diff options
Diffstat (limited to 'old/51345-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/51345-0.txt | 3645 |
1 files changed, 0 insertions, 3645 deletions
diff --git a/old/51345-0.txt b/old/51345-0.txt deleted file mode 100644 index e9a964b..0000000 --- a/old/51345-0.txt +++ /dev/null @@ -1,3645 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Verteluurtje, by -Alberdina Hermanna Schlüter and J. Wiegman - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Verteluurtje - -Author: Alberdina Hermanna Schlüter - J. Wiegman - -Release Date: March 3, 2016 [EBook #51345] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERTELUURTJE *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - VERTELUURTJE - - DOOR HERMANNA. - - GEÏLLUSTREERD DOOR JAN WIEGMAN. - - - H. MEULENHOFF--AMSTERDAM--1921. - - - - - - - -TÒCH EEN GOED BEGIN! - - -Ben van Straten was de gelukkige eigenaar van een nieuwe prikslee; wàt -'n mooie was het! Zijn Vader, die timmermansknecht was, had 'm zelf in -zijn vrije uren gemaakt en Jaap, Ben's groote broer, had 'm een verfje -gegeven: lichtgroen, met een smal, geel biesje; vroolijk stond dat. - -Niemand blijder dan Ben! Als de andere jongens nu weer op den -Heuvelweg gingen sleden, kon hij echt meedoen; heisa, zijn slee -was zóó licht, die zou alle anderen vooruitschieten, dat wist hij -zeker. Verleden jaar had hij er ook gesleed, ja, maar op een paar -aan elkaar gebonden planken. Pret had hij toen ook wel gehad, maar -'t was toch niet het rechte geweest--als hij dan andere jongens op -"heusche" sleetjes naar beneden had zien glijden, had hij toch een -onvoldaan gevoel gekregen.--Nu zouden ze jaloersch op hèm zijn, -hem om zijn mooie, nieuwe slee benijden, vooral Piet van den bakker, -die had altijd zoo'n praats! - -De slee was er nu wel, maar de sneeuw--die liet dit jaar lang op -zich wachten. De Kerstvacantie was bijna om en nog steeds was er geen -sneeuw gevallen. - -Thuis begonnen ze er Ben al mee te plagen. 't Was elken morgen, zoo -gauw hij zijn oogen opendeed, zijn eerste vraag: "heeft 't vannacht -gesneeuwd?" - -"Ja", zei Jaap op een ochtend voor de grap. - -Ben kwam met een schreeuw van blijdschap overeind en vloog op zijn -bloote voeten naar 't venster van hun zolderkamertje. - -Gesneeuwd?--Flauwe Jaap!--Geregend had het;--bah, kletsnat en vuil -grauw zag 't er buiten uit.-- - -Toen was Ben kwaad op Jaap; den heelen dag gaf hij hem geen goed woord. - -Maar eindelijk gebeurde 't dan toch, wat Ben zoo vurig wenschte. - -Op Oudejaarsmorgen hingen de wolken zwaar en laag en tegen twaalven -vielen de eerste donzen veertjes zachtjes, heel zachtjes, naar beneden. - -"Als 't nu maar doorzet," zei Ben angstig; hij drukte zijn neus tegen -de ruiten en stond dan op eens weer buiten, om met zijn hoofd in den -nek naar boven te turen, naar de grijze, zooveel belovende wolken. - -Langzaam, langzaam dwarrelden de vlokken, maar "echt sneeuwen" kon -je dit nog niet noemen, volgens Ben. - -"Als 't maar blijft liggen!"--dit was zijn grootste zorg. Hij vroeg -er ieders meening over en hoorde, zooals 't gewoonlijk gaat, veel -tegenstrijdigs. - -"'t Dooit in éénen weg," zei buurman, die een goeden blik op 't weer -heette te hebben. - -"De wind waait uit den verkeerden hoek", beweerde Jaap met een -bedenkelijk gezicht; "modderpap wordt 't en anders niks." - -"Vannacht komt er stellig een flink pak bij," zei Vader, toen hij voor -'t middagmaal thuiskwam. - -"Op 't plaatsje ligt al een wit laagje," vertelde Moeder hoopvol. - -Ben, heen en weer geslingerd tusschen vrees en hoop, hield het -ten slotte met Vader en Moeder; die zouden 't wel 't beste weten, -dacht hij. - -Toen 's avonds de Oudejaarsklokken luidden, was 't witte laagje al een -witte laag geworden. Ben juichte, toen hij zag, dat Vader de groote, -ouderwetsche paraplu klaar zette voor den kerkgang. - -"Daar kunnen we alle drie onder," zei Vader; "Jaap moet dan z'n kraag -maar omhoog zetten." - -Op den heenweg kon de paraplu dicht blijven, wat Ben erg speet, -maar teruggaande troffen ze een hevige sneeuwbui. - -"Heerlijk voor de slee," riep Ben en telkens moest hij even onder -'t beschuttende dak uitkijken om te zien, hoe hard 't wel sneeuwde. - -Dien nacht droomde hij natuurlijk van sneeuw en nog eens sneeuw en -toen hij op Nieuwjaarsmorgen wakker werd, vroeg hij niet: "heeft -'t gesneeuwd?" maar: "ligt er een flink pak?" - -"Nee", zei Jaap, knorrig omdat hij wou uitslapen en Ben hem stoorde, -maar Ben was al bij 't raam en riep hard: "ja!--je weet er niks van, -Jaap, een hoop ligt er--jongens fijn! En 't sneeuwt niet meer en de -zon schijnt zoo mooi! Wat zal 't nou op den Heuvelweg leuk zijn!" - -Hij schoot in de kleeren, gunde zich haast niet den tijd Vader en -Moeder Nieuwjaar te wenschen, en propte zijn boterhammen er in, -zoo'n haast had hij om weg te komen. - -Vader lachte; hij had er schik in. "Laat 'm maar," zei hij -vergoelijkend tegen Moeder, "de jongen heeft er zoo lang op -gevlast"--en toen tegen Ben: "voorzichtig aan, hoor en veel plezier; -gebruik je slee maar goed!" - -"Nou," riep Ben, al bij de deur, "dat zal ik wel,"--en hij zette 't -op een loopen, terwijl hij de mooie, nieuwe slee aan een touw meetrok. - -Op den Heuvelweg waren al verscheidene jongens en meisjes, die Ben -kende. Vol trots baande hij zich een doortocht. - -"Kijk 's, wat een mooie slee!" hoorde hij hier en daar fluisteren, -en dan keek hij expres onverschillig, alsof 't hem niet aanging, -terwijl toch zijn hart harder bonsde van plezier. - -Toen 't op sleden aan kwam, was Ben den anderen telkens vooruit, -den hellenden weg af, juist zooals hij 't verwacht had; zijn slee -was rank en licht, daar kon geen enkele andere tegen aan. Hij klom -al weer naar boven, terwijl de anderen pas beneden aankwamen. Ben -werd er druk en overmoedig van. - -Piet van den rijken bakker, die altijd gewend was alles 't best -en 't mooist te hebben, keek afgunstig naar de groene slee met de -gele biesjes. De zijne was ook pas nieuw, maar liep lang zoo vlug -niet. Gemelijk rukte hij zijn slee op de baan. - -"Uit den weg," waarschuwde Ben, die juist met een troep naar beneden -gleed en Piet moest wel uitwijken, waarbij hij in de dikke, hoog -opgestuwde sneeuw aan den kant van den weg belandde. - -Of Piet ook boos was!--Hij keek om zich heen en zocht naar een -voorwerp om er zijn woede op te koelen, daar Ben al weer ver buiten -zijn bereik was. - -Een kleine, armelijk gekleede jongen bracht juist een wrak -Sunlight-zeep-kistje op de baan, waar een bleek kereltje van een jaar -of vier in zat. - -"Je mag hier alleen maar met sleden komen," zei Piet dadelijk uit de -hoogte. "We hebben er geen zin in onze baan te laten bederven. Allo, -maak dat je wegkomt--" en hij gaf een schop tegen het kistje. - -"Zeg, laat dat," riep de oudste, terwijl hij beschermend voor zijn -broertje ging staan, maar Piet, die grooter en steviger was, pakte hem -beet en gooide hem in de sneeuw. Ruw trok hij toen 't geïmproviseerde -sleetje naar den kant; er kraakte wat, maar Piet was er de jongen -niet naar om voorzichtig met andermans goed te zijn. Met zijn stevige -laarzen gaf hij 't kistje nog een schop en sprong daarop in zijn -eigen slee, die nu ongehinderd den weg af kon glijden. - -Toen Ben vroolijk en opgewonden van de pret weer boven kwam met zijn -licht sleetje achter zich aan, zag hij 't zielige groepje staan. Hij -kende de jongens wel: 't waren Dirk en zijn kreupele broertje Hein, -kinderen van een arme weduwe, die in 't slopje, achter bij hen in de -straat woonde. - -Dirk lag op zijn kniëen bij 't wrakke, krakerige kistje en bekeek -'t met een bedenkelijk gezicht. - -"Nee Heintje, 't gaat niet, jô; als 'k nou alleen was zou ik het -'r misschien op wagen, maar met jou doe 'k het vast niet. Huil maar -niet, der is toch niks aan te doen." - -"Is 't kapot?" vroeg Ben meewarig. - -Dirk kwam overeind.--"Nou, wel zoo wat," zei hij met een wijs knikje; -"'k zal zien dat 'k der Hein nog in thuis krijg, maar dan kan Moeder -'m wel onder den waschketel stoppen: brandhout is 't, anders niks." - -Op 't hooren van dit vonnis over zijn dierbare sleetje begon Heintje -luidkeels te schreeuwen; de tranen biggelden over zijn bolbleeke -gezichtje. - -"Piet dêe het," vertelde Dirk vertrouwelijk aan Ben; "zoo'n leelijke -aap, wat hoefde die der zich mee te bemoeien, we leien 'm ommers niks -in den weg?--Hein het al zoo dukkels 's morgens as tie wakker werd, -gevraagd, of ter sneeuw lag, omdat ik 'm beloofd had dat we dan zouën -sleeën--en nou--nou het ie der niks niemendal an.--Kom, we mosten maar -naar huis gaan, naar Moeder. Wat hei je der an om hier te kleumen; -we zouen ook niet zoo lang uitblijven, want Moeder wou naar de kerk -en dan mot ik op de kleintjes passen." - -"Ikke wou eerst slee-ee-ën," snikte Heintje, "nog niet naar huis -toe, Dirk!" - -Ben keek naar 't kapotte kistje, toen naar zijn eigen -spiksplinternieuwe slee--hè, hij werd er warm van.--Wat zei Dirk ook -weer?--Hein had zoo naar sneeuw verlangd, zoo vaak 's morgens bij -'t wakker worden al gevraagd, of er sneeuw lag-- --net als hij--ja, -en nou lag er sneeuw en kreupele Heintje had er niks aan. - -Ben veegde met zijn mouw langs zijn gezicht, hij zag -vuurrood.--"Zeg,"--klonk 't op eens, "zeg Dirk, zet 'm maar in -de mijne." - -"Meen je dàt?" Dirk keek ongeloovig. - -"Ja, waarom niet? vooruit, ik zal 'm wel vasthouden, til jij Hein er -dan in.----Zoo, en nou ga je maar op de baan en als je 'm op gang hebt, -spring je der zelf maar bij in.--Zeg jô, als je Piet ziet, dan kan je -'m lekker een langen neus maken!" Ben lachte, want dat gunde hij Piet -nu eens echt. - -Bovenaan op de baan was 't een duwen en dringen van belang. Een oude -heer van een der omliggende villa's stond te midden van een troep -jongens hard te spreken. Ben kwam nieuwsgierig dichterbij; zijn slee -zat nog vast, de jongens hielden 'm tegen. "Gelijk afglijden," werd -er geroepen. - -"Als ik "drie" heb gezegd, dan gaan jullie," sprak de oude heer, -"en wie 't eerst beneden is, krijgt een mooi mes van me; jij bent -scheidsrechter," zei hij tegen een grooten jongen; "als de wind naar -beneden en goed opletten of 't geregeld toegaat." - -Meteen werden de sleden in postuur gezet; Ben's slee ook. Dirk wou -er weer afgaan en Ben roepen, maar de oude heer duwde hem op zijn -plaats terug. - -"Neen, neen, wie in de slee is, blijft er in; niet weer omruilen." - -"Een, twee, drie!" klonk 't en de sleden gleden af. Ben had een -wonderlijk gevoel, toen hij daar aan den kant van den weg zijn slee -stond na te zien, die nu, zonder hem, meedeed aan een wedstrijd. Een -prop schoot hem in de keel. Wat leuk zou 't geweest zijn zelf de slee -te besturen, zelf de glorie van de overwinning te hebben, want Ben -twijfelde er niet aan of zijn slee zou 't winnen.--Kijk, hij was den -anderen al vooruit!--Hè, Piet voorbij te stuiven--dat zou me wat zijn -geweest!--En dat nou Dirk en Hein dat plezier hadden, Dirk en Hein, -voor wie een gewoon toertje in z'n slee al een heel pretje zou zijn -geweest!--De tranen sprongen Ben in de oogen.--Als hij dat vooruit -geweten had!-- - -Een oorverdoovend lawaai onder aan den Heuvelweg. Ben ging op zijn -teenen staan, spande zich in om te kijken. Ja hoor, 't was wel net -zooals hij gedacht had, zijn slee had 't gewonnen. - -Daar kwamen ze weer aan, hijgend en stoeiend.-- --Dirk een eind achter -de anderen aan, moeielijk zeulend met de slee, waarin Heintje zat. - -"Dat hei je der nou van," sarde Piet, toen hij langs Ben kwam, -"die bedeljoggies gaan met 't mes strijken. Kijk 's, hij huilt der -om! Zoo'n spijt het ie." - -"Dat 's nietis!" riep Ben driftig uit, "'k heb der geen spijt van!" en -werkelijk was op dit oogenblik 't gevoel van spijt geheel bij hem -verdwenen.--"'k Vind jou een nare jongen; een windbuil ben je, nou -weet je 't--wat hoefde je hun slee stuk te maken?" - -"Dat ouwe kistje?" spotte Piet smalend. - -"Piet is kwaad, omdat ie 't zou gewonnen hebben, als die groene slee -met de gele biesjes er niet was geweest," lachte de groote jongen, -die scheidsrechter was. "Waar blijft de overwinnaar?" - -Terwijl Ben 't voor zijn beschermelingen opnam en Piet aanvloog, -bracht de groote jongen Dirk en zijn broertje bij den ouden heer, om -'t mes in ontvangst te nemen. - -Ben en Piet vochten als kemphanen, met als toeschouwers een -kring belangstellende jongens er om heen, die hen met luide kreten -aanhitsten.--Eindelijk vond Ben, die door zijn grootere behendigheid -Piet de baas bleef, het welletjes; hij liet den ander los en deze -droop af.--Ben streek zich 't haar uit 't gezicht; hij had een buil op -'t voorhoofd en zijn pak was gescheurd. Deze ontdekking ontnuchterde -hem wel wat. Landerig baande hij zich een weg door de jongens. - -"Hier," zei de scheidsrechter, "hier is je slee en ik moest je nog -wel bedanken van die kleine jongens. Ze zijn met hun eigen equipage -weggegaan, terwijl jij aan 't bakkeleien was," en hij lachte om -zijn aardigheid. - -"'n Mooie equipage, zeg, 'n oud zeepkistje," meesmuilde een ander, -er op ingaande. - -Ben zei niets en ging naar huis. Hij trok zijn slee achter zich -aan, alsof 't een stuk lood was.--Moeder zou wel brommen, het was -zijn tusschenpak: verleden jaar nog had hij 't voor den Zondag -gedragen. Moeder was zelf zoo vreeselijk zuinig en precies op de -kleeren--ja, dáár zou stellig wat op zitten! Misschien mocht hij wel -nooit meer op den Heuvelweg gaan sleden! - -Hoe dichter Ben bij huis kwam, des te langzamer sjokte hij voort. - -Maar in 't begin van zijn straat stond Dirk, Dirk met een stralend -gezicht; 't mooie mes hield hij in de hand. - -"Zeg Ben, 'k heb der bij je thuis al alles van verteld en je Moeder -zei, dat ik 't je zelvers mocht geven.--Hier--"en hij stak hem 't -mes toe. "Dat 's eerlijk van jou." - -Ben stribbelde eerst wat tegen, maar moest het ten slotte toch -aannemen. "Wij hebben al zooveul pret der van gehad, dat wij -'t wonnen!" riep hij glunder. "Je hadt Heintje 's motten hooren, -toen we Piet voorbij vlogen--man, 't was zoo leuk!" En zijn ouwelijk -gezichtje stond bepaald oolijk, nu hij hieraan terugdacht. - -Ben was wel blij met 't mes, maar--'t gescheurde pak, zie je, en de -mogelijke gevolgen.----Dirk liep met hem op.--"Je Moeder zal der wel -niet kwaad om wezen," zei hij opbeurend, "ze weet al, dat je met Piet -gevochten hebt om ons." - -"Ja?" Ben keek hem weifelend aan. - -Nu waren ze bij de deur. Dirk gaf hem een aanmoedigend duwtje.--"Nou, -dag hoor!" - -"Dag," mompelde Ben werktuigelijk terug en sloop naar binnen.-- - - - -"Wel, Ben," zei Vader, toen 't gezin aan het middagmaal weer vereenigd -was, "hoe heb je het gehad, jongen? Zonder tuimeling is het niet -gegaan, zie ik"--hij wees naar de buil--"en heeft de slee zich goed -gehouden?" - -"Ja Vader," antwoordde Ben, die weer een heel pak aan had, en hij -keek wat verlegen. Moeder had daarnet niet veel gezegd; hij geloofde -wel niet, dat ze erg boos was, maar toch----hij kon er niet goed -wijs uit worden en hield zich daarom maar wat stil----was in zijn -schulp gekropen. - -"Ze hebben een wedstrijd gehouden en Ben z'n slee heeft het gewonnen," -vertelde Moeder. - -"Ben z'n slee? Maar dan toch niet zonder Ben?"--Vader keek alsof hij -er niemendal van begreep. - -Ben knikte met een vuurroode kleur. "Maar ik heb den prijs," zei hij -gauw en liet Vader en Jaap 't mooie mes zien. - -Toen vertelde Moeder wat ze van Dirk wist. - -Ben zat met voorovergebogen hoofd. Zoo meteen zou Vader 't van het -gescheurde pak hooren, dacht hij, en dan-- -- -- -- - -Voordat 't evenwel zoover was, lei Vader hem de hand op den -schouder. "Dat 's een goed begin geweest, mijn jongen," was al wat hij -zei, maar iets in zijn stem deed Ben verrast opkijken. Hij ontmoette -Vaders vriendelijken blik en haalde verruimd en diep adem. - -"Een goed begin?" herhaalde Moeder, "maar man--met zóó'n scheur in -zijn pak kwam hij thuis!" - -De toon, waarop Moeder dit zei, moest quasi boos heeten, maar meteen -knikte ze Ben toe en lachte tegen hem. - -Toen pas was Ben er gerust op; hij lachte ook en schoof dicht bij de -tafel. Gezellig toch zaten ze nou met z'n viertjes! - -Of Dirk en Heintje 't ook wel zoo goed zouden hebben als hij?.... - -"Hij denkt aan wat prettigs," zei Jaap op eens, toen 't een poosje -stil was geweest, en hij wees naar zijn broertje. - -Ben lachte weer. Jaap had 't wel goed gezien,-- --hij dacht net bij -zichzelf, dat hij Dirk en Hein morgen eens met zijn slee zou afhalen, -als 't tenminste vannacht niet allemaal wegdooide, en wat ongerust -vroeg hij aan Vader of deze dacht, dat de sneeuw nog zou blijven -liggen. - -"Ik denk 't wel," was 't antwoord. - -"Gelukkig," en Ben knikte tevreden; meer zei hij er niet over.--Jaap -kwam dus niet te weten, wat dat prettige was, waaraan Ben zoo -stilletjes bij zichzelf had zitten denken; daar hoefde je vooruit -niet over te praten, vond Ben. - - - - - - - -ALLEEN! - - -"Die vervelende Piet stoot aldoor aan de tafel; ik kan nooit 's prettig -kleuren," riep Annie met een zeurig stemmetje uit. "Hè, Moeder, kijk nu -eens, zoo'n leelijke groene veeg op de jurk van 't boerinnetje! Daarnet -stootte hij ook zoo, net toen ik met de appeltjes bezig was; toen -zijn er allemaal roode halen over 't papier gekomen.--Nare jongen!" - -"Annie kan ook niets velen," pruttelde Piet, in antwoord op Moeders -vermaning van wat stiller te zitten en hij liet zich van zijn stoel -glijden. In een wip had Annie haar penseel neergelegd en stond ook -op den grond. "Waar ga je naar toe?" vroeg ze haastig en volgde haar -broertje met de oogen. - -"O neen, Piet, niet naar het speelhoekje; daar mag je niet komen." Zij -vloog er ook heen en ging met uitgespreide armen voor haar poppen, -ledikantje en wagentje staan. - -"Ik mag best mijn bal krijgen," zei Piet; "is 't niet Moeder?" - -"Natuurlijk; Piet heeft evenveel recht op 't speelhoekje als jij, -Annie!" - -"Hij rommelt altijd in mijn poppenhuisje; ik kan nooit 's leuk met de -poppen spelen, of hij wil meedoen en dan brengt hij alles in de war," -klaagde Annie. "Toe Piet, ga weg!" - -"Neen, ik wil hier ook spelen." - -"Dat 's niks mooi gekleurd," klonk 't bij de tafel. Daar stond Arnold, -die in de vensterbank had zitten lezen. "Dat hondje moet je bruin -met wit maken! Wacht, ik zal 't eens netjes voor je doen!" - -"Moeder!"