summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/51345-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/51345-0.txt')
-rw-r--r--old/51345-0.txt3645
1 files changed, 0 insertions, 3645 deletions
diff --git a/old/51345-0.txt b/old/51345-0.txt
deleted file mode 100644
index e9a964b..0000000
--- a/old/51345-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,3645 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Verteluurtje, by
-Alberdina Hermanna Schlüter and J. Wiegman
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Verteluurtje
-
-Author: Alberdina Hermanna Schlüter
- J. Wiegman
-
-Release Date: March 3, 2016 [EBook #51345]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERTELUURTJE ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- VERTELUURTJE
-
- DOOR HERMANNA.
-
- GEÏLLUSTREERD DOOR JAN WIEGMAN.
-
-
- H. MEULENHOFF--AMSTERDAM--1921.
-
-
-
-
-
-
-
-TÒCH EEN GOED BEGIN!
-
-
-Ben van Straten was de gelukkige eigenaar van een nieuwe prikslee; wàt
-'n mooie was het! Zijn Vader, die timmermansknecht was, had 'm zelf in
-zijn vrije uren gemaakt en Jaap, Ben's groote broer, had 'm een verfje
-gegeven: lichtgroen, met een smal, geel biesje; vroolijk stond dat.
-
-Niemand blijder dan Ben! Als de andere jongens nu weer op den
-Heuvelweg gingen sleden, kon hij echt meedoen; heisa, zijn slee
-was zóó licht, die zou alle anderen vooruitschieten, dat wist hij
-zeker. Verleden jaar had hij er ook gesleed, ja, maar op een paar
-aan elkaar gebonden planken. Pret had hij toen ook wel gehad, maar
-'t was toch niet het rechte geweest--als hij dan andere jongens op
-"heusche" sleetjes naar beneden had zien glijden, had hij toch een
-onvoldaan gevoel gekregen.--Nu zouden ze jaloersch op hèm zijn,
-hem om zijn mooie, nieuwe slee benijden, vooral Piet van den bakker,
-die had altijd zoo'n praats!
-
-De slee was er nu wel, maar de sneeuw--die liet dit jaar lang op
-zich wachten. De Kerstvacantie was bijna om en nog steeds was er geen
-sneeuw gevallen.
-
-Thuis begonnen ze er Ben al mee te plagen. 't Was elken morgen, zoo
-gauw hij zijn oogen opendeed, zijn eerste vraag: "heeft 't vannacht
-gesneeuwd?"
-
-"Ja", zei Jaap op een ochtend voor de grap.
-
-Ben kwam met een schreeuw van blijdschap overeind en vloog op zijn
-bloote voeten naar 't venster van hun zolderkamertje.
-
-Gesneeuwd?--Flauwe Jaap!--Geregend had het;--bah, kletsnat en vuil
-grauw zag 't er buiten uit.--
-
-Toen was Ben kwaad op Jaap; den heelen dag gaf hij hem geen goed woord.
-
-Maar eindelijk gebeurde 't dan toch, wat Ben zoo vurig wenschte.
-
-Op Oudejaarsmorgen hingen de wolken zwaar en laag en tegen twaalven
-vielen de eerste donzen veertjes zachtjes, heel zachtjes, naar beneden.
-
-"Als 't nu maar doorzet," zei Ben angstig; hij drukte zijn neus tegen
-de ruiten en stond dan op eens weer buiten, om met zijn hoofd in den
-nek naar boven te turen, naar de grijze, zooveel belovende wolken.
-
-Langzaam, langzaam dwarrelden de vlokken, maar "echt sneeuwen" kon
-je dit nog niet noemen, volgens Ben.
-
-"Als 't maar blijft liggen!"--dit was zijn grootste zorg. Hij vroeg
-er ieders meening over en hoorde, zooals 't gewoonlijk gaat, veel
-tegenstrijdigs.
-
-"'t Dooit in éénen weg," zei buurman, die een goeden blik op 't weer
-heette te hebben.
-
-"De wind waait uit den verkeerden hoek", beweerde Jaap met een
-bedenkelijk gezicht; "modderpap wordt 't en anders niks."
-
-"Vannacht komt er stellig een flink pak bij," zei Vader, toen hij voor
-'t middagmaal thuiskwam.
-
-"Op 't plaatsje ligt al een wit laagje," vertelde Moeder hoopvol.
-
-Ben, heen en weer geslingerd tusschen vrees en hoop, hield het
-ten slotte met Vader en Moeder; die zouden 't wel 't beste weten,
-dacht hij.
-
-Toen 's avonds de Oudejaarsklokken luidden, was 't witte laagje al een
-witte laag geworden. Ben juichte, toen hij zag, dat Vader de groote,
-ouderwetsche paraplu klaar zette voor den kerkgang.
-
-"Daar kunnen we alle drie onder," zei Vader; "Jaap moet dan z'n kraag
-maar omhoog zetten."
-
-Op den heenweg kon de paraplu dicht blijven, wat Ben erg speet,
-maar teruggaande troffen ze een hevige sneeuwbui.
-
-"Heerlijk voor de slee," riep Ben en telkens moest hij even onder
-'t beschuttende dak uitkijken om te zien, hoe hard 't wel sneeuwde.
-
-Dien nacht droomde hij natuurlijk van sneeuw en nog eens sneeuw en
-toen hij op Nieuwjaarsmorgen wakker werd, vroeg hij niet: "heeft
-'t gesneeuwd?" maar: "ligt er een flink pak?"
-
-"Nee", zei Jaap, knorrig omdat hij wou uitslapen en Ben hem stoorde,
-maar Ben was al bij 't raam en riep hard: "ja!--je weet er niks van,
-Jaap, een hoop ligt er--jongens fijn! En 't sneeuwt niet meer en de
-zon schijnt zoo mooi! Wat zal 't nou op den Heuvelweg leuk zijn!"
-
-Hij schoot in de kleeren, gunde zich haast niet den tijd Vader en
-Moeder Nieuwjaar te wenschen, en propte zijn boterhammen er in,
-zoo'n haast had hij om weg te komen.
-
-Vader lachte; hij had er schik in. "Laat 'm maar," zei hij
-vergoelijkend tegen Moeder, "de jongen heeft er zoo lang op
-gevlast"--en toen tegen Ben: "voorzichtig aan, hoor en veel plezier;
-gebruik je slee maar goed!"
-
-"Nou," riep Ben, al bij de deur, "dat zal ik wel,"--en hij zette 't
-op een loopen, terwijl hij de mooie, nieuwe slee aan een touw meetrok.
-
-Op den Heuvelweg waren al verscheidene jongens en meisjes, die Ben
-kende. Vol trots baande hij zich een doortocht.
-
-"Kijk 's, wat een mooie slee!" hoorde hij hier en daar fluisteren,
-en dan keek hij expres onverschillig, alsof 't hem niet aanging,
-terwijl toch zijn hart harder bonsde van plezier.
-
-Toen 't op sleden aan kwam, was Ben den anderen telkens vooruit,
-den hellenden weg af, juist zooals hij 't verwacht had; zijn slee
-was rank en licht, daar kon geen enkele andere tegen aan. Hij klom
-al weer naar boven, terwijl de anderen pas beneden aankwamen. Ben
-werd er druk en overmoedig van.
-
-Piet van den rijken bakker, die altijd gewend was alles 't best
-en 't mooist te hebben, keek afgunstig naar de groene slee met de
-gele biesjes. De zijne was ook pas nieuw, maar liep lang zoo vlug
-niet. Gemelijk rukte hij zijn slee op de baan.
-
-"Uit den weg," waarschuwde Ben, die juist met een troep naar beneden
-gleed en Piet moest wel uitwijken, waarbij hij in de dikke, hoog
-opgestuwde sneeuw aan den kant van den weg belandde.
-
-Of Piet ook boos was!--Hij keek om zich heen en zocht naar een
-voorwerp om er zijn woede op te koelen, daar Ben al weer ver buiten
-zijn bereik was.
-
-Een kleine, armelijk gekleede jongen bracht juist een wrak
-Sunlight-zeep-kistje op de baan, waar een bleek kereltje van een jaar
-of vier in zat.
-
-"Je mag hier alleen maar met sleden komen," zei Piet dadelijk uit de
-hoogte. "We hebben er geen zin in onze baan te laten bederven. Allo,
-maak dat je wegkomt--" en hij gaf een schop tegen het kistje.
-
-"Zeg, laat dat," riep de oudste, terwijl hij beschermend voor zijn
-broertje ging staan, maar Piet, die grooter en steviger was, pakte hem
-beet en gooide hem in de sneeuw. Ruw trok hij toen 't geïmproviseerde
-sleetje naar den kant; er kraakte wat, maar Piet was er de jongen
-niet naar om voorzichtig met andermans goed te zijn. Met zijn stevige
-laarzen gaf hij 't kistje nog een schop en sprong daarop in zijn
-eigen slee, die nu ongehinderd den weg af kon glijden.
-
-Toen Ben vroolijk en opgewonden van de pret weer boven kwam met zijn
-licht sleetje achter zich aan, zag hij 't zielige groepje staan. Hij
-kende de jongens wel: 't waren Dirk en zijn kreupele broertje Hein,
-kinderen van een arme weduwe, die in 't slopje, achter bij hen in de
-straat woonde.
-
-Dirk lag op zijn kniëen bij 't wrakke, krakerige kistje en bekeek
-'t met een bedenkelijk gezicht.
-
-"Nee Heintje, 't gaat niet, jô; als 'k nou alleen was zou ik het
-'r misschien op wagen, maar met jou doe 'k het vast niet. Huil maar
-niet, der is toch niks aan te doen."
-
-"Is 't kapot?" vroeg Ben meewarig.
-
-Dirk kwam overeind.--"Nou, wel zoo wat," zei hij met een wijs knikje;
-"'k zal zien dat 'k der Hein nog in thuis krijg, maar dan kan Moeder
-'m wel onder den waschketel stoppen: brandhout is 't, anders niks."
-
-Op 't hooren van dit vonnis over zijn dierbare sleetje begon Heintje
-luidkeels te schreeuwen; de tranen biggelden over zijn bolbleeke
-gezichtje.
-
-"Piet dêe het," vertelde Dirk vertrouwelijk aan Ben; "zoo'n leelijke
-aap, wat hoefde die der zich mee te bemoeien, we leien 'm ommers niks
-in den weg?--Hein het al zoo dukkels 's morgens as tie wakker werd,
-gevraagd, of ter sneeuw lag, omdat ik 'm beloofd had dat we dan zouën
-sleeën--en nou--nou het ie der niks niemendal an.--Kom, we mosten maar
-naar huis gaan, naar Moeder. Wat hei je der an om hier te kleumen;
-we zouen ook niet zoo lang uitblijven, want Moeder wou naar de kerk
-en dan mot ik op de kleintjes passen."
-
-"Ikke wou eerst slee-ee-ën," snikte Heintje, "nog niet naar huis
-toe, Dirk!"
-
-Ben keek naar 't kapotte kistje, toen naar zijn eigen
-spiksplinternieuwe slee--hè, hij werd er warm van.--Wat zei Dirk ook
-weer?--Hein had zoo naar sneeuw verlangd, zoo vaak 's morgens bij
-'t wakker worden al gevraagd, of er sneeuw lag-- --net als hij--ja,
-en nou lag er sneeuw en kreupele Heintje had er niks aan.
-
-Ben veegde met zijn mouw langs zijn gezicht, hij zag
-vuurrood.--"Zeg,"--klonk 't op eens, "zeg Dirk, zet 'm maar in
-de mijne."
-
-"Meen je dàt?" Dirk keek ongeloovig.
-
-"Ja, waarom niet? vooruit, ik zal 'm wel vasthouden, til jij Hein er
-dan in.----Zoo, en nou ga je maar op de baan en als je 'm op gang hebt,
-spring je der zelf maar bij in.--Zeg jô, als je Piet ziet, dan kan je
-'m lekker een langen neus maken!" Ben lachte, want dat gunde hij Piet
-nu eens echt.
-
-Bovenaan op de baan was 't een duwen en dringen van belang. Een oude
-heer van een der omliggende villa's stond te midden van een troep
-jongens hard te spreken. Ben kwam nieuwsgierig dichterbij; zijn slee
-zat nog vast, de jongens hielden 'm tegen. "Gelijk afglijden," werd
-er geroepen.
-
-"Als ik "drie" heb gezegd, dan gaan jullie," sprak de oude heer,
-"en wie 't eerst beneden is, krijgt een mooi mes van me; jij bent
-scheidsrechter," zei hij tegen een grooten jongen; "als de wind naar
-beneden en goed opletten of 't geregeld toegaat."
-
-Meteen werden de sleden in postuur gezet; Ben's slee ook. Dirk wou
-er weer afgaan en Ben roepen, maar de oude heer duwde hem op zijn
-plaats terug.
-
-"Neen, neen, wie in de slee is, blijft er in; niet weer omruilen."
-
-"Een, twee, drie!" klonk 't en de sleden gleden af. Ben had een
-wonderlijk gevoel, toen hij daar aan den kant van den weg zijn slee
-stond na te zien, die nu, zonder hem, meedeed aan een wedstrijd. Een
-prop schoot hem in de keel. Wat leuk zou 't geweest zijn zelf de slee
-te besturen, zelf de glorie van de overwinning te hebben, want Ben
-twijfelde er niet aan of zijn slee zou 't winnen.--Kijk, hij was den
-anderen al vooruit!--Hè, Piet voorbij te stuiven--dat zou me wat zijn
-geweest!--En dat nou Dirk en Hein dat plezier hadden, Dirk en Hein,
-voor wie een gewoon toertje in z'n slee al een heel pretje zou zijn
-geweest!--De tranen sprongen Ben in de oogen.--Als hij dat vooruit
-geweten had!--
-
-Een oorverdoovend lawaai onder aan den Heuvelweg. Ben ging op zijn
-teenen staan, spande zich in om te kijken. Ja hoor, 't was wel net
-zooals hij gedacht had, zijn slee had 't gewonnen.
-
-Daar kwamen ze weer aan, hijgend en stoeiend.-- --Dirk een eind achter
-de anderen aan, moeielijk zeulend met de slee, waarin Heintje zat.
-
-"Dat hei je der nou van," sarde Piet, toen hij langs Ben kwam,
-"die bedeljoggies gaan met 't mes strijken. Kijk 's, hij huilt der
-om! Zoo'n spijt het ie."
-
-"Dat 's nietis!" riep Ben driftig uit, "'k heb der geen spijt van!" en
-werkelijk was op dit oogenblik 't gevoel van spijt geheel bij hem
-verdwenen.--"'k Vind jou een nare jongen; een windbuil ben je, nou
-weet je 't--wat hoefde je hun slee stuk te maken?"
-
-"Dat ouwe kistje?" spotte Piet smalend.
-
-"Piet is kwaad, omdat ie 't zou gewonnen hebben, als die groene slee
-met de gele biesjes er niet was geweest," lachte de groote jongen,
-die scheidsrechter was. "Waar blijft de overwinnaar?"
-
-Terwijl Ben 't voor zijn beschermelingen opnam en Piet aanvloog,
-bracht de groote jongen Dirk en zijn broertje bij den ouden heer, om
-'t mes in ontvangst te nemen.
-
-Ben en Piet vochten als kemphanen, met als toeschouwers een
-kring belangstellende jongens er om heen, die hen met luide kreten
-aanhitsten.--Eindelijk vond Ben, die door zijn grootere behendigheid
-Piet de baas bleef, het welletjes; hij liet den ander los en deze
-droop af.--Ben streek zich 't haar uit 't gezicht; hij had een buil op
-'t voorhoofd en zijn pak was gescheurd. Deze ontdekking ontnuchterde
-hem wel wat. Landerig baande hij zich een weg door de jongens.
-
-"Hier," zei de scheidsrechter, "hier is je slee en ik moest je nog
-wel bedanken van die kleine jongens. Ze zijn met hun eigen equipage
-weggegaan, terwijl jij aan 't bakkeleien was," en hij lachte om
-zijn aardigheid.
-
-"'n Mooie equipage, zeg, 'n oud zeepkistje," meesmuilde een ander,
-er op ingaande.
-
-Ben zei niets en ging naar huis. Hij trok zijn slee achter zich
-aan, alsof 't een stuk lood was.--Moeder zou wel brommen, het was
-zijn tusschenpak: verleden jaar nog had hij 't voor den Zondag
-gedragen. Moeder was zelf zoo vreeselijk zuinig en precies op de
-kleeren--ja, dáár zou stellig wat op zitten! Misschien mocht hij wel
-nooit meer op den Heuvelweg gaan sleden!
-
-Hoe dichter Ben bij huis kwam, des te langzamer sjokte hij voort.
-
-Maar in 't begin van zijn straat stond Dirk, Dirk met een stralend
-gezicht; 't mooie mes hield hij in de hand.
-
-"Zeg Ben, 'k heb der bij je thuis al alles van verteld en je Moeder
-zei, dat ik 't je zelvers mocht geven.--Hier--"en hij stak hem 't
-mes toe. "Dat 's eerlijk van jou."
-
-Ben stribbelde eerst wat tegen, maar moest het ten slotte toch
-aannemen. "Wij hebben al zooveul pret der van gehad, dat wij
-'t wonnen!" riep hij glunder. "Je hadt Heintje 's motten hooren,
-toen we Piet voorbij vlogen--man, 't was zoo leuk!" En zijn ouwelijk
-gezichtje stond bepaald oolijk, nu hij hieraan terugdacht.
-
-Ben was wel blij met 't mes, maar--'t gescheurde pak, zie je, en de
-mogelijke gevolgen.----Dirk liep met hem op.--"Je Moeder zal der wel
-niet kwaad om wezen," zei hij opbeurend, "ze weet al, dat je met Piet
-gevochten hebt om ons."
-
-"Ja?" Ben keek hem weifelend aan.
-
-Nu waren ze bij de deur. Dirk gaf hem een aanmoedigend duwtje.--"Nou,
-dag hoor!"
-
-"Dag," mompelde Ben werktuigelijk terug en sloop naar binnen.--
-
-
-
-"Wel, Ben," zei Vader, toen 't gezin aan het middagmaal weer vereenigd
-was, "hoe heb je het gehad, jongen? Zonder tuimeling is het niet
-gegaan, zie ik"--hij wees naar de buil--"en heeft de slee zich goed
-gehouden?"
-
-"Ja Vader," antwoordde Ben, die weer een heel pak aan had, en hij
-keek wat verlegen. Moeder had daarnet niet veel gezegd; hij geloofde
-wel niet, dat ze erg boos was, maar toch----hij kon er niet goed
-wijs uit worden en hield zich daarom maar wat stil----was in zijn
-schulp gekropen.
-
-"Ze hebben een wedstrijd gehouden en Ben z'n slee heeft het gewonnen,"
-vertelde Moeder.
-
-"Ben z'n slee? Maar dan toch niet zonder Ben?"--Vader keek alsof hij
-er niemendal van begreep.
-
-Ben knikte met een vuurroode kleur. "Maar ik heb den prijs," zei hij
-gauw en liet Vader en Jaap 't mooie mes zien.
-
-Toen vertelde Moeder wat ze van Dirk wist.
-
-Ben zat met voorovergebogen hoofd. Zoo meteen zou Vader 't van het
-gescheurde pak hooren, dacht hij, en dan-- -- -- --
-
-Voordat 't evenwel zoover was, lei Vader hem de hand op den
-schouder. "Dat 's een goed begin geweest, mijn jongen," was al wat hij
-zei, maar iets in zijn stem deed Ben verrast opkijken. Hij ontmoette
-Vaders vriendelijken blik en haalde verruimd en diep adem.
-
-"Een goed begin?" herhaalde Moeder, "maar man--met zóó'n scheur in
-zijn pak kwam hij thuis!"
-
-De toon, waarop Moeder dit zei, moest quasi boos heeten, maar meteen
-knikte ze Ben toe en lachte tegen hem.
-
-Toen pas was Ben er gerust op; hij lachte ook en schoof dicht bij de
-tafel. Gezellig toch zaten ze nou met z'n viertjes!
-
-Of Dirk en Heintje 't ook wel zoo goed zouden hebben als hij?....
-
-"Hij denkt aan wat prettigs," zei Jaap op eens, toen 't een poosje
-stil was geweest, en hij wees naar zijn broertje.
-
-Ben lachte weer. Jaap had 't wel goed gezien,-- --hij dacht net bij
-zichzelf, dat hij Dirk en Hein morgen eens met zijn slee zou afhalen,
-als 't tenminste vannacht niet allemaal wegdooide, en wat ongerust
-vroeg hij aan Vader of deze dacht, dat de sneeuw nog zou blijven
-liggen.
-
-"Ik denk 't wel," was 't antwoord.
-
-"Gelukkig," en Ben knikte tevreden; meer zei hij er niet over.--Jaap
-kwam dus niet te weten, wat dat prettige was, waaraan Ben zoo
-stilletjes bij zichzelf had zitten denken; daar hoefde je vooruit
-niet over te praten, vond Ben.
-
-
-
-
-
-
-
-ALLEEN!
-
-
-"Die vervelende Piet stoot aldoor aan de tafel; ik kan nooit 's prettig
-kleuren," riep Annie met een zeurig stemmetje uit. "Hè, Moeder, kijk nu
-eens, zoo'n leelijke groene veeg op de jurk van 't boerinnetje! Daarnet
-stootte hij ook zoo, net toen ik met de appeltjes bezig was; toen
-zijn er allemaal roode halen over 't papier gekomen.--Nare jongen!"
-
-"Annie kan ook niets velen," pruttelde Piet, in antwoord op Moeders
-vermaning van wat stiller te zitten en hij liet zich van zijn stoel
-glijden. In een wip had Annie haar penseel neergelegd en stond ook
-op den grond. "Waar ga je naar toe?" vroeg ze haastig en volgde haar
-broertje met de oogen.
-
-"O neen, Piet, niet naar het speelhoekje; daar mag je niet komen." Zij
-vloog er ook heen en ging met uitgespreide armen voor haar poppen,
-ledikantje en wagentje staan.
-
-"Ik mag best mijn bal krijgen," zei Piet; "is 't niet Moeder?"
-
-"Natuurlijk; Piet heeft evenveel recht op 't speelhoekje als jij,
-Annie!"
-
-"Hij rommelt altijd in mijn poppenhuisje; ik kan nooit 's leuk met de
-poppen spelen, of hij wil meedoen en dan brengt hij alles in de war,"
-klaagde Annie. "Toe Piet, ga weg!"
-
-"Neen, ik wil hier ook spelen."
