summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/44811-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '44811-0.txt')
-rw-r--r--44811-0.txt12276
1 files changed, 12276 insertions, 0 deletions
diff --git a/44811-0.txt b/44811-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..27be510
--- /dev/null
+++ b/44811-0.txt
@@ -0,0 +1,12276 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44811 ***
+
+ Het Leven der Dieren
+
+ Door
+ A. E. Brehm.
+
+ Naar den tweeden druk der volksuitgaaf voor Nederland Bewerkt
+ Door
+ S. P. Huizinga.
+
+
+
+ Tweede druk--met ongeveer 1200 fraaie afbeeldingen.
+
+ Derde Deel.
+
+ Kruipende Dieren.--Visschen.--Insecten.--Lagere Dieren.
+
+
+ Zutphen.--P. van Belkum Az.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ALGEMEENE BESCHOUWINGEN OVER DEN BOUW EN DE LEVENSWIJZE DER KRUIPENDE
+DIEREN.
+
+
+De naam Amphibia ("aan weerszijden"--zoowel in 't water als op het
+land--"levende") of Tweeslachtigen werd door Linnaeus, den grondlegger
+van de hedendaagsche wetenschappelijke dierkunde, gekozen tot
+aanduiding van een groep van Gewervelde Dieren, die men vroeger deels
+tot de "Viervoetigen", deels tot de "Wormen" rekende. Cuvier verving
+den naam Amphibia door dien van "Kruipende Dieren"--"Reptilia". Latere
+onderzoekers hechtten aan de verschillen van vorm, van lichaamsbouw
+en vooral van ontwikkelingsgang, die bij deze wezens voorkomen,
+grootere waarde dan hieraan tot dusver was toegekend en verdeelden
+hen in twee klassen, die zij met de reeds vroeger uitgedachte namen
+"Reptiliën" of "Kruipende Dieren" en "Amphibiën" of "Tweeslachtige
+Dieren" bestempelden. Deze verdeeling wordt tegenwoordig algemeen
+aangenomen. De scheiding tusschen beide groepen is zelfs scherper
+geworden: de klasse van de Kruipende Dieren wordt nog tot de Hoogst
+ontwikkelde Gewervelde Dieren gerekend, terwijl de Amphibiën met de
+Visschen als de Laagst ontwikkelde groep van de eerste en belangrijkste
+hoofdafdeeling van het dierenrijk worden beschouwd.
+
+De Kruipende Dieren (Reptilia) zijn "koudbloedige" Gewervelde
+Dieren, die in alle levenstijdperken door longen ademen, dus geen
+gedaantewisseling ondergaan, een hart bezitten, waarvan de voorkamers
+of boezems meestal volledig, de kamers daarentegen meestal onvolledig
+gescheiden zijn en welker lichaam bekleed is met door de huid gevormde
+schubben en platen van hoorn of van hoorn en been. Met de uitdrukking
+"koudbloedig" wordt bedoeld, dat de temperatuur van het bloed steeds
+afhangt van die der omgeving en slechts weinig hooger is dan deze;
+men zou ze dus eigenlijk "dieren met veranderlijke temperatuur"
+moeten noemen. De gestalte der Kruipende Dieren is zeer verschillend;
+sommige hebben een rondachtig of schijfvormig afgeplat lichaam,
+bij andere is het in de lengte gerekt en wormvormig; bij gene wordt
+het gesteund door pooten, bij deze niet; pooten vindt men ook bij
+die, welke den overgang vormen tusschen de genoemde uitersten. De
+hals is bij sommige zeer kort en onbeweeglijk, bij andere lang en
+buigzaam. Zij, die met pooten voorzien zijn, hebben er gewoonlijk vier.
+
+Het geraamte van de Kruipende Dieren is bijna geheel verbeend;
+het biedt echter, wat de samenstelling der deelen betreft, zooveel
+verscheidenheid aan, dat er weinig in 't algemeen van gezegd kan
+worden. De schedel is min of meer afgeplat; veel sterker ontwikkeld
+dan deze afdeeling van het skelet is dat van 't aangezicht en meer
+bepaaldelijk dat van de kaken.
+
+De wervelkolom is bij allen verbeend en duidelijk in wervels
+gescheiden; hun aantal wisselt in verband met de lichaamslengte
+buitengewoon sterk af; bij de Schildpadden bedraagt het weinig meer
+dan 30, bij sommige Slangen daarentegen meer dan 400. Het aantal ribben
+varieert eveneens zeer sterk; deze beenderen zijn steeds zeer volkomen
+ontwikkeld, bij de Slangen zelfs tot op zekere hoogte volkomener
+dan bij de overige dieren daar zij in alle richtingen bewogen kunnen
+worden, bij de Schildpadden daarentegen vergroeien zij onderling en
+maken een hoofdbestanddeel uit van het beenig rugpantser.
+
+De mond is op zeer verschillende wijzen gewapend. De Schildpadden
+hebben geen tanden: scherpe hoornlijsten bekleeden bij haar de randen
+der kaken; bij de overige leden der klasse is het aantal tanden meestal
+aanzienlijk en zijn niet slechts de kaakbeenderen, maar soms ook de
+gehemeltebeenderen, vleugelbeenderen (zelfstandig geworden deelen van
+het wiggebeen) en het ploegschaarbeen er mede bezet. Bijna algemeen
+dienen de tanden uitsluitend voor het grijpen en vasthouden, zelden
+voor het fijnmaken van het voedsel.
+
+Ook de spijsverteringsorganen zijn zeer ongelijk. Bij enkele Reptiliën,
+b.v. bij de Krokodillen, is de tong eenvoudig een vlakke verhevenheid
+op het midden van de onderkaak; bij andere, b.v. bij de Schildpadden,
+is zij vleezig, kort en dik; bij nog andere, de Hagedissen, nu
+eens eivormig plat, dan weer in een scheede besloten, soms geschikt
+om met kracht te worden uitgestoken, of, evenals die der Slangen,
+gevorkt, in 2 lange, draadvormige punten gesplitst. De Schildpadden
+onderscheiden zich door het bezit van een ondertongsklier, tal van
+Hagedissen en Slangen door de aanwezigheid van lipklieren. Vele
+Slangen hebben bovendien nog in de slaapstreek een groote klier, die
+bij de leden van verscheidene familiën gif afscheidt, dat door een
+buis aan een groeve op of aan een kanaal in de giftanden toegevoerd
+wordt. De wijde slokdarm kan zich bij eenige verbazend sterk uitzetten
+en gaat dan zonder scherpe begrenzing in de ruime, dikwandige maag
+over, die door een plooi of klep van den darm gescheiden is. Deze
+is wijd, weinig gekronkeld en kort; bij de Landschildpadden, die
+van plantaardige stoffen leven, is hij het langst, n.l. 6 à 8 maal
+zoo lang als het lichaam. De einddarm leidt, evenals bij de Vogels,
+naar een kloak, die, behalve het afval van 't spijsverteringsproces,
+ook de inhoud van de urineleiders en van de eileiders in zich opneemt
+en deze--hetzij door een ronde opening (Krokodillen en Schildpadden)
+of door een dwarse spleet (Slangen en Hagedissen)--naar buiten voert.
+
+Het hart heeft twee volledig gescheiden voorkamers; de twee kamers
+staan bij de Krokodillen niet met elkander in gemeenschap; bij alle
+overige Reptiliën zijn zij door een meer of minder groote opening
+verbonden, waardoor het bloed van de linkerkamer zich met dat van de
+rechter vermengt.
+
+De hersenen zijn veel minder volkomen dan die der Zoogdieren en Vogels,
+maar veel beter ontwikkeld dan die der Amphibiën en Visschen. Onder
+de zintuigen neemt het oog steeds den eersten rang in, hoewel
+het bij eenige zeer klein is en soms geheel door de huid overdekt
+wordt. Verscheidene familiën en groepen van familiën onderscheiden
+zich door een eigenaardige wijze van beschutting van het oog. Het
+eenvoudigst is zij bij de Slangen, waar de oogleden schijnbaar geheel
+ontbreken, in werkelijkheid echter met elkander vergroeid zijn; het
+vóór de pupil gelegen deel van de huid, dat de lichtstralen doorlaat,
+gelijkt op een horlogeglas, dat in een plooi van de omringende huid
+is gevat. Bij nagenoeg alle overige Kruipende Dieren is het bovenste
+ooglid weinig ontwikkeld; gewoonlijk bestaat het eenvoudig uit een
+stijve, half-kraakbeenige huidplooi. Het onderste ooglid daarentegen
+is veel grooter en beweeglijker en kan de geheele vrije voorvlakte
+van het oog bedekken; soms is het deel, dat voor de pupil komt te
+liggen, doorzichtig en glad. Bovendien hebben de meeste Hagedissen,
+de Schildpadden en Krokodillen een derde ooglid, het "wenkvlies",
+dat, van den voorsten of binnensten ooghoek uitgaande, meer of minder
+ver over het oog kan worden geschoven. Geheel op zichzelf staan onder
+de Kruipende Dieren de Kameleons, die een kringvormig ooglid hebben,
+dat tegen het uitpuilende gedeelte van het oog nauwsluitend aanligt
+en slechts een kleine opening overlaat.
+
+Een van de merkwaardigste gebeurtenissen, die in het laatste
+vijftiental jaren op wetenschappelijk gebied hebben plaats gehad, is
+de ontdekking van een overblijfsel van een zintuig, dat pineaal oog
+of pariëtaal oog wordt genoemd. Het is midden op de kruin gelegen en
+wordt bedekt door de huid, die zich hier door vorm en kleur dikwijls
+duidelijk onderscheidt van haar omgeving. Sommige onderzoekers zijn
+van oordeel, dat dit oog bij de Hagedissen en bij de Snavelhagedis ook
+thans nog, hoewel in beperkte mate als gezichtsorgaan dienst doet;
+anderen beschouwen het als een orgaan voor temperatuurwaarneming,
+nog anderen meenen, dat het zijn vroegere beteekenis als zintuig
+geheel verloren heeft.
+
+Het gehoor van de Reptiliën is duidelijk lager ontwikkeld dan dat van
+de Zoogdieren en Vogels: de gehoorschelp ontbreekt en de bestanddeelen
+van het middenoor en het binnenoor zijn veel eenvoudiger dan bij de
+warmbloedige dieren. Dat de huid van de Reptiliën gevoelig is, blijkt
+uit hun voorliefde voor een ligplaats, waar zij aan de zonnestralen
+blootgesteld zijn; daarentegen toonen zij in andere gevallen een
+gevoelloosheid, die te recht verbazing wekt. De tastzin bereikt bij
+sommige een zeer hoogen trap van ontwikkeling. Het hiervoor dienende
+werktuig is vooral de tong, die, naarmate zij geschikter is voor 't
+tasten, haar beteekenis als smaakzintuig meer en meer verliest. Ook
+de reukzin is bij de Reptiliën niet bijzonder scherp, althans niet
+tot waarnemingen op eenigen afstand in staat.
+
+De meeste Kruipende Dieren ontstaan uit eieren, welke in de meeste
+opzichten op die der Vogels gelijken, doordat zij een grooten,
+vetrijken dooier en een meer of minder aanzienlijke laag eiwit
+bevatten, omgeven door een lederachtige, dikwijls rekbare schaal,
+waarop zich een zekere hoeveelheid kalk afzet. De ontwikkeling der
+eieren begint meestal reeds vóór het leggen, in den eileider der
+moeder; bij enkele wordt zij hier ook ten einde gebracht: het jong
+verlaat dan reeds in den eileider de eischaal en wordt dus levend
+geboren.
+
+De Kruipende Dieren hebben hun bloeitijd achter den rug. Uit hetgeen
+thans van de dieren der voorwereld bekend is, blijkt, dat geheele orden
+van deze klasse uitgestorven zijn. Slechts vier orden--de Geschubde
+Reptiliën, de Krokodillen, de Schildpadden en de Brughagedissen--zijn
+tot in den tegenwoordigen tijd blijven bestaan. De versteende
+overblijfselen van vroeger levende leden dezer klasse, die tot in
+onzen tijd bewaard zijn gebleven, maken ons bekend met eene lange
+reeks van zeer verschillende, buitengewoon merkwaardige dieren, die
+door hun lichaamsbouw en hun uitwendig voorkomen gedeeltelijk aan de
+Zoogdieren, gedeeltelijk aan de Vogels, gedeeltelijk aan de Amphibiën
+en Visschen herinneren.
+
+Toch bedraagt het aantal verschillende soorten van levende Kruipende
+dieren nog omstreeks 3500, waarbij ongeveer 1645 Hagedissen, 55
+Kameleons, omstreeks 1575 Slangen, 23 Krokodillen, 201 Schildpadden
+en 1 Snavelhagedis; geen jaar gaat er voorbij, zonder dat, vooral
+aan de groepen der Hagedissen en Slangen, vormen worden toegevoegd,
+die tot dusver onbekend waren.
+
+Verreweg de meeste Reptiliën bewonen de vlakten der keerkringsgewesten,
+want meer dan van alle overige klassen van Gewervelde Dieren, neemt van
+deze het aantal soorten af, naarmate men de polen nadert. Hetzelfde
+verschijnsel merkt men op bij het vergelijken van de verschillende
+hoogtegordels. Warmte is voor de Kruipende Dieren onmisbaar: zij zijn
+des te talrijker in een gewest vertegenwoordigd, naarmate het heeter
+is; hoe kouder het land, des te minder soorten van Reptiliën worden
+er gevonden. Zeer weinige overschrijden den poolcirkel. Behalve
+warmte verlangen vele soorten een vochtig klimaat. Afrika is
+betrekkelijk arm aan Kruipende Dieren; Zuid-Azië daarentegen en
+(in nog meerdere mate) Amerika vertoonen den grootsten rijkdom
+van vormen en waarschijnlijk ook het grootste aantal leden van
+dezelfde soort. Tusschen het sterk vertegenwoordigd zijn der klasse
+en de grootte van de individuen bestaat in zooverre verband, dat de
+grootste soorten de keerkringsgewesten bewonen, terwijl in de gematigde
+aardgordels bijna geen andere dan kleine soorten gevonden worden.
+
+Alle soorten dezer klasse zijn in meerdere of mindere mate aan
+een zelfde terrein gebonden; bij geen enkel Kruipend Dier, de
+Zeeschildpadden misschien alleen uitgezonderd, kan van "trekken" sprake
+zijn in de beteekenis, die dit woord bij de Vogels heeft. Ofschoon
+de Schildpadden van het stroomgebied, waarover zij verbreid zijn, ook
+wel naar naburige wateren kunnen verhuizen, is toch een uitgestrekte,
+waterlooze landstreek tusschen het door haar bewoonde gebied en een
+anderen stroom voor haar onoverkomelijke hinderpaal. Hetzelfde geldt
+van de soorten, die op het droge leven: reeds door een smalle zeeëngte
+wordt haar verdere verbreiding tegengegaan. Toch komt het voor, dat
+Reptiliën van dezelfde soort in nagenoeg gelijken getale aangetroffen
+worden op terreinen, die door hindernissen van dezen of dergelijken
+aard vaneengescheiden zijn; in dit geval is men wel genoopt aan te
+nemen, dat de grenzen, die thans een scheiding teweegbrengen, in
+vroegere tijden niet bestonden. Tot op zekere hoogte bevordert de zee
+natuurlijk ook de verspreiding van deze dieren en stelt hen zelfs in
+staat tot reizen, die men met het "trekken" der Vogels kan vergelijken.
+
+De verblijfplaatsen der Reptiliën zijn zeer verschillend; over 't
+geheel genomen kan men ze echter landdieren noemen. Slechts eenige
+Schildpadden en Slangen bewonen voortdurend de zee; de overige leven op
+het land, bij voorkeur in vochtige gewesten. Van de vele in zoetwater
+voorkomende soorten, verlaten de meeste op bepaalde tijden het natte
+element om zonnewarmte en rust te zoeken op het droge; slechts weinige
+slapen in het water. Veelvuldiger nog dan in moerassen en rivieren
+ontmoet men de Reptiliën in bosschen. Hier leven zij op en onder den
+grond, tusschen struiken en wortels, op stammen, takken en twijgen van
+boomen. Enkele eindelijk vestigen zich in droge, zonnige of rotsachtige
+gewesten: vele Hagedissen en Slangen ontmoet men alleen in de steppe;
+onbegrijpelijk is het, hoe sommige op de dorre plekken van de woestijn,
+die zij tot woonplaats kozen, aan den kost kunnen komen.
+
+De kloof, die de Kruipende Dieren van de Zoogdieren en Vogels
+scheidt, is zoo buitengewoon diep, dat men de handelingen van deze
+ternauwernood met die van gene vergelijken kan. In verband met de
+geringe ontwikkeling hunner hersenen en de onvolkomenheid van hun
+bloedsomloop leiden zij om zoo te zeggen maar een half leven. De
+Reptiliën kruipen, loopen, klauteren, springen en zwemmen; enkele
+soorten kunnen zelfs een weinig zweven, d. w. z., met behulp van een
+vlieghuid, die als een valscherm wordt gebruikt, over groote afstanden
+heenspringen; dit orgaan is echter niet in staat om hen omhoog te
+heffen, altijd bewegen zij zich in benedenwaartsche richting. De
+Kruipende Dieren verdienen hun naam, want zelfs hun gaan en loopen
+is eigenlijk niets anders dan kruipen. De meeste laten den buik over
+den grond sleepen; juist bij die, welke zich het vlugst bewegen, valt
+dit het duidelijkst in 't oog. Het is niet waarschijnlijk, dat een
+van hen gedood zou kunnen worden door hem in 't water te werpen. De
+geringe behoefte aan lucht voor de ademhaling maakt zelfs voor hen,
+die aanhoudend op het droge leven, een voortdurend verblijf in 't
+water mogelijk. Zelfs de logge Landschildpadden, die als steenen naar
+den bodem zinken, kunnen hier geruimen tijd in het leven blijven.
+
+Vele Reptiliën kunnen behendig klauteren. Sommige Hagedissen loopen
+even snel bij gladde boomen en rotsen omhoog, als andere zich op den
+bodem bewegen. Niet weinige Hagedissen bezitten hoogst doelmatige
+werktuigen om zich aan allerlei voorwerpen vast te hechten of er
+aan vast te kleven; vele hebben voor dit doel spitse, sikkelvormig
+gekromde klauwen, sommige schijfvormig verbreede, van onderen met
+bladvormige dwarslijsten uitgeruste teenen, waarmede zij zelfs even
+veilig als Vliegen langs den onderkant van horizontale takken of
+rotswanden kunnen loopen.
+
+Alle Kruipende Dieren ademen langzaam en kunnen gedurende zeer langen
+tijd versche lucht ontberen; hun ademhaling geschiedt op een meer
+willekeurige wijze dan bij de warmbloedige dieren: zij pompen hunne
+groote longen vol lucht, wanneer zij hiertoe in de gelegenheid zijn
+en verbruiken dezen voorraad bij kleine hoeveelheden te gelijk. Een
+echte stem hebben de Krokodillen, de Gekko's en eenige Hagedissen;
+alle overigen Reptiliën brengen geene andere dan blazende of sissende
+geluiden voort. Het hart zendt slechts een klein deel van het bloed
+naar de haarvaten van de longen, om daar van koolzuur gezuiverd en met
+zuurstof voorzien te worden; het zuurstofrijke bloed wordt op zeer
+verschillende wijzen vermengd met het koolzuurhoudende; een gevolg
+hiervan is, dat de temperatuur van 't lichaam niet aanmerkelijk boven
+die van de omgeving verhoogd wordt. Hierbij komt nog, dat de werking
+van het ruggemerg in betrekkelijk hooge mate onafhankelijk is van die
+der hersenen; met de hieruit voortvloeiende ongevoeligheid staat een
+buitengewone taaiheid van 't leven in verband. Een Ringslang bleef in
+een luchtledige ruimte nog meer dan 11 uren in leven. Schildpadden,
+dien men den kop had afgesneden, bewogen nog na 11 dagen de pooten. Bij
+Hagedissen groeit in plaats van den afgehouwen staart een nieuwe. Bij
+Reptiliën genezen wonden, die voor hoogere dieren stellig doodelijk
+zouden zijn.
+
+Alle levensverrichtingen van de Reptiliën geschieden des te krachtiger,
+naarmate de temperatuur van de omgeving hooger is, mits zij een
+zekere grens niet overschrijdt; daarom gedraagt een Slang op een
+warmen zomerdag zich op geheel andere wijze dan bij koel weer. Daar
+de ademhalings- en bloedsomloopsorganen niet in staat zijn om de
+temperatuur van haar lichaam aanmerkelijk te verhoogen, is deze min of
+meer afhankelijk van die der omgeving. Hierin is de verklaring gelegen
+van het feit, dat alle soorten, die koude gewesten bewonen, om niet
+van koude te sterven, gedurende de wintermaanden een schuilplaats
+moeten opzoeken, waar zij in winterslaap vervallen.
+
+Dat de geestvermogens van de Reptiliën buitengewoon gering zijn,
+staat in nauw verband met de reeds genoemde feiten. Van alle hoogere
+eigenschappen zijn bij hen in 't gunstige geval slechts flauwe sporen
+voorhanden; zij zelve zijn in meerdere of mindere mate machines
+zonder wil. Vele leden van deze klasse openbaren ternauwernood eenig
+onderscheidingsvermogen. De werkzaamheid van hun geest bepaalt zich
+tot een zekere plaatszin, tot een beperkte geschiktheid om eetbare
+voorwerpen, of ook vijandige wezens, te herkennen en tot zinnelijken
+hartstocht. Behoudens het uitkrabben van gaten voor het bergen der
+eieren, of het bijeenbrengen van bladen voor hetzelfde doel, worden
+bij hen geenerlei bewijzen waargenomen van de kunstvaardigheid, die
+aan hoogere dieren eigen is. Gebruik makend van de gelegenheden tot
+huisvesting, die de door hen bewoonde streek aanbiedt, bijvoorbeeld
+van gaten, spleten of andere holen, kiezen zij deze tot woning of
+rustplaats; zij geraken aan een bepaalden schuilhoek gewoon en keeren
+hierin na hunne rooftochten telkens weder terug; deze hebbelijkheid
+is echter van veel lager allooi dan de gehechtheid van de Zoogdieren
+en Vogels aan hunne opzettelijk naar eigen inzichten en behoeften
+vervaardigde woningen. Evenmin kan men de voorzorgsmaatregelen,
+die de Kruipende Dieren met het oog op hun nakomelingschap nemen,
+op één lijn stellen met de werkzaamheden, die de Zoogdieren en Vogels
+in het belang van hun kroost verrichten. Hoewel ook het Kruipend Dier
+in oorden, waar het vervolgingen te verduren heeft, mettertijd schuw
+en angstvallig wordt, leert het zelden of nooit een onderscheid maken
+tusschen werkelijke en denkbeeldige gevaren. Zelfs hoog ontwikkelde
+Reptiliën letten ternauwernood op een mensch, die zich volkomen stil
+houdt; zij herkennen hem eerst dan als een vijand, zoodra hij zich
+beweegt of gedruisch veroorzaakt. De hooger ontwikkelde dieren wijzigen
+hun aard in verband met de omstandigheden; uitwendige prikkels brengen
+verandering in hun gedragslijn en gemoedstoestand, maken hen vroolijk,
+opgeruimd, opgewekt, geneigd tot schertsen en spelen, of stemmen hen
+treurig, verdrietig en knorrig. Niets van dit alles vindt men bij de
+Kruipende Dieren: zij spelen en stoeien niet, vinden geen behagen en
+vermaak in de werkingen van hun eigen geest, en kennen hoogstens het
+genot, dat hun door het verzwelgen van een overvloed van voedsel of
+door het liggen op een zonnig plekje ten deel valt.
+
+Van een geestelijk leven kan dus bij de Reptiliën ternauwernood
+sprake zijn, eerder nog van een zinnelijk leven; een zekere
+geschiktheid tot het opdoen en gebruik maken van ervaringen kan
+men hun echter niet ontzeggen. De Vergiftige Slang, wel bekend met
+de werking van haar doodelijk wapen, wacht rustig de gevolgen van
+haar beet af; de Niet-vergiftige Slang, de Schildpad, de Krokodil,
+de Hagedis nadert sluipend den buit, na dezen opgespoord of in een
+hinderlaag afgewacht te hebben, schiet dan plotseling voor den dag en
+tracht hem te grijpen. Ieder Kruipend Dier eindelijk kan in zoover
+getemd worden, dat het langzamerhand gewoon geraakt aan den mensch,
+van wien het voedsel ontvangt; waarschijnlijk ziet het echter geen
+onderscheid tusschen zijn verzorger en een anderen persoon; het kent
+dezen slechts in zijn kwaliteit van voedsel-leverancier. Kruipende
+Dieren, die het vermogen bezitten om hun verzorger kwaad te doen,
+blijven altijd gevaarlijk, zelfs wanneer zij getemd heeten te
+zijn; men kan in 't geheel geen gehechtheid van hen verwachten,
+maar moet eerder op valschheid en boosaardigheid dan op vriendschap
+rekenen. Vriendschap sluit het Reptiel zoomin met de andere leden
+zijner klasse als met eenig ander dier; hoogstens kan men het zoo
+ver brengen, dat het geen vrees meer gevoelt of ophoudt jegens een
+ander schepsel onverschillig te zijn. Niet eens echte gezelligheid
+merkt men bij deze laag georganiseerde wezens op: Schildpadden ziet
+men bij honderden te zamen zwemmen, Krokodillen met hun twintigen of
+dertigen naast elkander in de zon liggen; elk van deze dieren denkt
+echter slechts aan zichzelf, zoolang de aandrift tot paring niet in het
+spel komt; eigenbelang is de eenige drijfveer van zijne handelingen;
+het bekommert zich niet om zijne buren; het geheele gezelschap treedt
+niet op als beschermer van een der leden.
+
+Het dagelijksche, huiselijke en gemeenschappelijke leven der Reptiliën
+is buitengewoon eentonig. Onder de Schildpadden zijn die, welke op
+het land leven, over dag, de meeste Zoetwaterschildpadden echter bij
+voorkeur 's nachts werkzaam; de Krokodillen jagen hoofdzakelijk in de
+duisternis, ofschoon zij ook over dag een gunstige gelegenheid om een
+buit te verkrijgen, niet laten voorbijgaan. Alleen de Hagedissen en een
+groot aantal Niet-vergiftige Slangen kunnen als dagdieren aangemerkt
+worden, terwijl de Gekko's en bijna alle Vergiftige Slangen benevens
+een even groot aantal Niet-vergiftige Slangen na zonsondergang op roof
+uitgaan. Ook voor de Reptiliën geldt de regel, dat de waterbewoners
+niet zoo veel verschil maken tusschen dag en nacht als de dieren,
+die op het land verblijf houden, hoewel ook zij voor 't meerendeel
+'s nachts de meeste opgewektheid toonen.
+
+Met uitzondering van de Landschildpadden, eenige Zoetwaterschildpadden
+en een Zeeschildpad moet men alle Reptiliën Roofdieren noemen; enkele
+kunnen zelfs met de vreeselijkste leden van dit gilde wedijveren. Zij
+ontleenen hun prooi aan nagenoeg alle klassen van het dierenrijk. De
+Krokodillen vallen alle Zoogdieren aan, die kleiner of niet grooter
+zijn dan Honden of Zwijnen, en verschoonen den mensch evenmin als
+de kleine Roofdieren, die aan den waterkant komen; zij maken echter
+hoofdzakelijk jacht op waterdieren en vooral op Visschen. Ook de
+Schildpadden vervolgen Visschen en bovendien kleine Zoogdieren, Vogels,
+andere Kruipende Dieren, Amphibiën, Koppootige Weekdieren, Slakken,
+Insecten, Schaaldieren, Wormen en Kwallen. De Hagedissen voeden zich
+met Zoogdieren, Vogels, leden van haar eigen orde, Amphibiën, Visschen,
+Gelede dieren en allerlei larven en Wormen. De Slangen zoeken haar buit
+voornamelijk onder de Gewervelde Dieren, hoewel geheele familiën van
+deze orde uitsluitend van Wormen en Gelede Dieren leven. Bijna alle
+verslinden hun buit in zijn geheel; weinige, vooral Schildpadden en
+Krokodillen, verdeelen hem vooraf in grove stukken, gelijk ook de
+planteneters dezer klasse doen. Voor het doorslikken wordt daarom
+niet zelden een aanmerkelijke krachtsinspanning vereischt. De meeste
+Kruipende Dieren drinken. Naarmate de temperatuur hooger wordt, neemt
+ook hun eetlust toe; gedurende het warme jaargetijde verzamelen zij als
+'t ware voorraadstoffen voor het geheele overige jaar. In verhouding
+tot hun grootte vreten zij echter veel minder dan de Zoogdieren en de
+Vogels. Zij verzwelgen kolossale brokken te gelijk en blijven daarna,
+totdat de spijsvertering afgeloopen is, dagen lang in trage rust
+nagenoeg op dezelfde plaats liggen; desnoods kunnen zij maanden lang
+zonder voedsel leven. Als zij een overvloed van voedsel gebruiken,
+worden zij eenigszins gezet, enkele werkelijk vet; dit geschiedt
+echter in veel geringere mate dan bij de Zoogdieren en Vogels.
+
+Bij de Schildpadden en Krokodillen schilfert de opperhuid op de zelfde
+wijze af als bij de Zoogdieren en Vogels; de overige Kruipende Dieren
+vervellen, d. w. z. het verhoornde gedeelte van de opperhuid geraakt
+bij lappen (of min of meer als een geheel) los en wordt afgestroopt;
+bij eenige geschiedt dit zoo volledig, dat het volk terecht van
+"slangenhemden" spreekt. Na het vervellen jagen zij bijzonder ijverig
+en zijn zeer vraatzuchtig, daar zij het door hen geleden verlies
+moeten aanvullen.
+
+Met het begin van de lente ontwaakt ook bij de Kruipende Dieren de
+aandrift tot voortplanting. De bewoners van noordelijke landen komen
+in de eerste warme dagen van de lente uit hunne winterkwartieren te
+voorschijn; die, welke in de gematigde luchtstreek of in de tropische
+gewesten verblijf houden en zich gedurende den drogen tijd in den
+grond begraven, worden door de eerste regenbui naar buiten gelokt. De
+hartstocht vervoert ook hen soms tot hevigen strijd. Ter geschikter
+tijd zoekt het wijfje, tenzij het hare jongen levend ter wereld
+brengt, een geschikte bergplaats voor de eieren, welker aantal
+afwisselt van 2 tot 150. Deze hebben soms een perkamentachtige,
+soms een harde, kalkachtige schaal. De meeste Reptiliën leggen ze
+in reeds aanwezige of door hen zelf gegraven gaten in den grond of
+tusschen mos en bladen op vochtige, warme plaatsen, bekommeren zich
+er verder niet om, maar laten ze uitbroeden door de zon of door de
+warmte, welke bij de rotting der omgevende plantaardige stoffen vrij
+wordt. Enkele Slangen en Krokodillen vormen een uitzondering op dezen
+regel. De jongen ontwikkelen zich betrekkelijk snel, gewoonlijk reeds
+na weinige weken of maanden en volgen, zoodra zij het ei verlaten
+hebben, de levenswijze hunner ouders.
+
+Wanneer de winter nadert, in de dorre streken der keerkringsgewesten
+in het begin van het droge jaargetijde, begraven de Kruipende Dieren
+zich in den grond of verbergen zich in diepe holen en vervallen hier
+in een op den dood gelijkende verstijving, die met den winterslaap van
+sommige Zoogdieren overeenstemt. Alle Reptiliën, die de noordelijke
+en de zuidelijke grensstreken bewonen, beveiligen zich op deze wijze
+tegen den nadeeligen invloed van het ongunstige jaargetijde; in de
+warmste gedeelten van de gematigde gordels en in de keerkringsgewesten
+komt dit alleen voor bij die soorten, welke zich aan de wisseling der
+jaargetijden niet kunnen onttrekken. In het vochtige Brazilië blijven
+de Landschildpadden het geheele jaar door in beweging; die, welke in
+het gebied van den Orinoko leven, verbergen zich daarentegen, naar
+A. von Humboldt heeft opgemerkt, in den tijd van groote zonnehitte
+en droogte onder steenen of in gaten, die zij zelf gegraven hebben;
+uit deze schuilplaatsen komen zij eerst te voorschijn, wanneer
+zij bespeuren, dat de lucht in hun omgeving of de grond onder hen
+vochtig wordt. In waterrijke stroomen houden de Krokodillen geen
+winterslaap, wel echter in rivieren, die gedurende het ongunstige
+jaargetijde uitdrogen; hier wachten zij, onder het slijk verborgen,
+den terugkeer van het water af.
+
+Enkele Kruipende Dieren leven gedurende den winterslaap als 't ware in
+een droom en behouden op zekere hoogte het vermogen om zich te bewegen
+of herkrijgen het schielijk, zoodra de omstandigheden veranderen;
+andere daarentegen zijn geheel verstijfd en blijven zonder eenige
+beweging liggen. Ratelslangen, die in dezen toestand opgeraapt
+en in den weitasch gestoken worden, ontwaken binnen korten tijd
+door de warmte van het vuur, waarbij de jager zich neerzet, maar
+vervallen spoedig weer in hun verstijfden toestand, na gebracht te
+zijn in een ruimte, waar een lage temperatuur heerscht. Door een al
+te strenge en langdurige koude worden de Reptiliën gedood. Uit de
+gewichtsvermindering, die zij gedurende den winterslaap ondergaan
+en die bij een Schildpad nagenoeg een vierde gedeelte van haar
+oorspronkelijk gewicht bedroeg, valt af te leiden, dat er bij het
+schijndoode dier wel degelijk stofverbruik plaats vindt. Het is bij
+zijn ontwaken volstrekt niet krachteloos, maar in tegendeel levendiger
+dan gewoonlijk.
+
+Alle Reptiliën zonder eenige uitzondering groeien zeer langzaam;
+ook hieruit blijkt de traagheid van hunne levensverrichtingen. Zij
+kunnen een zeer hoogen ouderdom bereiken. In de gevangenschap
+hebben Schildpadden omstreeks honderd jaar en volgens sommige
+berichten nog langer geleefd. Krokodillen, die aan de een of de
+andere eigenaardigheid kenbaar waren, vertoonden zich volgens het
+getuigenis van Afrikaansche inboorlingen, zoolang het hun heugde,
+steeds op dezelfde plaats. Waarschijnlijk worden ook de groote
+soorten van Slangen zeer oud. Ziekten schijnen onder deze dieren
+zeer zeldzaam te zijn, maar zijn toch soms bij gevangen exemplaren
+opgemerkt; het is nog niet gebleken, dat zij aan ouderdomszwakte,
+en verval van krachten, bezwijken; de meeste sterven door toedoen
+van roofdieren of althans ten gevolge van uitwendige invloeden.
+
+De meest geschikte wijze om bekend te worden met de levenswijze van
+Kruipende Dieren, die men in de vrije natuur moeielijk kan nagaan,
+is, ze te plaatsen in terrariën, in kleine serres, waaruit zij niet
+kunnen ontsnappen. Een doelmatig ingericht, goed onderhouden terrarium
+kan voor den eigenaar en voor alle andere toeschouwers een rijke bron
+van leering en tijdverdrijf opleveren en bovendien een sieraad zijn
+van het vertrek en zelfs van het geheele huis, waarin het geplaatst
+is. De onderzoeker vindt hier een schoone gelegenheid tot aanvulling
+van de kennis, die hij verkreeg door een vluchtige beschouwing
+van opgestopte of in spiritus bewaarde Reptiliën. De verbleekte en
+daardoor van hun grootste aantrekkelijkheid beroofde exemplaren uit
+het naturaliën-kabinet ziet men hier in hun volle pracht, in levenden
+lijve voor zich, zoodat men in de gelegenheid is hunne handelingen
+te bespieden, hun aard en hunne gewoonten na te gaan.
+
+In vergelijking met het voordeel, dat de Gewervelde Dieren van andere
+klassen ons verschaffen, is het nut der Kruipende Dieren buitengewoon
+gering. Van de Alligators gebruikt men de huid voor het bekleeden en
+versieren van verschillende voorwerpen. Een belangrijk handelsartikel
+is het schildpad, dat uit de hoornplaten van het pantser van sommige
+dieren van dien naam bestaat en de grondstof is voor een industrie,
+die aan vele handen werk verschaft; bovendien gebruikt men het
+vleesch en de eieren van eenige dezer wezens. Indirect nuttig zijn
+de Reptiliën en meer bepaaldelijk vele Hagedissen door het verslinden
+van schadelijke Insecten en dergelijk gedierte. Dit geringe voordeel
+wordt echter verre overtroffen door de schade, die de Kruipende Dieren
+ons veroorzaken. Wij herinneren slechts terloops aan de rooverijen,
+waaraan zelfs kleine Schildpadden en ook verscheidene Slangen zich
+schuldig maken en waarvan de Visschen en hun gebroed de slachtoffers
+zijn; maar willen vooral de aandacht vestigen op het ontzaglijk aantal
+menschen en huisdieren, die ieder jaar gedood worden door Vergiftige
+Slangen en Krokodillen. Een aansporing tot het sparen van het leven
+dezer dieren zou een misdaad zijn, een zonde jegens ons zelf. Toch
+mogen en moeten wij ten gunste van de groote menigte onschuldigen,
+die zoo dikwijls voor de fouten van een klein aantal schuldigen hebben
+te boeten, een woordje in 't midden brengen. Het is onze bedoeling
+niet, en 't staat trouwens ook niet in onze macht, te verlangen,
+dat de in warme gewesten voorkomende Reptiliën met welwillendheid
+behandeld zullen worden. Wel willen wij de sierlijke Hagedissen,
+Hazelwormen en Moerasschildpadden, die ons door hare bewegingen,
+haar opgewektheid en zorgeloosheid bekoren,--die velden, bosschen en
+eenzame meren verlevendigen, in uw gunst aanbevelen. Raadzaam achten
+wij het, aan te dringen op het dooden van de Slangen, die men niet
+met zekerheid als onschadelijk herkent; wenschelijk is het echter om,
+bij wijze van boete voor dezen moord, het gedoode dier steeds mede
+te nemen en in spiritus te bewaren, om het bij gelegenheid aan een
+deskundige te laten zien en van hem inlichtingen over de vergiftigheid
+of onschadelijkheid van het bedoelde exemplaar te vragen.
+
+In overoude tijden bewezen de menschen goddelijke eer aan de Kruipende
+Dieren, die door hen gevreesd werden. De oude Egyptenaars hielden
+tamme Krokodillen in de nabijheid van hunne tempels en balsemden met
+zorg de lijken van deze dieren. De bewoners van Oost-Azië, vooral de
+Chineezen en Japaneezen, stelden hunne goden voor in de gedaante van
+Hagedissen en Slangen. De Grieken en Romeinen hechtten aan de Slangen
+een zinnebeeldige beteekenis en schreven haar in fabels en gedichten
+list en schranderheid, profetische gaven en andere eigenschappen
+toe. Ook in onze overleveringen spelen zij een zeer belangrijke
+rol. Tot in den tegenwoordigen tijd worden Krokodillen en Slangen
+door onbeschaafde volken vereerd en aangebeden.
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE ORDE.
+
+DE GESCHUBDE REPTILIËN (Squamata).
+
+
+
+Eerste Onderorde: HAGEDISSEN (Lacertilia).
+
+
+De bevallige Zandhagedis, die ieder waarschijnlijk wel door eigen
+aanschouwing zal kennen, kan als type van alle Hagedissen aangemerkt
+worden. In den regel kan men bij de leden dezer onderorde duidelijk
+kop, hals, romp en ledematen onderscheiden; de pooten kunnen echter
+rudimentair zijn of geheel ontbreken, in welk geval de bedoelde
+dieren op Slangen gelijken; deze overeenkomst is evenwel slechts
+oppervlakkig en verdwijnt bij nader onderzoek. Kenmerkend voor alle
+Hagedissen is haar kleed, dat uit hoornachtige schubben bestaat met
+of zonder beenplaten er onder; voorts hebben zij een beweeglijke tong
+en tanden, die nooit in tandkassen bevestigd, maar aan den bovenrand
+van de kaakbeenderen of aan de binnenzijde van een daar aanwezige,
+beenige lijst vastgegroeid zijn. De oorschelp, bij de Krokodillen
+vertegenwoordigd door een klep, die het trommelvlies kan bedekken,
+is hier geheel afwezig; het trommelvlies is op gelijke hoogte met de
+omringende huid of op den bodem van een zeer korte gehoorgang gelegen,
+bij uitzondering ook wel door de gewone huid overdekt; de oogleden
+zijn meestal beweeglijk, de neusgaten gescheiden.
+
+De tong komt in velerlei vormen voor, die voor de onderscheiding
+der familiën van belang zijn: zij is met schubjes of met dradige
+wratjes bedekt, dik gevleescht, bijna niet uitgesneden of afgerond,
+kort en aan den wortel verdikt, dunner uitloopend en van voren meer
+of minder ver gespleten, enz.
+
+De Hagedissen, die de soortenrijkste groep van de geheele klasse
+vormen, zijn over alle deelen der wereld verbreid met uitzondering van
+den kouden aardgordel; zij hebben de meest verschillende woonplaatsen;
+haar bij het zeestrand beginnend gebied strekt zich uit tot aan de
+grenzen van de eeuwigdurende sneeuw, omvat vruchtbare landauwen zoowel
+als wildernissen en woestijnen, waterrijke oorden zoowel als gewesten,
+die geheel van water verstoken zijn. In de koudste gedeelten van den
+gematigden aardgordel leven slechts weinige leden van deze onderorde;
+bij 't naderen van den evenaar neemt het aantal soorten en tevens de
+verscheidenheid van vormen en hun kleurenpracht op verrassende wijze
+en in klimmende mate toe. Weinige soorten zijn waterdieren, die op de
+wijze der Krokodillen, alleen dan aan land gaan, als zij kans zien
+een daar aanwezigen buit te grijpen of als zij slapen en zich in de
+zon koesteren willen. De meeste zijn landbewoners in de strengste
+beteekenis van 't woord en mijden zelfs vochtige terreinen. Niet
+weinige leven op boomen, verreweg de meeste echter op den vasten
+grond of op rotswanden. Uit de gedaante van haar lichaam kan men
+reeds van te voren afleiden, waar zij zich ophouden. De van boven
+naar onderen platgedrukte vormen bewonen meestal zandige vlakten en
+zoeken onder steenen, tegen muren of in holen een schuilplaats; die,
+welker romp zijdelings samengedrukt is, leven in het struikgewas of
+tusschen de twijgen; die met een rolrond lichaam eindelijk houden
+verblijf in gaten van den grond, of van boomen. De pootlooze, op
+Slangen gelijkende Hagedissen ontmoet men op den grond, de wormvormige
+onder de oppervlakte der aarde. Ook op dezen regel zijn echter vele
+uitzonderingen.
+
+De mensch is vriendschappelijk gezind jegens de Hagedissen en zij
+verdienen deze voorkeur. Zonder eenig voorbehoud mag men ze tot de
+meest begaafde leden harer klasse rekenen. In geen enkel opzicht staan
+zij, wat hare talenten betreft, bij hare verwanten uit andere groepen
+achter. Hare bewegingen zijn veelzijdig, behendig, doelmatig en meestal
+zeer vlug. De meeste laten bij 't gaan den romp bijna over den bodem
+slepen, loopen zeer snel, hoewel met slangsgewijze kronkelingen. Door
+den staart met kracht tegen den grond te drukken, kunnen zij zich ook
+boven de oppervlakte verheffen en tamelijk groote sprongen doen. De
+weinige soorten, die in het water leven, zwemmen en duiken uitmuntend,
+hoewel hare voeten niet met zwemvliezen voorzien zijn; ook andere, die
+het water angstvallig mijden, weten, wanneer zij toevallig in dit haar
+vijandige element geraken, zich hier vrij goed te redden; zij die op
+rotswanden en muren rondklauteren of zich in boomen bewegen, doen dit
+meestal met een waarlijk verrassende behendigheid. De Boomhagedissen
+gebruiken haar langen staart met goed gevolg tot het behouden van het
+evenwicht; zij kunnen bijna met dezelfde snelheid, als hare verwanten
+op den bodem ten toon spreiden, over de takken loopen of van de eene
+twijg op de andere springen. Andere worden door hare schijfvormig
+verbreede, van onderen met een oneffene huid bekleede teenen in
+staat gesteld om in alle mogelijke houdingen, met den kop naar boven
+of naar onderen, even veilig op de boven- als op de onderzijde der
+twijgen te loopen. Enkele eindelijk hebben aan de huid van de zijden
+van den romp, die door beweging van de ribben kan worden uitgespreid,
+het vermogen te danken om als 't ware vliegend te springen, d. w. z.,
+van hoog gelegen takken op lagere neer te schieten. De Hagedissen met
+rudimentaire of geheel ontbrekende ledematen bewegen zich meestal op
+dezelfde wijze als de Slangen, hoewel in dit geval de ribben bij deze
+een belangrijker rol spelen dan bij gene.
+
+Een echte stem komt slechts bij weinige Hagedissen voor. De meeste
+laten, als zij toornig zijn, hoogstens een blazend gesis hooren; enkele
+soorten echter, vooral die, welke een nachtelijke levenswijze hebben,
+brengen afgeronde, klinkende tonen voort, geluiden, die niets gemeen
+hebben met het gebrul van de Krokodillen, maar veeleer aan de stem
+van Kikvorschen of aan die van Sprinkhanen en Krekels herinneren;
+men kan bij haar spreken van "piepen" of "klokken", minder dikwijls
+van "ratelen" of "sjirpen".
+
+Bij alle zonder uitzondering neemt het gezichtsorgaan den eersten
+rang in onder de zintuigen. Dan volgt het gehoor, dat bij verreweg
+de meeste fijn mag heeten. Meer bepaaldelijk letten alle soorten, die
+een stem bezitten, op geluiden, die zoowel onmiddellijk door de lucht
+als door trillingen van den bodem tot hen komen. Minder ontwikkeld
+is de reukzin en nog minder de tastzin. Gelijk de Slangen gebruiken
+vele Hagedissen haar tong meer als tast- dan als smaakorgaan.
+
+Waarschijnlijk staan de Hagedissen, wat verstand betreft, bij geen
+enkel ander Kruipend Dier achter. Zij doen ervaringen op en toonen
+dit door hare handelingen. De inheemsche soorten beschouwen ieder
+wezen, dat haar in grootte overtreft, en vooral den mensch, als een
+gevaarlijken vijand. In de meer zuidwaarts gelegen landen gaan zij
+gemeenzamer met den mensch om, komen driest tot in zijn onmiddellijke
+nabijheid, noodigen zich als 't ware te gast in zijn woning en worden
+eindelijk echte huisdieren, hoewel zij ook op deze plaats voor andere
+vijanden in de hoogste mate bevreesd zijn. Alle dierenliefhebbers,
+die deze bevallige schepsels in de kooi houden, zijn van oordeel, dat
+hunne voedsterlingen hen leeren kennen; hoewel dit niet beteekent,
+dat zij haar verzorger van andere menschen onderscheiden, blijkt
+hieruit toch, dat zij tot een wijziging van haar oorspronkelijk gedrag
+genoopt worden door de ervaring, die zij opdoen. Zij behagen ons door
+haar voorkomen; grootendeels te recht beschouwt men ze als beelden
+van onschuldige vroolijkheid en opgewektheid; zij zijn levendig,
+bedrijvig, voorzichtig en in verhouding tot haar grootte buitengewoon
+moedig. Als roofdieren maken zij zich soms schuldig aan handelingen,
+die wij van ons eenzijdig standpunt veroordeelen: o. a. zien zij er
+volstrekt geen bezwaar in, hare eigene jongen op te eten, en verslinden
+de leden van groote soorten hunne kleinere verwanten. Ondanks dit
+alles kan men bij haar altijd nog eerder dan bij andere Reptiliën van
+gezelligheid spreken: wanneer men ze in grooten getale bijeen vindt,
+hetwelk dikwijls voorkomt, kan men opmerken, dat tusschen de leden
+van dit gezelschap gedurende geruimen tijd een zekere betrekking
+blijft bestaan.
+
+Eenige Hagedissen voeden zich met plantaardige stoffen, zonder evenwel
+afkeerig te zijn van een buit uit het dierenrijk; alle overige zijn
+roofdieren, die aan verschillende klassen van dieren haar voedsel
+ontleenen. De grootste soorten maken jacht op allerlei Gewervelde
+Dieren, overvallen kleine Zoogdieren en Vogels en worden, naar men
+zegt, soms zelfs voor betrekkelijk groote exemplaren gevaarlijk; zij
+plunderen nesten en vervolgen allerlei Reptiliën, minder dikwijls ook
+Amphibiën en Visschen; bovendien verslinden zij alle ongewervelde
+Dieren, die zij kunnen vangen. De kleine Hagedissen voeden zich
+hoofdzakelijk met de laatstgenoemde wezens: vele bij voorkeur met
+Gelede Dieren, andere met Wormen en Slakken.
+
+Het dagelijksch leven van de Hagedissen biedt meer afwisseling aan dan
+dat van de andere leden harer klasse; over 't geheel genomen is het
+echter eentonig. Het bedrijvigst zijn zij in de heete landen onder
+de keerkringen, vooral daar, waar alle jaargetijden in hoofdzaak op
+elkander gelijken en zij dus niet door ongunstige weersgesteldheid
+genoodzaakt worden om voor een tijd een schuilplaats op te zoeken. Hier
+beginnen zij reeds in de vroege morgenuren hun dagwerk, blijven
+tot omstreeks zonsondergang ijverig bezig en ruimen daarna tot
+aan den volgenden ochtend het veld voor hare bij nacht werkzame
+verwanten. De eerste en de laatste uren van den dag worden aan de
+jacht, de voor- en namiddaguren aan ontspanning, d. w. z. aan het
+gezellig samenzijn gewijd; gedurende den heetsten tijd verkeeren zij
+in een half-sluimerenden toestand, daar zij het felle branden van de
+zon evenzeer schuwen als de koude. In gematigde gewesten ziet men ze
+in de middaguren behagelijk uitgestrekt liggen op plaatsen, die voor
+de zonnestralen toegankelijk zijn; in de keerkringsgewesten geven zij
+op dezen tijd van den dag in den regel aan beschaduwde plaatsen de
+voorkeur. Iedere Hagedis vestigt zich in een bepaald gebied en kiest
+er een voor haar geschikten schuilhoek uit, of richt dezen naar hare
+behoeften in. Van deze plek, die men als de woning van de Hagedis kan
+aanmerken, verwijdert zij zich nooit ver en keert bij dreigend gevaar
+zoo schielijk mogelijk daarheen terug. Ook die, welke in het water of
+op boomen leven, vormen hierop geen uitzondering. Naar het schijnt,
+toont iedere Hagedis, bij het kiezen van haar woonplaats, een zeker
+overleg, door er voor te zorgen, dat de kleur van de omgeving met de
+hare overeenstemt. Hier loert zij op haar prooi, iedere soort op een
+eigenaardige wijze. Alle vatten het door haar gekozen slachtoffer
+scherp in 't oog, schieten er, zoo noodig met een grooten sprong,
+op toe, pakken het, kneuzen het tusschen de tanden en zwelgen het
+door, waarbij zoo mogelijk de kop voorgaat. Na een overvloedigen
+maaltijd worden ook de Hagedissen traag; nooit echter vervallen
+zij, als de Slangen, in een toestand van volkomen afmatting en
+onverschilligheid. Met zonsondergang keeren de Daghagedissen geregeld
+in hare schuilhoeken terug; bij ongunstige weersgesteldheid blijven
+zij hier dikwijls dagen, ja zelfs weken lang. Alle soorten, die niet in
+de landen, waar een eeuwige lente heerscht, op boomen of in het water
+leven, brengen het ongunstige jaargetijde door in een toestand, die in
+hoofdzaak gelijkt op den winterslaap der Zoogdieren. Alle inheemsche
+Hagedissen verbergen zich in den herfst in diepe gaten onder den grond,
+verslapen hier den winter en ontwaken weer in 't begin van de lente;
+dezelfde soorten echter, die bij ons 5 maanden slapend doorbrengen,
+bleven in Noord-Europa of in hooge bergstreken 6 à 8 maanden lang in
+dezen toestand van verstijving. Dat een dergelijk verschijnsel ook in
+de keerkringsgewesten voorkomt, valt af te leiden uit de tot dusver
+nog niet zeer talrijke, maar volkomen overeenstemmende waarnemingen
+van kundige reizigers.
+
+Kort na haar ontwaken in de lente vangt voor de Hagedissen de
+voortplantingstijd aan. Eenige weken later zijn de 2 à 30 eieren,
+die het wijfje ter wereld brengt, voor 't leggen gereed. De moeder
+heeft intusschen, niet zonder moeite en zorgvuldig overleg, een nest
+ingericht, door in den lossen grond of in het mos, in het vermolmde
+hout van oude boomstammen, in woningen van Mieren of Termieten,
+enz. een gat te graven; de hierin gelegde eieren worden met een lichte
+bedekking voorzien. De eieren zelve verschillen weinig van die van
+andere Reptiliën; zij hebben, evenals deze, een taaie, weinig kalk
+bevattende, lederachtige, buigzame schaal, een grooten, vetrijken
+dooier en een zeer vloeibaar eiwit. Weinige weken of maanden nadat de
+eieren gelegd zijn, komen de jongen er uit, zonder eenige hulp van
+den kant hunner ouders, welker levenswijze zij van den eersten dag
+af volgen. Op den zooeven genoemden regel vormen sommige Hagedissen
+een uitzondering, door levende jongen ter wereld te brengen; bij haar
+blijven de eieren in het lichaam van de moeder, totdat de ontwikkeling
+van de kiem afgeloopen en deze tot een geheel zelfstandig leven in
+staat is; het jong verbreekt de eischaal, terwijl het zich nog in den
+eileider bevindt en verlaat dezen kort daarna. In de noordelijke landen
+vervellen de jongen, die in den nazomer ter wereld komen nog eenmaal,
+voordat zij een geschikte plaats voor den winterslaap opzoeken.
+
+Meer dan alle overige Kruipende Dieren hebben de Hagedissen last
+van vijanden. Tal van roofdieren van allerlei aard maken jacht
+op haar. Door spierkracht en moed zijn de groote soorten tamelijk
+veilig tegen de aanvallen van andere dieren; de kleine echter vallen
+Civetkatten, Marters en Stinkdieren, Gieren, Arenden, Valken en
+Buizerden, Uilen, Raven, Hoenderen, moeras- en watervogels, Slangen
+en de sterkste leden van haar eigen soort ten buit, zoodat men
+zich er eigenlijk over verwonderen moet, dat zij ondanks zoovele
+vervolgingen kunnen blijven bestaan. Ook de mensch treedt hier en
+daar als tegenstander en vervolger van deze onschadelijke dieren
+op, dikwijls slechts uit baldadigheid, uit ruwe moordlust. Eenige
+worden ten onrechte voor giftig gehouden, andere voor Slangen
+aangezien. Er bestaat maar één giftige Hagedis, n.l. het Dzjila-dier
+van Noord-Amerika, en ook deze is voor menschen slechts in beperkte
+mate gevaarlijk. Een voordeel, dat iets te beteekenen heeft, brengen de
+Hagedissen ons niet; maar zij richten ook geen schade aan. Het vleesch
+van eenige groote soorten wordt gegeten en valt zelfs bij Europeanen
+in den smaak; andere bekoren ons door haar sierlijke behendigheid
+in de vrije natuur of door de bevalligheid van hare bewegingen in de
+kooi. Bovendien voeden de meeste zich met dieren, die ons onaangenaam
+zijn; slechts weinige worden lastig, doordat haar roofzucht de tamme
+Vogels en hunne eieren niet verschoont; anderen jagen schrikachtige
+menschen vrees aan door haar overeenkomst met Slangen en door het
+verdachte ritselen van de bladen bij haar beweging. Redenen om haar
+te vervolgen bestaan er dus niet.
+
+
+
+Weinige Kruipende Dieren hebben aanleiding gegeven tot zoovele
+fabelachtige verhalen als de Hechtvingers of Gekko's, nachtelijk
+levende, hagedisachtige dieren van eigenaardige gedaante, die
+in de warme gewesten van alle werelddeelen gevonden worden. Door
+de ouden werden zij "Stellio" genoemd, omdat hun rug met kleine,
+stervormige vlekken geteekend is. Aristoteles bericht, dat de Stellio
+zich in vensters, kamers en grafgewelven ophoudt, langs de muren
+klautert, dikwijls naar beneden op de tafel en in het eten valt, in de
+voerkribben slaapt, in de neusholten van de Ezels kruipt, hen hindert,
+terwijl zij eten en hen door zijn beet vergiftigt, gedurende de vier
+koude maanden van het jaar in een schuilhoek verborgen ligt en geen
+voedsel gebruikt, in het voor- en najaar echter vervelt en daarna zijn
+eigen vel opeet. Tot in den laatsten tijd werden dergelijke sprookjes
+verhaald. Zoowel uit Indië als uit Egypte, Peru en Zuid-Europa wordt
+bericht, dat uit de platte teenen der Gekko's een vergiftige stof
+vloeit. Overal wekken de Gekko's wantrouwen en afschuw, hoewel zij
+deze in 't geheel niet verdienen. Wegens hun onbevallig voorkomen en
+hun nachtelijke levenswijze gaat van hen dit kwaad gerucht; zij zijn
+echter volkomen onschadelijk.
+
+De Hechtvingers (Geckonidae) zijn voor 't meerendeel kleine,
+plomp gebouwde Hagedissen van sombere kleur. Hun kop, die van
+voren eindigt in een langwerpige, onder het voorhoofd een weinig
+ingedrukten, verderop ronden, afgeplatten snoekensnuit met ver zich
+uitstrekkende mondspleet, trekt onmiddellijk de aandacht door de
+groote, een nachtelijke levenswijze verradende oogen, welker pupil
+zich bij blootstelling aan 't licht tot een lijnvormige, vertikale
+spleet vernauwt en waaraan de oogleden schijnen te ontbreken. Echte
+oogleden komen slechts bij enkele geslachten van deze familie voor;
+bij de overige breidt, evenals bij de Slangen, de huid zich over de
+oogen uit. Voor zoover zij het oog bedekt, is de huid doorzichtig en
+door een ringvormige plooi begrensd, die aan onontwikkelde oogleden
+doet denken. Het trommelvlies is aan het einde van een korten,
+uitwendigen gehoorgang gelegen. De tanden zijn met de binnenzijde van
+de kaakbeenderen vergroeid. De tong is met haar achterste gedeelte
+aan den bodem der mondholte vastgehecht, kort, vleezig, afgerond,
+van voren met een ondiepe insnijding voorzien. De hals is zeer kort
+en dik, de romp gedrongen, afgerond, maar van boven naar onderen als
+'t ware platgedrukt, soms aan de zijden franjeachtig ingekorven, de
+zeer brooze staart middelmatig lang, dik, aan den wortel afgerond of
+eveneens platgedrukt, soms aan weerszijden met een huidzoom voorzien;
+de pooten onderscheiden zich door hun kortheid, de teenen door hun
+zeer vreemdsoortig maaksel, dat als het hoofdkenmerk van de familie
+moet worden beschouwd. Bij de meeste soorten zijn zij betrekkelijk
+kort en verschillen onderling weinig in lengte; zeer dikwijls zijn zij
+door een vlies vereenigd, dat zich meer of minder ver uitstrekt. Aan
+de onderzijde is iedere teen voorzien met een hechtkussen, een
+zijwaartsche uitbreiding van de huid, met dwars gerichte, vliezige
+plaatjes van verschillende grootte, vorm en stand bezet, waardoor
+het dier in staat gesteld wordt, langs zeer gladde wanden te loopen,
+onverschillig welke richting zij hebben. De huid, die het overige
+lichaam bekleedt, vertoont aan haar oppervlakte zeer klein, naast
+elkander geplaatste korreltjes of schubjes, waartusschen dikwijls
+grootere schubben gelegen zijn.
+
+De familie der Hechtvingers bestaat uit ongeveer 50 geslachten. Voor
+ons doel zal een korte beschrijving van drie soorten, die ieder een
+geslacht vertegenwoordigen, voldoende zijn.
+
+
+
+Halfvingers (Hemidactylus) heeten die soorten, welker hechtkussen
+met twee rijen van dwarsplaatjes voorzien is en zich slechts over
+de wortelhelft der teenen uitstrekt, zoodat het voorlaatste en het
+laatste teenlid er buiten uitsteken.
+
+In Zuid-Europa wordt dit geslacht vertegenwoordigd door den
+Schijfvinger (Hemidactylus turcicus), een Gekko van slechts 9 of
+10 cM. lengte. Boven de overigens fijnkorrelige huid van den rug
+verheffen zich onduidelijk driehoekige, op 14 à 16 overlangsche reeksen
+geplaatste wratjes, die deels wit, deels zwartachtig zijn. Ook door
+de grijsachtig bruin gevlekte, vleeschroode kleur der bovendeelen
+onderscheidt hij zich van zijne overige Europeesche verwanten;
+de onderdeelen zijn wit. Men merkt bij dit dier eigenaardige
+kleurveranderingen op: in het donker is het bijna melkwit en
+doorschijnend; aan 't licht blootgesteld gaat de kleur van den rug
+door lichtbruin in donkerbruin over. Het bewoont dezelfde landen
+als de Muurgekko; zuidoostwaarts strekt zijn verbreidingsgebied zich
+evenwel uit tot aan de oevers van de Roode Zee.
+
+De Huidplooigekko's (Ptychozoon) zijn gekenmerkt door een breede
+huidplooi aan weerszijden van het lichaam, die zich ook langs de
+staart als een gelobden zoom uitstrekt en doordat de teenen over hun
+geheele lengte door een vlies vereenigd zijn.
+
+De eenige bekende soort, de Huidplooigekko (Ptychozoon homalocephalon),
+een van de vreemdsoortigste leden der geheele familie, is ongeveer 18
+of 20 cM. lang. De bovenzijde is op geelgroenachtig olijfkleurigen,
+aan de zijden in roodbruin overgaanden grond met bruine of zwarte
+dwarsbanden geteekend, die figuren vormen of zigzagswijs loopen.
+
+Behalve op Java komt deze soort ook voor op Sumatra, Borneo en het
+Maleische schiereiland, alsmede op de Ljoe-kjoe-eilanden.
+
+
+
+Bij het geslacht der Breedvingers (Tarentola) strekt het hechtkussen
+zich over de geheele ondervlakte der teenen uit en is met doorloopende,
+niet in tweeën verdeelde dwarsplaatjes voorzien.
+
+Hiertoe behoort de Muurgekko, in Italië Tarantola, in Spanje Carapata,
+door de oude Grieken Ascalobotes, door de oude Romeinen Stellio genoemd
+(Tarentola mauritanica), een diertje van slechts 12 à 16 cM. lengte,
+waarvan de helft op den staart komt. De onderzijde is vuil geelachtig
+wit; de kleur van de bovendeelen wisselt af van lichtgeelachtig grijs
+door grijs, bruin en zwartbruin tot dofzwart. De kop is zeer oneffen,
+de rug met wratten bezaaid, de buikzijde daarentegen met schubben
+bekleed en glad. Het verbreidingsgebied van deze soort omvat de
+landen, die de Middellandsche Zee omgeven; bijzonder veelvuldig is
+zij in Spanje, op de eilanden van Italië en in Noord-Afrika.
+
+
+
+Alle Gekko's hebben ongeveer dezelfde verblijfplaats en dezelfde
+levenswijze. Zij bewonen rotswanden en boomen, gruishoopen en muren,
+zeer gaarne ook menschelijke woningen van den kelder tot aan het
+dak. De soorten, die een groene kleur hebben, houden zich uitsluitend
+in boomen op; andere worden zoowel hier als op muren en in huizen
+gevonden. Zij komen op deze plaatsen in den regel in grooten getale
+voor en verraden haar aanwezigheid door geluiden, hetgeen merkwaardig
+is, daar zij nagenoeg de eenige Hagedissen zijn, die een stem bezitten.
+
+Verreweg de meeste Gekko's zijn nachtdieren en vallen over dag
+weinig in 't oog. Reeds bij zonsopgang zoeken zij een schuilhoek op,
+die hen zooveel mogelijk aan de waarneming onttrekt, kruipen weg
+onder steenen of losgeschilferde boomschors, in spleten en reten;
+slechts dan blijven zij kleven aan een muur of aan een boomstam,
+wanneer deze in kleur met hen overeenkomt, of wanneer de ervaring hun
+de goede gezindheid heeft leeren kennen van de bewoners der huizen,
+waarin zij zich ophouden. Toch worden ook zij, evenals alle Kruipende
+Dieren, aangelokt door de verwarmende stralen der middagzon; op muren,
+die er slechts tijdelijk aan blootgesteld zijn, bewegen zij zich met
+de voortschrijdende schaduw verder. In gewesten, waar hun geen leed
+wordt gedaan, ziet men ze bij honderden op een muur, bij dozijnen op
+denzelfden boom. Hoewel niet bijzonder vredelievend gezind jegens
+soortgenooten, houden zij van gezelligheid, leeren langzamerhand
+de meest geschikte woonplaatsen in hun gebied kennen en verzamelen
+zich hier in groote menigte. Met het invallen van den nacht worden
+zij wakker; dan begint hun jacht op allerlei kleine dieren; vooral
+Vliegen, Muggen, Spinnen, Kevers, kleine rupsen, enz. weten zij met
+verrassende snelheid te vangen. Het begin van hun werkzaamheid kondigen
+zij gewoonlijk aan door een luid, in ieder geval goed hoorbaar,
+kort geschreeuw, dat door de woorden "zjekko" of "tokkie" ongeveer
+nagebootst kan worden. Hoewel alle overige Gekko's keelgeluiden
+maken, heeft de in Middel-Azië levende Wonder-gekko (Teratoscinus)
+de zonderlinge gewoonte te sjirpen met den staart, welks bekleeding
+uit platen bestaat, die elkander dakpansgewijs bedekken, ongeveer op
+dezelfde wijze als een Boktor door het wrijven van den kop langs het
+borstschild geluid maakt. A. Strauch meent, dat dit dier hierdoor de
+Sprinkhanen kan lokken, waarmede het zich voedt.
+
+De meeste Gekko's blijven gedurende den geheelen nacht aan 't werk;
+hun bedrijf is wel geschikt om de aandacht te trekken. Een merkwaardig
+schouwspel levert dit dier, wanneer het met bewonderenswaardige
+behendigheid, zonder ooit een misstap te doen, omhoog klautert bij
+loodrechte, gladde wanden, die het plotseling verlaat om langs den
+zolder te loopen met even groote zekerheid, als bevond het zich op den
+vloer. Minuten lang blijft het soms op dezelfde plaats en schiet dan
+weer haastig vooruit, waarbij het den dikken staart onbeholpen heen en
+weer slingert en met slangachtige kronkelingen van het lichaam zich
+voortbeweegt. Intusschen merkt het alles op, wat er in de nabijheid
+voorvalt en kijkt met de nu groote en schitterende oogen om zich heen,
+of het niet ergens een buit bespeurt. Te verwonderen is het niet, dat
+het onooglijke dier, waarvan de reiziger overal kwaad hoort spreken,
+bij hem aanvankelijk een onaangenamen indruk wekt en zelfs een gevoel
+van walging doet ontstaan: dit gevoel behouden echter alleen zij, die
+zich de moeite niet geven om de werkzaamheid van het dier na te gaan.
+
+Weken en maanden heb ik huizen bewoond, waarin de Gekko's zich
+in grooten getale ophielden; de eerste exemplaren, die ik zag,
+heb ik met verwondering waargenomen; weldra echter hield ik veel
+van deze eigenaardige en onschadelijke dieren; menigmaal hebben
+zij mij op aangename wijze den tijd gekort. Huisdieren zijn zij
+in de rechte beteekenis van het woord, trouwer nog dan de Muizen
+en stellig nuttiger. Over dag zijn hunne bewegingen echter niet
+vrij van onhandigheid, vooral wanneer men hen bedreigt en zij zoo
+schielijk mogelijk naar hunne schuilhoeken vluchten; bovendien maakt
+het op den toeschouwer geen aangenamen indruk, als hij ziet, hoe de
+Gekko's zich in hun angst plotseling, op gelijke wijze als sommige
+Kevers, op den grond laten vallen en daarbij gewoonlijk den staart
+verliezen. Zoodra echter hun werktijd aanvangt, d. w. z. wanneer
+de duisternis ingevallen is, zullen zij, naar ik vertrouw, iederen
+onderzoeker zoo niet bekoren, dan toch boeien. Het was ons steeds
+een groot genoegen 's nachts te Kaïro, Dongola, Khartoem of elders
+in het Nijlland, in het donkere van leem gebouwde huis, zoowel als
+in de stroohut, het eerste geschreeuw van de Gekko's te hooren en
+daarna hun werkelijk spookachtige bewegingen te bespieden, te letten
+op hunne met den grootsten ijver ondernomen jachttochten, kortom van
+al hunne handelingen getuige te zijn.
+
+Tallooze malen heb ik Gekko's gevangen, ze in de hand gehad
+om hen en hunne hechtschijven te bekijken, nooit echter heb ik
+eenig nadeel ondervonden van het aanraken en hanteeren dezer ten
+onrechte vergiftig genoemde dieren; het was trouwens niet mogelijk
+eenige stof, die vergiftig zou kunnen wezen, waar te nemen;
+daar het "kleverige vocht", waaraan sommige het hechtvermogen
+der vingers toeschrijven, in 't geheel niet bestaat. Reeds Home,
+die de hechtorganen grondig onderzocht, is tot de slotsom gekomen,
+dat de Gekko daaronder een luchtledige ruimte doet ontstaan en zich
+op deze wijze vasthecht. Dit is dan ook werkelijk het geval. Hoewel
+de aanraking van de hechtschijven de gewaarwording van kleverigheid
+veroorzaakt, werd van de aanwezigheid van een lijmachtigen stof, die
+dan een vergiftige werking zou kunnen uitoefenen, stellig nog nooit
+door een onderzoeker, die zijne persoonlijke ervaringen mededeelt,
+melding gemaakt. Als zulk een lijm voorhanden was, zou de Gekko zijne
+voeten weldra niet meer voor het aanhechten kunnen gebruiken, daar
+zij eerder met stof en vuil bedekt zouden worden, dan aan den muur
+kleven. Het is eenvoudig de drukking der lucht, die het dier doet
+kleven aan de voorwerpen, waarbij het opklautert; het kan zelfs bij
+het gladste spiegelglas, bij marmeren platen enz. omhoog klimmen.
+
+Om andere Reptiliën of Gewervelde Dieren in 't algemeen bekommert
+de Gekko zich slechts in zoover, dat hij in ieder sterker wezen een
+vijand vermoedt. In Zuid-Europa is het niet gemakkelijk Gekko's waar
+te nemen, waarschijnlijk omdat zij hier bijna overal op noodelooze
+wijze vervolgd en schuw gemaakt worden; in Afrika daarentegen gedragen
+zij zich dikwijls vriendschappelijk jegens den mensch, d. w. z.,
+toonen een gemeenzaamheid en een goed vertrouwen, dat zeer innemend
+is. Zoo goed echter, als de herinnering aan doorgestane vervolgingen
+hun bijblijft, zoo goed geraken zij aan andere dieren en zelfs aan
+den mensch gewoon: men kan ze eenigermate temmen. "In de kamer,
+waarin de vrouwen van mijn gezin den avond doorbrachten," verhaalt
+Tennent, "had eens een van deze tamme en gezellige diertjes de ruimte
+achter een schilderijlijst tot rustplaats gekozen. Zoodra de kaarsen
+aangestoken waren, verscheen de Gekko aan den muur om het voedsel,
+dat men hem gaf, in ontvangst te nemen. Wanneer men hem vergat, liet
+hij nooit na door een schel, luid klinkend "tsjiek tsjiek tsjiek" de
+aandacht van de aanwezigen op zich te vestigen. In een officierswoning
+van de vesting Colombo had men een anderen Gekko gewend dagelijks
+aan het souper deel te nemen. Hij verscheen precies op zijn tijd,
+zoodra de schotels op tafel werden gezet. De familie verliet haar
+woning voor eenige maanden en gedurende haar afwezigheid werd het
+geheele huis in orde gebracht. De muren werden opnieuw aangestreken,
+de plafonds gewit, het dak vernieuwd, enz. Iedereen dacht natuurlijk,
+dat de kleine bewoner door deze ingrijpende verandering verdreven zou
+zijn; dit bleek echter niet het geval te zijn. Bij de terugkomst van
+zijne oude vrienden verscheen hij met zijn gewone stiptheid, zoodra
+de tafel gedekt was, en bedelde als naar gewoonte om voedsel."
+
+Men zou op grond van feiten als de zooeven genoemde kunnen verwachten,
+dat de Gekko overal een gewilde gast zal zijn; het tegendeel is echter
+waar; het volkomen noodelooze vervolgen en dooden van dit onschadelijke
+dier levert, gelijk Prins Lucien Bonaparte zeer te recht opmerkt,
+"een duidelijk voorbeeld van de ondankbaarheid der wereld. De Gekko
+heeft geen ander doel dan de woning, die hij tegelijk met ons bewoont,
+van Spinnen, Muggen en andere lastige Gelede Dieren te bevrijden; voor
+deze weldaad krijgt hij geen ander loon dan lasterlijke beschuldiging
+en vervolging!"
+
+Het is ongelukkig zeer moeielijk om Gekko's in een kooi te houden
+en ze vooral hier te lande door den winter te brengen. Zij zijn
+buitengewoon teer; dit blijkt reeds, als men ze vangen wil; bij een
+eenigszins ruwe aanraking breekt de staart dadelijk af, alsof hij
+uit glas bestond. Dit is echter geen groot verlies; want reeds na
+weinige dagen komt aan het overgebleven stompje een uitspruitsel,
+dat zich tot een nieuwen staart ontwikkelt en reeds na verloop van
+een maand het gewone uitzicht heeft verkregen, met dit verschil, dat
+de huid glad blijft, geen doornachtige knobbels vertoont en dat het
+nieuwe gedeelte op de plaats, waar het aan het oude vastzit, verdikt
+is. In een beperkte ruimte blijft de Gekko steeds vreesachtig en
+schuw; voordat hij getemd is, breekt de voor hem meestal noodlottige
+winter aan. Daarom ziet men bij liefhebbers van dieren zoo zelden
+levende Gekko's.
+
+
+
+In het zuiden en oosten van de Oude Wereld leeft de talrijke familie
+van de Agamen (Agamidae), die uit Hagedissen van zeer verschillenden
+vorm bestaat: de romp is bij sommige gedrongen, bij andere langwerpig,
+nu eens van boven naar onderen, dan weer van weerszijden samengedrukt,
+over 't algemeen echter krachtig gebouwd; de kop is kort en breed,
+de staart bij eenige soorten kort, bij andere lang en spits, in
+geen geval echter zoo broos als bij de leden der vorige familie;
+de ledematen zijn goed ontwikkeld. De tanden zijn aan den bovenrand
+der kaakbeenderen vastgegroeid; in den regel steekt een van hen bij
+wijze van een hondstand voorbij de overige uit. De vleezige tong,
+die hoogstens aan den top een ondiepe insnijding vertoont, is over
+haar geheele lengte met den bodem der mondholte vergroeid en kan dus
+niet uitgestoken worden.
+
+
+
+"Naar mij gezegd werd," verhaalt Herodotus, "is bij de stad
+Butus in Arabië een oord gelegen, waar men vliegende Slangen
+aantreft. Ik bezocht dit oord en zag er een ongeloofelijk groote
+hoeveelheid beenderen en graten tot tallooze groote en kleine hoopen
+opeengestapeld. Het ligt in een door bergen ingesloten dal, dat met
+de uitgestrekte Egyptische vlakte in gemeenschap staat. Ik vernam,
+dat de gevleugelde Slangen in de lente van Arabië naar Egypte vliegen,
+maar, bij den uitgang van het dal Ibissen ontmoetend, door deze om 't
+leven worden gebracht, om welke reden de Ibissen bij de Egyptenaren
+in hoog aanzien staan. De gedaante dezer Slangen is als die der
+Waterslangen; hare vleugels hebben geen veeren, maar komen in maaksel
+met Vleermuis-vleugels overeen."
+
+Welke dieren de "vader der geschiedenis" hier op het oog heeft, kan nu
+niet meer uitgemaakt worden. Misschien zou men uit hetgeen hem verteld
+werd, kunnen afleiden, dat zijn zegsman had hooren spreken over de
+kleine Oost-Indische Boom-agamen, die onder den naam van Draken (Draco)
+bekend zijn, daar deze, zij het dan ook geen vleugels, een valscherm
+bezitten. Deze onschadelijke diertjes hebben met hunne peten, de Draken
+en Lintwormen van de fabelleer, die men in de gedaante van gevleugelde
+Reuzenslangen of Krokodillen voorstelde, niets dan den naam gemeen.
+
+De meest in 't oog loopende eigenaardigheid van de Draken is
+ongetwijfeld hun valscherm, dat door de ribben wordt gesteund. Op
+eenige ware ribben (die zich van de wervelkolom tot aan het borstbeen
+uitstrekken) volgens 5 of 6 paar valsche ribben, die niet naar de
+borst gekromd, maar zijwaarts verlengd en recht zijn. Als baleinen
+van een parapluie spannen zij de huid van de zijden van den romp
+tot een halfkringvormige schijf uit, die aan weerszijden tusschen
+de pooten uitsteekt, doch deze geheel vrij laat en niet door hen
+gesteund wordt, zooals het voor 't zelfde doel dienende orgaan der
+Vliegende Eekhoorns. In den toestand van rust wordt het valscherm
+door het achterwaarts richten der ribben opgevouwen.
+
+
+
+De meest bekende soort van dit geslacht is de Vliegende Draak (Draco
+volans). Dit bekoorlijke dier bereikt een totale lengte van niet
+meer dan 20 cM. Door een beschrijving kan men van zijn schoonheid
+slechts een zeer onvoldoende voorstelling geven. De kop van het
+levende dier is metaalachtig bruin of groen van kleur en prijkt met
+een zwarte vlek tusschen de oogen; de rug en de binnenste helft van
+het valscherm zijn deels donkerbruin met metaalachtigen weerschijn,
+deels rozerood, welke beide kleuren bij enkele exemplaren onderling
+afwisselen en dwarsbanden vormen, die met talrijke zwarte vlekken
+en korte lijnen van onregelmatigen vorm geteekend zijn. De keelzak
+heeft bij het mannetje een levendig oranjegele, bij 't wijfje een
+blauwachtige kleur; de borst heeft zwarte stippels op gelen grond.
+
+Alle Draken zijn Boomhagedissen in de volste beteekenis van 't woord;
+zonder er toe gedwongen te zijn, komen zij waarschijnlijk nooit op
+den grond; meestal leven zij in de boomkronen. Hunne prachtige kleuren
+vallen daarom volstrekt niet in het oog. Men merkt deze dieren, terwijl
+zij in de schaduw der bladen liggen of tegen den stam aangeplakt zijn,
+eerst op, als men zeer dicht bij hen komt en ziet ook dan niets anders
+dan een mengelmoes van bruin en grijs, dat zeer veel op boomschors
+gelijkt. In deze omstandigheden wordt zelfs bij nauwkeurige beschouwing
+geen ander bewijs van leven opgemerkt dan het rusteloos rondwaren der
+oogen, die voorbijvliegende Insecten beloeren. Als een dergelijke prooi
+dicht bij den Draak komt, breidt hij plotseling zijn valscherm uit,
+maakt, hierdoor gedragen, een grooten luchtsprong, grijpt met bijna
+onfeilbare gewisheid den buit en zet zich weder op een andere twijg
+neer. De op deze wijze afgelegde weg is steeds schuins van boven naar
+beneden gericht en bedraagt soms 6 à 10 Meter. Daar de Draken met hun
+"vlieghuid" slechts weinig kunnen stijgen, moeten zij hooger gelegen
+punten klimmend langs de takken bereiken; zij doen dit niet, zooals
+de andere Boomhagedissen, rennend, met snel opeenvolgende passen,
+maar door een aantal meer of minder groote sprongen.
+
+
+
+Echte boomdieren zijn ook de Galeoten (Calotes), van welk geslacht
+19 soorten het vaste land van Zuid-Azië en zijne groote en kleine
+eilanden bewonen. Over 't algemeen zijn zij slank gebouwd; de romp
+is zijdelings samengedrukt, de kop heeft den vorm van een korte,
+vierzijdige piramide, de staart is lang en rond, de pooten zijn slank
+en de voeten hebben zeer lange teenen. De schubben van den rug zijn
+regelmatig op schuine rijen geplaatst en vormen in 't midden een kam.
+
+Als de meest bekende soort noemen wij den Bloedzuiger der Singalezen
+(Calotes versicolor). Zijn lengte bedraagt 41 cM., waarvan bijna drie
+vierde op den staart komt. Het dier onderscheidt zich door zijschubben,
+die achter- en bovenwaarts gericht zijn, door twee groepen van stekels
+boven iederen gehoorgang en door een matig hoogen kam op den hals en
+het voorste deel van den rug, veel meer echter nog door de plotselinge
+kleursveranderingen, die een groot deel van zijn huid ondergaat. Soms
+heeft het geheele dier een glinsterend roode kleur met zwarte vlekken;
+in enkele gevallen blijft de kleursverandering tot den kop beperkt,
+in andere strekt zij zich ook over den romp en den staart uit.
+
+De Bloedzuiger is een van de algemeenste Zuid-Aziatische Hagedissen,
+want zijn verbreidingsgebied strekt zich van Afghanistan over geheel
+Voor- en Achter-Indië tot Zuid-China uit. Op heete, zonnige dagen ziet
+men hem met geopenden bek, gewoonlijk eenzaam, op een twijg, soms ook
+wel op een muur, in de zon zitten. Na een regenbui echter wijdt hij
+zich met den grootsten ijver aan de jacht op allerlei Gelede Dieren;
+bij zulk een weersgesteldheid komt hij ook dikwijls op den grond,
+waar hij zich anders gewoonlijk niet vertoont. Het wijfje legt 5 à
+16 eieren van gewonen vorm, doch met zachte schaal, in holle boomen
+of in gaten, die zij zelf in den zachten grond graaft; na acht of
+negen weken komen de jongen uit.
+
+
+
+Op den grond leven de Slingerstaarten (Stellio), die zich van de
+overige Agamen onderscheiden door hun gordelvormig met stekelige
+schubben bekleeden staart. De nagenoeg driehoekige kop is plat, in de
+teugelstreek uitgehold, in de wangstreek flauw gezwollen; de romp is
+nu eens meer dan weer minder forsch ontwikkeld, van boven naar onderen
+afgeplat, de tamelijk korte hals met onregelmatige plooien voorzien en
+dunner dan de achterkop, de middelmatige lange staart aan den wortel
+afgeplat, overigens echter rond; de pooten zijn betrekkelijk lang en
+forsch gebouwd.
+
+Van de 5 tot dusver bekende soorten van dit geslacht is de Doornhagedis
+of Hardoen (Steltio vulgaris), voor ons de belangrijkste, omdat zij
+ook nog in Europa aangetroffen wordt, n.l. in Europeesch Turkije
+en op eenige eilanden van de Egeïsche Zee. Bovendien is zij over
+het grootste deel van Klein-Azië, Syrië, Noord-Arabië en Egypte
+verbreid. In volwassen toestand bedraagt haar lengte 28 cM., waarvan
+17 cM. op den staart komen. Haar kleur en teekening zijn, evenals
+bij vele andere Hagedissen, tamelijk uiteenloopend. De bruingele
+kleur van de bovenzijde kan verdonkeren tot zwartachtig grijs of
+verbleeken tot isabel; de teekening bestaat uit groote, lichtgele
+plekken op het midden van den rug en zwarte stippels. De onderzijde
+is op geelachtigen grond donker gevlekt en geteekend, de onderzijde
+van den staart evenwel effenkleurig: vuiloranje of okergeel.
+
+Veel talrijker dan in Europa ontmoet men deze Hagedis in
+Noordoost-Afrika. De "Hardoen", gelijk de Arabieren haar noemen,
+is een algemeen bekend dier. Hem ziet men bijna overal, dikwijls
+bij dozijnen te gelijk of in nog grooter aantal op steenen, rotsen,
+muren en in huizen, bij welker wanden hij even behendig op en neer
+klautert als bij hellende steenmassa's. Hoewel hij een eenigszins
+plomp voorkomen heeft, staat hij, wat vlugheid van beweging betreft,
+nagenoeg niet achter bij onze Hagedissen.
+
+Het voedsel van den Hardoen bestaat hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend
+uit groote Insecten, vooral Vliegen, Vlinders en verschillende soorten
+van Vliesvleugeligen. Zoo verdienstelijk hij zich maakt door het vangen
+van gene, zoo schadelijk blijkt hij te zijn door het verslinden van
+Bijen, gelijk o.a. op de Grieksche eilanden herhaaldelijk gebleken is.
+
+In Egypte wordt de Hardoen, evenals alle groote soorten van Hagedissen,
+door de Slangenbezweerders gevangen en aan het publiek vertoond.
+
+
+
+De Doornstaarten (Uromastix) zijn groote, plompe Agamen, die woeste
+landstreken van Noord-Afrika en Zuid-Azië bewonen. De driezijdige,
+platte kop, welks korte snuit stomp afgerond is, herinnert aan
+dien van een Schildpad; talrijke, gekronkelde huidplooien omgeven
+den hals; de korte, plompe, breede en lage romp is met kleine,
+gelijkvormige, afgerond vierzijdige schubjes bedekt; de schubben
+van den eveneens afgeplatten staart zijn vooral aan de bovenzijde
+gordelsgewijs gerangschikt en eindigen van achteren in een doorn. De
+korte, krachtige pooten hebben tamelijk lange teenen, die met sterk
+gekromde klauwen gewapend zijn.
+
+De Doornstaart of Dabb der Arabieren (Uromastix spinipes) kan
+een lengte van 46 cM. bereiken, waarvan ongeveer 19 cM. op den
+staart komen; zijn kleur is tamelijk effen, van boven grijsbruin
+of olijfkleurig met onregelmatige, bruine vlekken, van onderen
+geelachtig, gedurende den paartijd van boven glanzig grasgroen,
+van onderen groenachtig geel.
+
+De Doornstaart is minder plomp van beweging dan van uitzicht;
+naar het schijnt, toont hij dit vooral gedurende de schemering. Hij
+bewoont woeste, steenachtige gewesten, zonder evenwel de nabijheid
+van de door menschen bewoonde plaatsen te vermijden. In de echte
+zandwoestijn komt hij niet voor; geregeld ontmoet men hem echter
+in alle vlakten, die door den nu en dan vallenden regen met een,
+zij het dan ook zeer armoedig, plantenkleed bedekt zijn. Over dag
+ziet men hem soms onbeschut op de rotsen zitten, blootgesteld aan de
+verwarmende zonnestralen; gewoonlijk echter is hij half verborgen in
+de breede spleten van het gesteente. In zeer gunstig gelegen oorden,
+dus in zulke, die hem ontoegankelijke schuilplaatsen verschaffen,
+merkt men deze dieren soms in aanzienlijken getale op: ik herinner mij,
+ze bij dozijnen in één rotsspleet te hebben gezien. Waar dergelijke
+toevluchtsoorden ontbreken, graaft hij holen in 't zand, die hij
+over dag slechts dan verlaat, als hij zich in de zon wil koesteren,
+in de heete middaguren echter weer opzoekt.
+
+Bij het ontmoeten van een mensch snelt de Doornstaart met
+vreemdsoortige, slangsgewijze kronkelingen van den korten en plompen
+romp en den stijven staart naar zijn hol. Zoolang hij den mensch nog
+niet heeft opgemerkt, begeeft hij zich langzaam met waggelende schreden
+daarheen, intusschen den kop nu eens naar de eene, dan weer naar de
+andere zijde wendend, als om de grootst mogelijke voorzichtigheid
+te betrachten. In zijn schuilhoek houdt hij zich na het bereiken
+van een zekere diepte volkomen stil; daar hij schijnt te weten,
+dat men hem hier niet volgen kan. Als men hem toevallig opzettelijk
+den weg naar zijn woning afsnijdt, blijft hij staan, laat een dof
+geblaas hooren en maakt zich tot den aanval gereed. Zijn voornaamste
+wapen is de staart, waarmede hij krachtige en gevoelige slagen kan
+toebrengen. Zelden maakt hij van zijn gebit gebruik; wanneer dit
+geschiedt, laat hij het gegrepen voorwerp niet licht weer los, al
+zou men hem de kaken stukbreken.
+
+Alle Doornstaarten zijn planteneters, die zich met allerlei bladen
+en bloemen, graszaden en andere droge vruchten voeden en slechts bij
+uitzondering dierlijke stoffen gebruiken. Bij de Arabieren ziet men den
+Dabb nu en dan in gevangenschap, omdat zijn tegenwoordigheid beschouwd
+wordt als zegenrijk voor het huis; bovendien worden de 21 ringen
+van zijn staart in verband gebracht met de een of andere legende,
+waarin het genoemde getal een rol speelt. De Bedoeïnen echter maken
+jacht op den Doornstaart, dien zij vetmesten en vervolgens opeten.
+
+
+
+Tot de Agamen behoort ook nog een van de vreemdsoortigste Hagedissen,
+die men kent, n.l. den Moloch (Moloch horridus), een bewoner van
+Zuid- en West-Australië. De kop is zeer klein en smal, de romp forsch
+gebouwd, plat, aan dien van een Pad herinnerend; de afgeronde staart
+is iets korter dan de romp, aan het einde afgeknot. De pooten zijn
+tamelijk stevig, de teenen buitengewoon kort en dik en met lange
+klauwen gewapend. Op het midden van den hals komt een langwerpige
+bult voor, met groote, zijwaarts gerichte doornen. De kop, de hals
+en de romp zijn met schilden van onregelmatigen vorm bekleed, ieder
+eindigend in een stekel, die op een rozendoorn gelijkt. De lengte
+en de kromming van deze stekels is verschillend. De onderzijde
+is oneffen, maar niet stekelig. De kleur van dit dier maakt een
+aangenamen indruk, van boven kastanjebruin met drie streepvormige,
+overlangsche vlekken. Totale lengte 18 à 22 cM.
+
+Eerst in den laatsten tijd is men bekend geworden met de levenswijze
+van dit dier, dat door de kolonisten "Stekelhagedis" of "Doornduivel"
+wordt genoemd. Het bewoont zeer zandige terreinen. Uit de kleinheid
+en verborgen ligging van zijne oogen, zoowel als uit zijn geheele
+uiterlijk, kan men afleiden, dat het over dag werkzaam is en misschien
+nooit, althans zeer zelden, 's nachts zijn rustplaats verlaat. Het kan,
+gelijk gebleken is, vlug loopen, maar beweegt zich in den regel zeer
+langzaam. Zijn voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Mieren te bestaan,
+nu en dan ook wel uit plantaardige stoffen.
+
+De Moloch verdient zijn naam, die aan de sombere godenleer van de
+Kanaänieten ontleend is, slechts ten halve; ondanks zijn schrikwekkend
+uiterlijk, is hij zachtzinnig van aard. Hij heeft geen andere
+verweermiddelen dan zijne stekels en ook deze zijn zoo zwak, dat een
+behendige vanger zich niet licht er aan kwetsen zal. Hij kan niet
+bijten, zooals reeds uit de kleinheid van zijn bek valt af te leiden.
+
+
+
+De familie van de Legoeanen (Iguanidae) neemt in Amerika de plaats
+in van de tot de Oude Wereld beperkte Agamen, maar omvat een veel
+grooter aantal soorten; bovendien vertoonen deze meer verscheidenheid
+van vorm. Van de Agamen verschillen zij vooral, doordat hunne aan
+den wortel ronde, nader bij de spits breedere en meer samengedrukte
+tanden bevestigd zijn aan de binnenzijde van een beenige lijst,
+die den rand van de kaak vormt.
+
+De Legoeanen zijn in hooge mate karakteristiek voor Zuid-
+en Midden-Amerika en worden hier overal in zeer grooten getale
+aangetroffen; hun verbreidingsgebied strekt zich ook over de warmste
+gedeelten van Noord-Amerika uit. Verscheidene soorten zijn belangrijk
+wegens haar vleesch en hare eieren, die gaarne door den mensch
+gegeten worden.
+
+
+
+In alle warme gewesten van Amerika wordt in wouden, bosschen en
+tuinen een talrijk geslacht van allerliefste Hagedissen gevonden, die
+den naam Anolis (Anolis), welke zij op de Antillen dragen, in onze
+taal behouden hebben. Een belangrijk kenmerk van deze dieren is het
+maaksel van den voet. De voorpooten zijn korter dan de achterpooten,
+doch overigens even goed ontwikkeld als deze. De groote voet heeft vijf
+teenen van zeer ongelijke lengte, welker middelste leden, evenals bij
+de Gekko's, verbreed en op de zool van fijne dwarsplooien voorzien
+zijn. De huid van deze dieren prijkt met prachtige kleuren en bezit
+(in veel hoogere mate dan die van den meer algemeen bekenden Kameleon)
+de eigenschap om van kleur te veranderen.
+
+Iedere wetenschappelijk ontwikkelde reiziger, die een deel van Zuid-
+of Midden-Amerika doorzoekt, voegt eenige vroeger niet beschreven
+leden toe aan deze groep, die thans reeds uit meer dan 100 soorten
+bestaat. Anolis vindt men overal, in ieder woud, in ieder bosch,
+in ieder plantsoen; soms verlaten zij de boomen en verschijnen op
+en in de huizen, in de galerijen en zelfs in de kamers; zij trekken
+dus zeer de aandacht en kunnen hoogstens alleen in de dichte wouden
+onopgemerkt blijven. Het is wel mogelijk, dat men in 't donkere
+oerwoud slechts bij toeval een van deze dieren te zien krijgt,
+terwijl het stil en bewegingloos op een tak zit; in de nabijheid
+van bewoonde plaatsen is de mensch in zekeren zin gedwongen om op
+hen te letten. Buitengewoon levendig, behendig, vlug en vaardig,
+maken zij jacht op allerlei Gelede Dieren, vangen hier een Mug,
+een Vlinder, een Kever, onderzoeken ginds een spleet, die aan een
+Spin tot schuilplaats dient, en maken zich meester van dit dier; als
+roofdieren loeren zij op hun prooi, schieten er bliksemsnel op toe,
+als een Kat die een Muis vervolgt, en grijpen haar met nagenoeg nimmer
+falende zekerheid. Aanhoudend leven zij op voet van oorlog met hunne
+soortgenooten. "Zoodra een Anolis", verhaalt Nicolson, "een ander
+dier van zijn soort bemerkt, spoedt hij zich naar dezen concurrent,
+die hem als een dappere held afwacht. De beide duellanten keeren en
+wenden zich vóór den strijd bijna als hanen, bewegen snel en hevig den
+kop op en neer, blazen de keel op en kijken elkander met fonkelende
+blikken aan. Door een onverhoedschen, woedenden aanval tracht de een
+den anderen te overrompelen. Als beide tegenstanders even sterk zijn,
+komt er aan den strijd, die meestal in de boomen uitgevochten wordt,
+niet spoedig een einde".
+
+Daar deze dieren onschadelijk zijn en een vriendelijken indruk maken,
+beschouwt men ze nergens met tegenzin, op sommige plaatsen zelfs
+met welwillendheid, misschien wel uit erkentelijkheid voor de goede
+diensten, die zij door het vangen van Insecten bewijzen. Alle soorten
+kunnen, als zij goed behandeld worden, de gevangenschap geruimen tijd
+verdragen; het is niet moeilijk ze levend naar Europa te brengen.
+
+
+
+Als vertegenwoordiger van dit geslacht zullen wij den Roodkeeligen
+Anolis (Anolis carolinensis) beschrijven. Bij het levende dier is de
+bovenzijde glanzig groen, de onderzijde zilverwit, de vuurroode keelzak
+met witte schubben bedekt, de slaapstreek zwart, een groote oogvlek
+boven de okselholte blauw en de staartstreek met zwarte stippels
+geteekend. Het groen heeft echter dikwijls een min of meer bruinachtige
+tint of is door bruin vervangen; ook andere kleurswijzigingen komen
+veelvuldig voor. De lengte, die bij de mannetjes en wijfjes verschilt,
+bedraagt 14 à 22 cM., waarvan twee derde op den staart komt.
+
+In Louisiana, Carolina en op Cuba is de Roodkeelige Anolis een van de
+meest gewone Hagedissen; men vindt hem hier op boomen, omheiningen
+van tuinen, aan den buitenkant van woonhuizen en niet zelden ook
+daarbinnen. Op de boomen beweegt hij zich verwonderlijk snel en vlug,
+met sprongen twaalfmaal zoover als zijn lichaam lang is, van den
+eenen tak of boom op den anderen. Ieder blad, dat hij aanraakt, kan
+hem een voldoenden steun verschaffen; daar zijne breede vingers zich,
+evenals die der Gekko's, oogenblikkelijk hechten aan de voorwerpen,
+waartegen zij aangedrukt worden, hoe glad deze ook zijn, glad gewreven
+hout en glas niet uitgezonderd; zelfs kan hij langs den zolder van
+een vertrek loopen. Gevangen exemplaren worden na zeer korten tijd
+tam en komen daarom zelfs bij lieden, die overigens geen groote
+liefhebbers van Kruipende Dieren zijn, dikwijls voor. Niet zelden
+worden zij levend naar Europa gebracht.
+
+Basiliscus noemden de oude Grieken en Romeinen een fabelachtig monster,
+dat op een Slang geleek, met bovennatuurlijke krachten begaafd was, een
+zeer afschrikwekkend voorkomen had, op onnatuurlijke wijze ontstaan was
+en onheil bracht over allerlei levende wezens, zelfs over menschen. De
+huishaan, de Slang en de Pad speelden een rol bij het voortbrengen
+van dit monster. Wanstaltige eieren, door een haan gelegd, werden
+door Slangen en Padden medegenomen en uitgebroed. De Basiliscus had
+vleugels aan den romp, een kroon op den kop, vier pooten als die van
+een haan en een staart als een Slang; de vergiftige blikken van zijne
+fonkelende oogen hadden een nog schadelijker werking dan het "booze
+oog", waarvoor de hedendaagsche bewoners van Zuid-Europa en van het
+Oosten zoo bevreesd zijn. Het van hem uitgaande gif verspreidde zich,
+naar gezegd werd, door de lucht en doodde alle levende wezens, die er
+mede in aanraking kwamen; de vruchten vielen verrot van de boomen,
+gras en kruiden verschroeiden, de Vogels tuimelden dood ter aarde,
+paard en ruiter bezweken. Slechts één dier was in staat om den
+Basiliscus te verjagen en onschadelijk te maken: een van de dieren,
+waardoor hij werd voortgebracht, n.l. de huishaan. Zijn gekraai, dat
+de spoken verjaagt, noopte ook de Basilisken om naar het binnenste
+van de aarde de wijk te nemen.
+
+Met den naam van dit monster wordt door de dierkundigen een geslacht
+van Legoeanen aangeduid. Het mannetje is gekenmerkt door het bezit
+van een hoogen, vliezigen helm op den achterkop en van een vliezigen
+kam, die door de doornuitsteeksels van de wervels gesteund wordt,
+op den rug en op het begin van den staart.
+
+De Helmbasiliscus (Basiliscus americanus), heeft op den kop een
+spits toeloopende kap, van buiten met gekielde schubben bekleed en
+van binnen door een kraakbeenige lijst gesteund. Het levende dier
+heeft waarschijnlijk een groene kleur; bij de in spiritus bewaarde
+exemplaren is de bovenzijde roodachtig bruin, de onderzijde vuilwit;
+onregelmatige, afgebroken dwarsstrepen loopen van den rug langs de
+zijden; achter het oog en bij den mondhoek komt een witte streep
+voor. Totale lengte 80 cM., staartlengte 56 cM. Het vaderland van
+deze soort is Panama en Costarica. Haar voedsel bestaat, voorzoover
+men weet, uitsluitend uit plantaardige stoffen.
+
+
+
+De Galapagos-eilanden hebben een zeer eigenaardige fauna en flora: de
+daar levende planten en dieren worden voor 't meerendeel nergens anders
+gevonden. Men vindt er o. a. vier soorten van Hagedissen, die tot de
+Legoeanen behooren, waarbij twee, die hoogst merkwaardige afwijkingen
+vertoonen. Geen van beide is vlug van beweging; haar voedsel bestaat
+uit planten; de eene leeft op het land, de andere behoort in 't water
+thuis en is de eenige Hagedis, die recht heeft op den naam van zeedier,
+de eenige, die uitsluitend van waterplanten leeft.
+
+
+
+De Zeehagedis (Amblyrhynchus cristatus), een zeer groote Legoeaan,
+met een totale lengte van 135 cM., waarvan 80 cM. op den staart
+komen, kan een gewicht van 12 KG. bereiken. De geheele bovenzijde van
+den kop is bekleed met een mozaïek van schilden van veelhoekigen,
+meestal 4- à 6-zijdigen vorm en van ongelijke grootte. Het lichaam
+is grootendeels zeer krachtig gebouwd en op hals, nek en rug voorzien
+van een zijdelings samengedrukten kam, die zich tot aan de spits van
+den staart uitstrekt.
+
+De kleur en de teekening veranderen met den leeftijd. Op den rug
+wisselen vuilgrijze en zwarte vlekken, die meer of minder regelmatige,
+dwarse strepen of reeksen vormen, met elkander af. De kop is van
+onderen donker vuilgrijs, de keelstreek zwart, de buikzijde overigens
+vuil geelbruin, de kam op den rug met afwisselende, gele en zwarte,
+of grijze en zwarte strepen geteekend. Bij uitzondering ontmoet men
+zuiver zwarte exemplaren.
+
+Op de Galapagos-eilanden is het aantal Zeehagedissen zeer groot. Op
+het land houden zij zich steeds aan de rotsachtige kust op; nooit
+ziet men ze meer dan tien schreden van de zee verwijderd.
+
+Zij zwemmen zeer snel en zonder inspanning met slangsgewijze
+kronkelingen van den romp en den afgeplatten staart; de voeten
+worden bij deze beweging niet gebruikt, maar tegen de zijden van den
+romp aangedrukt. Een matroos liet een Zeehagedis, die met een groot
+gewicht bezwaard was, in de zee zakken, in de meening haar op deze
+wijze oogenblikkelijk te zullen dooden; tot zijn verwondering had
+het dier niets geleden, toen hij het na verloop van een uur weer
+boven water bracht. De ledematen zijn met sterke klauwen gewapend
+en hierdoor uitmuntend geschikt voor het kruipen over de oneffene
+oppervlakte der verbrokkelde lavamassa, waaruit de kust bestaat. Op
+zulke plaatsen, eenige meters boven de branding ziet men deze niet
+fraaie Reptiliën bij troepjes van 6 of 7 op de zwarte rotsen zitten,
+waar zij zich met wijd uitgestrekte pooten in de zon koesteren.
+
+Opmerkelijk is het, dat dit dier niet in het water vlucht, wanneer
+het beangst wordt gemaakt. Men kan het licht op een in de zee
+vooruitstekende plaats drijven; hier evenwel laat het zich eerder bij
+den staart grijpen, dan dat het in 't water springt. Het verdedigt
+zich niet tegen den mensch.
+
+
+
+De andere vreemdsoortige Hagedis van de Galapagos-eilanden, die wij
+Klierenkop (Conolophus subcristatus) zullen noemen, is zoo mogelijk
+nog plomper en logger van beweging dan de vorige. Zij is even leelijk
+als deze en heeft wegens den kleinen gelaatshoek een buitengewoon
+dom voorkomen. De meer of minder helder citroengele kleur van den
+kop gaat op den rug naast den kam in steenrood of roestrood, verder
+zijwaarts door roodbruin in vuil donkerbruin over. Dit dier bereikt
+een lengte van 107 cM., waarvan 54 cM. op den staart komen. Zijne
+bewegingen zijn traag en slaperig. Het bewoont holen, die het soms in
+hoopen lavagruis, vaker evenwel op vlakke plaatsen van het zachte,
+vulkanische gesteente graaft. Het zoekt zijn voedsel over dag en
+verwijdert zich niet ver van zijn woning. Als men het bevreesd maakt,
+zoekt het op zeer linksche wijze zijn schuilhoek weer op. Wegens den
+steilen stand zijner pooten kan het zich niet snel bewegen, tenzij bij
+een helling naar beneden. Het toont geen vrees, als men het nadert,
+maar kromt den staart omhoog, richt het voorste deel van het lichaam
+op door het strekken van de voorpooten, maakt met den kop snelle,
+knikkende bewegingen in loodrechte richting en trekt een zeer boos
+gezicht, hierover behoeft men zich echter niet veel te bekommeren,
+daar het voldoende is met den voet op den grond te stampen om dezen
+planteneter te nopen den staart te laten zakken en zoo snel mogelijk
+het hazenpad te kiezen.