--Annie gilde 't uit. "Moeder, zegt u toch eens, dat de -jongens uitscheiden! Ik kan nooit 's prettig spelen; ze plagen -me altijd!" - -"Dat 's ook wat, ik je plagen? Ik wil je juist helpen!" - -Annie stampvoette. "Blijf van mijn kleurboek af!" - -"Foei Annie," zei Moeder, "wat ben je weer stout. Wat zal Tante Mies -wel zeggen? Tante komt er juist aan!" - -Annie stond mokkend in een hoekje, toen Tante Mies binnenkwam. Tante -vroeg maar niet, wat er aan scheelde; ze begreep 't wel, want 't was -vandaag niet voor den eersten keer, dat Annie zulke kuurtjes vertoonde. - -Moeder en Tante Mies wisselden een blik van verstandhouding. - -Later, toen 't heele troepje in den tuin was, praatten Moeder en -Tante lang met elkaar. "Zoo flauw," pruttelde Annie, die altijd -erg nieuwsgierig was, "waarom nou in 't Fransch, waar we niets van -begrijpen?"-- - -Met 't jongste broertje, Kees, gaf 't bij den zandhoop warempel al -weer gescharrel. Annie kon niet verdragen, dat de kleine jongen een -van haar vormpjes pakte. Al gebruikte ze 't zelf ook niet op dit -oogenblik, Kees mocht 't tòch niet hebben. - -Geen wonder, dat Kees begon te schreien; Annie rukte 't hem zoo ruw -uit de hand. Toen kwam Moeder en stuurde Annie naar binnen.-- - -Den volgenden morgen vond Annie, toen ze beneden kwam, een brief op -haar bord. Dat was leuk, een brief en ze was toch niet jarig! Hij -was met drukletters geschreven; Annie kon goed drukletters lezen en -begon dus maar dadelijk hardop: - - - "Lieve Annie. - - - Ik ben de zuster van Tante Mies en ik kom vragen, of je vandaag - en morgen en net zooveel daagjes als je maar wilt, prettig bij mij - komt spelen. Ik heb veel mooi speelgoed, maar geen kindertjes, die - er mee kunnen spelen. Wil je dus je broertjes ook soms meebrengen, - of kom je liever alleen? Dag Annie. - - - De zuster van Tante Mies, die je maar - Tante Bets moet noemen." - - -Annie had een kleur van plezier gekregen. "Wat een leuke brief, -hè Moeder? Is dat die mevrouw, die we laatst bij Tante Mies gezien -hebben? Mag ik gaan, Moeder? Maar Moeder, de jongens blijven thuis, -hè? Woont Tante Bets, zal ik maar zeggen, hier in de stad?" - -"Wat een vragen tegelijk," lachte Moeder. "Ik zal de laatste maar 't -eerst beantwoorden. Neen, Tante Bets woont even buiten de stad op een -mooie villa; je kunt er met de tram komen. Als je 't prettig vindt, -mag je gerust een paar daagjes bij Tante Bets logeeren. Ik weet zeker, -dat je veel van Tante zult houden. Tante Bets is altijd zoo aardig -met kinderen." - -"Maar de jongens blijven thuis," zei Annie nog eens met nadruk. "Ik -ga veel liever alleen!" - -"Waarom, vrouwtje?" - -"Wel, ze zijn altijd zoo vervelend en lastig; ik kan nooit 's prettig -spelen, of ze plagen me. Hè nee, als de jongens mee moeten, vind ik -er niets aan!" - -"Ze moeten volstrekt niet mee," sprak Moeder kalm, "als je 't wilt, -mogen ze mee--" - -"O nee--" - -"Dan ga je alleen; afgesproken!--" - -Moeder bracht Annie zelf weg. Annie voelde zich erg gewichtig, dat -ze uit logeeren ging en had thuis aan iedereen verteld, dat ze wel -een week zou uitblijven. - -Toen de tram stil hield voor 't groote huis, dat in een prachtig -aangelegd park lag, keek Annie wat bedremmeld en greep Moeders hand -stevig vast. - -Maar Tante Bets kwam haar zoo vriendelijk tegemoet en geleek zoo veel -op Tante Mies, dat Annie's verlegenheid gauw verdwenen was. Moeder -bleef nog een poosje en mocht zien, waar Annie zou slapen. Ook deed -Tante Bets even de deur open van de ruime speelkamer, waar zooveel -moois en aardigs klaar stond! - -"Nu, ik zie wel, dat je een leventje als een prinsesje zult hebben," -zei Moeder en Annie knikte opgetogen. Ze liet Moeder rustig vertrekken -en wuifde haar vroolijk toe, totdat de tram uit 't gezicht was -verdwenen. - -"Hè, hier kon je eerst nog 's prettig spelen," dacht Annie, toen ze -voor de kast vol speelgoed in haar eentje op den grond zat. Geen -vervelende Piet, die in 't poppenhuis rommelde, geen wijsneuzige -Arnold, die haar zou bedillen, en geen kleine Kees, die overal aan -kwam! Hier was niemand, dan zij alleen;--over al dit moois was zij -nu alleen de baas, had Tante Bets gezegd. - -Annie speelde eerst met de poppen, die zoo keurig waren aangekleed, -alsof ze naar een partijtje moesten. De poppen van Annie hadden -maar gewone schooljurken aan, dus je kunt begrijpen, hoe Annie deze -bewonderde. Ze kleedde 't heele troepje voorzichtig uit, lei de -kinderen te slapen in beeldige ledikantjes achter rose gordijnen en -kleedde ze toen weer aan. Thuis speelde ze vaak schooltje, met Piet -er bij, als meester; hij deed wel vervelend en zonder kibbelen ging -'t nooit maar.... Annie keek eens om zich heen in de ruime, stille -kamer.... 't was haar hier toch alsof ze wat miste.-- - -Van de poppen, hoe mooi ze ook waren, had Annie veel gauwer genoeg dan -thuis. Kwam Tante Bets nu maar 's wat bij haar zitten met haar naai- -of verstelwerk, zooals Moeder altijd deed! Annie ging wat bladeren -in de prentenboeken, die op de tafel lagen. Thuis was 't altijd een -toer om ze uit Arnolds handen te krijgen en als Annie eens een boek -voor zich alleen had, wou Kees geregeld meekijken. Vervelend was dit, -hoor! Je was prettig aan 't lezen en wou omslaan, en dan patste Kees -met zijn handje op 't blad of hield het vast om het plaatje nog 's -te bekijken. Wat was Annie daar al vaak ongeduldig en boos om geworden! - -Nù kon ze heerlijk rustig lezen, net zoo lang als ze maar wou! Ze -begon aan een aardig verhaaltje, maar toen ze halverwege was, deed ze -'t boek dicht. 't Was zoo vreeselijk stil in de kamer en door het -huis was 't óók al zoo stil! - -Thuis hoorde je altijd wàt,--deuren open of dichtdoen, fluiten van Piet -en Arnold, Kees' stemmetje, dat zoo aardig babbelen kon, stommelen op -de trap van vlugge jongensvoeten.--Hè, zou 't hier altijd zoo stil -wezen?--Voorzichtig deed Annie de deur open, keek eens in de gang, -waar een dikke, mollige looper lag;--geen wonder, dat je hier geen -voetstappen hoorde--thuis op 't zeil was dat heel wat anders. - -Als een wezeltje zoo behendig gleed Annie de trap af. - -Tante Bets kwam gelukkig juist uit een van de benedenkamers, want -alleen had Annie geen wijs kunnen worden uit al die deuren. - -Samen met Tante ging ze nu naar buiten. Hè, hier was 't heerlijk! Wat -een mooie bloemperken, en zelfs een fontein ook. Hoog sprong 't -water op, om dan klaterend met een regen van zilveren droppels neer -te komen in een bassin, waar goudvisschen zwommen; terwijl ze er -naar keek, dacht Annie op eens aan Kees. Wat zou hij een schik in de -goudvischjes hebben! Onwillekeurig zag ze om zich heen, alsof ze hem -roepen wou.--Hoe dom! Kees was hier immers niet!-- - -Aan 't eind van den tuin was een stal. Tante Bets deed de deur open -en bracht Annie bij een bruinen ponnie, die mak en aardig was en -zelfs kunstjes kon doen. Als Tante hem vroeg om een poot, lichtte -hij den voorpoot op en hij kon ook een klontje suiker uit Tante's zak -halen. Wat zouden de jongens dat leuk vinden!--Maar nog mooier werd -'t, toen Annie op den ponnie mocht rijden! Tante Bets hield haar vast -en zoo ging het 't geheele park door. - -Annie genoot, maar vond 't onderwijl toch jammer, dat Piet en Arnold -en Kees haar nu niet konden zien. Wat zouden ze voor oogen opzetten: -Annie zoo deftig op een ponnie!-- - -Aan tafel was Annie stil. Ze zat daar in een groote, groote kamer, ja, -je kon wel zeggen: een zaal,--alleen met Tante Bets, voor een tafel -heerlijke dingen. Tante bediende haar van alles en praatte vroolijk -en gezellig, maar telkens was 't Annie alsof ze iets miste. Als er -een feestje thuis was en er kwam dessert op tafel, dan was Annie -er altijd op uit om gauw met haar oogen de lekkerste stukjes vast -uit te kiezen. O wee, als één van de jongens dan ook juist zijn -zin op zoo'n stukje had gezet,--wat kon Annie dàn kwaad zijn! Wat -had ze dàn vaak gedacht: "hè, ik wou, dat er eens dessert op tafel -kwam, zonder dat jullie er bij waren." Maar dat gebeurde natuurlijk -nooit. Zoo iets bijzonders als dessert zou Moeder toch nooit geven, -als ze niet allemaal present waren! - -Nu, hier waren de jongens er dan niet bij; je zoudt dus meenen, dat -Annie nu wel erg genieten zou. Tante Bets liet Annie zelf de lekkerste -dingen van de schaaltjes kiezen en had er 't grootste geduld bij. Toch -was en bleef Annie stil; je kon wel zien, dat ze ondanks dit alles -niet den rechten schik had. - -Na 't eten zou ze wat kleuren. - -Tante had een pracht van een verfdoos en mooie, duidelijke platen. - -"Hè ja," zei Annie, met iets van opluchting in haar stem,--"kleuren, -dat 's leuk!" - -Vol ijver begon ze; Tante Bets bleef bij haar zitten; dat was -prettig. Wat zou Annie nu mooi kleuren! Niemand, die aan de tafel -stootte of haar 't penseel afpakte of wel wijze opmerkingen maakte -over Annie's werk. - -Ja, dàt zou je zoo denken,--maar als je na een minuut of tien over -Annie's schouder gekeken hadt, zou je gezien hebben, dat er allemaal -vegen en halen buiten 't lijntje gekomen waren--een boom werd blauw in -plaats van groen en de bruine verf van 't hek was doorgeloopen, alsof -'t er op geregend had.--En 't regende nog aldoor: druppelde, druppelde, -druppel ging 't op de plaat. Dat waren Annie's tranen. Annie schreide -toch zoo en daardoor kon ze ook niet zien, of ze blauw, dan wel groen -nam voor den boom. - -"Mijn lieve kind, wat scheelt er aan?" vroeg Tante Bets verschrikt, -toen ze Annie's verdriet gewaar werd. - -"'t Is,--'t is hier ook zóó stil;--je hoort hier niets," schreide -Annie; "ik wou weer naar huis, naar Vader en Moeder, en naar Piet en -Arnold en--K--Kees!" Met een snik kwam dit laatste er uit. - -Tante Bets nam haar op den schoot; ze was gelukkig niets boos; neen, -ze zei, dat ze 't zich best kon begrijpen. 't Was hier bij haar ook erg -stil en als je thuis dan ook zulke aardige broertjes hadt als Annie.... - -"Ja," knikte Annie en stemde 't volmondig toe, dat ze aardige -broertjes had. - -Ze plaagden wel eens of deden wild, vervolgde Tante, maar 't waren -toch leuke jongens, en 't was heel natuurlijk, dat Annie 't geen -dagje buiten hen kon stellen. - -Toen Tante en Annie 't dus hierover zoo eens waren, konden de tranen -spoedig gedroogd worden. Samen bedachten ze nu een mooi plannetje en -toen liet Annie zich zoet naar bed brengen. Ze was nu weer heelemaal -getroost, maar wel tien keer moest Tante haar nog verzekeren, toen -ze er al in lag, dat 't heusch zoo zou gebeuren, als ze 't samen -afgesproken hadden, namelijk dat Tante morgenochtend vroeg Piet, Arnold -en Kees zou laten halen om met Annie met 't mooie speelgoed te spelen -en op den ponnie te rijden.--O, die Annie!--'t Alleen-zijn was haar -dus niets bevallen. Zou je niet denken, dat ze er door geleerd had in -'t vervolg ook meer van de broertjes te verdragen?-- - - - - - - - -TAFELS KIJKEN. - - -Als een pijl uit den boog vloog Jo de deur uit. In de lange, rechte -straat waren de lantarens al opgestoken; de vlammetjes straalden breed -uit, wazig door den mist, en als je dat lange, rechte eind afkeek, -schenen ze heel in de verte aan weerskanten van de straat samen te -komen in één lichtschemering. - -Jo's voetstappen daverden door de stille buurt, die aan den uitersten -kant van de nieuwe stadswijk was gelegen. 't Sloeg al half en om kwart -voor vijf moest hij op 't Plein zijn. Als hij nu te laat kwam, zou Koo -Jaspers bepaald zeggen, dat 't kwam doordat hij zoo'n moederskindje -was, dat alles eerst thuis aan zijn Moeder moest vragen. De andere -jongens bleven zoo maar na schooltijd rondslenteren op straat, -maar Jo had Ma eens en voor al moeten beloven dat niet te doen, en -als een flinke jongen hield hij zijn woord ook. Dan maar liever wat -harder rennen. - -Natuurlijk had Ma 't goedgevonden, dat hij mee ging tafels kijken; -dit wist Jo wel vooruit, al had Jaspers ook voorspeld, dat hij zeker -niet zou mogen als hij 't eerst ging vragen. - -Jo lachte en voelde eens eventjes in zijn zak naar de twee kwartjes, -die Ma hem had gegeven. Die mocht hij nu eens net besteden, zooals hij -wilde, had Ma gezegd. 't Eene werd vast aan iets voor Ma uitgegeven, -dat stond als een paal boven water, en 't andere zou ook zijn weg -wel vinden met 't dubbeltje, dat Jo nog van zijn eigen geld had. Met -vijf-en-dertig cent kan je een boel doen, als je niet in al te dure -winkels gaat en je tevreden stelt met de gewone aardigheidjes van de -tafels, zonder in mooie surprises te vervallen. - -Hoe meer Jo het oude stadsgedeelte naderde, des te drukker waren de -straten, welke hij door moest, en des te mooier de uitstallingen der -winkels. Kijkgragen en koopers verdrongen zich er voor. Vooral de -speelgoedmagazijnen en de banketbakkerswinkels trokken veel publiek -door aardige toespelingen op het Sint-Nicolaasfeest. Jo kon 't niet -laten gedurig even stil te staan om er naar te kijken, hoeveel haast -hij ook had om op 't Plein te komen. En dan drong hij zich weer met -de ellebogen door de menigte verder en liep menigen duw en menige -verwensching op om zijn wildheid. - -Met een "hallo" werd Jo begroet. Drie van de vrinden waren er al -en de vierde kwam even later dan Jo; die was in zijn eentje al een -boodschap gaan doen. - -"Mocht je van je Moesje?" vroeg Koo Jaspers, flauw een lijmerige -kinderstem nabootsend. - -"Natuurlijk," zei Jo kortaf, terwijl hij hem een stomp gaf, die hem -bijna 't evenwicht deed verliezen. "Zeur nou niet!" - -"Jaspers, houd je laffe grappen voor je," riepen de anderen, die Jo, -den kapitein van hun clubje, niet door zoo'n vervelendheid van Jaspers, -'t minst in tel zijnde lid nog wel, uit zijn humeur gebracht wilden -zien. Wat deed 't er ook eigenlijk toe, dat Jo eerst altijd naar huis -moest om te vragen of hij mocht? Een flauwe, laffe jongen, die niets -durft en niets kan, was Jo toch heelemaal niet, hoor! Jaspers mocht -willen, dat hij zoo was als Jo! De jongens waren echt trotsch op den -aanvoerder van hun club; in de heele klas was er toch maar geen jongen -zoo in trek als hij! Koo Jaspers moest zich dus maar netjes stilhouden! - -Dat brachten ze hem gauw aan zijn verstand en met heel wat minder -praats liep Jaspers mee met de anderen, de drukste winkelstraat in, -waar je rechts moest houden en waar je maar voetje voor voetje vooruit -kon komen, zoo verbazend vol was 't er. - -De jongens vonden 't leuk. Telkens stonden ze stil voor de -uitstallingen. - -"Ga jij veel koopen?" vroeg Wim Vaasen aan Jo. "Heb je veel bij je? Ik -drie dubbeltjes!" - -"Ik acht-en-dertig cent, zeg," riep Rudolf Roose. - -"En ik een kwartje! Hoeveel jij?" - -"Zestig cent," zei Jo, en toen met iets van trots: "Ik heb twee -kwartjes van Ma gekregen daareven; 'k mag er net mee doen wat ik wil!" - -"Nou zeg!" klonk het met onverholen bewondering en Jo groeide er in, -dat de jongens nu dan toch zagen hoe Ma hem vertrouwde en 't dus -dáárom niet was, dat hij 't Ma vooruit moest vragen, als hij met de -jongens uit wilde! - -Jo speelde eerst de rijke meneer in de winkels, waar ze de tafels -gingen kijken. In 't bewustzijn van zijn bezit kon hij moeilijk tot -een keus komen: de eenvoudige prulletjes als suikeren scharen, mesjes, -lilliputter-chocola-lettertjes en brokken gebroken borstplaat liet hij -maar aan de anderen over. Hij was erg lastig bij 't uitzoeken, maar -'t eind was dan, dat hij toch den winkel weer uitging zonder iets te -hebben gekocht, behalve in een van de fijnste chocolademagazijnen, -waar de andere vier eerst niet in wilden, omdat daar toch niets -van hun gading of liever niets voor hun magere beurzen te vinden -was;--daar kocht hij een groote, mooie borstplaat voor Ma, in een -doos, voor een van zijn beide kwartjes. De vrinden stonden intusschen -op een kluitje bij de deur, die onophoudelijk open en dicht ging om -dames en kinderen binnen te laten, die dan verdwenen in de groote -kamer achter den winkel, waar de tafels waren. Buiten stonden een -paar rijtuigen te wachten; 't gerinkel van de paardebelletjes klonk -vroolijk en feestelijk, telkens als de deur openging. - -De jongens waren blij, toen Jo zijn borstplaat gekocht had. Ze voelden -zich niet erg op hun gemak in dien deftigen winkel met nuffige, -kleine meisjes en jongetjes, die er uitzagen als de kleine Lord--zij -waren beter op streek in de drukte op straat, en zoo gauw ze dan ook -weer buiten waren, lieten ze hun joligheid den vrijen teugel; arm in -arm hosten ze zingend door de menigte. Een paar jongens van school, -die ze voorbij liepen, werden aangehaakt. Frans Walgraver, een jongen -met een vroolijk, rond gezicht, was dadelijk bereid mee te gaan, maar -Paul Wezels, een kleine, magere bleekneus, die iets schuws in zijn blik -had en je zoo onzeker door zijn bril kon aankijken, deed vergeefsche -pogingen om los te komen uit den greep van Wim en Rudolf. Dit prikkelde -de opgewonden bende juist om van de grap ernst te gaan maken. - -"Stribbel maar niet tegen!" riep Koo Jaspers. "Mee zul je en mee -moet je, of je wilt of niet. Wij gaan langs de tafels en jij moet -ons trakteeren!" - -"Ja, mannetje, daar kom je niet af," zei Jaap, terwijl hij Paul -steviger beet pakte. "Weet je wel, dat 't een groote eer voor je is, -dat je de beroemde club mag onthalen? Kapitein, spreek ook eens een -woordje mee!" - -"In naam der club, je bent onze gevangene," zei Jo zoo barsch -mogelijk, terwijl hij den hem verwilderd aanzienden Paul meetrok, -en toen zachtjes: "Kom, jô, ga nou maar even mee, des te eerder laten -ze je met rust--wat is dat nou--effentjes!" - -"Och maar, maar...." stotterde Paultje, die trilde van zenuwachtigheid -en van koude--"ik, ik kan niet en--en--'k heb geen geld ook!" - -"Dat zijn jokkens," gilde Frans. "Je hebt geld in je zak--je hebt me -daarnet zelf verteld dat je boodschappen ging doen!" - -Paul trachtte nog iets in 't midden te brengen, maar er hielp niets -aan. De vroolijke bende omjoelde hem en maakte zoo'n spektakel, -dat zijn zwakke stem er geheel onder verloren ging. Sommigen van de -voorbijgangers keken glimlachend naar dat jongensgedoe, maar anderen, -meer haastig gebakerd, bromden over zoo'n opstootje in de toch al -zoo drukke straat en een politieagent, die er voor te zorgen had, -dat 't verkeer niet gestremd werd, gelastte hun door te loopen. Als -Paul gehoopt had nu te kunnen ontsnappen, had hij toch buiten den -waard gerekend! De jongens waren minder dan ooit van plan hun buit te -laten gaan, nu ze gehoord hadden, dat Paul, ondanks zijn beweren van -het tegendeel, wèl geld op zak had. Zoo'n schriele, die zich altijd -maar hield, alsof hij niets had, nooit eens mee kon doen! Zoo'n -stiekemerd! Dat zouden ze hem nu wel eens betaald zetten! Ook Jo, -die zelf zoo royaal en openhartig was, had Paul nu met één slag tegen -zich ingenomen. Jo vond 't maar wat gezond, dat Paultje nu eens op -zijn nummer werd gezet. Eerst hield hij hem nog vast, maar 't hoefde -niet meer; Paul begreep, dat hij toch niet tegen Jo's sterke knuisten -was opgewassen en liep gedwee mee. - -"Naar Schoenmakers, jongens!" riep Jo op 't drukke kruispunt, waar -ze de Markt moesten oversteken. "Daar houden we groote smulpartij en -Paul speelt voor Sint-Nicolaas!" - -Door de drukte raakten de jongens van elkaar en Jo en Paul waren -den anderen op een gegeven oogenblik een heel eind vooruit, de Markt -op. Bij de apotheek op den hoek werd hun weg versperd door een reeks -van rijtuigen. Paul wierp schichtige blikken om zich heen, terwijl -hij zich aan de vensterbank van de apotheek vastklemde. - -"Och Jo," kwam er toen half huilend uit, "laat me nou toch even hier -binnen gaan--een boodschap voor Moe!" - -Jo keek Paul scherp aan bij 't licht, dat uit de apotheek straalde. Was -dat nu maar een uitvlucht van schrielen Paul om aan het trakteeren -te ontkomen? - -"Denk je, dat 'k dat geloof?" - -"Gerust, Jo, 't is waar! Kijk, hier is het recept van den dokter!" - -"Is ze dan ziek?" vroeg Jo, terwijl hij snel een blik sloeg op 't -papiertje, dat Paul uit zijn zak had opgedolven. - -"Neen, maar altijd zoo erg moe. Ze moet rust houden, zegt de dokter; -maar Moe doet 't niet, want ze heeft altijd maar naaiwerk, en dit -drankje wil ze ook al niet laten klaarmaken, omdat 't zoo'n vreeselijk -duur middel is--een gulden voor maar zoo'n klein fleschje! Maar ik -ga 't toch halen voor Moe. 