-
-"Dat 's niks mooi gekleurd," klonk 't bij de tafel. Daar stond Arnold,
-die in de vensterbank had zitten lezen. "Dat hondje moet je bruin
-met wit maken! Wacht, ik zal 't eens netjes voor je doen!"
-
-"Moeder!"--Annie gilde 't uit. "Moeder, zegt u toch eens, dat de
-jongens uitscheiden! Ik kan nooit 's prettig spelen; ze plagen
-me altijd!"
-
-"Dat 's ook wat, ik je plagen? Ik wil je juist helpen!"
-
-Annie stampvoette. "Blijf van mijn kleurboek af!"
-
-"Foei Annie," zei Moeder, "wat ben je weer stout. Wat zal Tante Mies
-wel zeggen? Tante komt er juist aan!"
-
-Annie stond mokkend in een hoekje, toen Tante Mies binnenkwam. Tante
-vroeg maar niet, wat er aan scheelde; ze begreep 't wel, want 't was
-vandaag niet voor den eersten keer, dat Annie zulke kuurtjes vertoonde.
-
-Moeder en Tante Mies wisselden een blik van verstandhouding.
-
-Later, toen 't heele troepje in den tuin was, praatten Moeder en
-Tante lang met elkaar. "Zoo flauw," pruttelde Annie, die altijd
-erg nieuwsgierig was, "waarom nou in 't Fransch, waar we niets van
-begrijpen?"--
-
-Met 't jongste broertje, Kees, gaf 't bij den zandhoop warempel al
-weer gescharrel. Annie kon niet verdragen, dat de kleine jongen een
-van haar vormpjes pakte. Al gebruikte ze 't zelf ook niet op dit
-oogenblik, Kees mocht 't tòch niet hebben.
-
-Geen wonder, dat Kees begon te schreien; Annie rukte 't hem zoo ruw
-uit de hand. Toen kwam Moeder en stuurde Annie naar binnen.--
-
-Den volgenden morgen vond Annie, toen ze beneden kwam, een brief op
-haar bord. Dat was leuk, een brief en ze was toch niet jarig! Hij
-was met drukletters geschreven; Annie kon goed drukletters lezen en
-begon dus maar dadelijk hardop:
-
-
- "Lieve Annie.
-
-
- Ik ben de zuster van Tante Mies en ik kom vragen, of je vandaag
- en morgen en net zooveel daagjes als je maar wilt, prettig bij mij
- komt spelen. Ik heb veel mooi speelgoed, maar geen kindertjes, die
- er mee kunnen spelen. Wil je dus je broertjes ook soms meebrengen,
- of kom je liever alleen? Dag Annie.
-
-
- De zuster van Tante Mies, die je maar
- Tante Bets moet noemen."
-
-
-Annie had een kleur van plezier gekregen. "Wat een leuke brief,
-hè Moeder? Is dat die mevrouw, die we laatst bij Tante Mies gezien
-hebben? Mag ik gaan, Moeder? Maar Moeder, de jongens blijven thuis,
-hè? Woont Tante Bets, zal ik maar zeggen, hier in de stad?"
-
-"Wat een vragen tegelijk," lachte Moeder. "Ik zal de laatste maar 't
-eerst beantwoorden. Neen, Tante Bets woont even buiten de stad op een
-mooie villa; je kunt er met de tram komen. Als je 't prettig vindt,
-mag je gerust een paar daagjes bij Tante Bets logeeren. Ik weet zeker,
-dat je veel van Tante zult houden. Tante Bets is altijd zoo aardig
-met kinderen."
-
-"Maar de jongens blijven thuis," zei Annie nog eens met nadruk. "Ik
-ga veel liever alleen!"
-
-"Waarom, vrouwtje?"
-
-"Wel, ze zijn altijd zoo vervelend en lastig; ik kan nooit 's prettig
-spelen, of ze plagen me. Hè nee, als de jongens mee moeten, vind ik
-er niets aan!"
-
-"Ze moeten volstrekt niet mee," sprak Moeder kalm, "als je 't wilt,
-mogen ze mee--"
-
-"O nee--"
-
-"Dan ga je alleen; afgesproken!--"
-
-Moeder bracht Annie zelf weg. Annie voelde zich erg gewichtig, dat
-ze uit logeeren ging en had thuis aan iedereen verteld, dat ze wel
-een week zou uitblijven.
-
-Toen de tram stil hield voor 't groote huis, dat in een prachtig
-aangelegd park lag, keek Annie wat bedremmeld en greep Moeders hand
-stevig vast.
-
-Maar Tante Bets kwam haar zoo vriendelijk tegemoet en geleek zoo veel
-op Tante Mies, dat Annie's verlegenheid gauw verdwenen was. Moeder
-bleef nog een poosje en mocht zien, waar Annie zou slapen. Ook deed
-Tante Bets even de deur open van de ruime speelkamer, waar zooveel
-moois en aardigs klaar stond!
-
-"Nu, ik zie wel, dat je een leventje als een prinsesje zult hebben,"
-zei Moeder en Annie knikte opgetogen. Ze liet Moeder rustig vertrekken
-en wuifde haar vroolijk toe, totdat de tram uit 't gezicht was
-verdwenen.
-
-"Hè, hier kon je eerst nog 's prettig spelen," dacht Annie, toen ze
-voor de kast vol speelgoed in haar eentje op den grond zat. Geen
-vervelende Piet, die in 't poppenhuis rommelde, geen wijsneuzige
-Arnold, die haar zou bedillen, en geen kleine Kees, die overal aan
-kwam! Hier was niemand, dan zij alleen;--over al dit moois was zij
-nu alleen de baas, had Tante Bets gezegd.
-
-Annie speelde eerst met de poppen, die zoo keurig waren aangekleed,
-alsof ze naar een partijtje moesten. De poppen van Annie hadden
-maar gewone schooljurken aan, dus je kunt begrijpen, hoe Annie deze
-bewonderde. Ze kleedde 't heele troepje voorzichtig uit, lei de
-kinderen te slapen in beeldige ledikantjes achter rose gordijnen en
-kleedde ze toen weer aan. Thuis speelde ze vaak schooltje, met Piet
-er bij, als meester; hij deed wel vervelend en zonder kibbelen ging
-'t nooit maar.... Annie keek eens om zich heen in de ruime, stille
-kamer.... 't was haar hier toch alsof ze wat miste.--
-
-Van de poppen, hoe mooi ze ook waren, had Annie veel gauwer genoeg dan
-thuis. Kwam Tante Bets nu maar 's wat bij haar zitten met haar naai-
-of verstelwerk, zooals Moeder altijd deed! Annie ging wat bladeren
-in de prentenboeken, die op de tafel lagen. Thuis was 't altijd een
-toer om ze uit Arnolds handen te krijgen en als Annie eens een boek
-voor zich alleen had, wou Kees geregeld meekijken. Vervelend was dit,
-hoor! Je was prettig aan 't lezen en wou omslaan, en dan patste Kees
-met zijn handje op 't blad of hield het vast om het plaatje nog 's
-te bekijken. Wat was Annie daar al vaak ongeduldig en boos om geworden!
-
-Nù kon ze heerlijk rustig lezen, net zoo lang als ze maar wou! Ze
-begon aan een aardig verhaaltje, maar toen ze halverwege was, deed ze
-'t boek dicht. 't Was zoo vreeselijk stil in de kamer en door het
-huis was 't óók al zoo stil!
-
-Thuis hoorde je altijd wàt,--deuren open of dichtdoen, fluiten van Piet
-en Arnold, Kees' stemmetje, dat zoo aardig babbelen kon, stommelen op
-de trap van vlugge jongensvoeten.--Hè, zou 't hier altijd zoo stil
-wezen?--Voorzichtig deed Annie de deur open, keek eens in de gang,
-waar een dikke, mollige looper lag;--geen wonder, dat je hier geen
-voetstappen hoorde--thuis op 't zeil was dat heel wat anders.
-
-Als een wezeltje zoo behendig gleed Annie de trap af.
-
-Tante Bets kwam gelukkig juist uit een van de benedenkamers, want
-alleen had Annie geen wijs kunnen worden uit al die deuren.
-
-Samen met Tante ging ze nu naar buiten. Hè, hier was 't heerlijk! Wat
-een mooie bloemperken, en zelfs een fontein ook. Hoog sprong 't
-water op, om dan klaterend met een regen van zilveren droppels neer
-te komen in een bassin, waar goudvisschen zwommen; terwijl ze er
-naar keek, dacht Annie op eens aan Kees. Wat zou hij een schik in de
-goudvischjes hebben! Onwillekeurig zag ze om zich heen, alsof ze hem
-roepen wou.--Hoe dom! Kees was hier immers niet!--
-
-Aan 't eind van den tuin was een stal. Tante Bets deed de deur open
-en bracht Annie bij een bruinen ponnie, die mak en aardig was en
-zelfs kunstjes kon doen. Als Tante hem vroeg om een poot, lichtte
-hij den voorpoot op en hij kon ook een klontje suiker uit Tante's zak
-halen. Wat zouden de jongens dat leuk vinden!--Maar nog mooier werd
-'t, toen Annie op den ponnie mocht rijden! Tante Bets hield haar vast
-en zoo ging het 't geheele park door.
-
-Annie genoot, maar vond 't onderwijl toch jammer, dat Piet en Arnold
-en Kees haar nu niet konden zien. Wat zouden ze voor oogen opzetten:
-Annie zoo deftig op een ponnie!--
-
-Aan tafel was Annie stil. Ze zat daar in een groote, groote kamer, ja,
-je kon wel zeggen: een zaal,--alleen met Tante Bets, voor een tafel
-heerlijke dingen. Tante bediende haar van alles en praatte vroolijk
-en gezellig, maar telkens was 't Annie alsof ze iets miste. Als er
-een feestje thuis was en er kwam dessert op tafel, dan was Annie
-er altijd op uit om gauw met haar oogen de lekkerste stukjes vast
-uit te kiezen. O wee, als één van de jongens dan ook juist zijn
-zin op zoo'n stukje had gezet,--wat kon Annie dàn kwaad zijn! Wat
-had ze dàn vaak gedacht: "hè, ik wou, dat er eens dessert op tafel
-kwam, zonder dat jullie er bij waren." Maar dat gebeurde natuurlijk
-nooit. Zoo iets bijzonders als dessert zou Moeder toch nooit geven,
-als ze niet allemaal present waren!
-
-Nu, hier waren de jongens er dan niet bij; je zoudt dus meenen, dat
-Annie nu wel erg genieten zou. Tante Bets liet Annie zelf de lekkerste
-dingen van de schaaltjes kiezen en had er 't grootste geduld bij. Toch
-was en bleef Annie stil; je kon wel zien, dat ze ondanks dit alles
-niet den rechten schik had.
-
-Na 't eten zou ze wat kleuren.
-
-Tante had een pracht van een verfdoos en mooie, duidelijke platen.
-
-"Hè ja," zei Annie, met iets van opluchting in haar stem,--"kleuren,
-dat 's leuk!"
-
-Vol ijver begon ze; Tante Bets bleef bij haar zitten; dat was
-prettig. Wat zou Annie nu mooi kleuren! Niemand, die aan de tafel
-stootte of haar 't penseel afpakte of wel wijze opmerkingen maakte
-over Annie's werk.
-
-Ja, dàt zou je zoo denken,--maar als je na een minuut of tien over
-Annie's schouder gekeken hadt, zou je gezien hebben, dat er allemaal
-vegen en halen buiten 't lijntje gekomen waren--een boom werd blauw in
-plaats van groen en de bruine verf van 't hek was doorgeloopen, alsof
-'t er op geregend had.--En 't regende nog aldoor: druppelde, druppelde,
-druppel ging 't op de plaat. Dat waren Annie's tranen. Annie schreide
-toch zoo en daardoor kon ze ook niet zien, of ze blauw, dan wel groen
-nam voor den boom.
-
-"Mijn lieve kind, wat scheelt er aan?" vroeg Tante Bets verschrikt,
-toen ze Annie's verdriet gewaar werd.
-
-"'t Is,--'t is hier ook zóó stil;--je hoort hier niets," schreide
-Annie; "ik wou weer naar huis, naar Vader en Moeder, en naar Piet en
-Arnold en--K--Kees!" Met een snik kwam dit laatste er uit.
-
-Tante Bets nam haar op den schoot; ze was gelukkig niets boos; neen,
-ze zei, dat ze 't zich best kon begrijpen. 't Was hier bij haar ook erg
-stil en als je thuis dan ook zulke aardige broertjes hadt als Annie....
-
-"Ja," knikte Annie en stemde 't volmondig toe, dat ze aardige
-broertjes had.
-
-Ze plaagden wel eens of deden wild, vervolgde Tante, maar 't waren
-toch leuke jongens, en 't was heel natuurlijk, dat Annie 't geen
-dagje buiten hen kon stellen.
-
-Toen Tante en Annie 't dus hierover zoo eens waren, konden de tranen
-spoedig gedroogd worden. Samen bedachten ze nu een mooi plannetje en
-toen liet Annie zich zoet naar bed brengen. Ze was nu weer heelemaal
-getroost, maar wel tien keer moest Tante haar nog verzekeren, toen
-ze er al in lag, dat 't heusch zoo zou gebeuren, als ze 't samen
-afgesproken hadden, namelijk dat Tante morgenochtend vroeg Piet, Arnold
-en Kees zou laten halen om met Annie met 't mooie speelgoed te spelen
-en op den ponnie te rijden.--O, die Annie!--'t Alleen-zijn was haar
-dus niets bevallen. Zou je niet denken, dat ze er door geleerd had in
-'t vervolg ook meer van de broertjes te verdragen?--
-
-
-
-
-
-
-
-TAFELS KIJKEN.
-
-
-Als een pijl uit den boog vloog Jo de deur uit. In de lange, rechte
-straat waren de lantarens al opgestoken; de vlammetjes straalden breed
-uit, wazig door den mist, en als je dat lange, rechte eind afkeek,
-schenen ze heel in de verte aan weerskanten van de straat samen te
-komen in één lichtschemering.
-
-Jo's voetstappen daverden door de stille buurt, die aan den uitersten
-kant van de nieuwe stadswijk was gelegen. 't Sloeg al half en om kwart
-voor vijf moest hij op 't Plein zijn. Als hij nu te laat kwam, zou Koo
-Jaspers bepaald zeggen, dat 't kwam doordat hij zoo'n moederskindje
-was, dat alles eerst thuis aan zijn Moeder moest vragen. De andere
-jongens bleven zoo maar na schooltijd rondslenteren op straat,
-maar Jo had Ma eens en voor al moeten beloven dat niet te doen, en
-als een flinke jongen hield hij zijn woord ook. Dan maar liever wat
-harder rennen.
-
-Natuurlijk had Ma 't goedgevonden, dat hij mee ging tafels kijken;
-dit wist Jo wel vooruit, al had Jaspers ook voorspeld, dat hij zeker
-niet zou mogen als hij 't eerst ging vragen.
-
-Jo lachte en voelde eens eventjes in zijn zak naar de twee kwartjes,
-die Ma hem had gegeven. Die mocht hij nu eens net besteden, zooals hij
-wilde, had Ma gezegd. 't Eene werd vast aan iets voor Ma uitgegeven,
-dat stond als een paal boven water, en 't andere zou ook zijn weg
-wel vinden met 't dubbeltje, dat Jo nog van zijn eigen geld had. Met
-vijf-en-dertig cent kan je een boel doen, als je niet in al te dure
-winkels gaat en je tevreden stelt met de gewone aardigheidjes van de
-tafels, zonder in mooie surprises te vervallen.
-
-Hoe meer Jo het oude stadsgedeelte naderde, des te drukker waren de
-straten, welke hij door moest, en des te mooier de uitstallingen der
-winkels. Kijkgragen en koopers verdrongen zich er voor. Vooral de
-speelgoedmagazijnen en de banketbakkerswinkels trokken veel publiek
-door aardige toespelingen op het Sint-Nicolaasfeest. Jo kon 't niet
-laten gedurig even stil te staan om er naar te kijken, hoeveel haast
-hij ook had om op 't Plein te komen. En dan drong hij zich weer met
-de ellebogen door de menigte verder en liep menigen duw en menige
-verwensching op om zijn wildheid.
-
-Met een "hallo" werd Jo begroet. Drie van de vrinden waren er al
-en de vierde kwam even later dan Jo; die was in zijn eentje al een
-boodschap gaan doen.
-
-"Mocht je van je Moesje?" vroeg Koo Jaspers, flauw een lijmerige
-kinderstem nabootsend.
-
-"Natuurlijk," zei Jo kortaf, terwijl hij hem een stomp gaf, die hem
-bijna 't evenwicht deed verliezen. "Zeur nou niet!"
-
-"Jaspers, houd je laffe grappen voor je," riepen de anderen, die Jo,
-den kapitein van hun clubje, niet door zoo'n vervelendheid van Jaspers,
-'t minst in tel zijnde lid nog wel, uit zijn humeur gebracht wilden
-zien. Wat deed 't er ook eigenlijk toe, dat Jo eerst altijd naar huis
-moest om te vragen of hij mocht? Een flauwe, laffe jongen, die niets
-durft en niets kan, was Jo toch heelemaal niet, hoor! Jaspers mocht
-willen, dat hij zoo was als Jo! De jongens waren echt trotsch op den
-aanvoerder van hun club; in de heele klas was er toch maar geen jongen
-zoo in trek als hij! Koo Jaspers moest zich dus maar netjes stilhouden!
-
-Dat brachten ze hem gauw aan zijn verstand en met heel wat minder
-praats liep Jaspers mee met de anderen, de drukste winkelstraat in,
-waar je rechts moest houden en waar je maar voetje voor voetje vooruit
-kon komen, zoo verbazend vol was 't er.
-
-De jongens vonden 't leuk. Telkens stonden ze stil voor de
-uitstallingen.
-
-"Ga jij veel koopen?" vroeg Wim Vaasen aan Jo. "Heb je veel bij je? Ik
-drie dubbeltjes!"
-
-"Ik acht-en-dertig cent, zeg," riep Rudolf Roose.
-
-"En ik een kwartje! Hoeveel jij?"
-
-"Zestig cent," zei Jo, en toen met iets van trots: "Ik heb twee
-kwartjes van Ma gekregen daareven; 'k mag er net mee doen wat ik wil!"
-
-"Nou zeg!" klonk het met onverholen bewondering en Jo groeide er in,
-dat de jongens nu dan toch zagen hoe Ma hem vertrouwde en 't dus
-dáárom niet was, dat hij 't Ma vooruit moest vragen, als hij met de
-jongens uit wilde!
-
-Jo speelde eerst de rijke meneer in de winkels, waar ze de tafels
-gingen kijken. In 't bewustzijn van zijn bezit kon hij moeilijk tot
-een keus komen: de eenvoudige prulletjes als suikeren scharen, mesjes,
-lilliputter-chocola-lettertjes en brokken gebroken borstplaat liet hij
-maar aan de anderen over. Hij was erg lastig bij 't uitzoeken, maar
-'t eind was dan, dat hij toch den winkel weer uitging zonder iets te
-hebben gekocht, behalve in een van de fijnste chocolademagazijnen,
-waar de andere vier eerst niet in wilden, omdat daar toch niets
-van hun gading of liever niets voor hun magere beurzen te vinden
-was;--daar kocht hij een groote, mooie borstplaat voor Ma, in een
-doos, voor een van zijn beide kwartjes. De vrinden stonden intusschen
-op een kluitje bij de deur, die onophoudelijk open en dicht ging om
-dames en kinderen binnen te laten, die dan verdwenen in de groote
-kamer achter den winkel, waar de tafels waren. Buiten stonden een
-paar rijtuigen te wachten; 't gerinkel van de paardebelletjes klonk
-vroolijk en feestelijk, telkens als de deur openging.
-
-De jongens waren blij, toen Jo zijn borstplaat gekocht had. Ze voelden
-zich niet erg op hun gemak in dien deftigen winkel met nuffige,
-kleine meisjes en jongetjes, die er uitzagen als de kleine Lord--zij
-waren beter op streek in de drukte op straat, en zoo gauw ze dan ook
-weer buiten waren, lieten ze hun joligheid den vrijen teugel; arm in
-arm hosten ze zingend door de menigte. Een paar jongens van school,
-die ze voorbij liepen, werden aangehaakt. Frans Walgraver, een jongen
-met een vroolijk, rond gezicht, was dadelijk bereid mee te gaan, maar
-Paul Wezels, een kleine, magere bleekneus, die iets schuws in zijn blik
-had en je zoo onzeker door zijn bril kon aankijken, deed vergeefsche
-pogingen om los te komen uit den greep van Wim en Rudolf. Dit prikkelde
-de opgewonden bende juist om van de grap ernst te gaan maken.
-
-"Stribbel maar niet tegen!" riep Koo Jaspers. "Mee zul je en mee
-moet je, of je wilt of niet. Wij gaan langs de tafels en jij moet
-ons trakteeren!"
-
-"Ja, mannetje, daar kom je niet af," zei Jaap, terwijl hij Paul
-steviger beet pakte. "Weet je wel, dat 't een groote eer voor je is,
-dat je de beroemde club mag onthalen? Kapitein, spreek ook eens een
-woordje mee!"
-
-"In naam der club, je bent onze gevangene," zei Jo zoo barsch
-mogelijk, terwijl hij den hem verwilderd aanzienden Paul meetrok,
-en toen zachtjes: "Kom, jô, ga nou maar even mee, des te eerder laten
-ze je met rust--wat is dat nou--effentjes!"
-
-"Och maar, maar...." stotterde Paultje, die trilde van zenuwachtigheid
-en van koude--"ik, ik kan niet en--en--'k heb geen geld ook!"
-
-"Dat zijn jokkens," gilde Frans. "Je hebt geld in je zak--je hebt me
-daarnet zelf verteld dat je boodschappen ging doen!"
-
-Paul trachtte nog iets in 't midden te brengen, maar er hielp niets
-aan. De vroolijke bende omjoelde hem en maakte zoo'n spektakel,
-dat zijn zwakke stem er geheel onder verloren ging. Sommigen van de
-voorbijgangers keken glimlachend naar dat jongensgedoe, maar anderen,
-meer haastig gebakerd, bromden over zoo'n opstootje in de toch al
-zoo drukke straat en een politieagent, die er voor te zorgen had,
-dat 't verkeer niet gestremd werd, gelastte hun door te loopen. Als
-Paul gehoopt had nu te kunnen ontsnappen, had hij toch buiten den
-waard gerekend! De jongens waren minder dan ooit van plan hun buit te
-laten gaan, nu ze gehoord hadden, dat Paul, ondanks zijn beweren van
-het tegendeel, wèl geld op zak had. Zoo'n schriele, die zich altijd
-maar hield, alsof hij niets had, nooit eens mee kon doen! Zoo'n
-stiekemerd! Dat zouden ze hem nu wel eens betaald zetten! Ook Jo,
-die zelf zoo royaal en openhartig was, had Paul nu met één slag tegen
-zich ingenomen. Jo vond 't maar wat gezond, dat Paultje nu eens op
-zijn nummer werd gezet. Eerst hield hij hem nog vast, maar 't hoefde
-niet meer; Paul begreep, dat hij toch niet tegen Jo's sterke knuisten
-was opgewassen en liep gedwee mee.
