer verbreid en veelvuldiger +te zijn, dan een der overige soorten; zij wordt althans vaker gezien; +hier draagt ook veel toe bij, dat zij over dag werkzaam is. Door de +veelzijdige ontwikkeling van haar bewegingsvermogen munt zij boven +de overige Australische Gifslangen uit; zelfs verlaat zij, naar men +bericht, niet al te zelden den vasten bodem en vervolgt klimmend of +zwemmend haar weg. + +Daar de Vergiftige Slangen van Australië veel schade aanrichten +en menig ongeluk veroorzaken, worden zij algemeen gevreesd en +fel vervolgd. Vele van de Runderen en Schapen, die men des zomers +stervend of dood in de vlakte ziet liggen, zijn waarschijnlijk door +slangenbeten om 't leven gekomen, hoewel zij, de Schapen althans, +deze gevaarlijke schepsels dooden, door er met de vier pooten te +gelijk op te springen en ze zóó te verpletteren. De inboorlingen +zijn zeer bevreesd voor alle Slangen; maar worden zelden gebeten, +omdat zij onderweg steeds de grootst mogelijke voorzichtigheid in +acht nemen en hunne adelaarsoogen alles opmerken, wat zich voor hen +bevindt, om 't even of het zich beweegt of niet. Door de langdurige +gewoonte in hooge mate omzichtig geworden, loopen zij nooit door +een geul of stappen nooit in een kuil, die zij niet geheel overzien +kunnen. Zij eten de Slangen, die zij eigenhandig gedood hebben, nooit +echter die, welke in haar doodsstrijd zich zelf een beet toebrachten, +zooals dikwijls schijnt voor te komen. + +In den regel vlucht de Zwarte Adder ten spoedigste, zoodra zij een +mensch hoort of ziet; in 't nauw gebracht of vertoornd door een +vervolging, valt zij dapper op haar belager aan; wegens de wijze +waarop zij dit doet, noemen de kolonisten haar "Springslang". + +De zwarte oorspronkelijke bewoners van Australië beweren, dat de +beet van deze Slang zelden doodelijk is voor den mensch; ook Bennett +heeft eenige gevallen hooren noemen van menschen, die, na door +haar gebeten te zijn, genazen, zonder eenig geneesmiddel te hebben +gebruikt. Bedenkelijke gevolgen heeft zulk een beet altijd. Volgens +genoemden onderzoeker, "ging een kolonist aan de Clarence-rivier, toen +hij vernam, dat een Zwarte Adder zich in zijn huis bevond, met een stok +gewapend op het dier af om het te dooden; hij was echter niet handig +genoeg en werd aan den voet gebeten. De eerste gevolgen van den beet +waren een opmerkelijke versuffing en neiging tot slapen. De gewonde +gebruikte in- en uitwendig ammonia, insnijdingen werden gemaakt in +het gekwetste lichaamsdeel en boven de wonde werd een stevig verband +aangebracht; men liet den zieke heen en weer loopen, hoewel hij een +zeer groot verlangen om te slapen te kennen gaf en ook in andere +opzichten zich gedroeg, alsof hij met opium vergiftigd was. Uren lang +hield deze toestand aan; langzamerhand kwam er verbetering in." Op +soortgelijke wijze behandelen de zwarten een gebeten persoon. Uit de +dus verkregen genezingen mag men niet afleiden, dat het gif van deze +Slangen geen krachtige werking uitoefent, maar wel, dat niet zelden +de hoeveelheid gif onvoldoende is om den dood te veroorzaken. + +Volgens de meening van jagers en inboorlingen neemt de Reuzen-ijsvogel +de voornaamste plaats in onder de natuurlijke vijanden van de +Zwarte Adder; bovendien wordt hiertoe gerekend een groote Hagedis, +waarschijnlijk een Warane. + +Veel doeltreffender dan de werkzaamheid dezer vijanden is het vuur; +ieder jaar wordt het verdorde gras van de weidegronden in brand +gestoken om de vruchtbaarheid van den bodem te verhoogen door de +overblijvende asch: duizenden Vergiftige Slangen en andere schadelijke +dieren worden dan door het vuur gedood. Het is te verwachten, dat +het aantal Slangen verminderen zal, naarmate de bevolking toeneemt +en het land meer geregeld bebouwd wordt. + + + +De tweede onderfamilie van de Giftandigen omvat de Zeeslangen +(Hydrophiinae). Zoo moeielijk het is de andere afdeelingen van +de onderorde der Slangen te begrenzen, zoo gemakkelijk kan men de +Zeeslangen herkennen en van alle overige onderscheiden: door haar +roeistaart kenmerken zij zich zoo duidelijk, dat zij onmogelijk +met andere verward kunnen worden. Bij oppervlakkige beschouwing +gelijken zij meer op Aalachtige Visschen, dan op Slangen. Haar kop is +betrekkelijk klein, het voorste deel van den romp bijna rolvormig, +het overige gewoonlijk zijdelings samengedrukt; de zeer korte, +van weerszijden buitengewoon sterk samengedrukte staart kan met een +loodrecht geplaatste roeiriem vergeleken worden. De neusgaten zijn +aan de bovenzijde van den snuit gelegen in groote neusschilden; de +kleine oogen hebben een ronde pupil. De kop is altijd met groote, +onregelmatige schilden, de romp met kleine schubben bekleed, die +elkander dakpansgewijs bedekken of met randen aaneengevoegd zijn en +zich aan de onderzijde slechts bij uitzondering in een smalle reeks +van buikschilden vervormen. Het gebit van de bovenkaak bestaat uit +korte, gegroefde giftanden, waarachter nog een aantal kleinere tandjes +voorkomen, de onderkaak is over haar geheele lengte met massieve +grijptanden gewapend. + +Met het fabelachtige monster, dat niet in de zee, maar af en +toe in de verbeelding van de zeelieden spookt en vervolgens ook +in de nieuwsbladen de ronde doet, hebben de Zeeslangen van de +wetenschap niets gemeen. Geen enkele van de 50 soorten, die men heeft +onderscheiden, bereikt een lengte van 3.5 M.; die, welke meer dan 1 +M. lang zijn, behooren reeds tot de zeer zeldzame uitzonderingen. + +Met den opmerkelijken lichaamsbouw van deze Slangen staan haar +verblijfplaats en levenswijze in verband, zoodat deze onderfamilie in +alle opzichten een goed gesloten geheel vormt. Alle Zeeslangen leven, +zooals haar naam aanduidt, uitsluitend in de zee, komen (behoudens +enkele uitzonderingen) nooit op het land en zwemmen evenmin uit +eigen beweging de rivieren op. Alle brengen hare jongen levend +ter wereld. Zij bewonen den Indischen Oceaan en de Stille Zuidzee, +van de Kaap de Goede Hoop en de kusten van Madagaskar tot aan de +landlengte van Panama en van Nieuw-Zeeland tot Japan, vooral echter +die gedeelten van den Oceaan, welke tusschen de kust van Zuid-China +en die van Noord-Australië gelegen zijn. Naar het schijnt, komen zij +in aard, zeden en gewoonten onderling overeen. + + + +Bij de Platstaarten (Platurus) is de romp bijna rolvormig, op den +rug dakvormig; haar schubben- en schildenkleed gelijkt op dat van de +andere Slangen. + + + +Van de drie bekende soorten van dit geslacht komt de Geringde +Platstaart (Platurus laticaudatus) het veelvuldigst voor en is het +meest bekend. Haar lengte kan 1 M. bedragen. De grondkleur van de +bovenzijde is meer of minder helder blauwachtig of groenachtig zwart, +die van de onderzijde wisselt af van geelachtig tot guttegomgeel; +25 à 50 zwarte ringen omgeven het geheele lichaam; een zwarte vlek +op de kruin is aan weerszijden door een overlangschen band verbonden +met dwarse vlekken op den achterkop en den nek. + +Volgens Cantor wordt deze soort in de Golf van Bengalen bij de kust +van Pondichery, in de buurt van de Nikobaren, Andamanen en Molukken, +van Timor, Celebes, Nieuw-Guinea en Zuid-China aangetroffen. Het +schijnt, dat zij niet uitsluitend de zee bewoont, daar men verscheidene +exemplaren op de kust gevonden heeft. + + + +Bij de Pelamiden (Hydrus) is de kop plat, de snuit zeer lang, de hals +dik, de romp kort, sterk zijdelings samengedrukt, van boven stomp en +van onderen scherp en kort. + + + +De Tweekleurige Zeeslang of Plaatjesslang (Hydrus bicolor), is van +boven donker bruinzwart, aan de onderzijde licht geelbruin, okergeel of +citroengeel; beide kleuren zijn scherp van elkander gescheiden, behalve +aan het staartgedeelte, waar zij banden of vlekken vormen. Zelden +wordt het dier meer dan 85 cM. lang. + +Ook de Plaatjesslang is een van de algemeenste en meest bekende soorten +van haar onderfamilie, daar haar verbreidingsgebied zich uitstrekt +over den Indischen Oceaan en het tusschen de keerkringen gelegen deel +van de Stille Zuidzee. Zij komt veelvuldig voor in de nabijheid van de +kusten van Bengalen, Malabar, Sumatra, Java, Celebes en Zuid-China, +voorts in de Perzische Golf en aan de westkust van Midden-Amerika; +men heeft haar echter ook in de buurt van Japan, van Madagaskar en +zelfs van de Kaap de Goede Hoop waargenomen. + + + +Bij de Roeistaartslangen (Distira) is de kop klein en langwerpig, de +romp lang, van voren dun en rond, van achteren dik en samengedrukt, +de staart breed. Het schubbenkleed is bij de verschillende soorten +ongelijk; de schubben aan het voorste derde deel van den romp zijn +altijd echter dakpansgewijs gerangschikt. + + + +Vermelding verdient de Gestreepte Roeistaartslang (Distira +cyanocincta), daar ook zij een van de veelvuldigst voorkomende +Zeeslangen is. Zij kan 1.75 M. lang worden. De grondkleur van de +bovenzijde is olijfgroen; de onderdeelen zijn groenachtig geel. De +teekening bestaat uit 50 à 75 zwarte dwarsbanden, die zeer verschillend +kunnen zijn: de jongen hebben ringen, die dikwijls op het midden van +den buik ineenvloeien, maar, naarmate het dier ouder wordt, hoe langer +hoe meer van de buikzijde terugwijken en hier verflauwen of zich in +vlekken verdeelen, in den regel echter ten slotte tot de rughelft +beperkt blijven en op het midden van den romp het breedst zijn. + +Het verbreidingsgebied van deze soort reikt van de Perzische Golf +tot aan de Japansche Zee. + + + +Ervaren zeelieden, die den Indischen Oceaan herhaaldelijk doorkruist +hebben en steeds nauwkeurig acht gaven op de hier voorkomende +verschijnselen, beschouwen de aanwezigheid van Zeeslangen als een +kenteeken van de nabijheid van het land, daar deze dieren zich slechts +bij uitzondering ver van de kust verwijderen. Het liefst houden zij +zich op in de breede zeearmen tusschen de eilanden. Waarschijnlijk +trekt het betrekkelijk stille en niet al te diepe water, dat zij +hier vinden, haar zeer aan; de belangrijkste reden voor haar voorkeur +zal echter wel zijn, dat de dieren, die zij tot voedsel gebruiken in +deze gedeelten der zee in overvloed voorkomen. Wel is waar heeft men +ze soms in volle zee aangetroffen, maar dan steeds als afgedwaald +beschouwd. In het jaar 1837 werden de kolonisten van Nieuw-Zeeland +op hoogst onaangename wijze verrast door de ontdekking, dat zich +in de nabijheid van hunne eilanden een groot aantal Zeeslangen +ophielden. Gelukkig bleek de vrees, die door de verschijning van +deze vergiftige dieren opgewekt werd, ongegrond: de vreemde gasten +verdwenen spoedig weer; misschien zijn zij teruggekeerd naar de +plaatsen vanwaar zij kwamen, misschien in den vreemde omgekomen. Een +dergelijk verschijnsel werd, naar men zegt, ook in de nabijheid +van Panama en bij Kaapstad waargenomen. Voor zoover bekend, is tot +dusver nog nooit een dergelijke Slang naar den Atlantischen Oceaan +afgedwaald. Soms komt het voor, dat deze dieren door den vloed tot in +de kustrivieren worden gevoerd; ook hier neemt men ze echter altijd +slechts gedurende korten tijd waar, daar zij in zoet water niet kunnen +leven. Gevangen Zeeslangen sterven na 2 of 3, of hoogstens 10 dagen, +zelfs wanneer men ze in zeewater houdt. Ook uit andere waarnemingen +blijkt, dat deze Slangen in niet mindere mate zeedieren zijn dan de +Cetaceeën en de Oceaanvogels; buiten de zee kunnen zij niet bestaan. + +Over haar levenswijze zijn, gelijk licht te begrijpen is, de +mededeelingen verre van volledig. In tegenstelling met hare verwanten +uit andere familiën ziet men de Zeeslangen gewoonlijk in grooten +getale bijeen, soms in troepen, die over een zekere uitgestrektheid +het water letterlijk vullen. Zij zwemmen hier met den kop boven water +en doen dit op soortgelijke wijze als andere Slangen; hoewel deze, +althans voorzoover zij slechts tijdelijk in 't water verblijf houden, +verre bij haar achterstaan, wat lichtheid, vlugheid en bevalligheid +van beweging betreft. Bij stil weder liggen zij schijnbaar slapend, +niet zorgeloos, maar toch ook niet schuw aan de oppervlakte. Soms laten +zij zich door een tusschen haar doorzeilend schip nauwelijks storen, +terwijl een andere maal het geringste gedruisch, dat haar verdacht +voorkomt, de nadering van een boot b.v., tot een algemeene vlucht +aanleiding geeft: terwijl zij naar de diepte duiken, ledigen zij de +longen; een aantal achtereenvolgens naar boven stijgende luchtbellen +is dan het eenige, waaruit haar aanwezigheid blijkt. Dat zij tot +aanzienlijke diepten afdalen, blijkt uit den inhoud van haar maag; ook +heeft men opgemerkt, dat zij geruimen tijd onder water kunnen blijven. + +De Zeeslangen zijn zeer behendige, opvliegende en kwaadaardige dieren; +in haar element bijten zij even woedend als andere Gifslangen op het +land naar iederen werkelijken of denkbeeldigen vijand, zoodat ook zij +in haar drift soms zich zelf wonden toebrengen. Door de inboorlingen, +die het visschersbedrijf uitoefenen, worden zij te recht zeer gevreesd; +haar gif is even werkzaam als dat van de overige Giftandige Colubriden. + +Het voedsel voor de Zeeslangen bestaat uit Visschen en Schaaldieren; +deze vallen aan de jongen, gene aan de volwassenen ten buit. Alle +Zeeslangen zijn zeer vraatzuchtig. Gewoonlijk zijn de bovenste +waterlagen haar jachtgebied; bij stormachtig weer echter jagen zij op +grootere diepten. Bij gevangen exemplaren heeft men kunnen waarnemen, +dat de pupil zich sterk kan vergrooten en verkleinen, zoodat het oog +op zeer verschillende diepten (bij velerlei lichtsterkten) dienst +kan doen. Het volle, niet door het water verzwakte daglicht oefent +een zoo hevige werking op haar oog uit, dat de pupil zich tot een +stipje samentrekt en zijzelf letterlijk verblind zijn, gelijk uit +hare onbeholpen bewegingen blijkt. + +Van de voortplanting der Zeeslangen is nog niet veel bekend. De +drachtigheidsduur zal waarschijnlijk ongeveer 7 maanden bedragen. De +jongen verbreken de eischaal bij hun geboorte en beginnen dadelijk +de levenswijze hunner ouders. + +Als vijanden van de Zeeslangen heeft men de Oost-Indische Zeearend en +de Haaien leeren kennen. In de maag van Haaien vond Peron geregeld +overblijfselen van Zeeslangen; deze worden hoogst waarschijnlijk +gedurende haar slaap door den Roofvisch gevangen en zonder eenige +vrees voor de giftanden door den wijden slokdarm gestuwd. Niet +minder gevaar loopen zij bij hevige stormen, waardoor zij dikwijls in +menigte op het land geworpen worden. De met ruig gekielde schubben +bekleede Zeeslangen zijn dikwijls begroeid met allerlei wieren, +Mosdiertjes enz. en voeren soms een drijvend woud mede, dat met +allerlei vastgehechte Schaaldiertjes bevolkt is. Dit eigenaardig kleed, +dat misschien haar te pas komt bij het verkrijgen van haar voedsel, +wekt in hooge mate onze belangstelling, daar het een der middelen is, +waarvan de natuur zich bedient om aan laag ontwikkelde zeeplanten en +zeedieren een grooter verbreidingsgebied te verschaffen. Naar het +schijnt, spelen de Zeeslangen hierbij een belangrijke rol en zijn +zij in staat om vele van de wezens, die haar lichaam als woonplaats +hebben uitgekozen, over een grooten afstand te vervoeren. + + + +De laatste familie van de Slangen is die der Adders (Viperidae); +alle hiertoe behoorende soorten zijn vergiftig en brengen, voorzoover +men ze heeft kunnen nagaan, hare jongen levend ter wereld. Zij hebben +een dikken romp, een platten, dikwijls driehoekigen kop, een korten, +stompen staart, zeer korte bovenkaaksbeenderen, die geen andere +tanden dragen dan ongegroefde, doorboorde, haakvormige giftanden, +voorts oogen met spleetvormige, loodrecht geplaatste pupil. Door +deze kenmerken onderscheiden zij zich doorgaans van de Slangadders, +hoewel er overgangsvormen bestaan, die de omschrijving van deze beide +groepen bemoeielijken. + +Duidelijk zijn de beide onderfamiliën, waarin men de Viperiden +verdeelt--de Echte Adders (Viperinae) en de Groefkopadders +(Crotalinae)--kenbaar aan de diepe groeve tusschen het neusgat en het +oog, die bij laatstgenoemde voorkomt. De Adders bewonen uitsluitend de +Oude Wereld en worden vooral in Afrika door een groot aantal soorten +vertegenwoordigd. Het verbreidingsgebied van de Groefkopadders omvat +Amerika van de Vereenigde Staten tot Patagonië en strekt zich verder +over Azië, westwaarts tot aan de grenzen van Europa uit. + + + +Als type van het geslacht der Adders (Vipera) en van de geheele +onderfamilie beschouwen wij de inheemsche Adder (Vipera berus). Het +geslacht kenmerkt zich, doordat de kruin niet met schilden, maar +met schubben bekleed is en er (behoudens zeldzame uitzonderingen) +slechts een enkele reeks van schubben voorkomt tusschen het oog en +de hieronder gelegen bovenlipschilden. De kleur en teekening van +de genoemde soort varieeren zeer sterk: een donkere zigzagstreep, +die zich langs den geheelen rug uitstrekt, is bijna altijd aanwezig +en daarom als kenmerk van belang. + +Door haar gestalte onderscheidt de Adder zich van de overige inheemsche +en de meeste Europeesche Slangen; hiervan zijn de naaste verwanten +van de Gewone Adder, de Aspisadder en de Zandadder, natuurlijk +uitgezonderd. De kop is van achteren aanmerkelijk breeder dan de hals, +tamelijk plat en van voren zacht afgerond, de hals duidelijk begrensd +en zijdelings een weinig samengedrukt, de romp merkbaar dikker dan +de hals en even breed als hoog, de rug eenigszins, de buik sterk +afgeplat; de betrekkelijk korte staart wordt in 't laatste derde +gedeelte van zijn lengte in 't oog vallend dunner en loopt in een +korte, harde spits uit. De romp neemt van den hals tot het midden van +'t lichaam langzamerhand in dikte toe en wordt van hier weer dunner +tot aan den staart, waarin hij zonder duidelijk merkbare afscheiding +overgaat. Bij het mannetje is de romp korter en slanker, de staart +daarentegen betrekkelijk langer en dikker dan bij het wijfje. De +lengte van het volwassen mannetje bedraagt ongeveer 60 cM., zelden +5 cM. meer, meestal minstens evenveel minder; het volwassen wijfje +is in den regel niet meer dan 70, soms echter 81 cM. lang. Alle +schubben hebben een meer of minder duidelijke, overlangsche kiel, die +echter op de reeks, welke aan de buikschilden grenst, slechts flauw +aangeduid is; de onderzijden is met breede dwarsschilden bekleed, die +op den staart een dubbele reeks vormen. Een zeer belangrijk kenmerk +levert het schild, dat de kloakopening bedekt (het aarsschild), +daar het altijd ongedeeld is en dus niet uit twee schubben bestaat; +deze eigenaardigheid komt bij geen andere inheemsche Slang voor (en +onder de Duitsche Slangen alleen nog maar bij de Aspis-adder). Het +aantal en de vorm der kopschilden varieeren sterk. + +Waarschijnlijk vindt men slechts bij weinige Slangensoorten even groote +individueele verschillen van kleur als bij de Adder. Als regel kan men +echter aannemen, dat de grondkleur van het mannetje met lichte, die +van het wijfje met donkere tinten genuanceerd is; bij genen hebben +dus witte, zilvergrijze, licht aschgrauwe, zeegroene, lichtgele +en lichtbruine, bij deze bruingrijze, roodbruine of olijfgroene, +zwartbruine en dergelijke kleuren de overhand. Hoe verschillend echter +de grondkleur ook zij, een donkere, overlangsche, getakte "rugband" +komt er merkbaar op uit en is slechts bij zeer donker gekleurde wijfjes +en bij de zuiver zwarte variëteit weinig of niet waarneembaar. Deze +band loopt zigzagswijs van den nek tot aan het puntje van den staart +over den geheelen rug, aan weerszijden vergezeld door een overlangsche +reeks van donkere vlekken. Behalve deze zigzagstreep verdient ook de +teekening op den kop, waaraan de Adder den Duitschen naam "Kreuzotter" +dankt, vermelding. Twee overlangsche strepen, omgeven door ongeregeld +geplaatste vlekken en streepjes, versieren het midden van de kruin +en komen hier dikwijls zoo dicht bijeen, dat zij elkander raken; +zij beginnen op het oogschild, loopen naar het midden van de kruin, +worden hier soms door een vlek van gelijke kleur verbonden, wijken +vervolgens weer uiteen en vormen verder achterwaarts een duidelijken +hoek, welks top naar voren is gericht; deze hoek neemt als 't ware den +eersten scheefhoekigen vierhoek van de rugteekening tusschen zijne +beenen op. De onderdeelen van de Adder zijn meestal donkergrijs of +zelfs zwart; ieder schild vertoont echter in den regel een aantal +geelachtige vlekken van buitengewoon verschillenden vorm. + +Het groote, ronde, vurige oog krijgt door het vooruitstekende +bovenoogschild, waaronder het gelegen is, een eenigszins valsche +(of fiere) uitdrukking en draagt er werkelijk toe bij om de Adder +te kenmerken, vooral wanneer men niet vergeet, dat bij geen enkele +andere inheemsche Slang de pupil een scheeve, van voren en boven +naar onderen en achteren gerichte, overlangsche spleet is. Bij helder +zonlicht krimpt deze spleet tot een nauwelijks merkbare lijn ineen; +in het donker daarentegen verwijdt zij zich zeer sterk. De kleur van +het regenboogvlies is gewoonlijk helder vuurrood, bij donkerkleurige +wijfjes licht roodachtig bruin. + +De donkere variëteit werd lang voor een afzonderlijke soort (Vipera +prester) gehouden. Zorgvuldiger onderzoekers vonden het echter vreemd, +dat bijna alle Adders van deze kleur wijfjes waren; toen het bovendien +bleek, dat hare jongen zich in geen enkel opzicht van de Gewone Adders +onderscheiden, kon er geen sprake meer zijn van soortverschil. + +De Adder heeft een uitgestrekter verbreidingsgebied dan eenige andere +Europeesche Slang en zelfs dan eenige andere landslang, daar het van +Portugal in 't westen tot het eiland Sachalin in 't oosten reikt, +in Skandinavië den poolcirkel overschrijdt, terwijl de zuidelijke +grens aan de eene zijde door het midden van Spanje, aan de andere +door het noorden van Perzië loopt. + +De Adder komt bij ons het meest voor in hooge veen- en droge +zandstreken van Groningen, Friesland en Drente; ook wordt zij in +Overijsel hier en daar, in Gelderland tusschen Arnhem en Wageningen +(tamelijk zeldzaam) en in de omstreken van Barneveld, in Utrecht in +de omgeving van Zeist en Driebergen, in Noordbrabant nabij Vught en +Boxtel aangetroffen. + +In de Alpen ontmoet men haar nog op een hoogte van 2000 M., dus boven +de grens van den groei der loofboomen, in oorden, waar zij hoogstens +gedurende drie maanden van het jaar in de vrije natuur kan verkeeren, +drievierde deel van haar leven daarentegen in winterslaap moet +doorbrengen. Voorwaarden voor haar gedijen zijn goede schuilplaatsen, +een voldoende voeding en zonneschijn; andere eischen schijnt zij niet +te stellen aan de streek, die haar een woonplaats zal verschaffen. Al +wat noodig is voor haar leven, vindt zij op steenachtige hellingen +en rotswanden, indien deze met struikgewas begroeid zijn, op heiden, +in het kreupelhout van bosschen, voor zoover dit opene, door de +zon beschenen plekken bevat, vooral echter op hoogen veengrond of +in steppen. Hier en daar zijn de Adders in zulke oorden uiterst +veelvuldig: in het Brennerstädter-woud in Luneburg werden gedurende +den hooitijd binnen drie dagen op een terrein van slechts weinige +hectaren meer dan 30 van deze Slangen gedood. Om dezelfde reden zijn +sommige heidestreken in Noord-Duitschland berucht; in de omstreken +van Berlijn komen moerassige boschgronden voor, waar de vrouwen, +om zich tegen adderbeten te beveiligen, bij het grasmaaien steeds +hooge laarzen dragen. In het echte bergwoud vindt men geen Adders, +hoewel zij een met hooge boomen begroeid terrein niet vermijden, +wanneer de bodem er met heide begroeid is. Streken, waar zij vroeger +niet voorkwamen, worden langzamerhand door haar ingenomen, wanneer +de bodem er zulke veranderingen ondergaat, dat zij er veiligheid +en buit vinden; het tegenovergestelde verschijnsel heeft plaats, +wanneer de omstandigheden voor haar ongunstiger worden. + +De eigenlijke woning van de Adder is een hol, dat zij in den grond +vindt onder boomwortels of in het gesteente, een gat van een Muis of +een Mol, een verlaten woning van een Vos of Konijn, een kloof of iets +dergelijks; de voorkeur geeft zij aan een schuilhoek met een klein, +open plekje in de buurt, geschikt om er haar naar warmte begeerig +lichaam aan de stralen van de zon bloot te stellen. Tenzij de aandrift +tot paring haar opwindt en tot omzwervingen op ongewone tijden noopt, +blijft zij over dag steeds in de nabijheid van haar woning, waarheen +zij in tijd van gevaar terugkeert met een door slaapdronkenheid en +traagheid gematigde haast. Wegens haar voorliefde voor zonneschijn +hebben sommigen de Adder ten onrechte een dagdier genoemd. Alle +nachtdieren, geen uitgezonderd, zijn liefhebbers van zonnewarmte, +hoewel zij het licht schuwen; de Kat en de Uil, die zich eveneens door +de zon laten koesteren, zijn hiervan duidelijke voorbeelden: gevangen +Uilen bezwijken, wanneer men hen gedurende geruimen tijd het genot +van zich aan de zonnestralen bloot te stellen geheel onthoudt. Ook +de Adder kan er niet buiten. Het is voor dit dier, welks temperatuur +met die van de omgeving rijst en daalt, een volstrekte behoefte, +uren achtereen languit in den zonneschijn te liggen, een genot om +aan het lichaam de warmte te verschaffen, die het traag omloopende +bloed niet kan leveren. + +Eerst als de schemering aanvangt, begint de Adder haar arbeid, haar +kostwinning, haar jacht. Hiervan kan ieder zich overtuigen, die een +door Adders bewoond hok zóó inricht, dat men, zonder door de dieren +opgemerkt te worden, zien kan, wat zij doen. Ook blijkt dit, wanneer +men op plaatsen, waar Adders veelvuldig zijn, 's nachts een vuur +aansteekt. De ongewone verlichting trekt de aandacht van de Adders, +die, nu wakker zijnde, nader komen om het vreemdsoortige verschijnsel +te leeren kennen, dicht bij het vuur kruipen, verwonderd in den gloed +kijken en, naar het schijnt, slechts noode zich verwijderen. Des +nachts, met behulp van vuur, kan men veel gemakkelijker Adders vangen +dan over dag, zelfs op plaatsen, waar men ze 's middags tevergeefs +heeft gezocht. + +Wie de Adder nooit anders dan over dag heeft nagegaan, noemt haar +te recht buitengewoon traag, van beweging afkeerig, stompzinnig +en geesteloos, zelfs wanneer men haar met geen andere dieren dan +Slangen vergelijkt; nadat men haar des nachts bespied heeft, zal men +van meening veranderd zijn. Hoewel de Adder ook dan in behendigheid +en snelheid niet wedijveren kan met de slank gebouwde Heiaal of met +de Gladde Slang, is toch van de traagheid, die zij over dag toont, +'s nachts weinig te bespeuren. Zeer opgewekt en levendig kruipt +de gevangen Adder door haar hok of doorkruist, als zij in de vrije +natuur verkeert, in alle richtingen haar jachtgebied; in volkomen +tegenspraak met haar houding gedurende den dag, let zij op al wat er +in haar omgeving voorvalt. Uit waarnemingen en proeven is gebleken, +dat zij zich over een vlakken bodem tamelijk snel voortkronkelt; zij +kan niet klimmen, maar wel, zich bij scheef gegroeide stammen omhoog +werken en weet zich ook in 't water goed te redden. Het water mijdt +zij trouwens volstrekt niet in die mate, als gewoonlijk aangenomen +wordt. Zij is geen waterdier, zooals de Ringslang en hare verwanten, +maar schuwt toch het water in 't geheel niet; in een veenstreek, +waar zij niet anders dan zwemmend van de eene droge plek naar de +andere kan komen, gevoelt zij zich zeer goed thuis. + +De aard van de Adder is, voor zoover wij haar kennen, alles behalve +innemend; de blinde, ontoombare woede, die zij in haar gramschap +toont, wekt inderdaad afschuw. "Eens", zegt Lenz, "heb ik een Adder +een vol uur achtereen geplaagd; zij hield niet op met te blazen +en naar mij te bijten en bleef nog doorrazen, toen ik er genoeg +van had. Zelfs na het wegnemen van het voorwerp, waarmede men haar +plaagde, bijt zij, door woede vervoerd, dikwijls in de lucht, in +hoopjes mos enz., op een door de zon beschenen plaats zelfs naar +haar eigen of een andere schaduw. Haar lichaam is in dit geval tot +een schijf ineengekronkeld; de hals wordt naar het midden van de +schijf teruggetrokken en bij elke beet 15, hoogstens 30 cM. ver +uitgestoken. Door het terugtrekken van den hals geeft zij altijd +het voornemen om te bijten te kennen; zij bijt bijna nooit zonder +zich op deze wijze voorbereid te hebben en trekt na het bijten even +schielijk den hals terug, tenzij dit onmogelijk is, doordat zij zich +vastgebeten heeft. Zelfs wanneer men haar een voorwerp van de grootte +van een Muis voorhoudt, bijt zij dikwijls mis; bijna alle Vergiftige +Slangen missen niet zelden haar doel. Als de Adder woedend wordt en +bijten wil, bepaalt zij zich niet tot het terugtrekken van den hals, +maar steekt ook (als het voorwerp, waardoor haar toorn wordt opgewekt, +niet in haar onmiddellijke nabijheid is en zij dus den tijd heeft om +zich te bedenken) de tong herhaaldelijk snel uit, ongeveer zoo ver +als de lengte van den kop bedraagt; intusschen gloeien hare oogen; +de tong, die vóór het bijten slechts zelden het voorwerp aanraakt, +blijft gedurende het bijten verborgen. De Adder zal, als zij plotseling +door een vijand verrast wordt en oogenblikkelijk bijt, slechts zelden +vooraf sissen; des te meer en des te heviger hoort men dit geluid, +indien zij meer bedenktijd heeft en haar toorn tot grooter hoogte +stijgt. Het sissen of blazen geschiedt in den regel met gesloten bek +en wordt veroorzaakt door een ongewoon krachtige uit- en inademing; +het bestaat uit twee verschillende en toch onderling overeenkomende +geluiden, die elkander ongeveer in dezelfde tijdruimte opvolgen +als het uit- en inademen van den mensch. Steeds blaast de Adder, +als zij toornig is, zich sterk op, zoodat zelfs magere exemplaren er +dik en vet uitzien. In nog hoogere mate geschiedt dit, wanneer men +haar in 't water werpt; in dit geval wordt door de opgenomen lucht +haar soortelijk gewicht verminderd. Zij is altijd op haar hoede en +onmiddellijk tot aanval en verdediging gereed. Daarom zal men haar +bijna altijd, zelfs bij de minst mogelijke stoornis, met scheef +opgeheven kopje te zien krijgen. Hoewel haar gezicht over dag zeer +slecht is, maakt zij toch wel degelijk verschil tusschen de voorwerpen, +die in haar nabijheid komen; men kan zich licht overtuigen, dat zij +het liefst naar warmbloedige dieren en van deze weder het liefst +naar Muizen bijt. Wanneer een Adder in een zeer helderen, glazen bak, +wordt opgesloten, zal men zien, dat zij veel liever den kop beweegt +naar de bloote hand, indien deze tegen den buitenkant van het glas +wordt gehouden, dan naar een mouw, een stokje, enz. + +"Gevangen Adders, die een ruime kist bewonen, leven in vrede met +allerlei kleine dieren behalve met Muizen; Hagedissen, Vorschen en +Vogeltjes, die aan het gezelschap van den Adder gewoon waren geraakt, +heb ik dikwijls rustig op haar zien zitten om zich in de zon te +koesteren; ook in de vrije natuur heb ik wel Adders aangetroffen, +waarop Hagedissen zich hadden neergevleid. Andere Slangen en +Hazelwormen gaan eveneens gaarne naast, op en onder de Adder liggen +en behandelen haar dus als ware zij een soortgenoot. Dat Kevers over +haar lichaam loopen, schijnt haar niet te hinderen; van haar kop +schudt zij hen af, zonder boos te worden. + +"Algemeen verbreid is de meening, dat de Adder springen kan en +in gramschap haar tegenstander zelfs over een grooten afstand +vervolgt. Zoomin ik als mijn slangenvanger hebben ooit iets van dien +aard gezien of vernomen van personen, die goed met Adders bekend +zijn. Wanneer de Adder plotseling overvallen wordt, terwijl zij +uitgestrekt op den grond ligt, kan het voorkomen, dat zij zich den tijd +niet gunt om het geheele lichaam schijfvormig op te rollen, maar zich +bepaalt tot het terugtrekken van den hals en onmiddellijk daarna met +het doel om te bijten den kop schielijk vooruitwerpt; het gebeurt soms, +dat deze beweging ook het overige lichaam een weinig vooruit doet gaan. + +"De Adder, die tusschen gras of struikgewas verborgen ligt en door den +voorbijganger niet opgemerkt zou worden, indien zij zich stilhield, +verraadt dikwijls in blinde woede haar aanwezigheid door woest +te sissen en te bijten, zoodat de wandelaar haar dikwijls eerst +bespeurt, nadat zij hem in 't been of althans in den broek of in +de laarzen gebeten heeft. Soms vlucht zij na den eersten of tweeden +beet; soms sluipt zij weg zonder eenige daad van vijandschap, zoodra +zij menschen in haar nabijheid bemerkt. Des nachts, als zij volkomen +wakker is, handelt zij waarschijnlijk in den regel op de laatstgenoemde +wijze. Dit verklaart het opmerkelijk feit, dat gedurende den nacht +zulke aanvallen veel zeldzamer voorkomen dan men vermoeden zou, +al houdt men rekening met het minder drukke verkeer op de liefste +verblijfplaatsen der Adders na zonsondergang." + +De Adder voedt zich bij voorkeur, maar niet uitsluitend met +warmbloedige dieren; Muizen heeft zij liever dan eenigen anderen +buit. Het meest hebben de Aard- of Akkermuizen van haar te lijden, +"daar zij de langzaamste en goedaardigste van alle inheemsche Muizen +zijn, veel minder de vlugge, sluwe Veldmuizen. Spitsmuizen worden +niet verschoond. Hoewel ik nog nooit een Mol in de maag van een +Adder heb gevonden, twijfel ik er volstrekt niet aan, dat zij bij +'t ontdekken van een nestje vol jongen, smakelijk smullen zou van +dezen vetten buit." Dat zij de Muizen niet slechts boven, maar ook +onder den grond vangt, blijkt uit de onderzoekingen van Lenz, die +in de maag van de door hem ontlede Adders dikwijls jonge, volkomen +onbehaarde Muizen of Spitsmuizen vond, welke niet anders dan uit +het onderaardsche nest verkregen kunnen zijn. Het is volstrekt niet +onwaarschijnlijk, dat de Adder vele nesten plundert van Vogels, die +op den grond broeden. Men kan dit afleiden uit het geschreeuw en de +van groote onrust getuigende bewegingen der oude Vogels bij het zien +van een Adder. Vorschen eet de Adder vermoedelijk slechts in geval +van nood, Hagedissen alleen gedurende haar jeugd. + +Evenals andere Slangen, kan de Adder zonder bezwaar geruimen tijd +vasten; des te meer voedsel gebruikt zij, wanneer haar jacht gelukkig +was. + +Het zomerleven van de Adder begint eerst in April, ofschoon men haar +bij gunstige weersgesteldheid reeds omstreeks het midden van Maart +buiten haar winterherberg ziet; bij uitzondering, als het buitengewoon +zacht weer is, vertoonen enkele exemplaren zich reeds vroeger, zelfs +midden in den winter, in de open lucht. In de als winterverblijf +dienende holen vindt men in den regel tamelijk vele Adders bijeen. Een +arbeider te Ees bij Assen vond, terwijl hij bezig was veen te hakken, +den 7en December 1852, op een plekje grond ter grootte van 1 M2 56 +Adders; achtereenvolgens werden op hetzelfde stuk land meer dan 500 +Adders gedood. (Maitland.) + +Volgens de onderzoekingen van Lenz paren de Adders eerst, als zij +bijna haar vollen wasdom bereikt hebben; geen van de exemplaren, +welker lichaam rijpe eieren bevatte, was korter dan 50 cM. Het +aantal jongen hangt af van den leeftijd en de grootte van het wijfje: +bij jonge wijfjes bedraagt het 5 of 6, bij anderen 12 à 14 of zelfs +16. Nauwelijks is het ei gelegd, of het daarin aanwezige jong strekt +zich, verscheurt de fijne eischaal en kruipt er uit. Bij de geboorte +heeft het lichaam een lengte van 18 à 23 cM. of nog iets meer en in +'t midden een dikte van ongeveer 1 cM. De kop, de schilden, schubben, +tanden, tandscheeden, enz. hebben denzelfden vorm als bij de volwassen +dieren; het lichaam is echter met een zeer fijne, doorzichtige, +los aanliggende opperhuid bekleed, waardoor de kleur veel lichter +schijnt. Weinige minuten of uren na de geboorte wordt deze opperhuid +afgeworpen; de vervelling is dus de eerste belangrijke verrichting +van het zelfstandige dier. Uit proeven en waarnemingen blijkt, dat +Adders, weinige minuten nadat zij uit het ei zijn gekomen, reeds een +dier vergiftigen kunnen. + +De Adder blijft in de vrije natuur boosaardig tot aan haar einde; +hetzelfde geldt van het gevangen dier. Hoewel zij haar zinnelooze +woede mettertijd eenigszins bedwingt en minder dikwijls bijt dan in +den beginne, laat zij zich nooit werkelijk temmen. Daar men haar +nooit kan leeren niet meer naar haar verzorger te bijten, blijft +de omgang met de Adder steeds gevaarlijk. Opmerkelijk is het, dat +gevangen exemplaren zelfs bij de zorgvuldigste verpleging slechts +bij uitzondering voedsel aannemen. Wel geschiedt dit soms, wanneer +men haar hok op zulk een wijze inricht, dat het zoo getrouw mogelijk +een van hare lievelingsplekjes in de vrije natuur nabootst. In den +regel echter wijden deze dieren zich aan den hongerdood; men kan ze +zelden langer dan 9 maanden behouden. + +Hoewel van alle inheemsche Slangen de Adder het krachtigst medewerkt +tot de verdelging van schadelijke dieren, is niemand haar dankbaar +voor de diensten, die zij bewijst; ieder tracht haar te dooden waar en +hoe hij kan. Geen enkel inheemsch dier verdient deze onmeedoogende +vervolging zoozeer als de Adder. Nog steeds komen gevallen voor +van menschen, die aan de gevolgen van een adderbeet gestorven +zijn of hierdoor in gevaar hebben verkeerd. Vele van deze gevallen +blijven onbekend; hun aantal kan dus niet met juistheid opgegeven +worden. Linck, die het gemiddeld aantal sterfgevallen van menschen +door adderbeten voor Duitschland op 2 per jaar stelt en het aantal van +hen, die gebeten worden, maar er het leven afbrengen, op 40 begroot, +is waarschijnlijk niet ver van de waarheid. I. Blum deelt mede, dat, +volgens geloofwaardige door hem verzamelde berichten, gedurende +de jaren 1879-1888 in Duitschland 17 sterfgevallen tengevolge van +adderbeten voorgekomen zijn. Vergiftigingen zonder doodelijken +afloop komen zeer dikwijls voor; niet zelden brachten zij ernstige +ziekteverschijnselen en zelfs een langdurig lijden teweeg. Door een +enkel druppeltje addergif kan een lang leven vergiftigd worden. + +Ieder, die uit overdreven genegenheid voor de dieren de Slangen in +bescherming neemt, bezondigt zich aan de menschen. Beter zou het zijn, +dat alle Slangen, de schuldige zoowel als de onschuldige, uitgeroeid +werden, dan dat één mensch door den beet van een vergiftige Slang +het leven verliest, of door haar helsch vergif tot een onafgebroken +lijden wordt gedoemd. Het is daarom dringend noodig, dat bescherming +worde verleend aan de natuurlijke vijanden van de Adder, vooral aan +de Bunzing, den Egel en den Slangenbuizerd, en dat geen kwartier +worde gegeven aan het venijnig ongedierte! Het is wenschelijk, dat +ieder onderwijzer zijne leerlingen bekend make met de Adder, hun +leere om zonder gevaar voor zichzelf zulk een dier te dooden, als zij +het vinden. Ieder vader zou zijne kinderen kunnen vertellen, dat een +enkele flinke slag met een stokje op de ruggegraat van de Adder haar +het leven doet verliezen, hoe taai dit overigens ook zij! Laten zij +echter nimmer de roekeloosheid begaan van het gevelde dier op te nemen, +wanneer zij onbekend zijn met de voorzorgsmaatregelen, die hierbij in +acht genomen moeten worden; het dier behoudt nog lang nadat het den +doodelijken slag ontvangen heeft, het vermogen om zich te bewegen; +de gevaarlijkheid van de giftanden blijft onverminderd bestaan, +nadat de kop van den romp gescheiden is. De afgehouwen slangenkop +bijt nagenoeg even woedend om zich heen als vroeger, toen de Slang +nog leefde; minuten, ja zelfs een half uur na de onthoofding richt +hij zich nog steeds naar de zijde, van waar hij zich bedreigd acht; +hieruit blijkt, dat de weinig omvangrijke en niet zeer ontwikkelde +hersenen nog zeer lang haar werkzaamheid behouden. Het gif verliest +zijn schadelijke werking volstrekt niet door den dood van het dier; +zelfs het gedroogde gif, dat weder geweekt werd, is nog in staat +om het bloed van een Zoogdier te bederven. Voorzichtigheid moet dus +ingeprent worden aan ieder, die den lust en den wil openbaart om mede +te werken tot vermindering van het aantal Vergiftige Slangen. + +Over de behandeling van hen, die het ongeluk hadden door een Adder +gebeten te worden, verwijzen wij naar hetgeen hierover vroeger werd +medegedeeld. + + + +In het zuidwesten van Europa wordt de Adder gedeeltelijk vervangen +door een verwante soort, die meer dan eenige andere aanspraak heeft +op den naam "Vipera", daar zij aan de Romeinen der oudheid het meest +bekend was en door hen "Vivipara" (de levendbarende) werd genoemd. Zij +wordt gewoonlijk als het type van het geslacht Vipera aangezien; de +eigenaardigheden, waardoor zij zich van onze Adder onderscheidt, zijn +echter van zoo ondergeschikt belang, dat men de slangenkenners, die +beide--de Gewone Adder en de Aspis-adder (Vipera aspis, V. Redii)--als +onderafdeelingen van dezelfde soort aangemerkt willen hebben, niet +terstond ongelijk kan geven. Terwijl bij de Gewone Adder de voorkop +met duidelijke schildjes bekleed is, bestaat bij de Aspis-adder de +bedekking van dit lichaamsdeel uit platte of een weinig dakvormig +uitpuilende schubben, waaronder er zelden meer dan één is, die zich +door haar grootte eenigszins van de overige onderscheidt. De Gewone +Adder heeft gewoonlijk één rij van kleine schubjes tusschen het oog en +de bovenlipschilden; bij de Aspis-adder komen altijd twee dergelijke +reeksen van schubjes voor. Bovendien is de spits van den snuit bij +de laatstgenoemde een weinig verheven en de kant van den snuit boven +de teugelstreek scherper. In deze opzichten verschillen beide Adders +standvastig van elkander, overigens komen zij overeen; slechts na +nauwkeurige onderzoeking en vergelijking vallen de kenmerken in +'t oog, die ons veroorloven de eene van de andere te onderscheiden. + +De Aspis-adder bereikt bijna volkomen dezelfde grootte als de Gewone +Adder, maar heeft meestal een eenigszins meer gedrongen lichaamsbouw +en een breederen kop. Op den rug ziet men niet, of althans veel +zeldzamer dan bij de Gewone Adder, een samenhangende, getakte band, +maar eenvoudig groote, vaneengescheiden vlekken, die echter geheel +op dezelfde wijze gerangschikt zijn als die, welke den rugband van +de Gewone Adder vormen. De grondkleur, waarop de donkere teekening +uitkomt, kan ook hier verschillende tinten vertoonen, van effen +witachtig grijs tot aschgrauw of grijsgroen en van lichtbruinachtig +tot koperrood of bruinzwart varieeren. Evenals bij de Gewone Adder, +zijn ook bij de Aspis-adder, de mannetjes gewoonlijk lichter van +kleur dan de wijfjes. + +De Aspis-adder bewoont een groot deel van Frankrijk, komt in +Zwitserland veelvuldig voor in de Jura en in eenige deelen van de +kantons Waadtland, Wallis en Zuid-Tessino, is in Italië, met inbegrip +van Sicilië, doch met uitzondering van Sardinië de algemeenste van +alle Vergiftige Slangen, wordt echter reeds in Dalmatië en Griekenland +en in Noord-Afrika niet meer aangetroffen. Binnen de grenzen van +Duitschland beperkt zich haar verbreidingsgebied tot Lotharingen +en het zuiden van het Schwarzwald. In Oostenrijk heeft men haar met +zekerheid slechts in Tirol herkend. + +In aard en gewoonten gelijkt de Aspis-adder zeer veel op de +Gewone. Hare bewegingen zijn langzaam en zeer plomp. Zij is +bevreesd voor den mensch, tracht hem te ontvluchten en maakt van +hare verdedigingsmiddelen alleen dan gebruik, wanneer men haar +vlucht verhindert, haar aanraakt of den voet op haar zet; ook bijt +zij in den stok of in andere voorwerpen, die men gebruikt om haar te +vangen. Waarschijnlijk gebruikt zij hetzelfde voedsel als de Gewone +Adder en maakt dus bij voorkeur op verschillende soorten van Muizen +jacht. + +Ook in gevangenschap gedraagt zij zich als haar bij ons inheemsche +verwante. Nooit slaagt men er in haar eenigszins te temmen; hoewel na +een verblijf van eenige maanden in het hok haar opgewektheid verminderd +is, tracht zij nog een half jaar na het verlies van haar vrijheid haar +verzorger te bijten. Zelden kan men haar bewegen voedsel te gebruiken; +eenige van Wyders gevangenen bleven 16 maanden lang zonder voedsel, +hoewel zij dikwijls water dronken. Evenals de Gewone Adder spuwt zij, +kort nadat men haar gevangen heeft, het nog in de maag aanwezige +voedsel uit. Een zeer dik exemplaar, dat bij gebrek aan een andere +bewaarplaats in een herberg een waterkaraf tot woning kreeg, had tot +verrassing der toeschouwers den volgenden morgen een grooten Mol bij +zich. Het verwijderen van dit doode dier kostte meer moeite dan er +noodig was geweest om de Adder met den door haar verzwolgen buit in de +flesch te brengen. De Aspis-adder leeft in de vrije natuur zoowel als +in de kooi met andere Slangen in vrede; deze vreezen haar niet. Tegen +Huismuizen en Ratten neemt zij echter dadelijk een dreigende houding +aan. De door haar gebeten Muis sterft aan deze enkele wonde binnen +5 minuten, een Rat eerst na 20 minuten en zelden zonder vooraf wraak +te nemen op haar vergiftigen vijand. + +Francesco Redi (in 1697 als lijfarts van den Groothertog van Toscane te +Pisa overleden) heeft de ongegrondheid aangetoond van de meeningen der +ouden, die de zetel van het vergif van de Aspis-adder in de galblaas, +het speeksel en zelfs in de spits van den staart zochten. Uit +zijne proeven bleek de vergiftige werking van het gele vocht, dat +bij levende en doode dieren in de slijmvliesscheeden van de groote +bovenkaakstanden gevonden wordt. Fontana heeft in het einde van de +18e eeuw deze onderzoekingen voortgezet. Hij liet meer dan 4000 dieren +bijten door Aspis-adders, waarvan meer dan 3000 exemplaren voor deze +proefnemingen dienst deden. Met alle bekende tegenmiddelen werden +proeven genomen, niet slechts bij een enkel dier, maar bij vele te +gelijk; de slotsom van al deze onderzoekingen was, dat strikt genomen +van geen der bedoelde middelen genezing kan worden verwacht. Fontana +was van oordeel, dat de beet van één Aspis-adder niet voldoende zou +zijn om een mensch te dooden, maar dat hiervoor wel 5 of 6 beten +vereischt worden: ongelukkig is deze meening onjuist gebleken; ons +zijn wel niet vele, maar toch eenige gevallen bekend van menschen, +die aan de gevolgen van één adderbeet stierven. + + + +Een derde Europeesche Vergiftige Slang, de Zandadder (Vipera +ammodytes), is kenbaar aan een eigenaardigheid van de spits van den +snuit, die een met schubben bedekt, zacht hoornachtig verlengstuk +draagt, dat op een kegelvormige wrat gelijkt. Van onze Adder verschilt +zij, door de bedekking van den kop, waarop zich evenals bij de vorige +soort, behalve de bovenoogschilden, geen groote platen bevinden. Door +gestalte en zelfs door kleur en teekening vertoont deze Adder met de +beide vorige soorten een groote overeenkomst. Evenals bij deze, is ook +bij haar de grondkleur zeer veranderlijk, meestal geelbruinachtig, doch +ook wel grijsachtig wit, bij enkele exemplaren in meerdere of mindere +mate rood getint, bij sommige zelfs fraai rozerood. De teekening +bestaat uit een bruinen, getakten band, die in den nek begint, zich +over den geheelen rug en den staart uitstrekt en uit langwerpige, +ruitvormige vlekken is samengesteld, die ieder door twee overstaande +hoeken met de vorige en de volgende verbonden zijn. De rugband is +aan weerszijden begrensd door een zwarte lijn en komt hierdoor beter +uit. De schilden van de onderzijde zijn op geelachtigen grond zwart +gestippeld en gevlekt. De grondkleur kan zeer verschillend en de +rugband meer of minder duidelijk zijn, steeds echter is de Zandadder +gemakkelijk te herkennen aan het uitwas op haar neus. De staart is +van onderen bij de spits vurig steenrood van kleur. Exemplaren van +95 cM. lengte behooren tot de zeldzaamheden; toch is deze Adder over +'t algemeen eenige cM. langer dan hare reeds genoemde verwanten. + +De Zandadder bewoont Italië, het Oostenrijksche Alpengebied, Istrië, +Dalmatië, het zuiden van Hongarije en Zevenburgen, het Grieksche +schiereiland en nagenoeg alle Grieksche eilanden, Turkije, Syrië, +Klein-Azië en Turksch- zoowel als Russisch-Armenië. + +E. Schreiber noemt de Zandadder een volslagen nachtdier; zelfs in +oorden, waar zij tot de algemeenste Slangen behoort, ontmoet men haar +over dag meestal slechts zelden. Het liefst nog verlaat zij over dag +haar schuilplaats na een warmen onweersregen, vooral wanneer deze +onmiddellijk gevolgd wordt door zonneschijn. Des nachts daarentegen +komt zij geregelder te voorschijn; vooral bij lichte maan kan men haar +op geschikte plaatsen dikwijls in grooten getale zien rondkruipen om +voedsel te zoeken. Niet overal trouwens kiest deze Slang hetzelfde +terrein tot woonplaats; in vele gewesten, o. a. in de Zuidelijke +Alpen en den Karst, treft men haar uitsluitend in kalksteengebergten +aan, vooral in dorre, met struikgewas schaars begroeide oorden; op +het Balkan-schiereiland daarentegen is zij vooral in de wijnbergen +veelvuldig. In de echte vlakten zal zij trouwens slechts zelden +voorkomen; meer algemeen ontmoet men haar althans in heuvelachtige +of bergachtige streken. + +Volgens Erber voedt de Zandadder zich met Muizen, Vogels en Hagedissen; +de Vogels weet zij zeer listig te besluipen; de argelooze gevederde +zanger krijgt dikwijls te midden van zijn gezang een doodelijken +beet. "Meestal jammerlijk schreeuwend verheft de gewonde Vogel zich +nog eens in de lucht; onmiddellijk daarna stort hij echter ter aarde, +sterft binnen weinige minuten en wordt door de Slang verzwolgen." + +De eerste Zandadders, die Effeldt kreeg, werden hem toegezonden met +de opmerking, dat zij in de gevangenschap nooit voedsel aannemen; het +tegendeel bleek echter juist bij deze exemplaren; één van hen greep en +verzwolg zonder aarzeling de Muis, die in het hok geworpen werd. Later +gebeurde hetzelfde herhaaldelijk; enkele exemplaren onderscheidden zich +zelfs door vraatzucht, ontnamen het voedsel aan hunne soortgenooten +en verwanten, scheurden zwakkere individuën onder woedend gesis de +half verzwolgen Muizen uit den bek en verzadigden zich, terwijl de +andere gebrek moesten lijden. Doode Muizen werden niet versmaad, +ten slotte geraakten de Slangen zoozeer gewoon aan dit voedsel, +dat zij het niet meer noodig achtten hare wapens te gebruiken bij +het grijpen van een Muis, om 't even of deze dood was of niet. + +De Zandadder leeft in zeer goede harmonie met andere Slangen, ook met +de niet-vergiftige; over 't geheel genomen is zij een betrekkelijk +vreedzaam dier, dat zich om andere dieren, natuurlijk met uitzondering +van Muizen en Vogels, in 't geheel niet bekommert, zoolang men haar met +vrede laat. Jegens haar verzorger toont zij van den aanvang af minder +lust tot bijten dan de Gewone Adder; bovendien wijzigt zij haar gedrag +tot op zekere hoogte naar de omstandigheden, laat zich althans in +meerdere mate temmen dan haar inheemsche verwante en behoort derhalve +tot de weinige Vergiftige Slangen, die den dierenliefhebber werkelijk +eenige voldoening schenken. Toch blijft ook zij altijd gevaarlijk. + +"Mijn ervaring over de werking van haar beet op menschen," verhaalt +Erber, "bepaalt zich tot één enkel geval, dat ongelukkigerwijs mijn +vrouw betreft. Ik deel deze gebeurtenis met hare eigene woorden +mede. "Gedurende de afwezigheid van mijn man had ik te zorgen voor +de voedering van de gevangen Reptiliën en Amphibiën en voor het +schoonhouden hunner hokken. Om de Zandadders met versch water te +voorzien, plaatste ik de drie kooien, waarin zij zich bevonden, op +een tafel, opende ze een voor een en stak aan de gevaarlijke dieren +met een langen tang hun waterbak toe. Intusschen werd er aan de deur +gescheld; ik verwijderde mij om de deur te openen, maar vergat in mijn +haast het hok van de Adders te sluiten. Toen ik weer in de kamer kwam, +zag ik tot mijn grooten schrik, dat een van de Zandadders reeds met +de helft van haar lichaam buiten de kooi was gekropen. Verschrikt en +beangst, wist ik niet, wat te doen, had niet zooveel overleg om met +de tang het gevaarlijke dier in de kooi terug te brengen, maar vatte +het onbedachtzaam met de hand aan en wierp het weer in het hok. Dit +duurde slechts een oogenblik; maar hoe vlug ik ook te werk was gegaan, +toch was de Adder, toen ik de kooi sloot, vergramd opgesprongen en +had mij in den linker arm gebeten. Ik werd door den plotselingen +aanval van de Slang zoo verschrikt, dat ik mijn wonde een tijdlang +wezenloos aanstaarde. In 't eerst was er niets bijzonders aan te +zien; het was eenvoudig een zeer kleine schram, zooals een naald +zou kunnen veroorzaken. Het volslagen afwezig zijn van pijn stelde +mij gerust; ik achtte de zaak niet gevaarlijk. Kort daarna werd ik +echter door een duizeling bevangen en gevoelde mij zoo onpasselijk, +dat ik moest gaan zitten; tevens gevoelde ik een hevige, stekende +pijn op de gebeten plaats; deze begon, gelijk ik toen eerst zag, +groenachtig te worden, tevens kromp de schram in 't midden van de vlek +in. Daar de pijn voortdurend toenam, kwam ik tot de overtuiging, dat +het geraden was een van de gewelddadige middelen aan te wenden, die +bij de behandeling van dergelijke wonden gebruikelijk zijn, namelijk +het uitsnijden, uitzuigen of uitbranden van de gebeten plek. Ik nam +dus met de tang een strijkijzerbout, die juist in het vuur lag, en +drukte dezen dapper tegen de wonde. Er ontstond op de gebrande plaats +een groote, donker gekleurde blaar, door vele kleinere, roodachtige +blaren omgeven. Daar de spanning van de huid weldra onuitstaanbaar +werd, knipte ik de blaar door; er kwam een vuil, zwartachtig vocht +uit, dat ik ondanks de hevige pijn zoo volledig mogelijk uit de wonde +drukte. Deze werd daarna zorgvuldig verbonden en was tot mijn niet +geringe blijdschap na verloop van 8 dagen volkomen genezen." + +Dat niet alle gevallen zoo gunstig afloopen, blijkt uit de +mededeelingen van Erhard. "Voor de Grieksche wijngaardeniers, die +gewoonlijk barrevoets hun arbeid verrichten en meer bepaaldelijk voor +de kinderen wordt de Zandadder niet zelden noodlottig. Haar gif heeft +een veel heviger werking dan dat van de Italiaansche Aspis-adder, +zoodat van haar beet in 't warme jaargetijde voor een kind of een +zwak mensch doodelijke gevolgen te duchten zijn. Gelukkig is zij zeer +traag. Daar zij nooit uit eigen beweging aanvalt, maar alleen bijt, +wanneer men bij toeval op haar trapt, zou men haar onschadelijk kunnen +noemen, indien de menschen, ondanks hun vrees voor deze Slang, zich +niet met echt Grieksche onbezonnenheid aan hare beten blootstelden." + + + +Een van de grootste, gevaarlijkste en meest bekende Adders van de +tropische en gematigde gewesten van Afrika is de Pofadder (Vipera +arietans). Zij bereikt een lengte van 1.47 à 1.63 M.; de laatstgenoemde +maat zal wel nooit door deze soort overschreden worden. Niet ten +onrechte wordt zij een van de leelijkste van alle Slangen genoemd; +dit geldt echter slechts van haar vorm, niet van haar kleur. Günther +zegt: "Men heeft de Adders de Padden onder de Slangen genoemd; deze +vergelijking wordt het best gerechtvaardigd door op de Pofadder te +wijzen." Werkelijk herinnert deze Slang door haar platten en breeden +kop met ver uitpuilende oogen en door haar wanstaltig dik lichaam +aan een Pad. Tot op zekere hoogte varieeren haar kleur en teekening; +bijzonder in 't oogvallend zijn deze afwijkingen echter niet, wanneer +men bedenkt, dat de Pofadder, evenals iedere andere Slang, kort na de +vervelling de zuiverste kleur vertoont. De aanvankelijk helder zandgele +grondkleur van den romp wordt tot aan de volgende vervelling allengs +donkerder; dit geschiedt in sommige gevallen sterker dan in andere. De +rug prijkt met hoefijzervormige, donkere banden, waartusschen lichte +velden overblijven; ook op den kop komen dergelijke teekeningen +voor. De onderzijde is lichtgeel met zwarte vlekken. + +De Pofadder bewoont geheel Afrika bezuiden 17° N.B.; aan de westkust +is zij algemeen, in het zuidoosten nergens zeldzaam, in het binnenland +waarschijnlijk overal verbreid, nader bij de zuidspits komt zij minder +overvloedig voor. + +De naam van deze Slang is ontleend aan het hevige gesis, dat zij +voortbrengt, zoodra zij gestoord of, wat op 't zelfde neerkomt, tot +gramschap vervoerd wordt. Zij blaast zich dan gewoonlijk zoo sterk +op, dat de omvang van haar romp bijna verdubbelt. Tevens verheft +zij den kop tot 30 cM. boven den bodem, volgt met gloeiende oogen +iedere beweging van den naderenden tegenstander en wacht het gunstige +oogenblik af om den kop naar voren te werpen. + +Over het leven van de Pofadder in vrijen toestand is weinig bekend; +misschien levert het niet veel opmerkelijks op. Zij onderscheidt +zich door haar traagheid, beweegt zich uiterst langzaam en maakt +alleen als zij bijten zal, een bliksemsnelle beweging in de richting +van haar prooi, waarbij het lichaam meestal min of meer om zijn as +draait. Over dag ligt zij gewoonlijk stil in de struiken of in het +lange gras verborgen, des nachts kruipt zij rond en komt dan met +het doel om Muizen te vangen dikwijls in de nabijheid van woningen, +hetwelk niet zelden aanleiding geeft tot ongelukken. Een vrouw in +de Transvaal, die in het donker naar buiten ging, trapte bij het +verlaten van haar huis op een vóór de deur liggende Pofadder, werd +gebeten en stierf in den loop van den volgenden dag. Nog meer gevaar +levert deze Slang op voor het grazende, kleine vee of voor Jachthonden, +daar zij zich te weer stelt, als zij door struiken gedekt is. + +De voeding, waarschijnlijk ook de voortplanting van de Pofadder, zal +wel niet veel verschillen van die der overige Adders. Ook zij maakt +uitsluitend jacht op allerlei soorten van klein wild, waarschijnlijk +vooral op Ratten, Muizen, Aardeekhoorntjes en dergelijke Knaagdieren; +nu en dan vangt zij ook wel een Vogel, die onbedachtzaam zijn +gevaarlijken vijand nadert. + +Een woedende Pofadder levert een schrikwekkend schouwspel op. "Eens", +verhaalt Drayson, "zag ik een wijfje van deze soort op het toppunt +van woede. Zij was met hare jongen door eenige Kaffers uit haar +schuilhoek, een omgevallen boomstam, opgejaagd en was blijkbaar van +zins zich te verdedigen. De Kaffers besloten de geheele familie te +dooden, maar waagden het niet in de nabijheid van het woedende dier +te komen. Toevallig kwam ik kort na het vinden van het Slangennest +bij de toen nog besluitelooze mannen, leidde den aanval, liet hen +groote steenen aanbrengen en met deze den strijd aanvangen. Na +weinige minuten was het doldriftige dier met zijne jongen gedood; +alle werden op een hoop hout gelegd en verbrand, om te verhoeden, +dat een der barrevoets loopende mannen, toevallig op een adderkop +trappend, zich zou wonden aan de giftanden, die nog lang na den dood +hun doodelijke werking behouden". + +Drayson noemt het een opmerkelijk feit, dat in Zuid-Afrika, waar het +krioelt van Vergiftige Slangen, deze dieren zoo zelden een ongeluk +veroorzaken. Voor een groot deel is dit misschien een gevolg van de +vreesachtigheid der Slangen; de Pofadder evenwel behoort niet tot die +soorten, welke haar heil in de vlucht zoeken, als een mensch haar +nadert: over dag laat zij dit na uit traagheid en des nachts uit +domheid of boosaardigheid, of omdat zij te zeer overtuigd is van de +onfeilbaarheid harer wapens. Meestal echter reist men in Zuid-Afrika +te paard of in een wagen en is hierdoor beter nog dan de inboorling +door zijn scherpzichtig oog tegen de Slangen beveiligd; bovendien zijn +de gevaarlijkste soorten van Slangen eerst na zonsondergang wakker +en wordt de reis slechts zelden gedurende den nacht voortgezet. In +'t open veld overnachtend, wordt het kamp omringd met een kring van +vuren, die de Vergiftige Slangen wel is waar aanlokken, maar toch +het binnenste van het kamp tegen hen beveiligen; daar de dieren, +naar mij bij ervaring gebleken is, wijselijk omkeeren, als zij zeer +dicht bij de vlam gekomen zijn. + +Van alle Adders, die men tot dusver in gevangenschap heeft gehouden, +neemt de Pofadder misschien het gemakkelijkst voedsel aan. Het is niet +moeielijk de eischen, die zij aan het leven stelt te bevredigen. Een +warm hok, welks vloer met zand of kiezelsteentjes bestrooid is en +af en toe een voor haar geschikte buit zijn voldoende. Men ziet haar +daarom zeer dikwijls in dierentuinen. + + + +Geen der Vergiftige Slangen heeft naast de Aspis meer de aandacht +van de ouden getrokken dan de Egyptische Cerastes of Gehoornde Adder +(Cerastes cornutus), behoorende tot een gelijknamig geslacht, dat +zich van het vorige onderscheidt door de kleine, halvemaanvormige +neusgaten, het soms aanwezige, soms ontbrekende, stekelige hoorntje +boven het kleine oog, maar vooral door de schubben, die aan de zijden +van den romp op schuinsche rijen staan en ieder voorzien zijn met +een stompe, korte kiel, die den top van de schub niet bereikt. De +bedoelde, veelvuldig voorkomende en meest bekende soort bereikt een +lengte van hoogstens 65 cM. en verraadt zich op het eerste gezicht +als een kind der woestijn, daar de kleur van haar schubbenkleed als +'t ware een afspiegeling is van die van het zand; zij is meer of +minder levendig geel met bruinachtige tint en prijkt met bruine, +hoekige of rondachtige dwarsvlekken. + +Het beeld van den Cerastes komt in de heilige schrijftaal van de +oude Egyptenaars veelvuldig voor, daar zijn oorspronkelijke naam "Fi" +later gebruikt werd om de klank F voor te stellen. + +Het verbreidingsgebied van deze Adder strekt zich uit over geheel +Noord-Afrika, met uitzondering van Marokko, en over Steenachtig en +Gelukkig Arabië; het reikt echter voorbij den woestijngordel. Zij +leeft hoofdzakelijk in de woestijn, over dag steeds geheel onder +het zand verborgen op plaatsen, waar wijd en zijd in 't rond geen +water te vinden is; haar kruipen veroorzaakt door het over elkander +wrijven der schubben een hoorbaar gedruisch. Dat zij een nachtslang +is vermoedde reeds Bruce; daar ook hij de ervaring opdeed, dat zij +'s nachts op het kampvuur afkomt. Op geen van mijne jachttochten +in de woestijn of de steppe heb ik er een gezien; des nachts echter +heb ik mij dikwijls aan haar geërgerd. Men moet ervaren hebben, wat +het zeggen wil, een dagreis in de woestijn achter den rug te hebben, +om te begrijpen, hoe zeer men dan naar rust verlangt. Van 's morgens +vroeg tot tegen den middag en van 's namiddags tot zonsondergang heeft +men op den rug van een weerbarstigen Kameel gezeten, de aanhoudend +droge lippen met den lauwwarmen, stinkenden inhoud van de waterzakken +bevochtigend, de kwellingen van den honger tot zwijgen brengend met +een weinig rijst, met moeite weerstand biedend aan de hitte van den +dag en met smachtend verlangen uitziend naar het nachtleger in het +zand: eindelijk wordt de plaats bepaald, waar het reisgezelschap +den nacht zal doorbrengen. De Kameelen worden ontladen; over een +ondiepe kuil in den grond, die door het afgraven van de bovenste +zandlaag verkregen is, wordt een tapijt gelegd: ieder stopt zich +een pijp en gaat zitten bij het hoogopvlammend vuur, dat intusschen +is aangestoken. Ieders gemoed verkeert in een behagelijke stemming; +zelfs de kok, die ons schraal avondmaal begint gereed te maken, neuriet +zijn eentonig lijfdeuntje. Plotseling wordt dit door een luiden vloek +afgebroken. "Wat is er aan de hand, jongen?"--"Dat Allah ze verderve, +haar en haar vader en haar gansche geslacht en ze verbanne naar den +diepsten afgrond der hel! Een Slang, Heer; maar zij braadt al in +'t vuur!"--Het geheele kamp komt in rep en roer; ieder wapent zich +met een tang, gaat zitten op een baal goederen of op een kist en +wacht hier de ongenoode bezoekers af. Daar komen ze aankruipen, +soms wel bij dozijnen. Wie had kunnen denken, dat er in den omtrek +zoovele Gehoornde Adders leven!--Voorzichtig gaat nu eens deze, dan +weer gene met een ijzeren tang in de hand het giftige gedierte na, +pakt het te rechter tijd in den nek en knijpt den tang stijf dicht, +opdat de buit hem niet zal ontkomen. Midden in het helder brandende +vuur werpt hij den vervloekten zoon der hel en bespiedt met boosaardig +genot zijn doodsstrijd. + +Waarmede de Gehoornde Adder te midden van de woestijn zich eigenlijk +voedt, is moeilijk te zeggen. Mogelijk maken op plaatsen, waar geen +Muizen zijn, Hagedissen haar voornaamste voedsel uit. Zeker weet men, +dat zij ook op Vogels jaagt. + +In de gevangenschap schikt de Gehoornde Adder zich even goed als een +van hare verwanten. Verbazend lang kan zij vasten: zonder bezwaar kan +zij een half jaar lang zonder voedsel blijven. In de kooi zoowel als +in de vrije natuur woelt zij, indien hiervoor gelegenheid bestaat, +haar geheele lichaam onder het zand, zoodat slechts de oogen, de beide +hoorntjes en misschien hier en daar nog eenige plaatsen van de ruglijn +zichtbaar blijven. Door eigenaardige, zijwaartsche bewegingen van de +ribben, door den romp afwisselend te verbreeden en samen te trekken +en bij elke verbreeding het zand op zijde te schuiven, bedelven zij +zich; deze bewegingen volgen echter zoo snel opeen, dat voor het in +den grond kruipen meestal niet meer dan 10, hoogstens 20 seconden +noodig zijn. Het is niet onwaarschijnlijk, dat kleine Vogels de maar +eventjes boven het zand uitstekende hoorntjes voor het uiteinde van +een Worm of van een larve aanzien en voor deze vergissing met hun +leven moeten boeten. + + + +Een andere in Egypte voorkomende Adder--de Efa (Echis carinata)--, +die tot het geslacht der Zandrateladders behoort, zou op het eerste +gezicht licht met den Cerastes verward kunnen worden: bij beide is +het lichaam betrekkelijk slank en vormen de schubben op de zijden van +den romp schuinsche, op het midden van den rug rechte reeksen. In +hoofdzaak stemt de Efa met de leden der beide vorige geslachten +overeen; zij verschilt van hen vooral door de bekleeding van de +onderzijde van den staart, die uit één reeks van schilden bestaat, +terwijl deze bij de overige Adders twee reeksen vormen. + +De Efa is een kleine, maar sierlijke Slang van hoogstens 60 cM. lengte +en een sterk varieerende zandkleur: op een meer of minder lichten, +bruingelen grond komen onregelmatige, donkerbruine of zwarte banden, +streepjes, stippels of andere teekeningen voor; de onderzijde +daarentegen is lichtgeel, effen of bruin gestippeld. Men heeft +deze soort aangetroffen in geheel Noord-Afrika, Palestina, Arabië, +Perzië, de Aralo-Kaspische steppen en Voor-Indië. Ook zij wordt door +de slangenbezweerders voor hunne vertooningen gebruikt. + +De Efa, hoe klein zij ook is, behoort tot de prikkelbaarste, +opvliegendste en gevaarlijkste Adders. In enkele provinciën van Indië, +vooral in Sind, schrijft men aan haar de meeste van de sterfgevallen +door slangenbeten toe; vooral de veldarbeiders hebben veel van haar +te lijden. Haar grootte in aanmerking genomen, is zij buitengewoon +driftig en strijdlustig; zelfs wanneer zij slechts op zelfverdediging +bedacht schijnt, is zij steeds geneigd om een tegenstander, hoe groot +en sterk deze ook moge zijn, hare giftanden te laten voelen. Door +proefnemingen is de krachtige werking van haar gif gebleken; een door +haar gebeten Hoen stierf na 4 minuten, een ander binnen ongeveer 2 +minuten, een Hond in 4 uren. + + + +De Groefkopadders (Crotalinae) hebben aan weerszijden van den snuit +tusschen de neusgaten en de oogen een diepe groeve, een blinden zak, +die zoomin met den neus als met de oogen in verbinding staat. Bovendien +onderscheiden deze Slangen zich van de Echte Adders door den slankeren +vorm van het lichaam en meestal ook door de grootere lengte van +den soms voor 't klimmen geschikten staart. De kop is eivormig of +stompdriehoekig, van achteren verbreed, duidelijk van den hals afgezet; +de neusgaten zijn aan de zijden van den snuit gelegen; de middelmatig +groote oogen hebben een vertikaal geplaatste, spleetvormige pupil. Het +schubbenkleed stemt in hoofdzaak met dat van de Echte Adders overeen. + +De Groefkopadders, waarvan men ongeveer 60 soorten kent, komen het +talrijkst voor in het Oostersche Rijk, ontbreken geheel zoowel in het +Ethiopische als in het Australische Rijk en worden in het Noordelijke +Rijk van de Oude Wereld slechts door weinige soorten vertegenwoordigd, +die Tartarye, Tibet, Noord-China, Japan en Formosa bewonen; een grooten +rijkdom van vormen ontwikkelt deze onderfamilie echter in de Nieuwe +Wereld, vooral in Noord-Amerika. + +De levenswijze van de Crotalinen komt in hoofdzaak overeen met die +van de Adders, hare naaste verwanten; evenals deze, zijn zij volslagen +nachtdieren, die den dag slapend of sluimerend doorbrengen en dan in +hare schuilplaatsen verborgen blijven, of vóór deze gaan liggen om +zich aan den weldadigen invloed der zonnestralen bloot te stellen; +het schijnt echter, dat zij, althans sommige van haar, minder traag +zijn dan de Echte Adders. Verscheidene soorten van Groefkopadders +klimmen; enkele, die aan haar groene kleur als boomdieren kenbaar zijn, +brengen haar leven in de twijgen door; andere zijn in 't zwemmen +bijna even bekwaam als de Zwemslangen en maken vooral op Visschen +jacht; de meeste echter verlaten den bodem niet en voeden zich met +allerlei kleine Zoogdieren en Vogels. Haar voortplantingswijze komt +volkomen overeen met die der Viperinen, daar ook bij haar de eieren +zich in het lichaam van de moeder zoover ontwikkelen, dat de jongen +onmiddellijk na het leggen de eischaal verbreken. + +Hoewel de Groefkopadders over het algemeen, wat gevaarlijkheid +en boosaardigheid betreft, wel niet veel boven de Echte Adders +zullen uitmunten, worden zij meer gevreesd dan alle overige Slangen; +werkelijk mag men hare giforganen het hoogst ontwikkeld achten. Het +gevaar, waarmede sommige den mensch bedreigen, moge overdreven +voorgesteld zijn, eenige, en wel vooral de vreeselijke Lanskopslang +en de Boschmeester, schijnen den schrik te rechtvaardigen, die door +haar naam verwekt wordt. + + + +De meest bekende Groefkopadders zijn de Ratelslangen (Crotalus); +van alle overige onderscheiden zij zich door het aanhangsel, dat zij +aan het einde van den staart dragen, den zoogenaamden "ratel", over +welks beteekenis men tevergeefs allerlei gissingen heeft gewaagd. Zij +bestaat uit een meer of minder groot aantal ineengeschoven, een weinig +samengedrukte, hoornachtige, holle kegels; iedere kegel vertoont +aan zijn buitenste oppervlakte drie verhevenheden, is met de spits +naar het staarteinde gericht en wordt gedeeltelijk overdekt door +den daarachter gelegen kegel, die zich aan twee der drie genoemde +verhevenheden vasthecht, doch er zoo los mede verbonden is, dat alle +kegels bewegelijk zijn en over elkander wrijven kunnen. Blijkbaar +is deze ratel een opperhuidsvorming, ongetwijfeld niets anders dan +een reeks van overblijfselen van vroegere vervellingen. Met zijn +ontwikkeling en groei was men tot voor korten tijd niet voldoende +bekend. Bij gevangen Ratelslangen, die men verscheidene jaren achtereen +heeft nagegaan, werd wel een vergrooting, maar geen vermeerdering +van het aantal leden van den ratel waargenomen; het blijkt dus, dat +het aantal leden jaren lang onveranderd kan blijven. De onderstelling +van eenige onderzoekers, dat bij de vervelling een nieuw lid gevormd +wordt, doordat de opperhuid van het vóór den ratel gelegen deel van +de buikzijde van den staart zich omkrult en niet afvalt, maar zich +naar de reeds aanwezige kegels vervormt, is in overeenstemming met +de waargenomen feiten; niet bij elke vervelling echter schijnen de +voorwaarden voor de vorming van een nieuw lid van den ratel aanwezig +te zijn. In allen gevalle zijn voor de ontwikkeling van den ratel +vele jaren noodig. 