'k Heb daarnet stilletjes 't recept uit -'t sleutelmandje genomen en een gulden heb ik ook, van mezelf--laatst -toen 'k jarig was, heeft Oom Arie er een in mijn spaarpot gestopt. En -nu krijgt Moe 't toch, dan wordt ze weer sterk, want zóó kan 't niet -langer!" zei Paul, die, aangemoedigd door iets in Jo's gezicht, -zich liet gaan, zooals hij 't nog nooit had gedurfd tegenover een -van de jongens. - -"Meer geld heb ik niet bij me, alleen dien gulden, en die is voor Moe, -dien krijgen jullie niet al.... al sla je me dood," barstte Paul los -met ongewone heftigheid. - -Jo voelde zich bij Paul's woorden als een struikroover. - -"Houd je gulden maar," fluisterde hij haastig, want de anderen kwamen -er al aan, "en ga nu eerst toch maar even met ons mee, anders heb je -op school geen leven, dan plagen ze je mal." - -"Ja," knikte Paultje, die plotseling zijn heldhaftigheid kwijt was -en weer ineenkromp tot 't schuwe jongetje, dat zijn heele schoolleven -lang 't mikpunt van alle plagerijen was geweest. "Maar, maar hoe moet -ik dan.... Frans weet, dat ik geld bij me heb, en...." - -"Hier!"--Jo stopte hem zijn kwartje en dubbeltje in den zak. - -"En nou speel je maar eens flink op; vertel hun, dat je er niet meer -voor over hebt dan vijf-en-dertig cent, en daarmee is 't uit! Als de -lui zien, dat je niet bang voor ze bent, laten ze je wel met rust!" - -Paul wilde nog wat in 't midden brengen, maar daar kwamen de overigen -al, en voordat hij nog goed begreep wàt Jo eigenlijk tegen hem -had gezegd, was hij al met den vroolijken troep in den winkel bij -Schoenmakers. - -Zonder Jo was er niets van Paultje en zijn geld terechtgekomen. - -Onbeholpen legde hij 't kwartje en 't dubbeltje op de toonbank en -vragend keek hij naar zijn beschermer, die de zaak in handen nam. Jo -kocht er een flinken voorraad gebroken borstplaat voor, dien ze -toen onder elkaar verdeelden. Ook Paul kreeg zijn part, maar hij -was zoo overbluft, dat hij 't zou hebben laten liggen, wanneer Jo -'t hem niet in den zak had gestopt, toen ze den winkel uitgingen. De -anderen stonden verbaasd over Paultjes royaliteit; en dat nog wel -zonder tegenstribbelen! Ze keken hem dadelijk met heel andere oogen -aan. De kleine Wezels viel toch per slot van rekening mee, en dat -de kapitein van hun club hem onder zijn bescherming had genomen, -deed hem ook nog een paar graden in de algemeene achting rijzen. - -Veel gauwer dan hij 't had durven hopen stond Paul weer op straat; -den gulden had hij nog, borstplaat bovendien, en in zijn ooren klonk -nog Jo's hartelijk: "Beterschap met je Moe!" toen hij uit de mistige -straat de warm verlichte apotheek binnenkwam. - -"Wij gaan ook maar naar huis, hè?" zei Jo, terwijl ze den -tegenovergestelden kant opgingen. "Ons geld is toch op en...." - -"'t Jouwe niet," zei Jaspers, die graag op andermans zak teerde en -vooral op dien van den goedgeefschen Jo. - -Jo kreeg een kleur. Dat hij zijn geld niet meer had, kon hem niets -schelen, maar dat de jongens hem nu voor schriel zouden houden, -dáár kon hij niet goed overheen. Onwillekeurig stak hij zijn hand -in den zak;--hij voelde iets hards: de doos voor Ma.... en toen -bedacht hij blij hoe hij gelukkig voor zijn Moeder geen versterkende -middelen hoefde te koopen. Ma was sterk en gezond, en al moesten ze -zuinig leven, Ma hoefde zich toch ook niet ziek en moe te maken met -naaiwerk voor anderen! Toen Jo dit bedacht, viel bij dit alles die -eene kleine opoffering zoo volkomen in 't niet, dat hij opeens weer -de oude, vroolijke Jo werd, die zich met wat malligheid van de zaak -afmaakte en toen, in zijn hoedanigheid van kapitein, de club met een -grappig toespraakje ontbond tot de volgende samenkomst. - - - - - - - -GEEN BANGERD. - - -In de Kerstvacantie hadden Wim en zijn vrindjes, en nog een heeleboel -jongens en meisjes met hen, er aldoor op gehoopt, maar 't was niet -gekomen. In Januari hadden ze er toen stellig op gerekend, maar na -een paar dagen vorst was de dooi weer ingevallen. Dus, mis, hoor, -nog steeds geen ijs! Er waren er, die toen den moed opgaven en hun -schaatsen opborgen, maar oude menschen, die verstand van 't weer -hadden, beweerden, dat Februari nog wel eens echt wintersch zou kunnen -worden. Dat hadden ze al vaker beleefd: na slappen winter een echt -guur voorjaar met vorst en sneeuw en ijs. En 't bleek, dat die oudjes -'t bij 't rechte eind hadden gehad. Begin Februari sloeg het weer om en -'t werd nog een ouderwetsch nawintertje. - -De scholen gaven 's middags vrijaf. De kinderen konden dus nog echt -hun schâ inhalen. - -Even buiten 't dorp was een mooie baan, die druk bezocht werd; -al te druk, zeiden sommige jongens, die zelf goed konden rijden en -dus minachtend neerkeken op de krabbelaars, die hun daar den weg -versperden. Daarom gingen zij liever buiten de baan en reden op de -Vaart zelf, waar ze beter de ruimte hadden. - -Maar op de Vaart was 't heel wat gevaarlijker. Wim's Moeder was er -niets goed over te spreken, toen ze er van hoorde. Eindelijk gaf ze -aan Wim's aanhouden toe, wanneer hij wilde beloven, niet op de Vaart -te zullen gaan, als er vlaggetjes geplaatst waren, tot teeken, dat -'t ijs niet vertrouwbaar was. - -Dit beloofde Wim en toen was Moeder gerust. Zij wist, dat ze op Wim -aan kon. - -Vroolijk fluitend trok hij er op uit, met zijn schaatsen, aan de -riempjes bengelend, om zijn hals. - -"We hebben al op je gewacht," zei Hein van den dokter, toen hij bij -de baan kwam. "'t Is hier zoo vol; ga je mee naar de Vaart? De andere -jongens gaan ook!" - -Wim, die al van verre de vlaggetjes gezien had, probeerde er zich af -te maken. "Och, waarom--nu is 't hier toch niet zoo vol." - -En toen Hein hem met alle geweld mee wou hebben, zei hij: "Maar -'t ijs is er nog niet goed; zie je de vlaggetjes dan niet?" - -Hein begon te lachen: "Och, schei toch uit met die flauwe -praatjes! Kees is 't daarnet gaan probeeren! Nou, als 't Kees kan -houden!"-- - -Kees, de dikkerd, kwam er ook bij. "'t IJs niet sterk?--Net zoo sterk -is 't als dit hier--wat ik je zeg!" - -"Ik ga toch liever niet mee," zei Wim; "ik heb Moeder beloofd, dat ik -'t niet zou doen." - -"Uitvluchten!" riep Piet. "Je bent bang, anders niets, flauwerd!" - -En de anderen begonnen nu ook te roepen van "bangerd," "flauwerd".-- - -Nu moet je weten, dat Wim allesbehalve laf was; hij was zelfs heel -flink. Dat ze hem nu allemaal voor een flauwen jongen aan zouden zien, -vond hij dus vreeselijk. - -Driftig keerde hij zich naar de jongens toe en hij was op het punt -om te zeggen: "ik zal je toonen, dat ik 't best durf, net zoo goed -als jullie, 'k ga mee."--Maar toen op eens dacht hij aan Moeder; -hij zag haar bezorgd gezicht en herinnerde zich zijn belofte. - -"Neen," zei hij flink; "ik doe 't tóch niet. Noem me maar bang, -als je wilt;--ik blijf hier." - -'t Was een saaie middag voor Wim. Heel dikwijls had hij een gevoel van -spijt over zijn opoffering. Dan kostte 't hem de grootste moeite niet -één, twee, drie onder het staketsel door te kruipen en naar de andere -jongens te rijden, die de grootste pret hadden op de Vaart, waar 't -ijs, ondanks de waarschuwende vlaggetjes, o wonder, toch sterk genoeg -bleek te zijn. Dan dacht Wim een oogenblik: "Maar als Moeder wist, -dat 't toch sterk genoeg was, zou ze 't misschien wel goed vinden." - -"Neen," klonk 't stemmetje van binnen, "je hebt Moeder beloofd niet -te zullen gaan, als er vlaggetjes waren uitgezet en daaraan moet je -je houden--niet 't voor jezelf goed zien te praten." - -Wim luisterde naar die waarschuwende stem, maar saai had hij 't daar, -op zijn eentje, bij al die krabbelaartjes; daar gaat niets af. - -Tegen den tijd, dat ieder naar huis ging, zakte Wim ook af. Eigenlijk -was hij blij, dat de middag om was. Landerig slenterde hij op zijn -eentje naar huis. Hein en nog een paar jongens kwamen achter hem -aan. O, hij behoefde niet eens om te kijken om te weten, dat ze 't over -hem hadden, triomfantelijk, omdat 't ijs toch sterk genoeg was geweest, -hem uitlachten en voor bang uitmaakten.--Dat hinderde hem geducht.-- - -In de stille straat, waar Hein woonde, stond lange Toon, een jongen, -aan wien ze allemaal een hekel hadden, omdat hij valsch en geniepig was -en vol leelijke streken zat. Maar niemand durfde hem recht aan, want -hij was sterk en vocht valsch. Daarom gingen de jongens hem meestal -uit den weg. Nu was hij bezig 't kleine zusje van Hein, dat er aan 't -sleden was, te plagen; hij dreigde haar 't sleet je te zullen afnemen. - -Toen Wim dit zag, vergat hij zijn eigen verdrietelijkheden. - -Zonder bedenken vloog hij op den veel grooteren jongen aan. - -Onderwijl waren de anderen naderbij gekomen, en toen Wim eindelijk, -met een buil op zijn hoofd, en een bloedneus, duizelig overeind -krabbelde, overwonnen, maar toch dadelijk bereid om weer van voren -af aan te beginnen, als 't noodig mocht zijn, was 't eerste, wat hij -hoorde, een luid bravo-geroep van Hein, die nu toch wel gezien had, -dat Wim geen bangerd was. - -Hein nam hem mee naar binnen, om 't bloed van zijn gezicht te wasschen, -en boven, bij 't fonteintje, zei hij 't hem ook eerlijk. - -En hieruit blijkt, dat Hein óók een ferme jongen was, evengoed als Wim. - - - - - - - -DE OUDE NOTEBOOM. - - -Ze waren met een troepje van zes op de zonnige speelplaats der school -aan het touwtje springen, dicht bij 't hooge hek van latwerk, waar -je den noteboom door kon zien. Hij stond op een verwaarloosd plekje -grond naast de speelplaats. Daar tierden brandnetels en distels -welig tusschen de meidoorn- en vlierstruiken, waarvan de takken hoog -waren opgeschoten, terwijl de taaie stengels van de klimmende, wilde -boekweit er zich omheen hadden geslingerd. 't Was er een warbosch van -door en in elkaar groeiende struiken en planten, maar de noteboom, -de oude noteboom, stak er met zijn eerwaardige kruin machtig boven -uit als een koning, die zijn gebied overziet. - -Die noteboom was een groote vrind van de kinderen. Hoeveel neusjes -zich in 't speeluur wel tegen 't latwerk drukten om naar hem te -kijken! Als hij niet zoo'n oude, verstandige noteboom was geweest, zou -hij er bepaald trotsch op zijn geworden, maar nu wist hij wel beter -en begreep hij best, waar 't hun eigenlijk om te doen was--om zijn -noten! De meesten rolden helaas tusschen de brandnetels, maar toch, -een enkele kwam dicht bij 't latwerk te land, zoodat lenige vingertjes, -met takjes en stokjes geduldig peuterend, ze wel naar zich toe konden -halen, en dan die pret om er den groenen bolster af te doen en de -noot te kraken op de steenen, onder den voet, of tusschen sterke, -witte tandjes!-- - -"Hè nee, 'k schei er uit," zei Mies; "'k word zoo warm van 't -springen!" - -"Ik ook. 't Gaat ook niks leuk meer! Die Jo draait zoo vervelend," -riep Lina, die er genoeg van kreeg, omdat ze telkens "af" was. "Gaan -jullie mee, kijken of er noten zijn?" - -"Zeg, daar heb je dat kind van Rietspaan! Net doen of we haar niet -zien."--En Bertha nam Truus en Gonne bij den arm en draaide zich -opzettelijk zóó, dat "'t kind van Rietspaan" gelegenheid kreeg de -breede haarstrikken van 't drietal te bewonderen. - -"Mag ik meedoen? Wat spelen jullie?" klonk 't op den ietwat zangerigen -toon van een Oostersch kind. - -"Niks," antwoordde Lina snibbig. - -"Hè, flauw! Je bent toch aan 't touwtje springen! Zie ik toch, ja?" - -"Als je 't ziet, waarom vraag je 't dan nog?" - -"Nou ja! Zal ik voor jullie draaien?" - -"Nee; we scheien er uit." - -"Wat gaan jullie dan nou doen?" - -Jo haalde haar schouders op. "Och!" - -Ze duwden zoo'n beetje tegen elkaar aan, de zes; ze giegelden en -smuusperden met elkaar en Doortje Rietspaan stond er naar te kijken met -haar groote, donkere oogen, die nu nog grooter en donkerder geleken. - -"Als 'k jarig ben, mag ik van mijn Tante meisjes vragen," zei ze op -eens; "maar als jullie zoo vervelend doen, vraag ik je lekker niet." - -"We zouden toch niet gekomen zijn, nietwaar Lien?" giegelde Gonne, -terwijl de anderen het uitproestten. - -"Verbeeld je, op een partijtje bij dat kind!" - -"Nee, geen partij," verbeterde Doortje eerlijk; "spelletjes doen en -raadseltjes opgeven en zoo--" - -"Raadseltjes opgeven en zoo," bauwde Truus haar na. - -"Dank je, hoor! Da's goed voor bewaarschoolkindertjes.--" - -De tranen sprongen Doortje in de oogen. Overmorgen zou ze jarig zijn -en nu had Tante vandaag gezegd, dat ze een paar kennisjes op visite -mocht hebben. - -Met een blij hartje was ze naar school gehuppeld. Als ze met zóó'n -invitatie kwam, zouden ze haar toch wel meetellen, dacht ze, en ze -had 't speeluur haast niet kunnen afwachten. Wie ze vragen zou? Ze -was nog maar zoo kort hier op school! - -"Wel," had Tante gezegd, "de meisjes, die 't aardigst voor je zijn." - -Och, Tante wist 't niet, dat de meisjes geen van allen aardig voor -haar waren. Doortje had 't nooit thuis verteld, omdat ze het zoo naar -vond en zich er ook over schaamde. Maar ze had bij zichzelf gekozen: -Mies, omdat die er zoo vroolijk uitzag en Jo, omdat ze vriendin met -Mies was, en Truus, omdat alle meisjes haar zoo aanhaalden en Bertha, -omdat ze naast haar zat. En nu,--nu deden ze zoo! - -Doortje keek met een brandend gevoel in haar oogen naar de meisjes, -die geen acht meer op haar sloegen en gehurkt op den grond voor -'t hek zaten. - -Waarom sloten ze er haar toch altijd buiten? Ze bedacht toch van -alles om vriendelijk tegen ze te zijn met een griffel te leenen of -een potlood of door soms voor te zeggen. Als ze maar eens wat heel -groots kon doen, dan zouden ze misschien ook wel een klein beetje -van haar gaan houden! - -Doortje keek verlangend naar 't vroolijke gedoe van haar zes -klasgenootjes. Ginds waren andere groepjes gezellig aan 't spelen en -zij--zij stond hier zoo zielig alleen. - -De wind ruischte door de takken van den ouden -noteboom. Rrt--rrt--rrt--rrt.--Daar vielen weer een paar noten. Met -een harden plof kwamen ze op den grond terecht. - -"Hè--jammer," zei Jo. "Weer allemaal tusschen de brandnetels! Geen -een naar dezen kant." - -"Laat 's kijken, daar ligt er een. O nee, 't is een omgekruld blad; -wat vervelend!" - -Gonne had opgekeken. "O, zie dat malle kind van Rietspaan eens!" riep -ze. - -"O, als de Juffrouw dat bemerkt!" - -Alle zes kwamen ze overeind; ze staarden met open mond en oogen naar -Doortje, die vlug over 't hooge hek klauterde en nu met een behendig -sprongetje midden tusschen de brandnetels en distels terecht kwam. - -"Die durft, zeg!" klonk het bewonderend van Jo. "Verbeeld je, dat de -Juffrouw er nu eens aankwam!" - -"Kom hier staan, Bertha; zoo, en jij ook, Truus; anders ziet ze haar -nog," riep Mies, net alsof Doortje een van hun clubje was, die ze -moesten beschermen en niet maar "dat kind." - -Zes neusjes tegen 't latwerk gedrukt, zes paar oogen glurend door -de tusschenruimten, vol aandacht turend naar 't kleine, donkere -figuurtje, dat daar, of 't zoo maar niets was, dapper op verboden -terrein rondscharrelde tusschen de hooge brandnetels, die haar in -'t gezicht sloegen telkens als ze bukte, en de scherpe dorens, die -haar jurk al hadden gescheurd en bloedige schrammen op haar handen -achterlieten. - -"Er moeten er wel een boel liggen! Maar zeg, zou jij 't durven?" vroeg -Bertha. - -"Nee hoor, al waren 't er honderd," antwoordde Jo. - -"Ze is er zeker dol op!" - -"Nou, ze vindt er ook nooit eens een!" - -"Nee, omdat zij niet hier op ons plaatsje mag zoeken; nogal glad!" riep -Mies. "Jullie jagen haar altijd weg." - -"En jij dan? Net of jij 't niet doet!" - -"O, kijk toch eens wat een schort vol. Ze komt alweer terug." - -"Als de Juffrouw nu nog maar even weg blijft." - -Geen een zei: "wat zou dat--'t is immers "'t kind van Rietspaan" maar!" - -Er waren ook meisjes uit andere klassen bij gekomen; allen stonden er -nu in de grootste spanning naar te kijken, hoe Doortje, zoo vlug alsof -'t een dagelijksche toer voor haar was, weer over het hek klauterde. - -Een beetje bedremmeld om 't aangegroeide publiek, liep Doortje op de -zes met 't springtouw toe. Wat zag ze er uit met de blaren in haar -gezichtje, de beschramde handen en de leelijke scheur in haar jurk! - -"Daar," zei ze en ze liet de punten van haar boezelaar los, zoodat -al de noten over den grond rolden. "Voor jullie!" - -De meisjes keken, alsof ze Latijn had gesproken. - -"Toe dan, raapt ze op," zei Doortje, terwijl ze de te veel naar 't -hek gerolde noten terugschopte. En toen, snibbig tegen een kind uit -de laagste klas, dat wou bukken: "Blijf d'r af, jij--is niet voor jou!" - -"En--en--jij hebt ze gehaald," stotterde Mies nu. Jo, Truus en Lina -waren al aan 't oprapen. - -"O, wat een hoop! Kijk toch eens, Mies!" - -Nu lagen ze alle zes op den grond. Zakken en blouses werden volgestopt -en juist perste Gonne de laatste in haar zak toen de bel luidde. - -"Hier," zei Mies haastig en ze wou Doortje een handvol -toestoppen. "Waarom heb je zelf niet meegegrabbeld?" - -Maar Doortje hield haar handen op den rug. Ze schudde van neen en -keek bepaald heel donker, toen Mies ze haar wou opdringen. - -Op 't zelfde oogenblik kwam één der groote meisjes Doortje zeggen, -dat ze bij de Directrice moest komen. - -"Nu krijgt ze zeker een standje," zei Mies halfluid, terwijl ze -Doortje nakeek, die zoo blij wegliep, alsof haar in plaats van een -standje een cadeautje wachtte. "Toch vreeselijk goedig van haar, -ons al die noten te geven!" - -"Ja; heb je ooit zoo'n mal schaap gezien?" vroeg Gonne lachend, -waarna ze op haar luidruchtige manier 't gebeurde aan meisjes, die -er niet bij waren geweest, ging vertellen. - -De andere drie kwamen er ook bij loopen, maar Jo voegde zich bij Mies. - -"Zeg, 'k vind het vreeselijk sneu, dat ze haar toch heeft gezien. Zou -ze erg boos wezen?" - -Mies haalde haar schouders op. - -"Weet je, Jo, 'k heb er erg 't land over, dat we Doortje altijd zoo -hebben geplaagd; ze is toch eigenlijk wel een aardig kind en--" - -Jo gaf haar een duwtje. "Stil, de Juffrouw!" - -De lessen begonnen, maar Mies kon er niet met haar gedachten bij -blijven. Telkens keek ze om. Kwam Doortje nog niet? Dan was 't zeker -wel vreeselijk erg. - -De noten lagen haar als lood in den zak. - -Eindelijk, daar ging de deur open. De Directrice bracht Doortje zelf -binnen. Ze zag er heelemaal niet boos uit, maar Doortje had een behuild -gezichtje. Nu fluisterde de Directrice een heelen tijd met de Juffrouw, -die toen ook heel vriendelijk tegen Doortje was. - -In de eerste oogenblikken zaten ze allen heen en weer te draaien en -haar aan te staren. - -Toen de les werd voortgezet, ging 't al wat beter en toen de Juffrouw -begon te vertellen, zooals ze 't laatste uur 's Donderdagsochtends -altijd deed, werden ze weer geheel rustig. - -'t Was dan ook zoo'n mooi verhaal over een jongetje, dat in huis kwam -bij een groot gezin, waar de kinderen niets lief voor hem waren en -hem nooit meetelden, maar die hij toch langzamerhand door allerlei -kleine vriendelijkheden voor zich wist te winnen. - -Mies kon 't niet helpen, dat ze gedurig aan Doortje moest denken. Er -waren er wel meer, die aan Doortje dachten. Dat kon je wel zien aan -het tot over de ooren kleuren van sommigen en het niet durven opkijken -van anderen. Maar Mies liet 't niet bij denken alleen. Om twaalf uur -wachtte ze Doortje op en stopte haar op eens de noten in de tasch; -die kon ze nu gewoon niet houden!