-
-"Naar Schoenmakers, jongens!" riep Jo op 't drukke kruispunt, waar
-ze de Markt moesten oversteken. "Daar houden we groote smulpartij en
-Paul speelt voor Sint-Nicolaas!"
-
-Door de drukte raakten de jongens van elkaar en Jo en Paul waren
-den anderen op een gegeven oogenblik een heel eind vooruit, de Markt
-op. Bij de apotheek op den hoek werd hun weg versperd door een reeks
-van rijtuigen. Paul wierp schichtige blikken om zich heen, terwijl
-hij zich aan de vensterbank van de apotheek vastklemde.
-
-"Och Jo," kwam er toen half huilend uit, "laat me nou toch even hier
-binnen gaan--een boodschap voor Moe!"
-
-Jo keek Paul scherp aan bij 't licht, dat uit de apotheek straalde. Was
-dat nu maar een uitvlucht van schrielen Paul om aan het trakteeren
-te ontkomen?
-
-"Denk je, dat 'k dat geloof?"
-
-"Gerust, Jo, 't is waar! Kijk, hier is het recept van den dokter!"
-
-"Is ze dan ziek?" vroeg Jo, terwijl hij snel een blik sloeg op 't
-papiertje, dat Paul uit zijn zak had opgedolven.
-
-"Neen, maar altijd zoo erg moe. Ze moet rust houden, zegt de dokter;
-maar Moe doet 't niet, want ze heeft altijd maar naaiwerk, en dit
-drankje wil ze ook al niet laten klaarmaken, omdat 't zoo'n vreeselijk
-duur middel is--een gulden voor maar zoo'n klein fleschje! Maar ik
-ga 't toch halen voor Moe. 'k Heb daarnet stilletjes 't recept uit
-'t sleutelmandje genomen en een gulden heb ik ook, van mezelf--laatst
-toen 'k jarig was, heeft Oom Arie er een in mijn spaarpot gestopt. En
-nu krijgt Moe 't toch, dan wordt ze weer sterk, want zóó kan 't niet
-langer!" zei Paul, die, aangemoedigd door iets in Jo's gezicht,
-zich liet gaan, zooals hij 't nog nooit had gedurfd tegenover een
-van de jongens.
-
-"Meer geld heb ik niet bij me, alleen dien gulden, en die is voor Moe,
-dien krijgen jullie niet al.... al sla je me dood," barstte Paul los
-met ongewone heftigheid.
-
-Jo voelde zich bij Paul's woorden als een struikroover.
-
-"Houd je gulden maar," fluisterde hij haastig, want de anderen kwamen
-er al aan, "en ga nu eerst toch maar even met ons mee, anders heb je
-op school geen leven, dan plagen ze je mal."
-
-"Ja," knikte Paultje, die plotseling zijn heldhaftigheid kwijt was
-en weer ineenkromp tot 't schuwe jongetje, dat zijn heele schoolleven
-lang 't mikpunt van alle plagerijen was geweest. "Maar, maar hoe moet
-ik dan.... Frans weet, dat ik geld bij me heb, en...."
-
-"Hier!"--Jo stopte hem zijn kwartje en dubbeltje in den zak.
-
-"En nou speel je maar eens flink op; vertel hun, dat je er niet meer
-voor over hebt dan vijf-en-dertig cent, en daarmee is 't uit! Als de
-lui zien, dat je niet bang voor ze bent, laten ze je wel met rust!"
-
-Paul wilde nog wat in 't midden brengen, maar daar kwamen de overigen
-al, en voordat hij nog goed begreep wàt Jo eigenlijk tegen hem
-had gezegd, was hij al met den vroolijken troep in den winkel bij
-Schoenmakers.
-
-Zonder Jo was er niets van Paultje en zijn geld terechtgekomen.
-
-Onbeholpen legde hij 't kwartje en 't dubbeltje op de toonbank en
-vragend keek hij naar zijn beschermer, die de zaak in handen nam. Jo
-kocht er een flinken voorraad gebroken borstplaat voor, dien ze
-toen onder elkaar verdeelden. Ook Paul kreeg zijn part, maar hij
-was zoo overbluft, dat hij 't zou hebben laten liggen, wanneer Jo
-'t hem niet in den zak had gestopt, toen ze den winkel uitgingen. De
-anderen stonden verbaasd over Paultjes royaliteit; en dat nog wel
-zonder tegenstribbelen! Ze keken hem dadelijk met heel andere oogen
-aan. De kleine Wezels viel toch per slot van rekening mee, en dat
-de kapitein van hun club hem onder zijn bescherming had genomen,
-deed hem ook nog een paar graden in de algemeene achting rijzen.
-
-Veel gauwer dan hij 't had durven hopen stond Paul weer op straat;
-den gulden had hij nog, borstplaat bovendien, en in zijn ooren klonk
-nog Jo's hartelijk: "Beterschap met je Moe!" toen hij uit de mistige
-straat de warm verlichte apotheek binnenkwam.
-
-"Wij gaan ook maar naar huis, hè?" zei Jo, terwijl ze den
-tegenovergestelden kant opgingen. "Ons geld is toch op en...."
-
-"'t Jouwe niet," zei Jaspers, die graag op andermans zak teerde en
-vooral op dien van den goedgeefschen Jo.
-
-Jo kreeg een kleur. Dat hij zijn geld niet meer had, kon hem niets
-schelen, maar dat de jongens hem nu voor schriel zouden houden,
-dáár kon hij niet goed overheen. Onwillekeurig stak hij zijn hand
-in den zak;--hij voelde iets hards: de doos voor Ma.... en toen
-bedacht hij blij hoe hij gelukkig voor zijn Moeder geen versterkende
-middelen hoefde te koopen. Ma was sterk en gezond, en al moesten ze
-zuinig leven, Ma hoefde zich toch ook niet ziek en moe te maken met
-naaiwerk voor anderen! Toen Jo dit bedacht, viel bij dit alles die
-eene kleine opoffering zoo volkomen in 't niet, dat hij opeens weer
-de oude, vroolijke Jo werd, die zich met wat malligheid van de zaak
-afmaakte en toen, in zijn hoedanigheid van kapitein, de club met een
-grappig toespraakje ontbond tot de volgende samenkomst.
-
-
-
-
-
-
-
-GEEN BANGERD.
-
-
-In de Kerstvacantie hadden Wim en zijn vrindjes, en nog een heeleboel
-jongens en meisjes met hen, er aldoor op gehoopt, maar 't was niet
-gekomen. In Januari hadden ze er toen stellig op gerekend, maar na
-een paar dagen vorst was de dooi weer ingevallen. Dus, mis, hoor,
-nog steeds geen ijs! Er waren er, die toen den moed opgaven en hun
-schaatsen opborgen, maar oude menschen, die verstand van 't weer
-hadden, beweerden, dat Februari nog wel eens echt wintersch zou kunnen
-worden. Dat hadden ze al vaker beleefd: na slappen winter een echt
-guur voorjaar met vorst en sneeuw en ijs. En 't bleek, dat die oudjes
-'t bij 't rechte eind hadden gehad. Begin Februari sloeg het weer om en
-'t werd nog een ouderwetsch nawintertje.
-
-De scholen gaven 's middags vrijaf. De kinderen konden dus nog echt
-hun schâ inhalen.
-
-Even buiten 't dorp was een mooie baan, die druk bezocht werd;
-al te druk, zeiden sommige jongens, die zelf goed konden rijden en
-dus minachtend neerkeken op de krabbelaars, die hun daar den weg
-versperden. Daarom gingen zij liever buiten de baan en reden op de
-Vaart zelf, waar ze beter de ruimte hadden.
-
-Maar op de Vaart was 't heel wat gevaarlijker. Wim's Moeder was er
-niets goed over te spreken, toen ze er van hoorde. Eindelijk gaf ze
-aan Wim's aanhouden toe, wanneer hij wilde beloven, niet op de Vaart
-te zullen gaan, als er vlaggetjes geplaatst waren, tot teeken, dat
-'t ijs niet vertrouwbaar was.
-
-Dit beloofde Wim en toen was Moeder gerust. Zij wist, dat ze op Wim
-aan kon.
-
-Vroolijk fluitend trok hij er op uit, met zijn schaatsen, aan de
-riempjes bengelend, om zijn hals.
-
-"We hebben al op je gewacht," zei Hein van den dokter, toen hij bij
-de baan kwam. "'t Is hier zoo vol; ga je mee naar de Vaart? De andere
-jongens gaan ook!"
-
-Wim, die al van verre de vlaggetjes gezien had, probeerde er zich af
-te maken. "Och, waarom--nu is 't hier toch niet zoo vol."
-
-En toen Hein hem met alle geweld mee wou hebben, zei hij: "Maar
-'t ijs is er nog niet goed; zie je de vlaggetjes dan niet?"
-
-Hein begon te lachen: "Och, schei toch uit met die flauwe
-praatjes! Kees is 't daarnet gaan probeeren! Nou, als 't Kees kan
-houden!"--
-
-Kees, de dikkerd, kwam er ook bij. "'t IJs niet sterk?--Net zoo sterk
-is 't als dit hier--wat ik je zeg!"
-
-"Ik ga toch liever niet mee," zei Wim; "ik heb Moeder beloofd, dat ik
-'t niet zou doen."
-
-"Uitvluchten!" riep Piet. "Je bent bang, anders niets, flauwerd!"
-
-En de anderen begonnen nu ook te roepen van "bangerd," "flauwerd".--
-
-Nu moet je weten, dat Wim allesbehalve laf was; hij was zelfs heel
-flink. Dat ze hem nu allemaal voor een flauwen jongen aan zouden zien,
-vond hij dus vreeselijk.
-
-Driftig keerde hij zich naar de jongens toe en hij was op het punt
-om te zeggen: "ik zal je toonen, dat ik 't best durf, net zoo goed
-als jullie, 'k ga mee."--Maar toen op eens dacht hij aan Moeder;
-hij zag haar bezorgd gezicht en herinnerde zich zijn belofte.
-
-"Neen," zei hij flink; "ik doe 't tóch niet. Noem me maar bang,
-als je wilt;--ik blijf hier."
-
-'t Was een saaie middag voor Wim. Heel dikwijls had hij een gevoel van
-spijt over zijn opoffering. Dan kostte 't hem de grootste moeite niet
-één, twee, drie onder het staketsel door te kruipen en naar de andere
-jongens te rijden, die de grootste pret hadden op de Vaart, waar 't
-ijs, ondanks de waarschuwende vlaggetjes, o wonder, toch sterk genoeg
-bleek te zijn. Dan dacht Wim een oogenblik: "Maar als Moeder wist,
-dat 't toch sterk genoeg was, zou ze 't misschien wel goed vinden."
-
-"Neen," klonk 't stemmetje van binnen, "je hebt Moeder beloofd niet
-te zullen gaan, als er vlaggetjes waren uitgezet en daaraan moet je
-je houden--niet 't voor jezelf goed zien te praten."
-
-Wim luisterde naar die waarschuwende stem, maar saai had hij 't daar,
-op zijn eentje, bij al die krabbelaartjes; daar gaat niets af.
-
-Tegen den tijd, dat ieder naar huis ging, zakte Wim ook af. Eigenlijk
-was hij blij, dat de middag om was. Landerig slenterde hij op zijn
-eentje naar huis. Hein en nog een paar jongens kwamen achter hem
-aan. O, hij behoefde niet eens om te kijken om te weten, dat ze 't over
-hem hadden, triomfantelijk, omdat 't ijs toch sterk genoeg was geweest,
-hem uitlachten en voor bang uitmaakten.--Dat hinderde hem geducht.--
-
-In de stille straat, waar Hein woonde, stond lange Toon, een jongen,
-aan wien ze allemaal een hekel hadden, omdat hij valsch en geniepig was
-en vol leelijke streken zat. Maar niemand durfde hem recht aan, want
-hij was sterk en vocht valsch. Daarom gingen de jongens hem meestal
-uit den weg. Nu was hij bezig 't kleine zusje van Hein, dat er aan 't
-sleden was, te plagen; hij dreigde haar 't sleet je te zullen afnemen.
-
-Toen Wim dit zag, vergat hij zijn eigen verdrietelijkheden.
-
-Zonder bedenken vloog hij op den veel grooteren jongen aan.
-
-Onderwijl waren de anderen naderbij gekomen, en toen Wim eindelijk,
-met een buil op zijn hoofd, en een bloedneus, duizelig overeind
-krabbelde, overwonnen, maar toch dadelijk bereid om weer van voren
-af aan te beginnen, als 't noodig mocht zijn, was 't eerste, wat hij
-hoorde, een luid bravo-geroep van Hein, die nu toch wel gezien had,
-dat Wim geen bangerd was.
-
-Hein nam hem mee naar binnen, om 't bloed van zijn gezicht te wasschen,
-en boven, bij 't fonteintje, zei hij 't hem ook eerlijk.
-
-En hieruit blijkt, dat Hein óók een ferme jongen was, evengoed als Wim.
-
-
-
-
-
-
-
-DE OUDE NOTEBOOM.
-
-
-Ze waren met een troepje van zes op de zonnige speelplaats der school
-aan het touwtje springen, dicht bij 't hooge hek van latwerk, waar
-je den noteboom door kon zien. Hij stond op een verwaarloosd plekje
-grond naast de speelplaats. Daar tierden brandnetels en distels
-welig tusschen de meidoorn- en vlierstruiken, waarvan de takken hoog
-waren opgeschoten, terwijl de taaie stengels van de klimmende, wilde
-boekweit er zich omheen hadden geslingerd. 't Was er een warbosch van
-door en in elkaar groeiende struiken en planten, maar de noteboom,
-de oude noteboom, stak er met zijn eerwaardige kruin machtig boven
-uit als een koning, die zijn gebied overziet.
-
-Die noteboom was een groote vrind van de kinderen. Hoeveel neusjes
-zich in 't speeluur wel tegen 't latwerk drukten om naar hem te
-kijken! Als hij niet zoo'n oude, verstandige noteboom was geweest, zou
-hij er bepaald trotsch op zijn geworden, maar nu wist hij wel beter
-en begreep hij best, waar 't hun eigenlijk om te doen was--om zijn
-noten! De meesten rolden helaas tusschen de brandnetels, maar toch,
-een enkele kwam dicht bij 't latwerk te land, zoodat lenige vingertjes,
-met takjes en stokjes geduldig peuterend, ze wel naar zich toe konden
-halen, en dan die pret om er den groenen bolster af te doen en de
-noot te kraken op de steenen, onder den voet, of tusschen sterke,
-witte tandjes!--
-
-"Hè nee, 'k schei er uit," zei Mies; "'k word zoo warm van 't
-springen!"
-
-"Ik ook. 't Gaat ook niks leuk meer! Die Jo draait zoo vervelend,"
-riep Lina, die er genoeg van kreeg, omdat ze telkens "af" was. "Gaan
-jullie mee, kijken of er noten zijn?"
-
-"Zeg, daar heb je dat kind van Rietspaan! Net doen of we haar niet
-zien."--En Bertha nam Truus en Gonne bij den arm en draaide zich
-opzettelijk zóó, dat "'t kind van Rietspaan" gelegenheid kreeg de
-breede haarstrikken van 't drietal te bewonderen.
-
-"Mag ik meedoen? Wat spelen jullie?" klonk 't op den ietwat zangerigen
-toon van een Oostersch kind.
-
-"Niks," antwoordde Lina snibbig.
-
-"Hè, flauw! Je bent toch aan 't touwtje springen! Zie ik toch, ja?"
-
-"Als je 't ziet, waarom vraag je 't dan nog?"
-
-"Nou ja! Zal ik voor jullie draaien?"
-
-"Nee; we scheien er uit."
-
-"Wat gaan jullie dan nou doen?"
-
-Jo haalde haar schouders op. "Och!"
-
-Ze duwden zoo'n beetje tegen elkaar aan, de zes; ze giegelden en
-smuusperden met elkaar en Doortje Rietspaan stond er naar te kijken met
-haar groote, donkere oogen, die nu nog grooter en donkerder geleken.
-
-"Als 'k jarig ben, mag ik van mijn Tante meisjes vragen," zei ze op
-eens; "maar als jullie zoo vervelend doen, vraag ik je lekker niet."
-
-"We zouden toch niet gekomen zijn, nietwaar Lien?" giegelde Gonne,
-terwijl de anderen het uitproestten.
-
-"Verbeeld je, op een partijtje bij dat kind!"
-
-"Nee, geen partij," verbeterde Doortje eerlijk; "spelletjes doen en
-raadseltjes opgeven en zoo--"
-
-"Raadseltjes opgeven en zoo," bauwde Truus haar na.
-
-"Dank je, hoor! Da's goed voor bewaarschoolkindertjes.--"
-
-De tranen sprongen Doortje in de oogen. Overmorgen zou ze jarig zijn
-en nu had Tante vandaag gezegd, dat ze een paar kennisjes op visite
-mocht hebben.
-
-Met een blij hartje was ze naar school gehuppeld. Als ze met zóó'n
-invitatie kwam, zouden ze haar toch wel meetellen, dacht ze, en ze
-had 't speeluur haast niet kunnen afwachten. Wie ze vragen zou? Ze
-was nog maar zoo kort hier op school!
-
-"Wel," had Tante gezegd, "de meisjes, die 't aardigst voor je zijn."
-
-Och, Tante wist 't niet, dat de meisjes geen van allen aardig voor
-haar waren. Doortje had 't nooit thuis verteld, omdat ze het zoo naar
-vond en zich er ook over schaamde. Maar ze had bij zichzelf gekozen:
-Mies, omdat die er zoo vroolijk uitzag en Jo, omdat ze vriendin met
-Mies was, en Truus, omdat alle meisjes haar zoo aanhaalden en Bertha,
-omdat ze naast haar zat. En nu,--nu deden ze zoo!
-
-Doortje keek met een brandend gevoel in haar oogen naar de meisjes,
-die geen acht meer op haar sloegen en gehurkt op den grond voor
-'t hek zaten.
-
-Waarom sloten ze er haar toch altijd buiten? Ze bedacht toch van
-alles om vriendelijk tegen ze te zijn met een griffel te leenen of
-een potlood of door soms voor te zeggen. Als ze maar eens wat heel
-groots kon doen, dan zouden ze misschien ook wel een klein beetje
-van haar gaan houden!
-
-Doortje keek verlangend naar 't vroolijke gedoe van haar zes
-klasgenootjes. Ginds waren andere groepjes gezellig aan 't spelen en
-zij--zij stond hier zoo zielig alleen.
-
-De wind ruischte door de takken van den ouden
-noteboom. Rrt--rrt--rrt--rrt.--Daar vielen weer een paar noten. Met
-een harden plof kwamen ze op den grond terecht.
-
-"Hè--jammer," zei Jo. "Weer allemaal tusschen de brandnetels! Geen
-een naar dezen kant."
-
-"Laat 's kijken, daar ligt er een. O nee, 't is een omgekruld blad;
-wat vervelend!"
-
-Gonne had opgekeken. "O, zie dat malle kind van Rietspaan eens!" riep
-ze.
-
-"O, als de Juffrouw dat bemerkt!"
-
-Alle zes kwamen ze overeind; ze staarden met open mond en oogen naar
-Doortje, die vlug over 't hooge hek klauterde en nu met een behendig
-sprongetje midden tusschen de brandnetels en distels terecht kwam.
-
-"Die durft, zeg!" klonk het bewonderend van Jo. "Verbeeld je, dat de
-Juffrouw er nu eens aankwam!"
-
-"Kom hier staan, Bertha; zoo, en jij ook, Truus; anders ziet ze haar
-nog," riep Mies, net alsof Doortje een van hun clubje was, die ze
-moesten beschermen en niet maar "dat kind."
-
-Zes neusjes tegen 't latwerk gedrukt, zes paar oogen glurend door
-de tusschenruimten, vol aandacht turend naar 't kleine, donkere
-figuurtje, dat daar, of 't zoo maar niets was, dapper op verboden
-terrein rondscharrelde tusschen de hooge brandnetels, die haar in
-'t gezicht sloegen telkens als ze bukte, en de scherpe dorens, die
-haar jurk al hadden gescheurd en bloedige schrammen op haar handen
-achterlieten.
-
-"Er moeten er wel een boel liggen! Maar zeg, zou jij 't durven?" vroeg
-Bertha.
-
-"Nee hoor, al waren 't er honderd," antwoordde Jo.
-
-"Ze is er zeker dol op!"
-
-"Nou, ze vindt er ook nooit eens een!"
-
-"Nee, omdat zij niet hier op ons plaatsje mag zoeken; nogal glad!" riep
-Mies. "Jullie jagen haar altijd weg."
-
-"En jij dan? Net of jij 't niet doet!"
-
-"O, kijk toch eens wat een schort vol. Ze komt alweer terug."
-
-"Als de Juffrouw nu nog maar even weg blijft."
-
-Geen een zei: "wat zou dat--'t is immers "'t kind van Rietspaan" maar!"
-
-Er waren ook meisjes uit andere klassen bij gekomen; allen stonden er
-nu in de grootste spanning naar te kijken, hoe Doortje, zoo vlug alsof
-'t een dagelijksche toer voor haar was, weer over het hek klauterde.
-
-Een beetje bedremmeld om 't aangegroeide publiek, liep Doortje op de
-zes met 't springtouw toe. Wat zag ze er uit met de blaren in haar
-gezichtje, de beschramde handen en de leelijke scheur in haar jurk!
-
-"Daar," zei ze en ze liet de punten van haar boezelaar los, zoodat
-al de noten over den grond rolden. "Voor jullie!"
-
-De meisjes keken, alsof ze Latijn had gesproken.
-
-"Toe dan, raapt ze op," zei Doortje, terwijl ze de te veel naar 't
-hek gerolde noten terugschopte. En toen, snibbig tegen een kind uit
-de laagste klas, dat wou bukken: "Blijf d'r af, jij--is niet voor jou!"
-
-"En--en--jij hebt ze gehaald," stotterde Mies nu. Jo, Truus en Lina
-waren al aan 't oprapen.