15 à 18 kegels aan één ratel behooren reeds tot de +groote zeldzaamheden; ook is het niet zeker, dat een dergelijk dier +dit aantal nog zal kunnen vergrooten. De meest samengestelde ratel, +die men heeft waargenomen, telde volgens A. Günther 21 leden. + +De overige eigenaardigheden van de Ratelslangen vallen veel minder in +'t oog. Haar kop is van boven en van voren met meer of minder talrijke, +groote schilden, overigens echter, evenals het geheele bovenzijde van +den romp, met langwerpig ruitvormige, gekielde schubben bedekt; de +onderzijde is met breede schilden bekleed, de hals (evenals bij alle +Adders) duidelijk begrensd, de romp is krachtig en (in vergelijking +met dien van andere Vergiftige Slangen) tamelijk slank, de giforganen +zeer ontwikkeld. + +De Ratelslangen komen uitsluitend voor in Noord- en Zuid-Amerika. Zij +bewonen bij voorkeur dorre, zandige, of steenachtige woestenijen, +vooral zulke, die met lage struiken begroeid zijn; hier houden zij +echter meer van de nabuurschap van waterstroomen dan van watervrije +plaatsen. + +Evenals bij de meeste van hare verwanten, is ook bij de Ratelslangen +het geven van een algemeen geldige beschrijving van een soort +moeielijk; daar de kleur en de teekening van hare leden buitengewoon +vele afwijkingen kunnen vertoonen. Ter onderscheiding van de soorten +let men daarom vooral op de schilden van den kop. + + + +De Noord-Amerikaansche Ratelslang (Crotalus durissus) heeft, behalve +de groote wenkbrauwschilden boven ieder oog, op het voorste gedeelte +van den snuit nog twee paar groote schilden, waartusschen kleinere +zijn ingeschoven. De grondkleur van de bovendeelen is dof grijsbruin; +de teekening bestaat soms uit drie rijen van groote, onregelmatige +vlekken, soms uit dwarsbanden, die van voren en van achteren hoekig +begrensd zijn en op den donker gekleurden staart onduidelijk worden; +de onderzijde is op geelachtig witten grond met kleine, zwarte +stippels geteekend. Zeer oude wijfjes bereiken, naar men zegt, +bijna 2 M. lengte; exemplaren van 1.6 M. behooren echter reeds tot +de zeldzaamheden. + +Het verbreidingsgebied van de Ratelslang strekt zich van de Golf van +Mexico noordwaarts tot 46° N.B. uit. Alleen in de westelijke Vereenigde +Staten reikt het zoo ver; volgens alle berichtgevers komt deze Slang +aan de oostzijde hoogstens tot bij het Champlain-meer voor. "Men mag +aannemen", zegt Geyer, "dat zij niet meer thuis behoort in streken, +waar wegens veelvuldige nachtvorsten gedurende den zomer geen maïs +verbouwd kan worden". + +Het liefst bewoont de Ratelslang gewesten, waar rotsachtige, zonnige of +in 't algemeen woeste terreinsverhoogingen aan vruchtbare, grasrijke +dalen, rivieren, beken of weiden met bronnen grenzen; alleen wanneer +een sterke dauw geregeld de uitgestrekte vlakte verfrischt, vindt +men haar in deze streken, anders niet. Voor weersveranderingen is +deze Slang zeer gevoelig: zij verandert daarom reeds in den loop +van den dag bijna ieder uur van verblijfplaats. Op den fraaien, +helderen morgen van een heeten dag baadt zij zich in den dauw en kiest +daarna een geschikt plekje uit op een pad of op een breeden steen +om zich door de zon te laten verwarmen of drogen. Later, gedurende +de middaghitte, zoekt zij droge, beschaduwde plaatsen op, waar zij +rustig kan liggen, maar verwijdert zich ook dan niet ver van het +door de zon beschenen terrein. Als het verscheidene nachten achtereen +niet gedauwd heeft, vindt men haar dikwijls aan den rand van poelen +en stroomen; doch alleen als zij aan 't jagen is, begeeft zij zich +werkelijk te water. Voor regen is zij zeer gevoelig. Hare woningen zijn +verschillend, al naar zij zich in bebouwde streken of in wildernissen +ophoudt. Hier woont zij gezellig in zoogenaamde "herbergen", daar +steeds afzonderlijk; hier neemt zij holen van andere dieren in bezit, +daar behelpt zij zich met schuilhoeken. De holen, waarvan zij gebruik +maakt, worden gegraven door Prairiehonden, Aardeekhoornen, Ratten, +Muizen en zelfs door Oeverzwaluwen, hoewel de laatstgenoemde voor de +groote Reptiliën bijna ontoegankelijk schijnen te zijn. De Ratelslang, +kan echter met de stevige schubben van kop en romp zeer gemakkelijk +in de vaste aarde of in losse zandsteen boren, als hierin reeds een +gang aanwezig is, die eenvoudig verwijd moet worden. + +In de nabijheid van door menschen bewoonde oorden vindt men haar zelden +of nooit in grooten getale, tenzij gedurende den paartijd, in het +einde van April of het begin van Mei. Hier houdt zij zich op in spleten +en kloven van rotsen, in muren en onder gebouwen, in holle boomen en +onder platte steenen, in houtmijten en in takkebossen; zelfs vindt men +haar onder den vloer van woningen, in de schuilplaatsen van Ratten en +Muizen. Waarschijnlijk hangt de keuze van haar winterkwartier, evenals +bij andere Slangen, zeer dikwijls van toevallige omstandigheden +af. Het dier, dat door een warmen Octoberdag nog eens uit zijn +"herberg" gelokt en door de plotseling invallende koude verrast wordt, +ziet zich genoopt, de schuilplaats, die het naast bij de hand is, als +winterbed te gebruiken; daarom vindt men in de prairiën dikwijls onder +enkele steenen in 't open veld Ratelslangen, die hier met gevulde maag +den winter willen doorbrengen. Haar winterslaap gelijkt volkomen op +dien van andere Reptiliën, met dit verschil, dat deze, indien zulks +mogelijk is, een droge, afgesloten plaats tot winterkwartier kiezen. + +De meeste onderzoekers noemen de Ratelslang buitengewoon traag en +langzaam van beweging; Palissot de Beauvois zegt zelfs, dat zij minder +kwaadaardig is dan de meeste andere Slangen, nooit uit eigen beweging +een dier aanvalt, dat zij niet als voedsel noodig heeft, en nooit bijt, +tenzij men haar opgeschrikt of aangeraakt heeft. "Dikwijls ben ik +haar op een afstand van slechts weinige centimeters voorbijgegaan, +zonder dat zij de geringste neiging toonde om mij te bijten. Ik +werd haar aanwezigheid steeds vooraf gewaar door het geluid van haar +ratel. Terwijl ik mij zonder haast verwijderde, verroerde zij zich niet +en liet mij den tijd een stok af te snijden om haar te dooden". Dit +bericht is slechts voorwaardelijk juist, daar het betrekking heeft op +de houding van de Slang gedurende haar rusttijd; als zij werkelijk +wakker is, gedraagt zij zich anders. "De Ratelslang", zegt Geyer, +"beweegt zich snel, zonder zich zeer te vermoeien, te krommen of +te buigen; hierdoor schijnt haar beweging langzamer dan deze blijkt +te zijn, wanneer men let op den weg, dien zij in een bepaalden tijd +aflegt. Op haar prooi werpt zij zich met toenemende snelheid, zoodat +deze ten slotte op die van een Vogel gelijkt. Zoo zag ik eens bij +een boerderij in Missouri een Ratelslang uit een boom naar beneden +schieten, een jong Hoen bij den vleugel grijpen en zoo snel naar een +kale rotspunt dragen, dat ik haar nauwelijks volgen kon. Een gemikte +steenworp bracht haar tot stilstand: zij kronkelde zich om haar +slachtoffer en liet het met den bek los, maar beet het, toen ik mij +stil hield, in den kop. Ten tweeden male door een steen getroffen, +liet zij haar buit nogmaals los, vatte hem vervolgens weer bij den +vleugel en hief hem tamelijk hoog op, als 't ware om zich te vermaken +met zijn doodsangst. Weldra toonde zij neiging om verder te gaan, +werd goed geraakt door een steen, liet het halfdoode Hoen varen en +kronkelde zich ineen om haar vijand het hoofd te bieden. Toen doodde +ik haar". Audubon's beschrijving stemt met dit bericht overeen en maakt +ook melding van de geschiktheid van de Ratelslang om te klimmen. Liever +nog dan in de boomen, begeeft zij zich te water, hoewel zij de +gelegenheid hiervoor waarschijnlijk niet zoekt. Dat zij soms over +meren of rivieren zwemt en zich in 't water zeer snel beweegt, werd +reeds veel vroeger door Kalm opgemerkt. "Zij ziet er dan als 't ware +opgeblazen uit en drijft ook als een blaas op den waterspiegel. Het +is niet raadzaam haar hier aan te vallen, daar de ervaring leert, +dat zij geneigd is om plotseling in het vaartuig te springen". + +Het voedsel van de Ratelslang bestaat uit kleine Zoogdieren, Vogels +en Amphibiën, vooral Vorschen. Of zij werkelijk soms een door haar +gegrepen dier omstrengelt en het zonder te bijten op gelijke wijze +als een niet-vergiftige Slang dooddrukt, of integendeel, na het +bijten altijd rustig de uitwerking van haar gif afwacht, durf ik +niet beslissen; het laatste acht ik echter het waarschijnlijkst. Men +zegt, dat zij na een overvloedig maal een buitengewoon sterke, +onaangename lucht verbreidt, die niet slechts voor dieren met fijn +bewerktuigd reukorgaan, maar ook voor den mensch duidelijk waarneembaar +is. Verscheidene onderzoekers ontkennen dit, door anderen wordt het ten +stelligste bevestigd. Dat er iets van waar moet zijn, kan men afleiden +uit het feit, dat dieren met de aanwezigheid van Ratelslangen bekend +worden, zonder ze te kunnen zien; Paarden b.v. worden plotseling +schichtig en springen op zij, wanneer zij zulk een Slang op een +afstand van verscheidene schreden voorbijgaan. + +In het begin van de lente komen de Ratelslangen, na van huid gewisseld +te hebben, schitterend met hare levendigste kleuren, levenslustig en +met gloeiende oogen, uit hare winterkwartieren te voorschijn. Mannetjes +en wijfjes zwerven over de opene, zonnige plekken van het bosch rond; +bij een ontmoeting omstrengelen zij elkander en vormen griezelige +kluwens, die uit 20, 30 of meer Slangen bestaan. De koppen zijn in +alle richtingen naar buiten gekeerd, de kaken opengesperd, een luid +gesis en geratel weerklinkt. In deze houding blijven zij verscheidene +dagen op dezelfde plaats.--De eieren worden in Augustus gelegd, +weinige minuten daarna verbreken de jongen de hen omhullende schaal, +zonder dat de moeder zich verder om haar kroost bekommert. "Slechts +éénmaal", schrijft Geyer, "was ik in de gelegenheid om het uitkomen van +jonge Ratelslangen waar te nemen. In de maand Augustus bij een bezoek +aan een verlaten Mormonen-kolonie aan den Missouri zag ik een oude +Ratelslang zich koesteren in de zon vóór den ingang van een hut. Bij +mijn komst kroop zij onder den drempel, waar ik een kleine Ratelslang +van ongeveer 15 cM. lengte opmerkte. Ik stiet met een stok onder +den drempel, hoorde, hoe het oude dier zich ratelend verwijderde, +maar zag verscheidene jongen en vond, nadat ik den drempel, een +groot blok hout, had weggewenteld, ongeveer 40 eieren tusschen eenige +steenen in den drogen grond; vele daarvan waren reeds door de jongen +verlaten. De eieren waren verschillend van vorm, iets kleiner dan +die van Duiven en vaal van kleur. De pas geboren Slangetjes toonden +reeds een opmerkelijken lust tot bijten. Dat de Ratelslang in tijd +van gevaar hare jongen in den bek neemt, is stellig een fabel; hier +zou zij reden gehad hebben om haar kroost op deze wijze te beschermen; +zij deed het niet, maar vluchtte". + +"De ergste vijand van de Ratelslangen is een zeer strenge winter, +vooral wanneer deze vroeg en plotseling invalt. Uitgestrekte +overstroomingen gedurende het voorjaar zijn voor haar niet minder +nadeelig, zoo ook bosch- en steppenbranden. Het is wel eens gebeurd, +dat geheele districten door strenge winters, overstroomingen of brand +verlost zijn geraakt van de Ratelslangen, die zich hier vroeger in +grooten getale ophielden". Volgens vele berichten, ook uit lateren +tijd, zijn de Zwijnen in dezelfde richting werkzaam. "Zoodra een Zwijn +een Slang ziet", bericht Brown, "schiet het er luid knorrend op toe, +zet haar, nog voordat zij heeft kunnen bijten, een poot op den nek, +stampt met de overige pooten en vreet het verpletterde dier op. De +Indianen zijn met de vijandschap tusschen de Zwijnen en de Slangen +zeer goed bekend; meer dan eens heb ik een Indiaansche vrouw bij de +kolonisten om een stuk versch varkensvleesch hooren vragen, dat zij +zich bij het bessenplukken om de hand wilde binden, om zich tegen de +beten van Ratelslangen te beveiligen. Het zou zelfs kunnen zijn, dat +de dikke speklaag het Zwijn tegen het doordringen van het gif in het +bloed behoedt". Een beter beschuttingsmiddel acht Pechuel-Loesche de +slijkkorst, waarmede het Zwijn zich bij het wentelen in modderpoelen +bedekt en de door vuil en hars aaneenklevende borstels, die de huid als +'t ware met een pantser voorzien. Wanneer evenwel het dier werkelijk +krachtig genoeg gebeten wordt, sterft het. + +Volgens Geyer hebben de Wezels, Opossums en Dassen ten onrechte den +naam van Ratelslangen-verdelgers gekregen. "Niet minder onbetrouwbaar +zijn de verhalen over de jacht, die de Roofvogels op Ratelslangen +maken. Behalve de Buizerd of de Gier zijn de Roofvogels te zwak om +met goed gevolg dezen strijd te voeren. Een Valk met gaffelstaart, +die een ijverig vervolger van Ratelslangen heet te zijn, trof +ik veelvuldig aan op plaatsen, waar ik zelden een Ratelslang +zag; het is echter wel mogelijk, dat deze Vogel jonge Slangen +verslindt. Zeer vele Ratelslangen worden op de landwegen gedood, +zoowel toevallig als opzettelijk. Zij komen hier om zich in de +zon te koesteren, gaan in het wagenspoor liggen en worden onder de +wielen verpletterd. Ieder geeft zich gaarne de moeite van het paard +te stappen om het aantal dezer leelijke dieren te verminderen. In +hun nabijheid heb ik een zekere huivering nooit kunnen overwinnen, +hoewel ik dikwijls Ratelslangen ontmoet en er vele gedood heb, +slechts éénmaal, n.l. in de punt van den schoen, gebeten en dus nooit +gewond werd. Wie in Amerika voor een Ratelslang uit den weg gaat, +doet dit slechts met de bedoeling om een steen of een stok te zoeken +om haar te dooden. Zij wordt dus niet zeer gevreesd; zelfs kleine +knapen gaan haar te lijf. Deze onophoudelijke vervolging heeft haar +doel niet gemist; in de bewoonde gewesten van Noord-Amerika behooren +Ratelslangen tot de zeldzaamheden." Volgens Castelnau worden in alle +gewesten, die men in kultuur wil brengen, vooraf groote klopjachten +gehouden om er de Ratelslangen zooveel mogelijk uit te roeien. Bij +een dergelijke jacht werden, naar dezelfde reiziger bericht, in de +buurt van het Georges-meer op één dag 400 exemplaren gedood. Volgens +Geyer schuwen de aasetende dieren het lijk van de Ratelslang, met +uitzondering van een soort van Kevers. Onder de blanke bewoners van +Amerika vindt men enkele waaghalzen, die Ratelslangen met de bloote +hand aanvatten. Een zoon van den beroemden generaal Clarke, die deel +uitmaakte van de karavaan, waarmede Geyer het Rotsgebergte bezocht, +had steeds zijne zakken vol met ratels. Zoodra hij een Ratelslang zag, +liep hij haar na, zette haar den linkervoet op den kop, rukte haar +met de rechterhand den ratel af en liet haar vervolgens los; toch +werd hij nooit gebeten. Meer ontzag hebben de inboorlingen voor de +Ratelslang. De Sioux, Dacotas of Nadowessiërs dooden haar niet, maar +roemen haar list en beschouwen een ontmoeting met haar als een gunstig +voorteeken. Wegens deze slangenvereering hebben hunne erfvijanden hun +den naam "Naddowessjoe" gegeven, die Ratelslang beteekent. De naam +Sioux is eenvoudig de laatste lettergreep van dit woord. Bij geen der +andere Indianenstammen komt de bedoelde religieuse slangenvereering +voor, ook niet bij de Slangenindianen of Sjosjonen. + +Vele dieren kennen en vreezen de Ratelslang. De Paarden en Runderen +schuwen haar en vluchten, zoodra zij haar opmerken; de Honden houden +haar staande, maar blijven op een eerbiedigen afstand; Vogels laten +een luid angstgeschreeuw hooren, zoodra zij haar opmerken. + +Verscheidene waarnemers hebben beweerd, dat de Ratelslang steeds +gewoon is te ratelen, voordat zij bijt; dit is echter niet geheel +juist. "Bij het langzaam kruipende dier," zegt Geyer, "sleept de +ratel over den grond; de vluchtende Slang heft het uiteinde van +den staart op, maar maakt aanhoudend hetzelfde ratelende geluid +als vroeger; alleen als zij haar prooi vervolgt, hoort men hiervan +niets. Het ratelen klinkt als het gedruisch, dat een scharenslijper +voortbrengt en heeft een merkwaardige overeenkomst met het rammelen +van de zaden der wikke-peulen in het korenveld. In de prairieën +langs den bovenloop van de Missouri leven kleine Sprinkhanen, die +bij het wegvliegen hetzelfde gedruisch veroorzaken. De Ratelslang +waarschuwt niet altijd, maar alleen, wanneer zij verschrikt wordt, of +zich bedreigd acht. Zeer dikwijls zag ik zulk een dier liggen op een +plaats, vanwaar ik een oogenblik te voren slechts 10 cM. verwijderd +was." Voor zoover wij kunnen nagaan, is het ratelen eenvoudig een +bewijs van vermeerderde opgewektheid, die zich ook bij andere Slangen +door een hevige beweging van de spits van den staart verraadt. + +De beet van de Ratelslang is altijd zeer gevaarlijk, omdat de +buitengewoon groote tanden zoo scherp zijn als naalden en ook door een +dichte bekleeding of een dik vel kunnen heendringen. "Zij bijt," zegt +Geyer, "met een kracht, die men bij haar niet vermoed zou hebben." De +werkingen van het gif openbaren zich op zeer verschillende wijzen, +al naar de Ratelslang meer of minder opgewonden is. Bij vochtig, +koel weder wordt de beet minder gevaarlijk geacht; als zeer vergiftig +beschouwt men den beet van dieren, die pas hunne winterkwartieren +verlaten hebben, en de wonde, die zij gedurende de hitte in Augustus +toebrengen. In dezen tijd is men nergens veilig voor de Ratelslang; +zij verkeert dan in de grootste opgewondenheid, is strijdlustig en +laat dikwijls reeds op een afstand van verscheidene schreden haar +geratel hooren. + +Volgens sommigen verdient in gevallen van vergiftiging door een +Ratelslang het gebruik van groote hoeveelheden brandewijn of andere +sterk alcoholische dranken aanbeveling. "Op een avond van de maand +September van het jaar 1820," verhaalt Mayrand, "trok een luid +geschreeuw van een vrouw mijn aandacht; eenige minuten later werd ik +geroepen en vernam, dat de slaaf Essex door een Ratelslang gebeten +was en op sterven lag. Ik vond hem beweging- en sprakeloos; zijne +kaken waren gesloten, de pols sloeg onregelmatig en was nauwelijks +merkbaar. Menschelijkheid en eigenbelang noopten mij al het mogelijke +te doen tot redding van den patiënt. Ik had de gunstige werking van +alcoholische dranken hooren roemen en besloot de sterkste opwekkende +middelen, die ik bezat, aan te wenden, mengde daarom een theelepel +vol fijngestooten Spaansche peper met een glas brandewijn, liet de +kaken openhouden en goot den zieke dit mengsel in. De eerste dosis +en ook drie of vier van de volgende porties werden uitgebraakt; het +vijfde glas eindelijk bleef in de maag. De polsslag werd krachtiger, +nadat ik 5 of 6 glazen gepeperden brandewijn had ingegeven, maar +verminderde schielijk weder; ik begon daarom opnieuw brandewijn met +peper in te gieten. Hoewel ik nu vreesde, dat de groote hoeveelheid +opwekkende middelen doodelijke gevolgen kon hebben, moest ik er toch +mede voortgaan, omdat de pols spoedig weer zwakker werd, zoodra ik +het ingieten naliet. Nadat de zieke meer dan een liter brandewijn met +peper had verzwolgen, sprak hij met zijne landslieden; het ingeven +van het middel werd voortgezet, met dit gevolg, dat de gewonde +na 2 uren zoozeer versterkt was, dat ik hem aan eenige oppassers +kon overlaten. Den volgenden morgen was de toestand aanmerkelijk +verbeterd; toch was de patiënt nog buitengewoon slap. Ik gaf hem nu +ieder uur een matige dosis geest van hertshoorn in en ook versterkende +voedingsmiddelen. Gedurende den nacht werden 3 liter brandewijn +verbruikt; ongeveer een van deze werd echter vermorst. Een groot +stuk van het vleesch onder de kaken werd vurig en viel af, rondom de +wonde ging een stuk iets kleiner dan een rijksdaalder verloren; de +genezing, ondersteund door pappen en wasschingen met een afkooksel van +de schors van den rooden eik, volgde nu echter spoedig." Welk aandeel +in dit en dergelijke gevallen de alcohol aan de genezing heeft gehad, +moeten wij in 't midden laten. Indien werkelijk de alcohol zulk een +doeltreffend middel tegen slangenbeten is, als vroeger werd beweerd, +zouden de onderzoekers uit lateren tijd, welker meeningen reeds zijn +medegedeeld, een gemakkelijker taak hebben gehad, dan, blijkens hunne +ervaringen, het geval is geweest. + +De Ratelslangen kunnen bij eenigszins doelmatige verzorging zeer goed +gevangen gehouden worden: van sommige is het bekend, dat zij 10 à 12 +jaar in de kooi in 't leven zijn gebleven. Aanvankelijk verkeeren zij, +evenals hare verwanten, bijna voortdurend in geprikkelden toestand; +langzamerhand vermindert haar boosaardigheid; ten slotte leeren zij +haar oppasser werkelijk als een verzorger kennen, bijten althans +niet meer zoo onzinnig als vroeger naar hem en naar de menschen, +die bij haar hok komen. Met hare soortgenooten kan zij goed overweg. + +Ook op Ratelslangen hebben de dierentemmers hunne kunsten +beproefd. Volgens een zekeren Neale is muziek een middel om deze +dieren te beheerschen; een zachte melodie zou voldoende zijn om de +weerbarstigste exemplaren te kalmeeren. Naar men zegt, heeft deze +man herhaaldelijk voorstellingen met werkelijk getemde Ratelslangen +gegeven. Hij kon ze als touwen om zijn hals slingeren, ze kussen, +ze den bek openen om de giftanden te laten zien, enz. Voor de +juistheid van deze berichten kunnen wij niet instaan. Dat de omgang +met Vergiftige Slangen altijd hoogst gevaarlijk blijft, leert de +geschiedenis van nagenoeg alle dierentemmers, die met dergelijke +dieren "werken"; de eene vroeger, de andere later begaat een +onvoorzichtigheid, waarvoor hij met zijn leven boet. + + + +Van de zes bekende soorten van Ratelslangen behooren vier tot de +noordelijke helft van Amerika, slechts één van deze komt ook ten +zuiden van de landengte van Panama voor. Reeds in het zuiden van de +Vereenigde Staten wordt, behalve de reeds genoemde gewone soort, +de Ruiten- of Diamantratelslang (Crotalus adamanteus) gevonden; +verder zuidwaarts, in Midden-Amerika grenst haar verbreidingsgebied +aan dat van de Cascavella (Crotalus horridus), de eenige soort die +tot dusver in Zuid-Amerika werd aangetroffen. + +De Cascavella, door de Brazilianen zoo genoemd, gelijkt op haar +Noord-Amerikaansche verwanten door den vorm en de rangschikking +van de schilden op den kop, met dit verschil, dat de 4 schilden +van het voorste deel van den snuit zich tot het midden van den kop +uitstrekken en elkander hier aanraken. Twee breede, donkerbruine +of zwarte, evenwijdige, overlangsche strepen, die ieder boven een +oog beginnen, loopen over den kop en den hals; de onderdeelen zijn +eenvoudig geelachtig wit. In afmetingen stemt de Cascavella met de +Gewone Ratelslang overeen. + +"De Cascavella," zegt de Prins Von Wied, "is over het grootste deel van +Zuid-Amerika verbreid, bewoont het geheele binnenland van Brazilië, +wordt in Minas Geraës aangetroffen en komt verder noordwaarts tot in +Guyana en aan den Amazonen-stroom voor." Door andere onderzoekers +weten wij, dat zij ook in 't zuiden niet ontbreekt en o. a. in Rio +Grande do Sul en in de La-Plata-Staten leeft. "In de zeer vochtige +kustwouden schijnt zij zich niet op te houden; haar gebied begint +verder binnenwaarts, in de droge, meer steenachtige gewesten van +den sertong op ruige weiden, op nog niet ontgonnen landerijen, in +doornachtige, rotsachtige, droge en heete kreupelhoutbosschen, enz." In +Guyana bewoont zij de savanne en de hier voorkomende ijlere en minder +hoog opschietende kreupelbosschen, tot op een hoogte van 2000 M., +doch ontbreekt, evenals in Brazilië, in de dichte wouden van de kust. + +Over dag ontmoet men de Cascavella uitsluitend in rustenden +toestand. Zij blijft tot een schijf ineengerold, traag op dezelfde +plaats liggen en bijt alleen naar menschen of dieren, die in haar +onmiddellijke nabijheid komen. Dikwijls verliest een veefokker door +haar verscheidene dieren op één dag; alle worden op een bepaald +gedeelte van het pad of van de weide gebeten; naar de bewerkster +van dit onheil zoekend, vindt men de gevaarlijke Slang nog steeds +op dezelfde plaats. Wanneer men niet toevallig te dicht bij haar +komt of haar op een afstand van eenige schreden opmerkt, heeft men +niets te vreezen; want kort voordat zij bijten wil, brengt zij door +beweging van den staart het bekende, maar volstrekt niet luide en +daarom niet ver hoorbare geluid voort. Toch kan de grootst mogelijke +omzichtigheid niet altijd verhoeden, dat men te dicht bij zulk een +dier komt en in den voet gebeten wordt. Dit ondervonden niet slechts +blanken, maar ook inboorlingen, hoewel dezen niet licht iets ontgaat, +wat tot waarschuwing zou kunnen dienen. + +Het voedsel van de Cascavella bestaat hoofdzakelijk uit kleine +Zoogdieren, in zuidelijke gewesten uitsluitend uit kleine Halfhoevige +Knaagdieren; bovendien maakt zij jacht op alle Vogels, die zij meent +te kunnen verschalken. Haar voortplanting verschilt waarschijnlijk +niet van die harer verwanten. + +De gevolgen van haar beet kan men door het volgende bericht van +Schomburgk leeren kennen: "De zon naderde reeds tot de kim en nog was +Essetamaipoe niet teruggekeerd. Dit viel ons niet eerder op, dan toen +wij een anderen Indiaan met den meesten spoed over den heuvel naar ons +toe zagen komen: het zekerste teeken van een belangrijke nieuwstijding +of van een ongeluk, daar de Indianen zich in den regel met afgemeten +schreden naar een dorp begeven. De Indiaan had Essetamaipoe, door +een Slang gebeten, bewusteloos in de savanne gevonden. Met alle +beschikbare hulpmiddelen voorzien, snelden wij naar de plaats, waar +de ongelukkige lag. Een wonde boven den enkel van den rechtervoet, +die met een mes op een werkelijk vreeselijke wijze uitgesneden en +met een lap verbonden was, wees ons de plaats aan, waar de Slang haar +beet had toegebracht. Het been was opgezwollen en de hevigste krampen +schokten het geheele lichaam van den bewusteloozen lijder, die bijna +onkenbaar was wegens de verandering die de gelaatstrekken door de +krampen hadden ondergaan. Terwijl de arme Essetamaipoe door de savanne +ging, had hij op een Ratelslang getrapt, had haar uit wraakzucht +gedood en daarna eerst met echt Indiaansche ongevoeligheid voor +pijn de wonde uitgesneden en verbonden. Nadat dit op de hooggelegen +savanna was voorgevallen, had hij zich nog met moeite voortgesleept +tot in de nabijheid van het pad, waar hij meer kans had om gevonden te +worden en was hier bewusteloos neergezonken. Naar het gestolde bloed +te oordeelen, moest de verwonding reeds verscheidene uren geleden +plaats gehad hebben; het uitzuigen en uitbranden van de wonde kon +dus niets meer baten; daarom waschten wij haar eenvoudig met ammonia +uit en goten dit middel met water verdund den bewusteloozen patiënt +in. Dit hielp, naar het scheen. Het bewustzijn keerde terug en de +zieke, die over pijn in de borst en in de okselstreek en ook over +scheuten in de ledematen en in den rug klaagde, werd in zijn hangmat +naar Pirera vervoerd. Verscheidene dagen lang bleef het been tot aan +het heupgewricht gezwollen tot een vormelooze massa, die geheel stijf +was; tevens ondervond de lijder bij de geringste beweging ondragelijke +pijnen. Na 3 weken had een warme, verweekende pap van kawassa-brood +niet slechts de zwelling, maar ook de lijkachtige uitdrukking van het +gelaat en de pijnen verdreven; 5 weken later sloot zich de wonde en +kon de zieke den voet weer gebruiken." + +Het is waarschijnlijk, dat sommige soorten van Marters en de als +slangenjagers bekende Roof- en Moerasvogels het leven van menige +Cascavella verkorten, daar zelfs Huiskatten met goed gevolg strijd +met haar voeren. De mensch doodt de Ratelslangen, waar hij ze ook +vindt, zonder ze verder te gebruiken. Geen enkele Zuid-Amerikaan, +niet eens de wilde Indiaan, eet slangenvleesch. De ratel wordt echter +niet weggeworpen, maar integendeel dikwijls voor een goeden prijs +verkocht, daar men hem als een middel tot genezing van velerlei +ziekten beschouwt. + +In Zuid-Amerika scheppen alleen de Negers behagen in het houden +van Vergiftige Slangen. "De kunst om zulke Slangen te temmen," +zegt Schomburgk, "schijnen de Negers uit hun vaderland medegenomen +te hebben; niet zelden komt het voor, dat Ratelslangen, die hare +giftanden behouden hebben, door hen zoo goed afgericht zijn, dat +zij ze zonder gevaar om den arm slingeren en met haar op den meest +vriendschappelijken voet verkeeren kunnen." + + + +"Stomme Ratelslang" (Crotalus mutus) noemde Linnaeus een van de +vreeselijkste Groefkopadders van Zuid-Amerika, den Boschmeester +van de Nederlandsche kolonisten van Guyana, den Soeroekoekoe der +Brazilianen. Dit dier komt in de meeste opzichten met de Ratelslangen +overeen, doch heeft over het midden van de rugzijde een kielvormige +lijst, terwijl tevens de staart niet in een ratel eindigt, maar aan +de onderzijde 10 à 12 dwarsrijen van kleine, stekelvormige schubben +en aan de spits een doorn draagt. Op grond van deze eigenaardigheden +wordt de bedoelde Slang als vertegenwoordigster van een afzonderlijk +geslacht, dat der Lachesis-slangen (Lachesis) beschouwd. + +De Boschmeester (Lachesis muta, L. rhombeata) bereikt een lengte +van 2.5 (volgens A. Kappler zelfs van 4) M. en is van boven op +roodachtig gelen grond geteekend met een overlangsche reeks van groote, +zwartbruine ruiten, die ieder twee kleinere, lichtere vlekken bevatten; +de onderzijde is bleek geelachtig wit met porseleinachtigen glans. De +kleur van den rug wordt op den hals donkerder; de teekening gaat op +den kop in onregelmatige vlekken van zwartbruine kleur over. Van het +oog tot aan den mondhoek loopt een breede, zwarte, overlangsche streep +op lichteren grond. + +"Indien de Boschmeester veelvuldiger was dan hij is, en niet beperkt +bleef tot de wouden der bergstreken, waar hij over dag op den grond +ineengerold ligt, zou de reiziger," zegt Schomburgk, "geen stap kunnen +doen, zonder in doodsgevaar te verkeeren. Wel verre van, gelijk hare +verwanten, voor den mensch te vluchten, wacht deze Slang, volgens +de overeenstemmende berichten der Indianen, den naderenden reiziger +rustig af en schiet ter rechter tijd pijlsnel op hem toe. Zij is zonder +eenigen twijfel de vergiftigste en gevaarlijkste van alle in Guyana +voorkomende Groefkopadders; men zegt, dat haar beet steeds doodelijk +is." Alle overige onderzoekers zijn dezelfde meening toegedaan en +verzekeren, dat de Boschmeester veel meer gevreesd wordt dan de +Ratelslang. + +"In Noord- en Middel-Brazilië," zegt de Prins Von Wied, "wordt deze +Slang overal gevonden. Zij is groot, fraai geteekend, bereikt, naar +men bericht, de dikte van een mansdij en houdt zich bij voorkeur op in +koele, schaduwrijke wouden, waar men haar gewoonlijk ineengerold op den +bodem ziet liggen. Zij klimt niet in boomen. Haar levenswijze en hare +gewoonten gelijken, naar het schijnt, veel op die van de Ratelslang. De +grootte en dikte van haar lichaam en hare voortreffelijke wapens +stellen haar in staat een tamelijk groot dier te overmeesteren. Men +zegt, dat haar beet zeer schielijk den dood veroorzaakt. Bij Rio de +Janeiro stierf een Neger na 6, een andere na 12 uur aan de gevolgen van +zulk een verwonding. Een van de vergiftigingsverschijnselen schijnt te +zijn, dat het bloed den lijder uit mond, neus en ooren vloeit. Naar men +verhaalt, komt genezing dikwijls voor, wanneer de behandeling spoedig +plaats heeft; het is echter moeielijk in deze berichten waarheid van +leugen te onderscheiden, daar hierover tal van fabels in omloop zijn." + +Een merkwaardig geval van vergiftiging wordt door Schomburgk +medegedeeld: "Gedurende mijn eerste verblijf te Bartika-Grove vond ik +daar een kleurling, wiens zoon eenige weken vóór mijn aankomst door den +verraderlijken Boschmeester in den linker wang was gebeten. De vader, +die zijn zoon in bewusteloozen toestand vond en de wonde uitgezogen +had, gevoelde reeds na verloop van een kwartier een onlijdelijke pijn; +zijn hoofd zwol op tot een wanstaltige grootte; duidelijk vertoonden +zich verschijnselen van vergiftiging, die, naar het bleek, een gevolg +was van het binnendringen van een deel van het uitgezogen gif in een +holle kies. De knaap stierf en de vader was, toen ik nogmaals zijn +woonplaats bezocht, nog steeds niet genezen." + +"De Indianen en Negers," zegt de Prins Von Wied ten slotte, "eten +soms het vleesch van de Soeroekoekoe, nadat zij hem snel den kop +afgehouwen hebben. Gewoonlijk waagt men een geweerschot aan deze Slang, +wanneer men haar ontmoet; daar zij wegens haar grootte en gevaarlijke +eigenschappen zeer gevreesd en gehaat wordt, doodt men haar te allen +tijde en overal. Soms wordt zij in slagvallen gevangen en blijft dan +gewoonlijk lang in 't leven." + +Levend wordt de Boschmeester slechts zelden naar Europa gebracht. + + + +Het geslacht der Driehoekskoppen (Ancistrodon) omvat Groefkopadders +zonder ratel, met een driehoekigen kop, een langen romp, die met +gekielde schubben bekleed is, en een zeer korten staart, die als +klimorgaan geen dienst kan doen. + + + +Een van de meest bekende en verst verbreide Noord-Amerikaansche soorten +van dit geslacht is de Mokassinslang [Ancistrodon (Trigonocephalus) +contortrix]. Haar lengte bedraagt ongeveer 1 M. De grondkleur van de +bovendeelen is fraai koperbruin; de teekening bestaat uit ongeveer +16 roodachtig bruine, donkerder gezoomde dwarsbanden over den rug; +deze hebben aanleiding gegeven tot den naam der Slang, omdat zij aan +een "mokassin" (lederen kous) herinneren, Tusschen deze dwarsbanden +komen onregelmatige vlekken op de grondkleur voor. De buikschilden zijn +bleek koperrood en aan de zijden met groote vlekken geteekend. Op den +kop ziet men een breeden band, die zich van de spits van den snuit +tot aan den mondhoek uitstrekt. + +Het verbreidingsgebied van de Mokassinslang strekt zich uit van +den 45en graad N.B. tot aan het zuidelijkste deel van de oostelijke +Vereenigde Staten. Hare verblijfplaatsen zijn moerassige streken, +vooral uitgestrekte, met hoog gras begroeide weidegronden; haar voedsel +bestaat uit Veldmuizen, Vogels en waarschijnlijk ook Vorschen. Hoewel +haar beet ongeveer even veel gevaar oplevert als die van de Ratelslang, +wordt zij wegens hare vluggere bewegingen door de Amerikanen veel +meer gevreesd. + + + +Nauwkeuriger berichten dan over de Mokassinslang heeft men over haar +naaste verwante, de Wateradder of de Waterlanskopslang [Ancistrodon +(Trigonocephalus) piscivorus], die eveneens Noord-Amerika bewoont +en hier uitsluitend in moerassen en broeklanden, bij rivieren en +meren leeft. Ook zij is een groote Gifslang, daar haar lengte soms +1.5 M. bedraagt. Van de Mokassinslang onderscheidt zij zich door de +twee gladde schildjes, die achter de groote achterhoofdsschilden +voorkomen. Haar kleur varieert sterk. De teekening van de meeste +Wateradders bestaat uit meer of minder regelmatig gerangschikte, +donkere banden op glanzig groenachtig grijzen grond en gelijkt over +'t geheel genomen op die van de vorige soort. Hare schuilplaatsen zijn +te vinden op de oevers en eilanden of eilandjes van meren, broeklanden, +moerassen, vijvers, rivieren en beken; op droog, dor land ontmoet men +haar niet. Des zomers liggen zij dikwijls in grooten getale op twijgen, +die boven het water uitsteken; zoodra haar een werkelijk of denkbeeldig +gevaar bedreigt, laten zij zich in het water vallen en zwemmen vlug +en haastig weg. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Visschen en +Amphibiën; zij verschoonen echter ook geen Zoogdieren en Vogels, +kortom geen Gewerveld Dier, tenzij het te groot is om verzwolgen +te worden. Deze Slangen zijn de schrik van de negers en van allen, +die zich met het verbouwen van rijst bezig houden; zij worden veel +meer gevreesd dan de Ratelslangen, die, naar men zegt, niet bijten, +tenzij haar gramschap wordt gewekt, terwijl de Wateradders daarentegen +zonder vooraf getergd te zijn, op ieder levend wezen, dat haar nadert, +aanvallen en het trachten te vergiftigen. Niet slechts de menschen +vreezen haar, maar ook alle dieren, die de moerassen bewonen of zich +in de nabijheid van het water ophouden. + +Gemakkelijker dan alle overige Groefkopadders, ja zelfs dan alle +overige Vergiftige Slangen kan de Wateradder in gevangenschap gehouden +worden; zij neemt dadelijk zonder eenig bezwaar het haar verschafte +voedsel aan en plant zich in haar hok ook voort. + + + +Het soortenrijkste geslacht van de geheele familie is dat der +Hartkopadders (Trimeresurus). Zij zijn betrekkelijk slank gebouwd, +hebben een driehoekigen kop, die, met uitzondering van de voorste +spits van den snuit en de wenkbrauwstreek, geheel met kleine schubben +en niet met schilden bekleed is; de staart is tamelijk lang, dikwijls +voor 't vasthouden geschikt en loopt in een fijne spits uit. + +Dit geslacht omvat wel 25 soorten, die over Oost-Indië, Zuid-China, +de Lioe-kioe-eilanden en tropisch Amerika verdeeld zijn. Vele zijn, +zooals reeds uit haar rolstaart blijkt, echte boomslangen, die het +grootste deel van haar leven in de boomkronen of althans op planten +doorbrengen en slechts nu en dan op den bodem afdalen; andere leven +uitsluitend op den grond. + +Van de levenswijze der in Nederlandsch-Indië voorkomende Hartkopadders +zegt S. Müller in hoofdzaak het volgende: "Deze trage dieren, die, +naar het schijnt, geen vijand kennen en zeer zeker geen vijand +schuwen, brengen het grootste deel van hun leven, ineengerold tot +een kring, waarvan de kop het middelpunt uitmaakt, in een schier +onbeweeglijke rust door; slechts dan worden zij gevaarlijk, wanneer +mensch of dier onopmerkzaam te dicht bij hen komt of hun schijnbaren +doodslaap stoort. De twee Roodbruine soorten--bekend onder den naam +van Oelar-bedoedak of Orai-lemah (Trigonocephalus rhodostoma en +T. puniceus)--houden gaarne verblijf op sombere, min of meer duistere +en vochtige plaatsen, o.a. tusschen dicht bijeenstaande bamboeshalmen, +onder oude, omgevallen boomstammen, in holen onder den grond of van +rotsen, dichte struiken, doornige heiningen, enz. De eerste dezer +twee toeft steeds op den bodem, doch de andere slingert zich soms +door struiken, kruipt in kleine boomen en in bamboesriet en vlijt zich +tusschen de gaffels of op twijgen en bladeren ter ruste. Ditzelfde is +met alle groene soorten het geval, met dit onderscheid evenwel, dat +deze meer in droge en warme oorden behagen scheppen en zich dikwerf +vrij op de groene takken neervlijen, of wel, daaromheen geslingerd, +zich in de zonnehitte koesteren. Trigonocephalus puniceus daarentegen +geeft meest de voorkeur aan die lichte plaatsen, welker kleur met die +van zijn lichaam overeenkomt, zoodat hij slechts bij toeval opgemerkt +wordt. Doorgaans is de beweging van de Hartkopadders langzaam, van de +Gewone soorten evenwel minder dan van de Roodbruine. Bij het doen van +een aanval daarentegen zijn de bewegingen van alle zonder onderscheid +zeer snel; zulk een aanval geschiedt alleen door beweging van het +lichaam, nagenoeg zonder daarbij van plaats te veranderen. Zij beginnen +gewoonlijk met den kop bedaard, doch eenigszins trillend omhoog te +richten; na hun slachtoffer juist in het oog gevat te hebben, schieten +zij met geopenden muil pijlsnel er op af, slaan er hunne lange, +gevaarlijke giftanden met kracht in, maar trekken den kop spoedig weer +terug om hun vorigen stand te hernemen. Anders gaan zij te werk bij +het bespringen van Kikvorschen, kleine Hagedisachtige dieren (vooral +van het geslacht Scincus) of een dergelijken hun tot voedsel dienenden +buit; dezen houden zij dadelijk vast en beginnen hem onmiddellijk +te verzwelgen. De beet van de Groene soorten, meer bepaaldelijk van +den Oelar-biroe (Trigonocephalus viridis) schijnt minder gevaarlijke +gevolgen te hebben, dan die van de Roodbruine. Dr. Kühl was tijdens +zijn verblijf te Buitenzorg getuige van den dood van een inlander, +5 minuten nadat hij onder het grassnijden in den gouvernementstuin +door een grooten Trigonocephalus rhodostoma gebeten was. Ons echter +is geen voorbeeld van zulk een snelle doodelijke uitwerking van een +slangenbeet bekend, wel dat menschen en dieren één of meer uren na +de verwonding stierven. Trigonocephalus viridis echter wordt door +de inboorlingen van Timor voor geenszins zoo gevaarlijk gehouden; +inderdaad kwam ons noch op Timor, noch op Sumatra, waar deze soort +insgelijks verre van zeldzaam is, eenig voorbeeld ter oore, dat +een door deze Slang veroorzaakte verwonding doodelijke gevolgen +heeft gehad. Russell zegt hetzelfde op grond van het getuigenis der +bewoners van Koromandel. De Timoreezen noemen deze Gifslang Esau, de +Rottineezen Keisau, de bewoners van Poeloe Samauw en de zoogenaamde +Koepangneezen Smolo. Door de Maleiers aan de westkust van Sumatra wordt +zij met de 2 andere Groene soorten, die dit eiland bewonen en welker +beet veel gevaarlijker is, onder den algemeenen naam Oelar-biesa +(= Giftige Slang) samengevat. De bewoners van de Indische eilanden +kennen weinige hulpmiddelen tegen de schadelijke werking van het +slangengif in het dierlijk lichaam. Zij bepalen zich tot zulke kuren, +van welke alleen in lichte gevallen redding te verwachten is. Zij +besmeren gewoonlijk de gewonde deelen met sirie-kalk of gekauwde +kruiden en wortelen, dienen ook wel inwendig eenig afkooksel toe, +prevelen af en toe gebeden en stellen tooverkunsten in het werk. Het +meest vertrouwen zij echter op de zoogenaamde slangensteenen. Met +het uitsnijden of uitbranden der wonde laten de inlanders zich +zelden in; wel maken zij soms eenige insnijdingen of prikken in de +huid en zuigen het bloed met den mond er uit, hetwelk van alle door +hen aangewende middelen zeker wel het verstandigste en heilzaamste +mag heeten. Allerlei bijgeloovige meeningen zijn over de Slangen in +omloop. Zoo zouden sommige der Orai-lemah gedurende hun leven nooit +eenig voedsel nemen, maar afgezonderd als verworpenen op deze aarde +vertoeven en hunne oogen onafgebroken naar de zon gericht houden. Na +verloop van zeker tijdsbestek zouden deze boetelingen zich in de lucht +verheffen en booze geesten worden, die soms gedurende den nacht de +gedaante van groen-, geel- en rood-lichtende, vurige bollen aannemen, +op de woningen der menschen neerstrijken en daar allerlei onheilen, +vooral ziekte en sterfte, teweegbrengen." + +De Boomadder, de Broedroe-Pam der Maleiers (Trimeresurus +gramineus)--hierboven o.a. Oelar-biroe genoemd en met haar vroegeren +soortnaam (Trigonocephalus viridis) aangeduid--bereikt een lengte van +71 cM., en is op de bovendeelen sapgroen of grasgroen, aan de zijden +iets lichter, op de onderdeelen groenachtig wit van kleur. Een witte +streep strekt zich soms van de eveneens witte bovenlip tot aan de +zijde van den hals uit. De staartspits is prachtig rood. + +Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich van Voor-Indië +over de Oostindische eilanden en tot in China uit. Haar kleur gelijkt +zoozeer op die van de bladeren der boomen, dat het bijna niet mogelijk +is haar er van te onderscheiden. Het gif van de Boomadder, hoewel +algemeen niet zeer sterk werkend genoemd, kan toch wel degelijk den +dood van een mensch veroorzaken. Zoo maakt de zendeling Hänsel melding +van een door deze Slang gebeten vrouw, die hij binnen een half uur +aan de gevolgen van de wonde zag sterven. + +Tot de Amerikaansche soorten van Hartkopadders, die den rolstaart +missen en welker leven dus streng aan den bodem gebonden is, behoort +o.a. de beruchte Lanskopslang (Trimeresurus lanceolatus). Deze bereikt +een lengte van 2 M. en de dikte van een mansarm. Haar kleur is zeer +verschillend; zelfs de jongen van één worp wijken in dit opzicht +uiteen. De meer of minder levendige, roodgeelbruine grondkleur kan +door bruin tot grijsbruin en zwart varieeren; de teekening bestaat +uit een van het oog naar den nek loopende, zwarte streep, die echter +niet zelden ontbreekt, en uit twee reeksen van onregelmatige, iets +lichtere, soms getijgerde dwarsvlekken langs den rug. Bij enkele +exemplaren hebben de zijden een prachtig roode kleur. + +"Op de eilanden Martinique en Santa Lucia", zegt Rufz, "is de +heerschappij van de Lanskopslang in bosch en woud nog onbeperkt; zelfs +daar, waar de mensch een woning heeft en het land bebouwt, kan hij +zich niet zonder gevaar in de schaduw van een boom verfrisschen, kan +niemand zonder begeleiding van slaven door de velden trekken, niemand +in het bosch een pleizierwandeling doen, niemand zich door de jacht +ontspannen. Des nachts wordt men gekweld door benauwde droomen over de +Slangen, waarvan men des daags zooveel afgrijselijks hoort verhalen." + +De Lanskopslang komt op de beide eilanden overal veelvuldig voor: +zij bewoont de bebouwde velden, de moerassen, de wouden, de oevers +der rivieren, kortom het geheele eiland van de zeekust tot aan de met +wolken gekroonde bergen; zij zwemt in den stroom, schommelt zich op +de twijgen, komt in de nabijheid van de steden en dringt op het land +niet zelden tot in de huizen door, wanneer deze met kreupelhout en +hoog gras omgeven zijn. De Sint-Pieters-bergen worden als hare meest +geliefde verblijfplaatsen beschouwd. Dit 1500 M. boven den zeespiegel +gelegen gebergte, is verscheurd door afgronden van vele honderden +meters diepte en dicht begroeid met boomen en struiken, honderdvoudig +doorvlochten met slingerplanten en als door touwen aaneenverbonden; het +gesteente is hier verborgen onder een dikke laag van losse teelaarde, +door de sinds onheugelijke tijden opeengehoopte, rottende plantendeelen +gevormd; stervende stengels en welig tierende, door prachtigen vorm en +schitterende kleuren het oog bekoorende planten zijn hier saamgeweven +tot een zoo dicht gewelf dat daaronder steeds een sombere schaduw +heerscht, dat muffe lijklucht er de overhand heeft en de frissche +adem des levens er niet kan doordringen. De doodsche stilte van het +woud wordt slechts zelden afgebroken door de eenvoudige tonen van een +Vogel, die den naam van Bergfluiter draagt; andere Vogels merkt men +hier zelden op. Deze voor menschen ondoordringbare, duistere wildernis +wordt bewoond door tallooze Lanskopslangen, welker heerschappij over +dit gebied door geen enkel levend wezen wordt betwist. + +In het bebouwde land zijn de dichte suikerriet-aanplantingen de meest +geliefde verblijfplaatsen van de vreeselijke Slang; in allerlei +boschjes, die haar een schuilplaats kunnen verschaffen, komt zij +eveneens veelvuldig voor. Een rotsspleet, een holle boom, een door +Ratten of Landkrabben gegraven gat, dient haar tot woning; zij dringt +echter ook dikwijls door in de stallen en huizen der landlieden, +want des nachts zwerft zij ver rond, niet zelden gebruik makend van +de wegen, die over dag van menschen wemelen. + +Gedurende den rusttijd, dus over dag, ligt zij ineengekronkeld tot een +schijf, waarvan de kop het middelste deel uitmaakt; bij de geringste +stoornis schiet de kop naar buiten, ongeveer half zoo ver als het +lichaam lang is, waarna het zich oogenblikkelijk weer kringsgewijs +ineenrolt. Wanneer men, terwijl zij zoo op den bodem rust, op eenigen +afstand om haar heengaat, draait zij voortdurend mede, zonder dat +men recht weet hoe, zoodat hare oogen steeds op den rustverstoorder +gevestigd blijven. Bij 't kruipen draagt zij den kop hoog en verkrijgt +hierdoor een sierlijk en fier voorkomen. Haar beweging is zoo licht, +dat men er aan zou kunnen twijfelen, of zij den bodem wel aanraakt; +men hoort niet het minste gedruisch en ziet niet het geringste spoor +op den grond. Het zwemmen kost haar geen merkbare inspanning. + +De paring heeft in Januari plaats; de eieren worden in Juli gelegd. De +jongen verlaten onmiddellijk de eischaal. Vele, waarschijnlijk wel +de meeste, bezwijken in hun jeugd, daar zij door de moeder niet +beschermd en door allerlei, zelfs zwakke dieren, door Huishoenderen +b.v., gedood worden. Ruimschoots wordt dit verlies echter vergoed door +de groote vruchtbaarheid van de Lanskopslang, die 20 à 60 eieren legt. + +Deze Slang voedt zich in haar prille jeugd met Hagedissen, later met +kleine Vogels, ten slotte hoofdzakelijk met Ratten, welk ongedierte, +door Europeesche schepen naar de eilanden overgebracht, zich hier +ontzettend vermenigvuldigd heeft. Zij zoekt echter ook onder het +pluimvee haar buit en kan in volwassen toestand Huishoenderen en +zelfs jonge Kalkoenen, ook Buidelratten, verzwelgen. Hoewel zij zich +verdienstelijk maakt door het aantal Ratten te helpen verminderen, +zal niemand haar willen sparen: door het vergiftigen van menschen +richt zij te veel onheil aan. "Dat zij den mensch bijt, die haar te na +komt, is zeker," zegt Rufz; "het komt echter waarschijnlijk nooit of +althans hoogst zelden voor, dat zij van verre op hem toeschiet en den +vluchteling vervolgt; anders zouden de eilanden, waar zij leeft voor +menschen onbewoonbaar zijn. Uit de berichten, die mij in 1843 door +geestelijken en ambtenaars verstrekt werden, blijkt, dat gemiddeld +in iedere gemeente van het eiland ieder jaar 1 à 3 sterfgevallen +door de Lanskopslang veroorzaakt worden. Het aantal personen, die, +na gebeten te zijn, in 't leven blijven is wel 10-maal grooter; +daar echter in dit gunstigste geval de beet een langdurige ziekte +en dikwijls ook verminking van ledematen tengevolge heeft, is er +reden om het verlies, dat de Lanskopslang aan de kolonie berokkent, +zeer hoog te schatten. In sommige jaren komen sterfgevallen door deze +oorzaak veel talrijker voor dan gewoonlijk; met name zijn in dit jaar +(1843) de beten zoo gevaarlijk, dat, naar Venancourt mij bericht, +in zijn gemeente binnen 7 maanden reeds 18 menschen aan de gevolgen +van een slangenbeet bezweken zijn. + +"Bij het oogsten van het suikerriet, worden de negers gedurende den +arbeid steeds op een rij geplaatst, waarin zooveel mogelijk de mannen +met de vrouwen afwisselen; van tijd tot tijd spoort de opzichter allen +aan om zich voor de Slang in acht te nemen. Zoodra er een zichtbaar +wordt beginnen de vrouwen jammerlijk te schreeuwen en vlucht de +geheele rij; de moedigste neger keert vervolgens terug en doodt het +vergiftige dier, dat bij al die drukte op dezelfde plaats gebleven +of slechts weinig achteruit geweken is." + +Bij 't bijten zet de Lanskopslang den bek ontzettend wijd open, +werpt den kop met kracht vooruit en bereidt zich dadelijk voor tot +een nieuwen aanval door zich na den beet snel ineen te kronkelen. In +buitengewoon kwaadaardige stemming bijt zij vele malen achtereen. De +gevolgen van den beet zijn vreeselijk: het gewonde lichaamsdeel zwelt +op, neemt weldra een blauwachtige kleur aan en wordt door koudvuur +aangetast; brakingen, stuiptrekkingen, pijn in de hartstreek, +een onoverwinlijke neiging tot slapen leiden na weinige uren of +dagen tot den dood; in 't gunstigste geval veroorzaakt de beet +ziekteverschijnselen van allerlei aard, die jaren lang aanhouden, +duizelingen, pijn in de borst, verlamming, verzweringen, enz. Tallooze +geneesmiddelen, voor 't meerendeel aan het plantenrijk ontleend, +heeft men beproefd. De gelukkige inval om den Afrikaanschen Secretaris +naar Martinique over te brengen heeft geen ander gevolg gehad, dan +dat de bewoners zich een tijdlang konden vermaken met op dezen Vogel +te schieten. Lenz heeft aangeraden, slangenverdelgende Zoogdieren, +vooral Bunzingen, Dassen en Egels, op het eiland te acclimatiseeren; +deze zouden niet slechts vele vergiftige Reptiliën dooden, maar ook +het aantal Ratten verminderen, die het voornaamste voedsel van de +Slangen uitmaken. + + + +Twee andere leden van het geslacht der Hamerkopadders, die op het +Zuid-Amerikaansche vasteland leven en ongeveer even gevaarlijk zijn +als de Lanskopslang--de Sjararaka en de Labaria--komen in vorm, kleur +en aard zoozeer met elkander overeen, dat zelfs slangenkenners ze +moeielijk onderscheiden kunnen en sommigen ze als verscheidenheden +van één soort beschouwen. + +De Sjararaka (Trimeresurus jararaca) wordt, volgens de metingen +van den Prins Von Wied 1.42 M. lang, maar kan, naar aan Tschudi werd +medegedeeld, een lengte van 1.8 M. bereiken. Op grijzen of grijsbruinen +grond is zij met tamelijk ver uiteenstaande, donkerbruine dwarsbanden +geteekend, die soms ieder in twee vlekken verdeeld en meestal door +een iets lichteren hof omlijst zijn. Van het oog naar den mondhoek +loopt een breede, zwarte, overlangsche streep. De buik is grootendeels +geelachtig wit. + +De Labaria (Trimeresurus atrox) gelijkt door vorm en lichaamsbouw, +door de eigenaardigheden van het schubbenkleed en zelfs door de +verdeeling der kleuren op de Sjararaka, maar heeft op den rug donkere, +ruitvormige vlekken, die met X-vormige, donkere teekeningen afwisselen; +de buik is niet witachtig, maar donkerder en aan weerszijden met een +paar reeksen van witte vlekjes versierd. + +De Sjararaka is de algemeenste Gifslang van Brazilië en +overal verbreid, daar zij zich even gaarne in het droge, heete +kreupelhoutgebied als in de hoogstammige, vochtige oerwouden +ophoudt. De Labaria komt in geheel Guyana voor, is even veelvuldig +aan de kust als in het binnenland en wordt hier en daar ook in de +open savanne aangetroffen, ofschoon zij ijle wouden boven de steppe +schijnt te verkiezen. Beide slangen worden zeer gevreesd en zijn ook +inderdaad uiterst gevaarlijk. "De Indianen en zelfs de Portugeesche +jagers," zegt de Prins Von Wied, "gaan altijd blootsvoets op de +jacht. Schoenen en kousen zijn hier duur en zeldzaam; de landman +gebruikt deze artikelen alleen op feestdagen en is daarom veel meer +blootgesteld aan den beet van Slangen, die dikwijls in de droge bladen +verscholen liggen; toch komen gevallen van verwonding zeldzamer voor, +dan men zou kunnen meenen. Den jager in tropische gewesten zij het +dragen van goede, sterke laarzen en zeer wijde broekspijpen aanbevolen, +daar zij hem tamelijk goed vrijwaren tegen den beet van Vergiftige +Slangen." Deze heeft wel niet altijd den dood, maar toch steeds +ernstige ziekteverschijnselen ten gevolge, wanneer niet oogenblikkelijk +doelmatige middelen tot verwijdering van het gif worden aangewend. + + + + + + + +TWEEDE ORDE. + +DE KROKODILLEN (Emydosauria). + + +Er is een tijd geweest, waarin de Kruipende Dieren op aarde +heerschappij voerden; de ontzaglijk groote Reptiliën, die toen de zee +en later ook de moerassen en rivieren bewoonden, zijn uitgestorven +en verdwenen zonder andere sporen van hun bestaan na te laten dan de +versteende beenderen van eenige weinige exemplaren, die in den bodem +voor ons bewaard zijn gebleven. Deze fossielen, die eigenaardigheden +van Walvisch en Vogel, van Krokodil en Slang in zich vereenigen, +bieden, ondanks de scherpzinnige theoriën, waardoor men de waargenomen +feiten heeft trachten te verbinden en te verklaren, nog steeds een +ruim veld voor onderzoekingen aan. Van enkele dezer monsters heeft +men zulke volledige geraamten gevonden, dat hun verwantschap met de +thans nog levende dieren aangetoond kan worden; van andere zijn tot +dusver zeer weinige overblijfselen ontdekt, ternauwernood voldoende +om het vermoeden te wettigen, dat zij aan Reptielen hebben toebehoord. + +De naaste, thans nog levende verwanten van de Hagedisachtige reuzen uit +den voortijd--van de Ichthyosauriërs, die aan Walvisschen herinnerden, +van de Plesiosauriërs met vinnen en een Slangenhals, van de met +een vlieghuid uitgeruste Pterodactylen--zijn de Krokodillen. Hoewel +ook zij door de hoofdlijnen van hun gestalte op Hagedissen gelijken, +wijken zij van deze in zeer belangrijke opzichten af. Zij overtreffen +haar en alle overige leden der klasse zoo niet in zwaarte dan toch +in grootte. Niet op dezen grond berust echter de scheiding der beide +groepen; veel belangrijker redenen hiervoor zijn te vinden in het +inwendig samenstel, onder anderen in de ontwikkeling der tanden en +den bouw der tong. + +De romp van de Krokodillen is gestrekt en veel breeder dan hoog, +de kop plat en laag, het snuitgedeelte zeer verlengd, de mondspleet +hoekig gebogen, de hals buitengewoon kort, de staart langer dan het +overige lichaam en zijdelings sterk samengedrukt, waardoor hij een +krachtig zwemorgaan vormt; de korte pooten hebben sterk ontwikkelde +voeten, de voorvoeten vijf tot aan den oorsprong gescheiden teenen, +de achtervoeten vier teenen, die door geheele of halve zwemvliezen +verbonden zijn en waarvan de drie binnenste duidelijke klauwen +dragen. De kleine oogen, die door drie leden beschut worden, liggen +tamelijk diep in hunne kassen, zijn eenigszins naar boven gericht en +hebben een vertikaal geplaatste, langwerpige pupil. De gehooropeningen +kunnen door een klepvormige huidplooi, de neusgaten door samendrukking +hunner randen gesloten worden. Harde en dikke, min of meer vierhoekige +hoornschubben en schilden bedekken de bovendeelen en de onderdeelen +van romp en staart. Die van den rug onderscheiden zich door een er +boven uitstekende, overlangsche lijst of kiel, die van den staart +vormen twee zaagvormig getande randen, die verder achterwaarts tot een +enkelen kam ineenvloeien; de schubben van de zijden van 't lichaam zijn +meer afgerond. Op den rug verbeent de lederhuid onder de hoornschilden, +waardoor de huid de aard van een pantser verkrijgt. + +De tanden zijn in holten van de kaakbeenderen bevestigd en hebben +een open wortel; in de holte, die de pulpa bevat, dringt de tand +door, die later voor de eerst aanwezige in de plaats zal treden. De +kegelvormige kroon is zeer weinig naar achteren gekromd en zoowel aan +de voor- als aan de achterzijde met een scherpen rand voorzien. Over +'t algemeen zijn de tanden gelijk van vorm, doch ten deele verschillend +van lengte; de eerste en de vierde van de onderkaak en de derde van +de bovenkaak zijn in den regel de langste en dikste. De tanden van +de onderkaak komen bij gesloten bek eenvoudig tusschen die van de +bovenkaak te liggen; een uitzondering hierop maken evenwel bij de +Echte Krokodillen de 1e en de 2e, bij de Kaaimans ook de 4e tand +van elke onderkaakshelft, daar deze in kuiltjes van de bovenkaak +passen. De tong is kort en plat, over haar geheele lengte aan den +bodem van de mondholte bevestigd en verschilt hierdoor zeer van de +tong der Hagedissen.--De rechter en de linker hartkamer zijn door +een volledig schot van elkander gescheiden. Uit de linkerkamer komt +het zuurstofhoudend bloed in den rechter aortaboog, den eenigen, +die de slagaders van de vóór het hart gelegen lichaamsdeelen +met bloed voorziet. Uit de rechterkamer wordt het zuurstofvrije, +koolzuurhoudende bloed zoowel in de longslagader als in den linker +aortaboog gestuwd. De beide aortabogen staan met elkander in +gemeenschap, waardoor een vermenging van de beide bloedsoorten tot +stand komt, welk mengsel zich naar de slagaders van de achter het hart +gelegen lichaamsdeelen begeeft, terwijl de voorste gedeelten van het +lichaam zuiver (of nagenoeg zuiver) zuurstofhoudend bloed ontvangen. + +Men kent tegenwoordig 24 bepaald verschillende soorten van +Krokodillen, die in drie natuurlijke groepen gesplitst worden, welke +op eigenaardigheden van het gebit gegrond zijn. + +De Krokodillen zijn over alle werelddeelen, met uitzondering +van Europa, verbreid: het door hen bewoonde gebied beperkt zich +tot de tropische gewesten en de daaraan grenzende deelen van den +gematigden aardgordel. Ieder werelddeel, Australië uitgezonderd, bezit +eigenaardige soorten van Krokodillen: Azië en Amerika hebben ieder +twee, nergens anders voorkomende geslachten; Afrika wordt bewoond +door één karakteristiek geslacht; in Australië en een aantal daarbij +behoorende eilandengroepen leven wel Krokodillen, doch uitsluitend +zulke, die ook in Azië voorkomen. Alleen de Krokodillen in de engste +beteekenis van 't woord zijn over alle vier genoemde werelddeelen +verbreid. + + + +Snavelkrokodillen of Gavialen (Gavialis) noemt men die soorten, welker +bovenkaak in 't geheel geen kuiltjes bevat tot berging van tandspitsen +der onderkaak en uitsluitend van voren uitsnijdingen vertoont: aan +weerszijden drie, waarin de drie voorste onderkaakstanden bij gesloten +bek gelegen zijn. Het aantal tanden wisselt af van 27 tot 29 in elke +bovenkaakshelft en van 25 tot 26 in elke onderkaakshelft. De snuit is +buitengewoon smal en lang en aan het voorste einde knopvormig verbreed. + + + +De meest bekende soort van dit geslacht, de Gaviaal of Ganges-gaviaal +(Gavialis gangeticus), is in de oogen van vele Indiërs een heilig dier, +aan Visjnoe, den schepper en beheerscher van het water gewijd. De +bovenzijde is donker bruingroen en vertoont bij jonge exemplaren +een teekening, die uit talrijke, kleine, donkerbruine vlekken of +dwarsbanden bestaat; de kleur van de onderzijde gaat door groengeel +in wit over. Volwassen exemplaren bereiken een lengte van 5.75 M.; +in de Europeesche verzamelingen vindt men er echter geen, die meer +dan 5 M. lang zijn. + +De Gaviaal komt voor in den Ganges en den Brahmapoetra en hunne +bijrivieren, voorts in den Indus en volgens de nieuwste berichten +ook in den Mahanadi in Orissa en den Kaladyne in Arakan. + +Uit den eigenaardigen vorm van den snuit kan men afleiden, dat dit +dier, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk Visschen tot voedsel +gebruikt. Ook uit alle overige details van den lichaamsbouw blijkt, +dat het er geheel op ingericht is om in het water te verkeeren. Daar +geen voorbeeld bekend of althans voldoende gestaafd is van een +aanval van den Gaviaal op groote Zoogdieren of op den mensch, mag +men hem als een van de weinige ongevaarlijke Krokodillen beschouwen, +wien geen andere schadelijke werking kan worden ten laste gelegd dan +deze, dat hij door het verslinden van kolossale hoeveelheden visch +den voedselvoorraad vermindert van de menschen, die langs de oevers +van de door hem bewoonde rivieren gevestigd zijn. + +De jongen zijn bij 't verlaten van de eischaal 40 cM. lang, +grijsbruinachtig van kleur en met donkere dwarsbanden op den rug en +den staart geteekend. Onmiddellijk na het uitkomen zag Andersson ze +merkwaardig snel wegloopen; een jong, dat hij van de schaal trachtte +te bevrijden, beet reeds flink om zich heen en verwondde hem aan +den vinger. + + + +De Gaviaal van Borneo, de Boeaja-Sapit van de Maleiers, de +Bedjai-Sampit van de Bejadjoe-Dajakkers (Gavialis Schlegelii), mist +den vleezigen knobbel, die bij de vorige soort aan het vooreinde +van den snuit voorkomt; zijn snuit is minder versmald en nadert tot +die van de eigenlijke Krokodillen door de veel langere, tot aan de +tusschenkaaksbeenderen reikende neusbeenderen. + +Salomon Müller, de ontdekker van dit merkwaardige dier, zegt van zijn +levenswijze het volgende: "Hij is in de binnenlanden van Borneo vrij +menigvuldig en bewoont bij voorkeur stille, eenzame meren. Vandaar +begeeft hij zich soms naar de zacht vlietende bijrivieren en de met +zwart, stinkend water voorziene kreeken, zelden echter in de grootere +stroomen, waar het water veel drift heeft. Zijn voedsel bestaat uit +Visschen, Waranen, Watervogels, Apen en andere viervoetige dieren. Voor +den mensch is hij veel minder gevaarlijk dan de Indische Krokodil. + +"In September 1836 vonden wij bij het meer Lamoeda in Zuid-Borneo +een nest met 20 eieren. Het lag in het bosch, omtrent 10 passen van +den waterkant verwijderd, tegen een grooten boomstam aan. Het bestond +uit een eenigszins plat kegelvormigen hoop aarde, die rijkelijk met +verrotte bladeren en stukjes dor hout doormengd was. Deze mestachtige +hoop was derdehalf voet hoog en van onderen ongeveer 4 voet breed. In +het midden was een holte van omtrent 12 duimen doorsnede, in welke +de eieren lagen, die bijna een voet hoog overdekt waren. De eieren +worden door de broeiing en gisting dezer plantaardige stoffen verwarmd +en de jongen hierdoor uitgebroed, want, daar het nest geheel onder +den schaduw van den boom verborgen lag, kon geen zonnestraal het +bereiken. In de eieren werden bijkans volwassen jongen gevonden, +die, volgens het zeggen der ons verzellende inlanders, na 8 à 14 +dagen uitgekomen zouden zijn. De eieren zijn langwerpig van vorm +en aan beide einden gelijkvormig afgerond, een weinig grooter dan +die van een Gans: 98 mM. lang en in 61 mM. breed. Zij verschillen +echter onderling een weinig in grootte en ook in vorm. Hun schaal +is sterk, ruw, met vele onregelmatig verdeelde poriën voorzien en +wit van kleur. Verscheidene Dajakkers en Maleiers verzekerden ons, +dat versche Krokodillen-eieren gansch niet slecht van smaak zijn; +voor velen van hen zijn zij een ware lekkernij". + +Dezelfde of een nauw verwante soort werd in Noord-Australië +aangetroffen. + + + +Meer bepaaldelijk wordt de naam van Krokodillen (Crocodilus) gegeven +aan die soorten, welke in 't voorste gedeelte van de bovenkaak (in +de tusschenkaaksbeenderen) twee diepe kuiltjes hebben tot berging van +de spitsen der beide voorste onderkaakstanden en verder achterwaarts, +in ieder bovenkaaksbeen, een halvemaanvormige insnijding, waarin bij +'t sluiten van den bek de vierde onderkaakstand wordt opgenomen. Het +aantal tanden bedraagt 17 à 19 in elke bovenkaakshelft en 15 in elke +onderkaakshelft, in 't geheel dus 64 à 68. + + + +De meest bekende Amerikaansche vertegenwoordiger van het genoemde +geslacht is de Spitskoppige Krokodil (Crocodilus americanus). Zijn +verbreidingsgebied omvat een niet onbelangrijk deel van Zuid- en +Midden-Amerika, en van West-Indië; hij bewoont bijna alle landen en +groote eilanden tusschen 30° N.B. en 5° Z.B. + +A. von Humboldt zag deze Krokodillen in den Orinoko en diens +bijrivieren in grooten getale; op plaatsen, waar tusschen den waterkant +en het struikgewas een breede grondstrook overblijft, lagen zij +dikwijls bij troepjes van 8 à 10 stuks op het zand. "Bewegingloos, +den muil zoo ver opengesperd, dat de kaken een rechten hoek +vormen, rusten zij naast elkander, zonder eenige van de teekenen +van onderlinge genegenheid, die men bij gezellig levende dieren +gewoonlijk opmerkt. Zoodra zij zich te water begeven, gaan zij +uiteen. Deze kolossale Reptiliën zijn zoo talrijk, dat men den +geheelen stroom langs er bijna op ieder oogenblik 5 of 6 kon zien, +hoewel het wassen van het water in den Apoere toen nog slechts op +een nauwelijks merkbare wijze aangevangen was en dus honderden van +Krokodillen nog in het slijk van de savanne begraven lagen." + +Ook in den Neveri wemelt het van deze monsters tot aan den mond dezer +rivier; zij begeven zich zelfs, vooral bij stil weder, tot ver in +zee. "Zij zwemmen uitmuntend en bewegen zich zonder groote inspanning +tegen de sterkste strooming op; het kwam mij echter voor, dat zij, +den stroom afzwemmend, niet snel omkeeren kunnen. Eens werd een groote +Hond, die ons van Caracas af op reis vergezelde, in den stroom door een +kolossalen Krokodil vervolgd; het monster was reeds zeer dicht bij den +Hond, doch deze ontkwam aan het gevaar door om te keeren en tegen den +stroom op te zwemmen. De Krokodil voerde dezelfde beweging uit, maar +deed dit veel langzamer dan de Hond, die gelukkig den oever bereikte." + +De aard van den Spitskoppigen Krokodil is trouwens, gelijk Von +Humboldt op vele plaatsen uitdrukkelijk verzekert, zeer verschillend, +al naar de door hem bewoonde streek. In sommige rivieren vreest men +hem zeer, en anderen weinig of niet. "De gewoonten van dieren, die +oogenschijnlijk tot dezelfde soort behooren," zegt deze geleerde, +"vertoonen afwijkingen van plaatselijken aard, die moeielijk te +verklaren zijn. In de Boeritoeka-rivier werden wij gewaarschuwd +onze Honden niet toe te staan uit den stroom te drinken, omdat hier +buitengewoon wilde Krokodillen voorkomen, die niet zelden buiten +het water komen en de Honden tot op den oever volgen. Dat zij hier +met zooveel driestheid optreden, trekt te meer de aandacht, daar zij +in de Tisanao-rivier tamelijk schuw en onschadelijk zijn. Ook in de +Rio-Neveri, waar groote "Krokodillen met snoekenkop" talrijk zijn, +toonen zich deze niet zoo boosaardig als in den Orinoko. + +"In de maag van een 3.6 M. langen Krokodil, die door Bonpland en +mij ontleed werd, vonden wij halfverteerde Visschen en ronde stukken +graniet van 8 à 10 cM. middellijn. Men mag niet onderstellen, dat de +Krokodillen deze steenen toevallig doorslikken, want bij 't grijpen +van de Visschen op den bodem van 't water rust hun onderkaak niet op +den grond. Ik geloof, dat zij groote steenen in hun maag opnemen, +om hierdoor het fijnmaken van het voedsel op soortgelijke wijze +te bevorderen, als vele Vogels doen en om tevens een overvloediger +afscheiding van maagsap teweeg te brengen. In den Apoere vinden zij +een rijken buit onder de Waterzwijnen, die bij troepen van 50 à 60 +stuks aan den oever van den stroom leven. Deze ongelukkige dieren +hebben in 't geheel geen wapens om zich te verdedigen; wel zwemmen +zij iets beter dan zij loopen, maar toch worden zij in 't water een +prooi van den Krokodil, zooals op het land van den Jagoear. Het is +bijna onbegrijpelijk, hoe zij, ondanks de vervolgingen van twee zulke +gevaarlijke vijanden, zoo talrijk kunnen zijn. Tot onze verbazing +zagen wij een kolossalen Krokodil te midden van een troep van deze +Knaagdieren bewegingloos en slapend op den grond liggen; hij ontwaakte, +toen wij met onze "pirogue" naderden en ging langzaam op het water af, +zonder dat de Waterzwijnen onrustig werden. Onze Indianen schreven +de onverschilligheid dezer dieren aan domheid toe; waarschijnlijker +komt het ons echter voor, dat de Waterzwijnen door langdurige ervaring +weten, dat de Krokodil van den Apoere en den Orinoko hen op het land +niet aanvalt, tenzij een door hem begeerd dier zich, juist als hij +te water gaat, op zijn weg bevindt. + +"Voor de bewoners van de Orinoko-oevers vormen de gevaren, waaraan zij +blootgesteld zijn, een onderwerp van dagelijksch gesprek. Zij hebben +de gewoonten van den Krokodil nagegaan, zooals de stierenbevechter de +gewoonten van den stier; zij weten de bewegingen van het gepantserde +Reptiel, de wijze, waarop het zal aanvallen, de driestheid, waarmede +het dit doet, als 't ware vooraf te berekenen. Als zij zich bedreigd +zien, nemen zij met de tegenwoordigheid van geest en vastberadenheid, +die den Indianen en Zambo's, kortom, den kleurlingen in 't algemeen, +eigen zijn, alle middelen te baat, die zij sedert hunne kinderjaren +hebben leeren kennen. In landen, waar de natuur zich zoo machtig en +verschrikkelijk toont, is de mensch voortdurend op zijn hoede tegen +gevaar. Een jong Indiaansch meisje, dat zich zelf uit de kaken van +den Krokodil bevrijd had, zeide: "Ik wist, dat de Kaaiman mij los zou +laten, als ik hem de vingers in de oogen drukte." Dit meisje behoorde +tot de behoeftige volksklasse, tot die kringen, waar de gewoonte aan +lichamelijken nood de geestkracht ontwikkelt." + +"Daar de Krokodil wegens het maaksel van zijn strottenhoofd, van +zijn tongbeen en van de plooien der tong den buit onder water wel +grijpen, maar niet verzwelgen kan, zal dit dier zelden een mensch +doen verdwijnen, zonder dat men het zeer dicht bij de plaats, +waar het ongeluk voorviel, te voorschijn ziet komen om den buit +te verslinden. Toch wordt op deze gevaarlijke roovers zelden jacht +gemaakt. Zij zijn zeer sluw en daarom niet gemakkelijk te dooden. Een +kogel heeft slechts dan een doodelijke werking, als het dier in de +keel of in de okselholte getroffen wordt. De Indianen maken zelden +van vuurwapens gebruik, maar vallen den Krokodil met lansen aan, nadat +hij zich vastgebeten heeft aan een stevigen, scherpen, ijzeren haak, +die met vleesch als lokaas voorzien en met een ketting aan boomstammen +bevestigd werd; zij gaan echter het dier niet eerder te lijf, dan +nadat het zich lang tevergeefs heeft ingespannen om los te komen." + +Van de gedoode Krokodillen weet men in Zuid-Amerika, naar het schijnt, +slechts weinig voordeel te trekken. Humboldt zegt hiervan niets anders, +dan dat men het vet van den Kaaiman als een uitmuntend purgeermiddel +beschouwt en dat het witte vleesch, in sommige streken althans, +voor een smakelijk gerecht wordt gehouden. + +Behalve den mensch hebben de Spitskoppige Krokodillen weinig vijanden, +die voor hen gevaarlijk kunnen worden. Over 't algemeen zijn ook deze +Krokodillen volkomen onverschillig voor dieren, die hun niet tot +buit kunnen dienen. Humboldt verhaalt, dat zij kleine, sneeuwwitte +Reigers op hun rug en zelfs op hun kop laten rondloopen, zonder er +zich om te bekommeren; tusschen beide dieren schijnt een soortgelijke +betrekking te bestaan als tusschen den Afrikaanschen Krokodil en +zijn "wachter". De Krokodillen zijn echter afkeerig van dieren, +die in het water veel drukte maken: Humboldt zag hen onderduiken, +wanneer Dolfijnen in hun nabijheid kwamen. Oude Krokodillen zijn +natuurlijk tegen de aanvallen van andere dieren voldoende opgewassen; +verscheidene Moerasvogels en ook de Raafgieren maken echter met ijver +en behendigheid jacht op de jongen van het reusachtige Reptiel. + +De Krokodillen leggen hunne eieren ieder afzonderlijk in gaten van +den grond; tegen het einde van den broedtijd komt het wijfje terug, +roept de jongen, wacht hun antwoord af en helpt hen meestal bij het +verlaten van den kuil. De jongen houden zich liever op in kleine +plassen en watergeulen dan in breede en diepe stroomen; soms zijn +zij in het met riet omzoomde water in zoo grooten getale aanwezig, +dat zij er, bij wijze van spreken, als Wormen dooreenkrioelen. + +Uit de berichten van A. von Humboldt blijkt, dat de Krokodillen van +den Orinoko zomerslaap houden. "Beneden de plaats, waar de Rio-Arauka +haar water met dat van den hoofdstroom vermengt, vertoonden zich +meer Krokodillen dan wij vóór dien tijd zagen, vooral tegenover een +groot meer, dat met den Orinoko in gemeenschap staat. Van de Indianen +vernamen wij, dat deze Krokodillen uit het droge land komen, waar +zij in het slijk der savanne begraven hebben gelegen. Zoodra zij na +de eerste regenbuien uit hun verstijving ontwaken, begeven zij zich +troepsgewijs naar den stroom, waar zij zich weer verstrooien. Het +droge jaargetijde, dat ten onrechte wel eens als de zomer van +de keerkringsgewesten wordt beschouwd, is te vergelijken met den +winter van den gematigden aardgordel. Uit een physiologisch oogpunt +is het zeer merkwaardig, dat het tijdperk, waarin de Alligatoren van +Noord-Amerika wegens de koude in winterslaap verkeeren, hetzelfde is +als dat, waarin de Krokodillen in de Llanos hun zomerslaap houden. Men +wees ons een hut of liever een soort van afdak, waar onze gastheer +getuige was geweest van een hoogst merkwaardige gebeurtenis. Hij sliep +met een vriend op een met leder bekleede bank en ontwaakte vroeg in +den morgen door hevige schokken, een luid getier en het neervallen van +kluiten aarde, die in de hut geslingerd werden. Niet lang daarna kwam +een jonge Krokodil van 1 M. lengte uit den grond onder de slaapplaats +te voorschijn, schoot toe op een Hond, die bij den uitgang lag, kon +dezen wegens de onstuimige haast, die hij maakte, niet grijpen, snelde +naar den oever en stortte zich in de rivier. Men onderzocht den bodem +onder de slaapplaats en vond weldra de verklaring van dit zonderlinge +voorval. In het uitgedroogde, thans tot op groote diepte los gewoelde +slijk had de Krokodil in zomerslaap gelegen; het geraas van de menschen +en Paarden en misschien ook de lucht van den Hond hadden hem gewekt." + + + +De meest bekende, sedert overouden tijd beroemde Krokodil, die den Nijl +bewoont, heeft reeds in Herodotus en in den dichter van het boek Job +beschrijvers gevonden; de eerstgenoemde geeft een getrouw verslag van +hetgeen hij gedurende zijn verblijf in Egypte zelf gezien en gehoord +heeft, door laatstgenoemde wordt, ondanks de beeldrijke taal, waarin +zijne voorstelling is ingekleed, de "Leviathan" uitmuntend geschetst. + +"De Krokodil," verhaalt Herodotus, "bewoont het land en het water; +het grootste deel van den dag brengt hij door op het land, waar hij +ook zijne eieren legt en uitbroedt; des nachts echter houdt hij zich +in den stroom op, want het water is nu warmer dan de onbewolkte +hemel en de dauw. Meer dan alle andere dieren neemt hij sedert +zijn jeugd in omvang toe. De eieren zijn niet veel grooter dan die +van Ganzen en de jongen naar evenredigheid; in volwassen toestand +echter is hij 17 ellen lang. Hij heeft vier pooten, varkensoogen, +groote en uitstekende tanden, maar geen tong; ook beweegt hij niet de +onderkaak, maar de bovenkaak tegen de onderkaak, gelijk geen ander +dier doet. De klauwen zijn forsch, de geschubde huid kan op den rug +niet losgemaakt worden. In het water is hij blind, in de lucht echter +zeer scherpzichtig. Daar hij in het water leeft, heeft hij den muil +met Bloedzuigers gevuld. Alle Vogels en andere dieren ontvlieden +hem, met den vogel Trochylus echter leeft hij in vrede, omdat deze +hem nuttig is. Als hij aan land gaat en daar met den kop naar den +wind gekeerd met open muil nederligt, sluipt de Trochylus hierin en +pikt de Bloedzuigers op; uit blijdschap over den hem bewezen dienst, +doet hij den Vogel geen leed. Gedurende de vier strenge wintermaanden +gebruikt hij geen voedsel. In Egypte heet hij niet Krokodil, maar +Champsa; de Joniërs noemen hem Krokodil, omdat hij zooveel gelijkt +op de Hagedissen, die op de muren van hunne tuinen verblijf houden." + +Andere schrijvers van de oudheid hebben eveneens over den Nijlkrokodil +geschreven en menige vermeldenswaardige opmerking medegedeeld; over +'t algemeen hebben zij het slechts weinige