+
+
+
+"Twee soorten van bloeiende ingas" (Amerikaansche boomen van
+de familie der mimosaceën) "hadden een buitengewoon groot aantal
+Legoeanen aangelokt. Telkens als onze roeiriemen in het water plonsden,
+stortten 3 of 4 van deze groote dieren zich uit de boomen in 't water,
+of verdwenen, merkwaardig vlug van de eene twijg op de andere sluipend,
+in het dichte gebladerte van de kroon, welk toevluchtsoord hen echter
+niet tegen het scherpziende oog van de Indianen en hunne wis treffende
+pijlen beschutten kon. Er volgde een tooneel vol leven en beweging,
+waarbij ieder zich beijverde om van dit kostelijke wild de grootst
+mogelijke hoeveelheid te verkrijgen. De jacht met geweren leverde
+minder goede uitkomsten dan die met pijlen; de met hagel geschoten
+Legoeanen storten zich oogenblikkelijk in 't water, voor zoover zij
+niet doodelijk gewond waren, en kwamen niet weder te voorschijn; door
+de lange pijlen werd dit echter verhinderd. Wij schoten verscheidene
+exemplaren van 2 M. lengte en 30 cM. dikte. In weerwil van het
+schrikwekkend voorkomen dezer dieren is hun vleesch uitmuntend en
+zijn hunne eieren zeer smakelijk. Dat zij steeds zeldzamer worden,
+is voor een groot deel toe te schrijven aan hun eetbaarheid; vooral
+is dit het geval in de kuststreken, waar niet alleen inboorlingen,
+maar ook Europeanen, kleurlingen en zwarten jacht op hen maken."
+
+Met deze woorden beschrijft Schomburgk een ontmoeting met den Legoeaan
+(Iguana tuberculata), de meest bekende vertegenwoordiger van het
+uit twee soorten bestaande geslacht en in zekeren zin het type
+van de familie van dien naam. Het geslacht kenmerkt zich door den
+langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, den grooten vierzijdigen
+kop, met korten hals, de stevig ontwikkelde pooten, de zeer lange
+teenen en den zeer langen staart, die zijdelings samengedrukt en
+met gelijkvormige, gekielde schubben bedekt is; het voorste deel van
+den grooten, hangenden keelzak draagt een stekeligen kam; de rugkam,
+die uit lange, op zaagtanden gelijkende schubben bestaat, reikt van
+den nek tot aan de spits van den staart.
+
+De Legoeaan bereikt een lengte van 1.4 à 1.6 M., waarvan 1 M. of
+meer voor den staart. De fraaie bladgroene kleur van zijn huid gaat
+op sommige plaatsen in blauw, donkergroen, bruin en grijs over; de
+onderzijde en de pooten zijn gestreept; de staart is met verscheidene
+duidelijke, breede, donkere banden omgeven. De kleur kan trouwens
+zeer verschillen, te meer, omdat de huid van den Legoeaan, evenals
+die van den Kameleon, chromatophoren bevat.
+
+Alle Legoeanen bewonen het tropische deel van Zuid-Amerika en de
+landen om en in de Golf van Mexico, dus ook de Antillen; alle leven
+op boomen, bij voorkeur op die, welke aan den waterkant staan. Hier
+bewegen zij zich met groote behendigheid, springend en klimmend van
+de eene twijg op de andere. Zeer goed weten zij zich tusschen de
+bladeren te verbergen en onzichtbaar te maken voor het ongeoefende
+oog. Tegen den avond dalen zij niet zelden op den bodem af en zoeken
+hier voedsel. Een gevaar ontvluchten zij, indien dit mogelijk is,
+in de kroon van een hoogen boom, of, zooals hierboven reeds gezegd
+werd, op den bodem van het water, waar zij even goed thuis zijn, als
+de Waranen. Hoewel men hen in de vrije natuur en in de gevangenschap
+nu en dan Insecten heeft zien eten, lijdt het geen twijfel, dat
+plantaardige stoffen hun hoofdvoedsel zijn.
+
+Gewoonlijk vluchten zij bij 't zien van den mensch, hun gevaarlijksten
+vijand; in 't nauw gebracht stellen zij zich evenwel moedig te weer,
+blazen den keelzak op om een schrikwekkend voorkomen te verkrijgen,
+sissen, blazen, springen op hun tegenstander toe, trachten hem te
+bijten en laten hetgeen zij eens met hun krachtig gebit gegrepen
+hebben, zoo licht niet meer los. Bovendien kunnen zij met den
+krachtigen staart hevige en pijnlijke, ja zelfs gevaarlijke slagen
+toebrengen.
+
+Hoewel in West-Indië vrij algemeen beweerd wordt, dat het vleesch
+van de Legoeanen ongezond is, en meer bepaaldelijk, dat het sommige
+ziekten verergert, stoort niemand zich aan deze meening en tracht ieder
+integendeel zich dit smakelijk gerecht te verschaffen. Catesby zegt,
+dat de Legoeanen een courant handelsartikel zijn en op het vasteland
+door voorname lieden voor hooge prijzen gekocht worden. Het vleesch
+wordt gemakkelijk verteerbaar, voedzaam en smakelijk genoemd; men
+eet het gebraden, maar vaker nog gekookt. De eieren, die bijna geen
+eiwit bevatten en bij het koken niet hard worden, dienen gewoonlijk
+voor het bereiden van soep. Het opsporen van dit eigenaardige wild is
+het werk van een bepaald soort van jagers, die verschillende wijzen
+van vangst in praktijk brengen. Gewoonlijk gebruiken zij Honden,
+die voor deze jacht zijn afgericht.
+
+Gevangen Legoeanen zijn aanvankelijk onhandelbaar en zeer valsch,
+trachten hun meester te bijten en bedreigen ieder dier, dat in hun
+nabijheid komt; niet zelden dooden zij kleine huisdieren of hunne
+medegevangenen. Langzamerhand vermindert hun woede: na verloop van
+eenige weken laten zij zich aanraken. Zij kunnen zoo tam worden,
+dat men ze vrij in den tuin of in huis kan laten loopen. In Europa
+ziet men ze soms in diergaarden.
+
+
+
+Tot de Legoeanen rekent men tegenwoordig ook de Padhagedissen
+(Phrynosoma), die zich kenmerken door een korten, dikken, platten romp,
+een zeer korten kop en een platten staart, die korter dan het overige
+lichaam, en vooral bij den wortel zeer breed is. Zeer vallen zij in
+'t oog door de gedoornde schubben, die aan den achterkop en aan de
+zijden van den romp tusschen de overige, kleinere opperhuidsvormingen
+gelegen zijn.
+
+De bekendste vertegenwoordiger van dit geslacht, de Tapayaxye
+(Phrynosoma cornutum), een plomp, leelijk dier van 10 cM. lengte
+(waarbij 3.8 cM. voor den staart), bewoont Mexico en de zuidwestelijke
+Vereenigde Staten. Het wordt tegenwoordig vaak levend naar Europa
+gebracht en in terrariën gehouden, waar het vooral bij felle
+zomerwarmte zeer bedrijvig wordt. Men voedt het met levende Insecten,
+daar het doode dieren versmaadt.
+
+
+
+De Gordelhagedissen (Zonuridae) zijn o.a. kenbaar aan een diepe, met
+kleine schubben bekleede huidplooi, die achter de voorste ledematen
+begint, zich tot aan de achterpooten uitstrekt en een scheiding vormt
+tusschen de rug- en de buikzijde van den romp. Haar lichaam is met
+dikke schildjes en schubben bedekt. Deze vormen een soort van pantser,
+welks beweeglijkheid bevorderd wordt door de genoemde groeve en door
+de regelmatige plaatsing van de harde huidbekleedselen op dwarse
+reeksen of gordels.
+
+Sommige leden van deze familie komen in vorm en levenswijze met de
+Hagedissen overeen; andere gelijken door de groote lengte van den
+romp, de geringe ontwikkeling of het ontbreken der ledematen en de
+bewegingswijze op Slangen. Zij bewonen de tropische gewesten van
+Afrika tot Kaapland en Madagaskar. Hunne bewegingen zijn verrassend
+snel; die, welker ledematen rudimentair zijn, kronkelen hun lichaam op
+hoogst bevallige wijze, misschien iets langzamer dan onze Ringslang,
+maar toch vlug en behendig; evenals hunne familieverwanten in 't
+algemeen, maken zij een aangenamen indruk. Eenige komen uitsluitend
+op den vlakken grond voor, of kunnen zich hoogstens langs hellende
+vlakken naar boven bewegen; andere daarentegen zijn rotsbewoners en
+ervaren klimmers. Hun voedsel ontleenen zij aan het dierenrijk. Van
+hun voortplanting is nog niet veel bekend; men weet echter, dat zij
+niet veel van die der Hagedissen verschilt.
+
+
+
+De tot deze groep behoorende Gordelstaarten (Zonurus), gelijken
+door hun kort ineengedrongen gestalte op de Slingerstaarten; zij
+hebben vier pooten, een platten, driezijdigen kop en een dikken,
+middelmatig langen staart. De bovenhals en de rug zijn bekleed met
+groote, vierzijdige, schilden of schubben, die dwarse reeksen vormen,
+de onderdeelen met groote, plaatvormige schilden, de ledematen aan de
+bovenzijde met gekielde schubben, die elkander dakpansgewijs bedekken;
+kransgewijs geplaatste stekelschubben beschutten den staart.
+
+Het door den Gordelstaart (Zonurus cordylus) bewoonde gebied strekt
+zich van het Kaapland noordwaarts tot aan de Kunene-rivier uit. Dit
+dier is 18 cM. lang en zeer ongelijk van kleur. Bij de meeste
+exemplaren zijn de rug en de staart vuil oranjegeel, de kop en de
+pooten lichter geel, de onderdeelen wit; andere hebben zwartbruine
+bovendeelen; bij nog andere zijn deze op bruinen grond donkerder
+gestreept, enz. Alle Gordelstaarten bewonen rotsachtige gewesten, bij
+voorkeur steile, moeielijk toegankelijke hellingen. Hier loopen zij
+tamelijk langzaam rond en zoeken voedsel of warmte, totdat het een of
+ander gevaar hen opschrikt en noopt hun schuilplaats op te zoeken. Zij
+zijn niet gemakkelijk te vangen, zelfs wanneer men hun woonplaatsen
+kan bereiken; zij klemmen zich buitengewoon stevig vast; als men ze
+losrukken wil, houdt men vaker den staart dan het dier in de hand.
+
+
+
+Nauw verwant aan de leden der vorige groep zijn de Slanghagedissen
+(Anguidae), die zich van de Gordelhagedissen hoofdzakelijk
+onderscheiden, doordat haar huid beenplaten bevat, waarin
+onregelmatige, vertakte of straalsgewijs gerangschikte kanalen
+voorkomen en doordat zij het voorste deel van de tong in een scheede
+van het achterste deel terugtrekken kunnen. Alle leden van deze
+familie leven op den grond, slechts weinige soorten beklimmen ook
+wel lage struiken en scheefstaande boomen.
+
+
+
+In schaduwrijke dalen van de steppen Nazyn en Koeman aan den Wolga,
+later ook bij de rivieren Terek en Sarpa, ontdekte Pallas een groote
+Slanghagedis; de Russen noemen haar Scheltopoesik, evenals alle op
+Slangen gelijkende dieren. Andere onderzoekers vonden deze soort in
+Hongarije, Istrië, Dalmatië, Griekenland, Klein-Azië, Syrië, Perzië,
+Transkaukasië, Transkaspië en Toerkestan. Erber ontmoette haar het
+veelvuldigst in de nabijheid van het Lago di Bocagnazzo bij Zara in
+Dalmatië, maar ook elders bijna in het geheele land. Hare liefste
+verblijfplaatsen zijn dalen, die dicht begroeid zijn met struikgewas;
+deze verschaffen haar zulke uitmuntende schuilhoeken, dat zij, ondanks
+haar aanzienlijke grootte, niet licht wordt opgemerkt, vooral omdat
+zij, bewust van haar weerloosheid, bij de nadering van den mensch
+geregeld vlucht. Allen, die de levenswijze van deze Hagedis hebben
+nagegaan, prijzen haar als een van de nuttigste Reptiliën, daar zij
+zich hoofdzakelijk met schadelijke dieren voedt. Haar gewone buit
+bestaat uit Muizen en Slakken; de laatstgenoemde worden met schelp
+en al verzwolgen; zij maakt echter ook jacht op Adders, die zij doodt
+en verslindt, zonder zich te bekommeren om de voor andere Hagedissen
+noodlottige giftanden. Toen Erber eens een Scheltopoesik in het hok van
+een Adder plaatste, nam zoowel deze als gene onmiddellijk een dreigende
+houding aan, hoewel beide de tegenwoordigheid van andere Slangen met
+onverschilligheid hadden gadegeslagen. Daar de genoemde onderzoeker
+slechts één Scheltopoesik bezat, wilde hij dezen niet in gevaar brengen
+en nam hem weer weg. Toch wordt, waarschijnlijk op grond van latere
+proeven, de Scheltopoesik door Erber een der bedrijvigste verdelgers
+van Adders genoemd. Ondanks zijn geschiktheid voor 't rooversbedrijf
+komt het niet in hem op tegen den mensch zijne wapenen te gebruiken;
+hij bijt nooit, laat zonder vrees toe, dat men hem in de handen
+neemt en schijnt zelfs mettertijd een zekere genegenheid voor zijn
+verzorger op te vatten. Van andere Hagedissen onderscheidt hij zich
+zeer gunstig door zijn bedrijvigheid. Hij is aanhoudend in beweging,
+kruipt met bevallige kronkelingen voortdurend in zijn kooi rond,
+beweegt tastend de tong heen en weer en onderzoekt zeer zorgvuldig
+iedere holte, iedere spleet tusschen de steenen en het mos. Als men
+hem in de kamer vrij laat rondkruipen, begint hij onmiddellijk jacht
+te maken op allerlei ongedierte; de leelijke Kakkerlakken, die in
+zoovele woningen voorkomen, zoekt hij in al hunne schuilhoeken op en
+vervolgt ze zelfs in den schoorsteen.
+
+Merkwaardig is de wijze, waarop de Scheltopoesik een Muis, een Mol
+of dergelijk dier vangt en doodt. Direct na het grijpen van den buit
+begint hij zich met ongeloofelijke snelheid rond te wentelen; deze
+beweging wordt voortgezet, totdat het slachtoffer zoo suf en duizelig
+is, dat het zijn vijand niet meer ontkomen kan. Nu eerst verbrijzelt
+de Scheltopoesik den kop van zijn buit en begint hem te verslinden;
+hiervoor wordt een geruimen tijd vereischt, daar hij zijn prooi
+steeds stuksgewijs verzwelgt en zijn gebit niet scherp genoeg is om
+de huid en de pezen door te snijden. Voor Hagedissen is hij een zeer
+lastige buurman, daar hij haar den staart afbijt en dezen verslindt;
+van het overige lichaam schijnt hij niet te houden.
+
+De Scheltopoesik (Ophisaurus apus, Pseudopus Pallasii) vertegenwoordigt
+het geslacht der Gepantserde Slanghagedissen, dat zich door de volgende
+kenmerken onderscheidt: De romp, welke op dien van een Slang gelijkt,
+is lang, rolvormig, een weinig zijdelings samengedrukt en bijna even
+dik als de hals; de duidelijk begrensde, vierhoekige kop eindigt in
+een spitsen snuit en is bijna even lang als hoog; de dunne, in een
+punt uitloopende staart is iets langer dan het overige lichaam. Van
+de voorpooten is geen spoor aanwezig; de achterste ledematen zijn
+door knobbeltjes aan weerszijden van de kloakopening aangeduid. De
+oogen hebben een ronde pupil en volkomen leden; de gehooropeningen
+zijn als kleine, overlangsche spleten duidelijk zichtbaar.--De gewone
+kleur van de genoemde soort is vuil roodbruin of donker stroogeel: de
+kop is een weinig lichter, de benedenzijde van den romp bruinachtig
+vleeschrood. Oude exemplaren zijn na de vervelling van boven donker
+koperrood, op den kop roodachtig groen. De jongen zijn op grijzen
+grond donkerbruin gevlekt en met dwarsbanden geteekend; soortgelijke,
+donkere, dwarse strepen bevinden zich aan de zijden van den kop. Van
+de totale lengte, die 1.1 M. bedraagt, komen 65 cM. op den staart;
+de rudimentaire achterpooten zijn ongeveer 1 cM. lang.
+
+
+
+Niet slechts van de voorste, maar ook van de achterste pooten is
+uitwendig geen spoor meer te zien bij een soort, die de oostelijk
+Vereenigde Staten en Mexico bewoont en door de Anglo-Amerikanen
+Glasslang (Glasssnake) wordt genoemd (Ophisaurus ventalis); aan
+het geraamte merkt men echter een weinig ontwikkelden schouder-
+en heupgordel op. Als Hagedis is dit dier uitwendig kenbaar
+aan de oogleden, die voor beweging geschikt zijn, en aan het
+trommelvlies. Zijn kleur is zeer verschillend. Enkele exemplaren
+zijn helder groen met zwarte en gele vlekken, andere bruinachtig met
+donkerbruine strepen op de zijden, nog andere hebben oogvlekken op
+bruinen grond. De lengte bedraagt ongeveer 80 cM.
+
+De Glasslang bewoont bij voorkeur zeer droge terreinen, maar steeds
+zulke, die haar geschikte schuilplaatsen aanbieden. De wortels van een
+ouden boom of stronk, holen in heuvelhellingen, enz. verschaffen haar
+een toevluchtsoord, waarin zij na elke storing zoo spoedig mogelijk de
+wijk neemt. Zij komt zeer vroeg in 't voorjaar, vroeger dan de Slangen,
+te voorschijn en houdt zich reeds ijverig met de jacht bezig, terwijl
+deze nog in winterslaap verkeeren. Haar voedsel bestaat uit Insecten
+en kleine Reptiliën, vooral jonge Hagedissen en dergelijke dieren.
+
+Deze door fraaie teekening en zachtzinnigen aard aanbevelenswaardige
+soort kan niet gemakkelijk in onbeschadigden toestand gevangen worden,
+omdat zij bij aanraking buitengewoon licht breekt en dus haar naam
+met volle recht draagt. Dit zal wel de reden zijn, waarom men haar
+zoo zelden in een terrarium te zien krijgt.
+
+
+
+Aan het ontbreken van de groeve aan weerszijden van den romp, het gemis
+van voorste en achterste ledematen, de kleine en meestal verborgen
+gehooropening en de lichaamsbekleeding, die uit kleine zeszijdige,
+gladde, glanzige schubben bestaat, welke overlangsche reeksen, aan de
+zijden van 't lichaam echter dwarse rijen vormen, zijn de Hazelwormen
+(Anguis) uitwendig kenbaar. Een algemeen bekende vertegenwoordiger van
+dit geslacht is de Hazelworm, die in Gelderland ook wel Blindslang
+wordt genoemd (Anguis fragilis). Bij ons treft men deze soort in de
+zandstreken van alle oostelijke provinciën aan, niet in de duinstreken
+(Ritzema Bos).
+
+De bovendeelen zijn gewoonlijk fraai loodkleurig grijs, de zijden
+roodachtig bruin; de buik is blauwachtig zwart en prijkt dikwijls met
+geelwitte stippels; het zal echter moeielijk zijn twee Hazelwormen te
+vinden, die volkomen gelijke kleur hebben. O. Lenz verhaalt, dat er
+bij de 33 exemplaren, die hij eens in den tijd van een halfuur op een
+terrein van ongeveer 600 schreden omvang buit maakte, geen twee waren,
+die in kleur en teekening volkomen overeenstemden. Zeer oude exemplaren
+hebben op de bovenzijde dikwijls groote of kleine, op overlangsche
+reeksen geplaatste, fraaie, blauwe vlekken en stippels. De jongen
+zijn aan de rugzijde zilverwit, aan de buikzijde zwart en van boven
+met één breede of twee smalle, donkerzwarte strepen geteekend. Het
+mannetje en het wijfje verschillen niet in kleur; beide zijn echter
+in staat van kleur te veranderen. De iris is geelrood. Het volwassen
+dier heeft een lengte van 43 cM., met inbegrip van den staart, die
+ruim 23 cM. lang is.
+
+De Hazelworm bewoont bijna geheel Europa, van 't zuiden van Zweden
+tot Griekenland en Spanje, voorts Kaukasië en Georgië, ja zelfs
+bijna geheel West-Azië. Hij wordt overal gevonden, in vlakten en in
+bergstreken, zelfs nog op bergen van 1450 M. hoogte, op vochtigen
+grond echter meer dan op drogen. Hoewel hij de meest verschillende
+terreinen tot woonplaats kiest, houdt hij zich het liefst op in
+beukenbosschen, vooral daar, waar dicht struikgewas en hoog gras,
+of desnoods losse steenen, den bodem bedekken. In verband met de
+gesteldheid van het terrein zijn de plaatsen, waar hij rust en zich
+verschuilt, verschillend. In den lossen grond graaft hij een meer of
+minder diep gat; in streken, die dicht begroeid zijn met mos of gras,
+verbergt hij zich tusschen deze planten in het struikgewas onder
+wortels op glooiende rotsachtige terreinen onder waterpas liggende,
+platte steenen. Vooral de laatstgenoemde ruimten zoekt hij gaarne op;
+dikwijls is hij er de commensaal van Mieren, welker gezelschap hij
+zoo weinig schuwt, dat hij soms in mierenhoopen zijn intrek neemt.
+
+In het midden of in het einde van October kruipen de Hazelwormen in
+reeds aanwezige of door hen zelf gegraven holen om hier winterslaap
+te houden. Het graven geschiedt door borende bewegingen met den
+kop. Soms is het winterverblijf een zeer nauw gat en slechts 7 tot
+30 cM. diep, soms een gebogen gang van ongeveer 1 M. lengte, welker
+opening van binnen met gras en aarde gesloten is. Hier zijn zij
+soms met hun twintigen of dertigen bijeen, alle geheel verstijfd,
+sommige met half opgerold lichaam, andere dooreengekronkeld of
+recht uitgestrekt. Het dichtst bij den uitgang liggen de jongen;
+daarop volgen al grootere exemplaren; in het achterste deel van het
+hol hebben een oud wijfje en een oud mannetje hun winterbed. Welken
+invloed verlaging van temperatuur op hen heeft, blijkt uit de door
+Lenz genomen proeven. Bij 1.4 à 2° boven nul waren zij tamelijk stijf,
+maar verroerden zich nog, als men ze opnam; ook bleven zij eenigen
+tijd langzaam rondkruipen, nadat men ze in de kist met zemels, die hun
+tot winterverblijf diende, teruggebracht had. Alle hielden de oogen
+stijf dicht; slechts twee openden ze een weinig, toen zij in de hand
+genomen werden; de overige sloten ze onmiddellijk weer, nadat men ze
+met geweld geopend had. Toen de temperatuur gedaald was tot 3° onder
+nul, lagen alle verstijfd in de zemelen; geen enkele bevroor echter,
+hoewel verscheidene echte Slangen, die met de Hazelwormen dezelfde
+kist bewoonden, door de koude bezweken. Tegen een nog strengere koude
+zijn ook zij echter niet bestand. In de lente komen zij bij gunstig
+weder reeds in 't midden van Maart weer voor den dag.
+
+Het voedsel van den Hazelworm bestaat bijna uitsluitend uit Naakte
+Slakken en Regenwormen; bovendien eet hij onbehaarde rupsen; het is hem
+niet mogelijk dieren buit te maken, die zich sneller bewegen. De door
+Lenz verzorgde exemplaren naderden zonder eenigen haast de Wormen,
+die hij hun toewierp, betastten deze meestal vooraf met de tong,
+sperden dan langzaam den bek open en hapten eindelijk toe. De roover
+wachtte nu tot zijn prooi, die zich aanvankelijk zoo krachtig mogelijk
+kronkelde, eenigszins afgemat was en verzwolg haar vervolgens zonder
+overhaasting; dit geschiedde met afwisselende bewegingen van den kop
+naar rechts en naar links, waarbij telkens de tanden een eind verder
+in den buit geslagen werden. Het doorslikken van een Regenworm duurde
+5 à 6 minuten; één of twee exemplaren van middelmatige grootte zijn
+trouwens voldoende voor een maaltijd. Water drinkt de Hazelworm even
+dikwijls en op dezelfde wijze als de Hagedissen.
+
+Het is mogelijk, dat de Hazelworm ook wel over dag een buit, die
+hem voor den bek komt, grijpt en verzwelgt, in den regel echter gaat
+hij eerst in de schemering op de jacht. Over dag ligt hij, evenals
+andere Reptiliën, uren lang in den zonneschijn en houdt gewoonlijk
+den kop naar den grond gericht. V. Gredler noemt den Hazelworm een
+betrouwbaren weerprofeet, wiens verschijning onmiddellijk vóór en
+gedurende een weersverandering in verband zou kunnen staan met het
+gelijktijdig omhoogstijgen van de Regenwormen.
+
+De bewegingen van den Hazelworm zijn langzaam en gelijken zoo min op
+die van de Hagedissen als op die van de Slangen. Bij een helling naar
+beneden kruipt hij tamelijk snel, op den vlakken bodem zoo langzaam,
+dat men, gewoon stappend, hem gemakkelijk bijhouden kan; naar boven
+beweegt hij zich nog minder vlug. Op een stuk vensterglas kost het
+hem zeer veel moeite vooruit te komen; langzamerhand gelukt hem dit
+echter door zijwaartsche kronkelingen van het lichaam. Op dezelfde
+wijze redt hij zich vrij goed uit den nood, als men hem in het
+water werpt, dat hij vrijwillig nooit bezoekt. Gewoonlijk houdt het
+dier den kop boven water en richt soms ook de buikzijde naar boven;
+altijd echter tracht het zoo schielijk mogelijk weer op het droge te
+komen. Hoewel de Hazelworm soms "Blindslang" wordt genoemd, is zijn
+gezichtsorgaan goed ontwikkeld en neemt zonder eenigen twijfel onder
+zijne zintuigen den eersten rang in. Moeielijk is het over het gehoor
+een bepaald oordeel uit te spreken, hoewel proeven bij gevangen
+dieren schijnen te bewijzen, dat de Hazelworm ook in dit opzicht
+niet misdeeld is. Hij laat geen schuwheid blijken; nog minder kan
+men list bij hem opmerken. Gewoonlijk ontkomt hij aan zijne meeste
+vijanden door zich, wanneer hij gegrepen wordt, buitengewoon heftig
+te bewegen; in den regel heeft dit het afbreken van een stuk van den
+staart ten gevolge. "Terwijl het afgebroken stuk", zegt Lenz, "nog vol
+leven ronddanst en door den vijand gegrepen wordt, maakt het verminkte
+dier van de gelegenheid gebruik om te vluchten. Dit feit zal men vaak
+opmerken bij de voedering van allerlei dieren met Hazelwormen." Het
+heeft aanleiding gegeven tot hun wetenschappelijken naam (= Brooze
+Slang). Gewoonlijk laten zij zich vangen zonder zich op eenigerlei
+wijze te verdedigen; slechts bij uitzondering maken zij in dit geval
+als verweermiddel gebruik van hun gebit, hoewel zij hiermede geen
+hunner vijanden kunnen afschrikken. Mettertijd schikken zij zich in de
+gewijzigde omstandigheden van het leven in de gevangenschap. Dat zij in
+de kooi verdraagzaam zijn jegens Slangen, Vorschen en Hagedissen, is
+licht te begrijpen. Zelfs volwassen exemplaren laten zich gewoonlijk
+niet lang nooden, wanneer men hun voedsel aanbiedt; zij verduren
+bij doelmatige behandeling jaren lang het leven in de kooi. Wanneer
+deze voor een deel met aarde gevuld en bovendien met steenen en mos
+voorzien is, voldoet zij aan alle eischen, die de Hazelwormen aan een
+dergelijke verblijfplaats stellen. Het houden van deze dieren is wel
+aan te bevelen; zij zullen den dierenvriend veel genoegen verschaffen.
+
+Bij den Hazelworm is de volledige ontwikkeling van de kiem in de
+eischaal reeds tot stand gekomen, voordat deze het lichaam van de
+moeder verlaat. De geboorte van de jongen heeft plaats in de tweede
+helft van Augustus of in de eerste helft van September; de eieren
+worden met tusschenpoozen van verscheidene minuten gelegd; onmiddellijk
+daarna verlaten de jongen de vliezige, dunne, doorzichtige eischaal.
+
+Ook thans nog ziet het groote publiek in den Hazelworm een Slang
+en "dus" een hoogst vergiftig dier, dat daarom fel vervolgd en
+zonder mededoogen gedood wordt, waar het zich ook vertoont. Het
+zou verstandiger zijn deze Hagedis te sparen. Zelfs verdient het
+aanbeveling haar in den tuin te houden en te beschermen.
+
+
+
+Een Hagedis, die door het maaksel van hare tanden overeenkomt met
+de Groeftandige Slangen en, evenals deze, haar prooi vergiftigt,
+was reeds aan Hernandez, den lijfarts van Philips II, bekend. Zoowel
+aan de bovenkaak als aan de onderkaak heeft zij tanden, die aan de
+voorzijde een groeve vertoonen; alleen die van de onderkaak staan
+aan haar wortel in gemeenschap met de afvoerbuis van een gifklier,
+overeenstemmend met de ondertongsklier van onze Hagedissen. Volgens
+Sumichrast (1825) gaat dit dier op den rug liggen, voordat het bijt
+en worden op deze wijze misschien ook de bovenkaakstanden met gif
+voorzien. De ervaring heeft de juistheid aangetoond van de meening
+der inboorlingen, dat de beet van deze Hagedis ook voor den mensch
+doodelijke gevolgen kan hebben. Zij is het eenige bekende lid van
+haar onderorde, dat deze eigenschap bezit.
+
+Het Dzjila-dier (Heloderma horridum) ontleent zijn naam aan een der
+landstreken, waar het voorkomt, het stroomgebied van de Rio Gila
+(spreekt uit: Dzjila), een bijrivier van den Colorado in Arizona. Het
+wordt tot een afzonderlijke familie, die der Korsthagedissen
+(Helodermatidae), gebracht welke slechts één geslacht met twee
+soorten omvat, die Mexico en de aangrenzende deelen van de Vereenigde
+Staten bewonen. De kleur van dit merkwaardige dier herinnert aan die
+van onzen Landsalamander. De huid van de bovendeelen is donker- of
+aardbruin en met kleine vlekken bezaaid, welker kleur van geelachtig
+wit, door oranjegeel tot roodachtig geel afwisselt; de staart is met
+verscheidene gele ringen geteekend; de onderzijde heeft op vuilbruinen
+grond geelachtige vlekken.
+
+Men ontmoet het Dzjila-dier uitsluitend aan de westzijde van de
+Cordillera en niet anders dan in droge gewesten. Het heeft een
+nachtelijke levenswijze, beweegt zich langzaam en plomp, maakt jacht
+op allerlei kleine dieren--ongevleugelde Insecten, Regenwormen,
+Duizendpooten, kleine Kikkers enz.--, die het hoofdzakelijk op
+boschpaden vangt; ook graaft het soms de eieren van de Legoeanen op
+en versmaadt zelfs rottende stoffen niet.
+
+Sumichrast heeft eenige proeven genomen, die de vergiftige werking van
+den beet van dit Reptiel boven allen twijfel verheffen. Hij liet door
+een zeer jong en slecht gevoed Dzjila-dier een Hoen in de zijde bijten;
+de Vogel stierf onder duidelijke vergiftigings-verschijnselen. Een
+groote Kat, die in den achterpoot gebeten werd, verviel, na hevige
+pijn geleden te hebben, in een toestand van uitputting, waarvan zij
+weer herstelde, hoewel zij ook daarna uiterst mager en stompzinnig
+bleef. Deze bij Vogels en Zoogdieren verkregen uitkomsten werden
+aangevuld door een ervaring, die J. Stein persoonlijk betrof. Hij
+werd bij het overbrengen van een Dzjila-dier in een andere kooi in
+den vinger gebeten. Dit lichaamsdeel en de geheele arm zwollen sterk
+op onder de hevigste pijnen, hetgeen met een belangrijke verstoring
+van den gezondheidstoestand gepaard ging. Nog lang daarna was de huid
+van den gekwetsten arm geel en perkamentachtig.
+
+
+
+De Waranen (Varanidae) ontleenen hun naam aan het Arabische woord
+"waran", dat "Hagedis" beteekent en waarmede eenige van de meest
+bekende Egyptische soorten dezer familie aangeduid worden. Met
+de overige Hagedissen stemmen zij overeen, door den langgerekten
+vorm van het lichaam, den breeden rug zonder kiel (of overlangsche
+verhevenheid) en de volkomen ontwikkelde voor- en achterpooten, welker
+vijf teenen met krachtige nagels gewapend zijn. Zij verschillen
+van hunne verwanten o. a. door hun lange tong, die, evenals bij
+de Slangen, in twee draadvormige spitsen uitloopt en in een scheede
+teruggetrokken wordt. Ook de kop is niet ongelijk aan dien der Slangen,
+naar verhouding langer dan bij de overige Hagedissen; de hals, de
+romp en vooral de staart zijn eveneens slanker. De tanden zijn groot,
+kegelvormig, aan de binnenzijde van den bovenrand der kaakbeenderen
+vastgegroeid en tamelijk ver van elkander verwijderd. De bovenzijde
+van den kop is met kleine schilden bekleed, het overige lichaam met
+vierhoekige, op regelmatige dwarsreeksen gerangschikte plaatschubben,
+die op den rug klein en knopvormig, op den buik weinig grooter zijn.
+
+De Waranen bewonen het oostelijk halfrond, vooral Afrika, Zuid-Azië,
+Australië en Oceanië. Eenige soorten zijn volslagen landdieren en zelfs
+woestijndieren, die een voor hen geschikt hol tot schuilplaats kiezen,
+in welks nabijheid sommige zich over dag, andere meer in de schemering
+of zelfs des nachts met de jacht bezig houden. Verscheidene Waranen
+moeten waterdieren genoemd worden; daar zij zich uitsluitend in de
+nabijheid van 't water, in moerassen of aan rivieroevers ophouden
+en bij gevaar steeds zoo schielijk mogelijk in het water hun heil
+zoeken. Alle zijn buitengewoon vlug van beweging. Over den vasten bodem
+loopen zij met groote, slangsgewijze kronkelingen van het lichaam snel
+genoeg, om kleine Zoogdieren of zelfs Vogels in te halen; ondanks
+hun grootte klimmen zij uitmuntend. Die, welke in 't water thuis
+behooren, zwemmen en duiken behendig en lang achtereen, hoewel zij geen
+zwemvliezen bezitten. Hoewel de Waranen, wat voorkomen, bewegingen,
+aard en gewoonten betreft, niet aan de Krokodillen, maar aan de
+Hagedissen herinneren, zijn zij, in overeenstemming met hun meerdere
+grootte en lichaamskracht, roofzuchtiger, moediger en strijdlustiger
+dan hunne kleinere verwanten. Voor den mensch, en waarschijnlijk
+ook voor andere groote dieren, nemen zij steeds de vlucht, voor
+zoo ver dit mogelijk is: de landbewoners trachten bliksemsnel hunne
+holen te bereiken, de waterbewoners zoeken even haastig hun gewone
+verblijfplaats op. Wanneer de weg daarheen hun wordt afgesneden,
+stellen zij zich zonder aarzeling te weer; de pooten en de krachtige
+staart stellen hen in staat hoog boven den grond op te springen om
+een fellen aanval te doen op het gelaat en de handen van hun vijand.
+
+De Waranen gebruiken allerlei dieren als voedsel. De Nijlwaraan, die
+reeds aan de oude Egyptenaren bekend was, zooals uit afbeeldingen van
+dit dier op oude gedenkteekenen blijkt, werd vroeger beschouwd als
+een der gevaarlijkste vijanden van den Krokodil, wiens eieren en pas
+geboren jongen hij, naar men onderstelde, opzoekt en verslindt. Hoewel
+men als zeker mag aannemen, dat de Waranen bij voorkomende gelegenheden
+werkelijk de jongen van den Krokodil verslinden en evenmin de eieren
+van dit reusachtig Reptiel sparen, valt een dergelijke buit hun
+slechts zelden ten deel. Die, welke op den vasten grond leven, maken
+jacht op Muizen, Vorschen, Gelede Dieren en Wormen; de waterlievende
+leden der familie voeden zich waarschijnlijk vooral met Vorschen,
+maar versmaden stellig geen zwak Zoogdier, dat, aan den waterkant
+loopend, de voorzichtigheid uit het oog verliest,--geen Vogel,
+die de behendigheid mist om aan de aanslagen der in 't water op hem
+loerende vijanden te ontkomen. Op plaatsen waar men geen jacht op
+hen maakt, of waar het hun niet moeielijk valt zich te verbergen,
+worden de Waranen algemeen gevreesd en gehaat wegens de opruiming,
+die zij houden onder de hoendereieren en kuikens.
+
+De eieren der Waranen worden, naar het schijnt, in vrij groot
+aantal te gelijk in den grond gelegd; soms vindt men ze in een
+Termieten-nest. Ze zijn omstreeks 5 cM. lang, rolvormig, aan beide
+einden afgerond en vuilwit van kleur. Zij smaken zeer goed; hetzelfde
+geldt van het vleesch van den Waraan, dat met kalfsvleesch vergeleken
+wordt. Zoowel wegens het voordeel, dat zij op deze wijze opleveren,
+als wegens de door hen aangerichte schade spelen de Waranen in hun
+vaderland geen onbelangrijke rol in de huishouding van den mensch.
+
+
+
+De Nijlwaraan (Varanus niloticus) onderscheidt zich van de overige
+leden zijner familie door den zijdelings samengedrukten staart, die aan
+de bovenzijde een duidelijke kiel vertoont, door den vorm der tanden,
+die voor in den bek kegelvormig zijn, verder achterwaarts een stompe
+kroon hebben, voorts door de plaatsing der ronde neusgaten. Een
+volwassen exemplaar is 1.7 M. lang, waarvan 1 M. op den staart
+komt. De grondkleur is geelgroen; de teekening bestaat uit zwarte
+vlekken, uit hoefijzervormig gerangschikte, gele stippels tusschen de
+schouders en de flanken en uit reeksen van groenachtig gele punten;
+vóór iederen schouder ziet men een zwartachtigen, halfcirkelvormigen
+band; op het eerste derde deel van den staart komen geelgroene, op
+het overige stuk geelachtige ringen voor. De onderzijde is geel met
+meer of minder duidelijke, zwarte dwarsbanden.
+
+Naar het schijnt, komt de Nijlwaraan in alle rivieren van Afrika voor,
+met uitzondering van het noordwestelijke deel. In Egypte vindt men
+deze Hagedissen veel meer dan in Nubië; in Oost-Soedan worden zij
+op sommige plaatsen in aanzienlijken getale aangetroffen, maar dan
+steeds eenzaam, niet in troepen. In den regel wordt de aanwezigheid
+van het dier opgemerkt, wanneer het zich begint te bewegen en naar de
+rivier snelt: in het water houdt het zich meestal verborgen; op het
+land ligt het gewoonlijk bewegingloos in de zon. In tegenstelling met
+den Krokodil kiest het tot rust- en slaapplaats een bij een waterplas
+vooruitstekend deel van den steil afhellenden oever, bij voorkeur
+een rotsterras, dat aan dezen eisch voldoet; soms ontmoet men het
+in het struikgewas langs den oever, zelden op aanmerkelijken afstand
+van het water, waarin het woont.
+
+Het is wel mogelijk, dat de oude Egyptenaren den Waraan hebben leeren
+kennen als verdelger van de door hen als goden vereerde Krokodillen
+en hem daarom op hunne gedenkteekenen een eereplaats waardig keurden;
+in den tegenwoordigen tijd echter weet dit dier zich ook zonder jonge
+Krokodillen zeer goed te redden. Het maakt jacht op kleine Zoogdieren
+en Vogels, die in Egypte overal, en dus ook in de onmiddellijke
+nabijheid van den stroom, in groote getale voorkomen, misschien ook
+op jonge, weekhuidige Schildpadden, hoofdzakelijk echter op Visschen;
+het plundert nesten van strandvogels, bezoekt zelfs duiventillen
+en hoenderhokken en vangt tevens Insecten. De gevangene Waranen,
+waarvan Geoffroy Saint-Hilaire melding maakt, waren zeer roofzuchtig
+en overvielen met moorddadige bedoelingen alle kleinere dieren,
+die men in hun kooi bracht.
+
+Daar de Waraan, evenals de meeste Hagedissen, zich zeer goed schikt in
+gewijzigde omstandigheden, is het niet moeilijk gevangen exemplaren in
+'t leven te houden. Wanneer het hok op doelmatige wijze ingericht is,
+zullen de handelingen van den bewoner, die zich zoowel op 't droge
+als in 't water uitmuntend thuis gevoelt, zoo niet een aantrekkelijk,
+dan toch een opmerkelijk schouwspel opleveren.
+
+
+
+Op het vasteland van Indië, in het zuiden van China en op alle
+eilanden tot aan de noordkust van Australië, vooral echter op de drie
+groote Soenda-eilanden, ontmoet men den Dubbelgestreepten Waraan,
+de Kabaragoya der Singalezen (Varanus salvator, V. bivittatus). De
+bovenzijde vertoont op zwarten of bruinen grond dwarse reeksen van
+gele stippels of oogvlekken; de onderzijde is effen geel, een zwarte
+band strekt zich langs de slapen uit, aan weerszijden van den hals ziet
+men een geelachtig witte, overlangsche streep, die aanleiding gegeven
+heeft tot den soortnaam van het dier. Het kan 2.2 M. lang worden.
+
+"Men vindt het allerwege in eenigszins wilde streken", schrijft
+S. Müller, "met uitzondering echter van de hoogere gedeelten der
+groote bergen en over het geheel van de groote bergbosschen, welke
+het zelden tot verblijf kiest. Bij voorkeur houdt het zich op in meer
+bewoonde gedeelten van het land, en wel het liefst in de nabijheid
+van het water, het moge zoet zijn of zout, en in zulke streken,
+die met wild struikgewas begroeid zijn, waarin het evenzeer een
+geschikte hinderlaag als, bij vervolging, een veilige schuilplaats
+vindt. Deze Waraan is waakzaam, schuw en behendig in de vlucht;
+zijn loop is eenigszins waggelend. Ontbreekt hem op het land de
+gelegenheid zich aan het oog van een naderenden vijand te onttrekken,
+en vindt hij een rivier, een meer, moeras of zoetwaterplas in zijn
+nabijheid, dan richt hij zijn loop dadelijk derwaarts, stort zich
+in den vloed of de dras en verdwijnt. Minder gaarne werpt hij zich
+in zeewater, hetwelk alleen in den hoogsten nood zijn toevlucht
+schijnt te zijn. Hij zwemt en duikt zeer goed en daar hij tevens
+eenige kromstammige boomen met gelijk gemak beklimt, vereenigt hij
+in zijn levenswijze alle kenmerken in zich van een waar zoogenaamd
+tweeslachtig dier. Somwijlen strekt hij zich vrij langs de takken
+uit en vlijt zich ter ruste, doch, wordt hij onverhoeds door den
+mensch verrast, dan verlaat hij onmiddellijk zijn rustplaats en
+springt ter aarde. Hij zoekt steeds gedurende den dag naar voedsel,
+bestaande in allerlei Insecten, vooral Sprinkhanen, Kevers enz. en
+hunne larven, zooals ook Schaaldieren, Visschen, Kikvorschen en andere
+Hagedisachtige dieren, Vogels en kleine Zoogdieren, en het vleesch van
+krengen en andere overblijfselen van dierlijke zelfstandigheden. Op
+zekeren tijd schoten wij aan het zeestrand ter westkust van Sumatra
+een voorwerp van ruim zes voet lengte, waarover zich eenige Maleiers
+uit de nabijheid zeer verheugd toonden, vermits dit dier hun reeds
+meer dan een dozijn Hoenders had ontroofd en zij reeds dikwijls
+tevergeefs getracht hadden het te dooden. Wij vonden de maag van dit
+voorwerp gevuld met pas verslonden kleine Visschen, voornamelijk van
+het geslacht Equula, die door de visschers bij duizendtallen op het
+zand worden uitgelegd om hen later gedroogd te verkoopen. De jacht op
+Vogels, Hoenders, Muizen enz. wordt door dezen Waraan uitgeoefend, door
+deze dieren op de wijze der Katten eerst te bekruipen en vervolgens
+plotseling te bespringen. De volwassen voorwerpen van den "Biejwakh"
+zijn meestal rijkelijk van vet voorzien, hetwelk door de inlanders,
+gelijk dat der Krokodillen, als zeer heilzaam wordt beschouwd voor
+allerlei huidziekten, rheumatieke aandoeningen enz., tot welk einde
+zij de ziekelijke deelen daarmede inwrijven. Geen der inlanders,
+welke Mahomedanen zijn, gebruiken het vleesch van deze dieren tot
+voedsel; doch sommige heidensche volken en bepaaldelijk de inwoners
+van de eilanden Nias en Batoe bewesten Sumatra, mitsgaders sommige
+Dajakkers op Borneo en onderscheidene Alfoersche volksstammen in
+de Molukken, toonen zich in meerdere of mindere mate liefhebbers
+daarvan. Deze Waraan is, evenmin als een der overige soorten van het
+geslacht, waartoe hij behoort, eigenlijk valsch of boos van aard. In
+gevangenschap zal hij dan alleen naar iemand bijten, wanneer hij
+getergd en verontrust wordt. Komt men hem te na, dan opent hij wel
+den scherp getanden bek en keert zijn grooten muil den mensch dreigend
+tegen, maar een aanval waagt hij zelden. Voor het overige speelt hij,
+gelijk men het noemt, onophoudelijk met zijn tong, welke als die der
+Slangen, lang is en in twee punten uitloopt, door haar in gedurige
+beweging ver buiten den mond uit te steken en dan weder in te trekken."
+
+De leden van de lagere kasten in Indië maken zich van dezen Waraan
+gewoonlijk meester door hem op te graven uit zijn hol; zij eten daarna
+met smaak het vleesch van den dus verkregen buit. Veel belangrijker
+echter is voor de Indiërs de rol, die hij speelt bij de bereiding
+van de doodelijke vergiften, die de Singaleezen, zelfs in den
+tegenwoordigen tijd, maar al te vaak gebruiken en waarvan slangengif
+en arsenikum de werkzame bestanddeelen zijn. De onschuldige Hagedis
+is tengevolge van dit hokuspokus der gifmengers in zulk een kwaden
+naam gekomen, dat men voor haar tegenwoordig algemeen een belachelijke
+vrees koestert.
+
+
+
+In Amerika worden de echte Hagedissen (en, zoo men wil, ook de Waranen)
+vertegenwoordigd en in zekeren zin vervangen door de Tejuhagedissen
+(Tejidae). Ten deele evenaren deze hare verwanten in de Oude
+Wereld wat grootte betreft, ook komen zij met hen in lichaamsbouw
+overeen; belangrijk echter is het verschil in schedelvorm, gebit
+en schubbenkleed. De vorm van de hoogst ontwikkelde leden dezer
+familie herinnert duidelijk aan die onzer inheemsche Hagedissen. Bij
+andere is het aantal teenen tot vier verminderd. Ook zijn er, welker
+ledematen rudimentair zijn. Enkele, die uitwendig geen spoor van
+achterste ledematen vertoonen, herinneren door haar voorkomen aan
+de Wormhagedissen.
+
+Alle soorten leven in de warme gewesten van Amerika, de grootste
+natuurlijk tusschen de keerkringen. Enkele komen slechts op heete
+zandvlakten voor, andere tusschen de hooge grassen der weidegronden,
+nog andere in wouden, enkele hebben een half-onderaardsche
+levenswijze. Haar woning is een door de natuur gevormd of door haar
+zelf gegraven hol, waarin zij bij dreigend gevaar haar toevlucht
+zoeken. Door aard en bewegingen herinneren zij zoowel aan de
+Waranen als aan de echte Hagedissen, sommige ook aan de Woel- en
+Wormhagedissen. Zij zijn zeer vlug en levendig; de grootste voor
+'t rooven zeer geschikte soorten maken niet slechts op Gelede Dieren,
+Wormen en Slakken, maar ook op kleine Gewervelde Dieren jacht, soms tot
+schade voor den mensch. Hoewel zij groote vijanden en meer bepaaldelijk
+den mensch zoo lang mogelijk ontwijken, gaan zij echter, na in 't nauw
+gebracht en tot toorn vervoerd te zijn, moedig op hare aanvallers los
+en kunnen dan zelfs aan groote Honden moeite veroorzaken. De eieren
+worden in holle boomstammen gelegd. Eenige soorten, vooral de grootste,
+worden als smakelijk wild beschouwd en althans in sommige oorden,
+geregeld gejaagd; de overige laat men met vrede.
+
+
+
+De Teju's (Tupinambis) kenmerken zich door den ronden, voorbij het
+midden eenigszins samengedrukten staart en de talrijke huidplooien
+van den hals.
+
+De meest bekende soort van dit geslacht, die door de Indianen van
+de zeekust Tejuixin of bij verkorting Teju, door de Portugeesch
+sprekende Brazilianen Lagardo, in Suriname Salompenter wordt genoemd
+(Tupinambis teguixin), heeft een lengte van 92 cM., waarvan trouwens
+bijna drie vijfde op den staart komt, en is tamelijk bont van kleur. De
+grondkleur is bruinachtig zwart met zwakken, blauwachtigen weerschijn;
+de teekening bestaat op den nek uit witachtig gele, op de zijden van
+hals en kop uit reeksen van witachtige vlekken; de rug vertoont 9 à 10
+dwarse, uit ronde, gele vlekken samengestelde strepen; op den staart
+merkt men onregelmatig verspreide, gele vlekken en enkele reeksen
+van vlekken op; de pooten zijn aan de buitenzijde met geelachtige
+stippels bezaaid; op de roodachtig gele onderdeelen komen afgebrokene,
+zwarte dwarsbanden voor; ook op de keel en den onderhals vindt men
+dwarsstrepen; deze zijn hier echter geel met zwartachtigen rand.
+
+De Teju is over het grootste deel van Zuid-Amerika, van Guyana tot
+Uruguay, verbreid, bewoont ook de West-Indische eilanden en is in de
+meeste dezer landen zeer veelvuldig, meer echter, naar het schijnt,
+in de kuststreken dan in het binnenland. In bebouwde streken zoekt
+hij bij voorkeur de suikerplantages en de hieraan palende wouden
+op; in Brazilië bewoont hij droge, uit zand- of kleigrond bestaande
+gewesten en leeft hier in het struikgewas, in voorwouden of zelfs in
+de groote oerwouden van het binnenland. Elk dezer dieren gebruikt
+als woning een gat in den grond, dat het onder boomwortels graaft
+en met een wijde opening voorziet. Naar dit hol neemt het de wijk,
+zoodra het vervolgd of door een ongewoon verschijnsel verschrikt wordt.
+
+De Teju is sterk en zeer vlug, maar buitengewoon schuw; in bewoonde
+gewesten kan men hem zelden tot op korten afstand naderen; hij bijt
+uiterst fel, zelfs door dikke laarzen heen en tracht de Honden,
+die hem aanvallen, met zijn stevigen, gespierden staart geweldige
+slagen toe te brengen. Zittend, houdt hij den kop hoog, hetwelk hem
+een eigenaardig voorkomen verschaft en zeer goed staat, een indruk,
+die nog versterkt wordt door het vurige oog; loopend, ijlt hij pijlsnel
+voor zich uit, waarbij de romp en de lange, over den grond sleepende
+staart slangsgewijs bewogen worden. De tong is aanhoudend in beweging;
+zij wordt uitgestoken en ingetrokken, zelfs wanneer hiervoor volstrekt
+geen reden schijnt te bestaan.
+
+Het voedsel van den Teju bestaat uit alle levende wezens, die in
+grootte bij hem achterstaan, vooral uit Muizen, Vorschen, Wormen,
+Gelede Dieren, maar ook uit eieren en dergelijke spijzen.
+
+Over de voortplanting van dit dier geeft Schomburgk eenige
+inlichtingen. "De eieren", zegt hij, "vond ik dikwijls in de groote,
+kegelvormige nesten, die een soort van Termieten, niet slechts in de
+wouden, maar ook in plantages, in stompen van afgehouwen boomen aanlegt
+en tot op een diepte van 1 M. onder de aardoppervlakte uitbouwt. De
+Salompenter holt deze nesten uit, verslindt de bewoners en legt zijne
+eieren ten getale van 50 à 60 in de dus gevormde ruimte, in welker
+wand hij een groote, ronde opening heeft gemaakt, zoodat hij, bij den
+boomstam opklimmend, er gemakkelijk kan binnensluipen. De witte eieren
+hebben een zeer harde schaal; die van groote, oude wijfjes zijn bijna
+zoo lang als duiveneieren, maar dunner en aan beide einden stomp."
+
+De Teju behoort tot de schadelijke dieren wegens zijn driestheid
+en roofzucht; dikwijls komt hij dicht bij menschelijke woningen en
+plundert de hoenderhokken. De schade, die hij aanricht, maar meer nog
+de smakelijkheid van zijn vleesch, geeft aanleiding tot een algemeene
+en felle vervolging; met Honden, die voor deze jacht afgericht zijn,
+wordt dit wild in het woud opgezocht en in zijn hol gedreven, waarna
+men het uitgraaft en doodslaat of met hagel schiet, indien het den
+jager er den tijd toe laat. Het vleesch komt na een goede bereiding
+het meest met dat van Hoenderen overeen, is wit van kleur, lekker
+van smaak en daarom zeer gezocht.
+
+
+
+De Ameiven (Ameiva) zijn Teju-hagedissen met ronden staart zonder kam
+en kleine, kegelvormige, zijdelings samengedrukte tanden met twee-
+of driespitsige kroon. Zij nemen in Midden- en Zuid-Amerika de plaats
+in van onze Hagedissen, hebben in hoofdzaak dezelfde levenswijze en
+dragen in Brazilië denzelfden naam.
+
+De algemeenste en meest bekende soort--de Ameive (Ameive
+surinamensis)--wordt 38 à 53 cM. lang. Haar rug is grasgroen; de
+zijden van den romp zijn op groenen of bruinachtigen grond met zwart
+en geel gevlekte dwarsstreepen geteekend.
+
+De Ameive komt in geheel Zuid-Amerika voor, noordwaarts tot Nicaragua;
+zij is in de meeste landen zeer algemeen en bewoont er ongeveer
+dezelfde plaatsen als de Teju; met deze stemt zij door gewoonten,
+levenswijze, voeding en voortplanting overeen: om kort te gaan, zij is
+een Teju in miniatuur. Al hare bewegingen zijn bevallig en vlug. Als
+zij zich vrij beweegt, maakt haar romp elegante kronkelingen; door
+schrik bevangen, vlucht zij zoo merkwaardig snel, dat de toeschouwer
+haar eerder voor een Vogel dan voor een Hagedis zou houden.
+
+
+
+Sommige leden van de vorige familie zijn met rudimentaire pooten
+uitgerust. Aan deze zijn de Ringhagedissen (Amphisbaenidae) het
+naast verwant. Door haar lichaamsbouw tot graven geschikt, leiden
+zij gedeeltelijk een onderaardsch leven.
+
+Op Wormen gelijken deze dieren door hun lang, rolvormig lichaam, dat
+overal nagenoeg dezelfde dikte heeft en niet met schubben bekleed
+is, maar met een taaie, lederachtige huid, die door ringvormige en
+overlangsche groeven, welke elkander rechthoekig snijden, in een
+groot aantal kleine, langwerpige vierhoekjes is verdeeld. Zelden
+zijn tusschen deze vierhoekige huidafdeelingen grootere, veelhoekige
+schilden geplaatst; geregeld vindt men echter op den kop grootere
+huidplaten. Eén geslacht kenmerkt zich door de aanwezigheid van voorste
+ledematen: bij andere merkt men onder de huid sporen van een schouder-
+en een heupgordel op. Alle missen een uitwendig zichtbaar gehoororgaan;
+de oogen zijn bijna geheel naar boven gericht, hebben geen leden en
+zijn hoogst onvolkomen; hoogstens schemeren zij als donkere vlekjes
+door de lichaamshuid, die zich ook over hen uitstrekt, heen.
+
+Alle Ringhagedissen zonder uitzondering zijn gravende dieren; de
+meesten houden zich bijna voortdurend in Termieten-woningen op. Bij
+vele soorten kan de staart als grijporgaan dienst doen. Haar voedsel
+bestaat uit kleine Insecten, vooral Mieren en Termieten, ook uit
+Wormen.
+
+
+
+De Chiroten (Chirotes) onderscheiden zich van alle overige
+Ringhagedissen door het bezit van voorpooten met vier teenen, die,
+hoewel rudimentair, toch klauwen dragen. Een duidelijke zijdestreep
+strekt zich aan weerszijden van den romp, van den schouder tot aan
+den aars uit.
+
+De eenige soort van dit geslacht, de Chirote (Chirotes canaliculatus),
+die Mexico, Californië en het gebied van de Platte rivier (Wyoming,
+Colorado, Nebraska) bewoont, wordt ongeveer 20 cM. lang, is aan de
+bovenzijde bruinachtig vleeschkleurig, aan de onderzijde witachtig.
+
+
+
+Van het geslacht der Wormhagedissen (Amphisbaena) zijn tegenwoordig
+27 soorten bekend, die in de tropische gewesten van Afrika en Amerika
+leven. Een der meest bekende, de Ibijara der Brazilianen (Amphisbaena
+alba), heeft een lengte van 52 cM., waarvan 2 cM. op den kop en 5
+cM. op den staart komen. De bovendeelen zijn glanzig geelbruin, de
+zijden lichtgeel, de onderdeelen geelachtig wit; de kop is lichter
+gekleurd dan de rug. Haar wetenschappelijke naam alba (= wit) kreeg
+deze soort naar de verbleekte exemplaren onzer musea.
+
+De Wormhagedissen leven in den grond en vertoonen zich uitsluitend
+'s nachts en bij donker weer aan de oppervlakte. Hare gewone
+verblijfplaatsen zijn de nesten van Termieten en Mieren, welker
+larven zij verslinden. In Suriname heeten zij daarom "Mierenkoningen",
+aan den Amazonenstroom "Mierenmoeders", terwijl men ze in de overige
+landen van Amerika "Tweekoppige Slangen" noemt. In sommige oorden,
+vooral in het binnenland van Zuid-Amerika, schijnen zij veelvuldig
+te zijn; wegens haar vreemdsoortige levenswijze blijven zij echter
+licht onopgemerkt, zoodat men van haar aantal, haar aard en hare
+werkzaamheden geen juiste voorstelling verkrijgt. De bewoners van
+de oeverlanden van den Amazonenstroom en ook andere Zuid-Amerikanen
+zeggen, dat de Wormhagedissen door de Mieren verzorgd en gevoederd,
+kortom met de meeste voorkomendheid behandeld worden. Volgens
+hun meening zouden, zoodra de bedoelde Hagedissen een mierennest
+verlaten, ook de bouwmeesters van deze woning uittrekken en zich in
+alle richtingen verstrooien. Waarschijnlijk is het er net andersom
+mede gesteld: de Wormhagedissen volgen vermoedelijk de Mieren,
+wanneer deze zich genoopt zien haar nest prijs te geven.
+
+De bewegingen van deze dieren zijn vreemd; dit zal wel aanleiding
+gegeven hebben tot de in Zuid-Amerika algemeen heerschende meening,
+dat zij voor- en achteruit kunnen kruipen. "De exemplaren, die ik
+gevonden heb," zegt de Prins Von Wied, "bewogen zich nagenoeg niet,
+tenzij men ze aanstootte, en kropen dan ongeveer als Wormen over den
+grond, hetgeen als een bewijs voor de zwakheid van hun gezichtsvermogen
+kan gelden." Het langzaam kruipen belet hen niet, behendig in den
+grond door te dringen, waarbij het groote snuitschild hun belangrijke
+diensten schijnt te bewijzen.
+
+
+
+Van de familie der Ringhagedissen werden tot dusver op het oostelijk
+halfrond weinige vertegenwoordigers aangetroffen. Een daarvan, de
+Grauwe Networmhagedis (Blanus cinereus), wordt 22 cM. lang en heeft
+een grijsbruinachtige kleur; zij kenmerkt zich door den vorm van
+de schilden op den kop en den betrekkelijk langen, kegelvormigen
+staart. Zij werd in Spanje, Portugal, Marokko en Algerië gevonden
+en leeft onder de aardoppervlakte, vooral onder steenen en in
+mierenhoopen. Aanvankelijk zou men dit dier licht voor een Regenworm
+kunnen houden; zijn ware aard blijkt, wanneer het zich beweegt, daar
+dit niet door samentrekking en uitzetting van het lichaam, maar door
+zijdelingsche kronkelingen geschiedt. Het voedt zich hoofdzakelijk
+met kleine Duizendpooten.
+
+
+
+De Echte Hagedissen (Lacertidae) hebben een langwerpig rolvormigen
+romp; de grenzen tusschen kop en hals vallen duidelijk in 't oog;
+de spits eindigende, brooze staart is zeer lang; de vier ledematen
+zijn alle met vijf teenen voorzien. Het trommelvlies is uitwendig
+zichtbaar; de oogleden zijn goed ontwikkeld en kunnen meestal bewogen
+worden. De opperhuid vormt op den kop beenharde, veelhoekige schilden,
+op den rug en de zijden korrelige schubben (nooit gesteund door
+in de lederhuid gevormde beenplaten), op den buik overlangsche en
+dwarse reeksen van vierhoekige schilden. Kegelvormige, holle tanden
+met twee- of driespitsige kroon zijn in een groeve van de boven-
+en onderkaaksbeenderen vastgegroeid; de tong is plat en gevorkt,
+d. w. z., loopt in twee spitsen uit.
+
+Alle echte Hagedissen zijn bewoners van de Oude Wereld; ook in Europa
+worden zij door vele soorten vertegenwoordigd. Met uitzondering
+van den Hazelworm, behooren alle inheemsche Hagedissen tot deze
+familie. In Zuid-Europa is het aantal soorten veel grooter; vooral
+Afrika is er rijk aan. De weinige soorten, die Oost-Azië bewonen,
+munten uit boven hare verwanten door haar merkwaardige snelheid van
+beweging en de buitengewone lengte van den staart, welke het vier-
+of vijfvoud is van de lichaamslengte. In 't geheel heeft men ongeveer
+100 soorten beschreven, die over 17 geslachten verdeeld zijn. Voor
+ons doel zal een beschrijving van de drie inheemsche en van twee
+Zuid-Europeesche soorten voldoende zijn.
+
+
+
+De inheemsche Hagedissen kiezen hellingen van zonnige heuvels,
+muren, steenhoopen, ruimten onder boomwortels, heggen, omheiningen
+en struikgewas, zonnige weiden, enz. tot verblijfplaats, graven hier
+een hol of maken gebruik van een reeds in den grond aanwezig gat;
+zelden verwijderen zij zich ver van dit middelpunt van hun gebied. "Een
+eigenaardigheid, die de Hagedissen met zeer veel lagere dieren gemeen
+hebben," zegt Leydig, "is haar innige gehechtheid aan het plekje
+grond, waar zij ter wereld kwamen. Men zal in streken, die men door
+herhaald bezoek goed kent, opmerken, dat de Hagedissen zich jaar
+op jaar aan bepaalde oorden houden, zonder zich te verbreiden over
+omgevende terreinen, die oogenschijnlijk even goed voor haar geschikt
+zijn. Verhuizingen komen eerst dan voor, als het geboorte-oord geen
+ruimte genoeg meer aanbiedt."
+
+Bij warm weder vindt men de Hagedissen buiten haar woning; bij
+voorkeur liggen zij op een zonnige plek op de loer; hare fonkelende
+oogen waren rond naar allerlei buit, vooral vliegende Insecten;
+op koele en regenachtige dagen houden zij zich verborgen in hare
+holen. Zij zijn in de ware beteekenis van 't woord afhankelijk van
+de zon, vertoonen zich, als deze aan den hemel staat en verdwijnen,
+zoodra zij zich verbergt. Om zich in de zon te koesteren zoeken zij
+steeds de plaatsen uit, die het best toegankelijk zijn voor de warmte
+en klimmen daarom bij boomstammen, palen en dergelijke voorwerpen
+omhoog. Door de ribben op te lichten en hiermede de huid uit te
+spannen, verbreeden zij den romp en maken hem zoo plat mogelijk, als
+om geen enkele straal van het levenwekkende hemellichaam verloren te
+laten gaan. Hoe feller de zon schijnt, des te duidelijker openbaren
+zich haar bedrijvigheid en haar moed. In de morgen- en avonduren zijn
+zij soms traag en bijzonder zachtmoedig; op het midden van den dag
+merkt men bij haar niet slechts een buitengewone levendigheid, maar
+dikwijls ook moed op; soms zelfs zoeken zij ruzie. Hoe meer het einde
+van den herfst nadert, des te langer blijven zij in hare holen. Hier
+te lande betrekken zij in het begin van October hare winterkwartieren,
+die zij niet voor den aanvang van de lente verlaten.
+
+De tijd, waarin zij haar winterslaapplaats opzoeken, hangt niet
+slechts af van de door haar bewoonde landstreek, maar is ook voor
+verschillende soorten ongelijk en loopt ook uiteen in verband met
+leeftijd en sekse: de oude mannetjes verdwijnen in den herfst eerder
+dan de oude wijfjes en deze weer eerder dan de jongen. Daarentegen
+verschijnen in 't voorjaar de laatstgenoemde het eerst; op hen volgen
+de mannetjes, zoodat de wijfjes het laatst voor den dag komen. In
+het winterkwartier zijn zij meestal gezellig bijeen; zij liggen er
+bewegingloos, met gesloten oogen, doch met geopenden bek, herleven
+echter, zoodra men ze verwarmt, beginnen zich te bewegen, te ademen,
+openen de oogen en worden langzamerhand geheel wakker.
+
+Bijna alle Hagedissen dragen aanmerkelijk bij tot verfraaiing van
+de landstreek, die zij bewonen. In ons vaderland bemerkt men hiervan
+niet veel, reeds in Zuid-Europa echter spelen zij in het landschap een
+niet onbelangrijke rol. Haar talrijkheid blijkt uit het geschuifel en
+geritsel, dat men hier overal hoort; zij verlevendigen iederen muur,
+iedere straat, bijna iederen weg. Een werkelijk schitterende pracht
+bekoort het oog, wanneer het deze fraai gekleurde, glinsterende dieren
+in de middaguren, als haar levenswerkzaamheid de grootste hoogte
+heeft bereikt, schijnbaar spelend ziet ronddartelen. Als een snoer
+van edelgesteenten kronkelt zich, volgens Erhard, het slangvormige
+lichaam van de Smaragdhagedis, dat met de kleur en den glans van
+koper, brons en goud prijkt, door de tusschenruimten der twijgen en
+bladen van de vijgen- en karoebenboomen der overigens zoo stille
+en eentonige Cycladen. In welk ander oord van het zuiden men ook
+vertoeft, overal flikkert van het sierlijke schubbenkleed der daar
+levende soorten van Hagedissen de glans van juweelen den bezoeker te
+gemoet. In welwillendheid en bewondering verandert weldra het angstige
+gevoel, dat aanvankelijk door het geritsel en geschuifel dezer dieren
+bij vreesachtige personen werd opgewekt. Zelfs wanneer men nog geen
+kennis heeft gemaakt met de aantrekkelijke inborst en verrichtingen
+dezer Reptiliën, zal men genegenheid voor hen opvatten.
+
+Alle Echte Hagedissen zijn vlugge, wakkere, levendige, met fijne
+zintuigen begaafde en betrekkelijk schrandere dieren. Als zij zich
+niet in de zon koesteren, doorkruisen zij gaarne het door haar
+bewoonde gebied, kortom zij zijn steeds bezig. Duidelijk openbaren
+zij dan de veelzijdigheid van haar bewegingsvermogen. Alle kunnen
+uiterst vlug loopen, behendig klimmen en, zoo noodig, ook zonder
+merkbare inspanning zwemmen; de vaardigheid, welke zij bij ieder
+van deze verrichtingen toonen, is echter bij de eene soort en
+de andere zeer verschillend. Zoo lenig hare gewrichten zijn, zoo
+voortreffelijk ontwikkeld zijn hare zintuigen. De levendigheid van
+de oogen getuigt van een scherp gezicht; het vermogen om te hooren
+is zoo goed, dat reeds het geringste gedruisch haar aandacht trekt;
+een fijn gevoel blijkt uit haar voorkeur voor een warm plekje, een
+uitmuntend tastvermogen uit het voortdurend uitsteken en terugtrekken
+van de tong. Dit orgaan schijnt echter bovendien nog gevoelig voor
+smaakprikkels; alle Echte Hagedissen zonder uitzondering houden
+veel van zoete vruchtensappen, honig of suiker en onderscheiden
+deze lekkernijen zeer goed van ander voedsel; hierbij bewijst echter
+ook de reukzin goede diensten. Geëvenredigd aan de volkomenheid van
+hare zintuigen is ook de ontwikkeling van hare geestvermogens. Wat
+het verstand betreft, staan zij stellig bij geen ander lid van haar
+klasse ten achter; maar overtreffen ook in dit opzicht de meeste van
+hare verwanten.
+
+De Hagedissen zijn flinke roovers. Zij maken ijverig jacht op Insecten,
+Regenwormen en Landslakken, overvallen soms kleine Gewervelde Dieren,
+plunderen nesten uit en verslinden o.a. ook eieren van andere Kruipende
+Dieren. Spinnen lusten zij gaarne; gretig verslinden zij Naakte
+Tuinslakken; minder begeerig zijn zij naar Regenwormen. Vlinders,
+Krekels, Sprinkhanen, Kevers en hunne larven schijnen haar
+lievelingskost te zijn. Zij maken echter wel degelijk verschil
+tusschen de eene soort en de andere, al gelijken beide zooveel op
+elkander, dat een ongeoefend mensch het onderscheid niet opmerkt. In
+den gevangen staat geraken de meeste soorten gewend aan rauw vleesch,
+mierenpoppen en ei, sommige ook aan vruchten; ook dan echter geven
+zij aan levende dieren de voorkeur boven ieder ander voedsel. Zij
+vatten haar slachtoffer plotseling aan, dikwijls na een grooten sprong,
+kneuzen het met de tanden en slikken het daarna langzaam door. Groote
+Insecten grijpen zij met den bek en bedwelmen hen door langdurig heen
+en weer schudden; soms laten zij haar prooi dan een oogenblik los,
+kijken er naar en vallen er op nieuw op aan. Naar Reptiliën-aard
+vervolgen, dooden en verslinden zij ook hare eigene jongen zonder
+mededoogen. Op warme, zonnige dagen drinken zij veel; dit geschiedt
+door de tong langzaam, maar vele malen achtereen in de vloeistof te
+doopen. Gretig en met blijkbaar genot slikken zij honig en suiker op
+en verorberen het sap van zoete vruchten, waaruit misschien valt af
+te leiden, dat zij in de vrije natuur vruchten niet geheel versmaden.
+
+In de lente, kort na het verlaten van het winterverblijf, ontwaakt in
+haar de aandrift tot voortplanting; de mannetjes zijn dan buitengewoon
+strijdlustig; vol woede vervolgt het sterkere dier het zwakkere, heft
+den romp zoo hoog mogelijk op door het strekken der stijf gehouden
+pooten en doet met naar onderen gerichten kop een aanval op zijn
+tegenpartij; deze ziet den vijand een tijdlang aan, om vervolgens,
+zoodra hij zich overtuigd heeft van diens meerdere sterkte, zijn
+heil in de vlucht te zoeken. De aanvaller snelt den vluchteling met
+den grootst mogelijken spoed na en is soms zoo toornig, dat zelfs
+het wijfje, wanneer het hem in den weg komt, gevaar loopt gebeten
+te worden. Den vluchteling tracht hij bij den staart te pakken; een
+verminking van dit lichaamsdeel wordt bij de Hagedissen dikwijls
+opgemerkt. Ongeveer 4 weken na de eerste paring, gewoonlijk des
+nachts, legt het wijfje 6 à 12 eieren; deze hebben de grootte van
+boonen, zijn langwerpig rond en vuilwit van kleur. De wijze waarop de
+eieren verborgen worden, hangt van de plaatselijke omstandigheden af;
+dikwijls dient hiervoor een zonnig plekje in het zand of tusschen de
+steenen; soms worden de eieren in het mos gelegd of in de woningen
+van de groote zwarte Mieren, die het haar toevertrouwde pand niet
+aanraken. De jongen komen in het midden van den zomer uit de eischaal
+te voorschijn, zijn dadelijk even vlug van beweging als hunne ouders,
+vervellen nog in den herfst van het eerste levensjaar en zoeken daarna
+een schuilplaats op voor hun winterslaap.
+
+De oude dieren vervellen in den loop van den zomer herhaaldelijk; dit
+geschiedt op onbepaalde tijden; hoe dikker, grooter en beter gevoed
+zij zijn, des te vaker heeft de vernieuwing van de opperhuid plaats.
+
+Van Hagedissen in de kooi kan men veel genoegen smaken; ieder die
+zich met deze dieren bemoeit, wint reeds na weinige dagen, wel is
+waar niet hun genegenheid, maar toch hun vertrouwen. Aanvankelijk
+vluchten zij bij de komst van hun verzorger angstig naar den meest
+verborgen hoek van hun kooi; later steken zij nieuwsgierig het
+kopje buiten hun toevluchtsoord en kijken naar den verstoorder
+van hun rust; eindelijk gaan zij bij diens komst niet meer op den
+loop, laten toe, dat hij hen aanraakt en streelt, en nemen hem het
+hun voorgehouden voedsel behendig en netjes tusschen de vingers
+weg. Sommige exemplaren, die op gevorderden leeftijd gevangen zijn,
+worden trouwens nooit tam. Een vermakelijk schouwspel verschaft men
+zich door aan verscheidene Hagedissen slechts één enkelen, langen Worm
+te geven; zij trachten dan elkaar den buit te ontstelen, vatten dezen
+op verscheidene plaatsen te gelijk aan en scheuren hem heen en weer,
+totdat hij breekt, of de eene hem de andere uit den bek rukt.
+
+
+
+Het typische geslacht der Halsbandhagedissen (Lacerta) heeft de
+volgende kenmerken: De meer of minder slanke romp is rolvormig of een
+weinig van boven naar onderen samengedrukt; de piramidevormige kop
+heeft loodrecht benedenwaarts gerichte zijvlakken; de hals is ongeveer
+zoo lang als de kop en niet zeer duidelijk begrensd; de staart is
+steeds langer dan de romp, slank kegelvorming, dikwijls zeer lang, dun
+en spits. De bekleeding bestaat op den kop en den buik uit schilden,
+overigens uit schubben, die op den romp ringsgewijs gerangschikt zijn,
+aan den staart kransen vormen, aan den hals zich door buitengewone
+grootte onderscheiden en tot een ringkraag vereenigd zijn. De vijf
+teenen zijn zeer verschillend van lengte en dragen sikkelvormige
+zijdelings samengedrukte klauwen, die aan de onderzijde een groeve
+vertoonen.
+
+
+
+In het zuidwesten van Europa leeft de grootste soort, tevens een
+van de prachtigste leden der geheele orde: de Parelhagedis (Lacerta
+ocellata). Zij bereikt een lengte van 41 à 61 cM. De schubben zijn
+bij haar aanmerkelijk kleiner dan bij de overige leden van haar
+geslacht. De kop is van boven bruinachtig en met schilden bedekt; de
+zijden van den kop zijn groen; de rug is op donkeren grond zoo dicht
+bezaaid met groene of geelachtige, dooreengekronkelde lijnen, dat de
+lichte kleur dikwijls de overhand heeft; iedere zijde is bovendien met
+ongeveer 25 blauwe, zwart gezoomde vlekken geteekend, hieraan dankt
+deze soort haar naam; het onderlijf is effen licht geelachtig groen;
+alle overige lichaamsdeelen zijn meer of minder levendig groen of
+groengrijs. De jonge dieren verschillen van de oude door hun somber
+olijfbruine kleur en de talrijkheid van de witte of blauwachtige,
+zwart gezoomde oogvlekken.
+
+De Parelhagedis bewoont het Iberische schiereiland, maar komt ook
+voor in het zuiden van Frankrijk en aan de noordwestkust van Afrika;
+haar verbreidingsgebied strekt zich noordwaarts even ver uit als dat
+van den olijfboom. In Zuid- en Middel-Spanje is zij overal gemeen.
+
+Haar voedsel stemt nagenoeg overeen met dat der inheemsche Hagedissen;
+wegens haar aanzienlijke grootte maakt zij echter bij voorkeur jacht
+op grootere dieren, vooral op andere Hagedissen, jonge Slangen en
+Muizen; bovendien eet zij druiven, versche vijgen en andere zoete
+vruchten. "Als zij een buit bemerkt", zegt Schinz, "blijven hare
+vurige blikken onafgebroken gericht op het slachtoffer, dat met
+groote snelheid besprongen, met de tanden gegrepen en vervolgens door
+het hevig schudden van den kop eenige malen heen en weer geslingerd
+wordt; daarna glijdt het gevangen en gekneusde dier langzaam door den
+slokdarm. Vervolgens lekt zij zich in hoogst genoegelijke stemming den
+bek af met de tong, gelijk een Kat doet na het drinken van melk". Duges
+heeft haar ook Vogels en Kruipende Dieren, ja zelfs leden van haar
+eigen soort zien verslinden.
+
+De Parelhagedis wordt, daar zij zich goed verweren kan, door minder
+vijanden bedreigd dan hare kleinere verwanten. Hare gevaarlijkste
+tegenstanders zijn de Roofvogels, vooral de Slangenarend en de
+Buizerden, die bij dit bedrijf ook de Raaf tot concurrent hebben. De
+Spanjaarden houden de Parelhagedis voor vergiftig, zijn bespottelijk
+bang voor dit dier en toonen vaker dan wenschelijk is, hun vrees door
+het te dooden.
+
+
+
+De Smaragdhagedis of Groene Hagedis, de Grüneder der Duitsche
+wijnbouwers, de Gruenz der Tirolers (Lacerta viridis), komt in ons
+vaderland niet voor, maar neemt onder de in Duitschland levende
+soorten den eersten rang in door haar grootte en schoonheid. Zij
+bereikt bij onze buren een lengte van 30, in Zuid-Europa van 43 cM. De
+levendige, dikwijls iriseerende, groene kleur van het mannetje vertoont
+verschillende tinten, die van blauwachtig groen door smaragdgroen tot
+seladongroen afwisselen, en gaat op de onderdeelen in groenachtig
+geel over. Zwarte stippels, die zich op den kop soms tot vlekken
+vergrooten, versieren de bovenzijde; de onderzijde daarentegen is
+(met uitzondering van de keel en de onderkaak, die dikwijls blauw
+zijn) steeds effenkleurig. Het wijfje komt niet zelden in kleur
+met het mannetje overeen, heeft dikwijls ook een blauwe keel, maar
+overigens in den regel een meer of minder naar bruin zweemend kleed,
+dat aan de zijden met geelachtige, zwart gezoomde, op overlangsche
+reeksen geplaatste vlekken prijkt.
+
+De landen ten oosten en ten noorden van de Middellandsche zee moeten
+als het vaderland van de Smaragdhagedis beschouwd worden. Zij is
+in Portugal en Spanje veelvuldig, komt in Frankrijk voor tot bij
+Parijs, bewoont Italië, met uitzondering van het eiland Sardinië,
+voorts het zuiden en westen van Zwitserland en het zuiden van Tirol;
+zij is op het Balkan-schiereiland een van de algemeenste soorten,
+bewoont eveneens het Donaugebied en Zuid-Rusland, Perzië zoowel als
+Kaukasië, Klein-Azië, Syrië en Palestina; in geringen getale vindt
+men haar bovendien hier en daar in Duitschland en Oostenrijk.
+
+
+
+De eenige soort, die algemeen in ons land voorkomt en daarom Gewone
+Hagedis wordt genoemd (Lacerta agilis), bereikt een lengte van
+hoogstens 25, meestal slechts van 20 of 21 cM., waarvan ongeveer de
+helft op den staart komt. Haar kleur kan zeer uiteenloopen. "Het
+mannetje is gewoonlijk aan de rugzijde bruinachtig met twee
+lichtgele strepen en eenige rijen zwarte vlekken, aan de buikzijde
+groenachtig. De rug van het wijfje is gewoonlijk ook bruinachtig,
+maar deze kleur gaat op de zijden in blauwgrijs over, terwijl de
+buikzijde groengeel of zelfs zuiver geel is. Ook bij 't wijfje is de
+rugzijde met zwarte vlekken geteekend; over 't midden van den rug
+loopt een zwarte streep, die zich voortzet op den staart, waar zij
+aan weerskanten vergezeld wordt door twee andere zwarte strepen"
+(Ritzema Bos). Bij sommige exemplaren is de kleur met meer groen
+gemengd; in Duitschland heeft men mannetjes van deze soort gevonden,
+die, wat kleur en teekening betreft, op de Smaragdhagedis geleken.
+
+De gewone Hagedis (die soms ook Zandhagedis, in de Hollandsche
+duinstreken Eidas, in Gelderland en Overijsel meestal Everdas,
+in het land van Kuik Egetis wordt genoemd) bewoont Noord-, Middel-
+en Oost-Europa, van de Alpen tot het zuiden van Engeland en Zweden,
+van den Kaukasus tot aan de Finsche Golf en westwaarts tot aan het
+midden van Frankrijk. Hellingen van zonnige heuvels, vooral als
+zij met kreupelhout begroeid zijn, heiden, steenglooiïngen, heggen,
+woudzoomen, randen van wegen en vooral spoordammen zijn hare meest
+geliefde verblijfplaatsen; zij ontbreekt echter ook niet op schrale
+weiden en in niet al te vochtige moerassen; zij vestigt zich overal,
+waar zij op buit kan rekenen. Bij ons vindt men haar in alle droge,
+zandige streken, zoowel op diluvialen zandgrond als in de duinen,
+het meest daar, waar kreupelhout groeit.
+
+Met graagte verslinden deze Hagedissen Vlinders, vooral Witjes; zij
+bewijzen hierdoor den tuinman een dienst. Boettger verhaalt, dat zijne
+tamme Hagedissen, terwijl hij voor haar Witjes ving in den tuin, hem
+met hare blikken volgden en alle met opgeheven kop, aan de naar hem
+toegekeerde zijde van de kooi, om voedsel bedelden. Om de Vlinders
+te grijpen, die hij haar toestak door de mazen van het draadnet,
+waarmede de kooi bedekt was, sprongen zij omhoog als Honden. De
+Gewone en Kleine Hagedis bewonen nooit hetzelfde oord, zooals licht
+verklaarbaar is voor ieder, die waargenomen heeft, hoe fel gene op
+de jongen van deze jacht maakt.
+
+Onder de bijna tallooze vijanden van de Gewone Hagedis en van hare
+kleinere verwanten verdienen de Gladde Slang en de Adder misschien
+wel den voorrang. Verscheidene soorten van Marters, Valken, Raven,
+Eksters, Vlaamsche Gaaien, Klauwieren, Huishoenderen, Kalkoenen,
+Pauwen, Ooievaars en Eenden maken eveneens jacht op haar en verslinden
+haar, oogenschijnlijk met smaak.
+
+De Kleine Hagedis (Lacerta vivipara) komt in ons vaderland zelden
+voor. Zooals reeds gezegd werd, ontmoet men haar nooit in oorden,
+waar de Gewone Hagedis zich ophoudt. Bij Arnhem, bij Leiden en bij
+Nijmegen werd zij in bosschen onder droge bladen gevonden. Haar lengte
+bedraagt 15 à 18 cM., waarvan 10 à 11 cM. op den staart komen. De kop,
+de romp en de teenen zijn bij haar een weinig tengerder en fijner
+gebouwd dan bij de Gewone Hagedis. De donkerbruine grondkleur van de
+rugzijde kan in leikleur overgaan, doch vormt steeds donkerder strepen
+op het midden van den rug en op iedere zijde. De onderzijde is op
+bruinachtig of blauwachtig grijzen, geelachtig witten, safraangelen of
+steenrooden grond zwart gestippeld of gevlekt; de keel is blauwachtig,
+niet zelden echter rozerood.
+
+Het verbreidingsgebied van de Kleine Hagedis omvat verreweg het
+grootste deel van Noord- en Middel-Europa en strekt zich bovendien uit
+over geheel Noord-Azië tot aan den Amoer en het eiland Sachalin. Bij
+voorkeur houdt zij zich op in de nabijheid van water, in bergstreken
+daarom in vochtige kloven, bij bergbeken, bij of in kanalen tot
+het afleiden van het water, in dalen echter op vochtige weiden,
+in moerassen en bij dammen.
+
+Den naam vivipara (levendbarend) ontleent deze soort aan de plaats waar
+hare jongen zich soms ontwikkelen; soms n.l. verlaten zij de eischaal
+reeds vóór de geboorte, meestal echter kort daarna. In Zuid-Duitschland
+geschiedt dit gemiddeld in het einde van Juli en altijd 's nachts;
+het aantal jongen bedraagt 8, hoogstens 10; nog door de eischaal
+omgeven komen zij met tusschenpoozen van 2 minuten ter wereld en
+zijn een half uur later er in geslaagd zich te bevrijden. De moeder
+bekommert zich volstrekt niet om hen, maar loopt weg, zoodra zij het
+laatste ei gelegd heeft. De jongen groeien schielijk; die, welke bij
+de geboorte 15 mM. lang waren, hadden na 20 dagen reeds een lengte van
+27 mM. Leydig voedde ze met Bladluizen, die gretig verslonden werden.
+
+Nog zeldzamer dan de vorige soort is bij ons de even sierlijke als
+behendige Muurhagedis (Lacerta muralis), die op droge, steenachtige,
+zonnige plaatsen leeft en enkele malen nabij Nijmegen aan den voet
+der walmuren, aan de randen van grindkuilen en greppels op de heide;
+bovendien in en bij Groningen aan muren gevonden werd. In Zuid-Italië
+bereikt deze soort een lengte van 20 à 24 cM.; in de noordelijke landen
+wordt zij slechts 18 à 19 cM. lang. Van hare verwanten onderscheidt
+zij zich zoo duidelijk door de slankheid van den romp, den langen
+kop met smallen snuit en den zeer spitsen staart, waarvan de lengte
+meer dan de helft van de totale lengte bedraagt, dat het bijna niet
+mogelijk is haar met een van deze te verwarren. Volgens Leydig is de
+grondkleur van den rug bij de in Duitschland gevangen exemplaren bruin
+of groen; bij goede verlichting, vooral in 't zonlicht, vertoonen zij
+duidelijk een bronsgroenen weerschijn; voorts kan men er een donkerder,
+reeds bij den kop beginnende zijdestreep en een uit vlekken of wolkjes
+bestaande teekening aan waarnemen. De grensscheiding tusschen zijde en
+buik wordt aangewezen door een overlangsche reeks van blauwe vlekken;
+de kleur van den buik is meer of minder donkerbruin en wisselt af van
+melkwit door geel tot koperrood; soms is zij effen, dikwijls echter
+met wolkjes of vlekken geteekend. Van deze soort komen talrijke
+kleurverscheidenheden voor.
+
+De Muurhagedis wordt in alle landen, die de Middellandsche Zee omgeven,
+zoo niet veelvuldiger dan iedere andere soort van haar familie,
+dan toch buitengewoon talrijk en overal gevonden. Van Zuid-Europa
+uit heeft zij zich, naar 't schijnt, langzamerhand over 't midden
+van ons werelddeel verbreid.
+
+Hare bewegingen en gewoonten, haar aard en levenswijze komen nog
+het meest met die van de Smaragdhagedis overeen. Al hare bewegingen
+geschieden plotseling, veel vlugger en behendiger dan die van hare
+inheemsche verwanten, maar zijn toch niet onbevallig. Voor een
+Reptiel is haar verstand opmerkelijk groot; zij toont dit duidelijk
+bij iedere gelegenheid door een juiste beoordeeling van den mensch
+en van de omstandigheden, waarin zij verkeert: inniger dan eenige
+andere soort komt zij met den mensch in aanraking; de ervaring leert
+haar, in welke gevallen zij den mensch vertrouwen kan, en wanneer
+niet. Toch laat ook zij zich soms op een bijna onbegrijpelijke wijze
+verschalken. Eimer leerde, toen hij niet naar wensch slaagde bij de
+vangst van Muurhagedissen, die op Capri zeer veelvuldig, maar ook zeer
+schuw zijn, van de knapen van dit eiland een bijna nimmer falend middel
+om deze vlugge en behendige dieren in handen te krijgen. Hiervoor
+is niets anders noodig dan een lange grashalm, welks dunste uiteinde
+tot een strik wordt vervormd, die zóó met speeksel wordt bevochtigd,
+dat dit als een dun plaatje de opening van de lus vult. Bij 't zien
+van de Hagedis gaat de jager op den grond liggen of zitten, brengt
+in deze houding zoetjes aan de strik nader bij het diertje en houdt
+het eindelijk met ver uitgestrekten arm de lus vlak voor den kop. De
+Hagedis blijft als betooverd staan en kijkt verwonderd naar het
+onbekende voorwerp; uit nieuwsgierigheid laat zij haar beschroomdheid
+varen en volgt den achteruit bewogen strik, die plotseling haar
+over den kop geworpen en toegetrokken wordt. Eimer, die aanvankelijk
+meende, dat het bonte kleurenspel van het speekselplaatje of het zien
+van haar spiegelbeeld de Hagedis aanlokte, bemerkte later, dat het
+dier zich ook wel laat verschalken door een strik zonder dergelijk
+toevoegsel. Met schitterend succes werd zijn jacht bekroond, toen hij
+na deze ontdekking bij latere uitstapjes gebruik maakte van de hulp
+van knapen, die in deze wijze van vangst ervaren zijn. Een tot heden
+gespaard, prachtig beeld uit ouden tijd (de Sauroktonos) bewijst,
+dat deze verrassende kunstgreep niet nieuw is; zij was reeds voor
+2000 jaar aan de Zuid-Italiaansche knapen bekend.
+
+
+
+De Skink- of Woelhagedissen (Scincidae) vormen een zeer soortenrijke
+familie, waarin niet minder verscheidenheid van gestalte wordt
+waargenomen dan in die der Teju- en Gordelhagedissen; ook hier vindt
+men door het rudimentair worden der ledematen en de verlenging van den
+romp allerlei overgangen van den typischen Hagedis-vorm tot dien der
+Slangen. De pooten zijn, voorzoover aanwezig, steeds kort. Regelmatige
+schilden bekleeden den kop, gelijksoortige schubben den rug, den buik
+en de zijden. Een zijdegroeve is hier niet aanwezig.
+
+De Skinkhagedissen bewonen alle werelddeelen van de uiterste grenzen
+van den gematigden gordel tot aan den evenaar; zij zijn vooral in
+Australië, op de Zuidzee-eilanden, in Oost-Indië en in Afrika talrijk,
+in Europa en Amerika daarentegen schaars vertegenwoordigd.
+
+
+
+Kleine Woelhagedissen, welker doorzichtige oogleden onbeweeglijk en
+met elkander vergroeid zijn, zoodat zij, als die der Slangen, bij
+wijze van een horlogeglas het oog bedekken, vormen het geslacht der
+Naaktoogigen (Ablepharus), welks vertegenwoordigers in de tropische en
+zuidelijke landen van Afrika, Australië en Zuidwest-Azië, maar ook in
+Zuidoost-Europa leven; één soort heeft een zeer ongewone verspreiding,
+daar zij de tropische gewesten van beide halfronden bewoont.
+
+Vermelding verdient vooral de Sint-Jans-hagedis (Ablepharus
+pannonicus), omdat zij tot in Hongarije aangetroffen wordt. Dit
+aardige diertje heeft een langwerpig rolvormigen romp, die zoomin van
+den hals als van den langen, ronden, langzamerhand dunner wordenden
+staart duidelijk gescheiden is; de voorste ledematen zijn ver van
+de achterste verwijderd en korter dan deze; het kleed bestaat uit
+tamelijk gelijksoortige, gladde schubben. De bovenzijde is grootendeels
+bronskleurig olijfbruin, op 't midden van den rug dikwijls met twee
+zwarte, overlangsche lijnen geteekend; de zijden van het lichaam zijn
+iets donkerder; een zwartachtige, aan weerszijden lichter gezoomde
+streep begint bij het neusgat, loopt door tot achter het oog en
+zet zich achterwaarts voort als een langzamerhand flauwer wordende,
+donkere zijdestreep; de onderzijde is groenachtig zilverkleurig. Van
+de lengte, die 9 à 11 cM. bedraagt, komt juist de helft op den staart.
+
+De Sint-Jans-hagedis wordt vooral in Hongarije en hier meer
+bepaaldelijk op met kort gras begroeide hellingen gevonden; zij komt
+echter ook in andere landen van Zuidoost-Europa, bijvoorbeeld in
+Griekenland en Turkije, voorts in Klein-Azië, Syrië en Noord-Arabië
+voor, zeer zeker veelvuldiger dan men gewoonlijk veronderstelt. In
+het Stadsboschje te Pest en aan de hellingen van de Vestingbergen
+van Ofen moet zij niet zeldzaam zijn.
+
+
+
+Eén Woelhagedis--de Skink (Scinus officinalis), de Adda der
+Arabieren--heeft zich in den ouden tijd een grooten roem verworven
+en heeft dezen lang weten te behouden. Bijna alle lichaamsdeelen van
+dit dier werden als wonderdadige geneesmiddelen beschouwd, die bij
+alle mogelijke ziekten een gunstige werking heetten te oefenen. Als
+natuurlijk gevolg van deze meening, die thans ook nog bij enkele
+Mahomedanen bestaat, werden de bedoelde diertjes zoo ijverig mogelijk
+vervolgd en bij duizenden gevangen. Een drukke handel werd gedreven met
+hunne gedroogde of tot asch verbrande lichamen. Met dat al weten wij
+slechts weinig van hun levenswijze. Terwijl de andere leden van dit
+geslacht over de steppen en woestijnachtige Gewesten van Senegambië,
+Noord-Afrika, Arabië, Perzië en Sind verbreid zijn, bewoont de gewone
+Skink de Sahara en de woeste gewesten langs de oevers van de Roode
+Zee. In Egypte en Nubië is hij niet zeldzaam, in de Algerijnsche en
+Tripolitaansche Sahara zeer veelvuldig. Ondanks zijn snellen gang zal
+hij zich bij dreigend gevaar niet loopend trachten te redden, maar
+onder het zand kruipen; dit geschiedt zoo wonderbaarlijk vlug, dat
+hij reeds na weinige oogenblikken een afstand van verscheidene meters
+onder den grond heeft afgelegd. Volgens de berichten der Arabieren
+verslindt hij, behalve allerlei Insecten, niet zelden ook Schorpioenen.
+
+De Skink heeft een zeer gedrongen lichaamsbouw en korte ledematen. Alle
+vier pooten dragen vijf ongelijk lange, van boven naar onderen plat
+gedrukte teenen, die aan de zijden als 't ware met franjes bezet en tot
+aan den oorsprong vaneengescheiden zijn. De bovenzijde is grijsgeel en
+dikwijls met verscheidene dwarsbanden geteekend, die bij het levende
+dier paars, na den dood bruin zijn. De onderdeelen zijn effen wit met
+paarlmoerglans. In geheel volwassen toestand is deze Skink 21 cM. lang.
+
+In lengte en dikte komt de Koperslang, de Chalcis der Grieksche, de
+Seps der latere Romeinsche schrijvers (Chalcides tridactylus), ongeveer
+overeen met onzen Hazelworm; op eenigen afstand gezien gelijkt zij
+er ook wel eenigszins op; bij nadere beschouwing kan men haar echter
+onmiddellijk herkennen aan hare vier rudimentaire pootjes. De kop
+wordt naar voren smaller en lager en eindigt in een stompen snuit;
+de romp is rolvormig en zeer langwerpig; de staart neemt tot aan
+zijn zeer fijne spits gelijkmatig in dikte af. Het lichaam is bedekt
+met kleine, tegen de huid aangedrukte, glanzige schubben van fraaien
+vorm, die op den kop door groote schilden vervangen worden en hier
+een tamelijk groot middelschild omgeven. De bovendeelen zijn glanzig
+bronskleurig bruin of zilverkleurig grijs, de onderdeelen witachtig
+en paarlmoerglanzig. Volwassen exemplaren kunnen een lengte van 42
+cM. bereiken.
+
+De kustlanden van de Middellandsche zee, die door de Koperslang bewoond
+worden, zijn Italië, Sicilië, Sardinië, Tunis en Algerië. In sommige
+gewesten komt zij zoo talrijk voor, "als het verdroogde gras op het
+land," naar Cetti zegt. Bij voorkeur houdt zij zich in vochtige
+weilanden op, omdat zij hier het gemakkelijkst haar voedsel kan
+verkrijgen, dat uit Gelede Dieren, kleine Naakte Slakken en Wormen
+bestaat.
+
+Het volk beschouwt dit dier als een Slang, daar het op gelijke wijze
+zich beweegt en om te rusten ineenkronkelt. De kleine pootjes, die
+in dit geval onopgemerkt blijven, zijn echter niet nutteloos; bij
+het kruipen zijn zij voortdurend in beweging. Meer dan hare verwanten
+schuwt zij de koude; nog eerder dan de Schildpadden begeeft zij zich
+naar haar winterkwartier; na het begin van October krijgt men haar
+niet meer te zien; men kan haar dan alleen vinden door ter rechter
+plaatse diep in den grond te graven. Niet voordat het werkelijk lente
+geworden is, komt zij weder voor den dag en vangt haar zomerleven
+aan. Zij brengt levende jongen ter wereld.
+
+Evenals onze Hazelworm heeft de Koperslang vele vijanden. Allerlei
+Zoogdieren, Vogels en Reptiliën maken jacht op haar. Bij de talrijke
+schaar van belagers, die haar verslinden, voegt zich uit vrees de
+mensch, die ook thans nog deze onschuldige dieren voor zeer vergiftig
+houdt en zich verplicht acht er zooveel mogelijk van te dooden.
+
+
+
+
+
+Tweede Onderorde: WORMTONGIGEN (Rhiptoglossa).
+
+
+De onderorde van de Wormtongigen (Rhiptoglossa) omvat slechts één
+enkele familie, die der Kameleons (Chamaeleontidae). Door den bouw
+van den schedel verschillen zij aanmerkelijk van de leden der vorige
+onderorde. Ook hun uiterlijk wijkt in belangrijke opzichten af van dat
+der Hagedissen. Hun romp is smal, zijdelings zeer sterk samengedrukt,
+het midden van den sterk gebogen rug verheft zich tot een scherpen,
+overlangschen kam. De kop is piramidevormig naar boven uitgegroeid
+of platgedrukt en draagt gewoonlijk een met kammen versierden
+helm; de snuit is dikwijls door vreemdsoortige, beenige spitsen en
+vliezige lobben verlengd. De hals is zoo kort, dat de groote kop
+onmiddellijk op den romp schijnt te volgen. De pooten zijn lang,
+mager, rolvormig en alle nagenoeg even lang; de korte teenen, ten
+getale van vijf aan iederen poot, zijn tot aan het voorlaatste lid
+door een gemeenschappelijke huid bedekt en zóó geplaatst, dat er
+steeds twee tegenover de drie andere komen te staan; zij vormen dus
+een soort van tang, die aan de binnenste oppervlakte met een korrelige
+huid bekleed is en derhalve vast en stevig de twijg omklemt. De overal
+even krachtige bevestiging van het lichaam aan de standplaats wordt
+zeer bevorderd, doordat de teenen niet uitsluitend aan de buitenzijde
+of alleen aan de binnenzijde, maar afwisselend aan deze en aan gene
+zijde met hun drieën aan elkander verbonden zijn; aan de achterpooten
+vormen de drie buitenste, aan de voorpooten de drie binnenste het
+krachtigste blad van de tang. De pooten van de Kameleons zijn in
+dit opzicht eenig in hun soort. De rolvormige, stevige staart is
+een grijporgaan, neemt naar de spits zeer gelijkmatig in breedte en
+dikte af en kan, van daar te beginnen, slakkehuisvormig ineengerold
+worden. De buitenste huidlaag draagt, in plaats van schubben, kleine
+korrelige verhevenheden, die door fijne plooien vaneengescheiden zijn;
+deze inrichting laat een aanzienlijke uitzetting van de huid toe.
+
+Nog opmerkelijker dan de genoemde lichaamsdeelen schijnen, zelfs bij
+oppervlakkige beschouwing, de oogen van den Kameleon. Zij worden
+door dikke oogleden als door een doos omhuld en laten slechts een
+zeer kleine, ronde opening voor de pupil vrij. Beide oogen zijn
+in hunne bewegingen volkomen onafhankelijk van elkander, zoodat
+b.v. het rechteroog naar voren of naar boven, het linker te gelijker
+tijd naar achteren of naar beneden kan kijken. Door deze, bij geen
+ander Reptiel voorkomende beweeglijkheid is de Kameleon in staat om,
+ook zonder dat hij zich beweegt, den geheelen omtrek te overzien en
+zijn buit op te sporen.
+
+Het inwendige samenstel van dit dier is niet minder merkwaardig dan
+zijn uitwendig voorkomen en herinnert in vele opzichten aan dat van
+de voorwereldlijke Dinosauriërs en van de Vogels. De zonderlinge,
+voor de levenswijze van dit dier buitengewoon belangrijke tong
+verdient een afzonderlijke beschrijving. In den toestand van rust
+ligt zij teruggetrokken in de keelholte; bij het gebruik kan zij 10
+cM. ver en verder, althans over een grooteren afstand dan een halve
+lichaamslengte, uitgestoken worden. Zoodra dit geschied is, heeft zij
+de dikte van een ganzeschacht, blijkt bij het betasten elastisch te
+zijn, laat zich slechts weinig samendrukken en ziet er in het midden
+rood uit; een witte band bevindt zich aan weerszijden op ongeveer 2
+cM. afstand van de spits, nader bij deze ziet men voorts eenige aders,
+die met bloed overvuld zijn. Door negen paar spieren, die zich van de
+borstkas tot aan de hoornen van het tongbeen uitstrekken, wordt de tong
+teruggetrokken. Uitgestoken wordt zij door de drukking van het bloed,
+dat in hare vaten doordringt, maar niet door het inpersen van lucht,
+gelijk men vroeger onderstelde. Deze bloedvaten vullen zich ongeveer
+even snel als die van de wangen van een blozend mensch; de tong kan
+dus onverwijld dienst doen.
+
+De zonderlinge gestalte en het ernstig voorkomen van den Kameleon,
+die langzaam op hooge pooten komt aanstappen en plotseling met zijn
+vreemdsoortig werktuig een prooi overmeestert, zijn wel geschikt om
+de aandacht te trekken; zij hebben misschien aanleiding gegeven tot
+den naam "Chamai-leoon" (= Kleine Leeuw) dien het dier reeds ten
+tijde van Aristoteles droeg. Eerder dan aan deze eigenaardigheden
+herinnert de naam Kameleon ons echter aan een ander verschijnsel,
+dat reeds in overouden tijd de belangstelling van geleerden en leeken
+wekte en hen ook thans nog boeit, n.l. aan de kleursveranderingen,
+die dit dier ondergaat. Vroeger meende men, dat het zich iedere kleur
+kon geven, die het verkoos, en o.a. overal die van zijn omgeving
+aannam om zich voor zijne vijanden te verbergen. "Kameleon" noemt
+men daarom een mensch, die door eigenbelang gedreven van meening
+verandert; de Kameleon is het zinnebeeld geworden van oogendienst,
+van de slaafsche onderworpenheid van vleiers en hovelingen.
+
+De kleur van het dier hangt af van tweeërlei cellen met gekleurden
+inhoud (pigmentcellen), die in zijn huid voorkomen. Die van de eene
+soort vormen de onderste lagen van de opperhuid en zijn grootendeels
+wit, aan de buitenzijde echter meer of minder duidelijk geel. De
+andere pigmentcellen, ook wel "chromatophoren" genoemd, komen over de
+geheele dikte van de huid verspreid voor; zij zijn vertakt, wandloos
+en sterk samentrekbaar; in den rusttoestand zijn zij ingekrompen en
+worden wegens haar kleinheid niet opgemerkt. Onder den invloed van
+de eerstgenoemde pigmentcellen vertoont de huid in dit geval een
+witte of lichtgele kleur. Daar uiterst fijne zenuwvezeltjes met
+de chromatophoren in gemeenschap staan en haar beweging regelen,
+breiden deze cellen zich bij prikkeling van de huidzenuwen uit
+en overdekken als 't ware met haar donkere kleurstof den lichteren
+ondergrond. Al naar de graad van verwijding, die de cellen ondergaan,
+en de eigenaardigheden van de haar bedekkende huidlagen is de tint,
+die de huid op deze wijze verkrijgt, verschillend. Door opeenvolgende
+verwijding en inkrimping der chromatophoren wisselt de kleur van
+de huid af: sommige tinten komen te voorschijn, terwijl andere
+verdwijnen. De kleur van den Kameleon kan varieeren van stroogeel tot
+lichtgroen, donkergroen, olijfkleur, violet, donkerblauw en zwart. De
+kleur van beide zijden kan gelijk zijn of ongelijk; er kunnen vlekken
+optreden, rond of hoekig, dicht opeengedrongen of meer verstrooid,
+al of niet tot dwarse of overlangsche reeksen vereenigd, donker op
+lichten grond of licht op donkeren grond, kortom, het uitzicht van
+het dier is aan groote afwisseling onderhevig.
+
+Men onderscheidt ongeveer 55 soorten van Kameleons, die alle het
+oostelijk halfrond bewonen. Meer dan de helft van deze behooren thuis
+op Madagaskar en de naburige eilanden, de andere helft in de heete en
+gematigde gewesten van Afrika. Slechts één soort ontmoet men in het
+gebied van de Middellandsche zee, een tweede op het eiland Socotora,
+een derde in Zuid-Arabië en een vierde in Indië en op Ceylon. Voor ons
+doel is het voldoende de soort, die o.a. ook in Europa aangetroffen
+wordt, te beschrijven.