-
-"O, wat een hoop! Kijk toch eens, Mies!"
-
-Nu lagen ze alle zes op den grond. Zakken en blouses werden volgestopt
-en juist perste Gonne de laatste in haar zak toen de bel luidde.
-
-"Hier," zei Mies haastig en ze wou Doortje een handvol
-toestoppen. "Waarom heb je zelf niet meegegrabbeld?"
-
-Maar Doortje hield haar handen op den rug. Ze schudde van neen en
-keek bepaald heel donker, toen Mies ze haar wou opdringen.
-
-Op 't zelfde oogenblik kwam één der groote meisjes Doortje zeggen,
-dat ze bij de Directrice moest komen.
-
-"Nu krijgt ze zeker een standje," zei Mies halfluid, terwijl ze
-Doortje nakeek, die zoo blij wegliep, alsof haar in plaats van een
-standje een cadeautje wachtte. "Toch vreeselijk goedig van haar,
-ons al die noten te geven!"
-
-"Ja; heb je ooit zoo'n mal schaap gezien?" vroeg Gonne lachend,
-waarna ze op haar luidruchtige manier 't gebeurde aan meisjes, die
-er niet bij waren geweest, ging vertellen.
-
-De andere drie kwamen er ook bij loopen, maar Jo voegde zich bij Mies.
-
-"Zeg, 'k vind het vreeselijk sneu, dat ze haar toch heeft gezien. Zou
-ze erg boos wezen?"
-
-Mies haalde haar schouders op.
-
-"Weet je, Jo, 'k heb er erg 't land over, dat we Doortje altijd zoo
-hebben geplaagd; ze is toch eigenlijk wel een aardig kind en--"
-
-Jo gaf haar een duwtje. "Stil, de Juffrouw!"
-
-De lessen begonnen, maar Mies kon er niet met haar gedachten bij
-blijven. Telkens keek ze om. Kwam Doortje nog niet? Dan was 't zeker
-wel vreeselijk erg.
-
-De noten lagen haar als lood in den zak.
-
-Eindelijk, daar ging de deur open. De Directrice bracht Doortje zelf
-binnen. Ze zag er heelemaal niet boos uit, maar Doortje had een behuild
-gezichtje. Nu fluisterde de Directrice een heelen tijd met de Juffrouw,
-die toen ook heel vriendelijk tegen Doortje was.
-
-In de eerste oogenblikken zaten ze allen heen en weer te draaien en
-haar aan te staren.
-
-Toen de les werd voortgezet, ging 't al wat beter en toen de Juffrouw
-begon te vertellen, zooals ze 't laatste uur 's Donderdagsochtends
-altijd deed, werden ze weer geheel rustig.
-
-'t Was dan ook zoo'n mooi verhaal over een jongetje, dat in huis kwam
-bij een groot gezin, waar de kinderen niets lief voor hem waren en
-hem nooit meetelden, maar die hij toch langzamerhand door allerlei
-kleine vriendelijkheden voor zich wist te winnen.
-
-Mies kon 't niet helpen, dat ze gedurig aan Doortje moest denken. Er
-waren er wel meer, die aan Doortje dachten. Dat kon je wel zien aan
-het tot over de ooren kleuren van sommigen en het niet durven opkijken
-van anderen. Maar Mies liet 't niet bij denken alleen. Om twaalf uur
-wachtte ze Doortje op en stopte haar op eens de noten in de tasch;
-die kon ze nu gewoon niet houden!--
-
-Doortje keek er nu niet donker om. Neen, ze lachte Mies, die haar
-gezellig een arm gaf, toe, door haar tranen heen, en fluisterde,
-een beetje verlegen nog, maar toch overgelukkig: "Die eet ik nooit
-op--ik bewaar ze onder in mijn kastje en ik zal mijn Pa en Ma in
-Indië schrijven, dat jij zoo lief voor mij bent, ja?"
-
-Even later vertelde zij met een stralend gezichtje aan Tante, dat haar
-beste vriendinnetje op haar jaardag zou komen; aan die had ze genoeg;
-en of ze dan mocht blijven eten ook.
-
-En op 't verwaarloosde plekje grond liet de noteboom, de oude vriend
-van de kinderen, voor en na al zijn noten tusschen de distels en
-brandnetels rollen. Slechts enkele kwamen er nog terecht bij de
-speelplaats, vlak bij 't hek, waar Doortje toen dien ochtend over
-was geklommen.
-
-
-
-
-
-
-
-WEER GOED GEMAAKT.
-
-
-Tom van den burgemeester was een echte bengel! Wat hij al niet voor
-kattekwaad uitvoerde--nu, daar konden de menschen op 't dorp een boekje
-van opendoen--soms met een zucht, maar meestal met een lach want, hoe
-ondeugend en lastig Tom kon zijn, ze mochten hem allemaal graag lijden
-om zijn open, rondborstig karakter. Leelijk, geniepig plagen, valsch
-doen bij werk of spel, mensch of dier expres leed veroorzaken--ho maar,
-daar was onze Tom niet van thuis. Integendeel sprong hij altijd in de
-bres, als hij andere jongens zoo zag handelen, en, al waren ze veel
-grooter dan hij, met zijn vuisten moesten ze kennismaken, en ferm ook.
-
-Geregeld een paar maal in de week, kwam Tom met een buil hier
-of daar en gescheurde kleeren thuis, tot groot ongerief van zijn
-Moedertje, dat met Juf maar druk werk had, om haar oudste netjes
-in de plunje te houden. Maar als Tom dan zoo vol vuur vertelde van
-'t arme, kleine katje, dat hij uit de handen van Krelis en Teunis,
-"die wreede boerenpummels", had bevrijd, ja, dan kon Moeder toch
-niet boos blijven en was zelfs in haar hart trotsch op haar fermen,
-kleinen ridder, terwijl ze 't minder fraaie woord, dat hem ontsnapt
-was, maar op den koop toe nam.
-
-Zijn zusjes, Greta en Mies, waren dol op hem en beschouwden hem
-als een held. Tom kon alles en grooter feest wisten ze zich niet
-voor te stellen, dan een poppenpartij in 't priëel met Tom er bij
-als gast. Heel dikwijls gebeurde dit echter niet; gewoonlijk had de
-bengel veel meer lust, om met zijn kornuiten te ravotten, dan zoo
-voorzichtig met die breekbare poppen te moeten omgaan. Breekbaar, ja,
-heel licht breekbaar; dat had hij al een paar maal tot zijn schade
-ondervonden en daardoor was zijn spaarpot al weer zoo licht als een
-veertje geworden. 't Sprak van zelf, vond Tom, dat hij Greta's pop,
-Bella, een nieuw kopje gaf, toen hij die had gebroken, en dat Mies
-een nieuw badpoppetje van hem kreeg, toen hij 't aardige, kleine,
-rose Bébeetje bij een gevaarlijken toer had laten verongelukken. Daar
-was Tom altijd vlot mee: had hij wat uitgevoerd, ruiterlijk bekende
-hij schuld en was dadelijk bereid, de schade weer goed te maken.
-
-Bij zoo'n gelegenheid zei Vader eens: "Tom, Tom, tot nu toe heeft je
-onbesuisdheid nooit onherstelbare gevolgen gehad, maar denk eens aan,
-hoe vreeselijk 't zou zijn, als je door onvoorzichtigheid of woestheid
-een ongeluk veroorzaakte, dat nooit, zelfs niet met den besten wil,
-goed te maken was!"
-
-Dat klonk ernstig en maakte indruk.
-
-Een paar dagen lang deed hij werkelijk zijn best, wat minder wild te
-zijn; Juf zei, dat ze wel een poosje vacantie kon nemen, nu Tom haar
-zoo weinig verstelwerk verschafte.
-
-Toen kwam de laatste schoolmorgen voor de groote vacantie. Alle
-kinderen waren uitgelaten bij 't vooruitzicht, nu weldra vier lange
-weken vrij te zullen zijn. De aandacht was niet meer bij de lessen,
-doch de onderwijzers zagen gelukkig vandaag wat door de vingers en
-lieten maar veel zingen. Heisa, wat klonk dat ferm en frisch! Tom's
-stem werd boven alles uit gehoord.
-
-'t Was een uitkomst voor den levendigen jongen, zoo ongestoord de
-blijdschap, waarmee hij tot overvloeiens toe vervuld was, te mogen
-uitjubelen. Vier weken vacantie! Uit logeeren gaan naar Oom en
-Tante in Scheveningen! Met de neven in zee zwemmen, stoeien in de
-duinen! Geen wonder, dat Tom, met zoo'n verrukkelijken tijd in 't
-verschiet, bijna niet stil kon blijven zitten. Zoo gauw de schoolbel
-dan ook luidde, stormde Tom hals over kop naar buiten, schreeuwend,
-tierend, van louter malligheid zijn kameraads de petten afslaand,
-boksend met den een, schermend met den ander, bereid tot 't uithalen
-van alle mogelijke grappen. 't Scheen wel, dat zijn bengelsnatuur
-zich met vernieuwde kracht moest doen gelden, na den dwang, dien hij
-zich de laatste dagen had aangedaan.
-
-Eindelijk nam hij een handvol kiezelsteentjes van den grindhoop
-aan den weg en keilde ze, zoo ver ze wilden gaan. Geen haar op zijn
-hoofd dacht aan de waarschuwing van Vader, die hem zoo vaak op 't
-gevaarlijke van steentjes gooien had gewezen.
-
-Daar kwam een karretje op twee wielen met een ezel er voor gespannen
-den weg af sukkelen.
-
-"Wacht even," riep één van de jongens, maar Tom luisterde niet en ging
-door met zijn uitbundig spel. O wee, daar trof hij 't ezeltje, dat
-geducht schrikte en een zijsprong deed. De kar kiepte achterover! De
-oude man, die er schrijlings op zat, tuimelde er af.
-
-Alle jongens verdrongen zich om den gevallen grijsaard, die zich erger
-bezeerd scheen te hebben, dan in 't eerste oogenblik gedacht werd.
-
-"Leun maar op mij," zei Tom ongerust. "Toe dan; probeer eens op
-te staan!"
-
-"Ik kan niet, wezenlijk, ik kan niet! Mijn linkerbeen, o, ik geloof,
-dat het gebroken is!"
-
-Kermend liet hij zich weer op den grond zakken.
-
-Tom keek radeloos rond. Met verschrikkelijke duidelijkheid klonken
-hem nu Vader's woorden in de ooren: "nooit goed te maken, zelfs met
-den besten wil nooit goed te maken!"
-
-Een paar jongens hadden hulp gehaald op de dichtstbijzijnde
-boerderij. Voorzichtig werd nu de gekwetste naar zijn huisje vervoerd,
-dat een eindje buiten 't dorp stond, terwijl Piet van den smid en
-Tom met de ezelkar volgden.
-
-"'t Is een heele schâ voor hem," zei Piet, hoofdschuddend kijkend naar
-'t partijtje gebroken bloempotten en gehavende planten in de kar. "Hij
-kwam zeker van de bloemenmarkt in de stad."
-
-Tom antwoordde niet en probeerde zich te herinneren, of hij niet
-nog ergens wat geld had. Zijn spaarpot was leeg, maar och, wat
-zat hij dáárover te tobben! Die schade zou Vader desnoods graag
-vergoeden. Neen, als 't dát alleen was....
-
-Alsof Piet zijn gedachten had geraden, begon hij: "Als ik Janus was,
-zou ik liever al mijn bloempotten breken, dan kreupel worden, en jij?"
-
-"Kreupel? Denk je dat?" viel Tom verschrikt uit.
-
-"'k Heb er een zwaar hoofd in; een been breken, als je zoo oud bent,
-is geen gekheid. Misschien zal hij nooit weer goed kunnen loopen."
-
-Tom werd zoo koud, alsof 't midden in den winter was. Janus
-ongelukkig-worden door zijn onbedachtzaamheid--o, 't was vreeselijk om
-'t in te denken--maar als 't eens uitkwam zooals Piet zei, wie moest
-dan voor Janus zorgen, wie den kost voor hem verdienen? Hij had kind
-noch kraai op de wereld en leefde van 't geen zijn tuin opbracht. Tot
-nu toe had hij 't wel niet ruim gehad, maar toch ook nooit armoede
-geleden. Doch, als de oude man zijn plekje grond niet meer kon
-bebouwen, niet meer in staat was zijn groenten, bloemen en vruchten
-aan de markt te brengen.... Tom wou niet verder doordenken. Tot Piet's
-verbazing sprong hij pardoes van 't wagentje en holde naar huis,
-waar hij Vader en Moeder onder bittere tranen alles vertelde. Beide
-spraken heel, heel ernstig met hem. Vader beloofde daarop dadelijk
-naar Janus te zullen gaan zien, wat Tom al een beetje kalmer stemde,
-evenals Moeder's voorstel, om alle schade eerst te betalen en dan
-van Tom's weekgeld in te houden. Hij had dan tenminste 't gevoel,
-dat hij deed wat hij kon.
-
-'t Scheen Tom toe, dat Vader eindeloos wegbleef. Ongedurig liep hij
-heen en weer. Wat de zusjes ook verzonnen om hem op te beuren, hij
-kon er niet eens naar luisteren. Telkens zag hij den ouden tuinder
-kermend van pijn in zijn eenvoudig slaapkamertje en Vader, bedenkelijk
-'t hoofd schuddend, aan zijn bed staan.
-
-Na een uur van vreeselijke spanning ontdekte Tom's scherpe blik een
-tipje van Vader's hoed boven de heg. Hij popelde om er heen te vliegen
-en was toch ook weer bang voor 't geen hij mogelijk zou hooren.
-
-"Tom, Tom," riepen de zusjes, die vooruit gehold waren en nu met Vader
-den tuin door kwamen: "'t Been is niet gebroken en de dokter zegt,
-dat 't best terecht kan komen. Wees nu ook weer vroolijk."
-
-"O Vader, is 't waar?" vroeg Tom, terwijl hij beurtelings rood en bleek
-werd en hij begon wezenlijk weer te schreien. "Ik heb er Onzen Lieven
-Heer zóó om gevraagd en nu ben ik zoo blij--dáárom huil ik"--en Tom,
-de bengel, drukte zijn gezicht tegen de jas van Vader, die onderwijl
-bedaard verslag deed van zijn bezoek.
-
-Neen, 't been was niet gebroken, maar verstuikt en zou met eenige
-weken rust weer in orde zijn, terwijl bij onderzoek gebleken was, dat
-de val en de schrik voor den ouden man verder geen slechte gevolgen
-hadden gehad.
-
-Met opgeluchte harten gingen Vader, Moeder en kinderen nu aan 't
-overleggen, hoe ze Janus gedurende zijn gedwongen rust 't best zouden
-kunnen bijstaan.
-
-Tom was stil; hij scheen iets op zijn eigen houtje uit te spinnen. Toen
-de zusjes naar bed waren, had hij nog een apartje met Vader en
-Moeder. 't Liefst zou hij daarop dadelijk naar Janus zijn gegaan om
-hem te zeggen, hoe 't ongeval hem speet, maar Vader vond 't beter
-den ouden man, die boven alles rust noodig had, nu niet meer te
-storen. Den volgenden morgen kon hij immers zoo vroeg gaan als hij wou.
-
-Nu, dit deed onze Tom dan ook. Vóór dag en dauw was hij er al op uit
-en toen hij pas tegen de koffie warm, moe en stoffig terugkwam, keek
-hij zóóveel vroolijker, dat de zusjes niet konden nalaten te vragen,
-wat hij toch had uitgevoerd.
-
-"'k Ben bij Janus geweest!"
-
-"Was hij erg boos?"
-
-"Nee, 't is me vreeselijk meegevallen" en Toms oogen schitterden. Meer
-konden ze niet uit hem krijgen.
-
-De volgende ochtenden verscheen Tom weer niet aan 't ontbijt en toch
-was hij wel bijtijds op geweest. Mietje, de keukenmeid, verklaarde
-tenminste, dat ze hem al in de vroegte het tuinhek had zien uitgaan.
-
-Greta en Mies begrepen er niets van. Vader en Moeder haalden
-glimlachend hun schouders op, als ze er naar vroegen en Tom, die
-gewoonlijk pas weer tegen koffietijd kwam opduiken, wou er heelemaal
-niet over spreken. Ja, 't scheelde niet veel, of Greta en Mies zouden
-hem boos hebben gemaakt met haar vragen, vooral toen ze over zijn
-logeeren bij Oom en Tante in Scheveningen begonnen.
-
-"'k Blijf de heele vacantie thuis; nu weet je 't en zeur nu niet meer,"
-zei hij korzelig. Daarmee moesten ze zich tevreden stellen.
-
-Wat Tom dan toch zoo vroeg op 't pad deed en waarmee hij 't zoo druk
-had, dat 't uit logeeren gaan er bij scheen te moeten inschieten?--
-
-De marktbezoekers in 't naburige stadje, die gewoon waren hun inkoopen
-bij Janus te doen, keken vreemd op, toen ze op zekeren ochtend een
-blozend jongensgezicht met ronde appelwangen boven de manden jonge
-groenten en vruchten in 't welbekende stalletje zagen uitkijken, in
-plaats van 't gerimpelde, magere gelaat van den ouden tuinder. Maar
-'t bleek al spoedig, dat ze evengoed door dezen nieuwen koopman werden
-bediend, die, al had hij in 't begin nog wel eens moeite om de juiste
-dingen gauw te vinden, de lui met een grapje in hun humeur wist te
-houden, zoodat ze niet ongeduldig van hem wegliepen. In plaats dus
-van klanten te verliezen, kreeg Janus' stalletje er gedurig nieuwe
-bij, die begonnen met mee te lachen om de snaaksche invallen van den
-jongen en eindigden met ook van hem te koopen.
-
-'s Donderdags op de bloemenmarkt had hij letterlijk geen handen genoeg
-om allen te helpen, die van hem bloemen en planten wilden koopen,
-omdat ze nergens anders zulke mooie waar voor hun geld kregen.
-
-Had 't ezeltje op den heenweg een heel wat zwaarder vrachtje te torsen
-dan vroeger met den ouden baas, daar de nieuwe bij 't gewone partijtje
-bloempotten nog een heele bezending planten en bloemen inlaadde,
-die bij de achterpoort van burgemeesters tuin gereed stond, op den
-terugweg had hij 't dan ook bijzonder gemakkelijk en mocht zijn baasje
-gerust in 't leege karretje zitten.
-
-En koopman Tom? Hoe vond die 't nieuwe leven? Had hij geen spijt van
-de opgeofferde vacantiepret?
-
-Nu, eerlijk gezegd viel 't hem in 't begin verbazend moeilijk om ferm
-bij zijn besluit te blijven, vooral toen er brieven van de neven
-kwamen vol opsommingen van de pret, die ze aan 't strand hadden,
-en met dringende vragen om toch ook te komen aan het eind.
-
-Met leede oogen zag hij Greta en Mies in zijn plaats gaan om van al
-die heerlijkheden te genieten, terwijl hij zich vrijwillig moe maakte
-met voor hem ongewoon werk en dat nog wel in de vacantie!
-
-Maar wanneer hij dan voor Janus 't verdiende geld mocht uittellen
-en de dankbare woorden hoorde van den ouden man, waren die spijtige
-gedachten plotseling verdwenen en voelde Tom, zonder er uitdrukking
-aan te kunnen geven, dat al 't plezier in Scheveningen niet opwoog
-tegen de blijdschap, die hij op dat oogenblik smaakte.
-
-'t Kwam uit, zooals de dokter gezegd had. Met eenige weken rust was
-Janus weer geheel in orde en op den laatsten dag van Tom's vacantie
-kon de oude tuinder zijn werk weer zelf opnemen.
-
-Dat was een gewichtige ochtend, toen koopman Janus en koopman Tom
-samen naar de markt reden als waardig slot van deze weken.
-
-Moeder stond er vroeg voor op en kwam ook inkoopen doen van groenten en
-vruchten en ten slotte kocht ze een pot met mooie, vuurroode geraniums.
-
-Dien vond Tom op zijn kamertje staan, toen hij 's middags thuis
-kwam. Er was een strookje papier op een stokje in de aarde bij
-gestoken. "Tot herinnering" stond er op geschreven; niets meer, maar
-'t was ook voldoende.
-
-De herinnering aan deze zomervacantie was van grooten invloed op 't
-verdere leven van bengel Tom, die, hoewel hij druk en vroolijk bleef,
-toch veel van zijn onbesuisdheid en onbedachtzaamheid verloor.
-
-
-
-
-
-
-
-DE KERSEN.
-
-
-"Zoo'n doe-niet, zoo'n sta in den weg," zei oude Baas Hendrik, terwijl
-hij bij den knoestigen kerseboom op zijn bleekveldje stond. "Ja,
-'t is nu voor 't laatst, dat je een voorjaar beleeft; in den herfst
-moet je er uit. 'k Heb lang genoeg geduld gehad. Altijd bladeren,
-maar nooit kersen! Waarom heb 'k dán een kerseboom, als ik er nooit
-kersen van plukken kan?"
-
-Hendrik liep nu met korte, afgemeten stappen om den kerseboom heen
-en schudde zijn bruine, verweerde vuist tegen den doe-niet.
-
-Greet en Klaar, de kleine meisjes van den burgemeester, die bij
-Trientje op de bank voor de keukendeur zaten, keken verschrikt bij
-deze bedreiging van Hendrik tegen zijn kerseboom. Zij kwamen graag
-bij de oude luidjes op visite en dan was deze boom met zijn lagen
-stam en breede, knoestige takken een prettig kameraadje voor haar
-beidjes. Ze konden er zoo gemakkelijk zonder hulp inklimmen, deden
-gymnastische toeren aan de takken of zaten er schrijlings op bij het
-paardje spelen.--Met groote oogen keken ze nu naar het bleekveld en
-probeerden 't zich voor te stellen hoe dit er wel zou uitzien zonder
-den kerseboom.
-
-"Zeker erg raar," dachten ze.
-
-"Neen, Hendrik moet hem laten staan," zei Greet op beslisten toon
-als slotsom van haar overdenking.
-
-"Dat doet hij niet," sprak nu Trientje droevig voor zich heen, "o neen,
-dat doet hij niet. Hendrik heeft 't zich nu eenmaal in 't hoofd gezet,
-dat hij er uit moet, omdat hij geen vruchten draagt en nu moet hij
-er uit ook--och heden--de boom, dien mijn Dirk nog geplant heeft als
-zoo'n kereltje!"-- En ze wees met haar taankleurige, rimpelige hand
-een hoogte van een paar turven aan.
-
-"Dirk, die al zoo lang in Amerika is?" vroeg Greet.