onjuistheden bevattende +bericht van Herodotus weinig aangevuld, maar wel de eenvoudige +voorstelling met verscheidene overleveringen opgesierd. + +De Gewone of Nijlkrokodil (Crocodilus niloticus, C. vulgaris) kan, +naar men zegt, 10 M. lang worden. Mijns inziens berust deze opgave +slechts op een schatting; werkelijke metingen hebben waarschijnlijk +nooit een grootere uitkomst dan 5 of hoogstens 6 M. opgeleverd. Van +de zeer nauw aan hem verwante Indische of Lijstenkrokodil (Crocodilus +porosus, C. biporcatus) uit Zuid-Azië en de even weinig afwijkende +Siameesche Krokodil (Crocodilus siamensis) onderscheidt hij zich +vooral door het ontbreken van ieder spoor van lijsten op het voorste +deel van den kop of den snuit. De donker bronsgroene grondkleur, +die op den rug kleine, zwarte vlekken vertoont, gaat op de zijden +van romp en hals in onregelmatig gerangschikte, donkere vlekken en +op de onderdeelen in vuilgeel over; naar het schijnt, komen echter +vele kleurverscheidenheden voor. + +Het verbreidingsgebied van den Nijlkrokodil omvat de wateren van +het grootste deel van Afrika, van het kustgebied zoowel als van +het binnenland. In Egypte is hij tegenwoordig bijna uitgeroeid. Door +pijlen en slingersteenen is het niet mogelijk geweest hem te verjagen; +"hij acht ze als stoppelen," zooals Job zegt; men heeft dit doel +echter wel met geweerkogels kunnen bereiken. Ook voor hen is onze +Leviathan niet teruggeweken; heldhaftig hield hij stand in het +bedreigde deel van zijn gebied, totdat de laatste van zijn stam er +het leven moest laten in den strijd met den hedendaagschen mensch. De +voor hem zoo gelukkige toestanden van weleer zijn in Egypte nergens +meer te vinden; "zijne tijden zijn vervuld" sedert het in gebruik +komen van de moderne jachtgeweren, die zich aan zijn pantser niet +storen, sedert een kind den reus kan bedwingen. Reeds is de moedige +Ichneumon, de held der sage, een voorwerp van spot, zijn bedrijf een +mythe geworden. Het is voor Egypte niet meer noodig, dat hij eieren +van Krokodillen verslindt, den Krokodil zelf in den bek sluipt, +om, tot de ingewanden doordringend, hem het hart uit te vreten; de +weinige gepantserde Reptiliën, die kort geleden nog bestonden, zullen +intusschen wel door de kogels van reislustige Europeanen neergeveld +zijn; de Ichneumon moet dus nu, in plaats van krokodilleneieren, +wel hoendereieren eten, gelijk hij trouwens altijd gedaan heeft. + +De eenige Krokodillen, die men thans nog in Egypte aantreft, zijn die +van de holen van Maabdes; hier vindt men ze bij duizenden, maar--in +den toestand van mummiën. Anders is het gesteld in Oost-Soedan en +in alle andere binnenlanden van Afrika, waar het geweer de overoude +wapens van de inboorlingen nog niet verdrongen heeft, vooral in die +stroomen, welker oevers door het oerwoud in beslag zijn genomen. Hier +kan men met volkomen zekerheid op iedere groote zandbank minstens één +groote Krokodil en wel een half dozijn van zijne soortgenooten van +verschillenden leeftijd en daaraan geëvenredigde lengte verwachten; +hier en in de broeklanden, meren en moerassen kan men de schoonste +monsters van dit slag met het grootste gemak nagaan. In Soedan is de +raad van den Hebreeuwschen dichter: "Indien gij de hand aan hem slaat, +bedenk, dat er een strijd is, dien gij niet kunt volbrengen," nog in +haar vollen omvang geldig, want men vindt daar bijna geen dorp, welks +bewoners niet een onheil weten te noemen, waaraan hij schuld draagt, +geen mensch, die niet de kracht van den "Timsach" bewondert en tevens +hem zelf vervloekt. De Soedanezen hebben trouwens voldoende redenen +om het monster te verwenschen, waartegen zij zoo goed als niets +vermogen; zonder weerstand te bieden moeten zij voor lief nemen, +dat de vreeselijke roover hunne verwanten en huisdieren medesleurt +onder den waterspiegel: zij kunnen hem ternauwernood bestrijden en in +'t geheel niet verjagen. + +Een zandbank, waarop de Krokodil het genot kan smaken van in de +zon te liggen, heeft den meesten invloed op de keuze van zijn +verblijfplaats. Gedruisch veroorzakende gedeelten van den stroom +worden door hem gemeden; in stroomversnellingen ontwaart men hem hoogst +zelden. Aan de eens gekozen standplaats is hij zeer gehecht en zoekt +haar met groote volharding steeds weder op. In den regentijd doet +hij soms kleine reizen in het omliggende land, steeds echter door +regengeulen of overstroomde boschachtige gronden. + +Algemeen verbreid is de meening, dat de Krokodil zich niet vlug +beweegt; het tegendeel is waar. In het water toont hij een groote +behendigheid, zwemt en duikt zeer snel op iedere diepte en klieft +de golven, als een pijl de lucht. Zijn buitengewoon krachtige staart +is een uitmuntend roeiwerktuig; ook de goed ontwikkelde zwemvliezen +aan de achterpooten bewijzen hem voortreffelijke diensten bij iedere +beweging, die hij wil uitvoeren, bij iederen stand, dien hij in 't +water aanneemt. Uit woede of na een doodelijke verwonding, beukt hij +zoo hevig met den staart om zich heen, dat het gezegde van den ouden +dichter "hij doet de diepte zieden als een pot en brengt het water in +beroering zooals men een zalf mengt," nauwelijks overdreven kan worden +geacht. Ook op het land is zijn beweging volstrekt niet gebrekkig, +ofschoon hij hier slechts bij uitzondering een grooten weg aflegt. Als +hij op een zandbank kruipt, geschiedt dit in den regel zeer langzaam, +door den eenen poot na den anderen te verplaatsen en den romp, die +van achteren meer wordt opgeheven dan van voren, zoo laag te dragen, +dat de buik over het zand sleept; wanneer hij zich echter aan land op +eenigen afstand van den stroom bevindt en opgeschrikt wordt, snelt +hij zeer schielijk naar het water terug; even snel schiet hij uit +het water op het land om een hier aanwezigen buit te grijpen. Dat +het oude, bekende verhaal over de ongeschiktheid van den Krokodil +om een zigzaglijn te volgen, een sprookje is, zal iedereen opmerken, +die eens getuige is geweest van het aan land komen of te water gaan +van een Krokodil, daar het dier gewoon is bij het doorloopen van dezen +korten weg een kring te beschrijven, welks middellijn de lengte van +het lichaam slechts weinig overtreft. + +Het is moeilijk een oordeel te vellen over de hoogere begaafdheden +van den Krokodil. Herodotus werd verkeerd ingelicht over het +gezichtsvermogen van dit dier, want het kan onder water uitmuntend +zien en op het land goed genoeg. Het gehoor van den Krokodil is beter +dan dat van andere, misschien wel van alle overige Reptiliën. Dat hij +het geringste gedruisch opmerkt, blijkt spoedig, wanneer men jacht +op hem tracht te maken; in verreweg de meeste gevallen redt hem bij +gevaar zijn scherp gehoor. De reuk, de smaak en het gevoel achten wij +daarentegen bij hem weinig ontwikkeld, zoo niet stomp. Een zekere mate +van verstand kan men hem niet ontzeggen. Doorgestane vervolgingen +worden niet vergeten en geven aanleiding tot voorzichtigheid, +wanneer hetzelfde gevaar hem later nogmaals bedreigt. Oude dieren, +die reeds vele jaren achtereen dezelfde zandbank bewonen, verlaten +haar na herhaalde verstoring van hun rust en kiezen dan, niet zonder +overleg, een ander plekje, waar zij genoegelijk slapen en zich in de +zon koesteren kunnen. Ook behouden zij een herinnering aan plaatsen, +die hun dikwijls een buit verschaften; zoo b.v. ziet men ze telkens +weer loeren op de naar den oever leidende wegen, die door het dorstige +vee of door de waterhalende vrouwen begaan worden. Zij kennen echter +geen verschil tusschen menschen, die voor hen gevaarlijk kunnen worden, +en die, waarvoor zij niet behoeven te vreezen, nemen daarom steeds +het wisse voor het onwisse en gaan te water, zoodra zij menschen +zien. Bij het overvallen van hun buit toonen zij wel degelijk list; +deze is echter niet te vergelijken met de sluwheid van een Zoogdier +of van een Vogel; plompheid, onervarenheid en geringe ontwikkeling +van het verstand blijken ook dan. De aard van den Krokodil verschilt +al naar de omstandigheden waarin hij verkeert. Op het land is hij +erbarmelijk lafhartig, in het water misschien wel niet moedig, +maar toch driest en ondernemend: het bewustzijn van de veiligheid, +die zijn eigenlijk element hem verschaft, schijnt te blijken uit +zijne handelingen. Met zijns gelijken leeft hij gezellig en in +goede verstandhouding; met soortgenooten van gelijke grootte houdt +hij buiten den paartijd vrede; voor kleinere exemplaren blijft hij +steeds gevaarlijk, daar de honger hem alle andere overwegingen doet +vergeten. Om andere dieren bekreunt hij zich alleen dan, als hij van +plan is er een te grijpen en te verslinden; in zijne onmiddellijke +nabijheid duldt hij alleen die, welke hij niet kan grijpen: vandaar +zijn schijnvertoon van vriendschap voor den Krokodilwachter. + +De Krokodil is in staat tot het voortbrengen van geluiden, die op een +dof gebrul gelijken, maar laat zijn stem alleen hooren, wanneer hij +in zeer opgewonden toestand verkeert. Toorn geeft hij te kennen door +een blazend of dof sissend gesnuif. Jonge Krokodillen, die pas uit +het ei zijn gekomen, maken een eigenaardig kwakend geluid, gelijkend +op dat van Kikvorschen, die in tevreden gemoedsstemming verkeeren. + +Gewoonlijk verlaat het dier tegen den middag den stroom om zich in de +zon te koesteren en te slapen. In 't water kan hij niet goed slapen, +omdat de ademhaling geregeld en met zorg moet plaats hebben, om te +verhoeden, dat hij naar de diepte zinkt, waar ademnood hem spoedig +zou wekken; half sluimerend kan hij echter op den waterspiegel +drijven. Voor zijn middagslaapje kruipt hij zeer langzaam en +voorzichtig op een weinig boven het water uitstekende zandbank, laat +zijne zeegroene oogen bedachtzaam rondwaren en maakt zich, na lang +rondgekeken te hebben, gereed om een uiltje te knappen. Na zich op +de gemakkelijkste wijze uitgestrekt te hebben, opent hij de deksels, +die de neusholten sluiten, snuift, gaapt en spert eindelijk den rijk +getanden muil zoo wijd mogelijk open. Na deze toebereidselen blijft +hij onbeweeglijk op dezelfde plaats liggen en schijnt spoedig in +te slapen. Zijn slaap is echter niet zeer vast; daar ieder ongewoon +gedruisch hem wekt en ijlings naar het water doet terugkeeren. + +Wanneer het dier niet gestoord wordt, blijft het tot omstreeks +zonsondergang op het droge, waar soms een groot aantal soortgenooten +met hetzelfde doel bijeen zijn. Alle hebben echter de eilanden +ontruimd, zoodra de avondschemering begint; dan vangt hun jacht aan, +die den geheelen nacht en misschien ook een deel van de morgenuren in +beslag neemt. Hun buit bestaat hoofdzakelijk uit Visschen; deze, hoe +behendig zij ook zijn, worden in voldoende hoeveelheid door de groote, +zwaarlijvige, schijnbaar onbeholpen Krokodillen gevangen. Zij maken het +gewone voedsel van den Krokodil uit, die bovendien op alle groote en +kleine Zoogdieren, welke onvoorzichtig uit den stroom komen drinken, +en zelfs op Moeras- en Watervogels loert. Met groote bedachtzaamheid +nadert hij hunne drink- en rustplaatsen, zwemt, terwijl alleen de +neusgaten een weinig boven den waterspiegel uitsteken, langzaam en +zonder gedruisch op zijn doel af, neemt een gunstig oogenblik te baat, +schiet eensklaps bliksemsnel bij den oever omhoog en lijnrecht op +zijn slachtoffer toe. Nooit zal hij een tevergeefs besprongen buit +op het land vervolgen. De Vogels verschalkt hij door zich rustig te +houden en onverschilligheid te veinzen, en zich daarna, onverwachts +vooruitschietend, te midden van zijne slachtoffers te storten, of +door uiterst langzaam nader te kruipen en eerst nadat de afstand +zijns inziens voldoende verminderd is, tot den aanval over te gaan. + +Zelfs op groote Zoogdieren maakt hij jacht; hij sleurt Ezels, +Paarden, Runderen en Kameelen met zich mede in den stroom. Aan de +beide hoofdaders van den Nijl verliezen de herders door zijn toedoen +in den loop van 't jaar geregeld verscheidene van de dieren, die +aan hunne zorgen zijn toevertrouwd. De herders in Oost-Soedan nemen +bij het laten drinken van hunne Kameelen steeds de voorzorg in acht, +ze onder groot geschreeuw bij groote troepen te gelijk in den stroom +te drijven om door getier en beweging de Krokodillen te verjagen. Om +kleiner vee, Runderen, Paarden, Ezels, Schapen en Geiten te drenken, +drijft men het nooit in den stroom, indien deze door gevaarlijke +Krokodillen bewoond wordt, maar laat het den dorst lesschen uit door +dammen omringde watervergaarbakken en vijvers, die naast den stroom +aangebracht zijn en waarin het water vooraf met groote moeite door +de herders moet worden overgeschept; soms omgeeft men een deel van +den stroom door dichte doornheggen en verkrijgt hierdoor een aan de +landzijde open, aan de waterzijde gesloten drinkplaats, waar het vee +tegen de gevreesde roovers beschut is. + +Schadelijker nog dan door het rooven van vee wordt de Krokodil door +het dooden van menschen. In alle Soedaneesche gewesten hebben ieder +jaar dergelijke ongelukken plaats; de meeste komen voor bij het +waterscheppen uit den stroom. Het is gebleken, dat de Krokodillen +ook wel menschen uit kano's weghalen; dit behoort evenwel tot +de zeldzaamheden. Pechuel-Loesche was met den zendeling Comber +ooggetuige van zulk een voorval. Het gebeurde omstreeks den middag +bij het Belgische station Manyango aan den Kongo. Op een door klippen +beschutte, maar diepe plek van den stroom zat in een zeer klein, +uit een uitgeholden boomstam vervaardigd schuitje, welks rand zich +nagenoeg niet boven den waterspiegel verhief, een negerhoofdman te +hengelen. Plotseling werd hij door een Krokodil, wiens kop slechts voor +een oogenblik zichtbaar werd, in 't water gesleurd; dit geschiedde zoo +snel, dat de man geen tijd had om te schreeuwen; het eenige gedruisch, +dat de aandacht trok, werd door het omslaan van de schuit veroorzaakt. + +Alle niet van schranderheid ontbloote dieren kennen den Krokodil en +zijn wijze van aanvallen. Honden, die in de dorpen aan den stroom +opgegroeid zijn, begeven zich steeds met de grootst mogelijke +voorzichtigheid te water, laten vooraf hunne blikken over den +waterspiegel zwerven, drinken haastig eenige druppels en keeren ten +spoedigste naar den oever terug, waar zij geruimen tijd wachten en +intusschen voortdurend de oppervlakte van het water bespieden, voordat +zij onder inachtneming van dezelfde voorzorgsmaatregelen nogmaals te +water gaan; zoo gaan zij voort, totdat hun dorst gelescht is. Hun +haat tegen den Krokodil blijkt, wanneer men hun een groote Hagedis +vertoont: onder woedend geblaf wijken zij terug als Apen voor een +Slang. Behalve levende dieren verslindt de Krokodil ook alle lijken, +die den stroom afdrijven. + +Zoo driest als de Krokodil in 't water is, zoo erbarmelijk lafhartig +gedraagt hij zich op het land. Naar den rivieroever, vanwaar hij zich +hoogst zelden verder dan 100 schreden verwijdert, keert hij bij ieder +vermoeden van gevaar regelrecht terug. Bij het verschijnen van een +mensch neemt hij steeds met den grootst mogelijken spoed de vlucht; +nooit komt het in hem op een mensch, die zich verder landwaarts +begeeft, te vervolgen. + +Waarschijnlijk doet de Krokodil nooit anders dan 's nachts tochtjes +over het land, misschien alleen met het doel om een ander water op te +zoeken. Om te jagen verlaat hij den stroom stellig niet. Gedurende het +regenseizoen volgt hij de regengeulen, die kort daarna uitdrogen, soms +zoover, dat hij, wanneer een snel intredende droogte de gemeenschap met +den hoofdstroom verbreekt, zich genoodzaakt ziet om, zoo goed mogelijk +verborgen, de eerstvolgende regenbuien af te wachten. Aanvankelijk +trekt hij nu van den eenen plas naar den anderen; later houdt hij +zich weken lang op in een poel, die nog eenig water bevat, al is deze +in het geheel niet geëvenredigd aan zijn grootte; men ziet daarom +soms in een onbeduidende, ondiepe kolk reusachtige exemplaren; +eindelijk, als ook hier het water verdampt is, begraaft hij zich +onder het slijk. Penney trok met zijne manschappen een regengeul +over, die ongeveer 20 KM. verder in den Blauwen Nijl uitmondde. Om +water te verkrijgen werd in het nu uitgedroogde bed van den geul een +put gegraven. Toen de gravers op een diepte van ongeveer 2,5 M. waren +gekomen, sprongen zij vol schrik weer uit den kuil naar boven en riepen +den alwetenden opperstafarts te hulp, omdat zich in den put een "grijs +ding" heen en weer bewoog. Bij nader onderzoek bleek dit de spits +van den staart van een levenden, zeer grooten Krokodil te zijn. Een +tweede put, die gegraven werd op de plaats, waar men den kop van het +monster verwachtte, maakte het mogelijk dit dier een lans in den nek +te stooten. Het bleek 5 M. lang te zijn, toen men het geheel uit den +grond gegraven had. Wegens dit voorval wordt de bedoelde regengeul +ook thans nog "Chor el Timsach" of Krokodilwater genoemd. + +Krokodillen van 3,5 M. zijn reeds geslachtsrijp; wijfjes van deze +grootte leggen echter minder en kleinere eieren dan die, welke geheel +volwassen zijn. Hoe dit geschiedt blijkt uit de mededeelingen van +A. Voeltzkow over Oost-Afrika. Den 19en Januari vond deze onderzoeker +op een kale plek van den oever, 5 à 6 schreden van den waterkant, +op den bodem van een kuil van ongeveer 0,5 M. diepte 79 eieren, die +over 4 hoopen verdeeld waren. Het eierenleggen heeft slechts éénmaal +in 't jaar plaats, in de tweede helft van Januari en de eerste helft +van Februari. De moeder maakt geen eigenlijk nest maar toont toch +wel degelijk eenige zorg voor haar kroost, daar zij over dag boven de +eieren de wacht houdt, totdat na ongeveer 2 maanden de jongen uitkomen. + +"De Sakalaven hadden mij verhaald," schrijft Voeltzkow uit Madagaskar, +"dat het oude dier tegen den tijd, dat de jongen rijp zijn voor +het uitkomen, den nestkuil opengraaft; ik had geen reden om dit te +betwijfelen, daar ik zelf talrijke kuilen had opgemerkt, waaruit het +zand verwijderd was en waarin gebroken eischalen lagen. Het was mij +echter een raadsel, hoe de moeder te weten komt, wanneer de kiemen +in de eieren ver genoeg ontwikkeld zijn, wanneer het tijd is ze op te +graven. Om het uitkomen van de jongen te kunnen waarnemen hield ik in +de werkkamer van mijn huis te Majunga krokodilleneieren in eenige met +zand gevulde kisten. Eens hoorde ik uit een dezer kisten een geluid +komen; in de meening dat het voortgebracht werd door een van de jongen, +die, de eischaal verlaten hebbend, gevaar liep in het zand te stikken, +groef ik de eieren op en bemerkte tot mijn groote verrassing, dat de +tonen in gave eieren ontstonden. Zij zijn zoo luid, dat men ze, als de +eieren bloot liggen, duidelijk in een naburige kamer hooren kan. Het +geluid geven van de jongen in het ei kan men te voorschijn roepen, +zoodra men wil, door te kloppen tegen de kist of er hoorbaar stappend +langs te gaan, ook door het ei in de hand te nemen en een weinig te +schudden: elke schok noopt het jong in het ei tot het voortbrengen van +geluiden. Daar de moeder, zooals reeds gezegd is, op het nest slaapt, +zullen hare bewegingen bij het loopen van het water naar het nest en +omgekeerd een dreuning van den grond teweegbrengen, die de jongen in +het ei, welke ver genoeg ontwikkeld zijn, aanleiding geeft om zich +te laten hooren. Het oude dier graaft dan het zand weg en na eenigen +tijd komen de jongen uit. Het voortbrengen van deze tonen geschiedt +met gesloten bek en gaat, naar het schijnt, gepaard met een sterke +samentrekking van de buikspieren, ongeveer zooals ons hikken, waarop +trouwens de klank van het bedoelde geluid eenigszins gelijkt." + +Herodotus verhaalt, dat de bewoners van Beneden-Egypte in vroegere +tijden Krokodillen in gevangenschap hielden. "Sommige Egyptenaars," +zegt de vader der geschiedenis, "beschouwen de Krokodillen als heilige +dieren, andere houden ze voor hunne ergste vijanden: gene wonen +rondom het Moeris-meer, deze bij Elefantine. De eerstgenoemden voeden +een Krokodil en maken hem zoo tam, dat hij zich laat streelen. Men +streeft er naar hem een heerlijk leven te verschaffen, hangt hem +gouden ringen met geslepen steenen in de ooren, versiert zijne +voorpooten met gouden armbanden en voedert hem met meelspijs en met +het vleesch van de offerdieren. Na zijn dood wordt hij ingebalsemd en +in een gewijd graf bijgezet. Zulke begraafplaatsen bevinden zich in +de onderaardsche vertrekken van het labyrinth aan het Moeris-meer, +niet ver van de Krokodillenstad." In den tegenwoordigen tijd denkt +in de Nijllanden niemand meer aan het temmen van Krokodillen. + +De oude Egyptenaars vingen de Krokodillen op verschillende wijzen. De +jager wierp een groot stuk varkensvleesch, waarbinnen een haak +verborgen was, in den stroom en verschool zich aan den oever +in gezelschap van een big, die hij aan 't schreeuwen bracht. Dit +geschreeuw lokte den Krokodil naderbij, die het stuk vleesch verslond +en met den haak aan land getrokken werd. De jager smeerde hem hier +vooraf de oogen vol modder, om zich tegen zijn aanval te beveiligen +en maakte hem daarna zonder moeite af. + +De Tentyriten hadden, naar Plinius verzekert, den moed een zwemmenden +Krokodil in 't water te vervolgen, hem een strik om den hals te werpen, +op zijn rug te gaan zitten en hem, als hij den kop ophief om te bijten, +een dwarshout in den muil te steken. Hierdoor bestuurden zij hun buit +als een aan den toom geleid Paard en dreven hem aan land. + +In den tegenwoordigen tijd wordt een andere wijze van jagen gevolgd, +die weinig minder moed vereischt. E. Rüppell heeft haar voor 't eerst +beschreven; zijn verhaal stemt volkomen overeen met dat, hetwelk ik +van verschillende Afrikanen vernam. De jacht begint als de zandbanken, +waarop de Krokodillen slapen en zich door de zon laten beschijnen, +droog komen te liggen door het vallen van het water in den stroom. De +jager vorscht de plaats uit, waar de Krokodil zich gewoonlijk neervleit +en kan nu als schuilplaats voor zich zelf een kuil in 't zand graven, +zoo gelegen, dat het Reptiel bij den dan heerschenden wind niet de +lucht kan krijgen van zijn vijand; hier blijft hij liggen, totdat +de Krokodil het water verlaten heeft en ingeslapen is. Het wapen, +dat bij deze jacht gebruikt wordt, is een werpspies bestaande uit een +driezijdige, ijzeren, met weerhaken voorziene spits, die met behulp van +een ring en 20 à 30 stevige koorden aan een houten steel bevestigd is; +de koorden zijn op sommige plaatsen van elkaar gescheiden, op andere +echter onderling vereenigd; de steel is door een lang touw vastgehecht +aan een lichten, houten klos. "De jager moet in staat zijn om de spies +met zooveel kracht te werpen, dat het ijzer, na het pantser van den +Krokodil doorboord te hebben, ongeveer 10 cM. diep in het lichaam +dringt en hier blijft zitten. Zoodra het dier getroffen wordt, wijken +de houten steel van de lans en de ijzeren spits uiteen, daar het ijzer +slechts losjes in het hout werd gestoken. De gewonde reus slaat woedend +met den staart en tracht het samengestelde koord door te bijten, welks +bestanddeelen echter tusschen zijne tanden komen te liggen en daarom +niet of slechts gedeeltelijk stukgesneden worden. Op geringe diepten +wijst de op 't water drijvende stok, op grootere de lichte houten klos +den door het dier gevolgden weg aan. De jager volgt den Krokodil in +een bootje, totdat hij aan den oever een geschikte landingsplaats +gevonden meent te hebben. Hier trekt hij het dier, als de harpoen +stevig genoeg vastzit, met behulp van het koord naar de oppervlakte +van 't water, geeft hem met een scherpe lans den doodsteek in den +nek of sleept hem nog levend aan land. Indien ik het niet met mijn +eigen oogen gezien had, zou het mij ongeloofelijk voorkomen, dat twee +menschen een Krokodil van bijna 5 M. lengte uit het water trekken, den +snuit dichtbinden en de pooten op den rug aaneenkluisteren kunnen; zij +dooden hem vervolgens door met een scherp mes het verlengde merg door +te snijden." In netten wordt de Krokodil slechts bij toeval gevangen, +groote exemplaren uiterst zelden, omdat zij zich zoo hevig bewegen, +dat zelfs de sterkste vischnetten scheuren. + +De Europeanen, de Turken en de bewoners van Middel-Egypte maken +met vuurwapenen jacht op den Krokodil. Hoewel ik meer dan honderd +Krokodillen een kogel toegezonden heb, is het mij nooit voorgekomen, +dat de kogel terugsprong, zooals naar men beweert, dikwijls +geschiedt. Een feit is het echter, dat slechts zeer weinige schotwonden +den Krokodil oogenblikkelijk dooden. Hij heeft een buitengewoon taai +leven, kan zelfs na een doodelijke verwonding meestal nog den stroom +bereiken en is dan voor den jager verloren. Eens loerde ik in een met +matten en zand overdekten kuil van een zandbank in den Blauwen Nijl op +Kraanvogels. Nog voordat de Vogels zich vertoonden, kwam, nauwelijks +15 schreden van mij verwijderd, een Krokodil van ongeveer 5 M. lengte +te voorschijn; deze kroop langzaam uit het water en vleide zich op +een afstand van ongeveer 6 M. van mijn schuilplaats op het zand neer +om te slapen. Om hem waar te nemen onderdrukte ik de wraakzuchtige +neigingen die mij vervulden, hoewel ik voornemens was hem na eenigen +tijd den welverdienden kogel toe te zenden. Een Kraan, die juist toen +onder schot kwam, redde voorloopig het leven van het monster; door +een kogel getroffen viel de Vogel ter aarde. De Krokodil had zich, +zonder te begrijpen vanwaar het schot kwam, bij het hooren van den +knal, zoo spoedig mogelijk te water begeven; nauwelijks echter had +ik den dooden Vogel opgeraapt en mijn geweer op nieuw geladen, toen +het gepantserde dier ten tweedenmale, op dezelfde plaats als vroeger, +voor den dag kwam. Ik mikte nu zonder overhaasting op zijne slapen, +schoot en zag tot mijn voldoening, dat het ondier na het schot een +kolossalen, vertikalen luchtsprong deed, log op den bodem neerplofte +en bewegingloos bleef liggen. Een bedwelmende muscuslucht verbreidde +zich in 't rond; mijn dienaar Tomboldo, die aan 't andere einde +van de zandbank nog in de schiethut zat, sprong juichend op uit +zijn schuilplaats met het verzoek: "Beste Heer, mij de klieren, +mij de muscus voor mijn vrouw; ik moet haar toch wat meebrengen +van de reis."--Wij stonden bij het gevelde dier, wiens geheele +lichaam nog schokte en trilde.--"Neem u in acht voor den staart," +waarschuwde Tomboldo, "en geef hem liever nog een schot, opdat hij ons +niet ontkome."--Hoewel ik dezen laatsten voorzorgsmaatregel onnoodig +achtte, vervulde ik den wensch van mijn trouwen, zwarten dienaar, hield +den loop van mijn geweer bijna voor 't oor van den Krokodil en joeg +hem een tweeden kogel in den kop. Op hetzelfde oogenblik sprong hij +hoog op, wierp ons met den staart zand en kiezelsteenen in 't gelaat, +maakte stuiptrekkende bewegingen met al zijne lichaamsdeelen en rende +plotseling, alsof hij niet gewond was, naar den stroom, waardoor alle +uitzicht op het verkrijgen van de muscusklieren ons benomen werd. + +Deze klieren verschaffen aan de hedendaagsche Soedaneezen het grootste +voordeel, dat zij uit het lichaam van een gedooden Krokodil weten +te trekken. Ten tijde van mijn verblijf in hun land verkocht men dit +artikel voor 4 à 6 "speciesthaler", voor welke som men zich destijds +in dezelfde streek twee halfwassen Runderen kon aanschaffen. Met deze +muscusklieren parfumeeren de schoonen van Nubië en Soedan de zalf, +waarmede zij zich het haar en het lichaam besmeren. Aan deze klieren +danken alle lichaamsdeelen van den Krokodil hun doordringende lucht; +het vleesch van de volwassen dieren wordt er oneetbaar door. + +In den ouden tijd werden uit den gedooden Krokodil allerlei +geneesmiddelen verkregen. Zijn bloed werd als een voortreffelijk +tegengif beschouwd bij verwondingen door Vergiftige Slangen; het +verdreef ook de vlekken van de oogen; de tot asch verteerde huid +werd dienstig geacht voor het heelen van wonden; het vet was, naar +men zeide, een voorbehoedmiddel tegen koorts, kiespijn en muggebeten; +door een tand als amulet aan den arm te dragen, verkreeg men bijzondere +krachten. Ook hiervan hoort men thans niet meer spreken. + + + +Onder de Aziatische soorten verdient de Indische of Lijstenkrokodil +(Crocodilus porosus, C. biporcatus) in de eerste plaats genoemd te +worden, daar hij de verst verbreide soort van de geheele familie +is. Door het ontbreken van de voorste nekschilden en vooral door twee +zeer lange, bijna van het oog tot aan de spits van den snuit reikende, +parelsnoervormig gelede, beenige lijsten onderscheidt de Indische +Krokodil zich duidelijk van alle overige soorten. De snuit is ook bij +deze soort lang, min of meer versmald en toegespitst, zijn lengte is +het dubbele van de breedte aan de basis, zijn bovenzijde gewelfd en +rijk aan plooien. De onderschenkel is met een getakten kam voorzien. De +kleur is donker olijfgroen, bij de jongen met donkere vlekken. Men +heeft exemplaren gemeten, die 8.6 M. lang waren; in de verzamelingen +behooren die van 5.25 M. lengte echter reeds tot de uitzonderingen. + +De Lijstenkrokodil bewoont Zuidoost-Azië en de omliggende eilanden; +men ontmoet hem aan de oostkust van Indië, op Ceylon, in Bengalen, +Birmah, het zuidwesten van China en in geheel Insulinde, voorts in +Noord-Australië en zelfs op de Salomon- en Fidsji-eilanden. Men zou +hem den Krokodil van de zee kunnen noemen, daar hij, vaker dan eenige +andere soort, van de riviermonden uit de zee bezoekt en niet zelden +op een afstand van verscheidene zeemijlen van de kust of bij eb op +droog vallende zandbanken van middelmatig breede zeeëngten tusschen +de eilanden wordt gezien. + +"De Indische Krokodil," zegt Schlegel, die Salomon Müller's +aanteekeningen in 't licht heeft gegeven in zijne "Verhandelingen over +de Natuurlijke Geschiedenis der Nederlandsche overzeesche bezittingen", +"wordt vooral in groote menigte aan de groote rivieren van Borneo +en Sumatra aangetroffen; hier komen door deze roofdieren jaarlijks +vele menschen om het leven. Zoo rekent men b.v., dat er alleen aan de +Palembangrivier op Sumatra jaarlijks omstreeks 150 menschen door deze +Krokodillen verslonden worden. Niet onmogelijk is het, dat op Java +en Sumatra veel meer menschen door Krokodillen het leven verliezen +dan door Koningstijgers. + +"De Krokodillen liggen, ten einde levende viervoetige dieren of +Vogels te vangen, òf dicht bij den oever onder het water verborgen, +òf onbeweeglijk daarlangs uitgestrekt, op den loer. Zij bezigen dus +in het algemeen hetzelfde middel tot het erlangen van voedsel als de +Katten en vele andere Roofdieren, want ook zij overvallen hun buit +meest onverwachts uit een hinderlaag, waarbij zij met te meer list +en geduld te werk moeten gaan, daar hun sluipen buiten het water, +ook door de onbuigzaamheid van het lichaam, met meer moeite gepaard +gaat. Desniettemin vangen zij dikwerf Herten, Wilde Zwijnen, Honden, +Geiten, Apen en meer andere dieren, wanneer deze den waterkant naderen +om hun dorst te lesschen. De dieren, die veel onder het water leven, +gelijk de Otters en de Waranen of Monitors, zijn gedurig aan de +vervolgingen der Krokodillen blootgesteld, terwijl deze tevens van +hun vroegste jeugd af op alle soorten van Water- en Strandvogels +jacht maken. Hoe ondernemend, stout en gevaarlijk intusschen de +Krokodillen ook in het water zijn, toonen zij zich daarentegen er +buiten ongemeen vreesachtig en schuw. Bij het minste geruisch, dat +zij vernemen, of indien zij een mensch op 40, 60 tot zelfs 100 en +meer schreden afstands gewaarworden, hetzij op het land of in een +kano op het water, vluchten zij onverwijld naar den stroom, waar zij, +spoedig uit het gezicht verdwijnend, zich aan alle verdere vervolgingen +onttrekken. Zij zwemmen voortreffelijk, zoowel stroomop als stroomaf; +in het laatste geval laten zij zich dikwijls zonder merkbare beweging +met de golf wegdrijven. Nooit ziet men hen op een vroolijke of dartele +wijze door het water zwemmen en er buiten vertoonen zij zich nog +slaperiger. Blijken van onderlinge verstandhouding of wederzijdsche +gehechtheid hebben wij nooit bij hen opgemerkt; elk individu schijnt +veel meer van jongs af afgezonderd en voor zichzelf te leven, en +bijaldien men soms eenige hunner dicht bij elkander aantreft, dan +schijnt zulks meer aan hun groot aantal op een plaats te moeten worden +toegeschreven, dan wel naar de zucht om in gezelligheid met elkander te +leven. Wanneer dit roofzuchtig gedierte onder het water op buit loert, +steekt het gewoonlijk alleen de neusgaten boven den waterspiegel, +en in deze houding blijft de Krokodil niet zelden uren lang op een en +dezelfde plek liggen; zoodra hij echter eenig gevaar bemerkt, duikt +hij oogenblikkelijk naar beneden en komt dan een eind weegs verder op +nieuw boven. Minder stil is zijn vlucht van het land naar het water, +wanneer men hem onverwachts door een geweerschot uit den slaap doet +wakker schrikken; met den meest mogelijken spoed stort hij zich dan +op onstuimige wijze in het water; de hierdoor veroorzaakte plof wordt +veelal van eenige geduchte slagen gevolgd, welke hij al duikend met den +staart teweegbrengt. Op het land is de loop van deze dieren over het +algemeen traag en moeielijk, doch korte afstanden kunnen zij soms met +onbegrijpelijke snelheid afleggen. Zij worden echter schielijk moede, +daar hunne onevenredig kleine en zwakke pooten het zware lichaam niet +lang vermogen te dragen: het zakt weldra tot op den grond door en +schuift dan in slingerende beweging daarlangs voort. Het is bekend, +dat de Krokodillen in wilde, moerassige streken soms kleine tochten +over het land ondernemen, zoodat het wel eens gebeurt, dat men in +een geheel afgezonderd liggend moeras of ook in een grooten vijver, +plotseling een dezer dieren ontwaart, waar men hen vroeger nimmer +gezien had. Meerendeels geschieden die verhuizingen des nachts. + +"Van alle zintuigen schijnt het gehoor bij de Krokodillen het meest +bevoorrecht te zijn. De scherpheid van het gehoor stelt hen in staat +om zelfs op vrij verren afstand onder het water alles te vernemen, +wat er buiten in den omtrek voorvalt. Zij komen gewoonlijk op ieder +gedruisch dadelijk af, doch altijd in de grootste stilte. Zijn het +menschen of dieren, die den oever betreden, zoo naderen zij bedaard +en houden zich zoolang onder de oppervlakte van het water verscholen, +tot zich een geschikte gelegenheid aanbiedt om een aanval te wagen, +die hun zelden mislukt, daar zij meestal niet eerder op het beloerde +voorwerp toeschieten, dan wanneer het zich genoegzaam zeker onder +hun bereik bevindt. Bij den uitval, het aanbijten en het wegrukken +van den roof zijn de bewegingen der Krokodillen pijlsnel: zelfs +zoo, dat wanneer menschen zulk een gewelddadigen dood ondergaan, +er slechts zelden eenig noodgeschrei of een kreet van angst of +schrik van hen vernomen wordt. De Krokodillen trekken hun buit +altijd onverwijld onder water, maar verschijnen korten tijd daarna, +soms reeds na weinige oogenblikken, op korter of grooter afstand +daarmede weder aan de oppervlakte. Is de prooi klein, dan verslinden +zij die dadelijk al zwemmende, waarbij zij dan alleen den kop boven +water houden; grootere dieren of menschen verslinden zij daarentegen +gewoonlijk eerst tegen den avond of in den nacht, tot welk einde +zij hun roof hier of daar op een eenzamen oever brengen, waar men +dan niet zelden overblijfsels van het lijk aantreft. Zij schijnen +hun prooi door haar hevig heen en weer te slingeren en tegen den +grond te slaan, gedeeltelijk te vermorzelen en verder in stukken te +scheuren. Stemgeluid hebben wij nooit van een Krokodil gehoord en +ook nergens van de inlanders vernomen, dat deze dieren ooit eenig +geschreeuw doen hooren. De Krokodillen zijn over het algemeen meer +nacht- dan wel dagdieren. Zij zijn, evenals de groote Katsoorten, +het gevaarlijkste in den avond en tegen middernacht, waarom dan ook +de inlanders na zonsondergang niet gaarne, doch indien zulks moet, +steeds met alle behoedzaamheid plaatsen langs de oevers der rivieren +en meren bezoeken, waar vele Krokodillen voorkomen. Overvalt hen soms +op een watertocht, dien zij met een kleine kano ondernemen, de nacht, +dan kiezen zij, zoodra het duister begint te worden, meer het middelste +gedeelte van den stroom, waar zich de Krokodillen zeldzamer ophouden +dan langs de stille en rustige oevers.