-- - -Doortje keek er nu niet donker om. Neen, ze lachte Mies, die haar -gezellig een arm gaf, toe, door haar tranen heen, en fluisterde, -een beetje verlegen nog, maar toch overgelukkig: "Die eet ik nooit -op--ik bewaar ze onder in mijn kastje en ik zal mijn Pa en Ma in -Indië schrijven, dat jij zoo lief voor mij bent, ja?" - -Even later vertelde zij met een stralend gezichtje aan Tante, dat haar -beste vriendinnetje op haar jaardag zou komen; aan die had ze genoeg; -en of ze dan mocht blijven eten ook. - -En op 't verwaarloosde plekje grond liet de noteboom, de oude vriend -van de kinderen, voor en na al zijn noten tusschen de distels en -brandnetels rollen. Slechts enkele kwamen er nog terecht bij de -speelplaats, vlak bij 't hek, waar Doortje toen dien ochtend over -was geklommen. - - - - - - - -WEER GOED GEMAAKT. - - -Tom van den burgemeester was een echte bengel! Wat hij al niet voor -kattekwaad uitvoerde--nu, daar konden de menschen op 't dorp een boekje -van opendoen--soms met een zucht, maar meestal met een lach want, hoe -ondeugend en lastig Tom kon zijn, ze mochten hem allemaal graag lijden -om zijn open, rondborstig karakter. Leelijk, geniepig plagen, valsch -doen bij werk of spel, mensch of dier expres leed veroorzaken--ho maar, -daar was onze Tom niet van thuis. Integendeel sprong hij altijd in de -bres, als hij andere jongens zoo zag handelen, en, al waren ze veel -grooter dan hij, met zijn vuisten moesten ze kennismaken, en ferm ook. - -Geregeld een paar maal in de week, kwam Tom met een buil hier -of daar en gescheurde kleeren thuis, tot groot ongerief van zijn -Moedertje, dat met Juf maar druk werk had, om haar oudste netjes -in de plunje te houden. Maar als Tom dan zoo vol vuur vertelde van -'t arme, kleine katje, dat hij uit de handen van Krelis en Teunis, -"die wreede boerenpummels", had bevrijd, ja, dan kon Moeder toch -niet boos blijven en was zelfs in haar hart trotsch op haar fermen, -kleinen ridder, terwijl ze 't minder fraaie woord, dat hem ontsnapt -was, maar op den koop toe nam. - -Zijn zusjes, Greta en Mies, waren dol op hem en beschouwden hem -als een held. Tom kon alles en grooter feest wisten ze zich niet -voor te stellen, dan een poppenpartij in 't priëel met Tom er bij -als gast. Heel dikwijls gebeurde dit echter niet; gewoonlijk had de -bengel veel meer lust, om met zijn kornuiten te ravotten, dan zoo -voorzichtig met die breekbare poppen te moeten omgaan. Breekbaar, ja, -heel licht breekbaar; dat had hij al een paar maal tot zijn schade -ondervonden en daardoor was zijn spaarpot al weer zoo licht als een -veertje geworden. 't Sprak van zelf, vond Tom, dat hij Greta's pop, -Bella, een nieuw kopje gaf, toen hij die had gebroken, en dat Mies -een nieuw badpoppetje van hem kreeg, toen hij 't aardige, kleine, -rose Bébeetje bij een gevaarlijken toer had laten verongelukken. Daar -was Tom altijd vlot mee: had hij wat uitgevoerd, ruiterlijk bekende -hij schuld en was dadelijk bereid, de schade weer goed te maken. - -Bij zoo'n gelegenheid zei Vader eens: "Tom, Tom, tot nu toe heeft je -onbesuisdheid nooit onherstelbare gevolgen gehad, maar denk eens aan, -hoe vreeselijk 't zou zijn, als je door onvoorzichtigheid of woestheid -een ongeluk veroorzaakte, dat nooit, zelfs niet met den besten wil, -goed te maken was!" - -Dat klonk ernstig en maakte indruk. - -Een paar dagen lang deed hij werkelijk zijn best, wat minder wild te -zijn; Juf zei, dat ze wel een poosje vacantie kon nemen, nu Tom haar -zoo weinig verstelwerk verschafte. - -Toen kwam de laatste schoolmorgen voor de groote vacantie. Alle -kinderen waren uitgelaten bij 't vooruitzicht, nu weldra vier lange -weken vrij te zullen zijn. De aandacht was niet meer bij de lessen, -doch de onderwijzers zagen gelukkig vandaag wat door de vingers en -lieten maar veel zingen. Heisa, wat klonk dat ferm en frisch! Tom's -stem werd boven alles uit gehoord. - -'t Was een uitkomst voor den levendigen jongen, zoo ongestoord de -blijdschap, waarmee hij tot overvloeiens toe vervuld was, te mogen -uitjubelen. Vier weken vacantie! Uit logeeren gaan naar Oom en -Tante in Scheveningen! Met de neven in zee zwemmen, stoeien in de -duinen! Geen wonder, dat Tom, met zoo'n verrukkelijken tijd in 't -verschiet, bijna niet stil kon blijven zitten. Zoo gauw de schoolbel -dan ook luidde, stormde Tom hals over kop naar buiten, schreeuwend, -tierend, van louter malligheid zijn kameraads de petten afslaand, -boksend met den een, schermend met den ander, bereid tot 't uithalen -van alle mogelijke grappen. 't Scheen wel, dat zijn bengelsnatuur -zich met vernieuwde kracht moest doen gelden, na den dwang, dien hij -zich de laatste dagen had aangedaan. - -Eindelijk nam hij een handvol kiezelsteentjes van den grindhoop -aan den weg en keilde ze, zoo ver ze wilden gaan. Geen haar op zijn -hoofd dacht aan de waarschuwing van Vader, die hem zoo vaak op 't -gevaarlijke van steentjes gooien had gewezen. - -Daar kwam een karretje op twee wielen met een ezel er voor gespannen -den weg af sukkelen. - -"Wacht even," riep één van de jongens, maar Tom luisterde niet en ging -door met zijn uitbundig spel. O wee, daar trof hij 't ezeltje, dat -geducht schrikte en een zijsprong deed. De kar kiepte achterover! De -oude man, die er schrijlings op zat, tuimelde er af. - -Alle jongens verdrongen zich om den gevallen grijsaard, die zich erger -bezeerd scheen te hebben, dan in 't eerste oogenblik gedacht werd. - -"Leun maar op mij," zei Tom ongerust. "Toe dan; probeer eens op -te staan!" - -"Ik kan niet, wezenlijk, ik kan niet! Mijn linkerbeen, o, ik geloof, -dat het gebroken is!" - -Kermend liet hij zich weer op den grond zakken. - -Tom keek radeloos rond. Met verschrikkelijke duidelijkheid klonken -hem nu Vader's woorden in de ooren: "nooit goed te maken, zelfs met -den besten wil nooit goed te maken!" - -Een paar jongens hadden hulp gehaald op de dichtstbijzijnde -boerderij. Voorzichtig werd nu de gekwetste naar zijn huisje vervoerd, -dat een eindje buiten 't dorp stond, terwijl Piet van den smid en -Tom met de ezelkar volgden. - -"'t Is een heele schâ voor hem," zei Piet, hoofdschuddend kijkend naar -'t partijtje gebroken bloempotten en gehavende planten in de kar. "Hij -kwam zeker van de bloemenmarkt in de stad." - -Tom antwoordde niet en probeerde zich te herinneren, of hij niet -nog ergens wat geld had. Zijn spaarpot was leeg, maar och, wat -zat hij dáárover te tobben! Die schade zou Vader desnoods graag -vergoeden. Neen, als 't dát alleen was.... - -Alsof Piet zijn gedachten had geraden, begon hij: "Als ik Janus was, -zou ik liever al mijn bloempotten breken, dan kreupel worden, en jij?" - -"Kreupel? Denk je dat?" viel Tom verschrikt uit. - -"'k Heb er een zwaar hoofd in; een been breken, als je zoo oud bent, -is geen gekheid. Misschien zal hij nooit weer goed kunnen loopen." - -Tom werd zoo koud, alsof 't midden in den winter was. Janus -ongelukkig-worden door zijn onbedachtzaamheid--o, 't was vreeselijk om -'t in te denken--maar als 't eens uitkwam zooals Piet zei, wie moest -dan voor Janus zorgen, wie den kost voor hem verdienen? Hij had kind -noch kraai op de wereld en leefde van 't geen zijn tuin opbracht. Tot -nu toe had hij 't wel niet ruim gehad, maar toch ook nooit armoede -geleden. Doch, als de oude man zijn plekje grond niet meer kon -bebouwen, niet meer in staat was zijn groenten, bloemen en vruchten -aan de markt te brengen.... Tom wou niet verder doordenken. Tot Piet's -verbazing sprong hij pardoes van 't wagentje en holde naar huis, -waar hij Vader en Moeder onder bittere tranen alles vertelde. Beide -spraken heel, heel ernstig met hem. Vader beloofde daarop dadelijk -naar Janus te zullen gaan zien, wat Tom al een beetje kalmer stemde, -evenals Moeder's voorstel, om alle schade eerst te betalen en dan -van Tom's weekgeld in te houden. Hij had dan tenminste 't gevoel, -dat hij deed wat hij kon. - -'t Scheen Tom toe, dat Vader eindeloos wegbleef. Ongedurig liep hij -heen en weer. Wat de zusjes ook verzonnen om hem op te beuren, hij -kon er niet eens naar luisteren. Telkens zag hij den ouden tuinder -kermend van pijn in zijn eenvoudig slaapkamertje en Vader, bedenkelijk -'t hoofd schuddend, aan zijn bed staan. - -Na een uur van vreeselijke spanning ontdekte Tom's scherpe blik een -tipje van Vader's hoed boven de heg. Hij popelde om er heen te vliegen -en was toch ook weer bang voor 't geen hij mogelijk zou hooren. - -"Tom, Tom," riepen de zusjes, die vooruit gehold waren en nu met Vader -den tuin door kwamen: "'t Been is niet gebroken en de dokter zegt, -dat 't best terecht kan komen. Wees nu ook weer vroolijk." - -"O Vader, is 't waar?" vroeg Tom, terwijl hij beurtelings rood en bleek -werd en hij begon wezenlijk weer te schreien. "Ik heb er Onzen Lieven -Heer zóó om gevraagd en nu ben ik zoo blij--dáárom huil ik"--en Tom, -de bengel, drukte zijn gezicht tegen de jas van Vader, die onderwijl -bedaard verslag deed van zijn bezoek. - -Neen, 't been was niet gebroken, maar verstuikt en zou met eenige -weken rust weer in orde zijn, terwijl bij onderzoek gebleken was, dat -de val en de schrik voor den ouden man verder geen slechte gevolgen -hadden gehad. - -Met opgeluchte harten gingen Vader, Moeder en kinderen nu aan 't -overleggen, hoe ze Janus gedurende zijn gedwongen rust 't best zouden -kunnen bijstaan. - -Tom was stil; hij scheen iets op zijn eigen houtje uit te spinnen. Toen -de zusjes naar bed waren, had hij nog een apartje met Vader en -Moeder. 't Liefst zou hij daarop dadelijk naar Janus zijn gegaan om -hem te zeggen, hoe 't ongeval hem speet, maar Vader vond 't beter -den ouden man, die boven alles rust noodig had, nu niet meer te -storen. Den volgenden morgen kon hij immers zoo vroeg gaan als hij wou. - -Nu, dit deed onze Tom dan ook. Vóór dag en dauw was hij er al op uit -en toen hij pas tegen de koffie warm, moe en stoffig terugkwam, keek -hij zóóveel vroolijker, dat de zusjes niet konden nalaten te vragen, -wat hij toch had uitgevoerd. - -"'k Ben bij Janus geweest!" - -"Was hij erg boos?" - -"Nee, 't is me vreeselijk meegevallen" en Toms oogen schitterden. Meer -konden ze niet uit hem krijgen. - -De volgende ochtenden verscheen Tom weer niet aan 't ontbijt en toch -was hij wel bijtijds op geweest. Mietje, de keukenmeid, verklaarde -tenminste, dat ze hem al in de vroegte het tuinhek had zien uitgaan. - -Greta en Mies begrepen er niets van. Vader en Moeder haalden -glimlachend hun schouders op, als ze er naar vroegen en Tom, die -gewoonlijk pas weer tegen koffietijd kwam opduiken, wou er heelemaal -niet over spreken. Ja, 't scheelde niet veel, of Greta en Mies zouden -hem boos hebben gemaakt met haar vragen, vooral toen ze over zijn -logeeren bij Oom en Tante in Scheveningen begonnen. - -"'k Blijf de heele vacantie thuis; nu weet je 't en zeur nu niet meer," -zei hij korzelig. Daarmee moesten ze zich tevreden stellen. - -Wat Tom dan toch zoo vroeg op 't pad deed en waarmee hij 't zoo druk -had, dat 't uit logeeren gaan er bij scheen te moeten inschieten?-- - -De marktbezoekers in 't naburige stadje, die gewoon waren hun inkoopen -bij Janus te doen, keken vreemd op, toen ze op zekeren ochtend een -blozend jongensgezicht met ronde appelwangen boven de manden jonge -groenten en vruchten in 't welbekende stalletje zagen uitkijken, in -plaats van 't gerimpelde, magere gelaat van den ouden tuinder. Maar -'t bleek al spoedig, dat ze evengoed door dezen nieuwen koopman werden -bediend, die, al had hij in 't begin nog wel eens moeite om de juiste -dingen gauw te vinden, de lui met een grapje in hun humeur wist te -houden, zoodat ze niet ongeduldig van hem wegliepen. In plaats dus -van klanten te verliezen, kreeg Janus' stalletje er gedurig nieuwe -bij, die begonnen met mee te lachen om de snaaksche invallen van den -jongen en eindigden met ook van hem te koopen. - -'s Donderdags op de bloemenmarkt had hij letterlijk geen handen genoeg -om allen te helpen, die van hem bloemen en planten wilden koopen, -omdat ze nergens anders zulke mooie waar voor hun geld kregen. - -Had 't ezeltje op den heenweg een heel wat zwaarder vrachtje te torsen -dan vroeger met den ouden baas, daar de nieuwe bij 't gewone partijtje -bloempotten nog een heele bezending planten en bloemen inlaadde, -die bij de achterpoort van burgemeesters tuin gereed stond, op den -terugweg had hij 't dan ook bijzonder gemakkelijk en mocht zijn baasje -gerust in 't leege karretje zitten. - -En koopman Tom? Hoe vond die 't nieuwe leven? Had hij geen spijt van -de opgeofferde vacantiepret? - -Nu, eerlijk gezegd viel 't hem in 't begin verbazend moeilijk om ferm -bij zijn besluit te blijven, vooral toen er brieven van de neven -kwamen vol opsommingen van de pret, die ze aan 't strand hadden, -en met dringende vragen om toch ook te komen aan het eind. - -Met leede oogen zag hij Greta en Mies in zijn plaats gaan om van al -die heerlijkheden te genieten, terwijl hij zich vrijwillig moe maakte -met voor hem ongewoon werk en dat nog wel in de vacantie! - -Maar wanneer hij dan voor Janus 't verdiende geld mocht uittellen -en de dankbare woorden hoorde van den ouden man, waren die spijtige -gedachten plotseling verdwenen en voelde Tom, zonder er uitdrukking -aan te kunnen geven, dat al 't plezier in Scheveningen niet opwoog -tegen de blijdschap, die hij op dat oogenblik smaakte. - -'t Kwam uit, zooals de dokter gezegd had. Met eenige weken rust was -Janus weer geheel in orde en op den laatsten dag van Tom's vacantie -kon de oude tuinder zijn werk weer zelf opnemen. - -Dat was een gewichtige ochtend, toen koopman Janus en koopman Tom -samen naar de markt reden als waardig slot van deze weken. - -Moeder stond er vroeg voor op en kwam ook inkoopen doen van groenten en -vruchten en ten slotte kocht ze een pot met mooie, vuurroode geraniums. - -Dien vond Tom op zijn kamertje staan, toen hij 's middags thuis -kwam. Er was een strookje papier op een stokje in de aarde bij -gestoken. "Tot herinnering" stond er op geschreven; niets meer, maar -'t was ook voldoende. - -De herinnering aan deze zomervacantie was van grooten invloed op 't -verdere leven van bengel Tom, die, hoewel hij druk en vroolijk bleef, -toch veel van zijn onbesuisdheid en onbedachtzaamheid verloor. - - - - - - - -DE KERSEN. - - -"Zoo'n doe-niet, zoo'n sta in den weg," zei oude Baas Hendrik, terwijl -hij bij den knoestigen kerseboom op zijn bleekveldje stond. "Ja, -'t is nu voor 't laatst, dat je een voorjaar beleeft; in den herfst -moet je er uit. 'k Heb lang genoeg geduld gehad. Altijd bladeren, -maar nooit kersen! Waarom heb 'k dán een kerseboom, als ik er nooit -kersen van plukken kan?" - -Hendrik liep nu met korte, afgemeten stappen om den kerseboom heen -en schudde zijn bruine, verweerde vuist tegen den doe-niet. - -Greet en Klaar, de kleine meisjes van den burgemeester, die bij -Trientje op de bank voor de keukendeur zaten, keken verschrikt bij -deze bedreiging van Hendrik tegen zijn kerseboom. Zij kwamen graag -bij de oude luidjes op visite en dan was deze boom met zijn lagen -stam en breede, knoestige takken een prettig kameraadje voor haar -beidjes. Ze konden er zoo gemakkelijk zonder hulp inklimmen, deden -gymnastische toeren aan de takken of zaten er schrijlings op bij het -paardje spelen.--Met groote oogen keken ze nu naar het bleekveld en -probeerden 't zich voor te stellen hoe dit er wel zou uitzien zonder -den kerseboom. - -"Zeker erg raar," dachten ze. - -"Neen, Hendrik moet hem laten staan," zei Greet op beslisten toon -als slotsom van haar overdenking. - -"Dat doet hij niet," sprak nu Trientje droevig voor zich heen, "o neen, -dat doet hij niet. Hendrik heeft 't zich nu eenmaal in 't hoofd gezet, -dat hij er uit moet, omdat hij geen vruchten draagt en nu moet hij -er uit ook--och heden--de boom, dien mijn Dirk nog geplant heeft als -zoo'n kereltje!"-- En ze wees met haar taankleurige, rimpelige hand -een hoogte van een paar turven aan. - -"Dirk, die al zoo lang in Amerika is?" vroeg Greet. - -"Ja!"--Trientje zuchtte.