-
-"Ja!"--Trientje zuchtte.--"Als ik naar den kerseboom kijk, denk ik
-altijd aan Dirk, maar de baas--" ze wees op Hendrik--"de baas zegt:
-je mag geen menschen en planten vergelijken--maar, ik kan 't toch niet
-laten.... altijd als ik den kerseboom zie, denk ik aan mijn Dirk. En
-nu zal hij er uit moeten."
-
-"Als we nu 's met ons drieën aan Hendrik vroegen of hij mocht blijven
-staan!" zoo stelde Klaar hoopvol voor.
-
-Trientje schudde 't hoofd.
-
-"Och nee, als de baas zoowat in zijn hoofd heeft, helpt er geen
-redeneeren tegen. De baas zegt: hij heeft lang genoeg geduld gehad
-en nu is 't uit. Neen, de kerseboom van mijn jongen, van mijn Dirk,
-heeft wel zijn laatste voorjaar beleefd!"
-
-"Maar als er nu van 't jaar toch nog 's kersen aankwamen," opperde
-Klaar, die het zoo gauw niet opgaf; "er zitten toch bloesems aan! Kijk
-maar!"
-
-"Zoo'n enkel bloesempje zegt niets; dat heeft hij elk jaar gehad,"
-sprak Trientje mistroostig. "Neen, 't is wel waar zooals de baas 't
-uitdrukt: 't is een doe-niet, maar--ik kan hem toch zoo slecht missen!"
-
-Oude Hendrik kwam met stijve, afgemeten passen op de bank
-toegestapt. Hendrik was stijf en afgemeten in al zijn doen. Houterig
-ging hij naast zijn vrouw zitten.
-
-"Mag hij niet blijven staan?" vroeg Greet, terwijl ze naar den
-boom wees.
-
-"Toe--alsjeblieft," zei Klaar smeekend.
-
-"Neen, neen," sprak Hendrik plechtig, "hij is mij lang genoeg tot
-ergernis geweest; ik zou er zonde aan doen zoo'n doe-niet nog in zijn
-kwaad te stijven."
-
-"Maar--als er nu van 't jaar nog 's tien pond lekkere kersen
-aankwamen," zei Klaartje en ze zag den ouden man vol verwachting aan.
-
-"Dán kan hij blijven," klonk 't op denzelfden plechtigen toon.
-
-De kinderen keken op naar de schaarsche bloesems.
-
-"En als er nu maar 's twee pond aankwamen....?"
-
-"Of één--of--een half," waagde Greetje te veronderstellen.
-
-Klaar hield haar adem in. Wat zou nu 't antwoord wel wezen?
-
-Maar hoor, daar klonk het, weer even bedaard: "Dán kan hij blijven."
-
-Nu waren ze gerustgesteld. Ze vonden, dat de kansen toch nog niet zoo
-slecht stonden; er waren toch bloesems aan; die kon oude Hendrik toch
-maar niet weg redeneeren.
-
-Op den terugweg hadden Greet en Klaar het druk over den kerseboom van
-Hendrik en Trientje en thuis kregen Vader en Moeder 't verhaaltje in
-geuren en kleuren te hooren.
-
-"Moeder, zou u denken, dat er nog wel een half pond aan komt?" vroeg
-Greet.
-
-"Kindlief, hoe wil ik dat weten, ik ben geen tuinman," lachte
-Moeder. "Je moet maar telkens eens gaan kijken hoe 't met de bloesems
-staat; je weet wel: als je de bloempjes niet meer ziet, komen er
-kleine, groene bolletjes te voorschijn; die worden grooter en grooter,
-de zon stooft ze langzamerhand zacht en rood en--"
-
-"Dán zijn de kersen er!" riep Klaartje vroolijk uit. "Ik ga vast
-elken dag uit school kijken, hoor!"
-
-"Ik ook," zei Greet.
-
-De kinderen hielden woord. Elken dag gingen ze naar Baas Hendrik's
-bleekveld. De oude kerseboom had zeker nog nooit zooveel belangstelling
-ondervonden. 't Scheen heusch, dat hij 't op prijs stelde en zijn best
-deed z'n bloesems zonder mankeeren voor kleine, groene bolletjes in
-te ruilen.
-
-Greet en Klaartje gaven thuis getrouw verslag van zijn vorderingen,
-zoodat ieder er goed van op de hoogte bleef.
-
-Maar op een ochtend, na een stormnacht, kwamen de meisjes
-terneergeslagen thuis. 't Bleekveldje lag bezaaid met groene bolletjes
-aan steeltjes: allemaal afgewaaide, nog onrijpe kersen.
-
-"Er zitten er nu nog maar een stuk of wat aan," jammerde Greetje;
-"zou dat wel een half pond wezen?"
-
-"Hendrik zei, dat hij 't wel gedacht had, want dat deed die kerseboom
-altijd! Maar Moeder, 't kwam toch door den storm; de kerseboom kon
-'t niet helpen," riep Klaartje onder tranen.
-
-Moeder had maar werk haar kleine meisjes tot bedaren te brengen. Er
-zouden een paar vroolijke neven komen--Vader was al naar den trein
-om hen te halen--wat zouden die er wel van zeggen, als Greet en Klaar
-er straks nog zoo bedrukt uitzagen!--
-
-De neven kwamen. De neven hoorden 't verhaal over den kerseboom aan
-en waren vol belangstelling. Zij hadden verstand van vruchtboomen,
-beweerden ze. Als Greet en Klaartje straks weer naar school waren,
-zouden ze dien boom wel eens gaan bekijken; misschien dat zij er nog
-raad op wisten.
-
-In een oogwenk verhelderden de gezichtjes nu. De kinderen hadden veel
-vertrouwen in de knapheid der groote neven.
-
-"Als er maar een half pond aan komt," zei Greetje, "dan mag hij
-blijven staan van ouden Hendrik."
-
-Toen zij 's middags uit school kwamen hollen, verlangend 't oordeel
-der neven te hooren, werden zij verblijd met de tijding, dat er
-misschien nog wel een pond van terecht zou komen. Maar, dan moesten
-zij ook precies doen wat de neven zeiden.
-
-Dit beloofden Greet en Klaar grif.
-
-Veertien dagen lang mochten ze niet meer naar den boom gaan kijken,
-zei Neef Karel, want daar kon hij op 't oogenblik niet goed tegen. De
-kerseboom schaamde zich, omdat hij zooveel groene bolletjes had
-verloren en zou nu uit verlegenheid ook die, welke hij nog overhad,
-wel eens kunnen loslaten, voegde Neef Bert er bij en hij zette een
-heel ernstig gezicht.
-
-Nu, dit was natuurlijk maar een grapje--dat begreep Greet best;
-Klaartje was eerst nog in twijfel of 't niet waar zou zijn;--maar,
-grapje of niet, dat deed er niet toe--de neven, die er verstand van
-hadden, zeiden, dat ze er in veertien dagen niet heen moesten gaan
-en dááraan zouden ze zich houden.
-
-"Hé--over veertien dagen"--Greet was aan 't uitrekenen--"dan ben ik
-jarig! Wat leuk!"
-
-"Zijn jullie er dan nog?" vroeg Klaar.
-
-"Neen, maar dan komen we weer terug om Greet te feleciteeren en meteen
-naar den kerseboom te zien."
-
-Greet keek er Neef Bert onderzoekend op aan of dit nu niet weer een
-grap was, maar neen, 't scheen toch wel meenens te zijn: Moeder ging
-er dadelijk op in. Er werd afgesproken, dat zij den vorigen dag al
-zouden komen, om den heelen jaardag mee te kunnen vieren.
-
-Leuk hoor! Dat was wat prettigs om op te kijken!
-
-Zoo triestig als de zusjes 's ochtends waren geweest, toen de neven
-kwamen, zoo vroolijk waren ze bij 't afscheid.
-
-Als je 't niet beter wist, zou je gedacht hebben, dat ze blij waren
-met hun vertrek.
-
-"Tot over veertien dagen," riepen Greet en Klaartje hun na, toen ze
-al bij 't hek waren. En: "tot over veertien dagen," riepen de neven
-terug. "Zorgen jullie er maar voor, dat je een mand klaar hebt staan
-voor de kersen!"--
-
-Veertien dagen gaan gewoonlijk gauw voorbij, maar nu schenen ze te
-kruipen. 't Was heel moeilijk, veel moeilijker dan ze gedacht hadden,
-de belofte te houden, die ze den neven hadden gegeven. De meisjes waren
-er toch zóó benieuwd naar hoe 't wel met den kerseboom zou wezen en nu
-mochten ze er niet heen. Als ze er Baas Hendrik of Trientje nu maar
-eens naar hadden kunnen vragen, maar de oudjes kwamen hoogstzelden
-in 't dorp; ze bleven stilletjes op hun eigen erf en daar was 't nu
-immers verboden toegang!
-
-Toen ze op zekeren dag, uit school komend, een schaal vol rijpe kersen
-op tafel zagen staan, werd 't nog moeilijker 't vol te houden. Er
-waren dus al rijpe kersen! Of de groene bolletjes van Hendrik's boom
-ook al rood en zacht zouden geworden zijn?
-
-"Nog vier dagen geduld," zei Moeder, die er medelijden mee kreeg,
-"dan gaan we met ons allen kijken hoe 't met den kerseboom staat."
-
-"Daarmee beginnen we den jaardag dan," stelde Vader voor: "allen in
-optocht naar ouden Hendrik's kerseboom!"
-
-En ja, zoo gebeurde het ook, toen de lang verwachte dag ten laatste
-was aangebroken.
-
-Dadelijk, na 't ontbijt trokken ze er op uit: Vader, Moeder, de
-jarige Greet, Klaartje en de neven. Wat Hendrik en Trientje voor
-oogen opzetten, toen ze 't gezelschap regelrecht op hun huisje zagen
-aankomen!
-
-Trientje deed de deur al open.
-
-"Heb ik van mijn leven, zooveel bezoek," riep ze, 't hoofd van
-verbazing schuddend.
-
-"Trientje, ik ben jarig!" zei Greet vroolijk; "ik ben vandaag jarig!"
-
-"En nu komen we naar den kerseboom kijken of er wat aanzit," juichte
-Klaar.
-
-"Kersen? Och lieve tijd," zei 't oudje meewarig, "als ze er aan waren,
-zou 'k ze graag geven, maar--"
-
-"Kersen," zoo liet zich nu ook de plechtige stem van Baas Hendrik uit
-de achterhoede hooren, "kersen? Die moet je bij mij niet zoeken. Mijn
-boom is een doe-niet, hij moet er uit, in 't najaar, Burgemeester,
-maar mijn oude vrouw is er maar danig op tegen."
-
-"Ja Burgemeester," zei Trientje nu erg beverig, "ja, als 'k hem aanzie,
-dan moet ik altijd aan mijn jongen, mijn Dirk, denken, die heelemaal
-aan den anderen kant van 't groote water is."--
-
-Greet en Klaartje waren onderwijl al om 't huisje heen geloopen en
-hadden de neven meegetrokken.
-
-"Er zit niets aan," riep Greetje teleurgesteld, toen ze bij de
-bank was.
-
-"Hè," zei Klaartje, "hoe saai!"
-
-Maar toen kwamen ze dichterbij en ja--daar schemerde wat roods!--Nog
-wat dichter er bij--vlak er bij.--
-
-"O, o," juichten de meisjes en sprongen vroolijk in 't rond, "er zijn
-wél kersen aan! Trientje, kom gauw! Wel een half pond--neen, stellig
-wel een pond! Kijk, hier zitten er nog meer en dáár--en ginds--o,
-kom toch gauw kijken!"--
-
-Nu stonden ze allen om den ouden kerseboom heen, de kinderen en de
-groote menschen!
-
-Vader, Moeder en de neven lachten maar om de verrukking der
-meisjes.--Trientje schudde 't hoofd en was sprakeloos van verwondering,
-maar Baas Hendrik keek wat wantrouwend naar zijn "ouden doe-niet",
-terwijl hij met korte, stijve beweginkjes dichterbij kwam.
-
-"Hendrik, we mogen ze immers wel plukken?" vroeg Moeder toen gauw,
-en, naar hem toegaande, gaf ze hem een knipoogje van verstandhouding.
-
-"'t Treft mooi voor de meisjes, dat de kersen juist aan de onderste
-takken zitten," zei Vader; "kijk 's wat aardig, telkens bij trosjes
-van vier en vijf bij elkaar. Zoo heb ik 't nog nooit gezien!"
-
-Er werd een trapje gehaald, want Greet en Klaar vonden, dat dit bij
-het kersen-plukken behoorde, al konden ze op gewone tijden wel zoo
-in den boom klimmen.
-
-Baas Hendrik, die na een apartje met Moeder niet meer wantrouwend keek,
-bracht ook een weegschaal aan.
-
-"Ik moet 's kijken of ik mijn gewicht wel krijg," meesmuilde hij.
-
-"Wel heb ik van mijn leven," lachte oude Trientje, die nu de toedracht
-begon te begrijpen, "die jongeheeren uit de stad, weten toch altijd
-wat nieuws te verzinnen;"--en ze lachte zóó, dat Moeder haar naar de
-bank moest brengen om wat te bekomen.
-
-"Er zitten draden aan, zwarte draden," riep Klaartje, die de eerste
-kersen gegrepen had, verbaasd uit.
-
-Greet keek naar de neven. "O, nu begrijp ik 't al! Wat eenig
-bedacht," juichte ze. "Jullie hebben ze er aan gehangen! O, wat een
-slimmerds! Maar 't geldt nietwaar, Baas Hendrik, 't geldt toch! De
-afspraak was: als ze er aan hangen; we hebben niet gezegd: er aan
-gegroeid zijn."
-
-"Dat weet ik nog niet," begon Hendrik, nu zoogenaamd gewichtig doende,
-"ik moet ze eerst op de schaal hebben; 't konden wel eens geen echte
-kersen wezen en--ik moet mijn gewicht ook hebben--tien pond, hebben
-we gezegd!"
-
-"Neen, neen, een half pond was ook al genoeg," riepen de kinderen,
-"is 't niet Trientje?"
-
-'t Oude vrouwtje, nu weer wat bekomen, knikte.
-
-"Ja, ja, dat hebben jullie afgesproken. Maar nu begrijp ik nog niet,
-wanneer de jongeheeren dat hebben klaargespeeld. Gisteravond waren
-ze er nog niet aan."
-
-"Vanmorgen in de vroegte hebben ze 't wis en zeker gedaan," zei
-Hendrik; "ik dacht ook al, dat 'k zoo wat hoorde op 't pad."
-
-"De jongens waren wel erg vroeg op," zei Greetje nadenkend, "Jans
-vertelde, dat ze de voordeur al uit waren, toen zij beneden kwam."
-
-Maar de neven zelf zeiden niets. Ze lachten maar en hielpen de laatste
-kersen plukken, die wat hoog zaten.--
-
-Toen werden ze in triomf naar de weegschaal gebracht.
-
-Hendrik hield zich eerst nog, alsof 't volstrekt tien pond zouden
-moeten wezen, maar, gaf ten slotte toe, dat hij met één pond ook al
-tevreden zou zijn.
-
-'t Bleek, dat 't er drie waren!
-
-Neen, nu had Baas Hendrik volgens recht en billijkheid toch niets
-meer te zeggen. Hadden ze aan zijn boom gehangen of niet?--
-
-"Een man, een man--een woord, een woord, Hendrik," sprak Vader bij
-'t afscheidnemen met krachtige stem, toen de oude man 't alles maar
-op een grapje voor de kinderen wou gooien en warempel nu weer zijn
-standpunt tegenover den doe-niet zou gaan innemen.
-
-Hendrik schrikte er van op. Hij schoof zijn pet heen en weer. Dat
-was een raar geval voor den nauwgezetten, ouden baas; ja, hij had
-zijn woord gegeven, als je 't zóó wou opvatten!--
-
-"Ja," zoo kwam 't er eindelijk langzaam uit, "ja, als de burgemeester
-dat meent, ja, dan moet 't ook maar zoo wezen. Nog één jaartje zal
-ik lankmoedigheid betoonen; ja, daar heb je mijn hand, Burgemeester!"
-
-Of Trientje blij was! Nu zou ze weer een heel jaar lang naar den
-kerseboom kunnen kijken en dan daarbij aan Dirk kunnen denken, die
-"heelemaal aan den anderen kant van 't groote water" was.--
-
-En, als 't nu weer voorjaar is, zal Baas Hendrik dan weer zeggen,
-dat de kerseboom er met den herfst uit moet?--
-
-Wel, wie weet of de oude doe-niet tegen dien tijd zijn leven niet
-betert--je kunt 't nooit weten--en anders--ik heb er zoo wat van
-hooren mompelen, dat Dirk van plan is over te komen om zijn oudjes
-nog eens te bezoeken; misschien weet hij er dan ook nog wel wat op
-te bedenken om den boom nog een jaar te sparen.
-
-Weest er dan maar zeker van, dat Greetje en Klaartje daartoe wel een
-handje zullen meehelpen!--
-
-
-
-
-
-
-
-VAN TWEE PAAR PANTOFFELTJES EN NOG WAT.
-
-
-Er was eens een klein meisje, dat in een groot huis woonde.
-
-Natuurlijk woonde zij daar niet alleen; kleine meisjes wonen nooit
-alleen in groote huizen! Wèl soms in gezellige kleine huisjes, die ze
-zelf maken van een paar stoelen en stoven en een gordijn uit Moeders
-rommelkist en waarin ze met hun poppen huishouden, net precies zooals
-ze dat zelf willen.
-
-In groote huizen, waar ook nog groote menschen wonen, gaat het niet
-altijd precies zóó als de kleine meisjes het zelf willen.
-
-Dat is erg vervelend.
-
-Emma, zoo heette dit kleine meisje, wou bijvoorbeeld op
-St. Nicolaasavond volstrekt zoo lang opblijven als de groote
-menschen. Zij had gehoord, dat St. Nicolaas 's avonds zou komen,
-als zij al lang in bed zou liggen, om wat in haar pantoffeltjes te
-brengen. Maar zij wou dan niet in bed liggen en al lang slapen, ze wou
-op zijn om den goeden Sint te zien; dat dit niet mocht, maakte haar
-erg verdrietig, ja, en stout óók, zóó zelfs, dat zij in haar drift
-haar pantoffeltjes omkeerde, zoodat 't brood en 't hooi, dat er voor
-'t paard van St. Nicolaas in was gedaan, op den grond viel.
-
-Emma kon er nooit goed tegen, zie je, dat de dingen niet precies zóó
-gingen als zij het graag wou!
-
-'t Hielp niets; ze werd toch op 't gewone uurtje in bed gestopt.--
-
---Maar Emma was een stijfkopje. Als zij dan niet òp mocht blijven,
-wou zij tenminste wàkker blijven, net zoolang tot St. Nicolaas kwam!
-
-Met dikke tranen nog in haar oogen, knipperde ze tegen het nachtlichtje
-en zag er allemaal mooie, gekleurde figuren in. Door dit aardige
-spelletje trok haar booze bui af en werd ze weer een tevreden,
-vroolijk, klein meisje.
-
-Gelukkig maar, anders zou 't geen je nu zult hooren, niet gebeurd zijn.
-
---'t Was zeker al heel, heel laat toen hij kwam, want ondanks haar
-plan om wakker te blijven, had Emma al geslapen en was de olie van
-het nachtpitje bijna opgebrand; 't scheen als een gloeiende spijker
-in de duisternis en sputterde alsof 't zóó uit zou gaan.
-
-Emma was niets verwonderd, toen ze St. Nicolaas bij den haard zag
-staan;--van bang zijn was natuurlijk geen sprake, welk kind zou er
-nu bang voor St. Nicolaas zijn!
-
-Nieuwsgierig keek ze wat hij deed: hij bukte zich over de omgekeerde
-pantoffeltjes en schudde het hoofd, want die pantoffeltjes vertelden
-hem wat van een klein meisje en een booze bui!
-
-Emma schaamde zich.
-
-"Ik zal er gauw 't brood en 't hooi weer in doen," riep ze en stond
-meteen in haar lang, wit nachtjaponnetje voor St. Nicolaas.
-
-Deze keek haar vriendelijk aan.
-
-"Dat is braaf," zei hij met zachte, diepe stem. "En kleed je dan maar
-eens warmpjes aan; je mag een uurtje met mij mee."
-
-Emma trok vlug haar kleertjes aan.
-
-In gewone tijden kon ze dit niet alleen, maar nu ging het zoo vlot,--'t
-scheen wel of de knoopen vanzelf in de knoopsgaten, de haakjes vanzelf
-in de oogjes vlogen en de bandjes zichzelf strikten. Ze vroeg geen
-enkel keertje: "waar gaan we dan heen?" of "hoe kan dat?" en anders
-was ze toch zoo'n kleine vraagal! Zeker kwam het door 't ongewone van
-'t geval!
-
-Ja, ongewoon was het stellig wèl, dat daar een klein, klein meisje
-met St. Nicolaas voortreed door de stille, stille stad, waarop de
-zilveren sterren vriendelijk neerzagen.
-
-"Nu zal ik je mijn pakhuis eens laten kijken," sprak St. Nicolaas en
-meteen hielden zij stil voor een groot gebouw aan 't havenhoofd, niet
-ver van den steiger, waaraan "de stoomboot uit Spanje" vastgemeerd
-lag. Emma keek tersluiks naar de groote, witte boot. Ze was er
-dolgraag eens even op geweest, maar toen ze eenmaal in het pakhuis
-was, vergat ze dien wensch geheel en al. Er waren groote zalen, zoo
-vol van het prachtigste speelgoed, dat je wel zoo klein en behendig
-als Emma moest wezen om er gemakkelijk je weg tusschendoor te kunnen
-vinden. Het was er uitgestald op breede planken, die langs de wanden
-waren aangebracht, op lange, ruw houten tafels op schragen, die haast
-braken onder 't gewicht van al deze schatten, ja en ook op den grond
-stonden zoo maar de prachtigste dingen. 't Kon een wonder heeten, dat
-er nog niets gebroken of beschadigd was van de fijne eetserviesjes,
-tooverlantaarns, miniatuur-automobielen, poppenmeubels en al wat er
-maar meer voor breekbaars was.
-
-St. Nicolaas stond het glimlachend op den drempel aan te zien, hoe
-Emma vol verrukking rondhuppelde.
-
-"Als je kiezen mocht, wat zou je dan nemen?" vroeg hij.
-
-"Dit serviesje," zei Emma, maar in 't volgende oogenblik wees ze naar
-een groote pop, die een koffer beeldige kleertjes bij zich had. "O
-neen, veel liever deze mooie pop, alstublieft!"