--Toch gebeurt het niet zelden +in Indië en vooral op Borneo, dat er menschen van de oevers of uit de +vaartuigen door deze dieren worden weggehaald en zulks dikwijls zoo +zonder eenige beweging, dat zeer nabij zijnde personen er nauwelijks +iets van bemerken. Zeer oude Krokodillen slaan ook soms met hun staart +de kleine bootjes aan splinters, waarbij dan steeds een van de zich +daarin bevindende menschen tot buit van het roofdier wordt. + +"Bij dag ontwaart men de Krokodillen dikwijls slapend aan den +waterkant, waar zij dan als een boomstronk uitgestrekt liggen en den +muil soms wijd geopend houden. Zij kiezen daartoe bijzonder effene +plekken uit, die, of tusschen hoog riet en gras, door een grooten, +afhangenden boomtak belommerd zijn, of ook wel geheel open en +vrij aan de stralen der zon zijn blootgesteld en waar deze dieren +veelal iederen dag komen rusten. Op deze rustplaatsen worden in +eenige streken van Borneo de Krokodillen op een eigenaardige wijze +gevangen. De Dajakkers leggen er eenige planken neer, die van boven +met een sterk klevende boomhars bestreken zijn. Wanneer zich nu een +Krokodil op zulk een plank neerlegt en daar eenigen tijd op gerust +heeft, geraakt de plank door de hars zoo stevig aan het lijf van het +dier vast, dat zij er alleen met moeite en kracht van afgetrokken kon +worden. Zoodra de inlanders zien, dat een Krokodil in dezen toestand +verkeert, gaan zij met pieken en zware houwers gewapend en voorzien +met eenige lange rottingen, die hun als bindtouw dienen, zoo te water +als te land er op af. Het beangstigde dier geeft zich alle moeite +om bij het naderende gevaar naar onderen te duiken, maar de plank +maakt dit onmogelijk; het wordt dan op de oppervlakte van 't water +ronddrijvend, onder een woest gespartel en geworstel afgemaakt. Deze +wijze van Krokodillen vangen laat zich voornamelijk op die plaatsen +met goed gevolg aanwenden, waar zij geen gebrek aan voedsel hebben en +daarom niet licht op lokazen afkomen. Waar echter minder voedsel is, +worden zij meerendeels met lokaas gevangen, daar deze handelwijze +minder oplettendheid vereischt en tevens met minder omslag en gevaar +bij het dooden der dieren gepaard gaat. + +"Ofschoon men in sommige rivieren en baaien langs de kusten van Java +vrij veel Krokodillen heeft opgemerkt en zij zelfs op de reede van +Batavia niet zeldzaam zijn, brengen zij toch, daar en elders op dit +eiland, over het algemeen den mensch minder nadeel toe dan wel in +andere streken van den Oosterschen Archipel. De oorzaak daarvan laat +zich verklaren uit het overvloedige voedsel, dat zij in deze wateren +aantreffen. Doode paarden, Buffels, Geiten, Honden, kortom allerlei +krengen komen in deze zoo dicht bevolkte landstreken in menigte de +rivier afdrijven; bovendien wordt uit de talrijke schepen en inlandsche +vaartuigen, welke hier gedurig rondkruisen of op onderscheidene reeden +ten anker liggen, dagelijks een groote hoeveelheid ingewanden van +Kippen, Eenden en ander gedierte over boord geworpen; dit een en +ander schijnt toereikend te zijn om de vraatzucht der Krokodillen +te bevredigen. + +"In het Maleisch, de meest verspreide taal van Oost-Indië, heeten +deze dieren Bowaja of Boeaja." + +Even verklaarbaar als de felle vervolging, die deze dieren ook in Azië +ondergaan, is de vereering, die hun hier en daar ten deel valt. Op +de Soenda-eilanden merkte S. Müller geen eigenlijke vereering op, +wel komt deze echter op het Indische vasteland voor. In de gewesten +waar men den Krokodil voor zoo heilig houdt, dat men geen hoogeren +wensch kent dan na den dood in een Krokodil veranderd te worden, +vervolgt men dit dier nooit, maar tracht veeleer vriendschap met hem +te sluiten. Orlich bezocht in 1842 de heilige Krokodillenvijver in de +nabijheid van de stad Karratsjie, een beroemde bedevaartplaats voor +de inboorlingen. Hier leefden ongeveer 50 Krokodillen, waaronder +sommige van 5 M. lengte. De Brahmaan, die met de verzorging van +deze vertegenwoordigers van Visjnoe was belast, riep ze, terwijl de +reiziger er bij stond, tot zich, om ze te voederen. Orlich was niet +weinig verbaasd over de gehoorzaamheid der heilige dieren voor hun +aanbidder; uit het water gekomen, vormden zij een halven kring om hun +verzorger en wachtten met wijd opengesperden muil zijne bevelen af; +door aanraking met een rietstok lieten zij zich gewillig leiden. Een +Geit werd voor hen geslacht en de stukken onder hen verdeeld. Na den +maaltijd diende de rietstok om hen weer naar het water te drijven. + +De gevangen Lijstenkrokodillen worden gewoonlijk doodgeslagen en +niet verder gebruikt. In sommige streken, o. a. van Borneo en Siam, +wordt hun vleesch gegeten. + + + +Bij de Alligators (Alligator) is ook voor het bergen van de spits +van den vierden onderkaakstand aan weerszijden van de bovenkaak +een diepe kuil aanwezig. Het aantal tanden bedraagt minstens 17 in +iedere kaakhelft, maar kan boven tot 20, onder tot 22 stijgen en +dus in 't geheel 84 zijn. Het neusmiddelschot is verbeend; onder de +buikschilden bevinden zich geen huisbeenderen, of deze zijn zeer dun +en onbeduidend. Van dit geslacht zijn 3 soorten bekend, waarvan 2 in +Noord-Amerika en 1 in het zuidoosten van China. Het woord "Alligator" +is ontstaan door verbastering van het Portugeesche woord "el Lagarto", +dat "Hagedis" beteekent. De naam "Kaaiman", waarmede de leden van +dit en het volgende geslacht meestal aangeduid worden, is ontleend +aan de taal van sommige Amerikaansche negerstammen. + + + +De Alligator of Kaaiman met den snoekenkop (Alligator mississippiensis, +A. lucius) is kenbaar aan den breeden, platten snuit, welke veel +gelijkt op dien van een Snoek en aan de schilden in den nek. Hij kan +4,5 M. lang worden, maar is reeds bij het bereiken van de helft dezer +lengte als volwassen te beschouwen. De bovendeelen zijn gewoonlijk +vuil olijfgroen, hier en daar met donkerder vlekken geteekend, de +onderdeelen zijn vuil lichtgeel. + +Het verbreidingsgebied van den Alligator is beperkt tot de +zuidoostelijke Vereenigde Staten van Noord-Amerika en strekt zich +van den mond der Rio-Grande noordwaarts tot 35° N.B. uit. In bijna +alle stroomen, beken, meren en moerassen van Zuid-Carolina, Georgië, +Florida, Alabama, Mississippi en Louisiana ontmoet men hem zeer +algemeen; verder noordwaarts komt hij zeldzamer, in Noord-Carolina +slechts hier en daar voor. In de bedoelde stroomen ziet men de +Alligators op de slijkerige oevers en op groote, drijvende boomstammen +in de zon zich koesteren of zwemmend hun voedsel zoeken. In Louisiana +zijn alle moerassen, bochten, stroomen, vijvers, meren vol van deze +dieren; men merkt ze overal op, waar zooveel water is, dat zij zich +verbergen en voedsel vinden kunnen; evenzoo is het gesteld in de andere +hierboven genoemde staten tot aan den mond van den Arkansas, en ook +in de meer westwaarts gelegen stroomen. Op de Red-River waren zij, +voordat hier stoombooten voeren, zoo buitengewoon veelvuldig, dat men +ze bij honderden langs den oever of op de ontzaglijk groote massa's +drijfhout zag. De kleine lagen of zaten op den rug van de grootere; +soms hoorde men van hen een gebrul als dat van duizend wilde stieren, +die elkander willen bevechten. Evenals vele andere hier levende dieren +waren zij zoo weinig schuw, dat de bedrijvigheid op den stroom of aan +den oever nauwelijks eenige wijziging in hunne gewoonten bracht. Om +de booten, die hun op een afstand van weinige meters voorbijvoeren, +bekommerden zij zich niet, tenzij men op hen schoot. In brak water +waren en zijn zij zeldzamer. + +Op het land beweegt de Alligator zich gewoonlijk langzaam en met +tegenzin. Zijn gang is een gebrekkig gescharrel; de eene poot +na den anderen wordt op plompe wijze naar voren verplaatst; het +zware lichaam schuurt intusschen over den grond en de lange staart +sleept over den bodem. Zoo komt hij uit het water, zoo kruipt hij +over de velden of in de wouden rond, om een andere woonplaats, waar +hij voedsel hoopt te vinden, of een geschikte legplaats voor zijne +eieren op te sporen. Op het land zijn deze dieren, waarschijnlijk +wegens hun onbeholpenheid, erbarmelijk lafhartig. Wanneer zij bij +het reizen van het eene water naar het andere een vijand bespeuren, +gaan zij zoo plat mogelijk op den bodem liggen, drukken den snuit er +tegen aan en blijven bewegingloos in deze houding, waarbij intusschen +de zeer beweeglijke oogen voortdurend op den tegenstander letten. Als +men nader bij hen komt trachten zij niet te vluchten en wagen evenmin +een aanval, maar verheffen zich eenvoudig op hunne pooten en blazen, +alsof zij een smidsblaasbalg in 't lijf hebben. Zonder eenig gevaar +te loopen, kan men ze nu doodslaan, wanneer men zich slechts op +een eerbiedigen afstand houdt van den staart, het meest gespierde +lichaamsdeel en in zekeren zin ook het beste wapen van dit dier. Door +een krachtigen slag met den staart kan het een mensch dooden. + +In het water, zijn eigenlijke element, is de Alligator levendiger +en stoutmoediger. Soms komt het voor, dat hij hier zelfs den mensch +aanvalt. In den regel echter vermijdt hij den heer der schepping +angstvallig, vooral wanneer deze hem wil bestrijden. De "cowboys" of +herders van het rundvee waden in Noord-Amerika, wanneer zij bij een +door Alligators bewoond water komen, met knuppels gewapend hierin op, +om een weg voor hun vee te banen of om te verhoeden, dat het gedurende +het drinken lastig gevallen wordt door de vraatzuchtige Reptiliën. Als +zij regelrecht op den kop van den Alligator afgaan, hebben zij niets +te vreezen en kunnen zelfs zonder gevaar te loopen dien kop met +hun knuppel beuken, totdat het dier uit den weg gaat. Soms ziet men +menschen, Muildieren en Alligators dicht bij elkander in het water; +het vee doet angstige pogingen om de Krokodillen te ontwijken; de +herders zijn druk in de weer met hunne stokken; de Alligators kijken +met begeerige oogen naar de dieren, die zij zoo gaarne buit zouden +willen maken, maar houden zich uit vrees voor de pijnlijke slagen op +een eerbiedigen afstand. + +Schapen en Geiten, die aan den waterkant komen drinken, Honden, +Herten en Paarden, die zwemmend de overzijde trachten te bereiken, +loopen gevaar door de Alligators verdronken en later verslonden +te worden; het eigenlijke voedsel van deze Krokodillen bestaat +echter uit Visschen. Wanneer de rivieren buiten hare oevers treden, +hetgeen in het door hen bewoonde gebied ieder jaar gebeurt, vullen +de groote, met haar samenhangende moerassen en ondiepe meren zich +niet slechts met water, maar ook met Visschen; op deze maken de +Alligators jacht. Bij afnemende waterstand, als de geulen, die deze +meren verbinden, droogvallen, worden de Visschen genoopt zich naar de +diepste plaatsen te begeven; de Krokodillen volgen hen en trekken van +den eenen kuil naar den anderen. Na zonsondergang is het gedruisch, +dat deze roovers met hun staart maken, ver hoorbaar; naderbij komend, +ziet men, hoe zij door hunne bewegingen het water beroeren en de +Visschen zoo beangst maken, dat deze bij honderden boven het water +uitspringen, met het doel, om hunne verwoede vijanden te ontwijken; +dikwijls echter worden zij juist door de staartslagen in de nabijheid +van den veeltandigen muil gedreven. + +In den zomer legt het wijfje hare betrekkelijk kleine, witte, met +een harde kalkschaal bedekte eieren, welker aantal soms meer dan 100 +bedraagt, in een eigenaardig nest. Zij bouwt dit op een hiervoor +geschikte, meestal 50 à 60 schreden van den waterkant verwijderde +plek in het dichte struikgewas of rietveld, voert in den bek bladen, +stokken en dergelijke materialen aan, legt de eieren en dekt ze +zorgvuldig toe. Van nu af houdt zij voortdurend in de nabijheid van +het nest de wacht en schiet woedend toe op ieder wezen, dat hare +eieren nadert. De temperatuursverhooging, die een gevolg is van de +rotting der plantaardige stoffen, waaruit het nest bestaat, bevordert +de ontwikkeling der kiemen; de jonge Alligators werken zich behendig +door de hen bedekkende plantenmassa heen en worden door de moeder naar +het water geleid, gewoonlijk eerst naar kleine, afgezonderde plassen, +om hen tegen de mannetjes en de groote Moerasvogels te beveiligen. + +De jacht op den Alligator wordt bemoeilijkt door de taaiheid van +zijn leven; want ook deze Krokodil wordt slechts door een kogel, +die de hersenen of het hart doorboort, onmiddellijk gedood, beter +echter door een flink schot hagel. Vaker nog dan van geweren, +maakt men gebruik van groote netten; de plassen worden hiermede +leeggevischt, de gevangene exemplaren op den oever getrokken en met +bijlen doodgeslagen. Enkele negers vangen den Alligator zeer handig +in een strik, dien zij hem over den kop werpen, wanneer hij in de +nabijheid van den oever zwemt en waaraan zij hem vervolgens uit het +water trekken. Een door een schot gewonde Alligator, brengt onder +de medebewoners van den plas zulk een groote opschudding en vrees +teweeg, dat zij in den regel een andere woonplaats opzoeken, of zich +althans gedurende verscheidene dagen verborgen houden; zij letten +daarentegen veel minder op een metgezel, die door een kogel of een +schot hagel oogenblikkelijk gedood werd. Bij de Red-River werden in +vroegere jaren, toen schoenen, laarzen en zadels van alligatorleer +in de mode waren, duizenden van deze dieren gedood. D. Gronen schat +het aantal jonge Alligators, die ieder jaar in Florida ter wille van +hun huid, hunne tanden en hun op olie gelijkend vet gevangen worden, +op 6000. Er wordt een prijs van 25 dollars voor de 100 stuks betaald. + +Het is deze soort van Krokodillen-familie, die men in dierentuinen +en beestenspellen het veelvuldigst te zien krijgt. Ieder jaar +worden verscheidene honderden levende Alligators op de Europeesche +wildedierenmarkt gebracht; alle vinden koopers: de kleine, +die de eischaal nog slechts sinds kort verlieten, worden door +dierenliefhebbers gekocht voor hun aquarium en zoover getemd, dat +zij ten slotte het voedsel, dat hun verzorger hun voorhoudt, uit de +hand nemen; de groote exemplaren komen in het bezit van eigenaars +van beestenspellen en worden door hen zoolang medegevoerd, totdat +zij door mishandeling, honger en koude bezwijken. Oud gevangen dieren +versmaden gewoonlijk het voedsel, dat men hun geeft; exemplaren van +1 1/2 M. lengte daarentegen geraken spoedig aan den gevangeniskost +gewoon, indien men hun slechts een ruime woning verschaft, bij voorkeur +een kleine vijver in een tuin. Met een levenden buit moet men ze aan +'t eten brengen, b.v. door vleugellamme Musschen, levende Duiven, +Hoenderen enz. op het water te werpen; later nemen zij ook stukken +rauw vleesch aan, die men door een daaraan bevestigd touw in beweging +brengt; eindelijk sperren zij reeds, wanneer men hun dit voedsel toont, +den muil open en wachten onder vroolijk geklok, "tot de gebraden +Duiven hun in den bek vliegen." Oude Alligators hebben een geduchten +eetlust; zij kunnen per week 8 KG. vleesch verorberen. Bij zorgvuldige +behandeling kunnen zij ook in de open lucht jaren lang de gevangenschap +verduren; hiervoor is echter noodig, dat hun de gelegenheid wordt +verschaft om zich gedurende den winter behoorlijk tegen den invloed +van de koude te beveiligen, b.v. door zich onder het slijk te begraven; +indien dit niet geschiedt, komen zij den eersten winter niet door. + + + +Het geslacht van de Kaaimans (Caiman) onderscheidt zich van dat +der Alligators door het ontbreken van het beenig neusmiddelschot +en door het bezit van een uit beweeglijke beenplaten samengesteld +buikpantser. De vijf bekende soorten van dit geslacht zijn tot Middel- +en Zuid-Amerika beperkt. + + + +Zoowel bij den Jacare (Caiman latirostris) als bij den Gebrilden +Kaaiman (Caiman sclerops) zijn de bovenste oogleden voor een deel +verbeend, voor een deel vliezig en met een klein, naar boven gericht +hoorntje voorzien; bij beide zijn de voorranden der oogholten door +een halvemaanvormige, beenige dwarslijst verbonden, die met het +verbindingsstuk van een bril vergeleken wordt; bij beide zijn de +voorste nekschilden groot en op 2 (hoogstens 3) dwarsrijen geplaatst: +bij den Jacare echter vormen de achterste nekschilden 3 of 4, bij den +Gebrilden Kaaiman steeds 5 dwarsrijen. De Jacare bereikt een lengte +van 3.5 M.; de Gebrilde Kaaiman wordt hoogstens 2.8 M. lang; bij +dezen is de snuit betrekkelijk iets langer dan bij genen. Bij beide +zijn de bovendeelen donker olijfbruin, de zijden met grijsachtige +vlekken gemarmerd, de onderdeelen groengeelachtig wit. + +De Jacare bewoont Zuid-Amerika ten oosten van de Andes, van den +Amazonenstroom tot de La-Plata-rivier, de Gebrilde Kaaiman geheel +Middel- en Zuid-Amerika van de landengte van Tehuantepec tot aan de +La-Plata-rivier op ongeveer 32° Z.B. + +Azara en de Prins Von Wied hebben de levenswijze van den Jacare +met voldoende nauwkeurigheid beschreven. Hij houdt meer van stille +rivierarmen of stilstaande wateren dan van snel vlietende stroomen +en is daarom in de groote, moerassige bosschen van het binnenland +bijzonder talrijk. Zoolang deze vraatzuchtige roover, in het water +rustend, op buit loert, ziet men van hem niets anders dan het voorste +deel van den kop, die zoover opgeheven wordt, dat het hoogliggende +oog juist over den waterspiegel kan gluren en dat de neusgaten lucht +kunnen opnemen. In deze houding blijft hij over dag op dezelfde plaats, +of zwemt tegen den middag naar den oever of naar een rotsblok, waar +hij in de zon gaat liggen slapen; de nadering van een mensch of van +een Hond drijft hem echter onmiddellijk in het water terug. + +"Het voedsel van den Jacare bestaat uit alle levende wezens, die hij +vangen kan. In de maag van een jongen Kaaiman vond ik hoofdzakelijk +overblijfselen van Visschen en Watervogels, bovendien kiezelsteentjes +en zand; ik vernam tevens, dat deze dieren soms groote steenen in de +maag hebben. De Braziliaansche visschers beweren, dat de Jacare soms +een zwemmend of badend mensch aanvalt; een hunner toonde mij zelfs +aan zijne beenen en armen litteekenen van door dit dier veroorzaakte +wonden. Over 't algemeen kan men echter deze Krokodillen niet als +gevaarlijk voor den mensch beschouwen. Alle die ik zag, waren zeer +schuchter en verdwenen onmiddellijk, zoodra men hen tot op een afstand +van 30 of 40 schreden naderde." + +De bewoners van Paraguay maken ijverig jacht op den Jacare; de +Europeanen doen dit met vuurwapenen, de Indianen met een eigenaardige +soort van pijlen. De pijl wordt den Kaaiman in de zijde geschoten en +is zoo ingericht, dat de schaft afvalt, zoodra de ijzeren spits in +het lichaam doorgedrongen is; de schaft, die nu nog door een touw met +de spits verbonden is, wijst, op het water drijvend, de plaats aan, +waar het gewonde dier zich verborgen heeft. De Spanjaarden maken bij +deze jacht ook wel gebruik van een aan beide einden spits toeloopend +stuk hout, dat, aan een lijn vastgehecht, met runderlong omgeven, in +'t water geworpen wordt; de Kaaiman slikt dit lokaas door en wordt +dan met geringe moeite op het land getrokken. + +De Prins Von Wied bezat verscheidene levende, jonge Jacares. Zij +gedroegen zich wild en onstuimig, bliezen den buik en de keel op, +als men ze aanraakte of plaagde, sisten tevens als een Gans op het +nest en openden den muil. Wanneer men ze van achteren aanraakte, +keerden zij zich buitengewoon vlug om, beten flink van zich af en +sloegen hevig met den staart. De onaangename muscuslucht der oude +dieren was ook bij hen reeds aanwezig. + + + + + + + +DERDE ORDE. + +DE SCHILDPADDEN (Chelonia). + + +Door haar eigenaardigen lichaamsbouw wijken de Schildpadden zoozeer af +van de andere leden harer klasse, dat zij er niet mede verward kunnen +worden. De gepantserde romp, de plompe kop, welks kaken, evenals +die van de Vogels, met hoornscheeden bedekt zijn en nooit tanden +dragen, de zuilvormige, op korte stompjes gelijkende of lange, smalle, +vinvormige pooten zijn kenmerken, welke niet met die van eenig ander +dier vergeleken kunnen worden. Het pantser bestaat uit twee deelen, +het boven- of rugschild en het onder- of buikschild. Het rugpantser is +min of meer bol, langwerpig, rondachtig of hartvormig, het buikpantser +schildvormig, eirond of afgerond kruisvormig. Deze beide deelen +hangen samen door een aanvankelijk kraakbeenig verbindingsstuk, +dat bij sommige gedurende het geheele leven buigzaam blijft, bij +andere verbeent. Gezamenlijk vormen zij dus een doos, die van voren +en van achteren open is voor het doorlaten van den kop, de pooten en +den staart, maar den romp meer of minder volkomen omhult. De kop is +gewoonlijk eivormig, van achteren afgeknot, de hals verschillend van +lengte, maar steeds zeer beweeglijk; de vier pooten zijn gang-, zwem- +of vinpooten; de lengte van den meestal korten, rol- of kegelvormigen, +meer of minder spits toeloopenden staart wisselt zeer sterk af. Het +grootendeels door huidverbeening gevormde pantser is met hoornplaten of +schilden, slechts bij weinige soorten met een lederachtig bekleedsel +bedekt; de eeltachtige huid van kop, hals, pooten en staart is +met plaatvormige schubben van verschillende grootte, met schilden, +knobbels of korrelige vormingen bezet en vertoont dikwijls op sommige +plaatsen eigenaardige sporen of stekels. De hoornplaten, die het +rugschild bekleeden, worden onderscheiden in 5 wervelplaten (boven +de rugwervels) 4 of 5 paar zijde- of ribplaten (boven de ribvormige +beenstukken) en 24 of meer kleinere randplaten, waarbij 1 nekplaat +en 1 of 2 staartplaten; de parige schilden aan de buikzijde van het +pantser heeten keel-, arm- (of bovenborst-), borst-, buik-, schenkel- +(of onderbuik-) en aarsplaten; bij den voorrand en den achterrand van +het verbindingsstuk tusschen rug- en borstschild liggen de oksel- en +de liesplaten. In den regel raken de platen elkander met de randen aan +en zijn dan door naden verbonden; soms echter zijn zij dakpansgewijs +geplaatst. Het aantal, de onderlinge verhouding en de rangschikking der +hoornplaten leveren belangrijke kenmerken op voor de onderscheiding +der soorten. Hare randen stemmen niet overeen met die der door haar +bedekte, platte beenderen, welke, door getande naden onbeweeglijk +verbonden, aan het pantser een groote stevigheid verschaffen. + +De zeer beweeglijke halswervels zijn meestal 8 in getal; daarop +volgen 10 wervels, die ieder een paar ribben dragen en daarom +rugwervels heeten; met uitzondering van den eersten en den laatsten, +laten deze in 't geheel geen beweging toe en nemen, doordat hunne +doornuitsteeksels en ribben zich tot platen uitbreiden en met +verbeende gedeelten van de daarboven liggende lederhuid vergroeien, +aan de vorming van het rugpantser deel. De "schijf" van het beenige +rugschild bestaat dus uit 8 middelste stukken en 8 paar zijdelingsche +stukken. Slechts bij één soort ontbreken de wervelstukken. Meestal +strekken de ribben zich tot aan den "rand" van het rugschild uit; de +met haar vergroeide huidbeenderen reiken echter niet altijd zoover, +zoodat dan de uiterste gedeelten der ribben in het skelet als de +spaken van een wiel aan den omtrek van de "schijf" uitstralen en +tusschenruimten (fontanellen) overlaten, die bij het levende dier +door de huid zijn gevuld. Gewoonlijk is het rugschild voorzien van +een uit samenhangende huidbeenderen samengestelden "rand"; met deze +"randstukken" zijn de uiteinden der ribben verbonden, zoodat ook +een rugschild met spaakvormig verlengde ribben een volledigen rand +bezit; deze bestaat uit 10 à 13 paar huidbeenderen en is van voren +door een "nekstuk", van achteren door een "staartstuk" gesloten.--In +het buikschild komen niet anders dan huidbeenderen voor; het heeft +dus niets gemeen met het borstbeen, dat bij de Schildpadden geheel +ontbreekt. In den regel bestaat het uit 9 stukken; één aan den voorrand +en vier opeenvolgende paren er achter. Bij de Landschildpadden en vele +Moerasschildpadden vormen deze stukken een aaneengesloten geheel, +bij de Zeeschildpadden laten zij in 't midden een groote ruimte +of "fontanel" over, waar het borstschild dus eenvoudig uit een met +hoornplaten bedekte huid bestaat. Tusschen deze beide uitersten vormen +de overige Moerasschildpadden den overgang. + +De zeer kleine schedelholte is gevuld met hersenen, welker massa +volstrekt niet geëvenredigd is aan die van het lichaam. Schildpadden +van 40 KG. hebben nauwelijks 4 G. hersenen; bij exemplaren van +1 KG. bedraagt het gewicht van de hersenen slechts 0.36 G. Het +oog heeft twee leden en een wenkvlies; de oogbol herinnert door +zijn samenstelling in vele opzichten aan dien van de Vogels. Uit +de inrichting der zintuigen kan men afleiden, dat de Schildpadden +tamelijk goed zien, een middelmatig scherp gehoor en tot op zekere +hoogte een fijnen reuk hebben; ook zijn zij tot het verkrijgen van +smaakgewaarwordingen in staat; over het tastgevoel durven wij geen +oordeel vellen. + +Het aantal in 1888 bekende soorten beliep 201; het is niet zeer +waarschijnlijk, dat het veel zal toenemen. In warme, waterrijke +gewesten vertoonen de Schildpadden de grootste verscheidenheid van +vormen; in de richting van den evenaar naar de polen en bij toenemende +hoogte neemt het aantal soorten schielijk af. + +Alle levensverschijnselen van de Schildpadden zijn traag, langzaam, +onregelmatig. Zij kunnen ongeloofelijk lang leven zonder te ademen, +zonder haar bloed te zuiveren, na de vreeselijkste verminkingen +zich nog maanden lang bewegen, en dus tot op zekere hoogte +handelingen verrichten, welke op die van de niet verminkte dieren +gelijken. Schildpadden zonder kop bewegen zich nog verscheidene +weken na de onthoofding, trekken b.v., als men ze aanraakt, de pooten +onder het rugschild terug; een exemplaar, welks hersenen door Redi +weggenomen waren, kroop nog 6 maanden lang rond; in de Parijsche +"Jardin des Plantes" leefde een Moerasschildpad 6 jaren zonder voedsel +te gebruiken. + +Het ligt voor de hand, dat dieren, welker hersenen en zenuwen zoo +weinig ontwikkeld zijn, geestelijk niet hoog kunnen staan. En toch +toonen de Schildpadden zich in dit opzicht meer begaafd dan men van +haar verwacht zou hebben. Haar verstand is omvangrijker, haar geest +levendiger dan men zou vermoeden. Ook zij handelen met bewustzijn. Zij +ondervinden lust en onlust, herkennen zaken, die nuttig, en zaken, die +nadeelig voor haar zijn, onderscheiden bruikbare voedingsmiddelen van +onbruikbare, vreedzame en onschadelijke wezens van gevaarlijke, geraken +zelfs langzamerhand gewoon aan menschen, die haar welwillendheid +betoonen, gewennen zoo niet aan haar verzorger dan toch aan den +persoon, die haar voedsel verschaft, laten jegens dezen de plompe +schuwheid varen, die zij aanvankelijk toonden, kunnen in de handen +genomen, geprikkeld, tot gramschap vervoerd of gekalmeerd worden. + +Hoewel de willekeurige bewegingen van de meeste Schildpadden eveneens +langzaam, traag en plomp geschieden, herinneren toch sommige leden +dezer groep door haar vlugheid aan andere Kruipende Dieren. Bij +'t gaan zijn alle plomp en onbeholpen; bij 't zwemmen en duiken +openbaren de Zoetwater- en Zeeschildpadden de grootste mate van +levendigheid waarvoor zij vatbaar zijn; in deze opzichten echter is +hun begaafdheid vermoedelijk niet grooter dan die van eenig ander in +'t water levend dier. Verbazing wekt de spierkracht, waarvan alle +soorten bewijzen geven. + +De Landschildpadden voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige +stoffen; vele eten echter tusschenbeide ook Insecten, Wormen +enz. De Zoetwaterschildpadden leven meestal van dierlijke stoffen; +sommige Indische geslachten zijn echter volslagen planteneters. De +Zeeschildpadden voeden zich gedeeltelijk met wieren en zeegrassen, +gedeeltelijk met Schaaldieren, Vinpootige Slakken, Kwallen en andere +lagere Zeedieren, ook wel met kleine Visschen. Enkele soorten van +Schildpadden zijn geweldige roovers. Zij eten eigenlijk alleen +gedurende de warme zomerdagen of in de keerkringsgewesten gedurende +den regentijd, mesten zich dan binnen weinige weken vet, houden +daarna allengs op voedsel te gebruiken en vervallen in verstijving +of winterslaap, wanneer hetzij de winter, hetzij het droge seizoen +aanvangt. Hetzelfde komt voor bij de weinige soorten, die zich +gedurende het geheele jaar in bosschen ophouden. + +Kort na het ontwaken in de lente vangt de voortplanting aan. Het wijfje +graaft met eenige zorg gaten in den grond, gewoonlijk in het zand, +legt hierin eieren en dekt ze toe met een laag zand of modder. De +eischaal is in den regel bard en kalkachtig, alleen bij de familie +der Zeeschildpadden zacht en perkamentachtig; bij sommige soorten +zijn de eieren bolvormig, bij andere meer langwerpig; hun grootte +is betrekkelijk gering. Vele Schildpadden leggen niet meer dan een +dozijn, groote soorten ver over de 100 eieren. De moeder bekommert +zich na het eierenleggen niet meer om haar kroost. De jongen komen +na verloop van eenige maanden uit, kruipen meestal 's nachts uit den +grond en begeven zich dan naar een schuilplaats op het land of naar het +naastbij gelegen water. In tallooze menigte worden zij door Zoogdieren, +Vogels en Kruipende Dieren van andere orden opgezocht en verslonden; de +buitengewoon lange levensduur van de exemplaren, die dit lot ontgaan, +behoedt de meeste soorten echter voor geheele vernietiging. + +De Schildpadden zijn voor ons de nuttigste van alle Reptiliën, daar +wij niet slechts de hoornplaten van het pantser der Zeeschildpadden +onder den naam van "schildpad" voor velerlei doeleinden gebruiken, +maar ook het vleesch en de eieren van nagenoeg alle soorten eten en +smakelijk vinden. Enkele soorten hebben een zoo sterke muscuslucht, +dat Europeanen althans geen smaak vinden in de van hun vleesch +bereide spijzen; andere leveren daarentegen, zooals bekend is, +werkelijk kostelijke gerechten. + + + +De Schildpadden worden, volgens Dollo, verdeeld in twee onderorden: de +Mozaïekschildpadden< en de Echte Schildpadden. De Mozaïekschildpadden +(Athecae), die in de hedendaagsche periode slechts door één +familie--de Lederschildpadden (Sphargidae)--met één geslacht en één +soort vertegenwoordigd zijn, onderscheiden zich van alle overige +leden der orde, doordat de wervels en ribben vrij zijn, dus niet +vergroeid met het huidskelet. Het rugschild is zwak gewelfd en uit +talrijke, op reeksen geplaatste, veelhoekige beenplaten samengesteld; +het gebrekkig ontwikkelde buikschild bestaat uit smalle beenderen, die +door een zeer groote fontenel in 't midden vaneengescheiden zijn. De +ribben zijn meestal niet verbonden met echte randstukken. De geheele +romp is met een lederachtige huid bedekt. De neusopeningen zijn naar +boven gericht, de oogholten zeer groot. De ledematen zijn in groote, +vinvormige roeiwerktuigen veranderd, waaraan de nagels ontbreken, +hoewel de vingers van den voorvoet sterk verlengd zijn. De gewrichten +van de vingers en teenen laten geen beweging toe. + + + +De eenige thans nog levende soort--de Lederschildpad of Luth +(Dermochelys coriacea)--is een reusachtig dier van nagenoeg 2 M. totale +lengte en 500 à 600 KG. gewicht. De voorste ledematen zijn meer dan +dubbel zoo lang als de achterste. Het volledig verbeende rugpantser is +van voren tamelijk afgerond en loopt van achteren in een staartvormige +spits uit; het is door 7 uitpuilende, overlangsche lijsten in 6 velden +verdeeld. Het onvolledig verbeende, zachte en buigzame buikschild +vertoont 5 overlangsche kielen. De kop, de hals en de pooten zijn bij +de jonge dieren met schildjes bekleed, die langzamerhand verdwijnen, +zoodat de huid van de oude dieren er glad uitziet en slechts de kop +nog kleine schildjes vertoont. De kleur is donkerbruin met lichter +bruine of gele vlekken. + +De grootste van alle hedendaagsche Schildpadden wordt van jaar +tot jaar zeldzamer en kan als een uitstervende soort beschouwd +worden. Zij bewoont eigenlijk alle zeeën tusschen de keerkringen en +werd vroeger zoowel bij de Salomonseilanden van de Stille Zuidzee +als aan de kust van Arabië en in de Roode Zee, bij de Bermudas en +de zuidkust van Noord-Amerika, in de zeeën ten zuiden van Indië +zoowel als om Madagaskar geregeld aangetroffen. Nu en dan bezocht +zij ook de gematigde aardgordels. Door weer en wind uit den koers +gebracht, misschien ook door reislust gedreven, heeft zij zich in +den Atlantischen Oceaan bij Europa en de noordelijke Vereenigde +Staten, in de Stille Zuidzee bij Chili vertoond; op al deze kusten +werd zij herhaaldelijk gevangen. Enkele exemplaren zijn zelfs naar +de Middellandsche Zee en naar de Noordzee, misschien ook naar onze +kusten, afgedwaald [1]. + +Van de levenswijze der Lederschildpad is zeer weinig bekend. Haar +voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Visschen, Schaaldieren en Weekdieren +te bestaan. Volgens berichten, die de Prins Von Wied ontving, +verschijnt ieder wijfje met tusschenpoozen van ongeveer 14 dagen +viermaal per jaar op de legplaatsen aan de zeekust en laat hier in +het zand telkens 18 à 20 dozijn eieren achter. + +Uit de nieuwste berichten blijkt, dat de schilderingen, door vroegere +schrijvers gegeven van de kracht en de weerbaarheid der Lederschildpad +niet overdreven zijn. Haar vleesch wordt niet gegeten, omdat men aan +het gebruik daarvan slechte gevolgen toeschrijft. + + + +Bij de Echte Schildpadden (Thecophora), die de tweede onderorde vormen, +zijn het rugschild en het buitenschild veel meer ontwikkeld dan bij +de Mozaïekschildpadden. De rugwervels en ribben zijn met elkander +onbeweeglijk verbonden en tot beenplaten verbreed, welke met die van +het huidskelet vergroeien en een echt pantser vormen. + +Deze onderorde wordt in drie groepen verdeeld: de Halsbergers +(Cryptodira), de Halswenders (Pleurodira) en de Rivierlederschildpadden +(Trionychoidea). Vele leden van de eerste groep kunnen den kop +(evenals de pooten en de staart) onder het rugschild verbergen; de hals +wordt echter in dit geval teruggetrokken en niet zijwaarts gekromd; +de halshuid verkrijgt ringvormige plooien en bedekt mutsvormig het +achterste deel van den kop. Een belangrijk kenmerk van de Halsbergers +is, dat de bekkenbeenderen wel met het rugschild, doch nooit met +het buikschild verbonden zijn. Evenals bij de Halswenders is bij hen +het beenig pantser met hoornschilden bedekt; deze ontbreken bij de +Rivierlederschildpadden. + + + +Bij de Alligatorschildpadden (Chelydridae) zijn de borstplaten door +een groote tusschenruimte van de randplaten gescheiden; het buikpantser +is zeer klein en van kruisvormige gedaante; de staart is steeds langer +dan de helft van de lengte van 't pantser. + + + +Een monster, zoowel door haar gestalte als door haar aard, een +Krokodil met het pantser van een Schildpad, is de Bijtschildpad, +de Snapping Turtle der Anglo-Amerikanen (Chelydra serpentina). Men +kent twee soorten van dit geslacht, welks verbreidingsgebied zich +van Noord-Amerika over Midden-Amerika zuidwaarts tot in Ecuador +uitstrekt. De kop is groot, plat en driehoekig; de korte en spits +toeloopende snuit heeft buitengewoon krachtige en scherpe, aan de spits +haakvormig gekromde kaken; de hals kan ver uitgestoken worden. De +pooten zijn krachtig, de voorpooten hebben 5, de achterpooten 4 +teenen, die door goed ontwikkelde zwemvliezen verbonden zijn. De +staart trekt de aandacht door zijn lengte, zijn aanzienlijke dikte +en den uit beenige spitsen bestaanden kam op het midden van de +bovenzijde. Het weinig gewelfde rugschild vertoont drie reeksen van +middelmatig groote knobbels. De huidkleur wisselt in allerlei tinten +van olijfgroen af. Het rugschild is vuil donker- of zwartbruin, +het borstschild geelbruin, bij de jonge dieren, als naar gewoonte, +lichter dan bij de oude. Deze kunnen een lengte van O.9 à 1 M. en +een gewicht van ongeveer 20 KG. bereiken. + +Behalve met de verwante Gierschildpad (Macrolemmys Temminckii) kan +de Bijtschildpad met geen ander lid harer orde verward worden. Beide +soorten bewonen de stroomen en groote moerassen van de Vereenigde +Staten; in enkele gewesten zijn zij vrij talrijk; het liefst houden +zij zich op in water met een modderigen bodem; zelfs de stinkendste +poelen worden niet door haar versmaad. Gewoonlijk liggen zij op +den bodem van het diepe water in het midden van de rivier of van +het moeras; soms echter verschijnen zij dicht bij de oppervlakte, +houden de spits van den snuit er boven en laten zich met den stroom +afdrijven. Vooral in dicht bevolkte streken vluchten zij bij het +geringste gedruisch naar de diepte; in het schraler bevolkte zuiden +zijn zij minder schuw. Met recht worden zij gevreesd en gehaat; de +naam "Bijtschildpad" is goed gekozen: zij bijten naar al wat haar in +den weg komt en laten, wat zij eens gegrepen hebben, niet zoo licht +weer los. Het is geraden, voorzichtig met deze dieren om te gaan, +daar zij prikkelbaar en zeer boosaardig zijn. Het kan voorkomen, dat +zij een mensch, die zich in het door hen bewoonde water begeeft, vol +woede te lijf gaan en hem zeer gevaarlijke wonden toebrengen. Weinland +verzekert, dat het 1 cM. dikke, platte deel van een roeiriem door den +harden roofvogelsnavel van deze Schildpad als door een kogel doorboord +kan worden; andere waarnemers verzekeren, dat zij een tamelijk dikken +wandelstok zonder bezwaar doorbijt. + +De Alligatorschildpadden zijn vlugger van beweging dan de meeste +van hare verwanten. Soms begeven zij zich aan land en weten dan +hare looporganen even goed te gebruiken als de Landschildpadden; +zwemmend verplaatsen zij zich zeer snel, vooral bij het vervolgen van +een buit. Haar voedsel bestaat uit Visschen, Vorschen en andere in +'t water levende Gewervelde Dieren; zij bepalen zich volstrekt niet +tot een kleinen buit, maar vallen dikwijls ook betrekkelijk zeer +groote dieren, zooals Ganzen en Eenden aan. De landlieden klagen +zeer vaak over door haar gepleegde rooverijen, waarvan Eenden de +slachtoffers zijn; deze worden bij de pooten onder water getrokken +en na verdrinking verslonden. + +Agassiz heeft bij zijne onderzoekingen over de +ontwikkelingsgeschiedenis