--"Als ik naar den kerseboom kijk, denk ik -altijd aan Dirk, maar de baas--" ze wees op Hendrik--"de baas zegt: -je mag geen menschen en planten vergelijken--maar, ik kan 't toch niet -laten.... altijd als ik den kerseboom zie, denk ik aan mijn Dirk. En -nu zal hij er uit moeten." - -"Als we nu 's met ons drieën aan Hendrik vroegen of hij mocht blijven -staan!" zoo stelde Klaar hoopvol voor. - -Trientje schudde 't hoofd. - -"Och nee, als de baas zoowat in zijn hoofd heeft, helpt er geen -redeneeren tegen. De baas zegt: hij heeft lang genoeg geduld gehad -en nu is 't uit. Neen, de kerseboom van mijn jongen, van mijn Dirk, -heeft wel zijn laatste voorjaar beleefd!" - -"Maar als er nu van 't jaar toch nog 's kersen aankwamen," opperde -Klaar, die het zoo gauw niet opgaf; "er zitten toch bloesems aan! Kijk -maar!" - -"Zoo'n enkel bloesempje zegt niets; dat heeft hij elk jaar gehad," -sprak Trientje mistroostig. "Neen, 't is wel waar zooals de baas 't -uitdrukt: 't is een doe-niet, maar--ik kan hem toch zoo slecht missen!" - -Oude Hendrik kwam met stijve, afgemeten passen op de bank -toegestapt. Hendrik was stijf en afgemeten in al zijn doen. Houterig -ging hij naast zijn vrouw zitten. - -"Mag hij niet blijven staan?" vroeg Greet, terwijl ze naar den -boom wees. - -"Toe--alsjeblieft," zei Klaar smeekend. - -"Neen, neen," sprak Hendrik plechtig, "hij is mij lang genoeg tot -ergernis geweest; ik zou er zonde aan doen zoo'n doe-niet nog in zijn -kwaad te stijven." - -"Maar--als er nu van 't jaar nog 's tien pond lekkere kersen -aankwamen," zei Klaartje en ze zag den ouden man vol verwachting aan. - -"Dán kan hij blijven," klonk 't op denzelfden plechtigen toon. - -De kinderen keken op naar de schaarsche bloesems. - -"En als er nu maar 's twee pond aankwamen....?" - -"Of één--of--een half," waagde Greetje te veronderstellen. - -Klaar hield haar adem in. Wat zou nu 't antwoord wel wezen? - -Maar hoor, daar klonk het, weer even bedaard: "Dán kan hij blijven." - -Nu waren ze gerustgesteld. Ze vonden, dat de kansen toch nog niet zoo -slecht stonden; er waren toch bloesems aan; die kon oude Hendrik toch -maar niet weg redeneeren. - -Op den terugweg hadden Greet en Klaar het druk over den kerseboom van -Hendrik en Trientje en thuis kregen Vader en Moeder 't verhaaltje in -geuren en kleuren te hooren. - -"Moeder, zou u denken, dat er nog wel een half pond aan komt?" vroeg -Greet. - -"Kindlief, hoe wil ik dat weten, ik ben geen tuinman," lachte -Moeder. "Je moet maar telkens eens gaan kijken hoe 't met de bloesems -staat; je weet wel: als je de bloempjes niet meer ziet, komen er -kleine, groene bolletjes te voorschijn; die worden grooter en grooter, -de zon stooft ze langzamerhand zacht en rood en--" - -"Dán zijn de kersen er!" riep Klaartje vroolijk uit. "Ik ga vast -elken dag uit school kijken, hoor!" - -"Ik ook," zei Greet. - -De kinderen hielden woord. Elken dag gingen ze naar Baas Hendrik's -bleekveld. De oude kerseboom had zeker nog nooit zooveel belangstelling -ondervonden. 't Scheen heusch, dat hij 't op prijs stelde en zijn best -deed z'n bloesems zonder mankeeren voor kleine, groene bolletjes in -te ruilen. - -Greet en Klaartje gaven thuis getrouw verslag van zijn vorderingen, -zoodat ieder er goed van op de hoogte bleef. - -Maar op een ochtend, na een stormnacht, kwamen de meisjes -terneergeslagen thuis. 't Bleekveldje lag bezaaid met groene bolletjes -aan steeltjes: allemaal afgewaaide, nog onrijpe kersen. - -"Er zitten er nu nog maar een stuk of wat aan," jammerde Greetje; -"zou dat wel een half pond wezen?" - -"Hendrik zei, dat hij 't wel gedacht had, want dat deed die kerseboom -altijd! Maar Moeder, 't kwam toch door den storm; de kerseboom kon -'t niet helpen," riep Klaartje onder tranen. - -Moeder had maar werk haar kleine meisjes tot bedaren te brengen. Er -zouden een paar vroolijke neven komen--Vader was al naar den trein -om hen te halen--wat zouden die er wel van zeggen, als Greet en Klaar -er straks nog zoo bedrukt uitzagen!-- - -De neven kwamen. De neven hoorden 't verhaal over den kerseboom aan -en waren vol belangstelling. Zij hadden verstand van vruchtboomen, -beweerden ze. Als Greet en Klaartje straks weer naar school waren, -zouden ze dien boom wel eens gaan bekijken; misschien dat zij er nog -raad op wisten. - -In een oogwenk verhelderden de gezichtjes nu. De kinderen hadden veel -vertrouwen in de knapheid der groote neven. - -"Als er maar een half pond aan komt," zei Greetje, "dan mag hij -blijven staan van ouden Hendrik." - -Toen zij 's middags uit school kwamen hollen, verlangend 't oordeel -der neven te hooren, werden zij verblijd met de tijding, dat er -misschien nog wel een pond van terecht zou komen. Maar, dan moesten -zij ook precies doen wat de neven zeiden. - -Dit beloofden Greet en Klaar grif. - -Veertien dagen lang mochten ze niet meer naar den boom gaan kijken, -zei Neef Karel, want daar kon hij op 't oogenblik niet goed tegen. De -kerseboom schaamde zich, omdat hij zooveel groene bolletjes had -verloren en zou nu uit verlegenheid ook die, welke hij nog overhad, -wel eens kunnen loslaten, voegde Neef Bert er bij en hij zette een -heel ernstig gezicht. - -Nu, dit was natuurlijk maar een grapje--dat begreep Greet best; -Klaartje was eerst nog in twijfel of 't niet waar zou zijn;--maar, -grapje of niet, dat deed er niet toe--de neven, die er verstand van -hadden, zeiden, dat ze er in veertien dagen niet heen moesten gaan -en dááraan zouden ze zich houden. - -"Hé--over veertien dagen"--Greet was aan 't uitrekenen--"dan ben ik -jarig! Wat leuk!" - -"Zijn jullie er dan nog?" vroeg Klaar. - -"Neen, maar dan komen we weer terug om Greet te feleciteeren en meteen -naar den kerseboom te zien." - -Greet keek er Neef Bert onderzoekend op aan of dit nu niet weer een -grap was, maar neen, 't scheen toch wel meenens te zijn: Moeder ging -er dadelijk op in. Er werd afgesproken, dat zij den vorigen dag al -zouden komen, om den heelen jaardag mee te kunnen vieren. - -Leuk hoor! Dat was wat prettigs om op te kijken! - -Zoo triestig als de zusjes 's ochtends waren geweest, toen de neven -kwamen, zoo vroolijk waren ze bij 't afscheid. - -Als je 't niet beter wist, zou je gedacht hebben, dat ze blij waren -met hun vertrek. - -"Tot over veertien dagen," riepen Greet en Klaartje hun na, toen ze -al bij 't hek waren. En: "tot over veertien dagen," riepen de neven -terug. "Zorgen jullie er maar voor, dat je een mand klaar hebt staan -voor de kersen!"-- - -Veertien dagen gaan gewoonlijk gauw voorbij, maar nu schenen ze te -kruipen. 't Was heel moeilijk, veel moeilijker dan ze gedacht hadden, -de belofte te houden, die ze den neven hadden gegeven. De meisjes waren -er toch zóó benieuwd naar hoe 't wel met den kerseboom zou wezen en nu -mochten ze er niet heen. Als ze er Baas Hendrik of Trientje nu maar -eens naar hadden kunnen vragen, maar de oudjes kwamen hoogstzelden -in 't dorp; ze bleven stilletjes op hun eigen erf en daar was 't nu -immers verboden toegang! - -Toen ze op zekeren dag, uit school komend, een schaal vol rijpe kersen -op tafel zagen staan, werd 't nog moeilijker 't vol te houden. Er -waren dus al rijpe kersen! Of de groene bolletjes van Hendrik's boom -ook al rood en zacht zouden geworden zijn? - -"Nog vier dagen geduld," zei Moeder, die er medelijden mee kreeg, -"dan gaan we met ons allen kijken hoe 't met den kerseboom staat." - -"Daarmee beginnen we den jaardag dan," stelde Vader voor: "allen in -optocht naar ouden Hendrik's kerseboom!" - -En ja, zoo gebeurde het ook, toen de lang verwachte dag ten laatste -was aangebroken. - -Dadelijk, na 't ontbijt trokken ze er op uit: Vader, Moeder, de -jarige Greet, Klaartje en de neven. Wat Hendrik en Trientje voor -oogen opzetten, toen ze 't gezelschap regelrecht op hun huisje zagen -aankomen! - -Trientje deed de deur al open. - -"Heb ik van mijn leven, zooveel bezoek," riep ze, 't hoofd van -verbazing schuddend. - -"Trientje, ik ben jarig!" zei Greet vroolijk; "ik ben vandaag jarig!" - -"En nu komen we naar den kerseboom kijken of er wat aanzit," juichte -Klaar. - -"Kersen? Och lieve tijd," zei 't oudje meewarig, "als ze er aan waren, -zou 'k ze graag geven, maar--" - -"Kersen," zoo liet zich nu ook de plechtige stem van Baas Hendrik uit -de achterhoede hooren, "kersen? Die moet je bij mij niet zoeken. Mijn -boom is een doe-niet, hij moet er uit, in 't najaar, Burgemeester, -maar mijn oude vrouw is er maar danig op tegen." - -"Ja Burgemeester," zei Trientje nu erg beverig, "ja, als 'k hem aanzie, -dan moet ik altijd aan mijn jongen, mijn Dirk, denken, die heelemaal -aan den anderen kant van 't groote water is."-- - -Greet en Klaartje waren onderwijl al om 't huisje heen geloopen en -hadden de neven meegetrokken. - -"Er zit niets aan," riep Greetje teleurgesteld, toen ze bij de -bank was. - -"Hè," zei Klaartje, "hoe saai!" - -Maar toen kwamen ze dichterbij en ja--daar schemerde wat roods!--Nog -wat dichter er bij--vlak er bij.-- - -"O, o," juichten de meisjes en sprongen vroolijk in 't rond, "er zijn -wél kersen aan! Trientje, kom gauw! Wel een half pond--neen, stellig -wel een pond! Kijk, hier zitten er nog meer en dáár--en ginds--o, -kom toch gauw kijken!"-- - -Nu stonden ze allen om den ouden kerseboom heen, de kinderen en de -groote menschen! - -Vader, Moeder en de neven lachten maar om de verrukking der -meisjes.--Trientje schudde 't hoofd en was sprakeloos van verwondering, -maar Baas Hendrik keek wat wantrouwend naar zijn "ouden doe-niet", -terwijl hij met korte, stijve beweginkjes dichterbij kwam. - -"Hendrik, we mogen ze immers wel plukken?" vroeg Moeder toen gauw, -en, naar hem toegaande, gaf ze hem een knipoogje van verstandhouding. - -"'t Treft mooi voor de meisjes, dat de kersen juist aan de onderste -takken zitten," zei Vader; "kijk 's wat aardig, telkens bij trosjes -van vier en vijf bij elkaar. Zoo heb ik 't nog nooit gezien!" - -Er werd een trapje gehaald, want Greet en Klaar vonden, dat dit bij -het kersen-plukken behoorde, al konden ze op gewone tijden wel zoo -in den boom klimmen. - -Baas Hendrik, die na een apartje met Moeder niet meer wantrouwend keek, -bracht ook een weegschaal aan. - -"Ik moet 's kijken of ik mijn gewicht wel krijg," meesmuilde hij. - -"Wel heb ik van mijn leven," lachte oude Trientje, die nu de toedracht -begon te begrijpen, "die jongeheeren uit de stad, weten toch altijd -wat nieuws te verzinnen;"--en ze lachte zóó, dat Moeder haar naar de -bank moest brengen om wat te bekomen. - -"Er zitten draden aan, zwarte draden," riep Klaartje, die de eerste -kersen gegrepen had, verbaasd uit. - -Greet keek naar de neven. "O, nu begrijp ik 't al! Wat eenig -bedacht," juichte ze. "Jullie hebben ze er aan gehangen! O, wat een -slimmerds! Maar 't geldt nietwaar, Baas Hendrik, 't geldt toch! De -afspraak was: als ze er aan hangen; we hebben niet gezegd: er aan -gegroeid zijn." - -"Dat weet ik nog niet," begon Hendrik, nu zoogenaamd gewichtig doende, -"ik moet ze eerst op de schaal hebben; 't konden wel eens geen echte -kersen wezen en--ik moet mijn gewicht ook hebben--tien pond, hebben -we gezegd!" - -"Neen, neen, een half pond was ook al genoeg," riepen de kinderen, -"is 't niet Trientje?" - -'t Oude vrouwtje, nu weer wat bekomen, knikte. - -"Ja, ja, dat hebben jullie afgesproken. Maar nu begrijp ik nog niet, -wanneer de jongeheeren dat hebben klaargespeeld. Gisteravond waren -ze er nog niet aan." - -"Vanmorgen in de vroegte hebben ze 't wis en zeker gedaan," zei -Hendrik; "ik dacht ook al, dat 'k zoo wat hoorde op 't pad." - -"De jongens waren wel erg vroeg op," zei Greetje nadenkend, "Jans -vertelde, dat ze de voordeur al uit waren, toen zij beneden kwam." - -Maar de neven zelf zeiden niets. Ze lachten maar en hielpen de laatste -kersen plukken, die wat hoog zaten.-- - -Toen werden ze in triomf naar de weegschaal gebracht. - -Hendrik hield zich eerst nog, alsof 't volstrekt tien pond zouden -moeten wezen, maar, gaf ten slotte toe, dat hij met één pond ook al -tevreden zou zijn. - -'t Bleek, dat 't er drie waren! - -Neen, nu had Baas Hendrik volgens recht en billijkheid toch niets -meer te zeggen. Hadden ze aan zijn boom gehangen of niet?-- - -"Een man, een man--een woord, een woord, Hendrik," sprak Vader bij -'t afscheidnemen met krachtige stem, toen de oude man 't alles maar -op een grapje voor de kinderen wou gooien en warempel nu weer zijn -standpunt tegenover den doe-niet zou gaan innemen. - -Hendrik schrikte er van op. Hij schoof zijn pet heen en weer. Dat -was een raar geval voor den nauwgezetten, ouden baas; ja, hij had -zijn woord gegeven, als je 't zóó wou opvatten!-- - -"Ja," zoo kwam 't er eindelijk langzaam uit, "ja, als de burgemeester -dat meent, ja, dan moet 't ook maar zoo wezen. Nog één jaartje zal -ik lankmoedigheid betoonen; ja, daar heb je mijn hand, Burgemeester!" - -Of Trientje blij was! Nu zou ze weer een heel jaar lang naar den -kerseboom kunnen kijken en dan daarbij aan Dirk kunnen denken, die -"heelemaal aan den anderen kant van 't groote water" was.-- - -En, als 't nu weer voorjaar is, zal Baas Hendrik dan weer zeggen, -dat de kerseboom er met den herfst uit moet?-- - -Wel, wie weet of de oude doe-niet tegen dien tijd zijn leven niet -betert--je kunt 't nooit weten--en anders--ik heb er zoo wat van -hooren mompelen, dat Dirk van plan is over te komen om zijn oudjes -nog eens te bezoeken; misschien weet hij er dan ook nog wel wat op -te bedenken om den boom nog een jaar te sparen. - -Weest er dan maar zeker van, dat Greetje en Klaartje daartoe wel een -handje zullen meehelpen!-- - - - - - - - -VAN TWEE PAAR PANTOFFELTJES EN NOG WAT. - - -Er was eens een klein meisje, dat in een groot huis woonde. - -Natuurlijk woonde zij daar niet alleen; kleine meisjes wonen nooit -alleen in groote huizen! Wèl soms in gezellige kleine huisjes, die ze -zelf maken van een paar stoelen en stoven en een gordijn uit Moeders -rommelkist en waarin ze met hun poppen huishouden, net precies zooals -ze dat zelf willen. - -In groote huizen, waar ook nog groote menschen wonen, gaat het niet -altijd precies zóó als de kleine meisjes het zelf willen. - -Dat is erg vervelend. - -Emma, zoo heette dit kleine meisje, wou bijvoorbeeld op -St. Nicolaasavond volstrekt zoo lang opblijven als de groote -menschen. Zij had gehoord, dat St. Nicolaas 's avonds zou komen, -als zij al lang in bed zou liggen, om wat in haar pantoffeltjes te -brengen. Maar zij wou dan niet in bed liggen en al lang slapen, ze wou -op zijn om den goeden Sint te zien; dat dit niet mocht, maakte haar -erg verdrietig, ja, en stout óók, zóó zelfs, dat zij in haar drift -haar pantoffeltjes omkeerde, zoodat 't brood en 't hooi, dat er voor -'t paard van St. Nicolaas in was gedaan, op den grond viel. - -Emma kon er nooit goed tegen, zie je, dat de dingen niet precies zóó -gingen als zij het graag wou! - -'t Hielp niets; ze werd toch op 't gewone uurtje in bed gestopt.-- - ---Maar Emma was een stijfkopje. Als zij dan niet òp mocht blijven, -wou zij tenminste wàkker blijven, net zoolang tot St. Nicolaas kwam! - -Met dikke tranen nog in haar oogen, knipperde ze tegen het nachtlichtje -en zag er allemaal mooie, gekleurde figuren in. Door dit aardige -spelletje trok haar booze bui af en werd ze weer een tevreden, -vroolijk, klein meisje. - -Gelukkig maar, anders zou 't geen je nu zult hooren, niet gebeurd zijn. - ---'t Was zeker al heel, heel laat toen hij kwam, want ondanks haar -plan om wakker te blijven, had Emma al geslapen en was de olie van -het nachtpitje bijna opgebrand; 't scheen als een gloeiende spijker -in de duisternis en sputterde alsof 't zóó uit zou gaan. - -Emma was niets verwonderd, toen ze St. Nicolaas bij den haard zag -staan;--van bang zijn was natuurlijk geen sprake, welk kind zou er -nu bang voor St. Nicolaas zijn! - -Nieuwsgierig keek ze wat hij deed: hij bukte zich over de omgekeerde -pantoffeltjes en schudde het hoofd, want die pantoffeltjes vertelden -hem wat van een klein meisje en een booze bui! - -Emma schaamde zich. - -"Ik zal er gauw 't brood en 't hooi weer in doen," riep ze en stond -meteen in haar lang, wit nachtjaponnetje voor St. Nicolaas. - -Deze keek haar vriendelijk aan. - -"Dat is braaf," zei hij met zachte, diepe stem. "En kleed je dan maar -eens warmpjes aan; je mag een uurtje met mij mee." - -Emma trok vlug haar kleertjes aan. - -In gewone tijden kon ze dit niet alleen, maar nu ging het zoo vlot,--'t -scheen wel of de knoopen vanzelf in de knoopsgaten, de haakjes vanzelf -in de oogjes vlogen en de bandjes zichzelf strikten. Ze vroeg geen -enkel keertje: "waar gaan we dan heen?" of "hoe kan dat?" en anders -was ze toch zoo'n kleine vraagal! Zeker kwam het door 't ongewone van -'t geval! - -Ja, ongewoon was het stellig wèl, dat daar een klein, klein meisje -met St. Nicolaas voortreed door de stille, stille stad, waarop de -zilveren sterren vriendelijk neerzagen. - -"Nu zal ik je mijn pakhuis eens laten kijken," sprak St. Nicolaas en -meteen hielden zij stil voor een groot gebouw aan 't havenhoofd, niet -ver van den steiger, waaraan "de stoomboot uit Spanje" vastgemeerd -lag. Emma keek tersluiks naar de groote, witte boot. Ze was er -dolgraag eens even op geweest, maar toen ze eenmaal in het pakhuis -was, vergat ze dien wensch geheel en al. Er waren groote zalen, zoo -vol van het prachtigste speelgoed, dat je wel zoo klein en behendig -als Emma moest wezen om er gemakkelijk je weg tusschendoor te kunnen -vinden. Het was er uitgestald op breede planken, die langs de wanden -waren aangebracht, op lange, ruw houten tafels op schragen, die haast -braken onder 't gewicht van al deze schatten, ja en ook op den grond -stonden zoo maar de prachtigste dingen. 't Kon een wonder heeten, dat -er nog niets gebroken of beschadigd was van de fijne eetserviesjes, -tooverlantaarns, miniatuur-automobielen, poppenmeubels en al wat er -maar meer voor breekbaars was. - -St. Nicolaas stond het glimlachend op den drempel aan te zien, hoe -Emma vol verrukking rondhuppelde. - -"Als je kiezen mocht, wat zou je dan nemen?" vroeg hij. - -"Dit serviesje," zei Emma, maar in 't volgende oogenblik wees ze naar -een groote pop, die een koffer beeldige kleertjes bij zich had. "O -neen, veel liever deze mooie pop, alstublieft!" - -"Goed," sprak St. Nicolaas; "maar nu moet je er ook bij blijven." - -Van het speelgoed ging het naar de boekenbergplaats. - -Hier kwam Emma oogen te kort om al de prachtige prentenboeken te -bekijken; om de boeken met enkel verhalen gaf ze niet veel, daar ze -nog niet zóó vlot lezen kon.