-
-"Goed," sprak St. Nicolaas; "maar nu moet je er ook bij blijven."
-
-Van het speelgoed ging het naar de boekenbergplaats.
-
-Hier kwam Emma oogen te kort om al de prachtige prentenboeken te
-bekijken; om de boeken met enkel verhalen gaf ze niet veel, daar ze
-nog niet zóó vlot lezen kon.--Er waren er veel meer dan in den grooten
-boekwinkel, waar ze laatst met moeder was geweest. "Wel honderdduizend
-maal zooveel," beweerde Emma opgetogen.
-
-"O neen, nog veel meer," sprak St. Nicolaas. "Aan honderdduizend
-boekwinkels zou ik lang niet genoeg hebben. Je mag twee boeken
-uitzoeken, die je het mooist vindt."
-
-Dit was een moeilijk geval. Emma zag wel boeken, waarvan ze wist dat
-haar broertje ze 't allermooist zou vinden, maar voor zichzelf--en
-daar ging het nu toch om--was ze zoo gauw niet besloten. Ze liep van
-den eenen stapel naar den anderen en telkens meende ze nog een mooier
-boek te zien.
-
-Eindelijk had zij de allerprachtigste uitgezocht; ze handelden allebei
-over poppen.
-
-St. Nicolaas wachtte geduldig. 't Scheen dat hij even, haast
-onmerkbaar, met 't hoofd schudde. Mogelijk verbeeldde Emma 't zich
-alleen maar.
-
-Toen ze de deur uit gingen, werd zij er als 't ware toe gedrongen
-naar de jongensboeken te kijken, waarvan zij wist dat haar broertje
-ze zoo mooi zou vinden. Ze kon dat grootste nog wel nemen in ruil
-voor een van haar poppenboeken; St. Nicolaas zou 't zeker goed vinden.
-
-Even draalde Emma--toen keerde ze zich om en liep weg, St. Nicolaas
-achterna; ze wou toch liever haar boek houden.
-
-Nu was er een reeks zalen aan de beurt, waar het wel Luilekkerland
-geleek, want al 't lekkers, dat in den St. Nicolaasnacht "gereden"
-wordt, was hier opgestapeld. Bij zoo'n kolossale hoeveelheid was van
-uitstallen geen sprake meer geweest.
-
-Hoog opgestapeld lagen daar banketletters, torens vormend, die tot
-aan de zoldering reikten; ginds was een borstplaatberg en in 't
-midden van de zalen kon je heelemaal niet loopen, want daar lagen
-hoopen en hoopen speculaaspoppen en taai-taai-figuren. 't Kleine
-strooisuikergoed, de dieren van suiker en de chocoladeletters waren
-in reuzenkisten geborgen. St. Nicolaas tilde Emma op om haar er in
-te laten kijken en toen mocht ze er allebei haar handen in steken;
-wat ze greep was van haar.
-
-Toen ze weer op den beganen grond stond, had ze in haar eene hand een
-konijntje en een poes van suiker en in haar andere hand een groote
-D van chocolade. [1]
-
-"Dat is mijn letter niet," zei Emma, want een beetje lezen kon ze wel:
-"mijn letter is een E!"
-
-St. Nicolaas glimlachte. "Ja, je hebt er die D zelf uitgenomen;
-daar kan ik niets aan doen!"
-
-"Een D smaakt ook wel lekker," zei Emma toen vroolijk en ze zeurde
-heel niet om de letter nog te mogen ruilen, zooals ze op gewone tijden
-allicht bij Moeder zou hebben gedaan.
-
-Van Luilekkerland gingen zij naar de pakkamers, waar de zwarte knechts
-bezig waren duizenden manden in te pakken. Dit gebeurde in vliegende
-haast. Emma werd duizelig van 't kijken alleen.
-
-Ze was blij, dat St. Nicolaas er bij was; de zwarte knechts trokken
-wel vriendelijke grimassen tegen haar, maar ze vond het toch wat
-griezelig hen zoo van dichtbij te zien.
-
-"Dit moet allemaal vannacht nog worden rondgebracht," sprak
-St. Nicolaas. "Daarom ga je nu weer naar huis; ik heb het erg druk."
-
-De pop en de prentenboeken werden netjes ingepakt om bij Emma thuis
-bezorgd te worden--het lekkers wou ze liever in de hand houden--en
-voordat Emma 't wist, reed ze alweer met St. Nicolaas door de stille
-stad.
-
-"Hier in de buurt woont nòg een klein meisje, dat wel graag op
-had willen blijven om mij te zien, maar zij is er niet driftig om
-geworden, dat 't niet kon," sprak St. Nicolaas, toen ze bij een nauw
-steegje kwamen. "Ik weet, dat zij ook wakker is gebleven om op mij
-te wachten. We zullen er even binnengaan."
-
-Hoe 't gebeurd was, kon Emma later niet navertellen, maar opeens
-bevond ze zich met St. Nicolaas onder den schoorsteen van een armelijk
-vertrekje. St. Nicolaas maakte licht, want 't was er donker.
-
-'t Allereerste wat Emma zag, was een paar pantoffeltjes met roggebrood
-er in. Ze stonden heel precies naast elkaar; stellig waren ze nog
-nooit in drift ondersteboven gegooid.
-
-Nieuwsgierig keek Emma er rond. 't Kleine meisje, dat op St. Nicolaas
-wou wachten, lag zeker in 't ledikantje, dat in een hoek van 't
-kamertje stond.
-
-"Gaat zij nu óók al het moois zien?" fluisterde Emma een beetje
-verlegen, terwijl ze naar de toegeschoven gordijntjes wees, die
-zachtjes bewogen.
-
-"Dat kan niet; Doortje is ziek. Maar zij hoort er graag van vertellen
-en daarom heb ik je hier gebracht," sprak St. Nicolaas.
-
-Een mager handje schoof nu de gordijntjes open en Doortje keek er
-uit. [2] O, zoo'n tevreden, gelukkige glimlach vloog over haar bleek
-gezichtje, toen ze St. Nicolaas zag!
-
-"Moeder zei: 't gaf toch niets of ik al wakker bleef, want St. Nicolaas
-kwam toch niet, maar ik wist wel beter," fluisterde zij.
-
-Onderwijl had St. Nicolaas het papier opgenomen, dat bij de
-pantoffeltjes lag. "Een schort voor Moeder; een pakje tabak voor Vader;
-een pet voor Jan en een dasje voor Trui," las hij hardop.
-
-"En wat voor wensch heb je voor jezelf, mijn kind?" vroeg hij toen
-vriendelijk.
-
-"Ik ben al zoo blij dat ik u heb gezien," stamelde Doortje, "ik hoef
-niets meer."
-
-"O, maar als je mee hadt kunnen gaan en alles gezien hadt, zou je
-wèl wat weten te bedenken," riep Emma nu uit, en haar verlegenheid
-vergetend, kwam ze dichterbij en begon opgetogen haar wederwaardigheden
-te vertellen.
-
-Doortje luisterde met stille verrukking.
-
-"Waren er ook naaidoosjes?" vroeg ze bedeesd, toen Emma even ophield
-om adem te scheppen; "een naaidoosje zou ik toch nog wel graag willen
-hebben als 't niet te veel was! Dan kon ik Moeder helpen met haar
-naaiwerk."
-
-Naaidoosjes? Ja, dat wist Emma niet. Zij had alleen maar naar dingen
-gekeken, waar zij plezier in had.
-
-Om zich uit de verlegenheid te redden, liet ze Doortje haar lekkers
-zien.
-
-"Kijk, een poes en een konijn van suiker en een D van chocolade,
-een groote! Wil je die hebben? Toe maar, 't is allemaal voor jou! Wat
-treft het mooi, dat jouw naam juist met een D begint!"
-
-Emma was opgetogen over deze ontdekking; ze keek om en wou dit
-St. Nicolaas ook vertellen, maar.... ze zag St. Nicolaas niet meer.
-
-Wel zag ze bij den schoorsteen de pantoffeltjes met alles er in en
-er bij wat Doortje had gevraagd--óók zelfs een mooi naaidoosje. Emma
-wou het Doortje wijzen, maar ze kon niet--ze werd zoo vreemd moe
-en slaperig.
-
-"Ik moet ook naar huis," zei ze nog en 't geluid van haar stem klonk
-van heel ver af--ze knikkebolde, haar hoofdje gleed op zij--ze wist
-van niets meer.
-
-
-
-In den vroegen morgen was er een dik pak sneeuw gevallen. De witte,
-wollige, donzige massa schitterde op de daken en lag opgehoopt in
-de hoeken der vensterbanken tot groot vermaak van de kinderen,
-die toch al zoo uitgelaten waren op dezen morgen van den zesden
-December--zoekertjesdag!
-
-In de meeste huizen was de pret al lang in vollen gang, toen Emma--je
-weet wel, 't kleine meisje, dat in 't groote huis woonde en er niet
-tegen kon als de dingen niet precies zoo gingen als zij 't graag
-wou--zich pas in haar warm bedje uitrekte, geeuwde en heel, heel
-langzaam wakker werd. Ze had niets geen haast om haar oogen open te
-doen. Als zij ze dicht hield, zag zij nog alles wat zij op haar tocht
-met St. Nicolaas gezien had. O, ze wist het nog zoo best! Alleen van
-wat er gebeurd was, nadat ze voor Doortje's ledikantje in slaap was
-gevallen, kon zij zich niets herinneren. Maar nù lag zij toch weer
-in haar eigen bedje; dit wist zij wel, ook zonder dat zij haar oogen
-open deed.
-
-"'t Was toch zoo heerlijk," zei ze halfluid, "en wat goed was het,
-dat ik er bij ongeluk een D uithaalde in plaats van een E!"
-
-"Langslaapstertje! Droomstertje!" klonk het lachend en toen werd Emma
-heelemaal wakker.
-
-"Droomstertje," zei Moeder nog eens, "waar heb je het toch over? Doe
-je oogen maar gauw open en kijk dan eens wat St. Nicolaas je gebracht
-heeft!"
-
-In een wip was Emma nu overeind en wreef ze haar oogen uit.
-
-'t Brood en hooi was uit de pantoffeltjes verdwenen. Ze stonden op de
-tafel en er naast zat een mooie, groote pop met een open koffer vol
-beeldige kleertjes bij zich; twee prachtige prentenboeken lagen er bij.
-
-"Ik had ook nog lekkers," zei Emma, "maar dat heb ik aan Doortje
-gegeven, omdat ze niets voor zichzelf vroeg; o ja, een naaidoosje,
-maar dat was om haar Moeder te helpen--ik bedoel: niets prettigs."
-
-"Kindje, ik geloof dat je nog droomt," lachte Moeder weer, "hoe zou
-St. Nicolaas je nu geen lekkers gebracht hebben! Zie je dat bord
-niet staan?" Ze gaf Emma haar pantoffeltjes om aan te doen als ze
-uit bed stapte.
-
-"Ga nu je pop maar eens gauw bekijken! St. Nicolaas heeft het maar
-wat goed geraden, hé?"
-
-"Ik heb haar zelf uitgezocht," zei Emma, terwijl ze haar op den arm
-nam, "maar eerst had ik een serviesje...." En toen vertelde ze Moeder
-alles van haar tocht.
-
-"Ik heb alleen maar dingen voor mezelf gekozen," zei ze, toen ze aan
-'t bezoek bij Doortje toe was, en keek wat bedrukt. "Misschien was
-er wel een mooi naaidoosje geweest voor u en ik weet zeker, dat er
-een boek bij was, dat Broer graag zou gehad hebben; bijna had ik
-het genomen in plaats van dat ééne poppenboek.--Ik ben bang, dat
-St. Nicolaas 't niet heel aardig van me heeft gevonden!"
-
---Maar toen kreeg ze haar bord lekkers in 't oog, waar bovenop een
-groote E van chocolade lag.
-
-"Moeder, dat heeft St. Nicolaas er nog exprès neergezet, omdat ik
-'t mijne heb weggegeven, denkt u ook niet?" riep ze opgetogen uit.
-
-"Ja, dàt heeft St. Nicolaas stellig gedaan, omdat hij daaruit gezien
-heeft, dat je toch ook nog wel graag om een ander denkt," zei Moeder
-en gaf haar een kus.
-
-Emma bedacht zich even. "Moeder, weet u wat," zei ze toen met een
-stralend gezichtje, "als St. Nicolaas weer komt, maak ik óók een
-verlanglijst, net als Doortje, en dan zet ik Broer's pantoffels hier
-ook en die van Vader en van u.... maar niemand mag lezen wat ik er
-op schrijf."
-
-"St. Nicolaas óók niet?" vroeg Moeder plagend.
-
-"Ja, St. Nicolaas juist wèl," antwoordde Emma lachend en toen liet
-ze zich gauw helpen, want ze verlangde er naar klaar te zijn om ook
-Vader en Broer alles te vertellen.
-
-
-
-
-
-
-
-JUFFROUW'S PINKSTERTUINTJE.
-
-
-Op een lange rij liepen ze arm in arm door de straten van het
-Oostfriesche zeestadje, de vlasblonde deerntjes, en vroolijk klonk
-hun deuntje:
-
-
- "Dor koom ik een olt Mientje an
- van hoge, doge Disk----"
-
-
-Kapitein Benno Brons, die juist met zijn kort pijpje in den mond
-over de markt kwam aanslenteren, spreidde zijn armen wijd uit om
-de kinderen tegen te houden. Lachend stoven ze uit elkaar en in 't
-zelfde oogenblik had hij er twee gevangen: Helma van den apotheker
-en zijn eigen kleine Thedje.
-
-"Vader, nee, Vader, u moet ons nu loslaten; we gaan naar buiten,
-bloemen plukken voor morgen!"
-
-"Drommels ja, morgen is 't Pinksteren," zei de kapitein en hij deed,
-alsof hij daar niet aan gedacht had, terwijl zijn helderblauwe oogen
-vroolijk schitterden in het, door een grijzend ringbaardje omgeven,
-verweerde gezicht. "Dat's waar ook! 't Zal mij eens benieuwen, wie
-er morgenochtend het mooiste tuintje voor zijn deur vindt."
-
-"U niet, Kapitein Brons," riep er een plagend en toen vlogen ze allen
-joelend weg, want hij balde lachend zijn vuist en zette 't troepje
-quasi met een paar groote stappen na.
-
-De orde was nu verbroken; bij tweeën en drieën stoven ze voort,
-stoeiend en lachend, telkens nog omziende naar Kapitein Brons, die
-zijn weg al lang weer vervolgd had. Ze kwamen pas weer tot bedaren
-toen ze buiten het stadje waren gekomen.
-
-Tegen den hoogen walkant groeiden van die groote, gele dotters en
-ginds stonden lila Pinksterbloemen en madeliefjes met gouden harten.
-
-Thedje begon er maar dadelijk van te plukken; ze moest een heeleboel
-bloemen hebben, want ze had groote plannen: niet alleen voor thuis wou
-ze een Pinkstertuintje maken, maar ook voor de nieuwe juffrouw van
-school. Die woonde op kamers bij een oude schoenmakersvrouw en zou
-'t zeker erg prettig vinden, als ze morgen met zoo'n mooi tuintje
-verrast werd. Juffrouw had nog nooit 's een echt Pinkstertuintje
-gezien, want dáár, waar ze vandaan kwam, deden de menschen dat zoo
-niet. Dat hoorde zoo recht hier in 't Noorden thuis, waar je zooveel
-van die aardige, oude gebruiken hadt, vond Juffrouw.
-
-Toen ze dat zoo zei in de klas, hadden een heeleboel kinders den vinger
-opgestoken en sommigen waren overeind in de bank gaan staan in hun
-ijver om Juffrouw precies in te lichten omtrent die Pinkstertuintjes en
-ze hadden zich verbazend gewichtig gevoeld, omdat dit nu eens wat was,
-waar zij alles van wisten en Juffrouw, die zoo knap was, niet. Thedje
-had toen dadelijk bedacht, dat zij er eentje voor Juffrouw zou maken.
-
-Vol ijver was ze aan 't plukken. Verderop stonden meidoorns in bloei,
-roode en witte; daar moest ze ook wat van hebben.
-
-Haar kameraadjes waren allen op de wei neergestreken als een zwerm
-vroolijke vogels: ze plukten er bij handen vol boterbloemen en
-madeliefjes. Thedje hoorde hen wel lachen en snappen, maar was toch
-niet van plan naar hen toe te gaan. Ze wist een plekje, achter den
-hoogen wal, tusschen het eikenhakhout, waar 't vol driekleurige
-veldviooltjes stond. Daar zouden de anderen stellig geen bloemen
-zoeken; Thedje had ze laatst bij het verstoppertje-spelen ontdekt. Ze
-had nu exprès een mandje van thuis meegenomen om er de viooltjes, die
-zoo teer waren en in de warme hand gauw verwelkten, in te verzamelen.
-
-Toen ze genoeg andere bloemen naar haar zin had, ging ze er met
-stralende oogen op af. Die viooltjes, dat zou nu net wat moois
-zijn voor Juffrouw's tuintje! Heel kort bij den steel zou zij ze
-afplukken en dan, afgewisseld met gouden knoopjes uit Moeder's perk, op
-stukjes mos steken. Dat zou 't tapijt vormen, waar Juffrouw overheen
-moest loopen, als ze op Pinkstermorgen naar de kerk ging. Langs
-de kanten kwamen dan nog mooie figuren van scheerlinggroen en
-zwaardleliebladeren; die hadden ze in den tuin. Moeder had haar
-verteld, dat ze er die vroeger ook altijd voor gebruikt had. Met
-meidoornbloempjes wou Thedje de hoeken opvullen.
-
-Toen ze op den hoogen wal stond en door 't groen naar beneden keek, wou
-'t haar evenwel voorkomen, dat er toch niet zooveel viooltjes waren,
-als ze gemeend had.
-
-Voorzichtig liet ze zich van den steilen kant zakken en hield zich
-daarbij aan de takken vast.
-
-Daar dook op eens 't ronde, borstelige hoofd van Volkert Visser uit
-de struiken langs het drassige benedenpaadje op.
-
-Thedje schrikte geweldig. Volkert Visser was zoo'n ruwe, plagerige
-jongen;--ze mochten hem op school geen van allen lijden--de grooten,
-omdat hij zoo dikwijls spelbederver was en de kleintjes, omdat hij
-hen graag aan 't schrikken maakte. Zoo lieten allen Volkert maar
-'t liefst aan zijn lot over.
-
-Thedje's Moeder zei wel eens, dat de kinderen eigenlijk medelijden met
-hem moesten hebben, want thuis had de jongen 't ook niet plezierig:
-zijn ouders had hij nooit gekend en de Oom, bij wien hij in huis
-woonde, was een norsche, onverschillige man, die zich weinig aan hem
-gelegen liet liggen. Zij zou 't daarom wat goed gevonden hebben, als
-Thedje den jongen eens mee naar huis had genomen, maar daartoe was
-'t kind nooit te bewegen geweest. Thedje was bang voor Volkert Visser
-en nu was daar in 't laatst nog iets anders bijgekomen, waardoor ze
-nog meer hekel aan hem had gekregen.
-
-Volkert zat in dezelfde klas als zij. In de eerste dagen, toen de
-nieuwe juffrouw er was, had Volkert heel onaardig en stout gedaan om
-haar te plagen, maar de juffrouw was er niet boos om geworden. Even
-vriendelijk was ze tegen den stouten jongen gebleven als tegen de
-andere kinderen. Alleen had ze hem op zekeren middag, toen hij 't heel
-bont had gemaakt, na schooltijd even laten blijven en sedert dien tijd
-had ze niet de minste moeite meer met hem gehad. Juffrouw en Volkert
-waren nu de beste maatjes, dat kon ieder kind zien. Als er wat prettigs
-in de klas te doen was: boeken uitdeelen of schriften ophalen, mocht
-Volkert 't altijd doen en hij deed 't graag. Zie je, dàt kon Thedje
-nu maar niet velen, dat Juffrouw, tegen wie ze allemaal zoo hoog
-opkeken, zoo vriendelijk was tegen dien naren Volkert, die heel niet
-meetelde.... Thedje was jaloersch op hem en geen klein beetje ook!--
-
-Wat deed Volkert daar nu tusschen de viooltjes?
-
-Thedje behoefde er zich niet lang op te bedenken om 't antwoord op die
-vraag te vinden; zóó als ze hem gezien had, was 't haar door 't hoofd
-gevlogen: Volkert wil óók een Pinkstertuintje voor Juffrouw maken
-en daarvoor steelt hij mijn viooltjes, jazeker, Thedje's viooltjes,
-want zij had ze al ontdekt, toen ze nog maar eventjes te zien waren.
-
-Thedje's anders zoo vriendelijke kijkers stonden nu heel boos en ze
-had een rimpel boven haar neusje. Krampachtig hield ze haar schort
-met de bloemen, die ze aan den walkant geplukt had, vast; 't mandje
-was haar zooeven, door den schrik, ontgleden en langs den steilen kant
-gebuiteld. 't Lag beneden, maar Thedje durfde 't niet te halen. Volkert
-had haar nu in 't oog gekregen; dreigend zwaaide hij met een stok.
-
-"Wil je 's gauw maken dat je weg komt; je hebt hier niets te
-zoeken. Vooruit, ga je haast, of ik zal je--" Hij werkte zich door
-de struiken heen, haar kant op.--
-
-Overhaast nam Thedje de vlucht; ze was angstig, boos, bedroefd,
-alles tegelijk, maar de boosheid kreeg de overhand. Ze had 't nog
-juist met een glimp gezien, hoe daar op een uitgespreiden zakdoek
-een hoop afgeplukte viooltjes lagen.--Nare Volkert!--
-
-Er was een uitdagende, koppige trek op haar gezichtje, toen ze met
-haar bloemenschat thuiskwam.
-
-Moeder had al een emmer water in den kelder klaar gezet om er de
-bloemen, den nacht over, in frisch te houden, en Vader bracht ze er
-voor haar heen. Thedje had niet veel te vertellen. Vader en Moeder
-meenden, dat 't kind moe was van den drukken middag. Ze moest nu maar
-dadelijk haar avondboterham eten en dan vlug naar bed. Morgen zou
-'t extra vroeg dag voor haar wezen. 't Was een oud gebruik, dat de
-kinderen op den eersten Pinksterdag al voor dag en dauw in de weer
-waren om voor hun huis een Pinkstertuintje te maken. Soms werd dat een
-met zorg uitgevoerd kunstwerkje, soms ook, waar kleine, ongeoefende
-handjes bezig waren, moest men meer op den goeden wil zien dan op
-'t resultaat, maar toch, als tegen kerktijd alles klaar was, leverde
-'t geheel van die als mozaïek te zamen gevoegde bloemtapijten een
-eigenaardig, feestelijk gezicht op, en de kerkgangers, die bij 't
-eerste klokgelui uit hun huizen kwamen, wezen er elkaar glimlachend op.