+
+
+
+De Gewone Kameleon (Chameleon vulgaris) kenmerkt zich door een
+slechts voor de helft getanden, overigens gaafrandigen rugkam, door
+het ontbreken van een (bij andere soorten van de kin tot den aars
+reikenden) buikkam en door den driezijdigen, stomp piramidevormigen
+helm op den achterkop; gelijksoortige, kleine schubben bekleeden
+den romp, die van den kop zijn grooter. Van de totale lengte (24
+à 28 cM.) komt de helft op den staart. Het verbreidingsgebied van
+deze soort strekt zich van Zuid-Spanje over een groot deel van het
+kustgebied der Middellandsche zee uit: zij bewoont Andalusië, alle
+landen van Noord-Afrika, van Marokko tot Egypte, voorts Arabië, Syrië,
+Cyprus, Samos, Chios en Klein-Azië.
+
+Alle Kameleons houden zich uitsluitend op in gewesten, waar het van
+tijd tot tijd regent, of iederen nacht sterk dauwt, zoodat zij te allen
+tijde een hunner dringendste behoeften, die van water te drinken,
+kunnen bevredigen. Hoog opschietende planten, boomen of struiken,
+kunnen zij evenmin ontberen, want zij zijn volslagen boomdieren, die
+slechts bij uitzondering op den bodem afdalen. Men ziet hen, gewoonlijk
+in kleine troepen van 3 à 6 stuks, op een struik of in de kroon van een
+boom zitten, zonder beweging, als waren zij aan den tak vastgegroeid;
+met de vier klemvoeten en den staart houden zij zich aan een of meer
+twijgen vast. Dagen achtereen bepaalt hun beweging zich tot het gaan
+liggen op den tak, dien zij tot rustplaats kozen en het opstaan door
+het strekken van de pooten; er moet iets bijzonders gebeuren om hen
+te nopen niet slechts van stand, maar ook van plaats te veranderen.
+
+De Luiaard en ieder ander op boomen levend dier beweegt zich meer
+en vaker dan de Kameleons, wanneer men de oogen en de tong buiten
+rekening laat, want gene veranderen onophoudelijk van richting en deze
+wordt uitgestoken, zoodra een buit binnen haar bereik komt. Geen der
+overige Gewervelde Dieren loert met zooveel volharding op zijn buit
+als de Kameleon; men zou hem in dit opzicht kunnen vergelijken met
+de laagst ontwikkelde Ongewervelde Dieren, die als het ware aan de
+rotsen vastgegroeid zijn. Ieder, die het geluk heeft, een van deze
+dieren, welke zoo licht onopgemerkt kunnen blijven, te vinden, zal
+zien, dat de beide oogen voortdurend, bij rukken en onafhankelijk
+van elkander, in allerlei richtingen gedraaid worden. De Kameleon
+behoudt, wanneer zijn zeer krachtige eetlust niet aangewakkerd is
+door langdurig vasten, ook bij het zien van Insecten zijn gewonen
+stand en blijft rustig wachten, tot een dezer diertjes zich op een
+twijg of een blad heeft neergezet. Zoodra dit het geval is, wordt de
+kop naar het Insect gedraaid, beide oogen richten zich naar voren, de
+mond wordt langzaam geopend, de tong schiet soms wel 20 cM. ver naar
+buiten, treft den buit, die er aan vastkleeft, en wordt in den bek
+teruggetrokken; een oogenblik slechts merkt men een snelle kauwende
+beweging van de kaken op en het Reptiel is weer in zijn vroegeren,
+bewegingloozen toestand teruggekeerd. Een Kameleon, die in lang geen
+voedsel heeft genoten, zal wel het Insect, dat in zijn nabijheid komt,
+over een afstand van eenige meters vervolgen, maar in geen geval den
+struik verlaten, waarop hij zich op dat oogenblik bevindt.
+
+Dikwijls wordt beweerd, dat een Kameleon, zelfs wanneer hij zijn best
+doet, in den loop van een dag slechts weinige schreden vooruit kan
+komen. Dit is echter volstrekt niet het geval. Als hij wil, kan hij
+reeds in den tijd van een uur een betrekkelijk grooten weg afleggen.
+
+Van de kleursverandering van de huid maakt men zich dikwijls een
+verkeerde voorstelling. Men meent, dat het dier plotseling de meest
+verschillende tinten en nuances van alle denkbare kleuren op zijn huid
+te voorschijn kan brengen, dat het zonder eenige beperking zijn kleur
+in overeenstemming kan brengen met die van het voorwerp, waarop het
+zich toevallig bevindt, dat het in staat is willekeurig iedere kleur,
+welke dan ook, aan te nemen. Dit alles is echter in meerdere of mindere
+mate onjuist. Hoewel het dier in den regel groenachtig is en dus bij de
+bladen weinig afsteekt, kan het zijn kleur volstrekt niet gelijk maken
+aan die van ieder voorwerp, waarop men het zou willen plaatsen. Van der
+Hoeven heeft dit verschijnsel zeer nauwgezet nagegaan en Kameleons na
+allerlei kleurswijzigingen laten schilderen. Steeds ziet men op deze
+afbeeldingen twee breede, lichte, overlangsche strepen en daartusschen
+donkere, roode stippels, die zich van den kop tot aan den staart en
+van den rug tot aan den buik uitstrekken en meer dan andere plaatsen
+aan kleurswisseling onderhevig zijn.
+
+Des morgens, als het dier zich stil houdt, is de huid gewoonlijk
+geelachtig en zijn de beide strepen roodachtig; men ziet dan van
+de stippels weinig of niets. Later op den dag heeft de huid nog
+weinig verandering ondergaan; de strepen zijn echter witachtig en
+de stippels donkergroen geworden; bovendien komen langs den rugkam
+donkere schaduwen te voorschijn. Als men het dier 's morgens in de
+handen neemt, ziet men de groene vlekken eveneens verschijnen. In
+geprikkelden toestand wordt de rug groenachtig, de buik blauwachtig,
+terwijl de strepen een witachtige, de vlekken een zwarte kleur
+aannemen. Dikwijls is het dier roodachtig bruin met heldere strepen en
+zijn de stippels en schaduwen bijna geheel afwezig. Bovendien kunnen
+nog allerlei andere kleurswisselingen bij deze dieren voorkomen. Bij
+hevige aandoeningen heeft men ze melkwit, en ook wel bijna geheel zwart
+zien worden; andere exemplaren worden lichtrood met purperkleurige en
+violette stippels. Over 't algemeen loopen de kleur en de teekening
+des te duidelijker in 't oog, naarmate het dier gezonder en meer
+opgewonden is. Ook op dezen regel komen echter uitzonderingen
+voor. Dat licht en warmte op de kleursverandering een belangrijken
+invloed oefenen, blijkt o. a., wanneer men slapende Kameleons met een
+brandende kaars nadert tot op een afstand van 6 à 10 cM. Na eenige
+minuten ziet men, uitsluitend aan de verlichte zijde van het dier,
+op de geelachtige, ongevlekte huid lichtbruine vlekken ontstaan, die
+allengs donkerder, ten slotte bijna zwart worden en na het wegnemen
+van het licht langzamerhand verdwijnen. Jegens zijne soortgenooten is
+de Kameleon niet verdraagzamer dan andere Reptiliën, zooals blijkt,
+wanneer een enkele keer zijn onverschilligheid jegens ieder wezen,
+dat niet als buit kan dienen, plaats maakt voor een ander gevoel. Iets
+dergelijks geldt van zijn verhouding tot andere dieren. Zoowel bij
+de nadering van een vijand als bij een ontmoeting met een niets
+kwaads bedoelenden Vogel is hij gewoon zich op te blazen, zoodat
+zijn romp bijna cirkelrond wordt, en vervolgens een sissend geblaas
+te laten hooren. De Kameleon hapt soms naar de hand, waarmede men
+hem omvat; hij kan met zijn gebit onze huid een weinig knijpen,
+maar niet doorboren. Intusschen ondergaat de Kameleon allerlei
+kleursveranderingen en verkrijgt zijn lichaam door het opblazen een
+geheel anderen vorm; alle ribben puilen uit en de romp wordt min of
+meer doorzichtig, zoodat men soms de takken of de staven van de kooi
+als donkere strepen er doorheen ziet schemeren.
+
+Evenals de meeste Kruipende Dieren, kan de Kameleon weken en misschien
+maanden lang zonder voedsel in 't leven blijven; tegen dorst is hij
+minder goed bestand.
+
+Herhaaldelijk is men getuige geweest van het eierleggen van den
+Gewonen Kameleon, voor zoover mij bekend echter steeds bij gevangen
+exemplaren. "Een van mijne Kameleons", verhaalt Vallisnieri, "toonde
+een buitengewone onrust en begaf zich eindelijk langzaam, zonder af
+te wijken van zijne gewone luiheid, uit het boompje in zijn hok naar
+den bodem, liep hier besluiteloos rond, bleef ten slotte staan in een
+hoek, waar geen zand of stof, maar niets dan harde aarde lag en begon
+met één voorpoot te graven. De harde grond bood zooveel weerstand,
+dat het dier twee dagen achtereen werken moest om een gat te graven
+van 10 cM. middellijn en 15 cM. diepte. In dezen kuil afgedaald,
+legde het, naar mij bij onderzoek bleek, meer dan 30 eieren. Nadat
+deze arbeid met de grootst mogelijke zorgvuldigheid verricht was,
+krabde het de kuil met één achterpoot weer vol zand, juist zooals de
+Katten doen, als zij hun drek verbergen willen. Hiermede nog niet
+tevreden, sleepte het droge bladen, stroo en dorre rijsjes aan en
+bedekte hiermede het reeds gevormde heuveltje." De 25 à 35 eieren van
+den Kameleon zijn eirond en effen wit; hun schaal is perkamentachtig.
+
+"Een Kameleon, die gezien wordt, is een verloren Kameleon", beweert
+een Spaansch spreekwoord zeer te recht, want het beschuttingsmiddel
+van dit dier tegen het tallooze heir van vijanden, die het vervolgen,
+is de kleur, die, ondanks alle veranderingen, waaraan zij onderhevig
+is, weinig in 't oog valt. Niet slechts alle kleine viervoetige
+roofdieren en de meeste Roofvogels, maar ook Raven en Hoornvogels,
+Reigers en Ooievaars, benevens de groote soorten van Slangen zijn
+vijanden van deze weerlooze dieren. De mensch wijdt hun overal een
+grootere aandacht dan goed voor hen is. Vermoedelijk worden zij
+nergens vergiftig of gevaarlijk geacht; maar hun vreemdsoortige
+gestalte valt overal zoozeer in 't oog, dat ieder zich beijvert om
+het dier te vangen.
+
+Aanvankelijk toonen de gevangen Kameleons zich zeer prikkelbaar:
+zij sissen en blazen als men hen nadert, trachten zelfs te bijten,
+kortom, willen van hun verzorger niets weten; weldra echter verandert
+hun gedrag: zij zijn aan den mensch gewend geraakt en laten zich nu
+zeer veel welgevallen. Bij doelmatige behandeling kan men ze maanden
+lang in den gevangen staat in 't leven houden. In de eerste plaats
+hebben zij een gelijkmatige temperatuur noodig. Het best blijven
+zij gezond in broeikassen, welker standvastige warmtegraad hen
+zelfs in staat stelt een langdurigen vastentijd te verduren. Aan een
+voldoenden voorraad voedsel mag het hun nooit ontbreken: zij hebben
+voor hun onderhoud een aanmerkelijke hoeveelheid Vliegen, Meelwormen,
+Spinnen, Sprinkhanen en dergelijke dieren noodig. Nooit nemen zij een
+dood Insect aan, hoe smakelijk het er ook moge uitzien. Geen andere
+levende wezens worden door hen verslonden. Bovendien zijn een vochtige
+lucht en gelegenheid om te drinken hoofdvereischten voor hun welvaren.
+
+In 't zuiden van Spanje houdt men den Kameleon geenszins tot
+tijdverdrijf in de kamer, maar trekt partij van zijne eigenaardige
+talenten. Men hangt een pot met honig op aan den zitstok van dit dier,
+dat nu als kamerjager dienst doet en op onverbeterlijke wijze werkzaam
+is tot het verdelgen van de zoo lastige Vliegen.
+
+
+
+
+
+Derde Onderorde: SLANGEN (Ophidia).
+
+Het belangrijkste kenmerk van de Slangen is de merkwaardige
+beweeglijkheid der aangezichtsbeenderen, die het buitengewoon sterk
+verwijden van den bek mogelijk maakt. Verscheidene andere Kruipende
+Dieren komen, zooals reeds gebleken is, met haar in vorm overeen;
+eerst nadat men deze heeft buitengesloten, mag men als kenmerk
+eenige waarde hechten aan den langwerpigen, wormvormigen, door een
+stevig, zoogenaamd schubbenkleed omsloten romp, die zoomin van voren,
+bij den kop, als van achteren, bij den staart, eenige bijzonder in
+'t oog loopende begrenzing vertoont. Volgens de overtuiging van de
+hedendaagsche dierkundigen is de groep der Slangen een eigenaardig
+ontwikkelde zijtak van de orde der Geschubde Reptiliën; het verschil
+tusschen haar en de tot dusver behandelde Kruipende Dieren wettigt
+geen scherpere scheiding, dan die, welke in de plaatsing dezer wezens
+in verschillende onderorden opgesloten ligt.
+
+De kop van de Slangen is nooit zeer groot, in den regel echter
+breeder dan het daarop volgende deel van den romp, van dezen slechts
+bij weinige soorten zeer scherp gescheiden, maar toch duidelijk
+herkenbaar, van boven gezien eivormig of driehoekig, gewoonlijk in
+verticale richting samengedrukt, d. i. van boven en van onderen
+afgeplat. De mondspleet strekt zich dikwijls zoover uit, dat de
+mondholte zich nog achter de uiterste grenzen van den kop schijnt
+voort te zetten. De gehooropeningen zijn steeds afwezig. De oogen zijn
+ongeveer boven het midden van de mondspleet, aan de zijden van den
+kop en dicht bij den rand van de bovenkaak gelegen. De neusopeningen
+zijn steeds vooraan, dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van de
+spits van den snuit geplaatst. De bekleeding van den kop verschilt in
+meerdere of mindere mate van die van den romp. Een eigenlijke hals
+is niet aanwezig; de romp begint bijna onmiddellijk achter den kop
+en gaat eveneens op een van buiten bijna onmerkbare wijze in den min
+of meer verlengden en hierdoor spits- of stomp-kegelvormigen staart
+over. De gezamenlijke lengte van romp en staart is het twintig-
+à negentigvoud van de dikte. De kop, de romp en de staart zijn
+met een stevige huid bekleed, die een samenhangend geheel vormt;
+men kan er duidelijk een lederhuid en een deze bedekkende opperhuid
+aan onderscheiden. De lederhuid is niet overal even dik; ook is zij
+niet effen; maar met verhevenheden bezaaid met vrij uitstekenden
+achterrand, zoodat plooien ontstaan in den vorm van schubben,
+die elkander dakpansgewijze bedekken. Daar de opperhuid ook deze
+verdubbelingen van de lederhuid volgt, zich op de naar buiten gerichte
+oppervlakte verdikt en daarentegen dunner wordt daar, waar zij in de
+plooien doordringt, komen de schubben duidelijker uit. Naar den vorm
+onderscheidt men: "schubben," welker lengte de breedte overtreft,
+dikwijls in 't midden een overlangsche kiel bezitten en vooral aan de
+rugzijde van het dier voorkomen;--voorts "schilden," die meestal een
+zes- of vierhoekige gedaante hebben, dikwijls breeder zijn dan lang
+en vooral op den kop en aan den buik waargenomen worden. Eigenaardig
+voor de slangen zijn de "groefschilden", die gewoonlijk ten getale van
+twee paar achter elkander aan de "kingroeve" gelegen zijn en de twee
+"onderlipsschilden", die meestal in het midden achter het "kinschild"
+liggen, en, aan weerszijden vóór de groefschilden geplaatst, de
+begrenzing van de kingroeve van voren voltooien.
+
+De kleur en de teekening van de huid bieden een buitengewoon groote
+verscheidenheid aan, zoodat hiervan niets in 't algemeen gezegd
+kan worden. Er zijn effen gekleurde en bont gevlekte, met ringen,
+traliën, strepen, banden, stippels en wolken geteekende Slangen. Enkele
+soorten hebben een zeer bescheiden voorkomen, andere prijken met de
+prachtigste tinten. Altijd echter harmonieeren teekening en kleur min
+of meer met het terrein, dat door de Slang als verblijfplaats wordt
+gekozen. Hoewel de kleur en de teekening niet willekeurig veranderd
+kunnen worden, zijn zij toch slechts binnen zekere grenzen bestendig,
+want, wel beschouwd, vertoonen beide veelvuldige variaties, bij enkele
+soorten meer, bij andere minder. Zoo draagt onze Adder bv. wel een
+dozijn namen, omdat vroegere onderzoekers de verscheidenheden, die
+zij opmerkten, als afzonderlijke soorten meenden te moeten beschouwen
+en benoemen. In vele gevallen hebben leeftijd en geslacht hierop meer
+invloed, dan men gewoonlijk aanneemt.
+
+De eenvoudigheid en gelijkmatigheid van den lichaamsbouw is in
+overeenstemming met den bouw van het beenderenstelsel. Dit bestaat
+n.l. alleen uit schedel, wervelkolom en ribben, want de rudimentaire
+heupbeenderen en voetstompjes, die bij enkele familiën voorkomen
+en de achterste ledematen der overige Reptiliën vervangen, zijn er
+slechts onduidelijke sporen van. Toch verdienen zij onze aandacht,
+wijl hieruit blijkt, dat de Slangen in vroegere tijdperken uit
+vierpootige, hagedisachtige dieren ontstaan moeten zijn. Het
+belangrijkste deel van het skelet en tevens dat, waarvan de bouw en
+de vorm het eigenaardigst zijn, is de schedel. De tusschenkaaks- en
+de neusbeenderen zijn onbeweeglijk met elkander verbonden, daarentegen
+zijn de bovenkaaks-, de vleugel- en de gehemeltebeenderen bij de meeste
+Slangen zeer beweeglijk en kunnen zoowel naar de zijden als naar
+voren verschoven worden. Een niet minder groote verschuiving kunnen
+de bestanddeelen van de onderkaak ondergaan. Het tepelbeen hangt
+slechts door banden en spieren met den schedel samen en draagt aan
+zijn uiteinde het staafvormige vierkantsbeen, waaraan de onderkaak
+door een gewricht verbonden is. Deze bestaat gewoonlijk uit twee
+volledig vaneengescheiden, staafvormige helften, die van voren slechts
+door rekbare, losse vezels onderling vereenigd zijn. Deze inrichting
+stelt de Slang in staat haar bek aanmerkelijk te verwijden en een
+veel grooteren buit te verzwelgen dan met oog op de grootte van de
+mondopening bij gesloten bek mogelijk schijnt. Op den schedel volgt
+onmiddellijk de romp, daar er bij de Slangen geen onderscheid tusschen
+hals-, borst-, lende- en heiligbeenwervels bestaat. Reeds de 2e, 3e of
+4e wervel achter den schedel draagt, evenals iedere volgende wervel van
+den romp, een paar ribben, die zich van de verder achterwaarts gelegen
+paren slechts door een iets geringere grootte onderscheiden. Bij den
+schedel te beginnen, hebben alle wervels ongeveer denzelfden bouw. De
+ribben bewijzen aan de Slangen een eigenaardigen en buitengewoon
+belangrijken dienst, daar zij tot op zekere hoogte de ontbrekende
+ledematen vervangen. Zij eindigen aan de buikzijde in een spierlaag,
+die met de groote buikschilden samenhangt, en drukken, als zij van
+voren naar achteren bewogen worden, de vrij uitstekende achterranden
+dezer schilden tegen de oppervlakte, waarover het dier zich beweegt;
+men vindt hier dus een zeer groot aantal hefboomen, die, hoewel zij
+geen pooten zijn, toch een soortgelijken arbeid verrichten. De ribben
+worden aan den staart al kleiner en kleiner en komen aan de laatste
+wervels in 't geheel niet meer voor. Het aantal wervels loopt bij
+Slangen van verschillende soort en ongelijke grootte zeer uiteen;
+het schijnt slechts bij uitzonderingen minder dan 200 te bedragen
+en stijgt bij enkele soorten tot boven 430. Alle Slangen missen het
+borstbeen; men bemerkt bij haar geen spoor van een schoudergordel of
+van voorste ledematen.
+
+Niet minder opmerkelijk dan het geraamte is het gebit. De
+tanden kunnen een belangrijk verschil in maaksel vertoonen,
+hetwelk aanleiding geeft tot de onderscheiding van familiën
+en onderfamiliën. Tanden vindt men niet alleen aan de boven-
+en onder-, maar dikwijls ook aan de tusschenkaaks-, meestal ook
+aan de gehemelte- en vleugelbeenderen. Steeds zijn zij aan het hen
+dragende been vastgegroeid en worden vervangen, zoodra het noodig is,
+doordat een nieuwe tand zich achter of naast den ouden ontwikkelt. Men
+onderscheidt drieërlei soort van tanden: massieve, gevoorde, (die aan
+de convex gekromde voorzijde voorzien zijn met een diepe, gootvormige
+groeve, welke zich van den wortel tot aan de spits uitstrekt) en holle
+(die aan de voorzijde bij den oorsprong een gat en vóór de spits een
+spleetvormige opening vertoonen, met elkander in gemeenschap staande
+door een "giftkanaal", dat den geheelen tand doorboort). Alle zijn
+haakvormig naar achteren gekromd en zeer spits, kunnen slechts voor
+het bijten en vasthouden van den buit dienen en zijn ongeschikt om
+een prooi te verscheuren of om voedsel te kauwen. De massieve tanden
+zijn kegelvormig; het harde tandbeen, waaruit zij bestaan, is met
+een dunne emaillaag bedekt; de gevoorde tanden zijn te beschouwen
+als onvoltooide doorboorde tanden, daar het gifkanaal ontstaan is
+door de vereeniging der randen van een vroeger aanwezige groeve.
+
+Voor de levenswijze der Slangen zijn de klieren in den kop van zeer
+groot belang; bij de giftige soorten der onderorde kunnen zij een
+buitengewoon sterke ontwikkeling bereiken. In 't geheel heeft men
+zes paar klieren en één onparige klier opgemerkt. Hoewel zij bij
+hetzelfde dier niet altijd voltallig aanwezig zijn, heeft iedere
+Slang er toch steeds verscheidene: de voorste ondertongsklieren,
+de achterste ondertongsklieren, de neusklier, de traanklieren,
+de onderste en de bovenste wang- of lipklieren en eindelijk de
+gifklieren. De laatstgenoemde, die zich bijna altijd achter en onder de
+oogen en boven de bovenkaak bevinden, zijn langwerpig en zeer groot;
+bij enkele soorten strekken zij zich zoover naar achteren uit, dat
+zij voor een deel op de ribben rusten. Zij bestaan uit een bladerig
+weefsel en bevatten een groote holte. Bovendien onderscheiden zij
+zich van alle overige genoemde klieren door haar lange afvoerbuis,
+die langs de buitenste oppervlakte van de bovenkaak naar voren loopt,
+om hier vóór en boven den giftand uit te monden in de vliezige scheede,
+die deze tand omgeeft, zoodat het gif door het in den tand aanwezige
+kanaal kan afvloeien. De gifklier is omhuld door een zeer dikke
+spierlaag, die (met de kauwspier) dient om haar samen te drukken. Zulke
+gifklieren komen voor bij alle Slangen met doorboorde tanden; die
+van de Groeftandigen zijn niet met een dichte spierlaag bedekt; zij
+kunnen hoogstens door de voorste slaapspier een weinig samengedrukt
+worden en zijn dus minder geschikt om het gif in de wonde te brengen.
+
+Onder de zintuigelijke organen staan ongetwijfeld die van het
+gevoel, en meer bepaaldelijk de tastzintuigen, bovenaan. De van
+oudsher gevreesde tong, die door onkundigen ook thans nog voor het
+aanvalswapen van de Slangen wordt gehouden, dient niet als smaakorgaan,
+maar uitsluitend voor het tasten en is hierdoor juist van buitengewoon
+groot belang voor het dier. Zij is zeer lang en dun, van voren in twee
+draadvormige, spitse helften gespleten en met een hoornachtig laagje
+bedekt. Zij ligt verborgen in een onder de luchtpijp voorkomende,
+gespierde scheede, die op korten afstand vóór deze, dicht bij de spits
+van de onderkaak, zich opent. De tong kan geheel in deze scheede
+teruggetrokken, maar ook ver buiten den bek uitgestoken worden en
+onderscheidt zich door een buitengewone beweeglijkheid. Door een inham
+van de bovenkaak, die zelfs bij gesloten mond nog als een opening
+zichtbaar is, kan de tong zich gemakkelijk en snel afwisselend naar
+buiten en naar binnen begeven. Het oog is, na de voor 't tasten zoo
+uitstekend geschikte tong, het bruikbaarste orgaan voor het doen
+van waarnemingen, hoewel het zeer zeker minder volkomen is dan bij
+de overige Reptiliën. Een belangrijke eigenaardigheid van dit orgaan
+is zijn schijnbare onbeweeglijkheid, waardoor het een glazig uitzicht
+verkrijgt. Een doorzichtig vliesje neemt de plaats van de beweeglijke
+oogleden in en is bij wijze van een horlogeglas in een plooi van den
+rand der ronde oogholte vastgehecht; de hierdoor begrensde doos bevat
+den oogbol en staat aan haar binnenzijde door het wijde traankanaal in
+gemeenschap met de neusholte. De buitenste laag van dit doorzichtig
+vliesje, het verhoornde deel van de opperhuid, wordt verwijderd,
+als het geheele lichaam vervelt; gedurende het tijdperk tusschen de
+eene vervelling en de andere neemt de doorzichtigheid van de huid,
+die het oog bedekt, allengs af. De pupil is bij de dagslangen rond,
+bij de Nachtslangen langwerpig: soms dwars, soms verticaal geplaatst.
+
+De eigenaardige bewegingswijze van de Slangen is een gevolg van haar
+lichaamsbouw, die, gelijk licht te begrijpen is, tot op zekere hoogte
+ook een verklaring levert van haar levenswijze; daar de begaafdheden
+der dieren, indirect althans, uit hun lichaamsbouw voortvloeien. Hoewel
+de Slangen meer dan de meeste overige leden harer klasse den naam
+"Kruipende" Dieren verdienen, is haar bewegingsvermogen veelzijdiger
+dan menigeen meent. Het kruipen geschiedt niet uitsluitend op een
+vlakken bodem, maar ook bij een helling naar boven en naar beneden,
+bij de stammen der boomen omhoog en naar alle richtingen in de
+kroon, voorts over den waterspiegel, op den bodem van het water en
+tusschen beide door; zij kruipen, klimmen, zwemmen en duiken dus,
+en doen dit alles nagenoeg even vlug en behendig. Het kruipen gaat
+niet met verticale krommingen, maar met horizontale golvingen van
+het lichaam gepaard. Het klimmen is eigenlijk niets anders dan een
+opkruipen bij loodrechte vlakken. Een boomstam, die door een Slang
+omstrengeld kan worden, levert voor haar volstrekt geen moeielijkheden
+op, tenzij de schors zeer glad is: zij schuifelt naar boven met
+schroefvormige windingen van het lichaam, dat natuurlijk voortdurend
+slangsgewijze bewogen wordt, en doet dit zeer snel, daar zij het
+naar beneden glijden met de scherpe achterranden der buikschilden
+voorkomen kan. Op de takken kronkelt zij zich bijna even veilig
+en snel voort als op den vlakken bodem, vooral wanneer de twijgen
+talrijk zijn. Geheel op dezelfde wijze gaat zij bij het zwemmen te
+werk, hoewel in dit geval ongetwijfeld de staart de belangrijkste
+rol vervult. Vermoedelijk kunnen alle soorten van Slangen zwemmen;
+zij, die niet in 't water leven en het gewoonlijk niet opzoeken,
+worden echter door de beweging in deze voor haar vreemde middenstof,
+naar het schijnt, spoedig vermoeid.
+
+De snelheid van de Slangen werd dikwijls overdreven voorgesteld en
+schijnt door het telkens wisselen der kronkelingen grooter dan zij is;
+slechts weinige menschen geven zich de moeite de zaak nauwkeuriger te
+onderzoeken. Lenz zegt: "Geen slang beweegt zich zoo vlug, dat men haar
+niet met een flinken pas, zonder hard te loopen, kan bijhouden. Zij
+komt naar verhouding langzamer vooruit dan Hagedissen, Vorschen,
+Muizen en dergelijke dieren. Het snelst is haar beweging op mos en
+korte heide, waar de veerende onderlaag medehelpt, minder snel op
+den naakten grond. Het kruipen over een stuk vensterglas kost haar
+zeer veel moeite. Langs steile bergwanden schiet zij vliegensvlug
+naar beneden, soms zoo snel, dat het niet mogelijk is te bepalen,
+tot welke soort zij behoort en hoe groot zij is."
+
+Bij de ademhaling van de Slangen, die geregeld, zonder tusschenpoozing,
+geschiedt, merkt men duidelijk de beweging van de ribben op, die
+beurtelings opgeheven worden en dalen. Toch is zij over 't geheel
+genomen niet zeer krachtig en wordt eerst bij toenemenden toorn
+versneld. Een heesch, lang aanhoudend gesis, dat de ontbrekende
+stem vervangt, verraadt deze gemoedstoestand. In verband met den
+langwerpigen vorm van het lichaam is slechts één van de longen goed
+ontwikkeld, de andere is zeer klein of ontbreekt geheel.
+
+Behalve de tastzin (en bij enkele soorten het gezicht) zijn alle zinnen
+van de Slangen zwak. Het orgaan voor den tastzin is de tong. Hoewel
+deze een geheel andere rol speelt dan de ouden zich voorstelden, is
+zij van 't hoogste belang, zoo zelfs, dat een Slang, die de tong mist,
+geen voedsel meer gebruikt, niet in 't leven gehouden kan worden. Een
+feit is het, dat iedere Slang, die niet rust, onophoudelijk en in
+alle richtingen de tong beweegt om de voorwerpen in haar nabijheid
+te onderzoeken, dat zij nooit drinkt of zich te water begeeft,
+zonder vooraf den waterspiegel met de tong aan te raken; op dezelfde
+wijze onderzoekt zij den reeds gedooden buit vóór het verzwelgen,
+en zoo mogelijk ook haar slachtoffer, vóórdat zij het dooddrukt of
+vergiftigt. Wanneer er reden bestaat voor de vrees, dat de prooi,
+die zij op het oog heeft, haar zal ontsnappen, geeft zij toch vóór
+den aanval, door vele malen achtereen de tong uit te steken en weer
+terug te trekken, de bedoeling te kennen om de gewone onderzoekingen
+te verrichten. Het telkens weer terugtrekken van de tong geschiedt
+blijkbaar met het doel om haar door bevochtiging gevoeliger te maken.
+
+De ervaring leert, dat de Slangen, ondanks haar dikke huid, zelfs voor
+een zwakke aanraking gevoelig zijn. Evenals andere Reptiliën, vinden
+zij warmte aangenaam, daar zelfs die, welke 's nachts werkzaam zijn,
+over dag haar schuilplaats verlaten om zich het genot te verschaffen
+van door de zon beschenen te worden.
+
+Toch mag men zeggen, dat er over 't algemeen sterke prikkels noodig
+zijn om bij de Slangen gevoel te wekken. Eerder dan van gevoeligheid
+kan men bij haar van gevoelloosheid spreken. De Slangen zijn even taai
+van leven als de andere Reptiliën en verdragen martelingen, die hooger
+ontwikkelde wezens schielijk zouden dooden. De bewegingen van Slangen,
+die gewond of zelfs aan stukken gehouwen zijn, wekken de verbazing
+van den onderzoeker: een afgehouwen kop van een Adder beweegt de tong
+op de gewone wijze en kan ook bijten en het gebeten dier vergiftigen.
+
+Uit alle bekend geworden feiten kan men afleiden, dat het gezicht
+bij alle Slangen, met uitzondering van eenige Boomslangen, zwak
+en onbeduidend is, hoewel de glans en de grootte van het oog het
+tegendeel doen vermoeden. Woedende Slangen, zoowel vergiftige als
+niet-vergiftige, bijten zelfs naar een schaduw, en missen dikwijls
+het voorwerp, waarop zij doelen, indien het niet groot is.
+
+Van de uitdrukking van het slangenoog heeft men meer ophef gemaakt dan
+de zaak verdient. "Sprekend, zooals weinige oogen van dieren zijn,"
+meent Linck, "spiegelt zich in 't oog van de Slang niet slechts haar
+inborst af, maar ook de gemoedsstemming, waarin zij op een gegeven
+oogenblik verkeert. Rustig en zacht, doch niet zonder glans, is
+het bij de vreedzame leden der onderorde, onheilspellend bij die,
+welker wapens wonden, doch niet dooden kunnen; dreigend is het bij
+het woedende dier; vreeswekkend is de gloed van het oog der Adder,
+die met de spits van hare tanden den dood veroorzaakt. Iets vreemds
+verkrijgt echter het oog, zelfs van de zachtaardigste Slang, door
+de glasachtige huid, die zich er over heen welft en ook door de
+geringe veranderlijkheid van de pupil, die zich slechts moeielijk en
+met zichtbare, plotselinge rukken vergroot en vernauwt." De laatste
+opmerking is volkomen juist, de eerste laat ik geheel voor rekening
+van den aangehaalden schrijver, die zooals meermalen geschiedt,
+in het oog iets waarneemt, wat hij er zelf in heeft gelegd. Het oog
+van de Slang heeft niets bijzonders, behalve het glazige uitzicht;
+de dreigende en onheilspellende uitdrukking is minder een eigenschap
+van het oog zelf dan een gevolg van zijn ligging onder de schubben
+en schilden, die het overschaduwen; deze zijn bij de Slangen, die
+'s nachts werkzaam zijn, bijzonder ontwikkeld, steken een weinig
+vooruit en brengen denzelfden indruk teweeg als b.v. de vooruitstekende
+wenkbrauwbeenderen van een Roofvogel.
+
+Voor zoover wij er over kunnen oordeelen, is de scherpte van het
+gehoor nog geringer dan die van het gezicht; uitwendig is er van het
+gehoororgaan der Slangen niets te zien; eerst na het verwijderen
+van de schubben aan de zijden van den kop bemerkt men er iets
+van, daar de korte gehoorgangen geheel onder de huid verborgen
+liggen. Het trommelvlies, de trommelholte en de Eustachiaansche
+buis ontbreken. Proefnemingen hebben geleerd, dat de Slangen zich
+om verschillende muzikale tonen weinig bekommeren, tenzij deze in de
+lucht of in den bodem sterke trillingen teweeg brengen.
+
+Niet minder moeielijk is het, zekerheid te verkrijgen over de mate van
+ontwikkeling van den reukzin. Boettger, die vele Slangen met ether-
+of chloroformdamp verdoofde, voordat hij ze in den spiritus bracht, nam
+onmiddellijk na het werpen van het propje watten, waarop de vluchtige
+vloeistof gedroppeld was, in de glazen flesch, onder de hierin
+aanwezige Slangen een hevige opgewondenheid waar. Zelfs de traagste
+Adder begon zich krachtig te bewegen en zocht naar een uitweg om aan
+den bedwelmenden damp te ontkomen. Dit doet vermoeden, dat de reukzin
+bij de Slangen niet geheel ontbreekt. Een duidelijker bewijs voor deze
+stelling is gelegen in het door Fr. Werner waargenomen feit, dat een
+Ringslang te midden van een groot aantal soorten van Amphibiën, zelfs
+in een donkere ruimte, zonder zich te vergissen steeds die soorten
+van Kikvorschen koos, welke haar lievelingsvoedsel uitmaken. Daar
+de smaakzin hierbij niet in 't spel kan komen, moet deze verrassende
+uitkomst wel aan de werking van den reukzin toegeschreven worden.
+
+Gemakkelijker dan over alle andere verrichtingen van zintuigen,
+behalve die van het tastzintuig, kunnen wij een denkbeeld verkrijgen
+van den omvang van den smaakzin, omdat wij met zekerheid kunnen
+beweren, dat dit vermogen zoo goed als geheel ontbreekt. Dit blijkt
+zoowel uit het maaksel van de tong als uit proeven, die met levende
+dieren genomen zijn. Aristoteles, overigens zulk een uitmuntend
+waarnemer, had ongelijk, toen hij beweerde, dat de Slangen de
+grootste lekkerbekken zijn onder de dieren; even onjuist is zijn
+mededeeling, dat zij bij 't gebruik van wijn geen maat houden en
+zich bedrinken. Waarschijnlijk doet men de Slangen geen onrecht aan
+door aan te nemen, dat zij onder de zoo laag ontwikkelde Reptiliën
+de laagst ontwikkelde zijn. Hoewel zij bij haar jacht een zekere list
+toonen, jegens vijanden zich soms schijnbaar verstandig, jegens haar
+verzorger eenigszins voorkomend gedragen, openbaren zij echter in
+geen enkele omstandigheid meer verstand dan andere Kruipende Dieren:
+zij zijn niet slechts stompzinnig, maar ook stomp van geest.
+
+In alle werelddeelen komen Slangen voor, in het eene echter veel
+meer dan in het andere. De wetten, volgens welke de verbreiding der
+overige Reptiliën plaats heeft, gelden ook voor haar: hoe hooger de
+breedtegraad is, des te schielijker neemt zoowel het aantal soorten als
+het aantal individuen af; deze getallen zijn echter voor verschillende
+plaatsen, die op denzelfden breedtegraad liggen, volstrekt niet gelijk.
+
+Van de 635 soorten van Slangen, die Günther in het jaar 1858
+opnoemde, leven 40 in het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld, 80 in
+'t Ethiopische Rijk, 240 in het Oostersche, 50 in het Australische,
+75 in het Noord-Amerikaansche en 150 in het Zuid-Amerikaansche Rijk.
+
+Behalve een rijkelijke voeding, verlangen de Slangen geschikte rust-
+en schuilplaatsen en vermijden daarom gewesten, waar zij deze niet
+vinden. Over 't algemeen kan men ook van de Slangen zeggen, dat zij
+des te talrijker zijn in een streek, naarmate deze meer afwisseling
+aanbiedt. Zelden komt het voor, dat zij in een gewest geheel ontbreken;
+zij bewonen de woestijn zoowel als het woud, bergstreken zoowel als
+vlakten. Een vochtige warmte bevalt haar beter dan droge hitte; toch
+bieden zij ook hieraan beter weerstand dan men zou verwachten. Het
+gemis van pooten belet haar niet een geschikte verblijfplaats te
+bereiken: deze op den vlakken grond, gene op steile hellingen, sommige
+in moerassen, andere in het water van meren en rivieren, eenige in de
+zee, enkele zelfs onder den grond, niet weinige in boomkronen. Het
+oord, waar zij zich eens gevestigd hebben, verlaten zij niet licht,
+met andere woorden, hare omzwervingen blijven tot een zeer klein
+gebied beperkt. Wel doen ook zij soms kleine reizen, trekken over
+rivieren en andere wateren om zich aan den tegenovergestelden oever of
+op eilanden te vestigen, begeven zich uit het woud of uit de steppe
+naar dorpen en steden, over 't algemeen echter houden zij niet van
+omzwerven, maar kiezen zich een standplaats, bij voorkeur zulk een,
+die een geschikte schuilplaats bevat; in den omtrek loeren zij op
+buit. Er is eenige reden om aan te nemen, dat zij alleen gedurende den
+paartijd en bij 't naderen van den winter zich vrijwillig van haar
+standplaats verwijderen. Tot het verlaten van de door haar bewoonde
+streek worden zij gedwongen, wanneer hier veranderingen plaats vinden,
+waardoor zij hare schuilhoeken verliezen of de gelegenheid om te
+jagen of de mogelijkheid om zich door de zon te laten verwarmen. In
+den regel houden ook zij zich ver van menschelijke woningen op;
+dit geschiedt echter alleen, omdat de mensch haar door vervolging
+uit de nabijheid van de door hem bewoonde oorden verdrijft; want,
+wel verre van de nabuurschap van haar aartsvijand te vreezen, dringen
+zij zich dikwijls op zeer ongewenschte wijze aan hem op. Ook bij ons
+ontmoet men niet zelden Slangen in tuinen midden in steden; dikwijls
+is het moeielijk te verklaren, hoe zij er gekomen zijn; misschien zijn
+zij ontgleden aan Ooievaars op weg naar hun nest, of met een lading
+brandhout overgebracht. In zuidelijke streken brengen zij zeer tegen
+den zin van de bewoners soms bezoek aan de huizen. Vooral de Slangen,
+die een nachtelijke levenswijze hebben, dus juist de gevaarlijkste,
+zijn hierdoor dikwijls buitengewoon lastig.
+
+In landstreken, die het geheele jaar nagenoeg hetzelfde uitzicht
+vertoonen, kunnen de Slangen voortdurend ongeveer op dezelfde wijze
+hare behoeften bevredigen; deze oorden moeten haar een voldoende
+hoeveelheid voedsel, een prettige temperatuur en water om te baden
+leveren. Een natuurlijk gevolg hiervan is, dat zij het geheele jaar
+door ongeveer dezelfde levenswijze hebben. Deze zal daarentegen
+afwisseling vertoonen overal, waar een merkbaar verschil tusschen de
+jaargetijden bestaat. In alle gewesten, die een kouden winter of een
+heet en droog seizoen hebben, zijn de Slangen genoodzaakt zich tegen
+den invloed van de koude of van de droogte te beschutten. Alle Slangen,
+die het noordelijk deel van onzen gematigden gordel bewonen, zoeken
+vóór den aanvang van den winter diepe schuilhoeken op en brengen hier
+het ongunstig jaargetijde in verstijfden toestand door. Hetzelfde
+verschijnsel komt voor in de landen onder den keerkring, misschien
+alleen bij die soorten, welke, zoo niet in 't water, dan toch in
+vochtige oorden leven en last hebben van de droogte. Enkele soorten
+komen bijeen om in elkanders gezelschap winterslaap te houden;
+misschien geschiedt dit alleen, omdat geschikte schuilhoeken schaars
+en moeielijk te vinden zijn, zoodat eenige weinige slaapplaatsen
+voor verscheidene, over een bepaald gebied verstrooide Slangen
+moeten dienen.
+
+Bij warm, stil weder ziet men op onze breedte in Maart weder Slangen,
+die haar winterkwartier verlaten hebben om zich door de zon te laten
+verwarmen en waarschijnlijk 's avonds weer naar denzelfden schuilhoek
+terugkeeren. Aan jacht en voortplanting denken zij dan echter nog
+niet, want hun eigenlijk zomerleven vangt eerst in het begin van April
+aan. Toen zij zich in den herfst ter ruste begaven, waren zij vet;
+als zij in de lente weer te voorschijn komen, is ongeveer de helft
+van haar vet verbruikt.
+
+Verreweg de meeste niet-vergiftige Slangen zijn dagdieren, vele van de
+verdachte Groeftandige Slangen en nagenoeg alle Gifslangen daarentegen
+nachtdieren. De eerstgenoemde zoeken, zoodra de duisternis invalt,
+hare schuilhoeken op, brengen hier in trage rust den nacht door en
+komen eerst geruimen tijd na zonsopgang weer voor den dag. Hoewel de
+Gifslangen zich over dag dikwijls vertoonen, verkeeren zij dan steeds
+in een toestand van slaperige rust; zij beginnen hare werkzaamheden
+eerst, als de avondschemering aanvangt. Wanneer men op plaatsen,
+waar Gifslangen veelvuldig voorkomen, des nachts een vuur aansteekt,
+zal het spoedig blijken, dat het adderengebroedsel tot de nachtdieren
+behoort. Van alle kanten komt het op het schijnsel van 't vuur af,
+zoodat de jager, die zich over dag te vergeefs beijverde om op deze
+plaats een enkele Adder, Aspis of Zandadder te vangen, 's nachts een
+rijken buit kan verkrijgen. Ieder, die Gifslangen in gevangenschap
+houdt, ondervindt, dat deze dieren, zoo niet uitsluitend, dan toch
+in den regel 's nachts eten, dat zij vrijwillig niet anders dan
+'s nachts werkzaam zijn en op roof uitgaan.
+
+Zonder eenige uitzondering voeden alle Slangen, welker levenswijze
+men heeft leeren kennen, zich met andere dieren, hoofdzakelijk,
+maar niet uitsluitend, met die, welke door henzelf gevangen of
+gedood zijn. De wijze, waarop zij haar buit overmeesteren, is zeer
+verschillend. Sommige, waarschijnlijk wel de meeste, gaan op de loer
+liggen en overvallen plotseling het slachtoffer, dat in de nabijheid
+komt; zij brengen het een doodelijken beet toe en wachten, totdat de
+werking van het gif zich openbaart, of vatten de prooi en verslinden
+haar, soms dadelijk, soms nadat zij haar vooraf hebben doodgedrukt.
+
+Al naar de soort en de grootte der Slangen zijn de dieren, waarop zij
+jacht maken, zeer verschillend. Naar men zegt, kunnen de reuzen uit
+deze onderorde werkelijk dieren ter grootte van een Ree verzwelgen:
+Falkenstein en Pechuel-Loesche b.v. haalden uit het lichaam van een
+door hen geschoten Python een nagenoeg volwassen Draaihoorn-antilope,
+die wel is waar, tot ieders bevreemding, den kop miste, maar waarvan
+overigens geen enkel been gebroken was. De overige Slangen zijn met
+een kleineren buit tevreden en verslinden vooral Knaagdieren, kleine
+Vogels, allerlei Reptiliën (de Schildpadden misschien uitgezonderd)
+en Visschen; de lagere dieren dienen waarschijnlijk alleen tot voedsel
+aan de Worm-, Dwerg- en Dikkopslangen en misschien aan de jongen van
+verscheidene soorten, die op lateren leeftijd op Gewervelde dieren
+jacht maken. Hoewel het aantal gegevens over de voeding der Slangen
+nog zeer onvoldoende is, mag men het er voor houden, dat iedere
+soort in meerdere of mindere mate de voorkeur geeft aan een bepaalde
+diersoort en zich, zoo mogelijk, geheel tot deze bepaalt. Dat enkele
+Slangen vogeleieren eten, wordt reeds bericht door Plinius, wiens
+mededeelingen door later waargenomen feiten gedeeltelijk bevestigd
+worden. Hieruit blijkt ten duidelijkste, dat sommige Slangen werkelijk
+eieren stelen, wegvoeren, verzwelgen, in hun lichaam stukdrukken
+en verteren. Vooral de Afrikaansche Keeltandslangen, de Eiervreters
+van de Nederlandsch sprekende kolonisten (Dasypeltis scaber), en de
+leden van het Indische geslacht Elachistodon zijn, naar het schijnt,
+geheel voor het gebruiken van dit voedsel ingericht. Hare tanden zijn
+rudimentair, maar de onderste doornuitsteeksels van de voorste wervels
+hebben een merkwaardige wijziging ondergaan. Bij beide geslachten
+zijn deze uitsteeksels buitengewoon sterk verlengd en eindigen in
+een naar voren gericht, met email overtrokken, tandvormig haakje,
+welke haakjes ten getale van omstreeks zeven het met hen vergroeiende
+deel van den slokdarm doorboren en zoodoende een rij van echte
+slokdarmtanden vormen, die bij geen ander dier voorkomen. Zoodra het
+ei in dit deel van het spijskanaal doorgedrongen is, verkeert de bek
+reeds weer in gesloten toestand, zoodat van den vloeibaren inhoud van
+den nu verbrijzelden dop niets verloren kan gaan. Behalve Gewervelde
+Dieren, eten sommige Slangen ook ongewervelde, enkele misschien zelfs
+Weekdieren en Schaaldieren.
+
+Tot in den laatsten tijd hebben zelfs natuuronderzoekers niet
+geschroomd de uitdrukking "betoovering" te gebruiken voor de wijze,
+waarop de Slangen een buit bemachtigen. Men heeft n.l. opgemerkt,
+dat sommige dieren, b.v. Muizen en Vogels, geen vrees toonen, als zij
+Slangen naderen en hierdoor gemakkelijk gevangen worden; ook heeft
+men gezien, dat Vogels met kenteekenen van den grootsten schrik om
+Slangen fladderden, die hun kroost of henzelf bedreigden, ten slotte
+een verkeerde beweging deden en eveneens gegrepen werden. Daar nu,
+zoo schijnt men geredeneerd te hebben, het instinct, waardoor het
+dier gewaarschuwd wordt tegen de gevaren, die het bedreigen, in
+beide gevallen gefaald heeft, moet het genoemde verschijnsel aan de
+werking van een bovennatuurlijke kracht toegeschreven worden. Deze
+onderstelling heeft in 't geheel geen reden van bestaan; wel zijn
+de feiten op zich zelf beschouwd juist, maar de daaruit afgeleide
+gevolgtrekkingen deugen niet. Uit mijne tallooze herhaalde waarnemingen
+blijkt de ware toedracht van de zaak; zij komt eenvoudig hierop neer,
+dat de dieren het groote gevaar, waarmede de Slang hen bedreigt, niet
+kennen. Niet ieder Zoogdier--zij het een onnoozel Konijn of een oude
+geslepen Rat--, niet iedere Vogel--zelfs niet altijd de wantrouwige,
+door vele ervaringen wijs geworden Musch--weet wat een Slang is. Indien
+zij al op haar letten, naderen zij haar plomp nieuwsgierig, bekijken
+of besnuffelen haar, laten toe, dat de Slang haar met de tong betast
+en deinzen eerst dan een weinig terug, als dit orgaan haar op de een
+of andere gevoelige plaats krieuwelt. Oude sterke Ratten, die men
+bij groote Slangen brengt, toonen volstrekt geen vrees, maar geven
+soms een bewijs van driestheid, dat men van haar niet verwacht zou
+hebben. Een Rat, die ik aan een gevangen Ratelslang als slachtoffer
+aanbood, bekommerde zich in 't geheel niet om het dreigende geratel en
+gesis van de Slang, maar vrat, toen zij honger kreeg, een gat in het
+lichaam van het vergiftige dier, dat hierdoor ellendig om 't leven
+kwam. Een andere, even ongedwongen verklaring kan gegeven worden van
+het angstig fladderen van verscheidene Vogels om hun nest, wanneer
+zij een Slang zien naderen. Iedere natuuronderzoeker weet, dat zwakke
+Vogels in zulke gevallen dikwijls gebreken veinzen en hiermede in den
+regel iederen niet bijzonder ervaren vijand, zelfs den verstandigen
+mensch, om den tuin leiden. Het zullen verschijnselen van dezen aard
+zijn geweest, die men aan "betoovering" heeft toegeschreven.
+
+Daar de Slangen haar voedsel niet verscheuren en soms dieren
+verslinden, die tweemaal zoo dik zijn als haar kop, wordt voor het
+verzwelgen van den buit een aanzienlijke krachtsinspanning vereischt
+en heeft deze verrichting langzaam plaats. Bijna altijd pakken zij
+den buit bij den kop aan, houden hem met de tanden vast, schuiven
+de eene zijde van den kop vooruit, slaan de haakvormig naar achteren
+gekromde tanden een eind verder weer in de prooi, handelen vervolgens
+op dezelfde wijze met de zooeven voor het vasthouden dienende helft
+van den kop, welker taak intusschen door de andere wordt vervuld
+en halen op deze wijze, beurtelings met de linker en met de rechter
+tandenreeksen, haar buit verder naar binnen, totdat deze geheel en al
+door het keelgat gestuwd is. De buitengewoon groote drukking brengt een
+zeer overvloedige afscheiding van speeksel teweeg; dit vergemakkelijkt
+de beweging van de prooi door de mondholte, die allengs tot de uiterste
+grenzen van rekbaarheid wordt uitgezet. Gedurende het verzwelgen van
+een zeer grooten buit wordt de kop op wanstaltige wijze uitgezet en
+ieder been van het kaakskelet zoo ver mogelijk verschoven; zoodra
+echter de prooi er door is, herkrijgt de kop spoedig zijn gewonen
+vorm. Het gebeurt wel eens, dat Slangen dieren grijpen en trachten te
+verslinden, welker omvang voor haar ongeloofelijk rekbaar kaakskelet
+te groot is; in dit geval liggen zij uren lang op dezelfde plaats
+met den buit in den bek, de luchtpijp zoover naar voren bewogen,
+dat de ademhaling ongehinderd kan plaats hebben. Soms zijn al hare
+pogingen vruchteloos en gelukt het haar niet de prooi door te slikken;
+dan verwijderen zij de tanden weer uit haar slachtoffer en werpen
+dit weg door den kop te schudden. Geheel onjuist is de bewering,
+dat de Slang den eens gegrepen en verzwolgen buit niet meer kan
+uitspuwen en soms aan een te groot stuk stikt.--De Gifslangen pakken
+haar slachtoffer eerst, nadat het bezweken is, met de kaken aan; zij
+doen dit dan met een zekere voorzichtigheid, men zou bijna geneigd
+zijn van teederheid te spreken. Bij het doorslikken gebruiken zij
+hare giftanden niet, maar leggen deze zooveel mogelijk tegen het
+gehemelte aan, door de bovenkaaksbeenderen, die de giftanden dragen,
+naar achteren te draaien; de onderkaakshelften spelen in dit geval bij
+het doorslikken de hoofdrol.--De spijsvertering geschiedt langzaam,
+maar is zeer krachtig. De onverteerbare overblijfselen van de prooi,
+vooral veeren en haren, worden door de kloak verwijderd, slechts in
+enkele omstandigheden, waarschijnlijk alleen door zwakke of ziekelijke
+Slangen, als ballen uitgespuwd. De Slangen verzwelgen een groote
+hoeveelheid voedsel te gelijk, maar kunnen daarna weken en zelfs
+maanden lang vasten.
+
+Duméril, die zijn geheele leven aan de studie van de Slangen wijdde,
+greep eens op een wandeling een Adder, in de meening dat hij een
+onschadelijke Adderkleurige Zwemslang (Tropidonotus viperinus)
+voor zich had; hij werd gebeten en verkeerde verscheidene
+dagen in levensgevaar. Dit feit kan niet genoeg in herinnering
+gebracht worden, omdat het duidelijk bewijst, hoe onbetrouwbaar de
+uitwendig waarneembare kenmerken ter onderscheiding van vergiftige en
+niet-vergiftige Slangen kunnen zijn. Het is onmogelijk, door uitwendig
+onderzoek iedere Gifslang, zonder kans op vergissing, als zoodanig te
+herkennen. Dit geldt echter niet voor alle soorten of familiën; daar de
+Zeeslangen, Ratelslangen en Adders ook uitwendig tot op zekere hoogte
+kenbaar zijn; maar juist de Gewone Adder, die het geoefende oog van
+een onderzoeker als Duméril bedroog, behoort tot het laatstgenoemde
+geslacht! Deze opmerking moet noodzakelijk aan een beschrijving van
+de Slangen voorafgaan, om hen, die zich met de studie van de Slangen
+willen bezighouden, tegen het roekeloos aanvatten van deze gevaarlijke
+dieren te waarschuwen.
+
+Als men bedenkt, hoe groot het aantal menschen is, die ieder jaar door
+Gifslangen hun leven verliezen, hoe vele, zelfs, in onze streken,
+aan haar een langdurige ziekte te wijten hebben, begrijpt men
+den schrik, dien ieder onervaren mensch bij het zien van een Slang
+bevangt; dan worden ook de over Slangen handelende verhalen, sagen en
+fabels, die bij volken uit vroegeren en lateren tijd voorkomen, ons
+duidelijk. Vooral uit tropische gewesten komen dikwijls schrikbarende
+berichten over sterfgevallen tengevolge van slangenbeten. Volgens
+statistische bescheiden verliezen alleen in Indië ieder jaar nagenoeg
+20.000 menschen door deze Reptiliën het leven. Deze groote getallen
+schijnen evenwel geloofwaardiger dan zij zijn. In werkelijkheid zijn
+zij het uitvloeisel van een mystificatie op groote schaal. Mannen, die
+als onderzoekers en jagers een grondige bekendheid met Indië hebben
+opgedaan, weten geen mededeelingen te doen, die eenige bevestiging,
+hoe onvolledig dan ook, van de bedoelde officieele opgaven leveren
+kunnen. R. Garbe verhaalt, dat er, nadat hij in de eerste dagen
+van zijn verblijf in Indië eenige Gifslangen had gezien, meer dan
+een jaar voorbijging, voordat hij op zijne tochten er weer eens een
+ontmoette, die hij met een stokslag doodde. Van de gevreesde dieren
+in Indië in 't algemeen sprekend, zegt hij eenvoudig: "Al deze dieren
+zijn in de werkelijkheid niet zoo boosaardig als in de boeken over
+natuurlijke geschiedenis." Geloofwaardige geneeskundigen op Java,
+Sumatra en Hongkong, waarheidslievende planters en reizigers in
+Nederlandsch-Indië, Cochinchina, Kambodsja en op Ceylon hebben
+schriftelijk en mondeling verklaard, dat de genoemde statistieke
+opgaven onjuist zijn en dat daaraan niet de geringste bewijskracht
+kan worden toegekend.
+
+Waarschijnlijk zal men in andere landen, waar de Gifslangen talrijk
+zijn, door dergelijke nasporingen, als op Java verricht werden,
+zoo niet tot gelijke, dan toch tot weinig afwijkende uitkomsten
+geraken. Dit blijkt o.a. uit hetgeen door Tschudi van Brazilië,
+door Hasse, Büttikofer, Pechuel-Loesche en anderen van Afrika, door
+Mackleay van Australië bericht wordt. Allen verklaren eenstemmig,
+dat het gevaar van door vergiftige Slangen gebeten te worden in deze
+deelen van haar verbreidingsgebied betrekkelijk gering is.
+
+Bij alle verscheidenheid van vorm, lichaamsbouw en levenswijze
+hebben de Gifslangen in hare giforganen een kenmerk, waaraan zij
+zonder fout--en door eenigermate geoefende onderzoekers ook met vrij
+geringe moeite--van de niet-vergiftige Slangen onderscheiden kunnen
+worden. Alle hebben n.l. aan de bovenkaak groote, doorboorde tanden,
+die bij sommige alleenstaan, bij andere van kleinere, massieve
+tanden vergezeld zijn. Bij de over dag werkzame Gifslangen is deze
+giftand steviger aan het bovenkaaksbeen bevestigd, dan bij die, welke
+'s nachts wakker zijn; bij deze, zoowel als bij gene is hij echter
+niet met een wortel, maar slechts door verbeenend bindweefsel met het
+bovenkaaksbeen verbonden. De giftand zelf kan eigenlijk niet bewogen
+worden: dat de Adders hem tegen het gehemelte aanleggen kunnen, is
+een gevolg van de beweeglijkheid van het bovenkaaksbeen, dat stevig
+aan den tand is vastgehecht. In den regel is aan iedere zijde van de
+bovenkaak slechts één giftand volkomen ontwikkeld. Daar er echter aan
+elk bovenkaaksbeen steeds verscheidene (1 à 6) meer of min volledig
+ontwikkelde reserve-tanden gevonden worden, kan het voorkomen, dat
+twee van deze, in elke groeve één, op denzelfden trap van ontwikkeling
+verkeerend, te gelijker tijd in functie treden. De reserve-tanden
+zijn niet stevig aan het been gehecht; de meest ontwikkelde is altijd
+het naast bij en achter den giftand geplaatst. Aan weerszijden van
+den giftand merkt men een vliezige plooi van het tandvleesch op,
+waardoor een scheede wordt gevormd, welke den tand omsluit, wanneer
+de kaken in den toestand van rust verkeeren. Van alle overige tanden
+onderscheiden de giftanden zich door hun aanzienlijker grootte
+en duidelijk priemvormige gedaante; bij alle Gifslangen zijn zij
+volgens hetzelfde grondplan gebouwd. Behalve een bij den oorsprong
+aanwezige, aanvankelijk met een bloedrijk weefsel gevulde holte, die
+voor de voeding van den tand dient en bij alle slangentanden zonder
+uitzondering voorkomt, bevat iedere giftand nog een overlangsch kanaal,
+dat steeds aan de bolle voorzijde van den tand gelegen is en hier twee
+openingen vertoont. De eene opening, die een afgeronden vorm heeft,
+bevindt zich dicht bij de basis van den tand. Wanneer bij het openen
+van den bek het bovenkaaksbeen, en hierdoor ook de giftand, opgericht
+wordt, komt de bedoelde opening van het gifkanaal tegenover het einde
+van de afvoerbuis van de gifklier te liggen, waardoor het gif in den
+hollen tand zal doordringen; de onderste opening, die boven de spits
+van den giftand ligt, is spleetvormig. Bij de meeste Gifslangen zijn
+deze beide openingen door een fijne spleet met elkaar verbonden en
+is het gifkanaal van voren dus niet geheel gesloten; bij de overige
+soorten is het gifkanaal volkomen gesloten en wordt de spleet hoogstens
+door een fijne lijn vervangen. Hiernaar onderscheidt men "gevoorde" en
+"gladde" giftanden. Deze wapens hebben, al naar de soort en de grootte
+van het individu, een verschillende lengte; alle Gifslangen, die over
+dag jagen, bezitten betrekkelijk kleine, alle, die een nachtelijke
+levenswijze hebben, betrekkelijk groote giftanden. Bij onze Adder
+bereiken de giftanden een lengte van 3 à 4, hoogstens van 5 mM., bij
+de Lanskopslang worden zij 25 mM. lang. Zij zijn zoo hard en broos
+als glas, maar buitengewoon spits, en dringen daarom even gemakkelijk
+als een scherpe naald in zachte voorwerpen, zelfs in zacht leer door;
+van harde glijden zij daarentegen dikwijls af, of breken, wanneer de
+stoot, die de Slang er mee toebrengt, krachtig is. Als een van deze
+tanden verloren is gegaan, komt de onmiddellijk daarachter gelegen
+reserve-tand er voor in de plaats; zulk een wisseling schijnt echter
+ook zonder eenige uitwendige oorzaak met een zekere regelmatigheid
+plaats te vinden, ieder jaar éénmaal, misschien vaker.
+
+Iedere gifklier scheidt een betrekkelijk geringe hoeveelheid vocht
+af: die van een bijna 2 M. lange Ratelslang hoogstens 4 à 6 druppels;
+een klein gedeelte van zulk een druppel is trouwens voldoende om in
+het bloed van een groot Zoogdier binnen weinige minuten een noodlottige
+verandering teweeg te brengen. De gifklier is overvuld met gif, wanneer
+de Slang in geruimen tijd niet gebeten heeft; het gif heeft in dit
+geval een krachtiger werking dan wanneer de voorraad gif gering is;
+het vernieuwen van den verbruikten voorraad heeft echter zeer schielijk
+plaats; ook het versch bereide gif is in de hoogste mate schadelijk.
+
+Het gif zelf kan met speeksel vergeleken worden, of verdient dezen
+naam geheel; het is zoo helder als water, dun, doorzichtig, licht
+geelachtig of groenachtig van kleur; het zakt naar den bodem, wanneer
+het bij water wordt gevoegd, maar vermengt zich er ook wel mede tot een
+zwak troebele vloeistof; het kleurt blauw lakmoespapier rood en heeft
+dus een zure reactie. Het bevat, volgens Mitchell's onderzoekingen,
+een eiwitachtige stof (het werkzame bestanddeel), een dergelijke stof
+van gecompliceerder samenstelling, die geen werking uitoefent, een
+gele kleurstof en een niet nader te bepalen bestanddeel, voorts vet en
+vrij zuur en eindelijk zouten, waarin een zeker gehalte aan chloor en
+phosphorus. Het gif verdroogt gemakkelijk; het vormt een vaste korst,
+wanneer het op een voorwerp wordt gestreken en gelijkt dan op een
+glanzig vernis; jaren lang behoudt het zijne noodlottige eigenschappen.
+
+In de laatste jaren hebben Weir Mitchell en E. Reichert talrijke
+proeven met slangengif genomen. Volgens hen is de behandeling van de
+wonde met overmangaanzure kali de beste geneeswijze; in mindere mate
+zijn voor dit doel ijzerchloride en jodiumtinctuur aan te bevelen;
+ook door het gebruik van bromiumpreparaten werden goede uitkomsten
+verkregen. De plaatselijke verschijnselen na den beet zijn meestal
+buitengewoon hevig: in de eerste plaats heeft een sterke zwelling
+plaats door het uittreden van vocht of bloed uit de haarvaten; hierop
+volgen ettering en koudvuur. Bij een langzamer verloop zijn ook aan
+andere lichaamsdeelen zeer duidelijk vergiftigings-verschijnselen waar
+te nemen; de overgang van bloed uit de haarvaten in het celweefsel
+strekt zich zeer ver over het geheele lichaam uit en gelijkt op dien,
+welke in sommige gevallen van bloedvergiftiging optreedt. Men heeft
+opgemerkt, dat dit bloed de eigenschap van te stollen verloren heeft
+en dat de roode bloedlichaampjes eigenaardige veranderingen ondergaan
+hebben.
+
+De dood door slangengif kan volgens de bedoelde onderzoekers op
+verschillende wijzen verklaard worden; de oorzaak kan zijn een
+verlamming van die deelen der hersenen, welke de ademhaling regelen,
+of een hartverlamming, of bloeduitstorting in het verlengde merg,
+misschien ook wel een groote verandering van de roode bloedlichaampjes.
+
+Slechts wanneer de maag ledig is, wordt het ingeslikt gif in het
+bloed opgenomen; gedurende de spijsvertering evenwel wordt het door
+de werking van het maagsap onschadelijk gemaakt.
+
+Welke bloedontledende stof eigenlijk in het slangengif aanwezig is,
+weet men nog niet, hoewel hierover verscheidene onderzoekingen zijn
+ingesteld; onze kennis van het gif bepaalt zich tot zijn uitwendig
+voorkomen en zijn werking.
+
+In 't algemeen kan hiervan nog gezegd worden, dat de
+vergiftigings-verschijnselen des te heviger zijn, naarmate de Slang
+grooter en de temperatuur van de omgeving hooger is; bovendien bestaat
+er eenig onderscheid tusschen de werking van het gif van verschillende
+Slangen. Hoe sneller en volkomener de bloedsomloop van het gebeten
+dier is, des te schielijker openbaren zich de gevolgen van den beet;
+warmbloedige dieren blijven na zulk een verwonding minder dikwijls
+gespaard en sterven na een korter tijdsverloop dan Reptiliën,
+Amphibiën of Visschen; de ongewervelde dieren schijnen er minder
+nadeel van te ondervinden. Twee Gifslangen van dezelfde soort kunnen
+elkander bijten, zonder dat er vergiftiging plaats vindt. Woedende
+Slangen bijten dikwijls zichzelf in den staart, zonder hierdoor te
+lijden. De uitslag is geheel anders, wanneer de vergiftige Slangen,
+die elkander bijten, tot verschillende soorten behooren; in een
+dergelijk geval heeft het gif op de slachtoffers in vele gevallen
+dezelfde uitwerking als op andere dieren.
+
+Naar men beweert, zijn enkele Zoogdieren en Vogels tegen de werking
+van het slangengif op een voor ons onbegrijpelijke wijze bestand;
+o.a. wordt dit van den Mol, den Bunzing en den Egel bericht. Het is
+echter zeer de vraag, of de gevolgtrekkingen, die uit de talrijke
+proeven van den slangenkenner Lenz afgeleid worden, werkelijk op
+goede gronden berusten; daar nieuwere proeven--b.v. die, welke
+door C. Struck bij Egels genomen zijn--lijnrecht tegenovergestelde
+uitkomsten opleverden. Een Egel, die door een Gifslang aan de lip
+gebeten werd, bezweek. De Mungo, die ook tegen slangengif bestand heet
+te zijn, zal wel degelijk sterven aan de gevolgen van een flinken beet.
+
+Over 't algemeen openbaart de werking van het slangengif zich bij alle
+dieren min of meer op dezelfde wijze, hoewel de verschijnselen, die
+op den beet volgen, verschillen kunnen of althans ongelijk schijnen
+te zijn. Daar ook in onzen tijd ongelukkig maar al te vaak gevallen
+van vergiftiging van menschen door Slangen voorkomen, zijn wij niet
+alleen met de zichtbare gevolgen van den beet, maar ook met het lijden
+en de gewaarwordingen van den vergiftigde nauwkeurig bekend. Op het
+oogenblik van de verwonding gevoelt het slachtoffer gewoonlijk een
+hevige, onvergelijkelijke pijn, die snel als een elektrische schok
+door het geheele lichaam trekt; in vele gevallen echter komt in
+zoover het tegendeel voor, dat de gebetene een gewaarwording krijgt,
+alsof hij zich aan een doorn geprikt heeft. De onmiddellijk daarop
+volgende vermoeidheid in alle lichaamsdeelen, een buitengewoon snelle
+krachtsvermindering, aanvallen van duizeligheid en telkens herhaalde
+flauwten zijn de eerste onbedriegelijke kenteekenen van de plaats
+hebbende verandering van het bloed; zeer dikwijls komen brakingen voor
+(ook van bloed), bijna even dikwijls diarrhee, soms bloedingen uit
+mond, neus en ooren. De krachtsvermindering openbaart zich verder
+door een bijna onweerstaanbare slaperigheid en het merkbaar afnemen
+van de hersenwerkzaamheid; vooral de verrichtingen van de zintuigen
+worden veel zwakker, zoodat b.v. volslagen blindheid en doofheid
+kunnen optreden. Naarmate de krachten afnemen, vermindert het gevoel
+van pijn, zoodat, wanneer het einde van den vergiftigde nadert, deze
+geen pijn meer schijnt te gevoelen, maar in een doffe bewusteloosheid
+verzonken is. Niet altijd echter lijdt de patiënt op deze wijze:
+dikwijls wordt hij uren achtereen door de hevigste pijnen gekweld
+en is zijn zenuwstelsel zoo overprikkeld, dat iedere beweging, ieder
+gedruisch in zijn omgeving hem onverdragelijke smarten veroorzaakt. Op
+het erbarmelijk gejammer van den gebeten mensch, op het uren lang
+aanhoudend, klagend gehuil van den gebeten Hond, volgt ook dan een
+toestand van bewusteloosheid, waarin de lijder betrekkelijk kalm den
+laatsten adem uitblaast.
+
+Geen der tallooze geneesmiddelen, waarvan men bij vergiftiging
+door slangenbeten gebruik maakt of maakte, kan de veranderingen
+tegengaan, die het gif, wanneer het eens in den bloedstroom is
+opgenomen, in het bloed en in de centrale deelen van het zenuwstelsel
+teweegbrengt. Gerust kan men de talrijke tegengiften, waarop men
+vroeger vertrouwde, terzijdestellen. Volgens Weir Mitchell's zeer
+nauwgezette onderzoekingen geldt dit ook voor den alcohol. "Het
+eerste uitwerksel van het slangengif, de plotselinge vermindering van
+de hartwerking, gaf aanleiding den patiënt het gebruik van groote
+hoeveelheden alcoholische dranken aan te bevelen, hoewel door dit
+middel geen der overige, veel schadelijker gevolgen van het venijn
+worden tegengegaan. Ondanks de algemeen heerschende meening, dat
+alcohol bij personen, die door Slangen gebeten zijn, een gunstigen
+invloed oefent, is het thans vrij wel uitgemaakt, dat vele van deze
+patiënten bezweken zijn door de werking van den alcohol, die hun
+als geneesmiddel gegeven werd. Er zijn gevallen bekend van menschen,
+die terwijl zij smoordronken waren door het gebruik van brandewijn,
+door vergiftige Slangen gebeten werden, en toch door de werking van
+het gif bezweken." "Van groot nut bij de behandeling van dergelijke
+verwondingen zijn alle maatregelen, waardoor de verspreiding van
+het gif door het geheele lichaam wordt tegengegaan of althans
+vertraagd. Uit vele gevallen van genezing blijkt, dat er in het
+organisme werkingen plaats vinden, die het vergiftigde bloed vernieuwen
+en de beschadigde weefsels herstellen. Dikwijls is mij gevraagd,
+wat ik zou doen, indien ik door een vergiftige Slang gebeten werd en
+niet onmiddellijk hulp kon krijgen. In bepaalde gevallen, b.v. als
+de verwonding aan den vingertop plaats had, zou ik niet aarzelen
+mij van het vergiftigde lichaamsdeel te ontdoen door amputatie of
+de wonde met een gloeiend ijzer uitbranden. Indien dit niet kan
+geschieden, is het raadzaam om, terwijl er hulp gezocht wordt, het
+gif tot het gebeten lichaamsdeel te beperken, door boven de wonde,
+dus op een nader bij den romp gelegen plaats, twee banden aan te
+brengen, die stijf genoeg aangehaald worden, om de circulatie van het
+bloed te verhinderen. Om de verzwakking van de hartwerking tegen te
+gaan en den patiënt in staat te stellen, naar huis terug te keeren,
+kan het op dit tijdstip nuttig zijn van een alcoholischen prikkel
+gebruik te maken. Ten spoedigste moet de wonde behandeld worden
+met middelen, die het venijn vernietigen, waarvoor een oplossing
+van overmangaanzure kali in water aanbeveling verdient. Door de
+weefsels te drukken en te kneeden, wordt het in aanraking komen
+van het venijn met het tegengif bevorderd. Tevens is het noodig,
+de banden losser te maken om het koudvuur te voorkomen. Natuurlijk
+zal dan eenig venijn in den bloedstroom kunnen geraken; maar na
+weinige oogenblikken zal men opnieuw de banden kunnen toehalen en
+moet men nogmaals het plaatselijk werkend tegengif aanwenden. Als een
+dergelijk middel niet of eerst na geruimen tijd beschikbaar is en de
+wonde een groote hoeveelheid venijn bevat, kunnen alleen het mes en
+het gloeiend ijzer afdoende hulp verschaffen. Bemoedigend is echter
+de herinnering, dat in Amerika een slangenbeet zelden doodelijke
+gevolgen heeft. Van 9 Honden, die door 9 verschillende Gifslangen
+gebeten werden, bezweken slechts 2." Het uitzuigen van de wonde heeft
+dit voordeel, dat het onmiddellijk kan geschieden; de lijder of ieder
+ander, die deze bewerking verricht, moet echter zeker zijn van de
+afwezigheid van wondjes, hoe onbeduidend ook, in de mondholte; daar
+hierdoor het gif in het bloed zou kunnen doordringen. Te sterk zuigen
+kan bloeding van het tandvleesch veroorzaken en op deze wijze voor den
+helper gevaarlijk worden. Volgens Kaufmann verdient bij adderbeten het
+inspuiten van een 1-percents oplossing van chroomzuur in de wonde de
+voorkeur boven de (door Lacerda Filho te Rio de Janeiro aanbevolen)
+1-percents oplossing van overmangaanzure kali, ofschoon ook deze een
+nuttige werking scheen te hebben. Op Braziliaansche plantages wordt
+van het laatstgenoemde middel tegen slangenbeten een dosis van 1 1/2
+à 4 cM3 ingespoten, al naar het geval meer of minder ernstig schijnt,
+naar men zegt, met goed gevolg. In den laatsten tijd wordt voor de
+behandeling van adderbeten, behalve een oplossing van overmangaanzure
+kali (2 percent), ook carbol (5 percent) aanbevolen.
+
+Alle Slangen drinken, sommige zuigend, met volle teugen, onder
+duidelijk zichtbare bewegingen der kaken, andere door met de tong
+water of dauwdroppels op te nemen, of althans de tong er mede te
+bevochtigen. Verscheidene soorten verkwijnen zichtbaar en bezwijken
+ten slotte, wanneer zij geen water krijgen; andere daarentegen schijnen
+de behoefte aan vocht dagen, ja zelfs maanden lang met eenige weinige
+druppels te kunnen bevredigen. Belangrijker nog dan het ruien voor
+het leven der Vogels, is voor het leven der Slangen de vervelling;
+deze werkzaamheid is een van de eerste, welke het jong na het verlaten
+van het ei verricht; door het volwassen dier wordt zij ieder jaar
+verscheidene malen herhaald. De vervelling neemt een aanvang met
+het losraken van de fijne, doorzichtige opperhuid van de lippen,
+waardoor een groote opening ontstaat. In de vrije natuur maken de
+Slangen gebruik van mos, heide en andere planten of van oneffenheden
+in 't algemeen om haar "hemd" uit te trekken en loopt de vervelling
+zeer spoedig af; in de kooi moeten zij zich dikwijls lang tevergeefs
+inspannen, voordat zij haar doel bereikt hebben en komt het zelden
+voor, dat zij haar huid afwerpen, zonder deze te scheuren.
+
+Volgens de nasporingen van Lenz heeft de eerste vervelling van de
+inheemsche Slangen tegen het einde van April of in het begin van
+Mei plaats, de tweede in 't laatst van Mei en het begin van Juni,
+de derde in het laatst van Juni, de vierde in het einde van Juli en
+het begin van Augustus, de vijfde eindelijk van het einde van Augustus
+tot het begin van September. Iets dergelijks wordt van de Slangen in
+tropische gewesten bericht.--Weinige dagen na de eerste vervelling in
+de lente begint de voortplanting. Na ongeveer 4 maanden zijn de eieren,
+waarvan het aantal in den regel 6 à 40 bedraagt (bij de Reuzenslangen
+echter soms wel 100), voor 't leggen geschikt; de moeder laat ze op
+een vochtige, warme plaats achter. Bij enkele soorten ontwikkelen
+de jongen zich in den eileider zoover, dat zij onmiddellijk na het
+leggen van het ei of reeds in het lichaam van de moeder de eischaal
+verbreken. Slechts van eenige Reuzenslangen is het bekend, dat zij
+hare eieren uitbroeden. Bij het verlaten van de eischaal worden de
+jongen niet door hun moeder geholpen; deze bekommert zich trouwens
+ook overigens weinig of niet om haar kroost. De Slangen groeien zeer
+langzaam, maar misschien wel gedurende geheel haar leven, op lateren
+leeftijd natuurlijk veel minder sterk dan in de jeugd. Waarschijnlijk
+kunnen zij zeer oud worden.
+
+De Slangen spelen in de dierenwereld een zeer ondergeschikte
+rol. Eenige zijn ons nuttig door het vangen van Muizen en andere
+schadelijke Knaagdieren. Het voordeel, dat zij den mensch op deze
+wijze verschaffen, wordt ruimschoots opgewogen door de schade, die zij,
+althans de Gifslangen, aanrichten: voor den haat, waaronder de geheele
+onderorde te lijden heeft, bestaan zeer gegronde redenen. Het is te
+prijzen, wanneer men de onschadelijke Slangen niet met de vergiftige
+veroordeelt, vervolgt en doodt; de onderscheiding van de Gifslangen van
+hare niet-vergiftige verwanten vereischt echter zulk een nauwkeurige
+bekendheid met de geheele groep, dat het moeilijk te verdedigen zou
+zijn, niet-deskundigen aan te raden sommige Slangen te sparen. Wel is
+het geen moeielijke zaak de eenige inheemsche Gifslang van de beide,
+ons vaderland bewonende, onschadelijke Slangen te onderscheiden; in
+andere landen van West-Europa wordt echter een Slang aangetroffen,
+die zooveel op onze Adder gelijkt, dat zelfs de op dit gebied zeer
+ervaren Duméril, zich in de herkenning van de soort kon vergissen. In
+alle andere werelddeelen komen Slangen voor, waarvan men ook thans
+nog niet weet, of zij al dan niet vergiftig zijn. Ieder, die voor de
+onschadelijke Slangen in de bres wil springen, moet duidelijk doen
+uitkomen, dat het verzoek om deze dieren te sparen, geen andere dan
+inheemsche soorten betreft, daar het anders verkeerde gevolgen zou
+kunnen hebben.
+
+De Slangen spelen een belangrijke rol in de sagen en bovenzinnelijke
+voorstellingen der volken. Niet slechts in de joodsch-christelijke
+overlevering, maar in de mythen van ieder volk treden zij op en wekken
+soms vrees en afschuw, soms liefde en vereering. De Slang gold als
+zinnebeeld van snelheid, van sluwheid, van de geneeskunde en zelfs
+van den tijd. Voorheen werd aan Slangen goddelijke eer bewezen en
+ook thans nog ontmoet men deze eeredienst bij eenige onbeschaafde
+volken. De Indiërs vereerden haar als zinnebeeld van wijsheid;
+voor andere volken waren valschheid, list en verleiding in haar
+belichaamd; nog andere beschouwden de Slangen als vertegenwoordigers
+van Goden. Daar haar goede en ook wel slechte eigenschappen werden
+toegedicht, stelde zij soms een god, soms een duivel voor. Men dichtte
+haar niet slechts eigenschappen toe, die zij niet bezitten, maar ook
+vleugels, pooten en andere haar ontbrekende lichaamsdeelen, een kroon
+op den kop en dergelijke tot tooi dienende aanhangselen; de phantasie
+hield zich meer met haar bezig dan het waarnemingsvermogen. Daar
+Slangen een buitengewonen indruk maken op de lichtgeloovige menigte,
+gaven kwakzalvers en ook geneeskundigen zich veel met deze dieren
+af. Plinius en andere Romeinsche (ook Grieksche) schrijvers vermelden
+verscheidene geneesmiddelen, tooverdranken en dergelijke artsenijen,
+waarvoor het lichaam of enkele lichaamsdeelen van verschillende
+Slangen de grondstoffen leverden. Aan de Grieken en Romeinen danken
+wij de uit Adders bereide pharmaceutische mengsels, die nog lang na
+de Middeleeuwen in gebruik zijn gebleven. Nog in de laatstverloopen
+eeuwen werden de tot het Addergeslacht behoorende Slangen bij
+honderdduizenden in Europa, vooral in Italië en Frankrijk, voor de
+apotheken ingezameld. Daar Europa niet genoeg Slangen kon leveren om
+aan de vraag naar dit artikel te voldoen, werden zelfs uit Egypte
+Gifslangen in zeer grooten getale aangevoerd. Reeds Antonius Musa,
+een beroemde arts ten tijde van Keizer Octavianus Augustus, gebruikte
+Adders als geneesmiddel. Andromachus van Kreta, de lijfarts van
+dezen keizer, vond het "theriacum" uit, dat nog in de vorige eeuw
+in bijna alle Europeesche apotheken bereid werd onder toezicht van
+pharmaceuten en geneeskundigen, die de talrijke, daarin voorkomende
+stoffen onderzoeken moesten. Vooral Venetië was wegens haar theriacum
+beroemd. Nog in den tegenwoordigen tijd wordt aan de geneeskracht
+van het addervet geloof geslagen; goede gevolgen had dit geloof in
+zoover, als het aanleiding gaf tot een ijverige jacht op Adders en
+veel bijdroeg tot vermindering van haar aantal.
+
+Tot geruststelling van ieder, die voor Slangen bevreesd is, kan
+dienen, dat zij een zeer groot aantal vijanden hebben. Hier te lande
+maken Katten, Vossen, Marters, Bunzingen, Wezels, Egels en Zwijnen
+jacht op haar, in zuidelijker gewesten de Civetkatten, vooral de
+Mangoesten, in Zuid-Afrika ook sommige Hagedissen. Even krachtdadig
+worden zij vervolgd door Slangenarenden en Schreeuwarenden, Buizerden,
+Raven, Eksters en Gaaien, Ooievaars en andere Moerasvogels benevens
+hunne plaatsvervangers uit de Vogelklasse in warme landen. Als
+de uitmuntendste van alle slangenverdelgers wordt de Secretaris of
+Kraangier beschouwd; ook andere leden zijner orde ontwikkelen echter in
+deze richting een grooten ijver; vooral geldt dit van de Edel-, Tand-,
+Zing- en Slangenhaviken, van de Sperwerarenden, Berghanen, Giervalken,
+Koningsgieren en Raafgieren. Bovendien zijn vele Hoendervogels en
+Stapvogels niet gering te schatten als bondgenooten in den strijd tegen
+de Slangen. Zij alle verdienen de waardeering en de bescherming van
+den mensch; want voor 't meerendeel verslinden zij, behalve Slangen,
+ook de door haar vervolgde schadelijke dieren; het nuttige deel van
+den arbeid der Reptiliën, die zij buiten staat stellen om kwaad te
+doen, wordt dus door hen overgenomen.
+
+De meeste Slangen gewennen licht aan het leven in gevangenschap; vele
+verdragen dit jaren, andere althans maanden lang. Voor het welzijn is
+warmte, en meer bepaaldelijk vochtige warmte, een volstrekt vereischte;
+vooral mag in haar hok een bak met water, die als badinrichting
+dienst kan doen, niet ontbreken. In den eersten tijd moet men haar
+levende dieren als voedsel geven; als zij er zich aan gewend hebben
+deze te grijpen en te verslinden, gelukt het dikwijls ook wel, haar
+te leeren zich met doode dieren te behelpen, en zijn zij later zelfs
+met stukken vleesch tevreden.
+
+Langzamerhand ontstaat er tusschen de Slangen en haar verzorger een
+zekere vriendschappelijke verhouding; zij nemen het voedsel aan,
+dat hij haar met de handen of met een tang voorhoudt, laten zich
+aanraken, opnemen, ronddragen en zelfs eenigermate africhten. Van
+werkelijke gehechtheid aan haar meester blijkt echter niets; eerder
+zou men nog van het tegengestelde gevoel kunnen spreken bij soorten,
+die sterk, of althans door het bezit van giftanden weerbaar, zijn. De
+verhouding van den mensch tot de prikkelbare, kwaadaardige Gifslangen,
+die hij gevangen houdt, wordt slechts bij uitzondering langzamerhand
+iets minder gespannen. Toch bijten deze dieren soms ook dan nog,
+als zij reeds maanden lang voor getemd werden gehouden; in ieder
+geval blijft de omgang met hen steeds gevaarlijk en vereischt zooveel
+voorzichtigheid, dat ik, op mijn ervaring afgaande, niemand aanraden
+mag, zich met hen in te laten.
+
+
+
+De Wormslangen, zoo genoemd wegens haar vorm en levenswijze, wijken
+even sterk af van de overige Slangen als de Ringhagedissen van
+de overige Hagedissen; vroeger werden zij bij de laatstgenoemde
+onderorde gevoegd. Haar belangrijkste kenmerk is het bezit van
+tanden in slechts één van beide kaken--hetzij in de onderste, bij de
+Smalmuiligen (Stenostomidae), of in de bovenste, bij de Hagedisslangen
+(Typhlopidae)--en de ongeschiktheid van haar bek om verwijding te
+ondergaan. Steeds zijn bij haar overblijfselen van den heupgordel
+aanwezig. Men verdeelt ze in twee familiën (hierboven genoemd).
+
+
+
+Bij de Hagedisslangen is de grens tusschen romp en kop onduidelijk,
+de staart kort, het oog klein, door een doorzichtig schildje overdekt,
+de tong duidelijk gevorkt. Kleine, rondachtige, gladde, dakpansgewijs
+geplaatste schubben bekleeden het lichaam, met uitzondering van het
+voorste deel van den kop, dat grootere schilden draagt. Deze familie is
+over de keerkrings-gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld verbreid;
+in het Noordelijke Rijk van de Oude wereld wordt zij door een gering
+aantal soorten vertegenwoordigd, die, naar het schijnt, uitsluitend,
+Zuidoost-Europa, West-Azië en Japan bewonen. Alle leven onder den
+grond als de Wormen, waarmede zij zich voeden en planten zich voort
+door betrekkelijk zeer groote, langwerpige eieren, welker aantal
+gewoonlijk gering is. De grootste soort, die men kent, wordt ongeveer
+70 cM. lang en heeft een middellijn van 3 cM.
+
+
+
+Bij het Zwakoog (Typhlops vermicularis), den eenigen Europeeschen
+vertegenwoordiger van zijn familie, hebben beide einden van het
+lichaam gelijke dikte; het onderscheiden van den snuit en den staart
+kost werkelijk moeite; daar men den mond voor de kloakopening zou
+kunnen houden, tenzij men acht geeft op de grootere schilden, die
+den afgeronden snuit bekleeden. Het oog schemert als een nauwelijks
+zichtbaar stipje door het oogschild heen. De kleur is meer of minder
+glanzig geelbruin, van boven donkerder, van onderen lichter; op den rug
+en den staart komt een teekening voor, bestaande uit een donkerbruin
+stipje op iedere schub bij de spits. Lengte hoogstens 33, dikte 0.8 cM.
+
+Van de levenswijze van dit dier, dat in Griekenland en op verscheidene
+Grieksche eilanden, in Klein-Azië, Syrië, Steenachtig Arabië en de
+Kaukasuslanden aangetroffen werd, zijn tot dusver geen bijzonderheden
+van eenig belang bekend.
+
+
+
+Sterk vertegenwoordigd is dit geslacht in het Oostersche en
+Australische Rijk. Als voorbeeld noemen wij Typhlops nigro-albus,
+een op de Soenda-eilanden levende soort, die door de Maleiers
+Oelar-balang (Bonte Slang) wordt genoemd. Snelleman noemt haar:
+"een klein, zeer beweeglijk Slangetje, dat op den grond voorkomt,
+maar ook opgerold ligt op de bladen van pisangboomen en andere laag
+bij den grond staande struiken. In Indië wordt deze soort algemeen
+als zeer schadelijk beschouwd en haar beet voor gevaarlijk gehouden,
+hoewel zij inderdaad zeer onschuldig is en zich met Insecten voedt."
+
+
+
+Zonder eenigen twijfel hebben de ouden met hunne Draken onze
+tegenwoordige Reuzenslangen bedoeld. De opmerkelijke grootte van
+deze dieren, hun spierkracht en de algemeen heerschende vrees
+voor iedere Slang maakt de overdrijving, waaraan de schrijvers der
+oudheid zich schuldig hebben gemaakt, verklaarbaar. Van een mensch,
+die zich bedreigd acht door verschrikkelijke monsters en zich te
+zwak gevoelt om hen te weerstaan, kan het ons niet bevreemden, dat
+hij aan de bedoelde wezens een veel aanzienlijker grootte toedicht
+dan zij werkelijk hebben, en zelfs ledematen, die niet bestaan. De
+zoogenaamde "aarsklauwen" der Reuzenslangen, die men thans als
+sporen van achterpooten heeft leeren kennen, werden door de ouden
+niet opgemerkt; daarentegen begiftigde de phantasie deze door hen
+zoo gevaarlijk geachte schepselen met vreemdsoortige pooten en
+wonderbaarlijke vleugels. Het wondergeloof der middeleeuwen breidde
+de attributen der Draken hoe langer hoe meer uit. In dien tijd was
+de herinnering aan de Reuzenslangen zoo goed als geheel verloren
+gegaan en ontwikkelden de onbepaalde voorstellingen der Oostersche
+sprookjes zich allengs tot gestalten, waarin het oorspronkelijk type
+bijna geheel onkenbaar is geworden.
+
+Tot overdrijving waren echter niet alleen de ouden geneigd, ook bij
+hedendaagsche berichtgevers vindt men er vele bewijzen van. Ook
+thans nog wordt gesproken van Reuzenslangen van 15 M. lengte en
+schroomt men niet te verhalen van Paarden, Runderen en dergelijke
+dieren, die door deze monsters aangevallen, gedood en verzwolgen
+zouden zijn. Hoewel men de mogelijkheid kan onderstellen, dat de
+Reuzenslangen vroeger een aanzienlijker grootte bereikten dan thans,
+nu de mensch beter uitgerust is voor den strijd met zijne vijanden en
+met zijne vreeselijke wapens hun leven verkort, is het aan geen twijfel
+onderhevig, dat zulke Slangen, als door de ouden beschreven worden,
+nooit bestaan hebben. Uit eigen ervaring weet ik, hoe buitengewoon
+moeielijk het is de lengte van Slangen zonder meting bij benadering te
+bepalen. Niet zelden geschiedt dit reeds foutief bij kleine Slangen,
+die men rustend voor zich ziet liggen en dus goed kan opnemen. Maar
+al te vaak zal het bij nader onderzoek blijken, dat een lengte
+van b.v. één meter ruim een derde hooger was geschat; bij Slangen
+van 3 M. lengte is de moeielijkheid twee- of driemaal zoo groot en
+bestaat er nog veel grooter verschil tusschen de werkelijkheid en
+de schatting. Deze is zelfs gladweg onmogelijk, zoodra het dier zich
+beweegt. Het kan dus geen verwondering wekken, dat de inboorlingen van
+zuidelijker landen, met hun levendige phantasie veel verder gaande in
+overdrijving, afmetingen opgeven, die twee- of driemaal zoo groot zijn
+als de ware. Dezelfde Indiër of Zuid-Amerikaan, die met den schijn van
+volkomen betrouwbaarheid over een ongeveer 15 M. lange Reuzenslang
+spreekt, welke hij beweert zelf gezien of geschoten te hebben, zal
+den nauwkeurig metenden onderzoeker, die een dier van 6 M. doodde,
+verzekeren, dat dit exemplaar alle wezens van dezelfde soort, die
+hij vroeger heeft gezien, in grootte ver overtreft.
+
+
+
+De familie der Aarsklauwslangen (Boidae), die de "Reuzenslangen"
+onder hare leden telt, is kenbaar aan de volgende eigenschappen: De
+platte van achteren meer of minder duidelijk begrensde, driehoekig
+of langwerpig eivormige kop heeft meestal een zeer grooten muil;
+de krachtig gespierde romp is zijdelings samengedrukt, de staart
+betrekkelijk kort; sporen van achterste ledematen zijn aanwezig:
+aan weerszijden van de kloakopening komt meestal een hoornachtige
+aarsklauw voor. De bekleeding van den kop bestaat uit schilden,
+soms uit schubben; de rugzijde van den romp is bedekt met kleine,
+zeshoekige schubben, de buikzijde met korte, maar breede schilden,
+die aan den staart soms een enkele, soms een dubbele reeks vormen. Bij
+zorgvuldige ontleding van het dier merkt men duidelijke overblijfselen
+van een uit vier beenderen samengestelden heupgordel op. Massieve
+tanden komen voor aan beide kaakbogen en aan de gehemeltebeenderen. Het
+oog is betrekkelijk klein en heeft een vertikaal gerichte pupil.
+
+Met uitzondering van de Woel-boa's (Erycinae)--een uit 6 soorten van
+middelmatige grootte bestaande onderfamilie, welker verbreidingsgebied
+zich van Zuid-Europa over Noord- en West-Afrika en in Azië tot Sikhim
+uitstrekt en die wij verder buiten rekening zullen laten om alleen
+de Reuzenslangen te bespreken--behooren alle Aarsklauwslangen in de
+tropische gewesten thuis, overschrijden althans de keerkringen niet
+ver. Tegenwoordig bewonen zij alle heete en waterrijke landen van
+de Oude en de Nieuwe Wereld, bij voorkeur groote wouden; veelvuldig
+zijn zij vooral in boschrijke gewesten, die veel water bevatten;
+enkele soorten komen echter ook in droge streken voor. Er zijn
+echte waterdieren bij, die met geen ander doel dan om zich in de
+zon te koesteren en te slapen de door haar bewoonde rivieren, meren
+en moerassen verlaten; maar steeds in het water, of althans aan den
+waterkant, jagen; andere schijnen het water te mijden. De inrichting
+van de oogen verraadt een nachtelijke levenswijze. Wel ziet men de
+Reuzenslangen in hare wouden ook over dag zich bewegen en soms jagen;
+haar eigenlijke werkzaamheid begint echter eerst, als de schemering
+invalt, en eindigt bij 't krieken van den morgen. Des daags liggen
+zij, op de meest verschillende wijzen ineengekronkeld, bij voorkeur
+op een zonnige plek te rusten. Enkele kiezen als ligplaats een
+rotsblok, een zandbank of een boven het water uitstekenden tak;
+andere beklimmen een boom, hechten zich met haar grijpstaart aan
+den tak, waarop het lichaam als een kluwen ineengekronkeld is of
+waarvan het als een touw naar beneden hangt; nog andere zoeken een
+open plek in het woud, een rotsterras of een helling op en strekken
+haar lichaam geheel of gedeeltelijk lang uit of kronkelen het tot
+een vlakke spiraal ineen. Alle bewegen zich niet meer dan noodig is,
+eigenlijk alleen dan, wanneer zij een gevaar duchten of dit trachten
+te ontwijken, of wanneer zij lang tevergeefs gejaagd hebben en nu
+een buit opmerken. Plotseling ontrolt zich dan het kolossale dier,
+om zich met inspanning van al zijn kracht op het begeerde slachtoffer
+te werpen, dat, door de stevige tanden gegrepen en door het gespierde
+lichaam omstrengeld, spoedig den laatsten adem uitblaast.
+
+Hoewel de Reuzenslang in staat is een buitengewoon groote prooi te
+verzwelgen, is de rekbaarheid van hare kaken toch volstrekt niet
+onbegrensd. De vreeselijke geschiedenissen, die van haar verhaald
+en geloofd worden, zijn onwaar: geen enkele Reuzenslang kan een
+volwassen mensch, een Rund, een Paard, een groot Hert door haar
+slokdarm stuwen; reeds het doorslikken van een dier ter grootte van
+een Ree is, zelfs voor de grootste leden dezer familie, een zeer
+moeielijke arbeid. Geheel uit de lucht gegrepen is het praatje, dat
+een Reuzenslang bij het verzwelgen van groote dieren wacht, totdat
+het deel, dat zij niet kan inslikken, door ontbinding verweekt is,
+en de daarbij gevoegde opmerking, dat het speeksel van de Slangen
+de rotting zeer bespoedigt. Zeker is het, dat deze dieren, evenals
+alle overige Slangen, na een overvloedig maal in een toestand van
+traagheid vervallen, welke aanhoudt, totdat de vertering grootendeels
+afgeloopen is.
+
+De wijze waarop een Reuzenslang een prooi beloert, besluipt, doodt
+en verzwelgt, wordt door verschillende afbeeldingen, die Mützel
+naar de natuur geteekend heeft, aanschouwelijk voorgesteld. Tot
+toelichting diene de volgende op eigen waarneming berustende
+beschrijving: Zoodra een Reuzenslang, die meestal 's nachts, doch
+ook wel over dag of in de schemering jaagt, gedurende haar rust een
+onbezorgd naderenden buit opmerkt, verheft zich haar kop boven den
+stompen kegel, die door de spiraalwindingen van haar lichaam gevormd
+wordt. De pupil, die onder den invloed van 't licht tot een smalle
+spleet was ingekrompen, verwijdt zich, de tong geraakt in beweging,
+wordt beurtelings uitgestoken en teruggetrokken, nu eens naar deze,
+dan weer naar een andere zijde gericht; ook uit de beweging van het
+puntje van den staart blijkt, evenals bij loerende Katten, dat het
+verlangen naar een prooi in de Slang levendig is geworden. Mützel
+heeft een Boa constrictor in dezen toestand voorgesteld. Zorgvuldig
+bespiedt de Slang haar slachtoffer. Nadat dit eenigen tijd, soms
+lang, soms kort geduurd heeft, ontrolt zij zich en begint haar
+prooi te besluipen, zooals men in de afbeelding van den Anakonda
+kan zien. Langzaam wordt het voorste deel van het lichaam voorbij
+de kronkelingen geschoven, die gedurende den rusttoestand naast en
+boven elkander liggen; langzaam, doch aanhoudend volgen andere deelen
+van den wormvormigen romp. Alle spieren zijn in werking, alle ribben
+zijn tegen den grond gedrukt om de zware massa vooruit te schuiven:
+tastend onderzoekt de nooit rustende tong het te volgen pad, terwijl
+de oogen voortdurend op den buit gericht zijn; meer en meer nadert
+het roofdier zijn doel. Het slachtoffer is onbewust van het dreigende
+gevaar; daar het de steeds dichterbijkomende Slang niet herkent, als de
+vreeselijke vijand, die eenige oogenblikken later de oorzaak zal worden
+van zijn dood. Verbluft door het nog nimmer voorgekomen schouwspel,
+dat waarschijnlijk zijn nieuwsgierigheid prikkelt, blijft het zitten
+en doet hoogstens eenige stappen of maakt eenige sprongen, als 't ware
+om de Slang niet te hinderen bij het vervolgen van haar weg. Het komt
+weer tot rust en blijft kalm, terwijl de roover, wiens opgewondenheid
+meer en meer toeneemt, in de onmiddellijke nabijheid van den begeerden
+buit door het bijtrekken van den romp den hals in kronkels legt om
+dezen de noodige lengte voor den aanval te geven. Niet zelden blijft
+het slachtoffer zelfs dan nog zitten, als de spitsen van de gevorkte
+tong zijn lichaam aanraken. Dikwijls heb ik gezien, dat Konijnen,
+als 't ware om deze begroeting te beantwoorden, ook van hun zijde
+nieuwsgierig de Slang besnuffelden. Eensklaps schiet de slangekop
+vooruit; eerst dan wordt de bek geopend; voordat het slachtoffer
+weet, in welk gevaar het verkeert, is het gegrepen en door één of
+twee ringen van de Slang omstrengeld. Dit geschiedt zoo bliksemsnel,
+dat de toeschouwer vaak geen juiste voorstelling kan verkrijgen van
+de ware toedracht der gebeurtenis. De Slang grijpt het dier en rolt in
+'t zelfde oogenblik het voorste gedeelte van haar lichaam op, door den
+kop met den buit naar voren te richten en met beide zoovele kringen te
+beschrijven, als zij kronkelingen om haar slachtoffer wil leggen. Vóór
+het einde van de seconde, bij welker aanvang de stoot plaats had, is
+de doodelijke omstrengeling van den gegrepen buit reeds een voldongen
+feit. Zelden hoort men hem schreeuwen; zoo dit voorkomt, wordt het
+geluid waarschijnlijk op geheel passieve wijze voortgebracht door de
+lucht, die tengevolge van de vreeselijke drukking op de longen uit
+de luchtpijp ontwijkt. Hoe onweerstaanbaar deze drukking is, blijkt
+uit de gelaatstrekken van het omstrengelde dier. De oogen treden
+uit hunne kassen, een pijnlijke trek verwringt de lip, krampachtig
+trillen de (toevallig niet omstrengelde) achterpooten. Reeds na
+weinige oogenblikken echter verliest het slachtoffer zijn bewustzijn;
+al naar het een meer of minder taai leven heeft, begint de verflauwing
+van den hartslag vroeger of later; ten slotte staat het hart stil en
+is het einde daar. Nadat de Slang zich overtuigd heeft van den dood
+van haar slachtoffer, ontwikkelt zij langzaam hare kronkelingen en
+onderzoekt nu met de tong den buit, in den regel zonder hem geheel
+los te laten. Nooit heb ik gezien, dat zij vóór het verzwelgen met
+de prooi speelde, zooals de ouden beweerd en enkele berichtgevers
+uit lateren tijd herhaald hebben. Het kwam mij altijd voor, dat het
+betasten met de tong ten doel had de geschiktste aanvangsplaats voor
+het verzwelgen van de prooi te zoeken. De bedoelde plaats is de kop;
+wanneer deze het eerst in den bek komt, zal het groote stuk, dat
+onverdeeld doorgeslikt moet worden, den geringsten weerstand bieden. Na
+een langdurige onderzoeking met de tong, wordt het geworgde dier op
+nieuw gegrepen en met zoo wijd mogelijk opengesperden bek neemt de
+moeitevolle arbeid van het verzwelgen een aanvang. Beurtelings wordt de
+eene en de andere kaakhelft vooruitgeschoven, de reeks van achterwaarts
+gekromde tanden telkens op nieuw in de prooi gedrukt om haar vast te
+houden, die van den anderen kant vervolgens door een voorwaartsche
+beweging van de kaakhelft losgemaakt en verderop weer ingehaakt. Door
+deze vele malen herhaalde, kleine rukken wordt langzamerhand het lijk
+naar binnen gewerkt. Men ziet intusschen de beide onderkaaksbeenderen
+eerst van achteren, later ook van voren meer en meer uiteenwijken,
+waarbij de hen vereenigende banden sterk uitgerekt worden. Van den
+vroeger slanken vorm van den kop bemerkt men niets meer, slechts
+het bovenste deel behoudt ongeveer zijn oorspronkelijke gedaante:
+de huid van onderkaak en keel zet zich verbazend uit, en vormt ten
+slotte, zoo als door de afbeelding van bladz. 53 wordt toegelicht,
+een wijden zak met een stijven ring aan zijn bovensten rand, welke aan
+den totebel van den Pelikaan herinnert. Naarmate de onderkaak zich
+uitzet, treedt de luchtpijp verder naar voren. Alle speekselklieren
+scheiden een overvloed van vocht af en bevochtigen de haren of veeren
+van het slachtoffer, voor zoover dit reeds in het achterste deel van
+de mondholte is doorgedrongen. Bij het verzwelgen van groote dieren
+vereischt de doorgang van de schouderbladen of van de vleugels een
+sterk vermeerderde inspanning. Zoodra de Slang deze moeielijkheid
+overwonnen heeft, gaan de overige lichaamsdeelen van de prooi
+opmerkelijk snel door 't keelgat naar binnen. Nu herkrijgt de kop zijn
+gewonen vorm. De uiteengerukte gewrichtsvlakten komen weer bij elkaar
+en nadat de Slang eenige malen den muil geopend en gesloten heeft,
+als om te gapen, is alles weer in orde. Van buiten kan men duidelijk
+zien, hoe opeenvolgende spierwerkingen de prooi intusschen verder en
+verder door den slokdarm stuwen, totdat zij in de maag is aangekomen.