--Er waren er veel meer dan in den grooten -boekwinkel, waar ze laatst met moeder was geweest. "Wel honderdduizend -maal zooveel," beweerde Emma opgetogen. - -"O neen, nog veel meer," sprak St. Nicolaas. "Aan honderdduizend -boekwinkels zou ik lang niet genoeg hebben. Je mag twee boeken -uitzoeken, die je het mooist vindt." - -Dit was een moeilijk geval. Emma zag wel boeken, waarvan ze wist dat -haar broertje ze 't allermooist zou vinden, maar voor zichzelf--en -daar ging het nu toch om--was ze zoo gauw niet besloten. Ze liep van -den eenen stapel naar den anderen en telkens meende ze nog een mooier -boek te zien. - -Eindelijk had zij de allerprachtigste uitgezocht; ze handelden allebei -over poppen. - -St. Nicolaas wachtte geduldig. 't Scheen dat hij even, haast -onmerkbaar, met 't hoofd schudde. Mogelijk verbeeldde Emma 't zich -alleen maar. - -Toen ze de deur uit gingen, werd zij er als 't ware toe gedrongen -naar de jongensboeken te kijken, waarvan zij wist dat haar broertje -ze zoo mooi zou vinden. Ze kon dat grootste nog wel nemen in ruil -voor een van haar poppenboeken; St. Nicolaas zou 't zeker goed vinden. - -Even draalde Emma--toen keerde ze zich om en liep weg, St. Nicolaas -achterna; ze wou toch liever haar boek houden. - -Nu was er een reeks zalen aan de beurt, waar het wel Luilekkerland -geleek, want al 't lekkers, dat in den St. Nicolaasnacht "gereden" -wordt, was hier opgestapeld. Bij zoo'n kolossale hoeveelheid was van -uitstallen geen sprake meer geweest. - -Hoog opgestapeld lagen daar banketletters, torens vormend, die tot -aan de zoldering reikten; ginds was een borstplaatberg en in 't -midden van de zalen kon je heelemaal niet loopen, want daar lagen -hoopen en hoopen speculaaspoppen en taai-taai-figuren. 't Kleine -strooisuikergoed, de dieren van suiker en de chocoladeletters waren -in reuzenkisten geborgen. St. Nicolaas tilde Emma op om haar er in -te laten kijken en toen mocht ze er allebei haar handen in steken; -wat ze greep was van haar. - -Toen ze weer op den beganen grond stond, had ze in haar eene hand een -konijntje en een poes van suiker en in haar andere hand een groote -D van chocolade. [1] - -"Dat is mijn letter niet," zei Emma, want een beetje lezen kon ze wel: -"mijn letter is een E!" - -St. Nicolaas glimlachte. "Ja, je hebt er die D zelf uitgenomen; -daar kan ik niets aan doen!" - -"Een D smaakt ook wel lekker," zei Emma toen vroolijk en ze zeurde -heel niet om de letter nog te mogen ruilen, zooals ze op gewone tijden -allicht bij Moeder zou hebben gedaan. - -Van Luilekkerland gingen zij naar de pakkamers, waar de zwarte knechts -bezig waren duizenden manden in te pakken. Dit gebeurde in vliegende -haast. Emma werd duizelig van 't kijken alleen. - -Ze was blij, dat St. Nicolaas er bij was; de zwarte knechts trokken -wel vriendelijke grimassen tegen haar, maar ze vond het toch wat -griezelig hen zoo van dichtbij te zien. - -"Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht," sprak -St. Nicolaas. "Daarom ga je nu weer naar huis; ik heb het erg druk." - -De pop en de prentenboeken werden netjes ingepakt om bij Emma thuis -bezorgd te worden--het lekkers wou ze liever in de hand houden--en -voordat Emma 't wist, reed ze alweer met St. Nicolaas door de stille -stad. - -"Hier in de buurt woont nòg een klein meisje, dat wel graag op -had willen blijven om mij te zien, maar zij is er niet driftig om -geworden, dat 't niet kon," sprak St. Nicolaas, toen ze bij een nauw -steegje kwamen. "Ik weet, dat zij ook wakker is gebleven om op mij -te wachten. We zullen er even binnengaan." - -Hoe 't gebeurd was, kon Emma later niet navertellen, maar opeens -bevond ze zich met St. Nicolaas onder den schoorsteen van een armelijk -vertrekje. St. Nicolaas maakte licht, want 't was er donker. - -'t Allereerste wat Emma zag, was een paar pantoffeltjes met roggebrood -er in. Ze stonden heel precies naast elkaar; stellig waren ze nog -nooit in drift ondersteboven gegooid. - -Nieuwsgierig keek Emma er rond. 't Kleine meisje, dat op St. Nicolaas -wou wachten, lag zeker in 't ledikantje, dat in een hoek van 't -kamertje stond. - -"Gaat zij nu óók al het moois zien?" fluisterde Emma een beetje -verlegen, terwijl ze naar de toegeschoven gordijntjes wees, die -zachtjes bewogen. - -"Dat kan niet; Doortje is ziek. Maar zij hoort er graag van vertellen -en daarom heb ik je hier gebracht," sprak St. Nicolaas. - -Een mager handje schoof nu de gordijntjes open en Doortje keek er -uit. [2] O, zoo'n tevreden, gelukkige glimlach vloog over haar bleek -gezichtje, toen ze St. Nicolaas zag! - -"Moeder zei: 't gaf toch niets of ik al wakker bleef, want St. Nicolaas -kwam toch niet, maar ik wist wel beter," fluisterde zij. - -Onderwijl had St. Nicolaas het papier opgenomen, dat bij de -pantoffeltjes lag. "Een schort voor Moeder; een pakje tabak voor Vader; -een pet voor Jan en een dasje voor Trui," las hij hardop. - -"En wat voor wensch heb je voor jezelf, mijn kind?" vroeg hij toen -vriendelijk. - -"Ik ben al zoo blij dat ik u heb gezien," stamelde Doortje, "ik hoef -niets meer." - -"O, maar als je mee hadt kunnen gaan en alles gezien hadt, zou je -wèl wat weten te bedenken," riep Emma nu uit, en haar verlegenheid -vergetend, kwam ze dichterbij en begon opgetogen haar wederwaardigheden -te vertellen. - -Doortje luisterde met stille verrukking. - -"Waren er ook naaidoosjes?" vroeg ze bedeesd, toen Emma even ophield -om adem te scheppen; "een naaidoosje zou ik toch nog wel graag willen -hebben als 't niet te veel was! Dan kon ik Moeder helpen met haar -naaiwerk." - -Naaidoosjes? Ja, dat wist Emma niet. Zij had alleen maar naar dingen -gekeken, waar zij plezier in had. - -Om zich uit de verlegenheid te redden, liet ze Doortje haar lekkers -zien. - -"Kijk, een poes en een konijn van suiker en een D van chocolade, -een groote! Wil je die hebben? Toe maar, 't is allemaal voor jou! Wat -treft het mooi, dat jouw naam juist met een D begint!" - -Emma was opgetogen over deze ontdekking; ze keek om en wou dit -St. Nicolaas ook vertellen, maar.... ze zag St. Nicolaas niet meer. - -Wel zag ze bij den schoorsteen de pantoffeltjes met alles er in en -er bij wat Doortje had gevraagd--óók zelfs een mooi naaidoosje. Emma -wou het Doortje wijzen, maar ze kon niet--ze werd zoo vreemd moe -en slaperig. - -"Ik moet ook naar huis," zei ze nog en 't geluid van haar stem klonk -van heel ver af--ze knikkebolde, haar hoofdje gleed op zij--ze wist -van niets meer. - - - -In den vroegen morgen was er een dik pak sneeuw gevallen. De witte, -wollige, donzige massa schitterde op de daken en lag opgehoopt in -de hoeken der vensterbanken tot groot vermaak van de kinderen, -die toch al zoo uitgelaten waren op dezen morgen van den zesden -December--zoekertjesdag! - -In de meeste huizen was de pret al lang in vollen gang, toen Emma--je -weet wel, 't kleine meisje, dat in 't groote huis woonde en er niet -tegen kon als de dingen niet precies zoo gingen als zij 't graag -wou--zich pas in haar warm bedje uitrekte, geeuwde en heel, heel -langzaam wakker werd. Ze had niets geen haast om haar oogen open te -doen. Als zij ze dicht hield, zag zij nog alles wat zij op haar tocht -met St. Nicolaas gezien had. O, ze wist het nog zoo best! Alleen van -wat er gebeurd was, nadat ze voor Doortje's ledikantje in slaap was -gevallen, kon zij zich niets herinneren. Maar nù lag zij toch weer -in haar eigen bedje; dit wist zij wel, ook zonder dat zij haar oogen -open deed. - -"'t Was toch zoo heerlijk," zei ze halfluid, "en wat goed was het, -dat ik er bij ongeluk een D uithaalde in plaats van een E!" - -"Langslaapstertje! Droomstertje!" klonk het lachend en toen werd Emma -heelemaal wakker. - -"Droomstertje," zei Moeder nog eens, "waar heb je het toch over? Doe -je oogen maar gauw open en kijk dan eens wat St. Nicolaas je gebracht -heeft!" - -In een wip was Emma nu overeind en wreef ze haar oogen uit. - -'t Brood en hooi was uit de pantoffeltjes verdwenen. Ze stonden op de -tafel en er naast zat een mooie, groote pop met een open koffer vol -beeldige kleertjes bij zich; twee prachtige prentenboeken lagen er bij. - -"Ik had ook nog lekkers," zei Emma, "maar dat heb ik aan Doortje -gegeven, omdat ze niets voor zichzelf vroeg; o ja, een naaidoosje, -maar dat was om haar Moeder te helpen--ik bedoel: niets prettigs." - -"Kindje, ik geloof dat je nog droomt," lachte Moeder weer, "hoe zou -St. Nicolaas je nu geen lekkers gebracht hebben! Zie je dat bord -niet staan?" Ze gaf Emma haar pantoffeltjes om aan te doen als ze -uit bed stapte. - -"Ga nu je pop maar eens gauw bekijken! St. Nicolaas heeft het maar -wat goed geraden, hé?" - -"Ik heb haar zelf uitgezocht," zei Emma, terwijl ze haar op den arm -nam, "maar eerst had ik een serviesje...." En toen vertelde ze Moeder -alles van haar tocht. - -"Ik heb alleen maar dingen voor mezelf gekozen," zei ze, toen ze aan -'t bezoek bij Doortje toe was, en keek wat bedrukt. "Misschien was -er wel een mooi naaidoosje geweest voor u en ik weet zeker, dat er -een boek bij was, dat Broer graag zou gehad hebben; bijna had ik -het genomen in plaats van dat ééne poppenboek.--Ik ben bang, dat -St. Nicolaas 't niet heel aardig van me heeft gevonden!" - ---Maar toen kreeg ze haar bord lekkers in 't oog, waar bovenop een -groote E van chocolade lag. - -"Moeder, dat heeft St. Nicolaas er nog exprès neergezet, omdat ik -'t mijne heb weggegeven, denkt u ook niet?" riep ze opgetogen uit. - -"Ja, dàt heeft St. Nicolaas stellig gedaan, omdat hij daaruit gezien -heeft, dat je toch ook nog wel graag om een ander denkt," zei Moeder -en gaf haar een kus. - -Emma bedacht zich even. "Moeder, weet u wat," zei ze toen met een -stralend gezichtje, "als St. Nicolaas weer komt, maak ik óók een -verlanglijst, net als Doortje, en dan zet ik Broer's pantoffels hier -ook en die van Vader en van u.... maar niemand mag lezen wat ik er -op schrijf." - -"St. Nicolaas óók niet?" vroeg Moeder plagend. - -"Ja, St. Nicolaas juist wèl," antwoordde Emma lachend en toen liet -ze zich gauw helpen, want ze verlangde er naar klaar te zijn om ook -Vader en Broer alles te vertellen. - - - - - - - -JUFFROUW'S PINKSTERTUINTJE. - - -Op een lange rij liepen ze arm in arm door de straten van het -Oostfriesche zeestadje, de vlasblonde deerntjes, en vroolijk klonk -hun deuntje: - - - "Dor koom ik een olt Mientje an - van hoge, doge Disk----" - - -Kapitein Benno Brons, die juist met zijn kort pijpje in den mond -over de markt kwam aanslenteren, spreidde zijn armen wijd uit om -de kinderen tegen te houden. Lachend stoven ze uit elkaar en in 't -zelfde oogenblik had hij er twee gevangen: Helma van den apotheker -en zijn eigen kleine Thedje. - -"Vader, nee, Vader, u moet ons nu loslaten; we gaan naar buiten, -bloemen plukken voor morgen!" - -"Drommels ja, morgen is 't Pinksteren," zei de kapitein en hij deed, -alsof hij daar niet aan gedacht had, terwijl zijn helderblauwe oogen -vroolijk schitterden in het, door een grijzend ringbaardje omgeven, -verweerde gezicht. "Dat's waar ook! 't Zal mij eens benieuwen, wie -er morgenochtend het mooiste tuintje voor zijn deur vindt." - -"U niet, Kapitein Brons," riep er een plagend en toen vlogen ze allen -joelend weg, want hij balde lachend zijn vuist en zette 't troepje -quasi met een paar groote stappen na. - -De orde was nu verbroken; bij tweeën en drieën stoven ze voort, -stoeiend en lachend, telkens nog omziende naar Kapitein Brons, die -zijn weg al lang weer vervolgd had. Ze kwamen pas weer tot bedaren -toen ze buiten het stadje waren gekomen. - -Tegen den hoogen walkant groeiden van die groote, gele dotters en -ginds stonden lila Pinksterbloemen en madeliefjes met gouden harten. - -Thedje begon er maar dadelijk van te plukken; ze moest een heeleboel -bloemen hebben, want ze had groote plannen: niet alleen voor thuis wou -ze een Pinkstertuintje maken, maar ook voor de nieuwe juffrouw van -school. Die woonde op kamers bij een oude schoenmakersvrouw en zou -'t zeker erg prettig vinden, als ze morgen met zoo'n mooi tuintje -verrast werd. Juffrouw had nog nooit 's een echt Pinkstertuintje -gezien, want dáár, waar ze vandaan kwam, deden de menschen dat zoo -niet. Dat hoorde zoo recht hier in 't Noorden thuis, waar je zooveel -van die aardige, oude gebruiken hadt, vond Juffrouw. - -Toen ze dat zoo zei in de klas, hadden een heeleboel kinders den vinger -opgestoken en sommigen waren overeind in de bank gaan staan in hun -ijver om Juffrouw precies in te lichten omtrent die Pinkstertuintjes en -ze hadden zich verbazend gewichtig gevoeld, omdat dit nu eens wat was, -waar zij alles van wisten en Juffrouw, die zoo knap was, niet. Thedje -had toen dadelijk bedacht, dat zij er eentje voor Juffrouw zou maken. - -Vol ijver was ze aan 't plukken. Verderop stonden meidoorns in bloei, -roode en witte; daar moest ze ook wat van hebben. - -Haar kameraadjes waren allen op de wei neergestreken als een zwerm -vroolijke vogels: ze plukten er bij handen vol boterbloemen en -madeliefjes. Thedje hoorde hen wel lachen en snappen, maar was toch -niet van plan naar hen toe te gaan. Ze wist een plekje, achter den -hoogen wal, tusschen het eikenhakhout, waar 't vol driekleurige -veldviooltjes stond. Daar zouden de anderen stellig geen bloemen -zoeken; Thedje had ze laatst bij het verstoppertje-spelen ontdekt. Ze -had nu exprès een mandje van thuis meegenomen om er de viooltjes, die -zoo teer waren en in de warme hand gauw verwelkten, in te verzamelen. - -Toen ze genoeg andere bloemen naar haar zin had, ging ze er met -stralende oogen op af. Die viooltjes, dat zou nu net wat moois -zijn voor Juffrouw's tuintje! Heel kort bij den steel zou zij ze -afplukken en dan, afgewisseld met gouden knoopjes uit Moeder's perk, op -stukjes mos steken. Dat zou 't tapijt vormen, waar Juffrouw overheen -moest loopen, als ze op Pinkstermorgen naar de kerk ging. Langs -de kanten kwamen dan nog mooie figuren van scheerlinggroen en -zwaardleliebladeren; die hadden ze in den tuin. Moeder had haar -verteld, dat ze er die vroeger ook altijd voor gebruikt had. Met -meidoornbloempjes wou Thedje de hoeken opvullen. - -Toen ze op den hoogen wal stond en door 't groen naar beneden keek, wou -'t haar evenwel voorkomen, dat er toch niet zooveel viooltjes waren, -als ze gemeend had. - -Voorzichtig liet ze zich van den steilen kant zakken en hield zich -daarbij aan de takken vast. - -Daar dook op eens 't ronde, borstelige hoofd van Volkert Visser uit -de struiken langs het drassige benedenpaadje op. - -Thedje schrikte geweldig. Volkert Visser was zoo'n ruwe, plagerige -jongen;--ze mochten hem op school geen van allen lijden--de grooten, -omdat hij zoo dikwijls spelbederver was en de kleintjes, omdat hij -hen graag aan 't schrikken maakte. Zoo lieten allen Volkert maar -'t liefst aan zijn lot over. - -Thedje's Moeder zei wel eens, dat de kinderen eigenlijk medelijden met -hem moesten hebben, want thuis had de jongen 't ook niet plezierig: -zijn ouders had hij nooit gekend en de Oom, bij wien hij in huis -woonde, was een norsche, onverschillige man, die zich weinig aan hem -gelegen liet liggen. Zij zou 't daarom wat goed gevonden hebben, als -Thedje den jongen eens mee naar huis had genomen, maar daartoe was -'t kind nooit te bewegen geweest. Thedje was bang voor Volkert Visser -en nu was daar in 't laatst nog iets anders bijgekomen, waardoor ze -nog meer hekel aan hem had gekregen. - -Volkert zat in dezelfde klas als zij. In de eerste dagen, toen de -nieuwe juffrouw er was, had Volkert heel onaardig en stout gedaan om -haar te plagen, maar de juffrouw was er niet boos om geworden. Even -vriendelijk was ze tegen den stouten jongen gebleven als tegen de -andere kinderen. Alleen had ze hem op zekeren middag, toen hij 't heel -bont had gemaakt, na schooltijd even laten blijven en sedert dien tijd -had ze niet de minste moeite meer met hem gehad. Juffrouw en Volkert -waren nu de beste maatjes, dat kon ieder kind zien. Als er wat prettigs -in de klas te doen was: boeken uitdeelen of schriften ophalen, mocht -Volkert 't altijd doen en hij deed 't graag. Zie je, dàt kon Thedje -nu maar niet velen, dat Juffrouw, tegen wie ze allemaal zoo hoog -opkeken, zoo vriendelijk was tegen dien naren Volkert, die heel niet -meetelde.... Thedje was jaloersch op hem en geen klein beetje ook!-- - -Wat deed Volkert daar nu tusschen de viooltjes? - -Thedje behoefde er zich niet lang op te bedenken om 't antwoord op die -vraag te vinden; zóó als ze hem gezien had, was 't haar door 't hoofd -gevlogen: Volkert wil óók een Pinkstertuintje voor Juffrouw maken -en daarvoor steelt hij mijn viooltjes, jazeker, Thedje's viooltjes, -want zij had ze al ontdekt, toen ze nog maar eventjes te zien waren. - -Thedje's anders zoo vriendelijke kijkers stonden nu heel boos en ze -had een rimpel boven haar neusje. Krampachtig hield ze haar schort -met de bloemen, die ze aan den walkant geplukt had, vast; 't mandje -was haar zooeven, door den schrik, ontgleden en langs den steilen kant -gebuiteld. 't Lag beneden, maar Thedje durfde 't niet te halen. Volkert -had haar nu in 't oog gekregen; dreigend zwaaide hij met een stok. - -"Wil je 's gauw maken dat je weg komt; je hebt hier niets te -zoeken. Vooruit, ga je haast, of ik zal je--" Hij werkte zich door -de struiken heen, haar kant op.-- - -Overhaast nam Thedje de vlucht; ze was angstig, boos, bedroefd, -alles tegelijk, maar de boosheid kreeg de overhand. Ze had 't nog -juist met een glimp gezien, hoe daar op een uitgespreiden zakdoek -een hoop afgeplukte viooltjes lagen.--Nare Volkert!-- - -Er was een uitdagende, koppige trek op haar gezichtje, toen ze met -haar bloemenschat thuiskwam. - -Moeder had al een emmer water in den kelder klaar gezet om er de -bloemen, den nacht over, in frisch te houden, en Vader bracht ze er -voor haar heen. Thedje had niet veel te vertellen. Vader en Moeder -meenden, dat 't kind moe was van den drukken middag. Ze moest nu maar -dadelijk haar avondboterham eten en dan vlug naar bed. Morgen zou -'t extra vroeg dag voor haar wezen. 't Was een oud gebruik, dat de -kinderen op den eersten Pinksterdag al voor dag en dauw in de weer -waren om voor hun huis een Pinkstertuintje te maken. Soms werd dat een -met zorg uitgevoerd kunstwerkje, soms ook, waar kleine, ongeoefende -handjes bezig waren, moest men meer op den goeden wil zien dan op -'t resultaat, maar toch, als tegen kerktijd alles klaar was, leverde -'t geheel van die als mozaïek te zamen gevoegde bloemtapijten een -eigenaardig, feestelijk gezicht op, en de kerkgangers, die bij 't -eerste klokgelui uit hun huizen kwamen, wezen er elkaar glimlachend op. - -Thedje was wel een van de vroegsten op dezen heerlijken, lichten -Pinkstermorgen, maar haar gezichtje stond niet helder en vroolijk, -zooals 't op een feestdag behoort. Met saamgeknepen lippen en gefronste -wenkbrauwen spoedde zij zich met een groot deel van haar bloemen voort -naar de stille straat, waar Juffrouw woonde. Hoe verder zij kwam, -des te harder liep zij. Tot elken prijs wou ze Volkert vóór zijn; al -had ze nu geen viooltjes, toch zou ze wel maken, dat Juffrouw een mooi -Pinkstertuintje kreeg; er kwamen nu maar wat meer gouden knoopjes in, -dat stond vroolijk: gouden knoopjes met Pinksterbloemen en meidoorn aan -de hoeken!