-
-Thedje was wel een van de vroegsten op dezen heerlijken, lichten
-Pinkstermorgen, maar haar gezichtje stond niet helder en vroolijk,
-zooals 't op een feestdag behoort. Met saamgeknepen lippen en gefronste
-wenkbrauwen spoedde zij zich met een groot deel van haar bloemen voort
-naar de stille straat, waar Juffrouw woonde. Hoe verder zij kwam,
-des te harder liep zij. Tot elken prijs wou ze Volkert vóór zijn; al
-had ze nu geen viooltjes, toch zou ze wel maken, dat Juffrouw een mooi
-Pinkstertuintje kreeg; er kwamen nu maar wat meer gouden knoopjes in,
-dat stond vroolijk: gouden knoopjes met Pinksterbloemen en meidoorn aan
-de hoeken!--Wat zou Volkert op zijn neus kijken, als hij straks kwam
-en zag, dat hij een vergeefsche reis had gemaakt met zijn viooltjes!
-
-Nu lachte Thedje even. Maar 't was geen blijde, gulle lach en haar
-gezichtje werd er niet door verhelderd. Ze had zin om Juffrouw's
-tuintje zoo mooi mogelijk te maken, maar nu niet zoozeer om Juffrouw
-plezier te doen, dan wel om Volkert Visser verdrietig te maken.
-
-Als je zulke leelijke, zwarte gedachten in je hart hebt, staat dat
-ook op je gezicht te lezen; daarom zag Thedje er zoo donker uit op
-dezen feestdag.
-
-De straat, waar Juffrouw woonde, lag stil en verlaten. Er was nog
-geen enkel Pinkstertuintje in gemaakt.
-
-Geen enkel?--Ja toch, één, voor een van de laatste huizen--was 't
-soms dat, waar de oude schoenmakersvrouw woonde, bij wie Juffrouw
-kamers had?
-
-'t Hart klopte Thedje in de keel. Ze kon haast niet voort--toch wou
-ze er gauw heen om te zien of 't werkelijk zoo was.
-
-Ja--ze had zich niet vergist--er was een tuintje gemaakt, vlak
-voor Juffrouw's venster, een heel mooi tuintje, van boterbloemen en
-viooltjes--o, zoo'n massa viooltjes! Allen waren ze zorgvuldig op
-stukjes mos gestoken en frisch met water besprenkeld.--
-
-Tranen van spijt sprongen Thedje in de oogen. Toen werd haar
-blik donkerder; ze gooide haar eigen bloemen neer, ging op de
-knieën liggen en begon de dichtstbijzijnde viooltjes uit 't mos te
-peuteren. Achteloos wierp zij ze aan den kant, de kleine van den
-steel geplukte viooltjes, die haar verwijtend schenen aan te zien en
-te vragen: "Thedje, waarom behandel je ons zóó?--Je houdt toch anders
-zooveel van ons!"--
-
-Nog maar pas was Thedje aan haar vernielingswerk begonnen, toen
-'t gordijn opgehaald en 't venster opengeschoven werd.
-
-"Goedenmorgen Thedje!" zoo klonk Juffrouw's stem vroolijk: "Een
-gezegend en gelukkig Pinksterfeest! Wacht, ik kom even bij je!"--
-
-Nog voordat Thedje van den schrik bekomen was, had Juffrouw de voordeur
-al open gedaan en stond voor haar.
-
-Thedje lag nog op haar knieën, erg verlegen, en dit werd er niet
-beter op, toen Juffrouw zich bukte om haar een kus te geven en daarbij
-zei, dat ze den laatsten tijd veel aan Pinkstertuintjes gedacht had,
-maar zich niet had kunnen voorstellen zelf nog eens zoo'n mooi te
-zullen krijgen.
-
-Thedje zag vuurrood; ze liet 't hoofd hangen en speelde met de
-weggeworpen viooltjes.
-
-Maar toen Juffrouw voortging het tuintje te bewonderen en nog eens zei,
-dat ze 't toch zoo lief van haar vond zooveel moeite voor haar gedaan
-te hebben, kon Thedje's eerlijk hartje 't niet langer uithouden. Ze
-barstte in snikken uit en vertelde Juffrouw alles.
-
-Dat was een droevig begin van den feestdag voor Thedje en ook voor
-Juffrouw. Zulke leelijke gedachten en voornemens had Thedje gehad en
-Juffrouw meende nog wel, dat 't er bij Thedje even licht en vroolijk
-van binnen uitzag als bij haar zelf!--
-
-Dacht Thedje dan zóó 't Pinksterfeest te kunnen tegengaan, 't feest
-van Gods Heiligen Geest, die de harten van de groote menschen, maar
-evengoed die van de kinderen wil verblijden en verlichten en van
-liefde wil vervullen----?
-
-Thedje schudde 't hoofd, toen Juffrouw haar dit zoo ernstig vroeg.
-
-Daarop gingen ze naar binnen en hier, op Juffrouw's kamer, hoorde
-Thedje van een jongen, die door iedereen achteruit werd gezet en
-daardoor onverschillig leek, ofschoon hij toch evengoed behoefte aan
-hartelijkheid had als een ander kind. Mocht Thedje nu zoo jaloersch
-op hem wezen, Thedje, die thuis door Vader en Moeder omringd werd door
-liefde? Mocht zij 't hem misgunnen, dat Juffrouw ook van hem hield en
-'t hem misschien wat meer toonde, omdat hij niemand anders had die
-hem liefde bewees?
-
-Thedje's tranen vloeiden rijkelijker, maar 't was nu als 't ware een
-mild regenbuitje na een onweer, dat ontspant en goed doet.--
-
-O, ze voelde nu wel, hoe leelijk die jaloezie was geweest en ze had
-er zoo'n spijt van,--
-
-Gelukkig toch, dat Juffrouw zoo gauw gekomen was! Nu kon 't tuintje
-met een klein beetje moeite weer in orde gebracht worden en Volkert
-zou 't nooit behoeven te weten.
-
-Samen met Juffrouw ging ze naar buiten om de losse viooltjes weer
-op het mos te steken en dit te schikken, zooals 't gelegen had. Ze
-zei niets bij dit werkje--gedurig vielen er nog tranen op de kleine
-viooltjes.
-
-Toen 't klaar was, wou Thedje stilletjes met haar eigen bloemen
-weggaan, maar Juffrouw riep haar terug. "Hadt je die niet voor mij
-meegebracht?" vroeg ze vriendelijk en wees naar de gouden knoopjes,
-de Pinksterbloemen en de meidoorntakken in Thedje's schort. "Ik wil ze
-dolgraag van je hebben om mijn kamer feestelijk te maken--dan zal 't
-net zijn of ik twee Pinkstertuintjes heb, één buiten en één binnen!"--
-
-Toen brak de zon weer door bij Thedje. Haar oogen schitterden, terwijl
-ze Juffrouw de bloemen letterlijk in de armen duwde. Dat Juffrouw ze
-tòch nog hebben wou en niet boos was, deed Thedje's hartje opspringen
-van blijdschap. Ze had er behoefte aan Juffrouw nu ook nog een plezier
-te doen, een heel groot plezier!--Op haar teenen ging Thedje staan
-om 't Juffrouw in te fluisteren: "Volkert mag wel 's bij ons thuis
-komen--Moeder heeft 't ook al gezegd--en ik zal niet meer jaloersch op
-hem wezen, ook niet als Vader en Moeder lief voor hem zijn en--en--'t
-volgend jaar mag hij weer uw Pinkstertuintje maken."--
-
-"Neen," zei deze, "dan weet ik nog wat beters: dan doen jullie
-het samen.--Maar zoover zijn we nu nog niet. Eerst willen we dit
-Pinksterfeest blij vieren--ik geloof wel, dat we 't nu kunnen----is
-'t niet, Thedje?"
-
-Thedje knikte; haar gezichtje straalde--ze begreep wel, hoe Juffrouw
-'t bedoelde; ja, nù kon ze ook blij en vroolijk wezen op 't feest,
-want de leelijke gedachten waren weg en ook in haar hartje was 't
-licht en vredig geworden.
-
-
-
-
-
-
-
-DE KLEINE HOUTSNIJDER.
-
-
-Fani was een droomer, die altijd aan andere dingen dacht dan aan zijn
-werk, een treuzel, en--een bangerd. Wil je 't wel gelooven, dat hij 's
-avonds niet onder de dennen achter hun huisje durfde te loopen, omdat
-'t dan zoo vreemd ruischte en zuchtte, hoog in de slanke toppen? Dat
-deed de wind natuurlijk en dit wist Fani ook wel en toch--was hij bang.
-
-Moeder zei, dat het van de sprookjes kwam. Je moet weten, dat zijn
-Vader eens een sprookjesboek voor hem uit de stad had meegebracht
-en sedert hij dat had gelezen droomde Fani meer dan ooit, ook op
-klaarlichten dag als hij goed wakker was.
-
-Hij dacht aan niets anders dan aan dwergjes, toovenaars en feeën en
-wat het malste was, hij was er vast van overtuigd, dat hij ze nog eens
-zou zien ook, in 't bosch of in de bergen. Alles wat in de sprookjes
-stond, was echt waar voor hem.
-
-Toen hij dit eens aan Toni, den geitenhoeder, vertelde, lachte die
-hem hartelijk uit, en zei, dat hij van zijn leven nog geen dwergjes
-had gezien en als ze er waren, moesten ze toch zeker daarboven in de
-rotsen huizen, waar hij zoo vaak met zijn geiten was.
-
-Na dien tijd sprak Fani er maar nooit meer met hem over en met
-Moeder niet en met niemand, want hij wou niet uitgelachen worden,
-maar 't sprookjesboek stopte hij weg op 't zoldertje, waar hij sliep,
-in de kist onder zijn Zondagsche kleeren, en 's morgens vroeg, voordat
-Peter en Franzli, zijn kleine broertjes, wakker waren, las hij er in.
-
-Al was Fani de oudste, toch had Moeder weinig aan hem bij haar werk,
-en ze kon toch zoo best wat hulp gebruiken als ze zoo dagen achtereen
-met de kinderen alleen was. Fani's Vader was koopman; hij reisde met
-zijn marsje op den rug overal in den omtrek heen waar kermis was. De
-menschen kochten wat graag de aardige snuisterijtjes, die hij uit
-hout wist te snijden, vooral zijn dierfiguurtjes waren zoo mooi en
-natuurlijk alsof ze leefden. Houtsnijden, dat was anders wel iets,
-waarin Fani ook plezier had, maar Vader, die 't hem zou leeren, was
-zoo ongeduldig geworden, omdat Fani eerst maar niet den slag beet had
-kunnen krijgen van de koeien, geiten en herten, die hij altijd maakte.
-
-Fani had zoo dolgraag eens een dwergje willen probeeren, maar toen de
-diertjes telkens mislukt waren en er van al zijn knutselen en knoeien
-toch niets was terechtgekomen, was Vader boos geworden en had gezegd,
-dat Fani, als hij geen diertjes kon leeren snijden, er dan maar liever
-heelemaal mee moest uitscheiden; zoo'n droomer zou het toch tot niets
-brengen! Later moest hij maar houthakker boven in de bosschen worden,
-dat was zwaar werk en daarbij zou hij dat droomen en treuzelen wel
-afleeren.
-
-Zoo had Vader gesproken en Moeder had met een zucht gezegd, dat
-Vader wel gelijk had. Toen kreeg Fani dus geen les in 't houtsnijden
-meer, maar voor zichzelf bleef hij zich oefenen, 's winters ieder
-vrij oogenblikje na schooltijd op 't zoldertje of in 't schuurtje,
-zoo lang het licht was, en 's zomers buiten op een stil plekje bij
-'t beekje. Hij probeerde niets anders te maken dan de dwergjes en
-toovenaars en feeën uit zijn sprookjesboek en knutselde op zijn eentje
-zonder dat iemand er iets van wist of zag, net zoo lang, totdat 't hem
-beter gelukte en zijn dwergjes eindelijk net zoo goed uitvielen als de
-diertjes, die Vader maakte.--Maar hij durfde er thuis toch niet over
-te spreken of ze te laten zien, omdat Vader toen zoo boos was geweest,
-en stopte al wat hij maakte onder in de kist bij 't sprookjesboek.
-
-Zoo kwam Juni in 't land, de tijd van de kermissen en jaarmarkten,
-en daar Vader al een heele poos ziek was, moest Fani er met het marsje
-op uit.
-
-'t Eerst was het groote dorp, dat verder het dal in lag, aan
-de beurt. Dit was nu niet zoo ver weg of Fani kon 's avonds weer
-thuiskomen. Alleen zoo'n eind door 't bosch te loopen was niets voor
-hem, maar gelukkig, 't beekje hield hem gezelschap. 't Kabbelde
-zoo vroolijk alsof het met hem babbelde en toen Fani dorst kreeg,
-gaf het hem heerlijk frisch water te drinken.
-
-'t Was al middag, toen Fani in het dorp kwam. De kermis was er
-in vollen gang; 't plein stond vol kramen en tenten; muzikanten
-toeterden en bliezen, kooplui schreeuwden om 't hardst hun waren uit
-en kinderen sloegen de trom of bliezen op goedkoope mondharmonica's uit
-de speelgoedkraam tegenover het logement. 't Was een leven van belang.
-
-Fani, die uit het stille bosch kwam, werd er beduusd van. Hij stond
-het met groote oogen aan te kijken uit een verborgen hoek bij de
-speelgoedkraam, waar leege kisten waren opgestapeld, en vergat
-heelemaal, dat hij ook wat te koop had. Maar al had Fani er ook aan
-gedacht, hij zou toch nooit als die andere kooplui hebben durven doen.
-
-Nu lette niemand op hem, totdat een paar opgeschoten jongens, die
-dicht bij zijn hoekje aan 't vechten waren, tegen hem aanbonsden en
-hem op den grond gooiden. Het marsje kiepte om en de mooie diertjes,
-die Vader met zooveel zorg had ingepakt, rolden naar alle kanten
-heen. Toen Fani weer op de been was en het zag, begon hij hard te
-schreien. Een vriendelijke vrouw hielp hem ze weer op te rapen en
-er kwamen nog meer menschen bij, die ook hielpen. Gelukkig waren
-er slechts een paar stukjes beschadigd en die kocht een heer uit
-'t logement aan den overkant hem dadelijk af. 't Kleine meisje, dat
-bij hem behoorde, had zoo'n medelijden met den schreienden jongen en
-hield niet op of Fani moest bij Papa en haar onder de waranda komen
-zitten om een glas melk voor den schrik te drinken.
-
-Fani wist niet wat hem overkwam, toen hij daar wat deftig aan een
-tafeltje zat te kijken naar het bont gewoel op het plein, waar hij
-zoo straks nog midden in had gestaan.
-
-Margo'tje, zoo heette zijn nieuw vriendinnetje, beduidde hem, dat hij
-maar flink moest toetasten van de broodjes met vleesch, die haar Papa
-ook nog voor hem had laten komen. Beduidde? Ja, want Margo'tje was
-een Hollandsch meisje, dat wel al met haar Papa alleen op reis was,
-maar toch nog niets dan Hollandsch sprak, en Fani kon natuurlijk geen
-Hollandsch verstaan, evenmin als zij Fani's taal kon begrijpen. Met
-elkaar praten ging dus niet. Maar gelukkig kon Margo'tjes Papa wel
-met Fani spreken.
-
-'t Was vreemd, Fani, die altijd zoo verlegen was, durfde nu best zijn
-woord te doen tegen den vreemden heer; of 't kwam doordat deze hem
-zoo vriendelijk aankeek en niet ongeduldig werd over zijn langzame
-manier van praten?
-
-Fani vertelde van Vader, die ziek was, en de beestjes gemaakt
-had, vertelde ook hoe naar hij 't op de kermis met al die drukte
-vond. Onderwijl bekeek Margo'tje de koeien, geiten en herten, en
-sommige, die ze heel mooi vond, zette ze uit 't marsje op de tafel.
-
-Fani had er geen erg in, zoo was hij aan 't vertellen.
-
-Op eens gaf Margo een gilletje.
-
-"O, Pa, kijk eens wat leuke dwergjes! Kijk toch eens!"--Ze hield
-een van Fani's knutselwerkjes omhoog, die hij met 't sprookjesboek
-heel onder in 't marsje had gestopt, omdat hij bang was dat Peter of
-Franzli ze in zijn kist zouden vinden, terwijl hij weg was.
-
-"Kijk toch eens, hoe aardig!--En o, hier is een toovenaar, die kinderen
-laat dansen!"
-
-Fani werd eerst vuurrood van schrik en toen wit. "Nee, die hooren er
-niet bij, die zijn van mij!" riep hij haastig en wou ze haar afnemen,
-maar Margo'tjes Papa had nu de figuurtjes al in zijn hand.
-
-Fani had wel van schaamte in den grond willen kruipen. Wat mocht
-die vriendelijke mijnheer wel van hem denken, dat hij zulk knoeiwerk
-tusschen Vader's mooie diertjes in had gestopt!
-
-Maar Mijnheer zei niets, hij keek er naar en zag toen Fani lang aan,
-die hoe langer hoe meer verlegen, stotterend uitlegde hoe ze in het
-marsje waren verzeild.
-
-Toen Margo'tjes Papa de figuurtjes weer op 't tafeltje zette, wou
-Fani ze maar gauw in 't marsje pakken, heel onderin, dan zag niemand
-die prullen meer, maar neen, dat mocht niet. Mijnheer vroeg hem of
-hij ze wou verkoopen en verbeeld je, toen Fani half ongeloovig van
-"ja" knikte, kreeg hij er evenveel voor als voor Vader's mooiste
-beestjes!--'t Gezicht van den jongen straalde van blijdschap.
-
-Hij kon 't maar niet begrijpen; nu zou hij haast zelf denken, dat hij
-droomde, of dat die mijnheer een toovenaar was en misschien straks
-'t geld weer zou wegtooveren, maar neen, hoor, 't was geen droomgeld,
-'t was echt en 't bleef stil in zijn hand liggen ook!
-
-Laat in den middag ging er een heel andere Fani de kermis af dan de
-Fani, die er op was gekomen. Deze deed niet verlegen of schuw, neen,
-hij hield zijn hoofd flink rechtop en hij keek zoo blij, zoo blij!--Nu
-hielp hij Vader en Moeder toch, nu was hij geen droomer meer, die niets
-kon! De vriendelijke, vreemde mijnheer had beloofd over een dag of wat
-bij Vader en Moeder te zullen komen om over Fani te spreken en als
-'t mocht van thuis,--nu, dàt zou wel--dan zou die mijnheer er voor
-zorgen, dat Fani op een school kwam om echt mooi houtsnijden te leeren.
-
-Daar zou hij bepaald ook wel dwergjes mogen maken en alles, alles
-uit het sprookjesboek. En als hij 't dan heel goed kon, dan, ja,
-'t was nog een geheim, een groot geheim, maar Fani kon 't toch niet
-laten het vast aan 't beekje te vertellen,--dàn zou hij een extra
-mooie groep dwergjes maken en die aan 't kleine, Hollandsche meisje
-sturen, want als zij niet zoo vriendelijk voor hem was geweest, zou
-'t allemaal bepaald niet zoo zijn geloopen!
-
-
-
-
-
-
-
-EDDIE'S BOODSCHAP.
-
-
-"Eddie, kan je straks eens vlug een boodschap voor me doen bij Boer
-Jansen?" vroeg Vader op een ochtend aan 't ontbijt aan zijn oudsten
-jongen.
-
-"Ik wel, Vader!" "Toe, laat mij 't doen," riepen Fritsje en Broer,
-maar Eddie zei: "Nee, ik zal 't wel doen; ik kan veel harder loopen
-dan jullie, omdat mijn beenen zooveel langer zijn."
-
-De kleine broertjes keken naar hun korte, dikke beentjes en toen naar
-de lange, dunne van Eddie; ja, ze waren wel erg lang en wat kon Eddie
-er hard mee loopen!
-
-Fritsje en Broer peuzelden nu stilletjes hun boterhammen op, terwijl
-Eddie luisterde naar zijn boodschap, die wel gemakkelijk te onthouden
-was; hij moest alleen maar aan Boer Jansen zeggen: "Compliment van
-Vader en of u maar wilt laten brengen, waarover Vader met u heeft
-gesproken."
-
-"Koolplantjes voor den tuin zeker, hè Vader?" vroeg Eddie, die altijd
-alles heel precies wou weten.
-
-"Dat kan je niet schelen; breng jij de boodschap maar net zoo over
-als ik je voorgezegd heb en denk er om, mijn jongen, er is haast bij,
-hoor. Je moet vóór schooltijd gaan en maken, dat je er al vóór half
-negen bent. Vooral niet tot twaalf uur wachten."
-
-Eddie beloofde het en daar Boer Jansen een eindje buiten 't dorp
-woonde, mocht hij ook wat vroeger van huis gaan dan anders. Vader
-bracht hem tot 't hek en zei nog eens, dat hij onderweg niet mocht
-treuzelen.
-
-Eddie beweerde, dat hij er wel om denken zou. Hij zwaaide vroolijk
-met zijn pet tegen Moeder en de kleine broertjes, die voor 't raam
-stonden, zei Vader goedendag en schoot toen als een pijl uit den boog
-weg, den kant uit, waar Boer Jansen woonde.
-
-Eerst dacht Eddie aan niets anders dan aan zijn boodschap, die hij
-gedurig bij zichzelf opzei, maar toen hij 't weiland overstak en daar
-zijn vriendje Kees zag met zijn bok, vergat hij heelemaal dat hij
-haast had en liep naar Kees toe, om den Sik te bewonderen. Hè, Eddie
-wou altijd zoo dolgraag een bok hebben,--en dit was zoo'n aardig, mooi
-dier! Kees wist weer allerlei grappige dingen van Sik te vertellen,
-die zoo slim was--als een mensch, zei Kees, en Eddie luisterde er
-graag naar. Hij ging bij zijn vriendje in 't gras zitten, speelde
-met Sik, die nu eens net deed alsof hij stooten wou en dan weer in
-Eddie's zak snuffelde in de hoop dat er een stukje brood in zou wezen,
-en--dacht niet meer aan Boer Jansen.