+
+Hoe buitengewoon schielijk de spijsvertering plaats heeft, kan men bij
+gevangen exemplaren waarnemen. Niet langer dan vier dagen duurt het,
+vóór het grootste Zoogdier, dat men hun als voedsel gewoon is te geven,
+op de haren na, die met den drek verwijderd worden, volkomen in het
+bloed van de Slang is opgenomen. Hoewel zij dan weer eetlust toont,
+kan zij zonder bezwaar weken en zelfs maanden lang honger lijden,
+althans indien een onachtzame verzorger haar niet reeds vóór dien
+tijd te lang heeft laten vasten.
+
+Sommige Reuzenslangen zijn levendbarend; andere leggen eieren, waaruit
+de jongen eerst na verloop van geruimen tijd te voorschijn komen. De
+moeder bevordert de ontwikkeling van de kiem op een wijze, die bij
+geen ander Kruipend Dier werd opgemerkt. Bij gevangen exemplaren
+heeft men herhaaldelijk waargenomen, dat het wijfje de eieren met
+haar lichaam bedekt en in zekeren zin uitbroedt. De levendbarende
+soorten bekommeren zich om het kroost, dat zij ter wereld brengen,
+even weinig als de andere Reptiliën om hunne eieren. De jongen
+die bij de geboorte bijna 1 M. lang zijn en zoo dik als een duim,
+beginnen onmiddellijk de levenswijze hunner ouders, hoewel zij
+aanvankelijk tot kleine troepen vereenigd blijven, die nog geruimen
+tijd een gemeenschappelijke woonplaats behouden, hetzij op den
+grond of in de boomen. Bij gevangen Pythons, heeft men opgemerkt,
+dat de groei gedurende de 4 eerste levensjaren het snelst is, daarna
+langzamer en na het 14e jaar onmerkbaar wordt; hieruit leidt men af,
+dat Reuzenslangen van 6 à 7 M. lengte minstens 28 jaar oud zijn.
+
+De Reuzenslangen zijn, naar bij gevangen exemplaren niet zelden
+gebleken is, wel bewust van hun sterkte en laten zich eerder dan vele
+andere Slangen, tot drift vervoeren. Toch ontwijken zij in den regel
+den mensch en vallen hem slechts bij uitzondering aan. Hoewel zulk een
+aanval misschien af en toe in de vrije natuur voorkomt, blijkt echter
+uit geen enkel volkomen betrouwbaar bericht, dat Reuzenslangen menschen
+kunnen verslinden. Geen Zuid-Amerikaansche jager, geen schrandere,
+in de jacht ervaren inboorling van Afrika is ernstig bevreesd voor
+deze dieren, die ijverig vervolgd worden, omdat men hun vleesch,
+hun vet en hun huid op velerlei wijzen gebruikt. Het vleesch wordt
+alleen door de inboorlingen gegeten; aan het vet schrijft men algemeen
+geneeskracht toe; de huid wordt tot allerlei versierselen verwerkt. De
+jager doodt de Reuzenslang meestal met het geweer. Een schot hagel
+in den kop is hiervoor overvloedig voldoende; daar deze Slangen veel
+minder taai van leven zijn dan men van deze dieren van haar grootte
+en lichaamskracht zou verwachten.
+
+De Reuzenslangen, die reeds eenigen tijd in gevangenschap hebben
+verkeerd, zijn beter geschikt om naar Europa verzonden te worden,
+dan de sinds kort van hun vrijheid beroofde exemplaren. De
+eerstgenoemde kunnen bij behoorlijke verzorging jaren lang in 't
+leven blijven. Zoowel in Europa als in Noord-Amerika vinden zij altijd
+willige koopers in de eigenaars van menagerieën; daar een beestenspel
+zonder Reuzenslang een van zijne grootste aantrekkelijkheden zou
+missen. Met angst en beving zien "boeren, burgers en buitenlui" den
+"dierentemmer", nadat hij een van zijne onovertrefbare voordrachten
+over de geheele dierenwereld heeft gehouden en het onvermijdelijke
+drinkgeld ingezameld heeft, een lange kist openen en hieruit de in
+wollen dekens gehulde Boa voor den dag halen, haar over zijn schouder
+hangen, om zijn hals slingeren, kortom, met dit monster op zulk een
+wijze omgaan, dat enkele toeschouwers er kippenvel van krijgen.
+
+
+
+Wanneer men de minder belangrijke groep der Woelboa's (Erycinae)
+buiten rekening laat, kan men de familie van Aarsklauwslangen
+in twee onderfamiliën splitsen: de Python-slangen (Pythoninae)
+en de Boa-slangen (Boinae). De eerstgenoemde zijn kenbaar aan
+hare met tanden gewapende, bij alle overige Slangen tandelooze
+tusschenkaaksbeenderen. Evenals de Boa-slangen hebben zij een
+grijpstaart (deze komt bij de Woelboa's niet voor). Van de Erycinae
+en Boinae verschillen zij door het bezit van een dubbele reeks van
+schilden aan de onderzijde van den staart, die men ook bij nagenoeg
+alle overige leden der onderorde aantreft. De Python-slangen
+zijn geheel tot de Oude Wereld beperkt en vooral op de Molukken,
+Nieuw-Guinea en Australië sterk vertegenwoordigd.
+
+Het grootste deel van Indië wordt bewoond door de Peddapoda der
+Bengaleezen, die ook wel Tijgerslang wordt genoemd (Python molurus);
+zij vertegenwoordigt het geslacht der Rotsslangen, welks leden
+slechts de voorste helft van den bovenkop met regelmatige schilden,
+de achterste helft daarentegen met schubben bedekt hebben. De staart
+is een echte grijpstaart.
+
+Men heeft Tijgerslangen gemeten, die 6 M. lang waren; grootere
+exemplaren zullen, zoo zij al bestaan, waarschijnlijk buitengewoon
+zelden voorkomen; de meeste gaan een lengte van 3 1/2 M. niet te
+boven. De kop is grijsachtig vleeschkleurig, op de kruin en het
+voorhoofd licht olijfbruin, de rug lichtbruin, op het midden met
+geelachtig grijze tint, de onderzijde witachtig; een olijfbruine
+streep loopt van het neusgat door het oog en achter den mondhoek naar
+beneden; een vlek van dezelfde kleur en van driehoekigen vorm bevindt
+zich onder het oog, een groote, donkere, Y-vormige of (in plaats
+van deze) een onvertakte, langwerpige vlek op den achterkop en den
+nek. De rug prijkt met een reeks van groote, langwerpig vierzijdige,
+roodachtig bruine vlekken, die zwart gezoomd zijn en een getanden
+of rechtlijnigen rand hebben; sommige zijn in het midden hooggeel;
+langs de zijden komen kleinere, overlangsche vlekken voor.
+
+Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich over het geheele
+Voor-Indische schiereiland tot aan den Himalaja uit. Op Java wordt
+zij vervangen door den Dubbelgestreepten Python (Python bivittatus)
+en de Netslang (Python reticulatis), die beide ook wel Oelar-sawa of
+Rijstvelden-slang worden genoemd.
+
+Onder de bewoners van Indië zijn ook thans nog verhalen over deze
+Slangen in omloop, die aan de sprookjes der ouden herinneren. Uit
+de nog altijd onvolledige berichten van de natuuronderzoekers en
+reizigers, die zich beijverd hebben om volkomen betrouwbare feiten
+mede te deelen, blijkt voldoende, dat de Zuid-Aziatische "Draken"
+volstrekt niet gevaarlijker zijn dan hunne Amerikaansche verwanten,
+nagenoeg dezelfde levenswijze hebben, duidelijk de voorkeur geven
+aan het verblijf in moerassige gewesten, op overstroomde rijstvelden,
+kortom, in de nabijheid van het water, hoewel zij droge, rotsachtige
+oorden niet vermijden en hier zoowel als daar jacht maken op kleine
+Zoogdieren en Vogels. Zeer groote exemplaren vergrijpen zich,
+naar men zegt, soms aan jonge Muntsjaks en Zwijnsherten, hetgeen
+waarschijnlijk aanleiding gegeven heeft tot de verhalen, die ons
+willen doen gelooven, dat de Slangen dieren van de grootte onzer
+Edelherten verzwelgen. Wel behooren de genoemde Herkauwers tot de
+familie van de Herten, maar zij bereiken nog niet eens de afmetingen
+van een Ree. Bovendien moet men hierbij in 't oog houden, dat de in
+Zuid-Azië levende Dwergmuscusdieren niet slechts door de inboorlingen,
+maar ook door de Europeanen gewoonlijk "Herten" worden genoemd. Kleine
+Zoogdieren maken het hoofdvoedsel van deze Slangen uit en slechts
+oude, volwassen exemplaren vergrijpen zich nu en dan aan biggen
+of aan de jongen van kleine soorten van Herten. Groote Zoogdieren
+en menschen loopen nooit gevaar door haar verslonden te worden en
+zelfs de inboorlingen verzekeren, dat de Pythons niet eens kinderen
+bedreigen. Mijns inziens hebben de soms voorkomende aanvallen van deze
+Slangen op menschen nooit opzettelijk, maar bij vergissing plaats. Een
+dergelijk avontuur is den oppasser Cop in den Londenschen dierentuin
+overkomen. Hij hield een van zijne hongerige Pythons een Hoen voor,
+zooals hij bij het voederen dezer dieren gewoon was te doen; de Slang
+wilde het grijpen, miste het, waarschijnlijk doordat zij weldra
+zou vervellen en de doorzichtigheid van de huid vóór hare oogen,
+gelijk in dergelijke gevallen regel is, grootelijks was afgenomen;
+zij greep daarentegen den linkerduim van den oppasser en wikkelde
+zich in 't volgende oogenblik om zijn arm en hals. Cop was alleen,
+maar verloor zijn tegenwoordigheid van geest niet; hij trachtte met
+de andere hand het dier bij den kop te vatten om het tot loslaten te
+nopen; ongelukkig had de Slang het hoofd van den oppasser omstrengeld,
+zoodat deze zijn doel niet kon bereiken en genoodzaakt was op den
+vloer van het hok te gaan liggen, in de hoop hier krachtiger met zijn
+aanvaller te kunnen worstelen. Gelukkig schoten toen, nog juist te
+rechter tijd, twee oppassers den man te hulp, dien zij niet zonder
+inspanning bevrijdden van het volhardende dier, dat zijn slachtoffer
+anders misschien het lot van Laokoon had doen ondergaan.
+
+De voortplanting van de Zuid-Aziatische Pythons heeft men bij gevangen
+exemplaren voor het eerst kunnen nagaan in den "Jardin des Plantes"
+te Parijs. Daar legde een Pythonwijfje op 6 Mei 1841 achtereenvolgens
+15 eieren in 3 1/2 uur en vereenigde ze tot een hoop, waarover zij
+zich op zulk een wijze ineenrolde, dat de windingen van haar lichaam
+gezamenlijk een plat gewelf vormden, welks hoogste punt door den kop
+werd ingenomen. De Slang bleef bijna twee maanden in deze houding;
+den 3en Juni kwamen 8 jongen van ongeveer 50 cM. lengte te voorschijn;
+deze bereikten, zonder eenig voedsel te gebruiken, in de eerstvolgende
+16 dagen een lengte van ongeveer 80 cM., vervelden voor de eerste maal
+tusschen 13 en 18 Juli, deden dit nog viermaal tot December van genoemd
+jaar en begonnen na de eerste vervelling te eten. In 't eerst gaf men
+haar Musschen, die zij op de gewone wijze dooddrukten; later kregen
+zij rauw vleesch en kleine Konijnen. Daar haar zooveel voedsel werd
+gegeven, als zij verlangden, ontwikkelden zij zich zeer voorspoedig;
+reeds in December van haar geboortejaar was haar lengte 1.50 à 1.55,
+van één zelfs 2 M. Het laatstgenoemde exemplaar was op den leeftijd
+van 20 maanden 2.34 M. lang en had in de 6 eerste levensmaanden ruim
+13, gedurende het tweede levensjaar 22 KG. voedsel gebruikt.
+
+De Pythons worden dikwijls gevangen en zijn bij sommige volken
+van Zuid-Azië, o.a. bij de Chineezen, geen onwelkome gasten; op de
+vaartuigen en in de huizen, waar men ze laat begaan, houden zij zich
+ijverig met de vangst van Ratten bezig.
+
+
+
+Van de vier Afrikaansche Pythonslangen zullen wij er twee beschrijven.
+
+De Natalsche Python (Python natalensis) is tot het oostelijke deel
+van Zuid-Afrika beperkt. De grondkleur van de bovenzijde is op het
+voorste derde gedeelte van het lichaam fraai geelbruin, overigens
+donker olijfbruin; de onderzijde heeft een bevallige, roodachtig
+witte kleur; een groot deel van den bovenkop wordt ingenomen door een
+zwartbruine vlek; een reeks van kettingvormig met elkander verbonden,
+langwerpig vierhoekige, ongelijkmatig gerangschikte vlekken van
+zwartbruine kleur strekt zich over de geheele bovenzijde uit en zet
+zich (als een donkere streep tusschen twee gele, overlangsche banden)
+ook over den staart voort.
+
+
+
+Bij de Assala, Tenne of Hieroglyphenslang (Python sebae), die over
+geheel West- en Middel-Afrika verbreid is, beslaat een donkerbruine
+of zwartachtige pijlvlek bijna den geheelen bovenkop, zoodat er aan
+weerszijden slechts een smalle, geelachtig witte streep overblijft. De
+romp vertoont op geelachtig grijzen grond bruinachtige vlekken,
+ook dwarsbanden, die, evenals de vlekken, uitgaan van de donkere,
+overlangsche streep, waardoor het lichtgele veld, dat de onderzijde
+inneemt, begrensd wordt.
+
+De naam "Afgodslang", die gewoonlijk dient tot aanduiding van
+de Boa constrictor, komt--zooals reeds door Bosmann opgemerkt en
+door reizigers uit lateren tijd bevestigd werd--eigenlijk aan de
+Assala toe. Eenige volksstammen aan de kust van Guinea bewijzen haar
+goddelijke eer; volgens sommigen is dit de reden van een dergelijk
+huldebetoon aan de Reuzenslangen in Zuid-Amerika door de hier levende
+afstammelingen van Afrikaansche negers. In de Nieuwe Wereld zou dus
+de aanbidding van een Slang vroeger niet bestaan hebben, maar met
+het volk, dat haar vergoodt, ingevoerd zijn.
+
+Naar het schijnt, worden de Natalsche Python en de Assala in het
+door hen bewoonde gebied nergens veelvuldig aangetroffen, hoewel
+zij er evenmin tot de zeldzaamheden behooren; uit de door menschen
+bewoonde streken hebben zij de wijk genomen naar veiliger oorden. Oude
+exemplaren van 6 of meer M. lengte komen zeer zelden voor. Het zou
+kunnen zijn, dat het aantal dezer Slangen grooter is dan men meent,
+daar zij zich meestal schuil houden in moeielijk toegankelijke,
+met hoogopschietende kruiden en struiken begroeide terreinen en,
+evenals hare verwanten, in den regel eerst na zonsondergang
+op roof uitgaan. Gewoonlijk stilt de Assala haar honger met
+Hazen, Aardeekhoorntjes, Ratten en andere op den bodem levende
+Knaagdieren. Waarschijnlijk zijn, behalve deze Zoogdieren, verscheidene
+op den grond verkeerende Vogels het meest aan hare vervolgingen
+blootgesteld. In de maag van een Assala vond ik een Parelhoen. Drayson
+bericht iets dergelijks van de Natalsche Reuzenslang. Eens zag hij een
+kleinen Trap herhaaldelijk opvliegen en bemerkte, toen hij dien kant
+uitreed, dat de Vogel hardnekkig vervolgd werd door een Python, die
+het echter geraden achtte zich zoo schielijk mogelijk te verwijderen,
+toen de Trap door een schot werd neergeveld. De ijverige jager,
+die reeds lang gewenscht had een Reptiel van deze soort te vangen,
+achterhaalde het na een kortstondige jacht en slaagde er in het met
+een stokslag te dooden of althans te verdooven.
+
+De Soedaneezen weten zeer goed, dat de Assala niet gevaarlijk is en
+gebruiken bij de jacht op dit dier geen ander wapen dan een knuppel;
+een enkele, krachtige slag op den kop van het dier is voldoende om
+het te dooden. Zijn vleesch wordt in Oost-Soedan met evenveel smaak
+gegeten als dat van den Krokodil; men kruidt het met zout en roode
+peper; het is sneeuwwit van kleur, maar na het koken nog zoo taai,
+dat wij het bijna niet konden kauwen; het smaakt goed, min of meer als
+het vleesch van Hoenderen. Naar het schijnt, stellen de Soedaneezen
+nog meer prijs op de bonte huid; deze wordt door hen en door de negers
+uit het gebied van den Witten en den Blauwen Nijl op zeer smaakvolle
+wijze tot allerlei versierselen verwerkt, die vooral tot verfraaiïng
+van messcheeden, amuletrollen, brieftasschen, geldzakjes en dergelijke
+voorwerpen dienen. Het Python-vet wordt door sommige volken, door
+de Hottentotten e.a., zeer heilzaam geacht en zorgvuldig bewaard;
+de zieken, die het innemen, vertrouwen vast op de geneeskracht van
+dit middel en ondervinden er daarom dikwijls gunstige gevolgen van.
+
+In de dierentuinen en beestenspellen krijgt men de Afrikaansche
+Reuzenslangen, vooral de Assala, weinig minder vaak te zien dan hare
+Amerikaansche verwanten. Naar het schijnt, geraken zij even licht als
+deze aan haar verzorger gewoon, die haar bij doelmatige behandeling
+niet minder lang in 't leven kan houden.
+
+
+
+De meeste eigenlijke Reuzenslangen behooren tot de reeds vroeger
+omschreven onderfamilie der Boa-slangen (Boinae); deze omvat niet
+minder dan 20 geslachten met 52 soorten, die voor 't meerendeel de
+Nieuwe Wereld bewonen; de overige soorten worden op Madagaskar en
+Mauritius, Australië, Nieuw-Guinea en de Molukken, enkele in dorre
+zandstreken van de Oude Wereld aangetroffen.
+
+
+
+Geen der Reuzenslangen is meer algemeen bekend (althans bij name)
+dan de Koning- of Afgodslang (Boa constrictor), een der fraaiste
+leden van de geheele onderorde. Hoewel op haar huid slechts weinige,
+eenvoudige kleuren voorkomen, vormen deze een zeer sierlijke en
+bevallige teekening. De grondkleur is fraai roodachtig grijs; over
+den rug loopt een breede, hoekige, overlangsche streep, bestaande
+uit groote, bruine vlekken, die een twintigtal geelachtig grijze,
+eironde velden insluiten; de kop vertoont drie donkere, overlangsche
+strepen. Dit dier kan een lengte van 6 M. bereiken en, volgens sommige
+berichtgevers, nog wel langer worden. "Eertijds," zegt de Prins Von
+Wied, "hebben exemplaren van 20 à 30 voet en misschien nog wel grootere
+bestaan; in geheel onbewoonde streken worden zij thans nog" (1825)
+"gevonden. Zij zijn zoo dik als een mansdij en kunnen een Ree vangen
+en dooddrukken." Ook Schomburgk spreekt van Reuzenslangen van 6 à 10
+M. Geen der genoemde onderzoekers heeft echter zulk een exemplaar
+gemeten: beide gronden hun meening blijkbaar geheel op berichten
+van inboorlingen, welker geloofwaardigheid niet boven allen twijfel
+verheven is.
+
+Het niet goed onderscheiden van verwante soorten heeft dikwijls
+aanleiding gegeven tot een onjuiste omschrijving van het
+verbreidingsgebied der Koningslang, dat een geringere uitgebreidheid
+schijnt te hebben dan er gewoonlijk aan toegekend wordt. Het strekt
+zich ten noorden van Rio de Janeiro en Cabo Frio, over het midden en
+noorden van Brazilië, geheel Guyana, Venezuela en eenige der kleine
+Antillen uit; westwaarts omvat het de bovenste gedeelten van het
+Amazonas-gebied tot aan de Andes van Peru en Ecuador. Volgens den
+Prins Von Wied en Schomburgk houdt deze Slang zich uitsluitend op in
+droge, heete gewesten, in wouden en kreupelhoutbosschen. Zij bewoont
+holen in den grond en rotskloven, schuilhoeken tusschen boomwortels en
+dergelijke verblijfplaatsen. Niet zelden wordt zulk een woning door 4,
+5 of meer van deze dieren gemeenschappelijk gebruikt. Soms beklimmen
+zij boomen en beloeren van hier hun prooi. In tegenstelling met hunne
+verwanten, die zich bij voorkeur in 't water ophouden, blijven zij
+altijd op het droge.
+
+Indien men de Koningslang gedurende den nacht kon bespieden, zou
+men waarschijnlijk van haar aard en levenswijze een geheel andere
+voorstelling verkrijgen dan wij er nu van geven. Hoewel zij ook over
+dag een goede gelegenheid om buit te behalen niet ongebruikt laat,
+begint haar eigenlijke jachttijd ongetwijfeld eerst, als de schemering
+valt. Dit blijkt duidelijk genoeg uit de wijze, waarop zoowel vrije
+als gevangen exemplaren zich gedragen. Alle reizigers, die bij het
+doortrekken van de Zuid-Amerikaansche wouden Koningslangen ontmoetten,
+verklaren eenstemmig, dat deze dieren op dezelfde plaats bleven of,
+indien zij zich bewogen, dit zeer traag deden; zij vluchtten eerst,
+als hun vijand zoo dicht bij hen was, dat hij hen met een knuppel
+had kunnen doodslaan. Schomburgk ontdekte op een van zijne tochten
+een groote Afgodslang, die, hoewel zij hem en zijn Indiaanschen gids
+stellig reeds sinds eenigen tijd had gezien, toch niet gevlucht,
+maar onbeweeglijk op dezelfde plaats gebleven was. "Indien dit
+voorwerp vroeger mijn aandacht had getrokken", zegt de reiziger,
+"zou ik het voor het uiteinde van een vooruitstekenden tak gehouden
+hebben. Ondanks de tegenwerpingen en de vrees van mijn begeleider en
+den onwil van mijn Hond, was ik snel besloten om althans een poging
+te doen tot het bemachtigen van dit dier. Een flinke stok, die als
+aanvalswapen moest dienen, was spoedig gevonden. Nog altijd verhief
+de kop van de Slang zich boven de struiken: voorzichtig trachtte ik
+dicht genoeg bij haar te komen om met mijn wapen een bedwelmenden slag
+te kunnen toebrengen; juist toen ik dit doen wilde, verdween het dier
+tusschen het groene loover en kon ik uit het eigenaardige geritsel en
+de beweging der varens opmaken, dat het de vlucht had genomen. Wegens
+de dicht opeengegroeide planten was het vervolgen van de Slang niet
+mogelijk; ik kon echter zien, welke richting zij nam; spoedig kwam
+zij weer bij den rand van de wildernis, waarlangs ik liep, om in haar
+nabijheid te blijven. Eensklaps hield de ritselende beweging van het
+varenkruid op en kwam de kop van de Slang, die waarschijnlijk naar
+zijn vervolger uitkeek, boven het groene gebladerte te voorschijn. Een
+goed gemikte slag trof den kop van de Slang met zooveel kracht, dat zij
+bedwelmd neerstortte; ik liet haar den tijd niet om weer tot bewustzijn
+te komen, maar sloeg nog verscheidene malen. Als een Roofvogel op een
+Duif schoot ik toe, ging met de knieën op mijn buit liggen en kneep
+hem, met beide handen den hals omvattend, de luchtpijp dicht. Op
+mijn geroep kwam, nu het gevaar geweken was, de Indiaan mij te hulp,
+hij gebruikte een van mijne bretels om er een strik van te maken,
+die hij boven mijn hand om den hals van het dier legde en vervolgens
+zoo stijf mogelijk dichttrok. De krampachtige kronkelingen van de
+Slang werden door het dichte struikgewas gestuit, zoodat zij het
+overmeesteren van den buit niet zoo sterk bemoeielijkten, als anders
+het geval had kunnen zijn".
+
+De Prins Von Wied zegt, dat men in Brazilië de Koningslang gewoonlijk
+met een knuppel doodslaat, of door een schot hagel neervelt. Ervaren
+jagers in Brazilië lachen, wanneer men hun vraagt, of deze Slang
+ook gevaarlijk is voor den mensch; dit praatje wordt alleen door
+het onwetende volk verhaald en geloofd. Haar voedsel bestaat uit
+allerlei kleine Zoogdieren en Vogels, vooral Agoetis, Pakas, Ratten en
+Muizen. Dat zij eieren niet versmaadt, kan men afleiden uit het feit,
+dat gevangen exemplaren er verlekkerd op zijn. Oude dieren durven,
+naar men zegt, ook wel dieren aanvallen van de grootte van een Hond
+of een Ree. De Prins Von Wied sprak een Braziliaanschen jager, wiens
+Hond het slachtoffer werd van een Afgodslang. Op het geschreeuw van
+dit dier afgaande, zag hij het in den poot gebeten en omstrengeld
+door een groote Slang, die het zoo sterk samendrukte, dat het uit
+den hals bloedde.
+
+In de vrije natuur verslinden de Koningslangen ongetwijfeld geen
+andere dieren dan die, welke zij zelf gevangen en gedood hebben,
+doch geen aas; gevangen exemplaren kunnen echter langzamerhand ook
+aan het laatstgenoemde voedsel gewend worden. Zoo voederde Effeldt
+zijne Boa's steeds met doode Ratten, omdat de levende te veel last
+veroorzaakten. Deze spijs werd door de Slangen nooit versmaad en
+scheen haar zelfs nog beter te smaken, wanneer zij reeds eenigszins
+tot ontbinding was overgegaan. Hieruit zou men kunnen afleiden,
+dat deze dieren voor reukprikkels ongevoelig zijn.
+
+Dat de Koningslangen zich soms ook in de gevangenschap voortplanten,
+is o. a. in "Artis" gebleken. Hier heeft Westerman een zijner Boa's
+achtereenvolgens verscheidene levende jongen en verscheidene eieren
+ter wereld zien brengen.
+
+In de oostelijke gewesten van Zuid-Amerika wordt van de gedoode Boa's
+op velerlei wijze partij getrokken. Het vleesch wordt, naar men zegt,
+door de negers gegeten, het vet als een beproefd geneesmiddel bij
+vele ziekten gebruikt; de gelooide huid dient voor het vervaardigen
+van laarzen, zadelbekleedingen en dergelijke artikels; ook wikkelen
+de negers een boa-huid als middel tot het afweren van verschillende
+ziekten om hun lichaam.
+
+De naar Europa vervoerde, levende Afgodslangen worden gewoonlijk in
+strikken gevangen, die men voor hare schuilplaatsen aanbrengt. Men kan
+zien, dat een hol bewoond is, aan de gladheid van den ingang, waar het
+dikke, zware lichaam steeds sporen achterlaat; voor deze opening wordt
+een strik gezet. Het gevangen dier doet geweldige pogingen om zich
+te bevrijden en kronkelt zich sterk; zelden loopt het echter gevaar
+van zich te worgen, daar het tegen drukking en stooten tamelijk goed
+bestand is, hoewel verwondingen dikwijls zijn dood veroorzaken. Dit
+bleek o.a. bij de door Schomburgk gevangen Afgodslang, die, uit haar
+bezwijming ontwaakt, den volgenden morgen vergeefsche pogingen deed
+om de banden te verscheuren, waarmede zij voorzichtigheidshalve aan
+de palen van de hut was bevestigd. Een schot maakte een einde aan
+deze worsteling.
+
+In de pakhuizen van de Braziliaansche planters en kooplieden bewijst
+de Afgodslang goede diensten door het verslinden van Muizen en Ratten;
+zij wordt hier bijna als een huisdier beschouwd en zoo weinig gevreesd,
+dat men niet schroomt met haar in dezelfde ruimte te verkeeren en,
+zoo noodig, zelfs den nacht door te brengen. Daar zij met weinig
+voedsel tevreden is en maanden lang zonder bezwaar kan vasten, is
+het niet moeielijk haar te verzenden; zij wordt eenvoudig in een
+groote kist gepakt, die men dichtspijkert en met eenige luchtgaten
+voorziet; onderweg wordt naar haar niet omgezien. Het dier is ten
+gevolge van deze onheusche behandeling en van den honger, dien het
+heeft moeten lijden, gewoonlijk zeer slecht geluimd, wanneer het na
+aankomst op de plaats van bestemming eindelijk zijn nauwe gevangenis
+verlaat. Het toont dan veel neiging tot bijten; soms blijft het een
+geruimen tijd pruilen en het voedsel weigeren. In den regel vermindert
+echter zijn prikkelbaarheid weldra. Nadat het begonnen is te eten,
+geraakt het langzamerhand aan zijn oppasser gewend en laat zich ten
+slotte diens behandeling welgevallen. Om gezond te blijven heeft
+het een ruim en warm hok noodig met stammen en takken om er in te
+klimmen en een in den vloer bevestigden, grooten waterbak, waarin
+het kan baden. De kisten, die in de beestenspellen als woningen voor
+Reuzenslangen dienst doen, zijn hiervoor volstrekt niet geschikt; de
+wollen dekens, waarin men ze wikkelt, met het doel om ze te verwarmen,
+brengen soms meer nadeel dan voordeel te weeg. Meer dan eens heeft men
+n.l. opgemerkt, dat gevangen Reuzenslangen, misschien wel door honger
+gedreven, haar deken inslikten. Een Afgodslang van den Berlijnschen
+dierentuin behield de ingezwolgen wolmassa 5 weken en 1 dag in haar
+maag; zij dronk in dezen tijd zeer veel en gaf duidelijke blijken van
+onpasselijkheid; eindelijk begon zij 's nachts tusschen 11 en 12 uur
+het onverteerbare weefsel uit te spuwen; de oppasser hielp haar bij
+dezen arbeid, die voorspoedig ten einde werd gebracht.
+
+
+
+In dezelfde landen als de Afgodslang ontmoet men ook de beroemde
+Anakonda (Eunectes murinus), die een geheel andere levenswijze
+heeft dan de genoemde "Landboa" en het geslacht der Waterboa's
+vertegenwoordigt. Zij heeft een zeer eigenaardige kleur, waarvan
+weinige afwijkingen voorkomen. De bovendeelen zijn donker olijfkleurig
+zwart en van den kop tot aan het einde van den staart bezet met
+twee reeksen van ronde of rondachtige, zwartbruine vlekken; op
+den hals en bij het begin van den staart staan zij paarsgewijs,
+overigens afwisselend, soms zeer dicht bij elkander; zelfs vloeien
+enkele ineen. De zijden van den kop zijn olijfkleurig grijs, de
+benedenranden van de kaken meer geelachtig; van boven de oogen tot
+aan den achterkop reikt een breede, vuil geelroode, aan de bovenzijde
+zwart begrensde streep; hierbij steekt een zwartbruine streep, die,
+van het oog uitgaande, over den mondhoek scheef naar beneden loopt en
+vervolgens weer eenigszins naar boven gebogen is, duidelijk af. De
+onderdeelen van het dier zijn op lichtgelen grond met zwartachtige
+vlekken bezaaid, die op sommige plaatsen twee afgebrokene, overlangsche
+lijnen vormen. Aan weerszijden van het lichaam komen twee reeksen
+van ringvormige oogvlekken voor; deze zijn geel met zwarten rand.
+
+De Anakonda is de grootste van alle Reuzenslangen der Nieuwe
+Wereld. Een door Günther gemeten Slang van deze soort was 29 voet
+(8.29 M.) lang. I. von Fischer heeft exemplaren van 7.13 en 7.58
+M. lengte gemeten. Kappler zegt, dat een door hemzelf geschoten
+en gemeten Anakonda, zonder kop en staart 26 Rijnlandsche voeten,
+in 't geheel dus bijna 30 voet lang was en een man van middelmatige
+statuur in dikte evenaarde. Zooveel is zeker, dat de Anakonda kolossale
+afmetingen kan bereiken en in dit opzicht, met de Indische Netslang,
+alle overige leden van haar onderorde overtreft.
+
+"Deze Slang," bericht de Prins Von Wied, "leeft meestal in het water
+en kan het in de diepte zeer lang uithouden; zij komt echter dikwijls
+aan den oever om zich door de zon te laten verwarmen en haar buit
+te verteren. Met den stroom drijft zij de rivier af, houdt zich
+met visschen bezig of vleit zich op een rotsblok neder, vanwaar zij
+op Waterzwijnen, Agoetis, Pakas en dergelijke dieren loert. In de
+Belmonte-rivier zagen mijne jagers de vier pooten van een Zoogdier,
+dat zij voor een dood Zwijn hielden, boven den waterspiegel uitsteken;
+toen zij naderbij gekomen waren, merkten zij een reusachtige Slang
+op, die een groot Waterzwijn met verscheidene windingen van haar
+lichaam omstrengeld en gedood had. Oogenblikkelijk losten zij twee
+schoten op het monster en kreeg het van den Botokoede een pijl in
+het lichaam. Nu liet de Slang haar prooi los en vluchtte; ondanks
+hare wonden, geschiedde dit zoo snel, alsof haar niets overkomen
+was. Mijne lieden vischten het nog versche, pas gedoode Waterzwijn op
+en keerden terug om mij kennis te geven van het voorgevallene. Daar
+ik zeer gesteld was op het bezit van de merkwaardige Slang, zond
+ik de jagers onmiddellijk weer uit om haar te zoeken; alle moeite
+was echter vruchteloos. De hagelkorrels hadden door het water hun
+kracht verloren; de pijl werd gebroken teruggevonden aan den oever,
+waar de Slang hem had losgeschuurd."
+
+De Anakonda verkeert dikwijls op den bodem van 't water, waar zij ligt
+te rusten of hoogstens den kop boven den waterspiegel verheft, om te
+zien, wat er aan den oever voorvalt; soms zwemt zij met den stroom
+mede de rivier af en loert op iedere soort van buit. De oeverbewoners
+haten haar zeer wegens hare rooverijen: Schomburgk schoot er een,
+die kort te voren een groote, tamme Muscuseend gegrepen en deze reeds
+doodgedrukt had; op een plantage vernam hij, dat de Anakonda soms ook
+viervoetige huisdieren, b.v. Zwijnen buitmaakt. Andere onderzoekers
+bevestigen deze mededeelingen. "Terwijl wij," verhaalt Bates, "in de
+haven van Antonio Malagueita voor anker lagen, werd ons een onwelkom
+bezoek gebracht. Omstreeks middernacht werd ik gewekt door een hevigen
+slag tegen de zijde van mijn boot, gevolgd door het gedruisch van
+een in 't water vallend, zwaar lichaam. Zoo spoedig mogelijk stond
+ik op, om te zien wat er gebeurd was; alles was echter reeds weer
+rustig geworden; alleen de Hoenderen in onze voorraadskorf, die aan
+de eene zijde van het schip, ongeveer 2 voet boven het water hing,
+waren onrustig en kakelden. Ik kon niet gewaarworden, wat hiervan de
+oorzaak was. Daar mijne manschappen aan den oever waren, keerde ik
+naar de kajuit terug en sliep tot aan den volgenden morgen. Toen ik
+ontwaakte, zag ik alle Hoenderen op het dek rondloopen en vond bij
+nader onderzoek in de korf een groote opening. Een paar Hoenderen
+ontbraken. Senhor Antonio verdacht van den diefstal een Anakonda,
+die, naar hij zeide, eenige maanden geleden in dit deel van de
+rivier gejaagd en een groot aantal Eenden en Hoenderen geroofd
+had. Aanvankelijk was ik geneigd de juistheid van zijn verklaring
+te betwijfelen en aan een Kaaiman te denken, hoewel wij er sedert
+eenigen tijd geen meer in den stroom gezien hadden; eenige dagen later
+kwam echter de juistheid van Antonio's verklaring aan het licht. De
+jonge lieden van de naburige volksplantingen kwamen bijeen om op het
+roofdier jacht te maken, begonnen het op geregelde wijze te vervolgen,
+onderzochten alle kleine eilandjes aan beide zijden van den stroom
+en vonden ten slotte de Slang bij de uitmonding van een slijkerig
+riviertje in de zonneschijn liggen. Nadat zij haar met werpspiesen
+gedood hadden, kreeg ik haar den volgenden dag te zien en vond,
+na meting, dat het niet eens een buitengewoon groot exemplaar was,
+daar het bij een lengte van 6 M. slechts een omvang van 40 cM. had."
+
+Juist van de Anakonda wordt bericht, dat zij soms menschen
+aanvalt. Schomburgk doet hierover het volgende verhaal: "Te Morokko
+(een zendingspost in Guyana) had iedereen den mond vol van den
+aanval van een Reuzenslang op twee bewoners van deze plaats. Een
+daar woonachtige Indiaan was weinige dagen geleden met zijn vrouw den
+stroom opgevaren om jacht te maken op Vogels. Een opgevlogen Eend was,
+door een schot getroffen, op den oever neergevallen. Toen de jager zijn
+buit wilde opzoeken, werd hij plotseling door een groote Komoeti-slang
+(Anakonda) aangevallen. Daar hij geen enkel wapen had om zich te
+verdedigen (het geweer had hij in de schuit achtergelaten), riep hij
+zijn vrouw toe, hem zijn groot mes te brengen. Nauwelijks was de vrouw
+hem te hulp gesneld, of ook zij werd door het monster aangegrepen en
+omstrengeld; hierdoor kreeg de Indiaan echter gelukkig zooveel ruimte,
+dat hij den eenen arm gebruiken en de Slang verscheidene wonden
+toebrengen kon. Het hierdoor verzwakte dier liet zijne slachtoffers
+varen en nam de vlucht. Dit is het eenige, mij bekende voorbeeld van
+een aanval van de Anakonda op een mensch." Hoogst waarschijnlijk
+was het de bedoeling van de Slang de Eend te grijpen en niet de
+Indiaan, waarop zij, door roofzucht verblind, aanviel. Ik acht het
+echter niet onmogelijk, dat er ook voorvallen te noemen zijn, die de
+tegenovergestelde meening wettigen.
+
+Wanneer het water, waarin de Anakonda verblijf houdt, uitdroogt,
+begraaft hij zich onder het slijk en gaat in een toestand van
+verstijving over. De eerste natuuronderzoeker, die van dit feit
+melding maakte, was Humboldt. "Dikwijls," zegt hij, "vinden de
+Indianen kolossaal groote Reuzenslangen in dezen toestand, die zij,
+naar verhaald wordt, door plagerij of begieting met water trachten te
+wekken." Zulk een winterslaap komt trouwens slechts in sommige deelen
+van Zuid-Amerika voor, niet in die streken, welke zoomin door koude
+als door onverdragelijke hitte en droogte voor verscheidene Reptiliën
+tijdelijk onbewoonbaar worden.
+
+Schomburgk zegt, dat de jongen van de Anakonda reeds in den eileider
+de eischaal verlaten en dat hun aantal dikwijls ongeveer honderd
+bedraagt. Kappler vond in het lichaam van de door hem gedoode Anakonda
+"78 vliezige, 6 duim. (ruim 12 cM.) lange blazen; elke blaas bevatte
+een Slang van 1 1/2 voet lengte en ter dikte van eens menschen
+duim." Het schijnt, dat de jongen zich onmiddellijk na de geboorte
+te water begeven, maar toch nog langen tijd gezellig bijeenblijven en
+op de boomen van den naburigen oever gemeenschappelijk verblijf houden.
+
+Het dooden van het groote exemplaar, welks afmetingen hierboven
+opgegeven zijn, wordt door Kappler op de volgende wijze beschreven:
+"Toen ik in November 1818 in een groot vaartuig, waarmede wij
+het drinkwater hadden gehaald, dat voor de bezetting van den post
+Nickerie noodig was, naar dezen post terugvoer, vestigden de roeiers
+mijn aandacht op een groote Slang, die op den oever lag. Ik zag
+aanvankelijk niets anders dan een met modder en aangespoelde bladen
+bedekte verhevenheid; eerst toen de stuurman er met den roeiriem
+in stak, kon men de gevlekte huid van het dier onderscheiden. Een
+stoot, zoo krachtig als die, welke het dier ontving, zou voldoende
+zijn geweest om een mensch de ribben te breken; het monster scheen
+er niets van gevoeld te hebben. Eerst toen ik het een schot lichten
+hagel toezond, hief het den kop, die in het midden van de tot een
+kegel opeengestapelde spiraalwindingen gelegen was, een weinig op,
+maar liet hem dadelijk weer zakken. Wij lagen vlak bij den wal en
+waren slechts ongeveer 6 voet van de Slang verwijderd, toen ik voor
+de tweede maal vuurde. Nu echter schoot de Slang, met een snelheid,
+die men van zulk een traag dier niet verwacht zou hebben, wel 12
+voet omhoog en met opengesperden muil op mij toe, waardoor wij van
+top tot teen met modder bespat werden. De aanval kwam zoo onverwacht,
+dat ik hals over kop in het vaartuig tuimelde. De stuurman, een neger
+zoo sterk als een boom, verweerde zich met een roeiriem; het woedende
+dier kronkelde zich om dit wapen en beet in het harde hout. Ik was
+intusschen van den schrik bekomen, had mijn geweer opnieuw geladen,
+schoot de Slang in den kop en doodde haar onmiddellijk. Met vereenigde
+krachten trokken wij haar in het vaartuig, waar ik, omdat de negers
+het dier anders niet medenemen wilden, wel genoodzaakt was het den
+kop en den staart af te houwen en deze in 't water te werpen."
+
+De Anakonda wordt zonder genade gedood, waar men haar ontmoet. Haar
+groote, dikke huid wordt gelooid en dient dan ter vervaardiging van
+paardedekken, laarzen en mantelzakken. Het witte vet, waarvan het
+dier in bepaalde tijden van 't jaar een groote hoeveelheid bevat,
+wordt veelvuldig gebruikt; de Botokoeden eten het vleesch, wanneer
+het toeval hun zulk een dier in de handen voert.
+
+In beestenspellen of in diergaarden ziet men levende Anakondas even
+dikwijls als Afgodslangen.
+
+
+
+Aan haar zijdelings samengedrukt lichaam danken vier soorten van
+Reuzenslangen den naam Zwaardboa's (Xiphosoma); haar kenmerkt de
+diepe groeve, die op ieder lipschild voorkomt.
+
+De Hondskopslang (Xiphosoma canina) kan een lengte van 3 à 4
+M. bereiken; exemplaren van deze grootte zijn echter zeldzaam. De
+bovendeelen hebben een fraaie, bladgroene kleur, die op het midden een
+donkerder tint vertoont, op de zijden met sterk in 't oog vallende,
+zuiver witte dubbelvlekken of halve ringen geteekend is en op de
+onderdeelen in geelachtig groen overgaat. Het veelvuldigst schijnt zij
+te zijn in het gebied van den Amazonenstroom; noordwaarts is zij tot
+in Guyana, zuidwaarts over het noorden van Brazilië verbreid. Haar
+levenswijze komt vermoedelijk overeen met die van de in Suriname
+algemeene, lichtbruine, donkerbruin gevlekte Tuin-boa (Xiphosoma
+hortulana), welke zich op boomen, zelfs van plantsoenen, ophoudt en
+voornamelijk jacht maakt op Vogels. Van de Hondskopslang werd echter
+ook opgemerkt, dat zij uitmuntend zwemt, niet slechts in zoetwater,
+maar ook in de zee. Zoo ontmoette Von Spix er een, die over de Rio
+Negro zwom; een zeeofficier verzekerde aan Duméril, dat hij een Slang
+van deze soort op de reede van Rio de Janeiro had zien zwemmen.
+
+
+
+De Glimslangen (Ilysidae) herinneren door haar vorm aan de
+Wormslangen; haar kop is klein en afgerond; de grens tusschen kop
+en romp is uitwendig nagenoeg onmerkbaar; de staart is kort en
+eindigt in een stompe spits; de mondopening is nauw, de bek (ook
+het tusschenkaaksbeen) met stevige, onderling gelijke grijptanden
+gewapend. De kleine oogen hebben een ronde pupil. Evenals bij de vorige
+familie, zijn ook bij deze kleine, uitwendig zichtbare overblijfselen
+van achterste ledematen aanwezig. Hare schubben zijn groot en glad.
+
+
+
+Een van de veelvuldigst voorkomende leden dezer kleine familie is
+de Koraalroode Rolslang (Ilysia scytale). Zij heeft een prachtige,
+koraalroode kleur, waarop een groot aantal, langs den rand getande,
+zwarte ringen of ringvormige dwarsstreepen zeer goed uitkomen. Haar
+lengte bedraagt 60 à 70 cM.
+
+Dit in Suriname menigvuldig voorkomend slangetje is langzaam van
+beweging, verwijdert zich nooit ver van haar schuilplaats, die het
+onder wortels van oude boomen, in gaten van den grond en dergelijke
+holen vindt. Het maakt jacht op kleine Kruipende Dieren, o.a. op
+Wormslangen, en brengt jongen ter wereld, die de eischaal reeds
+verbroken hebben.
+
+Men moet dit dier levend gezien hebben om in te kunnen stemmen met
+de bewondering door zijn prachtige kleur gewekt; bij de in spiritus
+geconserveerde exemplaren is zij verbleekt.
+
+
+
+De Cilinderslangen (Cylindrophis) verschillen van de Rolslangen
+door het gemis van tanden in het tusschenkaaksbeen en doordat de
+lichaamshuid zich niet over hare oogen uitstrekt.
+
+Gewoonlijk wordt de Roode Slang, de Oelar-riboe der Maleiers
+(Cylindrophis rufa), als voorbeeld van dit geslacht gekozen. Deze van
+Birma tot Cochin-China over het Maleische Schiereiland en den geheelen
+Oost-Indischen archipel verbreide, vooral op Java veelvuldige, 78 à
+83 cM. lange Glimslang heeft een bruine of zwarte kleur. Een band
+om den hals is, evenals de onderzijde van den staart, koraalrood;
+overigens is de onderzijde wit met onregelmatige, zwarte dwarsbanden.
+
+De leden van dit geslacht leven onderaardsch, graven gangen, komen
+slechts nu en dan aan de oppervlakte en voeden zich met Insecten,
+Wormen en Wormslangen. Ook zij brengen hunne jongen levend ter wereld.
+
+
+
+Linnaeus verdeelde alle hem bekende Slangen over de geslachten Boa,
+Coluber en Crotalus; tot het eerste bracht hij de Reuzenslangen, tot
+het derde de Adders en de Ratelslangen, tot het tweede de overige
+Slangen. Onze indeeling komt in vele opzichten met die van den
+grondlegger der wetenschappelijke dierkunde overeen; wij vereenigen
+in één familie (Colubridae) alle Echte Slangen, de vergiftige zoowel
+als de onschadelijke.
+
+Een volle eeuw is noodig geweest om de natuuronderzoekers tot
+het inzicht te voeren, dat een rangschikking, waarbij in de eerste
+plaats gelet wordt op de giftigheid of onschadelijkheid der Slangen,
+onnatuurlijk en onwetenschappelijk is. Een consequente toepassing
+van dit middel tot indeeling is trouwens niet mogelijk, daar er vele
+overgangsvormen bestaan, Slangen over welker giftige eigenschappen
+men in het onzekere verkeert. Alle Groeftandigen n.l. komen wel is
+waar door den bouw van haar lichaam met de Gladtandigen overeen, maar
+gelijken door het maaksel en de verrichtingen harer tanden in zoover op
+de Echte Gifslangen, dat de door haar toegebrachte wonden voor kleine
+dieren bepaald doodelijk, voor menschen en groote Zoogdieren echter
+niet gevaarlijk zijn. De gegroefde tanden verschillen van de doorboorde
+alleen door hun minder ver voortgeschreden ontwikkeling en de hieruit
+voortvloeiende geringere geschiktheid voor het vergiftigen van de
+prooi. Van beide is de grondvorm volkomen gelijk; zij volgen denzelfden
+ontwikkelingsgang; hun werking berust op hetzelfde beginsel. Ook aan
+de zoogenaamde gifklier kunnen wij als klassificatie-kenmerk geen
+waarde toekennen, nu het gebleken is, dat de gifklier van de Adder
+en de achterste bovenlipklier van de Ringslang en hare verwanten,
+wat plaatsing en bouw betreft, overeenstemmen.
+
+Om een gemakkelijk overzicht te geven van de familie der Colubriden,
+die alle overige familiën van Slangen in omvang verre overtreft en de
+kern van de geheele onderorde uitmaakt, verdeelen wij haar in drie
+onderling evenwijdige reeksen: de Gladtandigen, de Groeftandigen
+en de Giftandigen. De Gladtandigen (Aglypha) hebben slechts één
+soort van tanden, die zoomin een groeve vertoonen, als een kanaal
+bevatten. Bij de Groeftandigen (Opisthoglypha) is minstens één van de
+achterste bovenkaakstanden aan de voorzijde met een overlangsche groeve
+voorzien; zij mogen als "verdachte" Slangen aangemerkt worden; van
+eenige leden dezer groep is het reeds gebleken, dat zij in geringe
+mate vergiftig zijn. Van de Giftandigen (Proteroglypha) hebben de
+voorste bovenkaakstanden een gifgroeve of gifkanaal; alle hiertoe
+behoorende Slangen zijn giftig; haar beet is meestal ook voor den
+mensch gevaarlijk. Bij vergelijking van deze drie reeksen, valt
+een merkwaardige overeenstemming tusschen de haar samenstellende
+geslachten in 't oog, zoodat men deze in iedere reeks naar de
+levenswijze harer leden splitsen kan in een groep van landbewoners
+en een van waterdieren; deze groepen worden voor 't meerendeel als
+onderfamiliën beschouwd.
+
+
+
+De Gladtandigen, die gezamenlijk één onderfamilie uitmaken
+(Colubrinae), kenmerken zich door een slanken romp, die in alle
+richtingen even buigzaam is, een meer of minder duidelijk begrensden,
+kleinen, langwerpigen, goed gevormden kop en een spits eindigenden
+staart; de buitenste laag van de opperhuid bestaat uit gladde
+of gekielde schubben, die dakpansgewijs de rugzijde van den romp
+bedekken, en uit groote schilden aan de buikzijde. Boven vele andere
+Slangen munten zij uit door vlugheid en opgewektheid. Men merkt bij
+haar een voor dit slag van dieren betrekkelijk groote schranderheid
+op. Misschien mag men haar in dit opzicht den hoogsten rang in de
+onderorde toekennen; in alle gevallen behoeven zij bij de Reuzenslangen
+niet veel achter te staan.
+
+De leden dezer onderfamilie, die een duizendtal soorten omvat, zijn
+over de geheele wereld verbreid, daar zij, hoewel in geringen getale,
+zelfs dicht bij den poolcirkel gevonden worden en ook in Australië,
+met inbegrip van de eilanden in den Stillen Oceaan, althans door
+eenige soorten vertegenwoordigd zijn. Hunne verblijfplaatsen zijn zeer
+verschillend. Vele soorten houden van vochtige streken en van water,
+andere daarentegen geven aan droge terreinen de voorkeur. De meeste
+zijn, zooals hun ronde pupil reeds doet vermoeden, hoofdzakelijk
+dagdieren, die zich, als de nacht aanbreekt, naar hunne schuilplaatsen
+begeven. Niet weinige echter gaan in de schemering op roof uit, of
+zoeken, hiertoe in staat gesteld door hun spleetvormige, verticale
+pupil, de hun tot voedsel dienende Hagedissen, gedurende den nacht
+in hare schuilhoeken op. Tusschen vele soorten bestaat een niet
+onbelangrijk verschil in levenswijze, zooals reeds af te leiden valt
+uit de ongelijkheid van de terreinen, waarop zij jagen; ook zij hebben
+echter vele eigenaardigheden gemeen. Zij kunnen zich op verschillende
+wijzen flink bewegen; betrekkelijk snel kronkelen zij zich over den
+bodem voort; alle kunnen zwemmen, sommige zelfs merkwaardig vlug;
+ook in 't klimmen zijn zij meer of minder goed ervaren, enkele doen
+dit zelfs uitmuntend.
+
+De Gladtandigen voeden zich hoofdzakelijk met kleine vertegenwoordigers
+van alle klassen van Gewervelde Dieren. Vooral de Reptiliën en
+Amphibiën verschaffen haar een buit; enkele maken ook jacht op kleine
+Zoogdieren, andere op Vogeltjes; verscheidene houden zich ijverig
+met de vischvangst bezig en kunnen betrekkelijk groote exemplaren
+overmeesteren. Sommige kleine soorten verslinden Wormen en Insecten,
+de volwassen dieren zoowel als de larven.
+
+In de koudste gedeelten van haar verbreidingsgebied zoeken de
+Gladtandigen in 't najaar hare winterkwartieren op, vervallen hier in
+een toestand van verstijving en komen eerst nadat de lente werkelijk
+aangevangen is, weer voor den dag, vervellen en wijden zich daarna aan
+de voortplanting. Het wijfje legt hare 10 à 30 eieren op vochtige,
+warme plaatsen; de zon brengt de kiemen tot ontwikkeling; soms zijn
+deze in 't lichaam van de moeder zoo ver gevorderd, dat de jongen
+onmiddellijk vóór of kort na het leggen de eischaal verbreken en dus
+levend geboren worden. In den eersten tijd van hun leven voeden deze
+zich met kleine, tot verschillende klassen behoorende, ongewervelde
+dieren, maar volgen weldra de levenswijze hunner ouders.
+
+De Gladtandigen verschaffen den mensch geen voordeel, eerder nog
+schade; ieder, die deze dieren gespaard wil hebben, mag niet uit het
+oog verliezen, dat voor het aanprijzen van zulk een maatregel een
+nauwkeurige bekendheid met de bedoelde soort een volstrekt vereischte
+is. Vele soorten houden zich in de gevangenschap jaren lang goed, nemen
+zonder aarzeling de gevangeniskost in ontvangst, geraken langzamerhand
+aan hare verzorgers gewoon en kunnen zelfs eenigermate getemd worden.
+
+
+
+De Glansslangen (Coronella) zijn betrekkelijk kleine of middelmatig
+groote Gladtandigen met een krachtigen, eenigszins gedrongen,
+rolvormigen, in het midden niet samengedrukten romp en middelmatig
+langen staart; de korte, tamelijk platte kop eindigt in een afgeronden
+snuit en is van achteren niet scherp begrensd; de tamelijk kleine
+oogen hebben een ronde pupil.
+
+
+
+In geheel Europa, van 't noorden van Noorwegen tot aan het zuiden,
+ontmoet men op geschikte plaatsen, hier en daar zeer overvloedig de
+Gladde Slang (Coronella austriaca, C. laevis), een van de sierlijkste,
+flinkste Slangen van ons vaderland. Haar lengte bedraagt hoogstens
+65 cM., waarvan 10 cM. op den staart komen. De grondkleur van de
+bovenzijde is gewoonlijk bruin; de teekening bestaat uit een groote,
+donkere vlek in den nek, die dikwijls van achteren in breede strepen
+uitloopt, en uit twee reeksen van donkerbruine, soms paarsgewijs
+verbonden vlekken bij het midden van den rug; een donkerbruine streep
+is door het oog gericht en loopt langs de zijde van den hals naar
+beneden. De onderdeelen zijn staalkleurig blauw of geelachtig rood
+en witachtig; dikwijls komen ook hier donkere vlekken voor. Evenals
+bij de meeste Slangen vertoonen de kleur en de teekening menigvuldige
+afwijkingen; de kleur van de variëteiten, die men heeft leeren kennen,
+wisselt af van grijs tot roodbruin.
+
+Van de Adder, waarmede de Gladde Slang door onkundigen zoo dikwijls
+verward wordt, is zij op het eerste gezicht te onderscheiden. Hare
+schubben zijn glad en glanzig zonder eenig spoor van een overlangsche
+kiel op het midden; bij de Adder zijn zij gekield. Haar kop is
+zeer regelmatig met groote schilden bekleed; bij de Adder zijn de
+kopschilden klein en zeer onregelmatig van vorm en schikking. Het
+aarsschild is in het midden gespleten, bij de Adder onverdeeld. De
+pupil is rond en niet, zooals bij de Adder, een vertikale spleet.
+
+Hier te lande wordt de Gladde Slang op diluviale zandgronden
+gevonden. In Noorwegen en Zweden komt zij, evenals alle leden harer
+orde, uitsluitend op buitengewoon gunstig gelegen plaatsen en ook hier
+in geringen getale voor; in het zuiden van Engeland ontmoet men haar
+slechts op kalksteengebergten, waar de Hagedissen veelvuldig zijn;
+in Duitschland is zij niet zeldzaam in de Hartz en het Thuringer Woud,
+en evenmin in de verder zuidwaarts gelegen middelgebergten; hetzelfde
+geldt van Oostenrijk, vooral van de Alpenstreken. Noord-Griekenland,
+Italië, Noord-Frankrijk, Noord-Spanje en Portugal bewoont zij eveneens,
+bovendien Koerland, Lijfland en Polen en bijna alle gouvernementen
+van het midden en zuiden van Rusland. In de Duitsche Alpen vindt men
+haar nog op een hoogte van 1200 M.
+
+Zij vestigt haar verblijf op droge terreinen, zonnige, steenachtige
+hellingen, verlaten steengroeven, bergterrassen, glooiingen, die met
+dicht struikgewas begroeid zijn; bij uitzondering komt zij ook wel eens
+in het laagland op veengrond voor. Volgens Lenz kruipt zij veel vaker
+dan de Adder of de Ringslang onder gladde steenen; soms verschuilt
+zij zich zoo onder het mos, dat alleen haar kopje er boven uitsteekt.
+
+Over den aard van de Gladde Slang zijn de meeningen der waarnemers
+verdeeld. Eenigen noemen haar zachtzinnig en goedaardig, terwijl
+anderen juist het tegendeel beweren. "Dit opvliegend en boosaardig
+diertje," zegt Lenz, "bijt niet slechts kort na de vangst vol woede om
+zich heen, maar doet dit soms nog verscheidene weken, ja zelfs maanden
+daarna. Als men haar een handschoen, een slip van een jas of zoo iets
+voorhoudt, slaat zij er in den regel hare tandjes zoo stevig in, dat
+zij wel eens 8 minuten of langer aan het voorwerp blijft hangen. Deze
+tandjes zijn zoo klein en verheffen zich zoo weinig boven het weeke
+tandvleesch, dat men ze bij levende exemplaren bijna niet zien kan;
+toch haken hunne scherpe puntjes zich onmiddellijk vast. Hoewel de
+Slang licht zoo toornig wordt, dat zij zich zelf, hare soortgenooten,
+andere Slangen, enz. bijt, beproeft zij hare tanden niet gaarne
+op steenen, ijzer of dergelijke voorwerpen. Als zij geplaagd wordt,
+stelt zij zich bijna te weer als een Adder, kronkelt zich ineen, buigt
+den hals terug, verbreedt den achterkop en spert bij 't bijten den
+bek zoo wijd mogelijk open." Deze bewijzen van boosaardigheid hebben
+haar een slechten naam verschaft; zij wordt voor vergiftig gehouden
+en zeer gevreesd; inderdaad zou men haar in een dergelijk oogenblik
+van drift licht voor een wijfjes-adder kunnen aanzien. De Gladde
+Slang is echter niet altijd zoo slecht geluimd. "Soms," zegt Lenz,
+"vooral bij nat en koud weder, laat zij zich vangen zonder tegenstand
+te bieden; meestal echter tracht zij vlug te ontsnappen en beweegt
+zich zeer flink, in allen gevalle veel behendiger dan de Adder en
+de Ringslang; op den vlakken bodem kan men haar echter gemakkelijk
+inhalen. Wanneer men haar bij de punt van den staart vasthoudt,
+kan zij zeer gemakkelijk den kop tot aan de hand opheffen."
+
+Soms ontmoet men haar met andere Slangen, b.v. met Ringslangen,
+minder dikwijls met Adders, in denzelfden schuilhoek; ook in de
+gevangenschap leeft zij geruimen tijd in vrede met deze dieren; de
+goede verstandhouding wordt echter licht verstoord, vooral wanneer
+de honger in 't spel komt. Aan de Kleine Hagedis geeft zij de
+voorkeur boven iedere andere prooi; ook andere Hagedissen en kleine
+Slangen vallen haar niet zelden ten buit; zelfs verslindt zij jonge
+Adders, zonder zich aan hare giftanden te storen. De Gladde Slang is
+levendbarend, d.w.z., uit de eieren, die in het laatst van Augustus
+of het begin van September rijp zijn, komen onmiddellijk na het leggen
+3 à 12 jongen te voorschijn; deze zijn 15 cM. lang en zoo dik als een
+potlood, trachten bij gunstige weersgesteldheid nog eenig voedsel te
+verkrijgen, maar verbergen zich weldra in een schuilhoek, waar zij
+geen hinder hebben van de winterkoude.
+
+In de gevangenschap wordt de Gladde Slang in den regel reeds na weinige
+dagen zoo tam, dat zij haar verzorger niet meer bijt, als deze haar
+in de hand neemt of tegen zijn lichaam houdt om haar te verwarmen;
+enkele exemplaren echter blijven, zooals reeds opgemerkt werd,
+geruimen tijd ongenegen om met haar verzorger vriendschappelijk om te
+gaan. Aanvankelijk bijten alle; ofschoon zij met hare kaken slechts
+een geringe drukking kunnen uitoefenen, dringen de scherpe tandjes
+toch ver genoeg in en door de huid om bloeding te veroorzaken. Men
+kan er echter staat op maken, dat zij, de eene vroeger, de andere
+later, de lust om te bijten verliezen. Een andere goede eigenschap
+van deze fraaie, vlugge en bevallige diertjes is, dat zij zeer goed
+de gevangenschap verdragen, wanneer men ze behoorlijk verzorgt.
+
+
+
+Bij de Bijtslangen (Zamenis) overtreffen de beide achterste
+bovenkaakstanden de overige in lengte en zijn van deze door een
+iets grootere tusschenruimte gescheiden; overigens gelijken zij
+veel op de Gladde Slang. Dit geslacht wordt in Zuid-Europa door
+verscheidene soorten vertegenwoordigd. Van de veelvuldigst voorkomende
+soort--de Pijlslang (Zamenis acontistes)--kent men twee standvastige
+verscheidenheden, die vroeger als soorten werden beschouwd. De eene--de
+Geelgroene Pijlslang (Zamenis gemonensis)--bewoont het westelijke,
+de andere--de Balkanslang (Zamenis trabalis)--het oostelijke deel
+van het verbreidingsgebied der soort.
+
+
+
+De geelgroene Pijlslang wordt, naar 't schijnt, hoogstens 1.9
+M. lang, maar is gewoonlijk kleiner. De kop en de nek vertoonen op
+grijsgelen, de rug en de staart op groenachtigen grond onregelmatige,
+de onderdeelen op gelen grond regelmatigere, zwarte dwarsbanden; op
+het achterste deel van het lichaam wordt deze uit vlekken bestaande
+teekening door fijne, overlangsche strepen vervangen, die zich
+onderling evenwijdig tot aan de spits van den staart uitstrekken. Bij
+andere exemplaren heeft op de bovendeelen (in plaats van de groene)
+een fraaie, groengele kleur de overhand, de onderdeelen zijn dan
+kanariegeel. Bij nog andere is de bovenzijde olijfbruin en ongevlekt,
+bij één variëteit (carbonaria) bijna geheel zwart, de buik grijs,
+de geheele onderzijde, evenals de flanken, met staalblauwen glans.
+
+De Balkanslang, die 2.3 M. lang wordt, is van boven op blauwachtig
+of bruinachtig grijzen grond met vele, meer of minder duidelijke,
+overlangsche strepen geteekend. De bovenzijde van den kop is
+steeds bruinachtig en met gele en zwartachtige strepen en stippels
+gemarmerd. De bovenlipschilden en de schilden voor en achter de oogen
+zijn altijd licht van kleur, bruinachtig of geel, de eerstgenoemde met
+smalle, donkere randen gezoomd; de onderdeelen zijn effen bruinachtig
+geel of steenrood, een deel van den achterrand der buikschilden aan
+de voorste helft van den romp is bij enkele exemplaren zwart gezoomd;
+de schilden zelve zijn bovendien met grijze, nevelachtige vlekken
+geteekend.
+
+
+
+De Geelgroene Bijtslang is, van Hongarije te beginnen, westwaarts
+over alle kustlanden van de Middellandsche Zee verbreid, alleen
+in Frankrijk dringt zij tot benoorden de Alpen door. In Kroatië,
+Krain, Zuid-Karinthië en Zuid-Tirol komt zij veelvuldig, in het
+zuiden van Zwitserland daarentegen zelden voor; in vele gewesten
+van Zuid-Frankrijk is zij niet ongemeen. In Italië ontmoet men haar
+overal, in de omstreken van Rome zeer veelvuldig. Ten oosten van
+Hongarije treedt de Balkanslang in haar plaats; deze is van hier
+over geheel Zuid-Rusland, voorts van Griekenland over Klein-Azië,
+Syrië en Perzië verbreid.
+
+Al naar het door haar bewoonde terrein houdt de Geelgroene Bijtslang
+zich op in struiken of langs omheiningen en wegen, in oude muren en in
+steenhoopen, zoowel in vlakke als in heuvelachtige gewesten; bovendien
+klimt zij in de boomen. Haar voedsel bestaat uit Hagedissen en Muizen,
+waarschijnlijk echter ook uit andere Slangen, daar deze, naar bij
+gevangen exemplaren gebleken is, door haar aangevallen worden. In allen
+gevalle houdt zij, naar 't schijnt, meer van Reptiliën dan van Muizen.
+
+Te recht beschouwt men haar als een van de bijtlustigste en
+beweeglijkste der onschadelijke Europeesche Slangen. De geelgroene
+verscheidenheid tracht steeds den persoon, die haar wil vangen, te
+bijten. Hoewel de grootere Balkanslang bij de nadering van een mensch
+gewoonlijk vlucht, is zij zelfs voor een Paard en diens berijder niet
+bang; wanneer een ruiter haar onverhoeds aanvalt, aanvaardt zij zonder
+aarzeling den strijd. Naar Pallas bericht, rolt zij zich in dit geval
+tot een schijfvormige spiraal op, laat den tegenpartij tot op korten
+afstand naderen en steekt dan plotseling den kop uit om te bijten,
+soms klemt zij zich met de tanden aan de lippen der Paarden vast. Niet
+te verwonderen is het daarom, dat deze dieren overal gevreesd worden.
+
+Wegens haar neiging tot bijten kan men de Bijtslang niet gemakkelijk
+levend vangen. Erber noemt haar bovendien listig en voorzichtig en
+geeft deze eigenschap op als een van de redenen, waarom men haar
+zoo zelden vangt. Hij zegt, dat de gevangen exemplaren altijd schuw
+blijven.
+
+
+
+De Panterslang (Ptyas pantherinus), die het Amerikaansche geslacht
+der Renslangen vertegenwoordigt, bereikt een lengte van ongeveer
+2 M. en kenmerkt zich door een weinig varieerende teekening. Bleek
+vaalgeelachtig grijs is haar grondkleur; drie donkere dwarsbanden staan
+op den voorkop, twee breede, overlangsche strepen op den achterkop en
+den nek; de teekening van den rug bestaat uit een reeks van groote,
+grijsbruine vlekken met zwarten rand; op den hals zijn zij ruitvormig,
+overigens onregelmatig en ieder met twee zijdevlekken verbonden;
+de geelachtig witte schilden van de kaakranden zijn zwart gezoomd;
+een zwartbruine streep loopt achter ieder oog naar den mondhoek.
+
+De Panterslang bewoont Guyana benevens de tropische en gematigde
+gewesten van Brazilië tot Rio Grande do Sul. Zij houdt zich bij
+voorkeur op in moerassen en drassige, met struiken begroeide
+vlakten. Zij beweegt zich met matige snelheid en is op verre na
+niet zoo behendig als andere soorten. Het kost daarom geen moeite
+haar tot op korten afstand te naderen; zelfs dan geeft zij nagenoeg
+geen blijken van onrust. Haar voedsel bestaat uit Padden en Vorschen;
+naar het schijnt, komt haar levenswijze dus in hoofdzaak overeen met
+die van onze Ringslang.
+
+
+
+Tot hetzelfde geslacht rekent men de Zwarte Slang (Ptyas constrictor);
+deze in de zuidelijke helft der Vereenigde Staten algemeen bekende
+soort wordt 2 M. lang en dankt haar naam aan de blauwglanzige, zwarte
+kleur der bovendeelen, die op de onderzijde in licht aschgrauw en op
+de borst in witachtig grijs overgaat.
+
+Ook zij geeft de voorkeur aan waterrijke oorden en houdt zich gaarne
+op aan de oevers van stroomen, vijvers of meren, vooral daar, waar
+het struikgewas meer of minder direct in het water groeit; soms
+echter onderneemt zij reizen over het droge land en wordt bij deze
+gelegenheid op de meest verschillende terreinen waargenomen. Naar
+bericht wordt, munt zij boven al hare verwanten uit door geschiktheid
+tot beweging. Zij kronkelt zich even behendig over moerassige, als
+over droge en steenachtige terreinen, klimt zeer goed en beweegt
+zich daarom gaarne op de takken van struiken en boomen; bovendien
+is zij in het zwemmen en duiken zeer ervaren. Haar voedsel bestaat
+uit Visschen, Amphibiën, Slangen, Vogels en kleine Zoogdieren; zij
+maakt vooral jacht op jonge Ratelslangen en ook op Muizen en Ratten,
+maar plundert tevens vele nesten van nuttige Vogels. In sommige
+gewesten wordt zij beschouwd als een der werkzaamste verdelgers van
+hare gevreesde verwanten, vooral van jonge Ratelslangen. Hoewel men
+haar om deze reden nuttig acht, wordt zij op vele plaatsen niet gaarne
+gezien, omdat haar roofzucht tamme Vogels niet verschoont, hier en daar
+zelfs gevreesd, omdat zij, naar men zegt, buitengewoon strijdvaardig
+is. Of zij, zooals men beweert, hierdoor voor menschen lastig wordt,
+zullen wij in 't midden laten; dat zij den naam "Renslang" terecht
+draagt, wegens de snelheid, waarmede zij zich op haar prooi werpt,
+is wel mogelijk.
+
+De Zwarte Slang schikt zich even goed in de gevangenschap als eenige
+andere soort van haar familie en kan bij behoorlijke verzorging jaren
+lang in 't leven blijven. Met andere Slangen houdt zij geen vrede;
+op kleinere dieren past zij zonder eenig zelfbedwang het recht van
+den sterkste toe, o. a. door nu en dan een van hare medegevangenen
+te dooden en te verslinden.
+
+
+
+De Klimslangen of Landslangen i. e. z. (Coluber) hebben een
+langen, zijdelings sterk samengedrukten romp; de grens tusschen
+den langwerpigen kop en den hals is duidelijk waarneembaar. Het
+middelmatig groote oog heeft een ronde pupil. Dit soortenrijke geslacht
+is over het grootste deel van Europa, Azië, Noord-Amerika en tropisch
+Zuid-Amerika verbreid; het bestaat uit stevige, krachtige dieren,
+die niet zoozeer op den grond als wel in boomen en struiken leven
+en zich hoofdzakelijk voeden met kleine Zoogdieren en Vogels. Vele
+houden zich gaarne in de nabijheid van water op en zwemmen uitmuntend.
+
+
+
+Asklepios, de god van de geneeskunde, draagt, zooals men weet, ten
+teeken van zijn werkzaamheid, een staf in den hand, die door een Slang
+omstrengeld wordt. Welke soort de oude Grieken en Romeinen hiermede
+bedoeld hebben, valt thans niet meer uit te maken; tamelijk algemeen
+neemt men echter aan, dat het bedoelde dier een vertegenwoordiger van
+het geslacht der Klimslangen is geweest en dat de Romeinen er veel toe
+bijgedragen hebben om het te verbreiden. Dit zou de reden zijn van de
+aanwezigheid van de Esculapius-slang in de nabijheid van badplaatsen
+van landen, waar men deze soort overigens niet aantreft. Zoo ontmoet
+men haar in Duitschland bij Schlangenbad, in Oostenrijk bij Baden
+in de buurt van Weenen, in de Zwitsersche kantons Tessino en Wallis
+bijna uitsluitend tusschen de puinhoopen van Romeinsche baden. Het
+eigenlijke vaderland van deze Slang is Zuid-Europa, van de Pyreneën
+tot aan den westelijken oever van de Kaspische Zee.
+
+De Esculapius-slang, Geelachtige of Schlangenbader Slang (Coluber
+aesculapius) is gemakkelijk te herkennen aan den kleinen, van
+achteren niet duidelijk begrensden kop met afgeronden snuit,
+den krachtigen romp, den langen, slanken staart en het eenvoudig
+gekleurde kleed, dat aan de buikzijde en op den kop uit regelmatige
+schilden, overigens uit gladde (aan de achterste lichaamshelft soms
+onduidelijk gekielde) schubben bestaat. De bovendeelen zijn gewoonlijk
+bruinachtig grijsgeel, de onderdeelen witachtig; op den achterkop
+bevindt zich aan iedere zijde een geelachtige vlek, op den rug en
+aan de zijden komen kleine, witachtige, x-vormige stippels voor. De
+kleur vertoont trouwens vele afwijkingen: er zijn zeer lichte en bijna
+zwarte Esculapius-slangen. Zij kunnen een lengte van 1.5 M. bereiken;
+exemplaren van deze grootte ontmoet men echter alleen in Zuid-Europa.
+
+Ieder, die dit dier in de vrije natuur of in gevangenschap heeft
+nagegaan, zegt, dat het niet alleen door zijn uiterlijk, maar ook
+door zijn aard bevallig is.
+
+In Zuid-Europa houdt het bij voorkeur verblijf op een rotsachtig
+of althans steenachtig, schaarsch met struikgewas begroeid terrein
+en ontbreekt daarom in streken met een andere grondgesteldheid
+dikwijls geheel. Bij Schlangenbad, de eenige woonplaats van dit dier
+in Duitschland komt het veelvuldig voor en wordt het meestal op oude
+muren aangetroffen. Op den bodem beweegt het zich niet bijzonder vlug
+of behendig, misschien zelfs minder snel dan zijne verwanten; des te
+beter is het in 't klimmen ervaren. In dit opzicht evenaart het bijna
+de Boomslangen, die het grootste deel van haar leven in de boomen
+doorbrengen. Gewoonlijk tracht de Esculapius-slang zich bij dunne
+boomstammen, die zij omstrengelen kan, omhoog te kronkelen, totdat
+zij de takken bereikt heeft, waarlangs en waartusschen zij daarna
+haar weg vervolgt. In een dicht woud gaat zij van den eenen boom op
+den anderen over en kan zich op deze wijze over een grooten afstand
+verplaatsen. Bij een muur klautert zij onbegrijpelijk vlug omhoog,
+daar ieder uitsteeksel, hoe klein het ook zij, haar een voldoenden
+steun verschaft en zij op een waarlijk kunstige wijze van iedere
+oneffenheid van het gesteente partij weet te trekken.
+
+Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Muizen te bestaan, bovendien
+maakt zij echter jacht op Hagedissen en vangt, als de gelegenheid
+gunstig is, Vogels of plundert nesten uit. Toch kan het wel zijn,
+dat zij te recht door hare vrienden wegens het verdelgen van Muizen
+als zeer nuttig wordt beschouwd.
+
+"Van alle Duitsche Slangen", zegt Linck, "brengt die van
+Schlangenbad het geringste aantal nakomelingen voort. Met de
+Ringslang is zij de eenige, welker kiemen na het leggen der
+eieren nog een ontwikkelingstijdperk van verscheidene weken moeten
+doorloopen. Gewoonlijk legt zij omstreeks 5 eieren, meestal in vermolmd
+hout, soms ook in een dikke, droge moslaag en laat ze daarna aan hun
+lot over. De eieren zijn langwerpig, doch een weinig minder buikig
+dan die van Duiven en gelijken eenigszins op mierenpoppen in 't groot".
+
+Geen enkele Duitsche Slang wordt zoo dikwijls gevangen als de
+Esculapius-slang. In Schlangenbad is de vangst van dit dier een bron
+van inkomsten voor arme lieden. Zij zoeken het op, zoodra het ontwaakt
+is uit den winterslaap, temmen het en vermaken er de badgasten mede;
+soms verkoopen zij ook wel een enkel exemplaar aan een liefhebber. Als
+het badseizoen afgeloopen is, worden de gevangenen weer vrijgelaten,
+daar zij in de kooi slechts zelden voedsel gebruiken; in Schlangenbad
+althans houdt men het er algemeen voor, dat zij het nooit doen. Erber
+verhaalt echter, dat twee Esculapius-slangen, die hij lang in de
+kooi hield, gezamenlijk in den loop van een zomer 108 Muizen en 2
+Hagedissen verslonden. Een exemplaar, dat 14 maanden achtereen geen
+voedsel had gebruikt, intusschen echter geregeld vervelde en ondanks
+deze hongerkuur niet merkbaar vermagerde, was ten slotte toch weer aan
+'t eten geraakt; kort daarna lag het dood in zijn hok; "dit was het
+eerste dier van deze soort, dat ik door den dood verloor."
+
+In het eerst is de gevangen Esculapius-slang zeer boosaardig en bijt
+vol woede naar de hand van haar meester of naar Muizen, die in haar
+hok gebracht worden. Soms duurt haar boosheid lang, of keert terug,
+wanneer de schijnbaar getemde Slang in haar behagelijke rust gestoord
+of na een langdurig uitstapje weer in haar hok teruggebracht wordt;
+na eenige weken echter wordt de gevangene, wanneer men zich veel met
+haar bemoeit, zoo tam en goedaardig, dat men werkelijk bij haar van
+vriendschap voor haar verzorger kan spreken; nooit tracht zij dezen te
+bijten, zelfs wanneer hij haar plaagt. Naar men beweert, keert zij, na
+het herkrijgen van haar vrijheid, soms vrijwillig naar haar hok terug.
+
+Van haar bekwaamheid in 't klimmen, lenigheid en neiging om uit haar
+kooi te ontsnappen, verhalen Lenz en Linck aardige staaltjes. Linck
+kreeg in 't begin van Juni een paar van deze dieren uit Schlangenbad,
+nam ze uit de met mos en kruiden goed gevoerde kist en liet ze wegens
+dringende bezigheden in een groote, goed gesloten kamer aan hun lot
+over. Na verloop van een uur keerde hij naar zijne gasten terug,
+maar vond ze niet meer. Alle hoeken werden doorzocht, alle mogelijke
+schuilplaatsen doorsnuffeld,--vergeefsche moeite! Eindelijk ontdekte
+hij het mannetje 3 M. boven den grond lang uitgestrekt op een stok
+van een gordijn, in welks plooien hij zich van den grond af omhoog
+heeft moeten werken; van hier keek hij rustig neer op wat er onder
+hem voorviel. Naar het nog ontbrekende wijfje werd verder gezocht,
+wederom lang vruchteloos, totdat eindelijk aan de zitting van een
+stoel een onbeduidende beweging werd opgemerkt. Bij het omkeeren
+van dit meubel zag men de vluchtelinge, die zich om de springveeren
+van de zitting had gekronkeld en vast besloten was om zich in den
+veroverden schuilhoek te handhaven, zooals uit verscheidene pogingen
+om te bijten bleek. Het kostte veel moeite het dier los te wikkelen.
+
+
+
+De Gestreepte Slang (Coluber quaterradiatus), een van de grootste
+Europeesche Slangen, bereikt een lengte van 1.8 à 2 M. Van boven is
+zij op olijfbruinachtigen, naar vleeschkleur zweemenden grond, aan
+weerszijden met twee zwartbruine, overlangsche strepen geteekend,
+van onderen daarentegen eenvoudig stroogeel. Van 't oog naar den
+mondhoek loopt een zwarte streep. Van deze kleursverdeeling komen vele
+afwijkingen voor. Erber ving enkele zuiver zwarte exemplaren. Andere
+onderzoekers merkten op, dat de jongen regelmatige, zwarte dwarsstrepen
+op den kop, aan de bovenzijde van den romp echter drie reeksen van
+groote, bruine vlekken hebben, aan de zijden eveneens gevlekt zijn en
+aan de onderzijde zwartachtig staalgrijze, vierkante velden vertoonen.
+
+Het verbreidingsgebied van de Gestreepte Slang omvat een deel van
+Zuid- en Zuidoost-Europa, het strekt zich van Onder-Italië en Dalmatië
+minstens tot aan het binnenland van Klein-Azië uit. Behalve misschien
+in de omstreken van Napels en op eenige Grieksche eilanden is deze
+soort nergens veelvuldig; ongetwijfeld komt dit van de voortdurende
+vervolging, die zij in de meeste landen te verduren heeft.
+
+Volgens alle onderzoekers is zij een onschadelijk en zeer nuttig
+dier; zelfs wanneer men haar vangt, bijt zij niet; in zeer korten
+tijd geraakt zij aan haar verzorger gewoon. Verdienstelijk maakt
+zij zich door het verslinden van Ratten, Muizen en kleine Slangen,
+daarentegen vormen ook de nuttige Mollen, kleine Vogels en Hagedissen
+een deel van haar buit. Erber zag een Gestreepte Slang achtereenvolgens
+zeven kippeneieren uit een nest halen; nadat zij deze in hun geheel
+verzwolgen had, brak zij ze, door haar lichaam tegen een boompje
+te drukken. Toen hij daarna de Slang gevangen en in zijn stevig
+dichtgeknoopten rokzak geborgen had, wreekte zij zich over het verlies
+van haar vrijheid door het uitspuwen van de geheele eierenstruif.
+
+
+
+Terwijl de tot dusver genoemde Colubriden zich slechts tijdelijk
+in de boomen begeven om er voedsel te zoeken, zijn de Woudslangen
+(Herpetodryas) reeds nagenoeg volslagen boomdieren. Hare oogen zijn
+grooter dan die van de Klimslangen, dikwijls zeer groot, haar romp
+is een weinig sterker zijdelings samengedrukt. Olijfgroene kleuren
+hebben bij haar de overhand.
+
+
+
+In de wouden van geheel Brazilië, Guyana en Venezuela en ook op
+de Kleine Antillen leeft een tot dit geslacht behoorende soort, de
+Sipo (Herpetodryas carinatus), die 2.3 M. lang wordt en een prachtig
+voorkomen heeft. Volgens de beschrijving van den Prins Von Wied hebben
+de bovendeelen een fraaie, zachte, meer of minder donkere, geelgroene
+of olijfgroene kleur, die op den rug een bruinachtige tint vertoont;
+de onderdeelen zijn deels groenachtig, deels hooggeel; de eerstgenoemde
+kleur heeft gewoonlijk op den buik, de laatstgenoemde aan de onderzijde
+van kop, keel, hals en staart de overhand. Tot metaalglanzig bruin
+wisselen de tinten van de groen gekleurde lichaamsdeelen af; op het
+midden van den rug bevindt zich een lichtere, overlangsche streep,
+die dikwijls aan weerszijden door een donkerder rand begrensd wordt.
+
+De Sipo is in Suriname en Brazilië een van de meest gewone Slangen;
+zij bewoont vooral het op zandgrond groeiende struikgewas op korten
+afstand van de zee. Van zandgrond schijnen deze Slangen veel te houden
+en ook van vochtige en moerassige terreinen in de nabijheid van de
+zee, die met biezen, riet en andere moerasplanten begroeid zijn en aan
+onze weilanden herinneren. Hier vindt men ze veel in kreupelbosschen,
+waarvan de recht opschietende, witbloeiende trompetboomen (Tecoma)
+en de stijve, breedbladige Clusia's deel uitmaken; gewoonlijk
+liggen zij op de bladen of op dikke takken, niet zelden echter op
+den grond. Bij de nadering van een mensch vluchten zij zoo snel,
+dat men haar ternauwernood volgen kan; het vlugst bewegen zij zich in
+'t gras, iets langzamer over het naakte zand. De Prins Von Wied vond
+den slanken hals van deze Slang dikwijls buitengewoon sterk uitgezet
+door de groote Padden, die haar slokdarm vulden; het schijnt, dat
+zij zich hoofdzakelijk met Amphibiën voedt.
+
+Men kan de Sipo met de handen grijpen; in tijd van nood stelt zij
+zich echter ook tegen menschen te weer, gelijk uit het volgende
+jachtavontuur van Schomburgk blijkt: "Op een van mijne jachttochten
+zie ik een Slang van 2 M. lengte langzaam op mij afkomen; de
+afstand is echter te groot om te onderscheiden, of zij giftig dan
+wel onschadelijk is. De beide loopen van mijn geweer zijn geladen;
+ik leg aan, schiet en zie het dier met krampachtige kronkelingen
+in een kring ronddraaien. Door een gedruisch van vleugelslagen
+in de twijgen van den boom, waaronder ik sta, wordt mijn aandacht
+afgeleid, ik kijk op en zie twee fraaie, mij onbekende Papegaaien,
+die hier in de schaduw hadden gezeten, en, na bekomen te zijn van
+den door het schot veroorzaakten schrik, spoedig weer post vatten
+op den uitersten top van een twijg. Daar de Slang doodelijk gewond
+schijnt, laat ik door het tweede schot van mijn geweer een der beide
+Vogels naar beneden tuimelen. Terwijl ik mijn geweer op nieuw laad,
+zie ik de Slang met moeite naar een dichten struik kruipen en er
+in verdwijnen. Na haar tevergeefs gezocht te hebben met het geladen
+geweer in de hand, moest ik wel naderbij komen en voel nu plotseling
+tegen den schouder een stoot van het gewonde dier, dat mijn nadering
+bemerkt en zich tot een sprong voorbereid had; ik stuif met geweld
+achteruit en blijf verstijfd van schrik staan, niet wetend of een
+vergiftige Slang mij gewond heeft of niet; ik zie het dier nogmaals
+zich gereed maken voor een sprong en voorkom dezen nog te rechter
+tijd door een gelukkig schot. Bij nader onderzoek blijkt het, dat
+ik in 't geheel niet gewond ben en herken ik mijn woedenden vijand,
+niet als een vergiftige Slang, maar als een onschadelijke Sipo."
+
+
+
+Het best bewerktuigd voor het leven in de boomen zijn waarschijnlijk
+de Boomslangen (Dendrophis), welker langgerekte, dunne romp zijdelings
+samengedrukt en dus hoekig is; de buikschilden (die, zooals gewoonlijk,
+een enkele reeks vormen) vertoonen aan weerszijden een lijstvormige
+verhevenheid of kiel. Daar zij om op haar prooi te loeren, zich
+verschuilen tusschen de bladen van de boomen, die haar tot woonplaats
+dienen, noemt men ze ook wel Bladslangen. Zij komen veelvuldig voor in
+Zuid-Amerika, Middel-Afrika en Oost-Indië, zijn zeldzaam in Australië
+en ontbreken geheel in de beide Noordelijke Faunistische Rijken.
+
+
+
+Een zeer bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de Glansslang,
+de Sjokari van de Hindoes (Dendrophis pictus), een prachtige Boomslang
+van 1.14 M. lengte, waarvan niet recht een derde gedeelte op den
+staart komt. De kleur van de bovendeelen is glanzig bronskleurig
+bruin, welke kleur soms door een gele, overlangsche streep op het
+midden van het voorste derde gedeelte van den rug beter uitkomt;
+de zijden prijken met een gelen band; de effen gekleurde onderzijde
+heeft een min of meer gele of lichtgroene tint.
+
+Deze wijd en zijd verbreide soort komt in geheel Voor- en Achter-Indië
+en op alle Indische eilanden voor. Snelleman zegt van haar "wellicht
+de meest algemeene soort in Indië en den Archipel" en verder: "Het
+fraaist gekleurd zijn voorzeker de Boomslangen; jammer slechts, dat
+men haar te midden van zooveel boomen zoo zelden ziet! Haar groene
+kleur in allerlei tinten is daaraan ongetwijfeld grootendeels schuld,
+maar behalve dat hebben sommige soorten een eigenaardige wijze van
+rusten, door namelijk met de punt van den staart een paar malen om een
+boomtak geslagen met den kop naar beneden in het gras te hangen. Zulk
+een houding is, in een land, waar vele boomen met luchtwortels groeien,
+zeer bedriegelijk."
+
+"Tot de Boomslangen behoort de soort of de soorten, die de Maleiers
+"Oelar-poenei" noemen, en waarvan zij vertellen, dat zij zich
+moeielijk bewegen en meestal opgerold op een boomstam liggen. Zij
+zijn onschadelijk, zeggen zij, eten geen Vogels of andere dieren,
+maar alleen het voedsel, dat haar gebracht wordt door de Duif, die in
+het Maleisch "Poenei" heet en waaraan deze dieren haar inlandschen
+naam ontleenen. Het exemplaar, dat men mij bracht, was op een zeer
+bijzondere wijze gevangen, n.l. door het een bamboestok voor te houden
+en te wachten, tot het dier zijn rustplaats verkoos te verlaten,
+om zich om den stok te kronkelen."
+
+
+
+De Zwemslangen (Tropidonotus) houden zich bij voorkeur in de nabijheid
+van het water op en jagen zoowel in het vochtige element als op het
+droge; haar voedsel bestaat grootendeels uit Visschen, Salamanders
+en Vorschen; in tegenstelling met verscheidene Glansslangen en
+Klimslangen verzwelgen zij haar prooi, zonder deze vooraf dood te
+drukken. Haar wetenschappelijken naam danken zij aan de duidelijke
+gekielde rugschubben, die elkander dakpansgewijs bedekken. Aan den
+ronden, in een tamelijk langen staart eindigenden romp is door een
+dunnen hals de platte kop verbonden, welks achterste grens duidelijk
+kenbaar is en die zich onderscheidt door den wijdgespleten muil, de
+zeer groote of middelmatig groote oogen met ronde pupil, de zijdelings
+tusschen twee schilden gelegen neusgaten en de regelmatige bedekking
+met schilden.
+
+
+
+Een algemeen bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de Ringslang
+of Heiaal (Tropidonotis natrix) "de Slang bij uitnemendheid voor ons
+volk, de soort, die aanleiding heeft gegeven tot zijne oude sagen en
+nieuwe wondersprookjes, het onschuldig slachtoffer van zijn vrees,
+van zijn haat, van zijn verdelgingszucht", de meest verbreide van alle
+inheemsche Slangen. In al onze landprovinciën komt zij voor, hier en
+daar in tamelijk grooten getale; ook in Zuid- en Noord-Holland zijn nu
+en dan exemplaren gevonden, doch deze waren er hoogst waarschijnlijk
+(volgens Schlegel) met hooi gebracht; in de kuststreken komt zij niet
+voor. Zij bewoont veelal zandige gronden, doch houdt zich steeds op
+in de nabijheid van stilstaand water, waarin zij dikwijls zwemt. Zij
+kan 1.58 M. lang worden, maar blijft, althans hier te lande, gewoonlijk
+voluit een derde deel korter; de mannetjes zijn bovendien steeds korter
+dan de wijfjes. Twee witte of gele (bij variëteiten uit zuidelijker
+streken dikwijls levendig roodgele) maanvlekken achter de slapen--de
+"kroon", waarvan de sagen en sprookjes gewagen--kenmerken haar
+zoo duidelijk, dat zij nooit met andere inheemsche Slangen verward
+kan worden. Voorts is zij op grijzen grond met 4 à 6 langs den rug
+loopende reeksen van zwarte vlekken geteekend, verder benedenwaarts,
+op de zijden, wit gevlekt en langs het midden van den buik zwart. De
+kleur van den rug zweemt soms naar bruin, soms naar groen, soms naar
+blauwgrijs; ook ontmoet men wel eens nagenoeg zwarte exemplaren,
+waarop de donkere vlekken bijna geheel onzichtbaar zijn. De mannetjes,
+wijfjes en jongen verschillen zeer weinig in kleur.
+
+In het Zwitsersche heuvelland worden, volgens Tschudi, 2 of 3
+verschillende, standvastige variëteiten waargenomen: een olijfkleurig
+grijze, een meer roodachtig grijze en een gevlekte, die het midden
+houdt tusschen deze beide. In het zuidoosten en oosten van Europa
+ontmoet men bovendien nog: de Rouwringslang (T. natrix var. atra) uit
+het Wolgagebied, die over het geheele lichaam donkerzwart is, behalve
+aan de onderzijde van den kop, waar enkele lichte vlekken verspreid
+staan, voorts de Gestreepte Ringslang (T. natrix var. persa), die
+zich onderscheidt door twee smalle, in den nek beginnende en langs
+den geheelen rug tot aan den staart reikende, overlangsche strepen
+van gele of geelachtig witte kleur.
+
+Het verbreidingsgebied van de Ringslang omvat geheel Europa (met
+uitzondering van het hoogste noorden), voorts een zeer aanzienlijk deel
+van Vóór-Azië en in Noord-Afrika Algerië. Met struiken begroeide oevers
+van moerassen en broeklanden, langzaam stroomende beken en rivieren,
+verwaarloosde dammen van vijvers, vochtige wouden, met biezen en
+riet begroeide terreinen en het moeras zelf zijn de meest geliefde
+verblijfplaatsen van de Ringslang, omdat zij hier haar meest gewenschte
+voedsel vindt. Men ontmoet haar echter ook op tamelijk hooge bergen,
+ver van ieder water; zij komt hier, volgens Lenz, volstrekt niet
+toevallig, maar in elken tijd van 't jaar voor, zoodat er reden is
+om aan te nemen, dat zij deze woonplaats niet verlaat. Niet zelden
+komt zij dicht bij menschelijke woningen om zich te vestigen in
+gaten, die zij in hoopen mest en afval zelf graaft, of in holen van
+Muizen en Mollen of ook wel in kelders en stallen. Struck zag haar in
+Mecklenburg de voorkeur geven aan eenden- en kippenhokken: vooral in de
+eendenhokken vond hij oude en jonge Ringslangen bij dozijnen. In den
+herfst ziet men de Ringslang bij goed en warm weer nog in November op
+een zonnige plek liggen. Haar winterkwartier verlaat zij in het laatst
+van Maart of in April, aanvankelijk, naar het schijnt, met geen ander
+doel dan om zich aan de verkwikkende warmte der zonnestralen bloot
+te stellen; zij doet dit gedurende eenige weken zonder zich met de
+jacht bezig te houden en begint eerst daarna haar zomerleven.
+
+Ieder, die de zeer algemeen heerschende, kinderachtige vrees voor
+Slangen van zich afgeschud heeft, zal, als hij de Ringslang heeft
+leeren kennen, haar lief en bevallig noemen. Zij maakt zelfs bij
+vergelijking met de vlugste en beweeglijkste van hare verwanten
+een goed figuur. Ook voor haar is het een groot genot zich in den
+zonneschijn uit te strekken en uren lang in deze houding te blijven,
+hetgeen echter niet belet, dat zij dikwijls rondzwerft, veel vaker
+althans dan de arglistig loerende, trage Adder, die zelfs des nachts
+hare uitstapjes tot het kleinst mogelijke gebied beperkt. Wanneer
+men haar op den met struikgewas begroeiden oever van een stil
+water bespiedt, zal men getroffen worden door haar levendigheid
+en beweeglijkheid. Van den oever, aan welks rand zij zooeven in 't
+zonnetje lag, laat zij zich zonder gedruisch in 't water glijden,
+om zich met zwemmen te vermaken of een bad te nemen. Gewoonlijk
+blijft zij zoo dicht bij de oppervlakte, dat haar kopje er boven
+uitsteekt en beweegt zich met zijwaartsche kronkelingen, voortdurend
+met de tong tastend, vooruit. Ook zwemt zij dikwijls tusschen den
+waterspiegel en den bodem, werpt intusschen voortdurend luchtbellen
+uit en onderzoekt met de tong de voorwerpen in welker nabijheid
+zij komt. Wanneer men haar verschrikt en bevreesd maakt, vlucht zij
+geregeld naar de diepte en zwemt hier, hetzij op, of althans dicht
+bij den bodem, een goed stuk verder, totdat zij meent veilig weer
+naar de oppervlakte te kunnen stijgen. Soms gaat zij op den bodem van
+'t water liggen en blijft hier geruimen tijd; uren lang kan zij zich
+zonder bezwaar onder water ophouden.
+
+Wanneer de Ringslang in 't water een grooten weg heeft af te leggen,
+b.v. over een breeden stroom of over een meer moet zwemmen, vult zij
+haar groote long zoo sterk mogelijk met lucht en vermindert hierdoor
+aanmerkelijk haar soortelijk gewicht; telkens als zij onderduikt,
+ledigt zij hare ademhalingsorganen. Dat zij werkelijk door groote
+wateren haar weg neemt, is duidelijk genoeg gebleken. Schinz zag haar
+bij stil weer midden in het Zurichermeer vlug rondzwemmen; Engelsche
+onderzoekers hebben haar herhaaldelijk ontmoet in de zee tusschen
+Wales en Anglesea. De Deensche scheepsgezagvoerder Irminger vond
+er zelfs één in volle zee op een afstand van 23 KM. van de naastbij
+gelegen kust, n.l. van het eiland Rugen. Daar zij pogingen deed om
+aan boord te komen, liet hij een boot strijken, ving het dier en zond
+het naar Eschricht te Kopenhagen, die het als een Ringslang herkende.
+
+Op den bodem kruipt de Ringslang tamelijk snel; in de vlakte echter
+kan men haar altijd wel inhalen, zonder zich buitengewoon in te
+spannen. Langs hellingen schiet zij soms met zoo groote snelheid
+naar beneden, dat men haar zeer goed met een voortgeschoten pijl
+kan vergelijken. Ook in 't klimmen is zij volstrekt niet onervaren;
+soms bereikt zij op deze wijze de kroon van tamelijk hooge boomen.
+
+Men noemt de Ringslang een zachtzinnig dier, omdat zij tegen den mensch
+slechts uiterst zelden haar gebit gebruikt en met andere Slangen (of
+met Reptiliën in 't algemeen) en ook met Amphibiën in de vrije natuur
+en in de gevangenschap in vrede leeft, met de Amphibiën althans zoolang
+de honger haar niet kwelt. Als roovende Zoogdieren of Roofvogels haar
+aanvallen, stelt zij zich sissend te weer; zij tracht hen te bijten,
+maar raakt slechts zelden haar vijand; zoo mogelijk vlucht zij echter
+voor wezens, die zij gevaarlijk acht, vooral voor die, welke haar
+vervolgen om haar te verslinden. Tegen menschen gebruikt zij geen
+ander verdedigingsmiddel dan haar buitengewoon stinkenden drek.
+
+Aan Vorschen geeft de Ringslang de voorkeur boven iederen anderen
+buit; vooral op den Landkikvorsch maakt zij ijverig jacht. Uit de
+ervaringen van Lenz en Boettger blijkt, dat zij het meest houdt van
+Boomkikvorschen, althans, dat men pas gevangen Ringslangen, die andere
+Vorschen weigerden, gemakkelijk aan 't eten kan krijgen door haar
+Boomkikvorschen te geven. In de vrije natuur kunnen zij zich deze
+lekkernij slechts gedurende den paartijd van de bedoelde Amphibiën
+verschaffen, daar deze zich dan naar den bodem begeven; gewoonlijk
+zullen Land- of Waterkikvorschen wel haar hoofdvoedsel uitmaken.
+
+Het is een opmerkelijk feit, dat de Ringslang, zelfs in 't donker,
+de verschillende soorten van Vorschen en Padden goed herkennen en
+er een keuze uit doen kan; waarschijnlijk wordt zij hierbij door de
+reukzin geleid. Zonder fout onderscheidt zij de Zuid-Europeesche
+Springkikvorsch (Rana agilis) van den ook bij ons inheemschen
+Landkikvorsch (Rana temporaria), hoewel deze beide soorten zelfs door
+kenners van Amphibiën niet gemakkelijk uit elkander gehouden kunnen
+worden. Als zij niet genoeg Vorschen kan krijgen, behelpt zij zich
+ook wel met Padden. Watersalamanders schijnt zij bijzonder graag te
+eten; alle bij ons voorkomende soorten weet zij zoowel op het land
+als in het water te vangen. Bovendien valt op te merken, dat zij,
+evenals hare verwanten, met grooten ijver op kleine Visschen jacht
+maakt en hierdoor werkelijk nu en dan schade veroorzaken kan.
+
+De wijze, waarop de Ringslang haar buit verslindt, wekt den afkeer van
+den toeschouwer, omdat zij zich niet de moeite geeft, haar slachtoffer
+vooraf te dooden, maar het nog levend in haar maag begraaft. Wel
+is waar tracht zij gewoonlijk den Kikvorsch bij den kop te pakken;
+wanneer dit haar echter niet gelukt, grijpt zij het dier aan,
+waar zij kan, b.v. bij de achterpooten en trekt het langzaam in
+haar keel. Natuurlijk spartelt de Kikvorsch hevig tegen en kwaakt
+erbarmelijk, zoolang zij den bek nog kan openen. Het vasthouden van
+dit beweeglijk wild is voor de Slang geen gemakkelijk werk; toch
+gelukt het den Kikvorsch slechts zelden zich aan haar onverbiddelijke
+vijandin te ontworstelen, daar deze, als er niets tusschenbeide komt,
+de ontsnapte prooi onmiddellijk achtervolgt en opnieuw aangrijpt. Het
+verzwelgen van een grooten Kikvorsch is een zeer vermoeiende arbeid,
+die soms vele uren vereischt. Kleine Kikvorschen worden met veel
+minder moeite doorgeslikt; dikwijls pakt en verslindt de Ringslang,
+als zij een flinke eetlust heeft, er wel een half dozijn, zonder af
+en toe te rusten. Als de honger haar zeer kwelt, neemt zij in korten
+tijd wel 100 kikvorschlarven of wel 50 kleine Kikvorschen, welker
+gedaanteverwisseling juist is afgeloopen, voor haar maal. Wanneer
+zij verschrikt wordt of angst gevoelt, spuwt zij, evenals andere
+Slangen, het kort te voren doorgeslikte voedsel in den regel weer
+uit, waarbij zij, als het in haar maag aanwezige dier zeer groot
+is, den bek zeer wijd moet opensperren. Het verslinden van kleine
+Zoogdieren of Vogels is voor haar waarschijnlijk een zeer ongewoon
+werk; gevangen exemplaren althans versmaden in den regel Muizen of
+Vogels en vogeleieren; dooiers van gebroken eieren daarentegen slikken
+zij met blijkbaar welgevallen op. Het kan wel zijn, dat zij zich in
+haar jeugd nu en dan met Gelede Dieren en Weekdieren moeten behelpen.
+
+Lang heeft men gemeend, dat de Ringslang niet drinkt. Lenz heeft in
+de maag van geen der door hem onderzochte exemplaren water gevonden,
+hoewel hij kort voor het ontleden water in het hok had gebracht van het
+dier, dat bij heet weer geruimen tijd zonder water was gelaten. Toch is
+de hieruit afgeleide gevolgtrekking onjuist: een vriend van den zooeven
+genoemden onderzoeker zag een van zijne gevangenen, die midden in den
+zomer 14 dagen lang dorst geleden had, een bakje vol water schoon
+leeg drinken; ook andere slangenvrienden hebben dezelfde ervaring
+opgedaan. Behalve van water maken sommige exemplaren ook wel gebruik
+van melk, althans wanneer zij geen ander vocht kunnen krijgen; het kan
+wel zijn, dat die, welke eens aan deze vloeistof gewoon geraakt zijn,
+er veel van beginnen te houden. Misschien berust hierop de algemeen
+verbreide meening, dat de Ringslang aan de uiers van koeien en andere
+melkgevende huisdieren zuigt om zich een voor haar leven noodzakelijk
+genot te verschaffen.
+
+Hoewel de Ringslang in gunstige jaren tegen het einde van Maart of in
+het begin van April haar winterherberg verlaat en kort daarna voor het
+eerst vervelt, paart zij zelden voor het einde van Mei of het begin
+van Juni. Op het rijpen van de eieren schijnt de weersgesteldheid
+niet zonder invloed te zijn; daar men versch gelegde eieren in
+verschillende jaargetijden aantreft, de eerste in het einde van
+Juli, de laatste in Augustus en September. Jonge wijfjes leggen
+15 à 20, oudere 25 à 36 eieren. Deze komen in vorm en grootte met
+die van de Huisduif overeen, maar verschillen er van, doordat zij,
+evenals alle eieren van Reptiliën, een zachte, buigzame, dus weinig
+kalkhoudende schaal hebben, die een geringe hoeveelheid eiwit bevat,
+dat slechts een dunne laag vormt om den dooier. Aan de open lucht
+drogen zij langzamerhand uit en vergaan; in het water bederven zij
+evenzeer; beide verschijnselen komen voor tot groote schade voor de
+vermenigvuldiging, die trouwens buitengewoon sterk zou zijn, indien
+alle kiemen tot ontwikkeling kwamen. Gewoonlijk kiest het wijfje
+met veel overleg de geschiktste plaatsen voor het bergen van hare
+eieren: mestvaalten, hoopen bladen, run of zaagsel, losse aarde,
+vermolmd hout, vochtig mos, enz.; op deze wijze zijn de eieren aan
+de warmte blootgesteld en behouden toch geruimen tijd een matigen
+graad van vochtigheid. Het eene ei volgt bij het leggen onmiddellijk
+op het andere; alle eieren zijn bij wijze van een snoer kralen door
+een geleiachtige massa verbonden. Zij hebben aanleiding gegeven tot
+het sprookje van de "haneneieren", die volgens bijgeloovige lieden
+tooverkracht bezitten. Drie weken na het leggen is de ontwikkeling van
+de kiem afgeloopen; het jong boort een gat in de eischaal en begint
+dadelijk de levenswijze van zijne ouders, tenzij een vroeg invallende
+koude het dwingt om onverwijld beschutting te zoeken tegen het weder,
+door zich te verschuilen in het voor winterherberg dienende gat. Bij
+het verlaten van de eischaal zijn de jonge Ringslangen ongeveer 15
+cM. lang; hare tandjes zijn echter reeds voor 't grijpen geschikt,
+zij zelf dus voor een zelfstandig leven voldoende uitgerust. Als de
+weersgesteldheid haar vóór den aanvang van den winterslaap het jagen
+en buitmaken van voedsel belet, worden zij door het vet, dat zij uit
+den kiemtoestand overhielden, en door haar aangeboren levenstaaiheid
+tot aan het volgende voorjaar voor den hongerdood behoed. De moeder
+bekommert zich na het leggen der eieren in 't geheel niet meer om
+haar kroost.