--Wat zou Volkert op zijn neus kijken, als hij straks kwam -en zag, dat hij een vergeefsche reis had gemaakt met zijn viooltjes! - -Nu lachte Thedje even. Maar 't was geen blijde, gulle lach en haar -gezichtje werd er niet door verhelderd. Ze had zin om Juffrouw's -tuintje zoo mooi mogelijk te maken, maar nu niet zoozeer om Juffrouw -plezier te doen, dan wel om Volkert Visser verdrietig te maken. - -Als je zulke leelijke, zwarte gedachten in je hart hebt, staat dat -ook op je gezicht te lezen; daarom zag Thedje er zoo donker uit op -dezen feestdag. - -De straat, waar Juffrouw woonde, lag stil en verlaten. Er was nog -geen enkel Pinkstertuintje in gemaakt. - -Geen enkel?--Ja toch, één, voor een van de laatste huizen--was 't -soms dat, waar de oude schoenmakersvrouw woonde, bij wie Juffrouw -kamers had? - -'t Hart klopte Thedje in de keel. Ze kon haast niet voort--toch wou -ze er gauw heen om te zien of 't werkelijk zoo was. - -Ja--ze had zich niet vergist--er was een tuintje gemaakt, vlak -voor Juffrouw's venster, een heel mooi tuintje, van boterbloemen en -viooltjes--o, zoo'n massa viooltjes! Allen waren ze zorgvuldig op -stukjes mos gestoken en frisch met water besprenkeld.-- - -Tranen van spijt sprongen Thedje in de oogen. Toen werd haar -blik donkerder; ze gooide haar eigen bloemen neer, ging op de -knieën liggen en begon de dichtstbijzijnde viooltjes uit 't mos te -peuteren. Achteloos wierp zij ze aan den kant, de kleine van den -steel geplukte viooltjes, die haar verwijtend schenen aan te zien en -te vragen: "Thedje, waarom behandel je ons zóó?--Je houdt toch anders -zooveel van ons!"-- - -Nog maar pas was Thedje aan haar vernielingswerk begonnen, toen -'t gordijn opgehaald en 't venster opengeschoven werd. - -"Goedenmorgen Thedje!" zoo klonk Juffrouw's stem vroolijk: "Een -gezegend en gelukkig Pinksterfeest! Wacht, ik kom even bij je!"-- - -Nog voordat Thedje van den schrik bekomen was, had Juffrouw de voordeur -al open gedaan en stond voor haar. - -Thedje lag nog op haar knieën, erg verlegen, en dit werd er niet -beter op, toen Juffrouw zich bukte om haar een kus te geven en daarbij -zei, dat ze den laatsten tijd veel aan Pinkstertuintjes gedacht had, -maar zich niet had kunnen voorstellen zelf nog eens zoo'n mooi te -zullen krijgen. - -Thedje zag vuurrood; ze liet 't hoofd hangen en speelde met de -weggeworpen viooltjes. - -Maar toen Juffrouw voortging het tuintje te bewonderen en nog eens zei, -dat ze 't toch zoo lief van haar vond zooveel moeite voor haar gedaan -te hebben, kon Thedje's eerlijk hartje 't niet langer uithouden. Ze -barstte in snikken uit en vertelde Juffrouw alles. - -Dat was een droevig begin van den feestdag voor Thedje en ook voor -Juffrouw. Zulke leelijke gedachten en voornemens had Thedje gehad en -Juffrouw meende nog wel, dat 't er bij Thedje even licht en vroolijk -van binnen uitzag als bij haar zelf!-- - -Dacht Thedje dan zóó 't Pinksterfeest te kunnen tegengaan, 't feest -van Gods Heiligen Geest, die de harten van de groote menschen, maar -evengoed die van de kinderen wil verblijden en verlichten en van -liefde wil vervullen----? - -Thedje schudde 't hoofd, toen Juffrouw haar dit zoo ernstig vroeg. - -Daarop gingen ze naar binnen en hier, op Juffrouw's kamer, hoorde -Thedje van een jongen, die door iedereen achteruit werd gezet en -daardoor onverschillig leek, ofschoon hij toch evengoed behoefte aan -hartelijkheid had als een ander kind. Mocht Thedje nu zoo jaloersch -op hem wezen, Thedje, die thuis door Vader en Moeder omringd werd door -liefde? Mocht zij 't hem misgunnen, dat Juffrouw ook van hem hield en -'t hem misschien wat meer toonde, omdat hij niemand anders had die -hem liefde bewees? - -Thedje's tranen vloeiden rijkelijker, maar 't was nu als 't ware een -mild regenbuitje na een onweer, dat ontspant en goed doet.-- - -O, ze voelde nu wel, hoe leelijk die jaloezie was geweest en ze had -er zoo'n spijt van,-- - -Gelukkig toch, dat Juffrouw zoo gauw gekomen was! Nu kon 't tuintje -met een klein beetje moeite weer in orde gebracht worden en Volkert -zou 't nooit behoeven te weten. - -Samen met Juffrouw ging ze naar buiten om de losse viooltjes weer -op het mos te steken en dit te schikken, zooals 't gelegen had. Ze -zei niets bij dit werkje--gedurig vielen er nog tranen op de kleine -viooltjes. - -Toen 't klaar was, wou Thedje stilletjes met haar eigen bloemen -weggaan, maar Juffrouw riep haar terug. "Hadt je die niet voor mij -meegebracht?" vroeg ze vriendelijk en wees naar de gouden knoopjes, -de Pinksterbloemen en de meidoorntakken in Thedje's schort. "Ik wil ze -dolgraag van je hebben om mijn kamer feestelijk te maken--dan zal 't -net zijn of ik twee Pinkstertuintjes heb, één buiten en één binnen!"-- - -Toen brak de zon weer door bij Thedje. Haar oogen schitterden, terwijl -ze Juffrouw de bloemen letterlijk in de armen duwde. Dat Juffrouw ze -tòch nog hebben wou en niet boos was, deed Thedje's hartje opspringen -van blijdschap. Ze had er behoefte aan Juffrouw nu ook nog een plezier -te doen, een heel groot plezier!--Op haar teenen ging Thedje staan -om 't Juffrouw in te fluisteren: "Volkert mag wel 's bij ons thuis -komen--Moeder heeft 't ook al gezegd--en ik zal niet meer jaloersch op -hem wezen, ook niet als Vader en Moeder lief voor hem zijn en--en--'t -volgend jaar mag hij weer uw Pinkstertuintje maken."-- - -"Neen," zei deze, "dan weet ik nog wat beters: dan doen jullie -het samen.--Maar zoover zijn we nu nog niet. Eerst willen we dit -Pinksterfeest blij vieren--ik geloof wel, dat we 't nu kunnen----is -'t niet, Thedje?" - -Thedje knikte; haar gezichtje straalde--ze begreep wel, hoe Juffrouw -'t bedoelde; ja, nù kon ze ook blij en vroolijk wezen op 't feest, -want de leelijke gedachten waren weg en ook in haar hartje was 't -licht en vredig geworden. - - - - - - - -DE KLEINE HOUTSNIJDER. - - -Fani was een droomer, die altijd aan andere dingen dacht dan aan zijn -werk, een treuzel, en--een bangerd. Wil je 't wel gelooven, dat hij 's -avonds niet onder de dennen achter hun huisje durfde te loopen, omdat -'t dan zoo vreemd ruischte en zuchtte, hoog in de slanke toppen? Dat -deed de wind natuurlijk en dit wist Fani ook wel en toch--was hij bang. - -Moeder zei, dat het van de sprookjes kwam. Je moet weten, dat zijn -Vader eens een sprookjesboek voor hem uit de stad had meegebracht -en sedert hij dat had gelezen droomde Fani meer dan ooit, ook op -klaarlichten dag als hij goed wakker was. - -Hij dacht aan niets anders dan aan dwergjes, toovenaars en feeën en -wat het malste was, hij was er vast van overtuigd, dat hij ze nog eens -zou zien ook, in 't bosch of in de bergen. Alles wat in de sprookjes -stond, was echt waar voor hem. - -Toen hij dit eens aan Toni, den geitenhoeder, vertelde, lachte die -hem hartelijk uit, en zei, dat hij van zijn leven nog geen dwergjes -had gezien en als ze er waren, moesten ze toch zeker daarboven in de -rotsen huizen, waar hij zoo vaak met zijn geiten was. - -Na dien tijd sprak Fani er maar nooit meer met hem over en met -Moeder niet en met niemand, want hij wou niet uitgelachen worden, -maar 't sprookjesboek stopte hij weg op 't zoldertje, waar hij sliep, -in de kist onder zijn Zondagsche kleeren, en 's morgens vroeg, voordat -Peter en Franzli, zijn kleine broertjes, wakker waren, las hij er in. - -Al was Fani de oudste, toch had Moeder weinig aan hem bij haar werk, -en ze kon toch zoo best wat hulp gebruiken als ze zoo dagen achtereen -met de kinderen alleen was. Fani's Vader was koopman; hij reisde met -zijn marsje op den rug overal in den omtrek heen waar kermis was. De -menschen kochten wat graag de aardige snuisterijtjes, die hij uit -hout wist te snijden, vooral zijn dierfiguurtjes waren zoo mooi en -natuurlijk alsof ze leefden. Houtsnijden, dat was anders wel iets, -waarin Fani ook plezier had, maar Vader, die 't hem zou leeren, was -zoo ongeduldig geworden, omdat Fani eerst maar niet den slag beet had -kunnen krijgen van de koeien, geiten en herten, die hij altijd maakte. - -Fani had zoo dolgraag eens een dwergje willen probeeren, maar toen de -diertjes telkens mislukt waren en er van al zijn knutselen en knoeien -toch niets was terechtgekomen, was Vader boos geworden en had gezegd, -dat Fani, als hij geen diertjes kon leeren snijden, er dan maar liever -heelemaal mee moest uitscheiden; zoo'n droomer zou het toch tot niets -brengen! Later moest hij maar houthakker boven in de bosschen worden, -dat was zwaar werk en daarbij zou hij dat droomen en treuzelen wel -afleeren. - -Zoo had Vader gesproken en Moeder had met een zucht gezegd, dat -Vader wel gelijk had. Toen kreeg Fani dus geen les in 't houtsnijden -meer, maar voor zichzelf bleef hij zich oefenen, 's winters ieder -vrij oogenblikje na schooltijd op 't zoldertje of in 't schuurtje, -zoo lang het licht was, en 's zomers buiten op een stil plekje bij -'t beekje. Hij probeerde niets anders te maken dan de dwergjes en -toovenaars en feeën uit zijn sprookjesboek en knutselde op zijn eentje -zonder dat iemand er iets van wist of zag, net zoo lang, totdat 't hem -beter gelukte en zijn dwergjes eindelijk net zoo goed uitvielen als de -diertjes, die Vader maakte.--Maar hij durfde er thuis toch niet over -te spreken of ze te laten zien, omdat Vader toen zoo boos was geweest, -en stopte al wat hij maakte onder in de kist bij 't sprookjesboek. - -Zoo kwam Juni in 't land, de tijd van de kermissen en jaarmarkten, -en daar Vader al een heele poos ziek was, moest Fani er met het marsje -op uit. - -'t Eerst was het groote dorp, dat verder het dal in lag, aan -de beurt. Dit was nu niet zoo ver weg of Fani kon 's avonds weer -thuiskomen. Alleen zoo'n eind door 't bosch te loopen was niets voor -hem, maar gelukkig, 't beekje hield hem gezelschap. 't Kabbelde -zoo vroolijk alsof het met hem babbelde en toen Fani dorst kreeg, -gaf het hem heerlijk frisch water te drinken. - -'t Was al middag, toen Fani in het dorp kwam. De kermis was er -in vollen gang; 't plein stond vol kramen en tenten; muzikanten -toeterden en bliezen, kooplui schreeuwden om 't hardst hun waren uit -en kinderen sloegen de trom of bliezen op goedkoope mondharmonica's uit -de speelgoedkraam tegenover het logement. 't Was een leven van belang. - -Fani, die uit het stille bosch kwam, werd er beduusd van. Hij stond -het met groote oogen aan te kijken uit een verborgen hoek bij de -speelgoedkraam, waar leege kisten waren opgestapeld, en vergat -heelemaal, dat hij ook wat te koop had. Maar al had Fani er ook aan -gedacht, hij zou toch nooit als die andere kooplui hebben durven doen. - -Nu lette niemand op hem, totdat een paar opgeschoten jongens, die -dicht bij zijn hoekje aan 't vechten waren, tegen hem aanbonsden en -hem op den grond gooiden. Het marsje kiepte om en de mooie diertjes, -die Vader met zooveel zorg had ingepakt, rolden naar alle kanten -heen. Toen Fani weer op de been was en het zag, begon hij hard te -schreien. Een vriendelijke vrouw hielp hem ze weer op te rapen en -er kwamen nog meer menschen bij, die ook hielpen. Gelukkig waren -er slechts een paar stukjes beschadigd en die kocht een heer uit -'t logement aan den overkant hem dadelijk af. 't Kleine meisje, dat -bij hem behoorde, had zoo'n medelijden met den schreienden jongen en -hield niet op of Fani moest bij Papa en haar onder de waranda komen -zitten om een glas melk voor den schrik te drinken. - -Fani wist niet wat hem overkwam, toen hij daar wat deftig aan een -tafeltje zat te kijken naar het bont gewoel op het plein, waar hij -zoo straks nog midden in had gestaan. - -Margo'tje, zoo heette zijn nieuw vriendinnetje, beduidde hem, dat hij -maar flink moest toetasten van de broodjes met vleesch, die haar Papa -ook nog voor hem had laten komen. Beduidde? Ja, want Margo'tje was -een Hollandsch meisje, dat wel al met haar Papa alleen op reis was, -maar toch nog niets dan Hollandsch sprak, en Fani kon natuurlijk geen -Hollandsch verstaan, evenmin als zij Fani's taal kon begrijpen. Met -elkaar praten ging dus niet. Maar gelukkig kon Margo'tjes Papa wel -met Fani spreken. - -'t Was vreemd, Fani, die altijd zoo verlegen was, durfde nu best zijn -woord te doen tegen den vreemden heer; of 't kwam doordat deze hem -zoo vriendelijk aankeek en niet ongeduldig werd over zijn langzame -manier van praten? - -Fani vertelde van Vader, die ziek was, en de beestjes gemaakt -had, vertelde ook hoe naar hij 't op de kermis met al die drukte -vond. Onderwijl bekeek Margo'tje de koeien, geiten en herten, en -sommige, die ze heel mooi vond, zette ze uit 't marsje op de tafel. - -Fani had er geen erg in, zoo was hij aan 't vertellen. - -Op eens gaf Margo een gilletje. - -"O, Pa, kijk eens wat leuke dwergjes! Kijk toch eens!"--Ze hield -een van Fani's knutselwerkjes omhoog, die hij met 't sprookjesboek -heel onder in 't marsje had gestopt, omdat hij bang was dat Peter of -Franzli ze in zijn kist zouden vinden, terwijl hij weg was. - -"Kijk toch eens, hoe aardig!--En o, hier is een toovenaar, die kinderen -laat dansen!" - -Fani werd eerst vuurrood van schrik en toen wit. "Nee, die hooren er -niet bij, die zijn van mij!" riep hij haastig en wou ze haar afnemen, -maar Margo'tjes Papa had nu de figuurtjes al in zijn hand. - -Fani had wel van schaamte in den grond willen kruipen. Wat mocht -die vriendelijke mijnheer wel van hem denken, dat hij zulk knoeiwerk -tusschen Vader's mooie diertjes in had gestopt! - -Maar Mijnheer zei niets, hij keek er naar en zag toen Fani lang aan, -die hoe langer hoe meer verlegen, stotterend uitlegde hoe ze in het -marsje waren verzeild. - -Toen Margo'tjes Papa de figuurtjes weer op 't tafeltje zette, wou -Fani ze maar gauw in 't marsje pakken, heel onderin, dan zag niemand -die prullen meer, maar neen, dat mocht niet. Mijnheer vroeg hem of -hij ze wou verkoopen en verbeeld je, toen Fani half ongeloovig van -"ja" knikte, kreeg hij er evenveel voor als voor Vader's mooiste -beestjes!--'t Gezicht van den jongen straalde van blijdschap. - -Hij kon 't maar niet begrijpen; nu zou hij haast zelf denken, dat hij -droomde, of dat die mijnheer een toovenaar was en misschien straks -'t geld weer zou wegtooveren, maar neen, hoor, 't was geen droomgeld, -'t was echt en 't bleef stil in zijn hand liggen ook! - -Laat in den middag ging er een heel andere Fani de kermis af dan de -Fani, die er op was gekomen. Deze deed niet verlegen of schuw, neen, -hij hield zijn hoofd flink rechtop en hij keek zoo blij, zoo blij!--Nu -hielp hij Vader en Moeder toch, nu was hij geen droomer meer, die niets -kon! De vriendelijke, vreemde mijnheer had beloofd over een dag of wat -bij Vader en Moeder te zullen komen om over Fani te spreken en als -'t mocht van thuis,--nu, dàt zou wel--dan zou die mijnheer er voor -zorgen, dat Fani op een school kwam om echt mooi houtsnijden te leeren. - -Daar zou hij bepaald ook wel dwergjes mogen maken en alles, alles -uit het sprookjesboek. En als hij 't dan heel goed kon, dan, ja, -'t was nog een geheim, een groot geheim, maar Fani kon 't toch niet -laten het vast aan 't beekje te vertellen,--dàn zou hij een extra -mooie groep dwergjes maken en die aan 't kleine, Hollandsche meisje -sturen, want als zij niet zoo vriendelijk voor hem was geweest, zou -'t allemaal bepaald niet zoo zijn geloopen! - - - - - - - -EDDIE'S BOODSCHAP. - - -"Eddie, kan je straks eens vlug een boodschap voor me doen bij Boer -Jansen?" vroeg Vader op een ochtend aan 't ontbijt aan zijn oudsten -jongen. - -"Ik wel, Vader!" "Toe, laat mij 't doen," riepen Fritsje en Broer, -maar Eddie zei: "Nee, ik zal 't wel doen; ik kan veel harder loopen -dan jullie, omdat mijn beenen zooveel langer zijn." - -De kleine broertjes keken naar hun korte, dikke beentjes en toen naar -de lange, dunne van Eddie; ja, ze waren wel erg lang en wat kon Eddie -er hard mee loopen! - -Fritsje en Broer peuzelden nu stilletjes hun boterhammen op, terwijl -Eddie luisterde naar zijn boodschap, die wel gemakkelijk te onthouden -was; hij moest alleen maar aan Boer Jansen zeggen: "Compliment van -Vader en of u maar wilt laten brengen, waarover Vader met u heeft -gesproken." - -"Koolplantjes voor den tuin zeker, hè Vader?" vroeg Eddie, die altijd -alles heel precies wou weten. - -"Dat kan je niet schelen; breng jij de boodschap maar net zoo over -als ik je voorgezegd heb en denk er om, mijn jongen, er is haast bij, -hoor. Je moet vóór schooltijd gaan en maken, dat je er al vóór half -negen bent. Vooral niet tot twaalf uur wachten." - -Eddie beloofde het en daar Boer Jansen een eindje buiten 't dorp -woonde, mocht hij ook wat vroeger van huis gaan dan anders. Vader -bracht hem tot 't hek en zei nog eens, dat hij onderweg niet mocht -treuzelen. - -Eddie beweerde, dat hij er wel om denken zou. Hij zwaaide vroolijk -met zijn pet tegen Moeder en de kleine broertjes, die voor 't raam -stonden, zei Vader goedendag en schoot toen als een pijl uit den boog -weg, den kant uit, waar Boer Jansen woonde. - -Eerst dacht Eddie aan niets anders dan aan zijn boodschap, die hij -gedurig bij zichzelf opzei, maar toen hij 't weiland overstak en daar -zijn vriendje Kees zag met zijn bok, vergat hij heelemaal dat hij -haast had en liep naar Kees toe, om den Sik te bewonderen. Hè, Eddie -wou altijd zoo dolgraag een bok hebben,--en dit was zoo'n aardig, mooi -dier! Kees wist weer allerlei grappige dingen van Sik te vertellen, -die zoo slim was--als een mensch, zei Kees, en Eddie luisterde er -graag naar. Hij ging bij zijn vriendje in 't gras zitten, speelde -met Sik, die nu eens net deed alsof hij stooten wou en dan weer in -Eddie's zak snuffelde in de hoop dat er een stukje brood in zou wezen, -en--dacht niet meer aan Boer Jansen. - -Daar kwam de groote broer van Kees aan: "Toe jongen, moet je niet -naar school? Op mijn horloge is 't al bijna kwart; ga maar gauw, -ik zal Sik wel thuisbrengen," riep hij al uit de verte. - -"Naar school?"--Eddie keek alsof hij gedroomd had en nu pas wakker -was geworden. Ja, natuurlijk, hij moest óók naar school, net zoo goed -als Kees, en--en--wat moest hij ook nog meer?