der Schildpadden gebruik gemaakt van de +eieren dezer soort, welke met die van Duiven nagenoeg in grootte +overeenkomen, met een kalkachtige schaal omhuld zijn en zonder veel +moeite verzameld kunnen worden. Het wijfje legt ze ten getale van 20 à +30 in een gat, dat zij niet ver van den waterkant in den grond graaft +en met bladen bedekt. "Maanden lang," zegt Weinland, die aan deze +onderzoekingen een belangrijk aandeel had, "slopen dagelijks jonge +Schildpadden uit de in zand en mos gelegde eieren; merkwaardigerwijze +was de eerste beweging van het kopje, dat door een opening van de +schaal naar buiten gluurde, steeds die van happen en bijten." + +Oud gevangen Bijtschildpadden weigeren gewoonlijk alle voedsel; +op jeugdigen leeftijd kan men ze aan den gevangeniskost gewennen. + + + +Een van de vreemdsoortigste Schildpadden is ongetwijfeld de +Grootkoppige Schildpad (Platysternum megacephalum), de eenige +vertegenwoordiger van een gelijknamige familie (Platysternidae). Zij +kenmerkt zich vooral door de platheid van haar rugschild en van haar +zeer breed, uit een stuk samengesteld borstschild, de reusachtige +grootte van haar met een groot schild bekleeden kop, die toch onder +het pantser teruggetrokken kan worden en de buitengewone lengte van +haar geheel met schubben bekleeden staart. De kleur van de bovendeelen +is olijfbruin, die van de onderdeelen deels geel, deels lichtbruin; +een zwarte streep is door het oog gericht. Lengte 40.5 cM. + +De Grootkoppige Schildpad bewoont de rivieren van Birmah en Siam en +wordt westwaarts tot in Pegu en Tenasserim gevonden; ook komt zij in +de westelijke gedeelten van de Zuid-Chineesche provinciën voor. Overal +is zij echter zeldzaam. Meer is van dit dier zijne verblijfplaatsen +en levenswijze niet bekend. + + + +De meeste thans levende Schildpadden behooren tot de familie der +Landschildpadden (Testudinidae). Uitwendig zijn zij kenbaar aan +haar met hoornplaten bekleed pantser, welks borstplaten zonder +tusschenruimten over te laten met de randplaten verbonden zijn en +welks buikgedeelte steeds uit 11 of 12 schilden bestaat. + +Landschildpadden leven in de heete en gematigde gewesten van alle +werelddeelen, met uitzondering van Australië. De leden dezer familie +vormen een nagenoeg onafgebroken reeks, die met volslagen waterdieren +aanvangt en eindigt met wezens, die uitsluitend voor het leven op het +land geschikt zijn. In deze volgorde zijn de soorten gerangschikt, +die hier vermeld zullen worden. + +"Ieder die de vormenrijkdom van de orde der Schildpadden wil leeren +kennen door ze dagelijks in de vrije natuur na te gaan," zegt Weinland, +"moet Noord-Amerika bezoeken, het echte schildpaddenland, waar allerlei +soorten van deze dieren in zoo grooten getale plassen en rivieren, +bosschen en dalen verlevendigen, dat de dierkundige nog in lang niet +haar uitsterven heeft te duchten." + +Alle Zoetwaterschildpadden bewonen uitsluitend vochtige gewesten, +de meeste het water van langzaam stroomende rivieren, van poelen en +meren. Voor het leven in het water zijn zij zeer goed uitgerust. Op +het land bewegen zij zich log en langzaam, hoewel aanmerkelijk +vlugger dan alle Echte Landschildpadden, in 't water daarentegen +buitengewoon snel en zeer behendig. Men ziet ze hier rustig aan de +oppervlakte liggen of rondzwemmen en bij het geringste gedruisch, dat +haar verdacht voorkomt, bliksemsnel naar de diepte duiken, waarin zij +op 't zelfde oogenblik zich in het slijk of onder wortels verborgen +hebben. Vooral bij het jagen bewegen zij zich verbazend vlug. De +Noord-Amerikaansche en Europeesche soorten voeden zich hoofdzakelijk +met dierlijke stoffen, n.l. met kleine Zoogdieren, Vogels, Reptiliën, +Amphibiën, Visschen en ongewervelde dieren, die zij steeds onder water +verslinden; verscheidene Indische soorten daarentegen zijn volslagen +planteneters. Met naar de diepte gerichte oogen, gelijk een naar +buit zoekenden Arend, zwemmen zij uren lang aan de oppervlakte van 't +water rond en zoeken den bodem af. Bij het zien van een prooi laten +zij eenige luchtbellen ontsnappen, roeien uit al haar macht naar de +diepte en happen gretig naar de haar lokkende spijs; deze wordt met +de scherpe, nooit loslatende kaken gegrepen en een oogenblik later, +na een krachtigen ruk van den plotseling naar voren gestrekten kop, +verzwolgen. + +De ontwikkeling van hare geestvermogens moet natuurlijk geëvenredigd +zijn aan haar geschiktheid tot beweging en haar roofzucht. Hare +zintuigen zijn veel scherper dan die der Echte Landschildpadden; +haar verstand overtreft in alle opzichten dat van deze dieren. Zij +geven goed acht op de bezwaren, die zij op haar weg ontmoeten; +enkele toonen meer sluwheid en voorzichtigheid dan men bij haar +gezocht zou hebben, kiezen de gunstigst gelegen schuilhoeken uit en +doen op schrandere wijze haar voordeel met opgedane ervaringen. Zij +kunnen spoediger getemd worden dan alle overige Schildpadden en leeren +haar verzorger werkelijk kennen, zij het dan ook slechts in beperkte +mate. Zij geraken gewoon aan den omgang met menschen, hoewel zij ze +niet van elkander onderscheiden. + +Bij 't naderen van den winter verbergen zij zich tamelijk diep in +den grond en brengen hier het ongunstige jaargetijde in schijndooden +toestand door. + +De Noord-Amerikaansche Zoetwaterschildpadden houden zich in de +gevangenschap zeer goed, mits zij verstandig behandeld worden. Enkele +hebben, naar gezegd wordt, 40 of meer jaren op deze wijze geleefd. Een +behoorlijke warmtegraad is een hoofdvereischte voor het gezond blijven +van deze dieren; men kan in dit opzicht niet te nauwgezet zijn. + +De Europeesche Zoetwaterschildpad (Emys orbicularis, E. europaea) +bereikt een totale lengte van 32 cM., waarvan 8 cM. op den staart +komen; het pantser is hoogstens 19 cM. lang. De ongepantserde +lichaamsdeelen zijn op zwartachtigen grond hier en daar geel +gestippeld; de teekening van de platen van het rugpantser bestaat uit +reeksen van gele stippels, die als 't ware gesprenkeld zijn op den +zwartgroenen grond; het buikschild is vuilgeel met een gering aantal +onregelmatig verdeelde, bruine stippels of straalswijs gerichte, bruine +vlammen; de kleur en de teekening zijn aan veel variatie onderhevig; +zelfs komen volslagen zwartbruine exemplaren voor. + +Het eigenlijke vaderland van deze soort is waarschijnlijk het zuiden +en oosten van Middel-Europa. Zij is algemeen in Albanië, Dalmatië en +Bosnië, Italië, de lage landen langs den Donau en Hongarije, maar ook +in het zuiden van Frankrijk, Spanje, Portugal en Algerië benoorden +het Atlas-gebergte, niet minder in een groot deel van het Russische +Rijk. In Duitschland bewoont zij stroomende en stilstaande wateren in +Brandenburg, Posen, West- en Oost-Pruisen, Pommeren en Mecklenburg, +misschien ook een deel van Silezië: uitsluitend dus het stroomgebied +van den Oder en den Weichsel. + +"In ons land," schrijft Schlegel, "werd slechts één voorwerp en wel +bij Leiden waargenomen, hetgeen denken doet, dat het toevallig op +deze plaats was aangeland." + +Aan stilstaand, of langzaam stroomend, ondiep en troebel water geeft +zij de voorkeur boven snel vlietende stroomen en heldere meren. Over +dag houdt zij zich stil; kort voor zonsondergang begint zij haar +bedrijf, dat, naar het schijnt, gedurende den geheelen nacht wordt +voortgezet. Gedurende de wintermaanden blijft zij verborgen in +'t slijk, komt in 't midden van April, indien de weersgesteldheid +het toelaat, hieruit te voorschijn en laat dan vaker dan gewoonlijk +een eigenaardig gefluit hooren. Zij is voorzichtig en duikt bij 't +geringste gedruisch onmiddellijk naar de diepte. In 't water beweegt +zij zich zeer vlug, maar ook op het land volstrekt niet gebrekkig, +veel sneller althans dan de Echte Landschildpadden. Zij voedt zich +met Wormen, Waterinsecten, Vorschen en Salamanders en de larven +dezer dieren; zij maakt echter ook op Visschen jacht en valt zelfs +tamelijk groote exemplaren aan; het slachtoffer wordt door beten in het +onderlijf afgemat en vervolgens geheel afgemaakt. De Visschen, die op +deze wijze overmeesterd zijn, worden onder water op de graten na geheel +verslonden. Daar bij het afkluiven van den buit de zwemblaas dikwijls +onbeschadigd afgebeten wordt en naar den waterspiegel omhoogstijgt, +kan men uit de op het water drijvende zwemblazen van Visschen de +aanwezigheid van Zoetwaterschildpadden afleiden. In gevangenschap kan +men ze vele jaren lang met Visschen, Regenwormen of rauw vleesch in +'t leven houden; zij worden dan weldra zoo tam, dat zij uit de hand +van haar verzorger eten, geraken gewoon aan bepaalde ligplaatsen en +vervallen in een verwarmd vertrek niet in winterslaap; wanneer men +haar echter een kleinen vijver in een afgesloten tuin tot woonplaats +aanwijst, kruipen zij tegen den aanvang van het koele jaargetijde in +den grond. + +De Europeesche Zoetwaterschildpad graaft het gat, waarin zij hare +eieren legt, op een voor dit doel geschikte, open plek aan den +oever. Om dit te kunnen doen, verweekt zij vooraf den bodem door het +uitwerpen van een aanzienlijke hoeveelheid water, boort vervolgens +met de spits van den staart een kegelvormig gat en verwijdt dit tot +een eivormige holte door beurtelings met den eenen en den anderen +achterpoot de aarde weg te krabben. Gewoonlijk legt zij 9 eieren; +deze worden onmiddellijk na het verlaten van den kloak één voor één +opgevangen door de achterpooten, die ze onbeschadigd op den bodem +van de holte laten glijden, daarna voorzichtig bedekt met aarde, die +door kloppende bewegingen met het achterste deel van het borstpantser +wordt vastgestampt. In Augustus of September komen de jongen uit den +grond te voorschijn. + +Dat dit dier getemd kan worden, blijkt o. a. uit de volgende +merkwaardige mededeeling van Ph. C. Martin: "In mijn aquarium waren +vijf jonge Zoetwaterschildpadden, die nauwelijks de grootte van een +rijksdaalder hadden. Al dadelijk was de kleinste veel levendiger dan +de overige; terwijl deze rustig bleven liggen, wandelde zij wakker +rond. Dit dwergje toonde uit den aard der zaak niet slechts naar +het lichaam, maar ook naar den geest een grootere werkzaamheid dan +zijne lotgenooten. Veel eerder dan deze, liet het zijn natuurlijke +schroomvalligheid varen, en werd daarom de uitverkoren lieveling van +mijn vrouw, die het iederen dag eenige malen in de hand nam en het al +pratende liefkoosde, waarin het blijkbaar veel behagen schepte. Reeds +in de eerste dagen van deze kennismaking werd het August genoemd; al +dadelijk gedroeg het zich zeer verstandig, daar het niet, evenals +zijne dommere broertjes en zusjes bij iedere aanraking den kop +en de pooten onder het pantser terugtrok, maar spoedig toonde een +onvervaarde menschenvriend te zijn en op een echt schrandere wijze het +kopje in alle richtingen wist te wenden. Slechts weinige dagen waren +voorbijgegaan, toen August bewijzen gaf, dat hij zijn naam kende. Als +mijn vrouw nu bij het aquarium komt en alle vijf Schildpadden in +het water zijn, heeft zij slechts eenige malen August te roepen, +om den drager van dezen naam te nopen, zoo schielijk mogelijk op +de tufsteenrots te klimmen, hetwelk dikwijls met zulk een haast +geschiedt, dat hij hals over kop naar beneden tuimelt; onmiddellijk +hervat hij dan de klimpartij en zoodra hij boven is gekomen, bedelt +hij letterlijk om in de hand genomen te worden." + +Het vleesch van de Europeesche Zoetwaterschildpad is eetbaar; het +geringe voordeel, dat zij hierdoor en door het verslinden van Slakken +en Wormen den mensch oplevert, weegt niet op tegen de schade, die +zij door het vernielen van de eieren en jongen van nuttige Visschen +aanricht. + + + +Door aard en bewegingen een Landschildpad, in vorm echter +met de Zoetwaterschildpadden overeenkomend, mag de welbekende +Noord-Amerikaansche Doosschildpad (Cistudo carolina) als een overgang +van de in 't water levende tot de op 't land wonende soorten aangemerkt +worden. Het door haar vertegenwoordigde geslacht onderscheidt zich door +een zeer bol rugschild met nekplaat en dubbele staartplaat. Het uit +12 platen samengestelde, eironde borstschild is in twee beweeglijke +stukken verdeeld, die zoo groot zijn, dat zij voor en achter, na het +terugtrekken van kop, pooten en staart, dicht tegen het rugschild +aangedrukt kunnen worden; het dier gelijkt dan op een gesloten doos: +vandaar zijn naam. Het rugschild van de genoemde soort draagt een +stompe kiel in 't midden; overigens vertoonen hare leden, wat bouw, +kleur en teekening betreft, onderling velerlei verschil. In den +regel is de bovenzijde fraai bruin of bruinzwart met een uit gele, +onregelmatige vlekken en strepen bestaande teekening. Dikwijls ziet men +bij bruinzwarte individuën op iedere zijdeplaat een scherp begrensde, +fraai goudgele E. De platen van het borstschild zijn op gelen grond +bruin geaderd. Het pantser is 13 cM. lang en gewoonlijk 11 à 12 +cM. breed. De langwerpig eironde kop heeft scherpe, gaafrandige kaken +en is, evenals de vóór- en achterpooten, bruin en geel gevlekt. + +Het verbreidingsgebied van de Doosschildpad omvat het grootste deel +van de oostelijke Vereenigde Staten, van Maine tot Florida, en strekt +zich westwaarts uit tot Jowa, Missouri en Texas. In levenswijze stemt +zij met de echte Landschildpadden volkomen overeen. Zij wordt vaker +op droge, dan op vochtige plaatsen gevonden; wanneer men haar in een +vochtig oord bespeurt, kan men er zeker van zijn, dat zij door de een +of andere lievelingsspijs verlokt werd tot een bezoek aan dit overigens +voor haar zoo weinig aantrekkelijk terrein. Zoo kan men er op rekenen, +haar te zullen aantreffen in moerassige streken, waar Nachtreigers +hunne broedplaatsen hebben; omdat er onder de reigernesten steeds een +aantal halfverrotte Visschen liggen, die voor haar echte lekkernijen +schijnen te zijn. Behalve zulke overblijfselen, eet zij Insecten, +Slakken, Wormen, malsche paddestoelen en bessen, de laatstgenoemde +zelfs met een zekere voorliefde. Als een grooter dier haar nadert, +trekt zij den kop, de pooten en den staart onder het pantser terug en +sluit de openingen met het tweekleppige borstschild zoo stevig af, +dat zij tegen den aanval van gewone Roofdieren volkomen beveiligd +is. Wanneer zij getergd wordt, verdedigt zij zich echter door +te bijten; een eens gegrepen voorwerp wordt niet zoo licht meer +losgelaten. + +Vervolging heeft de Doosschildpad eigenlijk niet te lijden. Haar +vleesch wordt niet gebruikt, hoewel het goed smaakt. + + + +Alle warme landen der aarde, met uitzondering alleen van Australië +en Nieuw-Guinea, worden bewoond door Echte Landschildpadden; Afrika +bezit, voor zoover men er over kan oordeelen, de meeste soorten, +Europa slechts 2. + +De Landschildpadden behooren tot de traagste en onverschilligste +leden van de geheele Reptiliën-klasse. Al hare bewegingen zijn plomp, +log en onbeholpen. Zij zijn in staat zonder te pauzeeren een tamelijk +grooten weg af te leggen, maar doen dit onvergelijkelijk langzaam; +traag verplaatsen zij één voor één hare pooten en schuiven het +zware lichaam als 't ware met tegenzin vooruit. Bij elke beweging +ontwikkelen zij echter een aanzienlijke kracht en toonen een groote +volharding. Landschildpadden, die in 't water geworpen of toevallig +te water geraakt zijn, zinken als steenen naar den bodem, strompelen +hier rustig verder en komen zoo na geruimen tijd weer aan den oever +zonder eenige schade geleden te hebben. Veel meer moeite kost het haar +weer op de pooten terecht te komen, wanneer zij door soortgenooten +of vijanden op den rug gewenteld zijn. Dikwijls wordt hiervoor een +langdurige arbeid van kop en staart vereischt, want de logge pooten +schieten voor deze taak te kort. Opmerkelijk is het, dat zij voor +een andere bewegingswijze, n.l. voor het klimmen, een zekere mate van +geschiktheid toonen. Een echte stem komt, naar het schijnt, bij haar +niet voor: het geplaagde dier laat hoogstens een snuivend geblaas, +maar geen klinkend geluid hooren. De hoogere vermogens dezer dieren +zijn geëvenredigd aan de kleinheid hunner hersenen; dat zij werkelijk +bestaan, blijkt echter uit hun gedrag. + +De Landschildpadden voeden zich hoofdzakelijk met malsche +plantendeelen, die zij afplukken of liever afknippen. De grootste +soorten verslinden gulzig allerlei kruiden in aanzienlijke hoeveelheid; +de kleine kiezen met meer zorg deelen van bladen, uitspruitsels en +vruchten; de eerstgenoemde knijpen haar voedsel af, de laatstgenoemde +snijden het met de scherpe kaakranden uit of scheuren het gegrepen stuk +los door het plotseling terugtrekken van den kop. Als de gelegenheid +zich voordoet, eten zij ook allerlei diertjes, b.v. Slakken en +Aardwormen; aan grootere dieren wagen zij zich niet. Zij drinken +zelden, maar veel te gelijk. + +Voor den mensch leveren de Landschildpadden geen noemenswaardig voedsel +op. Slechts in de huishouding van sommige wilde en halfwilde volken, +spelen de pantsers als kastjes en dozen voor allerlei huiselijke +doeleinden een zekere rol. Men kan het vleesch van de Landschildpadden +even goed eten als dat van vele Rivier- en Zeeschildpadden; slechts bij +uitzondering echter worden zij met deze bedoeling gevangen. Vaker nog +vangt men ze om ze in de kamer of in den tuin vrij te laten rondloopen. + + + +Het geslacht der Landschildpadden in den engsten zin (Testudo) kenmerkt +zich door een gewelfd rugpantser, een uit 12 platen samengesteld +buikpantser en vergroeide teenen met 5 of 4 klauwen aan de voorpooten +en 4 klauwen aan de achterpooten. Alle hiertoe behoorende soorten +gaan op de teenen en zijn landdieren in de eigenlijke beteekenis van +het woord. + + + +Uit Zuid-Amerika wordt tegenwoordig zeer dikwijls een Landschildpad +levend naar Europa vervoerd, die in Brazilië Sjaboeti heet: de +Woudschildpad (Testudo tabulata). Haar gestalte is tamelijk plomp; +het van boven platte rugschild helt van voren en van achteren sterk +af en is sterk verlengd; de kop is tamelijk groot, de rand van de +hoornachtige kaken fijn getand, de hals middelmatig lang en dik, +de staart zeer dik; de plompe voeten vallen in 't oog door haar +lengte. Het rugpantser is donkerbruin of zwart, iedere plaat met een +gele vlek in 't midden; het buikpantser is bruin en geel. De onbedekte +deelen hebben een zwartachtige kleur en zijn met velerlei oranjegele +of roode vlekken geteekend. De lengte van het pantser bedraagt 55 cM. + +De Sjaboeti is over geheel tropisch Zuid-Amerika ten oosten van de +Andes verbreid, bewoont het grootste deel van Brazilië, Paraguay, alle +wouden van Guyana tot op een hoogte van 600 M. boven de oppervlakte +der zee en geheel Venezuela; ook komt zij voor op de Kleine Antillen, +die langs de noordkust van Zuid-Amerika liggen. Op voor haar geschikte +plaatsen schijnt zij zeer veelvuldig te zijn. Ook deze Schildpad +ontleent haar voedsel aan het plantenrijk. Zij eet hoofdzakelijk +afgevallen rijpe boomvruchten, waarvan in haar vaderland zoo velerlei +soorten voorkomen. + +Naar men zegt, levert het volwassen dier, in weerwil van de stevigheid +van zijn pantser, dikwijls een buit aan de groote soorten van +Katten. De Indianen, die met de wouden en hunne verschijnselen goed +bekend zijn, verzekeren, dat de Once, als zij zulk een Schildpad vindt, +haar overeind plaatst en met de lange klauwen het vleesch bij stukjes +uit het pantser wegkrabt. De ledige pantsers, die men hier en daar in +het woud verstrooid vindt, zouden de overblijfselen van dergelijke +maaltijden zijn. Daar aan deze Schildpadden geen onaangename lucht +eigen is, worden zij door de Portugeezen, Negers en Indianen gegeten; +in sommige tijden van 't jaar zijn zij zeer vet. In eenige gewesten +worden zij daarom in kleine, ronde perken, die door loodrecht in den +grond geslagen palen begrensd zijn, bewaard, om ze bij de hand te +hebben, zoodra men ze wil gebruiken. In huis kan men ze verscheidene +jaren in 't leven houden; in het hok, dat men haar als woning aanwijst, +beginnen zij dadelijk haar lievelingskost, bananen, te eten, ook +bladen en allerlei vruchten. Wanneer men ze aanraakt, trekken zij +zich in haar pantser terug en blazen als de Ganzen uit de keel. + +De Sjaboeti kan in Europa, indien haar 's winters een warme woning +wordt verschaft, verscheidene jaren in 't leven blijven. Haar aard +verschilt niet veel van dien der andere Landschildpadden. Daar zij +hooger op de pooten staat, beweegt zij zich iets sneller. + + + +Opgravingen in de lagere gedeelten van het Himalaja-gebied, in +gronden, die tot de jongste afdeeling van het tertiaire tijdvak +behooren, hebben, nevens beenderen van voorwereldlijke Zoogdieren, de +overblijfselen van een reusachtig Reptiel aan 't licht gebracht. Dit +wezen (Colossochelys atlas) was aan de Landschildpadden verwant; +zijn pantser had een lengte van bijna 3 en een hoogte van bijna +2 M. Het is moeielijk, zich een juiste voorstelling te vormen +van zulke monsters, al vestigt men het oog op de hedendaagsche +Olifantschildpadden, die alle overige op het land levende soorten +der orde in grootte overtreffen. Ook deze zijn thans het uitsterven +nabij. Günther, die er een groot aantal exemplaren van onderzocht +en tot de slotsom kwam, dat hierbij verscheidene soorten moesten +worden onderscheiden, verhaalt haar geschiedenis ongeveer met de +volgende woorden: Bijna alle reizigers uit de 16e en 17e eeuw, die +van hunne ontmoetingen en ontdekkingen in den Indischen Oceaan en +in de Stille Zuidzee verslag gaven, maken melding van de tallooze +Reuzenschildpadden, die zij aantroffen op twee groepen van eilanden +tusschen den evenaar en den steenbokskeerkring. Eén daarvan omvat +de Galapagos-eilanden, de andere de Aldabra-eilandjes (ten noorden +van de Comoren), Réunion, Mauritius en Rodriguez. Beide hebben dit +gemeen, dat zij ten tijde van haar ontdekking zoomin door menschen +als door groote Zoogdieren bewoond werden. Voor de zeelieden van +weleer waren de Reuzenschildpadden van groot belang. Een reis, +die thans in weinige weken volbracht wordt, duurde toen maanden; +elk schip had een zeer talrijke bemanning, maar was slechts zeer +gebrekkig met leeftocht voorzien: de Reuzenschildpadden, waarvan men +binnen weinige dagen met geringe moeite zoovele exemplaren kon vangen, +als men verkoos, kwamen dus steeds goed te pas. Zij konden zonder +voedsel geruimen tijd in de een of andere bergplaats van 't schip in +'t leven blijven en duurden dus, totdat men ze noodig had. Elk van +deze dieren leverde 40 à 100 KG. uitmuntend vleesch. Soms nam een +enkel schip op Mauritius of de Galapagos-eilanden 400 Schildpadden aan +boord. De Olifantschildpadden waren in 1691, toen Leguat het eiland +Rodriguez bezocht, hier zoo talrijk, dat men soms 2000 of 3000 van deze +reuzen bijeenzag, over welker ruggen men 100 schreden ver kon loopen, +zonder op den grond af te dalen. Verklaarbaar wordt het ontzaglijk +groot aantal dezer weerlooze dieren, wanneer men bedenkt, dat hun +gebied eertijds door geen enkele vijand bewoond of bezocht werd en de +meeste dus den merkwaardig hoogen ouderdom konden bereiken, waarvan +hun orde voorbeelden oplevert. De groote verandering, die in dezen +toestand gekomen is, heeft ten gevolge gehad, dat thans op Rodriguez, +Mauritius en Réunion geen Reuzenschildpadden meer gevonden worden. Op +de Aldabra-eilandjes heeft een klein, voortdurend verminderend troepje, +aanhoudend bestookt door den op buit belusten mensch, tot dusver den +strijd om het bestaan volgehouden. + +Dezelfde lotwisseling als op de Mascarenen heeft deze diersoort +ondervonden op de Galapagos-eilanden, waar zij aanvankelijk zeer +sterk vertegenwoordigd was, zooals blijkt uit den naam, dien de +Spanjaarden gegeven hebben aan den door hen ontdekten, uit 13 tamelijk +groote en vele kleine eilanden bestaanden archipel. ("Galapagos" +beteekent "Schildpadden".) Hij bleef na de ontdekking in de 15e eeuw +lang onbewoond; nu en dan kwamen schepen hier hun voorraad water en +leeftocht vernieuwen. Hoewel de zeelieden bij dergelijke gelegenheden +een groot aantal Schildpadden buit maakten, vond Darwin in 1835 +deze dieren nog op bijna alle door hem bezochte eilanden. Deze, +in 1832 geannexeerd en gekoloniseerd door de republiek Ecuador, van +welks kust zij ± 1000 KM. verwijderd zijn, hadden toen een bevolking +van eenige honderden personen. Later werd hier een strafkolonie +gevestigd, die ook niet lang bestaan heeft; thans wordt alleen het +Chatham-eiland nog bewoond. Om in hun onderhoud te voorzien, hebben +de bewoners tegen de Schildpadden een waren verdelgingskrijg gevoerd, +krachtdadig geholpen door de Zwijnen, die met hen op de eilanden +waren gekomen en er voor een deel verwilderden. Dit had ten gevolge, +dat reeds 11 jaren na Darwin's bezoek op sommige van de eilanden wel +talrijke troepen verwilderde huisdieren, Honden en Zwijnen, doch geen +Schildpadden meer gevonden werden. Deze komen thans slechts op een +enkel eiland in zeer verminderd aantal voor. + +De onderstaande aanhalingen uit Darwin's reisverhaal, hebben betrekking +op de soort, die Günther meer bepaaldelijk Olifantschildpad (Testudo +elephantina) heeft genoemd. Zij kan 1.5 M. lang en bijna 1 M. hoog +worden; opmerkelijk zijn bij haar de lengte van den hals, de hoogte van +de pooten en de zwarte kleur van het pantser. Te midden van de zwarte +lava, de bladerlooze struiken en de groote cactussen herinneren deze +kolossale Reptiliën levendig aan dieren uit de voorwereld. Wanneer +zij zich ophouden in hoog gelegen streken van het midden der groote +eilanden, de eenige plaatsen waar bronnen voorkomen, maken boombladen, +een soort van zure en wrange bessen en bleekgroene korstmossen, die +festoensgewijs van de takken afhangen, haar voedsel uit. Zij bewonen +echter ook de lage, droge streken, waar, evenals op de waterlooze +eilanden, haar voedsel hoofdzakelijk uit sappige cactussen bestaat +en zij om het water te bereiken een grooten weg moeten afleggen. Door +het telkens heen en weer reizen zijn de breede en diep uitgeschuurde +paden ontstaan, die zich in alle richtingen van de bronnen naar de +zeekust uitstrekken. "De Schildpadden reizen dag en nacht door en +bereiken, naar gebleken was, door eenige exemplaren met een merkteeken +te voorzien, het doel van haar tocht veel eerder dan men verwachten +zou. Volgens de kolonisten konden de dieren een afstand van ongeveer +13 KM. in 2 of 3 dagen afleggen. Een groote Schildpad, die ik naging, +doorliep een weg van bijna 55 M. in 10 minuten, gelijkstaande met +bijna 6 1/2 KM. per 24 uur, indien het oponthoud, veroorzaakt door het +onderweg eten, op 4 uur geschat wordt. Bij 't gaan is het borstschild +ongeveer 30 cM. van den grond verwijderd. Iemand, die achter hen aan +loopt, schijnen zij niet te hooren. Als ik een van deze kolossen, die +bedaard zijn weg vervolgde, achterhaalde, was het grappig te zien, +hoe hij op 't oogenblik, dat ik hem voorbijstevende, den kop en de +pooten introk, een dof gesis liet hooren en met een luiden plof op +den grond viel, alsof hij dood was. Als ik dan op den rug van het +dier ging zitten, liet het zich door eenige slagen op het achterste +deel van het pantser overreden om op te staan en door te loopen; het +was echter moeielijk op dit rijdier het evenwicht te behouden. Bij de +bronnen zag ik vele Schildpadden. Sommige gingen met uitgestrekten +hals naar den waterkant; andere, die haar dorst gelescht hadden, +verwijderden zich langzaam van de drinkplaats. Zonder zich om den +toeschouwer te bekommeren, staken de pas aangekomen dieren den kop tot +over de oogen in 't water, slikten den eenen mondvol na den anderen +in en deden dit ongeveer tien maal in de minuut. Na een verblijf van +3 of 4 dagen in de buurt van de bronnen keeren de dieren weer naar de +lage streken terug. Zij leven echter ook op eilanden, waar de regen +slechts tijdelijk plassen doet ontstaan." + +Evenals hare verwanten, zijn de Reuzenschildpadden traag, onverschillig +en ongevoelig; zij kunnen lang vasten: bij het slachten van dieren, +die 18 maanden achtereen zonder voedsel in het ruim van een schip +hadden gelegen, kon men geen vermagering bemerken. Het was daarom niet +moeielijk ze levend naar Europa over te brengen; vroeger geschiedde dit +dikwijls en kwamen zij niet zelden in dierentuinen en beestenspellen +voor. Gedurende den winter moest het hok goed verwarmd zijn, des zomers +liet men deze dieren op een grasperk naar verkiezing grazen; de dikke +bossen gras, die zij afbeten of afplukten, werden door de beweging van +de onderkaak tot ballen vervormd en, soms met zichtbare inspanning, +doorgeslikt. Het bleek niet duidelijk, dat zij haar verzorger van +andere personen onderscheiden; zij geraakten echter aan den omgang +met menschen gewoon, verloren haar schrikachtigheid en de gewoonte +om te sissen en lieten zich als rijdier gebruiken; soms was het niet +eens noodig haar door stokslagen aan 't loopen te brengen; zij kwamen +trouwens uiterst langzaam vooruit. + +Het wijfje legt witte, ronde eieren van meer dan 5 cM. lengte in een +gat, dat zij zelf in zandgrond graaft en later weer met zand vult, of +in een rotsspleet. De jongen worden in grooten getale door Roofvogels +verslonden, de oude dieren hebben, behalve den mensch, geen voor +hen gevaarlijke vijanden. Overal waar Reuzenschildpadden voorkomen, +worden zij om haar vet en vleesch gevangen en gedood. Het vleesch +wordt versch gegeten of ingepekeld, uit het vet wordt een fraaie, +heldere olie bereid. Om te beoordeelen, of het dier vet genoeg is, +ging men op de Galapagos-eilanden op een zeer wreede wijze te werk: +naast den staart werd een gat in de huid gesneden, waardoor men het +bindweefsel onder het rugschild kon bereiken; indien dit niet aan de +verwachting beantwoordde, liet men het dier weer vrij; de wonde genas, +oogenschijnlijk zonder dat het dier er veel pijn van had. Enkele +exemplaren leverden niet minder dan 100 KG. vleesch op; er waren 6 +à 8 man noodig om zulk een dier op te tillen. Volgens de Gebroeders +Rodatz kwamen in de eerste helft van deze eeuw op de Aldabra-eilanden +ieder jaar menschen om Schildpadden te vangen en deze vervolgens naar +Madagaskar of naar het vasteland van Afrika te brengen. Tot aan den +verzendingstijd werden zij in perken, door steenen muren omgeven, +bewaard en met gras en bladen gevoederd. In een van deze perken zagen +onze zegslieden 200, in een ander 300 Schildpadden. Een Hamburger +koopman verhaalde aan Kersten, dat nog in 1847 door 100 menschen, +de bemanning van twee schepen, op Aldabra binnen korten tijd 1200 +Schildpadden werden buit gemaakt en dat sommige van deze een gewicht +van 400 KG. hadden. + + + +Als vertegenwoordiger van de beide in Europa voorkomende soorten van +dit geslacht wordt gewoonlijk de Grieksche Schildpad (Testudo graeca) +gekozen. Haar pantser is over 't geheel genomen eivormig; het bolle, +middelmatig hooge rugschild is van achteren een weinig verbreed en +steiler afhellend dan van voren; het borstschild is bij 't wijfje plat, +bij 't mannetje een weinig binnenwaarts gedrukt, van voren afgeknot, +van achteren diep ingesneden. Iedere plaat van het rugschild is in +het midden zwart en verder met een gelen en zwarten zoom voorzien; +over het buikschild loopt een breede, onregelmatige, overlangsche +streep van geelachtige kleur; aan de zijden is het eveneens geel, +overigens zwart; de pooten, de hals en de kop zijn vuil groengeel. De +lengte van het pantser bedraagt 14, hoogstens 16 cM., het gewicht +zelden meer dan 0.5 KG. + +Deze soort, die ook in Syrië zeer veelvuldig voorkomt, bewoont in ons +werelddeel Griekenland, de Grieksche eilanden, Dalmatië en Turkije, +de lage landen langs den Donau, Beneden-Italië, met inbegrip van de +eilanden Corsica, Sardinië en Sicilië, en ook de Balearen. Zij behoort +in dorre, dicht begroeide gewesten thuis en is in sommige streken zeer +talrijk. Het is voor haar een groot genot zich uren lang aan de stralen +van de middagzon bloot te stellen: Duméril vond deze dieren in Sicilië, +waar zij overal talrijk zijn, aan beide zijden van de wegen liggen, zoo +sterk verhit door den zonneschijn, dat hij gevaar liep zich te branden, +als hij de hand op haar pantser legde. Tegen den aanvang van den winter +kruipen zij diep onder den grond en brengen hier het koele jaargetijde +slapend door; in 't begin van April komen zij weer te voorschijn. + +De Grieksche Schildpad voedt zich met verschillende kruiden en +vruchten; bovendien eet zij Slakken, Wormen en Insecten en wordt +daarom in haar vaderland dikwijls in tuinen gehouden om hier jacht te +maken op allerlei ongedierte; het gevolg hiervan is echter dikwijls, +dat zij de fraaiste en sappigste planten afbijt of platdrukt. Zij is +volstrekt niet keurig op haar voedsel. De gevangene dieren worden met +vruchten, salade, wittebrood (in melk of water geweekt), Meelwormen, +Aardwormen en rauw vleesch gevoederd; zij kunnen op deze wijze +gedurende verscheidene menschenleeftijden in 't leven gehouden worden, +wanneer men ze slechts tegen de werking van de koude beschut. Reeds +in Mei of Juni legt het wijfje 8 à 15 bolvormige, witte eieren met +harden schaal, die de grootte van een kleinen noot hebben. Op het +zonnigste plekje, dat zij vinden kan, graaft zij met de achterpooten +een kuiltje in den grond, legt er de eieren in en bedekt ze zorgvuldig +met aarde; de verdere zorg voor hare nakomelingschap laat zij aan den +grooten bron van warmte en licht over. Op een der eerste regendagen +van September komen de jonge Schildpadjes voor den dag; zij hebben +dan ongeveer de grootte van een halven notendop en zijn de aardigste +diertjes, die men zich voorstellen kan. + +Hoe ongevoelig deze dieren ook zijn, toch kunnen zij een temperatuur +beneden het vriespunt niet verdragen; hieraan blootgesteld, bezwijken +zij spoedig. Geen nadeel lijden zij daarentegen door bijna een jaar +lang te vasten; de allervreeselijkste verminkingen verdragen zij met +een ons onbegrijpelijke onverschilligheid. Nadat haar de hersenen, +die ongeveer de grootte van een boon hebben, ontnomen zijn, loopen +zij nog wel 6 maanden rond; de afgesneden kop bijt nog na verloop +van een half uur; het hart klopt nog 14 dagen na de onthoofding. + +Het vleesch van deze Schildpad, die men op Sicilië en in andere +gewesten van Italië geregeld ter markt brengt, wordt overal gegeten; +de daarvan bereide soep valt zeer in den smaak. + + + +Door de tot vinnen vervormde pooten, waarvan de voorste aanmerkelijk +langer zijn dan de achterste, verschillen de Zeeschildpadden +(Chelonidae) van de overige leden harer orde. Het met hoornplaten +bekleede pantser onderscheidt hen van de Lederschildpadden, die +eveneens uitsluitend in zee aangetroffen worden en vroeger met +haar onder den naam van "Zeeschildpadden" werden samengevat. Alle +ledematen der Cheloniden zijn lange, platte vinnen geworden, die aan +de vinpooten der Robben herinneren. Eigenaardig is ook het maaksel van +het hartvormige, flauw gewelfde rugschild; dit is meestal onvolledig +verbeend: in het skelet bereiken wel de ribben, doch niet de daarbij +behoorende huidbeenderen den "rand," zoodat tusschen dezen en de +"schijf" groote fontenellen voorkomen, die natuurlijk bij het volledige +dier, evenals de groote fontenel in het midden van het borstschild, +door de onverbeende huid gevuld zijn. Eerst op lateren leeftijd komt +tusschen borstschild en rugschild een verbinding door een naad tot +stand. De hals en de kop kunnen slechts ten deele, de ledematen in +het geheel niet onder het rugschild teruggetrokken worden. Andere +kenmerken zijn: de kortheid en de dikte van den vierzijdigen kop; +de gladde, scherpe, soms aan den rand getande hoornscheeden, die de +kaken bekleeden, zijn aan de spits haakvormig gekromd; bij gesloten +bek is de ondersnavel geheel door den bovensnavel omgeven. + +De vier soorten van Schildpadden, die tot deze familie behooren, +leven in de zee, soms op een afstand van honderden zeemijlen van de +kust, zwemmen en duiken voortreffelijk en bezoeken het land alleen +om er hare talrijke, weekschalige eieren te leggen. + + + +De Soepschildpad (Chelone mydas), die 450 KG. zwaar kan worden en dan +een pantser van 1.1 M. heeft, kenmerkt zich, doordat de hoornscheede +van de bovenkaak van voren niet haakvormig gekromd, maar afgeknot +is, door de naast, niet over elkander liggende hoornplaten van het +rugschild en door het bezit van een enkel paar schilden tusschen de +neusgaten en het voorhoofdsschild. De niet zeer standvastige kleur +van de bovenzijde is in den regel dof bruinachtig groen, geelachtig +gevlekt of gemarmerd; de onderzijde is geelwit of vuilwit. + +Deze soort, die alle zeeën van den tropischen en subtropischen +aardgordel bewoont, schijnt hier overal veelvuldig te zijn. In de +Middellandsche zee, waar zij door een andere soort (Chelone cephala) +vervangen wordt, komt zij slechts als dwaalgast voor. Deze Schildpadden +zijn, evenals hare verwanten, volslagen zeedieren. Zij houden zich +bij voorkeur in de nabijheid van de kust op, maar worden toch ook +dikwijls op zeer grooten afstand van het land, dikwijls midden in den +Oceaan, gevonden. Hier ziet men ze dicht bij de oppervlakte zwemmen, +soms ook wel oogenschijnlijk slapend, op den zeespiegel liggen; +bij