+
+Men kan de Ringslang gemakkelijk in gevangenschap houden, wijl zij
+zonder bezwaar gebruik maakt van het voedsel, dat men haar biedt. Daar
+zij hoogst zelden bijt, kan men haar gerust laten verzorgen door
+kinderen, die van dieren houden. Mij zijn voorbeelden bekend van
+Ringslangen, die drie of vier jaren in de gevangenschap leefden,
+hoewel haar geen bijzondere behandeling ten deel viel.
+
+
+
+De Zuid-Europeesche Dambordslang (Tropidonotus tesselatus) komt in
+grootte en vorm vrijwel overeen met de Ringslang; alleen de vorm
+van den kop, de rangschikking der hierop voorkomende schilden en de
+teekening verschillen. De meer of minder donkere, olijfkleurig grijze
+grondkleur is op den kop nagenoeg onbevlekt; de bovenlipschilden
+zijn echter geelachtig met zwarte randen. Op den romp ziet men vijf
+overlangsche reeksen van zwarte, meestal vierhoekige, zelden afgeronde
+vlekken, die als de velden van een dambord met elkander afwisselen. De
+onderzijde heeft op witten, geelachtigen of oranjekleurigen grond
+zwarte vlekken, die eveneens bij wijze van een dambord gerangschikt
+zijn; soms heeft hier de lichte, soms de donkere kleur de overhand. Bij
+een lengte van 1.2 M. bedraagt de middellijn van het dier 5 cM.
+
+De Dambordslang bewoont een groot deel van het gebied van haar
+inheemsche verwant, maar blijft meer tot het zuiden en oosten van
+ons werelddeel beperkt en dringt niet verder noordwaarts door dan
+Middel-Europa, waar zij slechts op enkele plaatsen aangetroffen
+wordt; over 't algemeen is zij niet veelvuldig. Met uitzondering
+van de eilanden ontmoet men haar in geheel Italië; van hier strekt
+haar verbreidingsgebied zich oostwaarts uit tot Klein-Azië, Syrië,
+de Kaukasus-landen en de kuststreken van de Zwarte, Asowsche en
+Kaspische zeeën. Zij houdt zich veel in en bij het water op; haar
+voedsel bestaat uit Visschen en Salamanders. Gevangen exemplaren
+worden spoedig tam en kunnen lang in 't leven blijven, als zij hun
+liefste voedsel in voldoende hoeveelheid ontvangen.
+
+
+
+De Adderkleurige Zwemslang (Tropidonotus viperinus) heet zoo,
+omdat op haar donkergrijze, geelachtig of bruin getinte huid een
+duidelijk uitkomende, zwartbruine teekening voorkomt, welke dikwijls
+een merkwaardige overeenkomst heeft met die van de Gewone Adder en
+van de Aspis. De teekening begint met twee donkere, scheefhoekig
+vierzijdige vlekken achter den kop, waarop een over den geheelen rug
+voortloopenden zigzagband volgt, die zich op het laatste deel van
+den staart in afzonderlijke vlekken verdeelt en hier snel in breedte
+afneemt. Op elke zijde komt een reeks van ronde, donkere vlekken voor
+met een kleine, witte of geelachtig witte stip in 't midden; deze
+oogvlekken laten nagenoeg gelijke tusschenruimten over, maar vloeien
+soms ineen en vormen dan figuren, die op een liggende 8 gelijken. De
+onderzijde is geel, bij het midden van den buik donkergeel, verder
+naar achteren wisselen zwarte, vierkante vlekken met roodachtig gele
+vlekken van anderen vorm af; de onderkaak is witachtig geel.
+
+Deze soort vervangt de vorige in het westelijke deel van
+Zuid-Europa. Zij wordt op Sicilië en Sardinië en in het noordwesten
+van Italië gevonden, bovendien in enkele oorden van 't Zuiden van
+Zwitserland, in de Fransche kuststreken van den Middellandsche Zee,
+voorts in nagenoeg geheel Spanje en Portugal en op de Balearen. Vooral
+in het noordwesten van Afrika komt zij veelvuldig voor.
+
+Deze Slangen maken slechts terloops jacht op Kikvorschen, maar voeden
+zich hoofdzakelijk met Visschen, waaronder zij eene groote slachting
+aanrichten.
+
+
+
+Door haar uitwendigen vorm en de gekielde schubben stemmen de
+Keeltandslangen (Dasypeltis)--welker eigenaardige, bij geen ander
+dier voorkomende slokdarmtanden reeds vroeger ter sprake kwamen--met
+de Zwemslangen overeen; over haar plaats in 't stelsel heerscht
+echter verschil van meening. Hare zwakke kaken zijn slechts aan het
+achtereinde met een gering aantal (4) kleine tanden gewapend. Dit
+geslacht wordt door slechts twee soorten vertegenwoordigd, waarvan de
+eene (Dasypeltis abyssinica) West-Afrika, de andere--bij de Kapenaars
+onder den naam van Eiervreter (Dasypeltis scabra) bekend--Zuid-Afrika
+bewoont.
+
+
+
+Een tweede groep van Colubriden is met gegroefde tanden uitgerust. Bij
+al hare leden zijn de achterste tanden van de bovenkaak grooter en
+krachtiger dan de overige en aan hun voorste oppervlakte voorzien
+met een diepe, gootvormige groeve. Alle mogen derhalve "verdacht"
+genoemd worden; van verscheidene is reeds proefondervindelijk gebleken,
+dat haar beet op de Gewervelde Dieren van alle klassen, die haar tot
+buit dienen, in weinige minuten een doodelijke werking uitoefent. Deze
+Groeftandigen (Opisthoglypha) kunnen over twee onderfamiliën verdeeld
+worden: de Land-Groeftandigen (Dipsadinae) en de Water-Groeftandigen
+(Homalopsinae).
+
+
+
+Een van de weinig talrijke, Europeesche soorten van Landgroeftandigen,
+de Katslang (Tarbophis vivax), is de eenige vertegenwoordiger van een
+gelijknamig geslacht. Haar romp is cilindervormig, de kop eenigszins
+afgeplat en van achteren duidelijk begrensd, de staart betrekkelijk
+kort. De kleine oogen hebben een spleetvormige pupil. Op vuil
+bruinachtig gelen of grijzen grond is zij met uiterst kleine, zwarte
+stipjes geteekend; op de kopschilden komen bovendien kastanjebruine,
+op den rug reeksen van zwart- of roodbruine vlekken voor, beginnende
+met een groote vlek van dezelfde kleur in den nek. Een donkere streep
+strekt zich van het oog naar den mondhoek uit, een reeks van kleine
+vlekken over iedere zijde van den romp; de onderdeelen zijn geelachtig
+wit en bruin gemarmerd. De lengte van deze Slang bedraagt hoogstens
+1.08 M.
+
+De Katslang is verbreid over verscheidene van de landen, die de
+Middellandsche Zee omgeven. Men heeft haar aangetroffen in Istrië,
+Dalmatië, Albanië, Turkije en Griekenland, maar ook in Egypte,
+Palestina, Klein-Azië, de bergstreken aan de Zwarte Zee en verder tot
+aan de Kaspische Zee. Rotswanden, met losse steenen bedekte hellingen,
+zonnige glooiïngen en oude muren verschaffen haar verblijfplaatsen; zij
+schuwt echter groote hitte zoowel als gevoelige koude en komt daarom
+gedurende de heete maanden niet anders dan in de morgen- en avonduren
+uit haar schuilhoek te voorschijn. Hare bewegingen zijn vlugger dan
+die van de Adders, maar langzamer en trager dan die van de Gladtandige
+Slangen. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit Hagedissen. Duméril vond
+in de maag van een door hem ontlede Katslang een half verteerde Gekko.
+
+Wegens haar bijtlust wordt zij in de landen, waar zij voorkomt,
+dikwijls voor een Adder gehouden, als zeer vergiftig beschouwd en zoo
+ijverig vervolgd, dat zij tegenwoordig in Dalmatië reeds tamelijk
+zeldzaam is geworden. Gevangen exemplaren gewennen zich schielijk
+aan hun verzorger, maken zonder pruilen gebruik van het voedsel,
+dat hun wordt aangeboden en blijven daarom bij doelmatige verzorging
+verscheidene jaren leven. Hare bewegingen hebben veel overeenkomst met
+die van de Gladde Slang. Zij is zeer ervaren in het klimmen en houdt
+zich zoo stevig vast aan de takken, die zij eens omstrengeld heeft,
+dat men haar niet losmaken kan, hoe zeer men haar ook plaagt en tot
+toorn prikkelt. Haar buit doodt zij door zich er om heen te kronkelen,
+geheel op dezelfde wijze als de Gladde Slang.
+
+O. E. Eiffe heeft de giftige werking van den beet van de Katslang
+waargenomen bij een kleine Hagedis, die na verloop van 1 1/2 minuut
+bezweek. Deze uitkomst kon echter slechts éénmaal verkregen worden,
+daar andere proeven van dezen aard een negatief resultaat opleverden.
+
+
+
+Als vertegenwoordiger van de Nachtboomslangen of Takslangen (Dipsas)
+kiezen wij de prachtig gekleurde en geteekende Dipsas dendrophila,
+de Oelar-boerong der Maleiers. Bij de glinsterend zwarte grondkleur
+steken 40 à 90 smalle, naar onderen breeder wordende, lichtgele,
+ringvormige banden af; de lip- en keelschilden zijn eveneens geel,
+maar hebben breede, zwarte randen; de buik is effen zwart of geel
+gemarmerd. Volwassen exemplaren bereiken een lengte van 2 M., waarvan
+ongeveer een vierde op den staart komt.
+
+De Oelar-boerong is een bewoner van alle Nederlandsch-Indische
+eilanden, maar komt ook voor op het Maleische Schiereiland en
+Singapore. Op Java ontmoet men haar in alle wouden (hoewel niet in
+grooten getale) en zelfs in den plantentuin te Buitenzorg. Bijtlustig
+als al hare verwanten, maakt zij zich bij de nadering van een
+vijand onmiddellijk tot den aanval gereed, kronkelt zich, gelijk de
+Gifslangen, tot een schijf ineen, beweegt trillend den staart heen en
+weer, buigt den kop zoo ver mogelijk naar achteren, zwaait hem naar
+links en naar rechts onder aanhoudend uitsteken en terugtrekken van
+de tong, ontrolt eindelijk eensklaps het voorste deel van den romp,
+doet in scheve richting een stoot naar voren, maar mist, door het
+licht verblind, zeer dikwijls haar doel. Op Java vreest niemand haar,
+daar ieder weet, dat haar beet niet gevaarlijk is; daarentegen wordt
+een van hare verwanten voor uiterst vergiftig gehouden.
+
+
+
+De Holschubbigen (Coelopeltis) zijn Groeftandigen van gerekten,
+krachtigen lichaamsbouw, welker rolronde romp bekleed is met schubben,
+die ieder een overlangsche groeve vertoonen. De duidelijk begrensde,
+groote en hooge kop is in de teugelstreek met een diepe groeve
+voorzien; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil.
+
+De eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht is
+de Hagedissenslang (Coelopeltis lacertina), die een lengte van
+1.58 M. bereikt, waarvan 35 cM. op den staart komt. De olijfbruine
+grondkleur van de bovendeelen zweemt bij jonge dieren min of meer naar
+roodbruin; donkerbruine, geel gezoomde figuren van zeer verschillenden
+vorm versieren den kop, kleine, langwerpige, zwartachtige vlekken met
+gele randen de bovenzijde van den romp en den staart; de laatstbedoelde
+vlekken vormen gewoonlijk vijf overlangsche reeksen en zijn op zulk
+een wijze gerangschikt, dat iedere reeks met de naburige reeksen
+afwisselt. Op de schubben van de beide buitenste, overlangsche reeksen
+van iedere zijde vindt men bovendien een meer of minder groot aantal
+witachtige of geelachtige vlekken; deze vereenigen zich soms tot een
+onafgebroken golflijn; bij andere exemplaren is er slechts een smalle
+zoom van over. De onderzijde van romp en staart is geelachtig wit of
+bruinachtig geel. Bij deze soort komen vele kleurverscheidenheden voor.
+
+Alle kustlanden van de Middellandsche Zee benevens Portugal, Arabië
+en Perzië worden door de Hagedissenslang bewoond. Erber vond haar
+in geheel Dalmatië overal tamelijk veelvuldig. "In de vrije natuur,
+waar zij onder struiken op Muizen, Hagedissen of Vogels loert,
+zou men haar dikwijls niet opmerken, als zij haar aanwezigheid niet
+door een krachtig gesis verried. In de nabijheid van Zara ving ik het
+grootste dier van deze soort, dat eveneens door een hevig gesnuif mijn
+aandacht had getrokken. Ik vervolgde het van den eenen struik naar
+den anderen en kon het gelukkig nog bij den staart vatten, toen het
+in een gat van den grond sloop. Beschadigen wilde ik de Slang niet;
+haar onbeschadigd uit den grond trekken was niet mogelijk, daar zij
+altijd naar beneden trok. Het ging ook niet aan, haar los te laten
+en vervolgens uit te graven, daar dit in den steenachtigen bodem
+geen gemakkelijk werk zou zijn geweest. Zoo bleef ik dan, de Slang
+voortdurend stijf bij den staart trekkend en haar in onrust houdend,
+twee volle uren zitten. Duim voor duim liet het dier zich terugtrekken,
+totdat het zich eindelijk snel naar buiten kronkelde. Zijn eerste
+werk was, onder hevig gesis mij in 't gelaat te springen, waartegen
+ik mij natuurlijk verweerde; onmiddellijk daarna ledigde het zijn
+maag, waaruit een sinds kort verzwolgen Wielewaal, vier Muizen en
+twee Smaragdhagedissen te voorschijn kwamen; weinige uren na deze
+vermoeiende bezigheid stierf het."
+
+Volgens Fischer bewoont de Hagedissenslang woeste, dorre streken en
+voedt zich met kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren en zelfs
+Sprinkhanen. Het gif van deze Slang doodt binnen 3 of 4 minuten
+Hagedissen, Vogels en Vorschen; het werkt in de eerste plaats op
+de ademhaling, daarna op de hartwerking en brengt ten slotte een
+volslagen verlamming teweeg. Voor grootere dieren, Honden b.v., bleek
+de beet niet gevaarlijk te zijn; de mensch heeft er nog minder last
+van, omdat de werking van het gif zich eerst na verscheidene minuten
+begint te openbaren; bovendien bijt de Slang slechts zelden.
+
+
+
+Boomslangen, welker achterste bovenkaakstanden gegroefd zijn, komen
+in de warme landen van beide halfronden in voor hen geschikte oorden
+zeer talrijk voor. Bijna alle worden door de inboorlingen voor zeer
+vergiftig gehouden en daarom gevreesd en geschuwd; de ervaring en
+een zorgvuldig onderzoek van haar gebit hebben echter bewezen, dat
+haar beet den mensch volstrekt niet schaadt. Deze Slangen wekken
+door haar schoone gedaante en bevallige bewegingen in hooge mate de
+belangstelling van den onbevooroordeelden onderzoeker, ook van de
+Siameezen, zooals blijkt uit den dichterlijken naam "Zonnestraal",
+dien zij aan een dezer Slangen geven.
+
+De buit der Boomslangen schijnt uit zeer verschillende dieren te
+bestaan. Zij eten Hazelmuizen, kleine Vogels, bij voorkeur echter
+allerlei Hagedissen en Amphibiën, die met haar hetzelfde terrein
+bewonen.
+
+Tot de Groeftandige Boomslangen behoort het in Zuid-Amerika levende,
+maar ook in West-Indië en op Madagaskar vertegenwoordigde geslacht
+der Groene Slangen (Philodryas); een der meest verbreide soorten is
+de 82 cM. lange Groene Slang (Philodryas viridissimus), die in Guyana
+en het tropische gedeelte van Brazilië overal gevonden wordt. Dit
+dier heeft een middelmatig grooten, platten kop, een zijdelings
+samengedrukten romp en een langen staart. Schitterend is het effen
+groen van de bovenzijde, iets doffer dat van de onderdeelen.
+
+"In het midden van den zomer," schrijft Günther, "werden twee
+Zuid-Amerikaansche Groene Slangen aan den Zoölogischen Tuin te Londen
+te koop aangeboden. Hun levenswerkzaamheid was ondanks de destijds
+zeer hooge temperatuur zeer gering; zij hielden zich zoo stijf, dat
+men ze met eenigen schroom aanraakte om het slanke lichaam niet te
+breken. In haar hok bewogen zij zich langzaam naar een hoek, hieven
+hier het voorste deel van haar lichaam omhoog en bleven bewegingloos
+in deze houding liggen. "Groene Slangen kan men niet in 't leven
+houden", was het oordeel van den oppasser, die, naar het scheen, reeds
+vele leden van verwante Indische soorten had verzorgd. De takken en
+twijgen, waarmede hij steeds haar hok had voorzien, wilden zij niet
+als rustplaats gebruiken. Daar het groene kleed van deze Slangen recht
+gaf tot het vermoeden, dat zij zich alleen op levende en bebladerde
+planten op haar gemak zouden gevoelen, werden twee flink ontwikkelde
+hortensia's in haar hok geplaatst. Nauwelijks was dit geschied,
+of een van de Slangen wendde haar kop naar de planten en scheen
+achtereenvolgens iederen tak, ieder blad te onderzoeken. Plotseling,
+zoodat men haar beweging nauwelijks met het oog kon volgen, schoot
+zij op een van de heesters toe, kronkelde zich eenige malen door
+de twijgen en rolde zich ten slotte ineen op een plaats, waar haar
+lichaam bijna geheel op groene plantendeelen kon rusten. Dit alles was
+zoo snel gebeurd, dat ik, naar de eene Slang kijkend, niet bemerkt
+had, dat haar gezellin op dezelfde wijze in den anderen heester een
+schuilplaats had gevonden; hoe klein de ruimte ook was, kon ik haar
+eerst na eenig zoeken te midden van de bladen onderscheiden. Sedertdien
+tijd verkeeren beide exemplaren in blakenden welstand; men heeft
+ze nooit meer op den bodem gezien; slechts nu en dan steekt een der
+Slangen het voorste deel van 't lichaam boven de plant uit en gelijkt
+dan veel op een groenen, onbebladerden tak."
+
+
+
+Nog duidelijker zijn de Zweepslangen of Snuffelslangen (Dryophis)
+voor het leven te midden van de boomen ingericht. De romp en de staart
+zijn buiten verhouding lang en slank; de zeer lange en smalle kop
+eindigt in een spitsen, niet zelden slurfvormig verlengden snuit; de
+mondspleet strekt zich tot ver achter de oogen uit; deze zijn groot
+en hebben een horizontale, spleetvormige pupil; de kleine neusgaten
+zijn zijdelings geplaatst. Alle bekende soorten van dit geslacht
+bewonen de keerkringsgewesten van Azië.
+
+De Zweepslangen dragen haar naam niet ten onrechte; zij kunnen
+werkelijk het best vergeleken worden met het koord van een zweep,
+zóó slank, zóó buitengewoon lang is haar romp. In verband met dezen
+lichaamsbouw houden zij zich steeds te midden van de groene deelen
+der boomen op en gevoelen zich nergens anders op haar plaats. Op den
+bodem zijn hare bewegingen onbeholpen en langzaam, in de boomkroon
+even bevallig als behendig. Zij maken jacht op Vogels, Hagedissen
+en Boomvorschen, in haar jeugd ook op Insecten; haar vraatzucht en
+bijtlust zijn buitengewoon groot; onverwachts schieten zij toe op
+ieder wezen, dat in haar nabijheid komt en bijten in ieder voorwerp,
+dat haar voorgehouden wordt; toch geeft men ze hier en daar als
+speelgoed aan kinderen.
+
+
+
+De Donkere Zweepslang (Dryophis pulverulentus), die op Ceylon en op de
+Anaimalai-bergen van Zuid-Indië op ongeveer 570 M. hoogte leeft, is op
+bruingrijzen grond van boven en van onderen purperkleurig gemarmerd
+en met donkerbruine stippels geteekend. Daar de huid tusschen de
+schubben deels wit, deels zwart is, zal het dier, als het zich strekt,
+met onderling afwisselende ringbanden van deze kleuren geteekend zijn;
+een bruine teugelstreep reikt tot aan het oog. Van de totale lengte,
+die 1.67 M. kan bedragen, komt twee vijfde op den staart.
+
+
+
+De Watergroeftandigen (Homalopsinae) verschillen van hare op het
+land levende verwanten door de plaatsing der neusgaten, die naar
+de bovenzijde van den snuit verschoven zijn, en door den vertikalen
+stand van de spleetvormige pupil hare kleine oogen. Zij bewonen het
+zuiden van China, Oost-Indië, de Molukken, Nieuw-Guinea en het noorden
+van Australië en leven nagenoeg voortdurend in het water; slechts
+nu en dan vindt men een enkel exemplaar op vlakke gedeelten van den
+oever liggen. Verscheidene Indische soorten zwemmen de rivieren af
+tot in zee en gedragen zich hier als echte Zeeslangen. Haar voedsel
+bestaat uitsluitend uit Visschen en zwemmende Schaaldieren met zachte
+huid. Deze volstrekt niet opvliegende of bijtlustige, kortom aanvallige
+dieren zijn goedaardiger dan de meeste Colubriden en zouden tot sieraad
+kunnen strekken voor onze aquariën, indien er kans bestond ze levend
+over te brengen. Alle leden van deze onderfamilie brengen (evenals
+alle overige in 't water levende Slangen) levende jongen ter wereld.
+
+
+
+Tot het geslacht der Waterslangen (Homalopsis) behoort de
+Boa-waterslang (Homalopsis buccata), die door haar uiterlijk
+eenigszins aan een Boa herinnert, maar slechts 1 M. lang wordt. De
+rug is met kleine, gekielde schubben bekleed en prijkt met breede,
+donkerbruine, zwart gezoomde dwarsbanden, die met smalle, lichtbruine
+tusschenruimten afwisselen. De kop is van boven met hoekige figuren,
+aan weerszijden met een donkerbruine overlangsche streep versierd;
+aan weerskanten van de witachtige onderzijde van den romp komt een
+overlangsche reeks van bruine vlekken voor; de onderzijde van den
+staart is eveneens bruin gevlekt. Deze soort bewoont Achter-Indië,
+het Maleische Schiereiland en de Groote Soenda-eilanden; zij is vooral
+op Java veelvuldig, waar men haar Oelar-ajar noemt, evenals andere
+in zoet water levende Slangen, onverschillig of zij tot het geslacht
+Homalopsis of tot het geslacht Tropidonotus behooren.
+
+
+
+De Giftandigen (Proteroglypha) vormen de derde en laatste reeks van
+de groote familie der Colubriden. Zij kenmerken zich door het bezit
+van gegroefde tanden aan het voorste gedeelte van het bovenkaaksbeen;
+bij sommige geslachten komen in dit been geen andere tanden voor dan
+deze, bij de overige worden zij gevolgd door eenige kleinere, massieve,
+ongevoorde tanden. Alle leden van deze groep, geen enkele uitgezonderd,
+zijn vergiftig. Zij worden in twee onderfamiliën gerangschikt: de
+Slangadders (Elapinae), die door haar lichaamsbouw voor het verblijf
+op den grond of in boomen geschikt zijn, en de uitsluitend in zee
+levende Zeeslangen (Hydrophiinae).
+
+
+
+De Slangadders (Elapinae), zoo genaamd, omdat zij door haar gestalte
+op niet-vergiftige leden van haar familie gelijken, zijn kleinkoppige
+Slangen met een korten, tamelijk spits eindigenden staart; haar
+lange romp is op de dwarse doorsnede nagenoeg cirkelvormig of door
+het uitpuilen van het midden van de rugzijde afgerond driehoekig. De
+neusgaten zijn aan de zijden van den afgeronden snuit gelegen; de
+teugelschilden ontbreken altijd; de kop is op regelmatige wijze met
+groote schilden bekleed; overigens is de bedekking van het lichaam
+zeer verschillend.
+
+Deze onderfamilie, die zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld
+vertegenwoordigd is, ontwikkelt op het oostelijk halfrond de grootste
+verscheidenheid van vormen. De talrijke Gifslangen van Australië
+behooren alle tot deze groep. Gelukkig bewoont geen van hare leden ons
+werelddeel. Zij omvat bijna de helft van alle Gifslangen en daaronder
+verscheidene van de allergevaarlijkste. Op weinige uitzonderingen
+na leven alle Slangadders op den grond; enkele zijn echter ook in
+staat om boomen te bestijgen, hoewel zij dit, naar het schijnt,
+niet dikwijls doen. Alle maken jacht op kleine gewervelde Dieren;
+haar buit bestaat vooral uit onschadelijke Slangen, maar ook uit
+Hagedissen. De grootste overvallen haar slachtoffer van uit een
+hinderlaag, maar vervolgen het soms ook over een korten afstand,
+wanneer zij het niet dadelijk kunnen grijpen; na den beet wachten
+zij de uitwerking van het gif af. De kleinere Slangadders schijnen
+haar prooi op te sporen, te vangen en eerst gedurende het verzwelgen
+te vergiftigen. De mededeelingen over haar voortplanting zijn nog
+zeer onvolledig; wat men er van weet, wettigt het vermoeden, dat de
+ontwikkeling van de kiem na het leggen der eieren haar beslag krijgt.
+
+
+
+Hoewel men misschien mag aannemen, dat de Slangadders over 't
+algemeen bij de niet-vergiftige leden harer familie in kleurenpracht
+achterstaan, zijn er toch ook, die in dit opzicht naar den prijs kunnen
+dingen. Het is zelfs niet onmogelijk, dat men de schoonheidsprijs aan
+de Pronkadders (Elaps) zou moeten toekennen, al namen alle Reptiliën
+aan den wedstrijd deel.
+
+Dit geslacht, waarvan de meeste soorten in de warmste gewesten
+van Amerika thuis behooren en de weinige overige Afrika bewonen,
+bestaat uit kleine, maar lang uitgerekte, eenigszins plompe Slangen
+met rolronden romp, platten, van achteren niet zeer duidelijk
+begrensden kop en korten staart. De mondopening is zeer klein en de
+onderkaakshelften kunnen slechts weinig uiteenwijken.
+
+Aan het bovenkaaksbeen komen achter de groote tanden, die voor het
+vergiftigen van de prooi dienen, geen massieve tanden voor. Over
+de aanwezigheid van giftanden heeft langen tijd eenige twijfel
+bestaan; daar bij sommige soorten geen gifkanaal of gifgroeve aan
+den tand gevonden werd en bij andere soorten van hetzelfde geslacht
+wel. Hoewel volgens de laatste onderzoekingen de Pronkadders niet
+tot de gevaarlijkste Gifslangen gerekend moeten worden, is toch het
+bewijs geleverd, dat het gif van deze dieren even krachtig werkt als
+dat van andere, met gevoorde of doorboorde tanden uitgeruste Slangen
+van gelijke grootte.
+
+
+
+Een van de prachtigste soorten is de Koraalroode Pronkadder (Elaps
+corallinus), een Slang van 60 à 70 cM. lengte, waarvan ongeveer 10
+cM. op den staart komt. De schitterend vermiljoenroode grondkleur van
+dit dier heeft een buitengewoon sterken, op den buik iets dofferen
+glans. Aan den romp wordt zij op tamelijk regelmatige wijze afgebroken
+door 16 à 19 zwarte, het geheele lichaam omgevende, ongeveer 10 à
+14 mM. breede ringen, die nagenoeg gelijke tusschenruimten overlaten
+en aan haar voor- en achterrand door een smallen, groenachtig witten
+ring zeer zuiver gescheiden zijn van de rood gekleurde gedeelten. Alle
+roode en groenachtig witte ringen zijn zwart gestippeld, daar iedere
+schub hier een zwarte spits heeft. De voorste helft van den kop is
+blauwachtig zwart; op de achterhoofdschilden begint een groenachtig
+witte dwarsband, die zich achter het oog naar beneden ombuigt en de
+geheele onderkaak kleurt; hierachter ligt een zwarte halsband. De
+staart is gewoonlijk niet rood van kleur, maar vertoont op zwarten
+grond ongeveer 8 witachtige ringen en heeft een korte, witte spits. Van
+deze kleursverdeeling komen, naar het schijnt, weinig afwijkingen voor.
+
+De Koraalroode Pronkadder bewoont de groote wouden en
+kreupelhoutbosschen bij Rio de Janeiro, Cabo Frio en aan den Parahyba;
+zij komt echter evenzeer in West-Indië en Argentinië en veel verder
+westwaarts in Ecuador, Bolivia en de laag gelegen gewesten van het
+noordoosten van Peru voor. Op geheel opene plaatsen treft men haar
+zeldzamer aan, hoewel zij soms ook hier en zelfs in de nabijheid
+van woningen gevonden wordt. Het schijnt, dat zij in moerassen
+niet voorkomt en boven alle andere terreinen de voorkeur geeft aan
+zandgrond of aan den koelen, vochtigen bodem van wouden, waar planten,
+rottende afgevallen bladen en dergelijke stoffen haar een schuilplaats
+verschaffen. "De jager, die deze wouden doorkruist, welker bodem met
+een dikke laag van plantaardige overblijfselen bedekt is, blijft," zegt
+de Prins Von Wied, "verbaasd en verheugd staan, zoodra hij te midden
+van het groen, de vuurroode ringen van deze fraaie Slang ontwaart;
+alleen de onzekerheid over het gevaar, waaraan hij zich blootstelt,
+doet hem aanvankelijk schroomen, zijn hand naar het fraaie dier uit
+te strekken. Het bleek ons echter spoedig, dat men zonder gevaar
+deze Slangen kan opnemen en levend in den zak vervoeren. Haar voedsel
+bestaat uit kleine Gewervelde Dieren: de geringe wijdte van mond en
+keel veroorlooft haar niet een grooteren buit te verzwelgen."
+
+"Vaak komt het voor, dat Brazilianen den vreemdeling op deze fraaie
+Slang opmerkzaam maken, daar ook zij over den ongewonen gloed harer
+kleuren verrukt zijn; evenals de meeste Slangen, wordt dit dier
+door hen voor vergiftig gehouden; vele lieden meenen zelfs, dat het
+een andere kleine Slang in den hals draagt, waardoor de beet wordt
+toegebracht." De oorsprong van het laatstgenoemde verhaal is niet
+moeielijk te raden: waarschijnlijk heeft men deze Slang dikwijls
+waargenomen bij het verzwelgen van haar prooi, die uit Slangen,
+Ring- en Woelhagedissen en andere kleine Reptiliën bestaat. Ook weet
+men thans, dat de Brazilianen te recht de Koraalroode Pronkadder
+vergiftig noemen.
+
+Volgens een mededeeling van Seba wordt een andere soort van
+Pronkadder--de Schootslang of Meisjesslang (Elaps hygiae)--door
+vrouwen en meisjes in Zuid-Afrika in het warme jaargetijde als
+verkoelend middel gebruikt; zij wikkelen zich dit dier om den hals,
+daar het niet bijt. Ook de Prins Von Wied schijnt iets dergelijks
+gezien te hebben, daar hij opmerkt: "Als men deze fraaie Slang, nadat
+zij gedood is, om den donkeren hals van een Neger of van een Indiaan
+gewikkeld ziet, wordt men herinnerd aan de bonte, van vogelveeren
+vervaardigde halssnoeren, die de bewoners van Hawaii droegen, toen
+Kapitein Cook hen bezocht."
+
+Van de prachtige kleur dezer Slangen krijgt men geen juiste
+voorstelling door het beschouwen van de exemplaren onzer musea. Als men
+haar de huid aftrekt, verbleeken de fraaie, roode ringen zeer spoedig;
+ook de in spiritus bewaarde exemplaren verliezen hun rood hoe langer
+hoe meer en na verloop van eenige jaren geheel en al. Uit het feit
+dat de vloeistof een lichtroode kleur aanneemt, schijnt te blijken,
+dat de bedoelde huidkleurstoffen door den alcohol opgelost worden.
+
+Bij het Aziatische geslacht der Buikklieradders (Adeniophis) zijn de
+gifklieren buitengewoon sterk ontwikkeld, aan weerszijden strekken
+zij zich over een derde gedeelte van de lengte van den romp uit;
+zij zijn dus in de lichaamsholte gelegen, waardoor de ligging der
+overige ingewanden een belangrijke wijziging ondergaat.
+
+De meest bekende soort van dit geslacht, de Buikklieradder
+(Adeniophis intestinalis), is 57 cM. lang en zeer bont van kleur;
+zij komt in Birma, op het Maleische Schiereiland en op de eilanden
+van den Oost-Indischen archipel, van Sumatra tot aan de Philippijnen,
+veelvuldig voor.
+
+
+
+Boengaroem of Boengar noemen de Indiërs eenige groote en uiterst
+gevaarlijke Gifslangen van hun vaderland. Deze naam, tot Bungarus
+vervormd, dient in de wetenschap tot aanduiding van een 8 soorten
+omvattend geslacht, welks leden Oost-Indië en Zuid-China bewonen
+en de volgende eigenschappen met elkander gemeen hebben. De kleine,
+eivormige kop is weinig breeder dan de hals en eindigt in een stompen
+snuit, de romp is op de dwarse doorsnede cirkelvormig of afgerond
+driehoekig, tot aan den staart nagenoeg gelijk van dikte; de staart
+is betrekkelijk kort. De mondopening is klein, de onderkaak een
+weinig korter dan de bovenkaak en met zwakkere tanden gewapend dan
+deze. Achter de giftanden, die aan de bolle voorzijde een duidelijke
+groeve vertoonen, maar in verhouding tot de grootte van het dier zeer
+klein zijn, vindt men 1 à 3 kleine, massieve tanden.
+
+
+
+De Pama of Boengaroem-Pama der Indiërs, de Oelar-boelang der Javanen
+(Bungarus fasciatus), de grootste soort van haar geslacht, bereikt
+een lengte van 1.75 M.; de romp is op zwarten of blauwzwarten grond
+geteekend met 25 à 35 gele ringen van ongeveer gelijke breedte,
+die nagenoeg op gelijken afstand van elkander verwijderd zijn; de
+blauwzwarte kop heeft een bruinen snuit; een vale streep begint op
+het midden van het achterhoofdsschild en loopt aan weerszijden scheef
+naar onderen en naar achteren, waardoor een halsband ontstaat.
+
+Een tweede soort, de Paragoeda of Pakta-poela (Bungarus caeruleus),
+bereikt een lengte van hoogstens 1.29 M. Haar kleur en teekening zijn
+zeer ongelijk. In den regel is de bovenzijde blauwzwart of donkerbruin
+en met een meer of minder groot aantal witte dwarsbanden geteekend,
+welker breedte meestal niet grooter is dan de lengte van een schub
+van den rug; soms zijn zij door kleine, witte vlekken vervangen;
+de onderzijde is wit.
+
+De Pama werd in geheel Voor-Indië, Assam, Birma, Siam, het zuiden
+van China, op Sumatra en Java waargenomen; de Paragoeda schijnt
+meer tot Voor-Indië beperkt te zijn en is reeds zeldzaam in Birma,
+maar komt vooral in Bengalen en aan de kust van Malabar veelvuldig
+voor. Beide soorten houden zich in droge streken op en maken hier
+jacht op kleine Zoogdieren en Reptiliën, vooral op andere Slangen en
+Hagedissen. Cantor zegt, dat zij, ondanks haar ronde pupil, zich over
+dag dikwijls in hare schuilhoeken verbergen, den zonneschijn vermijden,
+de schaduw opzoeken en zich op onvaste wijze bewegen; soms maken
+zij zonder eenige aanleiding zeer onstuimige bewegingen. Sir Joseph
+Fayrer daarentegen zegt uitdrukkelijk, dat zij dagdieren zijn. Zij
+vluchten in den regel bij de nadering van een mensch, tenzij deze
+haar tot toorn prikkelt; in dit geval kunnen zij even gevaarlijk
+worden als iedere andere vergiftige Slang van gelijke grootte. Vóór
+den aanval buigen zij, evenals de Adders, den kop ver achterover,
+strekken daarna in scheeve richting den halven romp naar voren en
+trachten haar vijand te bijten. De Indiërs beweren, dat de beet van
+deze Slangen steeds den dood ten gevolge heeft en vreezen haar zeer;
+wegens de kortheid van de giftanden is echter in dit geval de kans
+op een gunstigen afloop iets grooter dan na den beet van een Brilslang.
+
+De gevaarlijkheid van den beet der Boengaren is door proefnemingen
+duidelijk gebleken. Een Hoen, dat door een zeer afgematte Pama
+gebeten werd, stierf onder stuiptrekkingen na verloop van 25
+minuten. Een groote, forsche Hond kreeg van een Paragoeda een beet
+in de dij, schreeuwde luid op het oogenblik, dat hij gewond werd,
+hoewel de wonde ternauwernood zichtbaar was, liep daarna echter rond,
+schijnbaar zonder eenige last te ondervinden; 25 minuten na den beet
+waren de beide achterpooten verlamd. Gedurende het tweede uur braakte
+het gewonde dier herhaaldelijk en geraakte meer en meer in een staat
+van verdooving; het viel overzijde, begon ongeregeld te ademen en
+stierf voordat het uur om was.
+
+Hoevele van de talrijke gevallen van vergiftiging door slangenbeten,
+die ieder jaar in Indië voorkomen op rekening van de Boengaren moeten
+worden gesteld, is moeilijk uit te maken; waarschijnlijk tast men niet
+mis door haar na de Brilslang de gevaarlijkste van alle vergiftige
+Slangen van Oost-Indië te noemen. "Op Java," schrijft Schlegel,
+"verschuilen zij zich in aardholen, of zelfs onder de gebouwen ter
+wille van de Muizen en Ratten, die, aldaar huizende, haar tot een
+gemakkelijken buit verstrekken. Dit heeft zelfs in het lage gedeelte
+van Batavia plaats en daar zij ook wel eens onder de bedden kruipen,
+zoo heeft men gevallen, dat menschen, daaronder tastende zonder te
+zien, van zoodanige Slangen gebeten werden. Haar beet schijnt meestal
+en wel in zeer korten tijd den dood ten gevolge te hebben."
+
+
+
+Toen de Portugeezen zich op Ceylon vestigden, maakten zij er kennis
+met een zeer eigenaardige Slang, die door de inboorlingen Kover
+Kapel werd genoemd, sanskritsche woorden, die "Koning der Slangen"
+beteekenen. De bedoelde naam klonk ongeveer als Cobra de Capello of
+"Slang met den hoed", bij verkorting Hoedslang, welke verbastering
+meer algemeen in gebruik komend, den vroegeren naam van het dier in
+vergetelheid heeft gebracht. Zij wordt ook gebezigd tot aanduiding van
+verwante Slangen in Afrika. Hier had een nog zonderlinger vervorming
+van den reeds verbasterden naam plaats; de Hollandsche kolonisten
+in Zuid-Afrika noemden het dier naar den klank van de Portugeesche
+woorden, waarmede zij het hoorden bestempelen, Koperkapel. Evenals de
+Indische, waren de Afrikaansche "Hoedslangen" reeds sinds overouden
+tijd bekend; meer bepaaldelijk had de in Noord- en Oost-Afrika levende
+soort reeds bij de Oud-Egyptenaren grooten roem verworven.--De naam
+Cobra de Capello is bovendien een zinspeling op een eigenaardigheid
+van dit dier en van zijne verwanten. Het kan den hals schijfvormig
+verbreeden door zijwaartsche beweging van de 8 voorste paren ribben,
+die langer dan gewoonlijk en bijkans niet gekromd zijn. Dit geschiedt,
+wanneer het voorste deel van het lichaam opgericht wordt; de kop is
+dan steeds naar voren omgebogen, zoodat de Slang van achteren gezien
+een groote, ronde hoed schijnt te dragen. Van voren beschouwd, maakt
+de door ribben uitgespannen schijf veeleer den indruk van een schild;
+uit dien hoofde zou de naam "Schildadder" het dier nog beter passen
+dan de naam "Hoedslang". De wetenschappelijke geslachtsnaam van deze
+dieren (Naja) is aan de volkstaal in Indië ontleend; op Ceylon worden
+zij Negu (spreek uit: Neezjoe) genoemd.
+
+Stel u een Hoedslang voor, die, verschrikt en geprikkeld door het
+zien van een vijand, van een mensch, soms langzaam, soms snel den
+verstoorder van haar rust nadert. Het voorste derde gedeelte van
+haar lichaam heeft zij opgericht, haar schild uitgebreid; in deze
+fiere houding houdt zij zich tot den aanval of althans tot tegenweer
+gereed. Het opgeheven lichaamsdeel blijft steeds rechtstandig;
+daarachter is iedere spier in werking. Wie bij dit schouwspel bedenkt,
+dat de beet van deze Slang even snel den dood veroorzaakt als die
+van de Ratelslang of van de Lanskopslang, zal beseffen, waarom de
+Naja te allen tijde de aandacht van den mensch getrokken heeft.
+
+De Cobra de Capello, ook wel eenvoudig Cobra (in Indië Tjinta-neezjoe)
+genoemd (Naja tripudians), is 1.4 à 1.8 M. lang; de grondkleur van haar
+kleed is rungeel en zweemt bij een bepaalde wijze van verlichting naar
+aschgrauw; daar echter de tusschenruimten der schubben (en dikwijls
+ook de hoeken van sommige dezer plaatjes) lichtgeel of wit zijn, is
+de totale indruk van de kleur van het dier bleeker. In den nek hebben
+lichtgeel of wit zoozeer de overhand, dat de donkerder gedeelten
+er als vlekken uitzien; juist op deze plaats steekt een teekening,
+die op een bril gelijkt, duidelijk tegen de lichtere omgeving af. Zij
+wordt door twee zwarte lijnen gevormd, welke een veld omsluiten, dat,
+met uitzondering van de zwarte vlekken of ringen, die de glazen van
+den bril voorstellen, in den regel aanmerkelijk lichter is dan het
+overige deel van den hoed- of schildvormig verbreeden hals. Aan deze
+teekening dankt de Cobra den naam van Brilslang, waarmede gewoonlijk
+ook de overige leden van het geheele geslacht Naja worden aangeduid,
+al komt bij hen geen brilvormige teekening voor. De buikzijde van
+de Cobra is vuilwit en op het voorste derde gedeelte van den romp
+dikwijls met breede, zwarte dwarsbanden geteekend. Op grond van
+vrij belangrijke kleurafwijkingen onderscheidt men een groot aantal
+variëteiten, die ook bij de inboorlingen verschillende namen dragen.
+
+De Brilslang bewoont geheel Indië, het zuiden van China, Birma,
+Siam, het Maleische Schiereiland, de Groote Soenda-eilanden (met
+uitzondering van Celebes), de Andamanen en Ceylon; westwaarts strekt
+haar verbreidingsgebied zich uit over Afghanistan, het noordoostelijke
+deel van Perzië en de zuidelijke districten van Toerkmenië tot aan
+de Kaspische Zee. In den Himalaja vindt men haar tot op een hoogte
+van 2500 M. Evenals de meeste overige Slangen, schijnt zij zich niet
+tot een bepaald terrein te bepalen, maar zich overal te vestigen,
+waar zij een geschikte schuilplaats en een voldoende hoeveelheid
+voedsel vindt. Hare liefste woningen zijn verlaten nestheuvels van
+Termieten, oude muren, opeenhoopingen van steenen of hout, leemen
+wanden, waarin gaten voorkomen en allerlei andere verhevenheden met
+holen of overdekte tusschenruimten, die voor schuilhoeken kunnen
+dienen. Tennent vestigt de aandacht op het feit, dat, behalve een
+soort van Gladtandige Slang--de Rattenslang (Ptyas Blumenbachii)--,
+zij het eenige lid van haar onderorde is, dat de nabuurschap van
+menschelijke woningen niet vermijdt. Zij wordt hierheen gelokt door de
+voor woonplaats geschikte riolen en misschien ook door hoop op buit,
+daar Ratten, Muizen en kleine kuikens van haar gading zijn. Zoolang
+niemand haar stoort, ligt zij gewoonlijk lui en traag voor den ingang
+van haar schuilplaats, neemt hierin bij de komst van een mensch ten
+spoedigste de wijk en gaat alleen, na in 't nauw gebracht te zijn,
+haar aanvaller te lijf.
+
+"De zwartbruine Brilslang is," volgens Dr. S. Müller, "op de
+Soenda-eilanden niet zeldzaam. De Soendaneezen op Java bestempelen
+het jonge dier met den naam van Oraisindoek, d.i. Lepelslang, naar
+den lepelvormig uitgezetten hals, het oude met dien van Orai-babi,
+d. i. Varkenslang, naar de zwartblauwachtige kleur gelijk die van
+een Chineesch Zwijn. De Maleiers in de Padangsche bovenlanden
+van Sumatra kennen deze Brilslang vrij algemeen onder den haar
+bijzonder kenmerkenden naam van Oelar-bieloedakh, d. i. Gifspuwende
+Slang. Door de Bejadjoe Dajakkers op Borneo is ons voor haar de naam
+Hantiepeh-poera, d. i. Dorpslang opgegeven, omdat men haar dikwerf
+in bewoonde plaatsen en zelfs binnen de huizen aantreft. Zij kiest
+bij voorkeur tuinen, velden en weilanden, de oevers van rivieren,
+opene, met struiken begroeide vlakten en diergelijke tot verblijf;
+gedurende den dag verbergt zij zich vaak in aardholen, onder oude,
+omgevallen boomstammen en steenhoopen, in rotsholen, kelders enz.,
+somwijlen ook kruipt zij midden op den dag heen en weder, naar voedsel
+zoekende. Wordt zij vervolgd, dan tracht zij zich met snelle sprongen
+door de vlucht te redden, doch is weldra afgetobd. In dit geval richt
+zij zich plotseling in schier rechtstandige houding op, waarbij haar
+staart tot steunpunt dient, zet den hals breed uit, blikt met waterpas
+gerichten kop op den haar bedreigenden vijand, naar wien zij onder een
+vervaarlijk gesis en voorwaartsche bewegingen met het bovenlijf, een
+speekselachtig schuim uitwerpt. Haar voedsel bestaat uit Kikvorschen,
+kleine Hagedisachtige dieren, Muizen en Vogels."
+
+Alle onderzoekers noemen hare bewegingen langzaam; toch is zij
+behendiger dan men gewoonlijk meent: zij kan niet slechts zwemmen,
+maar ook tamelijk goed klimmen. Zoo doodde men aan boord van een
+schip een Cobra, die er niet anders dan langs den ankerketting
+heeft kunnen komen. Tennent bericht over een Brilslang, die gevonden
+werd in de kroon van een palmboom, "aangelokt, naar men beweerde,
+door het palmsap, dat juist afgetapt werd", waarschijnlijk echter,
+omdat zij daarboven Vogels vangen of nesten plunderen wilde. Ook op
+daken van huizen treft men haar niet zelden aan.
+
+De Cobra eet geen andere dan kleine dieren, naar het schijnt, vooral
+Reptiliën en Amphibiën; Tennent althans zegt, dat zij jacht maakt
+op Hagedissen, Vorschen en Padden; volgens Fayrer vangt zij ook
+Visschen en Insecten. Dat zij voor jonge Hoenderen, Muizen en Ratten
+gevaarlijk kan worden, werd reeds gezegd; volgens Fayrer plundert zij
+ook vogelnesten en tracht vooral uit hoenderhokken en duiventillen
+eieren te rooven. Zij bekommert zich niet veel om andere Slangen en
+maakt dus waarschijnlijk geen jacht op deze dieren. Zij drinkt veel,
+maar kan ook lang zonder nadeel dorst lijden, zooals gebleken is bij
+gevangen exemplaren, die weken en zelfs maanden achtereen niets te
+drinken kregen.
+
+Volgens Fayrer legt de Cobra hoogstens 18 witte, langwerpig eivormige
+eieren met zachte schaal, zoo groot als die van onze Huisduif. Phipson
+spreekt van 12 à 20 eieren. De Indiërs verhalen, dat men op plaatsen,
+waar een Brilslang gevangen werd, na verloop van korten tijd ook een
+tweede exemplaar van deze diersoort ziet verschijnen en schrijven dit
+toe aan een zekere gehechtheid van het mannetje en het wijfje voor
+elkander, aan een duurzamen band tusschen de leden van een paar. Iets
+dergelijks berichten de schrijvers der oudheid van een verwante soort,
+van de Uraeus-slang of Aspis. De Singaleezen beweren dat de jongen
+vóór de eerste vervelling (die volgens hen op den 13en levensdag
+plaats heeft) niet vergiftig zijn.
+
+De Brilslang, die ook thans nog door de Hindoes met heilig ontzag
+wordt bejegend en waaraan een bijna goddelijke vereering ten deel valt,
+speelt in hunne godsdienstige overleveringen een belangrijke rol. Zoo
+wordt verhaald, dat eens, toen Boeddha bij een bezoek aan de aarde in
+de middagzon lag te slapen, een Cobra met haar schild het goddelijk
+aangezicht overschaduwde. Bij zijn ontwaken was de god hierover
+zoo verheugd, dat hij de Slang een buitengewone genade beloofde;
+hij vergat echter zijn belofte, zoodat de Slang zich genoodzaakt
+zag hem er aan te herinneren in een tijd, toen de Wouwen een groote
+slachting aanrichtten onder de leden van haar geslacht. Om de Cobra
+te beveiligen schonk Boeddha haar den bril, waarvoor de Roofvogels
+bang zijn. De wijze, waarop de Indische slangenbezweerders met de
+Cobra omgaan, is wel geschikt om zelfs den ongeloovigen Europeaan
+een hoog denkbeeld te geven van hun bekwaamheid; de kunst, die zij
+vertoonen, berust op hun nauwkeurige bekendheid met den aard en
+de gewoonten van de Slang. Verscheidene schrijvers hebben beweerd,
+dat de Cobra, evenals haar Afrikaansche zuster, vooraf onschadelijk
+wordt gemaakt door het uitbreken van de giftanden. Reeds door Davy
+werd deze bewering ten stelligste tegengesproken; latere onderzoekers
+scharen zich geheel aan zijn zijde. Het komt misschien wel eens voor,
+dat de slangenbezweerders aan de dieren, waarmede zij hunne kunsten
+verrichten, de doodelijke wapens ontnomen hebben, in den regel echter
+zijn deze aanwezig en zou de Slang er dus gebruik van kunnen maken,
+daar de wijze, waarop zij afgericht wordt, zeer zeker niet in staat
+is om haar het bijten af te leeren. De kunstenmaker voorkomt dit
+gevaar, dat hij dikwijls, doch niet altijd, op een dolkoene wijze
+uitlokt, uitsluitend door zijn behendigheid en oplettendheid. Het
+is trouwens geen zeldzaamheid, dat een van deze lieden door een
+beet van een Brilslang het leven verliest. "De slangenbezweerder,"
+schrijft Davy, "prikkelt de Cobra door haar te slaan of door snelle,
+dreigende bewegingen met de hand en kalmeert haar weder door zijn
+stem, door met de hand langzaam kringen te beschrijven en door zachte,
+streelende liefkoozingen. Als zij kwaad wordt, weet hij behendig haar
+aanval te ontwijken, en wacht dan, tot zij weer bedaard genoeg is,
+om met haar te spelen. Dan brengt hij den bek van het dier aan zijn
+voorhoofd en strijkt zich er mede langs het gelaat. Het publiek meent,
+dat de man werkelijk een toovermacht bezit, waardoor hij zonder gevaar
+met de Slang kan omgaan; de ongeloovige toeschouwer steekt den draak
+met deze meening en verdenkt den kunstenmaker van bedrog te plegen
+met Brilslangen, die vooraf van de giftanden beroofd zijn: toch is
+dit een dwaling en heeft het publiek gelijk. Ik heb zulke Slangen
+onderzocht en gezien, dat hare tanden gaaf zijn. De slangenbezweerders
+bezitten wel degelijk een toovermacht, al is het geen bovennatuurlijke,
+n.l. zelfvertrouwen en moed. Zij kennen de gewoonten en de neigingen
+van de Slang, weten, dat zij ongaarne haar doodelijk wapen gebruikt
+en eerst na vele voorafgaande plagerijen zal bijten. Ieder, die even
+omzichtig en vlug van beweging is als deze menschen, kan hun spel
+nabootsen; ik heb het meer dan eens gedaan. Met elke Hoedslang kunnen
+de slangenbezweerders hunne kunsten verrichten, om 't even of zij pas
+gevangen werd of lang opgesloten is geweest; zij wagen het echter met
+geen andere Vergiftige Slang". De waarheid van de mededeelingen van
+Davy werd op Ceylon op een treurige wijze bevestigd door den dood van
+een slangenbezweerder, die bij zijne voorstellingen met buitengewone
+driestheid te werk ging; hij werd door een van zijne Slangen in de
+borst gebeten en stierf nog op denzelfden dag.
+
+Een zeer aanschouwelijke beschrijving van de slangenbezwering gaf
+Rondot: "Tegen 6 uur 's avonds komt een Indische slangenbezweerder
+aan boord. Hij is armoedig gekleed, zijn tulband is tot onderscheiding
+met drie pauweveeren getooid. In zijne zakken draagt hij halsbanden,
+amuletten en dergelijke voorwerpen, in een plat korfje een Cobra de
+Capello. Hij maakt op het voordek toebereidselen tot het geven van
+een voorstelling; wij zetten ons op de banken van het achterdek neer,
+de matrozen zijn in een kring geschaard.
+
+"Het korfje wordt neergezet en het deksel er af genomen. De
+Slang ligt ineengekronkeld op den bodem. De kunstenmaker hurkt op
+eenigen afstand van haar neer en begint op een soort van klarinet
+een sleepend, droefgeestig, eentonig wijsje te spelen. De Slang
+ontrolt zich gedeeltelijk, rekt zich uit en rijst omhoog. Zij
+steunt als 't ware op den staart, die nog ineengekronkeld in het
+korfje ligt. Na een poosje wordt zij eenigszins onrustig, maakt
+bewegingen om, met de tong tastend, haar omgeving te onderzoeken,
+ontplooit en verbreedt haar schild, geeft haar gramschap te kennen
+door het voortbrengen van een meer snuivend dan sissend geluid,
+door het versnellen van de tongbeweging en door zich herhaaldelijk
+met kracht naar voren te krommen in de richting van haar meester,
+alsof zij hem wil bijten, schiet intusschen dikwijls omhoog en
+doet onbehouwen sprongen. Hoe meer zij haar schild beweegt, des te
+breeder wordt het. De slangenbezweerder houdt de oogen voortdurend
+op de Cobra gevestigd en kijkt haar buitengewoon strak aan. Nadat op
+deze wijze ongeveer 10 of 12 minuten voorbijgegaan zijn, vermindert de
+opgewondenheid van de Slang langzamerhand; eindelijk is zij tot bedaren
+gekomen en wiegelt heen en weer, alsof zij onder den invloed komt van
+de allengs verflauwende muziek van haar gebieder; de beweging van de
+tong blijft echter nog altijd buitengewoon snel. Hoe langer hoe meer
+schijnt de Cobra in een toestand van slaapdronkenheid en droomerigheid
+te vervallen. Hare oogen, die aanvankelijk met onheilspellenden gloed
+op den bezweerder waren gericht staren nu onbeweeglijk naar hem als
+onder den indruk van een betoovering. De Hindoe, gebruik makend van
+dezen toestand van wezenloosheid van de Slang, nadert haar langzaam,
+zonder zijn spel te staken en drukt eerst den neus en dan de tong op
+haar kop. Dit duurt niet langer dan één oogenblik; de Slang herkrijgt
+onmiddellijk haar vroegere levendigheid en schiet met razende woede
+op den bezweerder toe, die ternauwernood den tijd heeft om buiten
+het bereik van het giftige dier te komen.
+
+"Nadat de man opgehouden heeft te spelen, komt een van de
+scheepsofficieren bij hem met den wensch om ook te zien, hoe de Hindoe
+zijne lippen op den geschubden kop van het dier drukt. De arme drommel
+begint opnieuw zijn eentonig wijsje te spelen en vestigt zijn starenden
+blik weder op de Cobra. Al zijn moeite is echter tevergeefs. De Slang
+verkeert in een toestand van buitengewone opgewondenheid; niets is
+in staat haar te kalmeeren. Zij wil zelfs de korf verlaten, zoodat
+men genoodzaakt is er het deksel op te doen.
+
+"Het wil er niet bij ons in, dat de Cobra nog in het bezit is van
+hare giftanden en dat er geen veinzerij schuilt achter de vrees,
+die de Hindoe voor haar laat blijken. Wij verlangen daarom, dat
+de man twee Hoenderen door het dier zal laten bijten en beloven
+hem hiervoor een Spaanschen piaster. Een zwarte kip wordt de Slang
+voorgehouden. Deze richt de helft van haar lichaam omhoog, bijt het
+Hoen, na het een oogenblik aangestaard te hebben en trekt onmiddellijk
+den kop terug. De losgelaten Vogel maakt van zijn vrijheid gebruik
+door vol schrik de vlucht te nemen, braakt na verloop van 6 minuten,
+strekt de pooten uit en sterft. Het tweede Hoen, dat tweemaal door
+de Slang gebeten wordt, sterft na verloop van 8 minuten."
+
+Graaf Karl von Görtz geeft in zijn "Reis om de Wereld" een eenigszins
+andere beschrijving van de bedoelde vertooning. De Cobra's, waarmede
+hij de slangenbezweerders te Madras kunsten zag verrichten, lagen
+eveneens in platte korven ineengerold; de hoofdman van de troep vatte
+ze echter een voor een bij den kop en begon, nadat hij ze eerst vrij
+op den grond neergelegd had, een oorverscheurende muziek te maken op
+een wonderlijk soort van klarinet, die aan haar einde met een kleinen
+pompoen voorzien was. De Slangen richtten den kop en den hals omhoog,
+keken haar meester stijf in 't gelaat en breidden haar schild sterk
+uit, maar gaven geen andere bewijzen van opgewondenheid. Toen de man
+haar de vuist voor den kop hield, maakte deze een beweging als om te
+bijten; de bek werd echter niet geopend, ook niet bij het vervangen
+van de vuist door den top van den neus en het puntje van de tong. De
+kunstenmaker trachtte de Slangen niet te betooveren door ze stijf
+aan te kijken; daarentegen hield hij de hand dikwijls achteloos in
+de nabijheid van de dieren, die hij eindelijk zelfs om zijn hals
+wikkelde. Er was niets te bespeuren van een dansende beweging der
+Slangen; deze toonden duidelijk, dat zij nog even boosaardig en
+woedend waren als gewoonlijk, maar ook, dat zij den slangenbezweerder
+vreesden. Het was gemakkelijk te raden, dat men ze afgericht had door
+ze in harde of heete voorwerpen te laten bijten. "Hare giftanden
+waren gebroken; ik heb mij hiervan persoonlijk overtuigd en de
+slangenbezweerders erkenden het gewillig."
+
+"Op de Indische eilanden," zegt Dr. S. Müller, "wordt de Brilslang
+volstrekt niet tot ten vermaak strekkende spelen (zoogenaamde dansen
+enz.) gebruikt. De Slangen, waarmede de priesters op Java somwijlen
+goochelkunsten, maar verschillend van die der Hindoe's, ten uitvoer
+brengen, zijn doorgaans niet giftig. Het zijn gewoonlijk soorten van
+de geslachten Python en Coluber."
+
+Behalve de slangenbezweerders houden zich ook de brahminen
+met de vangst en de africhting van de Brilslang bezig. Volgens
+de mededeelingen van Johnson onderzoeken de vangers op geschikte
+plaatsen alle holen in den grond en beginnen te graven bij die met
+een door het in- en uitkruipen van de Slang gladgeschuurden ingang,
+daar zij weten, dat deze plaats gewoonlijk oneffen is, wanneer het
+hol bewoond wordt door dieren, die pooten hebben. Het op deze wijze
+ontdekte hol van de Slang wordt voorzichtig geopend, totdat men
+het dier bereikt heeft; dit tracht men met de linkerhand bij den
+staart te vatten, terwijl de rechter een verder naar voren gelegen
+deel van het lichaam omspant. Men trekt nu de Slang met de linkerhand
+zooveel mogelijk door de rechter, totdat deze den nek tusschen duim en
+wijsvinger heeft. Johnson verzekert, dat hij op deze wijze ook in de
+open lucht Slangen heeft zien vangen. Zij die zich met dit werk bezig
+houden, gaan trouwens nooit alleen op de jacht en hebben altijd de
+benoodigdheden bij zich om een slangenbeet te kunnen behandelen. Zoo
+draagt een van hen gewoonlijk een vuurpot, bestemd voor het gloeiend
+houden van een klein ijzeren voorwerp, zoo groot als een tand van
+een gewone vork en van den vorm van een slangetand, waarmede men,
+als aan iemand het ongeluk overkomt van gebeten te worden, dadelijk de
+gewonde plaats uitbrandt, nadat men eerst het bloed er uitgedrukt en
+uitgezogen heeft, terwijl men tevens door een band om het gekwetste
+lichaamsdeel te leggen de verbreiding van het gif tegengaat. Anderen
+bepalen zich tot het plaatsen van een zoogenaamden "slangensteen" op
+de wonde. Inwendig gebruikt men dikwijls met goed gevolg een aftreksel
+"gongea" genaamd, van wilde hennep of tabak en bezoargeest.
+
+Fayrer heeft gedurende drie opeenvolgende jaren een reeks van
+onderzoekingen ingesteld, om de werking van het gif der Indische
+Slangen en meer bepaaldelijk der Brilslang te leeren kennen. Als
+proefdieren werden bij voorkeur Honden en Hoenderen, maar bovendien
+Paarden, Runderen, Geiten, Zwijnen, Katten, Mungo's, Konijnen, Ratten,
+Wouwen, Reigers, Hagedissen, onschadelijke en vergiftige Slangen,
+Vorschen, Padden, Visschen en Slakken gebruikt. Het bleek, dat het gif
+van de Brilslang op al deze dieren werkt en dat de werking buitengewoon
+hevig en meestal ook merkwaardig snel is. Tegenmiddelen van den meest
+verschillenden aard werden onderzocht; zij beantwoordden in 't geheel
+niet of slechts in zeer geringe mate aan de verwachting. Het bleek,
+dat beten, die een groot bloedvat treffen, onvoorwaardelijk den
+dood ten gevolge hebben. Met volkomen zekerheid werd de onjuistheid
+aangetoond van de meening, dat het slangengif alleen dan werkt,
+wanneer het onmiddellijk in het bloed komt, maar dat het integendeel
+ook door alle slijmvliezen opgenomen wordt en zelfs van uit de maag
+in het bloed kan geraken.
+
+Bij menschen openbaren de gevolgen van den slangenbeet zich dikwijls
+op een andere wijze dan bij dieren; terwijl b.v. de mensch in dit
+geval zoo koud wordt als een lijk, heeft men bij Honden juist het
+tegendeel, n.l. een koortsachtigen toestand, opgemerkt. Daar in Indië
+betrekkelijk vele lieden door Brilslangen gebeten worden en hierdoor
+meestal ook het leven verliezen, is men met het verloop der ziekte
+bij vergiftigde menschen voldoende bekend.
+
+De inboorlingen van Indië, vooral de slangenvangers en bezweerders,
+maken gebruik van vele geneesmiddelen bij slangenbeten. Een daarvan,
+dat zeer sterk aanbevolen wordt, achten wij vermeldenswaardig, hoe
+weinig baat men er ook bij zal vinden. Het is de "slangensteen," die
+op Ceylon "pemboe keloe" wordt genoemd en welks gebruik de Singaleezen
+waarschijnlijk overgenomen hebben van de slangenbezweerders, die van de
+kust van Koromandel overkomen. "Meer dan één goed gestaafd geval van
+genezing door dezen steen," zegt Tennent, "werd mij medegedeeld door
+ooggetuigen. In Maart 1854 zag een mijner vrienden, terwijl hij met
+een regeeringsbeambte in de buurt van Bintenne door den dsjungel reed,
+een Tamil, die met een anderen persoon van den tegenovergestelden kant
+kwam, plotseling in het woud springen en met een Cobra de Capello
+terugkeeren, die hij met beide handen aan den kop en den staart
+gegrepen had en vasthield. Hij riep zijn metgezel te hulp om de Slang
+in een sluitkorfje te pakken, maar ging hierbij zoo onhandig te werk,
+dat het dier hem in den vinger beet en dit lichaamsdeel eenigen tijd
+met de tanden vasthield, alsof het niet in staat was den kop terug
+te trekken. Het bloed vloeide uit de wonde en de gebetene scheen
+onmiddellijk de hevigste pijn te lijden. Dadelijk opende de vriend
+van den lijder zijn gordel en haalde er twee slangensteenen uit,
+ieder ter grootte van een kleinen amandel, donkerzwart van kleur en
+buitengewoon glad van oppervlakte; op iedere wonde werd een van deze
+steenen gelegd; zij bleven er aan kleven en zogen al het bloed op,
+dat uit de wonden vloeide; ongeveer 3 of 4 minuten bleven zij op hun
+plaats, terwijl de metgezel van den lijder diens arm van den schouder
+tot bij den vinger drukte en kneedde; eindelijk vielen zij vanzelf
+af. Naar het scheen, was de pijn toen geweken. De patiënt bewoog
+de hand, trok zich aan de vingers, totdat de gewrichten kraakten en
+vervolgde zijn weg, zonder eenige bezorgdheid te toonen."
+
+Volgens Johnson is de bereiding van de slangensteenen een geheim van
+de brahminen, die hieraan belangrijke inkomsten te danken hebben. Voor
+onze scheikundigen is de samenstelling van dit geneesmiddel echter geen
+geheim gebleven. Zij hebben aangetoond, dat het uit gebrande beenderen,
+kalk en een verkoold hars bestaat, welke stoffen vele tusschenruimten
+overlaten, die door capillaire werking vloeistoffen, en dus ook
+bloed of gif, in zich kunnen opnemen. Dat zulk een voorwerp bij de
+behandeling van slangenbeten een gunstigen invloed kan oefenen, valt
+niet te betwijfelen; stellig is deze echter van geringere beteekenis
+dan die van een laatkop; gevallen van genezing door slangenbeten zooals
+het hierboven aangehaalde, kunnen derhalve slechts voorgekomen zijn
+bij licht gewonde en zwak vergiftigde patiënten.
+
+Hoewel de berichten over het ontzettend groot aantal in Indië
+voorkomende sterfgevallen door slangenbeten geen volkomen vertrouwen
+verdienen, valt het niet te betwijfelen, dat ieder jaar vele menschen
+door het gif van de Cobra het leven verliezen. Men zou kunnen meenen,
+dat het bezit van zulk een gevaarlijk wapen het dier, dat er mede
+uitgerust is, in vele gevallen vrijwaart tegen de aanvallen zijner
+vijanden en hun aantal beperkt. Deze gevolgtrekking schijnt echter
+onjuist te zijn. De Indiërs noemen een tamelijk groot aantal kleine
+roovers uit de klasse der Zoogdieren op--waarvan de Mungo in de
+eerste plaats vermelding verdient--, die, naar gezegd wordt, een
+verdelgingsoorlog voeren tegen vergiftige Slangen. Bovendien wordt
+bericht, dat men een belangrijke vermeerdering van het aantal Slangen
+heeft opgemerkt in alle gewesten, waar veel jacht wordt gemaakt op
+Pauwen en andere wilde Hoenderen en deze bijgevolg in talrijkheid
+zeer afnemen. Hieruit zou dus blijken, dat deze groote en fiere
+Vogels met de Brilslangen op dezelfde wijze handelen als onze tamme
+Hoenderen met de Adders. Op Ceylon worden, naar men beweert, vele
+Slangen verdelgd door Herten, die, met alle vier pooten te gelijk
+opspringend, ze onder hunne hoeven verpletteren.
+
+
+
+Soortgelijke voorstellingen als door de Indische slangenbezweerders
+gegeven worden, kan men op elken feestdag op de openbare pleinen
+van Kairo zien. Doffe, maar ver hoorbare tonen, voortgebracht op een
+grooten kinkhoren, vestigen de aandacht op een man, die voornemens
+is aan de zonen en dochters van de "roemrijke hoofdstad en moeder
+der wereld" een voor hen buitengewoon aantrekkelijk schouwspel te
+verschaffen. Weldra heeft zich een kring gevormd om den "hauï" en de
+vermakelijkheid neemt een aanvang. Een schunnig gekleede jongen speelt
+de rol van hansworst, een Mantelbaviaan vertoont zijne kunsten en de
+levensgezellin van den straatartist gaat rond om het kleine kopergeld
+in te zamelen, dat het karige loon is voor hetgeen ten tooneele wordt
+gevoerd. Het merkwaardigste nummer van het program moet nog worden
+vertoond: het zal ieder overtuigen, dat de man, die door velen met
+eenige vrees wordt beschouwd, werkelijk tooverkunsten machtig is.
+
+Bedrijvig loopen en springen de kunstenmaker, de hansworst en de
+Aap rond: telkens moet nog het eene of andere voorwerp verschoven,
+of aangebracht worden. Eindelijk neemt de "hauï" een van de lederen
+zakken, waarin hij al zijne benoodigdheden bergt, werpt hem te midden
+van den kring, opent de strik, die hem tot dusver gesloten hield,
+neemt in plaats van den kinkhoren de "soemara", een instrument, dat
+door muziekhatende demonen uitgevonden schijnt te zijn, en begint
+een eentonig wijsje te spelen. Er komt leven en beweging in den zak;
+deze komen al nader en nader bij de opening, ten slotte ziet men de
+kleine eivormige kop van een Slang zich er boven verheffen. Op den
+kop volgen de hals en het bovenlijf, die dezelfde houding aannemen
+als zij bij de Brilslang hebben; vervolgens kronkelt het dier zijn
+geheele lichaam uit den zak en begint dadelijk in een kring, die door
+den bezweerder in zekeren zin omschreven wordt, zich langzaam op en
+neer te bewegen; het kleine kopje wiegelt fier op den tot een schild
+verbreeden hals, de fonkelende oogen volgen iedere beweging van den
+man. Een algemeene ontzetting bevangt de toeschouwers, daar allen
+weten, dat deze Slang de te recht gevreesde "Haje" is; bijna niemand
+weet, dat de goochelaar zonder gevaar met de gramschap van dit dier
+kan spotten, daar hij de voorzorg heeft genomen het van de giftanden
+te berooven. Op soortgelijke wijze als wij dat van den dierentemmer in
+het beestenspel gewoon zijn, laat de "hauï" de Slang in alle richtingen
+draaien, om te toonen hoe tam zij is, vat haar bij den hals, spuwt haar
+in 't aangezicht of bespat haar met water en drukt haar plotseling,
+zonder dat de toeschouwer er iets van bespeurt, op een bepaald punt
+in den nek. Op hetzelfde oogenblik strekt de Slang zich tot haar
+volle lengte uit en wordt stijf als een stok. Door de drukking op
+het ruggemerg in de nekstreek is zij in een toestand van verstijving
+gebracht. Verklaarbaar wordt ons hierdoor het verhaal uit Exodus:
+"En Aaron wierp zijn staf neder voor Pharao's aangezicht en voor het
+aangezicht zijner knechten en hij werd tot een Slang. Pharao riep nu
+ook de wijzen en de guichelaars, en de Egyptische toovenaars deden
+ook alzoo met hunne bezweeringen. Want een iegelijk wierp zijnen staf
+neder en zij werden tot Slangen".
+
+De hier bedoelde Slang was onder den naam van "Aspis" reeds bij de
+Grieken en Romeinen beroemd; voor de oude Egyptenaars, die haar
+"Oera" ("de rechtstandige") noemden, was zij het zinnebeeld van
+waardigheid; haar beeltenis ziet men aan de tempels, in steen gehouwen
+aan weerszijden van den wereldbol; een nabootsing van haar gestalte
+was het versiersel, dat de koning als teeken van zijn hoogen rang
+en oppermacht aan het voorhoofd droeg; van haar oud-Egyptischen naam
+is de nieuwere aanduiding "Uraeus" afgeleid. Hoe het raadselachtige
+Nijlvolk er eigenlijk toe gekomen is om haar zoo hoog boven alle andere
+dieren te verheffen, moeten wij in 't midden laten: misschien heeft
+de eigenaardige houding, die zij soms aanneemt, hiertoe aanleiding
+gegeven, of de dienst, dien zij aan den landbouw bewijst door het
+verdelgen van Ratten en Muizen, of anders de vreeselijke werking van
+hare giftanden. Bijna iedere Romeinsche of Grieksche schrijver weet ons
+iets van de Aspis mede te deelen, van hare gewoonten en levenswijze,
+van de vereering, die haar ten deel viel, van het gebruik, dat van haar
+werd gemaakt. Ieder van hen mengt trouwens in zijne berichten waarheden
+en fabelen, persoonlijke herinneringen en verdichtselen dooreen.
+
+De Uraeusslang, Aspis, Haje of Egyptische Brilslang, die door de
+kolonisten in Zuid-Afrika ook wel Spuwslang wordt genoemd (Naja
+haje), is nog iets grooter dan haar Aziatische verwante, daar de
+lengte van een volwassen exemplaar 2.25 M. kan bedragen. Van haar
+kleur kan geen algemeen geldige beschrijving gegeven worden, evenmin
+als van die der Brilslang. De meeste Aspiden, en meer bepaaldelijk
+de Egyptische, zijn aan de bovenzijde effen stroogeel en hebben
+lichtgele onderdeelen, hoewel hier in de halsstreek verscheidene
+breede, donkerder dwarsbanden voorkomen, welke ieder zich over eenige
+buikschilden uitstrekken. Er zijn echter tal van verscheidenheden:
+de bovendeelen kunnen alle tusschen stroogeel en zwartbruin gelegen
+nuances vertoonen, terwijl ook aan de onderdeelen zeer verschillende,
+hoewel meestal iets lichtere kleuren waargenomen zijn. Enkele van
+deze variëteiten heeft men wel als afzonderlijke soorten beschouwd;
+de veranderlijkheid van de Uraeusslang is echter zoo groot, dat men,
+volgens Günther, soms exemplaren ontmoet, welke men ternauwernood
+van een Brilslang kan onderscheiden. Wanneer men alle Aspiden als
+leden van één soort aanmerkt, omvat het verbreidingsgebied van
+dit gevaarlijke dier geheel Afrika ten zuiden van den Atlas. In de
+Nijllanden komt het op geschikte plaatsen zeer veelvuldig voor; in
+Tunis en Zuid-Marokko ontmoet men het in kleinen getale, in geheel
+Zuid-Afrika is het algemeen, aan de westkust ontbreekt het nergens;
+in de binnenlanden hebben Livingstone en alle reizigers van den
+nieuwsten tijd het herhaaldelijk waargenomen, of het als inheemsch
+hooren aanduiden. De verblijfplaatsen van de Aspis zijn ongelijk. In
+het boomlooze Egypte bewoont zij het bebouwde land en de woestijn;
+zij zoekt tusschen puinhoopen en in rotsspleten een schuilplaats of
+gebruikt het hol van een Renmuis of van een Springmuis tot woning; in
+Soedan en in Zuid-Afrika houdt zij zich in het met struiken begroeide
+land of in de steppe op, waar zij overal gelegenheid vindt om zich te
+verbergen; in de gebergten (die zij volstrekt niet vermijdt) vindt zij
+schuilplaatsen genoeg onder groote rotsblokken of zelfs in het dichte
+struikgewas, dat hier den bodem bedekt. Zij is nergens zeldzaam, hoewel
+men haar niet zoo dikwijls ontmoet, als men zou kunnen verwachten.
+
+De Egyptenaars vreezen de Haje zeer en dooden haar, waar hun dit
+mogelijk is. Hoewel zij in den regel bij 't zien van een mensch ten
+spoedigste vlucht, zal zij zich, wanneer iemand haar in 't nauw
+brengt, onmiddellijk oprichten en te weer stellen; ook in andere
+gevallen geeft zij zeer duidelijke bewijzen van prikkelbaarheid
+en woede. Niet zelden bepaalt zij zich tot zelfverdediging; soms
+echter gaat zij aanvallenderwijs te werk. "Een van mijne vrienden,"
+schrijft Anderson, "was bezig met het opzoeken van een zeldzame plant;
+op eens schoot een Aspis op zijn hand toe. Hij had den tijd niet zich
+om te draaien, maar liep achteruit zoo snel hij kon. De Slang volgde
+hem echter op den voet en zou hem ingehaald hebben, indien de jacht
+eenige seconden op deze wijze voortgeduurd had. In 't zelfde oogenblik
+echter struikelde hij over een mierenhoop en viel ruggelings op den
+grond. Terwijl hij lag, zag hij de Slang pijlsnel voorbijschieten."
+
+De Haje komt, naar 't schijnt, door de wijze waarop zij zich
+beweegt, en haar geschiktheid hiervoor volkomen overeen met de
+Brilslang. Behendig kruipt zij over den bodem, gaat dikwijls en uit
+eigen beweging te water, zwemt zeer goed en klimt als haar verwante.
+
+De buit van de Aspis bestaat uit allerlei kleine dieren, vooral uit
+Veld-, Ren- en Springmuizen, Vogels, die op den grond leven en hunne
+jongen, Hagedissen, andere Slangen, Vorschen en Padden. Hoewel zij
+over 't algemeen schadelijke dieren verslindt, kan de dienst, dien
+zij hierdoor den mensch bewijst, bezwaarlijk van groote beteekenis
+zijn, zoodat de ijverige vervolging, die zij tegenwoordig overal te
+verduren heeft, volkomen gerechtvaardigd is.
+
+Iedere Egyptische kunstenmaker vangt zelf de Aspiden, die hij voor
+zijne voorstellingen noodig heeft en doet dit op een zeer eenvoudige
+wijze. Gewapend met een langen, stevigen stok van mimosa-hout, "naboet"
+genaamd, begeeft hij zich naar het terrein, waar de gewenschte buit
+zich ophoudt en doorzoekt alle schuilplaatsen, waarvan de Hajes
+gebruik maken, totdat hij er een te zien krijgt. Aan het eene einde
+van den stok is een handvol lompen vastgemaakt; dit einde houdt hij
+de Slang voor, zoodra zij zich dreigend opricht en aanstalten maakt
+om van de verdediging tot den aanval over te gaan. Woedend bijt zij
+in de lompen, dadelijk trekt de jager met een vlugge beweging den
+stok terug om het dier de tanden uit te breken. Nooit echter bepaalt
+hij zich tot één dergelijke poging, maar fopt en plaagt de Slang zoo
+dikwijls, totdat zij vele malen gebeten heeft, hare giftanden stellig
+kwijt geraakt en tevens geheel uitgeput is. Nu drukt hij haar kop met
+den stok stijf tegen den grond, komt voorzichtig nader, pakt haar bij
+den hals, drukt op de hem bekende plaats van den nek (waardoor zij in
+een soort van stijfkramp vervalt) en onderzoekt haar bek om te zien,
+of werkelijk de giftanden afgebroken zijn.
+
+Over het leven van de Haje in de gevangenschap heeft Günther uitvoerige
+en belangwekkende berichten gegeven, op grond van waarnemingen
+door hem gedaan in den Londenschen dierentuin. "De beide prachtige
+exemplaren van de zwarte variëteit van de Uraeusslang moeten, daar
+zij levendig van aard en groot zijn, een vrij ruim hok bewonen. Men
+heeft de glazen wanden tot op een derde van de hoogte met olieverf
+ondoorzichtig gemaakt, zoowel om de Slangen, die anders wegens haar
+prikkelbaarheid voortdurend in een toestand van opgewondenheid zouden
+verkeeren, meer rust te verschaffen, als om haar, wanneer zij onrustig
+worden, eerder te nopen zich op te richten en over het donkere deel
+van het glas heen te kijken. Zij doen dit nu altijd bij de geringste
+aanleiding. Wanneer zij bij zulk een gelegenheid of bij de voedering
+te dicht bij elkander komen, is een gevecht onvermijdelijk: het
+lichaam wordt dan hoog opgericht, de hals zoover mogelijk uitgebreid;
+ieder tracht hooger te zijn dan de tegenpartij, intusschen doen
+zij voortdurend haar best elkander te bijten. Verwondingen komen
+opmerkelijkerwijze bij een dergelijken twist niet voor; toen echter
+eenigen tijd geleden een derde exemplaar in hetzelfde hok werd
+gebracht, had er een strijd plaats, waarbij de nieuweling gebeten
+moet zijn, daar deze den volgenden morgen dood gevonden werd. De
+dieren, die men in het hok van deze Slangen brengt, worden door
+haar gedood, zelfs wanneer zij er niets van eten. De bijtbeweging
+geschiedt buitengewoon snel; hoewel men de Slang met het dier in
+aanraking zag komen, zou men toch kunnen meenen, dat het niet gebeten
+werd, totdat men het eenige weinige seconden later na kortstondige
+stuiptrekkingen ziet bezwijken. De bek wordt bij 't bijten slechts
+zeer weinig geopend; de wonde is eerder een schram dan een steek. De
+Hajes gaan dikwijls en gedurende geruimen tijd in 't water liggen;
+'s winters kruipen zij echter geheel onder het tapijt van haar hok."
+
+
+
+Tot de Hoedslangen behoort ook nog de Zuid-Aziatische (ook op de
+Soenda-eilanden voorkomende) Reuzenhoedslang (Naja bungarus),
+het vreeselijkste, althans het grootste lid van haar geslacht,
+die de voor een Gifslang buitengewoon groote lengte van 3.38 à
+4.26 M. bereikt. Het voor verbreeding geschikte deel van den hals
+is bij haar naar verhouding kleiner dan bij de overige Hoedslangen;
+de kleur varieert zeer; de bovendeelen zijn in den regel olijfgroen,
+de onderdeelen bleekgroen.
+
+Het voedsel van de Reuzenhoedslang schijnt hoofdzakelijk uit andere
+Slangen te bestaan. De jacht, die zij op Slangen maakt, heeft
+aanleiding gegeven tot de in sommige streken van Indië verbreide
+meening, dat haar door haarsgelijken koninklijke eer wordt bewezen.
+
+De gevangen exemplaren, die Fayrer van slangenbezweerders kreeg,
+misten hare giftanden en hadden daarom haar levendigen aard geheel
+verloren; zij hadden zich, naar 't scheen, geschikt naar den wil
+van haar gebieder en gedroegen zich geheel op dezelfde wijze als de
+Brilslangen, waarmede de straatkunstenaar speelt.
+
+Het gif van dit dier werkt zeer krachtig. Een Hond sterft ongeveer
+14 minuten na gebeten te zijn, een mensch soms na 3 minuten. De
+Reuzenhoedslang verdraagt de gevangenschap goed; een groot exemplaar
+van deze soort heeft in den Londenschen dierentuin 12 jaar en 7
+maanden geleefd en werd gedurende dezen tijd bijna uitsluitend met
+Engelsche Slangen gevoederd.
+
+
+
+Een van de gevaarlijkste Slangen van Australië is de beruchte
+Zwarte Adder (Pseudechis porphyriacus), van het geslacht der
+Schijnadders. Haar lengte bedraagt 1.6 à 2.5 M. De bovendeelen zijn
+prachtig glanzig zwart of donker olijfbruin, de onderdeelen niet
+minder fraai lichtrood, de zijden helder karmijnrood. Het wijfje
+wordt wegens haar kleur Bruine Slang of Bruine Adder genoemd.
+
+Volgens het eenstemmig getuigenis van alle deskundigen is er
+geen werelddeel en zelfs geen land, dat naar verhouding zoovele
+vergiftige Slangen voortbrengt als Australië. Minstens twee derde
+van alle Slangen, die men tot dusver in de verschillende gedeelten
+van dit vasteland gevonden heeft, zijn vergiftig; verscheidene van
+deze behooren tot de gevaarlijkste leden van de geheele groep. "Waar
+men zich ook bevindt", verzekert "the Old Bushman", "in het dichte
+woud of op met struikgewas begroeide terreinen, in open steppen of
+in broeklanden, aan de oevers van rivieren, plassen of waterkuilen,
+overal kan men zeker zijn van een ontmoeting met de fel gehate vijandin
+van den mensch, met de Zwarte Adder. Zij dringt tot in de tent of de
+hut van den jager door en ligt ineengekronkeld onder zijn beddelaken:
+nergens is men veilig tegen haar; men moet zich er over verwonderen,
+dat zij niet veel meer menschen doet sneven, dan in werkelijkheid
+door haar het leven verliezen." Volgens de berichten van denzelfden
+opmerker, vallen alle Slangen van Zuid-Australië in winterslaap:
+zij verdwijnen tegen het einde van Maart en komen in September weer
+te voorschijn. De Zwarte Adder schijnt meer verbreid en veelvuldiger
+te zijn, dan een der overige soorten; zij wordt althans vaker gezien;
+hier draagt ook veel toe bij, dat zij over dag werkzaam is. Door de
+veelzijdige ontwikkeling van haar bewegingsvermogen munt zij boven
+de overige Australische Gifslangen uit; zelfs verlaat zij, naar men
+bericht, niet al te zelden den vasten bodem en vervolgt klimmend of
+zwemmend haar weg.
+
+Daar de Vergiftige Slangen van Australië veel schade aanrichten
+en menig ongeluk veroorzaken, worden zij algemeen gevreesd en
+fel vervolgd. Vele van de Runderen en Schapen, die men des zomers
+stervend of dood in de vlakte ziet liggen, zijn waarschijnlijk door
+slangenbeten om 't leven gekomen, hoewel zij, de Schapen althans,
+deze gevaarlijke schepsels dooden, door er met de vier pooten te
+gelijk op te springen en ze zóó te verpletteren. De inboorlingen
+zijn zeer bevreesd voor alle Slangen; maar worden zelden gebeten,
+omdat zij onderweg steeds de grootst mogelijke voorzichtigheid in
+acht nemen en hunne adelaarsoogen alles opmerken, wat zich voor hen
+bevindt, om 't even of het zich beweegt of niet. Door de langdurige
+gewoonte in hooge mate omzichtig geworden, loopen zij nooit door
+een geul of stappen nooit in een kuil, die zij niet geheel overzien
+kunnen. Zij eten de Slangen, die zij eigenhandig gedood hebben, nooit
+echter die, welke in haar doodsstrijd zich zelf een beet toebrachten,
+zooals dikwijls schijnt voor te komen.
+
+In den regel vlucht de Zwarte Adder ten spoedigste, zoodra zij een
+mensch hoort of ziet; in 't nauw gebracht of vertoornd door een
+vervolging, valt zij dapper op haar belager aan; wegens de wijze
+waarop zij dit doet, noemen de kolonisten haar "Springslang".
+
+De zwarte oorspronkelijke bewoners van Australië beweren, dat de
+beet van deze Slang zelden doodelijk is voor den mensch; ook Bennett
+heeft eenige gevallen hooren noemen van menschen, die, na door
+haar gebeten te zijn, genazen, zonder eenig geneesmiddel te hebben
+gebruikt. Bedenkelijke gevolgen heeft zulk een beet altijd. Volgens
+genoemden onderzoeker, "ging een kolonist aan de Clarence-rivier, toen
+hij vernam, dat een Zwarte Adder zich in zijn huis bevond, met een stok
+gewapend op het dier af om het te dooden; hij was echter niet handig
+genoeg en werd aan den voet gebeten. De eerste gevolgen van den beet
+waren een opmerkelijke versuffing en neiging tot slapen. De gewonde
+gebruikte in- en uitwendig ammonia, insnijdingen werden gemaakt in
+het gekwetste lichaamsdeel en boven de wonde werd een stevig verband
+aangebracht; men liet den zieke heen en weer loopen, hoewel hij een
+zeer groot verlangen om te slapen te kennen gaf en ook in andere
+opzichten zich gedroeg, alsof hij met opium vergiftigd was. Uren lang
+hield deze toestand aan; langzamerhand kwam er verbetering in." Op
+soortgelijke wijze behandelen de zwarten een gebeten persoon. Uit de
+dus verkregen genezingen mag men niet afleiden, dat het gif van deze
+Slangen geen krachtige werking uitoefent, maar wel, dat niet zelden
+de hoeveelheid gif onvoldoende is om den dood te veroorzaken.
+
+Volgens de meening van jagers en inboorlingen neemt de Reuzen-ijsvogel
+de voornaamste plaats in onder de natuurlijke vijanden van de
+Zwarte Adder; bovendien wordt hiertoe gerekend een groote Hagedis,
+waarschijnlijk een Warane.
+
+Veel doeltreffender dan de werkzaamheid dezer vijanden is het vuur;
+ieder jaar wordt het verdorde gras van de weidegronden in brand
+gestoken om de vruchtbaarheid van den bodem te verhoogen door de
+overblijvende asch: duizenden Vergiftige Slangen en andere schadelijke
+dieren worden dan door het vuur gedood. Het is te verwachten, dat
+het aantal Slangen verminderen zal, naarmate de bevolking toeneemt
+en het land meer geregeld bebouwd wordt.
+
+
+
+De tweede onderfamilie van de Giftandigen omvat de Zeeslangen
+(Hydrophiinae). Zoo moeielijk het is de andere afdeelingen van
+de onderorde der Slangen te begrenzen, zoo gemakkelijk kan men de
+Zeeslangen herkennen en van alle overige onderscheiden: door haar
+roeistaart kenmerken zij zich zoo duidelijk, dat zij onmogelijk
+met andere verward kunnen worden. Bij oppervlakkige beschouwing
+gelijken zij meer op Aalachtige Visschen, dan op Slangen. Haar kop is
+betrekkelijk klein, het voorste deel van den romp bijna rolvormig,
+het overige gewoonlijk zijdelings samengedrukt; de zeer korte,
+van weerszijden buitengewoon sterk samengedrukte staart kan met een
+loodrecht geplaatste roeiriem vergeleken worden. De neusgaten zijn
+aan de bovenzijde van den snuit gelegen in groote neusschilden; de
+kleine oogen hebben een ronde pupil. De kop is altijd met groote,
+onregelmatige schilden, de romp met kleine schubben bekleed, die
+elkander dakpansgewijs bedekken of met randen aaneengevoegd zijn en
+zich aan de onderzijde slechts bij uitzondering in een smalle reeks
+van buikschilden vervormen. Het gebit van de bovenkaak bestaat uit
+korte, gegroefde giftanden, waarachter nog een aantal kleinere tandjes
+voorkomen, de onderkaak is over haar geheele lengte met massieve
+grijptanden gewapend.
+
+Met het fabelachtige monster, dat niet in de zee, maar af en
+toe in de verbeelding van de zeelieden spookt en vervolgens ook
+in de nieuwsbladen de ronde doet, hebben de Zeeslangen van de
+wetenschap niets gemeen. Geen enkele van de 50 soorten, die men heeft
+onderscheiden, bereikt een lengte van 3.5 M.; die, welke meer dan 1
+M. lang zijn, behooren reeds tot de zeer zeldzame uitzonderingen.
+
+Met den opmerkelijken lichaamsbouw van deze Slangen staan haar
+verblijfplaats en levenswijze in verband, zoodat deze onderfamilie in
+alle opzichten een goed gesloten geheel vormt. Alle Zeeslangen leven,
+zooals haar naam aanduidt, uitsluitend in de zee, komen (behoudens
+enkele uitzonderingen) nooit op het land en zwemmen evenmin uit
+eigen beweging de rivieren op. Alle brengen hare jongen levend
+ter wereld. Zij bewonen den Indischen Oceaan en de Stille Zuidzee,
+van de Kaap de Goede Hoop en de kusten van Madagaskar tot aan de
+landlengte van Panama en van Nieuw-Zeeland tot Japan, vooral echter
+die gedeelten van den Oceaan, welke tusschen de kust van Zuid-China
+en die van Noord-Australië gelegen zijn. Naar het schijnt, komen zij
+in aard, zeden en gewoonten onderling overeen.
+
+
+
+Bij de Platstaarten (Platurus) is de romp bijna rolvormig, op den
+rug dakvormig; haar schubben- en schildenkleed gelijkt op dat van de
+andere Slangen.
+
+
+
+Van de drie bekende soorten van dit geslacht komt de Geringde
+Platstaart (Platurus laticaudatus) het veelvuldigst voor en is het
+meest bekend. Haar lengte kan 1 M. bedragen. De grondkleur van de
+bovenzijde is meer of minder helder blauwachtig of groenachtig zwart,
+die van de onderzijde wisselt af van geelachtig tot guttegomgeel;
+25 à 50 zwarte ringen omgeven het geheele lichaam; een zwarte vlek
+op de kruin is aan weerszijden door een overlangschen band verbonden
+met dwarse vlekken op den achterkop en den nek.
+
+Volgens Cantor wordt deze soort in de Golf van Bengalen bij de kust
+van Pondichery, in de buurt van de Nikobaren, Andamanen en Molukken,
+van Timor, Celebes, Nieuw-Guinea en Zuid-China aangetroffen. Het
+schijnt, dat zij niet uitsluitend de zee bewoont, daar men verscheidene
+exemplaren op de kust gevonden heeft.
+
+
+
+Bij de Pelamiden (Hydrus) is de kop plat, de snuit zeer lang, de hals
+dik, de romp kort, sterk zijdelings samengedrukt, van boven stomp en
+van onderen scherp en kort.
+
+
+
+De Tweekleurige Zeeslang of Plaatjesslang (Hydrus bicolor), is van
+boven donker bruinzwart, aan de onderzijde licht geelbruin, okergeel of
+citroengeel; beide kleuren zijn scherp van elkander gescheiden, behalve
+aan het staartgedeelte, waar zij banden of vlekken vormen. Zelden
+wordt het dier meer dan 85 cM. lang.
+
+Ook de Plaatjesslang is een van de algemeenste en meest bekende soorten
+van haar onderfamilie, daar haar verbreidingsgebied zich uitstrekt
+over den Indischen Oceaan en het tusschen de keerkringen gelegen deel
+van de Stille Zuidzee. Zij komt veelvuldig voor in de nabijheid van de
+kusten van Bengalen, Malabar, Sumatra, Java, Celebes en Zuid-China,
+voorts in de Perzische Golf en aan de westkust van Midden-Amerika;
+men heeft haar echter ook in de buurt van Japan, van Madagaskar en
+zelfs van de Kaap de Goede Hoop waargenomen.
+
+
+
+Bij de Roeistaartslangen (Distira) is de kop klein en langwerpig, de
+romp lang, van voren dun en rond, van achteren dik en samengedrukt,
+de staart breed. Het schubbenkleed is bij de verschillende soorten
+ongelijk; de schubben aan het voorste derde deel van den romp zijn
+altijd echter dakpansgewijs gerangschikt.
+
+
+
+Vermelding verdient de Gestreepte Roeistaartslang (Distira
+cyanocincta), daar ook zij een van de veelvuldigst voorkomende
+Zeeslangen is. Zij kan 1.75 M. lang worden. De grondkleur van de
+bovenzijde is olijfgroen; de onderdeelen zijn groenachtig geel. De
+teekening bestaat uit 50 à 75 zwarte dwarsbanden, die zeer verschillend
+kunnen zijn: de jongen hebben ringen, die dikwijls op het midden van
+den buik ineenvloeien, maar, naarmate het dier ouder wordt, hoe langer
+hoe meer van de buikzijde terugwijken en hier verflauwen of zich in
+vlekken verdeelen, in den regel echter ten slotte tot de rughelft
+beperkt blijven en op het midden van den romp het breedst zijn.
+
+Het verbreidingsgebied van deze soort reikt van de Perzische Golf
+tot aan de Japansche Zee.
+
+
+
+Ervaren zeelieden, die den Indischen Oceaan herhaaldelijk doorkruist
+hebben en steeds nauwkeurig acht gaven op de hier voorkomende
+verschijnselen, beschouwen de aanwezigheid van Zeeslangen als een
+kenteeken van de nabijheid van het land, daar deze dieren zich slechts
+bij uitzondering ver van de kust verwijderen. Het liefst houden zij
+zich op in de breede zeearmen tusschen de eilanden. Waarschijnlijk
+trekt het betrekkelijk stille en niet al te diepe water, dat zij
+hier vinden, haar zeer aan; de belangrijkste reden voor haar voorkeur
+zal echter wel zijn, dat de dieren, die zij tot voedsel gebruiken in
+deze gedeelten der zee in overvloed voorkomen. Wel is waar heeft men
+ze soms in volle zee aangetroffen, maar dan steeds als afgedwaald
+beschouwd. In het jaar 1837 werden de kolonisten van Nieuw-Zeeland
+op hoogst onaangename wijze verrast door de ontdekking, dat zich
+in de nabijheid van hunne eilanden een groot aantal Zeeslangen
+ophielden. Gelukkig bleek de vrees, die door de verschijning van
+deze vergiftige dieren opgewekt werd, ongegrond: de vreemde gasten
+verdwenen spoedig weer; misschien zijn zij teruggekeerd naar de
+plaatsen vanwaar zij kwamen, misschien in den vreemde omgekomen. Een
+dergelijk verschijnsel werd, naar men zegt, ook in de nabijheid
+van Panama en bij Kaapstad waargenomen. Voor zoover bekend, is tot
+dusver nog nooit een dergelijke Slang naar den Atlantischen Oceaan
+afgedwaald. Soms komt het voor, dat deze dieren door den vloed tot in
+de kustrivieren worden gevoerd; ook hier neemt men ze echter altijd
+slechts gedurende korten tijd waar, daar zij in zoet water niet kunnen
+leven. Gevangen Zeeslangen sterven na 2 of 3, of hoogstens 10 dagen,
+zelfs wanneer men ze in zeewater houdt. Ook uit andere waarnemingen
+blijkt, dat deze Slangen in niet mindere mate zeedieren zijn dan de
+Cetaceeën en de Oceaanvogels; buiten de zee kunnen zij niet bestaan.
+
+Over haar levenswijze zijn, gelijk licht te begrijpen is, de
+mededeelingen verre van volledig. In tegenstelling met hare verwanten
+uit andere familiën ziet men de Zeeslangen gewoonlijk in grooten
+getale bijeen, soms in troepen, die over een zekere uitgestrektheid
+het water letterlijk vullen. Zij zwemmen hier met den kop boven water
+en doen dit op soortgelijke wijze als andere Slangen; hoewel deze,
+althans voorzoover zij slechts tijdelijk in 't water verblijf houden,
+verre bij haar achterstaan, wat lichtheid, vlugheid en bevalligheid
+van beweging betreft. Bij stil weder liggen zij schijnbaar slapend,
+niet zorgeloos, maar toch ook niet schuw aan de oppervlakte. Soms laten
+zij zich door een tusschen haar doorzeilend schip nauwelijks storen,
+terwijl een andere maal het geringste gedruisch, dat haar verdacht
+voorkomt, de nadering van een boot b.v., tot een algemeene vlucht
+aanleiding geeft: terwijl zij naar de diepte duiken, ledigen zij de
+longen; een aantal achtereenvolgens naar boven stijgende luchtbellen
+is dan het eenige, waaruit haar aanwezigheid blijkt. Dat zij tot
+aanzienlijke diepten afdalen, blijkt uit den inhoud van haar maag; ook
+heeft men opgemerkt, dat zij geruimen tijd onder water kunnen blijven.
+
+De Zeeslangen zijn zeer behendige, opvliegende en kwaadaardige dieren;
+in haar element bijten zij even woedend als andere Gifslangen op het
+land naar iederen werkelijken of denkbeeldigen vijand, zoodat ook zij
+in haar drift soms zich zelf wonden toebrengen. Door de inboorlingen,
+die het visschersbedrijf uitoefenen, worden zij te recht zeer gevreesd;
+haar gif is even werkzaam als dat van de overige Giftandige Colubriden.
+
+Het voedsel voor de Zeeslangen bestaat uit Visschen en Schaaldieren;
+deze vallen aan de jongen, gene aan de volwassenen ten buit. Alle
+Zeeslangen zijn zeer vraatzuchtig. Gewoonlijk zijn de bovenste
+waterlagen haar jachtgebied; bij stormachtig weer echter jagen zij op
+grootere diepten. Bij gevangen exemplaren heeft men kunnen waarnemen,
+dat de pupil zich sterk kan vergrooten en verkleinen, zoodat het oog
+op zeer verschillende diepten (bij velerlei lichtsterkten) dienst
+kan doen. Het volle, niet door het water verzwakte daglicht oefent
+een zoo hevige werking op haar oog uit, dat de pupil zich tot een
+stipje samentrekt en zijzelf letterlijk verblind zijn, gelijk uit
+hare onbeholpen bewegingen blijkt.
+
+Van de voortplanting der Zeeslangen is nog niet veel bekend. De
+drachtigheidsduur zal waarschijnlijk ongeveer 7 maanden bedragen. De
+jongen verbreken de eischaal bij hun geboorte en beginnen dadelijk
+de levenswijze hunner ouders.
+
+Als vijanden van de Zeeslangen heeft men de Oost-Indische Zeearend en
+de Haaien leeren kennen. In de maag van Haaien vond Peron geregeld
+overblijfselen van Zeeslangen; deze worden hoogst waarschijnlijk
+gedurende haar slaap door den Roofvisch gevangen en zonder eenige
+vrees voor de giftanden door den wijden slokdarm gestuwd. Niet
+minder gevaar loopen zij bij hevige stormen, waardoor zij dikwijls in
+menigte op het land geworpen worden. De met ruig gekielde schubben
+bekleede Zeeslangen zijn dikwijls begroeid met allerlei wieren,
+Mosdiertjes enz. en voeren soms een drijvend woud mede, dat met
+allerlei vastgehechte Schaaldiertjes bevolkt is. Dit eigenaardig kleed,
+dat misschien haar te pas komt bij het verkrijgen van haar voedsel,
+wekt in hooge mate onze belangstelling, daar het een der middelen is,
+waarvan de natuur zich bedient om aan laag ontwikkelde zeeplanten en
+zeedieren een grooter verbreidingsgebied te verschaffen. Naar het
+schijnt, spelen de Zeeslangen hierbij een belangrijke rol en zijn
+zij in staat om vele van de wezens, die haar lichaam als woonplaats
+hebben uitgekozen, over een grooten afstand te vervoeren.
+
+
+
+De laatste familie van de Slangen is die der Adders (Viperidae);
+alle hiertoe behoorende soorten zijn vergiftig en brengen, voorzoover
+men ze heeft kunnen nagaan, hare jongen levend ter wereld. Zij hebben
+een dikken romp, een platten, dikwijls driehoekigen kop, een korten,
+stompen staart, zeer korte bovenkaaksbeenderen, die geen andere
+tanden dragen dan ongegroefde, doorboorde, haakvormige giftanden,
+voorts oogen met spleetvormige, loodrecht geplaatste pupil. Door
+deze kenmerken onderscheiden zij zich doorgaans van de Slangadders,
+hoewel er overgangsvormen bestaan, die de omschrijving van deze beide
+groepen bemoeielijken.
+
+Duidelijk zijn de beide onderfamiliën, waarin men de Viperiden
+verdeelt--de Echte Adders (Viperinae) en de Groefkopadders
+(Crotalinae)--kenbaar aan de diepe groeve tusschen het neusgat en het
+oog, die bij laatstgenoemde voorkomt. De Adders bewonen uitsluitend de
+Oude Wereld en worden vooral in Afrika door een groot aantal soorten
+vertegenwoordigd. Het verbreidingsgebied van de Groefkopadders omvat
+Amerika van de Vereenigde Staten tot Patagonië en strekt zich verder
+over Azië, westwaarts tot aan de grenzen van Europa uit.
+
+
+
+Als type van het geslacht der Adders (Vipera) en van de geheele
+onderfamilie beschouwen wij de inheemsche Adder (Vipera berus). Het
+geslacht kenmerkt zich, doordat de kruin niet met schilden, maar
+met schubben bekleed is en er (behoudens zeldzame uitzonderingen)
+slechts een enkele reeks van schubben voorkomt tusschen het oog en
+de hieronder gelegen bovenlipschilden. De kleur en teekening van
+de genoemde soort varieeren zeer sterk: een donkere zigzagstreep,
+die zich langs den geheelen rug uitstrekt, is bijna altijd aanwezig
+en daarom als kenmerk van belang.