-- - -"Kom Ed, als we niet gauw gaan, zullen we nog te laat komen," riep -Kees, die al overeind was gesprongen en 't touw van Sik aan zijn -broer had gegeven. Maar Eddie, die nu opeens aan zijn boodschap dacht, -schudde van neen. - -Hoe had hij toch zóó kunnen vergeten wat Vader zei en er was nog wel -haast bij geweest! Eddie schaamde zich vreeselijk. Wat hadden zijn -lange beenen hem gegeven? 't Eenige wat hij doen kon om 't goed te -maken, was: nu nog zoo gauw mogelijk naar Boer Jansen loopen. - -"Ga jij maar," zei hij tegen zijn vriendje, "ik moet nog voor Vader -een boodschap doen, bij Jansen." - -"Doe 't om twaalf uur," ried Kees aan; "als je nù nog gaat, kom je -zeker te laat op school." - -Even draalde Eddie. Hij was zoo'n secuur baasje. Nog nooit was hij -te laat geweest. Wat zou Meneer wel zeggen als 't hem nù overkwam? - -"Toe dan," zei Kees weer, "ga nu mee; als je te laat komt, moet je -schoolblijven om twaalf uur; dan kan je niet mee roovertje spelen en -je zou nog wel de hoofdman zijn!" - -Hè, roovertje spelen op 't plein voor de school en hoofdman zijn! Eddie -was vreeselijk graag de baas over de andere jongens; als hij nu geen -hoofdman kon zijn, zouden ze een ander kiezen, misschien wel Piet -van Dam, en morgen zou Piet dan ook weer hoofdman willen wezen. Zou -die boodschap eigenlijk niet evengoed om twaalf uur kunnen gedaan -worden? 't Was toch zeker maar wat voor den tuin! - -Eddie keek Kees na, die al een eindje op weg was. Bijna had hij de -boodschap gelaten voor wat ze was om Kees te volgen; toen dacht hij -er aan, dat hij Vader toch beloofd had niet tot twaalf uur te wachten, -maar nog voor schooltijd naar Boer Jansen te gaan. Hij keerde zich dus -om en draafde zoo hard hij draven kon naar de boerderij van Jansen. Wat -was 't nog een eind en wat werd Eddie warm, maar hij stond toch geen -oogenblikje stil om uit te blazen; hij liep en liep, totdat hij bij -'t bruggetje was, waar je overheen moest als je naar de boerderij -wilde gaan. De boer kwam juist het erf af met twee mooie bokken aan -een touw, die nog veel grooter waren en veel glanziger huid hadden -dan de Sik van Kees. - -Eddie keek wel begeerig naar de dieren, maar vergat er nu toch zijn -boodschap niet door. Boer Jansen lachte even toen hij hoorde wat -Eddie van Vader moest zeggen. - -"Nu, dat is wèl op 't nippertje; omdat er om half negen nog geen -boodschap was, zooals we afgesproken hadden, dacht ik, dat Vader van -den koop af zag en wou ze nu aan een ander brengen, die ze ook graag -wou hebben. Maar nu gaat Vader natuurlijk voor. Zeg dus maar thuis, -dat 't in orde is, hoor; ik zal ze meegeven als Teunis straks met -koolplanten naar jullie toegaat!" Meteen draaide de boer zich om met -de beide Sikken, alsof nu zijn wandeling niet meer noodig was. Wat -het toch was, dat Boer Jansen straks aan Vader zou laten brengen, -had Eddie wel graag willen vragen, maar hij durfde niet goed. Hij -dacht heel eventjes aan iets, maar nee, dat zou te heerlijk zijn; -nee, daaraan wou hij niet eens denken, maar of Eddie nu wou of niet, -hij moest er toch telkens aan denken, onderweg en ook op school, waar -hij wezenlijk nog op tijd aankwam. 't Horloge van den grooten broer -van Kees was zeker vóór geweest. En toen hij om twaalf uur nog gauw -even, voordat ze roovertje gingen spelen, naar huis liep om eens te -kijken, zag Eddie dat, wat hij haast niet had durven denken, heerlijke -zekerheid was: in 't schuurtje stonden de twee prachtige bokken van -Boer Jansen en Vader, die ze met Moeder en de beide broertjes aan -'t bewonderen was, zei toen Eddie er bij kwam, dat de Sikken nu van -hun drietjes zouden zijn. Fritsje en Broer juichten van plezier, -maar Eddie stond er stilletjes bij, net alsof hij er geen schik -in had. Dat kwam, omdat hij bedacht hoe weinig het gescheeld had, -dat deze groote verrassing van Vader door zijn schuld hun deur was -voorbijgegaan, maar, toen hij Vader en Moeder alles verteld had en -zijn hartje dus weer ruim en prettig voelde, ja, toen was hij even -blij als Fritsje en Broer;--even blij?--neen, zelfs nog blijder! - - - - - - - -GELLA'S PEET - - -Heel ver hier vandaan, daar, waar toentertijd uitgestrekte, -woeste streken waren met onafzienbare, heuvelachtige heidevelden en -geheimzinnig donkere, kwalijk riekende moerassen, woonde de herder -Mangold met zijn vrouw en zijn dochtertje Gella. - -'t Was in den goeden, ouden tijd, toen ieder kind, behalve één of -twee Grootmoeders en verscheidene Tantes, ook nog een Petemoei bezat, -voor wie 't heel veel respect had. Wat Vader of Moeder niet gedaan -konden krijgen, had Petemoei in een oogenblik bewerkt, vooral als, -zooals hier bij Gella 't geval was, de Peet niet maar een gewone -Petemoei, maar een fee, ja, ja, een heusche, wijze fee was, die diep -in de hartjes der kinderen kon kijken. - -Als je van feeën leest, denk je altijd aan slanke, teere, jeugdige -wezentjes. Gella's Petemoei echter zou je op 't eerste gezicht -niet voor een fee houden. Zij had zich vermomd in de gedaante van -een gezellige, kleine, gezette, oude dame met een vroolijk gezicht, -dat omlijst werd door mooie, witte krullen. Ja, ze had evengoed een -grootmoeder kunnen zijn. - -Gella hield veel van haar Petemoei. 't Was een feest voor haar, als -zij eens in de herderswoning kwam. Dit gebeurde echter hoogstens één -keer per jaar, zoo om en bij Gella's jaardag. - -Nog grooter feest was 't voor ons meisje, als zij met Vader of met -Moeder, haar Petemoei mocht bezoeken. De oude dame woonde in een mooi, -klein kasteeltje, ver, ver weg in 't heuvelland. Je kunt dus wel -begrijpen, dat Gella maar niet zoo eventjes naar haar toe kon gaan, -als zij er zin in had. - -Ja, jullie zijn verstandig en kunnen 't best begrijpen, maar Gella kon -'t niet of--wilde 't niet inzien. - -Zoo'n eigenzinnig, eigenwijs ding heb je zeker nog maar weinig -ontmoet. Zij wist alles beter dan Vader en Moeder en vond den door -haarzelf gekozen weg altijd de beste. - -Op zekeren voorjaarsdag had Gella er op eens grooten zin in naar haar -Petemoei te gaan om haar de sneeuwklokjes te brengen en de kleine, -blauwe viooltjes, die ze in haar tuintje had gekweekt. Maar ze moest -nog een week geduld hebben, vond Moeder; dan zou Vader, die nu met -zijn schapen dieper 't vlakke land in was getrokken, weer dichter -bij huis zijn en zoo zou Moeder, die huis en hof niet graag alleen -achter liet, met haar mee kunnen gaan. - -Wachten en geduld hebben waren woorden, die niet in Gella's boekje -stonden. Zij pruttelde en pruilde en--besloot haar zin door te drijven, -toch te gaan--alleen. - -Toen Moeder in den stal bezig was, sloop ze stil naar buiten, plukte -haar bloempjes, deed ze in een mandje en begaf zich op weg. - -'t Was een heerlijk zonnige lentedag. Een klein, wit Wolkje zweefde -langs den diep-blauwen hemel, die zich over 't golvende heideland -welfde. Het Voorjaarskoeltje streek langs Gella heen en stuwde 't -witte Wolkje op. - -Beide, 't Koeltje en 't Wolkje, waren dienaren van de fee, moet -je weten. Zij hadden haar al verteld, dat Gella op haar eentje in -aantocht was. - -Hiervan wist 't kleine, eigenzinnige meisje natuurlijk niets. Ze -stapte vroolijk voort en zong om 't hardst met den Leeuwerik, die -hoog, hoog de lucht in schoot en eindelijk nog slechts een klein, -klein stipje was in de blauwe, onmetelijke ruimte. - -Gella had geen moeite met 't vinden van den weg en was daar niet -weinig trotsch op, want 't was de eerste maal, dat zij dezen tocht -alleen deed. Eerst volgde ze 't langzaam stijgende, smalle pad door -heidekruid en bremstruiken en toen dit plotseling dood liep, zette ze -haar weg voort, nu eens klimmend, dan weer dalend, over de heuvels, -zonder zich één oogenblik te behoeven te bedenken--zóó zeker was ze -van haar zaak. - -Arme, kleine Gella, ze had 't eens moeten weten, dat 't Koeltje haar -op Petemoei's bevel zachtjes, maar gestadig voortstuwde in de goede -richting, dat 't witte Wolkje, waarnaar ze telkens keek, haar den weg -aanduidde en bovendien, ze had 't eens moeten zien, hoe haar goede -Petemoei voor één der vensters van haar kasteeltje zat te lachen, -te lachen om die kleine, domme Gella, die zoo wijs meende te zijn. - -Maar na een poosje werd Petemoei ernstig en schudde 't hoofd. Zou -Gella zóó voortgaan, dan zou ze opgroeien tot een onverdragelijk, -eigenwijs, onbruikbaar mensch. - ---Hé, wat was dat? Gella keek op. Was 't de Leeuwerik die -zong? Òf dat kleine, kleine Vogeltje, dat ginds opvloog uit 't -heidekruid?--Duidelijk hoorde ze 't met een fijn, zacht stemmetje op -zoetvloeiende wijs: - - - "Al wie zijn eigen weg wil gaan, - ziet dwaallicht vaak voor sterren aan-- - en, gaat hij op dat schijnsel door, - dan raakt hij licht van 't rechte spoor."-- - - -Gella bleef stil staan om te luisteren en toen ze even later haar weg -vervolgde, kende zij 't versje uit 't hoofd. Een paar maal zei ze 't -bij zichzelf op en daarna zong zij het, zonder evenwel veel aandacht -aan den zin der woorden te schenken.-- - -Zonder ongevallen bereikte ze 't verblijf der goede fee. - -Plotseling had zij 't vóór zich gezien, 't mooie, sierlijke kasteeltje -met zijn slanke torentjes. Haar Petemoei stond nu op 't terras en -wuifde haar toe. Wat was Gella blij! Zij hield haar mandje omhoog en -streek haar haren glad, want het speelsche Windje had 't haar voor -afscheid nog een beetje door elkaar geschud. 't Witte Wolkje scheen -eenigszins spottend op haar neer te zien: 't had zich vervormd tot -een lachend gezicht. - -Druk babbelend zat Gella weldra naast Petemoei in het groote, -vroolijke, lichte torenvertrek, waarin de zonnestralen ongehinderd -konden binnendringen. Petemoei hield van licht. Alles moest maar -goed openbaar worden. Voor 't licht kon zich niets, wat verkeerd was, -verbergen. Zoo maakte ze 't ook met al haar petekinderen, van wie Gella -er eentje was. Zij had er nog verscheidene meer. Misschien vertel ik -jullie later nog wel eens van hen, maar nu is Gella 't hoofdpersoontje. - -De wijze, goede fee keek 't kind aan met een blik, waarin louter -zonnetjes lichtten. Ze zag haar tot in 't hartje.-- - -Gella snapte onderwijl maar door, vertelde van haar wandeling en liet -vooral uitkomen, hoe knap ze alleen den weg had weten te vinden. Van -haar stil wegloopen verzweeg ze en ook van 't gezang, dat ze had -gehoord.--Maar 't moest toch aan 't licht komen--op eens werd ze -verlegen voor Petemoei's blik tot diep in haar hartje en stotterde -juist 't geen ze niet had willen vertellen. - -Petemoei schudde 't hoofd. Toen liet ze Gella 't gehoorde versje -opzeggen. - -Kende Gella 't nog wel? - -O ja, dat ging als van een leien dakje. - -"Onthoud 't goed, kind en handel er naar. Zeg 't nog eens op en denk -er dan bij na."-- - -Petemoei keek Gella onafgewend, ernstig, aan. Toen moest 't kind -langzaam nog eens die regels uitspreken.-- - -Hierna werd de goede, oude dame evenwel weer vroolijk, deed spelletjes -met Gella, trakteerde haar, zong en lachte--o, 't was een heerlijk -dagje voor Gella! - -Je hebt natuurlijk al lang begrepen, dat de goede fee Gella's Moeder -niet al dien tijd in onrust had laten zitten! Neen, deze had al -dadelijk een geruststellend bericht gekregen--er stonden Petemoei -zooveel vlugge dienaren ter vervoeging, die haar orders snel en prompt -uitvoerden! Dat was dus wel in orde!-- - -Tegen dat de schemering begon te vallen, zond de wijze fee haar -petekind weer weg. Zij kuste haar hartelijk tot afscheid, bedankte -haar nogmaals voor de bloemen en--zei toen iets, dat Gella van schaamte -deed blozen. - -"Eigenlijk moest ik boos op je zijn, omdat je zonder toestemming van -Moeder hier bent gekomen."-- - -"Ik dacht," zoo stotterde 't eigenwijsje, "ik dacht, dat u 't niet -erg vondt, omdat u zoo vroolijk aldoor was en--en--omdat ik toch zelf -den weg zoo mooi heb gevonden. Ik dacht, dat u nu ook vondt, dat ik er -groot genoeg voor was; ik wist den weg eigenlijk beter dan Moeder, want -die heeft zich den laatsten keer nog gedurig moeten bedenken, hoe we -verder moesten en met Vader zijn we eens een heel eind omgeloopen."-- - -Er klonk een toon van zelfbewustzijn in door.-- - -De goede, oude dame, die volstrekt niet boos kon zijn--ze probeerde -'t wel eens, maar 't ging haar nooit natuurlijk af--'t paste zoo -heelemaal niet bij haar--trok Gella even aan 't oor--heel zacht -maar--en gaf haar een tikje op den schouder. - -"Zal je 't versje niet vergeten, kind?--Ik zal je nu iemand meegeven, -om je thuis te brengen, want als de zon daalt, ziet het er buiten -heel anders uit, dan wanneer zij met haar vriendelijk licht alles -verheldert en doordringt." - -"O neen, dat behoeft niet; dank u wel," zei Gella parmantig. "De weg -terug is nog veel gemakkelijker te vinden dan de weg hierheen. 't Is -heelemaal niet noodig." - -Maar Petemoei wenkte haar dienaar Schaduw en deze vergezelde 't meisje -zonder dat zij 't bemerkte.-- - -De avond daalde vlugger dan Gella 't zich zooeven had kunnen -voorstellen. Petemoei had wel gelijk gehad: Wat zag alles er buiten -nu anders uit dan vanmorgen in 't ochtendlicht! Donkere vlerken -schenen zich over de aarde te ontvouwen--'t was stil, doodstil -op de heuvels. Soms drongen van ver-af vreemde, wilde kreten tot -Gella door--zeker werden ze uitgestooten door nachtvogels, die op -buit aasden. - -Gella huiverde en stapte haastig voort. Had zij ook spijt zich zoo -parmantig van geleide te hebben afgemaakt?--Neen, o neen, zij was heel -zeker van den weg en niet bang ook, welneen!--Maar toch--haar hartje -klopte sneller en van tijd tot tijd keek zij met angstige oogen rond. - -Nu was zij ver van de bewoonde wereld in de groote eenzaamheid der -golvende heidelanden.--Ha! Gella haalde verruimd adem. Ginds groette -haar een lichtschijnsel, vertrouwd en bekend--een sterretje in de -donkerheid en ginds nog een en nog een en dan die groote, fonkelende, -dat was de ster, die juist boven hun huisje stond. Hoe menigmaal had -Vader haar die aangewezen!-- - -Dan was zij dus toch een eindje uit de juiste richting gekomen--dien -kant moest zij op en niet dezen.-- - -Vol vertrouwen ging Gella op de ster af.-- - -Werd zij zachtjes aan den arm getrokken? - -Ja--Schaduw deed 't, de trouwe dienaar van de goede fee. Gella zag -hem niet en liep onverstoord door--nu op een drafje, want ze kreeg -op eens erg verlangen naar huis en naar Moeder.-- - -Hoe verder zij kwam, des te onbehagelijker werd 't haar echter te -moede; zij wist zelf niet, wat er aan mankeerde. De lucht, anders zoo -frisch en zuiver, scheen nare, benauwde dampen met zich te voeren.--'t -Ademhalen werd haar moeilijk--toch liep zij voort. Ginds wenkte -ster bij ster--steeds meer lichtjes zag zij tintelen. 't Was zeker -gezichtsbedrog, maar zij geleken wel uit den grond op te komen. 't -Kwam bepaald, doordat de grond zoo heuvelachtig was, dacht Gella, -die het steeds meer te kwaad kreeg met de kwalijkriekende dampen, -welke de atmosfeer verontreinigden. - -Een onheilspellende, donkere, geheimzinnig aandoende massa strekte -zich tot aan den gezichtseinder uit--scheen naderbij te komen--en -die lichtjes, die lichtjes.-- - -Weer had Schaduw haar waarschuwend aan den arm getrokken. Gella stond -even stil. 't Was alsof zij zich iets herinnerde. Wat was 't toch?-- - -Zij dacht aan haar tocht vanmorgen door 't in lentezon lachende -landschap,--aan den vroolijken Leeuwerik, 't Voorjaarskoeltje, 't witte -Wolkje--en--aan 't lied op die zangerige melodie, dat ze gehoord had!-- - -Nù was 't stil, angstig stil--geen lied drong tot haar door.-- - -Wat had Petemoei ook weer gezegd bij 't afscheid? - -"Zal je 't versje niet vergeten, kind?"--Gella meende haar stem nog -te hooren, zoo vriendelijk bezorgd, zoo dringend.-- - -Welk versje?--Wel, dat van vanmorgen--dat de Leeuwerik gezongen had. Of -had deze 't niet gedaan? Was 't dat kleine vogeltje geweest? Gella -wist 't niet, maar wèl wist zij, hoe de woorden van 't lied geklonken -hadden. Heel, heel duidelijk vernam zij ze op dit oogenblik aan -haar oor: - - - "Al wie zijn eigen weg wil gaan, - ziet dwaallicht vaak voor sterren aan-- - en, gaat hij op dat schijnsel door, - dan raakt hij licht van 't rechte spoor!"-- - - -Hoe juist van pas kwam deze waarschuwing 't eigenwijze, op eigen -kracht en inzicht vertrouwende kind!-- - -Gella slaakte een kreet. Nù wist zij het--nu wist zij het, ginds -strekten zich de verraderlijke moerassen voor haar uit, die met hun -dwaallichten zoo menigen reiziger van den rechten weg hadden gelokt -om hem straks reddeloos te doen omkomen.-- - -Hoe menigmaal had Vader er over gesproken, er voor gewaarschuwd!-- - -Maar--als van dien kant dus verderf lokte--de benauwde dampen werden -zoo dicht, dat ze haar reeds dreigden te bedwelmen, waar moest zij -dàn heen? Waar lag haar thuis? - -De flinke Gella, die zelf alles 't beste wist, veel beter dan Vader -en Moeder, en de hulp van Petemoei zelfbewust had afgewezen, stond -daar nu echt, als 't kleine meisje, dat ze feitelijk was, troosteloos -en verlaten, geen raad wetend!-- - -Arme Gella! Maar ook gelukkige Gella, want nù pas, nu ze in zichzelf -hulpeloos was en klein, kon ze waarlijk geholpen worden. Nù voelde -ze haar machteloosheid van dit oogenblik niet alleen, maar ook haar -ongehoorzaamheid, haar zelfoverschatting van dezen ochtend en van -zoo menigen dag eerder.-- - -De trouwe Schaduw was op zijn post en volgens de bevelen zijner -meesteres nam hij Gella nu aan de hand en voerde 't geheel van streek -zijnde kind, dat zijn leiding ternauwernood bespeurde, veilig en -zeker naar huis. - - - -Van dien dag af werd Gella een ander persoontje. Bij haar eerstvolgend -bezoek overtuigde haar Petemoei er zich tot haar vreugde van. - -Nooit echter vergat Gella, hoe oud ze ook werd, 't lied, dat voor -haar zoo beslissend was geweest. - - - - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - - Tòch een goed begin 5 - Alleen! 18 - Tafels kijken 28 - Geen bangerd 39 - De oude noteboom 45 - Weer goed gemaakt 54 - De kersen 65 - Van twee paar pantoffeltjes en nog wat 78 - Juffrouw's Pinkstertuintje 91 - De kleine houtsnijder 103 - Eddie's boodschap 112 - Gella's Peet 118 - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Zie titelplaat. - -[2] Zie plaatje omslag. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Verteluurtje, by -Alberdina Hermanna Schlüter and J. Wiegman - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERTELUURTJE *** - -***** This file should be named 51345-0.txt or 51345-0.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/1/3/4/51345/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