-
-Daar kwam de groote broer van Kees aan: "Toe jongen, moet je niet
-naar school? Op mijn horloge is 't al bijna kwart; ga maar gauw,
-ik zal Sik wel thuisbrengen," riep hij al uit de verte.
-
-"Naar school?"--Eddie keek alsof hij gedroomd had en nu pas wakker
-was geworden. Ja, natuurlijk, hij moest óók naar school, net zoo goed
-als Kees, en--en--wat moest hij ook nog meer?--
-
-"Kom Ed, als we niet gauw gaan, zullen we nog te laat komen," riep
-Kees, die al overeind was gesprongen en 't touw van Sik aan zijn
-broer had gegeven. Maar Eddie, die nu opeens aan zijn boodschap dacht,
-schudde van neen.
-
-Hoe had hij toch zóó kunnen vergeten wat Vader zei en er was nog wel
-haast bij geweest! Eddie schaamde zich vreeselijk. Wat hadden zijn
-lange beenen hem gegeven? 't Eenige wat hij doen kon om 't goed te
-maken, was: nu nog zoo gauw mogelijk naar Boer Jansen loopen.
-
-"Ga jij maar," zei hij tegen zijn vriendje, "ik moet nog voor Vader
-een boodschap doen, bij Jansen."
-
-"Doe 't om twaalf uur," ried Kees aan; "als je nù nog gaat, kom je
-zeker te laat op school."
-
-Even draalde Eddie. Hij was zoo'n secuur baasje. Nog nooit was hij
-te laat geweest. Wat zou Meneer wel zeggen als 't hem nù overkwam?
-
-"Toe dan," zei Kees weer, "ga nu mee; als je te laat komt, moet je
-schoolblijven om twaalf uur; dan kan je niet mee roovertje spelen en
-je zou nog wel de hoofdman zijn!"
-
-Hè, roovertje spelen op 't plein voor de school en hoofdman zijn! Eddie
-was vreeselijk graag de baas over de andere jongens; als hij nu geen
-hoofdman kon zijn, zouden ze een ander kiezen, misschien wel Piet
-van Dam, en morgen zou Piet dan ook weer hoofdman willen wezen. Zou
-die boodschap eigenlijk niet evengoed om twaalf uur kunnen gedaan
-worden? 't Was toch zeker maar wat voor den tuin!
-
-Eddie keek Kees na, die al een eindje op weg was. Bijna had hij de
-boodschap gelaten voor wat ze was om Kees te volgen; toen dacht hij
-er aan, dat hij Vader toch beloofd had niet tot twaalf uur te wachten,
-maar nog voor schooltijd naar Boer Jansen te gaan. Hij keerde zich dus
-om en draafde zoo hard hij draven kon naar de boerderij van Jansen. Wat
-was 't nog een eind en wat werd Eddie warm, maar hij stond toch geen
-oogenblikje stil om uit te blazen; hij liep en liep, totdat hij bij
-'t bruggetje was, waar je overheen moest als je naar de boerderij
-wilde gaan. De boer kwam juist het erf af met twee mooie bokken aan
-een touw, die nog veel grooter waren en veel glanziger huid hadden
-dan de Sik van Kees.
-
-Eddie keek wel begeerig naar de dieren, maar vergat er nu toch zijn
-boodschap niet door. Boer Jansen lachte even toen hij hoorde wat
-Eddie van Vader moest zeggen.
-
-"Nu, dat is wèl op 't nippertje; omdat er om half negen nog geen
-boodschap was, zooals we afgesproken hadden, dacht ik, dat Vader van
-den koop af zag en wou ze nu aan een ander brengen, die ze ook graag
-wou hebben. Maar nu gaat Vader natuurlijk voor. Zeg dus maar thuis,
-dat 't in orde is, hoor; ik zal ze meegeven als Teunis straks met
-koolplanten naar jullie toegaat!" Meteen draaide de boer zich om met
-de beide Sikken, alsof nu zijn wandeling niet meer noodig was. Wat
-het toch was, dat Boer Jansen straks aan Vader zou laten brengen,
-had Eddie wel graag willen vragen, maar hij durfde niet goed. Hij
-dacht heel eventjes aan iets, maar nee, dat zou te heerlijk zijn;
-nee, daaraan wou hij niet eens denken, maar of Eddie nu wou of niet,
-hij moest er toch telkens aan denken, onderweg en ook op school, waar
-hij wezenlijk nog op tijd aankwam. 't Horloge van den grooten broer
-van Kees was zeker vóór geweest. En toen hij om twaalf uur nog gauw
-even, voordat ze roovertje gingen spelen, naar huis liep om eens te
-kijken, zag Eddie dat, wat hij haast niet had durven denken, heerlijke
-zekerheid was: in 't schuurtje stonden de twee prachtige bokken van
-Boer Jansen en Vader, die ze met Moeder en de beide broertjes aan
-'t bewonderen was, zei toen Eddie er bij kwam, dat de Sikken nu van
-hun drietjes zouden zijn. Fritsje en Broer juichten van plezier,
-maar Eddie stond er stilletjes bij, net alsof hij er geen schik
-in had. Dat kwam, omdat hij bedacht hoe weinig het gescheeld had,
-dat deze groote verrassing van Vader door zijn schuld hun deur was
-voorbijgegaan, maar, toen hij Vader en Moeder alles verteld had en
-zijn hartje dus weer ruim en prettig voelde, ja, toen was hij even
-blij als Fritsje en Broer;--even blij?--neen, zelfs nog blijder!
-
-
-
-
-
-
-
-GELLA'S PEET
-
-
-Heel ver hier vandaan, daar, waar toentertijd uitgestrekte,
-woeste streken waren met onafzienbare, heuvelachtige heidevelden en
-geheimzinnig donkere, kwalijk riekende moerassen, woonde de herder
-Mangold met zijn vrouw en zijn dochtertje Gella.
-
-'t Was in den goeden, ouden tijd, toen ieder kind, behalve één of
-twee Grootmoeders en verscheidene Tantes, ook nog een Petemoei bezat,
-voor wie 't heel veel respect had. Wat Vader of Moeder niet gedaan
-konden krijgen, had Petemoei in een oogenblik bewerkt, vooral als,
-zooals hier bij Gella 't geval was, de Peet niet maar een gewone
-Petemoei, maar een fee, ja, ja, een heusche, wijze fee was, die diep
-in de hartjes der kinderen kon kijken.
-
-Als je van feeën leest, denk je altijd aan slanke, teere, jeugdige
-wezentjes. Gella's Petemoei echter zou je op 't eerste gezicht
-niet voor een fee houden. Zij had zich vermomd in de gedaante van
-een gezellige, kleine, gezette, oude dame met een vroolijk gezicht,
-dat omlijst werd door mooie, witte krullen. Ja, ze had evengoed een
-grootmoeder kunnen zijn.
-
-Gella hield veel van haar Petemoei. 't Was een feest voor haar, als
-zij eens in de herderswoning kwam. Dit gebeurde echter hoogstens één
-keer per jaar, zoo om en bij Gella's jaardag.
-
-Nog grooter feest was 't voor ons meisje, als zij met Vader of met
-Moeder, haar Petemoei mocht bezoeken. De oude dame woonde in een mooi,
-klein kasteeltje, ver, ver weg in 't heuvelland. Je kunt dus wel
-begrijpen, dat Gella maar niet zoo eventjes naar haar toe kon gaan,
-als zij er zin in had.
-
-Ja, jullie zijn verstandig en kunnen 't best begrijpen, maar Gella kon
-'t niet of--wilde 't niet inzien.
-
-Zoo'n eigenzinnig, eigenwijs ding heb je zeker nog maar weinig
-ontmoet. Zij wist alles beter dan Vader en Moeder en vond den door
-haarzelf gekozen weg altijd de beste.
-
-Op zekeren voorjaarsdag had Gella er op eens grooten zin in naar haar
-Petemoei te gaan om haar de sneeuwklokjes te brengen en de kleine,
-blauwe viooltjes, die ze in haar tuintje had gekweekt. Maar ze moest
-nog een week geduld hebben, vond Moeder; dan zou Vader, die nu met
-zijn schapen dieper 't vlakke land in was getrokken, weer dichter
-bij huis zijn en zoo zou Moeder, die huis en hof niet graag alleen
-achter liet, met haar mee kunnen gaan.
-
-Wachten en geduld hebben waren woorden, die niet in Gella's boekje
-stonden. Zij pruttelde en pruilde en--besloot haar zin door te drijven,
-toch te gaan--alleen.
-
-Toen Moeder in den stal bezig was, sloop ze stil naar buiten, plukte
-haar bloempjes, deed ze in een mandje en begaf zich op weg.
-
-'t Was een heerlijk zonnige lentedag. Een klein, wit Wolkje zweefde
-langs den diep-blauwen hemel, die zich over 't golvende heideland
-welfde. Het Voorjaarskoeltje streek langs Gella heen en stuwde 't
-witte Wolkje op.
-
-Beide, 't Koeltje en 't Wolkje, waren dienaren van de fee, moet
-je weten. Zij hadden haar al verteld, dat Gella op haar eentje in
-aantocht was.
-
-Hiervan wist 't kleine, eigenzinnige meisje natuurlijk niets. Ze
-stapte vroolijk voort en zong om 't hardst met den Leeuwerik, die
-hoog, hoog de lucht in schoot en eindelijk nog slechts een klein,
-klein stipje was in de blauwe, onmetelijke ruimte.
-
-Gella had geen moeite met 't vinden van den weg en was daar niet
-weinig trotsch op, want 't was de eerste maal, dat zij dezen tocht
-alleen deed. Eerst volgde ze 't langzaam stijgende, smalle pad door
-heidekruid en bremstruiken en toen dit plotseling dood liep, zette ze
-haar weg voort, nu eens klimmend, dan weer dalend, over de heuvels,
-zonder zich één oogenblik te behoeven te bedenken--zóó zeker was ze
-van haar zaak.
-
-Arme, kleine Gella, ze had 't eens moeten weten, dat 't Koeltje haar
-op Petemoei's bevel zachtjes, maar gestadig voortstuwde in de goede
-richting, dat 't witte Wolkje, waarnaar ze telkens keek, haar den weg
-aanduidde en bovendien, ze had 't eens moeten zien, hoe haar goede
-Petemoei voor één der vensters van haar kasteeltje zat te lachen,
-te lachen om die kleine, domme Gella, die zoo wijs meende te zijn.
-
-Maar na een poosje werd Petemoei ernstig en schudde 't hoofd. Zou
-Gella zóó voortgaan, dan zou ze opgroeien tot een onverdragelijk,
-eigenwijs, onbruikbaar mensch.
-
---Hé, wat was dat? Gella keek op. Was 't de Leeuwerik die
-zong? Òf dat kleine, kleine Vogeltje, dat ginds opvloog uit 't
-heidekruid?--Duidelijk hoorde ze 't met een fijn, zacht stemmetje op
-zoetvloeiende wijs:
-
-
- "Al wie zijn eigen weg wil gaan,
- ziet dwaallicht vaak voor sterren aan--
- en, gaat hij op dat schijnsel door,
- dan raakt hij licht van 't rechte spoor."--
-
-
-Gella bleef stil staan om te luisteren en toen ze even later haar weg
-vervolgde, kende zij 't versje uit 't hoofd. Een paar maal zei ze 't
-bij zichzelf op en daarna zong zij het, zonder evenwel veel aandacht
-aan den zin der woorden te schenken.--
-
-Zonder ongevallen bereikte ze 't verblijf der goede fee.
-
-Plotseling had zij 't vóór zich gezien, 't mooie, sierlijke kasteeltje
-met zijn slanke torentjes. Haar Petemoei stond nu op 't terras en
-wuifde haar toe. Wat was Gella blij! Zij hield haar mandje omhoog en
-streek haar haren glad, want het speelsche Windje had 't haar voor
-afscheid nog een beetje door elkaar geschud. 't Witte Wolkje scheen
-eenigszins spottend op haar neer te zien: 't had zich vervormd tot
-een lachend gezicht.
-
-Druk babbelend zat Gella weldra naast Petemoei in het groote,
-vroolijke, lichte torenvertrek, waarin de zonnestralen ongehinderd
-konden binnendringen. Petemoei hield van licht. Alles moest maar
-goed openbaar worden. Voor 't licht kon zich niets, wat verkeerd was,
-verbergen. Zoo maakte ze 't ook met al haar petekinderen, van wie Gella
-er eentje was. Zij had er nog verscheidene meer. Misschien vertel ik
-jullie later nog wel eens van hen, maar nu is Gella 't hoofdpersoontje.
-
-De wijze, goede fee keek 't kind aan met een blik, waarin louter
-zonnetjes lichtten. Ze zag haar tot in 't hartje.--
-
-Gella snapte onderwijl maar door, vertelde van haar wandeling en liet
-vooral uitkomen, hoe knap ze alleen den weg had weten te vinden. Van
-haar stil wegloopen verzweeg ze en ook van 't gezang, dat ze had
-gehoord.--Maar 't moest toch aan 't licht komen--op eens werd ze
-verlegen voor Petemoei's blik tot diep in haar hartje en stotterde
-juist 't geen ze niet had willen vertellen.
-
-Petemoei schudde 't hoofd. Toen liet ze Gella 't gehoorde versje
-opzeggen.
-
-Kende Gella 't nog wel?
-
-O ja, dat ging als van een leien dakje.
-
-"Onthoud 't goed, kind en handel er naar. Zeg 't nog eens op en denk
-er dan bij na."--
-
-Petemoei keek Gella onafgewend, ernstig, aan. Toen moest 't kind
-langzaam nog eens die regels uitspreken.--
-
-Hierna werd de goede, oude dame evenwel weer vroolijk, deed spelletjes
-met Gella, trakteerde haar, zong en lachte--o, 't was een heerlijk
-dagje voor Gella!
-
-Je hebt natuurlijk al lang begrepen, dat de goede fee Gella's Moeder
-niet al dien tijd in onrust had laten zitten! Neen, deze had al
-dadelijk een geruststellend bericht gekregen--er stonden Petemoei
-zooveel vlugge dienaren ter vervoeging, die haar orders snel en prompt
-uitvoerden! Dat was dus wel in orde!--
-
-Tegen dat de schemering begon te vallen, zond de wijze fee haar
-petekind weer weg. Zij kuste haar hartelijk tot afscheid, bedankte
-haar nogmaals voor de bloemen en--zei toen iets, dat Gella van schaamte
-deed blozen.
-
-"Eigenlijk moest ik boos op je zijn, omdat je zonder toestemming van
-Moeder hier bent gekomen."--
-
-"Ik dacht," zoo stotterde 't eigenwijsje, "ik dacht, dat u 't niet
-erg vondt, omdat u zoo vroolijk aldoor was en--en--omdat ik toch zelf
-den weg zoo mooi heb gevonden. Ik dacht, dat u nu ook vondt, dat ik er
-groot genoeg voor was; ik wist den weg eigenlijk beter dan Moeder, want
-die heeft zich den laatsten keer nog gedurig moeten bedenken, hoe we
-verder moesten en met Vader zijn we eens een heel eind omgeloopen."--
-
-Er klonk een toon van zelfbewustzijn in door.--
-
-De goede, oude dame, die volstrekt niet boos kon zijn--ze probeerde
-'t wel eens, maar 't ging haar nooit natuurlijk af--'t paste zoo
-heelemaal niet bij haar--trok Gella even aan 't oor--heel zacht
-maar--en gaf haar een tikje op den schouder.
-
-"Zal je 't versje niet vergeten, kind?--Ik zal je nu iemand meegeven,
-om je thuis te brengen, want als de zon daalt, ziet het er buiten
-heel anders uit, dan wanneer zij met haar vriendelijk licht alles
-verheldert en doordringt."
-
-"O neen, dat behoeft niet; dank u wel," zei Gella parmantig. "De weg
-terug is nog veel gemakkelijker te vinden dan de weg hierheen. 't Is
-heelemaal niet noodig."
-
-Maar Petemoei wenkte haar dienaar Schaduw en deze vergezelde 't meisje
-zonder dat zij 't bemerkte.--
-
-De avond daalde vlugger dan Gella 't zich zooeven had kunnen
-voorstellen. Petemoei had wel gelijk gehad: Wat zag alles er buiten
-nu anders uit dan vanmorgen in 't ochtendlicht! Donkere vlerken
-schenen zich over de aarde te ontvouwen--'t was stil, doodstil
-op de heuvels. Soms drongen van ver-af vreemde, wilde kreten tot
-Gella door--zeker werden ze uitgestooten door nachtvogels, die op
-buit aasden.
-
-Gella huiverde en stapte haastig voort. Had zij ook spijt zich zoo
-parmantig van geleide te hebben afgemaakt?--Neen, o neen, zij was heel
-zeker van den weg en niet bang ook, welneen!--Maar toch--haar hartje
-klopte sneller en van tijd tot tijd keek zij met angstige oogen rond.
-
-Nu was zij ver van de bewoonde wereld in de groote eenzaamheid der
-golvende heidelanden.--Ha! Gella haalde verruimd adem. Ginds groette
-haar een lichtschijnsel, vertrouwd en bekend--een sterretje in de
-donkerheid en ginds nog een en nog een en dan die groote, fonkelende,
-dat was de ster, die juist boven hun huisje stond. Hoe menigmaal had
-Vader haar die aangewezen!--
-
-Dan was zij dus toch een eindje uit de juiste richting gekomen--dien
-kant moest zij op en niet dezen.--
-
-Vol vertrouwen ging Gella op de ster af.--
-
-Werd zij zachtjes aan den arm getrokken?
-
-Ja--Schaduw deed 't, de trouwe dienaar van de goede fee. Gella zag
-hem niet en liep onverstoord door--nu op een drafje, want ze kreeg
-op eens erg verlangen naar huis en naar Moeder.--
-
-Hoe verder zij kwam, des te onbehagelijker werd 't haar echter te
-moede; zij wist zelf niet, wat er aan mankeerde. De lucht, anders zoo
-frisch en zuiver, scheen nare, benauwde dampen met zich te voeren.--'t
-Ademhalen werd haar moeilijk--toch liep zij voort. Ginds wenkte
-ster bij ster--steeds meer lichtjes zag zij tintelen. 't Was zeker
-gezichtsbedrog, maar zij geleken wel uit den grond op te komen. 't
-Kwam bepaald, doordat de grond zoo heuvelachtig was, dacht Gella,
-die het steeds meer te kwaad kreeg met de kwalijkriekende dampen,
-welke de atmosfeer verontreinigden.
-
-Een onheilspellende, donkere, geheimzinnig aandoende massa strekte
-zich tot aan den gezichtseinder uit--scheen naderbij te komen--en
-die lichtjes, die lichtjes.--
-
-Weer had Schaduw haar waarschuwend aan den arm getrokken. Gella stond
-even stil. 't Was alsof zij zich iets herinnerde. Wat was 't toch?--
-
-Zij dacht aan haar tocht vanmorgen door 't in lentezon lachende
-landschap,--aan den vroolijken Leeuwerik, 't Voorjaarskoeltje, 't witte
-Wolkje--en--aan 't lied op die zangerige melodie, dat ze gehoord had!--
-
-Nù was 't stil, angstig stil--geen lied drong tot haar door.--
-
-Wat had Petemoei ook weer gezegd bij 't afscheid?
-
-"Zal je 't versje niet vergeten, kind?"--Gella meende haar stem nog
-te hooren, zoo vriendelijk bezorgd, zoo dringend.--
-
-Welk versje?--Wel, dat van vanmorgen--dat de Leeuwerik gezongen had. Of
-had deze 't niet gedaan? Was 't dat kleine vogeltje geweest? Gella
-wist 't niet, maar wèl wist zij, hoe de woorden van 't lied geklonken
-hadden. Heel, heel duidelijk vernam zij ze op dit oogenblik aan
-haar oor:
-
-
- "Al wie zijn eigen weg wil gaan,
- ziet dwaallicht vaak voor sterren aan--
- en, gaat hij op dat schijnsel door,
- dan raakt hij licht van 't rechte spoor!"--
-
-
-Hoe juist van pas kwam deze waarschuwing 't eigenwijze, op eigen
-kracht en inzicht vertrouwende kind!--
-
-Gella slaakte een kreet. Nù wist zij het--nu wist zij het, ginds
-strekten zich de verraderlijke moerassen voor haar uit, die met hun
-dwaallichten zoo menigen reiziger van den rechten weg hadden gelokt
-om hem straks reddeloos te doen omkomen.--
-
-Hoe menigmaal had Vader er over gesproken, er voor gewaarschuwd!--
-
-Maar--als van dien kant dus verderf lokte--de benauwde dampen werden
-zoo dicht, dat ze haar reeds dreigden te bedwelmen, waar moest zij
-dàn heen? Waar lag haar thuis?
-
-De flinke Gella, die zelf alles 't beste wist, veel beter dan Vader
-en Moeder, en de hulp van Petemoei zelfbewust had afgewezen, stond
-daar nu echt, als 't kleine meisje, dat ze feitelijk was, troosteloos
-en verlaten, geen raad wetend!--
-
-Arme Gella! Maar ook gelukkige Gella, want nù pas, nu ze in zichzelf
-hulpeloos was en klein, kon ze waarlijk geholpen worden. Nù voelde
-ze haar machteloosheid van dit oogenblik niet alleen, maar ook haar
-ongehoorzaamheid, haar zelfoverschatting van dezen ochtend en van
-zoo menigen dag eerder.--
-
-De trouwe Schaduw was op zijn post en volgens de bevelen zijner
-meesteres nam hij Gella nu aan de hand en voerde 't geheel van streek
-zijnde kind, dat zijn leiding ternauwernood bespeurde, veilig en
-zeker naar huis.
-
-
-
-Van dien dag af werd Gella een ander persoontje. Bij haar eerstvolgend
-bezoek overtuigde haar Petemoei er zich tot haar vreugde van.
-
-Nooit echter vergat Gella, hoe oud ze ook werd, 't lied, dat voor
-haar zoo beslissend was geweest.
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Bladz.
-
- Tòch een goed begin 5
- Alleen! 18
- Tafels kijken 28
- Geen bangerd 39
- De oude noteboom 45
- Weer goed gemaakt 54
- De kersen 65
- Van twee paar pantoffeltjes en nog wat 78
- Juffrouw's Pinkstertuintje 91
- De kleine houtsnijder 103
- Eddie's boodschap 112
- Gella's Peet 118
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Zie titelplaat.
-
-[2] Zie plaatje omslag.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Verteluurtje, by
-Alberdina Hermanna Schlüter and J. Wiegman
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERTELUURTJE ***
-
-***** This file should be named 51345-0.txt or 51345-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/1/3/4/51345/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.