+
+Door haar gestalte onderscheidt de Adder zich van de overige inheemsche
+en de meeste Europeesche Slangen; hiervan zijn de naaste verwanten
+van de Gewone Adder, de Aspisadder en de Zandadder, natuurlijk
+uitgezonderd. De kop is van achteren aanmerkelijk breeder dan de hals,
+tamelijk plat en van voren zacht afgerond, de hals duidelijk begrensd
+en zijdelings een weinig samengedrukt, de romp merkbaar dikker dan
+de hals en even breed als hoog, de rug eenigszins, de buik sterk
+afgeplat; de betrekkelijk korte staart wordt in 't laatste derde
+gedeelte van zijn lengte in 't oog vallend dunner en loopt in een
+korte, harde spits uit. De romp neemt van den hals tot het midden van
+'t lichaam langzamerhand in dikte toe en wordt van hier weer dunner
+tot aan den staart, waarin hij zonder duidelijk merkbare afscheiding
+overgaat. Bij het mannetje is de romp korter en slanker, de staart
+daarentegen betrekkelijk langer en dikker dan bij het wijfje. De
+lengte van het volwassen mannetje bedraagt ongeveer 60 cM., zelden
+5 cM. meer, meestal minstens evenveel minder; het volwassen wijfje
+is in den regel niet meer dan 70, soms echter 81 cM. lang. Alle
+schubben hebben een meer of minder duidelijke, overlangsche kiel, die
+echter op de reeks, welke aan de buikschilden grenst, slechts flauw
+aangeduid is; de onderzijden is met breede dwarsschilden bekleed, die
+op den staart een dubbele reeks vormen. Een zeer belangrijk kenmerk
+levert het schild, dat de kloakopening bedekt (het aarsschild),
+daar het altijd ongedeeld is en dus niet uit twee schubben bestaat;
+deze eigenaardigheid komt bij geen andere inheemsche Slang voor (en
+onder de Duitsche Slangen alleen nog maar bij de Aspis-adder). Het
+aantal en de vorm der kopschilden varieeren sterk.
+
+Waarschijnlijk vindt men slechts bij weinige Slangensoorten even groote
+individueele verschillen van kleur als bij de Adder. Als regel kan men
+echter aannemen, dat de grondkleur van het mannetje met lichte, die
+van het wijfje met donkere tinten genuanceerd is; bij genen hebben
+dus witte, zilvergrijze, licht aschgrauwe, zeegroene, lichtgele
+en lichtbruine, bij deze bruingrijze, roodbruine of olijfgroene,
+zwartbruine en dergelijke kleuren de overhand. Hoe verschillend echter
+de grondkleur ook zij, een donkere, overlangsche, getakte "rugband"
+komt er merkbaar op uit en is slechts bij zeer donker gekleurde wijfjes
+en bij de zuiver zwarte variëteit weinig of niet waarneembaar. Deze
+band loopt zigzagswijs van den nek tot aan het puntje van den staart
+over den geheelen rug, aan weerszijden vergezeld door een overlangsche
+reeks van donkere vlekken. Behalve deze zigzagstreep verdient ook de
+teekening op den kop, waaraan de Adder den Duitschen naam "Kreuzotter"
+dankt, vermelding. Twee overlangsche strepen, omgeven door ongeregeld
+geplaatste vlekken en streepjes, versieren het midden van de kruin
+en komen hier dikwijls zoo dicht bijeen, dat zij elkander raken;
+zij beginnen op het oogschild, loopen naar het midden van de kruin,
+worden hier soms door een vlek van gelijke kleur verbonden, wijken
+vervolgens weer uiteen en vormen verder achterwaarts een duidelijken
+hoek, welks top naar voren is gericht; deze hoek neemt als 't ware den
+eersten scheefhoekigen vierhoek van de rugteekening tusschen zijne
+beenen op. De onderdeelen van de Adder zijn meestal donkergrijs of
+zelfs zwart; ieder schild vertoont echter in den regel een aantal
+geelachtige vlekken van buitengewoon verschillenden vorm.
+
+Het groote, ronde, vurige oog krijgt door het vooruitstekende
+bovenoogschild, waaronder het gelegen is, een eenigszins valsche
+(of fiere) uitdrukking en draagt er werkelijk toe bij om de Adder
+te kenmerken, vooral wanneer men niet vergeet, dat bij geen enkele
+andere inheemsche Slang de pupil een scheeve, van voren en boven
+naar onderen en achteren gerichte, overlangsche spleet is. Bij helder
+zonlicht krimpt deze spleet tot een nauwelijks merkbare lijn ineen;
+in het donker daarentegen verwijdt zij zich zeer sterk. De kleur van
+het regenboogvlies is gewoonlijk helder vuurrood, bij donkerkleurige
+wijfjes licht roodachtig bruin.
+
+De donkere variëteit werd lang voor een afzonderlijke soort (Vipera
+prester) gehouden. Zorgvuldiger onderzoekers vonden het echter vreemd,
+dat bijna alle Adders van deze kleur wijfjes waren; toen het bovendien
+bleek, dat hare jongen zich in geen enkel opzicht van de Gewone Adders
+onderscheiden, kon er geen sprake meer zijn van soortverschil.
+
+De Adder heeft een uitgestrekter verbreidingsgebied dan eenige andere
+Europeesche Slang en zelfs dan eenige andere landslang, daar het van
+Portugal in 't westen tot het eiland Sachalin in 't oosten reikt,
+in Skandinavië den poolcirkel overschrijdt, terwijl de zuidelijke
+grens aan de eene zijde door het midden van Spanje, aan de andere
+door het noorden van Perzië loopt.
+
+De Adder komt bij ons het meest voor in hooge veen- en droge
+zandstreken van Groningen, Friesland en Drente; ook wordt zij in
+Overijsel hier en daar, in Gelderland tusschen Arnhem en Wageningen
+(tamelijk zeldzaam) en in de omstreken van Barneveld, in Utrecht in
+de omgeving van Zeist en Driebergen, in Noordbrabant nabij Vught en
+Boxtel aangetroffen.
+
+In de Alpen ontmoet men haar nog op een hoogte van 2000 M., dus boven
+de grens van den groei der loofboomen, in oorden, waar zij hoogstens
+gedurende drie maanden van het jaar in de vrije natuur kan verkeeren,
+drievierde deel van haar leven daarentegen in winterslaap moet
+doorbrengen. Voorwaarden voor haar gedijen zijn goede schuilplaatsen,
+een voldoende voeding en zonneschijn; andere eischen schijnt zij niet
+te stellen aan de streek, die haar een woonplaats zal verschaffen. Al
+wat noodig is voor haar leven, vindt zij op steenachtige hellingen
+en rotswanden, indien deze met struikgewas begroeid zijn, op heiden,
+in het kreupelhout van bosschen, voor zoover dit opene, door de
+zon beschenen plekken bevat, vooral echter op hoogen veengrond of
+in steppen. Hier en daar zijn de Adders in zulke oorden uiterst
+veelvuldig: in het Brennerstädter-woud in Luneburg werden gedurende
+den hooitijd binnen drie dagen op een terrein van slechts weinige
+hectaren meer dan 30 van deze Slangen gedood. Om dezelfde reden zijn
+sommige heidestreken in Noord-Duitschland berucht; in de omstreken
+van Berlijn komen moerassige boschgronden voor, waar de vrouwen,
+om zich tegen adderbeten te beveiligen, bij het grasmaaien steeds
+hooge laarzen dragen. In het echte bergwoud vindt men geen Adders,
+hoewel zij een met hooge boomen begroeid terrein niet vermijden,
+wanneer de bodem er met heide begroeid is. Streken, waar zij vroeger
+niet voorkwamen, worden langzamerhand door haar ingenomen, wanneer
+de bodem er zulke veranderingen ondergaat, dat zij er veiligheid
+en buit vinden; het tegenovergestelde verschijnsel heeft plaats,
+wanneer de omstandigheden voor haar ongunstiger worden.
+
+De eigenlijke woning van de Adder is een hol, dat zij in den grond
+vindt onder boomwortels of in het gesteente, een gat van een Muis of
+een Mol, een verlaten woning van een Vos of Konijn, een kloof of iets
+dergelijks; de voorkeur geeft zij aan een schuilhoek met een klein,
+open plekje in de buurt, geschikt om er haar naar warmte begeerig
+lichaam aan de stralen van de zon bloot te stellen. Tenzij de aandrift
+tot paring haar opwindt en tot omzwervingen op ongewone tijden noopt,
+blijft zij over dag steeds in de nabijheid van haar woning, waarheen
+zij in tijd van gevaar terugkeert met een door slaapdronkenheid en
+traagheid gematigde haast. Wegens haar voorliefde voor zonneschijn
+hebben sommigen de Adder ten onrechte een dagdier genoemd. Alle
+nachtdieren, geen uitgezonderd, zijn liefhebbers van zonnewarmte,
+hoewel zij het licht schuwen; de Kat en de Uil, die zich eveneens door
+de zon laten koesteren, zijn hiervan duidelijke voorbeelden: gevangen
+Uilen bezwijken, wanneer men hen gedurende geruimen tijd het genot
+van zich aan de zonnestralen bloot te stellen geheel onthoudt. Ook
+de Adder kan er niet buiten. Het is voor dit dier, welks temperatuur
+met die van de omgeving rijst en daalt, een volstrekte behoefte,
+uren achtereen languit in den zonneschijn te liggen, een genot om
+aan het lichaam de warmte te verschaffen, die het traag omloopende
+bloed niet kan leveren.
+
+Eerst als de schemering aanvangt, begint de Adder haar arbeid, haar
+kostwinning, haar jacht. Hiervan kan ieder zich overtuigen, die een
+door Adders bewoond hok zóó inricht, dat men, zonder door de dieren
+opgemerkt te worden, zien kan, wat zij doen. Ook blijkt dit, wanneer
+men op plaatsen, waar Adders veelvuldig zijn, 's nachts een vuur
+aansteekt. De ongewone verlichting trekt de aandacht van de Adders,
+die, nu wakker zijnde, nader komen om het vreemdsoortige verschijnsel
+te leeren kennen, dicht bij het vuur kruipen, verwonderd in den gloed
+kijken en, naar het schijnt, slechts noode zich verwijderen. Des
+nachts, met behulp van vuur, kan men veel gemakkelijker Adders vangen
+dan over dag, zelfs op plaatsen, waar men ze 's middags tevergeefs
+heeft gezocht.
+
+Wie de Adder nooit anders dan over dag heeft nagegaan, noemt haar
+te recht buitengewoon traag, van beweging afkeerig, stompzinnig
+en geesteloos, zelfs wanneer men haar met geen andere dieren dan
+Slangen vergelijkt; nadat men haar des nachts bespied heeft, zal men
+van meening veranderd zijn. Hoewel de Adder ook dan in behendigheid
+en snelheid niet wedijveren kan met de slank gebouwde Heiaal of met
+de Gladde Slang, is toch van de traagheid, die zij over dag toont,
+'s nachts weinig te bespeuren. Zeer opgewekt en levendig kruipt
+de gevangen Adder door haar hok of doorkruist, als zij in de vrije
+natuur verkeert, in alle richtingen haar jachtgebied; in volkomen
+tegenspraak met haar houding gedurende den dag, let zij op al wat er
+in haar omgeving voorvalt. Uit waarnemingen en proeven is gebleken,
+dat zij zich over een vlakken bodem tamelijk snel voortkronkelt; zij
+kan niet klimmen, maar wel, zich bij scheef gegroeide stammen omhoog
+werken en weet zich ook in 't water goed te redden. Het water mijdt
+zij trouwens volstrekt niet in die mate, als gewoonlijk aangenomen
+wordt. Zij is geen waterdier, zooals de Ringslang en hare verwanten,
+maar schuwt toch het water in 't geheel niet; in een veenstreek,
+waar zij niet anders dan zwemmend van de eene droge plek naar de
+andere kan komen, gevoelt zij zich zeer goed thuis.
+
+De aard van de Adder is, voor zoover wij haar kennen, alles behalve
+innemend; de blinde, ontoombare woede, die zij in haar gramschap
+toont, wekt inderdaad afschuw. "Eens", zegt Lenz, "heb ik een Adder
+een vol uur achtereen geplaagd; zij hield niet op met te blazen
+en naar mij te bijten en bleef nog doorrazen, toen ik er genoeg
+van had. Zelfs na het wegnemen van het voorwerp, waarmede men haar
+plaagde, bijt zij, door woede vervoerd, dikwijls in de lucht, in
+hoopjes mos enz., op een door de zon beschenen plaats zelfs naar
+haar eigen of een andere schaduw. Haar lichaam is in dit geval tot
+een schijf ineengekronkeld; de hals wordt naar het midden van de
+schijf teruggetrokken en bij elke beet 15, hoogstens 30 cM. ver
+uitgestoken. Door het terugtrekken van den hals geeft zij altijd
+het voornemen om te bijten te kennen; zij bijt bijna nooit zonder
+zich op deze wijze voorbereid te hebben en trekt na het bijten even
+schielijk den hals terug, tenzij dit onmogelijk is, doordat zij zich
+vastgebeten heeft. Zelfs wanneer men haar een voorwerp van de grootte
+van een Muis voorhoudt, bijt zij dikwijls mis; bijna alle Vergiftige
+Slangen missen niet zelden haar doel. Als de Adder woedend wordt en
+bijten wil, bepaalt zij zich niet tot het terugtrekken van den hals,
+maar steekt ook (als het voorwerp, waardoor haar toorn wordt opgewekt,
+niet in haar onmiddellijke nabijheid is en zij dus den tijd heeft om
+zich te bedenken) de tong herhaaldelijk snel uit, ongeveer zoo ver
+als de lengte van den kop bedraagt; intusschen gloeien hare oogen;
+de tong, die vóór het bijten slechts zelden het voorwerp aanraakt,
+blijft gedurende het bijten verborgen. De Adder zal, als zij plotseling
+door een vijand verrast wordt en oogenblikkelijk bijt, slechts zelden
+vooraf sissen; des te meer en des te heviger hoort men dit geluid,
+indien zij meer bedenktijd heeft en haar toorn tot grooter hoogte
+stijgt. Het sissen of blazen geschiedt in den regel met gesloten bek
+en wordt veroorzaakt door een ongewoon krachtige uit- en inademing;
+het bestaat uit twee verschillende en toch onderling overeenkomende
+geluiden, die elkander ongeveer in dezelfde tijdruimte opvolgen
+als het uit- en inademen van den mensch. Steeds blaast de Adder,
+als zij toornig is, zich sterk op, zoodat zelfs magere exemplaren er
+dik en vet uitzien. In nog hoogere mate geschiedt dit, wanneer men
+haar in 't water werpt; in dit geval wordt door de opgenomen lucht
+haar soortelijk gewicht verminderd. Zij is altijd op haar hoede en
+onmiddellijk tot aanval en verdediging gereed. Daarom zal men haar
+bijna altijd, zelfs bij de minst mogelijke stoornis, met scheef
+opgeheven kopje te zien krijgen. Hoewel haar gezicht over dag zeer
+slecht is, maakt zij toch wel degelijk verschil tusschen de voorwerpen,
+die in haar nabijheid komen; men kan zich licht overtuigen, dat zij
+het liefst naar warmbloedige dieren en van deze weder het liefst
+naar Muizen bijt. Wanneer een Adder in een zeer helderen, glazen bak,
+wordt opgesloten, zal men zien, dat zij veel liever den kop beweegt
+naar de bloote hand, indien deze tegen den buitenkant van het glas
+wordt gehouden, dan naar een mouw, een stokje, enz.
+
+"Gevangen Adders, die een ruime kist bewonen, leven in vrede met
+allerlei kleine dieren behalve met Muizen; Hagedissen, Vorschen en
+Vogeltjes, die aan het gezelschap van den Adder gewoon waren geraakt,
+heb ik dikwijls rustig op haar zien zitten om zich in de zon te
+koesteren; ook in de vrije natuur heb ik wel Adders aangetroffen,
+waarop Hagedissen zich hadden neergevleid. Andere Slangen en
+Hazelwormen gaan eveneens gaarne naast, op en onder de Adder liggen
+en behandelen haar dus als ware zij een soortgenoot. Dat Kevers over
+haar lichaam loopen, schijnt haar niet te hinderen; van haar kop
+schudt zij hen af, zonder boos te worden.
+
+"Algemeen verbreid is de meening, dat de Adder springen kan en
+in gramschap haar tegenstander zelfs over een grooten afstand
+vervolgt. Zoomin ik als mijn slangenvanger hebben ooit iets van dien
+aard gezien of vernomen van personen, die goed met Adders bekend
+zijn. Wanneer de Adder plotseling overvallen wordt, terwijl zij
+uitgestrekt op den grond ligt, kan het voorkomen, dat zij zich den tijd
+niet gunt om het geheele lichaam schijfvormig op te rollen, maar zich
+bepaalt tot het terugtrekken van den hals en onmiddellijk daarna met
+het doel om te bijten den kop schielijk vooruitwerpt; het gebeurt soms,
+dat deze beweging ook het overige lichaam een weinig vooruit doet gaan.
+
+"De Adder, die tusschen gras of struikgewas verborgen ligt en door den
+voorbijganger niet opgemerkt zou worden, indien zij zich stilhield,
+verraadt dikwijls in blinde woede haar aanwezigheid door woest
+te sissen en te bijten, zoodat de wandelaar haar dikwijls eerst
+bespeurt, nadat zij hem in 't been of althans in den broek of in
+de laarzen gebeten heeft. Soms vlucht zij na den eersten of tweeden
+beet; soms sluipt zij weg zonder eenige daad van vijandschap, zoodra
+zij menschen in haar nabijheid bemerkt. Des nachts, als zij volkomen
+wakker is, handelt zij waarschijnlijk in den regel op de laatstgenoemde
+wijze. Dit verklaart het opmerkelijk feit, dat gedurende den nacht
+zulke aanvallen veel zeldzamer voorkomen dan men vermoeden zou,
+al houdt men rekening met het minder drukke verkeer op de liefste
+verblijfplaatsen der Adders na zonsondergang."
+
+De Adder voedt zich bij voorkeur, maar niet uitsluitend met
+warmbloedige dieren; Muizen heeft zij liever dan eenigen anderen
+buit. Het meest hebben de Aard- of Akkermuizen van haar te lijden,
+"daar zij de langzaamste en goedaardigste van alle inheemsche Muizen
+zijn, veel minder de vlugge, sluwe Veldmuizen. Spitsmuizen worden
+niet verschoond. Hoewel ik nog nooit een Mol in de maag van een
+Adder heb gevonden, twijfel ik er volstrekt niet aan, dat zij bij
+'t ontdekken van een nestje vol jongen, smakelijk smullen zou van
+dezen vetten buit." Dat zij de Muizen niet slechts boven, maar ook
+onder den grond vangt, blijkt uit de onderzoekingen van Lenz, die
+in de maag van de door hem ontlede Adders dikwijls jonge, volkomen
+onbehaarde Muizen of Spitsmuizen vond, welke niet anders dan uit
+het onderaardsche nest verkregen kunnen zijn. Het is volstrekt niet
+onwaarschijnlijk, dat de Adder vele nesten plundert van Vogels, die
+op den grond broeden. Men kan dit afleiden uit het geschreeuw en de
+van groote onrust getuigende bewegingen der oude Vogels bij het zien
+van een Adder. Vorschen eet de Adder vermoedelijk slechts in geval
+van nood, Hagedissen alleen gedurende haar jeugd.
+
+Evenals andere Slangen, kan de Adder zonder bezwaar geruimen tijd
+vasten; des te meer voedsel gebruikt zij, wanneer haar jacht gelukkig
+was.
+
+Het zomerleven van de Adder begint eerst in April, ofschoon men haar
+bij gunstige weersgesteldheid reeds omstreeks het midden van Maart
+buiten haar winterherberg ziet; bij uitzondering, als het buitengewoon
+zacht weer is, vertoonen enkele exemplaren zich reeds vroeger, zelfs
+midden in den winter, in de open lucht. In de als winterverblijf
+dienende holen vindt men in den regel tamelijk vele Adders bijeen. Een
+arbeider te Ees bij Assen vond, terwijl hij bezig was veen te hakken,
+den 7en December 1852, op een plekje grond ter grootte van 1 M2 56
+Adders; achtereenvolgens werden op hetzelfde stuk land meer dan 500
+Adders gedood. (Maitland.)
+
+Volgens de onderzoekingen van Lenz paren de Adders eerst, als zij
+bijna haar vollen wasdom bereikt hebben; geen van de exemplaren,
+welker lichaam rijpe eieren bevatte, was korter dan 50 cM. Het
+aantal jongen hangt af van den leeftijd en de grootte van het wijfje:
+bij jonge wijfjes bedraagt het 5 of 6, bij anderen 12 à 14 of zelfs
+16. Nauwelijks is het ei gelegd, of het daarin aanwezige jong strekt
+zich, verscheurt de fijne eischaal en kruipt er uit. Bij de geboorte
+heeft het lichaam een lengte van 18 à 23 cM. of nog iets meer en in
+'t midden een dikte van ongeveer 1 cM. De kop, de schilden, schubben,
+tanden, tandscheeden, enz. hebben denzelfden vorm als bij de volwassen
+dieren; het lichaam is echter met een zeer fijne, doorzichtige,
+los aanliggende opperhuid bekleed, waardoor de kleur veel lichter
+schijnt. Weinige minuten of uren na de geboorte wordt deze opperhuid
+afgeworpen; de vervelling is dus de eerste belangrijke verrichting
+van het zelfstandige dier. Uit proeven en waarnemingen blijkt, dat
+Adders, weinige minuten nadat zij uit het ei zijn gekomen, reeds een
+dier vergiftigen kunnen.
+
+De Adder blijft in de vrije natuur boosaardig tot aan haar einde;
+hetzelfde geldt van het gevangen dier. Hoewel zij haar zinnelooze
+woede mettertijd eenigszins bedwingt en minder dikwijls bijt dan in
+den beginne, laat zij zich nooit werkelijk temmen. Daar men haar
+nooit kan leeren niet meer naar haar verzorger te bijten, blijft
+de omgang met de Adder steeds gevaarlijk. Opmerkelijk is het, dat
+gevangen exemplaren zelfs bij de zorgvuldigste verpleging slechts
+bij uitzondering voedsel aannemen. Wel geschiedt dit soms, wanneer
+men haar hok op zulk een wijze inricht, dat het zoo getrouw mogelijk
+een van hare lievelingsplekjes in de vrije natuur nabootst. In den
+regel echter wijden deze dieren zich aan den hongerdood; men kan ze
+zelden langer dan 9 maanden behouden.
+
+Hoewel van alle inheemsche Slangen de Adder het krachtigst medewerkt
+tot de verdelging van schadelijke dieren, is niemand haar dankbaar
+voor de diensten, die zij bewijst; ieder tracht haar te dooden waar en
+hoe hij kan. Geen enkel inheemsch dier verdient deze onmeedoogende
+vervolging zoozeer als de Adder. Nog steeds komen gevallen voor
+van menschen, die aan de gevolgen van een adderbeet gestorven
+zijn of hierdoor in gevaar hebben verkeerd. Vele van deze gevallen
+blijven onbekend; hun aantal kan dus niet met juistheid opgegeven
+worden. Linck, die het gemiddeld aantal sterfgevallen van menschen
+door adderbeten voor Duitschland op 2 per jaar stelt en het aantal van
+hen, die gebeten worden, maar er het leven afbrengen, op 40 begroot,
+is waarschijnlijk niet ver van de waarheid. I. Blum deelt mede, dat,
+volgens geloofwaardige door hem verzamelde berichten, gedurende
+de jaren 1879-1888 in Duitschland 17 sterfgevallen tengevolge van
+adderbeten voorgekomen zijn. Vergiftigingen zonder doodelijken
+afloop komen zeer dikwijls voor; niet zelden brachten zij ernstige
+ziekteverschijnselen en zelfs een langdurig lijden teweeg. Door een
+enkel druppeltje addergif kan een lang leven vergiftigd worden.
+
+Ieder, die uit overdreven genegenheid voor de dieren de Slangen in
+bescherming neemt, bezondigt zich aan de menschen. Beter zou het zijn,
+dat alle Slangen, de schuldige zoowel als de onschuldige, uitgeroeid
+werden, dan dat één mensch door den beet van een vergiftige Slang
+het leven verliest, of door haar helsch vergif tot een onafgebroken
+lijden wordt gedoemd. Het is daarom dringend noodig, dat bescherming
+worde verleend aan de natuurlijke vijanden van de Adder, vooral aan
+de Bunzing, den Egel en den Slangenbuizerd, en dat geen kwartier
+worde gegeven aan het venijnig ongedierte! Het is wenschelijk, dat
+ieder onderwijzer zijne leerlingen bekend make met de Adder, hun
+leere om zonder gevaar voor zichzelf zulk een dier te dooden, als zij
+het vinden. Ieder vader zou zijne kinderen kunnen vertellen, dat een
+enkele flinke slag met een stokje op de ruggegraat van de Adder haar
+het leven doet verliezen, hoe taai dit overigens ook zij! Laten zij
+echter nimmer de roekeloosheid begaan van het gevelde dier op te nemen,
+wanneer zij onbekend zijn met de voorzorgsmaatregelen, die hierbij in
+acht genomen moeten worden; het dier behoudt nog lang nadat het den
+doodelijken slag ontvangen heeft, het vermogen om zich te bewegen;
+de gevaarlijkheid van de giftanden blijft onverminderd bestaan,
+nadat de kop van den romp gescheiden is. De afgehouwen slangenkop
+bijt nagenoeg even woedend om zich heen als vroeger, toen de Slang
+nog leefde; minuten, ja zelfs een half uur na de onthoofding richt
+hij zich nog steeds naar de zijde, van waar hij zich bedreigd acht;
+hieruit blijkt, dat de weinig omvangrijke en niet zeer ontwikkelde
+hersenen nog zeer lang haar werkzaamheid behouden. Het gif verliest
+zijn schadelijke werking volstrekt niet door den dood van het dier;
+zelfs het gedroogde gif, dat weder geweekt werd, is nog in staat
+om het bloed van een Zoogdier te bederven. Voorzichtigheid moet dus
+ingeprent worden aan ieder, die den lust en den wil openbaart om mede
+te werken tot vermindering van het aantal Vergiftige Slangen.
+
+Over de behandeling van hen, die het ongeluk hadden door een Adder
+gebeten te worden, verwijzen wij naar hetgeen hierover vroeger werd
+medegedeeld.
+
+
+
+In het zuidwesten van Europa wordt de Adder gedeeltelijk vervangen
+door een verwante soort, die meer dan eenige andere aanspraak heeft
+op den naam "Vipera", daar zij aan de Romeinen der oudheid het meest
+bekend was en door hen "Vivipara" (de levendbarende) werd genoemd. Zij
+wordt gewoonlijk als het type van het geslacht Vipera aangezien; de
+eigenaardigheden, waardoor zij zich van onze Adder onderscheidt, zijn
+echter van zoo ondergeschikt belang, dat men de slangenkenners, die
+beide--de Gewone Adder en de Aspis-adder (Vipera aspis, V. Redii)--als
+onderafdeelingen van dezelfde soort aangemerkt willen hebben, niet
+terstond ongelijk kan geven. Terwijl bij de Gewone Adder de voorkop
+met duidelijke schildjes bekleed is, bestaat bij de Aspis-adder de
+bedekking van dit lichaamsdeel uit platte of een weinig dakvormig
+uitpuilende schubben, waaronder er zelden meer dan één is, die zich
+door haar grootte eenigszins van de overige onderscheidt. De Gewone
+Adder heeft gewoonlijk één rij van kleine schubjes tusschen het oog en
+de bovenlipschilden; bij de Aspis-adder komen altijd twee dergelijke
+reeksen van schubjes voor. Bovendien is de spits van den snuit bij
+de laatstgenoemde een weinig verheven en de kant van den snuit boven
+de teugelstreek scherper. In deze opzichten verschillen beide Adders
+standvastig van elkander, overigens komen zij overeen; slechts na
+nauwkeurige onderzoeking en vergelijking vallen de kenmerken in
+'t oog, die ons veroorloven de eene van de andere te onderscheiden.
+
+De Aspis-adder bereikt bijna volkomen dezelfde grootte als de Gewone
+Adder, maar heeft meestal een eenigszins meer gedrongen lichaamsbouw
+en een breederen kop. Op den rug ziet men niet, of althans veel
+zeldzamer dan bij de Gewone Adder, een samenhangende, getakte band,
+maar eenvoudig groote, vaneengescheiden vlekken, die echter geheel
+op dezelfde wijze gerangschikt zijn als die, welke den rugband van
+de Gewone Adder vormen. De grondkleur, waarop de donkere teekening
+uitkomt, kan ook hier verschillende tinten vertoonen, van effen
+witachtig grijs tot aschgrauw of grijsgroen en van lichtbruinachtig
+tot koperrood of bruinzwart varieeren. Evenals bij de Gewone Adder,
+zijn ook bij de Aspis-adder, de mannetjes gewoonlijk lichter van
+kleur dan de wijfjes.
+
+De Aspis-adder bewoont een groot deel van Frankrijk, komt in
+Zwitserland veelvuldig voor in de Jura en in eenige deelen van de
+kantons Waadtland, Wallis en Zuid-Tessino, is in Italië, met inbegrip
+van Sicilië, doch met uitzondering van Sardinië de algemeenste van
+alle Vergiftige Slangen, wordt echter reeds in Dalmatië en Griekenland
+en in Noord-Afrika niet meer aangetroffen. Binnen de grenzen van
+Duitschland beperkt zich haar verbreidingsgebied tot Lotharingen
+en het zuiden van het Schwarzwald. In Oostenrijk heeft men haar met
+zekerheid slechts in Tirol herkend.
+
+In aard en gewoonten gelijkt de Aspis-adder zeer veel op de
+Gewone. Hare bewegingen zijn langzaam en zeer plomp. Zij is
+bevreesd voor den mensch, tracht hem te ontvluchten en maakt van
+hare verdedigingsmiddelen alleen dan gebruik, wanneer men haar
+vlucht verhindert, haar aanraakt of den voet op haar zet; ook bijt
+zij in den stok of in andere voorwerpen, die men gebruikt om haar te
+vangen. Waarschijnlijk gebruikt zij hetzelfde voedsel als de Gewone
+Adder en maakt dus bij voorkeur op verschillende soorten van Muizen
+jacht.
+
+Ook in gevangenschap gedraagt zij zich als haar bij ons inheemsche
+verwante. Nooit slaagt men er in haar eenigszins te temmen; hoewel na
+een verblijf van eenige maanden in het hok haar opgewektheid verminderd
+is, tracht zij nog een half jaar na het verlies van haar vrijheid haar
+verzorger te bijten. Zelden kan men haar bewegen voedsel te gebruiken;
+eenige van Wyders gevangenen bleven 16 maanden lang zonder voedsel,
+hoewel zij dikwijls water dronken. Evenals de Gewone Adder spuwt zij,
+kort nadat men haar gevangen heeft, het nog in de maag aanwezige
+voedsel uit. Een zeer dik exemplaar, dat bij gebrek aan een andere
+bewaarplaats in een herberg een waterkaraf tot woning kreeg, had tot
+verrassing der toeschouwers den volgenden morgen een grooten Mol bij
+zich. Het verwijderen van dit doode dier kostte meer moeite dan er
+noodig was geweest om de Adder met den door haar verzwolgen buit in de
+flesch te brengen. De Aspis-adder leeft in de vrije natuur zoowel als
+in de kooi met andere Slangen in vrede; deze vreezen haar niet. Tegen
+Huismuizen en Ratten neemt zij echter dadelijk een dreigende houding
+aan. De door haar gebeten Muis sterft aan deze enkele wonde binnen
+5 minuten, een Rat eerst na 20 minuten en zelden zonder vooraf wraak
+te nemen op haar vergiftigen vijand.
+
+Francesco Redi (in 1697 als lijfarts van den Groothertog van Toscane te
+Pisa overleden) heeft de ongegrondheid aangetoond van de meeningen der
+ouden, die de zetel van het vergif van de Aspis-adder in de galblaas,
+het speeksel en zelfs in de spits van den staart zochten. Uit
+zijne proeven bleek de vergiftige werking van het gele vocht, dat
+bij levende en doode dieren in de slijmvliesscheeden van de groote
+bovenkaakstanden gevonden wordt. Fontana heeft in het einde van de
+18e eeuw deze onderzoekingen voortgezet. Hij liet meer dan 4000 dieren
+bijten door Aspis-adders, waarvan meer dan 3000 exemplaren voor deze
+proefnemingen dienst deden. Met alle bekende tegenmiddelen werden
+proeven genomen, niet slechts bij een enkel dier, maar bij vele te
+gelijk; de slotsom van al deze onderzoekingen was, dat strikt genomen
+van geen der bedoelde middelen genezing kan worden verwacht. Fontana
+was van oordeel, dat de beet van één Aspis-adder niet voldoende zou
+zijn om een mensch te dooden, maar dat hiervoor wel 5 of 6 beten
+vereischt worden: ongelukkig is deze meening onjuist gebleken; ons
+zijn wel niet vele, maar toch eenige gevallen bekend van menschen,
+die aan de gevolgen van één adderbeet stierven.
+
+
+
+Een derde Europeesche Vergiftige Slang, de Zandadder (Vipera
+ammodytes), is kenbaar aan een eigenaardigheid van de spits van den
+snuit, die een met schubben bedekt, zacht hoornachtig verlengstuk
+draagt, dat op een kegelvormige wrat gelijkt. Van onze Adder verschilt
+zij, door de bedekking van den kop, waarop zich evenals bij de vorige
+soort, behalve de bovenoogschilden, geen groote platen bevinden. Door
+gestalte en zelfs door kleur en teekening vertoont deze Adder met de
+beide vorige soorten een groote overeenkomst. Evenals bij deze, is ook
+bij haar de grondkleur zeer veranderlijk, meestal geelbruinachtig, doch
+ook wel grijsachtig wit, bij enkele exemplaren in meerdere of mindere
+mate rood getint, bij sommige zelfs fraai rozerood. De teekening
+bestaat uit een bruinen, getakten band, die in den nek begint, zich
+over den geheelen rug en den staart uitstrekt en uit langwerpige,
+ruitvormige vlekken is samengesteld, die ieder door twee overstaande
+hoeken met de vorige en de volgende verbonden zijn. De rugband is
+aan weerszijden begrensd door een zwarte lijn en komt hierdoor beter
+uit. De schilden van de onderzijde zijn op geelachtigen grond zwart
+gestippeld en gevlekt. De grondkleur kan zeer verschillend en de
+rugband meer of minder duidelijk zijn, steeds echter is de Zandadder
+gemakkelijk te herkennen aan het uitwas op haar neus. De staart is
+van onderen bij de spits vurig steenrood van kleur. Exemplaren van
+95 cM. lengte behooren tot de zeldzaamheden; toch is deze Adder over
+'t algemeen eenige cM. langer dan hare reeds genoemde verwanten.
+
+De Zandadder bewoont Italië, het Oostenrijksche Alpengebied, Istrië,
+Dalmatië, het zuiden van Hongarije en Zevenburgen, het Grieksche
+schiereiland en nagenoeg alle Grieksche eilanden, Turkije, Syrië,
+Klein-Azië en Turksch- zoowel als Russisch-Armenië.
+
+E. Schreiber noemt de Zandadder een volslagen nachtdier; zelfs in
+oorden, waar zij tot de algemeenste Slangen behoort, ontmoet men haar
+over dag meestal slechts zelden. Het liefst nog verlaat zij over dag
+haar schuilplaats na een warmen onweersregen, vooral wanneer deze
+onmiddellijk gevolgd wordt door zonneschijn. Des nachts daarentegen
+komt zij geregelder te voorschijn; vooral bij lichte maan kan men haar
+op geschikte plaatsen dikwijls in grooten getale zien rondkruipen om
+voedsel te zoeken. Niet overal trouwens kiest deze Slang hetzelfde
+terrein tot woonplaats; in vele gewesten, o. a. in de Zuidelijke
+Alpen en den Karst, treft men haar uitsluitend in kalksteengebergten
+aan, vooral in dorre, met struikgewas schaars begroeide oorden; op
+het Balkan-schiereiland daarentegen is zij vooral in de wijnbergen
+veelvuldig. In de echte vlakten zal zij trouwens slechts zelden
+voorkomen; meer algemeen ontmoet men haar althans in heuvelachtige
+of bergachtige streken.
+
+Volgens Erber voedt de Zandadder zich met Muizen, Vogels en Hagedissen;
+de Vogels weet zij zeer listig te besluipen; de argelooze gevederde
+zanger krijgt dikwijls te midden van zijn gezang een doodelijken
+beet. "Meestal jammerlijk schreeuwend verheft de gewonde Vogel zich
+nog eens in de lucht; onmiddellijk daarna stort hij echter ter aarde,
+sterft binnen weinige minuten en wordt door de Slang verzwolgen."
+
+De eerste Zandadders, die Effeldt kreeg, werden hem toegezonden met
+de opmerking, dat zij in de gevangenschap nooit voedsel aannemen; het
+tegendeel bleek echter juist bij deze exemplaren; één van hen greep en
+verzwolg zonder aarzeling de Muis, die in het hok geworpen werd. Later
+gebeurde hetzelfde herhaaldelijk; enkele exemplaren onderscheidden zich
+zelfs door vraatzucht, ontnamen het voedsel aan hunne soortgenooten
+en verwanten, scheurden zwakkere individuën onder woedend gesis de
+half verzwolgen Muizen uit den bek en verzadigden zich, terwijl de
+andere gebrek moesten lijden. Doode Muizen werden niet versmaad,
+ten slotte geraakten de Slangen zoozeer gewoon aan dit voedsel,
+dat zij het niet meer noodig achtten hare wapens te gebruiken bij
+het grijpen van een Muis, om 't even of deze dood was of niet.
+
+De Zandadder leeft in zeer goede harmonie met andere Slangen, ook met
+de niet-vergiftige; over 't geheel genomen is zij een betrekkelijk
+vreedzaam dier, dat zich om andere dieren, natuurlijk met uitzondering
+van Muizen en Vogels, in 't geheel niet bekommert, zoolang men haar met
+vrede laat. Jegens haar verzorger toont zij van den aanvang af minder
+lust tot bijten dan de Gewone Adder; bovendien wijzigt zij haar gedrag
+tot op zekere hoogte naar de omstandigheden, laat zich althans in
+meerdere mate temmen dan haar inheemsche verwante en behoort derhalve
+tot de weinige Vergiftige Slangen, die den dierenliefhebber werkelijk
+eenige voldoening schenken. Toch blijft ook zij altijd gevaarlijk.
+
+"Mijn ervaring over de werking van haar beet op menschen," verhaalt
+Erber, "bepaalt zich tot één enkel geval, dat ongelukkigerwijs mijn
+vrouw betreft. Ik deel deze gebeurtenis met hare eigene woorden
+mede. "Gedurende de afwezigheid van mijn man had ik te zorgen voor
+de voedering van de gevangen Reptiliën en Amphibiën en voor het
+schoonhouden hunner hokken. Om de Zandadders met versch water te
+voorzien, plaatste ik de drie kooien, waarin zij zich bevonden, op
+een tafel, opende ze een voor een en stak aan de gevaarlijke dieren
+met een langen tang hun waterbak toe. Intusschen werd er aan de deur
+gescheld; ik verwijderde mij om de deur te openen, maar vergat in mijn
+haast het hok van de Adders te sluiten. Toen ik weer in de kamer kwam,
+zag ik tot mijn grooten schrik, dat een van de Zandadders reeds met
+de helft van haar lichaam buiten de kooi was gekropen. Verschrikt en
+beangst, wist ik niet, wat te doen, had niet zooveel overleg om met
+de tang het gevaarlijke dier in de kooi terug te brengen, maar vatte
+het onbedachtzaam met de hand aan en wierp het weer in het hok. Dit
+duurde slechts een oogenblik; maar hoe vlug ik ook te werk was gegaan,
+toch was de Adder, toen ik de kooi sloot, vergramd opgesprongen en
+had mij in den linker arm gebeten. Ik werd door den plotselingen
+aanval van de Slang zoo verschrikt, dat ik mijn wonde een tijdlang
+wezenloos aanstaarde. In 't eerst was er niets bijzonders aan te
+zien; het was eenvoudig een zeer kleine schram, zooals een naald
+zou kunnen veroorzaken. Het volslagen afwezig zijn van pijn stelde
+mij gerust; ik achtte de zaak niet gevaarlijk. Kort daarna werd ik
+echter door een duizeling bevangen en gevoelde mij zoo onpasselijk,
+dat ik moest gaan zitten; tevens gevoelde ik een hevige, stekende
+pijn op de gebeten plaats; deze begon, gelijk ik toen eerst zag,
+groenachtig te worden, tevens kromp de schram in 't midden van de vlek
+in. Daar de pijn voortdurend toenam, kwam ik tot de overtuiging, dat
+het geraden was een van de gewelddadige middelen aan te wenden, die
+bij de behandeling van dergelijke wonden gebruikelijk zijn, namelijk
+het uitsnijden, uitzuigen of uitbranden van de gebeten plek. Ik nam
+dus met de tang een strijkijzerbout, die juist in het vuur lag, en
+drukte dezen dapper tegen de wonde. Er ontstond op de gebrande plaats
+een groote, donker gekleurde blaar, door vele kleinere, roodachtige
+blaren omgeven. Daar de spanning van de huid weldra onuitstaanbaar
+werd, knipte ik de blaar door; er kwam een vuil, zwartachtig vocht
+uit, dat ik ondanks de hevige pijn zoo volledig mogelijk uit de wonde
+drukte. Deze werd daarna zorgvuldig verbonden en was tot mijn niet
+geringe blijdschap na verloop van 8 dagen volkomen genezen."
+
+Dat niet alle gevallen zoo gunstig afloopen, blijkt uit de
+mededeelingen van Erhard. "Voor de Grieksche wijngaardeniers, die
+gewoonlijk barrevoets hun arbeid verrichten en meer bepaaldelijk voor
+de kinderen wordt de Zandadder niet zelden noodlottig. Haar gif heeft
+een veel heviger werking dan dat van de Italiaansche Aspis-adder,
+zoodat van haar beet in 't warme jaargetijde voor een kind of een
+zwak mensch doodelijke gevolgen te duchten zijn. Gelukkig is zij zeer
+traag. Daar zij nooit uit eigen beweging aanvalt, maar alleen bijt,
+wanneer men bij toeval op haar trapt, zou men haar onschadelijk kunnen
+noemen, indien de menschen, ondanks hun vrees voor deze Slang, zich
+niet met echt Grieksche onbezonnenheid aan hare beten blootstelden."
+
+
+
+Een van de grootste, gevaarlijkste en meest bekende Adders van de
+tropische en gematigde gewesten van Afrika is de Pofadder (Vipera
+arietans). Zij bereikt een lengte van 1.47 à 1.63 M.; de laatstgenoemde
+maat zal wel nooit door deze soort overschreden worden. Niet ten
+onrechte wordt zij een van de leelijkste van alle Slangen genoemd;
+dit geldt echter slechts van haar vorm, niet van haar kleur. Günther
+zegt: "Men heeft de Adders de Padden onder de Slangen genoemd; deze
+vergelijking wordt het best gerechtvaardigd door op de Pofadder te
+wijzen." Werkelijk herinnert deze Slang door haar platten en breeden
+kop met ver uitpuilende oogen en door haar wanstaltig dik lichaam
+aan een Pad. Tot op zekere hoogte varieeren haar kleur en teekening;
+bijzonder in 't oogvallend zijn deze afwijkingen echter niet, wanneer
+men bedenkt, dat de Pofadder, evenals iedere andere Slang, kort na de
+vervelling de zuiverste kleur vertoont. De aanvankelijk helder zandgele
+grondkleur van den romp wordt tot aan de volgende vervelling allengs
+donkerder; dit geschiedt in sommige gevallen sterker dan in andere. De
+rug prijkt met hoefijzervormige, donkere banden, waartusschen lichte
+velden overblijven; ook op den kop komen dergelijke teekeningen
+voor. De onderzijde is lichtgeel met zwarte vlekken.
+
+De Pofadder bewoont geheel Afrika bezuiden 17° N.B.; aan de westkust
+is zij algemeen, in het zuidoosten nergens zeldzaam, in het binnenland
+waarschijnlijk overal verbreid, nader bij de zuidspits komt zij minder
+overvloedig voor.
+
+De naam van deze Slang is ontleend aan het hevige gesis, dat zij
+voortbrengt, zoodra zij gestoord of, wat op 't zelfde neerkomt, tot
+gramschap vervoerd wordt. Zij blaast zich dan gewoonlijk zoo sterk
+op, dat de omvang van haar romp bijna verdubbelt. Tevens verheft
+zij den kop tot 30 cM. boven den bodem, volgt met gloeiende oogen
+iedere beweging van den naderenden tegenstander en wacht het gunstige
+oogenblik af om den kop naar voren te werpen.
+
+Over het leven van de Pofadder in vrijen toestand is weinig bekend;
+misschien levert het niet veel opmerkelijks op. Zij onderscheidt
+zich door haar traagheid, beweegt zich uiterst langzaam en maakt
+alleen als zij bijten zal, een bliksemsnelle beweging in de richting
+van haar prooi, waarbij het lichaam meestal min of meer om zijn as
+draait. Over dag ligt zij gewoonlijk stil in de struiken of in het
+lange gras verborgen, des nachts kruipt zij rond en komt dan met
+het doel om Muizen te vangen dikwijls in de nabijheid van woningen,
+hetwelk niet zelden aanleiding geeft tot ongelukken. Een vrouw in
+de Transvaal, die in het donker naar buiten ging, trapte bij het
+verlaten van haar huis op een vóór de deur liggende Pofadder, werd
+gebeten en stierf in den loop van den volgenden dag. Nog meer gevaar
+levert deze Slang op voor het grazende, kleine vee of voor Jachthonden,
+daar zij zich te weer stelt, als zij door struiken gedekt is.
+
+De voeding, waarschijnlijk ook de voortplanting van de Pofadder, zal
+wel niet veel verschillen van die der overige Adders. Ook zij maakt
+uitsluitend jacht op allerlei soorten van klein wild, waarschijnlijk
+vooral op Ratten, Muizen, Aardeekhoorntjes en dergelijke Knaagdieren;
+nu en dan vangt zij ook wel een Vogel, die onbedachtzaam zijn
+gevaarlijken vijand nadert.
+
+Een woedende Pofadder levert een schrikwekkend schouwspel op. "Eens",
+verhaalt Drayson, "zag ik een wijfje van deze soort op het toppunt
+van woede. Zij was met hare jongen door eenige Kaffers uit haar
+schuilhoek, een omgevallen boomstam, opgejaagd en was blijkbaar van
+zins zich te verdedigen. De Kaffers besloten de geheele familie te
+dooden, maar waagden het niet in de nabijheid van het woedende dier
+te komen. Toevallig kwam ik kort na het vinden van het Slangennest
+bij de toen nog besluitelooze mannen, leidde den aanval, liet hen
+groote steenen aanbrengen en met deze den strijd aanvangen. Na
+weinige minuten was het doldriftige dier met zijne jongen gedood;
+alle werden op een hoop hout gelegd en verbrand, om te verhoeden,
+dat een der barrevoets loopende mannen, toevallig op een adderkop
+trappend, zich zou wonden aan de giftanden, die nog lang na den dood
+hun doodelijke werking behouden".
+
+Drayson noemt het een opmerkelijk feit, dat in Zuid-Afrika, waar het
+krioelt van Vergiftige Slangen, deze dieren zoo zelden een ongeluk
+veroorzaken. Voor een groot deel is dit misschien een gevolg van de
+vreesachtigheid der Slangen; de Pofadder evenwel behoort niet tot die
+soorten, welke haar heil in de vlucht zoeken, als een mensch haar
+nadert: over dag laat zij dit na uit traagheid en des nachts uit
+domheid of boosaardigheid, of omdat zij te zeer overtuigd is van de
+onfeilbaarheid harer wapens. Meestal echter reist men in Zuid-Afrika
+te paard of in een wagen en is hierdoor beter nog dan de inboorling
+door zijn scherpzichtig oog tegen de Slangen beveiligd; bovendien zijn
+de gevaarlijkste soorten van Slangen eerst na zonsondergang wakker
+en wordt de reis slechts zelden gedurende den nacht voortgezet. In
+'t open veld overnachtend, wordt het kamp omringd met een kring van
+vuren, die de Vergiftige Slangen wel is waar aanlokken, maar toch
+het binnenste van het kamp tegen hen beveiligen; daar de dieren,
+naar mij bij ervaring gebleken is, wijselijk omkeeren, als zij zeer
+dicht bij de vlam gekomen zijn.
+
+Van alle Adders, die men tot dusver in gevangenschap heeft gehouden,
+neemt de Pofadder misschien het gemakkelijkst voedsel aan. Het is niet
+moeielijk de eischen, die zij aan het leven stelt te bevredigen. Een
+warm hok, welks vloer met zand of kiezelsteentjes bestrooid is en
+af en toe een voor haar geschikte buit zijn voldoende. Men ziet haar
+daarom zeer dikwijls in dierentuinen.
+
+
+
+Geen der Vergiftige Slangen heeft naast de Aspis meer de aandacht
+van de ouden getrokken dan de Egyptische Cerastes of Gehoornde Adder
+(Cerastes cornutus), behoorende tot een gelijknamig geslacht, dat
+zich van het vorige onderscheidt door de kleine, halvemaanvormige
+neusgaten, het soms aanwezige, soms ontbrekende, stekelige hoorntje
+boven het kleine oog, maar vooral door de schubben, die aan de zijden
+van den romp op schuinsche rijen staan en ieder voorzien zijn met
+een stompe, korte kiel, die den top van de schub niet bereikt. De
+bedoelde, veelvuldig voorkomende en meest bekende soort bereikt een
+lengte van hoogstens 65 cM. en verraadt zich op het eerste gezicht
+als een kind der woestijn, daar de kleur van haar schubbenkleed als
+'t ware een afspiegeling is van die van het zand; zij is meer of
+minder levendig geel met bruinachtige tint en prijkt met bruine,
+hoekige of rondachtige dwarsvlekken.
+
+Het beeld van den Cerastes komt in de heilige schrijftaal van de
+oude Egyptenaars veelvuldig voor, daar zijn oorspronkelijke naam "Fi"
+later gebruikt werd om de klank F voor te stellen.
+
+Het verbreidingsgebied van deze Adder strekt zich uit over geheel
+Noord-Afrika, met uitzondering van Marokko, en over Steenachtig en
+Gelukkig Arabië; het reikt echter voorbij den woestijngordel. Zij
+leeft hoofdzakelijk in de woestijn, over dag steeds geheel onder
+het zand verborgen op plaatsen, waar wijd en zijd in 't rond geen
+water te vinden is; haar kruipen veroorzaakt door het over elkander
+wrijven der schubben een hoorbaar gedruisch. Dat zij een nachtslang
+is vermoedde reeds Bruce; daar ook hij de ervaring opdeed, dat zij
+'s nachts op het kampvuur afkomt. Op geen van mijne jachttochten
+in de woestijn of de steppe heb ik er een gezien; des nachts echter
+heb ik mij dikwijls aan haar geërgerd. Men moet ervaren hebben, wat
+het zeggen wil, een dagreis in de woestijn achter den rug te hebben,
+om te begrijpen, hoe zeer men dan naar rust verlangt. Van 's morgens
+vroeg tot tegen den middag en van 's namiddags tot zonsondergang heeft
+men op den rug van een weerbarstigen Kameel gezeten, de aanhoudend
+droge lippen met den lauwwarmen, stinkenden inhoud van de waterzakken
+bevochtigend, de kwellingen van den honger tot zwijgen brengend met
+een weinig rijst, met moeite weerstand biedend aan de hitte van den
+dag en met smachtend verlangen uitziend naar het nachtleger in het
+zand: eindelijk wordt de plaats bepaald, waar het reisgezelschap
+den nacht zal doorbrengen. De Kameelen worden ontladen; over een
+ondiepe kuil in den grond, die door het afgraven van de bovenste
+zandlaag verkregen is, wordt een tapijt gelegd: ieder stopt zich
+een pijp en gaat zitten bij het hoogopvlammend vuur, dat intusschen
+is aangestoken. Ieders gemoed verkeert in een behagelijke stemming;
+zelfs de kok, die ons schraal avondmaal begint gereed te maken, neuriet
+zijn eentonig lijfdeuntje. Plotseling wordt dit door een luiden vloek
+afgebroken. "Wat is er aan de hand, jongen?"--"Dat Allah ze verderve,
+haar en haar vader en haar gansche geslacht en ze verbanne naar den
+diepsten afgrond der hel! Een Slang, Heer; maar zij braadt al in
+'t vuur!"--Het geheele kamp komt in rep en roer; ieder wapent zich
+met een tang, gaat zitten op een baal goederen of op een kist en
+wacht hier de ongenoode bezoekers af. Daar komen ze aankruipen,
+soms wel bij dozijnen. Wie had kunnen denken, dat er in den omtrek
+zoovele Gehoornde Adders leven!--Voorzichtig gaat nu eens deze, dan
+weer gene met een ijzeren tang in de hand het giftige gedierte na,
+pakt het te rechter tijd in den nek en knijpt den tang stijf dicht,
+opdat de buit hem niet zal ontkomen. Midden in het helder brandende
+vuur werpt hij den vervloekten zoon der hel en bespiedt met boosaardig
+genot zijn doodsstrijd.
+
+Waarmede de Gehoornde Adder te midden van de woestijn zich eigenlijk
+voedt, is moeilijk te zeggen. Mogelijk maken op plaatsen, waar geen
+Muizen zijn, Hagedissen haar voornaamste voedsel uit. Zeker weet men,
+dat zij ook op Vogels jaagt.
+
+In de gevangenschap schikt de Gehoornde Adder zich even goed als een
+van hare verwanten. Verbazend lang kan zij vasten: zonder bezwaar kan
+zij een half jaar lang zonder voedsel blijven. In de kooi zoowel als
+in de vrije natuur woelt zij, indien hiervoor gelegenheid bestaat,
+haar geheele lichaam onder het zand, zoodat slechts de oogen, de beide
+hoorntjes en misschien hier en daar nog eenige plaatsen van de ruglijn
+zichtbaar blijven. Door eigenaardige, zijwaartsche bewegingen van de
+ribben, door den romp afwisselend te verbreeden en samen te trekken
+en bij elke verbreeding het zand op zijde te schuiven, bedelven zij
+zich; deze bewegingen volgen echter zoo snel opeen, dat voor het in
+den grond kruipen meestal niet meer dan 10, hoogstens 20 seconden
+noodig zijn. Het is niet onwaarschijnlijk, dat kleine Vogels de maar
+eventjes boven het zand uitstekende hoorntjes voor het uiteinde van
+een Worm of van een larve aanzien en voor deze vergissing met hun
+leven moeten boeten.
+
+
+
+Een andere in Egypte voorkomende Adder--de Efa (Echis carinata)--,
+die tot het geslacht der Zandrateladders behoort, zou op het eerste
+gezicht licht met den Cerastes verward kunnen worden: bij beide is
+het lichaam betrekkelijk slank en vormen de schubben op de zijden van
+den romp schuinsche, op het midden van den rug rechte reeksen. In
+hoofdzaak stemt de Efa met de leden der beide vorige geslachten
+overeen; zij verschilt van hen vooral door de bekleeding van de
+onderzijde van den staart, die uit één reeks van schilden bestaat,
+terwijl deze bij de overige Adders twee reeksen vormen.
+
+De Efa is een kleine, maar sierlijke Slang van hoogstens 60 cM. lengte
+en een sterk varieerende zandkleur: op een meer of minder lichten,
+bruingelen grond komen onregelmatige, donkerbruine of zwarte banden,
+streepjes, stippels of andere teekeningen voor; de onderzijde
+daarentegen is lichtgeel, effen of bruin gestippeld. Men heeft
+deze soort aangetroffen in geheel Noord-Afrika, Palestina, Arabië,
+Perzië, de Aralo-Kaspische steppen en Voor-Indië. Ook zij wordt door
+de slangenbezweerders voor hunne vertooningen gebruikt.
+
+De Efa, hoe klein zij ook is, behoort tot de prikkelbaarste,
+opvliegendste en gevaarlijkste Adders. In enkele provinciën van Indië,
+vooral in Sind, schrijft men aan haar de meeste van de sterfgevallen
+door slangenbeten toe; vooral de veldarbeiders hebben veel van haar
+te lijden. Haar grootte in aanmerking genomen, is zij buitengewoon
+driftig en strijdlustig; zelfs wanneer zij slechts op zelfverdediging
+bedacht schijnt, is zij steeds geneigd om een tegenstander, hoe groot
+en sterk deze ook moge zijn, hare giftanden te laten voelen. Door
+proefnemingen is de krachtige werking van haar gif gebleken; een door
+haar gebeten Hoen stierf na 4 minuten, een ander binnen ongeveer 2
+minuten, een Hond in 4 uren.
+
+
+
+De Groefkopadders (Crotalinae) hebben aan weerszijden van den snuit
+tusschen de neusgaten en de oogen een diepe groeve, een blinden zak,
+die zoomin met den neus als met de oogen in verbinding staat. Bovendien
+onderscheiden deze Slangen zich van de Echte Adders door den slankeren
+vorm van het lichaam en meestal ook door de grootere lengte van
+den soms voor 't klimmen geschikten staart. De kop is eivormig of
+stompdriehoekig, van achteren verbreed, duidelijk van den hals afgezet;
+de neusgaten zijn aan de zijden van den snuit gelegen; de middelmatig
+groote oogen hebben een vertikaal geplaatste, spleetvormige pupil. Het
+schubbenkleed stemt in hoofdzaak met dat van de Echte Adders overeen.
+
+De Groefkopadders, waarvan men ongeveer 60 soorten kent, komen het
+talrijkst voor in het Oostersche Rijk, ontbreken geheel zoowel in het
+Ethiopische als in het Australische Rijk en worden in het Noordelijke
+Rijk van de Oude Wereld slechts door weinige soorten vertegenwoordigd,
+die Tartarye, Tibet, Noord-China, Japan en Formosa bewonen; een grooten
+rijkdom van vormen ontwikkelt deze onderfamilie echter in de Nieuwe
+Wereld, vooral in Noord-Amerika.
+
+De levenswijze van de Crotalinen komt in hoofdzaak overeen met die
+van de Adders, hare naaste verwanten; evenals deze, zijn zij volslagen
+nachtdieren, die den dag slapend of sluimerend doorbrengen en dan in
+hare schuilplaatsen verborgen blijven, of vóór deze gaan liggen om
+zich aan den weldadigen invloed der zonnestralen bloot te stellen;
+het schijnt echter, dat zij, althans sommige van haar, minder traag
+zijn dan de Echte Adders. Verscheidene soorten van Groefkopadders
+klimmen; enkele, die aan haar groene kleur als boomdieren kenbaar zijn,
+brengen haar leven in de twijgen door; andere zijn in 't zwemmen
+bijna even bekwaam als de Zwemslangen en maken vooral op Visschen
+jacht; de meeste echter verlaten den bodem niet en voeden zich met
+allerlei kleine Zoogdieren en Vogels. Haar voortplantingswijze komt
+volkomen overeen met die der Viperinen, daar ook bij haar de eieren
+zich in het lichaam van de moeder zoover ontwikkelen, dat de jongen
+onmiddellijk na het leggen de eischaal verbreken.
+
+Hoewel de Groefkopadders over het algemeen, wat gevaarlijkheid
+en boosaardigheid betreft, wel niet veel boven de Echte Adders
+zullen uitmunten, worden zij meer gevreesd dan alle overige Slangen;
+werkelijk mag men hare giforganen het hoogst ontwikkeld achten. Het
+gevaar, waarmede sommige den mensch bedreigen, moge overdreven
+voorgesteld zijn, eenige, en wel vooral de vreeselijke Lanskopslang
+en de Boschmeester, schijnen den schrik te rechtvaardigen, die door
+haar naam verwekt wordt.
+
+
+
+De meest bekende Groefkopadders zijn de Ratelslangen (Crotalus);
+van alle overige onderscheiden zij zich door het aanhangsel, dat zij
+aan het einde van den staart dragen, den zoogenaamden "ratel", over
+welks beteekenis men tevergeefs allerlei gissingen heeft gewaagd. Zij
+bestaat uit een meer of minder groot aantal ineengeschoven, een weinig
+samengedrukte, hoornachtige, holle kegels; iedere kegel vertoont
+aan zijn buitenste oppervlakte drie verhevenheden, is met de spits
+naar het staarteinde gericht en wordt gedeeltelijk overdekt door
+den daarachter gelegen kegel, die zich aan twee der drie genoemde
+verhevenheden vasthecht, doch er zoo los mede verbonden is, dat alle
+kegels bewegelijk zijn en over elkander wrijven kunnen. Blijkbaar
+is deze ratel een opperhuidsvorming, ongetwijfeld niets anders dan
+een reeks van overblijfselen van vroegere vervellingen. Met zijn
+ontwikkeling en groei was men tot voor korten tijd niet voldoende
+bekend. Bij gevangen Ratelslangen, die men verscheidene jaren achtereen
+heeft nagegaan, werd wel een vergrooting, maar geen vermeerdering
+van het aantal leden van den ratel waargenomen; het blijkt dus, dat
+het aantal leden jaren lang onveranderd kan blijven. De onderstelling
+van eenige onderzoekers, dat bij de vervelling een nieuw lid gevormd
+wordt, doordat de opperhuid van het vóór den ratel gelegen deel van
+de buikzijde van den staart zich omkrult en niet afvalt, maar zich
+naar de reeds aanwezige kegels vervormt, is in overeenstemming met
+de waargenomen feiten; niet bij elke vervelling echter schijnen de
+voorwaarden voor de vorming van een nieuw lid van den ratel aanwezig
+te zijn. In allen gevalle zijn voor de ontwikkeling van den ratel
+vele jaren noodig. 15 à 18 kegels aan één ratel behooren reeds tot de
+groote zeldzaamheden; ook is het niet zeker, dat een dergelijk dier
+dit aantal nog zal kunnen vergrooten. De meest samengestelde ratel,
+die men heeft waargenomen, telde volgens A. Günther 21 leden.
+
+De overige eigenaardigheden van de Ratelslangen vallen veel minder in
+'t oog. Haar kop is van boven en van voren met meer of minder talrijke,
+groote schilden, overigens echter, evenals het geheele bovenzijde van
+den romp, met langwerpig ruitvormige, gekielde schubben bedekt; de
+onderzijde is met breede schilden bekleed, de hals (evenals bij alle
+Adders) duidelijk begrensd, de romp is krachtig en (in vergelijking
+met dien van andere Vergiftige Slangen) tamelijk slank, de giforganen
+zeer ontwikkeld.
+
+De Ratelslangen komen uitsluitend voor in Noord- en Zuid-Amerika. Zij
+bewonen bij voorkeur dorre, zandige, of steenachtige woestenijen,
+vooral zulke, die met lage struiken begroeid zijn; hier houden zij
+echter meer van de nabuurschap van waterstroomen dan van watervrije
+plaatsen.
+
+Evenals bij de meeste van hare verwanten, is ook bij de Ratelslangen
+het geven van een algemeen geldige beschrijving van een soort
+moeielijk; daar de kleur en de teekening van hare leden buitengewoon
+vele afwijkingen kunnen vertoonen. Ter onderscheiding van de soorten
+let men daarom vooral op de schilden van den kop.
+
+
+
+De Noord-Amerikaansche Ratelslang (Crotalus durissus) heeft, behalve
+de groote wenkbrauwschilden boven ieder oog, op het voorste gedeelte
+van den snuit nog twee paar groote schilden, waartusschen kleinere
+zijn ingeschoven. De grondkleur van de bovendeelen is dof grijsbruin;
+de teekening bestaat soms uit drie rijen van groote, onregelmatige
+vlekken, soms uit dwarsbanden, die van voren en van achteren hoekig
+begrensd zijn en op den donker gekleurden staart onduidelijk worden;
+de onderzijde is op geelachtig witten grond met kleine, zwarte
+stippels geteekend. Zeer oude wijfjes bereiken, naar men zegt,
+bijna 2 M. lengte; exemplaren van 1.6 M. behooren echter reeds tot
+de zeldzaamheden.
+
+Het verbreidingsgebied van de Ratelslang strekt zich van de Golf van
+Mexico noordwaarts tot 46° N.B. uit. Alleen in de westelijke Vereenigde
+Staten reikt het zoo ver; volgens alle berichtgevers komt deze Slang
+aan de oostzijde hoogstens tot bij het Champlain-meer voor. "Men mag
+aannemen", zegt Geyer, "dat zij niet meer thuis behoort in streken,
+waar wegens veelvuldige nachtvorsten gedurende den zomer geen maïs
+verbouwd kan worden".
+
+Het liefst bewoont de Ratelslang gewesten, waar rotsachtige, zonnige of
+in 't algemeen woeste terreinsverhoogingen aan vruchtbare, grasrijke
+dalen, rivieren, beken of weiden met bronnen grenzen; alleen wanneer
+een sterke dauw geregeld de uitgestrekte vlakte verfrischt, vindt
+men haar in deze streken, anders niet. Voor weersveranderingen is
+deze Slang zeer gevoelig: zij verandert daarom reeds in den loop
+van den dag bijna ieder uur van verblijfplaats. Op den fraaien,
+helderen morgen van een heeten dag baadt zij zich in den dauw en kiest
+daarna een geschikt plekje uit op een pad of op een breeden steen
+om zich door de zon te laten verwarmen of drogen. Later, gedurende
+de middaghitte, zoekt zij droge, beschaduwde plaatsen op, waar zij
+rustig kan liggen, maar verwijdert zich ook dan niet ver van het
+door de zon beschenen terrein. Als het verscheidene nachten achtereen
+niet gedauwd heeft, vindt men haar dikwijls aan den rand van poelen
+en stroomen; doch alleen als zij aan 't jagen is, begeeft zij zich
+werkelijk te water. Voor regen is zij zeer gevoelig. Hare woningen zijn
+verschillend, al naar zij zich in bebouwde streken of in wildernissen
+ophoudt. Hier woont zij gezellig in zoogenaamde "herbergen", daar
+steeds afzonderlijk; hier neemt zij holen van andere dieren in bezit,
+daar behelpt zij zich met schuilhoeken. De holen, waarvan zij gebruik
+maakt, worden gegraven door Prairiehonden, Aardeekhoornen, Ratten,
+Muizen en zelfs door Oeverzwaluwen, hoewel de laatstgenoemde voor de
+groote Reptiliën bijna ontoegankelijk schijnen te zijn. De Ratelslang,
+kan echter met de stevige schubben van kop en romp zeer gemakkelijk
+in de vaste aarde of in losse zandsteen boren, als hierin reeds een
+gang aanwezig is, die eenvoudig verwijd moet worden.
+
+In de nabijheid van door menschen bewoonde oorden vindt men haar zelden
+of nooit in grooten getale, tenzij gedurende den paartijd, in het
+einde van April of het begin van Mei. Hier houdt zij zich op in spleten
+en kloven van rotsen, in muren en onder gebouwen, in holle boomen en
+onder platte steenen, in houtmijten en in takkebossen; zelfs vindt men
+haar onder den vloer van woningen, in de schuilplaatsen van Ratten en
+Muizen. Waarschijnlijk hangt de keuze van haar winterkwartier, evenals
+bij andere Slangen, zeer dikwijls van toevallige omstandigheden
+af. Het dier, dat door een warmen Octoberdag nog eens uit zijn
+"herberg" gelokt en door de plotseling invallende koude verrast wordt,
+ziet zich genoopt, de schuilplaats, die het naast bij de hand is, als
+winterbed te gebruiken; daarom vindt men in de prairiën dikwijls onder
+enkele steenen in 't open veld Ratelslangen, die hier met gevulde maag
+den winter willen doorbrengen. Haar winterslaap gelijkt volkomen op
+dien van andere Reptiliën, met dit verschil, dat deze, indien zulks
+mogelijk is, een droge, afgesloten plaats tot winterkwartier kiezen.
+
+De meeste onderzoekers noemen de Ratelslang buitengewoon traag en
+langzaam van beweging; Palissot de Beauvois zegt zelfs, dat zij minder
+kwaadaardig is dan de meeste andere Slangen, nooit uit eigen beweging
+een dier aanvalt, dat zij niet als voedsel noodig heeft, en nooit bijt,
+tenzij men haar opgeschrikt of aangeraakt heeft. "Dikwijls ben ik
+haar op een afstand van slechts weinige centimeters voorbijgegaan,
+zonder dat zij de geringste neiging toonde om mij te bijten. Ik
+werd haar aanwezigheid steeds vooraf gewaar door het geluid van haar
+ratel. Terwijl ik mij zonder haast verwijderde, verroerde zij zich niet
+en liet mij den tijd een stok af te snijden om haar te dooden". Dit
+bericht is slechts voorwaardelijk juist, daar het betrekking heeft op
+de houding van de Slang gedurende haar rusttijd; als zij werkelijk
+wakker is, gedraagt zij zich anders. "De Ratelslang", zegt Geyer,
+"beweegt zich snel, zonder zich zeer te vermoeien, te krommen of
+te buigen; hierdoor schijnt haar beweging langzamer dan deze blijkt
+te zijn, wanneer men let op den weg, dien zij in een bepaalden tijd
+aflegt. Op haar prooi werpt zij zich met toenemende snelheid, zoodat
+deze ten slotte op die van een Vogel gelijkt. Zoo zag ik eens bij
+een boerderij in Missouri een Ratelslang uit een boom naar beneden
+schieten, een jong Hoen bij den vleugel grijpen en zoo snel naar een
+kale rotspunt dragen, dat ik haar nauwelijks volgen kon. Een gemikte
+steenworp bracht haar tot stilstand: zij kronkelde zich om haar
+slachtoffer en liet het met den bek los, maar beet het, toen ik mij
+stil hield, in den kop. Ten tweeden male door een steen getroffen,
+liet zij haar buit nogmaals los, vatte hem vervolgens weer bij den
+vleugel en hief hem tamelijk hoog op, als 't ware om zich te vermaken
+met zijn doodsangst. Weldra toonde zij neiging om verder te gaan,
+werd goed geraakt door een steen, liet het halfdoode Hoen varen en
+kronkelde zich ineen om haar vijand het hoofd te bieden. Toen doodde
+ik haar". Audubon's beschrijving stemt met dit bericht overeen en maakt
+ook melding van de geschiktheid van de Ratelslang om te klimmen. Liever
+nog dan in de boomen, begeeft zij zich te water, hoewel zij de
+gelegenheid hiervoor waarschijnlijk niet zoekt. Dat zij soms over
+meren of rivieren zwemt en zich in 't water zeer snel beweegt, werd
+reeds veel vroeger door Kalm opgemerkt. "Zij ziet er dan als 't ware
+opgeblazen uit en drijft ook als een blaas op den waterspiegel. Het
+is niet raadzaam haar hier aan te vallen, daar de ervaring leert,
+dat zij geneigd is om plotseling in het vaartuig te springen".
+
+Het voedsel van de Ratelslang bestaat uit kleine Zoogdieren, Vogels
+en Amphibiën, vooral Vorschen. Of zij werkelijk soms een door haar
+gegrepen dier omstrengelt en het zonder te bijten op gelijke wijze
+als een niet-vergiftige Slang dooddrukt, of integendeel, na het
+bijten altijd rustig de uitwerking van haar gif afwacht, durf ik
+niet beslissen; het laatste acht ik echter het waarschijnlijkst. Men
+zegt, dat zij na een overvloedig maal een buitengewoon sterke,
+onaangename lucht verbreidt, die niet slechts voor dieren met fijn
+bewerktuigd reukorgaan, maar ook voor den mensch duidelijk waarneembaar
+is. Verscheidene onderzoekers ontkennen dit, door anderen wordt het ten
+stelligste bevestigd. Dat er iets van waar moet zijn, kan men afleiden
+uit het feit, dat dieren met de aanwezigheid van Ratelslangen bekend
+worden, zonder ze te kunnen zien; Paarden b.v. worden plotseling
+schichtig en springen op zij, wanneer zij zulk een Slang op een
+afstand van verscheidene schreden voorbijgaan.
+
+In het begin van de lente komen de Ratelslangen, na van huid gewisseld
+te hebben, schitterend met hare levendigste kleuren, levenslustig en
+met gloeiende oogen, uit hare winterkwartieren te voorschijn. Mannetjes
+en wijfjes zwerven over de opene, zonnige plekken van het bosch rond;
+bij een ontmoeting omstrengelen zij elkander en vormen griezelige
+kluwens, die uit 20, 30 of meer Slangen bestaan. De koppen zijn in
+alle richtingen naar buiten gekeerd, de kaken opengesperd, een luid
+gesis en geratel weerklinkt. In deze houding blijven zij verscheidene
+dagen op dezelfde plaats.--De eieren worden in Augustus gelegd,
+weinige minuten daarna verbreken de jongen de hen omhullende schaal,
+zonder dat de moeder zich verder om haar kroost bekommert. "Slechts
+éénmaal", schrijft Geyer, "was ik in de gelegenheid om het uitkomen van
+jonge Ratelslangen waar te nemen. In de maand Augustus bij een bezoek
+aan een verlaten Mormonen-kolonie aan den Missouri zag ik een oude
+Ratelslang zich koesteren in de zon vóór den ingang van een hut. Bij
+mijn komst kroop zij onder den drempel, waar ik een kleine Ratelslang
+van ongeveer 15 cM. lengte opmerkte. Ik stiet met een stok onder
+den drempel, hoorde, hoe het oude dier zich ratelend verwijderde,
+maar zag verscheidene jongen en vond, nadat ik den drempel, een
+groot blok hout, had weggewenteld, ongeveer 40 eieren tusschen eenige
+steenen in den drogen grond; vele daarvan waren reeds door de jongen
+verlaten. De eieren waren verschillend van vorm, iets kleiner dan
+die van Duiven en vaal van kleur. De pas geboren Slangetjes toonden
+reeds een opmerkelijken lust tot bijten. Dat de Ratelslang in tijd
+van gevaar hare jongen in den bek neemt, is stellig een fabel; hier
+zou zij reden gehad hebben om haar kroost op deze wijze te beschermen;
+zij deed het niet, maar vluchtte".
+
+"De ergste vijand van de Ratelslangen is een zeer strenge winter,
+vooral wanneer deze vroeg en plotseling invalt. Uitgestrekte
+overstroomingen gedurende het voorjaar zijn voor haar niet minder
+nadeelig, zoo ook bosch- en steppenbranden. Het is wel eens gebeurd,
+dat geheele districten door strenge winters, overstroomingen of brand
+verlost zijn geraakt van de Ratelslangen, die zich hier vroeger in
+grooten getale ophielden". Volgens vele berichten, ook uit lateren
+tijd, zijn de Zwijnen in dezelfde richting werkzaam. "Zoodra een Zwijn
+een Slang ziet", bericht Brown, "schiet het er luid knorrend op toe,
+zet haar, nog voordat zij heeft kunnen bijten, een poot op den nek,
+stampt met de overige pooten en vreet het verpletterde dier op. De
+Indianen zijn met de vijandschap tusschen de Zwijnen en de Slangen
+zeer goed bekend; meer dan eens heb ik een Indiaansche vrouw bij de
+kolonisten om een stuk versch varkensvleesch hooren vragen, dat zij
+zich bij het bessenplukken om de hand wilde binden, om zich tegen de
+beten van Ratelslangen te beveiligen. Het zou zelfs kunnen zijn, dat
+de dikke speklaag het Zwijn tegen het doordringen van het gif in het
+bloed behoedt". Een beter beschuttingsmiddel acht Pechuel-Loesche de
+slijkkorst, waarmede het Zwijn zich bij het wentelen in modderpoelen
+bedekt en de door vuil en hars aaneenklevende borstels, die de huid als
+'t ware met een pantser voorzien. Wanneer evenwel het dier werkelijk
+krachtig genoeg gebeten wordt, sterft het.
+
+Volgens Geyer hebben de Wezels, Opossums en Dassen ten onrechte den
+naam van Ratelslangen-verdelgers gekregen. "Niet minder onbetrouwbaar
+zijn de verhalen over de jacht, die de Roofvogels op Ratelslangen
+maken. Behalve de Buizerd of de Gier zijn de Roofvogels te zwak om
+met goed gevolg dezen strijd te voeren. Een Valk met gaffelstaart,
+die een ijverig vervolger van Ratelslangen heet te zijn, trof
+ik veelvuldig aan op plaatsen, waar ik zelden een Ratelslang
+zag; het is echter wel mogelijk, dat deze Vogel jonge Slangen
+verslindt. Zeer vele Ratelslangen worden op de landwegen gedood,
+zoowel toevallig als opzettelijk. Zij komen hier om zich in de
+zon te koesteren, gaan in het wagenspoor liggen en worden onder de
+wielen verpletterd. Ieder geeft zich gaarne de moeite van het paard
+te stappen om het aantal dezer leelijke dieren te verminderen. In
+hun nabijheid heb ik een zekere huivering nooit kunnen overwinnen,
+hoewel ik dikwijls Ratelslangen ontmoet en er vele gedood heb,
+slechts éénmaal, n.l. in de punt van den schoen, gebeten en dus nooit
+gewond werd. Wie in Amerika voor een Ratelslang uit den weg gaat,
+doet dit slechts met de bedoeling om een steen of een stok te zoeken
+om haar te dooden. Zij wordt dus niet zeer gevreesd; zelfs kleine
+knapen gaan haar te lijf. Deze onophoudelijke vervolging heeft haar
+doel niet gemist; in de bewoonde gewesten van Noord-Amerika behooren
+Ratelslangen tot de zeldzaamheden." Volgens Castelnau worden in alle
+gewesten, die men in kultuur wil brengen, vooraf groote klopjachten
+gehouden om er de Ratelslangen zooveel mogelijk uit te roeien. Bij
+een dergelijke jacht werden, naar dezelfde reiziger bericht, in de
+buurt van het Georges-meer op één dag 400 exemplaren gedood. Volgens
+Geyer schuwen de aasetende dieren het lijk van de Ratelslang, met
+uitzondering van een soort van Kevers. Onder de blanke bewoners van
+Amerika vindt men enkele waaghalzen, die Ratelslangen met de bloote
+hand aanvatten. Een zoon van den beroemden generaal Clarke, die deel
+uitmaakte van de karavaan, waarmede Geyer het Rotsgebergte bezocht,
+had steeds zijne zakken vol met ratels. Zoodra hij een Ratelslang zag,
+liep hij haar na, zette haar den linkervoet op den kop, rukte haar
+met de rechterhand den ratel af en liet haar vervolgens los; toch
+werd hij nooit gebeten. Meer ontzag hebben de inboorlingen voor de
+Ratelslang. De Sioux, Dacotas of Nadowessiërs dooden haar niet, maar
+roemen haar list en beschouwen een ontmoeting met haar als een gunstig
+voorteeken. Wegens deze slangenvereering hebben hunne erfvijanden hun
+den naam "Naddowessjoe" gegeven, die Ratelslang beteekent. De naam
+Sioux is eenvoudig de laatste lettergreep van dit woord. Bij geen der
+andere Indianenstammen komt de bedoelde religieuse slangenvereering
+voor, ook niet bij de Slangenindianen of Sjosjonen.
+
+Vele dieren kennen en vreezen de Ratelslang. De Paarden en Runderen
+schuwen haar en vluchten, zoodra zij haar opmerken; de Honden houden
+haar staande, maar blijven op een eerbiedigen afstand; Vogels laten
+een luid angstgeschreeuw hooren, zoodra zij haar opmerken.
+
+Verscheidene waarnemers hebben beweerd, dat de Ratelslang steeds
+gewoon is te ratelen, voordat zij bijt; dit is echter niet geheel
+juist. "Bij het langzaam kruipende dier," zegt Geyer, "sleept de
+ratel over den grond; de vluchtende Slang heft het uiteinde van
+den staart op, maar maakt aanhoudend hetzelfde ratelende geluid
+als vroeger; alleen als zij haar prooi vervolgt, hoort men hiervan
+niets. Het ratelen klinkt als het gedruisch, dat een scharenslijper
+voortbrengt en heeft een merkwaardige overeenkomst met het rammelen
+van de zaden der wikke-peulen in het korenveld. In de prairieën
+langs den bovenloop van de Missouri leven kleine Sprinkhanen, die
+bij het wegvliegen hetzelfde gedruisch veroorzaken. De Ratelslang
+waarschuwt niet altijd, maar alleen, wanneer zij verschrikt wordt, of
+zich bedreigd acht. Zeer dikwijls zag ik zulk een dier liggen op een
+plaats, vanwaar ik een oogenblik te voren slechts 10 cM. verwijderd
+was." Voor zoover wij kunnen nagaan, is het ratelen eenvoudig een
+bewijs van vermeerderde opgewektheid, die zich ook bij andere Slangen
+door een hevige beweging van de spits van den staart verraadt.
+
+De beet van de Ratelslang is altijd zeer gevaarlijk, omdat de
+buitengewoon groote tanden zoo scherp zijn als naalden en ook door een
+dichte bekleeding of een dik vel kunnen heendringen. "Zij bijt," zegt
+Geyer, "met een kracht, die men bij haar niet vermoed zou hebben." De
+werkingen van het gif openbaren zich op zeer verschillende wijzen,
+al naar de Ratelslang meer of minder opgewonden is. Bij vochtig,
+koel weder wordt de beet minder gevaarlijk geacht; als zeer vergiftig
+beschouwt men den beet van dieren, die pas hunne winterkwartieren
+verlaten hebben, en de wonde, die zij gedurende de hitte in Augustus
+toebrengen. In dezen tijd is men nergens veilig voor de Ratelslang;
+zij verkeert dan in de grootste opgewondenheid, is strijdlustig en
+laat dikwijls reeds op een afstand van verscheidene schreden haar
+geratel hooren.
+
+Volgens sommigen verdient in gevallen van vergiftiging door een
+Ratelslang het gebruik van groote hoeveelheden brandewijn of andere
+sterk alcoholische dranken aanbeveling. "Op een avond van de maand
+September van het jaar 1820," verhaalt Mayrand, "trok een luid
+geschreeuw van een vrouw mijn aandacht; eenige minuten later werd ik
+geroepen en vernam, dat de slaaf Essex door een Ratelslang gebeten
+was en op sterven lag. Ik vond hem beweging- en sprakeloos; zijne
+kaken waren gesloten, de pols sloeg onregelmatig en was nauwelijks
+merkbaar. Menschelijkheid en eigenbelang noopten mij al het mogelijke
+te doen tot redding van den patiënt. Ik had de gunstige werking van
+alcoholische dranken hooren roemen en besloot de sterkste opwekkende
+middelen, die ik bezat, aan te wenden, mengde daarom een theelepel
+vol fijngestooten Spaansche peper met een glas brandewijn, liet de
+kaken openhouden en goot den zieke dit mengsel in. De eerste dosis
+en ook drie of vier van de volgende porties werden uitgebraakt; het
+vijfde glas eindelijk bleef in de maag. De polsslag werd krachtiger,
+nadat ik 5 of 6 glazen gepeperden brandewijn had ingegeven, maar
+verminderde schielijk weder; ik begon daarom opnieuw brandewijn met
+peper in te gieten. Hoewel ik nu vreesde, dat de groote hoeveelheid
+opwekkende middelen doodelijke gevolgen kon hebben, moest ik er toch
+mede voortgaan, omdat de pols spoedig weer zwakker werd, zoodra ik
+het ingieten naliet. Nadat de zieke meer dan een liter brandewijn met
+peper had verzwolgen, sprak hij met zijne landslieden; het ingeven
+van het middel werd voortgezet, met dit gevolg, dat de gewonde
+na 2 uren zoozeer versterkt was, dat ik hem aan eenige oppassers
+kon overlaten. Den volgenden morgen was de toestand aanmerkelijk
+verbeterd; toch was de patiënt nog buitengewoon slap. Ik gaf hem nu
+ieder uur een matige dosis geest van hertshoorn in en ook versterkende
+voedingsmiddelen. Gedurende den nacht werden 3 liter brandewijn
+verbruikt; ongeveer een van deze werd echter vermorst. Een groot
+stuk van het vleesch onder de kaken werd vurig en viel af, rondom de
+wonde ging een stuk iets kleiner dan een rijksdaalder verloren; de
+genezing, ondersteund door pappen en wasschingen met een afkooksel van
+de schors van den rooden eik, volgde nu echter spoedig." Welk aandeel
+in dit en dergelijke gevallen de alcohol aan de genezing heeft gehad,
+moeten wij in 't midden laten. Indien werkelijk de alcohol zulk een
+doeltreffend middel tegen slangenbeten is, als vroeger werd beweerd,
+zouden de onderzoekers uit lateren tijd, welker meeningen reeds zijn
+medegedeeld, een gemakkelijker taak hebben gehad, dan, blijkens hunne
+ervaringen, het geval is geweest.
+
+De Ratelslangen kunnen bij eenigszins doelmatige verzorging zeer goed
+gevangen gehouden worden: van sommige is het bekend, dat zij 10 à 12
+jaar in de kooi in 't leven zijn gebleven. Aanvankelijk verkeeren zij,
+evenals hare verwanten, bijna voortdurend in geprikkelden toestand;
+langzamerhand vermindert haar boosaardigheid; ten slotte leeren zij
+haar oppasser werkelijk als een verzorger kennen, bijten althans
+niet meer zoo onzinnig als vroeger naar hem en naar de menschen,
+die bij haar hok komen. Met hare soortgenooten kan zij goed overweg.
+
+Ook op Ratelslangen hebben de dierentemmers hunne kunsten
+beproefd. Volgens een zekeren Neale is muziek een middel om deze
+dieren te beheerschen; een zachte melodie zou voldoende zijn om de
+weerbarstigste exemplaren te kalmeeren. Naar men zegt, heeft deze
+man herhaaldelijk voorstellingen met werkelijk getemde Ratelslangen
+gegeven. Hij kon ze als touwen om zijn hals slingeren, ze kussen,
+ze den bek openen om de giftanden te laten zien, enz. Voor de
+juistheid van deze berichten kunnen wij niet instaan. Dat de omgang
+met Vergiftige Slangen altijd hoogst gevaarlijk blijft, leert de
+geschiedenis van nagenoeg alle dierentemmers, die met dergelijke
+dieren "werken"; de eene vroeger, de andere later begaat een
+onvoorzichtigheid, waarvoor hij met zijn leven boet.
+
+
+
+Van de zes bekende soorten van Ratelslangen behooren vier tot de
+noordelijke helft van Amerika, slechts één van deze komt ook ten
+zuiden van de landengte van Panama voor. Reeds in het zuiden van de
+Vereenigde Staten wordt, behalve de reeds genoemde gewone soort,
+de Ruiten- of Diamantratelslang (Crotalus adamanteus) gevonden;
+verder zuidwaarts, in Midden-Amerika grenst haar verbreidingsgebied
+aan dat van de Cascavella (Crotalus horridus), de eenige soort die
+tot dusver in Zuid-Amerika werd aangetroffen.
+
+De Cascavella, door de Brazilianen zoo genoemd, gelijkt op haar
+Noord-Amerikaansche verwanten door den vorm en de rangschikking
+van de schilden op den kop, met dit verschil, dat de 4 schilden
+van het voorste deel van den snuit zich tot het midden van den kop
+uitstrekken en elkander hier aanraken. Twee breede, donkerbruine
+of zwarte, evenwijdige, overlangsche strepen, die ieder boven een
+oog beginnen, loopen over den kop en den hals; de onderdeelen zijn
+eenvoudig geelachtig wit. In afmetingen stemt de Cascavella met de
+Gewone Ratelslang overeen.
+
+"De Cascavella," zegt de Prins Von Wied, "is over het grootste deel van
+Zuid-Amerika verbreid, bewoont het geheele binnenland van Brazilië,
+wordt in Minas Geraës aangetroffen en komt verder noordwaarts tot in
+Guyana en aan den Amazonen-stroom voor." Door andere onderzoekers
+weten wij, dat zij ook in 't zuiden niet ontbreekt en o. a. in Rio
+Grande do Sul en in de La-Plata-Staten leeft. "In de zeer vochtige
+kustwouden schijnt zij zich niet op te houden; haar gebied begint
+verder binnenwaarts, in de droge, meer steenachtige gewesten van
+den sertong op ruige weiden, op nog niet ontgonnen landerijen, in
+doornachtige, rotsachtige, droge en heete kreupelhoutbosschen, enz." In
+Guyana bewoont zij de savanne en de hier voorkomende ijlere en minder
+hoog opschietende kreupelbosschen, tot op een hoogte van 2000 M.,
+doch ontbreekt, evenals in Brazilië, in de dichte wouden van de kust.
+
+Over dag ontmoet men de Cascavella uitsluitend in rustenden
+toestand. Zij blijft tot een schijf ineengerold, traag op dezelfde
+plaats liggen en bijt alleen naar menschen of dieren, die in haar
+onmiddellijke nabijheid komen. Dikwijls verliest een veefokker door
+haar verscheidene dieren op één dag; alle worden op een bepaald
+gedeelte van het pad of van de weide gebeten; naar de bewerkster
+van dit onheil zoekend, vindt men de gevaarlijke Slang nog steeds
+op dezelfde plaats. Wanneer men niet toevallig te dicht bij haar
+komt of haar op een afstand van eenige schreden opmerkt, heeft men
+niets te vreezen; want kort voordat zij bijten wil, brengt zij door
+beweging van den staart het bekende, maar volstrekt niet luide en
+daarom niet ver hoorbare geluid voort. Toch kan de grootst mogelijke
+omzichtigheid niet altijd verhoeden, dat men te dicht bij zulk een
+dier komt en in den voet gebeten wordt. Dit ondervonden niet slechts
+blanken, maar ook inboorlingen, hoewel dezen niet licht iets ontgaat,
+wat tot waarschuwing zou kunnen dienen.
+
+Het voedsel van de Cascavella bestaat hoofdzakelijk uit kleine
+Zoogdieren, in zuidelijke gewesten uitsluitend uit kleine Halfhoevige
+Knaagdieren; bovendien maakt zij jacht op alle Vogels, die zij meent
+te kunnen verschalken. Haar voortplanting verschilt waarschijnlijk
+niet van die harer verwanten.
+
+De gevolgen van haar beet kan men door het volgende bericht van
+Schomburgk leeren kennen: "De zon naderde reeds tot de kim en nog was
+Essetamaipoe niet teruggekeerd. Dit viel ons niet eerder op, dan toen
+wij een anderen Indiaan met den meesten spoed over den heuvel naar ons
+toe zagen komen: het zekerste teeken van een belangrijke nieuwstijding
+of van een ongeluk, daar de Indianen zich in den regel met afgemeten
+schreden naar een dorp begeven. De Indiaan had Essetamaipoe, door
+een Slang gebeten, bewusteloos in de savanne gevonden. Met alle
+beschikbare hulpmiddelen voorzien, snelden wij naar de plaats, waar
+de ongelukkige lag. Een wonde boven den enkel van den rechtervoet,
+die met een mes op een werkelijk vreeselijke wijze uitgesneden en
+met een lap verbonden was, wees ons de plaats aan, waar de Slang haar
+beet had toegebracht. Het been was opgezwollen en de hevigste krampen
+schokten het geheele lichaam van den bewusteloozen lijder, die bijna
+onkenbaar was wegens de verandering die de gelaatstrekken door de
+krampen hadden ondergaan. Terwijl de arme Essetamaipoe door de savanne
+ging, had hij op een Ratelslang getrapt, had haar uit wraakzucht
+gedood en daarna eerst met echt Indiaansche ongevoeligheid voor
+pijn de wonde uitgesneden en verbonden. Nadat dit op de hooggelegen
+savanna was voorgevallen, had hij zich nog met moeite voortgesleept
+tot in de nabijheid van het pad, waar hij meer kans had om gevonden te
+worden en was hier bewusteloos neergezonken. Naar het gestolde bloed
+te oordeelen, moest de verwonding reeds verscheidene uren geleden
+plaats gehad hebben; het uitzuigen en uitbranden van de wonde kon
+dus niets meer baten; daarom waschten wij haar eenvoudig met ammonia
+uit en goten dit middel met water verdund den bewusteloozen patiënt
+in. Dit hielp, naar het scheen. Het bewustzijn keerde terug en de
+zieke, die over pijn in de borst en in de okselstreek en ook over
+scheuten in de ledematen en in den rug klaagde, werd in zijn hangmat
+naar Pirera vervoerd. Verscheidene dagen lang bleef het been tot aan
+het heupgewricht gezwollen tot een vormelooze massa, die geheel stijf
+was; tevens ondervond de lijder bij de geringste beweging ondragelijke
+pijnen. Na 3 weken had een warme, verweekende pap van kawassa-brood
+niet slechts de zwelling, maar ook de lijkachtige uitdrukking van het
+gelaat en de pijnen verdreven; 5 weken later sloot zich de wonde en
+kon de zieke den voet weer gebruiken."
+
+Het is waarschijnlijk, dat sommige soorten van Marters en de als
+slangenjagers bekende Roof- en Moerasvogels het leven van menige
+Cascavella verkorten, daar zelfs Huiskatten met goed gevolg strijd
+met haar voeren. De mensch doodt de Ratelslangen, waar hij ze ook
+vindt, zonder ze verder te gebruiken. Geen enkele Zuid-Amerikaan,
+niet eens de wilde Indiaan, eet slangenvleesch. De ratel wordt echter
+niet weggeworpen, maar integendeel dikwijls voor een goeden prijs
+verkocht, daar men hem als een middel tot genezing van velerlei
+ziekten beschouwt.
+
+In Zuid-Amerika scheppen alleen de Negers behagen in het houden
+van Vergiftige Slangen. "De kunst om zulke Slangen te temmen,"
+zegt Schomburgk, "schijnen de Negers uit hun vaderland medegenomen
+te hebben; niet zelden komt het voor, dat Ratelslangen, die hare
+giftanden behouden hebben, door hen zoo goed afgericht zijn, dat
+zij ze zonder gevaar om den arm slingeren en met haar op den meest
+vriendschappelijken voet verkeeren kunnen."
+
+
+
+"Stomme Ratelslang" (Crotalus mutus) noemde Linnaeus een van de
+vreeselijkste Groefkopadders van Zuid-Amerika, den Boschmeester
+van de Nederlandsche kolonisten van Guyana, den Soeroekoekoe der
+Brazilianen. Dit dier komt in de meeste opzichten met de Ratelslangen
+overeen, doch heeft over het midden van de rugzijde een kielvormige
+lijst, terwijl tevens de staart niet in een ratel eindigt, maar aan
+de onderzijde 10 à 12 dwarsrijen van kleine, stekelvormige schubben
+en aan de spits een doorn draagt. Op grond van deze eigenaardigheden
+wordt de bedoelde Slang als vertegenwoordigster van een afzonderlijk
+geslacht, dat der Lachesis-slangen (Lachesis) beschouwd.
+
+De Boschmeester (Lachesis muta, L. rhombeata) bereikt een lengte
+van 2.5 (volgens A. Kappler zelfs van 4) M. en is van boven op
+roodachtig gelen grond geteekend met een overlangsche reeks van groote,
+zwartbruine ruiten, die ieder twee kleinere, lichtere vlekken bevatten;
+de onderzijde is bleek geelachtig wit met porseleinachtigen glans. De
+kleur van den rug wordt op den hals donkerder; de teekening gaat op
+den kop in onregelmatige vlekken van zwartbruine kleur over. Van het
+oog tot aan den mondhoek loopt een breede, zwarte, overlangsche streep
+op lichteren grond.
+
+"Indien de Boschmeester veelvuldiger was dan hij is, en niet beperkt
+bleef tot de wouden der bergstreken, waar hij over dag op den grond
+ineengerold ligt, zou de reiziger," zegt Schomburgk, "geen stap kunnen
+doen, zonder in doodsgevaar te verkeeren. Wel verre van, gelijk hare
+verwanten, voor den mensch te vluchten, wacht deze Slang, volgens
+de overeenstemmende berichten der Indianen, den naderenden reiziger
+rustig af en schiet ter rechter tijd pijlsnel op hem toe. Zij is zonder
+eenigen twijfel de vergiftigste en gevaarlijkste van alle in Guyana
+voorkomende Groefkopadders; men zegt, dat haar beet steeds doodelijk
+is." Alle overige onderzoekers zijn dezelfde meening toegedaan en
+verzekeren, dat de Boschmeester veel meer gevreesd wordt dan de
+Ratelslang.
+
+"In Noord- en Middel-Brazilië," zegt de Prins Von Wied, "wordt deze
+Slang overal gevonden. Zij is groot, fraai geteekend, bereikt, naar
+men bericht, de dikte van een mansdij en houdt zich bij voorkeur op in
+koele, schaduwrijke wouden, waar men haar gewoonlijk ineengerold op den
+bodem ziet liggen. Zij klimt niet in boomen. Haar levenswijze en hare
+gewoonten gelijken, naar het schijnt, veel op die van de Ratelslang. De
+grootte en dikte van haar lichaam en hare voortreffelijke wapens
+stellen haar in staat een tamelijk groot dier te overmeesteren. Men
+zegt, dat haar beet zeer schielijk den dood veroorzaakt. Bij Rio de
+Janeiro stierf een Neger na 6, een andere na 12 uur aan de gevolgen van
+zulk een verwonding. Een van de vergiftigingsverschijnselen schijnt te
+zijn, dat het bloed den lijder uit mond, neus en ooren vloeit. Naar men
+verhaalt, komt genezing dikwijls voor, wanneer de behandeling spoedig
+plaats heeft; het is echter moeielijk in deze berichten waarheid van
+leugen te onderscheiden, daar hierover tal van fabels in omloop zijn."
+
+Een merkwaardig geval van vergiftiging wordt door Schomburgk
+medegedeeld: "Gedurende mijn eerste verblijf te Bartika-Grove vond ik
+daar een kleurling, wiens zoon eenige weken vóór mijn aankomst door den
+verraderlijken Boschmeester in den linker wang was gebeten. De vader,
+die zijn zoon in bewusteloozen toestand vond en de wonde uitgezogen
+had, gevoelde reeds na verloop van een kwartier een onlijdelijke pijn;
+zijn hoofd zwol op tot een wanstaltige grootte; duidelijk vertoonden
+zich verschijnselen van vergiftiging, die, naar het bleek, een gevolg
+was van het binnendringen van een deel van het uitgezogen gif in een
+holle kies. De knaap stierf en de vader was, toen ik nogmaals zijn
+woonplaats bezocht, nog steeds niet genezen."
+
+"De Indianen en Negers," zegt de Prins Von Wied ten slotte, "eten
+soms het vleesch van de Soeroekoekoe, nadat zij hem snel den kop
+afgehouwen hebben. Gewoonlijk waagt men een geweerschot aan deze Slang,
+wanneer men haar ontmoet; daar zij wegens haar grootte en gevaarlijke
+eigenschappen zeer gevreesd en gehaat wordt, doodt men haar te allen
+tijde en overal. Soms wordt zij in slagvallen gevangen en blijft dan
+gewoonlijk lang in 't leven."
+
+Levend wordt de Boschmeester slechts zelden naar Europa gebracht.
+
+
+
+Het geslacht der Driehoekskoppen (Ancistrodon) omvat Groefkopadders
+zonder ratel, met een driehoekigen kop, een langen romp, die met
+gekielde schubben bekleed is, en een zeer korten staart, die als
+klimorgaan geen dienst kan doen.
+
+
+
+Een van de meest bekende en verst verbreide Noord-Amerikaansche soorten
+van dit geslacht is de Mokassinslang [Ancistrodon (Trigonocephalus)
+contortrix]. Haar lengte bedraagt ongeveer 1 M. De grondkleur van de
+bovendeelen is fraai koperbruin; de teekening bestaat uit ongeveer
+16 roodachtig bruine, donkerder gezoomde dwarsbanden over den rug;
+deze hebben aanleiding gegeven tot den naam der Slang, omdat zij aan
+een "mokassin" (lederen kous) herinneren, Tusschen deze dwarsbanden
+komen onregelmatige vlekken op de grondkleur voor. De buikschilden zijn
+bleek koperrood en aan de zijden met groote vlekken geteekend. Op den
+kop ziet men een breeden band, die zich van de spits van den snuit
+tot aan den mondhoek uitstrekt.
+
+Het verbreidingsgebied van de Mokassinslang strekt zich uit van
+den 45en graad N.B. tot aan het zuidelijkste deel van de oostelijke
+Vereenigde Staten. Hare verblijfplaatsen zijn moerassige streken,
+vooral uitgestrekte, met hoog gras begroeide weidegronden; haar voedsel
+bestaat uit Veldmuizen, Vogels en waarschijnlijk ook Vorschen. Hoewel
+haar beet ongeveer even veel gevaar oplevert als die van de Ratelslang,
+wordt zij wegens hare vluggere bewegingen door de Amerikanen veel
+meer gevreesd.
+
+
+
+Nauwkeuriger berichten dan over de Mokassinslang heeft men over haar
+naaste verwante, de Wateradder of de Waterlanskopslang [Ancistrodon
+(Trigonocephalus) piscivorus], die eveneens Noord-Amerika bewoont
+en hier uitsluitend in moerassen en broeklanden, bij rivieren en
+meren leeft. Ook zij is een groote Gifslang, daar haar lengte soms
+1.5 M. bedraagt. Van de Mokassinslang onderscheidt zij zich door de
+twee gladde schildjes, die achter de groote achterhoofdsschilden
+voorkomen. Haar kleur varieert sterk. De teekening van de meeste
+Wateradders bestaat uit meer of minder regelmatig gerangschikte,
+donkere banden op glanzig groenachtig grijzen grond en gelijkt over
+'t geheel genomen op die van de vorige soort. Hare schuilplaatsen zijn
+te vinden op de oevers en eilanden of eilandjes van meren, broeklanden,
+moerassen, vijvers, rivieren en beken; op droog, dor land ontmoet men
+haar niet. Des zomers liggen zij dikwijls in grooten getale op twijgen,
+die boven het water uitsteken; zoodra haar een werkelijk of denkbeeldig
+gevaar bedreigt, laten zij zich in het water vallen en zwemmen vlug
+en haastig weg. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Visschen en
+Amphibiën; zij verschoonen echter ook geen Zoogdieren en Vogels,
+kortom geen Gewerveld Dier, tenzij het te groot is om verzwolgen
+te worden. Deze Slangen zijn de schrik van de negers en van allen,
+die zich met het verbouwen van rijst bezig houden; zij worden veel
+meer gevreesd dan de Ratelslangen, die, naar men zegt, niet bijten,
+tenzij haar gramschap wordt gewekt, terwijl de Wateradders daarentegen
+zonder vooraf getergd te zijn, op ieder levend wezen, dat haar nadert,
+aanvallen en het trachten te vergiftigen. Niet slechts de menschen
+vreezen haar, maar ook alle dieren, die de moerassen bewonen of zich
+in de nabijheid van het water ophouden.
+
+Gemakkelijker dan alle overige Groefkopadders, ja zelfs dan alle
+overige Vergiftige Slangen kan de Wateradder in gevangenschap gehouden
+worden; zij neemt dadelijk zonder eenig bezwaar het haar verschafte
+voedsel aan en plant zich in haar hok ook voort.
+
+
+
+Het soortenrijkste geslacht van de geheele familie is dat der
+Hartkopadders (Trimeresurus). Zij zijn betrekkelijk slank gebouwd,
+hebben een driehoekigen kop, die, met uitzondering van de voorste
+spits van den snuit en de wenkbrauwstreek, geheel met kleine schubben
+en niet met schilden bekleed is; de staart is tamelijk lang, dikwijls
+voor 't vasthouden geschikt en loopt in een fijne spits uit.
+
+Dit geslacht omvat wel 25 soorten, die over Oost-Indië, Zuid-China,
+de Lioe-kioe-eilanden en tropisch Amerika verdeeld zijn. Vele zijn,
+zooals reeds uit haar rolstaart blijkt, echte boomslangen, die het
+grootste deel van haar leven in de boomkronen of althans op planten
+doorbrengen en slechts nu en dan op den bodem afdalen; andere leven
+uitsluitend op den grond.