de geringste storing verdwijnen zij echter oogenblikkelijk in +de diepte. Haar ronddartelen herinnert levendig aan het vliegen van +groote roofvogels, b.v. Arenden; de onverstoorbare volharding en de +bevalligheid van hare bewegingen zijn bewonderenswaardig. Deze dieren +paren kracht aan snelheid, kunnen op allerlei diepten even goed zwemmen +als duiken en nemen in het water alle denkbare houdingen aan. Daar +waar zij veelvuldig voorkomen, ziet men ze soms bij groote troepen; +over 't algemeen schijnen zij zeer gezellig te zijn. + +In tegenstelling met de verwante Bissa, die een volslagen roofdier +is, eet de Soepschildpad zeeplanten, vooral wieren; daar waar zij +veelvuldig is, bedekken tal van plantendeelen, die door haar afgebeten +zijn, het water. Op bepaalde tijden verlaten de wijfjes den oceaan en +begeven zich naar vaste, haar sinds lang bekende plaatsen om er eieren +te leggen. Zij kiezen hiervoor zandige stranden van onbewoonde eilanden +of van kusten, die ver van het gewoel der menschen verwijderd zijn, +en bezoeken dezelfde legplaats ieder jaar, misschien wel gedurende +haar geheele leven, al moeten zij een weg van honderden zeemijlen +afleggen om deze plek, vermoedelijk haar geboortegrond, te bereiken. + +De Soepschildpadden, die overigens tamelijk veilig zijn tegen vijanden, +verkeeren gedurende den tijd van 't eierleggen in een zeer gevaarlijke +positie. Groote roofdieren en menschen maken ijverig jacht op de dan +weerlooze dieren. De onbewoonde, woeste kusten van Brazilië, waar de +Schildpadden gewoon zijn aan land te komen, worden slechts zelden door +reizigers bezocht; in den legtijd komen hier echter alle Indianen uit +den omtrek bijeen. "Vele van de Schildpadden, die aan land komen om +eieren te leggen," zegt de Prins Von Wied, "vinden hier den dood, +daar haar langzaamheid en onbeholpenheid op den vasten grond niet +minder groot is dan haar vlugheid in 't water. De Indianen vangen +deze dieren, om door het uitkoken van hun vleesch olie te verkrijgen, +en verzamelen in groote korven de talrijke eieren, die reeds in het +zand gelegd, of nog in het lichaam van hunne slachtoffers aanwezig +zijn. Vele gezinnen bouwen hutten van palmbladen op het strand en +blijven hier verscheidene dagen of weken wonen, om iederen dag eieren +te kunnen zoeken." + +Voorzichtig naderen de jagers van de landzijde de onbewoonde +kuststreken, waar de Zeeschildpadden eieren leggen; in kleine booten +begeven zij zich naar het strand van de hun als legplaatsen bekende, +onbewoonde eilanden; zij houden zich schuil, tot de schroomvallige +dieren aan land gekropen en ver genoeg van 't water verwijderd +zijn. Zoodra de Schildpadden onraad bespeuren, spoeden zij zich +onmiddellijk naar de zee om den vijand te ontkomen; op plaatsen, +waar het strand een voldoende helling heeft, slagen zij er dikwijls +in, zich snel om te draaien en zich over het zand naar beneden te +laten glijden. Wanneer de jagers echter op het juiste oogenblik hun +schuilplaats verlaten, verhinderen zij de vlucht van hun buit door +dezen om te wentelen, zoodat het rugschild op den grond rust. De +Zeeschildpad, die in dit geval verkeert, slaagt er nooit in haar +vrijheid te herkrijgen, hoewel zij woedend met de vinnen om zich +heen en op haar pantser slaat en zich zoo krachtig inspant, dat hare +met bloed doorloopen oogen ver uit hunne kassen puilen. In dezen +hulpeloozen toestand blijven zij liggen en komen ellendig om 't leven, +indien de jagers wreed genoeg zijn om meer Schildpadden om te wentelen +dan zij medenemen kunnen, zooals soms gebeurt. Voor het omwentelen van +zeer groote en zware dieren zijn hefboomen noodig. Vele exemplaren +worden in netten gevangen, andere met den harpoen buitgemaakt. De +jacht geschiedt altijd 's nachts; den volgenden morgen zoekt men +de gevangen dieren op en werpt ze in hiervoor bestemde bakken, +of brengt ze dadelijk op de schepen, waarmede zij vervoerd zullen +worden. In de bakken, die natuurlijk met zeewater gevuld moeten zijn, +zwemmen de gevangen dieren langzaam rond, dikwijls drie of vier +boven elkander. Zij nemen zelden voedsel aan, vermageren daarom snel +en verminderen in waarde. Die, welke men op de Europeesche markten +ziet, komen meestal uit West-Indië, vooral van Jamaica. Gedurende +de reis liggen zij, met touwen vastgebonden, op een geschikte plaats +van het dek op den rug; het stuk zeildoek, waarmede zij bedekt zijn, +wordt zoo dikwijls met zeewater overgoten, dat het voortdurend nat of +althans vochtig blijft; men steekt elk van deze arme stakkers een met +zeewater doortrokken stuk wittebrood in den bek en vertrouwt voor 't +overige op de buitengewone taaiheid van hun leven. In de Europeesche +havensteden bewaart men ze in groote kuipen met zeewater, dat om de +twee of drie dagen ververscht wordt. Het slachten geschiedt door het +dier den kop af te houwen en het 1 of 2 dagen lang zoo op te hangen, +dat al het bloed er uit druppelen kan. Eerst dan acht men het vleesch +geschikt voor de bereiding van de bekende, smakelijke soep. + +In sommige tijden schijnt het vleesch van deze Schildpad schadelijke en +zelfs vergiftige eigenschappen te hebben. Te Pantoeroe ten zuiden van +Colombo werden in October 1840 28 personen, die schildpaddenvleesch +gegeten hadden, kort na den maaltijd zwaar ziek; 18 van hen stierven +in den volgenden nacht. + + + +De Echte Karetschildpad of Bissa (Chelone imbricata), die met +de vorige soort door lichaamsbouw, gestalte en bewegingen veel +overeenkomst vertoont, bewoont nagenoeg dezelfde zeeën. Zij is +echter aanmerkelijk kleiner; haar bovenkaak is van voren sterk +haakvormig omgebogen; tusschen de neusgaten en het voorhoofdsschild +komen twee opeenvolgende paren schilden voor; de hoornplaten van het +rugschild zijn min of meer dakpansgewijs gerangschikt en liggen dus +gedeeltelijk over elkander heen. Van kastanjebruin tot zwartbruin +wisselt de grondkleur van deze met gele vlammen gekleurde platen af; +die van het borstschild zijn effen geel, de schilden van den kop en +van de ledematen zijn donkerbruin met gele randen. De lengte van het +pantser zal waarschijnlijk nooit meer dan 84 cM. bedragen. + +De Bissa is een roofdier in de volste beteekenis van 't woord; +zij gebruikt geen ander dan dierlijk voedsel: behalve Weekdieren, +waarschijnlijk ook Visschen; door hare vlugge bewegingen is zij +misschien in staat om betrekkelijk groote en behendige waterbewoners +buit te maken. Ook zij wordt door den mensch fel vervolgd, echter +niet om haar vleesch--dat, naar men zegt, ziekteverschijnselen +veroorzaakt--en ook niet om hare eieren,--hoewel ook zij het meest +gevangen wordt, nadat zij zich aan land begeven heeft om voor haar +nakomelingschap te zorgen, waarvoor zij steeds dezelfde oorden +opzoekt. Het "schildpad", waarvan een volwassen Bissa 2 à 6 KG. kan +opleveren, geeft aanleiding tot de vangst van dit dier. Om dit product +te verkrijgen worden afschuwelijke wreedheden gepleegd. De hoornplaten +geraken alleen na een sterke verhitting van het rugpantser los; +het ongelukkige dier wordt daarom boven een vuur opgehangen en zoo +lang geroosterd, totdat het gewenschte doel bereikt is. De Chineezen, +inziende, dat het schildpad door droge warmte gemakkelijk bedorven kan +worden, maken tegenwoordig gebruik van kokend water om de hoornlaag +van het been af te scheiden. Nadat de bewerking afgeloopen is, wordt +de Bissa weer in vrijheid gesteld; men laat haar weer naar de zee +loopen, in de meening dat het schildpad weer aangroeit. + +Het schildpad overtreft niet alleen door fraaiheid en kwaliteit +iedere andere soort van hoorn, maar kan ook gemakkelijker verwerkt +worden. Om dikke platen te verkrijgen, is het voldoende de ongelijk +dikke en brooze platen, die men van het dier verkrijgt, in kokend +heet water te verweeken en daarna tusschen metalen pletrollen samen te +persen. Bij een voldoende drukking kleven zij zoo vast aaneen, dat men +de samenstellende deelen niet meer onderscheiden kan; deze grondstof +behoudt den vorm, dien haar door drukking in verweekten toestand werd +gegeven, nadat men haar langzaam weer hard heeft laten worden; zij is +dus uitmuntend geschikt voor het vervaardigen van dozen en kammen. Het +afval wordt gebruikt tot aanvulling van de oneffenheden tusschen de +platen, die bij een behoorlijken warmtegraad zoolang geperst worden, +totdat alle deelen innig aaneenverbonden zijn. + + + +De tweede groep van de Echte Schildpadden omvat de Halswenders of +Rivierschildpadden (Pleurodira); deze trekken den meestal langen +hals met den kop in tijden van gevaar niet terug, maar buigen hem +zijwaarts en achterwaarts om hem tusschen het rugschild en borstschild +te verbergen, zoodat de spits van den snuit op het schouderblad +komt te liggen. Een tweede eigenaardigheid van deze dieren is, dat +de bekkenbeenderen zoowel met het rugschild als met het borstschild +vergroeid zijn. De kop en de hals zijn gewoonlijk plat, de oogen bijna +boven op, in plaats van aan de zijden van den kop geplaatst, de kaken +nooit getand, de teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd. + +De eieren van verscheidene Zuid-Amerikaansche leden dezer groep +zijn voor vele volksstammen zeer nuttig; over 't algemeen is de +beteekenis dezer in moerassen en rivieren levende Schildpadden voor de +menschelijke huishouding niet gering. Wat haar levenswijze betreft, +kunnen wij volstaan met te verwijzen naar de onderstaande, aan een +der grootste natuuronderzoekers van alle tijden ontleende beschrijving +van één dezer dieren. + + + +De bedoelde soort--de Arraoe (Podocnemis expansa) van het geslacht +der Beenplaatschildpadden (Podocnemis) en van de familie der +Pelomedusen (Pelomedusidae)--is een groot dier, welks pantser 77 +cM. lang kan worden (het wijfje is ongeveer tweemaal zoo groot als +het mannetje). Zij bewoont het geheele tropische Zuid-Amerika ten +oosten van den Andes, waar ook de 4 overige leden van haar geslacht +voorkomen. Evenals deze, heeft zij de hals en de pooten bijna naakt +(het geslacht ontleent den naam aan een reeks van schubben op den +voorarm en aan de buitenzijde der achterpooten); groote en dikke +schilden bedekken den kop, waaraan een diepe en breede groeve tusschen +de oogen de aandacht trekt; van de kin hangen twee baarddraden naar +beneden; de rand van het matig gewelfde rugschild steekt in horizontale +richting uit. + +"De Arraoe," schrijft Alexander von Humboldt, "is een groote +Zoetwaterschildpad met zwemvoeten, een zeer platten kop, twee vleezige, +zeer spitse aanhangsels onder de kin, 5 teenen aan de voorpooten en +4 aan de achterpooten, die van onderen gegroefd zijn. Het rugpantser +heeft 5 middel-, 8 zijde- en 24 randschilden, is van boven zwartgrijs, +van onderen oranjegeel; de lange pooten hebben dezelfde kleur als +het rugschild. Tusschen de oogen is een zeer diepe groeve. De nagels +zijn zeer dik en gebogen. De aarsopening bevindt zich aan het laatste +vijfde gedeelte van den staart. Het volwassen dier weegt 20 à 25 KG. De +eieren, welke in grootte die van een Duif overtreffen, hebben een +aangenamen smaak en zijn bij de bewoners van Guyana zeer gezocht; hun +kalkschaal is, naar men zegt, zoo stevig, dat de kinderen der Otomaten, +die veel van kaatsen houden, ze elkander kunnen toewerpen. (De Terekay +is kleiner dan de Arraoe; haar pantser bestaat uit evenveel platen, +doch deze zijn eenigszins anders verdeeld.) Deze schuwe, vreesachtige +dieren, houden bij 't zwemmen den kop boven water, maar verbergen hem +bij 't geringste gedruisch; zij mijden de door menschen bewoonde oevers +of de door booten verontruste gedeelten van den stroom. De oevers, +waar bijna alle Schildpadden van den Orinoco ieder jaar schijnen +bijeen te komen om eieren te leggen, liggen tusschen de uitmonding +van de Apoere in den Orinoco en de Raudales of groote watervallen; +hier komen de drie terreinen voor, die wegens hun eierenopbrengst het +meest beroemd zijn. De Arraoe gaat niet hooger op dan de watervallen; +de Terekay komt zoowel in den Boven-Orinoco als beneden de watervallen +voor, bovendien in de Apoere, de Oeritoeko en de kleine rivieren, +die door de Llanos van Caracas vloeien. + +"Tegen 11 uur in den voormiddag kwamen wij met onze boot aan een +eiland midden in den stroom en stapten aan wal. Dit eiland, dat door de +Indianen van de zendingpost Oeroeana als hun eigendom wordt beschouwd, +is beroemd wegens haar Schildpaddenvangst of, zooals men hier zegt, +wegens den "eierenoogst", die hier jaarlijks gehouden wordt. Wij vonden +er meer dan 300 Indianen in hutten van palmbladen gelegerd. Behalve de +Goeanos en Otomakos uit Oeroeana, die beide voor wilde, onbedwingbare +stammen worden gehouden, waren hier ook Karaiben en andere Indianen +van den Beneden-Orinoco verzameld. Iedere stam had een afzonderlijke +legerplaats en was te onderscheiden aan de kleur, waarmede de huid +zijner vertegenwoordigers beschilderd was. Te midden van de tierende +menigte zagen wij eenige blanken, vooral kooplieden uit Angostura, +die de rivier opgevaren waren met het doel, om van de inboorlingen +schildpaddenolie te koopen. Ook ontmoeten wij hier de zendeling van +Oeroeana, die ons verhaalde, dat hij met de Indianen, die eieren +gingen zoeken, medegekomen was, om iederen morgen in de open lucht +de mis te lezen en om zich olie voor de altaarlamp te verschaffen, +vooral echter om den vrede te bewaren in dezen "vrijstaat van Indianen +en Kastilianen," waar ieder voor zich alleen wil hebben, wat God aan +allen schenkt. + +"Vergezeld door dezen zendeling en door een koopman, die zich er +op beroemde, dat hij reeds tien jaren geregeld bij den eierenoogst +tegenwoordig was, gingen wij het eiland rond, dat op soortgelijke +wijze bezocht wordt, als bij ons de jaarmarkten. Wij kwamen op een +effene zandvlakte. Zoover het gezicht reikt, zeide men ons, liggen +de schildpaddeneieren onder de bovenste aardlaag van den oever. De +zendeling droeg een langen stok in de hand en toonde ons, hoe men +hiermede de uitgestrektheid van de eieren-bevattende laag bepaalt, +zooals de mijnbouwkundige de grenzen van een laag mergel, ijzeroer +of bruinkool onderzoekt. Als de stok loodrecht in den grond wordt +gestoken, wijst het plotseling ophouden van den weerstand aan, dat +men doorgedrongen is tot in de holte of tot in de losse aardlaag, +waarin de eieren geborgen zijn. Het bleek ons, dat deze laag over 't +algemeen zoo gelijkmatig verdeeld is, dat de stok over een plek van +20 M. middellijn rondom een gegeven punt haar overal bereikte. Men +spreekt daarom hier van vierkante roeden eieren, alsof men het heeft +over een terrein, waaronder een ertslaag ligt en dat in vakken is +verdeeld om het geregeld te exploiteeren. De eierenlaag strekt zich +echter op verre na niet over het geheele eiland uit, maar houdt op +overal waar de grond zich verheft, omdat de Schildpad naar deze kleine +hoogvlakten niet omhoogkruipen kan. + +"De tijd, waarin Arraoe hare eieren legt, valt samen met dien +van den laagsten waterstand. Daar de Orinoco op den dag van de +lente-dag-en-nacht-evening begint te wassen, liggen de diepste +gedeelten van den oever van het begin van Januari tot den 29sten +Maart droog. De Arraoes vereenigen zich reeds in Januari tot groote +zwermen, verlaten het water en koesteren zich op den zandigen oever +in de zon. Gedurende de maand Februari vindt men de Arraoes bijna +den geheelen dag op den oever. In het begin van Maart vereenigen de +verspreide troepen zich en zwemmen naar de weinige eilanden, waar +zij gewoon zijn hare eieren te leggen: waarschijnlijk kiest iedere +Schildpad hiervoor ieder jaar denzelfden oever. Weinige dagen vóór +het leggen komen zij bij duizenden in lange reeksen op de oevers +van de eilanden Coecoeroeparoe, Oeroeano en Pararoema, strekken den +hals en houden den kop boven water, om te zien, of zij hier niet door +"Tijgers" of door menschen bedreigd worden. De Indianen, die er het +grootste belang bij hebben, dat de vereenigde zwermen bijeenblijven, +plaatsen wachten langs den oever om te verhinderen, dat de dieren +verstrooid worden en om te bevorderen, dat zij in vrede hunne eieren +kunnen leggen. Men beduidt de menschen op de vaartuigen, dat zij +'t midden van den stroom moeten houden en de Schildpadden niet door +hun geschreeuw moeten verjagen. + +"De Indianenkampen op drie bovengenoemde plaatsen worden in de laatste +dagen van Maart of in de eerste dagen van April geopend. De eierenoogst +heeft steeds op dezelfde wijze plaats. Als het kamp opgeslagen is, +benoemt de zendeling een plaatsvervanger, die de landstreek, waar +de eieren liggen, naar het aantal Indianenstammen, die aan den oogst +deelnemen, in afdeelingen splitst. Hij begint met op de reeds genoemde +wijze te onderzoeken, hoe ver de eierenbevattende laag zich in den +grond uitstrekt. Volgens onze metingen reikt zij tot 40 M. van den +oever en ligt op een gemiddelde diepte van 1 M. De hiervoor benoemde +persoon wijst aan, hoe ver iedere stam werken mag. Niet zonder +verwondering hoort men den eierenoogst schatten op gelijke wijze als +de opbrengst van een korenveld. Het komt voor, dat een terrein van +40 M. lengte en 10 M. breedte 100 kruiken (of voor 500 gulden) olie +oplevert. De Indianen graven den grond met de handen open, leggen de +ingezamelde eieren in kleine mandjes, "mappiri" genaamd, dragen ze +naar het kamp en storten ze uit in groote, met water gevulde, houten +troggen. Hier worden de eieren met schoppen vergruisd, omgeroerd +en aan de zon blootgesteld, totdat de bovendrijvende, olieachtige +bestanddeelen van den eidooier dik geworden zijn. De afgeschepte +olie wordt boven een flink vuur gekookt en blijft, naar men zegt, +des te beter van kwaliteit, naar mate zij sterker gekookt werd. Goed +toebereid, is zij reukeloos, helder en zeer licht geel van kleur. De +zendelingen achten haar gelijk aan de beste boomolie. Men gebruikt +haar niet uitsluitend als lampolie, maar ook (en wel bij voorkeur) +voor de spijsbereiding, daar zij aan de spijzen geen onaangenamen smaak +mededeelt. Het is echter moeielijk volkomen zuivere Schildpaddenolie te +verkrijgen; de meeste heeft een rotlucht, welke hierdoor veroorzaakt +wordt, dat in eenige van de eieren de jongen reeds tot ontwikkeling +waren gekomen. + +"De geheele opbrengst van de oeverterreinen, waar ieder jaar eieren +ingezameld worden, kan men op 5000 kruiken begrooten. Daar 200 +eieren een wijnflesch vol olie opleveren, zijn er 5000 noodig voor +een kruik. Als men aanneemt, dat iedere Schildpad 100 à 116 eieren +legt en dat een derde hiervan gedurende het leggen breekt, zoo komt +men tot het besluit, dat, om deze 5000 kruiken met olie te vullen, +330,000 Arraoe-schildpadden op de drie oogstplaatsen 33 millioen +eieren moeten leggen. Door deze berekening blijft men echter nog +ver beneden het werkelijke aantal Schildpadden in de rivier. De +hoeveelheid eieren, waarvan de jongen reeds uitgekomen zijn, voordat +de mensch aan 't inzamelen gaat, is zoo verbazend groot, dat ik bij +het kamp van Oeroeana den geheelen oever van den Orinoco bedekt zag +met een gewemel van jonge 2 1/2 cM. breede Schildpadjes, die met +moeite ontsnapten aan de hen najagende kinderen van Indianen. Voeg +hier nog bij, dat niet alle Arraoes op de drie genoemde eilanden +komen, dat vele tusschen den Orinoco-mond en de samenvloeiing met de +Apoere afzonderlijk en een paar weken later eieren leggen, zoo komt +men noodzakelijkerwijze tot de slotsom, dat het aantal Schildpadden, +die ieder jaar aan de oevers van den Beneden-Orinoco eieren leggen, +nagenoeg een millioen moet bedragen. + +"De inzameling van de eieren en de bereiding van de olie duren 3 +weken; slechts in dezen tijd staan de zendingsposten met de kust +en met naburige beschaafde landen in verkeer. De Franciskanen, +die ten zuiden van de watervallen gevestigd zijn, komen bij den +eierenoogst, niet zoozeer om zich olie te verschaffen, als wel om +blanke gezichten te zien. De oliehandelaars behalen een winst van +60 à 70 percent; daar de Indianen hun de kruik olie voor een harden +piaster verkoopen en de kosten van verzending slechts 2/5 piaster +per kruik bedragen. Alle Indianen, die aan den eierenoogst deelnemen, +nemen ook groote hoeveelheden in de zon gedroogde of zacht gekookte +eieren mede naar huis. Onze roeiers hadden ze in hunne korven of in +katoenen zakjes steeds bij zich. De smaak kwam ons niet onaangenaam +voor, zoolang zij nog onbedorven waren. + +"Men wees ons groote, door Jagoears geledigde schildpaddenpantsers. De +"Tijgers" loeren op de Arraoes, wanneer deze aan den oever komen om +eieren te leggen, overvallen ze gedurende haar verblijf op het land en +wentelen ze op den rug om ze gemakkelijker te kunnen verslinden. De +in dezen toestand gebrachte Schildpadden kunnen niet weer overeind +komen; daar de "Tijger" er veel meer omwentelt, dan hij in één nacht +opeten kan, doen de Indianen dikwijls hun voordeel met zijn list en +boosaardige hebzucht. + +"Wanneer men bedenkt, hoeveel moeite het den reizenden +natuuronderzoeker kost om het pantser van een Schildpad te ledigen, +indien hij het rugschild en het borstschild in hun verband wil laten, +kan men zich niet genoeg verwonderen over de behendigheid van den +"Tijger", die met zijne klauwen ditzelfde werk zoo flink verricht, +alsof de aanhechtingen van de spieren met het mes van een heelmeester +waren losgemaakt. De "Tijger" vervolgt de Schildpad zelfs in het water, +voor zoover dit niet zeer diep is, graaft ook hare eieren uit, kortom +is met den Krokodil, de Reigers en de Raafgieren de vreeselijkste +vijand van de pas uit het ei gekomen Schildpadden. Behalve de zooeven +genoemde wilde dieren doen ook de wilde Indianen veel afbreuk aan de +oliebereiding. Zoodra de eerste, minder belangrijke regenbuien (door +hen "schildpaddenregens" genoemd) voorkomen, trekken zij naar de oevers +van den Orinoco en dooden met vergiftigde pijlen de Schildpadden, +die met vooruitgestoken kop en uitgespreide pooten zich door de zon +laten koesteren." + +Van Januari tot Juli bewonen de Arraoes de plassen en oevermeren van de +overstroomde wouden en eten bijna niets anders dan boomvruchten. Door +de felle vervolging, die zij te verduren hebben, is haar aantal reeds +merkbaar verminderd. + + + +Een der vreemdsoortigste leden van de geheele orde is de Matamata +(Chelys fimbriata), de eenige vertegenwoordigster van het geslacht +der Franjeschildpadden (Chelys) en van de gelijknamige familie +(Chelydae). Het zeer weinig gewelfde rugschild vertoont drie +overlangsche reeksen van dikke, gekielde knobbels, die door diepe +groeven vaneengescheiden zijn. De kop is zeer plat en driezijdig; +de oogen zijn buitengewoon klein; de mondspleet strekt zich tot aan +de oorstreek uit; de neus is tot een middelmatig langen, dunnen snuit +verlengd, aan welks spits de neusgaten voorkomen: de hals is tamelijk +lang, maar zeer breed en plat, de staart kort, het zwemvlies tusschen +de vijf teenen van de voorvoeten en de vier teenen van de achtervoeten +sterk ontwikkeld. Boven elke gehooropening bevindt zich een dun, +tamelijk groot, naar boven gericht, driehoekig aanhangsel, dat aan +een oorschelp herinnert; de kin is met twee baarddraden voorzien, de +keel met een in franjes verdeeld aanhangsel; soortgelijke huidfranjes +zijn aan weerszijden van den hals op reeksen geplaatst. Zij bereikt +volgens Dumeril een totale lengte van 2.2 M., waarvan op het pantser +1.23 M. en op den hals 72 cM. komt. De bovenzijde is bijna effen +kastanjebruin, de onderzijde vuil groenachtig geel. + +De Matamata is tot Guyana en Noord-Brazilië beperkt; men heeft haar in +den Amazonenstroom en de naburige stilstaande wateren, in de rivieren +Essequebo, Roepoenoeni en Takoetoe alsook in de meren en rivieren van +de savanna aangetroffen. Daar waar zij voorkomt, schijnt zij talrijk +te zijn. "Gewoonlijk," zegt Schomburgk, "had zij zich bij den oever +in 't zand gewoeld, zoodat het water ongeveer een vingerbreed hoog +boven haar rugschild stond, en scheen daar bewegingloos op een prooi +te loeren. Zij liet zich grijpen zonder beweging te maken; wegens den +onaangenamen reuk, dien zij verbreidde, deden wij dit echter slechts +zelden. Onze Karaïben vielen met een ware woede op haar vleesch +aan." Misschien dienen de vreemdsoortige aanhangsels aan den kop als +lokaas voor die Visschen, welke gemakkelijk te verschalken zijn. + + + +De derde reeks van de Echte Schildpadden omvat +de Rivierlederschildpadden (Trionychoidea). Van alle overige +onderscheiden zij zich door het ontbreken der hoornplaten op haar +pantser; dit is slechts door een zachte huid bedekt. Het rugschild +is zwak gewelfd en onvolledig verbeend: het beenig schijfgedeelte +heeft een zachten, lederachtigen zoom, die hoogst zelden door eenige +randbeenderen gesteund wordt; in het midden van het borstschild komen +groote fontenellen voor. De kaken zijn met vleezige lippen voorzien, +doch hebben een hoornachtigen rand; de neusgaten zijn aan de spits +van een zachten, beweeglijken snuit geplaatst. De teenen hebben zeer +sterk ontwikkelde zwemvliezen; slechts de drie binnenste van elken +voet eindigen in scherpe klauwen. De kop en de hals kunnen onder het +pantser verborgen worden; bij sommige kan dit ook met de pooten en den +korten staart geschieden; ter beschutting van de teruggetrokken organen +zijn dan achter aan het borstschild links en rechts eigenaardige +kleppen aanwezig; ook het voorstuk is beweeglijk. Naar het schijnt, +kunnen de papillen van het slijmvlies, dat de keelholte bekleedt, +de rol van kieuwen vervullen; tusschen het bloed van de talrijke +haarvaten dezer organen en het hem omgevende water heeft dezelfde +uitwisseling van gassen plaats, als in de longen tot stand komt. + + + +Bij de Drieklauwen (Trionyx) zijn in het geheel geen randbeenderen +aanwezig en kunnen de achterpooten en de staart niet onder het pantser +verborgen worden. + +Hoewel de meeste soorten van dit geslacht het Oostersche rijk +bewonen en slechts enkele in Noord-China en Japan, in Afrika en in +Noord-Amerika gevonden worden, is nog steeds de Woeste Drieklauw +(Trionyx ferox), de grootste van de Noord-Amerikaansche soorten, ons +het nauwkeurigst bekend. Zij kan een gewicht van 35 KG. bereiken en is +dan 1.6 M. lang, waarvan 85 cM. op het pantser komen. Haar rugschild +is op donker leigrauwen grond met talrijke, groote oogvlekken en, +vooral aan den rand, met donkere stippels geteekend; de onderzijde +is vuilwit, de leikleurige kop van boven aan weerszijden donker +gevlekt, in de oogstreek met een tot aan den hals reikenden en hier +uitvloeiende, lichte, donker gezoomde slaapstreep versierd; de kin, +de voeten en de staart zijn zwart en wit gemarmerd; de iris is geel. + +De Woeste Drieklauw wordt aangetroffen in de Savannah- en +Alabama-rivieren en in alle stroomen, die zich in de Golf van +Mexico uitstorten, dus in het zuidoosten van de Vereenigde Staten, +van Georgië tot West-Louisiana. In de meeste wateren van het door +haar bewoonde gebied is deze soort veelvuldig. Men ziet haar bij +stil weer in grooten getale aan de oppervlakte drijven, en in de +rivieren dikwijls talrijk op de rotsen verschijnen, om zich hier in +het ondiepe water door de zon te laten koesteren. Gewoonlijk ligt zij, +onder wortels en waterplanten verborgen, op buit te loeren. Zij maakt +jacht op Visschen, Amphibiën en Watervogels, zwemt langzaam op het +uitgekozen slachtoffer af, strekt dan bliksemsnel den betrekkelijk +langen hals en grijpt zonder fout haar prooi. Voor de boeren is zij +door het vangen van jonge Eenden en Ganzen lastig. Naar men zegt, +richt zij onder de jonge Alligators een groote slachting aan; door +de oude wordt zij echter opgegeten. + +In Mei zoeken de wijfjes zandige plekken op aan den oever van het door +haar bewoonde water en beklimmen, hoewel zij zich overigens zelden +of nooit op 't droge begeven, in dezen tijd heuvels van meer dan 1 +M. hoogte. Hare eieren zijn bolvormig en betrekkelijk broos van schaal. + + + + + + + +VIERDE ORDE. + +DE SNAVELHAGEDISSEN (Rhynchocephalia). + + +Deze merkwaardige dieren, die men bij oppervlakkig onderzoek +voor Hagedissen zou houden, geven bij ontleding eigenaardigheden +te aanschouwen, die tot de kenmerken van geheel andere orden en +zelfs van andere klassen behooren. Zij toonen o. a. verwantschap met +Hagedisachtige Amphibiën, die hun bloeitijd hadden, toen de lagen van +de steenkolen- en de daaropvolgende dyas- en triasformatie ontstonden, +maar vóór den aanvang van het juratijdperk volkomen verdwenen waren; +wij bedoelen de Labyrinthodonten of "Doolhoftandigen", de hoogst +ontwikkelde leden van de uitgestorven groep der "Dakschedeligen" +of Stegocephalen. De overblijfselen van deze meestal met een +pantser van beenplaten bedekte Amphibiën worden het meest gevonden +in de porphyrachtige zandsteenen en conglomeraten, die in Bohemen en +Saksen den ondergrond (het "liggende") vormen van de koperertshoudende +gesteenten en wegens hun roode kleur door de Saksische mijnwerkers het +"roodliggende" ("rotliegende") worden genoemd, een naam, die door +de aardkundigen overgenomen is. Niet slechts van Amphibie-achtige, +maar ook van Reptiel-achtige wezens uit den voortijd, o. a. van +de Plesiosauriërs, voorts van hedendaagsche Kruipende Dieren (van +Schildpadden en Hagedissen) komen verscheidene eigenaardigheden bij +de hier bedoelde diersoort, bij de Bruggenkop- of Wigtandhagedis +(Sphenodon punctatus, Hatteria punctata), vereenigd voor. De +allernaaste verwant van dit zonderlinge wezen is, merkwaardigerwijze, +het oudst bekende Reptiel: de Oerhagedis (Palaeohatteria) van het +Saksische "rotliegende". De Bruggenkophagedis moet dus beschouwd +worden als het laatste overblijfsel van den oudsten Reptiliën-stam, +als de eenige levende vertegenwoordiger van een sinds lang verdwenen +dierenwereld; zij kan op een langere reeks van voorouders bogen dan +eenig ander Gewerveld Dier. + +Door zijn gestalte herinnert dit groote, eenigszins plompe Reptiel +aan sommige Legoeanen. Op den vierzijdigen kop volgt een gedrongen +romp met een samengedrukt driezijdigen staart van ongeveer gelijke +lengte. Aan elken poot komen 5 korte, met korte klauwen gewapende +teenen voor. Zijdelings samengedrukte doornen vormen den kam, +die zich over den nek, het midden van den rug en het midden van +den staart uitstrekt. Kleine schubben bedekken den kop, kleine en +groote dooreengemengd den romp, groote, vierhoekige, op dwarse reeksen +gerangschikte schilden de onderzijde. De somber olijfgroene grondkleur +is op de zijden en de ledematen met kleine, witte en grootere, gele +vlekken gestippeld; de stekels van den rugkam zijn geel, die van den +staartkam bruin. + +Veel belangrijker eigenaardigheden dan de zooevengenoemde uitwendige +kenmerken komen bij de ontleding aan 't licht. Het vierkantsbeen, +dat bij alle Geschubde Reptiliën beweeglijk is, laat, evenals bij de +Kameleons, Schildpadden en Krokodillen, wegens vergroeiing met den +schedel geen beweging toe. Het geraamte van het aangezicht is door +twee beenige bogen, die als "bruggen" de slaapholte bedekken, met de +slaapstreek van den schedel verbonden; van daar de naam der soort. De +beide helften van het onderkaaksbeen zijn, als bij de Slangen, van +voren door een vezeligen band vereenigd. De bovenkaaksrand draagt +een reeks van driehoekige, zijdelings samengedrukte, spits eindigende +tanden, die zoo innig met de kaakbeenderen verbonden zijn, dat men ze +bijna voor getakte uitwassen van deze beenderen zou houden. Hieraan +evenwijdig is een reeks van soortgelijke, doch iets kleinere tanden +aan den buitenrand der gehemeltebeenderen; tusschen de beide reeksen +van bovenkaaksbeenderen blijft aan weerszijden een overlangsche groeve +over waarin de tanden van de onderkaaksbeenderen passen, zoodat de +bovenkaakstanden zijdelings, de onderkaakstanden spits afgeslepen +worden. De beide tusschenkaaksbeenderen hellen steil naar onderen af en +vormen een soort van snavel, met welks onderrand een paar eenigszins +getakte snijtanden zoo innig verbonden zijn, dat de grens tusschen +been en tand niet zichtbaar is. Deze eigenaardigheden van den kop +worden uitgedrukt door de namen "Snavel-" en "Wigtandhagedissen".--De +wervellichamen zijn van voren en van achteren trechtervormig uitgehold, +evenals bij vele Beenvisschen, eenige Amphibiën en verscheidene +voorwereldlijke Reptiliën. Beweegbare ribben, ten deele met haakvormige +uitsteeksels voorzien, zijn gehecht aan de 5 achterste van de 8 +halswervels en aan alle 17 rompwervels. Alle ribben zijn valsch, +d. w. z. bereiken het borstbeen niet, met uitzondering van die der 3 +voorste rompwervels. Achter deze komt aan de buikzijde van den romp +een "buikborstbeen" en een stelsel van "buikribben" voor, die in +aantal en ligging overeenkomen met de buikschilden der oppervlakte, +maar dubbel zoo talrijk zijn als de valsche ribben; iedere dwarsreeks +van buikschilden is dus te vergelijken met één buikschild van een +Slang en beter nog met één der deelen van het buikpantser van een +Schildpad. Het trommelvlies ontbreekt, evenals bij de Slangen. Men +mag dus de Bruggenkophagedis beschouwen als een Reptiel, dat over +'t geheel genomen den vorm van een Hagedis heeft, in eenige zeer +belangrijke opzichten echter op den ontwikkelingstrap der Amphibiën is +blijven staan, en andere, minder gewichtige bijzonderheden vertoont, +die men bij de Schildpadden en Slangen terugvindt. + +De berichten over de woonplaats en de levenswijze van dit dier, +dat nergens anders dan op Nieuw-Zeeland aangetroffen wordt, zijn tot +dusver zeer onvolledig. Het eerste komt voor in de beschrijving van +Cook's derde reis: "Naar men zegt, komen op Nieuw-Zeeland reusachtige +Hagedissen voor, 2.6 M. lang en zoo dik als het lichaam van een mensch; +het heet, dat zij soms menschen aanvallen en verslinden. Zij wonen +in gaten in den grond en worden gedood door voor den ingang van het +hol een vuur aan te steken." + +Dieffenbach zegt, dat de inboorlingen deze Hagedis, die zij Toeatera +of Narara noemen, in hooge mate vreezen. Hoewel hij alle plaatsen, +waar zij heet voor te komen, onderzocht en een aanzienlijke belooning +uitloofde aan ieder, die hem er een bracht, werd zijn wensch eerst +weinige dagen voor zijn vertrek door de ontvangst van een enkel +exemplaar vervuld. "Zij was gevangen op het rotsachtig eilandje +Karewa, in Plenty-baai op een afstand van 2 mijlen van de kust +gelegen. Uit de verhalen, die mij gedaan werden, schijnt te blijken, +dat de Bruggenkophagedis indertijd op alle eilanden talrijk voorkwam, +in holen en dikwijls ook op zandige heuvels aan de kust leefde en +door de inboorlingen om haar vleesch vervolgd en gedood werd. Door de +jacht en ongetwijfeld ook door het invoeren van Zwijnen is dit dier +zoo zeldzaam geworden, dat vele sinds lang in het land gevestigde +personen het nooit gezien hebben". + +Bennett bericht, dat deze Hagedissen in het jaar 1851 op enkele +eilandjes van de genoemde Plenty-baai nog in vrij groot aantal te +vinden waren. Een gezelschap van officieren ving hier in een half +uur tijds ongeveer 40 Bruggenkophagedissen van 8 à 60 cM. lengte, +die zich door de zon lieten koesteren. Van een exemplaar, dat in +1869 levend naar Engeland kwam, wordt gezegd, dat het met smaak +Meelwormen en andere Insecten at, buitengewoon traag, maar ook zeer +goedaardig was en zonder te bijten of op een andere wijze weerstand +te bieden, zich liet behandelen. Van andere gevangenen vernam men, +dat zij plantaardig voedsel niet versmaadden. Ook nog in onzen tijd +wordt de Bruggenkophagedis nu en dan van de eilandjes ten oosten van +het Noordeiland levend of dood naar Europa gebracht; zulke exemplaren +worden wegens hun zeldzaamheid duur betaald. + + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Hierover heeft Van Bemmelen het volgende aangeteekend: "In de +Kronyk van Medemblik (1736) vindt men, dat op 2 October 1707 een +voorwerp gevangen is in het Wijkermeer van 6 voet lengte en 400 à +500 pond zwaarte. In de Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap +(Deel VI) wordt vermeld, dat een Zeeschildpad door Veersche visschers +aan de kust van Walcheren, nabij Domburg, op 17 Juni 1777 gevangen +werd en 3 Rijnlandsche voeten lang was. Zijn deze berichten juist, +dan is er alle waarschijnlijkheid, dat deze individu's behoorden tot de +soort Spargis coriacea. Het is echter mogelijk, dat zij ontsnapt waren +uit schepen. Evenwel zijn ook aan de naburige kusten Zeeschildpadden +gevangen. Zoo vermeldt De Selys Longchamps in zijn "Faune Belge", dat +twee voorwerpen van Chelonia caretta op de kust van Vlaanderen zijn +gevangen, doch dat deze soort zich daar zeer toevallig bevindt; evenzoo +maakt Fleming in zijn "History of British Animals" (1828) melding +van het vangen van Zeeschildpadden aan de Engelsche kusten. Lacépède +(Histoire naturelle des Quadrupèdes Ovipares) vermeldt de vangst van +2 Spargis coriacea aan de kusten van Languedoc en van een vrij groot +voorwerp van deze soort op de kusten van Cornwallis in Engeland in +1756; voorts bericht hij, dat in 1752 een Zeeschildpad te Dieppe en +vele groote individu's aan den mond der Loire gevangen zijn." + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44811 *** |