+
+Van de levenswijze der in Nederlandsch-Indië voorkomende Hartkopadders
+zegt S. Müller in hoofdzaak het volgende: "Deze trage dieren, die,
+naar het schijnt, geen vijand kennen en zeer zeker geen vijand
+schuwen, brengen het grootste deel van hun leven, ineengerold tot
+een kring, waarvan de kop het middelpunt uitmaakt, in een schier
+onbeweeglijke rust door; slechts dan worden zij gevaarlijk, wanneer
+mensch of dier onopmerkzaam te dicht bij hen komt of hun schijnbaren
+doodslaap stoort. De twee Roodbruine soorten--bekend onder den naam
+van Oelar-bedoedak of Orai-lemah (Trigonocephalus rhodostoma en
+T. puniceus)--houden gaarne verblijf op sombere, min of meer duistere
+en vochtige plaatsen, o.a. tusschen dicht bijeenstaande bamboeshalmen,
+onder oude, omgevallen boomstammen, in holen onder den grond of van
+rotsen, dichte struiken, doornige heiningen, enz. De eerste dezer
+twee toeft steeds op den bodem, doch de andere slingert zich soms
+door struiken, kruipt in kleine boomen en in bamboesriet en vlijt zich
+tusschen de gaffels of op twijgen en bladeren ter ruste. Ditzelfde is
+met alle groene soorten het geval, met dit onderscheid evenwel, dat
+deze meer in droge en warme oorden behagen scheppen en zich dikwerf
+vrij op de groene takken neervlijen, of wel, daaromheen geslingerd,
+zich in de zonnehitte koesteren. Trigonocephalus puniceus daarentegen
+geeft meest de voorkeur aan die lichte plaatsen, welker kleur met die
+van zijn lichaam overeenkomt, zoodat hij slechts bij toeval opgemerkt
+wordt. Doorgaans is de beweging van de Hartkopadders langzaam, van de
+Gewone soorten evenwel minder dan van de Roodbruine. Bij het doen van
+een aanval daarentegen zijn de bewegingen van alle zonder onderscheid
+zeer snel; zulk een aanval geschiedt alleen door beweging van het
+lichaam, nagenoeg zonder daarbij van plaats te veranderen. Zij beginnen
+gewoonlijk met den kop bedaard, doch eenigszins trillend omhoog te
+richten; na hun slachtoffer juist in het oog gevat te hebben, schieten
+zij met geopenden muil pijlsnel er op af, slaan er hunne lange,
+gevaarlijke giftanden met kracht in, maar trekken den kop spoedig weer
+terug om hun vorigen stand te hernemen. Anders gaan zij te werk bij
+het bespringen van Kikvorschen, kleine Hagedisachtige dieren (vooral
+van het geslacht Scincus) of een dergelijken hun tot voedsel dienenden
+buit; dezen houden zij dadelijk vast en beginnen hem onmiddellijk
+te verzwelgen. De beet van de Groene soorten, meer bepaaldelijk van
+den Oelar-biroe (Trigonocephalus viridis) schijnt minder gevaarlijke
+gevolgen te hebben, dan die van de Roodbruine. Dr. Kühl was tijdens
+zijn verblijf te Buitenzorg getuige van den dood van een inlander,
+5 minuten nadat hij onder het grassnijden in den gouvernementstuin
+door een grooten Trigonocephalus rhodostoma gebeten was. Ons echter
+is geen voorbeeld van zulk een snelle doodelijke uitwerking van een
+slangenbeet bekend, wel dat menschen en dieren één of meer uren na
+de verwonding stierven. Trigonocephalus viridis echter wordt door
+de inboorlingen van Timor voor geenszins zoo gevaarlijk gehouden;
+inderdaad kwam ons noch op Timor, noch op Sumatra, waar deze soort
+insgelijks verre van zeldzaam is, eenig voorbeeld ter oore, dat
+een door deze Slang veroorzaakte verwonding doodelijke gevolgen
+heeft gehad. Russell zegt hetzelfde op grond van het getuigenis der
+bewoners van Koromandel. De Timoreezen noemen deze Gifslang Esau, de
+Rottineezen Keisau, de bewoners van Poeloe Samauw en de zoogenaamde
+Koepangneezen Smolo. Door de Maleiers aan de westkust van Sumatra wordt
+zij met de 2 andere Groene soorten, die dit eiland bewonen en welker
+beet veel gevaarlijker is, onder den algemeenen naam Oelar-biesa
+(= Giftige Slang) samengevat. De bewoners van de Indische eilanden
+kennen weinige hulpmiddelen tegen de schadelijke werking van het
+slangengif in het dierlijk lichaam. Zij bepalen zich tot zulke kuren,
+van welke alleen in lichte gevallen redding te verwachten is. Zij
+besmeren gewoonlijk de gewonde deelen met sirie-kalk of gekauwde
+kruiden en wortelen, dienen ook wel inwendig eenig afkooksel toe,
+prevelen af en toe gebeden en stellen tooverkunsten in het werk. Het
+meest vertrouwen zij echter op de zoogenaamde slangensteenen. Met
+het uitsnijden of uitbranden der wonde laten de inlanders zich
+zelden in; wel maken zij soms eenige insnijdingen of prikken in de
+huid en zuigen het bloed met den mond er uit, hetwelk van alle door
+hen aangewende middelen zeker wel het verstandigste en heilzaamste
+mag heeten. Allerlei bijgeloovige meeningen zijn over de Slangen in
+omloop. Zoo zouden sommige der Orai-lemah gedurende hun leven nooit
+eenig voedsel nemen, maar afgezonderd als verworpenen op deze aarde
+vertoeven en hunne oogen onafgebroken naar de zon gericht houden. Na
+verloop van zeker tijdsbestek zouden deze boetelingen zich in de lucht
+verheffen en booze geesten worden, die soms gedurende den nacht de
+gedaante van groen-, geel- en rood-lichtende, vurige bollen aannemen,
+op de woningen der menschen neerstrijken en daar allerlei onheilen,
+vooral ziekte en sterfte, teweegbrengen."
+
+De Boomadder, de Broedroe-Pam der Maleiers (Trimeresurus
+gramineus)--hierboven o.a. Oelar-biroe genoemd en met haar vroegeren
+soortnaam (Trigonocephalus viridis) aangeduid--bereikt een lengte van
+71 cM., en is op de bovendeelen sapgroen of grasgroen, aan de zijden
+iets lichter, op de onderdeelen groenachtig wit van kleur. Een witte
+streep strekt zich soms van de eveneens witte bovenlip tot aan de
+zijde van den hals uit. De staartspits is prachtig rood.
+
+Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich van Voor-Indië
+over de Oostindische eilanden en tot in China uit. Haar kleur gelijkt
+zoozeer op die van de bladeren der boomen, dat het bijna niet mogelijk
+is haar er van te onderscheiden. Het gif van de Boomadder, hoewel
+algemeen niet zeer sterk werkend genoemd, kan toch wel degelijk den
+dood van een mensch veroorzaken. Zoo maakt de zendeling Hänsel melding
+van een door deze Slang gebeten vrouw, die hij binnen een half uur
+aan de gevolgen van de wonde zag sterven.
+
+Tot de Amerikaansche soorten van Hartkopadders, die den rolstaart
+missen en welker leven dus streng aan den bodem gebonden is, behoort
+o.a. de beruchte Lanskopslang (Trimeresurus lanceolatus). Deze bereikt
+een lengte van 2 M. en de dikte van een mansarm. Haar kleur is zeer
+verschillend; zelfs de jongen van één worp wijken in dit opzicht
+uiteen. De meer of minder levendige, roodgeelbruine grondkleur kan
+door bruin tot grijsbruin en zwart varieeren; de teekening bestaat
+uit een van het oog naar den nek loopende, zwarte streep, die echter
+niet zelden ontbreekt, en uit twee reeksen van onregelmatige, iets
+lichtere, soms getijgerde dwarsvlekken langs den rug. Bij enkele
+exemplaren hebben de zijden een prachtig roode kleur.
+
+"Op de eilanden Martinique en Santa Lucia", zegt Rufz, "is de
+heerschappij van de Lanskopslang in bosch en woud nog onbeperkt; zelfs
+daar, waar de mensch een woning heeft en het land bebouwt, kan hij
+zich niet zonder gevaar in de schaduw van een boom verfrisschen, kan
+niemand zonder begeleiding van slaven door de velden trekken, niemand
+in het bosch een pleizierwandeling doen, niemand zich door de jacht
+ontspannen. Des nachts wordt men gekweld door benauwde droomen over de
+Slangen, waarvan men des daags zooveel afgrijselijks hoort verhalen."
+
+De Lanskopslang komt op de beide eilanden overal veelvuldig voor:
+zij bewoont de bebouwde velden, de moerassen, de wouden, de oevers
+der rivieren, kortom het geheele eiland van de zeekust tot aan de met
+wolken gekroonde bergen; zij zwemt in den stroom, schommelt zich op
+de twijgen, komt in de nabijheid van de steden en dringt op het land
+niet zelden tot in de huizen door, wanneer deze met kreupelhout en
+hoog gras omgeven zijn. De Sint-Pieters-bergen worden als hare meest
+geliefde verblijfplaatsen beschouwd. Dit 1500 M. boven den zeespiegel
+gelegen gebergte, is verscheurd door afgronden van vele honderden
+meters diepte en dicht begroeid met boomen en struiken, honderdvoudig
+doorvlochten met slingerplanten en als door touwen aaneenverbonden; het
+gesteente is hier verborgen onder een dikke laag van losse teelaarde,
+door de sinds onheugelijke tijden opeengehoopte, rottende plantendeelen
+gevormd; stervende stengels en welig tierende, door prachtigen vorm en
+schitterende kleuren het oog bekoorende planten zijn hier saamgeweven
+tot een zoo dicht gewelf dat daaronder steeds een sombere schaduw
+heerscht, dat muffe lijklucht er de overhand heeft en de frissche
+adem des levens er niet kan doordringen. De doodsche stilte van het
+woud wordt slechts zelden afgebroken door de eenvoudige tonen van een
+Vogel, die den naam van Bergfluiter draagt; andere Vogels merkt men
+hier zelden op. Deze voor menschen ondoordringbare, duistere wildernis
+wordt bewoond door tallooze Lanskopslangen, welker heerschappij over
+dit gebied door geen enkel levend wezen wordt betwist.
+
+In het bebouwde land zijn de dichte suikerriet-aanplantingen de meest
+geliefde verblijfplaatsen van de vreeselijke Slang; in allerlei
+boschjes, die haar een schuilplaats kunnen verschaffen, komt zij
+eveneens veelvuldig voor. Een rotsspleet, een holle boom, een door
+Ratten of Landkrabben gegraven gat, dient haar tot woning; zij dringt
+echter ook dikwijls door in de stallen en huizen der landlieden,
+want des nachts zwerft zij ver rond, niet zelden gebruik makend van
+de wegen, die over dag van menschen wemelen.
+
+Gedurende den rusttijd, dus over dag, ligt zij ineengekronkeld tot een
+schijf, waarvan de kop het middelste deel uitmaakt; bij de geringste
+stoornis schiet de kop naar buiten, ongeveer half zoo ver als het
+lichaam lang is, waarna het zich oogenblikkelijk weer kringsgewijs
+ineenrolt. Wanneer men, terwijl zij zoo op den bodem rust, op eenigen
+afstand om haar heengaat, draait zij voortdurend mede, zonder dat
+men recht weet hoe, zoodat hare oogen steeds op den rustverstoorder
+gevestigd blijven. Bij 't kruipen draagt zij den kop hoog en verkrijgt
+hierdoor een sierlijk en fier voorkomen. Haar beweging is zoo licht,
+dat men er aan zou kunnen twijfelen, of zij den bodem wel aanraakt;
+men hoort niet het minste gedruisch en ziet niet het geringste spoor
+op den grond. Het zwemmen kost haar geen merkbare inspanning.
+
+De paring heeft in Januari plaats; de eieren worden in Juli gelegd. De
+jongen verlaten onmiddellijk de eischaal. Vele, waarschijnlijk wel
+de meeste, bezwijken in hun jeugd, daar zij door de moeder niet
+beschermd en door allerlei, zelfs zwakke dieren, door Huishoenderen
+b.v., gedood worden. Ruimschoots wordt dit verlies echter vergoed door
+de groote vruchtbaarheid van de Lanskopslang, die 20 à 60 eieren legt.
+
+Deze Slang voedt zich in haar prille jeugd met Hagedissen, later met
+kleine Vogels, ten slotte hoofdzakelijk met Ratten, welk ongedierte,
+door Europeesche schepen naar de eilanden overgebracht, zich hier
+ontzettend vermenigvuldigd heeft. Zij zoekt echter ook onder het
+pluimvee haar buit en kan in volwassen toestand Huishoenderen en
+zelfs jonge Kalkoenen, ook Buidelratten, verzwelgen. Hoewel zij zich
+verdienstelijk maakt door het aantal Ratten te helpen verminderen,
+zal niemand haar willen sparen: door het vergiftigen van menschen
+richt zij te veel onheil aan. "Dat zij den mensch bijt, die haar te na
+komt, is zeker," zegt Rufz; "het komt echter waarschijnlijk nooit of
+althans hoogst zelden voor, dat zij van verre op hem toeschiet en den
+vluchteling vervolgt; anders zouden de eilanden, waar zij leeft voor
+menschen onbewoonbaar zijn. Uit de berichten, die mij in 1843 door
+geestelijken en ambtenaars verstrekt werden, blijkt, dat gemiddeld
+in iedere gemeente van het eiland ieder jaar 1 à 3 sterfgevallen
+door de Lanskopslang veroorzaakt worden. Het aantal personen, die,
+na gebeten te zijn, in 't leven blijven is wel 10-maal grooter;
+daar echter in dit gunstigste geval de beet een langdurige ziekte
+en dikwijls ook verminking van ledematen tengevolge heeft, is er
+reden om het verlies, dat de Lanskopslang aan de kolonie berokkent,
+zeer hoog te schatten. In sommige jaren komen sterfgevallen door deze
+oorzaak veel talrijker voor dan gewoonlijk; met name zijn in dit jaar
+(1843) de beten zoo gevaarlijk, dat, naar Venancourt mij bericht,
+in zijn gemeente binnen 7 maanden reeds 18 menschen aan de gevolgen
+van een slangenbeet bezweken zijn.
+
+"Bij het oogsten van het suikerriet, worden de negers gedurende den
+arbeid steeds op een rij geplaatst, waarin zooveel mogelijk de mannen
+met de vrouwen afwisselen; van tijd tot tijd spoort de opzichter allen
+aan om zich voor de Slang in acht te nemen. Zoodra er een zichtbaar
+wordt beginnen de vrouwen jammerlijk te schreeuwen en vlucht de
+geheele rij; de moedigste neger keert vervolgens terug en doodt het
+vergiftige dier, dat bij al die drukte op dezelfde plaats gebleven
+of slechts weinig achteruit geweken is."
+
+Bij 't bijten zet de Lanskopslang den bek ontzettend wijd open,
+werpt den kop met kracht vooruit en bereidt zich dadelijk voor tot
+een nieuwen aanval door zich na den beet snel ineen te kronkelen. In
+buitengewoon kwaadaardige stemming bijt zij vele malen achtereen. De
+gevolgen van den beet zijn vreeselijk: het gewonde lichaamsdeel zwelt
+op, neemt weldra een blauwachtige kleur aan en wordt door koudvuur
+aangetast; brakingen, stuiptrekkingen, pijn in de hartstreek,
+een onoverwinlijke neiging tot slapen leiden na weinige uren of
+dagen tot den dood; in 't gunstigste geval veroorzaakt de beet
+ziekteverschijnselen van allerlei aard, die jaren lang aanhouden,
+duizelingen, pijn in de borst, verlamming, verzweringen, enz. Tallooze
+geneesmiddelen, voor 't meerendeel aan het plantenrijk ontleend,
+heeft men beproefd. De gelukkige inval om den Afrikaanschen Secretaris
+naar Martinique over te brengen heeft geen ander gevolg gehad, dan
+dat de bewoners zich een tijdlang konden vermaken met op dezen Vogel
+te schieten. Lenz heeft aangeraden, slangenverdelgende Zoogdieren,
+vooral Bunzingen, Dassen en Egels, op het eiland te acclimatiseeren;
+deze zouden niet slechts vele vergiftige Reptiliën dooden, maar ook
+het aantal Ratten verminderen, die het voornaamste voedsel van de
+Slangen uitmaken.
+
+
+
+Twee andere leden van het geslacht der Hamerkopadders, die op het
+Zuid-Amerikaansche vasteland leven en ongeveer even gevaarlijk zijn
+als de Lanskopslang--de Sjararaka en de Labaria--komen in vorm, kleur
+en aard zoozeer met elkander overeen, dat zelfs slangenkenners ze
+moeielijk onderscheiden kunnen en sommigen ze als verscheidenheden
+van één soort beschouwen.
+
+De Sjararaka (Trimeresurus jararaca) wordt, volgens de metingen
+van den Prins Von Wied 1.42 M. lang, maar kan, naar aan Tschudi werd
+medegedeeld, een lengte van 1.8 M. bereiken. Op grijzen of grijsbruinen
+grond is zij met tamelijk ver uiteenstaande, donkerbruine dwarsbanden
+geteekend, die soms ieder in twee vlekken verdeeld en meestal door
+een iets lichteren hof omlijst zijn. Van het oog naar den mondhoek
+loopt een breede, zwarte, overlangsche streep. De buik is grootendeels
+geelachtig wit.
+
+De Labaria (Trimeresurus atrox) gelijkt door vorm en lichaamsbouw,
+door de eigenaardigheden van het schubbenkleed en zelfs door de
+verdeeling der kleuren op de Sjararaka, maar heeft op den rug donkere,
+ruitvormige vlekken, die met X-vormige, donkere teekeningen afwisselen;
+de buik is niet witachtig, maar donkerder en aan weerszijden met een
+paar reeksen van witte vlekjes versierd.
+
+De Sjararaka is de algemeenste Gifslang van Brazilië en
+overal verbreid, daar zij zich even gaarne in het droge, heete
+kreupelhoutgebied als in de hoogstammige, vochtige oerwouden
+ophoudt. De Labaria komt in geheel Guyana voor, is even veelvuldig
+aan de kust als in het binnenland en wordt hier en daar ook in de
+open savanne aangetroffen, ofschoon zij ijle wouden boven de steppe
+schijnt te verkiezen. Beide slangen worden zeer gevreesd en zijn ook
+inderdaad uiterst gevaarlijk. "De Indianen en zelfs de Portugeesche
+jagers," zegt de Prins Von Wied, "gaan altijd blootsvoets op de
+jacht. Schoenen en kousen zijn hier duur en zeldzaam; de landman
+gebruikt deze artikelen alleen op feestdagen en is daarom veel meer
+blootgesteld aan den beet van Slangen, die dikwijls in de droge bladen
+verscholen liggen; toch komen gevallen van verwonding zeldzamer voor,
+dan men zou kunnen meenen. Den jager in tropische gewesten zij het
+dragen van goede, sterke laarzen en zeer wijde broekspijpen aanbevolen,
+daar zij hem tamelijk goed vrijwaren tegen den beet van Vergiftige
+Slangen." Deze heeft wel niet altijd den dood, maar toch steeds
+ernstige ziekteverschijnselen ten gevolge, wanneer niet oogenblikkelijk
+doelmatige middelen tot verwijdering van het gif worden aangewend.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE ORDE.
+
+DE KROKODILLEN (Emydosauria).
+
+
+Er is een tijd geweest, waarin de Kruipende Dieren op aarde
+heerschappij voerden; de ontzaglijk groote Reptiliën, die toen de zee
+en later ook de moerassen en rivieren bewoonden, zijn uitgestorven
+en verdwenen zonder andere sporen van hun bestaan na te laten dan de
+versteende beenderen van eenige weinige exemplaren, die in den bodem
+voor ons bewaard zijn gebleven. Deze fossielen, die eigenaardigheden
+van Walvisch en Vogel, van Krokodil en Slang in zich vereenigen,
+bieden, ondanks de scherpzinnige theoriën, waardoor men de waargenomen
+feiten heeft trachten te verbinden en te verklaren, nog steeds een
+ruim veld voor onderzoekingen aan. Van enkele dezer monsters heeft
+men zulke volledige geraamten gevonden, dat hun verwantschap met de
+thans nog levende dieren aangetoond kan worden; van andere zijn tot
+dusver zeer weinige overblijfselen ontdekt, ternauwernood voldoende
+om het vermoeden te wettigen, dat zij aan Reptielen hebben toebehoord.
+
+De naaste, thans nog levende verwanten van de Hagedisachtige reuzen uit
+den voortijd--van de Ichthyosauriërs, die aan Walvisschen herinnerden,
+van de Plesiosauriërs met vinnen en een Slangenhals, van de met
+een vlieghuid uitgeruste Pterodactylen--zijn de Krokodillen. Hoewel
+ook zij door de hoofdlijnen van hun gestalte op Hagedissen gelijken,
+wijken zij van deze in zeer belangrijke opzichten af. Zij overtreffen
+haar en alle overige leden der klasse zoo niet in zwaarte dan toch
+in grootte. Niet op dezen grond berust echter de scheiding der beide
+groepen; veel belangrijker redenen hiervoor zijn te vinden in het
+inwendig samenstel, onder anderen in de ontwikkeling der tanden en
+den bouw der tong.
+
+De romp van de Krokodillen is gestrekt en veel breeder dan hoog,
+de kop plat en laag, het snuitgedeelte zeer verlengd, de mondspleet
+hoekig gebogen, de hals buitengewoon kort, de staart langer dan het
+overige lichaam en zijdelings sterk samengedrukt, waardoor hij een
+krachtig zwemorgaan vormt; de korte pooten hebben sterk ontwikkelde
+voeten, de voorvoeten vijf tot aan den oorsprong gescheiden teenen,
+de achtervoeten vier teenen, die door geheele of halve zwemvliezen
+verbonden zijn en waarvan de drie binnenste duidelijke klauwen
+dragen. De kleine oogen, die door drie leden beschut worden, liggen
+tamelijk diep in hunne kassen, zijn eenigszins naar boven gericht en
+hebben een vertikaal geplaatste, langwerpige pupil. De gehooropeningen
+kunnen door een klepvormige huidplooi, de neusgaten door samendrukking
+hunner randen gesloten worden. Harde en dikke, min of meer vierhoekige
+hoornschubben en schilden bedekken de bovendeelen en de onderdeelen
+van romp en staart. Die van den rug onderscheiden zich door een er
+boven uitstekende, overlangsche lijst of kiel, die van den staart
+vormen twee zaagvormig getande randen, die verder achterwaarts tot een
+enkelen kam ineenvloeien; de schubben van de zijden van 't lichaam zijn
+meer afgerond. Op den rug verbeent de lederhuid onder de hoornschilden,
+waardoor de huid de aard van een pantser verkrijgt.
+
+De tanden zijn in holten van de kaakbeenderen bevestigd en hebben
+een open wortel; in de holte, die de pulpa bevat, dringt de tand
+door, die later voor de eerst aanwezige in de plaats zal treden. De
+kegelvormige kroon is zeer weinig naar achteren gekromd en zoowel aan
+de voor- als aan de achterzijde met een scherpen rand voorzien. Over
+'t algemeen zijn de tanden gelijk van vorm, doch ten deele verschillend
+van lengte; de eerste en de vierde van de onderkaak en de derde van
+de bovenkaak zijn in den regel de langste en dikste. De tanden van
+de onderkaak komen bij gesloten bek eenvoudig tusschen die van de
+bovenkaak te liggen; een uitzondering hierop maken evenwel bij de
+Echte Krokodillen de 1e en de 2e, bij de Kaaimans ook de 4e tand
+van elke onderkaakshelft, daar deze in kuiltjes van de bovenkaak
+passen. De tong is kort en plat, over haar geheele lengte aan den
+bodem van de mondholte bevestigd en verschilt hierdoor zeer van de
+tong der Hagedissen.--De rechter en de linker hartkamer zijn door
+een volledig schot van elkander gescheiden. Uit de linkerkamer komt
+het zuurstofhoudend bloed in den rechter aortaboog, den eenigen,
+die de slagaders van de vóór het hart gelegen lichaamsdeelen
+met bloed voorziet. Uit de rechterkamer wordt het zuurstofvrije,
+koolzuurhoudende bloed zoowel in de longslagader als in den linker
+aortaboog gestuwd. De beide aortabogen staan met elkander in
+gemeenschap, waardoor een vermenging van de beide bloedsoorten tot
+stand komt, welk mengsel zich naar de slagaders van de achter het hart
+gelegen lichaamsdeelen begeeft, terwijl de voorste gedeelten van het
+lichaam zuiver (of nagenoeg zuiver) zuurstofhoudend bloed ontvangen.
+
+Men kent tegenwoordig 24 bepaald verschillende soorten van
+Krokodillen, die in drie natuurlijke groepen gesplitst worden, welke
+op eigenaardigheden van het gebit gegrond zijn.
+
+De Krokodillen zijn over alle werelddeelen, met uitzondering
+van Europa, verbreid: het door hen bewoonde gebied beperkt zich
+tot de tropische gewesten en de daaraan grenzende deelen van den
+gematigden aardgordel. Ieder werelddeel, Australië uitgezonderd, bezit
+eigenaardige soorten van Krokodillen: Azië en Amerika hebben ieder
+twee, nergens anders voorkomende geslachten; Afrika wordt bewoond
+door één karakteristiek geslacht; in Australië en een aantal daarbij
+behoorende eilandengroepen leven wel Krokodillen, doch uitsluitend
+zulke, die ook in Azië voorkomen. Alleen de Krokodillen in de engste
+beteekenis van 't woord zijn over alle vier genoemde werelddeelen
+verbreid.
+
+
+
+Snavelkrokodillen of Gavialen (Gavialis) noemt men die soorten, welker
+bovenkaak in 't geheel geen kuiltjes bevat tot berging van tandspitsen
+der onderkaak en uitsluitend van voren uitsnijdingen vertoont: aan
+weerszijden drie, waarin de drie voorste onderkaakstanden bij gesloten
+bek gelegen zijn. Het aantal tanden wisselt af van 27 tot 29 in elke
+bovenkaakshelft en van 25 tot 26 in elke onderkaakshelft. De snuit is
+buitengewoon smal en lang en aan het voorste einde knopvormig verbreed.
+
+
+
+De meest bekende soort van dit geslacht, de Gaviaal of Ganges-gaviaal
+(Gavialis gangeticus), is in de oogen van vele Indiërs een heilig dier,
+aan Visjnoe, den schepper en beheerscher van het water gewijd. De
+bovenzijde is donker bruingroen en vertoont bij jonge exemplaren
+een teekening, die uit talrijke, kleine, donkerbruine vlekken of
+dwarsbanden bestaat; de kleur van de onderzijde gaat door groengeel
+in wit over. Volwassen exemplaren bereiken een lengte van 5.75 M.;
+in de Europeesche verzamelingen vindt men er echter geen, die meer
+dan 5 M. lang zijn.
+
+De Gaviaal komt voor in den Ganges en den Brahmapoetra en hunne
+bijrivieren, voorts in den Indus en volgens de nieuwste berichten
+ook in den Mahanadi in Orissa en den Kaladyne in Arakan.
+
+Uit den eigenaardigen vorm van den snuit kan men afleiden, dat dit
+dier, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk Visschen tot voedsel
+gebruikt. Ook uit alle overige details van den lichaamsbouw blijkt,
+dat het er geheel op ingericht is om in het water te verkeeren. Daar
+geen voorbeeld bekend of althans voldoende gestaafd is van een
+aanval van den Gaviaal op groote Zoogdieren of op den mensch, mag
+men hem als een van de weinige ongevaarlijke Krokodillen beschouwen,
+wien geen andere schadelijke werking kan worden ten laste gelegd dan
+deze, dat hij door het verslinden van kolossale hoeveelheden visch
+den voedselvoorraad vermindert van de menschen, die langs de oevers
+van de door hem bewoonde rivieren gevestigd zijn.
+
+De jongen zijn bij 't verlaten van de eischaal 40 cM. lang,
+grijsbruinachtig van kleur en met donkere dwarsbanden op den rug en
+den staart geteekend. Onmiddellijk na het uitkomen zag Andersson ze
+merkwaardig snel wegloopen; een jong, dat hij van de schaal trachtte
+te bevrijden, beet reeds flink om zich heen en verwondde hem aan
+den vinger.
+
+
+
+De Gaviaal van Borneo, de Boeaja-Sapit van de Maleiers, de
+Bedjai-Sampit van de Bejadjoe-Dajakkers (Gavialis Schlegelii), mist
+den vleezigen knobbel, die bij de vorige soort aan het vooreinde
+van den snuit voorkomt; zijn snuit is minder versmald en nadert tot
+die van de eigenlijke Krokodillen door de veel langere, tot aan de
+tusschenkaaksbeenderen reikende neusbeenderen.
+
+Salomon Müller, de ontdekker van dit merkwaardige dier, zegt van zijn
+levenswijze het volgende: "Hij is in de binnenlanden van Borneo vrij
+menigvuldig en bewoont bij voorkeur stille, eenzame meren. Vandaar
+begeeft hij zich soms naar de zacht vlietende bijrivieren en de met
+zwart, stinkend water voorziene kreeken, zelden echter in de grootere
+stroomen, waar het water veel drift heeft. Zijn voedsel bestaat uit
+Visschen, Waranen, Watervogels, Apen en andere viervoetige dieren. Voor
+den mensch is hij veel minder gevaarlijk dan de Indische Krokodil.
+
+"In September 1836 vonden wij bij het meer Lamoeda in Zuid-Borneo
+een nest met 20 eieren. Het lag in het bosch, omtrent 10 passen van
+den waterkant verwijderd, tegen een grooten boomstam aan. Het bestond
+uit een eenigszins plat kegelvormigen hoop aarde, die rijkelijk met
+verrotte bladeren en stukjes dor hout doormengd was. Deze mestachtige
+hoop was derdehalf voet hoog en van onderen ongeveer 4 voet breed. In
+het midden was een holte van omtrent 12 duimen doorsnede, in welke
+de eieren lagen, die bijna een voet hoog overdekt waren. De eieren
+worden door de broeiing en gisting dezer plantaardige stoffen verwarmd
+en de jongen hierdoor uitgebroed, want, daar het nest geheel onder
+den schaduw van den boom verborgen lag, kon geen zonnestraal het
+bereiken. In de eieren werden bijkans volwassen jongen gevonden,
+die, volgens het zeggen der ons verzellende inlanders, na 8 à 14
+dagen uitgekomen zouden zijn. De eieren zijn langwerpig van vorm
+en aan beide einden gelijkvormig afgerond, een weinig grooter dan
+die van een Gans: 98 mM. lang en in 61 mM. breed. Zij verschillen
+echter onderling een weinig in grootte en ook in vorm. Hun schaal
+is sterk, ruw, met vele onregelmatig verdeelde poriën voorzien en
+wit van kleur. Verscheidene Dajakkers en Maleiers verzekerden ons,
+dat versche Krokodillen-eieren gansch niet slecht van smaak zijn;
+voor velen van hen zijn zij een ware lekkernij".
+
+Dezelfde of een nauw verwante soort werd in Noord-Australië
+aangetroffen.
+
+
+
+Meer bepaaldelijk wordt de naam van Krokodillen (Crocodilus) gegeven
+aan die soorten, welke in 't voorste gedeelte van de bovenkaak (in
+de tusschenkaaksbeenderen) twee diepe kuiltjes hebben tot berging van
+de spitsen der beide voorste onderkaakstanden en verder achterwaarts,
+in ieder bovenkaaksbeen, een halvemaanvormige insnijding, waarin bij
+'t sluiten van den bek de vierde onderkaakstand wordt opgenomen. Het
+aantal tanden bedraagt 17 à 19 in elke bovenkaakshelft en 15 in elke
+onderkaakshelft, in 't geheel dus 64 à 68.
+
+
+
+De meest bekende Amerikaansche vertegenwoordiger van het genoemde
+geslacht is de Spitskoppige Krokodil (Crocodilus americanus). Zijn
+verbreidingsgebied omvat een niet onbelangrijk deel van Zuid- en
+Midden-Amerika, en van West-Indië; hij bewoont bijna alle landen en
+groote eilanden tusschen 30° N.B. en 5° Z.B.
+
+A. von Humboldt zag deze Krokodillen in den Orinoko en diens
+bijrivieren in grooten getale; op plaatsen, waar tusschen den waterkant
+en het struikgewas een breede grondstrook overblijft, lagen zij
+dikwijls bij troepjes van 8 à 10 stuks op het zand. "Bewegingloos,
+den muil zoo ver opengesperd, dat de kaken een rechten hoek
+vormen, rusten zij naast elkander, zonder eenige van de teekenen
+van onderlinge genegenheid, die men bij gezellig levende dieren
+gewoonlijk opmerkt. Zoodra zij zich te water begeven, gaan zij
+uiteen. Deze kolossale Reptiliën zijn zoo talrijk, dat men den
+geheelen stroom langs er bijna op ieder oogenblik 5 of 6 kon zien,
+hoewel het wassen van het water in den Apoere toen nog slechts op
+een nauwelijks merkbare wijze aangevangen was en dus honderden van
+Krokodillen nog in het slijk van de savanne begraven lagen."
+
+Ook in den Neveri wemelt het van deze monsters tot aan den mond dezer
+rivier; zij begeven zich zelfs, vooral bij stil weder, tot ver in
+zee. "Zij zwemmen uitmuntend en bewegen zich zonder groote inspanning
+tegen de sterkste strooming op; het kwam mij echter voor, dat zij,
+den stroom afzwemmend, niet snel omkeeren kunnen. Eens werd een groote
+Hond, die ons van Caracas af op reis vergezelde, in den stroom door een
+kolossalen Krokodil vervolgd; het monster was reeds zeer dicht bij den
+Hond, doch deze ontkwam aan het gevaar door om te keeren en tegen den
+stroom op te zwemmen. De Krokodil voerde dezelfde beweging uit, maar
+deed dit veel langzamer dan de Hond, die gelukkig den oever bereikte."
+
+De aard van den Spitskoppigen Krokodil is trouwens, gelijk Von
+Humboldt op vele plaatsen uitdrukkelijk verzekert, zeer verschillend,
+al naar de door hem bewoonde streek. In sommige rivieren vreest men
+hem zeer, en anderen weinig of niet. "De gewoonten van dieren, die
+oogenschijnlijk tot dezelfde soort behooren," zegt deze geleerde,
+"vertoonen afwijkingen van plaatselijken aard, die moeielijk te
+verklaren zijn. In de Boeritoeka-rivier werden wij gewaarschuwd
+onze Honden niet toe te staan uit den stroom te drinken, omdat hier
+buitengewoon wilde Krokodillen voorkomen, die niet zelden buiten
+het water komen en de Honden tot op den oever volgen. Dat zij hier
+met zooveel driestheid optreden, trekt te meer de aandacht, daar zij
+in de Tisanao-rivier tamelijk schuw en onschadelijk zijn. Ook in de
+Rio-Neveri, waar groote "Krokodillen met snoekenkop" talrijk zijn,
+toonen zich deze niet zoo boosaardig als in den Orinoko.
+
+"In de maag van een 3.6 M. langen Krokodil, die door Bonpland en
+mij ontleed werd, vonden wij halfverteerde Visschen en ronde stukken
+graniet van 8 à 10 cM. middellijn. Men mag niet onderstellen, dat de
+Krokodillen deze steenen toevallig doorslikken, want bij 't grijpen
+van de Visschen op den bodem van 't water rust hun onderkaak niet op
+den grond. Ik geloof, dat zij groote steenen in hun maag opnemen,
+om hierdoor het fijnmaken van het voedsel op soortgelijke wijze
+te bevorderen, als vele Vogels doen en om tevens een overvloediger
+afscheiding van maagsap teweeg te brengen. In den Apoere vinden zij
+een rijken buit onder de Waterzwijnen, die bij troepen van 50 à 60
+stuks aan den oever van den stroom leven. Deze ongelukkige dieren
+hebben in 't geheel geen wapens om zich te verdedigen; wel zwemmen
+zij iets beter dan zij loopen, maar toch worden zij in 't water een
+prooi van den Krokodil, zooals op het land van den Jagoear. Het is
+bijna onbegrijpelijk, hoe zij, ondanks de vervolgingen van twee zulke
+gevaarlijke vijanden, zoo talrijk kunnen zijn. Tot onze verbazing
+zagen wij een kolossalen Krokodil te midden van een troep van deze
+Knaagdieren bewegingloos en slapend op den grond liggen; hij ontwaakte,
+toen wij met onze "pirogue" naderden en ging langzaam op het water af,
+zonder dat de Waterzwijnen onrustig werden. Onze Indianen schreven
+de onverschilligheid dezer dieren aan domheid toe; waarschijnlijker
+komt het ons echter voor, dat de Waterzwijnen door langdurige ervaring
+weten, dat de Krokodil van den Apoere en den Orinoko hen op het land
+niet aanvalt, tenzij een door hem begeerd dier zich, juist als hij
+te water gaat, op zijn weg bevindt.
+
+"Voor de bewoners van de Orinoko-oevers vormen de gevaren, waaraan zij
+blootgesteld zijn, een onderwerp van dagelijksch gesprek. Zij hebben
+de gewoonten van den Krokodil nagegaan, zooals de stierenbevechter de
+gewoonten van den stier; zij weten de bewegingen van het gepantserde
+Reptiel, de wijze, waarop het zal aanvallen, de driestheid, waarmede
+het dit doet, als 't ware vooraf te berekenen. Als zij zich bedreigd
+zien, nemen zij met de tegenwoordigheid van geest en vastberadenheid,
+die den Indianen en Zambo's, kortom, den kleurlingen in 't algemeen,
+eigen zijn, alle middelen te baat, die zij sedert hunne kinderjaren
+hebben leeren kennen. In landen, waar de natuur zich zoo machtig en
+verschrikkelijk toont, is de mensch voortdurend op zijn hoede tegen
+gevaar. Een jong Indiaansch meisje, dat zich zelf uit de kaken van
+den Krokodil bevrijd had, zeide: "Ik wist, dat de Kaaiman mij los zou
+laten, als ik hem de vingers in de oogen drukte." Dit meisje behoorde
+tot de behoeftige volksklasse, tot die kringen, waar de gewoonte aan
+lichamelijken nood de geestkracht ontwikkelt."
+
+"Daar de Krokodil wegens het maaksel van zijn strottenhoofd, van
+zijn tongbeen en van de plooien der tong den buit onder water wel
+grijpen, maar niet verzwelgen kan, zal dit dier zelden een mensch
+doen verdwijnen, zonder dat men het zeer dicht bij de plaats,
+waar het ongeluk voorviel, te voorschijn ziet komen om den buit
+te verslinden. Toch wordt op deze gevaarlijke roovers zelden jacht
+gemaakt. Zij zijn zeer sluw en daarom niet gemakkelijk te dooden. Een
+kogel heeft slechts dan een doodelijke werking, als het dier in de
+keel of in de okselholte getroffen wordt. De Indianen maken zelden
+van vuurwapens gebruik, maar vallen den Krokodil met lansen aan, nadat
+hij zich vastgebeten heeft aan een stevigen, scherpen, ijzeren haak,
+die met vleesch als lokaas voorzien en met een ketting aan boomstammen
+bevestigd werd; zij gaan echter het dier niet eerder te lijf, dan
+nadat het zich lang tevergeefs heeft ingespannen om los te komen."
+
+Van de gedoode Krokodillen weet men in Zuid-Amerika, naar het schijnt,
+slechts weinig voordeel te trekken. Humboldt zegt hiervan niets anders,
+dan dat men het vet van den Kaaiman als een uitmuntend purgeermiddel
+beschouwt en dat het witte vleesch, in sommige streken althans,
+voor een smakelijk gerecht wordt gehouden.
+
+Behalve den mensch hebben de Spitskoppige Krokodillen weinig vijanden,
+die voor hen gevaarlijk kunnen worden. Over 't algemeen zijn ook deze
+Krokodillen volkomen onverschillig voor dieren, die hun niet tot
+buit kunnen dienen. Humboldt verhaalt, dat zij kleine, sneeuwwitte
+Reigers op hun rug en zelfs op hun kop laten rondloopen, zonder er
+zich om te bekommeren; tusschen beide dieren schijnt een soortgelijke
+betrekking te bestaan als tusschen den Afrikaanschen Krokodil en
+zijn "wachter". De Krokodillen zijn echter afkeerig van dieren,
+die in het water veel drukte maken: Humboldt zag hen onderduiken,
+wanneer Dolfijnen in hun nabijheid kwamen. Oude Krokodillen zijn
+natuurlijk tegen de aanvallen van andere dieren voldoende opgewassen;
+verscheidene Moerasvogels en ook de Raafgieren maken echter met ijver
+en behendigheid jacht op de jongen van het reusachtige Reptiel.
+
+De Krokodillen leggen hunne eieren ieder afzonderlijk in gaten van
+den grond; tegen het einde van den broedtijd komt het wijfje terug,
+roept de jongen, wacht hun antwoord af en helpt hen meestal bij het
+verlaten van den kuil. De jongen houden zich liever op in kleine
+plassen en watergeulen dan in breede en diepe stroomen; soms zijn
+zij in het met riet omzoomde water in zoo grooten getale aanwezig,
+dat zij er, bij wijze van spreken, als Wormen dooreenkrioelen.
+
+Uit de berichten van A. von Humboldt blijkt, dat de Krokodillen van
+den Orinoko zomerslaap houden. "Beneden de plaats, waar de Rio-Arauka
+haar water met dat van den hoofdstroom vermengt, vertoonden zich
+meer Krokodillen dan wij vóór dien tijd zagen, vooral tegenover een
+groot meer, dat met den Orinoko in gemeenschap staat. Van de Indianen
+vernamen wij, dat deze Krokodillen uit het droge land komen, waar
+zij in het slijk der savanne begraven hebben gelegen. Zoodra zij na
+de eerste regenbuien uit hun verstijving ontwaken, begeven zij zich
+troepsgewijs naar den stroom, waar zij zich weer verstrooien. Het
+droge jaargetijde, dat ten onrechte wel eens als de zomer van
+de keerkringsgewesten wordt beschouwd, is te vergelijken met den
+winter van den gematigden aardgordel. Uit een physiologisch oogpunt
+is het zeer merkwaardig, dat het tijdperk, waarin de Alligatoren van
+Noord-Amerika wegens de koude in winterslaap verkeeren, hetzelfde is
+als dat, waarin de Krokodillen in de Llanos hun zomerslaap houden. Men
+wees ons een hut of liever een soort van afdak, waar onze gastheer
+getuige was geweest van een hoogst merkwaardige gebeurtenis. Hij sliep
+met een vriend op een met leder bekleede bank en ontwaakte vroeg in
+den morgen door hevige schokken, een luid getier en het neervallen van
+kluiten aarde, die in de hut geslingerd werden. Niet lang daarna kwam
+een jonge Krokodil van 1 M. lengte uit den grond onder de slaapplaats
+te voorschijn, schoot toe op een Hond, die bij den uitgang lag, kon
+dezen wegens de onstuimige haast, die hij maakte, niet grijpen, snelde
+naar den oever en stortte zich in de rivier. Men onderzocht den bodem
+onder de slaapplaats en vond weldra de verklaring van dit zonderlinge
+voorval. In het uitgedroogde, thans tot op groote diepte los gewoelde
+slijk had de Krokodil in zomerslaap gelegen; het geraas van de menschen
+en Paarden en misschien ook de lucht van den Hond hadden hem gewekt."
+
+
+
+De meest bekende, sedert overouden tijd beroemde Krokodil, die den Nijl
+bewoont, heeft reeds in Herodotus en in den dichter van het boek Job
+beschrijvers gevonden; de eerstgenoemde geeft een getrouw verslag van
+hetgeen hij gedurende zijn verblijf in Egypte zelf gezien en gehoord
+heeft, door laatstgenoemde wordt, ondanks de beeldrijke taal, waarin
+zijne voorstelling is ingekleed, de "Leviathan" uitmuntend geschetst.
+
+"De Krokodil," verhaalt Herodotus, "bewoont het land en het water;
+het grootste deel van den dag brengt hij door op het land, waar hij
+ook zijne eieren legt en uitbroedt; des nachts echter houdt hij zich
+in den stroom op, want het water is nu warmer dan de onbewolkte
+hemel en de dauw. Meer dan alle andere dieren neemt hij sedert
+zijn jeugd in omvang toe. De eieren zijn niet veel grooter dan die
+van Ganzen en de jongen naar evenredigheid; in volwassen toestand
+echter is hij 17 ellen lang. Hij heeft vier pooten, varkensoogen,
+groote en uitstekende tanden, maar geen tong; ook beweegt hij niet de
+onderkaak, maar de bovenkaak tegen de onderkaak, gelijk geen ander
+dier doet. De klauwen zijn forsch, de geschubde huid kan op den rug
+niet losgemaakt worden. In het water is hij blind, in de lucht echter
+zeer scherpzichtig. Daar hij in het water leeft, heeft hij den muil
+met Bloedzuigers gevuld. Alle Vogels en andere dieren ontvlieden
+hem, met den vogel Trochylus echter leeft hij in vrede, omdat deze
+hem nuttig is. Als hij aan land gaat en daar met den kop naar den
+wind gekeerd met open muil nederligt, sluipt de Trochylus hierin en
+pikt de Bloedzuigers op; uit blijdschap over den hem bewezen dienst,
+doet hij den Vogel geen leed. Gedurende de vier strenge wintermaanden
+gebruikt hij geen voedsel. In Egypte heet hij niet Krokodil, maar
+Champsa; de Joniërs noemen hem Krokodil, omdat hij zooveel gelijkt
+op de Hagedissen, die op de muren van hunne tuinen verblijf houden."
+
+Andere schrijvers van de oudheid hebben eveneens over den Nijlkrokodil
+geschreven en menige vermeldenswaardige opmerking medegedeeld; over
+'t algemeen hebben zij het slechts weinige onjuistheden bevattende
+bericht van Herodotus weinig aangevuld, maar wel de eenvoudige
+voorstelling met verscheidene overleveringen opgesierd.
+
+De Gewone of Nijlkrokodil (Crocodilus niloticus, C. vulgaris) kan,
+naar men zegt, 10 M. lang worden. Mijns inziens berust deze opgave
+slechts op een schatting; werkelijke metingen hebben waarschijnlijk
+nooit een grootere uitkomst dan 5 of hoogstens 6 M. opgeleverd. Van
+de zeer nauw aan hem verwante Indische of Lijstenkrokodil (Crocodilus
+porosus, C. biporcatus) uit Zuid-Azië en de even weinig afwijkende
+Siameesche Krokodil (Crocodilus siamensis) onderscheidt hij zich
+vooral door het ontbreken van ieder spoor van lijsten op het voorste
+deel van den kop of den snuit. De donker bronsgroene grondkleur,
+die op den rug kleine, zwarte vlekken vertoont, gaat op de zijden
+van romp en hals in onregelmatig gerangschikte, donkere vlekken en
+op de onderdeelen in vuilgeel over; naar het schijnt, komen echter
+vele kleurverscheidenheden voor.
+
+Het verbreidingsgebied van den Nijlkrokodil omvat de wateren van
+het grootste deel van Afrika, van het kustgebied zoowel als van
+het binnenland. In Egypte is hij tegenwoordig bijna uitgeroeid. Door
+pijlen en slingersteenen is het niet mogelijk geweest hem te verjagen;
+"hij acht ze als stoppelen," zooals Job zegt; men heeft dit doel
+echter wel met geweerkogels kunnen bereiken. Ook voor hen is onze
+Leviathan niet teruggeweken; heldhaftig hield hij stand in het
+bedreigde deel van zijn gebied, totdat de laatste van zijn stam er
+het leven moest laten in den strijd met den hedendaagschen mensch. De
+voor hem zoo gelukkige toestanden van weleer zijn in Egypte nergens
+meer te vinden; "zijne tijden zijn vervuld" sedert het in gebruik
+komen van de moderne jachtgeweren, die zich aan zijn pantser niet
+storen, sedert een kind den reus kan bedwingen. Reeds is de moedige
+Ichneumon, de held der sage, een voorwerp van spot, zijn bedrijf een
+mythe geworden. Het is voor Egypte niet meer noodig, dat hij eieren
+van Krokodillen verslindt, den Krokodil zelf in den bek sluipt,
+om, tot de ingewanden doordringend, hem het hart uit te vreten; de
+weinige gepantserde Reptiliën, die kort geleden nog bestonden, zullen
+intusschen wel door de kogels van reislustige Europeanen neergeveld
+zijn; de Ichneumon moet dus nu, in plaats van krokodilleneieren,
+wel hoendereieren eten, gelijk hij trouwens altijd gedaan heeft.
+
+De eenige Krokodillen, die men thans nog in Egypte aantreft, zijn die
+van de holen van Maabdes; hier vindt men ze bij duizenden, maar--in
+den toestand van mummiën. Anders is het gesteld in Oost-Soedan en
+in alle andere binnenlanden van Afrika, waar het geweer de overoude
+wapens van de inboorlingen nog niet verdrongen heeft, vooral in die
+stroomen, welker oevers door het oerwoud in beslag zijn genomen. Hier
+kan men met volkomen zekerheid op iedere groote zandbank minstens één
+groote Krokodil en wel een half dozijn van zijne soortgenooten van
+verschillenden leeftijd en daaraan geëvenredigde lengte verwachten;
+hier en in de broeklanden, meren en moerassen kan men de schoonste
+monsters van dit slag met het grootste gemak nagaan. In Soedan is de
+raad van den Hebreeuwschen dichter: "Indien gij de hand aan hem slaat,
+bedenk, dat er een strijd is, dien gij niet kunt volbrengen," nog in
+haar vollen omvang geldig, want men vindt daar bijna geen dorp, welks
+bewoners niet een onheil weten te noemen, waaraan hij schuld draagt,
+geen mensch, die niet de kracht van den "Timsach" bewondert en tevens
+hem zelf vervloekt. De Soedanezen hebben trouwens voldoende redenen
+om het monster te verwenschen, waartegen zij zoo goed als niets
+vermogen; zonder weerstand te bieden moeten zij voor lief nemen,
+dat de vreeselijke roover hunne verwanten en huisdieren medesleurt
+onder den waterspiegel: zij kunnen hem ternauwernood bestrijden en in
+'t geheel niet verjagen.
+
+Een zandbank, waarop de Krokodil het genot kan smaken van in de
+zon te liggen, heeft den meesten invloed op de keuze van zijn
+verblijfplaats. Gedruisch veroorzakende gedeelten van den stroom
+worden door hem gemeden; in stroomversnellingen ontwaart men hem hoogst
+zelden. Aan de eens gekozen standplaats is hij zeer gehecht en zoekt
+haar met groote volharding steeds weder op. In den regentijd doet
+hij soms kleine reizen in het omliggende land, steeds echter door
+regengeulen of overstroomde boschachtige gronden.
+
+Algemeen verbreid is de meening, dat de Krokodil zich niet vlug
+beweegt; het tegendeel is waar. In het water toont hij een groote
+behendigheid, zwemt en duikt zeer snel op iedere diepte en klieft
+de golven, als een pijl de lucht. Zijn buitengewoon krachtige staart
+is een uitmuntend roeiwerktuig; ook de goed ontwikkelde zwemvliezen
+aan de achterpooten bewijzen hem voortreffelijke diensten bij iedere
+beweging, die hij wil uitvoeren, bij iederen stand, dien hij in 't
+water aanneemt. Uit woede of na een doodelijke verwonding, beukt hij
+zoo hevig met den staart om zich heen, dat het gezegde van den ouden
+dichter "hij doet de diepte zieden als een pot en brengt het water in
+beroering zooals men een zalf mengt," nauwelijks overdreven kan worden
+geacht. Ook op het land is zijn beweging volstrekt niet gebrekkig,
+ofschoon hij hier slechts bij uitzondering een grooten weg aflegt. Als
+hij op een zandbank kruipt, geschiedt dit in den regel zeer langzaam,
+door den eenen poot na den anderen te verplaatsen en den romp, die
+van achteren meer wordt opgeheven dan van voren, zoo laag te dragen,
+dat de buik over het zand sleept; wanneer hij zich echter aan land op
+eenigen afstand van den stroom bevindt en opgeschrikt wordt, snelt
+hij zeer schielijk naar het water terug; even snel schiet hij uit
+het water op het land om een hier aanwezigen buit te grijpen. Dat
+het oude, bekende verhaal over de ongeschiktheid van den Krokodil
+om een zigzaglijn te volgen, een sprookje is, zal iedereen opmerken,
+die eens getuige is geweest van het aan land komen of te water gaan
+van een Krokodil, daar het dier gewoon is bij het doorloopen van dezen
+korten weg een kring te beschrijven, welks middellijn de lengte van
+het lichaam slechts weinig overtreft.
+
+Het is moeilijk een oordeel te vellen over de hoogere begaafdheden
+van den Krokodil. Herodotus werd verkeerd ingelicht over het
+gezichtsvermogen van dit dier, want het kan onder water uitmuntend
+zien en op het land goed genoeg. Het gehoor van den Krokodil is beter
+dan dat van andere, misschien wel van alle overige Reptiliën. Dat hij
+het geringste gedruisch opmerkt, blijkt spoedig, wanneer men jacht
+op hem tracht te maken; in verreweg de meeste gevallen redt hem bij
+gevaar zijn scherp gehoor. De reuk, de smaak en het gevoel achten wij
+daarentegen bij hem weinig ontwikkeld, zoo niet stomp. Een zekere mate
+van verstand kan men hem niet ontzeggen. Doorgestane vervolgingen
+worden niet vergeten en geven aanleiding tot voorzichtigheid,
+wanneer hetzelfde gevaar hem later nogmaals bedreigt. Oude dieren,
+die reeds vele jaren achtereen dezelfde zandbank bewonen, verlaten
+haar na herhaalde verstoring van hun rust en kiezen dan, niet zonder
+overleg, een ander plekje, waar zij genoegelijk slapen en zich in de
+zon koesteren kunnen. Ook behouden zij een herinnering aan plaatsen,
+die hun dikwijls een buit verschaften; zoo b.v. ziet men ze telkens
+weer loeren op de naar den oever leidende wegen, die door het dorstige
+vee of door de waterhalende vrouwen begaan worden. Zij kennen echter
+geen verschil tusschen menschen, die voor hen gevaarlijk kunnen worden,
+en die, waarvoor zij niet behoeven te vreezen, nemen daarom steeds
+het wisse voor het onwisse en gaan te water, zoodra zij menschen
+zien. Bij het overvallen van hun buit toonen zij wel degelijk list;
+deze is echter niet te vergelijken met de sluwheid van een Zoogdier
+of van een Vogel; plompheid, onervarenheid en geringe ontwikkeling
+van het verstand blijken ook dan. De aard van den Krokodil verschilt
+al naar de omstandigheden waarin hij verkeert. Op het land is hij
+erbarmelijk lafhartig, in het water misschien wel niet moedig,
+maar toch driest en ondernemend: het bewustzijn van de veiligheid,
+die zijn eigenlijk element hem verschaft, schijnt te blijken uit
+zijne handelingen. Met zijns gelijken leeft hij gezellig en in
+goede verstandhouding; met soortgenooten van gelijke grootte houdt
+hij buiten den paartijd vrede; voor kleinere exemplaren blijft hij
+steeds gevaarlijk, daar de honger hem alle andere overwegingen doet
+vergeten. Om andere dieren bekreunt hij zich alleen dan, als hij van
+plan is er een te grijpen en te verslinden; in zijne onmiddellijke
+nabijheid duldt hij alleen die, welke hij niet kan grijpen: vandaar
+zijn schijnvertoon van vriendschap voor den Krokodilwachter.
+
+De Krokodil is in staat tot het voortbrengen van geluiden, die op een
+dof gebrul gelijken, maar laat zijn stem alleen hooren, wanneer hij
+in zeer opgewonden toestand verkeert. Toorn geeft hij te kennen door
+een blazend of dof sissend gesnuif. Jonge Krokodillen, die pas uit
+het ei zijn gekomen, maken een eigenaardig kwakend geluid, gelijkend
+op dat van Kikvorschen, die in tevreden gemoedsstemming verkeeren.
+
+Gewoonlijk verlaat het dier tegen den middag den stroom om zich in de
+zon te koesteren en te slapen. In 't water kan hij niet goed slapen,
+omdat de ademhaling geregeld en met zorg moet plaats hebben, om te
+verhoeden, dat hij naar de diepte zinkt, waar ademnood hem spoedig
+zou wekken; half sluimerend kan hij echter op den waterspiegel
+drijven. Voor zijn middagslaapje kruipt hij zeer langzaam en
+voorzichtig op een weinig boven het water uitstekende zandbank, laat
+zijne zeegroene oogen bedachtzaam rondwaren en maakt zich, na lang
+rondgekeken te hebben, gereed om een uiltje te knappen. Na zich op
+de gemakkelijkste wijze uitgestrekt te hebben, opent hij de deksels,
+die de neusholten sluiten, snuift, gaapt en spert eindelijk den rijk
+getanden muil zoo wijd mogelijk open. Na deze toebereidselen blijft
+hij onbeweeglijk op dezelfde plaats liggen en schijnt spoedig in
+te slapen. Zijn slaap is echter niet zeer vast; daar ieder ongewoon
+gedruisch hem wekt en ijlings naar het water doet terugkeeren.
+
+Wanneer het dier niet gestoord wordt, blijft het tot omstreeks
+zonsondergang op het droge, waar soms een groot aantal soortgenooten
+met hetzelfde doel bijeen zijn. Alle hebben echter de eilanden
+ontruimd, zoodra de avondschemering begint; dan vangt hun jacht aan,
+die den geheelen nacht en misschien ook een deel van de morgenuren in
+beslag neemt. Hun buit bestaat hoofdzakelijk uit Visschen; deze, hoe
+behendig zij ook zijn, worden in voldoende hoeveelheid door de groote,
+zwaarlijvige, schijnbaar onbeholpen Krokodillen gevangen. Zij maken het
+gewone voedsel van den Krokodil uit, die bovendien op alle groote en
+kleine Zoogdieren, welke onvoorzichtig uit den stroom komen drinken,
+en zelfs op Moeras- en Watervogels loert. Met groote bedachtzaamheid
+nadert hij hunne drink- en rustplaatsen, zwemt, terwijl alleen de
+neusgaten een weinig boven den waterspiegel uitsteken, langzaam en
+zonder gedruisch op zijn doel af, neemt een gunstig oogenblik te baat,
+schiet eensklaps bliksemsnel bij den oever omhoog en lijnrecht op
+zijn slachtoffer toe. Nooit zal hij een tevergeefs besprongen buit
+op het land vervolgen. De Vogels verschalkt hij door zich rustig te
+houden en onverschilligheid te veinzen, en zich daarna, onverwachts
+vooruitschietend, te midden van zijne slachtoffers te storten, of
+door uiterst langzaam nader te kruipen en eerst nadat de afstand
+zijns inziens voldoende verminderd is, tot den aanval over te gaan.
+
+Zelfs op groote Zoogdieren maakt hij jacht; hij sleurt Ezels,
+Paarden, Runderen en Kameelen met zich mede in den stroom. Aan de
+beide hoofdaders van den Nijl verliezen de herders door zijn toedoen
+in den loop van 't jaar geregeld verscheidene van de dieren, die
+aan hunne zorgen zijn toevertrouwd. De herders in Oost-Soedan nemen
+bij het laten drinken van hunne Kameelen steeds de voorzorg in acht,
+ze onder groot geschreeuw bij groote troepen te gelijk in den stroom
+te drijven om door getier en beweging de Krokodillen te verjagen. Om
+kleiner vee, Runderen, Paarden, Ezels, Schapen en Geiten te drenken,
+drijft men het nooit in den stroom, indien deze door gevaarlijke
+Krokodillen bewoond wordt, maar laat het den dorst lesschen uit door
+dammen omringde watervergaarbakken en vijvers, die naast den stroom
+aangebracht zijn en waarin het water vooraf met groote moeite door
+de herders moet worden overgeschept; soms omgeeft men een deel van
+den stroom door dichte doornheggen en verkrijgt hierdoor een aan de
+landzijde open, aan de waterzijde gesloten drinkplaats, waar het vee
+tegen de gevreesde roovers beschut is.
+
+Schadelijker nog dan door het rooven van vee wordt de Krokodil door
+het dooden van menschen. In alle Soedaneesche gewesten hebben ieder
+jaar dergelijke ongelukken plaats; de meeste komen voor bij het
+waterscheppen uit den stroom. Het is gebleken, dat de Krokodillen
+ook wel menschen uit kano's weghalen; dit behoort evenwel tot
+de zeldzaamheden. Pechuel-Loesche was met den zendeling Comber
+ooggetuige van zulk een voorval. Het gebeurde omstreeks den middag
+bij het Belgische station Manyango aan den Kongo. Op een door klippen
+beschutte, maar diepe plek van den stroom zat in een zeer klein,
+uit een uitgeholden boomstam vervaardigd schuitje, welks rand zich
+nagenoeg niet boven den waterspiegel verhief, een negerhoofdman te
+hengelen. Plotseling werd hij door een Krokodil, wiens kop slechts voor
+een oogenblik zichtbaar werd, in 't water gesleurd; dit geschiedde zoo
+snel, dat de man geen tijd had om te schreeuwen; het eenige gedruisch,
+dat de aandacht trok, werd door het omslaan van de schuit veroorzaakt.
+
+Alle niet van schranderheid ontbloote dieren kennen den Krokodil en
+zijn wijze van aanvallen. Honden, die in de dorpen aan den stroom
+opgegroeid zijn, begeven zich steeds met de grootst mogelijke
+voorzichtigheid te water, laten vooraf hunne blikken over den
+waterspiegel zwerven, drinken haastig eenige druppels en keeren ten
+spoedigste naar den oever terug, waar zij geruimen tijd wachten en
+intusschen voortdurend de oppervlakte van het water bespieden, voordat
+zij onder inachtneming van dezelfde voorzorgsmaatregelen nogmaals te
+water gaan; zoo gaan zij voort, totdat hun dorst gelescht is. Hun
+haat tegen den Krokodil blijkt, wanneer men hun een groote Hagedis
+vertoont: onder woedend geblaf wijken zij terug als Apen voor een
+Slang. Behalve levende dieren verslindt de Krokodil ook alle lijken,
+die den stroom afdrijven.
+
+Zoo driest als de Krokodil in 't water is, zoo erbarmelijk lafhartig
+gedraagt hij zich op het land. Naar den rivieroever, vanwaar hij zich
+hoogst zelden verder dan 100 schreden verwijdert, keert hij bij ieder
+vermoeden van gevaar regelrecht terug. Bij het verschijnen van een
+mensch neemt hij steeds met den grootst mogelijken spoed de vlucht;
+nooit komt het in hem op een mensch, die zich verder landwaarts
+begeeft, te vervolgen.
+
+Waarschijnlijk doet de Krokodil nooit anders dan 's nachts tochtjes
+over het land, misschien alleen met het doel om een ander water op te
+zoeken. Om te jagen verlaat hij den stroom stellig niet. Gedurende het
+regenseizoen volgt hij de regengeulen, die kort daarna uitdrogen, soms
+zoover, dat hij, wanneer een snel intredende droogte de gemeenschap met
+den hoofdstroom verbreekt, zich genoodzaakt ziet om, zoo goed mogelijk
+verborgen, de eerstvolgende regenbuien af te wachten. Aanvankelijk
+trekt hij nu van den eenen plas naar den anderen; later houdt hij
+zich weken lang op in een poel, die nog eenig water bevat, al is deze
+in het geheel niet geëvenredigd aan zijn grootte; men ziet daarom
+soms in een onbeduidende, ondiepe kolk reusachtige exemplaren;
+eindelijk, als ook hier het water verdampt is, begraaft hij zich
+onder het slijk. Penney trok met zijne manschappen een regengeul
+over, die ongeveer 20 KM. verder in den Blauwen Nijl uitmondde. Om
+water te verkrijgen werd in het nu uitgedroogde bed van den geul een
+put gegraven. Toen de gravers op een diepte van ongeveer 2,5 M. waren
+gekomen, sprongen zij vol schrik weer uit den kuil naar boven en riepen
+den alwetenden opperstafarts te hulp, omdat zich in den put een "grijs
+ding" heen en weer bewoog. Bij nader onderzoek bleek dit de spits
+van den staart van een levenden, zeer grooten Krokodil te zijn. Een
+tweede put, die gegraven werd op de plaats, waar men den kop van het
+monster verwachtte, maakte het mogelijk dit dier een lans in den nek
+te stooten. Het bleek 5 M. lang te zijn, toen men het geheel uit den
+grond gegraven had. Wegens dit voorval wordt de bedoelde regengeul
+ook thans nog "Chor el Timsach" of Krokodilwater genoemd.
+
+Krokodillen van 3,5 M. zijn reeds geslachtsrijp; wijfjes van deze
+grootte leggen echter minder en kleinere eieren dan die, welke geheel
+volwassen zijn. Hoe dit geschiedt blijkt uit de mededeelingen van
+A. Voeltzkow over Oost-Afrika. Den 19en Januari vond deze onderzoeker
+op een kale plek van den oever, 5 à 6 schreden van den waterkant,
+op den bodem van een kuil van ongeveer 0,5 M. diepte 79 eieren, die
+over 4 hoopen verdeeld waren. Het eierenleggen heeft slechts éénmaal
+in 't jaar plaats, in de tweede helft van Januari en de eerste helft
+van Februari. De moeder maakt geen eigenlijk nest maar toont toch
+wel degelijk eenige zorg voor haar kroost, daar zij over dag boven de
+eieren de wacht houdt, totdat na ongeveer 2 maanden de jongen uitkomen.
+
+"De Sakalaven hadden mij verhaald," schrijft Voeltzkow uit Madagaskar,
+"dat het oude dier tegen den tijd, dat de jongen rijp zijn voor
+het uitkomen, den nestkuil opengraaft; ik had geen reden om dit te
+betwijfelen, daar ik zelf talrijke kuilen had opgemerkt, waaruit het
+zand verwijderd was en waarin gebroken eischalen lagen. Het was mij
+echter een raadsel, hoe de moeder te weten komt, wanneer de kiemen
+in de eieren ver genoeg ontwikkeld zijn, wanneer het tijd is ze op te
+graven. Om het uitkomen van de jongen te kunnen waarnemen hield ik in
+de werkkamer van mijn huis te Majunga krokodilleneieren in eenige met
+zand gevulde kisten. Eens hoorde ik uit een dezer kisten een geluid
+komen; in de meening dat het voortgebracht werd door een van de jongen,
+die, de eischaal verlaten hebbend, gevaar liep in het zand te stikken,
+groef ik de eieren op en bemerkte tot mijn groote verrassing, dat de
+tonen in gave eieren ontstonden. Zij zijn zoo luid, dat men ze, als de
+eieren bloot liggen, duidelijk in een naburige kamer hooren kan. Het
+geluid geven van de jongen in het ei kan men te voorschijn roepen,
+zoodra men wil, door te kloppen tegen de kist of er hoorbaar stappend
+langs te gaan, ook door het ei in de hand te nemen en een weinig te
+schudden: elke schok noopt het jong in het ei tot het voortbrengen van
+geluiden. Daar de moeder, zooals reeds gezegd is, op het nest slaapt,
+zullen hare bewegingen bij het loopen van het water naar het nest en
+omgekeerd een dreuning van den grond teweegbrengen, die de jongen in
+het ei, welke ver genoeg ontwikkeld zijn, aanleiding geeft om zich
+te laten hooren. Het oude dier graaft dan het zand weg en na eenigen
+tijd komen de jongen uit. Het voortbrengen van deze tonen geschiedt
+met gesloten bek en gaat, naar het schijnt, gepaard met een sterke
+samentrekking van de buikspieren, ongeveer zooals ons hikken, waarop
+trouwens de klank van het bedoelde geluid eenigszins gelijkt."
+
+Herodotus verhaalt, dat de bewoners van Beneden-Egypte in vroegere
+tijden Krokodillen in gevangenschap hielden. "Sommige Egyptenaars,"
+zegt de vader der geschiedenis, "beschouwen de Krokodillen als heilige
+dieren, andere houden ze voor hunne ergste vijanden: gene wonen
+rondom het Moeris-meer, deze bij Elefantine. De eerstgenoemden voeden
+een Krokodil en maken hem zoo tam, dat hij zich laat streelen. Men
+streeft er naar hem een heerlijk leven te verschaffen, hangt hem
+gouden ringen met geslepen steenen in de ooren, versiert zijne
+voorpooten met gouden armbanden en voedert hem met meelspijs en met
+het vleesch van de offerdieren. Na zijn dood wordt hij ingebalsemd en
+in een gewijd graf bijgezet. Zulke begraafplaatsen bevinden zich in
+de onderaardsche vertrekken van het labyrinth aan het Moeris-meer,
+niet ver van de Krokodillenstad." In den tegenwoordigen tijd denkt
+in de Nijllanden niemand meer aan het temmen van Krokodillen.
+
+De oude Egyptenaars vingen de Krokodillen op verschillende wijzen. De
+jager wierp een groot stuk varkensvleesch, waarbinnen een haak
+verborgen was, in den stroom en verschool zich aan den oever
+in gezelschap van een big, die hij aan 't schreeuwen bracht. Dit
+geschreeuw lokte den Krokodil naderbij, die het stuk vleesch verslond
+en met den haak aan land getrokken werd. De jager smeerde hem hier
+vooraf de oogen vol modder, om zich tegen zijn aanval te beveiligen
+en maakte hem daarna zonder moeite af.
+
+De Tentyriten hadden, naar Plinius verzekert, den moed een zwemmenden
+Krokodil in 't water te vervolgen, hem een strik om den hals te werpen,
+op zijn rug te gaan zitten en hem, als hij den kop ophief om te bijten,
+een dwarshout in den muil te steken. Hierdoor bestuurden zij hun buit
+als een aan den toom geleid Paard en dreven hem aan land.
+
+In den tegenwoordigen tijd wordt een andere wijze van jagen gevolgd,
+die weinig minder moed vereischt. E. Rüppell heeft haar voor 't eerst
+beschreven; zijn verhaal stemt volkomen overeen met dat, hetwelk ik
+van verschillende Afrikanen vernam. De jacht begint als de zandbanken,
+waarop de Krokodillen slapen en zich door de zon laten beschijnen,
+droog komen te liggen door het vallen van het water in den stroom. De
+jager vorscht de plaats uit, waar de Krokodil zich gewoonlijk neervleit
+en kan nu als schuilplaats voor zich zelf een kuil in 't zand graven,
+zoo gelegen, dat het Reptiel bij den dan heerschenden wind niet de
+lucht kan krijgen van zijn vijand; hier blijft hij liggen, totdat
+de Krokodil het water verlaten heeft en ingeslapen is. Het wapen,
+dat bij deze jacht gebruikt wordt, is een werpspies bestaande uit een
+driezijdige, ijzeren, met weerhaken voorziene spits, die met behulp van
+een ring en 20 à 30 stevige koorden aan een houten steel bevestigd is;
+de koorden zijn op sommige plaatsen van elkaar gescheiden, op andere
+echter onderling vereenigd; de steel is door een lang touw vastgehecht
+aan een lichten, houten klos. "De jager moet in staat zijn om de spies
+met zooveel kracht te werpen, dat het ijzer, na het pantser van den
+Krokodil doorboord te hebben, ongeveer 10 cM. diep in het lichaam
+dringt en hier blijft zitten. Zoodra het dier getroffen wordt, wijken
+de houten steel van de lans en de ijzeren spits uiteen, daar het ijzer
+slechts losjes in het hout werd gestoken. De gewonde reus slaat woedend
+met den staart en tracht het samengestelde koord door te bijten, welks
+bestanddeelen echter tusschen zijne tanden komen te liggen en daarom
+niet of slechts gedeeltelijk stukgesneden worden. Op geringe diepten
+wijst de op 't water drijvende stok, op grootere de lichte houten klos
+den door het dier gevolgden weg aan. De jager volgt den Krokodil in
+een bootje, totdat hij aan den oever een geschikte landingsplaats
+gevonden meent te hebben. Hier trekt hij het dier, als de harpoen
+stevig genoeg vastzit, met behulp van het koord naar de oppervlakte
+van 't water, geeft hem met een scherpe lans den doodsteek in den
+nek of sleept hem nog levend aan land. Indien ik het niet met mijn
+eigen oogen gezien had, zou het mij ongeloofelijk voorkomen, dat twee
+menschen een Krokodil van bijna 5 M. lengte uit het water trekken, den
+snuit dichtbinden en de pooten op den rug aaneenkluisteren kunnen; zij
+dooden hem vervolgens door met een scherp mes het verlengde merg door
+te snijden." In netten wordt de Krokodil slechts bij toeval gevangen,
+groote exemplaren uiterst zelden, omdat zij zich zoo hevig bewegen,
+dat zelfs de sterkste vischnetten scheuren.
+
+De Europeanen, de Turken en de bewoners van Middel-Egypte maken
+met vuurwapenen jacht op den Krokodil. Hoewel ik meer dan honderd
+Krokodillen een kogel toegezonden heb, is het mij nooit voorgekomen,
+dat de kogel terugsprong, zooals naar men beweert, dikwijls
+geschiedt. Een feit is het echter, dat slechts zeer weinige schotwonden
+den Krokodil oogenblikkelijk dooden. Hij heeft een buitengewoon taai
+leven, kan zelfs na een doodelijke verwonding meestal nog den stroom
+bereiken en is dan voor den jager verloren. Eens loerde ik in een met
+matten en zand overdekten kuil van een zandbank in den Blauwen Nijl op
+Kraanvogels. Nog voordat de Vogels zich vertoonden, kwam, nauwelijks
+15 schreden van mij verwijderd, een Krokodil van ongeveer 5 M. lengte
+te voorschijn; deze kroop langzaam uit het water en vleide zich op
+een afstand van ongeveer 6 M. van mijn schuilplaats op het zand neer
+om te slapen. Om hem waar te nemen onderdrukte ik de wraakzuchtige
+neigingen die mij vervulden, hoewel ik voornemens was hem na eenigen
+tijd den welverdienden kogel toe te zenden. Een Kraan, die juist toen
+onder schot kwam, redde voorloopig het leven van het monster; door
+een kogel getroffen viel de Vogel ter aarde. De Krokodil had zich,
+zonder te begrijpen vanwaar het schot kwam, bij het hooren van den
+knal, zoo spoedig mogelijk te water begeven; nauwelijks echter had
+ik den dooden Vogel opgeraapt en mijn geweer op nieuw geladen, toen
+het gepantserde dier ten tweedenmale, op dezelfde plaats als vroeger,
+voor den dag kwam. Ik mikte nu zonder overhaasting op zijne slapen,
+schoot en zag tot mijn voldoening, dat het ondier na het schot een
+kolossalen, vertikalen luchtsprong deed, log op den bodem neerplofte
+en bewegingloos bleef liggen. Een bedwelmende muscuslucht verbreidde
+zich in 't rond; mijn dienaar Tomboldo, die aan 't andere einde
+van de zandbank nog in de schiethut zat, sprong juichend op uit
+zijn schuilplaats met het verzoek: "Beste Heer, mij de klieren,
+mij de muscus voor mijn vrouw; ik moet haar toch wat meebrengen
+van de reis."--Wij stonden bij het gevelde dier, wiens geheele
+lichaam nog schokte en trilde.--"Neem u in acht voor den staart,"
+waarschuwde Tomboldo, "en geef hem liever nog een schot, opdat hij ons
+niet ontkome."--Hoewel ik dezen laatsten voorzorgsmaatregel onnoodig
+achtte, vervulde ik den wensch van mijn trouwen, zwarten dienaar, hield
+den loop van mijn geweer bijna voor 't oor van den Krokodil en joeg
+hem een tweeden kogel in den kop. Op hetzelfde oogenblik sprong hij
+hoog op, wierp ons met den staart zand en kiezelsteenen in 't gelaat,
+maakte stuiptrekkende bewegingen met al zijne lichaamsdeelen en rende
+plotseling, alsof hij niet gewond was, naar den stroom, waardoor alle
+uitzicht op het verkrijgen van de muscusklieren ons benomen werd.
+
+Deze klieren verschaffen aan de hedendaagsche Soedaneezen het grootste
+voordeel, dat zij uit het lichaam van een gedooden Krokodil weten
+te trekken. Ten tijde van mijn verblijf in hun land verkocht men dit
+artikel voor 4 à 6 "speciesthaler", voor welke som men zich destijds
+in dezelfde streek twee halfwassen Runderen kon aanschaffen. Met deze
+muscusklieren parfumeeren de schoonen van Nubië en Soedan de zalf,
+waarmede zij zich het haar en het lichaam besmeren. Aan deze klieren
+danken alle lichaamsdeelen van den Krokodil hun doordringende lucht;
+het vleesch van de volwassen dieren wordt er oneetbaar door.
+
+In den ouden tijd werden uit den gedooden Krokodil allerlei
+geneesmiddelen verkregen. Zijn bloed werd als een voortreffelijk
+tegengif beschouwd bij verwondingen door Vergiftige Slangen; het
+verdreef ook de vlekken van de oogen; de tot asch verteerde huid
+werd dienstig geacht voor het heelen van wonden; het vet was, naar
+men zeide, een voorbehoedmiddel tegen koorts, kiespijn en muggebeten;
+door een tand als amulet aan den arm te dragen, verkreeg men bijzondere
+krachten. Ook hiervan hoort men thans niet meer spreken.
+
+
+
+Onder de Aziatische soorten verdient de Indische of Lijstenkrokodil
+(Crocodilus porosus, C. biporcatus) in de eerste plaats genoemd te
+worden, daar hij de verst verbreide soort van de geheele familie
+is. Door het ontbreken van de voorste nekschilden en vooral door twee
+zeer lange, bijna van het oog tot aan de spits van den snuit reikende,
+parelsnoervormig gelede, beenige lijsten onderscheidt de Indische
+Krokodil zich duidelijk van alle overige soorten. De snuit is ook bij
+deze soort lang, min of meer versmald en toegespitst, zijn lengte is
+het dubbele van de breedte aan de basis, zijn bovenzijde gewelfd en
+rijk aan plooien. De onderschenkel is met een getakten kam voorzien. De
+kleur is donker olijfgroen, bij de jongen met donkere vlekken. Men
+heeft exemplaren gemeten, die 8.6 M. lang waren; in de verzamelingen
+behooren die van 5.25 M. lengte echter reeds tot de uitzonderingen.
+
+De Lijstenkrokodil bewoont Zuidoost-Azië en de omliggende eilanden;
+men ontmoet hem aan de oostkust van Indië, op Ceylon, in Bengalen,
+Birmah, het zuidwesten van China en in geheel Insulinde, voorts in
+Noord-Australië en zelfs op de Salomon- en Fidsji-eilanden. Men zou
+hem den Krokodil van de zee kunnen noemen, daar hij, vaker dan eenige
+andere soort, van de riviermonden uit de zee bezoekt en niet zelden
+op een afstand van verscheidene zeemijlen van de kust of bij eb op
+droog vallende zandbanken van middelmatig breede zeeëngten tusschen
+de eilanden wordt gezien.
+
+"De Indische Krokodil," zegt Schlegel, die Salomon Müller's
+aanteekeningen in 't licht heeft gegeven in zijne "Verhandelingen over
+de Natuurlijke Geschiedenis der Nederlandsche overzeesche bezittingen",
+"wordt vooral in groote menigte aan de groote rivieren van Borneo
+en Sumatra aangetroffen; hier komen door deze roofdieren jaarlijks
+vele menschen om het leven. Zoo rekent men b.v., dat er alleen aan de
+Palembangrivier op Sumatra jaarlijks omstreeks 150 menschen door deze
+Krokodillen verslonden worden. Niet onmogelijk is het, dat op Java
+en Sumatra veel meer menschen door Krokodillen het leven verliezen
+dan door Koningstijgers.
+
+"De Krokodillen liggen, ten einde levende viervoetige dieren of
+Vogels te vangen, òf dicht bij den oever onder het water verborgen,
+òf onbeweeglijk daarlangs uitgestrekt, op den loer. Zij bezigen dus
+in het algemeen hetzelfde middel tot het erlangen van voedsel als de
+Katten en vele andere Roofdieren, want ook zij overvallen hun buit
+meest onverwachts uit een hinderlaag, waarbij zij met te meer list
+en geduld te werk moeten gaan, daar hun sluipen buiten het water,
+ook door de onbuigzaamheid van het lichaam, met meer moeite gepaard
+gaat. Desniettemin vangen zij dikwerf Herten, Wilde Zwijnen, Honden,
+Geiten, Apen en meer andere dieren, wanneer deze den waterkant naderen
+om hun dorst te lesschen. De dieren, die veel onder het water leven,
+gelijk de Otters en de Waranen of Monitors, zijn gedurig aan de
+vervolgingen der Krokodillen blootgesteld, terwijl deze tevens van
+hun vroegste jeugd af op alle soorten van Water- en Strandvogels
+jacht maken. Hoe ondernemend, stout en gevaarlijk intusschen de
+Krokodillen ook in het water zijn, toonen zij zich daarentegen er
+buiten ongemeen vreesachtig en schuw. Bij het minste geruisch, dat
+zij vernemen, of indien zij een mensch op 40, 60 tot zelfs 100 en
+meer schreden afstands gewaarworden, hetzij op het land of in een
+kano op het water, vluchten zij onverwijld naar den stroom, waar zij,
+spoedig uit het gezicht verdwijnend, zich aan alle verdere vervolgingen
+onttrekken. Zij zwemmen voortreffelijk, zoowel stroomop als stroomaf;
+in het laatste geval laten zij zich dikwijls zonder merkbare beweging
+met de golf wegdrijven. Nooit ziet men hen op een vroolijke of dartele
+wijze door het water zwemmen en er buiten vertoonen zij zich nog
+slaperiger. Blijken van onderlinge verstandhouding of wederzijdsche
+gehechtheid hebben wij nooit bij hen opgemerkt; elk individu schijnt
+veel meer van jongs af afgezonderd en voor zichzelf te leven, en
+bijaldien men soms eenige hunner dicht bij elkander aantreft, dan
+schijnt zulks meer aan hun groot aantal op een plaats te moeten worden
+toegeschreven, dan wel naar de zucht om in gezelligheid met elkander te
+leven. Wanneer dit roofzuchtig gedierte onder het water op buit loert,
+steekt het gewoonlijk alleen de neusgaten boven den waterspiegel,
+en in deze houding blijft de Krokodil niet zelden uren lang op een en
+dezelfde plek liggen; zoodra hij echter eenig gevaar bemerkt, duikt
+hij oogenblikkelijk naar beneden en komt dan een eind weegs verder op
+nieuw boven. Minder stil is zijn vlucht van het land naar het water,
+wanneer men hem onverwachts door een geweerschot uit den slaap doet
+wakker schrikken; met den meest mogelijken spoed stort hij zich dan
+op onstuimige wijze in het water; de hierdoor veroorzaakte plof wordt
+veelal van eenige geduchte slagen gevolgd, welke hij al duikend met den
+staart teweegbrengt. Op het land is de loop van deze dieren over het
+algemeen traag en moeielijk, doch korte afstanden kunnen zij soms met
+onbegrijpelijke snelheid afleggen. Zij worden echter schielijk moede,
+daar hunne onevenredig kleine en zwakke pooten het zware lichaam niet
+lang vermogen te dragen: het zakt weldra tot op den grond door en
+schuift dan in slingerende beweging daarlangs voort. Het is bekend,
+dat de Krokodillen in wilde, moerassige streken soms kleine tochten
+over het land ondernemen, zoodat het wel eens gebeurt, dat men in
+een geheel afgezonderd liggend moeras of ook in een grooten vijver,
+plotseling een dezer dieren ontwaart, waar men hen vroeger nimmer
+gezien had. Meerendeels geschieden die verhuizingen des nachts.
+
+"Van alle zintuigen schijnt het gehoor bij de Krokodillen het meest
+bevoorrecht te zijn. De scherpheid van het gehoor stelt hen in staat
+om zelfs op vrij verren afstand onder het water alles te vernemen,
+wat er buiten in den omtrek voorvalt. Zij komen gewoonlijk op ieder
+gedruisch dadelijk af, doch altijd in de grootste stilte. Zijn het
+menschen of dieren, die den oever betreden, zoo naderen zij bedaard
+en houden zich zoolang onder de oppervlakte van het water verscholen,
+tot zich een geschikte gelegenheid aanbiedt om een aanval te wagen,
+die hun zelden mislukt, daar zij meestal niet eerder op het beloerde
+voorwerp toeschieten, dan wanneer het zich genoegzaam zeker onder
+hun bereik bevindt. Bij den uitval, het aanbijten en het wegrukken
+van den roof zijn de bewegingen der Krokodillen pijlsnel: zelfs
+zoo, dat wanneer menschen zulk een gewelddadigen dood ondergaan,
+er slechts zelden eenig noodgeschrei of een kreet van angst of
+schrik van hen vernomen wordt. De Krokodillen trekken hun buit
+altijd onverwijld onder water, maar verschijnen korten tijd daarna,
+soms reeds na weinige oogenblikken, op korter of grooter afstand
+daarmede weder aan de oppervlakte. Is de prooi klein, dan verslinden
+zij die dadelijk al zwemmende, waarbij zij dan alleen den kop boven
+water houden; grootere dieren of menschen verslinden zij daarentegen
+gewoonlijk eerst tegen den avond of in den nacht, tot welk einde
+zij hun roof hier of daar op een eenzamen oever brengen, waar men
+dan niet zelden overblijfsels van het lijk aantreft. Zij schijnen
+hun prooi door haar hevig heen en weer te slingeren en tegen den
+grond te slaan, gedeeltelijk te vermorzelen en verder in stukken te
+scheuren. Stemgeluid hebben wij nooit van een Krokodil gehoord en
+ook nergens van de inlanders vernomen, dat deze dieren ooit eenig
+geschreeuw doen hooren. De Krokodillen zijn over het algemeen meer
+nacht- dan wel dagdieren. Zij zijn, evenals de groote Katsoorten,
+het gevaarlijkste in den avond en tegen middernacht, waarom dan ook
+de inlanders na zonsondergang niet gaarne, doch indien zulks moet,
+steeds met alle behoedzaamheid plaatsen langs de oevers der rivieren
+en meren bezoeken, waar vele Krokodillen voorkomen. Overvalt hen soms
+op een watertocht, dien zij met een kleine kano ondernemen, de nacht,
+dan kiezen zij, zoodra het duister begint te worden, meer het middelste
+gedeelte van den stroom, waar zich de Krokodillen zeldzamer ophouden
+dan langs de stille en rustige oevers.--Toch gebeurt het niet zelden
+in Indië en vooral op Borneo, dat er menschen van de oevers of uit de
+vaartuigen door deze dieren worden weggehaald en zulks dikwijls zoo
+zonder eenige beweging, dat zeer nabij zijnde personen er nauwelijks
+iets van bemerken. Zeer oude Krokodillen slaan ook soms met hun staart
+de kleine bootjes aan splinters, waarbij dan steeds een van de zich
+daarin bevindende menschen tot buit van het roofdier wordt.
+
+"Bij dag ontwaart men de Krokodillen dikwijls slapend aan den
+waterkant, waar zij dan als een boomstronk uitgestrekt liggen en den
+muil soms wijd geopend houden. Zij kiezen daartoe bijzonder effene
+plekken uit, die, of tusschen hoog riet en gras, door een grooten,
+afhangenden boomtak belommerd zijn, of ook wel geheel open en
+vrij aan de stralen der zon zijn blootgesteld en waar deze dieren
+veelal iederen dag komen rusten. Op deze rustplaatsen worden in
+eenige streken van Borneo de Krokodillen op een eigenaardige wijze
+gevangen. De Dajakkers leggen er eenige planken neer, die van boven
+met een sterk klevende boomhars bestreken zijn. Wanneer zich nu een
+Krokodil op zulk een plank neerlegt en daar eenigen tijd op gerust
+heeft, geraakt de plank door de hars zoo stevig aan het lijf van het
+dier vast, dat zij er alleen met moeite en kracht van afgetrokken kon
+worden. Zoodra de inlanders zien, dat een Krokodil in dezen toestand
+verkeert, gaan zij met pieken en zware houwers gewapend en voorzien
+met eenige lange rottingen, die hun als bindtouw dienen, zoo te water
+als te land er op af. Het beangstigde dier geeft zich alle moeite
+om bij het naderende gevaar naar onderen te duiken, maar de plank
+maakt dit onmogelijk; het wordt dan op de oppervlakte van 't water
+ronddrijvend, onder een woest gespartel en geworstel afgemaakt. Deze
+wijze van Krokodillen vangen laat zich voornamelijk op die plaatsen
+met goed gevolg aanwenden, waar zij geen gebrek aan voedsel hebben en
+daarom niet licht op lokazen afkomen. Waar echter minder voedsel is,
+worden zij meerendeels met lokaas gevangen, daar deze handelwijze
+minder oplettendheid vereischt en tevens met minder omslag en gevaar
+bij het dooden der dieren gepaard gaat.
+
+"Ofschoon men in sommige rivieren en baaien langs de kusten van Java
+vrij veel Krokodillen heeft opgemerkt en zij zelfs op de reede van
+Batavia niet zeldzaam zijn, brengen zij toch, daar en elders op dit
+eiland, over het algemeen den mensch minder nadeel toe dan wel in
+andere streken van den Oosterschen Archipel. De oorzaak daarvan laat
+zich verklaren uit het overvloedige voedsel, dat zij in deze wateren
+aantreffen. Doode paarden, Buffels, Geiten, Honden, kortom allerlei
+krengen komen in deze zoo dicht bevolkte landstreken in menigte de
+rivier afdrijven; bovendien wordt uit de talrijke schepen en inlandsche
+vaartuigen, welke hier gedurig rondkruisen of op onderscheidene reeden
+ten anker liggen, dagelijks een groote hoeveelheid ingewanden van
+Kippen, Eenden en ander gedierte over boord geworpen; dit een en
+ander schijnt toereikend te zijn om de vraatzucht der Krokodillen
+te bevredigen.
+
+"In het Maleisch, de meest verspreide taal van Oost-Indië, heeten
+deze dieren Bowaja of Boeaja."
+
+Even verklaarbaar als de felle vervolging, die deze dieren ook in Azië
+ondergaan, is de vereering, die hun hier en daar ten deel valt. Op
+de Soenda-eilanden merkte S. Müller geen eigenlijke vereering op,
+wel komt deze echter op het Indische vasteland voor. In de gewesten
+waar men den Krokodil voor zoo heilig houdt, dat men geen hoogeren
+wensch kent dan na den dood in een Krokodil veranderd te worden,
+vervolgt men dit dier nooit, maar tracht veeleer vriendschap met hem
+te sluiten. Orlich bezocht in 1842 de heilige Krokodillenvijver in de
+nabijheid van de stad Karratsjie, een beroemde bedevaartplaats voor
+de inboorlingen. Hier leefden ongeveer 50 Krokodillen, waaronder
+sommige van 5 M. lengte. De Brahmaan, die met de verzorging van
+deze vertegenwoordigers van Visjnoe was belast, riep ze, terwijl de
+reiziger er bij stond, tot zich, om ze te voederen. Orlich was niet
+weinig verbaasd over de gehoorzaamheid der heilige dieren voor hun
+aanbidder; uit het water gekomen, vormden zij een halven kring om hun
+verzorger en wachtten met wijd opengesperden muil zijne bevelen af;
+door aanraking met een rietstok lieten zij zich gewillig leiden. Een
+Geit werd voor hen geslacht en de stukken onder hen verdeeld. Na den
+maaltijd diende de rietstok om hen weer naar het water te drijven.
+
+De gevangen Lijstenkrokodillen worden gewoonlijk doodgeslagen en
+niet verder gebruikt. In sommige streken, o. a. van Borneo en Siam,
+wordt hun vleesch gegeten.
+
+
+
+Bij de Alligators (Alligator) is ook voor het bergen van de spits
+van den vierden onderkaakstand aan weerszijden van de bovenkaak
+een diepe kuil aanwezig. Het aantal tanden bedraagt minstens 17 in
+iedere kaakhelft, maar kan boven tot 20, onder tot 22 stijgen en
+dus in 't geheel 84 zijn. Het neusmiddelschot is verbeend; onder de
+buikschilden bevinden zich geen huisbeenderen, of deze zijn zeer dun
+en onbeduidend. Van dit geslacht zijn 3 soorten bekend, waarvan 2 in
+Noord-Amerika en 1 in het zuidoosten van China. Het woord "Alligator"
+is ontstaan door verbastering van het Portugeesche woord "el Lagarto",
+dat "Hagedis" beteekent. De naam "Kaaiman", waarmede de leden van
+dit en het volgende geslacht meestal aangeduid worden, is ontleend
+aan de taal van sommige Amerikaansche negerstammen.
+
+
+
+De Alligator of Kaaiman met den snoekenkop (Alligator mississippiensis,
+A. lucius) is kenbaar aan den breeden, platten snuit, welke veel
+gelijkt op dien van een Snoek en aan de schilden in den nek. Hij kan
+4,5 M. lang worden, maar is reeds bij het bereiken van de helft dezer
+lengte als volwassen te beschouwen. De bovendeelen zijn gewoonlijk
+vuil olijfgroen, hier en daar met donkerder vlekken geteekend, de
+onderdeelen zijn vuil lichtgeel.
+
+Het verbreidingsgebied van den Alligator is beperkt tot de
+zuidoostelijke Vereenigde Staten van Noord-Amerika en strekt zich
+van den mond der Rio-Grande noordwaarts tot 35° N.B. uit. In bijna
+alle stroomen, beken, meren en moerassen van Zuid-Carolina, Georgië,
+Florida, Alabama, Mississippi en Louisiana ontmoet men hem zeer
+algemeen; verder noordwaarts komt hij zeldzamer, in Noord-Carolina
+slechts hier en daar voor. In de bedoelde stroomen ziet men de
+Alligators op de slijkerige oevers en op groote, drijvende boomstammen
+in de zon zich koesteren of zwemmend hun voedsel zoeken. In Louisiana
+zijn alle moerassen, bochten, stroomen, vijvers, meren vol van deze
+dieren; men merkt ze overal op, waar zooveel water is, dat zij zich
+verbergen en voedsel vinden kunnen; evenzoo is het gesteld in de andere
+hierboven genoemde staten tot aan den mond van den Arkansas, en ook
+in de meer westwaarts gelegen stroomen. Op de Red-River waren zij,
+voordat hier stoombooten voeren, zoo buitengewoon veelvuldig, dat men
+ze bij honderden langs den oever of op de ontzaglijk groote massa's
+drijfhout zag. De kleine lagen of zaten op den rug van de grootere;
+soms hoorde men van hen een gebrul als dat van duizend wilde stieren,
+die elkander willen bevechten. Evenals vele andere hier levende dieren
+waren zij zoo weinig schuw, dat de bedrijvigheid op den stroom of aan
+den oever nauwelijks eenige wijziging in hunne gewoonten bracht. Om
+de booten, die hun op een afstand van weinige meters voorbijvoeren,
+bekommerden zij zich niet, tenzij men op hen schoot. In brak water
+waren en zijn zij zeldzamer.
+
+Op het land beweegt de Alligator zich gewoonlijk langzaam en met
+tegenzin. Zijn gang is een gebrekkig gescharrel; de eene poot
+na den anderen wordt op plompe wijze naar voren verplaatst; het
+zware lichaam schuurt intusschen over den grond en de lange staart
+sleept over den bodem. Zoo komt hij uit het water, zoo kruipt hij
+over de velden of in de wouden rond, om een andere woonplaats, waar
+hij voedsel hoopt te vinden, of een geschikte legplaats voor zijne
+eieren op te sporen. Op het land zijn deze dieren, waarschijnlijk
+wegens hun onbeholpenheid, erbarmelijk lafhartig. Wanneer zij bij
+het reizen van het eene water naar het andere een vijand bespeuren,
+gaan zij zoo plat mogelijk op den bodem liggen, drukken den snuit er
+tegen aan en blijven bewegingloos in deze houding, waarbij intusschen
+de zeer beweeglijke oogen voortdurend op den tegenstander letten. Als
+men nader bij hen komt trachten zij niet te vluchten en wagen evenmin
+een aanval, maar verheffen zich eenvoudig op hunne pooten en blazen,
+alsof zij een smidsblaasbalg in 't lijf hebben. Zonder eenig gevaar
+te loopen, kan men ze nu doodslaan, wanneer men zich slechts op
+een eerbiedigen afstand houdt van den staart, het meest gespierde
+lichaamsdeel en in zekeren zin ook het beste wapen van dit dier. Door
+een krachtigen slag met den staart kan het een mensch dooden.
+
+In het water, zijn eigenlijke element, is de Alligator levendiger
+en stoutmoediger. Soms komt het voor, dat hij hier zelfs den mensch
+aanvalt. In den regel echter vermijdt hij den heer der schepping
+angstvallig, vooral wanneer deze hem wil bestrijden. De "cowboys" of
+herders van het rundvee waden in Noord-Amerika, wanneer zij bij een
+door Alligators bewoond water komen, met knuppels gewapend hierin op,
+om een weg voor hun vee te banen of om te verhoeden, dat het gedurende
+het drinken lastig gevallen wordt door de vraatzuchtige Reptiliën. Als
+zij regelrecht op den kop van den Alligator afgaan, hebben zij niets
+te vreezen en kunnen zelfs zonder gevaar te loopen dien kop met
+hun knuppel beuken, totdat het dier uit den weg gaat. Soms ziet men
+menschen, Muildieren en Alligators dicht bij elkander in het water;
+het vee doet angstige pogingen om de Krokodillen te ontwijken; de
+herders zijn druk in de weer met hunne stokken; de Alligators kijken
+met begeerige oogen naar de dieren, die zij zoo gaarne buit zouden
+willen maken, maar houden zich uit vrees voor de pijnlijke slagen op
+een eerbiedigen afstand.
+
+Schapen en Geiten, die aan den waterkant komen drinken, Honden,
+Herten en Paarden, die zwemmend de overzijde trachten te bereiken,
+loopen gevaar door de Alligators verdronken en later verslonden
+te worden; het eigenlijke voedsel van deze Krokodillen bestaat
+echter uit Visschen. Wanneer de rivieren buiten hare oevers treden,
+hetgeen in het door hen bewoonde gebied ieder jaar gebeurt, vullen
+de groote, met haar samenhangende moerassen en ondiepe meren zich
+niet slechts met water, maar ook met Visschen; op deze maken de
+Alligators jacht. Bij afnemende waterstand, als de geulen, die deze
+meren verbinden, droogvallen, worden de Visschen genoopt zich naar de
+diepste plaatsen te begeven; de Krokodillen volgen hen en trekken van
+den eenen kuil naar den anderen. Na zonsondergang is het gedruisch,
+dat deze roovers met hun staart maken, ver hoorbaar; naderbij komend,
+ziet men, hoe zij door hunne bewegingen het water beroeren en de
+Visschen zoo beangst maken, dat deze bij honderden boven het water
+uitspringen, met het doel, om hunne verwoede vijanden te ontwijken;
+dikwijls echter worden zij juist door de staartslagen in de nabijheid
+van den veeltandigen muil gedreven.
+
+In den zomer legt het wijfje hare betrekkelijk kleine, witte, met
+een harde kalkschaal bedekte eieren, welker aantal soms meer dan 100
+bedraagt, in een eigenaardig nest. Zij bouwt dit op een hiervoor
+geschikte, meestal 50 à 60 schreden van den waterkant verwijderde
+plek in het dichte struikgewas of rietveld, voert in den bek bladen,
+stokken en dergelijke materialen aan, legt de eieren en dekt ze
+zorgvuldig toe. Van nu af houdt zij voortdurend in de nabijheid van
+het nest de wacht en schiet woedend toe op ieder wezen, dat hare
+eieren nadert. De temperatuursverhooging, die een gevolg is van de
+rotting der plantaardige stoffen, waaruit het nest bestaat, bevordert
+de ontwikkeling der kiemen; de jonge Alligators werken zich behendig
+door de hen bedekkende plantenmassa heen en worden door de moeder naar
+het water geleid, gewoonlijk eerst naar kleine, afgezonderde plassen,
+om hen tegen de mannetjes en de groote Moerasvogels te beveiligen.
+
+De jacht op den Alligator wordt bemoeilijkt door de taaiheid van
+zijn leven; want ook deze Krokodil wordt slechts door een kogel,
+die de hersenen of het hart doorboort, onmiddellijk gedood, beter
+echter door een flink schot hagel. Vaker nog dan van geweren,
+maakt men gebruik van groote netten; de plassen worden hiermede
+leeggevischt, de gevangene exemplaren op den oever getrokken en met
+bijlen doodgeslagen. Enkele negers vangen den Alligator zeer handig
+in een strik, dien zij hem over den kop werpen, wanneer hij in de
+nabijheid van den oever zwemt en waaraan zij hem vervolgens uit het
+water trekken. Een door een schot gewonde Alligator, brengt onder
+de medebewoners van den plas zulk een groote opschudding en vrees
+teweeg, dat zij in den regel een andere woonplaats opzoeken, of zich
+althans gedurende verscheidene dagen verborgen houden; zij letten
+daarentegen veel minder op een metgezel, die door een kogel of een
+schot hagel oogenblikkelijk gedood werd. Bij de Red-River werden in
+vroegere jaren, toen schoenen, laarzen en zadels van alligatorleer
+in de mode waren, duizenden van deze dieren gedood. D. Gronen schat
+het aantal jonge Alligators, die ieder jaar in Florida ter wille van
+hun huid, hunne tanden en hun op olie gelijkend vet gevangen worden,
+op 6000. Er wordt een prijs van 25 dollars voor de 100 stuks betaald.
+
+Het is deze soort van Krokodillen-familie, die men in dierentuinen
+en beestenspellen het veelvuldigst te zien krijgt. Ieder jaar
+worden verscheidene honderden levende Alligators op de Europeesche
+wildedierenmarkt gebracht; alle vinden koopers: de kleine,
+die de eischaal nog slechts sinds kort verlieten, worden door
+dierenliefhebbers gekocht voor hun aquarium en zoover getemd, dat
+zij ten slotte het voedsel, dat hun verzorger hun voorhoudt, uit de
+hand nemen; de groote exemplaren komen in het bezit van eigenaars
+van beestenspellen en worden door hen zoolang medegevoerd, totdat
+zij door mishandeling, honger en koude bezwijken. Oud gevangen dieren
+versmaden gewoonlijk het voedsel, dat men hun geeft; exemplaren van
+1 1/2 M. lengte daarentegen geraken spoedig aan den gevangeniskost
+gewoon, indien men hun slechts een ruime woning verschaft, bij voorkeur
+een kleine vijver in een tuin. Met een levenden buit moet men ze aan
+'t eten brengen, b.v. door vleugellamme Musschen, levende Duiven,
+Hoenderen enz. op het water te werpen; later nemen zij ook stukken
+rauw vleesch aan, die men door een daaraan bevestigd touw in beweging
+brengt; eindelijk sperren zij reeds, wanneer men hun dit voedsel toont,
+den muil open en wachten onder vroolijk geklok, "tot de gebraden
+Duiven hun in den bek vliegen." Oude Alligators hebben een geduchten
+eetlust; zij kunnen per week 8 KG. vleesch verorberen. Bij zorgvuldige
+behandeling kunnen zij ook in de open lucht jaren lang de gevangenschap
+verduren; hiervoor is echter noodig, dat hun de gelegenheid wordt
+verschaft om zich gedurende den winter behoorlijk tegen den invloed
+van de koude te beveiligen, b.v. door zich onder het slijk te begraven;
+indien dit niet geschiedt, komen zij den eersten winter niet door.
+
+
+
+Het geslacht van de Kaaimans (Caiman) onderscheidt zich van dat
+der Alligators door het ontbreken van het beenig neusmiddelschot
+en door het bezit van een uit beweeglijke beenplaten samengesteld
+buikpantser. De vijf bekende soorten van dit geslacht zijn tot Middel-
+en Zuid-Amerika beperkt.
+
+
+
+Zoowel bij den Jacare (Caiman latirostris) als bij den Gebrilden
+Kaaiman (Caiman sclerops) zijn de bovenste oogleden voor een deel
+verbeend, voor een deel vliezig en met een klein, naar boven gericht
+hoorntje voorzien; bij beide zijn de voorranden der oogholten door
+een halvemaanvormige, beenige dwarslijst verbonden, die met het
+verbindingsstuk van een bril vergeleken wordt; bij beide zijn de
+voorste nekschilden groot en op 2 (hoogstens 3) dwarsrijen geplaatst:
+bij den Jacare echter vormen de achterste nekschilden 3 of 4, bij den
+Gebrilden Kaaiman steeds 5 dwarsrijen. De Jacare bereikt een lengte
+van 3.5 M.; de Gebrilde Kaaiman wordt hoogstens 2.8 M. lang; bij
+dezen is de snuit betrekkelijk iets langer dan bij genen. Bij beide
+zijn de bovendeelen donker olijfbruin, de zijden met grijsachtige
+vlekken gemarmerd, de onderdeelen groengeelachtig wit.
+
+De Jacare bewoont Zuid-Amerika ten oosten van de Andes, van den
+Amazonenstroom tot de La-Plata-rivier, de Gebrilde Kaaiman geheel
+Middel- en Zuid-Amerika van de landengte van Tehuantepec tot aan de
+La-Plata-rivier op ongeveer 32° Z.B.
+
+Azara en de Prins Von Wied hebben de levenswijze van den Jacare
+met voldoende nauwkeurigheid beschreven. Hij houdt meer van stille
+rivierarmen of stilstaande wateren dan van snel vlietende stroomen
+en is daarom in de groote, moerassige bosschen van het binnenland
+bijzonder talrijk. Zoolang deze vraatzuchtige roover, in het water
+rustend, op buit loert, ziet men van hem niets anders dan het voorste
+deel van den kop, die zoover opgeheven wordt, dat het hoogliggende
+oog juist over den waterspiegel kan gluren en dat de neusgaten lucht
+kunnen opnemen. In deze houding blijft hij over dag op dezelfde plaats,
+of zwemt tegen den middag naar den oever of naar een rotsblok, waar
+hij in de zon gaat liggen slapen; de nadering van een mensch of van
+een Hond drijft hem echter onmiddellijk in het water terug.
+
+"Het voedsel van den Jacare bestaat uit alle levende wezens, die hij
+vangen kan. In de maag van een jongen Kaaiman vond ik hoofdzakelijk
+overblijfselen van Visschen en Watervogels, bovendien kiezelsteentjes
+en zand; ik vernam tevens, dat deze dieren soms groote steenen in de
+maag hebben. De Braziliaansche visschers beweren, dat de Jacare soms
+een zwemmend of badend mensch aanvalt; een hunner toonde mij zelfs
+aan zijne beenen en armen litteekenen van door dit dier veroorzaakte
+wonden. Over 't algemeen kan men echter deze Krokodillen niet als
+gevaarlijk voor den mensch beschouwen. Alle die ik zag, waren zeer
+schuchter en verdwenen onmiddellijk, zoodra men hen tot op een afstand
+van 30 of 40 schreden naderde."
+
+De bewoners van Paraguay maken ijverig jacht op den Jacare; de
+Europeanen doen dit met vuurwapenen, de Indianen met een eigenaardige
+soort van pijlen. De pijl wordt den Kaaiman in de zijde geschoten en
+is zoo ingericht, dat de schaft afvalt, zoodra de ijzeren spits in
+het lichaam doorgedrongen is; de schaft, die nu nog door een touw met
+de spits verbonden is, wijst, op het water drijvend, de plaats aan,
+waar het gewonde dier zich verborgen heeft. De Spanjaarden maken bij
+deze jacht ook wel gebruik van een aan beide einden spits toeloopend
+stuk hout, dat, aan een lijn vastgehecht, met runderlong omgeven, in
+'t water geworpen wordt; de Kaaiman slikt dit lokaas door en wordt
+dan met geringe moeite op het land getrokken.
+
+De Prins Von Wied bezat verscheidene levende, jonge Jacares. Zij
+gedroegen zich wild en onstuimig, bliezen den buik en de keel op,
+als men ze aanraakte of plaagde, sisten tevens als een Gans op het
+nest en openden den muil. Wanneer men ze van achteren aanraakte,
+keerden zij zich buitengewoon vlug om, beten flink van zich af en
+sloegen hevig met den staart. De onaangename muscuslucht der oude
+dieren was ook bij hen reeds aanwezig.
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE ORDE.
+
+DE SCHILDPADDEN (Chelonia).
+
+
+Door haar eigenaardigen lichaamsbouw wijken de Schildpadden zoozeer af
+van de andere leden harer klasse, dat zij er niet mede verward kunnen
+worden. De gepantserde romp, de plompe kop, welks kaken, evenals
+die van de Vogels, met hoornscheeden bedekt zijn en nooit tanden
+dragen, de zuilvormige, op korte stompjes gelijkende of lange, smalle,
+vinvormige pooten zijn kenmerken, welke niet met die van eenig ander
+dier vergeleken kunnen worden. Het pantser bestaat uit twee deelen,
+het boven- of rugschild en het onder- of buikschild. Het rugpantser is
+min of meer bol, langwerpig, rondachtig of hartvormig, het buikpantser
+schildvormig, eirond of afgerond kruisvormig. Deze beide deelen
+hangen samen door een aanvankelijk kraakbeenig verbindingsstuk,
+dat bij sommige gedurende het geheele leven buigzaam blijft, bij
+andere verbeent. Gezamenlijk vormen zij dus een doos, die van voren
+en van achteren open is voor het doorlaten van den kop, de pooten en
+den staart, maar den romp meer of minder volkomen omhult. De kop is
+gewoonlijk eivormig, van achteren afgeknot, de hals verschillend van
+lengte, maar steeds zeer beweeglijk; de vier pooten zijn gang-, zwem-
+of vinpooten; de lengte van den meestal korten, rol- of kegelvormigen,
+meer of minder spits toeloopenden staart wisselt zeer sterk af. Het
+grootendeels door huidverbeening gevormde pantser is met hoornplaten of
+schilden, slechts bij weinige soorten met een lederachtig bekleedsel
+bedekt; de eeltachtige huid van kop, hals, pooten en staart is
+met plaatvormige schubben van verschillende grootte, met schilden,
+knobbels of korrelige vormingen bezet en vertoont dikwijls op sommige
+plaatsen eigenaardige sporen of stekels. De hoornplaten, die het
+rugschild bekleeden, worden onderscheiden in 5 wervelplaten (boven
+de rugwervels) 4 of 5 paar zijde- of ribplaten (boven de ribvormige
+beenstukken) en 24 of meer kleinere randplaten, waarbij 1 nekplaat
+en 1 of 2 staartplaten; de parige schilden aan de buikzijde van het
+pantser heeten keel-, arm- (of bovenborst-), borst-, buik-, schenkel-
+(of onderbuik-) en aarsplaten; bij den voorrand en den achterrand van
+het verbindingsstuk tusschen rug- en borstschild liggen de oksel- en
+de liesplaten. In den regel raken de platen elkander met de randen aan
+en zijn dan door naden verbonden; soms echter zijn zij dakpansgewijs
+geplaatst. Het aantal, de onderlinge verhouding en de rangschikking der
+hoornplaten leveren belangrijke kenmerken op voor de onderscheiding
+der soorten. Hare randen stemmen niet overeen met die der door haar
+bedekte, platte beenderen, welke, door getande naden onbeweeglijk
+verbonden, aan het pantser een groote stevigheid verschaffen.
+
+De zeer beweeglijke halswervels zijn meestal 8 in getal; daarop
+volgen 10 wervels, die ieder een paar ribben dragen en daarom
+rugwervels heeten; met uitzondering van den eersten en den laatsten,
+laten deze in 't geheel geen beweging toe en nemen, doordat hunne
+doornuitsteeksels en ribben zich tot platen uitbreiden en met
+verbeende gedeelten van de daarboven liggende lederhuid vergroeien,
+aan de vorming van het rugpantser deel. De "schijf" van het beenige
+rugschild bestaat dus uit 8 middelste stukken en 8 paar zijdelingsche
+stukken. Slechts bij één soort ontbreken de wervelstukken. Meestal
+strekken de ribben zich tot aan den "rand" van het rugschild uit; de
+met haar vergroeide huidbeenderen reiken echter niet altijd zoover,
+zoodat dan de uiterste gedeelten der ribben in het skelet als de
+spaken van een wiel aan den omtrek van de "schijf" uitstralen en
+tusschenruimten (fontanellen) overlaten, die bij het levende dier
+door de huid zijn gevuld. Gewoonlijk is het rugschild voorzien van
+een uit samenhangende huidbeenderen samengestelden "rand"; met deze
+"randstukken" zijn de uiteinden der ribben verbonden, zoodat ook
+een rugschild met spaakvormig verlengde ribben een volledigen rand
+bezit; deze bestaat uit 10 à 13 paar huidbeenderen en is van voren
+door een "nekstuk", van achteren door een "staartstuk" gesloten.--In
+het buikschild komen niet anders dan huidbeenderen voor; het heeft
+dus niets gemeen met het borstbeen, dat bij de Schildpadden geheel
+ontbreekt. In den regel bestaat het uit 9 stukken; één aan den voorrand
+en vier opeenvolgende paren er achter. Bij de Landschildpadden en vele
+Moerasschildpadden vormen deze stukken een aaneengesloten geheel,
+bij de Zeeschildpadden laten zij in 't midden een groote ruimte
+of "fontanel" over, waar het borstschild dus eenvoudig uit een met
+hoornplaten bedekte huid bestaat. Tusschen deze beide uitersten vormen
+de overige Moerasschildpadden den overgang.
+
+De zeer kleine schedelholte is gevuld met hersenen, welker massa
+volstrekt niet geëvenredigd is aan die van het lichaam. Schildpadden
+van 40 KG. hebben nauwelijks 4 G. hersenen; bij exemplaren van
+1 KG. bedraagt het gewicht van de hersenen slechts 0.36 G. Het
+oog heeft twee leden en een wenkvlies; de oogbol herinnert door
+zijn samenstelling in vele opzichten aan dien van de Vogels. Uit
+de inrichting der zintuigen kan men afleiden, dat de Schildpadden
+tamelijk goed zien, een middelmatig scherp gehoor en tot op zekere
+hoogte een fijnen reuk hebben; ook zijn zij tot het verkrijgen van
+smaakgewaarwordingen in staat; over het tastgevoel durven wij geen
+oordeel vellen.
+
+Het aantal in 1888 bekende soorten beliep 201; het is niet zeer
+waarschijnlijk, dat het veel zal toenemen. In warme, waterrijke
+gewesten vertoonen de Schildpadden de grootste verscheidenheid van
+vormen; in de richting van den evenaar naar de polen en bij toenemende
+hoogte neemt het aantal soorten schielijk af.
+
+Alle levensverschijnselen van de Schildpadden zijn traag, langzaam,
+onregelmatig. Zij kunnen ongeloofelijk lang leven zonder te ademen,
+zonder haar bloed te zuiveren, na de vreeselijkste verminkingen
+zich nog maanden lang bewegen, en dus tot op zekere hoogte
+handelingen verrichten, welke op die van de niet verminkte dieren
+gelijken. Schildpadden zonder kop bewegen zich nog verscheidene
+weken na de onthoofding, trekken b.v., als men ze aanraakt, de pooten
+onder het rugschild terug; een exemplaar, welks hersenen door Redi
+weggenomen waren, kroop nog 6 maanden lang rond; in de Parijsche
+"Jardin des Plantes" leefde een Moerasschildpad 6 jaren zonder voedsel
+te gebruiken.
+
+Het ligt voor de hand, dat dieren, welker hersenen en zenuwen zoo
+weinig ontwikkeld zijn, geestelijk niet hoog kunnen staan. En toch
+toonen de Schildpadden zich in dit opzicht meer begaafd dan men van
+haar verwacht zou hebben. Haar verstand is omvangrijker, haar geest
+levendiger dan men zou vermoeden. Ook zij handelen met bewustzijn. Zij
+ondervinden lust en onlust, herkennen zaken, die nuttig, en zaken, die
+nadeelig voor haar zijn, onderscheiden bruikbare voedingsmiddelen van
+onbruikbare, vreedzame en onschadelijke wezens van gevaarlijke, geraken
+zelfs langzamerhand gewoon aan menschen, die haar welwillendheid
+betoonen, gewennen zoo niet aan haar verzorger dan toch aan den
+persoon, die haar voedsel verschaft, laten jegens dezen de plompe
+schuwheid varen, die zij aanvankelijk toonden, kunnen in de handen
+genomen, geprikkeld, tot gramschap vervoerd of gekalmeerd worden.
+
+Hoewel de willekeurige bewegingen van de meeste Schildpadden eveneens
+langzaam, traag en plomp geschieden, herinneren toch sommige leden
+dezer groep door haar vlugheid aan andere Kruipende Dieren. Bij
+'t gaan zijn alle plomp en onbeholpen; bij 't zwemmen en duiken
+openbaren de Zoetwater- en Zeeschildpadden de grootste mate van
+levendigheid waarvoor zij vatbaar zijn; in deze opzichten echter is
+hun begaafdheid vermoedelijk niet grooter dan die van eenig ander in
+'t water levend dier. Verbazing wekt de spierkracht, waarvan alle
+soorten bewijzen geven.
+
+De Landschildpadden voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige
+stoffen; vele eten echter tusschenbeide ook Insecten, Wormen
+enz. De Zoetwaterschildpadden leven meestal van dierlijke stoffen;
+sommige Indische geslachten zijn echter volslagen planteneters. De
+Zeeschildpadden voeden zich gedeeltelijk met wieren en zeegrassen,
+gedeeltelijk met Schaaldieren, Vinpootige Slakken, Kwallen en andere
+lagere Zeedieren, ook wel met kleine Visschen. Enkele soorten van
+Schildpadden zijn geweldige roovers. Zij eten eigenlijk alleen
+gedurende de warme zomerdagen of in de keerkringsgewesten gedurende
+den regentijd, mesten zich dan binnen weinige weken vet, houden
+daarna allengs op voedsel te gebruiken en vervallen in verstijving
+of winterslaap, wanneer hetzij de winter, hetzij het droge seizoen
+aanvangt. Hetzelfde komt voor bij de weinige soorten, die zich
+gedurende het geheele jaar in bosschen ophouden.
+
+Kort na het ontwaken in de lente vangt de voortplanting aan. Het wijfje
+graaft met eenige zorg gaten in den grond, gewoonlijk in het zand,
+legt hierin eieren en dekt ze toe met een laag zand of modder. De
+eischaal is in den regel bard en kalkachtig, alleen bij de familie
+der Zeeschildpadden zacht en perkamentachtig; bij sommige soorten
+zijn de eieren bolvormig, bij andere meer langwerpig; hun grootte
+is betrekkelijk gering. Vele Schildpadden leggen niet meer dan een
+dozijn, groote soorten ver over de 100 eieren. De moeder bekommert
+zich na het eierenleggen niet meer om haar kroost. De jongen komen
+na verloop van eenige maanden uit, kruipen meestal 's nachts uit den
+grond en begeven zich dan naar een schuilplaats op het land of naar het
+naastbij gelegen water. In tallooze menigte worden zij door Zoogdieren,
+Vogels en Kruipende Dieren van andere orden opgezocht en verslonden; de
+buitengewoon lange levensduur van de exemplaren, die dit lot ontgaan,
+behoedt de meeste soorten echter voor geheele vernietiging.
+
+De Schildpadden zijn voor ons de nuttigste van alle Reptiliën, daar
+wij niet slechts de hoornplaten van het pantser der Zeeschildpadden
+onder den naam van "schildpad" voor velerlei doeleinden gebruiken,
+maar ook het vleesch en de eieren van nagenoeg alle soorten eten en
+smakelijk vinden. Enkele soorten hebben een zoo sterke muscuslucht,
+dat Europeanen althans geen smaak vinden in de van hun vleesch
+bereide spijzen; andere leveren daarentegen, zooals bekend is,
+werkelijk kostelijke gerechten.
+
+
+
+De Schildpadden worden, volgens Dollo, verdeeld in twee onderorden: de
+Mozaïekschildpadden< en de Echte Schildpadden. De Mozaïekschildpadden
+(Athecae), die in de hedendaagsche periode slechts door één
+familie--de Lederschildpadden (Sphargidae)--met één geslacht en één
+soort vertegenwoordigd zijn, onderscheiden zich van alle overige
+leden der orde, doordat de wervels en ribben vrij zijn, dus niet
+vergroeid met het huidskelet. Het rugschild is zwak gewelfd en uit
+talrijke, op reeksen geplaatste, veelhoekige beenplaten samengesteld;
+het gebrekkig ontwikkelde buikschild bestaat uit smalle beenderen, die
+door een zeer groote fontenel in 't midden vaneengescheiden zijn. De
+ribben zijn meestal niet verbonden met echte randstukken. De geheele
+romp is met een lederachtige huid bedekt. De neusopeningen zijn naar
+boven gericht, de oogholten zeer groot. De ledematen zijn in groote,
+vinvormige roeiwerktuigen veranderd, waaraan de nagels ontbreken,
+hoewel de vingers van den voorvoet sterk verlengd zijn. De gewrichten
+van de vingers en teenen laten geen beweging toe.
+
+
+
+De eenige thans nog levende soort--de Lederschildpad of Luth
+(Dermochelys coriacea)--is een reusachtig dier van nagenoeg 2 M. totale
+lengte en 500 à 600 KG. gewicht. De voorste ledematen zijn meer dan
+dubbel zoo lang als de achterste. Het volledig verbeende rugpantser is
+van voren tamelijk afgerond en loopt van achteren in een staartvormige
+spits uit; het is door 7 uitpuilende, overlangsche lijsten in 6 velden
+verdeeld. Het onvolledig verbeende, zachte en buigzame buikschild
+vertoont 5 overlangsche kielen. De kop, de hals en de pooten zijn bij
+de jonge dieren met schildjes bekleed, die langzamerhand verdwijnen,
+zoodat de huid van de oude dieren er glad uitziet en slechts de kop
+nog kleine schildjes vertoont. De kleur is donkerbruin met lichter
+bruine of gele vlekken.
+
+De grootste van alle hedendaagsche Schildpadden wordt van jaar
+tot jaar zeldzamer en kan als een uitstervende soort beschouwd
+worden. Zij bewoont eigenlijk alle zeeën tusschen de keerkringen en
+werd vroeger zoowel bij de Salomonseilanden van de Stille Zuidzee
+als aan de kust van Arabië en in de Roode Zee, bij de Bermudas en
+de zuidkust van Noord-Amerika, in de zeeën ten zuiden van Indië
+zoowel als om Madagaskar geregeld aangetroffen. Nu en dan bezocht
+zij ook de gematigde aardgordels. Door weer en wind uit den koers
+gebracht, misschien ook door reislust gedreven, heeft zij zich in
+den Atlantischen Oceaan bij Europa en de noordelijke Vereenigde
+Staten, in de Stille Zuidzee bij Chili vertoond; op al deze kusten
+werd zij herhaaldelijk gevangen. Enkele exemplaren zijn zelfs naar
+de Middellandsche Zee en naar de Noordzee, misschien ook naar onze
+kusten, afgedwaald [1].
+
+Van de levenswijze der Lederschildpad is zeer weinig bekend. Haar
+voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Visschen, Schaaldieren en Weekdieren
+te bestaan. Volgens berichten, die de Prins Von Wied ontving,
+verschijnt ieder wijfje met tusschenpoozen van ongeveer 14 dagen
+viermaal per jaar op de legplaatsen aan de zeekust en laat hier in
+het zand telkens 18 à 20 dozijn eieren achter.
+
+Uit de nieuwste berichten blijkt, dat de schilderingen, door vroegere
+schrijvers gegeven van de kracht en de weerbaarheid der Lederschildpad
+niet overdreven zijn. Haar vleesch wordt niet gegeten, omdat men aan
+het gebruik daarvan slechte gevolgen toeschrijft.
+
+
+
+Bij de Echte Schildpadden (Thecophora), die de tweede onderorde vormen,
+zijn het rugschild en het buitenschild veel meer ontwikkeld dan bij
+de Mozaïekschildpadden. De rugwervels en ribben zijn met elkander
+onbeweeglijk verbonden en tot beenplaten verbreed, welke met die van
+het huidskelet vergroeien en een echt pantser vormen.
+
+Deze onderorde wordt in drie groepen verdeeld: de Halsbergers
+(Cryptodira), de Halswenders (Pleurodira) en de Rivierlederschildpadden
+(Trionychoidea). Vele leden van de eerste groep kunnen den kop
+(evenals de pooten en de staart) onder het rugschild verbergen; de hals
+wordt echter in dit geval teruggetrokken en niet zijwaarts gekromd;
+de halshuid verkrijgt ringvormige plooien en bedekt mutsvormig het
+achterste deel van den kop. Een belangrijk kenmerk van de Halsbergers
+is, dat de bekkenbeenderen wel met het rugschild, doch nooit met
+het buikschild verbonden zijn. Evenals bij de Halswenders is bij hen
+het beenig pantser met hoornschilden bedekt; deze ontbreken bij de
+Rivierlederschildpadden.
+
+
+
+Bij de Alligatorschildpadden (Chelydridae) zijn de borstplaten door
+een groote tusschenruimte van de randplaten gescheiden; het buikpantser
+is zeer klein en van kruisvormige gedaante; de staart is steeds langer
+dan de helft van de lengte van 't pantser.
+
+
+
+Een monster, zoowel door haar gestalte als door haar aard, een
+Krokodil met het pantser van een Schildpad, is de Bijtschildpad,
+de Snapping Turtle der Anglo-Amerikanen (Chelydra serpentina). Men
+kent twee soorten van dit geslacht, welks verbreidingsgebied zich
+van Noord-Amerika over Midden-Amerika zuidwaarts tot in Ecuador
+uitstrekt. De kop is groot, plat en driehoekig; de korte en spits
+toeloopende snuit heeft buitengewoon krachtige en scherpe, aan de spits
+haakvormig gekromde kaken; de hals kan ver uitgestoken worden. De
+pooten zijn krachtig, de voorpooten hebben 5, de achterpooten 4
+teenen, die door goed ontwikkelde zwemvliezen verbonden zijn. De
+staart trekt de aandacht door zijn lengte, zijn aanzienlijke dikte
+en den uit beenige spitsen bestaanden kam op het midden van de
+bovenzijde. Het weinig gewelfde rugschild vertoont drie reeksen van
+middelmatig groote knobbels. De huidkleur wisselt in allerlei tinten
+van olijfgroen af. Het rugschild is vuil donker- of zwartbruin,
+het borstschild geelbruin, bij de jonge dieren, als naar gewoonte,
+lichter dan bij de oude. Deze kunnen een lengte van O.9 à 1 M. en
+een gewicht van ongeveer 20 KG. bereiken.
+
+Behalve met de verwante Gierschildpad (Macrolemmys Temminckii) kan
+de Bijtschildpad met geen ander lid harer orde verward worden. Beide
+soorten bewonen de stroomen en groote moerassen van de Vereenigde
+Staten; in enkele gewesten zijn zij vrij talrijk; het liefst houden
+zij zich op in water met een modderigen bodem; zelfs de stinkendste
+poelen worden niet door haar versmaad. Gewoonlijk liggen zij op
+den bodem van het diepe water in het midden van de rivier of van
+het moeras; soms echter verschijnen zij dicht bij de oppervlakte,
+houden de spits van den snuit er boven en laten zich met den stroom
+afdrijven. Vooral in dicht bevolkte streken vluchten zij bij het
+geringste gedruisch naar de diepte; in het schraler bevolkte zuiden
+zijn zij minder schuw. Met recht worden zij gevreesd en gehaat; de
+naam "Bijtschildpad" is goed gekozen: zij bijten naar al wat haar in
+den weg komt en laten, wat zij eens gegrepen hebben, niet zoo licht
+weer los. Het is geraden, voorzichtig met deze dieren om te gaan,
+daar zij prikkelbaar en zeer boosaardig zijn. Het kan voorkomen, dat
+zij een mensch, die zich in het door hen bewoonde water begeeft, vol
+woede te lijf gaan en hem zeer gevaarlijke wonden toebrengen. Weinland
+verzekert, dat het 1 cM. dikke, platte deel van een roeiriem door den
+harden roofvogelsnavel van deze Schildpad als door een kogel doorboord
+kan worden; andere waarnemers verzekeren, dat zij een tamelijk dikken
+wandelstok zonder bezwaar doorbijt.
+
+De Alligatorschildpadden zijn vlugger van beweging dan de meeste
+van hare verwanten. Soms begeven zij zich aan land en weten dan
+hare looporganen even goed te gebruiken als de Landschildpadden;
+zwemmend verplaatsen zij zich zeer snel, vooral bij het vervolgen van
+een buit. Haar voedsel bestaat uit Visschen, Vorschen en andere in
+'t water levende Gewervelde Dieren; zij bepalen zich volstrekt niet
+tot een kleinen buit, maar vallen dikwijls ook betrekkelijk zeer
+groote dieren, zooals Ganzen en Eenden aan. De landlieden klagen
+zeer vaak over door haar gepleegde rooverijen, waarvan Eenden de
+slachtoffers zijn; deze worden bij de pooten onder water getrokken
+en na verdrinking verslonden.
+
+Agassiz heeft bij zijne onderzoekingen over de
+ontwikkelingsgeschiedenis der Schildpadden gebruik gemaakt van de
+eieren dezer soort, welke met die van Duiven nagenoeg in grootte
+overeenkomen, met een kalkachtige schaal omhuld zijn en zonder veel
+moeite verzameld kunnen worden. Het wijfje legt ze ten getale van 20 à
+30 in een gat, dat zij niet ver van den waterkant in den grond graaft
+en met bladen bedekt. "Maanden lang," zegt Weinland, die aan deze
+onderzoekingen een belangrijk aandeel had, "slopen dagelijks jonge
+Schildpadden uit de in zand en mos gelegde eieren; merkwaardigerwijze
+was de eerste beweging van het kopje, dat door een opening van de
+schaal naar buiten gluurde, steeds die van happen en bijten."
+
+Oud gevangen Bijtschildpadden weigeren gewoonlijk alle voedsel;
+op jeugdigen leeftijd kan men ze aan den gevangeniskost gewennen.
+
+
+
+Een van de vreemdsoortigste Schildpadden is ongetwijfeld de
+Grootkoppige Schildpad (Platysternum megacephalum), de eenige
+vertegenwoordiger van een gelijknamige familie (Platysternidae). Zij
+kenmerkt zich vooral door de platheid van haar rugschild en van haar
+zeer breed, uit een stuk samengesteld borstschild, de reusachtige
+grootte van haar met een groot schild bekleeden kop, die toch onder
+het pantser teruggetrokken kan worden en de buitengewone lengte van
+haar geheel met schubben bekleeden staart. De kleur van de bovendeelen
+is olijfbruin, die van de onderdeelen deels geel, deels lichtbruin;
+een zwarte streep is door het oog gericht. Lengte 40.5 cM.
+
+De Grootkoppige Schildpad bewoont de rivieren van Birmah en Siam en
+wordt westwaarts tot in Pegu en Tenasserim gevonden; ook komt zij in
+de westelijke gedeelten van de Zuid-Chineesche provinciën voor. Overal
+is zij echter zeldzaam. Meer is van dit dier zijne verblijfplaatsen
+en levenswijze niet bekend.
+
+
+
+De meeste thans levende Schildpadden behooren tot de familie der
+Landschildpadden (Testudinidae). Uitwendig zijn zij kenbaar aan
+haar met hoornplaten bekleed pantser, welks borstplaten zonder
+tusschenruimten over te laten met de randplaten verbonden zijn en
+welks buikgedeelte steeds uit 11 of 12 schilden bestaat.
+
+Landschildpadden leven in de heete en gematigde gewesten van alle
+werelddeelen, met uitzondering van Australië. De leden dezer familie
+vormen een nagenoeg onafgebroken reeks, die met volslagen waterdieren
+aanvangt en eindigt met wezens, die uitsluitend voor het leven op het
+land geschikt zijn. In deze volgorde zijn de soorten gerangschikt,
+die hier vermeld zullen worden.
+
+"Ieder die de vormenrijkdom van de orde der Schildpadden wil leeren
+kennen door ze dagelijks in de vrije natuur na te gaan," zegt Weinland,
+"moet Noord-Amerika bezoeken, het echte schildpaddenland, waar allerlei
+soorten van deze dieren in zoo grooten getale plassen en rivieren,
+bosschen en dalen verlevendigen, dat de dierkundige nog in lang niet
+haar uitsterven heeft te duchten."
+
+Alle Zoetwaterschildpadden bewonen uitsluitend vochtige gewesten,
+de meeste het water van langzaam stroomende rivieren, van poelen en
+meren. Voor het leven in het water zijn zij zeer goed uitgerust. Op
+het land bewegen zij zich log en langzaam, hoewel aanmerkelijk
+vlugger dan alle Echte Landschildpadden, in 't water daarentegen
+buitengewoon snel en zeer behendig. Men ziet ze hier rustig aan de
+oppervlakte liggen of rondzwemmen en bij het geringste gedruisch, dat
+haar verdacht voorkomt, bliksemsnel naar de diepte duiken, waarin zij
+op 't zelfde oogenblik zich in het slijk of onder wortels verborgen
+hebben. Vooral bij het jagen bewegen zij zich verbazend vlug. De
+Noord-Amerikaansche en Europeesche soorten voeden zich hoofdzakelijk
+met dierlijke stoffen, n.l. met kleine Zoogdieren, Vogels, Reptiliën,
+Amphibiën, Visschen en ongewervelde dieren, die zij steeds onder water
+verslinden; verscheidene Indische soorten daarentegen zijn volslagen
+planteneters. Met naar de diepte gerichte oogen, gelijk een naar
+buit zoekenden Arend, zwemmen zij uren lang aan de oppervlakte van 't
+water rond en zoeken den bodem af. Bij het zien van een prooi laten
+zij eenige luchtbellen ontsnappen, roeien uit al haar macht naar de
+diepte en happen gretig naar de haar lokkende spijs; deze wordt met
+de scherpe, nooit loslatende kaken gegrepen en een oogenblik later,
+na een krachtigen ruk van den plotseling naar voren gestrekten kop,
+verzwolgen.
+
+De ontwikkeling van hare geestvermogens moet natuurlijk geëvenredigd
+zijn aan haar geschiktheid tot beweging en haar roofzucht. Hare
+zintuigen zijn veel scherper dan die der Echte Landschildpadden;
+haar verstand overtreft in alle opzichten dat van deze dieren. Zij
+geven goed acht op de bezwaren, die zij op haar weg ontmoeten;
+enkele toonen meer sluwheid en voorzichtigheid dan men bij haar
+gezocht zou hebben, kiezen de gunstigst gelegen schuilhoeken uit en
+doen op schrandere wijze haar voordeel met opgedane ervaringen. Zij
+kunnen spoediger getemd worden dan alle overige Schildpadden en leeren
+haar verzorger werkelijk kennen, zij het dan ook slechts in beperkte
+mate. Zij geraken gewoon aan den omgang met menschen, hoewel zij ze
+niet van elkander onderscheiden.
+
+Bij 't naderen van den winter verbergen zij zich tamelijk diep in
+den grond en brengen hier het ongunstige jaargetijde in schijndooden
+toestand door.
+
+De Noord-Amerikaansche Zoetwaterschildpadden houden zich in de
+gevangenschap zeer goed, mits zij verstandig behandeld worden. Enkele
+hebben, naar gezegd wordt, 40 of meer jaren op deze wijze geleefd. Een
+behoorlijke warmtegraad is een hoofdvereischte voor het gezond blijven
+van deze dieren; men kan in dit opzicht niet te nauwgezet zijn.
+
+De Europeesche Zoetwaterschildpad (Emys orbicularis, E. europaea)
+bereikt een totale lengte van 32 cM., waarvan 8 cM. op den staart
+komen; het pantser is hoogstens 19 cM. lang. De ongepantserde
+lichaamsdeelen zijn op zwartachtigen grond hier en daar geel
+gestippeld; de teekening van de platen van het rugpantser bestaat uit
+reeksen van gele stippels, die als 't ware gesprenkeld zijn op den
+zwartgroenen grond; het buikschild is vuilgeel met een gering aantal
+onregelmatig verdeelde, bruine stippels of straalswijs gerichte, bruine
+vlammen; de kleur en de teekening zijn aan veel variatie onderhevig;
+zelfs komen volslagen zwartbruine exemplaren voor.
+
+Het eigenlijke vaderland van deze soort is waarschijnlijk het zuiden
+en oosten van Middel-Europa. Zij is algemeen in Albanië, Dalmatië en
+Bosnië, Italië, de lage landen langs den Donau en Hongarije, maar ook
+in het zuiden van Frankrijk, Spanje, Portugal en Algerië benoorden
+het Atlas-gebergte, niet minder in een groot deel van het Russische
+Rijk. In Duitschland bewoont zij stroomende en stilstaande wateren in
+Brandenburg, Posen, West- en Oost-Pruisen, Pommeren en Mecklenburg,
+misschien ook een deel van Silezië: uitsluitend dus het stroomgebied
+van den Oder en den Weichsel.
+
+"In ons land," schrijft Schlegel, "werd slechts één voorwerp en wel
+bij Leiden waargenomen, hetgeen denken doet, dat het toevallig op
+deze plaats was aangeland."
+
+Aan stilstaand, of langzaam stroomend, ondiep en troebel water geeft
+zij de voorkeur boven snel vlietende stroomen en heldere meren. Over
+dag houdt zij zich stil; kort voor zonsondergang begint zij haar
+bedrijf, dat, naar het schijnt, gedurende den geheelen nacht wordt
+voortgezet. Gedurende de wintermaanden blijft zij verborgen in
+'t slijk, komt in 't midden van April, indien de weersgesteldheid
+het toelaat, hieruit te voorschijn en laat dan vaker dan gewoonlijk
+een eigenaardig gefluit hooren. Zij is voorzichtig en duikt bij 't
+geringste gedruisch onmiddellijk naar de diepte. In 't water beweegt
+zij zich zeer vlug, maar ook op het land volstrekt niet gebrekkig,
+veel sneller althans dan de Echte Landschildpadden. Zij voedt zich
+met Wormen, Waterinsecten, Vorschen en Salamanders en de larven
+dezer dieren; zij maakt echter ook op Visschen jacht en valt zelfs
+tamelijk groote exemplaren aan; het slachtoffer wordt door beten in het
+onderlijf afgemat en vervolgens geheel afgemaakt. De Visschen, die op
+deze wijze overmeesterd zijn, worden onder water op de graten na geheel
+verslonden. Daar bij het afkluiven van den buit de zwemblaas dikwijls
+onbeschadigd afgebeten wordt en naar den waterspiegel omhoogstijgt,
+kan men uit de op het water drijvende zwemblazen van Visschen de
+aanwezigheid van Zoetwaterschildpadden afleiden. In gevangenschap kan
+men ze vele jaren lang met Visschen, Regenwormen of rauw vleesch in
+'t leven houden; zij worden dan weldra zoo tam, dat zij uit de hand
+van haar verzorger eten, geraken gewoon aan bepaalde ligplaatsen en
+vervallen in een verwarmd vertrek niet in winterslaap; wanneer men
+haar echter een kleinen vijver in een afgesloten tuin tot woonplaats
+aanwijst, kruipen zij tegen den aanvang van het koele jaargetijde in
+den grond.
+
+De Europeesche Zoetwaterschildpad graaft het gat, waarin zij hare
+eieren legt, op een voor dit doel geschikte, open plek aan den
+oever. Om dit te kunnen doen, verweekt zij vooraf den bodem door het
+uitwerpen van een aanzienlijke hoeveelheid water, boort vervolgens
+met de spits van den staart een kegelvormig gat en verwijdt dit tot
+een eivormige holte door beurtelings met den eenen en den anderen
+achterpoot de aarde weg te krabben. Gewoonlijk legt zij 9 eieren;
+deze worden onmiddellijk na het verlaten van den kloak één voor één
+opgevangen door de achterpooten, die ze onbeschadigd op den bodem
+van de holte laten glijden, daarna voorzichtig bedekt met aarde, die
+door kloppende bewegingen met het achterste deel van het borstpantser
+wordt vastgestampt. In Augustus of September komen de jongen uit den
+grond te voorschijn.
+
+Dat dit dier getemd kan worden, blijkt o. a. uit de volgende
+merkwaardige mededeeling van Ph. C. Martin: "In mijn aquarium waren
+vijf jonge Zoetwaterschildpadden, die nauwelijks de grootte van een
+rijksdaalder hadden. Al dadelijk was de kleinste veel levendiger dan
+de overige; terwijl deze rustig bleven liggen, wandelde zij wakker
+rond. Dit dwergje toonde uit den aard der zaak niet slechts naar
+het lichaam, maar ook naar den geest een grootere werkzaamheid dan
+zijne lotgenooten. Veel eerder dan deze, liet het zijn natuurlijke
+schroomvalligheid varen, en werd daarom de uitverkoren lieveling van
+mijn vrouw, die het iederen dag eenige malen in de hand nam en het al
+pratende liefkoosde, waarin het blijkbaar veel behagen schepte. Reeds
+in de eerste dagen van deze kennismaking werd het August genoemd; al
+dadelijk gedroeg het zich zeer verstandig, daar het niet, evenals
+zijne dommere broertjes en zusjes bij iedere aanraking den kop
+en de pooten onder het pantser terugtrok, maar spoedig toonde een
+onvervaarde menschenvriend te zijn en op een echt schrandere wijze het
+kopje in alle richtingen wist te wenden. Slechts weinige dagen waren
+voorbijgegaan, toen August bewijzen gaf, dat hij zijn naam kende. Als
+mijn vrouw nu bij het aquarium komt en alle vijf Schildpadden in
+het water zijn, heeft zij slechts eenige malen August te roepen,
+om den drager van dezen naam te nopen, zoo schielijk mogelijk op
+de tufsteenrots te klimmen, hetwelk dikwijls met zulk een haast
+geschiedt, dat hij hals over kop naar beneden tuimelt; onmiddellijk
+hervat hij dan de klimpartij en zoodra hij boven is gekomen, bedelt
+hij letterlijk om in de hand genomen te worden."
+
+Het vleesch van de Europeesche Zoetwaterschildpad is eetbaar; het
+geringe voordeel, dat zij hierdoor en door het verslinden van Slakken
+en Wormen den mensch oplevert, weegt niet op tegen de schade, die
+zij door het vernielen van de eieren en jongen van nuttige Visschen
+aanricht.
+
+
+
+Door aard en bewegingen een Landschildpad, in vorm echter
+met de Zoetwaterschildpadden overeenkomend, mag de welbekende
+Noord-Amerikaansche Doosschildpad (Cistudo carolina) als een overgang
+van de in 't water levende tot de op 't land wonende soorten aangemerkt
+worden. Het door haar vertegenwoordigde geslacht onderscheidt zich door
+een zeer bol rugschild met nekplaat en dubbele staartplaat. Het uit
+12 platen samengestelde, eironde borstschild is in twee beweeglijke
+stukken verdeeld, die zoo groot zijn, dat zij voor en achter, na het
+terugtrekken van kop, pooten en staart, dicht tegen het rugschild
+aangedrukt kunnen worden; het dier gelijkt dan op een gesloten doos:
+vandaar zijn naam. Het rugschild van de genoemde soort draagt een
+stompe kiel in 't midden; overigens vertoonen hare leden, wat bouw,
+kleur en teekening betreft, onderling velerlei verschil. In den
+regel is de bovenzijde fraai bruin of bruinzwart met een uit gele,
+onregelmatige vlekken en strepen bestaande teekening. Dikwijls ziet men
+bij bruinzwarte individuën op iedere zijdeplaat een scherp begrensde,
+fraai goudgele E. De platen van het borstschild zijn op gelen grond
+bruin geaderd. Het pantser is 13 cM. lang en gewoonlijk 11 à 12
+cM. breed. De langwerpig eironde kop heeft scherpe, gaafrandige kaken
+en is, evenals de vóór- en achterpooten, bruin en geel gevlekt.
+
+Het verbreidingsgebied van de Doosschildpad omvat het grootste deel
+van de oostelijke Vereenigde Staten, van Maine tot Florida, en strekt
+zich westwaarts uit tot Jowa, Missouri en Texas. In levenswijze stemt
+zij met de echte Landschildpadden volkomen overeen. Zij wordt vaker
+op droge, dan op vochtige plaatsen gevonden; wanneer men haar in een
+vochtig oord bespeurt, kan men er zeker van zijn, dat zij door de een
+of andere lievelingsspijs verlokt werd tot een bezoek aan dit overigens
+voor haar zoo weinig aantrekkelijk terrein. Zoo kan men er op rekenen,
+haar te zullen aantreffen in moerassige streken, waar Nachtreigers
+hunne broedplaatsen hebben; omdat er onder de reigernesten steeds een
+aantal halfverrotte Visschen liggen, die voor haar echte lekkernijen
+schijnen te zijn. Behalve zulke overblijfselen, eet zij Insecten,
+Slakken, Wormen, malsche paddestoelen en bessen, de laatstgenoemde
+zelfs met een zekere voorliefde. Als een grooter dier haar nadert,
+trekt zij den kop, de pooten en den staart onder het pantser terug en
+sluit de openingen met het tweekleppige borstschild zoo stevig af,
+dat zij tegen den aanval van gewone Roofdieren volkomen beveiligd
+is. Wanneer zij getergd wordt, verdedigt zij zich echter door
+te bijten; een eens gegrepen voorwerp wordt niet zoo licht meer
+losgelaten.
+
+Vervolging heeft de Doosschildpad eigenlijk niet te lijden. Haar
+vleesch wordt niet gebruikt, hoewel het goed smaakt.
+
+
+
+Alle warme landen der aarde, met uitzondering alleen van Australië
+en Nieuw-Guinea, worden bewoond door Echte Landschildpadden; Afrika
+bezit, voor zoover men er over kan oordeelen, de meeste soorten,
+Europa slechts 2.
+
+De Landschildpadden behooren tot de traagste en onverschilligste
+leden van de geheele Reptiliën-klasse. Al hare bewegingen zijn plomp,
+log en onbeholpen. Zij zijn in staat zonder te pauzeeren een tamelijk
+grooten weg af te leggen, maar doen dit onvergelijkelijk langzaam;
+traag verplaatsen zij één voor één hare pooten en schuiven het
+zware lichaam als 't ware met tegenzin vooruit. Bij elke beweging
+ontwikkelen zij echter een aanzienlijke kracht en toonen een groote
+volharding. Landschildpadden, die in 't water geworpen of toevallig
+te water geraakt zijn, zinken als steenen naar den bodem, strompelen
+hier rustig verder en komen zoo na geruimen tijd weer aan den oever
+zonder eenige schade geleden te hebben. Veel meer moeite kost het haar
+weer op de pooten terecht te komen, wanneer zij door soortgenooten
+of vijanden op den rug gewenteld zijn. Dikwijls wordt hiervoor een
+langdurige arbeid van kop en staart vereischt, want de logge pooten
+schieten voor deze taak te kort. Opmerkelijk is het, dat zij voor
+een andere bewegingswijze, n.l. voor het klimmen, een zekere mate van
+geschiktheid toonen. Een echte stem komt, naar het schijnt, bij haar
+niet voor: het geplaagde dier laat hoogstens een snuivend geblaas,
+maar geen klinkend geluid hooren. De hoogere vermogens dezer dieren
+zijn geëvenredigd aan de kleinheid hunner hersenen; dat zij werkelijk
+bestaan, blijkt echter uit hun gedrag.
+
+De Landschildpadden voeden zich hoofdzakelijk met malsche
+plantendeelen, die zij afplukken of liever afknippen. De grootste
+soorten verslinden gulzig allerlei kruiden in aanzienlijke hoeveelheid;
+de kleine kiezen met meer zorg deelen van bladen, uitspruitsels en
+vruchten; de eerstgenoemde knijpen haar voedsel af, de laatstgenoemde
+snijden het met de scherpe kaakranden uit of scheuren het gegrepen stuk
+los door het plotseling terugtrekken van den kop. Als de gelegenheid
+zich voordoet, eten zij ook allerlei diertjes, b.v. Slakken en
+Aardwormen; aan grootere dieren wagen zij zich niet. Zij drinken
+zelden, maar veel te gelijk.
+
+Voor den mensch leveren de Landschildpadden geen noemenswaardig voedsel
+op. Slechts in de huishouding van sommige wilde en halfwilde volken,
+spelen de pantsers als kastjes en dozen voor allerlei huiselijke
+doeleinden een zekere rol. Men kan het vleesch van de Landschildpadden
+even goed eten als dat van vele Rivier- en Zeeschildpadden; slechts bij
+uitzondering echter worden zij met deze bedoeling gevangen. Vaker nog
+vangt men ze om ze in de kamer of in den tuin vrij te laten rondloopen.
+
+
+
+Het geslacht der Landschildpadden in den engsten zin (Testudo) kenmerkt
+zich door een gewelfd rugpantser, een uit 12 platen samengesteld
+buikpantser en vergroeide teenen met 5 of 4 klauwen aan de voorpooten
+en 4 klauwen aan de achterpooten. Alle hiertoe behoorende soorten
+gaan op de teenen en zijn landdieren in de eigenlijke beteekenis van
+het woord.
+
+
+
+Uit Zuid-Amerika wordt tegenwoordig zeer dikwijls een Landschildpad
+levend naar Europa vervoerd, die in Brazilië Sjaboeti heet: de
+Woudschildpad (Testudo tabulata). Haar gestalte is tamelijk plomp;
+het van boven platte rugschild helt van voren en van achteren sterk
+af en is sterk verlengd; de kop is tamelijk groot, de rand van de
+hoornachtige kaken fijn getand, de hals middelmatig lang en dik,
+de staart zeer dik; de plompe voeten vallen in 't oog door haar
+lengte. Het rugpantser is donkerbruin of zwart, iedere plaat met een
+gele vlek in 't midden; het buikpantser is bruin en geel. De onbedekte
+deelen hebben een zwartachtige kleur en zijn met velerlei oranjegele
+of roode vlekken geteekend. De lengte van het pantser bedraagt 55 cM.
+
+De Sjaboeti is over geheel tropisch Zuid-Amerika ten oosten van de
+Andes verbreid, bewoont het grootste deel van Brazilië, Paraguay, alle
+wouden van Guyana tot op een hoogte van 600 M. boven de oppervlakte
+der zee en geheel Venezuela; ook komt zij voor op de Kleine Antillen,
+die langs de noordkust van Zuid-Amerika liggen. Op voor haar geschikte
+plaatsen schijnt zij zeer veelvuldig te zijn. Ook deze Schildpad
+ontleent haar voedsel aan het plantenrijk. Zij eet hoofdzakelijk
+afgevallen rijpe boomvruchten, waarvan in haar vaderland zoo velerlei
+soorten voorkomen.
+
+Naar men zegt, levert het volwassen dier, in weerwil van de stevigheid
+van zijn pantser, dikwijls een buit aan de groote soorten van
+Katten. De Indianen, die met de wouden en hunne verschijnselen goed
+bekend zijn, verzekeren, dat de Once, als zij zulk een Schildpad vindt,
+haar overeind plaatst en met de lange klauwen het vleesch bij stukjes
+uit het pantser wegkrabt. De ledige pantsers, die men hier en daar in
+het woud verstrooid vindt, zouden de overblijfselen van dergelijke
+maaltijden zijn. Daar aan deze Schildpadden geen onaangename lucht
+eigen is, worden zij door de Portugeezen, Negers en Indianen gegeten;
+in sommige tijden van 't jaar zijn zij zeer vet. In eenige gewesten
+worden zij daarom in kleine, ronde perken, die door loodrecht in den
+grond geslagen palen begrensd zijn, bewaard, om ze bij de hand te
+hebben, zoodra men ze wil gebruiken. In huis kan men ze verscheidene
+jaren in 't leven houden; in het hok, dat men haar als woning aanwijst,
+beginnen zij dadelijk haar lievelingskost, bananen, te eten, ook
+bladen en allerlei vruchten. Wanneer men ze aanraakt, trekken zij
+zich in haar pantser terug en blazen als de Ganzen uit de keel.
+
+De Sjaboeti kan in Europa, indien haar 's winters een warme woning
+wordt verschaft, verscheidene jaren in 't leven blijven. Haar aard
+verschilt niet veel van dien der andere Landschildpadden. Daar zij
+hooger op de pooten staat, beweegt zij zich iets sneller.
+
+
+
+Opgravingen in de lagere gedeelten van het Himalaja-gebied, in
+gronden, die tot de jongste afdeeling van het tertiaire tijdvak
+behooren, hebben, nevens beenderen van voorwereldlijke Zoogdieren, de
+overblijfselen van een reusachtig Reptiel aan 't licht gebracht. Dit
+wezen (Colossochelys atlas) was aan de Landschildpadden verwant;
+zijn pantser had een lengte van bijna 3 en een hoogte van bijna
+2 M. Het is moeielijk, zich een juiste voorstelling te vormen
+van zulke monsters, al vestigt men het oog op de hedendaagsche
+Olifantschildpadden, die alle overige op het land levende soorten
+der orde in grootte overtreffen. Ook deze zijn thans het uitsterven
+nabij. Günther, die er een groot aantal exemplaren van onderzocht
+en tot de slotsom kwam, dat hierbij verscheidene soorten moesten
+worden onderscheiden, verhaalt haar geschiedenis ongeveer met de
+volgende woorden: Bijna alle reizigers uit de 16e en 17e eeuw, die
+van hunne ontmoetingen en ontdekkingen in den Indischen Oceaan en
+in de Stille Zuidzee verslag gaven, maken melding van de tallooze
+Reuzenschildpadden, die zij aantroffen op twee groepen van eilanden
+tusschen den evenaar en den steenbokskeerkring. Eén daarvan omvat
+de Galapagos-eilanden, de andere de Aldabra-eilandjes (ten noorden
+van de Comoren), Réunion, Mauritius en Rodriguez. Beide hebben dit
+gemeen, dat zij ten tijde van haar ontdekking zoomin door menschen
+als door groote Zoogdieren bewoond werden. Voor de zeelieden van
+weleer waren de Reuzenschildpadden van groot belang. Een reis,
+die thans in weinige weken volbracht wordt, duurde toen maanden;
+elk schip had een zeer talrijke bemanning, maar was slechts zeer
+gebrekkig met leeftocht voorzien: de Reuzenschildpadden, waarvan men
+binnen weinige dagen met geringe moeite zoovele exemplaren kon vangen,
+als men verkoos, kwamen dus steeds goed te pas. Zij konden zonder
+voedsel geruimen tijd in de een of andere bergplaats van 't schip in
+'t leven blijven en duurden dus, totdat men ze noodig had. Elk van
+deze dieren leverde 40 à 100 KG. uitmuntend vleesch. Soms nam een
+enkel schip op Mauritius of de Galapagos-eilanden 400 Schildpadden aan
+boord. De Olifantschildpadden waren in 1691, toen Leguat het eiland
+Rodriguez bezocht, hier zoo talrijk, dat men soms 2000 of 3000 van deze
+reuzen bijeenzag, over welker ruggen men 100 schreden ver kon loopen,
+zonder op den grond af te dalen. Verklaarbaar wordt het ontzaglijk
+groot aantal dezer weerlooze dieren, wanneer men bedenkt, dat hun
+gebied eertijds door geen enkele vijand bewoond of bezocht werd en de
+meeste dus den merkwaardig hoogen ouderdom konden bereiken, waarvan
+hun orde voorbeelden oplevert. De groote verandering, die in dezen
+toestand gekomen is, heeft ten gevolge gehad, dat thans op Rodriguez,
+Mauritius en Réunion geen Reuzenschildpadden meer gevonden worden. Op
+de Aldabra-eilandjes heeft een klein, voortdurend verminderend troepje,
+aanhoudend bestookt door den op buit belusten mensch, tot dusver den
+strijd om het bestaan volgehouden.
+
+Dezelfde lotwisseling als op de Mascarenen heeft deze diersoort
+ondervonden op de Galapagos-eilanden, waar zij aanvankelijk zeer
+sterk vertegenwoordigd was, zooals blijkt uit den naam, dien de
+Spanjaarden gegeven hebben aan den door hen ontdekten, uit 13 tamelijk
+groote en vele kleine eilanden bestaanden archipel. ("Galapagos"
+beteekent "Schildpadden".) Hij bleef na de ontdekking in de 15e eeuw
+lang onbewoond; nu en dan kwamen schepen hier hun voorraad water en
+leeftocht vernieuwen. Hoewel de zeelieden bij dergelijke gelegenheden
+een groot aantal Schildpadden buit maakten, vond Darwin in 1835
+deze dieren nog op bijna alle door hem bezochte eilanden. Deze,
+in 1832 geannexeerd en gekoloniseerd door de republiek Ecuador, van
+welks kust zij ± 1000 KM. verwijderd zijn, hadden toen een bevolking
+van eenige honderden personen. Later werd hier een strafkolonie
+gevestigd, die ook niet lang bestaan heeft; thans wordt alleen het
+Chatham-eiland nog bewoond. Om in hun onderhoud te voorzien, hebben
+de bewoners tegen de Schildpadden een waren verdelgingskrijg gevoerd,
+krachtdadig geholpen door de Zwijnen, die met hen op de eilanden
+waren gekomen en er voor een deel verwilderden. Dit had ten gevolge,
+dat reeds 11 jaren na Darwin's bezoek op sommige van de eilanden wel
+talrijke troepen verwilderde huisdieren, Honden en Zwijnen, doch geen
+Schildpadden meer gevonden werden. Deze komen thans slechts op een
+enkel eiland in zeer verminderd aantal voor.
+
+De onderstaande aanhalingen uit Darwin's reisverhaal, hebben betrekking
+op de soort, die Günther meer bepaaldelijk Olifantschildpad (Testudo
+elephantina) heeft genoemd. Zij kan 1.5 M. lang en bijna 1 M. hoog
+worden; opmerkelijk zijn bij haar de lengte van den hals, de hoogte van
+de pooten en de zwarte kleur van het pantser. Te midden van de zwarte
+lava, de bladerlooze struiken en de groote cactussen herinneren deze
+kolossale Reptiliën levendig aan dieren uit de voorwereld. Wanneer
+zij zich ophouden in hoog gelegen streken van het midden der groote
+eilanden, de eenige plaatsen waar bronnen voorkomen, maken boombladen,
+een soort van zure en wrange bessen en bleekgroene korstmossen, die
+festoensgewijs van de takken afhangen, haar voedsel uit. Zij bewonen
+echter ook de lage, droge streken, waar, evenals op de waterlooze
+eilanden, haar voedsel hoofdzakelijk uit sappige cactussen bestaat
+en zij om het water te bereiken een grooten weg moeten afleggen. Door
+het telkens heen en weer reizen zijn de breede en diep uitgeschuurde
+paden ontstaan, die zich in alle richtingen van de bronnen naar de
+zeekust uitstrekken. "De Schildpadden reizen dag en nacht door en
+bereiken, naar gebleken was, door eenige exemplaren met een merkteeken
+te voorzien, het doel van haar tocht veel eerder dan men verwachten
+zou. Volgens de kolonisten konden de dieren een afstand van ongeveer
+13 KM. in 2 of 3 dagen afleggen. Een groote Schildpad, die ik naging,
+doorliep een weg van bijna 55 M. in 10 minuten, gelijkstaande met
+bijna 6 1/2 KM. per 24 uur, indien het oponthoud, veroorzaakt door het
+onderweg eten, op 4 uur geschat wordt. Bij 't gaan is het borstschild
+ongeveer 30 cM. van den grond verwijderd. Iemand, die achter hen aan
+loopt, schijnen zij niet te hooren. Als ik een van deze kolossen, die
+bedaard zijn weg vervolgde, achterhaalde, was het grappig te zien,
+hoe hij op 't oogenblik, dat ik hem voorbijstevende, den kop en de
+pooten introk, een dof gesis liet hooren en met een luiden plof op
+den grond viel, alsof hij dood was. Als ik dan op den rug van het
+dier ging zitten, liet het zich door eenige slagen op het achterste
+deel van het pantser overreden om op te staan en door te loopen; het
+was echter moeielijk op dit rijdier het evenwicht te behouden. Bij de
+bronnen zag ik vele Schildpadden. Sommige gingen met uitgestrekten
+hals naar den waterkant; andere, die haar dorst gelescht hadden,
+verwijderden zich langzaam van de drinkplaats. Zonder zich om den
+toeschouwer te bekommeren, staken de pas aangekomen dieren den kop tot
+over de oogen in 't water, slikten den eenen mondvol na den anderen
+in en deden dit ongeveer tien maal in de minuut. Na een verblijf van
+3 of 4 dagen in de buurt van de bronnen keeren de dieren weer naar de
+lage streken terug. Zij leven echter ook op eilanden, waar de regen
+slechts tijdelijk plassen doet ontstaan."
+
+Evenals hare verwanten, zijn de Reuzenschildpadden traag, onverschillig
+en ongevoelig; zij kunnen lang vasten: bij het slachten van dieren,
+die 18 maanden achtereen zonder voedsel in het ruim van een schip
+hadden gelegen, kon men geen vermagering bemerken. Het was daarom niet
+moeielijk ze levend naar Europa over te brengen; vroeger geschiedde dit
+dikwijls en kwamen zij niet zelden in dierentuinen en beestenspellen
+voor. Gedurende den winter moest het hok goed verwarmd zijn, des zomers
+liet men deze dieren op een grasperk naar verkiezing grazen; de dikke
+bossen gras, die zij afbeten of afplukten, werden door de beweging van
+de onderkaak tot ballen vervormd en, soms met zichtbare inspanning,
+doorgeslikt. Het bleek niet duidelijk, dat zij haar verzorger van
+andere personen onderscheiden; zij geraakten echter aan den omgang
+met menschen gewoon, verloren haar schrikachtigheid en de gewoonte
+om te sissen en lieten zich als rijdier gebruiken; soms was het niet
+eens noodig haar door stokslagen aan 't loopen te brengen; zij kwamen
+trouwens uiterst langzaam vooruit.
+
+Het wijfje legt witte, ronde eieren van meer dan 5 cM. lengte in een
+gat, dat zij zelf in zandgrond graaft en later weer met zand vult, of
+in een rotsspleet. De jongen worden in grooten getale door Roofvogels
+verslonden, de oude dieren hebben, behalve den mensch, geen voor
+hen gevaarlijke vijanden. Overal waar Reuzenschildpadden voorkomen,
+worden zij om haar vet en vleesch gevangen en gedood. Het vleesch
+wordt versch gegeten of ingepekeld, uit het vet wordt een fraaie,
+heldere olie bereid. Om te beoordeelen, of het dier vet genoeg is,
+ging men op de Galapagos-eilanden op een zeer wreede wijze te werk:
+naast den staart werd een gat in de huid gesneden, waardoor men het
+bindweefsel onder het rugschild kon bereiken; indien dit niet aan de
+verwachting beantwoordde, liet men het dier weer vrij; de wonde genas,
+oogenschijnlijk zonder dat het dier er veel pijn van had. Enkele
+exemplaren leverden niet minder dan 100 KG. vleesch op; er waren 6
+à 8 man noodig om zulk een dier op te tillen. Volgens de Gebroeders
+Rodatz kwamen in de eerste helft van deze eeuw op de Aldabra-eilanden
+ieder jaar menschen om Schildpadden te vangen en deze vervolgens naar
+Madagaskar of naar het vasteland van Afrika te brengen. Tot aan den
+verzendingstijd werden zij in perken, door steenen muren omgeven,
+bewaard en met gras en bladen gevoederd. In een van deze perken zagen
+onze zegslieden 200, in een ander 300 Schildpadden. Een Hamburger
+koopman verhaalde aan Kersten, dat nog in 1847 door 100 menschen,
+de bemanning van twee schepen, op Aldabra binnen korten tijd 1200
+Schildpadden werden buit gemaakt en dat sommige van deze een gewicht
+van 400 KG. hadden.
+
+
+
+Als vertegenwoordiger van de beide in Europa voorkomende soorten van
+dit geslacht wordt gewoonlijk de Grieksche Schildpad (Testudo graeca)
+gekozen. Haar pantser is over 't geheel genomen eivormig; het bolle,
+middelmatig hooge rugschild is van achteren een weinig verbreed en
+steiler afhellend dan van voren; het borstschild is bij 't wijfje plat,
+bij 't mannetje een weinig binnenwaarts gedrukt, van voren afgeknot,
+van achteren diep ingesneden. Iedere plaat van het rugschild is in
+het midden zwart en verder met een gelen en zwarten zoom voorzien;
+over het buikschild loopt een breede, onregelmatige, overlangsche
+streep van geelachtige kleur; aan de zijden is het eveneens geel,
+overigens zwart; de pooten, de hals en de kop zijn vuil groengeel. De
+lengte van het pantser bedraagt 14, hoogstens 16 cM., het gewicht
+zelden meer dan 0.5 KG.
+
+Deze soort, die ook in Syrië zeer veelvuldig voorkomt, bewoont in ons
+werelddeel Griekenland, de Grieksche eilanden, Dalmatië en Turkije,
+de lage landen langs den Donau, Beneden-Italië, met inbegrip van de
+eilanden Corsica, Sardinië en Sicilië, en ook de Balearen. Zij behoort
+in dorre, dicht begroeide gewesten thuis en is in sommige streken zeer
+talrijk. Het is voor haar een groot genot zich uren lang aan de stralen
+van de middagzon bloot te stellen: Duméril vond deze dieren in Sicilië,
+waar zij overal talrijk zijn, aan beide zijden van de wegen liggen, zoo
+sterk verhit door den zonneschijn, dat hij gevaar liep zich te branden,
+als hij de hand op haar pantser legde. Tegen den aanvang van den winter
+kruipen zij diep onder den grond en brengen hier het koele jaargetijde
+slapend door; in 't begin van April komen zij weer te voorschijn.
+
+De Grieksche Schildpad voedt zich met verschillende kruiden en
+vruchten; bovendien eet zij Slakken, Wormen en Insecten en wordt
+daarom in haar vaderland dikwijls in tuinen gehouden om hier jacht te
+maken op allerlei ongedierte; het gevolg hiervan is echter dikwijls,
+dat zij de fraaiste en sappigste planten afbijt of platdrukt. Zij is
+volstrekt niet keurig op haar voedsel. De gevangene dieren worden met
+vruchten, salade, wittebrood (in melk of water geweekt), Meelwormen,
+Aardwormen en rauw vleesch gevoederd; zij kunnen op deze wijze
+gedurende verscheidene menschenleeftijden in 't leven gehouden worden,
+wanneer men ze slechts tegen de werking van de koude beschut. Reeds
+in Mei of Juni legt het wijfje 8 à 15 bolvormige, witte eieren met
+harden schaal, die de grootte van een kleinen noot hebben. Op het
+zonnigste plekje, dat zij vinden kan, graaft zij met de achterpooten
+een kuiltje in den grond, legt er de eieren in en bedekt ze zorgvuldig
+met aarde; de verdere zorg voor hare nakomelingschap laat zij aan den
+grooten bron van warmte en licht over. Op een der eerste regendagen
+van September komen de jonge Schildpadjes voor den dag; zij hebben
+dan ongeveer de grootte van een halven notendop en zijn de aardigste
+diertjes, die men zich voorstellen kan.
+
+Hoe ongevoelig deze dieren ook zijn, toch kunnen zij een temperatuur
+beneden het vriespunt niet verdragen; hieraan blootgesteld, bezwijken
+zij spoedig. Geen nadeel lijden zij daarentegen door bijna een jaar
+lang te vasten; de allervreeselijkste verminkingen verdragen zij met
+een ons onbegrijpelijke onverschilligheid. Nadat haar de hersenen,
+die ongeveer de grootte van een boon hebben, ontnomen zijn, loopen
+zij nog wel 6 maanden rond; de afgesneden kop bijt nog na verloop
+van een half uur; het hart klopt nog 14 dagen na de onthoofding.
+
+Het vleesch van deze Schildpad, die men op Sicilië en in andere
+gewesten van Italië geregeld ter markt brengt, wordt overal gegeten;
+de daarvan bereide soep valt zeer in den smaak.
+
+
+
+Door de tot vinnen vervormde pooten, waarvan de voorste aanmerkelijk
+langer zijn dan de achterste, verschillen de Zeeschildpadden
+(Chelonidae) van de overige leden harer orde. Het met hoornplaten
+bekleede pantser onderscheidt hen van de Lederschildpadden, die
+eveneens uitsluitend in zee aangetroffen worden en vroeger met
+haar onder den naam van "Zeeschildpadden" werden samengevat. Alle
+ledematen der Cheloniden zijn lange, platte vinnen geworden, die aan
+de vinpooten der Robben herinneren. Eigenaardig is ook het maaksel van
+het hartvormige, flauw gewelfde rugschild; dit is meestal onvolledig
+verbeend: in het skelet bereiken wel de ribben, doch niet de daarbij
+behoorende huidbeenderen den "rand," zoodat tusschen dezen en de
+"schijf" groote fontenellen voorkomen, die natuurlijk bij het volledige
+dier, evenals de groote fontenel in het midden van het borstschild,
+door de onverbeende huid gevuld zijn. Eerst op lateren leeftijd komt
+tusschen borstschild en rugschild een verbinding door een naad tot
+stand. De hals en de kop kunnen slechts ten deele, de ledematen in
+het geheel niet onder het rugschild teruggetrokken worden. Andere
+kenmerken zijn: de kortheid en de dikte van den vierzijdigen kop;
+de gladde, scherpe, soms aan den rand getande hoornscheeden, die de
+kaken bekleeden, zijn aan de spits haakvormig gekromd; bij gesloten
+bek is de ondersnavel geheel door den bovensnavel omgeven.
+
+De vier soorten van Schildpadden, die tot deze familie behooren,
+leven in de zee, soms op een afstand van honderden zeemijlen van de
+kust, zwemmen en duiken voortreffelijk en bezoeken het land alleen
+om er hare talrijke, weekschalige eieren te leggen.
+
+
+
+De Soepschildpad (Chelone mydas), die 450 KG. zwaar kan worden en dan
+een pantser van 1.1 M. heeft, kenmerkt zich, doordat de hoornscheede
+van de bovenkaak van voren niet haakvormig gekromd, maar afgeknot
+is, door de naast, niet over elkander liggende hoornplaten van het
+rugschild en door het bezit van een enkel paar schilden tusschen de
+neusgaten en het voorhoofdsschild. De niet zeer standvastige kleur
+van de bovenzijde is in den regel dof bruinachtig groen, geelachtig
+gevlekt of gemarmerd; de onderzijde is geelwit of vuilwit.
+
+Deze soort, die alle zeeën van den tropischen en subtropischen
+aardgordel bewoont, schijnt hier overal veelvuldig te zijn. In de
+Middellandsche zee, waar zij door een andere soort (Chelone cephala)
+vervangen wordt, komt zij slechts als dwaalgast voor. Deze Schildpadden
+zijn, evenals hare verwanten, volslagen zeedieren. Zij houden zich
+bij voorkeur in de nabijheid van de kust op, maar worden toch ook
+dikwijls op zeer grooten afstand van het land, dikwijls midden in den
+Oceaan, gevonden. Hier ziet men ze dicht bij de oppervlakte zwemmen,
+soms ook wel oogenschijnlijk slapend, op den zeespiegel liggen;
+bij de geringste storing verdwijnen zij echter oogenblikkelijk in
+de diepte. Haar ronddartelen herinnert levendig aan het vliegen van
+groote roofvogels, b.v. Arenden; de onverstoorbare volharding en de
+bevalligheid van hare bewegingen zijn bewonderenswaardig. Deze dieren
+paren kracht aan snelheid, kunnen op allerlei diepten even goed zwemmen
+als duiken en nemen in het water alle denkbare houdingen aan. Daar
+waar zij veelvuldig voorkomen, ziet men ze soms bij groote troepen;
+over 't algemeen schijnen zij zeer gezellig te zijn.
+
+In tegenstelling met de verwante Bissa, die een volslagen roofdier
+is, eet de Soepschildpad zeeplanten, vooral wieren; daar waar zij
+veelvuldig is, bedekken tal van plantendeelen, die door haar afgebeten
+zijn, het water. Op bepaalde tijden verlaten de wijfjes den oceaan en
+begeven zich naar vaste, haar sinds lang bekende plaatsen om er eieren
+te leggen. Zij kiezen hiervoor zandige stranden van onbewoonde eilanden
+of van kusten, die ver van het gewoel der menschen verwijderd zijn,
+en bezoeken dezelfde legplaats ieder jaar, misschien wel gedurende
+haar geheele leven, al moeten zij een weg van honderden zeemijlen
+afleggen om deze plek, vermoedelijk haar geboortegrond, te bereiken.
+
+De Soepschildpadden, die overigens tamelijk veilig zijn tegen vijanden,
+verkeeren gedurende den tijd van 't eierleggen in een zeer gevaarlijke
+positie. Groote roofdieren en menschen maken ijverig jacht op de dan
+weerlooze dieren. De onbewoonde, woeste kusten van Brazilië, waar de
+Schildpadden gewoon zijn aan land te komen, worden slechts zelden door
+reizigers bezocht; in den legtijd komen hier echter alle Indianen uit
+den omtrek bijeen. "Vele van de Schildpadden, die aan land komen om
+eieren te leggen," zegt de Prins Von Wied, "vinden hier den dood,
+daar haar langzaamheid en onbeholpenheid op den vasten grond niet
+minder groot is dan haar vlugheid in 't water. De Indianen vangen
+deze dieren, om door het uitkoken van hun vleesch olie te verkrijgen,
+en verzamelen in groote korven de talrijke eieren, die reeds in het
+zand gelegd, of nog in het lichaam van hunne slachtoffers aanwezig
+zijn. Vele gezinnen bouwen hutten van palmbladen op het strand en
+blijven hier verscheidene dagen of weken wonen, om iederen dag eieren
+te kunnen zoeken."
+
+Voorzichtig naderen de jagers van de landzijde de onbewoonde
+kuststreken, waar de Zeeschildpadden eieren leggen; in kleine booten
+begeven zij zich naar het strand van de hun als legplaatsen bekende,
+onbewoonde eilanden; zij houden zich schuil, tot de schroomvallige
+dieren aan land gekropen en ver genoeg van 't water verwijderd
+zijn. Zoodra de Schildpadden onraad bespeuren, spoeden zij zich
+onmiddellijk naar de zee om den vijand te ontkomen; op plaatsen,
+waar het strand een voldoende helling heeft, slagen zij er dikwijls
+in, zich snel om te draaien en zich over het zand naar beneden te
+laten glijden. Wanneer de jagers echter op het juiste oogenblik hun
+schuilplaats verlaten, verhinderen zij de vlucht van hun buit door
+dezen om te wentelen, zoodat het rugschild op den grond rust. De
+Zeeschildpad, die in dit geval verkeert, slaagt er nooit in haar
+vrijheid te herkrijgen, hoewel zij woedend met de vinnen om zich
+heen en op haar pantser slaat en zich zoo krachtig inspant, dat hare
+met bloed doorloopen oogen ver uit hunne kassen puilen. In dezen
+hulpeloozen toestand blijven zij liggen en komen ellendig om 't leven,
+indien de jagers wreed genoeg zijn om meer Schildpadden om te wentelen
+dan zij medenemen kunnen, zooals soms gebeurt. Voor het omwentelen van
+zeer groote en zware dieren zijn hefboomen noodig. Vele exemplaren
+worden in netten gevangen, andere met den harpoen buitgemaakt. De
+jacht geschiedt altijd 's nachts; den volgenden morgen zoekt men
+de gevangen dieren op en werpt ze in hiervoor bestemde bakken,
+of brengt ze dadelijk op de schepen, waarmede zij vervoerd zullen
+worden. In de bakken, die natuurlijk met zeewater gevuld moeten zijn,
+zwemmen de gevangen dieren langzaam rond, dikwijls drie of vier
+boven elkander. Zij nemen zelden voedsel aan, vermageren daarom snel
+en verminderen in waarde. Die, welke men op de Europeesche markten
+ziet, komen meestal uit West-Indië, vooral van Jamaica. Gedurende
+de reis liggen zij, met touwen vastgebonden, op een geschikte plaats
+van het dek op den rug; het stuk zeildoek, waarmede zij bedekt zijn,
+wordt zoo dikwijls met zeewater overgoten, dat het voortdurend nat of
+althans vochtig blijft; men steekt elk van deze arme stakkers een met
+zeewater doortrokken stuk wittebrood in den bek en vertrouwt voor 't
+overige op de buitengewone taaiheid van hun leven. In de Europeesche
+havensteden bewaart men ze in groote kuipen met zeewater, dat om de
+twee of drie dagen ververscht wordt. Het slachten geschiedt door het
+dier den kop af te houwen en het 1 of 2 dagen lang zoo op te hangen,
+dat al het bloed er uit druppelen kan. Eerst dan acht men het vleesch
+geschikt voor de bereiding van de bekende, smakelijke soep.
+
+In sommige tijden schijnt het vleesch van deze Schildpad schadelijke en
+zelfs vergiftige eigenschappen te hebben. Te Pantoeroe ten zuiden van
+Colombo werden in October 1840 28 personen, die schildpaddenvleesch
+gegeten hadden, kort na den maaltijd zwaar ziek; 18 van hen stierven
+in den volgenden nacht.
+
+
+
+De Echte Karetschildpad of Bissa (Chelone imbricata), die met
+de vorige soort door lichaamsbouw, gestalte en bewegingen veel
+overeenkomst vertoont, bewoont nagenoeg dezelfde zeeën. Zij is
+echter aanmerkelijk kleiner; haar bovenkaak is van voren sterk
+haakvormig omgebogen; tusschen de neusgaten en het voorhoofdsschild
+komen twee opeenvolgende paren schilden voor; de hoornplaten van het
+rugschild zijn min of meer dakpansgewijs gerangschikt en liggen dus
+gedeeltelijk over elkander heen. Van kastanjebruin tot zwartbruin
+wisselt de grondkleur van deze met gele vlammen gekleurde platen af;
+die van het borstschild zijn effen geel, de schilden van den kop en
+van de ledematen zijn donkerbruin met gele randen. De lengte van het
+pantser zal waarschijnlijk nooit meer dan 84 cM. bedragen.
+
+De Bissa is een roofdier in de volste beteekenis van 't woord;
+zij gebruikt geen ander dan dierlijk voedsel: behalve Weekdieren,
+waarschijnlijk ook Visschen; door hare vlugge bewegingen is zij
+misschien in staat om betrekkelijk groote en behendige waterbewoners
+buit te maken. Ook zij wordt door den mensch fel vervolgd, echter
+niet om haar vleesch--dat, naar men zegt, ziekteverschijnselen
+veroorzaakt--en ook niet om hare eieren,--hoewel ook zij het meest
+gevangen wordt, nadat zij zich aan land begeven heeft om voor haar
+nakomelingschap te zorgen, waarvoor zij steeds dezelfde oorden
+opzoekt. Het "schildpad", waarvan een volwassen Bissa 2 à 6 KG. kan
+opleveren, geeft aanleiding tot de vangst van dit dier. Om dit product
+te verkrijgen worden afschuwelijke wreedheden gepleegd. De hoornplaten
+geraken alleen na een sterke verhitting van het rugpantser los;
+het ongelukkige dier wordt daarom boven een vuur opgehangen en zoo
+lang geroosterd, totdat het gewenschte doel bereikt is. De Chineezen,
+inziende, dat het schildpad door droge warmte gemakkelijk bedorven kan
+worden, maken tegenwoordig gebruik van kokend water om de hoornlaag
+van het been af te scheiden. Nadat de bewerking afgeloopen is, wordt
+de Bissa weer in vrijheid gesteld; men laat haar weer naar de zee
+loopen, in de meening dat het schildpad weer aangroeit.
+
+Het schildpad overtreft niet alleen door fraaiheid en kwaliteit
+iedere andere soort van hoorn, maar kan ook gemakkelijker verwerkt
+worden. Om dikke platen te verkrijgen, is het voldoende de ongelijk
+dikke en brooze platen, die men van het dier verkrijgt, in kokend
+heet water te verweeken en daarna tusschen metalen pletrollen samen te
+persen. Bij een voldoende drukking kleven zij zoo vast aaneen, dat men
+de samenstellende deelen niet meer onderscheiden kan; deze grondstof
+behoudt den vorm, dien haar door drukking in verweekten toestand werd
+gegeven, nadat men haar langzaam weer hard heeft laten worden; zij is
+dus uitmuntend geschikt voor het vervaardigen van dozen en kammen. Het
+afval wordt gebruikt tot aanvulling van de oneffenheden tusschen de
+platen, die bij een behoorlijken warmtegraad zoolang geperst worden,
+totdat alle deelen innig aaneenverbonden zijn.
+
+
+
+De tweede groep van de Echte Schildpadden omvat de Halswenders of
+Rivierschildpadden (Pleurodira); deze trekken den meestal langen
+hals met den kop in tijden van gevaar niet terug, maar buigen hem
+zijwaarts en achterwaarts om hem tusschen het rugschild en borstschild
+te verbergen, zoodat de spits van den snuit op het schouderblad
+komt te liggen. Een tweede eigenaardigheid van deze dieren is, dat
+de bekkenbeenderen zoowel met het rugschild als met het borstschild
+vergroeid zijn. De kop en de hals zijn gewoonlijk plat, de oogen bijna
+boven op, in plaats van aan de zijden van den kop geplaatst, de kaken
+nooit getand, de teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd.
+
+De eieren van verscheidene Zuid-Amerikaansche leden dezer groep
+zijn voor vele volksstammen zeer nuttig; over 't algemeen is de
+beteekenis dezer in moerassen en rivieren levende Schildpadden voor de
+menschelijke huishouding niet gering. Wat haar levenswijze betreft,
+kunnen wij volstaan met te verwijzen naar de onderstaande, aan een
+der grootste natuuronderzoekers van alle tijden ontleende beschrijving
+van één dezer dieren.
+
+
+
+De bedoelde soort--de Arraoe (Podocnemis expansa) van het geslacht
+der Beenplaatschildpadden (Podocnemis) en van de familie der
+Pelomedusen (Pelomedusidae)--is een groot dier, welks pantser 77
+cM. lang kan worden (het wijfje is ongeveer tweemaal zoo groot als
+het mannetje). Zij bewoont het geheele tropische Zuid-Amerika ten
+oosten van den Andes, waar ook de 4 overige leden van haar geslacht
+voorkomen. Evenals deze, heeft zij de hals en de pooten bijna naakt
+(het geslacht ontleent den naam aan een reeks van schubben op den
+voorarm en aan de buitenzijde der achterpooten); groote en dikke
+schilden bedekken den kop, waaraan een diepe en breede groeve tusschen
+de oogen de aandacht trekt; van de kin hangen twee baarddraden naar
+beneden; de rand van het matig gewelfde rugschild steekt in horizontale
+richting uit.
+
+"De Arraoe," schrijft Alexander von Humboldt, "is een groote
+Zoetwaterschildpad met zwemvoeten, een zeer platten kop, twee vleezige,
+zeer spitse aanhangsels onder de kin, 5 teenen aan de voorpooten en
+4 aan de achterpooten, die van onderen gegroefd zijn. Het rugpantser
+heeft 5 middel-, 8 zijde- en 24 randschilden, is van boven zwartgrijs,
+van onderen oranjegeel; de lange pooten hebben dezelfde kleur als
+het rugschild. Tusschen de oogen is een zeer diepe groeve. De nagels
+zijn zeer dik en gebogen. De aarsopening bevindt zich aan het laatste
+vijfde gedeelte van den staart. Het volwassen dier weegt 20 à 25 KG. De
+eieren, welke in grootte die van een Duif overtreffen, hebben een
+aangenamen smaak en zijn bij de bewoners van Guyana zeer gezocht; hun
+kalkschaal is, naar men zegt, zoo stevig, dat de kinderen der Otomaten,
+die veel van kaatsen houden, ze elkander kunnen toewerpen. (De Terekay
+is kleiner dan de Arraoe; haar pantser bestaat uit evenveel platen,
+doch deze zijn eenigszins anders verdeeld.) Deze schuwe, vreesachtige
+dieren, houden bij 't zwemmen den kop boven water, maar verbergen hem
+bij 't geringste gedruisch; zij mijden de door menschen bewoonde oevers
+of de door booten verontruste gedeelten van den stroom. De oevers,
+waar bijna alle Schildpadden van den Orinoco ieder jaar schijnen
+bijeen te komen om eieren te leggen, liggen tusschen de uitmonding
+van de Apoere in den Orinoco en de Raudales of groote watervallen;
+hier komen de drie terreinen voor, die wegens hun eierenopbrengst het
+meest beroemd zijn. De Arraoe gaat niet hooger op dan de watervallen;
+de Terekay komt zoowel in den Boven-Orinoco als beneden de watervallen
+voor, bovendien in de Apoere, de Oeritoeko en de kleine rivieren,
+die door de Llanos van Caracas vloeien.
+
+"Tegen 11 uur in den voormiddag kwamen wij met onze boot aan een
+eiland midden in den stroom en stapten aan wal. Dit eiland, dat door de
+Indianen van de zendingpost Oeroeana als hun eigendom wordt beschouwd,
+is beroemd wegens haar Schildpaddenvangst of, zooals men hier zegt,
+wegens den "eierenoogst", die hier jaarlijks gehouden wordt. Wij vonden
+er meer dan 300 Indianen in hutten van palmbladen gelegerd. Behalve de
+Goeanos en Otomakos uit Oeroeana, die beide voor wilde, onbedwingbare
+stammen worden gehouden, waren hier ook Karaiben en andere Indianen
+van den Beneden-Orinoco verzameld. Iedere stam had een afzonderlijke
+legerplaats en was te onderscheiden aan de kleur, waarmede de huid
+zijner vertegenwoordigers beschilderd was. Te midden van de tierende
+menigte zagen wij eenige blanken, vooral kooplieden uit Angostura,
+die de rivier opgevaren waren met het doel, om van de inboorlingen
+schildpaddenolie te koopen. Ook ontmoeten wij hier de zendeling van
+Oeroeana, die ons verhaalde, dat hij met de Indianen, die eieren
+gingen zoeken, medegekomen was, om iederen morgen in de open lucht
+de mis te lezen en om zich olie voor de altaarlamp te verschaffen,
+vooral echter om den vrede te bewaren in dezen "vrijstaat van Indianen
+en Kastilianen," waar ieder voor zich alleen wil hebben, wat God aan
+allen schenkt.
+
+"Vergezeld door dezen zendeling en door een koopman, die zich er
+op beroemde, dat hij reeds tien jaren geregeld bij den eierenoogst
+tegenwoordig was, gingen wij het eiland rond, dat op soortgelijke
+wijze bezocht wordt, als bij ons de jaarmarkten. Wij kwamen op een
+effene zandvlakte. Zoover het gezicht reikt, zeide men ons, liggen
+de schildpaddeneieren onder de bovenste aardlaag van den oever. De
+zendeling droeg een langen stok in de hand en toonde ons, hoe men
+hiermede de uitgestrektheid van de eieren-bevattende laag bepaalt,
+zooals de mijnbouwkundige de grenzen van een laag mergel, ijzeroer
+of bruinkool onderzoekt. Als de stok loodrecht in den grond wordt
+gestoken, wijst het plotseling ophouden van den weerstand aan, dat
+men doorgedrongen is tot in de holte of tot in de losse aardlaag,
+waarin de eieren geborgen zijn. Het bleek ons, dat deze laag over 't
+algemeen zoo gelijkmatig verdeeld is, dat de stok over een plek van
+20 M. middellijn rondom een gegeven punt haar overal bereikte. Men
+spreekt daarom hier van vierkante roeden eieren, alsof men het heeft
+over een terrein, waaronder een ertslaag ligt en dat in vakken is
+verdeeld om het geregeld te exploiteeren. De eierenlaag strekt zich
+echter op verre na niet over het geheele eiland uit, maar houdt op
+overal waar de grond zich verheft, omdat de Schildpad naar deze kleine
+hoogvlakten niet omhoogkruipen kan.
+
+"De tijd, waarin Arraoe hare eieren legt, valt samen met dien
+van den laagsten waterstand. Daar de Orinoco op den dag van de
+lente-dag-en-nacht-evening begint te wassen, liggen de diepste
+gedeelten van den oever van het begin van Januari tot den 29sten
+Maart droog. De Arraoes vereenigen zich reeds in Januari tot groote
+zwermen, verlaten het water en koesteren zich op den zandigen oever
+in de zon. Gedurende de maand Februari vindt men de Arraoes bijna
+den geheelen dag op den oever. In het begin van Maart vereenigen de
+verspreide troepen zich en zwemmen naar de weinige eilanden, waar
+zij gewoon zijn hare eieren te leggen: waarschijnlijk kiest iedere
+Schildpad hiervoor ieder jaar denzelfden oever. Weinige dagen vóór
+het leggen komen zij bij duizenden in lange reeksen op de oevers
+van de eilanden Coecoeroeparoe, Oeroeano en Pararoema, strekken den
+hals en houden den kop boven water, om te zien, of zij hier niet door
+"Tijgers" of door menschen bedreigd worden. De Indianen, die er het
+grootste belang bij hebben, dat de vereenigde zwermen bijeenblijven,
+plaatsen wachten langs den oever om te verhinderen, dat de dieren
+verstrooid worden en om te bevorderen, dat zij in vrede hunne eieren
+kunnen leggen. Men beduidt de menschen op de vaartuigen, dat zij
+'t midden van den stroom moeten houden en de Schildpadden niet door
+hun geschreeuw moeten verjagen.
+
+"De Indianenkampen op drie bovengenoemde plaatsen worden in de laatste
+dagen van Maart of in de eerste dagen van April geopend. De eierenoogst
+heeft steeds op dezelfde wijze plaats. Als het kamp opgeslagen is,
+benoemt de zendeling een plaatsvervanger, die de landstreek, waar
+de eieren liggen, naar het aantal Indianenstammen, die aan den oogst
+deelnemen, in afdeelingen splitst. Hij begint met op de reeds genoemde
+wijze te onderzoeken, hoe ver de eierenbevattende laag zich in den
+grond uitstrekt. Volgens onze metingen reikt zij tot 40 M. van den
+oever en ligt op een gemiddelde diepte van 1 M. De hiervoor benoemde
+persoon wijst aan, hoe ver iedere stam werken mag. Niet zonder
+verwondering hoort men den eierenoogst schatten op gelijke wijze als
+de opbrengst van een korenveld. Het komt voor, dat een terrein van
+40 M. lengte en 10 M. breedte 100 kruiken (of voor 500 gulden) olie
+oplevert. De Indianen graven den grond met de handen open, leggen de
+ingezamelde eieren in kleine mandjes, "mappiri" genaamd, dragen ze
+naar het kamp en storten ze uit in groote, met water gevulde, houten
+troggen. Hier worden de eieren met schoppen vergruisd, omgeroerd
+en aan de zon blootgesteld, totdat de bovendrijvende, olieachtige
+bestanddeelen van den eidooier dik geworden zijn. De afgeschepte
+olie wordt boven een flink vuur gekookt en blijft, naar men zegt,
+des te beter van kwaliteit, naar mate zij sterker gekookt werd. Goed
+toebereid, is zij reukeloos, helder en zeer licht geel van kleur. De
+zendelingen achten haar gelijk aan de beste boomolie. Men gebruikt
+haar niet uitsluitend als lampolie, maar ook (en wel bij voorkeur)
+voor de spijsbereiding, daar zij aan de spijzen geen onaangenamen smaak
+mededeelt. Het is echter moeielijk volkomen zuivere Schildpaddenolie te
+verkrijgen; de meeste heeft een rotlucht, welke hierdoor veroorzaakt
+wordt, dat in eenige van de eieren de jongen reeds tot ontwikkeling
+waren gekomen.
+
+"De geheele opbrengst van de oeverterreinen, waar ieder jaar eieren
+ingezameld worden, kan men op 5000 kruiken begrooten. Daar 200
+eieren een wijnflesch vol olie opleveren, zijn er 5000 noodig voor
+een kruik. Als men aanneemt, dat iedere Schildpad 100 à 116 eieren
+legt en dat een derde hiervan gedurende het leggen breekt, zoo komt
+men tot het besluit, dat, om deze 5000 kruiken met olie te vullen,
+330,000 Arraoe-schildpadden op de drie oogstplaatsen 33 millioen
+eieren moeten leggen. Door deze berekening blijft men echter nog
+ver beneden het werkelijke aantal Schildpadden in de rivier. De
+hoeveelheid eieren, waarvan de jongen reeds uitgekomen zijn, voordat
+de mensch aan 't inzamelen gaat, is zoo verbazend groot, dat ik bij
+het kamp van Oeroeana den geheelen oever van den Orinoco bedekt zag
+met een gewemel van jonge 2 1/2 cM. breede Schildpadjes, die met
+moeite ontsnapten aan de hen najagende kinderen van Indianen. Voeg
+hier nog bij, dat niet alle Arraoes op de drie genoemde eilanden
+komen, dat vele tusschen den Orinoco-mond en de samenvloeiing met de
+Apoere afzonderlijk en een paar weken later eieren leggen, zoo komt
+men noodzakelijkerwijze tot de slotsom, dat het aantal Schildpadden,
+die ieder jaar aan de oevers van den Beneden-Orinoco eieren leggen,
+nagenoeg een millioen moet bedragen.
+
+"De inzameling van de eieren en de bereiding van de olie duren 3
+weken; slechts in dezen tijd staan de zendingsposten met de kust
+en met naburige beschaafde landen in verkeer. De Franciskanen,
+die ten zuiden van de watervallen gevestigd zijn, komen bij den
+eierenoogst, niet zoozeer om zich olie te verschaffen, als wel om
+blanke gezichten te zien. De oliehandelaars behalen een winst van
+60 à 70 percent; daar de Indianen hun de kruik olie voor een harden
+piaster verkoopen en de kosten van verzending slechts 2/5 piaster
+per kruik bedragen. Alle Indianen, die aan den eierenoogst deelnemen,
+nemen ook groote hoeveelheden in de zon gedroogde of zacht gekookte
+eieren mede naar huis. Onze roeiers hadden ze in hunne korven of in
+katoenen zakjes steeds bij zich. De smaak kwam ons niet onaangenaam
+voor, zoolang zij nog onbedorven waren.
+
+"Men wees ons groote, door Jagoears geledigde schildpaddenpantsers. De
+"Tijgers" loeren op de Arraoes, wanneer deze aan den oever komen om
+eieren te leggen, overvallen ze gedurende haar verblijf op het land en
+wentelen ze op den rug om ze gemakkelijker te kunnen verslinden. De
+in dezen toestand gebrachte Schildpadden kunnen niet weer overeind
+komen; daar de "Tijger" er veel meer omwentelt, dan hij in één nacht
+opeten kan, doen de Indianen dikwijls hun voordeel met zijn list en
+boosaardige hebzucht.
+
+"Wanneer men bedenkt, hoeveel moeite het den reizenden
+natuuronderzoeker kost om het pantser van een Schildpad te ledigen,
+indien hij het rugschild en het borstschild in hun verband wil laten,
+kan men zich niet genoeg verwonderen over de behendigheid van den
+"Tijger", die met zijne klauwen ditzelfde werk zoo flink verricht,
+alsof de aanhechtingen van de spieren met het mes van een heelmeester
+waren losgemaakt. De "Tijger" vervolgt de Schildpad zelfs in het water,
+voor zoover dit niet zeer diep is, graaft ook hare eieren uit, kortom
+is met den Krokodil, de Reigers en de Raafgieren de vreeselijkste
+vijand van de pas uit het ei gekomen Schildpadden. Behalve de zooeven
+genoemde wilde dieren doen ook de wilde Indianen veel afbreuk aan de
+oliebereiding. Zoodra de eerste, minder belangrijke regenbuien (door
+hen "schildpaddenregens" genoemd) voorkomen, trekken zij naar de oevers
+van den Orinoco en dooden met vergiftigde pijlen de Schildpadden,
+die met vooruitgestoken kop en uitgespreide pooten zich door de zon
+laten koesteren."
+
+Van Januari tot Juli bewonen de Arraoes de plassen en oevermeren van de
+overstroomde wouden en eten bijna niets anders dan boomvruchten. Door
+de felle vervolging, die zij te verduren hebben, is haar aantal reeds
+merkbaar verminderd.
+
+
+
+Een der vreemdsoortigste leden van de geheele orde is de Matamata
+(Chelys fimbriata), de eenige vertegenwoordigster van het geslacht
+der Franjeschildpadden (Chelys) en van de gelijknamige familie
+(Chelydae). Het zeer weinig gewelfde rugschild vertoont drie
+overlangsche reeksen van dikke, gekielde knobbels, die door diepe
+groeven vaneengescheiden zijn. De kop is zeer plat en driezijdig;
+de oogen zijn buitengewoon klein; de mondspleet strekt zich tot aan
+de oorstreek uit; de neus is tot een middelmatig langen, dunnen snuit
+verlengd, aan welks spits de neusgaten voorkomen: de hals is tamelijk
+lang, maar zeer breed en plat, de staart kort, het zwemvlies tusschen
+de vijf teenen van de voorvoeten en de vier teenen van de achtervoeten
+sterk ontwikkeld. Boven elke gehooropening bevindt zich een dun,
+tamelijk groot, naar boven gericht, driehoekig aanhangsel, dat aan
+een oorschelp herinnert; de kin is met twee baarddraden voorzien, de
+keel met een in franjes verdeeld aanhangsel; soortgelijke huidfranjes
+zijn aan weerszijden van den hals op reeksen geplaatst. Zij bereikt
+volgens Dumeril een totale lengte van 2.2 M., waarvan op het pantser
+1.23 M. en op den hals 72 cM. komt. De bovenzijde is bijna effen
+kastanjebruin, de onderzijde vuil groenachtig geel.
+
+De Matamata is tot Guyana en Noord-Brazilië beperkt; men heeft haar in
+den Amazonenstroom en de naburige stilstaande wateren, in de rivieren
+Essequebo, Roepoenoeni en Takoetoe alsook in de meren en rivieren van
+de savanna aangetroffen. Daar waar zij voorkomt, schijnt zij talrijk
+te zijn. "Gewoonlijk," zegt Schomburgk, "had zij zich bij den oever
+in 't zand gewoeld, zoodat het water ongeveer een vingerbreed hoog
+boven haar rugschild stond, en scheen daar bewegingloos op een prooi
+te loeren. Zij liet zich grijpen zonder beweging te maken; wegens den
+onaangenamen reuk, dien zij verbreidde, deden wij dit echter slechts
+zelden. Onze Karaïben vielen met een ware woede op haar vleesch
+aan." Misschien dienen de vreemdsoortige aanhangsels aan den kop als
+lokaas voor die Visschen, welke gemakkelijk te verschalken zijn.
+
+
+
+De derde reeks van de Echte Schildpadden omvat
+de Rivierlederschildpadden (Trionychoidea). Van alle overige
+onderscheiden zij zich door het ontbreken der hoornplaten op haar
+pantser; dit is slechts door een zachte huid bedekt. Het rugschild
+is zwak gewelfd en onvolledig verbeend: het beenig schijfgedeelte
+heeft een zachten, lederachtigen zoom, die hoogst zelden door eenige
+randbeenderen gesteund wordt; in het midden van het borstschild komen
+groote fontenellen voor. De kaken zijn met vleezige lippen voorzien,
+doch hebben een hoornachtigen rand; de neusgaten zijn aan de spits
+van een zachten, beweeglijken snuit geplaatst. De teenen hebben zeer
+sterk ontwikkelde zwemvliezen; slechts de drie binnenste van elken
+voet eindigen in scherpe klauwen. De kop en de hals kunnen onder het
+pantser verborgen worden; bij sommige kan dit ook met de pooten en den
+korten staart geschieden; ter beschutting van de teruggetrokken organen
+zijn dan achter aan het borstschild links en rechts eigenaardige
+kleppen aanwezig; ook het voorstuk is beweeglijk. Naar het schijnt,
+kunnen de papillen van het slijmvlies, dat de keelholte bekleedt,
+de rol van kieuwen vervullen; tusschen het bloed van de talrijke
+haarvaten dezer organen en het hem omgevende water heeft dezelfde
+uitwisseling van gassen plaats, als in de longen tot stand komt.
+
+
+
+Bij de Drieklauwen (Trionyx) zijn in het geheel geen randbeenderen
+aanwezig en kunnen de achterpooten en de staart niet onder het pantser
+verborgen worden.
+
+Hoewel de meeste soorten van dit geslacht het Oostersche rijk
+bewonen en slechts enkele in Noord-China en Japan, in Afrika en in
+Noord-Amerika gevonden worden, is nog steeds de Woeste Drieklauw
+(Trionyx ferox), de grootste van de Noord-Amerikaansche soorten, ons
+het nauwkeurigst bekend. Zij kan een gewicht van 35 KG. bereiken en is
+dan 1.6 M. lang, waarvan 85 cM. op het pantser komen. Haar rugschild
+is op donker leigrauwen grond met talrijke, groote oogvlekken en,
+vooral aan den rand, met donkere stippels geteekend; de onderzijde
+is vuilwit, de leikleurige kop van boven aan weerszijden donker
+gevlekt, in de oogstreek met een tot aan den hals reikenden en hier
+uitvloeiende, lichte, donker gezoomde slaapstreep versierd; de kin,
+de voeten en de staart zijn zwart en wit gemarmerd; de iris is geel.
+
+De Woeste Drieklauw wordt aangetroffen in de Savannah- en
+Alabama-rivieren en in alle stroomen, die zich in de Golf van
+Mexico uitstorten, dus in het zuidoosten van de Vereenigde Staten,
+van Georgië tot West-Louisiana. In de meeste wateren van het door
+haar bewoonde gebied is deze soort veelvuldig. Men ziet haar bij
+stil weer in grooten getale aan de oppervlakte drijven, en in de
+rivieren dikwijls talrijk op de rotsen verschijnen, om zich hier in
+het ondiepe water door de zon te laten koesteren. Gewoonlijk ligt zij,
+onder wortels en waterplanten verborgen, op buit te loeren. Zij maakt
+jacht op Visschen, Amphibiën en Watervogels, zwemt langzaam op het
+uitgekozen slachtoffer af, strekt dan bliksemsnel den betrekkelijk
+langen hals en grijpt zonder fout haar prooi. Voor de boeren is zij
+door het vangen van jonge Eenden en Ganzen lastig. Naar men zegt,
+richt zij onder de jonge Alligators een groote slachting aan; door
+de oude wordt zij echter opgegeten.
+
+In Mei zoeken de wijfjes zandige plekken op aan den oever van het door
+haar bewoonde water en beklimmen, hoewel zij zich overigens zelden
+of nooit op 't droge begeven, in dezen tijd heuvels van meer dan 1
+M. hoogte. Hare eieren zijn bolvormig en betrekkelijk broos van schaal.
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE ORDE.
+
+DE SNAVELHAGEDISSEN (Rhynchocephalia).
+
+
+Deze merkwaardige dieren, die men bij oppervlakkig onderzoek
+voor Hagedissen zou houden, geven bij ontleding eigenaardigheden
+te aanschouwen, die tot de kenmerken van geheel andere orden en
+zelfs van andere klassen behooren. Zij toonen o. a. verwantschap met
+Hagedisachtige Amphibiën, die hun bloeitijd hadden, toen de lagen van
+de steenkolen- en de daaropvolgende dyas- en triasformatie ontstonden,
+maar vóór den aanvang van het juratijdperk volkomen verdwenen waren;
+wij bedoelen de Labyrinthodonten of "Doolhoftandigen", de hoogst
+ontwikkelde leden van de uitgestorven groep der "Dakschedeligen"
+of Stegocephalen. De overblijfselen van deze meestal met een
+pantser van beenplaten bedekte Amphibiën worden het meest gevonden
+in de porphyrachtige zandsteenen en conglomeraten, die in Bohemen en
+Saksen den ondergrond (het "liggende") vormen van de koperertshoudende
+gesteenten en wegens hun roode kleur door de Saksische mijnwerkers het
+"roodliggende" ("rotliegende") worden genoemd, een naam, die door
+de aardkundigen overgenomen is. Niet slechts van Amphibie-achtige,
+maar ook van Reptiel-achtige wezens uit den voortijd, o. a. van
+de Plesiosauriërs, voorts van hedendaagsche Kruipende Dieren (van
+Schildpadden en Hagedissen) komen verscheidene eigenaardigheden bij
+de hier bedoelde diersoort, bij de Bruggenkop- of Wigtandhagedis
+(Sphenodon punctatus, Hatteria punctata), vereenigd voor. De
+allernaaste verwant van dit zonderlinge wezen is, merkwaardigerwijze,
+het oudst bekende Reptiel: de Oerhagedis (Palaeohatteria) van het
+Saksische "rotliegende". De Bruggenkophagedis moet dus beschouwd
+worden als het laatste overblijfsel van den oudsten Reptiliën-stam,
+als de eenige levende vertegenwoordiger van een sinds lang verdwenen
+dierenwereld; zij kan op een langere reeks van voorouders bogen dan
+eenig ander Gewerveld Dier.
+
+Door zijn gestalte herinnert dit groote, eenigszins plompe Reptiel
+aan sommige Legoeanen. Op den vierzijdigen kop volgt een gedrongen
+romp met een samengedrukt driezijdigen staart van ongeveer gelijke
+lengte. Aan elken poot komen 5 korte, met korte klauwen gewapende
+teenen voor. Zijdelings samengedrukte doornen vormen den kam,
+die zich over den nek, het midden van den rug en het midden van
+den staart uitstrekt. Kleine schubben bedekken den kop, kleine en
+groote dooreengemengd den romp, groote, vierhoekige, op dwarse reeksen
+gerangschikte schilden de onderzijde. De somber olijfgroene grondkleur
+is op de zijden en de ledematen met kleine, witte en grootere, gele
+vlekken gestippeld; de stekels van den rugkam zijn geel, die van den
+staartkam bruin.
+
+Veel belangrijker eigenaardigheden dan de zooevengenoemde uitwendige
+kenmerken komen bij de ontleding aan 't licht. Het vierkantsbeen,
+dat bij alle Geschubde Reptiliën beweeglijk is, laat, evenals bij de
+Kameleons, Schildpadden en Krokodillen, wegens vergroeiing met den
+schedel geen beweging toe. Het geraamte van het aangezicht is door
+twee beenige bogen, die als "bruggen" de slaapholte bedekken, met de
+slaapstreek van den schedel verbonden; van daar de naam der soort. De
+beide helften van het onderkaaksbeen zijn, als bij de Slangen, van
+voren door een vezeligen band vereenigd. De bovenkaaksrand draagt
+een reeks van driehoekige, zijdelings samengedrukte, spits eindigende
+tanden, die zoo innig met de kaakbeenderen verbonden zijn, dat men ze
+bijna voor getakte uitwassen van deze beenderen zou houden. Hieraan
+evenwijdig is een reeks van soortgelijke, doch iets kleinere tanden
+aan den buitenrand der gehemeltebeenderen; tusschen de beide reeksen
+van bovenkaaksbeenderen blijft aan weerszijden een overlangsche groeve
+over waarin de tanden van de onderkaaksbeenderen passen, zoodat de
+bovenkaakstanden zijdelings, de onderkaakstanden spits afgeslepen
+worden. De beide tusschenkaaksbeenderen hellen steil naar onderen af en
+vormen een soort van snavel, met welks onderrand een paar eenigszins
+getakte snijtanden zoo innig verbonden zijn, dat de grens tusschen
+been en tand niet zichtbaar is. Deze eigenaardigheden van den kop
+worden uitgedrukt door de namen "Snavel-" en "Wigtandhagedissen".--De
+wervellichamen zijn van voren en van achteren trechtervormig uitgehold,
+evenals bij vele Beenvisschen, eenige Amphibiën en verscheidene
+voorwereldlijke Reptiliën. Beweegbare ribben, ten deele met haakvormige
+uitsteeksels voorzien, zijn gehecht aan de 5 achterste van de 8
+halswervels en aan alle 17 rompwervels. Alle ribben zijn valsch,
+d. w. z. bereiken het borstbeen niet, met uitzondering van die der 3
+voorste rompwervels. Achter deze komt aan de buikzijde van den romp
+een "buikborstbeen" en een stelsel van "buikribben" voor, die in
+aantal en ligging overeenkomen met de buikschilden der oppervlakte,
+maar dubbel zoo talrijk zijn als de valsche ribben; iedere dwarsreeks
+van buikschilden is dus te vergelijken met één buikschild van een
+Slang en beter nog met één der deelen van het buikpantser van een
+Schildpad. Het trommelvlies ontbreekt, evenals bij de Slangen. Men
+mag dus de Bruggenkophagedis beschouwen als een Reptiel, dat over
+'t geheel genomen den vorm van een Hagedis heeft, in eenige zeer
+belangrijke opzichten echter op den ontwikkelingstrap der Amphibiën is
+blijven staan, en andere, minder gewichtige bijzonderheden vertoont,
+die men bij de Schildpadden en Slangen terugvindt.
+
+De berichten over de woonplaats en de levenswijze van dit dier,
+dat nergens anders dan op Nieuw-Zeeland aangetroffen wordt, zijn tot
+dusver zeer onvolledig. Het eerste komt voor in de beschrijving van
+Cook's derde reis: "Naar men zegt, komen op Nieuw-Zeeland reusachtige
+Hagedissen voor, 2.6 M. lang en zoo dik als het lichaam van een mensch;
+het heet, dat zij soms menschen aanvallen en verslinden. Zij wonen
+in gaten in den grond en worden gedood door voor den ingang van het
+hol een vuur aan te steken."
+
+Dieffenbach zegt, dat de inboorlingen deze Hagedis, die zij Toeatera
+of Narara noemen, in hooge mate vreezen. Hoewel hij alle plaatsen,
+waar zij heet voor te komen, onderzocht en een aanzienlijke belooning
+uitloofde aan ieder, die hem er een bracht, werd zijn wensch eerst
+weinige dagen voor zijn vertrek door de ontvangst van een enkel
+exemplaar vervuld. "Zij was gevangen op het rotsachtig eilandje
+Karewa, in Plenty-baai op een afstand van 2 mijlen van de kust
+gelegen. Uit de verhalen, die mij gedaan werden, schijnt te blijken,
+dat de Bruggenkophagedis indertijd op alle eilanden talrijk voorkwam,
+in holen en dikwijls ook op zandige heuvels aan de kust leefde en
+door de inboorlingen om haar vleesch vervolgd en gedood werd. Door de
+jacht en ongetwijfeld ook door het invoeren van Zwijnen is dit dier
+zoo zeldzaam geworden, dat vele sinds lang in het land gevestigde
+personen het nooit gezien hebben".
+
+Bennett bericht, dat deze Hagedissen in het jaar 1851 op enkele
+eilandjes van de genoemde Plenty-baai nog in vrij groot aantal te
+vinden waren. Een gezelschap van officieren ving hier in een half
+uur tijds ongeveer 40 Bruggenkophagedissen van 8 à 60 cM. lengte,
+die zich door de zon lieten koesteren. Van een exemplaar, dat in
+1869 levend naar Engeland kwam, wordt gezegd, dat het met smaak
+Meelwormen en andere Insecten at, buitengewoon traag, maar ook zeer
+goedaardig was en zonder te bijten of op een andere wijze weerstand
+te bieden, zich liet behandelen. Van andere gevangenen vernam men,
+dat zij plantaardig voedsel niet versmaadden. Ook nog in onzen tijd
+wordt de Bruggenkophagedis nu en dan van de eilandjes ten oosten van
+het Noordeiland levend of dood naar Europa gebracht; zulke exemplaren
+worden wegens hun zeldzaamheid duur betaald.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENING
+
+
+[1] Hierover heeft Van Bemmelen het volgende aangeteekend: "In de
+Kronyk van Medemblik (1736) vindt men, dat op 2 October 1707 een
+voorwerp gevangen is in het Wijkermeer van 6 voet lengte en 400 à
+500 pond zwaarte. In de Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap
+(Deel VI) wordt vermeld, dat een Zeeschildpad door Veersche visschers
+aan de kust van Walcheren, nabij Domburg, op 17 Juni 1777 gevangen
+werd en 3 Rijnlandsche voeten lang was. Zijn deze berichten juist,
+dan is er alle waarschijnlijkheid, dat deze individu's behoorden tot de
+soort Spargis coriacea. Het is echter mogelijk, dat zij ontsnapt waren
+uit schepen. Evenwel zijn ook aan de naburige kusten Zeeschildpadden
+gevangen. Zoo vermeldt De Selys Longchamps in zijn "Faune Belge", dat
+twee voorwerpen van Chelonia caretta op de kust van Vlaanderen zijn
+gevangen, doch dat deze soort zich daar zeer toevallig bevindt; evenzoo
+maakt Fleming in zijn "History of British Animals" (1828) melding
+van het vangen van Zeeschildpadden aan de Engelsche kusten. Lacépède
+(Histoire naturelle des Quadrupèdes Ovipares) vermeldt de vangst van
+2 Spargis coriacea aan de kusten van Languedoc en van een vrij groot
+voorwerp van deze soort op de kusten van Cornwallis in Engeland in
+1756; voorts bericht hij, dat in 1752 een Zeeschildpad te Dieppe en
+vele groote individu's aan den mond der Loire gevangen zijn."
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44811 ***